Buitengebied Velddijksestraat 7 Maasbommel

westmaasenwaal.nl

Toelichting - Gemeente West Maas en Waal

Bestemmingsplan

Buitengebied, Velddijksestraat 7

Maasbommel

Toelichting

Gemeente West Maas en Waal

Datum: 28 januari 2011

Projectnummer: 100399

ID: NL.IMRO.0668.BUIVelddijksestr7-OW01


INHOUD

1 Inleiding 3

1.1 Aanleiding 3

1.2 Ligging plangebied 3

1.3 Vigerende bestemmingsplan 4

1.4 Leeswijzer 5

2 Bestaande situatie 6

2.1 Omgeving plangebied 6

2.2 Plangebied 6

3 Beleidskader 7

3.1 Rijksbeleid 7

3.2 Provinciaal en gemeentelijk beleid 7

4 Planbeschrijving 13

4.1 Beheer 13

4.2 Ontwikkelingslocatie 13

4.3 Inrichtingsvoorstel 13

5 Onderzoek en verantwoording 16

5.1 Geluidhinder 16

5.2 Bedrijven en milieuzonering 16

5.3 Geur 17

5.4 Bodem 18

5.5 Archeologische en cultuurhistorische waarden 19

5.6 Watertoets 20

5.7 Flora en fauna 23

5.8 Luchtkwaliteit 26

5.9 Externe veiligheid 27

5.10 Verkeer en parkeren 28

6 Juridische planopzet 30

6.1 Algemeen 30

6.2 Dit bestemmingsplan 31

7 Economische uitvoerbaarheid 33

8 Overleg en inspraak 34


8.1 Inspraak 34

8.2 Overleg 34

8.3 Zienswijzen 34

Bijlagen:

− Bijlage 1: Stedenbouwkundig advies

− Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek

− Bijlage 3: Archeologisch bureauonderzoek

− Bijlage 4: Quick scan flora en fauna

− Bijlage 5: Inspraakverslag


1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente West Maas en Waal heeft besloten om, op basis van het ‘Beleidskader

hergebruik vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied’ van de Regio

Rivierenland, planologische medewerking te verlenen aan een verzoek tot functieverandering

aan de Velddijksestraat 7 te Maasbommel.

Het agrarisch bedrijf op deze locatie zal worden beëindigd, de agrarische bedrijfsbebouwing

wordt, met uitzondering van de bedrijfswoning, gesloopt en de agrarische

bestemming wordt omgezet in een woonbestemming.

Als compensatie voor de te slopen bebouwing zullen ten noorden van de slooplocatie,

tussen de Velddijksestraat 7 en 9, twee vrijstaande woningen worden gebouwd.

Deze ontwikkelingen passen niet binnen het geldende bestemmingsplan. Een herziening

is daarom noodzakelijk. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt op circa 400 meter ten noorden van de kern Maasbommel in de

gemeente West Maas en Waal. Op circa 250 meter ten oosten van het plangebied ligt

het recreatiegebied De Gouden Ham.

In het oosten wordt het plangebied begrensd door de Velddijksestraat, in het zuiden

door woonpercelen en onbebouwde agrarische gronden, in het westen door het bedrijventerrein

Kapelstraat en onbebouwde agrarische gronden en in het noorden door

een woonperceel en onbebouwde agrarische gronden.

De volgende afbeeldingen geven inzicht in de globale ligging en begrenzing van het

plangebied. Voor een exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding.

Globale ligging plangebied (bron: Topografische Dienst)

SAB 3


Globale begrenzing plangebied met nieuwbouwlocaties (rode stip)

(bron: Google Earth)

1.3 Vigerende bestemmingsplan

Het plangebied maakt deel uit van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’, zoals

dat op 12 november 1997 is vastgesteld door de raad van de gemeente West

Maas en Waal en op 6 juli 1998 is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de

provincie Gelderland. Het bestemmingsplan is gedeeltelijk onherroepelijk geworden

op 21 januari 2000 en geheel onherroepelijk geworden op 19 juli 2001. Voor het plangebied

geldt tevens het bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 2006’. Dit bestemmingsplan

is op 11 december 2008 vastgesteld.

Het plangebied heeft de bestemming ‘Agrarisch gebied’. Over een deel van het plangebied

ligt een agrarisch bouwvlak. Gronden met de bestemming ‘Agrarisch gebied’

zijn bedoeld voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf en watergangen ten behoeve

van de waterhuishouding. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor extensieve

dagrecreatie.

SAB 4


Uitsnede verbeelding met globale ligging plangebied (rode ovaal)

(bron: gemeente West Maas en Waal)

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen,

het omzetten van een agrarische bestemming in een woonbestemming en de bouw

van twee vrijstaande woningen. Het geldende bestemmingsplan maakt deze ontwikkeling

niet mogelijk. Bij het omzetten van een agrarisch bouwvlak naar een woonbestemming

mag het bestaande aantal gebouwen ten dienste van het wonen niet worden

uitgebreid. Daarnaast mogen op agrarische gronden buiten het bouwvlak geen

gebouwen ten dienste van het wonen worden gebouwd. Voorliggend bestemmingsplan

is dan ook noodzakelijk om de functieverandering en beoogde bebouwing mogelijk

te maken.

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting

is opgebouwd uit 8 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk

2 ingegaan op de bestaande situatie. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader

weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de planbeschrijving aan de orde komt. In hoofdstuk

5 wordt de haalbaarheid van het plan aangetoond wat betreft milieuaspecten, water,

archeologie en flora en fauna. Hoofdstuk 6 geeft een toelichting op de juridische

planopzet en hoofdstuk 7 gaat in op de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8

gaat ten slotte in op de resultaten van overleg in inspraak.

SAB 5


2 Bestaande situatie

2.1 Omgeving plangebied

Het landschap en de ruimtelijke opbouw van de gemeente West Maas en Waal zijn

vooral bepaald door de loop van de rivieren Maas en Waal. Rivieren en uiterwaarden

worden geflankeerd door dijken en oeverwallen met daarachter de komgronden. Het

plangebied ligt op een oeverwal.

Oeverwallen zijn gronden die door afzettingen van de rivier, op het moment dat deze

buiten haar oevers trad, hoger zijn gelegen. In deze hoger gelegen gebieden is het karakter

kleinschalig, is er een kenmerkende mozaïekachtige blokverkaveling en een

historisch gegroeid wegenpatroon. Open weides worden afgewisseld met bebouwing.

Op de oeverwallen is sprake van een mix van functies zoals wonen, werken en recreatie.

Komgebieden zijn laaggelegen, relatief natte gebieden die van oudsher niet geschikt

waren voor bebouwing. Ook voor landbouw waren de gronden te nat, wat als gevolg

had dat de kleiige komgronden werden gebruikt als grasland. In de jaren vijftig en zestig

van de vorige eeuw zijn als gevolg van de ruilverkaveling linten van boerderijen

gebouwd in de kommen. De kom kenmerkt zich door een strookvormig verkavelingspatroon.

Ten oosten van het plangebied ligt het recreatiegebied De Gouden Ham. Het recreatiegebied

ligt tussen de kernen Maasbommel, Altforst en Appeltern. De Gouden Ham

vormt samen met het gebied De Schans het zwaartepunt van de toeristischrecreatieve

structuur in de gemeente West Maas en Waal. In de Gouden Ham heeft in

de jaren ‘70 en begin jaren ‘80 van de vorige eeuw zand- en kleiwinning plaatsgevonden.

Hierna is het als recreatieplas ontwikkeld en heeft het zijn huidige vorm gekregen.

2.2 Plangebied

In de huidige situatie is in het plangebied bedrijfsbebouwing met erfverharding van het

agrarische bedrijf aanwezig. De bebouwing bestaat uit opstallen met een gezamenlijke

oppervlakte van circa 2.250 m², één dienstwoning en een bijgebouw met een oppervlakte

van 48 m 2 . Het plangebied, waaronder de locaties van de nieuw te bouwen

woningen, bestaat verder uit onbebouwde agrarische gronden.

SAB 6


3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Nota Ruimte

De Nota Ruimte bevat de visie van het Rijk op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland

en bevat de ruimtelijke bijdrage aan een sterke economie, een veilige en leefbare

samenleving en een aantrekkelijk land. Het kabinet schept ruimte voor ontwikkeling,

uitgaande van het motto ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’ en verschuift het accent

van het stellen van ruimtelijke beperkingen naar het stimuleren van gewenste

ontwikkelingen. De Nota Ruimte ondersteunt gebiedsgerichte ontwikkeling waarin alle

betrokken partijen kunnen participeren. Het Rijk richt zijn aandacht met name op de

nationale ruimtelijke hoofdstructuur. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om versterking van

de dynamiek in de nationale stedelijke netwerken en om waarborging van de kwaliteit

van de ecologische hoofdstructuur en de nationale landschappen.

