Eindrapport - Mobiel Vlaanderen
Eindrapport - Mobiel Vlaanderen
Eindrapport - Mobiel Vlaanderen
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
Cesor b.v.b.a<br />
Nijverheidsstraat 9<br />
1930 Zaventem<br />
BELGIE<br />
Tel. +32 (0) 496 50 23 29<br />
Vertegenwoordigd door:<br />
Michael Debusscher<br />
Zaakvoerder<br />
Vakgroep Sociologie<br />
Onderzoeksgroep TOR<br />
Pleinlaan 2<br />
1050 Brussel<br />
BELGIE<br />
Tel +32 (0) 2 629 20 24<br />
Vertegenwoordigd door:<br />
Prof. Dr. Ignace Glorieux<br />
Promotor<br />
De sociale effecten van basismobiliteit in niet-stedelijke<br />
gebieden
INHOUD<br />
1. Inleiding............................................................................................................... 4<br />
2. Basismobiliteit ..................................................................................................... 9<br />
2.1. Het principe van basismobiliteit ............................................................... 9<br />
2.2. De politieke basis van basismobiliteit...................................................... 9<br />
2.2.1. Het beleid rond mobiliteit in de periode 1999-2004 ....................... 9<br />
2.2.2. Het beleid rond mobiliteit in de periode 2004-2009 ..................... 15<br />
2.3. Basismobiliteit vandaag .......................................................................... 19<br />
2.4. Tussen beleid en realiteit ......................................................................... 20<br />
2.5. Conclusies deel 2...................................................................................... 22<br />
3. Noden en behoeften voor verplaatsingen................................................. 24<br />
3.1. Het verplaatsingsgedrag van de Vlaming........................................... 24<br />
3.2. Maatschappelijke behoefte aan verplaatsen .................................... 31<br />
3.3. De verschillende dimensies van welbevinden .................................... 33<br />
3.3.1. Persoonlijk welbevinden ................................................................... 35<br />
3.3.2. Sociaal en cultureel welbevinden .................................................. 37<br />
3.3.3. Economisch welbevinden................................................................ 39<br />
3.4. Leeftijdsgebonden behoeften ............................................................... 40<br />
3.4.1. De fase voor de leerplicht (-6 jaar)................................................. 42<br />
3.4.2. De fase van de leerplicht (6 - 18 jaar)............................................ 43<br />
3.4.3. De beroepsactieve leeftijd (19 – 65 jaar) ...................................... 50<br />
3.4.4. De fase na mogelijke arbeid (+65 jaar) ......................................... 57<br />
3.5. Conclusies deel 3...................................................................................... 60<br />
4. Criteria voor een keuze voor het openbaar vervoer ................................ 63<br />
4.1. De kostprijs van een verplaatsing .......................................................... 63<br />
4.2. De beschikbare tijd voor een verplaatsing.......................................... 69<br />
4.3. Het gewenste comfort bij een verplaatsing ........................................ 71<br />
4.3.1. De gezinssamenstelling..................................................................... 71<br />
4.3.2. Te dragen lasten tijdens een verplaatsing .................................... 73<br />
4.3.3. Drukte op het openbaar vervoer en in het verkeer..................... 75<br />
4.3.4. Files en parkeerplaatsen................................................................... 76<br />
4.3.5. De weersomstandigheden .............................................................. 78<br />
4.4. Informatie over de beschikbare vervoersmiddelen ........................... 80<br />
4.5. De complexiteit van de verplaatsing.................................................... 84<br />
4.6. De veiligheid van een verplaatsing ...................................................... 87<br />
4.7. De beschikbaarheid van vervoersmiddelen ....................................... 90<br />
4.7.1.Basismobiliteit of geen basismobiliteit ............................................. 90<br />
4.7.2. Fysieke en psychische belemmeringen ......................................... 93<br />
4.8. Conclusies deel 4...................................................................................... 95<br />
2
5. Sociale baten van basismobiliteit................................................................. 96<br />
5.1. Beschikbaarheid in termen van verbindingen .................................... 97<br />
5.2. De afstand tot een bushalte ................................................................ 106<br />
5.3. De frequentie en de amplitude van het aanbod ............................ 108<br />
5.4. De bruikbaarheid van haltes en voertuigen...................................... 112<br />
5.5. Conclusies deel 5.................................................................................... 114<br />
6. Conclusies....................................................................................................... 116<br />
Bibliografie.......................................................................................................... 120<br />
BIJLAGE 1: Kwalitatief onderzoek in <strong>Vlaanderen</strong> ......................................... 124<br />
1. Opzet kwalitatief onderzoek.................................................................... 124<br />
2. Profielen van de respondenten ............................................................. 128<br />
3
1. Inleiding<br />
Begin 2007 werd ons 1 door het Departement Mobiliteit en Openbare Werken<br />
gevraagd om een antwoord te formuleren op de vraag welke sociale baten de<br />
invoering van basismobiliteit met zich meebrengen.<br />
Eind vorig jaar (2006) werd in navolging van het decreet ‘Basismobiliteit’ de<br />
implementatie van ‘Basismobiliteit in <strong>Vlaanderen</strong>’ beëindigd. Tussen 2001 en<br />
2006 heeft de Vlaamse regering jaarlijks heel wat middelen vrijgemaakt voor en<br />
toegewezen aan het optimaliseren van het aanbod van het openbaar vervoer<br />
in <strong>Vlaanderen</strong>. Een jaar na de afronding van de invoering van basismobiliteit in<br />
<strong>Vlaanderen</strong> stellen we ons de vraag tot welke sociale baten het aanbieden van<br />
basismobiliteit leidt. Het antwoord op deze vraag is niet eenvoudig. Wat zijn<br />
immers sociale baten? Op welke manier uiten deze baten zich? En hoe kunnen<br />
deze dan door middel van objectieve indicatoren in kaart worden gebracht?<br />
Vergelijken we deze vraag met de vraag wat de economische kost van het<br />
aanbod in het kader van basismobiliteit dan wordt de complexiteit van onze<br />
vraag pas echt duidelijk. Zonder te willen stellen dat het gemakkelijk is om de<br />
economische kost in kaart te brengen, kan men voor het beantwoorden van<br />
deze vraag wel gebruik maken van een aantal objectieve indicatoren om de<br />
kostprijs te bereken. We denken daarbij aan de uitbating- en personeelskosten,<br />
de opbrengsten aan verkoop van tickets en dergelijke. Met de kennis over het<br />
aantal gebruikers van de diensten die met de projecten basismobiliteit in het<br />
leven werden geroepen, kan een duidelijke kostprijs worden berekend. Het<br />
resultaat is dan een bedrag per passagier uitgedrukt in euro. En ook al kan dan<br />
worden gediscussieerd over de kostenefficiëntie, het wordt hoe dan ook een<br />
discussie over euro’s, wat een voor iedereen op dezelfde manier te interpreteren<br />
meeteenheid is.<br />
Over de directe economische kosten verbonden aan het aanbieden en<br />
verzorgen van basismobiliteit is dan ook vrij veel gekend. De Lijn brengt hierover<br />
ook jaarlijks verslag uit en de overheid beslist hoeveel budget ze hiervoor wil<br />
vrijmaken. De focus van dit onderzoek ligt echter niet op de kosten die het<br />
aanbod van basismobiliteit met zich meebrengen. De focus ligt ook niet op de<br />
indirecte economische en financiële baten voor de samenleving die<br />
basismobiliteit met zich meebrengt. Die zijn er ongetwijfeld. Denken we maar<br />
aan de tewerkstelling van medewerkers (o.a. buschauffeurs) van de Lijn, aan de<br />
commerciële baten van handelaars, aan de mogelijkheden van werknemers<br />
om naar hun werk te gaan enzovoort.<br />
Om de sociale baten ten gevolge van het invoeren van basismobiliteit in kaart<br />
te brengen, beschikken we niet over zo’n objectieve indicatoren. Sociale baten<br />
kunnen immers niet worden uitgedrukt in euro. Op dit ogenblik beschikken we<br />
dan ook over geen enkele indicator om op directe wijze de sociale baten van<br />
basismobiliteit in kaart te brengen. We zijn in dit stadium bijgevolg verplicht om<br />
de vraag op een kwalitatieve manier te benaderen.<br />
1 Onderzoeksgroep TOR (Vakgroep Sociologie – Vrije Universiteit Brussel en Cesor (spin off - Vrije<br />
Universiteit Brussel – Onderzoeksgoep TOR)<br />
4
Vanuit deze optiek benaderen we de sociale baten vanuit het behoeftepatroon<br />
van de Vlaming. Het doel van deze studie bestaat erin na te gaan in welke<br />
mate, bij welke bevolkingsgroepen aan welke behoeften tegemoet wordt<br />
gekomen door de implementatie van basismobiliteit en, aansluitend, bij welke<br />
bevolkingsgroepen aan welke behoeften niet tegemoet gekomen wordt.<br />
Concreet gaan we in deze studie een beeld schetsen van de persoonlijke en<br />
sociale baten die voortvloeien uit de mogelijkheid die mensen hebben om zich<br />
te verplaatsen door gebruik te maken van het openbaar vervoer, zoals het<br />
wordt aangeboden door de Lijn in het kader van het decreet basismobiliteit.<br />
Door ons toe te leggen op de diensten van de Lijn beperken we gedeeltelijk ons<br />
onderzoekskader, maar hypothekeren we niet de inventaris van de persoonlijke<br />
en sociale baten.<br />
Individuen kunnen hun mobiliteit op verschillende manieren organiseren. De<br />
eerste voor de hand liggende en meest gebruikte transportvorm is de eigen<br />
wagen of een ander persoonlijk transportmiddel zoals een fiets of zelfs te voet.<br />
Naast de financiële middelen noodzakelijk voor de aankoop en het onderhoud<br />
van een private wagen, vereisen deze transportmiddelen echter ook een<br />
fysische en psychische gezondheid van het individu. Een tweede mogelijkheid<br />
om zich te verplaatsen is een beroep doen op derden (buren, gezinsleden,<br />
familieleden, ...). Een belangrijke voorwaarde hiervoor is een sociaal netwerk. De<br />
laatste mogelijkheid om zich te verplaatsen, is gebruik maken van het aanbod<br />
aan openbaar of commercieel vervoer. Ook hier zijn echter een aantal<br />
voorwaarden aan verbonden. De kostprijs, de diensturen, de infrastructuur en<br />
dergelijke zijn belangrijke voorwaarden om al dan niet gebruik te (kunnen)<br />
maken van het openbaar vervoer of bij gebrek aan een aanbod aan openbaar<br />
vervoer de financiële middelen bijvoorbeeld voor het gebruik van commerciële<br />
taxidiensten.<br />
In deze studie leggen we ons toe op het openbaar vervoer. Voor wat betreft de<br />
sociale en zeker de persoonlijke baten verbonden aan de mogelijkheid om zich<br />
te verplaatsen, is het transportmiddel eigenlijk niet belangrijk. Het belangrijkste<br />
verschil ligt in de afhankelijkheid van het individu. Het spreekt voor zich dat het<br />
gebruik van persoonlijke of private vervoersmiddelen het individu de grootste<br />
onafhankelijkheid van derden biedt. Beroep doen op anderen, hetzij kennissen,<br />
vrienden of buren, hetzij commerciële of openbare vervoersdiensten impliceren<br />
per definitie een zekere graad van afhankelijkheid van deze diensten of<br />
personen. Autonomie, onafhankelijkheid en controle zijn echter moeilijk objectief<br />
meetbaar.<br />
Om de sociale baten van basismobiliteit in kaart te brengen, maken we gebruik<br />
van een theoretisch kader waarvan de invloed op individu en samenleving<br />
onderkend wordt en door heel wat sociologisch onderzoek wordt bevestigd<br />
(Elchardus e.a., 2001; Elchardus & Smits, 2002; Elchardus & Pelleriaux, 2003;<br />
Elchardus & De Groof, 2005). Maatschappelijk onbehagen wordt algemeen als<br />
problematisch aanzien en onderzoek wijst uit dat aspecten als autonomie,<br />
onafhankelijkheid en controle hierop een directe en indirecte invloed<br />
uitoefenen.<br />
5
In deze studie koppelen we de sociale baten dan ook aan het<br />
maatschappelijke onbehagen of positiever geformuleerd als persoonlijk en<br />
maatschappelijk welbevinden. Vanuit het perspectief van maatschappelijk of<br />
concreter persoonlijk, sociaal cultureel en economisch welbevinden gaan we bij<br />
experten, en bij gebruikers en niet-gebruikers van openbaar vervoer op zoek<br />
naar de persoonlijke en sociale baten van basismobiliteit.<br />
In het eerste gedeelte van dit rapport gaan we dieper in op het principe van<br />
basismobiliteit en de wijze waarop het politiek en wettelijk is verankerd tijdens de<br />
vorige en de huidige legislatuur van de Vlaamse Regering. De visie en de missie<br />
van de regering kunnen we als de motor beschouwen voor de uitbouw en de<br />
bestendiging van het recht op basismobiliteit. In <strong>Vlaanderen</strong> wordt<br />
basismobiliteit immers als een individueel recht beschouwd en werd dat recht in<br />
2001 ook decretaal verankerd.<br />
Dat decreet bepaalt de contouren van onze studie. We leggen in deze studie<br />
de nadruk op basismobiliteit zoals het bij decreet door de Vlaamse<br />
Vervoersmaatschappij/De Lijn wordt ingevuld. Tijdens onze gesprekken met<br />
‘gewone’ Vlamingen werd basismobiliteit echter veel breder geïnterpreteerd.<br />
Basismobiliteit werd zonder uitzondering gedefinieerd in termen van behoeften<br />
en verplaatsingsmogelijkheden, maar slechts zelden in termen van openbaar<br />
vervoer. Buiten de scope van deze studie kunnen we uit onze bevraging wel<br />
besluiten dat het decreet en het ‘recht’ op basismobiliteit zeer slecht gekend is<br />
onder de bevolking. Het principe van de ‘belbus’ is wel goed gekend, maar de<br />
connectie tussen beiden wordt in het denken van de geïnterviewde Vlamingen<br />
niet gemaakt. We sluiten het eerste gedeelte dan ook af met het spanningsveld<br />
tussen het decretale aanbod op het vlak van basismobiliteit en de vraag of de<br />
verwachtingen van de (potentiële) gebruiker.<br />
Het formuleren van basismobiliteit in termen van behoeften leidt ons tot het in<br />
kaart brengen van behoeftepatronen van Vlamingen met betrekking tot<br />
verplaatsingen. Het spreekt voor zich dat heel wat behoeften door grote delen<br />
van de bevolking worden gedeeld. We denken dan aan woon-werk of woonschool<br />
verplaatsingen. Maar zelfs als deze behoeften worden gedeeld, dan nog<br />
beschikt niet iedereen over dezelfde mogelijkheden of middelen om deze<br />
behoefte te bevredigen. In het tweede gedeelte leggen we ons naast<br />
algemene verplaatsingsnoden- en behoeften van Vlamingen dan ook toe op<br />
de behoeften van specifieke bevolkingsgroepen of –categorieën. We richten<br />
ons daarbij op verschillende leeftijdscategorieën die overeenstemmen met<br />
levensfasen die elk op het vlak activiteiten- en tijdspatroon duidelijke verschillen<br />
vertonen. Zo onderscheiden we als jongste leeftijdsgroep de kinderen onder 6<br />
jaar, gevolgd door kinderen tussen 6 en 12 jaar, tieners tussen 12 en 18 jaar, de<br />
beroepsactieven tussen 19 en 65 jaar, met daarbinnen een verdere opsplitsing in<br />
een aantel relevante leeftijdsgroepen, en als oudste groep de 65-plussers,<br />
waarbij we ook specifiek aandacht hebben voor de hoogbejaarden. Voor elk<br />
van deze groepen gaan we dieper in op de verplaatsingsmiddelen die worden<br />
gebruikt en de plaats van het openbaar vervoer in hun verplaatsingsgedrag.<br />
Door gebruik te maken van deze categorieën stoten we tevens op<br />
leeftijdsgebonden belemmeringen om een bepaald verplaatsingsmiddel te<br />
6
gebruiken. Jongeren onder de 18 jaar wordt op wettelijke basis het populairste<br />
vervoersmiddel in <strong>Vlaanderen</strong>, de auto, ontzien. Ouderen moeten hetzelfde<br />
vervoersmiddel door lichamelijke beperkingen aan de kant laten.<br />
Na het overzicht van de verplaatsingsbehoeften van verschillende<br />
leeftijdsgroepen richten we de aandacht op de criteria die mensen gebruiken<br />
om bij de keuze voor een verplaatsingsmiddel al dan niet voor het openbaar<br />
vervoer te kiezen. We onderscheiden daarbij een aantal criteria die zowel<br />
positief als negatief zijn voor een keuze voor het openbaar vervoer. In beide<br />
gevallen schept het overzicht een beeld van factoren die het welbevinden van<br />
gebruikers van het openbaar vervoer kunnen verhogen. We stellen daarbij vast<br />
dat de leeftijdsgebonden verplaatsingspatronen en –behoeften het gezelschap<br />
krijgen van bijkomende vereisten bij de keuze voor het openbaar vervoer. We<br />
gaan daarbij dieper in op ondermeer de kostprijs van het openbaar vervoer, de<br />
informatie over het aanbod, het comfort en een aantal externe factoren als de<br />
verkeersdrukte en de weersomstandigheden.<br />
In het laatste hoofdstuk komt basismobiliteit opnieuw concreet in beeld. We<br />
gaan immers na in welke mate de criteria in het decreet met betrekking tot het<br />
aanbod van basismobiliteit en de invulling van deze criteria door De Lijn al dan<br />
niet tegemoet komen aan de noden en de behoeften van de gebruikers. Voor<br />
zowel het aanbod aan verbindingen, de dienstregeling als de afstand tot de<br />
dichtstbijzijnde bushalte gaan we na in welke mate deze het welbevinden van<br />
de gebruikers bevorderen.<br />
Uit de politieke visies rond basismobiliteit blijkt dat het invoeren van het recht de<br />
bedoeling heeft om ‘zwakke’ groepen in de samenleving op het vlak van<br />
verplaatsingsmogelijkheden mobieler te maken. Vanuit dezelfde optiek hebben<br />
we bij de opzet van dit onderzoek ervoor geopteerd om ons niet te richten op<br />
(groot)stedelijk gebieden. Verscheidene onderzoeken (Meert e.a., 2003; De<br />
Wakkere Burger, 2001) hebben er immers op gewezen dat de grootste<br />
problemen op het vlak van vervoersarmoede zich situeren in niet-stedelijke<br />
gebieden. Het leek ons dan ook logisch om in gebieden met een beperkt<br />
aanbod te gaan luisteren naar de noden en de behoeften van de mensen op<br />
het vlak van mobiliteit en op welke manier het openbaar vervoer in het<br />
algemeen en van het aanbod in het kader van basismobiliteit daar aan<br />
tegemoet komt. In deze studie hebben we ons dus niet rechtstreeks gericht op<br />
de verplaatsingsnoden en behoeften van inwoners van de steden. Dat betekent<br />
niet de verplaatsingen binnen de stad niet als belangrijk worden beschouwd.<br />
Integendeel. Verplaatsingen binnen de stad en naar de stad vormen zelfs een<br />
belangrijk onderdeel van deze studie. Alleen beperken we ons in deze studie tot<br />
de mening van Vlamingen die niet in een stadskern wonen en die bij een<br />
bezoek aan de stad dus verplicht zijn om een vervoersmiddel te gebruiken.<br />
Afsluitend willen we in deze inleiding benadrukken dat deze studie in belangrijke<br />
mate tot stand kwam dankzij de medewerking van tal van betrokkenen. In<br />
eerste instantie willen we alle personen bedanken die ons tijdens het<br />
vooronderzoek hebben ontvangen en ons te woord hebben gestaan. In het<br />
7
kader van het vooronderzoek hebben we gesprekken gevoerd met experts op<br />
het vlak van mobiliteit en doelgroepenexperts. We bedanken dan ook<br />
uitdrukkelijk Griet Similon en medewerkers (De Lijn), Jan Vanseveren (BTTB), Jan<br />
Van Gils (Kind en Samenleving), Kris Coremans (Departement Onderwijs – Cel<br />
leerlingenvervoer), Nancy Vercammen (VDAB), Gert Zuallaert (<strong>Mobiel</strong>21), Hans<br />
Verbruggen (Vectris), Heidi Vanderpoorten (Cel Gelijke Kansen), Enid Zwerts<br />
(Steunpunt Gelijke Kansen), Joke Deconinck en collega’s (Samenlevingsopbouw<br />
Westhoek), Ann De Boeck (Gezinsbond), Erwin Debruyne (VVSG), Steven Vos<br />
(Toegankelijkheidsbureau) en Rudy Kennes (VAPH) voor hun medewerking.<br />
Uiteraard willen we ook alle mensen bedanken die we in het kader van ons<br />
onderzoek bij hen thuis hebben bezocht om hen uit te vragen over hun<br />
verplaatsingsgedrag. Ondanks het gegeven dat al deze gesprekken erg<br />
gemoedelijk en aangenaam zijn verlopen, moesten zij toch enkele uren van hun<br />
kostbare tijd vrijmaken. In het rapport zullen we gebruik maken van de informatie<br />
die zij hebben aangeleverd. We zullen dit ondermeer doen door middel van<br />
citaten. Deze zullen anoniem worden weergegeven. In bijlage stellen we het<br />
schema voor waarop we de respondenten hebben geselecteerd en geven we<br />
van elke geciteerde respondent een korte biografie zodat de citaten in de<br />
context van de respondent kunnen geplaatst worden.<br />
Last but not least willen we ook alle leden van de stuurgroep, Peter Keppens<br />
(Afdeling Beleid Mobiliteit en Verkeersveiligheid), Joost Swinnen (Kabinet van de<br />
Vlaamse minister van Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen) en Roger<br />
Kesteloot (De Lijn - Centrale Diensten) te bedanken voor hun input en<br />
begeleiding bij dit project.<br />
8
2. Basismobiliteit<br />
2.1. Het principe van basismobiliteit<br />
Voor we op zoek gaan naar de sociale baten van basismobiliteit, staan we even<br />
stil bij het principe van basismobiliteit. Vergeten we even de decretale<br />
definiëring van basismobiliteit, dan verstaat de man in de straat hieronder dat<br />
elk individu de mogelijkheid heeft om zich te verplaatsen naar de gewenste<br />
locatie. Uiteraard is dit een zeer ruime definitie. Het behelst namelijk alle vormen<br />
van verplaatsingsmiddelen voor elke verplaatsingsbehoefte, van te voet naar de<br />
lokale bakker voor de aankoop van een brood tot een vlucht met het vliegtuig<br />
naar Tenerife voor de jaarlijkse vakantie. Beiden kunnen tegemoet komen aan<br />
een levensbehoefte, hetzij voor voeding, hetzij voor ontspanning. In deze studie<br />
snoeien we sterk in al die mogelijke vormen van ‘basismobiliteit’. We beperken<br />
ons concreet tot de invulling die door de Vlaamse Overheid aan basismobiliteit<br />
wordt gegeven. Toch willen we de interpretatie van de Vlaming niet zomaar<br />
opzij schuiven. Na de beknopte bespreking van de decretaal gekaderde<br />
basismobiliteit komen we op de op behoeften gestoelde basismobiliteit terug.<br />
2.2. De politieke basis van basismobiliteit<br />
2.2.1. Het beleid rond mobiliteit in de periode 1999-2004<br />
Het politieke verhaal van basismobiliteit begint met de politieke wil en een visie<br />
om basismobiliteit in het beleid te implementeren. In het regeerakkoord 1999-<br />
2004 stelt de Vlaamse Regering zich tot doel om in het voorjaar 2001 een<br />
geïntegreerd mobiliteitsplan “Duurzame mobiliteit in <strong>Vlaanderen</strong>” aan het<br />
Vlaamse Parlement voor te leggen. Dit mobiliteitsplan moet, aldus het<br />
regeerakkoord, “de mobiliteit beheersen, de milieuvervuiling en milieuhinder<br />
terugdringen en de bereikbaarheid en de leefbaarheid van steden en dorpen<br />
garanderen”. (Mobiliteitscel, 2001) Omdat het mobiliteitsplan werd uitgewerkt<br />
binnen de krijtlijnen van het ‘Regeerakkoord’ en volgens de krachtlijnen van de<br />
‘Beleidsnota Mobiliteit’, schenken we eerst aandacht aan het regeerakkoord<br />
(1999 – 2004) en aan de beleidsnota ‘Mobiliteit en Openbare Werken’ van<br />
dezelfde legislatuur.<br />
2.2.1.1. Het Regeerakkoord: 1999 - 2004<br />
In het regeerakkoord 1999 – 2004 krijgt mobiliteit bijzondere aandacht. Door<br />
middel van een geïntegreerd (economische, sociale en ecologische belangen)<br />
mobiliteitsplan ‘Duurzame mobiliteit in <strong>Vlaanderen</strong>’ wil men de mobiliteit<br />
beheersen, de milieuvervuiling en milieuhinder terugdringen en de<br />
bereikbaarheid en leefbaarheid van steden en dorpen garanderen. Vooral dat<br />
laatste is in het licht van basismobiliteit belangrijk (Vlaamse Regering, 1999). In<br />
het regeerakkoord wordt de invoering van basismobiliteit aangekondigd als een<br />
9
sociaal recht voor elk individu in <strong>Vlaanderen</strong>. Via een beheersovereenkomst<br />
met De Lijn zal worden bepaald dat de vervoersmaatschappij een beleidsplan<br />
opstelt tot systematische en gefaseerde invoering van de basismobiliteit. Die<br />
invoering zal gelijkmatig gespreid zijn over de Vlaamse provincies. In het akkoord<br />
werd de afronding van de invoering van basismobiliteit tijdens deze<br />
regeerperiode vooropgesteld. In realiteit zou de afronding pas in 2006<br />
plaatsvinden. In het regeerakkoord wordt bijzondere aandacht besteed aan de<br />
verschillen in behoeften tussen het openbaar vervoer in grootsteden,<br />
centrumsteden en op het platteland en tevens voor specifieke doelgroepen.<br />
Voor deze verschillende doelgroepen zal een bewuste prijzenpolitiek worden<br />
gevoerd. De invulling van basismobiliteit blijft op dit niveau redelijk vaag. Om<br />
een concreter beeld te krijgen van wat men juist onder basismobiliteit verstaat,<br />
moet gekeken worden naar het de beleidsnota ‘Mobiliteit en Openbare<br />
Werken’.<br />
2.2.1.2. Beleidsnota Mobiliteit: 1999 - 2004<br />
In de beleidsnota ‘Mobiliteit en Openbare werken’ (Stevaert, 1999) van<br />
toenmalig Vlaams minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie Steve<br />
Stevaert vinden we een duidelijke wil terug om door het uitwerken van een<br />
systeem van basismobiliteit het probleem van ‘verkeersarmoede’ aan te<br />
pakken. Uitgangspunt is de veranderende samenleving met enerzijds een steeds<br />
grotere nood aan verplaatsingen en anderzijds steeds meer mensen die<br />
verstoken zijn van het bezit of het gebruik van een persoonlijke auto, ondermeer<br />
door een vergrijzende bevolking.<br />
In de beleidsnota wordt basismobiliteit eveneens als een sociaal recht<br />
gedefinieerd. Beleidsmatig volgt het uitwerken van basismobiliteit twee sporen,<br />
enerzijds de promotie van het gebruik van de fiets en andere zachte<br />
vervoersmiddelen en de uitvoering van infrastructurele werken en anderzijds de<br />
uitbouw van het openbaar vervoer.<br />
Daarmee wordt duidelijk een aanzet gegeven voor de internationaal<br />
baanbrekende invoering van basismobiliteit in <strong>Vlaanderen</strong>. In de beleidsnota<br />
wordt de argumentatie voor de noodzaak voor basismobiliteit teruggebracht<br />
naar een ‘sociaal recht’. Enkel de vergrijzing en daarmee gepaard gaande<br />
mobiliteitsmoeilijkheden bij de oudere bevolkingsgroepen worden echter als<br />
specifieke problematiek naar voor geschoven.<br />
2.2.1.3. Mobiliteitsplan <strong>Vlaanderen</strong> (2001 & 2003)<br />
In het mobiliteitsplan worden de doelstellingen voor het mobiliteitsbeleid<br />
gekaderd in hun maatschappelijke context.<br />
In het mobiliteitsplan gaat de aandacht naar enkele belangrijke demografische<br />
ontwikkelingen in het kader van de nood aan basismobiliteit. Een eerste<br />
demografische ontwikkeling is de vergrijzing. <strong>Vlaanderen</strong> telt steeds meer<br />
10
ouderen. Een tweede belangrijke ontwikkeling situeert zich op het niveau van<br />
het aantal huishoudens. Met de toename van het aantal kleine huishoudens<br />
(één of twee personen) nemen ook de mogelijkheden af om een beroep te<br />
doen op iemand van het gezin om zich te verplaatsen. Met de toename van het<br />
aantal huishoudens wordt tevens een toename van het aantal verplaatsingen<br />
verwacht.<br />
Op economisch vlak zijn de meningen over de invloed op de mobiliteit<br />
verdeeld. Economische activiteiten bepalen in directe zin een groot deel van de<br />
vraag naar vervoer (het goederenvervoer, de verplaatsingen van en naar het<br />
werk en het zakelijk vervoer). Niet alle economische ontwikkelingen dragen<br />
echter bij tot een verdere stijging van de mobiliteit. Zo dematerialiseren eeconomie<br />
en spitstechnologie de economie zodat de ontkoppeling tussen het<br />
BNP en de transportgroei zich langzaam zal inzetten.<br />
Ook technologische ontwikkelingen hebben een impact op de mobiliteit. ICTontwikkelingen<br />
leiden tot deconcentratie van bedrijven, thuiswerken, spreiding<br />
van de verplaatsingen over de dag.<br />
Ruimtelijk leiden sterke interacties tussen bevolkingsontwikkeling,<br />
functievervlechting en schaalvergroting van de ruimtelijke relaties tot een<br />
grotere vraag naar mobiliteit en tot grotere verplaatsingsafstanden. Vanuit<br />
sociaal oogpunt leiden zij vooral tot veranderingen die per auto nog wel te<br />
volgen zijn maar zonder auto veel minder.<br />
In het Mobiliteitsplan staat ook een uitgesproken visie over mobiliteit te lezen.<br />
Mobiliteit wordt de motor van de samenleving genoemd. Het laat aan zowel het<br />
individu als het bedrijf, maar ook aan de samenleving als geheel toe om relaties<br />
te leggen of te onderhouden. Dit leggen of onderhouden van functionele<br />
relaties binnen (internationale) netwerken is een noodzakelijke voorwaarde voor<br />
economische ontwikkeling of –groei. Voor het individu is het een vereiste om op<br />
een volwaardige manier te kunnen functioneren binnen deze samenleving, dus<br />
voor maatschappelijke integratie.<br />
Duurzaamheid en duurzame ontwikkeling zijn in het mobiliteitsplan<br />
kernbegrippen. Voor de definiëring van duurzame ontwikkeling wordt<br />
teruggegrepen naar de definitie in het Brundtland-rapport, zijnde:<br />
“een ontwikkeling die voorziet in de behoefte van de huidige generatie<br />
zonder daarmee voor de toekomstige generaties de mogelijkheid in gevaar<br />
te brengen om ook in hun behoefte te voorzien” (Brundtland, 1987; in:<br />
Mobiliteitsplan, 2001)<br />
Binnen deze definitie worden Twee concepten inherent aan duurzame<br />
ontwikkeling gekoppeld, namelijk de sociale behoeften om zich te verplaatsen<br />
met zorg voor de economische en ecologische toekomst.<br />
11
Voor deze studie zijn we in de eerste plaats geïnteresseerd in de sociale<br />
dimensie. In het Mobiliteitsplan (2001) wordt deze bekommernis vertaald in een<br />
doelstelling.<br />
“Het belang van mobiliteit voor de burgers gaat verder dan uitsluitend de<br />
economische dimensie. Voor de maatschappelijke en sociale ontplooiing is<br />
een goede bereikbaarheid van groot belang om aan allerlei activiteiten te<br />
kunnen deelnemen. Denk aan opleiding, het afleggen en ontvangen van<br />
bezoek, winkelen, medische verzorging, recreëren, ect. Dit geldt niet alleen<br />
voor de autobezitters maar voor alle bevolkingsgroepen. Het vervullen van<br />
de vervoersbehoeften zal steeds meer inspanningen vragen:<br />
1) Ten eerste omwille van de toename van het vervoersvolume en de<br />
steeds hogere en diversere eisen die aan het vervoerssysteem worden<br />
gesteld;<br />
2) Ten tweede vanwege de groeiende zorg over de negatieve effecten die<br />
samenhangen met een ongebreidelde groei van het verkeer;<br />
3) Ten derde vanwege de vrees dat de kosten en baten van deze<br />
ontwikkelingen steeds minder gelijkmatig door de samenleving worden<br />
gedeeld;<br />
Vanuit sociaal oogpunt staat het mobiliteitsbeleid dan ook voor de<br />
uitdaging om niet alleen een tweedeling tussen mobielen en immobielen te<br />
voorkomen, maar ook de problemen op vlak van de verkeersonveiligheid<br />
en de verkeersleefbaarheid onder controle te krijgen. “ (Mobiliteitsplan,<br />
2001)<br />
Uit bovenstaande doelstelling wordt het belang van mobiliteit zeer ruim ingevuld.<br />
Eigenlijk wordt erin gezegd dat zowel op economisch als op sociaal vlak alle<br />
burgers zich moeten kunnen verplaatsen. Binnen het kader van duurzame<br />
mobiliteit zijn de enige grenzen milieu en veiligheid. Vanuit dat kader wordt de<br />
algemene missie van het Vlaamse mobiliteitsbeleid geformuleerd als het voeren<br />
van een beheersgericht beleid waarbij zowel de economische, de sociale als de<br />
ruimtelijke en de milieucomponenten ten volle worden onderkend en<br />
geïntegreerd benaderd.<br />
Vanuit de bekommernis voor een duale samenleving moet het resultaat een<br />
billijke en sociaal gecorrigeerde verdeling van de verplaatsingsmogelijkheden<br />
zijn, maar daarnaast ook een aangepast verplaatsingsgedrag.<br />
Uit bovenstaande missie worden in het Mobiliteitsplan vijf doelstellingen voor het<br />
mobiliteitsbeleid geformuleerd, zijnde:<br />
1) Het vrijwaren van de bereikbaarheid<br />
2) Het garanderen van de toegankelijkheid<br />
3) Het verzekeren van de veiligheid<br />
4) Het verbeteren van de verkeersleefbaarheid<br />
5) Het terugdringen van de schade aan natuur en milieu<br />
Deze 5 concrete doelstellingen vormen als het ware de kern van dit onderzoek.<br />
Op zoek gaande naar de sociale effecten van basismobiliteit moet de invoering<br />
van basismobiliteit een positieve invloed hebben op deze doelstellingen.<br />
12
Toegespitst op de sociale effecten is het ‘terugdringen van de schade aan de<br />
natuur en het milieu’ minder relevant. Al dient gezegd dat verscheidene<br />
bevraagden dit argument wel aanhaalden om het openbaar vervoer (meer) te<br />
gebruiken.<br />
“Ik probeer de wagen wel wat thuis te houden. Laat ons zeggen dat ik hem zo<br />
om de twee dagen eens gebruik. Ik probeer ook mijn boodschappen zo wat te<br />
regelen dat ik niet elke dag weg moet. Dat lukt niet altijd, maar kom ik vind dat<br />
toch beter, voor de kosten en voor het milieu en zo. Als het niet moet, dan moet<br />
het niet hé.“<br />
(An 34 jaar Brasschaat)<br />
“Ik vind het belangrijk dat ze op school de kinderen goed informeren over het<br />
gebruik van het openbaar vervoer. Ze doen dat nu en dat vind ik goed. Dan<br />
promoten ze het openbaar vervoer ook hé. Dat is goed voor het milieu en zo.”<br />
(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
“Pas op, het openbaar vervoer is belangrijk hé, want hoe meer mensen zich<br />
gezamenlijk verplaatsen hoe beter voor het leefmilieu hé. Daar ben ik vast van<br />
overtuigd. Maar je moet steeds op een bepaald moment in je leven kijken wat<br />
doenbaar is en wat niet doenbaar is met het openbaar vervoer. Ik verplaats me<br />
dus niet met het openbaar vervoer. Tenzij ik verder moet bijvoorbeeld naar<br />
Brussel of Antwerpen naar de boekenbeurs. Dan neem ik bij voorkeur de trein,<br />
omdat er te veel files zijn, omdat het heel goedkoop is,…”<br />
(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
Ook de vierde doelstelling ‘het verbeteren van de verkeersleefbaarheid’ werd<br />
herhaaldelijk door de geïnterviewden als argument gebruikt om voor het<br />
openbaar vervoer te kiezen. Zowel de verkeerscongestie als het gevaar van de<br />
drukke wegen wordt als argument gebruikt om voor het openbaar vervoer te<br />
kiezen.<br />
“Ik denk dat hij (zoon 8 jaar) wel met de fiets naar school zou kunnen gaan. Maar<br />
ze moeten wel een gevaarlijke steenweg over en de mensen stoppen niet. Ik<br />
denk wel dat hij dat zou kunnen, maar ik ga toch liever mee.”<br />
(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />
“Binnen twee jaar zal de oudste dan waarschijnlijk wel de bus nemen om naar de<br />
school te gaan. Dan zal ze met haar fiets tot aan de bus rijden en van daar naar<br />
school. We zouden haar daarvoor ook naar Zwijnaarde sturen omdat het<br />
makkelijk is. Met de fiets naar daar zou ik haar niet laten gaan. Ze moet dan langs<br />
een verlaten stuk langs het water en dan langs een drukke baan. Dan ben ik te<br />
ongerust. En ik ben ook niet bereid om kweenie hoe lang in de file te gaan staan<br />
om speciaal haar te brengen als er een bus rijdt.”<br />
(Lies 37 jaar Merelbeke)<br />
Opnieuw in het kader van deze studie zijn het echter vooral de eerste twee of<br />
zelfs drie doelstellingen die zeer belangrijk zijn. De eerste doelstelling is vrij<br />
evident. Mensen moeten de mogelijkheid hebben om de plaatsen te bereiken<br />
13
die ze moeten of willen bereiken, maar ook omgekeerd moeten mensen ook<br />
bereikbaar zijn.<br />
In het Mobiliteitsplan wordt onder ‘het garanderen van de toegankelijkheid’ ook<br />
gesproken over de toegang tot de informatie- en communicatienetwerken. Dat<br />
aspect valt buiten het kader van deze studie. Het streven naar een zo groot<br />
mogelijke “toegang” tot de mobiliteit, valt wel binnen de doelstellingen van<br />
deze studie. Om de toegang te optimaliseren moet volgens het Mobiliteitsplan<br />
de focus liggen op zowel individuele als collectieve vervoersmiddelen.<br />
De toegang tot de mobiliteit is een belangrijk element in het plan. Mobiliteit is in<br />
<strong>Vlaanderen</strong> erg ongelijkmatig verdeeld over de verschillende groepen en een<br />
sociaal gerichte duurzame mobiliteit impliceert dan ook een herverdeling van<br />
de mobiliteit.<br />
De meest kwetsbare groepen zijn mensen die geen auto bezitten of<br />
mogen/kunnen besturen, maar meer algemeen moet het beleid ervoor zorgen<br />
dat vervoersarmoede uit onze samenleving wordt geweerd en dat de<br />
vervoersongelijkheden tussen de verschillende maatschappelijke groepen tot<br />
een aanvaardbaar niveau zijn teruggebracht. In de herziene versie van het<br />
Mobiliteitsplan in 2003 wordt voor basismobiliteit wordt binnen dit kader de<br />
nadruk gelegd op personen met een handicap. (Mobiliteitsplan, 2003)<br />
2.2.1.4. De decretale verankering van basismobiliteit<br />
Tijdens legislatuur 1999-2004 krijgt bovenstaande visie en het principe van of het<br />
recht op basismobiliteit een politieke verankering in de vorm van een decreet.<br />
Het decreet Basismobiliteit is een Vlaamse wet die binnen de woonzones van<br />
grootstedelijke, stedelijke, randstedelijke, kleinstedelijke en buitengebieden een<br />
minimumaanbod voorziet van geregeld vervoer aan de gebruiker. Het<br />
minimumaanbod houdt de bedieningsfrequenties en de afstanden tot haltes<br />
van geregeld vervoer in. In concreto gaat het om een uitbreiding van het stads-<br />
en streekvervoer van De Lijn in <strong>Vlaanderen</strong>. Het decreet werd op 20 april 2001<br />
goedgekeurd door het Vlaams Parlement en beoogt meer dan enkel de<br />
invoering van basismobiliteit. Volledig maakt basismobiliteit deel uit van het<br />
decreet ‘betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg en<br />
tot de oprichting van de Mobiliteitsraad van <strong>Vlaanderen</strong>’. Naast het hoofdstuk<br />
over basismobiliteit, omvat het decreet tevens algemene bepalingen over het<br />
geregeld vervoer, het netmanagement, het bijzonder geregelde vervoer, de<br />
taxidiensten, het verhuren van voertuigen met bestuurder en de oprichting van<br />
een Mobiliteitraad voor <strong>Vlaanderen</strong>. Ondanks de verschillende elementen van<br />
wordt het decreet toch het best gekend om het onderdeel basismobiliteit,<br />
vooral omdat dit onderdeel de grootste impact heeft op de<br />
verplaatsingsmogelijkheden van de burger. (Steels, 2001)<br />
Het decreet moet elke inwoner van <strong>Vlaanderen</strong> het recht geven op een<br />
minimumaanbod aan openbaar vervoer. Het bepaalt onder meer de<br />
maximumafstand tot de dichtstbijzijnde halte, het aantal ritten per uur en de<br />
maximale wachttijd. Deze normen verschillen volgens het te bedienen gebied<br />
(grootstedelijk, stedelijk, rand- en kleinstedelijk gebied, buitengebied) en het<br />
tijdstip (spits- en daluren) en beperken zich tot woonzones.<br />
14
De doelstelling van het decreet is dat eind 2006 binnen een straal van 750 meter<br />
een bushalte of tramhalte moet zijn vanaf elk huis in een plattelandsgemeente.<br />
Voor rand- enkleinstedelijke gebieden zal er binnen een straal van 650 meter<br />
een bus- of tramhalte moeten zijn en bij grootstedelijke en stedelijke gebieden<br />
binnen een straal van 500 meter. Op het platteland of buitengebiedenzullen<br />
daarom extra lijnen worden geopend en in de (grote) steden zal het bestaande<br />
openbaar vervoer worden verbeterd (meer capaciteit, betere doorstroming).<br />
Tabel: Basismobiliteit in <strong>Vlaanderen</strong><br />
Groot-<br />
stedelijk<br />
Weekdagen<br />
6-9 uur 16-18 uur<br />
Samenvattende tabel basismobiliteit<br />
Weekdagen<br />
9-16 uur 18-21 uur<br />
Weekend<br />
8-23 uur<br />
Max. halteafstand<br />
5 ritten/uur 4 ritten/uur 3 ritten/uur 500 m<br />
Stedelijk 4 ritten/uur 3 ritten/uur 2 ritten/uur 500 m<br />
Rand en klein-<br />
stedelijk<br />
3 ritten/uur 2 ritten/uur 1 ritten/uur 650 m<br />
Buitengebied<br />
2 ritten/uur 1 ritten/uur 1 ritten/2 uur 750 m<br />
Bron: De Lijn (http://www.delijn.be/overheden/basismobiliteit/overzicht_basismobiliteit.asp)<br />
Met het decreet van 20 april 2001 op het personenvervoer en het bijhorende<br />
uitvoeringsbesluit over basismobiliteit werd het kader geschapen voor de<br />
geleidelijke invoering van basismobiliteit in alle 308 Vlaamse gemeenten. Tot<br />
2006 voorzag de Vlaamse overheid hiervoor in de begroting jaarlijks een extra<br />
budget van ca. 25 miljoen euro.<br />
2.2.2. Het beleid rond mobiliteit in de periode 2004-2009<br />
In analogie met de bespreking van het beleid voor de legislatuur 1999 – 2004<br />
bekijken we voor het huidige beleid eerst het regeerakkoord en dan specifiek de<br />
beleidsnota ‘Mobiliteit’ van de legislatuur 2004 - 2009.<br />
2.2.2.1. Het Regeerakkoord 2004 – 2009<br />
Het regeerakkoord voor de legislatuur van 2004 – 2009 kreeg de titel<br />
“Vertrouwen geven, verantwoordelijkheid nemen” en focust zich op drie<br />
doelstellingen zijnde:<br />
- de ontplooiing van Vlamingen en <strong>Vlaanderen</strong> duurzaam bevorderen<br />
- een zorgzame, lerende samenleving<br />
- goed en doelmatig bestuur (Vlaamse Regering, 2004)<br />
15
Met reeds een wettelijke omkadering en de lopende projectmatige en<br />
gefaseerde invoering van basismobiliteit in de Vlaamse gemeenten krijgt deze<br />
legislatuur de mogelijkheid om het principe en de invulling te verfijnen. In het<br />
regeerakkoord wordt de focus van de basismobiliteit op specifieke doelgroepen<br />
uitgebreid. Concreet wenst men basismobiliteit te waarborgen voor leerlingen uit<br />
het lager en het secundair onderwijs. In samenwerking met de Lijn zal getracht<br />
worden een netoverschrijdend leerlingenvervoer te realiseren via een decreet<br />
“algemeen leerlingenvervoer”. In de loop van deze legislatuur zal projectgewijs,<br />
in samenwerking met de lokale besturen en de scholen netoverschrijdend gratis<br />
vervoer worden ingevoerd voor leerlingen van het basisonderwijs. Ook het<br />
aanbod aan openbaar vervoer voor leerlingen van het secundair onderwijs zal<br />
tijdens deze legislatuur worden verbeterd.<br />
Met betrekking tot het mobiliteitsbeleid in het algemeen wordt verder de weg<br />
van de duurzame ontwikkeling gevolgd. Door middel van duurzame<br />
maatregelen moet de verkeersveiligheid verhogen, de verkeersleefbaarheid<br />
verbeteren en de bereikbaarheid en toegankelijkheid worden gewaarborgd.<br />
Hiermee worden de krachtlijnen van het Mobiliteitsplan (2001) herbevestigd en<br />
vormen ze nog steeds het uitgangspunt voor het mobiliteitsbeleid.<br />
Daarnaast wordt in het akkoord ook gewezen op de economische kostprijs van<br />
basismobiliteit. De doelstellingen, opgenomen in het decreet basismobiliteit,<br />
moeten op de meest efficiënte manier worden gerealiseerd. De zorg voor een<br />
efficiënte inzet van middelen moet het uitgangspunt zijn bij de uitvoering, de<br />
opvolging en de bijsturing, waar nodig, van de beheersovereenkomst tussen het<br />
Vlaams Gewest en de VVM/De Lijn.<br />
Een bijhorende economisch getinte doelstelling voor het openbaar vervoer is de<br />
prioriteit voor woon-werk- en woon-schoolvervoer, als bijdrage in de<br />
filebestrijding.<br />
2.2.2.2. Beleidsnota Mobiliteit: 2004 – 2009<br />
In de huidige legislatuur van de Vlaamse Regering wordt onder leiding van<br />
Kathleen Van Brempt, Vlaams minister van Mobiliteit, Sociale Economie en<br />
Gelijke Kansen het beleid rond basismobiliteit verder gezet. In haar beleidsnota<br />
krijgt de argumentatie voor en het belang van basismobiliteit beduidend meer<br />
aandacht dan in de beleidsnota van de vorige legislatuur.<br />
De mogelijkheid om zich te kunnen verplaatsen, wordt als een noodzakelijke<br />
voorwaarde aanzien om volwaardig te kunnen deelnemen aan het<br />
maatschappelijke leven. Een volwaardige deelname aan de samenleving is een<br />
recht en op basis daarvan heeft iedereen dus recht op mobiliteit.<br />
Gezien het enorme maatschappelijke belang, mag mobiliteit niet louter<br />
benaderd worden vanuit een economisch-technisch-infrastructureel perspectief,<br />
maar moet aandacht worden geschonken aan het sociale perspectief.<br />
16
Concreet betekent dit dat het mobiliteitsbeleid op iedereen moet gericht zijn en<br />
dus ook op vervoersgevoelige mensen en groepen. Men spreekt van een<br />
inclusief mobiliteitsbeleid.<br />
Met basismobiliteit worden woonzones ontsloten, wordt de totale<br />
bereikbaarheid groter en wordt het woon-werkverkeer verbeterd. Om de<br />
basismobiliteit te optimaliseren moet echter niet alleen de aanbodzijde worden<br />
beschouwd, maar moet een vraaggericht aanbod worden uitgebouwd, via het<br />
netmanagement. Met het netmanagement wordt het bedrijfsleven<br />
aangesproken en wordt gestreefd naar een ontsluiting van de bedrijfszones.<br />
Daarnaast moeten ook andere mobiliteitsleemten door een vraaggerichte<br />
aanvulling worden ingevuld, waardoor ziekenhuizen, scholen en andere<br />
instellingen eveneens beter bereikbaar worden.<br />
In de beleidsnota wordt ook verder gekeken dan enkel de ruimtelijke ontsluiting<br />
en gaat de aandacht tevens naar de tijdsdimensie. Vooral in het weekend en ’s<br />
nachts wordt nog een sterke leemte ervaren.<br />
Naast tijd en ruimte moet tevens aandacht gaan naar de toegankelijkheid van<br />
het openbaar vervoer. Toegankelijkheid omvat met enerzijds fysieke en<br />
functionele aspecten en anderzijds de budgettaire aspecten twee dimensies.<br />
Onder de fysieke beperkingen vallen de lichamelijke beperkingen die in<br />
sommige gevallen, zoals een rolstoelgebruiker gekoppeld zijn aan functionele<br />
beperkingen. Het belangrijkste budgettaire aspect is uiteraard de<br />
betaalbaarheid van het vervoer.<br />
Met de betaalbaarheid van het openbaar vervoer voor de gebruiker sluit de<br />
beleidsnota aan bij een gelijke verdeling van kansen op mobiliteit. Mobiliteit is<br />
niet gelijk verdeeld en is niet voor iedereen even vanzelfsprekend. Het aantal<br />
kilometers dat iemand per dag aflegt, is bijvoorbeeld sterk gerelateerd aan<br />
iemands scholingsgraad. Een universitair legt gemiddeld meer dan 60 km per<br />
dag af terwijl een laaggeschoolde nog geen 30 km per dag haalt.<br />
Hiermee wordt in de beleidsnota gewezen op de ongelijkheid in <strong>Vlaanderen</strong> op<br />
het vlak van mobiliteit. Alle menselijke activiteiten worden sterk bepaald door tijd<br />
en ruimte. De mate waarin men mobiel is, heeft bijgevolg veel invloed op de<br />
mate waarin men zich op individueel en sociaal vlak kan ontplooien. Mobiliteit<br />
determineert dan ook voor een groot stuk de activiteitenpatronen en<br />
ontplooiingskansen van een individu.<br />
De kansen om zich zorgeloos te verplaatsen zijn echter niet voor alle individuen<br />
en groepen gelijk. Bepaalde personen en groepen zijn namelijk zeer<br />
vervoersgevoelig. In de beleidsnota wordt daarbij gewezen op fysieke<br />
beperkingen, de leeftijd, het gebrek aan middelen en de juridische<br />
hoedanigheid als factoren die de mobiliteit van een persoon of groep kunnen<br />
belemmeren. Vermits de mogelijkheid om zich te verplaatsen als een recht<br />
wordt beschouwd, mag volgens de beleidsnota de samenleving zich niet<br />
ontwikkelen tot een duale samenleving met aan de ene zijde de mobielen en<br />
aan de andere zijde de niet-mobielen.<br />
17
Om deze duale samenleving te vermijden moeten deze groepen bijzondere<br />
aandacht krijgen. Deze missie valt onder de inclusiegedachte. Bovendien wordt<br />
de stelling geponeerd dat een oplossing die rekening houdt met de meest<br />
kwetsbare groep meestal een goede oplossing is voor iedereen.<br />
Aandacht voor mobiliteit is niet alleen belangrijk om een duale samenleving te<br />
vermijden. Het kan namelijk ook worden aangewend als hefboom voor meer<br />
gelijke kansen. Mobiliteit moet worden aangewend als hefboom van het gelijke<br />
kansenbeleid, als instrument dat economische en sociale kansen kan genereren.<br />
Voor een aantal mensen en groepen in <strong>Vlaanderen</strong> is zich verplaatsen een<br />
groot probleem. Dat leidt niet alleen tot praktische problemen, maar heeft ook<br />
psychologische gevolgen. In de beleidsnota valt namelijk te lezen dat<br />
onvervulde mobiliteitsbehoeften het gevoel van maatschappelijke<br />
machteloosheid bevestigen of versterken. Als voorbeelden wordt gewezen op<br />
langdurige werkzoekenden die soms een job moeten weigeren, omdat ze er<br />
binnen de afgesproken uren niet kunnen geraken of omdat ze er dan niet in<br />
slagen de kinderen tijdig naar school te brengen. In de nota wordt dan ook de<br />
relatie gelegd tussen vervoersarmoede en kansarmoede.<br />
Met een beter verdeelde mobiliteit en door tegemoet te komen aan de<br />
verplaatsingsnoden en de - behoeften van deze individuen of groepen kan hun<br />
positie in de maatschappij worden verbeterd. Door bij te sturen en te corrigeren<br />
op het vlak van mobiliteit krijgen ze meer autonomie en wordt hun toegang tot<br />
de samenleving verbeterd en krijgen ze meer vat of controle krijgen op andere<br />
aspecten van hun leven.<br />
Aansluitend bij het regeerakkoord krijgen de leerlingen uit het lager en het<br />
secundair onderwijs een bijzondere plaats in het voorziene beleid rond mobiliteit.<br />
Voor leerlingen uit het lager en secundair onderwijs moet basismobiliteit worden<br />
gewaarborgd. In samenwerking met de Lijn moet een netoverschrijdend<br />
leerlingenvervoer worden georganiseerd.<br />
De motivatie om deze doelgroep in de verf te zetten, berust op een combinatie<br />
van twee individuele rechten. Elk kind heeft het recht en tot 18 jaar zelfs de plicht<br />
om onderwijs te volgen en dus heeft het kind het recht om tot aan de<br />
schoolpoort te geraken. Dat blijkt niet voor elke leerling of gezin even<br />
vanzelfsprekend. Te voet of met de fiets is niet overal en niet voor iedereen een<br />
haalbare en/of veilige oplossing. Voor deze groep is dus een belangrijke taak<br />
weggelegd voor het openbaar vervoer. In de loop van deze legislatuur is het<br />
dan ook de bedoeling om het leerlingenvervoer verder uit te bouwen, wat zijn<br />
beslag moet krijgen in een algemeen decreet leerlingenvervoer.<br />
Op dit ogenblik bevindt de uitbreiding van de basismobiliteit naar het<br />
leerlingenvervoer zich in een voorbereidingsfase. Momenteel lopen een aantal<br />
pilootprojecten als voorbereiding op een toekomstig Vlaams beleidskader inzake<br />
woon-schoolverkeer.<br />
18
2.3. Basismobiliteit vandaag<br />
Met het decreet Basismobiliteit werd een eerste baanbrekende stap gezet in de<br />
realisatie van basismobiliteit als recht voor iedereen. Dat recht op basismobiliteit<br />
klinkt in de oren van de Vlamingen ondertussen misschien als een evidentie<br />
maar dat is het zeker niet. Op Europees en zelfs op wereldniveau is <strong>Vlaanderen</strong><br />
op dat vlak vrij uniek en heeft het een voorbeeldfunctie voor tal van andere<br />
regio’s en landen. We wensen dan ook even stil te staan bij de vraag hoe deze<br />
in de praktijk tot stand kwam. Het is immers niet voldoende om de politieke wil<br />
om te zetten in een beleidskader en beleidsinstrumenten te voorzien. De<br />
implementatie in de praktijk is meestal een werk van lange adem en van veel<br />
overleg. In de periode 1999 tot vandaag is op het vlak van basismobiliteit in<br />
<strong>Vlaanderen</strong> echter al heel veel verwezenlijkt. Eind 2006 had 90% van de<br />
Vlamingen een basisaanbod aan openbaar vervoer. Dat betekent dat er bijna<br />
overal in de woonzones een aanbod is aan openbaar vervoer en dat 9 op 10<br />
Vlamingen over een degelijk, openbaar vervoer kunnen beschikken. In een<br />
volgende fase, vanaf 2007, stelt de Vlaamse overheid geld ter beschikking van<br />
De Lijn voor projecten in het kader van het netmanagement. (De Lijn, 2006)<br />
Cartografische weergave van de mate van realisatie van basismobiliteit<br />
Om zover te komen werd in samenwerking met de Administratie Wegen en<br />
Verkeer door de Lijn een prioriteitenlijst opgesteld van gemeenten waar nog het<br />
meeste werk is om het aanbod op het gevraagde niveau te krijgen. Op basis<br />
van de prioriteitenlijst werden in de periode 2001 – 2006 elk jaar projecten in<br />
gang gezet om het aanbod aan openbaar vervoer op het vereiste peil te<br />
brengen. Het prioriteitensysteem voor basismobiliteit houdt rekening met de<br />
19
afstand van de woning tot de halte (op het platteland is dat bijv. 750 meter in<br />
vogelvlucht), hoeveel keer per uur er een bus of tram passeert, de maximale<br />
wachttijd, en de uren waarbinnen gereden wordt. Verder wordt de<br />
bevolkingsdichtheid in de woonzones van de gemeenten in aanmerking<br />
genomen. De afbakening van de ‘erkende woonzones’ is mee in het<br />
uitvoeringsbesluit over de basismobiliteit opgenomen. Om de score te<br />
berekenen, wordt een formule gebruikt:<br />
I = (2NTB + NTA) x N<br />
TOT<br />
Waarbij N voor het inwoneraantal van de gemeente staat; TOT voor de totale<br />
oppervlakte woongebied in de gemeente; NTB voor de niet bediende<br />
oppervlakte op een dinsdag (x5), zaterdag en zondag; en NTA voor de niet<br />
afdoende bediende oppervlakte op een dinsdag (x5), zaterdag en zondag.<br />
2.4. Tussen beleid en realiteit<br />
In de bovenstaande onderdelen hebben we ruim aandacht besteed aan de<br />
politieke context waarin het principe van basismobiliteit wordt gekaderd. In de<br />
periode die we hebben belicht, is de zorg om de mogelijkheden van de<br />
Vlaamse bevolking om zich te kunnen verplaatsen zeer duidelijk aanwezig. In de<br />
beleidsnota’s, de regeerakkoorden en het mobiliteitsplan wordt de toenemende<br />
behoefte om zich voor tal van activiteiten te verplaatsen benadrukt. Daarbij<br />
wordt meermaals verwezen naar specifieke doelgroepen (ouderen,<br />
gehandicapten,…) die door hun financiële en/of hun fysieke conditie het zeer<br />
moeilijk hebben om zich te verplaatsen. Net als voor alle andere<br />
bevolkingsgroepen is de behoefte om zich te kunnen verplaatsen zeer groot.<br />
Deze vaststelling is zonder meer terecht en wordt door de mensen die we<br />
geïnterviewd hebben ook beaamd. Zich kunnen verplaatsen is heel belangrijk<br />
en gevraagd naar wat zij verstaan onder het begrip ‘basismobiliteit’ wordt<br />
zonder uitzondering gesproken in termen van zich kunnen verplaatsen naar waar<br />
en wanneer men wil.<br />
“Basismobiliteit is voor mij, mij kunnen bewegen naar een plaats waar ik wil, in<br />
<strong>Vlaanderen</strong> op onze wereldbol… Om iets te bezoeken.”<br />
(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
“Basismobiliteit is dat ge op de gewenste tijd ergens naar toe kunt. Zonder al te<br />
veel poespas.”<br />
(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />
“Basismobiliteit zou moeten betekenen dat iedereen zich zo vrij mogelijk moet<br />
kunnen bewegen. Onafhankelijk van uw inkomen of van de plaats waar je<br />
woont.”<br />
(Peter 43 jaar Kortrijk)<br />
20
“Basismobiliteit zijn de middelen die ge kunt gebruiken om uw dagelijkse<br />
verplaatsingen te doen.”<br />
(Erik 33 jaar Kortrijk)<br />
“Basismobiliteit is voor mij dat ge overal kunt geraken waar ge wilt geraken.”<br />
(Sabine 36 jaar Geel)<br />
In slechts enkele zinnen geven de geïnterviewden de idee over basismobiliteit<br />
weer die we ook terugvinden in de politieke nota’s. Ook zij spreken zeer duidelijk<br />
in termen van noden en behoeften. Naast het opvallende gegeven dat geen<br />
enkele van de bevraagde respondenten op de hoogte was van het bestaan<br />
van het decreet en van het recht op basismobiliteit, stellen we ook vast dat<br />
slechts een beperkt aantal respondenten spontaan verwees naar een aanbod<br />
van openbaar vervoer.<br />
“Basismobiliteit is voor mij dat ge veel keur hebt in de autobussen en zo.”<br />
(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
“Basismobiliteit is de mogelijkheid om u goed en makkelijk te kunnen verplaatsen.<br />
Met de bus of met de wagen.”<br />
(Janine 58 jaar Gooik)<br />
“Basismobiliteit is de mobiliteit die iemand aangeboden krijgt om ergens naar toe<br />
te gaan. Zowel van de fiets tot bus, taxi en alles wat te maken heeft met<br />
vervoer.”<br />
(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
“Basismobiliteit is de minimale mobiliteit die iedereen moet kunnen hebben om<br />
zich te verplaatsen. Waar de overheid moet zorgen dat de mensen zich op een<br />
behoorlijke manier moeten kunnen verplaatsen. Het minimum om zich te kunnen<br />
verplaatsen van A naar B en om de behoeften te bevredigen op het vlak van<br />
boodschappen kunnen doen, verwanten te bezoeken en openbare diensten te<br />
gebruiken.”<br />
(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
“Basismobiliteit is voor mij het aanbod van het openbaar vervoer voor mensen<br />
die geen auto hebben om zich te verplaatsen van A naar B”.<br />
(Bart 28 jaar Merelbeke)<br />
“Basismobiliteit is dat ge u gemakkelijk kunt verplaatsen hé. Dat ge niet te ver van<br />
uw deur een bus hebt, tja.”<br />
(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
Door het beperkte aantal respondenten kunnen we aan deze vaststellingen<br />
uiteraard geen concrete conclusies trekken, maar we onthouden toch dat men<br />
bij voorgaande formulering van basismobiliteit in de eerste plaats denkt aan de<br />
eigen middelen. In vele gevallen betekent dat ‘mijn auto’, maar voor heel wat<br />
Vlamingen is dat toch ook ‘mijn fiets’.<br />
21
“Basismobiliteit is mijn auto. Te voet of te fiets kan ik hier niets doen op de buiten.<br />
En soms de bus, als ik geen auto heb, om naar Halle te gaan.”<br />
(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
“Basismobiliteit is voor mij hier den auto.”<br />
(Agnes 45 jaar Geel)<br />
“Basismobiliteit wat is dat? Dat is meestal onze wagen uiteindelijk hé.”<br />
(Ignace 53 jaar Waasmunster)<br />
“Basismobiliteit is voor ons de fiets”<br />
(Karen 30 jaar Waasmunster)<br />
“Basismobiliteit… voor ons is dat de garage opendoen, de auto instappen en<br />
vertrekken”<br />
(André 59 jaar Merelbeke)<br />
Maar of men nu verwijst naar de wagen, de fiets of het openbaar vervoer,<br />
mensen verplaatsen zich met een doel. Ze hebben een behoefte die ze wensen<br />
te bevredigen en om dat te bereiken, hebben ze vervoer nodig. Het valt ons<br />
dan ook op dat in het decreet over basismobiliteit op geen enkel punt deze<br />
behoeften expliciet worden vermeld. De reden hiervoor is gelegen in de<br />
benadering waarvoor men heeft geopteerd. Uiteraard is de achterliggende<br />
idee om iedereen de mogelijkheid te bieden om met het openbaar vervoer de<br />
gewenste verplaatsing te maken. Bij de invulling van het aanbod wordt, krijgt<br />
bijvoorbeeld de ochtend- en de avondspits specifieke aandacht.<br />
Binnen een algemeen ‘gelijke kansenbeleid’ is de keuze voor een geografische<br />
afdekking van het Vlaamse grondgebied een logische keuze. Door het aanbod<br />
af te stemmen op critria als afstand, frequentie en amplitude heeft iedereen<br />
dezelfde kans om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Dat betekent<br />
echter ook dat de behoeften van alle of toch een meerderheid van de<br />
Vlamingen ongeveer gelijk zijn. Wetenschappelijke studies en ook de visie in de<br />
beleidsnota’s veronderstellen echter dat dit niet zo is. Vergelijken we de politieke<br />
visie over basismobiliteit met het bijhorende decreet dan is het duidelijk dat letter<br />
en geest elkaar niet hand in hand volgen. De noden en behoeften op het vlak<br />
van verplaatsingen zijn ongetwijfeld sterk vervat in collectieve ritmen, maar<br />
vanuit het individuele perspectief kan de invulling van de noden en behoeften<br />
en zeker van de vervoersmogelijkheden erg verschillen.<br />
2.5. Conclusies deel 2<br />
We stellen vast dat de politieke visie rond basismobiliteit sterk gelieerd wordt aan<br />
vervoersarmoede, of meer algemeen aan ongelijke kansen om zich te<br />
verplaatsen. Beleidsmatig wordt deze visie vertaald in een decreet waarbij in de<br />
eerste plaats wordt uitgegaan van gelijke kansen voor het gebruik van het<br />
openbaar vervoer en waarin behoeftepatronen niet expliciet worden<br />
geformuleerd.<br />
22
In deze studie gaat alle aandacht net uit naar de behoeften van mensen om<br />
zich te verplaatsen. De centrale vraag is immers of het aanbod van de Lijn in het<br />
teken van basismobiliteit leidt tot positieve sociale effecten voor mensen die<br />
door het gebruik van het openbaar vervoer zich kunnen verplaatsen om aan<br />
hun behoeften te voldoen. In realiteit is dit effect moeilijk meetbaar. Niet alleen<br />
omdat we over geen objectieve indicatoren beschikken om het effect in kaart<br />
te brengen, maar vooral omdat de modale burger geen weet heeft van het<br />
specifieke aanbod in het kader van basismobiliteit.<br />
Men gebruikt het openbaar vervoer maar men is zich er niet van bewust dat een<br />
aanbod al dan niet het gevolg is van een project ‘basismobiliteit’. De mensen<br />
die we geïnterviewd hebben, zijn immers niet op de hoogte van het decreet.<br />
Voor hen is de bus… de bus.<br />
Dat betekent ook dat we in onze studie quasi onmogelijk die specifieke lijnen uit<br />
het aanbod van de Lijn kunnen afzonderen van het reguliere aanbod van de<br />
Lijn. Het reguliere aanbod van de Lijn is immers veel ruimer dan het aanbod in<br />
