Toelichting - Gemeente West Maas en Waal

westmaasenwaal.nl

Toelichting - Gemeente West Maas en Waal

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Van Heemstraweg 126 en ong. Dreumel’

gemeente West Maas en Waal

HSRO Stedenbouw en Ruimtelijke Ontwikkeling i.o.v. A. van der Ven


Plangebied

Figuur 1 Topografische kaart

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Van Heemstraweg 126 en ong. Dreumel’,

gemeente West maas en Waal

Versie: 16 januari 2012

Afdrukformaat: A4

Status: Ontwerpbestemmingsplan

HSRO Stedenbouw en Ruimtelijke Ontwikkeling

In opdracht van: A. van der Ven

– 2 – – 2 –


Procedure

Bestemmingsplan ’Buitengebied, Van Heemstraweg 126 en ong. Dreumel’

gemeente West Maas en Waal

NL.IMRO.0668.BUIvheemstr126-OW01

Voorontwerpbestemmingsplan

––

Publicatie voornemen (Waalkanter): 14 september 2011

––

Ter inzage legging -6 weken volgens gemeentelijke inspraak - vanaf 14 september 2011

Ontwerpbestemmingsplan

––

Publicatie door B&W (o.a. in staatscourant), d.d.:

––

Eerste ter inzagelegging 6 weken, d.d:

––

Vastgesteld gemeenteraad binnen 12 weken, d.d.:

Vastgesteld bestemmingsplan

––

Publicatie raadsbesluit (o.a in staatscourant), d.d.:

––

Binnen twee weken na vaststelling, d.d:

––

Tweede ter inzagelegging, d.d:

––

In werking, d.d.:

Beroep Abr RvS

– 3 –


Inhoud toelichting

Beeldmateriaal divers 2 t/m 9

1 Inleiding 9

1.1 Aanleiding 9

1.2 Ligging en begrenzing plangebied 9

1.3 Bij het bestemmingsplan behorende stukken 9

1.4 Vigerend Bestemmingsplan 9

1.5 Leeswijzer 11

2 Planbeschrijving 13

2.1 Het voornemen 13

2.2 Verkeer en parkeren. 13

3 Beleidskader 14

3.1 Europees en Rijksbeleid 14

3.2 Provinciaal en regionaal beleid 14

3.3 Regionaal en gemeentelijk beleid 15

4 Milieuhygiënische aspecten 17

4.1 Water 17

4.2 Geluid 20

4.3 Bodem 22

4.4 Lucht 23

4.5 Zonering omliggende bedrijven 24

4.6 Externe veiligheid 26

4.7 Ecologie 27

4.8 Cultuur en Archeologie 30

5 Juridische planopzet 33

5.1 Plansystematiek 33

5.2 Motivatie 34

6 Economische uitvoerbaarheid 35

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 35

7.1 Inspraak en overleg 35

7.2 Zienswijzen 35

Losse bijlagen

––

Abovo acoustics, geluids rapport S 1246-3-GB, 6 mei 2010

––

Econsultancy, quickscan Flora en Fauna 10103699, 5 november 2010:

––

Synthegra, archeologisch onderzoek S100286, 9 november 2010

––

NIPA, verkennend bodemonderzoek 10.11850, 11 november 2010

––

Selectiebesluit inzake archeologische Monumenten Zorg, Van Heemstraweg 126, 9 augustus 2011

––

Inspraakverslag voorontwerpbestemmingsplan + overlegreacties, gemeente West Maas en Waal, 10

januari 2012

– 5 –


Plangebied

Locatie nieuwe

woning

Figuur 2 Luchtfoto’s plangebied en omgeving

– 6 –


Figuur 3 Fotoblad plangebied en omgeving

Te slopen voormalige bedrijfsbebouwing

Te slopen voormalige bedrijfsbebouwing

Voormalige bedrijfswoning en te behouden deel

als bijgebouw

Overzijde, Van Heemstraweg 117,

woning met paardenhouderij

Overzijde, Van Heemstraweg 117, paardenhouderij

Bestaande toerit voor nieuwe woning

Bouwlocatie nieuwe woning

– 7 –


Plangebied Bouwvlak nieuwe woning Rooilijn

Figuur 4 Kadastrale kaart met (ingekleurd) plangebied en bouwvlak nieuwe woning

– 8 –


1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Dit postzegelbestemmingsplan is gemaakt om de omzetting van een agrarische bedrijfswoning

naar een burgerwoning en het realiseren van een vrijstaande woning planologisch mogelijk te

maken. Het betreft een perceel aan de Van Heemstraweg 126 in Dreumel (zie figuur 1 t/m 3).

De initiatiefnemer A. v. der Ven vraagt om het wijzigen van de huidige bestemming ‘Agrarisch’

in ‘Wonenen het toevoegen van een bouwvlak waarmee grondgebonden woningen worden

bestemd. Het agrarisch bouwvlak vervalt na de omzetting. Om dit te kunnen realiseren wordt er

circa 1800 m 2 aan bedrijfsgebouwen gesloopt

Omdat het voornemen strijdig is met het vigerende bestemmingsplan, kan het plan juridisch

gezien geen doorgang vinden. Het is nodig het bestemmingsplan ‘Buitengebied integrale herziening’

van de gemeente West Maas en Waal te wijzigen. Volgens de nieuwe Wro kan dat via het

opstellen van een zogenaamd ‘postzegelbestemmingsplan’. Deze toelichting maakt deel uit van

het postzegelbestemmingsplan. Naast een beschrijving van het initiatief wordt in deze toelichting

ingegaan op de relatie met de omgeving, overheidsbeleid en wetgeving.

• De gemeente west Maas en Waal heeft 5 februari 2010 aangegeven in principe medewerking te willen verlenen

aan het voornemen.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente West Maas en Waal tussen de kernen

Dreumel en Wamel. De gemeente bestaat uit de dorpen Alphen, Altforst, Appeltern,

Beneden-Leeuwen, Boven-Leeuwen, Dreumel, Maasbommel en Wamel. De rivieren Maas en

Waal vormen zowel in zuidelijke als noordelijke richting de natuurlijke grens. Het plangebied is

kadastraal bekend als kadastrale gemeente Dreumel, sectie G en betreft de perceelsnummers 82

en 1137 gedeeltelijk en 1136 in zijn geheel. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt

13.837 m 2 (zie figuur 4 en 6). De locatie ligt in het buitengebied in een gemengd gebied tussen

burgerwoningen, (voorheen vaak agrarische bedrijfswoningen) en agrarische bedrijven. De

directe omgeving van het plangebied bestaat uit weilanden met boerderijen.

1.3 Bij het bestemmingsplan behorende stukken

Dit bestemmingsplan bestaat uit een aantal digitale en papieren stukken. Zowel de digitale als

de papieren versie bestaat uit de voorliggende toelichting, met daarin opgenomen een verwijzing

naar de geldende regels (voorheen voorschriften genoemd) en de ‘verbeelding’ (voorheen

plankaart). De digitale regels en verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het

bestemmingsplan.

1.4 Vigerend Bestemmingsplan

Het plangebied valt onder het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied integrale herziening’

van de gemeente West Maas en Waal zoals vastgesteld is door de gemeenteraad van West

Maas en Waal op 12 november 1997 en op 6 juli 1998 is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten

van Gelderland. Het bestemmingsplan is gedeeltelijk onherroepelijk geworden op 21 januari

2000 en geheel onherroepelijk geworden op 19 juli 2001. Voor het plangebied geldt tevens

het bestemmingsplan ‘buitengebied integrale, 2006 ‘dat op 11 december 2008 is vastgesteld.

Het plangebied heeft momenteel een bestemming ‘Agrarisch’ (zie figuur 5). De gronden met

deze bestemming zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Een bedrijfswoning

is hierbij toegestaan. De bouwregels voor de bedrijfswoning voorzien in een woning met een

inhoud van max. 500 m 3 te vergroten tot max. 800 m 3 met een maximale nokhoogte van 9 m en

een goothoogte van 4,5 m.

– 9 –


Plangebied

Figuur 5 Vigerende plankaart ‘Buitengebied integrale herziening’, gemeente West Maas en Waal

– 10 –


• Door het ontbreken van de bestemming ‘Wonen’ op het perceel en het extra bouwvlak is de uitvoering van het

planvoornemen niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan.

1.5 Leeswijzer

De toelichting is opgebouwd uit 7 hoofdstukken. Het inleidende hoofdstuk 1 beschrijft de aanleiding

en de bestaande situatie. Hoofdstuk 2 geeft de planbeschrijving weer, waarna in hoofdstuk

3 het beleidskader aan de orde komt. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het plan aangetoond

voor wat betreft diverse (milieu-)aspecten, waaronder water, archeologie, flora en

fauna. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet en hoofdstuk 6 gaat in op de

economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 7 tenslotte geeft informatie over de maatschappelijke

uitvoerbaarheid. Per onderdeel wordt het planvoornemen getoetst aan het beleid en de milieu

hygiënische aspecten. Deze ‘toetsstukjes’ beginnen steeds met een *.

– 11 –


Te slopen bedrijfsgebouwen

Figuur 6 te slopen bebouwing + verharding aangegeven op nieuwe verbeelding

120 m 2 toegestaan aan bijgebouwen

Figuur 7 Te behouden bedrijfswoning + bijgebouw, de silo wordt gesloopt

– 12 –


2 Planbeschrijving

2.1 Het voornemen

Het plangebied aan de Van Heemstraweg 126 heeft momenteel een agrarische bestemming. Op

de locatie bevinden zich gebouwen van een voormalige varkenshouderij met een bedrijfswoning.

Rondom de bebouwing is bestrating aanwezig, een toerit vanaf de Van Heemstraweg en

weilanden. In de directe omgeving zijn (voormalige) landbouwbedrijven gevestigd. De bedrijfswoningen

van de voormalige agrarische bedrijven zijn in de afgelopen jaren veelal omgezet in

burgerwoningen.

