onderzoek

resources4.kb.nl

onderzoek

GESCHIEDKUNDIG

ONDERZOEK,

i r i t i n ' i

DE KENNIS, DIE DE OUDEN HADDEN

V A K

I N D IE.


G E S C H I E D K U N D I G

ÖNDERZ Q E ^ K ^

DE KENNIS, DIE DE OUDEN HADDEN"'

V A N

ï N D I Ei

ÉN DEN VOORTGANG DES KOOPHANDELS

OP DAT LAND, VÓÓR DE ONTDEK­

KING VAN DEN WEG DER W A A RD S

OM DE KAAP DE GOEDE HOOP.

M E T E E N

A A N H A N G ZEL,"

BEHELZENDE WAARNEEMINGEN OVER*

HET STAATSBESTUUR, DE WET­

TEN, DE GEREGTSHANDELIN-

GEN DE KUNSTEN, DE

WEETENSCHAPPEN EN

GODSDIENSTIGE IN­

STELLINGEN, DER

INDIAANEN.

D O O R

iVILLÏAM ROBERTSON, D. D s

Opperfle der Edenburgfclie Hoogefchoole , ea

's Konings Gcfchiedfchryver van Schotland,

Te AMSTERDAM en HAARLEM,

•*J TNTEM4 en A. LQQSJES,


PETRUS LOO SJES ADRUJNSZ.

AAN DEN

NEDERLANDSCHEN LEEZER,

W anneer het oorfpronglyk Werk,

't geen ik thans mynen Landgenooten

vertaaldaanbiede, my in handen

kwam, en ik 't zelve met die greetigheid

doorlas, waar mede ik alles., wat

uit de pen van den roem der Gefchiedfchryveren

deezer Eeuwe vloeide, geleezen

heb , Hond ik geen oogenblik

in twyfel ter verleening myner toeftemming

aan den voorflag der Uitgeeveren,

om myne pen te leenen tot het

vertolken, en 't zelve in een gelykvormig

Nederduitsch gewaad te kleeden,

als ik zyne Gefchiedenis van America,

en van Schotland, gedaan heb; welke

beide Werken een zo gunftig als aanmoedigend

onthaal by myne Landgenooten

ontvingen; ten vollen verzekerd

dat ik denzelfden dank daar door

Zal behaalen.

Eene aanpryzing van 't zelve agt ik

geheel oyerboodig. Alleen eene aan-

* 3 mer-


Vi DE VERTAALER

merking kan ik niet naalaaten hier onder't

oog te brengen. De Oudheid,

waar toe de Heer ROBERTSON opklimt,

maakt het onvermydelyk , dat

'er veel Geleerdheids en Oudheidkundigs

in kome; dan de wyze, op welke

hy die doorgaans dorre ftoffe weet te

verwerken, neemt 'er den roest van af;

en , daar hy alles met eene wonder

bondige Oordeelkunde tot zyne groöte

hoofdzaak t' huis brengt, weert hy

het anders verveelende van dusdanige

Naafpeuringen weg. — Zeldzaam gebeurt

het dat een Aanhangzel in waardye

met het Werk gelyk Haat; doch

hier zal het, by veelen, 't zelve overtreffen.

Gelyk dat gedeelte zyner Gefchiedenisfe

van America, 't welk ons

den Aart en Zeden der Americaanen

befchryfe, voor het meesterltuk in dit

Werk, by den menschkundigen Wysgeer,

gehouden wordt, zo is dit Aanhangzel

gefchikt om ons ter kennisfe in

te leiden der Oude Bewoonderen van

het Oosten. Terwyl hy door het getrouw

aanwyzen der bronnen, uit welke

hy zyile kundigheden, in dit en andere

opzigten,putte, den Onderzoekgraagende

middelen aan de hand geeft, niet

alleen om overtuigd te worden van de

waar-


A A N D E N L E È & E R. Vit

waarheid zyner Berigten, en de gegrondheid

zyner Aanmerkingen; maar

ook, om, wegens deeze en geene Byzonderheden,

een nader en vollediger

kennis te bekomen, dan de aart zyns

Werks toeliet te verfchaffen.

Wegens den oorfprong, aanleg en

uitvoering, deezes Werks kannen wy

den Neder duitfchen Leezer geen beter

verflag geeven, dan met de woorden

van den Heer ROBERTSON zeiven,

die, op dit lïuk, zich in deezer voege

laat hooren:

„ Het leezen van Major REN-

„ NELL'S Gefchrift, ter opheldering

„ zyner Kaarte van Indostan, een der

„ belangrykfte Aardrykskundige Ver-

„ handelingen, die ooit in eenig land

„ uitkwamen , gaf aanleiding tot dit

Werk. Dit boezemde my het denk-

„. beeld in, om volkomener,dan ik ge-

„ daan had , in het Inleidend Boek

„ tot myne Gefchiedenis van America,

„ na te gaan, welke kennis de Ouden

„ hadden van Indie, en te overweegen

„ wat zeker, wat duister en wat fabel-

„ agtig , is, in de Berigten deezes

„ Lands, welke zy overhandreikten.

,, In den aanvange deezes Onder-

„ zoeks, had ik geen ander oogmerk

* 4 „dan


*ui pi VE RTAALER

,, dan myn eigene verlustiging en on->

„ derrigt. Maar 't zelve voortzetten-

„ de, en met naauwlettenheid de oude

„ Sehryvers naagaande , kwamen my

(9 c'.uiige Stukken voor, tot hier toe

„ niet opgemerkt, of met geene ge-

„ noegzaame aandagt gade geflaagen:

„ nieuwe inzigten deeden zich op;

„ myne denkbeelden breidden zich al-

„ lengf-kens uit, en werden belangryker:

tot ik, in 't einde, my yer-

„ beeldde, dat de uitflag myner Naa-

„ fpeuringen onderhoudend en leerzaam

„ yopr anderen zou kunnen weezen,

door zodanig eene bcfchryving te

s> geeven van de onderfcheidene wy-

„ zen, waar op de Gemeenfchap met

3, Indie , van de vroeglte tyden af,

„ onderhouden is, als ftrekken koii

„ om aan te toonen , hoe veel die

„ groote Tak des Koophandels, in elke

„ .KeuW , tocgebragt heeft, ter ver-

., grootinge van den Rykdom en de

„ Magt der Volken , die denzelven

„ in bezit hadden.

„ In deezer voege werd het Ge-

„ fchiedkundig Onderzoek, 't welk ik

„"thans den Leezer aanbiede, begon-

„ nen en voltooid. Welk eene maate

„ ygn verdieiiften 't zelve bezit, moe-

5> ^


A A M D E N L E E Z E R. ££,

}j> ten de Leezers bepaalen. Myne

„ dankbaare herinnering van de gunfti-

„ ge wyze, op welke men myne andere

„ Werken ontvangen heeft, vermeer-

„ dert natuurlyk de bekommernis, met

v welke ik de beoordeeling van het

,, tegenwoordige te gemoete zie.

j, Toen ik eerst myne gedagten op

„ dit Onderwerp vestigde, was ik zo

„ volkomen overtuigd van de ongun-

„ ftige omftandigheid, waarin ik my

„ bevond, het te onderneemen, Lan-

„ den te befchryven , van welke ik

„ geene plaatslyke kennis had , dat

„ ik de omzigtiglle voorzorge gebruik-

„ te om my te hoeden voor dvvaalin-

„ gen, welke daar uit konden ontftaan.

, Ik heb, met onvermoeiden vlyt, de

„ Werken geleezen van alle Schry-

„ vers, welke ik kon bekomen, die

„ eenig berigt van Indie gaven ; ik

„ heb nooit een beflisfend gevoelen

„ opgegeeven , dan 't geen onder-

„ fchraagd was door voldingend gezag:

„ en,daar ik het geluk had,om,onder

, ? het getal myner Vrienden, eenige

„ Heeren te tellen , die aanzienlyke

„ Posten in Burger- en Krygsbewind,

^ in Indie, bekleed, en verfcheide ge-

« deelten diens Lands bezogt heb-

* 5 ?> ben.


BE V É R t A A L E R

„ ben, nam ik te meermaalen tot hun

„ myne toevlugt, en leerde, uit hun-

„ ne Gefprekken, zaaken, die geene

„ Boeken my konden opleveren.

Voegde het my hunne Naamen te

„ noemen,men zou erkennen,dat zy,

„ door hun Oordeel en Bekwaamhe-

„ den, ten vollen geregtigd waren tot

„ het vertrouwen, 't geen ik op hun

„ gefteld heb.

„ Onder het voortzetten des Werks,

„ gevoelde ik myne gebrekkigheid,

„ ten aanziene van een ander ftuk.

,, Om een naauwkeurig denkbeeld te

s, geeven van de onvolkomenheid der

Ouden, zo in het befpiegelend, als

„ in het beoefenend, gedeelte der Zee-

„ vaard, en om met volkomene juist-

„ heid te bepaalen, op welk eene wy-

„ ze zy de Ligging der Plaatzen bepaal-

„ den, derzelver Lengte en Breedte

„ berekenden, werd eene grootere

„ maate van Wiskundige weetenfchap

vereischt, dan myne bevlytiging, op

3, andere Weetenfchappen, my heeft

„ toegelaaten op te doen. — Wat my

5, hier ontbrak, heeft de Vriendfchap

3, myns kundigen en hooggeagten

„ Amptgénoots, de Heer PLAYFAIR,

9> Hoogleeraar in de Wiskunde, aange-

„ vuld;


A A N D E N L E E Z E R. X*

?, vüld; en my in ftaat gefteld, om de

„ gemelde byzonderheden op te hel-

„ deren, op eene wyze, die, zo ik ver-

,, trouw , den Leezeren volkomene

,, voldoening zal fchenken. — Aan dien

?, zelfden Amptgenoot ben ik desge-

„ lyks verfchuldigd het vervaardigen

der twee Kaarten, noodig tot ophel-

3, dering deezes Onderzoeks; zonder

,, zynen byftand zou ik zulks niet

3, hebben kunnen onderneemen."

Even als in de Vertaaling der Ge~

fchiedenisfe van America, heb ik my

'eene kleine Verfchikking in dit Werk

veroorlofd, om naamlyk de Aantekeningen

en Ophelderingen, door den

Heer ROBERTSON agter. elke Afdeeling

geplaatst, onder aan den voet der

Bladzyde te voegen, of, indien ze my

daar toe gefchikt fcheenen, in het

Werk zelve in te lasfehen, waar van

wy met eene korte aanwyzing den

Leezer verwittigen. Deeze verfchikking

vermindert het-lastige van veelvuldige

Aantekeningen , die de aandagt

af breeken.

Ontvangt, Leezers ! deezen onzen

arbeid in uwe gunfte. Mogten wy

eens zo gelukkig weezen, dat de Heer

ROBERTSON de Gefchïedenis van

Noord-


XII DE VERT. AAN DEN LEEZER;

Noord-America, jaaren geleeden reeds

VQor een gedeelte afgewerkt, voltooije,

zo dat deeze, gepaard met de Gefchiedenis

van het Portugeefche America 9

en van de Vastigheden door verfcheide

Volken van Europa op de West-Indifche

Eilanden gemaakt, zyn plan

voltrekke , en eene volkomene Gefchiedenis

der Nieuwe Wereld, door

zo meesterlyk eene penne opgefteld,

het licht zie. Gebeurt dit, en verleent

de Hemel ons leeven en lust,

dan hernieuwen wy, by deezen, onze

belofte, in 't Hot des Berigts voor de

Vertaaling der Gefchiedenisfe van

Schotland geplaatst , om dit Vervolg

onzen Vaderlanderen ter hand te Hellen

: dan het einde des Aanhangzels,

op het tegenwoordige Werk, fchynt

eene ftaaking van den Letterarbeid

des onvermoeid werkzaamen zeventig

jaarigen Schryvers aan te duiden, en

de hoop op de vervulling van deezen

wensch te verzwakken. — Vaart we}.

Haarlem,

jen i van Slachtmaand, 1792.

IN-


INHOUD.

EERSTE AFDEELING.

De Gemeenfchap met Indie , van de

vroeg/Ie tyden af, tot de vermeestering

van Egypte , door de Romeinen.'

' . . . Bladz. i

TWEEDE AFDEELING.

De Gemeenfchap met Indie, zints de

vastftelling der Romeinfche Heerfchappy

in Egypte, tot de Vermeestering

van dat Koningryk door de

Mahomedaanen. . , 85

DERDE AFDEELING.

De Gemeen fchap met Indie, zints de

hemagtiging van Egypte door de

Mahomedaanen, tot de Ontdekking

van


I N H O U D .

yan den Weg om d&. Kaap de Goedp

Hoop, en de Vestiging der Portugeefche

Heerjchappy in het Oosten;

. '. '' . ' :

Mét iès

VIERDE AFDEELING) -Q.

Aïgemeene Aanmerkingen. '. . 273

AANHANGZEL.

Over de Staatkunde, de Wetten,


GESCHIEDKUNDIG

ONDERZOEK

WEGENS

OUD I N D I Ë.

ÈERSTE AFDEELING.

DE GEMEENSCHAP MET INDIE, VAN

DE VROEGSTE TYDEN AF, TOT DE

VERMEESTERING VAN E G Y P T E ,

DOOR DE ROMEINEN.

ie het zich onderwindt de werkzaam­

W heden der Menfchen, in ver verloopen

tyden , na te fpeuren, en de onder

fcheide Happen van hunne vordering, in

eenig bedryf, uit te merken, zal welhaast

de verdrietige ontwaarwording gevoelen, dat

het Tydperk van echte Gefchiedenrs zeer

kort is. Het bedraagt weinig meer dan drieduizend

Jatiren, dat'de Boeken van MOZES,

behelzende hec oudfte en éénigst echt verhaal

van 't geen in de vroegfte^Eeuwen der

Wereld gebeurde, werden opgefteld. H E-

R o D o T v s, de oudfte Heidenfche Gefchied-»

boeker, wiens Werken onzen tyd bereikt,

hebben, bloeide duizend Jaaren laater. Zetten

wy onze onderzoekingen omtrent eenig

ftak voort verder dan den Tyd / waar de

A ge-

r.

AFDEE­

LING.


O N D E R Z O E K

I. gefchreevene Gefchiedenis eenen aanvang

AFDEE­ neemt, wy begeeven ons in het gewest van

LING. Gisfing, van Verdichtzel en van Onzeker"

. heid. Op dien grond verkies ik my zeiven

niet te waagen, noch myne Leezers derwaards

tragten heen te leiden. In myne nafpeuringen

, wegens de Gemeenfchap tusfchen

de Oostlyke en Westlyke Gewesten

der Aarde, en den Voortgang van dien grooten

Tak des Koophandels, welke , door alle

eeuwen heen, zo zigtbaar veel toebragt,

om het Volk, die denzelven dreef, ten top

van Rykdom en Magt op te heffen, zal ik

myzelven bepaalen binnen de aangeduide

perken. Wanneer de Gewyde Schryvers ,

hooger bedoelingen in hunne fchriften hebbende,

by gelegenheid eenige byzonderheid

vermelden, welke ftrekt om het onderwerp

myns Onderzoeks op te helderen , zal ik

daarvan met eerbied gebruik maaken. Wat

Ongevvyde Schryvers verhaalen, zal ik met

vrymoedigheid onderzoeken, en de maat

van Geloofwaardigheid , tot welke zy geregtigd

zyn, tragten aan te wyzen.

De oorfpronglyke Mand, aan den Mensen

door zynen Schepper toegefchikt, was in de

zagte en vrugtbaare Gewesten van het Oosten.

Daar begon het Menschlyk GeÜacht

de loopbaane van vordering; en,uit de overblyfzelen

der Weetenfchappen, oudryds in

Indie gekweekt , zo wel als der Kunften

daar in de vroegfte eeuwen geoefend, mogen

wy befluiten , dat dit een der eerfte

Landen was, in welken de Menfchen, ten

deezen opzigte, eenige aanraerkelyke fchre»

den


W E G E N S O U D I N D I E . 3

den vorderden. De Wysheid van het Oosten

was reeds vroeg beroemd (Ö), en de

voortbrengzels van 't zelve werden vroegtyds

gezogt door afgelegene Volken (b~).

De Gemeenfchap, nogthans, tusfchen onderfcheide

Landen,greep, in 't eerst, alleen

over land plaats. Naardemaal de Oosterfche

Volken blyken, weldra eene volkomene

Heerfchappy gekreegen te hebben over

nuttige Dieren (V), konden zy reeds ia

vroegen ryde, de langduurige en moeilyke

Reistochten onderneemen, noodig tot het

onderhouden dier Gemeenfchappe, en, doof

de voorzienige Goedheid des Hemels, vonden

zy zich voorzien van een Lastdier,

zonder welks behulp het onmogelyk zou geweest

zyn, dezelve te volbrengen. De Kameel

ftelde , door zyne aanhoudende fterkte,

door zyne gemaatigdheid in 't gebruik

van voedzel, en de zonderlingheid van zyn

inwendig maakzel , om een voorraad van

water, genoegzaam voor eenige dagen, by

zich te neemen , hun in ftaat om zwaare

lasten te voeren door die Woestynen, welke

doortrokken moeten worden van allen,

die uit eenige der Landen, ten Westen van

den Euphraat, na Indie reizen.

Op deeze wyze werd de Handel gedreeven,

byzonder door de Volken digt by de

Arabifche Golf, van het vroegfte tydperk

af, waar toe Gefchiedkundige berigten reiken.

Ca) i KON. IV. 30,

O) GEN. XXXVII. 25.

CO GEN. XII. 16. XXIV. 10, ïiï

A 2

I.

AFDEE-

LING.


ï.

AFDEE-

LING.

4 O N D E R Z O E K

ken. Verre Reizen werden, in 'teerst, by

eene voorkomende gelegenheid , en door

eenige weinige Waaghalzen, ondernomen.

Dan allengskens verzamelden zich, uit bedagrzaamheid

voor onderling behoud en

veiligheid, talryke benden van Kooplieden,

op vastgeftelde tyden, en eene vereeniging

voor een tyd aangaande, (naderhand bekend

onder den naam van Caravane ) befluurd

door Officieren van hunne eigene verkiezing

, en onderworpen aan fchikkingen, van

welke de ondervinding hun de nuttigheid

getoond hadt , volbragten zy Reistochten

van zulk eene uitgeftrektheid en duur, dat

zy verwonderensw.-ardig voorkomen by

Volken niet gewoon aan deeze wyze van

handeldryven.

Maar, niettegenstaande alle verbeteringen

, welke men kon maakeri in de wyze

om de voortbrengzelen van het eene Gewest

na het andere, te land, te brengen, waren

de ongemakken, daar aan vast, zigtbaar en

onvermydelyk. Dikwyls was dezelve gevaarlyk,

altoos kostbaar, verdrietig en vermoeiend.

Eene wyze van Gemeenfchap gemaklyker,

en vaardiger teffens, werd gezogt,

en de fchranderheid der Menfchen ontdek,

te, by trappen, dat de Rivieren, de Zeeboezems

, en de Oceaan zelve , gefchikc

waren om eene Gemeenfchap tusfchen de

onderfcheide Gewesten der Aarde te openen,

en gemaklyker te maaken, fchoon zy,

in den eerften opflage, onoverkomelyke

fiinderpaalen mogten fchynen.

De Zeevaart, egter, en de Scheepsbouw,

ge


WEGENS OUD INDIE. 5

gelyk ik in een ander Werk getoond heb

(d) , zyn Kun Men van een zo keurigen A

en zamengeftelden aart, dat zy de be- j

kwr.amheden, zo wel als de ondervinding, _

van veele opeenvolgende eeuwen vorderen,

om eenige maat van volkomenheid te bereiken.

Van het Vlot, of de Canoe, die

eerst diende om een Wilden over te zetten

over de Rivier, die hem op de Jagt

in den weg was, tot het zamenftellen van

een Schip, in ftaat om een aantal Scheepsvolk

, of eene aanmerkelykc Laading van

Goederen , na een afgelegen Kust te voeren

, is de vordering van verbetering ontzaglyk

groot. Veele poogingen moesten

'er gedaan, veele prpeven genomen, veel

arbeids en vindings in 't werk gefield worden

, eer men die hachlyke en gewigtige

onderneeming kon volvoeren.

Zelfs naa dat men eenige vordering in

den Scheepsbouw gemaakt hadt , was de

Gemeenfchap der Volken met elkander ter

Zee verre van uitgeftrekt. Uit de berigten

der vroegfle Gefchiedfchryveren leeren wy,

dat de Scheepvaart haare eerde proeven

deedt in de Middellandfche Zee , en de

Arabifche Golf; in deeze ook deedt men

de eerfle werkzaame verrigtingen des Koophandels.

Eene aandaguge befchouwing van

de ligging en gedaante deezer twee groote

binnenlandfche Zeeën wyst ons aan, dat die

be-

(V) Gefchiedenis van America , door w. u o-

SERTS ON, I, D, bl. 3. van de Neder d. Vertdaling*.

A 3

I.

FDEE-

,1NG.


6 O N D E R Z O E K

I. berigten hoogstwaarfchynlyk zyn. Deeze

AFDEE- Zeeën liggen open voor de Landen van

LING. Europa , Afia en Africa , en zich tot

eene groote lengte uitftrekkende langs de

Kusten van de vrugtbaarfte en vroegst befchaafde

Landen , in elk deezer Werelddeelen,

fchynen zy door de Natuur gefchikt

om de onderlinge Gemeenfchap te bevorderen.

OvereenkomfHg hier mede vinden

wy dat de eerfte Reistochten der Egyptenaaren

en Pheniciers, de oudfte Scheepslieden

in de Gefchiedenisfen vermeld , in

de Middellandfche Zee gedaan wierden.

Hun Handel bleef, nogthans, niet lang bepaald

tot de Landen daar aan grenzende.

Door vroegtydig in 't bezit te geraaken

van Havens aan de Arabifche Golf, breiden

zy den kring huns Koophandels uit , en

zy komen voor als het eerfte Volk in 't

Westen , 't welk eene Gemeenfchap ter

Zee met Indie opende.

In dat verflag van den voortgang der

Scheepvaart en Ontdekking , 't welk ik

vooraan in myne Gefchiedenis van Anterica

geplaatst heb, iloeg ik de Zeeverrigtingen

der Egyptenaaren en Pheniciers

met opmerking gade; een korte herziening

hier van, voor zo verre zy betrekking hebben

tot Indie, is alles wat vereischt wordt

tot het ophelderen des onderwerps van

myn tegenwoordig Onderzoek. — Ten aan*

ziene van het eerstgemelde deezer Volken,

is het berigt , 't welk de Gefchiedenis

fchenkt, fchraal en van twyfelagtig gezag.

De vrugtbaare Grond, en de milde Lugeftreek


WEGENS OUD INDIE. 7

/treek van Egypte, bragt de leevensnoodwendigheden

en verkwikkingen in zulk eene

ryklykheid voort, dat de Ingezetenen zo

onafhangelyk wierden van andere Landen,

dat het welhaast een vastgeftelde grondregel

in der Egyptenaaren Staatkunde was, alle

Gemeenfchap met Vreemdelingen te wraaken

: in gevolge hier van hielden zy de

Zeevaarenden voor gevloekt, als ongodsdienstig

en onheilig; en, hunne Zeehavens

verfterkende, weigerden zy- aan de Vreemdelingen

den toegang (e).

De veel onderwindende Eerzugt van SE-

SOSTIUS, de bepaalingen daar aan gefield,

door deeze bekrompene denkbeelden zyner

Onderdaanen , verfmaadende, porde hem aan

om de Egyptenaar $ een handeldryvend Volk

te doen worden; en , in den loop zyner

Regeeringe, volvoerde hy dit zo volkomen,

dat hy, (indien wy eenige Gefchiedboekeren

geloof mogen geeven,) zich in ftaat vondt

om eene Vloot van vierhonderd Schepen in

de Arabifche Golf uit te rusten , die alle

de Landen langs de Erytheïfche Zee tot ƒ»die

Itrekkende , te onderbragt. Ten dien

eigen tyde trok zyn Leger, door hemzelven

aangevoerd door Afia, en onderwierp

aan zyne Heerfchappye alle deelen daar van

tot aan de oevers van den Ganges, en, die

Rivier overtrekkende, bereikte hy den Oos-

ter-

Ce) DIODOR. sic. Lib. I. p. 78. Ed. TVesfelingii.

Amft. 1746. STRABO, Geogr. Lib. XFII. p. H4S.

Ed. Cafmib. Amft. 1707.

A 4

I.

AFDEE-

LING.


L

AFDEE-

LING.

8 O N D E R Z O E K

terfchen Oceaan (ƒ). Maar deeze onderneemingen

baarden geene duurzaame uitwerking,

en fchynen zo ftrydig geweest te

zyn met den aart en hebbelykheden der

Egyptenaaren, dat zy, naa den dood van

SESOSTRIS, hunne oude grondregels weder

aannamen, en veele Eeuwen verliepen

?

er, eer de Handelgemeenfchap van Egypte

met Indie van zo veel gewigts werd, dac

dezelve, in dit Onderzoek, eenige aanmerking

verdient. »

[De Zcemagt aan SESOSTRIS toegefchreeveri

kunnen wy niet voorbyftappen,

zonder daar over eenige Aanmerkingen te

'maaken : Ligtgeloovigheid en Twyfelaary

zyn twee tegen elkander overgaande uiterften,

waar in de Menfchen ligt loopen,

by het nafpeuren van Gebeurtenisfen, die

gezegd worden in de vroegfte jaaren der

gryze Oudheid voorgevallen te weezen.

Zonder verdagt gehouden te worden van

ëene overhellende neiging tot Twyfelaary,

zal het my vryftaan eenige twyfelingen te

koesteren, wegens den Tocht van SESOS­

TRIS in Indie, en diens vermeestering van

dat Land.

Vooreerst. Weinig ftukken in de oude

Gefchiedenis fchynen beter gellaafd, dan dé

vroegtydige afkeer der Egyptenaaren van

het Zeevanrend leeven. Zelfs de magt der

Dwinglandye kan de denkbeelden en zeden

eens Volks niet eensflags veranderen, inzonderheid

wanneer dezelve gevestigd zyn door

eene

f_f) DIODOR. sic. Lib. I. p. 64.


WEGENS O U D I N D I E . 9

eene langduurige gewoonte , en geheiligd I.

door het zegel"van Godsdienst. Dat SE- ,

SosTRis.in 't verloop van weinige jaaren, LING.

bekwaam zou geweest zyn, om de vooroordeelen

van een bygeloövig Volk zo geheel

en al te onder te brengen, dat hy in Haat

wierd eene Vloot van vierhonderd gewapende

Schepen in de Arabifche Golf uit te rusten

, behalven nog eene andere Vloot,

welke by in de Middellandfche Zee hadt,

fchynt geheel ongelooflyk. Uitrustingen

van zulk eene fterkte vorderen de uitertfe

poogingen van eene groote en lang gevestigde

Zeemagt.

Ten tweeden. Is het opmerkelyk , dat

HERODOTUS, die met alle naarftigheid de

oude Gefchiedenis van Egypte onderzogt,

en die alle narigten deswegen ontving y

welke de Priesters van Memphis, Heliopolis

en Thebes, Lem konden mededeelen (g),

fchoon hy een vry uitvoerig verflag van

SESOSTRIS geeve , niets vermeldt van

diens vermeestering van Indie (A). Die

vertelling werd waarfchynlyk ge (meed in

het tydperk tusfchen den leeftyd van H E-

RODOTUS en dien van DIODORUS SIC IJ-

LUS, by wien wy een tot byzonderheden

afdaalend verflag aantreffen, wegens den

Krygstocht van SESOSTRIS na Indie. Zyn

verhaal rust geheel en al op 't gezag der

Egyptifche Priesteren; en DIODORUS geefc

het

(jf) HERODOT. EIL fFesfelittgii. Lib. II. Cap. 3-

{fij HERODOT. Lib. II. Cap. 102. enz.

A 5


l

AFDEE

LING.

i© O N D E R Z O E K

het niet alleen op als zyn algemeen gevoe-

. len, „ dat veele dingen, welke zy verhaal-

„ den, veeleer voortvloeiden uit eene be-

. „ geerte om de Eer van hun Land te bevor-

„ deren, dan uit in agtneeming der waar-

„ heid (O"? raaar

hy neemt byzonder in

aanmerking , dat de Egyptifche Priesters ,

zo wel als de Griekfche Schryvers , wyd

van elkander verfchillen, in de verhaalen,

welke zy geeven wegens de daaden van

SESOSTRIS (£)•

Ten derden. Schoon DIODORUS verzekere

, dat hy, in 't verhaal der Gefchiedenisfe

van SESOSTRIS, zich bevlytigde

om uit te kiezen, 't geen hem meest waarfchynlyk

en overeenkomfKgst fcheen met de

Gedenktekenen van dien Monarch, nog in

Egypte voorhanden, heeft hy, in zyn verhaal

, veele wonderbaare omftandigheden

overgelaaten, die het geheel zeer verdagt

maaken. De Vader van SESOSTRIS verzamelde,

volgens diens fchryven, alle de

manlyke Kinderen, met zyn Zoon op denzelfden

dag in Egypte gebooren ; ten einde

zy nevens hem zouden worden opgevoed,

volgens een plan door dien Vader ontworpen,

met oogmerk om ze toe te rusten

tot gefchikte werktuigen ter volvoering der

groote ondeineemingen, waar toe hij SE­

SOSTRIS fchikte. Wanneer diensvolgens

SESOSTRIS den Krygstocht na Indie aanving

, 'c welk, uit eenige omftandigheden by

CO DIODOR. sic. Lib. I. p. 34.

CO DIODOR. SIC. Lib. I. p. 62,

PI-


WEGENS OUD INDIE. II

DIODORUS vermeld, omtrent het veertigfte

jaar van 's Vorften ouderdom moet geweest

zyn , leefden 'er nog , gelyk het

Gefchiedverhaal wil, duizend zeven honderd

van diens Medemakkeren zyner jeugd, met

het hoofdbevel in diens leger bekleed.

Maar, indien wy de zekere beginzels van

Staatkundige berekening op deeze Gefchiedenis

toepasfen, blykt het, dat, wanneer

één duizend en zeven honderd van de manlyke

Kinderen, op denzelfden dag met SE­

SOSTRIS gebooren, in leeven waren, toen

hy deezen grooten Krygstocht aanving, het

getal der geboorene Kinderen op éénen dag

in Egypte ten minften tien duizend, en de

volkrykheid van dat Ryk meer dan zestig

millioenen moet geweest zyn (7). Een

getal alle paaien van geloofwaardigheid te

boven gaande, in een Koningryk, 'twelk,

volgens de naauwkeurige berekeningen van

den Heer D'ANVILLE, niet meer dan twee

duizend één honderd vierkante mylen bewoonbaar

lands bevat (ni). Eene andere

wonderbaare omftandigheid is de befchryving

van een Schip van Cederenhout,

vier honderd en negentig voeten lang, van

buiten met Goud en van binnen met Zilver

bekleed, 't geen SESOSTRIS toeheiligde

aan de Godheid die te Thebes het hoofdvoor-

(l) GOGUET, töriiine des Loix, des Arts, &c.

Tom. II. p. 12.

( m j D'A N v i L L Z, Memoire fur fEgyfte. Anc.&

Moderse. p. 23,

I.

AFDEE-

LING.


12 O N D E R Z O E K

ï. voorwerp was van den Eerdienst (rf). •—~

AFDEE- Zodanig is mede het bericht, 't welk hy

LING. sneeft van het Egyptisch Leger , waarin ',

bebalven zesmaal honderd duizend man

Voetvolk, en vier en twintig duizend Ruiters,

zeven en twintig duizend gewapende

wagens gevonden werden (


WEGENS O U D I N D I E . 13

maakt het waarfchynlyk, dat 'er,tenzynen

tyde, weinig gemeenfchap tusfchen Egypte

en Indie plaats greep (r). ]

Met dezelfde duisternis als de Egyptifche,

is de Gefchiedenis der vroegfle Zeeverrigtingen

van Phenicie niet omgeevem

Elke omftandigheid, in het chara&er en de

ligging der Pheniciëren, begunftigde den

geest des Koophandels. De grond, welken

zy bewoonden, was noch ruim, noch

vrugtbaar. Van den Koophandel alleen

konden zy rykdom , of magt, bekomen. In

gevolge hiervan was de Koophandel der

Pheniciëren van Sidon enTyrus uitgeftrekt,

en veel gewaagd: en zy gelyken, zo in

Zeden als in Staatkunde, naar de groota

handeldryveiïde Staaten van den tegenwoordigen

tyd, meer dan eenig Volk in de oude

Wereld".

Onder de veelvuldige Handeltakken der

Pheniciëren, mag dien op Indie als een der

grootften en winstrykften aangezien worden.

Naardcmaal zy, door hunne ligging aan de

Middellandfche Zee, en den gebrekkigen

toeftand hunner Zeevaard, het niet konden

waagen eene recbtftreekfche gemeenfchap

met Indie ter Zee te openen, zette de onderneemzieke

geest des Koophandels hun

aan, om eenige welgelegene Havens, aan het

einde van de Arabifche Golf, den Idumeëren

te

(>•) Van de plaats gemerkt [ tot hier toe , is

de I Aantekening van RQBS.K.TSON in den Test

ingevoegd.

I.

AFDEE-

LING.


t4' O N D E R Z O E K

ï. te ontweldigen. Van deeze voeren zy ge­

AFDEE- regeld aan den eenen kant op Indie, en,

LTNG. aan den anderen kant, op de Oostlyke en

Westlyke Kusten van Africa. De aflland,

nogthans, van de Arabifche Golf tot Tyrus

was groot, en veroorzaakte een zo verdrietig

als kostbaar vallend overvoeren der Goederen

te land , dat het voor bun noodig

wierd bezit te neemen van Rhinocolura, de

naaste Haven in de Middellandfche Zee, aan

de Arabifche Golf. Derwaards bragten zy

alle hunne Koopwaaren uit Indie over land,

langs eenen veel korter en gemaklyker weg,

dan men naderhand de Voortbrengzels van

het Oosten, van den overkant der Arabifche

Golf na den Nyl, voerde (V). Te Rhinocolura

werden zy weder ingefcheept, gereedlyk

te water na Tyrus gebragt, en de

Wereld over verfpreid. Deeze, gelyk dezelve

de vroegfle weg van gemeenfchap is

met Indie, waarvan wy eenige geloofwaardige

belchryving bezitten, hadt zo veele

voordeden boven eenigen immer bekenden

weg vóór de hedendaagfche ontdekking eener

vaart op het Oosten, dat de Pheniciers

indere Volken der Aarde met de voortbrengselen

van Indie, in grooter overvloed, en

rot minderen pryze, konden voorzien, dan

:enig Volk der Oudheid. Aan deeze om-

»

i

landigheid, die, geduurende een geruimen

yd, dien Handel alleen in hunne magt flel-

i 'VI- p. 1128. A.

de,

Cs) DIODOR. sic. Lib. I.v. 70. STRABO , Lib,


WEGENS O U D I N D I E . 15

de, hadc men niet alleen toe te fchryven

den onmeetelyken rykdom van byzondere

Perfoonen , „ die de Kooplieden tot Vor-

„ flen, en de Handelaars de Heerlykften in

,, den Lande, maakte (7)" ; maar ook de

uitgeftrekte magt van den Staat zelve, welke

"eerst het Menschdom deedt begrypen,

welke ryke bronnen een Handeldryvend

Volk bezit, en tot welke groote dingen het

bekwaam is,

[Wanneer wy de uitgeflrektheid en de

uirwerkzels van den Koophandel der Phe~

meieren befchouwen, moet, in den eerften

opflage , het fchaars berigt, 't geen wy

daar van by de oude Schryvers aantreffen ,

vreemd voorkomen. Doch , als wy ons

herinneren, dat de Griekfche Gefchiedïchryvers,

(HERODOTUS uitgezonderd), die

ons een verhaal van de Pheniciers opleveren,

hunne Werken langen tyd naa de verwoesting

van Tyrus, door ALEXANDER,

DEN GROOTEN, in't Jicht gaven, zal onze

verwondering ophouden, dat zy in geen

breed verflag treeden wegens een Koophandel,

die toen na andere plaatzen verlegd

was, en langs andere Kanaalen gedrecen

werd. Maar de magt en rykdom van Tyrus ,

in het bloeiendst tydvak des Koophandels,

moest eene algemeetse aandagt getrokken

hebben. In de Voorzeggingen van EZE-

CHIEL (11), die tweehonderd en zestig jaaren

vóór den val van Tyrus leefde, vinden

(t) JESAIA, XXIII. 8.

(K/EZECHIEL, XXVI. XXVII. en XXVIII.

wy

t.

AFDEE-

LIMG.


ï.

AFütiE

L1NG.

16 O N D E R Z O E K

wy het byzonderst berigt van de natuur ed

de verfcheidenheid hunner Koopverrigtingen,

die men by eenig oud Schryver ontmoet,

en tevens een grootsch denkbeeld oplevert

van de uitgebreide magt der Pheniciëren

(v~). ]

. De Jooden hadden, door hunne nabygelegenheid

aan Tyrus, gelegenheid, om den

rykdom, welke na die Stad. vloeide uit

de winstgeevende bron des Koophandels,

welken de Pheniciers van hunne vastigheden

aan de Arabifche Golf voerden, op te

merken, 't geen hun aanzette om 'er deel

in te kiygen. Dit deeden zy onder de vooripoedige

Regeeringen van DAVID en SA-

LOMO, deels door de vermeestering gemaakt

van eene kleine Streek in het Land van

Edom, welke hun in 't bezit ftelde van de

Havens Elath en Efiongeber aan de Roode

Zee, en deels, door de Vriendfchap met

i-i i R A M Koning van Tyrus, die s A L o M p

in itaat ftelde omVlooten uit te rusten,welke

onder het bewind van Phenicif'che Stuurlieden

na Tarfis en Ophir zeilden (V).

In welk gedeelte des Aardkloots wy de

Havens te zoeken hebben, die de Schepen

van SALOMO voorzagen van de Goederen,

door de Gewyde Schryvers opgenoemd, is

eene nafpeuring die langen tyd den vlyt der

Geleerden heeft bezig gehouden. Vroegtyds

veronderftelde men, dat ze gelegen waren

in:

. (v) Het ingeflootene is de II Aantekening van den

Heer ROBERTS OH.

fa) i KON. IX. 26. X. 22.


WEOESS OUD INDIE. 17

in eenig gedeelte van Indie, en werden de

'Jooden gehouden voor een der Volken, die

op dat Land handel dreeven; Doch het algemeener

aangenomen gevoelen wil , dat

SALOMO'S Viooten ,naa het doorzeilen vart

den Straat van Babelmandel, den koers

hielden langs de Zuidwest-Kust vmAfrica

tot het Koningryk van Sofala ; een Land

beroemd van wegen de ryke Goud- en Zilver

- Mynen, (waarom het, door de Oosterfche

Schryvers, het Gouden Sofala geheeten

wordt (ar), ) en overvloed hebbende

van alle de andere Goederen, die de Laadingen

der Joodfche Schepen inhielden.

Dit gevoelen, 't welk de naauwkeurige

naavorfehingen van den Heer D'ANVILLE

hoogstwaarfchynlyk maakten, fchynt thans

met volkomen zekerheid vastgefleld, door

een geleerd Reiziger, die, door zyne kunde

van de Pasfaatwinden in de Arabifche

Golf, en zyne agtgeeving op de oude wyze

van Seheepvaard, zo in die Zee, als langs

de Afrikaanfche Kust, niet alleen reden gege

even heeft van den zeer langen tyd, dien

de Schepen van SALOMO befteedden op de

uit- en t'huis reize, maar ook, uit omftandigheden

wegens de Reis vermeld, getoond,

dat dezelve niet gefchiedde na eenige plaats

in Indie (y).

Da

(te) Notices des MSS. dii Roi^ Tem. Th p. 40.

(?) BRUCE'S Travels. Book. IL Ch. 4. [De N$

derduitfche Leezer kan dit zeer leezenswaardig en om I

derrigtend gedeelte vari BRUCE'S Reize vertaald vin

den ih de Nieuwe Al^em. Faderl. Lvttereeff. V I>

bh 403. enz.]

B

i.

AFDEE*

LINGJ


18 O N D E R Z O E K

I. De Jooden mogen wy, derhalven, beflui-

AFDEE- ten hebben geen regc om geteld te worden

LING. onder de Volken, die ter Zee Gemeenfchap

met Indie hielden; en, indien men, uit eerbied

voor de gevoelens van eenige aanzienlyke

Schryveren, hun eisch daar op erkende

, zo wceten wy, met zekerheid, dat de

Handelpooging, welke zy deeden, geduurende

de Regeering van S A L O M O , kortitondig

en rasvoorbygaande was, en dat zy

welhaast wederkeerden tot hun voorigen

lhrat van ongemeenfchaplyke afzondering

van de rest des Menschdoms.

Van het opzamelen der fchaarfche berigten,

welke de Gefchiedenis ons oplevert,

wegens de vroegfle poogingen , om een

Handelgemeenfchap met Indie te openen,

gaa ik nu, met meer zekerheids en grooter

vertrouwen, voort, om den voortgang van

Gemeenfchap met dat Land af te tekenen,

op het geleide van Schryveren, die gebeurtenisfen

vernaaien nader aan hun eigen leeftyd

voorgevallen , en ten welken opzigre

zy volkomener en naauwkeuriger berigten

ontvangen hadden.

De eerfte vastigheid van eenige buitenlandfche

Magt in Indie, welke verzekerd

kan worden door eene blykbaarheid , die

eenige maate van geloof verdient , is die

der Perfiaanen, en zelfs van deeze hebben

wy flegts een zeer algemeen en twyfelagtig

berigt. DARIUS, de Zoon van IIYSTAS-

PES, fchoon-door toeval of kunflenaary

ten Throon verheeven, bezat zodanige werkzaame

en onderneemende bekwaamheden,

dat


WEGENS OUD INDIE. 19

dat zy hem dien hoogen ftand waardig

maakten. Hy onderzogt de onderfcheide

Landfchappen zyns Koningryks naarftiger

dan eenigen zyner Voorgangeren, en fpeurde

Gewesten van Afia, voorheen weinig

bekend , op (z). Veele der Landen , die

Zuid - Oost van de Caspifche Zee na de Rivier

Oxus ftrekken, aan zyne heerfchappy

onderworpen hebbende , voelde hy zyne

nieuwsgierigheid aangeprikkeld om een uitgebreider

en naauwkeuriger kennis te bekomen

van Indie, waaraan zy grensden.

Met dit oogmerk benoemde by SCYLAX

van Carijandra om het bevel te voeren over

eene Scheepsvloot, uitgerust te Caspatyrus,

in het Land van Pactyen (het heden

daagsch Pehkely) aan het bovenfte gedeelte

van den bevaarbaaren loop van de Rivier

Indus, met last om dien Stroom af te vaaren,

tot dat hy den Oceaan zou bereiken.,

SCYLAX volvoerde, fchoon met veel moeite,

en onder veelvuldige hindernisfen, deezen

last: want hy befteedde niet minder dan

twee jaaren en zes maanden, om de Schepen

van de plaats , waar hy aan boord ging,

tot de Arabifche Golf te brengen (a). Het

verhaal, door hem gegeeven van de volkrykheid,

vrugtbaarheid, en de verregaande

vordering in befchaafdheid, van dat gedeelte

van Indie* waar hy door voer, deedt DA-

RIUS ongeduldig haaken om meester te

worden van een zo veel bezittend Land»

(3) HERODOT. Lib. IK c. 44.

(0) HERODOT. Lib, IK c. 43, 44».

B 2

Zulks

I.

AFDRE-

LING.


f.

AFDEE-

LING.

2© O N D E R Z O E K

Zulks volbragt hy fchielyk, en, fchoon zyne

vermeesteringen in Indie n'et blyken

zich uitgeftrekt te hebben buiten de ftreeken

door den Indus befproeid, worden wy ,

egter, opgeleid, om een hoog denkbeeld te

vormen van de rykheid, en het getal der

Inwoonderen, in ouden tyde, als wy leezen,

dat de fchatting, daar door DARIUS

geheeven, bykans een derde gedeelte bedroeg

van de geheele inkomften der Perföfche

Monarchy {¥).

Maar, noch deeze Scheepstocht van SCY­

LAX , noch de vermeesteringen van DA­

RIUS, tot welken dezelve aanleiding gaf,

fchenken ons eene algemeene kennis van

Indie. De Grieken, het éénig verlichte

Volk van dien tyd in Europa, floegen weinig

agts óp de verrigtingen van Volken door

hun als Barbaaren aangemerkt , bovenal

in Landen verre van de hunne verwyderd:

en SCYLAX hadt het verhaal van zyne Reize

opgevuld met zo veele tastbaar fabelag-

(F) HERODOT. Lib. ÏIT. c. po - 06. Het berigt

der Inkomften van de Perfifche Monarchen, door HE-

RODOTUS, is opmerkelyk, en fchynt rfgefchreeven

uit een openbaar Register, hem medegedeeld. Volgens

't zelve was het ?• rnfche Ryk verdeeld in twintig

Satrapyen, of Landvoogdyen. De fchatting, van ieder

geheeven, wordt byzonder opgegeeven , en bedraagt

in 't geheel 14,560 Fub fthe Trlenten, welke

Dr. ARBUTHNOT gelyk fielt met 3.807,437 Ponden

Sterling. Eene fom zeer klein voor de inkomften van

dien.grooten Koning, en'die weinig overeenkomt met

veele gebeurtenUfen wegens den rykdom, de pragt en

weelde, van het Oosten, welke ons by oude Schryvers

voorkomen..


WEGENS OUD INDIE. 21

agtige omftandigheden (V) , dat hy zich

fchynt onderhevig gemaakt te hebben aan

de rechtmaatige firaffe, waaraan Perfoonen,

die eene doorfteekende neiging tot het won-

-derbaare betoonen , dikvvyls onderworpen

zyn, dat men ze met wantrouwen hoort,

zelfs dan, wanneer zy volkomen waarheid

^verhaalen.

Omtrent honderd en zestig jaaren naa de

Regeering van DARIUS HYSTASPES,

ondernam ALEXANDER DE GROOTE zyn

Tocht na Indie. De wilde uitfpattingen van

drift, de onbetaamelyke buitenfpoorigheden

van onmaatigheid, en de pochende ten toonfpreidingen

van trotsheid,al te veelvuldig in

het gedrag van dien buitengewoonen Man,

hebben zyn Character dermaate vernederd,

dat de voortreffelykheid van zyne verdienden,

als Overwinnaar, Staatsman, of Wetgeever,

zelden op den juisten prys gefchat

zyn. Het onderwerp myns tegenwoordigen

Onderzoeks leidt my om zyne verrigtingen

alleen uit één oogpunt te befchouwen; doch

het zal my in ftaat ftellen, om een treffend

tafereel op te leveren van de grootheid en

uitgeftrektheid zyner Plans. ALEXANDER

DE GROOTE fchynt, korten tyd naa zyne

eerfle gelukkige Veldtochten in Afia, het

denkbeeld gevormd te hebben om eene Algemeene

Monarchy op te rigten; haakende

na de Heerfchappy der Zee zo wel als de»

Lands.

(V) PHILOSTRAT, Fit, Apoll. Lib. III. c. 47? en

Nrite 3, van OLEARIUS TZETZET, Chiliad. VIL

Ters 630.

B 3

ï.

AFDEE-

LING.


I.

AFDEE-

LING.

« O N D E R Z O E K

Lands. Uit de bewonderenswaardige poogingen

der Tyriers te hunner eigene verdediging

, zonder eenigen Bondgenoot of

Befchermer, vatte hy een hoog gevoelen

op van de hulpmiddelen, die de Zeemagc

fchenkt, en van den rykdom uit den Koophandel,

byzonder uit dien op Indie, te haaien

, welke hy bevondt dat de Burgers van

Tyrus geheel in hunne magt hadden. Met

oogmerk om zich van dien Handel te verzekeren

, en 'er eene plaats voor te vestigen

, in veele opzigten beter dan Tyrus,

grondvestte hy, zo ras de bemagtiging van

Egypte voltooid was, eene Stad naby een

der monden van den Nyl, die hy met zyn

eigen Naam vereerde; met zo veel oordeels

was deeze plaats gekoozen, dat Alexandrie

welhaast de grootfte Koopftad wierd der

Oude Wereld: en, niettegenftaande veele

opeenvolgende Ryksomwentelingen, geduurende

achttien Eeuwen de hoofdzetel bleef

des Handels met Indie (d). Te midden van de

Krygsverrigtingen op welken ALEXANDER

welhaast verpligt was zyne aandagt te vestigen,

liet hy de begeerte, om den winstryken

Handel, dien de Tyriers op Indie gedreeven

hadden, in zyne handen te krygen,

niet vaaren. Kort daarop ontftonden 'er

gebcurtcnisfen , die niet alleen deeze begeerte

bevestigden, en 'er meer fterkte aan

gaven; maar hem het uitzigt openden om

(/f) G'fchieder.is van America, door W. ROBERT-*

iON. I Deel, bl. 23.

de


WEGENS OUD INDIE. 23

de Opperheerfchappy te verkrygen over

Landen , die de rest des Memchdoms zo

kostbaare Waaren leverden.

Naa zyne beflisfende overwinning, op de

Perfiaanen behaald, werdt hy, in het naazetten

van den laatften DARIUS en van

BES sus, den Moordenaar diens ongelukkigen

Konings, genoodzaakt dat gedeelte van

Afia door te trekken, 't welk van de Caspifche

Zee voorby de Rivier Oxus loopt.

Oostwaards kwam hy tot Maracanda (e),

toen eene Stad van eenige vermaardheid,

en gefchikt, om, in een volgend Tydperk,

onder den hedendaagfchen naam van Samarcand,

de Hoofdltad te worden van een

Ryk niet minder dan zyn eigen in uitgebreidheid

of magt. In het verloop van

eenige maanden , door eenige Landfchappen

trekkende tot nog onbekend aan de

Grieken, in eene rigting dikmaals digt aan

Indie grenzende , en onder een Volk gewoon

veel daar op te handelen, leerde hy

veele zaaken, betreffende den toeftand van

een Land (ƒ), 't geen langen'tyd het voorwerp

van zyne overleggingen en wenfchen

geweest was Qr); die weetenfchap deedt

zyn verlangen , om 'er in te vallen , nog

bet opblaaken. Vaardig en beflisfend in alle

zyne belluiten, toog hy uit fiactria, en trok

die keten van bergen over, welke, onder

verfcheide benaamingen, den Steenen Gordel


Q4 O N D E R Z O E K

t. del vormt, (indien ik deeze uitdrukking

AFDEE- der Oosterfche Aardryksbefchryveren de

LTNG. myne mag maaken,) welke Afia omfluit, en

de Ndordlykfte Schutsmuur fan Indie

maakt.uit­

De gemaklykfle toegang tot eenig Land

moet blykbaar gevormd worden door omftandigheden

in de natuurlyke ligging, als

de engten door 't Gebergte heen gaande,

de loop der Rivieren, en de plaatzen waar

dezelve gemaklykst en veiligst kunnen overgetrokken

worden. Op geen plaats des

Aardbodems is deeze weg van aannadering

zigtbaarder en bepaalder afgebaakend, dan

aan de Noordlyke grenzen van Indie ; dit

gaat zo verre, dat de drie groote Invallers

in dit Land, ALEXANDER, TAMERLANE

en NADIR SHAH, in drie onderfcheide

Eeuwen , met zeer verfchillende oogmerken

en bekwaamheden, denzelfden weg namen,

met bykans geene afwyking. A L E X ­

ANDER hadt de eer dien eerst ontdekt te

hebben. Naa het overtrekken van 't Gebergte,

floeg hy zich neder te Alexandria

Varopamifana, te zelfder plaatze gelegen

ils de hedendaagfche Stad Candahar ; de

Volken aan den Noord-West Oever van

3en Indus te ondergebragt of bevredigd

j lebbende, trok hy de Rivier over te Taxi-

'a , thans Attock, de éénige plaats waar

Jie ftroom bedaard genoeg is om 'er eene

]

Jrugge over te flaari (//).

A L E X A N D E R , den Indus overgetrokken

(Ji) ^EKNELL, Mem. p. pa.

zyn-


WEGENS OUD INDIE. 25

zynde , rukte voort langs den weg , die

rechtflreeks na den Ganges loopt, en de ,

ryke Landfchappen in 'c Zuid-Oosten, nu

onder den algemeenen naam van Indostan •

begreepen. Maar , op de oevers van den

Hydaspes , hedendaagsch bekend by den.

naam van de Bet ah of Chelum, ontmoette

hy den tegenttand van PO RUS, een magtig

Vorst diens Lands, aan 't hoofd eens talryken

Legers, De Oorlog met PORUS, en

de vyandelvkheden in welken hy zich met

andere Indiaanfche Prinfen agtereenvolgende

ingewikkeld vondt, deedt hem van den

eerst ingeflaagen weg afwyken, en meer na

het Zuid-Westen wenden. Onder het

volvoeren deezer Krygsverrigtingen , trok

ALEXANDER door een der rykfte en meestbevolkte

Landen van Indie, tegenwoordig

de Panjab geheeten , van wegen de vyf

groote Rivieren, die 't zelve bewateren;

en daar wy weeten, dat hy deezen marsen

volvoerde in het Regenfaifoen , wanneer

zelfs de Legers der Indiaanen het veld niet

kunnen houden, moet zulks ons een hoog

denkbeeld inboezemen van ALEXANDER's

Ihndhoudenden moed, als mede van de buitengewoone

fterkte van gefteltenisfe, die de

foldaaten, in ouden tyde, verkreegen, door

de vereenigde werking van Krygsfpeelen en

Krygstugt. By eiken itap zyner vorderinge,

vertoonden, zich aan 't oog van ALEXAN­

DER, voorwerpen niet min treffende dan

nieuw. De grootheid van den Indus, zelfs

naa dat hy den Nyl, den Euphraat en den

B $ Th

I.

Ü'DEE-

LING.


E

AFDEE-

LING.

