Gemeente Opmeer Plan van aanpak handhaving permanente ...

permanent.wonen.recreatiewoning.nl
  • No tags were found...

Gemeente Opmeer Plan van aanpak handhaving permanente ...

Gemeente OpmeerPlan van aanpak handhavingpermanente bewoningrecreatieobjectenDefinitief concept


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectenGemeente OpmeerPlan van aanpak handhaving permanentebewoning van recreatieobjectenDEFINITIEF CONCEPTMB-ALL B.V.Datum : 21 februari 2007© 2007 MB-ALL B.V.De informatie in dit document mag noch geheel nochgedeeltelijk op enigerlei wijze worden aangepast,gewijzigd, verspreid of verveelvoudigd zondervoorafgaande toestemming van MB-ALL B.V.2


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectenINHOUDSOPGAVEAanleiding en opdracht p. 4Opbouw van het plan van aanpak p. 4Deel 1 Beleid en uitvoering1. Kenschets van de problematiek p. 52. Effecten van permanente bewoning p. 53. Recreatieterreinen in de gemeente Opmeer p. 64. Juridisch-planologisch kader p. 75. Definitie van permanente bewoning p. 86. Omvang van de problematiek p. 97. Rijks- en provinciaal beleid p. 108. Gemeentelijk beleid p. 149. Wijze van handhaving van permanente bewoning p. 1710 Privacyaspecten p. 1711. Communicatie en voorlichting p. 18Deel 2 Handhavings- en uitvoeringsstrategie1. Inleiding p. 212. Instrumenten opsporing en aanpak permanente bewoning in Opmeer p. 213. Opsporing en handhaving permanente bewoning in Opmeer p. 224. Stappenplan handhaving permanente bewoning p. 235. Sanctietoepassing en begunstigingstermijnen p. 256. Toepassing Wet Economische Delicten p. 277. Interne beheersorganisatie/projectcoordinatie p. 278. Handhavingsambitie en uitvoeringsprogramma p. 289. Bijlagen p. 303


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectenAanleiding en opdrachtNaar aanleiding van de beleidsbrief van de minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening enMilieu van 11 november 2003 heeft de raad van de gemeente Opmeer op 15 september 2004besloten de recreatieve bestemming van de in de gemeente aanwezige recreatieterreinen niet tewijzigen. Dit betekent dat het verbod op permanente bewoning, zoals dat is vastgelegd in de geldendebestemmingsplannen onverkort van kracht blijft en de gemeente Opmeer actief permanente bewoningzal handhaven.Ter nadere onderbouwing en uitwerking van het beleid en de uitvoering van de handhaving vanpermanente bewoning heeft de gemeente Opmeer MB-ALL B.V. opdracht gegeven een plan vanaanpak te ontwikkelen. Dit plan van aanpak vormt het beleids- en uitvoeringskader voor dehandhaving van permanente bewoning in de gemeente.Opbouw van het Plan van AanpakHet voorliggende plan van aanpak is opgebouwd uit twee onderdelen. Deel 1 omvat het beleid- enuitvoeringsdeel. Hierin wordt het beleid van de gemeente, zoals dat op basis van de geldendebestemmingsplannen en de beleidskeuzes in eerdergenoemde brief van de minister, is bepaaldweergegeven. Daarnaast is op hoofdlijnen beschreven op welke wijze de gemeente Opmeer invullinggeeft aan de handhaving van overtredingen van het verbod op permanente bewoning.In deel 2 is de handhavings- en uitvoeringsstrategie neergelegd. In dit deel worden de algemeneopmerkingen die hierover in het beleidsdeel zijn gemaakt worden hier uitgewerkt door middel van eenbeschrijving van de wijze waarop het beschikbare instrumentarium om permanente bewoning op tesporen en te handhaven worden ingezet, een omschrijving van de handhavingsprocedures en eenuitvoeringsprogramma.4


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectenDeel 1Beleid en uitvoering1. Kenschets van de problematiekPermanente bewoning van recreatieobjecten is een verschijnsel dat zich niet beperkt tot detoeristische gebieden bij uitstek, zoals de Veluwe en de kuststreek. Alle gebieden die eenaantrekkelijke woonomgeving vormen en/of waar de druk op de lokale woningmarkt groot is hebben temaken met permanente bewoning van recreatieobjecten. Het verschijnsel doet zich vooral voor oprecreatieterreinen die verouderd zijn en op terreinen waar de woningen aan afzonderlijke eigenarenzijn verkocht zonder dat er nog sprake is van toeristische verhuur.Permanente bewoning vindt niet alleen plaats door mensen die er bewust voor kiezen om in eenaantrekkelijke groene omgeving te wonen. Een aanzienlijke groep van de mensen die permanent ineen recreatiewoning woont wordt gevormd door inwoners uit de eigen of omliggende gemeenten. Hetgaat dan vaak om personen die niet in staat zijn een reguliere woning te kopen of te huren (starters,mensen met een laag inkomen). Ook in situaties van bijzondere persoonlijke omstandigheden (zoalsechtscheiding of inkomstenverlies biedt een recreatiewoning veelal op de korte termijn uitkomst.Landelijk gezien is het aandeel vutters en gepensioneerden in de groep permanente bewoners hetgrootst (38%). Inwoners uit de eigen gemeente en mensen met (sociale) problemen vormen metrespectievelijk 28% en 13% ook een grote groep. Voor de gemeente Opmeer zijn er geen specifiekecijfers bekend over de groepssamenstelling van de permanente bewoners op de recreatieterreinen.2. Effecten van permanente bewoningPermanente bewoning van recreatieobjecten heeft zowel negatieve als positieve gevolgen. Bij deafweging van het maatschappelijke belang van handhaving van het verbod op permanente bewoningtegenover de belangen van de betrokken permanente bewoners spelen deze effecten een rol.Negatieve effecten van permanente bewoning zijn:a. aantasting van het buitengebiedHet buitengebied is een publiek bezit waar iedereen in de gelegenheid moet zijn vrij te recreëren, teontspannen en van natuur en landschap te genieten. Het gebruik van recreatieobjecten voorpermanente bewoning staat haaks op deze doelstellingen.b. onttrekking van de bestaande hoeveelheid recreatieverblijven.Permanente bewoning leidt tot onttrekking van de betreffende objecten aan de recreatievedoeleinden. Hierdoor ontstaat er mogelijk elders in het gebied of ergens anders meer behoefte aanrecreatieterreinen. Dit kan leiden tot een grotere ruimteclaim in het buitengebied.c. veranderende ruimtelijke belevingDe ruimtelijke indeling van een terrein verandert doordat van oorsprong natuurlijk ogenderecreatieterreinen worden aangekleed met schuren, hekken, terrassen e.d.. Hierdoor krijgt het terreinsteeds meer het aanzicht van een woonwijk. Een woonwijk die als zodanig ontwikkeld moet voldoenaan de stedenbouwkundige eisen die hieraan mogen worden gesteld, zoals ontsluiting en5


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectenwijkvoorzieningen. Bij recreatieterreinen gelden echter andere stedenbouwkundige uitgangspunten,zodat het vereiste voorzieningenniveau ontbreekt.d. groter beslag op maatschappelijke voorzieningenVoor de zorg- en welzijnsinstellingen kan permanente bewoning nadelige gevolgen hebben. Er zaleen groter beslag worden gelegd op collectieve voorzieningen zoals de Wet voorzieningengehandicapten, sociale uitkeringen en de thuiszorg.Permanente bewoners doen ook een beroep op algemene voorzieningen als verwijdering vanhuishoudelijk afval, straatverlichting, wegverharding, gemeentereiniging. Wanneer zij zich niet hebbeningeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) van de gemeente staat hier geenbijdrage uit het Gemeentefonds tegenover.e. problemen van sociale aardOp een recreatieterrein kunnen spanningen ontstaan tussen permanente bewoners envakantiegangers, doordat de leefpatronen van beide groepen verschillen.f. negatieve gevolgen voor de lokale economieToeristen en recreanten hebben een ander uitgavenpatroon dan permanente bewoners. Recreantenbesteden in het algemeen meer dan permanente bewoners. Vooral de horecasector ondervindtnegatieve gevolgen van permanente bewoning.Naast de genoemde negatieve gevolgen zijn er ook enkele positieve aspecten te verbinden aanpermanente bewoning van recreatieobjecten.a. extra inkomsten uit het GemeentefondsIndien permanente bewoners zich laten inschrijven in de GBA neemt de uitkering uit hetGemeentefonds toe.b. (tijdelijke) opvang van woningzoekendenDe bewoning van recreatieobjecten kan ruimte bieden voor op opvang van woningzoekenden.c. sociale controle op de recreatieterreinenDe continue aanwezigheid van bewoners op de recreatieterreinen kan vandalisme, inbraak of diefstalop een recreatieterrein verminderen.d. toename van draagvlak voor maatschappelijke verenigingenDoordat het aantal inwoners toeneemt ontstaat er meer draagvlak voor verenigingen en instellingenmet een maatschappelijke functie (te denken valt hierbij aan sportverenigingen e.d.).3. Recreatieterreinen in de gemeente OpmeerIn de gemeente Opmeer zijn twee recreatieterreinen aanwezig. Recreatiepark West-Friesland/Bungalowpark Onder de PerelaerDit recreatiepark bestaat uit circa 299 stacaravans en chalets. Recreatiepark aan De Bongerd/WilhelminalaanOp dit recreatiepark staat 42 recreatiewoningen verspreid langs de Wilhelminalaan en De Bongerd.6


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjecten4. Juridisch-planologisch kader4.1 BestemmingsplanvoorschriftenWilhelminalaan/De BongerdDe recreatieterreinen aan de Wilhelminalaan en De Bongerd in Aartswoud vallen onder hetbestemmingsplan Aartswoud 1974 van de voormalige gemeente Hoogwoud. Dit bestemmingsplan isvastgesteld op 5 april 1977. De gronden waarop de recreatieobjecten staan hebben de bestemming‘Recreatieve doeleinden’ (artikel 15, gebouwen ten dienste van de verblijfsrecreatie met bijbehorendeerven). Volgens de voorschriften zijn de gronden bestemd voor vrijstaande recreatieobjecten en debijbehorende andere bouwwerken en erven.Op grond van artikel 3, onder a mogen de gronden bestemd voor recreatieve doeleinden slechtsworden gebruikt overeenkomstig de bestemming. Volgens artikel 3, onder b geldt ten aanzien van degebouwen ten dienste van de verblijfsrecreatie dat deze eveneens slechts mogen worden gebruiktovereenkomstig de bestemming.In het bestemmingsplan is geen definitie opgenomen van hetgeen onder ‘verblijfsrecreatie’ moetworden verstaan. Nu het bestemmingsplan geen nadere definiëring geeft moet voor een uitleg van hetbegrip verblijfsrecreatie worden aangesloten bij hetgeen hieronder in het algemene spraakgebruikwordt verstaan. In het algemeen wordt ‘verblijfsrecreatie’ gedefinieerd als: recreatief verblijf door(groepen van) personen die hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben 1 .Het ontbreken van een definitie van verblijfsrecreatie doet niet af aan de recreatieve bestemming vande gronden. Uit de omschrijving van de bestemming en de algemeen aanvaarde definitie vanverblijfsrecreatie, blijkt voldoende dat ander gebruik dan de gronden bedoeld zijn voor recreatiefgebruik. Omdat in artikel 3 ander gebruik dan volgens de bestemming is toegestaan wordt verbodenkan worden gesteld dat permanente bewoning van de recreatieobjecten niet is toegestaan.Recreatiepark West-Friesland (Onder de Perelaer)De recreatieobjecten op recreatiepark West-Friesland vallen onder het bestemmingsplan‘Bungalowpark Onder de Perelaer-Recreatiepark West-Friesland’ en hebben de bestemming‘recreatiewoningen’ (artikel 4) en ‘Kampeerterrein’ (artikel 7). Volgens de voorschriften bij dezebestemming mogen op de gronden die voor recreatiewoningen zijn bestemd uitsluitend wordengebouwd: recreatiewoningen in één bouwlaag; aanbouwen, aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen; bij de recreatiewoning behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals keermuren,terreinafscheidingen en pergola’s.Het gezamenlijke oppervlak van alle gebouwen en bouwwerken mag 60 m2 bedragen.Volgens de begripsbepalingen van het bestemmingsplan moet onder een recreatiewoning wordenverstaan: een gebouw, geen woonkeet of caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, dat periodiekdient als verblijf voor recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben.1 Bron: Modelbestemmingsplannen, VNG7


