01.05.2013 Views

Eindrapport - Mobiel Vlaanderen

Eindrapport - Mobiel Vlaanderen

Eindrapport - Mobiel Vlaanderen

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

Cesor b.v.b.a<br />

Nijverheidsstraat 9<br />

1930 Zaventem<br />

BELGIE<br />

Tel. +32 (0) 496 50 23 29<br />

Vertegenwoordigd door:<br />

Michael Debusscher<br />

Zaakvoerder<br />

Vakgroep Sociologie<br />

Onderzoeksgroep TOR<br />

Pleinlaan 2<br />

1050 Brussel<br />

BELGIE<br />

Tel +32 (0) 2 629 20 24<br />

Vertegenwoordigd door:<br />

Prof. Dr. Ignace Glorieux<br />

Promotor<br />

De sociale effecten van basismobiliteit in niet-stedelijke<br />

gebieden


INHOUD<br />

1. Inleiding............................................................................................................... 4<br />

2. Basismobiliteit ..................................................................................................... 9<br />

2.1. Het principe van basismobiliteit ............................................................... 9<br />

2.2. De politieke basis van basismobiliteit...................................................... 9<br />

2.2.1. Het beleid rond mobiliteit in de periode 1999-2004 ....................... 9<br />

2.2.2. Het beleid rond mobiliteit in de periode 2004-2009 ..................... 15<br />

2.3. Basismobiliteit vandaag .......................................................................... 19<br />

2.4. Tussen beleid en realiteit ......................................................................... 20<br />

2.5. Conclusies deel 2...................................................................................... 22<br />

3. Noden en behoeften voor verplaatsingen................................................. 24<br />

3.1. Het verplaatsingsgedrag van de Vlaming........................................... 24<br />

3.2. Maatschappelijke behoefte aan verplaatsen .................................... 31<br />

3.3. De verschillende dimensies van welbevinden .................................... 33<br />

3.3.1. Persoonlijk welbevinden ................................................................... 35<br />

3.3.2. Sociaal en cultureel welbevinden .................................................. 37<br />

3.3.3. Economisch welbevinden................................................................ 39<br />

3.4. Leeftijdsgebonden behoeften ............................................................... 40<br />

3.4.1. De fase voor de leerplicht (-6 jaar)................................................. 42<br />

3.4.2. De fase van de leerplicht (6 - 18 jaar)............................................ 43<br />

3.4.3. De beroepsactieve leeftijd (19 – 65 jaar) ...................................... 50<br />

3.4.4. De fase na mogelijke arbeid (+65 jaar) ......................................... 57<br />

3.5. Conclusies deel 3...................................................................................... 60<br />

4. Criteria voor een keuze voor het openbaar vervoer ................................ 63<br />

4.1. De kostprijs van een verplaatsing .......................................................... 63<br />

4.2. De beschikbare tijd voor een verplaatsing.......................................... 69<br />

4.3. Het gewenste comfort bij een verplaatsing ........................................ 71<br />

4.3.1. De gezinssamenstelling..................................................................... 71<br />

4.3.2. Te dragen lasten tijdens een verplaatsing .................................... 73<br />

4.3.3. Drukte op het openbaar vervoer en in het verkeer..................... 75<br />

4.3.4. Files en parkeerplaatsen................................................................... 76<br />

4.3.5. De weersomstandigheden .............................................................. 78<br />

4.4. Informatie over de beschikbare vervoersmiddelen ........................... 80<br />

4.5. De complexiteit van de verplaatsing.................................................... 84<br />

4.6. De veiligheid van een verplaatsing ...................................................... 87<br />

4.7. De beschikbaarheid van vervoersmiddelen ....................................... 90<br />

4.7.1.Basismobiliteit of geen basismobiliteit ............................................. 90<br />

4.7.2. Fysieke en psychische belemmeringen ......................................... 93<br />

4.8. Conclusies deel 4...................................................................................... 95<br />

2


5. Sociale baten van basismobiliteit................................................................. 96<br />

5.1. Beschikbaarheid in termen van verbindingen .................................... 97<br />

5.2. De afstand tot een bushalte ................................................................ 106<br />

5.3. De frequentie en de amplitude van het aanbod ............................ 108<br />

5.4. De bruikbaarheid van haltes en voertuigen...................................... 112<br />

5.5. Conclusies deel 5.................................................................................... 114<br />

6. Conclusies....................................................................................................... 116<br />

Bibliografie.......................................................................................................... 120<br />

BIJLAGE 1: Kwalitatief onderzoek in <strong>Vlaanderen</strong> ......................................... 124<br />

1. Opzet kwalitatief onderzoek.................................................................... 124<br />

2. Profielen van de respondenten ............................................................. 128<br />

3


1. Inleiding<br />

Begin 2007 werd ons 1 door het Departement Mobiliteit en Openbare Werken<br />

gevraagd om een antwoord te formuleren op de vraag welke sociale baten de<br />

invoering van basismobiliteit met zich meebrengen.<br />

Eind vorig jaar (2006) werd in navolging van het decreet ‘Basismobiliteit’ de<br />

implementatie van ‘Basismobiliteit in <strong>Vlaanderen</strong>’ beëindigd. Tussen 2001 en<br />

2006 heeft de Vlaamse regering jaarlijks heel wat middelen vrijgemaakt voor en<br />

toegewezen aan het optimaliseren van het aanbod van het openbaar vervoer<br />

in <strong>Vlaanderen</strong>. Een jaar na de afronding van de invoering van basismobiliteit in<br />

<strong>Vlaanderen</strong> stellen we ons de vraag tot welke sociale baten het aanbieden van<br />

basismobiliteit leidt. Het antwoord op deze vraag is niet eenvoudig. Wat zijn<br />

immers sociale baten? Op welke manier uiten deze baten zich? En hoe kunnen<br />

deze dan door middel van objectieve indicatoren in kaart worden gebracht?<br />

Vergelijken we deze vraag met de vraag wat de economische kost van het<br />

aanbod in het kader van basismobiliteit dan wordt de complexiteit van onze<br />

vraag pas echt duidelijk. Zonder te willen stellen dat het gemakkelijk is om de<br />

economische kost in kaart te brengen, kan men voor het beantwoorden van<br />

deze vraag wel gebruik maken van een aantal objectieve indicatoren om de<br />

kostprijs te bereken. We denken daarbij aan de uitbating- en personeelskosten,<br />

de opbrengsten aan verkoop van tickets en dergelijke. Met de kennis over het<br />

aantal gebruikers van de diensten die met de projecten basismobiliteit in het<br />

leven werden geroepen, kan een duidelijke kostprijs worden berekend. Het<br />

resultaat is dan een bedrag per passagier uitgedrukt in euro. En ook al kan dan<br />

worden gediscussieerd over de kostenefficiëntie, het wordt hoe dan ook een<br />

discussie over euro’s, wat een voor iedereen op dezelfde manier te interpreteren<br />

meeteenheid is.<br />

Over de directe economische kosten verbonden aan het aanbieden en<br />

verzorgen van basismobiliteit is dan ook vrij veel gekend. De Lijn brengt hierover<br />

ook jaarlijks verslag uit en de overheid beslist hoeveel budget ze hiervoor wil<br />

vrijmaken. De focus van dit onderzoek ligt echter niet op de kosten die het<br />

aanbod van basismobiliteit met zich meebrengen. De focus ligt ook niet op de<br />

indirecte economische en financiële baten voor de samenleving die<br />

basismobiliteit met zich meebrengt. Die zijn er ongetwijfeld. Denken we maar<br />

aan de tewerkstelling van medewerkers (o.a. buschauffeurs) van de Lijn, aan de<br />

commerciële baten van handelaars, aan de mogelijkheden van werknemers<br />

om naar hun werk te gaan enzovoort.<br />

Om de sociale baten ten gevolge van het invoeren van basismobiliteit in kaart<br />

te brengen, beschikken we niet over zo’n objectieve indicatoren. Sociale baten<br />

kunnen immers niet worden uitgedrukt in euro. Op dit ogenblik beschikken we<br />

dan ook over geen enkele indicator om op directe wijze de sociale baten van<br />

basismobiliteit in kaart te brengen. We zijn in dit stadium bijgevolg verplicht om<br />

de vraag op een kwalitatieve manier te benaderen.<br />

1 Onderzoeksgroep TOR (Vakgroep Sociologie – Vrije Universiteit Brussel en Cesor (spin off - Vrije<br />

Universiteit Brussel – Onderzoeksgoep TOR)<br />

4


Vanuit deze optiek benaderen we de sociale baten vanuit het behoeftepatroon<br />

van de Vlaming. Het doel van deze studie bestaat erin na te gaan in welke<br />

mate, bij welke bevolkingsgroepen aan welke behoeften tegemoet wordt<br />

gekomen door de implementatie van basismobiliteit en, aansluitend, bij welke<br />

bevolkingsgroepen aan welke behoeften niet tegemoet gekomen wordt.<br />

Concreet gaan we in deze studie een beeld schetsen van de persoonlijke en<br />

sociale baten die voortvloeien uit de mogelijkheid die mensen hebben om zich<br />

te verplaatsen door gebruik te maken van het openbaar vervoer, zoals het<br />

wordt aangeboden door de Lijn in het kader van het decreet basismobiliteit.<br />

Door ons toe te leggen op de diensten van de Lijn beperken we gedeeltelijk ons<br />

onderzoekskader, maar hypothekeren we niet de inventaris van de persoonlijke<br />

en sociale baten.<br />

Individuen kunnen hun mobiliteit op verschillende manieren organiseren. De<br />

eerste voor de hand liggende en meest gebruikte transportvorm is de eigen<br />

wagen of een ander persoonlijk transportmiddel zoals een fiets of zelfs te voet.<br />

Naast de financiële middelen noodzakelijk voor de aankoop en het onderhoud<br />

van een private wagen, vereisen deze transportmiddelen echter ook een<br />

fysische en psychische gezondheid van het individu. Een tweede mogelijkheid<br />

om zich te verplaatsen is een beroep doen op derden (buren, gezinsleden,<br />

familieleden, ...). Een belangrijke voorwaarde hiervoor is een sociaal netwerk. De<br />

laatste mogelijkheid om zich te verplaatsen, is gebruik maken van het aanbod<br />

aan openbaar of commercieel vervoer. Ook hier zijn echter een aantal<br />

voorwaarden aan verbonden. De kostprijs, de diensturen, de infrastructuur en<br />

dergelijke zijn belangrijke voorwaarden om al dan niet gebruik te (kunnen)<br />

maken van het openbaar vervoer of bij gebrek aan een aanbod aan openbaar<br />

vervoer de financiële middelen bijvoorbeeld voor het gebruik van commerciële<br />

taxidiensten.<br />

In deze studie leggen we ons toe op het openbaar vervoer. Voor wat betreft de<br />

sociale en zeker de persoonlijke baten verbonden aan de mogelijkheid om zich<br />

te verplaatsen, is het transportmiddel eigenlijk niet belangrijk. Het belangrijkste<br />

verschil ligt in de afhankelijkheid van het individu. Het spreekt voor zich dat het<br />

gebruik van persoonlijke of private vervoersmiddelen het individu de grootste<br />

onafhankelijkheid van derden biedt. Beroep doen op anderen, hetzij kennissen,<br />

vrienden of buren, hetzij commerciële of openbare vervoersdiensten impliceren<br />

per definitie een zekere graad van afhankelijkheid van deze diensten of<br />

personen. Autonomie, onafhankelijkheid en controle zijn echter moeilijk objectief<br />

meetbaar.<br />

Om de sociale baten van basismobiliteit in kaart te brengen, maken we gebruik<br />

van een theoretisch kader waarvan de invloed op individu en samenleving<br />

onderkend wordt en door heel wat sociologisch onderzoek wordt bevestigd<br />

(Elchardus e.a., 2001; Elchardus & Smits, 2002; Elchardus & Pelleriaux, 2003;<br />

Elchardus & De Groof, 2005). Maatschappelijk onbehagen wordt algemeen als<br />

problematisch aanzien en onderzoek wijst uit dat aspecten als autonomie,<br />

onafhankelijkheid en controle hierop een directe en indirecte invloed<br />

uitoefenen.<br />

5


In deze studie koppelen we de sociale baten dan ook aan het<br />

maatschappelijke onbehagen of positiever geformuleerd als persoonlijk en<br />

maatschappelijk welbevinden. Vanuit het perspectief van maatschappelijk of<br />

concreter persoonlijk, sociaal cultureel en economisch welbevinden gaan we bij<br />

experten, en bij gebruikers en niet-gebruikers van openbaar vervoer op zoek<br />

naar de persoonlijke en sociale baten van basismobiliteit.<br />

In het eerste gedeelte van dit rapport gaan we dieper in op het principe van<br />

basismobiliteit en de wijze waarop het politiek en wettelijk is verankerd tijdens de<br />

vorige en de huidige legislatuur van de Vlaamse Regering. De visie en de missie<br />

van de regering kunnen we als de motor beschouwen voor de uitbouw en de<br />

bestendiging van het recht op basismobiliteit. In <strong>Vlaanderen</strong> wordt<br />

basismobiliteit immers als een individueel recht beschouwd en werd dat recht in<br />

2001 ook decretaal verankerd.<br />

Dat decreet bepaalt de contouren van onze studie. We leggen in deze studie<br />

de nadruk op basismobiliteit zoals het bij decreet door de Vlaamse<br />

Vervoersmaatschappij/De Lijn wordt ingevuld. Tijdens onze gesprekken met<br />

‘gewone’ Vlamingen werd basismobiliteit echter veel breder geïnterpreteerd.<br />

Basismobiliteit werd zonder uitzondering gedefinieerd in termen van behoeften<br />

en verplaatsingsmogelijkheden, maar slechts zelden in termen van openbaar<br />

vervoer. Buiten de scope van deze studie kunnen we uit onze bevraging wel<br />

besluiten dat het decreet en het ‘recht’ op basismobiliteit zeer slecht gekend is<br />

onder de bevolking. Het principe van de ‘belbus’ is wel goed gekend, maar de<br />

connectie tussen beiden wordt in het denken van de geïnterviewde Vlamingen<br />

niet gemaakt. We sluiten het eerste gedeelte dan ook af met het spanningsveld<br />

tussen het decretale aanbod op het vlak van basismobiliteit en de vraag of de<br />

verwachtingen van de (potentiële) gebruiker.<br />

Het formuleren van basismobiliteit in termen van behoeften leidt ons tot het in<br />

kaart brengen van behoeftepatronen van Vlamingen met betrekking tot<br />

verplaatsingen. Het spreekt voor zich dat heel wat behoeften door grote delen<br />

van de bevolking worden gedeeld. We denken dan aan woon-werk of woonschool<br />

verplaatsingen. Maar zelfs als deze behoeften worden gedeeld, dan nog<br />

beschikt niet iedereen over dezelfde mogelijkheden of middelen om deze<br />

behoefte te bevredigen. In het tweede gedeelte leggen we ons naast<br />

algemene verplaatsingsnoden- en behoeften van Vlamingen dan ook toe op<br />

de behoeften van specifieke bevolkingsgroepen of –categorieën. We richten<br />

ons daarbij op verschillende leeftijdscategorieën die overeenstemmen met<br />

levensfasen die elk op het vlak activiteiten- en tijdspatroon duidelijke verschillen<br />

vertonen. Zo onderscheiden we als jongste leeftijdsgroep de kinderen onder 6<br />

jaar, gevolgd door kinderen tussen 6 en 12 jaar, tieners tussen 12 en 18 jaar, de<br />

beroepsactieven tussen 19 en 65 jaar, met daarbinnen een verdere opsplitsing in<br />

een aantel relevante leeftijdsgroepen, en als oudste groep de 65-plussers,<br />

waarbij we ook specifiek aandacht hebben voor de hoogbejaarden. Voor elk<br />

van deze groepen gaan we dieper in op de verplaatsingsmiddelen die worden<br />

gebruikt en de plaats van het openbaar vervoer in hun verplaatsingsgedrag.<br />

Door gebruik te maken van deze categorieën stoten we tevens op<br />

leeftijdsgebonden belemmeringen om een bepaald verplaatsingsmiddel te<br />

6


gebruiken. Jongeren onder de 18 jaar wordt op wettelijke basis het populairste<br />

vervoersmiddel in <strong>Vlaanderen</strong>, de auto, ontzien. Ouderen moeten hetzelfde<br />

vervoersmiddel door lichamelijke beperkingen aan de kant laten.<br />

Na het overzicht van de verplaatsingsbehoeften van verschillende<br />

leeftijdsgroepen richten we de aandacht op de criteria die mensen gebruiken<br />

om bij de keuze voor een verplaatsingsmiddel al dan niet voor het openbaar<br />

vervoer te kiezen. We onderscheiden daarbij een aantal criteria die zowel<br />

positief als negatief zijn voor een keuze voor het openbaar vervoer. In beide<br />

gevallen schept het overzicht een beeld van factoren die het welbevinden van<br />

gebruikers van het openbaar vervoer kunnen verhogen. We stellen daarbij vast<br />

dat de leeftijdsgebonden verplaatsingspatronen en –behoeften het gezelschap<br />

krijgen van bijkomende vereisten bij de keuze voor het openbaar vervoer. We<br />

gaan daarbij dieper in op ondermeer de kostprijs van het openbaar vervoer, de<br />

informatie over het aanbod, het comfort en een aantal externe factoren als de<br />

verkeersdrukte en de weersomstandigheden.<br />

In het laatste hoofdstuk komt basismobiliteit opnieuw concreet in beeld. We<br />

gaan immers na in welke mate de criteria in het decreet met betrekking tot het<br />

aanbod van basismobiliteit en de invulling van deze criteria door De Lijn al dan<br />

niet tegemoet komen aan de noden en de behoeften van de gebruikers. Voor<br />

zowel het aanbod aan verbindingen, de dienstregeling als de afstand tot de<br />

dichtstbijzijnde bushalte gaan we na in welke mate deze het welbevinden van<br />

de gebruikers bevorderen.<br />

Uit de politieke visies rond basismobiliteit blijkt dat het invoeren van het recht de<br />

bedoeling heeft om ‘zwakke’ groepen in de samenleving op het vlak van<br />

verplaatsingsmogelijkheden mobieler te maken. Vanuit dezelfde optiek hebben<br />

we bij de opzet van dit onderzoek ervoor geopteerd om ons niet te richten op<br />

(groot)stedelijk gebieden. Verscheidene onderzoeken (Meert e.a., 2003; De<br />

Wakkere Burger, 2001) hebben er immers op gewezen dat de grootste<br />

problemen op het vlak van vervoersarmoede zich situeren in niet-stedelijke<br />

gebieden. Het leek ons dan ook logisch om in gebieden met een beperkt<br />

aanbod te gaan luisteren naar de noden en de behoeften van de mensen op<br />

het vlak van mobiliteit en op welke manier het openbaar vervoer in het<br />

algemeen en van het aanbod in het kader van basismobiliteit daar aan<br />

tegemoet komt. In deze studie hebben we ons dus niet rechtstreeks gericht op<br />

de verplaatsingsnoden en behoeften van inwoners van de steden. Dat betekent<br />

niet de verplaatsingen binnen de stad niet als belangrijk worden beschouwd.<br />

Integendeel. Verplaatsingen binnen de stad en naar de stad vormen zelfs een<br />

belangrijk onderdeel van deze studie. Alleen beperken we ons in deze studie tot<br />

de mening van Vlamingen die niet in een stadskern wonen en die bij een<br />

bezoek aan de stad dus verplicht zijn om een vervoersmiddel te gebruiken.<br />

Afsluitend willen we in deze inleiding benadrukken dat deze studie in belangrijke<br />

mate tot stand kwam dankzij de medewerking van tal van betrokkenen. In<br />

eerste instantie willen we alle personen bedanken die ons tijdens het<br />

vooronderzoek hebben ontvangen en ons te woord hebben gestaan. In het<br />

7


kader van het vooronderzoek hebben we gesprekken gevoerd met experts op<br />

het vlak van mobiliteit en doelgroepenexperts. We bedanken dan ook<br />

uitdrukkelijk Griet Similon en medewerkers (De Lijn), Jan Vanseveren (BTTB), Jan<br />

Van Gils (Kind en Samenleving), Kris Coremans (Departement Onderwijs – Cel<br />

leerlingenvervoer), Nancy Vercammen (VDAB), Gert Zuallaert (<strong>Mobiel</strong>21), Hans<br />

Verbruggen (Vectris), Heidi Vanderpoorten (Cel Gelijke Kansen), Enid Zwerts<br />

(Steunpunt Gelijke Kansen), Joke Deconinck en collega’s (Samenlevingsopbouw<br />

Westhoek), Ann De Boeck (Gezinsbond), Erwin Debruyne (VVSG), Steven Vos<br />

(Toegankelijkheidsbureau) en Rudy Kennes (VAPH) voor hun medewerking.<br />

Uiteraard willen we ook alle mensen bedanken die we in het kader van ons<br />

onderzoek bij hen thuis hebben bezocht om hen uit te vragen over hun<br />

verplaatsingsgedrag. Ondanks het gegeven dat al deze gesprekken erg<br />

gemoedelijk en aangenaam zijn verlopen, moesten zij toch enkele uren van hun<br />

kostbare tijd vrijmaken. In het rapport zullen we gebruik maken van de informatie<br />

die zij hebben aangeleverd. We zullen dit ondermeer doen door middel van<br />

citaten. Deze zullen anoniem worden weergegeven. In bijlage stellen we het<br />

schema voor waarop we de respondenten hebben geselecteerd en geven we<br />

van elke geciteerde respondent een korte biografie zodat de citaten in de<br />

context van de respondent kunnen geplaatst worden.<br />

Last but not least willen we ook alle leden van de stuurgroep, Peter Keppens<br />

(Afdeling Beleid Mobiliteit en Verkeersveiligheid), Joost Swinnen (Kabinet van de<br />

Vlaamse minister van Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen) en Roger<br />

Kesteloot (De Lijn - Centrale Diensten) te bedanken voor hun input en<br />

begeleiding bij dit project.<br />

8


2. Basismobiliteit<br />

2.1. Het principe van basismobiliteit<br />

Voor we op zoek gaan naar de sociale baten van basismobiliteit, staan we even<br />

stil bij het principe van basismobiliteit. Vergeten we even de decretale<br />

definiëring van basismobiliteit, dan verstaat de man in de straat hieronder dat<br />

elk individu de mogelijkheid heeft om zich te verplaatsen naar de gewenste<br />

locatie. Uiteraard is dit een zeer ruime definitie. Het behelst namelijk alle vormen<br />

van verplaatsingsmiddelen voor elke verplaatsingsbehoefte, van te voet naar de<br />

lokale bakker voor de aankoop van een brood tot een vlucht met het vliegtuig<br />

naar Tenerife voor de jaarlijkse vakantie. Beiden kunnen tegemoet komen aan<br />

een levensbehoefte, hetzij voor voeding, hetzij voor ontspanning. In deze studie<br />

snoeien we sterk in al die mogelijke vormen van ‘basismobiliteit’. We beperken<br />

ons concreet tot de invulling die door de Vlaamse Overheid aan basismobiliteit<br />

wordt gegeven. Toch willen we de interpretatie van de Vlaming niet zomaar<br />

opzij schuiven. Na de beknopte bespreking van de decretaal gekaderde<br />

basismobiliteit komen we op de op behoeften gestoelde basismobiliteit terug.<br />

2.2. De politieke basis van basismobiliteit<br />

2.2.1. Het beleid rond mobiliteit in de periode 1999-2004<br />

Het politieke verhaal van basismobiliteit begint met de politieke wil en een visie<br />

om basismobiliteit in het beleid te implementeren. In het regeerakkoord 1999-<br />

2004 stelt de Vlaamse Regering zich tot doel om in het voorjaar 2001 een<br />

geïntegreerd mobiliteitsplan “Duurzame mobiliteit in <strong>Vlaanderen</strong>” aan het<br />

Vlaamse Parlement voor te leggen. Dit mobiliteitsplan moet, aldus het<br />

regeerakkoord, “de mobiliteit beheersen, de milieuvervuiling en milieuhinder<br />

terugdringen en de bereikbaarheid en de leefbaarheid van steden en dorpen<br />

garanderen”. (Mobiliteitscel, 2001) Omdat het mobiliteitsplan werd uitgewerkt<br />

binnen de krijtlijnen van het ‘Regeerakkoord’ en volgens de krachtlijnen van de<br />

‘Beleidsnota Mobiliteit’, schenken we eerst aandacht aan het regeerakkoord<br />

(1999 – 2004) en aan de beleidsnota ‘Mobiliteit en Openbare Werken’ van<br />

dezelfde legislatuur.<br />

2.2.1.1. Het Regeerakkoord: 1999 - 2004<br />

In het regeerakkoord 1999 – 2004 krijgt mobiliteit bijzondere aandacht. Door<br />

middel van een geïntegreerd (economische, sociale en ecologische belangen)<br />

mobiliteitsplan ‘Duurzame mobiliteit in <strong>Vlaanderen</strong>’ wil men de mobiliteit<br />

beheersen, de milieuvervuiling en milieuhinder terugdringen en de<br />

bereikbaarheid en leefbaarheid van steden en dorpen garanderen. Vooral dat<br />

laatste is in het licht van basismobiliteit belangrijk (Vlaamse Regering, 1999). In<br />

het regeerakkoord wordt de invoering van basismobiliteit aangekondigd als een<br />

9


sociaal recht voor elk individu in <strong>Vlaanderen</strong>. Via een beheersovereenkomst<br />

met De Lijn zal worden bepaald dat de vervoersmaatschappij een beleidsplan<br />

opstelt tot systematische en gefaseerde invoering van de basismobiliteit. Die<br />

invoering zal gelijkmatig gespreid zijn over de Vlaamse provincies. In het akkoord<br />

werd de afronding van de invoering van basismobiliteit tijdens deze<br />

regeerperiode vooropgesteld. In realiteit zou de afronding pas in 2006<br />

plaatsvinden. In het regeerakkoord wordt bijzondere aandacht besteed aan de<br />

verschillen in behoeften tussen het openbaar vervoer in grootsteden,<br />

centrumsteden en op het platteland en tevens voor specifieke doelgroepen.<br />

Voor deze verschillende doelgroepen zal een bewuste prijzenpolitiek worden<br />

gevoerd. De invulling van basismobiliteit blijft op dit niveau redelijk vaag. Om<br />

een concreter beeld te krijgen van wat men juist onder basismobiliteit verstaat,<br />

moet gekeken worden naar het de beleidsnota ‘Mobiliteit en Openbare<br />

Werken’.<br />

2.2.1.2. Beleidsnota Mobiliteit: 1999 - 2004<br />

In de beleidsnota ‘Mobiliteit en Openbare werken’ (Stevaert, 1999) van<br />

toenmalig Vlaams minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie Steve<br />

Stevaert vinden we een duidelijke wil terug om door het uitwerken van een<br />

systeem van basismobiliteit het probleem van ‘verkeersarmoede’ aan te<br />

pakken. Uitgangspunt is de veranderende samenleving met enerzijds een steeds<br />

grotere nood aan verplaatsingen en anderzijds steeds meer mensen die<br />

verstoken zijn van het bezit of het gebruik van een persoonlijke auto, ondermeer<br />

door een vergrijzende bevolking.<br />

In de beleidsnota wordt basismobiliteit eveneens als een sociaal recht<br />

gedefinieerd. Beleidsmatig volgt het uitwerken van basismobiliteit twee sporen,<br />

enerzijds de promotie van het gebruik van de fiets en andere zachte<br />

vervoersmiddelen en de uitvoering van infrastructurele werken en anderzijds de<br />

uitbouw van het openbaar vervoer.<br />

Daarmee wordt duidelijk een aanzet gegeven voor de internationaal<br />

baanbrekende invoering van basismobiliteit in <strong>Vlaanderen</strong>. In de beleidsnota<br />

wordt de argumentatie voor de noodzaak voor basismobiliteit teruggebracht<br />

naar een ‘sociaal recht’. Enkel de vergrijzing en daarmee gepaard gaande<br />

mobiliteitsmoeilijkheden bij de oudere bevolkingsgroepen worden echter als<br />

specifieke problematiek naar voor geschoven.<br />

2.2.1.3. Mobiliteitsplan <strong>Vlaanderen</strong> (2001 & 2003)<br />

In het mobiliteitsplan worden de doelstellingen voor het mobiliteitsbeleid<br />

gekaderd in hun maatschappelijke context.<br />

In het mobiliteitsplan gaat de aandacht naar enkele belangrijke demografische<br />

ontwikkelingen in het kader van de nood aan basismobiliteit. Een eerste<br />

demografische ontwikkeling is de vergrijzing. <strong>Vlaanderen</strong> telt steeds meer<br />

10


ouderen. Een tweede belangrijke ontwikkeling situeert zich op het niveau van<br />

het aantal huishoudens. Met de toename van het aantal kleine huishoudens<br />

(één of twee personen) nemen ook de mogelijkheden af om een beroep te<br />

doen op iemand van het gezin om zich te verplaatsen. Met de toename van het<br />

aantal huishoudens wordt tevens een toename van het aantal verplaatsingen<br />

verwacht.<br />

Op economisch vlak zijn de meningen over de invloed op de mobiliteit<br />

verdeeld. Economische activiteiten bepalen in directe zin een groot deel van de<br />

vraag naar vervoer (het goederenvervoer, de verplaatsingen van en naar het<br />

werk en het zakelijk vervoer). Niet alle economische ontwikkelingen dragen<br />

echter bij tot een verdere stijging van de mobiliteit. Zo dematerialiseren eeconomie<br />

en spitstechnologie de economie zodat de ontkoppeling tussen het<br />

BNP en de transportgroei zich langzaam zal inzetten.<br />

Ook technologische ontwikkelingen hebben een impact op de mobiliteit. ICTontwikkelingen<br />

leiden tot deconcentratie van bedrijven, thuiswerken, spreiding<br />

van de verplaatsingen over de dag.<br />

Ruimtelijk leiden sterke interacties tussen bevolkingsontwikkeling,<br />

functievervlechting en schaalvergroting van de ruimtelijke relaties tot een<br />

grotere vraag naar mobiliteit en tot grotere verplaatsingsafstanden. Vanuit<br />

sociaal oogpunt leiden zij vooral tot veranderingen die per auto nog wel te<br />

volgen zijn maar zonder auto veel minder.<br />

In het Mobiliteitsplan staat ook een uitgesproken visie over mobiliteit te lezen.<br />

Mobiliteit wordt de motor van de samenleving genoemd. Het laat aan zowel het<br />

individu als het bedrijf, maar ook aan de samenleving als geheel toe om relaties<br />

te leggen of te onderhouden. Dit leggen of onderhouden van functionele<br />

relaties binnen (internationale) netwerken is een noodzakelijke voorwaarde voor<br />

economische ontwikkeling of –groei. Voor het individu is het een vereiste om op<br />

een volwaardige manier te kunnen functioneren binnen deze samenleving, dus<br />

voor maatschappelijke integratie.<br />

Duurzaamheid en duurzame ontwikkeling zijn in het mobiliteitsplan<br />

kernbegrippen. Voor de definiëring van duurzame ontwikkeling wordt<br />

teruggegrepen naar de definitie in het Brundtland-rapport, zijnde:<br />

“een ontwikkeling die voorziet in de behoefte van de huidige generatie<br />

zonder daarmee voor de toekomstige generaties de mogelijkheid in gevaar<br />

te brengen om ook in hun behoefte te voorzien” (Brundtland, 1987; in:<br />

Mobiliteitsplan, 2001)<br />

Binnen deze definitie worden Twee concepten inherent aan duurzame<br />

ontwikkeling gekoppeld, namelijk de sociale behoeften om zich te verplaatsen<br />

met zorg voor de economische en ecologische toekomst.<br />

11


Voor deze studie zijn we in de eerste plaats geïnteresseerd in de sociale<br />

dimensie. In het Mobiliteitsplan (2001) wordt deze bekommernis vertaald in een<br />

doelstelling.<br />

“Het belang van mobiliteit voor de burgers gaat verder dan uitsluitend de<br />

economische dimensie. Voor de maatschappelijke en sociale ontplooiing is<br />

een goede bereikbaarheid van groot belang om aan allerlei activiteiten te<br />

kunnen deelnemen. Denk aan opleiding, het afleggen en ontvangen van<br />

bezoek, winkelen, medische verzorging, recreëren, ect. Dit geldt niet alleen<br />

voor de autobezitters maar voor alle bevolkingsgroepen. Het vervullen van<br />

de vervoersbehoeften zal steeds meer inspanningen vragen:<br />

1) Ten eerste omwille van de toename van het vervoersvolume en de<br />

steeds hogere en diversere eisen die aan het vervoerssysteem worden<br />

gesteld;<br />

2) Ten tweede vanwege de groeiende zorg over de negatieve effecten die<br />

samenhangen met een ongebreidelde groei van het verkeer;<br />

3) Ten derde vanwege de vrees dat de kosten en baten van deze<br />

ontwikkelingen steeds minder gelijkmatig door de samenleving worden<br />

gedeeld;<br />

Vanuit sociaal oogpunt staat het mobiliteitsbeleid dan ook voor de<br />

uitdaging om niet alleen een tweedeling tussen mobielen en immobielen te<br />

voorkomen, maar ook de problemen op vlak van de verkeersonveiligheid<br />

en de verkeersleefbaarheid onder controle te krijgen. “ (Mobiliteitsplan,<br />

2001)<br />

Uit bovenstaande doelstelling wordt het belang van mobiliteit zeer ruim ingevuld.<br />

Eigenlijk wordt erin gezegd dat zowel op economisch als op sociaal vlak alle<br />

burgers zich moeten kunnen verplaatsen. Binnen het kader van duurzame<br />

mobiliteit zijn de enige grenzen milieu en veiligheid. Vanuit dat kader wordt de<br />

algemene missie van het Vlaamse mobiliteitsbeleid geformuleerd als het voeren<br />

van een beheersgericht beleid waarbij zowel de economische, de sociale als de<br />

ruimtelijke en de milieucomponenten ten volle worden onderkend en<br />

geïntegreerd benaderd.<br />

Vanuit de bekommernis voor een duale samenleving moet het resultaat een<br />

billijke en sociaal gecorrigeerde verdeling van de verplaatsingsmogelijkheden<br />

zijn, maar daarnaast ook een aangepast verplaatsingsgedrag.<br />

Uit bovenstaande missie worden in het Mobiliteitsplan vijf doelstellingen voor het<br />

mobiliteitsbeleid geformuleerd, zijnde:<br />

1) Het vrijwaren van de bereikbaarheid<br />

2) Het garanderen van de toegankelijkheid<br />

3) Het verzekeren van de veiligheid<br />

4) Het verbeteren van de verkeersleefbaarheid<br />

5) Het terugdringen van de schade aan natuur en milieu<br />

Deze 5 concrete doelstellingen vormen als het ware de kern van dit onderzoek.<br />

Op zoek gaande naar de sociale effecten van basismobiliteit moet de invoering<br />

van basismobiliteit een positieve invloed hebben op deze doelstellingen.<br />

12


Toegespitst op de sociale effecten is het ‘terugdringen van de schade aan de<br />

natuur en het milieu’ minder relevant. Al dient gezegd dat verscheidene<br />

bevraagden dit argument wel aanhaalden om het openbaar vervoer (meer) te<br />

gebruiken.<br />

“Ik probeer de wagen wel wat thuis te houden. Laat ons zeggen dat ik hem zo<br />

om de twee dagen eens gebruik. Ik probeer ook mijn boodschappen zo wat te<br />

regelen dat ik niet elke dag weg moet. Dat lukt niet altijd, maar kom ik vind dat<br />

toch beter, voor de kosten en voor het milieu en zo. Als het niet moet, dan moet<br />

het niet hé.“<br />

(An 34 jaar Brasschaat)<br />

“Ik vind het belangrijk dat ze op school de kinderen goed informeren over het<br />

gebruik van het openbaar vervoer. Ze doen dat nu en dat vind ik goed. Dan<br />

promoten ze het openbaar vervoer ook hé. Dat is goed voor het milieu en zo.”<br />

(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

“Pas op, het openbaar vervoer is belangrijk hé, want hoe meer mensen zich<br />

gezamenlijk verplaatsen hoe beter voor het leefmilieu hé. Daar ben ik vast van<br />

overtuigd. Maar je moet steeds op een bepaald moment in je leven kijken wat<br />

doenbaar is en wat niet doenbaar is met het openbaar vervoer. Ik verplaats me<br />

dus niet met het openbaar vervoer. Tenzij ik verder moet bijvoorbeeld naar<br />

Brussel of Antwerpen naar de boekenbeurs. Dan neem ik bij voorkeur de trein,<br />

omdat er te veel files zijn, omdat het heel goedkoop is,…”<br />

(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

Ook de vierde doelstelling ‘het verbeteren van de verkeersleefbaarheid’ werd<br />

herhaaldelijk door de geïnterviewden als argument gebruikt om voor het<br />

openbaar vervoer te kiezen. Zowel de verkeerscongestie als het gevaar van de<br />

drukke wegen wordt als argument gebruikt om voor het openbaar vervoer te<br />

kiezen.<br />

“Ik denk dat hij (zoon 8 jaar) wel met de fiets naar school zou kunnen gaan. Maar<br />

ze moeten wel een gevaarlijke steenweg over en de mensen stoppen niet. Ik<br />

denk wel dat hij dat zou kunnen, maar ik ga toch liever mee.”<br />

(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />

“Binnen twee jaar zal de oudste dan waarschijnlijk wel de bus nemen om naar de<br />

school te gaan. Dan zal ze met haar fiets tot aan de bus rijden en van daar naar<br />

school. We zouden haar daarvoor ook naar Zwijnaarde sturen omdat het<br />

makkelijk is. Met de fiets naar daar zou ik haar niet laten gaan. Ze moet dan langs<br />

een verlaten stuk langs het water en dan langs een drukke baan. Dan ben ik te<br />

ongerust. En ik ben ook niet bereid om kweenie hoe lang in de file te gaan staan<br />

om speciaal haar te brengen als er een bus rijdt.”<br />

(Lies 37 jaar Merelbeke)<br />

Opnieuw in het kader van deze studie zijn het echter vooral de eerste twee of<br />

zelfs drie doelstellingen die zeer belangrijk zijn. De eerste doelstelling is vrij<br />

evident. Mensen moeten de mogelijkheid hebben om de plaatsen te bereiken<br />

13


die ze moeten of willen bereiken, maar ook omgekeerd moeten mensen ook<br />

bereikbaar zijn.<br />

In het Mobiliteitsplan wordt onder ‘het garanderen van de toegankelijkheid’ ook<br />

gesproken over de toegang tot de informatie- en communicatienetwerken. Dat<br />

aspect valt buiten het kader van deze studie. Het streven naar een zo groot<br />

mogelijke “toegang” tot de mobiliteit, valt wel binnen de doelstellingen van<br />

deze studie. Om de toegang te optimaliseren moet volgens het Mobiliteitsplan<br />

de focus liggen op zowel individuele als collectieve vervoersmiddelen.<br />

De toegang tot de mobiliteit is een belangrijk element in het plan. Mobiliteit is in<br />

<strong>Vlaanderen</strong> erg ongelijkmatig verdeeld over de verschillende groepen en een<br />

sociaal gerichte duurzame mobiliteit impliceert dan ook een herverdeling van<br />

de mobiliteit.<br />

De meest kwetsbare groepen zijn mensen die geen auto bezitten of<br />

mogen/kunnen besturen, maar meer algemeen moet het beleid ervoor zorgen<br />

dat vervoersarmoede uit onze samenleving wordt geweerd en dat de<br />

vervoersongelijkheden tussen de verschillende maatschappelijke groepen tot<br />

een aanvaardbaar niveau zijn teruggebracht. In de herziene versie van het<br />

Mobiliteitsplan in 2003 wordt voor basismobiliteit wordt binnen dit kader de<br />

nadruk gelegd op personen met een handicap. (Mobiliteitsplan, 2003)<br />

2.2.1.4. De decretale verankering van basismobiliteit<br />

Tijdens legislatuur 1999-2004 krijgt bovenstaande visie en het principe van of het<br />

recht op basismobiliteit een politieke verankering in de vorm van een decreet.<br />

Het decreet Basismobiliteit is een Vlaamse wet die binnen de woonzones van<br />

grootstedelijke, stedelijke, randstedelijke, kleinstedelijke en buitengebieden een<br />

minimumaanbod voorziet van geregeld vervoer aan de gebruiker. Het<br />

minimumaanbod houdt de bedieningsfrequenties en de afstanden tot haltes<br />

van geregeld vervoer in. In concreto gaat het om een uitbreiding van het stads-<br />

en streekvervoer van De Lijn in <strong>Vlaanderen</strong>. Het decreet werd op 20 april 2001<br />

goedgekeurd door het Vlaams Parlement en beoogt meer dan enkel de<br />

invoering van basismobiliteit. Volledig maakt basismobiliteit deel uit van het<br />

decreet ‘betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg en<br />

tot de oprichting van de Mobiliteitsraad van <strong>Vlaanderen</strong>’. Naast het hoofdstuk<br />

over basismobiliteit, omvat het decreet tevens algemene bepalingen over het<br />

geregeld vervoer, het netmanagement, het bijzonder geregelde vervoer, de<br />

taxidiensten, het verhuren van voertuigen met bestuurder en de oprichting van<br />

een Mobiliteitraad voor <strong>Vlaanderen</strong>. Ondanks de verschillende elementen van<br />

wordt het decreet toch het best gekend om het onderdeel basismobiliteit,<br />

vooral omdat dit onderdeel de grootste impact heeft op de<br />

verplaatsingsmogelijkheden van de burger. (Steels, 2001)<br />

Het decreet moet elke inwoner van <strong>Vlaanderen</strong> het recht geven op een<br />

minimumaanbod aan openbaar vervoer. Het bepaalt onder meer de<br />

maximumafstand tot de dichtstbijzijnde halte, het aantal ritten per uur en de<br />

maximale wachttijd. Deze normen verschillen volgens het te bedienen gebied<br />

(grootstedelijk, stedelijk, rand- en kleinstedelijk gebied, buitengebied) en het<br />

tijdstip (spits- en daluren) en beperken zich tot woonzones.<br />

14


De doelstelling van het decreet is dat eind 2006 binnen een straal van 750 meter<br />

een bushalte of tramhalte moet zijn vanaf elk huis in een plattelandsgemeente.<br />

Voor rand- enkleinstedelijke gebieden zal er binnen een straal van 650 meter<br />

een bus- of tramhalte moeten zijn en bij grootstedelijke en stedelijke gebieden<br />

binnen een straal van 500 meter. Op het platteland of buitengebiedenzullen<br />

daarom extra lijnen worden geopend en in de (grote) steden zal het bestaande<br />

openbaar vervoer worden verbeterd (meer capaciteit, betere doorstroming).<br />

Tabel: Basismobiliteit in <strong>Vlaanderen</strong><br />

Groot-<br />

stedelijk<br />

Weekdagen<br />

6-9 uur 16-18 uur<br />

Samenvattende tabel basismobiliteit<br />

Weekdagen<br />

9-16 uur 18-21 uur<br />

Weekend<br />

8-23 uur<br />

Max. halteafstand<br />

5 ritten/uur 4 ritten/uur 3 ritten/uur 500 m<br />

Stedelijk 4 ritten/uur 3 ritten/uur 2 ritten/uur 500 m<br />

Rand en klein-<br />

stedelijk<br />

3 ritten/uur 2 ritten/uur 1 ritten/uur 650 m<br />

Buitengebied<br />

2 ritten/uur 1 ritten/uur 1 ritten/2 uur 750 m<br />

Bron: De Lijn (http://www.delijn.be/overheden/basismobiliteit/overzicht_basismobiliteit.asp)<br />

Met het decreet van 20 april 2001 op het personenvervoer en het bijhorende<br />

uitvoeringsbesluit over basismobiliteit werd het kader geschapen voor de<br />

geleidelijke invoering van basismobiliteit in alle 308 Vlaamse gemeenten. Tot<br />

2006 voorzag de Vlaamse overheid hiervoor in de begroting jaarlijks een extra<br />

budget van ca. 25 miljoen euro.<br />

2.2.2. Het beleid rond mobiliteit in de periode 2004-2009<br />

In analogie met de bespreking van het beleid voor de legislatuur 1999 – 2004<br />

bekijken we voor het huidige beleid eerst het regeerakkoord en dan specifiek de<br />

beleidsnota ‘Mobiliteit’ van de legislatuur 2004 - 2009.<br />

2.2.2.1. Het Regeerakkoord 2004 – 2009<br />

Het regeerakkoord voor de legislatuur van 2004 – 2009 kreeg de titel<br />

“Vertrouwen geven, verantwoordelijkheid nemen” en focust zich op drie<br />

doelstellingen zijnde:<br />

- de ontplooiing van Vlamingen en <strong>Vlaanderen</strong> duurzaam bevorderen<br />

- een zorgzame, lerende samenleving<br />

- goed en doelmatig bestuur (Vlaamse Regering, 2004)<br />

15


Met reeds een wettelijke omkadering en de lopende projectmatige en<br />

gefaseerde invoering van basismobiliteit in de Vlaamse gemeenten krijgt deze<br />

legislatuur de mogelijkheid om het principe en de invulling te verfijnen. In het<br />

regeerakkoord wordt de focus van de basismobiliteit op specifieke doelgroepen<br />

uitgebreid. Concreet wenst men basismobiliteit te waarborgen voor leerlingen uit<br />

het lager en het secundair onderwijs. In samenwerking met de Lijn zal getracht<br />

worden een netoverschrijdend leerlingenvervoer te realiseren via een decreet<br />

“algemeen leerlingenvervoer”. In de loop van deze legislatuur zal projectgewijs,<br />

in samenwerking met de lokale besturen en de scholen netoverschrijdend gratis<br />

vervoer worden ingevoerd voor leerlingen van het basisonderwijs. Ook het<br />

aanbod aan openbaar vervoer voor leerlingen van het secundair onderwijs zal<br />

tijdens deze legislatuur worden verbeterd.<br />

Met betrekking tot het mobiliteitsbeleid in het algemeen wordt verder de weg<br />

van de duurzame ontwikkeling gevolgd. Door middel van duurzame<br />

maatregelen moet de verkeersveiligheid verhogen, de verkeersleefbaarheid<br />

verbeteren en de bereikbaarheid en toegankelijkheid worden gewaarborgd.<br />

Hiermee worden de krachtlijnen van het Mobiliteitsplan (2001) herbevestigd en<br />

vormen ze nog steeds het uitgangspunt voor het mobiliteitsbeleid.<br />

Daarnaast wordt in het akkoord ook gewezen op de economische kostprijs van<br />

basismobiliteit. De doelstellingen, opgenomen in het decreet basismobiliteit,<br />

moeten op de meest efficiënte manier worden gerealiseerd. De zorg voor een<br />

efficiënte inzet van middelen moet het uitgangspunt zijn bij de uitvoering, de<br />

opvolging en de bijsturing, waar nodig, van de beheersovereenkomst tussen het<br />

Vlaams Gewest en de VVM/De Lijn.<br />

Een bijhorende economisch getinte doelstelling voor het openbaar vervoer is de<br />

prioriteit voor woon-werk- en woon-schoolvervoer, als bijdrage in de<br />

filebestrijding.<br />

2.2.2.2. Beleidsnota Mobiliteit: 2004 – 2009<br />

In de huidige legislatuur van de Vlaamse Regering wordt onder leiding van<br />

Kathleen Van Brempt, Vlaams minister van Mobiliteit, Sociale Economie en<br />

Gelijke Kansen het beleid rond basismobiliteit verder gezet. In haar beleidsnota<br />

krijgt de argumentatie voor en het belang van basismobiliteit beduidend meer<br />

aandacht dan in de beleidsnota van de vorige legislatuur.<br />

De mogelijkheid om zich te kunnen verplaatsen, wordt als een noodzakelijke<br />

voorwaarde aanzien om volwaardig te kunnen deelnemen aan het<br />

maatschappelijke leven. Een volwaardige deelname aan de samenleving is een<br />

recht en op basis daarvan heeft iedereen dus recht op mobiliteit.<br />

Gezien het enorme maatschappelijke belang, mag mobiliteit niet louter<br />

benaderd worden vanuit een economisch-technisch-infrastructureel perspectief,<br />

maar moet aandacht worden geschonken aan het sociale perspectief.<br />

16


Concreet betekent dit dat het mobiliteitsbeleid op iedereen moet gericht zijn en<br />

dus ook op vervoersgevoelige mensen en groepen. Men spreekt van een<br />

inclusief mobiliteitsbeleid.<br />

Met basismobiliteit worden woonzones ontsloten, wordt de totale<br />

bereikbaarheid groter en wordt het woon-werkverkeer verbeterd. Om de<br />

basismobiliteit te optimaliseren moet echter niet alleen de aanbodzijde worden<br />

beschouwd, maar moet een vraaggericht aanbod worden uitgebouwd, via het<br />

netmanagement. Met het netmanagement wordt het bedrijfsleven<br />

aangesproken en wordt gestreefd naar een ontsluiting van de bedrijfszones.<br />

Daarnaast moeten ook andere mobiliteitsleemten door een vraaggerichte<br />

aanvulling worden ingevuld, waardoor ziekenhuizen, scholen en andere<br />

instellingen eveneens beter bereikbaar worden.<br />

In de beleidsnota wordt ook verder gekeken dan enkel de ruimtelijke ontsluiting<br />

en gaat de aandacht tevens naar de tijdsdimensie. Vooral in het weekend en ’s<br />

nachts wordt nog een sterke leemte ervaren.<br />

Naast tijd en ruimte moet tevens aandacht gaan naar de toegankelijkheid van<br />

het openbaar vervoer. Toegankelijkheid omvat met enerzijds fysieke en<br />

functionele aspecten en anderzijds de budgettaire aspecten twee dimensies.<br />

Onder de fysieke beperkingen vallen de lichamelijke beperkingen die in<br />

sommige gevallen, zoals een rolstoelgebruiker gekoppeld zijn aan functionele<br />

beperkingen. Het belangrijkste budgettaire aspect is uiteraard de<br />

betaalbaarheid van het vervoer.<br />

Met de betaalbaarheid van het openbaar vervoer voor de gebruiker sluit de<br />

beleidsnota aan bij een gelijke verdeling van kansen op mobiliteit. Mobiliteit is<br />

niet gelijk verdeeld en is niet voor iedereen even vanzelfsprekend. Het aantal<br />

kilometers dat iemand per dag aflegt, is bijvoorbeeld sterk gerelateerd aan<br />

iemands scholingsgraad. Een universitair legt gemiddeld meer dan 60 km per<br />

dag af terwijl een laaggeschoolde nog geen 30 km per dag haalt.<br />

Hiermee wordt in de beleidsnota gewezen op de ongelijkheid in <strong>Vlaanderen</strong> op<br />

het vlak van mobiliteit. Alle menselijke activiteiten worden sterk bepaald door tijd<br />

en ruimte. De mate waarin men mobiel is, heeft bijgevolg veel invloed op de<br />

mate waarin men zich op individueel en sociaal vlak kan ontplooien. Mobiliteit<br />

determineert dan ook voor een groot stuk de activiteitenpatronen en<br />

ontplooiingskansen van een individu.<br />

De kansen om zich zorgeloos te verplaatsen zijn echter niet voor alle individuen<br />

en groepen gelijk. Bepaalde personen en groepen zijn namelijk zeer<br />

vervoersgevoelig. In de beleidsnota wordt daarbij gewezen op fysieke<br />

beperkingen, de leeftijd, het gebrek aan middelen en de juridische<br />

hoedanigheid als factoren die de mobiliteit van een persoon of groep kunnen<br />

belemmeren. Vermits de mogelijkheid om zich te verplaatsen als een recht<br />

wordt beschouwd, mag volgens de beleidsnota de samenleving zich niet<br />

ontwikkelen tot een duale samenleving met aan de ene zijde de mobielen en<br />

aan de andere zijde de niet-mobielen.<br />

17


Om deze duale samenleving te vermijden moeten deze groepen bijzondere<br />

aandacht krijgen. Deze missie valt onder de inclusiegedachte. Bovendien wordt<br />

de stelling geponeerd dat een oplossing die rekening houdt met de meest<br />

kwetsbare groep meestal een goede oplossing is voor iedereen.<br />

Aandacht voor mobiliteit is niet alleen belangrijk om een duale samenleving te<br />

vermijden. Het kan namelijk ook worden aangewend als hefboom voor meer<br />

gelijke kansen. Mobiliteit moet worden aangewend als hefboom van het gelijke<br />

kansenbeleid, als instrument dat economische en sociale kansen kan genereren.<br />

Voor een aantal mensen en groepen in <strong>Vlaanderen</strong> is zich verplaatsen een<br />

groot probleem. Dat leidt niet alleen tot praktische problemen, maar heeft ook<br />

psychologische gevolgen. In de beleidsnota valt namelijk te lezen dat<br />

onvervulde mobiliteitsbehoeften het gevoel van maatschappelijke<br />

machteloosheid bevestigen of versterken. Als voorbeelden wordt gewezen op<br />

langdurige werkzoekenden die soms een job moeten weigeren, omdat ze er<br />

binnen de afgesproken uren niet kunnen geraken of omdat ze er dan niet in<br />

slagen de kinderen tijdig naar school te brengen. In de nota wordt dan ook de<br />

relatie gelegd tussen vervoersarmoede en kansarmoede.<br />

Met een beter verdeelde mobiliteit en door tegemoet te komen aan de<br />

verplaatsingsnoden en de - behoeften van deze individuen of groepen kan hun<br />

positie in de maatschappij worden verbeterd. Door bij te sturen en te corrigeren<br />

op het vlak van mobiliteit krijgen ze meer autonomie en wordt hun toegang tot<br />

de samenleving verbeterd en krijgen ze meer vat of controle krijgen op andere<br />

aspecten van hun leven.<br />

Aansluitend bij het regeerakkoord krijgen de leerlingen uit het lager en het<br />

secundair onderwijs een bijzondere plaats in het voorziene beleid rond mobiliteit.<br />

Voor leerlingen uit het lager en secundair onderwijs moet basismobiliteit worden<br />

gewaarborgd. In samenwerking met de Lijn moet een netoverschrijdend<br />

leerlingenvervoer worden georganiseerd.<br />

De motivatie om deze doelgroep in de verf te zetten, berust op een combinatie<br />

van twee individuele rechten. Elk kind heeft het recht en tot 18 jaar zelfs de plicht<br />

om onderwijs te volgen en dus heeft het kind het recht om tot aan de<br />

schoolpoort te geraken. Dat blijkt niet voor elke leerling of gezin even<br />

vanzelfsprekend. Te voet of met de fiets is niet overal en niet voor iedereen een<br />

haalbare en/of veilige oplossing. Voor deze groep is dus een belangrijke taak<br />

weggelegd voor het openbaar vervoer. In de loop van deze legislatuur is het<br />

dan ook de bedoeling om het leerlingenvervoer verder uit te bouwen, wat zijn<br />

beslag moet krijgen in een algemeen decreet leerlingenvervoer.<br />

Op dit ogenblik bevindt de uitbreiding van de basismobiliteit naar het<br />

leerlingenvervoer zich in een voorbereidingsfase. Momenteel lopen een aantal<br />

pilootprojecten als voorbereiding op een toekomstig Vlaams beleidskader inzake<br />

woon-schoolverkeer.<br />

18


2.3. Basismobiliteit vandaag<br />

Met het decreet Basismobiliteit werd een eerste baanbrekende stap gezet in de<br />

realisatie van basismobiliteit als recht voor iedereen. Dat recht op basismobiliteit<br />

klinkt in de oren van de Vlamingen ondertussen misschien als een evidentie<br />

maar dat is het zeker niet. Op Europees en zelfs op wereldniveau is <strong>Vlaanderen</strong><br />

op dat vlak vrij uniek en heeft het een voorbeeldfunctie voor tal van andere<br />

regio’s en landen. We wensen dan ook even stil te staan bij de vraag hoe deze<br />

in de praktijk tot stand kwam. Het is immers niet voldoende om de politieke wil<br />

om te zetten in een beleidskader en beleidsinstrumenten te voorzien. De<br />

implementatie in de praktijk is meestal een werk van lange adem en van veel<br />

overleg. In de periode 1999 tot vandaag is op het vlak van basismobiliteit in<br />

<strong>Vlaanderen</strong> echter al heel veel verwezenlijkt. Eind 2006 had 90% van de<br />

Vlamingen een basisaanbod aan openbaar vervoer. Dat betekent dat er bijna<br />

overal in de woonzones een aanbod is aan openbaar vervoer en dat 9 op 10<br />

Vlamingen over een degelijk, openbaar vervoer kunnen beschikken. In een<br />

volgende fase, vanaf 2007, stelt de Vlaamse overheid geld ter beschikking van<br />

De Lijn voor projecten in het kader van het netmanagement. (De Lijn, 2006)<br />

Cartografische weergave van de mate van realisatie van basismobiliteit<br />

Om zover te komen werd in samenwerking met de Administratie Wegen en<br />

Verkeer door de Lijn een prioriteitenlijst opgesteld van gemeenten waar nog het<br />

meeste werk is om het aanbod op het gevraagde niveau te krijgen. Op basis<br />

van de prioriteitenlijst werden in de periode 2001 – 2006 elk jaar projecten in<br />

gang gezet om het aanbod aan openbaar vervoer op het vereiste peil te<br />

brengen. Het prioriteitensysteem voor basismobiliteit houdt rekening met de<br />

19


afstand van de woning tot de halte (op het platteland is dat bijv. 750 meter in<br />

vogelvlucht), hoeveel keer per uur er een bus of tram passeert, de maximale<br />

wachttijd, en de uren waarbinnen gereden wordt. Verder wordt de<br />

bevolkingsdichtheid in de woonzones van de gemeenten in aanmerking<br />

genomen. De afbakening van de ‘erkende woonzones’ is mee in het<br />

uitvoeringsbesluit over de basismobiliteit opgenomen. Om de score te<br />

berekenen, wordt een formule gebruikt:<br />

I = (2NTB + NTA) x N<br />

TOT<br />

Waarbij N voor het inwoneraantal van de gemeente staat; TOT voor de totale<br />

oppervlakte woongebied in de gemeente; NTB voor de niet bediende<br />

oppervlakte op een dinsdag (x5), zaterdag en zondag; en NTA voor de niet<br />

afdoende bediende oppervlakte op een dinsdag (x5), zaterdag en zondag.<br />

2.4. Tussen beleid en realiteit<br />

In de bovenstaande onderdelen hebben we ruim aandacht besteed aan de<br />

politieke context waarin het principe van basismobiliteit wordt gekaderd. In de<br />

periode die we hebben belicht, is de zorg om de mogelijkheden van de<br />

Vlaamse bevolking om zich te kunnen verplaatsen zeer duidelijk aanwezig. In de<br />

beleidsnota’s, de regeerakkoorden en het mobiliteitsplan wordt de toenemende<br />

behoefte om zich voor tal van activiteiten te verplaatsen benadrukt. Daarbij<br />

wordt meermaals verwezen naar specifieke doelgroepen (ouderen,<br />

gehandicapten,…) die door hun financiële en/of hun fysieke conditie het zeer<br />

moeilijk hebben om zich te verplaatsen. Net als voor alle andere<br />

bevolkingsgroepen is de behoefte om zich te kunnen verplaatsen zeer groot.<br />

Deze vaststelling is zonder meer terecht en wordt door de mensen die we<br />

geïnterviewd hebben ook beaamd. Zich kunnen verplaatsen is heel belangrijk<br />

en gevraagd naar wat zij verstaan onder het begrip ‘basismobiliteit’ wordt<br />

zonder uitzondering gesproken in termen van zich kunnen verplaatsen naar waar<br />

en wanneer men wil.<br />

“Basismobiliteit is voor mij, mij kunnen bewegen naar een plaats waar ik wil, in<br />

<strong>Vlaanderen</strong> op onze wereldbol… Om iets te bezoeken.”<br />

(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

“Basismobiliteit is dat ge op de gewenste tijd ergens naar toe kunt. Zonder al te<br />

veel poespas.”<br />

(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />

“Basismobiliteit zou moeten betekenen dat iedereen zich zo vrij mogelijk moet<br />

kunnen bewegen. Onafhankelijk van uw inkomen of van de plaats waar je<br />

woont.”<br />

(Peter 43 jaar Kortrijk)<br />

20


“Basismobiliteit zijn de middelen die ge kunt gebruiken om uw dagelijkse<br />

verplaatsingen te doen.”<br />

(Erik 33 jaar Kortrijk)<br />

“Basismobiliteit is voor mij dat ge overal kunt geraken waar ge wilt geraken.”<br />

(Sabine 36 jaar Geel)<br />

In slechts enkele zinnen geven de geïnterviewden de idee over basismobiliteit<br />

weer die we ook terugvinden in de politieke nota’s. Ook zij spreken zeer duidelijk<br />

in termen van noden en behoeften. Naast het opvallende gegeven dat geen<br />

enkele van de bevraagde respondenten op de hoogte was van het bestaan<br />

van het decreet en van het recht op basismobiliteit, stellen we ook vast dat<br />

slechts een beperkt aantal respondenten spontaan verwees naar een aanbod<br />

van openbaar vervoer.<br />

“Basismobiliteit is voor mij dat ge veel keur hebt in de autobussen en zo.”<br />

(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

“Basismobiliteit is de mogelijkheid om u goed en makkelijk te kunnen verplaatsen.<br />

Met de bus of met de wagen.”<br />

(Janine 58 jaar Gooik)<br />

“Basismobiliteit is de mobiliteit die iemand aangeboden krijgt om ergens naar toe<br />

te gaan. Zowel van de fiets tot bus, taxi en alles wat te maken heeft met<br />

vervoer.”<br />

(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

“Basismobiliteit is de minimale mobiliteit die iedereen moet kunnen hebben om<br />

zich te verplaatsen. Waar de overheid moet zorgen dat de mensen zich op een<br />

behoorlijke manier moeten kunnen verplaatsen. Het minimum om zich te kunnen<br />

verplaatsen van A naar B en om de behoeften te bevredigen op het vlak van<br />

boodschappen kunnen doen, verwanten te bezoeken en openbare diensten te<br />

gebruiken.”<br />

(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

“Basismobiliteit is voor mij het aanbod van het openbaar vervoer voor mensen<br />

die geen auto hebben om zich te verplaatsen van A naar B”.<br />

(Bart 28 jaar Merelbeke)<br />

“Basismobiliteit is dat ge u gemakkelijk kunt verplaatsen hé. Dat ge niet te ver van<br />

uw deur een bus hebt, tja.”<br />

(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

Door het beperkte aantal respondenten kunnen we aan deze vaststellingen<br />

uiteraard geen concrete conclusies trekken, maar we onthouden toch dat men<br />

bij voorgaande formulering van basismobiliteit in de eerste plaats denkt aan de<br />

eigen middelen. In vele gevallen betekent dat ‘mijn auto’, maar voor heel wat<br />

Vlamingen is dat toch ook ‘mijn fiets’.<br />

21


“Basismobiliteit is mijn auto. Te voet of te fiets kan ik hier niets doen op de buiten.<br />

En soms de bus, als ik geen auto heb, om naar Halle te gaan.”<br />

(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

“Basismobiliteit is voor mij hier den auto.”<br />

(Agnes 45 jaar Geel)<br />

“Basismobiliteit wat is dat? Dat is meestal onze wagen uiteindelijk hé.”<br />

(Ignace 53 jaar Waasmunster)<br />

“Basismobiliteit is voor ons de fiets”<br />

(Karen 30 jaar Waasmunster)<br />

“Basismobiliteit… voor ons is dat de garage opendoen, de auto instappen en<br />

vertrekken”<br />

(André 59 jaar Merelbeke)<br />

Maar of men nu verwijst naar de wagen, de fiets of het openbaar vervoer,<br />

mensen verplaatsen zich met een doel. Ze hebben een behoefte die ze wensen<br />

te bevredigen en om dat te bereiken, hebben ze vervoer nodig. Het valt ons<br />

dan ook op dat in het decreet over basismobiliteit op geen enkel punt deze<br />

behoeften expliciet worden vermeld. De reden hiervoor is gelegen in de<br />

benadering waarvoor men heeft geopteerd. Uiteraard is de achterliggende<br />

idee om iedereen de mogelijkheid te bieden om met het openbaar vervoer de<br />

gewenste verplaatsing te maken. Bij de invulling van het aanbod wordt, krijgt<br />

bijvoorbeeld de ochtend- en de avondspits specifieke aandacht.<br />

Binnen een algemeen ‘gelijke kansenbeleid’ is de keuze voor een geografische<br />

afdekking van het Vlaamse grondgebied een logische keuze. Door het aanbod<br />

af te stemmen op critria als afstand, frequentie en amplitude heeft iedereen<br />

dezelfde kans om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Dat betekent<br />

echter ook dat de behoeften van alle of toch een meerderheid van de<br />

Vlamingen ongeveer gelijk zijn. Wetenschappelijke studies en ook de visie in de<br />

beleidsnota’s veronderstellen echter dat dit niet zo is. Vergelijken we de politieke<br />

visie over basismobiliteit met het bijhorende decreet dan is het duidelijk dat letter<br />

en geest elkaar niet hand in hand volgen. De noden en behoeften op het vlak<br />

van verplaatsingen zijn ongetwijfeld sterk vervat in collectieve ritmen, maar<br />

vanuit het individuele perspectief kan de invulling van de noden en behoeften<br />

en zeker van de vervoersmogelijkheden erg verschillen.<br />

2.5. Conclusies deel 2<br />

We stellen vast dat de politieke visie rond basismobiliteit sterk gelieerd wordt aan<br />

vervoersarmoede, of meer algemeen aan ongelijke kansen om zich te<br />

verplaatsen. Beleidsmatig wordt deze visie vertaald in een decreet waarbij in de<br />

eerste plaats wordt uitgegaan van gelijke kansen voor het gebruik van het<br />

openbaar vervoer en waarin behoeftepatronen niet expliciet worden<br />

geformuleerd.<br />

22


In deze studie gaat alle aandacht net uit naar de behoeften van mensen om<br />

zich te verplaatsen. De centrale vraag is immers of het aanbod van de Lijn in het<br />

teken van basismobiliteit leidt tot positieve sociale effecten voor mensen die<br />

door het gebruik van het openbaar vervoer zich kunnen verplaatsen om aan<br />

hun behoeften te voldoen. In realiteit is dit effect moeilijk meetbaar. Niet alleen<br />

omdat we over geen objectieve indicatoren beschikken om het effect in kaart<br />

te brengen, maar vooral omdat de modale burger geen weet heeft van het<br />

specifieke aanbod in het kader van basismobiliteit.<br />

Men gebruikt het openbaar vervoer maar men is zich er niet van bewust dat een<br />

aanbod al dan niet het gevolg is van een project ‘basismobiliteit’. De mensen<br />

die we geïnterviewd hebben, zijn immers niet op de hoogte van het decreet.<br />

Voor hen is de bus… de bus.<br />

Dat betekent ook dat we in onze studie quasi onmogelijk die specifieke lijnen uit<br />

het aanbod van de Lijn kunnen afzonderen van het reguliere aanbod van de<br />

Lijn. Het reguliere aanbod van de Lijn is immers veel ruimer dan het aanbod in<br />

het kader van basismobiliteit. Enkel voor het al dan niet gebruik van de ‘belbus’<br />

is dit duidelijk, al dient hierbij gezegd dat niet elke belbus werd ingevoerd in het<br />

kader van basismobiliteit. In onze interviews kwam het verscheidene malen voor<br />

dat men veelvuldig gebruik maakt van het openbaar vervoer, in casu het<br />

aanbod van de Lijn en dat men over dat aanbod zeer tevreden was, maar dat<br />

men geen gebruik maakt van de belbus omdat dit niet tegemoet komt aan zijn<br />

of haar behoeften. Concreet zouden we in dergelijke situatie kunnen<br />

concluderen dat het aanbod in het kader van basismobiliteit voor deze persoon<br />

geen sociaal effect genereert, maar het aanbod van de Lijn in zijn geheel juist<br />

wel een duidelijk effect heeft.<br />

23


3. Noden en behoeften voor verplaatsingen<br />

De kern van de onderzoeksvraag beslaat de persoonlijke en sociale baten van<br />

basismobiliteit en zodoende een complex van sociale effecten die worden<br />

gegenereerd door de implementatie van het decreet basismobiliteit. Zonder<br />

diepgaand in te gaan op de een waaier van definities benaderen we sociale<br />

baten van basismobiliteit als wat het gebruik van diensten ingevoerd in het<br />

kader van het decreet basismobiliteit aan het individu en aan de maatschappij<br />

oplevert. Wat dat concreet is, hebben we voor deze studie vertaald als<br />

welbevinden. In de eerste plaats gaat het over het persoonlijke welbevinden.<br />

Dat kan op zijn beurt worden vertaald als de voldoening die de persoon ervaart<br />

als zijn of haar behoefte wordt bevredigd. Geëxtrapoleerd naar de collectiviteit<br />

levert de som van individuen met persoonlijk welbevinden een gemeenschap<br />

op met sociaal welbevinden.<br />

Volgens de OESO zal de relatie tussen mobiliteit en welbevinden in de komende<br />

decennia steeds sterker worden. Dat is niet enkel het geval voor <strong>Vlaanderen</strong>,<br />

maar dat geldt eigenlijk voor alle Westerse landen. Met de vergrijzing van de<br />

bevolking zal de vraag bij ouderen naar transport en mobiliteitsdiensten een<br />

essentiële rol spelen voor de onafhankelijkheid en de gezondheid van de<br />

ouderen (OECD, 2001). Om een duidelijk beeld te verkrijgen van de behoefte<br />

om zich te verplaatsen, bekijken we eerst het verplaatsingsgedrag van de<br />

Vlaming en de plaats van het openbaar vervoer in deze verplaatsingen.<br />

3.1. Het verplaatsingsgedrag van de Vlaming<br />

Met betrekking tot het verplaatsingsgedrag van de Vlaming vermelden we<br />

graag een aantal interessante indicatoren. Jammer genoeg zijn de gegevens<br />

niet altijd van recente datum. Desondanks stellen we vast dat viervijfde van de<br />

bevolking zich dagelijks verplaatst, gemiddeld ongeveer 30 kilometer aflegt per<br />

dag. Gespreid over gemiddeld 2,8 verplaatsingen heeft hij of zij daar gemiddeld<br />

64 minuten voor nodig.<br />

Tabel: Verplaatsingen in <strong>Vlaanderen</strong> ( 2000/2001* - 2004**)<br />