De centrale doelstellingen van de Nota Ruimte zijn: versterking van de internationale

concurrentiepositie van Nederland, bevordering van krachtige steden en een vitaal

platteland, de borging en ontwikkeling van belangrijke (inter-)nationale waarden en de

borging van veiligheid.

Toets plan

Het plangebied valt buiten de nationale ruimtelijke hoofdstructuur. Gezien dit feit kan

geconcludeerd worden dat de nota geen direct relevant beoordelingskader vormt.

3.2 Provinciaal en gemeentelijk beleid

3.2.1 Provinciaal beleid

Streekplan Gelderland 2005

Het ruimtelijk beleid van de provincie Gelderland tot 2015 is vastgelegd in het Streekplan

Gelderland 2005. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening per 1

juli 2008 heeft het streekplan Gelderland 2005 de status van structuurvisie gekregen.

Dat betekent dat de inhoud van het streekplan voor de provincie de basis blijft voor

haar eigen optreden in de ruimtelijke ordening.

Op grond van het streekplan behoort het plangebied tot het multifunctionele platteland.

Het multifunctioneel platteland maakt deel uit van het multifunctioneel gebied.

Het multifunctioneel gebied beslaat het grootste deel van de provincie. Dit gebied omvat

de steden, dorpen, buurtschappen buiten de provinciaal ruimtelijke hoofdstructuur,

waardevolle landschappen en het multifunctioneel platteland. In het provinciaal planologisch

beleid wordt op deze gebieden geen expliciete provinciale sturing gericht.

De vitaliteit van het multifunctionele platteland wordt bevorderd door planologische beleidsvrijheid

te geven aan gemeenten wat betreft de grondgebonden landbouw en

nieuwe economische dragers voor vrijkomende agrarische bebouwing.

De provincie geeft wat betreft functieverandering van gebouwen in het buitengebied

de voorkeur aan het vervullen van de behoefte aan landelijk wonen. Indien hergebruik

van de aanwezige gebouwen niet mogelijk is, kan na sloop van alle bedrijfsgebouwen

SAB 7


vervangende nieuwbouw plaatsvinden, met een omvang van maximaal 50% van de

gesloopte bebouwing in vierkante meters. Het provinciaal beleid biedt daarbij ruimte

voor nadere beleidsinvulling in regionaal verband. Hier wordt in de volgende paragraaf

nader op ingegaan.

Uitsnede beleidskaart ruimtelijke structuur streekplan (bron: provincie Gelderland)

Toets plan

Voorliggend plan past binnen het provinciale beleid, omdat voormalige agrarische bedrijfsbebouwing

wordt gesloopt en vervangen door woningen met een oppervlakte die

ruimschoots onder de oppervlakte van maximaal 50% van de gesloopte bebouwing

blijft. Met deze ontwikkeling wordt bijgedragen aan een vitaal platteland en ingespeeld

op de behoefte aan landelijk wonen.

Ontwerp Ruimtelijke Verordening Gelderland

De Ruimtelijke Verordening Gelderland richt zich net zo breed als het streekplan op

de fysieke leefomgeving in de provincie. Met een verordening kunnen Provinciale Staten

regels stellen over de inhoud, toelichting of onderbouwing van bestemmingsplannen.

Bij de afzonderlijke bepalingen uit de verordening is in de artikelsgewijze toelichting

een korte duiding en verantwoording van het provinciaal belang opgenomen.

Gedeputeerde Staten stelden op 3 november 2009 het ontwerp van de Ruimtelijke

Verordening Gelderland vast. Naar verwachting zal de definitieve verordening in november

2010 worden vastgesteld.

De provincie acht het van belang dat nieuwe bebouwing ten behoeve van wonen en

werken niet wordt toegestaan buiten bestaand bebouwd gebied, buiten de woningbouwcontour

van de Stadsregio Arnhem Nijmegen en buiten de zoekzones wonen en

werken. In afwijking hiervan kan het bouwen buiten deze gebieden wel mogelijk worden

gemaakt in geval van functieverandering naar een niet agrarische functie.

SAB 8


Verder is in voorliggend plan mede de bestemming ‘Wonen’ van toepassing. Met betrekking

tot de bestemming ‘Wonen’ acht de provincie het van belang dat in een bestemmingsplan

opgenomen nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen

passen in het vigerende, door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma

voor de betreffende regio en het daarin opgenomen regiototaal aan woningen.

Toets plan

De voorgenomen ontwikkeling sluit aan op het beleid uit de ontwerp van de Ruimtelijke

Verordening Gelderland doordat er sprake is van een functieverandering naar een

niet agrarische functie. De gemeente West Maas en Waal) heeft in het kader van

KWP3 (Kwalitatief Woonprogramma provincie Gelderland) haar woningbouwplannen

voor de komende jaren moeten aangeven. De gemeente houdt daarbij rekening met

kleine initiatieven zoals VAB woningen. Per kern worden hiervoor een aantal woningen

opgenomen.

3.2.2 Regionaal beleid

Beleidskader hergebruik vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied

Het beleid voor vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing (VAB) is door de samenwerkende

gemeenten in de regio Rivierenland opgesteld en is van kracht in het buitengebied

van onder andere de gemeente West Maas en Waal. Vrijgekomen agrarische

bedrijfsbebouwing kan worden hergebruikt voor woondoeleinden of

verscheidene bedrijfsmatige doeleinden.

De binnen de regio Rivierenland samenwerkende gemeenten willen, vanuit het streven

de landschappelijke kwaliteit te vergroten, stimuleren dat agrarische bedrijfsgebouwen

gesloopt worden wanneer ze hun agrarische functie hebben verloren. Om dit

te stimuleren wordt, in ruil voor de sloop van alle voormalige agrarische bedrijfsgebouwen,

de mogelijkheid geboden een woongebouw op te richten. Door de opbrengsten

van de extra bouwrechten te gebruiken voor het dekken van de sloopkosten van

vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing en de kosten van landschappelijke inpassing

van nieuwe bebouwing, denken de samenwerkende gemeenten de ruimtelijke en

landschappelijke kwaliteit van het buitengebied per saldo te kunnen vergroten.

Sloop en vervangende nieuwbouw zijn alleen toegestaan wanneer gemeenten van

mening zijn dat verbouw van de vrijgekomen agrarische bedrijfsruimte tot woonruimte

niet mogelijk of wenselijk is. Monumentale bebouwing mag niet worden gesloopt en

ook bebouwing die door de gemeente is bestemd als karakteristiek of beeldbepalend

komt niet voor deze regeling in aanmerking.

Er is een aantal uitgangspunten waaraan hergebruik en functieverandering van vrijgekomen

agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied in alle gevallen moet voldoen:

− de regeling voor functieverandering is alleen van toepassing op vrijkomende en

vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied die met een vergunning

is opgericht en minstens vijf jaar rechtmatig is gebruikt (d.w.z. conform de bestemming

uit het vigerende bestemmingsplan);

− bij functieverandering moet worden voldaan aan alle geldende wet- en regelgeving

op het gebied van o.a. geluid, luchtkwaliteit, natuur en flora en fauna;

SAB 9


− functieverandering is alleen mogelijk wanneer hergebruik van de vrijgekomen agrarische

bedrijfsgebouwen voor agrarische doeleinden niet mogelijk of wenselijk is;

− functieverandering van vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen mag niet leiden

tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende agrarische

bedrijven;

− bij functieverandering moet de bestaande infrastructuur toereikend zijn voor de

nieuwe functie. Nieuwe functies mogen dan ook geen grote verkeersaantrekkende

werking hebben;

− nieuwe bebouwing wordt alleen toegestaan wanneer deze op een goede landschappelijke

en stedenbouwkundige wijze kan worden ingepast in het buitengebied;

− buitenopslag van goederen en stalling buiten is niet toegestaan;

− detailhandel is slechts toegestaan voor kleinschalige verkoop van ter plaatse geproduceerde

of streekeigen producten waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt

is aan de hoofdfunctie;

− functieverandering wordt geëffectueerd door aanpassing van de agrarische bestemming

binnen afzienbare termijn.

Alleen wanneer er ruimtelijke argumenten bestaan tegen de bouw van een woongebouw

of wanneer de eis van een woongebouw een, financiële of persoonlijke, belemmering

vormt voor functieverandering, worden mogelijkheden geboden voor het terugbouwen

van individuele vrijstaande woningen. Bij sloop van meer dan 1.000 m 2

aan bedrijfsgebouwen of 800 m 2 aan kapitaalintensieve bedrijfsgebouwen (champignonteelt)

is één individuele woning toegestaan en bij sloop van meer dan 2.500 m 2

aan bedrijfsgebouwen of 1.600 m 2 aan kapitaalsintensieve bedrijfsgebouwen zijn twee

individuele woningen toegestaan. Bij ruimtelijke argumenten kan het bijvoorbeeld

gaan om:

− landschappelijke redenen (een woongebouw doet afbreuk aan het open karakter

van het landschap);

− stedenbouwkundige redenen (een woongebouw past bijvoorbeeld niet in een lint

met alleen individuele woningen).