De bedrijfsgebouwen zijn niet meer in gebruik voor hun agrarische functie, te weten varkensstallen

en bijbehorende machinekamers en installaties. (Zie figuren 3 en 7 voor een beeld van de

huidige situatie)

Op basis van het regionale VAB-beleid ‘Beleidskader hergebruik vrijgekomen agrarische

bedrijfsbebouwing in het buitengebied’ van de Regio Rivierenland is door de initiatiefnemer een

functieverandering aangevraagd. Met deze functieverandering wordt de agrarische bestemming

omgezet naar een woonbestemming ten behoeve van twee woningen. Hiervoor worden de

bestaande bedrijfsgebouwen, uitgezonderd de bestaande bedrijfswoning en een klein deel van

de bijgebouwen gesloopt. Totale omvang van de te slopen bebouwing bedraagt 1800 m 2 . Om

passend binnen het VAB beleid in aanmerking te kunnen komen voor de bouw van een woongebouw

of woning is het noodzakelijk om alle bedrijfbebouwing te verwijderen met een minimum

van 1000 m 2 . Alleen de binnen het bestemmingsplan toegestane m 2 aan bedrijfsgebouwen mag

behouden blijven. Dat is in deze situatie 120 m 2. De nieuwe woning wordt (na afstemming met

SAB, d.d. 9-9-2009)geplaatst op ongeveer dezelfde rooilijn als de woning op buurperceel, kadastraal

nummer 1670 (zie figuur 6). De nieuwe woning krijgt een grondoppervlak van circa 200

m 2 en zal bestaan uit 1,5 tot maximaal 2 bouwlagen met kap. De woning krijgt een uitstraling

passend bij de bestaande woningen in de omgeving. De inhoud van de woning mag maximaal

800 m 3 bedragen met een nokhoogte van 9 m. Momenteel is nog geen uitgewerkt ontwerp

voorhanden. Een herziening van het vigerende bestemmingsplan is nodig om de beoogde ontwikkeling

juridisch-planologisch mogelijk te maken.

2.2 Verkeer en parkeren.

Parkeren voor bewoners wordt op het eigen perceel opgelost. Het plan voorziet in minimaal twee

parkeerplaatsen bij zowel de bestaande als de nieuwe woning. Hiermee wordt voldaan aan de

geldende parkeernorm van 2 parkeerplaatsen voor dit type woning (duur segment).

De Van Heemstraweg betreft een voorrangsweg buiten de bebouwde kom. Parkeren langs deze

weg is niet toegestaan. Ook het parkereren voor bezoekers wordt daarom op eigen perceel geregeld.

Beide woningen beschikken hiervoor over voldoende ruimte op eigen terrein.

Het perceel ligt in een 80 km/uur zone. De ontsluiting van het perceel vindt plaats via de provinciale

Van Heemstraweg.

– 13 –


3 Beleidskader

3.1 Europees en Rijksbeleid

3.1.1 Nota Ruimte

In de Nota ruimte wordt het nationaal ruimtelijk beleid vastgelegd tot 2020. De Nota is begin

2006 formeel in werking getreden. De Nota Ruimte geldt als deel vier van de PKB Nationaal

Ruimtelijk Beleid, zoals aangegeven in de Wet Ruimtelijke Ordening. De Nota Ruimte is de visie

op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Het doel is een sterke economie, een veilige en

leefbare samenleving en een aantrekkelijk land. Onder het motto ‘decentraal wat kan, centraal

wat moet’ verschuift het accent van het stellen van ruimtelijke beperkingen naar het stimuleren

van gewenste ontwikkelingen. De Nota Ruimte ondersteunt gebiedsgerichte ontwikkeling waarin

alle betrokken partijen kunnen participeren. Het Rijk richt zijn aandacht met name op de Nationale

Ruimtelijke Hoofdstructuur. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om versterking van de dynamiek

in de nationale stedelijke netwerken en om waarborging van de kwaliteit van de Ecologische

Hoofdstructuur en de nationale landschappen, stedelijke netwerken en om waarborging van de

kwaliteit van de Ecologische Hoofdstructuur en de nationale landschappen.

Het nationaal ruimtelijk beleid voor steden en netwerken richt zich op voldoende ruimte voor

wonen, werken en mobiliteit en de daarbij behorende voorzieningen, groen, recreatie, sport

en water. Daarbij kiest het rijk voor versterking van de internationale concurrentiepositie van

Nederland, bevordering van krachtige steden en een vitaal platteland, borging en ontwikkeling

van belangrijke (inter)nationale ruimtelijke waarden en borging van de veiligheid.

• Dreumel valt buiten de Nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur. De Nota Ruimte is geen direct relevant beoordelingskader.

Wél zijn in de nota regels opgenomen om te zorgen voor een generieke basiskwaliteit (o.a. luchtkwaliteit,

externe veiligheid). De eisen die gesteld worden aan de generieke basiskwaliteit worden behandeld

in de hoofdstukken 8 t/m 15. De Nota bevat ook teksten over ontwikkelingsplanologie en versterking van het

draagvlak voor voorzieningen. Voorliggend plan past binnen het rijksbeleid, omdat het omvormen van voormalige

agrarische bedrijfsbebouwing naar wonen bijdraagt aan een vitaal platteland.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1 Structuurvisie Gelderland

Het Streekplan ‘Gelderland 2005’ heet Structuurvisie Gelderland sinds de invoering van de Wet

ruimtelijke ordening in juli 2008. Eind 2010 zal de Structuurvisie aangevuld worden met de

Provinciale Ruimtelijke Verordening.

In de Structuurvisie wordt uitgegaan van de sturingsfilosofie die ook in de Nota Ruimte wordt

gehanteerd: ‘Decentraal wat kan, centraal wat moet’. Een onderscheid wordt gemaakt tussen het

provinciaal belang en het domein van de gemeente. De Provincie is vooral verantwoordelijk voor

stedelijke functies en infrastructuur (rood raamwerk), natuur en water (groenblauwe raamwerk).

De gemeenten en de regio’s richten zich vooral op het multifunctioneel gebied.

Daarnaast wordt er een beleidsmatig onderscheid gemaakt voor de gebieden met een bijzondere

status; de waardevolle landschappen, de concentratiegebieden voor intensieve teelten, de ganzen-

en weidevogelgebieden en groene wiggen.

Het multifunctioneel gebied beslaat het grootste deel van de provincie. Dit gebied omvat de

steden, dorpen, buurtschappen buiten de provinciaal ruimtelijke hoofdstructuur

Het Gelders kwalitatief woonbeleid richt zich zowel op bestaand bebouwd gebied (herstructurering,

transformatie) als op nieuw stedelijk gebied (uitbreiding). Het aanbod aan woningen en

woonmilieus moet beter aansluiten bij de voorkeuren van bewoners. Om deze reden bevordert

de provincie vooral de realisatie van woningen voor ouderen en starters en van de woonmilieus

centrum-stedelijk en landelijk wonen. Voorts wil de provincie een versnelling bevorderen van

herstructurering en transformatie van bestaand bebouwd gebied, het aanpakken van de stagne-

– 14 –


ende (nieuwbouw)productie, het vergroten van het aanbod aan levensloopbestendige woningen

en wijken en het versterken van verscheidenheid en identiteit.

3.2.2 Ontwerp Ruimtelijke Verordening Gelderland

Een van de nieuwe instrumenten waar de provincie binnen de Wro over kan beschikken is de

provinciale ruimtelijke verordening. Met deze verordening kan de provincie gemeenten verplichten

hun bestemmingsplannen binnen een bepaalde periode aan te passen. De verordening geeft

niet alleen regels over de inhoud van het plan, maar ook over de toelichting of de onderbouwing.

Hieronder volgt kort de stand van zaken t.a.v. de status van de verordening.

• De ontwerp ruimtelijke verordening is op 3 november 2009 vastgesteld door Gedeputeerde Staten. De ruimtelijke

verordening is op 15 december 2010 vastgesteld door Provinciale Staten.

3.2.3 Uitwerking zoekzones

Op 12 december 2006 hebben Gedeputeerde Staten (GS) van Gelderland de Streekplanuitwerking

‘zoekzones voor stedelijke functies en landschappelijke versterking’ vastgesteld. Het is een

uitwerking van het nieuwe streekplan dat in 2005 door Provinciale Staten is vastgesteld.

Zoekzones geven de gebieden aan die worden gereserveerd voor stedelijke functies: wonen (huizen),

werken (bedrijventerreinen) en voorzieningen (scholen, kerken, sportvelden e.d.). Onder de

zoekzones voor stedelijke functies vallen de volgende gebieden:

––

Bestaand bebouwd gebied conform het VROM-bestand 1-1-2000

––

Bestaand bebouwd gebied wonen en werken 2000-2005

––

Zoekzones stedelijke functies 2005-2015

Daarnaast bevat de streekplanuitwerking zoekzones voor ‘landschappelijke versterking’. Dat zijn

gebieden waar het landschap moet worden versterkt en waar slechts incidenteel en op beperkte

schaal woningen mogen worden gebouwd. Voor deze gebieden moet nog een gebiedsplan worden

gemaakt.

3.2.4 Deeluitwerking regio Rivierenland, streekplan 2006

De resultaten van het Experiment Ruimtelijk Beleid Rivierenland zijn verwerkt in de deeluitwerking

regio Rivierenland uit 2006. Daarmee is de betekenis van het Experiment als basis voor

ruimtelijke planvorming en beoordeling komen te vervallen. Ten aanzien van wonen is, zolang

het KWP nog niet is vastgesteld een indicatieve taakstelling van 10.000 woningen voor regio

Rivierenland benoemd. Gestreefd wordt naar 45% i.p.v. de 30% inbreiding uit het streekplan.

• Op de streekplankaarten uitwerking stedelijke zoekzones is te zien dat het plangebied is benoemd als

‘bestaand bebouwd gebied wonen en werken 2000-2005’. De kern Dreumel heeft 3 zones aangewezen

voor stedelijke versterking, het plangebied- liggend in het buitengebied - maakt hier geen deel van uit.

Het plan levert via het toepassen van het VAB-beleid een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van het

plangebied en omgeving en is ondersteunend voor de vraag naar woningen en het in stand houden/bevorderen

van een leefbaar en vitaal platteland.