<strong>Vlaanderen</strong><br />

Percentage personen dat zich verplaatst (%)* 80,0 %<br />

Gemiddeld aantal verplaatsingen per persoon en per dag* 2,76<br />

Afgelegde afstand per persoon en per dag (km)* 32,70<br />

Benodigde verplaatsingstijd per persoon en per weekdag<br />

(min)**<br />

Bronnen:<br />

*Onderzoek Verplaatsingsgedrag (2004)<br />

** Tijdsbudgetonderzoek, VUB-TOR, (2006)<br />

64<br />

24


Kijken we naar de vervoersmiddelen die voor deze verplaatsingen werden<br />

gebruikt, dan blijkt meer dan 60% van de verplaatsingen te gebeuren door<br />

middel van de wagen. Slechts een kleine 4% van de verplaatsingen gebeuren<br />

door gebruik te maken van het openbaar vervoer.<br />

Tabel: Verdeling van het gemiddelde aantal verplaatsingen per persoon per<br />

dag volgens hoofdvervoerswijze<br />

Hoofdvervoersmiddel Percentage<br />

Auto (als bestuurder) 44,2<br />

Auto (als passagier) 17,6<br />

Fiets 14,6<br />

Te voet 11,1<br />

Onbepaald 6,3<br />

Lijnbus 1,6<br />

Trein 1,6<br />

Brom- of snorfiets 1,1<br />

Andere 1,1<br />

Tram 0,4<br />

Motor 0,3<br />

(pre)metro 0,1<br />

Bron: Onderzoek Verplaatsingsgedrag (200-2001)<br />

In bovenstaande tabel wordt het aandeel voetgangers-, fietsverplaatsingen en<br />

het gebruik van het openbaar vervoer wel onderschat. Dat komt omdat in deze<br />

cijfers de hoofdvervoerswijze wordt gedefinieerd als de vervoerswijze waarmee<br />

de grootste afstand van de verplaatsing wordt afgelegd. Met het hanteren van<br />

deze term wordt het belang van het voor- en natransport, waaronder deze<br />

vervoersmiddelen, onderschat.<br />

Bovendien komt het gebruik van het openbaar vervoer sterker naar voor als we<br />

enkel rekening houden met de belangrijkste verplaatsingstroom op de dag, met<br />

name de spitsuren.<br />

25


Grafiek: Verdeling van het totaal aantal verplaatsingen volgens vertrekuur van<br />

een dag in de werkweek (naar motief) en een dag in het weekend<br />

(gemiddelde per dag) (populatieniveau)<br />

250.000<br />

200.000<br />

150.000<br />

100.000<br />

50.000<br />

0<br />

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24<br />

Bron: OVG <strong>Vlaanderen</strong> 2000-2001<br />

verplaatsingen naar vertrekuur op een werkdag om andere redenen<br />

verplaatsingen naar vertrekuur op een werkdag voor zakelijk en woon-werk/schoolverkeer<br />

totaal aantal verplaatsingen naar vertrekuur op een weekenddag<br />

totaal aantal verplaatsingen naar vertrekuur op een werkdag<br />

Dat het gros van de verplaatsingen op de spitsuren word ingenomen door<br />

woon-werk en woon-school verplaatsingen is niet verbazend.<br />

Grafiek: Verdeling van de pendelverplaatsingen, Vlaams Gewest, 2001<br />

26


percentage van de totale werkende en schoolbevolking dat onderweg is<br />

naar school of werk<br />

30<br />

25<br />

20<br />

15<br />

10<br />

5<br />

0<br />

0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24<br />

uren van de dag<br />

Plaatsen we het openbaar vervoer in deze belangrijke verplaatsingstromen dan<br />

nemen bus, tram en trein een prominentere plaats in.<br />

Tabel: Verdeling van de hoofdvervoerswijze voor woon-werk en woon-school<br />

verplaatsingen<br />

Hoofdvervoersmiddel<br />

Woon-werk<br />

verkeer (%)<br />

Woon-school<br />

verkeer (%)<br />

Auto (als bestuurder) 68,6 3,4<br />

Auto (als passagier) 4,2 27,3<br />

Fiets 12,9 38,3<br />

Te voet 2,6 8,1<br />

Bus/tram/metro 2,4 9,8<br />

Trein 5,5 6,5<br />

Brom- of snorfiets 1,0 2,9<br />

Bedrijfs/schoolvervoer 1,9 3,7<br />

Motor 0,9 0,1<br />

Bron: Onderzoek Verplaatsingsgedrag (2000-2001)<br />

Voor het woon-werkverkeer gebruikt ongeveer 8% van de woon-werkpendelaars<br />

het openbaar vervoer. Voor de verplaatsingen van en aar school stijgt dat<br />

percentage naar 20% als we het schoolvervoer mee in rekenschap brengen.<br />

Op het vlak van de mobiliteitsproblematiek levert het openbaar vervoer dus<br />

zeker wel een positieve bijdrage. Bovendien stammen deze cijfers van een<br />

periode voor de invoering van de projecten rond basismobiliteit en een aantal<br />

andere initiatieven ter bevordering van het gebruik van het openbaar vervoer.<br />

Sinds 2000 is de situatie wel degelijk veranderd. Ondermeer door succesvolle<br />

stimuleringsactie bij bepaalde doelgroepen zoals de ouderen om het openbaar<br />

27


vervoer meer te gebruiken zit het gebruik van het openbaar vervoer duidelijk in<br />

de lift. Om deze stelling te staven verwijzen we naar een aantal indicatoren om<br />

dit aan te tonen.<br />

28


Tabel: Openbaar vervoer over de weg (1999 – 2005)<br />

1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005<br />

Vervoerde reizigers<br />

(België) (mln) 532,5 532,6 529,7 540,8 554,9 608,1 691,5 761,3 838,7 895,3<br />

De Lijn (<strong>Vlaanderen</strong>) 2 214,9 214,9 216,4 223,2 240,4 265 318,4 362,2 413,9 448,7<br />

Afgelegde kilometer<br />

(België) (mln km) 240,8 244,4 250,8 255,8 254,7 274,3 309,9 328,9 344,8 349<br />

De Lijn (<strong>Vlaanderen</strong>) 3 117,7 119,7 124,7 127,6 130,6 143,5 163,7 178,8 193,4 200,2<br />

Aantal lijnen (België) 1.069 1.389 1.543 1.706<br />

De Lijn (<strong>Vlaanderen</strong>) 402 682 830 981<br />

Lengte van het net<br />

(België) (in km) 31.411 31.684 30.197 32.896<br />

De Lijn (<strong>Vlaanderen</strong>) 12.848 13.439 11.853 14.295<br />

Aantal stopplaatsen<br />

(België) 4 53.456 53.147 57.039<br />

De Lijn (<strong>Vlaanderen</strong>) 32.600 33.154 36.982<br />

Bron: De Lijn, TEC en MIVB. Sommige berekeningen: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek<br />

en Economische Informatie.<br />

Verscheidene geïnterviewden beamen het feit dat men de laatste jaren steeds<br />

vaker een beroep doet op het openbaar vervoer. Dat geldt zeker voor de 65plussers,<br />

maar ook bij leeftijdsgroepen die geen speciale tarieven krijgen. Vooral<br />

om naar de stad (Antwerpen, Brussel, Gent,…) te gaan, komt het openbaar<br />

vervoer steeds uitdrukkelijker in beeld. De argumenten bij uitstek zijn het drukke<br />

verkeer in de stad en de stress, het gebrek aan parkeermogelijkheden en de<br />

kostprijs van betaalparking. Tal van geïnterviewden nemen dan ook de wagen<br />

tot een ‘veilige’ en kosteloze parking aan de rand van de stad, van waaruit ze<br />

gemakkelijk met het openbaar vervoer (tram, trein of bus) naar het centrum<br />

worden gebracht.<br />

“Meestal gaan we met de wagen naar Gent, maar als we naar Antwerpen<br />

gaan, dan rijden we naar Linkeroever en daar nemen we de metro. Ook al<br />

omdat het te druk is en omdat we geen parkeerplaats vinden.”<br />

(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />

“Naar Gent of Antwerpen of zo dan neem ik wel de tram of de trein. Dan rijd ik<br />

tot aan de parking en dan neem ik het openbaar vervoer. Allez, dat vind ik<br />

normaal. Dat is zo veel gemakkelijker. Ik ga daarom ook niet meer naar de<br />

bibliotheek in Kortrijk. Ge kunt daar niet meer op of door en ge vindt daar geen<br />

parkeerplaats.”<br />

(Peter 43 jaar Kortrijk)<br />

“Als we al eens naar de stad gaan, dan pakken we de tram hé. Allez, ’t is te<br />

zeggen we rijden tot in Merksem naar de ‘Park en Ride’ en daar pakken we den<br />

2 Exclusief leerlingenvervoer. Sinds 1 september 2001 organiseert De Lijn een deel van het<br />

leerlingenvervoer.<br />

3 Vanaf 2001: inclusief leerlingenvervoer. Sinds 1 september 2001 organiseert De Lijn een deel van<br />

het leerlingenvervoer.<br />

4 1 richting.<br />

29


tram recht naar ’t Centrum. Tegen dat ge parking gevonden hebt in stad, zijt ge<br />

veel gemakkelijker met de tram.”<br />

(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“Als we naar linkeroever gaan, dan nemen we ook de tram. Dan zetten we onze<br />

auto aan de Carrefour daar is ne ‘Park en Ride’ en dan pakken we de tram. Dan<br />

moet ge geen parking betalen en zo. Dat is wel gemakkelijk.”<br />

(An 34 jaar Brasschaat)<br />

“Om de stad te bezoeken, bijvoorbeeld Antwerpen, dan nemen we de auto tot<br />

Zwijndrecht en van daar de tram. Die bollen met u Antwerpen binnen. Waarom<br />

zou ik parking betalen en nog 20 keer voor rode lichten staan en mij zenuwachtig<br />

maken? Dat heeft geen zin hé. “<br />

(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

Teruggekoppeld naar onze initiële onderzoeksvraag is in dit geval echter geen<br />

sprake van het gebruik van het aanbod in het kader van basismobiliteit. Zelfs<br />

indien zich op nog geen 100 meter van hun voordeur een bushalte bevindt, zal<br />

men in dit geval ervoor opteren om de afstand tussen thuis en de parking aan<br />

de rand van de stad met de wagen af te leggen. Op dit gedrag komen we<br />

verder in deze studie zeker terug.<br />

Uit het overzicht van de verplaatsingsindicatoren stellen we vast dat de wagen<br />

met stip het meest gebruikte vervoersmiddel is voor verplaatsingen. Het gebruik<br />

van het openbaar vervoer is redelijk beperkt.<br />

Grafiek: Verdeling van gezinnen volgens gebruik van lijnbus, tram en metro<br />

Bron: OVG <strong>Vlaanderen</strong> (2000 – 2001)<br />

Toch geeft bovenstaande grafiek aan dat meer dan 11% van de gezinnen in<br />

<strong>Vlaanderen</strong> dagelijks of toch minstens 1 keer per week gebruik maakt van de<br />

30


us, de tram of de metro. Meer dan 20 % van de Vlaamse bevolking gebruikt<br />

deze vervoersmiddelen minstens 1 keer per maand. Het gebruik van deze<br />

vervoersmiddelen beperkt zich uiteraard niet voor de eerder aangehaalde<br />

behoeften aan woon-werk en woon-schoolverplaatsingen.<br />

3.2. Maatschappelijke behoefte aan verplaatsen<br />

Mensen verplaatsen zich om te winkelen, om te gaan werken, om naar school te<br />

gaan, om de vrije tijd in te vullen, om naar vrienden of familie te gaan enzovoort.<br />

Kortom, mensen verplaatsen zich voortdurend om deel te nemen aan het<br />

maatschappelijke leven. Het is dan ook evident dat mobiliteit als een belangrijke<br />

hefboom wordt beschouwd voor de socio-economische en culturele<br />

ontwikkeling van de mens. De ‘toegankelijkheidsdoelstelling’ in het<br />

Mobiliteitsplan <strong>Vlaanderen</strong> kan met andere woorden worden vertaald in een<br />

integratiedoelstelling. Een mobiliteitsbeleid moet de opname in de maatschappij<br />

bevorderen en de deelname aan haar activiteiten nastreven door het<br />

verschaffen van toegang tot die plaatsen waar die activiteiten zich voltrekken.<br />

(Mobiliteitscel, 2001) Een mobiliteitsbeleid moet dus afgestemd zijn op de<br />

motieven voor de verplaatsingen<br />

Tabel: Motief voor verplaatsingen - België en Vlaams Gewest (1998/1999) 5<br />

Motief voor verplaatsing 6 België Vlaams<br />

Gewest<br />

Iemand afzetten of gaan halen 15,0% 15,1%<br />

Naar huis terugkeren 66,4% 67,6%<br />

Bezoek voor het werk 3,7% 3,5%<br />

Gaan werken 22,8% 23,4%<br />

Naar school gaan (om lessen te volgen) 9,8% 10,0%<br />

Om buitenshuis een maaltijd te gebruiken 6,1% 6,3%<br />

Boodschappen doen, gaan winkelen 27,9% 28,1%<br />

Persoonlijke redenen (dokter, bank…) 11,0% 11,1%<br />

Familie- of vriendenbezoek 17,2% 16,5%<br />

Gaan wandelen, een ritje maken 7,1% 6,2%<br />

Ontspanning, sport, cultuur 15,4% 16,7%<br />

Andere of onbekende redenen 0,6% 0,6%<br />

Bron: Nationale enquête naar de mobiliteit van de huishoudens (1998-1999), gefinancierd door de<br />

POD Wetenschapsbeleid, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waals Gewest, gerealiseerd<br />

door de Groupe de Recherche sur les Transports des Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix<br />

(coördinator), Langzaam Verkeer, het Institut Wallon, de Universitaire Instelling Antwerpen en de<br />

Algemene Directie Statistiek.<br />

Uit bovenstaande motieven wordt meteen duidelijk dat de motieven om zich te<br />

verplaatsen door heel wat Vlamingen wordt gedeeld. Gaan werken,<br />

5 Deze cijfers hebben betrekking op de verplaatsingen in de loop van de dag van het onderzoek<br />

door de Belgische bevolking van 6 jaar en ouder.<br />

6 Eenzelfde persoon kan zich in de loop van de dag omwille van verschillende redenen<br />

verplaatsen. De opgenomen rubrieken mogen dus niet zomaar opgeteld worden.<br />

31


oodschappen doen, iemand afzetten of gaan halen, familiebezoeken, om zich<br />

te ontspannen enzovoort zijn voor heel wat Vlamingen de redenen om zich te<br />

verplaatsen. Waar men ook naar toe gaat voor bijna iedereen eindigt het<br />

verplaatsingspatroon van de Vlamingen thuis.<br />

In onze analyse van de behoeften is de laatste verplaatsing richting huis geen<br />

onbelangrijke verplaatsing. We zouden deze verplaatsing eigenlik zelfs als de<br />

allerbelangrijkste verplaatsing kunnen bestempelen, want of men nu naar het<br />

werk, naar familie, naar de winkel of eender waar moet zijn, uiteindelijk moet<br />

bijna iedereen op het einde van de dag terug thuis geraken. En liefst zo snel<br />

mogelijk na het beëindigen van de laatste activiteit…<br />

De verplaatsing terug naar huis is een logische en dus ook de meest<br />

voorkomende verplaatsing. Bekijken we daarnaast het geheel van de<br />

verplaatsingen van de Vlaming naar de behoeften, dan kunnen drie<br />

categorieën van verplaatsingen worden onderscheiden. Een eerste categorie<br />

verplaatsingen omvat de verplaatsingen die voortvloeien uit activiteiten die<br />

door de overheid ‘verplicht’ zijn. Voor kinderen boven de 3 jaar en jongeren<br />

onder de 18 jaar zijn dat verplaatsingen in functie van de school. Voor<br />

volwassenen zijn dat verplaatsingen in functie van het werk. Een tweede<br />

categorie verplaatsingen heeft betrekking op activiteiten die ‘noodzakelijk’ zijn<br />

voor het levensonderhoud. Het omvat verplaatsingen naar de winkel of het<br />

grootwarenhuis om levensmiddelen in te slaan, maar ook verplaatsingen naar<br />

diensten als de bank, de post of andere administratieve diensten. Een derde en<br />

laatste grote categorie verplaatsingen zijn verplaatsingen die ‘belangrijk’ zijn<br />

voor het welzijn van lichaam en geest. Dit zijn verplaatsingen die zich<br />

voornamelijk situeren in de sfeer van de vrije tijd en hebben betrekking op<br />

ontspanning en recreatie. Werk- en schoolgebonden verplaatsingen nemen 33%<br />

van de dagelijkse verplaatsingen voor hun rekening. Ongeveer een even groot<br />

aandeel van verplaatsingen zijn verplaatsingen die te maken hebben met de<br />

vrije tijd en een iets kleiner aandeel van de verplaatsingen zijn bedoeld om te<br />

voldoen aan de noodzakelijke behoeften, het inslaan van levensmiddelen en<br />

het bezoek van diensten. Grosso modo zouden we het geheel van de<br />

verplaatsingen van de Vlaming met andere woorden kunnen opsplitsen in een<br />

derde ‘verplichte’ verplaatsingen voor werk en school, een derde ‘noodzakelijk’<br />

verplaatsingen naar de klein- en groothandel en de dienstensector en een<br />

derde ‘belangrijke’ verplaatsingen in het kader van de vrije tijd.<br />

Onderzoeksresultaten geven daarnaast duidelijk aan dat de vervoersbehoeften<br />

sterk verschillen over de uren van de dag en over de dagen in de week (Tor,<br />

1999). ‘Verplichte’ verplaatsingen vinden voor het grootste gedeelte plaats<br />

tussen 7 en 9 en tussen 16 en 19 uur, de spitsuren zeg maar. ‘Noodzakelijke’<br />

verplaatsingen, naar de winkels en diensten vinden gezien de openingsuren in<br />

de weekdagen tussen de spitsuren plaats, waarbij degenen die niet op het werk<br />

of op school zitten deze verplaatsingen liefst tussen 9 en 16 uur maken en<br />

degenen die wel op het werk zaten deze verplaatsingen ook moeten maken<br />

tijdens het reeds uitgebreide stroom verplaatsingen huiswaarts of ze stellen deze<br />

verplaatsing uit tot op zaterdag. De ‘belangrijke’verplaatsingen die voornamelijk<br />

in de vrije tijd plaatsvinden gebeuren dan na 19 uur en tijdens weekenddagen.<br />

32


Een algemeen overzicht van de vervoersmiddelen die voor deze verschillende<br />

categorieën verplaatsingen worden gebruikt, leert dat koning wagen voor al<br />

deze verplaatsingen hoog scoort. Uitzondering op de regel is de woonschoolverplaatsingen,<br />

wat voor een stuk ook logisch is, gezien de leeftijd waarop<br />

men deze verplaatsingen moet maken, maar ook gezien de afstand van de<br />

verplaatsing voor schoolgaande kinderen in het kleuter en basisonderwijs.<br />

De afstand van de verplaatsing is niet onbelangrijk. Ondanks het gegeven dat<br />

meer dan de helft van de verplaatsingen binnen een straal van 5 kilometer van<br />

het huis worden gemaakt en hiervoor door de helft van deze verplaatsingen de<br />

wagen wordt gebruikt, zijn voor het afleggen van deze afstanden ook de fiets en<br />

de bromfiets (16%) en te voet (14%) belangrijke vervoermiddelen.<br />

Voor verplaatsingen die de eerste 5 kilometer overschrijden komt het openbaar<br />

vervoer sterk in beeld. Dat geldt vooral voor verplaatsingen die we als<br />

gemiddeld op het vlak van afstand kunnen beschouwen. Eens de afstand van<br />

de verplaatsing weer groter wordt, is de auto het favoriete vervoersmiddel.<br />

(Mobiliteitscel, 2001)<br />

Bovenstaande gegevens zijn zeer ongenuanceerd. Het gebruik van bepaalde<br />

vervoersmiddelen voor het invullen van bepaalde behoeften is immers niet<br />

geheel toevallig en vraagt binnen het kader van deze studie toch een zekere<br />

nuancering. Laten we even de financiële, fysieke en andere belemmeringen of<br />

overwegingen buiten beschouwing, dan spelen tijd en afstand dus een cruciale<br />

rol in de keuze voor het gebruikte voertuig voor een bepaald doel. We komen<br />

hier uitgebreid op terug bij de beschrijving van de behoeften en ook bij de<br />

beschrijving van de criteria om voor een bepaald vervoersmiddel te kiezen in<br />

het algemeen en voor het openbaar vervoer in het bijzonder. Alvorens daartoe<br />

over te gaan, willen we eerst een nieuwe dimensie toevoegen aan deze studie.<br />

Om de sociale baten van basismobiliteit in kaart te brengen willen we immers<br />

een omweg maken langs het welbevinden dat het aanbod met zich meebrengt<br />

voor de gebruikers.<br />

3.3. De verschillende dimensies van welbevinden<br />

Maatschappelijk onbehagen is de laatste jaren een veel besproken thema. Dat<br />

komt omdat verscheidene studies aangeven dat heel wat Vlamingen zich<br />

onbehaaglijk voelen (Elchardus e.a., 2001; Elchardus & Smits, 2002; Elchardus &<br />

Pelleriaux, 2003; Elchardus & De Groof, 2005). De bezorgdheid om het<br />

maatschappelijke onbehagen wordt gevoed door de vastgestelde relatie met<br />

wantrouwen in instellingen, negatieve toekomstbeelden, gevoelens van<br />

machteloosheid, anomie en onveiligheid. Bovendien blijkt er ook een relatie<br />

tussen gevoelens van maatschappelijk onbehagen en een ondemocratisch<br />

waardepatroon, racisme, onverdraagzaamheid en radicale verrechtsing.<br />

Over de oorzaken van maatschappelijk onbehagen heerst op dit ogenblik nog<br />

een geanimeerde wetenschappelijke discussie en is men het nog lang niet eens.<br />

Over alle kleine en grote verschillen heen zijn de meeste menswetenschappers<br />

het eens dat gevoelens van onbehagen kunnen worden verklaard door het<br />

ervaren van kwetsbaarheid, verlies van of gebrek aan controle over het leven,<br />

33


verlies van of gebrek aan betrokkenheid, zekerheid, respect en zelfrespect.<br />

(Elchardus & De Groof, 2005).<br />

In de beleidsvisie speelt het gebrek aan verplaatsingsmogelijkheden een<br />

belangrijke rol in het verlies van of het gebrek aan controle en aan het gebrek<br />

aan betrokkenheid. Vanuit deze optiek kan basismobiliteit dan ook een<br />

rechtstreeks effect hebben op het tegengaan van maatschappelijk<br />

onbehagen. Onrechtstreeks kan basismobiliteit tevens als hefboom dienen om<br />

de relatie tussen mobiliteitsarmoede en kansarmoede te doorbreken. Als<br />

tegenhanger van het eerder beschreven maatschappelijk onbehagen, kan het<br />

doorbreken van de armoede door het aanbod van openbaar vervoer in het<br />

kader van basismobiliteit als dusdanig bijdragen tot een maatschappelijk<br />

welbevinden. In het verdere verloop van deze studie zullen we dan ook<br />

systematisch spreken over welbevinden voor de omschrijving van de sociale<br />

baten.<br />

Zoals reeds eerder vermeld, zijn de motieven voor de verplaatsingen voor onze<br />

studie erg belangrijk. Door enkel gebruik te maken van een abstract begrip als<br />

maatschappelijk welbevinden doen we niet alleen de realiteit geweld aan,<br />

maar missen we ook een zekere verfijning van wat gebruikers van het aanbod<br />

van basismobiliteit als welbevinden ondervinden. Verschillende noden en<br />

behoeften leiden immers tot verschillende dimensies van welbevinden.<br />

Jammer genoeg zijn alle oorzaken van maatschappelijk welbevinden zeker nog<br />

niet gekend. Een aantal belangrijke verklaringen van welbevinden hebben<br />

betrekking op de mate waarin individuen erin slagen om de beslotenheid van<br />

de eigen omgeving te overstijgen en naar buiten kunnen treden, dat men in<br />

contact kan komen met anderen. Gezien de huidige maatschappelijke en de<br />

ruimtelijke ontwikkelingen speelt mobiliteit zodoende onmiskenbaar een<br />

belangrijke zoniet primordiale rol in de productie van welbevinden, zowel bij<br />

diegene die in staat is zich te verplaatsen als bij diegene die in staat is andere<br />

mensen te kunnen ontmoeten. Geheel in de politieke visie over (basis)mobiliteit<br />

liggen verplaatsingsmogelijkheden en welbevinden perfect in elkaars verlengde.<br />

Een verhoogd welzijn of welbevinden heeft zowel effecten voor het individu als<br />

voor de samenleving. Op macro-niveau hebben de gevolgen van welbevinden<br />

betrekking op sociale cohesie in een samenleving, op vertrouwen in mens en<br />

instellingen... Maar de effecten van welbevinden zijn niet louter “immaterieel”.<br />

Het spreekt voor zich dat individuen die zich meer buitenshuis begeven, meer<br />

actief zijn in hun vrije tijd, ook economische actoren zijn. Het zijn actoren die<br />

zowel in formele als informele netwerken participeren aan de samenleving, maar<br />

ook consumeren. Zodanig heeft basismobiliteit naast de sociale baten ook een<br />

economische spill over.<br />

Voor ons model zullen we op basis van de noden en de behoeften op het vlak<br />

van (basis)mobiliteit bij verschillende groepen een onderscheid maken tussen<br />

persoonlijk, sociaal welbevinden en economisch welbevinden. Uiteraard is dit<br />

slechts een theoretische indeling die het ons mogelijk maakt om inzicht te<br />

verwerven in de mechanismen van welbevinden. In vele gevallen is het<br />

34


onderscheid tussen deze dimensies niet te maken. Het niet kunnen deelnemen<br />

aan de arbeidsmarkt zal namelijk zekere gevolgen hebben op het economische<br />

welbevinden, wat op zich weer een weerslag heeft op het sociaal welbevinden,<br />

wat zich dan weer laat gevoelen op het persoonlijk welbevinden. Ondanks de<br />

verstrengeling van de verschillende vormen van welbevinden biedt deze<br />

opdeling ons een kader om de sociale effecten van basismobiliteit te<br />

concretiseren.<br />

3.3.1. Persoonlijk welbevinden<br />

Persoonlijk welbevinden heeft betrekking op het subjectieve gevoel van<br />

tevredenheid en geluk. Dat gevoel blijkt sterk gekoppeld te zijn aan de<br />

perceptie van de persoonlijke toekomst en met het zelfbeeld van het individu.<br />

Vertaald naar mogelijke behoeften op het vlak van mobiliteit kan deze vorm van<br />

welbevinden gerelateerd zijn aan gevoelens van vrijheid om zich te kunnen<br />

verplaatsen, de mogelijkheden om diensten te bereiken of algemeen de<br />

behoefte om zich te kunnen verplaatsen naar de locaties die men wil bereiken.<br />

Dat belang wordt nog sterker bij de afwezigheid van een partner. Vooral bij<br />

ouderen merken we dat weduwschap leidt tot een gedwongen verandering in<br />

het persoonlijke welbevinden (Verté & Ponjaert-Kristoffersen, 2001; Vogel, 2002).<br />

Voor een deel is dat toe te wijzen aan het wegvallen van een persoonlijk en<br />

sociaal netwerk, ook al omdat mogelijks de verplaatsingsmogelijkheden zijn<br />

afgenomen. In veel gevallen blijkt in de generatie 75-plussers namelijk de<br />

overleden man over een rijbewijs te beschikken.<br />

“Sinds mijne man dood is kunnen wij ons niet meer makkelijk verplaatsen. Wij<br />

hadden ne grote Citroën en wij gingen daarmee overal naartoe, maar ik durf<br />

niet meer rijden. Ik mocht van mijne man ook niet rijden met de nieuwe Citroën.<br />

En nu durf ik niet meer. Nu doen we alles met fiets of met de bus en als we naar<br />

de Stad gaan en daarna de tram tot op Meir”<br />

(Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />

“Goh meneer, met den auto rijden. Ik heb dat nu nog nooit gedaan in mijn leven.<br />

Ik moet zeggen, zelfs niet om mijn rijbewijs te halen. Vroeger was dat zo hé. En ik<br />

heb dat nooit nodig gehad. Mijne man kon natuurlijk met de auto rijden hé.”<br />

(Marian 81 jaar Geel)<br />

Concreet naar het behoeftepatroon van de Vlamingen is een belangrijk<br />

element in het persoonlijke welbevinden de wijze waarop men zijn of haar vrije<br />

tijd kan invullen. Het gaat voornamelijk om verplaatsingen die we eerder als<br />

belangrijk hebben onderscheiden. Ze verwijzen niet zozeer naar verplaatsingen<br />

die men verplicht moet maken, maar naar de activiteiten die men zelf kan<br />

kiezen tijdens vrije uren. Een actieve vrijetijdsbesteding beïnvloedt immers op<br />

positieve wijze de mate van welbehagen (Elchardus & Pelleriaux, 2003).<br />

35


Algemeen kan het persoonlijke welbevinden worden beschouwd als een<br />

indicator voor het naar buiten kunnen treden uit de eigen omgeving. De<br />

behoeftes die hierbij aan bod komen, verwijzen naar activiteiten binnen de<br />

levenssfeer die zich op over een (grotere) afstand van de eigen buurt bevinden.<br />

Het kunnen deelnemen aan de samenleving, het contact met anderen en zo uit<br />

de beslotenheid van de eigen woning en het eigen gezin kunnen treden, blijken<br />

een belangrijke stimulans voor het welbevinden. Dat geldt in het bijzonder voor<br />

ouderen (Dupuis en Smale, 1995), maar kan worden veralgemeend naar alle<br />

geledingen in de bevolking. Zich kunnen verplaatsen zonder hulp van anderen<br />

biedt een gevoel van vrijheid, van onafhankelijkheid van zelfstandigheid.<br />

“Moest ik nu geen wagen hier staan hebben, dan zou ik moeten met het<br />

openbaar vervoer gaan natuurlijk… dat zou een probleem zijn. Ik zou niet veel<br />

meer buiten komen denk ik. Ik zou niet meer weg kunnen… Dat pakt toch uw<br />

bewegingsvrijheid weg.”<br />

(An 34 jaar Brasschaat)<br />

“Het openbaar vervoer is leuk, omdat iemand anders u anders altijd moet<br />

brengen. En met een groep is het ook plezant. Al mijn vrienden zijn ook maar 16<br />

of 17 jaar en we hebben dus geen auto”<br />

(Steffi; 17 jaar, Brasschaat)<br />

“Ik zou mijn zoon even goed met de wagen naar school brengen in Lennik, hoor.<br />

Ik heb dat ook altijd gedaan. Maar ik vind, nu hij 15 jaar is, dat hij wat<br />

zelfstandiger mag worden en vandaar dat we gezegd hebben dat hij met de<br />

bus moet gaan. Want ik zou dat kunnen doen hé. Ik ben toch thuis.”<br />

(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

“Mijn dochter woont wel in de buurt en als het echt niet anders kan dan doet zij<br />

ons weg, maar eigenlijk vraag ik dat liever niet. Ze werkt ook en ze heeft kinderen<br />

en heeft het al druk genoeg. Zo lang het gaat met de fiets, gaat het hé”<br />

(Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />

“Ge kunt niet altijd op alleman rekenen, hé. Ik wil dat ook niet zenne. Ik heb dat<br />

nooit gedaan. Ook niet toen mijne man nog leefde. Dan ging ik ook met de bus<br />

weg. En vroeger als ik jong was veel met de fiets hé. Maar de tijden zijn<br />

veranderd. Het verkeer is veel drukker geworden en ge moet ook verder gaan<br />

dan vroeger hé”<br />

(Marian 81 jaar Geel)<br />

Vooruitlopend op de conclusies geven we hier graag al mee dat het gevoel van<br />

vrijheid een belangrijk element vormt in afweging om een bepaald<br />

vervoersmiddel al dan niet te gebruiken. Voor sommigen is het openbaar<br />

vervoer het middel om van vrijheid te genieten, voor anderen is het openbaar<br />

vervoer juist het tegenovergestelde.<br />

36


“Als we in het weekend ergens naar toe gaan om te wandelen of te fietsen dan<br />

gaan we ook met de auto. Dan zetten we de fietsen op de auto en we zijn weg.<br />

Dan heb je toch veel meer vrijheid dan met het openbaar vervoer hé.“<br />

(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />

“Mijnen auto is mijn vrijheid. Spijtig genoeg hoor, want ik vind dat nen auto veel<br />

geld kost. (...)”<br />

(Janine 58 jaar Gooik)<br />

“Ik ga ook liever met de bus naar Halle om met vriendinnen te gaan shoppen.<br />

Dan zijt ge vrij om zelf te beslissen wanneer je naar huis komt. Anders moet je<br />

altijd afspreken met je moeder of iemand anders om u te komen halen of zo.“<br />

(Joly 15 jaar Gooik)<br />

“Als mijn ma nog heel goed was dan nam die wel altijd de bus naar de markt<br />

ofzo. Maar wat dat mens allemaal meegemaakt heeft met de bus. Maar enfin,<br />

voor haar was het haar vrijheid. Ze had nochtans een auto zé, maar ja ze is nu 80<br />

jaar en ze rijdt niet meer met de wagen. Maar ze kan nu ook niet meer<br />

gemakkelijk met de bus weg. Ze heeft wat last van haar benen en ze geraakt er<br />

niet meer op. Nu heeft ze eigenlijk niet veel meer om buiten te geraken.”<br />

(Alain, 30 jaar Gooik)<br />

Vertaald naar specifieke verplaatsingsbehoeften zullen bij de beschrijving van<br />

de verplaatsingsbehoeften van de verschillende leeftijdsgroepen aandacht<br />

hebben voor de autonomie en de onafhankelijkheid die men ervaart bij de<br />

verplaatsingen die men kan maken.<br />

3.3.2. Sociaal en cultureel welbevinden<br />

Sociaal welbevinden heeft zeer algemeen betrekking op de wijze waarop<br />

mensen zich in tijd en samenleving situeren (Elchardus & De Groof, 2005).<br />

Tegengesteld aan het welbevinden wordt sociaal onbehagen gezien als een<br />

complex van wantrouwen in instellingen, negatieve toekomstbeelden,<br />

ondemocratische houdingen, gevoelens van machteloosheid,<br />

onveiligheidsgevoelens…<br />

Het is dan ook duidelijk dat het invullen van de behoeften die verbonden zijn<br />

met sociaal welbevinden een positief sociaal effect met zich meebrengen.<br />

Belangrijke drivers in het sociaal welbevinden zijn de sociale contacten die<br />

individuen onderhouden met anderen, de participatiegraad in het<br />

verenigingsleven en dergelijke. Een belangrijke behoefte die hieraan gekoppeld<br />

is, is de mogelijkheid om zich te verplaatsen naar dergelijke locaties.<br />

“Als André werkte en ik geen auto had, dan ging ik nu en dan wel eens weg met<br />

vriendinnen naar de stad. En dat was dan met de bus van 13 uur. Dan vertrokken<br />

wij tot aan Gent Zuid en vandaar kon je dan naar de Veldstraat enzo.”<br />

(Simona 55 jaar Merelbeke)<br />

“We gaan soms in het weekend naar Gent met een paar vrienden om te gaan<br />

shoppen. Dan neem ik met mijn vriend uit te buurt, die ook in mijn school, zit de<br />

bus en dan spreken we in Gent af met de anderen.”<br />

37


(Seb 15 jaar Merelbeke)<br />

Vooral bij ouderen speelt sociale participatie een belangrijke rol. (Schieman,<br />

2001) Ouderen hebben immers te kampen met het verdwijnen van een aantal<br />

rollen en zingevers op het vlak van arbeid en familie en kunnen door middel van<br />

participatie hun gevoel van betrokkenheid en controle compenseren (Kelly,<br />

1993; Herzog e.a., 1998). Activiteiten die zich buitenshuis afspelen bieden de<br />

mogelijkheid om zich opnieuw een plaats in de samenleving toe te eigenen. Op<br />

dit vlak speelt de mogelijkheid om zich te verplaatsen uiteraard een belangrijke<br />

rol.<br />

“Vroeger gingen mijn ouders bijna nooit weg. Het zjjn landbouwers geweest en<br />

ze moesten laat werken, enfin ze gingen niet veel weg. Mijn vader nog niet<br />

trouwens. Het is altijd mijn moeder die alleen op stap is. Maar sinds haar<br />

pensioen, dan gaat ze met de bus naar Kaprijke en zit ze in allerlei verenigingen<br />

en zo. Ze doet dat heel graag.”<br />

(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

Als we het hebben over sociale participatie is het belangrijk om een onderscheid<br />

te maken tussen formele en informele participatie. Beiden zijn erg belangrijk voor<br />

het sociaal welbevinden, maar hebben wel een duidelijk verschillende invulling.<br />

Onder formele sociale participatie (zie o.m. Putnam, 2000) verstaan we de mate<br />

waarin actoren participeren aan verenigingsleven, cultuur,… Vooral ouderen<br />

compenseren het verlies van arbeidsgebonden en familiale rollen door een<br />

actieve participatie in het verenigingsleven. Op die manier wordt hun gevoel<br />

van betrokkenheid en controle verhoogd (Kelly, 1993, Schieman, 2001).<br />

Onder informele sociale participatie verstaan we de opname in sociale<br />

netwerken. Ze geven mensen een betere “steunstructuur” om om te gaan met<br />

maatschappelijke en individuele problemen en geven hen een grotere<br />

vertrouwdheid en controle hun omgeving. (zie o.m. Warner & Rountree, 1997).<br />

Sociaal welbevinden is stek gerelateerd aan persoonlijk welbevinden in die zin<br />

dat ze beiden vooral verwijzen naar activiteiten die in de eerste plaats in de<br />

sfeer van de vrijetijd plaatsvinden. Beiden zijn dan ook onlosmakelijk met elkaar<br />

verbonden. Met het persoonlijke welbevinden doelen we echter vooral op het<br />

gevoel om zich vrij en onafhankelijk te kunnen verplaatsen. Het sociale<br />

welbevinden doelt voornamelijk op het deelnemen aan de samenleving en het<br />

sociale netwerk dat men onderhoudt.<br />

Concreet naar de verplaatsbehoeften van individuen gaat het om<br />

verplaatsingen naar vrienden, kennissen of familieleden en verplaatsingen om te<br />

participeren in het verenigingsleven of het culturele leven. Het gaat dan ook in<br />

de eerste plaats om verplaatsingen die we eerder als ‘belangrijk’ hebben<br />

omschreven. Voor het sociale welbevindingen spelen echter ook ‘noodzakelijke’<br />

verplaatsingen een rol. Verplaatsingen naar diensten van commerciële inslag of<br />

overheidsgebonden maken een belangrijk onderdeel uit van het sociale<br />

38


welbevinden. Dat uit zich ook in de relatie tussen sociaal onbehagen en het<br />

vertrouwen in instellingen. Zich makkelijk kunnen verplaatsen naar diensten en<br />

instellingen en zodoende maatschappelijk kunnen participeren, maakt<br />

ongetwijfeld deel uit van een persoonlijk, sociaal en cultureel welbevinden.<br />

“Het buurtbusje is echt een heel goed initiatief. Mensen kunnen naar de kliniek,<br />

kunnen hier gemakkelijk weg. Echt heel goed. Het zijn wel altijd dezelfde die erop<br />

zitten. Ik en twee anderen. Altijd dezelfde Behalve op maandag als het markt is.<br />

Dan zit het vol.”<br />

(Willy 62 jaar Brasschaat)<br />

“Wij moeten ook regelmatig naar Antwerpen voor onze medische papieren. En<br />

dan pakken we ook altijd het openbaar vervoer. Ge kunt dat ook met uwen<br />

auto, maar dan steekt ge daar veel meer tijd en geld in.”<br />

(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

3.3.3. Economisch welbevinden<br />

Economisch welbevinden heeft betrekking op de tevredenheid met de<br />

economische situatie, met het positief inschatten van de materiële toekomst…<br />

Het al dan niet hebben van werk is uiteraard een belangrijke zo niet de<br />

belangrijkste factor voor het economisch welbevinden. In de eerste plaats<br />

omdat men via het werk een inkomen genereert en als dusdanig een budget<br />

verkrijgt om te besteden aan zijn of haar behoeften. Maar arbeid fungeert<br />

eveneens als sociaal zingever. Het biedt structureer aan het leven van<br />

individuen. Daardoor krijgen ze een positiever zelfbeeld en voelen ze zich meer<br />

betrokken bij een samenleving. (zie o.m. Glorieux, 1995, Kim & Moen, 2001). Op<br />

die manier levert arbeid en meer algemeen een inkomen ook een belangrijke<br />

bijdrage aan het persoonlijke en het sociale welbevinden.<br />

Heel wat auteurs situeren de oorzaken van onbehagen in een sociaaleconomische<br />

deprivatie en in zwakke arbeidsmarktkansen van mensen, in de<br />

ervaring met werkloosheid, de bestaansonzekerheid en last but not least met<br />

armoede. (Durant & Ollie, 1990; Mirowsky, 1995; Schlieman, 2001; Ping-Kwong,<br />

2003)<br />

Concreet verwijst het economische welbevinden in het kader van mobiliteit naar<br />

de mogelijkheden om zich naar en van de arbeidsplek te verplaatsen. Omdat<br />

we de behoeften van verschillende leeftijdsgroepen belichten, zullen we onder<br />

het economische welbevinden voor jongeren ook het schoolverkeer rekenen.<br />

Als dusdanig stemmen deze verplaatsingen overeen met de eerder benoemde<br />

‘verplichte’ verplaatsingen.<br />

Voor heel wat geïnterviewden wordt deze verplaatsing ook als verplicht aanzien.<br />

Het is een verplaatsing die men moet maken op een bepaald uur. Zelfs met een<br />

zekere flexibiliteit is de kans groot dat men deze verplaatsing moet maken<br />

binnen de spitsuren. Het is bovendien een verplaatsing die men het liefst zo snel<br />

mogelijk maakt.<br />

39


“Ik rijd eigenlijk alleen maar met de motor om naar het werk te gaan. Gewoon<br />

om snel naar en van het werk te zijn. In het weekend of zo gebruik ik de motor<br />

niet. Zo graag doe ik dat niet, maar voor het werk is dat het beste.”<br />

(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

De verplaatsingstijd naar het werk en zeker van het werk wordt als nutteloos<br />

beschouwd. Kortom, de verplaatsing moet zo snel en zo gemakkelijk mogelijk<br />

verlopen. In de keuze en het gebruik van het vervoermiddel om deze<br />

verplaatsingen te maken zal met deze criteria veel rekening worden gehouden.<br />

Ook voor het economische welbevinden dienen we nogmaals te herhalen dat<br />

de opsplitsing in verschillende vormen van welbevinden eerder theoretisch dan<br />

praktisch is. Niet alleen omdat het inkomen een belangrijke invloed zal hebben<br />

op de keuzes die men heeft bij het kiezen van een vervoersmiddel, maar ook<br />

omdat het een invloed heeft op de wijze waarop men zijn vrije tijd invult en als<br />

dusdanig een belangrijke invloed uitoefent op het sociale welbevinden. Dat d<br />

everschillende vormen van welbevinden sterk door elkaar lopen wordt misschien<br />

wel het best geïllustreerd door de verplaatsingen van leerlingen naar de school.<br />

Kunnen deelnemen aan het onderwijs stimuleert immers zowel het persoonlijke,<br />

het culturele en het sociale welbevinden. Voor de toekomst van het individu<br />

heeft het daarenboven ook een belangrijke rol te spelen in het economische<br />

welbevinden van het individu. Vanuit dit perspectief benaderen we de<br />

behoeften op hetvlak van woon-schoolverplaatsingen ook als onderdeel van<br />

het economische welbevinden.<br />

3.4. Leeftijdsgebonden behoeften<br />

Niet iedereen moet zich even veel verplaatsen en niet iedereen moet zich naar<br />

dezelfde plek verplaatsen. Maar natuurlijk zijn de verplaatsingen die we met z’n<br />

allen maken ook geen individuele kwestie. De dagelijkse verkeerscongestie<br />

toont dagelijks aan dat heel veel menen zich op hetzelfde moment naar<br />

dezelfde plek begeven. Op het vlak van verplaatsingen zijn er duidelijk<br />

collectieve ritmen. Wie ’s ochtends in de file staat en eens links en rechts kijkt,<br />

heeft een grote kans om iemand te zien die qua leeftijd niet zo heel veel<br />

verschilt van zichzelf. Hetzelfde geldt trouwens ook voor het openbaar vervoer.<br />

Wie ’s ochtends voor 9 uur en ’s avonds rond vier uur kijkt wie er op de bus zit, zal<br />

voornamelijk schoolgaande kinderen en jongeren zien. Tussen deze uren zullen<br />

de zitjes van de bus dan weer voornamelijk worden ingenomen door oudere,<br />

niet werkende mensen.<br />

De plaats en ruimte op bepaalde momenten op de dag wordt met andere<br />

woorden door verschillende maar daarom niet minder duidelijk afgelijnde<br />

bevolkingscategorieën ingenomen. De leeftijd speelt hierbij een belangrijke rol.<br />

Zetten we de afgelegde afstanden af tegenover de leeftijd van de individuen<br />

dan zien we dat de bewegingsruimte bij kinderen en jongeren stelselmatig<br />

verruimt. Met de pensioenleeftijd neemt de ruimte waarin men zich verplaatst<br />

40


dan weer stelselmatig af. Voor een groot deel wordt deze relatie bepaald door<br />

de behoeften tot verplaatsingen die men in verschillende levensfase heeft. Het<br />

gebruik van een bepaald vervoersmiddel voor het maken van een bepaalde<br />

verplaatsing wordt echter ook in de hand gewerkt door de fysieke en juridische<br />

mogelijkheden om bepaalde typen van vervoer te gebruiken.<br />

Er zijn natuurlijk verschillende invalshoeken om het verplaatsingsgedrag van de<br />

Vlaming te benaderen. Omdat de relatie tussen de verplaatsingsbehoeften en<br />

de daarvoor gebruikte vervoersmiddelen zo sterk samenhangt met de leeftijd<br />

hebben we ervoor geopteerd om de leeftijdsfasen als uitgangspunt te nemen.<br />

Om het verplaatsingsgedrag van de verschillende leeftijdscategorieën in kaart<br />

te brengen doen we enerzijds beroep op statistische gegevens uit onderzoeken<br />

als het tijdsbudgetonderzoek (Glorieux, e.a., 2001, 2004) en ander<br />

verplaatsingsonderzoek en anderzijds op wat de respondenten ons vertelden<br />

tijdens de interviews.<br />

Ondanks deze genuanceerde beschrijving op het niveau van<br />

leeftijdscategorieën dienen we toch te benadrukken dat we bij de<br />

beschrijvingen in de eerste plaats uitgaan van de ‘modale’ Vlaming. Naast de<br />

beperkingen die we ons opleggen door een beschrijving te geven van de<br />

‘modale burger’, zullen we bij de beschrijving van de behoeften en de plaats<br />

van het openbaar vervoer in het algemeen en van het aanbod basismobiliteit in<br />

het bijzonder ons richten tot de niet-grootstedelijke context. Vermits deze studie<br />

zich richt op de sociale baten van basismobiliteit, zijn we immers gaan kijken<br />

naar contexten waar ondanks een aanbod aan openbaar vervoer in functie<br />

van basismobiliteit het aanbod toch beperkt is of waar zelfs geen aanbod van<br />

openbaar vervoer aanwezig is.<br />

We hebben ons bij de selectie van de respondenten dus in eerste instantie<br />

gericht op gebieden waar de vervoersarmoede eerder het gevolg is van een<br />

beperkt aantal vervoersmogelijkheden dan van financiële en andere<br />

belemmeringen. In de stadskernen van grootstedelijke contexten is immers een<br />

groot aanbod aan openbaar vervoer. Dit is een belangrijke nuancering, vermits<br />

het verplaatsgedrag van inwoners van steden beduidend verschilt van het<br />

verplaatsingsgedrag van inwoners in rurale of meer landelijke gebieden. Naast<br />

de externe belemmeringen die inwoners van rurale omgevingen ondervinden bij<br />

het gebruik van het openbaar vervoer is ook sprake van een verschil in<br />

mentaliteit. Gepaard met een veel groter aanbod aan openbaar vervoer, zijn<br />

inwoners van steden ook vlugger geneigd om gebruik te maken van het<br />

openbaar vervoer. Bovendien en dat is vooral belangrijk voor de jongere<br />

leeftijdsgroepen, zijn ouders die in een stedelijke context wonen ook vlugger<br />

geneigd om hun kinderen op jongere leeftijd onafhankelijk het openbaar<br />

vervoer te laten gebruiken. Omdat we ons richten tot niet-grootstedelijke<br />

contexten doen we ook geen uitspraken over het verplaatsingsgedrag van<br />

inwoners in steden. Wel stellen we nog grote verschillen vast tussen inwoners die<br />

in de rand van de stad wonen (bvb. Merelbeke) en inwoners van kleine rurale<br />

gemeenschappen (bvb. in de Westhoek). Deze twee groepen maken wel deel<br />

uit van onze respondenten en daar waar we het verschil in gedrag of mentaliteit<br />

relevant vinden, maken we daar in onderstaande beschrijving ook melding van.<br />

41


We dienen echter nogmaals te herhalen dat we deze bevindingen enkel stoelen<br />

op de meningen van de enkele respondenten die we aan het woord lieten.<br />

3.4.1. De fase voor de leerplicht (-6 jaar)<br />

Over het activiteitenpatroon van -6 jarigen weten we eigenlijk heel weinig. Dat<br />

komt enerzijds omdat weinig onderzoek is verricht naar het verplaatsingspatroon<br />

van kinderen in deze leeftijdscategorie, noch het ‘Onderzoek<br />

Verplaatsingsgedrag <strong>Vlaanderen</strong>’ (2001, 2004), noch het ‘Tijdsbudgetonderzoek’<br />

(2004) bevatten hierover gegevens. Anderzijds ook omdat het<br />

verplaatsingspatroon van kinderen in deze leeftijdsfase zeer minimaal is. Een<br />

gedetailleerde beschrijving van de verplaatsingsbehoefte van deze groep is dan<br />

ook niet mogelijk. Wel weten we dat er in deze fase nog geen sprake is van<br />

(door de overheid) verplichte verplaatsingen en dat jonge kinderen voor bijna<br />

alle verplaatsingen totaal afhankelijk zijn van derden omdat zelfstandige<br />

verplaatsingen van kinderen beneden de 6 jaar eerder de uitzondering dan de<br />

regel is. Bovendien kan men veronderstellen dat het verplaatsingspatroon van<br />

jonge kinderen in sterke mate zal beïnvloed zijn door dit van de ouders. Kinderen<br />

in deze leeftijdscategorie gaan vanaf een jaar of 3 naar de kleuterschool in de<br />

buurt van de woning of van het werk van de ouders. Ze worden afgezet of<br />

gebracht en uiteraard is van een zekere onafhankelijkheid op deze leeftijd geen<br />

sprake.<br />

Toch is deze fase niet onbelangrijk voor de verdere ontwikkeling. Zo ontwikkelt<br />

men in deze leeftijdsfase de lichamelijke vaardigheden om zich te verplaatsen.<br />

De ontwikkeling van deze vaardigheden zijn noodzakelijk om een zekere<br />

zelfstandigheid te ontwikkelen. Men heeft immers bewegingsvrijheid nodig om<br />

de directe omgeving van de woning te verkennen maar ook om aan (beheerst)<br />

verkeer te wennen. Ook het zelfstandig buiten spelen is belangrijk, vooral voor<br />

de sociaal-emotionele en verstandelijke ontwikkeling van kinderen.<br />

Zo zou het spel het creatief probleemoplossend gedrag en logisch denken, de<br />

taal- en betekenissenverwerving en de sociale interactie bevorderen. De mate<br />

van zelfstandigheid in spel en verplaatsing worden dan ook van invloed geacht<br />

op de mate waarin kinderen zelfredzaam zullen zijn. (CROW, 2000) Meer en meer<br />

zullen problemen inzake veiligheid (sociale en verkeersveiligheid) maar ook het<br />

gebrek aan bijvoorbeeld speelruimten op buurtniveau het autonoom<br />

verplaatsen van jonge kinderen beperken. (Mobiliteitscel, 2001) Kinderen in de<br />

leeftijdsfase onder de 6 jaar komen dus willens nillens veelvuldig in contact met<br />

verschillende aspecten van het verkeer en niet in het minst om bepaalde<br />

behoeften die in het geval van de verplaatsing naar de kleuterschool ten dele<br />

als verplicht kan worden bestempeld, maar ook in de ontspanningssfeer hebben<br />

kinderen van deze leeftijd verplaatsingsbehoeften.<br />

Verplaatsingen om deze behoeften te bevredigen zijn voor kinderen van deze<br />

leeftijd ook een vorm van basismobiliteit. Het gaat in dit geval dan niet om het<br />

gebruik van het aanbod van de Lijn, maar om verplaatsingen dicht in de buurt<br />

42


van de woonplaats. Basismobiliteit wordt dan vertaald in veilige en<br />

kindvriendelijke voetpaden en speelmogelijkheden of in meer algemene termen<br />

‘de verkeersleefbaarheid’. Vrij kunnen spelen op straat, alleen in de buurt<br />

kunnen fietsen of naar de plaatselijke speeltuin gaan, dragen voor deze<br />

leeftijdsgroep wel bij tot het persoonlijke welbevinden. Hetzelfde geldt voor<br />

verplaatsingen naar vriendjes of vriendinnetjes in de buurt gaan als bijdrage tot<br />

het sociale welbevinden. De participatie aan het verenigingsleven of de<br />

georganiseerde vrijetijdsbesteding in deze leeftijdscategorie is nog erg laag en<br />

indien toch aanwezig dan verloopt dit meestal in het gezelschap van minstens<br />

één van de ouders.<br />

Het decreet basismobiliteit omvat echter geen criteria die rechtstreeks inspelen<br />

op de behoeften van kinderen van deze leeftijd. Het is dan ook niet mogelijk om<br />

sociale baten toe te wijzen aan het invoeren van basismobiliteit voor deze<br />

groep. Het dient echter nogmaals gezegd dat kinderen in deze<br />

leeftijdscategorie ook weinig behoeften hebben aan vrije en onafhankelijke<br />

verplaatsingen.<br />

Voor kinderen van deze leeftijd is uiteraard nog geen sprake van economisch<br />

welbevinden. In dezelfde sfeer is een verplaatsing naar de kleuterschool echter<br />

wel een dagelijks gegeven. Uit onze interviews blijken de ouders voornamelijk in<br />

te staan voor het vervoer van hun jonge kinderen. Onder de geïnterviewde<br />

ouders werden in tegenstelling tot wat men zou kunnen vermoeden deze<br />

verplaatsingen uitgevoerd met de fiets. Zeker vanaf een leeftijd van 5 à 6 jaar<br />

begeleiden de ouders hun kinderen ’s ochtends met de fiets naar de<br />

kleuterschool en komen ze ’s avonds opnieuw al fietsend naar huis. Uiteraard is<br />

dergelijk scenario voornamelijk terug te vinden bij gezinnen waarin minstens één<br />

van de ouders het zich kan veroorloven om deze verplaatsing met dit<br />

vervoersmiddel te maken. Het gaat dan voornamelijk om huisvrouwen of<br />

thuiswerkende vrouwen.<br />

“Mijn zoon breng ik met de fiets naar school. Die gaat in Geel zelf naar school en<br />

dat is ongeveer 4 kilometer van hier. En dan ’s avonds ga ik hem halen”<br />

(Sabine 36 jaar Geel)<br />

Net als voor de verplaatsingen van en naar de kleuterschool worden sociale<br />

verplaatsingen, bijvoorbeeld naar vriendjes uit de buurt, te voet of met de fiets<br />

uitgevoerd. Naast veilige en kindvriendelijke voetpaden, maken veilige<br />

fietspaden voor deze leeftijdsgroep onderdeel uit van basismobiliteit.<br />

3.4.2. De fase van de leerplicht (6 - 18 jaar)<br />

Deze fase is bijzonder belangrijk voor de ontwikkeling van zelfstandigheid bij<br />

jongeren. Vooral na de leeftijd van 12 jaar en de overgang van het lager naar<br />

het secundair onderwijs worden jongeren onafhankelijker en zoeken ze zelf hun<br />

weg in het aanbod van vervoersmiddelen. Hoe ouder binnen deze leeftijdsfase,<br />

hoe meer men zich onafhankelijk wil verplaatsen over afstanden die de buurt<br />

waar men woont overstijgen. Deze leeftijdscategorie wordt ook als eerste<br />

43


geconfronteerd met wat we eerder (door de overheid) verplichte<br />

verplaatsingen hebben genoemd. Tot het secundair onderwijs zijn deze<br />

verplaatsingen eerder kort en gelegen in de buurt van de woonst, vanaf het<br />

secundair onderwijs wordt de afstand groter. Logischerwijs maken we dan ook<br />

een onderscheid tussen kinderen tussen 6 en 12 jaar of meer algemeen kinderen<br />

die nog school lopen in het lager onderwijs en jongeren van 12 tot 18 jaar of<br />

anders gezegd, jongeren die schoollopen in het secundair onderwijs.<br />

3.4.2.1. Volgen van basisonderwijs (6 - 12 jaar)<br />

Volgens de statistische gegevens die voorhanden zijn, verplaatsen kinderen<br />

tussen 6 en 12 jaar zich gemiddeld 2,9 keer per dag. De gemiddelde<br />

verplaatsingafstand is beperkt. De belangrijkste motieven voor het verplaatsen<br />

zijn ontspanning, het volgen van onderwijs, brengen van bezoeken of op visite<br />

gaan en winkelen. 36 % van de verplaatsingen zijn echter woonschoolverplaatsingen.<br />

Daarnaast zijn ook ontspanning, sport en cultuur (21 %), op<br />

bezoek gaan of logeren (20 %) en winkelen (12 %) belangrijk. Meer dan de helft<br />

van deze verplaatsingen gebeuren met de wagen (als passagier). Het aandeel<br />

fietsverplaatsingen bedraagt 23 %.<br />

Verplaatsingen te voet zijn goed voor 13 % van de verplaatsingen. 1 % van de<br />

verplaatsingen gebeurt met de bus. (Onderzoek Verplaatsingsgedrag, 2000-<br />

2001)<br />

Deze cijfers verwijzen duidelijk naar een eerder lokaal verplaatsingspatroon. De<br />

belangrijkste verplaatsing is naar school en terug. Omdat meestal gekozen wordt<br />

voor een basisschool dicht in de buurt van de woonplaats is de verplaatsing van<br />

en naar school in de meeste gevallen een korte verplaatsing. In sommige<br />

gevallen wordt het afzetten van het kind aan de schoolpoort ingepast in het<br />

verplaatsigstraject van de ouder. Maar ook te voet of met de fiets zijn deze<br />

verplaatsingen gemakkelijk te doen.<br />

“Nu ga ik hier naar school aan de kerk. Mijn papa brengt mij ’s morgens met de<br />

camionette. “<br />

(Cathy 11 jaar Brasschaat)<br />

“Naar school ga ik te voet samen met mijn zus. Dat is niet ver.”<br />

(Anja 8 jaar Kortrijk)<br />

Vermits 36% van de verplaatsingen van deze leeftijdsgroep woonschoolverplaatsingen<br />

zijn, is het voor deze groep in de eerste plaats belangrijk<br />

om op veilige wijze te voet of met de fiets van en naar school te kunnen gaan,<br />

al dan niet in het gezelschap van een ouder. Binnen de ruime benadering van<br />

het economische welbevinden dragen verkeersveiligheid en –leefbaarheid dus<br />

44


meer bij aan het behoeften van deze leeftijdsgroep dan een aanbod van het<br />

openbaar vervoer.<br />

Op het vlak van de dagelijkse of doordeweekse ontspanning blijven kinderen<br />

van deze leeftijd nog dicht in de buurt van hun huis. Vriendjes en vriendinnetjes<br />

wonen meestal ook in de buurt. Toch zijn de kinderen nog erg afhankelijk van de<br />

ouders om de vriendjes een bezoek te brengen.<br />

“Sommige vriendinnetjes wonen hier in de buurt, maar ik zie die niet zo veel want<br />

heel heel soms kan mijn mama mij brengen.<br />

(Anja 8 jaar Kortrijk)<br />

In tegenstelling tot de jongere leeftijdsgroep verplaatst deze leeftijdsgroep zich<br />

echter wel stilletjes aan om te participeren in het verenigingsleven. De weg naar<br />

de sportclubs wordt gevonden en tal van kinderen van deze leeftijd maken hun<br />

opwachting bij de jeugdbeweging. Ze bouwen een sociaal netwerk op en<br />

veroveren beetje bij beetje een plaats in de samenleving, kortom ze ervaren<br />

voor het eerst een vorm van sociaal welbevinden.<br />

De vrijetijdsbestedingen als sport en cultuur of gaan winkelen spelen zich wel af<br />

op grotere afstand, maar de verplaatsingen in dat kader gebeuren in de meeste<br />

gevallen in begeleiding van minstens één ouder en door middel van de wagen.<br />

Gezien de afstand van de woonst tot de locatie waar de vrijetijdsactiviteit zich<br />

afspeelt, vormen vervoersmiddelen als de fiets of te voet meestal geen optie.<br />

“Naar de training gaan we alle vier en dan nemen we nog iemand vanuit de<br />

buurt mee. Naar de cross brengen we hem natuurlijk, maar ja met al dat<br />

materiaal.”<br />

(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />

“De dinsdag ga ik naar de dictie en dan brengt mijn mama mij en komt ze mij<br />

halen. De woensdag ga ik met de bus met oma en naar de markt en dan terug.”<br />

(Anja 8 jaar Kortrijk)<br />

Onder de 12 jaar zijn ouders dus niet snel geneigd om hun kinderen alleen<br />

verplaatsingen te laten doen of hen hierbij een grote autonomie toe te staan.<br />

Het gebruik van het openbaar vervoer is met andere woorden beperkt voor<br />

deze leeftijdsgroep, zeker indien dit zonder begeleiding van een volwassene<br />

moet plaatsvinden.<br />

“Nu zou ik haar nog niet met de bus laten gaan. Misschien zou het zelf wel<br />

kunnen hoor, maar ik zou haar zelf niet durven laten gaan. Ik zou haar ook niet<br />

alleen met de trein laten gaan. Zelfs niet als ik er haar opzet en ze haar bij<br />

aankomst terug afhalen. Ze is nog maar 10 jaar. Misschien ben ik overbezorgd?<br />

Misschien dat kinderen in de stad vlugger de bus nemen?”<br />

(Lies 37 jaar Merelbeke)<br />

45


Naar de school of naar de bakker om de hoek of in het dorp zijn, indien het<br />

relatief veilig is, geen bezwaar, maar voor grotere afstanden zoals naar de<br />

jeugdbeweging of de sportclub staan ouders er toch op om hen te vergezellen.<br />

“Naar de winkel stuur ik ze soms. Dat is bij haar school hier twee straten verder.<br />

Verder zou ik ze nu niet durven laten gaan. En al zeker niet als er veel verkeer zou<br />

zijn.”<br />

(Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />

De bezorgdheid van de ouders sluit aan bij het gebrek aan individuele<br />

vaardigheden van kinderen. Vooral jonge kinderen (tot ongeveer 9 jaar) en in<br />

mindere mate oudere kinderen (tot 12 jaar) blijken het noodzakelijke<br />

informatieverwerkingsproces in het verkeer niet zo snel en flexibel te doorlopen<br />

als volwassenen. Een gebrek aan kennis van de verkeersregels is zonder meer<br />

een direct gevaar om zich in het verkeer te begeven. Bij een gebrek aan kennis<br />

gaat het dan niet alleen om de verkeersregels an sich, maar ook om de zeden<br />

en gebruiken in het verkeer, ervaring zeg maar. Daarnaast leveren onvoldoende<br />

ontwikkelde motorische vaardigheden in het verkeer zowel op het vlak van<br />

behendigheid (bvb. rijden met fiets) als op het vlak van aandacht in het verkeer<br />

belemmeringen om zich op veilige wijze in het verkeer te begeven. Op basis van<br />

onderzoek (Vinjé, 1977) heeft men kunnen vaststellen dat de motoriek bij oudere<br />

kinderen geen belemmering meer vormt om als voetganger aan het verkeer<br />

deel te nemen. Om adequaat te fietsen, treedt tot de leeftijd van 10 jaar een<br />

duidelijke verbetering op in de prestaties inzake behendigheid met uitzondering<br />

van het langzaam rijden zonder de balans te verliezen, waarbij de grootste<br />

verbetering blijkt op te treden tussen 12 en 13 jaar. Deze tekorten inzake<br />

individuele vaardigheden tezamen met de toenemende complexiteit van het<br />

verkeer maakt kinderen tot 12 jaar bijzonder kwetsbaar in het verkeer wanneer<br />

ze zich autonoom verplaatsen. (Mobiliteitscel, 2001)<br />

Het verwerven van de cognitieve functies en motorische vaardigheden om zich<br />

autonoom (op een veilige manier) te verplaatsen is een belangrijke voorwaarde<br />

bij de keuze van het vervoersmiddel. Deze functies en vaardigheden moeten<br />

toelaten om zijn of haar handelen af te stemmen op de constante stroom van<br />

informatie vanuit de verkeersomgeving. Men moet informatie waarnemen,<br />

aandacht besteden aan relevante informatie, de informatie onthouden en<br />

koppelen aan beschikbare kennis en ervaring, op basis hiervan beslissingen<br />

nemen en tenslotte die beslissingen uitvoeren. Dit gehele proces van<br />

informatieverwerking moet bovendien voldoende snel uitgevoerd worden<br />

gezien de veranderlijkheid van de verkeerssituatie. (Mobiliteitscel, 2001)<br />

Vanaf de leeftijd van 12 jaar lijken de benodigde individuele vaardigheden<br />

genoeg ontwikkeld om te kunnen gebruik maken van het openbaar vervoer.<br />

Stuk voor stuk legden de geïnterviewde ouders de lat op 12 jaar. In de meeste<br />

gevallen valt deze leeftijd ook samen met de overgang van het basisonderwijs<br />

naar het secundair onderwijs, wat op zijn beurt weer gepaard gaat met een<br />

grotere woon-school-verplaatsing. In dit geval is dus zeker sprake van een sterke<br />

46


correlatie tussen de fysieke ontwikkeling van het kind en de transitie die de<br />

kinderen doormaken van de basisschool naar het secundair onderwijs.<br />

“Alleen heb ik de bus nog niet genomen, maar misschien vanaf volgend jaar als<br />

ik naar een andere school moet, mag ik de bus nemen.”<br />

(Cathy 11 jaar Brasschaat)<br />

“Mijn kinderen zijn alleen met de bus mogen gaan, allez dan wel in groep hé, als<br />

ze naar het humaniora zijn gegaan. Een jaar of 12 dus.”<br />

(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

Net als voor de vorige leeftijdsgroep heeft een project als basismobiliteit voor<br />

kinderen van 6 tot 12 jaar dus nog niet veel te bieden. Kinderen tot 12 jaar<br />

nemen zelden alleen het openbaar vervoer. Hun vrijheid en onafhankelijkheid<br />

speelt zich nog grotendeels af in de buurt van de woonst en beperkt zich in de<br />

op het vlak van mobiliteit in de eerste plaats tot veilige fiets- en voetpaden en<br />

speelruimte. Voor het persoonlijke welbevinden voor deze leeftijdsgroep zijn op<br />

het vlak van verplaatsingen topics als verkeersleefbaarheid en verkeersveiligheid<br />

dus primordiaal.<br />

3.4.2.2. De fase van het secundair onderwijs (13 - 18 jaar)<br />

Na het verlaten van de basisschool, voor de meeste kinderen dus op een leeftijd<br />

van 12 à 13 jaar, verandert de wereld drastisch. Het verplaatsingsgedrag neemt<br />

wel af (gemiddeld 2,5 verplaatsingen per dag), maar wordt de<br />

verplaatsingsafstand neemt wel. De belangrijkste verplaatsing blijft de woonschool<br />

verplaatsing (41%) maar ook ontspanning (20 %), visite of logeren (20 %),<br />

winkelen (11 %) en wandelen of rondrijden (4 %) zijn belangrijke<br />

verplaatsingsmotieven. Daarnaast neemt ook de autonomie bij het verplaatsen<br />

toe. Wat het voertuiggebruik betreft stellen we vast dat nog slechts 30 % van de<br />

verplaatsingen autoverplaatsingen zijn (als passagier). De fiets neemt 40 % van<br />

de verplaatsingen voor zijn rekening en voetgangersverplaatsingen zijn goed<br />

voor 14 % van het totaal aantal verplaatsingen per dag en per persoon. 6 % van<br />

de verplaatsingen gebeuren per bus en de trein is goed voor 1 % van de<br />

verplaatsingen. (Onderzoek Verplaatsingsgedrag, 2000-2001)<br />

Voor deze leeftijdsgroep speelt vrijheid en onafhankelijkheid een zeer belangrijke<br />

rol. Dat uit zich ook sterk in hun verplaatsingsgedrag. De woonschoolverplaatsingen<br />

vormen nog steeds het gros van de verplaatsingen, maar<br />

de aard van de verplaatsing is voor de meesten drastisch veranderd. Daar waar<br />

tot de leeftijd van 12 jaar de basisschool zich meestal binnen fiets- of<br />

wandelafstand bevindt van de woonst, is de middelbare school meestal<br />

gelegen in een stadskern. Voor de meesten kan deze verplaatsing niet meer<br />

gebeuren met de fiets of te voet, niet alleen wegens de afstand maar ook<br />

omdat men om de school te bereiken ook bijna zeker wordt geconfronteerd<br />

met gevaarlijk en/of drukke wegen. Voor deze leeftijdsgroep en voor de woonschoolverplaatsingen<br />

komt het openbaar vervoer dan ook duidelijk in beeld.<br />

47


Indien het aanbod van basismobiliteit hieraan een bijdrage levert, dan levert het<br />

ongetwijfeld een belangrijke bijdrage aan het economische welbevinden van<br />

deze leeftijdsgroep.<br />

“Sinds ik naar Gent naar school ga, dan ga ik met de bus. Voordien gebruikte ik<br />

de bus niet. Maar nu vind ik dat wel tof.”<br />

(Seb 15 jaar Merelbeke)<br />

Hoe dan ook kan het openbaar vervoer een fundamentele bijdrage leveren<br />

aan het woon-schoolvervoer. De abonnementenpolitiek (bvb Buzzy Pazz) heeft<br />

er trouwens toegeleid dat het gebruik van het openbaar vervoer voor het woonschoolverkeer<br />

een hoge vlucht heeft genomen. De belbus zelf kwam bij onze<br />

geïnterviewden niet onmiddellijk in beeld. In principe zou dat echter wel kunnen.<br />

In onze zeer beperkte steekproef stelden we echter vast dat door een gebrek<br />

aan kennis men nog niet aan deze optie had gedacht. Indien de afstand tot het<br />

(reguliere) aanbod van openbaar vervoer te groot is om te voet af te leggen,<br />

dan wordt de fiets of de bromfiets genomen of worden de jongeren aan de<br />

bushalte afgezet met de wagen.<br />

Maar niet alleen de verplaatsingen naar de school nemen in deze leeftijdsgroep<br />

in afstand toe. Ook de sociale verplaatsingen vinden steeds vaker verder van de<br />

woonbuurt plaats. Buurtvrienden ruimen plaats of worden aangevuld met<br />

vrienden van op school en een bezoek aan deze vrienden en vriendinnen of<br />

(niet onbelangrijk voor deze leeftijdsgroep) het lief vraagt veelal een<br />

verplaatsing over een afstand van een 10-tal kilometer. Voor het sociale<br />

welbevinden zijn de verplaatsingen voor deze sociale contacten belangrijk. Het<br />

openbaar vervoer biedt hierop zeker een antwoord.<br />

“In de week als het slecht weer is ga ik naar de school met de bus anders met de<br />

fiets, met de fiets ook naar de scouts, dat is niet ver. En als ik met vriendinnen<br />

naar het Koopcentrum ga, dan ga ik met de bus.”<br />

(Nele 12 jaar Waasmunster)<br />

Ook al kwam het niet ter sprake toch kan het aanbod in het kader van de<br />

projecten basismobiliteit een bijdrage leveren aan deze behoefte. De<br />

verplaatsingen naar sociale contacten vinden over het algemeen plaats buiten<br />

de piekuren bijvoorbeeld op woensdagnamiddag en in het weekend en op<br />

deze momenten hebben de jongeren tijd. Het beperkte aanbod van openbaar<br />

vervoer tijdens deze momenten is dan wel hinderlijk, maar dat lijkt van secundair<br />

belang. Bovendien vinden de afspraken veelal plaats in ‘de stad’ en naar de<br />

stad is de frequentie van het openbaar vervoer het grootst.<br />

“We gaan soms in het weekend naar Gent met een paar vrienden om te gaan<br />

shoppen. Dan neem ik met mijn vriend uit te buurt, die ook in mijn school, zit de<br />

bus en dan spreken we in Gent af met de anderen.”<br />

(Seb 15 jaar Merelbeke)<br />

48


“Soms ga ik met vrienden naar Halle om te gaan shoppen of zo, dan nemen we<br />

hier wel de bus in Kwabeek. Die gaat rechtstreeks naar Halle.”<br />

(Joly 15 jaar Gooik)<br />

Naast de sociale contacten nemen de vrijetijdsactiviteiten ook een steeds<br />

belangrijkere plaats in bij deze jongeren. De jeugdbeweging en de sportclub<br />

blijven in het vrijetijdspatroon zitten, maar krijgen nu gezelschap van nog andere<br />

hobby’s. Ook hiervoor komt het openbaar vervoer in beeld. Ouders geven hun<br />

kinderen steeds meer vrijheid en de jongeren krijgen controle over hun doen en<br />

laten. De vrijheid en de onafhankelijkheid zijn belangrijk voor de ontwikkeling van<br />

persoonlijk welbevinden. Het gegeven dat men niet meer afhankelijk is van de<br />

ouders om zich te verplaatsen is daarbij cruciaal. De mogelijke ongemakken ten<br />

gevolge van een gebrek aan aanbod wegen hier niet tegen op.<br />

“Het openbaar vervoer is leuk, omdat iemand anders u altijd moet brengen. En<br />

met een groep is het ook plezant. Al mijn vrienden zijn ook maar 16 of 17 jaar en<br />

we hebben dus geen auto”<br />

(Steffi; 17 jaar, Brasschaat)<br />

“Als mijn zoon eens naar Halle wilt gaan met zijn vrienden, ja dan nemen ze de<br />

bus. Dan wil hij niet dat zijn mama hem brengt hé. Ze willen niet altijd afhangen<br />

van hun mamaatje hé. Zeker als ze dan met anderen zijn.”<br />

(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

“Ik ga ook liever met de bus naar Halle om met vriendinnen te gaan shoppen.<br />

