Appeltern Van der Capellenstraat

westmaasenwaal.nl

Toelichting - Gemeente West Maas en Waal

estemmingsplan

Appeltern,

Van der Capellenstraat

gemeente West Maas en Waal

3 december 2009

projectnummer 61587.01


INHOUD

TOELICHTING

1 INLEIDING 1

1.1 AANLEIDING 1

1.2 LIGGING EN BEGRENZING PLANGEBIED 1

1.3 BIJ HET PLAN BEHORENDE STUKKEN 2

1.4 VIGEREND BESTEMMINGSPLAN 2

1.5 LEESWIJZER 3

2 BESTAANDE SITUATIE 4

2.1 ALGEMEEN 4

2.2 RUIMTELIJKE STRUCTUUR 4

2.3 FUNCTIONELE STRUCTUUR 5

3 BELEIDSKADER 6

3.1 EUROPEES EN RIJKSBELEID 6

3.2 PROVINCIAAL EN REGIONAAL BELEID 6

3.3 GEMEENTELIJK BELEID 8

4 PLANBESCHRIJVING 9

4.1 BEHEER 9

4.2 ONTWIKKELINGSLOCATIE 9

4.3 INRICHTINGSVOORSTEL 9

I

SAB• ARNHEM | BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

5 ONDERZOEK/ VERANTWOORDING 12

6 JURIDISCHE PLANOPZET 22

6.1 INLEIDING 22

6.2 OPBOUW VAN DE VOORSCHRIFTEN 22

6.3 BESTEMMINGEN 22

7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 25

8 OVERLEG EN INSPRAAK 26

8.1 INFORMATIEBIJEENKOMSTEN 26

8.2 INSPRAAK 26

8.3 OVERLEG 26

8.4 ZIENSWIJZEN 26

BIJLAGEN

bijlage 1: verkennend bodemonderzoek (NIPA Milieuconsultancy)

bijlage 2: archeologisch onderzoek (RAAP Archeologisch Adviesbureau)

bijlage 3: watertoets (inclusief bijlagen)

bijlage 4: extra bodemonderzoek (NIPA Milieutechniek)

bijlage 5: nader onderzoek vleermuizen (Bureau Aandacht Natuur)

bijlage 6: ontheffing Flora- en faunawet

bijlage 7: luchtkwaliteitonderzoek (HSRO)

bijlage 8: verslag inspraak en vooroverleg


II

SAB• ARNHEM| BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |


1 INLEIDING

1.1 AANLEIDING

1

Het centrum van Appeltern, gemeente West Maas en Waal, is al langere tijd in beeld als

ontwikkelingslocatie voor woningbouw. In de ontwikkelingsvisie Wonen en Werken van

de gemeente West Maast en Waal is de locatie als mogelijke ontwikkelingslocatie aangewezen.

Binnen het vigerende bestemmingsplan kan het centrumplan niet worden uitgevoerd.

Om dit wel mogelijk te maken is dit bestemmingsplan opgesteld.

1.2 LIGGING EN BEGRENZING PLANGEBIED

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het kerkplein in Appeltern en het voormalige

agrarische gebied naast het kerkplein. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van

circa 12.000 m 2 en omvat meerdere perceelsdelen, liggende in de kadastrale gemeente

Appeltern, sectie O, nummers 382, 400 en 413. Het plangebied ligt tussen de Van der

Capellenstraat (noord) en de Kerkstraat (zuid). De oostelijke grens wordt gedeeltelijk

gevormd door de kerk en het Pastoor Willemsplein. Aan de westkant grenst het plangebied

aan de school en aan een woning. Op onderstaande afbeelding is de globale ligging

van het plangebied aangegeven.

SAB• ARNHEM | BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

Globale ligging plangebied


1.3 BIJ HET PLAN BEHORENDE STUKKEN

2

SAB• ARNHEM| BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (nummer

NL.IMRO.0668.APPCapellenstraat-VA01), regels en deze toelichting. De bijlagen, zoals

het bodemonderzoek en het luchtkwaliteitonderzoek, worden geacht deel uit te maken

van de toelichting. In de toelichting zijn de conclusies van de verschillende onderzoeksrapporten

opgenomen. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen

van het bestemmingsplan.

1.4 VIGEREND BESTEMMINGSPLAN

Kerkdorpen gemeente Appeltern 1978

Het plangebied is opgenomen in het bestemmingsplan “Kom Appeltern”, vastgesteld door

de gemeenteraad op 30 oktober 2007, en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van

de provincie Gelderland op 28 maart 2008.

Aan de betreffende gronden zijn de bestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Wonen-1’, ‘Verkeer -

Verblijf’ en ‘Maatschappelijk’ toegekend (zie onderstaande afbeelding). De realisatie van

het centrumplan, met woningen, is niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan.

Een herziening van het bestemmingsplan is dan ook noodzakelijk.


1.5 LEESWIJZER

De toelichting is opgebouwd uit 8 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in

hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader

weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de planbeschrijving aan de orde komt. In hoofdstuk

5 wordt de haalbaarheid van het plan aangetoond voor wat betreft milieuaspecten,

water, archeologie en flora en fauna. Hoofdstuk 6 geeft een toelichting op de juridische

planopzet en hoofdstuk 7 geeft informatie over de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk

8 ten slotte gaat in op de resultaten van overleg en inspraak.

3

SAB• ARNHEM | BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |


2 BESTAANDE SITUATIE

4

2.1 ALGEMEEN

SAB• ARNHEM| BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

Het plangebied is voor een deel in gebruik geweest voor een agrarisch bedrijf. Het agrarisch

bedrijf is sinds langere tijd beëindigd. Sindsdien wordt het terrein niet meer als

zodanig gebruikt.

2.2 RUIMTELIJKE STRUCTUUR

In het plangebied ligt het erf met bijbehorende gebouwen van het voormalige agrarische

bedrijf. Achter het erf zijn de weilanden behorende bij het voormalige agrarische bedrijf

gesitueerd. Op het weiland worden nu hobbydieren gehouden, zoals geiten.

Ten oosten van het agrarische terrein ligt een verhard parkeerterrein. Dit parkeerterrein

ligt ook binnen het plangebied en wordt meegenomen bij de planvorming.

De locatie wordt ontsloten door de Kerkstraat en het Pastoor Willemsplein.

Boven: impressie weiland

Onder: impressie parkeerplaats Pastoor Willemsplein

Boven: impressie huidige woning aan Kerkstraat

Onder: impressie voetpad langs kerk

Bron: HSRO, onderbouwing ex artikel 19, lid 2 WRO, November 2006


2.3 FUNCTIONELE STRUCTUUR

Het plangebied is niet meer in gebruik bij het agrarisch bedrijf. Ter plaatse van het voormalige

agrarische erf wordt nu alleen nog gewoond. In de weilanden grazen nu nog

kleine hobbydieren. Het gedeelte van het Pastoor Willemsplein dat bij het plangebied

hoort is in gebruik als parkeerplaats.

5

SAB• ARNHEM | BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |


3 BELEIDSKADER

6

3.1 EUROPEES EN RIJKSBELEID

SAB• ARNHEM| BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

3.1.1 Nota Ruimte

De Nota Ruimte bevat de visie van het kabinet op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland

en bevat de ruimtelijke bijdrage aan een sterke economie, een veilige en leefbare

samenleving en een aantrekkelijk land. Het kabinet schept ruimte voor ontwikkeling

uitgaande van het motto ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’ en verschuift het accent

van het stellen van ruimtelijke beperkingen naar het stimuleren van gewenste ontwikkelingen.