]

•6 O N D E R Z O E K (

Tiger gezien hadt, moet hem met verbaasdheid

vervuld hebben f7). Geen Land, tot

dus verre door hem bezogt, was zo volkryk

en welbebouwd, of vloeide dermaate over

van kostbaare voortbrengzelen van Natuur

en Kunst, als dat gedeelte van Indie, waar

hy zyn Leger doorgeleid hadt. Doch, wanneer

hy allerwegen berigten ontving, waarfchynlyk

niet luttel vergroot, hoe veel minder

de Indus was dan de Ganges; en hoe

zeer alles, wat hy tot hier toe befchouwde,

overtroffen werd in de gelukkige Gewesten

, waar door die Rivier heen aroomde

, is het geenzins te verwonderen, dat zyne

brandende begeerte, om dezelve re zien

en in bezit te neemen, hem aanzette om

zyne Krygsbenden te verzamelen, en dezelve

voor te flaan, dat zy den weg zouden

neemen na een oord, waar rykdom, heerfchappy

en vermaardheid, hun wagtte. Maar

zy hadden reeds zo veel gedaan, en zo veel

;eleden, bovenal van den onophoudelyken

liegen en de verbaazende Overftroomingen,

lat hun geduld,zo wel als hunne kragt,ten

< ïinde was, en zy met eenpaarige ftemmen

weigerden verder te trekken. In dit befluit

5leeven zy zo volftandig , dat AEEXAN-

OER, fchoon alle hoedanigheden bezittenle,

die een overheerfchenden invloed heb-

>en op de gemoederen der Krygslieden,

ver»

O") STRABO, Lib. XV. p. 1027. C. & Not. 5.

'afaub.


WEGENS OUD INDIE. 27

vcrpJigt was het op , en last, te geeven, om

weder na Perfie te keeren (k~). 1

Het

(k~) ARRIAN. Lib. V. c. 24, 25. 't Is vreemd

dat ALEXANDER in de Landfchappen, aan Indie grenzende

, geen zodanig berigt ontving van de, op vast

bepaalde tyden, Regens in dat Land, 't welk hem de ongefchiktheid

toonde om zyne Krygsverrigtingen aldaar

voort te zetten, tcrwyl die Regens aanhielden. Zyn

Tocht in Indie nam een aanvang omtrent het afioopen

der Lente ,ARRIAK. Lib. II'. c. 22 , toen d.e Regens

aireede begonnen waren in 't gebergte, van 't welke

alle de Rivieren in de Panjab voortkomen, en die

gevolglyk zeer hoog gezwollen moeten geweest zyn,

eer hy derzelver oevers bereikte, RENNELL, p.

268. — Hy trok den Hydaspes over in 't midden van

den Zomer, omtrent het fterkfte van het Regenfaifoen.

In een Land, waardoor zo veele breede Rivieren loopen,

moet een Leger te velde, in dit Jaargctyde, zeer

veel geleden hebben. Eene naauwkeurige befchryving

van den aart deezer Regenvlaagen en Overftroomingen

,in dit gedeelte van Indie, veifchaft ons ARRIAN.

Lib. F. c. p, en nog volkomener STRABO, Lib. XF.

p. 1013. 't Geen zy' daardoor uitgeftaan hadden, deedt

de foldaaten van ALEXANDER klaagen, s T R A B O, Lib.

XF. p. ic2i, en niet zonder grond; nrardemaal het

zeventig dagen langonophoudelykgeregend hadt,D 10-

DOR. SIC. Lib. XVU, c. P4. — Etne omftandigheid,

welke aantoont met welk eene naauwkcungheid

de Officiers van ALEX ANDER alles in dat gedeelte van

h>die opmerkten, verdient gemeld te worden. ARIS-

TOBULUS tekent in zyn Dagboek op. dat, hoewel

'er zwaare ftortregeus vallen in't gebergte, en in de

landen daar omftretks , in de vlskten beneden geen

eene Regenvlaag viel, STRABO Lib. XF. p. 1031. B.

1015. B. Major RENNELL was onderrigt, door een

a^nzienlyk Man, die zich in dit gedeelte van Indie

onthouden hadt, 't welk thans zelden door de Europeaancn

bezogt wordt, dat, geduurende een groot

gedeelte van den Zuid - West Pasfaatwind, of ten minften

in de Maanden July, Augustus, en een gedeelte

van September, 't welk de Regentydis in meest alle

an-

I.

AFDEE-

LING.


I.

AFDEE-

LING.

28 O N D E R Z O E K

Het tooneel deezes merkwaardigen bedryfs

was aan den oever van de Hyphafis,

thans Beyah , de uiterfte grenspaal van

ALEXANDER's vordering in Indie. Hier

uit is openbaar, dat hy de geheele uitgeftrektheid

van de Panjab niet doortrok. De

Zuid-

andere ftreeken van Indie,de Dampkring, in de Delta

van den Indus, doorgaans bewolkt is; doch dat 'er

geen regen valt dan zeer digt by zee. In de daad, weinig

Regenbuien heeft men 'er, ftaande dit geheele faifoen.

Capitein HAMILTON verhaalt, dat, toen hy

Tatta bezogt, aldaar in drie jaaren geen Regen gevallen

was , Memoires,^. 288. —TAMERLANE, die,

door de nabyheid van den zetel zyns Ryksbeftuurs aaa

Indie, de middelen hadt om wel onderrigt te worden

van den aart des Lands, vermydde de dwaaling van

ALEXANDER, en deedt zyn Krygstocht na Indie in

het drooge faifoen. —— Naardemaal NADIR SHAII,

20 toen hy in Indie viel in den Jaare 1738, als wanneer

hy, in het volgend Jaar, te rug keerde, door dezelfde

Landftreeken trok als ALEXANDER, en bykans

in dezelfde rigting, kan niets ons een treffender denkbeeld

geeven van den volftandigen yver des Macedonifchen

Overmeesteraars , dan de befchryving der

zwaarigheden, welke NADIR SHAH moest te boven

komen, en de moeilykheden , welke zyn Leger verduurde.

Schoon bekleed met volftrekt gezag, en voorzien

van onmeetelyken rykdom, en niet min uitmuntende

door groote bekwaamheden dan door langduurige

ondervinding, in den oorlog, hadt hy het verdriet

om een groot gedeelte zijns volks te verliezen, by het

overtrekken der Rivieren van de Panjab, by het dringen

door het Gebergte ten "Noorden van Indie, en in

de gevegten met de woeste Inboorelingen der Landen,

welke zich van de oevers van den Oxus uitftrekken tot

3e grenzen van Perfie. Een belangryk verhaal van dien

wedertocht, en het leed daar op geleeden, vinden wy in

is Me morten van KHOJEH ABDULKURREEM, een

Cashmerian van Rang, die in 't Leger van NADIR

IHAH diende. ' .


WEGENS OUD INDIE. ap

Zuid-Westlykfte grenzen daar van worden

gevormd door eene Rivier, oudtyds bekend

onder den naam van den Hydrufus, en nu

by dien van de Setlege, tot welke ALEXAN­

DER nooit nader kwam dan den Zuidlyken

Oever van de Hyphafis , waar hy twaalf

zeer groote Altaaren oprigtte, om tot gedenktekens

van zynen Krygstocht te dienen;

en die, (wanneer wy geloof mogen flaan

aan den Leevensbefchryver van APÓLLO-

*OIUS IYANJEUS) nog overig waren, met

leesbaare Opfchriften , toen die geestdryvende

Sophist Indie bezogt , driehonderd

en drieënzeventig jaaren naa den Krygstoeht

van A L E X A N D E R (/> De breedte van de

Panjab, van Ludhana aan de Setlege tot

Attock aan den Indus, wordt berekend op

tweehonderd en negenënvyftig Geographifche

Mylen, in een rechte lyn; en ALEX-

ANDER'S marsch, op dezelfde wyze berekend,

ftrekte zich niet wyder uit dan tweehonderd

Mylen. Maar, zo in zyn heenen

gaan, als in zyn wederkeeren, werden zyne

Legers dermaate over het Land verfpreid,

en waren menigmaal in zo veele onderfcheidene

Smaldeelen werkzaam, terwyl alle zyne

beweegingen zo juist afgemeeten en bepaald

waren door Lieden des kundig, die hy ten

dien einde in bezolding hadt, dat hy eene

zeeruitgeftrekte'en naauwkeurige kennis verkreeg

van dat gedeelte van Indie (jn).

Toen

CO PHILOSTR. Fita Apollon. Lib. II. cap. 43.

Ed. Oir ar. Lipf. 1709.

(w) PLIN. Nat. Hist. Lib. FI. c. 17.

I.

AFDEE-

LING.


30 O N D E R Z O E K

h Toen ALEXANDER, by zyn te rugtocht,

/FDEE- de oevers van den Hydaspes bereikte, be-

LING. vondt hy, dat de Officiers, aan welken hy

last gegeeven hadt om zulk een aantal Schepen

te bouwen en te verzamelen als hun

mogelyk was , zyne bevelen met zo veel

vlycbetoons, en een zo gelukkigen uitflag,

volvoerd hadden, dat 'er een talryke Vloot

gereed lag. Dewyl ALEXANDER, te midden

van zyn Krygszugt , en dolle woede

om Vermeesteringen te maaken, nimmer

zyne bedaardere en handelbegunftigende

ontwerpen uit het oog verloor , was die

Vloot beftemd om den Indus af na den Oceaan

te vaaren, en van deszelfs mond na de

Perfiaanfche Golfte flevenen, om dus eene

Gemeenfchap ter Zee te openen tusfchen

Indie en het middelpunt zyner Heerfehappye.

Het bewind over deezen Tocht vertrouwde

hy aan NEARCHÜS, een Officier bekwaam

tot zulk een gewigtige post. Maar,

vermids ALEXANDER, door zyne Eerzugt,

zich aangeprikkeld voelde om vermaardheid

langs alle wegen te bejaagen,en gefield was

op het beflaan van nieuwe en fchitterende

onderneemingen, vergezelde hy N E A R C H U S

in het afvaaren der Riviere. De Toerusting

was, in de daad, zo groot en heerlyk, dat

ze verdiende aangevoerd te worden door

den Vermeesteraar van Afia. Dezelve beftondt

uit een Leger van honderd en twintig

duizend Man, en twee honderd Olyphanten,

en eene Vioot van bykans twee

duizend Schepen, onderfcheiden in grootte

sn gedaante : aan boord van dezelve was

een


WEGENS OUD INDIE. 31

een derde gedeelte der Krygsmagt inge- T.

fcheept, terwyl de overige in twee verdeeAFDEElingen, de eene aan de rechter, en de an­ LING.

dere aan de flinker, zyde der Riviere , de

Vloot volgde. In het voorttrekken werden

de Volken, die de oevers bewoonden, tot

onderwerping gedwongen, of overgehaald.

Opgehouden door de veelvuldige verrigtingen,

waar toe hy zich uit deezen hóófde

genoodzaakt vondt, zo wel als door den

rraagen voortgang van zulk een talryke

Vloot, befteedde ALEXANDER meer dan

negen maanden eer hy den Oceaan bereikte

(»).

[Dat eene Vloot van bykans tweeduizend

Schepen, in zulk een korten tyd, kon byeen

gebragt worden, moet, in den eerften

opflage, ongelooflyk voorkomen. ARRIA-

N Ü s verzekert ons , nogthans, dat hy, in

de opgave van dit getal, PTOLEMEUS ,

den Zoon van LAGUS, volgde, wiens gezag

hem volwigtig voorkwam. (0) Maar,

dewyl het Land Panjab vol is van bevaarbaare

Rivieren, langs welken alle gemeenfchap

tusfchen de Inboorelingen onderhouden

wordt , hadt het een overvloed van

Vaartuigen voor den Overwinnaar gereed,

zo dat men gemaklyk dit getal kon zamenbrengen.

Indien wy geloof flaan aaa 't verhaal

des inyals van SEMIRAMIS in Indie,

waren 'er niet minder dan vierduizend Schepen

in den Indus verzameld om haare Vlooc

we-

(») STRABO, Lib. XF. p 1014.

(e) ARRIAN. Lib. FI. c. 3.


AFDEE-

LING.

32 O N D E R Z O E K

wederftand te bieden (/>). 't Is opmerkelyk*

dat, wanneer MAHMOUD VAN GAZNAH

in Indie viel, eene Vloot op den Indus by

een gebragt was om hem te wederilaan,

uit een gelyk getal Schepen beflaande (#). ]

ALEXANDER'S doordringen in Indie,

langs deezen weg, betekende veel meer dan

langs den voofgemelden. En, wanneer wy

agtflaan op de veelvuldige beweegingen zyns

Legers, op het getal der Steden van hun

vermeesterd,'en op de onderfcheide Staaten

, welken zy te onderbragten , mag hy

gezegd worden, de Landen, welke hy doortrok,

niet alleen gezien, maar doorkeeken

te hebben. Dit gedeelte van Indie is, in

laateren tyde, zo min door de Europeaanen

bezogt, dat noch de ligging der plaatzen,

noch derzelver afftanden , met dezelfde

naauwkeurigheid kunnen bepaald worden als

in de binnenlandfche Gewesten, of zelfs in

de Panjab. Dan, volgens de naafpeuringen

van den Major RENNELL, met niet min

oordeels dan vlyts gedaan, kan de afftand

van die plaats aan den Hydaspes, waar

ALEXANDER zyne Vloot uitrustte , van

den Oceaan niet minder zyn dan duizend

Britfche Mylen. Van dit «itgebreide Land

munt


WEGENS O U D I N D I E . 33

munt een groot gedeelte, byzonder de Opper

Delta, zich uitftrekkende van de Hoofdftad

het oude Malli, nu Moultan, tot Patala,het

hedendaagsch Tatta, uit,in Volk-

.ykheid en Vrugtbaarheid f>).

A L E X A N D E R , wel voldaan over het

'olbrengen deezer hachlyke onderneeming,

bragt, korten tyd, naa dat hy den Oceaan

bereikt hadt, zyn Leger te land na Perfie

te rug. Het bevelhebberfchap, over de

Vloot, met een groot aantal Krygsvolk

op de Schepen, liet hy aan NEARCHUS,

die, naa eene Kustreize van zeven maanden

, dezelve behouden op de Perflaanfche

Golf in den Euphraat bragt (Y).

[Alle deeze byzonderheden zyn ontleend

uit de lndiaanfche Gefchiedenis van AR-

RIANUS, een der keurlyktte Verhandelingen

, door de Oudheid ons overgehandreikt.

Het verdient, in 't voorby gaan,

nader gekend te worden. Het eerde gedeelte

beftaat in Uittrekzels uit het berigt,

gegeeven door NEARCHUS, van de Lugten

Grondsgefteltenisfe van Indie, en de

Zeden der Inboorelingen. Het tweede

behelst het Dagverhaal diens Krygsbevelhebbers,

op zyn Reize van den Mond

van den Indus tot het diepfle van de Perfiaanfche

Golf: verfcheide, hier opheldering

verfchaffende, aanmerkingen kunnen

wy niet voorby, plaats te geeven.

(r) RENNELL, Mem. 68. &c.

(V) Pi.IN. Nat. Hifi. Lib. VI. c. 23.

C

Voor-

li

AFDEE-

, LING.


L

AFDEE-

.L-ING.

34

O N D E R Z O E K

Vooreerst is het opraerkclyk, dat noch

NEARCHUS, noch PTOLEMBUS, noch,

AJÏISTOBULUS, noch zelfs ARIUANUS,

éétwmal gewag maaken van de Reis van

SCYLAX (7), Dit kon niet ontdaan uit

hunne onkunde deswegen; want HEROno

rus was de geliefde Schryver, in de

handen van elk Griek, die eenigen eisch

op Letterkunde maakte. Het kwam waarfchynlyk

voon uit hoofde van de redenen,

die zy hadden om re geloofwaardigheid

van SCYLAX te wantrouwen. Overeenkoatftig

hier mede, verzekert ALEXAN­

DER. in een gefprek,'t welk ARRIANUS

hem in den mond legt, dat hy, behalven

ÊCCHUS, de eerlle was, die den Indus

doorvoer; 't welk influit. dat hy niet geloofde

't geen wegens SCYLAX verhaald

wordt-, en geen kennis droeg van 't geen

DARIUS HYSTASPES gezegd wordt gedaan

te hebben, om dat gedeelte van laaie

aan de Psrfifche Kroon te onderwerpen

(«). Dit gevoelen wordt bevestigd

door MEGASTHENÊS, die zich langen

tyd in Indie onthieldr. Hy verzekert,

dat, uitgenomen I,ACCHUS en HERCU­

LES, ALEXANDER de cerire was die

indie introk (y~)- Wyders wordtn vuy

door ARRIANUS onderrigt, dat de As/aca-

(?) Zie hier boven, W. ip.

(i;) AREIAN. Lib. VIL c. :io.

00 ARUJAN. Hifi. 1' die. c. 5. STRABO verwondert

zich, dat fry rrn ÖéÈ2e F-belrgtige Tochten

eenig geloof gelkr^en hxbbj. Lib.Xt ."p. 1007.D.


WEGENS O U D I N D I E . 35

cani, en andere Volken, die dit Land bezaten,

't geen nu den naam draagt van

het Koningryk van Candahar, fchatting

betaalden, eerst aan de Asfyriërs, vervol- ,

gens aan de Meders en Perfen (V). Naardemaal

alle vrugtbaare Landfchappen ten

Noord-westen van den Indus, oudtyds,

gerekend werden een gedeelte van Indie

te weezen, is het waarfchynlyk, dat de

Schatting, van dezelve geheeven, de fom

uitmaakte, gefield op de Schattinglyst uit

welke IIERODOTUS zyn berigt ontleende

van de Jaarlykfche inkomften des Perfifchen

Ryks, en dat geen der Landfchappen

, ten Zuiden van den Indus, ooit aari

den Koning van Perfie onderworpen ware.

Ten anderen, verfchaft deeze Reis van

NEARCHUS eenige treffende blyken van

de onvolkomene kunde, welke de Ouden

hadden van eenige Scheepvaart, onderfcheiden

van die aan welke zy in de Middellandfche

Zee gewoon waren. Schoon

de veel onderwindende geestgefteltenis, en

de wydftrekkende oogmerken , van ALEX­

ANDER hem aanfpoorden, om ter Zee

eene gemeenfchap te openen, tusfchen

Indie en de Landen zyner Perfifche Heerfchappye,

wisten hy en NEARCHUS beiden

zo luttel van den Oceaan, dien zy

wenschten te bevaaren, dat zy vreesden

zulks ondoenlyk te zullen vinden, uit hoofde

van ondoorvaarbaare Straaten of an-

(w) AR RIAN. Hifi. Ir.dk. c. li

""Cs

dê-

i.

\FDEE-

LING.


T.

AFDEE

LING.

335

O N D E R Z O E K

dere hindernisfen (ar). Wanneer de Vloert

- digt by den Mond van den Indus kwam,

levert de verbaasdheid, verwekt door den

. fterken Vloed en Ebbe van het Gety in

den Indifchen Oceaan, een ander bewys op

van hunne onkunde in de Zeevaart. Van dit

verfchynfel hadden ALEXANDER en zyne

Tochtgenooten geen kennis (jy). En is

'er geen reden om ons te verwonderen

over hunne verbaasdheid: dewyl de Getyen

in de Middellandfche Zee naauwlyks

merkbaar zyn. en verder dan de kundigheid

aan deeze ftrekte zich. die der Grieken

en Macedoniërs niet uit. {z) De

Getyen aan de Kust, by den Mond van

den Indus, loopen zeer hoog; de uitwerkzels

daar van zyn verbaazend, inzonder*

heid die fchielyke en fïuitfche inbreeking

van het Gety in de monden der Rivieren

en Straaten in Indie, bekend onder den

naam van Bore Ca).

Ein-

(x) ARRIAN. Hifi. Indie. c. 20. Q. CURT.

Lib. IX. c. 9.

(j) ARRIAN. Lib. VI. c. 19.

(z) Om dezelfde reden was, by de Romeinen,

toen zy met hunne overwinnende Wapenen in de Landen

kwamen aan den Atlantifchen Oceaan gelegen, of

aan de Zeekusten, welke daar mede gemeenfchap

hebben, die nieuw verfchynzel der Getyen een voorwerp

van verwondering en fchrik. CESAH befchryft

de ontzetting zyner Krygsknegten by deezen Springvloed

, die groote fchade roebragt aan de Vloot, met

welke hy in Brittanje viel, en erkent dat het eene

vertooning was, aan welke zy niet gewoon waren.

Mll- Gallic. Lib. IV. c. 29.

(a) Deeze zo genaamde Bore wordt naauwkeurig

be.


WECENS OUD INDIE. 37

Eindelyk. De loop der Reize van N E-

ARCHÜS, de Voorgebergten, de Kreeken,

de Rivieren, de Steden, de Bergen,

welke hem op dezelve voorkwamen, zyn

zo klaar befchreeven, en de afllanden der

voornaamfte zo duidJyk uitgemeeten, dat de

Heer

befchreeven door RENNELL, Introd. XXIV Mem. 278.

In de Peripïus Maris Erytfortti, p. 26, vinden wy

gewag van deeze Wacergetyen, en de bcfchryving ftemc

zeer juist overeen met die van de Bore. PLINIUS

geeft, in zyn Nat. Hifi. Lib. XIII. c. 25, een zeer

vergrootend verflag van de Getyen in den IniHfchen

Oceaan. RENNELL fchynt te denken, dat ALEX-

A,\I:ER en diens ïochtgenooten zo onkundig niet

hebben kunnen weezen van de Getyen; naardemaal

HERoDOTus de Grieken onderregr. hadt, „ dat in

„ de Roode Zee, alle dagen, een geregelde Ebbe en

„ Vloed ging", Lib. II, c 11. Dit is al de verklaaring

door HERODOTUS van dat verfchynzel gegeeven.

Dan by de Ouden ontmoeten wy voorbeelden

van onopletcenheid op gevallen, door agtenswaardige

Schryvers verhaald, die heden ten dage verbaazend

voorkomen. Schoon HERODOTUS, gelyk ik

aangemerkt heb, een vry breed verhaal gaf van de

Reis door SCYLAX volvoerd, neemen noch ALEX­

ANDER, noch diens Gefchiedfchryvers, deeze gebeurtenis

eenigzins in opmerking. — Ik zal, hier naa ,

gelegenheid hebben, om een nog merkwaardiger voorbeeld

op te haaien, van de onoplettenheid der laatere

Schryveren, op eene naauwkeurige befchryving, welke

HERODOTUS van de Caspifehe Zee gegeeven

hadt. Uit deeze en andere foortgelyke voorbeelden,

welke het ligt zou vallen op te haaien, mogen wy befluiten,

dat de ter loopfche vermelding van den geregeiden

Vloed en Ebbe in de Roode Zee, geene genoegzaame

reden oplevert, om het verhaal van AR­

RIANUS , wegens de verbaasdheid van ALEXAN-

DER'S Krygsvolk, toen zy voor de eerfte keer de

zonderlinge uitwerkzels van het Gety aan den Mond

Van den Indus zagen, als ongelooflyk te verwerpen,

c

3

t.

AFDEE-

L1MG.


ï

AFDEE-

LING.

38 O N D E R Z O E K

Heer D'AINVILLE, door dien re vergelyken

mee de daadlyke gefteltenisfe des

Lands, volgens de beste berigten, zo oude

. als hedendaagfche, in ftaat geweest is de

meeste Plaatzen aan te wyzen, welke NE­

ARCHUS opnoemt, met eene maate van

zekerheid, die zo zeer tot eere (trekt van

de geloofwaardigheid des Griekfchen

Scheepsvoogds, als van den vlyt, de ge»

'leerdheid en fchranderheid des Franfcheh

Aardryksbefchryvers (b~). 3

Op deeze wyze opende ALEXANDER

eerst de deur der kennisfe van Indie aan

de Volken van Europa, en het uitgebreide

gedeelte daar van werd met grooter

xaauwkeurigheid gade geflaagen, dan men

zou hebben kunnen verwagten van den

korten tyd, welken hy zich in dat Land

onthieldt. Gelukkig werd een juist verslag,

niet alleen van zyne Krygsverrigtin-

"gen, maar van alles wat optekenenswaardig

was in de Landen, waar deeze voorvielen,

opgefteld in de Dagboeken van

drie zyner voörnaamfte Bevelhebberen

PIOLEMEus de Zoon van LAGÜS, ARI-

STO-

(b) Mem. de Literat. Tom. XXX. p. 132. &c.

Hedendaags wordt de naam van Roode Zee aan de

Arabifche Golf gegeeven; maar de Ouden noemden

den 'Oceaan,die van die Golf na Indie loopt, de Erythrjaiifchi

Zee, na Koning ERYTHRAS, van wien

tóen niets meer weet dan den naam, welke, in 't

Grieksch, Rood betékent. — Uit deeze toevallige betekenis

des woords is het gevoelen ontïlaan, dat die

Zee van eene andere kleur was dan andere Zeeën, en

gevolg'.yk gevarrlyker te bevaaren. het in ['] beflootene

is de VI Aantekening van ROBERTSO-M


WEGENS OUD INDIE. 39

STOBULUS en NEARCHUS. De twee

eerstgemelde hebben onzen tyd r.iet be-

' reikt; doch het is waarfchynlyk dat de

gewigtiglte byzonderheden, daar in vermeld,

bewaard zyn; dewyl ARRIANUS

betuigt, dezelve ais zyne Gidfen gevolgd

•te hebben, in zyne Gefchiedenis des Krygstochts

van ALEXANDER (V) ; een Werk,

't geen, hoewel opgefteld, langen tyd naa

dat Griekenland zyne Vryheid verlooren

hadt, en in eene Eeuw, toen vernuft ea

fmaak in verval geraakten,


i.

AFDEE-

LING.

4o O N D E R Z O E K

der dan twee duizend Steden (e). Zelfs

in den bepaaldften zin, welken men kan

geeven aan de onbepaalde benaamingen

van Natten en Steden, is 'er bet denkbeeld

van eene zeer groote maate van

Volkrykheid in opgeflooten. Toen de

Vloot de Rivier afzeilde, vondt men te

wederzyden het Land, in geenerlei opzigt,

minder dan het Gewest, waar over

de Heerfchappy aan POUUS gegeeven

was.

Uit de Gedenkfchriften deezer Bevelhebberen,

ontving Europa het eerfte egte

berigt, wegens de Lugt- en Landsgefteltenisfe,

de Voortbrengzels en Inwoonderen,

van Indie; en, in een Land, waar

de Zeden, de Gebruiken, en zelfs de

Kleeding des Volks, bykans even beftendig

en onveranderlyk zyn, als de gedaante der

Natuure, beantwoorden de befchryvingen

door ALEXANDER'S Bevelhebbers gegeeven

, naauwkeurig aan 't geen men nu in

Indie ziet, naa het verloop van twee

duizend Jaaren. De vaste verandering der

Saifoenen , nu bekend onder den \ naam

van Monfoons ; de op een bepaalden tyd

vallende Regens; het zwellen der Rivieren;

de Overftroomingen daar door veroorzaakt;

het voorkomen des Lands terwyl

deeze duuren, worden alle in 't byzonder

vermeld en befchreeven. Niet min

naauwkeurig zyn de befchryvingen, welke

zy opleveren van de Inwoonderen, hunne

f>) ARRIAN. Lib, VI. c. 2.


WEGENS O U D I N D I E . 41

re tedere en ranke geftalte, hun donkerverwige

kleur, hun zwart ongekruld hair,

hun katoene kleeding, hun leeven geheel

van voedzel uit het Plantenryk, hun verdeeling

in afzonderlyke .Stammen of Casten,

welker Leden nooit door huwelyk

zich ondereen vermengen; de gewoonte

der Vrouwen om zch nevens hunne afgeftorvene

Mannen te verbranden, en

veele andere byzonderheden, in welke-alle

zy volmaakt gelyken op de hedendaagfche

IJindoos. In een breedfpraakig verflag,

omtrent dit alles te treeden, zou hier ontydig

zyn; maar dewyl het onderwerp,

fchoon weetenswaardig en belangryk, ons

onvermydelyk zou brengen tot ontvouwingen,

niet wel ilrookende met den aart

van een Gefchiedkundig Werk, zal ik

myne gedagten daarover befpaaren tot

een AANHANGZEL, 't geen ik my heb

voorgefleld aan dit GESCHIEDKUNDIG

ONDERZOEK te hegten, in hoope dac

het eenig bykomend licht moge verfpreiden

, over den oorfprong en natuur van

den Handel op Indie.

Hoe veel cok de Wesrer-wereld aan

den Tocht van A L E X A N D E R verfchuldigd

was, vóór de kennis van Indie, doorzog!

hy Hechts een klein gedeelte van dac

uitgeftrekc Land. Zyne Krygsverrigringen

breiden zich niet verder uit, dan het hedendaagsch

Landfchap Lahor, en de Landen

aan de oevers van den Indus van

Moultan tot de Zee. Deeze, nogthans,

werden bezien met die maate van naiuw-

C 5 keu

|

AFDES-

LING.


4 2 O N D E R Z O E K

l keurigheid, welke ik reeds vermeld heb.;

AFDEE . en 'c is eene byzonderheid, die in op­

LING. merking verdient genomen te worden,

.dat* dit gedeelte van Indie, 't welk de

Europeaanen eerst intraden, en waar mede

zy, in ouden tyde, best bekend waren,

thans minder bekend is dan bykans eenig

ander gedeelte van dat vaste Land (/)•

noch Koophandel, noch Oorlog, aan welke,

door alle Eeuwen heen, de Aardrykskunde

haare verbeteringen voornaamlyk te

danken hebbe, heeft eenig Volk van Europa

aangezet, om 't zelve op te zoeken,

en nader te bezigtigen.

Indien een vroegtydige dood geen einde

gemaakt hadt aan de Regeering van den

Maccdonifchen Held, hebben wy reden om

te denken, dat Indie, door de Ouden, volkomener

zou opgefpeurd zyn, en dat de

Heerfchappy der Europeaanen 'er zich

twee duizend Jaaren vroeger zou gevestigd

hebben. Toen ALEXANDER in Indie,

rukte, hadt hy iets meer op 't oog dan

een kortftondïgen inval, 'c Was zyn plan,

dat uirgeftrekte en ryke Land aan zyn

Ryk te hegten, en fchoon de wederftree-

/ende geest zyns Legers hem, op dien

i :yd, noodzaakte de voortzetting van dit

>ian op te fchorten, was hy verre van

1

] iet te laaten vaaren. Een algemeene

1 >efchouwing van de maatregelen, door

I lem ten dien einde aangewend, voor te

C raagen, derzelver voeglykheid en waarfchyn-

(ƒ) RENNELL, Mem. p. 114.


WEGENS OUD INDIE. 43

fchynlyk flaagen aan te wyzen, is niet

vreemd van het onderwerp deezes Ondersoeks,

en zal ons een juister denkbeeld,

dan gewoonlyk, doen vormen, van het

oorfpronglyk vernuft en de uitgebreide

Staatkundige Wysheid, waar in deeze vermaarde

man uitvlak.

Toen ALEXANDER Beheerfcher werd

van het Perfijche Ryk, befpeurde hy

vroeg, dat hy, met al de magt van zyne

Erfheerfchappye, verfterkt door de Krygsbenden,

welke de invloed, dien hy ver^

kreegen hadt over alle de Staaten. van

Griekenland, hem in ftaat ftelde daar te

werven, geen hoope kon fcheppen om

Landen, zo uitgeftrekt en volkryk,in onderdaamgheid

te houden; dat, om zyn Gezag

zeker en duurzaam te maaken, 't zelve gevestigd

moest weezen in de genegenheid

der Volken door hem te onder gebragt,

en gehandhaafd worden door hunne Wa?

penen: en dat, om dit voordeel te verwerven,

alle onderfcheidingen tusfchen de

Overwinnaars en de Overwonnenen moesr

ten vernietigd , en zyne Europifche en

Ajiaüfche Önderdaanen, met elkander, tot

één lichaam gebragt worden: zo dat zy

één Volk waren, door het gehoorzaamen

van dezelfde Wetten, door het aanneemen

van dezelfde Zeden, Inftellingcn en Tugt.

Hoe fchoon dit plan van Sotedsattié

mogt weezen, en welgefchikt tot het bereiken

van .zyn oogmerk, kon niets fneei

aanioopen tegen de begrippen en vooroordeelen

zyner Landsgenooten. De Grieken

koes-

I.

AFDEE'

LINO.


44 O N D E R Z O E K

I. koesterden zulke hoogvliegende denkbeel-

AFDEE . den van de hoogte, tot welke zy waren

LING. opgevoerd, door Befchaafdheid en Wee-

, tenfchap, dat zy de rest des Menschdoms

naauwlyks voor Natuurgenooten fchynen

te hebben willen erkennen. Aan alle andere

Volken gaven zy de vernederende benaaming

van Barbaaren, en beweerden,

in gevolge van hunne eigene hooggeroemde

meerderheid, het regt van Heerfchappy

over hun te bezitten, op dezelfde wyze

als de Ziel over het Lichaam heerscht,

en de Mensch over de onredelyke Dieren.

Hoe buitenfpoorig deeze aanmaatigingons

nu moge voorkomen, dezelve vondt, tot

fchande der oude Wysbegeerte, ingang in

alle de Schooien. AR isÏ OTE LE s, vervuld

met dit gevoelen, tot welks onderfchraaging

hy bewyzen, die eer fyngefponnen

dan bondig mogen heeten (g), bybrengt,

raadde ALEXANDER de Grieken

als Onderdaanen. en de Barbaaren als

Slaaven te beheerfchen, de eersrgemelden

als Medegenooten, de laatstgenoemde als

Schepzels van een minderen rang aan te

merken (h) Maar de gevoelens van den

Kweekeling waren min bekrompen dan die

zyns Leermeesters, en zyne ondervinding,

in het beheerfchen der Menfchen, leerde

den Monarch, wat de hefpiegelende

Wcetenfchap yan den Wysgeer niet ontdek- -

te.

f» AR is TOT. Folit. F. c. 3 — 7.

O) Pr, UT. de Fortuna Alex. Orat. I p. 30".

VOL Vil. Ed. Reisie. STRABO, Lib. I. p. 116 A.


WEGÉNS O U D I N D I E . 45

te. Korten tyd naa de overwinning van I.

Arbela,namen ALEXANDER, en, op zyn AFDEEaanraaden,

veelen zyner Krygsbevelhebbe- LING.

ren, de Perfifche Kleeding aan, en fchikten

zich naar veele hunner Gewoonten.

Ten zelfden tyde zette hy de Perfifche

Edelen aan om de Zeden der Macedoniëren

té volgen, de Griekfche taal te leeren,

en fmaak te vinden in de fchoonheden

der fraaije Schryveren in die taaie,

toen algemeen beoefend en bewonderd.

Om de vereeniging volkomener te maaken,

befloot hy eene der Dogteren van DA­

RIUS te trouwen, en koos Vrouwen voor

honderd " zyner voornaamfle Officieren, uit

de aanzienlykfte Perfifche Familien. Hunne

Egtverbintenisfen werden met veel

pragts en feestlykheids gevierd, tot groote

blydfchap des overwonnen Volks. In naavolging

dier voorbeelden, trouwden meer

dan tien duizend Macedoniërs, van minder

rang, Perfifche Vrouwen; aan elk deezer

gaf ALEXANDER een Huwelyksgefchenk,

ten blyke van zyne goedkeuring

huns gedrags (i).

[ALEXANDER was zo zeer bedagt,

om deeze vereeniging zyner Onderdaanen

Volkomen te maaken, dat men, naa zynen

dood, onder andere grootfche plans door

hem ontworpen, een befluit vondt, om

verfcheide nieuwe Steden te bouwen, ee-

. 3 ni-

T) ARRIAN. Lib. VIL c. 4. PLUT. de Fort.

Ahx p 304.


O N D E R Z O E K

t nige in Afia, en eenige in Europa, dia

AFDEE- in Afia mee Europeaanen, en die in Eu­

LING. ropa met Afiaanen, te bevolken, „ ten

„ einde door hun over en weder trou-

„ wen, en het uitwisfelen van goede dien-

„ ften, de Inwoonders van deeze twee

„ groote Landen, allengskens, eene gelyk-

„ heid van gevoelens mogten krygen, en

aan elkander door onderlinge toegene-

„ genheid verbonden worden" (£).]

Onophoudelyk arbeidde ALEXANDER

öm zyne Europifche en Afiatifche Onderdaanen

door de onverbreeklykfte banden

aan elkander te hegten; dan hy liet de

zekerheid zyner nieuwe vermeesteringen

niet geheel daar op aankomen. In elk

Land, door hem te ondergebragt. koos hy

bekwaame Standen , waar hy Steden bouwde

en verfterkte; in deeze plaatlle hy bezettingen

i, deels beflaande uit zodanige

Inboorelingcn, als zich naar de Griekfche

Zeden en tugt fchikten, deels uit zulken

zyner Europifche Onderdaanen, als afgemat

waren door de vermoeienisfen van den

Krygsdienst, en na rust baakten in een

beftendig verblyf. Deeze Steden waren

menigvuldig, en dienden niet alleen als

een keten van posten, om de gemeenfchap

tusfehen de onderfcheide Landen zyner

Heerfchappye te bewaaren; maar als Sterkten

om het vermeesterde Volk in vrees

. ik) DIOD srcuL Lib XFIIL c. 4. Dit is de

VII Aantekening van ROBERTSON.

en


WEGENS O U D I N D I E . 47

en bedwang te houden. Dertig duizend I.

zyner nieuwe Onderdaanen in deeze Ste- , i.FDSEden

geoefend, en naar de Europifche wy­ LING.

ze gewapend, vertoonden zich voor ALEX- .

ANDER, te Sufa, en werden door hem

gevormd in dat gedrongen en vast lichaam

van Voetknegten, by den naam van de

' Phalanx bekend, 't welk de fïerkte van

een Macedonisch Leger uitmaakte. Maar,

om zeker te gaan van het gezag over deeze

nieuwe Krygsbende, en dezelve kragtiger

te doen werken, bepcialdehy, dat eik

Bevelhebber, 't zy hooger of laager van

rang, een Europeaan zou weezen. Naardemaal

het menschlyk vernuft, in dezelfde

omftandigheden, natuurlyk de toevlugt neemt

tot dezelfde hulpmiddelen, hebben de Europifche

Mogenheden, die tegenwoordig

in hunne Indifche Gewesten een groot

aantal Inboorelingen in Krygsdienst neemen,

dezelfde grondregels in bet oprigten

der Troepen gevolgd; en, waarfcbynlyk

zonder zulks te weeten, hunne Battalions

Scapoys gevormd, op dezelfde beginzelen

als A L E X A N D E R zyn Phalanx

van Perfiaanen.

Hoe verder A L E X A N D E R zyne Overwinningen

voortzette aan de oevers v?.n

den Euphraat, welke aangemerkt mogen

worden als het middelpunt zyner Heerfchappye.

vondt hy het noodig een grooter

getal van Steden te bonwen , en te

verfterken. Verfcheide deezer, ten Oosten

en ten Zuiden van de Caspifche Zee,

worden door de oude Schryveren vermeld

:


t.

AFUER-

LING.

48 O N D E R Z O E K

mëlds cn in Indie zelve ftigtte hy twee

Steden op de oevers van de Hydaspes,

en een derde aan die van de Acefmes,

beide bevaarbaare Rivieren, die, naa derzclver

Stroomen vereenigd te hebben, in

den Indus vallen (7). — Uit de keus dier

Standplaatzen is het blykbaar, dat hy ten

oogmerke hadt, eene gemeenfchap met

Indie open te houden, niet alleen te land,

maar ouk ter zee. 't Was voornaamlyk

met uitzigt op dit laatfte, dat hy, (gelyk

ik reeds heb aangemerkt,), de vaart van

den Indus met zo veel naauwkeurigheids

on-

(7) Het fchynt een algemeen aangenomen gevoelen,,

dat ALEXANDER niet meer dan twee Steden

in Indie bouwde, Nic^ea en Btic phalia, gelegen

aan de Ilydaspes, de tegenwoordige 'Ckelum, en dat

CRATERUS het opzigt hadt over beider bouwing,;

Maar het is openbaar uit ARRIAN. Liki F. Cap.

tilt , dat hy eene derde Stad fligtte aan de Acefines,

nu de Jenaub,onder het beftuur van HÉPIIESTION;

en, indien het zyn oogmerk ware, om het bewind

over het Land te houden,' fchynt etne verfterkte

plaats, aan een der Rivieren ten Zuiden van de

Ilydaspes, ter bereiking daar van, noodig geweest

te zyn. Dit gedeelte van Indie is, in de laatfté

tyden, zo weinig bezogt, dat men,met gee'ne moge-'

lykheïd, de nette ligging dier Steden konne aanwyzen.

Indien p. TIEFFENTHALER grond heeft voor

zyne gisfing, dat de Rivier, thans Rauvee geheeten,

de Actftnes van ARRIANUS is, BERNOUILLI, Vol.

F. p. 39, wordt het waarfchynlyk, dat deeze Stad

niet verre- van Lahore gebouwd was, een der gewigtigfie

plaatzen in dat gedeelte van Indie, en, in de

dyeen Ahbery , voor een Stad van zeer hooge oudheid

opgetekend. Maar RENNELL geeft, myns oor'ieels,

goede redenen op, om te veronderftellen, dat

la Jenaub de Acefines der Ouden is.


WEGENS OUD INDIE. 49

onderzogt. Met het zelfde oogmerk be­

zag hy, by zyn wederkeeren van Sufa,

in perfoon, den loop van den Euphraat en

Tiger, en gaf last tot het wegneemen der

dammen , dje de oude Monarchen van

Perfie, daar toe aangezet door een byzon-

der voorfchrift van hunnen Godsdienst, 'i

welk hun geboodt met de uiterfle zorgvuf

digheid zich te wagten voor het befmetter

van een der Hoofdftoffen, gelegd hadder I

by de monden deezer Rivieren, om hunnei l

Onderdaanen den toegang tot den Oceaai

te beletten (nf). Door de Zeevaart in dee

ze r •

Cm") ARRIAN, Lib. Vï. c. 7. STRAB. Lib. XV

p. 1074. De Godsdienftige zwaarigheden , welke d a

Per feu maakten om eene reis ter Zee te doen, ware i

by de Ouden bekend. P L I N I U s verhaalt, van ee 1

der Magi, door TIRIDATES na Keizer NERO te 1

Gezant gezonden: Navigare nolwrat quoniam ez

fpuere in Maria, aliisqtie tnortalium necesfitatibu t

violare naturam eam, fas non putant. Nat. Hisi

Lib. XXX. c. 2. Deeze afkeer van de Zee ftrekte 1

zy zo verre uit, dat, volgens de waarneeming va 1

een welonderrigten Gefchiedboeker, geen Stad va |

eenige bedüidenis in hun Ryk aan den Zeekant g<

bouwd was; AMMIAN. MARCEL. Lib. XXIII. c. (

Wy leeren uit Dr. HYDÊ, hoeonmiddelyk deezedenl

beelden verbonden waren met de Leerftellingen vr rt

ZOROASTER, Rel. Vet. Pcrf. Cap. VI. In alle c e

Oorlogen der Perfen met Griekenland, beftonden c d

vlooten van den Grooten Koning, geheel en al, 11 it

Schepen verfchaft door de Pheniciers, Syriers, t .e

vermeesterde Landfchappen van Klein Afia, en < le

nabygelegene Eilanden. HERODOTUS en DIOD<

RUS SICULUS vermelden hoe veel ieder Land o

bragt om de vloot zamen te ftellen van twaalf ho 1'derd

Schepen, met welke XERXES in Griekenlai

viel, en onder deeze is 'er geen één aan Perfie t $

hoorende. Hier by is het niet ongepast óp te m<

e-

D ke

;f-

I

I.

AFDEE-

LING.


U

5o O N D E R Z O E K

zer voege te openen, ftelde ALEXANDER

AFDEE - zich voor , dat de kostbaare Koopwaaren

LING. van Indie uit de Perfifche Golf zouden ge-

- voerd worden , in de binnenfte gedeelten

van zyne Afiatifche Heerfchappyen, terwyl

dezelve, over de Arabifche Golf, na Alexandrie

zouden gaan, en van daar verder

de wereld door.

Hoe groot en wydftrekkend deeze ontwerpen

ook mogten weezen , de voorzorgen

genomen , en de fchikkingen gemaakt om

ze te volvoeren, waren zo veelvuldig en

zo goed, dat ALEXANDER reden te over

hadt , om op een gelukkigen uitflag te

hoopen. Ten tyde dat de muitzieke geest

zyner Krygsknegten hem noodzaakte zyne

Krygsverrigtingen in Indie te ftaaken, hadt

hy den ouderdom van dertig jaaren nog niet

bereikt. In dit onderneemvolle tydvak des

leevens, moest een Vorst, van een zo werkzaamen

, volftandigen en onvermoeiden

aart,

ken, dat, volgens HERODOTUS, wiens gezag onbetwistbaar

is in dit ftuk, de Vloot onder het bevel

ftondt van ARIABIGINES, een Zoon van DARIUS,

die verfcheide Satrapen van hoogen rang onder zyn

bewind hsdt; Perfen zo wel als Meden dienden als

Soldaaten aan boord, HEROD. Lib. VII. c. 96. 97,

Door welke beweegredenen, of op welk gezag, zy aangezet

werden, in deezer voege te handelen, kan ik

niet verklaaren. Ter oorzaake van eenige GodsdienlUge

zwaarigheden, gelyk aan die der Perfen, weigeren

veelen der Inboorlingen van Indostan , heden

ten dage, aan boord van een Schip te gaan of ter Zee

te dienen, en nogthans hebben, in zommige gevallen,

de Seproys, in dienst der Europifche Mogenheden ,

deeze fchroomvalligheden overwonnen, ;


WEGENS O U D I N D I E . 51

aart, welhaast middel gevonden hebben, I.

om een geliefd plan, lang bedoeld, te AFDEEhervatten.

Indien hy Indie ten tweede L1NG.

maale hadt aangevallen, zou hy, als de

eerfte keer, niet in de noodzaaklykheid

geweest zyn , zich den weg te baanen

door vyandlyke en onbezogte Gewesten,

by eiken flap opgehouden door Volken en

Staramen van Barbaaren, wier naamen

nooit in Griekfche ooren klonken. Geheel

Afia van de Stranden der Jonifche Zee,

tot de oevers van de Hyphafis, was dan

aan zyne Heerfchappye onderworpen geweest

; en door die verbaazende uitgeftrektheid

Lands, hadt hy zulk een aantal

Steden of verfterkte Plaatzen (/z) gebouwd

,

(V) De Heer LE BARON de SAINTE-CROIX

fchynt, in zyne verftandige en geleerde Critique des

Historicns d'Alexandre le Grand, p. 96, eenigen

twyfel te koesteren, ter aanziene van het getal der

Steden, welke ALEXANDER gezegd wordt gebouwd

te hebben. PLUTARCHUS,


5* O N D E R Z O E K

I. bouwd, dat zyne Legers met veiligheid

AFDEE - hun optocht zouden hebben kunnen voort­

LINO. zetten , terwyl zy een geregelde opvolging

. van Voorraad-verzamelplaatzen tot leevensonderhoud

vonden. Ook zou het ALEX­

ANDER niet bezwaarlyk gevallen zyn

om eene Legermagt te veld te brengen,

fterk genoeg om een Land, zo uitgeftrekt

en volkryk als Indie, te vermeesteren.

Zyne Onderdaanen in 't Oosten, gelyk

zyne Europifche, in Krygstugt opgèbragt

hebbende, prikkelde hun gewis de eerzugt

om hunne Onderwyzers na te volgen en

te evenaaren: en ALEXANDER ZOU niet

alleen Volk geworven hebben in de beperkte

Landfchappen van Macedonië en

Griekenland, maar in de wydflrekkende

Ryken van Afia, 't welk, door alle Eeuwen

heen, met talryke Legerbenden, den

Aardbodem bedekt en het Menschdom verbaasd

Schoon de Grieken, bezield met liefde tot de Vryheid

en vnn hun Vaderland, weigerden zich in het

Perfisch Ryk neder te zetten, terwyl het onder de

Heerfchsppy flondt der Perfifche Monarchen, zelfs

wanneer zy daar toe door het uitzigt op groote voordeden

werden uitgelokt veranderde, gelyk de Heer

DE SAINTE-CROIX aanmerkt, dit geheel, toen dat

Ryk onderworpen was aan de Griekfche Heerfchappy ,

en zy zich daar , niet als Onderdaanen , maar als

Meesters, konden nederzetten. Beide ALEXANDER,

en diens Opvolgers betoonden veel oordeels in de

keuze der plaatzen, waar zy hunne Steden bouwden.

Seleucia, door SELEUCUS gegrondvest, moest voor

Alcxandria alleen onderdoen in getal van Inwoonderen

, Rykdom en aangelegenheid; Mr. G I B-

BON, Vol. I. p. 250. M. D'ANVILLE, Mem. ie

Litterat. XXX.


WEGENS OUD INDIE. 53

baasd heeft. Warneer hy arm 't hoofd Ti

van zulk een ontzagiyke magt de Grenzen ^FnEEvan

Indie bereikt hadr. moge hy die be­ LtNG.

treeden hebben in omftandigheden, wyd

verfchillende van die op zyn eerften Tocht.

Hy hadt daar een vasten voet, deels door

de Bezettingen, welke hy liet in de dre

Steden door hem gebouwd en verfterkt;

deels door zyn Verbond met TAXILES

en v o RUS. Deeze twee Indiaanfche

Vorflen, gewonnen door A L EX AN D E R'S

menschlievenheid en weldaadigheid, die,

daar zy deugden waren, in de oude wyze

van Oorlog voeren zeer zeldzaam ten

toon gefprèid, een hooger maat van bewondering

en dankbaarheid verwekten, waren

getrouw gebleeven in hunne verknogtheid

san de Macedoniërs. Verfterkt door

hunne Krygsbenden, en geleid door hun

onderrigt," zo wel als door eigen ondervinding

opgedaan in vroegere Veldtochten

, zou A L E X A N D E R een fchielyken

voortgang gemaakt hebben in een Land,

waar elk Invaller, van zyn tyd af tot heden

toe, gelukkig gedaagd is.

Maar dit, en alle zyne andere fchirtorende

ontwerpen, liep op eens ten einde,

door zynen vroegtydigen dood. Nia deezen

egter, vielen 'er Gebeurtenisfen voor,

die de juistheid der even opgegeevene befpiegelingen

ophelderen en bekragtigen,

door de treffendfte en voldingendfte blykbaarheid.

Toen dat groote Ryk, *t welk 't

verheeven verftard van ALE X A N DE R vereenigd

en in onderdaanigheid gehouden

D 3 hadt.


54

O N D E R Z O E K

I. hack, niet langer zyn bedwingend opzigt

AFDEE- gevoelde, werd het gefcheurd, en de on-

LING. derfcheide Landfchappen werden aanvaard

door zyne voornaatnfte Bevelhebberen, en

onder hun verdeeld. Uit eerzugt, nayver

en perfoonlyke veete, wendden zy welhaast

de Wapenen tegen elkander: en dewyl

verfcheide deezer Opperhoofden zeer

uitftaken in Staat- en Krygskunde , duurde

de twist lang, en werd met veel kansen

lot-wisfelingen voortgezet. Te midden

van deeze veelvuldige fchokken en

Omwentelingen daar door veroorzaakt, bevondt

men, dat de maatregels,door ALEX­

ANDER genomen, tot behoudenisfe zyner

vermeestei ingen, met zo veel fchranderheid

beraamd waren, dat, naa de eindelyke

herftelling der ruste, de Macedonifche

ïleerfchappy gevestigd bleef in elk gedeelte

van Afia, en geen een Landfchap

hadc het juk afgefchud. Zelf Indie, hec

verst afgeleegen Land der vermeesteringen

van ALEXANDER, bleef gerust onderworpen

aan PYTHO, den Zoon van

A G E N o R , en vervolgens aan SELEUCUS,

die elkander in de beheerfching, over dac

gedeelte van Afia, opvolgden. Po RUS

en T A x i L E s weeken , niet tegenflaande

het overlyden huns Weldoeners, niet af

van hunne onderwerping aan het Gezag

der Macedoniëren, en deeden geene pooging

altoos tot het herkrygen hunner onafhangelykheid.

Geduurende de hoogloopende gefchillen,

over Magc en Meesterfchap, onder

de


WEGENS OUD INDIE. 55


$$ O N D E R Z O E K

bezitten (o). Maar wy kunnen, op zyn

AFDEg- getuigenis, indien het niet door anderen

LINO. bevestigd wordt, geenzins afgaan. PLU-

ÏARCHUS fchynt te beweeren, dat SE­

LEUCUS diep in Indie doordrong; doch

die agtenswaardige Schryver fteekt meer

uit in keurige Charactertrekken op te leveren

, en de gelukkige keuze der omftandigheden,

die dezelve onderfcheidend

kenmerken, dan in de keurigheid zyner

Gefchiedkundige nafpeuringen. PLINIUS,

wiens gezag meer afdoet, fchynt het als

zeker aan te merken, dat SELEUCUS met

zyne Wapenen doordrong in de Landfchappen

van Indie, door ALEXANDER nooit

bezogt (p). De plaats, in welke hy

daar van /preekt, is eenigzins duister;

doch fchynt in te fluiten, dat SELEU­

CUS opgetrokken was van de Hyphafis

tot den Hyfudrus, en van daar na Palibothra,

en verder na den Mond van de

Ganges. De afftanden van de voornaamfte

Posten, op deezen Tocht, bedraagen

£244 Romeinfche Mylen. In deezen zin

verftaat de Heer BAYER de woorden

van PLINIUS (q); doch bet komt my

hoogst onwaarfchynlyk voor, dat de Krygstocht

van SELEUCUS, na Indie, lang genoeg

geduurd konne hebben, om tyd te

CO JUSTIN. Lib. XF. c. 4.

i ?« 37*

vin-

OJ PLIN. Nat. Hist. Lib. VI. c. 17.

fy) MAYBR, Mist. Rcgni Gracorum Ba&riani.


WEGENS OUD INDIE. S7

vinden tot verrigtingen van zulk eene uitgeilrektheid.