het kader van basismobiliteit. Enkel voor het al dan niet gebruik van de ‘belbus’<br />
is dit duidelijk, al dient hierbij gezegd dat niet elke belbus werd ingevoerd in het<br />
kader van basismobiliteit. In onze interviews kwam het verscheidene malen voor<br />
dat men veelvuldig gebruik maakt van het openbaar vervoer, in casu het<br />
aanbod van de Lijn en dat men over dat aanbod zeer tevreden was, maar dat<br />
men geen gebruik maakt van de belbus omdat dit niet tegemoet komt aan zijn<br />
of haar behoeften. Concreet zouden we in dergelijke situatie kunnen<br />
concluderen dat het aanbod in het kader van basismobiliteit voor deze persoon<br />
geen sociaal effect genereert, maar het aanbod van de Lijn in zijn geheel juist<br />
wel een duidelijk effect heeft.<br />
23
3. Noden en behoeften voor verplaatsingen<br />
De kern van de onderzoeksvraag beslaat de persoonlijke en sociale baten van<br />
basismobiliteit en zodoende een complex van sociale effecten die worden<br />
gegenereerd door de implementatie van het decreet basismobiliteit. Zonder<br />
diepgaand in te gaan op de een waaier van definities benaderen we sociale<br />
baten van basismobiliteit als wat het gebruik van diensten ingevoerd in het<br />
kader van het decreet basismobiliteit aan het individu en aan de maatschappij<br />
oplevert. Wat dat concreet is, hebben we voor deze studie vertaald als<br />
welbevinden. In de eerste plaats gaat het over het persoonlijke welbevinden.<br />
Dat kan op zijn beurt worden vertaald als de voldoening die de persoon ervaart<br />
als zijn of haar behoefte wordt bevredigd. Geëxtrapoleerd naar de collectiviteit<br />
levert de som van individuen met persoonlijk welbevinden een gemeenschap<br />
op met sociaal welbevinden.<br />
Volgens de OESO zal de relatie tussen mobiliteit en welbevinden in de komende<br />
decennia steeds sterker worden. Dat is niet enkel het geval voor <strong>Vlaanderen</strong>,<br />
maar dat geldt eigenlijk voor alle Westerse landen. Met de vergrijzing van de<br />
bevolking zal de vraag bij ouderen naar transport en mobiliteitsdiensten een<br />
essentiële rol spelen voor de onafhankelijkheid en de gezondheid van de<br />
ouderen (OECD, 2001). Om een duidelijk beeld te verkrijgen van de behoefte<br />
om zich te verplaatsen, bekijken we eerst het verplaatsingsgedrag van de<br />
Vlaming en de plaats van het openbaar vervoer in deze verplaatsingen.<br />
3.1. Het verplaatsingsgedrag van de Vlaming<br />
Met betrekking tot het verplaatsingsgedrag van de Vlaming vermelden we<br />
graag een aantal interessante indicatoren. Jammer genoeg zijn de gegevens<br />
niet altijd van recente datum. Desondanks stellen we vast dat viervijfde van de<br />
bevolking zich dagelijks verplaatst, gemiddeld ongeveer 30 kilometer aflegt per<br />
dag. Gespreid over gemiddeld 2,8 verplaatsingen heeft hij of zij daar gemiddeld<br />
64 minuten voor nodig.<br />
Tabel: Verplaatsingen in <strong>Vlaanderen</strong> ( 2000/2001* - 2004**)<br />
<strong>Vlaanderen</strong><br />
Percentage personen dat zich verplaatst (%)* 80,0 %<br />
Gemiddeld aantal verplaatsingen per persoon en per dag* 2,76<br />
Afgelegde afstand per persoon en per dag (km)* 32,70<br />
Benodigde verplaatsingstijd per persoon en per weekdag<br />
(min)**<br />
Bronnen:<br />
*Onderzoek Verplaatsingsgedrag (2004)<br />
** Tijdsbudgetonderzoek, VUB-TOR, (2006)<br />
64<br />
24
Kijken we naar de vervoersmiddelen die voor deze verplaatsingen werden<br />
gebruikt, dan blijkt meer dan 60% van de verplaatsingen te gebeuren door<br />
middel van de wagen. Slechts een kleine 4% van de verplaatsingen gebeuren<br />
door gebruik te maken van het openbaar vervoer.<br />
Tabel: Verdeling van het gemiddelde aantal verplaatsingen per persoon per<br />
dag volgens hoofdvervoerswijze<br />
Hoofdvervoersmiddel Percentage<br />
Auto (als bestuurder) 44,2<br />
Auto (als passagier) 17,6<br />
Fiets 14,6<br />
Te voet 11,1<br />
Onbepaald 6,3<br />
Lijnbus 1,6<br />
Trein 1,6<br />
Brom- of snorfiets 1,1<br />
Andere 1,1<br />
Tram 0,4<br />
Motor 0,3<br />
(pre)metro 0,1<br />
Bron: Onderzoek Verplaatsingsgedrag (200-2001)<br />
In bovenstaande tabel wordt het aandeel voetgangers-, fietsverplaatsingen en<br />
het gebruik van het openbaar vervoer wel onderschat. Dat komt omdat in deze<br />
cijfers de hoofdvervoerswijze wordt gedefinieerd als de vervoerswijze waarmee<br />
de grootste afstand van de verplaatsing wordt afgelegd. Met het hanteren van<br />
deze term wordt het belang van het voor- en natransport, waaronder deze<br />
vervoersmiddelen, onderschat.<br />
Bovendien komt het gebruik van het openbaar vervoer sterker naar voor als we<br />
enkel rekening houden met de belangrijkste verplaatsingstroom op de dag, met<br />
name de spitsuren.<br />
25
Grafiek: Verdeling van het totaal aantal verplaatsingen volgens vertrekuur van<br />
een dag in de werkweek (naar motief) en een dag in het weekend<br />
(gemiddelde per dag) (populatieniveau)<br />
250.000<br />
200.000<br />
150.000<br />
100.000<br />
50.000<br />
0<br />
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24<br />
Bron: OVG <strong>Vlaanderen</strong> 2000-2001<br />
verplaatsingen naar vertrekuur op een werkdag om andere redenen<br />
verplaatsingen naar vertrekuur op een werkdag voor zakelijk en woon-werk/schoolverkeer<br />
totaal aantal verplaatsingen naar vertrekuur op een weekenddag<br />
totaal aantal verplaatsingen naar vertrekuur op een werkdag<br />
Dat het gros van de verplaatsingen op de spitsuren word ingenomen door<br />
woon-werk en woon-school verplaatsingen is niet verbazend.<br />
Grafiek: Verdeling van de pendelverplaatsingen, Vlaams Gewest, 2001<br />
26
percentage van de totale werkende en schoolbevolking dat onderweg is<br />
naar school of werk<br />
30<br />
25<br />
20<br />
15<br />
10<br />
5<br />
0<br />
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24<br />
uren van de dag<br />
Plaatsen we het openbaar vervoer in deze belangrijke verplaatsingstromen dan<br />
nemen bus, tram en trein een prominentere plaats in.<br />
Tabel: Verdeling van de hoofdvervoerswijze voor woon-werk en woon-school<br />
verplaatsingen<br />
Hoofdvervoersmiddel<br />
Woon-werk<br />
verkeer (%)<br />
Woon-school<br />
verkeer (%)<br />
Auto (als bestuurder) 68,6 3,4<br />
Auto (als passagier) 4,2 27,3<br />
Fiets 12,9 38,3<br />
Te voet 2,6 8,1<br />
Bus/tram/metro 2,4 9,8<br />
Trein 5,5 6,5<br />
Brom- of snorfiets 1,0 2,9<br />
Bedrijfs/schoolvervoer 1,9 3,7<br />
Motor 0,9 0,1<br />
Bron: Onderzoek Verplaatsingsgedrag (2000-2001)<br />
Voor het woon-werkverkeer gebruikt ongeveer 8% van de woon-werkpendelaars<br />
het openbaar vervoer. Voor de verplaatsingen van en aar school stijgt dat<br />
percentage naar 20% als we het schoolvervoer mee in rekenschap brengen.<br />
Op het vlak van de mobiliteitsproblematiek levert het openbaar vervoer dus<br />
zeker wel een positieve bijdrage. Bovendien stammen deze cijfers van een<br />
periode voor de invoering van de projecten rond basismobiliteit en een aantal<br />
andere initiatieven ter bevordering van het gebruik van het openbaar vervoer.<br />
Sinds 2000 is de situatie wel degelijk veranderd. Ondermeer door succesvolle<br />
stimuleringsactie bij bepaalde doelgroepen zoals de ouderen om het openbaar<br />
27
vervoer meer te gebruiken zit het gebruik van het openbaar vervoer duidelijk in<br />
de lift. Om deze stelling te staven verwijzen we naar een aantal indicatoren om<br />
dit aan te tonen.<br />
28
Tabel: Openbaar vervoer over de weg (1999 – 2005)<br />
1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005<br />
Vervoerde reizigers<br />
(België) (mln) 532,5 532,6 529,7 540,8 554,9 608,1 691,5 761,3 838,7 895,3<br />
De Lijn (<strong>Vlaanderen</strong>) 2 214,9 214,9 216,4 223,2 240,4 265 318,4 362,2 413,9 448,7<br />
Afgelegde kilometer<br />
(België) (mln km) 240,8 244,4 250,8 255,8 254,7 274,3 309,9 328,9 344,8 349<br />
De Lijn (<strong>Vlaanderen</strong>) 3 117,7 119,7 124,7 127,6 130,6 143,5 163,7 178,8 193,4 200,2<br />
Aantal lijnen (België) 1.069 1.389 1.543 1.706<br />
De Lijn (<strong>Vlaanderen</strong>) 402 682 830 981<br />
Lengte van het net<br />
(België) (in km) 31.411 31.684 30.197 32.896<br />
De Lijn (<strong>Vlaanderen</strong>) 12.848 13.439 11.853 14.295<br />
Aantal stopplaatsen<br />
(België) 4 53.456 53.147 57.039<br />
De Lijn (<strong>Vlaanderen</strong>) 32.600 33.154 36.982<br />
Bron: De Lijn, TEC en MIVB. Sommige berekeningen: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek<br />
en Economische Informatie.<br />
Verscheidene geïnterviewden beamen het feit dat men de laatste jaren steeds<br />
vaker een beroep doet op het openbaar vervoer. Dat geldt zeker voor de 65plussers,<br />
maar ook bij leeftijdsgroepen die geen speciale tarieven krijgen. Vooral<br />
om naar de stad (Antwerpen, Brussel, Gent,…) te gaan, komt het openbaar<br />
vervoer steeds uitdrukkelijker in beeld. De argumenten bij uitstek zijn het drukke<br />
verkeer in de stad en de stress, het gebrek aan parkeermogelijkheden en de<br />
kostprijs van betaalparking. Tal van geïnterviewden nemen dan ook de wagen<br />
tot een ‘veilige’ en kosteloze parking aan de rand van de stad, van waaruit ze<br />
gemakkelijk met het openbaar vervoer (tram, trein of bus) naar het centrum<br />
worden gebracht.<br />
“Meestal gaan we met de wagen naar Gent, maar als we naar Antwerpen<br />
gaan, dan rijden we naar Linkeroever en daar nemen we de metro. Ook al<br />
omdat het te druk is en omdat we geen parkeerplaats vinden.”<br />
(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />
“Naar Gent of Antwerpen of zo dan neem ik wel de tram of de trein. Dan rijd ik<br />
tot aan de parking en dan neem ik het openbaar vervoer. Allez, dat vind ik<br />
normaal. Dat is zo veel gemakkelijker. Ik ga daarom ook niet meer naar de<br />
bibliotheek in Kortrijk. Ge kunt daar niet meer op of door en ge vindt daar geen<br />
parkeerplaats.”<br />
(Peter 43 jaar Kortrijk)<br />
“Als we al eens naar de stad gaan, dan pakken we de tram hé. Allez, ’t is te<br />
zeggen we rijden tot in Merksem naar de ‘Park en Ride’ en daar pakken we den<br />
2 Exclusief leerlingenvervoer. Sinds 1 september 2001 organiseert De Lijn een deel van het<br />
leerlingenvervoer.<br />
3 Vanaf 2001: inclusief leerlingenvervoer. Sinds 1 september 2001 organiseert De Lijn een deel van<br />
het leerlingenvervoer.<br />
4 1 richting.<br />
29
tram recht naar ’t Centrum. Tegen dat ge parking gevonden hebt in stad, zijt ge<br />
veel gemakkelijker met de tram.”<br />
(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“Als we naar linkeroever gaan, dan nemen we ook de tram. Dan zetten we onze<br />
auto aan de Carrefour daar is ne ‘Park en Ride’ en dan pakken we de tram. Dan<br />
moet ge geen parking betalen en zo. Dat is wel gemakkelijk.”<br />
(An 34 jaar Brasschaat)<br />
“Om de stad te bezoeken, bijvoorbeeld Antwerpen, dan nemen we de auto tot<br />
Zwijndrecht en van daar de tram. Die bollen met u Antwerpen binnen. Waarom<br />
zou ik parking betalen en nog 20 keer voor rode lichten staan en mij zenuwachtig<br />
maken? Dat heeft geen zin hé. “<br />
(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
Teruggekoppeld naar onze initiële onderzoeksvraag is in dit geval echter geen<br />
sprake van het gebruik van het aanbod in het kader van basismobiliteit. Zelfs<br />
indien zich op nog geen 100 meter van hun voordeur een bushalte bevindt, zal<br />
men in dit geval ervoor opteren om de afstand tussen thuis en de parking aan<br />
de rand van de stad met de wagen af te leggen. Op dit gedrag komen we<br />
verder in deze studie zeker terug.<br />
Uit het overzicht van de verplaatsingsindicatoren stellen we vast dat de wagen<br />
met stip het meest gebruikte vervoersmiddel is voor verplaatsingen. Het gebruik<br />
van het openbaar vervoer is redelijk beperkt.<br />
Grafiek: Verdeling van gezinnen volgens gebruik van lijnbus, tram en metro<br />
Bron: OVG <strong>Vlaanderen</strong> (2000 – 2001)<br />
Toch geeft bovenstaande grafiek aan dat meer dan 11% van de gezinnen in<br />
<strong>Vlaanderen</strong> dagelijks of toch minstens 1 keer per week gebruik maakt van de<br />
30
us, de tram of de metro. Meer dan 20 % van de Vlaamse bevolking gebruikt<br />
deze vervoersmiddelen minstens 1 keer per maand. Het gebruik van deze<br />
vervoersmiddelen beperkt zich uiteraard niet voor de eerder aangehaalde<br />
behoeften aan woon-werk en woon-schoolverplaatsingen.<br />
3.2. Maatschappelijke behoefte aan verplaatsen<br />
Mensen verplaatsen zich om te winkelen, om te gaan werken, om naar school te<br />
gaan, om de vrije tijd in te vullen, om naar vrienden of familie te gaan enzovoort.<br />
Kortom, mensen verplaatsen zich voortdurend om deel te nemen aan het<br />
maatschappelijke leven. Het is dan ook evident dat mobiliteit als een belangrijke<br />
hefboom wordt beschouwd voor de socio-economische en culturele<br />
ontwikkeling van de mens. De ‘toegankelijkheidsdoelstelling’ in het<br />
Mobiliteitsplan <strong>Vlaanderen</strong> kan met andere woorden worden vertaald in een<br />
integratiedoelstelling. Een mobiliteitsbeleid moet de opname in de maatschappij<br />
bevorderen en de deelname aan haar activiteiten nastreven door het<br />
verschaffen van toegang tot die plaatsen waar die activiteiten zich voltrekken.<br />
(Mobiliteitscel, 2001) Een mobiliteitsbeleid moet dus afgestemd zijn op de<br />
motieven voor de verplaatsingen<br />
Tabel: Motief voor verplaatsingen - België en Vlaams Gewest (1998/1999) 5<br />
Motief voor verplaatsing 6 België Vlaams<br />
Gewest<br />
Iemand afzetten of gaan halen 15,0% 15,1%<br />
Naar huis terugkeren 66,4% 67,6%<br />
Bezoek voor het werk 3,7% 3,5%<br />
Gaan werken 22,8% 23,4%<br />
Naar school gaan (om lessen te volgen) 9,8% 10,0%<br />
Om buitenshuis een maaltijd te gebruiken 6,1% 6,3%<br />
Boodschappen doen, gaan winkelen 27,9% 28,1%<br />
Persoonlijke redenen (dokter, bank…) 11,0% 11,1%<br />
Familie- of vriendenbezoek 17,2% 16,5%<br />
Gaan wandelen, een ritje maken 7,1% 6,2%<br />
Ontspanning, sport, cultuur 15,4% 16,7%<br />
Andere of onbekende redenen 0,6% 0,6%<br />
Bron: Nationale enquête naar de mobiliteit van de huishoudens (1998-1999), gefinancierd door de<br />
POD Wetenschapsbeleid, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waals Gewest, gerealiseerd<br />
door de Groupe de Recherche sur les Transports des Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix<br />
(coördinator), Langzaam Verkeer, het Institut Wallon, de Universitaire Instelling Antwerpen en de<br />
Algemene Directie Statistiek.<br />
Uit bovenstaande motieven wordt meteen duidelijk dat de motieven om zich te<br />
verplaatsen door heel wat Vlamingen wordt gedeeld. Gaan werken,<br />
5 Deze cijfers hebben betrekking op de verplaatsingen in de loop van de dag van het onderzoek<br />
door de Belgische bevolking van 6 jaar en ouder.<br />
6 Eenzelfde persoon kan zich in de loop van de dag omwille van verschillende redenen<br />
verplaatsen. De opgenomen rubrieken mogen dus niet zomaar opgeteld worden.<br />
31
oodschappen doen, iemand afzetten of gaan halen, familiebezoeken, om zich<br />
te ontspannen enzovoort zijn voor heel wat Vlamingen de redenen om zich te<br />
verplaatsen. Waar men ook naar toe gaat voor bijna iedereen eindigt het<br />
verplaatsingspatroon van de Vlamingen thuis.<br />
In onze analyse van de behoeften is de laatste verplaatsing richting huis geen<br />
onbelangrijke verplaatsing. We zouden deze verplaatsing eigenlik zelfs als de<br />
allerbelangrijkste verplaatsing kunnen bestempelen, want of men nu naar het<br />
werk, naar familie, naar de winkel of eender waar moet zijn, uiteindelijk moet<br />
bijna iedereen op het einde van de dag terug thuis geraken. En liefst zo snel<br />
mogelijk na het beëindigen van de laatste activiteit…<br />
De verplaatsing terug naar huis is een logische en dus ook de meest<br />
voorkomende verplaatsing. Bekijken we daarnaast het geheel van de<br />
verplaatsingen van de Vlaming naar de behoeften, dan kunnen drie<br />
categorieën van verplaatsingen worden onderscheiden. Een eerste categorie<br />
verplaatsingen omvat de verplaatsingen die voortvloeien uit activiteiten die<br />
door de overheid ‘verplicht’ zijn. Voor kinderen boven de 3 jaar en jongeren<br />
onder de 18 jaar zijn dat verplaatsingen in functie van de school. Voor<br />
volwassenen zijn dat verplaatsingen in functie van het werk. Een tweede<br />
categorie verplaatsingen heeft betrekking op activiteiten die ‘noodzakelijk’ zijn<br />
voor het levensonderhoud. Het omvat verplaatsingen naar de winkel of het<br />
grootwarenhuis om levensmiddelen in te slaan, maar ook verplaatsingen naar<br />
diensten als de bank, de post of andere administratieve diensten. Een derde en<br />
laatste grote categorie verplaatsingen zijn verplaatsingen die ‘belangrijk’ zijn<br />
voor het welzijn van lichaam en geest. Dit zijn verplaatsingen die zich<br />
voornamelijk situeren in de sfeer van de vrije tijd en hebben betrekking op<br />
ontspanning en recreatie. Werk- en schoolgebonden verplaatsingen nemen 33%<br />
van de dagelijkse verplaatsingen voor hun rekening. Ongeveer een even groot<br />
aandeel van verplaatsingen zijn verplaatsingen die te maken hebben met de<br />
vrije tijd en een iets kleiner aandeel van de verplaatsingen zijn bedoeld om te<br />
voldoen aan de noodzakelijke behoeften, het inslaan van levensmiddelen en<br />
het bezoek van diensten. Grosso modo zouden we het geheel van de<br />
verplaatsingen van de Vlaming met andere woorden kunnen opsplitsen in een<br />
derde ‘verplichte’ verplaatsingen voor werk en school, een derde ‘noodzakelijk’<br />
verplaatsingen naar de klein- en groothandel en de dienstensector en een<br />
derde ‘belangrijke’ verplaatsingen in het kader van de vrije tijd.<br />
Onderzoeksresultaten geven daarnaast duidelijk aan dat de vervoersbehoeften<br />
sterk verschillen over de uren van de dag en over de dagen in de week (Tor,<br />
1999). ‘Verplichte’ verplaatsingen vinden voor het grootste gedeelte plaats<br />
tussen 7 en 9 en tussen 16 en 19 uur, de spitsuren zeg maar. ‘Noodzakelijke’<br />
verplaatsingen, naar de winkels en diensten vinden gezien de openingsuren in<br />
de weekdagen tussen de spitsuren plaats, waarbij degenen die niet op het werk<br />
of op school zitten deze verplaatsingen liefst tussen 9 en 16 uur maken en<br />
degenen die wel op het werk zaten deze verplaatsingen ook moeten maken<br />
tijdens het reeds uitgebreide stroom verplaatsingen huiswaarts of ze stellen deze<br />
verplaatsing uit tot op zaterdag. De ‘belangrijke’verplaatsingen die voornamelijk<br />
in de vrije tijd plaatsvinden gebeuren dan na 19 uur en tijdens weekenddagen.<br />
32
Een algemeen overzicht van de vervoersmiddelen die voor deze verschillende<br />
categorieën verplaatsingen worden gebruikt, leert dat koning wagen voor al<br />
deze verplaatsingen hoog scoort. Uitzondering op de regel is de woonschoolverplaatsingen,<br />
wat voor een stuk ook logisch is, gezien de leeftijd waarop<br />
men deze verplaatsingen moet maken, maar ook gezien de afstand van de<br />
verplaatsing voor schoolgaande kinderen in het kleuter en basisonderwijs.<br />
De afstand van de verplaatsing is niet onbelangrijk. Ondanks het gegeven dat<br />
meer dan de helft van de verplaatsingen binnen een straal van 5 kilometer van<br />
het huis worden gemaakt en hiervoor door de helft van deze verplaatsingen de<br />
wagen wordt gebruikt, zijn voor het afleggen van deze afstanden ook de fiets en<br />
de bromfiets (16%) en te voet (14%) belangrijke vervoermiddelen.<br />
Voor verplaatsingen die de eerste 5 kilometer overschrijden komt het openbaar<br />
vervoer sterk in beeld. Dat geldt vooral voor verplaatsingen die we als<br />
gemiddeld op het vlak van afstand kunnen beschouwen. Eens de afstand van<br />
de verplaatsing weer groter wordt, is de auto het favoriete vervoersmiddel.<br />
(Mobiliteitscel, 2001)<br />
Bovenstaande gegevens zijn zeer ongenuanceerd. Het gebruik van bepaalde<br />
vervoersmiddelen voor het invullen van bepaalde behoeften is immers niet<br />
geheel toevallig en vraagt binnen het kader van deze studie toch een zekere<br />
nuancering. Laten we even de financiële, fysieke en andere belemmeringen of<br />
overwegingen buiten beschouwing, dan spelen tijd en afstand dus een cruciale<br />
rol in de keuze voor het gebruikte voertuig voor een bepaald doel. We komen<br />
hier uitgebreid op terug bij de beschrijving van de behoeften en ook bij de<br />
beschrijving van de criteria om voor een bepaald vervoersmiddel te kiezen in<br />
het algemeen en voor het openbaar vervoer in het bijzonder. Alvorens daartoe<br />
over te gaan, willen we eerst een nieuwe dimensie toevoegen aan deze studie.<br />
Om de sociale baten van basismobiliteit in kaart te brengen willen we immers<br />
een omweg maken langs het welbevinden dat het aanbod met zich meebrengt<br />
voor de gebruikers.<br />
3.3. De verschillende dimensies van welbevinden<br />
Maatschappelijk onbehagen is de laatste jaren een veel besproken thema. Dat<br />
komt omdat verscheidene studies aangeven dat heel wat Vlamingen zich<br />
onbehaaglijk voelen (Elchardus e.a., 2001; Elchardus & Smits, 2002; Elchardus &<br />
Pelleriaux, 2003; Elchardus & De Groof, 2005). De bezorgdheid om het<br />
maatschappelijke onbehagen wordt gevoed door de vastgestelde relatie met<br />
wantrouwen in instellingen, negatieve toekomstbeelden, gevoelens van<br />
machteloosheid, anomie en onveiligheid. Bovendien blijkt er ook een relatie<br />
tussen gevoelens van maatschappelijk onbehagen en een ondemocratisch<br />
waardepatroon, racisme, onverdraagzaamheid en radicale verrechtsing.<br />
Over de oorzaken van maatschappelijk onbehagen heerst op dit ogenblik nog<br />
een geanimeerde wetenschappelijke discussie en is men het nog lang niet eens.<br />
Over alle kleine en grote verschillen heen zijn de meeste menswetenschappers<br />
het eens dat gevoelens van onbehagen kunnen worden verklaard door het<br />
ervaren van kwetsbaarheid, verlies van of gebrek aan controle over het leven,<br />
33
verlies van of gebrek aan betrokkenheid, zekerheid, respect en zelfrespect.<br />
(Elchardus & De Groof, 2005).<br />
In de beleidsvisie speelt het gebrek aan verplaatsingsmogelijkheden een<br />
belangrijke rol in het verlies van of het gebrek aan controle en aan het gebrek<br />
aan betrokkenheid. Vanuit deze optiek kan basismobiliteit dan ook een<br />
rechtstreeks effect hebben op het tegengaan van maatschappelijk<br />
onbehagen. Onrechtstreeks kan basismobiliteit tevens als hefboom dienen om<br />
de relatie tussen mobiliteitsarmoede en kansarmoede te doorbreken. Als<br />
tegenhanger van het eerder beschreven maatschappelijk onbehagen, kan het<br />
doorbreken van de armoede door het aanbod van openbaar vervoer in het<br />
kader van basismobiliteit als dusdanig bijdragen tot een maatschappelijk<br />
welbevinden. In het verdere verloop van deze studie zullen we dan ook<br />
systematisch spreken over welbevinden voor de omschrijving van de sociale<br />
baten.<br />
Zoals reeds eerder vermeld, zijn de motieven voor de verplaatsingen voor onze<br />
studie erg belangrijk. Door enkel gebruik te maken van een abstract begrip als<br />
maatschappelijk welbevinden doen we niet alleen de realiteit geweld aan,<br />
maar missen we ook een zekere verfijning van wat gebruikers van het aanbod<br />
van basismobiliteit als welbevinden ondervinden. Verschillende noden en<br />
behoeften leiden immers tot verschillende dimensies van welbevinden.<br />
Jammer genoeg zijn alle oorzaken van maatschappelijk welbevinden zeker nog<br />
niet gekend. Een aantal belangrijke verklaringen van welbevinden hebben<br />
betrekking op de mate waarin individuen erin slagen om de beslotenheid van<br />
de eigen omgeving te overstijgen en naar buiten kunnen treden, dat men in<br />
contact kan komen met anderen. Gezien de huidige maatschappelijke en de<br />
ruimtelijke ontwikkelingen speelt mobiliteit zodoende onmiskenbaar een<br />
belangrijke zoniet primordiale rol in de productie van welbevinden, zowel bij<br />
diegene die in staat is zich te verplaatsen als bij diegene die in staat is andere<br />
mensen te kunnen ontmoeten. Geheel in de politieke visie over (basis)mobiliteit<br />
liggen verplaatsingsmogelijkheden en welbevinden perfect in elkaars verlengde.<br />
Een verhoogd welzijn of welbevinden heeft zowel effecten voor het individu als<br />
voor de samenleving. Op macro-niveau hebben de gevolgen van welbevinden<br />
betrekking op sociale cohesie in een samenleving, op vertrouwen in mens en<br />
instellingen... Maar de effecten van welbevinden zijn niet louter “immaterieel”.<br />
Het spreekt voor zich dat individuen die zich meer buitenshuis begeven, meer<br />
actief zijn in hun vrije tijd, ook economische actoren zijn. Het zijn actoren die<br />
zowel in formele als informele netwerken participeren aan de samenleving, maar<br />
ook consumeren. Zodanig heeft basismobiliteit naast de sociale baten ook een<br />
economische spill over.<br />
Voor ons model zullen we op basis van de noden en de behoeften op het vlak<br />
van (basis)mobiliteit bij verschillende groepen een onderscheid maken tussen<br />
persoonlijk, sociaal welbevinden en economisch welbevinden. Uiteraard is dit<br />
slechts een theoretische indeling die het ons mogelijk maakt om inzicht te<br />
verwerven in de mechanismen van welbevinden. In vele gevallen is het<br />
34
onderscheid tussen deze dimensies niet te maken. Het niet kunnen deelnemen<br />
aan de arbeidsmarkt zal namelijk zekere gevolgen hebben op het economische<br />
welbevinden, wat op zich weer een weerslag heeft op het sociaal welbevinden,<br />
wat zich dan weer laat gevoelen op het persoonlijk welbevinden. Ondanks de<br />
verstrengeling van de verschillende vormen van welbevinden biedt deze<br />
opdeling ons een kader om de sociale effecten van basismobiliteit te<br />
concretiseren.<br />
3.3.1. Persoonlijk welbevinden<br />
Persoonlijk welbevinden heeft betrekking op het subjectieve gevoel van<br />
tevredenheid en geluk. Dat gevoel blijkt sterk gekoppeld te zijn aan de<br />
perceptie van de persoonlijke toekomst en met het zelfbeeld van het individu.<br />
Vertaald naar mogelijke behoeften op het vlak van mobiliteit kan deze vorm van<br />
welbevinden gerelateerd zijn aan gevoelens van vrijheid om zich te kunnen<br />
verplaatsen, de mogelijkheden om diensten te bereiken of algemeen de<br />
behoefte om zich te kunnen verplaatsen naar de locaties die men wil bereiken.<br />
Dat belang wordt nog sterker bij de afwezigheid van een partner. Vooral bij<br />
ouderen merken we dat weduwschap leidt tot een gedwongen verandering in<br />
het persoonlijke welbevinden (Verté & Ponjaert-Kristoffersen, 2001; Vogel, 2002).<br />
Voor een deel is dat toe te wijzen aan het wegvallen van een persoonlijk en<br />
sociaal netwerk, ook al omdat mogelijks de verplaatsingsmogelijkheden zijn<br />
afgenomen. In veel gevallen blijkt in de generatie 75-plussers namelijk de<br />
overleden man over een rijbewijs te beschikken.<br />
“Sinds mijne man dood is kunnen wij ons niet meer makkelijk verplaatsen. Wij<br />
hadden ne grote Citroën en wij gingen daarmee overal naartoe, maar ik durf<br />
niet meer rijden. Ik mocht van mijne man ook niet rijden met de nieuwe Citroën.<br />
En nu durf ik niet meer. Nu doen we alles met fiets of met de bus en als we naar<br />
de Stad gaan en daarna de tram tot op Meir”<br />
(Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />
“Goh meneer, met den auto rijden. Ik heb dat nu nog nooit gedaan in mijn leven.<br />
Ik moet zeggen, zelfs niet om mijn rijbewijs te halen. Vroeger was dat zo hé. En ik<br />
heb dat nooit nodig gehad. Mijne man kon natuurlijk met de auto rijden hé.”<br />
(Marian 81 jaar Geel)<br />
Concreet naar het behoeftepatroon van de Vlamingen is een belangrijk<br />
element in het persoonlijke welbevinden de wijze waarop men zijn of haar vrije<br />
tijd kan invullen. Het gaat voornamelijk om verplaatsingen die we eerder als<br />
belangrijk hebben onderscheiden. Ze verwijzen niet zozeer naar verplaatsingen<br />
die men verplicht moet maken, maar naar de activiteiten die men zelf kan<br />
kiezen tijdens vrije uren. Een actieve vrijetijdsbesteding beïnvloedt immers op<br />
positieve wijze de mate van welbehagen (Elchardus & Pelleriaux, 2003).<br />
35
Algemeen kan het persoonlijke welbevinden worden beschouwd als een<br />
indicator voor het naar buiten kunnen treden uit de eigen omgeving. De<br />
behoeftes die hierbij aan bod komen, verwijzen naar activiteiten binnen de<br />
levenssfeer die zich op over een (grotere) afstand van de eigen buurt bevinden.<br />
Het kunnen deelnemen aan de samenleving, het contact met anderen en zo uit<br />
de beslotenheid van de eigen woning en het eigen gezin kunnen treden, blijken<br />
een belangrijke stimulans voor het welbevinden. Dat geldt in het bijzonder voor<br />
ouderen (Dupuis en Smale, 1995), maar kan worden veralgemeend naar alle<br />
geledingen in de bevolking. Zich kunnen verplaatsen zonder hulp van anderen<br />
biedt een gevoel van vrijheid, van onafhankelijkheid van zelfstandigheid.<br />
“Moest ik nu geen wagen hier staan hebben, dan zou ik moeten met het<br />
openbaar vervoer gaan natuurlijk… dat zou een probleem zijn. Ik zou niet veel<br />
meer buiten komen denk ik. Ik zou niet meer weg kunnen… Dat pakt toch uw<br />
bewegingsvrijheid weg.”<br />
(An 34 jaar Brasschaat)<br />
“Het openbaar vervoer is leuk, omdat iemand anders u anders altijd moet<br />
brengen. En met een groep is het ook plezant. Al mijn vrienden zijn ook maar 16<br />
of 17 jaar en we hebben dus geen auto”<br />
(Steffi; 17 jaar, Brasschaat)<br />
“Ik zou mijn zoon even goed met de wagen naar school brengen in Lennik, hoor.<br />
Ik heb dat ook altijd gedaan. Maar ik vind, nu hij 15 jaar is, dat hij wat<br />
zelfstandiger mag worden en vandaar dat we gezegd hebben dat hij met de<br />
bus moet gaan. Want ik zou dat kunnen doen hé. Ik ben toch thuis.”<br />
(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
“Mijn dochter woont wel in de buurt en als het echt niet anders kan dan doet zij<br />
ons weg, maar eigenlijk vraag ik dat liever niet. Ze werkt ook en ze heeft kinderen<br />
en heeft het al druk genoeg. Zo lang het gaat met de fiets, gaat het hé”<br />
(Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />
“Ge kunt niet altijd op alleman rekenen, hé. Ik wil dat ook niet zenne. Ik heb dat<br />
nooit gedaan. Ook niet toen mijne man nog leefde. Dan ging ik ook met de bus<br />
weg. En vroeger als ik jong was veel met de fiets hé. Maar de tijden zijn<br />
veranderd. Het verkeer is veel drukker geworden en ge moet ook verder gaan<br />
dan vroeger hé”<br />
(Marian 81 jaar Geel)<br />
Vooruitlopend op de conclusies geven we hier graag al mee dat het gevoel van<br />
vrijheid een belangrijk element vormt in afweging om een bepaald<br />
vervoersmiddel al dan niet te gebruiken. Voor sommigen is het openbaar<br />
vervoer het middel om van vrijheid te genieten, voor anderen is het openbaar<br />
vervoer juist het tegenovergestelde.<br />
36
“Als we in het weekend ergens naar toe gaan om te wandelen of te fietsen dan<br />
gaan we ook met de auto. Dan zetten we de fietsen op de auto en we zijn weg.<br />
Dan heb je toch veel meer vrijheid dan met het openbaar vervoer hé.“<br />
(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />
“Mijnen auto is mijn vrijheid. Spijtig genoeg hoor, want ik vind dat nen auto veel<br />
geld kost. (...)”<br />
(Janine 58 jaar Gooik)<br />
“Ik ga ook liever met de bus naar Halle om met vriendinnen te gaan shoppen.<br />
Dan zijt ge vrij om zelf te beslissen wanneer je naar huis komt. Anders moet je<br />
altijd afspreken met je moeder of iemand anders om u te komen halen of zo.“<br />
(Joly 15 jaar Gooik)<br />
“Als mijn ma nog heel goed was dan nam die wel altijd de bus naar de markt<br />
ofzo. Maar wat dat mens allemaal meegemaakt heeft met de bus. Maar enfin,<br />
voor haar was het haar vrijheid. Ze had nochtans een auto zé, maar ja ze is nu 80<br />
jaar en ze rijdt niet meer met de wagen. Maar ze kan nu ook niet meer<br />
gemakkelijk met de bus weg. Ze heeft wat last van haar benen en ze geraakt er<br />
niet meer op. Nu heeft ze eigenlijk niet veel meer om buiten te geraken.”<br />
(Alain, 30 jaar Gooik)<br />
Vertaald naar specifieke verplaatsingsbehoeften zullen bij de beschrijving van<br />
de verplaatsingsbehoeften van de verschillende leeftijdsgroepen aandacht<br />
hebben voor de autonomie en de onafhankelijkheid die men ervaart bij de<br />
verplaatsingen die men kan maken.<br />
3.3.2. Sociaal en cultureel welbevinden<br />
Sociaal welbevinden heeft zeer algemeen betrekking op de wijze waarop<br />
mensen zich in tijd en samenleving situeren (Elchardus & De Groof, 2005).<br />
Tegengesteld aan het welbevinden wordt sociaal onbehagen gezien als een<br />
complex van wantrouwen in instellingen, negatieve toekomstbeelden,<br />
ondemocratische houdingen, gevoelens van machteloosheid,<br />
onveiligheidsgevoelens…<br />
Het is dan ook duidelijk dat het invullen van de behoeften die verbonden zijn<br />
met sociaal welbevinden een positief sociaal effect met zich meebrengen.<br />
Belangrijke drivers in het sociaal welbevinden zijn de sociale contacten die<br />
individuen onderhouden met anderen, de participatiegraad in het<br />
verenigingsleven en dergelijke. Een belangrijke behoefte die hieraan gekoppeld<br />
is, is de mogelijkheid om zich te verplaatsen naar dergelijke locaties.<br />
“Als André werkte en ik geen auto had, dan ging ik nu en dan wel eens weg met<br />
vriendinnen naar de stad. En dat was dan met de bus van 13 uur. Dan vertrokken<br />
wij tot aan Gent Zuid en vandaar kon je dan naar de Veldstraat enzo.”<br />
(Simona 55 jaar Merelbeke)<br />
“We gaan soms in het weekend naar Gent met een paar vrienden om te gaan<br />
shoppen. Dan neem ik met mijn vriend uit te buurt, die ook in mijn school, zit de<br />
bus en dan spreken we in Gent af met de anderen.”<br />
37
(Seb 15 jaar Merelbeke)<br />
Vooral bij ouderen speelt sociale participatie een belangrijke rol. (Schieman,<br />
2001) Ouderen hebben immers te kampen met het verdwijnen van een aantal<br />
rollen en zingevers op het vlak van arbeid en familie en kunnen door middel van<br />
participatie hun gevoel van betrokkenheid en controle compenseren (Kelly,<br />
1993; Herzog e.a., 1998). Activiteiten die zich buitenshuis afspelen bieden de<br />
mogelijkheid om zich opnieuw een plaats in de samenleving toe te eigenen. Op<br />
dit vlak speelt de mogelijkheid om zich te verplaatsen uiteraard een belangrijke<br />
rol.<br />
“Vroeger gingen mijn ouders bijna nooit weg. Het zjjn landbouwers geweest en<br />
ze moesten laat werken, enfin ze gingen niet veel weg. Mijn vader nog niet<br />
trouwens. Het is altijd mijn moeder die alleen op stap is. Maar sinds haar<br />
pensioen, dan gaat ze met de bus naar Kaprijke en zit ze in allerlei verenigingen<br />
en zo. Ze doet dat heel graag.”<br />
(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
Als we het hebben over sociale participatie is het belangrijk om een onderscheid<br />
te maken tussen formele en informele participatie. Beiden zijn erg belangrijk voor<br />
het sociaal welbevinden, maar hebben wel een duidelijk verschillende invulling.<br />
Onder formele sociale participatie (zie o.m. Putnam, 2000) verstaan we de mate<br />
waarin actoren participeren aan verenigingsleven, cultuur,… Vooral ouderen<br />
compenseren het verlies van arbeidsgebonden en familiale rollen door een<br />
actieve participatie in het verenigingsleven. Op die manier wordt hun gevoel<br />
van betrokkenheid en controle verhoogd (Kelly, 1993, Schieman, 2001).<br />
Onder informele sociale participatie verstaan we de opname in sociale<br />
netwerken. Ze geven mensen een betere “steunstructuur” om om te gaan met<br />
maatschappelijke en individuele problemen en geven hen een grotere<br />
vertrouwdheid en controle hun omgeving. (zie o.m. Warner & Rountree, 1997).<br />
Sociaal welbevinden is stek gerelateerd aan persoonlijk welbevinden in die zin<br />
dat ze beiden vooral verwijzen naar activiteiten die in de eerste plaats in de<br />
sfeer van de vrijetijd plaatsvinden. Beiden zijn dan ook onlosmakelijk met elkaar<br />
verbonden. Met het persoonlijke welbevinden doelen we echter vooral op het<br />
gevoel om zich vrij en onafhankelijk te kunnen verplaatsen. Het sociale<br />
welbevinden doelt voornamelijk op het deelnemen aan de samenleving en het<br />
sociale netwerk dat men onderhoudt.<br />
Concreet naar de verplaatsbehoeften van individuen gaat het om<br />
verplaatsingen naar vrienden, kennissen of familieleden en verplaatsingen om te<br />
participeren in het verenigingsleven of het culturele leven. Het gaat dan ook in<br />
de eerste plaats om verplaatsingen die we eerder als ‘belangrijk’ hebben<br />
omschreven. Voor het sociale welbevindingen spelen echter ook ‘noodzakelijke’<br />
verplaatsingen een rol. Verplaatsingen naar diensten van commerciële inslag of<br />
overheidsgebonden maken een belangrijk onderdeel uit van het sociale<br />
38
welbevinden. Dat uit zich ook in de relatie tussen sociaal onbehagen en het<br />
vertrouwen in instellingen. Zich makkelijk kunnen verplaatsen naar diensten en<br />
instellingen en zodoende maatschappelijk kunnen participeren, maakt<br />
ongetwijfeld deel uit van een persoonlijk, sociaal en cultureel welbevinden.<br />
“Het buurtbusje is echt een heel goed initiatief. Mensen kunnen naar de kliniek,<br />
kunnen hier gemakkelijk weg. Echt heel goed. Het zijn wel altijd dezelfde die erop<br />
zitten. Ik en twee anderen. Altijd dezelfde Behalve op maandag als het markt is.<br />
Dan zit het vol.”<br />
(Willy 62 jaar Brasschaat)<br />
“Wij moeten ook regelmatig naar Antwerpen voor onze medische papieren. En<br />
dan pakken we ook altijd het openbaar vervoer. Ge kunt dat ook met uwen<br />
auto, maar dan steekt ge daar veel meer tijd en geld in.”<br />
(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
3.3.3. Economisch welbevinden<br />
Economisch welbevinden heeft betrekking op de tevredenheid met de<br />
economische situatie, met het positief inschatten van de materiële toekomst…<br />
Het al dan niet hebben van werk is uiteraard een belangrijke zo niet de<br />
belangrijkste factor voor het economisch welbevinden. In de eerste plaats<br />
omdat men via het werk een inkomen genereert en als dusdanig een budget<br />
verkrijgt om te besteden aan zijn of haar behoeften. Maar arbeid fungeert<br />
eveneens als sociaal zingever. Het biedt structureer aan het leven van<br />
individuen. Daardoor krijgen ze een positiever zelfbeeld en voelen ze zich meer<br />
betrokken bij een samenleving. (zie o.m. Glorieux, 1995, Kim & Moen, 2001). Op<br />
die manier levert arbeid en meer algemeen een inkomen ook een belangrijke<br />
bijdrage aan het persoonlijke en het sociale welbevinden.<br />
Heel wat auteurs situeren de oorzaken van onbehagen in een sociaaleconomische<br />
deprivatie en in zwakke arbeidsmarktkansen van mensen, in de<br />
ervaring met werkloosheid, de bestaansonzekerheid en last but not least met<br />
armoede. (Durant & Ollie, 1990; Mirowsky, 1995; Schlieman, 2001; Ping-Kwong,<br />
2003)<br />
Concreet verwijst het economische welbevinden in het kader van mobiliteit naar<br />
de mogelijkheden om zich naar en van de arbeidsplek te verplaatsen. Omdat<br />
we de behoeften van verschillende leeftijdsgroepen belichten, zullen we onder<br />
het economische welbevinden voor jongeren ook het schoolverkeer rekenen.<br />
Als dusdanig stemmen deze verplaatsingen overeen met de eerder benoemde<br />
‘verplichte’ verplaatsingen.<br />
Voor heel wat geïnterviewden wordt deze verplaatsing ook als verplicht aanzien.<br />
Het is een verplaatsing die men moet maken op een bepaald uur. Zelfs met een<br />
zekere flexibiliteit is de kans groot dat men deze verplaatsing moet maken<br />
binnen de spitsuren. Het is bovendien een verplaatsing die men het liefst zo snel<br />
mogelijk maakt.<br />
39
“Ik rijd eigenlijk alleen maar met de motor om naar het werk te gaan. Gewoon<br />
om snel naar en van het werk te zijn. In het weekend of zo gebruik ik de motor<br />
niet. Zo graag doe ik dat niet, maar voor het werk is dat het beste.”<br />
(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
De verplaatsingstijd naar het werk en zeker van het werk wordt als nutteloos<br />
beschouwd. Kortom, de verplaatsing moet zo snel en zo gemakkelijk mogelijk<br />
verlopen. In de keuze en het gebruik van het vervoermiddel om deze<br />
verplaatsingen te maken zal met deze criteria veel rekening worden gehouden.<br />
Ook voor het economische welbevinden dienen we nogmaals te herhalen dat<br />
de opsplitsing in verschillende vormen van welbevinden eerder theoretisch dan<br />
praktisch is. Niet alleen omdat het inkomen een belangrijke invloed zal hebben<br />
op de keuzes die men heeft bij het kiezen van een vervoersmiddel, maar ook<br />
omdat het een invloed heeft op de wijze waarop men zijn vrije tijd invult en als<br />
dusdanig een belangrijke invloed uitoefent op het sociale welbevinden. Dat d<br />
everschillende vormen van welbevinden sterk door elkaar lopen wordt misschien<br />
wel het best geïllustreerd door de verplaatsingen van leerlingen naar de school.<br />
Kunnen deelnemen aan het onderwijs stimuleert immers zowel het persoonlijke,<br />
het culturele en het sociale welbevinden. Voor de toekomst van het individu<br />
heeft het daarenboven ook een belangrijke rol te spelen in het economische<br />
welbevinden van het individu. Vanuit dit perspectief benaderen we de<br />
behoeften op hetvlak van woon-schoolverplaatsingen ook als onderdeel van<br />
het economische welbevinden.<br />
3.4. Leeftijdsgebonden behoeften<br />
Niet iedereen moet zich even veel verplaatsen en niet iedereen moet zich naar<br />
dezelfde plek verplaatsen. Maar natuurlijk zijn de verplaatsingen die we met z’n<br />
allen maken ook geen individuele kwestie. De dagelijkse verkeerscongestie<br />
toont dagelijks aan dat heel veel menen zich op hetzelfde moment naar<br />
dezelfde plek begeven. Op het vlak van verplaatsingen zijn er duidelijk<br />
collectieve ritmen. Wie ’s ochtends in de file staat en eens links en rechts kijkt,<br />
heeft een grote kans om iemand te zien die qua leeftijd niet zo heel veel<br />
verschilt van zichzelf. Hetzelfde geldt trouwens ook voor het openbaar vervoer.<br />
Wie ’s ochtends voor 9 uur en ’s avonds rond vier uur kijkt wie er op de bus zit, zal<br />
voornamelijk schoolgaande kinderen en jongeren zien. Tussen deze uren zullen<br />
de zitjes van de bus dan weer voornamelijk worden ingenomen door oudere,<br />
niet werkende mensen.<br />
De plaats en ruimte op bepaalde momenten op de dag wordt met andere<br />
woorden door verschillende maar daarom niet minder duidelijk afgelijnde<br />
bevolkingscategorieën ingenomen. De leeftijd speelt hierbij een belangrijke rol.<br />
Zetten we de afgelegde afstanden af tegenover de leeftijd van de individuen<br />
dan zien we dat de bewegingsruimte bij kinderen en jongeren stelselmatig<br />
verruimt. Met de pensioenleeftijd neemt de ruimte waarin men zich verplaatst<br />
40
dan weer stelselmatig af. Voor een groot deel wordt deze relatie bepaald door<br />
de behoeften tot verplaatsingen die men in verschillende levensfase heeft. Het<br />
gebruik van een bepaald vervoersmiddel voor het maken van een bepaalde<br />
verplaatsing wordt echter ook in de hand gewerkt door de fysieke en juridische<br />
mogelijkheden om bepaalde typen van vervoer te gebruiken.<br />
Er zijn natuurlijk verschillende invalshoeken om het verplaatsingsgedrag van de<br />
Vlaming te benaderen. Omdat de relatie tussen de verplaatsingsbehoeften en<br />
de daarvoor gebruikte vervoersmiddelen zo sterk samenhangt met de leeftijd<br />
hebben we ervoor geopteerd om de leeftijdsfasen als uitgangspunt te nemen.<br />
Om het verplaatsingsgedrag van de verschillende leeftijdscategorieën in kaart<br />
te brengen doen we enerzijds beroep op statistische gegevens uit onderzoeken<br />
als het tijdsbudgetonderzoek (Glorieux, e.a., 2001, 2004) en ander<br />
verplaatsingsonderzoek en anderzijds op wat de respondenten ons vertelden<br />
tijdens de interviews.<br />
Ondanks deze genuanceerde beschrijving op het niveau van<br />
leeftijdscategorieën dienen we toch te benadrukken dat we bij de<br />
beschrijvingen in de eerste plaats uitgaan van de ‘modale’ Vlaming. Naast de<br />
beperkingen die we ons opleggen door een beschrijving te geven van de<br />
‘modale burger’, zullen we bij de beschrijving van de behoeften en de plaats<br />
van het openbaar vervoer in het algemeen en van het aanbod basismobiliteit in<br />
het bijzonder ons richten tot de niet-grootstedelijke context. Vermits deze studie<br />
zich richt op de sociale baten van basismobiliteit, zijn we immers gaan kijken<br />
naar contexten waar ondanks een aanbod aan openbaar vervoer in functie<br />
van basismobiliteit het aanbod toch beperkt is of waar zelfs geen aanbod van<br />
openbaar vervoer aanwezig is.<br />
We hebben ons bij de selectie van de respondenten dus in eerste instantie<br />
gericht op gebieden waar de vervoersarmoede eerder het gevolg is van een<br />
beperkt aantal vervoersmogelijkheden dan van financiële en andere<br />
belemmeringen. In de stadskernen van grootstedelijke contexten is immers een<br />
groot aanbod aan openbaar vervoer. Dit is een belangrijke nuancering, vermits<br />
het verplaatsgedrag van inwoners van steden beduidend verschilt van het<br />
verplaatsingsgedrag van inwoners in rurale of meer landelijke gebieden. Naast<br />
de externe belemmeringen die inwoners van rurale omgevingen ondervinden bij<br />
het gebruik van het openbaar vervoer is ook sprake van een verschil in<br />
mentaliteit. Gepaard met een veel groter aanbod aan openbaar vervoer, zijn<br />
inwoners van steden ook vlugger geneigd om gebruik te maken van het<br />
openbaar vervoer. Bovendien en dat is vooral belangrijk voor de jongere<br />
leeftijdsgroepen, zijn ouders die in een stedelijke context wonen ook vlugger<br />
geneigd om hun kinderen op jongere leeftijd onafhankelijk het openbaar<br />
vervoer te laten gebruiken. Omdat we ons richten tot niet-grootstedelijke<br />
contexten doen we ook geen uitspraken over het verplaatsingsgedrag van<br />
inwoners in steden. Wel stellen we nog grote verschillen vast tussen inwoners die<br />
in de rand van de stad wonen (bvb. Merelbeke) en inwoners van kleine rurale<br />
gemeenschappen (bvb. in de Westhoek). Deze twee groepen maken wel deel<br />
uit van onze respondenten en daar waar we het verschil in gedrag of mentaliteit<br />
relevant vinden, maken we daar in onderstaande beschrijving ook melding van.<br />
41
We dienen echter nogmaals te herhalen dat we deze bevindingen enkel stoelen<br />
op de meningen van de enkele respondenten die we aan het woord lieten.<br />
3.4.1. De fase voor de leerplicht (-6 jaar)<br />
Over het activiteitenpatroon van -6 jarigen weten we eigenlijk heel weinig. Dat<br />
komt enerzijds omdat weinig onderzoek is verricht naar het verplaatsingspatroon<br />
van kinderen in deze leeftijdscategorie, noch het ‘Onderzoek<br />
Verplaatsingsgedrag <strong>Vlaanderen</strong>’ (2001, 2004), noch het ‘Tijdsbudgetonderzoek’<br />
(2004) bevatten hierover gegevens. Anderzijds ook omdat het<br />
verplaatsingspatroon van kinderen in deze leeftijdsfase zeer minimaal is. Een<br />
gedetailleerde beschrijving van de verplaatsingsbehoefte van deze groep is dan<br />
ook niet mogelijk. Wel weten we dat er in deze fase nog geen sprake is van<br />
(door de overheid) verplichte verplaatsingen en dat jonge kinderen voor bijna<br />
alle verplaatsingen totaal afhankelijk zijn van derden omdat zelfstandige<br />
verplaatsingen van kinderen beneden de 6 jaar eerder de uitzondering dan de<br />
regel is. Bovendien kan men veronderstellen dat het verplaatsingspatroon van<br />
jonge kinderen in sterke mate zal beïnvloed zijn door dit van de ouders. Kinderen<br />
in deze leeftijdscategorie gaan vanaf een jaar of 3 naar de kleuterschool in de<br />
buurt van de woning of van het werk van de ouders. Ze worden afgezet of<br />
gebracht en uiteraard is van een zekere onafhankelijkheid op deze leeftijd geen<br />
sprake.<br />
Toch is deze fase niet onbelangrijk voor de verdere ontwikkeling. Zo ontwikkelt<br />
men in deze leeftijdsfase de lichamelijke vaardigheden om zich te verplaatsen.<br />
De ontwikkeling van deze vaardigheden zijn noodzakelijk om een zekere<br />
zelfstandigheid te ontwikkelen. Men heeft immers bewegingsvrijheid nodig om<br />
de directe omgeving van de woning te verkennen maar ook om aan (beheerst)<br />
verkeer te wennen. Ook het zelfstandig buiten spelen is belangrijk, vooral voor<br />
de sociaal-emotionele en verstandelijke ontwikkeling van kinderen.<br />
Zo zou het spel het creatief probleemoplossend gedrag en logisch denken, de<br />
taal- en betekenissenverwerving en de sociale interactie bevorderen. De mate<br />
van zelfstandigheid in spel en verplaatsing worden dan ook van invloed geacht<br />
op de mate waarin kinderen zelfredzaam zullen zijn. (CROW, 2000) Meer en meer<br />
zullen problemen inzake veiligheid (sociale en verkeersveiligheid) maar ook het<br />
gebrek aan bijvoorbeeld speelruimten op buurtniveau het autonoom<br />
verplaatsen van jonge kinderen beperken. (Mobiliteitscel, 2001) Kinderen in de<br />
leeftijdsfase onder de 6 jaar komen dus willens nillens veelvuldig in contact met<br />
verschillende aspecten van het verkeer en niet in het minst om bepaalde<br />
behoeften die in het geval van de verplaatsing naar de kleuterschool ten dele<br />
als verplicht kan worden bestempeld, maar ook in de ontspanningssfeer hebben<br />
kinderen van deze leeftijd verplaatsingsbehoeften.<br />
Verplaatsingen om deze behoeften te bevredigen zijn voor kinderen van deze<br />
leeftijd ook een vorm van basismobiliteit. Het gaat in dit geval dan niet om het<br />
gebruik van het aanbod van de Lijn, maar om verplaatsingen dicht in de buurt<br />
42
van de woonplaats. Basismobiliteit wordt dan vertaald in veilige en<br />
kindvriendelijke voetpaden en speelmogelijkheden of in meer algemene termen<br />
‘de verkeersleefbaarheid’. Vrij kunnen spelen op straat, alleen in de buurt<br />
kunnen fietsen of naar de plaatselijke speeltuin gaan, dragen voor deze<br />
leeftijdsgroep wel bij tot het persoonlijke welbevinden. Hetzelfde geldt voor<br />
verplaatsingen naar vriendjes of vriendinnetjes in de buurt gaan als bijdrage tot<br />
het sociale welbevinden. De participatie aan het verenigingsleven of de<br />
georganiseerde vrijetijdsbesteding in deze leeftijdscategorie is nog erg laag en<br />
indien toch aanwezig dan verloopt dit meestal in het gezelschap van minstens<br />
één van de ouders.<br />
Het decreet basismobiliteit omvat echter geen criteria die rechtstreeks inspelen<br />
op de behoeften van kinderen van deze leeftijd. Het is dan ook niet mogelijk om<br />
sociale baten toe te wijzen aan het invoeren van basismobiliteit voor deze<br />
groep. Het dient echter nogmaals gezegd dat kinderen in deze<br />
leeftijdscategorie ook weinig behoeften hebben aan vrije en onafhankelijke<br />
verplaatsingen.<br />
Voor kinderen van deze leeftijd is uiteraard nog geen sprake van economisch<br />
welbevinden. In dezelfde sfeer is een verplaatsing naar de kleuterschool echter<br />
wel een dagelijks gegeven. Uit onze interviews blijken de ouders voornamelijk in<br />
te staan voor het vervoer van hun jonge kinderen. Onder de geïnterviewde<br />
ouders werden in tegenstelling tot wat men zou kunnen vermoeden deze<br />
verplaatsingen uitgevoerd met de fiets. Zeker vanaf een leeftijd van 5 à 6 jaar<br />
begeleiden de ouders hun kinderen ’s ochtends met de fiets naar de<br />
kleuterschool en komen ze ’s avonds opnieuw al fietsend naar huis. Uiteraard is<br />
dergelijk scenario voornamelijk terug te vinden bij gezinnen waarin minstens één<br />
van de ouders het zich kan veroorloven om deze verplaatsing met dit<br />
vervoersmiddel te maken. Het gaat dan voornamelijk om huisvrouwen of<br />
thuiswerkende vrouwen.<br />
“Mijn zoon breng ik met de fiets naar school. Die gaat in Geel zelf naar school en<br />
dat is ongeveer 4 kilometer van hier. En dan ’s avonds ga ik hem halen”<br />
(Sabine 36 jaar Geel)<br />
Net als voor de verplaatsingen van en naar de kleuterschool worden sociale<br />
verplaatsingen, bijvoorbeeld naar vriendjes uit de buurt, te voet of met de fiets<br />
uitgevoerd. Naast veilige en kindvriendelijke voetpaden, maken veilige<br />
fietspaden voor deze leeftijdsgroep onderdeel uit van basismobiliteit.<br />
3.4.2. De fase van de leerplicht (6 - 18 jaar)<br />
Deze fase is bijzonder belangrijk voor de ontwikkeling van zelfstandigheid bij<br />
jongeren. Vooral na de leeftijd van 12 jaar en de overgang van het lager naar<br />
het secundair onderwijs worden jongeren onafhankelijker en zoeken ze zelf hun<br />
weg in het aanbod van vervoersmiddelen. Hoe ouder binnen deze leeftijdsfase,<br />
hoe meer men zich onafhankelijk wil verplaatsen over afstanden die de buurt<br />
waar men woont overstijgen. Deze leeftijdscategorie wordt ook als eerste<br />
43
geconfronteerd met wat we eerder (door de overheid) verplichte<br />
verplaatsingen hebben genoemd. Tot het secundair onderwijs zijn deze<br />
verplaatsingen eerder kort en gelegen in de buurt van de woonst, vanaf het<br />
secundair onderwijs wordt de afstand groter. Logischerwijs maken we dan ook<br />
een onderscheid tussen kinderen tussen 6 en 12 jaar of meer algemeen kinderen<br />
die nog school lopen in het lager onderwijs en jongeren van 12 tot 18 jaar of<br />
anders gezegd, jongeren die schoollopen in het secundair onderwijs.<br />
3.4.2.1. Volgen van basisonderwijs (6 - 12 jaar)<br />
Volgens de statistische gegevens die voorhanden zijn, verplaatsen kinderen<br />
tussen 6 en 12 jaar zich gemiddeld 2,9 keer per dag. De gemiddelde<br />
verplaatsingafstand is beperkt. De belangrijkste motieven voor het verplaatsen<br />
zijn ontspanning, het volgen van onderwijs, brengen van bezoeken of op visite<br />
gaan en winkelen. 36 % van de verplaatsingen zijn echter woonschoolverplaatsingen.<br />
Daarnaast zijn ook ontspanning, sport en cultuur (21 %), op<br />
bezoek gaan of logeren (20 %) en winkelen (12 %) belangrijk. Meer dan de helft<br />
van deze verplaatsingen gebeuren met de wagen (als passagier). Het aandeel<br />
fietsverplaatsingen bedraagt 23 %.<br />
Verplaatsingen te voet zijn goed voor 13 % van de verplaatsingen. 1 % van de<br />
verplaatsingen gebeurt met de bus. (Onderzoek Verplaatsingsgedrag, 2000-<br />
2001)<br />
Deze cijfers verwijzen duidelijk naar een eerder lokaal verplaatsingspatroon. De<br />
belangrijkste verplaatsing is naar school en terug. Omdat meestal gekozen wordt<br />
voor een basisschool dicht in de buurt van de woonplaats is de verplaatsing van<br />
en naar school in de meeste gevallen een korte verplaatsing. In sommige<br />
gevallen wordt het afzetten van het kind aan de schoolpoort ingepast in het<br />
verplaatsigstraject van de ouder. Maar ook te voet of met de fiets zijn deze<br />
verplaatsingen gemakkelijk te doen.<br />
“Nu ga ik hier naar school aan de kerk. Mijn papa brengt mij ’s morgens met de<br />
camionette. “<br />
(Cathy 11 jaar Brasschaat)<br />
“Naar school ga ik te voet samen met mijn zus. Dat is niet ver.”<br />
(Anja 8 jaar Kortrijk)<br />
Vermits 36% van de verplaatsingen van deze leeftijdsgroep woonschoolverplaatsingen<br />
zijn, is het voor deze groep in de eerste plaats belangrijk<br />
om op veilige wijze te voet of met de fiets van en naar school te kunnen gaan,<br />
al dan niet in het gezelschap van een ouder. Binnen de ruime benadering van<br />
het economische welbevinden dragen verkeersveiligheid en –leefbaarheid dus<br />
44
meer bij aan het behoeften van deze leeftijdsgroep dan een aanbod van het<br />
openbaar vervoer.<br />
Op het vlak van de dagelijkse of doordeweekse ontspanning blijven kinderen<br />
van deze leeftijd nog dicht in de buurt van hun huis. Vriendjes en vriendinnetjes<br />
wonen meestal ook in de buurt. Toch zijn de kinderen nog erg afhankelijk van de<br />
ouders om de vriendjes een bezoek te brengen.<br />
“Sommige vriendinnetjes wonen hier in de buurt, maar ik zie die niet zo veel want<br />
heel heel soms kan mijn mama mij brengen.<br />
(Anja 8 jaar Kortrijk)<br />
In tegenstelling tot de jongere leeftijdsgroep verplaatst deze leeftijdsgroep zich<br />
echter wel stilletjes aan om te participeren in het verenigingsleven. De weg naar<br />
de sportclubs wordt gevonden en tal van kinderen van deze leeftijd maken hun<br />
opwachting bij de jeugdbeweging. Ze bouwen een sociaal netwerk op en<br />
veroveren beetje bij beetje een plaats in de samenleving, kortom ze ervaren<br />
voor het eerst een vorm van sociaal welbevinden.<br />
De vrijetijdsbestedingen als sport en cultuur of gaan winkelen spelen zich wel af<br />
op grotere afstand, maar de verplaatsingen in dat kader gebeuren in de meeste<br />
gevallen in begeleiding van minstens één ouder en door middel van de wagen.<br />
Gezien de afstand van de woonst tot de locatie waar de vrijetijdsactiviteit zich<br />
afspeelt, vormen vervoersmiddelen als de fiets of te voet meestal geen optie.<br />
“Naar de training gaan we alle vier en dan nemen we nog iemand vanuit de<br />
buurt mee. Naar de cross brengen we hem natuurlijk, maar ja met al dat<br />
materiaal.”<br />
(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />
“De dinsdag ga ik naar de dictie en dan brengt mijn mama mij en komt ze mij<br />
halen. De woensdag ga ik met de bus met oma en naar de markt en dan terug.”<br />
(Anja 8 jaar Kortrijk)<br />
Onder de 12 jaar zijn ouders dus niet snel geneigd om hun kinderen alleen<br />
verplaatsingen te laten doen of hen hierbij een grote autonomie toe te staan.<br />
Het gebruik van het openbaar vervoer is met andere woorden beperkt voor<br />
deze leeftijdsgroep, zeker indien dit zonder begeleiding van een volwassene<br />
moet plaatsvinden.<br />
“Nu zou ik haar nog niet met de bus laten gaan. Misschien zou het zelf wel<br />
kunnen hoor, maar ik zou haar zelf niet durven laten gaan. Ik zou haar ook niet<br />
alleen met de trein laten gaan. Zelfs niet als ik er haar opzet en ze haar bij<br />
aankomst terug afhalen. Ze is nog maar 10 jaar. Misschien ben ik overbezorgd?<br />
Misschien dat kinderen in de stad vlugger de bus nemen?”<br />
(Lies 37 jaar Merelbeke)<br />
45
Naar de school of naar de bakker om de hoek of in het dorp zijn, indien het<br />
relatief veilig is, geen bezwaar, maar voor grotere afstanden zoals naar de<br />
jeugdbeweging of de sportclub staan ouders er toch op om hen te vergezellen.<br />
“Naar de winkel stuur ik ze soms. Dat is bij haar school hier twee straten verder.<br />
Verder zou ik ze nu niet durven laten gaan. En al zeker niet als er veel verkeer zou<br />
zijn.”<br />
(Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />
De bezorgdheid van de ouders sluit aan bij het gebrek aan individuele<br />
vaardigheden van kinderen. Vooral jonge kinderen (tot ongeveer 9 jaar) en in<br />
mindere mate oudere kinderen (tot 12 jaar) blijken het noodzakelijke<br />
informatieverwerkingsproces in het verkeer niet zo snel en flexibel te doorlopen<br />
als volwassenen. Een gebrek aan kennis van de verkeersregels is zonder meer<br />
een direct gevaar om zich in het verkeer te begeven. Bij een gebrek aan kennis<br />
gaat het dan niet alleen om de verkeersregels an sich, maar ook om de zeden<br />
en gebruiken in het verkeer, ervaring zeg maar. Daarnaast leveren onvoldoende<br />
ontwikkelde motorische vaardigheden in het verkeer zowel op het vlak van<br />
behendigheid (bvb. rijden met fiets) als op het vlak van aandacht in het verkeer<br />
belemmeringen om zich op veilige wijze in het verkeer te begeven. Op basis van<br />
onderzoek (Vinjé, 1977) heeft men kunnen vaststellen dat de motoriek bij oudere<br />
kinderen geen belemmering meer vormt om als voetganger aan het verkeer<br />
deel te nemen. Om adequaat te fietsen, treedt tot de leeftijd van 10 jaar een<br />
duidelijke verbetering op in de prestaties inzake behendigheid met uitzondering<br />
van het langzaam rijden zonder de balans te verliezen, waarbij de grootste<br />
verbetering blijkt op te treden tussen 12 en 13 jaar. Deze tekorten inzake<br />
individuele vaardigheden tezamen met de toenemende complexiteit van het<br />
verkeer maakt kinderen tot 12 jaar bijzonder kwetsbaar in het verkeer wanneer<br />
ze zich autonoom verplaatsen. (Mobiliteitscel, 2001)<br />
Het verwerven van de cognitieve functies en motorische vaardigheden om zich<br />
autonoom (op een veilige manier) te verplaatsen is een belangrijke voorwaarde<br />
bij de keuze van het vervoersmiddel. Deze functies en vaardigheden moeten<br />
toelaten om zijn of haar handelen af te stemmen op de constante stroom van<br />
informatie vanuit de verkeersomgeving. Men moet informatie waarnemen,<br />
aandacht besteden aan relevante informatie, de informatie onthouden en<br />
koppelen aan beschikbare kennis en ervaring, op basis hiervan beslissingen<br />
nemen en tenslotte die beslissingen uitvoeren. Dit gehele proces van<br />
informatieverwerking moet bovendien voldoende snel uitgevoerd worden<br />
gezien de veranderlijkheid van de verkeerssituatie. (Mobiliteitscel, 2001)<br />
Vanaf de leeftijd van 12 jaar lijken de benodigde individuele vaardigheden<br />
genoeg ontwikkeld om te kunnen gebruik maken van het openbaar vervoer.<br />
Stuk voor stuk legden de geïnterviewde ouders de lat op 12 jaar. In de meeste<br />
gevallen valt deze leeftijd ook samen met de overgang van het basisonderwijs<br />
naar het secundair onderwijs, wat op zijn beurt weer gepaard gaat met een<br />
grotere woon-school-verplaatsing. In dit geval is dus zeker sprake van een sterke<br />
46
correlatie tussen de fysieke ontwikkeling van het kind en de transitie die de<br />
kinderen doormaken van de basisschool naar het secundair onderwijs.<br />
“Alleen heb ik de bus nog niet genomen, maar misschien vanaf volgend jaar als<br />
ik naar een andere school moet, mag ik de bus nemen.”<br />