3.3 Regionaal en gemeentelijk beleid

3.3.1 VAB-beleid: beleidskader hergebruik vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied

Uitgangspunt van dit beleid is dat Vrijgekomen Agrarische Bedrijfsbebouwing kan worden

hergebruikt voor woondoeleinden of verscheidene bedrijfsmatige doeleinden. Ook zijn er

mogelijkheden voor sloop van de vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing en vervangende

nieuwbouw. Het VAB-beleid is door de samenwerkende gemeenten in de regio Rivierenland

opgesteld en is van kracht in het buitengebied van onder andere de gemeente West Maas en

Waal.

Het agrarisch buitengebied van de regio Rivierenland wordt deels gekenmerkt door relatief

moderne bedrijfsgebouwen die qua omvang en materiaalgebruik niet in het landschap passen.

Middels het VAB-beleid willen de samenwerkende gemeenten streven naar het vergroten van

de landschappelijke kwaliteit door te stimuleren dat deze agrarische bebouwing gesloopt wordt

wanneer de agrarische functie is verdwenen.

– 15 –


Ter stimulans bestaat binnen dit beleid de mogelijkheid om - in ruil voor de sloop van alle voormalige

agrarische bedrijfsgebouwen – een woongebouw en, in sommige gevallen, een woning

op te richten.

Door de opbrengsten van de extra bouwrechten te gebruiken voor het dekken van de sloopkosten

van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing en de kosten van landschappelijke inpassing

van nieuwe bebouwing, denken de samenwerkende gemeenten de ruimtelijke en landschappelijke

kwaliteit van het buitengebied per saldo te kunnen vergroten.

Alleen in de situatie waarin verbouw van de vrijgekomen agrarische bedrijfsruimte tot woonruimte

niet mogelijk of wenselijk is, is sloop en vervangende nieuwbouw toegestaan. Monumentale

bebouwing mag niet worden gesloopt, evenals bebouwing die door de gemeente als karakteristiek

of beeldbepalend is bestemd.

De samenwerkende gemeenten van de regio Rivierenland leggen in vergelijking met het streekplanbeleid

meer nadruk op sloop van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing en vervangende

nieuwbouw, met uitzondering van monumentale en karakteristieke/beeldbepalende bebouwing.

Aan deze keuze ligt een aantal redenen ten grondslag:

––

een aanzienlijk deel van de agrarische bedrijfsgebouwen in de regio Rivierenland (met name in

de fruit- en champignonteelt) heeft eerder een industriële dan een traditionele landbouwkundige

uitstraling. De ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van het buitengebied zijn dan ook

meer gediend met vervangende nieuwbouw onder strikte voorwaarden, dan met hergebruik;

––

een deel van de agrarische bedrijfsgebouwen in de regio Rivierenland is sterk verpauperd en

daardoor ongeschikt voor hergebruik of rendabele verbouw tot woon- of bedrijfsruimte;

––

een deel van de agrarische bedrijfsgebouwen in de regio Rivierenland is door hun vormgeving

of doordat zij agrarisch in gebruik zijn geweest simpelweg ongeschikt voor andere functies.

3.3.2 VAB-regeling woningen

Pas bij sloop van meer dan 1.000 m2 aan bedrijfsgebouwen of 800 m2 aan kapitaalintensieve

bedrijfsgebouwen kan één individuele woning worden gebouwd. Bij herbouw van een vrijstaande

woning is het nodig aan te tonen dat de realisatie van een woongebouw in het plangebied niet

wenselijk of financieel haalbaar is.

3.3.3 Sloop bedrijfsgebouwen en nieuwbouw in onderhavig plan

Voor onderhavige ontwikkeling wordt in totaal 1800 m 2 aan bedrijfsgebouwen gesloopt. Hiervoor

in de plaats wordt een woning van 500 m 3 te vergroten tot max. 800 m 3 nieuw gebouwd,

met een bijgebouw van 120 m 2 . Deze inhoud sluit aan op de inhoud zoals vastgelegd in het

geldend bestemmingsplan voor het buitengebied.

• Het planvoornemen voldoet aan de voorwaarden van het VAB-beleid. Er wordt 1800 m 2 aan bedrijfsbebouwing

gesloopt. De bebouwing wordt niet meer gebruikt omdat de voormalige varkenshouderij niet meer in functie

is. Deze bebouwing heeft deels een verpauperde en deels een industriële uitstraling. Door de sloop en de

herbouw van een woning met een kwalitatief hoogwaardige uitstraling zorgt de initiatiefnemer voor verbetering

van de omgevingskwaliteit

• Onderhavig plan voorziet in de realisatie van één woning. De keuze voor een vrijstaande woning in plaats van

een woongebouw (wat de voorkeur heeft binnen het VAB-beleid) is met ondermeer ruimtelijke argumenten te

ondersteunen. Het landschap waarin het plangebied ligt leent zich namelijk niet voor (woning)bouw in grote

volumes, aangezien dit ten koste gaat van het open karakter en de doorzichten die dit gebied kenmerkt. Verder

is de ligging van het plangebied niet ideaal t.o.v. voorzieningen, waardoor dit plangebied niet erg geschikt is voor

een woongebouw. Ook is het om financiële en persoonlijke redenen niet mogelijk op deze locatie een woongebouw

te realiseren. Om deze (ruimtelijke) redenen is het aannemelijk om medewerking te verlenen aan een

woning met een volume dat recht doet aan het karakter van de omgeving van het plangebied.

– 16 –


4 Milieuhygiënische aspecten

4.1 Water

Algemeen

Het waterbeleid is op Europees niveau vastgelegd in de Kaderrichtlijn Water en op nationaal niveau

in de Waterwet. Op lokaal niveau is het beleid van het Waterschap Rivierenland richtinggevend

in de vorm van Keur en Watertoets. Dit beleid wordt geconcretiseerd in het verkavelingsplan en

het bestemmingsplan van de betreffende gemeentes.

4.1.1 De waterpartners in West Maas en Waal:

––

Rijkswaterstaat is als beheerder verantwoordelijk voor de Rijkswateren.

––

De provincie Gelderland verzorgt de doorvertaling van het landelijk beleid en is operationeel

beheerder van het grondwater.

––

Waterschap Rivierenland verzorgt het operationele waterbeheer binnen de gemeente. Dit betekent

het peilbeheer en onderhoud van het oppervlaktewater. Ook initiëren zij veelal de projecten

gericht op verbetering van het watersysteem (waterkwaliteit, ecologie en veiligheid).

––

De gemeente West Maas en Waal draagt de zorg voor de efficiënte inzameling van regen- en

afvalwater. Zij beheert het rioleringssysteem in de gemeente en is tevens beheerder van de

openbare ruimte.

––

De grondeigenaren verzorgen het onderhoud van de niet-leggerwaterlopen en de ontwatering

van het eigen perceel.

Kaderrichtlijn Water

De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit

van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het

mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te

pakken.

Nationaal Waterplan

Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt

alle voorgaande nota’s waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is in december 2009

vastgesteld. In het plan wordt op hoofdlijnen het beleid van het Rijk aangegeven voor de periode

2009 - 2015. Hoofddoel is te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het beleid richt zich op de

bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik

van water. Het Nationaal Waterplan heeft voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Waterwet

Op 22 december 2009 is de waterwet van kracht geworden. De Waterwet regelt het beheer

van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen bijvoorbeeld het

waterbeheer en de ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan

kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve

lasten. De nieuwe Waterwet schept een kader voor de noodzakelijke modernisering van het

Nederlandse waterbeheer voor de komende decennia. Door het samenvoegen van meerdere

vergunningen nemen de bureaucratie en de regeldruk voor burgers en bedrijven af. De Waterwet

sluit goed aan op de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro), waardoor de relatie met het ruimtelijke

omgevingsbeleid wordt versterkt.

Waterplan Gelderland 2010-2015

Het Waterplan Gelderland 2010-2015 is de opvolger van het derde waterhuishoudingsplan

Gelderland (WHP3). Het Waterplan krijgt op basis van de nieuwe Waterwet de status van structuurvisie.

In het waterplan is beschreven welke instrumenten uit de Wet ruimtelijke ordening de

provincie wil inzetten voor de realisatie van specifieke waterdoelen. Voor een aantal functies,

zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grond-waterbeschermingsgebieden,

zijn specifieke doelen geformuleerd. In het ontwerp waterplan heeft het plangebied de functie

‘landbouw’’.

– 17 –


Waterschap Rivierenland

In de regio is het Waterschap Rivierenland de waterbeheerder. Het beleid uit het Waterbeheerplan

2010-2015 van Waterschap Rivierenland is er op gericht schoon hemelwater niet af te voeren

naar de riolering. In het kader van duurzaam waterbeheer is het gewenst om bij alle nieuwbouw

maximale afkoppeling van het hemelwater toe te passen. Hierbij hanteert het waterschap de

drietrapsstrategie vasthouden, bergen en afvoeren. Het schone hemelwater dient geïnfiltreerd te

worden in de bodem of anders via een bodempassage afgevoerd te worden naar het oppervlaktewater.

Daarnaast dient afhankelijk van de keuze van de oplossing de versnelde afvoer van het

verhard oppervlak te worden gecompenseerd.

Waterplan West Maas en Waal

Om water een volwaardige plek te geven binnen de gemeentelijke beleidsvorming heeft de

gemeente West Maas en Waal samen met het Waterschap Rivierenland in 2006 een waterplan

opgesteld. Het Waterplan heeft de status van kaderstellend beleidsplan. Het plan kent geen

directe planologische doorwerking. De geformuleerde waterdoelstellingen dienen wel door te

werken in ruimtelijke afwegingen.

Het Waterplan formuleert de doelstellingen die deze partijen hebben voor het toekomstige

waterbeheer binnen de gemeente. Het streven is gericht op het realiseren van een gezond en

veerkrachtig watersysteem en een duurzame waterketen. Daarnaast dient het oplossingen te formuleren

voor bestaande knelpunten ten aanzien van waterkwantiteits- en kwaliteitsproblemen.

Tot slot moet het Waterplan de gemeente West Maas en Waal voorbereiden op het toekomstige

waterbeheer.