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectenOp grond van het bepaalde in artikel 7 mogen de gronden bestemd tot ‘kampeerterrein’ wordengebruikt voor de aanleg van een kampeerterrein, daaronder begrepen de bouw c.q. aanleg vanstandplaatsen voor sta- en toercaravans, kampeerauto’s en tenten. Per standplaats van eenstacaravan mag 1 vrijstaande berging worden gebouwd met een maximale oppervlakte van 5 m2, eenhoogte van 2,5 meter en een nokhoogte van 3 meter.Artikel 14 van het bestemmingsplan bevat voorschriften over ander gebruik van de gronden danbebouwing en betreffende het gebruik van opstallen. Op grond van artikel 14 lid I is het verboden de inde artikelen 3 tot en met 13 bedoelde gronden en opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doelstrijdig met de aan de grond en opstallen gegeven bestemming. Volgens artikel 14, lid III wordt tot eenander gebruik strijdig met de bestemming zoals bedoeld in lid I in ieder geval gerekend het gebruikvan de in artikel 4 bedoelde opstallen (recreatiewoningen) voor permanente bewoning en voor al danniet recreatieve bewoning buiten het zomerseizoen.Op grond van artikel 14 lid IV zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen vanhet verbod van recreatieve bewoning buiten het zomerseizoen, met dien verstande dat door hetverlenen van vrijstelling geen permanente bewoning kan ontstaan.Uit voorgaande voorschriften blijkt voldoende dat permanente bewoning op grond van de voorschriftenvan het bestemmingsplan niet is toegestaan.4.2 Overgangsrechtelijke situaties van permanente bewoningIn de brief van minister Dekker wordt het overgangsrecht buiten beschouwing gelaten. Ookhiermee dient echter terdege rekening gehouden te worden, aangezien het mogelijk is dat iemanddie al enige jaren permanent woont in een recreatiewoning, een beroep op het overgangsrechtvan het ter plaatse geldende bestemmingsplan kan doen. Op grond van het overgangsrecht magin bepaalde gevallen ten tijde van het van kracht worden van een nieuw bestemmingsplan, bestaandillegaal gebruik onder het nieuwe bestemmingsplan worden voortgezet. Als sprake is vanillegale permanente bewoning gedurende een reeks van jaren, komt het voor dat in de tussentijdhet bestemmingsplan wordt gewijzigd. Indien burgemeester en wethouders na de inwerkingtredingvan het nieuwe bestemmingsplan handhavend wensen op te treden, kunnen zij geconfronteerdworden met een beroep op het overgangsrecht.Er is in de gemeente Opmeer slechts 1 overgangsrechtelijke situatie van permanente bewoningbekend op het recreatieterrein De Bongerd/Wilhelminalaan. Voor het overige zijn geenovergangsrechtelijke situaties van permanente bewoning op de recreatieterreinen bekend. Het is nietuit te sluiten dat er andere situaties van permanente bewoning zijn die door het overgangsrechtworden beschermd. Indien bewoners een beroep doen op overgangsrechtelijke bescherming zullen zijeen dergelijk beroep met objectieve bewijzen moeten onderbouwen.5. Definitie van permanente bewoningBeide hiervoor aangehaalde bestemmingsplannen geven geen definitie van hetgeen onderpermanente bewoning moet worden verstaan. In het bestemmingsplan “Bungalowpark Onder dePerelaer/Recreatiepark West-Friesland’ is wel een definitie opgenomen van ‘recreatiewoning’. Hierinwordt aangeven dat een recreatiewoning dient voor periodiek verblijf voor recreanten die hunhoofdverblijf elders hebben. Voor het bepalen of er sprake is van recreatief verblijf (of wel periodiekverblijf voor recreanten) is daarom bepalend of de personen elders hun hoofdverblijf hebben. Met8


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectenandere woorden: er is geen sprake van recreatief gebruik van de recreatiewoning als derecreatiewoning dient als hoofdverblijf.In het bestemmingsplan Aartswoud is er geen definitie in het bestemmingsplan opgenomen vanrecreatieve doeleinden of permanente bewoning. Ook is geen definitie opgenomen van het begrip‘verblijfsrecreatie.’Bij beantwoording van de vraag wat onder permanente bewoning moet worden verstaan kunnen uit dejurisprudentie een aantal criteria worden ontleend.Bij het bepalen of er sprake is van permanente bewoning staat het begrip hoofdverblijf centraal. Zoalsook al blijkt uit de definitie van ‘recreatiewoning’ in het bestemmingsplan “Bungalowpark Onder dePerelaer/Recreatiepark West-Friesland’ is er sprake van recreatief gebruik indien de gebruikers vande recreatiewoning hun hoofdverblijf elders hebben.Permanente bewoning wordt dan ook gedefinieerd als: bewoning van een recreatieverblijf alshoofdverblijf.Op basis van jurisprudentie zijn enkele criteria te destilleren, die mogelijke aanwijzingen voor hetgebruiken van de recreatiewoning als hoofdverblijf en daarmee voor permanente bewoning zijn: Men staat ingeschreven in het GBA op het adres van de recreatiewoning of (sta)caravan; Men heeft niet de beschikking over een hoofdverblijf elders; Men betaalt alle gemeentelijke belastingen in de gemeente; Het sociale en maatschappelijke centrum van de bewoners ligt bij de recreatiewoning.Op grond van het voorgaande wordt als hoofdverblijf aangemerkt: ‘een gebouw of een deel van eengebouw dat fungeert als de plaats waar het centrum van de sociale en maatschappelijke activiteitenvan betrokkene ligt.’6. Omvang van de problematiekDe omvang van de permanente bewoning in de gemeente Opmeer is geschat op basis van degegevens die uit de Gemeentelijke basisadministratie van de gemeente voorhanden zijn. Op basisvan inschrijvingen in de Gemeentelijke basisadministratie is de omvang van de permanente bewoningals volgt:Recreatieterrein Aantal recreatieobjecten Aantal recreatieobjecten met tenminste 1 inschrijving in de GBAWilhelminalaan 32 9Bongerd 11 7Recreatiepark West-Friesland 299 8Totaal 341 24 (7%)De daadwerkelijke omvang van de bewoning is naar alle waarschijnlijkheid groter dan op basis van deinschrijvingen in de GBA blijkt. Er zijn naar verwachting ook gevallen van permanente bewoningwaarbij de bewoners niet staan ingeschreven in de GBA van Opmeer. Vooral op recreatiepark West-Friesland mag worden verwacht dat, gelet op de omvang van het park, het aantal gevallen vanpermanente bewoning hoger ligt.9


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjecten7. Rijks- en provinciaal beleid inzake permanente bewoning7.1 RijksbeleidVooruitlopend op de Nota Ruimte heeft de minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening enMilieu bij brief van 11 november 2003 aan gemeenten en provincies haar standpunt kenbaar gemaaktover permanente bewoning. In deze brief heeft de minister aangekondigd dat in de Nota Ruimte aanprovincies en gemeenten meer ruimte geboden wordt voor woningbouw in het buitengebied, nietzijnde gebieden die in de Nota Ruimte als waardevol en/of kwetsbaar worden aangemerkt(ecologische hoofdstructuur, Vogel- en Habitatrichtlijngebieden, de huidige bufferzones en de in deNota Ruimte nader te bepalen Nationale Landschappen. Dit betreft niet alleen het bouwen van nieuwewoningen maar ook het realiseren van functieveranderingen en herbestemming van bestaandebebouwing. Het wijzigen van een recreatiebestemming naar een woonbestemming is in dit kaderbezien dan ook niet per definitie bezwaarlijk, mits aan de gebruikelijke voorwaarden die vantoepassing zijn op de reguliere woningbouw wordt voldaan. Alleen bouwwerken die voldoen aan detechnische eisen voor een woning (Bouwbesluit), kunnen als zodanig worden aangemerkt. Alle anderetypen recreatieverblijven zijn logiesverblijven welke niet gebruikt mogen worden voor permanentebewoning.Gezien de beleidsverruiming wordt gemeenten en provincies de mogelijkheid geboden om voorcomplexen van recreatiewoningen waar nu feitelijk in grote mate onrechtmatig wordt gewoond eenbestemmingswijziging door te voeren.Dit geldt voor complexen: die op 31 oktober 2003 in grote mate onrechtmatig worden bewoond; die zijn gelegen buiten de hierboven genoemde waardevolle en/of kwetsbare gebieden; die thans niet bedrijfsmatig worden geëxploiteerd; waarvan de woningen voldoen aan het Bouwbesluit; en waarvan de bestemmingswijziging niet in strijd is met de toepasselijke milieuwetgeving.Over de voorwaarden voor legalisatie kan het volgende worden opgemerkt. Ten aanzien van hetcriterium ‘in grote mate onrechtmatig worden bewoond’ heeft de minister in antwoord op vragen vande Tweede Kamer opgemerkt dat hiermee wordt bedoeld dat het betreffende park voor meer dan dehelft permanent wordt bewoond.Wanneer een wijziging van het bestemmingsplan niet mogelijk is of een gemeente daartoe niet bereidis, kan voor bestaande situaties een persoonsgebonden beschikking worden verleend. Dezeuitzondering is alleen van toepassing voor de desbetreffende woning. De beschikking is ook nietoverdraagbaar en vervalt op het moment dat de huidige bewoner verhuist of overlijdt. Voor debeoordeling of een persoonsgebonden gedoogbeschikking kan worden afgegeven moet de gemeenteeen peildatum vaststellen. Deze peildatum kan bijvoorbeeld de dag zijn dat de gemeente actief isbegonnen met handhaving. Het kabinet heeft de uiterste peildatum vastgesteld op 31 oktober 2003.Situaties van permanente bewoning die na deze datum ontstaan, komen niet in aanmerking voor depersoonsgebonden beschikking.10