(Cathy 11 jaar Brasschaat)<br />
“Mijn kinderen zijn alleen met de bus mogen gaan, allez dan wel in groep hé, als<br />
ze naar het humaniora zijn gegaan. Een jaar of 12 dus.”<br />
(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
Net als voor de vorige leeftijdsgroep heeft een project als basismobiliteit voor<br />
kinderen van 6 tot 12 jaar dus nog niet veel te bieden. Kinderen tot 12 jaar<br />
nemen zelden alleen het openbaar vervoer. Hun vrijheid en onafhankelijkheid<br />
speelt zich nog grotendeels af in de buurt van de woonst en beperkt zich in de<br />
op het vlak van mobiliteit in de eerste plaats tot veilige fiets- en voetpaden en<br />
speelruimte. Voor het persoonlijke welbevinden voor deze leeftijdsgroep zijn op<br />
het vlak van verplaatsingen topics als verkeersleefbaarheid en verkeersveiligheid<br />
dus primordiaal.<br />
3.4.2.2. De fase van het secundair onderwijs (13 - 18 jaar)<br />
Na het verlaten van de basisschool, voor de meeste kinderen dus op een leeftijd<br />
van 12 à 13 jaar, verandert de wereld drastisch. Het verplaatsingsgedrag neemt<br />
wel af (gemiddeld 2,5 verplaatsingen per dag), maar wordt de<br />
verplaatsingsafstand neemt wel. De belangrijkste verplaatsing blijft de woonschool<br />
verplaatsing (41%) maar ook ontspanning (20 %), visite of logeren (20 %),<br />
winkelen (11 %) en wandelen of rondrijden (4 %) zijn belangrijke<br />
verplaatsingsmotieven. Daarnaast neemt ook de autonomie bij het verplaatsen<br />
toe. Wat het voertuiggebruik betreft stellen we vast dat nog slechts 30 % van de<br />
verplaatsingen autoverplaatsingen zijn (als passagier). De fiets neemt 40 % van<br />
de verplaatsingen voor zijn rekening en voetgangersverplaatsingen zijn goed<br />
voor 14 % van het totaal aantal verplaatsingen per dag en per persoon. 6 % van<br />
de verplaatsingen gebeuren per bus en de trein is goed voor 1 % van de<br />
verplaatsingen. (Onderzoek Verplaatsingsgedrag, 2000-2001)<br />
Voor deze leeftijdsgroep speelt vrijheid en onafhankelijkheid een zeer belangrijke<br />
rol. Dat uit zich ook sterk in hun verplaatsingsgedrag. De woonschoolverplaatsingen<br />
vormen nog steeds het gros van de verplaatsingen, maar<br />
de aard van de verplaatsing is voor de meesten drastisch veranderd. Daar waar<br />
tot de leeftijd van 12 jaar de basisschool zich meestal binnen fiets- of<br />
wandelafstand bevindt van de woonst, is de middelbare school meestal<br />
gelegen in een stadskern. Voor de meesten kan deze verplaatsing niet meer<br />
gebeuren met de fiets of te voet, niet alleen wegens de afstand maar ook<br />
omdat men om de school te bereiken ook bijna zeker wordt geconfronteerd<br />
met gevaarlijk en/of drukke wegen. Voor deze leeftijdsgroep en voor de woonschoolverplaatsingen<br />
komt het openbaar vervoer dan ook duidelijk in beeld.<br />
47
Indien het aanbod van basismobiliteit hieraan een bijdrage levert, dan levert het<br />
ongetwijfeld een belangrijke bijdrage aan het economische welbevinden van<br />
deze leeftijdsgroep.<br />
“Sinds ik naar Gent naar school ga, dan ga ik met de bus. Voordien gebruikte ik<br />
de bus niet. Maar nu vind ik dat wel tof.”<br />
(Seb 15 jaar Merelbeke)<br />
Hoe dan ook kan het openbaar vervoer een fundamentele bijdrage leveren<br />
aan het woon-schoolvervoer. De abonnementenpolitiek (bvb Buzzy Pazz) heeft<br />
er trouwens toegeleid dat het gebruik van het openbaar vervoer voor het woonschoolverkeer<br />
een hoge vlucht heeft genomen. De belbus zelf kwam bij onze<br />
geïnterviewden niet onmiddellijk in beeld. In principe zou dat echter wel kunnen.<br />
In onze zeer beperkte steekproef stelden we echter vast dat door een gebrek<br />
aan kennis men nog niet aan deze optie had gedacht. Indien de afstand tot het<br />
(reguliere) aanbod van openbaar vervoer te groot is om te voet af te leggen,<br />
dan wordt de fiets of de bromfiets genomen of worden de jongeren aan de<br />
bushalte afgezet met de wagen.<br />
Maar niet alleen de verplaatsingen naar de school nemen in deze leeftijdsgroep<br />
in afstand toe. Ook de sociale verplaatsingen vinden steeds vaker verder van de<br />
woonbuurt plaats. Buurtvrienden ruimen plaats of worden aangevuld met<br />
vrienden van op school en een bezoek aan deze vrienden en vriendinnen of<br />
(niet onbelangrijk voor deze leeftijdsgroep) het lief vraagt veelal een<br />
verplaatsing over een afstand van een 10-tal kilometer. Voor het sociale<br />
welbevinden zijn de verplaatsingen voor deze sociale contacten belangrijk. Het<br />
openbaar vervoer biedt hierop zeker een antwoord.<br />
“In de week als het slecht weer is ga ik naar de school met de bus anders met de<br />
fiets, met de fiets ook naar de scouts, dat is niet ver. En als ik met vriendinnen<br />
naar het Koopcentrum ga, dan ga ik met de bus.”<br />
(Nele 12 jaar Waasmunster)<br />
Ook al kwam het niet ter sprake toch kan het aanbod in het kader van de<br />
projecten basismobiliteit een bijdrage leveren aan deze behoefte. De<br />
verplaatsingen naar sociale contacten vinden over het algemeen plaats buiten<br />
de piekuren bijvoorbeeld op woensdagnamiddag en in het weekend en op<br />
deze momenten hebben de jongeren tijd. Het beperkte aanbod van openbaar<br />
vervoer tijdens deze momenten is dan wel hinderlijk, maar dat lijkt van secundair<br />
belang. Bovendien vinden de afspraken veelal plaats in ‘de stad’ en naar de<br />
stad is de frequentie van het openbaar vervoer het grootst.<br />
“We gaan soms in het weekend naar Gent met een paar vrienden om te gaan<br />
shoppen. Dan neem ik met mijn vriend uit te buurt, die ook in mijn school, zit de<br />
bus en dan spreken we in Gent af met de anderen.”<br />
(Seb 15 jaar Merelbeke)<br />
48
“Soms ga ik met vrienden naar Halle om te gaan shoppen of zo, dan nemen we<br />
hier wel de bus in Kwabeek. Die gaat rechtstreeks naar Halle.”<br />
(Joly 15 jaar Gooik)<br />
Naast de sociale contacten nemen de vrijetijdsactiviteiten ook een steeds<br />
belangrijkere plaats in bij deze jongeren. De jeugdbeweging en de sportclub<br />
blijven in het vrijetijdspatroon zitten, maar krijgen nu gezelschap van nog andere<br />
hobby’s. Ook hiervoor komt het openbaar vervoer in beeld. Ouders geven hun<br />
kinderen steeds meer vrijheid en de jongeren krijgen controle over hun doen en<br />
laten. De vrijheid en de onafhankelijkheid zijn belangrijk voor de ontwikkeling van<br />
persoonlijk welbevinden. Het gegeven dat men niet meer afhankelijk is van de<br />
ouders om zich te verplaatsen is daarbij cruciaal. De mogelijke ongemakken ten<br />
gevolge van een gebrek aan aanbod wegen hier niet tegen op.<br />
“Het openbaar vervoer is leuk, omdat iemand anders u altijd moet brengen. En<br />
met een groep is het ook plezant. Al mijn vrienden zijn ook maar 16 of 17 jaar en<br />
we hebben dus geen auto”<br />
(Steffi; 17 jaar, Brasschaat)<br />
“Als mijn zoon eens naar Halle wilt gaan met zijn vrienden, ja dan nemen ze de<br />
bus. Dan wil hij niet dat zijn mama hem brengt hé. Ze willen niet altijd afhangen<br />
van hun mamaatje hé. Zeker als ze dan met anderen zijn.”<br />
(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
“Ik ga ook liever met de bus naar Halle om met vriendinnen te gaan shoppen.<br />
Dan zijt ge vrij om zelf te beslissen wanneer je naar huis komt. Anders moet je<br />
altijd afspreken met je moeder of iemand anders om u te komen halen of zo.“<br />
(Joly 15 jaar Gooik)<br />
Dat geldt echter niet voor activiteiten die zich tijdens de avond- of nachturen<br />
afspelen. Vanaf een jaar of 16 wordt uitgaan een geliefkoosde bezigheid, maar<br />
gezien de nachtelijke uren moet men beroep doen op de ouders om hen te<br />
komen halen. Deze behoefte valt echter ver buiten de criteria van basismobiliteit<br />
en zeker tot de leeftijd van 18 jaar zijn ook ouders voorstander van het<br />
chauffeurgedrag.<br />
“Hij mag pas uitgaan als hij 18 jaar is hé. Zo nu en dan een feestje dat kan wel en<br />
dan voer ik hem of we spreken af met andere ouders. Maar alleen zou ik hem<br />
niet laten gaan. “<br />
(moeder van Seb)<br />
“De zaterdag ga ik mijn zoon halen in Gooik als hij uitgaat. Met de fiets wil ik niet<br />
dat hij zo ’s nachts naar huis komt. Hij ook wel niet hoor. Maar we spreken een uur<br />
af en dan ga ik hem halen.”<br />
(Sonja 42 jaar Gooik)<br />
Voor deze leeftijdsfase staat in de eerste plaats de onafhankelijkheid centraal.<br />
Naarmate de leeftijd wil men meer vrijheid in de vrijetijd en wil men vooral<br />
49
minder gebonden zijn aan de ouders. In deze leeftijdsfase is het voor de ouders<br />
dan ook tijd om afstand te nemen van hun bezorgdheid.<br />
“Hij mag van mij de woensdag zelf de bus nemen, maar hij moet wel altijd laten<br />
weten als hij dat doet. Een simpel smsje is dan genoeg, hoor. Maar ik weet het<br />
wel liever. Je weet nooit hé”<br />
(moeder van Seb)<br />
“Ik heb maar ene zoon, en ja, ik wil een goede moeder zijn en dan zet ik hem af<br />
waar hij moet zijn hé. Maar nu dit jaar wou hij dan wat zelfstandiger worden en ja,<br />
dan moet ge dat laten gebeuren hé. Ik ben wel bezorgd, maar allez.”<br />
(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
In de ‘strijd om zelfstandigheid’ speelt het aanbod aan openbaar vervoer een<br />
belangrijke rol. Deze leeftijdsgroep wordt immers beperkt in de keuzes om zich te<br />
verplaatsen door juridische beperkingen. Vanaf de leeftijd van 16 jaar komt de<br />
bromfiets in beeld, maar vele ouders vinden dit te gevaarlijk en weigeren dit<br />
voor hun kinderen. Dat betekent dat de meerderheid eigenlijk tot 18 jaar enkel<br />
het openbaar vervoer heeft om aan hun verplaatsingsbehoefte te voldoen.<br />
De behoeften van deze groep zijn voor het openbaar vervoer met andere<br />
woorden erg belangrijk.<br />
3.4.3. De beroepsactieve leeftijd (19 – 65 jaar)<br />
De beroepsactieve leeftijd is een lange fase gekenmerkt door een sterke interne<br />
dynamiek en differentiatie. Zo ontwikkelt zich in het begin van de<br />
beroepscarrière de zelfstandigheid en daarmee ook het verplaatsingsgedrag<br />
zich verder. Op het einde van de beroepscarrière moet of wil men het vaak wat<br />
kalmer aan doen en worden verplaatsingen vaak vanuit een minder<br />
tijdsgebonden perspectief benaderd. Een opdeling in subfases is dan ook<br />
noodzakelijk om zicht te krijgen op de verplaatsingsbehoefte voor deze<br />
leeftijdsklasse.<br />
3.4.3.1. Eerste subfase (19 tot 23 jaar)<br />
Het gemiddelde aantal verplaatsingen neemt opnieuw toe (2.9 verplaatsingen<br />
per dag en per persoon) en dat gaat tevens gepaard met een toenemende<br />
gemiddelde afstand van de verplaatsingen. In deze eerste subfase is er niet<br />
langer sprake van een dominantie van studeren (20%), maar de woon-school<br />
verplaatsingen nemen toch een groter aandeel in dan de woon-werk<br />
verplaatsingen (16 %) in deze leeftijdsgroep. Het relatieve belang van<br />
ontspanning, sport en cultuur blijft gelijk (20 %). Het winkelen neemt toe (16 %).<br />
Ook de zelfstandigheid bij het verplaatsen neemt toe. Steeds minder<br />
verplaatsingen gebeuren als passagier (22 %). Door de juridische toegang tot<br />
gemotoriseerd individueel vervoer komt de auto binnen handbereik (28 % van<br />
de verplaatsingen). Het is dan ook niet verwonderlijk dat de actieradius groter<br />
wordt. Vooral de fiets verliest aan belangstelling (21 %) terwijl het<br />
bromfietsgebruik er het hoogst is van alle andere leeftijdsklassen (6 %). Het<br />
50
aandeel van de voetgangersverplaatsingen is gedaald tot 10 %. Het aandeel<br />
van de trein is er in vergelijking met de andere leeftijdsklassen het hoogst (4 %).<br />
Bus, tram en metro zijn goed voor 5 % van de verplaatsingen.<br />
In deze leeftijdsfase neemt het aantal verplaatsingen, maar ook de afstand van<br />
de verplaatsingen verder toe. Dat geldt zowel voor de studenten als voor de<br />
beginnende beroepskrachten. Studenten trekken naar de hogeschool of de<br />
universiteit en beginnende beroepskracht vinden werk in industrieterreinen of<br />
andere kerngebieden. In beide gevallen neemt de afstand van de verplaatsing<br />
verder toe, maar beiden onderscheiden zich wel in de aard en de behoefte van<br />
de verplaatsingen.<br />
Voor de meeste beroepskrachten vallen de verplaatsingen in functie van het<br />
werk tijdens de collectieve piekuren. Met een kleine speling trekken de meeste<br />
werkenden tussen 7 en 9 uur naar het werk en komen ze tussen 17 en 19 uur<br />
terug naar huis. Rond dat collectieve woon-werkverkeer werden in het verleden<br />
reeds talrijke initiatieven genomen en het recent opgestarte ‘Netmanagement’<br />
speelt eveneens in op de behoeften die hieruit ontstaan.<br />
Het openbaar vervoer in het algemeen en ook het aanbod binnen de projecten<br />
basismobiliteit bieden op dat vlak een bijdrage voor het economische<br />
welbevinden. Voor werkenden die niet binnen deze collectieve werkuren<br />
tewerkgesteld zijn, zijn verplaatsingen met het openbaar vervoer minder evident,<br />
maar daar komen we bij de bespreking van de beschikbaarheid van het<br />
openbaar vervoer.<br />
Voor studenten vallen de verplaatsingen naar en van de hogeschool of<br />
universiteit ook binnen onze definitie van economisch welbevinden. Hun<br />
verplaatsingen vallen echter niet altijd binnen de piekuren waarop het aanbod<br />
aan openbaar vervoer optimaal is. Zij moeten zich regelmatig naar de<br />
onderwijsinstelling verplaatsen tussen de piekuren en dan is het aanbod eerder<br />
beperkt. Bovendien wordt ook de verplaatsingstijd in afweging genomen bij de<br />
keuze voor het gebruikte vervoersmiddel. Verplaatsingen met het openbaar<br />
vervoer zijn gevoelig trager dan verplaatsingen met de wagen, zeker als daarbij<br />
gebruik moet worden gemaakt van lokale lijnen. Vermits de verplaatsingen naar<br />
de onderwijsinstelling ook niet zo voorspelbaar zijn, valt ook het gebruik van<br />
bijvoorbeeld de belbus buiten het optiepakket. In tegenstelling tot hun<br />
werkende leeftijdsgenoten komt het aanbod van openbaar vervoer in functie<br />
van basismobiliteit dus minder tegemoet aan de behoeften van de studenten<br />
aan het hoger onderwijs en levert het dus minder een bijdrage tot hun<br />
economisch welbevinden.<br />
“Mijn dochter die zit dan op de univ, dus die heeft ook niet altijd dezelfde uren.<br />
En met de belbus moet ge gebeld hebben. Zij heeft daar wel eens naar<br />
gevraagd, maar ze heeft toen weinig uitleg gehad. Als ik het goed begrepen<br />
heb, dan zou ze met de belbus naar Ninove en vandaar naar Brussel. Maar ja, ze<br />
is echt heel lang weg.”<br />
(Marleen 58 jaar Gooik)<br />
51
Hun situatie verschilt echter niet van werkenden met onvoorspelbare werkuren.<br />
Op het vlak van het persoonlijke en het sociale welbevinden verschillen<br />
werkenden wellicht niet echt van aard. Waarschijnlijk hebben studenten meer<br />
mogelijkheden om tussen 9 en 17 uur bepaalde activiteiten uit te oefenen, maar<br />
na 18 uur komen ze elkaar in hun vrije tijd tegen. Zowel de sociale contacten als<br />
de participatie in sportclubs of in het verenigingsleven blijven zeer belangrijke<br />
tijdsbestedingen, maar de verplaatsingen worden vooral getekend door een<br />
nieuwe en hogere vorm van vrijheid en onafhankelijkheid… de auto.<br />
Deze leeftijdsfase betekent zeer duidelijk een scharniermoment voor het gebruik<br />
van het openbaar vervoer. Tot de leeftijd van 18 jaar heeft het openbaar<br />
vervoer een zeer belangrijke functie in de ontwikkeling van een<br />
onafhankelijkheidsgevoel bij de jongeren. Men moet niet langer rekenen op één<br />
van de ouders om naar de locatie van bestemming gevoerd te worden en men<br />
kan zelf beslissen om al dan niet naar een bepaalde locatie te gaan. Eens in het<br />
bezit van een rijbewijs en van een wagen, al dan niet van de ouders, wordt het<br />
openbaar vervoer dan gezien als een belemmering. De verplaatsingen en ook<br />
de uren waarop de verplaatsingen plaatsvinden, worden ook veel minder<br />
gestructureerd en vallen daarom ook meer dan geregeld buiten de collectieve<br />
verplaatsingsuren en dus buiten de contouren van de projecten basismobiliteit.<br />
3.4.3.2. Tweede subfase (24-42 jaar)<br />
Deze fase telt in vergelijking met alle anderen het hoogst aantal verplaatsingen<br />
(3,3 verplaatsingen per dag en per persoon en de gemiddelde afstand van<br />
deze verplaatsingen neemt verder toe. In deze fase is men doorgaans<br />
afgestudeerd en vormt men vaak een (één/meer)persoonshuishouden van één-<br />
of tweeverdieners. In deze subfase zijn werkgebonden verplaatsingen dominant<br />
(29 % van de verplaatsingen zijn werkverplaatsingen, 3 a 4 % van de<br />
verplaatsingen zijn daar bovenop zakelijke verplaatsingen). Van alle<br />
leeftijdsklassen is het aandeel werkverplaatsingen in deze leetijdsfase het hoogst.<br />
Andere belangrijke verplaatsingsmotieven zijn winkelen (19 %) maar ook het<br />
vervoer van personen (10 %). Het autogebruik op niveau van de verplaatsingen<br />
is hier het hoogst. 60 % van de verplaatsingen gebeurt met de wagen. Het<br />
aandeel van voetgangers en fietsverplaatsingen neemt verder af, respectievelijk<br />
tot ongeveer 8 % en 9 %. Ook het aandeel verplaatsingen als passagier ligt in<br />
deze ordegrootte (12 %). Het aandeel bus, tram en metro zakt verder weg (1 %).<br />
Het aandeel van de trein bedraagt hooguit 2 %. (Onderzoek<br />
Verplaatsingsgedrag, 2000-2001)<br />
Deze leeftijdsfase, in de literatuur (Moens, 2004) ook omschreven als de drukke<br />
leeftijd, uit zich in een hoog aantal verplaatsingen. Met de werkverplaatsingen<br />
als belangrijkste component in het verplaatsingspatroon neemt het<br />
economische welbevinden een prioritaire plaats in. Uiteraard is het hebben van<br />
werk de eerste vereiste, maar het is makkelijk kunnen verplaatsen naar het werk<br />
en terug naar huis, dragen fundamenteel bij tot het welbevinden.<br />
52
Uit onze interviews bleken heel wat werkenden erg op te zien tegen de woonwerkverplaatsing.<br />
Mensen zien deze verplaatsing als verloren tijd en willen de<br />
afstand tussen thuis en werk zo snel mogelijk overbruggen. Vanuit dat<br />
perspectief doet het openbaar vervoer het niet zo goed.<br />
“Ik neem ook de bus, maar de verbinding is soms wel erg. Eergisteren had ik om<br />
halfacht gedaan en ik was om negen uur thuis. Met de wagen is dat misschien 20<br />
minuutjes ofzo. Maar als ik mijn verbinding mis dan is het niet evident.”<br />
(Karen 30 jaar Waasmunster)<br />
“Het moet ook allemaal vlug gaan. Ik wil rap boodschappen doen voor de<br />
kindjes te gaan halen ofzo. Allez, hier op Schelderode zijn er niet zo veel bussen.<br />
Dan zou ik serieus moeten plannen binnen de uurroosters van de bus.”<br />
(Lies 37 jaar Merelbeke)<br />
Ondanks het optimale aanbod aan openbaar vervoer en de verkeerscongestie<br />
verkiezen toch heel wat mensen om gebruik te maken van de wagen. Tenminste<br />
toch voor een deel van het traject. Heel wat geïnterviewden geven immers aan<br />
dat men de wagen neemt tot een station vanwaar men een rechtstreekse<br />
verbinding heeft met de werkplaats. Dat geldt vooral voor mensen die in de<br />
kernsteden werken. De verplaatsingen tussen het station en de woonplaats<br />
worden dan weer afgelegd met andere vervoersmiddelen dan het openbaar<br />
vervoer. Wie dicht bij het station woont, gaat te voet. Sportievelingen leggen de<br />
afstand af met de fiets en anderen nemen de wagen en maken gebruik van het<br />
aanbod aan parkeerplaatsen aan de stations.<br />
“Ik zou zelf ook wel veel de bus en zo willen pakken hoor. Mocht de tijdsdruk er<br />
niet zijn. Nu verlies je zo veel tijd met het wachten op de bus. Nu kom je in het<br />
station toe en je springt op de fiets. En je bent weg.”<br />
(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
Dat zelfde gedrag zet zich door in de vrije tijd en dan vooral bij het bezoek aan<br />
de steden. De stad wordt met de wagen gemeden en men verkiest om het<br />
centrum in te trekken met de tram of met de bus. Files, het zoeken van een<br />
parkeerplaats en ook de kostprijs van een betaalparking zijn doorslaggevende<br />
argumenten om een bezoek van de stad gedeeltelijk met de wagen en<br />
gedeeltelijk met het openbaarvervoer te doen. Men rijdt dan tot de rand van de<br />
stad, naar de gekende “P+R”-parkings of naar grote parkings aan stations en<br />
daar neemt men een rechtstreekse verbinding tot het centrum van de stad of<br />
een andere bestemming.<br />
“Naar de luchthaven ook hé. Dan nemen we de trein naar de luchthaven. Juist<br />
een slachtoffer vinden om ons naar het station van Sinaai te brengen. Want ja,<br />
met uw valiezen op de bus of de tram, da zie ik niet zitten. Maar dat is relax hé.<br />
Onze vakantie begint dan al in Sinaai hé. Geen stress als ge toekomt op de<br />
luchthaven en zo.”<br />
(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
53
“Naar de Gentse Feesten of naar Walibi of zo dan pakt onze Pieter wel de trein.<br />
Allez als ze zich dan wat willen amuseren en desnoods een pintje drinken, dan<br />
gaan ze met de trein. Maar hij pakt danwel zijne auto tot aan het station hé.”<br />
(Marleen 58 jaar Gooik)<br />
De zoektocht naar sociaal en ook persoonlijk welbevinden verloopt in deze<br />
leeftijdsgroep in de allereerste plaats via condities als gemak, comfort en …<br />
tijdswinst. Dat laatste is niet verwonderlijk als men weet dat deze levensfase als<br />
de drukke leeftijd wordt bestempeld. In dat plaatje past het openbaar vervoer<br />
enkel als het tegemoet komt aan bovenstaande criteria. Indien niet dan geraakt<br />
men gefrustreerd en in vele gevallen weigert men in de toekomst het openbaar<br />
vervoer nog te gebruiken.<br />
“We zijn is naar Plopsaland geweest met de trein. Dat was ook een schoon<br />
verhaal. Eerst moesten we de bus nemen naar het station. Dan nog eens<br />
overstappen. We zijn echt lang onderweg geweest. Ik denk meer dan drie uur.<br />
Neen, dat gaan we niet meer doen. De volgende keer gaan we met de auto.<br />
Want goedkoop was dat niet hé. Zeker met het ganse gezin. Met uwe auto voelt<br />
ge dat zo niet.”<br />
(An 34 jaar Brasschaat)<br />
In deze leeftijdsfase komen, als onderdeel van de drukte, ook kinderen in beeld.<br />
En blijkbaar zorgt de komst van kinderen in deze fase voor bijkomende<br />
verplaatsingsproblemen. De extra verplaatsingen die moeten worden gemaakt<br />
om de kinderen naar school, naar vriendjes of naar de sportclub te brengen,<br />
leggen een bijkomende druk op de verplaatsingsmogelijkheden. Ook deze<br />
moetenn liefst zo snel en efficiënt mogelijk gaan.<br />
“Mocht ik geen wagen hebben, dan zou ik niet weten wat te doen. Al die<br />
activiteiten van de kinderen… Ik denk dat ze veel thuis zouden zitten. Neen, sommige<br />
dingen zouden zeker niet lukken. De tekenacademie bijvoorbeeld. Ik zou het niet zien<br />
zitten om met haar met de bus naar Gent te gaan en ze dan twee uur later opnieuw<br />
te gaan halen. Of ik moet daar blijven. Maar dat zie ik ook niet zitten.”<br />
(Lies 37 jaar Merelbeke)<br />
3.4.3.3. Derde subfase (43-65 jaar)<br />
Voor het eerst neemt het gemiddelde aantal verplaatsingen per persoon en per<br />
dag af en dat gaat gepaard met een dalende trend in de gemiddelde<br />
verplaatsingsafstand. Naar verplaatsingsmotief worden vooral<br />
winkelverplaatsingen belangrijk (28 %). Het aandeel werkgebonden<br />
verplaatsingen daalt tot 26 % (20 % woon-werkverplaatsingen en 6 % zakelijke<br />
verplaatsingen). Wel ontstaat er een nieuwe zorg, ditmaal voor oudere, maar<br />
ook jongere (kleinkinderen) familieleden. Bezoeken (10 %) en iemand<br />
wegbrengen, vormen samen bijna 20 % van de verplaatsingen. Het relatieve<br />
belang van recreatieve verplaatsingen neemt eveneens toe. Zo bedraagt het<br />
aandeel verplaatsingen met als doel wandelen en rondrijden 4 % terwijl het<br />
aandeel verplaatsingen met als doel ontspanning, sport en cultuur 13 %<br />
54
edraagt. Maar ook het aantal verplaatsingen voor diensten of zorgen, is<br />
meldenswaardig (4 %).<br />
Als vervoermiddel wordt de auto iets minder belangrijk. Toch neemt hij nog<br />
steeds ongeveer de helft van de verplaatsingen voor zijn rekening. 12 % van de<br />
verplaatsingen gebeurt als passagier. Het relatieve belang van voet- en<br />
fietsverplaatsingen neemt weer toe tot samen ongeveer 25 %. Het aandeel<br />
collectief vervoer bedraagt ongeveer 4 % (Onderzoek Verplaatsingsgedrag,<br />
2000 – 2001).<br />
De drukke leeftijd is in deze leeftijdsgroep beetje bij beetje aan het wegebben<br />
en de nadruk verschuift naar rust en ontspanning als belangrijke elementen van<br />
persoonlijk welbevinden. Verscheidene factoren dragen daartoe bij, op het werk<br />
is men aan het ‘uitbollen’, de kinderen zijn ‘het huis uit’ of zijn in grote mate<br />
onafhankelijk en men heeft wat spaarcentjes waarvan men wil ‘genieten’.<br />
Bovendien wil men nu ook iets doen om fit en gezond te blijven en dus wordt de<br />
fiets van stal gehaald (of wordt een nieuwe fiets gekocht) of gaat men meer te<br />
voet.<br />
Maar ook het openbaar vervoer helpt mee aan de de behoeften van deze<br />
leeftijdsgroep om fit en gezond te blijven. Niet dat het vervoer op zich gezond is,<br />
maar dan toch wel de locatie waar mennaar toe kan gaan om aan zijn of haar<br />
conditie te werken.<br />
“Ik pak 1 keer per week de buurtbus. Dat is gratis en is hier op 750 meter van. En<br />
dan ga ik naar de fitness. Dat is 45 minuten. Pas op met de fiets is het maar 20<br />
minuten, maar het is gemakkelijk en ik heb tijd genoeg.”<br />
(Willy 62 jaar Brasschaat)<br />
Uiteraard is een verplaatsing naar de fitness slechts één van de vele mogelijke<br />
verplaatsingen die men tijdens de dag kan maken. Zeker voor gepensioneerden<br />
valt elke verplaatsing in het kader van de ‘vrije tijd’.<br />
Binnen deze leeftijdscategorie onderscheiden we dan ook twee belangrijke<br />
groepen. Eens de 50 jaar voorbij ontmoeten we immers regelmatig pre- of<br />
bruggepensioneerden. Voor hen valt het tijdsperspectief van de werkende<br />
bevolking weg. De pensioenstransitie is voor deze leeftijdsgroep dan ook<br />
belangrijk. Betaalde arbeid is immers niet alleen een inkomensbron, maar heeft<br />
ook een tijdsstructurerende functie en vormt een context van betrokkenheid en<br />
sociale interactie. (Glorieux, 1995; Kim & Moen, 2001) Deze groep heeft op dat<br />
ogenblik dus nood aan het opbouwen van nieuwe structuren en contacten. Op<br />
dat vlak komen in de beschrijving van de verplaatsingen een aantal specifieke<br />
verplaatsingen in beeld. Een eerste is de zorg om de eigen ouders. De kinderen<br />
zijn het huis uit, maar de ouders bereiken een hoogbejaarde leeftijd wat<br />
gepaard gaat met bijkomende zorgen, niet in het minst met mobiliteitsarmoede.<br />
De verplaatsingen naar de zorgbehoevende ouder moet zelf al geen zorg op<br />
zich zijn. Een aanbod van het openbaar vervoer afgestemd op bijvoorbeeld het<br />
bezoeken van rusthuizen komt dan ook tegemoet aan de behoeften van deze<br />
groep op het vlak van sociaal welbevinden. Hier onderscheiden de werkenden<br />
zich wel van de niet-werkenden. Voor werkenden vinden de bezoeken van<br />
55
familieleden, maar ook van andere sociale contacten na de werkuren, voor<br />
niet-werkenden kunnen deze verplaatsingen plaatsvinden binnen de werkuren.<br />
Dat uit zich in het gebruikte vervoersmiddel. Voor de werkenden zal dat vlugger<br />
de auto zijn, niet-werkenden hebben ‘tijd’ en nemen dan vlugger het openbaar<br />
vervoer. Voor deze laatste levert een aanbod binnen de projecten<br />
basismobiliteit ongetwijfeld een bijdrage.<br />
Een tweede opvallende vermelding in de beschrijving van de verplaatsingen zijn<br />
het ‘winkelen’ en ‘het bezoeken van diensten’. Binnen het ruime perspectief van<br />
economisch welbevinden is dat, zeker voor de niet-werkenden, een belangrijk<br />
element. Voor de werkenden zijn dat activiteiten die men inpast in andere<br />
verplaatsingen en vermits die liever snel verlopen, is de wagen het<br />
vervoersmiddel bij voorkeur. Voor niet-werkenden vormen deze verplaatsingen<br />
echter ook een vorm van ‘ontspanning’. Samen naar de markt of naar de bank<br />
gaan, zijn voor heel wat geïnterviewden evenveel uitstap als functionele<br />
noodzaak. Binnen dit perspectief komt het openbaar vervoer wel in beeld.<br />
Bovendien blijkt in heel wat gevallen het openbaar vervoer afgesteld op<br />
marktdagen en is het aanbod dan groter dan op andere dagen.<br />
“Het buurtbusje is echt een heel goed initiatief. Mensen kunnen naar de kliniek,<br />
kunnen hier gemakkelijk weg. Echt heel goed. Het zijn wel altijd dezelfde die erop<br />
zitten. Ik en twee anderen. Altijd dezelfde Behalve op maandag als het markt is.<br />
Dan zit het vol.”<br />
(Willy 62 jaar Brasschaat)<br />
Binnen deze fase speelt bij het ‘onthaasten’ het openbaar vervoer een<br />
belangrijke rol. Files, parkeerplaatsen en ook de verkeersagressie worden<br />
geassocieerd met de drukke periode en worden liever gemeden. Het gebruik<br />
van het openbaar vervoer past perfect binnen dat plaatje. Onthaasten<br />
betekent het vermijden van stress en samen met het wegschuiven van de<br />
tijdsdruk profileert het openbaar vervoer zich als onderdeel van de uitstapjes.<br />
Binnen hetzelfde denken, maar dan wel niet onder de criteria van basismobiliteit,<br />
wordt graag gebruik gemaakt van de trein om bijvoorbeeld naar de kust te<br />
gaan.<br />
“Naar de zee gaan we met de trein. We rijden dan naar het station van Geel en<br />
dan met de trein naar de kust. En dan nemen we daar de bus of de tram. Maar<br />
dat is anders hé. Dan hebt ge compagnie en geen zorgen of stress. Da’s anders<br />
als hier thuis hé.”<br />
(Agnes 45 jaar Geel)<br />
Voor deze leeftijdsgroep en vooral bij de niet-werkenden levert het openbaar<br />
vervoer een duidelijke meerwaarde op het vlak van het welbevinden in het<br />
algemeen. Dat geldt ook voor het aanbod basismobiliteit. Als men het systeem<br />
kent, dan wordt er handig gebruik van gemaakt. Uit onze interviews kregen we<br />
echter de indruk dat de kennis over de mogelijkheden van bijvoorbeeld de<br />
56
elbus slecht gekend zijn. Dat komt grotendeels omdat deze leeftijdsgroep voor<br />
het eerst echt kennismaakt met het openbaar vervoer. De afgelopen 30 of 40<br />
jaar heeft men immers altijd beroep gedaan op de wagen…<br />
3.4.4. De fase na mogelijke arbeid (+65 jaar)<br />
Het gemiddelde aantal verplaatsingen daalt tot 1,5 verplaatsingen per dag en<br />
per persoon. Ook de gemiddelde verplaatsingsafstand neemt verder af. Naar<br />
verplaatsingsmotief zijn vooral winkelverplaatsingen belangrijk (34 %), maar ook<br />
iemand bezoeken (18 %). Ook wandelen en rondtoeren neemt toe (6 %). Het<br />
aantal verplaatsingen voor ontspanning, sport en cultuur bedraagt 13 %. Het<br />
aantal verplaatsingen voor diensten of zorgverlening neemt toe tot 9 %.<br />
Verplaatsingen met als doel het vervoeren van personen zakt terug tot 5%.<br />
De wagen verliest aan attractiviteit. Slechts 37 % van de verplaatsingen<br />
gebeuren nog met de wagen. Wel neemt het aantal verplaatsingen als<br />
passagier weer toe (15 %). Het aandeel voetgangers- en fietsverplaatsingen<br />
neemt toe tot boven de 30 %. Bus, trein en tram winnen als vervoermiddel aan<br />
belang toe (6 %). (Onderzoek Verplaatsingsgedrag, 2000 – 2001)<br />
Het leven wordt voor een deel van de bevolking verder onthaast en<br />
bovenstaand proces wordt verder gezet, voor anderen begint het nu pas, maar<br />
ook zij stappen vrij vlug in hetzelfde denken en handelen. Voor allen geldt dat<br />
de meeste in de tijd dwingende of verplichte verplaatsingsmotieven wegvallen.<br />
Toch kunnen we ook hier ruwweg twee subfasen onderscheiden. De fase met<br />
nog een grote mate van zelfstandigheid en een fase met steeds groter<br />
wordende afhankelijkheid van anderen.<br />
3.4.4.1. In de eerste subfase (66 - 75 jaar)<br />
De eerste fase van de pensionering wordt gekenmerkt door wat we de actieve<br />
derde leeftijd noemen. Het aantal verplaatsingen neemt dan wel af, maar dat<br />
uit zich niet op verplaatsingen in functie van ontspanning. De wagen wordt aan<br />
de kant geschoven en naast het wandelen en fietsen in de buurt, neemt het<br />
openbaar vervoer een prominente plaats in. Niet in het minst door de ‘gratis’regel<br />
voor 65-plussers.<br />
“Ik gebruik het openbaar vervoer. Ja, het is mij alles het ware op een schoteltje<br />
door Stevaert aangebracht hé. ’t Is gratis zoals de zon en die gebruik ik ook<br />
graag.”<br />
(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
“Mijn ouders nemen veel het openbaar vervoer. Sinds die 65 jaar zijn gaan die<br />
heel graag eens met de bus weg of met de trein. Veel oudere mensen doen<br />
dat. We zien dat ook bij ons in de winkel. Veel oudere mensen komen met de<br />
bus. Maar ik heb daar te weinig tijd voor. Ik ben altijd een beetje gehaast, hé.”<br />
(Marleen 58 jaar Gooik)<br />
57
Het openbaar vervoer zet zich bij deze leeftijdsgroep duidelijk door als onderdeel<br />
van de uitstap en het zich kosteloos verplaatsen zorgt ervoor dat men het<br />
openbaar vervoer gebruikt om ‘zomaar’ ergens naar toe te gaan. We merken in<br />
deze leeftijd dan ook opnieuw de eerste sporen van het openbaar vervoer als<br />
symbool van vrijheid en onafhankelijkheid. In die zin levert het openbaar vervoer,<br />
zoals bij jongeren, een belangrijke bijdrage in het persoonlijke welbevinden.<br />
Maar ook op het vlak van het sociaal en economisch welbevinden speelt het<br />
openbaar vervoer een belangrijke rol. Nog meer dan de jongere generatie<br />
spendeert deze leeftijdsgroep vrij veel tijd en ook verplaatsingen aan ‘winkelen’.<br />
Hierbij dient wel een onderscheid te worden gemaakt tussen winkelen als<br />
‘boodschappen doen’ en winkelen als shoppen. Voor zowel de wekelijkse als de<br />
dagelijkse inkopen komt het openbaar vervoer niet in beeld. De dagelijkse<br />
inkopen worden in de buurt gedaan en daarvoor verplaatst men zich te voet of<br />
met de fiets en de wekelijkse inkopen worden met de wagen gedaan, al dan<br />
niet door beroep te doen op derden. De belangrijkste reden hiervoor is de last<br />
die men te dragen heeft.<br />
“Grote boodschappen zijn een probleem. Dan moet je altijd iemand<br />
aanspreken. Ik heb nu een vriendin, die woont aan het Rivierenhof. Ze is ook haar<br />
man verloren, maar ze kan wel met de auto rijden en dan gaan we samen naar<br />
de winkel.”<br />
(Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />
We komen daar in het volgende hoofdstuk op terug. Voor het shoppen<br />
daarentegen wordt het openbaar vervoer wel als ideaal vervoersmiddel gezien.<br />
Shoppen gebeurt immers in de stadskern en dat bezoek verloopt, zoals reeds<br />
gezegd, het liefst met het openbaar vervoer. Bij het shoppen draagt men ook<br />
niet de last die men heeft bij de inkoop van levensmiddelen. Het wordt in de<br />
eerste plaats benaderd als ontspanning en een uitstap.<br />
“Zo voor mijnen tijd te passeren, dan ga ik eens naar Kortrijk om een<br />
wandelingetje te doen. Of met vriendinnen. Da’s wel plezant.”<br />
(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
Binnen het sociale en economische welbevinden vindt het openbaar vervoer bij<br />
deze groep zeker een plaats. Naast shoppen spendeert deze groep immers ook<br />
tal van verplaatsingen aan visites of bezoeken. Voor een deel zijn deze<br />
bezoeken in functie van een zorgbehoevende ouder, maar een deel van de<br />
verplaatsingen zijn ook in functie van de kleinkinderen. De eigen kinderen<br />
worden dan geconfronteerd met de drukke leeftijd en de grootouders staan<br />
dikwijls in voor de opvang van de kleinkinderen. De kleinkinderen worden van<br />
school gehaald en worden door de grootouders bijgehouden tot het einde van<br />
de werkdag van de kinderen.<br />
58
“Mijn moeder die gebruikt de belbus vrij veel. Ze is 72 jaar en nog goed te been.<br />
Maar ze is niet tijdsgebonden en ze kan zich regelen hé. En ze doet dat goed, ze<br />
neemt dan de belbus naar het station en dan de trein naar Lokeren en dan de<br />
bus naar hier. Ze vertrekt dan wel ‘s morgens vroeg en dan is ze tegen de<br />
middag hier.”<br />
(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
Vermits tal van kinderen bij het verlaten van het ouderlijk huis toch op een<br />
afstand van hun ouders gaan wonen en de kleinkinderen naar een basisschool<br />
gaan in de buurt van hun woonst, moeten de grootouders toch een redelijke<br />
afstand afleggen om de kleinkinderen van school te halen.<br />
3.4.4.2. In de tweede subfase (+ 75 jaar)<br />
Het gemiddelde aantal verplaatsingen per dag daalt verder tot 0,8. Toch blijft<br />
de gemiddelde verplaatsingsafstand quasi gelijk (10,3km). Belangrijke<br />
verplaatsingsmotieven zijn ook hier winkelen 37 %), visite of logeren (20 %) en<br />
ontspanning, sport en cultuur (15 %). Het aantal verplaatsingen met als doel<br />
wandelen en rondtoeren, neemt aan belangrijkheid af (9 %). Verplaatsingen<br />
voor diensten en verzorging bedragen 4 % van het totale aantal. Het aandeel<br />
van verplaatsingen met als doel het vervoeren van personen daalt tot 1 %.<br />
Naar vervoermiddel toe zien we hoe de auto aan belang verliest. Nog slechts 1<br />
op vier verplaatsingen gebeuren met de wagen. Wel neemt het aandeel<br />
verplaatsingen als passagier aanzienlijk toe (25 %). Het aandeel bus en tram blijft<br />
op 4 %. Het aandeel voetgangersverplaatsingen neemt verder toe tot 34 %. Het<br />
aandeel fietsverplaatsingen zakt weg tot 9 %. De trein wordt nog nauwelijks<br />
gebruikt (0,5%). (Mobiliteitscel, 2001)<br />
De jongere generatie gepensioneerde wordt bestempeld als een actieve derde<br />
leeftijd, maar in deze tweede subfase neemt de afhankelijkheid van anderen<br />
opnieuw sterk toe. De auto wordt meer en meer aan de kant geschoven,<br />
verkocht of niet meer gebruikt. Door de fysieke moeilijkheden die optreden<br />
wordt ook de fiets en te voet steeds moeilijker. Het openbaar vervoer wordt dan<br />
bijna het enige vervoersmiddel dat hen in staat stelt om zich te verplaatsen en<br />
zodoende toch een zekere onafhankelijkheid uit te bouwen. In de andere<br />
gevallen is men afhankelijk van anderen om bepaalde verplaatsingen te<br />
maken. Voor het persoonlijke welbevinden is het openbaar vervoer dan ook zeer<br />
belangrijk.<br />
“Ge kunt niet altijd op alleman rekenen, hé. Ik wil dat ook niet zenne. Ik heb dat<br />
nooit gedaan. Ook niet toen mijne man nog leefde. Dan ging ik ook met de bus<br />
weg. En vroeger als ik jong was veel met de fiets hé. Maar de tijden zijn<br />
veranderd. Het verkeer is veel drukker geworden en ge moet ook verder gaan<br />
dan vroeger hé”<br />
(Marian 81 jaar Geel)<br />
59
Winkelen en op visite gaan, zijn ook voor deze leeftijdsgroep de belangrijkste<br />
verplaatsingsmotieven. Door leeftijdsgebonden kwalen worden een aantal<br />
negatieve aspecten van het openbaar vervoer echter uitvergroot. Grote<br />
inkopen blijven zeer moeilijk te doen met het openbaar vervoer en daarvoor<br />
rekent men dan ook op anderen met een wagen. Shoppen als vrije<br />
tijdsbesteding komt minder aan de orde en dus moeten we stellen dat op het<br />
vlak van het economische welbevinden het openbaar vervoer een kleinere<br />
bijdrage levert dan op het vlak van het sociale welbevinden.<br />
“Soms ga ik met vrienden naar Halle om te gaan shoppen of zo, dan nemen we<br />
hier wel de bus in Kwabeek. Die gaat rechtstreeks naar Halle.”<br />
(Joly 15 jaar Gooik)<br />
“Zo’n twee keer per maand neem ik de bus naar het centrum om te shoppen of<br />
om bepaalde boodschappen te doen. Soms naar een museum….”<br />
(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
Bezoeken aan anderen worden ook steeds moeilijker, maar door gebruik te<br />
maken van het openbaar vervoer kunnen deze verplaatsingen in de dag wel<br />
plaatsvinden. Opvallend voor deze groep is dat men zich zeer expliciet<br />
verplaatst tussen de piekuren. Men verlaat het huis na 9 uur en men zorgt dat<br />
men terug thuis is voor het begin van de avondspits rond 16 uur. Bij het gebruik<br />
van het openbaar vervoer wil men dan vooral de schoolgaande jongeren op<br />
de bus vermijden.<br />
“Als je de pech hebt om je met de bus te verplaatsen als de kinderen juist van<br />
school komen, ja, dan kom je in een heksenketel terecht hé. Kinderen hebben<br />
ook geen discipline meer. Ze gaan hun plaats ook niet meer afstaan, zenne.”<br />
(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
Algemeen stellen we vast dat deze groep veel belang hecht aan de<br />
mogelijkheden die het openbaar vervoer biedt. Ondanks de belemmeringen<br />
waarmee men te kampen heeft bij het gebruik van het openbaar vervoer is het<br />
voor deze groep het enige vervoersmiddel waardoor men van een zekere<br />
vrijheid, onafhankelijkheid en bewegingsvrijheid kan genieten.<br />
3.5. Conclusies deel 3<br />
In dit onderdeel zijn we dieper ingegaan op de verplaatsingsbehoeften van<br />
verschillende leeftijdsgroepen en de vervoersmiddelen die men daarvoor<br />
gebruikt of toch minstens in overweging neemt. Vertaald naar de doelstelling<br />
van deze studie hebben we ons bij de interviews met de respondenten gericht<br />
op vragen over de gebruikte vervoersmiddelen voor bepaalde verplaatsingen.<br />
Afgaande op de antwoorden van de respondenten en rekening houdend met<br />
de leeftijdscategorie waartoe men behoort zijn duidelijke verschillen op te<br />
tekenen in de afstand die men moet afleggen om in zijn of haar behoeften te<br />
voorzien en de vervoersmiddelen die men daarvoor kan gebruiken.<br />
60
Voor bepaalde leeftijdsgroepen zijn sommige vervoersmiddelen gewoon geen<br />
optie. Het voor de hand liggend voorbeeld is uiteraard het verplichte rijbewijs<br />
voor het besturen van een wagen.<br />
De opsplitsing naar leeftijdscategorie is dan ook zeer pertinent. Onder de leeftijd<br />
van 18 jaar beschikt men maar over een beperkt aantal vervoersmiddelen,<br />
maar de behoeften aan verplaatsingen zijn ook minder groot en de afstand tot<br />
de activiteiten die men wil of moet doen is ook minder groot dan voor<br />
werkenden of voor studenten in het hoger onderwijs.<br />
Tijdens de lange fase van tewerkstelling merken we vooral tot de leeftijd van<br />
ongeveer 45 jaar dat de auto quasi onmisbaar is. De drukke leeftijd laat het<br />
immers niet toe om veel tijd te verliezen bij verplaatsingen. Men heeft zo veel<br />
zaken te doen dat elke minuut die men moet besteden aan een verplaatsing<br />
eigenlijk een verloren minuut is. Na de drukke leeftijd heeft men echter nood aan<br />
onthaasting en met de auto als een belangrijk symbool van stress wordt deze<br />
ook meer en meer aan de kant gelaten. Omdat in deze leeftijd ook veel<br />
aandacht gaat naar de gezondheidstoestand komen vervoersmiddelen die<br />
gebruik maken van spierkracht terug in beeld. Uiteraard gaat dat niet of moeilijk<br />
voor grote verplaatsingen. Voor dergelijke verplaatsingen blijft de auto een<br />
favoriet vervoersmiddel, maar men zal wel trachten om deze zo functioneel<br />
mogelijk te gebruiken. Als de wagen stress veroorzaakt, bijvoorbeeld door de<br />
drukte in de stad of de files op de wegen, maar ook door het zoeken naar een<br />
geschikte parkeerplaats in de stad, dan wordt de wagen graag ingeruild voor<br />
het openbaar vervoer.<br />
Eens de pensioenleeftijd bereikt en men verlost is van de ‘verplichte’ activiteit<br />
werken, wordt tijd veel minder een issue. Het hebben van tijd is daarentegen juist<br />
iets wat men koestert en men probeert dat ook te benadrukken door gebruik te<br />
maken van vervoersmiddelen die niet persé sneller zijn, maar wel makkelijker en<br />
veel meer ontspannen. Omdat tijd niet meer zo belangrijk is en vooral omdat<br />
men controle krijgt over de tijd, komt het openbaar vervoer weer sterk in beeld.<br />
Hoe ouder men bovendien wordt, hoe belangrijker het openbaar vervoer ook<br />
wordt voor de Vlaming. Als we naar de relatie tussen enerzijds het<br />
vervoersmiddel en anderzijds de zelfstandigheid, de onafhankelijkheid, de<br />
vrijheid, kortom het persoonlijk welbevinden kijken dan staat het openbaar<br />
vervoer symbool voor onafhankelijkheid bij ouderen. Hetzelfde geldt trouwens<br />
ook voor jongeren die nog niet in het bezit zijn van een rijbewijs. Daartussen is het<br />
openbaar vervoer echter eerder het symbool van afhankelijkheid, van<br />
gebonden zijn.<br />
Kijken we naar de doeleinden van de verplaatsingen en het gebruikte<br />
vervoersmiddel dan stellen we vast dat het openbaar vervoer in het algemeen<br />
voor heel wat mensen een bijdrage levert aan verplaatsingen in functie van het<br />
werk, maar minder in het voorzien in levensmiddelen. Daarvoor zijn de wekelijkse<br />
boodschappen te groot en kan enkel de laadruimte van de wagen soelaas<br />
bieden. Ongeacht de leeftijd staat het openbaar vervoer echter wel symbool<br />
voor vrije tijd. Dat komt vooral tot uiting bij de drukke leeftijd. Binnen deze<br />
leeftijdscategorie wordt het openbaar vervoer op uitzondering van woon-<br />
61
werkverplaatsingen zelden gebruikt, tenzij in de vrije tijd. Ondanks het feit dat<br />
ook de vrije tijd voor de leeftijdscategorie 20-45 een drukke tijd is, biedt het<br />
openbaar vervoer voor hen een gevoel van rust en ontspanning. Dat geldt ook<br />
voor de jongere en de oudere leeftijdscategorieën, maar zowel jongeren als<br />
ouderen hebben ook meer vrije tijd.<br />
Op uitzondering van grote evenementen zoals de Gentse Feesten, optredens in<br />
het Sportpaleis, festivals, kortom massa-evenementen, biedt het openbaar<br />
vervoer slechts een beperkte meerwaarde voor het invullen van culturele<br />
behoeften. Culturele activiteiten vinden immers plaats tijdens de avonduren en<br />
zowel het beperkte aanbod op die momenten aan openbaar vervoer alsook<br />
het onveiligheidsgevoel leiden ertoe dat men hiervoor slechts zelden het<br />
openbaar vervoer wil en/of kan gebruiken.<br />
Zoals bij aanvang van dit deel gezegd, zijn we in deze beschrijving uitgegaan<br />
van de ‘modale’ burger. Een burger met voldoende financiële middelen om te<br />
kunnen kiezen tussen verschillende vervoersmiddelen, een burger met<br />
voldoende fysieke en psychische kwaliteiten om met de wagen te kunnen rijden<br />
of de bus te kunnen nemen. Helaas wordt onze samenleving niet bevolkt door<br />
enkel en alleen maar ‘modale’ burgers. Tal van individuen en groepen zijn<br />
immers net modaal en hebben af te rekenen met verschillende belemmeringen<br />
om deze keuzes te maken of om bepaalde vervoersmiddelen te gebruiken.<br />
Denken we maar aan het gebrek aan financiële middelen om een wagen aan<br />
te kopen of te onderhouden. Voor hen is het openbaar vervoer heel belangrijk.<br />
Het is deze groep, die aan vervoersarmoede lijdt die men in de politieke visie<br />
over basismobiliteit voor ogen had.<br />
Voor deze groepen worden bovenstaande verplaatsingen een totaal ander<br />
verhaal. Zij worden in de eerste plaats geconfronteerd met het overwinnen van<br />
belemmeringen.<br />
In een volgend hoofdstuk gaan we bij de modale burger luisteren naar de<br />
keuzes die men maakt bij het gebruik van een vervoersmiddel voor bepalde<br />
verplaatsingen. Net als in dit hoofdstuk gaanwe dan na of het openbaar vervoer<br />
een bijdrage levert aan het welbevinden van het individu of het gezin of met<br />
andere woorden of het openbaar vervoer in het algemeen en/of het aanbod in<br />
het kader van het openbaar vervoer voor hen al dan niet een sociaal effect<br />
genereert.<br />
62
4. Criteria voor een keuze voor het openbaar vervoer<br />
Bij de beschrijving van de verplaatsingsbehoeften van de verschillende<br />
leeftijdsgroepen stellen we vast dat een aantal criteria, bijvoorbeeld tijdsdruk<br />
voor verschillende leeftijdsfasen verschillen én een grote invloed hebben op het<br />
al dan niet kiezen voor het openbaar vervoer om zich te verplaatsen.<br />
Tijdens onze interviews werden nog tal van criteria geformuleerd die niet<br />
specifiek leeftijdsgebonden zijn. In dit hoofdstuk geven we een overzicht van de<br />
belangrijkste criteria die ervoor zorgen dat individuen wel of juist niet voor het<br />
openbaar vervoer kiezen.<br />
4.1. De kostprijs van een verplaatsing<br />
Met het belang van de kostprijs van een verplaatsing sluiten we aan bij een<br />
belangrijk aspect voor het aanbod van basismobiliteit. Wie aan<br />
vervoersarmoede denkt, denkt ook aan armoede in het algemeen. Er is ook een<br />
rechtstreeks verband tussen beide vormen van armoede, inkomen is immers een<br />
sterk differentiërende factor voor het verplaatsingsgedrag.<br />
De beschikbare cijfers dateren van een ander tijdperk, maar zijn toch zeer<br />
verhelderend.<br />
Vergelijken we de laagste inkomenscategorie met de hoogste dan spreken de<br />
verschillen in het gemiddelde aantal verplaatsingen en ook in de gemiddelde<br />
afstand van deze verplaatsingen boekdelen. De laagste inkomenscategorie<br />
maakt dagelijks gemiddeld 2,9 verplaatsingen. Dat stijgt stelselmatig met het<br />
inkomensniveau tot gemiddeld 3,8 verplaatsingen per dag bij de hoogste<br />
inkomensgroepen. Naar afstand toe verdubbelt het gemiddelde aantal<br />
kilometers per verplaatsing voor de hoogste inkomenscategorie tegenover de<br />
laagste. De relatie tussen een laag inkomen en andere vormen van<br />
kwetsbaarheid (functionele beperkingen, senioren, kwetsbare huishoudtypen, ...)<br />
is groot en zo ook op het vlak van verplaatsingen.<br />
In een sterk door de wagen gedomineerde mobiliteit is wagenbezit een<br />
belangrijke factor voor maatschappelijke participatie, zowel op individueel als<br />
op gezinsniveau. Het bezit van een wagen of het complete wagenpark<br />
63
waarover een gezin kan beschikken is echter niet gelijk verdeeld. In sommige<br />
gezinnen gaat de 18 de verjaardag gepaard met het behalen van het rijbewijs en<br />
het toegeschoven krijgen van een wagen. In andere gezinnen is het bezit van<br />
één enkel wagen voor het gehele gezin een financiële last die nauwelijks of niet<br />
kan worden gedragen. Op het vlak van gebruikte vervoersmiddelen zijn dan ook<br />
duidelijke verschillen merkbaar. De laagste inkomens gebruiken meer de fiets of<br />
gaan meer te voet, maar gebruiken ook meer het openbaar vervoer.<br />
Het spreekt dan ook vanzelf dat binnen een kader van basismobiliteit extra<br />
aandacht moet gaan naar deze financieel zwakkere bevolkingsgroepen. Bij<br />
onze interviews zagen we immers dat het inkomen inderdaad een rol speelt bij<br />
de keuze van het openbaar vervoer<br />
Wat de geïnterviewden over de kostprijs van het openbaar vervoer zeggen, lijkt<br />
op het eerste zicht behoorlijk dubbelzinnig. Voor de ene geïnterviewde is het<br />
openbaar vervoer goedkoop, voor de andere weer duur. Voor een deel heeft<br />
dit te maken met het perspectief van waaruit men de kostprijs van het openbaar<br />
vervoer benaderd. De kosten voor het gebruik van het openbaar vervoer zijn,<br />
indien men niet over een abonnement beschikt, directe kosten. Dat is niet het<br />
geval voor de wagen. De kosten voor de wagen zijn veelal indirect en eenmalig<br />
of periodiek. Vanuit dit perspectief is de kostprijs van de wagen erg laag. Om<br />
naar de stad te gaan wordt bijvoorbeeld de afweging gemaakt tussen de<br />
kostprijs van de parking en de kostprijs van het openbaar vervoer.<br />
“Een parkeerplaats vinden in de stad is zo geen groot probleem. Toch niet als ge<br />
in een betaalparking gaat. En als we met twee de bus nemen dan is het duurder<br />
dan de parking hoor!”<br />
(André 59 jaar Merelbeke)<br />
“We gaan nu bijna niet meer naar Kortrijk. Sinds dat we moeten betalen, sinds<br />
begin dit jaar zijn we maar drie keer meer gegaan. En anders minstens 1 keer per<br />
week. Nu ga ik bijvoorbeeld met de wagen naar de bank in Rollegem en anders<br />
ging ik naar Kortrijk naar de bank en deed ik daar nog een wandelingske. We zijn<br />
dan een achternoen weg.”<br />
(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
“Ik vind de prijs van de bus ook niet zo goedkoop. Als ge nu binnen Geel rijdt dan<br />
is dat 50 cent. Dat is nu niet veel. Maar als ge de bus moet nemen naar Turnhout<br />
dan is dat 4 euro. En dat is toch direct veel. En het is een groot verschil hé.”<br />
(Sabine 36 jaar Geel)<br />
Men komt dan al dan niet tot de vaststelling dat de kostprijs ongeveer<br />
overeenkomt. Anderen maken deze valse berekening niet en zijn ervan<br />
overtuigd dat het openbaar vervoer beduidend goedkoper is dan het gebruik<br />
van de wagen, maar klagen toch over de kostprijs.<br />
64
“De prijs van het openbaar vervoer kan natuurlijk altijd goedkoper, maar iemand<br />
moet het betalen natuurlijk. Maar als ik kan zitten dan vind ik de prijs van het<br />
openbaar vervoer wel redelijk. Als ik moet rechtstaan, dan… Pas op, ik betaal<br />
een verminderd tarief hé, want tegen de volle pot. Dan zit te toch direct aan 2<br />
euro heen en nog eens zoveel terug. Dat is toch ni voor niets hé. Natuurlijk als ge<br />
het vergelijkt met een auto.”<br />
(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
De meest kwetsbare groep lijkt op dat vlak de groep bruggepensioneerden of<br />
niet werkenden tussen 55 en 65 jaar. Door hun huidige situatie hebben ze<br />
beduidend inkomensverlies geleden en ze komen nog niet in aanmerking voor<br />
de maatregelen voor 65-plussers. Ondanks hun vergelijkbare situatie met 65plussers<br />
kunnen zij een aantal activiteiten niet uitvoeren wegens de kostprijs van<br />
het openbaar vervoer.<br />
In dergelijk gevallen wordt het gewenste verplaatsingsgedrag uitgesteld tot na<br />
65 jaar.<br />
“Als ik 65 ben dan gaan we ook meer de trein pakken om ne keer te gaan<br />
wandelen of zo. We doen dat graag. Nu gaan we met de auto. Als ge met de<br />
trein naar de zee wilt gaan met de trein, dan is dat nu veel te duur hé. Het zou<br />
nochtans plezant zijn.”<br />
(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
“Ne keer dat we 65 zijn, dan gaan we veel meer het openbaar vervoer<br />
gebruiken. Dan is dat goedkoop hé. Of zelfs voor niets. Gelijk onze buur die is<br />
vorig jaar 65 geworden en die gaat nu overal met de trein naar toe. Maar pakt<br />
wel nog zijne auto naar station van Lokeren. Want hij vindt de bus ook niet<br />
gemakkelijk”.<br />
(Betty 45 jaar Waasmunster)<br />
“Vorige week nog vraagt en vriendin mij om mee te gaan naar de markt in<br />
Oudenaarde. Ja zegt ze ‘laat ons met de bus gaan’. Ah ja, zij is 65 en ze rijdt met<br />
vermindering, maar ik heb gezegd ‘Ja, maar wat gaat dat mij kosten. Zekers 5<br />
euro. Gij zijt goe gij! En dan zijn we met de auto gegaan.”<br />
(Simona 55 jaar Merelbeke)<br />
“Ik heb bijvoorbeeld een zus in Oostende wonen, wel die ga ik nooit bezoeken.<br />
Want als ik de trein moet nemen naar Oostende, ja… dan kost mij dat veel te<br />
veel geld. Als ik 65 ben, dan ga ik daar wel meer naar toe gaan. Ik vind het wel<br />
jammer dat wij 60-plussers geen vermindering krijgen voor de trein.”<br />
(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
Een afweging van de kostprijs van een verplaatsing is echter niet enkel de<br />
bekommernis van de oudere bevolking. Ook de gezinssamenstelling speelt een<br />
belangrijke rol. Het maakt immers wel uit met hoeveel men de verplaatsing moet<br />
maken. Zeker omdat men de kosten van het gebruik van de wagen kan delen<br />
door het aantal gebruikers.<br />
65
“In het weekend gaan we dikwijls naar familie met de wagen. Ik denk dat het<br />
nogal kostelijk zou zijn voor ons vijf om met de bus te gaan en ja, natuurlijk ook de<br />
vrijheid. Je komt naar huis wanneer je wil hé.”<br />
(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
“Het openbaar vervoer is ook kostelijk hé. Als we met den trein naar de zee<br />
moeten gaan dan is dat 400 frank. Daarvoor kunnen we toch met onze auto<br />
naar de zee gaan. Ik vind dat veel. Zeker met twee personen. Zijn abonnement<br />
ook hé. Dat is 102 euro voor een maand van Lokeren naar Antwerpen met de<br />
trein. Dat is toch ook veel, vind ik.”<br />
(Betty 45 jaar Waasmunster)<br />
“De kostprijs van het vervoer is voor ons belangrijk ja. We hebben maar één<br />
inkomen en met drie kinderen moet ge toch wat oppassen wat ge doet. Maar<br />
dan spreek ik ni van de prijs van den bus hé. Als ge naar den Aldi of de Colruyt<br />
gaat in plaats van den Delhaize kunt ge bij manier van spreken een week lang<br />
gratis rijden.”<br />
(Valerie 29 jaar Gooik)<br />
Minstens even belangrijk is de beoordeling van de kostprijs van de bus of de tram<br />
en de trein. Vooral de trein wordt als erg duur ervaren. Het feit dat de afstand<br />
die met met de trein wordt overbrugd, doet in die beoordeling niet zo veel ter<br />
zake.<br />
“De bus vind ik niet duur, maar de trein… Allez, voor ons nu niet omdat we aan<br />
halve prijs rijden en de kinderen rijden gratis, maar als ik met een vriendin mee ga<br />
en zie wat zij moet betalen, dan vind ik dat toch niet goedkoop.”<br />
(Lies 37 jaar Merelbeke)<br />
“Voor mensen zoals ik is den bus ideaal. Als ge gene auto hebt dan kunt ge toch<br />
gaan waar ge wilt hé; En echt duur vind ik het openbaar vervoer ni. Ik spreek nu<br />
niet van de trein naar de zee of naar Londen ofzo hé. Maar den bus, wat is dat<br />
twee euro. Daar kunt ge met de auto niet voor rijden zé. Als ge parking moet<br />
betalen dan zijt ge direct het driedubbele kwijt.”<br />
(Valerie 29 jaar Gooik)<br />
“Ik doe soms mijn ma naar de Ardennen. Awel, zij rijdt nu gratis hé. Maar ik betaal<br />
20 euro hé. Stel dat we alle twee moeten betalen, ja dan kan ik beter met de<br />
wagen gaan hé. Dan is dat goedkoper zenne.”<br />
(Alain, 30 jaar Gooik)<br />
“Aan de zee pakken we veel de tram hé. Als we naar de zee gaan met ons twee<br />
dan gaan we met de auto, ah ja ge kunt anders niets meenemen hé. Maar als<br />
mijne man alleen gaat, dan gaat hij met de trein. Den auto is dan te kostelijk hé.“<br />
(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
Bij de beoordeling van de kostprijs spelen nog een aantal andere criteria een<br />
belangrijke rol. We bespreken deze criteria onder een meer algemene noemer,<br />
met name comfort. Eén van deze criteria is het vinden van een parkeerplaats.<br />
66
“De prijs van de tram is geen lolleke zenne. Als wij aan zee de tram nemen van<br />
Blankenberge naar Wenduine, da’s 6 kilometer, awel ge zijt 300 frank kwijt. Maar<br />
ja, aan de zee krijgt ge uwen auto toch niet kwijt hé”<br />
(Simona 55 jaar Merelbeke)<br />
Indien het comfort voor sommige geïnterviewden overweegt op de kostprijs, dan<br />
zal alsnog worden geopteerd voor het gebruik van het openbaar vervoer.<br />
Eveneens als onderdeel van het comfort wordt de kostprijs van het openbaar<br />
vervoer door verscheidene geïnterviewden geëvalueerd op grond van een<br />
zitplaats.<br />
“Wat dat ik wel vind is dat de bus tijdens de piekuren overvol zit. Dan is er<br />
absoluut geen plaats om te zitten, wat ik eigenlijk niet kunnen vind. Ge moet<br />
even veel betalen voor een zitplaats en dan kunt ge niet zitten. Maar, kom ’s<br />
ochtend en ’s avonds zit em bomvol en dan natuurlijk een uur later rijdt em leeg<br />
natuurlijk. Ik weet ni of ze daar iets kunnen aan doen, maar logisch vind ik da<br />
nie.”<br />
(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“t’Is ook wel erg dat ge even veel moet betalen om te staan als om te zitten hé.<br />
En die jeugd die gaat zich niet rechtzetten hé. Die blijven schoon zitten. En gij<br />
hebt evenveel betaald of nog meer want zij hebben een schoolabonnement,<br />
maar ge kunt rechtstaan.”<br />
(Betty 45 jaar Waasmunster)<br />
Uit onze interviews onthouden we het belang van de kostprijs van het openbaar<br />
vervoer in functie van de toegankelijkheid van het vervoer, maar ook voor de<br />
aantrekkelijkheid ervan. Het is nogal evident, maar het gegeven dat het<br />
openbaar vervoer voor bepaalde categorieën van de bevolking gratis is, wordt<br />
zeer sterk geapprecieerd. Het bepaald de keuze voor het openbaar vervoer en<br />
het verplaatsingsgedrag in het algemeen.<br />
“Ik neem de bus hier nie, maar ik fiets naar de Kinepolis. Dat is niet zo ver, een<br />
paar kilometer. Daar is een dienst aangeboden door de stad en die is gratis.”<br />
(Stien 15 jaar Kortrijk)<br />
“Ik mag nu niet meer mee gaan hé vanaf 55 jaar. Allez toch niet gratis. Ze<br />
hebben dat overlaatst afgeschaft, hier. Nu is het vanaf 65 zoals overal. Dat was<br />
alleen in Kortrijk dat ge de maandag vanaf 55 mocht meegaan hé. Met de<br />
markt. Maar ja, ze hebben het afgelast. Het zal te weinig aftrek gehad hebben<br />
zeker. “<br />
(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
“Ik ken hier nog mensen die niet meer gaan. Een beetje verder woont een<br />
koppel waarmee ik naar de markt in Kortrjjk ging. Awel sinds dat we moeten<br />
betalen gaat hem nog alleen, naar de markt. Zij gaat niet meer mee. Hij is 65 hé,<br />
hij moet niet betalen. Pas op hij gaat soms ’s ochtends en ’s achternoens gaat hij<br />
nog eens naar Kortrijk.”<br />
(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
67
Het is duidelijk dat toenmalig minister Steve Stevaert hiervoor de erkenning krijgt.<br />
Hoe dan ook maken mensen zeer uitdrukkelijk gebruik van het openbaar vervoer<br />
omdat het gratis is.<br />
“Als ik in Sinte Pieter zijn plaats was, awel dan zou de Stevaert in elk geval al een<br />
plaatske krijgen zie. Wat dat diene mens gedaan heeft voor de<br />
gepensioneerden. Als we zo op de bus zitten en ge ziet hoeveel ouderen<br />
daargebruik van maken. Met het pensioen dat we hebben zou dat aan een<br />
gewoon tarief een pak minder zijn zenne.”<br />
(Madelein 74 jaar Gooik)<br />
“Ik gebruik het openbaar vervoer. Ja, het is mij alles het ware op een schoteltje<br />
door Stevaert aangebracht hé. ’t Is gratis zoals de zon en die gebruik ik ook<br />
graag.”<br />
(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
