Toelichting - Gemeente West Maas en Waal

westmaasenwaal.nl

Toelichting - Gemeente West Maas en Waal

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Tesstraat 8 en ong.

Boven-Leeuwen’ gemeente West Maas en Waal

HSRO Stedenbouw en Ruimtelijke Ontwikkeling i.o.v. P.J.A. van der Borgh


Plangebied

Plangebied

Figuur 1 Topografische kaart (bron: kadaster)

Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Tesstraat 8 en ong. Boven-Leeuwen’,

gemeente West Maas en Waal

Versie: 30 juli 2012

Afdrukformaat: A4

Status: Ontwerpbestemmingsplan

HSRO Stedenbouw en Ruimtelijke Ontwikkeling

In opdracht van: P.J.A. van der Borgh

– 2 –


Procedure

Bestemmingsplan ’Buitengebied, Tesstraat 8 en ong. Boven-Leeuwen’,

gemeente West Maas en Waal

NL.IMRO.0668.BUITesstraat8-OW01

Principemedewerking gemeente d.d: 21 juli 2009

Voorontwerpbestemmingsplan

• Publicatie voornemen, d.d.:

• Ter inzage legging (volgens gemeentelijke inspraak), d.d:6 wk vanaf 4 april 2012

Ontwerpbestemmingsplan

• Publicatie door B&W (o.a. in staatscourant), d.d.:

• Eerste ter inzagelegging 6 weken, d.d:

• Vastgesteld gemeenteraad binnen 12 weken, d.d.:

Vastgesteld bestemmingsplan

• Publicatie raadsbesluit (o.a in staatscourant), d.d.:

• Binnen twee weken na vaststelling, d.d:

• Tweede ter inzagelegging, d.d:

• In werking, d.d.:

Beroep Abr RvS

– 3 –


Plangebied

Plangebied

Figuur 2 Luchtfoto plangebied en omgeving (bron: Google earth)

– 4 –


Inhoud toelichting

1. Inleiding 7

1.1. Aanleiding 7

1.2. Ligging en begrenzing plangebied 7

1.3. Bij het bestemmingsplan behorende stukken 9

1.4. Vigerend Bestemmingsplan 9

1.5. Leeswijzer 9

2. Planbeschrijving 11

2.1. Het voornemen 11

2.2. Verkeer en parkeren. 12

3. Beleidskader 13

3.1. Europees en Rijksbeleid 13

3.2. Provinciaal en regionaal beleid 14

3.3. Regionaal en gemeentelijk beleid 15

4. Milieuhygiënische aspecten 17

4.1. Water 17

4.2. Geluid 25

4.3. Bodem 27

4.4. Lucht 29

4.5. Zonering omliggende bedrijven 30

4.6. Externe veiligheid 32

4.7. Ecologie 34

4.8. Cultuur en Archeologie 36

5. Juridische planopzet 45

5.1. Plansystematiek 45

5.2. Motivatie 45

6. Economische uitvoerbaarheid 47

7. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 47

7.1. Inspraak en overleg 47

7.2. Vooroverleg voorontwerp 47

7.3. Inspraak voorontwerp 47

7.4. Zienswijzen 47

In toelichting opgenomen

• Selectiebesluit archeologie, gem. West maas en Waal 6 maart 2012, zie figuur 24 t/m 28

Losse bijlagen

• Cauberg Huygen, milieuonderzoek 20082773-03, 18 maart 2009

• Schetsplan bestaande en nieuwe situatie, Hogeboom architectuur, 19 april 2009

• Abovo acoustics, geluids rapport: T 1281-2-GB, 2 juli 2010

• NIPA, verkennend bodemonderzoek 10.11827, 14 juli 2010

• Econsultancy, quickscan Flora en Fauna, 10043274, 30 juni 2010

• Heunks, E., Archeologisch vooronderzoek: EH- 012011, 4 februari 2011

• Ontwerp nieuwe woning, Hogeboom architectuur, oktober 2011

• Funderingsplan, Ingenieursbureau Middelhuis enSchleipfenbauer, oktober 2011

• Inspraakverslag Voorontwerp, gemeente West Maas en Waal, 17 juli 2012

– 5 –


Figuur 3 Fotoblad bestaande situatie

Achteraanzicht schuur IV en VI

Schuur IV vanaf Tesstraat

Schuur VI

Schuur VII

Achteraanzicht bestaande bedrijfswoning

Zijaanzicht schuur !!!

Meubelfabriek 3B

– 6 –

Weides achter plangebied


1. Inleiding

1.1. Aanleiding

Dit postzegelbestemmingsplan is gemaakt om de omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar

een burgerwoning en het realiseren van een vrijstaande woning planologisch mogelijk te maken.

Het betreft een perceel aan de Tesstraat 8 in Boven-Leeuwen (zie figuren 1, 2 en 3). De eigenaar/

initiatiefnemer P.J. A. v.d. Borgh vraagt om het wijzigen van de huidige bestemming ‘Agrarisch’

in ‘Wonenen het toevoegen van een bouwvlak waarmee een grondgebonden woning wordt

bestemd. Om dit te kunnen realiseren wordt er ruim 1000 m 2 aan bedrijfsgebouwen gesloopt

Omdat het voornemen strijdig is met het vigerende bestemmingsplan, kan het plan juridisch gezien

geen doorgang vinden. Het is nodig het bestemmingsplan ‘Buitengebied integrale herziening’ van

de gemeente West Maas en Waal te wijzigen. Deze toelichting maakt deel uit van het bestemmingsplan.

Naast een beschrijving van het initiatief wordt in deze toelichting ingegaan op de relatie

met de omgeving, overheidsbeleid en wetgeving.

• De gemeente west Maas en Waal heeft d.d. 21 juli 2009 aangegeven in principe medewerking

te willen verlenen aan het voornemen.

1.2. Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente West Maas en Waal tussen de kernen

Boven- en Beneden-Leeuwen in. De gemeente bestaat uit de dorpen Alphen, Altforst, Appeltern,

Beneden-Leeuwen, Boven-Leeuwen, Dreumel, Maasbommel en Wamel. De rivieren Maas en Waal

vormen zowel in zuidelijke als noordelijke richting de natuurlijke grens.

Uittreksel Kadastrale Kaart Uw referentie: WAMEL H 37

30

Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Wamel, sectie H, nummer 37 en heeft een

oppervlakte van circa 7170 m 2 (zie figuur 4). De locatie ligt in het buitengebied in een gemengd

gebied tussen burgerwoningen, (voorheen vaak agrarische bedrijfswoningen) met aan de overzijde

662

een meubelfabriek (zie figuren 1 t/m 3). De overzijde van de Tesstraat met daarin de meubelfabriek

en diverse andere vormen van bedrijvigheid vormt de rand 765van industrieterrein Beneden-Leeuwen

Oost.

10

14

764

36

3

8

Tesstraat

37

660

41

Plangebied

Figuur 4 Kadastrale kaart met ingekleurd plangebied

2

40

– 7 –


Plangebied

Figuur 5 Vigerende plankaart ‘Buitengebied correctieve herziening 2004’, gemeente West Maas en Waal

– 8 –


1.3. Bij het bestemmingsplan behorende stukken

Dit bestemmingsplan bestaat uit een digitale en een papieren versie. Beide versies bestaan uit de

voorliggende toelichting, met daarin opgenomen de geldende regels en de verbeelding. De onderzoeksrapporten

maken als losse bijlagen deel uit van het bestemmingsplan. De digitale regels en

verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan.

1.4. Vigerend Bestemmingsplan

Het plangebied valt onder het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied integrale herziening ’

van de gemeente West Maas en Waal zoals vastgesteld is door de gemeenteraad van West Maas

en Waal op 12 november 1997 en op 6 juli 1998 is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van

Gelderland. Het bestemmingsplan is gedeeltelijk onherroepelijk geworden op 21 januari 2000 en

geheel onherroepelijk geworden op 19 juli 2001. Voor het plangebied geldt tevens het bestemmingsplan

‘buitengebied integrale herziening, 2006 ‘dat op 11 december 2008 is vastgesteld. Het

plangebied heeft momenteel een bestemming ‘Agrarisch’ (zie figuur 5). De gronden met deze

bestemming zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Een bedrijfswoning is

hierbij toegestaan. De bouwregels voor de bedrijfswoning voorzien in een woning met een inhoud

van max. 500 m 3 te vergroten tot max. 800 m 3 met een maximale nokhoogte van 9 m en een

goothoogte van 4,5 m.

• Door het ontbreken van de bestemming ‘Wonen’ op het perceel en het extra bouwvlak is de

uitvoering van het planvoornemen niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan.

1.5. Leeswijzer

De toelichting is opgebouwd uit 7 hoofdstukken. Het inleidende hoofdstuk 1 beschrijft de aanleiding

en de bestaande situatie. Hoofdstuk 2 geeft de planbeschrijving weer, waarna in hoofdstuk 3

het beleidskader aan de orde komt. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het plan aangetoond

voor wat betreft diverse (milieu-)aspecten, waaronder water, archeologie, flora en fauna. Hoofdstuk

5 geeft een toelichting op de juridische planopzet en hoofdstuk 6 gaat in op de economische

uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 7 tenslotte geeft informatie over de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Per onderdeel wordt het planvoornemen getoetst aan het beleid en de milieu hygiënische aspecten.

Deze ‘toetsstukjes’ beginnen steeds met een •.

– 9 –


Figuur 6 3D bestaande situatie (Bron: Hogeboom architectuur, 2009)

Figuur 7 Schetsplattebrond bestaande situatie (Bron: Hogeboom architectuur, 2009)

– 10 –


2. Planbeschrijving

2.1. Het voornemen

Het plangebied Tesstraat 8 te Boven-Leeuwen heeft momenteel een agrarische bestemming. Op

de locatie bevinden zich gebouwen van een voormalig fruitbedrijf, waaronder een bedrijfswoning.

Rondom de bebouwing is bestrating en weides/gazons. De weides aan de zuidzijde worden

begraasd door schapen. In de directe omgeving zijn (voormalige) landbouwbedrijven en aan de

overkant een meubelfabriek gevestigd. De bedrijfswoningen van de voormalige agrarische bedrijven

zijn in de afgelopen jaren veelal omgezet in burgerwoningen.

De bedrijfsgebouwen zijn niet meer in gebruik voor hun agrarische functie, te weten koelcellen

voor het vroegere fruitbedrijf. Zie figuren 6 en 7 voor een schetsmatige weergave van de huidige

situatie en de fotoblad figuur 3.

Gebouwen nr. I en II zijn gemetseld en gebouw III, bestaat uit een staalskelet bekleed met golfplaten.

De gebouwen II en III zijn in gebruik als caravanstalling. Nummer IV is een oude gemetselde

schuur met een dak van dakpannen. Nummer V is een schuur van hout en een dak van golfplaten

met aansluitend een golfplaten overkapping op houten pilaren. Nummer VI is een gemetselde

schuur met een dak van golfplaten. Deze schuur heeft een voormalige functie als ponystal. Nummer

VII is een gemetselde schuur met een dak van golfplaten, momenteel in gebruik als volière.

Op basis van het regionale VAB-beleid ‘Beleidskader hergebruik vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing

in het buitengebied’ van de Regio Rivierenland is door de initiatiefnemer een

functieverandering aangevraagd. Met deze functieverandering wordt de agrarische bestemming

omgezet naar een woonbestemming ten behoeve van twee woningen. Hiervoor worden

de bestaande bedrijfsgebouwen, uitgezonderd de bestaande dienstwoning en een klein deel van

de bijgebouwen gesloopt. Totale omvang van de te slopen bebouwing bedraagt circa 1050 m 2 ,

conform het VAB beleid is het noodzakelijk om minimaal 1000 m 2 te verwijderen.

Figuur 8 Gevelbeelden noord- en westgevel (bron: Hogeboom architectuur, 2011)

De nieuwe woning wordt geplaatst op 3,5 m achter de gevellijn van de huidige bedrijfswoning.