Dan zijt ge vrij om zelf te beslissen wanneer je naar huis komt. Anders moet je<br />

altijd afspreken met je moeder of iemand anders om u te komen halen of zo.“<br />

(Joly 15 jaar Gooik)<br />

Dat geldt echter niet voor activiteiten die zich tijdens de avond- of nachturen<br />

afspelen. Vanaf een jaar of 16 wordt uitgaan een geliefkoosde bezigheid, maar<br />

gezien de nachtelijke uren moet men beroep doen op de ouders om hen te<br />

komen halen. Deze behoefte valt echter ver buiten de criteria van basismobiliteit<br />

en zeker tot de leeftijd van 18 jaar zijn ook ouders voorstander van het<br />

chauffeurgedrag.<br />

“Hij mag pas uitgaan als hij 18 jaar is hé. Zo nu en dan een feestje dat kan wel en<br />

dan voer ik hem of we spreken af met andere ouders. Maar alleen zou ik hem<br />

niet laten gaan. “<br />

(moeder van Seb)<br />

“De zaterdag ga ik mijn zoon halen in Gooik als hij uitgaat. Met de fiets wil ik niet<br />

dat hij zo ’s nachts naar huis komt. Hij ook wel niet hoor. Maar we spreken een uur<br />

af en dan ga ik hem halen.”<br />

(Sonja 42 jaar Gooik)<br />

Voor deze leeftijdsfase staat in de eerste plaats de onafhankelijkheid centraal.<br />

Naarmate de leeftijd wil men meer vrijheid in de vrijetijd en wil men vooral<br />

49


minder gebonden zijn aan de ouders. In deze leeftijdsfase is het voor de ouders<br />

dan ook tijd om afstand te nemen van hun bezorgdheid.<br />

“Hij mag van mij de woensdag zelf de bus nemen, maar hij moet wel altijd laten<br />

weten als hij dat doet. Een simpel smsje is dan genoeg, hoor. Maar ik weet het<br />

wel liever. Je weet nooit hé”<br />

(moeder van Seb)<br />

“Ik heb maar ene zoon, en ja, ik wil een goede moeder zijn en dan zet ik hem af<br />

waar hij moet zijn hé. Maar nu dit jaar wou hij dan wat zelfstandiger worden en ja,<br />

dan moet ge dat laten gebeuren hé. Ik ben wel bezorgd, maar allez.”<br />

(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

In de ‘strijd om zelfstandigheid’ speelt het aanbod aan openbaar vervoer een<br />

belangrijke rol. Deze leeftijdsgroep wordt immers beperkt in de keuzes om zich te<br />

verplaatsen door juridische beperkingen. Vanaf de leeftijd van 16 jaar komt de<br />

bromfiets in beeld, maar vele ouders vinden dit te gevaarlijk en weigeren dit<br />

voor hun kinderen. Dat betekent dat de meerderheid eigenlijk tot 18 jaar enkel<br />

het openbaar vervoer heeft om aan hun verplaatsingsbehoefte te voldoen.<br />

De behoeften van deze groep zijn voor het openbaar vervoer met andere<br />

woorden erg belangrijk.<br />

3.4.3. De beroepsactieve leeftijd (19 – 65 jaar)<br />

De beroepsactieve leeftijd is een lange fase gekenmerkt door een sterke interne<br />

dynamiek en differentiatie. Zo ontwikkelt zich in het begin van de<br />

beroepscarrière de zelfstandigheid en daarmee ook het verplaatsingsgedrag<br />

zich verder. Op het einde van de beroepscarrière moet of wil men het vaak wat<br />

kalmer aan doen en worden verplaatsingen vaak vanuit een minder<br />

tijdsgebonden perspectief benaderd. Een opdeling in subfases is dan ook<br />

noodzakelijk om zicht te krijgen op de verplaatsingsbehoefte voor deze<br />

leeftijdsklasse.<br />

3.4.3.1. Eerste subfase (19 tot 23 jaar)<br />

Het gemiddelde aantal verplaatsingen neemt opnieuw toe (2.9 verplaatsingen<br />

per dag en per persoon) en dat gaat tevens gepaard met een toenemende<br />

gemiddelde afstand van de verplaatsingen. In deze eerste subfase is er niet<br />

langer sprake van een dominantie van studeren (20%), maar de woon-school<br />

verplaatsingen nemen toch een groter aandeel in dan de woon-werk<br />

verplaatsingen (16 %) in deze leeftijdsgroep. Het relatieve belang van<br />

ontspanning, sport en cultuur blijft gelijk (20 %). Het winkelen neemt toe (16 %).<br />

Ook de zelfstandigheid bij het verplaatsen neemt toe. Steeds minder<br />

verplaatsingen gebeuren als passagier (22 %). Door de juridische toegang tot<br />

gemotoriseerd individueel vervoer komt de auto binnen handbereik (28 % van<br />

de verplaatsingen). Het is dan ook niet verwonderlijk dat de actieradius groter<br />

wordt. Vooral de fiets verliest aan belangstelling (21 %) terwijl het<br />

bromfietsgebruik er het hoogst is van alle andere leeftijdsklassen (6 %). Het<br />

50


aandeel van de voetgangersverplaatsingen is gedaald tot 10 %. Het aandeel<br />

van de trein is er in vergelijking met de andere leeftijdsklassen het hoogst (4 %).<br />

Bus, tram en metro zijn goed voor 5 % van de verplaatsingen.<br />

In deze leeftijdsfase neemt het aantal verplaatsingen, maar ook de afstand van<br />

de verplaatsingen verder toe. Dat geldt zowel voor de studenten als voor de<br />

beginnende beroepskrachten. Studenten trekken naar de hogeschool of de<br />

universiteit en beginnende beroepskracht vinden werk in industrieterreinen of<br />

andere kerngebieden. In beide gevallen neemt de afstand van de verplaatsing<br />

verder toe, maar beiden onderscheiden zich wel in de aard en de behoefte van<br />

de verplaatsingen.<br />

Voor de meeste beroepskrachten vallen de verplaatsingen in functie van het<br />

werk tijdens de collectieve piekuren. Met een kleine speling trekken de meeste<br />

werkenden tussen 7 en 9 uur naar het werk en komen ze tussen 17 en 19 uur<br />

terug naar huis. Rond dat collectieve woon-werkverkeer werden in het verleden<br />

reeds talrijke initiatieven genomen en het recent opgestarte ‘Netmanagement’<br />

speelt eveneens in op de behoeften die hieruit ontstaan.<br />

Het openbaar vervoer in het algemeen en ook het aanbod binnen de projecten<br />

basismobiliteit bieden op dat vlak een bijdrage voor het economische<br />

welbevinden. Voor werkenden die niet binnen deze collectieve werkuren<br />

tewerkgesteld zijn, zijn verplaatsingen met het openbaar vervoer minder evident,<br />

maar daar komen we bij de bespreking van de beschikbaarheid van het<br />

openbaar vervoer.<br />

Voor studenten vallen de verplaatsingen naar en van de hogeschool of<br />

universiteit ook binnen onze definitie van economisch welbevinden. Hun<br />

verplaatsingen vallen echter niet altijd binnen de piekuren waarop het aanbod<br />

aan openbaar vervoer optimaal is. Zij moeten zich regelmatig naar de<br />

onderwijsinstelling verplaatsen tussen de piekuren en dan is het aanbod eerder<br />

beperkt. Bovendien wordt ook de verplaatsingstijd in afweging genomen bij de<br />

keuze voor het gebruikte vervoersmiddel. Verplaatsingen met het openbaar<br />

vervoer zijn gevoelig trager dan verplaatsingen met de wagen, zeker als daarbij<br />

gebruik moet worden gemaakt van lokale lijnen. Vermits de verplaatsingen naar<br />

de onderwijsinstelling ook niet zo voorspelbaar zijn, valt ook het gebruik van<br />

bijvoorbeeld de belbus buiten het optiepakket. In tegenstelling tot hun<br />

werkende leeftijdsgenoten komt het aanbod van openbaar vervoer in functie<br />

van basismobiliteit dus minder tegemoet aan de behoeften van de studenten<br />

aan het hoger onderwijs en levert het dus minder een bijdrage tot hun<br />

economisch welbevinden.<br />

“Mijn dochter die zit dan op de univ, dus die heeft ook niet altijd dezelfde uren.<br />

En met de belbus moet ge gebeld hebben. Zij heeft daar wel eens naar<br />

gevraagd, maar ze heeft toen weinig uitleg gehad. Als ik het goed begrepen<br />

heb, dan zou ze met de belbus naar Ninove en vandaar naar Brussel. Maar ja, ze<br />

is echt heel lang weg.”<br />

(Marleen 58 jaar Gooik)<br />

51


Hun situatie verschilt echter niet van werkenden met onvoorspelbare werkuren.<br />

Op het vlak van het persoonlijke en het sociale welbevinden verschillen<br />

werkenden wellicht niet echt van aard. Waarschijnlijk hebben studenten meer<br />

mogelijkheden om tussen 9 en 17 uur bepaalde activiteiten uit te oefenen, maar<br />

na 18 uur komen ze elkaar in hun vrije tijd tegen. Zowel de sociale contacten als<br />

de participatie in sportclubs of in het verenigingsleven blijven zeer belangrijke<br />

tijdsbestedingen, maar de verplaatsingen worden vooral getekend door een<br />

nieuwe en hogere vorm van vrijheid en onafhankelijkheid… de auto.<br />

Deze leeftijdsfase betekent zeer duidelijk een scharniermoment voor het gebruik<br />

van het openbaar vervoer. Tot de leeftijd van 18 jaar heeft het openbaar<br />

vervoer een zeer belangrijke functie in de ontwikkeling van een<br />

onafhankelijkheidsgevoel bij de jongeren. Men moet niet langer rekenen op één<br />

van de ouders om naar de locatie van bestemming gevoerd te worden en men<br />

kan zelf beslissen om al dan niet naar een bepaalde locatie te gaan. Eens in het<br />

bezit van een rijbewijs en van een wagen, al dan niet van de ouders, wordt het<br />

openbaar vervoer dan gezien als een belemmering. De verplaatsingen en ook<br />

de uren waarop de verplaatsingen plaatsvinden, worden ook veel minder<br />

gestructureerd en vallen daarom ook meer dan geregeld buiten de collectieve<br />

verplaatsingsuren en dus buiten de contouren van de projecten basismobiliteit.<br />

3.4.3.2. Tweede subfase (24-42 jaar)<br />

Deze fase telt in vergelijking met alle anderen het hoogst aantal verplaatsingen<br />

(3,3 verplaatsingen per dag en per persoon en de gemiddelde afstand van<br />

deze verplaatsingen neemt verder toe. In deze fase is men doorgaans<br />

afgestudeerd en vormt men vaak een (één/meer)persoonshuishouden van één-<br />

of tweeverdieners. In deze subfase zijn werkgebonden verplaatsingen dominant<br />

(29 % van de verplaatsingen zijn werkverplaatsingen, 3 a 4 % van de<br />

verplaatsingen zijn daar bovenop zakelijke verplaatsingen). Van alle<br />

leeftijdsklassen is het aandeel werkverplaatsingen in deze leetijdsfase het hoogst.<br />

Andere belangrijke verplaatsingsmotieven zijn winkelen (19 %) maar ook het<br />

vervoer van personen (10 %). Het autogebruik op niveau van de verplaatsingen<br />

is hier het hoogst. 60 % van de verplaatsingen gebeurt met de wagen. Het<br />

aandeel van voetgangers en fietsverplaatsingen neemt verder af, respectievelijk<br />

tot ongeveer 8 % en 9 %. Ook het aandeel verplaatsingen als passagier ligt in<br />

deze ordegrootte (12 %). Het aandeel bus, tram en metro zakt verder weg (1 %).<br />

Het aandeel van de trein bedraagt hooguit 2 %. (Onderzoek<br />

Verplaatsingsgedrag, 2000-2001)<br />

Deze leeftijdsfase, in de literatuur (Moens, 2004) ook omschreven als de drukke<br />

leeftijd, uit zich in een hoog aantal verplaatsingen. Met de werkverplaatsingen<br />

als belangrijkste component in het verplaatsingspatroon neemt het<br />

economische welbevinden een prioritaire plaats in. Uiteraard is het hebben van<br />

werk de eerste vereiste, maar het is makkelijk kunnen verplaatsen naar het werk<br />

en terug naar huis, dragen fundamenteel bij tot het welbevinden.<br />

52


Uit onze interviews bleken heel wat werkenden erg op te zien tegen de woonwerkverplaatsing.<br />

Mensen zien deze verplaatsing als verloren tijd en willen de<br />

afstand tussen thuis en werk zo snel mogelijk overbruggen. Vanuit dat<br />

perspectief doet het openbaar vervoer het niet zo goed.<br />

“Ik neem ook de bus, maar de verbinding is soms wel erg. Eergisteren had ik om<br />

halfacht gedaan en ik was om negen uur thuis. Met de wagen is dat misschien 20<br />

minuutjes ofzo. Maar als ik mijn verbinding mis dan is het niet evident.”<br />

(Karen 30 jaar Waasmunster)<br />

“Het moet ook allemaal vlug gaan. Ik wil rap boodschappen doen voor de<br />

kindjes te gaan halen ofzo. Allez, hier op Schelderode zijn er niet zo veel bussen.<br />

Dan zou ik serieus moeten plannen binnen de uurroosters van de bus.”<br />

(Lies 37 jaar Merelbeke)<br />

Ondanks het optimale aanbod aan openbaar vervoer en de verkeerscongestie<br />

verkiezen toch heel wat mensen om gebruik te maken van de wagen. Tenminste<br />

toch voor een deel van het traject. Heel wat geïnterviewden geven immers aan<br />

dat men de wagen neemt tot een station vanwaar men een rechtstreekse<br />

verbinding heeft met de werkplaats. Dat geldt vooral voor mensen die in de<br />

kernsteden werken. De verplaatsingen tussen het station en de woonplaats<br />

worden dan weer afgelegd met andere vervoersmiddelen dan het openbaar<br />

vervoer. Wie dicht bij het station woont, gaat te voet. Sportievelingen leggen de<br />

afstand af met de fiets en anderen nemen de wagen en maken gebruik van het<br />

aanbod aan parkeerplaatsen aan de stations.<br />

“Ik zou zelf ook wel veel de bus en zo willen pakken hoor. Mocht de tijdsdruk er<br />

niet zijn. Nu verlies je zo veel tijd met het wachten op de bus. Nu kom je in het<br />

station toe en je springt op de fiets. En je bent weg.”<br />

(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

Dat zelfde gedrag zet zich door in de vrije tijd en dan vooral bij het bezoek aan<br />

de steden. De stad wordt met de wagen gemeden en men verkiest om het<br />

centrum in te trekken met de tram of met de bus. Files, het zoeken van een<br />

parkeerplaats en ook de kostprijs van een betaalparking zijn doorslaggevende<br />

argumenten om een bezoek van de stad gedeeltelijk met de wagen en<br />

gedeeltelijk met het openbaarvervoer te doen. Men rijdt dan tot de rand van de<br />

stad, naar de gekende “P+R”-parkings of naar grote parkings aan stations en<br />

daar neemt men een rechtstreekse verbinding tot het centrum van de stad of<br />

een andere bestemming.<br />

“Naar de luchthaven ook hé. Dan nemen we de trein naar de luchthaven. Juist<br />

een slachtoffer vinden om ons naar het station van Sinaai te brengen. Want ja,<br />

met uw valiezen op de bus of de tram, da zie ik niet zitten. Maar dat is relax hé.<br />

Onze vakantie begint dan al in Sinaai hé. Geen stress als ge toekomt op de<br />

luchthaven en zo.”<br />

(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

53


“Naar de Gentse Feesten of naar Walibi of zo dan pakt onze Pieter wel de trein.<br />

Allez als ze zich dan wat willen amuseren en desnoods een pintje drinken, dan<br />

gaan ze met de trein. Maar hij pakt danwel zijne auto tot aan het station hé.”<br />

(Marleen 58 jaar Gooik)<br />

De zoektocht naar sociaal en ook persoonlijk welbevinden verloopt in deze<br />

leeftijdsgroep in de allereerste plaats via condities als gemak, comfort en …<br />

tijdswinst. Dat laatste is niet verwonderlijk als men weet dat deze levensfase als<br />

de drukke leeftijd wordt bestempeld. In dat plaatje past het openbaar vervoer<br />

enkel als het tegemoet komt aan bovenstaande criteria. Indien niet dan geraakt<br />

men gefrustreerd en in vele gevallen weigert men in de toekomst het openbaar<br />

vervoer nog te gebruiken.<br />

“We zijn is naar Plopsaland geweest met de trein. Dat was ook een schoon<br />

verhaal. Eerst moesten we de bus nemen naar het station. Dan nog eens<br />

overstappen. We zijn echt lang onderweg geweest. Ik denk meer dan drie uur.<br />

Neen, dat gaan we niet meer doen. De volgende keer gaan we met de auto.<br />

Want goedkoop was dat niet hé. Zeker met het ganse gezin. Met uwe auto voelt<br />

ge dat zo niet.”<br />

(An 34 jaar Brasschaat)<br />

In deze leeftijdsfase komen, als onderdeel van de drukte, ook kinderen in beeld.<br />

En blijkbaar zorgt de komst van kinderen in deze fase voor bijkomende<br />

verplaatsingsproblemen. De extra verplaatsingen die moeten worden gemaakt<br />

om de kinderen naar school, naar vriendjes of naar de sportclub te brengen,<br />

leggen een bijkomende druk op de verplaatsingsmogelijkheden. Ook deze<br />

moetenn liefst zo snel en efficiënt mogelijk gaan.<br />

“Mocht ik geen wagen hebben, dan zou ik niet weten wat te doen. Al die<br />

activiteiten van de kinderen… Ik denk dat ze veel thuis zouden zitten. Neen, sommige<br />

dingen zouden zeker niet lukken. De tekenacademie bijvoorbeeld. Ik zou het niet zien<br />

zitten om met haar met de bus naar Gent te gaan en ze dan twee uur later opnieuw<br />

te gaan halen. Of ik moet daar blijven. Maar dat zie ik ook niet zitten.”<br />

(Lies 37 jaar Merelbeke)<br />

3.4.3.3. Derde subfase (43-65 jaar)<br />

Voor het eerst neemt het gemiddelde aantal verplaatsingen per persoon en per<br />

dag af en dat gaat gepaard met een dalende trend in de gemiddelde<br />

verplaatsingsafstand. Naar verplaatsingsmotief worden vooral<br />

winkelverplaatsingen belangrijk (28 %). Het aandeel werkgebonden<br />

verplaatsingen daalt tot 26 % (20 % woon-werkverplaatsingen en 6 % zakelijke<br />

verplaatsingen). Wel ontstaat er een nieuwe zorg, ditmaal voor oudere, maar<br />

ook jongere (kleinkinderen) familieleden. Bezoeken (10 %) en iemand<br />

wegbrengen, vormen samen bijna 20 % van de verplaatsingen. Het relatieve<br />

belang van recreatieve verplaatsingen neemt eveneens toe. Zo bedraagt het<br />

aandeel verplaatsingen met als doel wandelen en rondrijden 4 % terwijl het<br />

aandeel verplaatsingen met als doel ontspanning, sport en cultuur 13 %<br />

54


edraagt. Maar ook het aantal verplaatsingen voor diensten of zorgen, is<br />

meldenswaardig (4 %).<br />

Als vervoermiddel wordt de auto iets minder belangrijk. Toch neemt hij nog<br />

steeds ongeveer de helft van de verplaatsingen voor zijn rekening. 12 % van de<br />

verplaatsingen gebeurt als passagier. Het relatieve belang van voet- en<br />

fietsverplaatsingen neemt weer toe tot samen ongeveer 25 %. Het aandeel<br />

collectief vervoer bedraagt ongeveer 4 % (Onderzoek Verplaatsingsgedrag,<br />

2000 – 2001).<br />

De drukke leeftijd is in deze leeftijdsgroep beetje bij beetje aan het wegebben<br />

en de nadruk verschuift naar rust en ontspanning als belangrijke elementen van<br />

persoonlijk welbevinden. Verscheidene factoren dragen daartoe bij, op het werk<br />

is men aan het ‘uitbollen’, de kinderen zijn ‘het huis uit’ of zijn in grote mate<br />

onafhankelijk en men heeft wat spaarcentjes waarvan men wil ‘genieten’.<br />

Bovendien wil men nu ook iets doen om fit en gezond te blijven en dus wordt de<br />

fiets van stal gehaald (of wordt een nieuwe fiets gekocht) of gaat men meer te<br />

voet.<br />

Maar ook het openbaar vervoer helpt mee aan de de behoeften van deze<br />

leeftijdsgroep om fit en gezond te blijven. Niet dat het vervoer op zich gezond is,<br />

maar dan toch wel de locatie waar mennaar toe kan gaan om aan zijn of haar<br />

conditie te werken.<br />

“Ik pak 1 keer per week de buurtbus. Dat is gratis en is hier op 750 meter van. En<br />

dan ga ik naar de fitness. Dat is 45 minuten. Pas op met de fiets is het maar 20<br />

minuten, maar het is gemakkelijk en ik heb tijd genoeg.”<br />

(Willy 62 jaar Brasschaat)<br />

Uiteraard is een verplaatsing naar de fitness slechts één van de vele mogelijke<br />

verplaatsingen die men tijdens de dag kan maken. Zeker voor gepensioneerden<br />

valt elke verplaatsing in het kader van de ‘vrije tijd’.<br />

Binnen deze leeftijdscategorie onderscheiden we dan ook twee belangrijke<br />

groepen. Eens de 50 jaar voorbij ontmoeten we immers regelmatig pre- of<br />

bruggepensioneerden. Voor hen valt het tijdsperspectief van de werkende<br />

bevolking weg. De pensioenstransitie is voor deze leeftijdsgroep dan ook<br />

belangrijk. Betaalde arbeid is immers niet alleen een inkomensbron, maar heeft<br />

ook een tijdsstructurerende functie en vormt een context van betrokkenheid en<br />

sociale interactie. (Glorieux, 1995; Kim & Moen, 2001) Deze groep heeft op dat<br />

ogenblik dus nood aan het opbouwen van nieuwe structuren en contacten. Op<br />

dat vlak komen in de beschrijving van de verplaatsingen een aantal specifieke<br />

verplaatsingen in beeld. Een eerste is de zorg om de eigen ouders. De kinderen<br />

zijn het huis uit, maar de ouders bereiken een hoogbejaarde leeftijd wat<br />

gepaard gaat met bijkomende zorgen, niet in het minst met mobiliteitsarmoede.<br />

De verplaatsingen naar de zorgbehoevende ouder moet zelf al geen zorg op<br />

zich zijn. Een aanbod van het openbaar vervoer afgestemd op bijvoorbeeld het<br />

bezoeken van rusthuizen komt dan ook tegemoet aan de behoeften van deze<br />

groep op het vlak van sociaal welbevinden. Hier onderscheiden de werkenden<br />

zich wel van de niet-werkenden. Voor werkenden vinden de bezoeken van<br />

55


familieleden, maar ook van andere sociale contacten na de werkuren, voor<br />

niet-werkenden kunnen deze verplaatsingen plaatsvinden binnen de werkuren.<br />

Dat uit zich in het gebruikte vervoersmiddel. Voor de werkenden zal dat vlugger<br />

de auto zijn, niet-werkenden hebben ‘tijd’ en nemen dan vlugger het openbaar<br />

vervoer. Voor deze laatste levert een aanbod binnen de projecten<br />

basismobiliteit ongetwijfeld een bijdrage.<br />

Een tweede opvallende vermelding in de beschrijving van de verplaatsingen zijn<br />

het ‘winkelen’ en ‘het bezoeken van diensten’. Binnen het ruime perspectief van<br />

economisch welbevinden is dat, zeker voor de niet-werkenden, een belangrijk<br />

element. Voor de werkenden zijn dat activiteiten die men inpast in andere<br />

verplaatsingen en vermits die liever snel verlopen, is de wagen het<br />

vervoersmiddel bij voorkeur. Voor niet-werkenden vormen deze verplaatsingen<br />

echter ook een vorm van ‘ontspanning’. Samen naar de markt of naar de bank<br />

gaan, zijn voor heel wat geïnterviewden evenveel uitstap als functionele<br />

noodzaak. Binnen dit perspectief komt het openbaar vervoer wel in beeld.<br />

Bovendien blijkt in heel wat gevallen het openbaar vervoer afgesteld op<br />

marktdagen en is het aanbod dan groter dan op andere dagen.<br />

“Het buurtbusje is echt een heel goed initiatief. Mensen kunnen naar de kliniek,<br />

kunnen hier gemakkelijk weg. Echt heel goed. Het zijn wel altijd dezelfde die erop<br />

zitten. Ik en twee anderen. Altijd dezelfde Behalve op maandag als het markt is.<br />

Dan zit het vol.”<br />

(Willy 62 jaar Brasschaat)<br />

Binnen deze fase speelt bij het ‘onthaasten’ het openbaar vervoer een<br />

belangrijke rol. Files, parkeerplaatsen en ook de verkeersagressie worden<br />

geassocieerd met de drukke periode en worden liever gemeden. Het gebruik<br />

van het openbaar vervoer past perfect binnen dat plaatje. Onthaasten<br />

betekent het vermijden van stress en samen met het wegschuiven van de<br />

tijdsdruk profileert het openbaar vervoer zich als onderdeel van de uitstapjes.<br />

Binnen hetzelfde denken, maar dan wel niet onder de criteria van basismobiliteit,<br />

wordt graag gebruik gemaakt van de trein om bijvoorbeeld naar de kust te<br />

gaan.<br />

“Naar de zee gaan we met de trein. We rijden dan naar het station van Geel en<br />

dan met de trein naar de kust. En dan nemen we daar de bus of de tram. Maar<br />

dat is anders hé. Dan hebt ge compagnie en geen zorgen of stress. Da’s anders<br />

als hier thuis hé.”<br />

(Agnes 45 jaar Geel)<br />

Voor deze leeftijdsgroep en vooral bij de niet-werkenden levert het openbaar<br />

vervoer een duidelijke meerwaarde op het vlak van het welbevinden in het<br />

algemeen. Dat geldt ook voor het aanbod basismobiliteit. Als men het systeem<br />

kent, dan wordt er handig gebruik van gemaakt. Uit onze interviews kregen we<br />

echter de indruk dat de kennis over de mogelijkheden van bijvoorbeeld de<br />

56


elbus slecht gekend zijn. Dat komt grotendeels omdat deze leeftijdsgroep voor<br />

het eerst echt kennismaakt met het openbaar vervoer. De afgelopen 30 of 40<br />

jaar heeft men immers altijd beroep gedaan op de wagen…<br />

3.4.4. De fase na mogelijke arbeid (+65 jaar)<br />

Het gemiddelde aantal verplaatsingen daalt tot 1,5 verplaatsingen per dag en<br />

per persoon. Ook de gemiddelde verplaatsingsafstand neemt verder af. Naar<br />

verplaatsingsmotief zijn vooral winkelverplaatsingen belangrijk (34 %), maar ook<br />

iemand bezoeken (18 %). Ook wandelen en rondtoeren neemt toe (6 %). Het<br />

aantal verplaatsingen voor ontspanning, sport en cultuur bedraagt 13 %. Het<br />

aantal verplaatsingen voor diensten of zorgverlening neemt toe tot 9 %.<br />

Verplaatsingen met als doel het vervoeren van personen zakt terug tot 5%.<br />

De wagen verliest aan attractiviteit. Slechts 37 % van de verplaatsingen<br />

gebeuren nog met de wagen. Wel neemt het aantal verplaatsingen als<br />

passagier weer toe (15 %). Het aandeel voetgangers- en fietsverplaatsingen<br />

neemt toe tot boven de 30 %. Bus, trein en tram winnen als vervoermiddel aan<br />

belang toe (6 %). (Onderzoek Verplaatsingsgedrag, 2000 – 2001)<br />

Het leven wordt voor een deel van de bevolking verder onthaast en<br />

bovenstaand proces wordt verder gezet, voor anderen begint het nu pas, maar<br />

ook zij stappen vrij vlug in hetzelfde denken en handelen. Voor allen geldt dat<br />

de meeste in de tijd dwingende of verplichte verplaatsingsmotieven wegvallen.<br />

Toch kunnen we ook hier ruwweg twee subfasen onderscheiden. De fase met<br />

nog een grote mate van zelfstandigheid en een fase met steeds groter<br />

wordende afhankelijkheid van anderen.<br />

3.4.4.1. In de eerste subfase (66 - 75 jaar)<br />

De eerste fase van de pensionering wordt gekenmerkt door wat we de actieve<br />

derde leeftijd noemen. Het aantal verplaatsingen neemt dan wel af, maar dat<br />

uit zich niet op verplaatsingen in functie van ontspanning. De wagen wordt aan<br />

de kant geschoven en naast het wandelen en fietsen in de buurt, neemt het<br />

openbaar vervoer een prominente plaats in. Niet in het minst door de ‘gratis’regel<br />

voor 65-plussers.<br />

“Ik gebruik het openbaar vervoer. Ja, het is mij alles het ware op een schoteltje<br />

door Stevaert aangebracht hé. ’t Is gratis zoals de zon en die gebruik ik ook<br />

graag.”<br />

(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

“Mijn ouders nemen veel het openbaar vervoer. Sinds die 65 jaar zijn gaan die<br />

heel graag eens met de bus weg of met de trein. Veel oudere mensen doen<br />

dat. We zien dat ook bij ons in de winkel. Veel oudere mensen komen met de<br />

bus. Maar ik heb daar te weinig tijd voor. Ik ben altijd een beetje gehaast, hé.”<br />

(Marleen 58 jaar Gooik)<br />

57


Het openbaar vervoer zet zich bij deze leeftijdsgroep duidelijk door als onderdeel<br />

van de uitstap en het zich kosteloos verplaatsen zorgt ervoor dat men het<br />

openbaar vervoer gebruikt om ‘zomaar’ ergens naar toe te gaan. We merken in<br />

deze leeftijd dan ook opnieuw de eerste sporen van het openbaar vervoer als<br />

symbool van vrijheid en onafhankelijkheid. In die zin levert het openbaar vervoer,<br />

zoals bij jongeren, een belangrijke bijdrage in het persoonlijke welbevinden.<br />

Maar ook op het vlak van het sociaal en economisch welbevinden speelt het<br />

openbaar vervoer een belangrijke rol. Nog meer dan de jongere generatie<br />

spendeert deze leeftijdsgroep vrij veel tijd en ook verplaatsingen aan ‘winkelen’.<br />

Hierbij dient wel een onderscheid te worden gemaakt tussen winkelen als<br />

‘boodschappen doen’ en winkelen als shoppen. Voor zowel de wekelijkse als de<br />

dagelijkse inkopen komt het openbaar vervoer niet in beeld. De dagelijkse<br />

inkopen worden in de buurt gedaan en daarvoor verplaatst men zich te voet of<br />

met de fiets en de wekelijkse inkopen worden met de wagen gedaan, al dan<br />

niet door beroep te doen op derden. De belangrijkste reden hiervoor is de last<br />

die men te dragen heeft.<br />

“Grote boodschappen zijn een probleem. Dan moet je altijd iemand<br />

aanspreken. Ik heb nu een vriendin, die woont aan het Rivierenhof. Ze is ook haar<br />

man verloren, maar ze kan wel met de auto rijden en dan gaan we samen naar<br />

de winkel.”<br />

(Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />

We komen daar in het volgende hoofdstuk op terug. Voor het shoppen<br />

daarentegen wordt het openbaar vervoer wel als ideaal vervoersmiddel gezien.<br />

Shoppen gebeurt immers in de stadskern en dat bezoek verloopt, zoals reeds<br />

gezegd, het liefst met het openbaar vervoer. Bij het shoppen draagt men ook<br />

niet de last die men heeft bij de inkoop van levensmiddelen. Het wordt in de<br />

eerste plaats benaderd als ontspanning en een uitstap.<br />

“Zo voor mijnen tijd te passeren, dan ga ik eens naar Kortrijk om een<br />

wandelingetje te doen. Of met vriendinnen. Da’s wel plezant.”<br />

(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

Binnen het sociale en economische welbevinden vindt het openbaar vervoer bij<br />

deze groep zeker een plaats. Naast shoppen spendeert deze groep immers ook<br />

tal van verplaatsingen aan visites of bezoeken. Voor een deel zijn deze<br />

bezoeken in functie van een zorgbehoevende ouder, maar een deel van de<br />

verplaatsingen zijn ook in functie van de kleinkinderen. De eigen kinderen<br />

worden dan geconfronteerd met de drukke leeftijd en de grootouders staan<br />

dikwijls in voor de opvang van de kleinkinderen. De kleinkinderen worden van<br />

school gehaald en worden door de grootouders bijgehouden tot het einde van<br />

de werkdag van de kinderen.<br />

58


“Mijn moeder die gebruikt de belbus vrij veel. Ze is 72 jaar en nog goed te been.<br />

Maar ze is niet tijdsgebonden en ze kan zich regelen hé. En ze doet dat goed, ze<br />

neemt dan de belbus naar het station en dan de trein naar Lokeren en dan de<br />

bus naar hier. Ze vertrekt dan wel ‘s morgens vroeg en dan is ze tegen de<br />

middag hier.”<br />

(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

Vermits tal van kinderen bij het verlaten van het ouderlijk huis toch op een<br />

afstand van hun ouders gaan wonen en de kleinkinderen naar een basisschool<br />

gaan in de buurt van hun woonst, moeten de grootouders toch een redelijke<br />

afstand afleggen om de kleinkinderen van school te halen.<br />

3.4.4.2. In de tweede subfase (+ 75 jaar)<br />

Het gemiddelde aantal verplaatsingen per dag daalt verder tot 0,8. Toch blijft<br />

de gemiddelde verplaatsingsafstand quasi gelijk (10,3km). Belangrijke<br />

verplaatsingsmotieven zijn ook hier winkelen 37 %), visite of logeren (20 %) en<br />

ontspanning, sport en cultuur (15 %). Het aantal verplaatsingen met als doel<br />

wandelen en rondtoeren, neemt aan belangrijkheid af (9 %). Verplaatsingen<br />

voor diensten en verzorging bedragen 4 % van het totale aantal. Het aandeel<br />

van verplaatsingen met als doel het vervoeren van personen daalt tot 1 %.<br />

Naar vervoermiddel toe zien we hoe de auto aan belang verliest. Nog slechts 1<br />

op vier verplaatsingen gebeuren met de wagen. Wel neemt het aandeel<br />

verplaatsingen als passagier aanzienlijk toe (25 %). Het aandeel bus en tram blijft<br />

op 4 %. Het aandeel voetgangersverplaatsingen neemt verder toe tot 34 %. Het<br />

aandeel fietsverplaatsingen zakt weg tot 9 %. De trein wordt nog nauwelijks<br />

gebruikt (0,5%). (Mobiliteitscel, 2001)<br />

De jongere generatie gepensioneerde wordt bestempeld als een actieve derde<br />

leeftijd, maar in deze tweede subfase neemt de afhankelijkheid van anderen<br />

opnieuw sterk toe. De auto wordt meer en meer aan de kant geschoven,<br />

verkocht of niet meer gebruikt. Door de fysieke moeilijkheden die optreden<br />

wordt ook de fiets en te voet steeds moeilijker. Het openbaar vervoer wordt dan<br />

bijna het enige vervoersmiddel dat hen in staat stelt om zich te verplaatsen en<br />

zodoende toch een zekere onafhankelijkheid uit te bouwen. In de andere<br />

gevallen is men afhankelijk van anderen om bepaalde verplaatsingen te<br />

maken. Voor het persoonlijke welbevinden is het openbaar vervoer dan ook zeer<br />

belangrijk.<br />

“Ge kunt niet altijd op alleman rekenen, hé. Ik wil dat ook niet zenne. Ik heb dat<br />

nooit gedaan. Ook niet toen mijne man nog leefde. Dan ging ik ook met de bus<br />

weg. En vroeger als ik jong was veel met de fiets hé. Maar de tijden zijn<br />

veranderd. Het verkeer is veel drukker geworden en ge moet ook verder gaan<br />

dan vroeger hé”<br />

(Marian 81 jaar Geel)<br />

59


Winkelen en op visite gaan, zijn ook voor deze leeftijdsgroep de belangrijkste<br />

verplaatsingsmotieven. Door leeftijdsgebonden kwalen worden een aantal<br />

negatieve aspecten van het openbaar vervoer echter uitvergroot. Grote<br />

inkopen blijven zeer moeilijk te doen met het openbaar vervoer en daarvoor<br />

rekent men dan ook op anderen met een wagen. Shoppen als vrije<br />

tijdsbesteding komt minder aan de orde en dus moeten we stellen dat op het<br />

vlak van het economische welbevinden het openbaar vervoer een kleinere<br />

bijdrage levert dan op het vlak van het sociale welbevinden.<br />

“Soms ga ik met vrienden naar Halle om te gaan shoppen of zo, dan nemen we<br />

hier wel de bus in Kwabeek. Die gaat rechtstreeks naar Halle.”<br />

(Joly 15 jaar Gooik)<br />

“Zo’n twee keer per maand neem ik de bus naar het centrum om te shoppen of<br />

om bepaalde boodschappen te doen. Soms naar een museum….”<br />

(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

Bezoeken aan anderen worden ook steeds moeilijker, maar door gebruik te<br />

maken van het openbaar vervoer kunnen deze verplaatsingen in de dag wel<br />

plaatsvinden. Opvallend voor deze groep is dat men zich zeer expliciet<br />

verplaatst tussen de piekuren. Men verlaat het huis na 9 uur en men zorgt dat<br />

men terug thuis is voor het begin van de avondspits rond 16 uur. Bij het gebruik<br />

van het openbaar vervoer wil men dan vooral de schoolgaande jongeren op<br />

de bus vermijden.<br />

“Als je de pech hebt om je met de bus te verplaatsen als de kinderen juist van<br />

school komen, ja, dan kom je in een heksenketel terecht hé. Kinderen hebben<br />

ook geen discipline meer. Ze gaan hun plaats ook niet meer afstaan, zenne.”<br />

(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

Algemeen stellen we vast dat deze groep veel belang hecht aan de<br />

mogelijkheden die het openbaar vervoer biedt. Ondanks de belemmeringen<br />

waarmee men te kampen heeft bij het gebruik van het openbaar vervoer is het<br />

voor deze groep het enige vervoersmiddel waardoor men van een zekere<br />

vrijheid, onafhankelijkheid en bewegingsvrijheid kan genieten.<br />

3.5. Conclusies deel 3<br />

In dit onderdeel zijn we dieper ingegaan op de verplaatsingsbehoeften van<br />

verschillende leeftijdsgroepen en de vervoersmiddelen die men daarvoor<br />

gebruikt of toch minstens in overweging neemt. Vertaald naar de doelstelling<br />

van deze studie hebben we ons bij de interviews met de respondenten gericht<br />

op vragen over de gebruikte vervoersmiddelen voor bepaalde verplaatsingen.<br />

Afgaande op de antwoorden van de respondenten en rekening houdend met<br />

de leeftijdscategorie waartoe men behoort zijn duidelijke verschillen op te<br />

tekenen in de afstand die men moet afleggen om in zijn of haar behoeften te<br />

voorzien en de vervoersmiddelen die men daarvoor kan gebruiken.<br />

60


Voor bepaalde leeftijdsgroepen zijn sommige vervoersmiddelen gewoon geen<br />

optie. Het voor de hand liggend voorbeeld is uiteraard het verplichte rijbewijs<br />

voor het besturen van een wagen.<br />

De opsplitsing naar leeftijdscategorie is dan ook zeer pertinent. Onder de leeftijd<br />

van 18 jaar beschikt men maar over een beperkt aantal vervoersmiddelen,<br />

maar de behoeften aan verplaatsingen zijn ook minder groot en de afstand tot<br />

de activiteiten die men wil of moet doen is ook minder groot dan voor<br />

werkenden of voor studenten in het hoger onderwijs.<br />

Tijdens de lange fase van tewerkstelling merken we vooral tot de leeftijd van<br />

ongeveer 45 jaar dat de auto quasi onmisbaar is. De drukke leeftijd laat het<br />

immers niet toe om veel tijd te verliezen bij verplaatsingen. Men heeft zo veel<br />

zaken te doen dat elke minuut die men moet besteden aan een verplaatsing<br />

eigenlijk een verloren minuut is. Na de drukke leeftijd heeft men echter nood aan<br />

onthaasting en met de auto als een belangrijk symbool van stress wordt deze<br />

ook meer en meer aan de kant gelaten. Omdat in deze leeftijd ook veel<br />

aandacht gaat naar de gezondheidstoestand komen vervoersmiddelen die<br />

gebruik maken van spierkracht terug in beeld. Uiteraard gaat dat niet of moeilijk<br />

voor grote verplaatsingen. Voor dergelijke verplaatsingen blijft de auto een<br />

favoriet vervoersmiddel, maar men zal wel trachten om deze zo functioneel<br />

mogelijk te gebruiken. Als de wagen stress veroorzaakt, bijvoorbeeld door de<br />

drukte in de stad of de files op de wegen, maar ook door het zoeken naar een<br />

geschikte parkeerplaats in de stad, dan wordt de wagen graag ingeruild voor<br />

het openbaar vervoer.<br />

Eens de pensioenleeftijd bereikt en men verlost is van de ‘verplichte’ activiteit<br />

werken, wordt tijd veel minder een issue. Het hebben van tijd is daarentegen juist<br />

iets wat men koestert en men probeert dat ook te benadrukken door gebruik te<br />

maken van vervoersmiddelen die niet persé sneller zijn, maar wel makkelijker en<br />

veel meer ontspannen. Omdat tijd niet meer zo belangrijk is en vooral omdat<br />

men controle krijgt over de tijd, komt het openbaar vervoer weer sterk in beeld.<br />

Hoe ouder men bovendien wordt, hoe belangrijker het openbaar vervoer ook<br />

wordt voor de Vlaming. Als we naar de relatie tussen enerzijds het<br />

vervoersmiddel en anderzijds de zelfstandigheid, de onafhankelijkheid, de<br />

vrijheid, kortom het persoonlijk welbevinden kijken dan staat het openbaar<br />

vervoer symbool voor onafhankelijkheid bij ouderen. Hetzelfde geldt trouwens<br />

ook voor jongeren die nog niet in het bezit zijn van een rijbewijs. Daartussen is het<br />

openbaar vervoer echter eerder het symbool van afhankelijkheid, van<br />

gebonden zijn.<br />

Kijken we naar de doeleinden van de verplaatsingen en het gebruikte<br />

vervoersmiddel dan stellen we vast dat het openbaar vervoer in het algemeen<br />

voor heel wat mensen een bijdrage levert aan verplaatsingen in functie van het<br />

werk, maar minder in het voorzien in levensmiddelen. Daarvoor zijn de wekelijkse<br />

boodschappen te groot en kan enkel de laadruimte van de wagen soelaas<br />

bieden. Ongeacht de leeftijd staat het openbaar vervoer echter wel symbool<br />

voor vrije tijd. Dat komt vooral tot uiting bij de drukke leeftijd. Binnen deze<br />

leeftijdscategorie wordt het openbaar vervoer op uitzondering van woon-<br />

61


werkverplaatsingen zelden gebruikt, tenzij in de vrije tijd. Ondanks het feit dat<br />

ook de vrije tijd voor de leeftijdscategorie 20-45 een drukke tijd is, biedt het<br />

openbaar vervoer voor hen een gevoel van rust en ontspanning. Dat geldt ook<br />

voor de jongere en de oudere leeftijdscategorieën, maar zowel jongeren als<br />

ouderen hebben ook meer vrije tijd.<br />

Op uitzondering van grote evenementen zoals de Gentse Feesten, optredens in<br />

het Sportpaleis, festivals, kortom massa-evenementen, biedt het openbaar<br />

vervoer slechts een beperkte meerwaarde voor het invullen van culturele<br />

behoeften. Culturele activiteiten vinden immers plaats tijdens de avonduren en<br />

zowel het beperkte aanbod op die momenten aan openbaar vervoer alsook<br />

het onveiligheidsgevoel leiden ertoe dat men hiervoor slechts zelden het<br />

openbaar vervoer wil en/of kan gebruiken.<br />

Zoals bij aanvang van dit deel gezegd, zijn we in deze beschrijving uitgegaan<br />

van de ‘modale’ burger. Een burger met voldoende financiële middelen om te<br />

kunnen kiezen tussen verschillende vervoersmiddelen, een burger met<br />

voldoende fysieke en psychische kwaliteiten om met de wagen te kunnen rijden<br />

of de bus te kunnen nemen. Helaas wordt onze samenleving niet bevolkt door<br />

enkel en alleen maar ‘modale’ burgers. Tal van individuen en groepen zijn<br />

immers net modaal en hebben af te rekenen met verschillende belemmeringen<br />

om deze keuzes te maken of om bepaalde vervoersmiddelen te gebruiken.<br />

Denken we maar aan het gebrek aan financiële middelen om een wagen aan<br />

te kopen of te onderhouden. Voor hen is het openbaar vervoer heel belangrijk.<br />

Het is deze groep, die aan vervoersarmoede lijdt die men in de politieke visie<br />

over basismobiliteit voor ogen had.<br />

Voor deze groepen worden bovenstaande verplaatsingen een totaal ander<br />

verhaal. Zij worden in de eerste plaats geconfronteerd met het overwinnen van<br />

belemmeringen.<br />

In een volgend hoofdstuk gaan we bij de modale burger luisteren naar de<br />

keuzes die men maakt bij het gebruik van een vervoersmiddel voor bepalde<br />

verplaatsingen. Net als in dit hoofdstuk gaanwe dan na of het openbaar vervoer<br />

een bijdrage levert aan het welbevinden van het individu of het gezin of met<br />

andere woorden of het openbaar vervoer in het algemeen en/of het aanbod in<br />

het kader van het openbaar vervoer voor hen al dan niet een sociaal effect<br />

genereert.<br />

62


4. Criteria voor een keuze voor het openbaar vervoer<br />

Bij de beschrijving van de verplaatsingsbehoeften van de verschillende<br />

leeftijdsgroepen stellen we vast dat een aantal criteria, bijvoorbeeld tijdsdruk<br />

voor verschillende leeftijdsfasen verschillen én een grote invloed hebben op het<br />

al dan niet kiezen voor het openbaar vervoer om zich te verplaatsen.<br />

Tijdens onze interviews werden nog tal van criteria geformuleerd die niet<br />

specifiek leeftijdsgebonden zijn. In dit hoofdstuk geven we een overzicht van de<br />

belangrijkste criteria die ervoor zorgen dat individuen wel of juist niet voor het<br />

openbaar vervoer kiezen.<br />

4.1. De kostprijs van een verplaatsing<br />

Met het belang van de kostprijs van een verplaatsing sluiten we aan bij een<br />

belangrijk aspect voor het aanbod van basismobiliteit. Wie aan<br />

vervoersarmoede denkt, denkt ook aan armoede in het algemeen. Er is ook een<br />

rechtstreeks verband tussen beide vormen van armoede, inkomen is immers een<br />

sterk differentiërende factor voor het verplaatsingsgedrag.<br />

De beschikbare cijfers dateren van een ander tijdperk, maar zijn toch zeer<br />

verhelderend.<br />

Vergelijken we de laagste inkomenscategorie met de hoogste dan spreken de<br />

verschillen in het gemiddelde aantal verplaatsingen en ook in de gemiddelde<br />

afstand van deze verplaatsingen boekdelen. De laagste inkomenscategorie<br />

maakt dagelijks gemiddeld 2,9 verplaatsingen. Dat stijgt stelselmatig met het<br />

inkomensniveau tot gemiddeld 3,8 verplaatsingen per dag bij de hoogste<br />

inkomensgroepen. Naar afstand toe verdubbelt het gemiddelde aantal<br />

kilometers per verplaatsing voor de hoogste inkomenscategorie tegenover de<br />

laagste. De relatie tussen een laag inkomen en andere vormen van<br />

kwetsbaarheid (functionele beperkingen, senioren, kwetsbare huishoudtypen, ...)<br />

is groot en zo ook op het vlak van verplaatsingen.<br />

In een sterk door de wagen gedomineerde mobiliteit is wagenbezit een<br />

belangrijke factor voor maatschappelijke participatie, zowel op individueel als<br />

op gezinsniveau. Het bezit van een wagen of het complete wagenpark<br />

63


waarover een gezin kan beschikken is echter niet gelijk verdeeld. In sommige<br />

gezinnen gaat de 18 de verjaardag gepaard met het behalen van het rijbewijs en<br />

het toegeschoven krijgen van een wagen. In andere gezinnen is het bezit van<br />

één enkel wagen voor het gehele gezin een financiële last die nauwelijks of niet<br />

kan worden gedragen. Op het vlak van gebruikte vervoersmiddelen zijn dan ook<br />

duidelijke verschillen merkbaar. De laagste inkomens gebruiken meer de fiets of<br />

gaan meer te voet, maar gebruiken ook meer het openbaar vervoer.<br />

Het spreekt dan ook vanzelf dat binnen een kader van basismobiliteit extra<br />

aandacht moet gaan naar deze financieel zwakkere bevolkingsgroepen. Bij<br />

onze interviews zagen we immers dat het inkomen inderdaad een rol speelt bij<br />

de keuze van het openbaar vervoer<br />

Wat de geïnterviewden over de kostprijs van het openbaar vervoer zeggen, lijkt<br />

op het eerste zicht behoorlijk dubbelzinnig. Voor de ene geïnterviewde is het<br />

openbaar vervoer goedkoop, voor de andere weer duur. Voor een deel heeft<br />

dit te maken met het perspectief van waaruit men de kostprijs van het openbaar<br />

vervoer benaderd. De kosten voor het gebruik van het openbaar vervoer zijn,<br />

indien men niet over een abonnement beschikt, directe kosten. Dat is niet het<br />

geval voor de wagen. De kosten voor de wagen zijn veelal indirect en eenmalig<br />

of periodiek. Vanuit dit perspectief is de kostprijs van de wagen erg laag. Om<br />

naar de stad te gaan wordt bijvoorbeeld de afweging gemaakt tussen de<br />

kostprijs van de parking en de kostprijs van het openbaar vervoer.<br />

“Een parkeerplaats vinden in de stad is zo geen groot probleem. Toch niet als ge<br />

in een betaalparking gaat. En als we met twee de bus nemen dan is het duurder<br />

dan de parking hoor!”<br />

(André 59 jaar Merelbeke)<br />

“We gaan nu bijna niet meer naar Kortrijk. Sinds dat we moeten betalen, sinds<br />

begin dit jaar zijn we maar drie keer meer gegaan. En anders minstens 1 keer per<br />

week. Nu ga ik bijvoorbeeld met de wagen naar de bank in Rollegem en anders<br />

ging ik naar Kortrijk naar de bank en deed ik daar nog een wandelingske. We zijn<br />

dan een achternoen weg.”<br />

(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

“Ik vind de prijs van de bus ook niet zo goedkoop. Als ge nu binnen Geel rijdt dan<br />

is dat 50 cent. Dat is nu niet veel. Maar als ge de bus moet nemen naar Turnhout<br />

dan is dat 4 euro. En dat is toch direct veel. En het is een groot verschil hé.”<br />

(Sabine 36 jaar Geel)<br />

Men komt dan al dan niet tot de vaststelling dat de kostprijs ongeveer<br />

overeenkomt. Anderen maken deze valse berekening niet en zijn ervan<br />

overtuigd dat het openbaar vervoer beduidend goedkoper is dan het gebruik<br />

van de wagen, maar klagen toch over de kostprijs.<br />

64


“De prijs van het openbaar vervoer kan natuurlijk altijd goedkoper, maar iemand<br />

moet het betalen natuurlijk. Maar als ik kan zitten dan vind ik de prijs van het<br />

openbaar vervoer wel redelijk. Als ik moet rechtstaan, dan… Pas op, ik betaal<br />

een verminderd tarief hé, want tegen de volle pot. Dan zit te toch direct aan 2<br />

euro heen en nog eens zoveel terug. Dat is toch ni voor niets hé. Natuurlijk als ge<br />

het vergelijkt met een auto.”<br />

(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

De meest kwetsbare groep lijkt op dat vlak de groep bruggepensioneerden of<br />

niet werkenden tussen 55 en 65 jaar. Door hun huidige situatie hebben ze<br />

beduidend inkomensverlies geleden en ze komen nog niet in aanmerking voor<br />

de maatregelen voor 65-plussers. Ondanks hun vergelijkbare situatie met 65plussers<br />

kunnen zij een aantal activiteiten niet uitvoeren wegens de kostprijs van<br />

het openbaar vervoer.<br />

In dergelijk gevallen wordt het gewenste verplaatsingsgedrag uitgesteld tot na<br />

65 jaar.<br />

“Als ik 65 ben dan gaan we ook meer de trein pakken om ne keer te gaan<br />

wandelen of zo. We doen dat graag. Nu gaan we met de auto. Als ge met de<br />

trein naar de zee wilt gaan met de trein, dan is dat nu veel te duur hé. Het zou<br />

nochtans plezant zijn.”<br />

(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

“Ne keer dat we 65 zijn, dan gaan we veel meer het openbaar vervoer<br />

gebruiken. Dan is dat goedkoop hé. Of zelfs voor niets. Gelijk onze buur die is<br />

vorig jaar 65 geworden en die gaat nu overal met de trein naar toe. Maar pakt<br />

wel nog zijne auto naar station van Lokeren. Want hij vindt de bus ook niet<br />

gemakkelijk”.<br />

(Betty 45 jaar Waasmunster)<br />

“Vorige week nog vraagt en vriendin mij om mee te gaan naar de markt in<br />

Oudenaarde. Ja zegt ze ‘laat ons met de bus gaan’. Ah ja, zij is 65 en ze rijdt met<br />

vermindering, maar ik heb gezegd ‘Ja, maar wat gaat dat mij kosten. Zekers 5<br />

euro. Gij zijt goe gij! En dan zijn we met de auto gegaan.”<br />

(Simona 55 jaar Merelbeke)<br />

“Ik heb bijvoorbeeld een zus in Oostende wonen, wel die ga ik nooit bezoeken.<br />

Want als ik de trein moet nemen naar Oostende, ja… dan kost mij dat veel te<br />

veel geld. Als ik 65 ben, dan ga ik daar wel meer naar toe gaan. Ik vind het wel<br />

jammer dat wij 60-plussers geen vermindering krijgen voor de trein.”<br />

(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

Een afweging van de kostprijs van een verplaatsing is echter niet enkel de<br />

bekommernis van de oudere bevolking. Ook de gezinssamenstelling speelt een<br />

belangrijke rol. Het maakt immers wel uit met hoeveel men de verplaatsing moet<br />

maken. Zeker omdat men de kosten van het gebruik van de wagen kan delen<br />

door het aantal gebruikers.<br />

65


“In het weekend gaan we dikwijls naar familie met de wagen. Ik denk dat het<br />

nogal kostelijk zou zijn voor ons vijf om met de bus te gaan en ja, natuurlijk ook de<br />

vrijheid. Je komt naar huis wanneer je wil hé.”<br />

(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

“Het openbaar vervoer is ook kostelijk hé. Als we met den trein naar de zee<br />

moeten gaan dan is dat 400 frank. Daarvoor kunnen we toch met onze auto<br />

naar de zee gaan. Ik vind dat veel. Zeker met twee personen. Zijn abonnement<br />

ook hé. Dat is 102 euro voor een maand van Lokeren naar Antwerpen met de<br />

trein. Dat is toch ook veel, vind ik.”<br />

(Betty 45 jaar Waasmunster)<br />

“De kostprijs van het vervoer is voor ons belangrijk ja. We hebben maar één<br />

inkomen en met drie kinderen moet ge toch wat oppassen wat ge doet. Maar<br />

dan spreek ik ni van de prijs van den bus hé. Als ge naar den Aldi of de Colruyt<br />

gaat in plaats van den Delhaize kunt ge bij manier van spreken een week lang<br />

gratis rijden.”<br />

(Valerie 29 jaar Gooik)<br />

Minstens even belangrijk is de beoordeling van de kostprijs van de bus of de tram<br />

en de trein. Vooral de trein wordt als erg duur ervaren. Het feit dat de afstand<br />

die met met de trein wordt overbrugd, doet in die beoordeling niet zo veel ter<br />

zake.<br />

“De bus vind ik niet duur, maar de trein… Allez, voor ons nu niet omdat we aan<br />

halve prijs rijden en de kinderen rijden gratis, maar als ik met een vriendin mee ga<br />

en zie wat zij moet betalen, dan vind ik dat toch niet goedkoop.”<br />

(Lies 37 jaar Merelbeke)<br />

“Voor mensen zoals ik is den bus ideaal. Als ge gene auto hebt dan kunt ge toch<br />

gaan waar ge wilt hé; En echt duur vind ik het openbaar vervoer ni. Ik spreek nu<br />

niet van de trein naar de zee of naar Londen ofzo hé. Maar den bus, wat is dat<br />

twee euro. Daar kunt ge met de auto niet voor rijden zé. Als ge parking moet<br />

betalen dan zijt ge direct het driedubbele kwijt.”<br />

(Valerie 29 jaar Gooik)<br />

“Ik doe soms mijn ma naar de Ardennen. Awel, zij rijdt nu gratis hé. Maar ik betaal<br />

20 euro hé. Stel dat we alle twee moeten betalen, ja dan kan ik beter met de<br />

wagen gaan hé. Dan is dat goedkoper zenne.”<br />

(Alain, 30 jaar Gooik)<br />

“Aan de zee pakken we veel de tram hé. Als we naar de zee gaan met ons twee<br />

dan gaan we met de auto, ah ja ge kunt anders niets meenemen hé. Maar als<br />

mijne man alleen gaat, dan gaat hij met de trein. Den auto is dan te kostelijk hé.“<br />

(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

Bij de beoordeling van de kostprijs spelen nog een aantal andere criteria een<br />

belangrijke rol. We bespreken deze criteria onder een meer algemene noemer,<br />

met name comfort. Eén van deze criteria is het vinden van een parkeerplaats.<br />

66


“De prijs van de tram is geen lolleke zenne. Als wij aan zee de tram nemen van<br />

Blankenberge naar Wenduine, da’s 6 kilometer, awel ge zijt 300 frank kwijt. Maar<br />

ja, aan de zee krijgt ge uwen auto toch niet kwijt hé”<br />

(Simona 55 jaar Merelbeke)<br />

Indien het comfort voor sommige geïnterviewden overweegt op de kostprijs, dan<br />

zal alsnog worden geopteerd voor het gebruik van het openbaar vervoer.<br />

Eveneens als onderdeel van het comfort wordt de kostprijs van het openbaar<br />

vervoer door verscheidene geïnterviewden geëvalueerd op grond van een<br />

zitplaats.<br />

“Wat dat ik wel vind is dat de bus tijdens de piekuren overvol zit. Dan is er<br />

absoluut geen plaats om te zitten, wat ik eigenlijk niet kunnen vind. Ge moet<br />

even veel betalen voor een zitplaats en dan kunt ge niet zitten. Maar, kom ’s<br />

ochtend en ’s avonds zit em bomvol en dan natuurlijk een uur later rijdt em leeg<br />

natuurlijk. Ik weet ni of ze daar iets kunnen aan doen, maar logisch vind ik da<br />

nie.”<br />

(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“t’Is ook wel erg dat ge even veel moet betalen om te staan als om te zitten hé.<br />

En die jeugd die gaat zich niet rechtzetten hé. Die blijven schoon zitten. En gij<br />

hebt evenveel betaald of nog meer want zij hebben een schoolabonnement,<br />

maar ge kunt rechtstaan.”<br />

(Betty 45 jaar Waasmunster)<br />

Uit onze interviews onthouden we het belang van de kostprijs van het openbaar<br />

vervoer in functie van de toegankelijkheid van het vervoer, maar ook voor de<br />

aantrekkelijkheid ervan. Het is nogal evident, maar het gegeven dat het<br />

openbaar vervoer voor bepaalde categorieën van de bevolking gratis is, wordt<br />

zeer sterk geapprecieerd. Het bepaald de keuze voor het openbaar vervoer en<br />

het verplaatsingsgedrag in het algemeen.<br />

“Ik neem de bus hier nie, maar ik fiets naar de Kinepolis. Dat is niet zo ver, een<br />

paar kilometer. Daar is een dienst aangeboden door de stad en die is gratis.”<br />

(Stien 15 jaar Kortrijk)<br />

“Ik mag nu niet meer mee gaan hé vanaf 55 jaar. Allez toch niet gratis. Ze<br />

hebben dat overlaatst afgeschaft, hier. Nu is het vanaf 65 zoals overal. Dat was<br />

alleen in Kortrijk dat ge de maandag vanaf 55 mocht meegaan hé. Met de<br />

markt. Maar ja, ze hebben het afgelast. Het zal te weinig aftrek gehad hebben<br />

zeker. “<br />

(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

“Ik ken hier nog mensen die niet meer gaan. Een beetje verder woont een<br />

koppel waarmee ik naar de markt in Kortrjjk ging. Awel sinds dat we moeten<br />

betalen gaat hem nog alleen, naar de markt. Zij gaat niet meer mee. Hij is 65 hé,<br />

hij moet niet betalen. Pas op hij gaat soms ’s ochtends en ’s achternoens gaat hij<br />

nog eens naar Kortrijk.”<br />

(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

67


Het is duidelijk dat toenmalig minister Steve Stevaert hiervoor de erkenning krijgt.<br />

Hoe dan ook maken mensen zeer uitdrukkelijk gebruik van het openbaar vervoer<br />

omdat het gratis is.<br />

“Als ik in Sinte Pieter zijn plaats was, awel dan zou de Stevaert in elk geval al een<br />

plaatske krijgen zie. Wat dat diene mens gedaan heeft voor de<br />

gepensioneerden. Als we zo op de bus zitten en ge ziet hoeveel ouderen<br />

daargebruik van maken. Met het pensioen dat we hebben zou dat aan een<br />

gewoon tarief een pak minder zijn zenne.”<br />

(Madelein 74 jaar Gooik)<br />

“Ik gebruik het openbaar vervoer. Ja, het is mij alles het ware op een schoteltje<br />

door Stevaert aangebracht hé. ’t Is gratis zoals de zon en die gebruik ik ook<br />

graag.”<br />

(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

Naar het welbevinden toe speelt de kostprijs van het openbaar vervoer dus<br />

zeker een rol. Het laat individuen immers toe om al dan niet te kunnen<br />

participeren aan activiteiten waarvoor verplaatsingen nodig zijn, het laat<br />

mensen toe om sociale contacten te leggen en het biedt de mogelijkheid om te<br />

genieten van een zekere vrijheid. Zowel op het economische als op het sociale<br />

en het persoonlijke welbevinden speelt de kostprijs van het openbaar vervoer<br />

met andere woorden een belangrijke rol.<br />

“De maandag met de bus naar de markt. We waren met nog veel mensen van<br />

hier die dat deden hoor. Maar sinds het niet meer gratis is gaan we niet meer hé.<br />

Dat is normaal hé. We gaan nu met de wagen. Er ging nochtans nogal wel wat<br />

volk mee. Nu is dat 2 euro dat is te veel geld hé om met de bus naar Kortrijk te<br />

gaan.”<br />

(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

“Mijn moeder zelf ook, die is 75 jaar en dat is nog een heel flinke en die heeft<br />

alleen het openbaar vervoer, ze kan niet rijden. Ze wil geen taxi pakken want dat<br />

is veel te duur en ze wil mij niet bellen want ze wil zelfstandig zijn, niet afhankelijk.<br />

Maar zo in de kou staan wachten, bij haar is ook geen buskotje. Ze kan die uren<br />

van de bus ook niet zo goed lezen,… Ze rijdt dan wel gratis, maar dat is niet alles<br />

hé.”<br />

(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

“Hier in Merelbeke krijgen alle 60 plussers een gratis kaart voor de Lijn, voor heel<br />

België. En dat is een héél goed initiatief hé. Ik heb geen wagen en ik maak daar<br />

dus veel gebruik van.”<br />

(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

“Pas op, het is goed dat het gratis is voor die oudere mensen hé. Anders zouden<br />

ze 3,60 euro moeten betalen om naar Gent te gaan en dat is toch veel voor die<br />

mensen hoor.”<br />

(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

68


4.2. De beschikbare tijd voor een verplaatsing<br />

Naast de kostprijs werd tijdens onze interviews vooral de tijdsduur van een<br />

verplaatsing in rekenschap gebracht. We gingen op dit aspect al eerder in bij de<br />

beschrijving van het verplaatsingspatroon van de drukke leeftijd. De reden<br />

waarom deze leeftijdsfase (25 – 45 jaar) weinig gebruik maakt van het openbaar<br />

vervoer is niet zo zeer de kostprijs, dan wel de tijd die men voorhanden heeft. In<br />

deze leeftijdsfase wenst men zo weinig mogelijk tijd te spenderen aan een<br />

verplaatsing, laat staan tijd verliezen.<br />

“Ge verliest ook veel tijd als ge bijvoorbeeld naar Stekene of zo wilt gaan hé. Dan<br />

moet ge van hier met de bus eerst naar de markt van Sint Niklaas om daar de<br />

bus te nemen naar Stekene.”<br />

(Karen 30 jaar Waasmunster)<br />

“Het moet ook allemaal vlug gaan. Ik wil rap boodschappen doen voor de<br />

kindjes te gaan halen ofzo. Allez, hier op Schelderode zijn er niet zo veel bussen.<br />

Dan zou ik serieus moeten plannen binnen de uurroosters van de bus.”<br />

(Lies 37 jaar Merelbeke)<br />

“Ik zou zelf ook wel veel de bus en zo willen pakken hoor. Mocht de tijdsdruk er<br />

niet zijn. Nu verlies je zo veel tijd met het wachten op de bus. Nu kom je in het<br />

station toe en je springt op de fiets. En je bent weg.”<br />

(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

“Ik heb vroeger nog wel eens de bus genomen, maar ik doe vrijwilligerswerk in<br />

Herne en dan zet ge daar toch rap een uur op met de bus. Met de wagen ben ik<br />

daar in een kwartiertje en kan ik zelf beslissen hoe lang ik al dan niet blijf.”<br />

(Janine 58 jaar Gooik)<br />

Vooral voor verplaatsingen van en naar het werk, verplaatsingen die men<br />

trouwens in de meeste gevallen zo snel mogelijk wil afleggen, vormt de duurtijd<br />

van het openbaar vervoer een bron van onbehagen.<br />

“Eigenlijk, alles wat ge hier doet ge zijt met het openbaar vervoer minstens<br />

twee uur weg. Da’s een echte korvee, hé. Mijn kinderen hebben dat allemaal<br />

wel uitgeprobeerd hoor. Maar nu ze allemaal kunnen rijden, gaan ze toch met<br />

de auto.”<br />

(Marleen 58 jaar Gooik)<br />

“Het openbaar vervoer, meneer dat is hier niet te doen. Ik werkte vroeger in de<br />

Makro van Sint Pieters Leeuw. Dan moest ik van hier kwart voor zeven<br />

vertrekken naar Leerbeek met de bus. Van daar met de bus verder naar Halle<br />

en van daar naar Sint Pieters Leeuw. Ik was dan ongeveer een uur en twintig<br />

minuten onderweg. En nu werk ik in Tubize, dat is al zeker niet te doen. En met<br />

de auto ben ik daar in 20 minuten.”<br />

(Alain, 30 jaar Gooik)<br />

69


“Voor ons kan dat allemaal. Wij hebben tijd, maar voor onze kinderen<br />

bijvoorbeeld dis dat geen doening. Ah ze zijn langer onderweg dan dat ze<br />

moeten werken. Zogezegd.”<br />

(Madelein 74 jaar Gooik)<br />

Eens de tijdsdruk wegvalt en men ‘tijd’ heeft, wordt het openbaar vervoer een<br />

stuk aantrekkelijker. Dat geldt dan in de eerste plaats voor niet-werkenden.<br />

“Ik heb nu tijd hé. Dus zelfs als het met de wagen sneller zou zijn, dan nog neem<br />

ik graag het openbaar vervoer. Natuurlijk moet het niet te moeilijk zijn. (…)”<br />

(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

“Da’k nu de bus efkes ni pak, da ligt aan mij. Maar ik zeg het, als de kleine naar<br />

de kleuterschool gaat, dan zal ik zekerst terug de bus pakken. Ik ben de ganse<br />

dag thuis, dus da’s gemakkelijk. Voor mijne man ni hé. Diene haat dat. Zelfs als<br />

de bus nog 5 minuten te vroeg is, staat em nog te klagen.”<br />

(Valerie 29 jaar Gooik)<br />

“Mijn moeder die gebruikt de belbus vrij veel. Ze is 72 jaar en nog goed te<br />

been. Maar ze is niet tijdsgebonden en ze kan zich regelen hé. En ze doet dat<br />

goed, ze neemt dan de belbus naar het station en dan de trein naar Lokeren<br />

en dan de bus naar hier. Ze vertrekt dan wel ‘s morgens vroeg en dan is ze<br />

tegen de middag hier.”<br />

(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

Hetzelfde argument wordt ook gebruikt in het weekend. In het weekend heeft<br />

men wel tijd en dan komt het openbaar vervoer wel in beeld voor bepaalde<br />

uitstappen.<br />

“Mijne man die neemt nooit de bus. We zijn één keer samen met de metro naar<br />