Naar het welbevinden toe speelt de kostprijs van het openbaar vervoer dus<br />
zeker een rol. Het laat individuen immers toe om al dan niet te kunnen<br />
participeren aan activiteiten waarvoor verplaatsingen nodig zijn, het laat<br />
mensen toe om sociale contacten te leggen en het biedt de mogelijkheid om te<br />
genieten van een zekere vrijheid. Zowel op het economische als op het sociale<br />
en het persoonlijke welbevinden speelt de kostprijs van het openbaar vervoer<br />
met andere woorden een belangrijke rol.<br />
“De maandag met de bus naar de markt. We waren met nog veel mensen van<br />
hier die dat deden hoor. Maar sinds het niet meer gratis is gaan we niet meer hé.<br />
Dat is normaal hé. We gaan nu met de wagen. Er ging nochtans nogal wel wat<br />
volk mee. Nu is dat 2 euro dat is te veel geld hé om met de bus naar Kortrijk te<br />
gaan.”<br />
(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
“Mijn moeder zelf ook, die is 75 jaar en dat is nog een heel flinke en die heeft<br />
alleen het openbaar vervoer, ze kan niet rijden. Ze wil geen taxi pakken want dat<br />
is veel te duur en ze wil mij niet bellen want ze wil zelfstandig zijn, niet afhankelijk.<br />
Maar zo in de kou staan wachten, bij haar is ook geen buskotje. Ze kan die uren<br />
van de bus ook niet zo goed lezen,… Ze rijdt dan wel gratis, maar dat is niet alles<br />
hé.”<br />
(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
“Hier in Merelbeke krijgen alle 60 plussers een gratis kaart voor de Lijn, voor heel<br />
België. En dat is een héél goed initiatief hé. Ik heb geen wagen en ik maak daar<br />
dus veel gebruik van.”<br />
(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
“Pas op, het is goed dat het gratis is voor die oudere mensen hé. Anders zouden<br />
ze 3,60 euro moeten betalen om naar Gent te gaan en dat is toch veel voor die<br />
mensen hoor.”<br />
(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
68
4.2. De beschikbare tijd voor een verplaatsing<br />
Naast de kostprijs werd tijdens onze interviews vooral de tijdsduur van een<br />
verplaatsing in rekenschap gebracht. We gingen op dit aspect al eerder in bij de<br />
beschrijving van het verplaatsingspatroon van de drukke leeftijd. De reden<br />
waarom deze leeftijdsfase (25 – 45 jaar) weinig gebruik maakt van het openbaar<br />
vervoer is niet zo zeer de kostprijs, dan wel de tijd die men voorhanden heeft. In<br />
deze leeftijdsfase wenst men zo weinig mogelijk tijd te spenderen aan een<br />
verplaatsing, laat staan tijd verliezen.<br />
“Ge verliest ook veel tijd als ge bijvoorbeeld naar Stekene of zo wilt gaan hé. Dan<br />
moet ge van hier met de bus eerst naar de markt van Sint Niklaas om daar de<br />
bus te nemen naar Stekene.”<br />
(Karen 30 jaar Waasmunster)<br />
“Het moet ook allemaal vlug gaan. Ik wil rap boodschappen doen voor de<br />
kindjes te gaan halen ofzo. Allez, hier op Schelderode zijn er niet zo veel bussen.<br />
Dan zou ik serieus moeten plannen binnen de uurroosters van de bus.”<br />
(Lies 37 jaar Merelbeke)<br />
“Ik zou zelf ook wel veel de bus en zo willen pakken hoor. Mocht de tijdsdruk er<br />
niet zijn. Nu verlies je zo veel tijd met het wachten op de bus. Nu kom je in het<br />
station toe en je springt op de fiets. En je bent weg.”<br />
(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
“Ik heb vroeger nog wel eens de bus genomen, maar ik doe vrijwilligerswerk in<br />
Herne en dan zet ge daar toch rap een uur op met de bus. Met de wagen ben ik<br />
daar in een kwartiertje en kan ik zelf beslissen hoe lang ik al dan niet blijf.”<br />
(Janine 58 jaar Gooik)<br />
Vooral voor verplaatsingen van en naar het werk, verplaatsingen die men<br />
trouwens in de meeste gevallen zo snel mogelijk wil afleggen, vormt de duurtijd<br />
van het openbaar vervoer een bron van onbehagen.<br />
“Eigenlijk, alles wat ge hier doet ge zijt met het openbaar vervoer minstens<br />
twee uur weg. Da’s een echte korvee, hé. Mijn kinderen hebben dat allemaal<br />
wel uitgeprobeerd hoor. Maar nu ze allemaal kunnen rijden, gaan ze toch met<br />
de auto.”<br />
(Marleen 58 jaar Gooik)<br />
“Het openbaar vervoer, meneer dat is hier niet te doen. Ik werkte vroeger in de<br />
Makro van Sint Pieters Leeuw. Dan moest ik van hier kwart voor zeven<br />
vertrekken naar Leerbeek met de bus. Van daar met de bus verder naar Halle<br />
en van daar naar Sint Pieters Leeuw. Ik was dan ongeveer een uur en twintig<br />
minuten onderweg. En nu werk ik in Tubize, dat is al zeker niet te doen. En met<br />
de auto ben ik daar in 20 minuten.”<br />
(Alain, 30 jaar Gooik)<br />
69
“Voor ons kan dat allemaal. Wij hebben tijd, maar voor onze kinderen<br />
bijvoorbeeld dis dat geen doening. Ah ze zijn langer onderweg dan dat ze<br />
moeten werken. Zogezegd.”<br />
(Madelein 74 jaar Gooik)<br />
Eens de tijdsdruk wegvalt en men ‘tijd’ heeft, wordt het openbaar vervoer een<br />
stuk aantrekkelijker. Dat geldt dan in de eerste plaats voor niet-werkenden.<br />
“Ik heb nu tijd hé. Dus zelfs als het met de wagen sneller zou zijn, dan nog neem<br />
ik graag het openbaar vervoer. Natuurlijk moet het niet te moeilijk zijn. (…)”<br />
(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
“Da’k nu de bus efkes ni pak, da ligt aan mij. Maar ik zeg het, als de kleine naar<br />
de kleuterschool gaat, dan zal ik zekerst terug de bus pakken. Ik ben de ganse<br />
dag thuis, dus da’s gemakkelijk. Voor mijne man ni hé. Diene haat dat. Zelfs als<br />
de bus nog 5 minuten te vroeg is, staat em nog te klagen.”<br />
(Valerie 29 jaar Gooik)<br />
“Mijn moeder die gebruikt de belbus vrij veel. Ze is 72 jaar en nog goed te<br />
been. Maar ze is niet tijdsgebonden en ze kan zich regelen hé. En ze doet dat<br />
goed, ze neemt dan de belbus naar het station en dan de trein naar Lokeren<br />
en dan de bus naar hier. Ze vertrekt dan wel ‘s morgens vroeg en dan is ze<br />
tegen de middag hier.”<br />
(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
Hetzelfde argument wordt ook gebruikt in het weekend. In het weekend heeft<br />
men wel tijd en dan komt het openbaar vervoer wel in beeld voor bepaalde<br />
uitstappen.<br />
“Mijne man die neemt nooit de bus. We zijn één keer samen met de metro naar<br />
Cirque de Soleil geweest in Brussel. Als uitstapje en we waren dan goed op tijd<br />
vertrokken. We waren daar zelfs 2 uur te vroeg. Maar allez, het was een uitstapje<br />
hé. Dan is dat niet erg, ge drinkt dan iets.”<br />
(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
Wie over de keuze beschikt en veel belang hecht aan de tijd die men aan de<br />
verplaatsing spendeert, zal met andere woorden eerder voor een ander<br />
vervoersmiddel kiezen dan het openbaar vervoer.<br />
“Ik wou eens naar het voedingssalon gaan met de bus en de metro. Maar ik was<br />
meer dan een uur onderweg en daar is dan een grote parking, en ja…”<br />
(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
We kunnen hieruit concluderen dat de tijdsfactor voornamelijk een invloed heeft<br />
op het welbevinden van individuen die zich geen zorgen moeten maken om de<br />
tijd die men voor een verplaatsing inzet. Voor wie het echter druk heeft en<br />
weinig tijd te verliezen heeft, is de duurtijd van een verplaatsing met het<br />
openbaar vervoer eerder een bron van onbehagen.<br />
70
“De bus hier nemen dat is sightseeing van het Pajottenland, hé. Allez, Leerbeek is<br />
hier vier of vijf kilometer verder. Maar ge doet zone ommetoer van bijna 10<br />
kilometer dat ge gewoon kweenie hoeveel tijd kwijt zijt. Dat doet ge niet om<br />
gewoon een boodschapje te doen hé.”.<br />
(Alain, 30 jaar Gooik)<br />
4.3. Het gewenste comfort bij een verplaatsing<br />
Het comfort bij een verplaatsing blijkt bij onze interviews een belangrijke factor in<br />
de keuze voor een bepaald vervoersmiddel. Dat comfort kent verscheidene<br />
facetten. We onderscheiden hier de belangrijkste factoren die een invloed<br />
hebben op het gewenste comfort.<br />
4.3.1. De gezinssamenstelling<br />
De gezinssamenstelling speelt op verschillende manieren een belangrijke rol in<br />
de keuze voor een bepaald vervoersmiddel. We haalden in dat verband eerder<br />
al de kostprijs aan. Het maakt immers uit met hoeveel men een verplaatsing<br />
moet maken om de kostprijs van de wagen en van het openbaar vervoer met<br />
elkaar af te wegen. Maar ook buiten de kostprijs weegt het aantal gezinsleden<br />
op het gebruik van het openbaar vervoer.<br />
“Boodschappen doe ik zeker niet met het openbaar vervoer. Iets klein haal ik met<br />
de wagen als ik de dochter ga halen of zo en grote boodschappen, dat doen<br />
we de zaterdag met de wagen. Voor een gezin van vier heb je veel nodig op<br />
een week.”<br />
(An 34 jaar Brasschaat)<br />
“We zijn ook met vijf thuis, dus als ik boodschappen doe dan is dat ook altijd veel.<br />
Ik heb wel zo’n karretje, maar dat is dan toch zwaar.” (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
“Naar de training gaan we alle vier en dan nemen we nog iemand vanuit de<br />
buurt mee. Naar de cross brengen we hem natuurlijk, maar ja met al dat<br />
materiaal.”<br />
(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />
“Mijne man heeft een firmawagen, dus ja het openbaar vervoer is sowieso<br />
duurder. En naar de winkel zou dat ook al niet gaan. We gaan één keer per<br />
week naar de winkel en dan zit de koffer helemaal vol. Met een gezin van vier.”<br />
(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />
Daarnaast speelt ook de aanwezigheid van kleine kinderen bij de verplaatsing<br />
een belangrijke rol.<br />
“Sinds ik de kleinste heb, ben ik wel nog niet met de bus gegaan. Met die maxi<br />
cosi en zo. Eigenlijk zie ik dat niet zitten. Allez, ik weet het niet. Dat neemt toch<br />
veel plaats. En ge hebt geen handen meer vrij hé.”<br />
71
(An 34 jaar Brasschaat)<br />
“Ik moet daar eerlijk in zijn, met de kleine zie ik daar tegenop. Daarvoor nam ik<br />
den bus wel zenne. ’t Is nog geweest dat mijn vriendin naar hier kwam en dat we<br />
samen dan met den bus naar Halle gingen om wat te shoppen.”<br />
(Valerie 29 jaar Gooik)<br />
Gezinnen met kinderen verkiezen voor heel wat verplaatsingen de wagen<br />
boven het openbaar vervoer. Bij éénspersoonshuishoudens ligt dat anders.<br />
Ongeveer de helft van de éénpersoonshuishoudens bezit geen wagen. Voor<br />
een deel is de oorzaak hiervan dat men enkel moet uitgaan van de eigen<br />
noden en behoeften. De boodschappen zijn minder zwaar en men heeft minder<br />
ketenverplaatsingen te maken. In deze situaties is het openbaar vervoer weer<br />
een stuk aantrekkelijker. Maar daarnaast speelt het inkomen ook een erg<br />
belangrijke rol. Een wagen die enkel dient voor de eigen verplaatsingen en met<br />
de eigen inkomsten moet bekostigd worden is duur. Onder deze<br />
éénpersoonshuishoudens zijn vooral de ouderen bijzonder kwestbaar. Zeker als<br />
sprake is van functionele beperkingen dreigen alleenstaande ouderen in een<br />
sociaal isolement te geraken. Het aandeel alleenstaanden neemt in <strong>Vlaanderen</strong><br />
gestaag toe. In 1990 was 24,5% van de gezinnen alleenstaand, in 2007 is dat<br />
aandeel ondertussen gestegen tot 29,6%. In absolute cijfers wonen in 2007<br />
349.539 mannen en 406.231 vrouwen alleen. (FOD Economie - Afdeling Statistiek,<br />
Bevolkingsstatistieken) Het aandeel van vrouwen onder alleenstaanden en hun<br />
mobiliteitsproblematiek is reeds lang gekend, onder andere als de problematiek<br />
van de zogenaamde “groene” weduwen of huisvrouwensyndroom (Friedan,<br />
1963, Smit, 1967). Deze problematiek verwijst rechtstreeks naar het gebrek aan<br />
sociale contacten, de vereenzaming en algemeen persoonlijk onbehagen.<br />
Ook bij éénoudergezinnen kan het verplaatsingsprobleem zich erg scherp<br />
stellen. In tegenstelling tot een éénpersoonsgezinnen worden de boodschappen<br />
weer zwaarder en dienen zich ook de ketenverplaatsingen weer meer aan. In<br />
tegenstelling tot de tweeoudergezinnen kan men niet terugvallen op een<br />
taakverdeling tussen de partners en staat men dus alleen in om alle<br />
verplaatsingen te maken in functie van het kind of van de kinderen. In<br />
<strong>Vlaanderen</strong> beschikt ongeveer 35% van de éénoudergezinnen over geen<br />
wagen. Het is dan ook evident dat ze meer dan de andere gezinsvormen<br />
gebruik moeten maken van andere vervoersmiddelen, waaronder het<br />
openbaar vervoer. Gezien éénoudergezinnen een zwakkere inkomenspositie<br />
innemen dan tweeoudergezinnen is voor hen de prijs van het openbaar vervoer<br />
een belangrijk gegeven. Ongeveer 90% van de eenoudergezinnen bestaat uit<br />
alleenstaande moeders. Het vrouwelijke overwicht houdt meteen in dat<br />
vrouwelijke alleenstaanden en éénoudergezinnen relatief sterker<br />
vertegenwoordigd zijn en dat dit zich voornamelijk uit in steden (Vanneste, 2001).<br />
De gezinssamenstelling heeft ook een duidelijke invloed op het aantal<br />
verplaatsingen die men moet maken. We komen daar verder in dit hoofdstuk op<br />
terug onder de complexiteit van de verplaatsingen. Met kinderen in het gezin is<br />
72
de kans immers groot dat men voor of na de eigen verplaatsing, bijvoorbeeld<br />
om te gaan werken, nog bijkomende verplaatsingen moet maken, bijvoorbeeld<br />
om het kind naar school te brengen. Kinderen vragen met andere woorden<br />
bijkomende verplaatsingen. In de beschrijving van de leeftijdsfase tot 18 jaar<br />
stelden we al vast dat ouders voor hun kinderen chauffeur spelen voor<br />
verscheidene activiteiten. Voor verplaatsingen in functie van het gezin of in<br />
functie van bepaalde gezinsleden worden op dagbasis door alle Vlamingen<br />
ongeveer 6 miljoen kilometer verreden. Bijna ¾ van deze verplaatsingen<br />
gebeuren met de wagen en vooral vrouwen lijken de taak van chauffeur op<br />
zich te nemen (8 % van het totale aantal verplaatsingen t.o.v. 4 % bij mannen).<br />
“Als de kinderen jongeren waren was dat wel lastig. Ons twee meiskes die gingen<br />
dan dansen in Lichtaart en die moesten dan gevoerd worden en dan moest de<br />
zoon nog naar ergens anders gebracht worden. Allez, ge voelt echt ne<br />
chauffeur, hé. “<br />
(Agnes 45 jaar Geel)<br />
Kijken we naar het aandeel van de verplaatsingen als passagier in het totaal<br />
voor de verschillende leeftijdsgroepen, dan zien we dat kinderen (tot 12 jaar)<br />
voor meer dan de helft van hun verplaatsingen vervoerd worden; bij jongeren<br />
daalt dit aandeel tot 28%. Het aandeel als passagiers is het laagst (12 %) voor de<br />
leeftijdsgroep tussen de 24-42 jaar. Bij ouderen neemt het aandeel weer toe.<br />
Voor de leeftijdsgroep +75 jaar bedraagt het aandeel 26 %. Afhankelijk van de<br />
samenstelling van het gezin en vooral van het aantal kinderen in het gezin zal<br />
het verplaatsingsgedrag in functie van die kinderen sterk toenemen. Het zal ook<br />
een invloed hebben op de keuze van de vervoersmiddelen.<br />
Zich verplaatsen met kinderen impliceert zich verplaatsen met het kind én alle<br />
extra benodigdheden. De keuze voor de bus om boodschappen te doen of om<br />
zich in het weekend te verplaatsen voor ontspanning wordt zeker bij meerdere<br />
kinderen in het gezin steeds moeilijker.<br />
4.3.2. Te dragen lasten tijdens een verplaatsing<br />
In een aantal van bovenstaande gevallen wordt het comfort in de eerste plaats<br />
gekoppeld aan de lasten die men tijdens de verplaatsing moet dragen. Bij de<br />
keuze van een verplaatsingsmiddel of bij de overweging van het openbaar<br />
vervoer om zich te verplaatsen, maakt men dus een afweging van zowel het<br />
gezelschap als van de last die men moet meenemen.<br />
Naast de problematiek van de bijkomende lasten die men moet dragen bij<br />
verplaatsingen met kinderen, stellen we in onze interviews vast dat systematisch<br />
het openbaar vervoer wordt afgewezen om ‘grote’ boodschappen te doen.<br />
“De grote boodschappen dat doen we met de wagen hé. Dat is anders veel te<br />
omslachtig. We gaan maar twee keer in de maand. En als ik echt iets nodig heb<br />
dan ga ik met de fiets. Hier een beetje verder is een winkeltje en een bakker. Ik<br />
zou dat gesleur op de bus niet zo goed gebeuren eigenlijk.”<br />
73
(Betty 45 jaar Waasmunster)<br />
“Ik rijd met een klein wagentje onder andere omdat ik met mijn vrouw regelmatig<br />
eens naar het grootwarenhuis moet om een hele wagenlading artikelen voor het<br />
huishouden moet gaan halen. Als we dat met het openbar vervoer moeten doen<br />
dan zijn dat verschillende expedities per week die we moeten ondernemen.“<br />
(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
“Zonder auto zou ik geen boodschappen kunnen doen. Stel u voor, een gezin<br />
van 6. Wij wonen hier op het platteland hé. In de stad zou het misschien nog<br />
gaan. Maar hier?”<br />
(Lies 37 jaar Merelbeke)<br />
“Ik heb hier natuurlijk alles in de buurt en één keer in de week komt mijn nicht<br />
langs met de wagen en dan doen we de grote boodschappen.”<br />
(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
“Nu ik gepensioneerd ben, ben ik de huisman hé. Maar ik doe de boodschappen<br />
als de auto thuis is. Anders is dat te zwaar allemaal hé. Ik ben de nieuwe man, hé.<br />
Ik haal dan eten voor een paar dagen.”<br />
(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />
Maar ook zich verplaatsen voor een uitstap vraagt soms dat men heel wat<br />
bijkomend materiaal moet meenemen.<br />
“Naar de zee gaan we ook met de auto. In de zomer doen we dat al eens. Als<br />
het goed weer is, dan pak ik een dag congé en dan springen we in den auto en<br />
rijden we naar de zee. Want pas op, ge moet alles mee hebben hé. Want hier is<br />
het goe weer, maar aan de kust kan het waaien hé. Dan zie ik mij ni met alles op<br />
de trien zitten. Dan is het ook ni meer plezant hé.”<br />
(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“Vroeger als de kinderen nog klein waren, moesten we te veel meesleuren als we<br />
naar zee gingen. Dan gingen we naar Gent Sint-Pieters om de trein te nemen.<br />
Dan moesten we niet meer overstappen.”<br />
(Lies 37 jaar Merelbeke)<br />
“Naar de luchthaven ook hé. Dan nemen we de trein naar de luchthaven. Juist<br />
een slachtoffer vinden om ons naar het station van Sinaai te brengen. Want ja,<br />
met uw valiezen op de bus of de tram, da zie ik niet zitten. Maar dat is relax hé.<br />
Onze vakantie begint dan al in Sinaai hé. Geen stress als ge toekomt op de<br />
luchthaven en zo.”<br />
(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
Wie met andere woorden tijdens zijn verplaatsing vanalles moet ‘meesleuren’ zal<br />
niet voor de bus kiezen. In deze gevallen gaat het dan voornamelijk om het<br />
gewicht van de last.<br />
74
“Het openbaar vervoer is niet zo makkelijk want ik heb al dikwijls veel materiaal<br />
mee. Hetzelfde voor boodschappen, ik zou niet weten hoe dat met de bus te<br />
doen.”<br />
(Peter 43 jaar Kortrijk)<br />
“Als ge weg gaat en ge wilt van alles meebrengen dan is de bus niet zo<br />
gemakkelijk. Dan wacht ik liever tot mijne man thuis is en dan gaan we met de<br />
auto.”<br />
(Sabine 36 jaar Geel)<br />
De afweging om het openbaar vervoer te kiezen bij een verplaatsing op basis<br />
van de lasten die men moet dragen is voor sommigen echter ook onderdeel<br />
van deel een toegankelijkheidsproblematiek. Wie zich bijvoorbeeld moet<br />
verplaatsen met materiaal voor de kinderen zoals een buggy, voelt zich geremd<br />
om het openbaar vervoer te nemen. Op dat vlak is de last die men tijdens de<br />
verplaatsing moet meenemen vooral een bron van onbehagen bij het gebruik<br />
van het openbaar vervoer.<br />
“Zeker als de kinderen klein zijn, is zo een overvolle bus ambetant. Ge moet die<br />
kinderen dan aan uw hand houden en erop krijgen en dan worden ze geduwd<br />
en beginnen ze te wenen en zo. Allez, dan ga ik echt liever met de fiets.”<br />
(Sabine 36 jaar Geel)<br />
4.3.3. Drukte op het openbaar vervoer en in het verkeer<br />
Eveneens aansluitend bij een toegnkelijkheidsproblematiek, maar ook bij het<br />
gewenste comfort dat men tijdens een verplaatsing wenst te genieten, is de<br />
drukte op de bus of de trein. Zo gaven verscheidene geïnterviewden aan dat<br />
men het liefst het openbaar vervoer niet neemt tijdens de piekuren.<br />
“Als ik de bus moet pakken dan zorg ik er wel voor dat ik niet met al de<br />
schoolkinderen op de bus zit. Da’s ni plezant. Ge kunt niet zitten, want die<br />
mannen laten u niet zitten zenne, er is veel lawaai. Allez, ik pak de snelbus van 17<br />
uur en dan zijn ze al grotendeels weg.”<br />
(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“In het weekend is het openbaar vervoer ook allemaal wat moeilijker. Daarom<br />
gaan we meestal in de week weg. De zaterdag en de zondag zijn er dan toch<br />
minder bussen en treinen. Ik rijd ook niet met de bus of de trein als er veel volk op<br />
zit. Tijdens spitsuren of zo. Of de trein-tram-bus-dag dan blijf ik thuis. Ik kan dat in<br />
de week ook doen hé. Waarom zou ik de drukte dan opzoeken?”<br />
(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
“Ge weet natuurlijk dat ge de bus niet moet nemen om 7.30. Die zit dan overvol<br />
met schoolgaande kinderen, dat is niet te doen. Maar waarom moet ik die<br />
nemen? Ik heb tijd om daarna mij te verplaatsen. Ik zou ook niet om 17 uur<br />
terugkomen bijvoorbeeld. Ik zorg dat ik de bus er voor heb.”<br />
(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
75
“Mijn zoon gaat in Lennik naar school en die neemt elke dag de bus. Maar ik heb<br />
daar medelijden mee. Ze staan daar ’s morgens allemaal op elkaar gepakt. Nu<br />
hebben ze een bus bijgezet en die zit ook vol. Ge kunt wel denken.”<br />
(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
“Tijdens de schooluren dan zitten die bussen zo vol dat de kinderen dat niet<br />
plezant vinden. Er zijn nochtans twee of drie bussen tijdens die uren hoor. Maar<br />
die zitten echt vol. Zelfs in de dag zit de bus naar Turnhout eigenlijk vrij vol. Maar<br />
dan meer met oudere mensen”<br />
(Sabine 36 jaar Geel)<br />
“Voor de kinderen is dat den bus ook ideaal hé. Ge moet alleen maar zien dat<br />
ge der zelf niet op zit. Ik vind dat nu niet zo erg zenne. Ik ben dat ook gewoon. Als<br />
ons dochter de vroege heeft, dan brengt ze ons kleinste en dan breng ik ze met<br />
den bus naar school. Ja die kinderen maken natuurlij klawaai, maar da’s toch<br />
normaal hé.”<br />
(Madelein 74 jaar Gooik)<br />
Tegenover de drukte op de bus of de trein staat de verkeersdrukte. De<br />
verkeersproblematiek is dan weer een reden om wel het openbaar vervoer te<br />
gebruiken of om zich tussen de spitsuren te verplaatsen.<br />
“Ik heb een druk beroepsleven gehad en ik was eigenlijk vanzinnens om mijn<br />
auto aan de kant te schuiven. Ik heb altijd veel rondgereden en ik was de drukte<br />
op de weg echt beu.”<br />
(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
“Ik ga ook met de auto naar Brussel. Ik heb daar geen schrik van, maar ik vertrek<br />
natuurlijk ook niet om 8 uur. Dan is het veel en veel te druk. Het verkeer is de<br />
laatste 10 jaar ook enorm toegenomen hé.”<br />
(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
4.3.4. Files en parkeerplaatsen<br />
De verkeersproblematiek in de vorm van files op de weg en een gebrek aan<br />
parkeerplaatsen zet mensen aan om naar alternatieven te zoeken voor de<br />
wagen. Tijdens onze interviews werd opvallend veel gewezen naar<br />
verplaatsingen naar de stad met het openbaar vervoer omdat men niet in de<br />
verkeersdrukte van de stad wil rijden en/of omdat men weinig of geen<br />
parkeerplaats kan vinden.<br />
“Om naar Brussel te gaan bijvoorbeeld heeft het openbaar vervoer veel<br />
voordelen hé. Ge zijt normaal gezien stipt op tijd, wat met de wagen zeker niet<br />
het geval is. Ik heb geen parkingproblemen. Niks. En ik kan op de trein mijn<br />
gazet lezen.”<br />
(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
76
“Naar Brussel of naar Gent ofzo neem ik ook de trein. Dat is dan toch<br />
makkelijker dan de wagen. “<br />
(Karen 30 jaar Waasmunster)<br />
“Ik vind het openbaar vervoer veel gemakkelijker dan de auto, hoor. Ge moet<br />
geen parking zoeken, ge staat niet in de files. Dat is tof. Ge stapt af en ge zijt<br />
weg. En een beetje wachten op de bus vind ik ook niet erg. Maar ja, het is te<br />
duur.”<br />
(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
“Naar Brussel of naar Antwerpen gaan ik met de trein. Want ik heb ne grondige<br />
hekel aan dat druk verkeer. Als ze zo in mijn ‘barchock’ zitten, dan krijg ik het<br />
hé. Dan krijg ik klam zweet in mijn handen…”<br />
(Willy 58 jaar Geel)<br />
Naast het bezoek aan de stad is een ander typisch voorbeeld het gebruik van<br />
de “Kusttram”. De kusttram is heel gemakkelijk, men kan de wagen laten staan<br />
eens men een parkeerplaats heeft gevonden en bij een uitstap naar een<br />
andere kustgemeente hoeft men niet op zoek naar opnieuw die zeldzame<br />
parkeerplaats.<br />
“Als we aan de kust zijn dan nemen we altijd de kusttram om de kust af te<br />
schuimen. Dat is raar hé. Maar het is toch veiliger met de tram, want het is daar<br />
toch druk en dan vind je ook al geen parkeerplaats.”<br />
(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />
Opvallend is dat al de bovenstaande gevallen allen een zelfde<br />
verpaatsingsgedrag vertonen. Men mijdt de drukte van het verkeer in de stad<br />
door met het openbaar vervoer de stad binnen te rijden en het<br />
parkeerprobleem wordt opgelost door… de wagen achter te laten waar<br />
makkelijk plaats te vinden is en waar een makkelijke verbinding naar de stad is<br />
met het openbaar vervoer. De meest gebruikte locaties zijn dan de ‘Park + Ride’<br />
parkings en de parkings aan het station.<br />
“Wij gaan altijd naar het station van Merelbeke. Of soms naar Gent Sint-Pieters.<br />
En we laten onze wagen achter aan het station.”<br />
(Lies 37 jaar Merelbeke)<br />
“Alleen naar Antwerpen, dan nemen we de trein. Naar de zoo of naar de Plopshow.<br />
Dat is gemakkelijk hé. We rijden dan naar het station in Kortrijk en van<br />
daar met de trein naar Antwerpen”<br />
(Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />
“Als we al eens naar de stad gaan, dan pakken we de tram hé. Allez, ’t is te<br />
zeggen we rijden tot in Merksem naar de ‘Park en Ride’ en daar pakken we<br />
den tram recht naar ’t Centrum. Tegen dat ge parking gevonden hebt in stad,<br />
zijt ge veel gemakkelijker met de tram.”<br />
(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
77
“Als we naar Antwerpen gaan dan gaan we met den auto tot Melsele en van<br />
daar met de tram. We gaan niet ’t stad inrijden. Niet omdat we niet durven,<br />
want ik rijd overal naar toe. Maar om te parkeren zijt ge beter met den tram. En<br />
onze auto blijft in Melsele op de P en R.”<br />
(Betty 45 jaar Waasmunster)<br />
4.3.5. De weersomstandigheden<br />
Een laatste onderdeel van comfortcriteria is het weer. Ook hier weer willen we<br />
benadrukken dat de weersomstandigheden een invloed hebben op het<br />
gebruikte vervoersmiddel enkel en alleen als men de keuze heeft tussen<br />
verschillende transportmogelijkheden. In het volgende hoofdstuk zullen we bij de<br />
bespreking van de toegankelijkheid van haltes en vervoersmiddelen zien dat<br />
voor wie de keuze niet heeft, de weersomstandigheden waarin men het<br />
openbaar vervoer moet nemen soms erg zwaar zijn.<br />
Wie echter de keuze heeft, zal zich bij die keuze laten leiden door regen en<br />
wind, door lage en ook door hoge temperaturen.<br />
“Als het echt slecht weer is dan neem ik de wagen tot aan de bushalte en dan<br />
ze ik hem op de parking en neem ik de bus. En anders ga ik te voet. “<br />
(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
“Als het regent of ik weet dat ik nog boodschappen moet doen in de<br />
terugweg, ja dan neem ik de auto. Maar het probleem is dan dat ik niet<br />
gemakkelijk parkeerplaats vindt in Gent.”<br />
(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
“Om naar de bus te gaan moeten we wel eerst met de fiets. Maar in de winter<br />
zie ik dat niet zo zitten…”<br />
(Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />
De invloed van het weer is echter het meest uitgesproken bij het<br />
verplaatsingsgedrag van kinderen. Indien de afstand het toelaat dan gebruiken<br />
ze liever de fiets als het mooi weer is. Als het slecht weer is, nemen ze de bus of<br />
worden ze door de ouders gebracht.<br />
“Mijn kinderen zijn altijd wel met de bus gegaan. Toen ze klein waren dan gingen<br />
ze natuurlijk hier in de buurt. Maar dan naar het college met de fiets of met de<br />
bus, als het slecht weer was. En mijn dochter die is dan efkes hier naar de univ<br />
geweest in stad. Dan ging ze altijd met de bus.”<br />
(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“In de week als het slecht weer is ga ik naar de school met de bus anders met de<br />
fiets, met de fiets ook naar de scouts, dat is niet ver. En als ik met vriendinnen<br />
naar het Koopcentrum ga, dan ga ik met de bus.”<br />
(Nele 12 jaar Waasmunster)<br />
“Ik neem de bus omdat als het regent, ik met de fiets helemaal nat ben. En nu is<br />
het ook donker ’s morgens en ’s avonds”<br />
78
(Nele 12 jaar Waasmunster)<br />
“Ik ga naar school in Roeselare en dan fiets ik tot de Kinepolis en dan de bus naar<br />
het station en de trein naar Roeselare. En dan te voet naar school. Enkel als het<br />
echt heel slecht weer is, dan brengt mijn pa mij.”<br />
(Stien 15 jaar Kortrijk)<br />
“Pas op, ik ben grote voorstander dat ze met de bus naar school gaat. Het enige<br />
nadeel is dat als het regent, dan kan ze niet in het bushokje staan want dat is te<br />
klein. Ik zie daar ’s morgens allemaal staan e kinderen. Allez, dat zou voor mij al<br />
een reden zijn om haar naar school te voeren als het slecht weer is.”<br />
(Erik 33 jaar Kortrijk)<br />
“Als het echt slecht weer is, dan komt meestal mijn vriendin mijn zoon halen om<br />
naar school te gaan. En als zij om de één of andere reden niet kan, ja dan neem<br />
ik de bus.”<br />
(Sabine 36 jaar Geel)<br />
“Als het slecht weer is dan brengt mijn moeder mij naar het station. Anders ga ik<br />
met de fiets naar het station, samen met mijn broer.”<br />
(Joly 15 jaar Gooik)<br />
Het gewenste comfort is voor sommigen een belangrijk criterium om al dan niet<br />
het openbaar vervoer te gebruiken. Uiteraard spreken we hier enkel van<br />
individuen en gezinnen die op basis van deze comfortcriteria een keuze kunnen<br />
maken. Voor hen stellen we echter vast dat het openbaar vervoer specifiek<br />
wordt aangewend om het welbevinden te vergroten.<br />
Door het openbaar vervoer te gebruiken, wordt de verplaatsing gemakkelijker,<br />
aangenamer, kortom beter. Het comfort is dan ook een belangrijk onderdeel in<br />
de relatie tussen het openbaar vervoer en het persoonlijke welbevinden.<br />
“Met de brommer kan je veel makkelijker zeggen “Ik kom!”. Met de fiets is het<br />
altijd een beetje onzeker. Als het echt slecht weer is of zo, en ik moet met de fiets<br />
gaan of met de bus dan… ja, dan… Met de bus zou het ook wel gaan.”<br />
(Steffi; 17 jaar, Brasschaat)<br />
“Als het regent neem ik de bus, dat is een afspraak met mijn vrouw, maar dan zit<br />
je daar natuurlijk niet alleen op hé. Het is eigenlijk veel aangenamer om in goed<br />
weer de bus te nemen dan als het regent. En de bus stopt natuurlijk ook niet voor<br />
de deur van mijn werk. Ik moet dan een 10 minuten te voet gaan en… het regent<br />
natuurlijk.”<br />
(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
79
4.4. Informatie over de beschikbare vervoersmiddelen<br />
De beschikbaarheid van de verplaatsingsmiddelen om een bepaalde<br />
verplaatsing te maken is evident. Wie over geen wagen beschikt, kan moeilijk<br />
kiezen om de verplaatsing met de wagen te maken. Hetzelfde geldt voor het<br />
aanbod van het openbaar vervoer. Op dat laatste gaan we later in dit<br />
hoofdstuk dieper in.<br />
Met de beschikbaarheid van verplaatsingsmiddelen doelen we op de<br />
potentiële keuze die men heeft tussen verschillende transportmogelijkheden. In<br />
sommige gevallen wordt die keuze niet of nauwelijks gemaakt.<br />
“Ja, wij wonen ook landelijk hé. En ik denk dat mensen zoals wij dan eerder de<br />
wagen nemen dan in ’t stad. Ge hebt em voor zo veel nodig en dan ja, dan<br />
gebruikt ge diene altijd hé.”<br />
(Ignace 53 jaar Waasmunster)<br />
“Ik kijk altijd op het internet hoe ik ergens kan geraken. Natuurlijk is het eerste<br />
alternatief altijd mijne wagen. Die staat hier buiten en dat is gemakkelijk natuurlijk.<br />
(…) “<br />
(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
In het geval van bovenstaand citaat wordt eerst op het internet gekeken en<br />
wordt dan een vervoersmiddel gekozen. In dit geval leidt het ‘gemak’ van de<br />
wagen vele malen naar een keuze in het voordeel van dat vervoersmiddel,<br />
maar men heeft zich wel geïnformeerd.<br />
Informatie blijkt dan ook een cruciale rol te spelen in het gebruik van het<br />
openbaar vervoer. In onze interviews kregen we regelmatig de indruk dat het<br />
gebruik van het openbaar vervoer belemmerd werd door een gebrek aan<br />
informatie over zowel de verbindingen, de afstanden als de tijden van de<br />
dienstverlening.<br />
“Van de bussen weet ik de uren niet. Het zou misschien praktisch zijn om zo’n<br />
boekske in huis te hebben met de uren. Misschien dat ik dan rapper met de bus<br />
zou gaan. Maar nu weet ik dat niet als we van plan zijn om met de bus een<br />
uitstapke te doen dan ga ik eerst kijken. Anders staat ge daar een halfuur te<br />
wachten.”<br />
(An 34 jaar Brasschaat)<br />
“Ik weet eigenlijk niet waarom ik het openbaar vervoer niet meer gebruik. Ik ben<br />
daar niet mee opgegroeid. Vroeger had ge hier alleen maar een bus naar Sint-<br />
Pieters en dan had ge altijd een auto nodig. En nu, ja met mijn werk gaat dat ook<br />
al niet. En ik weet ook niet welk aanbod er nu is. Ik weet alleen dat er nu meer<br />
lijnen zijn. Maar ik heb daar geen behoefte aan.”<br />
(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />
“We zijn ook niet goed vertrouwd met die uren en die haltes enzo hé. Gelijk naar<br />
het shoppingcenter, ik peins wel dat daar ne bus stopt, maar ik heb daar geen<br />
80
informatie over hé. Ik heb juist een boekske voor de lijn van Moeskroen naar<br />
Kortrijk. Maar dat is ook de enige bus dat we hier hebben.”<br />
(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
“Moesten we nu meer informatie krijgen, dan zouden we het openbaar vervoer<br />
wel meer nemen. Maar nu weten wij van niets hé”<br />
(Erik 33 jaar Kortrijk)<br />
“Hier is ook een belbus, maar die gebruiken we niet. Dat kennen we niet eigenlijk.<br />
Ik heb dat hier al zien rondrijden, maar… Ik heb me dat al afgevraagd, wat ge<br />
daar mee kunt doen. Kunt ge daarmee naar de Kinepolis.”<br />
(Joly 15 jaar Gooik)<br />
“Ik gebruik niet veel het openbaar vervoer omdat ik eerst en vooral niet zo<br />
goed weet hoe en vooral wanneer de bussen rijden. Naar Heikruis bijvoorbeeld<br />
weet ik niet hoe ik er moet geraken. Ik weet wel dat er niet zoveel bussen zijn.”<br />
(Janine 58 jaar Gooik)<br />
“De belbus zou wel een oplossing kunnen zijn, maar daar weet ik niets van. Ik<br />
heb daar nog nooit informatie over gekregen.”<br />
(Marleen 58 jaar Gooik)<br />
“Als ik het vliegtuig moet nemen, dan neem ik de trein naar de luchthaven.<br />
Maar dan laat ik mij voeren met de wagen naar het station in Kortrijk. En de<br />
reden is dat ik niet zou weten wanneer er een bus is.”<br />
(Erik 33 jaar Kortrijk)<br />
Verscheiden respondenten gaven wel te kennen dat ze gebruik maken van het<br />
internet om hun reis met het openbaar vervoer uit te stippelen.<br />
“Als ik ergens moet zijn, dan zoek ik dat op op het internet. Ik vind dat<br />
gemakkelijk.”<br />
(Joly 15 jaar Gooik)<br />
“Naar de luchthaven zijn we de laatste keer met de bus gegaan en zijn we<br />
met de trein teruggekomen tot in Lokeren. Dan hadden we op de computer<br />
gekeken en hadden we dat uitgestippeld. En daarna ben ik nog met mijn<br />
vriendin naar Lourdes gegaan en dan zijn we ook met de trein tot in Lokeren<br />
gekomen. Ja, ne keer da ge da weet. Het is ook een beetje onwetendheid<br />
hé.”<br />
(Betty 45 jaar Waasmunster)<br />
Wie echter niet op het internet op zoek kan naar de gewenste informatie, blijft in<br />
hel wat gevallen onwetend over de mogelijkheden van het openbaar vervoer.<br />
“Als wij iets willen weten dan zoeken we dat op op internet hé. Maar mijn<br />
moeder die kan dat natuurlijk niet hé. (…).”<br />
(Alain, 30 jaar Gooik)<br />
81
Sommige geïnterviewden kregen wel informatie over de diensten in hun buurt,<br />
maar voor de verdere verplaatsingen moet men naar specifieke plaatsen om de<br />
informatie te bemachtigen. De onwetendheid over de mogelijkheden bleek<br />
voor sommige dan ook een belangrijke drempel. De diensten en de<br />
mogelijkheden zijn ongekend en men weet niet waar men hierover informatie<br />
kan krijgen.<br />
“Het moet wel makkelijk zijn. Bijvoorbeeld de tram naar de stad of aan de kust of<br />
de trein naar de kust. Als ge te veel moet overstappen of als ge niet weet waar<br />
en zo dan is het niet plezant. Dan neem ik de auto.”<br />
(Willy 62 jaar Brasschaat)<br />
“Pas op, we hebben hier dan nog de buurtbus hé. Maar daar ken ik de uren niet<br />
van. Da’s een goed initiatief hé, maar ik heb die nog nooit moeten pakken.”<br />
(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
Wie op latere leeftijd moet kennismaken met het openbaar vervoer en met<br />
bijvoorbeeld de diensten van de belbus heeft daarbij hulp nodig. Door deze<br />
onwetendheid gebruikt men het openbaar vervoer ook niet.<br />
“De belbus is wel een serieuse verbetering zenne. Zeker voor die ouw mensen.<br />
Maar pas op, de mensen zijn een beetje schuw daarvoor hé. Ze weten dan niet<br />
hoe ze dat moeten doen en zo. Allez, ik heb dat nog aan mijn buurvrouw<br />
uitgelegd en nu pakt ze dat. Da’s echt een goe systeem zenne, maar ja ge moet<br />
het kennen. Moesten ze dat afschaffen da zou een ramp zijn voor die ouw<br />
mensen hé”<br />
(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
De informatie over het gebruik van het openbaar vervoer blijkt dan ook erg<br />
belangrijk voor het welbevinden van de gebruikers. Wachten is niet plezant en<br />
dus is het goed dat men bij voorbaat de uren van de dienstregeling kent.<br />
“Als je met de bus gaat is het wel belangrijk om bij voorbaat goed te kijken hoe<br />
laat hij komt. Zo staan wachten is niet tof. Daarom is de tram in Antwerpen heel<br />
handig. Om de 10 minuutjes is er ene”<br />
(Steffi; 17 jaar, Brasschaat)<br />
“Als we de bus nemen, gaan we altijd eerst gaan kijken naar het uur. De dag<br />
ervoor ofzo. Zeker als het regent is het niet plezant om te wachten. Er is geen<br />
afdakje en als de bus dan te laat is ofzo.”<br />
(Cathy 11 jaar Brasschaat)<br />
Naast de verbindingen, tijden en afstanden bleek ook een gebrek aan<br />
informatie of duidelijkheid over de kostprijs een bron van ergernis.<br />
“Wat mij stoort is dat je niet weet hoeveel een rit gaat kosten. De prijs van zo’n rit<br />
dat is precies zo een beetje “à la tête du client”. Als ik hier een ticket pak dan<br />
heb ik in principe een uur tijd om dat op te gebruiken. Maar kom ik dan in de<br />
stad en ge stapt op de bus en ge steekt dat erin, dan moet ge terug<br />
82
herbeginnen. Dat snap ik niet. Ge rijdt toch de zone stad in. Ik vind dat dat slecht<br />
aangeduid is.”<br />
(Willy 62 jaar Brasschaat)<br />
In dit geval gaat het dus niet over de kostprijs van het openbaar op zich, maar<br />
wel over de voorspelbaarheid van de kostprijs.<br />
Informatie is dus een belangrijke factor voor zowel het gebruik van het openbaar<br />
vervoer als voor het welbevinden van de gebruiker van het openbaar vervoer.<br />
Zonder dat het een topic is van dit onderzoek wensen we hierbij te vermelden<br />
dat de gebruikers van de website van de Lijn bijzonder tevreden waren over de<br />
informatie die ze daarop kunnen vinden. Wie echter niet over internet beschikt<br />
moet op een duidelijke en regelmatige basis worden geïnformeerd. Voor een<br />
aantal geïnterviewden was de informatie niet duidelijk of ontoereikend en bleek<br />
dit een bron van onbehagen.<br />
“Ik heb op de bus eens een boekske gekregen met allemaal tabellen en uren,<br />
maar ik verstond er niet veel van en ik heb het weggegooid. Dat staat vol met<br />
vanalles en ge weet niet wat dat allemaal is”<br />
(Stien 15 jaar Kortrijk)<br />
“Wij krijgen eigenlijk heel weinig informatie over de Lijn. Mijn moeder bijvoorbeeld<br />
die komt altijd naar hier met de bus en als er veranderingen zijn in de uurregeling<br />
of zo dan moet ze dat zelf uitvinden of vragen”<br />
(Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />
Het gebruik van het openbaar vervoer is immers voor tal van geïnterviewden<br />
een complexe aangelegenheid. Dat geldt dan vooral als men voor zijn<br />
bestemming te bereiken moet overstappen.<br />
“Wat ook moeilijk is, is als ge uw weg niet kent ergens. Als ge bijvoorbeeld naar<br />
Brussel moet, maar nie naar het centrum of zo. Dan moet ge overstappen en ge<br />
weet niet waar. Dan moet ge echt goed plannen, anders loopt ge verloren hé.”<br />
(Sabine 36 jaar Geel)<br />
“We nemen ook soms de trein om naar Gent ofzo te gaan. Dan eerst met de bus<br />
en de tram naar het station en dan met de trein. Maar dat is toch altijd zoeken<br />
hé, als ge dat niet gewoon zijt. We waren dan verkeerd afgestapt en dan<br />
hebben mensen van de Lijn ons moeten helpen anders waren we er nog niet<br />
geraakt.”<br />
(An 34 jaar Brasschaat)<br />
“Het openbaar vervoer vraagt echt wel wat voorstudie vind ik. Als ge dat niet<br />
gewoon zijt, dan is dat echt een doolhof hé. Ge moet zeer goed weten waar ge<br />
naar toe moet en hoe de bussen en metro’s gaan.”<br />
(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
83
4.5. De complexiteit van de verplaatsing<br />
Zoals voorgaande citaten laten uitschijnen, is het gebruik van het openbaar<br />
vervoer complex. Zeker als men onderweg moet overstappen, krijgen gebruikers<br />
het gevoel dat het openbaar vervoer de verplaatsing bemoeilijkt.<br />
“Ik vind de bus en zeker de trein eigenlijk comfortabeler dan de wagen, maar als<br />
je een combinatie moet nemen van bus-trein-bus, ja dan is het comfort weg.”<br />
(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
“Van hier in Belsele naar Antwerpen dat zou ik niet zien zitten. Ik moet eerst een<br />
paar kilometer te voet, dan met de bus vanuit Sint Niklaas en dan de metro naar<br />
het centrum van Antwerpen. Pas op, dat zou allemaal wel gaan hoor, maar die<br />
laatste kilometers te voet als we terug komen, die zijn er dan toch te veel aan.<br />
Zeker als het dan al donker is”.<br />
(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />
“Als wij naar oma willen dan moeten we de lijn naar Kortrijk pakken en dan in<br />
Aalbeke overstappen naar Ootegem. Dat zou niet makkelijk zijn.”<br />
(Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />
“Mijne zoon ook, die gaat naar school in Dilbeek en kan hier de bus nemen in<br />
Oetingen. Daar kan hij de bus nemen naar Leerbeek. Daar neemt hij de bus naar<br />
Ijzingen. In Ijzingen moet hij dan 20 minuten te voet gaan tot Borglombeek en<br />
daar kan hij zijn bus naar Dilbeek nemen. En dan is hij op school. Dus als alles<br />
goed gaat dan is hij op tijd op school als hij om 6.30 vertrekt. Met de wagen is dat<br />
25 kilometer. Hij kan ook met de schoolbus vanuit Schepdaal, maar dan moet ik<br />
hem daar om 7.30 afzetten en ik moet hem daar ook gaan halen. Pakt dat ge<br />
dan niet kunt of zo dan zit dat kind daar vast.”<br />
(Marleen 58 jaar Gooik)<br />
“Stel dat ik naar mijn dochter moet, die woont in Melle. Dat zou dus een hele<br />
studie zijn om te achterhalen hoe ik daar moet geraken. Van hier naar Gent met<br />
de bus, dat is geen probleem, maar het is van daaruit naar de rand dat het niet<br />
altijd makkelijk is. Zeker als die locatie een beetje uit het centrum gelegen is.”<br />
(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
Wanneer zich een rechtstreekse verbinding met de plaats van bestemming<br />
aanbiedt dan wordt het gebruik van het openbaar vervoer wel als comfortabel<br />
en gemakkelijk beschouwd. Opvallend is dat de geïnterviewden dergelijke<br />
verbindingen in de eerste plaats associëren met de stad.<br />
“In de stad is het veel gemakkelijker hé. Daar ga je bijna altijd rechtstreeks van A<br />
naar B, maar hier in de buiten moet ge van A naar C en soms nog naar D om<br />
dan pas naar A te kunnen gaan. Daar verliest ge veel tijd mee. Zeker als ge al uw<br />
wachttijden moet bijtellen.”<br />
(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
84
“Vroeger woonde ik in Lennik en daar nam ik altijd de bus. Daar kon ik de bus<br />
nemen die rechtstreeks naar het centrum gaat. Dat is wel gemakkelijk, terwijl wij<br />
hier altijd eerst over Leerbeek moeten. Die bus die wij hier nemen die doet dan<br />
nog zo’n grote route langs Hoeve, Gooik, en dan terug naar Leerbeek. Terwijl ge<br />
bij manier van spreken van hier te voet naar Leerbeek kunt.”<br />
(Janine 58 jaar Gooik)<br />
“Het is echt een groot verschil tussen de stad en het platteland hé. Ik woonde<br />
vroeger voor mijn scheiding in Ruisbroek. Awel, ik ging altijd met de bus. Op een<br />
half uurke stond ik in het centrum van Brussel. Of in Halle pakt ge den trein naar<br />
Brussel en ge zijt er in 10 minuten.”<br />
(Alain, 30 jaar Gooik)<br />
De complexiteit van de verplaatsing hangt nauw samen met de afstand die<br />
moet worden overbrugd. Voor korte afstanden biedt het openbaar vervoer<br />
geen voordeel.<br />
“De dinsdag moet ik de kinderen van mijn zoon naar school voeren en gaan<br />
halen. Dat is een schooltje hier een paar straten verder, dus heeft het geen zin<br />
om met het openbaar vervoer te gaan. Ik ga wel met de wagen want dat ligt op<br />
een ‘berg’ en met de fiets is dat voor mij niet meer te doen. Dat is een veel grote<br />
inspanning voor mij in mijn toestand.”<br />
(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
“Naar school ga ik te voet samen met mijn zus. Dat is niet ver.”<br />
(Anja 8 jaar Kortrijk)<br />
“Mijn zoon breng ik met de fiets naar school. Die gaat in Geel zelf naar school en<br />
dat is ongeveer 4 kilometer van hier. En dan ’s avonds ga ik hem halen. En dat is<br />
makkelijker dan met de bus. Die zit altijd overvol ook en dan als ge daar bij moet,<br />
dat is niet te doen. Dan ga ik liever met de fiets. Een vriend van mij die gaat zelfs<br />
eerst met de bus naar Herentals en van daar naar Turnhout. Gewoon omdat de<br />
bus van Geel te vol zit.”<br />
(Sabine 36 jaar Geel)<br />
Voor iets langere afstanden, bijvoorbeeld om naar de stad te gaan, komen bus<br />
en tram wel in beeld.<br />
“Ik kan veel te voet doen of met de fiets, maar om naar Gent te gaan of zo, ja<br />
dan neem ik altijd de bus.”<br />
(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
Voor nog grotere afstanden biedt de trein dan weer een goed alternatief voor<br />
de wagen.<br />
“Voor grotere verplaatsingen gebruiken we soms ook de trein. Om naar de zee<br />
de gaan of naar Amsterdam of Londen. Dan vertrekken we vanuit Sint Niklaas.<br />
Maar we gaan wel naar daar met de auto.”<br />
(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />
85
Nog belangrijker dan de afstand van de verplaatsingen zijn wat we algemeen<br />
‘ketenverplaatsingen’ noemen.<br />
“Het is typisch dat fervente gebruikers van het openbaar vervoer, als ze kinderen<br />
hebben, hetzelfde openbaar vervoer vaarwel zeggen en opteren voor de<br />
wagen. Uiteraard komt dat voor een stuk omdat de verplaatsingen met een kind<br />
en alles wat daarbij komt kijken een stuk moeilijker zijn dan met de wagen, maar<br />
er is ook een andere heel belangrijke reden. Een voorbeeld: voor de komst van<br />
kinderen moesten de ouders maar één verplaatsing maken in de ochtend, van<br />
thuis naar het werk. Nu worden dat ineens twee verplaatsingen. Eerst moet het<br />
kind naar de crèche of naar school worden gebracht en dan volgt pas de<br />
verplaatsing naar het werk. Het gaat in dat geval dus niet meer om woonwerkverplaatsing,<br />
maar om een school-werkverplaatsing. En niet alleen zijn deze<br />
verbindingen minder goed uitgewerkt, de tijd die men dan spendeert met het<br />
openbaar vervoer weegt niet op tegen het comfort van de wagen…”<br />
(interview met expert)<br />
Door de aanwezigheid van kinderen komen er wijzigingen in het<br />
verplaatsingspatroon van de ouders. Daar waar in de periode voor de kinderen<br />
’s ochtends de enige verplaatsing de verplaatsing naar het werk was, komt daar<br />
nu een extra verplaatsing bij. Voor men naar het werk gaat moet het kind<br />
immers eerst worden afgezet bij de kinderopvang, aan de kleuterschool of de<br />
basisschool. Hetzelfde moet gebeuren na het werk om de kinderen terug op te<br />
halen. Het volstaat niet meer om na het werk een rechtstreekse verplaatsing<br />
naar huis te maken. Nu moet men eerst nog de kinderen afhalen, waardoor de<br />
enkelvoudige verplaatsing een ketenverplaatsing wordt.<br />
“Ik heb nu tijd hé. Dus zelfs als het met de wagen sneller zou zijn, dan nog neem ik<br />
graag het openbaar vervoer. Natuurlijk moet het niet te moeilijk zijn. Wij gaan<br />
graag wandelen in de Vlaamse Ardennen om daar wat te bezoeken,<br />
Geraardsbergen bijvoorbeeld. Daar moet ge van hier met het openbaar vervoer<br />
niet aan beginnen hé. Dan moet ge u al heel goed voorbereiden en dan nog<br />
dat wachten aan bushaltes. Dan hebt ge op ne dag niet veel gezien hé. Nu met<br />
de auto en het gps’ke van punt A naar punt B naar punt C en als ge een tof<br />
restaurantje of cafétje ziet dan stopt ge. De bus die rijdt dan door hé.”<br />
(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
“De bus nemen dat zou pas een georganiseer zijn. Het is nu al zo gearrangeer,<br />
met veel afspraken en regelingen. Ah ja, de zoon naar daar, de dochter naar<br />
daar en terwijl nog boodschappen doen, allez…”<br />
(Peter 43 jaar Kortrijk)<br />
“Het moeilikste vind ik als ge verschillende dingen tegelijk wilt doen. Mijne zoon<br />
afzetten bijvoorbeeld en dan naar de winkel gaan. Die liggen eigenlijk op de<br />
zelfde weg, enfin de bus rijdt voor bij de winkel. Hij stopt daar ook hoor. Maar als<br />
ik mijn zoon afgezet heb, dan moet ik eerst wachten op de bus naar de winkel en<br />
als ik gedaan heb met boodschappen moet ik weer wachten op de bus. Dat zou<br />
met de wagen veel sneller gaan.”<br />
(Sabine 36 jaar Geel)<br />
86
“Als de kinderen jongeren waren was dat wel lastig. Ons twee meiskes die gingen<br />
dan dansen in Lichtaart en die moesten dan gevoerd worden en dan moest de<br />
zoon nog naar ergens anders gebracht worden. Allez, ge voelt echt ne<br />
chauffeur, hé. “<br />
(Agnes 45 jaar Geel)<br />
Indien tijdens eenzelfde verplaatsing verschillende locaties moeten worden<br />
bezocht, verliest het openbaar vervoer een groot deel van zijn comfort. Dat<br />
geldt voor een groot deel ook als men onderweg naar een locatie moet<br />
overstappen op een andere verbinding. Voor betrekkelijk korte verplaatsingen<br />
ontziet men dan de moeite om de verplaatsing met het openbaar vervoer te<br />
doen. Indien er andere mogelijkheden zijn, dan zal men eerder daarvoor kiezen.<br />
“Het academisch ziekenhuis ook. Dat ligt in vogelvlucht op nog geen twee<br />
kilometer van hier. Dan moeten we eerst naar Gent Zuid en dan van de Zuid<br />
terug. In de zomer rijden we daar gemakkelijk met de fiets naar toe.”<br />
(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
“Maar ja, de bus hier gaat naar het UZ of naar Gent Zuid en dan moet ge<br />
vandaar nen andere bus nemen om naar het centrum te gaan en ja, ge zijt dat<br />
dan niet gewoon en ge doet dat niet hé.”<br />
(Simona 55 jaar Merelbeke)<br />
4.6. De veiligheid van een verplaatsing<br />
Een bijkomend criterium bij de keuze van een verplaatsingsmiddel dat we<br />
belichten is de veiligheid. Het gevoel van veiligheid of onveiligheid is zoals we<br />
eerder hebben gezien niet onbelangrijk in de context van welbevinden. Wie zich<br />
onveilig voelt zal zich immers onbehaaglijker voelen dan iemand die zich veilig<br />
voelt. Dat geldt zeker ook voor de keuze van het openbaar vervoer. We maken<br />
daarbij een onderscheid tussen enerzijds verkeersveiligheid en anderzijds sociale<br />
veiligheid.<br />
De verkeersveiligheid blijkt vooral een belangrijk argument om kinderen<br />
bepaalde verplaatsingsmiddelen niet te laten gebruiken. Dat geldt in de eerste<br />
plaats voor de fiets.<br />
“We hebben nog een zoon die basket. Hij woont wel bij mijn ex, maar ik breng<br />
hem altijd naar de basket. En dat is een heel gevaarlijke weg. Die breng ik dus<br />
ook met de wagen. Of we spreken af met andere ouders, want niemand ziet dat<br />
zitten om zijn kind met de fiets te laten gaan.”<br />
(Peter 43 jaar Kortrijk)<br />
“Naar de winkel stuur ik ze soms. Dat is bij haar school hier twee straten verder.<br />
Verder zou ik ze nu niet durven laten gaan. En al zeker niet als er veel verkeer zou<br />
zijn.”<br />
(Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />
87
Vooral nachtsituaties boezemen ouders angst in. Het is in dit geval wel moeilijk<br />
om uit te maken of het in dit geval om echte verkeersonveiligheid gaat, dan wel<br />
om sociale onveiligheid.<br />
“De zaterdag ga ik mijn zoon halen in Gooik als hij uitgaat. Met de fiets wil ik niet<br />
dat hij zo ’s nachts naar huis komt. Hij ook wel niet hoor. Maar we spreken een uur<br />
af en dan ga ik hem halen.”<br />
(Sonja 42 jaar Gooik)<br />
“In het weekend ’s avonds gaan we met vriendinnen weg in Marke. En dan doet<br />
mijn papa mij weg, want ’s avonds mag ik niet alleen met de fiets.”<br />
(Stien 15 jaar Kortrijk)<br />
“Met de fiets laat ik haar niet graag naar de atletiek gaan. Zeker niet in de winter<br />
want dan is toch al donker als het gedaan is. Mijn zoon die ouder is en graag<br />
uitgaat, voer ik ook. Ik wil ook niet dat hij in het midden van de nacht naar huis<br />
fietst.”<br />
(Sonja 42 jaar Gooik)<br />
Het openbaar vervoer biedt een belangrijk alternatief voor de<br />
verkeersonveiligheid met de fiets en draagt daarmee bij tot een welbevinden<br />
van de ouders.<br />
“Pas op, eigenlijk vind ik het te gevaarlijk om onze dochter met de fiets naar<br />
school te laten gaan. Dan zet ik ze nog liever af aan het bushokje en dat ze van<br />
daar het de bus naar school gaat. Ook hier in de buurt. We wonen hier dicht bij<br />
de Bredabaan en als ze naar vriendjes gaat of naar de cattechese dan zet ik<br />
haar liever af met de wagen dan dat ze met de fiets gaat. ”<br />
(An 34 jaar Brasschaat)<br />
Daarbij stelt zich echter een problematiek die zich voor een deel tegen het<br />
gebruik van het openbaar vervoer keert. Vermits de haltes van het openbaar<br />
vervoer vele malen gelegen zijn aan drukke wegen, moeten kinderen weer een<br />
gevaarlijke verkeerssituatie trotseren om de halte te bereiken.<br />
“We zijn toch wat bezorgd om haar veiligheid. En die bussen rijden meestal<br />
natuurlijk op grote wegen en ze moet dan de baan oversteken. Ook als ze ouder<br />
is hoor en ze moet naar school met de bus, dan gaan we daar toch opletten.”<br />
(Erik 33 jaar Kortrijk)<br />
“Alleen zal ze nog niet zo rap het openbaar vervoer nemen. Niet voor de bus op<br />
zich, maar dan moet ze wel een hele drukke baan over en daarvoor is ze toch<br />
nog te jong. Ik zou niet durven ook niet.”<br />
(Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />
De verkeersonveiligheid leidt zonder twijfel tot een vorm van onbehagen bij de<br />
geïnterviewden. Daarnaast heeft het ook een invloed op het<br />
verplaatsingsgedrag. Men zal bepaalde situaties vermijden, zodat men hierdoor<br />
88
een vorm van vrijheid verliest, wat op zijn beurt nefast is voor het persoonlijke<br />
welbevinden.<br />
“Ik ben nogal fiets-minded en de gevaarlijke banen, dat vind ik een probleem. Ik<br />
zal bijvoorbeeld nooit voor 9 uur met de fiets buiten komen om naar het centrum<br />
te gaan. Of ik moet binnenwegen kunnen nemen. Maar anders is dat echt te<br />
gevaarlijk.”<br />
(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
“Slechts weinig kinderen gaan van hier alleen naar school. Door onze<br />
schabouwelijke ruimtelijke ordening is dat niet te doen. Ze moeten hier de<br />
Gullegemsesteenweg over. Dat is een moordende baan, dat zou<br />
onverantwoordelijk zijn.”<br />
(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
Naast de verkeersonveiligheid laat ook de sociale onveiligheid sporen na bij de<br />
keuze van een verplaatsingsmiddel. Opnieuw komen de nachtelijke uren en het<br />
donker dan in beeld.<br />
“De dansles is van half zes tot half zeven in Sint Niklaas. En dan ga ik met de bus.<br />
Als het gedaan is dan komen mijn ouders mij halen. Ze zijn dan thuis en anders<br />
moet ik een half uur wachten op de bus. En dat durf ik niet. Het is dan al donker<br />
en ik moet ook een stukje stappen van de school tot aan de halte en hier ook.”<br />
(Iris 11 jaar Waasmunster)<br />
“Als ik naar school ga naar Roeselare moet ik om 6.45 de bus pakken aan<br />
Kinepolis en dan is het nog donker en ’s avonds ben ik pas terug om 18.30 en dan<br />
is het ook al donker. En ik sta daar dan altijd alleen. Dat is niet zo tof. Soms als ik<br />
echt te vroeg ben, dan rijd ik nog wat rond op de fiets. Liever dan daar te gaan<br />
staan.”<br />
(Stien 15 jaar Kortrijk)<br />
“Nu rijd ik naar Erasmus of Veeweyde, tot aan de rand dus en daar neem ik de<br />
metro. Maar ik zorg er wel voor dat ik niet in den donker moet uitstappen aan<br />
‘IJzer’ of ‘Graaf van <strong>Vlaanderen</strong>’ en ge hebt nog zo van die vieze buurten als het<br />
donker is.”<br />
(Janine 58 jaar Gooik)<br />
Maar ook op de bus zelf voelen sommigen zich niet helemaal veilig.<br />
“Zo veilig is de bus ook niet hé. Ge moet wel oppassen. Mijne zoon is eens zijn<br />
portefeuille gestolen, hij was dan 14 jaar of zo. Maar in zo’n situaties zijn dat nog<br />
kinderen hé. Zo veilig is dat dus niet hé. Voor kleine kinderen vind ik dat niet<br />
kunnen.”<br />
(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
“Ik wil ze nu ook niet forceren om de trein of de bus te nemen. Want nu durft ze<br />
nog niet zo goed en eigenlijk moet ge toch een beetje uw manneke staan op de<br />
bus of de trein hé; ”<br />
(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
89
“Ik neem nu niet graag de metro in Brussel. Ik vind dat echt onveilige. Zeker in<br />
Brussel, als ge de metro neemt, hou dan alles goed vast hé. Zeker in Brussel.<br />
Helemaal alleen zou ik mij niet veilig voelen op de metro. ”<br />
(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
Of de angst voor een misdrijf al dan niet gegrond is, maakt op zich niet zo veel<br />
uit. Als men zich in bepaalde situatie of op bepaalde plaatsen onveilig voelt,<br />
dan zal men die situaties of plaatsen mijden. Onder sociale onveiligheid verstaan<br />
we immers zowel de feitelijke kans om slachtoffer te worden van een misdrijf als<br />
de angst die men hiervoor heeft.<br />
“Het is toch belangrijk dat je je fiets ergens veilig kan achterlaten. Aan het<br />
gemeentehuis kan je gebruik maken van de parking van het warenhuis en dat is<br />
toch veiliger dan aan de Bredabaan”<br />
(Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />
“De veiligheid, daar zouden ze misschien wel iets aan mogen doen. Als ge hier<br />
de bus pakt (in Brasschaat) of de tram in Merksem, dat is echt een groot<br />
verschil…”<br />
(Willy 62 jaar Brasschaat)<br />
4.7. De beschikbaarheid van vervoersmiddelen<br />
In de voorgaande onderdelen legden we ons toe op de keuzes die individuen<br />
en gezinnen maken bij het gebruik van vervoersmiddelen voor bepaalde<br />
verplaatsingen. In sommige gevallen is deze keuze echter beperkt of zelfs<br />
onbestaande. Het mag duidelijk zijn dat voor individuen of gezinnen waar geen<br />
wagen aanwezig is, het collectief georganiseerde vervoer een zeer belangrijk<br />
element vormt in hun mobiliteitsmogelijkheden. Uit gegevens met betrekking tot<br />
de autobeschikbaarheid op gezinsniveau blijkt dat in 2001 één op vijf gezinnen<br />
in <strong>Vlaanderen</strong> niet over een wagen beschikt. In 1991 was dat nog 25%<br />
(Algemene Directie Statistiek Volkstelling (1991) en SEE2001). In 2001 beschikt 55<br />
% van de gezinnen over één wagen en 25% van de gezinnen in <strong>Vlaanderen</strong><br />
beschikt over twee of meer wagens per gezin (Algemene Directie Statistiek<br />
SEE2001).<br />
Bij éénverdieners wordt in 56 % van de gevallen deze wagen gebruikt in het<br />
woon-werkverkeer. Tijdens deze periode zijn de overige gezinsleden<br />
(thuiswerkende vrouw, kinderen, …) aangewezen op andere vervoersmiddelen.<br />
Bij tweeverdieners met één wagen wordt de auto in de woon-werkrelatie in 56 %<br />
van de gevallen door de man gebruikt, in 43 % door de vrouw.<br />
4.7.1.Basismobiliteit of geen basismobiliteit<br />
Bij de selectie van de gebieden voor onze interviews hebben we een<br />
onderscheid gemaakt tussen gebieden waar geen projecten in het kader van<br />
basismobiliteit werden uitgevoerd en gebieden waar wel projecten werden<br />
uitgevoerd. We wensten daarmee na te gaan of zich verschillen voordoen op<br />
het vlak van mobiliteit en verplaatsingsgedrag.<br />
90
Op basis van een kwalitatief onderzoek kunnen we hier echter geen<br />
gefundeerde uitspraken over doen. Daarvoor is immers nood aan een brede<br />
kwantitatieve bevraging. Toch kunnen we op basis van onze interviews enkele<br />
aspecten belichten die een beeld geven van situaties met of zonder<br />
basismobiliteit. In ons geval kunnen we dit vertalen in situaties waarbij de<br />
beschikbaarheid aan vervoersmiddelen beperkt is. Zoals we reeds eerder<br />