De bouw van een individuele woning dient te worden afgewogen tegen het belang dat

gediend is met sloop van de vrijgekomen agrarische bebouwing. Voor de bouw van

nieuwe woongebouwen (of woningen) gelden, naast de eerder genoemde uitgangspunten,

de volgende voorwaarden:

− alle op het perceel aanwezige voormalige bedrijfsgebouwen dienen te worden gesloopt

(ook al is dit meer dan 2.500 m 2 ), uitgezonderd de hoeveelheid bij recht toegestane

bijgebouwen en met uitzondering van monumentale gebouwen of gebouwen

die door de gemeente zijn aangemerkt als karakteristiek en/of beeldbepalend;

− in principe dient de nieuwbouw plaats te vinden in de directe nabijheid van het

reeds aanwezige hoofdgebouw. Alleen wanneer een initiatiefnemer kan aantonen

dat nieuwbouw op een andere locatie vanuit het oogpunt van ruimtelijke en landschappelijke

kwaliteit de voorkeur verdient, kan de nieuwbouw plaatsvinden op

grotere afstand van het bestaande hoofdgebouw of zelfs op een ander perceel.

Hierbij geldt dat de initiatiefnemer bij functieverandering moet aantonen waarom

herbouw op een andere locatie de ruimtelijke kwaliteit versterkt;

− toegestaan zijn woningen met een maximale omvang conform de regeling in de vigerende

bestemmingsplannen van de betreffende gemeente.

SAB 10


Toets plan

De regio stelt als eis bij functieverandering dat door de initiatiefnemer verbetering van

de omgevingskwaliteit dient plaats te vinden. Er wordt in totaal circa 2.250 m 2 aan

agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Voor de bouw van twee vrijstaande woningen

moet 2500 m 2 worden gesloopt. Er is dus een tekort van 250 m 2 . Hierover is door de

gemeente West Maas en Waal overleg gevoerd met de provincie Gelderland. De provincie

heeft kenbaar gemaakt dat het minimale tekort geen probleem is als er compensatie

geboden wordt. De gemeente heeft gekozen om deze compensatie om te

zetten in een natuurcompensatie. Dit betekend dat er op het bedrijventerrein Kapelstraat,

ten westen van het plangebied, een grote hoeveelheid bomen is of wordt aangebracht.

Om ruimtelijke redenen wordt voorzien in de bouw van twee vrijstaande woningen met

ieder een inhoud van maximaal 500 m 3 en ieder een bijgebouw van maximaal 80 m 2

in plaats van een woongebouw. Het landschap waarin het plangebied ligt leent zich

namelijk niet voor woningbouw in grote volumes. Met een ontheffing mag de inhoud

van een woning 800 m 3 bedragen en de oppervlakte van een bijgebouw 120 m 2 .

De bebouwingsstructuur bestaat richting Maasbommel uit lintbebouwing, maar in de

omgeving van het plangebied is de bebouwing geclusterd. Deze clusters bestaan uit

verschillende woningen en schuren en hebben als kenmerk dat ze worden omgeven

door bomen. Door de geclusterde bebouwing met open ruimte ertussen is een doorzicht

vanaf de dijk op het achterliggende gebied mogelijk.

Met het bouwen van een woongebouw zou dit doorzicht aangetast kunnen worden.

Door twee vrijstaande woningen te realiseren aansluitend aan de bestaande bebouwing

ten noorden en zuiden van de open ruimte blijft het doorzicht behouden.

Om deze redenen wordt medewerking verleend aan twee woningen met een volume

dat recht doet aan het karakter van de omgeving van het plangebied.

3.2.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Buitengebied West Maas en Waal

Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening van kracht geworden. Voor gemeenten

betekent dit dat zij een structuurvisie moeten opstellen. De structuurvisie bevat

een brede visie op de toekomst van de gemeente en vormt het kader van alle

ruimtelijke ontwikkelingen. Sinds het moment van vaststelling door de gemeenteraad

op 25 februari 2010 heeft deze visie een formele status als gemeentelijk beleid. Dit

houdt in dat de visie een toetsingskader vormt voor initiatieven die voor dit gebied

worden ingediend, maar ook de basis voor het opstarten van gemeentelijke projecten.

Initiatieven worden in eerste instantie getoetst aan de visie en het toetsingskader.

Het landschap is in de lagen natuurlandschap, cultuurlandschap en stedelijk netwerk

uitgesplitst. Aan de hand van de verschillende lagen van het landschap is het gebied

nader geanalyseerd. In de laag natuurlandschap ligt het plangebied morfologisch gezien

op een oeverwal. In de laag cultuurlandschap ligt het plangebied in het landschapstype

‘stroomrug Maas’. In de laag van het stedelijk netwerk heeft het plangebied

recreatie als grondgebruik.

SAB 11


De ontwikkelingsvisie voor de oeverwallen is als volgt: dit kleinschalige halfopen landschap,

waarbij wonen, werken en agrarische activiteiten sterk met elkaar zijn verweven,

biedt beperkt ruimte voor schaalvergroting. Het beleid ten aanzien van het landschap

is gericht op handhaving van kleinschalige landschapselementen en het

behoud van groene ruimten tussen de kernen. Dit betekent niet dat de oeverwal op

slot zit.

Het omzetten van aan agrarisch bouwperceel naar burgerwoning is passend op de

oeverwal. Deze functies zijn van oudsher aanwezig. Aangezien het gaat om een open

landschap is het van belang dat de woningen en/of het woongebouw qua aard en

schaal passend zijn. Bovendien is een voorwaarde dat alle vrijgekomen (agrarische)

bedrijfsgebouwen zonder karakteristieke of monumentale waarde worden gesloopt.

Dit houdt dus in dat handhaving van bestaande karakteristieke panden of panden met

een monumentale waarde voorop staat. De nieuwbouw dient in principe plaats te vinden

op de plek van het voormalige hoofdgebouw. Nieuwbouw op een andere plek op

het perceel kan uitsluitend plaatsvinden als daarvoor belangrijke stedenbouwkundige

en landschappelijke argumenten aan ten grondslag liggen. De nieuwe gebouwen dienen

ten slotte landschappelijk te worden ingepast.

Toets plan

Middels voorliggend plan wordt een agrarische bestemming omgezet in een woonbestemming

en worden twee woningen toegevoegd. Het beleid uit de structuurvisie is

gebaseerd op het regionale VAB-beleid. Voor de toetsing wordt daarom verder verwezen

naar paragraaf 3.3.2. Het plan past binnen het beleid uit de structuurvisie.

Welstandsnota

Op grond van de gemeentelijke welstandsnota behoort het plangebied tot welstandsniveau

3 (regulier welstandsgebied). Onder dit niveau vallen de gebieden die om een

normale en zorgvuldige afstemming vragen van nieuwe bouwkundige ingrepen. Deze

gebieden kunnen afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de

architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen. De gemeente

stelt geen specifieke eisen aan de ruimtelijke kwaliteit en de welstandsbeoordeling

heeft als uitgangspunt het handhaven van de basiskwaliteit.

Toets plan

De bouwaanvraag wordt aan de redelijke eisen van welstand getoetst. De resultaten

worden opgenomen in de uiteindelijke bouwvergunning.

3.2.4 Conclusie

De planontwikkeling past in het ruimtelijk beleid van de verschillende overheden. Op

basis van het VAB-beleid wordt functieverandering toegepast, waarbij reductie van het

aantal vierkante meters bebouwd oppervlak plaatsvindt. Er wordt vervolgens op een

verantwoorde wijze twee vrijstaande nieuwe woningen in het landschap ingepast. Het

beleid van de rijksoverheid, de provincie Gelderland, de regio Rivierenland en de gemeente

West Maas en Waal staan de realisatie van het plan niet in de weg.

SAB 12


4 Planbeschrijving

4.1 Beheer

Met dit plan wordt de geldende bestemming van het plangebied herzien voor een

woonfunctie. Het bieden van de mogelijkheid tot het slopen van agrarische bedrijfsbebouwing

en het realiseren van twee woningen past bij het karakter van het omliggende

gebied. De toegelaten bebouwing sluit wat betreft schaal en situering aan op de

omliggende bebouwing en de kenmerken van de omgeving.

4.2 Ontwikkelingslocatie

In het plangebied is agrarische bedrijfsbebouwing met een bedrijfswoning gelegen. De

agrarische bedrijfsgebouwen hebben een gezamenlijke oppervlakte van 2.250 m 2 , exclusief

de bestaande bedrijfswoning en exclusief een bijgebouw van 48 m 2 . Het plangebied

bestaat verder uit erfverharding en onbebouwde agrarische grond.