De voor dit planvoornemen relevante aandachtspunten uit het waterplan zijn:

––

Onvoldoende ruimte voor berging in bestaand watersysteem;

––

Onvoldoende afvoercapaciteit op enkele locaties binnen het huidige watersysteem;

––

Spanning tussen ruimtelijke ontwikkelingen en het aspect water;

––

Capaciteitsproblemen in het rioolstelsel en hierdoor voorkomen van watercapaciteitsproblemen

door overstortingen.

• Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente West Maas en Waal. De gemeente ziet het benutten

van afkoppelkansen als een belangrijke bijdrage om knelpunten in de waterhuishoudkundige situatie te

verminderen. Positief in dit plan t.a.v. de waterhuishouding, is dat het verharde oppervlak binnen het plangebied

vermindert met 1400 m 2 en dat in de nieuwe situatie hemelwater en vuilwaterafvoer gescheiden worden

aangeboden.

4.1.2 Watertoets

In het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het overleg met de waterschappen, de provincie

en het rijk bij de voorbereiding van een bestemmingsplan opnieuw voorgeschreven. Dit is te

vergelijken met het vroegere artikel 10 BRO overleg.

Bij de watertoets gaat het om het van meet af aan meenemen van water bij ruimtelijke plannen

en besluiten. Daarvoor is in een zo vroeg mogelijk stadium overleg nodig met de waterbeheerder.

Het gaat niet om een toets achteraf. Het doel is actieve inbreng van de waterbeheerder en maatwerk

voor elk plan. Het resultaat is een beschrijving van het lokale watersysteem, advies van de

waterbeheerder en de expliciete afweging van de maatregelen met betrekking tot waterbeheer

in het plan. Deze dienen bij voorkeur in een waterparagraaf te worden beschreven. De Watertoets

wordt toegepast op alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten.

De waterhuishoudkundige aspecten omvatten zowel oppervlakte- als grondwater, gevaar van

overstroming vanuit meren, rivieren en de zee, wateroverlast door neerslag of grondwater,

waterkwaliteit en verdroging.

Water en ruimtelijke ontwikkelingen

De gemeente West Maas en Waal onderkent de meerwaarde en noodzaak van het betrekken

van water in de ruimtelijke planvorming en geeft water dan ook een prominente plaats als

mede-ordenend principe. In overleg met het waterschap wordt in het kader van de watertoets

afgesproken welke normen van toepassing zijn. In principe dient voor alle uit- en inbreidingsprojecten

(feitelijk alle Wet ruimtelijke ordening gerelateerde projecten) een natte paragraaf en een

onderbouwend waterhuishoudkundig plan te worden opgesteld, waarin (de aanpassingen van)

– 18 –


het watersysteem en de riolering zijn uitgewerkt. In het reguliere watertoetsoverleg wordt per

geval bekeken welke omvang het onderzoek en de natte paragraaf dient te krijgen. Kleinschalige

projecten kunnen op die wijze op efficiënte wijze het watertoetstraject doorlopen.

Het gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater is een belangrijk aandachtspunt wat

betreft de watertoets die wordt opgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. De doelstelling is het

afvoeren van het vuile water via de riolering en het lokaal verwerken van het schone hemelwater.

Afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse kan een compromis gesloten worden, waarbij de

minimale inzet (in bestaand bebouwd gebied) is om het vuile en het schone water gescheiden

aan te bieden aan het al aanwezige gemengde rioolstelsel. Een compenserende berging/infiltratievoorziening

kan vervolgens buiten het directe plangebied, maar binnen de rioleringseenheid/

(deel)stroomgebied gevonden worden. De gemeente staat ‘postzegel afkoppeling’ (elk perceel op

zich afkoppelen) niet voor, vanwege de bijna onbeheersbare situatie die dat oplevert.

In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert de gemeente West Maas en Waal

het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden

met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen (hergebruik), infiltratie,

buffering en afvoer doorlopen. Hergebruik van schoon hemelwater wordt alleen overwogen bij

grootschalige voorzieningen als scholen, kantoorgebouwen ed. Voor particuliere woningen wordt

dit niet toegepast. Binnen het grondwaterbeschermingsgebied kunnen door de grondwaterbeheerder

(provincie) aanvullende eisen worden gesteld in de Provinciale Milieuverordening. Ook

kan een vergunning nodig zijn van de grondwaterbeheerder.

Hydrologisch neutraal bouwen.

Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal bouwen,

waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie.

4.1.3 Bestaande en nieuwe situatie plangebied

Verhard oppervlak bestaande en nieuwe situatie

In de nieuwe situatie wordt 1800 m 2 aan bedrijfsbebouwing gesloopt en vervangen door de

nieuwbouw van een woning. Als totale verharding voor de nieuwe woning wordt ruw geschat

een oppervlakte van 400 m 2 gerekend. Dit is opgebouwd uit circa 200 m 2 voor de nieuwe woning

en circa 200 m 2 voor omliggende terrassen, parkeerplaatsen ed. .Dit betekent dat er in de nieuwe

situatie een afname van verhard oppervlakte van 1400 m 2 zal zijn.

A-Watergang

Langs de voorrand van het plangebied aan de Van Heemstraweg ligt een A-watergang. Het

onderhoud van A- watergangen wordt verzorgd door het waterschap. Hiervoor is een beschermingszone

vastgesteld. Dit is een in principe obstakelvrije strook die als beschermingszone in de

legger is aangewezen. Zie onderstaand figuur 8.

Plangebied

––

A- watergang

Onderhoudsplicht Waterschap Rivierenland

––

B- watergang

Onderhoudsplicht eigenaren aangrenzende

percelen

Figuur 8 Uitsnede leggerkaart Land van Maas en Waal 1a (bron: Waterschap Rivierenland)

• De regels en gebruiksmogelijkheden van de A-watergang + beschermingszone zijn verwerkt via de bestemming

‘Water’ op de verbeelding en bijbehorende regels .

– 19 –


Vuilwater

Voor de bestaande woning blijft de waterhuishoudkundige situatie ongewijzigd. Voor de afvoer van vuilwater

wordt de nieuwe woning aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel

Hemelwater

Het plangebied heeft een oppervlakte van 13.837 m². Afvloeiend regenwater van dit perceel moet worden

afgevoerd naar oppervlaktewater in de directe omgeving. Regenwater mag niet geloosd worden op het

(druk)rioolstelsel. Er loopt een watergang langs de Van Heemstraweg en aan de achterzijde van het plangebied.

Met de gegevens die beschikbaar zijn kan vastgesteld worden dat de gemiddelde maaiveldhoogte

van de bouwlocatie 4,8 m +NAP en de toegangsweg op 5,2 m +NAP ligt. Volgens de bodemkaart van

Nederland bestaat de bodem bovenin het profiel uit zandige kleiafzettingen. Aangenomen wordt dat de

grondwaterstand gemiddeld op 1 m – mv ligt (zie bodemonderzoek NIPA, 10.11850, 11 november 2010).

Tijdens het bodemonderzoek bevond de grondwaterstand zich op 1,2 m - maaiveld. De bodem is vanaf

maaiveld tot circa 2,5 m -mv opgebouwd uit zwak humeuze klei. Er zijn momenteel op het perceel geen

kwelproblemen of hemelwateroverlast.

In het buitengebied is volgens het Waterschap Rivierenland compensatie vereist vanaf een toename van

1500 m 2 aan verharding. In voorliggend plan komt na realisatie een afname van 1400 m 2 aan verharding

tot stand. Het realiseren van waterbergingscompensatie is niet nodig.

Na uitvoering van het planvoornemen zal de afvoer van het hemel- en vuilwater gescheiden worden

aangeboden. Het hemelwater zal daartoe afgevoerd worden naar de watergang aan de voorrand van het

perceel, aan de Van Heemstraweg.

• Geconcludeerd kan worden dat het project niet verstorend is voor de waterhuishouding in en rond het plangebied. De

uitvoering en de uitvoerbaarheid van het plan zijn dan ook, wat het behoud van de waterhuishouding betreft, gewaarborgd.

Het voornemen voldoet aan het afkoppelingsbeleid van de gemeente, zodat lozing van schoon water op het riool

wordt voorkomen.

• Wel bevindt het gebied zich in overstromingsgebied. De locatie ligt tussen twee grote rivieren in. Het gebied waar de

locatie ligt is daarom ook aangewezen als overstromingsgebied op de kaart. De risicokaart (prov. Gelderland) spreekt van

een overstroming als een gebied onder water loopt en hierbij in het algemeen een waterstand (diepte) van ten minste 1

meter ontstaat. Mogelijke overstromingsgebieden op de risicokaart hebben een kans van 1 op 4000 om onder te lopen.

Ook staan er gebieden op die in 1993 of 1995 overstroomden of werden bedreigd.

4.2 Geluid

4.2.1 Wet Geluidhinder

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh

noemt drie geluidsbronnen waarbij ‘geluidsgevoelige bestemmingen’ in ‘nieuwe situaties ‘ getoetst moeten

worden op mogelijke overlast. Deze drie bronnen zijn wegverkeer, spoorweg- en industrielawaai. Bij

het berekenen van de geluidsbelasting op een ‘gevoelige bestemming’ zijn afstand (tot de infrastructuur)

en intensiteit (potentiële bron) bepalende factoren.

Nieuwe situatie

In het kader van de Wet geluidhinder is sprake van een ‘nieuwe situatie’ indien een nieuwe weg wordt

aangelegd en/of sprake is van nog niet geprojecteerde gebouwen. Nog niet geprojecteerd betekent in dit

kader dat het vigerende bestemmingsplan niet in de geplande bestemming voorziet.

Geluidsgevoelige bestemming

Een woning wordt door de Wgh gezien als een ‘geluidsgevoelige bestemming’. Indien een bestemmingsplan

nieuwe geluidsgevoelige functies toestaat, stelt de Wet geluidhinder (volgens artikel 77) de

verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting op de gevel van de woning.

Maximaal toelaatbare geluidbelasting ‘nieuwe situaties’.

Normen met betrekking tot de geluidbelasting in ‘nieuwe situaties’ zijn in artikel 82 tot en met 87 van

de Wet geluidhinder vermeld. In eerste instantie wordt ervan uitgegaan dat een zogenaamde voorkeurs-

– 20 –


grenswaarde niet mag worden overschreden. Indien de voorkeursgrenswaarde wel maar de

maximale ontheffingswaarde niet wordt overschreden, kan door de gemeente West Maas en

Waal onder bepaalde voorwaarden een ontheffing worden verleend voor een hogere toelaatbare

geluidbelasting.