De nota Ruimte ondersteunt gebiedsgerichte ontwikkeling waarin alle betrokken

partijen kunnen participeren. Het Rijk richt zijn aandacht met name op de Nationale

ruimtelijke hoofdstructuur. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om versterking van de dynamiek

in de nationale stedelijke netwerken en om waarborging van de kwaliteit van de Ecologische

hoofdstructuur en de nationale landschappen.

Op de kaarten in de Nota Ruimte is te zien dat Appeltern buiten de Nationale ruimtelijke

hoofdstructuur ligt. Gezien dit feit kan geconcludeerd worden dat de Nota Ruimte geen

direct relevant beoordelingskader vormt. Wel is in de nota een beperkt aantal regels

opgenomen om te zorgen voor een generiek basiskwaliteit in Nederland. De eisen die

gesteld worden voor de generieke basiskwaliteit worden in het milieukundige hoofdstuk

(hoofdstuk 5) behandeld. Tenslotte zijn er in de Nota Ruimte teksten opgenomen over

het ondersteunen van het draagvlak voor voorzieningen in steden en dorpen en het

stimuleren van ontwikkelingen.

3.2 PROVINCIAAL EN REGIONAAL BELEID

3.2.1 Streekplan Gelderland 2005

In het Streekplan Gelderland 2005 is het plangebied aangewezen als stedelijk gebied (zie

navolgende kaart). In het provinciaal beleid voor stedelijke ontwikkeling wordt onderscheid

gemaakt tussen ‘bestaand bebouwd gebied’ en stedelijke uitbreiding. Het accent

van de provinciale beleidsambities ligt op de vernieuwing en het beheer en onderhoud

van bestaand bebouwd gebied. Hiervoor is het onder meer belangrijk dat het stedelijk

grondgebruik wordt geïntensiveerd, maar wel met behoud van karakteristieke elementen

en zorgvuldig omgaan met open ruimten daarbinnen. De inspanningen ten aanzien van

de woningbouw richten zich op het realiseren van de regionale woningbehoefte.

Op de beleidskaart valt Appeltern onder het multifunctionele gebied. In het multifunctionele

gebied vindt beperkte bemoeienis van de provincie plaats. Het plangebied betreft

een locatie binnen het stedelijk gebied.


7

Uitsnede beleidskaart Streekplan Gelderland 2005

3.2.2 Experiment Ruimtelijk Beleid Rivierenland

De gemeenten in het Rivierenland en de provincie Gelderland hebben in samenwerking

met de Inspectie Ruimtelijke Ordening en Inspectie Volkshuisvesting van het Ministerie

van VROM het Experiment Ruimtelijk Beleid Rivierenland opgesteld. Hierin wordt een

visie gegeven op de ruimtelijke stedelijke ontwikkeling van het Rivierenland op de lange

termijn. In deze visie staat centraal dat de bijzondere kwaliteiten die het Rivierenland

heeft beschermd en soms verbeterd moeten worden. In deze visie zijn alleen ontwikkelingsperspectieven

voor de functies wonen en werken meegenomen.

De visie dient ertoe de belangen en ambities van de gemeenten te verenigen met de

doelen van het rijksbeleid en het provinciale beleid voor de ruimtelijke ontwikkeling van

het Rivierenland. De combinatie van rijksdoelen, provinciale doelen en gemeentelijke

doelen heeft ertoe geleid dat de visiebepaald is door de volgende gelijkwaardige ‘krachtlijnen’:

• versterking van het stedelijk draagvlak/ruimtelijke hoofdstructuur;

• versterking van de sociale samenhang/leefbaarheid;

• bereikbaarheid van voorzieningen/geleiding van de mobiliteit;

• bescherming/versterking van de kwaliteit van de open ruimte.

SAB• ARNHEM | BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

Op de kaart bij de visie is aangegeven wat de ontwikkelingsmogelijkheden van de kernen

zijn. Bij het bepalen van de contouren is rekening gehouden met de bekende inbreidingsmogelijkheden.

Dit is gebeurt vanuit het principe ‘inbreiding boven uitbreiding’. Het

plangebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied. Inbreiding op deze locatie is volgens

het Experiment Ruimtelijk Beleid Rivierenland mogelijk.


3.3 GEMEENTELIJK BELEID

3.3.1 Ontwikkelingsvisie Wonen & Werken, gemeente West Maas en Waal, 2002

8

SAB• ARNHEM| BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

De gemeente onderschrijft het principe om zoveel mogelijk te streven naar inbreiding.

Een efficiënt gebruik van ruimte in de kernen wordt nagestreefd, mits daardoor het karakter

van de landelijke kern niet verloren gaat.

De vergrijzing in West Maas en Waal is sterker dan het provinciaal en landelijk gemiddelde.

In de gemeente is een dreigend tekort aan seniorenwoningen, maar ook aan starterwoningen.

Behoud van jongeren en sociale structuren is juist nodig om de vergrijzingproblematiek

aan te kunnen pakken.

De locatie Van der Capellenstraat wordt in de ontwikkelingsvisie als inbreidingslocatie

genoemd. Voor deze inbreidingslocatie zijn een aantal eigenschappen genoemd waar het

plan aan moet voldoen. Het voorliggend plan voldoet ruimschoots aan deze eigenschappen.

Met de ontwikkeling van het centrumplan worden woningen voor verschillende doelgroepen

gebouwd, waaronder ook woningen voor starters en senioren. Met de bouwplannen

wordt rekening gehouden met het landschappelijke karakter van de kern.

3.3.2 woningmarktonderzoek

De gemeente West Maas en Waal en de woningstichting Rivierengebied hebben in december

2004 een woningmarktonderzoek gehouden. Hieruit is het volgende gebleken:

• de woningbehoefte in Appeltern tussen 2005-2015 bedraagt 48 woningen (22 huuren

26 koopwoningen);

• de woningzoekende groepen starters en ouderen dringen sterk op de voorgrond;

• er is een tekort aan huurwoningen met een huur vanaf € 450,--;

• mensen willen vaker een woning kopen, ook starters;

• er is een enorme vraag naar grondgebonden seniorenwoningen.

In het plangebied worden verschillende soorten woningen gebouwd voor verschillende

doelgroepen. Hiermee wordt aangesloten op de vraag uit de woningmarkt.


4 PLANBESCHRIJVING

4.1 BEHEER

9

De gemeente West Maas en Waal heeft besloten tot herontwikkeling van het parkeerterrein

op het Pastoor Willemsplein en het agrarisch gebied tussen de Van der Capellenstraat

en de Kerkstraat. HSRO bv en Waterborgh Wonen zullen het plan ontwikkelen.

4.2 ONTWIKKELINGSLOCATIE

In het plangebied ligt het erf met bijbehorende gebouwen van het voormalige agrarische

bedrijf. Achter het erf zijn de weilanden behorende bij het voormalige agrarische bedrijf

gesitueerd. Op het weiland worden nu hobbydieren gehouden, zoals geiten. Ter plaatse

van het voormalige agrarische erf wordt nu alleen nog gewoond. Ten oosten van het

agrarische terrein ligt een verhard parkeerterrein. Dit parkeerterrein ligt ook binnen het

plangebied en wordt meegenomen bij de planvorming. Het plangebied wordt ontsloten

door de Kerkstraat, de Van der Capellenstraat en het Pastoor Willemsplein.

4.3 INRICHTINGSVOORSTEL

Het gebied wordt ingericht met 35 (34 nieuwe en 1 bestaande) woningen tot 38 (37

nieuwe en 1 bestaande) woningen met een variërende kavelgrootte van 120 m 2 tot

803 m 2 . In het plangebied worden de volgende nieuwe woningtypen gerealiseerd:

− twee vrijstaande woningen;

− zes ‘twee-onder-één-kap’ woningen of twee ‘twee-onder-één-kap’ woningen en zes

rijwoningen;

− vijf rijwoningen;

− 3 patiobungalows;

− vier tot zes appartementen in de Pastorie, achter de pastorie in een nieuw appartementengebouw

zes tot negen appartementen met in totaal minimaal tien en maximaal

dertien appartementen;

− in één bestaande schuur worden twee nieuwe woningen gerealiseerd.