4.3 Inrichtingsvoorstel

Voorliggend plan betreft het omzetten van de agrarische bestemming in een woonbestemming,

waarbij de bedrijfswoning behouden blijft en bedrijfsbebouwing met een totale

oppervlakte van 2.250 m² gesloopt wordt. Deze bedrijfsbebouwing bestaat uit vier

schuren. Er mag 80 m 2 bij recht aan bijgebouwen blijven staan. Dit betreft het bijgebouw

dat aan de zuidwestzijde van de woning is aangebouwd. De volgende afbeelding

geeft de huidige situatie weer met de te slopen (rood) en behouden (groen) bebouwing.

Huidige situatie plangebied (bron: Google Earth)

SAB 13


Als compensatie voor de te slopen bebouwing worden twee vrijstaande woningen gerealiseerd.

De inhoud per woning is maximaal 500 m 3 . De maximale goothoogte mag

4,5 meter bedragen en de maximale bouwhoogte 9 meter. Ook mag er per woning

één bijgebouw gerealiseerd worden van maximaal 80 m 2 . De maximale goot- en

bouwhoogte voor de bijgebouwen bedragen respectievelijk 3 meter en 6 meter. Met

een ontheffing mag de inhoud van een woning 800 m 3 bedragen en de oppervlakte

van een bijgebouw 120 m 2 . Op de volgende afbeeldingen zijn aanzichten van de

nieuwe woningen te zien.

Aanzichten toekomstige woningen (bron: Architectenbureau Schreven)

Door SAB is een stedenbouwkundig advies opgesteld voor de nieuw te bouwen woningen

1 . Hierin is aangegeven dat de bebouwingsstructuur richting Maasbommel bestaat

uit lintbebouwing, maar dat ter plekke van het plangebied de bebouwing geclusterd

is. Deze clusters bestaan uit verschillende woningen en schuren en hebben als

kenmerk dat ze worden omgeven door bomen. Door de geclusterde bebouwing met

open ruimte tussen de clusters is een fraai doorzicht vanaf de dijk op het achterliggende

gebied mogelijk.

Door de nieuwe woningen zo te situeren dat ze aansluiten op de bestaande bebouwing

blijft sprake van een open ruimte en maken de woningen onderdeel uit van de

geclusterde bebouwing. Op de volgende afbeelding is een inrichtingsschets van de

toekomstige situatie weergegeven. Hierop is de geclusterde bebouwing aan weerszijden

van de open ruimte en de zichtlijn duidelijk te zien.

1

Stedenbouwkundig advies VAB bouwkavels Velddijksestraat 7, SAB Arnhem, 14 april 2010.

SAB 14


Een voorwaarde bij de ontwikkeling is dat de percelen ook een groene uitstraling krijgen

om op die manier aan te sluiten op de groene uitstraling van de clusters. De inrichtingsschets

geeft daar met onder andere de aanleg van een paddenpoel en een

sloot en de aanplant van perceelrandbeplanting een globale indicatie voor. Door de

gemeente is aangegeven dat de initiatiefnemer in een later stadium dan het bestemmingsplan

een beplantingsplan zal moeten overleggen.

Dit geldt ook voor een voorstel voor de beeldkwaliteit van de bebouwing. De noordelijke

woning kan raakvlakken hebben met het noordelijke bebouwingscluster, de zuidelijke

woning met het zuidelijke bebouwingscluster. Dat betreft niet alleen de beeldkwaliteit

en de erfbeplanting, maar ook de massa.

SAB 15


5 Onderzoek en verantwoording

5.1 Geluidhinder

Inleiding

Wanneer in een plan nieuwe geluidsgevoelige ruimten, zoals woningen worden gerealiseerd,

stelt de Wet geluidhinder (Wgh) de verplichting akoestisch onderzoek uit te

voeren naar de geluidsbelasting op de nieuwe woningen ten gevolge van omliggende

wegen. Deze geluidsbelasting mag de 48 dB niet overschrijden.

In de Wgh staat dat voor een bestemmingsplan inzichtelijk moet worden gemaakt welke

geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor geluidsgevoelige

bestemmingen. Op basis van Wgh moet bij ruimtelijke ontwikkelingen

rekening worden gehouden met drie geluidsbronnen: wegverkeers-, railverkeers- en

industrielawaai.

Onderzoek

Door de gemeente West Maas en Waal is onderzoek gedaan naar geluidhinder. De

nieuw te realiseren woningen zijn geluidsgevoelige objecten. Het plan valt niet binnen

een zone van de weg, omdat de Velddijksestraat een 30 kilometer weg is. Deze wegen

hebben geen zone als bedoeld in artikel 74 van de Wgh. Formeel hoeft er conform

de Wgh bij een 30 km weg geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd.

Echter vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden getoetst

hoe hoog de geluidswaarde op de eventuele nieuwe woningen zullen bedragen.

De gemeente heeft een indicatieve berekening uitgevoerd waaruit blijkt dat de geluidsbelasting

ten gevolge van het wegverkeer op de Velddijksestraat ter plaatse van

de gevel van de nieuw te realiseren woningen ongeveer 34 dB (incl. aftrek ex art 110g

Wgh) bedraagt. Hierbij is er vanuit gegaan dat de nieuwe woningen in dezelfde lijn

worden gerealiseerd als de woning aan de Velddijksestraat 7, namelijk op ongeveer

10 meter van de rand van de weg. Op de situatieschets in paragraaf 4.3 is te zien dat

de woningen op minimaal 15 meter van de rand van de weg zijn geprojecteerd.

De normstelling voor de nieuwe woningen bedraagt 48 dB (voorkeursgrenswaarde).

De maximaal te ontheffen waarde bedraagt 53 dB. Uit de berekening blijkt dat aan deze

voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. Door de gemeente is aangegeven dat er

geen akoestisch onderzoek hoeft te worden uitgevoerd.

Conclusie

Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor het plan.

5.2 Bedrijven en milieuzonering

Inleiding

Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden

gemaakt, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen

de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige

functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed

door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt.

SAB 16


Onderzoek

Het plan voorziet in nieuwe gevoelige functies in de vorm van twee nieuwe woningen

en de omzetting van één bedrijfswoning in een burgerwoning . In de directe nabijheid

van de locatie zijn diverse bedrijven gevestigd. Wat betreft de aanbevolen afstanden

tussen bedrijvigheid en gevoelige functies, zoals wonen, is de VNG-brochure ‘Bedrijven

en milieuzonering’ 2 geraadpleegd. Hierin worden richtafstanden voor zowel het

omgevingstype ‘gemengd gebied’ als ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’ aanbevolen.

Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen

en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een rustige woonwijk en het

rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies voor. De richtafstanden gelden

voor een gemiddeld nieuw bedrijf en gaan uit van het gebiedstype ‘rustig woongebied’.

Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De

afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige

activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande woningen gelegen buiten

het betreffende perceel.

De locatie maakt gezien de omliggende functies deel uit van een ‘rustig buitengebied’.

De dichtstbijzijnde bedrijven zijn agrarisch bedrijven aan de Velddijksestraat 16 en de

Velddijksestraat 13/15.

Door de gemeente is aangegeven dat uit een controle in 2008 is gebleken dat het

agrarische bedrijf aan de Velddijksestraat 16 niet meer actief is.

Het bedrijf aan de Velddijksestraat 13/15 ligt op circa 90 meter van de noordelijke

nieuwe woning. De andere woningen liggen op grotere afstand. De richtafstand voor

dit bedrijf bedraagt 50 meter. Alle drie de woningen liggen daarmee buiten de invloedssfeer

van het bedrijf.

Ten oosten van het huidige agrarische bedrijf aan de Velddijksestraat 7 is de uitbreiding

van het bedrijventerrein Kapelstraat geprojecteerd. De verwachting is dat zich

daar bedrijven tot en met milieucategorie 2 mogen vestigen. De richtafstand voor deze

categorie bedraagt 50 meter. De zuidelijke nieuwe woning en bestaande woning liggen

op circa 130 meter van de geplande uitbreiding. De noordelijke nieuwe woning ligt

op grotere afstand. Alle drie de woningen liggen daarmee buiten de invloedssfeer van

het toekomstige bedrijventerrein.

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan.

5.3 Geur

Inleiding

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader

bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven

van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastingsen

afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde)

veehouderij.

2

Bedrijven en milieuzonering, Vereniging van Nederlandse Gemeenten, 2009,

ISBN: 9789012130813.

SAB 17


De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een

rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed

woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging

ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een

partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.