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectenEen persoonsgebonden beschikking kan volgens de brief van de minister van 14 november 2003 dusook alleen worden afgegeven indien de recreatiewoning voldoet aan de eisen voor reguliere woningenin het Bouwbesluit. Het voorgaande betekent dat alle andere typen van recreatieverblijven, waaronderstacaravans en chalets, niet in aanmerking komen voor een persoonsgebonden beschikking.Bij brief van 17 november 2004 heeft de minister, mede naar aanleiding van opmerkingen vangemeenten over de toepassing van het Bouwbesluit, de mogelijkheden om een persoonsgebondenbeschikking te verlenen indien het object niet aan het Bouwbesluit voldoet, verruimt. In de brief van 17november 2004 geeft de minister gemeenten de ruimte om een persoonsgebonden beschikking vooreen recreatiewoning af te geven indien de recreatiewoning niet voldoet aan het Bouwbesluit. Eenvoorwaarde hierbij is dat er geen onaanvaardbare inbreuk op de veiligheids- en gezondheidsrisico’smag ontstaan. Dit laatste is ter afweging en beoordeling van het gemeentebestuur.De afgelopen maanden is er vanuit de Tweede Kamer een steeds luidere roep om een uniformeregeling voor het gedogen van bestaande situaties van permanente bewoning. De kern van dediscussie in de Kamer hierover is dat gemeenten duidelijkheid moeten geven aan bewoners. Ditbetekent dat gemeenten de keuze moeten maken tussen legalisatie, gedogen of handhaven. DeKamer heeft een motie aanvaardt waarin de minister wordt opgeroepen een wettelijke regeling tecreëren voor bewoners die al voor 31 oktober 2003 permanent in een recreatiewoning verbleven bijgemeenten die niet aantoonbaar helder en consequent zijn geweest in hun handhavingsbeleid eenpersoonsgebonden gedoogbeschikking op te eisen.De minister heeft aangegeven dat een opeisbare persoonsgebonden beschikking niet haar voorkeurheeft maar wel toegezegd na te willen gaan of het mogelijk is een wettelijke basis te creëren voor eenopvraagbare persoonsgebonden gedoogbeschikking. Hiervoor is een aanpassing van het huidigeBesluit op de Ruimtelijke Ordening (BRO) nodig om te bereiken dat de gemeente móet reageren opde aanvraag en dat een rechter deze reactie kan toetsen. Inmiddels is het concept besluit tot wijzigingvan artikel 20 Bro opgesteld.7.2. Wijziging Besluit ruimtelijke ordeningTer uitvoering van de bovengenoemde motie wordt de in artikel 20 van het BRO vervatte opsomminguitgebreid met een mogelijkheid die ziet op een afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve vanhet gebruik van een recreatiewoning als woongebouw mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.Wat betreft die nog te noemen voorwaarden is aansluiting gezocht bij de motie en aan voorwaardendie voor het nemen van een persoonsgebonden beschikking gesteld zijn in de brief van de ministervan Volkshuisvesting,Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de Voorzitter van de Tweede Kamerder Staten-Generaal d.d. 14 november2003 (Kamerstukken II, 2003/2004, 29200 XI, nr. 22) en d.d. 29november 2005 (Kamerstukken II, 2005/2006, 30300 XI, nr. 69). In tegenstelling tot de overige inartikel 20 BRO genoemde vrijstellingen – die op objectgebonden omstandigheden betrekking hebbenen algemeen van karakter zijn – gaat het in het geval van de hier gecreëerde uitbreiding om eenpersoonsgebonden vrijstelling.De regeling, die voorziet in de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen heeft een tijdelijk karakter. Hetgaat er verder om de uiterlijk óp de peildatum van 31 oktober 2003 al bestáánde probleemsituaties zospoedig mogelijk aan te pakken. Daarom is gekozen voor een wijziging van het van kracht zijnde BROom in díe situaties onder voorwaarden de bovengenoemde ‘afwijkingsmogelijkheid’ te kunnen bieden.11


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectenDe periode om een dergelijke vrijstelling aan te vragen eindigt dan ook bij de inwerkingtreding van eennieuw Besluit ruimtelijke ordening, naar verwachting in het vierde kwartaal van 2007. In het kader vande overgang van het huidige BRO naar het nieuwe Bro zal een overgangsregeling wordengeformuleerd, waarbij de verworven rechten gerespecteerd worden.Aldus wordt met dit wijzigingsbesluit in speciale gevallen een wettelijke vrijstellingsmogelijkheidgeschapen. Het is aan burgemeester en wethouders om te beoordelen of zij naar aanleiding van eenverzoek aan deze vrijstelling toepassing willen geven. Vanzelfsprekend houden zij bij hunoordeelsvorming rekening met het beleid van de andere overheden. Een eventueel negatief luidendereactie kan voortaan door een rechter getoetst worden.De vrijstellingverlening is geclausuleerd. Er zijn eisen gesteld aan de staat van de recreatiewoning:het moet gaan om een verblijf dat voldoet aan de eisen die bij of krachtens de Woningwet aan eenbestaande woning worden gesteld. Noch mag bewoning in strijd zijn met de milieuwetgeving.Tenslotte dient ook de aanvrager vóór, maar in elk geval op 31 oktober 2003 de recreatiewoning vooreigen bewoning gebruikt te hebben en die sedertdien onafgebroken te bewonen. Zoals gezegd gaathet om de situaties van onrechtmatige bewoning die vóór of uiterlijk óp de peildatum van 31 oktober2003 zijn ontstaan en sedertdien zonder onderbrekingen voortduren.Om te benadrukken dat de verruiming van de mogelijkheden voor het aanvragen van een vrijstellinggerelateerd is aan gemeenten die – zo luidt de motie - niet aantoonbaar helder en consequent zijngeweest in haar handhavingsbeleid, wordt in artikel 20 BRO een vijfde lid opgenomen waarin staat datvrijstelling in ieder geval wordt geweigerd indien verlening in strijd is met door de gemeente op depeildatum van 31 oktober 2003 ‘gevoerd handhavingsbeleid’. Gemeenten die op de peildatum van 31oktober 2003 over beleid beschikken moeten de aangevraagde vrijstelling weigeren. Gemeenten dieop een latere datum over beleid beschikken kunnen de aanvraag weigeren. De laatstgenoemdegemeenten zullen een weigering sterker moeten motiveren dan de gemeenten die op 31 oktober 2003wel beleid hadden.De wijziging van artikel 20 Bro is op dit moment nog niet in werking getreden. Wanneerinwerkingtreding plaatsvindt is op dit moment niet duidelijk.7.2 Beleid provincie Noord-HollandHet beleid van de provincie Noord-Holland is vastgelegd in het Streekplan en de Leidraad ProvinciaalOmgevingsbeleid. Het beleid ging uit van het verbieden van permanente bewoning vanrecreatiewoningen. Naar aanleiding van de brief van de minister van VROM van 11 november 2003heeft de provincie haar standpunt herijkt in de notitie “Permanente bewoning van recreatiewoningen”van 24 mei 2005. In onderstaand stroomschema is het beleid zoals vastgelegd in deze notitieaangegeven.12


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjecten13


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjecten8. Gemeentelijk beleid8.1 Geen legalisatieHet gemeentelijke beleid is in eerste instantie vastgelegd in de geldende bestemmingsplannen voorde recreatieterreinen (zie hiervoor hoofdstuk 5). Uitgangspunt van deze bestemmingsplannen is datpermanente bewoning van recreatieverblijven niet is toegestaan.Naar aanleiding van de brief van de minister van 11 november 2003 heeft de gemeente Opmeerstandpunt bepaald ten aanzien van de vraag in hoeverre de bestemming van de recreatiewoningen inde gemeente gewijzigd kan worden van een recreatie- naar een woonbestemming. Bij besluit van 15november 2004 heeft de raad van Opmeer (naar aanleiding van een raadsvoorstel van 9 september2004) besloten om beide parken niet in aanmerking te laten komen voor een bestemmingswijzigingomdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor legalisatie die de minister in haar beleidsbrief van11 november 2003 stelt.8.2 Bestaande gevallen van permanente bewoningIn het raadsvoorstel van 9 september 2004 is aangegeven dat voor bestaande gevallen vanpermanente bewoning, die zijn ontstaan voor 31 oktober 2003) een afzonderlijk voorstel zal wordengedaan over hoe met deze gevallen wordt omgegaan.Door het college is besloten over te gaan tot een gedoogstelsel voor bestaande gevallen vanpermanente bewoning op het recreatieterrein De Bongerd/Wilhelminalaan te Aartswoud. Debelangrijkste overwegingen om voor dit park een overgangsregeling te treffen is dat tegen permanentebewoning op dit park de afgelopen 15 jaar niet is opgetreden.Voor het bungalowpark in Opmeer wordt geen gedoogstelsel gehanteerd. Tegen permanentebewoning op dit park wordt consequent opgetreden. In de jaarlijkse mailing, die alle eigenaren krijgen,staat duidelijk aangeven dat permanente bewoning niet is toegestaan. Een ieder die zich in degemeentelijke basisadministratie op het adres van een recreatieverblijf op het park in Opmeer laatinschrijven krijgt ten allen tijde een brief waarin staat vermeld dat permanente bewoning niet istoegestaan. Alle bekend zijnde gevallen van permanente bewoning zijn in het verleden altijdgehandhaafd. Daarnaast voldoen de recreatieverblijven op het park in Opmeer niet aan hetBouwbesluit 2003, bestaande bouw (woonfunctie). Gelet op het rijksbeleid ten aanzien van gedogenin dergelijke gevallen is het verstrekken van gedoogbeschikkingen voor daarom niet gewenst.8.3. Gedoogstelsel recreatieterrein De Bongerd/Wilhelminalaan8.3.1 PeildatumIndien een aanvullend stelsel van persoonsgebonden beschikkingen als wenselijk wordt beschouwd ishet nodig een peildatum te hanteren. Deze peildatum dient als ijkpunt voor de handhaving. Allebewoning die na de peildatum is ontstaan moet worden gehandhaafd. Bewoning die voor depeildatum is ontstaan kan in aanmerking komen voor een persoonsgebonden beschikking voorzoverwordt voldaan aan de overige voorwaarden.14


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectenIn de beleidsbrief van de minister van 11 november 2003 wordt aangegeven dat de peildatum diegehanteerd mag worden voor een persoonsgebonden gedoogstelsel uiterlijk 31 oktober 2003 magzijn. Deze datum was vooral ingegeven om speculatie met recreatieobjecten te voorkomen en hangtsamen met de bekendmaking van het rijksbeleid inzake permanente bewoning. Inmiddels heeft deminister bij brief van 29 november 2005 aan de Tweede Kamer laten weten dat zij instemt met dekeuze van sommige gemeenten voor een latere peildatum, bijvoorbeeld de datum van vaststelling vanhet gemeentelijke beleid inzake permanente bewoning.De keuze van een peildatum is daarom in beginsel een beslissingsbevoegdheid van de gemeente.Op het moment dat het raadsbesluit van 15 september 2004 over de beleidskeuze naar aanleidingvan de brief van de minister van 11 november 2003 bekend is gemaakt wist, of althans kon iedereenop de hoogte zijn van het feit dat de gemeente actief optreedt tegen permanente bewoning. Hethanteren van de datum van bekendmaking van genoemd raadsbesluit als peildatum voor depersoonsgebonden beschikking biedt dan ook een goede basis voor de handhaving. Dit overwegendehanteert de gemeente Opmeer als peildatum voor het verstrekken van gedoogbeschikkingen voorpermanente bewoning op het recreatieterrein De Bongerd/Wilhelminalaan de datum 15 september2004.8.3.2 Inhoud en voorwaarden gedoogregeling De Bongerd/WilhelminalaanEen ieder die kan aantonen dat het recreatieobject op De Bongerd/Wilhelminalaan voor de peildatumvan 15 september 2004 voor permanente bewoning werd en wordt gebruikt, komt in aanmerking vooreen gedoogbeschikking voor onbepaalde tijdHet bewijs dat de bewoning voor de peildatum is begonnen kan worden geleverd door een inschrijvingin de GBA van voor de peildatum. Is een inschrijving in de GBA niet voorhanden dan kan door middelvan schriftelijke bewijsstukken alsnog worden aangetoond dat het recreatieobject door betrokkenpersoon als hoofdverblijf werd gebruikt. Een en ander is ter beoordeling aan de gemeente.Een gedoogbeschikking wordt alleen verstrekt als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden encondities:1. Het recreatieverblijf waarop de gedoogbeschikking betrekking heeft moet voldoen aan hetBouwbesluit 2003, bestaande bouw, woonfunctie (de afdeling BWTM heeft de recreatiewoningenin Aartswoud conform het Bouwbesluit geoordeeld);2. De gedoogbeschikking is persoonsgebonden;3. De persoonsgebonden gedoogbeschikking is niet overdraagbaar;4. De gedoogbeschikking geldt in principe voor onbepaalde tijd, met in acht name van het hiernavolgende maar komt te vervallen indien degene(n) aan wie deze is (zijn) verstrekt verhuisd(verhuizen). De gedoogbeschikking geldt dus niet voor eventuele rechtsopvolgers;5. Het is niet mogelijk de gedoogbeschikking over te laten schrijven op een ander recreatieobject;6. De gedoogbeschikking wordt op naam verstrekt aan de in de GBA ingeschreven hoofdbewoneren de op de peildatum volgens de GBA bij hem/haar inwonende partner. Eventuele op hetmoment van verstrekking van de gedoogbeschikking inwonende kinderen worden niet apart op debeschikking vermeld. Dit betekent dat eventuele kinderen slechts in het recreatieverblijf mogenwonen indien een van de beide ouders/verzorgers daar ook wonen;15