Was SELEUCUS zo verre

in Indie gekomen als de Mond van den

Ganges, dan zouden de Ouden eene naauwkeuriger

kennis van dat gedeelte des Lands

gehad hebben, dan blykt dat zy ooit bezaten

(>)•]

Wat hier van ook zyn moge, SELEU­

CUS zou waarfchynlyk veel verder gegaan

zyn , indien hy zich niet genoodzaakt

gevonden hadt, het voortzetten van deezen

loop te eindigen, om zich aan te

kanten tegen AN TIGONUS, die zich toerustte

om de Landen, aan SELEUCUS

onderworpen, aan de fpitze van eene ontzaglyke

Legermagt aan te tasten. Eer hy

zyn Optocht na den Euphraat begon,

floot hy een Verdrag met SANDRACOT-

T u S ; in gevolge, waarvan die Monarch

het Koningryk, door hem verkreegen,

gerust behieldr. Maar de magt en de bezittingen

der Macedoniër en fchynen ongefchonden

gebleeven te zyn, geduurende

de Regecring van SELEUCUS, die twee

en veertig Jaaren , naa den dood van ALEX­

ANDER, een einde nam.

Met oogmerk om eene vriendlyke gemeenfchap

met SANDRACOTTUS aan te

kweeken, koos SELEUCUS een Bevelhebber,

M AGAST HEN ES geheeten, die ALEX­

ANDER op den Tocht na Indie vergezeld

r» Dit is de XI Aantekening van den Heer RQ-

11R T S O N.

D 5

I.

AFDEE-

LING.


AFDEE

58 O N D E R Z O E K

I. zeld hebbende, eenige kennis- van het

LtNG.

- Land en de Zeden der Inboorelingen bezat

, en zondt deezen als Afge/ant na Pa-

. libothra (V). In deeze wydberoemde Hoofdftad

van de Prafy, aan de oevers van de

Ganges gelegen, onthieldt zich M A G AS-

T H E NES verfcheide Jaaren, en was, naar

allen fchyn, de eerfte Europeaan, die immer

deeze groote Rivier befchouwde, dezelve

overtreft alle andere in de Oude

Wereld, in uitgeftrektheid (7), en is niet

min uitfteekend van wegens de Vrugtbaarheid

der Landftreeken, door weike zy

heenen vloeit. — Deeze Reis van MAGAS-

T H E N ES , na Palibothra, fchonk den Europeaanen

kundigheid aan een wyduitgeftrekt

Land , waarvan zy voorheen niets wisten :

want A L E X A N D E R toog Zuid - Oostwaards

niet verder op , dan tot dat gedeelte

van de Rivier Hydraotes of Rauvee,

waar de hedendaagfche Stad Lahore ligt,

en Palibothra, welks ligging ik als eene

groote hoofdzaak in de Aardrykskunde van

Oud Indie, met alle aandagt heb nagegaan,

fchynt

(V STRASO, Lib. ff. p. 121. &c. ARRIAN.

Hist. hid. pasfira.

Qtj RENNELL geeft 'er ons een verheeven

denkbeeld van, door ons te berigten, „ dat de Gan-

„• ges , naa dat dezelve voortgefprooten is in een

„ bergagtig land, waar door zy meer dan acht hon-

„ derd mylen loopt, Mem. p. 233, onder het ftroo-

„ men door de vlakten, elf Rivieren ontvangt, van

„ welke eenige zo groot zyn als de Rhyn, en geene

,, kleinder dan de Theems , behalven veele andere

„ van minder beduidenisfe, p. 257.


WEGENS OUD INDIE. 59

fchynt my toe dezelfde Stad te weezen met

de hedendaagfche Stad Allahabad, by den

zamenloop der twee groote Rivieren Jumma

en Ganges (v). Naardemaal de weg van

La-

00 In het bepaalen der ligging van Palibothra ,

heb ik het gewaagd van den Heer RENNELL te ver»

fchillen , en dit doe ik met wantrouwen. Volgens

STRABO was Palibothra gelegen aan de vereeniging

van de Ganges, met eene andere Rivier, Lib. XF. p.

1028. A. ARRIANUS is hier over nog uitdruklyker.

Hij plaatst Palibothra aan de zamenvloeijing van de

Ganges en de Erranaboas, welke laatfte hy befchryfc

als kleinder dan de Ganges en de Indus; maar grooter

dan eenige andere bekende Rivier; Hist. Ind. c. IOJ

•Deeze berchryving der ligging ftrookt volmaakt met

die van Allahabacl. P. BOUDIER, aan wiens waarneemingen

de Aardrykskunde van Indie veel verfchuldigd

is, zegt-, dat de Jumna, by haare vereeniging

met de Ganges, hem in grootte niet minder voorkwam

dan die Rivier; D'ANVILLE Antiq. de Pinde. p. 53

Allahabad is de naam aan die Stad gegeeven dooi

den Keizer AKBAR, die 'er een fterk Kafteel oprigtte

van 't welk wij een fraaije aftekening hebben , uitge

geeven door Mr. HODGES, NO. IF. of his SeleL

Fiemvs in India. De oude naam, by welken zy noj

bekend is onder de Hindoos, is Praeg of Piyag, ei [

het volk des Landfchaps wordt Praegi geheeten; ' :

'welk eene fterke overeenkomst heeft met Prafy, d<

•oude benaaming des Koningryks waar van Palibothiu [

de Hoofdftad was; p. TIEFFENTHALER cte BER

NOUILLI. Tom. I. p. 223. D'ANVILLE, p. 56

Allahabad is zulk eene bekende zetel van de Gods

dienftigheid der Hindoos, dat zy den naam draag

t

van de Koning der Godsdienflig vereerde Plaatzen

D e

Ayeen Akbery, Vol. I'. p. 35- grond daa r

„ omheenen, tot de uitgeftrektheid van veertig mylen

„ wordt voor heiligen Grond gehouden. De Hin

„ doos gelooven , dat, wanneer iemand te deezer plaai

„ ze fterft, hy in zyne naastvolgeude wedergeboort

ontvangen zal wat hij wenscht. Schoon zy leeraf

„ rei

I.'

AFDEE­

1

LING.


6a O N D E R Z O E K

T. Lahore na Allahabad door eenige der

AFDEE . bestbebouwde en ryklle Landfchappen van

LING.

In-

,. ten lat Zelfmoord in 't algemeen door pynigen hier

„ n: naals zal geftraft worden, merken zy het nog-

„ thans als verdienstlyk in iemand aan, dat hy zich

„ te Allahabad doode ; Ayeen Akbery , Vol. III.

p. 256. P. TIEFFENTHALER. befchryft de onderfcheide

Voorwerpen van Godsdienftig Eerbetoon

te Allahabad, die nog met groote eerbiedenisfe bezogt

worden door een onnoemlyk getal Bedevaartgangeren;

BERNOUILLI, Tom. % 224. Uit alle

deeze omftandigheden mogen wy opmerken, dat Allahabad

eene plaats is van hooge oudheid, en dezelfde

legging heeft met het oude Palibothra.

De Heer RENNELL vondt zich bewoogen om

Palibothra dezelfde ligging te geeven met Patna,

voornaamüjk om deeze twee redenen. — Vooreerst

om dat hy verftaan hadt, dat, op of naby de plaats

waai Patna Iag,oudtyds eene zeer groote Stad geweest

was , Patelpoot - her of Patalipputra geheeten, 't

welk zeer gelykt naar den ouden naam Palibothra.

Schoon er thans geene zamenloop van twee Rivieren

te Patna is, kreeg hy berigt, dat de vereeniging van

de Soar.e met de Ganges, thans twee en twintig mylen

boven Patna, voorheen onder de wallen dier Mad

ware. De Rivieren in Indie veranderen zomtyds

derzelver loop op eene zonderlinge wyze , en "hy

brengt eenige treffende voorbeelden van zulke ftroomverleggingen

by. —— Maar, eens toegeftaan zynde,

dat de berigten der Inwoonderen, wegens de verandering

in den loop der Soane, volkomen nauwkeurig

waren, twyfel ik wel zeer of het berigt van A R R I A N U S ,

wegens de grootte der Erranaboas toepasfelyk zon

wezen op die Rivier; zeker zo juist niet als op de

Jumna. - Ten tweeden, fchynt de Heer RE NNELL

eenigermaate tot dit befluit bewoogen door den Wegwyzer

van PLINIUS, of de Tafel der afftanden Van

Taxila, (het hedendnagfche Attock) tot den mond

van de Ganges, Nat. Rist. L. II. c. 17. Doch de

afftanden daar in zyn zo onnaruwkeurig, en , in zommige

gevallen , zo tastbaar verkeerd, dat niemand 'er

zich


WEGENS OUD INDIE. 61

Indie loopc, rees het denkbeeld van de waar­

de des Lands, naar gelange men het na­

der leerde kennen. Diensvolgens maakte

't geen MEGASTHENES op zyne Reis

na Palibothra, en geduurende zyn ver-

blyf te dier Stede, waarnam, zulk een in­

druk op zyn hart, dat hy zich opgewekt

vondt om een breed Verhaal van Indie

uit te geeven; ten einde, by zyne Lands-

genooten, een diepgaander indruk van de

aangelegenheid deezes Gewests te wege te

brengen. Uit zyne Schriften fchynen de

Ouden meest al hunne kennis, wegens den

inwendigen Staat van Indie, ontleend te

hebben; en de vergelyking der drie breed-

fte Vernaaien deezes Lands, van DIODO­

RUS

zich met zekerheid op kunne verlasten. Daarvolgem

is Palibothra vier honderd en vyf en twintig mylet

beneden den zamenloop van de Jumna en Ganges ge

i

legen. De daadlyke afftand egter tusfchen Allahabac*

en Patna is niet meer dan twee honderd Britfche my

len. Van een zo groot verfchil kan men geen reder l

geeven , zonder een grooten misflag in den wegwy

zer te veronderftellen ; of dat de plaats der zamen

vloeijing van de Jumna met de Ganges eene veran

dering ondergaan hebbe. Voor de eerfte deezer ver

onderftellingen is (in zo verre ik weet) geen geza{

uit eenig Handfchrift ontleend , en voor de laatib

fpreekt geene overlevering. De Heer RENNELL heef t

de redenen bygebragt, welke hem bewoogen om d

legplaats van Palibothra met die van Patna voo r

dezelfde te houden, Mem. p. 49 — 54- Eenige de r

tegenwerpingen, welke hem gemaakt zouden kunne i

worden, heeft hy voorzien, en getragt op te losfen

en , naa alle- wat ik 'er heb bygevoegd, zal het m

i

niet verwonderen, indien myne Leezers, in dit Aan V

rykskundig gefchil, eer tot de zyde van RENNKLI

dan de myne,overgaan.

I.

AFDEE-

LING.


I.

AFDEE-

LING.

6z O N D E R Z O E K

RUS SICULUS, STRABO en ARRIANUS,

toont duidelyk, door de groote gelykheid,

dat zy de woorden van hem nafchreeven.

Maar, ongelukkig, was MEGASTHENES

zo zeer op het wonderbaare gefield, dac

hy de waarhéden, door hem verhaald, mee

veele buitenfpoorige vercieringen vermengde.

Tot hem klimmen de Fabelagtige

Verteïtingen op, van Menfchen met ooren

zo lang dat zy 'er zich in konden inwinden,

van andere met één oog, zonder

mond, zonder neus, met een langen

voec en agterwaards gekromde teenen,

van een Volk drie fpannen hoog, van

wilde Mannen met hoofden in de gedaante

van een wigge, van Mieren zo groot als

Vosfen, die goud opdolven, en veele andere

even wonderbaare dingen (w). De

Uittrekzels uic zyn Verhaal , ons door

STRABO, ARRIANUS en andere Schryvers

, naagelaaten , fchynen niet geregtigd

tot eenig geloof, indien zy geen fleun

krygen door inwendige baarblyklykheid,

en bevestigd worden door het geheugenis

van andere oude Schryveren, of zamen-

[temmen mee de ondervinding van laatere

Jagen.

Hec berigt, nogthans, door MEGAS­

THENES gegeeven, van de Afmeetingen

ïn Aardrykskunde van Indie, is keurig en

'uist. Zyne befchryving van de Magt en den

Hykdom der Prafy gelykt volkomen op

die

0*0 STRABO, Lib. XX. p. 1032. A. 1037. C.


WEGENS OUD INDIE. 6*3

die zou hebben kunnen vervaardigd worden,

van eenige der groote Staaten in het

hedendaagsch Indostan, vóór de vastflelling

der Mahomedaanfche of Europifche magt

in Indie , en ftemt overeen met de befcheiden

, welke A L E X A N D E R wegens die

Volk ontvangen hadt. Hy kreeg tyding, dat

zy gereed ftonden om hem wederftand te

bieden aan de oevers van de Ganges , met een

Leger, beltaande uit twintig duizend Ruiters,

tweemaal honderd duizend voetknegten

, en twee duizend gewapende wagens (x);

en MAGASTHENES verhaalt, dat hy gehoor

hadt by SANDRACOTTUS, op een plaats,

waar deeze gelegerd was met een Leger van

vier honderd duizend man (jy). De verbaazende

grootte, welke hy toefchryft aan Pa'

libothra, als niet minder dan tien mylen in

de lengte, en twee mylen in de breedte haaiende

, omringd door muuren , op welke

men vyfhonderd en zeventigToorens telde,

en in dezelve vier en zestig Poorten, zou

misfehien door de Europeaanen gerekend

worden onder de wonderen, in welker verhaal

hy zo veel vermaak fchiep , indien

zy thans niet wel onderrigt waren van

de ruime wyze, waar op de Steden in

Indie gebouwd zyn,en niet met zekerheid

wisten, dat dit Land, in vroegeren tyde

zo wel als tegenwoordig, mogt roemen

op

(V) DIOD. SICUL. Lib. XVII. p. 232. Q. CURT.

'Lib. IX. c. 2.

(y) STRABO, Lib. XV. p. 1035. C.

I.

ftFDEE-

LING.


I.

AFDEE-

LING.

64 O N D E R Z O E K

op Steden van nog grooter uitgeftrekt*

heid (z).

DitGezantfchap van MEGASTHENES by

SANDRACO TTUS en een ander van D AI-

MA cHUs, by diens Zoon en Opvolger

A L L I T R O C H I D A S , zyn de laatfte verrigtingen

van de Syrifche Monarchen met

Indie, waar van wy eenig berigt hebben.

[Want ik zal niet fpreeken van den

kortflondige inval in Indie door ANTIO-

CHUS DEN GROOT EN , omtrent honderd

negen en zeventig jaaren laater dan die zyns

Voorzaats SELEUCUS. Wy weeten niets

meer van deeze Krygsverrigting , dan dat

de Syrifche Monarch, naa den oorlog dien

hy voerde tegen de twee aan 't muiten

llaande Landfchappen Parthia en BaEtria

geëindigd te hebben, Indie introk, en den

vrede fluitende met SOPHAGASENUS, een

Koning des Lands , van hem een aantal

Olyphanten, en een fomme Gelds, ontving

(a). ] — En kunnen wy met geene

zekerheid den tyd bepaalen, of de wyze

befchryven , waar op de bezittingen der

Syrifche Vorften in Indie hun ontnomen

werden, 't Is waarfchynlyk dat zy zich genoodzaakt

vonden dit Land , korten tyd

naa den dood van SELEUCUS, te verhaten

(b~).

Maar,

(z) RENNELL, Mem. eg. 50.

(a) POLYB. Lib, X. p. 597. &c. Lib. XI. p.

561. Ed. Cafaub. JUSTIN. Lib. XF. c. 4. BAYER,

Hist. Regn. Greecor. Bactr. p. 69. &c. Dit is da

XIV Aant. van ROBERTSON.

(£) JUSTIN. Lib. XF. c. 4.


WEGÉNS O U D I N D I E . 65

Maar, fchoon de groote Monarchen van i.

Syrië, omtrent dit tydperk, deeze Land- AFDEE'

fchappen in Indie, welke aan hunne Heer LING.

fchappy onderworpen geweest waren, ver-

Iooren, onderhielden de Grieken in een

kleinder Koningryk, zamengefteld ^uit eenige

overblyfzels van ALEX» NDËR'S Ryk,

nog eene gemeenfchap met Indie, en deeden

'er zelfs eene vry groote landaanwinning.

Deeze beftondt 'in het Koningryk

Bactria , oorfpronglyk toebehoord hebbende

aan SELEUCUS; doch zynen Zoon,

of Kleinzoon, ontweldigd, en tot een onafhangelyken

Staat gemaakt, omtrent negen

en zestig Jaaren naa den dood van ALEX-*

ANDER. Wegens dit Koningryk, moeten

wy ons te vrede houden, met eenige onvolkomene

aanduidingen, uit de oude

Schryvers, op te zamelen. Uit deezen

leeren wy dat de Handel van 't zelve met

Indie groot was; dat de Vermeesteringen

der Bactriaanfchc Koningen in dat Land

uitgebreider waren dan die van A L E X A N ­

DER zelve, en in 't byzonder, dat zy

het bezit herkreegen van de Landftreek

naby den mond van den Indus , door

A L E X A N D E R vermeesterd (V). —- Elk

der zes Vorften, die in Bactria heerschten

, volvoerden hunne Krygsverrigtingen

in -Indie met zo veel geluks, dat zy diep

in 't harte


I.

AFD2E-

LING.

66 O N D E R Z O E K

trots op de Overwinningen, welke zy behaald

hadden, zo wel als op de uitgeiïrekte

Landpaalen hunner Heerfchappye, namen

eenigen hunner den weidsklinkenden tycel

aan van den Grooten Koning; een tytel, die

de ' Perfifche Monarchen onderfcheidde in

de dagen' van hun grootflen luister. - Doch

wy zouden niet geweeten hebben, hoe

lang dit Koningryk van Bactria beflondt,

of op welk eene wyze het een einde nam,

indien de Heer D E GUIGNES de Gefchiedfchryvers

van China niet te hulp geroepen

hadt. om het gebrekkige van de Griekfche

en Romeinfche Schryvers aan te vullen.

Door deezen worden -wy onderrigt, dat,

omtrent' honderd en zes en twintig jaaren

vóór der Christenen Jaartelling, een

magtige hoop Tartaaren uit hun Land op

de grenzen van China verfcheen, en genoodzaakt

Westwaards te gaan door den

aandrang van een talryker lichaam, 't geen

agter hun kwam, de Jaxartes overtoog,

en als "een ortwederftaanbaare watervloed,

in Bactria flortte dat Koningryk overweldigde,

en een einde maakte aan de

Heerfchappy der Grieken te dier plaatze

CV), naa> dat dezelve omtrent honderd

en dertig jaarea gellaan hadt. [Dan eene

Gebeurtenis, terloops door STRABO verhaald,

en die de nafpeurende vlyt van

den Heer DE GUIGNES ontglipt is. Hemt

wonderwel overeen met het verhaal der

Chi-

(d) Mem. de Litir.at. Tom. XXV. p. 17. &c.


WEGÉNS OUD INDIE. 67

Chineefche Schryveren, en bekragtigt het­

zelve. De Grieken, fchryft hy, werden

van Bactria beroofd , door Stammen of

Horden van Scythifche Nomaden , die te

voorfchyn kwamen uit het Land over de

Jaxartes ; en bekend zyn onder de naamen

van Afy, Pafiani, Tachari en Sacarauli

(e). De Nomaden by de Ouden waren

Volken, die, gelyk de Tartaar en, geheel,

of althans grootendeels , als Veehoeders

leefden, zonder zich met den Landbouw

op te houden (ƒ)]•

Zints deezen tyd, tot het afloopen der

Vyftiende Eeuw, wanneer de Portugeefen,

de Kaap der Goede Hoope omzeilende, eene

nieuwe Gemeenfchap met het Oosten

openden, en hunne overwinnende wapenen

in elk gedeelte van Indie voerden, verkreeg

geene Mogenheid, in Europa, daar eenigen

Landëigendom, of oefende 'er eenige

Heerfchappy. Geduurende dit Tydperk van

meer dan zestien honderd jaaren, fchynen

alle ontwerpen, om vermeesteringen in

Indie te maaken, geheel geflaapen te hebben

, én geen Volk onderflondt iets meer

dan het onderhouden van Handelgemeenfchap

met dat van rykdom overvloeiend

Land.

In Egypte werd de Zetel van die Handelgemeenfchap

gevestigd, en wy kunnen

niet, zonder ons te verwonderen, ontdekken,

("O STRABO, Lib. XI. p. 779. A.

Cf) Dit is de XV Aantekening van ROBERTS ON.

E a

ï.

AFDEÉ-

LING.


63 O N D E R Z O E K

I. ken, hoe fchielyk en hoe geregeld de

AFDEE- Handel met het Oosten gedreeven werd,

LING. door dat Kanaal, waar door de fchranderheid

van ALEXANDER beftemd hadt,

dat dezelve zou vloeijen. PTOLEMEUS,

de Zoon van LAGUS, plaatfle, zo ras

hy bezit genomen hadt van Egypte, den

Zetel des Ryksbewinds te Alexandria,

Door eenige gezagbetooningen, en veele

weldaadige fchikkingen, doch voornaamlyk

door den roem zyner zagte en billyke

Regeering, trok hy zulk eene menigte van

Inwoonderen na deeze geliefde verblyfplaats,

dat dezelve welhaast in een volkry.

ke en welvaarende Stad veranderde. Vermids

PTOLEMEUS het vertrouwen van

ALEXANDER volkomener verdiend en bezeten

hadt, dan iemand zyner Krygsbevelhebberen,

wist hy zeer wel, dat het hoofdoogmerk

van dien Vorst, in het grondvesten

van Alexandria, geweest was, zich te

verzekeren van de Handelvoordeelen met

Indie. Eene lange en voorfpoedige Regeering

begunftigde de volvoering van dac

oogmerk; en, fchoon de oude Schryvers

ons niet in Haat Hellen om de Happen na

te gaan, die de eerfte PTOLEMEUS deedt

om 't zelve te volbrengen, hebben wy een

doorflaand blyk van zyne buitengemeene

agtgeeving op de zaaken der Zeevaart, dewyl

hy een lichtende Baak oprigtte op

het Eiland Paros, aan den mond der Haven

van Alexandria (g): een Werkftuk

Cg} STRABO, Lib. WIL p. 1140. C.

zo


W E G E N S O U D I N D I E . 69

zo heerlyk uitgevoerd, dat men het onder

de zeven Wereldwonderen telde.

Wat de fchikkingen op den Koophandel

van zyn Zoon P T O L E M E U S PHI-

L A D E L P H U S betreft, hebben wy volkomener

narigten. Om den Handel op Indie,

(die in Tyrus, deszelfs oude Stapelplaats,

begon te herleeven (^) ) in Alexandria

te doen zamenloopen, begon hy

een Kanaal te vervaardigen, honderd Cubiten

breed, en dertig Cubiten diep, tusfchen

Arfinoe aan de Roode Zee, niet

verre van daar het tegenwoordige Suez

ligt, en de Pelu/iac, of Oostlykften Arm

des Nyls, door middel van welk Kanaal,

de Voortbrengzels van Indie, geheel te

water , na die Hoofdftad zouden hebben

kunnen vervoerd worden. Maar'tzydat,

om reden van zeker gevreesd gevaar wegens

het voltooijen, dit werk nooit ten einde

gebragt werd; of dat men dit Kanaal,

van wegen de langzaame en gevaarlyke

vaart aan het Noordeinde van de Roode

Zee, van te weinig gebruik vondt, PTO­

L E M E U S bouwde, om de gemeenfchap

met Indie gemaklyker te maaken, eene

Stad aan den Westlyken oever dier Zee,

bykans onder den Keerkring, aan welke

hy den naam van Berenice gaf (/). Deeze

nieuwe Stad werd weldra de Stapelplaats

des Indijchen Handels.

(h) STRABO, Lib. XFI. p. 1080. A.

[Naar-

(7) STRABO, Lib. XFII. p. 1156. D. PLIJS.

Nat. Hifi. Lib. FI. c. 29.

E 3

I.

AFDEE-

LING.


?o O N D E R Z O E K

I [Naardemaal de afltand van Arfinoe ,iham

AFDEE- Suez, van den Nyl veel kleinder was,

LING. dan die tusfchen Berenice en Coptos,

konden, langs deezen weg, alle de Koopwaaren,

in de Arabifche Golf gebragt, zeer

fpoedig en onkostbaarst in Egypte gevoerd

worden. Maar de vaart op de Arabifche

Golf, die, zélfs in den tegenwoordigen gevorderden

fbat der Zeevaardye, langzaam

toegaat en bezwaarlyk valt, werd, in ouden

tyde, door de Vulken daar rondsom woonende,

zu hoogstgevaarlyk gerekend, dat

zulks hun bewoog om zodanige Benaamingen

te geeven aan verfcheide Uithoeken,.

Baayen en Havens als een treffend denkbeeld

opleveren van den indruk, die de

vrees deezes gevaars op hunne verbeelding

gemaakt hadt. Den ingang van de Golf

noemden zy Babelmandeb, zo veel als de

Voort der droefenisfe; aan eene Haven ,

: liet verre van den ingang verwyderd, gazen

zy den naam van Mete, dat is Bood.

] ïene Uthoek, digrdaarby, werd door hun

< ïardefan, dat is, de Kaap der Begraaenisje,

geheeten. Andere benaamingen, die

i

<

>p 't zelfde uitkomen, worden vermeld

( loor den Schryver, aan wien ik deeze onlerrigting

verfchuldigd bén (k). h Is,

lerhalven , niet te verwonderen , dat de

{ apel van den Indiaanfchen Handel van het

l

foord-einde der Arabifche Golf verlegd,

wierd"

(k) BRUCE'S Traveh, Vol. I. p. 442. &c. Zie

d t gedeelte vertaald in de N. AÏgcm. Vadert. Let-

n roef en. V. D. II. St. bl. 501. enz. VERT.


WEGENS O U D I N D I E . 71

wierd naa Berenice; dewyl deeze verplaat- I.

zing een gevaariyke vaart zeer opkortte. . \FDEE-

Dit fchynt de hoofdreden geweest te zyn, LING.

die PTOLEMEUS bewoog, om de Haven

van Gemeenfchap met Indie te Berenice

te plaatzen \ naardemaal 'er andere

Havens aan de Arabifche Golf waven, veel

nader dan deeze aan den Nyl.

In een laater tydperk, naa-de verdelging

van Coptos, door Keizer BIOCLETIANÜS,

onderrigc ons ABULFEDA (/), dat de

Indifche Koopwaaren van de Roode Zee

naa den Nyl gebragt wierden , laogs den

kortflen weg, te. weeten, van Cosfier,

waarfchynlyk de Philoteras Portas van

PTOLEM EU s, na .Cous, de Ficus Appollonis,

eene reis van vier dagen. Het zelfde

berigt van den afftand werdt door de

Inboorlingen aan Dr. POCOCKE opge-

I n

geeven (»;)• gevolge hiervan, veranderde

Cous ,. van een klein Dorp in eene Stad

in Opper Egypte, in grootte het naastkomende

aan Fostat, of Oud Cairo.- — Laater

werd, uit oorzaaken, welke ik niet kan

verklaaren, de Handel van de Roode Zee

over Cos fier verplaatst na Kene, verder de

Rivier af dan Cous («)• Hedendaags

worden alle de voortbrengzels van Indie in

Egypte gevoerd ter Zee van Gidda na

(/) ABULFEDA, Defcript. Egypt. Ed. Michae-

lis, p. 77- •

(m) POCOCKE, Travels,.No\: I. p. 87.

\n) ABULFEDA, p. 13-77- D'ANVILLE, Egyp­

te, p. 106-200,

E 4 -


I.

AFDEE

LING

7* O N D E R Z O E K

SWz, en dan op Kameelen na Cairo gebragt

, of over land mede genomen door

de Caravane - wederkeerende van de Bedevaard

na 3'Jecca (o). Dit is, zo verre ik het

aeb kunnen nagaan, een volledig berigt,

/an alle de onderfcheide wegen, langs welke

alle de Voortbrengzels van het Oosten

ia den Nyl gebragt zyn , zints de eerfte

apening van die Gemeenfchap (p)].

Van Berenice werden de Goederen te

] and gebragt na Coptos, eene Stad drie

] iryien van den Nyl gelegen; doch welke

l remeenfchap met die Rivier door een vaar­

1 baar Canaal, van 't welk nog eenige ovei-

1 )lyfzels voor handen zyn (V). en voeren

( lan den ltroom af na Alexandria. De

0) NIEBUHR, Voyage. Tom. I. p. 224., VOL-

| IEY, Tom. I. p. 188.

(p 't Is zonderling, dat p. SICARD. Mem. des

j Wcsfions dans le Levant, Tom. II. p. 157, en eeni-

t e andere agtenswaardige Schryvers, veronderftellen,

c at Cosiier het Berenice zy, aangelegd door PTOLEs

11 us, fchoon pTo 1 EMEÜS de breedte fielt op 23

&

c

\


j

d

g

ri

'<

•V'

Is

0

,

o', en STRABO de ligging opgeeft als ten naastenby

nder dezelfde Parallel met die van Syéiiè. Lib. II.

. 195. D. Ingevolge van dien misflag, heeft men de

ierekening des afftands, tusfehen Berenice en Coptos,

p twee honderd en acht en vyftig mylen voor vereerd

gehouden;POCOCKE, p. 87. Maar,devvyl PLT-

1 u s niet alleen den geheelen afltahd opgeeft ; maar

e onderfcheide posten op den weg noemt, en het

etal der Mylen tusfehen elk meldt, en den Wegwyzer

an ANTONINUS volkomen met de opgave van pLI.

IUS overeenflemt, D'ANVII.LE,Egypte, p. 21, is

r geen- reden altoos, om de naau'wkeurigheid daar

m ir) twyfel te trekken. Dit, met het ingeflootene,

de XVI Aantekening van HOBERTSON,

(q) D'ANVILLE, Mem. de P Egypte, p. 21.

af-


WEGENS O U D I N D I E . 73

afïtand tusfehen Berenice en Coptos was,

volgens PLINIUS, twee honderd en acht AI

'DEEen

vyftig Romeinfche mylen (r),ende weg i

ING.

liep door de VVoestyn van Thebais , by- -

kans geheel van water verftooken. Maar

de aandagt eens magtigen Monarchs voorzag

in het vervullen deezer behoefte, door

het laaten opzoeken van waterwellen, en

waar men deeze aantrof deedt hy Herbergen

, of, om meer in den Oosterfchen ftyl te

fpreeken, Caravanferas bouwen , tot gemak

en verfrisfmg der Reizigeren (s). Langs

deezen weg bleef de Gemeer fchap tusfehen

het Oosten en Westen twee honderd en

vyftig jaaren aanhouden, zo lang Egypte

een onaf hangelyk Koningryk was.

De Schepen , na Indie beilemd, vertrokken

van Berenice , en , volgens de oude

wyze van Scheepvaart, langs de Arabifche

kust vaarende, na het voorgebergte Syagrus,

(thans Kaap Rafalgatef) hielden zy

koers langs den Perfifchen oever , of rechtftreeks

mPattala, (nu Tatta,) boven aan

de Neder Delta van den Indus, of eenige

andere Marktplaats aan de Wesrkust van Indie.

Tot dat gedeelte van Indie, door ALEX­

ANDER bezogt en te onder gebragt, fchynt

de Handel onder de befcherming der Egyptifche

Koningen een geruimen tyd bepaald

gebleeven. Naderhand volgde men een

gemaklyker koers, en de Schepen zeilden

van Kaap Rafalgate rechtftreeks na Zize-

(r) Zie de Aantekening («) hier boven.

(V) STT.ABO, Lib. 'WIL 1157. D. 1169.

E 5

'rus.

%


74 O N D E R Z O E K

I. rus. Dit was , volgens den Heer D E

AFDEE-

LING.

MONTESQUIEU het Koningryk van Sigertis,

aan de Zeekust, niet verre van den

mond van den Indus, vermeesterd door

de Griekfche Monarchen van Bactria (f) ;

volgens den Heer RENNELL was het eene

Haven aan het Noordlyk gedeelte van de

Malabarfche Kust (u). Oude Schryvers

hebben ons zodanige naarigten niet naagelaaten,

als ons in iTaat Hellen om mee

zekerheid uitfpraak te doen , welk van

deeze twee tegenovergeiielde gevoelens

den meesten grond heeft. Ook kunnen

wy met geene naauwkeurigheid aanwyzen

, welke de andere Havens in Indie

waren, door de Kooplieden van Berenice

bezogt, toen die Handel eerst geopend

werd. Dewyl zy Schepen, die weinig

laadden, gebruikten, en befchroomd de

kust langs kroopen, is het waarfchynlyk,

dat hunne Reistochten binnen zeer enge

perken omfchreeven waren , en dat men,

onder de PTOLEMEUSSEN, geene groote

vorderingen maakte in de ontdekking van

Indie. [De Egyptenaar•$. ftrekten, naar hec

denkbeeld van RENNELL, onder de PTO­

LEMEUSSEN, de Vaart uit tot het uiterfte

punt van hec vaste Land van Indie, en

zeilden zelfs de Ganges op tot Palibothra

(tegenwoordig Patna) (y). Maar was

(/) üEfprit des Loix, Lib. XXL c. 7.

(w) RENNELL, Introd. p. XXXVII.

OJ RE-NNELL, Introd. p. XXXVI.

het


WEGENS OUD INDIE. 75

het de gewoonte geweest de Ganges zo

verre op te zeilen, dan moesten de binnenfte

gedeelten van Indie aan de Ouden

veel beter bekend geweest zyn, dan

ze ooit waren; en-zy zouden niet aangehouden

hebben met hunne berigten, desaangaande

j van MEGASTHENES alleen

te ontleenen. STRABO beginc zyne befchryving

van Indie op eene zeer merkwaardige

wyze. Hy verzoekt zyne Leezers

met toegeevenheid het verhaal te

ontvangen, 't welk hy daarvan oplevert;

dewyl het een zeer verafgelegen Land betrof,

en door weinige perfoonen bezogt

was ; van deeze weinigen, veelen flegts

een klein gedeelte des Lands gezien hebbende,

verhaalden zy dingen van hooreri

zeggen, of, ten besten genomen, wat zy

in haast opgemerkt hadden, terwyl zy 'er

doortrokken in Krygsdienst of op Reis (»•

Hy merkt op, dat weinigen der Handelaaren

van de Arabifche Golf ook de Ganoes

bereikten (V). Hy beweert dat de Ganges

door één mond in Zee uitloopt (j);

eene dwaaling tot welke hy niet zou hebben

kunnen vervallen, indien het bevaaren

dier Riviere, ten zynen tyde, algemeen in

gebruik geweest was. 't h waar, STRABO'

fpreekt van het opvaaren van de Ganges;

doch flegts in Yvoorbygaan, en op eene

... i • -en-

(V) STRABO, Lib. XF. p. 1005. B.

(x~) Ibid. p. 1006. C.

(j) Ibid. p. 1011. C.

I.

AFDEE­

LING.


I.

AFDEE-

LING.

76* O N D E R Z O E K

enkele plaats f»: terwyl, indien zulk eene

groote binnenlandfche Reis, door een digcbevolkt

en ryk Gewest, gebruikJyk geweest

, of zelfs maar ooit verrigt, ware,

door de Romeinfche, Griekfche, of Egyptifche,

Handelaaren, deeze eene byzondere

befchryving zou verdiend hebben; hier

van hadden PLINIUS en andere Schryvers

moeten gewaagen: dewyl niets daar

aan gelyk zich opdeedc in de Scheepvaart

onder de Ouden. Door ARRIANUS, (of

wie anders de Schryver moge weezen van

de Periplus Mar is Erythrtei,) wordt opgemerkt

, dat, vóór de ontdekking van een

nieuwen weg na Indie, waarvan wy vervolgens

zuilen moeten fpreeken, de Koophandel

op dat Gewest gedreeven werd

met kleine vaartuigen, die elke Baay in- en

omzeilden (a). Schepen van zo ligt een

maakzel , en die deeze wyze van zeilen

volgden , waren zeer ongefchikt tot eene

Reize van zulk eenen afïïand als het omvaaren

van de Kaap Comorin, en de Baay

van Bengale, na Patna. 't Is niet van

waarfchynlykheid vervreemd, dat de Kooplieden

, van welken STRABO gewaagt,

als de Ganges bereikt hebbende, derwaards

te land reisden, of uit de Landen by den

Mond van den Indus, of van eenig gedeelte

der Malabarfche Kust , en dat de

Scheepvaart op de Ganges, van welke hy

in


WEGENS OUD INDIE. 77

in 'c voorbygaan fpreekc, verrigt wierd I,

door Inboorelingen, in Schepen des Lands. iFDEE-

Dit denkbeeld krygc eenige fterkte uit LING.

diens Schryvers aanmerkingen op hec

flegce maakzel der Schepen, die in dac

gedeelte van den Indifchen Oceaan voeren.

Uic de befchryving blykt, dat hec

Vaartuigen van dat Gewest waren

De Handel ter Zee, tusfehen hec Oosten

en Westen, dien Egypte langen tyd

alleen genoot, verfchafte dac Ryk die

groote maate van Rykdom en Magc, waar

door 'c zelve zo zeer uitftak. Wy, die

heden ten dage kennis draagen van de

waakzaame en rustlooze werkzaamheid ,

door Mededinging in den Handel veroorzaakt,

zullen naauwlyks, in de oude Gefchiedenis

, eene omftandigheid aantreffen ,

die ons meer bevreemdt, dan dat men den

Souverainen van Egypte toeftondt, deezen

ryke winst geevenden Handel te dryven,

zonder na dezelve te dingen, of eenige

pooging aan te wenden om denzelven hun

afhandig te maaken: inzonderheid, daar de

magtige Monarchen van Syrië eene gemeenfchap

met dezelfde gedeelten van

Indie onderhouden hebben, door een korter

en veiliger vaart.

Verfcheide beweegredenen fchynen hun

overgehaald te hebben, om, zo bedaard

alle de in 't oogloopende voordeden van

den Handel te laaten vaaren. De Konin-

(b) STRABO. Lib. XF. p. 1012. C. Dit is de

XVII Aantekeningvan ROBEUTSON.


i.

AFDEE

E1NG.

;8 O N D E R Z O E K

ningen van Egypte hadden, een oplettend

• oog op den Mandei vestigende, een flerke

Vloot toegerust, die hun zulk eene beflisfende

overmagt ter Zee bezorgde, dat

zy gemaklyk eiken Mededinger, in den

Handel, zouden hebben kunnen verpletten.

Geen HandeJgeraeenfchap fchynt'er ooit,

ter Zee, gedreeven te zyn tuslchen Perfie

en Indie. De Perfen • hadden zulk een

onoverkomelyken afkeer van de Zee, of

fchroomden dermaate voor vreemden inval,

dat hunne Monarchen, ("gelyk wy

reeds hebben opgemerkt,) de Vaart der

groote Rivieren, die toegang tot de binhenfïe

i deelen des Lands verleenden , door

Kunstwerken van Dammen flopten. Dewyl,

egter , hunne Onderdaanen , niet minder

dan andere Volken, rondsom hun, de dierbaare

Voortbrengzels en fraai gewerkte

Stoffen, van Indie,. wenschten te bezitten,

werden deeze na alle deelen hunner wydilrekkende

Heerfchappye, te land, aangevoerd.

De Koopwaaren, gefchikt om

de Noordlykfle Deelen te geryven, bragt

men op Kameelen, van de oevers van den

Indus tot die van den Oxus, en, dien

Stroom af, na de Caspifche Zee, en verdeelde

ze, deels te Jand, deels langs vaarbaare

Rivieren, door verfcheide Landenj

aan den eenen kant bepaald door de Caspifche,

en aan den anderen door de Euxinifche,

Zee (c). De Indifche Waaren voor

de

O) STRABO, Lib. XII. p. 776. D. PLIN^ Nat.

Hifi. Lib. VI. c. 17.


W E G E N S OUD INDIE. 79

dé Züidlyke, meer landwaards in gelege­

ne Landfchappen beftemd, gingen te land,

van de Caspifche Havens na eenige der

groote Rivieren, die ze door elk deel des

Lands verfpreidden. Dit was de oude

-wyze van Gemeenfchap met Indie, zo

lang het Perfisch Ryk geregeerd werd door

gebooren Perfifche Vorlten; en men heefc,

in alle Eeuwen, opgemerkt, dat, wanneer

Koophandel van eenigen tak zeker Ka­

naal genomen heeft, fchoon het noch hec

gefchiktile, noch het gemaklykfte, is, het

langen tyd, en groote poogingen, ver-

eischt, om 'er eene andere rigting aan

te geeven Cd).

&

By

fiS De verkeerde begrippen van veele kundige

Schryvers der Oudheid, ten aanziene van de Caspifche

Zee, fchoon te over bekend aan elk Geleerden ,

zyn zo opmerkelyk, en leveren een zo treffend blyk

Op van de onvolkomenheid hunner Aardrykskunde,

dat een eenigzins uitvoeriger berigt, daar van, niet alleen

aangenaam zal weezen, voor eenige myner Leezeren;

maar het is, daar ik de. onderfcheide wegen

poog aan te wyzen, langs welken de Goederen, uit hec

Óósten, na de Europifche Volken gebragt werden,

noodig in eenig verflag te treeden, wegens hunne onderfcheidene

gevoelens,, ten'dien .opzigre. — I. Volgens

STRABO,'is de Caspifche Zee eene Baay, die

gemeenfchap heeft met den Noorder Oceaan , uit welke

dezelve eerst voortkomt als een naauwe Straat, en

zich dan toe een Zee uitlirekt, ter breedte van vyfhonderd

Stadiën, Lib. XI. p. 773. A. Met thcra ftbmt

PÖMHONIUS MELA overeen, en hy befchryft de

Straat, door welke de Caspifche Zee met den Oceaan

.verbonden is, als Van een verbazende lengte, en

zo nrauw, dat dezelve het voorkSirren hr.dt.van eene

Rivier, Lib. UI. c, 5... PLINT trij geeft 'er eene

dergelykè b^fchryving van, Nat. Hifi. Lib. FL c. 13.

I.

AFDEE-

LING.


t

AFDEE-

LING.

8o O N D E R Z O E K

Ten tyde van JUSTINIANUS , was dit gevoelen

, betreffende de Gemeenfchap van de Caspifche

Zee met den Oceaan, nog het heerfchende, Cosm.

Indicopl. Topog. Chrift. Lib. II. p. 138. C. II.

Eenige vroege Schryvers hebben, door eene nog zonderlinger

misvatting, veronderfteld, dat de Caspifche

Zee verbonden was aan de Euxinifche. QUINTUS

CURTIUS, wiens onkunde in de Aardryksbefchryving

'Herwegen doorfleekt, heeft deeze dwaaling omhelsd,

Lib. VII c. 7. Hl. ARRIANUS, fchoon een

ceel oordeelkundiger Schryver, en die door eenigen

:yd ver'olyfs in het Rosneinfchc'Wmgewest Cappadocia,

waarover hy Landvoogd was , naauwkeuriger kund-

"chap zou hebben kunnen opdoen, verklaart ergens,

iat de oorfprong van de Caspifche Zee nog onbetend

is, en twyfelt of dezelve gemeenfchap heeft met

i le Euxinifche, of met den grooten Oost er Oceaan,

lie Indie omringt, Lib. Vit. c. 16. Op eene andere

: jlaats beweert hy, dat 'er eene gemeenfchap was tus-

( chen de Caspifche Zee en den Ooster Oceaan, Lib.

v

. c. 26. Deeze dwaalingen komen te vreemder voor,

< laar HERODOTUS", bykans vyfhonderd Jaaren vóór

TRABO, eene juiste befchryving van de Caspifche

*eè gegeeven, en vermeld, hadt: „De Caspifche Zee

9 , is eene Zee op zichzelve, met geene andere ver-

, bonden. De lengte is zo groot, dat een Roeifchip

9 , dezelve in vyftien dagen kan afzeilen, en acht da-

9 , gen noodig heeft, om dezelve, daar ze wydst is,

, over te vaaren", Lib. I. c 203. ARISTOTELES

ï eeft 'er dezelfde befchryving van, en beweert, met

2 yne gewoone naauwkeurigheid, dat dezelve een

C ',root Miir, geen Zee, moest geheeten worden,

l icteorolog, Lib. II. DIODORUS SICULUS is met

li em van 't zelfde begrip, Vol II. Lib. XVIII. p.

2 61. Geen van deeze Schryvers bepaalt, of de groot-

11 e lengte van de Caspifche Zee, van het Noorden na

h at Westen, of van hec Zuiden na het Noorden, liep.

li 1 de oude Kaarten, die de Aardrykskunde van PTO-

EMEUS ophelderen, is dezelve afgetekend, als van

t

By alle deeze redenen, die de Vorften

van Egypten in het ongefloord bezit lieten

bly-

hét


WEdENs OUD INDIE. 8i

blyven van den Handel ter Zee op Indie,

mag nog eene andere gevoegd worden. .

Veelen der Ouden geloofden , door eene

dwaaling in de Aardrykskunde , in welke .

zy, hoe onverantwoordelyk ook, bleeven,

ondanks de herhaalde gelegenheden om

naauwkeuriger berigt te krygen , dat de

Caspifche Zee een tak was van den Groeten

Noorder Oceaan, en de Koningen van

Syrië mogten hoopen langs dien weg eene

gemeenfchap te zullen openen met Europa,

het Oosten na het Westen (trekkende. In laater'en

tyde, ontving men in Europa het eerfte berigt ^

wegens de waare gedaante der Caspifche Zee, van

AMTHONY JENKINSON, een Engelsch Koopman

die met een Caravane, uit Rusland, langs, een groot

gedeelte van die Zeekust reisde, in den Jaare 1558;

HACLUYT, Colli tl. Vol. I. p. 334-

D e

nauwkeu­

righeid van JENKINSON'S befchtyving werd bevestigd

door eene daadlyke opneeming dier Zee, op last

van Czaar PETER DEN OROOTEN; in't Jaar 1718;

en het gaat thans zeker, niet. alleen dat de Caspifche,

Zee geene gemeenfclrp heeft met eenige andere Zee;

maar dat derzelver lengte ,Noord- en Zuidwaards,, veel

grooter is dan de grootfte wydte van het Oosten na

het Westen. Uit dit verflag, nogthans, leeren wy, hoe

ongegrond de denkbeelden, daaromtrent in't algemeen

aangenomen, aanleiding gaven tot verfcheide wilde

ontwerpen, om de Indifche Goederen na Europa te

voeren , door middel van de veronderflelde gemeenfchap

met de Euxinifche Zee, of met den SSoorder

Oceaan. Het is een bykomend bewys der aandagt

van ALEXANDER DEN GROOTEN, op alles wat

cle verbetering des Koophandels betrof, dat hy, weinig

tyds vóór zynen dood, last gaf tot het uitrusten 1

eener Vloote na de Caspifche Zee, om dezelve te onderzoeken

, en te ontdekken, of dezelve gemeenfchap'

Ëacft, of met de Euxinifche Zee, of met den Indifchen

Oceaan; ARRIAN. Lib, VIL c. 16.

F

U

\FDEE«*

LING.


8a O N D E R Z O E K

L pa , en de kostbaare voortbrengzels van

AFDEE . hec Oosten door 't zelve te verfpreiden,

LING. zonder in te dringen in die Zeeën , op

- welke de Egyptifche Monarchen zich feheenen

te verbeelden een uitfluitend regt te

hebben. Dit denkbeeld was vroegtydig ge»

vormd door de Grieken, toen zy meester

van Afia werden. SELEUCUS NICATOR,

de eerrte en fchranderfte der Syrifche Koningen,

hadt, ten tyde dac hy vermoord

werd, een denkbeeld gevormd om de Caspifche

en Euxinifche Zeeën te vereenigen door

een Kanaal (Y), en hadt dit kunnen volvoerd

worden, zouden zyne Onderdaanen,

beha!ven de uitbreiding huns Handels in

Europa, alle de Landfchappen in het Noorden

van Afia, aan de Kust van de Euxinifche

Zee, zo wel als veele die Oostwaards

van de Caspifche Zee liggen, mee de voortbrengzelen

van Indie hebben kunnen voorzien.

Naardemaal deeze Landen , fchoon

thans fchaars bewoond door een elendig

gedacht van Menfchen, verftooken van vlytpetoon

en rykdom , in oude tyden zeer

volkryk waren, en vol groote vermogende

Steden, moest dit aangezien worden voor

een tak van Koophandel van zulk eene

grootte en waardye , dat de verzekering

daarvan een voorwerp was de aandagt des

mastigen Monarchs waardig.

Maar, terwyl de Monarchen van Egypte

en Syrië, met vuurigrn ernst en navver, arbeidden

om hunne Onderdaanen te verzekeren

(V)' p

LiN, Na

*< Hb. VI. c. ii.


WEGENS OÜD I N D I E . 83

ren van alle de voordeden des Indifchen

Handels, rees 'er in 'c Westen eene Magt

op, verderflyk voor beiden. De Romeinen,

door de kragt hunner Krygsïnfrellingen en

de wysheid huns Staatkundigen gedrags ,

zich meester gemaakt hebbende van geheel

Italië en Sicilië, deeden welhaast het mededingend

Gemeenebest Carthago bukken,

onderwierpen Macedonië en Griekenland',

ftrekten hunne heerfchappy uit over Syrië,

en wendden, ten laatften, hunne zegepraalende

wapenen tegen Egypte; hec eenig

overgebleevene Koningryk van die de Opvolgers

van ALEXANDER DEN GROOTEN

geftigt hadden. — Naa eene reeks gebeurtenissen

, niet tot het beftek deezes Onderzoeks

behoorende , werd Egypte aan het

Romeinfche Ryk gehegt, en in de gedaante A.c.30.

van een Wingewest hervormd, door AU­

GUSTUS. — Bewust van het groot aanbelang

deezes Lands , behieldt hy , met die

vooruitziende fchranderheid , welke zyn

Character zo by uitflek kenmerkte, 't zelve

niet alleen als een der Wingewesten onmiddelyk

aan 't Keizerlyk gezag onderworpen

; maar voorzag, door veele middelen,

elk eenigzins geoefenden ten overvloede

bekend, in de verzekering van 't zelve.

Deeze buitengewoone voorzorg fchynt niet

alleen daar uit gebooren te zyn , dat hy

Egypte aanzag als een der voornaamlte

Graanfchuuren, van welke de Hoofdflad,

ten aanziene van de leevensbehoeften afhing

; maar ook als de Zetel van dien ryken

Handel, welke de Oude Egyptifché

F 2 IVlö-

I.

AFDÏ5E-

LING.

AC. é$i


I.

AFDEE­

LT. NG.

84 ONDERZ. WEGENS O. L

Monarchen in fïaat gefield hadt om zo

grooten rykdom te verzamelen, dat dezelve

de bewondering en nyd van andere Vorflen

opwekten,en, overgebragt in de fchatkist

des Keizerryks, eene verandering veroorzaakte

in de waarde des Eigendoms, en

den flaat der Zeden in Rome zelve.

G E-


GESCHIEDKUNDIG

ONDERZOEK

W E G E N S

OUD INDIE.

TWEEDE AFDEELING.

BE GEMEENSCHAP MET INDIE, ZINTS

DL VASTSTELLING DER ROMEINSCHE

HEEHSCUA P P Y IN EGYPTE, TOT DE

VERMEESTERING VAN DAT KO­

NINGRYK DOOR DE MAHOME-

DAANE N.

T\7aa de vermeestering van Egypte door de

±%l Romeinen, en de hervorming van dat

Koningryk in een Wingewest huns Keizerryks,

werd de Handel op Indie, op dezelfde

wyze, voortgezet onder hunne magtige

befcherming. Rome, verrykt door den

roof en de fchattingen van bykans geheel

de bekende Wereld, hadt fmaak gekreegen

in weelde van allerlei foorr. Onder een

Volk van dien (tempel zyn altoos de voortbrengzels

van Indie in de hoogde waarde

gehouden. De Hoofdftad van het grootile

Ryk ooic in Europa gevestigd, opgevuld

F '3 met

^IT.

AFDEE­

LING.


II.

AFDEK

LING.

86 O N D E R Z O E K

met Burgers, die thans geene andere be-

. zigheid hadden , dan de rykdommen door

hunne Voorvaderen opeengehoopt, vorder*

, de alles fraays, zeldzaams en kostlykst,

welk dit verafgelegen Ryk kon verfchaffen,

om de pragt te onderfteunen, en de

vermaak en te verfynen. Om aan deezen

ei^cli te voldoen, waren nieuwe en buitengewoone

poogingen noodig, en de Handel

op Indie nam toe tot zulk eene maate ?

(gelyk ik elders heb opgetekend (^),)

dat dezelve verbaazend voorkome zelfs aan

de tegenwoordige Eeuw , in welke die

Handeltak uitgebreid is veel verder dan men

denzelven dreef in e^nig vroeger Tydperk,

of zelfs kon begrypen.

Behalven de Indifche Koopwaafen, uit

Egypte in de Höófdftad des Ryks gebragt,

ontvingen de Romeinen een bykomenden

toevoer van dezelve, langs een anderen

weg. Van de Vroegfle ryden her, fchynt

'er eenige gemeenfchap plaats gehad te

hebben tusfehen Mefopotamie en andere

Landfchappen aan de oevers van den Euphraat,

en die gedeelten van Syrië en Palestina

, digt by de Middellandfche Zee

gelegen. De uittocht van A B R A H A M uit

Ur , van de Chaldeen na Sichem in hec

Land van Canaan, ftrekt 'er ten blyk van.

De Reis door de Woestyne, die

deeze Landen van elkander afzonderde,

werd

(a) Ro BERT SOK, Gefchiedenis van America t

l D. bi. 32.

(é) GEN. XI en XII,


WEGENS O U D I N D I E . 87

werd zeer veel gemaklyker, daar dezelve II.

eene Pleisterplaats, overvloeiende van waAFDEEter, en gefchikt ter bebouwinge, oplever­ LT. NG.

de. Toen de Gemeenfchap vermeerderde,

werd het bezit van die Pleisterplaats van

zo veel aangelegenheid, dac SALOMÖ ,

wanneer hy zyne aandagt vestigde op de

uitbreiding des Koophandels onder zyn Onderdaanen,

daar eene verfterkte Stad bouwde

(c~). De Syrifche naam Tadmor in de

Wildernis, en een der Griekfche Paimyra,

dienen beide ter befchryving van de ligging

dier Stad op eene plaats vercierd met Palmboomen.