Voor een veehouderij en/of een geurgevoelig object die onderdeel uitmaakten van een

andere veehouderij, of op of na 19 maart 2000 hebben opgehouden deel uit te maken

van een andere veehouderij, gelden vaste afstanden; binnen de bebouwde kom een

afstand van 100 meter en buiten de bebouwde kom 50 meter.

Onderzoek

De gemeente West Maas en Waal heeft getoetst aan het aspect geur. Zowel de bestaande

woning als de nieuwe woningen worden beschouwd als geurgevoelig objecten

die na 19 maart 2000 hebben opgehouden deel uit te maken van een veehouderij.

Het plangebied valt buiten de bebouwde kom, er geldt dan ook een afstand van 50

meter. Voor een goede ruimtelijke onderbouwing moet deze afstand vanaf de grens

van het agrarische bouwvlak worden aangehouden.

In de omgeving van het plangebied zijn twee veehouderijbedrijven gelegen, aan de

Velddijksestraat 13-15 en Velddijksestraat 16. Het plangebied ligt op een afstand van

meer dan 50 meter van het bouwvlak aan de Velddijksestraat 13-15. Tijdens een controle

in 2008 is gebleken dat het agrarische bedrijf aan de Velddijksestraat 16 niet

meer actief is. Dit bedrijf is dan ook niet in de beoordeling meegenomen.

Omdat het agrarische bedrijf aan de Velddijksestraat 16 niet meer actief is komt de

contour, die gedeeltelijk over het plangebied lag, van dit bedrijf te vervallen. Blijkens

de toets is de realisatie van de nieuwe woningen nu in het hele plangebied mogelijk is.

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan.

5.4 Bodem

Inleiding

Wanneer in een bestemmingsplan milieugevoelige functies worden mogelijk gemaakt,

moet worden aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor de beoogde

functie.

Onderzoek

Door Oranjewoud is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd 3 . In het opgeboorde

materiaal zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op bodemverontreiniging. In

zowel de boven- als ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan onderzochte componenten

aangetroffen. In het grondwater is in één peilbuis een licht verhoogde concentratie

barium aangetoond. Naar alle waarschijnlijkheid komt barium van nature

voor in het grondwater. De overige onderzochte componenten zijn niet verhoogd aangetoond.

3

Verkennend bodemonderzoek perceel G415 Velddijksestraat te Maasbommel, projectnr.

233207, Oranjewoud, 20 juli 2010.

SAB 18


De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek

en vormen geen milieuhygiënische belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.

Door de gemeente is aangegeven dat de ondergrond en het grondwater voldoende

zijn onderzocht.

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het plan.

5.5 Archeologische en cultuurhistorische waarden

Archeologische waarden

Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de

eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch

onderzoek zal moeten worden uitgevoerd indien sprake is van een hoge of middelhoge

trefkans, of indien het plangebied niet is gekarteerd.

Door Vestigia is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd 4 . De Velddijksestraat

bevindt zich in een gebied waar rivierkleiontginningen hebben plaatsgehad. Het plangebied

ligt tussen twee stroomgordels in, niet op een hooggelegen oeverwal. Uit de

ligging van het plangebied, en op basis van bestudering van historisch kaartmateriaal

en de gegevens die verkregen zijn uit archeologisch onderzoek in de omgeving van

het plangebied, kan afgeleid worden dat de locatie in het verleden waarschijnlijk niet

bewoond is geweest. De verwachting op het aantreffen van archeologie in het plangebied

is daarmee laag.

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geadviseerd geen nader archeologisch

onderzoek uit te voeren. Er worden geen bezwaren gezien voor de voorgenomen

ontwikkeling. Gezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet

een ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk

te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen.

Cultuurhistorische waarden

Het plangebied of de directe omgeving daarvan herbergen geen cultuurhistorische

waarden waar in dit bestemmingsplan rekening mee gehouden moet worden.

Conclusie

De aspecten archeologische en cultuurhistorische waarden vormt geen belemmering

voor het plan.

4

Nieuwbouw van twee woningen aan de Velddijksestraat 7 te Maasbommel: ruimtelijk advies

op basis van archeologisch bureauonderzoek, projectnr. V10-1871, Vestigia, 12 november

2010.

SAB 19


5.6 Watertoets

5.6.1 Rijksbeleid

Nationaal Waterplan

In december 2009 is het Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is

de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande

nota's waterhuishouding. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het

Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode

2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan

richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en

diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die

hiervoor worden genomen.

Het projectgebied ligt in het gebied ‘Rivieren’. De grote rivieren bestaan uit het Nederlandse

deel van de Rijn inclusief de aftakkingen en de Maas en wordt onderscheiden

in bovenrivieren, benedenrivieren en de Maas. De Rijn- en Maasmonding hebben andere

hydraulische kenmerken dan het bovenrivierengebied. De rivieren zijn breder en

stromen trager en staan onder invloed van het getij. Bij het rivierengebied gaat het om

de rivier zelf, het rivierbed en de ruimte binnendijks die nodig is voor rivierverruiming.

De rivier en het rivierbed vormen het ‘buitendijks’ gebied. Iedere rivier(tak) heeft eigen

kenmerken en eigenschappen.

In de afgelopen eeuwen is door de verschillende gebruiksfuncties veel ruimte aan de

rivieren ontnomen, met als gevolg dat de rivieren zijn ingeklemd tussen de dijken, die

steeds hoger zijn gemaakt. Door de bevolkingsontwikkeling en economische groei zijn

de te beschermen waarden sterk toegenomen. Deze kwetsbaarheid van ons land, tezamen

met ongunstige verwachtingen over klimaatverandering en zeespiegelstijging,

maken duidelijk dat een duurzame bescherming tegen hoogwater, zowel nu als in de

toekomst, hoge prioriteit moet houden.

5.6.2 Provinciaal beleid

Waterplan Gelderland 2010-2015

Het Waterplan bevat het waterbeleid van de provincie en is de opvolger van het derde

Waterhuishoudingsplan (WHP3). Het beleid uit WHP3 wordt grotendeels voortgezet.

Het Waterplan is tegelijk opgesteld met de water(beheer)plannen van het Rijk en de

waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar

afgestemd. Het Waterplan Gelderland 2010-2015 is op 1 januari 2010 in werking

getreden.

In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig

zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming,

regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen.

Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en

grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd.

SAB 20


Het plangebied heeft op grond van het Waterplan de basisfunctie ‘landbouw’. De gebieden

met de basisfunctie ‘landbouw’ geldt voor die gebieden waar de hoofdfunctie

landbouw is. Binnen deze functie komt natte natuur verspreid in kleine elementen

voor. In de gebieden met de functie landbouw is de inrichting en het beheer van het

watersysteem allereerst gericht op:

− een ontwateringsdiepte met aanvaardbare risico’s voor wateroverlast en vervolgens

minimale vochttekorten;

− oppervlaktewaterpeilen die het meest voorkomende landbouwkundige grondgebruik

accommoderen;

− beschikbaarheid van oppervlaktewater voor het op peil houden van de grondwaterstand

en voor beregening;

− (zeer) lokale afstemming op verspreid liggende natuurelementen en waardevolle

ecologie (vissen, waterplanten);

− een grondwaterpeil in de veenweidegebieden dat niet verlaagd wordt ten opzichte

van het maaiveld (wel het volgen van maaivelddaling). De maximale drooglegging

in veenweidegebieden is 60 cm onder maaiveld.

5.6.3 Regionaal beleid

Waterbeheersplan 2010-2015

Het beleid uit het Waterbeheerplan 2010-2015 van Waterschap Rivierenland is er op

gericht schoon hemelwater niet af te voeren naar de riolering. In het kader van duurzaam

waterbeheer is het gewenst om bij alle nieuwbouw maximale afkoppeling van

het hemelwater toe te passen. Hierbij hanteert het waterschap de drietrapsstrategie

vasthouden, bergen en afvoeren. Het schone hemelwater dient geïnfiltreerd te worden

in de bodem of anders via een bodempassage afgevoerd te worden naar het oppervlaktewater.

5.6.4 Gemeentelijk beleid

Waterplan West Maas en Waal

De gemeente West Maas en Waal en Waterschap Rivierenland streven gezamenlijk

naar een gezond en veerkrachtig watersysteem en een duurzame waterketen. Het

Waterplan dient als input voor nieuw op te stellen wijzigingsplannen en de waterparagraaf.