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjecten7. Personen die na de peildatum zijn komen inwonen bij de hoofdbewoner vallen niet onder degedoogbeschikking. Dit geldt ook voor eventuele kinderen ouder dan 18 jaar die na de peildatum(opnieuw) zijn komen inwonen bij de hoofdbewoner;8. Personen met een gedoogbeschikking moeten ingeschreven staan in de GBA van de gemeenteOpmeer. Indien men zich uitschrijft komt de gedoogbeschikking te vervallen. Het opnieuwinschrijven in de GBA geeft geen recht op een (hernieuwde) gedoogbeschikking;9. Degenen aan wie een gedoogbeschikking is verleend aanvaardt door het gebruikmaken daarvanalle risico’s die daaraan verbonden zijn en vrijwaart de gemeente van mogelijke schadeclaims alsgevolg van of in verband met gebruikmaking van de gedoogbeschikking.10. Eenmaal afgegeven gedoogbeschikkingen kunnen worden ingetrokken indien niet voldaan wordtaan de aan de gedoogbeschikking gestelde voorwaarden en bepalingen.Bij het vaststellen van de datum waarop een persoon permanent in het recreatieobject is gaan wonenis de GBA in eerste instantie leidend. Indien personen van mening zijn dat ondanks de datum vaninschrijving in de GBA of het ontbreken daarvan er toch sprake is van permanente bewoning die isbegonnen voor 15 september 2004, kunnen zij hiertoe bewijsmiddelen overleggen aan het collegevan burgemeester en wethouders.De eigenaar/verhuurder van een object zal, indien hij niet zelf de permanente bewoner is, door degemeente schriftelijk op de hoogte worden gesteld van de afgifte van eengedoogbeschikking aan de bewoner. Tevens zal hem worden bericht dat bij verkoop ofverhuur uitdrukkelijk dient te worden vermeld dat het recreatieobject niet permanent bewoond magworden of in gebruik mag worden gegeven aan een andere bewoner. De gedoogbeschikking treedtuiteraard niet in een eventuele privaatrechtelijke overeenkomst en daaruit voortvloeiendeverplichtingen tussen eigenaar/verhuurder en huurder, een en ander voor zover niet in strijd met dewet.16


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjecten9. Wijze van handhaving van permanente bewoningTegen gevallen van permanente bewoning waarbij de bewoner(s) geen aanspraak kunnen maken opeen persoonsgebonden gedoogbeschikking zal de gemeente Opmeer actief handhavend optreden.9.1 Wijze van opsporing permanente bewoningBij de opsporing van permanente bewoning zal de gemeente Opmeer actief gebruik maken van de terbeschikking staande instrumenten zoals GBA, andere administratieve bronnen zoals gegevens overhypotheekrenteaftrek en controles op de recreatieparken.Indien er op basis van (administratieve) controles sprake is van een verdenking van permanentebewoning worden eventueel andere bewijzen verzameld om het vermoeden van permanente bewoningverder te onderbouwen. Bij voldoende bewijs van permanente bewoning krijgt de betrokkene eenvooraankondiging van een aanschrijving met een last onder dwangsom.Bij de vooraankondiging wordt tevens de mogelijkheid geboden om een zienswijze tegen devoorgenomen aanschrijving in te dienen. Daarbij wordt ook de mogelijkheid geboden om mondeling teworden gehoord.Indien er op basis van de zienswijzenprocedure geen aanleiding is om af te zien van het voornemen totaanschrijving wordt de definitieve aanschrijving verzonden. Deze staat uiteraard open voor bezwaar enberoep.9.2. Fasering van de handhavingBij de afwikkeling van overtredingen zal een gefaseerde aanpak worden gehanteerd. Dit betekent datniet alle overtredingen tegelijkertijd zullen worden opgepakt, maar dat jaarlijks de handhavingslast zalworden bepaald aan de hand van de beschikbare capaciteit en middelen. De fasering in de afhandelingvan overtredingen zal jaarlijks door het college van burgemeester en wethouders worden vastgesteld inde vorm van een uitvoeringsprogramma ‘aanpak permanente bewoning.’Bij de fasering zal rekening worden gehouden met een verdeling van de handhavingszaken op beideparken.De handhaving zal zich zowel richten op personen die zich hebben ingeschreven in de GemeentelijkeBasisadministratie als ook op personen die permanent in een recreatiewoning wonen en zich niet inde Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente Opmeer hebben ingeschreven.10. PrivacyaspectenBij de handhaving van het verbod op permanente bewoning is enige vorm van registratieonontkoombaar. Persoonsgegevens van betrokken zullen worden verzameld en wordengeregistreerd, enerzijds om zicht te houden op eigenaren en bewoners van de recreatieobjecten enanderzijds in het kader van de bewijsverzameling.17


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectenOp grond van de Wet bescherming persoonsgegevens geldt voor elke vorm van verwerking vanpersoonsgegevens een meldingsplicht bij het College bescherming persoonsgegevens. In dezemelding moet opgave worden gedaan over het doel van de gegevensverwerking en wordenaangemeld welke gegevensbronnen daarbij worden geraadpleegd. De gemeente Opmeer heeft eendergelijke melding inmiddels gedaan.Bij de bewijsvoering van permanente bewoning maakt de gemeente Opmeer gebruik van eigenbestanden en registraties. Hieronder vallen in ieder geval de GBA, de leerplichtregistratie en degegevens van de gemeentelijke belastingen. Voor deze registraties is een afzonderlijke meldinggedaan bij het College bescherming persoonsgegevens. In deze meldingen is het gebruik van degegevens en registraties voor de aanpak van de permanente bewoning van recreatieverblijven in dedoeleindenomschrijving opgenomen.De verstrekking en het gebruik van de gegevens is voorbehouden aan daartoe aangewezen personenbinnen de gemeente.11. Communicatie en voorlichtingEen goede voorlichting aan en communicatie met alle betrokken personen en instanties vormt eenbelangrijke voorwaarde voor een succesvolle uitvoering van het beleid. Het schept helderewederzijdse verwachtingen en voorkomt discussie. Daarom is voorlichting en communicatie eenthema dat voortdurende aandacht behoeft en gedurende het gehele (handhavings)proces actueelblijft.Bij de voorlichting en communicatie over het beleid inzake permanente bewoning wordt een aantalafzonderlijke doelgroepen onderscheiden. Deze doelgroepen zijn: Eigenaren en/of gebruikers van de recreatieobjecten Makelaars, notarissen, hypotheekverstrekkers Derden-belanghebbenden, zoals belangenverenigingen MediaPer doelgroep wordt de voorlichting en communicatie zoveel mogelijk op maat vormgegeven.11.1 Algemene voorlichtingInformatiebrochureOm (potentiële) eigenaren/bewoners in eerste aanleg goed te informeren over het beleid van degemeente en de wijze waarop hieraan uitvoering wordt gegeven wordt voor eigenaren en gebruikerseen informatiefolder ontwikkeld waarin het beleid van de gemeente wordt toegelicht. In deze folderwordt aandacht besteed aan: De gemeentelijke beleidskeuzes naar aanleiding van de brief van de minister van 11 november2003 De definitie van permanente bewoning De wijze waarop overtredingen van het verbod op permanente bewoning worden gehandhaafd Veel gestelde vragen18


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectenWebsiteVia de gemeentelijke website zal continue geactualiseerde informatie worden aangeboden over hetbeleid, de uitvoering van de handhaving en actuele ontwikkelingen met betrekking tot permanentebewoning. Ook zal op de website een rubriek ‘veelgestelde vragen’ worden opgenomen waar debelangrijkste terugkerende vragen worden beantwoord en misverstanden wordt uitgelegd. De websitevormt hiermee de eerste informatiebron voor alle belangstellenden.ContactfunctionarisBinnen de gemeentelijke organisatie is de handhavingscoördinator verantwoordelijk voor allevoorlichting en communicatie over permanente bewoning, zowel extern als intern. Dehandhavingscoördinator is ook het eerste aanspreekpunt voor burgers. Telefonische en schriftelijkevragen worden door de handhavingscoördinator afgehandeld. Ook verzorgt de handhavingscoördinatorde interne instructies (bijv. aan de afdeling Burgerzaken).11.2 Voorlichting eigenaren en/of gebruikers recreatieobjectenDeze groep belanghebbenden vormt uiteraard de belangrijkste doelgroep in het kader van hethandhavingsbeleid. Binnen deze groep bestaat dan ook de meeste behoefte aan duidelijkheid overhet beleid van de gemeente Opmeer op het gebied van permanente bewoning. Een helderecommunicatie en voorlichting naar deze doelgroep heeft dan ook de prioriteit.De informatieverstrekking aan eigenaren en/of gebruikers van recreatieobjecten wordt als volgt vormgegeven: Aankondiging en vaststelling plan van aanpakAan de eigenaren/bewoners wordt een brief toegezonden waarin de vaststelling van het plan vanaanpak wordt aangekondigd. In deze brief wordt het concept plan van aanpak toegelicht.In het kader van de vaststelling door het college van burgemeester en wethouders zal het conceptplan van aanpak conform het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Openbarevoorbereidingsprocedure). In dat kader zal het concept plan van aanpak ter inzage worden gelegd.Gedurende een termijn van 4 weken kunnen belanghebbenden hun zienswijzen geven op het conceptplan van aanpak. De ter inzage legging zal worden aangekondigd via de gemeentepagina. Toezending informatiebrochureNadat het plan van aanpak definitief is vastgesteld wordt aan de eigenaren/bewoners tevens eeninformatiebrochure toegestuurd. Periodieke nieuwsbriefTen minste twee maal per jaar worden eigenaren/bewoners via een nieuwsbrief op de hoogtegehouden van de ontwikkelingen rondom permanente bewoning van recreatieobjecten en het beleidvan de gemeente hieromtrent.11.3 Voorlichting van makelaars, notarissen en hypotheekverstrekkersEen goede voorlichting en communicatie kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het voorkomenvan permanente bewoning. Vooral bij de aankoop van een recreatiewoning is daarom juistevoorlichting aan de daarbij betrokken personen van belang. In dat verband is het van belang ommakelaars, notarissen en hypotheekverstrekkers in de regio te informeren over het gemeentelijke19