Wil de gemeente een hogere waarde dan de in artikel 82, eerste lid, genoemde voorkeursgrenswaarde

vaststellen, dan dienen maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting

tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, op overwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige,

verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.

Wegverkeerslawaai

De Wgh bepaalt dat zich langs wegen geluidszones bevinden, met uitzondering van woonerven

en 30 km/h-gebieden. De breedte van een geluidszone wordt aangegeven in artikel 74 Wgh en

is afhankelijk van het aantal rijstroken en of de weg aangemerkt moet worden als stedelijke of

buitenstedelijke weg.

Binnenstedelijk gebied:

––

Een of twee rijstroken: 200 meter;

––

Drie of meer rijstroken: 350 meter;

Buitenstedelijk gebied:

––

Een of twee rijstroken: 250 meter;

––

Drie of vier rijstroken: 400 meter;

––

Vijf of meer rijstroken: 600 meter.

Binnenstedelijk gebied is gedefinieerd als het gebied binnen de bebouwde kom minus de gebieden

gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg.

Buitenstedelijk gebied is gedefinieerd als het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied

binnen de bebouwde kom gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg.

Bouwbesluittoetsing

Voor 30 km/wegen geldt dat een toetsing in het kader van de Wet geluidhinder niet plaats hoeft

te hebben. In het kader van de bouwbesluittoetsing is het wel van belang of voldaan kan worden

aan het conform het bouwbesluit 2003 vereiste binnenniveau van 33 dB. Aangezien de karakteristiek

geluidwering volgens het bouwbesluit 2003 tenminste 20 dB dient te bedragen wordt dit

pas een aandachtspunt bij geluidbelasting op 30 km/uur wegen vanaf 33 + 20 = 53 dB

• In deze situatie is alleen de situering t.o.v. wegverkeer relevant. Spoorweg- en industrielawaai is gezien de ligging

van het plangebied niet van toepassing. Het planvoornemen betreft een ‘nieuwe situatie’ waarbij de nieuwe

woning worden gezien als ‘geluidsgevoelige bestemmingen’. Het plangebied ligt in buitenstedelijk gebied binnen

de zone van de Van Heemstraweg. Toetsing aan de Wgh is daarom verplicht.

4.2.2 Geluidsonderzoek ABOVO

ABOVO acoustics heeft een geluidsonderzoek uitgevoerd naar de gevelbelasting op de nieuw te

bouwen woning aan de Van Heemstraweg 126. Het volledige rapport (nr. S 1246-3-GB) maakt

als losse bijlage deel uit van de toelichting. Hieronder volgt alleen de conclusie.

“Conclusie geluidsonderzoek ABOVO

Voor de geplande woning (en) wordt met een geluidbelasting van 51 dB vanwege de Van Heemstraweg

niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Dit betekent, dat voor de geplande woning

een hogere waarde dient te worden verleend.

Zonder extra gevelmaatregelen is een afdoende geluidwering voor de woning, te verwerkelijken

in de bouwfase en kan bij de woning van een afdoende akoestische kwaliteit worden gesproken

en dus van een goede ruimtelijke ordening in dat opzicht. Overige maatregelen zijn gezien kosten

op impact op de omgeving niet redelijkerwijs te nemen.”

• Vastgesteld kan worden dat de akoestische situatie ter plaatse geen belemmeringen opwerpt voor de ontwikkeling

van dit project. Wel is het nodig dat de gemeente gebruik maakt van de mogelijkheid om een hogere

waarde vast te stellen voor de geluidbelasting op de nieuwe woning.

– 21 –


4.3 Bodem

De Wet bodembescherming (Wbb) van 3 juli 1986 vormt de basis voor de regelgeving om

bodemverontreiniging te voorkomen, beperken, onderzoeken en saneren. Daarnaast regelt de

wet wie verantwoordelijk is voor de verontreiniging en de financiële gevolgen ervan. De Woningwet

bepaalt dat de gemeente alleen nog voor bouwwerken die specifiek bedoeld zijn voor het

verblijf van mensen, een bodemonderzoek (bodemtoets) moet uitvoeren. Voordat een bestemmingsplan

kan worden vastgesteld, moet worden aangetoond dat de bodem en het grondwater

vrij zijn van verontreinigingen. Een verkennend bodemonderzoek is nodig om aan te tonen dat

de bodem geschikt is voor de geplande functie ‘Wonen’.

4.3.1 Verkennend bodemonderzoek NIPA

Bureau NIPA heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de bouwlocatie aan de Van

Heemstraweg 126 te Dreumel. Het onderzoek is uitgevoerd volgens protocol NEN 5740:2009.

Het rapport (10.11850, 11 november 2010) maakt als losse bijlage deel uit van deze toelichting.

Onderstaand volgen conclusie en aanbevelingen uit het rapport (zie figuur 9 voor de kaart met

boorpunten).

Figuur 9 Boorpuntenkaart verkennend bodemonderzoek NIPA

“Conclusies en aanbevelingen bodemonderzoek NIPA

Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Van Heemstraweg

126 te Dreumel, kadastraal bekend onder gemeente Dreumel, sectie G, nummer 1137, blijkt

dat zowel de vaste bodem als het grondwater niet (noemenswaardig) verontreinigd zijn met de

onderzochte parameters.

– 22 –


De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is niet noodzakelijk. Tegen de eventuele

bebouwing van de onderzoekslocatie zijn, ons inziens, geen zwaarwegende milieuhygiënische

bezwaren aan te voeren.

Op basis van de beschikbare gegevens kan geconcludeerd worden dat de hypothese, zoals verwoord

in paragraaf 2.6, in principe verworpen dient te worden. De gevolgde strategie is echter

als voldoende te beschouwen.

Opgemerkt wordt dat wij slechts een adviserende taak hebben en dat het bevoegd gezag de

noodzaak tot de uitvoering van nader of aanvullend onderzoek vaststelt.

Alhoewel het onderzoek met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor

opgestelde normen en richtlijnen is uitgevoerd dient opgemerkt te worden dat een bodemonderzoek

slechts bestaat uit een steekproef waarbij een relatief gering aantal boringen en analyses

wordt uitgevoerd. Niet geheel uitgesloten kan worden dat op de locatie een verontreiniging

aanwezig is die bij dit onderzoek niet is aangetroffen.”

• De samenstelling van de bodem is niet belemmerend voor de voorgenomen woningbouw

4.4 Lucht

4.4.1 Wet Luchtkwaliteit

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie

van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden

voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In

Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende

stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen

van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan

de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht worden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel)

verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Op 1

augustus 2009 is het NSL in werking getreden.

In bijlage 3A van de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)’ wordt een lijst met

ontwikkelingen benoemd die “niet in betekenende mate” bijdragen aan de verslechtering van de

luchtkwaliteit en waarvoor geen luchtonderzoek hoeft te worden uitgevoerd. Het bestemmingsplan

is één van de bevoegdheden waarbij aan de hierna genoemde criteria moet worden getoetst

(genoemd in artikel 5.16, tweede lid onder c Wet milieubeheer).

––

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

––

een project leidt - al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

––

een project draagt “niet in betekenende mate” (NIBM) bij aan een verslechtering van de

luchtkwaliteit;

––

een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen

een regionaal programma van maatregelen.

Aannemelijk is dat een project NIBM als het een toename van de concentratie veroorzaakt van

maximaal 3%. Wordt deze grens niet overschreden dan hoeft geen verdere toetsing aan de

grenswaarden plaats te vinden en zijn aanvullende maatregelen niet nodig. Concreet betekent

dit bij:

––

< 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en < 3.000 woningen bij minimaal

2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling (voorschrift 3A.2);

––

< 100.000 m2 bruto vloeroppervlak (b.v.o.) bij kantoorlocaties bij minimaal 1 ontsluitingsweg,

en < 200.000 m2 b.v.o. bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling

(voorschrift 3A.1).

Naast de toetsing van het aspect luchtkwaliteit in het kader van de Wet luchtkwaliteit moet in het

kader van een goede ruimtelijke ordening worden getoetst of de luchtkwaliteit ter plaatse van het

projectgebied aanvaardbaar is voor de beoogde functie. Het plangebied ligt in het buitengebied

– 23 –


van de gemeente West Maas en Waal. In de omgeving van het plangebied liggen geen wegen die

van negatieve invloed zijn op de luchtkwaliteit. Daarnaast blijkt uit de jaarrapportage luchtkwaliteit

2007 van de Gemeente West Maas en Waal dat de grenswaarden voor luchtvervuilende

stoffen op geen enkel beoordelingspunt worden overschreden. De blootstelling aan luchtverontreiniging

is beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. In het kader van een

goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar.

• Onderhavig plan betreft de ontwikkeling van één woning zodat op basis van bijlage 3a van de ‘Regeling niet in

betekenende mate bijdragen (NIBM)’sprake is ven een ‘niet in betekende mate’-plan. Meer concreet betekent

dit dat voor dit plan geen luchtkwaliteitsonderzoek hoeft te worden uitgevoerd. Zowel vanuit de Wet milieubeheer

als vanuit een goede ruimtelijke ordening (Wro) is vast te stellen dat de luchtkwaliteit geen belemmering

is voor dit plan.

4.5 Zonering omliggende bedrijven

4.5.1 Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het

leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante

toetsing in milieuhygiënisch opzicht van bedrijfsvestigingen, wordt gebruik gemaakt van

de zogenaamde milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende

ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen anderzijds milieugevoelige

functies als wonen en recreëren. Daarnaast is de milieuwetgeving van toepassing.

Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse

Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijven. Per bedrijfssoort aangegeven welke milieuinvloed

(in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) mogelijk is en welke afstand (minimaal) in

acht genomen moet worden. De VNG onderscheidt hierbij diverse omgevingstypen. Het achterliggende

idee is dat de gevoeligheid van een gebied voor bepaalde hinder afhankelijk is van

het omgevingstype. De door de VNG aangegeven afstanden betreffen een rustige woonwijk.

