Zoelen van varkens en implicaties voor dierenwelzijn - Wakker Dier

wakkerdier.nl

Zoelen van varkens en implicaties voor dierenwelzijn - Wakker Dier

1 Inleiding

Rapport 381

“Wallowing is especially notable among pigs and piglike animals (Sowls, 1984)” (cited from Butler,

1995). Zoelen, het bedekken van het lichaamsoppervlak met modder (of een daarop lijkende

substantie), is een natuurlijk gedrag dat betrekkelijk soortspecifiek is voor varkens in vergelijking met

andere gedomesticeerde diersoorten. Het is mogelijk intrinsiek gemotiveerd gedrag (‘hardwired’) en

belangrijk voor het welzijn van varkens. Desondanks heeft het betrekkelijk weinig aandacht gehad in

het onderzoek naar dierenwelzijn.

Een groep internationale deskundigen gaf eerder ook een uitermate lage weegfactor-score aan het

attribuut ‘zoelen’ (een score van 1,4 op een schaal van 0 tot 10, Bracke et al., 2002b). In een RDArapport

over het natuurlijk gedrag van het varken werden slechts zeven zinnen aan het modderbad

besteed op een totaal van 55 pagina’s (RDA 2006), en in drie generieke artikelen over natuurlijk

gedrag van landbouwhuisdieren werd zoelen helemaal niet genoemd (Jensen en Toates, 1993;

Spinka, 2006; Bracke en Hopster, 2006).

Jensen en Toates (1993) vinden dat dieren ethologische (gedragsmatige) behoeften kunnen hebben,

d.w.z. “needs to perform particular behaviours when the physiological needs of the animal are taken

care of”. Ze starten met de waarneming dat “[a]ccording to current theory, there exist apparent

behavioural needs to perform parts of the behavioural repertoires of animals, fulfilling some or all of

the following three criteria: (1) the behaviour patterns are mainly caused by internal factors; (2) the

tendencies are gradually built up while they are not being performed; (3) the mere performance of the

behaviour patterns is rewarding.” Echter, Jensen en Toates (1993) merken op dat motivatie altijd een

functie van zowel interne als externe factoren is, en dat zij geen reden zien waarom een

gedragsexpressie een behoefte (‘need’) moet zijn als de neiging ertoe toeneemt over de tijd en niet

wanneer andere motivationele processen verantwoordelijk zijn voor variatie in de expressie. Met

andere woorden: gedragingen die niet zo sterk op de automatische piloot worden uitgevoerd kunnen

desondanks toch ethologische behoeften zijn.

Varkens kunnen erg gemotiveerd zijn om in modder te zoelen, maar dit is vooral gereguleerd door de

omgevingstemperatuur. Jensen en Toates (1993) stellen echter ook voor dat het predicaat ‘need’

vereist dat er sprake is van lijden (verminderd welzijn) wanneer het gedrag niet uitgevoerd kan

worden. Volgens de auteur van dit rapport (MB), echter, is dit formeel niet vereist, omdat de term

‘need’ (behoefte) ook gebruikt kan worden voor (belangrijke) bijdragen aan positief welzijn (Bracke en

Hopster, 2006).

Spinka (2006) stelde dat “a large class of natural behaviours is associated with positive affective

experience, and thus their performance directly enhances animal welfare.” Het is niet duidelijk of

zoelen een natuurlijk gedrag is volgens deze auteur.

Bracke en Hopster (2006) definieerden natuurlijk gedrag als gedrag “that animals tend to perform

under natural conditions, because it is pleasurable and promotes biological functioning”. Ook al werd

zoelen niet expliciet genoemd in het artikel, zoelen is vermoedelijk een natuurlijk gedrag volgens deze

definitie, omdat onder natuurlijke of ‘ad lib’ condities (d.w.z. wanneer varkens een vrije keuze zouden

hebben) zij de neiging hebben te zoelen, vermoedelijk omdat het aangenaam is en biologisch

functioneren bevordert.

Dit rapport onderzoekt welk wetenschappelijk werk gedaan is naar zoelgedrag bij varkens en

aanverwante diersoorten en beschrijft hoe, wanneer en waarom varkens zoelen, en waarom het wel of

niet belangrijk is voor het welzijn van varkens. Het rapport verkent in het bijzonder de optie dat zoelen

als zodanig aangenaam kan zijn voor het varken.

Voor een praktische inschatting van welzijn is het concept van de vijf vrijheden geformuleerd

(Brambell, 1965; FAWC, 1992, 2009), waarbij één vrijheid als regel geïnterpreteerd wordt als het

vermogen van dieren om hun normale of natuurlijke gedrag te vertonen. Belangrijke voorbeelden van

zulke natuurlijke gedragingen van landbouwhuisdieren zijn verschillende voedselzoekgedragingen

(bijv. wroeten van varkens en scharrelen van kippen), nestbouwen van zeugen en leghennen, en

stofbaden van pluimvee (Toates en Jensen, 1993; Anon., 2001; Spinka, 2006).

De vijf vrijheden zijn (FAWC, 2009):

Freedom from hunger and thirst

Freedom from discomfort

Freedom from pain, injury and disease

Freedom to express normal behaviour

Freedom from fear and distress

De tweede en de vijfde vrijheid betreffen discomfort en distress die gerelateerd kunnen zijn aan

zoelen, bijv. wanneer het helpt om hittestress te verminderen.

De vierde vrijheid wordt ook wel meer volledige omschreven als:

1

More magazines by this user
Similar magazines