Cirque de Soleil geweest in Brussel. Als uitstapje en we waren dan goed op tijd<br />

vertrokken. We waren daar zelfs 2 uur te vroeg. Maar allez, het was een uitstapje<br />

hé. Dan is dat niet erg, ge drinkt dan iets.”<br />

(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

Wie over de keuze beschikt en veel belang hecht aan de tijd die men aan de<br />

verplaatsing spendeert, zal met andere woorden eerder voor een ander<br />

vervoersmiddel kiezen dan het openbaar vervoer.<br />

“Ik wou eens naar het voedingssalon gaan met de bus en de metro. Maar ik was<br />

meer dan een uur onderweg en daar is dan een grote parking, en ja…”<br />

(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

We kunnen hieruit concluderen dat de tijdsfactor voornamelijk een invloed heeft<br />

op het welbevinden van individuen die zich geen zorgen moeten maken om de<br />

tijd die men voor een verplaatsing inzet. Voor wie het echter druk heeft en<br />

weinig tijd te verliezen heeft, is de duurtijd van een verplaatsing met het<br />

openbaar vervoer eerder een bron van onbehagen.<br />

70


“De bus hier nemen dat is sightseeing van het Pajottenland, hé. Allez, Leerbeek is<br />

hier vier of vijf kilometer verder. Maar ge doet zone ommetoer van bijna 10<br />

kilometer dat ge gewoon kweenie hoeveel tijd kwijt zijt. Dat doet ge niet om<br />

gewoon een boodschapje te doen hé.”.<br />

(Alain, 30 jaar Gooik)<br />

4.3. Het gewenste comfort bij een verplaatsing<br />

Het comfort bij een verplaatsing blijkt bij onze interviews een belangrijke factor in<br />

de keuze voor een bepaald vervoersmiddel. Dat comfort kent verscheidene<br />

facetten. We onderscheiden hier de belangrijkste factoren die een invloed<br />

hebben op het gewenste comfort.<br />

4.3.1. De gezinssamenstelling<br />

De gezinssamenstelling speelt op verschillende manieren een belangrijke rol in<br />

de keuze voor een bepaald vervoersmiddel. We haalden in dat verband eerder<br />

al de kostprijs aan. Het maakt immers uit met hoeveel men een verplaatsing<br />

moet maken om de kostprijs van de wagen en van het openbaar vervoer met<br />

elkaar af te wegen. Maar ook buiten de kostprijs weegt het aantal gezinsleden<br />

op het gebruik van het openbaar vervoer.<br />

“Boodschappen doe ik zeker niet met het openbaar vervoer. Iets klein haal ik met<br />

de wagen als ik de dochter ga halen of zo en grote boodschappen, dat doen<br />

we de zaterdag met de wagen. Voor een gezin van vier heb je veel nodig op<br />

een week.”<br />

(An 34 jaar Brasschaat)<br />

“We zijn ook met vijf thuis, dus als ik boodschappen doe dan is dat ook altijd veel.<br />

Ik heb wel zo’n karretje, maar dat is dan toch zwaar.” (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

“Naar de training gaan we alle vier en dan nemen we nog iemand vanuit de<br />

buurt mee. Naar de cross brengen we hem natuurlijk, maar ja met al dat<br />

materiaal.”<br />

(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />

“Mijne man heeft een firmawagen, dus ja het openbaar vervoer is sowieso<br />

duurder. En naar de winkel zou dat ook al niet gaan. We gaan één keer per<br />

week naar de winkel en dan zit de koffer helemaal vol. Met een gezin van vier.”<br />

(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />

Daarnaast speelt ook de aanwezigheid van kleine kinderen bij de verplaatsing<br />

een belangrijke rol.<br />

“Sinds ik de kleinste heb, ben ik wel nog niet met de bus gegaan. Met die maxi<br />

cosi en zo. Eigenlijk zie ik dat niet zitten. Allez, ik weet het niet. Dat neemt toch<br />

veel plaats. En ge hebt geen handen meer vrij hé.”<br />

71


(An 34 jaar Brasschaat)<br />

“Ik moet daar eerlijk in zijn, met de kleine zie ik daar tegenop. Daarvoor nam ik<br />

den bus wel zenne. ’t Is nog geweest dat mijn vriendin naar hier kwam en dat we<br />

samen dan met den bus naar Halle gingen om wat te shoppen.”<br />

(Valerie 29 jaar Gooik)<br />

Gezinnen met kinderen verkiezen voor heel wat verplaatsingen de wagen<br />

boven het openbaar vervoer. Bij éénspersoonshuishoudens ligt dat anders.<br />

Ongeveer de helft van de éénpersoonshuishoudens bezit geen wagen. Voor<br />

een deel is de oorzaak hiervan dat men enkel moet uitgaan van de eigen<br />

noden en behoeften. De boodschappen zijn minder zwaar en men heeft minder<br />

ketenverplaatsingen te maken. In deze situaties is het openbaar vervoer weer<br />

een stuk aantrekkelijker. Maar daarnaast speelt het inkomen ook een erg<br />

belangrijke rol. Een wagen die enkel dient voor de eigen verplaatsingen en met<br />

de eigen inkomsten moet bekostigd worden is duur. Onder deze<br />

éénpersoonshuishoudens zijn vooral de ouderen bijzonder kwestbaar. Zeker als<br />

sprake is van functionele beperkingen dreigen alleenstaande ouderen in een<br />

sociaal isolement te geraken. Het aandeel alleenstaanden neemt in <strong>Vlaanderen</strong><br />

gestaag toe. In 1990 was 24,5% van de gezinnen alleenstaand, in 2007 is dat<br />

aandeel ondertussen gestegen tot 29,6%. In absolute cijfers wonen in 2007<br />

349.539 mannen en 406.231 vrouwen alleen. (FOD Economie - Afdeling Statistiek,<br />

Bevolkingsstatistieken) Het aandeel van vrouwen onder alleenstaanden en hun<br />

mobiliteitsproblematiek is reeds lang gekend, onder andere als de problematiek<br />

van de zogenaamde “groene” weduwen of huisvrouwensyndroom (Friedan,<br />

1963, Smit, 1967). Deze problematiek verwijst rechtstreeks naar het gebrek aan<br />

sociale contacten, de vereenzaming en algemeen persoonlijk onbehagen.<br />

Ook bij éénoudergezinnen kan het verplaatsingsprobleem zich erg scherp<br />

stellen. In tegenstelling tot een éénpersoonsgezinnen worden de boodschappen<br />

weer zwaarder en dienen zich ook de ketenverplaatsingen weer meer aan. In<br />

tegenstelling tot de tweeoudergezinnen kan men niet terugvallen op een<br />

taakverdeling tussen de partners en staat men dus alleen in om alle<br />

verplaatsingen te maken in functie van het kind of van de kinderen. In<br />

<strong>Vlaanderen</strong> beschikt ongeveer 35% van de éénoudergezinnen over geen<br />

wagen. Het is dan ook evident dat ze meer dan de andere gezinsvormen<br />

gebruik moeten maken van andere vervoersmiddelen, waaronder het<br />

openbaar vervoer. Gezien éénoudergezinnen een zwakkere inkomenspositie<br />

innemen dan tweeoudergezinnen is voor hen de prijs van het openbaar vervoer<br />

een belangrijk gegeven. Ongeveer 90% van de eenoudergezinnen bestaat uit<br />

alleenstaande moeders. Het vrouwelijke overwicht houdt meteen in dat<br />

vrouwelijke alleenstaanden en éénoudergezinnen relatief sterker<br />

vertegenwoordigd zijn en dat dit zich voornamelijk uit in steden (Vanneste, 2001).<br />

De gezinssamenstelling heeft ook een duidelijke invloed op het aantal<br />

verplaatsingen die men moet maken. We komen daar verder in dit hoofdstuk op<br />

terug onder de complexiteit van de verplaatsingen. Met kinderen in het gezin is<br />

72


de kans immers groot dat men voor of na de eigen verplaatsing, bijvoorbeeld<br />

om te gaan werken, nog bijkomende verplaatsingen moet maken, bijvoorbeeld<br />

om het kind naar school te brengen. Kinderen vragen met andere woorden<br />

bijkomende verplaatsingen. In de beschrijving van de leeftijdsfase tot 18 jaar<br />

stelden we al vast dat ouders voor hun kinderen chauffeur spelen voor<br />

verscheidene activiteiten. Voor verplaatsingen in functie van het gezin of in<br />

functie van bepaalde gezinsleden worden op dagbasis door alle Vlamingen<br />

ongeveer 6 miljoen kilometer verreden. Bijna ¾ van deze verplaatsingen<br />

gebeuren met de wagen en vooral vrouwen lijken de taak van chauffeur op<br />

zich te nemen (8 % van het totale aantal verplaatsingen t.o.v. 4 % bij mannen).<br />

“Als de kinderen jongeren waren was dat wel lastig. Ons twee meiskes die gingen<br />

dan dansen in Lichtaart en die moesten dan gevoerd worden en dan moest de<br />

zoon nog naar ergens anders gebracht worden. Allez, ge voelt echt ne<br />

chauffeur, hé. “<br />

(Agnes 45 jaar Geel)<br />

Kijken we naar het aandeel van de verplaatsingen als passagier in het totaal<br />

voor de verschillende leeftijdsgroepen, dan zien we dat kinderen (tot 12 jaar)<br />

voor meer dan de helft van hun verplaatsingen vervoerd worden; bij jongeren<br />

daalt dit aandeel tot 28%. Het aandeel als passagiers is het laagst (12 %) voor de<br />

leeftijdsgroep tussen de 24-42 jaar. Bij ouderen neemt het aandeel weer toe.<br />

Voor de leeftijdsgroep +75 jaar bedraagt het aandeel 26 %. Afhankelijk van de<br />

samenstelling van het gezin en vooral van het aantal kinderen in het gezin zal<br />

het verplaatsingsgedrag in functie van die kinderen sterk toenemen. Het zal ook<br />

een invloed hebben op de keuze van de vervoersmiddelen.<br />

Zich verplaatsen met kinderen impliceert zich verplaatsen met het kind én alle<br />

extra benodigdheden. De keuze voor de bus om boodschappen te doen of om<br />

zich in het weekend te verplaatsen voor ontspanning wordt zeker bij meerdere<br />

kinderen in het gezin steeds moeilijker.<br />

4.3.2. Te dragen lasten tijdens een verplaatsing<br />

In een aantal van bovenstaande gevallen wordt het comfort in de eerste plaats<br />

gekoppeld aan de lasten die men tijdens de verplaatsing moet dragen. Bij de<br />

keuze van een verplaatsingsmiddel of bij de overweging van het openbaar<br />

vervoer om zich te verplaatsen, maakt men dus een afweging van zowel het<br />

gezelschap als van de last die men moet meenemen.<br />

Naast de problematiek van de bijkomende lasten die men moet dragen bij<br />

verplaatsingen met kinderen, stellen we in onze interviews vast dat systematisch<br />

het openbaar vervoer wordt afgewezen om ‘grote’ boodschappen te doen.<br />

“De grote boodschappen dat doen we met de wagen hé. Dat is anders veel te<br />

omslachtig. We gaan maar twee keer in de maand. En als ik echt iets nodig heb<br />

dan ga ik met de fiets. Hier een beetje verder is een winkeltje en een bakker. Ik<br />

zou dat gesleur op de bus niet zo goed gebeuren eigenlijk.”<br />

73


(Betty 45 jaar Waasmunster)<br />

“Ik rijd met een klein wagentje onder andere omdat ik met mijn vrouw regelmatig<br />

eens naar het grootwarenhuis moet om een hele wagenlading artikelen voor het<br />

huishouden moet gaan halen. Als we dat met het openbar vervoer moeten doen<br />

dan zijn dat verschillende expedities per week die we moeten ondernemen.“<br />

(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

“Zonder auto zou ik geen boodschappen kunnen doen. Stel u voor, een gezin<br />

van 6. Wij wonen hier op het platteland hé. In de stad zou het misschien nog<br />

gaan. Maar hier?”<br />

(Lies 37 jaar Merelbeke)<br />

“Ik heb hier natuurlijk alles in de buurt en één keer in de week komt mijn nicht<br />

langs met de wagen en dan doen we de grote boodschappen.”<br />

(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

“Nu ik gepensioneerd ben, ben ik de huisman hé. Maar ik doe de boodschappen<br />

als de auto thuis is. Anders is dat te zwaar allemaal hé. Ik ben de nieuwe man, hé.<br />

Ik haal dan eten voor een paar dagen.”<br />

(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />

Maar ook zich verplaatsen voor een uitstap vraagt soms dat men heel wat<br />

bijkomend materiaal moet meenemen.<br />

“Naar de zee gaan we ook met de auto. In de zomer doen we dat al eens. Als<br />

het goed weer is, dan pak ik een dag congé en dan springen we in den auto en<br />

rijden we naar de zee. Want pas op, ge moet alles mee hebben hé. Want hier is<br />

het goe weer, maar aan de kust kan het waaien hé. Dan zie ik mij ni met alles op<br />

de trien zitten. Dan is het ook ni meer plezant hé.”<br />

(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“Vroeger als de kinderen nog klein waren, moesten we te veel meesleuren als we<br />

naar zee gingen. Dan gingen we naar Gent Sint-Pieters om de trein te nemen.<br />

Dan moesten we niet meer overstappen.”<br />

(Lies 37 jaar Merelbeke)<br />

“Naar de luchthaven ook hé. Dan nemen we de trein naar de luchthaven. Juist<br />

een slachtoffer vinden om ons naar het station van Sinaai te brengen. Want ja,<br />

met uw valiezen op de bus of de tram, da zie ik niet zitten. Maar dat is relax hé.<br />

Onze vakantie begint dan al in Sinaai hé. Geen stress als ge toekomt op de<br />

luchthaven en zo.”<br />

(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

Wie met andere woorden tijdens zijn verplaatsing vanalles moet ‘meesleuren’ zal<br />

niet voor de bus kiezen. In deze gevallen gaat het dan voornamelijk om het<br />

gewicht van de last.<br />

74


“Het openbaar vervoer is niet zo makkelijk want ik heb al dikwijls veel materiaal<br />

mee. Hetzelfde voor boodschappen, ik zou niet weten hoe dat met de bus te<br />

doen.”<br />

(Peter 43 jaar Kortrijk)<br />

“Als ge weg gaat en ge wilt van alles meebrengen dan is de bus niet zo<br />

gemakkelijk. Dan wacht ik liever tot mijne man thuis is en dan gaan we met de<br />

auto.”<br />

(Sabine 36 jaar Geel)<br />

De afweging om het openbaar vervoer te kiezen bij een verplaatsing op basis<br />

van de lasten die men moet dragen is voor sommigen echter ook onderdeel<br />

van deel een toegankelijkheidsproblematiek. Wie zich bijvoorbeeld moet<br />

verplaatsen met materiaal voor de kinderen zoals een buggy, voelt zich geremd<br />

om het openbaar vervoer te nemen. Op dat vlak is de last die men tijdens de<br />

verplaatsing moet meenemen vooral een bron van onbehagen bij het gebruik<br />

van het openbaar vervoer.<br />

“Zeker als de kinderen klein zijn, is zo een overvolle bus ambetant. Ge moet die<br />

kinderen dan aan uw hand houden en erop krijgen en dan worden ze geduwd<br />

en beginnen ze te wenen en zo. Allez, dan ga ik echt liever met de fiets.”<br />

(Sabine 36 jaar Geel)<br />

4.3.3. Drukte op het openbaar vervoer en in het verkeer<br />

Eveneens aansluitend bij een toegnkelijkheidsproblematiek, maar ook bij het<br />

gewenste comfort dat men tijdens een verplaatsing wenst te genieten, is de<br />

drukte op de bus of de trein. Zo gaven verscheidene geïnterviewden aan dat<br />

men het liefst het openbaar vervoer niet neemt tijdens de piekuren.<br />

“Als ik de bus moet pakken dan zorg ik er wel voor dat ik niet met al de<br />

schoolkinderen op de bus zit. Da’s ni plezant. Ge kunt niet zitten, want die<br />

mannen laten u niet zitten zenne, er is veel lawaai. Allez, ik pak de snelbus van 17<br />

uur en dan zijn ze al grotendeels weg.”<br />

(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“In het weekend is het openbaar vervoer ook allemaal wat moeilijker. Daarom<br />

gaan we meestal in de week weg. De zaterdag en de zondag zijn er dan toch<br />

minder bussen en treinen. Ik rijd ook niet met de bus of de trein als er veel volk op<br />

zit. Tijdens spitsuren of zo. Of de trein-tram-bus-dag dan blijf ik thuis. Ik kan dat in<br />

de week ook doen hé. Waarom zou ik de drukte dan opzoeken?”<br />

(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

“Ge weet natuurlijk dat ge de bus niet moet nemen om 7.30. Die zit dan overvol<br />

met schoolgaande kinderen, dat is niet te doen. Maar waarom moet ik die<br />

nemen? Ik heb tijd om daarna mij te verplaatsen. Ik zou ook niet om 17 uur<br />

terugkomen bijvoorbeeld. Ik zorg dat ik de bus er voor heb.”<br />

(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

75


“Mijn zoon gaat in Lennik naar school en die neemt elke dag de bus. Maar ik heb<br />

daar medelijden mee. Ze staan daar ’s morgens allemaal op elkaar gepakt. Nu<br />

hebben ze een bus bijgezet en die zit ook vol. Ge kunt wel denken.”<br />

(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

“Tijdens de schooluren dan zitten die bussen zo vol dat de kinderen dat niet<br />

plezant vinden. Er zijn nochtans twee of drie bussen tijdens die uren hoor. Maar<br />

die zitten echt vol. Zelfs in de dag zit de bus naar Turnhout eigenlijk vrij vol. Maar<br />

dan meer met oudere mensen”<br />

(Sabine 36 jaar Geel)<br />

“Voor de kinderen is dat den bus ook ideaal hé. Ge moet alleen maar zien dat<br />

ge der zelf niet op zit. Ik vind dat nu niet zo erg zenne. Ik ben dat ook gewoon. Als<br />

ons dochter de vroege heeft, dan brengt ze ons kleinste en dan breng ik ze met<br />

den bus naar school. Ja die kinderen maken natuurlij klawaai, maar da’s toch<br />

normaal hé.”<br />

(Madelein 74 jaar Gooik)<br />

Tegenover de drukte op de bus of de trein staat de verkeersdrukte. De<br />

verkeersproblematiek is dan weer een reden om wel het openbaar vervoer te<br />

gebruiken of om zich tussen de spitsuren te verplaatsen.<br />

“Ik heb een druk beroepsleven gehad en ik was eigenlijk vanzinnens om mijn<br />

auto aan de kant te schuiven. Ik heb altijd veel rondgereden en ik was de drukte<br />

op de weg echt beu.”<br />

(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

“Ik ga ook met de auto naar Brussel. Ik heb daar geen schrik van, maar ik vertrek<br />

natuurlijk ook niet om 8 uur. Dan is het veel en veel te druk. Het verkeer is de<br />

laatste 10 jaar ook enorm toegenomen hé.”<br />

(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

4.3.4. Files en parkeerplaatsen<br />

De verkeersproblematiek in de vorm van files op de weg en een gebrek aan<br />

parkeerplaatsen zet mensen aan om naar alternatieven te zoeken voor de<br />

wagen. Tijdens onze interviews werd opvallend veel gewezen naar<br />

verplaatsingen naar de stad met het openbaar vervoer omdat men niet in de<br />

verkeersdrukte van de stad wil rijden en/of omdat men weinig of geen<br />

parkeerplaats kan vinden.<br />

“Om naar Brussel te gaan bijvoorbeeld heeft het openbaar vervoer veel<br />

voordelen hé. Ge zijt normaal gezien stipt op tijd, wat met de wagen zeker niet<br />

het geval is. Ik heb geen parkingproblemen. Niks. En ik kan op de trein mijn<br />

gazet lezen.”<br />

(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

76


“Naar Brussel of naar Gent ofzo neem ik ook de trein. Dat is dan toch<br />

makkelijker dan de wagen. “<br />

(Karen 30 jaar Waasmunster)<br />

“Ik vind het openbaar vervoer veel gemakkelijker dan de auto, hoor. Ge moet<br />

geen parking zoeken, ge staat niet in de files. Dat is tof. Ge stapt af en ge zijt<br />

weg. En een beetje wachten op de bus vind ik ook niet erg. Maar ja, het is te<br />

duur.”<br />

(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

“Naar Brussel of naar Antwerpen gaan ik met de trein. Want ik heb ne grondige<br />

hekel aan dat druk verkeer. Als ze zo in mijn ‘barchock’ zitten, dan krijg ik het<br />

hé. Dan krijg ik klam zweet in mijn handen…”<br />

(Willy 58 jaar Geel)<br />

Naast het bezoek aan de stad is een ander typisch voorbeeld het gebruik van<br />

de “Kusttram”. De kusttram is heel gemakkelijk, men kan de wagen laten staan<br />

eens men een parkeerplaats heeft gevonden en bij een uitstap naar een<br />

andere kustgemeente hoeft men niet op zoek naar opnieuw die zeldzame<br />

parkeerplaats.<br />

“Als we aan de kust zijn dan nemen we altijd de kusttram om de kust af te<br />

schuimen. Dat is raar hé. Maar het is toch veiliger met de tram, want het is daar<br />

toch druk en dan vind je ook al geen parkeerplaats.”<br />

(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />

Opvallend is dat al de bovenstaande gevallen allen een zelfde<br />

verpaatsingsgedrag vertonen. Men mijdt de drukte van het verkeer in de stad<br />

door met het openbaar vervoer de stad binnen te rijden en het<br />

parkeerprobleem wordt opgelost door… de wagen achter te laten waar<br />

makkelijk plaats te vinden is en waar een makkelijke verbinding naar de stad is<br />

met het openbaar vervoer. De meest gebruikte locaties zijn dan de ‘Park + Ride’<br />

parkings en de parkings aan het station.<br />

“Wij gaan altijd naar het station van Merelbeke. Of soms naar Gent Sint-Pieters.<br />

En we laten onze wagen achter aan het station.”<br />

(Lies 37 jaar Merelbeke)<br />

“Alleen naar Antwerpen, dan nemen we de trein. Naar de zoo of naar de Plopshow.<br />

Dat is gemakkelijk hé. We rijden dan naar het station in Kortrijk en van<br />

daar met de trein naar Antwerpen”<br />

(Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />

“Als we al eens naar de stad gaan, dan pakken we de tram hé. Allez, ’t is te<br />

zeggen we rijden tot in Merksem naar de ‘Park en Ride’ en daar pakken we<br />

den tram recht naar ’t Centrum. Tegen dat ge parking gevonden hebt in stad,<br />

zijt ge veel gemakkelijker met de tram.”<br />

(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

77


“Als we naar Antwerpen gaan dan gaan we met den auto tot Melsele en van<br />

daar met de tram. We gaan niet ’t stad inrijden. Niet omdat we niet durven,<br />

want ik rijd overal naar toe. Maar om te parkeren zijt ge beter met den tram. En<br />

onze auto blijft in Melsele op de P en R.”<br />

(Betty 45 jaar Waasmunster)<br />

4.3.5. De weersomstandigheden<br />

Een laatste onderdeel van comfortcriteria is het weer. Ook hier weer willen we<br />

benadrukken dat de weersomstandigheden een invloed hebben op het<br />

gebruikte vervoersmiddel enkel en alleen als men de keuze heeft tussen<br />

verschillende transportmogelijkheden. In het volgende hoofdstuk zullen we bij de<br />

bespreking van de toegankelijkheid van haltes en vervoersmiddelen zien dat<br />

voor wie de keuze niet heeft, de weersomstandigheden waarin men het<br />

openbaar vervoer moet nemen soms erg zwaar zijn.<br />

Wie echter de keuze heeft, zal zich bij die keuze laten leiden door regen en<br />

wind, door lage en ook door hoge temperaturen.<br />

“Als het echt slecht weer is dan neem ik de wagen tot aan de bushalte en dan<br />

ze ik hem op de parking en neem ik de bus. En anders ga ik te voet. “<br />

(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

“Als het regent of ik weet dat ik nog boodschappen moet doen in de<br />

terugweg, ja dan neem ik de auto. Maar het probleem is dan dat ik niet<br />

gemakkelijk parkeerplaats vindt in Gent.”<br />

(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

“Om naar de bus te gaan moeten we wel eerst met de fiets. Maar in de winter<br />

zie ik dat niet zo zitten…”<br />

(Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />

De invloed van het weer is echter het meest uitgesproken bij het<br />

verplaatsingsgedrag van kinderen. Indien de afstand het toelaat dan gebruiken<br />

ze liever de fiets als het mooi weer is. Als het slecht weer is, nemen ze de bus of<br />

worden ze door de ouders gebracht.<br />

“Mijn kinderen zijn altijd wel met de bus gegaan. Toen ze klein waren dan gingen<br />

ze natuurlijk hier in de buurt. Maar dan naar het college met de fiets of met de<br />

bus, als het slecht weer was. En mijn dochter die is dan efkes hier naar de univ<br />

geweest in stad. Dan ging ze altijd met de bus.”<br />

(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“In de week als het slecht weer is ga ik naar de school met de bus anders met de<br />

fiets, met de fiets ook naar de scouts, dat is niet ver. En als ik met vriendinnen<br />

naar het Koopcentrum ga, dan ga ik met de bus.”<br />

(Nele 12 jaar Waasmunster)<br />

“Ik neem de bus omdat als het regent, ik met de fiets helemaal nat ben. En nu is<br />

het ook donker ’s morgens en ’s avonds”<br />

78


(Nele 12 jaar Waasmunster)<br />

“Ik ga naar school in Roeselare en dan fiets ik tot de Kinepolis en dan de bus naar<br />

het station en de trein naar Roeselare. En dan te voet naar school. Enkel als het<br />

echt heel slecht weer is, dan brengt mijn pa mij.”<br />

(Stien 15 jaar Kortrijk)<br />

“Pas op, ik ben grote voorstander dat ze met de bus naar school gaat. Het enige<br />

nadeel is dat als het regent, dan kan ze niet in het bushokje staan want dat is te<br />

klein. Ik zie daar ’s morgens allemaal staan e kinderen. Allez, dat zou voor mij al<br />

een reden zijn om haar naar school te voeren als het slecht weer is.”<br />

(Erik 33 jaar Kortrijk)<br />

“Als het echt slecht weer is, dan komt meestal mijn vriendin mijn zoon halen om<br />

naar school te gaan. En als zij om de één of andere reden niet kan, ja dan neem<br />

ik de bus.”<br />

(Sabine 36 jaar Geel)<br />

“Als het slecht weer is dan brengt mijn moeder mij naar het station. Anders ga ik<br />

met de fiets naar het station, samen met mijn broer.”<br />

(Joly 15 jaar Gooik)<br />

Het gewenste comfort is voor sommigen een belangrijk criterium om al dan niet<br />

het openbaar vervoer te gebruiken. Uiteraard spreken we hier enkel van<br />

individuen en gezinnen die op basis van deze comfortcriteria een keuze kunnen<br />

maken. Voor hen stellen we echter vast dat het openbaar vervoer specifiek<br />

wordt aangewend om het welbevinden te vergroten.<br />

Door het openbaar vervoer te gebruiken, wordt de verplaatsing gemakkelijker,<br />

aangenamer, kortom beter. Het comfort is dan ook een belangrijk onderdeel in<br />

de relatie tussen het openbaar vervoer en het persoonlijke welbevinden.<br />

“Met de brommer kan je veel makkelijker zeggen “Ik kom!”. Met de fiets is het<br />

altijd een beetje onzeker. Als het echt slecht weer is of zo, en ik moet met de fiets<br />

gaan of met de bus dan… ja, dan… Met de bus zou het ook wel gaan.”<br />

(Steffi; 17 jaar, Brasschaat)<br />

“Als het regent neem ik de bus, dat is een afspraak met mijn vrouw, maar dan zit<br />

je daar natuurlijk niet alleen op hé. Het is eigenlijk veel aangenamer om in goed<br />

weer de bus te nemen dan als het regent. En de bus stopt natuurlijk ook niet voor<br />

de deur van mijn werk. Ik moet dan een 10 minuten te voet gaan en… het regent<br />

natuurlijk.”<br />

(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

79


4.4. Informatie over de beschikbare vervoersmiddelen<br />

De beschikbaarheid van de verplaatsingsmiddelen om een bepaalde<br />

verplaatsing te maken is evident. Wie over geen wagen beschikt, kan moeilijk<br />

kiezen om de verplaatsing met de wagen te maken. Hetzelfde geldt voor het<br />

aanbod van het openbaar vervoer. Op dat laatste gaan we later in dit<br />

hoofdstuk dieper in.<br />

Met de beschikbaarheid van verplaatsingsmiddelen doelen we op de<br />

potentiële keuze die men heeft tussen verschillende transportmogelijkheden. In<br />

sommige gevallen wordt die keuze niet of nauwelijks gemaakt.<br />

“Ja, wij wonen ook landelijk hé. En ik denk dat mensen zoals wij dan eerder de<br />

wagen nemen dan in ’t stad. Ge hebt em voor zo veel nodig en dan ja, dan<br />

gebruikt ge diene altijd hé.”<br />

(Ignace 53 jaar Waasmunster)<br />

“Ik kijk altijd op het internet hoe ik ergens kan geraken. Natuurlijk is het eerste<br />

alternatief altijd mijne wagen. Die staat hier buiten en dat is gemakkelijk natuurlijk.<br />

(…) “<br />

(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

In het geval van bovenstaand citaat wordt eerst op het internet gekeken en<br />

wordt dan een vervoersmiddel gekozen. In dit geval leidt het ‘gemak’ van de<br />

wagen vele malen naar een keuze in het voordeel van dat vervoersmiddel,<br />

maar men heeft zich wel geïnformeerd.<br />

Informatie blijkt dan ook een cruciale rol te spelen in het gebruik van het<br />

openbaar vervoer. In onze interviews kregen we regelmatig de indruk dat het<br />

gebruik van het openbaar vervoer belemmerd werd door een gebrek aan<br />

informatie over zowel de verbindingen, de afstanden als de tijden van de<br />

dienstverlening.<br />

“Van de bussen weet ik de uren niet. Het zou misschien praktisch zijn om zo’n<br />

boekske in huis te hebben met de uren. Misschien dat ik dan rapper met de bus<br />

zou gaan. Maar nu weet ik dat niet als we van plan zijn om met de bus een<br />

uitstapke te doen dan ga ik eerst kijken. Anders staat ge daar een halfuur te<br />

wachten.”<br />

(An 34 jaar Brasschaat)<br />

“Ik weet eigenlijk niet waarom ik het openbaar vervoer niet meer gebruik. Ik ben<br />

daar niet mee opgegroeid. Vroeger had ge hier alleen maar een bus naar Sint-<br />

Pieters en dan had ge altijd een auto nodig. En nu, ja met mijn werk gaat dat ook<br />

al niet. En ik weet ook niet welk aanbod er nu is. Ik weet alleen dat er nu meer<br />

lijnen zijn. Maar ik heb daar geen behoefte aan.”<br />

(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />

“We zijn ook niet goed vertrouwd met die uren en die haltes enzo hé. Gelijk naar<br />

het shoppingcenter, ik peins wel dat daar ne bus stopt, maar ik heb daar geen<br />

80


informatie over hé. Ik heb juist een boekske voor de lijn van Moeskroen naar<br />

Kortrijk. Maar dat is ook de enige bus dat we hier hebben.”<br />

(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

“Moesten we nu meer informatie krijgen, dan zouden we het openbaar vervoer<br />

wel meer nemen. Maar nu weten wij van niets hé”<br />

(Erik 33 jaar Kortrijk)<br />

“Hier is ook een belbus, maar die gebruiken we niet. Dat kennen we niet eigenlijk.<br />

Ik heb dat hier al zien rondrijden, maar… Ik heb me dat al afgevraagd, wat ge<br />

daar mee kunt doen. Kunt ge daarmee naar de Kinepolis.”<br />

(Joly 15 jaar Gooik)<br />

“Ik gebruik niet veel het openbaar vervoer omdat ik eerst en vooral niet zo<br />

goed weet hoe en vooral wanneer de bussen rijden. Naar Heikruis bijvoorbeeld<br />

weet ik niet hoe ik er moet geraken. Ik weet wel dat er niet zoveel bussen zijn.”<br />

(Janine 58 jaar Gooik)<br />

“De belbus zou wel een oplossing kunnen zijn, maar daar weet ik niets van. Ik<br />

heb daar nog nooit informatie over gekregen.”<br />

(Marleen 58 jaar Gooik)<br />

“Als ik het vliegtuig moet nemen, dan neem ik de trein naar de luchthaven.<br />

Maar dan laat ik mij voeren met de wagen naar het station in Kortrijk. En de<br />

reden is dat ik niet zou weten wanneer er een bus is.”<br />

(Erik 33 jaar Kortrijk)<br />

Verscheiden respondenten gaven wel te kennen dat ze gebruik maken van het<br />

internet om hun reis met het openbaar vervoer uit te stippelen.<br />

“Als ik ergens moet zijn, dan zoek ik dat op op het internet. Ik vind dat<br />

gemakkelijk.”<br />

(Joly 15 jaar Gooik)<br />

“Naar de luchthaven zijn we de laatste keer met de bus gegaan en zijn we<br />

met de trein teruggekomen tot in Lokeren. Dan hadden we op de computer<br />

gekeken en hadden we dat uitgestippeld. En daarna ben ik nog met mijn<br />

vriendin naar Lourdes gegaan en dan zijn we ook met de trein tot in Lokeren<br />

gekomen. Ja, ne keer da ge da weet. Het is ook een beetje onwetendheid<br />

hé.”<br />

(Betty 45 jaar Waasmunster)<br />

Wie echter niet op het internet op zoek kan naar de gewenste informatie, blijft in<br />

hel wat gevallen onwetend over de mogelijkheden van het openbaar vervoer.<br />

“Als wij iets willen weten dan zoeken we dat op op internet hé. Maar mijn<br />

moeder die kan dat natuurlijk niet hé. (…).”<br />

(Alain, 30 jaar Gooik)<br />

81


Sommige geïnterviewden kregen wel informatie over de diensten in hun buurt,<br />

maar voor de verdere verplaatsingen moet men naar specifieke plaatsen om de<br />

informatie te bemachtigen. De onwetendheid over de mogelijkheden bleek<br />

voor sommige dan ook een belangrijke drempel. De diensten en de<br />

mogelijkheden zijn ongekend en men weet niet waar men hierover informatie<br />

kan krijgen.<br />

“Het moet wel makkelijk zijn. Bijvoorbeeld de tram naar de stad of aan de kust of<br />

de trein naar de kust. Als ge te veel moet overstappen of als ge niet weet waar<br />

en zo dan is het niet plezant. Dan neem ik de auto.”<br />

(Willy 62 jaar Brasschaat)<br />

“Pas op, we hebben hier dan nog de buurtbus hé. Maar daar ken ik de uren niet<br />

van. Da’s een goed initiatief hé, maar ik heb die nog nooit moeten pakken.”<br />

(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

Wie op latere leeftijd moet kennismaken met het openbaar vervoer en met<br />

bijvoorbeeld de diensten van de belbus heeft daarbij hulp nodig. Door deze<br />

onwetendheid gebruikt men het openbaar vervoer ook niet.<br />

“De belbus is wel een serieuse verbetering zenne. Zeker voor die ouw mensen.<br />

Maar pas op, de mensen zijn een beetje schuw daarvoor hé. Ze weten dan niet<br />

hoe ze dat moeten doen en zo. Allez, ik heb dat nog aan mijn buurvrouw<br />

uitgelegd en nu pakt ze dat. Da’s echt een goe systeem zenne, maar ja ge moet<br />

het kennen. Moesten ze dat afschaffen da zou een ramp zijn voor die ouw<br />

mensen hé”<br />

(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

De informatie over het gebruik van het openbaar vervoer blijkt dan ook erg<br />

belangrijk voor het welbevinden van de gebruikers. Wachten is niet plezant en<br />

dus is het goed dat men bij voorbaat de uren van de dienstregeling kent.<br />

“Als je met de bus gaat is het wel belangrijk om bij voorbaat goed te kijken hoe<br />

laat hij komt. Zo staan wachten is niet tof. Daarom is de tram in Antwerpen heel<br />

handig. Om de 10 minuutjes is er ene”<br />

(Steffi; 17 jaar, Brasschaat)<br />

“Als we de bus nemen, gaan we altijd eerst gaan kijken naar het uur. De dag<br />

ervoor ofzo. Zeker als het regent is het niet plezant om te wachten. Er is geen<br />

afdakje en als de bus dan te laat is ofzo.”<br />

(Cathy 11 jaar Brasschaat)<br />

Naast de verbindingen, tijden en afstanden bleek ook een gebrek aan<br />

informatie of duidelijkheid over de kostprijs een bron van ergernis.<br />

“Wat mij stoort is dat je niet weet hoeveel een rit gaat kosten. De prijs van zo’n rit<br />

dat is precies zo een beetje “à la tête du client”. Als ik hier een ticket pak dan<br />

heb ik in principe een uur tijd om dat op te gebruiken. Maar kom ik dan in de<br />

stad en ge stapt op de bus en ge steekt dat erin, dan moet ge terug<br />

82


herbeginnen. Dat snap ik niet. Ge rijdt toch de zone stad in. Ik vind dat dat slecht<br />

aangeduid is.”<br />

(Willy 62 jaar Brasschaat)<br />

In dit geval gaat het dus niet over de kostprijs van het openbaar op zich, maar<br />

wel over de voorspelbaarheid van de kostprijs.<br />

Informatie is dus een belangrijke factor voor zowel het gebruik van het openbaar<br />

vervoer als voor het welbevinden van de gebruiker van het openbaar vervoer.<br />

Zonder dat het een topic is van dit onderzoek wensen we hierbij te vermelden<br />

dat de gebruikers van de website van de Lijn bijzonder tevreden waren over de<br />

informatie die ze daarop kunnen vinden. Wie echter niet over internet beschikt<br />

moet op een duidelijke en regelmatige basis worden geïnformeerd. Voor een<br />

aantal geïnterviewden was de informatie niet duidelijk of ontoereikend en bleek<br />

dit een bron van onbehagen.<br />

“Ik heb op de bus eens een boekske gekregen met allemaal tabellen en uren,<br />

maar ik verstond er niet veel van en ik heb het weggegooid. Dat staat vol met<br />

vanalles en ge weet niet wat dat allemaal is”<br />

(Stien 15 jaar Kortrijk)<br />

“Wij krijgen eigenlijk heel weinig informatie over de Lijn. Mijn moeder bijvoorbeeld<br />

die komt altijd naar hier met de bus en als er veranderingen zijn in de uurregeling<br />

of zo dan moet ze dat zelf uitvinden of vragen”<br />

(Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />

Het gebruik van het openbaar vervoer is immers voor tal van geïnterviewden<br />

een complexe aangelegenheid. Dat geldt dan vooral als men voor zijn<br />

bestemming te bereiken moet overstappen.<br />

“Wat ook moeilijk is, is als ge uw weg niet kent ergens. Als ge bijvoorbeeld naar<br />

Brussel moet, maar nie naar het centrum of zo. Dan moet ge overstappen en ge<br />

weet niet waar. Dan moet ge echt goed plannen, anders loopt ge verloren hé.”<br />

(Sabine 36 jaar Geel)<br />

“We nemen ook soms de trein om naar Gent ofzo te gaan. Dan eerst met de bus<br />

en de tram naar het station en dan met de trein. Maar dat is toch altijd zoeken<br />

hé, als ge dat niet gewoon zijt. We waren dan verkeerd afgestapt en dan<br />

hebben mensen van de Lijn ons moeten helpen anders waren we er nog niet<br />

geraakt.”<br />

(An 34 jaar Brasschaat)<br />

“Het openbaar vervoer vraagt echt wel wat voorstudie vind ik. Als ge dat niet<br />

gewoon zijt, dan is dat echt een doolhof hé. Ge moet zeer goed weten waar ge<br />

naar toe moet en hoe de bussen en metro’s gaan.”<br />

(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

83


4.5. De complexiteit van de verplaatsing<br />

Zoals voorgaande citaten laten uitschijnen, is het gebruik van het openbaar<br />

vervoer complex. Zeker als men onderweg moet overstappen, krijgen gebruikers<br />

het gevoel dat het openbaar vervoer de verplaatsing bemoeilijkt.<br />

“Ik vind de bus en zeker de trein eigenlijk comfortabeler dan de wagen, maar als<br />

je een combinatie moet nemen van bus-trein-bus, ja dan is het comfort weg.”<br />

(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

“Van hier in Belsele naar Antwerpen dat zou ik niet zien zitten. Ik moet eerst een<br />

paar kilometer te voet, dan met de bus vanuit Sint Niklaas en dan de metro naar<br />

het centrum van Antwerpen. Pas op, dat zou allemaal wel gaan hoor, maar die<br />

laatste kilometers te voet als we terug komen, die zijn er dan toch te veel aan.<br />

Zeker als het dan al donker is”.<br />

(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />

“Als wij naar oma willen dan moeten we de lijn naar Kortrijk pakken en dan in<br />

Aalbeke overstappen naar Ootegem. Dat zou niet makkelijk zijn.”<br />

(Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />

“Mijne zoon ook, die gaat naar school in Dilbeek en kan hier de bus nemen in<br />

Oetingen. Daar kan hij de bus nemen naar Leerbeek. Daar neemt hij de bus naar<br />

Ijzingen. In Ijzingen moet hij dan 20 minuten te voet gaan tot Borglombeek en<br />

daar kan hij zijn bus naar Dilbeek nemen. En dan is hij op school. Dus als alles<br />

goed gaat dan is hij op tijd op school als hij om 6.30 vertrekt. Met de wagen is dat<br />

25 kilometer. Hij kan ook met de schoolbus vanuit Schepdaal, maar dan moet ik<br />

hem daar om 7.30 afzetten en ik moet hem daar ook gaan halen. Pakt dat ge<br />

dan niet kunt of zo dan zit dat kind daar vast.”<br />

(Marleen 58 jaar Gooik)<br />

“Stel dat ik naar mijn dochter moet, die woont in Melle. Dat zou dus een hele<br />

studie zijn om te achterhalen hoe ik daar moet geraken. Van hier naar Gent met<br />

de bus, dat is geen probleem, maar het is van daaruit naar de rand dat het niet<br />

altijd makkelijk is. Zeker als die locatie een beetje uit het centrum gelegen is.”<br />

(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

Wanneer zich een rechtstreekse verbinding met de plaats van bestemming<br />

aanbiedt dan wordt het gebruik van het openbaar vervoer wel als comfortabel<br />

en gemakkelijk beschouwd. Opvallend is dat de geïnterviewden dergelijke<br />

verbindingen in de eerste plaats associëren met de stad.<br />

“In de stad is het veel gemakkelijker hé. Daar ga je bijna altijd rechtstreeks van A<br />

naar B, maar hier in de buiten moet ge van A naar C en soms nog naar D om<br />

dan pas naar A te kunnen gaan. Daar verliest ge veel tijd mee. Zeker als ge al uw<br />

wachttijden moet bijtellen.”<br />

(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

84


“Vroeger woonde ik in Lennik en daar nam ik altijd de bus. Daar kon ik de bus<br />

nemen die rechtstreeks naar het centrum gaat. Dat is wel gemakkelijk, terwijl wij<br />

hier altijd eerst over Leerbeek moeten. Die bus die wij hier nemen die doet dan<br />

nog zo’n grote route langs Hoeve, Gooik, en dan terug naar Leerbeek. Terwijl ge<br />

bij manier van spreken van hier te voet naar Leerbeek kunt.”<br />

(Janine 58 jaar Gooik)<br />

“Het is echt een groot verschil tussen de stad en het platteland hé. Ik woonde<br />

vroeger voor mijn scheiding in Ruisbroek. Awel, ik ging altijd met de bus. Op een<br />

half uurke stond ik in het centrum van Brussel. Of in Halle pakt ge den trein naar<br />

Brussel en ge zijt er in 10 minuten.”<br />

(Alain, 30 jaar Gooik)<br />

De complexiteit van de verplaatsing hangt nauw samen met de afstand die<br />

moet worden overbrugd. Voor korte afstanden biedt het openbaar vervoer<br />

geen voordeel.<br />

“De dinsdag moet ik de kinderen van mijn zoon naar school voeren en gaan<br />

halen. Dat is een schooltje hier een paar straten verder, dus heeft het geen zin<br />

om met het openbaar vervoer te gaan. Ik ga wel met de wagen want dat ligt op<br />

een ‘berg’ en met de fiets is dat voor mij niet meer te doen. Dat is een veel grote<br />

inspanning voor mij in mijn toestand.”<br />

(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

“Naar school ga ik te voet samen met mijn zus. Dat is niet ver.”<br />

(Anja 8 jaar Kortrijk)<br />

“Mijn zoon breng ik met de fiets naar school. Die gaat in Geel zelf naar school en<br />

dat is ongeveer 4 kilometer van hier. En dan ’s avonds ga ik hem halen. En dat is<br />

makkelijker dan met de bus. Die zit altijd overvol ook en dan als ge daar bij moet,<br />

dat is niet te doen. Dan ga ik liever met de fiets. Een vriend van mij die gaat zelfs<br />

eerst met de bus naar Herentals en van daar naar Turnhout. Gewoon omdat de<br />

bus van Geel te vol zit.”<br />

(Sabine 36 jaar Geel)<br />

Voor iets langere afstanden, bijvoorbeeld om naar de stad te gaan, komen bus<br />

en tram wel in beeld.<br />

“Ik kan veel te voet doen of met de fiets, maar om naar Gent te gaan of zo, ja<br />

dan neem ik altijd de bus.”<br />

(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

Voor nog grotere afstanden biedt de trein dan weer een goed alternatief voor<br />

de wagen.<br />

“Voor grotere verplaatsingen gebruiken we soms ook de trein. Om naar de zee<br />

de gaan of naar Amsterdam of Londen. Dan vertrekken we vanuit Sint Niklaas.<br />

Maar we gaan wel naar daar met de auto.”<br />

(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />

85


Nog belangrijker dan de afstand van de verplaatsingen zijn wat we algemeen<br />

‘ketenverplaatsingen’ noemen.<br />

“Het is typisch dat fervente gebruikers van het openbaar vervoer, als ze kinderen<br />

hebben, hetzelfde openbaar vervoer vaarwel zeggen en opteren voor de<br />

wagen. Uiteraard komt dat voor een stuk omdat de verplaatsingen met een kind<br />

en alles wat daarbij komt kijken een stuk moeilijker zijn dan met de wagen, maar<br />

er is ook een andere heel belangrijke reden. Een voorbeeld: voor de komst van<br />

kinderen moesten de ouders maar één verplaatsing maken in de ochtend, van<br />

thuis naar het werk. Nu worden dat ineens twee verplaatsingen. Eerst moet het<br />

kind naar de crèche of naar school worden gebracht en dan volgt pas de<br />

verplaatsing naar het werk. Het gaat in dat geval dus niet meer om woonwerkverplaatsing,<br />

maar om een school-werkverplaatsing. En niet alleen zijn deze<br />

verbindingen minder goed uitgewerkt, de tijd die men dan spendeert met het<br />

openbaar vervoer weegt niet op tegen het comfort van de wagen…”<br />

(interview met expert)<br />

Door de aanwezigheid van kinderen komen er wijzigingen in het<br />

verplaatsingspatroon van de ouders. Daar waar in de periode voor de kinderen<br />

’s ochtends de enige verplaatsing de verplaatsing naar het werk was, komt daar<br />

nu een extra verplaatsing bij. Voor men naar het werk gaat moet het kind<br />

immers eerst worden afgezet bij de kinderopvang, aan de kleuterschool of de<br />

basisschool. Hetzelfde moet gebeuren na het werk om de kinderen terug op te<br />

halen. Het volstaat niet meer om na het werk een rechtstreekse verplaatsing<br />

naar huis te maken. Nu moet men eerst nog de kinderen afhalen, waardoor de<br />

enkelvoudige verplaatsing een ketenverplaatsing wordt.<br />

“Ik heb nu tijd hé. Dus zelfs als het met de wagen sneller zou zijn, dan nog neem ik<br />

graag het openbaar vervoer. Natuurlijk moet het niet te moeilijk zijn. Wij gaan<br />

graag wandelen in de Vlaamse Ardennen om daar wat te bezoeken,<br />

Geraardsbergen bijvoorbeeld. Daar moet ge van hier met het openbaar vervoer<br />

niet aan beginnen hé. Dan moet ge u al heel goed voorbereiden en dan nog<br />

dat wachten aan bushaltes. Dan hebt ge op ne dag niet veel gezien hé. Nu met<br />

de auto en het gps’ke van punt A naar punt B naar punt C en als ge een tof<br />

restaurantje of cafétje ziet dan stopt ge. De bus die rijdt dan door hé.”<br />

(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

“De bus nemen dat zou pas een georganiseer zijn. Het is nu al zo gearrangeer,<br />

met veel afspraken en regelingen. Ah ja, de zoon naar daar, de dochter naar<br />

daar en terwijl nog boodschappen doen, allez…”<br />

(Peter 43 jaar Kortrijk)<br />

“Het moeilikste vind ik als ge verschillende dingen tegelijk wilt doen. Mijne zoon<br />

afzetten bijvoorbeeld en dan naar de winkel gaan. Die liggen eigenlijk op de<br />

zelfde weg, enfin de bus rijdt voor bij de winkel. Hij stopt daar ook hoor. Maar als<br />

ik mijn zoon afgezet heb, dan moet ik eerst wachten op de bus naar de winkel en<br />

als ik gedaan heb met boodschappen moet ik weer wachten op de bus. Dat zou<br />

met de wagen veel sneller gaan.”<br />

(Sabine 36 jaar Geel)<br />

86


“Als de kinderen jongeren waren was dat wel lastig. Ons twee meiskes die gingen<br />

dan dansen in Lichtaart en die moesten dan gevoerd worden en dan moest de<br />

zoon nog naar ergens anders gebracht worden. Allez, ge voelt echt ne<br />

chauffeur, hé. “<br />

(Agnes 45 jaar Geel)<br />

Indien tijdens eenzelfde verplaatsing verschillende locaties moeten worden<br />

bezocht, verliest het openbaar vervoer een groot deel van zijn comfort. Dat<br />

geldt voor een groot deel ook als men onderweg naar een locatie moet<br />

overstappen op een andere verbinding. Voor betrekkelijk korte verplaatsingen<br />

ontziet men dan de moeite om de verplaatsing met het openbaar vervoer te<br />

doen. Indien er andere mogelijkheden zijn, dan zal men eerder daarvoor kiezen.<br />

“Het academisch ziekenhuis ook. Dat ligt in vogelvlucht op nog geen twee<br />

kilometer van hier. Dan moeten we eerst naar Gent Zuid en dan van de Zuid<br />

terug. In de zomer rijden we daar gemakkelijk met de fiets naar toe.”<br />

(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

“Maar ja, de bus hier gaat naar het UZ of naar Gent Zuid en dan moet ge<br />

vandaar nen andere bus nemen om naar het centrum te gaan en ja, ge zijt dat<br />

dan niet gewoon en ge doet dat niet hé.”<br />

(Simona 55 jaar Merelbeke)<br />

4.6. De veiligheid van een verplaatsing<br />

Een bijkomend criterium bij de keuze van een verplaatsingsmiddel dat we<br />

belichten is de veiligheid. Het gevoel van veiligheid of onveiligheid is zoals we<br />

eerder hebben gezien niet onbelangrijk in de context van welbevinden. Wie zich<br />

onveilig voelt zal zich immers onbehaaglijker voelen dan iemand die zich veilig<br />

voelt. Dat geldt zeker ook voor de keuze van het openbaar vervoer. We maken<br />

daarbij een onderscheid tussen enerzijds verkeersveiligheid en anderzijds sociale<br />

veiligheid.<br />

De verkeersveiligheid blijkt vooral een belangrijk argument om kinderen<br />

bepaalde verplaatsingsmiddelen niet te laten gebruiken. Dat geldt in de eerste<br />

plaats voor de fiets.<br />

“We hebben nog een zoon die basket. Hij woont wel bij mijn ex, maar ik breng<br />

hem altijd naar de basket. En dat is een heel gevaarlijke weg. Die breng ik dus<br />

ook met de wagen. Of we spreken af met andere ouders, want niemand ziet dat<br />

zitten om zijn kind met de fiets te laten gaan.”<br />

(Peter 43 jaar Kortrijk)<br />

“Naar de winkel stuur ik ze soms. Dat is bij haar school hier twee straten verder.<br />

Verder zou ik ze nu niet durven laten gaan. En al zeker niet als er veel verkeer zou<br />

zijn.”<br />

(Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />

87


Vooral nachtsituaties boezemen ouders angst in. Het is in dit geval wel moeilijk<br />

om uit te maken of het in dit geval om echte verkeersonveiligheid gaat, dan wel<br />

om sociale onveiligheid.<br />

“De zaterdag ga ik mijn zoon halen in Gooik als hij uitgaat. Met de fiets wil ik niet<br />

dat hij zo ’s nachts naar huis komt. Hij ook wel niet hoor. Maar we spreken een uur<br />

af en dan ga ik hem halen.”<br />

(Sonja 42 jaar Gooik)<br />

“In het weekend ’s avonds gaan we met vriendinnen weg in Marke. En dan doet<br />

mijn papa mij weg, want ’s avonds mag ik niet alleen met de fiets.”<br />

(Stien 15 jaar Kortrijk)<br />

“Met de fiets laat ik haar niet graag naar de atletiek gaan. Zeker niet in de winter<br />

want dan is toch al donker als het gedaan is. Mijn zoon die ouder is en graag<br />

uitgaat, voer ik ook. Ik wil ook niet dat hij in het midden van de nacht naar huis<br />

fietst.”<br />

(Sonja 42 jaar Gooik)<br />

Het openbaar vervoer biedt een belangrijk alternatief voor de<br />

verkeersonveiligheid met de fiets en draagt daarmee bij tot een welbevinden<br />

van de ouders.<br />

“Pas op, eigenlijk vind ik het te gevaarlijk om onze dochter met de fiets naar<br />

school te laten gaan. Dan zet ik ze nog liever af aan het bushokje en dat ze van<br />

daar het de bus naar school gaat. Ook hier in de buurt. We wonen hier dicht bij<br />

de Bredabaan en als ze naar vriendjes gaat of naar de cattechese dan zet ik<br />

haar liever af met de wagen dan dat ze met de fiets gaat. ”<br />

(An 34 jaar Brasschaat)<br />

Daarbij stelt zich echter een problematiek die zich voor een deel tegen het<br />

gebruik van het openbaar vervoer keert. Vermits de haltes van het openbaar<br />

vervoer vele malen gelegen zijn aan drukke wegen, moeten kinderen weer een<br />

gevaarlijke verkeerssituatie trotseren om de halte te bereiken.<br />

“We zijn toch wat bezorgd om haar veiligheid. En die bussen rijden meestal<br />

natuurlijk op grote wegen en ze moet dan de baan oversteken. Ook als ze ouder<br />

is hoor en ze moet naar school met de bus, dan gaan we daar toch opletten.”<br />

(Erik 33 jaar Kortrijk)<br />

“Alleen zal ze nog niet zo rap het openbaar vervoer nemen. Niet voor de bus op<br />

zich, maar dan moet ze wel een hele drukke baan over en daarvoor is ze toch<br />

nog te jong. Ik zou niet durven ook niet.”<br />

(Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />

De verkeersonveiligheid leidt zonder twijfel tot een vorm van onbehagen bij de<br />

geïnterviewden. Daarnaast heeft het ook een invloed op het<br />

verplaatsingsgedrag. Men zal bepaalde situaties vermijden, zodat men hierdoor<br />

88


een vorm van vrijheid verliest, wat op zijn beurt nefast is voor het persoonlijke<br />

welbevinden.<br />

“Ik ben nogal fiets-minded en de gevaarlijke banen, dat vind ik een probleem. Ik<br />

zal bijvoorbeeld nooit voor 9 uur met de fiets buiten komen om naar het centrum<br />

te gaan. Of ik moet binnenwegen kunnen nemen. Maar anders is dat echt te<br />

gevaarlijk.”<br />

(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

“Slechts weinig kinderen gaan van hier alleen naar school. Door onze<br />

schabouwelijke ruimtelijke ordening is dat niet te doen. Ze moeten hier de<br />

Gullegemsesteenweg over. Dat is een moordende baan, dat zou<br />

onverantwoordelijk zijn.”<br />

(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

Naast de verkeersonveiligheid laat ook de sociale onveiligheid sporen na bij de<br />

keuze van een verplaatsingsmiddel. Opnieuw komen de nachtelijke uren en het<br />

donker dan in beeld.<br />

“De dansles is van half zes tot half zeven in Sint Niklaas. En dan ga ik met de bus.<br />

Als het gedaan is dan komen mijn ouders mij halen. Ze zijn dan thuis en anders<br />

moet ik een half uur wachten op de bus. En dat durf ik niet. Het is dan al donker<br />

en ik moet ook een stukje stappen van de school tot aan de halte en hier ook.”<br />

(Iris 11 jaar Waasmunster)<br />

“Als ik naar school ga naar Roeselare moet ik om 6.45 de bus pakken aan<br />

Kinepolis en dan is het nog donker en ’s avonds ben ik pas terug om 18.30 en dan<br />

is het ook al donker. En ik sta daar dan altijd alleen. Dat is niet zo tof. Soms als ik<br />

echt te vroeg ben, dan rijd ik nog wat rond op de fiets. Liever dan daar te gaan<br />

staan.”<br />

(Stien 15 jaar Kortrijk)<br />

“Nu rijd ik naar Erasmus of Veeweyde, tot aan de rand dus en daar neem ik de<br />

metro. Maar ik zorg er wel voor dat ik niet in den donker moet uitstappen aan<br />

‘IJzer’ of ‘Graaf van <strong>Vlaanderen</strong>’ en ge hebt nog zo van die vieze buurten als het<br />

donker is.”<br />

(Janine 58 jaar Gooik)<br />

Maar ook op de bus zelf voelen sommigen zich niet helemaal veilig.<br />

“Zo veilig is de bus ook niet hé. Ge moet wel oppassen. Mijne zoon is eens zijn<br />

portefeuille gestolen, hij was dan 14 jaar of zo. Maar in zo’n situaties zijn dat nog<br />

kinderen hé. Zo veilig is dat dus niet hé. Voor kleine kinderen vind ik dat niet<br />

kunnen.”<br />

(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

“Ik wil ze nu ook niet forceren om de trein of de bus te nemen. Want nu durft ze<br />

nog niet zo goed en eigenlijk moet ge toch een beetje uw manneke staan op de<br />

bus of de trein hé; ”<br />

(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

89


“Ik neem nu niet graag de metro in Brussel. Ik vind dat echt onveilige. Zeker in<br />

Brussel, als ge de metro neemt, hou dan alles goed vast hé. Zeker in Brussel.<br />

Helemaal alleen zou ik mij niet veilig voelen op de metro. ”<br />

(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

Of de angst voor een misdrijf al dan niet gegrond is, maakt op zich niet zo veel<br />

uit. Als men zich in bepaalde situatie of op bepaalde plaatsen onveilig voelt,<br />

dan zal men die situaties of plaatsen mijden. Onder sociale onveiligheid verstaan<br />

we immers zowel de feitelijke kans om slachtoffer te worden van een misdrijf als<br />

de angst die men hiervoor heeft.<br />

“Het is toch belangrijk dat je je fiets ergens veilig kan achterlaten. Aan het<br />

gemeentehuis kan je gebruik maken van de parking van het warenhuis en dat is<br />

toch veiliger dan aan de Bredabaan”<br />

(Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />

“De veiligheid, daar zouden ze misschien wel iets aan mogen doen. Als ge hier<br />

de bus pakt (in Brasschaat) of de tram in Merksem, dat is echt een groot<br />

verschil…”<br />

(Willy 62 jaar Brasschaat)<br />

4.7. De beschikbaarheid van vervoersmiddelen<br />

In de voorgaande onderdelen legden we ons toe op de keuzes die individuen<br />

en gezinnen maken bij het gebruik van vervoersmiddelen voor bepaalde<br />

verplaatsingen. In sommige gevallen is deze keuze echter beperkt of zelfs<br />

onbestaande. Het mag duidelijk zijn dat voor individuen of gezinnen waar geen<br />

wagen aanwezig is, het collectief georganiseerde vervoer een zeer belangrijk<br />

element vormt in hun mobiliteitsmogelijkheden. Uit gegevens met betrekking tot<br />

de autobeschikbaarheid op gezinsniveau blijkt dat in 2001 één op vijf gezinnen<br />

in <strong>Vlaanderen</strong> niet over een wagen beschikt. In 1991 was dat nog 25%<br />

(Algemene Directie Statistiek Volkstelling (1991) en SEE2001). In 2001 beschikt 55<br />

% van de gezinnen over één wagen en 25% van de gezinnen in <strong>Vlaanderen</strong><br />

beschikt over twee of meer wagens per gezin (Algemene Directie Statistiek<br />

SEE2001).<br />

Bij éénverdieners wordt in 56 % van de gevallen deze wagen gebruikt in het<br />

woon-werkverkeer. Tijdens deze periode zijn de overige gezinsleden<br />

(thuiswerkende vrouw, kinderen, …) aangewezen op andere vervoersmiddelen.<br />

Bij tweeverdieners met één wagen wordt de auto in de woon-werkrelatie in 56 %<br />

van de gevallen door de man gebruikt, in 43 % door de vrouw.<br />

4.7.1.Basismobiliteit of geen basismobiliteit<br />

Bij de selectie van de gebieden voor onze interviews hebben we een<br />

onderscheid gemaakt tussen gebieden waar geen projecten in het kader van<br />

basismobiliteit werden uitgevoerd en gebieden waar wel projecten werden<br />

uitgevoerd. We wensten daarmee na te gaan of zich verschillen voordoen op<br />

het vlak van mobiliteit en verplaatsingsgedrag.<br />

90


Op basis van een kwalitatief onderzoek kunnen we hier echter geen<br />

gefundeerde uitspraken over doen. Daarvoor is immers nood aan een brede<br />

kwantitatieve bevraging. Toch kunnen we op basis van onze interviews enkele<br />

aspecten belichten die een beeld geven van situaties met of zonder<br />

basismobiliteit. In ons geval kunnen we dit vertalen in situaties waarbij de<br />

beschikbaarheid aan vervoersmiddelen beperkt is. Zoals we reeds eerder<br />

hebben vermeld is de eigen wagen het vervoersmiddel bij uitstek. Wie over een<br />

of meerdere wagens in het gezin beschikt, maakt zich weinig of geen zorgen<br />

over zijn of haar verplaatsingsmogelijkheden. De wagen brengt hen wel naar<br />

waar men wenst. Maar wat als die wagen er niet meer is? Deze situatie kan zich<br />

om verschillende redenen voordoen. Een eerste reden is de kostprijs van die<br />

wagen. Tal van geїnterviewden maken zich bijvoorbeeld zorgen over de<br />

stijgende prijs van de benzine.<br />

“Mijnen auto is mijn vrijheid. Spijtig genoeg hoor, want ik vind dat nen auto veel<br />

geld kost. En de naft wordt ook altijd maar duurder. Maar ja, ik ben nog geen 65<br />

jaar en dan is de bus en de trein nu ook niet goedkoop hé.”<br />

(Janine 58 jaar Gooik)<br />

Met een stijgende prijs van de benzine worden mensen zich bewuster van de<br />

kostprijs van een verplaatsing met de wagen en zal men of het<br />

verplaatsingsgedrag aanpassen of op zoek gaan naar goedkopere<br />

alternatieven.<br />

“Ik vind de parkeerplaatsen veel te duur in Antwerpen en ook de benzine<br />

natuurlijk. Gisteren stond in de gazet dat hij weer duurder zal worden. Vandaar<br />

dat ik de laatste tijd ook de fiets wat meer neem. Ook al om een beetje gezond<br />

te blijven. Maar naar de stad is dat een beetje ver natuurlijk.”<br />

(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

“Als ik naar de bank moet dan zorg ik er natuurlijk voor om terwijl ook een brood<br />

of zo mee te brengen. Da’k niet alleen voor een brood buiten moet. Daarvoor is<br />

de benzine te kostelijk, hé.”<br />

(Agnes 45 jaar Geel)<br />

“Onze auto gebruiken we niet zo veel meer. Alleen als het moet en dan nog<br />

vooral ’s avonds. Zekerst in den dag komt den auto zelden buiten. We zouden<br />

ook zot zijn hé. We hebben tijd genoeg en het openbaar vervoer is gratis. Aan de<br />

prijs van de naft tegenwoordig.”<br />

(Lucien 76 jaar Gooik)<br />

Een tweede reden is de fysieke en psychische of zelfs juridische bruikbaarheid<br />

van die wagen. De minimum leeftijd voor het besturen van een bromfiets, motor<br />

of auto, is 18 jaar en dus is voor individuen onder deze leeftijd de wagen sowieso<br />

geen optie. Maar natuurlijk dienen we in dit opzicht niet alleen te kijken naar de<br />

jongeren. Een frequent voorkomende situatie bij ouderen (65 plus) is namelijk dat<br />

de vrouw in het gezin over geen rijbewijs beschikt en/of dat de man steeds de<br />

wagen heeft bestuurd. De vrouw beschikt over geen rijbewijs (of heeft het nooit<br />

91


in de praktijk gebruikt en bij de dood van de echtgenoot valt de wagen als<br />

vervoersmiddel weg.<br />

“Sinds mijne man dood is kunnen wij ons niet meer makkelijk verplaatsen. Wij<br />

hadden ne grote Citroën en wij gingen daarmee overal naartoe, maar ik durf niet<br />

meer rijden. Ik mocht van mijne man ook niet rijden met de nieuwe Citroën. En nu<br />

durf ik niet meer. Nu doen we alles met fiets of met de bus en als we naar de Stad<br />

gaan en daarna de tram tot op Meir”<br />

(Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />

Op deze leeftijd voelt men zich ook niet meer in staat om nog een examen af te<br />

leggen voor een rijbewijs. Indien dus sprake van juridische beperkingen dan<br />

moeten we niet alleen denken aan de jongeren, maar aan iedereen die geen<br />

rijbewijs heeft of geen rijbewijs kan behalen. Los van de factor leeftijd zijn immers<br />

nog andere groepen in de samenleving verstoken van het bezit van een<br />

rijbewijs.<br />

Een aantal groepen is op basis van hun medische toestand uitgesloten voor het<br />

besturen van een motorvoertuig. Anderen kunnen wel als geschikt worden<br />

verklaard voor het besturen van een gemotoriseerd voertuig, maar moeten<br />

daarvoor aan bepaalde voorwaarden voldoen of krijgen bepaalde<br />

beperkingen opgelegd. Afhankelijk van de lichamelijke en de geestelijke<br />

toestand kunnen voorwaarden en beperkingen worden opgelegd in functie van<br />

de risico’s die verbonden zijn aan het besturen van een wagen en de<br />

confrontatie met verkeerssituaties. De voorwaarden en beperkingen worden<br />

bepaald op basis van de lichamelijke en geestelijke toestand van de kandidaat,<br />

rekening houdend met de risico’s, omstandigheden en gevaren eigen aan het<br />

besturen van een bepaald motorvoertuig (Koninklijk Besluit van 12 maart 1998<br />

betreffende het rijbewijs).<br />

Heel wat individuen en gezinnen worden met andere woorden wel ooit<br />

geconfronteerd met een situatie waarin de wagen en/of andere persoonlijke<br />

vervoersmiddelen niet (meer) kunnen gebruikt worden voor hun verplaatsingen.<br />

We stelden de geїnterviewden met een wagen ook telkens de vraag wat men<br />

zou doen indien de wagen niet meer beschikbaar zou zijn. Een opvallende<br />

vaststelling is dat heel wat bevraagden zich maar moeilijk zo’n situatie konden<br />

inbeelden. Nochtans is het voor heel wat Vlamingen een dagelijkse realiteit. In<br />

dergelijke gevallen komt het openbaar vervoer uitdrukkelijk in beeld en is een<br />

degelijk aanbod aan openbaar vervoer cruciaal voor de mobiliteit en dus ook<br />

voor het welbevinden. Aan individuen en gezinnen die niet over een wagen<br />

beschikken,maar wel over een aanbod aan openbaar vervoer stelden we de<br />

vraag wat men zou doen als dat aanbod er niet zou zijn. Ook hier was de eerste<br />

reactie een vorm van ontreddering. Geen enkele optie hebben om zich te<br />

verplaatsen is voor iedereen ondenkbaar. En toch moeten we ons rekenschap<br />

geven vanhet feit dat zich in <strong>Vlaanderen</strong> wel degelijk mensen bevinden<br />

waarvoor deze situatie een dagelijkse realiteit is.<br />

Voor individuen en gezinnen die niet over een wagen (kunnen) beschikken, is<br />

het kunnen gebruik maken van het openbaar vervoer dus zonder enige twijfel<br />

92


een bron van welbevinden. Het niet kunnen gebruik maken van het openbaar<br />

vervoer zal dan ook logischerwijs een belangrijke bron van onbehagen zijn.<br />

Projecten in het kader van basismobiliteit zijn dan ook bijzonder belangrijk om<br />

individuen op zijn minst een beperkte mogelijkheid te bieden om zich te<br />

verplaatsen. Dat is zeker het geval voor verplaatsingen over een relatief grote<br />

afstand. We stelden echter vast dat ‘afstand’ een relatief begrip is. Voor wie<br />

goed te been is en geen moeite heeft om 1 of zelfs meerdere kilometers te<br />

stappen of te fietsen is een verplaatsing binnen deze afstand geen probleem.<br />

Voor wie fysieke belemmeringen ondervindt om te stappen of te fietsen is<br />

eenzelfde afstand onoverkomelijk. Het is dan ook bijzonder moeilijk om in termen<br />

van afstand te spreken over een bevredigend aanbod. We stelden wel vast dat<br />

in gebieden waar geen basismobiliteit aanwezig is, men bij het verdwijnen van<br />

de wagen of de fiets zich zorgen maakt voor de bevrediging van de behoeften.<br />

Een van de geїnterviewden gaf zelfs aan dat ze in dat geval zal moeten<br />

verhuizen.<br />

“Ik begin nu wat last te krijgen van mijn knie en ja, als ik dan niet meer met de<br />

fiets naar de bus kan met mijn dochter, dan weet ik het niet. Waarschijnlijk moet ik<br />

dan wat dichter bij de stad gqan wonen.”<br />

(Louisa, 74 jaar, Brasschaat)<br />

Algemeen kunnen we dan ook stellen dat voor verplaatsingen om in de<br />

behoeften te voorzien een minimaal aanbod aan openbaar vervoer<br />

onontbeerlijk is. Dat uit zich dan weer vooral in landelijke gebieden, waar men<br />

voor de kleinste behoefte, al was het maar om wat levensmiddelen in te slaan,<br />

onmiddellijk een relatief grote afstand moet overbruggen. Voor het bezoek aan<br />

commerciёle diensten zoals de bank of openbare diensten als de Post moeten<br />

zelfs verplaatsingen worden gemaakt naar de stad. We komen op deze<br />

problematiek in het volgend hoofdstuk terug.<br />

4.7.2. Fysieke en psychische belemmeringen<br />

In dit hoofdstuk hebben we op basis van de interviews een oplijsting gemaakt<br />

van criteria die men gebruikt bij de keuze van een verplaatsingsmiddel. Het gaat<br />

in dit geval om criteria die de eerder al vernoemde modale burger hanteert om<br />

voor de wagen, de fiets, de bus of een ander verplaatsingsmiddel te kiezen.<br />

Deze keuze is op zich al een belangrijke verworvenheid van het individu. In onze<br />

samenleving wordt nog tal van individuen dat recht ontzegd of wordt deze<br />

keuze eigenlijk zo moeilijk dat het eigenlijk geen keuze is. Naar het openbaar<br />

vervoer toe kunnen zich tal van mogelijke belemmeringen voordoen om ten<br />

volle gebruik te kunnen maken van het aanbod. We denken daarbij in de eerste<br />

plaats aan fysieke en mentale invaliden.<br />

Het meest ingrijpend in termen van toegankelijkheid is uiteraard de handicap<br />

die leidt tot een beperkte bruikbaarheid van particuliere voertuigen, maar ook<br />

van het openbaar vervoer. Deze handicap kan aangeboren zijn, maar ook later<br />

ontstaan door allerlei oorzaken, waaronder verkeersongevallen. In dergelijke<br />

93


gevallen moet men beroep doen op geïndividualiseerd en dus zeer<br />

gespecialiseerd vervoer. Momenteel telt <strong>Vlaanderen</strong> 75.000 personen met een<br />

handicap die sedert 1992 zijn ingeschreven bij het Vlaams Fonds voor de Sociale<br />