De nieuwe woning heeft een inhoud van 575 m 3 en zal bestaan uit 2 bouwlagen met kap. Het

begane grondoppervlak van de woning bedraagt circa 88 m 2 (ca. 11,7 x 7,5 m) en het oppervlak

bijgebouw bedraagt 37,5 m 2 . De woning krijgt een uitstraling passend bij de bestaande woningen

in de omgeving en wordt vrijwel geheel op de locatie van de te slopen bedrijfsbebouwing geplaatst

(zie figuur 8 en 9 voor twee gevelaanzichten en de nieuwe inrichtingstekening).

– 11 –


Voor het plangebied geldt een middelhoge tot hoge archeologische verwachting (zie ook paragraaf

4.8). Ter bescherming van mogelijke archeologische waarden wordt het bouwvlak en de omliggende

tuin voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden opgehoogd met 25 cm. Door de ophoging

wordt een gebruiksdiepte van 40 cm gerealiseerd zodat normaal onderhoud en tuingebruik mogelijk

is. Deze ophoging is in overleg met de gemeente afgestemd en akkoord bevonden.

• Een herziening van het vigerende bestemmingsplan is nodig om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch

mogelijk te maken.

2.2. Verkeer en parkeren.

Parkeren

Parkeren wordt op het eigen perceel opgelost. Op de opritten van beide woningen wordt hiervoor

ruimte gereserveerd (zie onderstaand figuur 9 met het inrichtsvoorstel. Het plan voorziet in

minimaal 5 parkeerplaatsen, 2 parkeerplaatsen voor elke woning + 1 bezoekersplaats. Volgens de

parkeerbeleidsregels (2010, gemeente West Maas en Waal) vallen de woningen binnen het segment

duur (> 233.000). Voor dit type woningen wordt buiten het centrum 2,1 parkeerplaats per

woning geëist. Het bestemmingsplan omvat 2 woningen. Aanleg van 5 parkeerplaatsen voldoet

dan aan de norm.

Parkeren

Figuur 9 Inrichtingsvoorstel, parkeren op eigen terrein, (bron: Hogeboom architectuur, 2011)

Verkeer

Het perceel ligt in een binnen een 30 km/uur zone. De ontsluiting van het perceel vindt plaats

via de Tesstraat richting de nu nog provinciale van Heemstraweg. Onlangs is de nieuwe rondweg

waarmee de Willem Alexanderbrug aansluit op de Maas en Waalweg gereed gekomen. De

verwachting is dat de aanleg van de nieuwe rondweg samen met de herinrichting van de Van

Heemstraweg voor een aanzienlijke reductie van het verkeer op de Van Heemstraweg zal zorgen.

De Van Heemstraweg wordt binnenkort overgedragen aan de gemeente West Maas en Waal en

zal (start najaar 2011) heringericht worden. Het definitief ontwerp is inmiddels goedgekeurd door

Burgemeesters en Wethouders.

– 12 –


3. Beleidskader

3.1. Europees en Rijksbeleid

Nota Ruimte

In de Nota ruimte wordt het nationaal ruimtelijk beleid vastgelegd tot 2020. De Nota is begin

2006 formeel in werking getreden. De Nota Ruimte geldt als deel vier van de PKB Nationaal

Ruimtelijk Beleid, zoals aangegeven in de Wet Ruimtelijke Ordening. De Nota Ruimte is de visie op

de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Het doel is een sterke economie, een veilige en leefbare

samenleving en een aantrekkelijk land. Onder het motto ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’

verschuift het accent van het stellen van ruimtelijke beperkingen naar het stimuleren van gewenste

ontwikkelingen. De Nota Ruimte ondersteunt gebiedsgerichte ontwikkeling waarin alle betrokken

partijen kunnen participeren. Het Rijk richt zijn aandacht met name op de Nationale Ruimtelijke

Hoofdstructuur. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om versterking van de dynamiek in de nationale

stedelijke netwerken en om waarborging van de kwaliteit van de Ecologische Hoofdstructuur en

de nationale landschappen, stedelijke netwerken en om waarborging van de kwaliteit van de Ecologische

Hoofdstructuur en de nationale landschappen.

Het nationaal ruimtelijk beleid voor steden en netwerken richt zich op voldoende ruimte voor

wonen, werken en mobiliteit en de daarbij behorende voorzieningen, groen, recreatie, sport en

water. Daarbij kiest het rijk voor versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland,

bevordering van krachtige steden en een vitaal platteland, borging en ontwikkeling van

belangrijke (inter)nationale ruimtelijke waarden en borging van de veiligheid.

• Boven-Leeuwen valt buiten de Nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur. De Nota Ruimte is geen

direct relevant beoordelingskader. Wél zijn in de nota regels opgenomen om te zorgen voor een

generieke basiskwaliteit (o.a. luchtkwaliteit, externe veiligheid). De eisen die gesteld worden

aan de generieke basiskwaliteit worden behandeld in de hoofdstukken 8 t/m 15. De Nota bevat

ook teksten over ontwikkelingsplanologie en versterking van het draagvlak voor voorzieningen.

Voorliggend plan past binnen het rijksbeleid, omdat het omvormen van voormalige agrarische

bedrijfsbebouwing naar wonen bijdraagt aan een vitaal platteland.

3.1.1. Nota ruimte en Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In de Nota Ruimte zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2020

vastgelegd. Op grond van het overgangsrecht heeft de Nota Ruimte een status als structuurvisie

zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR),

die halverwege 2011 als ontwerp naar buiten is gebracht, vormt de nieuwe, overkoepelende rijksstructuurvisie

voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar

2040. De SVIR ‘Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig’ wordt naar verwachting

eind 2011 vastgesteld. Deze ontwerp structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en

mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervangt na

vaststelling onder andere de Nota Ruimte, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en

Pieken in de Delta. Daarmee is de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen

van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. De SVIR zet twee zaken helder neer. Een scherp

kader voor prioritering in het Infrafonds en een selectief ruimtelijk beleid dat meer overlaat aan

provincies en gemeenten.

Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene

ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in

het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en

uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale

kaders. Afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, Rijksbufferzones en doelstellingen

voor herstructurering laat het Rijk los. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt

het Rijk enkel nog een ‘ladder’ voor duurzame verstedelijking op (gebaseerd op de ‘SER-ladder’).

• Gezien de aard en omvang van dit planvoornemen ligt de beoordelingsbevoegdheid op lokaal

niveau.

– 13 –


3.1.2. Besluit (algemene regels) ruimtelijke ordening

De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn

om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten

aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wro, gewenst. Die

uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd

om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet

normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, d.w.z. door tussenkomst van de

provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling

van bestemmingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (B(ar)ro) bevestigt in

juridische zin die kaderstellende uitspraken. Dit kabinet kiest ervoor de normering uit het B(ar)ro

zoveel mogelijk direct te laten doorwerken op het niveau van de lokale besluitvorming

• Het B(ar)ro geeft kaders voor toetsing van de inhoud en opbouw van bestemmingsplannen,

projectbesluiten en beheersverordeningen. In al deze stukken wordt extra aandacht gevraagd

voor de cultuurhistorische waarden, zowel onder als boven de grond. Onderstaand volgt hiervan

de (juridische) achtergrond uit het Bro.

Wijziging Bro ten aanzien van borging erfgoedwaarden

Sinds 1 januari 2012 is een wijziging in Besluit ruimtelijke ordening in werking getreden ten aanzien

van de borging van erfgoedwaarden in het bestemmingsplan. Door wijziging van artikel 3.1.6,

tweede lid, onderdeel a van het Bro dienen cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk te worden

meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Dat betekent dat gemeenten een

analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en

moeten aangeven welke conclusies ze daar aan verbinden en op welke wijze ze deze waarden

borgen in het bestemmingsplan.

• In paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op de archeologische en cultuurhistorische waarden van

het plangebied.

3.2. Provinciaal en regionaal beleid

Structuurvisie Gelderland

Het Streekplan ‘Gelderland 2005’ heet Structuurvisie Gelderland sinds de invoering van de Wet

ruimtelijke ordening in juli 2008. ––In de Structuurvisie wordt uitgegaan van de sturingsfilosofie

die ook in de Nota Ruimte wordt gehanteerd: ‘Decentraal wat kan, centraal wat moet’. Een

onderscheid wordt gemaakt tussen het provinciaal belang en het domein van de gemeente. De

Provincie is vooral verantwoordelijk voor stedelijke functies en infrastructuur (rood raamwerk),

natuur en water (groenblauwe raamwerk). De gemeenten en de regio’s richten zich vooral op het

multifunctioneel gebied.

Daarnaast wordt er een beleidsmatig onderscheid gemaakt voor de gebieden met een bijzondere

status; de waardevolle landschappen, de concentratiegebieden voor intensieve teelten, de ganzenen

weidevogelgebieden en groene wiggen.

Het multifunctioneel gebied beslaat het grootste deel van de provincie. Dit gebied omvat de steden,

dorpen, buurtschappen buiten de provinciaal ruimtelijke hoofdstructuur

Het Gelders kwalitatief woonbeleid richt zich zowel op bestaand bebouwd gebied (herstructurering,

transformatie) als op nieuw stedelijk gebied (uitbreiding). Het aanbod aan woningen en

woonmilieus moet beter aansluiten bij de voorkeuren van bewoners. Om deze reden bevordert

de provincie vooral de realisatie van woningen voor ouderen en starters en van de woonmilieus

centrum-stedelijk en landelijk wonen. Voorts wil de provincie een versnelling bevorderen van herstructurering

en transformatie van bestaand bebouwd gebied, het aanpakken van de stagnerende

(nieuwbouw)productie, het vergroten van het aanbod aan levensloopbestendige woningen en

wijken en het versterken van verscheidenheid en identiteit.

Ruimtelijke Verordening Gelderland

Een van de nieuwe instrumenten waar de provincie binnen de Wro over kan beschikken is de

provinciale ruimtelijke verordening. Met deze verordening kan de provincie gemeenten verplichten

– 14 –


hun bestemmingsplannen binnen een bepaalde periode aan te passen. De verordening geeft niet

alleen regels over de inhoud van het plan, maar ook over de toelichting of de onderbouwing.

De ruimtelijke verordening is op 3 november 2009 vastgesteld door Gedeputeerde Staten. De

ruimtelijke verordening is op 15 december 2010 vastgesteld door Provinciale Staten en geldt sinds

maart 2011.

• De voorschriften in de ruimtelijke verordening zijn gebaseerd op de provinciale structuurvisie

(voorheen Streekplan Gelderland 2005), streekplanuitwerkingen en –herzieningen. De verordening

is slechts een juridische vertaling van dit beleid, er is geen nieuw beleid aan toegevoegd.

Uitwerking zoekzones

Op 12 december 2006 hebben Gedeputeerde Staten (GS) van Gelderland de Streekplanuitwerking

‘zoekzones voor stedelijke functies en landschappelijke versterking’ vastgesteld. Het is een uitwerking

van het nieuwe streekplan dat in 2005 door Provinciale Staten is vastgesteld.

Zoekzones geven de gebieden aan die worden gereserveerd voor stedelijke functies: wonen (huizen),

werken (bedrijventerreinen) en voorzieningen (scholen, kerken, sportvelden e.d.). Onder de

zoekzones voor stedelijke functies vallen de volgende gebieden:

• bestaand bebouwd gebied conform het VROM-bestand 1-1-2000;

• bestaand bebouwd gebied wonen en werken 2000-2005;

• zoekzones stedelijke functies 2005-2015.

Daarnaast bevat de streekplanuitwerking zoekzones voor ‘landschappelijke versterking’. Dat zijn

gebieden waar het landschap moet worden versterkt en waar slechts incidenteel en op beperkte

schaal woningen mogen worden gebouwd. Voor deze gebieden moet nog een gebiedsplan worden

gemaakt.