De mate van milieuhinder bepaalt in welke van de zes milieucategorieën een bedrijfssoort is

ingedeeld. Categorie 1 bevat de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid.

In principe is bedrijvigheid uit de categorie 1 en 2 goed te mengen met de functie wonen. Het

is wenselijk om de bedrijvigheid in de categorie 3 te clusteren en een zonering in acht te nemen.

Vanaf categorie 4 is menging met milieugevoelige functies niet mogelijk.

• In onderstaande tabel zijn de bedrijven in de directe omgeving benoemd met de door de VNG aangegeven milieucategorie

en de daarbij behorende grootste hinderafstand volgens ligging in een rustige woonwijk.

Adres Omschrijving Milieucategorie

Grootste hinderafstand in

rustige woonwijk

Van Heemstraweg 115 Menders bouwnijverheid 3.1/3.2 50 m (< 1000 m 2 ) of 100

m (>1000 m 2 )

Afstand

tot plangebied

160 m

Houtweg 2

Zijvond 2

Waaldijk 53

Timax, groot- en detailhandel,

reparatie van

auto’s/ Auto-demontagebedrijf

(eenvoudig) de

Vos BV.

Van Zuilichem Landbouw,

bosbouw en visserij, loon

grond-/verhuurbdrijf

Vonk groot- en detailhandel,

reparatie van auto’s

2 30 m 100 m

3.2 100 m 230 m

2 30 m 270 m

– 24 –


Het plangebied ligt in een gemengde omgeving in het buitengebied van de gemeente West

Maas en Waal. In het gebied zijn een aantal veehouderijen gevestigd (zie hiervoor paragraaf

4.5.2). Daarnaast bestaat de omgeving uit woningen, deels gerealiseerd op voormalig agrarische

percelen. Overige bedrijvigheid in de omgeving is te rubriceren onder bouwnijverheid, recycling

en demontage en (voormalig) agrarisch. De bedrijven liggen op voldoende afstand van het plangebied

om eventuele hinder te voorkomen (zie figuur 10).

Figuur 10 Uitsnede kaart bedrijvigheid (bron:‘mijn leefomgeving, prov. Gelderland)

• Er is geen hinder te verwachten van omliggende bedrijvigheid voor de nieuwe woning. De milieuzonering van de

bestaande bedrijvigheid blijft ruim buiten het plangebied. Een goed woon- en leefklimaat kan hierdoor gegarandeerd

worden. De bedrijvigheid in de directe omgeving is goed verenigbaar met de woonfunctie. De woonfunctie

is anderzijds ook niet belemmerend voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.

4.5.2 Wet geurhinder en veehouderij

Sinds januari 2007 is de nieuwe Wet geurhinder en veehouderij van kracht. Deze wet werkt niet

langer met stankcirkels om het effect op leefniveau aan te geven maar geeft normen voor de

geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig project (bijvoorbeeld

een woning). De geurbelasting (emissie van geur) wordt niet meer uitgedrukt in Mest Varken

eenheden (MVE’s ) maar in Odour units per seconde. De geurbelasting wordt nu berekend met

een verspreidingsmodel (V-Stacks genoemd) en wordt uitgedrukt in geureenheden per m 3. Dit

geldt alleen voor dieren waarvoor de geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder

en veehouderij (dec. 2006).

De stankcirkels gelden alleen nog voor vergunningen verleend onder het oude geurbeleid, dus

voor vergunningen beschikt voor 1 januari 2007. Zelfs dan geven ze slechts een vereenvoudigde

benadering. Voor de vergunningen na januari 2007 zijn soms nog wel gewoon stankcirkels weergeven.

Deze geven slechts een eerste indicatie van het geureffect en hebben geen juridische

betekenis meer.

Toetsing Wet Geurhinder en veehouderij voormalige bedrijfswoning en nieuwe wonging

Artikel 14, lid 2 en 3 van de Wet geurhinder en veehouderij geven aan hoe om te gaan met

geurhinder voor een voormalige bedrijfswoning of een nieuwe woning in samenhang met de

sloop van voormalige bedrijfsbebouwing van veehouderijen.

“2. Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij

en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

a. op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij,

b. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij,

en

c. in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt

van de veehouderij,

ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten

minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen.

3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een geurgevoelig object dat op de

in dat lid bedoelde kavel aanwezig is.”

– 25 –


• In onderstaande tabel zijn de veehouderijen in de directe omgeving benoemd met de door de VNG aangegeven

milieucategorie en de daarbij behorende grootste hinderafstand volgens art 14 Wet geurhinder en veehouderij.

Adres Omschrijving Milieucategorie

Grootste hinderafstand buiten

bebouwde kom volgens art 14

Wet geurhinder en veehouderij

Afstand

tot plangebied

Van Heemstraweg 117 Paardenhouderij 3.2 50 m 165 m

Van Heemstraweg 120 Melkrundvee 3.2 50 m 350 m

Zijvond 2 Vleesveehouderij 3.2 50 m 230 m

• Conclusie op basis van de Wet geurhinder en veehouderij: Omliggende veehouderijen dienen voldoende afstand

in acht te nemen voor mogelijke hinder voor de nieuwe gevoelige bestemming ‘Wonen’ van het plangebied.

Volgens artikel 14 van de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de in acht te nemen afstand voor deze

woningen gelegen buiten de bebouwde kom 50 m. Gesteld kan worden dat het planvoornemen niet belemmerend

is voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.

4.6 Externe veiligheid

Algemeen

Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico’s voor

de omgeving vanwege gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke

stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving

mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet

de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en

verantwoord bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron.

Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het “Besluit externe veiligheid inrichtingen

(Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit

algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle

inrichtingen moeten worden aangehouden.

Daarnaast zijn voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van

gevaarlijke stoffen een aantal circulaires van belang, die te zijner tijd worden vervangen door

AMvB’s waarin risiconormen en een verantwoordingsplicht worden verankerd. Voor de omgeving

van buisleidingen is inmiddels het “Besluit externe veiligheid buisleidingen” (Bevb) gepubliceerd

in het Staatsblad, maar deze is nog niet in werking getreden.

Risicovolle inrichtingen

Uit de risicokaart van de provincie Gelderland blijkt dat het plangebied niet is gelegen in de

omgeving van een Bevi-bedrijf. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van Bevi-bedrijven.

Daarnaast ligt het plangebied ook niet binnen de veiligheidsafstanden van bestaande stationaire

risicobronnen, waarop het Bevi niet van toepassing is. Hierdoor is geen verantwoording van het

groepsrisico nodig.

Figuur 11 Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart, prov. Gelderland)

– 26 –


Leidingen

Op de risicokaart (figuur 11) is te zien dat er een buisleiding in de nabijheid van het plangebied

loopt. Het betreft een gastransportleiding. Graafwerkzaamheden vormen de grootste kans op

beschadiging van een buisleiding. Het plaatsgebonden risico van de buisleiding is bepaald op

10-6. Dit betekent dat binnen een afstand van 5 meter de wettelijk (veiligheids) norm wordt

overschreden. Binnen deze afstand mogen geen (graaf)werkzaamheden/activiteiten worden uitgevoerd.

De buisleiding ligt op circa 280 m afstand van het plangebied en is daarom niet gelegen

binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstof. Hierdoor

is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen.

Vervoer gevaarlijke stoffen

Over de Van Heemstraweg vindt uitsluitend regulier transport van gevaarlijke stoffen plaats.

Er is geen sprake van een PR-contour buiten de rand van de weg. Door de geringe hoeveelheid

transport is er geen noodzaak tot een gedetailleerde beoordeling van het groepsrisico. Naast de

al besproken buisleiding zijn geen andere transportmodaliteliten in de nabijheid van het plangebied

aanwezig.

• De dichtstbijzijnde risicovolle bron ligt op ruim 500 m van het plangebied (zie figuur 11 voor de risicokaart). Het

betreft een vulpunt voor LPG aan de Van Heemstraweg. De risicocontour van dit punt raakt het plangebied niet.

Het plangebied of de nieuwe bestemming ligt niet binnen het invloedsgebied van Bevi-inrichtingen, de veiligheidsafstanden

van andere stationaire risicobronnen, de toetsingszones van transportroutes voor gevaarlijke

stoffen en het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het aspect

externe veiligheid vormt daarom geen belemmering voor de beoorde ontwikkeling.

4.7 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen zoals de bouw van nieuwe woningen of een bedrijf moet rekening gehouden

worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied en omgeving. Hierbij kan

onderscheid gemaakt worden tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming.

4.7.1 Gebiedsbescherming

Natuurbeschermingswet

Met de inwerkingtreding van de nieuwe Natuurbeschermingswet 1998 in oktober 2005 is de

Europese wet- en regelgeving volledig in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De NBwet

ziet toe op de bescherming van specifiek aangewezen gebieden ten behoeve van specifieke

instandhoudingsdoelen. Het plangebied ligt ten zuiden van de door de NB-wet beschermde

Natura 2000-gebied “Uiterwaarden Waal”. Gezien de afstand (200 m) tussen dit beschermde

gebied en het plangebied en de aard van de ingreep, doet het voornemen geen afbreuk aan

de instandhouding van deze gebieden Het planvoornemen doet dan ook geen afbreuk aan de

instandhouding van deze gebieden. Een nadere beoordeling is niet nodig.

Ecologische Hoofdstructuur

De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is het beoogde samenhangende netwerk van kwalitatief

hoogwaardige natuurgebieden en natuurrijke cultuurlandschappen in Nederland. Dit wordt

gerealiseerd door vergroting van natuurgebieden, ontwikkeling van nieuwe natuurgebieden, aangepast

agrarisch(-natuur) beheer en aanleg van ecologische verbindingszones. Op de EHS kaart

is te zien dat diverse grotere en kleinere gebieden in de omgeving deel uit maken van de EHS. Dit

betreft vooral de uiterwaarden van de Waal.

• Het plangebied valt niet binnen de EHS (zie figuur 12). Het voornemen heeft door zijn aard en omvang geen

invloed op de kernkwaliteiten van de EHS. Vanuit het provinciale natuurbeleid is er daarom geen bezwaar tegen

het voornemen.