− één schuur wordt vervangen door een seniorenwoning.

SAB• ARNHEM | BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |


Met het project worden dure, middeldure en goedkope woningen gebouwd. Om naar de

toekomst toe enige flexibiliteit in het plan te behouden mogen in plaats van twee ‘tweeonder-één-kap’

woningen blokken van drie woningen worden gerealiseerd.

10

SAB• ARNHEM| BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

De vijf rijwoningen en de zes twee-onder-één-kap woningen bestaan uit twee lagen met

een zadeldak. De twee vrijstaande woningen bestaan uit één laag met kap. Het appartementengebouw

heeft een maximale hoogte van 15 meter. Met name door de beperkte

hoogte, de variatie in hoogte en oriëntatie, alsmede door het gebruik van een kap is de

nieuwbouw niet te fors voor Appeltern.

Het gevarieerde aanbod aan typen woningen, zowel in uiterlijke verschijningsvorm als

qua doelgroep sluit aan bij het dorps woonmilieu. Vanwege de centrale ligging van het

plangebied is deze locatie onder andere geschikt voor senioren.

verkeer en parkeren

De woningen in het middengebied worden ontsloten middels een nieuwe weg die aantakt

op de Van der Capellenstraat. Voor de ontsluiting van langzaam verkeer is een extra

verbinding naar de Kerkstraat gepland. Aan de Maasdijk, even ten zuiden van het plangebied,

ligt een busroute.

Het parkeren vindt gedeeltelijk plaats op eigen terrein, en gedeeltelijk langs de weg en

op het aan te leggen parkeerterrein.

Op eigen terrein kunnen 32 auto’s geparkeerd worden (inclusief de woningen langs de

Maasdijk). In de openbare ruimte kan zowel langs de nieuwe weg als op de parkeerplaats

geparkeerd worden. De bestaande parkeerplaats wordt heringericht en biedt 16 plaatsen.

Langs de nieuwe ontsluitingsweg worden 18 parkeerplaatsen gerealiseerd. In totaal is er

plaats voor 34 auto’s in de openbare ruimte. Voor de huidige parkeerkencijfers is gekeken

naar de parkeernormen zoals beschreven in ‘Parkeerkencijfers – Basis voor parkeernormering’,

maart 2004 van CROW. De gemeentelijke parkeernormen voor een niet

stedelijke woning in de rest van de bebouwde kom (geen centrum of schil) varieert van

0,45 tot 2,1 auto per woning. Hieronder is een overzicht van de normen weergegeven.

8 woningen duur: 2,1 parkeerplaats per woning (17 parkeerplaatsen)

10 woningen midden: 1,85 parkeerplaats per woning (19 parkeerplaatsen)

14 woning goedkoop/seniorenwoning: 1,55 parkeerplaats per woning (22 parkeerplaatsen)

Dit betekent dat er 58 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden als de maximale

mogelijkheden in het plan worden benut. Voor dit plan worden 66 parkeerplaatsen aangelegd.

Hiermee wordt ruim voldaan aan de parkeernorm.

parkeren kerk en winkel

De bezoekers van de St. Servatiuskerk komen overwegend uit Appeltern zelf. De meesten

komen te voet of per fiets. De kerk heeft een maximale capaciteit van ongeveer 200

bezoekers (bron pastoor). De capaciteit wordt alleen benut bij bijzondere gelegenheden

als begrafenissen en jubilea. In de kerk is één reguliere dienst per week. Deze trekt

tussen de 40 en 60 bezoekers en vindt op zaterdag of zondag plaats. Gemiddeld parkeren

er tussen de 5 en 8 auto's bij deze dienst. Op dinsdag en vrijdag vinden er kleine

diensten plaats in de sacristie. Hier komen gemiddeld 5 tot 10 kerkgangers. Het gaat bij

deze diensten om maximaal 1 tot 2 auto's.


Momenteel wordt het Pastoor Willemsplein vooral gebruikt door de bezoekers van de

buurtwinkel. Het gaat om maximaal 4 voertuigen die tegelijkertijd gebruik maken van het

plein. Hoewel het plein bij de aanleg ook bedoeld was voor kerkgangers is het niet zo dat

deze hier regelmatig parkeren. De ingang van de kerk ligt immers aan de Maasdijk. Hier

wordt dan ook het meeste geparkeerd. De dijk is ter plaatse ongeveer 9,5 m breed. Aan

beide zijden is ongeveer 180 m lengte beschikbaar. Bij een gemiddelde lengte van 6 m

per parkeerplaats zijn hier ongeveer 30 plaatsen beschikbaar. Het is overigens gemakkelijk

te verklaren waarom het Pastoor Willemsplein minder gebruikt wordt als de dijk. Het

plein ligt op ongeveer 50 m afstand van de kerkdeur. Ook ligt het circa 5m lager en is de

doodlopende toegangsweg weg relatief smal (4,5 m).

Volgens de CROW is de parkeernorm voor een religiegebouw in een niet stedelijk gebied

minimaal 0,1 en maximaal 0,2 parkeerplaats per zitplaats. Bij de St. Servatiuskerk gaat

het in dat geval om minimaal 20 en maximaal 40 plaatsen. De winkel heeft een bedrijfsvloeroppervlakte

(bvo) van ongeveer 110 m 2 . De norm bij stads/, buurt- en dorpscentra

ligt minimaal op 3,0 en maximaal op 4,5 parkeerplaats per 100 m² bvo. De behoefte is in

dit geval ongeveer 5 plaatsen. Binnen het plan is een overcapaciteit van 25 parkeerplaatsen.

Deze kunnen worden benut voor bezoekers van de kerk en de buurtwinkel. Samen

met de plaatsen die in het overige deel van het plan en aan de Maasdijk liggen kan geconstateerd

worden dat het aantal parkeerplaatsen voldoet aan de normen van het

CROW.

Momenteel is er een fusie gaande tussen de verschillende parochies in het land van Maas

en Waal. Er komt een beperkt aantal hoofdkerken. In de kleine kernen komen bijkerken.

Het aantal pastoors zal verminderen. Als gevolg hiervan zullen er per kerk minder diensten

gehouden worden. Ook in Appeltern is al duidelijk dat de huidige pastoor niet meer

vervangen zal worden. Het is de verwachting dat het aantal diensten op termijn minimaal

zal halveren. Dit is één van de redenen om de pastorie en het Pastoor Willemsplein af te

stoten (eigendom kerkbestuur). Door deze ontwikkelingen zal de parkeerdruk nog verder

verminderen.

11

SAB• ARNHEM | BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

groene ruimte

Tussen de school en de nieuwe straat is een langgerekte groenzone gepland, welke

voornamelijk zal worden ingericht als gebied voor waterberging. Dit plantsoen vormt de

scheiding tussen het plangebied en de school die aan de westzijde van het plan ligt. Op

het plein aan de oostzijde van de locatie zullen bomen geplant worden. De nieuwe ontsluitingsweg

wordt begeleid door een bomenrij. Ook het parkeerterrein krijgt een groene

aankleding.


5 ONDERZOEK/ VERANTWOORDING

5.1.1 geluidhinder (wegverkeerslawaai en industrielawaai)

12

SAB• ARNHEM| BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten,

is geregeld in de Wet geluidhinder (1 januari 2007). De wet stelt dat in principe de

geluidbelasting op woningen de 48 dB niet mag overschrijden. Indien een bestemmingsplan

nieuwe geluidsgevoelige functies toestaat, stelt de Wet geluidhinder de verplichting

akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegen op

een bepaalde afstand van de woningen. Echter in een 30 km/u zone is een dergelijk

onderzoek niet verplicht.