Deeluitwerking regio Rivierenland, streekplan 2006

De resultaten van het Experiment Ruimtelijk Beleid Rivierenland zijn verwerkt in de deeluitwerking

regio Rivierenland uit 2006. Daarmee is de betekenis van het Experiment als basis voor ruimtelijke

planvorming en beoordeling komen te vervallen. Ten aanzien van wonen is, zolang het KWP

nog niet is vastgesteld een indicatieve taakstelling van 10.000 woningen voor regio Rivierenland

benoemd. Gestreefd wordt naar 45% i.p.v. de 30% inbreiding uit het streekplan.

• Op de streekplankaarten uitwerking stedelijke zoekzones is te zien dat het plangebied is benoemd

als ‘bestaand bebouwd gebied wonen en werken 2000-2005’. De kern Boven-Leeuwen heeft 3

zones aangewezen voor stedelijke versterking, het plangebied maakt hier geen deel van uit.

• Het plan levert via het toepassen van het VAB-beleid een positieve bijdrage aan de ruimtelijke

kwaliteit van het plangebied en omgeving en is ondersteunend voor de vraag naar woningen en

het in stand houden/bevorderen van een leefbaar en vitaal platteland.

3.3. Regionaal en gemeentelijk beleid

VAB-beleid: beleidskader hergebruik vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied

Uitgangspunt van dit beleid is dat Vrijgekomen Agrarische Bedrijfsbebouwing kan worden hergebruikt

voor woondoeleinden of verscheidene bedrijfsmatige doeleinden. Ook zijn er mogelijkheden

voor sloop van de vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing en vervangende nieuwbouw. Het

VAB-beleid is door de samenwerkende gemeenten in de regio Rivierenland opgesteld en is van

kracht in het buitengebied van onder andere de gemeente West Maas en Waal.

Het agrarisch buitengebied van de regio Rivierenland wordt deels gekenmerkt door relatief

moderne bedrijfsgebouwen die qua omvang en materiaalgebruik niet in het landschap passen.

Middels het VAB-beleid willen de samenwerkende gemeenten streven naar het vergroten van de

landschappelijke kwaliteit door te stimuleren dat deze agrarische bebouwing gesloopt wordt wanneer

de agrarische functie is verdwenen.

Ter stimulans bestaat binnen dit beleid de mogelijkheid om - in ruil voor de sloop van alle voormalige

agrarische bedrijfsgebouwen – een woongebouw en, in sommige gevallen, een woning op te

richten.

– 15 –


Door de opbrengsten van de extra bouwrechten te gebruiken voor het dekken van de sloopkosten

van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing en de kosten van landschappelijke inpassing van

nieuwe bebouwing, denken de samenwerkende gemeenten de ruimtelijke en landschappelijke

kwaliteit van het buitengebied per saldo te kunnen vergroten.

Alleen in de situatie waarin verbouw van de vrijgekomen agrarische bedrijfsruimte tot woonruimte

niet mogelijk of wenselijk is, is sloop en vervangende nieuwbouw toegestaan. Monumentale

bebouwing mag niet worden gesloopt, evenals bebouwing die door de gemeente als karakteristiek

of beeldbepalend is bestemd.

De samenwerkende gemeenten van de regio Rivierenland leggen in vergelijking met het streekplanbeleid

meer nadruk op sloop van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing en vervangende

nieuwbouw, met uitzondering van monumentale en karakteristieke/beeldbepalende bebouwing.

Aan deze keuze ligt een aantal redenen ten grondslag:

• een aanzienlijk deel van de agrarische bedrijfsgebouwen in de regio Rivierenland (met name in

de fruit- en champignonteelt) heeft eerder een industriële dan een traditionele landbouwkundige

uitstraling. De ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van het buitengebied zijn dan ook

meer gediend met vervangende nieuwbouw onder strikte voorwaarden dan met hergebruik;

• een deel van de agrarische bedrijfsgebouwen in de regio Rivierenland is sterk verpauperd en

daardoor ongeschikt voor hergebruik of rendabele verbouw tot woon- of bedrijfsruimte;

• een deel van de agrarische bedrijfsgebouwen in de regio Rivierenland is door hun vormgeving

of doordat zij agrarisch in gebruik zijn geweest simpelweg ongeschikt voor andere functies.

VAB-regeling woningen

Pas bij sloop van meer dan 1.000 m 2 aan bedrijfsgebouwen of 800 m 2 aan kapitaalintensieve

bedrijfsgebouwen kan één individuele woning worden gebouwd. Bij herbouw van een vrijstaande

woning is het nodig aan te tonen dat de realisatie van een woongebouw in het plangebied niet

wenselijk of financieel haalbaar is.

Sloop bedrijfsgebouwen en nieuwbouw in onderhavig plan

Voor onderhavige ontwikkeling wordt alle aanwezige bedrijfsbebouwing gesloopt, uitgezonderd

de hoeveelheid bij recht toegestane bijgebouwen. Het betreft in totaal meer dan 1000 m 2 bebouwing.

Hiervoor in de plaats wordt een woning van 500 m 3 te vergroten tot max. 800 m 3 nieuw

gebouwd, met een bijgebouw van 80 m 2 te vergroten tot maximaal 120 m 2 . Deze maatvoering

komt overeen met de nu geldende regelgeving voor het buitengebied.

• Het planvoornemen voldoet aan de voorwaarden van het VAB-beleid. Er wordt ruim 1000 m 2

aan bedrijfsbebouwing gesloopt. De bebouwing wordt niet meer gebruikt omdat het voormalige

fruitbedrijf niet meer in functie is. Deze bebouwing heeft deels een verpauperde en deels

een industriële uitstraling. Door de sloop en de herbouw van een woning met een kwalitatief

hoogwaardige uitstraling zorgt de initiatiefnemer voor verbetering van de omgevingskwaliteit

Onderhavig plan voorziet in de realisatie van één woning. De keuze voor een vrijstaande woning

in plaats van een woongebouw (wat de voorkeur heeft binnen het VAB-beleid) is met ondermeer

ruimtelijke argumenten te ondersteunen.

Het landschap waarin het plangebied ligt leent zich namelijk niet voor (woning)bouw in grote volumes,

dit zou nl. ten koste gaan van het open karakter en de doorzichten die dit gebied kenmerken.

Verder is de ligging van het plangebied niet ideaal t.o.v. voorzieningen, waardoor dit plangebied

niet erg geschikt is voor een woongebouw. Daarnaast is om financiële en persoonlijke redenen

niet gekozen om op deze locatie een woongebouw te realiseren. De keuze om een kleinschaliger

woongebouw (volume 700 m 3 ) te plaatsen is niet gemaakt omdat de bouw van een gezinswoning

te bewonen door familie de voorkeur verdient.

• Om deze (ruimtelijke) redenen is het aannemelijk om medewerking te verlenen aan een woning

met een volume en een uitstraling passend binnen het karakter van de omgeving.

– 16 –


4. Milieuhygiënische aspecten

4.1. Water

Algemeen

Het waterbeleid is op Europees niveau vastgelegd in de Kaderrichtlijn Water en op nationaal niveau

in de Waterwet. Op lokaal niveau is het beleid van het Waterschap Rivierenland richtinggevend in

de vorm van Keur en Watertoets. Dit beleid wordt geconcretiseerd in het verkavelingsplan en het

bestemmingsplan van de betreffende gemeentes.

De waterpartners in West Maas en Waal:

• Rijkswaterstaat is als beheerder verantwoordelijk voor de Rijkswateren.

• De provincie Gelderland verzorgt de doorvertaling van het landelijk beleid en is operationeel

beheerder van het grondwater.

• Waterschap Rivierenland verzorgt het operationele waterbeheer binnen de gemeente. Dit

betekent het peilbeheer en onderhoud van het oppervlaktewater. Ook initiëren zij veelal de

projecten gericht op verbetering van het watersysteem (waterkwaliteit, ecologie en veiligheid).

• De gemeente West Maas en Waal draagt de zorg voor de efficiënte inzameling van regen- en

afvalwater. Zij beheert het rioleringssysteem in de gemeente en is tevens beheerder van de

openbare ruimte.

• De grondeigenaren verzorgen het onderhoud van de niet-leggerwaterlopen en de ontwatering

van het eigen perceel.

Kaderrichtlijn Water

De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit

van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het

mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken.

Nationaal Waterplan

Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt

alle voorgaande nota’s waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is in december 2009

vastgesteld. In het plan wordt op hoofdlijnen het beleid van het Rijk aangegeven voor de periode

2009 - 2015. Hoofddoel is te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het beleid richt zich op de

bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik

van water. Het Nationaal Waterplan heeft voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Waterwet

Op 22 december 2009 is de waterwet van kracht geworden. De Waterwet regelt het beheer

van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen bijvoorbeeld het

waterbeheer en de ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan

kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten.

De nieuwe Waterwet schept een kader voor de noodzakelijke modernisering van het Nederlandse

waterbeheer voor de komende decennia. Door het samenvoegen van meerdere vergunningen

nemen de bureaucratie en de regeldruk voor burgers en bedrijven af. De Waterwet sluit goed aan

op de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro), waardoor de relatie met het ruimtelijke omgevingsbeleid

wordt versterkt.

Waterplan Gelderland 2010-2015

Het Waterplan Gelderland 2010-2015 is de opvolger van het derde waterhuishoudingsplan Gelderland

(WHP3). Het Waterplan krijgt op basis van de nieuwe Waterwet de status van structuurvisie.

In het waterplan is beschreven welke instrumenten uit de Wet ruimtelijke ordening de provincie wil

inzetten voor de realisatie van specifieke waterdoelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw,

natte natuur, waterbergingsgebieden en grond-waterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen

geformuleerd. In het ontwerp waterplan heeft het plangebied de functie ‘landbouw’.

– 17 –


Waterschap Rivierenland

In de regio is het Waterschap Rivierenland de waterbeheerder. Het beleid uit het Waterbeheerplan

2010-2015 van Waterschap Rivierenland is er op gericht schoon hemelwater niet af te voeren

naar de riolering. In het kader van duurzaam waterbeheer is het gewenst om bij alle nieuwbouw

maximale afkoppeling van het hemelwater toe te passen. Hierbij hanteert het waterschap de

drietrapsstrategie vasthouden, bergen en afvoeren. Het schone hemelwater dient geïnfiltreerd te

worden in de bodem of anders via een bodempassage afgevoerd te worden naar het oppervlaktewater.

Daarnaast dient afhankelijk van de keuze van de oplossing de versnelde afvoer van het

verhard oppervlak te worden gecompenseerd.

Waterplan West Maas en Waal

Om water een volwaardige plek te geven binnen de gemeentelijke beleidsvorming heeft de

gemeente West Maas en Waal samen met het Waterschap Rivierenland in 2006 een waterplan

opgesteld. Het Waterplan heeft de status van kaderstellend beleidsplan. Het plan kent geen directe

planologische doorwerking. De geformuleerde waterdoelstellingen dienen wel door te werken in

ruimtelijke afwegingen.

Het Waterplan formuleert de doelstellingen die deze partijen hebben voor het toekomstige waterbeheer

binnen de gemeente. Het streven is gericht op het realiseren van een gezond en veerkrachtig

watersysteem en een duurzame waterketen. Daarnaast dient het oplossingen te formuleren voor

bestaande knelpunten ten aanzien van waterkwantiteits- en kwaliteitsproblemen. Tot slot moet

het Waterplan de gemeente West Maas en Waal voorbereiden op het toekomstige waterbeheer.

De voor dit planvoornemen relevante aandachtspunten uit het waterplan zijn:

• onvoldoende ruimte voor berging in bestaand watersysteem;

• onvoldoende afvoercapaciteit op enkele locaties binnen het huidige watersysteem;

• spanning tussen ruimtelijke ontwikkelingen en het aspect water;

• capaciteitsproblemen in het rioolstelsel en hierdoor voorkomen van watercapaciteitsproblemen

door overstortingen.

• Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente West Maas en Waal. De gemeente

ziet het benutten van afkoppelkansen als een belangrijke bijdrage om knelpunten in de waterhuishoudkundige

situatie te verminderen. Positief in dit plan t.a.v. de waterhuishouding, is dat

het verharde oppervlak binnen het plangebied met bijna 257 m 2 wordt verminderd en dat in de

nieuwe situatie de hemelwater en vuilwaterafvoer gescheiden worden aangeboden. Het hemelwater

wordt in de nieuwe situatie bovengronds aan de perceelsgrens aangeboden.

4.1.1. Watertoets

In het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het overleg met de waterschappen, de provincie

en het rijk bij de voorbereiding van een bestemmingsplan opnieuw voorgeschreven. Dit is te vergelijken

met het vroegere artikel 10 BRO overleg.

Bij de watertoets gaat het om het van meet af aan meenemen van water bij ruimtelijke plannen en

besluiten. Daarvoor is in een zo vroeg mogelijk stadium overleg nodig met de waterbeheerder. Het

gaat niet om een toets achteraf. Het doel is actieve inbreng van de waterbeheerder en maatwerk

voor elk plan. Het resultaat is een beschrijving van het lokale watersysteem, advies van de waterbeheerder

en de expliciete afweging van de maatregelen met betrekking tot waterbeheer in het

plan. Deze dienen bij voorkeur in een waterparagraaf te worden beschreven. De Watertoets wordt

toegepast op alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De waterhuishoudkundige

aspecten omvatten zowel oppervlakte- als grondwater, gevaar van overstroming

vanuit meren, rivieren en de zee, wateroverlast door neerslag of grondwater, waterkwaliteit en

verdroging.

Water en ruimtelijke ontwikkelingen

In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert de gemeente West Maas en Waal

het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden

met het schone hemelwater. In overleg met het waterschap wordt in het kader van de watertoets

afgesproken welke normen van toepassing zijn.

– 18 –


In principe dient voor alle uit- en inbreidingsprojecten (feitelijk alle Wet ruimtelijke ordening

gerelateerde projecten) een natte paragraaf en een onderbouwend waterhuishoudkundig plan te

worden opgesteld, waarin (de aanpassingen van) het watersysteem en de riolering zijn uitgewerkt.

Hierbij worden de afwegingsstappen (hergebruik), infiltratie, buffering en afvoer doorlopen. In het

reguliere watertoetsoverleg wordt per geval bekeken welke omvang het onderzoek en de natte

paragraaf dient te krijgen. Kleinschalige projecten kunnen zo efficiënt het watertoetstraject doorlopen.

Hergebruik van schoon hemelwater wordt alleen overwogen bij grootschalige voorzieningen

als scholen, kantoorgebouwen ed. Voor particuliere woningen wordt dit niet toegepast. Binnen het

grondwaterbeschermingsgebied kunnen door de grondwaterbeheerder (provincie) aanvullende

eisen worden gesteld in de Provinciale Milieuverordening. Ook kan een vergunning nodig zijn van

de grondwaterbeheerder.

Loskoppelen afvoer van vuil water en schoon hemelwater

Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater is wat betreft de watertoets van belang

bij ruimtelijke ontwikkelingen. De doelstelling is het afvoeren van het vuile water via de riolering en

het lokaal verwerken van het schone hemelwater.

• In dit plan wordt het schone hemelwater bovengronds afgevoerd naar de zuidelijke B-watergang

(zie figuur 15 met de leggerkaart).

Hydrologisch neutraal bouwen.

Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal bouwen,

waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie.

• In dit plan vermindert de verharding door de sloop van de vroegere bedrijfsbebouwing, dit is

positief voor de hydrologische situatie.

4.1.2. Bestaande en nieuwe situatie plangebied

Verhard oppervlak bestaande en nieuwe situatie

In de huidige situatie is op het perceel 1134 m 2 verhard oppervlak aanwezig. In de nieuwe situatie

wordt 1050 m 2 bedrijfsbebouwing gesloopt. De nieuwe woning wordt grotendeels gepositioneerd

op de locatie van een deel van de vroegere bedrijfsbebouwing. Zie figuur 8 en 9 voor de inrichtingstekeningen.

In de nieuwe situatie is er binnen het plangebied afgerond 877 m 2 bebouwing/

verharding. Onderstaande tabel (figuur 10) geeft de opbouw van de verharding in de nieuwe

situatie weer.

Verharding nieuwe situatie

Voormalige bedrijfswoning

Nieuwbouw

88 m 2 woning 80,7 m 2 woning

120 m 2 bijgebouw 37,5 m 2 bijgebouw

42 m 2 volière 201 m 2 oprit

185 m 2 oprit 48 m 2 terrassen

75 m 2 terrassen

Totaal 510 m 2 Totaal 367,2 m 2

Figuur 10 Opbouw verharding nieuwe situatie

• Omdat de toename verharding (er is deze situatie zelfs afname) onder de 1500 m² blijft, is vanuit

het Waterschap geen waterbergingscompensatie nodig

Hydrologische situatie

Volgens de bodemkaart van Nederland bestaat de bodem bovenin het profiel uit zandige kleiafzettingen.

Aangenomen wordt dat de grondwaterstand gemiddeld op 1 m – mv ligt (zie

bodemonderzoek NIPA, 10.11827, 14 juli 2010). Er zijn momenteel op het perceel geen kwelproblemen

of hemelwateroverlast.

– 19 –


Figuur 11 Profielen terreinhoogtes bestaande situatie (bron: Hogeboom architectuur, 2011)

– 20 –


Figuur 12 Profielen terreinhoogtes bestaande situatie + maatvoering (bron: Hogeboom architectuur, 2011)

– 21 –


Figuur 13 Profielen terreinhoogtes nieuwe situatie + maatvoering (bron: Hogeboom architectuur, 2011)

– 22 –


Plangebied

Plangebied

6.20 m +NAP

6.20 m +NAP

5.70 m +NAP

6.00 m +NAP

5.70 m +NAP 5.70 m +NAP

6.00 m +NAP

Figuur 14 Hoogtekaart (bron: AHN)

– 23 –


Vuilwater

Voor de bestaande voormalige bedrijfswoning blijft de waterhuishoudkundige situatie ongewijzigd.

Voor de afvoer van vuilwater wordt de nieuwe woning aangesloten op het gemeentelijke

rioleringsstelsel

Afvoer schoon hemelwater

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 7170 m². In de nieuwe situatie is er binnen het plangebied

877 m 2 bebouwing/verharding aanwezig. Dit betekent een afname van verhard oppervlakte

van 257 m 2 . Afvloeiend regenwater van dit perceel moet worden afgevoerd naar oppervlaktewater

in de directe omgeving. Regenwater mag niet geloosd worden op het (druk)rioolstelsel.

Oppervlaktewater omgeving

Er loopt een A-watergang langs de oostzijde en een B-watergang langs de zuidzijde van het perceel

(zie figuur 15). Onderhoud van A-watergangen wordt verzorgd door het waterschap. Om dit

onderhoud mogelijk te maken is een 4 m brede beschermingszone opgenomen op de verbeelding

van dit bestemmingsplan. Het onderhoud van B-watergangen dient door de eigenaren van de

aangrenzende percelen verzorgd te worden. Dit houdt in dat de bodem en de slootkanten vrij

gehouden wordt van begroeiing, materialen en andere obstakels.

Figuur 15 Leggerkaart (bron: Waterschap Rivierenland)

Hoogteligging

Met de gegevens die beschikbaar zijn kan vastgesteld worden dat de gemiddelde maaiveldhoogte

van het plangebied ligt tussen de 5.70 m +NAP en 6.30 m+NAP (zie figuur 14 voor de hoogtekaart).

Hierop is te zien dat de achterrand van het gebied op circa 5.70 m +NAP ligt, de voorrand op circa

5.60 m +NAP en het bebouwde deel op circa 6.00 m + NAP. .

Ophoging

De Tesstraat ter hoogte van de nieuwbouw ligt op circa 5.52 m +NAP (zie figuur 11 t/m 13 voor de

bestaande en nieuwe profielen). Het bouwvlak en omliggende tuin wordt na de sloop opgehoogd

met maximaal 25 cm. Deze ophoging wordt uitgevoerd vanwege de gevraagde bescherming

van mogelijk aanwezige archeologische resten (zie ook paragraaf 4.8 cultuur en archeologie en

beschrijving van het selectiebesluit in subparagraaf 4.8.2). Het bouwpeil van de nieuwe woning

komt na sloop en ophoging circa 70 cm boven het peil van de Tesstraat te liggen.

Voorkomen wateroverlast

De ophoging zal dusdanig worden uitgevoerd dat geen wateroverlast op belendende percelen kan

ontstaan. Naast de nieuwe woning ligt aan de ene zijde op circa 30 m de vroeger bedrijfswoning

van de fam. van der Borgh. Pas na 70 m afstand ligt aan de andere zijde een woning. Gezien deze

afstand en de aanwezigheid van een tussengelegen watergang is de aandacht tav. mogelijke wateroverlast

gericht op de voormalige bedrijfswoning. Waar nodig zullen in de oprit voor de nieuwe

– 24 –


woning, bandjes, molgoten of andere drainagemiddelen worden aangebracht om te voorkomen

dat water richting deze woning stroomt. Deze oplossingen kunnen tegelijkertijd gebruikt worden

om te zorgen dat zo min mogelijk hemelwater (afstromend van de nieuwe woning) via de Tesstraat

in de riolering belandt.

• Na uitvoering van het planvoornemen zal de afvoer van het hemel- en vuilwater gescheiden

worden aangeboden. Het schone hemelwater zal daartoe bovengronds afgevoerd worden naar

de zuidelijke B-watergang aan de zijrand van het perceel. De ophoging wordt dusdanig uitgevoerd

dat wateroverlast voor de omgeving voorkomen word.

• Geconcludeerd kan worden dat het project niet verstorend is voor de waterhuishouding in en

rond het plangebied. De uitvoering en de uitvoerbaarheid van het plan zijn dan ook, wat het

behoud van de waterhuishouding betreft, gewaarborgd. Het voornemen voldoet aan het afkoppelingsbeleid

van de gemeente, zodat lozing van schoon water op het riool wordt voorkomen.

4.2. Geluid

4.2.1. Wet Geluidhinder

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De

Wgh noemt drie geluidsbronnen waarbij ‘geluidsgevoelige bestemmingen’ in ‘nieuwe situaties ‘

getoetst moeten worden op mogelijke overlast. Deze drie bronnen zijn wegverkeer, spoorweg- en

industrielawaai. Bij het berekenen van de geluidsbelasting op een ‘gevoelige bestemming’ zijn

afstand (tot de infrastructuur) en intensiteit (potentiële bron) bepalende factoren.

Nieuwe situatie

In het kader van de Wet geluidhinder is sprake van een ‘nieuwe situatie’ indien een nieuwe weg

wordt aangelegd en/of sprake is van nog niet geprojecteerde gebouwen. Nog niet geprojecteerd

betekent in dit kader dat het vigerende bestemmingsplan niet in de geplande bestemming voorziet.

Geluidsgevoelige bestemming

Een woning wordt door de Wgh gezien als een ‘geluidsgevoelige bestemming’. Indien een bestemmingsplan

nieuwe geluidsgevoelige functies toestaat, stelt de Wet geluidhinder (volgens artikel

77) de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting op de gevel van

de woning.

• In deze situatie is de situering t.o.v. wegverkeer én de situatie wat betreft industrielawaai

relevant. Spoorweglawaai is gezien de ligging van het plangebied niet van toepassing. Het

planvoornemen betreft een ‘nieuwe situatie’ waarbij de nieuwe woningen worden gezien als

‘geluidsgevoelige bestemmingen. Toetsing aan de Wgh is daarom verplicht.

Het industrielawaai is van belang i.v.m. de tegenovergelegen meubelfabriek 3B De mogelijke hinder

als gevolg van de activiteiten van de meubelfabriek is onderzocht in een milieuonderzoek door

Caubergh Huygen en wordt besproken in paragraaf 4.5. In deze paragraaf (4.2) is de toetsing van

het wegverkeer na te lezen

Maximaal toelaatbare geluidbelasting ‘nieuwe situaties’.