4.7.2 Soortenbescherming

Flora- en Faunawet

De Flora- en Faunawet is een soortbeschermingwet. De intentie van de wet is niet het beschermen

van individuele organismen, maar de duurzame instandhouding van soorten. Indien voldoende

voorzorgsmaatregelen worden genomen lijkt het voornemen uitvoerbaar binnen de Flora- en

– 27 –


Plangebied

Figuur 12 Uitsnede Ecologische Hoofd Structuur

– 28 –


Faunawet. In het plangebied komen naar verwachting alleen algemeen beschermde flora- en

faunasoorten voor. Deze soorten genieten een algemene vrijstelling (soorten van tabel 1 Flora en

Faunawet) van schade als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen en projecten. Voor deze soorten

is geen ontheffing vereist. Met in achtneming van de algemene zorgplicht, is een ontheffing in

het kader van de Flora- en Faunawet niet nodig.

4.7.3 Quickscan Econsultancy

Econsultancy heeft in opdracht van HSRO Stedenbouw en ruimtelijke ontwikkeling BV een

quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Van Heemstraweg 126 te Dreumel Het volledige

rapport (nr. 10103699) maakt als losse bijlage deel uit van de toelichting. Hieronder volgen de

conclusies en aanbevelingen.

“Voorgenomen ingreep

De initiatiefnemer is voornemens om de voormalige varkensstallen, open kapschuur en oude hooischuur

te slopen, waarbij de bedrijfswoning een bestemming als burgerwoning krijgt. Daarnaast

zal op een deel van het grasland direct ten zuiden van de varkensstallen een extra burgerwoning

(maximaal 800 m3) worden gerealiseerd. Verder blijft alles in de huidige situatie gehandhaafd.

Waarnemingen en te verwachten soorten:

De te slopen bebouwing is geschikt als neslocatie voor huismus (jaarrond beschermd), maar

ook voor in dit geval niet jaarrond beschermde broedvogels als spreeuw, zwarte roodstaart

en algemene soorten als holenduif, merel en winterkoning. De te handhaven beplanting biedt

broedgelegenheid aan algemene vogelsoorten als merel, winterkoning, heggenmus en roodborst.

Daarnaast kan het grasland in theorie broedgelegenheid bieden aan een weidevogel als kievit

en scholekster. Verder zijn tijdens het veldbezoek enkele oude braakballen van steenuil, een

oud boerenzwaluwnest en nestresten van holenduif en merel aangetroffen. Met betrekking tot

steenuil is er naar verwachting sprake van een (oude) incidentele rustplaats.

De te slopen bebouwing is niet geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. Een

incidenteel individu kan echter nooit worden uitgesloten. De te handhaven bedrijfswoning vormt

wel een potentiële vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Op de onderzoekslocatie kan incidenteel

een algemene soort als egel of gewone pad worden aangetroffen. Voor de overige soorten

uit de verschillende soortgroepen vormt de onderzoekslocatie geen geschikt habitat of zijn deze

op grond van bekende verspreidingsgegevens of het ontbreken van verblijfsindicaties niet te

verwachten.

Maatregelen ter voorkoming van negatieve effecten:

Met uitzondering van huismus zullen, indien de bebouwing buiten het broedseizoen wordt

gesloopt, er geen overtredingen van de Flora- en faunawet plaatsvinden met betrekking tot

broedvogels. Het uitvoeren van een controle op de aanwezigheid van een broedgeval voor aanvang

van de nieuwbouwwerkzaamheden, kan voorkomen dat er onnodige verstoring van een

onverhoopte broedende weidevogel plaatsvindt.

Overtreding van de Flora- en faunwet kan worden voorkomen, door de nieuw te realiseren

woning geschikt te maken als nestlocatie voor huismussen.

Algemene zorgplicht:

Ondanks dat voor algemene soorten als egel, huisspitsmuis, gewone pad of bruine kikker, die

incidenteel op de onderzoekslocatie kunnen worden aangetroffen, een vrijstelling geldt bij ruimtelijke

ontwikkeling is wel de algemene zorgplicht van kracht.

Gebiedsbescherming

De EHS zal niet worden aangetast door de herbestemming van de onderzoekslocatie. Externe

werking op overige beschermde natuurgebieden (Natura 2000) is niet aan de orde.

Noodzaak tot nader onderzoek

Indien de initiatiefnemer niet bereid is om op voorhand de te realiseren woning geschikt te maken

voor huismus, dient aanvullend onderzoek gedurende het komende broedseizoen uitsluitsel moeten

geven over de functie van de te slopen stallen voor huismus.

– 29 –


Noodzaak aanvraag ontheffing Flora- en faunawet artikel 75c

Het verkrijgen van een ontheffing voor overtreding van verbodsbepalingen in de Flora- en faunawet

ten aanzien van het (mogelijk) verstoren van vaste rust- en verblijfplaatsen is in dit geval

niet mogelijk.”

• De initiatiefnemer is voornemens de woning (mede) geschikt te maken voor de huismus. Binnen het voornemen

zijn daarom geen ontheffingen nodig in het kader van de Flora- en faunawet en/of de Natuurbeschermingingswet

1998. Ook is het voornemen uitvoerbaar binnen het beleidskader van de Ecologische Hoofdstructuur.

4.8 Cultuur en Archeologie

De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke

ontwikkeling is het onderwerp van het Europese Verdrag van Valletta (Malta, 1992). Dit

verdrag is uitgewerkt in een wijziging van de Monumentenwet. 1 september 2007 is de wet op

de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten

van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt

de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke

ontwikkeling en de financiering van opgravingen.

• Op de provinciale archeologische en cultuurhistorische waarden- en verwachtingenkaart (IKAW) evenals op de

KICH-kaart is te zien dat het plangebied, in het deel waar de nieuwbouw gepland is, een middelhoge archeologische

verwachting heeft (zie figuur 13). Archeologisch vooronderzoek is daarom gewenst bij nieuwe ontwikkelingen

vanaf het verstoren van meer dan 100 m 2 .

Plangebied

Figuur 13 Uitsnede Indicatieve Archeologische Waardenkaart, (bron IKAW, prov. Gelderland)

– 30 –


4.8.1 Archeologisch onderzoek Synthegra (S100286)

Synthegra heeft op het terrein een bureauonderzoek en inventariseren veldonderzoek en karterend

booronderzoek verricht. Het opgestelde rapport (S100286) maakt als lossebijlage deel

uit van deze toelichting. Onderstaand worden de conclusies en aanbevelingen uit het rapport

vermeld.

“Inleiding

Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde

archeologische verwachting voor het plangebied. Voor het plangebied gold op basis van het

bureauonderzoek een onbekende verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum

en vroeg mesolithicum, een lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het

midden-mesolithicum en neolithicum, een middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit

de bronstijd, een middelhoge verwachting voor en nederzettingsresten uit de ijzertijd tot en

met de vroege middeleeuwen en een lage verwachting voor archeologische resten uit de late

middeleeuwen en de nieuwe tijd. Het doel van het inventariserend veldonderzoek was om deze

verwachting te toetsen.

Beantwoording onderzoeksvragen

1. Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact?

De ondergrond binnen het plangebied bestaat uit een afwisseling van zwak tot matig ziltige klei

en sterk ziltige tot sterk zandige klei. De zwak tot matig ziltige klei is geïnterpreteerd als een komafzetting

en de sterk ziltige tot sterk zandige klei is geïnterpreteerd als een oeverafzetting. Zowel

de kom- als de oeverafzettingen behoren tot de Formatie van Echteld. De kom- en oeverafzettingen

zijn aangetroffen vanaf een diepte van 85-120 cm beneden het maaiveld en zijn afgedekt

met matig tot sterk zandige klei (boringen 1-4) dan wel sterk ziltig zand (boring 5), met daarin

bijmenging van grind en in boringen 1 en 5 ook sporen van schelpjes. Deze afdekkende laag is

geïnterpreteerd als een dijkdoorbraakafzetting en ligt direct onder het maaiveld. In de top van de

dijkdoorbraakafzetting is een bouwvoor ontwikkeld (Ap horizont). Onder de dijkdoorbraakafzettingen

is de bodem ook intact en ooivaaggronden aanwezig

2. Zijn in het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig?

In geen van de boringen zijn indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een

archeologische vindplaats. De kans dat binnen het plangebied een archeologische vindplaats

aanwezig is, wordt daarom klein geacht. Eventuele archeologische resten uit het laat-paleolithicum

tot en met de bronstijd werden verwacht vanaf een diepte van 3 meter en dieper beneden

het maaiveld. Omdat het veldonderzoek maar tot 3 m beneden het maaiveld reikte kan over de

periode laat-paleolithicum tot en met de bronstijd geen uitspraak worden gedaan op basis van

het veldonderzoek.

3. Wat is te zeggen over de horizontale en verticale verspreiding van de archeologische waarden?

Eventuele archeologische resten uit de periode laat-paleolithicum tot en met de bronstijd worden

dieper dan 3 meter beneden het maaiveld verwacht. Archeologische resten uit jongere periode

worden op basis van het veldonderzoek niet verwacht.

4. Wat is de vermoedelijke aard en datering van de archeologische resten?

Eventuele archeologische resten uit de periode laat-paleolithicum tot en met de bronstijd kunnen

bestaan uit vuursteenresten, resten van gebruiksvoorwerpen maar ook nederzettingsporen zoals

paalgaten, haardkuilen etc

5. In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische resten bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling

van het gebied?

De verwachting is dat als er binnen het plangebied eventuele archeologische resten in situ aanwezig

zijn, dat deze zich dieper dan 3 meter beneden het maaiveld bevinden. Hoewel de exacte

verstoringsdiepte op dit moment onbekend is, kan aangenomen worden dat uitgaande van de

aanleg van bouwputten voor bebouwing, de bodem waarschijnlijk niet tot in het archeologische

niveau zal worden verstoord, dat in dit gebied vanaf 300 cm beneden maaiveld verwacht kan

worden. Er worden dan ook geen archeologische resten worden bedreigd door de voorgenomen

ontwikkeling van het gebied.