Het plangebied ligt in een 30 km/u zone dus hoeft een akoestisch onderzoek niet te

worden uitgevoerd. Er is nog wel gekeken naar geluidsoverlast van de provinciale wegen

en het industrieterrein aan de Maasdijk. Het plangebied valt buiten de geluidscontouren

afkomstig van de provinciale weg en het industrieterrein. Het aspect geluid vormt geen

belemmering voor de uitvoering van dit project.

5.1.2 bedrijven en milieuzonering

Nabij en in het plangebied bevinden zich een supermarkt (Van der Capellenstraat 9), de

kerk (Maasdijk 24) en een schoolgebouw (Van der Capellenstraat 25). In de VNG-uitgave

‘Bedrijven en milieuzonering’ (2007) is aangegeven dat voor de kerk en schoolgebouw

een minimale afstand van 30 meter tot een woning geldt en voor de afstand van de

supermarkt tot een woning 10 meter. De VNG-uitgave gaat standaard echter uit van een

rustige woonwijk. De omgeving van het plangebied is echter niet te karakteriseren als

een ‘rustige woonwijk’.

Naast rustige woongebieden onderscheidt de VNG-uitgave ook gebieden met functiemenging.

In tegenstelling tot rustige woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden

desgewenst ook milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk.

Onderhavig plangebied betreft een gemengd gebied waarin van oudsher meerdere functies

naast de woonfunctie voorkomen.

Supermarkten, kerkgebouwen en schoolgebouwen vallen binnen de categorie-indeling

functiemening in categorie B. Dit houdt in dat voor alle drie de functies geldt dat deze in

gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend. De functies hebben wel een zodanige

milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en

andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Het aspect bedrijven en milieuzonering

vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.

5.1.3 bodem

Voordat een bestemmingsplan kan worden vastgesteld, moet worden aangetoond dat de

bodem en het grondwater vrij zijn van verontreinigingen. Door NIPA Milieuconsultancy

b.v. Te Varik is ter plaatse van de percelen Kerkstraat 2 en 4 een verkennend bodemonderzoek

uitgevoerd. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van

de huidige milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse.


Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat in het plangebied een lichte verontreiniging

van de bodem plaatsvindt. Deze verontreiniging is dermate laag dat een nader onderzoek

niet nodig wordt geacht. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering

van dit plan.

Het bodemonderzoek is als bijlage bij dit plan bijgevoegd.

In juli 2007 is in verband met risico’s voor kwel bij activiteiten binnen het plangebied een

onderzoek naar de bodemopbouw uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd door NIPA

Milieuconsultancy en is opgenomen in de bijlage.

Uit dit onderzoek blijkt in hoeverre er eventueel gegraven kan worden zonder kwel te

bevorderen afhankelijk is van de locatie, de werkzaamheden zelf en de afwerking. Indien

na het graafwerk de kleipakketten zoveel mogelijk worden hersteld worden negatieve

invloeden zoveel mogelijk tegengegaan. Dit is beter realiseerbaar wanneer in den droge

(dus hoogstwaarschijnlijk met bronbemaling) wordt gewerkt. Over het algemeen is tot

minimaal 2,5 à 3,0 m -mv afsluitende klei aanwezig (met uitzondering van boring 6) en

begint het echte zandpakket op ongeveer 4,0 m -mv. Ook moet rekening worden gehouden

met mogelijke maaiveldhoogteverschillen.

5.1.4 landschap

Het plangebied maakt deel uit van de bebouwde kom van Appeltern. Doordat er sprake is

van inbreiding worden er geen landschappelijke waarden aangetast. Het tot nu toe onbebouwde

gebied binnen het plangebied was voorheen in gebruik als agrarisch gebied.

13

SAB• ARNHEM | BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

5.1.5 archeologische en cultuurhistorische waarden

Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om

bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet zichtbare deel

van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Monumentenwet

is geregeld hoe met archeologische vindplaatsen en zichtbare monumenten moet

worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij de planvorming te betrekken.

In dit verband is door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. een archeologisch

onderzoek uitgevoerd.

Tijdens het onderzoek is in het plangebied een archeologisch vindplaats uit de Late Middeleeuwen

aangetroffen. Hoewel op de vindplaats plaatselijk diepere bodemverstoringen

dan de bouwvoor aanwezig zijn (circa 40 cm), lijken de gaafheid en conservering van de

vindplaats voor grote delen van het plangebied toch redelijk te zijn. In het noordelijk deel

van het plangebied zijn wel oeverafzettingen aangetroffen, maar geen aanwijzingen voor

de aanwezigheid van (belangrijke) archeologische vindplaatsen.

Bureau RAAP geeft voor de vindplaats nog een aantal aanbevelingen:

a bodemingrepen binnen de grenzen van de vindplaats beperken tot de bovenste

40 cm vanaf het huidige maaiveld;

b funderingen van bebouwing op palen;

c gebruik maken van bestaande diepere bodemverstoringen zoals een bestaand riooltracé;

d als grootschalige bodemverstoring niet te vermijden is, dan moet voorafgaand aan

de werkzaamheden een proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd.

Indien toevalsvondsten worden gedaan bij de bouw, dan dient de overheid hiervan op de

hoogte te worden gesteld in het kader van de meldingsplicht.


14

SAB• ARNHEM| BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

Daar waar gebouwd wordt en wegen aangelegd zullen worden wordt het gebied circa 60

cm opgehoogd. Al met al geeft dit een aanlegruimte van ongeveer één meter waar gemakkelijk

de wegen en leidingen voor water, gas, elektriciteit en communicatie aangelegd

kunnen worden zonder dat archeologische waarden in het geding zullen komen. Dit

gegeven is overigens ook gunstig voor eventuele kwel. Bij de aanleg van de diepere

ondergrondse infrastructuur, het riool en het verleggen van het persriool zal een archeoloog

tegelijk meekijken en de uitvoering bewaken. Daarbij zal de proefsleuf precies gecombineerd

worden met het tracé van het riool. Ook is met mogelijke archeologische

waarden rekening gehouden door bij de uiteindelijke verkaveling de rijwoningen aan het

Pastoor Willemsplein verder van de kerk te plaatsen en op een hoger maaiveld aan te

leggen.

Ter bescherming van de aanwezige archeologische waarden is in de voorschriften van dit

bestemmingsplan opgenomen dat voor een op de plankaart aangegeven gebied een

aanlegvergunning nodig is voor bepaalde activiteiten die archeologische waarden kunnen

aantasten. Dit geldt alleen voor het zuidelijk deel van het plangebied.

In of direct nabij het plangebied zijn voorts geen monumenten aanwezig waar met de

planvorming rekening mee dient te worden gehouden.

Het archeologisch onderzoeksrapport is als bijlage bijgevoegd.

5.1.6 Watertoets

inleiding

De watertoets is sinds 1 november 2003 opgenomen in het Besluit op de Ruimtelijke

Ordening (Bro) De watertoets is wettelijk verplicht voor streekplannen, streekplanuitwerkingen,

structuurplannen, bestemmingsplannen en vrijstellingen op grond van artikel 19,

eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Het gaat met name om een

verplichte waterparagraaf in de toelichting bij de genoemde ruimtelijke plannen en een

uitbreiding van het vooroverleg.