Integratie van Personen met een Handicap (VFSIPH) of tegenwoordig het<br />

Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH). Personen die zijn<br />

ingeschreven bij het Vlaams Agentschap hebben niet alleen recht op<br />

verminderde tarieven of gratis gebruik van het openbaar vervoer, maar krijgen<br />

ook tegemoetkomingen op het vlak van de fysieke toegankelijkheid.<br />

Personen met een beperkte mobiliteit kunnen een belbushalte aan hun deur<br />

aanvragen. Daarnaast heeft de cel Gelijke Kansen in <strong>Vlaanderen</strong> een netwerk<br />

van Diensten voor Aangepast Vervoer (DAV’s) uitgebouwd. Op aanvraag wordt<br />

aan personen met mobiliteitsbeperkingen die geen gebruik kunnen maken van<br />

het openbaar vervoer een dienstverlening aangeboden van vervoer van deur<br />

tot deur. Bovendien helpt een chauffeur van de DAV helpt de gehandicapte bij<br />

het in- en uitstappen.<br />

Voor individuen die niet over de fysieke en psychische mogelijkheden<br />

beschikken om gebruik te maken van het openbaar vervoer, moet dus gezocht<br />

worden naar individueel aangepast vervoer. Naast de dienstverlening van het<br />

VAPH kan bijvoorbeeld met de Minder <strong>Mobiel</strong>e Centrales aan de<br />

mobiliteitsbehoeften van mensen met dergelijke verplaatsingsmoeilijkheden<br />

worden tegemoet gekomen. De Minder <strong>Mobiel</strong>en Centrales (MMC's) werden<br />

specifiek opgericht om mensen met verplaatsings-problemen en een beperkt<br />

inkomen toch de nodige transportmogelijkheden te bieden. Ze kunnen<br />

verbonden zijn aan een gemeente, OCMW, ziekenfonds of onafhankelijke<br />

vereniging zonder winstoogmerk. Taxistop is de overkoepelende organisatie en is<br />

een vereniging die verschillende (alternatieve) praktische oplossingen aanreikt<br />

dicht bij de mensen voor allerhande kleine of grote mobiliteitsvraagstukken.<br />

Concreet gaat het om gehandicapten, bejaarden of mensen in een sociale<br />

noodsituatie die familie willen bezoeken, naar de dokter moeten of<br />

boodschappen willen doen. Het transport wordt verzorgd door vrijwillige<br />

automobilisten die op bepaalde dagen of uren beschikbaar zijn. De aanvragen<br />

worden gecoördineerd door een permanentiedienst die telefonisch bereikbaar<br />

is.<br />

Aan het gebruik van de Minder <strong>Mobiel</strong>e Centrales worden een aantal<br />

voorwaarde gesteld. De Centrale is voorbehouden aan mensen met een<br />

maximaal inkomen van twee keer het leefloon. Bovendien mag er voor het<br />

gevraagde traject geen openbaar vervoer voorhanden zijn tenzij dat voor de<br />

betrokkene niet toegankelijk is. Uiteraard dekt deze dienst een belangrijke<br />

behoefte voor burgers die aan deze voorwaarden voldoen.<br />

“Wij hebben hier ook een Minder <strong>Mobiel</strong>e Centrale en daar heb ik ook al eens<br />

gebruik van gemaakt toen ik naar het ziekenhuis moest. En dat is ook ne mooie<br />

dienst hé, want ik kon het openbaar vervoer dan niet gebruiken en diene mens<br />

heeft dan aan het ziekenhuis een uur gewacht en mij teruggebracht.”<br />

(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

94


Tijdens onze interviews hadden we het geluk om een vrijwilliger voor individueel<br />

aangepast vervoer te interviewen. Eén van zijn uitspraken geeft onmiddellijk het<br />

belang aan van dergelijke vervoersmogelijkheden voor het welbevinden van de<br />

behoeftige én van de vrijwilliger zelf.<br />

“Sinds ik op pensioen ben, ik zat hier al een half uur met mijn vingers te draaien<br />

en mijn vriendin te ambeteren want die werkt nog, werk ik als vrijwilliger in de<br />

sociale dienstverlening. Ik ben chauffeur bij de minder mobiele centrale in<br />

Meerhout en dat is plezant jong? Ge kent na nen tijd die mensen goed hé. Ik rijd<br />

zo elke week met een maske die nogal zwaar gehandicapt is naar het<br />

ziekenhuis. En dan doen we een babbelke en zo. En dan wacht ik tot ze gedaan<br />

heeft in ’t ziekenhuis en dan breng ik ze terug thuis. Elke week. En ik heb nog zo’n<br />

rit of twee drie per week. “<br />

(Willy 58 jaar Geel)<br />

Op hogere leeftijd neemt het aantal mensen met functiebeperkingen snel toe.<br />

Fysieke en psychische beperkingen hoeven niet onmiddellijk als handicap<br />

erkend te zijn om toch belemmerend te zijn voor het gebruik van bepaalde<br />

vervoersmiddelen. Het verzaken aan het gebruik van de wagen door ouderen<br />

omdat men zich niet meer zeker genoeg voelt in het verkeer is een gekend<br />

voorbeeld. Gezichtsverlies, concentratieverlies, reactiesnelheid en andere<br />

belangrijke vaardigheden om zich met de wagen in het verkeer te verplaatsen<br />

nemen af en daarmee ook het gebruik van de wagen. Voor hen is het<br />

openbaar vervoer zowat het enige vervoersmiddel dat ze kunnen gebruiken<br />

zonder afhankelijk te zijn van derden en op die manier ook minder vrij te zijn.<br />

Vooral voor de meest kwetsbare bevolkingscategorieën (ouderen, financieel<br />

zwakkeren, aleenstaanden, mindervaliden,…) is het openbaar vervoer bijzonder<br />

belangrijk voor de autonomie en de zelfstandigheid of het persoonlijke<br />

welbevinden.<br />

4.8. Conclusies deel 4<br />

De toegankelijkheid van het openbaar vervoer hoeft echter niet altijd<br />

gebonden te zijn aan fysieke belemmeringen. Bij de oplijsting van de criteria<br />

waarop de modale burger keuzes maken voor het gebruik van<br />

verplaatsingsmiddelen, speelt de toegankelijkheid sowieso een belangrijke rol.<br />

De moeilijkheden die men ondervindt bij verplaatsingen met kinderen, de<br />

onveiligheid en ook de complexiteit en het gebrek aan informatie zijn vormen<br />

van ontoegankelijkheid. Ze belemmeren immers mensen om zich met het<br />

openbaar vervoer te verplaatsen. Op die manier merken we een eerder<br />

negatief effect van het openbaar vervoer op het welbevinden van (potentiële)<br />

gebruikers.<br />

Deze wegen ons inziens echter niet op tegenover de positieve bijdragen die het<br />

openbaar vervoer levert of kan leveren aan het welbevinden van mensen en<br />

aan het maatschappelijk welbevinden in het algemeen. Zonder in te gaan op<br />

macro- en meso-effecten op de verkeersproblematiek door een verhoogd<br />

95


gebruik van het openbaar vervoer, merken we op individueel niveau een groot<br />

effect op het welbevinden. Bovenstaand hoofdstuk leert ons echter wel dat voor<br />

de modale burger hiervoor aan verschillende voorwaarden moet worden<br />

voldaan en dat deze voorwaarden bovendien vrij divers zijn voor verschillende<br />

individuen. Net als in het vorige hoofdstuk stellen we vast dat de leeftijd hierbij<br />

een belanrijke rol speelt, maar ook het comfort dat men wenst bij de<br />

verplaatsing. Vanuit dit perspectief scoort het openbaar vervoer bij de ene<br />

persoon goed, bij de andere dan weer niet.<br />

Op zich is dat echter niet de doelstelling van de projecten in het kader van<br />

basismobiliteit. Deze projectenbeogen dat elk individu in een woonzone de<br />

mogelijkheid heeft om zich te verplaatsen. Het is niet de bedoeling dat dit<br />

aanbod het comfort biedt van een verplaatsing met de wagen. Dat is immers<br />

niet mogelijk. De uitbreiding van het aanbod van basismobiliteit voor personen<br />

met een handicap komt wel tegemoet aan de kernidee van basismobiliteit. Het<br />

probleem met dergelijke lovenswaardige initiatieven is dat steeds een groot<br />

aantal individuen die net niet voldoen aan de voorwaarden buiten de boot<br />

vallen. Niet alle ouderen met fysieke en/of psychische belemmeringen zijn<br />

immers ingeschreven of erkend als gehandicapten. Velen weten ook niet dat<br />

men een beroep kan doen op meer geїndividualiseerde dienstverleningen.<br />

Hetzelfde stellen we vast voor personen die zich in een fase van<br />

brugpensionering bevinden. Zij zijn net als de 65-plussers gepensionerd, maar<br />

genietenniet van de voordelen van deze leeftijdsgroep. Daardoor ontstaat<br />

bijvoorbeeld een uitstelgedrag in het gebruik van het openbaar vervoer. De<br />

vraag is echter of aan al de behoeften van alle leeftijds- en bevolkingsgroepen<br />

moet worden voldaan. Op dit ogenblik wordt het aanbod van het openbaar<br />

vervoer afgestemd op de criteria die werden vastgelegd in het decreet.<br />

In het volgende hoofdstuk gaan we na in welke mate de criteria van het<br />

decreet basismobiliteit tegmoet komen aan de noden, de behoetten en ook de<br />

wensen van verschilende doelgroepen voor het gebruik van het openbaar<br />

vervoer.<br />

5. Sociale baten binnen de criteria van basismobiliteit.<br />

We herhalen nogmaals dat de mobiliteitsproblematiek bij kwetsbare groepen de<br />

oorspronkelijke politieke motivatie was voor het invoeren van het project<br />

basismobiliteit. Men verwacht dan ook dat het openbaar vervoer een mogelijke<br />

oplossing kan zijn om de vervoersarmoede weg te werken. Een belangrijke<br />

voorwaarde hiervoor is uiteraard dat het aanbod van het openbaar vervoer<br />

tegemoet komt aan de noden en de behoeften van deze groepen op het vlak<br />

van verplaatsingen, maar ook dat het tegemoet komt aan de mogelijkheden<br />

van de minder kwetsbare bevolkingsgroepen. Hiervoor moet het openbaar<br />

vervoer de gewenste verbindingen bieden, niet te ver van de woning stoppen,<br />

op de gewenste tijden rijden en fysiek toegankelijk zijn voor iedereen die het<br />

moet gebruiken. In het decreet werden verscheidene criteria voor het aanbod<br />

96


van het openbaar vervoer opgenomen om aan iedereen een minimale vorm<br />

van basismobiliteit aan te bieden. Onderstaand nemen we de criteria uit het<br />

decreet basismobiliteit onder de loep en gaan we ondermeer na in welke mate<br />

deze tegemoet komen aan de noden en de behoeften van gebruikers en hoe<br />

deze tegemoet komen aan de criteria die bijdragen tot het maatschappelijke<br />

welbevinden.<br />

Tabel: Basismobiliteit in <strong>Vlaanderen</strong><br />

Groot-<br />

stedelijk<br />

Weekdagen<br />

6-9 uur 16-18 uur<br />

Samenvattende tabel basismobiliteit<br />

Weekdagen<br />

9-16 uur 18-21 uur<br />

Weekend<br />

8-23 uur<br />

Max. halteafstand<br />

5 ritten/uur 4 ritten/uur 3 ritten/uur 500 m<br />

Stedelijk 4 ritten/uur 3 ritten/uur 2 ritten/uur 500 m<br />

Rand en klein-<br />

stedelijk<br />

Buiten-<br />

gebied<br />

3 ritten/uur 2 ritten/uur 1 ritten/uur 650 m<br />

2 ritten/uur 1 ritten/uur 1 ritten/2 uur 750 m<br />

Bron: De Lijn (http://www.delijn.be/overheden/basismobiliteit/overzicht_basismobiliteit.asp)<br />

5.1. Beschikbaarheid in termen van verbindingen<br />

Om het openbaar vervoer te nemen, moet er uiteraard een aanbod zijn. Het<br />

decreet basismobiliteit voorziet een halte op maximaal 750 meter van de<br />

woonst. Dat geldt echter enkel in woonzones en dat zegt dus niet over de<br />

bereikbaarheid van commerciële centra, industrieterreinen, ziekenhuizen,<br />

sportcentra en dergelijke.<br />

Wat de woonzones betreft is na het afsluiten van de projecten rond<br />

basismobiliteit het beoogde doel vrijwel bereikt. Voor de invoering van het<br />

decreet beschikte 12 % van de woongebieden in <strong>Vlaanderen</strong> over geen enkele<br />

verbinding met het openbaar vervoer. In ruim de helft van de woongebieden<br />

werden de normen die voor basismobiliteit worden vooropgesteld niet gehaald.<br />

(Mobiliteitscel, 2001) Vandaag is na de afronding van de projecten rond<br />

basismobiliteit dat percentage teruggebracht tot onder de 10%. Samen met de<br />

uitbouw van het aanbod aan openbaar vervoer in meer dan 300 gemeenten is<br />

bovendien het aantal gebruikers van het openbaar vervoer de laatste 10 jaar<br />

verdubbeld.<br />

De behoefte aan verplaatsingen beperkt zich echter niet tot verplaatsingen van<br />

de ene naar de andere woonzone. Wie zich verplaatst doet dit meestal om te<br />

werken, om naar school te gaan, om vrijetijdsactiviteiten uit te voeren, om<br />

boodschappen te doen, om kennissen, vrienden en familieleden te bezoeken<br />

97


enzovoort. In het verplaatsingsgedrag konden we deze motieven onderverdelen<br />

in verplichte, noodzakelijke en belangrijke verplaatsingen. Ze vormen een goede<br />

basis om de relatie tussen het aanbod van het openbaar vervoer in het kader<br />

van basismobiliteit te toetsen aan de verplaatsingsbehoeften.<br />

Voor de verplichte verplaatsingen gelden in het decreet basismobiliteit<br />

specifieke criteria. Met een groter aanbod tijdens de piekuren wordt daardoor<br />

specifiek ingespeeld op de behoefte voor woon-werk en woon-school<br />

verplaatsingen. Deze verplaatsingen zijn uiteraard bijzonder belangrijk voor het<br />

economische welbevinden van de burgers. Wie over geen wagen beschikt<br />

moet namelijk zijn werkplaats kunnen bereiken. Indien bijvoorbeeld<br />

bedrijventerreinen niet bereikbaar zijn met het openbaar vervoer, dan schiet de<br />

basismobiliteit voor deze concrete verplichte verplaatsingen duidelijk te kort. Een<br />

project als netmanagement met ondermeer de doelstelling om<br />

industrieterreinen te ontsluiten is dan ook zeer belangrijk als aanvulling op de<br />

ontsluiting van de woonzones.<br />

In het overzicht van de gebruikte vervoersmiddelen voor de verschillende<br />

motieven hebben we vastgesteld dat slechts een beperkt aantal burgers<br />

gebruik maakt van het openbaar vervoer om zich naar het werk te verplaatsen.<br />

Naast het gegeven dat we bij deze percentages moeten rekening houden met<br />

een onderschatting van het gebruik van openbaar vervoer in het voor- en<br />

natraject, kan een percentage van 10% woon-werk pendelaars in absolute<br />

getallen niet worden onderschat. Tijdens onze interviews stelden we immers vast<br />

dat verscheidene respondenten gebruik maken van het openbaar vervoer om<br />

zich naar het werk te begeven. Daarbij stelden we echter ook vast dat het<br />

gebruik van de diensten van de Lijn in het voor- en natraject door heel wat<br />

gebruikers wordt vermeden. Men begeeft zich naar de trein als<br />

hoofdtransportmiddel met de wagen of met de fiets.<br />

“Ik heb 27 jaar met de wagen naar mijn werk geweest. En nu het laatste jaar met<br />

de trein. Omdat ik beginnen werken ben in de Boerentoren in Antwerpen. Ik ging<br />

den eerste keer met mijn wagen en lap ik stond hier al stil op den E17 in Sint<br />

Niklaas. En dus den trein hé. Ik rijd nu met mijne wagen naar station in Lokeren en<br />

vandaar direct naar Antwerpen. En daar zou ik de tram kunnen nemen, maar ik<br />

ga te voet. Dat is goed voor de lijn. En in het terugkomen moet ik anders een half<br />

uur wachten op de bus. Dan ben ik al lang thuis.”<br />

(Ignace 53 jaar Waasmunster)<br />

“Ik neem ook de bus, maar de verbinding is soms wel erg. Eergisteren had ik om<br />

halfacht gedaan en ik was om negen uur thuis. Met de wagen is dat misschien 20<br />

minuutjes ofzo. Maar als ik mijn verbinding mis dan is het niet evident.”<br />

(Karen 30 jaar Waasmunster)<br />

98


“Nu ga ik altijd werken met de fiets of als ik de late heb met de auto. Maar<br />

vroeger ging ik wel met de trein en met de bus en in het begin zelfs met de<br />

belbus. Want een tijdje geleden waren hier bijna geen bussen. Twee ’s avonds en<br />

twee ’s morgens en dan nog één onder de middag en dat was het. Nu zijn er<br />

heel veel lijnen bijgekomen hier.”<br />

(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

De belangrijkste reden om de bus niet te gebruiken in het voor- en natraject is<br />

niet zozeer het gebrek aan verbindingen, wel aan de frequentie van de<br />

verbindingen en vooral aan de beschikbaarheid in de tijd. Bij de beschrijving van<br />

de leeftijdscategorie, die we als de drukke leeftijd bestempelen en het belang<br />

van de tijd die men in het vervoer wil investeren, mag duidelijk zijn dat voor deze<br />

leeftijdscategorieën het aanbod in het kader van basismobiliteit weinig bijdraagt<br />

op het vlak van persoonlijk en economisch welbevinden. Maar dat is uiteraard<br />

enkel voor al degenen die over de mogelijkheden beschikken om voor een<br />

ander vervoersmiddel te kiezen. Voor wie die keuze niet heeft is de mogelijkheid<br />

om zich te verplaatsen naar het werk uiteraard bijzonder belangrijk voor het<br />

economische welbevinden. Dat wordt bevestigd door verschillende initiatieven<br />

van de VDAB om de kosten van het vervoer van en naar het (potentiële) werk te<br />

minimaliseren of te vergemakkelijken door bijvoorbeeld het uitlenen van<br />

bromfietsen voor sollicitanten.<br />

Individuen kunnen echter ook vrijwillig kiezen voor een woning in functie van het<br />

aanbod van het openbaar vervoer.<br />

“Mijn oudste zoon die heeft toen ze een huis heeft gekocht hier op Ten Aard wel<br />

gekeken naar het openbaar vervoer. Ze wonen nu eigenlijk vlak aan een<br />

buskotje en zij gaan alle twee elke dag met het openbaar vervoer gaan werken.<br />

Zij hebben daar echt speciaal naar gekeken. Die vonden dat een auto en zeker<br />

twee veel te veel geld.”<br />

(Agnes 45 jaar Geel)<br />

De mogelijkheid om woon- werk verplaatsingen te kunnen maken met het<br />

openbaar vervoer is dus zonder meer belangrijk voor het economisch<br />

welbevinden van de werkende burger. Nog belangrijker is echter het woonschoolverkeer.<br />

Vanaf de leeftijd van 12-jaar en de overgang van het<br />

basisonderwijs naar het secundair onderwijs is het openbaar vervoer een heel<br />

belangrijk vervoersmiddel. Initiatieven als de Buzzy Pass spelen hierop in en<br />

blijken ook zeer sucesvol.<br />

“Ja, we kiezen haar volgende school waarschijnlijk wel op basis van het<br />

openbaar vervoer. Dat is de reden waarvoor ze volgend jaar waarschijnlijk daar<br />

zal gaan. Moest ze naar Kalmthout gaan, dan zou dat al een pak moeilijker zijn.”<br />

(An 34 jaar Brasschaat)<br />

99


“Volgend jaar ga ik naar het humaniora, maar ik weet nog niet goed naar waar.<br />

Maar het zal Lokeren of Sint Niklaas worden want Eksaarde is nogal moeilijk<br />

bereikbaar. Er is geen bus naar daar of ik moet eerst naar Lokeren. Als ik naar<br />

Lokeren ga dan kan ik let de fiets als het goed weer is, maar naar Sint Niklaas<br />

moet ik sowieso met de bus, want dat is te ver.”<br />

(Iris 11 jaar Waasmunster)<br />

Bovenstaande citaten tonen aan dat het aanbod van het openbaar vervoer<br />

een cruciale rol speelt in de keuze voor een onderwijsinstelling.<br />

Verplaatsingen die we eerder onder de noodzakelijke verplaatsingen<br />

onderbrachten (boodschappen, dienstenbezoek) worden redelijk goed<br />

opgevangen door het aanbod van het openbaar vervoer. De verbindingen<br />

leiden namelijk in bijna alle gevallen naar de stad of toch stedelijke gebieden,<br />

waar aan de noden en behoeften voor levensmiddelen en diensten kunnen<br />

worden voldaan. Binnen de openingsuren van de winkels en diensten wordt<br />

namelijk in een aanbod voorzien. Dit aanbod blijkt bijzonder belangrijk in een<br />

landelijke context. Landelijke gebieden worden immers steeds vaker<br />

geconfronteerd met het wegtrekken van noodzakelijke diensten.<br />

“Hier in Aalbeke is er niks ni meer. Juist een bakker en een beenhouwer. Maar<br />

geen brillenwinkel, geen schoenwinkel, dat is hier allemaal niet te vinden. Nen<br />

tandarts ja, dat is al. Alle jonge mensen gaan hier weg hé. En de winkels hebben<br />

hier dan geen afzet en ze zijn weg. Het zijn hier allemaal oude mensen en ja, als<br />

ze geen auto kunnen rijden… Da’s een probleem hé. De bus is goed, maar ze<br />

moeten kunnen hé.”<br />

(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

“Hier is het voor oude mensen echt triest hé. En het zijn allemaal mensen die hier<br />

al altijd gewoond hebben, hé. De jonge mensen die trekken hier weg hé. Ah ja er<br />

is hier niets. Er is hier gene dokter, gene apotheek, echt niets. En ja, voor die ouw<br />

mensen”<br />

(René 66 jaar Kortrijk)<br />

“Het wordt ook alsmaar erger hé. Vroeger had ge hier in Oetingen nog van alles.<br />

Een bank, de post,… maar nu is hier alles weg. Daarvoor moet ge naar Gooik.<br />

Maar ja, zoals ik gezegd heb, dat is een drietal kilometer van hier. En als ge hier in<br />

het Pajottenland met de fiets moet gaan, dat is serieus zweten hé.Het alternatief<br />

is de bus, maar dan zijt ge direct een uur kwijt en dan moet ge nog terug.”<br />

(Janine 58 jaar Gooik)<br />

Bovenstaande citaten zijn slechts enkele voorbeelden van het wegtrekken van<br />

diensten uit landelijke dorpen. Deze problematiek werd reeds eerder in<br />

onderzoeken (Meert e.a., 2003, De Wakkere Burger, 2001) rond vervoersarmoede<br />

aan de kaak gesteld en becommentarieerd. Daaruit blijkt dat vervoersarmoede<br />

vooral inwoners van rurale gebieden hard treft. Volgens een raming in de<br />

Westhoek worden 45.000 huishoudens die op het platteland leven met deze<br />

vervoersarmoede geconfronteerd.<br />

100


Een aantal processen stimuleren bovendien de vlucht van weinig bemiddelde<br />

huishoudens uit de steden. Meert (2003) omschrijft één van deze processen, met<br />

name de verhitte stedelijke woningmarkt, als volgt. “Wanneer oudere inwoners<br />

van plattelandsgemeenten overlijden komen hun woningen leeg te staan en<br />

worden ze vaak verhuurd of verkocht tegen lage prijzen, gezien de ouderdom<br />

en het comfortniveau van hun woning. Dit woningmarktsegment trekt minder<br />

bemiddelde bevolkingsgroepen aan die vaak op de stedelijke woningmarkten<br />

uitgeprijsd werden. Vaak gaat een verhuis naar deze landelijke gemeenten ook<br />

gepaard met een breuk in het sociaal netwerk van de vorige woonplaats<br />

waardoor het meerijden met vrienden of familie niet voor de hand ligt.”<br />

Daardoor verliezen deze individuen of gezinnen het sociaal netwerk als mogelijk<br />

middel om zich te verplaatsen en gezien hun precaire financiële situatie is het<br />

bezit van een wagen ook niet evident. In dergelijke gevallen moet men<br />

terugvallen op het openbaar vervoer om bepaalde verplaatsingen te kunnen<br />

maken. Want gezinnen zonder wagen bestaan wel degelijk. Tijdens onze<br />

interviews kwamen we verscheidene gezinnen tegen met meerdere wagens,<br />

maar dat mag zeker niet de indruk wekken dat elk gezin over een wagen<br />

beschikt. Ondanks een gemiddeld bezit van 1,17 wagens per huishouden<br />

beschikt toch een vijfde van de huishoudens over geen wagen. Dat men in de<br />

stad meer beroep kan of moet doen uit zich bijvoorbeeld in het aantal gezinnen<br />

dat over een auto beschikt. Vergelijken we bijvoorbeeld dat cijfer met het<br />

Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dan merken we dat 40% van de gezinnen in 2001<br />

niet over een wagen beschikt. (Algemene Directie Statistiek (bewerking<br />

Studiedienst van de Vlaamse Regering))<br />

De sociaal-ruimtelijke woonsituatie bepaalt of men voor basisvoorzieningen<br />

(school, bank, post, supermarkt, speelruimte of ontspanning) kortere of langere<br />

afstanden moet afleggen. Vermits we ons voor deze studie voornamelijk gericht<br />

hebben op niet-stedelijke contexten hebben verscheidene geïnterviewden dit<br />

probleem aangekaart.<br />

“Ja, hier is niet veel hé. Mijn bank enzo ligt ook in Marke. Ik ga dus vrij veel naar<br />

Marke. Maar ik weet nu niet of ik de bus zou pakken als die er zou zijn. Dat is toch<br />

niet gemakkelijk hé, ge moet dan altijd kijken hoe laat het is.”<br />

(Peter 43 jaar Kortrijk)<br />

“Voor de bank, de post en zo moet ik naar Geel. Maar dat doe ik dan als ik in<br />

Geel ben als ik de kinderen heb afgezet aan school.”<br />

(Sabine 36 jaar Geel)<br />

“Hier zonder wagen zitten, dan zijt ge ne duts hé. Ah ja, ge kunt hier niet weg hé.<br />

Enfin, ne bakker en een beenhouwer hebt ge wel. Maar voor de post<br />

bijvoorbeeld moet ge naar Gooik ofzo.”<br />

(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

Dit sociaal-ruimtelijk probleem treft vooral de financieel zwakkere groepen. Deze<br />

groepen vinden we meer terug in stedelijke dan in niet-stedelijke contexten,<br />

maar in een landelijk gebied is de wagenafhankelijkheid dan weer veel groter<br />

101


voor de verplaatsingen. Daardoor zal het gezinsbudget in landelijke gebieden<br />

ook sterker worden beïnvloed door de vervoerskosten.<br />

Op basis van onze interviews kunnen we de sociaal-ruimtelijke problematiek dus<br />

zeker bevestigen. Uit onze interviews is het echter niet helemaal duidelijk of deze<br />

situatie al dan niet verbeterd is na de invoering van de projecten rond<br />

basismobiliteit. Voor sommigen is de situatie ten aanzien van ‘vroeger’<br />

verbeterd…<br />

“Ik weet eigenlijk niet waarom ik het openbaar vervoer niet meer gebruik. Ik ben<br />

daar niet mee opgegroeid. Vroeger had ge hier alleen maar een bus naar Sint-<br />

Pieters en dan had ge altijd een auto nodig. En nu, ja met mijn werk gaat dat ook<br />

al niet. En ik weet ook niet welk aanbod er nu is. Ik weet alleen dat er nu meer<br />

lijnen zijn. Maar ik heb daar geen behoefte aan.”<br />

(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />

“Nu is er we om het uur een bus naar het UZ in Oudenaarde. Vroeger was dat<br />

niet. Eén ’s morgens, ene onder de middag en dan nog ene ’s avonds.”<br />

(Simona 55 jaar Merelbeke)<br />

Voor anderen lijkt de situatie verslechterd.<br />

“Vroeger was hier wel een lijnbus, maar nu is dat een belbus geworden. En de<br />

belbus houdt me wel wat tegen om te doen wat ik vroeger wel zou gedaan<br />

hebben. Ge weet nooit wanneer ge juist gedaan hebt en dan is dat moeilijk met<br />

de belbus hé.”<br />

(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />

“We hebben hier wel een belbus, maar we hebben toch wel minder bussen dan<br />

vroeger zé. Allez, ’t was vroeger ook niet veel, maar toch het waren er toch<br />

meer.”<br />

(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

“We hebben hier wel geen verbinding met de TEC hé. Moesten we dat nu<br />

hebben dan zouden we wel met de bus naar Dottenijs gaan. Da vind ik wel<br />

spijtig. Enfin, we kunnen de TEC pakken zé, maar dan moeten we toch een<br />

kwartiertje te voet gaan. Ik zou anders ook eens naar Doornik gaan. Pas op,<br />

vroeger was er wel een verbinding hé en dan kwamen hier ook regelmatig<br />

Walen naar hier hé. Nu zien we die nie meer.”<br />

(René 66 jaar Kortrijk)<br />

Een aanbod aan openbaar vervoer is in het kader van de ontsluiting van<br />

landelijke gebieden bijzonder belangrijk om het sociaal en persoonlijk<br />

welbevinden van de bewoners te verzekeren. Uit onze interviews met experts<br />

stelden we vast dat op dit punt zeker nog verbeteringen mogelijk zijn. Als<br />

typevoorbeeld van deze problematiek kan de Westhoek naar voor worden<br />

geschoven. Eén van de redenen waarom de mobiliteitsproblematiek in dit<br />

gebied blijft aanhouden, ook na projecten rond basismobiliteit is dat heel wat<br />

102


mensen in deze streek niet in een woonzone wonen. Volgens het decreet<br />

basismobiliteit vallen zij dus buiten het aanbod aan openbaar vervoer.<br />

Naast de mogelijkheid om commerciële en publieke diensten te bezoeken is het<br />

sociale contact dat men kan onderhouden met de samenleving erg belangrijk<br />

voor het sociale welbevinden. Indirect kan een ruim sociaal netwerk een<br />

alternatief bieden voor het gebrek aan eigen verplaatsingmiddelen. De<br />

deelname aan de formele en informele interactiekaders is echter minstens even<br />

belangrijk voor een goede integratie in de samenleving.<br />

“Als we de zaterdag of de zondag wegmoeten dan nemen we de belbus hé.<br />

Want dan zijn er hier echt bijna geen bussen. Dan pakken we de belbus. Maar<br />

da’s ook maar om de twee uur hé. Maar ja, dat is genoeg hé.”<br />

(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

“Ik zen nogal veel weg eigenlijk. Mijn dochter zegt dat ik nooit in mijn kot zen. ’t Is<br />

waar zenne, maar ik doen dat graag. Ge zijt dan onder de mensen.”<br />

(Marian 81 jaar Geel)<br />

“Soms ga ik met mijn dochter naar mijn moeder met de bus. Die woont in<br />

Wuustwezel en dan is dat een uitstapke. Maar zoveel gebeurt dat niet. Maar men<br />

dochter doet dat wel graag. Het is meer een attractie eigenlijk.”<br />

(An 34 jaar Brasschaat)<br />

Deze citaten geven aan dat het aanbod van de Lijn, ondermeer in het kader<br />

van basismobiliteit tegemoet komt aan deze behoefte. Zowel op het vlak van<br />

het persoonlijke als het sociale welbevinden stelden we in onze interviews echter<br />

ook vast dat het voor de geïntevriewden niet altijd mogelijk was om met behulp<br />

van het openbaar vervoer in deze behoeften te voldoen.<br />

“Mijn kleinkinderen zou ik met de bus ook moeilijk kunnen bezoeken. Die wonen in<br />

Kokiane. Ik ga die soms eens halen van school om er op te passen. Allez ja, dat<br />

moet dan met de wagen.“<br />

(Janine 58 jaar Gooik)<br />

“Mijn moeder, die vorig jaar gestorven is, zat in een bejaardentehuis in Kaprijke<br />

dat is ongeveer 35 kilometer van hier. Ik ging daar twee keer per week naar toe.<br />

Dat was natuurlij keen hele verplaatsing en als ik met het openbaar vervoer wou<br />

gaan dan was dat quasi onmogelijk. Dat zou een expeditie zijn van een hele<br />

dag. Omdat de uren van de bussen niet goed overeenkomen, de verbindingen<br />

zijn niet goed,… Ik verplaats me dus de auto.”<br />

(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

Een aantal geïnterviewden verwezen ook naar de gevolgen van het gebrek aan<br />

‘goede’ verbindingen.<br />

“Ik zie nu ook veel minder mensen. Als we naar de markt gingen, ah ja dan zag ik<br />

nog veel mensen hier uit de buurt aan de bushalte en dan deed ik een klapke.<br />

Ge praat altijd tegen iemand hé. Nu zie ik die mensen bijna niet meer. Da’s wel<br />

spijtig.”<br />

103


(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

104


“Moesten we nu in Waasmunster centrum wonen dan denk ik toch dat de<br />

kinderen meer activiteiten zouden doen in hun vrije tijd. Nu gebeurt het toch wel<br />

eens dat we iets niet doen omdat we dan denken, ja het is praktisch niet<br />

haalbaar. Het turnen bijvoorbeeld heeft ze moeten laten vallen. Of als wij geen<br />

tijd hebben, dan kan ze ook niet naar de jeugdbeweging.”<br />

(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

De gebreken die men op dat vlak ondervindt, situeren zich echter nog meer op<br />

het vlak van de beschikbaarheid in de tijd. Dat uit zich het sterkst voor<br />

verplaatsingen naar locaties die worden bezocht in het kader van de<br />

vrijetijdsactiviteiten of meer algemeen voor ‘belangrijke’ verplaatsingen. Voor<br />

deze verplaatsingen ondervinden de geïnterviewde Vlamingen duidelijk<br />

belemmeringen op het vlak van het aanbod aan verbindingen. Sportcentra, de<br />

jeugdbeweging, evenementen, wandelgebieden en vele andere locaties voor<br />

vrijetijdsactiviteiten worden niet per decreet bevoorraad door een aanbod van<br />

openbaar vervoer.<br />

“Ik vind wel dat de verbinding met Metropolis niet goed is. Voor de kinderen is<br />

dat wel ambetant.Ze moeten al eerst naar Ekeren te voet. En dan zijn ze er al<br />

bijna. Dan gaan ze meestal ook maar met de fiets.”<br />

(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

“Aan de atletiekpiste is trouwens geen halte. Dus dat gaat sowieso ook al niet. En<br />

dan nog. Ik zou mijn kinderen daar nu niet laten staan om de bus te nemen. Het is<br />

daar afgelegen en donker.”<br />

(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />

“Ik doe paardrijden, maar dat is in de velden in een klein straatje en daar rijdt<br />

geen bus. Dus dat gaat niet, mijn papa of mama brengt mij dan.”<br />

(Cathy 11 jaar Brasschaat)<br />

Dat geldt uiteraard niet voor alle locaties voor vrijetijdsactiviteiten, integendeel.<br />

Zelfs als deze niet binnen het decreet basismobiliteit vallen, worden ze in de<br />

meeste gevallen wel bediend door een reguliere verbinding van de Lijn. Bij<br />

uitzonderlijke evenementen zoals Rock Werchter, de Gentse Feesten en<br />

dergelijke voorziet de Lijn bovendien in een aangepast en uitgebreid aanbod.<br />

“Wat een grote verbetering is, zijn die uitbreidingen van het aanbod tijdens de<br />

Gentse Feesten en met de Kerstdagen. Ge ziet dat daar veel gebruik van<br />

gemaakt.”<br />

(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

“Zoals de boekenbeurs. De tram 2 stopt aan de boekenbeurs en plaats vindt ge<br />

daar nooit niet. Waarom zou ik daarvoor de auto nemen?”<br />

(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

Het is met andere woorden zeker geen algemeen verschijnsel, maar we stellen<br />

bij de geïnterviewden wel vast dat men voor verplaatsingen voor culturele of<br />

meer algemeen vrijetijdsactiviteiten moeilijk kan gebruik maken van het<br />

105


openbaar vervoer. Dat heeft gedeeltelijk te maken met een gebrekkig aanbod<br />

op het vlak van verbindingen, maar heeft vooral te maken met de tijdstippen<br />

van het aanbod. Als deze verplaatsingen tijdens de daguren gebeuren worden<br />

ze gedeeltelijk wel gedekt door een aanbod van het openbaar vervoer.<br />

Verscheidene verplaatsingen tijdens de dag naar culturele activiteiten blijken<br />

namelijk wel in het aanbod van het openbaar vervoer te passen.<br />

“Voor onze vrije tijd nemen we graag het openbaar vervoer. Om naar Gent of<br />

Antwerpen te gaan. Dan gaat mijn vrouw shoppen en dan doe ik iets anders hé.<br />

Een museum of zo. Allez om een uitstapje te doen.”<br />

(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

“Naar het museum overdag in de stad doe ik wel met de bus. Dat vind ik plezant,<br />

je kan dan goed babbelen op de bus en met mijn dochters naar het museum is<br />

echt tof. “<br />

(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

5.2. De afstand tot een bushalte<br />

Het criterium van halteafstand is in het decreet basismobiliteit opgenomen. In<br />

dat decreet is sprake van een maximale afstand van 500 meter in stedelijk<br />

gebied tot 750 meter in buitengebieden tussen woonst en halte. Tijdens onze<br />

interviews stelden we vast dat deze norm voor de meeste respondenten wel<br />

geldt, maar we stelden ook vast dat de afstand erg relatief is. Jongeren en fysiek<br />

onbelemmerde geïnterviewden vonden de afstand naar de dichtstbijzijnde<br />

halte erg redelijk, zelfs als die buiten de norm van 750 meter viel. Algemeen<br />

moeten we echter vaststellen dat het begrip afstand erg relatief is en het<br />

voornamelijk afhangt van de fysieke mogelijkheden, maar ook van de perceptie<br />

van het het individu of men een afstand al dan niet te groot ervaart.<br />

Voor tal van mensen die nog ‘goed te been’ zijn, is de afstand tot de bushalte<br />

op zich dus geen probleem. Als deze afstand echter te groot is, dan worden<br />

andere verplaatsingsmiddelen ingezet als voor- en natraject.<br />

“Hier wat verder woont een oudere vrouw en die woont zeker drie kilometer van<br />

de eerste bushalte, maar die zie ik altijd met de fiets gaan. Maar die is al oud<br />

hoor. Ik weet niet wat die gaat doen als ze niet meer met de fiets kan gaan”<br />

(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />

Voor anderen speelt de afstand tot de halte wel een rol bij het beoordelen van<br />

de afstand tot de dichtstbijzijnde halte. De afstand van en naar de halte moet<br />

immers gezien worden in het geheel van de verplaatsing.<br />

“Van hier in Belsele naar Antwerpen dat zou ik niet zien zitten. Ik moet eerst een<br />

paar kilometer te voet, dan met de bus vanuit Sint Niklaas en dan de metro naar<br />

het centrum van Antwerpen. Pas op, dat zou allemaal wel gaan hoor, maar die<br />

laatste kilometers te voet als we terug komen, die zijn er dan toch te veel aan.<br />

Zeker als het dan al donker is”.<br />

106


(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />

“Ik kan ook niet zonder auto. Gelijk nu als het koud is en ik moet naar Sint Pieters<br />

Leeuw naar mijn werk, dan begint dat al met een half uur stappen tot aan de<br />

bus en dan moet ik nog een overstap doen tot aan mijn werk. Awel, nu met de<br />

auto ben ik op 20 minuten van mijn werk en met de bus is dat minstens twee uur.”<br />

(Marleen 58 jaar Gooik)<br />

“We hebben een halte hier een kilometer van hier en dat is toch niet dichtbij, hé.<br />

Want ik ben ervan overtuigd dat als de halte dichterbij zou zijn dat we de bus<br />

meer zouden gebruiken. Allez, mijn dochters toch. Die hebben dat nooit echt<br />

willen doen. Het zijn ook meisjes hé en ze moeten hier dan toch langs een vrij<br />

verlaten baan tijdens de avond. Allez, de tweede heeft nog wel de bus<br />

genomen.”<br />

(Agnes 45 jaar Geel)<br />

“Neen, ik neem de bus hier niet. Ik zie dat niet zitten om nog zo ver te stappen,<br />

zeker niet als het regent. Ik neem wel soms de trein naar Antwerpen, maar dan<br />

zet mijn ma mij af aan het station.”<br />

(Lore 18 jaar Geel)<br />

De negatieve gevolgen van een te grote afstand tot een halte uiten zich het<br />

sterkst in een landelijk gebied. Volgende citaten koppelen de problematiek van<br />

de afstand tot een halte en de situatie in een landelijk gebied.<br />

“Ah ja, het is hier al een oudere bevolking en ze moeten dan al van ver komen<br />

om de bus te pakken en ja, ze komen dan niet. Ze gaan dan mee met iemand.<br />

Want ja, hier is eigenlijk niets hé. Geen post, geen bank, ge moet voor alles weg.<br />

Just nen beenhouwer en brood in een klein winkeltje waar ze zo een beetje van<br />

alles hebben.”<br />

(René 66 jaar Kortrijk)<br />

“Omgekeerd ook natuurlijk hé. De mensen geraken hier niet meer hé. In<br />

Bellegem is dat ook zo hé. Ge hebt er die op de plaats wonen en die hebben wel<br />

meer bussen. Maar we kennen wel veel mensen die veel te ver wonen van de<br />

bus. Maar ze hebben daar ook ne belbus hé. Mijn zus in Aalbeke die moet toch<br />

ook meer dan een kwartier stappen tot aan de bus. Ook aan de belbus. Ze moet<br />

daarvoor ook naar de plaats gaan.”<br />

(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

“Ik vind het openbaar vervoer allemaal niet zo gemakkelijk. Allez, niet zo direct<br />

qua uren of zo zenne. Maar stelt, we gaan graag ne keer naar de markt. Dan<br />

moeten we eerst ne kilometer stappen naar de bus. Dan de bus naar Leerbeek,<br />

daar moeten we overstappen op de bus naar Halle. Awel ge zijt een uur weg. Wij<br />

gaan daarom de zaterdag want anders moeten wij hier den donderdag te<br />

vroeg vertrekken en dan zitten we met al de schoolgaande kinderen op de bus.”<br />

(Madelein 74 jaar Gooik)<br />

107


De afstand tot een halte is voor heel wat mensen ongetwijfeld een belemmering<br />

om de bus te nemen, waardoor zij een gebrek aan verplaatsingsmogelijkheden<br />

ondervinden. Dat uit zich in bovenstaande gevallen voornamelijk op het vlak<br />

van persoonlijke vrijheid en het gebrek aan sociale contacten. In het kader van<br />

de projecten rond basismobiliteit en de opgenomen criteria voor de maximale<br />

afstand tot een bushalte kunnen we dan ook stellen dat het zeker een bijdrage<br />

levert tot het persoonlijke en sociaal welbevinden. In dit geval hebben we het<br />

echter in de eerste plaats over bushaltes in woonzones. Andere zones zoals<br />

industrie- en recreatieterreinen vallen niet onder deze criteria. Vandaar dat ook<br />

hier het belang van projecten als netmanagement een belangrijke bijkomstige<br />

bijdrage leveren aan het welbevinden van gebruikers. Voor ingang van deze<br />

projecten bleek immers van de totale oppervlakte bedrijventerreinen (met<br />

inbegrip van nabestemming bedrijventerreinen), voorzien in de gewestplannen<br />

slechts 49,5% binnen een afstand van 500 m over een halte te beschikken. Voor<br />

de overige 50,5% was de loopafstand groter dan 500 meter of ontbrak zelfs elk<br />

aanbod aan openbaar vervoer binnen een redelijke afstand.<br />

5.3. De frequentie en de amplitude van het aanbod<br />

De frequentie en de amplitude van het aanbod zijn de criteria in het decreet die<br />

bepalen hoeveel maal per dag men een bus kan nemen en vooral wanneer dat<br />

kan. Uiteraard zijn dat belangrijke elementen in het kader van het<br />

verplaatsingsgedrag en dus ook voor het welbevinden van gebruikers.<br />

In het decreet wordt duidelijk een onderscheid gemaakt tussen een aanbod<br />

tijdens ‘spitsuren’ en tijdens ‘daluren’. Tijdens spitsuren is het aanbod beduidend<br />

uitgebreider dan tijdens de daluren. In het vorige onderdeel wezen we echter<br />

op een vermijdingsgedrag tijdens deze piekuren omdat de bussen dan te vol<br />

zitten met schoolgaande kinderen. Men verkiest daarom een verplaatsing te<br />

maken buiten de spitsuren, maar men wordt dan wel geconfronteerd met het<br />

beperkte aanbod.<br />

“Gelijk naar de markt in Kortrijk met de bus kan ik niet. Allez ge moet dan de<br />

schoolbus pakken van kwart voor acht. En ge kunt pas om elf een half de bus<br />

terug pakken. Maar ja, ge zijt dan al van acht uur in Kortrijk. G kunt u wel een<br />

beetje bezighouden, maar dat is toch te lang hé. Drie uur op de markt dan kan ik<br />

niet.”<br />

(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

“De bus is ook niet altijd gemakkelijk hé. Als ik naar Bellegem of Rollegem moet,<br />

dan moet ik eerst met de bus naar Kortrijk en vandaar naar Rollegem. Maar dat is<br />

maar om de twee uur en dat is niet interessant.”<br />

(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

Eveneens in het kader van de beschikbaarheid in de tijd wordt het gebrek aan<br />

aanbod als hinderlijk gezien omdat men te lang moet wachten op een dienst<br />

die de persoon terug naar huis brengt. In sommige gevallen is de duurtijd van<br />

108


een bezoek aan een dienst (bvb. bank) gevoelig korter dan de intervaltijd tussen<br />

twee diensten.<br />

“Als ge dan naar de bank in Rollegem gaat hebt ge maar om de twee uren een<br />

bus. Wat zijt ge daar mee als ge juist naar de bank moet. Ge staat daar dan<br />

twee uren te wachten. Juste om naar de bank te gaan. Ge zijt daar op een half<br />

uur buiten en dan staat ge daar een uur en een half te kijken. Ge kunt daar niks<br />

anders doen hé. Dat gaat toch niet hé. Der zit daar ook niemand op. Ah ja ge zijt<br />

meer dan twee uur weg om naar Rollegem te gaan en ’t is hier 5 kilometer van.<br />

Ah ik ben veel rapper met de fiets en zekerst met de auto.”<br />

(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

“Voor boodschappen en zo zou ik nog liever de fiets pakken dan de bus. Met de<br />

bus ben je weer gebonden aan een tijd. Dan moet ge u spoeden en dan<br />

vergeet ge de helft van uw boodschappen. Of ge kunt een uur staan wachten.<br />

Dat is ook niet tof”<br />

(Willy 62 jaar Brasschaat)<br />

“(…). En de belbus is ook niet altijd goed hé. Ze moeten dan naar de bank of zo.<br />

Maar ja, dan zijn ze op 10 minuten buiten en dan staan ze daar. Ge moet dan<br />

ook maar uwen tijd passeren hé. Maar twee uur is lang zenne.”<br />

(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

Uit de interviews blijkt dat moeilijkheden met een beperkt aanbod zich<br />

voornamelijk voordoen tijdens de terugreis en dan in het bijzonder tijdens de<br />

avonduren, op zaterdag en zondag en/of verbinding en vanuit de stad naar de<br />

buitengebieden.<br />

“Ik had altijd een abonnement voor de Koningin Elisabethzaal, maar nu dat mijne<br />

man dood is gaat dat niet meer hé. ’Dat is erg hé. Ik doe dat zo graag<br />

concerten en cultuur. ‘s Avonds gaan we nu toch liever niet graag weg. Allez, ik<br />

ga graag weg, maar dat terugkeren. Dat is het probleem. Dat is lastig hé, met de<br />

fiets en de bus als het donker is. Dat doe ik niet graag. Zo twee dames in het<br />

donker. Daar heb ik schrik van. En nen taxi is direct duur hé.”<br />

(Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />

“Hetzelfde voor Flanders Expo, als ge daar de laatste tram kunt pakken, en soms<br />

moet ik daarvoor voor het einde weg, dan geraakt ge nog in Gent, maar niet<br />

meer in Merelbeke. Ik moet dus rekening houden met de laatste verbinding naar<br />

Merelbeke. En dan is het soms al niet meer de moeite om te gaan hé.”<br />

(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

“Ik reken dikwijls op vrienden om mij ergens op te pikken of mij ergens af te<br />

zetten. Ik zou de belbus niet kunnen gebruiken ook. Ik kan er misschien wel<br />

geraken, maar niet meer terug. Dat is veel keer na 23 uur gedaan en de<br />

vergadering eindigt niet op een vast uur.”<br />

(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />

109


“Wat mij bijvoorbeeld stoort is bij evenementen. Dan is er een groot vuurwerk den<br />

elven en dan kunt ge niet blijven want de laatste bus is den tienen. Ze zouden<br />

dan toch zoals in Gent met de Gentse Feesten op die dagen hun uren mogen<br />

aanpassen hé. Dan zou ik dat gebruiken, want ge kunt dan een pintje drinken en<br />

zo”<br />

(Peter 43 jaar Kortrijk)<br />

“Achter de vijven geraakt ge hier helemaal niet meer weg hé. En in de<br />

vakantiemaanden is het ook niet makkelijk. Dan vallen er nog twee bussen weg<br />

hé.”<br />

(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

Het gebrek aan verbindingen op de vrijetijdsuren heeft een duidelijke invloed op<br />

de mogelijkheden die men heeft om verplaatsingen te doen die we als<br />

‘belangrijk’ hebben bestempeld. Het gaat dan in de eerste plaats om<br />

verplaatsingen in functie van vrijetijdsactiviteiten. Maar ook voor ‘verplichte’<br />

verplaatsingen laat het aanbod de gebruiker soms in de steek.<br />

“Als ik om kwart voor zeven moet beginnen dan heb ik hier geen verbinding en<br />

als ik de late heb, dan heb ik om kwart na negen gedaan en dan kan ik ook niet<br />

met de bus terugkomen.”<br />

(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />

“Wat het ook is, als ze van Lembeek terugkomen dan hebben ze maar twee<br />

kansen om de bus te nemen. Als ze die missen, ja dan zitten ze vast hé. Dan<br />

bellen ze en dan moet ik ze gaan halen. Of mijne zoon die komt da al eens te<br />

voet af. Maar da’s ver hoor”<br />

(Marleen 58 jaar Gooik)<br />

Specifiek voor de belbus hebben we in vorige onderdelen gewezen op het<br />

belang van deze dienst voor de mobiliteit en dus ook het welbevinden van tal<br />

van individuen en bevolkingscategorieën. In tegenstelling tot ‘reguliere’<br />

verbindingen dient men de belbus bij voorbaat te reserveren, en dat zowel voor<br />

het gaan als voor het terugkeren. Vooral het terugkeren bleek voor<br />

verscheidene geïnterviewden erg lastig in te schatten.<br />

“Ik heb de belbus geprobeerd, maar ik heb geen vaste uren en als ge de belbus<br />

reserveert, ja dan zit je vast. En op een gegeven moment heb ik dan besloten om<br />

met de fiets of met de auto te gaan.”<br />

(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

“Vroeger was hier wel een lijnbus, maar nu is dat een belbus geworden. En de<br />

belbus houdt me wel wat tegen om te doen wat ik vroeger wel zou gedaan<br />

hebben. Ge weet nooit wanneer ge juist gedaan hebt en dan is dat moeilijk met<br />

de belbus hé.”<br />

(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />

110


“Wat vreed ambetant is aan de belbus, dat is dat ge een uur moet zeggen hoe<br />

laat ge terug zijt. Allez, der kan al eens van alles gebeuren dat ge te laat zijt of. Al<br />

zeker als ge met de trein van Blankenberge komt, ge moet al overstappen in<br />

Brugge naar Kortrijk, en dan nog een bus moet nemen. Awel ja, als ge die mist…<br />

Wat dan? Ge kunt dan ook moeilijk een uur vroeger zeggen, want als alles wel<br />

juste verloopt dan staat ge daar een uur aan de Kinepolis. Da’s ni plezant hé.”<br />

(René 66 jaar Kortrijk)<br />

De belbus lijkt in dergelijke gevallen enerzijds bij te dragen tot het welbevinden<br />

omdat deze dienst de gebruiker toelaat om zich naar een bestemming te<br />

verplaatsen, maar speelt anderzijds weer in tegen het persoonlijke welbevinden,<br />

omdat men gebonden is aan één enkele verbinding om naar huis terug te<br />

keren. In andere gevallen zoals voor een bezoek aan de dokter is de duurtijd<br />

van het bezoek moeilijk of niet in te schatten en durft men geen afspraak te<br />

maken met de belbus.<br />

“Voor veel is den belbus gemakkelijk ook hé. Ge moet alleen de dag tevoren<br />

bellen en dan gaat da heel goed. Om terug te komen ook, alleen als ge niet<br />

goed weet wanneer ge terug moet zen, dan is dat lastig hé. Gelijk bij de dokter.”<br />

(Marian 81 jaar Geel)<br />

“Stel dat ge naar de dokter moet, ja dan gaat diene belbus daar ook niet staan<br />

wachten hé. En bij de dokter weet ge toch nooit om hoe laat ge daar buiten<br />

komt.”<br />

(Marian 81 jaar Geel)<br />

Het gebrek aan flexibiliteit vormt zeker een belemmering voor de gebruikers van<br />

deze dienst. Dat geldt niet enkel voor de terugreis, maar ook individuen met<br />

onvoorspelbare werktijden kunnen moeilijk gebruik maken van de belbus.<br />

“Als je niet juist weet om welk uur je de volgende dag moet beginnen, dan is de<br />

belbus niet makkelijk. Soms was ik te laat om te kunnen reserveren omdat ik mijn<br />

uurrooster pas laat had.”<br />

(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

Aansluitend bij deze tijdsgebonden aspecten van het aanbod, moeten we ook<br />

aandacht hebben voor de reistijd. Een beperkt aanbod aan openbaar vervoer<br />

heeft niet alleen een invloed op de momenten waarop men zich kan<br />

verplaatsen, maar ook dat de reistijd onredelijk lang dreigt te worden.<br />

“Ik neem ook de bus, maar de verbinding is soms wel erg. Eergisteren had ik om<br />

halfacht gedaan en ik was om negen uur thuis. Met de wagen is dat misschien 20<br />

minuutjes ofzo. Maar als ik mijn verbinding mis dan is het niet evident.”<br />

(Karen 30 jaar Waasmunster)<br />

“Mijne zoon die ging soms zelfs te voet van Leerbeek naar huis. Hij moest dan een<br />

uur wachten op de bus en dan kwam hij bijna vlugger te voet. Maar ja, ze doen<br />

dat een paar keer en dan doen ze dat niet meer. Dan blijven ze liever thuis.”<br />

(Marleen 58 jaar Gooik)<br />

111


5.4. De bruikbaarheid van haltes en voertuigen<br />

Met de fysieke bruikbaarheid van haltes en voertuigen komen vooral<br />

mindervaliden en ouderen als specifieke probleemgroepen in beeld. Het<br />

openbaar vervoer kunnen gebruiken is immers niet louter een kwestie van<br />

afstand tot de halte.<br />

Voor mindervaliden is de toegankelijkheid tot het openbaar vervoer erg beperkt.<br />

Om aan hun behoeften tegemoet te komen, moet de aandacht gaan naar<br />

individueel aangepast vervoer en bijkomende eisen op vlak van de<br />

toegankelijkheid van de infrastructuur van en naar de halte. Het gaat hier om<br />

voldoende brede voetpaden, verlaagde boordstenen van stoepen, rubberen<br />

tegels, hellende vlakken, beveiligde oversteken, enz.<br />

In de leeftijdsfase na 75 jaar worden gebruikers van het openbaar vervoer in<br />

vele gevallen geconfronteerd met toegankelijkheidsproblemen bij het gebruik<br />

van het openbaar vervoer. De individuele vaardigheden nemen af en men<br />

wordt geconfronteerd met fysieke belemmeringen.<br />

“Met mijn moeder, die is 74 jaar, gaat dat dan ook weer niet zo makkelijk met de<br />

tram. Zeker als er veel volk is op de tram naar de stad. Ze is dan niet zo goed te<br />

been en dan geraakt ze daar niet gemakkelijk op of af. Dat moet dan rap rap…<br />

(…)”<br />

(An 34 jaar Brasschaat)<br />

“Ik ging vroeger veel met de bus naar Kortrijk, nu minder want ik ben niet goed te<br />

been. Ik heb pijn in mijne rug en stappen gaat niet zo goed.”<br />

(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

“Voor oudere mensen is het allemaal toch dat ni zé. Dat op- en afstappen, dat<br />

wachten… allez we zien dat nu mijn vrouw iets aan hare rug heeft. We pakken<br />

dan toch niet veel de bus hé. Het zijn die trappen die ambetant zijn. Ze moet dan<br />

opletten dat ze niet valt. Op den trein zijn die trappen nog hoger. Da zou nu niet<br />

gaan hé”<br />

(René 66 jaar Kortrijk)<br />

De toegankelijkheid van het openbaar vervoer voor ouderen is een belangrijk<br />

aspect voor het aanbod aan basismobiliteit. De bevolking wordt namelijk niet<br />

alleen steeds ouder, dankzij de uitstekende gezondheidszorg blijven steeds meer<br />

ouderen tot op hoge leeftijd zeer actief en kan men zeer lang zelfstandig blijven.<br />

Omdat men actief blijft, wil men ook zo lang mogelijk zelfstandig dat leven<br />

kunnen leiden. Verplaatsingen maken daar integraal deel van uit. In de<br />

beschrijving van de verplaatsingspatronen en –behoeften van deze groep<br />

stelden we reeds vast dat het gebruik van de wagen om verschillende redenen<br />

niet evident is. Het openbaar vervoer is voor deze groep veelal het belangrijkste,<br />

zoniet het enige verplaatsingsmiddel om actief aan de samenleving te kunnen<br />

participeren.<br />

112


“Mijn moeder is 80 jaar, maar die is nog goed bij haar verstand, maar haar benen<br />

willen niet mee. Ze neemt nog hier en daar de wagen, maar zolang gaat ze dat<br />

toch niet meer doen. Ze durft ook niet meer. Maar ja, ze geraakt niet meer op de<br />

bus en de chauffeur komt haar niet helpen om op- of af te stappen.”<br />

(Alain, 30 jaar Gooik)<br />

“Waar ik mij wel zorgen om maak is over een paar jaar. Ah ja, ne mens blijft<br />

natuurlijk niet goed hé. Der komt sowieso nen tijd dat stappen en u bewegen<br />

moeilijk wordt. Trouwens Lucien heeft soms last van zijn benen dan heeft hij het<br />

toch ook niet zo gemakkelijk om op en af te stappen.”<br />

(Madelein 74 jaar Gooik)<br />

Wanneer het openbaar vervoer moeilijk toegankelijk wordt voor ouderen, dan<br />

verliezen ze een belangrijke vorm van autonomie en dus ook van persoonlijk<br />

welbevinden. Bovendien zal men het gebruik van het openbaar vervoer ook<br />

meer gaan vermijden.<br />

“Mijn moeder heeft wel last om de tram te nemen. Met mij erbij lukt dat nog,<br />

maar alleen? Ze geraakt er moeilijk op en als ze eraf wil dan moet ze al goed bij<br />

voorbaat aan de uitgang gaan staan. Maar als hij dan stopt dan verliest ze haar<br />

evenwicht. Of als ze tijdens de rit moet rechtstaan dan moet ik ze tegenhouden.<br />

Alleen zou ze dus zeker niet de bus pakken. Ze weet ook niet goed hoe dat werkt.<br />

En als ze op de bus of de tram zit, dan zit ze precies in dromenland, dan let ze niet<br />

op.”<br />

(An 34 jaar Brasschaat)<br />

Naast het comfort op de bus wordt ook het comfort van een bushokje door tal<br />

van respondenten naar voor geschoven als een erg belangrijk aspect van het<br />

openbaar vervoer.<br />

“Richting Antwerpen staat er geen buskotje. Aan den andere kant wel. Wa<br />

maakt, als het regent gaat iedereen onder dat buskotje staan en als de bus<br />

afkomt, ge ziet die wel afkomen, dan steekt iedereen rap over hé”.<br />

(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“Die wachttijden zijn ook slecht voor de gezondheid van mijn schoonmoeder. Bij<br />

haar is geen bushoekje en in de winter en in de wind dan moet ze daar in de kou<br />

staan wachten. Ze heeft zo vorig jaar een bronchitis opgelopen. En voor een<br />

mens van 75 jaar is dat niet goed.”<br />

(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

“Vooral dat wachten is verschrikkelijk. Als je daar een half uur moet wachten in<br />

de regen. Als oudere mens is dat niet goed allemaal hé.”<br />

(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

De toegankelijkheid van het openbaar vervoer laat zich op verschillende<br />

niveaus voelen. Naast de instapmogelijkheden, gaat het ook om de zitplaatsen,<br />

de wachttijden en de beschutting tijdens dezelfde wachttijden.<br />

113


De toegankelijkheid van het collectief georganiseerde openbaar vervoer lijkt erg<br />

moeilijk voor gebruikers die door hun fysieke en mentale gesteldheid bijzondere<br />

zorgen behoeven. In dergelijke gevallen lijkt individueel aangepast vervoer of<br />

begeleiding quasi de enige mogelijkheid om ook voor deze personen een<br />

minimaal recht aan mobiliteit aan te bieden.<br />

“Maar het openbaar vervoer is natuurlijk niet voor iedereen zo makkelijk hé. Ik<br />

ben vrijwilliger op het OCMW en voor Caritas één of twee keer in de maand ga ik<br />

met die oudere mensen naar de stad. Dan gaan we daar iets drinken en een<br />

beetje wandelen. Alleen kunnen die mensen dat niet meer hé”.<br />

(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

Op een veel lager niveau kan het welbevinden van gebruikers worden<br />

verhoogd door oog te hebben voor toegankelijkheidsproblemen van<br />

bijvoorbeeld ouders met kleine kinderen en hun kinderwagens.<br />

5.5. Conclusies deel 5<br />

In dit hoofdstuk hebben we de concrete criteria voor het aanbod aan<br />

openbaar vervoer in het kader van basismobiliteit afgewogen tegenover de<br />

noden en de behoeften van de gebruikers. In de voorgaande onderdelen<br />

konden we reeds vaststellen dat het welbevinden bij het gebruik van het<br />

openbaar vervoer sterk verschilt tussen verschillende leeftijdsgroepen en dat de<br />

eisen die men stelt bij een keuze voor het openbaar vervoer sterk gekleurd<br />

worden door een aantal individuele afwegingen. Vanuit dit perspectief stellen<br />

we vast dat de criteria voor het aanbod in het kader van basismobiliteit over het<br />

algemeen tegemoet komen aan de noden en de behoeften van de gebruikers.<br />

Dat betekent echter niet dat het aanbod of de invulling van de criteria waaraan<br />

het aanbod moet voldoen, ook volstaat in meer concrete gevallen en situaties.<br />

We stellen bijvoorbeeld vast dat het aanbod beperkt is voor verplaatsingen die<br />

buiten de week- en daguren vallen, dat het gebrek aan beschutting tijdens het<br />

wachten zowel een toegankelijkheids- als een gezondheidsproblematiek is en<br />

dat de rigiditeit van de belbus belemmerend werkt, vooral bij de terugreis.<br />

De ontegensprekelijke bijdrage van het aanbod aan basismobiliteit voor het<br />

welbevinden van de gebruikers kan met andere woorden op verschillende<br />

punten worden verbeterd.<br />

Een mobiliteitsbeleid moet echter niet alleen oog hebben voor huidige noden<br />

en behoeften. Voor een toekomstig beleid is het vooral belangrijk om oog te<br />

hebben voor een aantal maatschappelijke en demografische evoluties.<br />

Zo mag bijvoorbeeld op basis van de demografische ontwikkeling verwacht<br />

worden dat het aantal kwetsbare groepen in de samenleving verder zal<br />

toenemen. Het aandeel van 60+-ers zal bijvoorbeeld in 2015 met 4% gestegen<br />

zijn tegenover 2004. Het aandeel 80+ stijgt in dezelfde periode met 2%. Mochten<br />

deze percentages op zich weinig indruk maken, dan maken de absolute cijfers<br />

114


van deze evolutie de vergrijzing en de druk op de mobiliteitsproblematiek<br />

meteen duidelijk. Tegen 2015 zullen zich ongeveer 250.000 60 plussers meer willen<br />

verplaatsen dan in 2004. Ongeveer 100.000 onder hen zullen dan een leeftijd<br />

bereikt hebben van 80 jaar of meer en zullen dan mogelijk geconfronteerd<br />

worden met functionele beperkingen en dus bijkomende vereisten op het vlak<br />

van de toegankelijkheid. Maar het gaat uiteraard niet alleen om de<br />

hoogbejaarden in onze samenleving. Ook andere bevolkingsgroepen met<br />

functiebeperkingen (bijvoorbeeld (elektrische) rolstoelpatiënten) of ouders met<br />

kinderen en kinderwagens ondervinden hinder bij het gebruik van het openbaar<br />

vervoer.<br />

Ondanks de projecten rond basismobiliteit stellen we tevens vast dat buiten- of<br />

landelijke gebieden nog steeds problemen ondervinden bij hun verplaatsingen<br />

met het openbaar vervoer. Het beperkte aanbod, lange wachttijden, de<br />

afstand tot de halte, gepaard met een toenemende nood aan verplaatsingen<br />

voor commerciële en publieke diensten is nog steeds zeer actueel.<br />

115


6. Conclusies<br />

Wie wenst deel te nemen aan maatschappelijke activiteiten moet zich daarvoor<br />

in de meeste gevallen ook fysiek verplaatsen. Voor de modale Vlaming is dat<br />

een evidentie, maar niet voor iedere Vlaming is dat het geval. Voor<br />

verscheidene individuen en groepen zijn immers niet alle vervoersmiddelen<br />

toegankelijk en is het zich kunnen verplaatsen dus ook geen evidentie. Dat leidt<br />

ertoe dat ook de deelname aan maatschappelijke activiteiten voor hen niet zo<br />

voor de hand ligt en dat men dreigt af te rekenen met sociale isolatie. Voor<br />

burgers in dergelijke situatie spreken we van vervoersarmoede. (Meert, 2003)<br />

In een notedop was deze problematiek de politieke motivatie om in 2001 via<br />

decreet elke burger in <strong>Vlaanderen</strong> het recht op basismobiliteit toe te wijzen. Dat<br />

recht zou, volgens het decreet en de projectmatige uitvoering ervan iedere<br />

inwoner van een woonzone op een redelijke afstand van de woning een<br />

minimaal aanbod aan openbaar vervoer moeten aanbieden. Goed 5 jaar later<br />

en na de afronding van alle projecten rond basismobiliteit wordt ons de vraag<br />

gesteld om de sociale baten van deze projecten in kaart te brengen. We gingen<br />

deze interessante uitdaging aan en opteerden ervoor om ons hierbij te richten<br />

op het welbevinden van gebruikers van het openbaar vervoer in het algemeen<br />

en van het aanbod van De Lijn in het kader van basismobiliteit. Door deze<br />

invalshoek te hanteren, laten we alle mogelijk baten op macro-niveau buiten<br />

beschouwing. Het lijkt ons immers evident dat een toename van het gebruik van<br />

het openbaar vervoer een collectief effect genereert op maatschappelijke<br />

problematieken als verkeerscongestie, milieu, leefomgeving en dergelijke. Wat<br />

we op basis van deze studie niet hebben kunnen nagaan, is of het bezoek van<br />

openbare en commerciёle diensten zoals het bezoek aan ziekenhuizen,<br />

bibliotheken, gemeentehuizen, banken en dergelijke al dan niet is toegenomen<br />

door de invoering van de projecten rond basismobiliteit. Hierover zijn geen<br />

gegevens beschikbaar en om hierover uitspraken te doen is nood aan een<br />

kwantitatief onderzoek. Zodoende blijven ook de effecten of de sociale baten<br />

baten van basismobiliteit op het meso-niveau in deze studie buiten beeld.<br />

Door ons te richten op het welbevinden van gebruikers van het openbaar<br />

vervoer nemen we de kern van het decreet basismobiliteit onder de loep. In het<br />

decreet wordt immers elk individu het recht toegewezen op een minimaal<br />

aanbod aan openbaar vervoer. Het is dan ook dat individu waar onze interesse<br />

naar uit gaat. We willen concreet achterhalen welke bijdrage het aanbod van<br />

openbaar vervoer kan bieden aan het welbevinden van een gebruiker. We<br />

maken daarbij een onderscheid tussen het persoonlijke welbevinden of het<br />

gevoel van vrijheid, autonomie en onafhankelijkheid, het sociaal welbevinden of<br />

het gevoel deel uit te maken van de samenleving en het economisch<br />

welbevinden of de tevredenheid met de financiële situatie.<br />

Om van ‘de bevolking’ af te dalen naar het niveau van het individu zijn we in<br />

eerste instantie nagegaan wat de verplaatsingsbehoeften en -gedrag zijn van<br />

verschillende leeftijdsgroepen. Reduceren we het aantal verplaatsingsmotieven<br />

tot ‘verplichte’ (werk en onderwijs), ‘noodzakelijke’ (diensten en participatie) en<br />

116


‘belangrijke’ (vrije tijd) verplaatsingen dan stellen we niet alleen vast dat deze<br />

motieven doorheen de leeftijdsgroepen sterk variëren, maar dat dit ook geldt<br />

voor de voorkeuren voor bepaalde verplaatsingsmiddelen om deze<br />

verplaatsingen te maken. We onderscheiden op basis van de leeftijdsfasen<br />

enkele belangrijke scharniermomenten die belangrijk zijn voor het gebruik van<br />

het openbaar vervoer en dus ook voor het welbevinden dat dit genereert. Een<br />

eerste belangrijke leeftijd is 12 jaar. Met de overgang van het basisonderwijs<br />

naar het secundaire school vergroot de afstand naar de onderwijsinstelling en<br />

komt het openbaar vervoer uitdrukkelijk in beeld. Voor deze jongeren biedt het<br />

openbaar vervoer een grote bijdrage aan het welbevinden. Ondanks deze<br />

dagelijkse ‘verplichte’ verplaatsing leert men het openbaar vervoer kennen en<br />

kan men de behoefte aan vrijheid, autonomie en onafhankelijkheid verder<br />

ontwikkelen. De tweede belangrijke leeftijd is deze van de wettelijke<br />

volwassenheid. Vanaf de leeftijd van 18 jaar kan men een rijbewijs halen en kan<br />

men een wagen besturen en daar maakt men ook gretig gebruik van. Het<br />

openbaar vervoer dat jarenlang bijzonder belangrijk was om zich vrij te kunnen<br />

verplaatsen, wordt plotseling het prototype van onvrijheid. Dat gevoel zwengelt<br />

verder aan tijdens de levensfase die we als de drukke leeftijd omschrijven. Voor<br />

de werkende koppels, met kinderen en een actief vrijetijdspatroon is het gebruik<br />

van het openbaar vervoer nu niet meer alleen een verplaatsingsmiddel dat<br />

weinig vrijheid schenkt, maar het is bovendien tijdsverlies. Levend onder een<br />

voortdurende tijdsdruk is de reis- en wachttijd quasi het enige argument om het<br />

openbaar vervoer niet te gebruiken. Dat geldt dan weer niet voor momenten<br />

waarop men wil onthaasten en zich ontspannen. Het openbaar vervoer krijgt<br />

dan het status van een vervoersmiddel dat wordt ingezet om zich van de<br />

dagelijkse (verkeers)stress te ontlasten. Dat gedrag zet zich stelselmatig voort na<br />

de pensioenleeftijd en vanaf de leeftijd van 65 jaar en het ‘gratis-beleid’ voor<br />

deze leeftijdsgroep, wordt daar ook veelvuldig van gebruik gemaakt. Het<br />

openbaar vervoer levert dan opnieuw een zeer belangrijke bijdrage aan het<br />

welbevinden van de gebruikers. Doorheen de verschillende leeftijdsfasen neemt<br />

de bijdrage van het openbaar vervoer aan het persoonlijke, sociale en<br />

economische welbevinden eerst toe, dan weer af en dan weer toe. In de laatste<br />

levensfase wordt het openbaar vervoer quasi het enige vervoersmiddel waarop<br />

men zich kan beroepen, zonder afhankelijk te zijn van derden.<br />

In onderstaande tabel trachten we bovenstaande bevindingen samen te vatten<br />

en geven we voor verschillende leeftijdsgroepen een overzicht van het<br />

welbevinden of het sociaal effect dat het openbaar vervoer voor hen<br />

genereert.<br />

- 18 jaar 18 - 45 jaar 45 - 65 jaar + 65 jaar<br />

Verplichte verplaatsingen ++ +/- +/-<br />

Noodzakelijke verplaatsingen + - +/- ++<br />

Belangrijke verplaatsingen +/- -- +/- +<br />

117


De behoefte- en verplaatsingspatronen en de keuze voor het openbaar vervoer<br />

wordt verder ingekleurd op basis van een aantal criteria die voor een belangrijk<br />

gedeelte persoonlijk getint zijn. Net als voor het verplaatsingsgedrag van de<br />

verschillende leeftijdsgroepen gaan we daarbij uit van de ‘modale burger’. We<br />

gaan uit van een burger die voor zijn verplaatsingen de keuze heeft over alle<br />

mogelijke vervoersmiddelen ongeacht de kostprijs. Het enige wat de keuze voor<br />

een bepaald vervoersmiddel voor een bepaalde verplaatsing is tijd en<br />

persoonlijke motivatie. Zoals altijd het geval is met statistieken, verhult de modale<br />

burger de individuele kenmerken die ertoe leiden dat de eerdere vaststellingen<br />

sterk moeten gerelativeerd worden. Het is namelijk niet omdat burgers die zich in<br />

de drukke leeftijd bevinden slechts in zeer beperkte mate kiezen voor het<br />

openbaar vervoer, dat het voor sommigen in deze leeftijdsgroep niet een<br />

belangrijk zoniet het belangrijkste vervoersmiddel is om zich te verplaatsen.<br />