Deeze werd overvloedig voorzien

van Water, en omringd door eene ftreek

vrugtbaar land, welke, fchoon van geene

groote uitgeftrektheid, dezelve tot eene

aangenaame woonplaats maakte, te midden

van het dorre Zand, en een onherbergzaame

Woestyn. De gelukkige ligging dier Stad,

op den afftand van weinig meer dan zestig

mylen van de Rivier de Euphraat, en van

twee honderd en drie mylen van de naaste

kust aan de Middellandfche Zee, bewoog

de Inwoonders, om met noeste viyt de

hand te flaan aan den Handel, om de Goederen

van 't eene Gewest na het andere te

zenden. Naardemaal de kostbaarfte Voortbrengzels

van Indie,uit de Perfifche Golf na

de Euphraat gebragt, van zo kleinen omflag

waren, dat ze de kosten van een lange

vervoering te land konden veelen , werd

die Handei, in korten tyd , zo aanmerke-

(#) 1 KON. IX: 18. 2 KRON. VIII: 4'

V 4

lyk,


88 O N D E R Z O E K

U. lyk, dar de Rykdom en Magt van Palmyra

AFDE! t- fchielyk coenam. De Regeeringsform, al-

LINO . daar, was zodanig als besc gefchikt is voor

r den aarc eener Handeldryvende Stad , te

weeten de Gemeenebest-regeering; en, door

de byzondere voordeelen haarer ligging,

zo wel als door de geaartheid der Ingezetenen,

behieldt zy langen tyd haare onafhangelykheid,

fchoon omringd door magtige

en heerschzugtige Nabuuren. Onder

de Syrifche Monarchen, Aframmelingen van

SELEUCUS, beklom die Stad den hoogilen

trap van luister en rykdom, die voor*

naamlyk voortvloeiden uic de bron, dat zy

hunne Onderdaanen de Indifche Waaren

verfchaftem

Toen Syrië voor de onwederfraanbaare

wapenen der Romeinen moest bukken,

bleef Palmyra meer dan twee Eeuwen lang

een vrye Staat , welks Vriendfchap mee

ernst en nayver gezogt werd door de Romeinen,

en hunne Mededingers na de Heerfehappye

der Parthers. Dat dezelve met

beide Handel dreef,-en byzonder de Hoofdftad,

zowel ais de andere deelen des Ryks,

van daar de Indifche Voortbrengzels kreegen

, leeren wy uic APPIANÜS, een geloofwaardig

Schryver (d~). Maar in het afbaakenen

van den voortgang des Koophandels

der Ouden in het Oosten, zou ik het niet

gewaagd hebben, op die enkel getuigenis,

dit

. (if) APPIAN. de Bello Civil. Lib. F. p. 1076.

ïd. Tollii, - • •


WEGENS O U D I N D I E . 89

dit Kanaal te tellen onder de veel betekenende;

indien eene byzondere ontdekking,

welke wy verfchuldigd zyn aan de weetgierigheid

en veel onderneemenden geest

onzer Landsgenooten, 't geen AP PI ANUS

verhaalt, niet bevestigde en ophelderde. —

Omtrent het afloopen der voorgaande Eeuwe,

waagden het eenige Heeren tot de Engelfche

Factory te Aleppo behoorende ,

opgewekt door 't geen zy in 't Oosten vernamen

wegens de verwonderenswaardige

Overblyfzels van Palmyra, niettegenstaande

de moeilykheid en het gevaar eener Reize

door de Woestyn, om dezelve te gaan bezigtigen.

Tot hunne groote verbaazing

befchouwden zy een vrugtbaare plek gronds,

eenige mylen in uitgeitrektheid haaiende,

als een Eiland te voorfchyn komende uic

eene groote Zandvlakte, bedekt met Overblyfzels

van Tempels, Paleizen, Waterleidingen,

en andere openbaare Werken, die,

in grootsheid en pragt, en eenige in fraaiheid,

Athene of Rome in den bloeiend-

Hen Haat niet onwaardig zouden geweesc

zyn. Uitgelokt door de befchryving hier

van gegeeven, vervoegden, omtrent zestig

jaaren laater , eenige kundige Reizigers

zich derwaards, en de Ruïnen van Palmyra

met meer aandagts en bedreevenheids

bezien hebbende , verklaarden zy, dat de

ondervinding de verheevendrte denkbeelden

, welke zy daar van gevormd hadden,

overtrof Ce).

{k) Wooo's Rains of Palmyra, p, 37.

F 5

Uit

II.

AFDEE-

LING.


II.

AFDEE-

LING.

90 O N D E R Z O E K

Uit beide deeze berigten, zo wel als uit

de herdenking van de buitengemeene maate

van Magt tot welke Palmyra was opgeklommen,

toen Egypte, Syrië, Mefopotamie,

en een groot gedeelte van Klein Afia,

door deszelfs wapenen werd vermeesterd;

toen men ODENATUS, de Opper - magiftraats

Perfoon, met het Keizerlyk Purper

vercierde , en ZENOBIA om de Heerfchappy

van 't Oosten dong met Rome onder een

der oorlogzugtigfte Keizeren, is het openbaar,

dat een Staat , die weinig van aanbelang

uit eigen grondgebied kon haaien,

dien bloei en grootheid verfchuldigd was

aan den rykdom, door een uitgebreiden

Koophandel verkreegen. Van deeze was

de Handel op Indie ongetwyfeld de grootfte,

en meest winst aanbrengende, tak. —

Het is geene geringe kwelling, in het naafpeuren

van 't geen leerzaam is in de Gefchiedenis

der voorleden tyden, te vinden,

dat de Krygsverrigtingen der Vermeesteraaren,

die de aarde verwoest, en de buitenfpoorigheden

der Dwingelanden , die de

Volken in onheil gedompeld hebben, met

eene flipte en dikwyls walgende naauwkeurigheid

verhaald worden , terwyl men de

ontdekking van nutte Kunften, en de vorderingen

der heilzaamfte Handeltakken, met

flilzwygen voorby treedt, en in de vergeetelnis

laat wegzinken.

Naa de vermeestering van Palmyra, door

AUREEIANUS, herleefde 'er de Handel

nimmer. Tegenwoordig flaan eenige jammeriyke

hutten van arme Arabieren, hier

en


WEGENS OUD INDIE. 91

en daar, verfpreid op de Pleinen van de

iïaatlyke Tempels, of misvormen de fraaije i

Voorhoven , en leveren een vernederend

tegenbeeld op van de oude grootheid .

der Stad.

Maar, terwyl de Kooplieden van Egypte

en Syrië zich benaarftigden tot voldoening

van de fteeds toeneemende vraag Van Ror

me om Indifche Goederen , én elkander

daar in de loef zogten af te fteeken, bragt

(gelyk PLINIUS het uitdrukt) de Winzugt

Indie zelve nader aan het overige

der Wereld. De Griekfche en Egyptifche

Schippers konden, op hunne Reizen na die

vergelegene Gewesten, niet nalaaten de geregelde

Windverandering , of de Passaatwinden

, in opmerking te neemen , en te

ontdekken hoe dezelve fteeds het eene

gedeelte van het jaar uit het Oosten, en

geduurende het andere, uic het Westen ,

ppwaayden. HIPPALUS, de Bevelhebber

van een Schip ten Indifchen Handel uitgerust,

op deeze omftandigheid lettende,

waagt het, omtrent tachtig jaaren naa dat

Egypte aan het Romeinfche Ryk gehegt

was , den langzaamen en fchroomvalligen

koers, hier boven befchreeven, te verhaten

, en ftoutlyk, uit den mond van de

Arabifche Golf, den Oceaan overfteekende,

Werd hy, door den Westlyken Pasfaatwind,

gevoerd na Mu/irit , eene Haven in dat

gedeelte van Indie nu bekend onder den

haam van de Malabarfche Kust.

Deeze weg na Indie hieldt men voor

eene ontdekking van die aangelegenheid,

dat,

II.

LFDEE-

LING.

I


II.

AFDEE-

LING.

92 O N D E R Z O E K

dat, om de gedagtenis van den Uitvinder

te vereeuwigen , de Wind , die hem in

ftaat ftelde tot het volvoeren zyner Reize,

den naam van HIPPALUS kreeg (ƒ). Naardemaal

dit een der grootfte poogingen was

van de Zeevaardye in de Oude Wereld,

en den besten weg van gemeenfchap ter

Zee tusfehen het Oosten en Westen opende

, die vóór veertien honderd jaaren bekend

was , verdient dezelve eene byzondere-

befchryving. Gelukkig heeft p LI­

JN lus ons in ftaat gefield om dezelve te

geeven, met eene maate van naauwkeurigheid

, die zeldzaam kan verkreegen worden

in het affchetzen der Zee- of Koophandel

- verrigtingen der Ouden. Van

Alexandria (merkt hy op) tot Juliopolis

is twee mylen , daar wordt de laading,

voor Indie beftemd, op den Nyl ingefcheept

, en na Coptos gevoerd, 't welk

drie honderd en drie mylen van daar ligt,

en de Reis wordt doorgaans in twaalf dagen

volbragt. Van Coptos brengt men de

Goederen na Berenice, aan de Arabifche

Golf ftilhoudende op onderfcheide plaatzen,

naar gelange de gelegenheid, om water

te krygen, zich aanbiedt. De afftand

tusfehen deeze Steden is twee honderd acht

en vyftig mylen. Ter oorzaake van de

hette, trekt de Caravane alleen 's nagts

voort, en de Reis loopt met den twaalfden

dag af. Van Berenice gaan de Schepen

omtrent het midden van den Zomer onder

zeil,

i Cf) Perip. Mar. Erytkr. p. 32. 5


WEGÉNS O U D I N D I E . 93

zeil , en bereiken in dertig dagen Ocelis II.

(Gelid) aan den mond van de Arabifche AFDEE­

Golf of Cane (Kaap Fartaque) aan de LING.

Kust van Gelukkig Arabie. Van daar zeilen

zy in veertig dagen tot Mujiris , de

eerfte Koopmarkt in Indie. De te rugreize

beginnen zy vroeg in de Egyptifche

Maand Thibi, welke met onze Maand

December overeenkomt ; zy vaaren met

een Noord-Oosten wind, en wanneer zy

in de Arabifche Golf inftevenen, ontmoeten

zy een Zuiden of Zuid-Westen Wind*

en dus volbrengen zy de Reis in minder

dan een Jaar (g).

[Uit dit keurig berigt leeren wy, hoe

onvolkomen de Scheepvaard der Ouden

was, zelfs in den meestgevorderden ftaat.

De Reis van Berenice na Ocelis kon geen

dertig dagen duuren , indien men een

anderen koers hadt gehouden dan fchroomagtig

alle de bogten van de Kust te volgen.

De Reis, van Ocelis na Mufiris, zou

een Europisch Schip, naar de tegenwoordige

wyze van vaaren , in vyftien dagen

afleggen; dewyl de affland omtrent zeventienhonderd

en vyftig Zeemylen is-, in eejj

rechte lyn (h). 't Is opmerkelyk , dar,

fchoon de Periplus Maris Erythrai ge

fchreeven werd naa den Tocht van HIP-

PALUS, het hoofdoogmerk des Schryvers

is om den ouden Koers, langs de Kusten

van Arabie en Perfie, na den mond van

(g) PLIN. Nat. Hist. Lib. VI. c. 23.

(h) RENNELL, Introd. p. XXXVII..

der I


5H

O N D E R Z O E K

II. den Indus , en van daar langs den .West-

A.F0EE- lyken Oever des Vastenlands tot Mufiris,

LING. op te geeven. Ik kan dit niet oplosfen

dan door te veronderftellen, dat, door de

onwilligheid der Mcnfchen om oude gewoonten

af te leggen , het grootfte gedeelte

der Handelaaren van Berenice nog

beflendig den koers volgden aan welken

zy gewoon waren (J). ]

Het berigt ons door PLINIUS gegeeven

van Mufiris en van Bar ace, eene andere

niet ver van daar gelegene Haven, desgelyks

bezogt door de Schepen van Beren

mee, als beide zo ongemaklyk voor den

Handel uit hoofde van de ondiepte der

Havens, dat het noodig was kleine Booten

te gebruiken om te ontlaaden en te laaden,

ftek ons niet in ftaat om de ligging

dier Plaatzen juist te bepaalen. Deeze befchryving

past op veele Havens aan de

Malabarfche Kust; maar in twee byzonderheden

door hem vermeld , de eene dat

zy niet verre lagen van C&ttonara , het

land 't welk Peper in grooten overvloed

voortbrengt, en de andere, dat in eerwaards

te zeilen de koers liep naby Nitrias,

(7) Om van Alexandrie na Muftris te vaaren, hadt

men ("volgens PLINIUS), vier en negentig dagen noodig.

In 'tjaar 1788 befteedde deBoddam, een fehip,

toebehoorende aan de E;igelfche Oost Indifche Compagnie

, van duizend tonnen , llegts veertien dagen

meer om de reis van Portsmouth na Madras af te leggen.

Zodanige vorderingen heeft men in de Zeevaard

gemaakt. Dit is de XIX. Aantekening van RO-

SERUUNo


WEGENS OUD INDIE. 95

trias, de verblyfplaacs der Zeerooveren ,

hel ik over tot het gevoelen van den Heer

RENNELL, dac zy eigenlyk gelegen waren

tusfehen Goa en Tellicherry, en dat

waarfchynlyk het hedendaagfche Meèrzaw,

of Merjee, het Mufiris der Ouden is, en

Barcelore hun Barace (&),

Naardemaal, in deeze twee Havens, de

voornaamfte Stapelplaats was van den Handel

tusfehen Egypte en Indie, toen dezelve

fterkst bloeide, dunkt het my hier zeer

gepast eenig onderzoek te doen op den

aart des Handels, die de Ouden, inzonderheid

de Romeinen, met dat Land dreeven,

en de meest gezogte Waaren , welke zy

van daar haalden , op te tellen. Maar,

dewyl op de verrigtingen van den Koophandel,

en de wyze om dien te regelen,

weinig gelee werd in die Staaten der Oudheid

, van welker bedryven wy eenige

naauwkeurige kennis bezitten, treeden hunne

Gefchiedboekers zelden in eenig verflag

omtrent een onderwerp van zulk een ondergefchikt

aanbelang in hun Staatkundig

ftelzel , en het is meest uit enkele werken,

afgebrooken ftukken, en tusfehenbeide

komende waarneeminsen, dac wy eenig

berigc deswegens kunnen opzamelen.

['c Was het gevoelen van PLATO, dat,

in een welgeregeld Gemeenebest, de Burgers

zich niet op den Koophandel moesten

toeleggen, noch de Staat 'er na dingen

om eene Zeemagt te krygen. De

Koop-

(i) RENNELL, Introd. p. XXXVII.

II.

AFDEE'

LING.


AFDEE-

LTNG.

oö O N D E R Z O E K

Koophandel, beweerde hy, zou de zuiverheid

hunner zeden bederven, en, door in

den Zeedienst te treeden , zouden zy zich

gewennen om voorwendzels te vinden om

een gedrag te regtvaardigen zo onbeftaanbaar

met 't geen manlyk en voeglyk was,

dat zy allengskens de flriktheid van den

Krygsdienst zouden flaaken- 'cWas, merkt

hy op , beter geweest voor de Atheners ,

dat zy volhard hadden met 's jaarlyks dé

Zoonen van zeven hunner voornaamfte Burgeren

te zenden, om door den Minotaurus

verflonden te worden , dan dat zy hunne

oude zeden veranderd hadden, en eeneZeemogenheid

geworden waren. , In dat volmaakte

Gemeenebest , waarvan hy de

fchets opgeeft, wil hy, dat de Hoofdftad,

ten minften op tien mylen afttands van de

Zee , zou. gelegen zyn (7). Deeze denkbeelden

van PLATO werden door de andere

Wysgeeren aangenomen. ARISTO-

TELES geeft een breede oplosfing van de

Vraag , of een welïngerigte Staat een

Koophandeldryvende zou weezen, dan niet?

en fchoon ten duidelykfte overhellende om

de gevoelens, tegen die van PLATO overgefteld,

te omhelzen, durft hy het niet waagen

ten dien opzigte eene volkomene uitfpraak

te doen Qm). In eeuwen , waar in

zulke begrippen heerfchen , kan men weinig

onderrigting wegens den Koophandel

•venvagten

(7) PLATO de Legihus, Lib. IF.

Door

ARISTOTEI.ES de Republ. Lib. FII. c. 6.

00 Dit is

de XX. Aantekening van ROBERTSON.


WEGENS O U D I N D I Ë . 97

Door alle Eeuwen heen is de Koophandel

, tusfehen Europa en Indie gedreeven, AFDEE

eer een Handel van Weelde dan van Noodwendigheden

geweest. De fchoon gewerkte

Stoffen, de Speceryen en Edelgefteenten,

zyn nooit de voorwerpen der begeerte

by Volken van eenvoudige Zeden, en

bezitten zodanige Volken geen fchats genoeg

om dezelve te koopen. Maar, teri

tyde dat de Romeinen meesters van den Indifchen

Handel werden, bevonden zy zich

niet alleen , (gelyk ik reeds heb opgemerkt,)

tot dien trap van zamenleeving .

waarin de Menfchen zich greetig gefield

toonen om alles te verkrygen wat het genot

des ieevens kan veraangenaamen , of

iets tot deszelfs luister toebrengen, maar zy

hadden al dien grilligen fmaak gekreegen,

die gevormd wordt door de ligtzinnigheid

en buitenfpoorigheid des Rykdoms. Gevolglyk

vonden zy groot genoegen in deeze

nxuwe voorwerpen van voldoening ,

welke Indie hun in zuik eene groote maate

opleverde.. De Voortbrengzels van dat

Land, zo der Natuure als der Kunfte fchynen

in die Eeuwe veelal dezelfde geweest

te zyn , als in de tegenwoordige. Maat

de fmaak der Romeinen in weelde verfchilde,

in veele opzigten, van den hedendaagfchen,

en, in gevolge hier van, waren de

Goederen, welken zy uit Indie verlangden ,

zeer onderfcheiden van die wy begeeren.

A

LING.

Om een begrip, zo volkomen my mogelyk

is, te geeven van de Goederen , dooi

hun gevraagd , «al ik, in de eerfte plaats,

G eeni

it.


it

AFDEE

LING.

Q8 O N D E R Z O E K

eenige waarneemingen mededeelen over de

, drie groote Artykeien van algemeenen invoer

uit Indie. Foor eerst: Speceryen en

, Reukwerken. — Ten tweeden : kostbaare

Ge (leen ten en Paarlen. — Ten derden :

Zyde. — Vervolgens zal ik eenig verflag

doen, (zo verre ik zulks durf waagen op

egte berigten) van de Laadingen, uit- en

ingevoerd , door de Schepen te Berenice

uitgerust na de onderfcheidene Havens van

Indie.

Voor eerst: Speceryen en Reukwerken.

Door de wyze van Godsdienstoefening in

de Heidenfche wereld, door het ongelooflyk

groot getal hunner Godheden , en de

Tempels aan dezelve toegeheiligd, moet het

gebruik van Wierook en andere Reukwerken

, in elk heilig bedryf gebrand, zeer

veelvuldig geweest zyn. Maar de ydele

hoogmoed der Menfchen veroorzaakte 'er

nog veel grooter verteering van deeze reukgeevende

voortbrengzelen, dan hunne Godsdienstoefening,

'c Was eene gewoonte ,

by de Romeinen , de lichaamen hunner

dooden te verbranden , en zy oordeelden

het een betoon van grootheid en ryklykheid

niet alleen het Lyk , maar ook de Houtmyt,

op welke het ter verbrandinge lag ,

met kostbaare Speceryen te bedekken. By

de Lykftaatie van SYLLA werden twee honderd

en tien pakken Speceryen op den

Houtflapel geftrooid. Van NERO wordt verhaald,

dat hy, by den Lykdienst van POP-

F/EA, eene grootere hoeveelheid van Kaneel

en Kasna verbrandde, dan de landen, waar

uic


W E G E N S OUD INDTE. 99

uit die voortbrengzels kwamen, in één jaar

opleverden. Wy verteeren , fcliryft p L I-

PIUS, deeze kostbaare zelfltandigheden by

Hoopen, by de verbranding der Afgeftorvenen

; den Goden brengen wy ze enkel

in Greinen toe (0).

Ik weet wel 't was niet uit Indie, maar

uit Arabie, dat men de eerfte Reukwerken

in Europa bragt: en eenige deezer, irzonderbeid

Wierook, waren voortbrengzels van

dat Land. Maar de Arabieren hadden de

gewoonte, om met de Speceryen, op eigen

grond geteeld, den vreemden Kooplieden

te geryven met andere van hooger

waarde, welke zy uit Indie, en de daaromftreeks

gelegene Landen , aanbragten. De

Handel gemeenfchap der Arabieren met de

Oostlykfte gedeelten van Afia, was niet

alleen, (zo als ik reeds heb opgemerkt,)

vroe^tvdig.doch tevens groot. Door middel

hunner Handeldryvende Caravaanen brag-

. ren zy in hun eigen Land alle de kostbaare

voortbrengzels van het Oosten , onder

welken de Speceryen eene eerfte plaats bekleedden.

In alle oude verhaalen van dé

Indifche Koopwaaren maaken de Speceryen

en Reukwerken een hoofdartykel uit (p).

Èenige Schryvers beweeren, dat het meerendeel

der in Arabie gekogte , niet in

dat Land groeiden; maar derwaards gebragt

wer-

(V) PLIN. Nat. Hist. Lib. XII. c. 18.

O") Peripl. Mar. Erphr. p. 22. 28. SïRABO,

Lib.IL p. 156. A. Lib. XK p. 1018. A.

G &

II.

AFDEE-

LING.


M.

AFDEE-

LING.

ioo O N D E R Z O E K

werden uit Indie (q). Dat dit welgegrond

was aangemerkt biykt uit het geen wy heden

ten dage waarneemen. De Wierook van

Arabie, fchoon gehouden voor een byzonder

en allerkostbaarst voortbrengzel diens

Lands, is veel minder in hoedanigheid dan

die in 't zelve uit het Oosten daar worde

ingevoerd; en het is voornaamlyk met den

laatstgemelden, dat de Arabieren tegenwoordig

de wydftrekkende eifchen van verfcheide

deelen van Afia, om Wierook, vervullen

(r). Op goeden grond van gezag,

heb ik, derhalven, den Invoer van Speceryen,

als een der voornaamfte takken van

den Ouden Handel met Indie, opgegeeven.

Ten tweeden. Mogen kostbaare Gefteenten

, met Paarlen, naast dezelve gerangfchikt

worden onder de Goederen door de

Romeinen uit het Oosten ingevoerd. Naardemaal

deeze geen eisch kunnen maaken

als van eenig weezenlyk gebruik, ontftaar.

derzelver waarde alleen uit derzelver

fchoonheid en zeldzaamheid, en is deeze,

zelfs gemaatigd gefchat, altoos hoog. Maar,

onder Volken, verre in weelde gevorderd,

waar zy niet alleen voor Cieraaden gehouden

, maar voor Merktekens van Onderscheiding

aangezien, worden , dingen dè

trotfen en ryken met elkander dermaate om

derzelver bezit, dat zy in prys toe eene

verbaazende en bykans ongeloo'flyke hoogte

(q) STRABO, Lib. XVII. p 1129. C.

(r) NIEBUHR, Defcript. de tArabie, Tom. I.

p. 126.

f


WEGENS OUD INDIE. 101

te ftygen. Diamanten , hoewel de Ouden II.

de kunst om dezelve te klooven zeer ge- , IFDEEbreking

kenden, (tonden by hun, zo wel LING.

als by ons, in hooge waarde. De vergelykende

waardye van andere Edelgesteenten

veranderde naar gelange van de verfcheideniieid

van Smaak en de grilligheden

der Mode. Het groot getal derzelven door

PLINIUS vermeld, en de zorgvuldigheid met

welke hy dezelve befchryft en fchikt (s) y

zal, denk ik , den kundiglten Juwelier en

kenner van Edelgefteenten , heden ten dage

, doen verwonderd Itaan, en toonen hoe

ftcrk zy gezogt en begeerd werden by de

Romeinen.

Doch, onder alle de Artikelen van Weelde,

fchynen de Romeinen den voorrang gegeeven

te hebben aan de Paarlen (7). Lie^

den

(s) PLIN. Nat. Hifi. Lib. XXXVII.

(O PLINIUS fchryft, Lib. IX. c. 35. Principium

ergo culm.-.nque omnium rerum prcetii Margarit*

tenent. In Lib. XXXVII. c. 4. beweert hy,

Maximum in rebus humanis pnetium , non folum

inter gemmas, habet Adamas : deeze twee plaatzen

, welker eene aan de Paarlen, en de andere aan

den Diamant, den voorrang verleent, fpreeken elkander

zo rechtdraads tegen, dat het onmogelyk is dezelve

overeen te brengen, of te bepaalen welke meest

met de waarheid overeenfteint. Ik heb het met de eerfte

gehouden; dewyl wy veele voorbeelden hebben van

buitenfpoorig hooge pryzen voor Paarlen befteed,

en, zo verre ik weet, geene van Diamanten zo hoog

gekogt. In dit denkbeeld vind ik my bevestigd door

eene plaats van PLINIUS zelve, Lib. XIX. c. 1. den

hoogen prys voor Asbrstos gegeeven, vermeld hebbende,

voegt hy 'er by aquat pnetia excellentium

Margaritarum; 't geen influit, dat) hy de Paarlen

ran Ifeoger prys hieldt dan iets anders, '

G 3


n.

AFDEE

LiNG

ioa O N D E R Z O E K

den van allerlei rang kogten ze met greetigheid.

De/elve werden aan alle gedeelren

van . den oprooi gedraagen ; en 'er

is zulk een ondnrfcheid , zo in de grootte

als in de waarde der P tarlen, dat, terwyl

de grootfte en fchoonfte de aanzienlyken

en ryüen vercierden , de kleindere en min

fraaye den trots flreelden van lieden in laagere

kringen. JULI os CES AR gaf SER-

VILIA, de Moeder van BRUTUS een

Paarl ten gefchenke, voor welke hy achtenveertig

duizend vierhonderd en vyfenzevenrig

Ponden betaalde. De beroemde

Paarl - oorringen van CLEOPATRA werden

geichat op honderd eenenzestig duizend

vierhonderd en achtenvyftig Ponden

(«). Edelgeiteenten, *t is waar, zo wel

als Paarlen , werden niet alleen in Indie

gevonden , maar in veele andere Landen,

en byeen verzameld om den- trots van Rome

te voldoen. Indie verlchafte, nogthans,

IK t voornaamfte gedeelte , en de voortbrengzels

uit dien wereldoord hielde men

voor die, te midden van den overvloed,

de grootfte verfcheidenbeid opleverden, en

de kosrbaarfte fchonken.

[PLINIUS beeft twee geheele Boeken

00 gfcfehikt rot het optellen en befchryven

der Speceryen. Reukwerken en Balze»

tnen, welker gebruik de Weelde onder zyne

Landgenooten hadt ingevoerd. Dewyi

veele

00 PLIIV. Nat. Hifi Lib. IX. cap. 35.

f>j ïe weeten Lib. XII & XIII van zvn ff at.

Bist. . m


WEGENS OUD INDIE. 103

veele deezer de voortbrengzels waren van

Indie, of daar omftreeks gelegene Gewesten

, en de Handel op het Oosten, ten dage

van dien Schryver, in eene vry groote uitgeitrektheid

gedreeven werd , kunnen wy

eenig denkbeeld vormen van de fterke vraag

ra dezelve, uit den hoogen prys, voor welken

ze, by aanhoudenheid , te Rome verkogt

werden. De pryzen van dezelfde

Waaren in Oud Rome te vergelyken met

die men thans in Engeland betaalt, is geene

bloote voldoening van nieuwsgierigheid;

maar geefc ons een maatftok in de hand,

by welken wy de onderfcheide maate van

gelukkig flaagen, waar mede rnen den Indifchen

Handel in ouden tyde en hedendaags

dreef, cn dezelve in laateren tyde gedreeven

wordt (V)-]

Ten derden. Was de Zyde, een Voortbrengzel

van Indie, te Rome fterk gezogt;

en, wanneer wy ons voor den geest brengen

de verfcheidenheid van fraaye kunstbewerkingen

voor welke dezelve gefchikt

is, en hoe veel deeze toegevoegd hebben

aan

(w) Veele opmerkenswaardige plaatzen by oude

Schryvers , wegens den hoogen prys by de Romeinen

voor Edelgelteenten en Paarlen bedeed , als mede

over het algemeen gebruik derzelven by lieden van

allerlei rang, zyn verzameld door MEURSIUS de

Luxu Romanonim, Cap. 5. en door STANISLAUS

ROBIERZYCKITTS in zyne Verhandeling over 't zelfde

Onderwerp, Lib. II. c. 1. Dr. ARBUTHNOT

geefc 'er een voldoenend berigt van in zyne weippge,ftelde

Tables of anciens Coins, fVeights', and Meafures,

p. 172, &c, Dit is de XXIi Aantekening van

ROBERTSQNi

G 4

II.

AFDEE-

LING.


II.

AFDEE-

LINO,

104. O N D E R Z O E K

aan den luister der Kleeding en Toeftel,

kunnen wy ons niet verwonderen, dac dezelve

in zo groote waarde gehouden werd,

by een Volk van Weelde doordronken- De

prys, welken men 'er voor befteedde, liep

buitetifpoorig hoog ; doch hec werd eene

Kleedinq; gerekend al te fyn voor Mannen \

alken Vrouwen van hoogen rang, en fchatryken,

droegen dezelve Dit, egter,

maakte de vraag na Zyde niet minder geweldig;

inzonderheid naa dat het voorbeeld

van den verkwistenden ELAGABALUS hec

gebruik daar van onder de andere Sexe invoerde

, en de Mannen leerde zich te vernederen

tot het draagen van dit verwyfde

dekzel, gHyk de ftrengheid der oude denkwyze

de Zyde kleeding noemde.

Twee omftandigheden, wegens den Zydehandel

onder de Romeinen, verdienen onze

opmerking. Strydig met het geen doorgaans

plaats grypc in allen Handelbedryf,

fchynt het algemeener gebruik van dat

voortbrengzel de ingevoerde hoeveelheid

niet vermeerderd te hebben, in zulk eene

evenredigheid als beantwoordde aan de

fteeds totneemende vraag na 't zelve : de

prys der Zyde verminderde niet geduuren^

de hec verloop van tweehonderd en vyftig

jaaren, zints den tyd dat dezelve eerst te

Rome bekend werd. Onder de Regeering

van AURELIANUS bleef men de Zyde nog

tegen Goud opweegen. Die hadt men

waarfchynlyk toe te fchryven aan de wyze

(x) TACIT. Annales, Lik. II. c. 33.


WEGENS OUD INDIE. 105

ze op welke die ftoffe door de Kooplieden

van Alexandrie bezorgd werd. Zy hadden

geene rechtflreekfche gemeenfchap met

China, het éénigfte Land, waar men, ten

dien tyde, de Zydeworm kweekte, en diens

arbeid tot een artykel van Koophandel

maakte. Al de Zyde , welke zy kogten

in de onderfcheidene Havens van Inctte

door hun bezogc , was daar in fchepen

diens Lands gebragt : en, of door eenig

gebrek in kennis om de Zydewormen te

kweeken en te behandelen, was de voortbrenging

deezer kundige werkzaamheid by

de Chineefen zelve fchaars, of de tusfchenbeide

komende Handelaars vonden 'er hun

voordeel by in de markt te Alexandrie met

een kleine hoeveelheid, tot een hoogen

prys, te voorzien, dan de waarde door hec

vermeerderen van den voorraad te vermin^

deren.

De andere omftandigheid , welke ik op

't oog had,is van byzonderder aart,en verfchaft

ons een treffend bevvys van de onvolkomene

gemeenfchap der Ouden met

wydafgelegene Volken , en de gebrekkige

kennis welke zy hadden , van derzelver

voortbrengzelen in Natuur en Kunst. Hoe

zeer men de van Zyde gewerkte Stoffen

bewonderde , en hoe vaak Griekfche en

Romeinfche Schryvers van Zyde gewaagen,

hadden zy, verfcheide eeuwen lang, naa

dac het gebruik gemeen geworden was,

geen zekere kundigheid of van de Landen

aan welken zy die zo geliefde arrykel van

©pfchik moescen dank weeten , of van de

Ü 5

w

11.

ƒ< FDEE-

LING.

y-


iot? O N D E R Z O E K

IL wyze op welke hec voortkwam. Eenigen

AFDEE- veronderftelden , dac de Zyde een fyne

LING. Dauw was, kleevende aan de bladeren van

zommige boomen of bloemen ; anderen hielden

dezelve voor eene tedere foorc van

Wolle of Katoen; en zelfs zy, die geleerd

hadden dat die Stoffe het werk was van een

Infect, toonen , door hunne befchryvingen ,

geen onderfcheiden denkbeeld gehad te

hebben hoe dit fpinnen gefchiedde (;y).

'c Was

fy) De Heer MAHUDEL heeft , in een Vertoog,

aan de Academie des Infcriptions & Belles Lettres,in

den Jaare 1719, voorgeleezen, de onderfcheide Gevoelens

der Ouden , over de natuur en den oorfprong van

de Zyde verzameld, 't welk ftrekt om hunne onkunde

teu dien opzigte aan te toonen. Zints de uitgave des

Vertoogs van den Heer MAHUDEL, heeft Vader DU

HAL DE eene foort van Zyde befchreeven, van welke

ik geloof dat hy de eerfte kennis aan de Hedendaagfchen

gegeeven heeft. „ Deeze wordt voortgebragt

„ door kleine Infecteu, zeer op Slekken gelykende;

„ zij vervaardigen geen ronde of langwerpig ronde

„ Spinzels gelyk de Zydsworm , maar fpinnen zeer

„ lange draaden, die zich hegten aan boomen en ftrui-

„ ken, wanneer zy door den wind worden opgeno-

„ men. Men verzamelt ze, en vervaardigt 'er Zyde

„ ftofFen van, ruwer dan die komen van de tamme Zy-

„ dewormen. De Infecten , die deeze ruwe Zyde

„ voortbrengen, zyn wild." Dtfcription de PEmpi'

re de la Chine, Tom. II. Fol. p. 207. Dit gelykt

veel naar de befchryving van VIRGILIUS:

Fellereque ut foliis d


WEGENS OUD INDIE. 107

— 't Was, in gevolge eener gebeurtenisfe, II.

in de Zesde Éeuwe van de Christen Jaa>'AFDEStelling voorgevallen , waarvan ik beneden L1NG.

zal gewp.agen, dat de vvaare natuur der Zyde

in Europa bekend wierd.

De andere Koopwaaren , doorgaans uit

Indie aangebragt, zal ik vermelden in het

berigt, 't Welk ik nu gaa geeven van de

Laadingen door de Schepen in dien Handel

gebruikt,heen gebragt, en te rug genomen.

De kundfchap hiervan zyn wy verfchuldigd

aan de Omvaaring der Eryihrtefche Zee,

toegefchreeven aan A R RI ANUS, in een keurige,

fchoon korte, Verhandeling, min bekend,

dan dezelve verdient; dezelve treedt

in eenige byzonderheden , den Handel betreffende,

waar van men geen wedergade

by eenigen .ouden Schryver aantreft.

De eerde plaats in Indie, op welke de

Schepen uit Egypte, toen zy de oude wyze

van vaaren volgden, gewoon waren te handelen

, was Patala aan de Rivier Indus Zy

brag-

meir worden breeder ontvouwd in de groote Verzameling

van Memmes coneernant VHlstoire, {et Sciences,

les Aits, &c. des Chimis, Tom II. p. 575> Steen

door Vader DE MAILT. \, in zyne breedui'.gewerkte

Historie van China, Tom XIII. p. 43J- ' 7-

Het is eene zonderlinge oiflftaiidigtieid in de Gefchiedenis

der Zyde, dat de Maho-nedaansn, uit hoof's

dat dezelve het uitwerpz-1 is v h een worm, de Zyde

aanzien al, eene onreine kleeding; en Het is, met

algemeen e toeftemming der Leer ren . >.dat

een Pérfpon • dié e:*ne ïCleejding ge.! • f& Zyd^

drsagt, de dcgètykTcliè Gebeden , fii uc:.i Coran voorgefchreeven

, niet wettig kan tótCartea; li i KB EL.

MïlL Qrs.,.t. A, t. BAK.IR.


ft.

AFDEE

LINO.

108 O N D E R Z O E K

bragten 'er dun wollen Laken , geruit

Linnen , eenige kostbaare Gefteenten en

Reukwerken, in Indie onbekend, Koraal,

Storax, Glazen van onderfcheide foonen,

eenig gewerkt Zilver, Geld en Wyn. Voor

deeze Waaren kreegen zy veelerhande Speceryen

, Sapphiren en andere Gefteenten,

Zyden Stoffen, Draad Zyde, Katoenen (z)

en zwarte Peper.

Dan een veel grooter Koopmarkt aan

dezelfde Kust was Barygaza, en te deezer

oorzaake vermeldt de Schryver , dien

ik hier volg, de ligging en de wyze van het

aandoen der Haven met zeer veel naauwkeurigheids.

De ligging komt volmaakt

overeen met die van Baroach , aan de

groote Rivier Nerbuddah , langs welke,

of te lande , uit de aanzienlyke Stad Tagara

over hooge bergen Ca) alle de bin-

nen-

(z) Indien het gebruik van in Indie gemaakte Katoene

ftoiï"en onder de Romeinen algemeen geweest

was, zou men de onderfcheide foorten opgenoemd

vinden in de Wet de Publicanis & Fectigalibus, op

dezelfde wyze als de onderfcheide Speceryen en kostbaare

Gefteenten. Zodanig eene byzondere opgave

zou even noodig geweest zyn voor den Koopman als

voor den Tollenaar.

Ca) Dit gedeelte der Periplns van ARRIANUS is

met groote naauwkeurighcid en geleerdheid onderzogt

door den Lieutenant WIIFORD, en uit zyne naipeuring

blykt, dat het Plithana van ARRIANUS het tegenwoordige

Pultanah is, aan den Zuidlyken oever

van de Rivier Godvery , ruim honderd en zeventien

Engelfche Mylen ten Zuiden vw Baroach; dat de ligging

van Tagara dezeifde is met die van het hedendaagicheDovlatabad,en

dat de hooge gronden, over welfeen

de Goederen na Baroach gevoerd werden , de


WEGENS OUD TNDIE. 109

nenlandfche voortbrengzels gebragt worden.

De in- en uitgevoerde Koopmanfchappen

aan deeze groote Markt waren veelvuldig

en verfcheiden. Behalven de reeds

opgenoemde, telt onze Schryver, onder de

ingevoerde, Italiaanfche, Griekfche en Arabifche

Wynen, Koper, Tin, Lood, Gordels

van een keurlyk weefzel, welriekende

Klaver, wit Glas, rood Rattekruid, Potlood,

Goud en Zilver Munt. Onder de uitgevoerde

noemt hy , den Onyx en andere

Gefteenten , Yvoor , Mirrhe , verfcheide

foorten van gewerkt Katoen, effen en met

bloemen vercierd, en lange Peper (b).

Te Mufiris, een naaste Haven van aangelegenheid

op die kust, waren de ingevoerde

Koopmanfchappen veelal dezelfde

met die te Barygaza; doch dewyl dezelve

nader aan de Oostlyke gedeelten van Indie

lag, en daar mede veel gemeenfchaps fchynt

gehad te hebben, waren de Goederen, van

daar uitgevoerd, veelvuldigeren kostbaarder.

Hy gewaagt, inzonderheid, van Paarlen in

grooten overvloed en zeldzaame fchoonheid,

van verfcheidenerleie Zyden Stoffen,

kostbaare Reukwerken, Schildpad, onderfcheide

föorten van doorfchynende Steenen,

bo»

Battagaut-Bergen zyn. De liggingen en afftanden

van deeze onderfcheidene Plaatzen , zo als dezelve

opgegeeven worden door ARRIANUS, leveren een

bykomend bewys op, (indien het anders noodig ware,)

van de juiste kundfchap, welke hy ontvangen

hadt, wegens dit gedeelte van Indie. Afiatie. Refearches,

Vol. I, p. 369, &c.

Cè) Peripl. Mar. Erythr. p. 28.

ÏL

AFDEE-

LING.


11

AFI KE

LI A G .

no O N D E R Z O E K

bovenal Diamanten, Peper in groote hoeveelheid,

en van de beste foort (c~).

De iuischeid des berigts van deezen

Schryver , wegens de Goederen uit Indie

aangebragt , wordt bevestigd , door eene

Romeinfche Wet, die de Indifche Goederen

. aan Tolgelden onderworpen, optelt (V).

Door deeze twee met den anderen te

v.ergelyken, kunnen wy een vry naauwkeurig

denkbeeld vormen van den aart en de

uitgeifrektheid des Handels met Indie in

oude tyden.

Naardemaal de ftaat der Maatfchappye

en der Zeden onder de Inwoonderen van

Indie, in het vroegfte tydperk, waarin zy

bekend werden , ten naasten by overeenkwamen

met die hunner Afftammelingen

heden ten dage , waren hunne behoeften

en 't geen zy verlangden, bygevolge veel

al dezelfde. De vindingrykheid, en het

vernuft, hunner eigene Kunftenaaren, was

genoegzaam om hun zo veele gewerkte

Stoften te bezorgen, dat zy weinig van

buiten 's lands behoefden , uitgezonderd

eenige der nuttige Metaalen , welke hun.

eigen Land in geene genoegzaame hoeveelheid

opleverde: toen zo wel als nu, kogc

men meest met Goud en Zilver de benoodigdheden

der Weelde uit het Oosten.

In twee byzonderheden , nogthans , ia

onze Invoer uit Indie grootlyks onderfc

hei-

CO Peripl. Mar. Erythr. p, 31, 32.

rrf) Digest. Lib. XXXIX. Tit. IV. itf. D$

Publteanis £f / eetigalibus.


WEGENS OUD INDIE. III

fcheiden van dien der Ouden. De Klee­ II.

ding, beiden van Grieken en Romeinen, beAFDEEftondc bykans geheel uic Wol , die, door L1NG.

hun veelvuldig gebruik van warme baden,

draaglyk genoeg was. Hun fleec van Linnen

en Kacoen was veel minder dan hedendaags

, nu lieden van allerlei leevensrang

Linnen en Kacoen draagt. Diensvolgens beftaar

een aanmerkelyke cak des Invoers, uic

dac gedeelte van Indie, 't welk de Ouden

kenden , uic Stukgoederen, onder welke

Koopmans benaaming begreepen worde de

onnoemelyke verfcheidenheid van gewerkte

ftoffen , die de fchranderheid der Indiaanen

van Katoen vervaardigt. Maar , zo

verre myne waarneeming ftrekc, hebben

wy geen gezag, 'c welk ons geregcigc om

den invoer der Ouden, een dien aanziene,

aanmerkelyk te agten.

Schoon de Handel op Indie, heden ten

dage gedreeven , meest een Handel van

Weelde is , brengen wy, nogthans , mee

de Artykelen aan dezelve dienstbaar, veele

Goederen mede, die enkel moeten aangemerkt

worden als ftoffen voor onze eigene

Handwerken. Van dien aart is de

Katoen uit Indostan, de Zyde uit China,

en de Salpeter van Bengale. Maar in de

berigten van den ouden Invoer uit Indie,

vind ik niets , behalven ruwe Zyde en

Draad-Zyde, vermeld, 'c geen coc ftofie van

eenige binnenlandfche bewerking kon dienen.

De Vaarc der Ouden zich nooic tot

China uitgeftrekt hebbende, blykc de hoeveelheid

van onbewerkte Zyde , welke zy

uic


na O N D E R Z O E K

II. uit handen der Indifche Handelaaren krec-

AFDEE gen , al te fchaars geweest te zyn , om

LiNG. de bewerking daarvan tot eenig voorwerp

; van belang voor binnenlandfche vlyt te

maaken.

Naa dit beknopt berigt des Koophandels

door de Ouden op Indie gedreeven, gaa ik

voort, om te onderzoeken , welke kennis

zy hadden van de Landen verder op gelegen

dan de Havens van Mufiris en Barace,

de uiterfle grenspaal ten Oosten , tot

welke ik tot hier toe hun voortgang heb

afgetekend. De Schryver van de Omvaart

der Erythrcefche Zee, wiens naauwkeurigheid

in 't befchryven het vertrouwen, waar

mede ik hem eenigen tyd gevolgd heb, ten

vollen wettigt, fchynt weinig geweeten te

hebben van dat gedeelte van de Kust, welke

van Barace Zuidwaards ilrekt Hy gewaagt,

't is waar, in 't voorbygaan, van

twee of drie onderfcheidene Havens, maar

geeft niet te verfhan dat een derzelve een

Stapelplaats was van den Handel met

Egypte. Hy haast zich na Comar of Kaap

Comorin, de Zuidlykfte uithoek van het

Indisch Schiereiland , en zyne befchryving

van dezelve is zo naauwkeurig en overeenkomftig

met den tegenwoordigen ftaat,

dat ze uitwyze hoe hy deswegen volkomen

egte berigten ingewonnen hebbe (e). Naby

dezelve plaatst hy de Paarlvisfchery van

Colchos, het hedendaagfche Kilkare, onge-

twy-

(e) Peripl. Mar. Erythr. p. 33. D'ANVILLB

Ant. de Pinde, p. 118, &e.


WEGENS O U D I N D I E . 113

twyfeld dezelfde die de Nederlanders thans

verrigten in de Straat, welke hec Eiland

Ceylon van hec Vasteland fcheidt. — Als

daar niet verre afgelegen, vermeldt hy drie

onderfcheide Havens, die blyken geweesc

te zyn op den Oostkant van het Schiereiland,

thans bekend onder den naam van de

Kust van Curmandel. Hy befchryfc deeze

als Emporia , of vaste Handelplaatzen

Cf); maar uit een oplettend nagaan

eeniger omftandigheden in zyn berigt des

betreffende, komt het my waarfchynlyk

voor, dat de Schepen van Berenice , na

geen deezer Havens zeilden , fchoon dezelve

, gelyk hy ons meldt , Goederen

kreegen uic Egypte gebragt, zo wel als

de Voortbrengzels van de tegen over liggende

kust des Schiereilands : dan deeze

fcheenen ingevoerd te zyn met Lands Schepen

(g~). 't Was ook met eigen Schepen,

in gedaante en grootte verfchillende , en,

van onderfcheide bcnaamingen, van welken

hy 'er eenige opgeeft, dat zy Handel dreeven

met het Gouden Cherfonefus, of hec

Koningryk Malacca, en de Landen by de

Ganges. — Niet verre van den mond dier

Riviere plaatst hy een Eiland, door hem

befchreeven als liggende onder de opgaande

Zon, en als het laatfte Gewest in hec

Oosten, 't welk bewoond was (h).

Van alle deeze deelen van Indie ichynt de

Schry-

(ƒ) Perip. Mar. Erythr. p. 34.

Q>) ronmct ic^ota.

(fp) Perip. Mar. Erythr. p. 36.

H

II.

&FDEE-

LING.


iii

AFDEE-

L1NG.

"4 O N D E R Z O E K

Schryver dier Omvaart eene zeer gebrekkige

kennis gehad te hebben, gelyk blykc,

niet alleen uit het geen hy vermeldt, wegens

dit ingebeelde Eiland, en dat by het

zich niet onderwindt 't zelve te befchryven;

maar ook uit zyn verhaal, met de ligtgeloovigheid

en zugt tot het wonderbaare ,

die altoos onkunde vergezellen, en kenmerken,

dat deeze afgelegene Oorden bevolkt

waren met Menfcheneeters, en Menfchen

van fchriklyke en gedrogtJyke gedaanten

(/).

Ik heb deeze aandagt hefteed, om den

koers,aangeweezen inde Omvaart derErythrafche

Zee, na te gaan: dewyl de Opfteller

van dit Werkje de eerfte oude Schryver

is, aan wien wy de kennis verfchuldigd

zyn van de Oostkust des grooten

Schiereilands van Indie, of van de Landen

daar by gelegen. — Aan STRABO, die

zyn groot Werk over de Aardrykskunde

zamenftelde onder de Regeering van AU­

GUSTUS , was Indie, en in 't byzonder

het Oostlykst gedeelte daar van, weinig bekend.

Hy vangt zyne befchryving aan met

de toegeeflykheid zyner Leezeren te verzoeken

, uit hoofde van de fchaarfche berigten

welke hy kon opdoen van een Land

zo wyd afgelegen , 't geen de Europeaanen

zelden bezogt hadden, en veelen hunner

enkel by hec doortrekken , of in den

Krygsdienst. Hy merkc op, dac de Koophandel

zelve weinig hadc toegebragt toe

(0 Perip. Mar. Erythr. p. 35.

eene


WEGENS O U D I N D I E . 11$

eene naauwkeurige nafpeuring des Lands:

dewyl weinigen der Kooplieden uic Egypte,en

de Arabifche Golf, ooic zoo verre als

de Ganges waren opgezeild; en van zo ongeletcerde

Menfchen kon men bezwaarlyk

verwagten kundfchap ce zullen verkrygen,

die eene volle maate van vertrouwen verdiende.

Zvne befchryvingen van Indie, in

'c byzonder van de binnenfte Landfchap

pen , zyn bykans geheel ontleend uit de

Gedenkschriften der Bevelhebberen van

ALEXANDER, met eenige luttel beduidende

byvoegzelen van laater dagtekening,

en deeze zyn zo weinig in aantal en zomtyds

zo ormaauwkeurig , dat ze een treffend

bevvys bybrengen van de geringe vorderingen,

weiken de Ouden, zints den tyd

van ALEXANDER, gemaakt hadden in hec

onderzoek deezes Lands. Wanneer een

Schryver van zo veel oordeels als STRA­

BO, die in eigen perfoon verfcheide verre

Landen bezogc, om 'er een juister verhaal

van te kunnen vervaardigen, aantekent, dat

de Ganges , door één mond zich in den

Oceaan ontlast mogen wy, met reden,

befluiten, dac, ten zynen tyde, geen rechcftreekfche

vaart was op die Rivier, door de

Handelaars van de Arabifche Golf, of dat

die Reize zo zeldzaam ondernomen word,

dac de Weecenfchap 'er weinig onderrigtings

uic trok.

De volgende Schryver in Tydorde, van

wien wy eenig berigc wegens Indie oncvan-

(A) STRABO, Lib. XF. p. ion. C.

Ha

m

AFDEE*

LING.


nö O N D E R Z O E K *

II. vangen, is PLINIUS de Oude, die om­

AFDEE trent vyftig jaaren na STRABO bloeide.

LING. Naorden:aal hy in de korte befchryving van

. Indie, in zyne Natuurlyke Historie gegeeven,

dezelfde Gidfen volgt als STRABO,

en geene kennisfe van het binnenfte des

Lands fchynt gehad te hebben, dan die hy

ontleende uit de Krygsbevelhebbers, die

onder A L EX ANDER , en diens onmiddelyke

Opvolgers, dienden, is het noodloos zyne

befchryving byzonder na te gaan. — Hy

heek 'er,nogtbans, twee gewigtige Artykels

bygevoegd, welke hy aan laatere ontdekkingen

hadt dank te weeten. Het eene is

het verflag van den nieuwen koers der Zeevaart

van de Arabifche Golf na de Malabarfche

Kust, waar van , en van welks aangelegenheid,

ik hier boven reeds gefprooken

heb» — Het andere behelst eene befchry.

ving van het Eiland Taprobana, welke ik

ten voorwerp eener gezetter overweeginge

zal reemen, naa onderzogt te hebben

wat PTOLEMEUS toegebragt heeft tot vermeerdering

onzer kundigheden wegens den

ouden ftaat van Indie.

Schoon PTOLVMEUS, die zyne Werken

omtrent tachtig Jaaren laater dan PLINIUS

aan het licht gaf, rreer fchynt uit te munten

door zyn onvermoeide vlyt en begaafdheid

om de dingen te fchikken, dan

door een vindingryk vernuft , is de Aardryltskunde

meer aan hem, dan aan eenigen

anderen Wy>geer, verfchuldigd. Gelukkig

voi r die Weetenfchap, hadt hy, in het vormen

van zyn algemeen Stelzel der Aard-

ryks-


WEGENS OUD INDIE. 117

rykskunde, de denkbeelden aangenomen en ÏL

de hardel wyze gevolgd van HIPPARCHUS, , LFDREdie

bykans vier honderd jaaren vroeger LING.

dan hy leefde. Deeze groote Wysgeer .

was de eerfte, die het ondernam- eene

Naamlyst van de Starren te maaken. Om

derzelver plaats aan den Hemel met juistheid

te bepaalen mat hy den afftand af

door zekere cirkels van de Spheer ; tellende

deezen by Graaden, of van 't Oosten

na 't Westen, of van 't Noorden na

't Zuiden. De eerfte noemde hy de Lengte

, de tweede de Breedte, van een Star.

Deeze handelwyze vondt hy van zo veel

nuttigheids in zyne Starrekundige nafpeuringen,

dat hy dezelve, met geen min gelukkigen

uitflag, op de Aardrykskunde toepaste

; en het is eene byzonderhcid der

opmerkinge waardig, dat, door het waarneemen

en befchryven des Hemels, de Menfchen

eerst leerden de Aarde met juistheid

te meeten en af te beelden. Die wyze,

om de ligging der Plaatzen te bepaalen ,

door HIPPARCHUS uitgevonden, fchoon

bekend aan de Aardryksbefchryvers tus*

fchen zyn Leeftyd en dien van PTOLE­

MEUS, en door STRABO (/), zo wel als

door PLINXUS (tn) , vermeld, werd door

geen van hun beiden gevolgd. Van dit

verzuim fchynt geen waarfchynlyker reden

gegeeven te kunnen worden , dan dat zy

geen Starrekundigen waren , en niet ten

Q) STRABO, Lib. II.

vol-

(m) PLINIUS, Nat. Hist. Lib. II. c. 12. 26. 70.

H 3


IÏ.

AFüEE-

LING.