Bij de watertoets gaat het om het van meet af aan meenemen van water bij ruimtelijke

plannen en besluiten. Daarvoor is in een zo vroeg mogelijk stadium overleg nodig met de

waterbeheerder. Het gaat niet om een toets achteraf. Het doel is actieve inbreng van de

waterbeheerder en maatwerk voor elk plan. Het resultaat is een beschrijving van het

lokale watersysteem, advies van de waterbeheerder en de expliciete afweging van de

maatregelen met betrekking tot waterbeheer in het plan. Deze dienen bij voorkeur in een

waterparagraaf te worden beschreven. De Watertoets wordt toegepast op alle waterhuishoudkundig

relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De waterhuishoudkundige aspecten

omvatten oppervlakte- als grondwater, gevaar van overstroming vanuit meren, rivieren

en de zee, wateroverlast door neerslag of grondwater, waterkwaliteit en verdroging.

In dit plan gaat het vooral om de omgang met regen- en kwelwater.


Streekplan Gelderland 2005

Ten aanzien van water is in het Streekplan Gelderland 2005 het volgende beleid opgenomen:

• ruimte reserveren voor water;

• rekening houden met extreme rivierafvoeren;

• water vasthouden – bergen – afvoeren;

• water niet vervuilen, zuinig gebruiken, hergebruiken en schoonmaken;

• door klimatologische veranderingen zal in een aantal gebieden de grondwaterstand

hoger worden. In de risicogebieden voor wateroverlast als gevolg van een toenemende

fluctuatie van de grondwaterstand dienen gemeenten in hun ruimtelijke

plannen de kansen op wateroverlast te beperken.

Waterhuishoudingsplan 2005 - 2009

Het Waterhuishoudingsplan hanteert de volgende uitgangspunten:

• vasthouden – bergen – afvoeren, met de nadruk op het vasthouden van water;

• afkoppelen waar mogelijk;

• infiltreren waar mogelijk, gezien de bodem en het grondwatersysteem;

• in nieuwe stedelijke uitbreidingen worden regenwater en afvalwater gescheiden

afgevoerd;

• elke verandering van het rioolstelsel (door stadsvernieuwing, renovatie van weg en

riool enz.) leidt tot scheiden van regen- en afvalwater;

• binnen het stedelijk gebied is het doel om het chemische bestrijdingsmiddelengebruik

en het gebruik van uitlogende bouwmetalen terug te dringen;

• voorgenomen activiteiten beïnvloeden de geohydrologie niet: scheidende lagen

blijven intact; geen effecten bij (ondergronds) bouwen.

15

SAB• ARNHEM | BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

Waterschap Rivierenland

Het beleid van het waterschap Rivierenland is erop gericht schoon hemelwater niet af te

voeren naar de riolering. In het kader van duurzaam waterbeheer is het gewenst om bij

alle nieuwbouw maximale afkoppeling van het hemelwater toe te passen. Hierbij hanteert

het waterschap de drietrapsstrategie vasthouden, bergen en afvoeren. Het schone hemelwater

dient geïnfiltreerd te worden in de bodem of anders via een bodempassage

afgevoerd te worden naar het oppervlaktewater.

gemeentelijk rioleringsplan

De gemeente West Maas en Waal en Waterschap Rivierenland streven gezamenlijk naar

een gezond en veerkrachtig watersysteem en een duurzame waterketen. Het Waterplan

zal als input dienen voor nieuw op te stellen bestemmingsplannen en de waterparagraaf

die hierin dient te komen.

In de gemeente West Maas en Waal spelen een aantal problemen met betrekking tot de

afvoer van kwel- en rioolwater via het watergangenstelsel en de waterkwaliteit in watergangen.

In het waterplan staan de volgende uitgangspunten genoemd:

1. Drietrapsstrategie WB21(niet afwentelen van waterproblemen)

• vasthouden, bergen, afvoeren (waterkwantiteit);

• schoonhouden, scheiden, schoonmaken (waterkwaliteit).

2. Uitgaan van stroomgebiedbenadering en waterketenbenadering; onderling in balans


16

SAB• ARNHEM| BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

3. Gezonde en veerkrachtige watersystemen

• juiste hoeveelheid water, van de juiste kwaliteit, op het juiste moment en op de

juiste plek voor mens, dier en plant;

• watersysteem moet op orde zijn (voldoen aan Normering regionale wateroverlast);

• ecologisch gezond water en (natte) landnatuur, ook in stedelijk gebied.

4. Ruimte voor water

• in het kader van veiligheid;

• water als medeordenend, dan wel sturend principe bij ruimtelijke plannen;

• met water de identiteit van de plek zichtbaar maken.

5. Uitvoeren tegen laagst mogelijke maatschappelijke kosten

6. Goede interne en externe communicatie

7. Samenwerking en afstemming (planvorming en uitvoering)

situatie plangebied

bestaand en nieuw watersysteem

Het plangebied bestaat momenteel voor het grootste deel uit weide en tuin. Er is geen

oppervlaktewater aanwezig. Het is onverhard gebied. Het gebied ligt binnen de 200 m

brede binnenbeschermingszone van de dijk. Diepere ontgrondingen zijn in deze zone niet

toegestaan. Voor alle werkzaamheden geldt bovendien dat er ontheffing moet zijn van

het waterschap (keur). In deze procedure kunnen nadere eisen worden gesteld.

In het watersysteem wordt onderscheid gemaakt in de droogweerafvoer (huishoudelijk

afvalwater) en regenwaterafvoer (neerslag). Deze beide rioolwaterstromen worden gescheiden

gehouden in overeenstemming met de uitgangspunten van het waterschap. Dit

betekent dat er twee aparte rioolsystemen worden aangelegd. Beide systemen worden in

de onderstaande paragrafen beschreven.

droogweerafvoer

De droogweerafvoer (DWA) van de nieuwe woningen binnen het plangebied wordt verzameld

en aangesloten op het bestaande gemengde riool in de Van der Capellenstraat.

De diameter, aanlegdiepte, etc. van de DWA riolering zal tijdens de civieltechnische planvoorbereiding

worden bepaald.

regenwaterafvoer

De nieuwe bebouwde en verharde oppervlakte is 2.950 m². De te slopen verharding en

bebouwing bedraagt 1.190 m². De toename van verhard oppervlak bedraagt dus

1.760 m². Het hemelwater wordt naar een wadi afgekoppeld. Een wadi is een voorziening

waarin het hemelwater zich kan verzamelen en gezuiverd in de bodem kan infiltreren.

Een dergelijke voorziening helpt verdroging van de bodem tegen te gaan, vormt een

buffer bij overvloedige regenval en draagt bij aan de zuivering van het water. De wadi is

gedimensioneerd op een toename van de verharding van 2640 m², overeenkomstig de

beoogde ontwikkeling in het voorontwerpbestemmingsplan. De maatgevende situatie bij

de capaciteitsberekening van de wadi is de neerslaggebeurtenis van T=100 + 10%. Dit

resulteerde in een wateropgave van 175 m³. De te realiseren wadi heeft een capaciteit,

indien deze volledig is gevuld, van 210 m³. De wadi is specifiek bestemd en beschermd

als gebied voor waterberging.

Uit onderzoek van Nipa van 25 juli 2007 blijkt dat binnen het plangebied zich een kleilaag

bevindt met een laagdikte van 2,50 m tot 4,00 m. Het graven van de wadi met een dikte

van 0,60 m in relatie tot het ophogen van het terrein met 0,30 m geeft daarmee naar


verwachting geen verhoogde kans voor opbarsten en extra kwel. De uitwerking van het

regenwatersysteem zal in de civieltechnische planuitwerking plaatsvinden.