hebben vermeld is de eigen wagen het vervoersmiddel bij uitstek. Wie over een<br />
of meerdere wagens in het gezin beschikt, maakt zich weinig of geen zorgen<br />
over zijn of haar verplaatsingsmogelijkheden. De wagen brengt hen wel naar<br />
waar men wenst. Maar wat als die wagen er niet meer is? Deze situatie kan zich<br />
om verschillende redenen voordoen. Een eerste reden is de kostprijs van die<br />
wagen. Tal van geїnterviewden maken zich bijvoorbeeld zorgen over de<br />
stijgende prijs van de benzine.<br />
“Mijnen auto is mijn vrijheid. Spijtig genoeg hoor, want ik vind dat nen auto veel<br />
geld kost. En de naft wordt ook altijd maar duurder. Maar ja, ik ben nog geen 65<br />
jaar en dan is de bus en de trein nu ook niet goedkoop hé.”<br />
(Janine 58 jaar Gooik)<br />
Met een stijgende prijs van de benzine worden mensen zich bewuster van de<br />
kostprijs van een verplaatsing met de wagen en zal men of het<br />
verplaatsingsgedrag aanpassen of op zoek gaan naar goedkopere<br />
alternatieven.<br />
“Ik vind de parkeerplaatsen veel te duur in Antwerpen en ook de benzine<br />
natuurlijk. Gisteren stond in de gazet dat hij weer duurder zal worden. Vandaar<br />
dat ik de laatste tijd ook de fiets wat meer neem. Ook al om een beetje gezond<br />
te blijven. Maar naar de stad is dat een beetje ver natuurlijk.”<br />
(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
“Als ik naar de bank moet dan zorg ik er natuurlijk voor om terwijl ook een brood<br />
of zo mee te brengen. Da’k niet alleen voor een brood buiten moet. Daarvoor is<br />
de benzine te kostelijk, hé.”<br />
(Agnes 45 jaar Geel)<br />
“Onze auto gebruiken we niet zo veel meer. Alleen als het moet en dan nog<br />
vooral ’s avonds. Zekerst in den dag komt den auto zelden buiten. We zouden<br />
ook zot zijn hé. We hebben tijd genoeg en het openbaar vervoer is gratis. Aan de<br />
prijs van de naft tegenwoordig.”<br />
(Lucien 76 jaar Gooik)<br />
Een tweede reden is de fysieke en psychische of zelfs juridische bruikbaarheid<br />
van die wagen. De minimum leeftijd voor het besturen van een bromfiets, motor<br />
of auto, is 18 jaar en dus is voor individuen onder deze leeftijd de wagen sowieso<br />
geen optie. Maar natuurlijk dienen we in dit opzicht niet alleen te kijken naar de<br />
jongeren. Een frequent voorkomende situatie bij ouderen (65 plus) is namelijk dat<br />
de vrouw in het gezin over geen rijbewijs beschikt en/of dat de man steeds de<br />
wagen heeft bestuurd. De vrouw beschikt over geen rijbewijs (of heeft het nooit<br />
91
in de praktijk gebruikt en bij de dood van de echtgenoot valt de wagen als<br />
vervoersmiddel weg.<br />
“Sinds mijne man dood is kunnen wij ons niet meer makkelijk verplaatsen. Wij<br />
hadden ne grote Citroën en wij gingen daarmee overal naartoe, maar ik durf niet<br />
meer rijden. Ik mocht van mijne man ook niet rijden met de nieuwe Citroën. En nu<br />
durf ik niet meer. Nu doen we alles met fiets of met de bus en als we naar de Stad<br />
gaan en daarna de tram tot op Meir”<br />
(Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />
Op deze leeftijd voelt men zich ook niet meer in staat om nog een examen af te<br />
leggen voor een rijbewijs. Indien dus sprake van juridische beperkingen dan<br />
moeten we niet alleen denken aan de jongeren, maar aan iedereen die geen<br />
rijbewijs heeft of geen rijbewijs kan behalen. Los van de factor leeftijd zijn immers<br />
nog andere groepen in de samenleving verstoken van het bezit van een<br />
rijbewijs.<br />
Een aantal groepen is op basis van hun medische toestand uitgesloten voor het<br />
besturen van een motorvoertuig. Anderen kunnen wel als geschikt worden<br />
verklaard voor het besturen van een gemotoriseerd voertuig, maar moeten<br />
daarvoor aan bepaalde voorwaarden voldoen of krijgen bepaalde<br />
beperkingen opgelegd. Afhankelijk van de lichamelijke en de geestelijke<br />
toestand kunnen voorwaarden en beperkingen worden opgelegd in functie van<br />
de risico’s die verbonden zijn aan het besturen van een wagen en de<br />
confrontatie met verkeerssituaties. De voorwaarden en beperkingen worden<br />
bepaald op basis van de lichamelijke en geestelijke toestand van de kandidaat,<br />
rekening houdend met de risico’s, omstandigheden en gevaren eigen aan het<br />
besturen van een bepaald motorvoertuig (Koninklijk Besluit van 12 maart 1998<br />
betreffende het rijbewijs).<br />
Heel wat individuen en gezinnen worden met andere woorden wel ooit<br />
geconfronteerd met een situatie waarin de wagen en/of andere persoonlijke<br />
vervoersmiddelen niet (meer) kunnen gebruikt worden voor hun verplaatsingen.<br />
We stelden de geїnterviewden met een wagen ook telkens de vraag wat men<br />
zou doen indien de wagen niet meer beschikbaar zou zijn. Een opvallende<br />
vaststelling is dat heel wat bevraagden zich maar moeilijk zo’n situatie konden<br />
inbeelden. Nochtans is het voor heel wat Vlamingen een dagelijkse realiteit. In<br />
dergelijke gevallen komt het openbaar vervoer uitdrukkelijk in beeld en is een<br />
degelijk aanbod aan openbaar vervoer cruciaal voor de mobiliteit en dus ook<br />
voor het welbevinden. Aan individuen en gezinnen die niet over een wagen<br />
beschikken,maar wel over een aanbod aan openbaar vervoer stelden we de<br />
vraag wat men zou doen als dat aanbod er niet zou zijn. Ook hier was de eerste<br />
reactie een vorm van ontreddering. Geen enkele optie hebben om zich te<br />
verplaatsen is voor iedereen ondenkbaar. En toch moeten we ons rekenschap<br />
geven vanhet feit dat zich in <strong>Vlaanderen</strong> wel degelijk mensen bevinden<br />
waarvoor deze situatie een dagelijkse realiteit is.<br />
Voor individuen en gezinnen die niet over een wagen (kunnen) beschikken, is<br />
het kunnen gebruik maken van het openbaar vervoer dus zonder enige twijfel<br />
92
een bron van welbevinden. Het niet kunnen gebruik maken van het openbaar<br />
vervoer zal dan ook logischerwijs een belangrijke bron van onbehagen zijn.<br />
Projecten in het kader van basismobiliteit zijn dan ook bijzonder belangrijk om<br />
individuen op zijn minst een beperkte mogelijkheid te bieden om zich te<br />
verplaatsen. Dat is zeker het geval voor verplaatsingen over een relatief grote<br />
afstand. We stelden echter vast dat ‘afstand’ een relatief begrip is. Voor wie<br />
goed te been is en geen moeite heeft om 1 of zelfs meerdere kilometers te<br />
stappen of te fietsen is een verplaatsing binnen deze afstand geen probleem.<br />
Voor wie fysieke belemmeringen ondervindt om te stappen of te fietsen is<br />
eenzelfde afstand onoverkomelijk. Het is dan ook bijzonder moeilijk om in termen<br />
van afstand te spreken over een bevredigend aanbod. We stelden wel vast dat<br />
in gebieden waar geen basismobiliteit aanwezig is, men bij het verdwijnen van<br />
de wagen of de fiets zich zorgen maakt voor de bevrediging van de behoeften.<br />
Een van de geїnterviewden gaf zelfs aan dat ze in dat geval zal moeten<br />
verhuizen.<br />
“Ik begin nu wat last te krijgen van mijn knie en ja, als ik dan niet meer met de<br />
fiets naar de bus kan met mijn dochter, dan weet ik het niet. Waarschijnlijk moet ik<br />
dan wat dichter bij de stad gqan wonen.”<br />
(Louisa, 74 jaar, Brasschaat)<br />
Algemeen kunnen we dan ook stellen dat voor verplaatsingen om in de<br />
behoeften te voorzien een minimaal aanbod aan openbaar vervoer<br />
onontbeerlijk is. Dat uit zich dan weer vooral in landelijke gebieden, waar men<br />
voor de kleinste behoefte, al was het maar om wat levensmiddelen in te slaan,<br />
onmiddellijk een relatief grote afstand moet overbruggen. Voor het bezoek aan<br />
commerciёle diensten zoals de bank of openbare diensten als de Post moeten<br />
zelfs verplaatsingen worden gemaakt naar de stad. We komen op deze<br />
problematiek in het volgend hoofdstuk terug.<br />
4.7.2. Fysieke en psychische belemmeringen<br />
In dit hoofdstuk hebben we op basis van de interviews een oplijsting gemaakt<br />
van criteria die men gebruikt bij de keuze van een verplaatsingsmiddel. Het gaat<br />
in dit geval om criteria die de eerder al vernoemde modale burger hanteert om<br />
voor de wagen, de fiets, de bus of een ander verplaatsingsmiddel te kiezen.<br />
Deze keuze is op zich al een belangrijke verworvenheid van het individu. In onze<br />
samenleving wordt nog tal van individuen dat recht ontzegd of wordt deze<br />
keuze eigenlijk zo moeilijk dat het eigenlijk geen keuze is. Naar het openbaar<br />
vervoer toe kunnen zich tal van mogelijke belemmeringen voordoen om ten<br />
volle gebruik te kunnen maken van het aanbod. We denken daarbij in de eerste<br />
plaats aan fysieke en mentale invaliden.<br />
Het meest ingrijpend in termen van toegankelijkheid is uiteraard de handicap<br />
die leidt tot een beperkte bruikbaarheid van particuliere voertuigen, maar ook<br />
van het openbaar vervoer. Deze handicap kan aangeboren zijn, maar ook later<br />
ontstaan door allerlei oorzaken, waaronder verkeersongevallen. In dergelijke<br />
93
gevallen moet men beroep doen op geïndividualiseerd en dus zeer<br />
gespecialiseerd vervoer. Momenteel telt <strong>Vlaanderen</strong> 75.000 personen met een<br />
handicap die sedert 1992 zijn ingeschreven bij het Vlaams Fonds voor de Sociale<br />
Integratie van Personen met een Handicap (VFSIPH) of tegenwoordig het<br />
Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH). Personen die zijn<br />
ingeschreven bij het Vlaams Agentschap hebben niet alleen recht op<br />
verminderde tarieven of gratis gebruik van het openbaar vervoer, maar krijgen<br />
ook tegemoetkomingen op het vlak van de fysieke toegankelijkheid.<br />
Personen met een beperkte mobiliteit kunnen een belbushalte aan hun deur<br />
aanvragen. Daarnaast heeft de cel Gelijke Kansen in <strong>Vlaanderen</strong> een netwerk<br />
van Diensten voor Aangepast Vervoer (DAV’s) uitgebouwd. Op aanvraag wordt<br />
aan personen met mobiliteitsbeperkingen die geen gebruik kunnen maken van<br />
het openbaar vervoer een dienstverlening aangeboden van vervoer van deur<br />
tot deur. Bovendien helpt een chauffeur van de DAV helpt de gehandicapte bij<br />
het in- en uitstappen.<br />
Voor individuen die niet over de fysieke en psychische mogelijkheden<br />
beschikken om gebruik te maken van het openbaar vervoer, moet dus gezocht<br />
worden naar individueel aangepast vervoer. Naast de dienstverlening van het<br />
VAPH kan bijvoorbeeld met de Minder <strong>Mobiel</strong>e Centrales aan de<br />
mobiliteitsbehoeften van mensen met dergelijke verplaatsingsmoeilijkheden<br />
worden tegemoet gekomen. De Minder <strong>Mobiel</strong>en Centrales (MMC's) werden<br />
specifiek opgericht om mensen met verplaatsings-problemen en een beperkt<br />
inkomen toch de nodige transportmogelijkheden te bieden. Ze kunnen<br />
verbonden zijn aan een gemeente, OCMW, ziekenfonds of onafhankelijke<br />
vereniging zonder winstoogmerk. Taxistop is de overkoepelende organisatie en is<br />
een vereniging die verschillende (alternatieve) praktische oplossingen aanreikt<br />
dicht bij de mensen voor allerhande kleine of grote mobiliteitsvraagstukken.<br />
Concreet gaat het om gehandicapten, bejaarden of mensen in een sociale<br />
noodsituatie die familie willen bezoeken, naar de dokter moeten of<br />
boodschappen willen doen. Het transport wordt verzorgd door vrijwillige<br />
automobilisten die op bepaalde dagen of uren beschikbaar zijn. De aanvragen<br />
worden gecoördineerd door een permanentiedienst die telefonisch bereikbaar<br />
is.<br />
Aan het gebruik van de Minder <strong>Mobiel</strong>e Centrales worden een aantal<br />
voorwaarde gesteld. De Centrale is voorbehouden aan mensen met een<br />
maximaal inkomen van twee keer het leefloon. Bovendien mag er voor het<br />
gevraagde traject geen openbaar vervoer voorhanden zijn tenzij dat voor de<br />
betrokkene niet toegankelijk is. Uiteraard dekt deze dienst een belangrijke<br />
behoefte voor burgers die aan deze voorwaarden voldoen.<br />
“Wij hebben hier ook een Minder <strong>Mobiel</strong>e Centrale en daar heb ik ook al eens<br />
gebruik van gemaakt toen ik naar het ziekenhuis moest. En dat is ook ne mooie<br />
dienst hé, want ik kon het openbaar vervoer dan niet gebruiken en diene mens<br />
heeft dan aan het ziekenhuis een uur gewacht en mij teruggebracht.”<br />
(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
94
Tijdens onze interviews hadden we het geluk om een vrijwilliger voor individueel<br />
aangepast vervoer te interviewen. Eén van zijn uitspraken geeft onmiddellijk het<br />
belang aan van dergelijke vervoersmogelijkheden voor het welbevinden van de<br />
behoeftige én van de vrijwilliger zelf.<br />
“Sinds ik op pensioen ben, ik zat hier al een half uur met mijn vingers te draaien<br />
en mijn vriendin te ambeteren want die werkt nog, werk ik als vrijwilliger in de<br />
sociale dienstverlening. Ik ben chauffeur bij de minder mobiele centrale in<br />
Meerhout en dat is plezant jong? Ge kent na nen tijd die mensen goed hé. Ik rijd<br />
zo elke week met een maske die nogal zwaar gehandicapt is naar het<br />
ziekenhuis. En dan doen we een babbelke en zo. En dan wacht ik tot ze gedaan<br />
heeft in ’t ziekenhuis en dan breng ik ze terug thuis. Elke week. En ik heb nog zo’n<br />
rit of twee drie per week. “<br />
(Willy 58 jaar Geel)<br />
Op hogere leeftijd neemt het aantal mensen met functiebeperkingen snel toe.<br />
Fysieke en psychische beperkingen hoeven niet onmiddellijk als handicap<br />
erkend te zijn om toch belemmerend te zijn voor het gebruik van bepaalde<br />
vervoersmiddelen. Het verzaken aan het gebruik van de wagen door ouderen<br />
omdat men zich niet meer zeker genoeg voelt in het verkeer is een gekend<br />
voorbeeld. Gezichtsverlies, concentratieverlies, reactiesnelheid en andere<br />
belangrijke vaardigheden om zich met de wagen in het verkeer te verplaatsen<br />
nemen af en daarmee ook het gebruik van de wagen. Voor hen is het<br />
openbaar vervoer zowat het enige vervoersmiddel dat ze kunnen gebruiken<br />
zonder afhankelijk te zijn van derden en op die manier ook minder vrij te zijn.<br />
Vooral voor de meest kwetsbare bevolkingscategorieën (ouderen, financieel<br />
zwakkeren, aleenstaanden, mindervaliden,…) is het openbaar vervoer bijzonder<br />
belangrijk voor de autonomie en de zelfstandigheid of het persoonlijke<br />
welbevinden.<br />
4.8. Conclusies deel 4<br />
De toegankelijkheid van het openbaar vervoer hoeft echter niet altijd<br />
gebonden te zijn aan fysieke belemmeringen. Bij de oplijsting van de criteria<br />
waarop de modale burger keuzes maken voor het gebruik van<br />
verplaatsingsmiddelen, speelt de toegankelijkheid sowieso een belangrijke rol.<br />
De moeilijkheden die men ondervindt bij verplaatsingen met kinderen, de<br />
onveiligheid en ook de complexiteit en het gebrek aan informatie zijn vormen<br />
van ontoegankelijkheid. Ze belemmeren immers mensen om zich met het<br />
openbaar vervoer te verplaatsen. Op die manier merken we een eerder<br />
negatief effect van het openbaar vervoer op het welbevinden van (potentiële)<br />
gebruikers.<br />
Deze wegen ons inziens echter niet op tegenover de positieve bijdragen die het<br />
openbaar vervoer levert of kan leveren aan het welbevinden van mensen en<br />
aan het maatschappelijk welbevinden in het algemeen. Zonder in te gaan op<br />
macro- en meso-effecten op de verkeersproblematiek door een verhoogd<br />
95
gebruik van het openbaar vervoer, merken we op individueel niveau een groot<br />
effect op het welbevinden. Bovenstaand hoofdstuk leert ons echter wel dat voor<br />
de modale burger hiervoor aan verschillende voorwaarden moet worden<br />
voldaan en dat deze voorwaarden bovendien vrij divers zijn voor verschillende<br />
individuen. Net als in het vorige hoofdstuk stellen we vast dat de leeftijd hierbij<br />
een belanrijke rol speelt, maar ook het comfort dat men wenst bij de<br />
verplaatsing. Vanuit dit perspectief scoort het openbaar vervoer bij de ene<br />
persoon goed, bij de andere dan weer niet.<br />
Op zich is dat echter niet de doelstelling van de projecten in het kader van<br />
basismobiliteit. Deze projectenbeogen dat elk individu in een woonzone de<br />
mogelijkheid heeft om zich te verplaatsen. Het is niet de bedoeling dat dit<br />
aanbod het comfort biedt van een verplaatsing met de wagen. Dat is immers<br />
niet mogelijk. De uitbreiding van het aanbod van basismobiliteit voor personen<br />
met een handicap komt wel tegemoet aan de kernidee van basismobiliteit. Het<br />
probleem met dergelijke lovenswaardige initiatieven is dat steeds een groot<br />
aantal individuen die net niet voldoen aan de voorwaarden buiten de boot<br />
vallen. Niet alle ouderen met fysieke en/of psychische belemmeringen zijn<br />
immers ingeschreven of erkend als gehandicapten. Velen weten ook niet dat<br />
men een beroep kan doen op meer geїndividualiseerde dienstverleningen.<br />
Hetzelfde stellen we vast voor personen die zich in een fase van<br />
brugpensionering bevinden. Zij zijn net als de 65-plussers gepensionerd, maar<br />
genietenniet van de voordelen van deze leeftijdsgroep. Daardoor ontstaat<br />
bijvoorbeeld een uitstelgedrag in het gebruik van het openbaar vervoer. De<br />
vraag is echter of aan al de behoeften van alle leeftijds- en bevolkingsgroepen<br />
moet worden voldaan. Op dit ogenblik wordt het aanbod van het openbaar<br />
vervoer afgestemd op de criteria die werden vastgelegd in het decreet.<br />
In het volgende hoofdstuk gaan we na in welke mate de criteria van het<br />
decreet basismobiliteit tegmoet komen aan de noden, de behoetten en ook de<br />
wensen van verschilende doelgroepen voor het gebruik van het openbaar<br />
vervoer.<br />
5. Sociale baten binnen de criteria van basismobiliteit.<br />
We herhalen nogmaals dat de mobiliteitsproblematiek bij kwetsbare groepen de<br />
oorspronkelijke politieke motivatie was voor het invoeren van het project<br />
basismobiliteit. Men verwacht dan ook dat het openbaar vervoer een mogelijke<br />
oplossing kan zijn om de vervoersarmoede weg te werken. Een belangrijke<br />
voorwaarde hiervoor is uiteraard dat het aanbod van het openbaar vervoer<br />
tegemoet komt aan de noden en de behoeften van deze groepen op het vlak<br />
van verplaatsingen, maar ook dat het tegemoet komt aan de mogelijkheden<br />
van de minder kwetsbare bevolkingsgroepen. Hiervoor moet het openbaar<br />
vervoer de gewenste verbindingen bieden, niet te ver van de woning stoppen,<br />
op de gewenste tijden rijden en fysiek toegankelijk zijn voor iedereen die het<br />
moet gebruiken. In het decreet werden verscheidene criteria voor het aanbod<br />
96
van het openbaar vervoer opgenomen om aan iedereen een minimale vorm<br />
van basismobiliteit aan te bieden. Onderstaand nemen we de criteria uit het<br />
decreet basismobiliteit onder de loep en gaan we ondermeer na in welke mate<br />
deze tegemoet komen aan de noden en de behoeften van gebruikers en hoe<br />
deze tegemoet komen aan de criteria die bijdragen tot het maatschappelijke<br />
welbevinden.<br />
Tabel: Basismobiliteit in <strong>Vlaanderen</strong><br />
Groot-<br />
stedelijk<br />
Weekdagen<br />
6-9 uur 16-18 uur<br />
Samenvattende tabel basismobiliteit<br />
Weekdagen<br />
9-16 uur 18-21 uur<br />
Weekend<br />
8-23 uur<br />
Max. halteafstand<br />
5 ritten/uur 4 ritten/uur 3 ritten/uur 500 m<br />
Stedelijk 4 ritten/uur 3 ritten/uur 2 ritten/uur 500 m<br />
Rand en klein-<br />
stedelijk<br />
Buiten-<br />
gebied<br />
3 ritten/uur 2 ritten/uur 1 ritten/uur 650 m<br />
2 ritten/uur 1 ritten/uur 1 ritten/2 uur 750 m<br />
Bron: De Lijn (http://www.delijn.be/overheden/basismobiliteit/overzicht_basismobiliteit.asp)<br />
5.1. Beschikbaarheid in termen van verbindingen<br />
Om het openbaar vervoer te nemen, moet er uiteraard een aanbod zijn. Het<br />
decreet basismobiliteit voorziet een halte op maximaal 750 meter van de<br />
woonst. Dat geldt echter enkel in woonzones en dat zegt dus niet over de<br />
bereikbaarheid van commerciële centra, industrieterreinen, ziekenhuizen,<br />
sportcentra en dergelijke.<br />
Wat de woonzones betreft is na het afsluiten van de projecten rond<br />
basismobiliteit het beoogde doel vrijwel bereikt. Voor de invoering van het<br />
decreet beschikte 12 % van de woongebieden in <strong>Vlaanderen</strong> over geen enkele<br />
verbinding met het openbaar vervoer. In ruim de helft van de woongebieden<br />
werden de normen die voor basismobiliteit worden vooropgesteld niet gehaald.<br />
(Mobiliteitscel, 2001) Vandaag is na de afronding van de projecten rond<br />
basismobiliteit dat percentage teruggebracht tot onder de 10%. Samen met de<br />
uitbouw van het aanbod aan openbaar vervoer in meer dan 300 gemeenten is<br />
bovendien het aantal gebruikers van het openbaar vervoer de laatste 10 jaar<br />
verdubbeld.<br />
De behoefte aan verplaatsingen beperkt zich echter niet tot verplaatsingen van<br />
de ene naar de andere woonzone. Wie zich verplaatst doet dit meestal om te<br />
werken, om naar school te gaan, om vrijetijdsactiviteiten uit te voeren, om<br />
boodschappen te doen, om kennissen, vrienden en familieleden te bezoeken<br />
97
enzovoort. In het verplaatsingsgedrag konden we deze motieven onderverdelen<br />
in verplichte, noodzakelijke en belangrijke verplaatsingen. Ze vormen een goede<br />
basis om de relatie tussen het aanbod van het openbaar vervoer in het kader<br />
van basismobiliteit te toetsen aan de verplaatsingsbehoeften.<br />
Voor de verplichte verplaatsingen gelden in het decreet basismobiliteit<br />
specifieke criteria. Met een groter aanbod tijdens de piekuren wordt daardoor<br />
specifiek ingespeeld op de behoefte voor woon-werk en woon-school<br />
verplaatsingen. Deze verplaatsingen zijn uiteraard bijzonder belangrijk voor het<br />
economische welbevinden van de burgers. Wie over geen wagen beschikt<br />
moet namelijk zijn werkplaats kunnen bereiken. Indien bijvoorbeeld<br />
bedrijventerreinen niet bereikbaar zijn met het openbaar vervoer, dan schiet de<br />
basismobiliteit voor deze concrete verplichte verplaatsingen duidelijk te kort. Een<br />
project als netmanagement met ondermeer de doelstelling om<br />
industrieterreinen te ontsluiten is dan ook zeer belangrijk als aanvulling op de<br />
ontsluiting van de woonzones.<br />
In het overzicht van de gebruikte vervoersmiddelen voor de verschillende<br />
motieven hebben we vastgesteld dat slechts een beperkt aantal burgers<br />
gebruik maakt van het openbaar vervoer om zich naar het werk te verplaatsen.<br />
Naast het gegeven dat we bij deze percentages moeten rekening houden met<br />
een onderschatting van het gebruik van openbaar vervoer in het voor- en<br />
natraject, kan een percentage van 10% woon-werk pendelaars in absolute<br />
getallen niet worden onderschat. Tijdens onze interviews stelden we immers vast<br />
dat verscheidene respondenten gebruik maken van het openbaar vervoer om<br />
zich naar het werk te begeven. Daarbij stelden we echter ook vast dat het<br />
gebruik van de diensten van de Lijn in het voor- en natraject door heel wat<br />
gebruikers wordt vermeden. Men begeeft zich naar de trein als<br />
hoofdtransportmiddel met de wagen of met de fiets.<br />
“Ik heb 27 jaar met de wagen naar mijn werk geweest. En nu het laatste jaar met<br />
de trein. Omdat ik beginnen werken ben in de Boerentoren in Antwerpen. Ik ging<br />
den eerste keer met mijn wagen en lap ik stond hier al stil op den E17 in Sint<br />
Niklaas. En dus den trein hé. Ik rijd nu met mijne wagen naar station in Lokeren en<br />
vandaar direct naar Antwerpen. En daar zou ik de tram kunnen nemen, maar ik<br />
ga te voet. Dat is goed voor de lijn. En in het terugkomen moet ik anders een half<br />
uur wachten op de bus. Dan ben ik al lang thuis.”<br />
(Ignace 53 jaar Waasmunster)<br />
“Ik neem ook de bus, maar de verbinding is soms wel erg. Eergisteren had ik om<br />
halfacht gedaan en ik was om negen uur thuis. Met de wagen is dat misschien 20<br />
minuutjes ofzo. Maar als ik mijn verbinding mis dan is het niet evident.”<br />
(Karen 30 jaar Waasmunster)<br />
98
“Nu ga ik altijd werken met de fiets of als ik de late heb met de auto. Maar<br />
vroeger ging ik wel met de trein en met de bus en in het begin zelfs met de<br />
belbus. Want een tijdje geleden waren hier bijna geen bussen. Twee ’s avonds en<br />
twee ’s morgens en dan nog één onder de middag en dat was het. Nu zijn er<br />
heel veel lijnen bijgekomen hier.”<br />
(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
De belangrijkste reden om de bus niet te gebruiken in het voor- en natraject is<br />
niet zozeer het gebrek aan verbindingen, wel aan de frequentie van de<br />
verbindingen en vooral aan de beschikbaarheid in de tijd. Bij de beschrijving van<br />
de leeftijdscategorie, die we als de drukke leeftijd bestempelen en het belang<br />
van de tijd die men in het vervoer wil investeren, mag duidelijk zijn dat voor deze<br />
leeftijdscategorieën het aanbod in het kader van basismobiliteit weinig bijdraagt<br />
op het vlak van persoonlijk en economisch welbevinden. Maar dat is uiteraard<br />
enkel voor al degenen die over de mogelijkheden beschikken om voor een<br />
ander vervoersmiddel te kiezen. Voor wie die keuze niet heeft is de mogelijkheid<br />
om zich te verplaatsen naar het werk uiteraard bijzonder belangrijk voor het<br />
economische welbevinden. Dat wordt bevestigd door verschillende initiatieven<br />
van de VDAB om de kosten van het vervoer van en naar het (potentiële) werk te<br />
minimaliseren of te vergemakkelijken door bijvoorbeeld het uitlenen van<br />
bromfietsen voor sollicitanten.<br />
Individuen kunnen echter ook vrijwillig kiezen voor een woning in functie van het<br />
aanbod van het openbaar vervoer.<br />
“Mijn oudste zoon die heeft toen ze een huis heeft gekocht hier op Ten Aard wel<br />
gekeken naar het openbaar vervoer. Ze wonen nu eigenlijk vlak aan een<br />
buskotje en zij gaan alle twee elke dag met het openbaar vervoer gaan werken.<br />
Zij hebben daar echt speciaal naar gekeken. Die vonden dat een auto en zeker<br />
twee veel te veel geld.”<br />
(Agnes 45 jaar Geel)<br />
De mogelijkheid om woon- werk verplaatsingen te kunnen maken met het<br />
openbaar vervoer is dus zonder meer belangrijk voor het economisch<br />
welbevinden van de werkende burger. Nog belangrijker is echter het woonschoolverkeer.<br />
Vanaf de leeftijd van 12-jaar en de overgang van het<br />
basisonderwijs naar het secundair onderwijs is het openbaar vervoer een heel<br />
belangrijk vervoersmiddel. Initiatieven als de Buzzy Pass spelen hierop in en<br />
blijken ook zeer sucesvol.<br />
“Ja, we kiezen haar volgende school waarschijnlijk wel op basis van het<br />
openbaar vervoer. Dat is de reden waarvoor ze volgend jaar waarschijnlijk daar<br />
zal gaan. Moest ze naar Kalmthout gaan, dan zou dat al een pak moeilijker zijn.”<br />
(An 34 jaar Brasschaat)<br />
99
“Volgend jaar ga ik naar het humaniora, maar ik weet nog niet goed naar waar.<br />
Maar het zal Lokeren of Sint Niklaas worden want Eksaarde is nogal moeilijk<br />
bereikbaar. Er is geen bus naar daar of ik moet eerst naar Lokeren. Als ik naar<br />
Lokeren ga dan kan ik let de fiets als het goed weer is, maar naar Sint Niklaas<br />
moet ik sowieso met de bus, want dat is te ver.”<br />
(Iris 11 jaar Waasmunster)<br />
Bovenstaande citaten tonen aan dat het aanbod van het openbaar vervoer<br />
een cruciale rol speelt in de keuze voor een onderwijsinstelling.<br />
Verplaatsingen die we eerder onder de noodzakelijke verplaatsingen<br />
onderbrachten (boodschappen, dienstenbezoek) worden redelijk goed<br />
opgevangen door het aanbod van het openbaar vervoer. De verbindingen<br />
leiden namelijk in bijna alle gevallen naar de stad of toch stedelijke gebieden,<br />
waar aan de noden en behoeften voor levensmiddelen en diensten kunnen<br />
worden voldaan. Binnen de openingsuren van de winkels en diensten wordt<br />
namelijk in een aanbod voorzien. Dit aanbod blijkt bijzonder belangrijk in een<br />
landelijke context. Landelijke gebieden worden immers steeds vaker<br />
geconfronteerd met het wegtrekken van noodzakelijke diensten.<br />
“Hier in Aalbeke is er niks ni meer. Juist een bakker en een beenhouwer. Maar<br />
geen brillenwinkel, geen schoenwinkel, dat is hier allemaal niet te vinden. Nen<br />
tandarts ja, dat is al. Alle jonge mensen gaan hier weg hé. En de winkels hebben<br />
hier dan geen afzet en ze zijn weg. Het zijn hier allemaal oude mensen en ja, als<br />
ze geen auto kunnen rijden… Da’s een probleem hé. De bus is goed, maar ze<br />
moeten kunnen hé.”<br />
(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
“Hier is het voor oude mensen echt triest hé. En het zijn allemaal mensen die hier<br />
al altijd gewoond hebben, hé. De jonge mensen die trekken hier weg hé. Ah ja er<br />
is hier niets. Er is hier gene dokter, gene apotheek, echt niets. En ja, voor die ouw<br />
mensen”<br />
(René 66 jaar Kortrijk)<br />
“Het wordt ook alsmaar erger hé. Vroeger had ge hier in Oetingen nog van alles.<br />
Een bank, de post,… maar nu is hier alles weg. Daarvoor moet ge naar Gooik.<br />
Maar ja, zoals ik gezegd heb, dat is een drietal kilometer van hier. En als ge hier in<br />
het Pajottenland met de fiets moet gaan, dat is serieus zweten hé.Het alternatief<br />
is de bus, maar dan zijt ge direct een uur kwijt en dan moet ge nog terug.”<br />
(Janine 58 jaar Gooik)<br />
Bovenstaande citaten zijn slechts enkele voorbeelden van het wegtrekken van<br />
diensten uit landelijke dorpen. Deze problematiek werd reeds eerder in<br />
onderzoeken (Meert e.a., 2003, De Wakkere Burger, 2001) rond vervoersarmoede<br />
aan de kaak gesteld en becommentarieerd. Daaruit blijkt dat vervoersarmoede<br />
vooral inwoners van rurale gebieden hard treft. Volgens een raming in de<br />
Westhoek worden 45.000 huishoudens die op het platteland leven met deze<br />
vervoersarmoede geconfronteerd.<br />
100
Een aantal processen stimuleren bovendien de vlucht van weinig bemiddelde<br />
huishoudens uit de steden. Meert (2003) omschrijft één van deze processen, met<br />
name de verhitte stedelijke woningmarkt, als volgt. “Wanneer oudere inwoners<br />
van plattelandsgemeenten overlijden komen hun woningen leeg te staan en<br />
worden ze vaak verhuurd of verkocht tegen lage prijzen, gezien de ouderdom<br />
en het comfortniveau van hun woning. Dit woningmarktsegment trekt minder<br />
bemiddelde bevolkingsgroepen aan die vaak op de stedelijke woningmarkten<br />
uitgeprijsd werden. Vaak gaat een verhuis naar deze landelijke gemeenten ook<br />
gepaard met een breuk in het sociaal netwerk van de vorige woonplaats<br />
waardoor het meerijden met vrienden of familie niet voor de hand ligt.”<br />
Daardoor verliezen deze individuen of gezinnen het sociaal netwerk als mogelijk<br />
middel om zich te verplaatsen en gezien hun precaire financiële situatie is het<br />
bezit van een wagen ook niet evident. In dergelijke gevallen moet men<br />
terugvallen op het openbaar vervoer om bepaalde verplaatsingen te kunnen<br />
maken. Want gezinnen zonder wagen bestaan wel degelijk. Tijdens onze<br />
interviews kwamen we verscheidene gezinnen tegen met meerdere wagens,<br />
maar dat mag zeker niet de indruk wekken dat elk gezin over een wagen<br />
beschikt. Ondanks een gemiddeld bezit van 1,17 wagens per huishouden<br />
beschikt toch een vijfde van de huishoudens over geen wagen. Dat men in de<br />
stad meer beroep kan of moet doen uit zich bijvoorbeeld in het aantal gezinnen<br />
dat over een auto beschikt. Vergelijken we bijvoorbeeld dat cijfer met het<br />
Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dan merken we dat 40% van de gezinnen in 2001<br />
niet over een wagen beschikt. (Algemene Directie Statistiek (bewerking<br />
Studiedienst van de Vlaamse Regering))<br />
De sociaal-ruimtelijke woonsituatie bepaalt of men voor basisvoorzieningen<br />
(school, bank, post, supermarkt, speelruimte of ontspanning) kortere of langere<br />
afstanden moet afleggen. Vermits we ons voor deze studie voornamelijk gericht<br />
hebben op niet-stedelijke contexten hebben verscheidene geïnterviewden dit<br />
probleem aangekaart.<br />
“Ja, hier is niet veel hé. Mijn bank enzo ligt ook in Marke. Ik ga dus vrij veel naar<br />
Marke. Maar ik weet nu niet of ik de bus zou pakken als die er zou zijn. Dat is toch<br />
niet gemakkelijk hé, ge moet dan altijd kijken hoe laat het is.”<br />
(Peter 43 jaar Kortrijk)<br />
“Voor de bank, de post en zo moet ik naar Geel. Maar dat doe ik dan als ik in<br />
Geel ben als ik de kinderen heb afgezet aan school.”<br />
(Sabine 36 jaar Geel)<br />
“Hier zonder wagen zitten, dan zijt ge ne duts hé. Ah ja, ge kunt hier niet weg hé.<br />
Enfin, ne bakker en een beenhouwer hebt ge wel. Maar voor de post<br />
bijvoorbeeld moet ge naar Gooik ofzo.”<br />
(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
Dit sociaal-ruimtelijk probleem treft vooral de financieel zwakkere groepen. Deze<br />
groepen vinden we meer terug in stedelijke dan in niet-stedelijke contexten,<br />
maar in een landelijk gebied is de wagenafhankelijkheid dan weer veel groter<br />
101
voor de verplaatsingen. Daardoor zal het gezinsbudget in landelijke gebieden<br />
ook sterker worden beïnvloed door de vervoerskosten.<br />
Op basis van onze interviews kunnen we de sociaal-ruimtelijke problematiek dus<br />
zeker bevestigen. Uit onze interviews is het echter niet helemaal duidelijk of deze<br />
situatie al dan niet verbeterd is na de invoering van de projecten rond<br />
basismobiliteit. Voor sommigen is de situatie ten aanzien van ‘vroeger’<br />
verbeterd…<br />
“Ik weet eigenlijk niet waarom ik het openbaar vervoer niet meer gebruik. Ik ben<br />
daar niet mee opgegroeid. Vroeger had ge hier alleen maar een bus naar Sint-<br />
Pieters en dan had ge altijd een auto nodig. En nu, ja met mijn werk gaat dat ook<br />
al niet. En ik weet ook niet welk aanbod er nu is. Ik weet alleen dat er nu meer<br />
lijnen zijn. Maar ik heb daar geen behoefte aan.”<br />
(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />
“Nu is er we om het uur een bus naar het UZ in Oudenaarde. Vroeger was dat<br />
niet. Eén ’s morgens, ene onder de middag en dan nog ene ’s avonds.”<br />
(Simona 55 jaar Merelbeke)<br />
Voor anderen lijkt de situatie verslechterd.<br />
“Vroeger was hier wel een lijnbus, maar nu is dat een belbus geworden. En de<br />
belbus houdt me wel wat tegen om te doen wat ik vroeger wel zou gedaan<br />
hebben. Ge weet nooit wanneer ge juist gedaan hebt en dan is dat moeilijk met<br />
de belbus hé.”<br />
(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />
“We hebben hier wel een belbus, maar we hebben toch wel minder bussen dan<br />
vroeger zé. Allez, ’t was vroeger ook niet veel, maar toch het waren er toch<br />
meer.”<br />
(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
“We hebben hier wel geen verbinding met de TEC hé. Moesten we dat nu<br />
hebben dan zouden we wel met de bus naar Dottenijs gaan. Da vind ik wel<br />
spijtig. Enfin, we kunnen de TEC pakken zé, maar dan moeten we toch een<br />
kwartiertje te voet gaan. Ik zou anders ook eens naar Doornik gaan. Pas op,<br />
vroeger was er wel een verbinding hé en dan kwamen hier ook regelmatig<br />
Walen naar hier hé. Nu zien we die nie meer.”<br />
(René 66 jaar Kortrijk)<br />
Een aanbod aan openbaar vervoer is in het kader van de ontsluiting van<br />
landelijke gebieden bijzonder belangrijk om het sociaal en persoonlijk<br />
welbevinden van de bewoners te verzekeren. Uit onze interviews met experts<br />
stelden we vast dat op dit punt zeker nog verbeteringen mogelijk zijn. Als<br />
typevoorbeeld van deze problematiek kan de Westhoek naar voor worden<br />
geschoven. Eén van de redenen waarom de mobiliteitsproblematiek in dit<br />
gebied blijft aanhouden, ook na projecten rond basismobiliteit is dat heel wat<br />
102
mensen in deze streek niet in een woonzone wonen. Volgens het decreet<br />
basismobiliteit vallen zij dus buiten het aanbod aan openbaar vervoer.<br />
Naast de mogelijkheid om commerciële en publieke diensten te bezoeken is het<br />
sociale contact dat men kan onderhouden met de samenleving erg belangrijk<br />
voor het sociale welbevinden. Indirect kan een ruim sociaal netwerk een<br />
alternatief bieden voor het gebrek aan eigen verplaatsingmiddelen. De<br />
deelname aan de formele en informele interactiekaders is echter minstens even<br />
belangrijk voor een goede integratie in de samenleving.<br />
“Als we de zaterdag of de zondag wegmoeten dan nemen we de belbus hé.<br />
Want dan zijn er hier echt bijna geen bussen. Dan pakken we de belbus. Maar<br />
da’s ook maar om de twee uur hé. Maar ja, dat is genoeg hé.”<br />
(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
“Ik zen nogal veel weg eigenlijk. Mijn dochter zegt dat ik nooit in mijn kot zen. ’t Is<br />
waar zenne, maar ik doen dat graag. Ge zijt dan onder de mensen.”<br />
(Marian 81 jaar Geel)<br />
“Soms ga ik met mijn dochter naar mijn moeder met de bus. Die woont in<br />
Wuustwezel en dan is dat een uitstapke. Maar zoveel gebeurt dat niet. Maar men<br />
dochter doet dat wel graag. Het is meer een attractie eigenlijk.”<br />
(An 34 jaar Brasschaat)<br />
Deze citaten geven aan dat het aanbod van de Lijn, ondermeer in het kader<br />
van basismobiliteit tegemoet komt aan deze behoefte. Zowel op het vlak van<br />
het persoonlijke als het sociale welbevinden stelden we in onze interviews echter<br />
ook vast dat het voor de geïntevriewden niet altijd mogelijk was om met behulp<br />
van het openbaar vervoer in deze behoeften te voldoen.<br />
“Mijn kleinkinderen zou ik met de bus ook moeilijk kunnen bezoeken. Die wonen in<br />
Kokiane. Ik ga die soms eens halen van school om er op te passen. Allez ja, dat<br />
moet dan met de wagen.“<br />
(Janine 58 jaar Gooik)<br />
“Mijn moeder, die vorig jaar gestorven is, zat in een bejaardentehuis in Kaprijke<br />
dat is ongeveer 35 kilometer van hier. Ik ging daar twee keer per week naar toe.<br />
Dat was natuurlij keen hele verplaatsing en als ik met het openbaar vervoer wou<br />
gaan dan was dat quasi onmogelijk. Dat zou een expeditie zijn van een hele<br />
dag. Omdat de uren van de bussen niet goed overeenkomen, de verbindingen<br />
zijn niet goed,… Ik verplaats me dus de auto.”<br />
(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
Een aantal geïnterviewden verwezen ook naar de gevolgen van het gebrek aan<br />
‘goede’ verbindingen.<br />
“Ik zie nu ook veel minder mensen. Als we naar de markt gingen, ah ja dan zag ik<br />
nog veel mensen hier uit de buurt aan de bushalte en dan deed ik een klapke.<br />
Ge praat altijd tegen iemand hé. Nu zie ik die mensen bijna niet meer. Da’s wel<br />
spijtig.”<br />
103
(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
104
“Moesten we nu in Waasmunster centrum wonen dan denk ik toch dat de<br />
kinderen meer activiteiten zouden doen in hun vrije tijd. Nu gebeurt het toch wel<br />
eens dat we iets niet doen omdat we dan denken, ja het is praktisch niet<br />
haalbaar. Het turnen bijvoorbeeld heeft ze moeten laten vallen. Of als wij geen<br />
tijd hebben, dan kan ze ook niet naar de jeugdbeweging.”<br />
(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
De gebreken die men op dat vlak ondervindt, situeren zich echter nog meer op<br />
het vlak van de beschikbaarheid in de tijd. Dat uit zich het sterkst voor<br />
verplaatsingen naar locaties die worden bezocht in het kader van de<br />
vrijetijdsactiviteiten of meer algemeen voor ‘belangrijke’ verplaatsingen. Voor<br />
deze verplaatsingen ondervinden de geïnterviewde Vlamingen duidelijk<br />
belemmeringen op het vlak van het aanbod aan verbindingen. Sportcentra, de<br />
jeugdbeweging, evenementen, wandelgebieden en vele andere locaties voor<br />
vrijetijdsactiviteiten worden niet per decreet bevoorraad door een aanbod van<br />
openbaar vervoer.<br />
“Ik vind wel dat de verbinding met Metropolis niet goed is. Voor de kinderen is<br />
dat wel ambetant.Ze moeten al eerst naar Ekeren te voet. En dan zijn ze er al<br />
bijna. Dan gaan ze meestal ook maar met de fiets.”<br />
(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
“Aan de atletiekpiste is trouwens geen halte. Dus dat gaat sowieso ook al niet. En<br />
dan nog. Ik zou mijn kinderen daar nu niet laten staan om de bus te nemen. Het is<br />
daar afgelegen en donker.”<br />
(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />
“Ik doe paardrijden, maar dat is in de velden in een klein straatje en daar rijdt<br />
geen bus. Dus dat gaat niet, mijn papa of mama brengt mij dan.”<br />
(Cathy 11 jaar Brasschaat)<br />
Dat geldt uiteraard niet voor alle locaties voor vrijetijdsactiviteiten, integendeel.<br />
Zelfs als deze niet binnen het decreet basismobiliteit vallen, worden ze in de<br />
meeste gevallen wel bediend door een reguliere verbinding van de Lijn. Bij<br />
uitzonderlijke evenementen zoals Rock Werchter, de Gentse Feesten en<br />
dergelijke voorziet de Lijn bovendien in een aangepast en uitgebreid aanbod.<br />
“Wat een grote verbetering is, zijn die uitbreidingen van het aanbod tijdens de<br />
Gentse Feesten en met de Kerstdagen. Ge ziet dat daar veel gebruik van<br />
gemaakt.”<br />
(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
“Zoals de boekenbeurs. De tram 2 stopt aan de boekenbeurs en plaats vindt ge<br />
daar nooit niet. Waarom zou ik daarvoor de auto nemen?”<br />
(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
Het is met andere woorden zeker geen algemeen verschijnsel, maar we stellen<br />
bij de geïnterviewden wel vast dat men voor verplaatsingen voor culturele of<br />
meer algemeen vrijetijdsactiviteiten moeilijk kan gebruik maken van het<br />
105
openbaar vervoer. Dat heeft gedeeltelijk te maken met een gebrekkig aanbod<br />
op het vlak van verbindingen, maar heeft vooral te maken met de tijdstippen<br />
van het aanbod. Als deze verplaatsingen tijdens de daguren gebeuren worden<br />
ze gedeeltelijk wel gedekt door een aanbod van het openbaar vervoer.<br />
Verscheidene verplaatsingen tijdens de dag naar culturele activiteiten blijken<br />
namelijk wel in het aanbod van het openbaar vervoer te passen.<br />
“Voor onze vrije tijd nemen we graag het openbaar vervoer. Om naar Gent of<br />
Antwerpen te gaan. Dan gaat mijn vrouw shoppen en dan doe ik iets anders hé.<br />
Een museum of zo. Allez om een uitstapje te doen.”<br />
(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
“Naar het museum overdag in de stad doe ik wel met de bus. Dat vind ik plezant,<br />
je kan dan goed babbelen op de bus en met mijn dochters naar het museum is<br />
echt tof. “<br />
(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
5.2. De afstand tot een bushalte<br />
Het criterium van halteafstand is in het decreet basismobiliteit opgenomen. In<br />
dat decreet is sprake van een maximale afstand van 500 meter in stedelijk<br />
gebied tot 750 meter in buitengebieden tussen woonst en halte. Tijdens onze<br />
interviews stelden we vast dat deze norm voor de meeste respondenten wel<br />
geldt, maar we stelden ook vast dat de afstand erg relatief is. Jongeren en fysiek<br />
onbelemmerde geïnterviewden vonden de afstand naar de dichtstbijzijnde<br />
halte erg redelijk, zelfs als die buiten de norm van 750 meter viel. Algemeen<br />
moeten we echter vaststellen dat het begrip afstand erg relatief is en het<br />
voornamelijk afhangt van de fysieke mogelijkheden, maar ook van de perceptie<br />
van het het individu of men een afstand al dan niet te groot ervaart.<br />
Voor tal van mensen die nog ‘goed te been’ zijn, is de afstand tot de bushalte<br />
op zich dus geen probleem. Als deze afstand echter te groot is, dan worden<br />
andere verplaatsingsmiddelen ingezet als voor- en natraject.<br />
“Hier wat verder woont een oudere vrouw en die woont zeker drie kilometer van<br />
de eerste bushalte, maar die zie ik altijd met de fiets gaan. Maar die is al oud<br />
hoor. Ik weet niet wat die gaat doen als ze niet meer met de fiets kan gaan”<br />
(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />
Voor anderen speelt de afstand tot de halte wel een rol bij het beoordelen van<br />
de afstand tot de dichtstbijzijnde halte. De afstand van en naar de halte moet<br />
immers gezien worden in het geheel van de verplaatsing.<br />
“Van hier in Belsele naar Antwerpen dat zou ik niet zien zitten. Ik moet eerst een<br />
paar kilometer te voet, dan met de bus vanuit Sint Niklaas en dan de metro naar<br />
het centrum van Antwerpen. Pas op, dat zou allemaal wel gaan hoor, maar die<br />
laatste kilometers te voet als we terug komen, die zijn er dan toch te veel aan.<br />
Zeker als het dan al donker is”.<br />
106
(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />
“Ik kan ook niet zonder auto. Gelijk nu als het koud is en ik moet naar Sint Pieters<br />
Leeuw naar mijn werk, dan begint dat al met een half uur stappen tot aan de<br />
bus en dan moet ik nog een overstap doen tot aan mijn werk. Awel, nu met de<br />
auto ben ik op 20 minuten van mijn werk en met de bus is dat minstens twee uur.”<br />
(Marleen 58 jaar Gooik)<br />
“We hebben een halte hier een kilometer van hier en dat is toch niet dichtbij, hé.<br />
Want ik ben ervan overtuigd dat als de halte dichterbij zou zijn dat we de bus<br />
meer zouden gebruiken. Allez, mijn dochters toch. Die hebben dat nooit echt<br />
willen doen. Het zijn ook meisjes hé en ze moeten hier dan toch langs een vrij<br />
verlaten baan tijdens de avond. Allez, de tweede heeft nog wel de bus<br />
genomen.”<br />
(Agnes 45 jaar Geel)<br />
“Neen, ik neem de bus hier niet. Ik zie dat niet zitten om nog zo ver te stappen,<br />
zeker niet als het regent. Ik neem wel soms de trein naar Antwerpen, maar dan<br />
zet mijn ma mij af aan het station.”<br />
(Lore 18 jaar Geel)<br />
De negatieve gevolgen van een te grote afstand tot een halte uiten zich het<br />
sterkst in een landelijk gebied. Volgende citaten koppelen de problematiek van<br />
de afstand tot een halte en de situatie in een landelijk gebied.<br />
“Ah ja, het is hier al een oudere bevolking en ze moeten dan al van ver komen<br />
om de bus te pakken en ja, ze komen dan niet. Ze gaan dan mee met iemand.<br />
Want ja, hier is eigenlijk niets hé. Geen post, geen bank, ge moet voor alles weg.<br />
Just nen beenhouwer en brood in een klein winkeltje waar ze zo een beetje van<br />
alles hebben.”<br />
(René 66 jaar Kortrijk)<br />
“Omgekeerd ook natuurlijk hé. De mensen geraken hier niet meer hé. In<br />
Bellegem is dat ook zo hé. Ge hebt er die op de plaats wonen en die hebben wel<br />
meer bussen. Maar we kennen wel veel mensen die veel te ver wonen van de<br />
bus. Maar ze hebben daar ook ne belbus hé. Mijn zus in Aalbeke die moet toch<br />
ook meer dan een kwartier stappen tot aan de bus. Ook aan de belbus. Ze moet<br />
daarvoor ook naar de plaats gaan.”<br />
(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
“Ik vind het openbaar vervoer allemaal niet zo gemakkelijk. Allez, niet zo direct<br />
qua uren of zo zenne. Maar stelt, we gaan graag ne keer naar de markt. Dan<br />
moeten we eerst ne kilometer stappen naar de bus. Dan de bus naar Leerbeek,<br />
daar moeten we overstappen op de bus naar Halle. Awel ge zijt een uur weg. Wij<br />
gaan daarom de zaterdag want anders moeten wij hier den donderdag te<br />
vroeg vertrekken en dan zitten we met al de schoolgaande kinderen op de bus.”<br />
(Madelein 74 jaar Gooik)<br />
107
De afstand tot een halte is voor heel wat mensen ongetwijfeld een belemmering<br />
om de bus te nemen, waardoor zij een gebrek aan verplaatsingsmogelijkheden<br />
ondervinden. Dat uit zich in bovenstaande gevallen voornamelijk op het vlak<br />
van persoonlijke vrijheid en het gebrek aan sociale contacten. In het kader van<br />
de projecten rond basismobiliteit en de opgenomen criteria voor de maximale<br />
afstand tot een bushalte kunnen we dan ook stellen dat het zeker een bijdrage<br />
levert tot het persoonlijke en sociaal welbevinden. In dit geval hebben we het<br />
echter in de eerste plaats over bushaltes in woonzones. Andere zones zoals<br />
industrie- en recreatieterreinen vallen niet onder deze criteria. Vandaar dat ook<br />
hier het belang van projecten als netmanagement een belangrijke bijkomstige<br />
bijdrage leveren aan het welbevinden van gebruikers. Voor ingang van deze<br />
projecten bleek immers van de totale oppervlakte bedrijventerreinen (met<br />
inbegrip van nabestemming bedrijventerreinen), voorzien in de gewestplannen<br />
slechts 49,5% binnen een afstand van 500 m over een halte te beschikken. Voor<br />
de overige 50,5% was de loopafstand groter dan 500 meter of ontbrak zelfs elk<br />
aanbod aan openbaar vervoer binnen een redelijke afstand.<br />
5.3. De frequentie en de amplitude van het aanbod<br />
De frequentie en de amplitude van het aanbod zijn de criteria in het decreet die<br />
bepalen hoeveel maal per dag men een bus kan nemen en vooral wanneer dat<br />
kan. Uiteraard zijn dat belangrijke elementen in het kader van het<br />
verplaatsingsgedrag en dus ook voor het welbevinden van gebruikers.<br />
In het decreet wordt duidelijk een onderscheid gemaakt tussen een aanbod<br />
tijdens ‘spitsuren’ en tijdens ‘daluren’. Tijdens spitsuren is het aanbod beduidend<br />
uitgebreider dan tijdens de daluren. In het vorige onderdeel wezen we echter<br />
op een vermijdingsgedrag tijdens deze piekuren omdat de bussen dan te vol<br />
zitten met schoolgaande kinderen. Men verkiest daarom een verplaatsing te<br />
maken buiten de spitsuren, maar men wordt dan wel geconfronteerd met het<br />
beperkte aanbod.<br />
“Gelijk naar de markt in Kortrijk met de bus kan ik niet. Allez ge moet dan de<br />
schoolbus pakken van kwart voor acht. En ge kunt pas om elf een half de bus<br />
terug pakken. Maar ja, ge zijt dan al van acht uur in Kortrijk. G kunt u wel een<br />
beetje bezighouden, maar dat is toch te lang hé. Drie uur op de markt dan kan ik<br />
niet.”<br />
(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
“De bus is ook niet altijd gemakkelijk hé. Als ik naar Bellegem of Rollegem moet,<br />
dan moet ik eerst met de bus naar Kortrijk en vandaar naar Rollegem. Maar dat is<br />
maar om de twee uur en dat is niet interessant.”<br />
(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
Eveneens in het kader van de beschikbaarheid in de tijd wordt het gebrek aan<br />
aanbod als hinderlijk gezien omdat men te lang moet wachten op een dienst<br />
die de persoon terug naar huis brengt. In sommige gevallen is de duurtijd van<br />
108
een bezoek aan een dienst (bvb. bank) gevoelig korter dan de intervaltijd tussen<br />
twee diensten.<br />
“Als ge dan naar de bank in Rollegem gaat hebt ge maar om de twee uren een<br />
bus. Wat zijt ge daar mee als ge juist naar de bank moet. Ge staat daar dan<br />
twee uren te wachten. Juste om naar de bank te gaan. Ge zijt daar op een half<br />
uur buiten en dan staat ge daar een uur en een half te kijken. Ge kunt daar niks<br />
anders doen hé. Dat gaat toch niet hé. Der zit daar ook niemand op. Ah ja ge zijt<br />
meer dan twee uur weg om naar Rollegem te gaan en ’t is hier 5 kilometer van.<br />
Ah ik ben veel rapper met de fiets en zekerst met de auto.”<br />
(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
“Voor boodschappen en zo zou ik nog liever de fiets pakken dan de bus. Met de<br />
bus ben je weer gebonden aan een tijd. Dan moet ge u spoeden en dan<br />
vergeet ge de helft van uw boodschappen. Of ge kunt een uur staan wachten.<br />
Dat is ook niet tof”<br />
(Willy 62 jaar Brasschaat)<br />
“(…). En de belbus is ook niet altijd goed hé. Ze moeten dan naar de bank of zo.<br />
Maar ja, dan zijn ze op 10 minuten buiten en dan staan ze daar. Ge moet dan<br />
ook maar uwen tijd passeren hé. Maar twee uur is lang zenne.”<br />
(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
Uit de interviews blijkt dat moeilijkheden met een beperkt aanbod zich<br />
voornamelijk voordoen tijdens de terugreis en dan in het bijzonder tijdens de<br />
avonduren, op zaterdag en zondag en/of verbinding en vanuit de stad naar de<br />
buitengebieden.<br />
“Ik had altijd een abonnement voor de Koningin Elisabethzaal, maar nu dat mijne<br />
man dood is gaat dat niet meer hé. ’Dat is erg hé. Ik doe dat zo graag<br />
concerten en cultuur. ‘s Avonds gaan we nu toch liever niet graag weg. Allez, ik<br />
ga graag weg, maar dat terugkeren. Dat is het probleem. Dat is lastig hé, met de<br />
fiets en de bus als het donker is. Dat doe ik niet graag. Zo twee dames in het<br />
donker. Daar heb ik schrik van. En nen taxi is direct duur hé.”<br />
(Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />
“Hetzelfde voor Flanders Expo, als ge daar de laatste tram kunt pakken, en soms<br />
moet ik daarvoor voor het einde weg, dan geraakt ge nog in Gent, maar niet<br />
meer in Merelbeke. Ik moet dus rekening houden met de laatste verbinding naar<br />
Merelbeke. En dan is het soms al niet meer de moeite om te gaan hé.”<br />
(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
“Ik reken dikwijls op vrienden om mij ergens op te pikken of mij ergens af te<br />
zetten. Ik zou de belbus niet kunnen gebruiken ook. Ik kan er misschien wel<br />
geraken, maar niet meer terug. Dat is veel keer na 23 uur gedaan en de<br />
vergadering eindigt niet op een vast uur.”<br />
(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />
109
“Wat mij bijvoorbeeld stoort is bij evenementen. Dan is er een groot vuurwerk den<br />
elven en dan kunt ge niet blijven want de laatste bus is den tienen. Ze zouden<br />
dan toch zoals in Gent met de Gentse Feesten op die dagen hun uren mogen<br />
aanpassen hé. Dan zou ik dat gebruiken, want ge kunt dan een pintje drinken en<br />
zo”<br />
(Peter 43 jaar Kortrijk)<br />
“Achter de vijven geraakt ge hier helemaal niet meer weg hé. En in de<br />
vakantiemaanden is het ook niet makkelijk. Dan vallen er nog twee bussen weg<br />
hé.”<br />
(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
Het gebrek aan verbindingen op de vrijetijdsuren heeft een duidelijke invloed op<br />
de mogelijkheden die men heeft om verplaatsingen te doen die we als<br />
‘belangrijk’ hebben bestempeld. Het gaat dan in de eerste plaats om<br />
verplaatsingen in functie van vrijetijdsactiviteiten. Maar ook voor ‘verplichte’<br />
verplaatsingen laat het aanbod de gebruiker soms in de steek.<br />
“Als ik om kwart voor zeven moet beginnen dan heb ik hier geen verbinding en<br />
als ik de late heb, dan heb ik om kwart na negen gedaan en dan kan ik ook niet<br />
met de bus terugkomen.”<br />
(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />
“Wat het ook is, als ze van Lembeek terugkomen dan hebben ze maar twee<br />
kansen om de bus te nemen. Als ze die missen, ja dan zitten ze vast hé. Dan<br />
bellen ze en dan moet ik ze gaan halen. Of mijne zoon die komt da al eens te<br />
voet af. Maar da’s ver hoor”<br />
(Marleen 58 jaar Gooik)<br />
Specifiek voor de belbus hebben we in vorige onderdelen gewezen op het<br />
belang van deze dienst voor de mobiliteit en dus ook het welbevinden van tal<br />
van individuen en bevolkingscategorieën. In tegenstelling tot ‘reguliere’<br />
verbindingen dient men de belbus bij voorbaat te reserveren, en dat zowel voor<br />
het gaan als voor het terugkeren. Vooral het terugkeren bleek voor<br />
verscheidene geïnterviewden erg lastig in te schatten.<br />
“Ik heb de belbus geprobeerd, maar ik heb geen vaste uren en als ge de belbus<br />
reserveert, ja dan zit je vast. En op een gegeven moment heb ik dan besloten om<br />
met de fiets of met de auto te gaan.”<br />
(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
“Vroeger was hier wel een lijnbus, maar nu is dat een belbus geworden. En de<br />
belbus houdt me wel wat tegen om te doen wat ik vroeger wel zou gedaan<br />
hebben. Ge weet nooit wanneer ge juist gedaan hebt en dan is dat moeilijk met<br />
de belbus hé.”<br />
(Jules 58 jaar Waasmunster)<br />
110
“Wat vreed ambetant is aan de belbus, dat is dat ge een uur moet zeggen hoe<br />
laat ge terug zijt. Allez, der kan al eens van alles gebeuren dat ge te laat zijt of. Al<br />
zeker als ge met de trein van Blankenberge komt, ge moet al overstappen in<br />
Brugge naar Kortrijk, en dan nog een bus moet nemen. Awel ja, als ge die mist…<br />
Wat dan? Ge kunt dan ook moeilijk een uur vroeger zeggen, want als alles wel<br />
juste verloopt dan staat ge daar een uur aan de Kinepolis. Da’s ni plezant hé.”<br />
(René 66 jaar Kortrijk)<br />
De belbus lijkt in dergelijke gevallen enerzijds bij te dragen tot het welbevinden<br />
omdat deze dienst de gebruiker toelaat om zich naar een bestemming te<br />
verplaatsen, maar speelt anderzijds weer in tegen het persoonlijke welbevinden,<br />
omdat men gebonden is aan één enkele verbinding om naar huis terug te<br />
keren. In andere gevallen zoals voor een bezoek aan de dokter is de duurtijd<br />
van het bezoek moeilijk of niet in te schatten en durft men geen afspraak te<br />
maken met de belbus.<br />
“Voor veel is den belbus gemakkelijk ook hé. Ge moet alleen de dag tevoren<br />
bellen en dan gaat da heel goed. Om terug te komen ook, alleen als ge niet<br />
goed weet wanneer ge terug moet zen, dan is dat lastig hé. Gelijk bij de dokter.”<br />
(Marian 81 jaar Geel)<br />
“Stel dat ge naar de dokter moet, ja dan gaat diene belbus daar ook niet staan<br />
wachten hé. En bij de dokter weet ge toch nooit om hoe laat ge daar buiten<br />
komt.”<br />
(Marian 81 jaar Geel)<br />
Het gebrek aan flexibiliteit vormt zeker een belemmering voor de gebruikers van<br />
deze dienst. Dat geldt niet enkel voor de terugreis, maar ook individuen met<br />
onvoorspelbare werktijden kunnen moeilijk gebruik maken van de belbus.<br />
“Als je niet juist weet om welk uur je de volgende dag moet beginnen, dan is de<br />
belbus niet makkelijk. Soms was ik te laat om te kunnen reserveren omdat ik mijn<br />
uurrooster pas laat had.”<br />
(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
Aansluitend bij deze tijdsgebonden aspecten van het aanbod, moeten we ook<br />
aandacht hebben voor de reistijd. Een beperkt aanbod aan openbaar vervoer<br />
heeft niet alleen een invloed op de momenten waarop men zich kan<br />
verplaatsen, maar ook dat de reistijd onredelijk lang dreigt te worden.<br />
“Ik neem ook de bus, maar de verbinding is soms wel erg. Eergisteren had ik om<br />
halfacht gedaan en ik was om negen uur thuis. Met de wagen is dat misschien 20<br />
minuutjes ofzo. Maar als ik mijn verbinding mis dan is het niet evident.”<br />
(Karen 30 jaar Waasmunster)<br />
“Mijne zoon die ging soms zelfs te voet van Leerbeek naar huis. Hij moest dan een<br />
uur wachten op de bus en dan kwam hij bijna vlugger te voet. Maar ja, ze doen<br />
dat een paar keer en dan doen ze dat niet meer. Dan blijven ze liever thuis.”<br />
(Marleen 58 jaar Gooik)<br />
111
5.4. De bruikbaarheid van haltes en voertuigen<br />
Met de fysieke bruikbaarheid van haltes en voertuigen komen vooral<br />
mindervaliden en ouderen als specifieke probleemgroepen in beeld. Het<br />
openbaar vervoer kunnen gebruiken is immers niet louter een kwestie van<br />
afstand tot de halte.<br />
Voor mindervaliden is de toegankelijkheid tot het openbaar vervoer erg beperkt.<br />
Om aan hun behoeften tegemoet te komen, moet de aandacht gaan naar<br />
individueel aangepast vervoer en bijkomende eisen op vlak van de<br />
toegankelijkheid van de infrastructuur van en naar de halte. Het gaat hier om<br />
voldoende brede voetpaden, verlaagde boordstenen van stoepen, rubberen<br />
tegels, hellende vlakken, beveiligde oversteken, enz.<br />
In de leeftijdsfase na 75 jaar worden gebruikers van het openbaar vervoer in<br />
vele gevallen geconfronteerd met toegankelijkheidsproblemen bij het gebruik<br />
van het openbaar vervoer. De individuele vaardigheden nemen af en men<br />
wordt geconfronteerd met fysieke belemmeringen.<br />
“Met mijn moeder, die is 74 jaar, gaat dat dan ook weer niet zo makkelijk met de<br />
tram. Zeker als er veel volk is op de tram naar de stad. Ze is dan niet zo goed te<br />
been en dan geraakt ze daar niet gemakkelijk op of af. Dat moet dan rap rap…<br />
(…)”<br />
(An 34 jaar Brasschaat)<br />
“Ik ging vroeger veel met de bus naar Kortrijk, nu minder want ik ben niet goed te<br />
been. Ik heb pijn in mijne rug en stappen gaat niet zo goed.”<br />
(Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
“Voor oudere mensen is het allemaal toch dat ni zé. Dat op- en afstappen, dat<br />
wachten… allez we zien dat nu mijn vrouw iets aan hare rug heeft. We pakken<br />
dan toch niet veel de bus hé. Het zijn die trappen die ambetant zijn. Ze moet dan<br />
opletten dat ze niet valt. Op den trein zijn die trappen nog hoger. Da zou nu niet<br />
gaan hé”<br />
(René 66 jaar Kortrijk)<br />
De toegankelijkheid van het openbaar vervoer voor ouderen is een belangrijk<br />
aspect voor het aanbod aan basismobiliteit. De bevolking wordt namelijk niet<br />
alleen steeds ouder, dankzij de uitstekende gezondheidszorg blijven steeds meer<br />
ouderen tot op hoge leeftijd zeer actief en kan men zeer lang zelfstandig blijven.<br />
Omdat men actief blijft, wil men ook zo lang mogelijk zelfstandig dat leven<br />
kunnen leiden. Verplaatsingen maken daar integraal deel van uit. In de<br />
beschrijving van de verplaatsingspatronen en –behoeften van deze groep<br />
stelden we reeds vast dat het gebruik van de wagen om verschillende redenen<br />
niet evident is. Het openbaar vervoer is voor deze groep veelal het belangrijkste,<br />
zoniet het enige verplaatsingsmiddel om actief aan de samenleving te kunnen<br />
participeren.<br />
112
“Mijn moeder is 80 jaar, maar die is nog goed bij haar verstand, maar haar benen<br />
willen niet mee. Ze neemt nog hier en daar de wagen, maar zolang gaat ze dat<br />
toch niet meer doen. Ze durft ook niet meer. Maar ja, ze geraakt niet meer op de<br />
bus en de chauffeur komt haar niet helpen om op- of af te stappen.”<br />
(Alain, 30 jaar Gooik)<br />
“Waar ik mij wel zorgen om maak is over een paar jaar. Ah ja, ne mens blijft<br />