118 O N D E R Z O E K

voilen alle de voordeden begreepen. welke

de Aardrykskunde van deeze vinding

kon trekken. [Wat S T R A B O , in 't byzonder

betreft, hy erkent zyne agterwegelaating

der verbereringen , welke HIP­

P A R C H U S ontleend hadt uit Starrekundige

Waarneemingen; doch billykt dezelve door

een dier redeneerkundige fcherpzinnighedan

, welke de Ouden zo gereed in alle

hunne Schriften lieten invloeijen. ,, Een

„ Aardryksbefchryver", zegt hy, ,, heefc

geen agt te flaan op 't geen buiten de

„ Aarde is ; en zullen Menfchen , bezig

„ om de zaaken te befchikken van dat

„ gedeelte des Aardbodems , 't welk be-

„ woond is, de onderfcheiding en verdee-

,, lingen van H I P P A R C H U S der kennis-

„ neeming onwaardig keuren J

Dan P T O L E M E U S , die een lang leeven

befteed hadt in het vei beteren der Starrekunde,

zo wat het befpiegelend , als wat

het beoefenend, gedeelte aanbelangt, ontdekte

die voordeelen, ten opzigte der Aardrykskunde,

volkomen, in deeze beide was

H I P P A R C H U S zyn Leidsman; diensvolgens

befchreef hy , in zyne beroemde Verhandeling

over de Aardrykskunde, de onderfcheide

deelen der Aarde. volgens derzelver

Lengte en Breedte. De Aardrykskunde

was dus op eigenaartige gronden gevestigd

, en onm'iddelyk verbonden met

Starrekundige Waarneemingen en Wiskundige

Weetenfchap. Dit

(h) STRABO, Lib.II. p. 104. C. Dit is de XXVI

4nnt. vau P.OBEKHOJÏ,


WEGENS O U D I N D I E . 119

Dit Werk van PTOLEMEUS verwierf II.

welhaast groote hoogagting by de Ou:len. AF DEE­

[AGATHEMEUUS, die niet lang naa hem LING.

bloeide, geeft hem dit getuigenis: „ PTO-

„ LEMEUS, die de Aardrykskunde tot een

„ geregeld Stelzel bragt, behandelt alles,

„ wat tot dezelve behoort , niet loslyk,

„ of enkel naar zyne eigene begrippen;

„ maar, lettende op 't geen gefchreeven

,, was door oudere Schryveren , nam hy

„ van hun aan wat hy eenftemmig met de

„ waarheid vondt." •— Uit hoofde van

diezelfde bewondering zyns arbeids, vervaardigde

AGATHODJEMON , een Kunftenaar

van Alexandrie , een flel Kaarten

ter opheldering van 't Werk van PTOLE­

MEUS; waar in de ligging van alle Plaatzen,

door dien Aardrykskundigen vermeld,

met derzelver Lengte en Breedte, volgens

diens denkbeelden zich vertoonen (0) ]. —

Geduurende de Middel-Eeuwen, onderwierp

men zich, zo in Arabie, als in Europa,

aan de beflisfingen van PTOLEMEUS, in

alles wat de Aardrykskunde betrof, met

eene zo ingewikkelde toeftemming, als men

toedroeg aan de bepaalingen van ARISTO-

TELES, in alle andere rakken van Weetenfchap.

By de herleeving van een vryer

geest van onderzoek, in de zestiende Eeuwe,

werden de verdienflen der verbeteringen

door PTOLEMEUS in de Aardrykskunde

gebragt , nagegaan en erkend ; die

taal

(#) F ABRI c. Bib/. Grtc. Vol. III. p. 412. Dit

is de XXVII Aantekening van ROBERTSQK.

H 4


iso O N D E R Z O E K

II. taal der weetenfchap, welke hy eerst alge-

AFDEE - meen maakte, wordt nog gebruikt, en de

LING. ligging der Plaatzen nog bep*gld op de-

. zelfde onderfcheidende en beknopte wyze,

door de Lengte en Breedte op te geeven.

PTOLEMEUS, niet voldaan met de algemeene

beginzels van HIPPARCHUS aan

te neemen, ftreefde hem na in de toepasfing

derzelven, en, gelyk die Wysgeer alle

de Starrebeelden gefchikt hadt, waagde hy

het, 'c welk geen min zwaare taak was ,

alle de Gewesten der Aarde, toen bekend,

te overzien, en hy bepaalde, met eene keurige

en ftoute beflisfing, de Lengte en

Breedte van de meest aanmerkelyke Plaatzen

in elk Gewest. Alle zyne bepaalingen

, egter, hebbe men niet aan te zien

als de uitflag van daadlyke waarneeming;

PTOLEMEUS gaf ze ook niet als zodanig

op. De Starrekunde was, ten dien tyde,

rot eenige weinige Landen bepaald. Een

groot gedeelte der Wereld was weinig

bezogt en gebrekkig befchreeven. De ligging

van een klein getal Plaatzen, alleen,

was met eenige maate van naauwkeurigheid

bepaald. PTOLEMEUS vondt zich,

derhalven, verplïgt de Wegwyzers en Opneemingen

van het Romeinfche Ryk, welke

de ilaatkundige wysheid van dien grooten

Staat , met verbaazende moeite en

groote kosten , hadt laaten vervaardigen,

te raadpleegen.

[Naardcmaal deeze openbaare Opneemingen

en Wegwyzers aan de oude Aardryksbefchryvers

het beste berigt verleenden ,

we-


WEGENS OUD INDIE. 121

wegens de ligging en den afftand van veele

Plaatzen,.zal het niet ongepast zyn, hier /

tusfehen beiden, met een kort woord , te

doen zien, op welk eene wyze de Romei- -

nen dezelve vervaardigden. Het denkbeeld

eener algemeene Opneeming des geheelen

Ryks werd eerst gevormd door JULIUS

ca;SAR, en werd, onder zyne Regeering

begonnen zynde, op gezag vaneen Raadsbefluic,

voltooid door AUGUSTUS. Dewyl

Rome in Weetenfchap voor Griekenland

verre moest zwigten , gaf men de

volvoering deezer groote onderneeming in

handen van drie Grieken, Mannen van

uitfteekende bekwaamheden, en bedreeven

in alle deelen der Wysbegeerte. De Opneeming

der Oostlyke Verdeeling des Ryks

werd door ZENODOXUS voltooid in veertien

jaaren , vyf maanden en negen dagen.

Die van de Noordlyke verdeeling

volbragt TKEODOTUS in twintig jaaren,

acht maanden en tien dagen. De Zuidlyke

Verdeeling bragt men ten einde in vyf

en twintig jaaren, ééue maand en tien da­

i c w a s e e n e

gen (ƒ>)• D onderneeming deeze

groote Mannen waardig, en voegende

aan den luister van een groot Volk.

Behalven deeze algemeene Opneeming,bragt

elke Oorlog eene nieuwe afbeelding en

meeting mede van de Landen, die ten tooneele

des Krygs geltrekt hadden. Wy

mo-

(/>_) /Ethici Cosmographia apud Gcographos, edifOS

(t HEK». STEPHANO, 1577. p. I07.

H 5

IT.

FM KE­

LING.


II.

AFDEE-

LING.

132 O N D E R Z O E K

mogen uit VEGETIUS befluiten , dat elk

Landvoogd van een Romeinsch Wingewest

'er eene Befchiyving van kreeg ; waar in

de afftand der Plaatzen by mylen was afgemerkt

, waar in men de wegen, de bywegen,

de bergen, rivieren, enz. aantrof;

alle deeze, zegt hy, waren niet alleen met

woorden uitgedrukt, maar afgetekend in

eene Kaart; ten einde de oogen eens Veldheers,

in het raadpleegen over zyne krygsbeweegingen,

de overleggingen van zynen

geest mogten te hulp komen (f).]

Buiten de grenzen des Keizerryks, hadt

PTOLEMEUS niets waarop hy kon vertrouwen

[ dan de Dagboeken en Verhaalen

der Reizigeren. Op deeze grondde hy

alle zyne bepaalingen : en dewyl hy te

Alexandria woonde , ten tyde dat de Koophandel

van die Stad op Indie in de grootfïe

uitgebreidheid gedreeven werd, zou

men ligt denken, dat deeze omftandigheid

hem de middelen zou verfchafc hebben

om des veelvuldige kundfchap op te doen.

Maar, 't zy door de onvolkomene wyze,

op welke dat Land , in zyn tyd, bezogt

werd. 't Zy door te veel betrouwen te

ftellen op de berigten van Perfoonen, die

hetzelve met weinig aandagts of oordeels

bezien hadden , is zyne algemeene Opgave

van de gedaante des Indifchen Vastenlands,

de gebrekkigfle, welke de Oudheid

ons heeft opgeleverd. Eene verhaazende

mis-

( » V E G E T . Inftit.Rei Militarts, Lib. III. c. 6".

Dit is de XXVIfl Aantekening van ROBERTSON.


WEGENS OUD INDIE. 123

misflag doet hem het Schiereiland van In­ II.

die van den Sinus Earygazenus , of Golf AFDREvan

Cambay, van hec Westen na het Oos L1NG.

. ten loopen , in ftede van de waare ftrekking,

van hec Noorden na het Zuiden (V).

Deeze misflag is te min verfchoonelyk als

wy overweegen, dat MEGASTHENES eene

meeting van het Indifche Schiereiland had

uitgegeeven, die naby aan de waare kwam \

en deeze, met eenige veranderingen, was aangenomen

door ERATOSTHENES, STRA­

BO,DIODORUS sicuLus,en PLINIUS,

die vóór den Leeftyd van PTOLEMEUS

fchreeven (s).

Hoewel PTOLEMEUS zich hadc laaten

vervoeren , om zulk een dwaalend begrip

te vormen , wegens de algemeene afmeetingen

des Vastenlands van Indie, was zyne

(V) Het gevolg van deezen misdag is opmerkeiyk.

PTOLEMEUS, Lib.VIL c. 1, rekent de Lengte van

Barysaza, of Baroach, op 17 0

. 20', en die van Co*

ry, of Kaap Comorin, op 13 0

. 20/, 't welk een

verfchil maakt van juist vier Graadeu; terwyl het weezenlyk

verfchil tusfehen deeze twee Heatzen ten naasten-by

veertien Graaden is.

Cs) STRABO, Lib. XV. p. 1010. B. ARRIAN.////?

Ind. c. III & IV. Droo. SICUL. Lib. II. p. 148

PLIN. Nat. Hist. Lib. VI. c. 21. RA MUS 10, de

Uitgeever van de oudite en misfehien hoogstfehntbaardt

Verzameling van Reisbefchryvingen ,is de eerde, die

zo verre my bekend is, deeze vreemde dwsaling vat

TTOLEMEUS" heeft opgemerkt, Via;;gi Vel.-L p

JSI. Hy tekent, met regt, op, dat de Schryver vat l

de Omvaart der Erythrafche Zee veel naauwkeurige

geweest is, en het Schicreürnd van Indie befchreevei

ï dt, als van het Noorden na het Zuiden drekkende

i'eripl. Mar. Erythr. p. 24. 20.


II.

AKDEE-

LING.

124 O N D E R Z O E K

ne kundfchap, ten aanziene van hec Land,

meer in 'c by zonder, en de ligging van bepaalde

Plaatzen , naauwkeuriger ; en hy is

de eerfte Schryver, die zulk eene maate

van kennis bezat, welke hem in ftaat ftelde

om de Zeekust af ce tekenen, de meesc

bekende Plaatzen op dezelve te vermelden,

de Lengte en Breedte van ieder op te

geeven, van de Kaap Comorin Oostwaards,

coc de uiterfte gienzen der oude Scheepvaart.

Ten opzigte van zommige ftreeken,

byzonder langs de Oostzyde van het

Schiereiland tot aan den mond van de

Ganges, fchynen de berigten, hem medegedeeld,

in zo verre juist geweest te zyn,

dat zy, ten naasten by, misfchien meer

overeenkomen met de weezenlyke gefteltenisfe

des Lands , dan de befchryvingen,

welke hy geeft van eenig ander deel van

Indie. De Heer D'ANVILLE heeft, met

zyne gewoone naarftigheid en oordeelkunde

, de voornaamfte ftanden, zo als dezelve

door hem bepaald worden , overwoogen

, en bevonden dat zy beantwoorden

aan Kilkare , Negapatam, de mond van

de Rivier Cauveri, Mafulipatam, 't Punt

Gordeware, enz. 't ls vreemd van het

voorwerp deezes Onderzoeks tot dusdanige

kleinigheden af te daalen; doch, in verfcheide

gevallen, mogen wy aanmerken ,

dat niet alleen de gclykvormigheid der Ligging

, maar ook de gelykiuidenheid der

oude en hedendaagfche Naamen, zeer treffend

is. De groote Rivier Cauveri heet,

by PTOLEMEUS, Chaberis; Arcot, binnen


WEGENS OUD INDIE. .125

nen in het Land, is, by hem, Arcati Regia;

en waarfchynlyk heeft de geheele A

Kust haaren tegenwoordigen naam van

Cormandei ontvangen van Sor Mandulam , .

of het Koningryk van Sorce, 't welk daar

op gelegen is (t\

In het verloop van een honderd en zes

en dertig Jaaren, die zints den dood van

STRABO tot dien van PTOLEMEUS voorby

fnelden , werd de Handelgemeenfchap

met Indie zeer veel uitgebreid: de laatstgemelde

Aardryksbefchryver hadt, ten aanziene

van de Ganges, zulk eene vermeerdering

van onderrigt bekomen , dat hy

de naamen van zes onderfcheide Monden

dier Riviere vermeldt, en derzelver ligging

befchryft. Zyne afbeelding , nogthans ,

van dat gedeelte van Indie, 't welk verder

dan de Ganges ligt, is, ten opzigte

van de algemeene gedaante, niet min verkeerd

, dan die hy gaf van het Schiereiland

, en komt even min overeen met de

daadlyke ligging deezer Landen. Hy waagc

het niet te min daar van eene Opgave te

doen , gelyk aan die , welke hy gemaakt

hadt van de andere groote afdeel ing van

Indie , reeds door ons nagegaan. Hy vermeldt

de Plaatzen van aangelegenheid langs

de Kust; aan eenige derzelven geefc hy

den onderfcheidenden naam van Emporia;

dan of hy 'er dien naam aan toevoegt ,

om dat zy Stapelplaatzen des Handels

wa-

CO PTOLEM. Geogr. Lib. VIL c, 1. U'AN-

VILLE Antiq. de Pinde, p. 127, &c.

II.

FDEE-

LING.


ia6 O N D E R Z O E K

II. waren voor de Inboorelingén, in den H; n*

/FDEE- del , welken het eene Land fchap van In­

LING. die met het andere dreef, dan of zy ILvens

waren na welken de Schepen uit de

Arabifche Golf rechtftreeks heenen zeilden

, wordt niet onderfcheiden opgegeeven.

3t Lnatfte , denk ik , is het denkbeeld

'it geen PTOLEMEUS ten oogmeik

heeft in te boezemen ; maar deeze Gewes-

:en van Indie waren zo wyd afgelegen,

en, door den fchroomvollen en traagen voortgang

der oude Scheepvaart , tiaar allen

fchyn, zo weinig bezogt, dat zyn berigt

ieswegen allergebrekkigst is, en zyne befchryvingen

duisterder , onnaauwkeuriger

;n min overeenkomftig, zyn met de weesenlyke

gefteltenisfe des Lands. dan in eenig

gedeelte van zyne Aardrykskunde. — Dat

schiereiland, waar aan hy den naam geeft

ran het Gouden Cherfonefus, tekent hy af

ils zich rechtftreeks van het Noorden na

1 iet Zuiden ftrekkende, en bepaalt de Leng-

I e van Sabana Emporium, den Zuidlykften

l lithoek, op drie Graaden over de Linie,

ren Oosten van dit Schiereiland, plaatst

1 iy, 't geen hy de Groote Baay heet,

< :n in het verfte gedeelte daar van ftelt hy

( latigara, de verfte grens der Scheep-

l r

aart in ouden tyde, aan welke plaats hy

1 liet minder dan acht en een halven Graad

/ duider Breedte toefchryfc. Verderop ver­

I jaart hy, dat de Aarde geheel onbekend

i $, en beweert dat het Land van daar Westwaards

loopt , en in die ftrekking voorr­

8 aat tot het zich vereenigt met het Voorge-


WEGENS OUD INDIE. 127

gebergte Prasfum in Ethiopië, 't welk ,

naar zyn gevoelen , de eindpaal was des

Vastenlands van Africa in 't Zuiden («).

In gevolge van deeze dwaaling niet min

onverantwoordelyk dan verbaazend , moest

hy gelooid hebben , dat de &rytnra)cne

; Zee, in haare geheele uitgestrektheid van

j de Kust van Africa af, tot die van Cam-

! bodia, een groote Kom ware, zonder eeni­

ge gemeenfchap met den Oceaan (V).

Uit

(u) PTOLEM. Geogr. Lib. VIL c. 3. 5. D'AN-

YII.LE, Antiq. de Pinde, p. 187.

(v) Deeze dvvaaling van PTOLEMEUS verdient,

bnazender voorkomen, als wy bedenken, dat ny niet

alleen kennis moet gehad hebben van 't geen 11 E R O-

D o T u s verhaalt, wegens het omvaaren van Africa,

op last van een der Egyptifche Koningen, Lib. IV.

c. A; maar ook aan het gevoelen van ERATOSTHE-

N E s , die beweerde , dat de groote uitgcftrektheid

j van den Atlantifchen Oceaan de eenige zaak was,

; die de gemeenfchap ter Zee tusfehen Europa en.Inj

die belette ; STRABO , Geogr. Lib. I. p. 113. A.

i Deeze dwaaling moet nogthans niet geheelenal PTO-

I LEMEUS ten laste gelegd wbrden. HIPPARCHUS,

. dien wy voor zyne Gids mogen houden, hadt geleeraard,

dat de Aarde niet omringd wordt door een

I geheel met elkander gemeenfchap hebbenden Oceaan;

i maar dat dezelve gefcheiden is door verfchillende

S. Landtongen, die den Oceaan verdeelen in veele groo-

:i te Kommen; STRABO, Lib. I. p. 11. B. PTOLE-

II MEUS, dit denkbeeld aangenomen hebbende, werd

!l bewoogen om (taande te houden, dat een onbekend

t Land zich uitltrekte van Catigara tot Prasfum, aan

de Zuid-Oost kun van Africa; Geogr. Lib. VIL c.

3 & 5. Naardemaal het Stelzel der Aardryks-

I kunde van PTOLEMEUS algemeen werd aangenomen,

verfpreidde zich ook deeze dwaaling. Overeen-

II.

AFDEE-

LING.


128 O N D E R Z O E K

IT. Uit de Verwarring deezer verwilderde

AFDES- denkbeelden, in welke de berigten van on­

LING. kundige, of op fabelen verzotte, Reizigers

de Aardrykskunde van PTOLEMEUS gedompeld

hebben , heeft de Heer D'AN­

VILLE Orde poogen te fcheppen , en ,

met veel fchranderheids, begrippen gevormd

ten aanziene van eenige hoofdiiggingen ,

die het voorkomen hebben van welgegrond

te zyn. Het Schiereiland Malacca is ,

volgens hem, het Gouden Cherfonefus van

PTOLEMEUS; maar, in ftede van de ftrekking,

welke hy daar aan gegeeven heeft,

weeten wy, dat het eenige Graaden na het

Oosten loopt, en dat de Kaap Romania,

deszelfs Zuidlykfte Uithoek, meer dan een

Graad ten Noorden van de Linie ligt. —

De Golf van Stam merkt hy aan als de

Groote Baay van PTOLEMEUS ; maar de

ligging van de Oostzyde van die Baay,

met Catigara overeenkomende, is, met de

daad,

eenkomdig met dezelve, leerde de Arabifche Aardryksbefchryver

EDRISS», die iil de Twaalfde Eeuw

fchreef, dat een aaneengehegte (treek Lands zich

Oostwaards uitdrekt'e van Sofala aan de Africaanfche

Kust,tot deeze zich vereenigde met eenig gedeelte

van het vaste land in Indie; D'ANVILLE, Antiq.

p. 18/. — By het eerde Deel des Werks, getyteld:

Gesta. Dei per Francos, is een oude en zeer ruwe

Kaart van den bewoonbaaren Aardbodem gevoegd ,

getekend naar dit denkbeeld van PTOLEMEUS. D


WEGÉNS O U D I N D I E . iap

daad; zo veele Graaden ten Noorden van H.

den Equator , als hy dezelve ten Zuiden \FDEEftelde.

Behalven dit , vermelde hy een LING.

Landftad* waar aan hy den naam geeft van •

Thince of '$ina Metropolis. De Lengte,

welke hy daar aan toekent, is honderd en

tachtig Graaden Van den eerden Meridiaan

over de Gelukkige Eilanden getrokken , en

het verfte punt in 't Oosten waar toe de

Ouden ter \Zee gekomen waren ; de Breedte

gist hy op drie Graaden ten Zuiden de

Linie, indien wy met den Heer D'AN­

VILLE befluiten, dat de ligging van Sinhoa

, in het Westlykfte gedeelte van het

Koningryk Cochin • China dezelfde is, met

die van Sinas Metropolis, heeft PTOLE­

MEUS , in de plaatsbepaaling, zich niet minder

dan vyftig Graaden in de Lengte, en

twintig in de Breedte, vergist (u>).

Tingit gedeelte des Onderzoeks, zo wel

als in de Kaart, vervaardigd om hetzelve op

te helderen, heeft men de Aardrykskundige

begrippen van den Heer D'ANVILLE, aan

welke de Heer RENNELL het zegel zyner

goedkeuring hing (x), aangenomen. Maar

de Heer GOSSELIN heeft onlangs een

werk uitgegeeven (3?), waarin hy de Stel­

sels Van ERATOSTHENES, STRABO en

P T 0-

(w) PTOLEM. Geogr. Lib. VII. c. 3. D'AN-

VILLE Limit es du "Monde connues aux Anciens

au de la Gange. Mem de Litèrat. XXXII. p. 604.'

Ant. de Pinde, Supplem. I. p. 161, &c.

f» RENNELL, Introd. p. XXXIX.

(y) GOSSELIN, Geographie des Grecs analyjiej

I


II.

AFDEE'

LING.

130 O N D E R Z O E K

PTOLEMEUS met elkander vergelykt, en

met de kundigheden, welke de Hedendaagfche

Aardryksbefchryvers verkreegen hebben

; in welk geleerd en vernuftig Werk

hy van zynen Landsgenoot , ten aanziene

van veele bepaalingen door deezen gemaakt,

verfchilt. Volgens den Heer GOSSKLIN,

is het Magnum Promontorium, het Groote

Foorgebergte, 't welk D'ANVILLE voor

Kaap Romania houdt aan het Zuideinde

van het Schiereiland Malacca , het Punt

Bragu, aan den mond van de groote Rivier

Ava, digt by 'c welk hy Zaba plaatst,

door D'ANVILLE en door BARROS (Z)

veronderfteld gelegen te zyn aan de Straat

Sincapura, of Malacca. — De Magnus Si~

nus, of Groote Baay van PTOLEMEUS,

houdt hy voor dezelfde met de Golf van

Martaban,en niet de Golf van Siam, volgens

de bepaaling van D'ANVILLE. De

ligging van Catigara beantwoordt, gelyk

hy poogt te bewyzen , aan die van Mergui

, eene groote Haven aan de Westkust

van het Koningryk Siam , cn hy wil dac

Thina of Sina Metropolis, door D'ANVIL­

LE zo verre als Sin-hoa, in het Koningryk

Cochin • China geplaatst , gelegen is

aan dezelfde rivier als Mergui, en nu den

naam draagt van Tana Serim. — De lba~

dij Infula van PTOLEMEUS , die D'AN­

VILLE Helt Sumatra te weezen, beweert

hy dat een dier kleine hoopen Eilandjes is,

(x) Dcead. II. Lib. FL c, li

wel-


WEGENS OUD INDIE. 131

welke aan dit gedeelte van de kust van IL

Siam liggen (a).

AFDEE"

Volgens het Stelzel van den Heer cos- LI KG.

SELIN, voeren de Ouden nimmer door de

Straat van Malacca, hadden geen kennis

van het Eiland Sumatra , en waren geheel

onkundig van den Oosterfchen Oceaan.

Indien deeze begrippen eenigen myner

Leezeren welgegrond voorkomen, moet

de Zeevaart en de Koophandel der Ouden

Op indie in nog veel enger paaien omfchreeven

worden , dan ik 'er aan heb

toegedaan. Uit Aijeen Akbery fT)

leeren wy , dat Cheen de oude naam was

van het Koningryk Pegu: dewyl dat Land

grenst aan de Ava waar GOSSELIN hec

Groot Voorgebergte plaatst, zal deeze groote

gelykvormigheid van naamen , misfchien,'

zyn denkbeeld fchynen te bevestigen , dac

Sinte Metropolis, of Thina, gelegen was

aan die Kust, en niet zo verre Oostwaards

als D ' A N V I L L E ftelc (V). J

De

(a) GOSSELIN, Geographie des Gr eet analyfée;

-p. 137 - 148.

(b) Vol. II. p. 7.

(O Naardemaal de Aardryksb'efchryving van PTO­

LEMEUS, de Oostlyke Verdeeling van Af.a betreffende

, meer met dwaalingen opgevuld, duisterder en te»

jgenftrydiger is dan eenig ander gedeelte van zyn Werk,

en dewyl alle de Handfchriften van 't zelve , beide

Griekfche en Latyrifche, zeer onnaauwkeurig zyn in

de twee Hoofdftukken, die de befchryving bevatten'

van de Landen over de Ganges, heeft de Heer D AN-

VILLE, in zyne Verhandeling over de Grenzen der

wereld,den Ouden over de Ganges bekend,zich meer

I a toe-


II.

AFDEE-

LING.

132 O N D E R Z O E K

De dwaalingen van PTOLEMEUS, wegens

de afgelegene gedeelten van Afia ,

hebben zich te zigtbaarder vertoond door

een verkeerd gevoelen der Hedendaagfchen

daarop als geënt. Sin te,. de verfte plaats

vermeld in zyne Aardryksbefchryving, heeft

zulk eene overeenkomst in klank met China,

den naam by welken het grootfte en

befchaafdfte Ryk in 't Oosten , onder de

Europeaanen, bekend is, dat zy, toen zy

eerst daar aan kennis kreegen, te voorbaarig

beflooten , dat dit een en het zelfde

was; ingevolge hier van veronderflelde men

dat China by de Ouden bekend geweest

was, fchoon geen ftuk zekerder fchynt te

gaan dan dat zy ter Zee nooit verder kwamen

dan de uitgeflxektheid door my aan

hunne Scheepvaart toegekend.

In deezer voege de Ontdekkingen van

Indie naagegaan hebbende , welke de Ouden

toegegeeven in gisfingen, dan wy aantreffen in de andere

naafpeuringen van dien omzigtigen Aardryksbefchryver.

Hy bouwt desgelyks meer dan anders op

de overeenkomlten tusfehen de oude en hedendaagfche

Naamen der Plaatzen , fchoon hy ten allen tyde, misfchien

, eene te groote neiging betoone, om deeze af te

leiden, en 'er op af te gaan. Deeze overeenkomlten

Zyn, in de daad, menigmaal zeer treffend, en hebben

hem tot gelukkige ontdekkingen gebragt. Maar, in het

gebruik zyner Schriften, kan ik niet naalaaten te ontdekken,

dat eenige Naamen, door hem vermeld, verrè

gezogt zyn, en op verbeelding rusten. Wanneer ik

hem volg, heb ik alleen zodanige gevolgtrekkingen

aangenomen, als my toefcheenen met zyne gewoone

naauwkeurighcid te Itrooken. . Dit is de XXXII

Aantekening van ROBER'TSON.


WEGENS O U D I N D I E . 13$

den ter Zee deeden, zal ik vervolgens on­ II»

derzoeken welke vermeerdering van kennis fVFDEEdeezes

Lands zy te land verkreegen. Het LING.

blykt (gelyk ik voorheen vermeld heb.)

dat 'er vroegtyds een Handel op Indie

gedreeven wierd door de Landfchappen

langs de Noordlyke Grenzen llrekkende.

De veelvuldige Voortbrengzels en gewerkte

Stoffen van Indie werden te land gevoerd

in de binnenfte gedeelten der Perfifche

Heerfchappye, of langs de bevaarbaare

Rivieren, die door Opper-Afia vloeijen,

na de Caspifche Zee gebragt, en van daar

na de Euxinifche. Terwyl de Opvolgers

van S E L E U C U S de Heerfchappy van het

Oosten behielden, bleef dit de wyze waar

op zy hunne Onderdaanen de Goederen

van indie bezorgden. — Wanneer de Romeinen

hunne vermeesteringen zo verre

hadden uitgebreid , dat de Euphraat de

Oostlykfte Grensfcheiding van hun Ryk

uitmaakte , vonden zy deezen Handel nog

gevestigd ; en vermids dezelve hun eene

nieuwe gemeenfchap met het Oosten opende

, waar door zy een meerderen toevoer

van voortbrengzelen tot voldoening der

in top gevoerde Weelde ontvingen , werd

het een voorwerp hunner Staatkunde dien

Handel te befchermen, en

digen.

aan te moe­

Naardemaal de optocht der Caravaanen,

of Gezelfchappen van Kooplieden , die

reisden na de. Landen, van waar zy de

kostbaarfle gewerkte Stoffen, inzonderheid

Zyde-ftoffen, ontvingen, dikwyls geftoord

I 3 ei i


jr.

AFDKË

LING.

134 O N D E R Z O E K

en gevaarlyk werden door de Parthen, die

zich meester gemaakt hadden van alle de

Landfchappen (trekkende van de Caspifche.

Zee tot dat gedeelte van Scythie, ol\ Tartarye,

't welk aan China grenst, poogden

de liomeinen deeze Gen eenfc hap veiliger

te maaken dour eene Ohderhafldelirig mee

een de: Mi i i phei var dat gr >ote R.yk.

By de Griekfche , ol\' Romeinfche, Schryvers

't is waar vinden wy deswegen geene

voetllappen ; onze Kundigheid des betreffende

is geheel ontleend uit de Chineefche

Gefchiedboekeis, die ons berigten dat

AN TOUN, (Keizer MAKCUS ANTO-

NIUS.) de Koning des Volks aan den

Wester Oceaan , ten dien einde een Gezantfehap

afvaardigde aan OUN-II, die

over China geboodt , in het honderd en

zes en zestigile jaar der Christlyke Jaartellinge

(d); welke de uitflug was deezer

onderneeminge is niet bekend, en kunnen

wy, gevolglyk, niet zeggen of dezelve zulk

eene gemeenfchap gemaklyker maakte tusfehen

deeze twee wydafgelegene Volken,

als diende tot een gereeder vervulling der

wederzydfche behoeften. De toeleg was

zeker niet onwaardig aan den verlichten

Romeinjchen Keizer , aan welke dezelve

Wordt to-gefchreeven.

Het is blykbaar, dat, in het voortzetten

deezes Handels op China , een groot gedeel-

(jT) Memoires fiir les Liaifons & le Commerce des

Romair,s avec Is Tart art s cff les Chinois ,par M. DE

«UIGNES. Mem. de Literat. XXXII. p. 355. &C.


WEGENS O U D I N D I E . 135

deelte van de wyduitgeftrekteLandfchappen, II.

ten Oosten van de Caspifche Zee, moest 1 iFDEEdoorgetrokken

worden. En fchoon het LING.

voornaamfte roerze!, om die verre Reis- -

tochten te onderneemen , winst ware, moeten

'er, nogthans, onder deeze Gelukzoekers,

lieden' van een weetgierigen aart en

bekwaamheid geweest zyn, die hunne aan»

dagt van de voorwerpen des Handels konden

aftrekken, om dezelve op andere, van

een algemeener belang, te vestigen. Van

hun kreeg men zodanige berigten, en onderwierp

dezelve aan het onderzoek der

kundigen, als PTOLEMEUS in ftaat ftelde

om eene befchryving te vervaardigen van

de verafgelegene Gewesten van Afia (V),

volkomen zo naauwkeurig als die van verfcheide

Landen, van welke hy , uit hoofde

van derzelver nabyheid , veronderfteld

mag worden onderfcheidener kundfehap bekomen

te hebben. •— Het verfte punt

Oostwaards, waar toe zyne kennis van-die

gedeelte van Afia uitflrekte, is Sera Metropolis,

't welk, uit verfcheide omftandigheden,

blykt te zelfder plaatze gelegen te

hebben als Kant- cheou,eene Stad van eenige

aangelegenheid in Chen-fi, het Westlykfte

Landfchap des Chineefchen Ryks.

Deeze Stad plaatst hy op de Lengte van

honderd zeven en zeventig Graaden en vyftien

Minuuten , bykans drie Graaden ten

Westen van Since Metropolis , door hem

befchreeven als de uiterfte grenspaal van

Afia

(e) PXOLEM. Lib, FI. c. 11—18.

I 4


136 O N D E R Z O E K

II. Afia ter Zee ontdekt —- En bepaalde zich

AFDEE- de kennis van PTOLEMEUS wegens dit

LING gedeelte van Afia niet alleen tot dat ge-

, deel te door 't welk de Caravaanen verondersteld

mogen worden rechtftrceks op hunne

reize Oostwa-.rds getrokken te zyn ; hy

hadt desgelyks eenig algemeen onderrigc

omtrent veiTcheide Volken Noordwaards

gelegen, die, volgens de plaatzing, welke

hy daar aan toefchrjft , gedeelten befloegen

van de groote vlakte van Tartarye,

zich veel verder uittrekkende dan Lasfa

, de Hoofdftad van Thibet, en de Verblyfplaats

van den Dalai Lama.

De Breedten van verfcheide Plaatzen ,

in dit gedeelte van Afia, zyn door PTOLE­

MEUS, met zulk eene ongemeene maate

van naauwkeurigheid, opgegeeven, dat wy

niet wel kunnen twyfelen of zy rusten op

daadlyke waarneemingen. Uit veele voorbeelden

, ten bewyze hier van, zal ik drie

van de Plaatzen uitkiezen, gelegen in zeer

onderfcheidene gedeelten van het Land ,

met welks befchouwing wy ons bezig houden.

De Breedte van Nagara aan de Rivier

Cophenes, (heden Attock,) is, volgens

PTOLEMEUS, twee en dertig Graaden en

dertig JVJinuuten , 't welk volkomen zamenftemt

met de waarneeming van een Ooster.'-ch

Aardryksbefchryver. door den Heer

D'ANV


WEGENS O U D I N D I E . 137

door hem bepaald op negen en dertig Graaden

en vyftien Minuuten. Volgens de A

Starrekundige Tafelen van ULUG-BEG ,.

den Kleinzoon van TIMUR, die in rieezë _

Stad zyn Koninglyken Zetel hielde,is dezelve

negen en dertig Graa'en en zeven en

dertig Minuuten (g> De Breedte van

Sera Metropolis is by PTOLEMEUS ach:

en dertig Graaden en vyftien Minuuten ;

die van Kant cheou wordt door de . Zendelingen

der Jefuiten op negen en dertig

Graaden gelteld. — Ik heb deeze treffen,

de voorbeelden van de overeenkomst zyner

Berekeningen , met die door hedendaagfche

Waarneemingen zyn opgegeeven,

bygebragt, om twee redenen. De eene,

om dat zy klaar aanwyzen , dat deeze verafgelegene

deelen van Afia met geene geringe

maate van oplettenheid waren 1

II.

FDEEonderzogt;

de andere, dewyl ik geen gering

genoegen voel , om , naa dat ik my genoodzaakt

gevonden heb, verfcheide dwaalingen

en gebreken in de Aardryksbefchryving

van PTOLEMEUS aan te wyzen ,« regt

te laaten wedervaaren aan eenen Wysgeer,

die zo veel heeft toegebragt tot verbetering

van deeze Wee ten fchap. De nukken, door

my aangevoerd , draagen het doorflaandst

blyk, zo wel van de uicgeltrektheid zyner

kennisneeming als van de juistheid zyner.

befluiten, ten opzigte van Landen , hem ,

uit hoofde van derzelver verren afftand,

minst bekend.

o t

*

(g-) Tab. Geogr. apud HUDSON. Geogr. Minor-es,

III. p. 145.

I 5


133 O N D E R Z O E K

HL Tot dus verre heb ik myne naafpeurin-

AFDEE- gen, wegens de kennis, die de Ouden van

LING. Indie hadden , bepaald tot het Vasteland,

Ik zet my thans, om te overweegen, welke

Ontdekkingen zy gedaan hadden van de

Eilanden, gelegen in verfcheide gedeelten

van den Oceaan, die 't zelve omringt, en

maak een aanvang me-c Taprobane, het

grootfle en aangelegenfle van allen. Dit

Eiland ligt zo rechtflreeks in den koers

der Zeevaarenden, die het verder dan Kaap

Comorin waagden, inzonderheid wanneer

zy , volgens de oude wyze van Scheepvaart,

zelden zich van de Kust verwyderden

, dat de ligging van 't zelve , gelyk

men veelligt zou denken, met de uiterfte

naauwkeuiigheid moest bepaald weezen. —

Vóór den tyd van ALEXANDER DEN

GR o o TEN was de naam van Taprobane

onbekend in Europa. In gevolge van de

rustlooze weetgierigheid met welke die Vorst

elk Land, 't geen hy vermeesterde of beïogt,

fchynt men 'er eenig berigt van ge*

ireegen te hebben. Zints zynen tyd, beeft

sykans elk Schryver over de Aardryks­

]

kunde daar van gewaagd; doch hunne ver j

]

malen, des betreffende, zyn zo verfchil.

J

end,en menigwerf zo tegenitrydig, dat wy

I

•ezwaarlyk kunnen gelooven, dat zy het

elfde Eiland befchryven.

2

STRABO, de oudfte Schryver thans

V oor handen, by wien wy eenig byzonder

V erflag van het Eiland Taprobane aantreff

;n , verzekert dat het zo groot was als

l Irittanje, en gelegen op den afftand van

ze-


WEGENS OUD INDIE. 139

zeven, of, volgens anderer opgave, van twintig

dagen zeilens van den Zuidlykften Uithoek

des Indifchen Schiereilands : van

waar hy, ftrydig met het geen wy weeten

dat de weezenlyke ligging deezes Eilands

is, 't zelve befchryft als zich Westwaards

meer dan vyfhonderd Stadiën uititrekkenr

de (/?)•

POMPONIUS MELA, een Schryver m

tydopvolging de naaste aan STRABO, is

onzeker of hy Taprobane zou aanmerken

als een Eiland, of als het begin eener andere

Wereld: maar dewyl niemand, fchryft

hy , het ooit omgezeild heeft, fchynt hy

het meest tot het laatstgemelde gevoelen

over te hellen (ï).

PLINIUS verfchaft ons eene breedvoeriger

befchry ving van Taprobane, die , in

ftede van 'er meer lichts over te verfpreiden

, alles , wat dit Eiland betreft , met

meer duisternis omwindt. Naa de veelvuldige

en llrydige gevoelens der Griekfche

Schryveren opgegeeven te hebben , berigt

hy ons, dat, door den Koning van dat Eiland,

Gezanten gezonden werden aan Keizer

CLAUDIUS, uit welken de Romeinen verfcheide

voorheen onbekende dingen wegens

dit Eiland verhamen: in 't byzonder

dat 'er vyfhonderd Steden op 't zelve waren,

en dat, in 'c middenpunt, een Meir was

van drie honderd en vyf en zeventig Myler

(K) STRABO, Lib. II. p- 124. B. p. 180. B. p

102. A. Lib. XV. p. 1012. B.

CO POMP. MELA, de Situ Orbis, Lib.III. c 7

II.

AFDEE-

LING.


II.

AFDEE

LING,

i4o O N D E R Z ' O E K

len in den omtrek. Deeze Gezanten fton-

- den verfteld op 't gezigt van den Groot en

Beer en de Pleiades, Geftarnten , die zich

. aan hunnen Hemel niet vertoonden ; nog

meer waren zy ontzet, als zy vernamen,

dat hunne Schaduwen na het Noorden weezen,

en de Zon aan hunne {linkerhand opkwam,

en aan hun rechterhand onderging.

Zy verzekerden ook, dat, in hun Land, de

Maan nimmer gezien wierd dan vóór den

achtften dag naa Nieuwe Maan, en alleen

tot den> zestienden zigtbaar bleef (F).

Vreemd, in de daad, dat een Schryver, zo

verftandig als PLINIUS, alle deeze byzonderheden

verbaalt zonder eenige aanmerking

daar op te maaken , en inzonderheid

niet opi.ierkt, dat het geen deeze Gezanten

vertelden, wegens het fchynen der

Maane , op geene plaats des Aardbodems

kon waar weezen.

PTOLEMEUS, fchoon zo naby aan den

tyd van PLINIUS leevende, fchynt geheel

geene kennis van diens befchryving van

Taprobane gehad, of iets van het Gezant,

fchap aan Keizer CLAUDIUS, geweeten te

hebben. Hy plaatst dit Eiland tegen over

Kaap Comorin, op geen grooten afftand

van het Vasteland, en befchryft het als van

het Noorden na het Zuiden ftrekkende ter

lengte van niet minder dan vyftien Graaden,

twee van welken hy ten Zuiden van

den Equator ftelt, en indien zyne opgave

van de afmeeting juist geweest ware, mogt

hec,

(/F) PLINIUS, Nat. Hifi. Ui. VI. c. 22,


WEÖENS OUD INDIE. 141

het, ten aanziene der grootte, regtmaatig li:

met Brittanje vergeleeken worden (7). AFDEE-

AG.\ THEMERUS, die laater dan PTO­ LING.

LEMEUS fchreef, en wel bedreeven was

in diens Aardrykskunde, houdt Taprobane

voor het grootfte van alle Eilanden, en geeft

Brittanje flegts de tweede plaats (m).

Uit deeze verfcheidenheid der befchryvingen,

door de oude 'Schryvers opgegeeven,

is het geenzins te bevreemden, dat de

hedendaagfchen zeer verfchillende gevoelens

omhelsd hebben, ten opzigte van het Eiland

in den Indif'chen Oceaan, 't geen men

voor hetzelfde zou houden met het Taprobane

der Grieken en Romeinen. Naardemaal

en PLINIUS en PTOLEMEUS

't zelve opgeeven als voor een gedeelte

ten Zuiden van den Equator liggende, beweeren

eenige Geleerden , dat Sumatra

het Eiland is, 't welk aan deeze befchryving

beantwoordt. Maar de groote afftand

van Sumatra van het Schiereiland van

Indie ftemt niet overeen met eenig berigt,

door de Griekfche of Romeinfche Schry.

vers gegeeven, wegens de ligging van Ta.

probane, en wy hebben geen blyk dat de

Scheepvaart der Ouden zich immer tot

Sumatra uitftrekte. -Het meer algemeen

aangenomen gevoelen is, dat het Taprobant

dei

(/) PTOL. lib. VIL c 4. D'ANVILLE, Ant. di

Pinde, p. 142.

(m) Lib. II.c. 8. apud HUDSON. Geogr. Minor

Vol. II.


II.

AF PEE

LING.

142 O N D E R Z O E K

der Ouden, en het tegenwoordig Eiland

Ceylon , voor 't zelfde moet gehouden worden

; en, niet alleen de nabyheid aan het

Vasteland van Indie , waar de algemeene

gedaante van het Eiland , zo als dezelve

wordt opgegeeven door PTOLEMEUS, alsmede

de ligging van verfcheide Piaatzen

öp 't zelve, fchenken aan dit gevoelen (ondanks

verfcheide groote misdagen , waar

van ik vervolgens zal fpreeken ,) eene

groote maate van zekerheid.

De andere Eilanden , ten Oosten van

Taprobane, door PTOLEMEUS vermeld,

zou men, (was zulk eene breedvoerigheid

noodig,) kunnen toonen dat de Andamanfche

en Nicobarfche Eilanden zyn in dé

Golf van Bcngale.

Naa dit lang, en, zo ik vreeze, vervee-

Iend onderzoek, van de vordering door de

Ouden gemaakt, in het opfpeuren der onderfcheide

deelen van Indie. en naa opgegeeven

te hebben hoe verre zy Oostwaards,

of ter Zee of te Land, kwamen , zal ik

eenige algemeene aanmerkingen voordraagen,

wegens de wyze op welke zy hunne

Ontdekkingen deeden , en de maate van

vertrouwen waar mede wy mogen afgaan

op hunne berigten deswegen ; 't geen

ik met zo veel voordeels niet kon doen,

voor dat ik deeze naafpeuring voleindigd

had.

De kunst om Kaarten te vervaardigen ,

die of de gedaante der geheele Aarde, zo

verre men dezelve onderzogt hadt, of die

sran byzondere Landen, vertoonden, was, by

de


W E G E N S OUD TNDIE. 143

de Ouden, bekend ; en , buiten derzelver

gebruik , om de verbeelding te hulpe te •

komen, was het onmogelyk zich' een onderfcheiden

denkbeeld van de eene of andere

gevormd te hebben. Van eenige deezer

Kaarten gewaagen H E R O D O T U S , en

andere vroegtydige Griekfche Schryvers.

Maar geene Kaarten, vóór die gemaakt werden,

om de Aardrykskunde van P T O L E ­

M E U S op te helderen, hebben onze dagen

bereikt; in gevolge waarvan het zeer bezwaarlyk

vak te begrypen, welke de betrekkelyke

ligging was van de onderfcheidene

Plaatzen, door de oude Aardryksbefchryvers

vermeld; ten ware men door

meeting des verzekering kreeg.

[Dus heeft de Schryver van de Omvaart

der Erpkrafche Zee de afftanden uitgemerkt

van veele der Plaatzen door hem

genoemd, met zulk eene naauvvkeurigheid,

dat hy nader , dan 't geen men by eenig

Schryver der Oudheid aantreft, komt by

eene volkomene Opneeming van de Kust

van Myos - hormus , aan de Westzyde van

de Arabifche Golf, langs de Oevers van

Ethiopië, Arabie, Perfie en Caramattie,

tot den mond van den Indus, en van daar

lan^s de Westkust van het Indisch Schiereiland

tot Mufiris en Bar ace. Dit voege

veel toe aan de waarde deezer korte Verhandeling

. die , in alle andere opzigten,

groote verdienden bezit. Het mag voor

een opmerkelyk bewys van de uitgeftrekt-

Héia en naauwkeurigheid der kundigheden

van deezen Schryver, omtrent Indie,aangezien

II.

SLFDEE-

LING.


AFDEE

LING.

H+ O N D E R Z O E K

tl. zien worden , dat hy de éénigfte oudé

.Schryver is, die blykt eenigermaate kennis

gehad te hebben van de groote verdeeling

, des Lands, welke nog plaats heeft, te

weeten Eigenlyk Indofian ; bevattende de

Noordlykfte Landfchappen van het Schiereiland

en Deccan , behelzende de Zuidlyke

Gewesten. „ Van Barygaza," fchryft

hy , ,-, ftrekt het Vasteland Zuidwaards ;

„ van hier wordt dit Land Dachinabades

„ geheeten : want, in de taal des Lands,

ü noemt men het Zuiden Dachanos " (#). ]

Zo ras, egter, de wyze om de ligging

van ieder Plaats uit te merken door de'opgave

der Lengte en Breedte was ingevoerd,

en algemeen werd aangenomen , kon elke

ligging zeer kort en weetkundig befchreeven

worden. Maar dan nog hangt de

naauwkeurigheid van deeze nieuwe haudelwyze,

en het voordeel, 't welk de Aardryksbefchryving

daar van trekt, af van dé

wyze , op welke de Ouden de Lengte en

Breedte der Plaatzen berekenden.

Schoon de Ouden , om de Lengte en

Breed-

(«) Perip. Mar. Erythr. p. 29. Dewyl de Grieken

en- Romeinen, als zy een vreemden naam overnamen,

altoos daar aan eenen uitgang gaven byzonder

aan hunne Taal eigen, 't weïk de Taalvorming

dier beide taaien eenigermaaie noodzaaklyk maakte ,

is het blykbaar dat Dachanos het zelfde is met Decïan,

welk woord tot nog dezelfde betekenis heeft •

;n nog de Naam is van die Afdeeling des Schier'

:ilands. De Noordlykfte Grensfcheiding van Deccan

j s tegenwoordig de Rivier Nerbiiddah, wasr ook

)nze Schryver dezelve plaatst; Perip. ibid. Dit

i s de XXXIII Aantekening van ROBEUTSO*


WEfJErts OUD INDIE. 145

Breedte der Plaatzen te bepaalen , op dezelfde

beginzelen afgingen als de Hedendaagfchen,

gefchiedde het, nogthans, door

middel van Werktuigen veel flegter van

maakzel dan die men thans gebruikt , en

zonder die keurige oplettenheid op elke

omftandigheid , welke invloed kan nebben

op de juistheid eener waarneeming ; eene

oplettenheid waar van eene langduurige ondervinding

alleen de noodzaaklykheid kan

aanwyzen. Ter bepaaling der Breedte van

eenige Plaats, namen de Ouden de Middaghoogte

der Zonne waar, of door de fchaduw

van een rechtftandigen Zonnewyzer, of

door een Astrolabium ; hier door viel het

gemaklyk te berekenen hoe veele Graaden

en Minuuten de Plaats der Waarneeminge

af was van den Equator. Als zy zich van

geen deezer middelen konden bedienen, leiden

zy de Breedte eener Plaats af uit dé

beste berigten , welke zy zich wisten té

verfchaffen van de lengte des langden dags

aldaar.

Ten opzigte van het bepaalen der Lengte

eeniger Plaatzen, vonden zy zich meer

verlegen : dewyl 'er maar ééne foort van

Verfchynzelen aan den hemel was , tot welken

zy de toevlugt konden neemen. Deeze

waren de Maansverduisteringen (want

de Zonsverduisteringen werden niet genoegzaam

begreepen om ze dienstbaar te maaken

tot eenige oogmerken der Aardrykskunde)

; het verfchil tusfehen den tyd op

welken eene Maansverduistering waargenomen

was, te beginnen en te eindigen op

K- twéé

ïï.

AFDÉE-

m


II.

AKDEE-

LING.

146 O N D E R Z O E K

twee onderfcheide Plaatzen , gaf terftond

het verfchil tusfehen de Meridmanen dier

Plaatzen. Maar de moeilykheid om deeze

waarneemingen met mauwkeurigheid te

doen, en de onmogelykheid om ze dikwyls

te herhaalen, deeden ze van zo weinig gebruik

in de Aardrykskunde worden , dat de

Ouden , ter bepaaling van de Lengte ,

meest daadlyke opneemingen moesten te

baat neemen, of zich vergenoegen met de

losfe berigten, die zy ontvingen uit de berekeningen

der Zeevaarenden, of de dagboeken

der Reizigeren.

Maar, hoewel de Ouden , door behulp

der bovengemelde bewerkingen, de ligging

der Plaatzen met eene vry groote maate

van naauwkeurigheid te land konden bepaalen

, is het zeer onzeker of zy eenig middel,

dan geheel niet, hadden, om dit ter Zee

te doen. De Zeelieden der Oudheid fchynen

zich zeldzaam van Starrekundige Waarneemingen

bediend te hebben. Zy bezaten

geene Werktuigen gefchikt voor eene beweegende

en onvaste plaats van Waameeming;

en fchoon hunne gewoonte, om veelvuldig

te landen , eenigermaate dit gebrek

kon verhelpen, heeft egter, zo verre my

bewust is , geen oud Schryver eenig berigt

gegeeven van eene Starrekundige Waarneeming

op hunne Scheepstochten gedaan.

Het fchynt te blyken uit PTOLEMEUS,

die eenige Hoofdftukken befleedt om te

toonen op welk eene wyze de Aardrykskunde

zou kunnen verbeterd . en de misflagen

te regc gebragt worden, van de berigten


WEGENS OUD INDIE. 147

teri der Zeelieden (V), dac alle hunne opgaven

alieen op Rekening fteunden, en de

gevolgen niec waren van Waarneeming.

Zelfs mee alle de verbeteringen , welke

de Hedendaagfchen gemaakt hebben in de

Zeevaardkunde, weet men, dat deeze wyze,

van het by' rkrekening te doen , zoo los

en onzeker gaat, dac men daar uit, alleen,

mee eenige aanmerkelyke maate van naauwkeurigheid,

geen gevolg kan afleiden. By

de Ouden moec deeze onnaauwkeurigheid

veel groocer geweesc zyn ; dewyl zy gewoon

waren, op hunne reizen, in ftede

van een rechten koers te houden, die veel

gemaklyker vale af te meeten , langs de

kust om te zeilen; zy hadden geen Kompas,

of eenig ander werktuig, waar mede

zy de ligging van de eene Zeekusc, ten opzigte

van de andere,konden bepaalen. Overeenkomfcig

hier mede, vinden wy de ligging

van veele Plaatzen, die wy mogen

veronderilellen op Zee bepaald te zyn, met

weinig juistheids vastgefteld.

Wanneer, in gevolge van een daadlyk gedreeven

Handel, de Havens van eenig Land

dikwyls bezogt werden , kunnen de berekeningen

van onderfcheidene Reizigers gediend

hebben orti eenigermaate elkander te

Verbeteren, en de Aardrykskundigen in ïtaat

te Hellen , om hunne befluiten, met eene

grooter nadering aan de waarheid , op te

maaken. Maar in wydafgelegene Landen,

die nimmer het tooneel waren van Krygsver-

(0) PTOLEM. Lib. I. c. 7-14.

K 2

II.

AFDBE­

LING.

• .4


II.

AFDF-E-

148 O N D E R Z O E K

verrigtingen, noch bezogt werden van dïkwyls

daar doortrekkende Caravaanen , is

alles wilder en onbepaalder, en de overeenkomst

tusfehen de Oude Befchryvingen

van dezelve, en de daadlyke Gedaante, is

menigmaal zo flaauw dat men dezelve bezwaarlyk

konne vinden. Ook was de

Breedte der Plaatzen , gelyk gereed te

bevroeden is, in 't-algemeen, by de Ouden

juister bekend dan derzelver Lengte. De

Waarneemingen, welke de Breedte bepaalen,

zyn eenvoudig, kunnen gemaklyk genomen

worden , en ftaan voor niet veel

dwaalings bloot. De Lengte kan men niet

juist vastftellen, zonder meer zamengeftelde

werkzaamheden, en het gebruik van Werktuigen

volkomener dan eenige die de Ouden

fchynen bezeten te hebben.