Voor de overloop zal een 40 m lange aansluiting met een diameter van 60 cm worden

gerealiseerd op een bestaande reeds lang geleden beduikerde sloot. De capaciteit van de

wadi is bij volledige vulling ongeveer 198 m 3 . De diepte ligt tussen de 0,5 en 0,8 m. De

lengte is 102 m, de breedte ligt tussen de 4 en 2 m. De oppervlakte is ongeveer 220 m 2 .

overleg

In het kader van het oorspronkelijke plan is door de initiatiefnemer diverse malen overleg

gevoerd met vertegenwoordigers van het Waterschap Rivierenland. Gezamenlijk is besloten

om de groenstrook ten oosten van de school om te vormen naar een wadi. Om de

dimensionering hiervan te bepalen zijn neerslag- en capaciteitsberekeningen bij een

regenbui uitgevoerd die statistisch één keer in 10 jaar voorkomt. Als extra is daar 10%

capaciteit bijgevoegd (T=100+10%). Het blijkt dat de wadi en de overloopleiding samen

een maximale capaciteit hebben van 245 m 3 . (198+47 m 3 ). Bij de rekenkundige rekenbui

(T=100 +10 %) is er een wateropgave van 175 m 3 . De extra capaciteit is vooral bedoeld

om de stijghoogte in de Wadi te beperken tot ongeveer 0,5 m. Deze berekeningen zijn

geaccordeerd door het waterschap (bijlagen watertoets). Bij de realisatie wordt rekening

gehouden met de beslisbomen BORG en WRW. Daarnaast zal aansluiting worden gezocht

bij Nota Rioleringsbeleid, alsmede de Leidraad Riolering en Rioned reeks (nummer 9

Wadi's)

Aanvullend is extra bodemonderzoek gedaan om te bepalen of de dikte en de kwaliteit

van de bodem voldoende was om kweltoename te voorkomen indien het riool zou worden

aangelegd (bijlage NIPA milieu techniek). Het blijkt dat het bestaande kleidek circa 3

m tot 4 m dik is. Richting dijk is het kleidek het dunst. Ter plaatse wordt in verband met

archeologische waarden het maaiveld circa 0,5 m verhoogd. Dit betekent dat de insnijding

in het dunste deel van het bestaande kleipakket maximaal 1,00 m bedraagt. Het

resterende deel (minimaal 2 m) is voldoende dik. Volgens het waterschap dient er minimaal

een laag van 1 m over te blijven.

17

SAB• ARNHEM | BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

Een ander aspect dat met het waterschap besproken is, is de gedeeltelijke verlegging van

het persriool. Het huidige tracé zou in de huidige situatie onder een aantal van de geplande

woningen komen. Nu komt het onder het plein, de openbare weg en de langzaam

verkeersroutes. De bijbehorende beschermingszone uit het hart van de leiding is op de

plankaart opgenomen.

In gezamenlijk overleg met de gemeente is er niet voor gekozen om de bestrating van

het bestaande parkeerterrein te vervangen door nieuwe waterpasserende bestrating. Ook

zal de nieuwe weg uit traditionele materialen bestaan. De reden hiervoor is het feit dat er

voldoende capaciteit in het nieuwe systeem zit. Daarnaast is er onzekerheid over de wijze

en intensiteit van het onderhoud op langere termijn. In de gewijzigde plannen is inmiddels

wel een deel van het parkeerterrein komen te vervallen. Deze wordt deels omgevormd

naar woning en tuin.

De gemeente heeft tenslotte met het waterschap afspraken gemaakt over het beheer en

onderhoud van de wadi en de afvoerleiding met pomp.


5.1.7 flora en fauna

18

Bij ruimtelijke ingrepen zoals de bouw van nieuwe woningen moet rekening gehouden

worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied en omgeving. Hierbij kan

onderscheid gemaakt worden tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming.

SAB• ARNHEM| BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

gebiedsbescherming

Het plangebied bevindt zich niet of niet in de buurt van een speciale beschermingszone

als bedoeld in de Vogel- en/of Habitatrichtlijn of de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Gebiedsbescherming is daarom niet aan de orde

soortenbescherming

Voor wat betreft soortenbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hierin

wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke

ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de

aanwezige beschermde soorten. De locatie gesitueerd in het centrum van Appeltern, is

van lage ecologische waarde. Tijdens verschillende veldbezoeken in 2005 en 2006 zijn er

naast de algemene flora- en faunawaarden geen zeldzame en/of bedreigde soorten aangetroffen.

vleermuizen

Het is niet uit te sluiten dat er geen vleermuissoorten in het plangebied (gebouwen)

aanwezig zijn. De pastorie, kerk en de bebouwing van Kerkstraat 2 en 4 lijken geschikt

voor vleermuizen (gewone dwergvleermuis, Pipistrellus pipistrellus en ruige dwergvleermuis

Pipistrellus nathusii). Mogelijk wordt een deel van de gebouwen van Kerkstraat 2 en

4 gesloopt. Grootschalige verbouwing in plaats van sloop zal de verblijfplaatsen van

vleermuizen ook aantasten. Daarom moet een ontheffingsaanvraag worden ingediend.

Voor de vleermuizen zijn er verschillende compensatiemogelijkheden. Als deze compensatiemogelijkheden

worden toegepast zal de ontheffing hoogstwaarschijnlijk worden

verleend.

broedvogels

Voor de uitvoering van het plan zullen enkele bomen moeten worden gekapt. Vanwege

Europese regelgeving is het niet mogelijk ontheffing te verlenen voor het verstoren van

alle soorten broedvogels. Daarom moeten werkzaamheden die nadelige effecten kunnen

hebben op broedvogels, zoals het kappen van bomen en de sloop van gebouwen, buiten

het broedseizoen (15 maart - 15 juli) plaatsvinden. Door deze werkzaamheden buiten het

broedseizoen te starten, wordt het plangebied in mindere mate geschikt voor broedvogels

waardoor deze elders een geschikt broedgebied zullen zoeken.

conclusie

Ten aanzien van de ontwikkeling en het toekomstige gebruik is er voor de meeste soorten

geen sprake van afbreuk aan de duurzame instandhouding van beschermde flora- en

faunasoorten. Alleen voor vleermuizen moet er een ontheffing van de verbodsbepalingen

genoemd in artikel 11 van de Flora en faunawet worden aangevraagd. Als er compensatiemaatregelen

worden toegepast wordt deze ontheffing naar alle waarschijnlijkheid

verleend. In verband met het broedvogels moeten de bomen gekapt worden buiten het

broedseizoen (half maart-half juni).


In augustus 2007 is er door Bureau Aandacht Natuur een nader onderzoek vleermuizen 1

ter plaatse van de twee te slopen schuren in het plangebied uitgevoerd. Uit dit nader

onderzoek kan worden geconcludeerd dat er tijdens de veldonderzoeken naast de groep

van vleermuizen en vogels enkele algemeen voorkomende beschermde soorten zijn

aangetroffen. Algemeen voorkomende soorten zijn niet ontheffingsplichtig, mits de

zorgplicht in acht wordt gehouden.

Verder zijn in de schuren enkele lege nesten aangetroffen van algemene voorkomende

vogelsoorten. Tijdens het broedseizoen kan er vanuit worden gegaan dat enkele

vogelsoorten aan of in de af te breken gebouwen een nest hebben. Voor alle beschermde

inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Flora- en

faunawet een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. In

de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen (dat

voor de meeste soorten loopt van maart tot en met juli) uitgevoerd mogen worden.

Handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn

eveneens niet toegestaan. Nestlocaties van uilen, roofvogels en spechten worden gezien

als jaarrond vaste verblijfplaats. Voor de verstoring van deze verblijfplaatsen en

belangrijk leef- of fourageergebied is ook buiten het broedseizoen een ontheffing

noodzakelijk. Nesten van deze soorten zijn niet aangetroffen binnen de onderzochte

gebieden. De aangetroffen braakballen waren vrij oud en andere soorten die wijzen op

het gebruik van de locatie door uilen zijn niet waargenomen. Aanvraag tot ontheffing is

voor deze soort dan ook niet aan de orde.