natuurlijk niet goed hé. Der komt sowieso nen tijd dat stappen en u bewegen<br />
moeilijk wordt. Trouwens Lucien heeft soms last van zijn benen dan heeft hij het<br />
toch ook niet zo gemakkelijk om op en af te stappen.”<br />
(Madelein 74 jaar Gooik)<br />
Wanneer het openbaar vervoer moeilijk toegankelijk wordt voor ouderen, dan<br />
verliezen ze een belangrijke vorm van autonomie en dus ook van persoonlijk<br />
welbevinden. Bovendien zal men het gebruik van het openbaar vervoer ook<br />
meer gaan vermijden.<br />
“Mijn moeder heeft wel last om de tram te nemen. Met mij erbij lukt dat nog,<br />
maar alleen? Ze geraakt er moeilijk op en als ze eraf wil dan moet ze al goed bij<br />
voorbaat aan de uitgang gaan staan. Maar als hij dan stopt dan verliest ze haar<br />
evenwicht. Of als ze tijdens de rit moet rechtstaan dan moet ik ze tegenhouden.<br />
Alleen zou ze dus zeker niet de bus pakken. Ze weet ook niet goed hoe dat werkt.<br />
En als ze op de bus of de tram zit, dan zit ze precies in dromenland, dan let ze niet<br />
op.”<br />
(An 34 jaar Brasschaat)<br />
Naast het comfort op de bus wordt ook het comfort van een bushokje door tal<br />
van respondenten naar voor geschoven als een erg belangrijk aspect van het<br />
openbaar vervoer.<br />
“Richting Antwerpen staat er geen buskotje. Aan den andere kant wel. Wa<br />
maakt, als het regent gaat iedereen onder dat buskotje staan en als de bus<br />
afkomt, ge ziet die wel afkomen, dan steekt iedereen rap over hé”.<br />
(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“Die wachttijden zijn ook slecht voor de gezondheid van mijn schoonmoeder. Bij<br />
haar is geen bushoekje en in de winter en in de wind dan moet ze daar in de kou<br />
staan wachten. Ze heeft zo vorig jaar een bronchitis opgelopen. En voor een<br />
mens van 75 jaar is dat niet goed.”<br />
(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
“Vooral dat wachten is verschrikkelijk. Als je daar een half uur moet wachten in<br />
de regen. Als oudere mens is dat niet goed allemaal hé.”<br />
(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
De toegankelijkheid van het openbaar vervoer laat zich op verschillende<br />
niveaus voelen. Naast de instapmogelijkheden, gaat het ook om de zitplaatsen,<br />
de wachttijden en de beschutting tijdens dezelfde wachttijden.<br />
113
De toegankelijkheid van het collectief georganiseerde openbaar vervoer lijkt erg<br />
moeilijk voor gebruikers die door hun fysieke en mentale gesteldheid bijzondere<br />
zorgen behoeven. In dergelijke gevallen lijkt individueel aangepast vervoer of<br />
begeleiding quasi de enige mogelijkheid om ook voor deze personen een<br />
minimaal recht aan mobiliteit aan te bieden.<br />
“Maar het openbaar vervoer is natuurlijk niet voor iedereen zo makkelijk hé. Ik<br />
ben vrijwilliger op het OCMW en voor Caritas één of twee keer in de maand ga ik<br />
met die oudere mensen naar de stad. Dan gaan we daar iets drinken en een<br />
beetje wandelen. Alleen kunnen die mensen dat niet meer hé”.<br />
(Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
Op een veel lager niveau kan het welbevinden van gebruikers worden<br />
verhoogd door oog te hebben voor toegankelijkheidsproblemen van<br />
bijvoorbeeld ouders met kleine kinderen en hun kinderwagens.<br />
5.5. Conclusies deel 5<br />
In dit hoofdstuk hebben we de concrete criteria voor het aanbod aan<br />
openbaar vervoer in het kader van basismobiliteit afgewogen tegenover de<br />
noden en de behoeften van de gebruikers. In de voorgaande onderdelen<br />
konden we reeds vaststellen dat het welbevinden bij het gebruik van het<br />
openbaar vervoer sterk verschilt tussen verschillende leeftijdsgroepen en dat de<br />
eisen die men stelt bij een keuze voor het openbaar vervoer sterk gekleurd<br />
worden door een aantal individuele afwegingen. Vanuit dit perspectief stellen<br />
we vast dat de criteria voor het aanbod in het kader van basismobiliteit over het<br />
algemeen tegemoet komen aan de noden en de behoeften van de gebruikers.<br />
Dat betekent echter niet dat het aanbod of de invulling van de criteria waaraan<br />
het aanbod moet voldoen, ook volstaat in meer concrete gevallen en situaties.<br />
We stellen bijvoorbeeld vast dat het aanbod beperkt is voor verplaatsingen die<br />
buiten de week- en daguren vallen, dat het gebrek aan beschutting tijdens het<br />
wachten zowel een toegankelijkheids- als een gezondheidsproblematiek is en<br />
dat de rigiditeit van de belbus belemmerend werkt, vooral bij de terugreis.<br />
De ontegensprekelijke bijdrage van het aanbod aan basismobiliteit voor het<br />
welbevinden van de gebruikers kan met andere woorden op verschillende<br />
punten worden verbeterd.<br />
Een mobiliteitsbeleid moet echter niet alleen oog hebben voor huidige noden<br />
en behoeften. Voor een toekomstig beleid is het vooral belangrijk om oog te<br />
hebben voor een aantal maatschappelijke en demografische evoluties.<br />
Zo mag bijvoorbeeld op basis van de demografische ontwikkeling verwacht<br />
worden dat het aantal kwetsbare groepen in de samenleving verder zal<br />
toenemen. Het aandeel van 60+-ers zal bijvoorbeeld in 2015 met 4% gestegen<br />
zijn tegenover 2004. Het aandeel 80+ stijgt in dezelfde periode met 2%. Mochten<br />
deze percentages op zich weinig indruk maken, dan maken de absolute cijfers<br />
114
van deze evolutie de vergrijzing en de druk op de mobiliteitsproblematiek<br />
meteen duidelijk. Tegen 2015 zullen zich ongeveer 250.000 60 plussers meer willen<br />
verplaatsen dan in 2004. Ongeveer 100.000 onder hen zullen dan een leeftijd<br />
bereikt hebben van 80 jaar of meer en zullen dan mogelijk geconfronteerd<br />
worden met functionele beperkingen en dus bijkomende vereisten op het vlak<br />
van de toegankelijkheid. Maar het gaat uiteraard niet alleen om de<br />
hoogbejaarden in onze samenleving. Ook andere bevolkingsgroepen met<br />
functiebeperkingen (bijvoorbeeld (elektrische) rolstoelpatiënten) of ouders met<br />
kinderen en kinderwagens ondervinden hinder bij het gebruik van het openbaar<br />
vervoer.<br />
Ondanks de projecten rond basismobiliteit stellen we tevens vast dat buiten- of<br />
landelijke gebieden nog steeds problemen ondervinden bij hun verplaatsingen<br />
met het openbaar vervoer. Het beperkte aanbod, lange wachttijden, de<br />
afstand tot de halte, gepaard met een toenemende nood aan verplaatsingen<br />
voor commerciële en publieke diensten is nog steeds zeer actueel.<br />
115
6. Conclusies<br />
Wie wenst deel te nemen aan maatschappelijke activiteiten moet zich daarvoor<br />
in de meeste gevallen ook fysiek verplaatsen. Voor de modale Vlaming is dat<br />
een evidentie, maar niet voor iedere Vlaming is dat het geval. Voor<br />
verscheidene individuen en groepen zijn immers niet alle vervoersmiddelen<br />
toegankelijk en is het zich kunnen verplaatsen dus ook geen evidentie. Dat leidt<br />
ertoe dat ook de deelname aan maatschappelijke activiteiten voor hen niet zo<br />
voor de hand ligt en dat men dreigt af te rekenen met sociale isolatie. Voor<br />
burgers in dergelijke situatie spreken we van vervoersarmoede. (Meert, 2003)<br />
In een notedop was deze problematiek de politieke motivatie om in 2001 via<br />
decreet elke burger in <strong>Vlaanderen</strong> het recht op basismobiliteit toe te wijzen. Dat<br />
recht zou, volgens het decreet en de projectmatige uitvoering ervan iedere<br />
inwoner van een woonzone op een redelijke afstand van de woning een<br />
minimaal aanbod aan openbaar vervoer moeten aanbieden. Goed 5 jaar later<br />
en na de afronding van alle projecten rond basismobiliteit wordt ons de vraag<br />
gesteld om de sociale baten van deze projecten in kaart te brengen. We gingen<br />
deze interessante uitdaging aan en opteerden ervoor om ons hierbij te richten<br />
op het welbevinden van gebruikers van het openbaar vervoer in het algemeen<br />
en van het aanbod van De Lijn in het kader van basismobiliteit. Door deze<br />
invalshoek te hanteren, laten we alle mogelijk baten op macro-niveau buiten<br />
beschouwing. Het lijkt ons immers evident dat een toename van het gebruik van<br />
het openbaar vervoer een collectief effect genereert op maatschappelijke<br />
problematieken als verkeerscongestie, milieu, leefomgeving en dergelijke. Wat<br />
we op basis van deze studie niet hebben kunnen nagaan, is of het bezoek van<br />
openbare en commerciёle diensten zoals het bezoek aan ziekenhuizen,<br />
bibliotheken, gemeentehuizen, banken en dergelijke al dan niet is toegenomen<br />
door de invoering van de projecten rond basismobiliteit. Hierover zijn geen<br />
gegevens beschikbaar en om hierover uitspraken te doen is nood aan een<br />
kwantitatief onderzoek. Zodoende blijven ook de effecten of de sociale baten<br />
baten van basismobiliteit op het meso-niveau in deze studie buiten beeld.<br />
Door ons te richten op het welbevinden van gebruikers van het openbaar<br />
vervoer nemen we de kern van het decreet basismobiliteit onder de loep. In het<br />
decreet wordt immers elk individu het recht toegewezen op een minimaal<br />
aanbod aan openbaar vervoer. Het is dan ook dat individu waar onze interesse<br />
naar uit gaat. We willen concreet achterhalen welke bijdrage het aanbod van<br />
openbaar vervoer kan bieden aan het welbevinden van een gebruiker. We<br />
maken daarbij een onderscheid tussen het persoonlijke welbevinden of het<br />
gevoel van vrijheid, autonomie en onafhankelijkheid, het sociaal welbevinden of<br />
het gevoel deel uit te maken van de samenleving en het economisch<br />
welbevinden of de tevredenheid met de financiële situatie.<br />
Om van ‘de bevolking’ af te dalen naar het niveau van het individu zijn we in<br />
eerste instantie nagegaan wat de verplaatsingsbehoeften en -gedrag zijn van<br />
verschillende leeftijdsgroepen. Reduceren we het aantal verplaatsingsmotieven<br />
tot ‘verplichte’ (werk en onderwijs), ‘noodzakelijke’ (diensten en participatie) en<br />
116
‘belangrijke’ (vrije tijd) verplaatsingen dan stellen we niet alleen vast dat deze<br />
motieven doorheen de leeftijdsgroepen sterk variëren, maar dat dit ook geldt<br />
voor de voorkeuren voor bepaalde verplaatsingsmiddelen om deze<br />
verplaatsingen te maken. We onderscheiden op basis van de leeftijdsfasen<br />
enkele belangrijke scharniermomenten die belangrijk zijn voor het gebruik van<br />
het openbaar vervoer en dus ook voor het welbevinden dat dit genereert. Een<br />
eerste belangrijke leeftijd is 12 jaar. Met de overgang van het basisonderwijs<br />
naar het secundaire school vergroot de afstand naar de onderwijsinstelling en<br />
komt het openbaar vervoer uitdrukkelijk in beeld. Voor deze jongeren biedt het<br />
openbaar vervoer een grote bijdrage aan het welbevinden. Ondanks deze<br />
dagelijkse ‘verplichte’ verplaatsing leert men het openbaar vervoer kennen en<br />
kan men de behoefte aan vrijheid, autonomie en onafhankelijkheid verder<br />
ontwikkelen. De tweede belangrijke leeftijd is deze van de wettelijke<br />
volwassenheid. Vanaf de leeftijd van 18 jaar kan men een rijbewijs halen en kan<br />
men een wagen besturen en daar maakt men ook gretig gebruik van. Het<br />
openbaar vervoer dat jarenlang bijzonder belangrijk was om zich vrij te kunnen<br />
verplaatsen, wordt plotseling het prototype van onvrijheid. Dat gevoel zwengelt<br />
verder aan tijdens de levensfase die we als de drukke leeftijd omschrijven. Voor<br />
de werkende koppels, met kinderen en een actief vrijetijdspatroon is het gebruik<br />
van het openbaar vervoer nu niet meer alleen een verplaatsingsmiddel dat<br />
weinig vrijheid schenkt, maar het is bovendien tijdsverlies. Levend onder een<br />
voortdurende tijdsdruk is de reis- en wachttijd quasi het enige argument om het<br />
openbaar vervoer niet te gebruiken. Dat geldt dan weer niet voor momenten<br />
waarop men wil onthaasten en zich ontspannen. Het openbaar vervoer krijgt<br />
dan het status van een vervoersmiddel dat wordt ingezet om zich van de<br />
dagelijkse (verkeers)stress te ontlasten. Dat gedrag zet zich stelselmatig voort na<br />
de pensioenleeftijd en vanaf de leeftijd van 65 jaar en het ‘gratis-beleid’ voor<br />
deze leeftijdsgroep, wordt daar ook veelvuldig van gebruik gemaakt. Het<br />
openbaar vervoer levert dan opnieuw een zeer belangrijke bijdrage aan het<br />
welbevinden van de gebruikers. Doorheen de verschillende leeftijdsfasen neemt<br />
de bijdrage van het openbaar vervoer aan het persoonlijke, sociale en<br />
economische welbevinden eerst toe, dan weer af en dan weer toe. In de laatste<br />
levensfase wordt het openbaar vervoer quasi het enige vervoersmiddel waarop<br />
men zich kan beroepen, zonder afhankelijk te zijn van derden.<br />
In onderstaande tabel trachten we bovenstaande bevindingen samen te vatten<br />
en geven we voor verschillende leeftijdsgroepen een overzicht van het<br />
welbevinden of het sociaal effect dat het openbaar vervoer voor hen<br />
genereert.<br />
- 18 jaar 18 - 45 jaar 45 - 65 jaar + 65 jaar<br />
Verplichte verplaatsingen ++ +/- +/-<br />
Noodzakelijke verplaatsingen + - +/- ++<br />
Belangrijke verplaatsingen +/- -- +/- +<br />
117
De behoefte- en verplaatsingspatronen en de keuze voor het openbaar vervoer<br />
wordt verder ingekleurd op basis van een aantal criteria die voor een belangrijk<br />
gedeelte persoonlijk getint zijn. Net als voor het verplaatsingsgedrag van de<br />
verschillende leeftijdsgroepen gaan we daarbij uit van de ‘modale burger’. We<br />
gaan uit van een burger die voor zijn verplaatsingen de keuze heeft over alle<br />
mogelijke vervoersmiddelen ongeacht de kostprijs. Het enige wat de keuze voor<br />
een bepaald vervoersmiddel voor een bepaalde verplaatsing is tijd en<br />
persoonlijke motivatie. Zoals altijd het geval is met statistieken, verhult de modale<br />
burger de individuele kenmerken die ertoe leiden dat de eerdere vaststellingen<br />
sterk moeten gerelativeerd worden. Het is namelijk niet omdat burgers die zich in<br />
de drukke leeftijd bevinden slechts in zeer beperkte mate kiezen voor het<br />
openbaar vervoer, dat het voor sommigen in deze leeftijdsgroep niet een<br />
belangrijk zoniet het belangrijkste vervoersmiddel is om zich te verplaatsen.<br />
Grote meerderheden hebben door middel van cijfers en statistieken nogal de<br />
neiging om kleine minderheden in de samenleving onzichtbaar te maken.<br />
Uiteraard belichten we doorheen deze studie ook hun noden en behoeften op<br />
het vlak van verplaatsingen. In het kader van onze studie naar het welbevinden<br />
van gebruikers van het aanbod van basismobiliteit leek het ons echter<br />
aangewezen om ons in de eerste plaats te richten op de modale burger. Het<br />
spreekt immers voor zich dat een aanbod aan basismobiliteit aan individuen of<br />
groepen die zich anders niet kunnen verplaatsen een zeer positieve invloed<br />
heeft op hun welbevinden. Wanneer een individu of een gezin de keuze voor<br />
een verplaatsingsmiddel bijvoorbeeld laat afhangen van de kostprijs dan hoeft<br />
dat echter niet onmiddellijk het gevolg zijn van de precaire financiële situatie<br />
van dat individu of gezin. Het zijn deze eerder individuele invullingen van noden<br />
en behoeften ten aanzien van het openbaar vervoer die ons meer leren over de<br />
omstandigheden waarin het openbaar vervoer optimaal inspeelt op het<br />
welbevinden. We kunnen daaruit afleiden dat het openbaar vervoer gratis of<br />
goedkoop moet zijn, sneller moet gaan dan een verplaatsing met de wagen,<br />
moet aankomen en vertrekken wanneer de gebruiker dat wenst, een zitje moet<br />
bieden aan iedereen en rechtstreeks van A naar B moet rijden. Indien dat<br />
allemaal in veilige omstandigheden kan verlopen en als het weer nog wat mee<br />
zit, dan is het openbaar vervoer het ideale verplaatsingsmiddel. Uiteraard is dat<br />
een zeer ideaaltypisch en utopisch beeld van collectief georganiseerd vervoer<br />
en lijken deze eisen eerder voorbestmd voor een taxidienst dan voor het<br />
openbaar vervoer. En toch gaven tal van geïnterviewden aan dat het<br />
ideaaltype bijna mogelijk is en zelfs bestaat. Met name de kusttram en het<br />
openbaar vervoer van grote openbare parkings naar het centrum van de stad<br />
komen voor tal van geїnterviewden zeer dicht in de buurt van dat ideaaltype.<br />
Het spreekt voor zich dat het aanbod aan openbaar vervoer in het kader van<br />
basismobiliteit niet aan deze utopische wensen voldoet. Dat hoeft ook niet op<br />
grond van de decretale criteria en dat hoeft ook niet voor de gebruiker zelf. Dat<br />
betekent echter niet dat het bestaande aanbod voldoet aan alle noden en<br />
behoeften van alle burgers. Wat de verbindingen, de haltes en de<br />
dienstregeling betreft springen twee verbeterpunten sterk in het oog. We stellen<br />
namelijk vast dat vooral voor verplaatsingen die we als ‘belangrijk’ hebben<br />
omschreven of concreet verplaatsingen naar locatie in het kader van de vrije<br />
118
tijd erg moeizaam verlopen door middel van het openbaar vervoer. Dat heeft<br />
een rechtstreekse invloed op de mogelijkheden om deel te nemen aan<br />
culturele, sociale en sportieve activiteiten en heeft dus zijn weerslag op het<br />
welbevinden van de gebruiker. Ten dele hangt deze belemmering samen met<br />
de geografische context. De reeds veelvuldig onderzochte en beschreven<br />
mobiliteitsproblematiek in rurale gebieden kunnen we op basis van onze<br />
interviews met bewoners van deze gebieden enkel bevestigen. Zij moeten zich<br />
steeds verder verplaatsen om aan hun behoeften te voldoen en zij beschikken<br />
daarvoor over een zeer beperkt aanbod aan openbaar vervoer.<br />
Op uitzondering van deze specifieke situaties, kunnen we echter besluiten dat<br />
het reguliere aanbod van het openbaar vervoer en het bijzondere aanbod in<br />
het kader van basismobiliteit in algemene termen tegemoet komt aan de<br />
‘verplichte’ verplaatsingen naar het werk en de onderwijsinstelling en ook de<br />
‘noodzakelijke’ verplaatsingen naar commerciële en publieke diensten de<br />
noden en de behoeften van de ‘modale’ burger dekt. Dat geldt in mindere<br />
mate voor ‘belangrijke’ verplaatsingen in het kader van de vrije tijd of de<br />
participatie in het verenigingsleven, voornamelijk omdat ze niet worden bediend<br />
of omdat de dienstregeling te vroeg eindigt.<br />
De vraag die we ons daarbij kunnen stellen, is of deze beschrijving tegemoet<br />
komt aan de motieven van het decreet of dat juist de specifieke situaties waarin<br />
sprake is van vervoersarmoede de aandacht verdienen.<br />
119
Bibliografie<br />
Brouwer, W. H. (2000), Bejaarden in het verkeer. Verkeerssociologie en –<br />
psychologie, T.U. Delft.<br />
Brundtland, G.H. e.a. (1987), Our Common future, The World Commission on<br />
Environment and Development, Oxford Univerity Press, Oxford.<br />
CROW (2000), Nationaal kenniscentrum voor verkeer, vervoer en infrastructuur,<br />
Handboek ontwerpen voor kinderen, aanbevelingen voor een kindvriendelijke<br />
inrichting van de verblijfs- en verkeersruimte.<br />
De Lijn (2004), Spartacusplan. Concept Regionet Limburg. De Lijn Limburg.<br />
De Lijn (2006), Jaarverslag 2005. 15 jaar mobiliteit, De Lijn – Vlaamse<br />
Vervoersmaatschappij.<br />
DE WAKKERE BURGER i.s.m. VIBOSO (2001), Vervoersarmoede en basismobiliteit.<br />
Ter-Zake Cahier, november.<br />
Dupuis, S.L. & B.J. Smale (1995), An examination of the relationship between<br />
psycho-logical well-being and depression and leisure activity participation<br />
among older adults, Society and Leisure, 18 (1): 67-92.<br />
Durant, T.J.J. & C. Ollie (1990), Socio-economic predictors of alienation among<br />
elderly, International Journal of Aging and Human Development, 31 (3): 205-217.<br />
Elchardus, M., L. Huyse & M. Hooghe (2001), Het maatschappelijk middenveld in<br />
<strong>Vlaanderen</strong>. Een onderzoek naar de sociale constructie van democratisch<br />
burgerschap, Brussel, VUBPress.<br />
Elchardus, M. & W. Smits (2002), Anatomie en oorzaken van het wantrouwen.<br />
Brussel: VUBPress.<br />
Elchardus, M. & K. Pelleriaux (2003), Culturele en politieke gevolgen van de<br />
nieuwe sociale kwesties, pp. 63-96, in: Cantillon, B., Elchardus, M., Pestiau, P. & P.<br />
Van Parijs e.a. (red.) De nieuwe sociale kwesties. Antwerpen/Apeldoorn: Garant.<br />
Elchardus, M. & W. Smits (2003), Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos.<br />
Onveiligheidsgevoelens in <strong>Vlaanderen</strong>. 1998 – 2002, pp. 99-136, in: <strong>Vlaanderen</strong><br />
gepeild!, Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap/Administratie<br />
Planning en Statistiek.<br />
Elchardus, M. & S. De Groof (2005), Het maatschappelijk onbehagen van<br />
Vlaamse 75-jarigen, Tijdschrift voor Sociologie, XXX: pp. 209-239.<br />
120
Friedan, B. (1963), The Feminine Mystique, New York, W.W. Norton & Co.<br />
Herzog, A.R., Franks, M.M., Markus, H.D. & D. Holmberg (1998), Activities and wellbeing<br />
in older ages: Effects of self-concept and educational attainment,<br />
Psychology and Aging (13 (2): 179-185.<br />
Glorieux, I. (1995), Arbeid als zingever, Brussel: VUBPress.<br />
Kim, J.E. & P. Moen (2001), Moving into retirement: Preparation and transitions in<br />
late midlife, pp. 487-527, in: M.E. Lachman (ed.), Handbook of Midlife<br />
Development. New York: John Wiley & Sons.<br />
Lekky, J.R. (1993), Activity and aging. Staying involved in later life. Newbury Park,<br />
California; Sage.<br />
Meert, H. (2003), Maken we vooruitgang in de bestrijding van vervoersarmoede<br />
in <strong>Vlaanderen</strong>?, tekst voorgesteld op het Voortgangscongres (2 juni 2003),<br />
Hasselt.<br />
Meert H., M. Bourgeois, K. Van Hoof en T. Asperges (2003), Immobiel op het<br />
Vlaamse platteland. Omtrent rurale vervoersarmoede in <strong>Vlaanderen</strong>. Brussel:<br />
Koning Boudewijnstichting.<br />
Mirowsky, J. (1995), Age and the sense of control, Social Psychology Quaterly, 58<br />
(1): 31-43.<br />
Mobiliteitscel (2001), Mobiliteitsplan <strong>Vlaanderen</strong>. Naar een duurzame mobiliteit in<br />
<strong>Vlaanderen</strong>, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu<br />
en Infrastructuur.<br />
Mobiliteitscel (2003), Mobiliteitsplan <strong>Vlaanderen</strong>. Beleidsvoornemens, versie<br />
oktober 2003.<br />
Moens, M. (2004), Handelen onder druk. Tijd en tijdsdruk in <strong>Vlaanderen</strong>, Tijdschrift<br />
voor Sociologie 25 (4): 383 - 416.<br />
OECD (1996), “Towards Sustainable Transportation”, - The Vancouver Principles<br />
for Sustainable Transport, OECD Vancouver Conference.<br />
OECD (2001), Ageing and transport. Mobility Needs and Safety Issues,<br />
Organization for Economic Co-operation and Development, Paris, OECD-<br />
Publications.<br />
Ping-Kwong, K. (2003), Powerlessness of older people in Hong Kong: A political<br />
economy analysis, Journal of Aging and Social Policy, 15 (4): 81-111.<br />
121
Putnam, R. (2000), Bowling Alone. New York: Simon & Schuster.<br />
Schlieman, S. (2001), Age, education, and the sense of control, Research on<br />
Aging 23(2): 153-178.<br />
SERV (2000), Advies over het voorontwerp van decreet betreffende de<br />
organisatie van het bezoldigd personenvervoer over de weg (19/01/2000),<br />
Brussel. (http://www.serv.be/publicaties/146.pdf)<br />
Smit, J. (1967), Het onbehagen bij de vrouw, De Gids, 130 ( 9/10): pp. 267-281<br />
Steels, A. (2001), Het decreet basismobiliteit doorgelicht, in: Cahier (november<br />
2001), Terzake: Vervoersarmoede en basimobiliteit.<br />
Stevaert, S. (1999), Beleidsnota 1999-2004: Mobiliteit en Openbare Werken,<br />
Vlaams Minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie, Vlaamse Regering.<br />
(http://jsp.vlaamsparlement.be/docs/stukken/1999-2000/g164-1.pdf)<br />
Van Brempt, K. (2004), Beleidsnota 2004-2009: Mobiliteit, Vlaams Minister van<br />
Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen, Vlaamse Regering.<br />
(http://publicaties.vlaanderen.be/docfolder/24/Beleidsnota_mobiliteit_2004_200<br />
9.pdf)<br />
Vanneste, D. (2001), Vrouwelijke bewoners van de stad en hun woonsituatie,<br />
aanzet tot debat met betrekking tot publiek stedelijk ruimtegebruik, Oikos 17,<br />
p.49.<br />
van Schagen, I. (2000), Psychologische ontwikkelingen en kennis in relatie tot<br />
verkeersongevallen, , Verkeerssociologie en – psychologie, T.U. Delft, Faculteit<br />
Civiele Techniek en Geowetenschappen.<br />
Verté, D. & I. Ponjaert-Kristoffersen (2001), Depressieve syndromen bij ouderen,<br />
Antenne: 49-52.<br />
Vlaamse regering (1999), Een nieuw project voor <strong>Vlaanderen</strong>, Regeerakkoord<br />
voor de legislatuur 1999 – 2004 van de Vlaamse Regering.<br />
(http://www2.vlaanderen.be/ned/sites/regeerakkoord/1999_2004/regeerakkoor<br />
d.pdf)<br />
Vlaamse Regering (2004), Vertrouwen geven, verantwoordelijkheid nemen,<br />
Regeerakkoord voor de legislatuur 2004 – 2009 van de Vlaamse Regering.<br />
(http://www2.vlaanderen.be/ned/sites/regeerakkoord/vlaamsregeerakkoord200<br />
4.pdf)<br />
Vogel, J. (2002), Ageing and living conditions of the elderly: Sweden 1980-1988,<br />
Social Indicators, 59: 1-34.<br />
122
Warner, B.D. & P.W. Rountree (1997), Local social ties in a community and crime<br />
model: Questioning the systemic nature of informal social control, Social<br />
Problems 44 (4): 520-536.<br />
123
BIJLAGE 1: Kwalitatief onderzoek in <strong>Vlaanderen</strong><br />
1. Opzet kwalitatief onderzoek<br />
Om een beeld te krijgen van de wijze waarop het openbaar vervoer in het<br />
algemeen en het aanbod in functie van basismobiliteit in het bijzonder een<br />
plaats krijgt in het verplaatsingsgedrag van de Vlaming, werden een 40-tal<br />
mensen bij hen thuis bezocht. Tijdens ons bezoek hebben we de respondenten<br />
vragen gesteld over hun verplaatsingspatroon, hun mobiliteitsbehoeften en de<br />
gebruikte vervoersmiddelen voor deze verschillende verplaatsingen.<br />
De respondenten werden niet op louter toevallige wijze gekozen. In functie van<br />
het onderzoekskader werden in eerste instantie een aantal gebieden<br />
geselecteerd. In samenwerking met De Lijn werden 4 gebieden geselecteerd<br />
waar in de afgelopen jaren basismobiliteit werd ingevoerd. De selectie van de<br />
gebieden gebeurde op basis van volgende criteria:<br />
- Positie op de prioriteitenlijst<br />
- Geografische ligging<br />
De positie op de prioriteitenlijst is een belangrijk gegeven aangezien we kunnen<br />
veronderstellen dat gebieden die het minst gedekt zijn door de Lijn de meeste<br />
behoefte hadden aan basismobiliteit. De geografische ligging is belangrijk<br />
omdat we een invloed verwachten van de graad van verstedelijking op de<br />
behoefte aan basismobiliteit. Omdat uit de literatuurstudie bleek dat zich grote<br />
verschillen vertonen op het vlak van mobiliteit tussen verschillende doelgroepen<br />
werden voor elk van de gebieden volgende groepen onderscheiden:<br />
- Schoolgaande jongeren<br />
o 6 tot 12 jaar<br />
o 12 tot 18 jaar<br />
- Volwassenen<br />
o Tewerkgesteld<br />
o Niet tewerkgesteld<br />
- Ouderen<br />
o Gepensioneerden (55 tot 65 jaar)<br />
o Gepensioneerden (65 jaar en ouder)<br />
Op basis van deze criteria werden Kortrijk en Waasmunster gekozen als<br />
gebieden waar de normen van basismobiliteit pas recentelijk werden omgezet<br />
in een aanbod van de Lijn en de gebieden Gooik en Geel waar het aanbod<br />
van de Lijn in functie van basismobiliteit al enkele jaren geleden werd ingevoerd.<br />
Daarnaast wilden we ook een gesprek voeren met Vlamingen die in een gebied<br />
wonen waar nauwelijks een aanbod is van openbaar vervoer, en waar ook<br />
geen basismobiliteit werd ingevoerd. Bewoners van zones waar geen<br />
basismobiliteit voorzien is, zijn echter schaars. Volgens de laatste gegevens wordt<br />
124
meer dan 90% van het Vlaamse grondgebied door de Lijn gedekt. Binnen de<br />
resterende 10% bevinden zich bovendien niet echt dichtbevolkte woonzones.<br />
In samenwerking met de Lijn waren deze gebieden wel gemakkelijk te<br />
detecteren. Omdat de keuze beperkt was, werden 2 gebieden geselecteerd op<br />
grond van hun geografische ligging, in casu de verstedelijkingsgraad. Op basis<br />
van deze criteria werden Brasschaat en Merelbeke geselecteerd voor de<br />
gesprekken met inwoners. Ook in deze gebieden werden de verschillende<br />
doelgroepen weerhouden en werden gesprekken gehouden met:<br />
- Schoolgaande jongeren<br />
o 6 tot 12 jaar<br />
o 12 tot 18 jaar<br />
- Volwassenen<br />
o Tewerkgesteld<br />
o Niet tewerkgesteld<br />
- Ouderen<br />
o Gepensioneerden (55 tot 65 jaar)<br />
o Gepensioneerden (65 jaar en ouder)<br />
De respondenten werden op basis van bovenstaande criteria gerekruteerd<br />
volgens volgend schema:<br />
Tewerkgestelde<br />
Niettewerkgestelde<br />
(55 jaar en jonger)<br />
Gepensioneerde<br />
(55 tot 65 jaar)<br />
Gepensioneerde<br />
(65 jaar en ouder)<br />
Jongeren<br />
(6 tot 12 jaar)<br />
Zones zonder BM<br />
Brasschaat<br />
Merelbeke<br />
1<br />
1<br />
1<br />
1<br />
1<br />
1<br />
1<br />
1<br />
1<br />
1<br />
1<br />
1<br />
Zones met BM Kortrijk 1 1 1 1 1 1<br />
(lage prioriteit) Waasmunster 1 1 1 1 1 1<br />
Zones met BM Gooik 1 1 1 1 1 1<br />
(hoge prioriteit) Geel 1 1 1 1 1 1<br />
Jongeren<br />
(12 tot 18 jaar)<br />
Voor de gebieden Brasschaat en Merelbeke (dus zonder basismobiliteit) werd bij<br />
de rekrutering de bijkomende voorwaarde gesteld dat de gecontacteerde<br />
inwoners wel degelijk in een gebied wonen waar geen aanbod van de Lijn<br />
(binnen de normen van basismobiliteit) aanwezig is. De Lijn leverde ons daarvoor<br />
een lijst met straten die niet door de Lijn werden bediend. Alle geïnterviewde<br />
respondenten moesten bijgevolg woonachtig zijn in één van de volgende<br />
straten:<br />
125
Merelbeke:<br />
• Rietweg, Geraardsbergse voetweg, Roskamstraat (kruispunt),<br />
Lembergsesteenweg (aan Jezuïetenwegel), Leonce Volckaertsdreef,<br />
Motsenstraat (tss LVdreef en Hundelgemsesteenweg), Meierij + klein deel van<br />
Pilaarstraat, Torrekensstraat (tss Hundelgemsesteenweg en Ruspoel), deel<br />
Bosstraat, (aan Hundelgemsesteenweg), Hundelgemsesteenweg tot en met<br />
kruispunt, Koningin Astridlaan Boterhoekstraat (kruispunt met Makkegemstraat)<br />
Brasschaat:<br />
• Baillet Latourlei, Frilinglei, Miksebaan, Pauwelslei, St-Jobsesteenweg, Bevrijdingslei,<br />
Essensteenweg<br />
Voor de zones waar basismobiliteit wel werd ingevoerd, was de bijkomende<br />
voorwaarde dat de respondent effectief gebruik moest maken van het<br />
openbaar vervoer, zowel belbus als bijkomende reguliere lijnen. Voor deze zones<br />
werden mensen geselecteerd die in één van de volgende straten woonachtig<br />
zijn:<br />
Gooik<br />
(Oetingen)<br />
• Bontestraat, Viergatenstraat, Kasteelstraat, Gracht, Kerk, Hazelaarsstraat,<br />
Vollezelestraat, Lenniksestraat<br />
(Leerbeek)<br />
• Kerkveldstraat, Kwadebeekstraat, Brusselstraat, Winnepennickxstraat, Kattestraat,<br />
Stationstraat, Havilandstraat, Burgemeester De Leenerstraat<br />
(Lieferinge)<br />
• Vreckom, Kasseide, Lieferingeplaats, Muntstraat<br />
Geel<br />
• Elsum, Valckenborg, Turnhoutsesteenweg, Waaiburg, Gasthuisstraat, Badstraat,<br />
Aardseweg, Bel, Eindhoutseweg, Retieseweg, Mosselgoren, Koning Albertstraat,<br />
Doornboomstraat, Winkelom, Olenseweg, Larumsebrugweg, Winkelomseheide,<br />
Scheplakens, Diestseweg, Doelenstraat, Rauwelkoven, Oosterloseweg,<br />
Eksterstraat, Lammerdries, Dokter Van de Perres, Kemmeldijk, Poiel, Logen,<br />
Holven, Heistraat, Voort, Lebonstraat, Heuvel, Velveken, Larum<br />
Waasmunster<br />
(Heide)<br />
• Lucien Reychlerstraat, Heidekapelstraat, Fortenstraat, Ommegangsdreef, Lode<br />
Ontropdreef, Oudeheerweg, Lodewijck Mortelmanstraat, Kleemstraat, Koning<br />
Astridstraat, Lentelaan<br />
(Ruiter)<br />
• Sousbeekstraat, Sijpstraat, Podtsmeulen, Oudeheerweg Ruiter, Groenselstraat,<br />
Lange veldstraat<br />
(Pattoterij)<br />
• Pattoterij(straat), Schoonhoudtstraat, Maretak, Bollewijk<br />
126
Kortrijk<br />
(Heestert)<br />
• Bonte Os, Dokkestraat, Kwadestraat, Vierkeerstraat, Molenstraat, Lindebos,<br />
Snoekstraat, Kasselrijstraat, Zavelstraat<br />
(Kooigem)<br />
• Molentjesstraat, Ten Walledreef, Hoogplaatsstraat, Koninklijkestraat,<br />
Kazernestraat, Graaf d’Hulststraat, Kooigemsestraat<br />
(Spiere)<br />
• Sint Amandswijk, Hellestraat, Helstraat, Luitenant Robecijnplein, Lagestraat,<br />
Veldstraat, Godshuisstraat<br />
(Helkijn)<br />
• Kerkstraat, Brugstraat, Elleboogstraat, Waterkeer, Baljuwstraat, Vinkenstraat,<br />
Nachtegaalstraat, Lijsterstraat, Stationstraat, Kasteeldreef<br />
Tijdens de bezoeken aan de respondenten waren in verscheidene gevallen ook<br />
andere leden van het gezin aanwezig. Deze leden werden eveneens<br />
uitgenodigd om deel te nemen aan het interview, waardoor het aantal<br />
respondenten dat effectief werd bevraagd, ver boven het vooropgestelde<br />
aantal interviews uitsteeg. In totaal werden volgens bovenstaand schema 47<br />
mensen geïnterviewd over hun verplaatsingsgedrag en de gebruikte<br />
vervoersmiddelen voor de verschillende doeleinden.<br />
Zones zonder BM<br />
Zones met BM<br />
(lage prioriteit)<br />
Zones met BM<br />
(hoge prioriteit)<br />
Tewerkgestelde<br />
Niet-tewerkgestelde<br />
(55 jaar en jonger)<br />
Gepensioneerde<br />
(55 tot 65 jaar)<br />
Gepensioneerde<br />
(65 jaar en ouder)<br />
Jongeren<br />
(6 tot 12 jaar)<br />
127<br />
Jongeren<br />
(12 tot 18 jaar)<br />
Brasschaat<br />
Leo<br />
An<br />
Petra Willy Louisa Cathy Steffi<br />
Merelbeke<br />
Nancy<br />
Bart<br />
Lies<br />
Simona<br />
André<br />
Jaak Pol Vic Seb<br />
Kortrijk<br />
Peter<br />
Sofie<br />
Erik<br />
Ignace<br />
Tony Hilde<br />
Bernie<br />
René<br />
Anja Stien<br />
Karen Betty Jules Gie Iris Nele<br />
Waasmunster Elke<br />
Gooik<br />
Sonja<br />
Alain<br />
Nathalie<br />
Valerie<br />
Janine<br />
Madelein<br />
Lucien<br />
Sander Joly<br />
Geel Agnes Sabine Willy Marjan - Lore
2. Profielen van de respondenten<br />
Om de gebruikte citaten in hun context te kunnen plaatsen, laten we de lezer<br />
graag kennismaken met de personen achter de citaten. Om de anonimiteit van<br />
de respondenten te bewaken, maken we gebruik van fictieve namen. Alle<br />
andere gegevens van de bevraagde personen (leeftijd, geslacht,<br />
gezinssamenstelling, woonplaats,…) stemmen wel overeen met de reële situatie<br />
van de respondent.<br />
Brasschaat<br />
Steffi (V)<br />
Steffi is 17 jaar en is woonachtig in de Baillet-Latourlei in Brasschaat. Tijdens de<br />
week zit ze op internaat in Brugge. In het weekend woont ze thuis met haar<br />
ouders en haar oudere tweelingbroers en twee jongere broers. Ze beschikt niet<br />
over een bushalte binnen de 750 meter van haar woonplaats. Ze maakt<br />
regelmatig gebruik van het openbaar vervoer, zowel om wekelijks naar school te<br />
gaan(met bus en trein) als in de vrije tijd om naar de stad te gaan of met<br />
vrienden weg te gaan (bus en trein). De dichtstbijzijnde bushalte is aan het<br />
gemeentehuis van Brasschaat, ongeveer 2 kilometer van haar huis. Ze gaat er<br />
naar toe met de fiets of met de bromfiets. Kleinere verplaatsingen (bezoek<br />
vrienden, weggaan in Brasschaat) doet ze eveneens met de fiets of met de<br />
bromfiets. Naar de stad (Antwerpen) gaat ze niet met de bromfiets omdat het<br />
maar 25 km/uur doet en het veel te lang zou duren. Echt uitgaan naar de stad<br />
doet ze in het opgaan met de bus, maar terugkomen doet ze samen met haar<br />
vrienden met een taxi. Naar de zee of andere uitstapjes met de familie<br />
gebeuren met de wagen.<br />
“Een belbus zou wel handig zijn. Vooral als het slecht weer is, moet ik dan niet zo<br />
ver gaan naar het gemeentehuis. Maar ik mis het niet” (Steffi; 17 jaar,<br />
Brasschaat)<br />
“Het openbaar vervoer is leuk, omdat iemand anders u anders altijd moet<br />
brengen. En met een groep is het ook plezant. Al mijn vrienden zijn ook maar 16<br />
of 17 jaar en we hebben dus geen auto” (Steffi; 17 jaar, Brasschaat)<br />
“Met de brommer kan je veel makkelijker zeggen “Ik kom!”. Met de fiets is het<br />
altijd een beetje onzeker. Als het echt slecht weer is of zo, en ik moet met de fiets<br />
gaan of met de bus dan… ja, dan… Met de bus zou het ook wel gaan.” (Steffi;<br />
17 jaar, Brasschaat)<br />
“Als je met de bus gaat is het wel belangrijk om bij voorbaat goed te kijken hoe<br />
laat hij komt. Zo staan wachten is niet tof. Daarom is de tram in Antwerpen heel<br />
handig. Om de 10 minuutjes is er ene” (Steffi; 17 jaar, Brasschaat)<br />
128
Louisa (V)<br />
Louisa is 74 jaar en woont in de Baillet-Latourlei in Brasschaat. Ze is sinds twee jaar<br />
weduwe en ze woont samen met haar mindervalide dochter van 28 jaar. Sinds<br />
de dood van haar man kan ze geen beroep meer doen op een wagen. Ze<br />
heeft wel een rijbewijs, maar nu durft ze niet meer rijden. Haar verplaatsingen<br />
maakt ze nu met de fiets en met de bus. De dichtstbijzijnde bushalte is echter<br />
aan het gemeentehuis van Brasschaat op zo’n kleine 2 kilometer afstand. Ze kan<br />
ook wel gebruik maken van een bushalte op de Bredabaan (op iets meer dan 1<br />
kilometer van thuis), maar daar durft ze haar fiets niet achterlaten.Kleine<br />
boodschappen gebeuren met de fiets, maar nu heeft ze een kwetsuur aan de<br />
knie en dat gaat niet meer zo makkelijk. Als ze nog wat ouder wordt of zich<br />
moeilijk kan verplaatsen dan zal ze haar huis moeten verkopen en dichter in het<br />
centrum moeten gaan wonen. In haar woongebied is wel een buurtbus, maar ze<br />
weet niet wat ze daarmee kan doen. Haar inwonende invalide dochter gaat<br />
altijd met haar mee. Ze durft zelf niet alleen buiten. Ze kan ook wel en beroep<br />
doen op haar dochter die in de buurt woont, maar dat doet ze niet graag.<br />
“Sinds mijne man dood is kunnen wij ons niet meer makkelijk verplaatsen. Wij<br />
hadden ne grote Citroën en wij gingen daarmee overal naartoe, maar ik durf<br />
niet meer rijden. Ik mocht van mijne man ook niet rijden met de nieuwe Citroën.<br />
En nu durf ik niet meer. Nu doen we alles met fiets of met de bus en als we naar<br />
de Stad gaan en daarna de tram tot op Meir” (Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />
“Om naar de bus te gaan moeten we wel eerst met de fiets. Maar in de winter<br />
zie ik dat niet zo zitten…” (Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />
“Het is toch belangrijk dat je je fiets ergens veilig kan achterlaten. Aan het<br />
gemeentehuis kan je gebruik maken van de parking van het warenhuis en dat is<br />
toch veiliger dan aan de Bredabaan” (Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />
“Mijn dochter woont wel in de buurt en als het echt niet anders kan dan doet zij<br />
ons weg, maar eigenlijk vraag ik dat liever niet. Ze werkt ook en ze heeft<br />
kinderen en heeft het al druk genoeg. Zo lang het gaat met de fiets, gaat het<br />
hé” (Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />
“Ik had altijd een abonnement voor de Koningin Elisabethzaal, maar nu dat<br />
mijne man dood is gaat dat niet meer hé. ’Dat is erg hé. Ik doe dat zo graag<br />
concerten en cultuur. ‘s Avonds gaan we nu toch liever niet graag weg. Allez, ik<br />
ga graag weg, maar dat terugkeren. Dat is het probleem. Dat is lastig hé, met<br />
de fiets en de bus als het donker is. Dat doe ik niet graag. Zo twee dames in het<br />
donker. Daar heb ik schrik van. En nen taxi is direct duur hé.” (Louisa, 74 jaar<br />
Brasschaat)<br />
“Grote boodschappen zijn een probleem. Dan moet je altijd iemand<br />
aanspreken. Ik heb nu een vriendin, die woont aan het Rivierenhof. Ze is ook<br />
haar man verloren, maar ze kan wel met de auto rijden en dan gaan we samen<br />
naar de winkel.” (Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />
129
“Grote afstanden zijn een probleem hé. Naar Brussel gaan ofzo. We zeggen<br />
allang om eens naar de zee te gaan. Maar we zien echt op tegen de moeite.”<br />
(Louisa, 74 jaar Brasschaat)<br />
“Ik begin nu wat last te krijgen van mijn knie en ja, als ik dan niet meer met de<br />
fiets naar de bus kan met mijn dochter, dan weet ik het niet. Waarschijnlijk moet<br />
ik dan wat dichter bij de stad gaqn wonen.” (Louisa, 74 jaar, Brasschaat)<br />
Willy (M)<br />
Willy is 62 jaar en woont in de Bevrijdingslei in Brasschaat. Hij is sinds enkele jaren<br />
gepensioneerd en is getrouwd. Zijn vrouw werkt nog en hij heeft veel vrije tijd.<br />
Hun zoon van 24 jaar is al enkele jaren het huis uit.<br />
Hij neemt regelmatig de bus. In de buurt waar hij woont, rijdt een buurtbus 4 of 5<br />
maal per dag, maar niet in het weekend. Deze is gratis en wordt ingericht door<br />
de gemeente Brasschaat in samenwerking met de Lijn. De buurtbus verbindt de<br />
verschillende wijken in Brasschaat met de Bredabaan. Hij neemt wekelijks de<br />
buurtbus om naar de fitness te gaan. Nu hij op pensioen is heeft hij veel tijd en<br />
heeft hij besloten om het rustig aan te doen. Eerst beginnen fietsen, maar na<br />
een ongeluk, is het fitness geworden. Naar de stad neemt hij ook de tram. Het<br />
gezin beschikt over twee wagens, maar nu hij op pensioen is en wat meer tijd<br />
heeft en heeft kunnen kennismaken met het openbaar vervoer, wordt de<br />
wagen meer en meer thuis gelaten. Files en parkeermoeilijkheden en dan de<br />
stress die daar bij komt kijken zijn de belangrijkste argumenten om voor het<br />
openbaar vervoer te kiezen. Zelfs om naar de zee te gaan. Daar wordt de<br />
wagen toch niet gebruikt.<br />
Willy gebruikt dus het openbaar vervoer als het gemakkelijk is. Boodschappen,<br />
naar de markt gaan en zo, met veel gesleur worden met de wagen gedaan.<br />
Uitgaan doen ze niet veel, maar als ze naar Night of the Proms gaan dan wordt<br />
de tram genomen.<br />
“Ik pak 1 keer per week de buurtbus. Dat is gratis en is hier op 750 meter van. En<br />
dan ga ik naar de fitness. Dat is 45 minuten. Pas op met de fiets is het maar 20<br />
minuten, maar het is gemakkelijk en ik heb tijd genoeg.” (Willy 62 jaar<br />
Brasschaat)<br />
“De tram naar de stad is ook gemakkelijk. Anders altijd die miserie met parkeren.<br />
Ge kunt opstappen en afstappen waar je wilt. Als ge hoort van al die files<br />
aldaar” (Willy 62 jaar Brasschaat)<br />
“Toen ik werkte was ik alle dagen op de baan en nam ik zelden of nooit de bus.<br />
Maar nu ben ik daar ingerold en bus ik vrij veel Als ge de bus pakt, moet ge<br />
zeggen’ ik heb tijd’.” (Willy 62 jaar Brasschaat)<br />
130
“Het moet wel makkelijk zijn. Bijvoorbeeld de tram naar de stad of aan de kust of<br />
de trein naar de kust. Als ge te veel moet overstappen of als ge niet weet waar<br />
en zo dan is het niet plezant. Dan neem ik de auto.” (Willy 62 jaar Brasschaat)<br />
“Wat mij stoort is dat je niet weet hoeveel een rit gaat kosten. De prijs van zo’n rit<br />
dat is precies zo een beetje “à la tête du client”. Als ik hier een ticket pak dan<br />
heb ik in principe een uur tijd om dat op te gebruiken. Maar kom ik dan in de<br />
stad en ge stapt op de bus en ge steekt dat erin, dan moet ge terug<br />
herbeginnen. Dat snap ik niet. Ge rijdt toch de zone stad in. Ik vind dat dat slecht<br />
aangeduid is.” (Willy 62 jaar Brasschaat)<br />
“Naar de markt gaan we met de auto. We doen wel is graag, maar met al dat<br />
gesleur enzo. ’s Avonds ook. We zijn wel geen uitgaanders maar als we ‘s avonds<br />
ne keer weggaan dan nemen we de auto. Behalve naar het Sportpaleis. Dat is<br />
daar ook weer niet gemakkelijk om te parkeren. Dan pakken we beter de tram<br />
vanuit Merksem. Naar Night of the Proms ofzo, dan zijn er extra bussen.” (Willy 62<br />
jaar Brasschaat)<br />
“De veiligheid, daar zouden ze misschien wel iets aan mogen doen. Als ge hier<br />
de bus pakt (in Brasschaat) of de tram in Merksem, dat is echt een groot<br />
verschil…” (Willy 62 jaar Brasschaat)<br />
“Het buurtbusje is echt een heel goed initiatief. Mensen kunnen naar de kliniek,<br />
kunnen hier gemakkelijk weg. Echt heel goed. Het zijn wel altijd dezelfde die<br />
erop zitten. Ik en twee anderen. Altijd dezelfde Behalve op maandag als het<br />
markt is. Dan zit het vol.” (Willy 62 jaar Brasschaat)<br />
“Pas op ik zou niet zonder auto kunnen. Als je die zou wegdenken dan zouden<br />
we wel een probleem hebben .Dan moet ik terug de fiets pakken.” (Willy 62 jaar<br />
Brasschaat)<br />
“Voor boodschappen en zo zou ik nog liever de fiets pakken dan de bus. Met de<br />
bus ben je weer gebonden aan een tijd. Dan moet ge u spoeden en dan<br />
vergeet ge de helft van uw boodschappen. Of ge kunt een uur staan wachten.<br />
Dat is ook niet tof” (Willy 62 jaar Brasschaat)<br />
Leo (M)<br />
Leo is 59 jaar en woont in Brasschaat op de Sint-Jobsesteenweg. Hij is bediende<br />
bij de bank in het centrum van Antwerpen. Hij is gehuwd en zijn echtgenote is<br />
huisvrouw. De dichtstbijzijnde bushalte is op ongeveer 750 meter van zijn<br />
voordeur op het kruispunt met de Bredabaan. Hij gaat dagelijks werken met de<br />
motorfiets, behalve wanneer het regent, sneeuwt of vriest. Dan neemt hij de bus,<br />
want dan wil zijn vrouw niet dat hij met de motorfiets gaat. Hij opteert resoluut<br />
voor de motor omdat hij op die manier het snelst op zijn werk is en ook terug<br />
thuis. Met het openbaar vervoer, met een regulier aanbod van de Lijn, gaat<br />
beduidend minder snel, want dan moet hij nog wel een stukje te voet gaan. En<br />
131
natuurlijk staat de bus ook regelmatig in de file. De motorfiets is dan ook het<br />
beste vervoermiddel om naar het werk te gaan.<br />
Als het slecht weer is dan neemt hij dus de bus. Hij heeft de keuze tussen een<br />
snelbus en een gewone dienst. Hij verkiest de snelbus, ondermeer omdat deze<br />
op de pechstrook mag rijden, maar helaas staat de bus meestal voor zijn deur al<br />
stil. In zijn buurt rijdt ook een buurtbus, maar deze heeft hij nog nooit gebruikt.<br />
Naast de motorfiets beschikt het gezin ook over een auto die tijdens de dag ter<br />
beschikking staat van de vrouw. Met een wagen en een motorfiets voorhanden,<br />
gebruikt hij dus enkel het openbaar vervoer bij slecht weer en enkel om naar het<br />
werk te gaan.<br />
Het gezin heeft drie kinderen die allemaal het huis uit zijn. Ze wonen niet zo ver<br />
van de ouderlijke woonst, maar er is volgens Leo geen enkele reden om het<br />
openbaar vervoer te nemen om de kinderen een bezoek te brengen.<br />
Leo en zijn vrouw zijn duidelijk gesteld op hun gemak en dan weegt het<br />
openbaar vervoer niet op tegen de luxe en het comfort van de wagen.<br />
“Met de motor doe ik er maximaal een half uur op, met de bus van deur tot deur<br />
een uur. Dat is toch veel verschil hé. Onderweg zijn heeft weinig zin. In het<br />
opgaan is dat minder belangrijk want ik heb glij-uren.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“Ik rijd eigenlijk alleen maar met de motor om naar het werk te gaan. Gewoon<br />
om snel naar en van het werk te zijn. In het weekend of zo gebruik ik de motor<br />
niet. Zo graag doe ik dat niet, maar voor het werk is dat het beste.” (Leo 59 jaar<br />
Brasschaat)<br />
“Met de motorfiets kan ik trouwens ook makkelijk parkeren. Met de auto zou ik<br />
dat niet zo makkelijk kunnen.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“Als het regent neem ik de bus, dat is een afspraak met mijn vrouw, maar dan zit<br />
je daar natuurlijk niet alleen op hé. Het is eigenlijk veel aangenamer om in goed<br />
weer de bus te nemen dan als het regent. En de bus stopt natuurlijk ook niet voor<br />
de deur van mijn werk. Ik moet dan een 10 minuten te voet gaan en… het<br />
regent natuurlijk.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“Als ik de bus moet pakken dan zorg ik er wel voor dat ik niet met al de<br />
schoolkinderen op de bus zit. Da’s ni plezant. Ge kunt niet zitten, want die<br />
mannen laten u niet zitten zenne, er is veel lawaai. Allez, ik pak de snelbus van 17<br />
uur en dan zijn ze al grotendeels weg.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“Op vakantiedagen de bus pakken, da’s een droom. Dan is er geen verkeer en<br />
dan ben ik op 20 minuten op mijn werk. Dan kan ik ni rapper zijn met de motor. “<br />
(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“Mijn vrouw doet de boodschappen want zij is overdag thuis, ze is huismoeder.<br />
Maar ze doet dat met de auto. Met de bus is dat niet gemakkelijk hé, da’s ni<br />
praktisch. En den auto staat hier… Ook niet met de uren. Nu, als mijn vrouw<br />
denkt ‘Oei k’em da of da nodig’dan springt ze in den auto en ze is erachter. Met<br />
de bus gaat dat zomaar ni” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
132
“Met de bus zijt ge wel gebonden hé. Als ik ’s morgens nog goesting heb om<br />
een taske koffie te drinken, als ik met de motor ga da’s mijn keuze. Met de bus<br />
moet ik natuurlijk rekening houden met de uren. Als ik hem mis, ja dan moet ik de<br />
volgende pakken. Da’s maar 20 minuten maar da’s ook 20 minuten later op het<br />
werk hé.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“Pas op, we hebben hier dan nog de buurtbus hé. Maar daar ken ik de uren niet<br />
van. Da’s een goed initiatief hé, maar ik heb die nog nooit moeten pakken.”<br />
(Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“We gaan ni zoveel weg. Al ne keer naar de cinema. En dat zou gaan met de<br />
bus en de tram, met wat overstappen, maar den auto is dan toch veel en veel<br />
gemakkelijker hé. We gaan naar de Metropolis en daar is een grote parking en<br />
na de film springt ge in uwen auto en ge zijt weg. Met de bus is dat toch al een<br />
gans ander verhaal. Ik weet nu niet waar de bushalte daar is, maar ge zult toch<br />
al minstens de parking moeten oversteken. En het is dan ook donker hé… “ (Leo<br />
59 jaar Brasschaat)<br />
“Het is mijn vrouw haar taak om de maandag de kinderen van mijn dochter te<br />
gaan halen van school. En dan gaat ze ermee naar mijn dochter om te<br />
wachten tot zij thuis is. Maar ja dat is met de auto hé. Ik zie niet in hoe ze dat met<br />
het openbaar vervoer allemaal zou moeten doen.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“Ik zeg het, het is allemaal te doen met de bus, maar ’t is ni gemakkelijk. Maar ja,<br />
als het verder gaat zoals nu, dan wordt de auto wel kostelijk natuurlijk. Aan de<br />
prijs van de diesel. Al moet ge de bus ook betalen natuurlijk. Enfin, ik ben lid van<br />
de gezinsbond…” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“Naar de zee gaan we ook met de auto. In de zomer doen we dat al eens. Als<br />
het goed weer is, dan pak ik een dag congé en dan springen we in den auto en<br />
rijden we naar de zee. Want pas op, ge moet alles mee hebben hé. Want hier is<br />
het goe weer, maar aan de kust kan het waaien hé. Dan zie ik mij ni met alles op<br />
de trien zitten. Dan is het ook ni meer plezant hé.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“Als we al eens naar de stad gaan, dan pakken we de tram hé. Allez, ’t is te<br />
zeggen we rijden tot in Merksem naar de ‘Park en Ride’ en daar pakken we den<br />
tram recht naar ’t Centrum. Tegen dat ge parking gevonden hebt in stad, zijt ge<br />
veel gemakkelijker met de tram.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“Als ik gepensioneerd ben, en ik heb tijd dan zou ik overdag wel eens de bus of<br />
den tram durven pakken. Overdag hé. s’ Avonds zou ik den auto pakken. Neen,<br />
s’ avonds het openbaar vervoer nemen is minder aangenaam vind ik.” (Leo 59<br />
jaar Brasschaat)<br />
133
“De prijs van het openbaar vervoer kan natuurlijk altijd goedkoper, maar iemand<br />
moet het betalen natuurlijk. Maar als ik kan zitten dan vind ik de prijs van het<br />
openbaar vervoer wel redelijk. Als ik moet rechtstaan, dan… Pas op, ik betaal<br />
een verminderd tarief hé, want tegen de volle pot. Dan zit te toch direct aan 2<br />
euro heen en nog eens zoveel terug. Dat is toch ni voor niets hé. Natuurlijk als ge<br />
het vergelijkt met een auto.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“Mijn kinderen zijn altijd wel met de bus gegaan. Toen ze klein waren dan gingen<br />
ze natuurlijk hier in de buurt. Maar dan naar het college met de fiets of met de<br />
bus, als het slecht weer was. En mijn dochter die is dan efkes hier naar de univ<br />
geweest in stad. Dan ging ze altijd met de bus.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
“Richting Antwerpen staat er geen buskotje. Aan den andere kant wel. Wa<br />
maakt, als het regent gaat iedereen onder dat buskotje staan en als de bus<br />
afkomt, ge ziet die wel afkomen, dan steekt iedereen rap over hé”. (Leo 59 jaar<br />
Brasschaat)<br />
“Wat dat ik wel vind is dat de bus tijdens de piekuren overvol zit. Dan is er<br />
absoluut geen plaats om te zitten, wat ik eigenlijk niet kunnen vind. Ge moet<br />
even veel betalen voor een zitplaats en dan kunt ge niet zitten. Maar, kom ’s<br />
ochtend en ’s avonds zit em bomvol en dan natuurlijk een uur later rijdt em leeg<br />
natuurlijk. Ik weet ni of ze daar iets kunnen aan doen, maar logisch vind ik da<br />
nie.” (Leo 59 jaar Brasschaat)<br />
Cathy (V)<br />
Cathy is 11 jaar en woont op de Sint-Jobsesteenweg in Brasschaat. Ze woont<br />
samen met haar moeder An, die als arbeidster werkt in het strijkatelier, haar<br />
vader die als zelfstandig elektrieker werkt en haar jonger broertje van enkele<br />
maanden. Ze wonen op iets meer dan 750 meter van een bushalte, ongeveer 5<br />
minuutjes stappen. Ze neemt graag de bus, maar mag pas volgend jaar alleen<br />
de bus neen als ze naar de secundaire school gaat. Nu gaat ze soms met haar<br />
moeder op bezoek bij de grootmoeder met de bus. Als ze tijd hebben dan doen<br />
ze dat als vorm van uitstapje.<br />
“Ik ga graag met de bus naar oma. Meestal gaan we wel met de auto of soms<br />
met de fiets. Maar met de bus is plezant. Dat is eens iets ander.” (Cathy 11 jaar<br />
Brasschaat)<br />
“Als we de bus nemen, gaan we altijd eerst gaan kijken naar het uur. De dag<br />
ervoor ofzo. Zeker als het regent is het niet plezant om te wachten. Er is geen<br />
afdakje en als de bus dan te laat is ofzo.” (Cathy 11 jaar Brasschaat)<br />
“Alleen heb ik de bus nog niet genomen, maar misschien vanaf volgend jaar als<br />
ik naar een andere school moet, mag ik de bus nemen.” (Cathy 11 jaar<br />
Brasschaat)<br />
134
“Nu ga ik hier naar school aan de kerk. Mijn papa brengt mij ’s morgens met de<br />
camionette. “(Cathy 11 jaar Brasschaat)<br />
“Ik doe paardrijden, maar dat is in de velden in een klein straatje en daar rijdt<br />
geen bus. Dus dat gaat niet, mijn papa of mama brengt mij dan.” (Cathy 11 jaar<br />
Brasschaat)<br />
“Ik vind de bus wel plezant. Dat is anders dan met de auto. Om zo wat rond te<br />
rijden of zoals we naar de zoo zijn geweest. Dat was wel plezant.” (Cathy 11 jaar<br />
Brasschaat)<br />
“Soms is de trein ook niet plezant. Zoals we met school naar Walibi gegaan zijn<br />
met de trein. We zijn dan tegen 12 uur aangekomen en dan kregen we drie<br />
uurtjes en dan moesten we al terug. Met mama en papa zijn we deze zomer met<br />
de wagen geweest en dat was veel sneller.” (Cathy 11 jaar Brasschaat)<br />
An (V)<br />
An is de moeder van Cathy en is 34 jaar. Ze werkt als arbeidster in het strijkatelier<br />
en is gehuwd. Samen met haar man, die als zelfstandige werkt hebben ze twee<br />
kinderen, een dochter van 11 jaar, Cathy en een zoontje van enkele maanden.<br />
Samen wonen ze op de Sint-Jobsesteenweg in Brasschaat. De dichtstbijzijnde<br />
bushalte ligt op iets minder dan 1 kilometer van hun deur.<br />
Het gezin gebruikt zelden het openbaar vervoer. Soms, heel soms nemen ze het<br />
openbaar vervoer om naar de stad te gaan. In het gezin is een camionette en<br />
een wagen voorhanden. De camionette wordt tijdens de dag gebruikt door de<br />
echtgenoot, de wagen kan ze altijd gebruiken.<br />
Het gemak van de wagen wordt nu nog groter, nu is er een baby van enkele<br />
maanden in het gezin is bijgekomen en het gesleur met babyspullen zoals de<br />
maxi cosi maken het gebruik van het openbaar vervoer onaantrekkelijk maakt.<br />
Ook heel soms gaat ze samen met haar dochter met de bus op bezoek bij haar<br />
moeder. Het gebeurt wel eens dat ze dan alledrie naar de stad gaan met de<br />
tram, maar haar moeder die 74 jaar is en slechtte been is, heeft erg veel moeite<br />
om de tram te nemen. Ze geraakt moeilijk op de tram en als ze eraf wil moet ze<br />
al gaan klaar staan aan de uitgang en als hij dan stopt dan verliest ze haar<br />
evenwicht.<br />
Ondanks haar eigen gevoel dat ze weinig het openbaar vervoer neemt, komt bij<br />
An het openbaar vervoer toch veel in beeld. Bijna voor alle verplaatsingen die<br />
ze maakt, naar haar moeder, naar de stad, in de vrije tijd heeft ze het openbaar<br />
vervoer al eens uitgeprobeerd. Soms met succes en voor herhaling vatbaar,<br />
soms ook niet.<br />
“Basismobiliteit dat is voor mij het dagelijks vervoermiddel dat ge gebruikt om<br />
ergens te geraken om u te verplaatsen” (An 34 jaar Brasschaat)<br />
135
“Soms ga ik met mijn dochter naar mijn moeder met de bus. Die woont in<br />
Wuustwezel en dan is dat een uitstapke. Maar zoveel gebeurt dat niet. Maar<br />
men dochter doet dat wel graag. Het is meer een attractie eigenlijk.” (An 34 jaar<br />
Brasschaat)<br />
“Maar we moeten tijd hebben. Anders gaat dat niet hé de bus. Met de auto<br />
kunt ge vertrekken wanneer ge wilt. Van de bussen weet ik de uren niet. Het zou<br />
misschien praktisch zijn om zo’n boekske in huis te hebben met de uren.<br />
Misschien dat ik dan rapper met de bus zou gaan. Maar nu weet ik dat niet als<br />
we van plan zijn om met de bus een uitstapke te doen dan ga ik eerst kijken.<br />
Anders staat ge daar een halfuur te wachten.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />
“We nemen ook soms de trein om naar Gent ofzo te gaan. Dan eerst met de bus<br />
en de tram naar het station en dan met de trein. Maar dat is toch altijd zoeken<br />
hé, als ge dat niet gewoon zijt. We waren dan verkeerd afgestapt en dan<br />
hebben mensen van de Lijn ons moeten helpen anders waren we er nog niet<br />
geraakt.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />
“Ik denk niet dat we nog eens met de bus naar het sportpaleis zullen gaan. Mijne<br />
man vond dat niet zo’n prettige ervaring. We zeiden tegen elkaar ‘kom, laat ons<br />
met het openbaar vervoer gaan’. Het was zo’n speciale actie van de Lijn. Eerst<br />
hebben we al twee bussen moeten laten doorgaan omdat ze vol waren en<br />
uiteindelijk hebben we er bijna twee uur over gedaan om terug thuis te<br />
geraken” (An 34 jaar Brasschaat)<br />
“We zijn is naar Plopsaland geweest met de trein. Dat was ook een schoon<br />
verhaal. Eerst moesten we de bus nemen naar het station. Dan nog eens<br />
overstappen. We zijn echt lang onderweg geweest. Ik denk meer dan drie uur.<br />
Neen, dat gaan we niet meer doen. De volgende keer gaan we met de auto.<br />
Want goedkoop was dat niet hé. Zeker met het ganse gezin. Met uwe auto voelt<br />
ge dat zo niet.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />
“Sinds ik de kleinste heb, ben ik wel nog niet met de bus gegaan. Met die maxi<br />
cosi en zo. Eigenlijk zie ik dat niet zitten. Allez, ik weet het niet. Dat neemt toch<br />
veel plaats. En ge hebt geen handen meer vrij hé.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />
“Met de wagen gaat dat wel met al die babyspullen. Maar als ik naar mijn<br />
moeder ga, dan stop ik nog rap efkes aan de winkel voor het een of het ander.”<br />
(An 34 jaar Brasschaat)<br />
“Met mijn moeder, die is 74 jaar, gaat dat dan ook weer niet zo makkelijk met de<br />
tram. Zeker als er veel volk is op de tram naar de stad. Ze is dan niet zo goed te<br />
been en dan geraakt ze daar niet gemakkelijk op of af. Dat moet dan rap rap…<br />
Stel u voor ik met mijn maxi-cosi en mijn moeder. Dat zie ik nog niet zo rap<br />
gebeuren.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />
136
“Vanaf volgend jaar als ze naar een andere school gaat, dan zie ik dat wel<br />
zitten dat ze de bus neemt. Ze kan hier opstappen en aan de school terug<br />
afstappen. Maar voor iets anders niet. Ze heeft daar ook geen reden voor. Ze is<br />
nog maar 11 jaar hé. En we brengen ze wel als ze ergens moet zijn.” (An 34 jaar<br />
Brasschaat)<br />
“Ja, we kiezen haar volgende school waarschijnlijk wel op basis van het<br />
openbaar vervoer. Dat is de reden waarvoor ze volgend jaar waarschijnlijk daar<br />
zal gaan. Moest ze naar Kalmthout gaan, dan zou dat al een pak moeilijker zijn.”<br />
(An 34 jaar Brasschaat)<br />
“Ze (dochter 11 jaar) kan wel al aan het bushokje lezen om hoe laat de bus<br />
vertrekt enzo, maar overstappen, dat denk ik niet dat het al makkelijk zou<br />
lukken.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />
“Als we naar linkeroever gaan, dan nemen we ook de tram. Dan zetten we onze<br />
auto aan de Carrefour daar is ne ‘Park en Ride’ en dan pakken we de tram. Dan<br />
moet ge geen parking betalen en zo. Dat is wel gemakkelijk.” (An 34 jaar<br />
Brasschaat)<br />
“Boodschappen doe ik zeker niet met het openbaar vervoer. Iets klein haal ik<br />
met de wagen als ik de dochter ga halen of zo en grote boodschappen, dat<br />
doen we de zaterdag met de wagen. Voor een gezin van vier heb je veel nodig<br />
op een week.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />
“Moest ik nu geen wagen hier staan hebben, dan zou ik moeten met het<br />
openbaar vervoer gaan natuurlijk… dat zou een probleem zijn. Ik zou niet veel<br />
meer buiten komen denk ik. Ik zou niet meer weg kunnen… Dat pakt toch uw<br />
bewegingsvrijheid weg.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />
“Pas op, eigenlijk vind ik het te gevaarlijk om onze dochter met de fiets naar<br />
school te laten gaan. Dan zet ik ze nog liever af aan het bushokje en dat ze van<br />
daar het de bus naar school gaat. Ook hier in de buurt. We wonen hier dicht bij<br />
de Bredabaan en als ze naar vriendjes gaat of naar de cattechese dan zet ik<br />