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectenbeleid betreffende permanente bewoning. Zij spelen een sleutelrol bij de informatieverstrekking aaneigenaren-bewoners van recreatieobjecten. Naast het feit dat zij inhoudelijk van het gemeentelijkebeleid op de hoogte zijn is het ook van belang dat zij zich actief opstellen in de informatieverstrekking.Daarom is het van belang periodiek aandacht te vragen voor de voorlichting van cliënten.11.4 Derden-belanghebbenden (belangenverenigingen)Belangenverenigingen en/of verenigingen van eigenaren kunnen bij de voorlichting aan bewoners alsaanspreekpunt worden gebruikt. Daarom zal, in voorkomende gevallen, met eventuelebelangenverenigingen van bewoners regelmatig overleg plaatsvinden over de actualiteit van hethandhavingsbeleid. Ook zullen de belangenverenigingen als afzonderlijke partij op de hoogte wordengebracht van algemene brieven over het beleid en de uitvoering hiervan die aan bewoners wordenverstuurd.11.5 Voorlichting via mediaVia de media kan voorlichting op maat worden verstrekt. Daartoe zal de beleidsnotitie permanentebewoning via internet te downloaden zijn en zal op de gemeentelijke website informatie wordenverstrekt over de inhoud van de beleidsnotitie. In het plaatselijke huis-aan-huisblad zal met enigeregelmaat een publicatie over het beleid van de gemeente worden geplaatst.Daarnaast zal op strategische momenten door middel van persberichten en/of persconferenties hethandhavingsbeleid worden toegelicht.20


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectenDeel 2Onderdeel Handhavingsstrategie1. InleidingIn dit onderdeel worden de handhavings- en uitvoeringsstrategie voor permanente bewoning naderuitgewerkt. De algemene opmerkingen die hierover in het beleidsdeel zijn gemaakt worden hieruitgewerkt door middel van een beschrijving van de wijze waarop het beschikbare instrumentarium ompermanente bewoning op te sporen en te handhaven wordt ingezet, een omschrijving van dehandhavingsprocedures en een uitvoeringsprogramma. In dit uitvoeringsprogramma wordt tevens eeninschatting van de benodigde capaciteit in de verschillende disciplines (juridisch, administratief entoezicht) gegeven. Het uitvoeringsprogramma heeft betrekking op de jaren 2006-2007 en 2008 en isgebaseerd op de door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde handhavingsambitievoor het jaar 2006.2. Instrumenten opsporing en aanpak permanente bewoningOm voldoende bewijs te hebben dat iemand permanent in een recreatieobject verblijft, zal degemeente feiten en omstandigheden moeten verzamelen die de conclusie rechtvaardigen dat hetbetreffende object voor permanente bewoning wordt aangewend. Het criterium hierbij is zoals eerderopgemerkt het feit of de betrokkene het recreatieobject als hoofdwoonverblijf gebruikt. De bewijslastligt primair bij gemeente vervolgens is het aan de overtreder om een gerechtvaardigd vermoeden teweerleggen.Bij de bewijsverzameling maakt de gemeente ten minste gebruik van de volgende bronnen: Informatie uit de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Opmeer en anderegemeenten. Waarneming ter plaatse (visuele controles) Waarnemingen uit bezoeken van het opgegeven hoofdverblijf. Informatie van de belastingdienst over de aftrek van hypotheekrente. Informatie uit de leerplichtadministratie/registratie gemeentelijke belastingen/gemeentelijke socialedienst van de eigen en andere gemeenten. Openbare bestanden, zoals telefoongids. Gegevens uit het Kadaster. Gegevens van de Kamer van Koophandel Gegevens uit kentekenregistratie (RDW) Verklaringen van betrokkenen Gegevens over verbruik van water, electriciteit en gas (nutsvoorzieningen).In bijlage 1 bij deze notitie worden de hiervoor genoemde bronnen nader toegelicht.21


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjecten3. Opsporing en handhaving van permanente bewoning in OpmeerDe opsporing en handhaving van permanente bewoning vindt plaats door middel van dehiernavolgende werkprocessen.3.1 Controle van de GBA OpmeerZodra een inschrijving op het adres van een recreatiewoning heeft plaatsgevonden geeft de afdelingBurgerzaken de gegevens over de inschrijving door aan de verantwoordelijke afdeling AlgemeneZaken en Ruimtelijke Ordening.De afdeling Algemene Zaken en Ruimtelijke Ordening stuurt aan de ingeschreve(n) direct een briefwaarin er op wordt gewezen dat permanente bewoning van recreatieobjecten niet is toegestaan endat de gemeente hiertegen kan optreden door het opleggen van een last onder dwangsom.3.2 Beperkt administratief onderzoekNaast de vermoedens van permanente bewoning die op basis van inschrijvingen in de GBA wordenverkregen verricht de Afdeling Algemene Zaken en Ruimtelijke Ordening beperkt administratiefonderzoek naar permanente bewoning. Dit gebeurt vooral aan de hand van de controle op dewintersluiting van de parken. Indien er op basis van deze controle signalen over mogelijkepermanente bewoning van een object bij de gemeente binnenkomen, wordt een beperkt administratiefonderzoek naar dit object gestart. Dit administratieve onderzoek bestaat uit een controle van degegevens over de hypotheekrenteaftrek bij de Belastingsdienst en een controle van openbarebronnen.3.3 Uitgebreid administratief onderzoekIndien een object waar een vermoeden van permanente bewoning is ontstaan in eenhandhavingstraject wordt opgenomen wordt uitgebreid administratief onderzoek verricht omaanvullende bewijslast te verkrijgen ter ondersteuning van het vermoeden van permanente bewoning.Dit administratief onderzoek strekt zich in beginsel uit tot alle bronnen zoals genoemd in paragraaf2.1.3.4 Controles ter plaatseIndien een geval van permanente bewoning wordt opgenomen in een handhavingstraject worden bijhet betreffende object controles gehouden ter ondersteuning van de bewijslast.De frequentie van de controles is afhankelijk van het stadium van de handhavingsprocedure. In eersteinstantie wordt volstaan met een frequentie van 1 maal per maand. Zodra de definitieve last onderdwangsom is opgelegd wordt de frequentie verhoogd naar minimaal 1 maal per 2 weken.Van de controles wordt een proces-verbaal van bevindingen opgesteld. Tevens wordt bij elke controleeen digitale foto van het object gemaakt en wordt aangebeld om vast te stellen of er personenaanwezig zijn.22


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjecten3.5 Selectie van handhavingszakenJaarlijks wordt een beperkt aantal handhavingszaken in portefeuille genomen (zie hierover ookhoofdstuk 8). Dit betekent dat een selectie moet worden gemaakt van de gevallen van permanentebewoning die op basis van de controle van de GBA en uit het beperkt administratief onderzoek naarvoren zijn gekomen.De selectie van handhavingszaken vindt plaats aan de hand van een beoordeling van de beschikbarebewijslast. Daarnaast wordt bij het bepalen van de handhavingszaken een evenredige verdelingtussen de beide recreatieterreinen aangehouden. Ook wordt een evenredige verdeling aangehoudentussen zaken waarbij er sprake is van een inschrijving in de GBA en zaken waarbij een dergelijkeinschrijving ontbreekt.4. Stappenplan handhaving permanente bewoningIndien een situatie van permanente bewoning daadwerkelijk in een handhavingstraject wordtopgenomen worden daarbij de volgende stappen onderscheiden.Stap 1 : OnderzoekIndien op basis informatie uit de GBA of uit het eerste administratief onderzoek een vermoeden vanpermanente bewoning is ontstaan kan het betreffende object verder in onderzoek worden genomen.De gemeente dient immers voldoende bewijs aan te dragen dat er daadwerkelijk sprake is vanpermanente bewoning. Een nader onderzoek kan bestaan uit de volgende onderdelen: Nadere objectcontrolesHet object kan gedurende een langere periode en eventueel in een hogere frequentie wordengecontroleerd om vast te kunnen stellen of het object wordt bewoond of niet; Nader administratief onderzoek Door raadpleging van diverse administratieve bronnen kunnen aanwijzingen worden verzamelddie individueel en in combinatie met elkaar kunnen leiden tot de conclusie dat er sprake is vangebruik van de recreatiewoning als hoofdverblijf.Stap 2 : VooraankondigingIndien de illegale situatie niet (tijdelijk) gedoogd kan worden en legalisatie ook niet mogelijk is, dient teworden gehandhaafd. Hiertoe wordt een vooraankondiging van een aanschrijving met last onderdwangsom worden opgesteld. De overtreder moet op grond van artikel 4:8 van de Algemene wetbestuursrecht in de gelegenheid worden gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. Dit kan mondelingen/of schriftelijk. Van een mondelinge reactie moet een kort verslag worden gemaakt. Bij mondelingezienswijzen wordt het bestaande ‘protocol zienswijzen’ in acht genomen.Stap 3: (Her)controlesNa verloop van de termijn in de vooraankondiging worden (her)controles bij het object gehouden omte bezien of de overtreding nog voortduurt. Van deze controles wordt een rapportage gemaakt. Indien23


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectende overtreding niet beëindigd is, wordt stap 4 ingezet. Is de overtreding beëindigd dan wordt dehandhavingsprocedure beëindigd.Stap 4: Aanschrijving met last onder dwangsomNadat alle belangen zorgvuldig zijn afgewogen, dient een definitief besluit te worden genomen. Ditdefinitieve besluit is een dwangsombeschikking naar de overtreder en/of degene die in staat is deovertreding te beëindigen. In deze beschikking wordt een termijn geboden om de overtreding tebeëindigen of te laten beëindigen op straffe van een dwangsom. Dit besluit is vatbaar voor bezwaaren beroep.Stap 5: (Her)controlesNa het opleggen van de definitieve last onder dwangsom worden (her)controles gehouden om tecontroleren of de overtreding nog voortduurt. Van deze controles wordt een rapportage gemaakt. Decontroles worden uitgevoerd met een minimale frequentie van 2 maal per maand.Als de overtreding is beëindigd, kan de dwangsombeschikking eventueel worden ingetrokken. Is deovertreding niet beëindigd dan wordt de procedure voor inning van de dwangsommen (stap 6) ingezet.Stap 6: Feitelijke uitvoeringIs de overtreding niet beëindigd dan verbeurd de aangeschrevene een dwangsom. Na afloop van elkedwangsomtermijn wordt een verzoek tot betaling van de verbeurde dwangsom aan de overtredergestuurd.De afdeling Financiën bewaakt via haar administratie of er is betaald. Wordt niet op tijd betaald danwordt, na overleg, een betalingsherinnering gestuurd. Wordt dan nog niet betaald dan moet deafdeling Financiën, na overleg, een dwangbevel laten uitgaan door de deurwaarder. De deurwaarderzorgt vervolgens voor de invordering door tenuitvoerlegging van een dwangbevel en eventueel inningdoor middel van beslaglegging.[ verder op volgende pagina ]24