Tijdens de avondronden zijn geen uitvliegende vleermuizen vanuit de te slopen

gebouwen waargenomen. Voor de sloop van deze gebouwen is dan ook geen ontheffing

noodzakelijk met betrekking tot het verstoren van verblijfplaatsen van vleermuizen. In de

oude paardekastanje achter schuur 2 zijn echter enkele zwermende exemplaren van de

baardvleermuis aangetroffen. De baardvleermuis is een strikt beschermde soort binnen

de Flora- en faunawet. Geadviseerd wordt om de paardekastanje te handhaven in de

plannen. Wanneer toch wordt overwogen om de boom te kappen is de aanvraag tot

ontheffing voor verstoring van een rust- of verblijfplaats van de baardvleermuis wel aan

de orde. Voor de kap wordt geadviseerd dit in het winterhalfjaar uit te voeren, wanneer

de baardvleermuizen zich hebben verplaatst naar hun winterverblijf (met name in koele,

vochtige, ondergrondse ruimtes). Verder betreft het een verblijfplaats van een klein

aantal (circa vier) exemplaren. Eventuele kap van de boom zal dan ook nauwelijks

invloed hebben op het duurzaam voortbestaan van (populaties van) deze strikt

beschermde soort.

19

SAB• ARNHEM | BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

Gesteld kan worden dat de ontheffing is aangevraagd. Uit contact met de provincie en

het ministerie van LNV is gebleken dat de ontheffing ook daadwerkelijk verleend zal

worden.

Door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid is op 31 maart 2008 een

ontheffing verleend voor het vernielen of verstoren van voortplantings- of vaste- of

verblijfplaatsen van de gewone baardvleermuis.

Het nader onderzoek vleermuizen en de ontheffing zijn opgenomen als bijlage bij dit

bestemmingsplan.

1

Bureau Aandacht Natuur (2007), Nader onderzoek vleermuizen te Appeltern, 07-08-2007.


5.1.8 luchtkwaliteit

20

SAB• ARNHEM| BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

Op 15 november 2007 is de ‘Wet luchtkwaliteit’ in werking getreden. Met de 'Wet

luchtkwaliteit' wordt de wijziging van de Wet milieubeheer op het gebied van

luchtkwaliteitseisen bedoeld. Met de ‘Wet luchtkwaliteit’ en bijbehorende bepalingen en

hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen

als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden.

De kern van de ‘Wet luchtkwaliteit’ bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Verder

bevat zij basisverplichtingen op grond van de richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen,

het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. De wet voorziet in het

zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen

werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor

luchtkwaliteit te realiseren. De uitvoeringsregels behorend bij de wet zijn vastgelegd in

algemene maatregelen van bestuur (amvb) en ministeriële regelingen (mr).

In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de

ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die

betrekking hebben op het begrip NIBM. Voor de periode tussen het in werking treden van

de ‘Wet luchtkwaliteit’ en het verlenen van derogatie door de EU is het begrip 'niet in

betekenende mate' gedefinieerd als 1% van de grenswaarde voor NO 2 en PM 10 . Na

verlening van derogatie treedt het NSL in werking en wordt de definitie van NIBM

verschoven naar 3% van de grenswaarde. In de Regeling NIBM is een lijst met

categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die

niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen

zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Het planvoornemen valt onder de NIBM-grens woningbouwlocaties (1% criterium)

aangezien het planvoornemen minder dan 500 woningen betreft. Verder

luchtkwaliteitsonderzoek wordt niet nodig geacht. Het plangebied ligt buiten de

hinderzone van de provinciale weg.

5.1.9 externe veiligheid

Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke

stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de

stationaire (chemische fabriek, lpg-tankstation) en de mobiele (tankwagen) bronnen.

Op de risicokaart van de provincie Gelderland zijn in de buurt van het plangebied geen

stationaire bronnen aangegeven. In de nabije omgeving van het plangebied worden ook

geen gevaarlijke stoffen vervoerd. Er zijn wel kwetsbare objecten aangegeven. Voorliggend

plan maakt geen risicobronnen mogelijk, het aspect externe veiligheid vormt geen

belemmering voor de uitvoering van dit plan.


5.1.10 retrospectieve toets

Binnen het plangebied zijn er geen handhavingszaken die in voorliggend bestemmingsplan

worden gelegaliseerd.

21

Overigens maakt het opstellen van een eenduidig bestemmingsplan met voor iedereen

dezelfde (on)mogelijkheden maakt handhaving makkelijker; de rechtsgelijkheid is op

deze manier namelijk goed verzorgd.

De regels die voor het plangebied zijn opgesteld zijn flexibel en ruim waar mogelijk en

zijn stringent en strak gesteld waar nodig. Bij de opzet van deze beheersregels is ook een

motivering opgenomen die in de dagelijkse praktijk goed is uit te leggen.

SAB• ARNHEM | BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |


6 JURIDISCHE PLANOPZET

22

6.1 INLEIDING

SAB• ARNHEM| BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

In deze paragraaf wordt een nadere toelichting gegeven op het juridisch bindende gedeelte

van voorliggend bestemmingsplan, te weten de verbeelding (plankaart) en de

regels. De gekozen wijze van bestemmen komt overeen met bestemmingsregelingen

zoals die in de gemeente West Maas en Waal worden toegepast.

verbeelding

Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen.

Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen

hebben juridische betekenis, indien en voor zover deze daaraan in de regels

wordt gegeven. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is

uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart

(bijvoorbeeld topografische gegevens).

6.2 OPBOUW VAN DE VOORSCHRIFTEN

De planvoorschriften zijn ondergebracht in de volgende vier hoofdstukken:

• hoofdstuk 1 (inleidende regels) bevat de begrippen en de wijze van meten. Deze

regels beogen een juiste interpretatie en toepassing van de regels in de overige

hoofdstukken te waarborgen;

• hoofdstuk 2 (bestemmingsregels) bevat de eigenlijke regels bij de bestemmingen.

Per bestemming is een omschrijving van de bestemming, de bouwregels en eventueel

ontheffingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden opgenomen;

• hoofdstuk 3 (algemene regels) bevat een aantal algemene regels zoals de algemene

ontheffingen en prodedurebepalingen.

• hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregels) bevat het overgangsrecht en de citeertitel

van het plan.

6.3 BESTEMMINGEN

De voorschriften in verband met de bestemmingen kennen alle een zelfde opbouw met

achtereenvolgens, voor zover aanwezig, de volgende leden:

• bestemmingsomschrijving;

• bouwregels;

• specifieke gebruiksregels;

• ontheffingen;

• aanlegvergunning.

De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving

worden de functies genoemd die binnen de bestemming zijn

toegestaan. De bouwregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving.