Grote meerderheden hebben door middel van cijfers en statistieken nogal de<br />

neiging om kleine minderheden in de samenleving onzichtbaar te maken.<br />

Uiteraard belichten we doorheen deze studie ook hun noden en behoeften op<br />

het vlak van verplaatsingen. In het kader van onze studie naar het welbevinden<br />

van gebruikers van het aanbod van basismobiliteit leek het ons echter<br />

aangewezen om ons in de eerste plaats te richten op de modale burger. Het<br />

spreekt immers voor zich dat een aanbod aan basismobiliteit aan individuen of<br />

groepen die zich anders niet kunnen verplaatsen een zeer positieve invloed<br />

heeft op hun welbevinden. Wanneer een individu of een gezin de keuze voor<br />

een verplaatsingsmiddel bijvoorbeeld laat afhangen van de kostprijs dan hoeft<br />

dat echter niet onmiddellijk het gevolg zijn van de precaire financiële situatie<br />

van dat individu of gezin. Het zijn deze eerder individuele invullingen van noden<br />

en behoeften ten aanzien van het openbaar vervoer die ons meer leren over de<br />

omstandigheden waarin het openbaar vervoer optimaal inspeelt op het<br />

welbevinden. We kunnen daaruit afleiden dat het openbaar vervoer gratis of<br />

goedkoop moet zijn, sneller moet gaan dan een verplaatsing met de wagen,<br />

moet aankomen en vertrekken wanneer de gebruiker dat wenst, een zitje moet<br />

bieden aan iedereen en rechtstreeks van A naar B moet rijden. Indien dat<br />

allemaal in veilige omstandigheden kan verlopen en als het weer nog wat mee<br />

zit, dan is het openbaar vervoer het ideale verplaatsingsmiddel. Uiteraard is dat<br />

een zeer ideaaltypisch en utopisch beeld van collectief georganiseerd vervoer<br />

en lijken deze eisen eerder voorbestmd voor een taxidienst dan voor het<br />

openbaar vervoer. En toch gaven tal van geïnterviewden aan dat het<br />

ideaaltype bijna mogelijk is en zelfs bestaat. Met name de kusttram en het<br />

openbaar vervoer van grote openbare parkings naar het centrum van de stad<br />

komen voor tal van geїnterviewden zeer dicht in de buurt van dat ideaaltype.<br />

Het spreekt voor zich dat het aanbod aan openbaar vervoer in het kader van<br />

basismobiliteit niet aan deze utopische wensen voldoet. Dat hoeft ook niet op<br />

grond van de decretale criteria en dat hoeft ook niet voor de gebruiker zelf. Dat<br />

betekent echter niet dat het bestaande aanbod voldoet aan alle noden en<br />

behoeften van alle burgers. Wat de verbindingen, de haltes en de<br />

dienstregeling betreft springen twee verbeterpunten sterk in het oog. We stellen<br />

namelijk vast dat vooral voor verplaatsingen die we als ‘belangrijk’ hebben<br />

omschreven of concreet verplaatsingen naar locatie in het kader van de vrije<br />

118


tijd erg moeizaam verlopen door middel van het openbaar vervoer. Dat heeft<br />

een rechtstreekse invloed op de mogelijkheden om deel te nemen aan<br />

culturele, sociale en sportieve activiteiten en heeft dus zijn weerslag op het<br />

welbevinden van de gebruiker. Ten dele hangt deze belemmering samen met<br />

de geografische context. De reeds veelvuldig onderzochte en beschreven<br />

mobiliteitsproblematiek in rurale gebieden kunnen we op basis van onze<br />

interviews met bewoners van deze gebieden enkel bevestigen. Zij moeten zich<br />

steeds verder verplaatsen om aan hun behoeften te voldoen en zij beschikken<br />

daarvoor over een zeer beperkt aanbod aan openbaar vervoer.<br />

Op uitzondering van deze specifieke situaties, kunnen we echter besluiten dat<br />

het reguliere aanbod van het openbaar vervoer en het bijzondere aanbod in<br />

het kader van basismobiliteit in algemene termen tegemoet komt aan de<br />

‘verplichte’ verplaatsingen naar het werk en de onderwijsinstelling en ook de<br />

‘noodzakelijke’ verplaatsingen naar commerciële en publieke diensten de<br />

noden en de behoeften van de ‘modale’ burger dekt. Dat geldt in mindere<br />

mate voor ‘belangrijke’ verplaatsingen in het kader van de vrije tijd of de<br />

participatie in het verenigingsleven, voornamelijk omdat ze niet worden bediend<br />

of omdat de dienstregeling te vroeg eindigt.<br />

De vraag die we ons daarbij kunnen stellen, is of deze beschrijving tegemoet<br />

komt aan de motieven van het decreet of dat juist de specifieke situaties waarin<br />

sprake is van vervoersarmoede de aandacht verdienen.<br />

119


Bibliografie<br />

Brouwer, W. H. (2000), Bejaarden in het verkeer. Verkeerssociologie en –<br />

psychologie, T.U. Delft.<br />

Brundtland, G.H. e.a. (1987), Our Common future, The World Commission on<br />

Environment and Development, Oxford Univerity Press, Oxford.<br />

CROW (2000), Nationaal kenniscentrum voor verkeer, vervoer en infrastructuur,<br />

Handboek ontwerpen voor kinderen, aanbevelingen voor een kindvriendelijke<br />

inrichting van de verblijfs- en verkeersruimte.<br />

De Lijn (2004), Spartacusplan. Concept Regionet Limburg. De Lijn Limburg.<br />

De Lijn (2006), Jaarverslag 2005. 15 jaar mobiliteit, De Lijn – Vlaamse<br />

Vervoersmaatschappij.<br />

DE WAKKERE BURGER i.s.m. VIBOSO (2001), Vervoersarmoede en basismobiliteit.<br />

Ter-Zake Cahier, november.<br />

Dupuis, S.L. & B.J. Smale (1995), An examination of the relationship between<br />

psycho-logical well-being and depression and leisure activity participation<br />

among older adults, Society and Leisure, 18 (1): 67-92.<br />

Durant, T.J.J. & C. Ollie (1990), Socio-economic predictors of alienation among<br />

elderly, International Journal of Aging and Human Development, 31 (3): 205-217.<br />

Elchardus, M., L. Huyse & M. Hooghe (2001), Het maatschappelijk middenveld in<br />

<strong>Vlaanderen</strong>. Een onderzoek naar de sociale constructie van democratisch<br />

burgerschap, Brussel, VUBPress.<br />

Elchardus, M. & W. Smits (2002), Anatomie en oorzaken van het wantrouwen.<br />

Brussel: VUBPress.<br />

Elchardus, M. & K. Pelleriaux (2003), Culturele en politieke gevolgen van de<br />

nieuwe sociale kwesties, pp. 63-96, in: Cantillon, B., Elchardus, M., Pestiau, P. & P.<br />

Van Parijs e.a. (red.) De nieuwe sociale kwesties. Antwerpen/Apeldoorn: Garant.<br />

Elchardus, M. & W. Smits (2003), Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos.<br />

Onveiligheidsgevoelens in <strong>Vlaanderen</strong>. 1998 – 2002, pp. 99-136, in: <strong>Vlaanderen</strong><br />

gepeild!, Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap/Administratie<br />

Planning en Statistiek.<br />

Elchardus, M. & S. De Groof (2005), Het maatschappelijk onbehagen van<br />

Vlaamse 75-jarigen, Tijdschrift voor Sociologie, XXX: pp. 209-239.<br />

120


Friedan, B. (1963), The Feminine Mystique, New York, W.W. Norton & Co.<br />

Herzog, A.R., Franks, M.M., Markus, H.D. & D. Holmberg (1998), Activities and wellbeing<br />

in older ages: Effects of self-concept and educational attainment,<br />

Psychology and Aging (13 (2): 179-185.<br />

Glorieux, I. (1995), Arbeid als zingever, Brussel: VUBPress.<br />

Kim, J.E. & P. Moen (2001), Moving into retirement: Preparation and transitions in<br />

late midlife, pp. 487-527, in: M.E. Lachman (ed.), Handbook of Midlife<br />

Development. New York: John Wiley & Sons.<br />

Lekky, J.R. (1993), Activity and aging. Staying involved in later life. Newbury Park,<br />

California; Sage.<br />

Meert, H. (2003), Maken we vooruitgang in de bestrijding van vervoersarmoede<br />

in <strong>Vlaanderen</strong>?, tekst voorgesteld op het Voortgangscongres (2 juni 2003),<br />

Hasselt.<br />

Meert H., M. Bourgeois, K. Van Hoof en T. Asperges (2003), Immobiel op het<br />

Vlaamse platteland. Omtrent rurale vervoersarmoede in <strong>Vlaanderen</strong>. Brussel:<br />

Koning Boudewijnstichting.<br />

Mirowsky, J. (1995), Age and the sense of control, Social Psychology Quaterly, 58<br />

(1): 31-43.<br />

Mobiliteitscel (2001), Mobiliteitsplan <strong>Vlaanderen</strong>. Naar een duurzame mobiliteit in<br />

<strong>Vlaanderen</strong>, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu<br />

en Infrastructuur.<br />

Mobiliteitscel (2003), Mobiliteitsplan <strong>Vlaanderen</strong>. Beleidsvoornemens, versie<br />

oktober 2003.<br />

Moens, M. (2004), Handelen onder druk. Tijd en tijdsdruk in <strong>Vlaanderen</strong>, Tijdschrift<br />

voor Sociologie 25 (4): 383 - 416.<br />

OECD (1996), “Towards Sustainable Transportation”, - The Vancouver Principles<br />

for Sustainable Transport, OECD Vancouver Conference.<br />

OECD (2001), Ageing and transport. Mobility Needs and Safety Issues,<br />

Organization for Economic Co-operation and Development, Paris, OECD-<br />

Publications.<br />

Ping-Kwong, K. (2003), Powerlessness of older people in Hong Kong: A political<br />

economy analysis, Journal of Aging and Social Policy, 15 (4): 81-111.<br />

121


Putnam, R. (2000), Bowling Alone. New York: Simon & Schuster.<br />

Schlieman, S. (2001), Age, education, and the sense of control, Research on<br />

Aging 23(2): 153-178.<br />

SERV (2000), Advies over het voorontwerp van decreet betreffende de<br />

organisatie van het bezoldigd personenvervoer over de weg (19/01/2000),<br />

Brussel. (http://www.serv.be/publicaties/146.pdf)<br />

Smit, J. (1967), Het onbehagen bij de vrouw, De Gids, 130 ( 9/10): pp. 267-281<br />

Steels, A. (2001), Het decreet basismobiliteit doorgelicht, in: Cahier (november<br />

2001), Terzake: Vervoersarmoede en basimobiliteit.<br />

Stevaert, S. (1999), Beleidsnota 1999-2004: Mobiliteit en Openbare Werken,<br />

Vlaams Minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie, Vlaamse Regering.<br />

(http://jsp.vlaamsparlement.be/docs/stukken/1999-2000/g164-1.pdf)<br />

Van Brempt, K. (2004), Beleidsnota 2004-2009: Mobiliteit, Vlaams Minister van<br />

Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen, Vlaamse Regering.<br />

(http://publicaties.vlaanderen.be/docfolder/24/Beleidsnota_mobiliteit_2004_200<br />

9.pdf)<br />

Vanneste, D. (2001), Vrouwelijke bewoners van de stad en hun woonsituatie,<br />

aanzet tot debat met betrekking tot publiek stedelijk ruimtegebruik, Oikos 17,<br />

p.49.<br />

van Schagen, I. (2000), Psychologische ontwikkelingen en kennis in relatie tot<br />

verkeersongevallen, , Verkeerssociologie en – psychologie, T.U. Delft, Faculteit<br />

Civiele Techniek en Geowetenschappen.<br />

Verté, D. & I. Ponjaert-Kristoffersen (2001), Depressieve syndromen bij ouderen,<br />

Antenne: 49-52.<br />

Vlaamse regering (1999), Een nieuw project voor <strong>Vlaanderen</strong>, Regeerakkoord<br />

voor de legislatuur 1999 – 2004 van de Vlaamse Regering.<br />

(http://www2.vlaanderen.be/ned/sites/regeerakkoord/1999_2004/regeerakkoor<br />

d.pdf)<br />

Vlaamse Regering (2004), Vertrouwen geven, verantwoordelijkheid nemen,<br />

Regeerakkoord voor de legislatuur 2004 – 2009 van de Vlaamse Regering.<br />

(http://www2.vlaanderen.be/ned/sites/regeerakkoord/vlaamsregeerakkoord200<br />

4.pdf)<br />

Vogel, J. (2002), Ageing and living conditions of the elderly: Sweden 1980-1988,<br />

Social Indicators, 59: 1-34.<br />

122


Warner, B.D. & P.W. Rountree (1997), Local social ties in a community and crime<br />

model: Questioning the systemic nature of informal social control, Social<br />

Problems 44 (4): 520-536.<br />

123


BIJLAGE 1: Kwalitatief onderzoek in <strong>Vlaanderen</strong><br />

1. Opzet kwalitatief onderzoek<br />

Om een beeld te krijgen van de wijze waarop het openbaar vervoer in het<br />

algemeen en het aanbod in functie van basismobiliteit in het bijzonder een<br />

plaats krijgt in het verplaatsingsgedrag van de Vlaming, werden een 40-tal<br />

mensen bij hen thuis bezocht. Tijdens ons bezoek hebben we de respondenten<br />

vragen gesteld over hun verplaatsingspatroon, hun mobiliteitsbehoeften en de<br />

gebruikte vervoersmiddelen voor deze verschillende verplaatsingen.<br />

De respondenten werden niet op louter toevallige wijze gekozen. In functie van<br />

het onderzoekskader werden in eerste instantie een aantal gebieden<br />

geselecteerd. In samenwerking met De Lijn werden 4 gebieden geselecteerd<br />

waar in de afgelopen jaren basismobiliteit werd ingevoerd. De selectie van de<br />

gebieden gebeurde op basis van volgende criteria:<br />

- Positie op de prioriteitenlijst<br />

- Geografische ligging<br />

De positie op de prioriteitenlijst is een belangrijk gegeven aangezien we kunnen<br />

veronderstellen dat gebieden die het minst gedekt zijn door de Lijn de meeste<br />

behoefte hadden aan basismobiliteit. De geografische ligging is belangrijk<br />

omdat we een invloed verwachten van de graad van verstedelijking op de<br />

behoefte aan basismobiliteit. Omdat uit de literatuurstudie bleek dat zich grote<br />

verschillen vertonen op het vlak van mobiliteit tussen verschillende doelgroepen<br />

werden voor elk van de gebieden volgende groepen onderscheiden:<br />

- Schoolgaande jongeren<br />

o 6 tot 12 jaar<br />

o 12 tot 18 jaar<br />

- Volwassenen<br />

o Tewerkgesteld<br />

o Niet tewerkgesteld<br />

- Ouderen<br />

o Gepensioneerden (55 tot 65 jaar)<br />

o Gepensioneerden (65 jaar en ouder)<br />

Op basis van deze criteria werden Kortrijk en Waasmunster gekozen als<br />

gebieden waar de normen van basismobiliteit pas recentelijk werden omgezet<br />

in een aanbod van de Lijn en de gebieden Gooik en Geel waar het aanbod<br />

van de Lijn in functie van basismobiliteit al enkele jaren geleden werd ingevoerd.<br />

Daarnaast wilden we ook een gesprek voeren met Vlamingen die in een gebied<br />

wonen waar nauwelijks een aanbod is van openbaar vervoer, en waar ook<br />

geen basismobiliteit werd ingevoerd. Bewoners van zones waar geen<br />

basismobiliteit voorzien is, zijn echter schaars. Volgens de laatste gegevens wordt<br />

124


meer dan 90% van het Vlaamse grondgebied door de Lijn gedekt. Binnen de<br />

resterende 10% bevinden zich bovendien niet echt dichtbevolkte woonzones.<br />

In samenwerking met de Lijn waren deze gebieden wel gemakkelijk te<br />

detecteren. Omdat de keuze beperkt was, werden 2 gebieden geselecteerd op<br />

grond van hun geografische ligging, in casu de verstedelijkingsgraad. Op basis<br />

van deze criteria werden Brasschaat en Merelbeke geselecteerd voor de<br />

gesprekken met inwoners. Ook in deze gebieden werden de verschillende<br />

doelgroepen weerhouden en werden gesprekken gehouden met:<br />

- Schoolgaande jongeren<br />

o 6 tot 12 jaar<br />

o 12 tot 18 jaar<br />

- Volwassenen<br />

o Tewerkgesteld<br />

o Niet tewerkgesteld<br />

- Ouderen<br />

o Gepensioneerden (55 tot 65 jaar)<br />

o Gepensioneerden (65 jaar en ouder)<br />

De respondenten werden op basis van bovenstaande criteria gerekruteerd<br />

volgens volgend schema:<br />

Tewerkgestelde<br />

Niettewerkgestelde<br />

(55 jaar en jonger)<br />

Gepensioneerde<br />

(55 tot 65 jaar)<br />

Gepensioneerde<br />

(65 jaar en ouder)<br />

Jongeren<br />

(6 tot 12 jaar)<br />

Zones zonder BM<br />

Brasschaat<br />

Merelbeke<br />

1<br />

1<br />

1<br />

1<br />

1<br />

1<br />

1<br />

1<br />

1<br />

1<br />

1<br />

1<br />

Zones met BM Kortrijk 1 1 1 1 1 1<br />

(lage prioriteit) Waasmunster 1 1 1 1 1 1<br />

Zones met BM Gooik 1 1 1 1 1 1<br />

(hoge prioriteit) Geel 1 1 1 1 1 1<br />

Jongeren<br />

(12 tot 18 jaar)<br />

Voor de gebieden Brasschaat en Merelbeke (dus zonder basismobiliteit) werd bij<br />

de rekrutering de bijkomende voorwaarde gesteld dat de gecontacteerde<br />

inwoners wel degelijk in een gebied wonen waar geen aanbod van de Lijn<br />

(binnen de normen van basismobiliteit) aanwezig is. De Lijn leverde ons daarvoor<br />

een lijst met straten die niet door de Lijn werden bediend. Alle geïnterviewde<br />

respondenten moesten bijgevolg woonachtig zijn in één van de volgende<br />

straten:<br />

125


Merelbeke:<br />

• Rietweg, Geraardsbergse voetweg, Roskamstraat (kruispunt),<br />

Lembergsesteenweg (aan Jezuïetenwegel), Leonce Volckaertsdreef,<br />

Motsenstraat (tss LVdreef en Hundelgemsesteenweg), Meierij + klein deel van<br />

Pilaarstraat, Torrekensstraat (tss Hundelgemsesteenweg en Ruspoel), deel<br />

Bosstraat, (aan Hundelgemsesteenweg), Hundelgemsesteenweg tot en met<br />

kruispunt, Koningin Astridlaan Boterhoekstraat (kruispunt met Makkegemstraat)<br />

Brasschaat:<br />

• Baillet Latourlei, Frilinglei, Miksebaan, Pauwelslei, St-Jobsesteenweg, Bevrijdingslei,<br />

Essensteenweg<br />

Voor de zones waar basismobiliteit wel werd ingevoerd, was de bijkomende<br />

voorwaarde dat de respondent effectief gebruik moest maken van het<br />

openbaar vervoer, zowel belbus als bijkomende reguliere lijnen. Voor deze zones<br />

werden mensen geselecteerd die in één van de volgende straten woonachtig<br />

zijn:<br />

Gooik<br />

(Oetingen)<br />

• Bontestraat, Viergatenstraat, Kasteelstraat, Gracht, Kerk, Hazelaarsstraat,<br />

Vollezelestraat, Lenniksestraat<br />

(Leerbeek)<br />

• Kerkveldstraat, Kwadebeekstraat, Brusselstraat, Winnepennickxstraat, Kattestraat,<br />

Stationstraat, Havilandstraat, Burgemeester De Leenerstraat<br />

(Lieferinge)<br />

• Vreckom, Kasseide, Lieferingeplaats, Muntstraat<br />

Geel<br />

• Elsum, Valckenborg, Turnhoutsesteenweg, Waaiburg, Gasthuisstraat, Badstraat,<br />

Aardseweg, Bel, Eindhoutseweg, Retieseweg, Mosselgoren, Koning Albertstraat,<br />

Doornboomstraat, Winkelom, Olenseweg, Larumsebrugweg, Winkelomseheide,<br />

Scheplakens, Diestseweg, Doelenstraat, Rauwelkoven, Oosterloseweg,<br />

Eksterstraat, Lammerdries, Dokter Van de Perres, Kemmeldijk, Poiel, Logen,<br />

Holven, Heistraat, Voort, Lebonstraat, Heuvel, Velveken, Larum<br />

Waasmunster<br />

(Heide)<br />

• Lucien Reychlerstraat, Heidekapelstraat, Fortenstraat, Ommegangsdreef, Lode<br />

Ontropdreef, Oudeheerweg, Lodewijck Mortelmanstraat, Kleemstraat, Koning<br />

Astridstraat, Lentelaan<br />

(Ruiter)<br />

• Sousbeekstraat, Sijpstraat, Podtsmeulen, Oudeheerweg Ruiter, Groenselstraat,<br />

Lange veldstraat<br />

(Pattoterij)<br />

• Pattoterij(straat), Schoonhoudtstraat, Maretak, Bollewijk<br />

126


Kortrijk<br />

(Heestert)<br />

• Bonte Os, Dokkestraat, Kwadestraat, Vierkeerstraat, Molenstraat, Lindebos,<br />

Snoekstraat, Kasselrijstraat, Zavelstraat<br />

(Kooigem)<br />

• Molentjesstraat, Ten Walledreef, Hoogplaatsstraat, Koninklijkestraat,<br />

Kazernestraat, Graaf d’Hulststraat, Kooigemsestraat<br />

(Spiere)<br />

• Sint Amandswijk, Hellestraat, Helstraat, Luitenant Robecijnplein, Lagestraat,<br />

Veldstraat, Godshuisstraat<br />

(Helkijn)<br />

• Kerkstraat, Brugstraat, Elleboogstraat, Waterkeer, Baljuwstraat, Vinkenstraat,<br />

Nachtegaalstraat, Lijsterstraat, Stationstraat, Kasteeldreef<br />

Tijdens de bezoeken aan de respondenten waren in verscheidene gevallen ook<br />

andere leden van het gezin aanwezig. Deze leden werden eveneens<br />

uitgenodigd om deel te nemen aan het interview, waardoor het aantal<br />

respondenten dat effectief werd bevraagd, ver boven het vooropgestelde<br />

aantal interviews uitsteeg. In totaal werden volgens bovenstaand schema 47<br />

mensen geïnterviewd over hun verplaatsingsgedrag en de gebruikte<br />

vervoersmiddelen voor de verschillende doeleinden.<br />

Zones zonder BM<br />

Zones met BM<br />

(lage prioriteit)<br />

Zones met BM<br />

(hoge prioriteit)<br />

Tewerkgestelde<br />

Niet-tewerkgestelde<br />

(55 jaar en jonger)<br />

Gepensioneerde<br />

(55 tot 65 jaar)<br />

Gepensioneerde<br />

(65 jaar en ouder)<br />

Jongeren<br />

(6 tot 12 jaar)<br />

127<br />

Jongeren<br />

(12 tot 18 jaar)<br />

Brasschaat<br />

Leo<br />

An<br />

Petra Willy Louisa Cathy Steffi<br />

Merelbeke<br />

Nancy<br />

Bart<br />

Lies<br />

Simona<br />

André<br />

Jaak Pol Vic Seb<br />

Kortrijk<br />

Peter<br />

Sofie<br />

Erik<br />

Ignace<br />

Tony Hilde<br />

Bernie<br />

René<br />

Anja Stien<br />

Karen Betty Jules Gie Iris Nele<br />

Waasmunster Elke<br />

Gooik<br />

Sonja<br />

Alain<br />

Nathalie<br />

Valerie<br />

Janine<br />

Madelein<br />

Lucien<br />

Sander Joly<br />

Geel Agnes Sabine Willy Marjan - Lore


2. Profielen van de respondenten<br />

Om de gebruikte citaten in hun context te kunnen plaatsen, laten we de lezer<br />

graag kennismaken met de personen achter de citaten. Om de anonimiteit van<br />

de respondenten te bewaken, maken we gebruik van fictieve namen. Alle<br />

andere gegevens van de bevraagde personen (leeftijd, geslacht,<br />

gezinssamenstelling, woonplaats,…) stemmen wel overeen met de reële situatie<br />

van de respondent.<br />

Brasschaat<br />

Steffi (V)<br />

Steffi is 17 jaar en is woonachtig in de Baillet-Latourlei in Brasschaat. Tijdens de<br />

week zit ze op internaat in Brugge. In het weekend woont ze thuis met haar<br />

ouders en haar oudere tweelingbroers en twee jongere broers. Ze beschikt niet<br />

over een bushalte binnen de 750 meter van haar woonplaats. Ze maakt<br />

regelmatig gebruik van het openbaar vervoer, zowel om wekelijks naar school te<br />

gaan(met bus en trein) als in de vrije tijd om naar de stad te gaan of met<br />

vrienden weg te gaan (bus en trein). De dichtstbijzijnde bushalte is aan het<br />

gemeentehuis van Brasschaat, ongeveer 2 kilometer van haar huis. Ze gaat er<br />

naar toe met de fiets of met de bromfiets. Kleinere verplaatsingen (bezoek<br />

vrienden, weggaan in Brasschaat) doet ze eveneens met de fiets of met de<br />

bromfiets. Naar de stad (Antwerpen) gaat ze niet met de bromfiets omdat het<br />

maar 25 km/uur doet en het veel te lang zou duren. Echt uitgaan naar de stad<br />

doet ze in het opgaan met de bus, maar terugkomen doet ze samen met haar<br />

vrienden met een taxi. Naar de zee of andere uitstapjes met de familie<br />

gebeuren met de wagen.<br />

“Een belbus zou wel handig zijn. Vooral als het slecht weer is, moet ik dan niet zo<br />

ver gaan naar het gemeentehuis. Maar ik mis het niet” (Steffi; 17 jaar,<br />

Brasschaat)<br />

“Het openbaar vervoer is leuk, omdat iemand anders u anders altijd moet<br />

brengen. En met een groep is het ook plezant. Al mijn vrienden zijn ook maar 16<br />

of 17 jaar en we hebben dus geen auto” (Steffi; 17 jaar, Brasschaat)<br />

“Met de brommer kan je veel makkelijker zeggen “Ik kom!”. Met de fiets is het<br />

altijd een beetje onzeker. Als het echt slecht weer is of zo, en ik moet met de fiets<br />

gaan of met de bus dan… ja, dan… Met de bus zou het ook wel gaan.” (Steffi;<br />

17 jaar, Brasschaat)<br />

“Als je met de bus gaat is het wel belangrijk om bij voorbaat goed te kijken hoe<br />

laat hij komt. Zo staan wachten is niet tof. Daarom is de tram in Antwerpen heel<br />

handig. Om de 10 minuutjes is er ene” (Steffi; 17 jaar, Brasschaat)<br />

128


Louisa (V)<br />

Louisa is 74 jaar en woont in de Baillet-Latourlei in Brasschaat. Ze is sinds twee jaar<br />

weduwe en ze woont samen met haar mindervalide dochter van 28 jaar. Sinds<br />

de dood van haar man kan ze geen beroep meer doen op een wagen. Ze<br />

heeft wel een rijbewijs, maar nu durft ze niet meer rijden. Haar verplaatsingen<br />

maakt ze nu met de fiets en met de bus. De dichtstbijzijnde bushalte is echter<br />

aan het gemeentehuis van Brasschaat op zo’n kleine 2 kilometer afstand. Ze kan<br />

ook wel gebruik maken van een bushalte op de Bredabaan (op iets meer dan 1<br />

kilometer van thuis), maar daar durft ze haar fiets niet achterlaten.Kleine<br />

boodschappen gebeuren met de fiets, maar nu heeft ze een kwetsuur aan de<br />

knie en dat gaat niet meer zo makkelijk. Als ze nog wat ouder wordt of zich<br />

moeilijk kan verplaatsen dan zal ze haar huis moeten verkopen en dichter in het<br />

centrum moeten gaan wonen. In haar woongebied is wel een buurtbus, maar ze<br />

weet niet wat ze daarmee kan doen. Haar inwonende invalide dochter gaat<br />

altijd met haar mee. Ze durft zelf niet alleen buiten. Ze kan ook wel en beroep<br />

doen op haar dochter die in de buurt woont, maar dat doet ze niet graag.<br />

“Sinds mijne man dood is kunnen wij ons niet meer makkelijk verplaatsen. Wij<br />

hadden ne grote Citroën en wij gingen daarmee overal naartoe, maar ik durf<br />

niet meer rijden. Ik mocht van mijne man ook niet rijden met de nieuwe Citroën.<br />

En nu durf ik niet meer. Nu doen we alles met fiets of met de bus en als we naar<br />

de Stad gaan en daarna de tram tot op Meir” (Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />

“Om naar de bus te gaan moeten we wel eerst met de fiets. Maar in de winter<br />

zie ik dat niet zo zitten…” (Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />

“Het is toch belangrijk dat je je fiets ergens veilig kan achterlaten. Aan het<br />

gemeentehuis kan je gebruik maken van de parking van het warenhuis en dat is<br />

toch veiliger dan aan de Bredabaan” (Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />

“Mijn dochter woont wel in de buurt en als het echt niet anders kan dan doet zij<br />

ons weg, maar eigenlijk vraag ik dat liever niet. Ze werkt ook en ze heeft<br />

kinderen en heeft het al druk genoeg. Zo lang het gaat met de fiets, gaat het<br />

hé” (Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />

“Ik had altijd een abonnement voor de Koningin Elisabethzaal, maar nu dat<br />

mijne man dood is gaat dat niet meer hé. ’Dat is erg hé. Ik doe dat zo graag<br />

concerten en cultuur. ‘s Avonds gaan we nu toch liever niet graag weg. Allez, ik<br />

ga graag weg, maar dat terugkeren. Dat is het probleem. Dat is lastig hé, met<br />

de fiets en de bus als het donker is. Dat doe ik niet graag. Zo twee dames in het<br />

donker. Daar heb ik schrik van. En nen taxi is direct duur hé.” (Louisa, 74 jaar<br />

Brasschaat)<br />

“Grote boodschappen zijn een probleem. Dan moet je altijd iemand<br />

aanspreken. Ik heb nu een vriendin, die woont aan het Rivierenhof. Ze is ook<br />

haar man verloren, maar ze kan wel met de auto rijden en dan gaan we samen<br />

naar de winkel.” (Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />

129


“Grote afstanden zijn een probleem hé. Naar Brussel gaan ofzo. We zeggen<br />

allang om eens naar de zee te gaan. Maar we zien echt op tegen de moeite.”<br />

(Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />

“Ik begin nu wat last te krijgen van mijn knie en ja, als ik dan niet meer met de<br />

fiets naar de bus kan met mijn dochter, dan weet ik het niet. Waarschijnlijk moet<br />

ik dan wat dichter bij de stad gaqn wonen.” (Louisa, 74 jaar, Brasschaat)<br />

Willy (M)<br />

Willy is 62 jaar en woont in de Bevrijdingslei in Brasschaat. Hij is sinds enkele jaren<br />

gepensioneerd en is getrouwd. Zijn vrouw werkt nog en hij heeft veel vrije tijd.<br />

Hun zoon van 24 jaar is al enkele jaren het huis uit.<br />

Hij neemt regelmatig de bus. In de buurt waar hij woont, rijdt een buurtbus 4 of 5<br />

maal per dag, maar niet in het weekend. Deze is gratis en wordt ingericht door<br />

de gemeente Brasschaat in samenwerking met de Lijn. De buurtbus verbindt de<br />

verschillende wijken in Brasschaat met de Bredabaan. Hij neemt wekelijks de<br />

buurtbus om naar de fitness te gaan. Nu hij op pensioen is heeft hij veel tijd en<br />

heeft hij besloten om het rustig aan te doen. Eerst beginnen fietsen, maar na<br />

een ongeluk, is het fitness geworden. Naar de stad neemt hij ook de tram. Het<br />

gezin beschikt over twee wagens, maar nu hij op pensioen is en wat meer tijd<br />

heeft en heeft kunnen kennismaken met het openbaar vervoer, wordt de<br />

wagen meer en meer thuis gelaten. Files en parkeermoeilijkheden en dan de<br />

stress die daar bij komt kijken zijn de belangrijkste argumenten om voor het<br />

openbaar vervoer te kiezen. Zelfs om naar de zee te gaan. Daar wordt de<br />

wagen toch niet gebruikt.<br />

Willy gebruikt dus het openbaar vervoer als het gemakkelijk is. Boodschappen,<br />

naar de markt gaan en zo, met veel gesleur worden met de wagen gedaan.<br />

Uitgaan doen ze niet veel, maar als ze naar Night of the Proms gaan dan wordt<br />

de tram genomen.<br />

“Ik pak 1 keer per week de buurtbus. Dat is gratis en is hier op 750 meter van. En<br />

dan ga ik naar de fitness. Dat is 45 minuten. Pas op met de fiets is het maar 20<br />

minuten, maar het is gemakkelijk en ik heb tijd genoeg.” (Willy 62 jaar<br />

Brasschaat)<br />

“De tram naar de stad is ook gemakkelijk. Anders altijd die miserie met parkeren.<br />

Ge kunt opstappen en afstappen waar je wilt. Als ge hoort van al die files<br />

aldaar” (Willy 62 jaar Brasschaat)<br />

“Toen ik werkte was ik alle dagen op de baan en nam ik zelden of nooit de bus.<br />

Maar nu ben ik daar ingerold en bus ik vrij veel Als ge de bus pakt, moet ge<br />

zeggen’ ik heb tijd’.” (Willy 62 jaar Brasschaat)<br />

130


“Het moet wel makkelijk zijn. Bijvoorbeeld de tram naar de stad of aan de kust of<br />

de trein naar de kust. Als ge te veel moet overstappen of als ge niet weet waar<br />

en zo dan is het niet plezant. Dan neem ik de auto.” (Willy 62 jaar Brasschaat)<br />

“Wat mij stoort is dat je niet weet hoeveel een rit gaat kosten. De prijs van zo’n rit<br />

dat is precies zo een beetje “à la tête du client”. Als ik hier een ticket pak dan<br />

heb ik in principe een uur tijd om dat op te gebruiken. Maar kom ik dan in de<br />

stad en ge stapt op de bus en ge steekt dat erin, dan moet ge terug<br />

herbeginnen. Dat snap ik niet. Ge rijdt toch de zone stad in. Ik vind dat dat slecht<br />

aangeduid is.” (Willy 62 jaar Brasschaat)<br />

“Naar de markt gaan we met de auto. We doen wel is graag, maar met al dat<br />

gesleur enzo. ’s Avonds ook. We zijn wel geen uitgaanders maar als we ‘s avonds<br />

ne keer weggaan dan nemen we de auto. Behalve naar het Sportpaleis. Dat is<br />

daar ook weer niet gemakkelijk om te parkeren. Dan pakken we beter de tram<br />

vanuit Merksem. Naar Night of the Proms ofzo, dan zijn er extra bussen.” (Willy 62<br />

jaar Brasschaat)<br />

“De veiligheid, daar zouden ze misschien wel iets aan mogen doen. Als ge hier<br />

de bus pakt (in Brasschaat) of de tram in Merksem, dat is echt een groot<br />

verschil…” (Willy 62 jaar Brasschaat)<br />

“Het buurtbusje is echt een heel goed initiatief. Mensen kunnen naar de kliniek,<br />

kunnen hier gemakkelijk weg. Echt heel goed. Het zijn wel altijd dezelfde die<br />

erop zitten. Ik en twee anderen. Altijd dezelfde Behalve op maandag als het<br />

markt is. Dan zit het vol.” (Willy 62 jaar Brasschaat)<br />

“Pas op ik zou niet zonder auto kunnen. Als je die zou wegdenken dan zouden<br />

we wel een probleem hebben .Dan moet ik terug de fiets pakken.” (Willy 62 jaar<br />

Brasschaat)<br />

“Voor boodschappen en zo zou ik nog liever de fiets pakken dan de bus. Met de<br />

bus ben je weer gebonden aan een tijd. Dan moet ge u spoeden en dan<br />

vergeet ge de helft van uw boodschappen. Of ge kunt een uur staan wachten.<br />

Dat is ook niet tof” (Willy 62 jaar Brasschaat)<br />

Leo (M)<br />

Leo is 59 jaar en woont in Brasschaat op de Sint-Jobsesteenweg. Hij is bediende<br />

bij de bank in het centrum van Antwerpen. Hij is gehuwd en zijn echtgenote is<br />

huisvrouw. De dichtstbijzijnde bushalte is op ongeveer 750 meter van zijn<br />

voordeur op het kruispunt met de Bredabaan. Hij gaat dagelijks werken met de<br />

motorfiets, behalve wanneer het regent, sneeuwt of vriest. Dan neemt hij de bus,<br />

want dan wil zijn vrouw niet dat hij met de motorfiets gaat. Hij opteert resoluut<br />

voor de motor omdat hij op die manier het snelst op zijn werk is en ook terug<br />

thuis. Met het openbaar vervoer, met een regulier aanbod van de Lijn, gaat<br />

beduidend minder snel, want dan moet hij nog wel een stukje te voet gaan. En<br />

131


natuurlijk staat de bus ook regelmatig in de file. De motorfiets is dan ook het<br />

beste vervoermiddel om naar het werk te gaan.<br />

Als het slecht weer is dan neemt hij dus de bus. Hij heeft de keuze tussen een<br />

snelbus en een gewone dienst. Hij verkiest de snelbus, ondermeer omdat deze<br />

op de pechstrook mag rijden, maar helaas staat de bus meestal voor zijn deur al<br />

stil. In zijn buurt rijdt ook een buurtbus, maar deze heeft hij nog nooit gebruikt.<br />

Naast de motorfiets beschikt het gezin ook over een auto die tijdens de dag ter<br />

beschikking staat van de vrouw. Met een wagen en een motorfiets voorhanden,<br />

gebruikt hij dus enkel het openbaar vervoer bij slecht weer en enkel om naar het<br />

werk te gaan.<br />

Het gezin heeft drie kinderen die allemaal het huis uit zijn. Ze wonen niet zo ver<br />

van de ouderlijke woonst, maar er is volgens Leo geen enkele reden om het<br />

openbaar vervoer te nemen om de kinderen een bezoek te brengen.<br />

Leo en zijn vrouw zijn duidelijk gesteld op hun gemak en dan weegt het<br />

openbaar vervoer niet op tegen de luxe en het comfort van de wagen.<br />

“Met de motor doe ik er maximaal een half uur op, met de bus van deur tot deur<br />

een uur. Dat is toch veel verschil hé. Onderweg zijn heeft weinig zin. In het<br />

opgaan is dat minder belangrijk want ik heb glij-uren.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“Ik rijd eigenlijk alleen maar met de motor om naar het werk te gaan. Gewoon<br />

om snel naar en van het werk te zijn. In het weekend of zo gebruik ik de motor<br />

niet. Zo graag doe ik dat niet, maar voor het werk is dat het beste.” (Leo 59 jaar<br />

Brasschaat)<br />

“Met de motorfiets kan ik trouwens ook makkelijk parkeren. Met de auto zou ik<br />

dat niet zo makkelijk kunnen.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“Als het regent neem ik de bus, dat is een afspraak met mijn vrouw, maar dan zit<br />

je daar natuurlijk niet alleen op hé. Het is eigenlijk veel aangenamer om in goed<br />

weer de bus te nemen dan als het regent. En de bus stopt natuurlijk ook niet voor<br />

de deur van mijn werk. Ik moet dan een 10 minuten te voet gaan en… het<br />

regent natuurlijk.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“Als ik de bus moet pakken dan zorg ik er wel voor dat ik niet met al de<br />

schoolkinderen op de bus zit. Da’s ni plezant. Ge kunt niet zitten, want die<br />

mannen laten u niet zitten zenne, er is veel lawaai. Allez, ik pak de snelbus van 17<br />

uur en dan zijn ze al grotendeels weg.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“Op vakantiedagen de bus pakken, da’s een droom. Dan is er geen verkeer en<br />

dan ben ik op 20 minuten op mijn werk. Dan kan ik ni rapper zijn met de motor. “<br />

(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“Mijn vrouw doet de boodschappen want zij is overdag thuis, ze is huismoeder.<br />

Maar ze doet dat met de auto. Met de bus is dat niet gemakkelijk hé, da’s ni<br />

praktisch. En den auto staat hier… Ook niet met de uren. Nu, als mijn vrouw<br />

denkt ‘Oei k’em da of da nodig’dan springt ze in den auto en ze is erachter. Met<br />

de bus gaat dat zomaar ni” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

132


“Met de bus zijt ge wel gebonden hé. Als ik ’s morgens nog goesting heb om<br />

een taske koffie te drinken, als ik met de motor ga da’s mijn keuze. Met de bus<br />

moet ik natuurlijk rekening houden met de uren. Als ik hem mis, ja dan moet ik de<br />

volgende pakken. Da’s maar 20 minuten maar da’s ook 20 minuten later op het<br />

werk hé.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“Pas op, we hebben hier dan nog de buurtbus hé. Maar daar ken ik de uren niet<br />

van. Da’s een goed initiatief hé, maar ik heb die nog nooit moeten pakken.”<br />

(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“We gaan ni zoveel weg. Al ne keer naar de cinema. En dat zou gaan met de<br />

bus en de tram, met wat overstappen, maar den auto is dan toch veel en veel<br />

gemakkelijker hé. We gaan naar de Metropolis en daar is een grote parking en<br />

na de film springt ge in uwen auto en ge zijt weg. Met de bus is dat toch al een<br />

gans ander verhaal. Ik weet nu niet waar de bushalte daar is, maar ge zult toch<br />

al minstens de parking moeten oversteken. En het is dan ook donker hé… “ (Leo<br />

59 jaar Brasschaat)<br />

“Het is mijn vrouw haar taak om de maandag de kinderen van mijn dochter te<br />

gaan halen van school. En dan gaat ze ermee naar mijn dochter om te<br />

wachten tot zij thuis is. Maar ja dat is met de auto hé. Ik zie niet in hoe ze dat met<br />

het openbaar vervoer allemaal zou moeten doen.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“Ik zeg het, het is allemaal te doen met de bus, maar ’t is ni gemakkelijk. Maar ja,<br />

als het verder gaat zoals nu, dan wordt de auto wel kostelijk natuurlijk. Aan de<br />

prijs van de diesel. Al moet ge de bus ook betalen natuurlijk. Enfin, ik ben lid van<br />

de gezinsbond…” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“Naar de zee gaan we ook met de auto. In de zomer doen we dat al eens. Als<br />

het goed weer is, dan pak ik een dag congé en dan springen we in den auto en<br />

rijden we naar de zee. Want pas op, ge moet alles mee hebben hé. Want hier is<br />

het goe weer, maar aan de kust kan het waaien hé. Dan zie ik mij ni met alles op<br />

de trien zitten. Dan is het ook ni meer plezant hé.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“Als we al eens naar de stad gaan, dan pakken we de tram hé. Allez, ’t is te<br />

zeggen we rijden tot in Merksem naar de ‘Park en Ride’ en daar pakken we den<br />

tram recht naar ’t Centrum. Tegen dat ge parking gevonden hebt in stad, zijt ge<br />

veel gemakkelijker met de tram.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“Als ik gepensioneerd ben, en ik heb tijd dan zou ik overdag wel eens de bus of<br />

den tram durven pakken. Overdag hé. s’ Avonds zou ik den auto pakken. Neen,<br />

s’ avonds het openbaar vervoer nemen is minder aangenaam vind ik.” (Leo 59<br />

jaar Brasschaat)<br />

133


“De prijs van het openbaar vervoer kan natuurlijk altijd goedkoper, maar iemand<br />

moet het betalen natuurlijk. Maar als ik kan zitten dan vind ik de prijs van het<br />

openbaar vervoer wel redelijk. Als ik moet rechtstaan, dan… Pas op, ik betaal<br />

een verminderd tarief hé, want tegen de volle pot. Dan zit te toch direct aan 2<br />

euro heen en nog eens zoveel terug. Dat is toch ni voor niets hé. Natuurlijk als ge<br />

het vergelijkt met een auto.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“Mijn kinderen zijn altijd wel met de bus gegaan. Toen ze klein waren dan gingen<br />

ze natuurlijk hier in de buurt. Maar dan naar het college met de fiets of met de<br />

bus, als het slecht weer was. En mijn dochter die is dan efkes hier naar de univ<br />

geweest in stad. Dan ging ze altijd met de bus.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

“Richting Antwerpen staat er geen buskotje. Aan den andere kant wel. Wa<br />

maakt, als het regent gaat iedereen onder dat buskotje staan en als de bus<br />

afkomt, ge ziet die wel afkomen, dan steekt iedereen rap over hé”. (Leo 59 jaar<br />

Brasschaat)<br />

“Wat dat ik wel vind is dat de bus tijdens de piekuren overvol zit. Dan is er<br />

absoluut geen plaats om te zitten, wat ik eigenlijk niet kunnen vind. Ge moet<br />

even veel betalen voor een zitplaats en dan kunt ge niet zitten. Maar, kom ’s<br />

ochtend en ’s avonds zit em bomvol en dan natuurlijk een uur later rijdt em leeg<br />

natuurlijk. Ik weet ni of ze daar iets kunnen aan doen, maar logisch vind ik da<br />

nie.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />

Cathy (V)<br />

Cathy is 11 jaar en woont op de Sint-Jobsesteenweg in Brasschaat. Ze woont<br />

samen met haar moeder An, die als arbeidster werkt in het strijkatelier, haar<br />

vader die als zelfstandig elektrieker werkt en haar jonger broertje van enkele<br />

maanden. Ze wonen op iets meer dan 750 meter van een bushalte, ongeveer 5<br />

minuutjes stappen. Ze neemt graag de bus, maar mag pas volgend jaar alleen<br />

de bus neen als ze naar de secundaire school gaat. Nu gaat ze soms met haar<br />

moeder op bezoek bij de grootmoeder met de bus. Als ze tijd hebben dan doen<br />

ze dat als vorm van uitstapje.<br />

“Ik ga graag met de bus naar oma. Meestal gaan we wel met de auto of soms<br />

met de fiets. Maar met de bus is plezant. Dat is eens iets ander.” (Cathy 11 jaar<br />

Brasschaat)<br />

“Als we de bus nemen, gaan we altijd eerst gaan kijken naar het uur. De dag<br />

ervoor ofzo. Zeker als het regent is het niet plezant om te wachten. Er is geen<br />

afdakje en als de bus dan te laat is ofzo.” (Cathy 11 jaar Brasschaat)<br />

“Alleen heb ik de bus nog niet genomen, maar misschien vanaf volgend jaar als<br />

ik naar een andere school moet, mag ik de bus nemen.” (Cathy 11 jaar<br />

Brasschaat)<br />

134


“Nu ga ik hier naar school aan de kerk. Mijn papa brengt mij ’s morgens met de<br />

camionette. “(Cathy 11 jaar Brasschaat)<br />

“Ik doe paardrijden, maar dat is in de velden in een klein straatje en daar rijdt<br />

geen bus. Dus dat gaat niet, mijn papa of mama brengt mij dan.” (Cathy 11 jaar<br />

Brasschaat)<br />

“Ik vind de bus wel plezant. Dat is anders dan met de auto. Om zo wat rond te<br />

rijden of zoals we naar de zoo zijn geweest. Dat was wel plezant.” (Cathy 11 jaar<br />

Brasschaat)<br />

“Soms is de trein ook niet plezant. Zoals we met school naar Walibi gegaan zijn<br />

met de trein. We zijn dan tegen 12 uur aangekomen en dan kregen we drie<br />

uurtjes en dan moesten we al terug. Met mama en papa zijn we deze zomer met<br />

de wagen geweest en dat was veel sneller.” (Cathy 11 jaar Brasschaat)<br />

An (V)<br />

An is de moeder van Cathy en is 34 jaar. Ze werkt als arbeidster in het strijkatelier<br />

en is gehuwd. Samen met haar man, die als zelfstandige werkt hebben ze twee<br />

kinderen, een dochter van 11 jaar, Cathy en een zoontje van enkele maanden.<br />

Samen wonen ze op de Sint-Jobsesteenweg in Brasschaat. De dichtstbijzijnde<br />

bushalte ligt op iets minder dan 1 kilometer van hun deur.<br />

Het gezin gebruikt zelden het openbaar vervoer. Soms, heel soms nemen ze het<br />

openbaar vervoer om naar de stad te gaan. In het gezin is een camionette en<br />

een wagen voorhanden. De camionette wordt tijdens de dag gebruikt door de<br />

echtgenoot, de wagen kan ze altijd gebruiken.<br />

Het gemak van de wagen wordt nu nog groter, nu is er een baby van enkele<br />

maanden in het gezin is bijgekomen en het gesleur met babyspullen zoals de<br />

maxi cosi maken het gebruik van het openbaar vervoer onaantrekkelijk maakt.<br />

Ook heel soms gaat ze samen met haar dochter met de bus op bezoek bij haar<br />

moeder. Het gebeurt wel eens dat ze dan alledrie naar de stad gaan met de<br />

tram, maar haar moeder die 74 jaar is en slechtte been is, heeft erg veel moeite<br />

om de tram te nemen. Ze geraakt moeilijk op de tram en als ze eraf wil moet ze<br />

al gaan klaar staan aan de uitgang en als hij dan stopt dan verliest ze haar<br />

evenwicht.<br />

Ondanks haar eigen gevoel dat ze weinig het openbaar vervoer neemt, komt bij<br />

An het openbaar vervoer toch veel in beeld. Bijna voor alle verplaatsingen die<br />

ze maakt, naar haar moeder, naar de stad, in de vrije tijd heeft ze het openbaar<br />

vervoer al eens uitgeprobeerd. Soms met succes en voor herhaling vatbaar,<br />

soms ook niet.<br />

“Basismobiliteit dat is voor mij het dagelijks vervoermiddel dat ge gebruikt om<br />

ergens te geraken om u te verplaatsen” (An 34 jaar Brasschaat)<br />

135


“Soms ga ik met mijn dochter naar mijn moeder met de bus. Die woont in<br />

Wuustwezel en dan is dat een uitstapke. Maar zoveel gebeurt dat niet. Maar<br />

men dochter doet dat wel graag. Het is meer een attractie eigenlijk.” (An 34 jaar<br />

Brasschaat)<br />

“Maar we moeten tijd hebben. Anders gaat dat niet hé de bus. Met de auto<br />

kunt ge vertrekken wanneer ge wilt. Van de bussen weet ik de uren niet. Het zou<br />

misschien praktisch zijn om zo’n boekske in huis te hebben met de uren.<br />

Misschien dat ik dan rapper met de bus zou gaan. Maar nu weet ik dat niet als<br />

we van plan zijn om met de bus een uitstapke te doen dan ga ik eerst kijken.<br />

Anders staat ge daar een halfuur te wachten.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />

“We nemen ook soms de trein om naar Gent ofzo te gaan. Dan eerst met de bus<br />

en de tram naar het station en dan met de trein. Maar dat is toch altijd zoeken<br />

hé, als ge dat niet gewoon zijt. We waren dan verkeerd afgestapt en dan<br />

hebben mensen van de Lijn ons moeten helpen anders waren we er nog niet<br />

geraakt.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />

“Ik denk niet dat we nog eens met de bus naar het sportpaleis zullen gaan. Mijne<br />

man vond dat niet zo’n prettige ervaring. We zeiden tegen elkaar ‘kom, laat ons<br />

met het openbaar vervoer gaan’. Het was zo’n speciale actie van de Lijn. Eerst<br />

hebben we al twee bussen moeten laten doorgaan omdat ze vol waren en<br />

uiteindelijk hebben we er bijna twee uur over gedaan om terug thuis te<br />

geraken” (An 34 jaar Brasschaat)<br />

“We zijn is naar Plopsaland geweest met de trein. Dat was ook een schoon<br />

verhaal. Eerst moesten we de bus nemen naar het station. Dan nog eens<br />

overstappen. We zijn echt lang onderweg geweest. Ik denk meer dan drie uur.<br />

Neen, dat gaan we niet meer doen. De volgende keer gaan we met de auto.<br />

Want goedkoop was dat niet hé. Zeker met het ganse gezin. Met uwe auto voelt<br />

ge dat zo niet.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />

“Sinds ik de kleinste heb, ben ik wel nog niet met de bus gegaan. Met die maxi<br />

cosi en zo. Eigenlijk zie ik dat niet zitten. Allez, ik weet het niet. Dat neemt toch<br />

veel plaats. En ge hebt geen handen meer vrij hé.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />

“Met de wagen gaat dat wel met al die babyspullen. Maar als ik naar mijn<br />

moeder ga, dan stop ik nog rap efkes aan de winkel voor het een of het ander.”<br />

(An 34 jaar Brasschaat)<br />

“Met mijn moeder, die is 74 jaar, gaat dat dan ook weer niet zo makkelijk met de<br />

tram. Zeker als er veel volk is op de tram naar de stad. Ze is dan niet zo goed te<br />

been en dan geraakt ze daar niet gemakkelijk op of af. Dat moet dan rap rap…<br />

Stel u voor ik met mijn maxi-cosi en mijn moeder. Dat zie ik nog niet zo rap<br />

gebeuren.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />

136


“Vanaf volgend jaar als ze naar een andere school gaat, dan zie ik dat wel<br />

zitten dat ze de bus neemt. Ze kan hier opstappen en aan de school terug<br />

afstappen. Maar voor iets anders niet. Ze heeft daar ook geen reden voor. Ze is<br />

nog maar 11 jaar hé. En we brengen ze wel als ze ergens moet zijn.” (An 34 jaar<br />

Brasschaat)<br />

“Ja, we kiezen haar volgende school waarschijnlijk wel op basis van het<br />

openbaar vervoer. Dat is de reden waarvoor ze volgend jaar waarschijnlijk daar<br />

zal gaan. Moest ze naar Kalmthout gaan, dan zou dat al een pak moeilijker zijn.”<br />

(An 34 jaar Brasschaat)<br />

“Ze (dochter 11 jaar) kan wel al aan het bushokje lezen om hoe laat de bus<br />

vertrekt enzo, maar overstappen, dat denk ik niet dat het al makkelijk zou<br />

lukken.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />

“Als we naar linkeroever gaan, dan nemen we ook de tram. Dan zetten we onze<br />

auto aan de Carrefour daar is ne ‘Park en Ride’ en dan pakken we de tram. Dan<br />

moet ge geen parking betalen en zo. Dat is wel gemakkelijk.” (An 34 jaar<br />

Brasschaat)<br />

“Boodschappen doe ik zeker niet met het openbaar vervoer. Iets klein haal ik<br />

met de wagen als ik de dochter ga halen of zo en grote boodschappen, dat<br />

doen we de zaterdag met de wagen. Voor een gezin van vier heb je veel nodig<br />

op een week.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />

“Moest ik nu geen wagen hier staan hebben, dan zou ik moeten met het<br />

openbaar vervoer gaan natuurlijk… dat zou een probleem zijn. Ik zou niet veel<br />

meer buiten komen denk ik. Ik zou niet meer weg kunnen… Dat pakt toch uw<br />

bewegingsvrijheid weg.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />

“Pas op, eigenlijk vind ik het te gevaarlijk om onze dochter met de fiets naar<br />

school te laten gaan. Dan zet ik ze nog liever af aan het bushokje en dat ze van<br />

daar het de bus naar school gaat. Ook hier in de buurt. We wonen hier dicht bij<br />

de Bredabaan en als ze naar vriendjes gaat of naar de cattechese dan zet ik<br />

haar liever af met de wagen dan dat ze met de fiets gaat. ” (An 34 jaar<br />

Brasschaat)<br />

“Mij moeder heeft wel last om de tram te nemen. Met mij erbij lukt dat nog,<br />

maar alleen? Ze geraakt er moeilijk op en als ze eraf wil dan moet ze al goed bij<br />

voorbaat aan de uitgang gaan staan. Maar als hij dan stopt dan verliest ze haar<br />

evenwicht. Of als ze tijdens de rit moet rechtstaan dan moet ik ze tegenhouden.<br />

Alleen zou ze dus zeker niet de bus pakken. Ze weet ook niet goed hoe dat<br />

werkt. En als ze op de bus of de tram zit, dan zit ze precies in dromenland, dan<br />

let ze niet op.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />

137


“Ze zouden beter een ingang en een uitgang hebben op de bus of de tram.<br />

Zoals voor mijn moeder, bij het opstappen en afstappen is het altijd zo’n gedrum<br />

en als er dan mensen direct opstappen, dan kan mijn moeder er niet meer op<br />

tijd uit.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />

“Ik probeer de wagen wel wat thuis te houden. Laat ons zeggen dat ik hem zo<br />

om de twee dagen eens gebruik. Ik probeer ook mijn boodschappen zo wat te<br />

regelen dat ik niet elke dag weg moet. Dat lukt niet altijd, maar kom ik vind dat<br />

toch beter, voor de kosten en voor het milieu en zo. Als het niet moet, dan moet<br />

het niet hé.“ (An 34 jaar Brasschaat)<br />

Petra (V)<br />

Petra is een 44 jarige huisvrouw. Ze woont in Brasschaat in de Frilinglei samen met<br />

haar echtgenoot (een zelfstandig bankier) en haar twee zonen van 17 en 11 jaar<br />

en 1 dochter van 15 jaar. Ze heeft een bushalte op ongeveer 500 meter van<br />

haar deur en ze gebruikt een tweetal keer per maand de bus om eens naar de<br />

stad te gaan, naar het Rooseveldplein. Van aan de Carrefour in Merksem neemt<br />

ze ook soms de tram naar de Groenplaats. Ze beschikken slechts over één<br />

wagen en Petra gebruikt dus regelmatig het openbaar vervoer om zich te ver<br />

plaatsen. Ook de kinderen gebruiken het openbaar vervoer maar een paar<br />

verplaatsingen zoals naar de schoonmoeder (Schoten) en naar de bioscoop<br />

(Metropolis) zijn te omslachtig. De kinderen worden gestimuleerd om het<br />

openbaar vervoer te gebruiken, maar ze is erg op haar hoede voor de veiligheid<br />

van de kinderen. Zo wil ze liever niet dat ze ’s avonds de bus nemen.<br />

“Basismobiliteit is de mobiliteit die iemand aangeboden krijgt om ergens naar<br />

toe te gaan. Zowel van de fiets tot bus, taxi en alles wat te maken heeft met<br />

vervoer.” (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

“Zo’n twee keer per maand neem ik de bus naar het centrum om te shoppen of<br />

om bepaalde boodschappen te doen. Soms naar een museum….”(Petra 44 jaar<br />

Brasschaat)<br />

“Ik vind de parkeerplaatsen veel te duur in Antwerpen en ook de benzine<br />

natuurlijk. Gisteren stond in de gazet dat hij weer duurder zal worden. Vandaar<br />

dat ik de laatste tijd ook de fiets wat meer neem. Ook al om een beetje gezond<br />

te blijven. Maar naar de stad is dat een beetje ver natuurlijk.” (Petra 44 jaar<br />

Brasschaat)<br />

“Ik vind wel dat de verbinding met Metropolis niet goed is. Voor de kinderen is<br />

dat wel ambetant. Ze moeten al eerst naar Ekeren te voet. En dan zijn ze er al<br />

bijna. Dan gaan ze meestal ook maar met de fiets.” (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

138


“Ook naar mijn schoonmoeder is het moeilijk om met het openbaar vervoer te<br />

gaan. Ze woont in Schoten en ze is 75 jaar. En er is geen goede verbinding, twee<br />

keer overstappen en zo. Allez, dat mens kan dat niet meer. Dat is heel spijtig,<br />

want ze heeft geen rijbewijs. Van hier is er eigenlijk niks die kant op.” (Petra 44<br />

jaar Brasschaat)<br />

“Mijn schoonvader is ook nog eens hulpbehoevend, dus kan mijn schoonmoeder<br />

niet te lang van thuis zijn. Ze gaat naar de tandarts naar Sint Niklaas, eerst met<br />

de bus en dan met de trein, awel ze is rapper in Sint Niklaas dan naar hier. Ze<br />

komt dus bijna nooit naar hier, hé.” (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

“Die wachttijden zijn ook slecht voor de gezondheid van mijn schoonmoeder. Bij<br />

haar is geen bushoekje en in de winter en in de wind dan moet ze daar in de<br />

kou staan wachten. Ze heeft zo vorig jaar een bronchitis opgelopen. En voor een<br />

mens van 75 jaar is dat niet goed.” (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

“Mijn moeder zelf ook, die is 75 jaar en dat is nog een heel flinke en die heeft<br />

alleen het openbaar vervoer, ze kan niet rijden. Ze wil geen taxi pakken want<br />

dat is veel te duur en ze wil mij niet bellen want ze wil zelfstandig zijn, niet<br />

afhankelijk. Maar zo in de kou staan wachten, bij haar is ook geen buskotje. Ze<br />

kan die uren van de bus ook niet zo goed lezen,… Ze rijdt dan wel gratis, maar<br />

dat is net alles hé.” (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

“Boodschappen doe ik met de wagen. Ik ga graag naar de markt. In Kapellen<br />

en zo. Maar met de bus zie ik dat niet zo zitten, want ge zit dan toch met veel<br />

gerief en dan is het ambetant om te wachten op de bus en dan dat gesleur op<br />

de bus. Ik zie ook soms vrouwen met een buggy of zo op de bus. Ik zou dat niet<br />

graag doen hoor. “ (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

“We zijn ook met vijf thuis, dus als ik boodschappen doe dan is dat ook altijd<br />

veel. Ik heb wel zo’n karretje, maar dat is dan toch zwaar.” (Petra 44 jaar<br />

Brasschaat)<br />

“Toen ik een ongeluk had en niet met de wagen kon rijden moest ik alles met de<br />

bus doen. En dan sta je met je krukken op de bus, maar de mensen staan niet<br />

op zo hoor. En dat is echt niet te doen, met krukken op de bus.” (Petra 44 jaar<br />

Brasschaat)<br />

“Naar het museum overdag in de stad doe ik wel met de bus. Dat vind ik<br />

plezant, je kan dan goed babbelen op de bus en met mijn dochters naar het<br />

museum is echt tof. “ (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

“Soms ga ik eens shoppen naar Merksem en dan ga ik met de bus. Maar dat is<br />

dan als uitstapje” (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

“De kinderen nemen al eens de trein naar Gent of naar de zee als het goed<br />

weer is. Maar ja, het is ook weer niet zo goedkoop hé.” (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

139


“Mijn kinderen zijn alleen met de bus mogen gaan, allez dan wel in groep hé, als<br />

ze naar het humaniora zijn gegaan. Een jaar of 12 dus.” (Petra 44 jaar<br />

Brasschaat)<br />

“Zo veilig is de bus ook niet hé. Ge moet wel oppassen. Mijne zoon is eens zijn<br />

portefeuille gestolen, hij was dan 14 jaar of zo. Maar in zo’n situaties zijn dat nog<br />

kinderen hé. Zo veilig is dat dus niet hé. Voor kleine kinderen vind ik dat niet<br />

kunnen.” (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

“Ik vind het belangrijk dat ze op school de kinderen goed informeren over het<br />

gebruik van het openbaar vervoer. Ze doen dat nu en dat vind ik goed. Dan<br />

promoten ze het openbaar vervoer ook hé. Dat is goed voor het milieu en zo.”<br />

(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

“Voor culturele activiteiten ’s avonds nemen we altijd de wagen. En de kinderen<br />

nemen een taxi. Dan gaan ze met een hele groep en dan delen ze de kosten.<br />

Ze gaan liever met de taxi dan met de bus. Een beetje uit veiligheid. Ze voelen<br />

zich niet zo goed op de bus ’s avonds. En trouwens de laatste bus is om<br />

middernacht ofzo en ja… dan begint het nog maar pas voor die mannen.”<br />

(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

“Wat ik niet vind kunnen is dat al die bussen op de Rooseveldplaats hun motor<br />

zo laten draaien. Ze zijn altijd zo bezig over het milieu enzo, maar daar staan al<br />

die bussen met draaiende motoren. Dat kan toch niet. Dat is niet gezond, hé”<br />

(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />

Ignace (M) en Betty (V)<br />

Ignace is een 53 jarige bediende bij de bank. Hij woont samen met zijn vrouw,<br />

die huisvrouw is, in de Groenselstraat in Waasmunster. Ze hebben twee zonen die<br />

het huis verlaten hebben. Op dit ogenblik is hij op ziekteverlof. Bij het interview is<br />

ook zijn vrouw van 45 jaar aanwezig. Ze beschikken over één wagen. In de buurt<br />

waar ze wonen kunnen ze beroep doen op een belbus. De dichtstbijzijnde<br />

aansluiting op een reguliere lijn ligt ook maar op een 800 meter van hun woonst.<br />

Ze beschikken over twee wagen. Betty heeft dan ook altijd een wagen ter<br />

beschikking. In hun vrije tijd gaan ze graag naar Antwerpen, om te gaan<br />

wandelen en dan maken ze gebruik van de Park & Ride om hun wagen achter<br />

te laten en met de tram het centrum in te trekken. De belangrijkste reden is het<br />

vinden van parkeerplaats. Sinds Ignace het laatste jaar met de trein naar<br />

Antwerpen gaat werken, hebben ze het openbaar vervoer leren kennen en<br />

gebruiken ze ook meer de trein.<br />

“Basismobiliteit wat is dat? Dat is meestal onze wagen uiteindelijk hé.” (Ignace 53<br />

jaar Waasmunster)<br />

140


“Ik heb 27 jaar met de wagen naar mijn werk geweest. En nu het laatste jaar met<br />

de trein. Omdat ik beginnen werken ben in de Boerentoren in Antwerpen. Ik ging<br />

den eerste keer met mijn wagen en lap ik stond hier al stil op den E17 in Sint<br />

Niklaas. En dus den trein hé. Ik rijd nu met mijne wagen naar station in Lokeren en<br />

vandaar direct naar Antwerpen. En daar zou ik de tram kunnen nemen, maar ik<br />

ga te voet. Dat is goed voor de lijn. En in het terugkomen moet ik anders een<br />

half uur wachten op de bus. Dan ben ik al lang thuis.” (Ignace 53 jaar<br />

Waasmunster)<br />

“Als we naar Antwerpen gaan dan gaan we met den auto tot Melsele en van<br />

daar met de tram. We gaan niet ’t stad inrijden. Niet omdat we niet durven,<br />

want ik rijd over naar toe. Maar om te parkeren zijt ge beter met den tram. En<br />

onze auto blijft in Melsele op de P en R.” (Betty 45 jaar Waasmunster)<br />

“We hebben nog nooit gebruik gemaakt van de belbus. Onze zoon wel eens ne<br />

keer. Maar wij niet. We hebben dat niet nodig hé. We liggen hier centraal<br />

gelegen. Lokeren en Waasmunster liggen hier op 5 kilometer, Sint Niklaas op 10<br />

kilometer. Met den auto zijt ge daar direct hé.” (Ignace 53 jaar Waasmunster)<br />

“Den belbus is niet makkelijk hé. Ge moet dat al den dag tevoren bestellen. En<br />

als ik nu iets nodig heb, ja dan gaat dat niet hé. Ik heb daar wel al eens aan<br />

gedacht zé. Maar altijd als ik het direct moest hebben. Maar ik zie er wel soms<br />

oudere mensen staan voor de belbus zenne. Die gebruiken dat wel precies.”<br />

(Betty 45 jaar Waasmunster)<br />

“Ik heb één keer effectief geprobeerd om de belbus te pakken om met mijn zus<br />

naar de Zele te gaan. En ik bel de belbus voor de volgende dag naar Zele te<br />

gaan en dat kost zelfs niet. Ik moest eerst naar het station van Lokeren gaan en<br />

daar moest ik overstappen op een andere bus. Allez, is dat nu makkelijk voor<br />

oudere mensen?” (Betty 45 jaar Waasmunster)<br />

“Pas op de trein is daarom niet rapper hoor, maar ’t is gemakkelijk. Echt waar.<br />

Gene stress hé.” (Betty 45 jaar Waasmunster)<br />

“De grote boodschappen dat doen we met de wagen hé. Dat is anders veel te<br />

omslachtig. We gaan maar twee keer in de maand. En als ik echt iets nodig heb<br />

dan ga ik met de fiets. Hier een beetje verder is een winkeltje en een bakker. Ik<br />

zou dat gesleur op de bus niet zo goed gebeuren eigenlijk.” (Betty 45 jaar<br />

Waasmunster)<br />

“Ja, wij wonen ook landelijk hé. En ik denk dat menen zoals wij dan eerder de<br />

wagen nemen dan in ’t stad. Ge hebt em voor zo veel nodig en dan ja, dan<br />

gebruikt ge diene altijd hé.” (Ignace 53 jaar Waasmunster)<br />

141


“Naar de luchthaven zijn we de laatste keer met de bus gegaan en zijn we met<br />

de trein teruggekomen tot in Lokeren. Dan hadden we op de computer<br />

gekeken en hadden we dat uitgestippeld. En daarna ben ik nog met mijn<br />

vriendin naar Lourdes gegaan en dan zijn we ook met de trein tot in Lokeren<br />

gekomen. Ja, ne keer da ge da weet. Het is ook een beetje onwetendheid hé.”<br />