Normen met betrekking tot de geluidbelasting in ‘nieuwe situaties’ zijn in artikel 82 tot en met 87

van de Wet geluidhinder vermeld. In eerste instantie wordt ervan uitgegaan dat een zogenaamde

voorkeursgrenswaarde niet mag worden overschreden. Indien de voorkeursgrenswaarde wel maar

de maximale ontheffingswaarde niet wordt overschreden, kan door de gemeente West Maas en

Waal onder bepaalde voorwaarden een ontheffing worden verleend voor een hogere toelaatbare

geluidbelasting.

Wil de gemeente een hogere waarde dan de in artikel 82, eerste lid, genoemde voorkeursgrenswaarde

vaststellen, dan dienen maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting

tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, op overwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige,

verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.

– 25 –


Aftrek conform artikel 110g Wet geluidhinder.

Op grond van verdere ontwikkelingen in de techniek en het treffen van geluidreducerende maatregelen

aan de motorvoertuigen, is te verwachten, dat het wegverkeer in de toekomst minder geluid

zal produceren dan momenteel het geval is.

Binnen de Wet geluidhinder is middels artikel 110g de mogelijkheid geschapen om deze vermindering

van de geluidproductie in de geluidbelasting door te voeren. Deze aftrek als bedoeld in

artikel 110g bedraagt 2 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte

motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt en 5 dB voor de overige wegen. Deze aftrek mag

alleen toegepast worden bij het toetsen van de geluidbelasting aan de normstelling en niet bij het

bepalen van het binnenniveau. De eis van het binnenniveau blijft 33 dB.

Wegverkeerslawaai

De Wgh bepaalt dat zich langs wegen geluidszones bevinden, met uitzondering van woonerven

en 30 km/h-gebieden. De breedte van een geluidszone wordt aangegeven in artikel 74 Wgh en

is afhankelijk van het aantal rijstroken en of de weg aangemerkt moet worden als stedelijke of

buitenstedelijke weg.

Binnenstedelijk gebied:

• een of twee rijstroken: 200 meter;

• drie of meer rijstroken: 350 meter;

Buitenstedelijk gebied:

• een of twee rijstroken: 250 meter;

• drie of vier rijstroken: 400 meter;

• vijf of meer rijstroken: 600 meter.

Binnenstedelijk gebied is gedefinieerd als het gebied binnen de bebouwde kom minus de gebieden

gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg.

Buitenstedelijk gebied is gedefinieerd als het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen

de bebouwde kom gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg.

Bouwbesluittoetsing

Voor 30 km/wegen geldt dat een toetsing in het kader van de Wet geluidhinder niet plaats hoeft te

hebben. In het kader van de bouwbesluittoetsing is het wel van belang of voldaan kan worden aan

het conform het bouwbesluit 2003 vereiste binnenniveau van 33 dB. Aangezien de karakteristiek

geluidwering volgens het bouwbesluit 2003 tenminste 20 dB dient te bedragen wordt dit pas een

aandachtspunt bij geluidbelasting op 30 km/uur wegen vanaf 33 + 20 = 53 dB

4.2.2. Geluidsonderzoek ABOVO

ABOVO acoustics heeft een geluidsonderzoek uitgevoerd naar de gevelbelasting op de nieuw te

bouwen woning aan de Tesstraat 8. Het volledige rapport (nr. T 1281-2-GB) maakt als losse bijlage

deel uit van de toelichting. Hieronder volgt kort de insteek berekeningen en de conclusie uit het

onderzoek.

Insteek berekeningen

Het plangebied ligt binnen de zone van de Trambaan en de Van Heemstraweg, en vlak langs de

Tesstraat die als 30 km/uur weg is uitgevoerd. De afstand van de Trambaan en de Van Heemstraweg

tot het plangebied bedraagt voor beide circa 160 m. Er is sprake van behoorlijke afscherming door

bebouwing. Voor de Trambaan is, gezien de lage intensiteit en hoge afscherming volledig zeker dat

deze niet relevant is en daarvoor zijn dus geen berekeningen gemaakt. De Van Heemstraweg wordt

in de nabije toekomst afgeschaald en veel verkeersluwer op korte termijn, doordat de N322 wordt

doorgetrokken. De rijsnelheid wordt verlaagd. Daardoor kan hier op voorhand worden gesteld,

dat deze geen relevante geluidbelasting op de gevels van de bestaande of geplande woning zullen

leveren. Toch is op basis van de huidige verkeersgegevens een indicatieve berekening gemaakt voor

de van Heemstraweg.

De geluidsberekening voor de van Heemstraweg is gebaseerd op een verkeerssnelheid van 60

km/h en de geluidsberekening voor de Tesstraat is gebaseerd op 30 km/h. De berekeningen laten

voor de van Heemstraweg een mogelijke gevelbelasting van 50,7 dB zien en voor de Tesstraat van

49,55 dB. Dit is exclusief de toegestane wettelijke aftrek van 5 dB als gevolg van artikel 110 g van

Wgh. De voorkeursgrenswaarde is 48 dB. Na toepassing van de toegestane aftrek van 5 dB blijft de

te verwachten gevelbelasting in beide berekeningen ruim onder de voorkeursgrenswaarde.

– 26 –


Conclusie onderzoek Abovo

“Het plan vereist geen Hogere waarde voor de geplande woning. Er is geen sprake van een relevante

geluidbelasting door gezoneerde wegen. De Trambaan is zeker niet relevant en de Van

Heemstraweg is aangetoond niet relevant.

De geluidbelasting vanwege de niet gezoneerde Tesstraat waaraan de woning komt is mogelijk wel

relevant en daarom doorgerekend in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Het resultaat

ervan laat zien, dat ook deze uiteindelijk niet relevant blijkt.

Er zijn geen wettelijke beletselen voor het plan en er heerst ook geen relevante geluidbelasting; er

kan worden gesproken van een goede ruimtelijke ordening voor het onderwerp geluid. “

• Vastgesteld kan worden dat de akoestische situatie ter plaatse geen belemmeringen opwerpt

voor de ontwikkeling van dit project.

4.3. Bodem

De Wet bodembescherming (Wbb) van 3 juli 1986 vormt de basis voor de regelgeving om bodemverontreiniging

te voorkomen, beperken, onderzoeken en saneren. Daarnaast regelt de wet wie

verantwoordelijk is voor de verontreiniging en de financiële gevolgen ervan. De Woningwet

bepaalt dat de gemeente alleen nog voor bouwwerken die specifiek bedoeld zijn voor het verblijf

van mensen, een bodemonderzoek (bodemtoets) moet uitvoeren. Voordat een bestemmingsplan

kan worden vastgesteld, moet worden aangetoond dat de bodem en het grondwater vrij zijn van

verontreinigingen.

• Een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd om aan te tonen dat de bodem geschikt is

voor de geplande functie ‘Wonen’. Bureau NIPA heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd

aan de Tesstraat 8 te Boven-Leeuwen. Het onderzoek is uitgevoerd volgens protocol

NEN 5740:2009. Het rapport (10.11827, 14 juli 2010) maakt als losse bijlage deel uit van deze

toelichting. Hieronder volgen de conclusie en aanbevelingen uit het rapport (zie figuur 16 voor

de kaart met boorpunten).

Conclusies en aanbevelingen bodemonderzoek NIPA

“Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Tesstraat 8

te Boven-Leeuwen, kadastraal bekend onder gemeente Wamel, sectie H, nummer 37, blijkt dat

de vaste bodem licht verontreinigd is met zware metalen (barium, cadmium, cobalt, koper, nikkel

en zink). Rond de bebouwing is in de toplaag een licht verhoogd gehalte aan PAK gemeten. De

gehaltes aan zware metalen hebben grotendeels waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. Voor

zink en PAK gelden voor de omgeving van de onderzoekslocatie verhoogde achtergrondwaarden.

Tevens zijn in de toplaag over het gehele terrein sporen van bestrijdingsmiddelen gemeten (DDE

en DDD). De aangetoonde gehaltes zijn dermate laag dat, ons inziens, geen aanleiding bestaat

voor het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. Tegen de eventuele bebouwing

van de onderzoekslocatie zijn, ons inziens, geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan

te voeren.

De grond die bij de herinrichting op de locatie vrijkomt, kan op de locatie worden hergebruikt

(gesloten grondbalans). Indien de grond elders zal worden toegepast is het Besluit bodemkwaliteit

van toepassing. Mogelijk dat voor de toepassing elders een partijkeuring conform het BRL1000

protocol 1001 noodzakelijk is.

Op basis van de resultaten dient de hypothese, zoals verwoord in paragraaf 2.5 van het rapport

bodemonderzoek, in principe verworpen te worden. De gevolgde strategie is echter als voldoende

te beschouwen.

• De samenstelling van de bodem is niet belemmerend voor de voorgenomen woningbouw De

gemeente heeft ingestemd met de conclusie uit het bodemonderzoek. Dit betekent dat het

bestemmingsplan gewijzigd kan worden. De locatie is geschikt bevonden voor het beoogde

gebruik Wonen (met tuin). Er is geen relevante verontreiniging aanwezig.

– 27 –


Figuur 16 Boorpuntenkaart NIPA bodemonderzoekt

– 28 –


4.4. Lucht

4.4.1. Wet Luchtkwaliteit

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie

van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden

voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In

Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende

stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van

de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan

de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie

(uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Op

1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden.

In bijlage 3A van de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)’ wordt een lijst met

ontwikkelingen benoemd die “niet in betekenende mate” bijdragen aan de verslechtering van

de luchtkwaliteit en waarvoor geen luchtonderzoek hoeft te worden uitgevoerd. Het bestemmingsplan

is één van de bevoegdheden waarbij aan de luchtkwaliteit volgens de Wet milieubeheer

(artikel 5.16, tweede lid onder c) moet worden getoetst. De te toetsen criteria zijn:

• er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

• een project leidt - al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

• een project draagt “niet in betekenende mate” (NIBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit;

• een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen

een regionaal programma van maatregelen.

Aannemelijk is dat een project NIBM als het een toename van de concentratie veroorzaakt van

maximaal 3%. Wordt deze grens niet overschreden dan hoeft geen verdere toetsing aan de grenswaarden

plaats te vinden en zijn aanvullende maatregelen niet nodig. Concreet betekent dit bij:

• < 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en < 3.000 woningen bij minimaal

2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling (voorschrift 3A.2);

• < 100.000 m2 bruto vloeroppervlak (b.v.o.) bij kantoorlocaties bij minimaal 1 ontsluitingsweg,

en < 200.000 m2 b.v.o. bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling

(voorschrift 3A.1).

• Het planvoornemen betreft het slopen van bedrijfsbebouwing en het toevoegen van slechts één

woning. In relatie tot de gevolgen voor de luchtkwaliteit kan gezegd worden dat dit niet leidt tot

een verslechtering van de luchtkwaliteit en zondermeer past binnen de lijst van activiteiten die

als ‘NIBM’ worden beschouwd. Verder toetsing kan uitblijven, er zijn geen aanvullende maatregelen

nodig.

Omgekeerde werking

Naast de toetsing van het aspect luchtkwaliteit in het kader van de Wet luchtkwaliteit moet in het

kader van een goede ruimtelijke ordening worden getoetst of de luchtkwaliteit ter plaatse van het

projectgebied aanvaardbaar is voor de beoogde functie.

• Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente West Maas en Waal. In de omgeving

van het plangebied liggen geen wegen die van negatieve invloed zijn op de luchtkwaliteit.