In de gemeente West Maas en Waal speelt een aantal problemen met betrekking tot

de afvoer van kwel- en rioolwater via het watergangenstelsel en de waterkwaliteit in

watergangen. In het waterplan staan de volgende uitgangspunten genoemd:

− Drietrapsstrategie WB21(niet afwentelen van waterproblemen):

− vasthouden, bergen, afvoeren (waterkwantiteit);

− schoonhouden, scheiden, schoonmaken (waterkwaliteit);

− Uitgaan van stroomgebiedbenadering en waterketenbenadering; onderling in balans;

− Gezonde en veerkrachtige watersystemen:

− juiste hoeveelheid water, van de juiste kwaliteit, op het juiste moment en op de

juiste plek voor mens, dier en plant;

− watersysteem moet op orde zijn (voldoen aan Normering regionale wateroverlast);

− ecologisch gezond water en (natte) landnatuur, ook in stedelijk gebied;

SAB 21


− Ruimte voor water:

− in het kader van veiligheid;

− water als medeordenend, dan wel sturend principe bij ruimtelijke plannen;

− met water de identiteit van de plek zichtbaar maken;

− Uitvoeren tegen laagst mogelijke maatschappelijke kosten;

− Goede interne en externe communicatie;

− Samenwerking en afstemming (planvorming en uitvoering).

5.6.5 Situatie plangebied

Per saldo brengt onderhavige ontwikkeling geen toename van het verhard oppervlak

met zich mee. Het verharde oppervlak neemt als gevolg van de reductie van de bebouwing

juist af. Opstallen met een gezamenlijke oppervlakte van circa 2.250 m 2 worden

gesloopt. Het bestemmingsplan biedt ruimte aan twee vrijstaande woningen met

ieder een inhoud van maximaal 500 m 3 en ieder een bijgebouw van maximaal 80 m 2 .

Met een afwijking mag de inhoud van een woning 800 m 3 bedragen en de oppervlakte

van een bijgebouw 120 m 2 . Door de gemeente is aangegeven dat in overleg met het

waterschap vastgesteld zal moeten worden of er ruimte voor waterberging moet worden

gerealiseerd en zo ja, hoeveel.

Door het beëindigen van het agrarisch bedrijf aan de Velddijksestraat 7 neemt de

hoeveelheid afvalwater af. Wat betreft de twee nieuw te bouwen woningen wordt het

vuilwater afgevoerd via het in de straat aanwezige rioolstelsel. Voor de aansluiting van

de nieuwe panden op het rioolstelsel moet een rioolaansluitvergunning worden aangevraagd.

Bij het beoordelen van die aanvraag zal het Team Openbare Ruimte van de

gemeente West Maas en Waal beoordelen op welke wijze kan worden aangesloten en

of een eigen pompput nodig is. Alle kosten voor het aansluiten op het rioolstelsel komen

volledig voor rekening van de aanvrager.

Afvloeiend regenwater van de percelen moet geïnfiltreerd worden in de grond of worden

afgevoerd naar oppervlaktewater in de omgeving. Regenwater mag niet geloosd

worden op het rioolstelsel.

Gezien de problematiek met hoge grondwaterstanden (kwelwater) in vrijwel alle kernen,

wordt door de gemeente aangeraden hier bouwkundige maatregelen voor te nemen

door bijvoorbeeld geen kelders te realiseren.

Het plan is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Ingrepen voorkomend

uit dit plan zullen geen bodemlagen aantasten als gevolg waarvan het grondwatersysteem

verandert.

Het plan ligt niet binnen de kern- of beschermingzone van een waterkering. Het is

daarom niet te verwachten dat het plan van invloed zal zijn op de veiligheid van een

waterkering.

Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor waterkwaliteit in de omgeving. Het plan

veroorzaakt geen nadelige gevolgen voor of door het oppervlaktewatersysteem in de

omgeving.

Het plan ligt niet in een gebied met bijzondere natuurwaarden. Verstoring van natuurwaarden

als gevolg van het plan wordt daarom niet aannemelijk geacht.

SAB 22


Ten westen van het plangebied ligt een A-watergang die aan beide kanten een beschermingszone

van vier meter heeft. Ten behoeve van doelmatig onderhoud dient

deze zone, waarop de Keur van het waterschap van toepassing is, obstakelvrij te

worden gehouden. Hiermee is in dit bestemmingsplan rekening gehouden.

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.7 Flora en fauna

Inleiding

Voordat de ruimtelijke ingrepen mogen plaatsvinden, dient er eerst een onderzoek

worden uitgevoerd in het kader van de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet

en eventueel andere geldende natuurregelgeving.

Door SAB is daarom een quick scan uitgevoerd waarin op basis van een gebiedsanalyse,

beschikbare soortgegevens en een eenmalige veldverkenning, uitspraken worden

gedaan over de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het

projectgebied 5 . Het veldbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige

veldinventarisatie; zowel tijdstip (deels buiten het groeiseizoen van planten en deels

buiten het actieve seizoen van diverse diergroepen) als het eenmalige karakter zijn

hiervoor niet toereikend.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Bij gebiedsbescherming is onderscheid gemaakt tussen de Natuurbeschermingswet

en de Ecologische Hoofdstructuur. In de Natuurbeschermingswet worden Vogel- en

Habitatrichtlijngebieden en beschermde Natuurmonumenten beschermd. De Ecologische

Hoofdstructuur (EHS) is niet opgenomen in de natuurwetgeving, maar dient bij

de planologische afweging te worden meegenomen.

Het plangebied ligt niet in een gebied dat is aangewezen in het kader van de Natuurbeschermingwet.

Het dichtstbijzijnde beschermde gebied in het kader van de Natuurbeschermingswet

bevindt zich op een afstand van meer dan drie kilometer van het

plangebied. Gezien de afstand en het ontbreken van overeenkomstig habitat, zijn

geen negatieve effecten te verwachten op het beschermde natuurgebied.

Het plangebied ligt niet in, maar op een afstand van 750 meter van een gebied dat is

aangewezen als onderdeel van de EHS. Door de relatief geringe grootte van het plangebied

en de barrièrewerking van het tussenliggende gebied (bebouwde kom van

Maasbommel) ontbreekt een relatie met de EHS. Gezien het lokale karakter van de

ingreep worden zowel directe als indirecte negatieve effecten op de EHS niet verwacht.

Gebiedsbescherming is voor dit project niet aan de orde.

Soortenbescherming

Soortenbescherming is altijd van toepassing. In Nederland is de bescherming van

soorten opgenomen in de Flora- en faunawet. De Flora- en faunawet is gericht op het

duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Als een ruimtelijke

5

Quick scan flora en fauna, SAB, 11 juni 2010.

SAB 23


ingreep rechtstreeks kan leiden tot verstoring of vernietiging van bepaalde beschermde

soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Flora- en faunawet.

Voor het beoordelen van de doorwerking van het aspect soortenbescherming moet

worden nagegaan of het plangebied beschermde soorten (zowel planten als dieren)

herbergt. De mogelijke negatieve effecten van de ingreep op betreffende soorten

moeten worden beschreven.

Volgens het natuurloket zijn beschermde soorten aangetroffen in het kilometerhok

(165 - 426) waarbinnen het plangebied valt. Binnen het kilometerhok zijn alleen de

vogels goed onderzocht. Daarvan zijn geen beschermde soorten aangetroffen.

Omdat het plangebied maar een klein onderdeel uitmaakt van het betreffende kilometerhok,

is besloten geen gegevens op te vragen bij het Natuurloket, maar de quick

scan vooral te baseren op de biotoopinschatting door een ecoloog van SAB.

Vaatplanten: Tijdens de veldverkenning zijn geen beschermde vaatplanten gevonden.

Het plangebied is grotendeels verhard of in gebruik als weiland. Soorten waarvoor een

ontheffing nodig is in het kader van de Flora- en faunawet, worden dan ook niet verwacht.

Grondgebonden zoogdieren: Volgens verspreidingsgegevens komen in de omgeving

verschillende soorten zoogdieren voor. In het plangebied komen zeker algemene

soorten voor. Voor deze soorten, die onder het eerste lichte beschermingsregime vallen,

geldt een algemene vrijstelling voor het verstoren en/of aantasten van vaste rusten

verblijfsplaatsen. Strikt beschermde soorten worden niet verwacht omdat deze hoge

eisen stellen aan de habitat. Het plangebied voldoet niet aan zulke hoge habitateisen.

Er zijn ook geen sporen van strikt beschermde soorten zoogdieren aangetroffen.

Negatieve effecten op vaste rust- of verblijfplaatsen van strikt beschermde soorten zijn

niet te verwachten.

Vleermuizen: Vleermuizen komen volgens verspreidingsgegevens ook in de omgeving

voor. Ook de huidige bewoners beamen dat vleermuizen veelvuldig in het plangebied

gezien worden. Vleermuizen zijn strikt beschermd volgens tabel 3 van de Flora- en

faunawet. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals

gewone dwergvleermuis en laatvlieger en boombewonende soorten als rosse vleermuis

en watervleermuis. Daarnaast zijn soorten die van beide elementen gebruik maken.

De bedrijfswoning voldoet mogelijk als vaste rust- of verblijfplaats van gebouwbewonende

soorten vleermuizen. Deze woning heeft namelijk toegankelijke spouwmuren.