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectenHet voorgaande is hieronder in schematische vorm weergegeven:STROOMSCHEMA HANDHAVING PERMANENTE BEWONINGLegaliseren ofgedogenmogelijkVermoeden pbwonderzoekVooraankondiging methoorbepaling 4:8 AwbZienswiijzeprocedureHercontrolesJaOvertreding beëindigd?neeDefinitiefsanctiebesluitbegunstigingstermijnJaOvertreding beëindigd?HercontrolesneeVerzoek om betaling/aanmaningDwangbevelEinde procedureHernieuwd dwangsombesluitIn bijlage 2 is een uitgebreid protocol opgenomen welke bij de oplegging van een last onderdwangsom c.q. de toepassing van bestuursdwang wordt gehanteerd. Dit protocol geeft inzicht in de teonderscheiden stappen in het handhavingsproces.5. Sanctietoepassing en begunstigingstermijnen5.1 Aard van de sanctieDe gemeente kan bij overtredingen van het bestemmingsplan bestuursdwang toepassen of eendwangsom opleggen om de overtreding te beëindigen. Het is niet toegestaan beide instrumententegelijkertijd toe te passen. Vooraf moet daarom worden bepaald welk instrument het meest effectiefzal zijn. Bij optreden tegen permanente bewoning van recreatieverblijven ligt het toepassen van eendwangsom het meest voor de hand. Een dwangsom is effectief om een einde te maken aan eenvoortdurende overtreding en functioneert als financiële prikkel om het verboden gedrag te beëindigen.Omdat de gemeente niet verplicht is zelfstandig een einde te maken aan de overtreding is hetopleggen van een dwangsom eveneens minder belastend voor de ambtelijke organisatie dan hettoepassen van bestuursdwang.Gelet op het voorgaande wordt bij de toepassing van sanctiemiddelen bij overtredingen van hetverbod op permanente bewoning door de gemeente Opmeer gekozen voor het opleggen van eendwangsom. De toepassing van bestuursdwang wordt echter in specifieke gevallen niet uitgesloten.25


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectenVooral wanneer het opleggen van een dwangsom niet effectief is gebleken kan er voor wordengekozen alsnog bestuursdwang toe te passen, bijvoorbeeld in de vorm van verzegeling van het object.5.2 Hoogte van de dwangsomIngevolge artikel 5:32, vierde lid van de Awb kan het bevoegde gezag de dwangsom vaststellen op:• een bedrag ineens;• een bedrag per tijdseenheid waarbinnen de last niet is uitgevoerd;• of een bedrag per overtreding.Bij de twee laatste gevallen wordt in de dwangsombeschikking - conform de wettelijke eis – eenmaximumbedrag vastgesteld waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.Bij de keuze tussen deze ‘modaliteiten van vaststelling’ bestaat een redelijke vrijheid. Wel kan de aardvan de overtreding de keuze van modaliteit beïnvloeden: als de overtreding bestaat uit het latenvoortduren van een niet gewenste toestand, kan uiteraard niet worden gekozen voor de verbeurte perovertreding maar is de verbeurte per tijdseenheid aangewezen.De wet noemt geen maximumhoogte van het te verbeuren bedrag, maar geeft wel criteria voor devaststelling van de hoogte. Zo moeten de bedragen ‘in een redelijke verhouding staan tot de ernst vanhet geschonden belang en tot de beoogde werking van het opleggen van de dwangsom’ (art. 5:32,vierde lid Algemene wet bestuursrecht). De dwangsom zal echter steeds zodanig effectief moeten zijnals nodig is om de overtreder de overtreding te doen beëindigen. Voorts moet in de last onderdwangsom de termijn worden vermeld waarbinnen de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat eendwangsom wordt verbeurd. Deze begunstigingstermijn is te vergelijken met de begunstigingstermijnbij bestuursdwang. Uit de toelichting op de wet blijkt dat de termijn bij een dwangsombeschikking ‘zokort mogelijk’ moet worden gesteld.Het voorgaande in acht nemende wordt ten aanzien van overtredingen van het verbod op permanentebewoning een dwangsom opgelegd van maximaal € 25.000,-. De dwangsom wordt per tijdseenheidvan vier weken verbeurd, waarbij het bedrag per tijdseenheid van vier weken op € 5.000,- wordtgesteld. Voorgaande bedragen zijn gelet op de elders in het land gehanteerde dwangsommen nietonredelijk hoog ten opzichte van de aard van de overtreding.Mocht nadat de maximale dwangsom is verbeurd, niet aan de lastgeving zijn voldaan, dan zal naderebesluitvorming plaatsvinden over het beëindigen van de strijdige situatie, al dan niet door middel vaneen hernieuwde aanschrijving onder oplegging van een nieuwe dwangsom of de toepassing vanbestuursdwang.5.3 BegunstigingstermijnenDe begunstigingstermijn in de aanschrijving wordt in zijn algemeenheid gesteld op 6 maanden. Dezetermijn wordt redelijk geacht om de belanghebbende in de gelegenheid te stellen aan de overtredingeen einde te maken. Uiteraard kan er in bijzondere gevallen aanleiding zijn om debegunstigingstermijn te verlengen indien de bijzondere omstandigheden van het geval hiertoeaanleiding geven.26


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjecten6. Toepassing van de Wet Economische DelictenHet kabinet heeft eind 2002 besloten om overtredingen van bestemmingsplannen strafrechtelijkaan te pakken.78 Het voorstel om overtredingen van het bestemmingsplan onder de WED te latenvallen is op 3 februari 2004 aangenomen door de Tweede Kamer. De Eerste Kamer heeft hetvoorstel op 28 juni 2004 als hamerstuk afgedaan. De wet is opgenomen in Staatsblad 361 van 22juli 2004.Overtredingen van bestemmingsplanvoorschriften en daarmee samenhangende overtredingenworden nu aangemerkt als economisch delict. Verwacht wordt dat de overtredingen met behulpvan de Wet op de economische delicten nu beter kunnen worden aangepakt. De weg is dus vrijom strafrechtelijk op te treden tegen permanente bewoning van recreatieobjecten.Een voordeel hierbij is dat er strafrechtelijk meer mogelijkheden zijn om tot bewijsvergaringte komen.Voordat daadwerkelijk tot strafrechtelijke aanpak van permanente bewoning via de WED kan wordenovergegaan zal overeenstemming moeten worden bereikt met OM en politie over de inzet van ditinstrument. Uiteraard vraagt de inzet van de instrumenten uit de WED voor OM en politie capaciteit.De gemeente Opmeer zal de mogelijkheden voor het inzetten van de instrumenten uit de WED naderonderzoeken en in overleg met OM en politie bekijken in hoeverre een structurele inzet van dit middeltot de mogelijkheden behoort.7. Interne beheersorganisatie / ProjectcoördinatieBij de uitvoering van de werkzaamheden dient er voldoende aandacht te zijn voor coördinerendewerkzaamheden. Bij deze werkzaamheden kan onder andere worden gedacht aan:- Adviezen aan college en raad m.b.t. de uitvoering van het beleid;- Tussentijdse evaluatie;- Nadere uitwerking van beleid / beleidsvoorstellen;- Contact met betrokken partijen, onder andere bewoners en beheerders/exploitanten van derecreatieterreinen;- Interne aansturing van en overleg met betrokken interne afdelingen;- Voortgangsoverleg met afdelingshoofd;- Overleg met verantwoordelijk portefeuillehouder;- Overleg met eventueel ingeschakeld externe adviesbureaus.Voor alle voornoemde coördinatiewerkzaamheden is binnen de gemeente de handhavingscoördinatoraangewezen.27


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjecten8. Handhavingsambitie en uitvoeringsprogramma8.1 Het bepalen van de handhavingsambitieVoor het jaar 2006 is budget beschikbaar gesteld voor de uitbesteding van de juridische afwikkelingvan 8 handhavingszaken. Deze afwikkeling omvat: Administratieve bewijslastverzameling Opstellen van vooraankondigingen Afnemen van zienswijzen Opstellen van aanschrijvingen Afwikkelen bezwaarprocedures Afwikkelen beroepsprocedures.Jaarlijks stellen burgemeester en wethouders de handhavingsambitie vast aan de hand van debeschikbare middelen en capaciteit.8.2 Uitvoeringsprogramma 2007Naast het budget voor de afwikkeling van eerdergenoemde 8 handhavingszaken is in hetuitvoeringsprogramma tevens een raming van het benodigde aantal uren opgenomen voor dewerkzaamheden die voortvloeien uit benodigde objectcontroles in het kader van de handhaving, decontroles op nieuwe gevallen van permanente bewoning en de voorlichting en communicatie.[ verder op volgende pagina ]28


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectenActiviteit2007 2008 ToelichtingUren UrenVoorlichting en communicatieVoorlichting algemeen (folders, 60 40publicaties, persberichten,website)Voorlichting specifiek (brieven 40 20aan bewoners, makelaars,notarissen enz.)Inloopavonden 24 -Controle en onderzoekpermanente bewoningControle GBA 52 52 Wekelijks worden mutaties (in-en uitschrijvingen) in deGemeentelijke Basisadministratie door de afdeling Burgerzakendoorgegeven aan de afdeling AZRO. Hiervoor wordt eenwekelijkse inzet van 1 uur begroot.Beperkt administratiefonderzoekVoorbereiding handhavingUitgebreid administratiefonderzoek80 80 Op basis van signalen (bijv. via de controle wintersluiting) wordtbij een aantal objecten een beperkt administratief onderzoekgestart om te controleren of er sprake is van een vermoeden vanpermanente bewoning. Jaarlijks gaat het ongeveer om 20objecten. Per object duurt een beperkt administratief onderzoek 4uur.64 64 Bij objecten waar een verdenking van permanente bewoning isontstaan en die in een handhavingstraject worden opgenomen,wordt een aanvullend administratief onderzoek gehouden. Ditonderzoek richt zich op alle beschikbare bewijsbronnen. Per jaarworden 8 handhavingszaken in procedure genomen. Dit betekentdat het uitgebreide administratieve onderzoek ook bij maximaal 8objecten plaatsvindt. Per object neemt een uitgebreidadministratief onderzoek 8 uur in beslag.Objectcontroles 80 80 Als een object in een handhavingstraject wordt opgenomen is hetin het kader van de bewijslastverzameling noodzakelijkobjectcontroles te houden. Vanaf het moment dat een verdenkingvan permanente bewoning is ontstaan wordt een objectgecontroleerd. Gedurende de juridische afwikkeling blijvenobjectcontroles noodzakelijk. Gedurende eenhandhavingsprocedure van 1 jaar zijn circa 20 controlerondesnodig. Een controleronde van 8 objecten duurt 4 uur.HandhavingAanschrijvingen8 per jaarHoger beroep eninvorderingstrajectenInterne beheersorganisatie/Project coördinatieTotaal 1.256uur256 256 32 uur per handhavingszaak voor opstellen vooraankondiging,zienswijze, definitieve aanschrijving en bezwaar en beroep.288 288 In voorgaande 32 uur die per handhavingszaak wordt begroot iseen eventueel hoger beroep en invorderingstraject voor dedwangsommen niet inbegrepen. Uitgaande van een hogerberoep en invorderingstraject in 50% van de handhavingszakenwordt de tijdsbesteding als volgt begroot:- hoger beroep per zaak: 24 uur- Invorderingstraject per zaak: 48 uur312 208 Bij projectcoördinatie wordt gedacht aan de uren die decontactfunctionaris besteed aan interne afstemming, adviseringaan het college, overleg en coördinatie van uitbesteed werk. Perweek wordt een tijdsbesteding van 6 uur begroot. In 2008 wordt1.088een wekelijkse tijdsbesteding van 4 uur begroot.29


Gemeente Opmeer Definitief concept, februari 2007Plan van aanpak handhaving permanente bewoning recreatieobjectenVerdeling inzet uren per disciplineDiscipline Inzet uren 2007 Inzet uren 2008Voorlichting en communicatie 124 60Administratief (incl.508 404projectcoördinatie)Juridisch 544 544Toezicht 80 809. Bijlagen1. Bronnen bewijslast permanente bewoning2. Checklist bestuursdwang- en dwangsomprocedure.30