Wel ligt tegenover het perceel een meubelfabriek. De VNG publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’

(zie ook paragraaf 4.5) hanteert voor het aspect stof, 50 m als veilige afstand tussen een

uitstootpunt en de perceelgrens van woningen in een rustige woonwijk. Vastgesteld is dat de kortste

afstand tussen de uitlaat van de houtmotverbrandingsinstallatie en de bestaande omliggende

woningen minimaal 60 meter is

Er is een apart milieuonderzoek uitgevoerd om te kijken of de activiteiten van deze fabriek hinder

kunnen veroorzaken voor de nieuwe woning. In dit onderzoek is ook naar het aspect luchtkwaliteit

gekeken. Het rapport (Caubergh Huygen, 20082773-03) maakt als een losse bijlage deel uit van

deze toelichting. Hieronder wordt de conclusie t.a.v. de luchtkwaliteit (in dit geval te benoemen als

stofhinder) gegeven.

– 29 –


Conclusie stofhinder milieuonderzoek Caubergh Huygen

”De nieuwe woning is voorzien op grotere afstand tot de reeds aanwezige bronnen van stofemmissie

dan de dichtst bij gelegen bestaande woning. Daarenboven is de nieuwe woning voorzien op

grotere afstand tot de productiehal dan de dichtst bijgelegen bestaande woning. Op de voorziene

afstand vormt het aspect stof geen belemmering voor de realisatie van de nieuwe woning”.

• Zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening (Wro) is vast te

stellen dat de luchtkwaliteit geen belemmering is voor dit plan. De blootstelling aan luchtverontreiniging

is beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Er wordt voldaan

aan de vereiste afstand, zoals in het onderzoek te lezen is zijn er geen belemmeringen voor

stofhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van

het plangebied aanvaardbaar.

4.5. Zonering omliggende bedrijven

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van

het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk

relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van bedrijfsvestigingen, wordt gebruik gemaakt van

de zogenaamde milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende

ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen anderzijds milieugevoelige

functies als wonen en recreëren. Daarnaast is de milieuwetgeving van toepassing.

Figuur 17 Uitsnede bedrijvigheid (Bron: prov. Gelderland)

Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse

Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijven. Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven

welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke

afstand hierbij (minimaal) in acht genomen moet worden. Hierbij onderscheidt de VNG diverse

omgevingstypen. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied voor bepaalde

hinder afhankelijk is van het omgevingstype. De door de VNG aangegeven afstanden betreffen

een rustige woonwijk. De mate van milieuhinder bepaalt in welke van de zes milieucategorieën een

bedrijfssoort is ingedeeld. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen

van bedrijvigheid. In principe is bedrijvigheid behorende tot de categorie 1 goed te mengen met de

functie wonen, dit geldt in de meeste gevallen ook voor de categorie 2-bedrijven. Het is wenselijk

om de bedrijvigheid in de categorie 3 te clusteren en een zonering in acht te nemen. Vanaf categorie

4 is menging met milieugevoelige functies niet mogelijk.

– 30 –


• Het plangebied ligt in een gemengd gebied waarin naast vrijstaande woningen ook diverse

bedrijven aanwezig zijn (zie figuur 17). In onderstaande tabel zijn de bedrijven in de directe

omgeving benoemd met de door de VNG aangegeven milieucategorie en de daarbij behorende

grootste hinderafstand (zie figuur 18). De overige bedrijvigheid in het gebied is te rubriceren

onder bouwnijverheid, recycling en demontage en (voormalig) agrarisch. De bedrijven liggen

op voldoende afstand van het plangebied om eventuele hinder te voorkomen. Zie voor verdere

informatie over de Meubelfabriek paragraaf 3.5.1.

Adres Omschrijving Milieucategorie

Tesstraat 14 f.h.g. van Emmersloot ,

bouwnijverheid

Grootste hinderafstand in

rustige woonwijk

2/3.1 50 m (< 1000 m 2 ) of 100

m (>1000 m 2 )

Afstand

tot plangebied

80 m

Van Heemstraweg 26 Agrarisch bedrijf, landbouw,

3.2 100 m 150 m

bosbouw en visserij

Waterstraat 2 Agrarisch bedrijf, Landbouw,

3.2 100 m 150 m

bosbouw en visserij,

loon

Waterstraat 6 3b meubel bv. industrie 2 50 m 60 m

Waterstraat 1 Maas & Waalse Dozenhandel

2 30 m 210 m

, groot- en detailhandel,

reparatie van auto’s

Van Heemstraweg 29 Oriental wokrestaurant, 1 10 m 235 m

logies-, maaltijd- en drankverstrekking

Figuur 18 Tabel bedrijvigheid in de omgeving

4.5.1. Milieuonderzoek Caubergh Huygen

De gemeente West Maas en Waal heeft aangegeven dat de activiteiten van het tegenover het

plangebied liggende bedrijf 3B-meubelen mogelijk belemmerend kunnen zijn voor het planvoornemen.

Ook moet uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onderzocht worden of het

planvoornemen niet belemmerend is voor de bedrijfsvoering van het bedrijf.

Caubergh Huygen (Raadgevende ingenieurs BV) is daarom gevraagd een onderzoek te doen naar

de relevantie milieuaspecten. Het rapport (20082773-03 d.d. 18 maart 2009) maakt als een losse

bijlage deel uit van deze toelichting. Hieronder wordt een korte samenvatting gegeven.

De gemeente heeft aangegeven dat mogelijke belemmering bestaan uit de aspecten geur, stof,

geluid en gevaar van het bedrijf 3B- meubelen. In het onderzoek zijn ten aanzien van deze aspecten

de volgende conclusies getrokken.

Geluid:

“Op 30 meter van de productiehal zal de geluidimmissie vanwege het bedrijf voldoen aan de

normstelling die de gemeente hanteert. De geluidniveaus zijn dus vergunbaar. Bijgevolg is er sprake

van een voldoende akoestisch leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning.

Indirecte hinder vanwege het bedrijf voldoet ruimschoots aan de voorschriften uit de vergunning.

Bijgevolg is er geen belemmering ten aanzien van indirecte hinder. De vergunde geluidrechten van

het bedrijf worden niet bijkomend beperkt door de realisatie van de nieuwe woning.

Geur:

Bij een afstand van 30 meter tussen de voorgevel van de nieuwe woning en de productiehal is bij

de nieuwe woning geen geurhinder te verwachten ten gevolge van de bestaande bronnen en zal

het bedrijf niet bijkomend beperkt worden door de nieuwe woning bij toekomstige ontwikkelingen.

Stof:

De nieuwe woning is voorzien op grotere afstand tot de reeds aanwezige bronnen van stofemmissie

dan de dichtst bij gelegen bestaande woning. Daarenboven is de nieuwe woning voorzien op

– 31 –


grotere afstand tot de productiehal dan de dichtst bijgelegen bestaande woning. Op de voorziene

afstand vormt het aspect stof geen belemmering voor de realisatie van de nieuwe woning.

Gevaar:

3b-meubelen voldoet aan recente/vigerende wetgeving indien de nieuwe woning wordt gerealiseerd

op 30 meter van de productiehal. Het bedrijf wordt niet belemmerd door de realisatie van

de woning.“

• Zoals vastgesteld in het door Caubergh Huygens uitgevoerde onderzoek levert de aanwezigheid

van de meubelfabriek 3b zowel uit oogpunt van milieuzonering als uit oogpunt van de externe

veiligheid geen belemmering op voor het planvoornemen. Ook wordt de bedrijfsvoering niet

belemmerd door de realisatie van de woning.

4.5.2. Wet geurhinder en veehouderij

Sinds januari 2007 is de nieuwe Wet geurhinder en veehouderij van kracht. Deze wet werkt niet

langer met stankcirkels om het effect op leefniveau aan te geven maar geeft normen voor de

geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig project (bijvoorbeeld

een woning). De geurbelasting (emissie van geur) wordt niet meer uitgedrukt in Mest Varken

eenheden (MVE’s ) maar in Odour units per seconde. De geurbelasting wordt nu berekend met een

verspreidingsmodel (V-Stacks genoemd) en wordt uitgedrukt in geureenheden per m 3. Dit geldt

alleen voor dieren waarvoor de geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en

veehouderij (dec. 2006).

De stankcirkels gelden alleen nog voor vergunningen verleend onder het oude geurbeleid, dus voor

vergunningen beschikt voor 1 januari 2007. Zelfs dan geven ze slechts een vereenvoudigde benadering.

Voor de vergunningen na januari 2007 zijn soms nog wel gewoon stankcirkels weergeven.

Deze geven slechts een eerste indicatie van het geureffect en hebben geen juridische betekenis

meer.

Toetsing Wet Geurhinder en veehouderij voormalige bedrijfswoning en nieuwe wonging

Artikel 14, lid 2 en 3 van de Wet geurhinder en veehouderij geven aan hoe om te gaan met geurhinder

voor een voormalige bedrijfswoning of een nieuwe woning in samenhang met de sloop van

voormalige bedrijfsbebouwing van veehouderijen.

“2. Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij

en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

a. op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij,

b. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij,

en

c. in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt

van de veehouderij,

ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste

50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen.

3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een geurgevoelig object dat op de

in dat lid bedoelde kavel aanwezig is.”

• Er zijn geen belemmeringen voor (geur)hinder voor de nieuwe woning. Er liggen geen veehouderijen

binnen 50 m van de nieuwe woning en er zijn geen milieucirkels van bedrijven die

het plangebied raken. Een goed woon- en leefklimaat kan hierdoor gegarandeerd worden. De

bedrijvigheid in de directe omgeving is goed verenigbaar met de woonfunctie. De woonfunctie

is anderzijds ook niet belemmerend voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.

4.6. Externe veiligheid

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een

risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle

activiteiten dichtbij kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Tijdens de productie, de

opslag, gebruik en het transport kunnen zich calamiteiten voordoen waardoor de veiligheid van de

omgeving in het geding is. Daardoor ontstaan risico’s voor mensen die in de buurt ervan wonen

– 32 –


of werken. Het besluit wil die risico’s beperken. Het verplicht gemeenten en provincies wettelijk

vanaf 1 april 2004 bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen

rekening te houden met externe veiligheid. Het besluit bevat eisen voor het plaatsgebonden

risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is het risico op een plaats buiten een

inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op

die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die

inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Het

groepsrisico (GR) legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.

Het risico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1000

slachtoffers tegelijk vallen. Dit risico is daardoor een maatstaf voor de verwachte omvang van

een ramp. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde. Dit is geen norm, maar een ijkpunt.

Overheden moeten iedere verandering boven of onder deze waarde verantwoorden. Op grond

van deze risico’s heeft VROM veiligheidsafstanden bepaald.

Figuur 19 Uitsnede risicokaart (Bron: prov. Gelderland)

• Op de risicokaart is te zien dat de dichtstbijzijnde risicovolle bron op ruim 700 m van het plangebied

liggen(zie figuur 19). Het betreft een vulpunt punt voor LPG aan de van Heemstraweg.

De risicocontour van dit punt raakt het plangebied niet. Andere risicobronnen bevinden zich op

een nog grotere afstand en hebben geen uitwerking op het plangebied.

Over de Van Heemstraweg, die op korte afstand van het plangebied is gelegen vindt uitsluitend

regulier transport van gevaarlijke stoffen plaats. Er is geen sprake van een PR-contour buiten de

rand van de weg. Door de geringe hoeveelheid transport is er geen noodzaak tot een gedetailleerde

beoordeling van het groepsrisico. Andere transportmodaliteiten (buisleidingen, waterwegen) zijn in

en in de nabijheid van het plangebied niet aanwezig.

• Wel bevindt het gebied zich in overstromingsgebied. De locatie ligt tussen twee grote rivieren

in. Het gebied waar de locatie ligt is daarom ook aangewezen als overstromingsgebied op de

kaart. De risicokaart spreekt van een overstroming als een gebied onder water loopt en hierbij

in het algemeen een waterstand (diepte) van ten minste 1 meter ontstaat. Mogelijke overstromingsgebieden

op de risicokaart hebben een kans van 1 op 4000 om onder te lopen. Ook staan

er gebieden op die in 1993 of 1995 overstroomden of werden bedreigd.

– 33 –


4.7. Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen zoals de bouw van nieuwe woningen of een bedrijf moet rekening gehouden

worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied en omgeving. Hierbij kan

onderscheid gemaakt worden tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming.