[Schoon de oude Starrekundigen, in het

afleiden van de Breedte der Plaatzen uit de

Waarneemingen van de Zon of Starren, verfcheide

verbeteringen verwaarloosd hebben,

die zy hadden behooren te maaken, waren

hunne opgaven zomtyds naauwkeurig op

weinig Minuuten na; doch , op andere tyden,blykt

het, dat zy tot twee of zelfs drie

Graaden mistastten ; alles dooreen gerekend

zouden zy, misfehien, op een halven Graad

na , de waarheid getroffen hebben. Dit

gedeelte van de oude Aardryksbefchryving

zou, derhalven, draaglyk naauwkeurig mogen

heeten, indien wy daarin een genoegzaam

aantal van zulke bepaalingen aantroffen.

Deeze egter waren verre van talryk te weezen,

en fchynen zich alleen bepaald te

heb-


WEGENS O U D I N D I E . 149

hebben tot eenige der voornaamfte Plaatzen

in Landen rondsom de Middellandfche

Zee gelegen.

Wanneer, by mangel van naauwkeurige

Waarneemingen, de Breedte ontleend werd

uit de Lengte van den langflen of koi'tften

Dag, zo kon men, in geen van beide de

gevallen , eene groote maate van juistheid

verwagten, en allerminst in de nabyheid van

den Equator. Een misflag van een vierendeel

uurs, welke, zonder eene wyze om

den tyd naauwkeuriger te meeten dan de

oude Waarneemers konden gebruiken, niet

gemaklyk te vermyden viel, kon, op die

hoogte een misflag van vier Graaden in

de bepaaling der Breedte veroorzaaken.

Ten opzigte van de Plaatzen onder de

Verzengde Luchtftreek, hadt men een ander

midddel om zich van de Breedte te

vergew'sfen; te weeten, door den tyd des

Jaars waar te neemen wanneer de Zon toprecht

boven eene plaats ftondt, of wanneer

lichaamen, loodrecht op een vlakte

gezet. geen Schaduw op den Middag gaven;

de afftand der Zonne van den Eq'iator

op dien tyd, welke bekend was uit de

beginzelen der Starrekunde, was gelyk aan

de Breedte van de Plaats. Wy hebben

voorbeelden van het aanwenden deezes middels

in de bepaaling der Parallellen van

Syene en Meroe. De naauwkeurigheid ,

welke deeze handelwyze toelaat , fchynt

zich te bepaalen tot omtrent een halven

Graad, en dit alleen op de veronderftelling,

dat de Waarneemer ter plaatze zelve

K 3 bfjfc;

II.

AFDEE-

LING.


II.

AFDEE

LING.

150 O N D E R Z O E K

blyft; want, indien hy van de eene plaats

. na de andere trok, en geene gelegenheid

hadt om de waarneeming van, den eenen

. dag door dien van den volgenden te verbeteren

, zou hy zeer waarfchynlyk veel

verder van de waarheid afdvvaalen.

Wat de Lengte der Piaatzen betreft ,

dewyl de Maansverduisteringen niet veelvuldig

en zelden van gebruik konden zyn

tot derzelver bepaaling, en alleen waar men

Stirrckundigen vondt om die verfcbynzels

met juistheid waar te neemen , mogen wy die

wel onaangemerkt laaten, by het Onderzoek

der Aardrykskunde van verafgelegene Landen.

De verfchülen van de Meridiaanen

der Plaatzen werden, daarom, oudtyds, geheel

bepaald, door de Strekkingen en Afftanden

der eene Plaats van de andere ; in

gevolge hier van kwamen alle de misflagen

der berekeningen, opneemingen, en wegwyzers,

voornaamlyk op de Lengte neder,

op dezelfde wyze als tegenwoordig op een

Schip, 't welk geen middel heeft om de

Lengte te vinden, behalven , door het vergeiyken

van de LogJyn, met de waarneemingen

van de Breedte ; hoewel met dit

onderfcheid, dat de dwaalingen, voor welken

de kundigfte Scheepslieden onder de

Ouden bloot ftonden, veel grooter waren,

dan de onkundigfte Schipper heden ten

dage, met een Kompas voorzien, kan begaan.

De Lengte van de Middellandfche

Zee, in Graaden van Lengte, van de Pylaaren

van Hercules tot de Baay van

tsfus, Is minder dan veertig Graaden; maar,

in


WEGENS O U D I N D I E . 151

in de Kaarten van PTOLEMEUS,. meer dan

zestig, en, in 't algemeen, zyn zyne Leng- .

ten, gerekend van den Meridiaan van

Alexandrie, inzonderheid Oostwaards, by- 1

II.

iFDEE»

LING.

kans in dezelfde evenredigheid verkeerd.

Het blykt, dat,in vreemde Zeeën,de kusten

dikwyls werden opgemaakt uit een onvolkomen

berigt van de gezeilde aftanden,

zonder de minite kennis van de trekkingen,

of de treek, door't fchip gehouden.

PTOLEMEUS, 't is waar , was gewoon

omtrent een derde te tellen voor de bogtigheid

van den Koers eens Schips (ƒ>);

doch het is openbaar , dat de toepasfing

van deezen algemeenen regel zelden tot een

juist betuit bragt. Desaangaande hebben

wy een doorteekend voorbeeld in de gedaante

, welke die groote Aardrykskundige

aan het Schiereiland van Indie geeft.

Van het Voorgebergte Barygazenum tot

de Plaats aangeduid door Locus unde fblyam

in Chryfen navigantes , dat ii» van

Suratte aan de Malabarfche Kust tot omtrent

Narfapour op de Kust van Cormandel,

is de aftand, gemeecen langs de Zeekust

, ten naasten by dezelfde met die in

de daad plaats heeft ; te weeten omtrent

Vyfhonderd en twintig Mylen. Maar de

misflag in de trekking is verbaazend;

want de Malabarfche en Cormandelfchè

Kust , in ftede van Zuid waards te loopen,

en op Kaap Comorin elkander in een

vry

(ƒ>) PTOLEM. Geogr. Lib. I. c. 12.

K 4


152 O N D E R Z O E K

II. vry fcherpen hoek te fnyden , worden

AFDEE- door PTOLEMEUS, bykans in dezelfde

LING. rechte lyn, van hec Westen na het Oosten

uitgeftrekt; een weinig na hec Zuiden afwykende.

Deeze Kusc worde, ten zelfden

tyde , uitgemerkt mee verfcheide ' Baayen

en Voorgebergten ; in derzelver ligging

ten naasten by overeenkomende

men 'er daadlyk vindc.

mee die

Alle deeze omftandigheden, zamengenomen,

wyzen ten klaarften aan, uic welke

ftoffen de oude Kaarc van Indie werd zamengefteld.

De Schepen , die de Kusc

van dac Land bezogten , hadden aantekening

gehouden van den tyd op welken zy

van de eene na de andere Plaats onder

zeil gingen, en opgemerkt , als zy hec

ftrand langs voeren , aan welke zyde hec

land lag , wanneer zy een Baay over/taken

, of een Voorgebergte omzeilden. Dit

gebrekkig dagverhaal , mee een onvolkomen

berigc, misfehien van de Breedte van

;en of twee Plaatzen , was waarfchynlyk

il het onderrigt wegens de Kust van In.

üe, 't welk PTOLEMEUS zich kon verghaffen.

Dac hy een beeer zou hebben

cunnen verkrygen van de Kooplieden, die,

nee geen byzonder oogmerk om de KUSE

i :e verkennen , voeren , zal ons niec verdonderen,

als wy in aanmerking neemen,

lac zelfs de beroemde Periplus van HANj

ÜO een Aardryksbefchryver niec in ftaac

;ou ftellen om de Kust van Africa met

I iieer naauwkeurigheids af te. tekenen

dan


WEGENS O U D I N D I E . 153

dan PTOLEMEUS die van Indie gedaan II.

heeft

AFDEE-

Met dit alles weet ik niet, of PTOLE­ L1NG.

MEUS, onder het groot aantal Plaatzen ,

welker ligging hy bepaald heeft, de waarheid

in de Lengte van ééne zo naby komt,

als hy daadlyk deedt in de bepaaling der

Breedte van de drie Steden hier boven bygebragt

, tot een treffend , fchoon niet

zeldzaam, blyk van zyne naauwkeurigheid.

Deeze waarneemingen beweegen my; om

te blyven by een gevoelen door my elders

voorgedraagen (V), dat de Grieken en

Romeinen, in hun Handelgemeenfchap met

Indie , zelden , of door nieuwsgierigheid,

of door winzugt , gebragt werden om de

meer Oostwaards gelegene deelen te bezoeken.

Verfcheide byzonderheden komen

ons te vooren tot ftaaving van dit denkbeeld.

Schoon PTOLEMEUS den naam

van Emporia geeft aan verfcheide Plaatzen

gelegen op de Kust, die van den Oostlykften

mond der Ganges na het uiterfle

van het Gouden Cherfonefus ftrekt, is het

onzeker , gelyk ik reeds heb opgemerkt,

of wy uit deeze benaaming dezelve moeten

aanmerken als Havens bezogt door Schepen

uit Egypte, dan alleen door Schepen des

Lands. Het verdient in opmerking genomen

te worden, dat hy verder op dan het Gouden

Cherfonefus maar van éênEmporium gewaagt

,

(?) Dit is de XXXIV Aantekening van R O B E RT S O N.

(r) ROÏERTSON, Gefchiedenis van America,

I. D. bl. iS. en 27.

K 5


n.

AFUF.I

LiNG,

154 O N D E R Z O E K

waagt (Y) , 't geen duidlyk uicvvyst, dat

- de Gemeenfchap met dat gedeelte van Indie

niet veel betekend hebbe. Waren de

- Scheepstochten uit de Arabifche Golf na

deeze Gewesten van Indie zo veelvuldig

geweest, dat zy PTOLEMEUS aanfpoorden

om zo naauwkeurig de Lengte en

Breedte der Plaatzen, door hem vermeld,

op te geeven, hy moest, in gevolge derzelven,

zulk een berigt ontvangen hebben als

veele groote misdagen, door hem begaan,

zou hebben voorgekomen. Was het gebruiklyk

geweest Kaap Comorin om te vaaren

, en de Baay van Bengale tot den

mond van de Ganges op te zeilen, eenige

der oude Aardryksbefchryveren zouden niet

zo onzeker geweest zyn, en andere zo grof

niet misgetast hebben, ten aanziene van de

ligging en grootte des Eilands Ceylon. Indien

de Kooplieden van Alexandrie dikwyls

de Havens bezogt hadden van het

Gouden Cherfonefus , en van de Groote

Baay , moesten de befchryvingen , door

PTOLEMEUS daar van gegec ven, meer overeengekomen

hebben met derzelver waare

gedaante , en kon hy niet geloofd hebben

dat verfcheide Plaatzen over de Linie lagen

, die men met de daad eenige Graaden

aan deeze zyde van dezelve aantreft.

Maar , fchoon de Scheepvaart der Ouden

zich niet uitgeftrekt hebbe tot het verder

gelegene Indie , zyn wy verzekerd ,

dat verfcheide Voortbrengzels van dat Land

in

CO PTOLËM. Geogr. Lib, Vil. c. 2,


WEGENS OUD INDIE. 155

in Egypte gevoerd, en van daar na Rome

en andere deelen van hec Keizerryk ge- t

bragt, wierden. Uic omftandigheden, reeds

door ons vermeld , hebben wy grond om .

te belluiten , dat men deeze in Schepen

des Lands na Mufiris bragt, en na andere

Havens op de Malabarfche Kust , die,

ten dien dage, de Stapelplaatzen des Handels

mee Egypte waren. — In een Land

van die uitgeftrektheid als Indie , in 't

welk de Natuurlyke Voortbrengzels veelvuldig

zyn , en eene groote verfcheidenheid

verkrygen door vlytbetoon en kunstbewerking,

moet een daadlyke binnenlandfche

Handel , zo ter Zee als te Land ,

vroegtyds ftand gegreepen hebben tusfehen

de onderfcheide Gewesten. — By de oude

Schryvers ontmoeten wy daar van eenige

fpooren ; en waar de bronnen van

kundfehap zo weinig eri fchaars zyn, moeten

wy ons vergenoegen met deeze aanduidingen.

Onder de verfcheide Rangen,

of Casten , in welken het Volk in Indie

verdeeld was , werden de Kooplieden als

een byzondere vermeld (f)\ waar uit wy

mogen opmaaken, dat de Koophandel een

der gevestigde Bezigheden, of Beroepen, by

de Lieden diens Lands geweest hebbe. —

Uit den Schryver van de Omvaart der Erythrafche

Zee leeren wy , dac de lnwoonders

van de Kust van Cormandel, mee

hunne eigene Schepen Handel dreeven mee

die van de Malabarfche ; dac de binnen-

(0 Pt IN. Nat. Hht. Lib. VI. c. 22.

land-

II.

kFDËE-

LING.


156* O N D E R Z O E K

II. landfche Handel van Barygaza groot was £

AFDEE- en dac men , in alle Jaargetyden, een aan­

LING.

tal van Schepen des Lands aantrof in de

Haven van Mufiris («). — STRABO onderrigc

ons , dac de kostbaarfte Voortbrengzels

van Taprobane gevoerd wierden

na de onderfcheidene Emporia, of Marktplaaczen,

van Indie (V). Op deeze wyze

kreegen de Egyptifche Handelaars die Goederen

, en konden dus hunne reis binnen

hec Jaar volbrengen , die veel langer zou

hebben moeten duuren, hadt dezelve zich

zo verre Oostwaards uitgeftrekc als men

doorgaans veronderftelt.

Uit dit alles krygt het eene groote waarfchynlykheid,

dat PTOLEMEUS het berigt,

wegens de Oostlykfte gedeelten van Indie,

waarop hy zyne berekeningen grondde

, niet zo zeer gekreegen hebbe door

een rechtitreekfche en geregelde gemeenfchap

tusfehen Egypte en deeze Gewesten,

dan wel uit de befcheiden van eenige

weinige Waaghalzen, die, dooreen onderneemzieken

geest gedreeven, of door winzugt

aangezet, buiten de gewoone grenzen

der Scheepvaart gingen.

Hoewel , zints den Leeftyd van PTO­

LEMEUS, de Handel op Indie bleef aanhouden

door het voorige Kanaal, en beide

Rome, de oude Hoofdftad des Ryks ,

en Confiantinople, de nieuwe Zecel des

Beftuurs , de kostbaare Voortbrengzelen

diens

(u) Peripl. Mar. Erythr. p. 30 en 34,


WEGENS OUD INDIE. 157

diens Lands, door de Kooplieden van A- II.

lexandrie, kreegen, hebben wy, nogthans, AFDEEtot

de Regeering van Keizer JUSTINIA- LING.

NUS geen nieuwe onderrigting, wegens de

Gemeenfchap met het Oosten ter Zee ,

noch van de vorderingen gemaakt in de

ontdekking van deszelfs verafgelegene Gewesten.

Onder JUSTINIANUS deedt COSMAS,

een Egyptisch Koopman, zyn handel dryvende,

verfcheide reizen na Indie,van waar

hy den bynaam van Indicopleustes kreeg 5

doch naderhand Tiet hy, door eene verandering

niet ongewoon in die bygeloovige

Eeuw , alle tydlyke belangen vaaren , en.

gaf zich aan het Kloosterleeven over. In

de eenzaamheid en ledigheid van de Klooster

- cel , fchreef hy verfcheide Werken;

één derzelven, door hem met den tytel van

Christlyke Plaatsbefchryving vereerd, heeft

onzen tyd bereikt. Het hoofdoogmerk deezes

Werks is het gevoelen te beftryden van

die Wysgeeren , die ftaande houden , dat

de Aarde eene Klootfche gedaante heeft,

en te bewyzen, dat dezelve een langwerpig

Vlak is, twaalf duizend Mylen in de Lengte

van het Oosten na het Westen, en zes'

duizend Mylen in de Breedte van het Noorden

na het Zuiden, omringd door hoog(

wallen, overdekt met het Uitfpanzel ah

met een verwelfzel ; dat de verwisfelin^

van dag en nagt veroorzaakt wierd dooi

een Berg van eene verbaazen de hoogte

gelegen in het uiterfle van het Noorden

rondsom welken de Zon zich bewoog

dat


ir.

AFDEE

LING.

158 O N D E R Z O E K

dat, Wanneer dezelve zich aan de eene zyde

van dien Berg vertoonde , de Aarde

verlicht was, en, als zy zich aan de ande-

. re zyde verborg , de Aarde in duisternis

gedompeld wierd (w~). — Dan, te midden

van deeze verwilderde hersfenfehimmen ,

meer voegende aan de ligtgeloovigheid van

zyn Kloosterleeven, dan aan 't gezond verftand,

't geen hy in zyn voorig Beroep betoonde,

fchynt coSMAS te vernaaien wat

hy zelve op zyne Reizen hadt waargenomen

, of van anderen verdaan; en dit met

alle opregtheid en waarheidsliefde.

Het blykt, dat hy wel kennis gehad hebbe

aan de Westkust van het Indifche Schiereiland

, en noemt verfcheide Plaatzen op

dezelve gelegen : hy befchryft die als de

voornaamfte zetel des Peperhandels, en gewaagt

in 't byzonder van Male, als een

der meest bezogte Havens ter verkryging

van die Koopwaaren (x). Van Male is

het waarfchynlyk, dat deeze zyde des Vastenlands

den hedendaagfehen Naam van Malabar

ontleend, en dat de Eilanden, daar

digt by gelegen, dien van de Maldivcs gekreegen

hebben Uit hem leeren wy ook,

dat het Eiland Taprobane, 't geen hy veronderftelt

op een geiyken afftand te liggen

van de Perfiaanfche Golf ten Westen, en 1

het Land der Sina ten Oosten, in gevolge

van deeze gereede ligging , een groote

S ta-

fV) COSMAS apild MONTFAUCON, Colkctt

Patrum II. p. 113. &c. 138.

O) COÏM. Lib. II. p. 138. Lib. XI. p. 337,


WEGENS OUD INDIE. 159

Stapelplaats des Handels geworden was; dat

derwaards gebragt wierd de Zyde van de Si- 1

na, en de kostbaare Speceryen van de Oosterfche

Landen, welke men van daar voer- -

de na alle de deelen van Indie, na Perfie

en na de Arabifche Golf. Aan dit Eiland

geeft hy den naam van Sielediha Qf) ,

dezelfde met dien van Selendib of Serendiby by welken het door 't geheele Oosten bekend

is.

Aan dien zelfden COSMAS zyn wy het

eerfte berigt verfchuldigd, dat 'er een nieuwe

Mededinger voor de Romeinen, in den

Handel, zich opdeedt in de Indifche Zeeën.

De Perfen, naa het Ryk der Parthen

overweldigd, en de volgreeks hunner

oude Monarchen herfteld te hebben,

fchynen den afkeer hunner Voorvaderen

van de Zee geheel te boven gekomen te

zyn , en vroegtyds fterke poogingen gedaan

te hebben , om deel te krygen in

den winstryken handel op Indie. Alle de

voornaame Havens van Indie werden bezogt

door Handelaars uit Perfie, die, voor eenige

voortbrengzels huns eigen Lands by de

)ndiaanen gewild en gezogt, de kostbaare

Indifche Goederen kreegen, die zy de

Perfifche Golf opbragten, en, door middel

van de groote Rivieren, de Euphraat en

de Tigris , verfpreidden in alle Gewesten

huns Ryks. Naardemaal de reis van Perfie

na Indie veel korter was dan die van

Egypte, met minder kosten, en minder gevaars

,

GO Co sa. Lik. XL p. 336.

II.

FDEE-

LING.


II.

AFDEE*

LING.

260 O N D E R Z O E K

vaars, vergezeld ging, nam de Gemeenfchap,

tusfehen die twee Landen , zeer fchielyk

toe. CoSMAS brengt eene byzonderheid

by , welke hiervan ten fpreekenden bewyze

ftrekt. In de meeste Steden van eenigen

naam in Indie, vondt hy Christen-

Kerken opgerigt, waarin de Dienst verrigt

wierd door Priesters geordend door

den Aartsbisfchop van Seïeucia, de Hoofdftad

des Per/ifchen Ryks, en die aan diens

Regtsgebied onderworpen bleeven (z~) —

Indie blykt in dit Tydperk meer bezogt

geweest te zyn, dan ten tyde van PTO­

LEMEUS; een grooter getal Vreemdelingen

zette 'er zich neder, 't Is nogthans merk

waardig, dat, volgens het verflag van cos-

MAS, geen deezer Vreemdelingen gewoon

waren de Oostlykfte Gewesten van Afia

te bezoeken; maar zich te vrede hielden

hunne Zyde , hunne Speceryen, en andere

kostbaare Voortbrengzels, te ontvangen zo

als dezelve in Ceylon ingevoerd werden ,

en van daar na de onderfcheide Marktplaatzen

van' Indie gebragt (a).

De veelvuldigheid der openbaare vyandlykheden

tusfehen de Keizers van Conflantinople

en de Monarchen van Perfie, gepaard

met de aangroeiende mededinging

hunner Onderdaanen in den Handel op Indie,

gaf gelegenheid tot eene Gebeurtenis,

welke eene groote verandering in de natuur

van dien Handel veroorzaakte. Naarde-

(s) Co SM. Lib. III. p. 178.

(0) COSM. Lib. XI. p. 33?.


WEGÉNS O U D I N D I E . 161

demaal het gebruik der Zyde, 7.0 in Kleeding

als tot Huiscieraad', altengskens algemeenet

werd ten Hove der Griekfche Keizeren

, die de Vorften van Afia in fchitterenden

luister van Hofhouding paayolgden

en overtroffen ; en dewyl China .

waar, volgens het eenpaarig getuigenis der

Oosterfche Schryveren. de Zyde-teelt oorfpronglvk

bekend was (£), nog het éénig

Land bleef, 't welk die kostlyke Waar

uitleverde, wisten de Perfen^. zich bedienende

van de voordeelen , welke hunne

ligging hun gaf boven de Kooplieden van

de Arabifche Golf, deezen den voet te

ligten op alle Marktplaarzen van Indie ,

werwaards de Zyde ter Zee uit het Oosten

gebragt werd. Het desgelyks in hunne

magt "hebbende, om de Caravaanen ,

die, om het Griekfche Ryk van Zyde te

voorzien, te land na China trokken door

de Noordlykfte Landfchappen huns Koningryks,

lastig te vallen en af te fnyden,

trokken zy dien geheelen Handeltak aan

zich. Confïantinople nu werd afhangelyk

van eene mededingende Magt ten aanziene

van een Artykel , 't geen de Weelde

aanzag als onmisbaar tot verfraaijing en

opfchik , en diensvolgens flerk zogt.

Met de greetigheid, Opkooperen eigen,

deeden de Perfen den prys van de Zyde

tot zulk eene verbaazende hoogte Hijgen

(/), dat JUSTINIANÜS, 'er niet ah

leen

(F) HERBELOT, BiMioth. Oriënt. Art HIRIR.

{/) PROCOP. Hiit. Jrean. c. 25.

L

II.

AFDEE­

LING.


162 O N D E R Z O E K

II. leen op gefield, om een voldoenden en zeker-

AFDEE-

LING.

gaanden toevoer te' krygen eener Koopwaare

van een onmisbaar gebruik geworden,

maar ook begeerig om den Handel zyner

Onderdaanen re ontheffen van de verdrukkingen

zyner Vyanden , zyn best deedt,

om , met hulpe van zynen Bondgenoot ,

den Christen Monarch van Abysfinie, een

gedeelte van den Zyde-handel den Perfen

te ontweldigen. Deeze onderneeming mis­

A. D. lukte hem. Doch, toen hy 't het minst

S5i. . verwagtte, verkreeg hy, door eene onvoorziene

gebeurtenisje, eenigermaate het voorwerp

zyner wenfchen.

Twee Perfifche Monniken , als Zendelingen

, afgevaardigd na eenige der Christen

Kerken , volgens het berigt van cos-

MAS in verfcheide deelen van Indie opgerigt

, waren doorgedrongen tot het Land

van de Seres, of China. Daar zagen zy

het fpinnen der Zydewormen, en kreegen

kennis aan alle de werkzaamheden der Menfcben,

om het Voortbrengzel van deezen

worm tot zo veelerlei fraaije Stoffen te

vervaardigen. — Het vooruitzigt op winst,

of misfchien een verontwaardigingvolle

yver, verwekt door deezen ryke winst aanbrengenden

Handeltak in handen van ongeloovige

Volken te zien , zette hun aan

om na Conftantinople weder te keeren.

Hier verklaarden zy by den Keizer den oorfprong

der Zyde, als mede de onderfcheidene

wyzen van die te bereiden en te verwerken;

verborgenheden tot dus lang on-

be-


WEGÉNS OUD INDlÈ. ió"3

bekend , of zeer onvolkomen in Europa

begreepen*

Aangemoedigd , door 's Keizers milde

beloften , hamen zy het op zich een genoegzaam

aantal van deeze wonderbaare

ïnfecfen, aan welker arbeid de Mensch zo

veel verfchuldigd is , in de Hoofdftad

brengen. Zy volvoerden dit door de Eytjes

van den Zydeworm in een hol riet

te verbergen. Deeze werden uitgebroed

door de warmte van een mesthoop, en

gevoed met de bladeren van den wilden

Moerbezieboom; zy vermenigvuldigden, en

werkten op dezelfde wyze als in die Lugtflxeeken

, waar zy eerst de voorwerpen wa*

ren van der Menfchen aandagt en bezorging

(d). Welhaast kweekte men, in verfcheide

deelen van Griekenland, byzonder

in Peloponefus, deeze Infecten in grooten

getale. Op Sicilië ondernam men vervolgens,

met een even gunftïgen uitflag, het

teelen van Zydewormen, en het werd, van

tyd tot tyd, in verfcheide Stéden van Italië

gevolgd. Op alle deeze plaatzen rigtte

men Handwerken op, en hieldt ze aan den

gang met de Zyde, daar vallende. De vraag*

om Zyde uit het Oosten nam gevolglyk af;

de Onderdaanen der Griekfche Keizeren

waren niet langer genoodzaakt zich tot de

Perfen te vervoegen om voorraad van Zyde

te verkrygen, en 'er greep een verbaazende

verandering plaats in den aart des Handel*

09 PROCOP. de Bello Gothit. Lib. lF. a. i? t

L a

It.

AFDEE­

L-IN G.


II.

AFDEE»

LING.

i64 ONDERZ. WEGENS O. I.

delgemeenfchaps tusfehen Europa en Indie

(ƒ).

(e) De invoering van de Zydewormen in Europa

en de uicvverkzels , welke dezelve voortbragt , kwamen

onder 'c oog van den Heer GIBBON, by het

fchryven der Gefchiedenisfe van Keizer JUSTINIAnus,

en, fchoon dit een byzonder geval was, flegts

van een ondergefchikt aanbelang , te midden van de

groote menigte der gewigtige gebeurtenisfen. die zyne

aandagc moesten bezig houden, heeft hy deeze byzonderheid

naagegaan met eene naauwkeurigheid, die

eere zou aangedaan hebben aan een Schryver die geen

hooger bedoeling hadt. Vol. IV. p. 71, &c. 't Is hitr

niet alleen, dat ik my verpligt vind hem deeze verdienlle

toe te kennen. Het onderwerp myns Onderzoeks

heeft my meennaalen gebragt op een grond ,

door hem betreeden, en ik heb fteeds licht ontvangen

uit de vlytigheid en het oordeel, met welke hy dien

hadt opgenomen.

G E


GESCHIEDKUNDIG

ONDERZOEK

WEGENS

OUD INDIE.

DERDE- AFDEELING.

DE GEMEENSCHAP MET INDIE, ZINTS

DE r.E MAG TI GING VAN EGYPTE DOOR.

DE MAHOMEDAANEN, TOT DE ONT­

DEKKING VAN DEN WEG OM DE

KAAP DE GOEDE HOOP, EN DE

VESTIGING DER POR T U GE E'

SCME IIEERSCHAPPY IN HET

OOSTEN.

O mtrent tachtig Jaaren naa den dood van JJ T_

JUSTINIANUS, viel 'er eene gebeur- A F J 3Ê B.

tenis voor, die eene nog veel grooter Om- L i K G >

wenteling in de Gemeenfchap van Europa ,

roet het Oosten te wege bragt. MAHO-

MED fchynt , door het verkondigen van

eenen nieuwen Godsdienst , zyne Landsgenooten

met een nieuwen geest bezield, en

de vonken van verborgene driften en bekwaamheden

ontftooken te hebben. Het

grootfte gedeelte der Arabieren , van de

L 3 vroeg-


III.

AFDEE

LING.

A. D.

640.

i66 O N D E R Z O E K

vroegte tyden af, voldaan met Volks Onafhangeiykheid

en Perlbonlyke Vryhcid ,

paste hunne Kameelen op , of kweekte

- Palmboomen , binnen de paaien van hun

eigen Schiereiland, en hadden weinig Gemeenfchaps

met de rest des Menschdoms,,

dan alleen wanneer zy uitrukten om een

Caravaan te plunderen, of een Reiziger te

berooven. In eenige ftrecken , nogthans,

hadden zy eenen aanvang gemaakt, om den

arbeid des Landbouws, en de drukte des.

Koophandels, te voegen by de bezigheden 1

des Herderlyken Leevens. Alle deeze rangen

van Menfchen betoonden , toen zy

aangevuurd waren door de geestdrift, welke

de aanmaaningen en het voorbeeld van

MAHOMED hun inbliezen, op eenmaal al

den yver van Zendelingen, en de eerzugt

van Overmeesteraarcn. Zy verfpreidden de

Leer van hunnen Propheet, en breidden de

Heerfchappy van diens Opvolgers uit, van

de Oevers der Atlantifche Zee tot de

grenzen van China, met eene fnelheid van

voorfpoed, waarvan de Gefchiedenis des

Menschdoms geen wedergade oplevert.

Egypte was een der eerfte vermeesteringen

van de Mahomedaanen ; en , daar zy

zich, in dat uitlokkend Land, nederzetten,

en 't zelve in bezit hielden , werden de

Grieken uitgeflooten vau alle Gemeenfchap

met Alexandrie, werwaards zy zo lang

heenen toogen, als de groote Marktplaats,

van Indifche Goederen. Dit was de eenige

uitwerking niet , welke de voortgang

der Mahomedaanfche wapenen hadt op

den


WEGENS OUD INDIE. i6>

den Koophandel van Europa met Indie

gedreeven. De Arabieren hadden , vóór

hun inval in Egypte, het groote Perfifche

Ryk te ondergebragt, en 't zelve aan de

Heerfchappye hunner Caliphs toegevoegd.

Zy vonden hunne nieuwe Onderdaanen bezin-

met het voortzetten van dien uitgebreiden

Handel op Indie, en het Land ten

Oosten van Indie gelegen, welks begin en

voortgang in Perfie ik reeds vermeld heb;

zy bevroedden dermaate de groote^ voordeelen

daar aan verbonden, dat zy 'er in begeerden

te deelen. Naardemaal de werkzaame

vermogens van 's Menfchen geest,

wanneer zy tot veel beduidende poogingen

in één geval opgewekt zyn, bekwaamst

gevonden worden om met kragt in andere

rVningen te werken , werden de Arabieren,

van doldriftige Oorlogshelden, welhaast

veel onderneemende Kooplieden. : Zy

voeren voort den Koophandel op Indie te

dryven door het voorige Kanaal van de

Perfifche Golf', doch het gefchiedde met

dat vuur zo kenmerkend eigen aan alle de

eerfte onderneemingen van MAHOMED'S

Naavolgeren. Binnen korten tyd kwamen

zy veel verder dan de oude grensperken

der oude Scheepvaart, en bragten veele

der kostbaarfte Goederen van het Oosten,

rechtftreeks uit de Landen , die dezelve

voortbragten. — Om al het voordeel, uit

de verkoop ontftaande, op een te hoopen,

deedt de Caliph OMAR (a) , weinig jaaren

O) HERBELOT, Billiot 1

. Odeut, Art. BAS RA H.

L 4

III.

Ui DEE­

LING.


m.

AFDKE-

LING.

168 O N D E R Z O E K

ren naa de vermeestering van Perfie, da

Stad Bas fora fh'gten , aan den Westlyken

oever van den grooten Stroom , gevormd

door de vereeniging van de Euphraat en

de Tigris, met oogmerk om deeze twee

Rivieren , langs welken de Goederen , uit

Indie gebragt, van alle de deelen van Afia.

gevoerd werden , in bedwang te houden.

Deeze -gelegenheid was zo wel uitgekoozen

, dat Basfora , in korten tyd, eene

Handelplaats wierd • die naauwlyks voor

Alexandrie behoefde te wyken.

Dit algemeen verflag , ten opzigre van

den Handel der Arabieren op Indie , 'c

welk alles is , 't geen de Gefchiedfchryvers

van dit Tydperk ons opleveren, wordt

bevestigd en opgehelderd, door het Verhaal

eener Reize üit de Perfifche Golf na

het Oosten , gefchreeven door een Arabisch

Koopman , in den Jaare DI11LI der

Christen Jaartcllinge , omtrent twee Eeuwen

naa dat Perfie onderworpen werd aan

de Caliphs , en uitgelegd door de Verklaaring

van een anderen Arabier , die

mede de Oostïyklte deelen van Afia bezogr.

Dit keurig Verhaal, 't geen ons in

ftaat ftelt om eene gaaping in de Gefchiedenis

der Haiidelgemeenfchap met Indie

aan te vullen , verfchaft ftoffe tot eene

meer byzondere befchryving van de Ontdekkingen

der Arabieren in het Oosten ,

en- van de wyze op welke zy dezelve

deeden.

[Naardemaal ik veel gebruik van dit Verhaal

zal maaken, kan ik niet naalaaten om

voor-


WEGENS O U D I N D I E . 169

.vooraf iets te zeggen tot ftaaving van IIT.

cltszelfs betwiste egtbeid. Deeze Reis, \FDEE"

met de Waarneemingen van ABU ZEID LING.

AL HASSAN van Siraf, werd uitgegeeven

door den Heer RENAUDOT (h). Dewyl

deeze Uitgeever , in zyne Aanmerkingen ,

de Letter- -en Staatkunde der Chineefen met

geheel andere kleuren voorftelt , dan ze

vertoond waren in de fchitterende befchryvingen

, door eene blinde bewondering der

Jefuiten uitgegeeven, hebben twee yverige

Zendelingen de egtbeid van deeze Verhaaien

in twyfel getrokken , en beweerd ,

dat de Schryvers nooit in China geweest

waren (c). Eenige Geleerden in Engeland

koesterden desgelyks eenige twyfelingen

over derzelver egtheid : dewyl RE­

NAUDOT geene aanduiding hadt gegeeven

van het Handfchrift door hem vertaald,

dan dat hy het vondt in de Boekery vun

den Graaf DE SEIGNELAY. Maar, vermids

niemand het Handfchrift, zints dien

tyd, gezien hadt namen de twyfelingea

toe, en de Heer RENAUDOT werd be-

fchul-

(b) Onder den Ty tel van, Anciennes Relations des

Iiuks, & de la Chine, de deux Foyageurs Maho-

•methans, qui y allerent dans le Ncurieme Siècle ,

traduit de Arabe, avi c remarqw s J'nr les princtpaux

endroits de ces Relations , 1718. Dewyl ik geene

Fravfche Uitgave bezat, heb ik myne Aanhaahngen

gedaan volgens, de Engelfche Overzetting.

(c) Vader PREMARE , Lcttr. édiliantes & e%rïeufès,

Tom. XIX. p. 420, &c. en Vader PAREN-

NIN, Ibid. Tom. XXI. p. 158» &c.

L ï


AFUEt

i?o O N D E R Z O E K

in. fchuldigd met het misdryf van bedrog.

. Dan de Handfchriften van COLBERT ter

bewaaring overgegeeven zynde in 's Ko-

. nings Boekery, gelyk, (ten gelukke der

Letterkunde,) de meeste byzondere Verzamelingen

van Handfchriften in Frankryh

gedaan zyn , ontdekte de Heer DE GUI­

GNES, naa lang zoekens, het eigende

Handfchrift , waar toe de Heer RENAU­

DOT wyst. Het blykt gefchreeven te zyn

in de Twaalfde Eeuwe (V).

Het Verhaal der twee Arabifche Reizigeren

wordt, in veele byzonderheden, gestaafd

door hunnen Landsgenoot MASSOU-

DI, die eene Verhandeling uitgaf over de

Algemeene Gefchiedenis, aan welke hy de

wonder vreemd klinkenden Tytel geeft van

Weiden van Goud en Mynen van Juweelen,

honderd en zes jaaren laater gefchreeven.

Uit hem ontvangen wy desgelyks

zulk een verflag van Indie, in de Tiende

Eeuwe, waar uit blykt , dat de Arabieren,

toen ten tyde, eene uitgebreide kunde

van dat Land gekreegen hadden.

Volgens zyne Befchryving was het Schiereiland

van Indie verdeeld in vier Koningryken.

— Het eerde bedondt uit de Landfchappen

aan den Indus gelecgen, als mede

aan de Rivieren die in den Indus vallen

; de Hoofddad was Moultan. — De

Hoofdftad van het tweede Koningryk was

Canoge, deeze blykt, uic de nog zigtbaare

overblyfzelen , eene zeer groote Stad

ge-

(d) jfwnal des Scavans, Dcc. 1764.. p. 315. &c.


WEGENS OUD INDIE. 171

geweest te zyn (e). Om een denkbeeld III,

van de Volkrykheid deezer 'Stad te geeAFDEEven , verzekeren de Indifche Gefchiedfchry- LING.

vers, dat 'er dertig duizend winkels waren

in welke men de Betel - noot verkogt, en

zestig duizend benden van Speellieden en

Zangers, die eene belasting aan den Staat

opbragten (ƒ). — Hec derde Koningryk

was Cachemire. MASSOÜDI is, voor zo

verre ik weec , de eerfte Schryver , die

van dit Paradys van Indie gewaagt , waar

van hy eene korte doch juiste befchryving

geeft. — Het vierde is het Koningryk van

Guzerate, 't geen hy vertoont als hec

grootfte en magtigfte; en hy ftemt mee de.

twee Arabifche Reizigeren overeen in aan

de Soevereinen van 't zelve den naam van

Balchara te geeven. — 't Geen MAS-

SOUDI wegens Indie verhaak, is te opmerkenswaardiger,

dewyl hy zelve dat Land

bezogt (g). MASSOUDX bevestigt wac

de twee Arabifche Reizigers gezegd hebben

, wegers de groote vorderingen der

Indiaanen in de Srarrekunde. Naar zyn

verhaal was 'er, -onder de Regeering van

BRAHMAN, den eerften Monarch van Indie,

een Tempel gebouwd met cwaalf Toorens

, verbeeldende de Twaalf Tekens van

den Zodiak; en ia welken eene afbeelding

was van alle de Scarren, zo als zy zich

aas

(Y) RENNELL'S Mem. p. 54.

(ƒ) FERIS.HÏA,vertaald door oow,Yol. Lp.32.

(2O Notices & Extrnits des Manvfcrits de laBiiliotheque

du ii'ji. Tom. I. p. o, 10.


a.

AFDEE-

LING.

172. O N D E R Z O E K

aan het Uitfpanzel venoonen. Onder dezelfde

Regeering werd hec beroemde Sind*

Hind opgeteld , 'c welk de uitneemendlte

Verhandeling van de Indifche Starrekunde

fchynt te weezen (h). — Een ander

Arabisch Schryver, die omtrent het

midden van de veertiende Eeuw fchreef,

verdeelt Indie in drie Deelen; het Noordlykfte

alle de Landfchappen aan den Indus

bevattende. — Hec Middelde zich van Guzerate

tot de Ganges uittrekkende , —

en het Zuidlykfte,' door hem Comar geheeten,

naar Kaap Comorin (i). J

Schoon zommigen zich verbeeld hebben,

dat de wonderbaare eigenfchap van den

Zeilfteen , door welke dezelve zulk eene

kragt geefc aan een Naald of een dun

Yzerdraad, dac dezelve altoos na de Poolen

der Aarde wyze, in het Oosten bekend

was langen tyd vóór dat men dezelve in

Europa hadt waargenomen , is het openbaar

beide uit het Verhaal des Mahoniedaanfchen

Koopmans, en- uit veele andere

daar mede zamenftemmende blykbaarheden,

dat niet alleen de Arabieren , maar ook

de Chineefen, ontbloot waren van deezen

getrouwen Gids, en dat hunne wyze vaa

Scheepvaard niet verder gevorderd was dan

die der Grieken en Romeinen Ck). Zy

Huurden beichroomd langs de kust heen;

zeld-

(h) Notices, &c.' Tom. I. p. 7.

O') Notices, &c. Tom. II. p.46. Dit is de XXXVI

Aantekening van ROBERTSON.

{Je) Relatief!, p. 2. 8. &c.


WEGENS OUD INDIE 173

zeldzaam waagden zy hec zo diep in Zee III.

te fteeken dac zy hec Land uic hec oog AFDEEverlooren;

en daar zy hun koers zo vreesagcig

inrigtren, was hunne wyze van rekenen

gebrekkig, en onderhevig aan dezelfde

dwa3lingen als ik aanwees in die der

LING.

Grieken en Romeinen (/).

Niettegenftaande deeze nadeelen, ftrekte

zich de vordering der Arabieren, Ooscwaards,

veel verder uic dan de Golf van

Siam , de grenspaal van de Zeevaarc der

Europeaanen. Zy kreegen kennis aan Sumatra

, en de andere Eilanden van den

Grooten lndifchen Archipel, en kwamen toe

de Stad Canton in China. En hebbe men

deeze Ontdekkingen niet aan te merken

als het uitwerkzel van de onderneemende

nieuwsgierigheid eeniger byzondere Perfoonen;

zy moeten toegefchreeven worden aan

een geregelden Koophandel uic de Perfifche

Golf met China, en alle de. cusfehen

beiden liggende Gewesten, gedreeven. Veele

Mahomedaanen hec voorbeeld der Perfen,

door COSMAS INDICOPLEUSTE!

befchreeven, volgende, zecten zich in ln

die, en de Landen daar omftreeks, neder

Zy'waren zo talryk in de Stad Canton

dac de Keizer , (volgens hec verhaal de;

Arabifche St?hryveren,) hun coeftondc »

een Cadi, of Regeer, van hun eigen Aan

hang te hebben , die de Gefchillen _ onde r

zyne Landsgenooten , overeenkomftig me c

hun

(/) RENAUDOT, Inquiry info the Time wen th t

.Mahsmedans fint entirtd China, p. 143.


III.

AFDEE

LING.

174 O N D E R Z O E K

hunne eigene Wetten, befliste, en in alle

• Godsdienstverrigtingen voorzat (m). Op

andere Plaatzen won men Aankomelingen

. tot het Mahomedaanfche Geloof, en de

Arabifche Taal werd verflaan en gefprooken

in meest alle Zee-havens van eenigen

naam. Schepen van China, en verfcheide

Plaatzen van Indie, handelden in

de Perfifche Golf, en , door de veelvuldigheid

van onderlinge gemeenfchap, wer*

den alle de Volken van het Oosten beter

met elkander bekend (V).

[De Zeevaardkunde der Chineefen fchynt,

op dat wy dit, in 't voorbygaan, wat omiïandiger

toonen, en het voorheen gezegde

wegens hunne onkunde van hec Kompas^

nader ftaaven, die der Grieken en Romeinen

niec overtroffen te hebben. De

koers, welken zy hielden van Canton na

Siraf, aan den mond van de Perfifche

Golf, worde door hunne eigene Schryvers

opgegeeven. Zy hielden zo naby moge*

lyk hec ftrand langs, tot zy het Eiland Ceylon

bereikten, en dan Kaap Comorin oirvaarende,

zeilden zy langs de Westzyde

van hec Schiereiland , coc den mond van

dèn Indus, en Huurden de kusc langs tot

de plaats hunner beftemminge (o). Eenige

Schryvers hebben Haande gehouden, dat

de Chineefen en de Arabieren hec Scheeps-

kom-

(V) Re lat ion, p. 7. Remarks, p. p. Inquiry, p,

171, &c.

C») Relation, p. 8.

(


WEGENS OUD INDIE, 175

kompas wel kenden, als mede hec gebruik

daar van in de Zeevaart; doch hec is op

merkelyk, dat 'er in de Arabifche, Turkfche

of Perfifche, Taal geen oorfpronglyke

Naam voor het Kompas is. Doorgaans

noemen zy het Bosfola , de Italiaanfche

Naam , 't geen toont, dat de aangeduide

zaak, zo wel als het woord , hun vreemd

is. Men vindt geen ééne waarneeming,

van oude dagtekening, door de Arabieren

gemaakt wegens de verandering van de

Kompasnaald , of eenige onderrigting daar

uit ten diende der Zeevaarenden afgeleid.

De Heer j. CHARDIN, een der geleerdfte

en best onderrigtfte Reizigeren, die hec

Oosten bezogt hebben, op die ftuk ondervraagd

zynde , geefc ten antwoord : ,, Ik

„ durf voltirekt beweeren , dat de Afiaa-

„' nen aan ons verpligt zyn voor dit won-

„ derbaar Werktuig, 't geen zy uit Europa

„ gekreegen hadden , langen tyd vóór de

„ vermeesteringen der Portugeefen. Want,

, voor eerst , zyn hunne Kompasfen vol-

" maakt gelyk de onze, en zy koopen ze

„ van de Europeaanen, zo veel zy kunnen

„ krygen; hec naauwlyks durvende waagen

„ aan de Naalden zelve iets te doen. <

„ Ten tweeden, gaat het vast, dat de oude

„ Zeelieden alle de kust langs kroopen,

„ 'c geen ik coefchryf aan hec gebrek van

„ die Werktuig, om hun te geleiden en

„ te onderrigcen in 'c midden van den

„ Oceaan. Wy kunnen niec zeggen dac

„ zy fchroomden Reizen verre van huis te

„ waagen; want de Arabieren , de eerfte

55 iScc*

III.

AFDEE-

LING.


176 O N D E R Z O E K .

III. „ Zeelieden in de wereld , volgens myh

AFDEE- „ begrip , ten minften wat de Indifche

LING. „ Zeeën betreft, hebben , van onheuglyke

„ tyden af, uit het verfte van de Roode

„ Zee, langs de kust van Africa gezeild;

„ en de Chineefen hebben altoos op Java

„ en Sumatra gehandeld, 't welk een reis

„ van aanbelang is. Zo veele onbewoonde,

„ en nogthans vrugtbaare, Eilanden, zo

„ veele Landen onbekend aan het Volk,

„ van 't welk ik fpreek , leveren een be-

,, wys op, dat de oude Zeelieden de kunst

,, niet verftonden van de Groote Zee te

„ bouwen. Ik kan niec dan redekavelend

„ hier over fpreeken ; wanc nooic heb ik

„ in Perfie, of Indie, iemand aangetroffen,

„ die my kon berigten, wanneer het Kom-

„ pas eerst by hun was bekend geworden,

„ fchoon ik de kundigften in beide die

„ Landen des ondervraagd heb. Ik ben

„ uit Indie na Perfie gevaaren in Indiaan-

„ fche Schepen, dac 'er zich, buiten my,

„ geen Europeaan aan boord bevondt. De

,, Stuurlieden waren alle Indiaanen ; zy

,, bedienden zich, tot hec doen van Waar-

,, neemingen, van den Graadboog en Qua-

„ drant. Deeze Werktuigen hebben zy

„ van ons ; ze zyn gemaakt door onze

„ Kunftenaaren, en verfchillen niec in hec

,, minsc van de onze, uitgenomen dat 'er

„ Arabifche Letters op ftaan. De Ara-

„ bieren zyn de kundigfte Zeelieden van

„ alle Afiaanen en Africaanen; dan noch

„ zy, noch de Indiaanen, gebruiken Kaari,

ten; en hebben ze niec zeer noodig; zy

„ be-


WEGENS OUD INDIE. 177

i,, bezitten 'er eenige; doch deeze zyn naar

„ de onze gemaakt : want zy zyn geheel

onbedreeven in de Perfpectief Op)." —

Toen de Heer NIEHBUHR te Cairo was ,

vondt hy een Zeilfteennaald in 't bedt

van een Mahomedaan , welke diende om

de Kaaba aan te wyzen ; hy noemde

dezelve El Magnatis, een duidelyk bewys.

van den Europifchen oorfprong (q). ]

Een treffend bewys van deeze nieuwe onderrigting,

China en Indie betreffende, vinden

wy by de Schryvers, van welken ik

zo even fprak, vóór deeze tusfehen vallende

Opheldering. Zy wyzen de ligging aan

van Canton , nu by de Europeaanen zo

wel bekend , met eene vry groote maate

van naauwkeurigheid. Zy fpreeken van

het algemeen gebruik der Zyde onder de

Chineefen, Zy zyn de eerften die gewaagen

van hun beroemd Porcelein - werk, 'c

geen zy , uit hoofde van de dunheid en

doorfchynendheid, by Glas vergelyken. Zy

befchryven den Theeboom , en de wyze

hoe men de Bladeren van denzelven gebruikt;

en, de groote inkomften, fpruitende

uit de belasting op de Thee gefield,

(gelyk zy ons berigten,) fchynt de Thee zo

algemeen de geliefde drank der Chineefen

geweest te zyn in de Negende Eeuwe, al3

in de tegenwoordige 0r\

Zelfs

(j>~) RENAUDOT, ïnquiry, p. 141. &C.

Cjf) NIEHBUHR, Foyage en Arabie, Tom. II. p,

169. Dit is XXXVII Aant. van ROBERTSÖK.

Cr) Relation. p. 21. 25.

M

m.

AFDEE-

LING.


III.

AFDEE

LING.

i-3 O N D E R Z O E K

Zelfs ten aanziene van die gedeelren

van Indie, welken de Grieken en Romeinen

gewoon waren te bezoeken , hadden de

, Arabieren eene volkornener kundfchap opgedaan.

Zy gewaagen van een groot Ryk

op de Malabarfche Kust, beheerscht door

Monarchen , wier gezag zo volftrekt was als

dat van alle Mogendheden in Indie. Deeze

Monarchen waren onderfcheiden by de

benaaming van Balchara , een naam nog

in Indie bekend (Y), en het is waarfchynlyk,

dat de Samorin, of Keizer van Calicut,

zo dikwyls vermeld in de Verhaalen

van de eerfte Reizen der Portugeefen na

Indie, een gedeelte van de Landen hunner

Heerfchappye bezat. — Zy verheffen de

uitfleekende vorderingen, welke de Indiaanen

gemaakt hadden in de Starrekunde,

eene byzonderheid waarvan de Grieken en

Romeinen niec fchynen geweeten te hebben.

Zy beweeren dat de Indiaanen, in

deezen tak van weetenfchap, de verlichtfte

Volken van het Oosten verre overtroffen,

uit welken hoofde hun Vorst den naam

droeg van den Koning der ïFysheid (f).

Andere byzonderheden, de ftaatkundige inrigtingen,

de regtsbehandelingen, de tydkortintren

en de bygeloovigheden, der Indiaanen

betreffende, inzonderheid de pyr>ia;eride

kwellingen en boetedoeningen der

Fnqnirs, zou men kunnen aannaaien als be-

\vyzen van de meerdere kunde, die de Ara-

fO HET BEI.OT. Art. HEND. cn BELHAR.

O) Rddtion , p. 37 , 53.

bie


WEGENS OUD INDIE. ifo

bieren van de Zeden diens Volks opgedaan

hadden.

Dezelfde geest van Koophandel, of Gods-

dienstyver, welke de Mahomedaanen van ,

Perfie aanzette om de verst afgeleegene

Oorden van het Oosten te bezoeken, bezielde

de Christenen van dat Koningryk.

De Nestoriaanfcke Kerken, in Perfie geplant

, eerst onder de befcherming van de

Vorften daar te land gebooren, en vervolgens

van derzelver Vermeesteraaren de Caliphs

, waren veelvuldig , en werden beftuurd

door agtenswaardige Geestlyken. Zy

hadden vroeg Zendelingen na Indie afgevaardigd,

en Kerken in verfcheide deelen

diens Lands opgerigt; bovenal , gelyk ik

reeds optekende, op het Eiland Ceylon*

Toen de Arabieren hun Scheepvaart za

verre als China uitltrekten , opende zich

een ruimer veld aan hun oog, beide voor

hun Koophandel en Godsdienstyver. Indien

wy mogen afgaan op de zamenftemmende

blykbaarheid der Christen Schryveren

in het Oosten en in het Westen, bekragtigd

door het getuigenis der twee Mahomedaanfche

Reizigeren, werd hun Godsdienftige

arbeid met zulk een gezegendea

Uitflag bekroond, dat het getal der ^Christenen

in Indie en China, in de Negende

en Tiende Eeuwe, vry groot was.

[De voortgang van het Christendom en

van de Mahomedaanfche Leere, in China

en Indie , wordt door zulke voldingende

getuigenisfen bevestigd, dat 'er geen grond

M a vari

ui.

AFDEE-

LING.


III.

AFI-EE-

LING.

180 O N D E R Z O E K

van twyfel overblyve (V). —- Ten onzen

tyde, nogthans, weeten wy dat het getal

der Aankomelingen tot beide die Godsi

dienscbelydenisfen zeer klein is , byzonder

in Indie. Een Gentoo merkt alle de onderfcheidingen

en voordeelen van zyn Cast

aan als hem toebehoorende , volgens een

uitfluitend en onmededeelbaar Regt. Te

bekeeren r of bekeerd te worden, zyn denkbeelden

even frrydig met de beginzelen,

die hem diep in 'c harte geworteld zitten:

en kunnen noch de Catholyke , noch de

Prctestantfche, Zendelingen in Indie zich

beroemen deeze vooroordeelen overwonnen

te hebben, dan by eenigen van de laagfle

Casten, of die hun Cast geheel verlooren

hadden. Deeze laatlle omitandigheid is een

groote hinderpaal tegen de voortplanting

des Christendoms in Indie. Naardemaal

de Europeaanen het vleesch eeten van het

Dier 't welk de Hindoos heilig agten, en

dronken fchap verwekkende Dranken drinken

, in welke bedryven zy gevolgd worden

door de Bekeerelingen tot het Christendom

, doet hun dit tot dezelfde laagte

zinken met de Pariars , de veragtften en

gehaatften onder het Menschlyk geflachr.