(Betty 45 jaar Waasmunster)<br />

“Het openbaar vervoer is ook kostelijk hé. Als we met den trein naar de zee<br />

moeten gaan dan is dat 400 frank. Daarvoor kunnen we toch met onze auto<br />

naar de zee gaan. Ik vind dat veel. Zeker met twee personen. Zijn abonnement<br />

ook hé. Dat is 102 euro voor een maand van Lokeren naar Antwerpen met de<br />

trein. Dat is toch ook veel, vind ik.” (Betty 45 jaar Waasmunster)<br />

“Ne keer dat we 65 zijn, dan gaan we veel meer het openbaar vervoer<br />

gebruiken. Dan is dat goedkoop hé. Of zelfs voor niets. Gelijk onze buur die is<br />

vorig jaar 65 geworden en die gaat nu overal met de trein naar toe. Maar pakt<br />

wel nog zijne auto naar station van Lokeren. Want hij vindt de bus ook niet<br />

gemakkelijk”. (Betty 45 jaar Waasmunster)<br />

“t’Is ook wel erg dat ge even veel moet betalen om te staan als om te zitten hé.<br />

En die jeugd die gaat zich niet rechtzetten hé. Die blijven schoon zitten. En gij<br />

hebt evenveel betaald of nog meer want zij hebben een schoolabonnement,<br />

maar ge kunt rechtstaan.” (Betty 45 jaar Waasmunster)<br />

“Wat ik niet versta is dat ik ’s morgens naar Antwerpen ga met de trein en dan is<br />

het een dubbeldekker en zit er niemand op en ’s avonds moet ge al van de<br />

eerste halte rechtstaan, dan zijn er toch wel te weinig wagons zenne. Dat ze<br />

daar niks aan doen. En ge ziet daar soms gehandicapten een half uur<br />

rechtstaan hé.” (Ignace 53 jaar Waasmunster)<br />

Gie (M)<br />

Gie is 67 jaar en gepensioneerd. Hij is gehuwd en ook zijn echtgenote is<br />

gepensioneerd. Ze hebben drie kinderen die allemaal uit het huis zijn en zij<br />

wonen in de Heidekapelstraat in Waasmunster. Beiden zijn nog in goede<br />

gezondheid en gaan graag weg. Ze kunnen daarvoor rekenen op een wagen,<br />

op het openbaar vervoer, op de fiets. Ze maken veelvuldig gebruik van het<br />

openbaar vervoer en ze vinden dat ook voor een stuk genieten. De<br />

dichtstbijzijnde bushalte bevindt zich op een kleine kilometer van zijn deur. Maar<br />

dat weerhoudt hen niet om de bus te nemen. Er is zelfs een belbushalte nog<br />

dichter bij, maar die gebruikt hij niet omdat hij dat voor hem niet nodig is. Hij<br />

vindt dat profiteren zolang hij de reguliere lijn kan gebruiken. Voor bijna elke<br />

verplaatsing die hij moet maken, kijkt hij nu eerst op het internet om te zien wat<br />

de mogelijkheden zijn met het openbaar vervoer. Maar natuurlijk is het eerste<br />

alternatief de wagen.<br />

142


Het openbaar vervoer is ook een ontdekking van enkele jaren. Voordien heeft hij<br />

altijd als zelfstandige thuis gewerkt en als hij zich moest verplaatsen, dan<br />

gebruikte hij de wagen.<br />

“Basismobiliteit is voor mij, mij kunnen bewegen naar een plaats waar ik wil, in<br />

<strong>Vlaanderen</strong> op onze wereldbol… Om iets te bezoeken.” (Gie 67 jaar<br />

Waasmunster)<br />

“Ik gebruik het openbaar vervoer. Ja, het is mij alles het ware op een schoteltje<br />

door Stevaert aangebracht hé. ’t Is gratis zoals de zon en die gebruik ik ook<br />

graag.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

“Als het echt slecht weer is dan neem ik de wagen tot aan de bushalte en dan<br />

ze ik hem op de parking en neem ik de bus. En anders ga ik te voet. “(Gie 67 jaar<br />

Waasmunster)<br />

“Om de stad te bezoeken, bijvoorbeeld Antwerpen, dan nemen we de auto tot<br />

Zwijndrecht en van daar de tram. Die bollen met u Antwerpen binnen. Waarom<br />

zou ik parking betalen en nog 20 keer voor rode lichten staan en mij<br />

zenuwachtig maken? Dat heeft geen zin hé. “(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

“Voor onze vrije tijd nemen we graag het openbaar vervoer. Om naar Gent of<br />

Antwerpen te gaan. Dan gaat mijn vrouw shoppen en dan doe ik iets anders hé.<br />

Een museum of zo. Allez om een uitstapje te doen.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

“Wij moeten ook regelmatig naar Antwerpen voor onze medische papieren. En<br />

dan pakken we ook altijd het openbaar vervoer. Ge kunt dat ook met uwen<br />

auto, maar dan steekt ge daar veel meer tijd en geld in.” (Gie 67 jaar<br />

Waasmunster)<br />

“Het is hier de laatste jaren ook veel verbeterd qua aanbod van openbaar<br />

vervoer. Ge kunt hier nu direct naar Sint Niklaas en naar Linkeroever. Binnenkort<br />

gaan we naar het sportpaleis in Antwerpen en dan nemen wij de tram. Het<br />

enige nadeel is voor mensen als ze laat moeten terugkeren. Rond 12 uur is de<br />

laatste tram.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

“Ik kijk altijd op het internet hoe ik ergens kan geraken. Natuurlijk is het eerste<br />

alternatief altijd mijne wagen. Die staat hier buiten en dat is gemakkelijk<br />

natuurlijk. Maar voor sommige verplaatsingen zijn er beter vervoersmiddelen dan<br />

mijne wagen. Bijvoorbeeld als ik naar Brussel wil, dan ben ik beter af met het<br />

openbaar vervoer. Want met de wagen zit ik sowieso vast in de file.“ (Gie 67 jaar<br />

Waasmunster)<br />

“Om naar Brussel te gaan bijvoorbeeld heeft het openbaar vervoer veel<br />

voordelen hé. Ge zijt normaal gezien stipt op tijd, wat met de wagen zeker niet<br />

het geval is. Ik heb geen parkingproblemen. Niks. En ik kan op de trein mijn gazet<br />

lezen.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

143


“Ik kijk wel altijd op het internet naar de uren van de trein. Dan vertrek ik op tijd<br />

met de wagen en dan parkeer ik mij aan het station in Sinaai. Dan moet ik<br />

misschien 5 minuutjes wachten, want ik wil natuurlijk geen uur blijven wachten op<br />

het perron hé.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

“Naar de luchthaven ook hé. Dan nemen we de trein naar de luchthaven. Juist<br />

een slachtoffer vinden om ons naar het station van Sinaai te brengen. Want ja,<br />

met uw valiezen op de bus of de tram, da zie ik niet zitten. Maar dat is relax hé.<br />

Onze vakantie begint dan al in Sinaai hé. Geen stress als ge toekomt op de<br />

luchthaven en zo.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

“Als we uitstappen doen, dan doen we dat wel in de week hé. En dan ook niet<br />

tijdens de spitsuren. Wij hebben de keuze, dus waarom zouden we in de drukte<br />

gaan.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

“Ik heb nu tijd hé. Dus zelfs als het met de wagen sneller zou zijn, dan nog neem<br />

ik graag het openbaar vervoer. Natuurlijk moet het niet te moeilijk zijn. Wij gaan<br />

graag wandelen in de Vlaamse Ardennen om daar wat te bezoeken,<br />

Geraardsbergen bijvoorbeeld. Daar moet ge van hier met het openbaar<br />

vervoer niet aan beginnen hé. Dan moet ge u al heel goed voorbereiden en<br />

dan nog dat wachten aan bushaltes. Dan hebt ge op ne dag niet veel gezien<br />

hé. Nu met de auto en het gps’ke van punt A naar punt B naar punt C en als ge<br />

een tof restaurantje of cafétje ziet dan stopt ge. De bus die rijdt dan door hé.”<br />

(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

“Mijne zoon die woont in Luxemburg. Dan gaan we met de trein. Voor 4 euro sta<br />

ik in Arlon. En daar staan bussen gereed die ons naar Luxemburg brengen. Dat is<br />

van hier 270 kilometers. Als ik dat met de wagen moet doen dan kost mij dat<br />

veel meer zenne.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

“In het weekend is het openbaar vervoer ook allemaal wat moeilijker. Daarom<br />

gaan we meestal in de week weg. De zaterdag en de zondag zijn er dan toch<br />

minder bussen en treinen. Ik rijd ook niet met de bus of de trein als er veel volk op<br />

zit. Tijdens spitsuren of zo. Of de trein-tram-bus-dag dan blijf ik thuis. Ik kan dat in<br />

de week ook doen hé. Waarom zou ik de drukte dan opzoeken?” (Gie 67 jaar<br />

Waasmunster)<br />

“Zoals de boekenbeurs. De tram 2 stopt aan de boekenbeurs en plats vindt ge<br />

daar nooit niet. Waarom zou ik daarvoor de auto nemen?” (Gie 67 jaar<br />

Waasmunster)<br />

“Pas op de mensen die hier aan de Linkeroever wonen, kennen den tram goed<br />

zenne. Die zitten altijd goed vol.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

144


“De belbus voor ons, dat vind ik erover. Dat buske moet dan rijden voor ons<br />

twee. Die chauffeur moet betaald worden. Dan voel ik mij ne profiteur. Voor<br />

oudere mensen is dat natuurlijk heel goed hé. Maar voor ons, wij zijn nog goed<br />

te been, dat is té. Ik bezie dat als een privé taxi op kosten van de gemeenschap.<br />

Voor ons hé.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />

Pol (M)<br />

Pol is 73 jaar en gepensioneerd. Samen met zijn eveneens gepensioneerde<br />

echtgenote wonen ze in de Rietweg in Merelbeke. In hun buurt hebben ze een<br />

bushalte op een 600 meter van hun deur. Ze beschikken over een wagen die ze<br />

gebruiken om boodschappen te doen, de kleinkinderen op te halen, om<br />

verwanten te bezoeken… Kortom voor ongeveer alle verplaatsingen die hij niet<br />

te voet of met de fiets kan maken wordt de auto gebruikt. Behalve voor de<br />

verplaatsingen naar de steden, waarvoor een beroep gedaan wordt op de<br />

parking van het station en de rechtstreekse treinverbinding. Wegens<br />

gezondheidsproblemen willen ze zo weinig mogelijk de straat op. Ze bundelen<br />

dan ook hun verplaatsingsbehoeften en dan nemen ze de wagen om die<br />

gezamenlijk af te werken. Pol geniet van de natuur en de groene omgeving<br />

waarin hij woont.<br />

“Basismobiliteit is de minimale mobiliteit die iedereen moet kunnen hebben om<br />

zich te verplaatsen. Waar de overheid moet zorgen dat de mensen zich op een<br />

behoorlijke manier moeten kunnen verplaatsen. Het minimum om zich te kunnen<br />

verplaatsen van A naar B en om de behoeften te bevredigen op het vlak van<br />

boodschappen kunnen doen, verwanten te bezoeken en openbare diensten te<br />

gebruiken.” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

“Het zich kunnen verplaatsen is toch vrij belangrijk. Neem nu bijvoorbeeld de<br />

dokter. Stel dat je altijd de dokter moet laten komen, dan kost dat toch veel<br />

meer dan dat je zelf ook naar de dokter toe kan.” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

“Ikzelf ben hartpatiënt en om de drie weken moet ik mij naar de dokter kunnen<br />

verplaatsen om mijn bloed te laten nemen. Dat zijn verplichtingen die men heeft<br />

als men ouder wordt voor iedereen. (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

“Mijn moeder, die vorig jaar gestorven is, zat in een bejaardentehuis in Kaprijke<br />

dat is ongeveer 35 kilometer van hier. Ik ging daar twee keer per week naar toe.<br />

Dat was natuurlij keen hele verplaatsing en als ik met het openbaar vervoer wou<br />

gaan dan was dat quasi onmogelijk. Dat zou een expeditie zijn van een hele<br />

dag. Omdat de uren van de bussen niet goed overeenkomen, de verbindingen<br />

zijn niet goed,… Ik verplaats me dus de auto.” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

“Ik heb een druk beroepsleven gehad en ik was eigenlijk vanzinnens om mijn<br />

auto aan de kant te schuiven. Ik heb altijd veel rondgereden en ik was de drukte<br />

op de weg echt beu. Wel, ik heb dat even geprobeerd maar dan heb ik mij<br />

toch een klein wagentje aangeschaft.” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

145


“Ik rijd met een klein wagentje onder andere omdat ik met mijn vrouw<br />

regelmatig eens naar het grootwarenhuis moet om een hele wagenlading<br />

artikelen voor het huishouden moet gaan halen. Als we dat met het openbar<br />

vervoer moeten doen dan zijn dat verschillende expedities per week die we<br />

moeten ondernemen. “(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

“Pas op, het openbaar vervoer is belangrijk hé, want hoe meer mensen zich<br />

gezamenlijk verplaatsen hoe beter voor het leefmilieu hé. Daar ben ik vast van<br />

overtuigd. Maar je moet steeds op een bepaald moment in je leven kijken wat<br />

doenbaar is en wat niet doenbaar is met het openbaar vervoer. Ik verplaats me<br />

dus niet met het openbaar vervoer. Tenzij ik verder moet bijvoorbeeld naar<br />

Brussel of Antwerpen naar de boekenbeurs. Dan neem ik bij voorkeur de trein,<br />

omdat er te veel files zijn, omdat het heel goedkoop is,…” (Pol 73 jaar<br />

Merelbeke)<br />

“De bus gebruik ik sowieso niet omdat ik mijn verplaatsingen die iets verder dan<br />

loop- of fietsafstand zijn gebruik ik mijn wagen. Omdat we onze boodschappen<br />

bundelen en we eigenlijk zo weinig mogelijk de straat op willen. (Pol 73 jaar<br />

Merelbeke)<br />

“Geloof het of niet, maar 50 jaar geleden nam ik de bus in Kaprijke om in Gent<br />

naar school te gaan. Wel ik nam de bus aan het stadhuis van Kaprijke en ik werd<br />

afgezet aan de Korenmarkt. Nu moet ik voor dezelfde rit minstens twee maal<br />

overstappen ofzo.” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

“Nu is dat niet te doen om van hier naar Kaprijke te gaan. Die uren en die<br />

aansluitingen, ge zijt echt uren onderweg.” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

“De dinsdag moet ik de kinderen van mijn zoon naar school voeren en gaan<br />

halen. Dat is een schooltje hier een paar straten verder, dus heeft het geen zin<br />

om met het openbaar vervoer te gaan. Ik ga wel met de wagen want dat ligt<br />

op een ‘berg’ en met de fiets is dat voor mij niet meer te doen. Dat is een veel<br />

grote inspanning voor mij in mijn toestand.” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

“Slechts weinig kinderen gaan van hier alleen naar school. Door onze<br />

schabouwelijke ruimtelijke ordening is dat niet te doen. Ze moeten hier de<br />

Gullegemsesteenweg over. Dat is een moordende baan, dat zou<br />

onverantwoordelijk zijn.” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

“Stel dat ik naar mijn dochter moet, die woont in Melle. Dat zou dus een hele<br />

studie zijn om te achterhalen hoe ik daar moet geraken. Van hier naar Gent met<br />

de bus, dat is geen probleem, maar het is van daaruit naar de rand dat het niet<br />

altijd makkelijk is. Zeker als die locatie een beetje uit het centrum gelegen is.”<br />

(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

146


“Vooral dat wachten is verschrikkelijk. Als je daar een half uur moet wachten in<br />

de regen. Als oudere mens is dat niet goed allemaal hé.” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

“Als mijn vrouw naar haar familie zou willen gaan. Die wonen in Zwijnaarde en<br />

dat is hier amper 3 of 4 kilometer vandaan. Dan moet ze eerst een bus nemen<br />

naar het centrum van Merelbeke. Daar overstappen dan naar Zwijnaarde awel<br />

ze is een uur onderweg. Ze zou bijna te voet kunnen gaan.” (Pol 73 jaar<br />

Merelbeke)<br />

“Het academisch ziekenhuis ook. Dat ligt in vogelvlucht op nog geen twee<br />

kilometer van hier. Dan moeten we eerst naar Gent Zuid en dan van de Zuid<br />

terug. In de zomer rijden we daar gemakkelijk met de fiets naar toe.” (Pol 73 jaar<br />

Merelbeke)<br />

“Mocht de auto er nu niet zijn, dan zou ik toch meer gebruik maken van de fiets.<br />

Een elektrische fiets dan en ook in de zomer natuurlijk. Maar als het koud is en het<br />

vriest, ja… dan zouden we niet anders kunnen dan gebruik te maken van de<br />

bus…” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

“Als je de pech hebt om je met de bus te verplaatsen als de kinderen juist van<br />

school komen, ja, dan kom je in een heksenketel terecht hé. Kinderen hebben<br />

ook geen discipline meer. Ze gaan hun plaats ook niet meer afstaan, zenne.”<br />

(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />

Vic (M), Nancy (V) en Bart (M)<br />

Vic is 8 jaar en woont met zijn vader en moeder in de Bosstraat in Schelderode<br />

(Merelbeke). Zijn wekelijkse verplaatsingen beperken zich tot de school, de<br />

training atletiek, naar de cross en de winkel en soms naar de grootouders. Naar<br />

school en naar de grootouders gaat hij met de fiets of naar school. Naar de<br />

training wordt hij steeds gebracht door de ouders, die zelf ook aan atletiek doen.<br />

De korte verplaatsingen gebeuren met de fiets of te voet, maar wel in bijzijn van<br />

één van de ouders.<br />

De dichtstbijzijnde bushalte is iets meer dan een kilometer van de woonst<br />

gelegen. Er zijn twee wagens in het gezin, waarvan 1 firmawagen.<br />

Het interview verloopt in het bijzijn van moeder Nancy, een 28-jarige<br />

verpleegster en Bart, eveneens 28 jaar en vertegenwoordiger van beroep.<br />

“Met oma gaan we soms met de bus naar de markt als ze de auto niet heeft,<br />

maar met mijn mama en papa niet” (Vic 8 jaar Merelbeke)<br />

“Als ik om kwart voor zeven moet beginnen dan heb ik hier geen verbinding en<br />

als ik de late heb, dan heb ik om kwart na negen gedaan en dan kan ik ook niet<br />

met de bus terugkomen.” (Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />

147


“Naar de training gaan we alle vier en dan nemen we nog iemand vanuit de<br />

buurt mee. Naar de cross brengen we hem natuurlijk, maar ja met al dat<br />

materiaal.” (Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />

“Ik denk dat hij (zoon 8 jaar) wel met de fiets naar school zou kunnen gaan.<br />

Maar ze moeten wel een gevaarlijke steenweg over en de mensen stoppen niet.<br />

Ik denk wel dat hij dat zou kunnen, maar ik ga toch liever mee.” (Nancy 28 jaar<br />

Merelbeke)<br />

“Ik weet eigenlijk niet waarom ik het openbaar vervoer niet meer gebruik. Ik ben<br />

daar niet mee opgegroeid. Vroeger had ge hier alleen maar een bus naar Sint-<br />

Pieters en dan had ge altijd een auto nodig. En nu, ja met mijn werk gaat dat<br />

ook al niet. En ik weet ook niet welk aanbod er nu is. Ik weet alleen dat er nu<br />

meer lijnen zijn. Maar ik heb daar geen behoefte aan.” (Nancy 28 jaar<br />

Merelbeke)<br />

“Mijne man heeft een firmawagen, dus ja het openbaar vervoer is sowieso<br />

duurder. En naar de winkel zou dat ook al niet gaan. We gaan één keer per<br />

week naar de winkel en dan zit de koffer helemaal vol. Met een gezin van vier.”<br />

(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />

“Aan de atletiekpiste is trouwens geen halte. Dus dat gaat sowieso ook al niet.<br />

En dan nog. Ik zou mijn kinderen daar nu niet laten staan om de bus te nemen.<br />

Het is daar afgelegen en donker.” (Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />

“Als hij naar het middelbaar gaat dan zal mijn zoon wel de bus nemen. Of<br />

misschien met de fiets. Maar dan mag hij wel de bus nemen.” (Nancy 28 jaar<br />

Merelbeke)<br />

“Basismobiliteit is voor mij het aanbod van het openbaar vervoer voor mensen<br />

die geen auto hebben om zich te verplaatsen van A naar B”. (Bart 28 jaar<br />

Merelbeke)<br />

“Hier wat verder woont een oudere vrouw en die woont zeker drie kilometer van<br />

de eerste bushalte, maar die zie ik altijd met de fiets gaan. Maar die is al oud<br />

hoor. Ik weet niet wat die gaat doen als ze niet meer met de fiets kan gaan”<br />

(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />

“En als we dan al eens besluiten om het openbaar vervoer te nemen, dan<br />

hebben ook nog zo veel geluk. We zijn is naar de Samson en Gert-show geweest<br />

in Antwerpen en het was een lijnbreuk. We moesten in Berchem afstappen, daar<br />

moesten we een bus gaan zoeken en dus waren we te laat. We zijn is naar de<br />

zoo geweest met een B-Dagtrip, dan hebben we heel de baan mogen<br />

rechtstaan. We zijn eens naar Planckendael geweest en we wilden een trein-bus<br />

combinatie doen, maar het was een feestdag en dan reed die bus niet. Dan<br />

hebben we een boot moeten pakken waar we een uur op hebben moeten<br />

wachten…” (Bart en Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />

148


“Als het goed weer begint te worden dan is er voor zijn school wel een fietspool.<br />

Dat vind ik wel een goed initiatief. Dat is goed georganiseerd.” (Bart 28 jaar<br />

Merelbeke)<br />

Nele (V) en Karen (V)<br />

Nele is 12 jaar en woont met haar moeder Karen (30jaar) en vader en haar<br />

jongere broer in de Fortenstraat in Heide (Waasmunster). De dichtstbijzijnde<br />

bushalte bevindt zich op iets meer dan een kilometer van het huis. Ze gaat naar<br />

het humaniora met de bus, een rechtstreekse lijn, maar soms ook met de fiets en<br />

dat doet ze wel liever.<br />

In hun buurt rijdt ook een belbus, maar daar heeft het gezin nog geen gebruik<br />

van gemaakt. Het andere aanbod van de Lijn wordt wel regelmatig gebruikt.<br />

Karen gebruikt soms de bus om naar het werk te gaan, maar als ze laat moet<br />

werken dan heeft ze een heel slechte aansluiting. Het gezin beschikt over één<br />

wagen en die wordt gedeeld door de twee werkende ouders. Als het kan, dan<br />

gaat ze met de wagen.<br />

“In de week als het slecht weer is ga ik naar de school met de bus anders met<br />

de fiets, met de fiets ook naar de scouts, dat is niet ver. En als ik met vriendinnen<br />

naar het Koopcentrum ga, dan ga ik met de bus.” (Nele 12 jaar Waasmunster)<br />

“Basismobiliteit is voor ons de fiets” (Karen 30 jaar Waasmunster)<br />

“Ik neem de bus omdat als het regent, ik met de fiets helemaal nat ben. En nu is<br />

het ook donker ’s morgens en ’s avonds” (Nele 12 jaar Waasmunster)<br />

“Ik neem ook de bus, maar de verbinding is soms wel erg. Eergisteren had ik om<br />

halfacht gedaan en ik was om negen uur thuis. Met de wagen is dat misschien<br />

20 minuutjes ofzo. Maar als ik mijn verbinding mis dan is het niet evident.” (Karen<br />

30 jaar Waasmunster)<br />

“Ik vind ook dat ons dochter eigenlijk pas op die leeftijd echt klaar was om met<br />

de bus te gaan. Dat viel wel samen met de noodzaak om de bus te nemen.<br />

Maar veel vroeger zou dat toch niet gegaan zijn.” (Karen 30 jaar Waasmunster)<br />

“Als we naar het Koopcentrum gaan met vriendinnen dan nemen we de bus.<br />

Niet allemaal dezelfde, maar we spreken daar af.” (Nele 12 jaar Waasmunster)<br />

“Naar Brussel of naar Gent ofzo neem ik ook de trein. Dat is dan toch makkelijker<br />

dan de wagen. “(Karen 30 jaar Waasmunster)<br />

“Soms als de bus te laat is, dan weet ik niet of de bus al weg is of niet en dan<br />

weet ik niet wat doen.” (Nele 12 jaar Waasmunster)<br />

“Ge verliest ook veel tijd als ge bijvoorbeeld naar Stekene of zo wilt gaan hé.<br />

Dan moet ge van hier met de bus eerst naar de markt van Sint Niklaas om daar<br />

de bus te nemen naar Stekene.” (Karen 30 jaar Waasmunster)<br />

149


150


Lies (V)<br />

Lies is een 37 jarige zelfstandige die samen met haar echtgenoot een<br />

tuincentrum openhoudt. Ze woont in de Bosstraat in Schelderode (Merelbeke)<br />

en ze heeft 4 kinderen van 10, 8, 7 en 5 jaar. Ze woont in een landelijke<br />

omgeving en heeft een bushalte op ongeveer een kilometer van haar deur. In<br />

het gezin zijn twee wagens beschikbaar.<br />

Ze gebruikt quasi uitsluitend de wagen. De kinderen gaan allemaal naar de<br />

basisschool op ongeveer 700 meter van huis. In de winter worden ze met de<br />

wagen gevoerd, maar in de zomer gaan ze zo veel als mogelijk met de fiets.<br />

Naar de winkel gaat ze één maal per week met de wagen. Uitstappen naar zee,<br />

naar Antwerpen, naar een evenement of naar de luchthaven gebeuren met de<br />

trein. De belangrijkste argumenten hiervoor zijn de files en de<br />

parkeermoeilikheden. Maar de bus gebruiken ze niet.<br />

“Mocht ik geen wagen hebben, dan zou ik niet weten wat te doen. Al die<br />

activiteiten van de kinderen… Ik denk dat ze veel thuis zouden zitten. Neen,<br />

sommige dingen zouden zeker niet lukken. De tekenacademie bijvoorbeeld. Ik<br />

zou het niet zien zitten om met haar met de bus naar Gent te gaan en ze dan<br />

twee uur later opnieuw te gaan halen. Of ik moet daar blijven. Maar dat zie ik<br />

ook niet zitten.” (Lies 37 jaar Merelbeke)<br />

“Wat we wel doen is de kinderen met de fiets naar de scouts brengen. Maar dat<br />

is een hele andere situatie. Dan heb je tijd. Dan vind ik het niet erg om vier keer<br />

over en weer te rijden.” (Lies 37 jaar Merelbeke)<br />

“Zonder auto zou ik geen boodschappen kunnen doen. Stel u voor, een gezin<br />

van 6. Wij wonen hier op het platteland hé. In de stad zou het misschien nog<br />

gaan. Maar hier?” (Lies 37 jaar Merelbeke)<br />

“Een vriendin van mij, die is alleen met haar kindje die heeft vorig jaar haar auto<br />

verkocht. Ze heeft een elektrische fiets gekocht en ze doet veel met de bus.<br />

Voor haar alleen was een auto te kostelijk. Natuurlijk zij is alleen hé.” (Lies 37 jaar<br />

Merelbeke)<br />

“Wij gaan altijd naar het station van Merelbeke. Of soms naar Gent Sint-Pieters.<br />

En we laten onze wagen achter aan het station.” (Lies 37 jaar Merelbeke)<br />

“Vroeger als de kinderen nog klein waren, moesten we te veel meesleuren als<br />

we naar zee gingen. Dan gingen we naar Gent Sint-Pieters om de trein te<br />

nemen. Dan moesten we niet meer overstappen.” (Lies 37 jaar Merelbeke)<br />

151


“Binnen twee jaar zal de oudste dan waarschijnlijk wel de bus nemen om naar<br />

de school te gaan. Dan zal ze met haar fiets tot aan de bus rijden en van daar<br />

naar school. We zouden haar daarvoor ook naar Zwijnaarde sturen omdat het<br />

makkelijk is. Met de fiets naar daar zou ik haar niet laten gaan. Ze moet dan<br />

langs een verlaten stuk langs het water en dan langs een drukke baan. Dan ben<br />

ik te ongerust. En ik ben ook niet bereid om kweenie hoe lang in de file te gaan<br />

staan om speciaal haar te brengen als er een bus rijdt.” (Lies 37 jaar Merelbeke)<br />

“Nu zou ik haar nog niet et de bus laten gaan. Misschien zou het zelf wel kunnen<br />

hoor, maar ik zou haar zelf niet durven laten gaan. Ik zou haar ook niet alleen<br />

met de trein laten gaan. Zelfs niet als ik er haar opzet en ze haar bij aankomst<br />

terug afhalen. Ze is nog maar 10 jaar. Misschien ben ik overbezorgd? Misschien<br />

dat kinderen in de stad vlugger de bus nemen?” (Lies 37 jaar Merelbeke)<br />

“De bus vind ik niet duur, maar de trein… Allez, voor ons nu niet omdat we aan<br />

halve prijs rijden en de kinderen rijden gratis, maar als ik met een vriendin mee<br />

ga en zie wat zij moet betalen, dan vind ik dat toch niet goedkoop.” (Lies 37 jaar<br />

Merelbeke)<br />

“Het moet ook allemaal vlug gaan. Ik wil rap boodschappen doen voor de<br />

kindjes te gaan halen ofzo. Allez, hier op Schelderode zijn er niet zo veel bussen.<br />

Dan zou ik serieus moeten plannen binnen de uurroosters van de bus.” (Lies 37<br />

jaar Merelbeke)<br />

“Naar de bakker stuur ik soms de oudste met de fiets. Naar de slager niet, want<br />

dan moet ze de straat over steken. Ikzelf neem zelden de auto om<br />

boodschappen te doen. Ik doe die boodschappen als ik terug kom va het werk<br />

en voor ik de kinderen ga halen.” (Lies 37 jaar Merelbeke)<br />

Hilde (V)<br />

Hilde is 60 jarige huisvrouw en is nu gepensioneerd. Ze woont samen met haar<br />

eveneens gepensioneerde echtgenoot in de Lijsterstraat in Aalbele (Kortrijk). Ze<br />

beschikken over één wagen in het gezin en ze hebben een bushalte op<br />

ongeveer 600 meter van de woning. Ze nam steeds de bus op maandag naar<br />

Kortrijk, voor de markt, maar sinds een aanpassing in de kostprijs van de lijn<br />

Aalbeke Kortrijk doet ze dat niet meer. Tot sinds kort was deze op de marktdag<br />

gratis voor mensen boven de 55 jaar. Nu dient ze te betalen en gaat ze met de<br />

auto naar de markt in Kortrijk. Verder gebruikt ze nog de wagen om naar de<br />

kinderen te gaan, om boodschappen te doen of om naar de bazaar te gaan.<br />

Ze wacht nu tot haar 65 ste om opnieuw de bus te nemen. Maar eigenlijk gaan ze<br />

niet veel weg. Ze wandelen en fietsen nogal graag in de omgeving.<br />

“Basismobiliteit is dat ge u gemakkelijk kunt verplaatsen hé. Dat ge niet te ver<br />

van uw deur een bus hebt, tja.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

152


“Ik mag nu niet meer mee gaan hé vanaf 55 jaar. Allez toch niet gratis. Ze<br />

hebben dat overlaatst afgeschaft, hier. Nu is het vanaf 65 zoals overal. Dat was<br />

alleen in Kortrijk dat ge de maandag vanaf 55 mocht meegaan hé. Met de<br />

markt. Maar ja, ze hebben het afgelast. Het zal te weinig aftrek gehad hebben<br />

zeker. “(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

“De maandag met de bus naar de markt. We waren met nog veel mensen van<br />

hier die dat deden hoor. Maar sinds het niet meer gratis is gaan we niet meer hé.<br />

Dat is normaal hé. We gaan nu met de wagen. Er ging nochtans nogal wel wat<br />

volk mee. Nu is dat 2 euro dat is te veel geld hé om met de bus naar Kortrijk te<br />

gaan.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

“Nu neem ik de bus niet meer tot ik 65 jaar ben. Pas op, boodschappen naar de<br />

bazaar en naar de kinderen is sowieso met de wagen. Maar vroeger als ge iets<br />

klein nodig had, ja dan pakte ik de bus en ging ik naar Kortrijk. Of naar de bank<br />

ofzo.“ (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

“Ik vind het openbaar vervoer veel gemakkelijker dan de auto, hoor. Ge moet<br />

geen parking zoeken, ge staat niet in de files. Dat is tof. Ge stapt af en ge zijt<br />

weg. En een beetje wachten op de bus vind ik ook niet erg. Maar ja, het is te<br />

duur.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

“Als ik 65 ben dan gaan we ook meer de trein pakken om ne keer te gaan<br />

wandelen of zo. We doen dat graag. Nu gaan we met de auto. Als ge met de<br />

trein naar de zee wilt gaan met de trein, dan is dat nu veel te duur hé. Het zou<br />

nochtans plezant zijn.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

“We zijn ook niet goed vertrouwd met die uren en die haltes enzo hé. Gelijk naar<br />

het shoppingcenter, ik peins wel dat daar ne bus stopt, maar ik heb daar geen<br />

informatie over hé. Ik heb juist een boekske voor de lijn van Moeskroen naar<br />

Kortrijk. Maar dat is ook de enige bus dat we hier hebben.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

“De bus is ook niet altijd gemakkelijk hé. Als ik naar Bellegem of Rollegem moet,<br />

dan moet ik eerst met de bus naar Kortrijk en vandaar naar Rollegem. Maar dat<br />

is maar om de twee uur en dat is niet interessant.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

“Maar ge moet hier nu weg hé. De bank is hier weg, het syndicaat is hier weg,<br />

alles gaat hier weg en het gaat allemaal naar Rollegem. Dus de mensen<br />

moeten altijd naar Rollegem om naar de bank of zo te gaan. En dan moeten ze<br />

eerst naar Kortrijk om van daar de bus te nemen naar Rollegem.” (Hilde 60 jaar<br />

Kortrijk)<br />

“Hier in Aalbeke is er niks ni meer. Juist een bakker en een beenhouwer. Maar<br />

geen brillenwinkel, geen schoenwinkel, dat is hier allemaal niet te vinden. Nen<br />

tandarts ja, dat is al. Alle jonge mensen gaan hier weg hé. En de winkels hebben<br />

hier dan geen afzet en ze zijn weg. Het zijn hier allemaal oude mensen en ja, als<br />

153


ze geen auto kunnen rijden… Da’s een probleem hé. De bus is goed, maar ze<br />

moeten kunnen hé.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

“Mijn buurvouw is 76 en ze gaat soms met de bus naar Kortrijk, maar ze is niet zo<br />

goed te been hé. En ’t is haar zoon die één keer in de week komt om met haar<br />

boodschappen te doen”.<br />

“Als ge dan naar de bank in Rollegem gaat hebt ge maar om de twee uren<br />

een bus. Wat zijt ge daar mee als ge juist naar de bank moet. Ge staat daar dan<br />

twee uren te wachten. Juste om naar de bank te gaan. Ge zijt daar op een half<br />

uur buiten en dan staat ge daar een uur en een half te kijken. Ge kunt daar niks<br />

anders doen hé. Dat gaat toch niet hé. Der zit daar ook niemand op. Ah ja ge<br />

zijt meer dan twee uur weg om naar Rollegem te gaan en ’t is hier 5 kilometer<br />

van. Ah ik ben veel rapper met de fiets en zekerst met de auto.” (Hilde 60 jaar<br />

Kortrijk)<br />

“We gaan nu bijna niet meer naar Kortrijk. Sinds dat we moeten betalen, sinds<br />

begin dit jaar zijn we maar drie keer meer gegaan. En anders minstens 1 keer per<br />

week. Nu ga ik bijvoorbeeld met de wagen naar de bank in Rollegem en anders<br />

ging ik naar Kortrijk naar de bank en deed ik daar nog een wandelingske. We<br />

zijn dan een achternoen weg.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

“Ik ken hier nog mensen die niet meer gaan. Een beetje verder woont een<br />

koppel waarmee ik naar de markt in Kortrjjk ging. Awel sinds dat we moeten<br />

betalen gaat hem nog alleen, naar de markt. Zij gaat niet meer mee. Hij is 65 hé,<br />

hij moet niet betalen. Pas op hij gaat soms ’s ochtends en ’s achternoens gaat hij<br />

nog eens naar Kortrijk.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

“Ik zie nu ook veel minder mensen. Als we naar de markt gingen, ah ja dan zag<br />

ik nog veel mensen hier uit de buurt aan de bushalte en dan deed ik een klapke.<br />

Ge praat altijd tegen iemand hé. Nu zie ik die mensen bijna niet meer. Da’s wel<br />

spijtig.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />

Iris (V) en Elke (V)<br />

Iris is 11 jaar en ze woont samen met haar moeder Elke (37 jaar), vader en haar 2<br />

jongere broers in de Groenselstraat in Waasmunster. Naar school gaat ze met de<br />

fiets of met de auto als het slecht weer is. Elke donderdag gaat ze met de bus<br />

naar de dansles. Ze kan daarvoor de bus nemen op een kleine kilometer van<br />

waar ze woont. Ze neemt de bus alleen om naar Sint Niklaas te gaan, maar<br />

terug komen durft ze nog niet omdat ze moet wachten en in het donker moet<br />

stappen. Haar ouders komen haar dan in Sint Niklaas halen.<br />

Haar moeder Elke werkt in Gent en gaat sinds kort met de fiets of met de auto<br />

werken. Voordien ging ze met de trein uit Lokeren en met de bus en een paar<br />

keer deed ze ook beroep op de belbus.<br />

In het weekend gaan ze op familiebezoek en dat doen ze met de wagen.<br />

154


“De dansles is van half zes tot half zeven in Sint Niklaas. En dan ga ik met de bus.<br />

Als het gedaan is dan komen mijn ouders mij halen. Ze zijn dan thuis en anders<br />

moet ik een half uur wachten op de bus. En dat durf ik niet. Het is dan al donker<br />

en ik moet ook een stukje stappen van de school tot aan de halte en hier ook.”<br />

(Iris 11 jaar Waasmunster)<br />

“Als ik naar de dansles ga dan kom ik thuis van school met de fiets, dan moet ik<br />

snel mijn spullen nemen en dan naar de bus stappen. En meestal komt hij dan<br />

direct. Dan moet ik niet wachten.” (Iris 11 jaar Waasmunster)<br />

“Nu ga ik altijd werken met de fiets of als ik de late heb met de auto. Maar<br />

vroeger ging ik wel met de trein en met de bus en in het begin zelfs met de<br />

belbus. Want een tijdje geleden waren hier bijna geen bussen. Twee ’s avonds<br />

en twee ’s morgens en dan nog één onder de middag en dat was het. Nu zijn er<br />

heel veel lijnen bijgekomen hier.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

“Ik heb de belbus geprobeerd, maar ik heb geen vaste uren en als ge de belbus<br />

reserveert, ja dan zit je vast. En op een gegeven moment heb ik dan besloten<br />

om met de fiets of met de auto te gaan.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

“Als je niet juist weet om welk uur je de volgende dag moet beginnen, dan is de<br />

belbus niet makkelijk. Soms was ik te laat om te kunnen reserveren omdat ik mijn<br />

uurrooster pas laat had.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

“Als het regent of ik weet dat ik nog boodschappen moet doen in de terugweg,<br />

ja dan neem ik de auto. Maar het probleem is dan dat ik niet gemakkelijk<br />

parkeerplaats vindt in Gent.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

“Volgend jaar ga ik naar het humaniora, maar ik weet nog niet goed naar waar.<br />

Maar het zal Lokeren of Sint Niklaas worden want Eksaarde is nogal moeilijk<br />

bereikbaar. Er is geen bus naar daar of ik moet eerst naar Lokeren. Als ik naar<br />

Lokeren ga dan kan ik let de fiets als het goed weer is, maar naar Sint Niklaas<br />

moet ik sowieso met de bus, want dat is te ver.” (Iris 11 jaar Waasmunster)<br />

“In het weekend gaan we dikwijls naar familie met de wagen. Ik denk dat het<br />

nogal kostelijk zou zijn voor ons vijf om met de bus te gaan en ja, natuurlijk ook<br />

de vrijheid. Je komt naar huis wanneer je wil hé.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

“Ik vind de bus en zeker de trein eigenlijk comfortabeler dan de wagen, maar als<br />

je een combinatie moet nemen van bus-trein-bus, ja dan is het comfort weg.”<br />

(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

“Mijn moeder en mijn schoonmoeder komen wel met de trein naar hier. Zij<br />

komen met de trein en met de bus, want ze kunnen alle twee niet met de auto<br />

rijden. En ze vinden dat alle twee ook heel plezant. Pas op mijn schoonmoeder<br />

die komt zelfs van Nederland, dus die moet nog veel uitstappen. Nu ziet ze daar<br />

155


wel wat tegenop omdat ze wat ouder wordt en omdat het ook druk is op die<br />

lijn.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

“Mijn moeder die gebruikt de belbus vrij veel. Ze is 72 jaar en nog goed te been.<br />

Maar ze is niet tijdsgebonden en ze kan zich regelen hé. En ze doet dat goed, ze<br />

neemt dan de belbus naar het station en dan de trein naar Lokeren en dan de<br />

bus naar hier. Ze vertrekt dan wel ‘s morgens vroeg en dan is ze tegen de<br />

middag hier.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

“Vroeger gingen mijn ouders bijna nooit weg. Het zjjn landbouwers geweest en<br />

ze moesten laat werken, enfin ze gingen niet veel weg. Mijn vader nog niet<br />

trouwens. Het is altijd mijn moeder die alleen op stap is. Maar sinds haar<br />

pensioen, dan gaat ze met de bus naar Kaprijke en zit ze in allerlei verenigingen<br />

en zo. Ze doet dat heel graag.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

“Samen gaan ze ook wel eens weg hoor, zo ne keer de bus pakken en ergens<br />

gaan wandelen. Ja, ze profiteren daar wel van.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

“Ik zou zelf ook wel veel de bus en zo willen pakken hoor. Mocht de tijdsdruk er<br />

niet zijn. Nu verlies je zo veel tijd met het wachten op de bus. Nu kom je in het<br />

station toe en je springt op de fiets. En je bent weg.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

“Ik wil ze nu ook niet forceren om de trein of de bus te nemen. Want nu durft ze<br />

nog niet zo goed en eigenlijk moet ge toch een beetje uw manneke staan op<br />

de bus of de trein hé; ” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

“Ik denk wel dat de jongere kinderen misschien rapper de bus gaan pakken. De<br />

oudste zal de weg moeten wijzen hé. En als ze dan met grote zus eens<br />

meegegaan zijn…” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />

“Moesten we nu in Waasmunster centrum wonen dan denk ik toch dat de<br />

kinderen meer activiteiten zouden doen in hun vrije tijd. Nu gebeurt het toch wel<br />

eens dat we iets niet doen omdat we dan denken, ja het is praktisch niet<br />

haalbaar. Het turnen bijvoorbeeld heeft ze moeten laten vallen. Of als wij geen<br />

tijd hebben, dan kan ze ook niet naar de jeugdbeweging.” (Elke 37 jaar<br />

Waasmunster)<br />

Simona (V) en André (M)<br />

Simona is een 55-jarige huisvrouw. Ze woont samen met haar echtgenoot<br />

André(die op ziekteverlof is) in de Bosstraat in Merelbeke. In de randgemeente<br />

waar ze wonen hebben ze maar een beperkt aanbod aan openbaar vervoer<br />

en ze zijn niet gewoon om het openbaar vervoer te nemen. Enkel aan de kust<br />

waar ze wel graag gebruik maken van de kusttram. Ze hebben één wagen in<br />

het gezin, maar vermits ze beiden thuis zijn is deze altijd ter beschikking.<br />

156


In de periode dat de André wel ging werken in Brussel, had Simona echter geen<br />

auto en kon ze niet weg. Nu ze beiden thuis zijn, gaan ze nog altijd niet veel<br />

weg. Ze vinden vooral de kostprijs van het openbaar vervoer een obstakel.<br />

“Basismobiliteit… voor ons is dat de garage opendoen, de auto instappen en<br />

vertrekken” (André 59 jaar Merelbeke)<br />

“Hier kunt ge niet anders dan een auto pakken hé. Het is hier al iets of wat<br />

verbeterd tegenover enkele jaren, maar ja het is eigenlijk nog niet om op te<br />

stoefen.” (Simona 55 jaar Merelbeke)<br />

“Nu is er we om het uur een bus naar het UZ in Oudenaarde. Vroeger was dat<br />

niet. Eén ’s morgens, ene onder de middag en dan nog ene ’s avonds.” (Simona<br />

55 jaar Merelbeke)<br />

“Aan de zee nemen we wel altijd de kusttram. Dat is een groot verschil met hier<br />

hé. Daar is om de 10 minuten een tram, hier passeert er een om de twee uur.<br />

Hoewel het de laatste jaren wel verbeterd is.” (Simona 55 jaar Merelbeke)<br />

“Maar ja, de bus hier gaat naar het UZ of naar Gent Zuid en dan moet ge<br />

vandaar nen andere bus nemen om naar het centrum te gaan en ja, ge zijt dat<br />

dan niet gewoon en ge doet dat niet hé.” (Simona 55 jaar Merelbeke)<br />

“Een parkeerplaats vinden in de stad is zo geen groot probleem. Toch niet als ge<br />

in een betaalparking gaat. En als we met twee de bus nemen dan is het duurder<br />

dan de parking hoor!” (André 59 jaar Merelbeke)<br />

“De prijs van de tram is geen lolleke zenne. Als wij aan zee de tram nemen van<br />

Blankenberge naar Wenduine, da’s 6 kilometer, awel ge zijt 300 frank kwijt. Maar<br />

ja, aan de zee krijgt ge uwen auto toch niet kwijt hé” (Simona 55 jaar<br />

Merelbeke)<br />

“In de tijd dat André ging werken met de auto kon ik niet weg hé. Dan moet ge<br />

u arrangeren in het weekend voor de boodschappen. Maar ik was dat gewoon<br />

en ge past u aan hé.” (Simona 55 jaar Merelbeke)<br />

“Als André werkte en ik geen auto had, dan ging ik nu en dan wel eens weg met<br />

vriendinnen naar de stad. En dat was dan met de bus van 13 uur. Dan<br />

vertrokken wij tot aan Gent Zuid en vandaar kon je dan naar de Veldstraat<br />

enzo.” (Simona 55 jaar Merelbeke)<br />

“Vorige week nog vraagt en vriendin mij om mee te gaan naar de markt in<br />

Oudenaarde. Ja zegt ze ‘laat ons met de bus gaan’. Ah ja, zij is 65 en ze rijdt met<br />

vermindering, maar ik heb gezegd ‘Ja, maar wat gaat dat mij kosten. Zekers 5<br />

euro. Gij zijt goe gij! En dan zijn we met de auto gegaan.” (Simona 55 jaar<br />

Merelbeke)<br />

157


Jaak (M)<br />

Jaak is 61 jaar en gepensioneerd militair. Hij woont alleen op de<br />

Lembergsesteenweg in Merelbeke. Sinds de nodige werken aan de straat is de<br />

bushalte aan zijn deur verplaatst naar 500 meter verder en binnen een straal van<br />

een kilometer is zelfs een ruim aanbod aan openbaar vervoer. Hij beschikt al 9<br />

jaar over geen wagen en dus gebruikt hij het openbaar vervoer veelvuldig om<br />

zich te verplaatsen over grotere afstanden zoals naar Gent. Verder is hij vooral<br />

fiets-minded en dus gebruikt hij zo veel als mogelijk de fiets. Hij is vrijwilliger voor<br />

het plaatselijke OCMW en voor Caritas. Regelmatig neemt hij de oudere mensen<br />

mee met de bus naar Gent.<br />

“Hier in Merelbeke krijgen alle 60 plussers een gratis kaart voor de Lijn, voor heel<br />

België. En dat is een héél goed initiatief hé. Ik heb geen wagen en ik maak daar<br />

dus veel gebruik van.” (Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

“Ik heb hier natuurlijk alles in de buurt en één keer in de week komt mijn nicht<br />

langs met de wagen en dan doen we de grote boodschappen.” (Jaak 61 jaar<br />

Merelbeke)<br />

“Ik kan veel te voet doen of met de fiets, maar om naar Gent te gaan of zo, ja<br />

dan neem ik altijd de bus.” (Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

“Maar het openbaar vervoer is natuurlijk niet voor iedereen zo makkelijk hé. Ik<br />

ben vrijwilliger op het OCMW en voor Caritas één of twee keer in de maand ga<br />

ik met die oudere mensen naar de stad. Dan gaan we daar iets drinken en een<br />

beetje wandelen. Alleen kunnen die mensen dat niet meer hé”. (Jaak 61 jaar<br />

Merelbeke)<br />

“De bus naar Gent met die oudere mensen is wel makkelijk hé. De bus stopt aan<br />

het OCMW hier in Merelbeke. We moeten er dus maar gewoon opstappen en<br />

we stappen af aan het Zuid en daar kunt ge al gemakkelijk een tas koffie<br />

drinken met die vouwen hé. En om het halfuur is er een bus.” (Jaak 61 jaar<br />

Merelbeke)<br />

“Wat een grote verbetering is, zijn die uitbreidingen van het aanbod tijdens de<br />

Gentse Feesten en met de Kerstdagen. Ge ziet dat daar veel gebruik van<br />

gemaakt.” (Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

“Pas op, het is goed dat het gratis is voor die oudere mensen hé. Anders zouden<br />

ze 3,60 euro moeten betalen om naar Gent te gaan en dat is toch veel voor die<br />

mensen hoor.” (Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

“Ik moet wel de volle pot betalen voor de trein. En dat vind ik duur. Ik gebruik de<br />

trein dan ook niet zo veel. Ook voor ik 60 was en niet gratis met de bus kon rijden,<br />

ging ik niet zo veel naar Gent.” (Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

158


“Ik heb bijvoorbeeld een zus in Oostende wonen, wel die ga ik nooit bezoeken.<br />

Want als ik de trein moet nemen naar Oostende, ja… dan kost mij dat veel te<br />

veel geld. Als ik 65 ben, dan ga ik daar wel meer naar toe gaan. Ik vind het wel<br />

jammer dat wij 60-plussers geen vermindering krijgen voor de trein.” (Jaak 61 jaar<br />

Merelbeke)<br />

“Ge weet natuurlijk dat ge de bus niet moet nemen om 7.30. Die zit dan overvol<br />

met schoolgaande kinderen, dat is niet te doen. Maar waarom moet ik die<br />

nemen? Ik heb tijd om daarna mij te verplaatsen. Ik zou ook niet om 17 uur<br />

terugkomen bijvoorbeeld. Ik zorg dat ik de bus er voor heb.” (Jaak 61 jaar<br />

Merelbeke)<br />

“Wij hebben hier ook een Minder <strong>Mobiel</strong>e Centrale en daar heb ik ook al eens<br />

gebruik van gemaakt toen ik naar het ziekenhuis moest. En dat is ook ne mooie<br />

dienst hé, want ik kon het openbaar vervoer dan niet gebruiken en diene mens<br />

heeft dan aan het ziekenhuis een uur gewacht en mij teruggebracht.” (Jaak 61<br />

jaar Merelbeke)<br />

“Ik ben nogal fiets-minded en de gevaarlijke banen, dat vind ik een probleem. Ik<br />

zal bijvoorbeeld nooit voor 9 uur met de fiets buiten komen om naar het centrum<br />

te gaan. Of ik moet binnenwegen kunnen nemen. Maar anders is dat echt te<br />

gevaarlijk.” (Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

“Wat voor mij het grootste probleem is, is bijvoorbeeld een bezoek aan het<br />

NTGent of de Capitool in Gent. Daar geven ze nu Otello en ik zou dat graag<br />

zien, maar dat is na 23 uur gedaan en dan hebt ge geen bus niet meer… Het<br />

sportpaleis in Antwerpen is ook zo’n probleem. Ik wou naar Cirque de Soleil<br />

gaan, maar dat is ook al laat gedaan en als ge dan wat pech hebt met uw<br />

verbindingen dan zit ge ergens vast hé.” (Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

“Hetzelfde voor Flanders Expo, als ge daar de laatste tram kunt pakken, en soms<br />

moet ik daarvoor voor het einde weg, dan geraakt ge nog in Gent, maar niet<br />

meer in Merelbeke. Ik moet dus rekening houden met de laatste verbinding naar<br />

Merelbeke. En dan is het soms al niet meer de moeite om te gaan hé.” (Jaak 61<br />

jaar Merelbeke)<br />

“Ik zou graag meer naar de Capitool of naar de opera gaan, maar met een taxi<br />

wil ik niet gaan. Dat is veel te duur. Ik heb dat al gedaan, maar ze durven 17<br />

euro vragen om mij tot thuis te brengen.” (Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />

Jules (M)<br />

Jules is 58 jaar en woont samen met zijn echtgenote in Maretak in Pattoterij<br />

(Waasmunster). Zijn vrouw is tewerkgesteld in een rusthuis. De dichtstbijzijnde<br />

bushalte ligt op bijna 2 kilometer van zijn woonst. Op het einde van de straat, op<br />

ongeveer 500 meter, stopt wel een belbus. Hij gebruikt af en toe het openbaar<br />

vervoer, maar meestal wel in combinatie met de auto. Elke week gaat hij ’s<br />

159


avonds naar de vergaderingen van een natuurvereniging in Kruibeke. Daarvoor<br />

dient hij altijd beroep te doen op een vriend om hem te brengen en te komen<br />

halen. Indien de vriend zelf niet kan, dan kan hij ook niet gaan. Hij is tevens<br />

natuurgids en ook daarvoor moet hij naar vergaderingen in Lokeren en<br />

omstreken. Er is maar één wagen in het gezin en die wordt door de vrouw<br />

gebruikt om te gaan werken. Als zij op haar werk zit dan is de auto weg of er<br />

moet bij voorbaat een regeling getroffen worden.<br />

“Basismobiliteit is dat ge op de gewenste tijd ergens naar toe kunt. Zonder al te<br />

veel poespas.” (Jules 58 jaar Waasmunster)<br />

“Ik neem de bus, maar meestal in combinatie met de auto. Ze zetten mij dan af<br />

aan de bushalte. Maar als er geen auto is, dan heb ik wel een probleem hé.<br />

Bijvoorbeeld als ik naar de vereniging in Kruibeke moet op woensdagavond en<br />

mijn vrouw heeft de wagen nodig dan moet ik rekenen op een vriend die mij<br />

meeneemt En als hij niet gaat, ja dan kan ik ook niet gaan.” (Jules 58 jaar<br />

Waasmunster)<br />

“Ik reken dikwijls op vrienden om mij ergens op te pikken of mij ergens af te<br />

zetten. Ik zou de belbus niet kunnen gebruiken ook. Ik kan er misschien wel<br />

geraken, maar niet meer terug. Dat is veel keer na 23 uur gedaan en de<br />

vergadering eindigt niet op een vast uur.” (Jules 58 jaar Waasmunster)<br />

“Neen, al sik zo ’s avonds naar Kruibeke moet is dat niet simpel. Eerst brengt mijn<br />

vrouw mij tot aan de bushalte, dan de bus en dan komt een vriend die ook in de<br />

verenging is mij van de bus oppikken om naar de vereniging te gaan. Als er iets<br />

dan niet lukt, dan kan ik niet gaan.” (Jules 58 jaar Waasmunster)<br />

“Ah ja, ik ben ook natuurgids en als daarvoor vergaderingen zijn, dat is zo één<br />

keer in de maand. In Lokeren of Sint-Niklaas of ergens anders, dan wil ik daar<br />

natuurlijk bij zijn. Dan moet ik de auto hebben, anders wordt het moeilijk. Maar<br />

mijn vrouw probeert er dan voor te zorgen dat ik de auto heb”. (Jules 58 jaar<br />

Waasmunster)<br />

“Het is hier niet zo makkelij om weg te geraken hé. Ik denk niet dat ge van<br />

Waasmunster naar Kruibeke of Base. Ik denk dat ge de bus moet nemen naar<br />

Sint Niklaas en overstappen op de bus die van Hamme komt. Ik moet dus altijd<br />

overstappen. Dat is op zich niet zo erg, maar het neemt wel veel tijd.” (Jules 58<br />

jaar Waasmunster)<br />

“Mocht het aanbod hier groter zijn, dan zou ik meer de bus nemen. Bijvoorbeeld,<br />

ik moet regelmatig naar Molsbroek, een natuurreservaat. Daar is een bus, maar<br />

die gaat naar Sint Niklaas en dan zou ik daar moeten overstappen. Maar<br />

eigenlijk zit ik met de lijnbus vast in Waasmunster, of ik moet ver stappen. Het<br />

dichtstbijzijnde is in Belsele en dat is toch een kilometer of twee stappen.” (Jules<br />

58 jaar Waasmunster)<br />

160


“Vroeger was hier wel een lijnbus, maar nu is dat een belbus geworden. En de<br />

belbus houdt me wel wat tegen om te doen wat ik vroeger wel zou gedaan<br />

hebben. Ge weet nooit wanneer ge juist gedaan hebt en dan is dat moeilijk<br />

met de belbus hé.” (Jules 58 jaar Waasmunster)<br />

“Nu ik gepensioneerd ben, ben ik de huisman hé. Maar ik doe de<br />

boodschappen als de auto thuis is. Anders is dat te zwaar allemaal hé. Ik ben de<br />

nieuwe man, hé. Ik haal dan eten voor een paar dagen.” (Jules 58 jaar<br />

Waasmunster)<br />

“Voor grotere verplaatsingen gebruiken we soms ook de trein. Om naar de zee<br />

de gaan of naar Amsterdam of Londen. Dan vertrekken we vanuit Sint Niklaas.<br />

Maar we gaan wel naar daar met de auto.” (Jules 58 jaar Waasmunster)<br />

“Als we in het weekend ergens naar toe gaan om te wandelen of te fietsen dan<br />

gaan we ook met de auto. Dan zetten we de fietsen op de auto en we zijn weg.<br />

Dan heb je toch veel meer vrijheid dan met het openbaar vervoer hé.“(Jules 58<br />

jaar Waasmunster)<br />

“Als we aan de kust zijn dan nemen we altijd de kusttram om de kust af te<br />

schuimen. Dat is raar hé. Maar het is toch veiliger met de tram, want het is daar<br />

toch druk en dan vind je ook al geen parkeerplaats.” (Jules 58 jaar<br />

Waasmunster)<br />

“Meestal gaan we met de wagen naar Gent, maar als we naar Antwerpen<br />

gaan, dan rijden we naar Linkeroever en daar nemen we de metro. Ook al<br />

omdat het te druk is en omdat we geen parkeerplaats vinden.” (Jules 58 jaar<br />

Waasmunster)<br />

“Van hier in Belsele naar Antwerpen dat zou ik niet zien zitten. Ik moet eerst een<br />

paar kilometer te voet, dan met de bus vanuit Sint Niklaas en dan de metro naar<br />

het centrum van Antwerpen. Pas op, dat zou allemaal wel gaan hoor, maar die<br />

laatste kilometers te voet als we terug komen, die zijn er dan toch te veel aan.<br />

Zeker als het dan al donker is”. (Jules 58 jaar Waasmunster)<br />

“Mochten we nu geen auto meer hebben, dan zouden we al de verplaatsingen<br />

die we nu doen ook wel doen, maar het zou toch een gans andere planning<br />

zijn. En dan zou ik de belbus veel meer gebruiken. De belbus stopt trouwens aan<br />

het natuurreservaat waar ik regelmatig moet gaan gidsen.” (Jules 58 jaar<br />

Waasmunster)<br />

“Verder ga ik nog naar de schaakclub, ik geef les aan de jongeren, en dat is<br />

hetzelfde als voor de natuurvereniging. Dan reken ik ook op de auto, maar dan<br />

gaat mijn vrouw ook altijd mee want zij gaat dan naar de muziekschool. Of ik ga<br />

mee met een vriend die ook in de schaakclub zit.” (Jules 58 jaar Waasmunster)<br />

161


Seb (M)<br />

Seb is 15 jaar en woont samen met zijn zus van 9 jaar en zijn ouders in de<br />

Boterhoekstraat in Melsen (Merelbeke). Het gezin heeft een bushalte op<br />

ongeveer 600 meter van de woning. Seb neemt dagelijks het openbaar vervoer<br />

om naar school te gaan. In zijn vrije tijd gaat hij regelmatig met de bus naar<br />

Gent om af te spreken met vrienden. Naar de voetbaltraining en de match<br />

wordt hij gevoerd. Dat is niet te bereiken met het openbaar vervoer en met de<br />

fiets gaat hij niet graag. Uitgaan mag hij nog niet en andere verplaatsingen<br />

heeft hij niet. Tijdens het interview komt de moeder van Seb regelmatig tussen<br />

om haar mening te geven of zich te verantwoorden.<br />

“Ik heb geen idee wat basismobiliteit is” (Seb 15 jaar Merelbeke)<br />

“Sinds ik naar Gent naar school ga, dan ga ik met de bus. Voordien gebruikte ik<br />

de bus niet. Maar nu vind ik dat wel tof.” (Seb 15 jaar Merelbeke)<br />

“We gaan soms in het weekend naar Gent met een paar vrienden om te gaan<br />

shoppen. Dan neem ik met mijn vriend uit te buurt, die ook in mijn school, zit de<br />

bus en dan spreken we in Gent af met de anderen.” (Seb 15 jaar Merelbeke)<br />

“Neen, ik zou het niet tof vinden als mijn moeder ons naar Gent zou brengen.<br />

Dat zou woensdagnamiddag ook niet gaan want ze werkt dan. En ze weet dat<br />

ook niet altijd bij voorbaat. Soms spreken we ’s ochtends af en dan komen we in<br />

de namiddag samen. Om naar de film te gaan bijvoorbeeld.” (Seb 15 jaar<br />

Merelbeke)<br />

“Hij mag van mij de woensdag zelf de bus nemen, maar hij moet wel altijd laten<br />

weten als hij dat doet. Een simpel smsje is dan genoeg, hoor. Maar ik weet het<br />

wel liever. Je weet nooit hé” (moeder van Seb)<br />

“Hij mag pas uitgaan als hij 18 jaar is hé. Zo nu en dan een feestje dat kan wel en<br />

dan voer ik hem of we spreken af met andere ouders. Maar alleen zou ik hem<br />

niet laten gaan. “ (moeder van Seb)<br />

“Naar de voetbal brengen mijn ouders, allez mijn moeder eigenlijk, mij altijd.<br />

Soms blijft ze dan kijken, maar meestal komt ze mij na de training terug halen.<br />

Dan gaat ze ondertussen terug naar huis.” (Seb 15 jaar Merelbeke)<br />

“Om uit te gaan, als ik mag hé, dan is het wel niet zo tof als mijn ma mij komt<br />

halen. Als je dan iets gedronken hebt of zo… Of dan is het nog tof en wilt ge nog<br />

effe blijven en dan staat mijn moeder buiten te wachten.” (Seb 15 jaar<br />

Merelbeke)<br />

162


“Ik vind dat hij naar buiten moet komen als ik er ben. Op dat half uurtje zal het<br />

niet aankomen en een uur is een uur, hé meneer. Hij heeft zich dan al genoeg<br />

kunnen amuseren en hij is te jong om zo laat weg te gaan” (moeder van Seb)<br />

“Buiten naar Gent, ga ik niet met de bus of de tram. Ik heb wel een Buzzypas,<br />

maar ik weet niet waar ik naar toe zou gaan.” (Seb 15 jaar Merelbeke)<br />

Stien (V) en Peter (M)<br />

Stien is 16 jaar en ze woont samen met haar vader Peter, 43 jaar, in de<br />

Elleboogstraat in Helkijn (Kortrijk). Erik is leerkracht in het type 3 lager onderwijs en<br />

beschikt over een wagen. Aan de overkant van de straat staat een bushokje,<br />

maar dat is al enige tijd niet meer in gebruik. De huidige dichtstbijzijnde halte ligt<br />

nu op een kleine 800 meter van hun deur. Erik neemt het openbaar vervoer niet,<br />

zijn dochter Stien wel. Ze gaat wel steeds met de fiets tot op het punt waar ze<br />

niet meer moet betalen om in Kortrijk rond te rijden. Ze gaat naar school in<br />

Roeselare en daarvoor neemt ze de trein uit Kortrijk.<br />

In hun vrije tijd gaan ze niet dikwijls weg. Perter gaat één keer per week<br />

badminton spelen in Wevelgem, maar dat is ’s avonds en dat gebeurt met de<br />

wagen. Stien gaat in het weekend naar de Chiro en die verplaatsing maakt ze<br />

met de fiets. Als ze weg gaat dan voert haar vader haar, want ze mag ’s avonds<br />

niet met de fiets naar Marke.<br />

Er rijdt in de buurt ook een belbus, maar die gaat naar Zwevegem en daar<br />

moeten ze niet zijn.<br />

“Basismobiliteit zou moeten betekenen dat iedereen zich zo vrij mogelijk moet<br />

kunnen bewegen. Onafhankelijk van uw inkomen of van de plaats waar je<br />

woont.” (Peter 43 jaar Kortrijk)<br />

“Ik neem de bus hier nie, maar ik fiets naar de Kinepolis. Dat is niet zo ver, een<br />

paar kilometer. Daar is een dienst aangeboden door de stad en die is gratis.”<br />

(Stien 15 jaar Kortrijk)<br />

“Die gratis dienst gebruiken we wel regelmatig voor evenementen in Gent. Als<br />

ge u parkeert op de parking van Kinepolis, dan is de bus gratis. En dat is<br />

makkelijk, want dan moet ge geen parking zoeken of iets.” (Stien 15 jaar Kortrijk)<br />

“De bus die hier passeert die gaat naar Bellegem, Rollegem, Aalbeke enzo. We<br />

moeten daar eigenlijk niet veel zijn en als ik naar Rollegem moet, dan ga ik<br />

rapper de fiets.” (Stien 15 jaar Kortrijk)<br />

“k ga naar school in Roeselare en dan fiets ik tot de Kinepolis en dan de bus naar<br />

het station en de trein naar Roeselare. En dan te voet naar school. Enkel als het<br />

echt heel slecht weer is, dan brengt mijn pa mij.” (Stien 15 jaar Kortrijk)<br />

163


“Ik werk als leraar hier dichtbij in een kleuterschool in Bellegem, maar te voet is<br />

dat wel te ver en met de fiets mag ik daar niet op en dan moet ik via de Hallen<br />

rijden en ja… ik neem dus de wagen.” (Peter 43 jaar Kortrijk)<br />

“Het openbaar vervoer is niet zo makkelijk want ik heb al dikwijls veel materiaal<br />

mee. Hetzelfde voor boodschappen, ik zou niet weten hoe dat met de bus te<br />

doen.” (Peter 43 jaar Kortrijk)<br />

“In het weekend ’s avonds gaan we met vriendinnen weg in Marke. En dan doet<br />

mijn papa mij weg, want ’s avonds mag ik niet alleen met de fiets.” (Stien 15 jaar<br />

Kortrijk)<br />

“We hebben nog een zoon die basket. Hij woont wel bij mijn ex, maar ik breng<br />

hem altijd naar de basket. En dat is een heel gevaarlijke weg. Die breng ik dus<br />

ook met de wagen. Of we spreken af met andere ouders, want niemand ziet<br />

dat zitten om zijn kind met de fiets te laten gaan.” (Peter 43 jaar Kortrijk)<br />

“Neen, ik wil niet dat ze ’s avonds met de fiets naar Marke gaat. Ik vind dat veel<br />

te gevaarlijk. En met de bus, moet ze eerst naar Kortrijk en vandaar naar Marke.<br />

Maar ja, Mark eis hier maar een goeie drie kilometer vandaan” (Peter 43 jaar<br />

Kortrijk)<br />

“Ik heb op de bus eens een boekske gekregen met allemaal tabellen en uren,<br />

maar ik verstond er iet veel van en ik heb het weggegooid. Dat staat vol met<br />

vanalles en ge weet niet wat dat allemaal is” (Stien 15 jaar Kortrijk)<br />

“Ja, hier is niet veel hé. Mijn bank enzo ligt ook in Marke. Ik ga dus vrij veel naar<br />

Marke. Maar ik weet nu niet of ik de bus zou pakken als die er zou zijn. Dat is toch<br />

niet gemakkelijk hé, ge moet dan altijd kijken hoe laat het is.” (Peter 43 jaar<br />

Kortrijk)<br />

“De bus nemen dat zou pas een georganiseer zijn. Het is nu al zo gearrangeer,<br />

met veel afspraken en regelingen. Ah ja, de zoon naar daar, de dochter naar<br />

daar en terwijl nog boodschappen doen, allez…” (Peter 43 jaar Kortrijk)<br />

“Wat mij bijvoorbeeld stoort is bij evenementen. Dan is er een groot vuurwerk<br />

den elven en dan kunt ge niet blijven want de laatste bus is den tienen. Ze<br />

zouden dan toch zoals in Gent met de Gentse Feesten op die dagen hun uren<br />

mogen aanpassen hé. Dan zou ik dat gebruiken, want ge kunt dan een pintje<br />

drinken en zo” (Peter 43 jaar Kortrijk)<br />

“Als ik naar school ga naar Roeselare moet ik om 6.45 de bus pakken aan<br />

Kinepolis en dan is het nog donker en ’s avonds ben ik pas terug om 18.30 en<br />

dan is het ook al donker. En ik sta daar dan altijd alleen. Dat is niet zo tof. Soms<br />

als ik echt te vroeg ben, dan rijd ik nog wat rond op de fiets. Liever dan daar te<br />

gaan staan.” (Stien 15 jaar Kortrijk)<br />

164


“Naar Gent of Antwerpen of zo dan neem ik wel de tram of de trein. Dan rijd ik<br />

tot aan de parking en dan neem ik het openbaar vervoer. Allez, dat vind ik<br />

normaal. Dat is zo veel gemakkelijke. Ik ga daarom ook niet meer naar de<br />

bibliotheek in Kortrijk. Ge kunt daar niet meer op of door en ge vindt daar geen<br />

parkeerplaats.” (Peter 43 jaar Kortrijk)<br />

“Wat ik wel heel ambetant vind is dat als mijn trein te laat is en ik daardoor de<br />

bus mis. Dan moet ik daar een half uur staan draaien en allez, bus kom toch<br />

aan. En na de school wil ik zo rap mogelijk naar huis.” (Stien 15 jaar Kortrijk)<br />

Anja (V), Sofie (V) en Erik (M)<br />

Anja is 8 jaar is en ze woont samen met haar jongere broer en haar ouders in de<br />

Lijsterstraat in Helkijn-Aalbeke (Kortrijk). Tijdens het interview zijn ook haar moeder<br />

en vader aanwezig. Anja gaat naar de dictie les en daarvoor wordt ze gevoerd<br />

door haar mama. Naar school gaat ze te voet samen met haar jongere zus. De<br />

school bevindt zich ook maar op twee straten van het ouderlijke huis. Op<br />

woensdag worden de kinderen opgevangen door de grootmoeder en<br />

daarmee gaan ze soms met de bus naar de markt in Kortrijk. Haar ouders Sofie<br />

(32 jaar) en Erik (33 jaar) gebruiken de bus niet. Beiden beschikken over een<br />

auto. Soms, als ze naar Antwerpen gaan, gebruiken ze de trein. Ze hebben een<br />

bushalte op 300 meter. Erik heeft een internationale job en is veel in het<br />

buitenland. Hij heeft een firmawagen en gebruikt die dan ook altijd. Sofie werkt<br />

ook voltijds en ze gebruikt ook dagelijks haar wagen om naar het werk te gaan.<br />

“Basismobiliteit zijn de middelen die ge kunt gebruiken om uw dagelijkse<br />

verplaatsingen te doen.” (Erik 33 jaar Kortrijk)<br />

“De dinsdag ga ik naar de dictie en dan brengt mijn mama mij en komt ze mij<br />

halen. De woensdag ga ik met de bus met oma en naar de markt en dan<br />

terug.” (Anja 8 jaar Kortrijk)<br />

“Naar school ga ik te voet samen met mijn zus. Dat is niet ver.” (Anja 8 jaar<br />

Kortrijk)<br />

“Sommige vriendinnetjes wonen hier in de buurt, maar ik zie die niet zo veel want<br />

heel heel soms kan mijn mama mij brengen. (Anja 8 jaar Kortrijk)<br />

“Naar de winkel stuur ik ze soms. Dat is bij haar school hier twee straten verder.<br />