4.7.1. Gebiedsbescherming

Natuurbeschermingswet

Met de inwerkingtreding van de nieuwe Natuurbeschermingswet 1998 in oktober 2005 is de

Europese wet- en regelgeving volledig in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De NBwet

ziet toe op de bescherming van specifiek aangewezen gebieden ten behoeve van specifieke

instandhoudingsdoelen. Het plangebied ligt ten zuiden van de door de NB-wet beschermde Natura

2000-gebied “Uiterwaarden Waal”. Gezien de afstand (700 m) tussen dit beschermde gebied en

het plangebied en de aard van de ingreep, doet het voornemen geen afbreuk aan de instandhouding

van deze gebieden Het planvoornemen doet dan ook geen afbreuk aan de instandhouding

van deze gebieden. Een nadere beoordeling is niet nodig.

Plangebied

Figuur 20 Uitsnede Ecologische hoofdstructuur (Bron: prov. Gelderland)

Ecologische Hoofdstructuur

De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is het beoogde samenhangende netwerk van kwalitatief

hoogwaardige natuurgebieden en natuurrijke cultuurlandschappen in Nederland. Dit wordt gerealiseerd

door vergroting van natuurgebieden, ontwikkeling van nieuwe natuurgebieden, aangepast

agrarisch(-natuur) beheer en aanleg van ecologische verbindingszones. Op de EHS kaart is te zien

dat diverse grotere en kleinere gebieden in de omgeving deel uit maken van de EHS. Dit betreft

vooral de uiterwaarden van de Waal.

• Het plangebied valt niet binnen de EHS (zie figuur 20). Het voornemen heeft door zijn aard en

omvang geen invloed op de kernkwaliteiten van de EHS. Vanuit het provinciale natuurbeleid is

er daarom geen bezwaar tegen het voornemen.

– 34 –


4.7.2. Soortenbescherming

Flora- en Faunawet

De Flora- en Faunawet is een soortbeschermingwet. De intentie van de wet is niet het beschermen

van individuele organismen, maar de duurzame instandhouding van soorten. Indien voldoende

voorzorgsmaatregelen worden genomen lijkt het voornemen uitvoerbaar binnen de Flora- en

Faunawet. In het plangebied komen naar verwachting alleen algemeen beschermde flora- en faunasoorten

voor. Deze soorten genieten een algemene vrijstelling (soorten van tabel 1 Flora en

Faunawet) van schade als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen en projecten. Voor deze soorten

is geen ontheffing vereist. Met in achtneming van de algemene zorgplicht, is een ontheffing in het

kader van de Flora- en Faunawet niet nodig.

Econsultancy heeft een Quickscan flora en fauna uitgevoerd op het plangebied. Het volledige

rapport (nr. 10043274) maakt als losse bijlage deel uit van de toelichting. Hieronder volgen de

conclusies en aanbevelingen.

Conclusies en aanbevelingen Quickscan Econsultancy

“Econsultancy heeft in opdracht van HSRO Stedenbouw en ruimtelijke ontwikkeling BV een quickscan

flora en fauna uitgevoerd aan de Tesstraat 8 te Boven-Leeuwen in de gemeente West Maas en

Waal. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging.

Voorgenomen ingreep

De initiatiefnemer is voornemens om de bestemming van de huidige bedrijfswoning Tesstraat 8

om te zetten naar woondoeleinden en een extra woning op de naastgelegen grond toe te voegen.

Ten behoeve van de nieuwbouw zullen circa 1.044 m2 bedrijfsgebouwen gesloopt worden en de

huidige bedrijfswoning wordt omgezet naar woondoeleinden. De huidige bedrijfswoning blijft en

wordt omgezet naar burgerwoning. De siertuin achter de woning blijft eveneens gehandhaafd.

Waarnemingen en te verwachten soorten:

De bebouwing op de onderzoekslocatie biedt onderkomen aan algemene broedvogels. Steenuil

maakt incidenteel gebruik van schuur nummer IV. In schuur nummer IV zijn braakballen van steenuil

aangetroffen. De steenuil is opgenomen in de Rode Lijst 2004 van bedreigde vogelsoorten, met

als status kwetsbaar. Het nest van de steenuil is jaarrond beschermd. De hoeveelheid braakballen

en uitwerpselen van de steenuil geven aan dat de schuur IV slechts incidenteel wordt gebruikt. In

de schuur zijn geen nestgelegenheden voor steenuil aanwezig. Een vaste rust- en verblijfplaats

van steenuil op de onderzoekslocatie is uit te sluiten. Op basis van het ontbreken van geschikte

verblijfmogelijkheden en de hoeveelheid braakballen/ uitwerpselen kan worden gesteld dat de

aanwezigheid van een vaste rust- of verblijfplaats van steenuil op de onderzoekslocatie niet aan

de orde is. Hierdoor wordt niet verwacht dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaak van het

functioneel leefgebied van deze streng beschermde soort.

Schuur IV is wegens vele tochtgaten zeer weergevoelig. Hierdoor is het klimaat in de schuur te

onstabiel om als vaste verblijfplaats voor vleermuizen te fungeren. Echter is een incidenteel individuele

gewone grootoorvleermuis nooit uit te sluiten. Verder kunnen op de onderzoekslocatie

incidenteel algemene soorten als konijn en gewone pad worden aangetroffen. Voor de overige

soorten uit de verschillende soortgroepen vormt de onderzoekslocatie geen geschikt habitat of zijn

deze op grond van bekende verspreidingsgegevens of het ontbreken van verblijfsindicaties niet te

verwachten.

Maatregelen ter voorkoming van negatieve effecten:

Door het laten uitvoeren van een controle op de aanwezigheid van een broedgeval voor aanvang

van de werkzaamheden kan over het algemeen schade aan eventuele broedvogels worden voorkomen.

In het kader van de algemene zorgplicht bij het verwijderen van de beplanting rekening

te worden gehouden met een mogelijk aanwezige soort als egel, konijn, gewone pad of bruine

kikker. In het geval van de onverhoopte aanwezigheid van een individuele vleermuis dienen de

werkzaamheden tijdelijk te worden gestaakt en kunnen na het uitvliegen (in de avondschemering)

de werkzaamheden worden hervat.

Gebiedsbescherming

De EHS zal niet worden aangetast door de herbestemming van de onderzoekslocatie. Externe

werking op overige beschermde natuurgebieden (Natura 2000) is niet aan de orde.

– 35 –


Noodzaak tot nader onderzoek

Nader onderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen wordt niet noodzakelijk

geacht.

Noodzaak aanvraag ontheffing Flora- en faunawet artikel 75c

Ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Flora- en faunawet ten aanzien

van het verstoren van vaste rust- en verblijfplaatsen is niet aan de orde.

• Binnen het voornemen zijn geen ontheffingen nodig in het kader van de Flora- en faunawet en/

of de Natuurbeschermingingswet 1998. Ook is het voornemen uitvoerbaar binnen het beleidskader

van de Ecologische Hoofdstructuur.

4.8. Cultuur en Archeologie

De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke

ontwikkeling is het onderwerp van het Europese Verdrag van Valletta (Malta, 1992). Dit

verdrag is uitgewerkt in een wijziging van de Monumentenwet. 1 september 2007 is de wet op

de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten

van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de

bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling

en de financiering van opgravingen.

Figuur 21 Uitsnede Indicatieve Archeologische Waardenkaart, (Bron IKAW)

Plangebied

• Op de provinciale archeologische en cultuurhistorische waarden- en verwachtingenkaart (IKAW)

evenals op de KICH-kaart is te zien dat het plangebied, in het deel waar de nieuwbouw gepland

is, een middelhoge archeologische verwachting heeft (zie figuur 21).

4.8.1. Archeologisch vooronderzoek

E. Heunks heeft een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd om een zorgvuldige omgang met

(mogelijk) aanwezige archeologische waarden te waarborgen. Het onderzoek bestaat uit een

bureaustudie, waarin de locatiespecifieke archeologische, bodemkundige en landschappelijke

kenmerken zijn geïnventariseerd. De bureaustudie voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse

Archeologie versie 3.2. Op basis van de resultaten van deze studie dient het bevoegd gezag

– 36 –


Figuur 22 Uitsnede fundatieplan: (Bron: Ingenieursbureau Middelhuis en Schleipfenbauer)

– 37 –


(gemeente West Maas en Waal) een afgewogen beslissing te kunnen nemen ten aanzien van

het vervolgtraject. Het rapport (EH 012011) maakt als losse bijlage deel uit van deze toelichting.

Hieronder volgen de conclusie en aanbevelingen uit het rapport.

Conclusie

“Op basis van de paleogeografische opbouw (oeverwallen van Waalstroomgordel en stroomgordel

van Leeuwen) is er in het plangebied sprake van een middelmatige tot hoge archeologische verwachting

voor archeologische resten uit de periode IJzertijd- Nieuwe tijd. Dit stemt overeen met

de verschillende beschikbare archeologische verwachtingskaarten (IKAW, CHW). Er zijn binnen de

grenzen van het plangebied geen geregistreerde vindplaatsen bekend.

In principe kunnen binnen het plangebied vanaf de onderkant van de bouwvoor/verstoorde bovengrond

archeologische resten worden aangetroffen. Op basis van de boorresultaten in het kader

van milieuonderzoek mag worden gesteld dat de huidige minimale verstoringsdiepte onder en

direct rondom de bebouwde oppervlakken 50 cm bedraagt gerekend vanaf het maaiveld.

Aanbevelingen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ)

Hoewel er binnen het plangebied geen archeologische vindplaatsen bekend zijn, vormt de vastgestelde

middelmatige tot hoge archeologische verwachting aanleiding om vanuit het ‘behoud in

situ beginsel’ toekomstige ingrepen te beperken tot de huidige verstoringsdiepte. Hierbij dient te

worden uitgegaan van een maximale toelaatbare werkdiepte van 50 cm gerekend van het huidige

maaiveld. Door ophoging van het terrein kan de beschikbare ‘werkruimte’ worden vergroot zonder

mogelijk aanwezige intacte archeologische resten in de ondergrond te verstoren.

Indien de maximaal toelaatbare diepte (50 cm vanaf huidig maaiveld) daadwerkelijk noodzakelijk is

ten behoeve van het bouwplan, dient het tot die diepte te vergraven oppervlak zoveel mogelijk te

worden beperkt. Te denken valt daarbij aan het beperken van het graafwerk tot de noodzakelijke

funderingssleuven (dus geen vlakdekkende bouwput) en het minimaliseren van het aantal heipalen

(in geval van een palenfundering).

Indien binnen het plangebied grootschalige vergravingen dieper dan 50 cm vanaf het huidige maaiveld

toch noodzakelijk zijn, zal vanuit een zorgvuldige omgang met het archeologisch erfgoed

(conform de nieuwe Monumentenwet) aanvullend archeologisch veldonderzoek noodzakelijk zijn

om de aan- of afwezigheid van archeologische waarden vast te stellen.

Uitgaande van bovengestelde randvoorwaarden gelden er vanuit archeologisch oogpunt geen

belemmeringen ten aanzien van de voorgestelde bouwplannen. Het is uiteindelijk aan het Bevoegd

Gezag (gemeente West Maas en Waal) te beslissen hoe om te gaan met het voorgestelde bouwplan

in het kader van een zorgvuldige archeologische monumentenzorg.”

4.8.2. Selectiebesluit archeologie

De gemeente West Maas en Waal heeft gebaseerd op de inhoud van het archeologisch vooronderzoek

en bestaand beleid een selectiebesluit vastgesteld. De inhoud van het selectiebesluit is

verwerkt in de regels van dit bestemmingsplan. Zie voor het volledige selectiebesluit figuur 24 t/,

28 in deze toelichting. Onderstaand volgt kort samengevat de strekking van het selectiebesluit.