Ee-

(u) Men vindt 2e byeen verzameld door ASSE-

MANKUS, Biblioth. Orientalis, Vol. IV. p. 437-

521. &c.; en by RENAUDOT in twee Verhandelingen,

gehegt aan zyne Anciennes Relations; en

door den Heer DE LA CROZE Histeire de Chris*

tienisme des Jndes.


WEGENS O U D I N D I E . 181

Eenige Catholyke Zendelingen bemerkten III.

dit zo duidelyk, dat zy beüooten de Klee­ AFDEE»

ding en Leevenswyze aan te neemen van LING.

de Brahmins, en weigerden gemeenfchap

te hebben met de Pariars, of hun tot het

deelgenootfchap aan de Sacramenten toe te

laaten. Doch dit werd afgekeurd door den

Apostolifchen Gezant TOURNON, als onbeftaanbaar

met den aart en de voorfchriften

van den Christlyken Godsdienst (v).

Niettegenftaande den arbeid der Zendelingen

, meer dan twee honderd jaaren aangewend

om de vastigheden van verfcheide

Christen-Volken,die denzelven onderfchraagen

en verdeedigen, zyn 'er, (volgens het

getuigenis van een verftandig Schryver,)

uit misfchien een honderd millioen Hindoos

, geen twaalf duizend Christenen, en

zyn deezen nog meestal uit Chancalas ,

of Uitgeworpenen (w). — Het getal det

Mahomedaanen, of Moor en, thans in Indoftan,

wordt op omtrent tien Millioenen

gerekend; doch deezen zyn geen oorfpronglyke

Inwoonders des Lands, maar Afttammelingen

van Gelukzoekers, die 'er gekomen

zyn uit Tartarye, Perfie en Arabie,

zints den inval van MAHMOÜD van Gazna,

den eerften Mahomedaanfchen Vermees


(v~) Foyage aux Indes Oriënt ales, par M. s o N-

NERAT, Tom. I. p. 58, Note.

O) Sketches relating to the History , Religion,

Learning and Manners, of the Hindoos, p. 48.

M 3


III.

AFDEE

LING.

182 O N D E R Z O E K

meesteraar van Indie in 't MII jaar der

Christen Jaartellinge (V),

Naardemaal de Zeden der Indiaanen, in

• oude tyden , ten allen opzigce, dezelfde

fchynen geweest te zyn met die der tegenwoordige

Eeuwe, is het waarfchynlyk

, dat de Christenen en Mahomedaanen,

die gezegd worden zo talryk in Indie

en China geweest te zyn, meest Vreemdelingen

waren , door een voordeeligen

Handel derwaards gelokt , of hunne Naakomelingen.

Het getal der Mahomedaanen

in China is zeer vermeerderd door

eene handelwyze by hun zeer algemeen,

om, in jaaren van Hongersnood, Kinderen

te koopen , die zy in den Mahomedaanfchen

Godsdienst opbrengen (y). ]

Vermids de Christen - Kerken in Indie en

China, in ouden tyde, alle hunne Geestlyken

uic Perfie kreegen , waar zy geordend

werden door den Catholicos, of Nes.toriaanfchen

Kerkvoogd, wiens opperhoofdigheid

zy erkenden, werd dit het geregeld

kanaal van Gemeenfchap en Verftandhouding;

eri aan de vereenigde uitwerking van

alle déeze omftandigheden, zyn wy de onderrigcing

verfchuldigd, welke wy ontvangen

van de twee Arabifche Schryvers (z),

we-

(x) ORME, Hist. of Military Transact, in Indoftan,

Vol. I. p. 24. HERBËLOT, Biblioth. Oriënt.

Art, GAZNAVIAH.

(j) Hist. Gen. des Voyages, Tom. VI. p. 357pit

is de XXXVIII Aantekening van ROBERTSON.

(3) Relation , p. 30.


WEGENS O U D I N D I E . 183

wegens deeze Ryken van Afia, door de

Grieken en Romeinen nimmer bezogt.

Maar terwyl beide de Mahomedaanfche

en de Christen Onderdaanen der Caliphs

voortvoeren met hunne kennis van het Oosten

uit te breiden, vonden zich de Europeaanen

bykans van alle Gemeenfchap met

hetzelve uitgeflooten. Voor hun was nu

de Groote Haven van Alexandrie digt, en

de nieuwe Beheerfchers van de Per/iaanfche

Golf, wel voldaan dat zy genoeg leverden

om de vraag te vervullen na de

voortbrengzelen van het Oosten, in hunne

eigene wydltrekkende Heerfchappyen, verzuimden

dezelve door een der gewoone

kanaalen te voeren na de Handeldryvende

Steden aan de Middellandfche Zee.

De ryke Ingezetenen van Conftantinople,

en andere groote Steden van Europa, verdroegen

deeze berooving van weelde ftreclende

Goederen, aan welker genot zy zints

lang gewoon waren , met zulk een ongeduld

, dat zy al de werkzaamheid van

Koophandel infpanden , om een hulpmiddel

te vinden tegen een kwaad, 't geen zy

ondraagelyk oordeelden. De zwaarigheden,

welke te boven gekomen moesten worden

om dit einde te bereiken, leveren het fterkst

bewys op van de hooge waarde, in welke

men, ten dien dage, de Goederen van het

Oosten hieldt. De Zyde van China werd

gekogt in Chenfi, het Westlyksc Landfchap

van dat Ryk, en van daar met een Caravaane,

in tachtig of honderd dagen reizens,

gebragt aan den oever van den Oxus; hier

M 4 in

IIT.

AFDKE­

LING.


184 O N D E R Z O E K

III. ingefcheept, zakte dezelve die Rivier af toe

AFDEE - de Caspifche Zee. Naa eene gevaarlyke Rei­

LING. ze over die Zee, de Rivier Cyrus, zo verre

. die bevaarbaar is, opvaarende, kwam men,

de Goederen vyf dagen te land vervoerd

hebbende, tot de Rivier Phafis fV) , die

in den Euxinus. of Zwarte Zee, valt. Van

hier bragt men de Goederen langs een gemaklyken

en wel bekenden weg na CÖ«flantinople.

— Hec overbrengen der Waa.

ren uit dat Gewest van 'c Oosten , thans

onder den naam van Indostan bekend ,

ging eenigzins min verdrietig en min moeilyk

toe. Deeze werden van de oevers

van den Indus, langs een weg reeds vroeg

genomen, en door my airede befchreeven,

of na de Rivier Oxus, of rechtftreeks na

de Caspifche Zee , gebragt, vanwaar zy

denzelfden koers hielden tot

•nople.

Conftanti->

Het is blykbaar dat alleen Goederen van

een kleinen omflag, en van groote waarde,

de kosten van zulk een overbrengen konden

draagen; en, in het opmaaken van den

prys dier Goederen, moesten niet alleen de

kosten, maar ook hec gevaar van ze over

te voeren, in aanmerking komen. Op den

Tochc door de groote vlakte , zich uitftrekkende

van Samarcanda toe de grenzen

van China , vonden zich de Caravaanen

blootgefteld om befprongen en beroofd te

worden door de Tartaaren, de Hunnen, de

Turken, en andere roofzieke Stammen, die het

Noord-

(*) PLIN. Nat. Hist. Lib. VI. c. 17.


WEGENS OUD INDIE. 185.

Noord - Oosten van Afia onveilig maaken , III.

en ten allen tyde den Koopman en den AF()F.t>

Reiziger aangezien hebben voor een wet­ LIN

tigen prooy ; ook waren zy voor overlast

en plondering niet vry op hunne Reize

van den Cyrus tot de Thafis , door het

Koningryk van Colchis ; een Land , zo in

ouden tyde als heden ten dage, berugt

van wegen den diefagtigen aart der Inwoonderen.

Zelfs onder alle deeze hindernisfen,

zette men den Handel op Indie

met ernst voort. Confiantinople werd eene

aanzienlyke Marktplaats van Indifche en

Chineefche Waaren, en de Rykdom, die,

in gevolge daar van , derwaards vloeide ,

bragt niet alleen veel toe tot den luister

van die groote Stad ; maar fchynt ook

eenigen tyd den val des Ryks , waaraan

zy ter Hoofdftad ftrekte, vertraagd te

hebben.

Zo verre wy mogen gisfen uit de onvolkomene

berigten van gelyktydige Gefchiedboekers,

werd Europa, voornaamiyk langs

den aangeweezen weg , hoe gevaarlyk en

-moeilyk dezelve ook ware , geduurende

meer dan twee Eeuwen , met de voort'

brengzelen uit het Oosten voorzien. Staande

dit tydperk , waren de Christenen er I

Mahomedaanen bykans in geduurige vyand

lykheden ingewikkeld ; voortgezet met a .

de heftigheid, die mededinging na magt

aangevuurd door Godsdienstyver , natuur

lyk opwekt. Onder omftandigheden, wel

ke zulk eene verwydering veroorzaakten >

kon de Handelgemeenfchap bezwaarlyk item l

M 5 hou


iM O N D E R Z O E K

III. houden, en de Christen Kooplieden gingen

AFDEE' of geheel niet na Alexandrie, en de Ha­

LING. vens van Syrië , de oude Stapeiplaatzen

• der Goederen uit hec Oosten, naa dac dezelve

in handen der Mahomedaanen vervallen

waren, of, indien de Winzugc, hun

afkeer van de Ongeloovigen overwinnende,

hun aanzette om na de zo lang bezogte

Marktplaaczen te trekken, gefchiedde zulks

met veel omzigtigheids en wantrouwens.

Terwyl de moeilykheden, om zich de

Voortbrengzels van hec Oosten te verfchaffen,

dus aangroeiden, werden de Inwoonders

van Europa, meer en meer, begeerig

om dezelve te verkrvgen. Omtrent

deezen tyd eenige Steden Van Italië, boven

al Amalpi en Venetië, eene grootere

maate van onafhangelykheid, dan zy voorheen

bezaten , verworven hebbende , begonnen

dezelve de Kunften van binnenlands

vlytbetoon voort te zetten, met eene drift

en fchranderheid, ongewoon in de Middel-

Eeuwen. De uitwerking hiervan was

zulk eene vermeerdering van Rykdom, die

nieuwe behoeften en begeerten baarde,

en een fmaak voor 't geen fraai was, en

tot de weelde behoorde , deedt gebooren

worden, welke hun aanporde om vreemde

Landen te bezoeken ; ten einde daaraan

voldoening te verfchaffen. Onder Menfchen

op deezen trap van vordering , zyn

de voortbrengzels van Indie altoos in groote

waarde gehouden , en, zints dit Tydperk

, werden zy, in grooter hoeveelheid

in Italië ingevoerd en van algemeener gebruik,


WEGENS OUD INDIE. 187

bruik. Verfcheide omftandigheden , welke

deeze herleeving van den lust tot den

Koophandel aanduiden, zyn verzameld door

den naarftigen MURATORI, en, van hec

einde der Zevende Eeuwe, kan een aandagtig

opmerker de geringe voetftappen van

deszelfs voortgang opfpeuren O).

Zelfs in verlichte Eeuwen , wanneer de

verrigdngen der Volken met de meeste

zorgvuldigheid waargenomen en opgerekend

worden, en de voorraad van Gefchiedkundige

bouwftoffe overvloedig fchynt te weezen

, heeft men zo weinig agts geflagen op

de bedryven des Koophandels , dat alle

pooging, om daarvan een geregeld verflag

te geeven , eene zeer moeilyke taak gevonden

wordt. Het Tydsbeftek, nogthans,

waar toe ik dit Gefchiedkundig Onderzoek

gebragt heb, is een der Tydperken in de

Jaarboeken des Menschdoms, waaromtrent

de Gefchiedenis de allerfchraalfte berigten

oplevert. Dewyl het voornaamlyk in hec

Griekfche Keizerryk, en in eenige Steden

van halie, was, dat men poogingen deedt

om de Goederen uic Indie, en andere Ryken

van hec Oosten, te doen komen, kunnen

wy alleen uic de Gefchiedboekers dier

Landen verwagten, eenig verflag van dien

Handel te zullen ontvangen. Maar van

den Leeftyd van MA HOME D tot den tyd

dat de COMNENI den Throon te Confianth

r~b^ MURAT. Antiq. Ital. medii JEvi', II. p.

400/408 410. 883. 885, 804. Rsr. Ital. Script.

Xi. p. 487.

IÏI.

A l r

l J KE-

LI KG.


188 O N D E R Z O E K

III. tinopk beklommen, een Tydperk meer dan

AFDEE . vier en eene halve Eeuw Jang , beftaac

LING. de liyzantynfche Gefchiedenis uic magere

. Kronyken , welker Zamenbrengers zelden

verder gaan dan toe Hofltreeken, de verdeeldheden

op Schouwburg , of de Gefchillen

der Godgeleerden. De Jaarboeken

der Monniken van verfcheide Staaten en

Steden in Italië, geduurende dit Tydvak,

zyn, (indien mogelykO nog van veel minder

beduidenis, en, in de vroege berigten

dier Sceden, welke meesc beroemd werden,

wegens de zugc toe den Koophandel, zoeken

wy mee weinig vrugts na den oorfprong,of

den aart, diens Handels, door

welken zy tot die vermaardheid opklommen.

[Uit de Kronyk van ANDREAS DAN-

DULO, Doge van Venetië, toe dien hoogen

Rang verheeven op een cyd, wanneer

zyne Landgenooten een geregelden

Handel op Alexandrie dreeven , en van

daar alle voortbrengzelen van het Ooscen

invoerden, zou men eigenaartig eenig befcheid

verwagten, wegens hun vroegtydigen

Handel op dat Gewesc; maar, uitgezonderd

eene beuzelagtige vertelling, wegens

eenige Fenetiaanfche Schepen, omtrent

het Jaar DCCCXXV1II, tegen bevel

van den Scaat na Alexandrie gelievend, en

die van daar hec Lichaam van den H. MARc

u s Hooien (V) , vind ik geen ander

zweemzel wegens de Gemeenfchap eusfehen

die

(e) MURAT. Script. R


WEGENS OUD INDIE. 189

die beide Gewesten. In tegendeel loopen

'er omftandigheden zamen , welke uitwyzen,

dat het vertrekken van Europeaanen

na Egypte, voor eenigen tyd , bykans te

eenemaal hadt opgehouden. Vóór de Zevende

en Achtfte Eeuw, werd het meerendeel

der openbaare Stukken, in Italië, en

in andere Steden van Europa, gefchreeven

op Papier, vervaardigd van den Egyptifchen

Papyrus ; doch naa dien tyd werder

meest alle Staatsftukken, en andere , gefchreeven

op Pergament; dewyl de Europeaanen

het niet langer waagden in Alexan

drie handel te dryven Cd). ]

Het is, nogthans, blykbaar, wanneer mer

de minfte aandagt ftaat op de Gebeurte

nisfen, in de Zevende en Achtfte Eeuwe i

dat de Italiaanfche Staaten , terwyl hun

ne Kusten fteeds ontrust werden door d

Mahomedaanen , die 'er eenige Vastighc

den , en Sicilië bykans geheel onder hu 1

geweld gebragt hadden, met weinig zekei

h'eids op Egypte en Syrië konden handelei 1.

Met welk een onverzoenlyken haat c e

Christenen de Mahomedaanen befchouyi

den, als de Leerlingen van eenen Bedril

ger, is te over bekend; en dewyl alle c e

Volken, die het Christendom beleden , i o

in 't Oosten als in 't Westen , den Ee r-

dienst der Engelen en Heiligen met die n

aan het Opperweezen gemengd, en hum ie

Ke r-

CHS MTJRAT. Anti* Ital. Medii/Evi, Vol. I! I.

p. 832. Dit is de XXXIX Aantekening van R

SERT50K.

III.

AFDEE-

L1NG.


193 O N D E R Z O E K

III. Kerken ruet Schilderyen en Beelden opge-

AFDEfi , cierd hadden, merkten de waare Moslems

LING. zich zei ven aan , als de eenige Voorrtan-

. ders van GODS Eenheid , en hielden de

Christenen, van alle Belydenisfen , voor

Afgodendienaars , die zy een verregaanden

afkeer toedroegen. Veel tyds werd 'er vereischt

om deeze wederzydfche vyandfchap

in zo verre te leenigen, dat zy eenigermaate

op een draaglyken voet met elkander

konden handelen (V).

Ondertusfchen bleef de fmaak voor de

Weelde flxeelende Goederen, uit het Oosten,

niet alleen aanhouden zich in Italië

wyder en wyder uit te fpreiden; maar, in

naavolging der Italiaanen, of ter oorzaake

van eenige verbetering in haar eigen toefland,

werden de Inwoonders van Mar feilles,

en van andere Steden aan de Middellandfche

Zee , 'er even zeer op geiteld.

Doch de voordeden die de Kooplieden

van Amalphi of Venetië , van waar zy

deeze kostbaare Goederen kreegen, bedongen

, liepen zo hoog , dat zulks hun aanzette

tot eene pooging om in hunne eigene

(e) Ik vond my bewoogen, om deeze byzonderhe-


WEGENS O U D INDIE. 191

ne behoeften te voorzien. Met dit oogmerk

openden zy niet alleen den Koophandel

op Conjlantinople ; dan waagden het

ook , van tyd tot tyd , de Havens van

Egypte en Syrië te bezoeken (ƒ).

De drift der Europeaanen, aan den eenen

kant, om de Voortbrengzelen van het Oosten

te verkrygen, en, aan den anderen kant ,

de zeer groote voordeden, die de Caliphs

en hunne Onderdaanen van derzelver verkoop

trokken, bragt by den eenen en den

anderen te wege, om in zo verre hunnen

j wederzydfchen afkeer te bedekken, dat zy

Handel dreeven , blykbaar ten onderlingen

beste. Hoe verre zich die Handel uitbreidde,

en op welk eene wyze dezelve voortgezet

werd tusfehen deeze nieuwe Kooplieden,

kan ik met geene naauwkeurigheid

aanwyzen, uit hoofde van het fchaars berigt

uit gelyktydige Schryvers. Het is, egter,

waarf'chynlyk dat deeze Gemeenfchap ongevoelig

de gewoone uitwerking baarde ,

te weeten om menfehen, van vyandige be»

ginzelen, en niet zamenftemmende Zeden,

met elkander tè bevredigen en verdraagzaam

te maaken; zo dat 'er allengskens een geregelde

1 landel werd opgeregt tusfehen de

Christenen en de Mahomedaanen , op zulke

billyke voorwanden, dat de Volken van

Europa alle de Weelde voldoende Goederen

uit het Oosten kreegen , d.>or dezelfde

Kanaalen , langs weiken dezelve

voor-

rf') Man. de LiLrat. Torn. XIILYII. p. 467.

I &c. 483.

III.

AFDEE-

LING.


ioa O N D E R Z O E K

lil. voortyds tot hun kwamen , eerst door de

ƒ FDEE . Tyriers, vervolgens door de Grieken van

Alexandrie, naderhand door de Romeinen,

. en ten laatften door de Onderdaanen van

het Conftantinopolitaanfche Keizerryk.

Maar welke ook de invloed van deeze

aangroeiende Gemeenfchap moge geweest

zyn , dezelve werd verhinderd eene volkotnene

uitwerking te baaren door de

Kruistochten, aangevangen tot herwinning

van het Heilig Land, die , geduurende

twee Eeuwen , de belyders van de twee

mededingende Godsdienlten bezig hieldt, en

Jtrekten om hun wyder dan ooit van elkander

te vervreemden. — Ik heb, in een ander

Werk (g),het Mensthdom befchouwd,

terwyl het onder de beheerfching dier

krankhoofdigheid woelde; de zonderlingfle.

misfchien, en de Jangduurigfi:et die in de

Gefchiedenis des Menschlyken Geflachts

voorkomt. Ik heb aangeweezen, welke uitwerkingen

dezelve hadt op hetStaatsbeftuur,

den Eigendom, de Zeden en den Smaak,

als het onderwerp van myn toenmaalig Onderzoek

vorderde. Voor tegenwoordig moet

ik my bepaalen tot de Gevolgen der Kruistochten

op den Koophandel , en in hoe

verre zy dienden om de Overbrenging der

Indifche Waaren na Europa

of te bevorderen.

te vertraagen,

Een denkbeeld van eene byzondere Heiligheid

te hegten aan dat Land , 't welk

de

• Qg) Hht t van Carel den V. I. D. bl. 45. II.

D. bl. 66.


WÉGÉNS O U D I N D I E . 193

de Infteller van onzen Godsdienst tot zyne III.

verblytplaats koos, terwyl hy op Aarde AFDEE'

omwandelde, en waarin hy het groote LING.

werk der Verlosfinge des Menschdoms

volbragt , is een gevoelen zo eigen aan

het menschlyk hart, dat, van den aanvang

der Vastftellinge des Christendom* af, hec

bezoeken der Heilige Plaatzen in Judea

aangezien werd als eene daad van Godsvrugt;

(trekkende om den geest van Godsdienstigheid

kragtdaadig op te wekken en.

te voldoen. In volgende Eeuwen hieldt

deeze gewoonte aan, en nam toe in alle

deelen der Christen wereld. Toen Jerufalem

aan den Mahomedaanfchen fchepter

onderworpen was, en gevaar zich mengde

by de vermoeienis en kosten eener verre

Bedevaart, werd het volbrengen daar van

als nog verdienstlyker aangezien. Zom«

tyds lag men dezelve fchriklyke fnoodaarts

tot boetedoening op. Doch, doorgaans,

dreef vry willige yver de Menfchen daar

toe aan , en, in beide de gevallen, hielde

men zulk een Bedevaart voor eene voldoening

van alle voorgaande overtreedingen.

Uit verfcheide oorzaaken, elders door

my opgeteld (h~) , vermeerderden deeze

Godvrugtige Bezoeken van het Heilig

Land, op eene verbaazende wyze, geduurende

de Tiende en Elfde Eeuw. Niet

alleen byzondere Perfoonen van den laageren

of middelbaaren Leevensfland; maar

Lieden van hooger Rang, vergezeld doof

(k) Hist. van Carel den V. Als boven.-

N

een


in.

AFDEK-

LING.

194 O N D E R Z O E K

een grooten fleep, en talryke Caravaanen

van vermogende Bedevaarrgangers, trokken

na jerufaiem.

In alle hunne verrigtingen, hebben de

Menfchen eene wondere behendigheid om

eenige agtgeeving op Belang te mengen

met die bedryven, welke bykans geheel

Geestlyk fchynen. De Mahomedaanfche

Caravaanen, die, uit kragte van de bevelen

huns Godsdiensts, den heiligen Tempel

van Mecca bezoeken, beftaan, gelyk ik

vervolgens breeder zal ontvouwen, . niet

alleen uit Godvrugtige Bedevaartgangers,

mear uit Kooplieden, die, in 't heengaan

cn wederkeeren, voorzien zyn van zodanige

Koopmanfchappen, in welken zy Herken

handel dryven (/). Zelfs de Faquirs

in Indie, wier wilde Geestdryvery hun boven

alle belangneeming omtrent de goederen

deezer Wereld fchynt te verheffen,

hebben hunne veelvuldige Bedevaarten

dienstbaar gemaakt aan hun tydlyk Belang,

met Handel te doen in alle Landen, welke

zy doortrokken, [Het is opmerkens­

waardig , fchryft de Heer STEWART, dat

de Indiaanen eene zeldzaame kunst bezitten

om hun Godsdienst winst te doen aanbrengen

: het is zeer algemeen onder de

Faquirs, op hunne Bedevaarten van de

Zeekusten na het binnenfte des Lands,

Paarlen, Koraalen, Speceryen en andere

kostbaare goederen, van kleinen omflag,

met zich te neemen, welke zy, by hun

we-

(i) I'iajgi di Ramufio. Vol. I. p. 151. 152.


WEGENS OUD INDIE. 195

wederkeeren, verruilen voor Stofgoud, ui.

Muskus, en foortgelyke dingen; verberAFDEEgende dezelve gemaklyk in hun hair, en LING.

in de kleederen om hun middel geflaagen;

dryvende, op die wyze, in evenredigheid

van hun aantal, geen geringen

Handel (*)].

Even zo was het niet door Godsdienftigheid

alleen, dat zulk eene menigte van

Christen Bedevaartgangers zich opgewekt

vonden om Jerufaiem te bezoeken. By

veelen was de Koophandel de voornaame

dryfveer tot het onderneemen dier verre

Reize, en, door het verruilen der voortbrengzelen

van Europa voor de kostbaarder

Goederen van Afia, byzonder die van

Indie, welke, ten dien tyde, verfpreid

waren door alle deelen van de Heerfchappy

der Caliphs, verrykten zy zichzelven,

en verfchaften hunnen Landgenooten zulk

een meerderen toevoer van Oosterfche

"Weelde voldoende Waaren, dat hun fmaak

daar voor vermeerderde (/.)

Maar hoe zwak de trekken mogen wee-*

zen, die, vóór de Kruistochten, den invloed

uitwyzen van de veelvuldige Bedevaartgangen

na het Oosten, deeze worden

zo zigtbaar, naa den aanvang deezer Heilige

Oorlogen , dat zy elk waarneemer in

'c

(k) STEWART Account of the Kingdom, of Thibet.

Phil. Transact. Vol. LXVII P. II. p. 483- üit is de

XL Aantekening van ROBERTSON.

CO GUL. TYR. Lib. XVII. c. 3 p. p33- A

P- Gefit

Bei per Francos.

N 2


m.

AFDEE-

LING.

ioö O N D E R Z O E K

'toogloopen. Verfcheide oorzaaken wrogten

hier toe mede; uit derzelver optelling

zal blyken, dat door het agc geeven op

den voortgang en de uitwerkzels der Kruistochten,

een groot licht verfpreid wordt

op het onderwerp myns tegenwoordigen

Onderzoeks.

Groote Legers, aangevoerd door de aanzienlyklte

Edelen van Europa, en beftaande

uit de onderneemendfte Mannen in alle

de Koningryken van 'c zelve, toogen na

Palestina , door Landen , in alle foorten

van befchaafdheid veel verder gevorderd ,

dan die welke zy verlaaten hadden. Zy

aanfchouwden den dageraad van welvaard

in de Gemeenebesten van Italië , die met

elkander na den voorrang dongen in hec

voortzetten van Kunften, en-in hunne poogingen

om den Handel op het Oosten aan

zich te trekken. — Zy bewonderden, vervolgens

, den meer gevorderden Haat van

Rykdom en Luister in Confïantinople; eene

Stad, die het hoofd uitltak boven alle toen

bekende Steden , door haaren wyd uitgebreiden

Koophandel , en allermeest door

dien zy dreef op Indie, en de daar omllreeks

gelegene Gewesten. — Zy dienden,

naderhand, in die Oorden van Afia, door

welke de Waaren van het Oosten meestal

gevoerd werden, en vermeesterden verfcheide

Steden , Stapelplaatzen van dien

Handel. — Zy vestigden het Koningryk

van Jerufaiem, 'c welk bykans twee honderd

jaaren ftondt. — Zy namen bezit van

den Throon des Griekfchen Keizerryks,

en


WEGENS O U D I N D I E . 197

en beheerschten 't zelve langer dan eene III.

halve Eeuw.

AFDEE*

Te raidden van zulk eene verfcheiden- LING.

heid van Gebeurtenisfen en verrigtingen ,

werden de denkbeelden der fiere Oorlogshelden

van Europa allengskens uitgebreid

en verbeterd ; zy kreegen kennis aan de

Staatkunde en de Kuniten der Volken, door

hun te onder gebragt; zy floegen de bronnen

van hunnen voorfpoed gade, en maakten

zich die kundigheden ten nutte. Antiochie

en Tyrus waren , toen de Kruisvaarders

dezelve vermeesterden , bloeiende

Steden , bewoond door ryke Kooplieden ,

die alle de Volken, op de Middellandfche

Zee handelende, de voortbrengzelen van het

Oosten verzorgden (m) , en , zo verre

men kan opmaaken , uit tusfchenvallende

gebeurtenisfen, vermeld door de Gefchiedfchryvers

van den Heiligen Oorlog, die,

meest Priesters en Monniken zynde, hunne

aandagt op geheel andere voorwerpen,

dan den Handel, gevestigd hadden, is 'er

grond om te gelooven, dat en in Conflantinople

, terwyl het onderworpen was aan

de Franken, en in de Havens van Syrië,

door de Christenen bemagtigd, de lang gevestigde

Handel op het Oosten befchermd

en aangemoedigd bleef.

Dan, fchoon de Koophandel fiegts een

bykomend voorwerp moge geweest zyn

by de krygshaftige Aanvoerders der Kruistoch-

C»0 GUL, TYR. Lib.XIII. c. 5. ALB. AGUENS.

Hist. fflerof. ap. Gesta Dei. Vol. I, p. 247.

N 3


III.

AFDEE-

LING.

i 98 O N D E R Z O E K

tochten , in geduurige Oorlogen ingewikkeld

met de Turken aan den eenen, en met

de Sultans van Egypte aan den anderen,

kant , was deeze het hoofdvoorwerp by

hunne Medegenooten, in gemeenfchap met

welken zy hunne krygsverrigtingen voort

zetten. Hoe talryk de Benden waren, die

het Kruis opnamen, hoe onderneemvol de

geestdryvende drift was , welke hun bezielde

, zy konden hun oogmerk niet bereiken

, of zelfs ter bedoelde plaats des

Oorlogs komen, zonder verzekerd te zyn

van den byftand der Italiaanfche Staaren.

Geene van de andere Europifche Mogendheden

kon *hun een genoegzaam aantal

Schepen bezorgen om de Legers der Kruisvaarderen

na de kust van Dalmatie over

te voeren, van waar zy na Conftantinople,

de algemeene Verzamelplaats , trokken.

Geen der andere Europifche Mogendheden

was in ftaat hun Krygsvoorraad en

Leevensmiddelen in zulk eene ruimte te

verfchaffen, als zy noodig hadden om in een

verafgelegen Land te vallen.

In alle de opeenvolgende Krygstochten

hielden de Vlooten der Genueezen, der Pifaners,

of der Venetiaanen, langs de kust,

terwyl de Legers te land voorttrokken,

en verzorgden dezelve , van tyd tot tyd,

het noodige; alle de vrugten plukkende

van een Handeltak, die, door alle eeuwen

heen, ryke winst aanbragt. — Het was met

al de fcherpziende aandagt van winstzoekende

Kooplieden dat de Italiaanen hunne

kuip verleenden. By de vermeestering van

eene


WEGENS OUD INDIE. 199

eene Plaats , die zy van aangelegenheid

oordeelden om 'er zich neder te zetten ,

verwierven zy, van de Kruisvaarders, groote

voorregten van veelerlei aart; vryheid

van Handel; vermindering van de gewoone

belastingen op den uic- of invoer, of eene

geheele ontheffing van dezelve; den eigendom

van geheele Voorlieden in eenige

Sceden, en van geheele Straaten in andere;

en het voorregt, tocgeftaan aan een ieder

die in derzelver omtrek woonde, of onder

hunne befcherming Handel dreef, om beoordeeld

te worden naar hunne eigene Wetten

, en door eigen aangeflelde Rcgters (V).

Wy mogen , ingevolge van zo veele

voordeden, opmaaken, dat, gcduurende hec

voortzetten der Kruistochten, alle de handeldryvende

Staaten van Balie in IVlagt en

Rykdom zeer fterk toenamen. Elke Haven,

voor den Handel openltaande , werd bezogt

door hunne Kooplieden , die, thans

den geheelen Handel cp hec Oosten aan

zich getrokken hebbende , met zulk een

noesten yver ïlxeefden om nieuwe Markcplaatfen

te vinden tot verkoop der Indifche

Waaien, dat zy den fmaak voor dezelve

invoerden in veele deelen van Europa,

waar ze, tot nog, weinig bekend waren.

Twee Gebeurtenisfen vielen 'er voor,

eer de Heilige Oorlog eindigde, die de

Venetiaanen en Genueefen, hun in 't bezit

(rellende van verfcheide Landfchappen in

hec Griekfche Keizerryk , bekwaam maakten

(n) Bist. van CAREL DEN V. I D. bl. 53. 129.

N 4

III.

AFDEE-

LING.


soo O N D E R Z O E K

IIÏ. ten om Europa overvloediger mee alle de

AFDEE- Voortbrengzelen van het Oosten te voor­

LING. zien. De eerlte was de vermeestering van

Conftantinople, in den Jaare MCCIV, doorde

Venetiaanen, en de Aanvoerders van den

vierden Kruistocht. Een verflag van de

Staatkundige belangen en ftreeken , die

deeze Verbintenis deeden gebooren worden,

en de geheiligde wapenen, gefchikt

om de Heilige Stad uit de handen der

Ongehovigen te verlosfen , regen een Christen

Monarch te wenden, is vreemd van het

oogmerk deezes Onderzoeks. —. Conftantinople

werd ftormenderhand ingenomen en

geplunderd, door de Bond^enooten. Men

zette een Graaf van Vlaanderen op den

Keizerlyken Throon. De heerfchappyen,

die tot nog onderworpen gebleeven waren

aan de Opvolgers van CONSTANTIN us,

werden in vier deelen gefmaldeeld. Een

gedeelte kwam aan den nieuwen Keizer ,

om zyn Staat op te houden, en de kosten

des Ryksbeftuurs goed te maaken; een gelyk

deel, van de andere drie deelen, kreegen

de Venetiaanen, en de Hoofden van

den Kruistocht. De eerstgemelden, die, zo

in het beraamen als uitvoeren van deeze

onderneeming , het oog gefladig gevestigd

hielden op 't geen meest tot bevoordeeling

van hunnen Koophandel zou kunnen

ftrekken, befchikte hec in dier voege, dac

zy de Landen kreegen van de grootfte

waarde voor een handeldryvend Volk. Zy

werden Bezitters van een gedeelte van Peloponnefus,

ten dien dage de zetel van

bloei-


WEGENS O U D I N D I E . 201

bloeiende Handwerken , inzonderheid van III'

Zyden ftoffen. Zy verwierven verfcheide AFDEEvan

de grootfte en best bebouwde Eilanden LING.

in den Archipel, en vormden een keten

van vastigheden, deels van een kryg- deels

van een handeldryvenden aart , die zich

uitftrekte van de Adriati/che

Bosphorus (V).

Zee, tot den

Veele Venetiaanen hadden zich te Conftantinople

nedergezet, en maakten, zonder

daar in geftoord te worden door hunne

krygszugtige Medegenooten, weinig agt

flaande op het geen naar vlytbetoon fmaakte,

de verlcheide Handeltakken, die zo langen

tyd die Hoofdftad verrykt hadden, zich

eigen. Twee deezer trokken, inzonderheid,

hunne aandagt; de Zyde-handel, en de handel

op Indie. Zints de Regeering vat I

jusTINIANUS, was het meest in Grieken

land, en op eenige der nabygelegene Ei

landen, dat men Zyde-wormen, door hen t

eerst in Europa ingevoerd, kweekte. D<

Zyde, door dezelve voortgebragt, werd to

Stoffen van veelerhande foort verwerkt ii

veele Steden des Ryks. Maar in Conftan

tinople, den Zetel van Rykdom en Weel

de, was de vraag na eene Waar van zul!

een hoogen prys het meeste, en, by ee;

zeer natuurlyk gevolg, daar het middelpun

des Zyde-handels. De Venetiaanen had

den, in het fchiften en gereedmaaken de

Laa

(o) DANDULI Ghronic. ap. MURAT. Scrip

Rer. Ital. Vol. XII. p. 328. MAR. SANUTO VU e

de Duchi di- Fcnet. MURAT. Vol. XXII. p. 532.

N 5


202 O N D E R Z O E K

III. Laadingen voor de onderfcheidene Havens,

AFDEE' op welken zy handelden, eenigen tyd ge­

LING. leden , bevonden , dat de Zyde een zeer

weezenlyk Artykel was , en dat de trek

daarin, geheel Europa door , van dag toe

dag fterker wierd. Door het verblyf van

zo veelen hunner Medeburgeren in Con-

Jlantinople , en door de vrydommen aan

hun toegeftaan, verfchaften zy niet alleen

Zyde in zulk een overvloed , en voor zodanigen

prys , als hun in ftaat ftelde om

den Handel wyder uit te ftrekken, en met

meer voordeels dan eertyds; maar zy werden

zo door en door bedreeven in alle takken

van het bewerken der Zyde , dat zy

het ondernamen, in hun eigen Land, Zydeftof

- Fabrieken op te zetten. De maatregels,

door byzondere Perfoonen ten dien

einde genomen, zo wel als de inrigtingen

door den Staat gemaakt , werden met zo

veel voorzigtigheids beraamd, en met zulk

een gelukkigen uitflag volvoerd , dat, in

korten tyd, de Zyde-fabrieken van Venetië,

met die van Griekenland en Sicilië,

om den voorrang dongen, en ftrekten om

het Gemeenebest te verryken, en den kring

van deszelfs Koophandel uit te breiden.

Ten zelfden tyde bedienden zich de Venetiaanen

van den invloed dien zy in Con-

(lantinople verkreegen hadden, om hun

Handel op Indie te verbeteren. De Hoofdrad

des Griekfchen Keizerryks ontving,

behalven de middelen, welke zy gemeen

hadt met de andere handeldryvende Steden

fan Europa, om Goederen uit het Oosten

te


WEGENS O U D I N D I E . 203

III.

te krygen, een groot gedeelte derzelven

door een kanaal haar byzonder eigen. Ee\FDEEnige der kcstbaarfte Koopmanfchappen van LiNG,

Indie en China, werden over land ge

voerd, langs wegen hier boven vermeld,

na de Zwarte Zee, en van daar, met eene

korte vaart, na Confiantinople. Tot deeze

Markt, de best voorziene van alle, uitgenomen

Alexandrie, hadden de Venetiaanen

thans den vryen toegang, en de Goederen,

daar gekogt, maakten eene groote

vermeerdering by 't geen zy gewoon waren

in de Havens van Egypte en Syrië op

te doen. Terwyl dus het Latynfche Ryk

te Conpiantinople beftond, bezaten de Venetiaanen

zo aanmerkelyke voordeden boven

alle hunne Mededingers, dat hun

Koophandel zich zeer wyd uitbreidde, en

't was voornaamlyk Van hun, dat alle deelen

van Europa

ten ontvingen.

de Waaren uit het Oos­

De andere gebeurtenis, op welke ik het

oog had, was de Omkeering van de Heer

fchappy der Latynen in Confiantinople, en

de Hertelling van het Keizerlyk geflacot

op den Throon. Deeze werd te wege

gebragt naa een tydverloop van zeven en

vyftig jaaren, deels door een korttondige

kragtbetooning, waar mede de verontwaardiging

van een vreemd juk te draagen

de Grieken bezielde, en deels door den

veelvermogenden byftand, dien zy van

het Gemeenebest Genua ontvingen. De

Genueefen voelden zich dermaace getroffen

op 't gezigt van de voordeden,


III.

AFDEE

LING.

ao4 O N D E R Z O E K

welke de Venetiaanen, hunne Mededingers

in den Handel, trokken van derzelver vereeniging

^ met de Latynfche Keizers van

Conflantinople, dat zy, om hun van dezelve

te ontzetten, de diepst gewortelde

vooroordeelen van dien tyd te onder bragten,

en zich met de fcheurmaakende Grieken

vereenigden ter ontthrooning van eenen

Monarch, befchermd door Pauslyke Magt;

de donders van het Vaticaan, die, ten

deezen dage, de grootfte Vorften deeden

beeven, uittarcende. Deeze Onderneeming,

•hoe ftout en ongodsdienftig toen ook gekeurd,

Haagde gelukkig. Ter belooning

voor hunne veel beduidende dienilen, fchonk

de Griekfche Keizer, door dankbaarheid of

uit zwakheid, onder andere giften, Pera,

de voornaamfte Voorftad van Conflantinople,

aan de Gemieefen, om dezelve, als

een Leen van het Keizerryk, te bezitten,

met zulk eene ontheffing van de gewoone

Belastingen op inkomende en uitgaande

Goederen, dat zy eene befliste meerderheid

verkreegen boven alle Mededingers in den

Koophandel. Met de waakzaame oplettenheid

van Kooplieden, bedienden zich de

Genueefen van deeze gunftige omftandigheid.

Zy omringden hunne nieuwe vastigheid

in Pera met fchansfen. Zy maakten

van hunne Handelplaatzen, op de

byliggende kusten, fterkten (p). Meer

dan de Grieken zelve waren zy meester

van

O) NlCEPH. GREGOR. Lib. XI. C. I. i. &

Lib, XVII. c, I. §,2. '


WEGENS OUD INDIE. 20$

van de Haven van Conflantinople. De

geheele Handel van de Zwarte Zee kwam , iFOEEin

hunne handen,* hier mede niet te vre­ LING.

de , namen zy bezit van een gedeelte..

van Cherfonefus Taurica, de hedendaagfche

Crim, en maakten Caffa, de Hoofdftad,

ten voornaamen zetel van hunnen Handel

op het Oosten, en de Haven, waar zy

alle de Goederen, na de Zwarte Zes

gevoerd , langs de onderfcheiden wegen,

hier boven befchreeven, byeen verzamelden

In gevolge van deeze Omwenteling,

werd Genua de grootfte handeldryvende

Mogendheid in Europa; en, indien de onderneemende

vlyt, en onverfchrokke moed,

haarer Burgeren geftaan hadt onder hec

be-

FOLIETA, Hist. Genuenf. ap. GR/EV. Tkes.

Ahtiq. Ital. I. 387. DE MARINIS de Genuenf.

Dignit. ib. p. 1486. NICEPH. GREGOR. Lib.XIII.

c. 12. MURAT. Annal. Ital. Lib. VII. c. 351. —

Caffa is de gelegenfte plaats voor den Koophandel

aan de Zwarte Zee. Terwyl deeze ftad in handen

was van de Genueefen, die dezelve meer dan twee

Ecuwen hielden, maakten zy Caffa tot den zetel

van een uitgeftrekten en bloeienden Koophandel.

Zelfs, met alle de nadeelen van derzelver tegenwoordige

onderwerping aan het Turksch bewind, blyft zy

een plaats van Herken Handel. J. j. CHARDIN, die

deeze Plaats in den piare MDCLXXII bezogt, verhaalt,

dat, ftaande zyn veertig daags verblyf aldaar,

'er meer dan vierhonderd fclupen af- en aanvoeren ;

Voyages, Vol. I. p. 48. Ify ontdekte !er verfcheide

overblyfzels van de Germeefche Grootheide liet getal

der lnwoonderen beloopt, volgens PEYSONNEL,

nog tachtig duizend menfehen. Commerce de la

Mer Noire. Tom. I. p. 15, I..y befchryft den Handel

als zeer uitgebreid.

Hl.


III.

AFDEE-

LING.

206 O N D E R Z O E K

beduur eener. verftandige Staatkunde, zoui

dit Gemeenebest langen tyd dien rang

hebben kunnen bewaaren. Maar nimmer

was 'er iets ongelyker dan het inwendige

beduur der twee Mededingende Gemeenebesten,

Venetië en Genua. In het eerfte

volgde men, in het Staatsbeftuur, beftendig

het ftelzel van voorzigtigheid;

het laatfte was in niets beftendig dan in

eene gefteldheid op nieuwigheid, en neiging

tot verandering. Het eene genoot

eene aanhoudende rust; het ander werd

gefchokt door alle de ftormen en locwisfelingen

van parcyfchap. De vermeerdering

van Rykdom, die, door den noes*

ten vlyt der Kooplieden, Genua toevloeide,

kon het gebrek in de Staatsgefteltenisfe

niet opweegen; en, zelfs in den

voorfpoedigften ftaat, deeden zich kentekens

op, die eene vermindering van Rykdom

en Magt voorfpelden.

Zo lang, egter, de Genueefen de overhand,

welk zy in het Griekfche Keizerryk

gekreegen hadden, behielden, voelden de

Venetiaanen dat zy den Handel op zo

ongeiyken voet dreeven, dat hunne Kooplieden

Conflanlinople zelden, en met tegenzin,

bezogten; en, om de Goederen van het

Oosten in zulk eene menigte te bekomen

als de onderfcheiden deelen van Europa,

welke zy gewoon waren des te bezorgen,

vorderden, moesten zy zich vervoegen tot

de oude Stapelplaatzen diens Handels. Van

deeze was Alexandrie de voornaamfte en

ryklykst voorziene: dewyl de overbrenging

der


WEGENS OUD INDIE. 207

der Indifche Goederen te land door Afia, ui.

na een der Havenen aan de MiddellandAFDEEfche Zee, meenigmaal onvolvoerbaar ge­ LING.

maakt werd door de invallen der Turken,

Tartaaren en andere Horden, die de een

naa den ander dat vrugtbaar land verwoestten,

of {treeden om de beheerfching. Maar,

onder het moedig krygsbeftuur der Sultans

van de Mameluken, werd veiligheid en

orde fteeds in Egypte gehandhaafd, en de

Handel, fchoon met zwaare belastingen

bezwaard, ftond voor allen open. Naar

gelange van den voortgang der Genueefen

in den Koophandel van Conflantinople

en de Zwarte Zee geheel aan zich te

trekken, vonden de Venetiaanen het meer

en meer noodig hun Handelgemeenfchap

men Alexandrie uit te breiden. — [NICE-

PHORUS GREGORAS fchildert de inhaaligheid

en onbefchoftheid der Gettueefen

te Conflantinople, waar van hy ooggetuige

was, met deeze fterke kleuren af:

„ Thans, (dat is omtrent het Jaar MCCCXL)

„ droomden zy, dat zy de Heerfchappy der

„ Zee verkreegen hadden, en vorderden

„ een uitfluitend regt om op den Euxi-

,, nus te handelen; verbiedende de Grieken

„ na Mceotis , Cherfonefus , of eenig ge-

„ deelte van de kust verder dan den Mond

„ des Donaus, te zeilen, zonder dat zy

,, daar roe verlof gaven. Deeze uitfluiting

„ ftrekren zy desgelyks tot de Venetiaa-

„ nen uit, en hunne trotsheid gaat zo ver-

„ re , dat zy een plan vormen , om een

„ tol


III.

AFDEE

LING.

2ö8 O N D E R Z O E K

„ tol te leggen op ieder Schip , 't geen

,, door den Bosphorus vaart (rj".2

Maar die Handel op Alexandrie zulk

, eene openlyk erkende Gemeenfchap influitende

met de Ongeloovigen, welke men in

deeze Eeuwe onbeftaanbaar rekende met

het Charactef van Christenen , bewoog

zulks den Raad van Venetië , om zyne eigene

gemoedszwaarigheden, of die der

Onderdaanen, uir den weg te ruimen, tot

het neemen van toevlugt tot het onfeilbaar

gezag van den Paus, die veronderfteld werd

met de magt bekleed te zyn om zyne Onderhoorigen

van de irrikte opvolging der

heiligde Wetten te ontdaan ; en zy verwierven

van hem verlof om 's jaarlyks een

bepaald getal Schepen na de Havens van

Egypte'en Syrië te zenden (Y). — Onder

deeze wettiging, befloot het Gemeenebest

van Venetië een Verdrag van Koophandel

mee de Sultans van Egypte, op een billyken

voet ; ingevolge van dit Mandelverdi\ig,

benoemde de Raad een Conful, die

Cr) N l C E P H . G R E G O R . Lib. XVIII. C. 2. § I,

Dit is de XLII Aantekening van U O B E R T S O N .

(O Eene Vergunning van den Paus werd zo noodzaaklyk

gekeurd om de Handelgemeenfchnp met Ongeloovigen

te wettigen, dat, lang naa dit Tydperk ,

in den Jaare MCCCCLIV, Paus N I C O L A S D E V,

in zyné berugte Bulle ten voordeele van Prins H E N -

D R I E V A N P O R T U G A L , onder andere voórregten,

hem de vryheid vergunt' van met de Mahomedaanen

te mogen handelen, en zich beroept op dergelyke vergunningen

van Paus M A R T I N U S D E N V, en E U G E -

M U S , aan de Koningen van Portugal. L E I B N I T Z

Codex Jur, Cent. Diplom at, P. I. p. 489.

te


WEGENS OUD INDIE. *QQ

te 'Alexandrie, en een anderen die te Da III.

mascus, zyn verblyf zou houden j een open- / FDEEbaar

Gharacter bekieeden , en , des gevolmagtigd

door de Sultans, een Handel regts- -

LING.

gebied oefenen. Onder hunne befcherming

zetten zich Venetiaanfche Kooplieden ren

Kunftenaars in elk deezer Steden neder.

Oude vooroordeelen en afkeerigheden werden

vergeeten, en hun wederzyds belang

vestigde, voor de eerde keer, een vryen

en open Handel tusfehen de Christenen

en de Mahomedaanen (t~).

Terwyl de Venetiaanen en Genueefcn

beurtlings deeze buieengewoone poogingen

te werk fielden, om alle de voordcelen te

erlangen, fpruitende uit het verzorgen van

Europa met de Voortbrengzelen van hen

Oosten, lag het Gemeenebest van Florence,

oorfpronglyk eene handeldryvende

Volksregeering, zich met zulk een onaflaatenden

ernst op den Handel toe, en ds

geaartheid des Volks, zo wel als de natuur

hunner Infiellingen, was zo gefchikc

om den voortgang daar van te bevorderen,

dat deeze Staat fchielyk in Magt, en hec

Volk in Rykdom, toenam. Maar, dewyl

de Florentyners geen gefchikte Zee-Haven

bezaten, ftrekte hun vlytbctoon zich voornaamlyk

uit tot verbetering hunner Handwerken

en binnenlandfchen Arbeid. Omtrent

den aanvang der Veertiende Eeuwe $

blyken, uic de optelling van een wel on-

def-

(t) SANDI, Storia Civilê Fenezlana. Lib. V


III.

AFDEE-

LING.

aiö O N D E R Z O E K

derrigt Gefchiedboeker, de Handwerken

van verfcheidenerleien aart, inzonderheid

van Zyden en Wollen Stoffen, by de Florentyners

zeer aanmerkelyk geweest te

zyn. («).

De verbintenis, welke zy vormden in

verfcheide deelen van Europa, door hun

met de Voortbrengzelen van hun eigen

vlyt te voorzien, bewoog hun tot het oprigten

van een anderen Handeltak, het

Bankhouden. Hier in (laken zy welhaast

zo zeer uit, dat de Geldhandel van bykan3

elk Koningryk in Europa door hunne handen

ging, en in veele derzelven werd het

verzamelen en beftuuren der openbaare Inkomften

aan hun toevertrouwd. —- Ingevolge

van de werkzaamheid en voorfpoed,

niet welke zy hunne Handwerken en Gejdhandel

dreeven, de eerfte altoos vergezel^

van een zeker, fchoon maatig, voordeel,

en de laatfte winstgeevend in de hoogde

maate, op een tyd toen noch de Intrest van

't Geld, noch de Baat des Wisfels juist bepaald

was, werd Florence eene der eerde

Steden van de Christen-wereld, en veele haarer

Burgers bezaten zeer groote tchatten.

COSMO DI MEDICI, het Hoofd eens

Geflachts, 't welk, door voorfpoed in den

Handel, uit de duisternis met luister ten

voorfchyn tradt, werd voor den rykften

Koopman, dien men ooit in Europa (y)

ken-

Cii) Giov. VILLANI, Hist. Florent.zp. MURAT.

Script. Rer. Ital. Vol. XIII. p. 823.

(v) FR. MICH. BRUTUS, Hist. Flor. p. 37. 62,

Chron. Eugubimm tip. MURAT. Script. Rer. Ital.

Vol.


WEGENS O U D I N D I E . 211

kende, gehouden, en, in daaden van openbaare

weldaadigheid, zo wel als van heimlyker

edelmoedigheid, in belchcrming van

geleerdheid en aanmoediging van nutte en

i'ruaye Kunften , kon geen Vorst dier

Eeuwe by hem haaien. Of de MEDICI,

in hun eerfte Handelbedryf , cenigen

Handel op hec Oosten dreeven, heb ik

niec kunnen ontdekken (w~). Ik zou hec

voor

Vol. XIV. p. 107. DENINA, Revol. d''Italië. TofSS

IV. p. =63." &c.

(y) Noeh JOVIUS, de openlyke Lofredenaar der

.MEDICI, noch jo. M. BRUTUS htm Lasteraar, fchoon

zy beiden vsn den verbaazenden Rykdom deezes Gefttchts

gewaagen, verklaaren den aart des Handels, door

welken zy denzelven verkreegen. Zelfs MACHIAv

E L , wiens vernuft vermaak i'chiep in de opfpeuring

van elke ömftandigheid, die medewerkte tot den

bloei of ondergang der Volken, fchynt den Koophandel

zyns Lands niet aangezien te hebben als eert

onderwerp, 't welk eenige opheldering verdiende.

DENINA, die het Eerfte Hoofdftuk, van zyn Achtité

Boek, het Opfchrift geeft. De Oorfprong van de

MEDICI, en het Begin van hunne Magt en Grootheid,

fdienkt ons wéinig lichts ten opzigte Van den

Handel door hun gedreeven. Dit ftilzwygen van zo

veele Schryvers levert een bewys op, dat de Gefchiedboekers

den Handel nog niet hadden leeren aanzien

als een voorwerp van zo veel bekmgs in don

Staatkundigen toeftand der Volken, om eenigermaate

in een verflag te treeden van deszelfs aart en uitwerkzelen.

Uit de verwyzingen van veele Schryvers

tot SCIPIO AMMIRATO, Istorie Fiorentine; tot

PAG.'IVI,' Della Decima ed altri gravezze della

Alet catura, di Fiorentine; en tot BAI.DUCCI, Practica

della Mercatura, zou ik my verbeelden da!

iets meer voldoenends, zo wegens den Handel dés

•Gemeenebests als het Gellacht der MEDICI, zot

kunnen ontleend worden; maar ik kon deeze Boekei;

noeh in Edinhurg, nóch in Londen, vindeai

O ft

III.

M'DEE­

LING.


mv.

AFDEE-

BING.

A. C.

1405.

A. C.

14-5-

ais O N D E R Z O E K

voor ivaarfcf ynlyker houden, dac hun Han­

del bepaald was coC dezelfde Koopwaaren

als die hunner Landsgenooten.