De overige bebouwing is niet geschikt bevonden om vaste rust- of verblijfplaatsen van

gebouwbewonende soorten vleermuizen te herbergen. Aangezien de bedrijfswoning

behouden blijft, zijn negatieve effecten op vaste rust- of verblijfplaatsen van gebouwbewonende

soorten vleermuizen niet te verwachten. Indien met de toekomstige plannen

het gebouw gesloopt of verbouwd wordt (bijvoorbeeld dak vernieuwen of verbouwen)

worden potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen mogelijk aangetast. In dat

geval is gericht onderzoek naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen

van vleermuizen noodzakelijk. Pas als het exacte gebruik van het plangebied door deze

soorten bekend is kan worden bepaald of en welke mitigerende maatregelen getroffen

moeten worden om overtreding van de Flora- en faunawet te voorkomen.

SAB 24


Binnen het plangebied staan ook meerdere bomen die mogelijk geschikt zijn als vaste

rust- of verblijfplaats of als vliegroute. De bomen worden verder niet aangetast en

daardoor zijn geen negatieve effecten te verwachten op vaste rust- of verblijfplaatsen

van boombewonende vleermuissoorten of vaste vliegroutes.

Vogels: Het plangebied is voor veel vogels geschikt om te dienen als broedgebied. De

meeste van deze vogelsoorten zijn niet strikt beschermd. Huismussen en zwaluwen

zijn typische vogels voor een dergelijke omgeving maar deze zijn niet broedend waargenomen.

Ook na afronding van de ingrepen is het plangebied voor deze soorten geschikt.

Negatieve effecten op vaste rust- of verblijfplaatsen van strikt beschermde vogelsoorten

zijn niet te verwachten. Overigens zijn alle vogels in het broedseizoen

beschermd. De werkzaamheden mogen niet worden uitgevoerd wanneer actieve

broedgevallen aanwezig zijn. Hierop bestaan geen uitzonderingen.

Amfibieën: Naast de bedrijfswoning bevindt zich een watergang waar amfibieën in

voorkomen. Omdat de watergang niet wordt aangetast bij de werkzaamheden zijn negatieve

effecten op vaste rust- of verblijfplaatsen van strikt beschermde soorten amfibieën

op voorhand uit te sluiten. De winterbiotoop voor deze dieren bevindt zich

hoogst waarschijnlijk in de houtwallen in de directe omgeving.

Reptielen: Reptielen komen volgens verspreidingsgegevens in de omgeving van het

plangebied niet voor. Gezien het ontbreken van geschikt habitat in het plangebied is

het onwaarschijnlijk dat reptielen hier voorkomen. Negatieve effecten op vaste rust- of

verblijfplaatsen van reptielen zijn niet te verwachten.

Vissen: De watergangen binnen het plangebied worden niet aangetast en dus zijn negatieve

effecten op strikt beschermde vissoorten op voorhand uit te sluiten. De waterkwaliteit

van de watergangen is van lage kwaliteit dus de aanwezigheid van strikt beschermde

vissoorten is discutabel.

Insecten en overige soorten: Beschermde insecten en soorten uit de overige soortgroepen

worden, op basis van beschikbare verspreidingsgegevens en de aangetroffen

biotopen (grotendeels verhard en bebouwd), niet in het plangebied verwacht.

Conclusie

Gebiedbescherming in het kader van de Natuurbeschermingswet en de Ecologische

Hoofdstructuur is gezien de afstand en de bestaande barrièrewerking van het tussenliggende

gebied niet van toepassing.

De meeste (mogelijk) voorkomende beschermde soorten vallen onder de lichte beschermingscategorie

van de Flora- en faunawet. Vaste rust- en verblijfsplaatsen van

deze soorten mogen op basis van een algemene vrijstelling worden aangetast, zonder

dat sprake is van procedurele consequenties.

Op basis van verspreidingsgegevens, biotoopeisen en de veldverkenning is het voorkomen

van vaste rust- en verblijfplaatsen van strikt beschermde soorten uit de soortgroepen

amfibieën, reptielen, vissen, vaatplanten, zoogdieren, vleermuizen, vogels en

insecten onwaarschijnlijk. Negatieve effecten worden niet verwacht.

Vogels kunnen broeden binnen en in de omgeving van het plangebied. De werkzaamheden

mogen alleen doorgang vinden als geen actieve broedgevallen verstoord worden.

SAB 25


Verder is altijd de zorgplicht van toepassing, op basis waarvan door iedereen voldoende

zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun

leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door buiten kwetsbare periodes (het voortplantings-

en winterslaapseizoen) te starten met werkzaamheden en het gefaseerd werken

om dieren de kans te geven om te vluchten.

Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het

plan.

5.8 Luchtkwaliteit

Inleiding

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een

implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder

andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter

bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO 2 ) en zwevende

deeltjes als PM 10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het

dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen,

uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen

aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft

Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma

Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het

Rijk en diversie regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte

wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende

mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de

provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden.

Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn

de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in

betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel

getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden

tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB

NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO 2 en PM 10 betekent dit

dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 ųg/m³ verslechtering

leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw)

is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar

is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan

luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekende mate’ bijdraagt

aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de

verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte

van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit

onder andere het geval is bij een woning, school of sportterrein.

SAB 26


Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen

genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële

uitbreiding of nieuwsvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter

van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen

zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s

optreden.

Onderzoek

Aan de Velddijksestraat bestaat het voornemen om een agrarische bestemming om te

zetten in een woonbestemming en twee woningen te bouwen. Het aantal te realiseren

woningen is kleiner dan 1.500. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een

bouwplan van deze omvang niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.

Het plangebied ligt niet binnen de onderzoekszones van 50 meter van een provinciale

weg of 300 meter van een Rijksweg. Volgens de criteria uit de Wet milieubeheer inzake

luchtkwaliteitseisen kan er daardoor geen sprake zijn van een gevoelige bestemming

langs drukke infrastructuur. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet

noodzakelijk.

De regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 geeft aan dat er bij onder andere een woning

sprake is van een significante blootstellingsduur. Om onacceptabele gezondheidsrisico’s

uit te sluiten, is de lokale luchtkwaliteit onderzocht. De saneringstool bij

het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van het Ministerie van

VROM maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren

2008, 2011, 2015 en 2020 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees

niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke

gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor

beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s.

Conclusie

Zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt de

luchtkwaliteit geen belemmering voor het onderhavige initiatief.

5.9 Externe veiligheid

Inleiding

Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke

stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn

de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route

gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en

het aantal mogelijk slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in

plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel

10 -6 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent

op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk

verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de

miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico

van 10 -6 als grenswaarde.

SAB 27


Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de

omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen.

Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke

slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het

aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van

een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk

van de omvang van de ramp.

Onderzoek

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen wegen of leidingen voor het vervoer

van gevaarlijke stoffen aanwezig. In de nabijheid van het plan zijn geen risicobronnen,

als bedoeld in artikel 2 eerste lid van het Besluit externe veiligheid inrichtingen,

gelegen. De woning is niet geprojecteerd binnen de 10 -6 contour voor het

plaatsgebonden risico.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.

5.10 Verkeer en parkeren

Verkeer

De twee nieuw te bouwen woningen worden op de Velddijksestraat ontsloten via twee

nieuwe uitritten. In de huidige situatie zijn de toekomstige woningbouwlocaties in gebruik

als onbebouwde agrarische gronden; het aantal verkeersbewegingen zal daardoor

toenemen. Om een inschatting te maken van het extra aantal verkeersbewegingen

als gevolg van de bouw van twee woningen is gebruik gemaakt van de rekentool

SAB 28


‘Verkeersgeneratie’ op de website van het CROW (crow.nl). Berekeningen worden

gemaakt aan de hand van de kengetallen van het CROW 6 . Op basis van de rekentool

is gerekend met het gebiedstype ‘landelijk wonen’ en het woningtype ‘woning, koop

vrijstaand, met garage’. Voor twee extra woningen is er een uitkomst van 17 motorvoertuigbewegingen

per etmaal (gemiddelde weekdag). Het extra verkeer kan worden

opgenomen in het heersende verkeersbeeld op de Velddijksestraat.

Voor de locatie aan de Velddijksestraat 7 wordt een afname het aantal motorvoertuigbewegingen

verwacht, omdat de agrarische bedrijfsactiviteiten hier worden beëindigd.

Daarbij zal het aandeel zwaar verkeer afnemen.

Parkeren

Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de

activiteit waarin het plan voorziet. De gemeente heeft beleidsregels vastgesteld ten

aanzien van het parkeren 7 . Hierbij is onderzocht of sprake is van een toename van de

parkeerbehoefte door het plan middels een vergelijking tussen de bestaande en nieuwe

parkeerbehoefte.