Citaten selectiebesluit

“De gemeente in haar rol als bevoegd gezag inzake archeologie is het in grote lijnen eens met de

conclusies en aanbevelingen van Heunks. De gemeente gedoogt dat de omtrek van de nieuwe

bebouwing niet geheel overeenkomt met de rooilijnen van de bestaande bebouwing. Formeel zal

er sprake zijn van nieuwe bebouwing (waaronder fundering), dus nieuwe verstoring, en daarmee

een onderzoeksplicht. Desalniettemin gaat de gemeente ervan uit dat de verstoring als gevolg van

de twee nieuwe opstallen in termen van diepte niet groter zal zijn dan de huidige verstoring. De

twee opstallen kunnen dus zonder archeologisch onderzoek worden gerealiseerd”.

“Concreet stelt de gemeente als eis aan de initiatiefnemer een bufferlaag van 35 cm te creëren en

veilig te stellen. Dat kan door aantoonbaar niet dieper te verstoren dan 15 cm onder huidig maaiveld

dan wel verhoging van het huidige maaiveld. De Gemeente gaat akkoord met een ophoging

van 25 cm. Hiermee ontstaat een gebruiksdiepte van 40 cm die de Gemeente toereikend acht voor

normaal tuingebruik en beplanting”.

– 38 –


De ligging van het plangebied op een (zandige) stroomgordel betekent dat een voor huidige

bestemming gebruikelijke ophoging geen nadelige effecten zal hebben op het mogelijke archeologische

erfgoed.

De Gemeente heeft initiatiefnemer verzocht informatie te verschaffen waaruit blijkt op welke wijze

deze voldoet aan de gestelde eisen. Een funderingsplan van de woning en het te realiseren bijgebouw

is aangeleverd. ”

• Kort samengevat betekent het dat voor het gebruik van de tuin de betreffende gronden dusdanig

opgehoogd (25 cm) moet worden dat daarmee de archeologische toplaag veiliggesteld

wordt. Een en ander moet weergegeven worden in een plan van aanpak dat ter goedkeuring

voorgelegd moet worden aan Burgemeester en Wethouders. Een funderingsplan is inmiddels

overlegd. Zie figuur 11 t/m 13 voor de bestaande en nieuwe profielen en figuur 22‚ voor het

funderingsplan.

4.8.3. Cultuurhistorische waarden

Wijziging Bro ten aanzien van borging erfgoedwaarden

Door wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Bro dienen sinds 1 januari 2012

cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen

(zie ook 3.1.3). Dat betekent dat bij nieuwe ontwikkelingen aandacht moet worden

gegeven aan de aanwezigheid en waar nodig de bescherming van nog aanwezige cultuurhistorische

waarden in een bestemmingsplangebied.

• In het plangebied zijn geen bovengrondse cultuurhistorische waarden aanwezig. Op de locatie

bevinden zich gebouwen van een voormalig fruitbedrijf, waaronder een bedrijfswoning.

Rondom de bebouwing ligt bestrating en weides/gazons. De weides aan de zuidzijde worden

begraasd door schapen. De archeologische waarden zijn gewaarborgd via het selectiebesluit en

de voorgenomen ophoging (zie 4.8.2). Gezien de afwezigheid vormen de bovengrondse cultuurhistorische

waarden geen belemmering voor uitvoering van het planvoornemen.

– 39 –


Figuur 24 Selectiebesluit Archeologie pag 1, gemeente West Maas en Waal, 6 maart 2012

– 40 –


Figuur 25 Selectiebesluit Archeologie pag 2, gemeente West Maas en Waal, 6 maart 2012

– 41 –


Figuur 26 Selectiebesluit Archeologie pag 3, gemeente West Maas en Waal, 6 maart 2012

– 42 –


Figuur 27 Selectiebesluit Archeologie pag 4, gemeente West Maas en Waal, 6 maart 2012


– 43 –


Figuur 28 Selectiebesluit Archeologie pag 5, gemeente West Maas en Waal, 6 maart 2012

– 44 –


5. Juridische planopzet

In dit hoofdstuk worden de regels van dit postzegelbestemmingsplan kort toegelicht. Het plangebied

ligt in het buitengebied van de gemeente West Maas en Waal. Op het plangebied is het

bestemmingsplan ‘Buitengebied integrale herziening’ van de gemeente West Maas en Waal van

toepassing. Dit plan bestemt de locatie als ‘Agrarisch’. Om het planvoornemen mogelijk te maken

moet dit gewijzigd worden in de bestemming ‘Wonenen moet een bouwvlak voor de nieuwe

woning worden toegevoegd.

5.1. Plansystematiek

Algemeen

In deze paragraaf wordt een nadere toelichting gegeven op het juridisch bindende gedeelte van

voorliggend bestemmingsplan. Het juridisch bindende gedeelte van een bestemmingsplan volgens

de nieuwe Wro bestaat uit de verbeelding (voorheen plankaart) en de regels (voorheen voorschriften).

In combinatie met de planregels krijgen de bestemmingsvlakken en andere aanduidingen op

de verbeelding de precieze juridische betekenis. De gekozen wijze van bestemmen komt overeen

met bestemmingsregelingen zoals die in de gemeente West Maas en Waal worden toegepast.

Binnen het plangebied zijn er geen handhavingszaken die in voorliggend bestemmingsplan worden

gelegaliseerd.

5.1.1. Verbeelding

Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen

een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben

juridische betekenis, indien en voor zover deze daaraan in de regels wordt gegeven. Een aantal

aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven

ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens).

5.1.2. Regels

Deze toelichting betreft het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Tesstraat 8 en ong. Boven-Leeuwen

van de gemeente West Maas en Waal. De regels van dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op

de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied integrale herziening’ en recentere vergelijkbare

plannen uit het buitengebied van de gemeente West Maas en Waal.

5.1.3. Bestemming ‘Wonen

Voorliggend bestemmingsplan ‘Buitengebied, Tesstraat 8 en ong. Boven-Leeuwen’ van de

gemeente West Maas en Waal kent aan het plangebied bestemming ‘Wonen’ toe met aangegeven

bouwvlakken Naast de bestemming bevat het plan een aantal algemene bepalingen,

zoals begripsbepalingen, bepalingen omtrent de wijze van meten, algemene toestemmingen en

gebruiksbepalingen, strafbaarstelling en overgangsbepalingen. Deze min of meer standaardbepalingen

worden hier verder niet toegelicht

5.2. Motivatie

Het perceel met daarop de bedrijfsbebouwing met aangrenzende woning ligt in de buitengebied

aan de Tesstraat 8 te Boven-Leeuwen. De gemeente West Maas en Waal biedt via het VAB beleidskader

ruimte voor het omzetten van de huidige agrarische bestemming naar een woonbestemming.

Binnen het VAB beleid heeft het realiseren van een woongebouw de voorkeur boven een woning.

De mogelijkheid van het plaatsen van een woongebouw is vanwege de voorwaarden van het VAB

beleid bekeken maar wordt op deze locatie niet mogelijk geacht vanwege ruimtelijke en financiële

argumenten.

In deze situatie is het realiseren van een woongebouw te afwijkend tegenover de bestaande bebouwing

in het gebied. De open uitstraling en zichtlijnen van het plangebied zouden door de bouw van

een woongebouw teveel worden aangetast. Ook is het beschikbare budget niet voldoende voor

de bouw van een woongebouw. De keuze is daarom gevallen op de toevoeging van één woning.

– 45 –


Het slopen van de bestaande niet meer in gebruik zijnde bedrijfsbebouwing draagt bij aan het

verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Het toevoegen van de woning draagt bij aan het instand

houden van de benodigde voorzieningen nodig voor een vitaal platteland. Ook is het plan ondersteunend

voor de bestaande behoefte aan landelijk wonen. Na het slopen van bijna 1050 m 2

loodsen en opstallen wordt op de locatie van een deel van deze opstallen een nieuwe woning met

bijgebouw geplaatst. Het plan voorziet in het realiseren van één woning met een inhoud van 500

m 3 te vergroten tot max. 800 m 3 en een bijgebouw van 80 m 2 te vergroten tot maximaal 120 m 2 .

De maximale goothoogte bedraagt 4,5 m en de nokhoogte mag maximaal 9 m zijn. Zie figuur 8, 9

en 16 voor het ontwerp, de situatie en funderingsdetails.

Positief aan het planvoornemen is het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied door

het verdwijnen van de opstallen. Parkeergelegenheid wordt op eigen terrein gerealiseerd.

Het planvoornemen is getoetst aan de diverse beleidskaders die gelden voor het omzetten van

de bestemming. Er zijn, zoals in de toelichting te lezen is, geen ruimtelijke of milieuhygiënische

knelpunten naar voren gekomen die belemmerend zijn. De bedrijven en woningen in de omgeving

worden niet beperkt in hun bedrijfsontwikkeling of woongenot. Dit is met extra aandacht onderzocht

voor de aan de overkant van de Tesstraat 8 gelegen meubelfabriek 3B.

Het voornemen past binnen het beleid van provincie en gemeente. Er is geen strijd met het Rijksbeleid.

De gemeente West Maas en Waal is voornemens medewerking te verlenen aan het uitvoeren

van het planvoornemen en het hiervoor noodzakelijke aanpassen van de bestemmingen door het

opstellen van dit postzegelbestemmingsplan.

– 46 –


6. Economische uitvoerbaarheid

Het plan wordt door de initiatiefnemer ontwikkeld. Alle kosten in verband met de realisatie zijn

voor rekening van de initiatiefnemer. Er zal door de gemeente geen financieel risico worden gelopen.

De gemeente West Maas en Waal is niet betrokken bij de exploitatie of investeringen van het

project. Exploitatiebijdragen of baatbelasting zijn niet aan de orde. Er wordt door de initiatiefnemer

een planschade-overeenkomst gesloten met de gemeente West Maas en Waal.

7. Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1. Inspraak en overleg

Voordat bestemmingsplan ‘Buitengebied, Tesstraat 8 en ong. Boven-Leeuwen’, van de gemeente

West Maas en Waal rechtskracht verkrijgt, dient de procedure te worden doorlopen, zoals deze

is neergelegd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De gemeente past daaraan voorafgaand haar

eigen inspraakverordening toe.

Kort weergegeven betreft het de volgende stappen:

• ter inzagelegging voorontwerpplan, met mogelijkheid tot inspraak en overleg met betrokken

instanties

• ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan met de bekendmaking van onder meer de

mogelijkheid om schriftelijke zienswijzen naar voren te brengen bij de gemeenteraad (artikel

3.8 Wro);

• vaststelling van het bestemmingsplan (inclusief de reacties op de naar voren gebrachte zienswijzen)

door de gemeenteraad van West Maas en Waal;

• ter inzagelegging van het bestemmingsplan met de mogelijkheid beroep in te stellen bij de

Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Daarnaast vindt gedurende de procedure overleg plaats met het betrokken waterschap en met die

diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast

zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in geding zijn

7.2. Vooroverleg voorontwerp

Dit voorontwerpbestemmingsplan is conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening

in vooroverleg besproken en afgestemd met het betrokken waterschap en de brandweer. De

gemeente heeft deze reacties verwerkt in een inspraakverslag. Dit inspraakverslag maakt als losse

bijlage deel uit van het ontwerpbestemmingsplan.

7.3. Inspraak voorontwerp

Het voorontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 4 april 2012 voor een periode van 6

weken voor belanghebbenden ter intzag gelegen. Tijdens de terinzagetermijn is één inspraakreactie

binnengekomen. De gemeente heeft deze reactie verwerkt in een inspraakverslag. Dit

inspraakverslag maakt als losse bijlage deel uit van het ontwerpbestemmingsplan.

7.4. Zienswijzen

In deze paragraaf worden te zijner tijd de zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan en de

gemeentelijke reactie hierop opgenomen.

– 47 –


– 48 –


HOOGSTRAAT 1

6654 BA AFFERDERN (GLD)

WWW.HSRO.NL

INFO@HSRO.NL

TEL. 0487 - 542906

FAX. 0487 - 542905

More magazines by this user
Similar magazines