Verder zou ik ze nu niet durven laten gaan. En al zeker niet als er veel verkeer zou<br />

zijn.” (Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />

“Alleen zal ze nog niet zo rap het openbaar vervoer nemen. Niet voor de bus op<br />

zich, maar dan moet ze wel een hele drukke baan over en daarvoor is ze toch<br />

nog te jong. Ik zou niet durven ook niet.” (Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />

165


“Soms gaat ze wel naar de Chiro te voet. Dan moet ze ook wel een drukke baan<br />

over, maar dan is ze zonder haar jongere zus en dan steekt ze over aan de<br />

lichten.” (Anja 8 jaar Kortrijk)<br />

“Het is wel ambetant als ik alleen ben met mijn zus. Zij steekt dan over, want ze<br />

let niet op het verkeer” (Anja 8 jaar Kortrijk)<br />

“Wij krijgen eigenlijk heel weinig informatie over de Lijn. Mijn moeder bijvoorbeeld<br />

die komt altijd naar hier met de bus en als er veranderingen zijn in de uurregeling<br />

of zo dan moet ze dat zelf uitvinden of vragen” (Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />

“Als wij naar oma willen dan moeten we de lijn naar Kortrijk pakken en dan in<br />

Aalbeke overstappen naar Ootegem. Dat zou niet makkelijk zijn.” (Sofie 32 jaar<br />

Kortrijk)<br />

“Alleen naar Antwerpen, dan nemen we de trein. Naar de zoo of naar de Plopshow.<br />

Dat is gemakkelijk hé. We rijden dan naar het station in Kortrijk en van daar<br />

met de trein naar Antwerpen” (Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />

“Moesten we nu meer informatie krijgen, dan zouden we het openbaar vervoer<br />

wel meer nemen. Maar nu weten wij van niets hé” (Erik 33 jaar Kortrijk)<br />

“We zijn toch wat bezorgd om haar veiligheid. En die bussen rijden meestal<br />

natuurlijk op grote wegen en ze moet dan de baan oversteken. Ook als ze ouder<br />

is hoor en ze moet naar school met de bus, dan gaan we daar toch opletten.”<br />

(Erik 33 jaar Kortrijk)<br />

“Pas op, ik ben grote voorstander dat ze met de bus naar school gaat. Het enige<br />

nadeel is dat als het regent, dan kan ze niet in het bushokje staan want dat is te<br />

klein. Ik zie daar ’s morgens allemaal staan e kinderen. Allez, dat zou voor mij al<br />

een reden zijn om haar naar school te voeren als het slecht weer is.” (Erik 33 jaar<br />

Kortrijk)<br />

“Als ik het vliegtuig moet nemen, dan neem ik de trein naar de luchthaven.<br />

Maar dan laat ik mij voeren met de wagen naar het station in Kortrijk. En de<br />

reden is dat ik niet zou weten wanneer er een bus is.” (Erik 33 jaar Kortrijk)<br />

Nathalie (V)<br />

Nathalie is een 50-jarige huisvrouw. Samen met haar echtgenoot en haar zoon<br />

van 15 jaar woont ze in de Brusselstraat in Leerbeek (Gooik). Ze beschikt over<br />

een eigen wagen en kan deze dus op elk moment gebruiken. Ze gebruikt zelden<br />

het openbaar vervoer omdat de verbindingen niet goed zijn. Haar zoon Herman<br />

gaat naar Lennik naar school en hij gaat vanaf dit jaar met de bus naar school.<br />

Tot vorig jaar bracht zij hem elke dag, maar nu vindt ze dat hij wat zelfstandiger<br />

mag worden, tenminste drong de zoon erop aan om wat zelfstandiger te<br />

worden. Zelf gaat ze regelmatig eens naar Aalst of Ninove om op stap te gaan,<br />

166


maar ze vindt het vinden van een parkeerplaats of de drukte in het verkeer<br />

geen probleem.<br />

“Basismobiliteit is mijn auto. Te voet of te fiets kan ik hier niets doen op de buiten.<br />

En soms de bus, als ik geen auto heb, om naar Halle te gaan.” (Nathalie 50 jaar<br />

Gooik)<br />

“Met het openbaar vervoer geraak je er ook niet altijd zo gemakkelijk hé. We<br />

hebben eens de test gedaan met vier vriendinnen en we wouden naar het<br />

museum aan de Kruidtuin in Brussel. En er gingen er twee met de auto naar<br />

Anderlecht en van daar met de metro en ik ben met mijn vriendin met de auto<br />

gegaan. Awel, ik was nog goed 10 minuten vroeger dan zij.” (Nathalie 50 jaar<br />

Gooik)<br />

“In de stad is het veel gemakkelijker hé. Daar ga je bijna altijd rechtstreeks van A<br />

naar B, maar hier in de buiten moet ge van A naar C en soms nog naar D om<br />

dan pas naar A te kunnen gaan. Daar verliest ge veel tijd mee. Zeker als ge al<br />

uw wachttijden moet bijtellen.” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

“Ik wou eens naar het voedingsalon gaan met de bus en de metro. Maar ik was<br />

meer dan een uur onderweg en daar is dan een grote parking, en ja…”<br />

(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

“Mijn zoon gaat in Lennik naar school en die neemt elke dag de bus. Maar ik<br />

heb daar medelijden mee. Ze staan daar ’s morgens allemaal op elkaar gepakt.<br />

Nu hebben ze een bus bijgezet en die zit ook vol. Ge kunt wel denken.”<br />

(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

“Ik zou mijn zoon even goed met de wagen naar school brengen in Lennik, hoor.<br />

Ik heb dat ook altijd gedaan. Maar ik vind, nu hij 15 jaar is, dat hij wat<br />

zelfstandiger mag worden en vandaar dat we gezegd hebben dat hij met de<br />

bus moet gaan. Want ik zou dat kunnen doen hé. Ik ben toch thuis.” (Nathalie 50<br />

jaar Gooik)<br />

“Met de fiets zou mijn zoon ook naar school kunnen gaan, maar dat mag niet<br />

van mij. Hij moet dan echt langs drukke banen en hij moet er zelfs twee<br />

oversteken. Dat zou ik niet zien zitten. Goh, ik ga elke dag dood van de schrik<br />

met mij af te vragen of hij veilig is aangekomen. Soms doet hij dat en dan kijk ik<br />

naar de horloge en als het half negen is, dan zeg ik oef, ik hoor niks. Het zal in<br />

orde zijn” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

“Als mijn zoon eens naar Halle wilt gaan met zijn vrienden, ja dan nemen ze de<br />

bus. Dan wil hij niet dat zijn mama hem brengt hé. Ze willen niet altijd afhangen<br />

van hun mamaatje hé. Zeker als ze dan met anderen zijn.” (Nathalie 50 jaar<br />

Gooik)<br />

167


“Vorig jaar hebben ze een metrospel gedaan met school om de kinderen<br />

vertrouwd te maken met het metrosysteem. Dat vind ik echt een goed initiatief<br />

voor jongens die in de rand van Brussel wonen.” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

“Ik heb maar ene zoon, en ja, ik wil een goede moeder zijn en dan zet ik hem af<br />

waar hij moet zijn hé. Maar nu dit jaar wou hij dan wat zelfstandiger worden en<br />

ja, dan moet ge dat laten gebeuren hé. Ik ben wel bezorgd, maar allez.”<br />

(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

“De zondag gaat hij naar de Chiro, maar daar geraakt hij dus ook niet met het<br />

penbaar vervoer hé. Naar de tennis ook niet. Hij tennist de woensdagnamiddag<br />

en de vrijdagavond en ik ben dat gaan vragen. En hij moest een uur en een half<br />

vroeger vertrekken en dan nog terug. Dat is drie uur bovenop de tennis. En hij<br />

heeft huiswerk hé. Hij moest van leerbeek, naar Ijzeringen dan naar Dilbeek,<br />

maar dan voorbij waar hij moest zijn. De eerst naar Brussel en van daar terug<br />

naar Itterbeek. Dus ja, dat gaat niet.” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

“Ik ga ook met de auto naar Brussel. Ik heb daar geen schrik van, maar ik vertrek<br />

natuurlijk ook niet om 8 uur. Da is het veel en veel te druk. Het verkeer is de<br />

laatste 10 jaar ook enorm toegenomen hé.” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

“Mijne man die neemt nooit de auto. We zijn één keer samen met de metro naar<br />

Cirque de Soleil geweest in Brussel. Als uitstapje en we waren dan goed op tijd<br />

vertrokken. We waren daar zelfs 2 uur te vroeg. Maar allez, het was een uitstapje<br />

hé. Dan is dat niet erg, ge drinkt dan iets.” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

“Ik neem nu niet graag de metro in Brussel. Ik vind dat echt onveilige. Zeker in<br />

Brussel, als ge de metro neemt, hou dan alles goed vast hé. Zeker in Brussel.<br />

Helemaal alleen zou ik mij niet veilig voelen op de metro. ” (Nathalie 50 jaar<br />

Gooik)<br />

“Het openbaar vervoer vraagt echt wel wat voorstudie vind ik. Als ge dat niet<br />

gewoon zijt, dan is dat echt een doolhof hé. Ge moet zeer goed weten waar ge<br />

naar toe moet en hoe de bussen en metro’s gaan.” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

“Hier zonder wagen zitten, dan zijt ge ne duts hé. Ah ja, ge kunt hier niet weg hé.<br />

Enfin, ne bakker en een beenhouwer hebt ge wel. Maar voor de post<br />

bijvoorbeeld moet ge naar Gooik ofzo.” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

“Mijne zoon is 15, maar ver mag hij nog niet gaan van mij hoor. Uitgaan<br />

bijvoorbeeld vind ik nog veel te vroeg en hij mag zeker nergens naar toe gaan<br />

zonder het mij te zeggen hé. Ja, ik ben bezorgd maar ja, ik heb er maar ene hé.<br />

Allez, als hij naar de cinema wilt of zo, dan mag hij gerust gaan hoor met de bus.<br />

Zolang dat het maar geen brommertje is of zo. Dat durf ik niet.” (Nathalie 50 jaar<br />

Gooik)<br />

“In het begin dat hij de bus nam, vroeg hij nog regelmatig om hem toch nog af<br />

te zette aan de school met de wagen. Mar nu niet meer, hij heeft vrienden<br />

168


gevonden waarmee hij de bus pakt en nu wil hij zelfs niet meer gevoerd<br />

worden.” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

“In de zomer gaat mijn zoon (15 jaar) wel graag naar festivals en zo. Dan gaat hij<br />

met vrienden. Vorig jaar nog is hij met een paar vrienden naar Werchter<br />

gegaan. Maar ja, dan zijn er extra bussen en dan is het makkelijk hé.Enfin, hij<br />

heeft dat wel allemaal zelf uitgezocht op het internet.” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />

Bernie (V) en René (M)<br />

Bernie is 71 jaar, gepensioneerd en woont in de Hoogplaatsstraat te Kooigem<br />

(Kortrijk). Ze woont samen met haar echtgenoot René van 66 jaar en ook<br />

gepensioneerd. Ze beschikken over een wagen en ze gaan veel weg met de<br />

fiets. In hun buurt hebben ze slechts één buslijn en slechts enkele keren per dag.<br />

De halte van de bus ligt op een kleine kilometer van hun huis. Ze beschikken wel<br />

over een belbus en beiden maken zowel van de bus als van de belbus gebruik.<br />

In hun verplaatsingsgedrag neemt het openbaar vervoer een belangrijke plaats<br />

in om boodschappen te doen, diensten te bezoeken, naar de zee te gaan… Ze<br />

wonen in een zeer landelijke gemeente, voornamelijk bevolkt door oudere<br />

mensen.<br />

“Basismobiliteit is voor mij dat ge veel keur hebt in de autobussen en zo.” (Bernie<br />

71 jaar Kortrijk)<br />

“We hebben niet veel bussen hier. We kunnen juist naar Kortrijk gaan van hier.<br />

Maar we hebben wel de belbus. Naar Kortrijk hebben we om 7.45 één bus en<br />

dan nog een om kwart voor twee en kwart voor vier. En dan komt hij terug om<br />

vijf, om zes en om zeven. Da’s al.” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

“Ik ging vroeger veel met de bus naar Kortrijk, nu minder want ik ben niet goed<br />

te been. Ik heb pijn in mijne rug en stappen gaat niet zo goed.” (Bernie 71 jaar<br />

Kortrijk)<br />

“Als ge ziet dat er tijdens de dag maximaal 5 mensen op de bus zitten dan<br />

verstaat ge niet hoe dat ze dat kunnen blijven doen hé. Ah ja, er wonen hier al<br />

niet veel mensen en ’t zijn dan nog bijna allemaal ouw van dagen.” (Bernie 71<br />

jaar Kortrijk)<br />

“Ah ja, het is hier al een oudere bevolking en ze moeten dan al van ver komen<br />

om d ebus te pakken en ja, ze komen dan niet. Ze gaan dan mee met iemand.<br />

Want ja, hier is eigenlijk niets hé. Geen post, geen bank, ge moet voor alles weg.<br />

Just nen beenhouwer en brood in een klein winkeltje waar ze zo een beetje van<br />

alles hebben.” (René 66 jaar Kortrijk)<br />

“Ik ga veel weg met de fiets. Ook voor wat boodschappen te doen. Maar één<br />

keer in de week gaan we dan ook met de auto grote boodschappen doen hé.”<br />

169


“Hier is het voor oude mensen echt triest hé. En het zijn allemaal mensen die hier<br />

al altijd gewoond hebben, hé. De jonge mensen die trekken hier weg hé. Ah ja<br />

er is hier niets. Er is hier gene dokter, gene apotheek, echt niets. En ja, voor die<br />

ouw mensen” (René 66 jaar Kortrijk)<br />

“We gaan regelmatige naar Dottenijs naar de markt. Maar daar is van hier geen<br />

connectie naar daar hé. Ge moet al met de fiets naar de luchten en daar de<br />

bus pakken van de TEC. Want ja, dat is daar Wallonië hé.” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

“Aan de zee pakken we veel de tram hé. Als we naar de zee gaan met ons<br />

twee dan gaan we met de auto, ah ja ge kunt anders niets meenemen hé.<br />

Maar als mijne man alleen gaat, dan gaat hij met de trein. Den auto is dan te<br />

kostelijk hé.“ (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

“Awel kijk, morgen ga ik naar de zee. Dan na vijf uur bel ik naar de belbus om<br />

een afspraak te maken om naar Kortrijk te gaan. En dan met de trein. Maar wat<br />

ik dan niet begrijp is dat ze mij dan afzetten aan Kinepolis en dat ik dan van daar<br />

nog eens de bus moet pakken naar het station. Enfin, ’t is wat op- en afstappen<br />

maar het gaat hé. En ik zen vreed content dat de belbus der is zenne.” (René 66<br />

jaar Kortrijk)<br />

“Voor oudere mensen is het allemaal toch dat ni zé. Dat op- en afstappen, dat<br />

wachten… allez we zien dat nu mijn vrouw iets aan hare rug heeft. We pakken<br />

dan toch niet veel de bus hé. Het zijn die trappen die ambetant zijn. Ze moet<br />

dan opletten dat ze niet valt. Op den trein zijn die trappen nog hoger. Da zou nu<br />

niet gaan hé” (René 66 jaar Kortrijk)<br />

“We zijn van Kortrijk, maar met de belbus geraakt ge niet tot in het centrum van<br />

Kortrijk. Da’s toch vreed hé. Ik vind dat ze zekerst voor oudere mensen, dat zie<br />

dan toch in het centrum mogen afzetten hé. Waarom moeten ze die mensen<br />

eerst afzetten aan Kinepolis?. Allez, ge kunt natuurlijk hier ook een andere bus<br />

nemen.” (René 66 jaar Kortrijk)<br />

“Ons buurvrouw is bijna 80 en hare vent is laatst gestorven. Awel ja, da mens kan<br />

niet meer weg hé. Pas op ge hebt er hier ook van 80 die ook nog goed zijn.<br />

Mariette, die gaat nog met de auto, maar ook met de belbus hé. Hier een<br />

beetje verder hebt ge koppel, ze zijn ook alle twee bijna 80, die gaan om de<br />

twee dagen naar Kortrijk met de belbus.” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

“Als we de zaterdag of de zondag wegmoeten dan nemen we de belbus hé.<br />

Want dan zijn er hier echt bijna geen bussen. Dan pakken we de belbus. Maar<br />

da’s ook maar om de twee uur hé. Maar ja, dat is genoeg hé.” (Bernie 71 jaar<br />

Kortrijk)<br />

“Terug hebben we de belbus ook al gepakt. Ge moet dan een uur zeggen en<br />

dan koen ze u halen. Maar ge moet wel eerst terug naar de Kinepolis hé. Dat<br />

wel. We doen dat soms als we de zaterdag boodschappen in Kortrijk.” (Bernie 71<br />

jaar Kortrijk)<br />

170


“We hebben hier wel geen verbinding met de TEC hé. Moesten we dat nu<br />

hebben dan zouden we wel met de bus naar Dottenijs gaan. Da vind ik wel<br />

spijtig. Enfin, we kunnen de TEC pakken zé, maar dan moeten we toch een<br />

kwartiertje te voet gaan. Ik zou anders ook eens naar Doornik gaan. Pas op,<br />

vroeger was er wel een verbinding hé en dan kwamen hier ook regelmatig<br />

Walen naar hier hé. Nu zien we die nie meer.” (René 66 jaar Kortrijk)<br />

“Ge moet goe peizen dat die ouw mensen ook niet zo graag buiten gaan hé. En<br />

hier verder in de straat dan moeten ze toch al heel ver gaan en dan moeten ze<br />

sleuren met zakken van boodschappen en zo. Dat is niet te doen hé. En de<br />

belbus is ook niet altijd goed hé. Ze moeten dan naar de bank of zo. Maar ja,<br />

dan zijn ze op 10 minuten buiten en dan staan ze daar. Ge moet dan ook maar<br />

uwen tijd passeren hé. Maar twee uur is lang zenne.” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

“Zo voor mijnen tijd te passeren, dan ga ik eens naar Kortrijk om een<br />

wandelingetje te doen. Of met vriendinnen. Da’s wel plezant.” (Bernie 71 jaar<br />

Kortrijk)<br />

“Omgekeerd ook natuurlijk hé. De mensen geraken hier niet meer hé. In<br />

Bellegem is dat ook zo hé. Ge hebt er die op de plaats wonen en die hebben<br />

wel meer bussen. Maar we kennen wel veel mensen die veel te ver wonen van<br />

de bus. Maar ze hebben daar ook ne belbus hé. Mijn zus in Aalbeke die moet<br />

toch ook meer dan een kwartier stappen tot aan de bus. Ook aan de belbus. Ze<br />

moet daarvoor ook naar de plaats gaan.” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

“Gelijk mijn zus, die moet niet eens naar hier komen om ne koffie te komen<br />

drinken of zo met de bus. Ge hebt eigenlijk maar twee verbindingen of ze moet<br />

al om kwart voor elf komen, maar dan kan ze pas te vijven terug.“ (Bernie 71 jaar<br />

Kortrijk)<br />

“Gelijk naar de markt in Kortrijk met de bus kan ik niet. Allez ge moet dan de<br />

schoolbus pakken van kwart voor acht. En ge kunt pas om elf een half de bus<br />

terug pakken. Maar ja, ge zijt dan al van acht uur in Kortrijk. G kunt u wel een<br />

beetje bezighouden, maar dat is toch te lang hé. Drie uur op de markt dan kan<br />

ik niet.” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

“We hebben hier wel een belbus, maar we hebben toch wel minder bussen dan<br />

vroeger zé. Allez, ’t was vroeger ook niet veel, maar toch het waren er toch<br />

meer.” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

“We gaan graag nar de zee, want daar is dat anders hé. Dan gaan we elke<br />

dag weg met de tram. Ne keer naar Oostende of Knokke. Daar is da<br />

gemakkelijk hé. Ik zal zeggen hé. We gaan vlugger van Blankenberge ne keer<br />

naar Antwerpen dan van hier hé. Ah ja, ik zou ni weten hoe ik daar van hier<br />

moet geraken. Maar daar in Blankenberge is dat gemakkelijk hé. Ah zo veel keur<br />

dat gebt. Daar zouden we echt gene auto meer nodig hebben. Maar hier ja.”<br />

(René 66 jaar Kortrijk)<br />

171


“Achter de vijven geraakt ge hier helemaal niet meer weg hé. En in de<br />

vakantiemaanden is het ook niet makkelijk. Dan vallen er nog twee bussen weg<br />

hé.” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

172


“De belbus is wel een serieuse verbetering zenne. Zeker voor die ouw mensen.<br />

Maar pas op, de mensen zijn een beetje schuw daarvoor hé. Ze weten dan niet<br />

hoe ze dat moeten doen en zo. Allez, ik heb dat nog aan mijn buurvrouw<br />

uitgelegd en nu pakt ze dat. Da’s echt een goe systeem zenne, maar ja ge<br />

moet het kennen. Moesten ze dat afschaffen da zou een ramp zijn voor die ouw<br />

mensen hé” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

“Wat vreed ambetant is aan de belbus, dat is dat ge een uur moet zeggen hoe<br />

laat ge terug zijt. Allez, der kan al eens van alles gebeuren dat ge te laat zijt of.<br />

Al zeker als ge met de trein van Blankenberge komt, ge moet al overstappen in<br />

Brugge naar Kortrijk, en dan nog een bus moet nemen. Awel ja, als ge die mist…<br />

Wat dan? Ge kunt dan ook moeilijk een uur vroeger zeggen, want als alles wel<br />

juste verloopt dan staat ge daar een uur aan de Kinepolis. Da’s ni plezant hé.”<br />

(René 66 jaar Kortrijk)<br />

“Ik heb dat al meegemaakt hé. Da’k de belbus gevraagd had om terug te<br />

keren en da’k te laat was. Der was pannen aan de trein en ik was pas na de<br />

zevenen terug thuis. Awel ja, ik heb iemand moeten bellen hé.” (René 66 jaar<br />

Kortrijk)<br />

“Wa’k ni schoon vind is dat ge niet moogt opstappen op de belbus als ge hem<br />

niet besteld hebt. We stonden daar ne keer en wadden onze bus gemist en er<br />

stopt ne belbus en we mochten er niet op omdat we niet besteld hadden. En<br />

der zit ocharme maar twee man op.” (René 66 jaar Kortrijk)<br />

“We zijn al ne keer van hier (Kooigem) met de bus naar de zee, naar<br />

Blankenberge gegaan. We hebben er vier uur op gezeten. Maar we wouden da<br />

ne keer doen om al die gemeentes ne keer te zien. Om da ne keer te leren<br />

kennen. Awel, da was plezant.” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />

Tony (M)<br />

Tony is 45 jaar en werkloos. Hij is gescheiden en woont alleen in de<br />

Kooigemstraat in Kooigem (Kortrijk). Hij beschikt over een wagen en weigert de<br />

bus te nemen omdat hij anders de fascistische Belgische Staat steunt…<br />

Willy (M)<br />

Willy is 58 jarige gescheiden man. Hij is gepensioneerd en woont samen met zijn<br />

zoon van 28 jaar in Bel (Geel). Hij heeft een bushalte op ongeveer 800 meter<br />

van zijn deur, maar hij heeft een auto en neemt zelden of nooit de bus. Sinds hij<br />

gepensioneerd is, is hij vrijwillig chauffeur voor mindervaliden. Hij neemt wel de<br />

trein om naar Brussel of naar Antwerpen te gaan omdat hij een grondige hekel<br />

heeft aan het drukke verkeer.<br />

173


“Basismobiliteit is de mogelijkheid om u te verplaatsen voor wat ge echt nodig<br />

hebt. Dus ni voor op vakantie te gaan of zo, maar voor uw boodschappen te<br />

doen of uw kinderen te bezoeken.” (Willy 58 jaar Geel)<br />

“Naar Brussel of naar Antwerpen gaan ik met de trein. Want ik heb ne grondige<br />

hekel aan dat druk verkeer. Als ze zo in mijn ‘barchock’ zitten, dan krijg ik het hé.<br />

Dan krijg ik klam zweet in mijn handen…” (Willy 58 jaar Geel)<br />

“We gaan graag ne keer weg zenne. Naar de Memorial Van Damme of naar<br />

Cavalia in Turn en Taxi. Allez we doen dan graag hé. Maar met het openbaar<br />

vervoer van hier en ’s avonds da gaat ni hé. Soms gaan we met de trein naar<br />

Brussel, maar dan rijd ik naar Herentals en van daar den trein. En in Brussel pak ik<br />

dan wel de metro of de bus, allez… ” (Willy 58 jaar Geel)<br />

“Nu dat ik gepensioneerd ben, heb ik echt geen tijd. Ik heb echt zo veel te<br />

doen. Da’s plezant zenne.” (Willy 58 jaar Geel)<br />

“Sinds ik op pensioen ben, ik zat hier al een half uur met mijn vingers te draaien<br />

en mijn vriendin te ambeteren want die werkt nog, werk ik als vrijwilliger in de<br />

sociale dienstverlening. Ik ben chauffeur bij de minder mobiele centrale in<br />

Meerhout en dat is plezant jong? Ge kent na nen tijd die mensen goed hé. Ik rijd<br />

zo elke week met een maske die nogal zwaar gehandicapt is naar het<br />

ziekenhuis. En dan doen we een babbelke en zo. En dan wacht ik tot ze gedaan<br />

heeft in ’t ziekenhuis en dan breng ik ze terug thuis. Elke week. En ik heb nog zo’n<br />

rit of twee drie per week. “(Willy 58 jaar Geel)<br />

“Met ouw mensen rijd ik ook rond, naar de winkel of zo. Dan wacht ik ook buiten<br />

en dan doen die hun boodschappen en met hu kar komen ze dan buiten. Ik<br />

steek ik alles in mijne koffer en dan breng ik die met haar pakskes terug thuis. Die<br />

madammekes gebruiken het openbaar vervoer wel zenne, maar niet om naar<br />

de winkel te gaan hé.” (Willy 58 jaar Geel)<br />

Joly (V) en Sonja (V)<br />

Joly is 15 jaar en ze woont samen met haar moeder Sonja (42 jaar), haar vader<br />

en haar oudere broer in de Kwadebeekstraat in Kwabeek (Gooik). Op 300 m<br />

van huis bevindt zich de dichtstbijzijnde bushalte, maar omdat deze zeer<br />

regelmatig te laat is en ze daardoor haar aansluiting mist om naar school te<br />

gaan wordt deze bushalte omzeild en fietst ze naar het station. Verder doet ze<br />

aan atletiek in Gooik en daarvoor wordt ze gevoerd. Er is namelijk geen bushalte<br />

in de buurt van de piste. In het gezin is slechts één wagen aanwezig, waardoor<br />

het regelmatig een heel geregel is om alle verplaatsingsbehoeften te vervullen.<br />

“Basismobiliteit zijn de verplaatsingen die mensen doen om naar hun werk te<br />

gaan, denk ik” (Joly 15 jaar Gooik)<br />

“We hebben hier wel een bushalte dichtbij, maar ik kan die niet nemen want die<br />

komt dikwijls te laat en dan mis ik mijn aansluiting. Mijn moeder brengt mij dan<br />

174


naar de statie of ik ga met de fiets en van daar met de bus Sint Martens Lennik<br />

waar ik naar school ga.” (Joly 15 jaar Gooik)<br />

“Als het slecht weer is dan brengt mijn moeder mij naar het station. Anders ga ik<br />

met de fiets naar het station, samen met mijn broer.” (Joly 15 jaar Gooik)<br />

“Naar de atletiek breng ik haar op woensdagnamiddag. Ik zet haar dan af en ik<br />

doe terwijl mijn boodschappen en zo” (Sonja 42 jaar Gooik)<br />

“Met de fiets laat ik haar niet graag naar de atletiek gaan. Zeker niet in de<br />

winter want dan is toch al donker als het gedaan is. Mijn zoon die ouder is en<br />

graag uitgaat, voer ik ook. Ik wil ook niet dat hij in het midden van de nacht naar<br />

huis fietst.” (Sonja 42 jaar Gooik)<br />

“Soms ga ik met vrienden naar Halle om te gaan shoppen of zo, dan nemen we<br />

hier wel de bus in Kwabeek. Die gaat rechtstreeks naar Halle.” (Joly 15 jaar<br />

Gooik)<br />

“Uitgaan mag ik nog niet, maar mijn broer wel en mijn ma voert hem. Dan zal ze<br />

dat met mij ook wel doen zeker?” (Joly 15 jaar Gooik)<br />

“De zaterdag ga ik mijn zoon halen in Gooik als hij uitgaat. Met de fiets wil ik niet<br />

dat hij zo ’s nachts naar huis komt. Hij ook wel niet hoor. Maar we spreken een<br />

uur af en dan ga ik hem halen.” (Sonja 42 jaar Gooik)<br />

“Wat ik ambetant vind, is dat de chauffeur niet stopt als hij daar toch moet<br />

passeren. Allez ik bedoel dan dat als ik die zou kunnen nemen, dan geraak ik er<br />

wel op tijd. Maar omdat die niet altijd stopt, want het hangt van de chauffeur af.<br />

Ge kunt daar dus niet op rekenen.” (Joly 15 jaar Gooik)<br />

“Ik ga toch liever met de bus naar school dan met de fiets of zelf met de auto.<br />

Ge kunt dan toch beter leren op de bus of met vrienden praten. Dat is ook<br />

plezant.” (Joly 15 jaar Gooik)<br />

“Ik ga ook liever met de bus naar Halle om met vriendinnen te gaan shoppen.<br />

Dan zijt ge vrij om zelf te beslissen wanneer je naar huis komt. Anders moet je<br />

altijd afspreken met je moeder of iemand anders om u te komen halen of zo.“<br />

(Joly 15 jaar Gooik)<br />

“Hier is ook een belbus, maar die gebruiken we niet. Dat kennen we niet<br />

eigenlijk. Ik heb dat hier al zien rondrijden, maar… Ik heb me dat al afgevraagd,<br />

wat ge daar mee kunt doen. Kunt ge daarmee naar de Kinepolis.” (Joly 15 jaar<br />

Gooik)<br />

“Aks ik ergens moet zijn, dan zoek ik dat op op het internet. Ik vind dat<br />

gemakkelijk.” (Joly 15 jaar Gooik)<br />

“Uitgaan met de bus zou ik nu niet echt doen. Dat is ook moeilijk, zeker om terug<br />

te komen. “(Joly 15 jaar Gooik)<br />

175


176


Marleen (V)<br />

Marleen is een 58-jarige zelfstandige met drie kinderen (18, 19 en 26 jaar). Ze<br />

woont samen met de twee jongsten en met haar man/vader in de<br />

Viergatenstraat in Oetingen (Gooik). De bus verbindingen in hun buurt zijn<br />

minimaal. De eerste bushalte is op twintig minuten stappen. Er is een belbus,<br />

maar door een gebrek aan informatie hebben ze dat nog niet gedaan.<br />

Ondertussen beschikt het gezin over vier wagens om aan alle behoeften van<br />

alle gezinsleden te doen.<br />

“Hier is niet veel aan bussen hoor. Mijn dochter gaat naar de univ in Brussel en<br />

met de bus is ze ’s morgen minimum twee uur weg en ’s avonds ook twee uur<br />

om terug te komen. Dat is een halve dag.” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />

“Mijne zoon ook, die gaat naar school in Dilbeek en kan hier de bus nemen in<br />

Oetingen. Daar kan hij de bus nemen naar Leerbeek. Daar neemt hij de bus<br />

naar Ijzingen. In Ijzingen moet hij dan 20 minuten te voet gaan tot Borglombeek<br />

en daar kan hij zijn bus naar Dilbeek nemen. En dan is hij op school. Dus als alles<br />

goed gaat dan is hij op tijd op school als hij om 6.30 vertrekt. Met de wagen is<br />

dat 25 kilometer. Hij kan ook met de schoolbus vanuit Schepdaal, maar dan<br />

moet ik hem daar om 7.30 afzetten en ik moet hem daar ook gaan halen. Pakt<br />

dat ge dan niet kunt of zo dan zit dat kind daar vast.” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />

“Ik kan ook niet zonder auto. Gelijk nu als het koud is en ik moet naar Sint Pieters<br />

Leeuw naar mijn werk, dan begint dat al met een half uur stappen tot aan de<br />

bus en dan moet ik nog een overstap doen tot aan mijn werk. Awel, nu met de<br />

auto ben ik op 20 minuten van mijn werk en met de bus is dat minstens twee<br />

uur.” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />

“Vroeger woonde we in Sint Pieters Leeuw en daar was het wel gemakkelijk met<br />

het openbaar vervoer. Mijn kinderen gingen dan allemaal in Halle naar school<br />

en dan namen ze allemaal de bus.” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />

“De belbus zou wel een oplossing kunnen zijn, maar daar weet ik niets van. Ik<br />

heb daar nog nooit informatie over gekregen.” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />

“Ik vind dat het aanbod hier toch veel beter kan. Er zou bijvoorbeeld toch een<br />

lijnbus mogen zijn naar Aalst. Er gaan van hier toch veel kinderen naar school.<br />

Allez, ik vind dat het openbaar vervoer hier te kort schiet.” (Marleen 58 jaar<br />

Gooik)<br />

“Mijn dochter die zit dan op de univ, dus die heeft ook niet altijd dezelfde uren.<br />

En met de belbus moet ge gebeld hebben. Zij heeft daar wel eens naar<br />

gevraagd, maar ze heeft toen weinig uitleg gehad. Als ik het goed begrepen<br />

heb, dan zou ze met de belbus naar Ninove en vandaar naar Brussel. Maar ja, ze<br />

is echt heel lang weg.” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />

177


“Eigenlijk, alles wat ge hier doet ge zijt met het openbaar vervoer minstens twee<br />

uur weg. Da’s een echte korvee, hé. Mijn kinderen hebben dat allemaal wel<br />

uitgeprobeerd hoor. Maar nu ze allemaal kunnen rijden, gaan ze toch met de<br />

auto.” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />

“Mijne zoon die ging soms zelfs te voet van Leerbeek naar huis. Hij moest dan<br />

een uur wachten op de bus en dan kwam hij bijna vlugger te voet. Maar ja, ze<br />

doen dat een paar keer en dan doen ze dat niet meer. Dan blijven ze liever<br />

thuis.” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />

“Mijne zoon is wel vrij avontuurlijk. Die durft al eens op een bus stappen en dan<br />

zien dat hij niet juist is, afstappen en een andere pakken. Mijn dochter durft dat<br />

niet. Mijne zoon zoekt dat op op het internet en dan is hij weg. Vorig jaar is hij zoo<br />

met de bus en de trein naar de zee gegaan want zijn vriendinneke zat daar.”<br />

(Marleen 58 jaar Gooik)<br />

“Waar ik heel kwaad over ben geweest is dat mijne zoon eens zijne Busypas<br />

vergeten was en hij kreeg een ammende. En hij zei nog dat hij hem vergeten<br />

was, maar dan sturen ze een ammende met het nummer van zijne Busypas op.<br />

Allez, dan zien ze toch dat hij ne pas heeft… 75 euro heeft mij dat gekost.”<br />

(Marleen 58 jaar Gooik)<br />

“Mijn kinderen zijn allemaal met de bus beginnen rijden om hun 12 jaar. Dan ben<br />

ik eerst een paar keer met hen meegegaan en dan na een paar keer kennen ze<br />

dat en trekken ze hun plan.” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />

“Naar de Gentse Feesten of naar Walibi of zo dan pakt onze Pieter wel de trein.<br />

Allez als ze zich dan wat willen amuseren en desnoods een pintje drinken, dan<br />

gaan ze met de trein. Maar hij pakt danwel zijne auto tot aan het station hé.”<br />

(Marleen 58 jaar Gooik)<br />

“Wat het ook is, als ze van Lembeek terugkomen dan hebben ze maar twee<br />

kansen om de bus te nemen. Als ze die missen, ja dan zitten ze vast hé. Dan<br />

bellen ze en dan moet ik ze gaan halen. Of mijne zoon die komt da al eens te<br />

voet af. Maar da’s ver hoor” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />

“Mijn ouders nemen veel het openbaar vervoer. Sinds die 65 jaar zijn gaan die<br />

heel graag eens met de bus weg of met de trein. Veel oudere mensen doen<br />

dat. We zien dat ook bij ons in de winkel. Veel oudere mensen komen met de<br />

bus. Maar ik heb daar te weinig tijd voor. Ik ben altijd een beetje gehaast, hé.”<br />

(Marleen 58 jaar Gooik)<br />

178


Janine (V) en Alain (M)<br />

Janine is een 58-jarige gepensioneerde vrouw, woonachtig in de Lenniksestraat<br />

in Oetingen (Gooik). In de week doet ze een aantal verplaatsingen naar Ninove<br />

Heikruis, Herne,… Al die verplaatsingen doet ze met de wagen. Zij heeft een<br />

wagen steeds ter beschikking.<br />

Haar partner Alain van 45 jaar werkt als arbeider in Sint Pieters Leeuw. Ook hij<br />

beschikt over een eigen wagen. Beiden hebben in het verleden wel getracht<br />

om met het openbaar vervoer naar het werk te gaan. Maar zij naar Brussel en hij<br />

naar Sint Pieters Leeuw hebben het opgegeven. Voornamelijk omdat de rit<br />

steeds erg lang was en Janine ook omdat ze zich in de metro in Brussel onveilig<br />

voelde tijdens de ochtend en avonduren. Ze hebben een bushalte op minder<br />

dan 500 meter van de voordeur, maar de bus die er passeert verbindt enkele<br />

Ninove met Leerbeek. Dat betekent dat ze bijna altijd een aansluiting moeten<br />

hebben naar een andere bestemming.<br />

“Basismobiliteit is de mogelijkheid om u goed en makkelijk te kunnen<br />

verplaatsen. Met de bus of met de wagen.” (Janine 58 jaar Gooik)<br />

“Ik gebruik niet veel het openbaar vervoer omdat ik eerst en vooral niet zo goed<br />

weet hoe en vooral wanneer de bussen rijden. Naar Heikruis bijvoorbeeld weet ik<br />

niet hoe ik er moet geraken. Ik weet wel dat er niet zoveel bussen zijn.” (Janine<br />

58 jaar Gooik)<br />

“Ik heb vroeger nog wem eens de bus genomen, maar ik doe vrijwilligerswerk in<br />

Herne en dan zet ge daar toch rap een uur op met de bus. Met de wagen ben<br />

ik daar in een kwartiertje en kan ik zelf beslissen hoe lang ik al dan niet blijf.”<br />

(Janine 58 jaar Gooik)<br />

“Ik ging vroeger wel regelmatig gaan werken In Brussel met het openbaar<br />

vervoer. Maar dan moest ik afstappen aan de Graaf van <strong>Vlaanderen</strong> en ’s<br />

morgens in den donker, ik kan u verzekeren er zijn plezantere dingen, hoor. Ge<br />

loopt daar niet gerust hé als ge alleen loopt. Ik dacht altijd ‘ik ga nog eens in de<br />

vaart liggen en niemand gaat het weten’. Awel ik heb een parking gevraagd”.<br />

(Janine 58 jaar Gooik)<br />

“Nu rijd ik naar Erasmus of Veeweyde, tot aan de rand dus en daar neem ik de<br />

metro. Mar ik zorg er wel voor dat ik niet in den donker moet uitstappen aan<br />

‘IJzer’ of ‘Graaf van <strong>Vlaanderen</strong>’ en ge hebt nog zo van die vieze buurten als<br />

het donker is.” (Janine 58 jaar Gooik)<br />

“Het openbaar vervoer, meneer dat is hier niet te doen. Ik werkte vroeger in de<br />

Makro van Sint Pieters Leeuw. Dan moest ik van hier kwart voor zeven vertrekken<br />

naar Leerbeek met de bus. Van daar met de bus verder naar Halle en van daar<br />

naar Sint Pieters Leeuw. IK was dan ongeveer een uur en twintig minuten<br />

onderweg. En nu werk ik in Tubize, dat is al zeker niet te doen. En met de auto<br />

ben ik daar in 20 minuten.” (Alain, 30 jaar Gooik)<br />

179


“Natuurlijk, mocht ik gene auto hebben dan zou ik bepaalde dingen niet kunnen<br />

doen, hé. Bijvoorbeeld gaan turnen in Herne zou ik niet meer kunnen doen hé.<br />

Allez, dan zou ik natuurlijk dichterbij kunnen gaan turnen.” (Janine 58 jaar Gooik)<br />

“Ik zou, mocht ik geen auto hebben, mij met de bus wel loswerken hoor. Maar ik<br />

weet wel dat ik daar dan veel tijd zou moeten insteken. Elke verplaatsing is dan<br />

direct het dubbele in tijd hé. En ik ben wel gepensioneerd, maar ik ben zo actief<br />

dat ik eigenlijk nooit geen tijd heb.” (Janine 58 jaar Gooik)<br />

“Mijn kleinkinderen zou ik met de bus ook moeilijk kunnen bezoeken. Die wonen<br />

in Kokiane. Ik ga die soms eens halen van school om er op te passen. Allez ja,<br />

dat moet dan met de wagen.“ (Janine 58 jaar Gooik)<br />

“Vroeger woonde ik in Lennik en daar nam ik altijd de bus. Daar kon ik de bus<br />

nemen die rechtstreeks naar het centrum gaat. Dat is wel gemakkelijk, terwijl wij<br />

hier altijd eerst over Leerbeek moeten. Die bus die wij hier nemen die doet dan<br />

nog zo’n grote route langs Hoeve, Gooik, en dan terug naar Leerbeek. Terwijl ge<br />

bij manier van spreken van hier te voet naar Leerbeek kunt.” (Janine 58 jaar<br />

Gooik)<br />

“Ja, allez kom tot in Leerbeek is het wel te doen met de bus. Dan gaat het nog,<br />

maar dan moet ge nog verder hé. Want in Leerbeek daar moet ik niet veel zijn<br />

eigenlijk. Verder dan Leerbeek is het miserie.” (Alain, 30 jaar Gooik)<br />

“De bus hier nemen dat is sightseeing van het Pajottenland, hé. Allez, Leerbeek is<br />

hier vier of vijf kilometer verder. Maar ge doet zone ommetoer van bijna 10<br />

kilometer dat ge gewoon kweenie hoeveel tijd kwijt zijt. Dat doet ge niet om<br />

gewon een boodschapje te doen hé. En dan spreek ik nog niet van al uw<br />

boodschappen die ge moet meesleuren hé”. (Alain, 30 jaar Gooik)<br />

“Het wordt ook alsmaar erger hé. Vroeger had ge hier in Oetingen nog van alles.<br />

Een bank, de post,… maar nu is hier alles weg. Daarvoor moet ge naar Gooik.<br />

Maar ja, zoals ik gezegd heb, dat is een drietal kilometer van hier. En als ge hier<br />

in het Pajottenland met de fiets moet gaan, dat is serieus zweten hé.Het<br />

alternatief is de bus, maar dan zijt ge direct een uur kwijt en dan moet ge nog<br />

terug.” (Janine 58 jaar Gooik)<br />

“Mijnen auto is mijn vrijheid. Spijtig genoeg hoor, want ik vind dat nen auto veel<br />

geld kost. En de naft wordt ook altijd maar duurder. Maar ja, ik ben nog geen 65<br />

jaar en dan is de bus en de trein nu ook niet goedkoop hé.” (Janine 58 jaar<br />

Gooik)<br />

“Het is echt een groot verschil tussen de stad en het platteland hé. Ik woonde<br />

vroeger voor mijn scheiding in Ruisbroek. Awel, ik ging altijd met de bus. Op een<br />

half uurke stond ik in het centrum van Brussel. Of in Halle pakt ge den trein naar<br />

Brussel en ge zijt er in 10 minuten.” (Alain, 30 jaar Gooik)<br />

180


“Ah ja, ge woont hier rustig, maar dat heeft ook zijn prijs hé. Het is allemaal te<br />

doen met het openbaar vervoer, maar dan moet den dag wat langer worden.”<br />

(Janine 58 jaar Gooik)<br />

“Mijn buurvrouw die pakt wekelijks de bus om bij haar dochter te kuisen. Maar<br />

die woont in Ninove en dat is nog makkelijk want ze kan haar dan regelen. Maar<br />

als ik weg ga naar Ninove en ik heb na een half uurke gedaan en ik moet daar<br />

staan schilderen tot mijn bus kom. Ja, dan ben ik beter met den auto hé.”<br />

(Janine 58 jaar Gooik)<br />

“In de zomer vind ik de bus nog niet zo erg. Als ge dan te vroeg zijt, dan kunt ge<br />

nog wat genieten van de zon. Maar in het slecht weer!.” (Janine 58 jaar Gooik)<br />

“Als mijn ma nog heel goed was dan nam die wel altijd de bus naar de markt<br />

ofzo. Maar wat dat mens allemaal meegemaakt heeft met de bus. Maar enfin,<br />

voor haar was het haar vrijheid. Ze had nochtans een auto zé, maar ja ze is nu 80<br />

jaar en ze rijdt niet meer met de wagen. Maar ze kan nu ook niet meer<br />

gemakkelijk met de bus weg. Ze heeft wat last van haar benen en ze geraakt er<br />

niet meer op. Nu heeft ze eigenlijk niet veel meer om buiten te geraken.” (Alain,<br />

30 jaar Gooik)<br />

“Nu dit weekend ga ik met vier vriendinnen naar de kerstmarkt in Brugge. Awel<br />

dan gaan wij alle vier in één wagen naar het station van Halle en dan nemen<br />

we de trein. Maar goedkoop is dat niet.” (Janine 58 jaar Gooik)<br />

“Ik doe soms mijn ma naar de Ardennen. Awel, zij rijdt nu gratis hé. Maar ik<br />

betaal 20 euro hé. Stel dat we alle twee moeten betalen, ja dan kan ik beter<br />

met de wagen gaan hé. Dan is dat goedkoper zenne.” (Alain, 30 jaar Gooik)<br />

“Pas op, als ge de bus hier ziet rijden, dan zit daar één of twee man op hé. Wat<br />

kost dat niet. Ik begrijp dat ze daar geld voor vragen zé. Maar ja, wat doen ze<br />

daaraan. Ge moet het aanbieden, want als er geen is dan zitten die twee<br />

natuurlijk ook vast hé.” (Alain, 30 jaar Gooik)<br />

“Mijn moeder is 80 jaar, maar die is nog goed bij haar verstand, maar haar<br />

benen willen niet mee. Ze neemt nog hier en daar de wagen, maar zolang gaat<br />

ze dat toch niet meer doen. Ze durft ook niet meer. Maar ja, ze geraakt niet<br />

meer op de bus en de chauffeur komt haar niet helpen om op- of af te<br />

stappen.” (Alain, 30 jaar Gooik)<br />

“Als wij iets willen weten dan zoeken we dat op op internet hé. Maar mijn<br />

moeder die kan dat natuurlijk niet hé. Een vriendin van ons die hier vroeger<br />

woonde awel, die is verhuisd naar Lennik en die heeft haar auto verkocht. Met<br />

het openbaar vervoer geraakt die van daar overal. Behalve bij ons. Want naar<br />

hier komt ze niet. Wij gaan altijd naar daar. Ja… met de auto.” (Alain, 30 jaar<br />

Gooik)<br />

181


Sabine (V)<br />

Sabine is een 36-jarige werkloze opvoedster. Ze is gehuwd en heeft twee<br />

kinderen van 10 en 12 jaar. Samen wonen ze in de Aardseweg in Ten Aard<br />

(Geel).<br />

De dichtstbijzijnde bushalte is op een 300 meter van de voordeur. Ze gebruikt<br />

deze lijn vrij regelmatig om naar Geel te rijden. Deze lijn maakt de verbinding<br />

tussen Geel en Turnhout, maar om de zoon naar school te brengen in Geel<br />

neemt ze de fiets. De belangrijkste reden is dat de bus te vol zit. Sabine heeft<br />

geen rijbewijs, dus een auto kan ze niet gebruiken.<br />

“Basismobiliteit is voor mij dat ge overal kunt geraken waar ge wilt geraken.”<br />

(Sabine 36 jaar Geel)<br />

“Ik neem eigenlijk vooral de fiets omdat ge dan toch minder gebonden zijt aan<br />

uren. Als ik nu bijvoorbeeld naar Turnhout moet dan neem ik de bus. Maar als het<br />

geen te slecht weer is dan neem ik de fiets om naar Geel te gaan.” (Sabine 36<br />

jaar Geel)<br />

“Mijn zoon breng ik met de fiets naar school. Die gaat in Geel zelf naar school en<br />

dat is ongeveer 4 kilometer van hier. En dan ’s avonds ga ik hem halen. En dat is<br />

makkelijker dan met de bus. Die zit altijd overvol ook en dan als ge daar bij<br />

moet, dat is niet te doen. Dan ga ik liever met de fiets. Een vriend van mij die<br />

gaat zelfs eerst met de bus naar Herentals en van daar naar Turnhout. Gewoon<br />

omdat de bus van Geel te vol zit.” (Sabine 36 jaar Geel)<br />

“Zeker als de kinderen klein zijn, is zo een overvolle bus ambetant. Ge moet die<br />

kinderen dan aan uw hand houden en erop krijgen en dan worden ze geduwd<br />

en beginnen ze te wenen en zo. Allez, dan ga ik echt liever met de fiets.”<br />

(Sabine 36 jaar Geel)<br />

“Ik ga niet echt dikwijls naar Turnhout. Alleen om eens te gaan shoppen of zo. En<br />

dan neem ik de bus, maar ja dan ben ik soms juist te laat en dan kom ik terug en<br />

pak ik de fiets en ga naar Geel.” (Sabine 36 jaar Geel)<br />

“Als het echt slecht weer is, dan komt meestal mijn vriendin mijn zoon halen om<br />

naar school te gaan. En als zij om de één of andere reden niet kan, ja dan neem<br />

ik de bus.” (Sabine 36 jaar Geel)<br />

“Als mijne man thuis is dan gaan we niet met het openbaar vervoer. Dan<br />

hebben we een wagen en dan gebruiken we die. Behalve om naar Brussel te<br />

gaan of zo. Dan is de trein wel gemakkelijker, eer dat ge parking gevonden hebt<br />

en zo. En het is daar dan druk. En we kennen het ook niet zo goed in Brussel. We<br />

kennen van daar eigenlijk beter de weg vanuit het station dan met de wagen.”<br />

(Sabine 36 jaar Geel)<br />

182


“Als ge weg gaat en ge wilt van alles meebrengen dan is de bus niet zo<br />

gemakkelijk. Dan wacht ik liever tot mijne man thuis is en dan gaan we met de<br />

auto.” (Sabine 36 jaar Geel)<br />

“Het moeilikste vind ik als ge verschillende dingen tegelijk wilt doen. Mijne zoon<br />

afzetten bijvoorbeeld en dan naar de winkel gaan. Die liggen eigenlijk op de<br />

zelfde weg, enfin de bus rijdt voor bij de winkel. Hij stopt daar ook hoor. Maar als<br />

ik mijn zoon afgezet heb, dan moet ik eerst wachten op de bus naar de winkel<br />

en als ik gedaan heb met boodschappen moet ik weer wachten op de bus. Dat<br />

zou met de wagen veel sneller gaan.” (Sabine 36 jaar Geel)<br />

“Wat ook moeilijk is, is als ge uw weg niet kent ergens. Als ge bijvoorbeeld naar<br />

Brussel moet, maar nie naar het centrum of zo. Dan moet ge overstappen en ge<br />

weet niet waar. Dan moet ge echt goed plannen, anders loopt ge verloren hé.”<br />

(Sabine 36 jaar Geel)<br />

“Tijdens de schooluren dan zitten die bussen zo vol dat de kinderen dat niet<br />

plezant vinden. Er zijn nochtans twee of drie bussen tijdens die uren hoor. Maar<br />

die zitten echt vol. Zelfs in de dag zit de bus naar Turnhout eigenlijk vrij vol. Maar<br />

dan meer met oudere mensen” (Sabine 36 jaar Geel)<br />

“Mijne zoon speelt saxofoon en dat is ‘s avonds, dan nemen we de auto. Want<br />

met de fiets is dat moeilijk te doen. Met de bus zou ook kunnen, maar ’s avonds<br />

is dat ambetant en dan moet ik daar zelf ook blijven.” (Sabine 36 jaar Geel)<br />

“Hier in de buurt is wel een belbus en die rijdt naar Olen, denk ik. Maar daar<br />

moet ik niet zijn. Ik heb voldoende met de bus naar Geel en Turnhout.” (Sabine<br />

36 jaar Geel)<br />

“Voor de bank, de post en zo moet ik naar Geel. Maar dat doe ik dan als ik in<br />

Geel ben als ik de kinderen heb afgezet aan school.” (Sabine 36 jaar Geel)<br />

“Ik vind de prijs van de bus ook niet zo goedkoop. Als ge nu binnen Geel rijdt<br />

dan is dat 50 cent. Dat is nu niet veel. Maar als ge de bus moet nemen naar<br />

Turnhout dan is dat 4 euro. En dat is toch direct veel. En het is een groot verschil<br />

hé.” (Sabine 36 jaar Geel)<br />

“Mocht ik een auto hebben overdag dan zou ik wel e boodschappen tijdens de<br />

dag doen. Nu moet dat op zaterdag en dat maakt de zaterdag toch direct<br />

drukker hé. Maar met de fiets of met de bus zie ik dat echt niet zitten.” (Sabine 36<br />

jaar Geel)<br />

“Soms als mijn man weg moet in het weekend en de kinderen moeten naar de<br />

muziekschool, dan zoek ik de uren van de bus op, maar dat kwam dan<br />

helemaal niet uit want in het weekend rijden er niet veel bussen. Dan zijn we met<br />

de fiets gegaan.” (Sabine 36 jaar Geel)<br />

183


“Ik moet zeggen dat mijn zoon nu niet echt sportief is. Allez vorig jaar wou hij wel<br />

gaan basketten, maar omdat het zo moeilijk kwam om hem te brengen hebben<br />

we dat niet gedaan. En hij heeft er niet meer achter gevraagd. Chance hé.”<br />

(Sabine 36 jaar Geel)<br />

Madeleine (V) en Lucien (M)<br />

Madelein is een 74-jarige gepensioneerde vrouw die samen met haar<br />

gepensioneerde echtgenoot Lucien (76 jaar) in de Bontestraat in Oetingen<br />

(Gooik) woont. Hun dichtstbijzijnde bushalte ligt op een kleine kilometer van de<br />

voordeur. Ondanks de vele bezwaren die ze formuleren over het aanbod van<br />

openbaar vervoer gebruiken ze de bus en in mindere mate de trein voor quasi al<br />

hun verplaatsingen. Ze bezitten nog wel over een wagen, maar die verblijft voor<br />

het gros van de tijd in de garage.<br />

“Ik vind het openbaar vervoer allemaal niet zo gemakkelijk. Allez, niet zo direct<br />

qua uren of zo zenne. Maar stelt, we gaan graag ne keer naar de markt. Dan<br />

moeten we eerst ne kilometer stappen naar de bus. Dan de bus naar Leerbeek,<br />

daar moeten we overstappen op de bus naar Halle. Awel ge zijt een uur weg.<br />

Wij gaan daarom de zaterdag want anders moeten wij hier den donderdag te<br />

vroeg vertrekken en dan zitten we met al de schoolgaande kinderen op de<br />

bus.” (Madelein 74 jaar Gooik)<br />

“Onze auto gebruiken we niet zo veel meer. Alleen als het moet en dan nog<br />

vooral ’s avonds. Zekerst in den dag komt den auto zelden buiten. We zouden<br />

ook zot zijn hé. We hebben tijd genoeg en het openbaar vervoer is gratis. Aan<br />

de prijs van de naft tegenwoordig.” (Lucien 76 jaar Gooik)<br />

“Voor ons kan dat allemaal. Wij hebben tijd, maar voor onze kinderen<br />

bijvoorbeeld dis dat geen doening. Ah ze zijn langer onderweg dan dat ze<br />

moeten werken. Zogezegd.” (Madelein 74 jaar Gooik)<br />

“Naar ’t stad gaan we sowieso al niet. Dat doen we niet graag. Wel als we aan<br />

de zee zijn. Dan gaan we wel graag naar Blankenberge of Oostende. Allez, ja<br />

ge kunt da niet vergelijken met Brussel natuurlijk.” (Lucien 76 jaar Gooik)<br />

“Als ik in Sinte Pieter zijn plaats was, awel dan zou de Stevaert in elk geval al een<br />

plaatske krijgen zie. Wat dat diene mens gedaan heeft voor de<br />

gepensioneerden. Als we zo op de bus zitten en ge ziet hoeveel ouderen<br />

daargebruik van maken. Met het pensioen dat we hebben zou dat aan een<br />

gewoon tarief een pak minder zijn zenne.” (Madelein 74 jaar Gooik)<br />

“Waar ik mij wel zorgen om maak is over een paar jaar. Ah ja, ne mens blijft<br />

natuurlijk niet goed hé. Der komt sowieso nen tijd dat stappen en u bewegen<br />

moeilijk wordt. Trouwens Lucien heeft soms last van zijn benen dan heeft hij het<br />

toch ook niet zo gemakkelijk om op en af te stappen.” (Madelein 74 jaar Gooik)<br />

184


“Voor de kinderen is dat den bus ook ideaal hé. Ge moet alleen maar zien dat<br />

ge der zelf niet op zit. Ik vind dat nu niet zo erg zenne. Ik ben dat ook gewoon.<br />

Als ons dochter de vroege heeft, dan brengt ze ons kleinste en dan breng ik ze<br />

met den bus naar school. Ja die kinderen maken natuurlij klawaai, maar da’s<br />

toch normaal hé.” (Madelein 74 jaar Gooik)<br />

“Waar da’k spijt van heb, is dat we hier moeilik weggeraken met de fiets. Da zou<br />

ik meer willen doen. Maar het is hier veel te vermoeiend. Vroeger deden we dat<br />

nog wel eens, maar ook veel te weinig hé. Anders hadden we dat nu misschien<br />

beter gekunnen.” (Lucien 76 jaar Gooik)<br />

Sander (M) en Valerie (V)<br />

Valerie is een jonge niet werkende vrouw van 29 jaar. Ze is gehuwd en moeder<br />

van 3 kinderen. Sander is 11 en de oudste, gevolg door twee andere zonen van<br />

9 en 1. Samen wonen ze in de Lenniksestraat in Oetingen (Gooik). Ze beschikken<br />

slechts over één wagen, maar zijn serieus aan het denken aan de aankoop van<br />

een tweede wagen. De reden is de moeilijke verplaatsingen met een heel jong<br />

kind. Sander en zijn broer gaan voorlopig nog naar de basisschool in de buurt en<br />

ze kunnen er naartoe gaan met de fiets.<br />

“Basismobiliteit dat is iets waarvan ik het gevoel heb dat ik dat niet heb, zie.<br />

Zolang de kleine niet naar de kleuterschool is, zit ge daar toch serieus mee vast.”<br />

(Valerie 29 jaar Gooik)<br />

“Neen, ik vind niet dat ik niet weg kan door het openbaar vervoer of zo. Zolang<br />

ge met nen baby zit is dat gewoon moeilijk. Nu mijn kinderen kunnen meestal<br />

wel alleen naar school. En anders brengt mijne man ze wel. Als het slecht weer is<br />

of zo;” (Valerie 29 jaar Gooik)<br />

“Ik moet daar eerlij kin zijn, met de kleine zie ik daar tegenop. Daarvoor nam ik<br />

den bus wel zenne. ’t Is nog geweest dat mijn vriendin naar hier kwam en dat we<br />

samen dan met den bus naar Halle gingen om wat te shoppen.” (Valerie 29 jaar<br />

Gooik)<br />

“Da’k nu de bus efkes ni pak, da ligt aan mij. Maar ik zeg het, als de kleine naar<br />

de kleuterschool gaat, dan zal ik zekerst terug de bus pakken. Ik ben de ganse<br />

dag thuis, dus da’s gemakkelijk. Voor mijne man ni hé. Diene haat dat. Zelfs als<br />

de bus nog 5 minuten te vroeg is, staat em nog te klagen.” (Valerie 29 jaar<br />

Gooik)<br />

“Voor mensen zoals ik is den bus ideaal. Als ge gene auto hebt dan kunt ge toch<br />

gaan waar ge wilt hé; En echt duur vind ik het openbaar vervoer ni. Ik spreek nu<br />

niet van de trein naar de zee of naar Londen ofzo hé. Maar den bus, wat is dat<br />

twee euro. Daar kunt ge met de auto niet voor rijden zé. Als ge parking moet<br />

betalen dan zijt ge direct het driedubbele kwijt.” (Valerie 29 jaar Gooik)<br />

185


“De kostprijs van het vervoer is voor ons belangrijk ja. We hebben maar één<br />

inkomen en met drie kinderen moet ge toch wat oppassen wat ge doet. Maar<br />

dan spreek ik ni van de prijs van den bus hé. Als ge naar den Aldi of de Colruyt<br />

gaat in plaats van den Delhaize kunt ge bij manier van spreken een week lang<br />

gratis rijden.” (Valerie 29 jaar Gooik)<br />

“Binnen twee jaar gaat het voor onze Sander wel anders zijn. Dan moet em naar<br />

het middelbaar en dan blijft onze Joren natuurlijk nog hier. Dan zal em alleen<br />

naar school moeten. Enfin, dan is em ook al 11 hé” (Valerie 29 jaar Gooik)<br />

“Ik wil eigenlijk met de fiets naar school gaan als ik naar het middelbaar moet.<br />

Maar mijn mama en pap willen dat ik de bus pak.” (Sander 11 jaar Gooik)<br />

“t’Is zeker niet dat ik Sander niet betrouw of zo zenne. Wat mij betreft zou hij wel<br />

met de fiets mogen gaan. Maar ik vind dat het niet veilig is op straat. Ze moeten<br />

ook altijd naar school op de drukste momenten van de dag natuurlijk. En met de<br />

bus is het dan toch veel veiliger.” (Valerie 29 jaar Gooik)<br />

“Onze Sander zit bij de voetbal van Gooik. Hij heeft eerst bij Oetingen gespeeld,<br />

maar daar hadden ze vorig jaar niet genoeg spelers meer en dan is hij naar<br />

Gooik gegaan. We hebben dan wel het geluk gehad dat de zoon van ons<br />

buren even oud is en dat hij ook overgegaan is naar Gooik. Nu kan hij meerijden<br />

met onze buurvrouw. Die brengt ze dan en gaat ze ook halen.” (Valerie 29 jaar<br />

Gooik)<br />

Marian (V)<br />

Marian is 81 jaar en al meer dan 10 jaar weduwe. Ze heeft nooit met de wagen<br />

gereden, maar is volgens eigen zeggen nog in goede gezondheid. Ze is zeer<br />

actief in verschillende bewegingen en verenigingen. In het huishouden krijgt ze<br />

hulp van haar dochter die niet ver uit de buurt woont. Ze woont in de<br />

Diestsestraat in Geel. Voor haar wekelijkse boodschappen doet ze soms beroep<br />

op haar dochter. Maar niet altijd. Ze ziet er bijvoorbeeld niet tegenop om daar<br />

zelf in te voorzien en gebruikt daarvoor onder andere de bus.<br />

“Stel dat ge naar de dokter moet, ja dan gaat diene belbus daar ook niet staan<br />

wachten hé. En bij de dokter weet ge toch nooit om hoe laat ge daar buiten<br />

komt.” (Marian 81 jaar Geel)<br />

“Goh meneer, met den auto rijden. Ik heb dat nu nog nooit gedaan in mijn<br />

leven. Ik moet zeggen, zelfs niet om mijn rijbewijs te halen. Vroeger was dat zo<br />

hé. En ik heb dat nooit nodig gehad. Mijne man kon natuurlijk met de auto rijden<br />

hé.” (Marian 81 jaar Geel)<br />

186


“Ge kunt niet altijd op alleman rekenen, hé. Ik wil dat ook niet zenne. Ik heb dat<br />

nooit gedaan. Ook niet toen mijne man nog leefde. Dan ging ik ook met de bus<br />

weg. En vroeger al sik jong was veel met de fiets hé. Maar de tijden zijn<br />

veranderd. Het verkeer is veel drukker geworden en ge moet ook verder gaan<br />

dan vroeger hé” (Marian 81 jaar Geel)<br />

“Ja, als mijn dochter naar de winkel gaat dan neemt ze mij mee. Dat is vooral<br />

gemakkelijk voor den drank. Voor het ander heb ik haar niet direct nodig. Ik ben<br />

maar alleen en zo veel heb ik niet nodig” (Marian 81 jaar Geel)<br />

“Maar ik zen nog goed zenne. Ik moet zelfs al eens een oude mee de bus<br />

ophelpen die zelfs jonger is als ik.” (Marian 81 jaar Geel)<br />

“Ik zen nogal veel weg eigenlijk. Mijn dochter zegt dat ik nooit in mijn kot zen. ’t Is<br />

waar zenne, maar ik doen dat graag. Ge zijt dan onder de mensen.” (Marian 81<br />

jaar Geel)<br />

“Gisteren zen ik nog naar Geel gegaan en eigenlijk moest ik nu bij mijn<br />

vriendinnen zijn. Maar nu kost ik niet natuurlijk. Anders gaan ik elke week naar<br />

een paar vriendinnen hier een beetje verder. Niet dat er veel gebeurd of zo<br />

zenne. Maar den enen weet ne keer dit en den andere dat. En da’s plezant hé.<br />

Met een taske koffie.” (Marian 81 jaar Geel)<br />

“Als ik ’s avonds ergens moet zijn dan vraag ik wel altijd dat iemand mij thuis<br />

afzet. Allez, nu moet ik da zelfs al niet meer vragen hé. Ze weten dat en als ze<br />

dan vertrekken komen ze af en zeggen ze, hoe zit het Marian, gaade mee. En<br />

dan wordt ik thuis afgezet hé.” (Marian 81 jaar Geel)<br />

“Ik wil m’n dochter daarmee niet lastig vallen zenne. Ik zou ook nie weten<br />

waarom. Zolang da’k op m’n alleen weg kan, moet dat ook niet hé. Past op,<br />

soms is ze ongerust zé. Want ne gsm da em ik ni hé. Kan dat toch nie gebruiken.<br />

K’em ene zé, maar ik gebruik da ni. En dan ja…” (Marian 81 jaar Geel)<br />

“Voor veel is den belbus gemakkelijk ook hé. Ge moet allen de dag tevoren<br />

bellen en dan gaat da heel goed. Om terug te komen ook, alleen als ge niet<br />

goed weet wanneer ge terug moet zen, dan is dat lastig hé. Gelijk bij de dokter.”<br />

(Marian 81 jaar Geel)<br />

“’t Is al geweest da’k em gemist heb zé de belbus. Maar ’t was men eigen fout.<br />

Ik was te laat.” (Marian 81 jaar Geel)<br />

Agnes (V) en Lore (V)<br />

Agnes is 45 jaar en zelfstandig schoonheidsspecialiste. Ze werkt thuis en ze woont<br />

samen met haar man haar jongste dochter Lore (18 jaar) in de Aardseweg in Ten<br />

Aarde (Geel). Lore studeert Letterkunde in Antwerpen. Ze is geen kotstudente en<br />

komt dus dagelijks naar huis. Ze heeft op dit ogenblik slechts een voorlopig<br />

187


ijbewijs, maar gaat toch regelmatig, soms samen met moeder met de wagen<br />

naar de universiteit.<br />

Buiten de boodschappen verplaatst Agnes zich niet veel. Ze werkt thuis en als ze<br />

naar de bank moet bijvoorbeeld zorgt ze ervoor dat ze terwijl ook nog andere<br />

boodschappen kan doen. Ze kunnen ook beroep doen op een belbus, maar<br />

daar hebben ze nog niet naar geïnformeerd. Haar oudste zoon (24 jaar) en haar<br />

tweede dochter (22 jaar) zijn het huis uit en zijn wel fervente gebruikers van het<br />

openbaar vervoer.<br />

“Basismobiliteit is voor mij hier den auto.” (Agnes 45 jaar Geel)<br />

“We hebben een halte hier een kilometer van hier en dat is toch niet dichtbij, hé.<br />

Want ik ben ervan overtuigd dat als de halte dichterbij zou zijn dat we de bus<br />

meer zouden gebruiken. Allez, mijn dochters toch. Die hebben dat nooit echt<br />

willen doen. Het zijn ook meisjes hé en ze moeten hier dan toch langs een vrij<br />

verlaten baan tijdens de avond. Allez, de tweede heeft nog wel de bus<br />

genomen.” (Agnes 45 jaar Geel)<br />

“Neen, ik neem de bus hier niet. Ik zie dat niet zitten om nog zo ver te stappen,<br />

zeker niet als het regent. Ik neem wel soms de trein naar Antwerpen, maar dan<br />

zet mijn ma mij af aan het station.” (Lore 18 jaar Geel)<br />

“Boodschappen gaat niet anders dan met de auto, hé. We zijn hier met 3<br />

volwassenen in huis en ik ga zo’n twee keer in de week. Maar dat is toch direct<br />

veel.” (Agnes 45 jaar Geel)<br />

“Als ik naar de bank moet dan zorg ik er natuurlijk voor om terwijl ook een brood<br />

of zo mee te brengen. Da’k niet alleen voor een brood buiten moet. Daarvoor is<br />

de benzine te kostelijk, hé.” (Agnes 45 jaar Geel)<br />

“Niet dat ik niet wil stappen hoor, want ik ga regelmatig met de fiets. Maar te<br />

voet vind ik niet plezant.” (Lore 18 jaar Geel)<br />

“We hebben hier een belbus maar, ik heb daar nog niet naar gevraagd. Dat is<br />

ook niet zo makkelijk hé. Ge moet dat bestellen en zo. Maar mocht ik geen auto<br />

hebben, dan zou ik wel met de belbus gaan, denk ik.” (Agnes 45 jaar Geel)<br />

“We hebben er ook altijd voor gezorgd dat de kinderen zo snel mogelijk hun<br />

rijbewijs hebben. Lore is nu de laatste en we hebben drie wagens dus ze heeft<br />

haar eigen vervoer.” (Agnes 45 jaar Geel)<br />

“Mijn oudste zoon die heeft toen ze een huis heeft gekocht hier op Ten Aard wel<br />

gekeken naar het openbaar vervoer. Ze wonen nu eigenlijk vlak aan een<br />

buskotje en zij gaan alle twee elke dag met het openbaar vervoer gaan werken.<br />

Zij hebben daar echt speciaal naar gekeken. Die vonden dat een auto en zeker<br />

twee veel te veel geld.” (Agnes 45 jaar Geel)<br />

188


“Naar de zee gaan we met de trein. We rijden dan naar het station van Geel en<br />

dan met de trein naar de kust. En dan nemen we daar de bus of de tram. Maar<br />

dat is anders hé. Dan hebt ge compagnie en geen zorgen of stress. Da’s anders<br />

als hier thuis hé.” (Agnes 45 jaar Geel)<br />

“Ik heb de afgelopen jaren les gevolgd in Antwerpen en dat deed ik met de<br />

auto. En in het begin had ik daar wat schrik van maar nu, gaat dat gemakkelijk.”<br />

(Agnes 45 jaar Geel)<br />

“Als de kinderen jongeren waren was dat wel lastig. Ons twee meiskes die<br />

gingen dan dansen in Lichtaart en die moesten dan gevoerd worden en dan<br />

moest de zoon nog naar ergens anders gebracht worden. Allez, ge voelt echt<br />

ne chauffeur, hé. “ (Agnes 45 jaar Geel)<br />

“De meiskes schelen vier jaar en die gingen alle twee dansen, en eerst was dat<br />

de woensdag en de vrijdag, maar dan ging de oudste naar een andere groep<br />

en dat was op dinsdag en donderdag. En dan hebben we gezegd gedaan.<br />

Anders was ik elke dag aan het rondrijden en dat kan niet. En met het openbaar<br />

vervoer ’s avonds naar Lichtaart en terug dat is niet te doen. Dan zijn ze maar<br />

gestopt.“ (Agnes 45 jaar Geel)<br />

189

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!