BIJLAGE 1Bronnen van bewijslast voor het aannemelijk maken van permanente bewoningvan recreatieverblijvenOm aannemelijk te maken dat een persoon op enig adres zijn hoofdverblijf heeft, zal moeten wordenaangetoond dat dit adres het centrum van zijn/haar sociale en maatschappelijke activiteiten vormt.Belangrijke aanwijzingen hiertoe zijn te verkrijgen door gegevens te verzamelen uit de volgendebronnen:1. Waarneming en gesprekken ter plaatse:Hiermee wordt een duidelijk beeld verkregen van de identiteit van de bewoners, de aard van debewoning en de frequentie en duur van aanwezigheid van bewoners. Het gaat dan om:• inventarisatiegesprekken met bewoners (aan de hand van een vragenlijst);• regelmatige objectcontroles;• kentekenopname.Op basis van deze gesprekken en waarnemingen zullen de eerste vermoedens van permanentebewoning van objecten ontstaan.2. Raadplegen van gemeentelijke bronnen:• Inschrijving in de GBA vormt een belangrijke indicator voor permanente bewoning. Naast naamvan de ingeschrevene blijkt tevens de datum van inschrijving. Deze datum is bijvoorbeeld vanbelang als de gemeente lange tijd niet heeft opgetreden en bewoners een zeker “gewoonterecht”hebben opgebouwd.• Leerplichtregistraties van de afdeling Onderwijs geven bij vermoedens belangrijk inzicht in degebondenheid met de regio van bewoners met schoolgaande kinderen.• De afdeling Bouwen en Wonen heeft informatie over in het verleden aangevraagdebouwvergunningen van recreatiewoningen. De bouwplannen, al dan niet goedgekeurd, kunneneen indicatie geven van de (voorgenomen) aard van bewoning. Indien bouwtekeningen bestaanvan bestaande recreatieobjecten, kan hieruit de geschiktheid voor permanente bewoning blijken.• De adressenbestanden van gemeentelijke belastingen kunnen belangrijke aanwijzingenopleveren over naam en adresgegevens van de eigenaar en eventueel bewoner. Indien hetpostadres voor de aanslagen van de gemeentelijke belastingen het adres van de recreatiewoningis, vormt dit een aanwijzing.• de dossiers van de gemeentelijke sociale dienst. Indien de persoon een uitkering ontvangt kanvia de bedrijfsvereniging worden achterhaald op welk adres hij/zij staat geregistreerd.Overige Bronnen:• De Belastingdienst kan op gericht verzoek bevestigen of het recreatieobject wordt opgegevenals hoofdverblijf ten behoeve van de hypotheekrenteaftrek en of het recreatieobject wordtopgegeven als woonadres. Hoewel de definities van bijvoorbeeld “wonen” en “(hoofd)woonverblijf”van de belastingdienst niet volledig overeenkomen met de definities in de Wet op de RuimtelijkeOrdening (WRO) is dit een belangrijke indicator. De belastinggegevens kunnen twee keer per jaarworden opgevraagd (januari en juni).• Gegevens van KPN-telecom met betrekking tot het aanwezig zijn van een vastetelefoonaansluiting op het recreatieadres of opgegeven hoofdverblijf elders geeft een indicatie vande aard van de bewoning. Hoewel de bewijskracht in principe gering is blijkt in de praktijk dat decorrelatie tussen het hebben van een vaste telefoonaansluiting en permanente bewoning van hetadres hoog is.• Uit het Kentekenregister van de RDW kan blijken op welk adres de auto-eigenaar staatgeregistreerd. De kentekens kunnen worden genoteerd bij de periodieke objectcontroles.• Aan de hand van de gegevens van de Kamer van Koophandel kan worden nagegaan of debewoner eigenaar is van een bedrijf en waar de hoofdvestiging van dat bedrijf zich bevindt. Indiendit het adres van de recreatiewoning is, is dit een aanwijzing dat het recreatieadres hethoofdverblijf van betrokkene is.• Kadastergegevens kunnen duidelijkheid geven omtrent (eigendoms)rechten die rusten opbetreffende percelen (Deze gegevens dragen niet direct bij aan de bewijslast, maar mutaties in de


eigendomssituatie kunnen wel van invloed zijn op de procedure); Het kadaster vermeld tevens eenwoonadres. Indien dit woonadres het adres van de recreatiewoning is vormt dit een aanwijzing.• Informatie over het sociaal gedrag van bewoners in de regio van de recreatiewoning kan eenindicator zijn voor permanente bewoning. Bijvoorbeeld lidmaatschappen en bestuursfuncties bijlokale verenigingen. Deze informatie wordt veelal door de betrokken organisaties en verenigingenniet afgegeven vanwege privacyregels. Indien de informatie via andere bronnen aan de gemeentebekend wordt is deze bruikbaar bij de bewijsvoering.• Verklaringen van diverse betrokkenen die bij de gemeente binnenkomen, ofwel waar degemeente om verzoekt. Bijvoorbeeld parkeigenaren en/of beheerders, verhuurorganisaties,verenigingen van eigenaren en/of huurders.• Gegevens omtrent waterverbruikVia de waterleidingmaatschappij of via de gemeentelijke registraties van de rioolheffing kunnengegevens over het waterverbruik worden afgeleid. Het gemiddelde verbruik per persoon is 126liter per dag. Dit betekent over een geheel jaar gemeteneen verbruik van ongeveer 45 m³.82 Wanneer ergens permanent gewoond wordt dan zal ditblijken uit het waterverbruik. Dit kan een goede indicatie zijn voor de aanwezigheid in derecreatiewoning.In het geval dat de bewoner niet op het adres van de recreatiewoning is ingeschreven en degemeente toch een sterk vermoeden van permanente bewoning heeft, kan de bewijslast versterktworden door het ook adres waar de bewoner wel is ingeschreven te onderzoeken. In dat geval zal debewijslast aan moeten tonen dat de bewoner op het opgegeven adres juist niet permanent woonachtigis. Het alternatieve adres kan worden verkregen uit het inventarisatiegesprek met de bewoner.In principe zijn dezelfde bronnen beschikbaar als hierboven aangegeven, echter met onderstaandekanttekeningen:1. Waarnemingen en gesprekken ter plaatseEen gesprek met de bewoner op het opgegeven adres elders kan inzicht verschaffen of de bewonerdaar inderdaad woonachtig is. Objectcontroles hebben in de meeste gevallen geen toegevoegdewaarde.2. Gemeentelijke bronnenAlle bovengenoemde gemeentelijke bronnen kunnen geraadpleegd worden. Aangeraden wordt omvooraf toestemming en medewerking te vragen van de betreffende gemeente. Medewerking van debetreffende gemeente kan bovendien fors op kosten besparen.3. Overige bronnenIn veel gevallen zijn de overige bronnen niet van toegevoegde waarde omdat bewoners vaak staaningeschreven in de woning bij andere bewoners (bijvoorbeeld ouders of kinderen). Per geval moetbeoordeeld worden welke bronnen zinvol zijn.NBOp iedere verwerking van persoonsgegevens is de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP) vantoepassing.Gemeenten mogen niet zonder meer van allerlei bestanden gebruik maken om erachter te komenwaar iemand feitelijk woont. De Wbp stelt hieraan beperkingen. De belangrijkste beperking isdoelbinding (artikel 9 Wbp). Dit artikel bepaalt dat persoonsgegevens alleen mogen worden verwerkt(waaronder ook wordt verstaan het verstrekken van persoonsgegevens aan derden) als ditverenigbaar is met het doel waarvoor ze zijn verkregen. Dit betekent dat gemeenten alleen informatieuit eigen bestanden of uit registraties van derden kunnen gebruiken als dit gebruik past binnen hetdoel van die registratie. Er geldt een meldingsplicht voor elke geautomatiseerde gegevensverwerkingbij het College bescherming persoonsgegevens. Bij deze melding dient onder andere te wordenaangegeven wat het doel of de doelen van de gegevensverwerking is (zijn).


BIJLAGE 2CHECKLIST HANDHAVINGSPROCEDUREVoorbereiding Schriftelijk vastleggen van de overtredingDe overtreding wordt door een aangewezen toezichthouder schriftelijk vastgelegd aan de handvan een bezoek ter plaatse. De toezichthouder vermeld daarbij de feitelijke situatie, de aard enomvang van de overtreding en welk wettelijk voorschrift is overtreden. Tevens wordt een fotogemaakt. Eventueel aanwezige vergunningen e.d. worden bijgevoegd.Welke wettelijke bepaling wordt overtreden?Het is zaak om de constatering van de overtreding – bij voorkeur door een toezichthouder -schriftelijk vast te leggen (denk aan foto’s en rapportages). Let op! Preventieve bestuursdwang –handhaving zonder dat er sprake is van een daadwerkelijke overtreding van een wettelijkvoorschrift – is slechts in uitzonderlijke situaties mogelijk. ‘Het gevaar van overtreding dientklaarblijkelijk te zijn’.Kan deze overtreding worden gelegaliseerd?M.a.w., kan datgene dat als overtreding wordt aangemerkt door verlening van een vergunning ofeen ontheffing worden weggenomen. Zo ja, verzoek betrokkene om deze aan te vragen. Indienbetrokkene weigert om een aanvraag in te dienen kan alsnog tot handhaving worden overgegaan.Dient er te worden gedoogd?Actief gedogen wordt alleen geaccepteerd als er met redelijke zekerheid van uit kan wordengegaan dat de situatie inderdaad zal worden gelegaliseerd (zie bijlage 1 voor criteria voor tegedogen).Wie is bevoegd tot handhaven?Ga na wie in deze bevoegd is om te handhaven (meestal B&W of de burgemeester).Dient te worden overgegaan tot handhaving?Het toepassen van het handhavingsmiddel bestuursdwang of dwangsom is in principe eenbevoegdheid en geen plicht. Aan elke beslissing tot handhaving dient een zorgvuldigebelangenafweging vooraf te gaan (factoren die hierbij een rol kunnen spelen zijn: de ernst van deovertreding, belangen van derden, sociaal-humanitaire belangen, praktische uitvoerbaarheid,precedentwerking, het in het verleden gedoogd hebben etc.). Betrek in de belangenafweging allerelevantie feiten en belangen.Bestuursdwang of dwangsom?Het is niet mogelijk om beide instrumenten gelijktijdig te hanteren (5:31 Awb). De keuze tussen detwee instrumenten behoeft geen afzonderlijke motivering in de beschikking. Bij een beslissing opbezwaar kan het ene instrument vervangen worden door het andere indien de bezwaarde niet inzijn verweer mogelijkheden wordt geschaad.BestuursdwangDe bevoegdheid hiertoe ligt in artikel 125 Gemeentewet juncto artikel 5:22 Algemene wet