– 31 –


Conclusie

Zowel de onbekende archeologische verwachting uit het bureauonderzoek voor vuursteenvindplaatsen

uit het laat-paleolithicum tot en met vroeg mesolithicum, als ook de lage verwachting

voor resten uit het midden mesolithicum tot en met het neolithicum, kunnen op basis van het

veldonderzoek gehandhaafd blijven. Ook de middelhoge verwachting voor resten uit de bronstijd

blijft gehandhaafd. De middelhoge verwachting voor nederzettingsresten ui de ijzertijd tot en

met de vroege middeleeuwen, wordt op basis van het veldonderzoek naar laag bij gesteld. De

lage verwachting voor resten uit de late-middeleeuwen en nieuwe tijd blijft op grond van de

resultaten van het veldonderzoek gehandhaafd.

Aanbevelingen

Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor het plangebied geen vervolgonderzoek

geadviseerd, indien de ingreepdiepte beperkt blijft tot maximaal 3 m beneden het maaiveld.”

• De middelhoge verwachting die volgens de IKAW kaart is in het onderzoek bijgesteld naar laag. De verstoring

van de bodem blijft door de activiteiten beperkt tot maximaal 3 m onder het huidige maaiveld. Uitgezonderd

daarvan is de eventuele toepassing van paalfunderingen. In dat geval wordt gekozen voor geboorde, grondvervangende

funderingspalen in een optimaal palenplan. Verder archeologisch onderzoek kan achterwege blijven.

• De gemeente West Maas en Waal heeft gebaseerd op de inhoud van het archeologisch vooronderzoek en

bestaand beleid een selectiebesluit vastgesteld De inhoud van het selectiebesluit is verwerkt in de regels van dit

bestemmingsplan. Het volledige selectiebesluit maakt als losse bijlage deel uit van deze toelichting.

– 32 –


5 Juridische planopzet

In dit hoofdstuk worden de regels van dit postzegelbestemmingsplan kort toegelicht. Het plangebied

ligt in het buitengebied van de gemeente West Maas en Waal. Op het plangebied is

het bestemmingsplan ‘Buitengebied integrale herziening’ van de gemeente West Maas en Waal

van toepassing. Dit bestemmingsplan bestemt de locatie als ‘Agrarisch’. Om het planvoornemen

mogelijk te maken is een omzetting naar de bestemming ‘Wonen’ nodig en toevoeging van een

bouwvlak voor de nieuwe woning.

5.1 Plansystematiek

5.1.1 Algemeen

In deze paragraaf wordt een nadere toelichting gegeven op het juridisch bindende gedeelte van

voorliggend bestemmingsplan. Het juridisch bindende gedeelte van een bestemmingsplan volgens

de nieuwe Wro bestaat uit de digitale verbeelding (voorheen plankaart) en de digitale regels

(voorheen voorschriften). De gekozen wijze van bestemmen komt overeen met bestemmingsregelingen

zoals die in de gemeente West Maas en Waal worden toegepast. Binnen het plangebied

zijn er geen handhavingszaken die in voorliggend bestemmingsplan worden gelegaliseerd. De

aanwezige bijgebouwen worden vastgelegd en de bouwvlakken aangegeven.

Verbeelding

Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen

een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben

juridische betekenis, indien en voor zover deze daaraan in de regels wordt gegeven. Een aantal

aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven

ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens).

Regels

Deze toelichting betreft het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Van Heemstraweg 126 en ong.

Dreumel’ van de gemeente West Maas en Waal. De regels van dit bestemmingsplan zijn gebaseerd

op de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied integrale herziening’ en recentere

vergelijkbare plannen uit het buitengebied van de gemeente West Maas en Waal.

In combinatie met de planregels krijgen de bestemmingsvlakken en andere aanduidingen op de

verbeelding de precieze juridische betekenis. Naast de bestemming bevat het plan een aantal

algemene bepalingen, zoals begripsbepalingen, bepalingen omtrent de wijze van meten, algemene

vrijstellingen en gebruiksbepalingen, strafbaarstelling en overgangsbepalingen. Deze min

of meer standaardbepalingen worden hier verder niet toegelicht

5.1.2 Bestemmingen

Bestemming ‘Wonen

Voorliggend bestemmingsplan ‘Buitengebied, Van Heemstraweg 126 en ong. Dreumel’ kent aan

het plangebied deels de bestemming ‘Wonen’ toe met aangegeven bouwvlakken. Zie de regels

voor de toegestane gebruiks- en bouwmogelijkheden.

Bestemming ‘Agrarisch’

Voorliggend bestemmingsplan ‘Buitengebied, Van Heemstraweg 126 en ong. Dreumel’, kent aan

het plangebied deels de bestemming Agrarisch’ toe. Zie de regels voor de toegestane gebruiksmogelijkheden.

Dubbelbestemming ‘Waterstaat - Beschermingszone watergang’

Voorliggend bestemmingsplan ‘Buitengebied, Van Heemstraweg 126 en ong. Dreumel’, kent

aan de langs de voorrand van het plangebied gelegen watergang + beschermingszone de

bestemming ‘Waterstaat - Beschermingszone watergang’ toe. Zie de regels voor de toegestane

gebruiksmogelijkheden.

– 33 –


5.2 Motivatie

Het perceel met daarop de bedrijfsbebouwing van het voormalige varkensbedrijf met aangrenzende

woning ligt in de buitengebied aan de Van Heemstraweg 126 te Dreumel. De gemeente

West Maas en Waal biedt via het VAB-beleid ruimte voor het omzetten van de huidige agrarische

bestemming naar een woonbestemming. Na het slopen van 1800 m 2 loodsen en opstallen wordt

binnen het plangebied een nieuwe woning geplaatst. Het slopen van de voormalige agrarische

bedrijfsbebouwing en het omzetten naar de bestemming wonen draagt naast het verwijderen

van de ontsierende bebouwing bij aan het instand houden van een vitaal platteland. Ook is het

plan ondersteunend voor de behoefte aan landelijk wonen. Het plan voorziet in het realiseren

van één woning met een inhoud van 500 m 3 te vergroten tot max. 800 m 3 en een bijgebouw

van 120 m 2 . De maximale goothoogte van de woning mag maximaal 4,5 m en de nokhoogte

mag maximaal 9 m zijn. Een ontwerp voor de te realiseren woning ontbreekt vooralsnog. Om die

reden zijn de maximale maten weergegeven, waaraan het toekomstig ontwerp moet voldoen.

De mogelijkheid van het plaatsen van een woongebouw is vanwege de voorwaarden van het

VAB beleid bekeken maar wordt op deze locatie niet mogelijk geacht vanwege ruimtelijke en

financiële argumenten. Bondig omschreven, zou met een woongebouw de open uitstraling van

het gebied teveel verstoord raken.

Initiatiefnemer neemt de verplichting op zich, de nieuw te realiseren woning geschikt te maken als

nestlocatie voor de huismus. Hiermee wordt overtreding van de Flora- en faunawet tegengegaan.

Positief aan het planvoornemen is het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied

door het verdwijnen van de opstallen. Parkeergelegenheid wordt op eigen terrein gerealiseerd.

Het planvoornemen is getoetst aan de diverse beleidskaders die gelden voor het omzetten van

de bestemming.

Er zijn, zoals in de toelichting te lezen is, geen ruimtelijke of milieuhygiënische knelpunten naar

voren gekomen die belemmerend zijn. Wel is het nodig dat de gemeente gebruik maakt van haar

bevoegdheid om voor de nieuwe woning een hogere toelaatbare geluidbelasting vast te stellen.

De bedrijven en woningen in de omgeving worden niet beperkt in hun bedrijfsontwikkeling of

woongenot. Het plan is voorbesproken met de gemeente en SAB (brief d.d. 9 september 2009).

Het voornemen past binnen het beleid van provincie en gemeente. Er is geen strijd met het

Rijksbeleid. De gemeente West Maas en Waal is voornemens medewerking te verlenen aan het

uitvoeren van het planvoornemen en het hiervoor noodzakelijke aanpassen van de bestemmingen

door het opstellen van dit postzegelbestemmingsplan.

– 34 –


6 Economische uitvoerbaarheid

Het plan wordt door de initiatiefnemer ontwikkeld. Alle kosten in verband met de realisatie zijn

voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente loopt geen financieel risico. De gemeente

West Maas en Waal is niet betrokken bij de exploitatie of investeringen van het project. Exploitatiebijdragen

of baatbelasting zijn niet aan de orde. Er wordt door de initiatiefnemer een

planschade-verhaalsovereenkomst gesloten met de gemeente West Maas en Waal.

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Inspraak en overleg

Voordat bestemmingsplan ‘Buitengebied, Van Heemstraweg 126 en ong. Dreumel’, van de

gemeente West Maas en Waal rechtskracht verkrijgt, dient de procedure te worden doorlopen,

zoals deze is neergelegd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De gemeente past daaraan voorafgaand

haar eigen inspraakverordening toe.

Kort weergegeven betreft het de volgende stappen:

––

ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan met de bekendmaking van onder meer de

mogelijkheid om schriftelijke zienswijzen naar voren te brengen bij de gemeenteraad (artikel

3.8 Wro);

––

vaststelling van het bestemmingsplan (inclusief de reacties op de naar voren gebrachte zienswijzen)

door de gemeenteraad van West Maas en Waal;

––

ter inzagelegging van het bestemmingsplan met de mogelijkheid beroep in te stellen bij de

Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Daarnaast vindt gedurende de procedure overleg plaats met het betrokken waterschap en met

die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of

belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in geding zijn

• De reacties van het gevoerde overleg met het Waterschap Rivierenland en de Brandweer West Maas en Waal

zijn opgenomen in het inspraakverslag Voorontwerpbestemmingsplan. Dit verslag maakt als losse bijlage deel

uit van deze toelichting. Beide partijen hebben geen aanmerkingen of aanvullingen gegeven voor dit bestemmingsplan.

7.2 Zienswijzen

Het Voorontwerpbestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen vanaf 14 september

2011. Er zijn geen inspraakreacties binnengekomen.

– 35 –


HOOGSTRAAT 1

6654 BA AFFERDERN (GLD)

WWW.HSRO.NL

INFO@HSRO.NL

TEL. 0487 - 542906

FAX. 0487 - 542905

More magazines by this user
Similar magazines