Maar zo dra als het Gemeenebest van

Florence, door de vermeestering van Pifa,

gemeenfchap met den Oceaan verkreegen

hadt, poogde cosrvio DI MEDICI, die

het opperbewind der zaaken beheerde,

voor zyn Land deel te ktygen in den

winstryken Handel, die Venetië en Genua

zo verre boven alle de andere Italiaanfche

Staaten hadt doen opklimmen. JViet dit

oogmerk, werden 'er Gezanten na Alexandrie

gezonden om by den Sultan te bewerken

het openen van die Haven en

andere in de Landen zyner Heerfehappye,

voor de Onderzaaten van Florence, en

hun te vergunnen, alle de Handel voordeden,

welke de Venetiaanen genooten.

De Onderhandeling hadt ten gelukkigen

gevolge, dac de Florentyners eenig deel

in den Indifchen Handel fchynen gekreegen

ce hebben; en, korc naa dit Tydperk,

vinden wy Speceryen venreld onder

de Koopwaaren door de Florentyners

in Engeland gebragt (jf).

[L E 1 B N 1 T z heeft ons een keurig fluk

bewaard , behelzende den last aan de

twee Afgezanten des Gemeenebests van

Florence aan den Sultan van Egypte, om

over dit verdrag met hem te handelen,

mee hec verflag deezer Gezanten by hunne

(jj IIAKLUVT, Vol. I. p. 103.


WEGENS O U D I N D I E . 213

ne wederkomst. Het groot oogmerk van III.

het Gemeenebest was een vryen Handel AFDEEte

verwerven in alle deelen van des Sul­ L1NG.

tans Gebied, op denzelfden voet als de

Venetiaanen. De voornaamfte voorregten,

welke zy verzogten, waren — Voor eerst.

Eene volkomen vrye Invaart in alle de

Havens, den Sultan toebehoorende ; befcherming

terwyl zy zich daar onthielden

; en een vry vertrek als zy het

begeerden. — Ten tweeden. Verlof om

een Conful te mogen hebben, met dezelfde

Voorregten, cn 't zelfde Regtsgebicd,

als die der Venetiaanen; en vryheid

om eene Kerk, een Pakhuis, en een

Bad te bouwen, op alle Plaatzen daar

zy zich nederzetten. — Ten derden. Dat

zy voor inkomende en uitgaande Goederen

geen Kooger Belastingen zouden bemalen

dan de Venetiaanen. — Ten vierden.

Dat de Goederen van een Florentyner,

die in de Landen des Sultans ftierf, aan

den Conful zouden worden ter hand gefteld.

— Ten vyf den, dat de Goud- en

Zilvermunt van Florence in betaaling zou

worden aangenomen. Alle deeze

Voorwaarden, (die uitwyzen, onder welke

billyke en ruime bedingen de Christenen

en Mahomedaanen thans den Handel dreeven,)

verwierven de Florentyners; doch zy

fchynen nimmer een groot aandeel in den

Handel op Indie gekreegen te hebben (2)].

ln

Os) LEIBNITZ, Mdntkfa Cod. Jar. Cent. Diplom.

Pars altera, p, 163. Dit is de XLV Aantekening van

ROliERÏSOS.

O 3


lil

AFDEE-

LTRG.

214 O N D E R Z O E K

In eenige deelen van die Gefchiedkundig

Onderzoek, wegens den aart en den

loop des Handels op het Oosten, was

ik verpligt al tastende mynen weg te zoeken,

en dikwyls op 't geleide van zeer

zwakke lichten af te gaan. Maar dewyl wy

nu naderen tot het Tydperk, waarin de

hedendaagfche denkbeelden, ten aanziene

van het belang des Koophandels, zich

begonnen te ontwikkelen, en het letten

op deszelfs voortgang en aart een belangryk

voorwerp werd van de Staatkunde,

mogen wy hoop fcheppen, dat wy

de nog voor handen zynde nafpeuringen,

met meer zekerheids en naauwkeurigheids,

zullen kunnen voortzetten. Aan deeze toeneemende

oplettenheid hebben wy het

berigt dank te weeten, 't welk MARINO.

s A N u D o , een Venetiaansch Edelman ,

van den Indifchen Handel geeft, zo als dezelve

gedreeven werd door zyne Landgenooten,

omtrent den aanvang van de Veertiende

Eeuwe.

De Venetiaanen kreegen, volgens zyn

verflag, de Voortbrengzels van het Oosten,

langs twee verfchillende wegen. Die van

weinig omllags en groote waarde als

Kruidnagelen, Muscaatnooten, Foeli, Edel-

Gefleenten en Paarlen, enz. werden van de

perfifche Golf langs de Tigris na Basfora,

voorts mBagdat, gebrast, en van daar na

eenige Havens aan és Middellandfche Zee

gevoerd. Alle meer omfiagtige Goederen,

als Peper, Gember, Kaneel, enz., met een

gcleelte van kostbaarder Waaren, kwamen,


WEGENS O U D I N D I E . 215

men, langs den ouden weg, aan de Roode

Zee, en van daar door de Woescyne, / FDEEen

den Nyl af, te Alexandrie. De Goe­ LING.

deren langs den eerften weg waren, ge- -

lyk SAN u DO opmerkt, van eene betere

hoedanigheid; maar, door de moeilykheid

en kosten van eene verre vervoering te

land, was de voorraad dikwyls fchaars;

en kan hy niet verheden, (fchoon hec

aanliep tegen het geliefd ontwerp, t welk

hy op 'c oog hadt, toen hy de Verhandeling,

die ik hier aanhaal, fcbreefO

dac, uit hoofde van den toeftand der

Landen, door welke de Caravaanen trokken

, deeze wyze van overbrenging menigmaal

hachlyk, en met gevaar gemengd,

w a s

C a

J' . , j rr

Alleen te Alexandrie vonden de Venetiaanen

altoos een vollen voorraad van

Indifche Goederen; en vermids deeze aldaar

meestal te water kwamen , zouden

ze tot een maatigen prys te bekomen geweest

zyn, hadden de Sultans dezelve

niet bezwaard met Belastingen, die een

derde gedeelte van de voile waarde beliepen.

Niettegenftaande deeze en alle

andere nadeden, was het noodig zich die

Goederen aan te fchaffen: dewyl, door

veele zamenloopende omftandigheden, en

wel byzonder door de uitgeftrektere gemeenfchap

-usfchen de onderfcheidene Volken

van Europa, de vraag na dezelve,

ge.

Cd) M\R. SANUTI, Secreta Fidclium Cruds

p. sa. &c. np. Bongarifum.

O 4

\\\.


Al'DEE

LING.

aict O N D E R Z O E K

TIL geduurende de Veertiende Eeuwe, groot*

. lyks bleef vermeerderen. Door de inval-,

len van veele vyandlyke Hammen van Bar-

. baar en, die het grootfte gedeelte van

Europa in bezit namen, werd die fterke

band. met welken de Romeinen alle de

Volken van hun wyduitgeitrekt Ryk za*

men verbonden hadden, geheel losgemaakt,

en de Gemeenfchap van het eene Volk met

het andere kreeg zulk een krak, dat dezelve

geheel ongeloofbaar zou fchynen,

indien de blykbaarheid daar van alleen berustte

op het getuigenis der Gefchiedfchryveren,

en niet bevestigd wierd door het

meer gezags hebbende uitvaardigen van

Wetten. Verfcheide Vastftellingen van deezen

aart, die de Regtsgeleerdheid van

meest alle Europifche Volken tot fchandvlekken

dienen, heb ik opgeteld en ontvouwd

in een ander Werk (&).

Maar, toen de hehoeften en begeerten

der Menfchen vermeerderden, en zy bevonden,'dat

andere Landen hun de middelen

konden verfchafièn om die te vervullen

en te Voldoen, verminderden de

vyandlyke gevoelens, welken de Volken

op eenen afftand van elkander hielden;

en eene onderlinge gemeenfchap greep al-

Jengskeris plaats. Zints den tyd der

Kruisvaarten, die eerst het haare toebragten,

om Volken, naauwlyks aan elkander

bekend, ie vereenigen, en, twee Eeuwen

lang, een zeilde plan met den anderen

voort

0) Hisforie van CAREL den V* Ui D. bl. 15.


WEGENS O U D I N D I E . 217

voort te zetten, hadden verfcheide om­ III.

ftandigheden zamengewrogt om die algeAFüBEmeene verftandhouding te verhaasten. Het l.1 NO.

Volk rondsom de Ballifche Zee, tot dus

lans'-, door de rest van Europa, gevreesd

en°met affchrik befchouwd, als Zeefchuimers

en Geweldenaars, namen vreedzaamer

zeden aan, en begonnen thans hunne

Nabuurvolken, als Kooplieden, te bezoeken.

— Voorvallen, vreemd van het

Onderwerp myns tegenwoordigen Onderzoeks,

vereenigden hun te zamen in het

magtig Handeldryvend Gcnootfchap , zo

beroemd ia de Middel - Keuwen , onder

den naam van Hanze Verbond, en bragt

bun tot het vestigen van den Stapel huns

Handels met de Zuidlyke deelen van Europa

te brugge. Derwaards vervoegden

zich de Kooplieden uit Italië en byzons.

der uit Venetië, en zy omvingen voor

de Koopwaarcn uit hec Oosten, en de

Handwerken huns eigen Lands, niet alleen

het benoodigde tot den Scheepsbouw

en andere Goederen van het Noorden;

maar ook een goede hoeveelheid van

Goud en Zilver uit de Myren in ver-

Icheide Landfclappcn van Duitschland;

de rykfte en overvloedigfte van alle op

dien tyd in Europa bekend (cj. Brugge

bleef de groote Koopmarkt en Voorraadplaats

van den Europifchen Handel, Haande

het Tydperk waartoe myn Onderzoek

zich uitltrekt. Eene geregelde Gemeenfchap

,

(V Z1 M M E R M A is's, Polit. Syrrry cfEuropc. p. 102.

O 5


III.

AFDEE-

LING.

ai8 O N D E R Z O E K

fchap, voorheen onbekend, werd 'er gaande

gehouden, tusfehen alle de Koningryken,

waarin ons Vasteland verdeeld is; en

. wy vinden ons in ftaat gefield, om reden

te geeven van de fchielyke vordering der

Italiaanfche Staaten in Rykdom en Magt,

door op te merken, hoe zeer hun Koophandel,

de bron, waar uit die beide voortvloeiden,

moet vermeerderd hebben by den

verbaazenden aanwas des vertiers van Afia-*

tifeke Goederen, toen alle de wyduitgeftrekte

Landfchappen, in 't Noord Oosten

van Europa, open ftonden om dezelve te

ontvangen.

Geduurende deeze voordeelige en toeneemende

ftaat van den Indifehen Handel,

kreeg Venetië, van een haarer Burgeren,

zulk een nieuw berigt wegens de Landen,

die deeze kostbaare Waaren uitleverden,

welke het geldigfte Artykel van haaren

Handel uitmaakten, als een denkbeeld gaf

van derzelver Rykdom, Volkrykheid, en

Uitgeltrektheid, verre alle de voorgaande

bevattingen der Europeaanen overtreffende.

Van dien tyd af dat de Maho~

wedaanen meesters van Egypte wierden,

hieldt de rechtftreekfche Gemeenfchap der

Europeaanen met Indie geheel op; dewyl

het geen Christen vergund werd door de

Landen hunner Heerfchappye in 't Oosten

te trekken (d). Het verhaal van Indie

door cosMAS INDICOPLEUSTES, in de

Zesde Eeuwe, is, voor zo verre ik weet,

(dj SANUTO, p. 23,

het


WEGENS O U D I N D I E . 219

hec laatfte, 'c geen de Volken in hec Westen III,

ontvingen van iemand, die dac Land be- / FDBEzogc

hadc. Maar, omcrenc hec midden van -ING.

de^ Dertiende Eeuwe, de geesc des Koop- -

handels onderneemender,en greetiger gefield

wordende, om nieuwe wegen, toe Rykdom

leidende, ce ontdekken, bewoog MARCO

POLO, een Veneüaa?i van Adelyken Stamme,

naa eenigen tyd in veele der ryke

Steden van Klein Afia handel gedreeven

te hebben, door te dringen tot de Oostlyker

Gedeelten van dac Land, en wel

zo verre dac hy ten Hove kwam van

den Grooten Khan, op de grenzen van

China. In den tyd van zes- en- twintig

jaaren, dien hy deels befteedde in Koopbedryf,

en deels in het voortzetten van

Onderhandelingen, die den Grooten Khan

hem aanbeval, bezogt hy veele Ryken

van het Oosten, door geen Europeaan

ooit betreeden.

MARCO POLO befchryft het groot

Koningryk Cathay, onder welken naam

China nog bekend is op veele plaatzen

in het Oosten (V), en doorreisde hetzelve

van Chambalu, of Peking, op de Noordfykfte

Grenzen, tot eenige der Zuidlykfte

Landfchappen. Hy bezogt verfcheide gedeelten

van Indostan, en is de eerfte die

Bsngale en Guzzerate , by derzelver tegen-

(0 HERBELOT. Bibl. Oriënt, Art. KHATHAI.

STEWAUT, Account of Thibet, fhilofoph. Transaéï.

LX/71, p. 474. Foyage of A. JENKINSON; HA-

KLUIT, I. p. 333.


III.

AFDEE

LING.

229 O N D E R Z O E K

genwoordige naamen vermeldt als groote en

• vermogende Ryken. Behalven 'c geen hy

op zyne reizen te land ontdekte , deedt

. hy meer dan één tocht op den Indifchen

Oceaan, en verkreeg eenig onderrigt wegens

een Eiland, door hem Zipangri, of

Cipango , geheeten , waarfchynlyk Japdn:

Hy bezogt Java en verfcheide daar omllreeks

gelegene Eilanden, het Eiland Ceylon

en de Kust van Malabar rot de Golf

van Cambay, aan welke alle hy de naamen

geeft, welke zy thans draagen. — Die was

de uitgebreidfte opneeming tot hier toe van

het Oosten gemaakt, en de volkomenfte befchryving

van 't zelve, ooit door een Europeaan

gegeeven ; en in eene Eeuw, waar

in men naauwlyks eenige kennis hadt van

die Gewesten , behalven die men ontleende

uit de Aardryksbefchryving van p T O-

LEMF.us, Honden niet alleen de Venetiaanen,

maar alle de Volken van Europa, met

hun verbaasd, over de ontdekking van uitgebreide

Landltreeken te hunner kennisfe

gebragt, veel verder dan men tot hier toe

de uiterfte grenspaal der Aarde, in dien

oord. gefield hadt.

[De Oostlykfte gedeelten van Afia zyn

thans zo volkomen onderzogt, dat de eerfte

onvolkomene berigten, deswegen van

jviARCO P O L O , weinig van die aandagc

trekken, welke, in den beginne, opgewekt

werd door dc uitgave zyner Reizen \ en

zorrmige byzonderheden, in zyn verhaal,

hebben eenige Schryvers bewoogen om die

vcrwaarloozing te regevaardigen \ door de

waar-


WEGÉNS OUD INDIE. air

Waarheid van 't geen hy vermelde in tvvyfel

te trekken, en zelfs te beweeren , dat hy

nimmer de Landen bezogt, welke hy voorgeeft

te befchryven. Hy bepaalt , zeggen

zy, de Ligging van geene 'Plaats, door de

opgave van de Lengte en de Breedte. Hy

geeft Naamen aan Landfchappen en Steden,

bovenal in zyne befchryving van Cathay,

die geene gelvkheid hebben met die zy tegenwoordig

draagen. Wy mogen, egter,

hier op aanmerken, dat, daar MARCO PO­

LO geenzins een lVlan was in Weeten-,

fchappen bedreeven, het van hem niet verwagt

kon worden, dat hy de Ligging der

Piaatzen , met de naauwkeurigheid van eenen

Aardrykskundigen, zou bepaalen. Dewyl hy

door China reisde , of in het gevolg van

den Grooten Khan, of tot volbrenging van

diens bevelen, is het waarfchynlyk, dat de

Naamen , met welke hy verfcheide Landfchappen

en Steden benoemde, de Naamen

waren , onder welken de Tartaaren , in

wier dienst hy ftondt , dezelve kenden ,

en niet derzelver oorfpronglyke Chineefche

Naamen.

Van eenige onnaauwkeurigheden, die men

opgemerkt heeft in zyn Reisverhaal , kan

men reden geeven, door op eene omftandigheid

te letten, dat hy 't zelve niet op-

Helde uit een geregeld Dagboek, 't geen,

misichien , de verwisfeling van zyne omftandigheden,

geduurende een lange reeks

van lotgevallen , hem belette te houden ,

of te bewaaren. Hy vervaardigde hetzelve

naa zyne wederkomst in zyn Geboorteland,

\FDEE*

LINO*


III.

AFDEE

LING.

222 O N D E R Z O E K

land , en meest uit zyn geheugen. Maaf

(niectegenftaande dit gebrek) behelst zyn

Verhaal van die Gewesten in het Oosten,

. waar toe myn Onderzoek my leide , een

verflag van verfcheide byzonderheden, ten

dien tyde geheel onbekend in Europa ,

welker naauwkeurigheid thans ten vollen bevestigd

wordt. Ik zal eenige derzelven opnaaien

, die, fchoon zy geene zaaken van

groote aangelegenheid betreffen , de beste

proeve opleveren dat hy deeze Landen bezogt

, als mede de zeden en gewoonten des

Volks met aandagt gade geflaagen heeft. Hy

geeft een onderfcheiden berigt wegens den

aart en de bereiding van Sago, het voornaamfte

middel van leevensonderhoud, onder

alle Volken van den Malayanfchen

Stam, en hy bragt het eerfte ftaal van dit

zonderling Voortbrengzel in Venetië (ƒ'_).

Hy neemt desgelyks in opmerking de algemeene

gewoonte van Betel te kaamven,

en zyne befchryving van de wyze van

bereiden is dezelfde met die men thans

volgt (g). Hy verledigt zich tot een verflag

van de byzondere wyze waarop men

de Paarden in Indie voedt, welke tot deezen

dag ftand houdt (Ji). Doch, 't geen

van meer belangs is, wy leeren uic hem,

dac de Handel mee Alexandrie , eoen hy

door Indie reisde, nog gedreeven wierd

op denzelfden voet, als ik gisce dac dezelve,

(ƒ) MARCO POLO, Lib. II. c. 16.

(g) RAMUS, Fiaggi, I. p. 55. D. 56 B a

(h) RAMUS, Fiaggi, p. 53. F.


WEGENS OUD INDIE. 223

ve, in oude cyden, ging. De Goederen van

het Oosten werden nog na de Malabarfche

kust gebragt in eigen Schepen des

Lands, en van daar, te gelyk met de Peper,

en andere Voortbrengzelen byzonder

aan dat gedeelte van Indie eigen, gebragc

door Schepen, die uit de Roode Zee kwamen

(ï). Dit geeft ons, misfchien , de

reden aan de hand voor de betere hoedanigheid,

welke SANÜDO toefchryft aan de

Goederen aan de Kust van Syrië gevoerd

uit de Per/iaanfche Golf, boven die, welke

, door de Roode Zee in Egypte kwamen.

De eerfte werden uitgezogt en gekogt ter

plaatze waar dezelve groeiden, of bewerkt

werden door de Perfifche Kooplieden, die

hunne reizen na alle deelen van het Oosten

bleeven voortzetten; terwyl de Egyptifche

Kooplieden , in het gereed maaken

hunner Laadingen, afhingen van de keuze

der Goederen door de Inboorelingen aan de

Malabarfche kust gebragt.

't Geen MARCO POLO verhaalde wegens

de talryke Legers, en onmeetelyke Inkomften

der Oosterfche Vorften , kwam

zommigen zyner Tydgenooten zo buitenfpoorig

voor, dat zy hem den naam ga­

ven van MESSER M.ARCO MlLLIONlfT);

fchoon dit geheel zamenftemt met het geen

wy thans weeten van de Volkrykheid van

China, en de fchatten van Indostan. Maar ,

by beter verlichte Perfoonen, werd zyn

' Ver-

(7) MARCO POLO, Lib. III. c. sq.

(k) ïrefat. is RAMUS, p. 4.

III.

AFDEÈ-

LING.


III.

AFDEE-

LING.

A. C.

1453-

a H O N D E R Z O E K •

Verhaal anders ontvangen. COLUMBUS*

ZO wel als de Mannen van kunde , meÉ

welken hy briefwisfeling hielde, Helden zo

veel vertrouwen op de waarheid zyner be

rigten, dat de befpiegeüngen , welke aanleTding

gaven tot het ontdekken der Nieuwe

Wereld, grootendeels daar op gegrond

zyn (/>]

Maar, terwyl lieden, die tyd en lust tot

betpiegeling hadden, zich onledig hielden

met het onderzoek deezer Ontdekkingen

vati MARCO POLO, die aanleiding gaven

tot gistingen en befchouwingen , waar uit

het even gemelde gewigtig gevolg deels

voortvloeide , gebeurde 'er iets , 'e welk

de aandagt van geheel Europa trok, en dé

zigtbaarfte uitwerking hadc op den loop

diens Handels, welks voortgang ik trage af

te tekenen.

De Gebeurtenis , op welke ik doel is

de eindelyke vermeestering van het Griekfche

Keizerryk door M A H O M Ë D ÓEN II,

en de vestiging van het Turkfche Ryksbeftuur

te Conftantinople. Het onmiddelyk

uitwerkzel van deeze groote Omwenteling

was, dat de Genueefen, in Pera woonagtig,

in den algemeenen ramp ingewikkeld,

genoodzaakt waren niec alleen die woonltede

te verlaaten; maar ook alle de Vastigheden

, door hun aangelegd aan de byliggende

Zeekust; naa dezelve bykans twee

Eeuwen bezeten te hebben. — Hec leed-c .

niet

(7) Life' óf Cohimbus, by bis Son, c. 7 & 8. Dis

is de XLVI Aantekening van ROBKRTS,OJN. •,


WEGÉNS OUD INDIE. 225

niet lang, of de overwinnende wapens van

den Sultan dreeven hun uit Caffa, en alle

Plaarzen , die zy in de Krim bezaten (m').

Conjlantinople was niet langer eene Marktplaats

van Indifche Waaren , open (taande

voor alle Volken van het Westen, en geen

voorraad van dezelve kon nu verkreegen

worden dan in Egypte en de Havens van Syrië,

onderworpen aan de Sultans der Mameiukken.

De Venetiaanen dreeven , in

gevolge van de befcherming en de voorregten,

welke zy verworven hadden door hun

Handelverdrag met deeze magtige Vorften,

den Handel op alle deelen van derzelver

Heerfchappyen, met zo veel voordeels, dat

zy het van alle Mededingers wonnen.

Genua, langen tyd de gedugefte Mededinger,

vernederd door het verlies haarer

Bezittingen in het Oosten , en verzwakt

door binnenlandfche oneenigheden , nam

dermaate af, dat het vreemde befcherming

moest zoeken , en beurtelings zich onderwerpen

aan de Heerfchappy der Hertogen

van Milaan en der Koningen van Frankryk.

In gevolge deezer vermindering van Staatkundig

vermogen, verzwakte ook hec vlytbetoon

in den Handel by de Genueefen.

Eene zwakke pooging, om het aandeel in

den Indifchen Handel , 't welk zy voorheen

bezaten , te herkrygen , door hec

aanbod, om een Verdrag met de Sultans:

van Egypte aan te gaan , op denzelfden

voet

(7») F o LIET A, His?. Genuenf. p. 602. 626. MU­

RAT,- Annal. d'Ital, IX. p. 451.

P

\\ti

AFDEE-

LING.

A. C.

1474»


III.

AFDEE-

LING.

fla6 O N D E R Z O E K

voet als de Venetiaanen , liep vrugtloos

af ; en , geduurende het overige van de

Vyftiende Eeuwe , verzorgde Venetië het

grootfte gedeelte van Europa met de Voortbrengzelen

van het Oosten, en dreef den

Koophandel veel uitgebreider, dan men, tot

deezen tyd toe, gekend hadt.

' De Staat der andere Europifche Volken

was zeer gunftig aan den voortgang des

Handels der Venetiaanen. Engeland, ver-

Woest door de Burgeroorlogen, welke de

ongelukkige twist tusfehen de Huizen van

YORK en LANCAsTER verwekte , hadt

naauwlyks begonnen de aandagt te wenden

tot die voorwerpen en bedryven , waaraan

het zyne tegenwoordige Rykdom en Magt

heeft dank weeten. — In Frankryk werden

de heillooze uitwerkzels nog gevoeld

van de Engelfche wapenen en overwinningen

, en de Koning hadt de magt, het

Volk de lust, niet gekreegen, om de neiging

des Landzaats te wenden tot werkzaamheid

en het voortzetten van de kunften

des Vredes. —— De vereeniging der onderfcheide

Koningryken van Spanje was

nog verre van voltooid; eenige der vrugtbaarfte

Landfchappen ftonden nog onder

de Heerfcbappye der Moor en, met welken

de Spaanfche Vbrften geduurig kryg voerden;

en, uitgenomen by de Cataloniers,

• lloeg men luttel agts op buitenlandfchen

Handel. — Portugal, fchoon het reeds de

loopbaan van ontdekking was ingetreeden ,

aan welker einde het zulk een heerlyken

prys behaalde, hadt 'er die vordering nog

niec


WEGENS OUD INDIE, 227

niet in gemaakt, welke het geregtigde tot

eenen hoogen rang onder de handeldryvende

Scaacen van Europa. — In gevolge hier

van, hadden de Venetiaanen, bykans zonder

eenigen Mededinger, behalven eenige

der kleindere Staaten van Italië, de handen

rnim, om hunne ontwerpen van Koophandel

te beraamen en te volvoeren; en de

Handel met. de Hanze - Steden , die hec

Noorden en Zuiden van Europa met elkander

vereenigde, en tot dus lang gemeen

geweest was aan alle Italiaanen, werd thans

grootendeels door de Venetiaanen alleen

bezeten.

Terwyl de toeneemende vraag, na Voortbrengzelen

van Afia, alle Volken van Europa

aanzette om de Gemeenfchap mee de

Venetiaanen zo vuurig te begeeren , dac

zy hun , door het verkenen van veelerlei

vrydommen , uitlokten om hunne Zeehavens

te bezoeken , mogen wy hier in opmerking

neemen , eene byzonderheid -in

hun Handel op het Oosten, welke denzelven

onderfcheidt van 't geen plaats gehad

heeft in andere Landen, in eenig Tydperk

der Gefchiedenisfe. In de oude wereld

zeilden de Tyriers, de Grieken, die meesters

waren van Egypte, en de Romeinen,

na Indie, om de Goederen te haaien, welken

zy de Westerfche Volken verzorgden.

In laateren tyde, en heden ten dage, doeri

de Portugeefen, de Hollanders, de Engelfchen

, en , op hun voorbeeld, de andere

Europifche Volken , 't zelfde. In beide

die Tydperken , heeft men fchreeuv ende

P 2 klag-

iii.

AFDEE-

L1NG.


ni.

AFDEE-

LING.

S23 O N D E R Z O E K

klagten aangeheeven, dat, in hec voortzetten

van deezen Handel, elke Staac berooid

wierd van de kostbaare Mecaalen, die, in

deszelfs loop, onophoudelyk van hec Westen

na hec Ooscen gaan, en nooic wederkeeren.

Van die verlies, 't geen mogt onc«

ftaan uit deeze trapswyze, maar onvermydelyke,

vermindering van hun Goud en

Zilver , (of dit een weezenlyk of enkel

een ingebeeld verlies moet geagt worden,

ftaat my, te deezer plaatze , noch te onderzoeken

, noch te bepaalen,) waren de

Venetiaanen, grootendeels, ontheven. Zy

hadden geene rechtftreekfche gemeenfchap

met Indie. Zy vonden in Egypte, of in

Syrië, Pakhuizen opgevuld mee allerlei Oosteifche

Goederen, door de Mahomedaanen

daar gebragc ; en uic de beste narigten ,

welke wy bezitten, wegens de natuur van

hunnen Handel , kogten zy dezelve meer

by Ruiling dan voor gereed Geld. Egypte,

de groote Markt der Indifche Waaren,

fchoon een zeer vrugtbaar Land, derft veele

dingen, in een gevorderden ftaat van Za«

menieeving, tot gemak of cieraad vereischt.

Al ce bepaald in uitgeftrektheid, en te wel

bebouwd om plaats voor Bosfchen open

te laaten ; te vlak om Mynen te bezitten

tot het opleveren van nuttige Metaalen,

moest hec uic andere Landen voorzien worden

van Timmerhouc, Yzer, Lood en Tin.

De Egyptenaars , terwyl zy onder de

Heerfchappy der Mamelukken ftonden, fchynen

zelve niet gehandeld te hebben op de

Havens van eenigen Staac des Christen-

ryks,


WEGENS O U D INDIE. 229

ryks , en voornaamlyk van de Venetiaanen

.kreegen zy de opgetelde Artykelen.

Behalven deeze verzorgde het vernuft

der Venetiaanfche Kunftenaaren, eene

verfcheidenheid van Wollen- en Zydenftoffen,

Spiegels, Wapenen, Cieraaden van

Goud en Zilver, Glas, en veele andere

Koopwaaren , tot welken zy gereed Koopers

vonden in Egypte en Syrië. Voor

die Goederen ontvingen zy van de Kooplieden,

te Alexandrie, Speceryen en Droogeryen

van allerlei foort, Edelgefteenten ,

Paarlen, Yvoor , Katoen, ongewerkte en

gewerkte Zyde , in veelerlei gedaanten ,

en andere Voortbrengzelen van het Oosten

, nevens verfcheide kostbaare Artykelen,

in Egypte gegroeid of bewerkt.

In Aleppo, Baruth , en andere Steden,

voegden zy by de Goederen, daar te lande

«it indie gebragt , by de Laadingen , de

Perfifche Vloertapyten , de rykgewerkte

Zyden-ltoffen van Damascus, nog bekend

by den naam van die Stad ontleend, er

verfcheide Voortbrengzels van Natuur en

Kunst, byzonder eigen aan Syrië, Palestina

en Arabie. Indien, ten eenigen tyde.

hun vraag na de Goederen van het Oostet

dat geen te boven ging , 't welk zy kon 1

III.

AFDEE-

LING.

1

den maaken by Ruiling voor hunne eigens

gemaakte Goederen, verfchafce de Handel,

dien zy dreeven met de Steden van he

Hanze Verbond, boven vermeld, hun ui

de Mynen van Duitschland , een geregel

den toevoer van Goud en Zilver, 't welli

p 3

z

v

1


ITT.

AFDFIi,-

LING.

230 O N D E R Z O E K

zy , met voordeel, op de Markten van

Egypte cn Syrië, konden flyten.

i Jvolgefls eene neiging, zigtbaar in alle

Udryvende Staaten, om de werkzaam-

1 c(Un des Koophandels aan Staatkundige regelen

en bedwang te onderwerpen, fchynt

her gezag der Regeering van Venetië, tusfehen

beiden getreeden te zyn , zo ten aanziene

van het beltuur des invoers van Aftatifche

Goederen , als in de wyze om ze onder

de verfchillende Volken van Europa te verfpreiden.

Na ieder Stapelplaats van eenige

aangelegenheid in de Middellanafche

Zee , werd een zeker getal groote Schepen

, bekend by de naamen van Galeoenen

ofCarakken, vcor rekening van den Staat

uitgerust ; zy keerden, met de rykfte Koop*

manfehappen belaaden , weder («) ; het

voordeel, nit derzelver verkoop , moet niet

weinig de inkomften van het Gemeenebest

vermeerderd hebben. Burgers, nogthans,

van allerlei rang, byzonder Perfoonen van

Edele Geflachten, werden aangemoedigd om

deel te neemen in buitenlandfchen Handel,

en wie een Schip van zekere grootte

ten dien einde uitrustte, ontving eene aanmerkelyke

belooning van den Staat (c-X

'c Was op dezelfde wyze, deels in Schepen

het Gemeenebest toebehoorende, deels

C») SABEL neus, Hist. Rer. Fenet. Dec. IV.

lib. HL p. 863. DENINA, Revo/, d'Italië, Tom.

t'ï. p. 340.

(O S.A!NVDI, Stor. Civ. Fenez, Lib. FIII, p. -Spi.

in


W E G E N S OUD INDIE, 23*

in die van byzondere Handelaaren , dat de

Venetiaanen de Goederen, uit het Oosten

ingevoerd , zo wel als de Voortbrengzels

en bewerkte Stoffen van hun eigen Heer

fchappye, door Europa vervoerden.

Daar zyn twee onderfcheidene wegen,

langs welken wy kunnen komen tot eenige

kennis van de grootheid deezer Handeltakken

van de Venetiaanen. — De eene,

door agt te geeven op de groote verfcheidenheid,

en den hoogen prys der Waaren

, die zy te Brugge bragten ; eene Stad,

die ten voorraadfchuur ftrekte, waar uit de

andere Volken van Europa voorzien werden.

Eene volkomene optelling derzelven

wordt gegeeven door een wel onderrigt

Schryver; deeze lyst behelst bykans elk

Artykel, in die Eeuwe van aanbelang gekeurd

tot gemak en cieraad O). De

ander, door aan te merken, welke uitwerkzels

de Venetiaanfche Handel hadt op de

Steden, die het vergund werd in die voordeelen

te deelen. Nimmer vertoonde zich

de Rykdom zigtbaarder in den trein des

Handels. De Burgers van Brugge, daar

door verrykt , fpreidden in Kleeding, Gebouwen,

en Leevenswyze, zulk een luister

ten toone , dat zy den trots der Koninglyke

waardigheid kwelling baarden, en den

nyd gaande maakten. [Toen in den Jaare

MCCCI JOANNA VAN N A V A R R Ë , Echtgenoote

van PHILIP DEN SCHOONEN,

6

Kó-

(p) I.UD. nuicciARDiNi, Defcript. de- P#fi

Bas/, p. 173- 1;

P 4

III.

AFDEE-

L1ISG.


IIÏ.

AFDEE

I

LING.

23* O N D E R Z O E K

Koning van Frankryk, zich eenige dagen

in Brugge onthieldt, werd zy dermaate

getroffen door de Grootschheid en den Rykdom

dier Stad, en boven al door het

fchitterend voorkomen der Burger - Vrouwen

, dat zy, in vrouwlyken nyd ontfiooken,

vol verontwaardiging uitriep : „ Ik

„ dage dac ik hier alleen Koningin zou

,, weezen ; maar ik vind 'er eenige hon-

„ derden!" (^).] Antwerpen, toen

de Handel derwaards verplaatst was, werd

welhaast een Mededinger mee Brugge in

Rykdom en Pragc — In fommige Steden

van Duitschland, byzonder in Augsburg,

de groote Marktplaats der Indifche Waaren,

voor de binnenlandfche deelen deezes

uitgeftrekten Lands, ontmoeten wy vroegtydig

voorbeelden van zulke groote middelen,

door Handelvlyt verzameld, dat de

Bezitters daarvan tot hoogen rang in 't

Ryk verheeven wierden.

Uit aanmerking van deezen verbaazenden

aanwas des Rykdoms in alle de Plaatzen,

waar de Venetiaanen hunnen Handel gevestigd

hadden, mogen wy befluiten, dat

de voordeden, die zy zelve trokken uit de

onderfcheide Handeltakken , inzonderheid

van die op het Oosten , nog veel grooter

waren, 't Is, nogthans, onmogelyk, zonder

het behulp van meer tot byzonderheden

afdaalende Narigten dan wy binnen bekomen,

deeze mee naauwkeurigheid te bereed)-Lur>.

GurcciARDiNi, Defcript. p. 40S.

Dit is de XLVII Aantekening vsn ROBÜRÏSUA.


WEGENS O U D I N D I E . 233

tekenen : doch verfcheide omftandigheden III.

kunnen wy bybrengen, om, in 't algemeen, AFDEEde

juistheid deezer gevolgtrekking te wet­ • !NG.

tigen.

Van het eerfte herleeven van den geest

des Koophandels in Europa , bezaten de

Venetiaanen een groot aandeel in den Handel

op het Oosten. Dit bleef trapswyze

aangroeijen, en, geduurende een groot gedeelte

van de Vyftiende Eeuwe , hadden

zy dien Handel bykans geheel in. Hieruit

fprooten de gevolgen van alle Monopoliën.

Waar geen Mededinger is, en de

Koopman het in zyne hand heeft de markt

te zetten, en den prys der Waaren, welke

hy verkoopt, te bepaalen, zal zyne winst

verbaazend groot zyn. Eenig denkbeeld

van derzelver grootte , ftaande eenige Eeuwen,

zullen wy ons kunnen vormen, door

agt te liaan op de Intrest, toen voor 't

gebruik van Geld betaald. Deeze is, buiten

tegenfpraak, de netfte maatftok, om af

te meeten, welk een voordeel men behaalt

van het Geld in den Handel gelegd: want.

Kaar gelange de Intrest van het Geld hoog

of laag is, moet de winst, door 't gebruiken

des Gelds behaald, veranderen, groot

of gcmaatigd worden. Van het einde der

Elfde Eeuwe tot het begin der Zestiende,

het Tydperk waarin de Venetiaanen hun

voornaamften Handel dreeven , was de Intrest

verbaazend hoog: zomtyds twintig ten

honderd, en daar boven: zo laat als het

Jaar MD, was dezelve niet gedaald beneden

tien of twaalf ten honderd, in eenig

P 5 dee


m

VFDEE-

LING.

234 O N D E R Z O E K

deel van Europa (r). — Indien de voordeden

van een Handel, zo uitgelTrekt als

die der Venetiaanen , beantwoordden aan

deeze hooge waarde van het Geld, kon

het niet misfen, of dezelve moest een overvloeiende

bron van Rykdom weezen, voor

den Staat en voor den Burger Cs).

De

(r) Hist. van CAREL DENV. II D. bl. 2i


WEGENS OUD INDIE. 235

De Staat van Venetië werdc , diensvolgens

, geduurende het Tydperk, 't geen

wy thans op 't ooge hebben, door Schryvers

van die Eeuwe , voorgedraagen met

uitdrukkingen, op geen ander Land in Europa

toepasfelyk. Het Inkomen van het

Gemeenebest, zo wel als de Rykdom der

Ingezetenen, ging alles te boven wat men

elders kende. In de pragt hunner Huizen,

in de kostlykheid der Huiscieraaden, in de

menigte van Zilverwerk , met één woord,

in alles wat tot eene fraaye en pragtige Leevenswyze

behoort, overtroffen de Edelen

van Venetië den grootften Monarch over

de Alpen. En was dit luisterryk vertoon

het uitwerkzel niet van eene onbedagte verkwisting;

maar het natuurlyk gevolg van

gelukkigVlytbetoon, die, met gemak Rykdom

verkreegen hebbende,geregtigd is, om

denzelven met glans te genieten.

[Twee Hukken moet ik hier nog byvoegen,

tot bewyzen van de groote uitgeflrektheid

des Venetiaanfchen Handels in dit

Tydperk. — Voor eerst, vindt men by

R Y MER (t), een reeks van vergunningen

van de Koningen van Engeland; behelzende

veele voorregten en vrydommen , ver

leend aan de Venetiaanfche Kooplieden, op

Engeland Handel dryvende; als mede verfcheide

Handel verdragen met dat Gemeenebest,

die duidlyk een grooten aanwas van

Handel op dat Land aantoonen (tf). —•

Ten

(t~) RYMER'S Great Colhclion.

Cu) De Heer ANDERSON, ar.n wiens geduldige

vlyt en gezond oordeel, elk, die zich ;n eenig onderzoek

III;

\FDEE-

LING.


III.

AFDEE-

LING.

236 O N D E R Z O E K

Ten anderen'. Hec oprigren van een Bank

op openbaar gezag, welker Credit gegrond

was op dat van den Staat. In eene Eeuw,

, en by een Volk zo door en door kundig

van de voordeden, welken de Koophandel

trekt van de inflelling der Banken , is het

noodloos dezelve op te tellen. De Handelverrigtingen

moeten veelvuldig en uitgebreid

geweest zyn , eer men de nuttigheid

van zulk eene Inrigting ten vollen

kon bemerken , of de beginzels des Handels

zo wel verftaan, dat men fchikkingen

beraame om dezelve met voordeel te beftuuren.

Venetië mag zich beroemen het eerite

voorbeeld aan Europa gegeeven te hebben,

van eene Inflelling, by de Ouden geheel

onbekend, en de roem van het tegenwoordig

Stelzel des Koophandels. De Bank

van Venetië was oorfpronglyk op zulke

regtmaatige beginzelen gebouwd, dat dezelve

ten voorbedde diende van de Banken

in andere Landen opgerigt, en werd de

Venetiaanfche Bank met zo veel braafheids

en eerlykheids beftuurd, dat het Credit van

dezelve nimmer wankelde. Het nette Jaar,

wanneer de Bank van Venetië, volgens een

Staatswet, werd vastgefteld , kan ik niet

bepaalen. ANDERSON veronderftelt, dat

het gefchiedde in den Jaare MCLV1I fV). ]

Nimzoek,

den Koophandel betreffende, ingewikkeld vindt,

by veele gelegenheden, dank zal moeten betuigen ,

heeft ze in orde vermeld.

f>) Chron. Deduct, Vol. I. p. 84. SANDI Stor.

LiviLFemz. P.II. Vol. II. p. 768. Part. III. Vol. II.

p. 802. — Dit is de XL1X Aant. van ROBERTSON.


WEGENS OUD INDIE. 237

Nimmer leefden de Venetiaanen in een

vaster geloof, dat de magt huns Lands wel

gevestigd was, nimmer hadden zy een fterker

vertrouwen op de volduuring en aanwas

van deszelfs Rykdom, dan omtrent het

afloopen der Vyftiende Eeuwe, wanneer 'er

twee Gebeurtenisfen voorvielen , (die zy

noch voorzien noch beletten kónden) voor

hun Magt en Rykdom doodlyk. De eene

was de Ontdekking van America. De andere

het openen van een rechtftreekfche

vaart op de Oost - Indien, om de Kaap de

Goede Hoop. Van alle Gebeurtenisfen, in

de Gefchiedenis des Menschlyken Geflachts,

zyn deeze gewis onder de belangrykfte te

rekenen \ en vermids zy eene aanmerkelyke

verandering van Gemeenfchap tusfehen de

onderfcheide deelen van den Aardkloot te

wege bragten, en in 't einde die denkbeelden

en fchikkingen in den Koophandel vastftelden,

welke het groot onderfcheid maaken

tusfehen de Zeden en Staatkunde van

den Ouden en Hedendaagfchen tyd, is een

verhaal derzelven ten naauwften verbonden

met het Onderwerp deezes Onderzoeks, en

zal dit hetzelve brengen tot dat Tydperk ,

't geen ik ten grenspaal daarvan gefield

heb. Maar, dewyl ik de Opkomst en

Voortgang deezer gewigtige Ontdekkingen,

breedvoerig ontvouwd heb in een ander

Werk (w), zal hier niets meer dan een

vlugtige befchouwing noodig weezen.

De

(v) Cefchiedenis van America, I & II Boek.

m.

AFDEE-

LING.


iiu

AFDEE­

LING.

o 38 O N D E R Z O E K

De bewondering, of nyd, met welken de

andere Volken van Europa de Magt en den

Rykdom van Venetië aanfchouwden, bragt

hun eigenaartig in het onderzoek van de

oorfprongen van die uitlteekenheid; onder

deeze bleek de ryke winst geevende Handel

op het Oosten, verre weg, de voornaamfte

te weezen. Te verdrietig, dat zy verllooken

waren van een bron des overvloeds,

voor de Venetiaanen met zulk een rykheid

ilroomende, hadden verfcheide Landen poogingen

gedaan om deel in den Indifehen

Handel te krygen. Eenige van de Italiaanfche

Staaten, (gelyk ik voorheen aanduidde,)

tragtten toegang in de Havens

van Egypte en Syrië re verkrygen , op

denzelfden voet als de Venetiaanen; maar,

of door den meerderen invloed der Venetiaanen

ten Hove der Sultans, liepen hunne

onderhandelingen daar toe ingerigt,

vrugtloos af; of door de menigvuldige

voordeden, welke Kooplieden, lang in 't

bezit van eenigen Handeltak gevestigd, hebben

boven nieuwe Gelukzoekers, hadden

alle hunne poogingen geene uitwerkzelen

van eenig aanbelang.

• [DENINA, een Italiaansch geloofwaar*

dig Schryver, en een naarftig Onderzoekef

Hl de oude Gefchiedenis der onderfcheidefie

Sraatsbeftuuren van Italië, verzekert,

dat, indien de veelvuldige Staaten, die op

de Middellandfche Zee handelden , zich

veréómgd hadden , Venetië alleen deeze

alie zou overtroffen hebben , in Zeemagc

en


WEGENS OUD INDIE. 239

en uitgeftrektheid van Koophandel (V). —

Omtrent het Jaar MCGCCXX, gaf de Doge

MOCENIGO een fchets van de Zeemagt

des Gemeenebests, die dit oordeel van

DENINA bevestigt. Ten dien tyde beilondc

dezelve, uit drie duizend Koopvaardyfchepen

van verfchillende grootte, waar op zich

zeventien duizend Matroozen bevonden ;

uit drie honderd Schepen van meerder

fterkte , bemand met acht duizend Koppen ;

en vyf en veertig groote Galeasfen of Carakken,

elf duizend Scheepslieden voerende.

Op de Lands- en byzondere Scheepstimmerwerven

arbeidden zestien duizend

Timmerlieden fj).] ,

In andere Landen werden verfcheide Ontwerpen,

met hetzelfde oogmerk, gevormd.

Reeds in den Jaare MCCCCLXXX, vatte

het vindingryk en onderneemend vernuft

van COLUMBDS het denkbeeld op, om een

korter en zekerder Gemeenfchap met Indie

te openen , door rechtftreeks Westwaards

koers te zetten na die Landen , welke,

volgens MARCO POLO en andere Reizigers,

zich Oost waards veel verder uitftrekten

dan de uicerfte Grenzen van Afia, by

de Grieken- en Romeinen bekend. Dit

plan , onderfchraagd door bewyzen , ont*

leend uic zyne befpiegelende kennis der

Aard-

Cx~) DENINA Revolutions tT Italië, traduits par

PAbbé JARDIN, Lib. XVIII. c 6. Tom. VI. p. 339-

(V) MAR. SANUTO, Vite de Duchi di Venezia,

ap. MURAT. Script. Rer. Ital. Vol. XXII. p. 059.

Dit is de L Aantekening van ROBERTSON.

III.

AFDEE­

LING.


Itl.

24o O N D E R Z O E K

Aardrykskunde, uit zyne ondervinding in de

. Zeevaard, uit de berigten van kundige Zee­

AFDEE

lieden, en uit de befchouwingen en gisfïn-

LING.

. gen der Ouden , ftelde hy eerst voor aan

de Genueefen, zyne Landsgenooten , en

vervolgens aan 'den Koning van Portugal,

in wiens dienst hy getreeden was. De eersrgemelden

verwierpen het uit onkunde, en

de laatfte wees het van de hand, op eene

wyze allervernederendst voor een edelmoedig

harr. Door aanhouden en bekwaamheid

bewoog hy, in 't einde, het traagfte

en minst waagend Hof van Europa, om

dé~ uitvoering van zyn plan op zich te

neemen; en Spanje hadt, als eene beloo.

ning voor dit afwyken van zyne gewoone

zeer verregaande omzigtige maatregelen,

den Roem van eene Nieuwe Wereld te

ontdekken, in grootte naauwlyks minder

dan een derde gedeelte van den bewoonbaaren

Aardkloot. Hoe verbaazend de gelukkige

uitflag van COLUMBUS was, dezelve

voldeedt niet aan zyne eigene wenfchen,

noch bragt hem tot die Oosterfche Gewesten;

de verwagting van welke aan te treffen

het oorfpronglyk voorwerp was van zyn

Reistocht. De uitwerkzels , nogthans ,

, van zyne Ontdekkingen waren groot en

verre (trekkende. Door aan Spanje het

bezit te fchenken van onmeetelyke Landen

, vol ryke Mynen, en veele kostbaare

Voortbrengzels der Natuure opleverende,

waar van men verfcheidene tot hier toe

geoordeeld had byzonder eigen te weezen

aan Indie, begon de Rykdom zodanig in

dat


WEGENS O U D I N D I E . 241

dat Koningryk te vloeien, en zich uit het­ III.

zelve dermaate door Europa te verfpreiAFDEEden, dat zulks een algemeenen geest van L1NG.

vlycbetoon opwekte , en tot onderneemingen

deedt gebooren worden , die alleen

welhaast den loop des Koophandels in

nieuwe kanaalen zou hebben doen (troomen.

Maar die werd fpoediger te wege gebragt

, én volkomener bewerkt , door de

andere groote Gebeurtenis, welke ik vermeldde

, de Ontdekking van een nieuwen

koers voor de Zeevaart na het Ousten, om

de Kaap de Goede Hoop. Wanneer de Portugeefen

, aan welken het Menschdom de

opening van deeze Gemeenfchap, tusfehen

wydsc van een gelegene deelen des Aardklooes,

heeft dank ee weeren, hunne eerfte

Reis ter ontdekkinge deeden, is het

waarfchynlyk dat zy niets verder op 't oog

hadden dan om die deelen der kust van

Africa, welke digtst by hun eigen Land

liggen , op te fpeuren. Maar een geest

van onderneeming , ééns opgewekt en in

beweeging gebragt, gaat altoos voort , en

die der Portugeefen, fchoon traag en vreesagtig,

in den beginne , kreeg allengskens

kragt, en zette hun aan, om, langs den oever

des Vastenlands van Africa, veel verder

te ftevenen, dan de Ouden, in die rigting,

gekomen waren. Door een gelukkigen uitflag

aangemoedigd, werden zy ftouter, veragtten

gevaaren die hun voorheen deeden

verbleeken , en kwamen moeilykheden te

boven, eenyds onoverkomelyk gekeurd.

Toen de Portugeefen, in den Brandenden

Q We-


Ml

AFDEE-

LING.

s 4s O N D E R Z O E K

Wereldgordel , of Verzengde Lugtfixeek,

door de Ouden onbewoonbaar geoordeeld,

yrugtbaare Gewesten vonden , door talryke

Volken bewoond j en bemerkten , dat

bet Vasteland van Africa , in ftede van

zich in breedte Westwaards uit te ftrekken

, volgens het gevoelen van PTOLE­

MEUS , vernaauwde en meer Oostwaards

liep , deeden zich wydftrekkender oogmerken

aan hun oog op , en zy voelden

zich bezield met de hoope om Indie te bereiken

, door te volharden in denzelfden

koers, dus lang gehouden, te volgen.

Naa verfcheide mislukte poogingen, om

het oogmerk, 't geen zy bedoelden, te bereiken

, zeilde eene kleine Vloot de Taag

uit, onder het bevel van VASCO DE GA-

M A , een Officier van rang , wiens bekwaamheid

en moed hem gefchikt maak-,

te, om, over de moeilykfte en'gevaarlykfte

onderneemingen, het beleid te hebben. Uit

onkunde, nogthans, van het gefchikte Jaargetyde

, en van den koers dien hy moest

houden in den grooten Oceaan, door welken

hy ftondt heen te zeilen, was zyne Reis

lang en gevaarlyk. In 't einde zeilde hy

dat Voorgebergte om, 't welk, zints verfcheide

jaaren, het voorwerp van den Schrik

en de Hcope zyner Landgenooten geweest

was. Van daar bereikte hy, naa een voorfpoedige

vaart langs de Zuid-Oostkust

van Africa, de Stad Meiinda, en fmaakte

het genoegen, om daar , zo wel als op de

andere Plaatzen , welke hy aandeedt, een

Volk aan re treffen zeer verfchillende van

ruu-


WEGENS O U D I N D I E . 243

ruuwe Bewoonders des Westlyken oevers

van dat Vasteland, door de Portugeefen tot

hiertoe alleen bezogt. Deeze vondt hy zo

verre gevorderd in Befchaafdheid, en kennis

aan de verfcheide Kunften des leevens,

dat zy een daadlyken Koophandel dreeven,

niet alleen met de volken op hun eige

kust ; maar met afgelegene Landen van

Afia. Geleid door hunne Stuurlieden, die

een koers hielden, hun door de Ondervinding

geleerd, zeilde hy den Indifchen Oceaan

dwars over, en landde te Calecuta aan

te Malabarfche kust, op den twee en twin>

tigften van Mey des Jaars MCCCCXCVIII,

tien maanden en twee dagen na zyn vertrek

uit de Haven van Lisfabon.

De Samorin, of Monarch des Lands ,

verwonderd over het onverwagte bezoek

'van een onbekend Volk, v/elks voorkomen,

wapenen en zeden, geene gelykheid

hadden met die van eenige der Volken,

gewoon zyne Havens te bezoeken , en in

zyne Heerfchappye kwam langs een weg

tot hier toe onbevaarbaar gekeurd, ontving

hun eerst met die bewondering, dikwyls

door de nieuwigheid verwekt. Doch

kort daar op, als hadt hy een vooruitzigt

gehad van alle de rampen, nu Indie boven

't hoofd hangende , door deeze heillooze

Gemeenfchap met de Inwoonders van Europa

, thans geopend, vormde hy verfcheide

plans, om GA MA, en diens Tochtgenooten,

af te fnyden. Dan de Portugeefche Admiraal

redde zich met zonderlinge voorzigtigheid

en onverfchrokkenheid, uit het ge-

Q 2 vaar

III.

AFDEE­

LING.


644 O N D E R Z O E K

IH. vaar der openbaare aanvallen en heimlyke

AFDEE . treeken van de Indiaanen; en zeilde ten

LING. laatften van Calecuta met zyne Vloot, be-

. laaden niet alleen met de Waaren eigen

aan die Kust; maar ook met veele der ryke

Voortbrengzelen van de Oostlykfte Gedeelten

van Indie.

VASCO DE GA MA werd , by zyne wederkomst

te Lisfabon, ontvangen met de

bewondering en dankbaarheid, verfchuldigd

aan een Man, die, door zyne uitfteekende

Bekwaamheden en manmoedig Beiluit, eene

ondernceming van het grootfte aanbelang gelukkig

volvoerd hadt; eene onderneeming,

die lang de gedagten van zyn Souverain bezig

gehouden hadt, en de hoop geweest was