haar liever af met de wagen dan dat ze met de fiets gaat. ” (An 34 jaar<br />
Brasschaat)<br />
“Mij moeder heeft wel last om de tram te nemen. Met mij erbij lukt dat nog,<br />
maar alleen? Ze geraakt er moeilijk op en als ze eraf wil dan moet ze al goed bij<br />
voorbaat aan de uitgang gaan staan. Maar als hij dan stopt dan verliest ze haar<br />
evenwicht. Of als ze tijdens de rit moet rechtstaan dan moet ik ze tegenhouden.<br />
Alleen zou ze dus zeker niet de bus pakken. Ze weet ook niet goed hoe dat<br />
werkt. En als ze op de bus of de tram zit, dan zit ze precies in dromenland, dan<br />
let ze niet op.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />
137
“Ze zouden beter een ingang en een uitgang hebben op de bus of de tram.<br />
Zoals voor mijn moeder, bij het opstappen en afstappen is het altijd zo’n gedrum<br />
en als er dan mensen direct opstappen, dan kan mijn moeder er niet meer op<br />
tijd uit.” (An 34 jaar Brasschaat)<br />
“Ik probeer de wagen wel wat thuis te houden. Laat ons zeggen dat ik hem zo<br />
om de twee dagen eens gebruik. Ik probeer ook mijn boodschappen zo wat te<br />
regelen dat ik niet elke dag weg moet. Dat lukt niet altijd, maar kom ik vind dat<br />
toch beter, voor de kosten en voor het milieu en zo. Als het niet moet, dan moet<br />
het niet hé.“ (An 34 jaar Brasschaat)<br />
Petra (V)<br />
Petra is een 44 jarige huisvrouw. Ze woont in Brasschaat in de Frilinglei samen met<br />
haar echtgenoot (een zelfstandig bankier) en haar twee zonen van 17 en 11 jaar<br />
en 1 dochter van 15 jaar. Ze heeft een bushalte op ongeveer 500 meter van<br />
haar deur en ze gebruikt een tweetal keer per maand de bus om eens naar de<br />
stad te gaan, naar het Rooseveldplein. Van aan de Carrefour in Merksem neemt<br />
ze ook soms de tram naar de Groenplaats. Ze beschikken slechts over één<br />
wagen en Petra gebruikt dus regelmatig het openbaar vervoer om zich te ver<br />
plaatsen. Ook de kinderen gebruiken het openbaar vervoer maar een paar<br />
verplaatsingen zoals naar de schoonmoeder (Schoten) en naar de bioscoop<br />
(Metropolis) zijn te omslachtig. De kinderen worden gestimuleerd om het<br />
openbaar vervoer te gebruiken, maar ze is erg op haar hoede voor de veiligheid<br />
van de kinderen. Zo wil ze liever niet dat ze ’s avonds de bus nemen.<br />
“Basismobiliteit is de mobiliteit die iemand aangeboden krijgt om ergens naar<br />
toe te gaan. Zowel van de fiets tot bus, taxi en alles wat te maken heeft met<br />
vervoer.” (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
“Zo’n twee keer per maand neem ik de bus naar het centrum om te shoppen of<br />
om bepaalde boodschappen te doen. Soms naar een museum….”(Petra 44 jaar<br />
Brasschaat)<br />
“Ik vind de parkeerplaatsen veel te duur in Antwerpen en ook de benzine<br />
natuurlijk. Gisteren stond in de gazet dat hij weer duurder zal worden. Vandaar<br />
dat ik de laatste tijd ook de fiets wat meer neem. Ook al om een beetje gezond<br />
te blijven. Maar naar de stad is dat een beetje ver natuurlijk.” (Petra 44 jaar<br />
Brasschaat)<br />
“Ik vind wel dat de verbinding met Metropolis niet goed is. Voor de kinderen is<br />
dat wel ambetant. Ze moeten al eerst naar Ekeren te voet. En dan zijn ze er al<br />
bijna. Dan gaan ze meestal ook maar met de fiets.” (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
138
“Ook naar mijn schoonmoeder is het moeilijk om met het openbaar vervoer te<br />
gaan. Ze woont in Schoten en ze is 75 jaar. En er is geen goede verbinding, twee<br />
keer overstappen en zo. Allez, dat mens kan dat niet meer. Dat is heel spijtig,<br />
want ze heeft geen rijbewijs. Van hier is er eigenlijk niks die kant op.” (Petra 44<br />
jaar Brasschaat)<br />
“Mijn schoonvader is ook nog eens hulpbehoevend, dus kan mijn schoonmoeder<br />
niet te lang van thuis zijn. Ze gaat naar de tandarts naar Sint Niklaas, eerst met<br />
de bus en dan met de trein, awel ze is rapper in Sint Niklaas dan naar hier. Ze<br />
komt dus bijna nooit naar hier, hé.” (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
“Die wachttijden zijn ook slecht voor de gezondheid van mijn schoonmoeder. Bij<br />
haar is geen bushoekje en in de winter en in de wind dan moet ze daar in de<br />
kou staan wachten. Ze heeft zo vorig jaar een bronchitis opgelopen. En voor een<br />
mens van 75 jaar is dat niet goed.” (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
“Mijn moeder zelf ook, die is 75 jaar en dat is nog een heel flinke en die heeft<br />
alleen het openbaar vervoer, ze kan niet rijden. Ze wil geen taxi pakken want<br />
dat is veel te duur en ze wil mij niet bellen want ze wil zelfstandig zijn, niet<br />
afhankelijk. Maar zo in de kou staan wachten, bij haar is ook geen buskotje. Ze<br />
kan die uren van de bus ook niet zo goed lezen,… Ze rijdt dan wel gratis, maar<br />
dat is net alles hé.” (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
“Boodschappen doe ik met de wagen. Ik ga graag naar de markt. In Kapellen<br />
en zo. Maar met de bus zie ik dat niet zo zitten, want ge zit dan toch met veel<br />
gerief en dan is het ambetant om te wachten op de bus en dan dat gesleur op<br />
de bus. Ik zie ook soms vrouwen met een buggy of zo op de bus. Ik zou dat niet<br />
graag doen hoor. “ (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
“We zijn ook met vijf thuis, dus als ik boodschappen doe dan is dat ook altijd<br />
veel. Ik heb wel zo’n karretje, maar dat is dan toch zwaar.” (Petra 44 jaar<br />
Brasschaat)<br />
“Toen ik een ongeluk had en niet met de wagen kon rijden moest ik alles met de<br />
bus doen. En dan sta je met je krukken op de bus, maar de mensen staan niet<br />
op zo hoor. En dat is echt niet te doen, met krukken op de bus.” (Petra 44 jaar<br />
Brasschaat)<br />
“Naar het museum overdag in de stad doe ik wel met de bus. Dat vind ik<br />
plezant, je kan dan goed babbelen op de bus en met mijn dochters naar het<br />
museum is echt tof. “ (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
“Soms ga ik eens shoppen naar Merksem en dan ga ik met de bus. Maar dat is<br />
dan als uitstapje” (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
“De kinderen nemen al eens de trein naar Gent of naar de zee als het goed<br />
weer is. Maar ja, het is ook weer niet zo goedkoop hé.” (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
139
“Mijn kinderen zijn alleen met de bus mogen gaan, allez dan wel in groep hé, als<br />
ze naar het humaniora zijn gegaan. Een jaar of 12 dus.” (Petra 44 jaar<br />
Brasschaat)<br />
“Zo veilig is de bus ook niet hé. Ge moet wel oppassen. Mijne zoon is eens zijn<br />
portefeuille gestolen, hij was dan 14 jaar of zo. Maar in zo’n situaties zijn dat nog<br />
kinderen hé. Zo veilig is dat dus niet hé. Voor kleine kinderen vind ik dat niet<br />
kunnen.” (Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
“Ik vind het belangrijk dat ze op school de kinderen goed informeren over het<br />
gebruik van het openbaar vervoer. Ze doen dat nu en dat vind ik goed. Dan<br />
promoten ze het openbaar vervoer ook hé. Dat is goed voor het milieu en zo.”<br />
(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
“Voor culturele activiteiten ’s avonds nemen we altijd de wagen. En de kinderen<br />
nemen een taxi. Dan gaan ze met een hele groep en dan delen ze de kosten.<br />
Ze gaan liever met de taxi dan met de bus. Een beetje uit veiligheid. Ze voelen<br />
zich niet zo goed op de bus ’s avonds. En trouwens de laatste bus is om<br />
middernacht ofzo en ja… dan begint het nog maar pas voor die mannen.”<br />
(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
“Wat ik niet vind kunnen is dat al die bussen op de Rooseveldplaats hun motor<br />
zo laten draaien. Ze zijn altijd zo bezig over het milieu enzo, maar daar staan al<br />
die bussen met draaiende motoren. Dat kan toch niet. Dat is niet gezond, hé”<br />
(Petra 44 jaar Brasschaat)<br />
Ignace (M) en Betty (V)<br />
Ignace is een 53 jarige bediende bij de bank. Hij woont samen met zijn vrouw,<br />
die huisvrouw is, in de Groenselstraat in Waasmunster. Ze hebben twee zonen die<br />
het huis verlaten hebben. Op dit ogenblik is hij op ziekteverlof. Bij het interview is<br />
ook zijn vrouw van 45 jaar aanwezig. Ze beschikken over één wagen. In de buurt<br />
waar ze wonen kunnen ze beroep doen op een belbus. De dichtstbijzijnde<br />
aansluiting op een reguliere lijn ligt ook maar op een 800 meter van hun woonst.<br />
Ze beschikken over twee wagen. Betty heeft dan ook altijd een wagen ter<br />
beschikking. In hun vrije tijd gaan ze graag naar Antwerpen, om te gaan<br />
wandelen en dan maken ze gebruik van de Park & Ride om hun wagen achter<br />
te laten en met de tram het centrum in te trekken. De belangrijkste reden is het<br />
vinden van parkeerplaats. Sinds Ignace het laatste jaar met de trein naar<br />
Antwerpen gaat werken, hebben ze het openbaar vervoer leren kennen en<br />
gebruiken ze ook meer de trein.<br />
“Basismobiliteit wat is dat? Dat is meestal onze wagen uiteindelijk hé.” (Ignace 53<br />
jaar Waasmunster)<br />
140
“Ik heb 27 jaar met de wagen naar mijn werk geweest. En nu het laatste jaar met<br />
de trein. Omdat ik beginnen werken ben in de Boerentoren in Antwerpen. Ik ging<br />
den eerste keer met mijn wagen en lap ik stond hier al stil op den E17 in Sint<br />
Niklaas. En dus den trein hé. Ik rijd nu met mijne wagen naar station in Lokeren en<br />
vandaar direct naar Antwerpen. En daar zou ik de tram kunnen nemen, maar ik<br />
ga te voet. Dat is goed voor de lijn. En in het terugkomen moet ik anders een<br />
half uur wachten op de bus. Dan ben ik al lang thuis.” (Ignace 53 jaar<br />
Waasmunster)<br />
“Als we naar Antwerpen gaan dan gaan we met den auto tot Melsele en van<br />
daar met de tram. We gaan niet ’t stad inrijden. Niet omdat we niet durven,<br />
want ik rijd over naar toe. Maar om te parkeren zijt ge beter met den tram. En<br />
onze auto blijft in Melsele op de P en R.” (Betty 45 jaar Waasmunster)<br />
“We hebben nog nooit gebruik gemaakt van de belbus. Onze zoon wel eens ne<br />
keer. Maar wij niet. We hebben dat niet nodig hé. We liggen hier centraal<br />
gelegen. Lokeren en Waasmunster liggen hier op 5 kilometer, Sint Niklaas op 10<br />
kilometer. Met den auto zijt ge daar direct hé.” (Ignace 53 jaar Waasmunster)<br />
“Den belbus is niet makkelijk hé. Ge moet dat al den dag tevoren bestellen. En<br />
als ik nu iets nodig heb, ja dan gaat dat niet hé. Ik heb daar wel al eens aan<br />
gedacht zé. Maar altijd als ik het direct moest hebben. Maar ik zie er wel soms<br />
oudere mensen staan voor de belbus zenne. Die gebruiken dat wel precies.”<br />
(Betty 45 jaar Waasmunster)<br />
“Ik heb één keer effectief geprobeerd om de belbus te pakken om met mijn zus<br />
naar de Zele te gaan. En ik bel de belbus voor de volgende dag naar Zele te<br />
gaan en dat kost zelfs niet. Ik moest eerst naar het station van Lokeren gaan en<br />
daar moest ik overstappen op een andere bus. Allez, is dat nu makkelijk voor<br />
oudere mensen?” (Betty 45 jaar Waasmunster)<br />
“Pas op de trein is daarom niet rapper hoor, maar ’t is gemakkelijk. Echt waar.<br />
Gene stress hé.” (Betty 45 jaar Waasmunster)<br />
“De grote boodschappen dat doen we met de wagen hé. Dat is anders veel te<br />
omslachtig. We gaan maar twee keer in de maand. En als ik echt iets nodig heb<br />
dan ga ik met de fiets. Hier een beetje verder is een winkeltje en een bakker. Ik<br />
zou dat gesleur op de bus niet zo goed gebeuren eigenlijk.” (Betty 45 jaar<br />
Waasmunster)<br />
“Ja, wij wonen ook landelijk hé. En ik denk dat menen zoals wij dan eerder de<br />
wagen nemen dan in ’t stad. Ge hebt em voor zo veel nodig en dan ja, dan<br />
gebruikt ge diene altijd hé.” (Ignace 53 jaar Waasmunster)<br />
141
“Naar de luchthaven zijn we de laatste keer met de bus gegaan en zijn we met<br />
de trein teruggekomen tot in Lokeren. Dan hadden we op de computer<br />
gekeken en hadden we dat uitgestippeld. En daarna ben ik nog met mijn<br />
vriendin naar Lourdes gegaan en dan zijn we ook met de trein tot in Lokeren<br />
gekomen. Ja, ne keer da ge da weet. Het is ook een beetje onwetendheid hé.”<br />
(Betty 45 jaar Waasmunster)<br />
“Het openbaar vervoer is ook kostelijk hé. Als we met den trein naar de zee<br />
moeten gaan dan is dat 400 frank. Daarvoor kunnen we toch met onze auto<br />
naar de zee gaan. Ik vind dat veel. Zeker met twee personen. Zijn abonnement<br />
ook hé. Dat is 102 euro voor een maand van Lokeren naar Antwerpen met de<br />
trein. Dat is toch ook veel, vind ik.” (Betty 45 jaar Waasmunster)<br />
“Ne keer dat we 65 zijn, dan gaan we veel meer het openbaar vervoer<br />
gebruiken. Dan is dat goedkoop hé. Of zelfs voor niets. Gelijk onze buur die is<br />
vorig jaar 65 geworden en die gaat nu overal met de trein naar toe. Maar pakt<br />
wel nog zijne auto naar station van Lokeren. Want hij vindt de bus ook niet<br />
gemakkelijk”. (Betty 45 jaar Waasmunster)<br />
“t’Is ook wel erg dat ge even veel moet betalen om te staan als om te zitten hé.<br />
En die jeugd die gaat zich niet rechtzetten hé. Die blijven schoon zitten. En gij<br />
hebt evenveel betaald of nog meer want zij hebben een schoolabonnement,<br />
maar ge kunt rechtstaan.” (Betty 45 jaar Waasmunster)<br />
“Wat ik niet versta is dat ik ’s morgens naar Antwerpen ga met de trein en dan is<br />
het een dubbeldekker en zit er niemand op en ’s avonds moet ge al van de<br />
eerste halte rechtstaan, dan zijn er toch wel te weinig wagons zenne. Dat ze<br />
daar niks aan doen. En ge ziet daar soms gehandicapten een half uur<br />
rechtstaan hé.” (Ignace 53 jaar Waasmunster)<br />
Gie (M)<br />
Gie is 67 jaar en gepensioneerd. Hij is gehuwd en ook zijn echtgenote is<br />
gepensioneerd. Ze hebben drie kinderen die allemaal uit het huis zijn en zij<br />
wonen in de Heidekapelstraat in Waasmunster. Beiden zijn nog in goede<br />
gezondheid en gaan graag weg. Ze kunnen daarvoor rekenen op een wagen,<br />
op het openbaar vervoer, op de fiets. Ze maken veelvuldig gebruik van het<br />
openbaar vervoer en ze vinden dat ook voor een stuk genieten. De<br />
dichtstbijzijnde bushalte bevindt zich op een kleine kilometer van zijn deur. Maar<br />
dat weerhoudt hen niet om de bus te nemen. Er is zelfs een belbushalte nog<br />
dichter bij, maar die gebruikt hij niet omdat hij dat voor hem niet nodig is. Hij<br />
vindt dat profiteren zolang hij de reguliere lijn kan gebruiken. Voor bijna elke<br />
verplaatsing die hij moet maken, kijkt hij nu eerst op het internet om te zien wat<br />
de mogelijkheden zijn met het openbaar vervoer. Maar natuurlijk is het eerste<br />
alternatief de wagen.<br />
142
Het openbaar vervoer is ook een ontdekking van enkele jaren. Voordien heeft hij<br />
altijd als zelfstandige thuis gewerkt en als hij zich moest verplaatsen, dan<br />
gebruikte hij de wagen.<br />
“Basismobiliteit is voor mij, mij kunnen bewegen naar een plaats waar ik wil, in<br />
<strong>Vlaanderen</strong> op onze wereldbol… Om iets te bezoeken.” (Gie 67 jaar<br />
Waasmunster)<br />
“Ik gebruik het openbaar vervoer. Ja, het is mij alles het ware op een schoteltje<br />
door Stevaert aangebracht hé. ’t Is gratis zoals de zon en die gebruik ik ook<br />
graag.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
“Als het echt slecht weer is dan neem ik de wagen tot aan de bushalte en dan<br />
ze ik hem op de parking en neem ik de bus. En anders ga ik te voet. “(Gie 67 jaar<br />
Waasmunster)<br />
“Om de stad te bezoeken, bijvoorbeeld Antwerpen, dan nemen we de auto tot<br />
Zwijndrecht en van daar de tram. Die bollen met u Antwerpen binnen. Waarom<br />
zou ik parking betalen en nog 20 keer voor rode lichten staan en mij<br />
zenuwachtig maken? Dat heeft geen zin hé. “(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
“Voor onze vrije tijd nemen we graag het openbaar vervoer. Om naar Gent of<br />
Antwerpen te gaan. Dan gaat mijn vrouw shoppen en dan doe ik iets anders hé.<br />
Een museum of zo. Allez om een uitstapje te doen.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
“Wij moeten ook regelmatig naar Antwerpen voor onze medische papieren. En<br />
dan pakken we ook altijd het openbaar vervoer. Ge kunt dat ook met uwen<br />
auto, maar dan steekt ge daar veel meer tijd en geld in.” (Gie 67 jaar<br />
Waasmunster)<br />
“Het is hier de laatste jaren ook veel verbeterd qua aanbod van openbaar<br />
vervoer. Ge kunt hier nu direct naar Sint Niklaas en naar Linkeroever. Binnenkort<br />
gaan we naar het sportpaleis in Antwerpen en dan nemen wij de tram. Het<br />
enige nadeel is voor mensen als ze laat moeten terugkeren. Rond 12 uur is de<br />
laatste tram.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
“Ik kijk altijd op het internet hoe ik ergens kan geraken. Natuurlijk is het eerste<br />
alternatief altijd mijne wagen. Die staat hier buiten en dat is gemakkelijk<br />
natuurlijk. Maar voor sommige verplaatsingen zijn er beter vervoersmiddelen dan<br />
mijne wagen. Bijvoorbeeld als ik naar Brussel wil, dan ben ik beter af met het<br />
openbaar vervoer. Want met de wagen zit ik sowieso vast in de file.“ (Gie 67 jaar<br />
Waasmunster)<br />
“Om naar Brussel te gaan bijvoorbeeld heeft het openbaar vervoer veel<br />
voordelen hé. Ge zijt normaal gezien stipt op tijd, wat met de wagen zeker niet<br />
het geval is. Ik heb geen parkingproblemen. Niks. En ik kan op de trein mijn gazet<br />
lezen.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
143
“Ik kijk wel altijd op het internet naar de uren van de trein. Dan vertrek ik op tijd<br />
met de wagen en dan parkeer ik mij aan het station in Sinaai. Dan moet ik<br />
misschien 5 minuutjes wachten, want ik wil natuurlijk geen uur blijven wachten op<br />
het perron hé.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
“Naar de luchthaven ook hé. Dan nemen we de trein naar de luchthaven. Juist<br />
een slachtoffer vinden om ons naar het station van Sinaai te brengen. Want ja,<br />
met uw valiezen op de bus of de tram, da zie ik niet zitten. Maar dat is relax hé.<br />
Onze vakantie begint dan al in Sinaai hé. Geen stress als ge toekomt op de<br />
luchthaven en zo.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
“Als we uitstappen doen, dan doen we dat wel in de week hé. En dan ook niet<br />
tijdens de spitsuren. Wij hebben de keuze, dus waarom zouden we in de drukte<br />
gaan.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
“Ik heb nu tijd hé. Dus zelfs als het met de wagen sneller zou zijn, dan nog neem<br />
ik graag het openbaar vervoer. Natuurlijk moet het niet te moeilijk zijn. Wij gaan<br />
graag wandelen in de Vlaamse Ardennen om daar wat te bezoeken,<br />
Geraardsbergen bijvoorbeeld. Daar moet ge van hier met het openbaar<br />
vervoer niet aan beginnen hé. Dan moet ge u al heel goed voorbereiden en<br />
dan nog dat wachten aan bushaltes. Dan hebt ge op ne dag niet veel gezien<br />
hé. Nu met de auto en het gps’ke van punt A naar punt B naar punt C en als ge<br />
een tof restaurantje of cafétje ziet dan stopt ge. De bus die rijdt dan door hé.”<br />
(Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
“Mijne zoon die woont in Luxemburg. Dan gaan we met de trein. Voor 4 euro sta<br />
ik in Arlon. En daar staan bussen gereed die ons naar Luxemburg brengen. Dat is<br />
van hier 270 kilometers. Als ik dat met de wagen moet doen dan kost mij dat<br />
veel meer zenne.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
“In het weekend is het openbaar vervoer ook allemaal wat moeilijker. Daarom<br />
gaan we meestal in de week weg. De zaterdag en de zondag zijn er dan toch<br />
minder bussen en treinen. Ik rijd ook niet met de bus of de trein als er veel volk op<br />
zit. Tijdens spitsuren of zo. Of de trein-tram-bus-dag dan blijf ik thuis. Ik kan dat in<br />
de week ook doen hé. Waarom zou ik de drukte dan opzoeken?” (Gie 67 jaar<br />
Waasmunster)<br />
“Zoals de boekenbeurs. De tram 2 stopt aan de boekenbeurs en plats vindt ge<br />
daar nooit niet. Waarom zou ik daarvoor de auto nemen?” (Gie 67 jaar<br />
Waasmunster)<br />
“Pas op de mensen die hier aan de Linkeroever wonen, kennen den tram goed<br />
zenne. Die zitten altijd goed vol.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
144
“De belbus voor ons, dat vind ik erover. Dat buske moet dan rijden voor ons<br />
twee. Die chauffeur moet betaald worden. Dan voel ik mij ne profiteur. Voor<br />
oudere mensen is dat natuurlijk heel goed hé. Maar voor ons, wij zijn nog goed<br />
te been, dat is té. Ik bezie dat als een privé taxi op kosten van de gemeenschap.<br />
Voor ons hé.” (Gie 67 jaar Waasmunster)<br />
Pol (M)<br />
Pol is 73 jaar en gepensioneerd. Samen met zijn eveneens gepensioneerde<br />
echtgenote wonen ze in de Rietweg in Merelbeke. In hun buurt hebben ze een<br />
bushalte op een 600 meter van hun deur. Ze beschikken over een wagen die ze<br />
gebruiken om boodschappen te doen, de kleinkinderen op te halen, om<br />
verwanten te bezoeken… Kortom voor ongeveer alle verplaatsingen die hij niet<br />
te voet of met de fiets kan maken wordt de auto gebruikt. Behalve voor de<br />
verplaatsingen naar de steden, waarvoor een beroep gedaan wordt op de<br />
parking van het station en de rechtstreekse treinverbinding. Wegens<br />
gezondheidsproblemen willen ze zo weinig mogelijk de straat op. Ze bundelen<br />
dan ook hun verplaatsingsbehoeften en dan nemen ze de wagen om die<br />
gezamenlijk af te werken. Pol geniet van de natuur en de groene omgeving<br />
waarin hij woont.<br />
“Basismobiliteit is de minimale mobiliteit die iedereen moet kunnen hebben om<br />
zich te verplaatsen. Waar de overheid moet zorgen dat de mensen zich op een<br />
behoorlijke manier moeten kunnen verplaatsen. Het minimum om zich te kunnen<br />
verplaatsen van A naar B en om de behoeften te bevredigen op het vlak van<br />
boodschappen kunnen doen, verwanten te bezoeken en openbare diensten te<br />
gebruiken.” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
“Het zich kunnen verplaatsen is toch vrij belangrijk. Neem nu bijvoorbeeld de<br />
dokter. Stel dat je altijd de dokter moet laten komen, dan kost dat toch veel<br />
meer dan dat je zelf ook naar de dokter toe kan.” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
“Ikzelf ben hartpatiënt en om de drie weken moet ik mij naar de dokter kunnen<br />
verplaatsen om mijn bloed te laten nemen. Dat zijn verplichtingen die men heeft<br />
als men ouder wordt voor iedereen. (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
“Mijn moeder, die vorig jaar gestorven is, zat in een bejaardentehuis in Kaprijke<br />
dat is ongeveer 35 kilometer van hier. Ik ging daar twee keer per week naar toe.<br />
Dat was natuurlij keen hele verplaatsing en als ik met het openbaar vervoer wou<br />
gaan dan was dat quasi onmogelijk. Dat zou een expeditie zijn van een hele<br />
dag. Omdat de uren van de bussen niet goed overeenkomen, de verbindingen<br />
zijn niet goed,… Ik verplaats me dus de auto.” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
“Ik heb een druk beroepsleven gehad en ik was eigenlijk vanzinnens om mijn<br />
auto aan de kant te schuiven. Ik heb altijd veel rondgereden en ik was de drukte<br />
op de weg echt beu. Wel, ik heb dat even geprobeerd maar dan heb ik mij<br />
toch een klein wagentje aangeschaft.” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
145
“Ik rijd met een klein wagentje onder andere omdat ik met mijn vrouw<br />
regelmatig eens naar het grootwarenhuis moet om een hele wagenlading<br />
artikelen voor het huishouden moet gaan halen. Als we dat met het openbar<br />
vervoer moeten doen dan zijn dat verschillende expedities per week die we<br />
moeten ondernemen. “(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
“Pas op, het openbaar vervoer is belangrijk hé, want hoe meer mensen zich<br />
gezamenlijk verplaatsen hoe beter voor het leefmilieu hé. Daar ben ik vast van<br />
overtuigd. Maar je moet steeds op een bepaald moment in je leven kijken wat<br />
doenbaar is en wat niet doenbaar is met het openbaar vervoer. Ik verplaats me<br />
dus niet met het openbaar vervoer. Tenzij ik verder moet bijvoorbeeld naar<br />
Brussel of Antwerpen naar de boekenbeurs. Dan neem ik bij voorkeur de trein,<br />
omdat er te veel files zijn, omdat het heel goedkoop is,…” (Pol 73 jaar<br />
Merelbeke)<br />
“De bus gebruik ik sowieso niet omdat ik mijn verplaatsingen die iets verder dan<br />
loop- of fietsafstand zijn gebruik ik mijn wagen. Omdat we onze boodschappen<br />
bundelen en we eigenlijk zo weinig mogelijk de straat op willen. (Pol 73 jaar<br />
Merelbeke)<br />
“Geloof het of niet, maar 50 jaar geleden nam ik de bus in Kaprijke om in Gent<br />
naar school te gaan. Wel ik nam de bus aan het stadhuis van Kaprijke en ik werd<br />
afgezet aan de Korenmarkt. Nu moet ik voor dezelfde rit minstens twee maal<br />
overstappen ofzo.” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
“Nu is dat niet te doen om van hier naar Kaprijke te gaan. Die uren en die<br />
aansluitingen, ge zijt echt uren onderweg.” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
“De dinsdag moet ik de kinderen van mijn zoon naar school voeren en gaan<br />
halen. Dat is een schooltje hier een paar straten verder, dus heeft het geen zin<br />
om met het openbaar vervoer te gaan. Ik ga wel met de wagen want dat ligt<br />
op een ‘berg’ en met de fiets is dat voor mij niet meer te doen. Dat is een veel<br />
grote inspanning voor mij in mijn toestand.” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
“Slechts weinig kinderen gaan van hier alleen naar school. Door onze<br />
schabouwelijke ruimtelijke ordening is dat niet te doen. Ze moeten hier de<br />
Gullegemsesteenweg over. Dat is een moordende baan, dat zou<br />
onverantwoordelijk zijn.” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
“Stel dat ik naar mijn dochter moet, die woont in Melle. Dat zou dus een hele<br />
studie zijn om te achterhalen hoe ik daar moet geraken. Van hier naar Gent met<br />
de bus, dat is geen probleem, maar het is van daaruit naar de rand dat het niet<br />
altijd makkelijk is. Zeker als die locatie een beetje uit het centrum gelegen is.”<br />
(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
146
“Vooral dat wachten is verschrikkelijk. Als je daar een half uur moet wachten in<br />
de regen. Als oudere mens is dat niet goed allemaal hé.” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
“Als mijn vrouw naar haar familie zou willen gaan. Die wonen in Zwijnaarde en<br />
dat is hier amper 3 of 4 kilometer vandaan. Dan moet ze eerst een bus nemen<br />
naar het centrum van Merelbeke. Daar overstappen dan naar Zwijnaarde awel<br />
ze is een uur onderweg. Ze zou bijna te voet kunnen gaan.” (Pol 73 jaar<br />
Merelbeke)<br />
“Het academisch ziekenhuis ook. Dat ligt in vogelvlucht op nog geen twee<br />
kilometer van hier. Dan moeten we eerst naar Gent Zuid en dan van de Zuid<br />
terug. In de zomer rijden we daar gemakkelijk met de fiets naar toe.” (Pol 73 jaar<br />
Merelbeke)<br />
“Mocht de auto er nu niet zijn, dan zou ik toch meer gebruik maken van de fiets.<br />
Een elektrische fiets dan en ook in de zomer natuurlijk. Maar als het koud is en het<br />
vriest, ja… dan zouden we niet anders kunnen dan gebruik te maken van de<br />
bus…” (Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
“Als je de pech hebt om je met de bus te verplaatsen als de kinderen juist van<br />
school komen, ja, dan kom je in een heksenketel terecht hé. Kinderen hebben<br />
ook geen discipline meer. Ze gaan hun plaats ook niet meer afstaan, zenne.”<br />
(Pol 73 jaar Merelbeke)<br />
Vic (M), Nancy (V) en Bart (M)<br />
Vic is 8 jaar en woont met zijn vader en moeder in de Bosstraat in Schelderode<br />
(Merelbeke). Zijn wekelijkse verplaatsingen beperken zich tot de school, de<br />
training atletiek, naar de cross en de winkel en soms naar de grootouders. Naar<br />
school en naar de grootouders gaat hij met de fiets of naar school. Naar de<br />
training wordt hij steeds gebracht door de ouders, die zelf ook aan atletiek doen.<br />
De korte verplaatsingen gebeuren met de fiets of te voet, maar wel in bijzijn van<br />
één van de ouders.<br />
De dichtstbijzijnde bushalte is iets meer dan een kilometer van de woonst<br />
gelegen. Er zijn twee wagens in het gezin, waarvan 1 firmawagen.<br />
Het interview verloopt in het bijzijn van moeder Nancy, een 28-jarige<br />
verpleegster en Bart, eveneens 28 jaar en vertegenwoordiger van beroep.<br />
“Met oma gaan we soms met de bus naar de markt als ze de auto niet heeft,<br />
maar met mijn mama en papa niet” (Vic 8 jaar Merelbeke)<br />
“Als ik om kwart voor zeven moet beginnen dan heb ik hier geen verbinding en<br />
als ik de late heb, dan heb ik om kwart na negen gedaan en dan kan ik ook niet<br />
met de bus terugkomen.” (Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />
147
“Naar de training gaan we alle vier en dan nemen we nog iemand vanuit de<br />
buurt mee. Naar de cross brengen we hem natuurlijk, maar ja met al dat<br />
materiaal.” (Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />
“Ik denk dat hij (zoon 8 jaar) wel met de fiets naar school zou kunnen gaan.<br />
Maar ze moeten wel een gevaarlijke steenweg over en de mensen stoppen niet.<br />
Ik denk wel dat hij dat zou kunnen, maar ik ga toch liever mee.” (Nancy 28 jaar<br />
Merelbeke)<br />
“Ik weet eigenlijk niet waarom ik het openbaar vervoer niet meer gebruik. Ik ben<br />
daar niet mee opgegroeid. Vroeger had ge hier alleen maar een bus naar Sint-<br />
Pieters en dan had ge altijd een auto nodig. En nu, ja met mijn werk gaat dat<br />
ook al niet. En ik weet ook niet welk aanbod er nu is. Ik weet alleen dat er nu<br />
meer lijnen zijn. Maar ik heb daar geen behoefte aan.” (Nancy 28 jaar<br />
Merelbeke)<br />
“Mijne man heeft een firmawagen, dus ja het openbaar vervoer is sowieso<br />
duurder. En naar de winkel zou dat ook al niet gaan. We gaan één keer per<br />
week naar de winkel en dan zit de koffer helemaal vol. Met een gezin van vier.”<br />
(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />
“Aan de atletiekpiste is trouwens geen halte. Dus dat gaat sowieso ook al niet.<br />
En dan nog. Ik zou mijn kinderen daar nu niet laten staan om de bus te nemen.<br />
Het is daar afgelegen en donker.” (Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />
“Als hij naar het middelbaar gaat dan zal mijn zoon wel de bus nemen. Of<br />
misschien met de fiets. Maar dan mag hij wel de bus nemen.” (Nancy 28 jaar<br />
Merelbeke)<br />
“Basismobiliteit is voor mij het aanbod van het openbaar vervoer voor mensen<br />
die geen auto hebben om zich te verplaatsen van A naar B”. (Bart 28 jaar<br />
Merelbeke)<br />
“Hier wat verder woont een oudere vrouw en die woont zeker drie kilometer van<br />
de eerste bushalte, maar die zie ik altijd met de fiets gaan. Maar die is al oud<br />
hoor. Ik weet niet wat die gaat doen als ze niet meer met de fiets kan gaan”<br />
(Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />
“En als we dan al eens besluiten om het openbaar vervoer te nemen, dan<br />
hebben ook nog zo veel geluk. We zijn is naar de Samson en Gert-show geweest<br />
in Antwerpen en het was een lijnbreuk. We moesten in Berchem afstappen, daar<br />
moesten we een bus gaan zoeken en dus waren we te laat. We zijn is naar de<br />
zoo geweest met een B-Dagtrip, dan hebben we heel de baan mogen<br />
rechtstaan. We zijn eens naar Planckendael geweest en we wilden een trein-bus<br />
combinatie doen, maar het was een feestdag en dan reed die bus niet. Dan<br />
hebben we een boot moeten pakken waar we een uur op hebben moeten<br />
wachten…” (Bart en Nancy 28 jaar Merelbeke)<br />
148
“Als het goed weer begint te worden dan is er voor zijn school wel een fietspool.<br />
Dat vind ik wel een goed initiatief. Dat is goed georganiseerd.” (Bart 28 jaar<br />
Merelbeke)<br />
Nele (V) en Karen (V)<br />
Nele is 12 jaar en woont met haar moeder Karen (30jaar) en vader en haar<br />
jongere broer in de Fortenstraat in Heide (Waasmunster). De dichtstbijzijnde<br />
bushalte bevindt zich op iets meer dan een kilometer van het huis. Ze gaat naar<br />
het humaniora met de bus, een rechtstreekse lijn, maar soms ook met de fiets en<br />
dat doet ze wel liever.<br />
In hun buurt rijdt ook een belbus, maar daar heeft het gezin nog geen gebruik<br />
van gemaakt. Het andere aanbod van de Lijn wordt wel regelmatig gebruikt.<br />
Karen gebruikt soms de bus om naar het werk te gaan, maar als ze laat moet<br />
werken dan heeft ze een heel slechte aansluiting. Het gezin beschikt over één<br />
wagen en die wordt gedeeld door de twee werkende ouders. Als het kan, dan<br />
gaat ze met de wagen.<br />
“In de week als het slecht weer is ga ik naar de school met de bus anders met<br />
de fiets, met de fiets ook naar de scouts, dat is niet ver. En als ik met vriendinnen<br />
naar het Koopcentrum ga, dan ga ik met de bus.” (Nele 12 jaar Waasmunster)<br />
“Basismobiliteit is voor ons de fiets” (Karen 30 jaar Waasmunster)<br />
“Ik neem de bus omdat als het regent, ik met de fiets helemaal nat ben. En nu is<br />
het ook donker ’s morgens en ’s avonds” (Nele 12 jaar Waasmunster)<br />
“Ik neem ook de bus, maar de verbinding is soms wel erg. Eergisteren had ik om<br />
halfacht gedaan en ik was om negen uur thuis. Met de wagen is dat misschien<br />
20 minuutjes ofzo. Maar als ik mijn verbinding mis dan is het niet evident.” (Karen<br />
30 jaar Waasmunster)<br />
“Ik vind ook dat ons dochter eigenlijk pas op die leeftijd echt klaar was om met<br />
de bus te gaan. Dat viel wel samen met de noodzaak om de bus te nemen.<br />
Maar veel vroeger zou dat toch niet gegaan zijn.” (Karen 30 jaar Waasmunster)<br />
“Als we naar het Koopcentrum gaan met vriendinnen dan nemen we de bus.<br />
Niet allemaal dezelfde, maar we spreken daar af.” (Nele 12 jaar Waasmunster)<br />
“Naar Brussel of naar Gent ofzo neem ik ook de trein. Dat is dan toch makkelijker<br />
dan de wagen. “(Karen 30 jaar Waasmunster)<br />
“Soms als de bus te laat is, dan weet ik niet of de bus al weg is of niet en dan<br />
weet ik niet wat doen.” (Nele 12 jaar Waasmunster)<br />
“Ge verliest ook veel tijd als ge bijvoorbeeld naar Stekene of zo wilt gaan hé.<br />
Dan moet ge van hier met de bus eerst naar de markt van Sint Niklaas om daar<br />
de bus te nemen naar Stekene.” (Karen 30 jaar Waasmunster)<br />
149
150
Lies (V)<br />
Lies is een 37 jarige zelfstandige die samen met haar echtgenoot een<br />
tuincentrum openhoudt. Ze woont in de Bosstraat in Schelderode (Merelbeke)<br />
en ze heeft 4 kinderen van 10, 8, 7 en 5 jaar. Ze woont in een landelijke<br />
omgeving en heeft een bushalte op ongeveer een kilometer van haar deur. In<br />
het gezin zijn twee wagens beschikbaar.<br />
Ze gebruikt quasi uitsluitend de wagen. De kinderen gaan allemaal naar de<br />
basisschool op ongeveer 700 meter van huis. In de winter worden ze met de<br />
wagen gevoerd, maar in de zomer gaan ze zo veel als mogelijk met de fiets.<br />
Naar de winkel gaat ze één maal per week met de wagen. Uitstappen naar zee,<br />
naar Antwerpen, naar een evenement of naar de luchthaven gebeuren met de<br />
trein. De belangrijkste argumenten hiervoor zijn de files en de<br />
parkeermoeilikheden. Maar de bus gebruiken ze niet.<br />
“Mocht ik geen wagen hebben, dan zou ik niet weten wat te doen. Al die<br />
activiteiten van de kinderen… Ik denk dat ze veel thuis zouden zitten. Neen,<br />
sommige dingen zouden zeker niet lukken. De tekenacademie bijvoorbeeld. Ik<br />
zou het niet zien zitten om met haar met de bus naar Gent te gaan en ze dan<br />
twee uur later opnieuw te gaan halen. Of ik moet daar blijven. Maar dat zie ik<br />
ook niet zitten.” (Lies 37 jaar Merelbeke)<br />
“Wat we wel doen is de kinderen met de fiets naar de scouts brengen. Maar dat<br />
is een hele andere situatie. Dan heb je tijd. Dan vind ik het niet erg om vier keer<br />
over en weer te rijden.” (Lies 37 jaar Merelbeke)<br />
“Zonder auto zou ik geen boodschappen kunnen doen. Stel u voor, een gezin<br />
van 6. Wij wonen hier op het platteland hé. In de stad zou het misschien nog<br />
gaan. Maar hier?” (Lies 37 jaar Merelbeke)<br />
“Een vriendin van mij, die is alleen met haar kindje die heeft vorig jaar haar auto<br />
verkocht. Ze heeft een elektrische fiets gekocht en ze doet veel met de bus.<br />
Voor haar alleen was een auto te kostelijk. Natuurlijk zij is alleen hé.” (Lies 37 jaar<br />
Merelbeke)<br />
“Wij gaan altijd naar het station van Merelbeke. Of soms naar Gent Sint-Pieters.<br />
En we laten onze wagen achter aan het station.” (Lies 37 jaar Merelbeke)<br />
“Vroeger als de kinderen nog klein waren, moesten we te veel meesleuren als<br />
we naar zee gingen. Dan gingen we naar Gent Sint-Pieters om de trein te<br />
nemen. Dan moesten we niet meer overstappen.” (Lies 37 jaar Merelbeke)<br />
151
“Binnen twee jaar zal de oudste dan waarschijnlijk wel de bus nemen om naar<br />
de school te gaan. Dan zal ze met haar fiets tot aan de bus rijden en van daar<br />
naar school. We zouden haar daarvoor ook naar Zwijnaarde sturen omdat het<br />
makkelijk is. Met de fiets naar daar zou ik haar niet laten gaan. Ze moet dan<br />
langs een verlaten stuk langs het water en dan langs een drukke baan. Dan ben<br />
ik te ongerust. En ik ben ook niet bereid om kweenie hoe lang in de file te gaan<br />
staan om speciaal haar te brengen als er een bus rijdt.” (Lies 37 jaar Merelbeke)<br />
“Nu zou ik haar nog niet et de bus laten gaan. Misschien zou het zelf wel kunnen<br />
hoor, maar ik zou haar zelf niet durven laten gaan. Ik zou haar ook niet alleen<br />
met de trein laten gaan. Zelfs niet als ik er haar opzet en ze haar bij aankomst<br />
terug afhalen. Ze is nog maar 10 jaar. Misschien ben ik overbezorgd? Misschien<br />
dat kinderen in de stad vlugger de bus nemen?” (Lies 37 jaar Merelbeke)<br />
“De bus vind ik niet duur, maar de trein… Allez, voor ons nu niet omdat we aan<br />
halve prijs rijden en de kinderen rijden gratis, maar als ik met een vriendin mee<br />
ga en zie wat zij moet betalen, dan vind ik dat toch niet goedkoop.” (Lies 37 jaar<br />
Merelbeke)<br />
“Het moet ook allemaal vlug gaan. Ik wil rap boodschappen doen voor de<br />
kindjes te gaan halen ofzo. Allez, hier op Schelderode zijn er niet zo veel bussen.<br />
Dan zou ik serieus moeten plannen binnen de uurroosters van de bus.” (Lies 37<br />
jaar Merelbeke)<br />
“Naar de bakker stuur ik soms de oudste met de fiets. Naar de slager niet, want<br />
dan moet ze de straat over steken. Ikzelf neem zelden de auto om<br />
boodschappen te doen. Ik doe die boodschappen als ik terug kom va het werk<br />
en voor ik de kinderen ga halen.” (Lies 37 jaar Merelbeke)<br />
Hilde (V)<br />
Hilde is 60 jarige huisvrouw en is nu gepensioneerd. Ze woont samen met haar<br />
eveneens gepensioneerde echtgenoot in de Lijsterstraat in Aalbele (Kortrijk). Ze<br />
beschikken over één wagen in het gezin en ze hebben een bushalte op<br />
ongeveer 600 meter van de woning. Ze nam steeds de bus op maandag naar<br />
Kortrijk, voor de markt, maar sinds een aanpassing in de kostprijs van de lijn<br />
Aalbeke Kortrijk doet ze dat niet meer. Tot sinds kort was deze op de marktdag<br />
gratis voor mensen boven de 55 jaar. Nu dient ze te betalen en gaat ze met de<br />
auto naar de markt in Kortrijk. Verder gebruikt ze nog de wagen om naar de<br />
kinderen te gaan, om boodschappen te doen of om naar de bazaar te gaan.<br />
Ze wacht nu tot haar 65 ste om opnieuw de bus te nemen. Maar eigenlijk gaan ze<br />
niet veel weg. Ze wandelen en fietsen nogal graag in de omgeving.<br />
“Basismobiliteit is dat ge u gemakkelijk kunt verplaatsen hé. Dat ge niet te ver<br />
van uw deur een bus hebt, tja.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
152
“Ik mag nu niet meer mee gaan hé vanaf 55 jaar. Allez toch niet gratis. Ze<br />
hebben dat overlaatst afgeschaft, hier. Nu is het vanaf 65 zoals overal. Dat was<br />
alleen in Kortrijk dat ge de maandag vanaf 55 mocht meegaan hé. Met de<br />
markt. Maar ja, ze hebben het afgelast. Het zal te weinig aftrek gehad hebben<br />
zeker. “(Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
“De maandag met de bus naar de markt. We waren met nog veel mensen van<br />
hier die dat deden hoor. Maar sinds het niet meer gratis is gaan we niet meer hé.<br />
Dat is normaal hé. We gaan nu met de wagen. Er ging nochtans nogal wel wat<br />
volk mee. Nu is dat 2 euro dat is te veel geld hé om met de bus naar Kortrijk te<br />
gaan.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
“Nu neem ik de bus niet meer tot ik 65 jaar ben. Pas op, boodschappen naar de<br />
bazaar en naar de kinderen is sowieso met de wagen. Maar vroeger als ge iets<br />
klein nodig had, ja dan pakte ik de bus en ging ik naar Kortrijk. Of naar de bank<br />
ofzo.“ (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
“Ik vind het openbaar vervoer veel gemakkelijker dan de auto, hoor. Ge moet<br />
geen parking zoeken, ge staat niet in de files. Dat is tof. Ge stapt af en ge zijt<br />
weg. En een beetje wachten op de bus vind ik ook niet erg. Maar ja, het is te<br />
duur.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
“Als ik 65 ben dan gaan we ook meer de trein pakken om ne keer te gaan<br />
wandelen of zo. We doen dat graag. Nu gaan we met de auto. Als ge met de<br />
trein naar de zee wilt gaan met de trein, dan is dat nu veel te duur hé. Het zou<br />
nochtans plezant zijn.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
“We zijn ook niet goed vertrouwd met die uren en die haltes enzo hé. Gelijk naar<br />
het shoppingcenter, ik peins wel dat daar ne bus stopt, maar ik heb daar geen<br />
informatie over hé. Ik heb juist een boekske voor de lijn van Moeskroen naar<br />
Kortrijk. Maar dat is ook de enige bus dat we hier hebben.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
“De bus is ook niet altijd gemakkelijk hé. Als ik naar Bellegem of Rollegem moet,<br />
dan moet ik eerst met de bus naar Kortrijk en vandaar naar Rollegem. Maar dat<br />
is maar om de twee uur en dat is niet interessant.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
“Maar ge moet hier nu weg hé. De bank is hier weg, het syndicaat is hier weg,<br />
alles gaat hier weg en het gaat allemaal naar Rollegem. Dus de mensen<br />
moeten altijd naar Rollegem om naar de bank of zo te gaan. En dan moeten ze<br />
eerst naar Kortrijk om van daar de bus te nemen naar Rollegem.” (Hilde 60 jaar<br />
Kortrijk)<br />
“Hier in Aalbeke is er niks ni meer. Juist een bakker en een beenhouwer. Maar<br />
geen brillenwinkel, geen schoenwinkel, dat is hier allemaal niet te vinden. Nen<br />
tandarts ja, dat is al. Alle jonge mensen gaan hier weg hé. En de winkels hebben<br />
hier dan geen afzet en ze zijn weg. Het zijn hier allemaal oude mensen en ja, als<br />
153
ze geen auto kunnen rijden… Da’s een probleem hé. De bus is goed, maar ze<br />
moeten kunnen hé.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
“Mijn buurvouw is 76 en ze gaat soms met de bus naar Kortrijk, maar ze is niet zo<br />
goed te been hé. En ’t is haar zoon die één keer in de week komt om met haar<br />
boodschappen te doen”.<br />
“Als ge dan naar de bank in Rollegem gaat hebt ge maar om de twee uren<br />
een bus. Wat zijt ge daar mee als ge juist naar de bank moet. Ge staat daar dan<br />
twee uren te wachten. Juste om naar de bank te gaan. Ge zijt daar op een half<br />
uur buiten en dan staat ge daar een uur en een half te kijken. Ge kunt daar niks<br />
anders doen hé. Dat gaat toch niet hé. Der zit daar ook niemand op. Ah ja ge<br />
zijt meer dan twee uur weg om naar Rollegem te gaan en ’t is hier 5 kilometer<br />
van. Ah ik ben veel rapper met de fiets en zekerst met de auto.” (Hilde 60 jaar<br />
Kortrijk)<br />
“We gaan nu bijna niet meer naar Kortrijk. Sinds dat we moeten betalen, sinds<br />
begin dit jaar zijn we maar drie keer meer gegaan. En anders minstens 1 keer per<br />
week. Nu ga ik bijvoorbeeld met de wagen naar de bank in Rollegem en anders<br />
ging ik naar Kortrijk naar de bank en deed ik daar nog een wandelingske. We<br />
zijn dan een achternoen weg.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
“Ik ken hier nog mensen die niet meer gaan. Een beetje verder woont een<br />
koppel waarmee ik naar de markt in Kortrjjk ging. Awel sinds dat we moeten<br />
betalen gaat hem nog alleen, naar de markt. Zij gaat niet meer mee. Hij is 65 hé,<br />
hij moet niet betalen. Pas op hij gaat soms ’s ochtends en ’s achternoens gaat hij<br />
nog eens naar Kortrijk.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
“Ik zie nu ook veel minder mensen. Als we naar de markt gingen, ah ja dan zag<br />
ik nog veel mensen hier uit de buurt aan de bushalte en dan deed ik een klapke.<br />
Ge praat altijd tegen iemand hé. Nu zie ik die mensen bijna niet meer. Da’s wel<br />
spijtig.” (Hilde 60 jaar Kortrijk)<br />
Iris (V) en Elke (V)<br />
Iris is 11 jaar en ze woont samen met haar moeder Elke (37 jaar), vader en haar 2<br />
jongere broers in de Groenselstraat in Waasmunster. Naar school gaat ze met de<br />
fiets of met de auto als het slecht weer is. Elke donderdag gaat ze met de bus<br />
naar de dansles. Ze kan daarvoor de bus nemen op een kleine kilometer van<br />
waar ze woont. Ze neemt de bus alleen om naar Sint Niklaas te gaan, maar<br />
terug komen durft ze nog niet omdat ze moet wachten en in het donker moet<br />
stappen. Haar ouders komen haar dan in Sint Niklaas halen.<br />
Haar moeder Elke werkt in Gent en gaat sinds kort met de fiets of met de auto<br />
werken. Voordien ging ze met de trein uit Lokeren en met de bus en een paar<br />
keer deed ze ook beroep op de belbus.<br />
In het weekend gaan ze op familiebezoek en dat doen ze met de wagen.<br />
154
“De dansles is van half zes tot half zeven in Sint Niklaas. En dan ga ik met de bus.<br />
Als het gedaan is dan komen mijn ouders mij halen. Ze zijn dan thuis en anders<br />
moet ik een half uur wachten op de bus. En dat durf ik niet. Het is dan al donker<br />
en ik moet ook een stukje stappen van de school tot aan de halte en hier ook.”<br />
(Iris 11 jaar Waasmunster)<br />
“Als ik naar de dansles ga dan kom ik thuis van school met de fiets, dan moet ik<br />
snel mijn spullen nemen en dan naar de bus stappen. En meestal komt hij dan<br />
direct. Dan moet ik niet wachten.” (Iris 11 jaar Waasmunster)<br />
“Nu ga ik altijd werken met de fiets of als ik de late heb met de auto. Maar<br />
vroeger ging ik wel met de trein en met de bus en in het begin zelfs met de<br />
belbus. Want een tijdje geleden waren hier bijna geen bussen. Twee ’s avonds<br />
en twee ’s morgens en dan nog één onder de middag en dat was het. Nu zijn er<br />
heel veel lijnen bijgekomen hier.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
“Ik heb de belbus geprobeerd, maar ik heb geen vaste uren en als ge de belbus<br />
reserveert, ja dan zit je vast. En op een gegeven moment heb ik dan besloten<br />
om met de fiets of met de auto te gaan.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
“Als je niet juist weet om welk uur je de volgende dag moet beginnen, dan is de<br />
belbus niet makkelijk. Soms was ik te laat om te kunnen reserveren omdat ik mijn<br />
uurrooster pas laat had.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
“Als het regent of ik weet dat ik nog boodschappen moet doen in de terugweg,<br />
ja dan neem ik de auto. Maar het probleem is dan dat ik niet gemakkelijk<br />
parkeerplaats vindt in Gent.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
“Volgend jaar ga ik naar het humaniora, maar ik weet nog niet goed naar waar.<br />
Maar het zal Lokeren of Sint Niklaas worden want Eksaarde is nogal moeilijk<br />
bereikbaar. Er is geen bus naar daar of ik moet eerst naar Lokeren. Als ik naar<br />
Lokeren ga dan kan ik let de fiets als het goed weer is, maar naar Sint Niklaas<br />
moet ik sowieso met de bus, want dat is te ver.” (Iris 11 jaar Waasmunster)<br />
“In het weekend gaan we dikwijls naar familie met de wagen. Ik denk dat het<br />
nogal kostelijk zou zijn voor ons vijf om met de bus te gaan en ja, natuurlijk ook<br />
de vrijheid. Je komt naar huis wanneer je wil hé.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
“Ik vind de bus en zeker de trein eigenlijk comfortabeler dan de wagen, maar als<br />
je een combinatie moet nemen van bus-trein-bus, ja dan is het comfort weg.”<br />
(Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
“Mijn moeder en mijn schoonmoeder komen wel met de trein naar hier. Zij<br />
komen met de trein en met de bus, want ze kunnen alle twee niet met de auto<br />
rijden. En ze vinden dat alle twee ook heel plezant. Pas op mijn schoonmoeder<br />
die komt zelfs van Nederland, dus die moet nog veel uitstappen. Nu ziet ze daar<br />
155
wel wat tegenop omdat ze wat ouder wordt en omdat het ook druk is op die<br />
lijn.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
“Mijn moeder die gebruikt de belbus vrij veel. Ze is 72 jaar en nog goed te been.<br />
Maar ze is niet tijdsgebonden en ze kan zich regelen hé. En ze doet dat goed, ze<br />
neemt dan de belbus naar het station en dan de trein naar Lokeren en dan de<br />
bus naar hier. Ze vertrekt dan wel ‘s morgens vroeg en dan is ze tegen de<br />
middag hier.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
“Vroeger gingen mijn ouders bijna nooit weg. Het zjjn landbouwers geweest en<br />
ze moesten laat werken, enfin ze gingen niet veel weg. Mijn vader nog niet<br />
trouwens. Het is altijd mijn moeder die alleen op stap is. Maar sinds haar<br />
pensioen, dan gaat ze met de bus naar Kaprijke en zit ze in allerlei verenigingen<br />
en zo. Ze doet dat heel graag.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
“Samen gaan ze ook wel eens weg hoor, zo ne keer de bus pakken en ergens<br />
gaan wandelen. Ja, ze profiteren daar wel van.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
“Ik zou zelf ook wel veel de bus en zo willen pakken hoor. Mocht de tijdsdruk er<br />
niet zijn. Nu verlies je zo veel tijd met het wachten op de bus. Nu kom je in het<br />
station toe en je springt op de fiets. En je bent weg.” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
“Ik wil ze nu ook niet forceren om de trein of de bus te nemen. Want nu durft ze<br />
nog niet zo goed en eigenlijk moet ge toch een beetje uw manneke staan op<br />
de bus of de trein hé; ” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
“Ik denk wel dat de jongere kinderen misschien rapper de bus gaan pakken. De<br />
oudste zal de weg moeten wijzen hé. En als ze dan met grote zus eens<br />
meegegaan zijn…” (Elke 37 jaar Waasmunster)<br />
“Moesten we nu in Waasmunster centrum wonen dan denk ik toch dat de<br />
kinderen meer activiteiten zouden doen in hun vrije tijd. Nu gebeurt het toch wel<br />
eens dat we iets niet doen omdat we dan denken, ja het is praktisch niet<br />
haalbaar. Het turnen bijvoorbeeld heeft ze moeten laten vallen. Of als wij geen<br />
tijd hebben, dan kan ze ook niet naar de jeugdbeweging.” (Elke 37 jaar<br />
Waasmunster)<br />
Simona (V) en André (M)<br />
Simona is een 55-jarige huisvrouw. Ze woont samen met haar echtgenoot<br />
André(die op ziekteverlof is) in de Bosstraat in Merelbeke. In de randgemeente<br />
waar ze wonen hebben ze maar een beperkt aanbod aan openbaar vervoer<br />
en ze zijn niet gewoon om het openbaar vervoer te nemen. Enkel aan de kust<br />
waar ze wel graag gebruik maken van de kusttram. Ze hebben één wagen in<br />
het gezin, maar vermits ze beiden thuis zijn is deze altijd ter beschikking.<br />
156
In de periode dat de André wel ging werken in Brussel, had Simona echter geen<br />
auto en kon ze niet weg. Nu ze beiden thuis zijn, gaan ze nog altijd niet veel<br />
weg. Ze vinden vooral de kostprijs van het openbaar vervoer een obstakel.<br />
“Basismobiliteit… voor ons is dat de garage opendoen, de auto instappen en<br />
vertrekken” (André 59 jaar Merelbeke)<br />
“Hier kunt ge niet anders dan een auto pakken hé. Het is hier al iets of wat<br />
verbeterd tegenover enkele jaren, maar ja het is eigenlijk nog niet om op te<br />
stoefen.” (Simona 55 jaar Merelbeke)<br />
“Nu is er we om het uur een bus naar het UZ in Oudenaarde. Vroeger was dat<br />
niet. Eén ’s morgens, ene onder de middag en dan nog ene ’s avonds.” (Simona<br />
55 jaar Merelbeke)<br />
“Aan de zee nemen we wel altijd de kusttram. Dat is een groot verschil met hier<br />
hé. Daar is om de 10 minuten een tram, hier passeert er een om de twee uur.<br />
Hoewel het de laatste jaren wel verbeterd is.” (Simona 55 jaar Merelbeke)<br />
“Maar ja, de bus hier gaat naar het UZ of naar Gent Zuid en dan moet ge<br />
vandaar nen andere bus nemen om naar het centrum te gaan en ja, ge zijt dat<br />
dan niet gewoon en ge doet dat niet hé.” (Simona 55 jaar Merelbeke)<br />
“Een parkeerplaats vinden in de stad is zo geen groot probleem. Toch niet als ge<br />
in een betaalparking gaat. En als we met twee de bus nemen dan is het duurder<br />
dan de parking hoor!” (André 59 jaar Merelbeke)<br />
“De prijs van de tram is geen lolleke zenne. Als wij aan zee de tram nemen van<br />
Blankenberge naar Wenduine, da’s 6 kilometer, awel ge zijt 300 frank kwijt. Maar<br />
ja, aan de zee krijgt ge uwen auto toch niet kwijt hé” (Simona 55 jaar<br />
Merelbeke)<br />
“In de tijd dat André ging werken met de auto kon ik niet weg hé. Dan moet ge<br />
u arrangeren in het weekend voor de boodschappen. Maar ik was dat gewoon<br />
en ge past u aan hé.” (Simona 55 jaar Merelbeke)<br />
“Als André werkte en ik geen auto had, dan ging ik nu en dan wel eens weg met<br />
vriendinnen naar de stad. En dat was dan met de bus van 13 uur. Dan<br />
vertrokken wij tot aan Gent Zuid en vandaar kon je dan naar de Veldstraat<br />
enzo.” (Simona 55 jaar Merelbeke)<br />
“Vorige week nog vraagt en vriendin mij om mee te gaan naar de markt in<br />
Oudenaarde. Ja zegt ze ‘laat ons met de bus gaan’. Ah ja, zij is 65 en ze rijdt met<br />
vermindering, maar ik heb gezegd ‘Ja, maar wat gaat dat mij kosten. Zekers 5<br />
euro. Gij zijt goe gij! En dan zijn we met de auto gegaan.” (Simona 55 jaar<br />
Merelbeke)<br />
157
Jaak (M)<br />
Jaak is 61 jaar en gepensioneerd militair. Hij woont alleen op de<br />
Lembergsesteenweg in Merelbeke. Sinds de nodige werken aan de straat is de<br />
bushalte aan zijn deur verplaatst naar 500 meter verder en binnen een straal van<br />
een kilometer is zelfs een ruim aanbod aan openbaar vervoer. Hij beschikt al 9<br />
jaar over geen wagen en dus gebruikt hij het openbaar vervoer veelvuldig om<br />
zich te verplaatsen over grotere afstanden zoals naar Gent. Verder is hij vooral<br />
fiets-minded en dus gebruikt hij zo veel als mogelijk de fiets. Hij is vrijwilliger voor<br />
het plaatselijke OCMW en voor Caritas. Regelmatig neemt hij de oudere mensen<br />
mee met de bus naar Gent.<br />
“Hier in Merelbeke krijgen alle 60 plussers een gratis kaart voor de Lijn, voor heel<br />
België. En dat is een héél goed initiatief hé. Ik heb geen wagen en ik maak daar<br />
dus veel gebruik van.” (Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
“Ik heb hier natuurlijk alles in de buurt en één keer in de week komt mijn nicht<br />
langs met de wagen en dan doen we de grote boodschappen.” (Jaak 61 jaar<br />
Merelbeke)<br />
“Ik kan veel te voet doen of met de fiets, maar om naar Gent te gaan of zo, ja<br />
dan neem ik altijd de bus.” (Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
“Maar het openbaar vervoer is natuurlijk niet voor iedereen zo makkelijk hé. Ik<br />
ben vrijwilliger op het OCMW en voor Caritas één of twee keer in de maand ga<br />
ik met die oudere mensen naar de stad. Dan gaan we daar iets drinken en een<br />
beetje wandelen. Alleen kunnen die mensen dat niet meer hé”. (Jaak 61 jaar<br />
Merelbeke)<br />
“De bus naar Gent met die oudere mensen is wel makkelijk hé. De bus stopt aan<br />
het OCMW hier in Merelbeke. We moeten er dus maar gewoon opstappen en<br />
we stappen af aan het Zuid en daar kunt ge al gemakkelijk een tas koffie<br />
drinken met die vouwen hé. En om het halfuur is er een bus.” (Jaak 61 jaar<br />
Merelbeke)<br />
“Wat een grote verbetering is, zijn die uitbreidingen van het aanbod tijdens de<br />
Gentse Feesten en met de Kerstdagen. Ge ziet dat daar veel gebruik van<br />
gemaakt.” (Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
“Pas op, het is goed dat het gratis is voor die oudere mensen hé. Anders zouden<br />
ze 3,60 euro moeten betalen om naar Gent te gaan en dat is toch veel voor die<br />
mensen hoor.” (Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
“Ik moet wel de volle pot betalen voor de trein. En dat vind ik duur. Ik gebruik de<br />
trein dan ook niet zo veel. Ook voor ik 60 was en niet gratis met de bus kon rijden,<br />
ging ik niet zo veel naar Gent.” (Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
158
“Ik heb bijvoorbeeld een zus in Oostende wonen, wel die ga ik nooit bezoeken.<br />
Want als ik de trein moet nemen naar Oostende, ja… dan kost mij dat veel te<br />
veel geld. Als ik 65 ben, dan ga ik daar wel meer naar toe gaan. Ik vind het wel<br />
jammer dat wij 60-plussers geen vermindering krijgen voor de trein.” (Jaak 61 jaar<br />
Merelbeke)<br />
“Ge weet natuurlijk dat ge de bus niet moet nemen om 7.30. Die zit dan overvol<br />
met schoolgaande kinderen, dat is niet te doen. Maar waarom moet ik die<br />
nemen? Ik heb tijd om daarna mij te verplaatsen. Ik zou ook niet om 17 uur<br />
terugkomen bijvoorbeeld. Ik zorg dat ik de bus er voor heb.” (Jaak 61 jaar<br />
Merelbeke)<br />
“Wij hebben hier ook een Minder <strong>Mobiel</strong>e Centrale en daar heb ik ook al eens<br />
gebruik van gemaakt toen ik naar het ziekenhuis moest. En dat is ook ne mooie<br />
dienst hé, want ik kon het openbaar vervoer dan niet gebruiken en diene mens<br />
heeft dan aan het ziekenhuis een uur gewacht en mij teruggebracht.” (Jaak 61<br />
jaar Merelbeke)<br />
“Ik ben nogal fiets-minded en de gevaarlijke banen, dat vind ik een probleem. Ik<br />
zal bijvoorbeeld nooit voor 9 uur met de fiets buiten komen om naar het centrum<br />
te gaan. Of ik moet binnenwegen kunnen nemen. Maar anders is dat echt te<br />
gevaarlijk.” (Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
“Wat voor mij het grootste probleem is, is bijvoorbeeld een bezoek aan het<br />
NTGent of de Capitool in Gent. Daar geven ze nu Otello en ik zou dat graag<br />
zien, maar dat is na 23 uur gedaan en dan hebt ge geen bus niet meer… Het<br />
sportpaleis in Antwerpen is ook zo’n probleem. Ik wou naar Cirque de Soleil<br />
gaan, maar dat is ook al laat gedaan en als ge dan wat pech hebt met uw<br />
verbindingen dan zit ge ergens vast hé.” (Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
“Hetzelfde voor Flanders Expo, als ge daar de laatste tram kunt pakken, en soms<br />
moet ik daarvoor voor het einde weg, dan geraakt ge nog in Gent, maar niet<br />
meer in Merelbeke. Ik moet dus rekening houden met de laatste verbinding naar<br />
Merelbeke. En dan is het soms al niet meer de moeite om te gaan hé.” (Jaak 61<br />
jaar Merelbeke)<br />
“Ik zou graag meer naar de Capitool of naar de opera gaan, maar met een taxi<br />
wil ik niet gaan. Dat is veel te duur. Ik heb dat al gedaan, maar ze durven 17<br />
euro vragen om mij tot thuis te brengen.” (Jaak 61 jaar Merelbeke)<br />
Jules (M)<br />
Jules is 58 jaar en woont samen met zijn echtgenote in Maretak in Pattoterij<br />
(Waasmunster). Zijn vrouw is tewerkgesteld in een rusthuis. De dichtstbijzijnde<br />
bushalte ligt op bijna 2 kilometer van zijn woonst. Op het einde van de straat, op<br />
ongeveer 500 meter, stopt wel een belbus. Hij gebruikt af en toe het openbaar<br />
vervoer, maar meestal wel in combinatie met de auto. Elke week gaat hij ’s<br />
159
avonds naar de vergaderingen van een natuurvereniging in Kruibeke. Daarvoor<br />
dient hij altijd beroep te doen op een vriend om hem te brengen en te komen<br />
halen. Indien de vriend zelf niet kan, dan kan hij ook niet gaan. Hij is tevens<br />
natuurgids en ook daarvoor moet hij naar vergaderingen in Lokeren en<br />
omstreken. Er is maar één wagen in het gezin en die wordt door de vrouw<br />
gebruikt om te gaan werken. Als zij op haar werk zit dan is de auto weg of er<br />
moet bij voorbaat een regeling getroffen worden.<br />
“Basismobiliteit is dat ge op de gewenste tijd ergens naar toe kunt. Zonder al te<br />
veel poespas.” (Jules 58 jaar Waasmunster)<br />
“Ik neem de bus, maar meestal in combinatie met de auto. Ze zetten mij dan af<br />
aan de bushalte. Maar als er geen auto is, dan heb ik wel een probleem hé.<br />
Bijvoorbeeld als ik naar de vereniging in Kruibeke moet op woensdagavond en<br />
mijn vrouw heeft de wagen nodig dan moet ik rekenen op een vriend die mij<br />
meeneemt En als hij niet gaat, ja dan kan ik ook niet gaan.” (Jules 58 jaar<br />
Waasmunster)<br />
“Ik reken dikwijls op vrienden om mij ergens op te pikken of mij ergens af te<br />
zetten. Ik zou de belbus niet kunnen gebruiken ook. Ik kan er misschien wel<br />
geraken, maar niet meer terug. Dat is veel keer na 23 uur gedaan en de<br />
vergadering eindigt niet op een vast uur.” (Jules 58 jaar Waasmunster)<br />
“Neen, al sik zo ’s avonds naar Kruibeke moet is dat niet simpel. Eerst brengt mijn<br />
vrouw mij tot aan de bushalte, dan de bus en dan komt een vriend die ook in de<br />
verenging is mij van de bus oppikken om naar de vereniging te gaan. Als er iets<br />
dan niet lukt, dan kan ik niet gaan.” (Jules 58 jaar Waasmunster)<br />
“Ah ja, ik ben ook natuurgids en als daarvoor vergaderingen zijn, dat is zo één<br />
keer in de maand. In Lokeren of Sint-Niklaas of ergens anders, dan wil ik daar<br />
natuurlijk bij zijn. Dan moet ik de auto hebben, anders wordt het moeilijk. Maar<br />
mijn vrouw probeert er dan voor te zorgen dat ik de auto heb”. (Jules 58 jaar<br />
Waasmunster)<br />
“Het is hier niet zo makkelij om weg te geraken hé. Ik denk niet dat ge van<br />
Waasmunster naar Kruibeke of Base. Ik denk dat ge de bus moet nemen naar<br />
Sint Niklaas en overstappen op de bus die van Hamme komt. Ik moet dus altijd<br />
overstappen. Dat is op zich niet zo erg, maar het neemt wel veel tijd.” (Jules 58<br />
jaar Waasmunster)<br />