De ontheffingsbevoegdheden geven het college van burgemeester en wethouders de

bevoegdheid ontheffing te verlenen van een specifieke regel met inachtneming van de

aldaar genoemde grenzen.


de bestemmingen

Voorliggend bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen: “Verkeer - Verblijf”,

“Wonen - 1” en “Wonen - 2” en de dubbelbestemmingen “Leiding - Riool”, “Waarde -

Archeologie” en “Waterstaat - Waterkering”.

bestemming “Verkeer-Verblijf” (artikel 3)

Deze bestemming is toegekend aan het openbaar gebied binnen het plangebied dat

tevens een verblijfskarakter heeft, te weten de wegen/parkeervoorzieningen, paden, het

plein. Tevens zijn binnen deze bestemming bermen, beplanting, straatmeubilair en waterlopen

toegestaan. Wat betreft de bebouwing zijn uitsluitend bouwwerken ten behoeve

van het algemeen nut of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Voor deze

bouwwerken zijn maximale hoogte- en oppervlaktematen opgenomen. De gronden met

de aanduiding ‘waterberging’ zijn bedoeld voor minimaal 390 m 2 waterberging.

bestemming “Wonen - 1” (artikel 4)

Deze bestemming is toegekend aan de nieuwe en bestaande woningen in het plangebied,

in de volgende categorieën:

vrijstaande woningen;

aaneengebouwde woningen;

twee-aaneengebouwde woningen;

patiowoningen;

De bestemming is bedoeld voor de woonfunctie (met de daarbij behorende tuinen, erven

en parkeervoorzieningen), al dan niet in combinatie met kamerbewoning en/of de uitoefening

van een aan-huis-verbonden beroep. Daarbij geldt wel dat maximaal 40% van de

vloeroppervlakte van de begane grond van het hoofdgebouw en bijgebouwen mag worden

gebruikt ten behoeve van het aan-huis-verbonden beroep, met een maximum van

60 m².

Het aantal woningen is gemaximeerd tot het op de verbeelding aangegeven maximum

aantal woningen.

Voor hoofdgebouwen geldt dat deze uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven

bouwvlakken mogen worden gebouwd. Voor bijgebouwen geldt dat deze zowel binnen

het bouwvlak of binnen de gronden met de aanduiding ‘specifieke vorm van tuin - achtertuin’

mogen worden gebouwd. Binnen gronden met de aanduiding ‘specifieke vorm van

tuin - voortuin’ zijn uitsluitend uitbouwen toegestaan, mits niet gesitueerd aan de zijgevel.

Voor patiowoningen geldt dat bijgebouwen en overkappingen uitsluitend binnen het

bouwvlak zijn toegestaan.

De begrippen aanbouw, uitbouw en (aangebouwd of vrijstaand) bijgebouw zijn nader

verklaard in de begripsbepalingen (artikel 1) van de voorschriften.

Voor hoofdgebouwen is de maatvoering op de verbeelding opgenomen. Voor bijgebouwen

zijn de maatvoeringseisen opgenomen in de regels.

In de regels is een ontheffing opgenomen voor aan huis gebonden bedrijven. Deze activiteiten

kunnen in hoofdgebouw of bijgebouw plaatsvinden, mits de woonfunctie als hoofdfunctie

behouden blijft en er geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat

plaatsvindt en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woonkarakter van de

wijk of buurt.

Ten slotte is eveneens een ontheffing opgenomen ten behoeve van inwoning uit het

oogpunt van mantelzorg. Hieraan zijn nadere voorwaarden verbonden.

23

SAB• ARNHEM | BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |


24

SAB• ARNHEM| BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

bestemming “Wonen - 2” (artikel 5)

Deze bestemming is toegekend aan de gestapelde woningen in het plangebied.

De bestemming is bedoeld voor de woonfunctie (met de daarbij behorende tuinen, erven

en parkeervoorzieningen), al dan niet in combinatie met kamerbewoning en/of de uitoefening

van een aan-huis-verbonden beroep. Daarbij geldt wel dat maximaal 40% van de

vloeroppervlakte van de begane grond van het hoofdgebouw en bijgebouwen mag worden

gebruikt ten behoeve van het aan-huis-verbonden beroep, met een maximum van

60 m².

Het aantal woningen is gemaximeerd tot het op de verbeelding aangegeven maximum

aantal nieuwe woningen.

Voor hoofdgebouwen en bijgebouwen geldt dat deze uitsluitend binnen de op de verbeelding

aangegeven bouwvlakken mogen worden gebouwd.

Voor hoofdgebouwen is de maatvoering op de verbeelding opgenomen. Voor bijgebouwen

zijn de maatvoeringseisen opgenomen in de regels.

In de regels is een ontheffing opgenomen voor aan huis gebonden bedrijven. Deze activiteiten

kunnen in hoofdgebouw of bijgebouw plaatsvinden, mits de woonfunctie als hoofdfunctie

behouden blijft en er geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat

plaatsvindt en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woonkarakter van de

wijk of buurt.

Ten slotte is eveneens een ontheffing opgenomen ten behoeve van inwoning uit het

oogpunt van mantelzorg. Hieraan zijn nadere voorwaarden verbonden.

dubbelbestemming “Leiding - Riool” (artikel 6)

Het bestemmingsplan bevat de dubbelbestemming “Leiding - Riool”. De gronden met

deze bestemming zijn naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen,

tevens bestemd voor de bescherming van een rioolpersleiding.

dubbelbestemming “Waarde - Archeologie” (artikel 7)

Het bestemmingsplan bevat de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie”. De gronden

met deze bestemming zijn naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen,

tevens bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden van het plangebied.

dubbelbestemming “Waterstaat - Waterkering” (artikel 8)

Het bestemmingsplan bevat de dubbelbestemming “Waterstaat - Waterkering”. De gronden

met deze bestemming zijn naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen,

tevens bestemd voor de bescherming van een waterkering.

algemene regels

Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene bepalingen, zoals begripsbepalingen,

bepalingen omtrent de wijze van meten, algemene ontheffingen en gebruiksregels.

Deze min of meer standaardbepalingen worden hier verder niet toegelicht.


7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Het plan wordt door Het Hoog bv en Waterborgh Wonen ontwikkeld. De kosten in verband

met de realisatie zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Voor een verantwoording

van de economische uitvoerbaarheid van dit plan wordt verwezen naar de exploitatieopzet,

welke als separate bijlage is bijgevoegd.

25

SAB• ARNHEM | BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |


8 OVERLEG EN INSPRAAK

26

8.1 INFORMATIEBIJEENKOMSTEN

SAB• ARNHEM| BESTEMMINGSPLAN APPELTERN, VAN DER CAPELLENSTRAAT |

In het kader van de voorbereiding van de ontwikkeling van het plangebied heeft op

13 maart 2007 een inloopavond plaatsgevonden in Herberg ’t Mun aan de Molenstraat 10

in Appeltern. Op deze avond waren de woningstichting en wethouder Gruijthuissen van

ruimtelijke ordening aanwezig. Al eerder was er, op uitnodiging van de gemeente, een

informatieavond voor de buurt gehouden.

Op 10 juli 2008 heeft in dorpshuis “De Schuur” aan de Kerkstraat 25 nogmaals een

openbare inloopavond plaatsgevonden.

8.2 INSPRAAK

Het voorontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 25 oktober 2007 voor een periode

van zes weken voor belanghebbenden ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn

zijn er vijf inspraakreacties binnengekomen. Deze zijn samengevat en beantwoord in het

inspraakverslag Voorontwerpbestemmingsplan “Appeltern, Van der Cappellenstraat”. Het

verslag is opgenomen in de bijlagen.

8.3 OVERLEG

Gelijktijdig met de terinzagelegging is het voorontwerpbestemmingsplan in het kader van

het artikel 10 Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) overleg toegezonden aan de volgende

instanties:

• Provinciale diensten;

• Waterschap Rivierenland;

• VROM Inspectie;

• Brandweer West Maas en Waal.

In het inspraakverslag Voorontwerpbestemmingsplan “Appeltern, Van der Cappellenstraat”

zijn de reacties van de aangeschreven instanties samengevat. Tevens is een

gemeentelijke reactie opgenomen. Het verslag is opgenomen in de bijlagen.

8.4 ZIENSWIJZEN

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 11 juni 2009 in het kader van de wettelijke

procedure gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn er vijf

zienswijzen ingediend. Na overleg met de ontwikkelaar zijn er vier zienswijzen weer

ingetrokken. Na overleg met omwonenden is het plan aangepast.

More magazines by this user
Similar magazines