Checklist handhavingsprocedure dwangsom/bestuursdwangbestuursrecht (Awb). Noem deze artikelen in je beschikking.Schrijf degene aan die het in zijn macht heeft de met een wettelijk voorschrift strijdige situatie opte heffen c.q. ongedaan te maken (meestal de overtreder). Aanschrijvingen aangetekendverzenden (indien de overtreder onbekend is kan de beschikking op een bouwwerk wordengeplakt).Indien het voornemen bestaat om met bestuursdwang op te treden, dient ingevolge artikel 4:8 awbde belanghebbende tegen wie de voorgenomen beschikking zich richt en van wie verwacht magworden dat hij bedenkingen zal hebben, in de gelegenheid te worden gesteld om zijn zienswijzenaar voren te brengen. Geeft betrokkene de mogelijkheid om mondeling dan wel schriftelijk tereageren op het voornemen binnen drie weken na verzending van het schrijven terzake. Wordt ermondeling gehoord, leg dit dan vast. Ingediende bedenkingen dienen bij de uiteindelijkebelangenafweging inzake het toepassen van bestuursdwang te worden meegenomen.Is er een belanghebbende in het spel – bijvoorbeeld een derde die om bestuursdwang heeftverzocht – dan kan het raadzaam zijn om ook deze te horen.Vermeld in de beschikking (zie o.a. 5:24 en 5:25 Awb):− de omschrijving van de geconstateerde overtreding (illegale feitelijke toestand of gedraging)met vermelding van het wettelijk voorschrift dat wordt overtreden;− de reden waarom de overtreding niet voor legalisatie in aanmerking komt (m.a.w. legalisatie isuitgesloten);− de afweging van de (eventueel) ingediende zienswijzen c.q. de afweging tussen het algemeenbelang gediend met handhaving en de schuld;− de bevoegdheid die de grondslag vormt voor de toepassing van bestuursdwang c.q. dewetbepaling waarop het besluit tot bestuursdwang is gebaseerd;− een concrete omschrijving van datgene dat de overtreder moet doen (last), herstellen dan welnalaten om aan de overtreding een eind te maken;− je dient de minst kostbare methode om aan de overtreding een einde te maken op te dragen;− de termijn waarbinnen de overtreder de gelegenheid krijgt aan de last te voldoen (deze termijndient redelijk te zijn en moet duidelijk bepaald zijn en niet afhangen van toekomstigeontwikkelingen);− de waarschuwing dat wanneer wordt nagelaten aan de overtreding een einde te maken, ditvanwege het bestuursorgaan zal geschieden op de wijze zoals in de last vermeld (debestuursdwang wordt onvoorwaardelijk toegepast);− de waarschuwing dat de kosten van het uitvoeren van de bestuursdwang ten laste zullenworden gebracht van de overtreder op grond van artikel 5:25 Awb;− de bezwaarclausule/de rechtsbeschermingsmogelijkheden;− het bevoegde bestuursorgaan tekent.Stuur de beschikking tevens in afschrift toe aan eventuele belanghebbenden (bijvoorbeeld deaanvrager of de rechthebbende op het gebruik van de zaak ten aanzien waarvan bestuursdwangzal worden toegepast).Heeft de overtreder de termijn als genoemd in de aanschrijving onbenut voorbij laten gaan, dan ishet bestuursorgaan bevoegd om zelf een einde te maken aan de illegale situatie. Conform vastejurisprudentie mag van een overheidsorgaan worden verwacht dat het ook daadwerkelijk overgaattot handhaving. In beginsel moet dus worden opgetreden.Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het meevoeren en opslaan vandaarvoor vatbare zaken voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vereist (5:29 Awb).Van de meegevoerde en opgeslagen zaken dient een proces verbaal te worden gemaakt. Eenafschrift hiervan krijgt degene die de zaken onder zijn beheer had (5:29, lid 2, Awb).De afgifte van de zaken aan de rechthebbende kan worden opgeschort totdat de verschuldigdekosten van bestuursdwang zijn voldaan. Is de rechthebbende niet tevens de overtreder, dan kande afgifte worden opgeschort totdat de kosten van bewaring zijn voldaan (5:29, lid 4, Awb).Indien het niet mogelijk is om de opgeslagen zaken binnen 13 weken terug te geven is hetbestuursorgaan dat de bestuursdwang heeft toegepast bevoegd om deze te verkopen of, indienverkoop naar zijn oordeel niet mogelijk is, de zaak om niet aan een derde aan eigendom over tedragen of te laten vernietigen (onder bepaald omstandigheden kan dit ook binnen genoemdetermijn, die artikel 5:30 Awb).2


Checklist handhavingsprocedure dwangsom/bestuursdwangWijze van invorderingVerhaalbare kosten:− Kosten uitvoering bestuursdwang (sloopwerkzaamheden, opslag en bewaring).− Wettelijke rente.− Kosten voorbereiding toepassing bestuursdwang voorzover zij gemaakt zijn na verloop van determijn ingevolge artikel 5:24 Awb lid 4.− Kosten betreden terreinen van derden/niet-overtreders (denk aan schadevergoeding).Stuur degene tot wie de bestuursdwangbeschikking zich richtte de nota. Vermeld hierin debetalingstermijn (ingebrekestelling) met daarin de aanzegging dat indien de nota niet wordtbetaald, het verzuim intreedt overeenkomstig artikel 6:82 van het Burgerlijk Wetboek. Dit betekentdat met ingang van die datum niet alleen het bedrag doch ook de kosten van invordering enwettelijke rente verschuldigd zijn.Na het verstrijken van de betalingstermijn hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheidom de kosten bij dwangbevel in te vorderen (artikel 5:26 Awb). De gerechtsdeurwaarder zal hetbevel moeten betekenen, hetgeen inhoudt dat het stuk bekend wordt gemaakt aan debelanghebbende door de deurwaarder die daarvan akte opmaakt.Tegen het dwangbevel staat de mogelijkheid van verzet open bij de burgerlijke rechter(arrondissementsrechtbank).Last onder dwangsom De bevoegdheid hiertoe ligt in artikel 125 Gemeentewet juncto artikel 5:32, eerste lid, Awb. Noemdeze artikelen in je beschikking. Schrijf degene aan die het in zijn macht heeft de met een wettelijk voorschrift strijdige situatie opte heffen c.q. ongedaan te maken (meestal de overtreder). Aanschrijvingen aangetekendverzenden. Indien het voornemen bestaat om een last onder dwangsom op leggen, dient ingevolge artikel 4:8awb de belanghebbende tegen wie de voorgenomen beschikking zich richt en van wie verwachtmag worden dat hij bedenkingen zal hebben, in de gelegenheid te worden gesteld om zijnzienswijze naar voren te brengen. Geeft betrokkene de mogelijkheid om mondeling dan welschriftelijk te reageren op het voornemen binnen drie weken na verzending van het schrijventerzake. Wordt er mondeling gehoord, leg dit dan vast. Ingediende bedenkingen dienen bij deuiteindelijke belangenafweging inzake het opleggen van een last te worden meegenomen. Is er een belanghebbende in het spel – bijvoorbeeld een derde die om handhaving heeft verzocht– dan kan het raadzaam zijn om deze ook te horen. Vermeld in de beschikking (zie o.a. 5:32 Awb):− de omschrijving van de geconstateerde overtreding (illegale feitelijke toestand of gedraging)met vermelding van het wettelijk voorschrift dat wordt overtreden;− de reden waarom de overtreding niet voor legalisatie in aanmerking komt (m.a.w. legalisatie isuitgesloten);− de afweging van de (eventueel) ingediende zienswijzen c.q. de afweging tussen het algemeenbelang gediend met handhaving en de schuld;− de bevoegdheid die de grondslag vormt voor de oplegging van de last onder dwangsom c.q.de wetbepaling waarop dit besluit tot handhaving is gebaseerd;− een concrete omschrijving van datgene dat de overtreder moet doen (last), herstellen dan welnalaten om aan de overtreding een eind te maken;− de termijn waarbinnen de overtreder de gelegenheid krijgt aan de last te voldoen zonder dateen dwangsom wordt verbeurt (deze termijn dient redelijk te zijn en moet duidelijk bepaald zijnen niet afhangen van toekomstige ontwikkelingen);− stel de dwangsom vast op een bedrag ineens (het betreft een eenmalige illegale activiteit),hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd (er is sprake van eencontinue overtreding van voorschriften), dan wel per overtreding van de last (regels wordenregelmatig maar niet continu overtreden). Motiveer de hoogte van de dwangsom (zieonderstaand gedachtestreepje);− geef een maximum bedrag aan waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. De hoogtevan dit maximum bedrag dient te worden gemotiveerd c.q. dient in redelijke verhouding te3


Checklist handhavingsprocedure dwangsom/bestuursdwangstaan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van dedwangsomoplegging. Hou rekening met:∗ de zwaarte van de overtreding;∗ het doel of doelen van het besluit dat wordt overtreden;∗ de hoogte van de kosten van de treffen voorzieningen in relatie tot het genoten voordeelvan de overtreder bij voortzetten van de strijdige situatie.Vermeldt de belangenafweging aangaande de hoogte van de dwangsom in de beschikking.− de bezwaarclausule/de rechtsbeschermingsmogelijkheden;− het bevoegde bestuursorgaan tekent.Het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van deovertreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of dedwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijke onmogelijkheidvoor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen (artikel 5:34 lid 1 Awb).Het bestuursorgaan dat de last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van deovertreder de last opheffen indien de beschikking een jaar van kracht is geweest zonder dat dedwangsom is verbeurd (artikel 5:34 lid 1 Awb).De bevoegdheid tot invordering van verbeurde bedragen verjaart door verloop van zes maandenna de dag waarop zij zijn verbeurd c.q. dat de dwangsom verschuldigd is (bij invoering van vierdetranche wordt deze termijn 1 jaar). De verjaring wordt geschorst door faillissement, toepassing vande schuldsaneringsregeling natuurlijke personen en ieder wettelijk beletsel voor invordering vande dwangsom (artikel 5:35 Awb).Indien de maximale dwangsom wordt overschreden en de overtreding nog niet ongedaan isgemaakt, kan een nieuwe hogere last worden opgelegd. De procedure dient wederom vanaf hetbegin te worden doorlopen (dus ook opnieuw horen).Inning van een dwangsomBij de inning van een dwangsom spelen de drie vormen waarin een dwangsom kan wordenopgelegd een rol. Met name bij het vastleggen van de constatering is dit belangrijk.Is sprake van een dwangsom in de vorm van een bedrag ineens, dan zal de simpele constateringdat de overtreding is begaan, voldoende zijn om de dwangsom te verbeuren. Is een dwangsomper overtreding opgelegd, dan zal steeds moeten worden geconstateerd dat de overtreding isgepleegd. Is sprake van een dwangsom per tijdseenheid, dan zal steeds bij verval van eenvastgestelde tijdseenheid een dwangsom verbeurd zijn, waarbij uiteraard geconstateerd moetworden dat de overtreding voortduurt.Laat in alle drie de gevallen een rapport(je) opstellen door een aangewezen toezichthouder.Stuur degene tot wie de dwangsombeschikking zich richtte een nota. Vermeld hierin debetalingstermijn (ingebrekestelling) met daarin de aanzegging dat indien de nota niet wordtbetaald, het verzuim intreedt overeenkomstig artikel 6:82 van het Burgerlijk Wetboek. Dit betekentdat met ingang van die datum niet alleen het bedrag doch ook de kosten van invordering enwettelijke rente verschuldigd zijn.Na het verstrijken van de betalingstermijn hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheidom de kosten bij dwangbevel in te vorderen (artikel 5:32 juncto 5:26 Awb). Degerechtsdeurwaarder zal het bevel moeten betekenen, hetgeen inhoudt dat het stuk bekend wordtgemaakt aan de belanghebbende door de deurwaarder die daarvan akte opmaakt.Tegen het dwangbevel staat de mogelijkheid van verzet open bij de burgerlijke rechter(arrondissementsrechtbank).Verhaalbare kosten:− dwangsom;− wettelijke rente;− invorderingskosten.4

More magazines by this user
Similar magazines