Bij de berekening van de bestaande parkeerbehoefte op de toekomstige woningbouwlocaties

is uitgegaan van onbebouwd gebied waar geen functies kunnen worden gerealiseerd

die een parkeerbehoefte creëren. De huidige parkeerbehoefte bedraagt

derhalve nul parkeerplaatsen.

Bij de berekening van de nieuwe parkeerbehoefte is uitgegaan van een ‘woning midden’,

niet gelegen in een centrumgebied. Voor een dergelijke functie wordt een parkeernorm

van 1,85 parkeerplaats per woning gehanteerd. Door de ontwikkeling is

sprake van een toename van de parkeerbehoefte van 3,7 parkeerplaatsen. Op de inrichtingsschets

in paragraaf 4.3 is te zien dat in het plangebied voldoende ruimte

aanwezig is om de parkeerbehoefte op eigen terrein op te lossen.

In de huidige situatie is aan de Velddijksestraat 7 een agrarisch bedrijf aanwezig. In

de gemeentelijke beleidsregels is voor een agrarisch bedrijf geen parkeernorm opgenomen.

Het bedrijf zal beëindigd worden waardoor er enkel nog sprake is van een

woonperceel.

Bij de berekening van de nieuwe parkeerbehoefte is uitgegaan van een ‘woning duur’,

niet gelegen in een centrumgebied. Voor een dergelijke functie wordt een parkeernorm

van 2,1 parkeerplaats per woning gehanteerd. Door de ontwikkeling is er naar

verwachting sprake van een afname van de parkeerbehoefte. In het plangebied is voldoende

ruimte aanwezig om de parkeerbehoefte op eigen terrein op te lossen.

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van

het plan.

6

7

CROW-publicaties 256 ‘Verkeersgeneratie woon- en werkgebieden’ en 272 ‘Verkeersgeneratie

voorzieningen’.

Parkeerbeleidsregels 2010 Gemeente West Maas en Waal, 1 januari 2010.

SAB 29


6 Juridische planopzet

6.1 Algemeen

6.1.1 Wat is een bestemmingsplan?

Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden

worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit

de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie.

Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de

functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat:

− de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen

bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en

− de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven

bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang).

Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing

(omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken,

geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het

uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden).

Een bestemmingsplan regelt derhalve:

− het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen);

en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor:

− het bebouwen van de gronden;

− het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid,

maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels

zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemene Plaatselijke

Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor

het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

6.1.2 Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden

Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt

via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak

gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven.

Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden

ingevuld:

1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een

bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus

meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé

bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In

de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende

gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de

mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.

2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan

bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in

SAB 30


de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden

of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van

werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere

bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.

6.1.3 Hoofdstukindeling van de regels

De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:

1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels

worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing

van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden

bij het toepassen van de regels (artikel 2).

2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen

opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane

gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking

tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden

opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen.

Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels.

Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd

in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen.

Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels..

Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere

artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet

worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld.

3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter.

Ze gelden dus voor het hele plan. In voorliggend plan zijn een antidubbeltelbepaling

en algemene afwijkingsregels opgenomen.

4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een

slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn

deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

6.1.4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking

getreden. Het doel van deze wet is om te komen tot een samenhangende beoordeling

in één procedure van verschillende activiteiten die invloed hebben op de fysieke

leefomgeving.

De Wabo heeft tot gevolg dat verschillende vergunningen worden verleend in één besluit,

de omgevingsvergunning. Ook vergunningen en ontheffingen op grond van de

Wet ruimtelijke ordening (Wro) vallen onder de Wabo.

Voor het bestemmingsplan heeft dit gevolgen voor de gebruikte terminologie. Termen

als ‘aanlegvergunning’, ‘sloopvergunning’, ‘ontheffing’ en ‘bouwvergunning’ zijn vervangen

door ‘omgevingsvergunning ten behoeve van…’.

6.2 Dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding

en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan.

Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden

SAB 31


ezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze

bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel

van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen,

de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan

ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang

voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan kent de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Wonen’ en ‘Waterstaat -

Waterlopen’. De inhoud van de regels is afgestemd op de landelijke RO-standaarden

en het bestemmingsplan ‘Buitengebied’.

De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van het

agrarisch bedrijf en watergangen ten behoeve van de waterhuishouding, met daaraan

ondergeschikt extensieve dagrecreatie.

Toegestaan zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een bouwhoogte

van maximaal 2 meter, met dien verstande dat geen sleufsilo’s en mestopslagplaatsen

mogen worden opgericht.

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen met bijbehorende

tuinen en erven en praktijk- en kantoorruimten ten behoeve van aan huis gebonden

beroepen in zowel de woning als de daarbij behorende (vrijstaande) bijgebouwen,

mits de woonfunctie als overwegende functie blijft gehandhaafd en de in gebruik te

nemen vloeroppervlakte maximaal 50 m² bedraagt.

Ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ mag één woning worden gebouwd met een

maximale inhoud van 500 m³ dan wel in geval van een grotere inhoud, de bestaande

inhoud, een maximale bouwhoogte van 9 meter dan wel in geval van een grotere

bouwhoogte, de bestaande bouwhoogte en een maximale goothoogte van 4,5 meter

dan wel in geval van een grotere goothoogte, de bestaande goothoogte. Met een afwijking

mag de inhoud van een woning 800 m 3 bedragen.

Bijgebouwen mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande

dat ze minimaal 3 meter achter de voorste bouwgrens (en het verlengde daarvan)

moeten worden gebouwd, de maximum totaal bebouwde oppervlakte per woning

niet meer dan 80 m² bedraagt, dan wel in geval van een grotere oppervlakte, de bestaande

oppervlakte en de goot- en bouwhoogte niet meer dan respectievelijk 3 meter

en 6 meter bedraagt, dan wel in geval van een grotere goot- en bouwhoogte, de bestaande

goot- en bouwhoogte. Met een afwijking mag de maximale gezamenlijke oppervlakte

van een bijgebouw 120 m 2 bedragen.

De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van overkappingen,

mag een maximaal 2 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte

van verlichting maximaal 4 m mag bedragen.

De dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterlopen’ is opgenomen ter bescherming van

de watergang ten westen van het plangebied. Hiertoe is een bouwverbod met afwijkingsmogelijkheid

alsmede bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken,

geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen in de regels.

SAB 32


7 Economische uitvoerbaarheid

Voorliggend bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk, dat is benoemd in artikel

6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat tegelijkertijd met dit bestemmingsplan

een exploitatieplan moet worden vastgesteld. De gemeenteraad kan

besluiten om géén exploitatieplan vast te stellen, onder andere in het geval dat het

verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is.

De kosten van de grondexploitatie betreffen bij dit plan onder andere de kosten voor

het opstellen van het bestemmingplan en de haalbaarheidsonderzoeken. De kosten

voor de grondexploitatie worden op de initiatiefnemer verhaald op basis van een exploitatieovereenkomst.

Hierbij zullen ook afspraken worden gemaakt over de sloop

van de opstallen en de landschappelijke inpassing. Gezien het verhaal van kosten

voor de grondexploitatie anderszins is verzekerd en tevens locatie-eisen en regels

voor woningbouwcategorieën niet nodig zijn bij dit plan kan worden afgezien van het

vaststellen van een exploitatieplan.

De ontwikkeling van voorliggend plan betreft een particulier initiatief dat op particulier

grondeigendom plaatsvindt. De gemeente neemt niet deel aan de ontwikkeling van

het plan. De gemeente verzorgt de planologische kaders na toetsing van de planontwikkeling.

Er bestaan geen redenen om te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van het

particuliere initiatief.

SAB 33


8 Overleg en inspraak

8.1 Inspraak

Het voorontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 28 oktober 2010 voor een periode

van zes weken ter inzage gelegen. Tijdens de inzage termijn is er géén inspraakreactie

binnengekomen.

8.2 Overleg

Gelijktijdig met de ter inzage legging is het voorontwerpbestemmingsplan in het kader

van het artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) overleg toegezonden aan de

volgende instanties:

− Waterschap Rivierenland;

− Brandweer West Maas en Waal;

− Ministerie van Defensie;

− Gasunie.

Naar aanleiding van de overlegreacties is het plan op onderdelen gewijzigd. De inhoud

en behandeling van de overlegreacties is weergegeven in het inspraakverslag,

dat als bijlage aan dit bestemmingsplan is toegevoegd.

8.3 Zienswijzen

In deze paragraaf of in een separate bijlage worden te zijner tijd de resultaten van de

zienswijzen opgenomen.

SAB 34


Bijlage 1: Stedenbouwkundig advies


Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek


Bijlage 3: Archeologisch bureauonderzoek


Bijlage 4: Quick scan flora en fauna


Bijlage 5: Inspraakverslag

More magazines by this user
Similar magazines