“Mocht het aanbod hier groter zijn, dan zou ik meer de bus nemen. Bijvoorbeeld,<br />
ik moet regelmatig naar Molsbroek, een natuurreservaat. Daar is een bus, maar<br />
die gaat naar Sint Niklaas en dan zou ik daar moeten overstappen. Maar<br />
eigenlijk zit ik met de lijnbus vast in Waasmunster, of ik moet ver stappen. Het<br />
dichtstbijzijnde is in Belsele en dat is toch een kilometer of twee stappen.” (Jules<br />
58 jaar Waasmunster)<br />
160
“Vroeger was hier wel een lijnbus, maar nu is dat een belbus geworden. En de<br />
belbus houdt me wel wat tegen om te doen wat ik vroeger wel zou gedaan<br />
hebben. Ge weet nooit wanneer ge juist gedaan hebt en dan is dat moeilijk<br />
met de belbus hé.” (Jules 58 jaar Waasmunster)<br />
“Nu ik gepensioneerd ben, ben ik de huisman hé. Maar ik doe de<br />
boodschappen als de auto thuis is. Anders is dat te zwaar allemaal hé. Ik ben de<br />
nieuwe man, hé. Ik haal dan eten voor een paar dagen.” (Jules 58 jaar<br />
Waasmunster)<br />
“Voor grotere verplaatsingen gebruiken we soms ook de trein. Om naar de zee<br />
de gaan of naar Amsterdam of Londen. Dan vertrekken we vanuit Sint Niklaas.<br />
Maar we gaan wel naar daar met de auto.” (Jules 58 jaar Waasmunster)<br />
“Als we in het weekend ergens naar toe gaan om te wandelen of te fietsen dan<br />
gaan we ook met de auto. Dan zetten we de fietsen op de auto en we zijn weg.<br />
Dan heb je toch veel meer vrijheid dan met het openbaar vervoer hé.“(Jules 58<br />
jaar Waasmunster)<br />
“Als we aan de kust zijn dan nemen we altijd de kusttram om de kust af te<br />
schuimen. Dat is raar hé. Maar het is toch veiliger met de tram, want het is daar<br />
toch druk en dan vind je ook al geen parkeerplaats.” (Jules 58 jaar<br />
Waasmunster)<br />
“Meestal gaan we met de wagen naar Gent, maar als we naar Antwerpen<br />
gaan, dan rijden we naar Linkeroever en daar nemen we de metro. Ook al<br />
omdat het te druk is en omdat we geen parkeerplaats vinden.” (Jules 58 jaar<br />
Waasmunster)<br />
“Van hier in Belsele naar Antwerpen dat zou ik niet zien zitten. Ik moet eerst een<br />
paar kilometer te voet, dan met de bus vanuit Sint Niklaas en dan de metro naar<br />
het centrum van Antwerpen. Pas op, dat zou allemaal wel gaan hoor, maar die<br />
laatste kilometers te voet als we terug komen, die zijn er dan toch te veel aan.<br />
Zeker als het dan al donker is”. (Jules 58 jaar Waasmunster)<br />
“Mochten we nu geen auto meer hebben, dan zouden we al de verplaatsingen<br />
die we nu doen ook wel doen, maar het zou toch een gans andere planning<br />
zijn. En dan zou ik de belbus veel meer gebruiken. De belbus stopt trouwens aan<br />
het natuurreservaat waar ik regelmatig moet gaan gidsen.” (Jules 58 jaar<br />
Waasmunster)<br />
“Verder ga ik nog naar de schaakclub, ik geef les aan de jongeren, en dat is<br />
hetzelfde als voor de natuurvereniging. Dan reken ik ook op de auto, maar dan<br />
gaat mijn vrouw ook altijd mee want zij gaat dan naar de muziekschool. Of ik ga<br />
mee met een vriend die ook in de schaakclub zit.” (Jules 58 jaar Waasmunster)<br />
161
Seb (M)<br />
Seb is 15 jaar en woont samen met zijn zus van 9 jaar en zijn ouders in de<br />
Boterhoekstraat in Melsen (Merelbeke). Het gezin heeft een bushalte op<br />
ongeveer 600 meter van de woning. Seb neemt dagelijks het openbaar vervoer<br />
om naar school te gaan. In zijn vrije tijd gaat hij regelmatig met de bus naar<br />
Gent om af te spreken met vrienden. Naar de voetbaltraining en de match<br />
wordt hij gevoerd. Dat is niet te bereiken met het openbaar vervoer en met de<br />
fiets gaat hij niet graag. Uitgaan mag hij nog niet en andere verplaatsingen<br />
heeft hij niet. Tijdens het interview komt de moeder van Seb regelmatig tussen<br />
om haar mening te geven of zich te verantwoorden.<br />
“Ik heb geen idee wat basismobiliteit is” (Seb 15 jaar Merelbeke)<br />
“Sinds ik naar Gent naar school ga, dan ga ik met de bus. Voordien gebruikte ik<br />
de bus niet. Maar nu vind ik dat wel tof.” (Seb 15 jaar Merelbeke)<br />
“We gaan soms in het weekend naar Gent met een paar vrienden om te gaan<br />
shoppen. Dan neem ik met mijn vriend uit te buurt, die ook in mijn school, zit de<br />
bus en dan spreken we in Gent af met de anderen.” (Seb 15 jaar Merelbeke)<br />
“Neen, ik zou het niet tof vinden als mijn moeder ons naar Gent zou brengen.<br />
Dat zou woensdagnamiddag ook niet gaan want ze werkt dan. En ze weet dat<br />
ook niet altijd bij voorbaat. Soms spreken we ’s ochtends af en dan komen we in<br />
de namiddag samen. Om naar de film te gaan bijvoorbeeld.” (Seb 15 jaar<br />
Merelbeke)<br />
“Hij mag van mij de woensdag zelf de bus nemen, maar hij moet wel altijd laten<br />
weten als hij dat doet. Een simpel smsje is dan genoeg, hoor. Maar ik weet het<br />
wel liever. Je weet nooit hé” (moeder van Seb)<br />
“Hij mag pas uitgaan als hij 18 jaar is hé. Zo nu en dan een feestje dat kan wel en<br />
dan voer ik hem of we spreken af met andere ouders. Maar alleen zou ik hem<br />
niet laten gaan. “ (moeder van Seb)<br />
“Naar de voetbal brengen mijn ouders, allez mijn moeder eigenlijk, mij altijd.<br />
Soms blijft ze dan kijken, maar meestal komt ze mij na de training terug halen.<br />
Dan gaat ze ondertussen terug naar huis.” (Seb 15 jaar Merelbeke)<br />
“Om uit te gaan, als ik mag hé, dan is het wel niet zo tof als mijn ma mij komt<br />
halen. Als je dan iets gedronken hebt of zo… Of dan is het nog tof en wilt ge nog<br />
effe blijven en dan staat mijn moeder buiten te wachten.” (Seb 15 jaar<br />
Merelbeke)<br />
162
“Ik vind dat hij naar buiten moet komen als ik er ben. Op dat half uurtje zal het<br />
niet aankomen en een uur is een uur, hé meneer. Hij heeft zich dan al genoeg<br />
kunnen amuseren en hij is te jong om zo laat weg te gaan” (moeder van Seb)<br />
“Buiten naar Gent, ga ik niet met de bus of de tram. Ik heb wel een Buzzypas,<br />
maar ik weet niet waar ik naar toe zou gaan.” (Seb 15 jaar Merelbeke)<br />
Stien (V) en Peter (M)<br />
Stien is 16 jaar en ze woont samen met haar vader Peter, 43 jaar, in de<br />
Elleboogstraat in Helkijn (Kortrijk). Erik is leerkracht in het type 3 lager onderwijs en<br />
beschikt over een wagen. Aan de overkant van de straat staat een bushokje,<br />
maar dat is al enige tijd niet meer in gebruik. De huidige dichtstbijzijnde halte ligt<br />
nu op een kleine 800 meter van hun deur. Erik neemt het openbaar vervoer niet,<br />
zijn dochter Stien wel. Ze gaat wel steeds met de fiets tot op het punt waar ze<br />
niet meer moet betalen om in Kortrijk rond te rijden. Ze gaat naar school in<br />
Roeselare en daarvoor neemt ze de trein uit Kortrijk.<br />
In hun vrije tijd gaan ze niet dikwijls weg. Perter gaat één keer per week<br />
badminton spelen in Wevelgem, maar dat is ’s avonds en dat gebeurt met de<br />
wagen. Stien gaat in het weekend naar de Chiro en die verplaatsing maakt ze<br />
met de fiets. Als ze weg gaat dan voert haar vader haar, want ze mag ’s avonds<br />
niet met de fiets naar Marke.<br />
Er rijdt in de buurt ook een belbus, maar die gaat naar Zwevegem en daar<br />
moeten ze niet zijn.<br />
“Basismobiliteit zou moeten betekenen dat iedereen zich zo vrij mogelijk moet<br />
kunnen bewegen. Onafhankelijk van uw inkomen of van de plaats waar je<br />
woont.” (Peter 43 jaar Kortrijk)<br />
“Ik neem de bus hier nie, maar ik fiets naar de Kinepolis. Dat is niet zo ver, een<br />
paar kilometer. Daar is een dienst aangeboden door de stad en die is gratis.”<br />
(Stien 15 jaar Kortrijk)<br />
“Die gratis dienst gebruiken we wel regelmatig voor evenementen in Gent. Als<br />
ge u parkeert op de parking van Kinepolis, dan is de bus gratis. En dat is<br />
makkelijk, want dan moet ge geen parking zoeken of iets.” (Stien 15 jaar Kortrijk)<br />
“De bus die hier passeert die gaat naar Bellegem, Rollegem, Aalbeke enzo. We<br />
moeten daar eigenlijk niet veel zijn en als ik naar Rollegem moet, dan ga ik<br />
rapper de fiets.” (Stien 15 jaar Kortrijk)<br />
“k ga naar school in Roeselare en dan fiets ik tot de Kinepolis en dan de bus naar<br />
het station en de trein naar Roeselare. En dan te voet naar school. Enkel als het<br />
echt heel slecht weer is, dan brengt mijn pa mij.” (Stien 15 jaar Kortrijk)<br />
163
“Ik werk als leraar hier dichtbij in een kleuterschool in Bellegem, maar te voet is<br />
dat wel te ver en met de fiets mag ik daar niet op en dan moet ik via de Hallen<br />
rijden en ja… ik neem dus de wagen.” (Peter 43 jaar Kortrijk)<br />
“Het openbaar vervoer is niet zo makkelijk want ik heb al dikwijls veel materiaal<br />
mee. Hetzelfde voor boodschappen, ik zou niet weten hoe dat met de bus te<br />
doen.” (Peter 43 jaar Kortrijk)<br />
“In het weekend ’s avonds gaan we met vriendinnen weg in Marke. En dan doet<br />
mijn papa mij weg, want ’s avonds mag ik niet alleen met de fiets.” (Stien 15 jaar<br />
Kortrijk)<br />
“We hebben nog een zoon die basket. Hij woont wel bij mijn ex, maar ik breng<br />
hem altijd naar de basket. En dat is een heel gevaarlijke weg. Die breng ik dus<br />
ook met de wagen. Of we spreken af met andere ouders, want niemand ziet<br />
dat zitten om zijn kind met de fiets te laten gaan.” (Peter 43 jaar Kortrijk)<br />
“Neen, ik wil niet dat ze ’s avonds met de fiets naar Marke gaat. Ik vind dat veel<br />
te gevaarlijk. En met de bus, moet ze eerst naar Kortrijk en vandaar naar Marke.<br />
Maar ja, Mark eis hier maar een goeie drie kilometer vandaan” (Peter 43 jaar<br />
Kortrijk)<br />
“Ik heb op de bus eens een boekske gekregen met allemaal tabellen en uren,<br />
maar ik verstond er iet veel van en ik heb het weggegooid. Dat staat vol met<br />
vanalles en ge weet niet wat dat allemaal is” (Stien 15 jaar Kortrijk)<br />
“Ja, hier is niet veel hé. Mijn bank enzo ligt ook in Marke. Ik ga dus vrij veel naar<br />
Marke. Maar ik weet nu niet of ik de bus zou pakken als die er zou zijn. Dat is toch<br />
niet gemakkelijk hé, ge moet dan altijd kijken hoe laat het is.” (Peter 43 jaar<br />
Kortrijk)<br />
“De bus nemen dat zou pas een georganiseer zijn. Het is nu al zo gearrangeer,<br />
met veel afspraken en regelingen. Ah ja, de zoon naar daar, de dochter naar<br />
daar en terwijl nog boodschappen doen, allez…” (Peter 43 jaar Kortrijk)<br />
“Wat mij bijvoorbeeld stoort is bij evenementen. Dan is er een groot vuurwerk<br />
den elven en dan kunt ge niet blijven want de laatste bus is den tienen. Ze<br />
zouden dan toch zoals in Gent met de Gentse Feesten op die dagen hun uren<br />
mogen aanpassen hé. Dan zou ik dat gebruiken, want ge kunt dan een pintje<br />
drinken en zo” (Peter 43 jaar Kortrijk)<br />
“Als ik naar school ga naar Roeselare moet ik om 6.45 de bus pakken aan<br />
Kinepolis en dan is het nog donker en ’s avonds ben ik pas terug om 18.30 en<br />
dan is het ook al donker. En ik sta daar dan altijd alleen. Dat is niet zo tof. Soms<br />
als ik echt te vroeg ben, dan rijd ik nog wat rond op de fiets. Liever dan daar te<br />
gaan staan.” (Stien 15 jaar Kortrijk)<br />
164
“Naar Gent of Antwerpen of zo dan neem ik wel de tram of de trein. Dan rijd ik<br />
tot aan de parking en dan neem ik het openbaar vervoer. Allez, dat vind ik<br />
normaal. Dat is zo veel gemakkelijke. Ik ga daarom ook niet meer naar de<br />
bibliotheek in Kortrijk. Ge kunt daar niet meer op of door en ge vindt daar geen<br />
parkeerplaats.” (Peter 43 jaar Kortrijk)<br />
“Wat ik wel heel ambetant vind is dat als mijn trein te laat is en ik daardoor de<br />
bus mis. Dan moet ik daar een half uur staan draaien en allez, bus kom toch<br />
aan. En na de school wil ik zo rap mogelijk naar huis.” (Stien 15 jaar Kortrijk)<br />
Anja (V), Sofie (V) en Erik (M)<br />
Anja is 8 jaar is en ze woont samen met haar jongere broer en haar ouders in de<br />
Lijsterstraat in Helkijn-Aalbeke (Kortrijk). Tijdens het interview zijn ook haar moeder<br />
en vader aanwezig. Anja gaat naar de dictie les en daarvoor wordt ze gevoerd<br />
door haar mama. Naar school gaat ze te voet samen met haar jongere zus. De<br />
school bevindt zich ook maar op twee straten van het ouderlijke huis. Op<br />
woensdag worden de kinderen opgevangen door de grootmoeder en<br />
daarmee gaan ze soms met de bus naar de markt in Kortrijk. Haar ouders Sofie<br />
(32 jaar) en Erik (33 jaar) gebruiken de bus niet. Beiden beschikken over een<br />
auto. Soms, als ze naar Antwerpen gaan, gebruiken ze de trein. Ze hebben een<br />
bushalte op 300 meter. Erik heeft een internationale job en is veel in het<br />
buitenland. Hij heeft een firmawagen en gebruikt die dan ook altijd. Sofie werkt<br />
ook voltijds en ze gebruikt ook dagelijks haar wagen om naar het werk te gaan.<br />
“Basismobiliteit zijn de middelen die ge kunt gebruiken om uw dagelijkse<br />
verplaatsingen te doen.” (Erik 33 jaar Kortrijk)<br />
“De dinsdag ga ik naar de dictie en dan brengt mijn mama mij en komt ze mij<br />
halen. De woensdag ga ik met de bus met oma en naar de markt en dan<br />
terug.” (Anja 8 jaar Kortrijk)<br />
“Naar school ga ik te voet samen met mijn zus. Dat is niet ver.” (Anja 8 jaar<br />
Kortrijk)<br />
“Sommige vriendinnetjes wonen hier in de buurt, maar ik zie die niet zo veel want<br />
heel heel soms kan mijn mama mij brengen. (Anja 8 jaar Kortrijk)<br />
“Naar de winkel stuur ik ze soms. Dat is bij haar school hier twee straten verder.<br />
Verder zou ik ze nu niet durven laten gaan. En al zeker niet als er veel verkeer zou<br />
zijn.” (Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />
“Alleen zal ze nog niet zo rap het openbaar vervoer nemen. Niet voor de bus op<br />
zich, maar dan moet ze wel een hele drukke baan over en daarvoor is ze toch<br />
nog te jong. Ik zou niet durven ook niet.” (Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />
165
“Soms gaat ze wel naar de Chiro te voet. Dan moet ze ook wel een drukke baan<br />
over, maar dan is ze zonder haar jongere zus en dan steekt ze over aan de<br />
lichten.” (Anja 8 jaar Kortrijk)<br />
“Het is wel ambetant als ik alleen ben met mijn zus. Zij steekt dan over, want ze<br />
let niet op het verkeer” (Anja 8 jaar Kortrijk)<br />
“Wij krijgen eigenlijk heel weinig informatie over de Lijn. Mijn moeder bijvoorbeeld<br />
die komt altijd naar hier met de bus en als er veranderingen zijn in de uurregeling<br />
of zo dan moet ze dat zelf uitvinden of vragen” (Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />
“Als wij naar oma willen dan moeten we de lijn naar Kortrijk pakken en dan in<br />
Aalbeke overstappen naar Ootegem. Dat zou niet makkelijk zijn.” (Sofie 32 jaar<br />
Kortrijk)<br />
“Alleen naar Antwerpen, dan nemen we de trein. Naar de zoo of naar de Plopshow.<br />
Dat is gemakkelijk hé. We rijden dan naar het station in Kortrijk en van daar<br />
met de trein naar Antwerpen” (Sofie 32 jaar Kortrijk)<br />
“Moesten we nu meer informatie krijgen, dan zouden we het openbaar vervoer<br />
wel meer nemen. Maar nu weten wij van niets hé” (Erik 33 jaar Kortrijk)<br />
“We zijn toch wat bezorgd om haar veiligheid. En die bussen rijden meestal<br />
natuurlijk op grote wegen en ze moet dan de baan oversteken. Ook als ze ouder<br />
is hoor en ze moet naar school met de bus, dan gaan we daar toch opletten.”<br />
(Erik 33 jaar Kortrijk)<br />
“Pas op, ik ben grote voorstander dat ze met de bus naar school gaat. Het enige<br />
nadeel is dat als het regent, dan kan ze niet in het bushokje staan want dat is te<br />
klein. Ik zie daar ’s morgens allemaal staan e kinderen. Allez, dat zou voor mij al<br />
een reden zijn om haar naar school te voeren als het slecht weer is.” (Erik 33 jaar<br />
Kortrijk)<br />
“Als ik het vliegtuig moet nemen, dan neem ik de trein naar de luchthaven.<br />
Maar dan laat ik mij voeren met de wagen naar het station in Kortrijk. En de<br />
reden is dat ik niet zou weten wanneer er een bus is.” (Erik 33 jaar Kortrijk)<br />
Nathalie (V)<br />
Nathalie is een 50-jarige huisvrouw. Samen met haar echtgenoot en haar zoon<br />
van 15 jaar woont ze in de Brusselstraat in Leerbeek (Gooik). Ze beschikt over<br />
een eigen wagen en kan deze dus op elk moment gebruiken. Ze gebruikt zelden<br />
het openbaar vervoer omdat de verbindingen niet goed zijn. Haar zoon Herman<br />
gaat naar Lennik naar school en hij gaat vanaf dit jaar met de bus naar school.<br />
Tot vorig jaar bracht zij hem elke dag, maar nu vindt ze dat hij wat zelfstandiger<br />
mag worden, tenminste drong de zoon erop aan om wat zelfstandiger te<br />
worden. Zelf gaat ze regelmatig eens naar Aalst of Ninove om op stap te gaan,<br />
166
maar ze vindt het vinden van een parkeerplaats of de drukte in het verkeer<br />
geen probleem.<br />
“Basismobiliteit is mijn auto. Te voet of te fiets kan ik hier niets doen op de buiten.<br />
En soms de bus, als ik geen auto heb, om naar Halle te gaan.” (Nathalie 50 jaar<br />
Gooik)<br />
“Met het openbaar vervoer geraak je er ook niet altijd zo gemakkelijk hé. We<br />
hebben eens de test gedaan met vier vriendinnen en we wouden naar het<br />
museum aan de Kruidtuin in Brussel. En er gingen er twee met de auto naar<br />
Anderlecht en van daar met de metro en ik ben met mijn vriendin met de auto<br />
gegaan. Awel, ik was nog goed 10 minuten vroeger dan zij.” (Nathalie 50 jaar<br />
Gooik)<br />
“In de stad is het veel gemakkelijker hé. Daar ga je bijna altijd rechtstreeks van A<br />
naar B, maar hier in de buiten moet ge van A naar C en soms nog naar D om<br />
dan pas naar A te kunnen gaan. Daar verliest ge veel tijd mee. Zeker als ge al<br />
uw wachttijden moet bijtellen.” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
“Ik wou eens naar het voedingsalon gaan met de bus en de metro. Maar ik was<br />
meer dan een uur onderweg en daar is dan een grote parking, en ja…”<br />
(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
“Mijn zoon gaat in Lennik naar school en die neemt elke dag de bus. Maar ik<br />
heb daar medelijden mee. Ze staan daar ’s morgens allemaal op elkaar gepakt.<br />
Nu hebben ze een bus bijgezet en die zit ook vol. Ge kunt wel denken.”<br />
(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
“Ik zou mijn zoon even goed met de wagen naar school brengen in Lennik, hoor.<br />
Ik heb dat ook altijd gedaan. Maar ik vind, nu hij 15 jaar is, dat hij wat<br />
zelfstandiger mag worden en vandaar dat we gezegd hebben dat hij met de<br />
bus moet gaan. Want ik zou dat kunnen doen hé. Ik ben toch thuis.” (Nathalie 50<br />
jaar Gooik)<br />
“Met de fiets zou mijn zoon ook naar school kunnen gaan, maar dat mag niet<br />
van mij. Hij moet dan echt langs drukke banen en hij moet er zelfs twee<br />
oversteken. Dat zou ik niet zien zitten. Goh, ik ga elke dag dood van de schrik<br />
met mij af te vragen of hij veilig is aangekomen. Soms doet hij dat en dan kijk ik<br />
naar de horloge en als het half negen is, dan zeg ik oef, ik hoor niks. Het zal in<br />
orde zijn” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
“Als mijn zoon eens naar Halle wilt gaan met zijn vrienden, ja dan nemen ze de<br />
bus. Dan wil hij niet dat zijn mama hem brengt hé. Ze willen niet altijd afhangen<br />
van hun mamaatje hé. Zeker als ze dan met anderen zijn.” (Nathalie 50 jaar<br />
Gooik)<br />
167
“Vorig jaar hebben ze een metrospel gedaan met school om de kinderen<br />
vertrouwd te maken met het metrosysteem. Dat vind ik echt een goed initiatief<br />
voor jongens die in de rand van Brussel wonen.” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
“Ik heb maar ene zoon, en ja, ik wil een goede moeder zijn en dan zet ik hem af<br />
waar hij moet zijn hé. Maar nu dit jaar wou hij dan wat zelfstandiger worden en<br />
ja, dan moet ge dat laten gebeuren hé. Ik ben wel bezorgd, maar allez.”<br />
(Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
“De zondag gaat hij naar de Chiro, maar daar geraakt hij dus ook niet met het<br />
penbaar vervoer hé. Naar de tennis ook niet. Hij tennist de woensdagnamiddag<br />
en de vrijdagavond en ik ben dat gaan vragen. En hij moest een uur en een half<br />
vroeger vertrekken en dan nog terug. Dat is drie uur bovenop de tennis. En hij<br />
heeft huiswerk hé. Hij moest van leerbeek, naar Ijzeringen dan naar Dilbeek,<br />
maar dan voorbij waar hij moest zijn. De eerst naar Brussel en van daar terug<br />
naar Itterbeek. Dus ja, dat gaat niet.” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
“Ik ga ook met de auto naar Brussel. Ik heb daar geen schrik van, maar ik vertrek<br />
natuurlijk ook niet om 8 uur. Da is het veel en veel te druk. Het verkeer is de<br />
laatste 10 jaar ook enorm toegenomen hé.” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
“Mijne man die neemt nooit de auto. We zijn één keer samen met de metro naar<br />
Cirque de Soleil geweest in Brussel. Als uitstapje en we waren dan goed op tijd<br />
vertrokken. We waren daar zelfs 2 uur te vroeg. Maar allez, het was een uitstapje<br />
hé. Dan is dat niet erg, ge drinkt dan iets.” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
“Ik neem nu niet graag de metro in Brussel. Ik vind dat echt onveilige. Zeker in<br />
Brussel, als ge de metro neemt, hou dan alles goed vast hé. Zeker in Brussel.<br />
Helemaal alleen zou ik mij niet veilig voelen op de metro. ” (Nathalie 50 jaar<br />
Gooik)<br />
“Het openbaar vervoer vraagt echt wel wat voorstudie vind ik. Als ge dat niet<br />
gewoon zijt, dan is dat echt een doolhof hé. Ge moet zeer goed weten waar ge<br />
naar toe moet en hoe de bussen en metro’s gaan.” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
“Hier zonder wagen zitten, dan zijt ge ne duts hé. Ah ja, ge kunt hier niet weg hé.<br />
Enfin, ne bakker en een beenhouwer hebt ge wel. Maar voor de post<br />
bijvoorbeeld moet ge naar Gooik ofzo.” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
“Mijne zoon is 15, maar ver mag hij nog niet gaan van mij hoor. Uitgaan<br />
bijvoorbeeld vind ik nog veel te vroeg en hij mag zeker nergens naar toe gaan<br />
zonder het mij te zeggen hé. Ja, ik ben bezorgd maar ja, ik heb er maar ene hé.<br />
Allez, als hij naar de cinema wilt of zo, dan mag hij gerust gaan hoor met de bus.<br />
Zolang dat het maar geen brommertje is of zo. Dat durf ik niet.” (Nathalie 50 jaar<br />
Gooik)<br />
“In het begin dat hij de bus nam, vroeg hij nog regelmatig om hem toch nog af<br />
te zette aan de school met de wagen. Mar nu niet meer, hij heeft vrienden<br />
168
gevonden waarmee hij de bus pakt en nu wil hij zelfs niet meer gevoerd<br />
worden.” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
“In de zomer gaat mijn zoon (15 jaar) wel graag naar festivals en zo. Dan gaat hij<br />
met vrienden. Vorig jaar nog is hij met een paar vrienden naar Werchter<br />
gegaan. Maar ja, dan zijn er extra bussen en dan is het makkelijk hé.Enfin, hij<br />
heeft dat wel allemaal zelf uitgezocht op het internet.” (Nathalie 50 jaar Gooik)<br />
Bernie (V) en René (M)<br />
Bernie is 71 jaar, gepensioneerd en woont in de Hoogplaatsstraat te Kooigem<br />
(Kortrijk). Ze woont samen met haar echtgenoot René van 66 jaar en ook<br />
gepensioneerd. Ze beschikken over een wagen en ze gaan veel weg met de<br />
fiets. In hun buurt hebben ze slechts één buslijn en slechts enkele keren per dag.<br />
De halte van de bus ligt op een kleine kilometer van hun huis. Ze beschikken wel<br />
over een belbus en beiden maken zowel van de bus als van de belbus gebruik.<br />
In hun verplaatsingsgedrag neemt het openbaar vervoer een belangrijke plaats<br />
in om boodschappen te doen, diensten te bezoeken, naar de zee te gaan… Ze<br />
wonen in een zeer landelijke gemeente, voornamelijk bevolkt door oudere<br />
mensen.<br />
“Basismobiliteit is voor mij dat ge veel keur hebt in de autobussen en zo.” (Bernie<br />
71 jaar Kortrijk)<br />
“We hebben niet veel bussen hier. We kunnen juist naar Kortrijk gaan van hier.<br />
Maar we hebben wel de belbus. Naar Kortrijk hebben we om 7.45 één bus en<br />
dan nog een om kwart voor twee en kwart voor vier. En dan komt hij terug om<br />
vijf, om zes en om zeven. Da’s al.” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
“Ik ging vroeger veel met de bus naar Kortrijk, nu minder want ik ben niet goed<br />
te been. Ik heb pijn in mijne rug en stappen gaat niet zo goed.” (Bernie 71 jaar<br />
Kortrijk)<br />
“Als ge ziet dat er tijdens de dag maximaal 5 mensen op de bus zitten dan<br />
verstaat ge niet hoe dat ze dat kunnen blijven doen hé. Ah ja, er wonen hier al<br />
niet veel mensen en ’t zijn dan nog bijna allemaal ouw van dagen.” (Bernie 71<br />
jaar Kortrijk)<br />
“Ah ja, het is hier al een oudere bevolking en ze moeten dan al van ver komen<br />
om d ebus te pakken en ja, ze komen dan niet. Ze gaan dan mee met iemand.<br />
Want ja, hier is eigenlijk niets hé. Geen post, geen bank, ge moet voor alles weg.<br />
Just nen beenhouwer en brood in een klein winkeltje waar ze zo een beetje van<br />
alles hebben.” (René 66 jaar Kortrijk)<br />
“Ik ga veel weg met de fiets. Ook voor wat boodschappen te doen. Maar één<br />
keer in de week gaan we dan ook met de auto grote boodschappen doen hé.”<br />
169
“Hier is het voor oude mensen echt triest hé. En het zijn allemaal mensen die hier<br />
al altijd gewoond hebben, hé. De jonge mensen die trekken hier weg hé. Ah ja<br />
er is hier niets. Er is hier gene dokter, gene apotheek, echt niets. En ja, voor die<br />
ouw mensen” (René 66 jaar Kortrijk)<br />
“We gaan regelmatige naar Dottenijs naar de markt. Maar daar is van hier geen<br />
connectie naar daar hé. Ge moet al met de fiets naar de luchten en daar de<br />
bus pakken van de TEC. Want ja, dat is daar Wallonië hé.” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
“Aan de zee pakken we veel de tram hé. Als we naar de zee gaan met ons<br />
twee dan gaan we met de auto, ah ja ge kunt anders niets meenemen hé.<br />
Maar als mijne man alleen gaat, dan gaat hij met de trein. Den auto is dan te<br />
kostelijk hé.“ (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
“Awel kijk, morgen ga ik naar de zee. Dan na vijf uur bel ik naar de belbus om<br />
een afspraak te maken om naar Kortrijk te gaan. En dan met de trein. Maar wat<br />
ik dan niet begrijp is dat ze mij dan afzetten aan Kinepolis en dat ik dan van daar<br />
nog eens de bus moet pakken naar het station. Enfin, ’t is wat op- en afstappen<br />
maar het gaat hé. En ik zen vreed content dat de belbus der is zenne.” (René 66<br />
jaar Kortrijk)<br />
“Voor oudere mensen is het allemaal toch dat ni zé. Dat op- en afstappen, dat<br />
wachten… allez we zien dat nu mijn vrouw iets aan hare rug heeft. We pakken<br />
dan toch niet veel de bus hé. Het zijn die trappen die ambetant zijn. Ze moet<br />
dan opletten dat ze niet valt. Op den trein zijn die trappen nog hoger. Da zou nu<br />
niet gaan hé” (René 66 jaar Kortrijk)<br />
“We zijn van Kortrijk, maar met de belbus geraakt ge niet tot in het centrum van<br />
Kortrijk. Da’s toch vreed hé. Ik vind dat ze zekerst voor oudere mensen, dat zie<br />
dan toch in het centrum mogen afzetten hé. Waarom moeten ze die mensen<br />
eerst afzetten aan Kinepolis?. Allez, ge kunt natuurlijk hier ook een andere bus<br />
nemen.” (René 66 jaar Kortrijk)<br />
“Ons buurvrouw is bijna 80 en hare vent is laatst gestorven. Awel ja, da mens kan<br />
niet meer weg hé. Pas op ge hebt er hier ook van 80 die ook nog goed zijn.<br />
Mariette, die gaat nog met de auto, maar ook met de belbus hé. Hier een<br />
beetje verder hebt ge koppel, ze zijn ook alle twee bijna 80, die gaan om de<br />
twee dagen naar Kortrijk met de belbus.” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
“Als we de zaterdag of de zondag wegmoeten dan nemen we de belbus hé.<br />
Want dan zijn er hier echt bijna geen bussen. Dan pakken we de belbus. Maar<br />
da’s ook maar om de twee uur hé. Maar ja, dat is genoeg hé.” (Bernie 71 jaar<br />
Kortrijk)<br />
“Terug hebben we de belbus ook al gepakt. Ge moet dan een uur zeggen en<br />
dan koen ze u halen. Maar ge moet wel eerst terug naar de Kinepolis hé. Dat<br />
wel. We doen dat soms als we de zaterdag boodschappen in Kortrijk.” (Bernie 71<br />
jaar Kortrijk)<br />
170
“We hebben hier wel geen verbinding met de TEC hé. Moesten we dat nu<br />
hebben dan zouden we wel met de bus naar Dottenijs gaan. Da vind ik wel<br />
spijtig. Enfin, we kunnen de TEC pakken zé, maar dan moeten we toch een<br />
kwartiertje te voet gaan. Ik zou anders ook eens naar Doornik gaan. Pas op,<br />
vroeger was er wel een verbinding hé en dan kwamen hier ook regelmatig<br />
Walen naar hier hé. Nu zien we die nie meer.” (René 66 jaar Kortrijk)<br />
“Ge moet goe peizen dat die ouw mensen ook niet zo graag buiten gaan hé. En<br />
hier verder in de straat dan moeten ze toch al heel ver gaan en dan moeten ze<br />
sleuren met zakken van boodschappen en zo. Dat is niet te doen hé. En de<br />
belbus is ook niet altijd goed hé. Ze moeten dan naar de bank of zo. Maar ja,<br />
dan zijn ze op 10 minuten buiten en dan staan ze daar. Ge moet dan ook maar<br />
uwen tijd passeren hé. Maar twee uur is lang zenne.” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
“Zo voor mijnen tijd te passeren, dan ga ik eens naar Kortrijk om een<br />
wandelingetje te doen. Of met vriendinnen. Da’s wel plezant.” (Bernie 71 jaar<br />
Kortrijk)<br />
“Omgekeerd ook natuurlijk hé. De mensen geraken hier niet meer hé. In<br />
Bellegem is dat ook zo hé. Ge hebt er die op de plaats wonen en die hebben<br />
wel meer bussen. Maar we kennen wel veel mensen die veel te ver wonen van<br />
de bus. Maar ze hebben daar ook ne belbus hé. Mijn zus in Aalbeke die moet<br />
toch ook meer dan een kwartier stappen tot aan de bus. Ook aan de belbus. Ze<br />
moet daarvoor ook naar de plaats gaan.” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
“Gelijk mijn zus, die moet niet eens naar hier komen om ne koffie te komen<br />
drinken of zo met de bus. Ge hebt eigenlijk maar twee verbindingen of ze moet<br />
al om kwart voor elf komen, maar dan kan ze pas te vijven terug.“ (Bernie 71 jaar<br />
Kortrijk)<br />
“Gelijk naar de markt in Kortrijk met de bus kan ik niet. Allez ge moet dan de<br />
schoolbus pakken van kwart voor acht. En ge kunt pas om elf een half de bus<br />
terug pakken. Maar ja, ge zijt dan al van acht uur in Kortrijk. G kunt u wel een<br />
beetje bezighouden, maar dat is toch te lang hé. Drie uur op de markt dan kan<br />
ik niet.” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
“We hebben hier wel een belbus, maar we hebben toch wel minder bussen dan<br />
vroeger zé. Allez, ’t was vroeger ook niet veel, maar toch het waren er toch<br />
meer.” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
“We gaan graag nar de zee, want daar is dat anders hé. Dan gaan we elke<br />
dag weg met de tram. Ne keer naar Oostende of Knokke. Daar is da<br />
gemakkelijk hé. Ik zal zeggen hé. We gaan vlugger van Blankenberge ne keer<br />
naar Antwerpen dan van hier hé. Ah ja, ik zou ni weten hoe ik daar van hier<br />
moet geraken. Maar daar in Blankenberge is dat gemakkelijk hé. Ah zo veel keur<br />
dat gebt. Daar zouden we echt gene auto meer nodig hebben. Maar hier ja.”<br />
(René 66 jaar Kortrijk)<br />
171
“Achter de vijven geraakt ge hier helemaal niet meer weg hé. En in de<br />
vakantiemaanden is het ook niet makkelijk. Dan vallen er nog twee bussen weg<br />
hé.” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
172
“De belbus is wel een serieuse verbetering zenne. Zeker voor die ouw mensen.<br />
Maar pas op, de mensen zijn een beetje schuw daarvoor hé. Ze weten dan niet<br />
hoe ze dat moeten doen en zo. Allez, ik heb dat nog aan mijn buurvrouw<br />
uitgelegd en nu pakt ze dat. Da’s echt een goe systeem zenne, maar ja ge<br />
moet het kennen. Moesten ze dat afschaffen da zou een ramp zijn voor die ouw<br />
mensen hé” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
“Wat vreed ambetant is aan de belbus, dat is dat ge een uur moet zeggen hoe<br />
laat ge terug zijt. Allez, der kan al eens van alles gebeuren dat ge te laat zijt of.<br />
Al zeker als ge met de trein van Blankenberge komt, ge moet al overstappen in<br />
Brugge naar Kortrijk, en dan nog een bus moet nemen. Awel ja, als ge die mist…<br />
Wat dan? Ge kunt dan ook moeilijk een uur vroeger zeggen, want als alles wel<br />
juste verloopt dan staat ge daar een uur aan de Kinepolis. Da’s ni plezant hé.”<br />
(René 66 jaar Kortrijk)<br />
“Ik heb dat al meegemaakt hé. Da’k de belbus gevraagd had om terug te<br />
keren en da’k te laat was. Der was pannen aan de trein en ik was pas na de<br />
zevenen terug thuis. Awel ja, ik heb iemand moeten bellen hé.” (René 66 jaar<br />
Kortrijk)<br />
“Wa’k ni schoon vind is dat ge niet moogt opstappen op de belbus als ge hem<br />
niet besteld hebt. We stonden daar ne keer en wadden onze bus gemist en er<br />
stopt ne belbus en we mochten er niet op omdat we niet besteld hadden. En<br />
der zit ocharme maar twee man op.” (René 66 jaar Kortrijk)<br />
“We zijn al ne keer van hier (Kooigem) met de bus naar de zee, naar<br />
Blankenberge gegaan. We hebben er vier uur op gezeten. Maar we wouden da<br />
ne keer doen om al die gemeentes ne keer te zien. Om da ne keer te leren<br />
kennen. Awel, da was plezant.” (Bernie 71 jaar Kortrijk)<br />
Tony (M)<br />
Tony is 45 jaar en werkloos. Hij is gescheiden en woont alleen in de<br />
Kooigemstraat in Kooigem (Kortrijk). Hij beschikt over een wagen en weigert de<br />
bus te nemen omdat hij anders de fascistische Belgische Staat steunt…<br />
Willy (M)<br />
Willy is 58 jarige gescheiden man. Hij is gepensioneerd en woont samen met zijn<br />
zoon van 28 jaar in Bel (Geel). Hij heeft een bushalte op ongeveer 800 meter<br />
van zijn deur, maar hij heeft een auto en neemt zelden of nooit de bus. Sinds hij<br />
gepensioneerd is, is hij vrijwillig chauffeur voor mindervaliden. Hij neemt wel de<br />
trein om naar Brussel of naar Antwerpen te gaan omdat hij een grondige hekel<br />
heeft aan het drukke verkeer.<br />
173
“Basismobiliteit is de mogelijkheid om u te verplaatsen voor wat ge echt nodig<br />
hebt. Dus ni voor op vakantie te gaan of zo, maar voor uw boodschappen te<br />
doen of uw kinderen te bezoeken.” (Willy 58 jaar Geel)<br />
“Naar Brussel of naar Antwerpen gaan ik met de trein. Want ik heb ne grondige<br />
hekel aan dat druk verkeer. Als ze zo in mijn ‘barchock’ zitten, dan krijg ik het hé.<br />
Dan krijg ik klam zweet in mijn handen…” (Willy 58 jaar Geel)<br />
“We gaan graag ne keer weg zenne. Naar de Memorial Van Damme of naar<br />
Cavalia in Turn en Taxi. Allez we doen dan graag hé. Maar met het openbaar<br />
vervoer van hier en ’s avonds da gaat ni hé. Soms gaan we met de trein naar<br />
Brussel, maar dan rijd ik naar Herentals en van daar den trein. En in Brussel pak ik<br />
dan wel de metro of de bus, allez… ” (Willy 58 jaar Geel)<br />
“Nu dat ik gepensioneerd ben, heb ik echt geen tijd. Ik heb echt zo veel te<br />
doen. Da’s plezant zenne.” (Willy 58 jaar Geel)<br />
“Sinds ik op pensioen ben, ik zat hier al een half uur met mijn vingers te draaien<br />
en mijn vriendin te ambeteren want die werkt nog, werk ik als vrijwilliger in de<br />
sociale dienstverlening. Ik ben chauffeur bij de minder mobiele centrale in<br />
Meerhout en dat is plezant jong? Ge kent na nen tijd die mensen goed hé. Ik rijd<br />
zo elke week met een maske die nogal zwaar gehandicapt is naar het<br />
ziekenhuis. En dan doen we een babbelke en zo. En dan wacht ik tot ze gedaan<br />
heeft in ’t ziekenhuis en dan breng ik ze terug thuis. Elke week. En ik heb nog zo’n<br />
rit of twee drie per week. “(Willy 58 jaar Geel)<br />
“Met ouw mensen rijd ik ook rond, naar de winkel of zo. Dan wacht ik ook buiten<br />
en dan doen die hun boodschappen en met hu kar komen ze dan buiten. Ik<br />
steek ik alles in mijne koffer en dan breng ik die met haar pakskes terug thuis. Die<br />
madammekes gebruiken het openbaar vervoer wel zenne, maar niet om naar<br />
de winkel te gaan hé.” (Willy 58 jaar Geel)<br />
Joly (V) en Sonja (V)<br />
Joly is 15 jaar en ze woont samen met haar moeder Sonja (42 jaar), haar vader<br />
en haar oudere broer in de Kwadebeekstraat in Kwabeek (Gooik). Op 300 m<br />
van huis bevindt zich de dichtstbijzijnde bushalte, maar omdat deze zeer<br />
regelmatig te laat is en ze daardoor haar aansluiting mist om naar school te<br />
gaan wordt deze bushalte omzeild en fietst ze naar het station. Verder doet ze<br />
aan atletiek in Gooik en daarvoor wordt ze gevoerd. Er is namelijk geen bushalte<br />
in de buurt van de piste. In het gezin is slechts één wagen aanwezig, waardoor<br />
het regelmatig een heel geregel is om alle verplaatsingsbehoeften te vervullen.<br />
“Basismobiliteit zijn de verplaatsingen die mensen doen om naar hun werk te<br />
gaan, denk ik” (Joly 15 jaar Gooik)<br />
“We hebben hier wel een bushalte dichtbij, maar ik kan die niet nemen want die<br />
komt dikwijls te laat en dan mis ik mijn aansluiting. Mijn moeder brengt mij dan<br />
174
naar de statie of ik ga met de fiets en van daar met de bus Sint Martens Lennik<br />
waar ik naar school ga.” (Joly 15 jaar Gooik)<br />
“Als het slecht weer is dan brengt mijn moeder mij naar het station. Anders ga ik<br />
met de fiets naar het station, samen met mijn broer.” (Joly 15 jaar Gooik)<br />
“Naar de atletiek breng ik haar op woensdagnamiddag. Ik zet haar dan af en ik<br />
doe terwijl mijn boodschappen en zo” (Sonja 42 jaar Gooik)<br />
“Met de fiets laat ik haar niet graag naar de atletiek gaan. Zeker niet in de<br />
winter want dan is toch al donker als het gedaan is. Mijn zoon die ouder is en<br />
graag uitgaat, voer ik ook. Ik wil ook niet dat hij in het midden van de nacht naar<br />
huis fietst.” (Sonja 42 jaar Gooik)<br />
“Soms ga ik met vrienden naar Halle om te gaan shoppen of zo, dan nemen we<br />
hier wel de bus in Kwabeek. Die gaat rechtstreeks naar Halle.” (Joly 15 jaar<br />
Gooik)<br />
“Uitgaan mag ik nog niet, maar mijn broer wel en mijn ma voert hem. Dan zal ze<br />
dat met mij ook wel doen zeker?” (Joly 15 jaar Gooik)<br />
“De zaterdag ga ik mijn zoon halen in Gooik als hij uitgaat. Met de fiets wil ik niet<br />
dat hij zo ’s nachts naar huis komt. Hij ook wel niet hoor. Maar we spreken een<br />
uur af en dan ga ik hem halen.” (Sonja 42 jaar Gooik)<br />
“Wat ik ambetant vind, is dat de chauffeur niet stopt als hij daar toch moet<br />
passeren. Allez ik bedoel dan dat als ik die zou kunnen nemen, dan geraak ik er<br />
wel op tijd. Maar omdat die niet altijd stopt, want het hangt van de chauffeur af.<br />
Ge kunt daar dus niet op rekenen.” (Joly 15 jaar Gooik)<br />
“Ik ga toch liever met de bus naar school dan met de fiets of zelf met de auto.<br />
Ge kunt dan toch beter leren op de bus of met vrienden praten. Dat is ook<br />
plezant.” (Joly 15 jaar Gooik)<br />
“Ik ga ook liever met de bus naar Halle om met vriendinnen te gaan shoppen.<br />
Dan zijt ge vrij om zelf te beslissen wanneer je naar huis komt. Anders moet je<br />
altijd afspreken met je moeder of iemand anders om u te komen halen of zo.“<br />
(Joly 15 jaar Gooik)<br />
“Hier is ook een belbus, maar die gebruiken we niet. Dat kennen we niet<br />
eigenlijk. Ik heb dat hier al zien rondrijden, maar… Ik heb me dat al afgevraagd,<br />
wat ge daar mee kunt doen. Kunt ge daarmee naar de Kinepolis.” (Joly 15 jaar<br />
Gooik)<br />
“Aks ik ergens moet zijn, dan zoek ik dat op op het internet. Ik vind dat<br />
gemakkelijk.” (Joly 15 jaar Gooik)<br />
“Uitgaan met de bus zou ik nu niet echt doen. Dat is ook moeilijk, zeker om terug<br />
te komen. “(Joly 15 jaar Gooik)<br />
175
176
Marleen (V)<br />
Marleen is een 58-jarige zelfstandige met drie kinderen (18, 19 en 26 jaar). Ze<br />
woont samen met de twee jongsten en met haar man/vader in de<br />
Viergatenstraat in Oetingen (Gooik). De bus verbindingen in hun buurt zijn<br />
minimaal. De eerste bushalte is op twintig minuten stappen. Er is een belbus,<br />
maar door een gebrek aan informatie hebben ze dat nog niet gedaan.<br />
Ondertussen beschikt het gezin over vier wagens om aan alle behoeften van<br />
alle gezinsleden te doen.<br />
“Hier is niet veel aan bussen hoor. Mijn dochter gaat naar de univ in Brussel en<br />
met de bus is ze ’s morgen minimum twee uur weg en ’s avonds ook twee uur<br />
om terug te komen. Dat is een halve dag.” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />
“Mijne zoon ook, die gaat naar school in Dilbeek en kan hier de bus nemen in<br />
Oetingen. Daar kan hij de bus nemen naar Leerbeek. Daar neemt hij de bus<br />
naar Ijzingen. In Ijzingen moet hij dan 20 minuten te voet gaan tot Borglombeek<br />
en daar kan hij zijn bus naar Dilbeek nemen. En dan is hij op school. Dus als alles<br />
goed gaat dan is hij op tijd op school als hij om 6.30 vertrekt. Met de wagen is<br />
dat 25 kilometer. Hij kan ook met de schoolbus vanuit Schepdaal, maar dan<br />
moet ik hem daar om 7.30 afzetten en ik moet hem daar ook gaan halen. Pakt<br />
dat ge dan niet kunt of zo dan zit dat kind daar vast.” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />
“Ik kan ook niet zonder auto. Gelijk nu als het koud is en ik moet naar Sint Pieters<br />
Leeuw naar mijn werk, dan begint dat al met een half uur stappen tot aan de<br />
bus en dan moet ik nog een overstap doen tot aan mijn werk. Awel, nu met de<br />
auto ben ik op 20 minuten van mijn werk en met de bus is dat minstens twee<br />
uur.” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />
“Vroeger woonde we in Sint Pieters Leeuw en daar was het wel gemakkelijk met<br />
het openbaar vervoer. Mijn kinderen gingen dan allemaal in Halle naar school<br />
en dan namen ze allemaal de bus.” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />
“De belbus zou wel een oplossing kunnen zijn, maar daar weet ik niets van. Ik<br />
heb daar nog nooit informatie over gekregen.” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />
“Ik vind dat het aanbod hier toch veel beter kan. Er zou bijvoorbeeld toch een<br />
lijnbus mogen zijn naar Aalst. Er gaan van hier toch veel kinderen naar school.<br />
Allez, ik vind dat het openbaar vervoer hier te kort schiet.” (Marleen 58 jaar<br />
Gooik)<br />
“Mijn dochter die zit dan op de univ, dus die heeft ook niet altijd dezelfde uren.<br />
En met de belbus moet ge gebeld hebben. Zij heeft daar wel eens naar<br />
gevraagd, maar ze heeft toen weinig uitleg gehad. Als ik het goed begrepen<br />
heb, dan zou ze met de belbus naar Ninove en vandaar naar Brussel. Maar ja, ze<br />
is echt heel lang weg.” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />
177
“Eigenlijk, alles wat ge hier doet ge zijt met het openbaar vervoer minstens twee<br />
uur weg. Da’s een echte korvee, hé. Mijn kinderen hebben dat allemaal wel<br />
uitgeprobeerd hoor. Maar nu ze allemaal kunnen rijden, gaan ze toch met de<br />
auto.” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />
“Mijne zoon die ging soms zelfs te voet van Leerbeek naar huis. Hij moest dan<br />
een uur wachten op de bus en dan kwam hij bijna vlugger te voet. Maar ja, ze<br />
doen dat een paar keer en dan doen ze dat niet meer. Dan blijven ze liever<br />
thuis.” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />
“Mijne zoon is wel vrij avontuurlijk. Die durft al eens op een bus stappen en dan<br />
zien dat hij niet juist is, afstappen en een andere pakken. Mijn dochter durft dat<br />
niet. Mijne zoon zoekt dat op op het internet en dan is hij weg. Vorig jaar is hij zoo<br />
met de bus en de trein naar de zee gegaan want zijn vriendinneke zat daar.”<br />
(Marleen 58 jaar Gooik)<br />
“Waar ik heel kwaad over ben geweest is dat mijne zoon eens zijne Busypas<br />
vergeten was en hij kreeg een ammende. En hij zei nog dat hij hem vergeten<br />
was, maar dan sturen ze een ammende met het nummer van zijne Busypas op.<br />
Allez, dan zien ze toch dat hij ne pas heeft… 75 euro heeft mij dat gekost.”<br />
(Marleen 58 jaar Gooik)<br />
“Mijn kinderen zijn allemaal met de bus beginnen rijden om hun 12 jaar. Dan ben<br />
ik eerst een paar keer met hen meegegaan en dan na een paar keer kennen ze<br />
dat en trekken ze hun plan.” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />
“Naar de Gentse Feesten of naar Walibi of zo dan pakt onze Pieter wel de trein.<br />
Allez als ze zich dan wat willen amuseren en desnoods een pintje drinken, dan<br />
gaan ze met de trein. Maar hij pakt danwel zijne auto tot aan het station hé.”<br />
(Marleen 58 jaar Gooik)<br />
“Wat het ook is, als ze van Lembeek terugkomen dan hebben ze maar twee<br />
kansen om de bus te nemen. Als ze die missen, ja dan zitten ze vast hé. Dan<br />
bellen ze en dan moet ik ze gaan halen. Of mijne zoon die komt da al eens te<br />
voet af. Maar da’s ver hoor” (Marleen 58 jaar Gooik)<br />
“Mijn ouders nemen veel het openbaar vervoer. Sinds die 65 jaar zijn gaan die<br />
heel graag eens met de bus weg of met de trein. Veel oudere mensen doen<br />
dat. We zien dat ook bij ons in de winkel. Veel oudere mensen komen met de<br />
bus. Maar ik heb daar te weinig tijd voor. Ik ben altijd een beetje gehaast, hé.”<br />
(Marleen 58 jaar Gooik)<br />
178
Janine (V) en Alain (M)<br />
Janine is een 58-jarige gepensioneerde vrouw, woonachtig in de Lenniksestraat<br />
in Oetingen (Gooik). In de week doet ze een aantal verplaatsingen naar Ninove<br />
Heikruis, Herne,… Al die verplaatsingen doet ze met de wagen. Zij heeft een<br />
wagen steeds ter beschikking.<br />
Haar partner Alain van 45 jaar werkt als arbeider in Sint Pieters Leeuw. Ook hij<br />
beschikt over een eigen wagen. Beiden hebben in het verleden wel getracht<br />
om met het openbaar vervoer naar het werk te gaan. Maar zij naar Brussel en hij<br />
naar Sint Pieters Leeuw hebben het opgegeven. Voornamelijk omdat de rit<br />
steeds erg lang was en Janine ook omdat ze zich in de metro in Brussel onveilig<br />
voelde tijdens de ochtend en avonduren. Ze hebben een bushalte op minder<br />
dan 500 meter van de voordeur, maar de bus die er passeert verbindt enkele<br />
Ninove met Leerbeek. Dat betekent dat ze bijna altijd een aansluiting moeten<br />
hebben naar een andere bestemming.<br />
“Basismobiliteit is de mogelijkheid om u goed en makkelijk te kunnen<br />
verplaatsen. Met de bus of met de wagen.” (Janine 58 jaar Gooik)<br />
“Ik gebruik niet veel het openbaar vervoer omdat ik eerst en vooral niet zo goed<br />
weet hoe en vooral wanneer de bussen rijden. Naar Heikruis bijvoorbeeld weet ik<br />
niet hoe ik er moet geraken. Ik weet wel dat er niet zoveel bussen zijn.” (Janine<br />
58 jaar Gooik)<br />
“Ik heb vroeger nog wem eens de bus genomen, maar ik doe vrijwilligerswerk in<br />
Herne en dan zet ge daar toch rap een uur op met de bus. Met de wagen ben<br />
ik daar in een kwartiertje en kan ik zelf beslissen hoe lang ik al dan niet blijf.”<br />
(Janine 58 jaar Gooik)<br />
“Ik ging vroeger wel regelmatig gaan werken In Brussel met het openbaar<br />
vervoer. Maar dan moest ik afstappen aan de Graaf van <strong>Vlaanderen</strong> en ’s<br />
morgens in den donker, ik kan u verzekeren er zijn plezantere dingen, hoor. Ge<br />
loopt daar niet gerust hé als ge alleen loopt. Ik dacht altijd ‘ik ga nog eens in de<br />
vaart liggen en niemand gaat het weten’. Awel ik heb een parking gevraagd”.<br />
(Janine 58 jaar Gooik)<br />
“Nu rijd ik naar Erasmus of Veeweyde, tot aan de rand dus en daar neem ik de<br />
metro. Mar ik zorg er wel voor dat ik niet in den donker moet uitstappen aan<br />
‘IJzer’ of ‘Graaf van <strong>Vlaanderen</strong>’ en ge hebt nog zo van die vieze buurten als<br />
het donker is.” (Janine 58 jaar Gooik)<br />
“Het openbaar vervoer, meneer dat is hier niet te doen. Ik werkte vroeger in de<br />
Makro van Sint Pieters Leeuw. Dan moest ik van hier kwart voor zeven vertrekken<br />
naar Leerbeek met de bus. Van daar met de bus verder naar Halle en van daar<br />
naar Sint Pieters Leeuw. IK was dan ongeveer een uur en twintig minuten<br />
onderweg. En nu werk ik in Tubize, dat is al zeker niet te doen. En met de auto<br />
ben ik daar in 20 minuten.” (Alain, 30 jaar Gooik)<br />
179
“Natuurlijk, mocht ik gene auto hebben dan zou ik bepaalde dingen niet kunnen<br />
doen, hé. Bijvoorbeeld gaan turnen in Herne zou ik niet meer kunnen doen hé.<br />
Allez, dan zou ik natuurlijk dichterbij kunnen gaan turnen.” (Janine 58 jaar Gooik)<br />
“Ik zou, mocht ik geen auto hebben, mij met de bus wel loswerken hoor. Maar ik<br />
weet wel dat ik daar dan veel tijd zou moeten insteken. Elke verplaatsing is dan<br />
direct het dubbele in tijd hé. En ik ben wel gepensioneerd, maar ik ben zo actief<br />
dat ik eigenlijk nooit geen tijd heb.” (Janine 58 jaar Gooik)<br />
“Mijn kleinkinderen zou ik met de bus ook moeilijk kunnen bezoeken. Die wonen<br />
in Kokiane. Ik ga die soms eens halen van school om er op te passen. Allez ja,<br />
dat moet dan met de wagen.“ (Janine 58 jaar Gooik)<br />
“Vroeger woonde ik in Lennik en daar nam ik altijd de bus. Daar kon ik de bus<br />
nemen die rechtstreeks naar het centrum gaat. Dat is wel gemakkelijk, terwijl wij<br />
hier altijd eerst over Leerbeek moeten. Die bus die wij hier nemen die doet dan<br />
nog zo’n grote route langs Hoeve, Gooik, en dan terug naar Leerbeek. Terwijl ge<br />
bij manier van spreken van hier te voet naar Leerbeek kunt.” (Janine 58 jaar<br />
Gooik)<br />
“Ja, allez kom tot in Leerbeek is het wel te doen met de bus. Dan gaat het nog,<br />
maar dan moet ge nog verder hé. Want in Leerbeek daar moet ik niet veel zijn<br />
eigenlijk. Verder dan Leerbeek is het miserie.” (Alain, 30 jaar Gooik)<br />
“De bus hier nemen dat is sightseeing van het Pajottenland, hé. Allez, Leerbeek is<br />
hier vier of vijf kilometer verder. Maar ge doet zone ommetoer van bijna 10<br />
kilometer dat ge gewoon kweenie hoeveel tijd kwijt zijt. Dat doet ge niet om<br />
gewon een boodschapje te doen hé. En dan spreek ik nog niet van al uw<br />
boodschappen die ge moet meesleuren hé”. (Alain, 30 jaar Gooik)<br />
“Het wordt ook alsmaar erger hé. Vroeger had ge hier in Oetingen nog van alles.<br />
Een bank, de post,… maar nu is hier alles weg. Daarvoor moet ge naar Gooik.<br />
Maar ja, zoals ik gezegd heb, dat is een drietal kilometer van hier. En als ge hier<br />
in het Pajottenland met de fiets moet gaan, dat is serieus zweten hé.Het<br />
alternatief is de bus, maar dan zijt ge direct een uur kwijt en dan moet ge nog<br />
terug.” (Janine 58 jaar Gooik)<br />
“Mijnen auto is mijn vrijheid. Spijtig genoeg hoor, want ik vind dat nen auto veel<br />
geld kost. En de naft wordt ook altijd maar duurder. Maar ja, ik ben nog geen 65<br />
jaar en dan is de bus en de trein nu ook niet goedkoop hé.” (Janine 58 jaar<br />
Gooik)<br />
“Het is echt een groot verschil tussen de stad en het platteland hé. Ik woonde<br />
vroeger voor mijn scheiding in Ruisbroek. Awel, ik ging altijd met de bus. Op een<br />
half uurke stond ik in het centrum van Brussel. Of in Halle pakt ge den trein naar<br />
Brussel en ge zijt er in 10 minuten.” (Alain, 30 jaar Gooik)<br />
180
“Ah ja, ge woont hier rustig, maar dat heeft ook zijn prijs hé. Het is allemaal te<br />
doen met het openbaar vervoer, maar dan moet den dag wat langer worden.”<br />
(Janine 58 jaar Gooik)<br />
“Mijn buurvrouw die pakt wekelijks de bus om bij haar dochter te kuisen. Maar<br />
die woont in Ninove en dat is nog makkelijk want ze kan haar dan regelen. Maar<br />
als ik weg ga naar Ninove en ik heb na een half uurke gedaan en ik moet daar<br />
staan schilderen tot mijn bus kom. Ja, dan ben ik beter met den auto hé.”<br />
(Janine 58 jaar Gooik)<br />
“In de zomer vind ik de bus nog niet zo erg. Als ge dan te vroeg zijt, dan kunt ge<br />
nog wat genieten van de zon. Maar in het slecht weer!.” (Janine 58 jaar Gooik)<br />
“Als mijn ma nog heel goed was dan nam die wel altijd de bus naar de markt<br />
ofzo. Maar wat dat mens allemaal meegemaakt heeft met de bus. Maar enfin,<br />
voor haar was het haar vrijheid. Ze had nochtans een auto zé, maar ja ze is nu 80<br />
jaar en ze rijdt niet meer met de wagen. Maar ze kan nu ook niet meer<br />
gemakkelijk met de bus weg. Ze heeft wat last van haar benen en ze geraakt er<br />
niet meer op. Nu heeft ze eigenlijk niet veel meer om buiten te geraken.” (Alain,<br />
30 jaar Gooik)<br />
“Nu dit weekend ga ik met vier vriendinnen naar de kerstmarkt in Brugge. Awel<br />
dan gaan wij alle vier in één wagen naar het station van Halle en dan nemen<br />
we de trein. Maar goedkoop is dat niet.” (Janine 58 jaar Gooik)<br />
“Ik doe soms mijn ma naar de Ardennen. Awel, zij rijdt nu gratis hé. Maar ik<br />
betaal 20 euro hé. Stel dat we alle twee moeten betalen, ja dan kan ik beter<br />
met de wagen gaan hé. Dan is dat goedkoper zenne.” (Alain, 30 jaar Gooik)<br />
“Pas op, als ge de bus hier ziet rijden, dan zit daar één of twee man op hé. Wat<br />
kost dat niet. Ik begrijp dat ze daar geld voor vragen zé. Maar ja, wat doen ze<br />
daaraan. Ge moet het aanbieden, want als er geen is dan zitten die twee<br />
natuurlijk ook vast hé.” (Alain, 30 jaar Gooik)<br />
“Mijn moeder is 80 jaar, maar die is nog goed bij haar verstand, maar haar<br />
benen willen niet mee. Ze neemt nog hier en daar de wagen, maar zolang gaat<br />
ze dat toch niet meer doen. Ze durft ook niet meer. Maar ja, ze geraakt niet<br />
meer op de bus en de chauffeur komt haar niet helpen om op- of af te<br />
stappen.” (Alain, 30 jaar Gooik)<br />
“Als wij iets willen weten dan zoeken we dat op op internet hé. Maar mijn<br />
moeder die kan dat natuurlijk niet hé. Een vriendin van ons die hier vroeger<br />
woonde awel, die is verhuisd naar Lennik en die heeft haar auto verkocht. Met<br />
het openbaar vervoer geraakt die van daar overal. Behalve bij ons. Want naar<br />
hier komt ze niet. Wij gaan altijd naar daar. Ja… met de auto.” (Alain, 30 jaar<br />
Gooik)<br />
181
Sabine (V)<br />
Sabine is een 36-jarige werkloze opvoedster. Ze is gehuwd en heeft twee<br />
kinderen van 10 en 12 jaar. Samen wonen ze in de Aardseweg in Ten Aard<br />
(Geel).<br />
De dichtstbijzijnde bushalte is op een 300 meter van de voordeur. Ze gebruikt<br />
deze lijn vrij regelmatig om naar Geel te rijden. Deze lijn maakt de verbinding<br />
tussen Geel en Turnhout, maar om de zoon naar school te brengen in Geel<br />
neemt ze de fiets. De belangrijkste reden is dat de bus te vol zit. Sabine heeft<br />
geen rijbewijs, dus een auto kan ze niet gebruiken.<br />
“Basismobiliteit is voor mij dat ge overal kunt geraken waar ge wilt geraken.”<br />
(Sabine 36 jaar Geel)<br />
“Ik neem eigenlijk vooral de fiets omdat ge dan toch minder gebonden zijt aan<br />
uren. Als ik nu bijvoorbeeld naar Turnhout moet dan neem ik de bus. Maar als het<br />
geen te slecht weer is dan neem ik de fiets om naar Geel te gaan.” (Sabine 36<br />
jaar Geel)<br />
“Mijn zoon breng ik met de fiets naar school. Die gaat in Geel zelf naar school en<br />
dat is ongeveer 4 kilometer van hier. En dan ’s avonds ga ik hem halen. En dat is<br />
makkelijker dan met de bus. Die zit altijd overvol ook en dan als ge daar bij<br />
moet, dat is niet te doen. Dan ga ik liever met de fiets. Een vriend van mij die<br />
gaat zelfs eerst met de bus naar Herentals en van daar naar Turnhout. Gewoon<br />
omdat de bus van Geel te vol zit.” (Sabine 36 jaar Geel)<br />
“Zeker als de kinderen klein zijn, is zo een overvolle bus ambetant. Ge moet die<br />
kinderen dan aan uw hand houden en erop krijgen en dan worden ze geduwd<br />
en beginnen ze te wenen en zo. Allez, dan ga ik echt liever met de fiets.”<br />
(Sabine 36 jaar Geel)<br />
“Ik ga niet echt dikwijls naar Turnhout. Alleen om eens te gaan shoppen of zo. En<br />
dan neem ik de bus, maar ja dan ben ik soms juist te laat en dan kom ik terug en<br />
pak ik de fiets en ga naar Geel.” (Sabine 36 jaar Geel)<br />
“Als het echt slecht weer is, dan komt meestal mijn vriendin mijn zoon halen om<br />
naar school te gaan. En als zij om de één of andere reden niet kan, ja dan neem<br />
ik de bus.” (Sabine 36 jaar Geel)<br />
“Als mijne man thuis is dan gaan we niet met het openbaar vervoer. Dan<br />
hebben we een wagen en dan gebruiken we die. Behalve om naar Brussel te<br />
gaan of zo. Dan is de trein wel gemakkelijker, eer dat ge parking gevonden hebt<br />
en zo. En het is daar dan druk. En we kennen het ook niet zo goed in Brussel. We<br />
kennen van daar eigenlijk beter de weg vanuit het station dan met de wagen.”<br />
(Sabine 36 jaar Geel)<br />
182
“Als ge weg gaat en ge wilt van alles meebrengen dan is de bus niet zo<br />
gemakkelijk. Dan wacht ik liever tot mijne man thuis is en dan gaan we met de<br />
auto.” (Sabine 36 jaar Geel)<br />
“Het moeilikste vind ik als ge verschillende dingen tegelijk wilt doen. Mijne zoon<br />
afzetten bijvoorbeeld en dan naar de winkel gaan. Die liggen eigenlijk op de<br />
zelfde weg, enfin de bus rijdt voor bij de winkel. Hij stopt daar ook hoor. Maar als<br />
ik mijn zoon afgezet heb, dan moet ik eerst wachten op de bus naar de winkel<br />
en als ik gedaan heb met boodschappen moet ik weer wachten op de bus. Dat<br />
zou met de wagen veel sneller gaan.” (Sabine 36 jaar Geel)<br />
“Wat ook moeilijk is, is als ge uw weg niet kent ergens. Als ge bijvoorbeeld naar<br />
Brussel moet, maar nie naar het centrum of zo. Dan moet ge overstappen en ge<br />
weet niet waar. Dan moet ge echt goed plannen, anders loopt ge verloren hé.”<br />
(Sabine 36 jaar Geel)<br />
“Tijdens de schooluren dan zitten die bussen zo vol dat de kinderen dat niet<br />
plezant vinden. Er zijn nochtans twee of drie bussen tijdens die uren hoor. Maar<br />
die zitten echt vol. Zelfs in de dag zit de bus naar Turnhout eigenlijk vrij vol. Maar<br />
dan meer met oudere mensen” (Sabine 36 jaar Geel)<br />
“Mijne zoon speelt saxofoon en dat is ‘s avonds, dan nemen we de auto. Want<br />
met de fiets is dat moeilijk te doen. Met de bus zou ook kunnen, maar ’s avonds<br />
is dat ambetant en dan moet ik daar zelf ook blijven.” (Sabine 36 jaar Geel)<br />
“Hier in de buurt is wel een belbus en die rijdt naar Olen, denk ik. Maar daar<br />
moet ik niet zijn. Ik heb voldoende met de bus naar Geel en Turnhout.” (Sabine<br />
36 jaar Geel)<br />
“Voor de bank, de post en zo moet ik naar Geel. Maar dat doe ik dan als ik in<br />
Geel ben als ik de kinderen heb afgezet aan school.” (Sabine 36 jaar Geel)<br />
“Ik vind de prijs van de bus ook niet zo goedkoop. Als ge nu binnen Geel rijdt<br />
dan is dat 50 cent. Dat is nu niet veel. Maar als ge de bus moet nemen naar<br />
Turnhout dan is dat 4 euro. En dat is toch direct veel. En het is een groot verschil<br />
hé.” (Sabine 36 jaar Geel)<br />
“Mocht ik een auto hebben overdag dan zou ik wel e boodschappen tijdens de<br />
dag doen. Nu moet dat op zaterdag en dat maakt de zaterdag toch direct<br />
drukker hé. Maar met de fiets of met de bus zie ik dat echt niet zitten.” (Sabine 36<br />
jaar Geel)<br />
“Soms als mijn man weg moet in het weekend en de kinderen moeten naar de<br />
muziekschool, dan zoek ik de uren van de bus op, maar dat kwam dan<br />
helemaal niet uit want in het weekend rijden er niet veel bussen. Dan zijn we met<br />
de fiets gegaan.” (Sabine 36 jaar Geel)<br />
183
“Ik moet zeggen dat mijn zoon nu niet echt sportief is. Allez vorig jaar wou hij wel<br />
gaan basketten, maar omdat het zo moeilijk kwam om hem te brengen hebben<br />
we dat niet gedaan. En hij heeft er niet meer achter gevraagd. Chance hé.”<br />
(Sabine 36 jaar Geel)<br />
Madeleine (V) en Lucien (M)<br />
Madelein is een 74-jarige gepensioneerde vrouw die samen met haar<br />
gepensioneerde echtgenoot Lucien (76 jaar) in de Bontestraat in Oetingen<br />
(Gooik) woont. Hun dichtstbijzijnde bushalte ligt op een kleine kilometer van de<br />
voordeur. Ondanks de vele bezwaren die ze formuleren over het aanbod van<br />
openbaar vervoer gebruiken ze de bus en in mindere mate de trein voor quasi al<br />
hun verplaatsingen. Ze bezitten nog wel over een wagen, maar die verblijft voor<br />
het gros van de tijd in de garage.<br />
“Ik vind het openbaar vervoer allemaal niet zo gemakkelijk. Allez, niet zo direct<br />
qua uren of zo zenne. Maar stelt, we gaan graag ne keer naar de markt. Dan<br />
moeten we eerst ne kilometer stappen naar de bus. Dan de bus naar Leerbeek,<br />
daar moeten we overstappen op de bus naar Halle. Awel ge zijt een uur weg.<br />
Wij gaan daarom de zaterdag want anders moeten wij hier den donderdag te<br />
vroeg vertrekken en dan zitten we met al de schoolgaande kinderen op de<br />
bus.” (Madelein 74 jaar Gooik)<br />
“Onze auto gebruiken we niet zo veel meer. Alleen als het moet en dan nog<br />
vooral ’s avonds. Zekerst in den dag komt den auto zelden buiten. We zouden<br />
ook zot zijn hé. We hebben tijd genoeg en het openbaar vervoer is gratis. Aan<br />
de prijs van de naft tegenwoordig.” (Lucien 76 jaar Gooik)<br />
“Voor ons kan dat allemaal. Wij hebben tijd, maar voor onze kinderen<br />
bijvoorbeeld dis dat geen doening. Ah ze zijn langer onderweg dan dat ze<br />
moeten werken. Zogezegd.” (Madelein 74 jaar Gooik)<br />
“Naar ’t stad gaan we sowieso al niet. Dat doen we niet graag. Wel als we aan<br />
de zee zijn. Dan gaan we wel graag naar Blankenberge of Oostende. Allez, ja<br />
ge kunt da niet vergelijken met Brussel natuurlijk.” (Lucien 76 jaar Gooik)<br />
“Als ik in Sinte Pieter zijn plaats was, awel dan zou de Stevaert in elk geval al een<br />
plaatske krijgen zie. Wat dat diene mens gedaan heeft voor de<br />
gepensioneerden. Als we zo op de bus zitten en ge ziet hoeveel ouderen<br />
daargebruik van maken. Met het pensioen dat we hebben zou dat aan een<br />
gewoon tarief een pak minder zijn zenne.” (Madelein 74 jaar Gooik)<br />
“Waar ik mij wel zorgen om maak is over een paar jaar. Ah ja, ne mens blijft<br />
natuurlijk niet goed hé. Der komt sowieso nen tijd dat stappen en u bewegen<br />
moeilijk wordt. Trouwens Lucien heeft soms last van zijn benen dan heeft hij het<br />
toch ook niet zo gemakkelijk om op en af te stappen.” (Madelein 74 jaar Gooik)<br />
184
“Voor de kinderen is dat den bus ook ideaal hé. Ge moet alleen maar zien dat<br />
ge der zelf niet op zit. Ik vind dat nu niet zo erg zenne. Ik ben dat ook gewoon.<br />
Als ons dochter de vroege heeft, dan brengt ze ons kleinste en dan breng ik ze<br />
met den bus naar school. Ja die kinderen maken natuurlij klawaai, maar da’s<br />
toch normaal hé.” (Madelein 74 jaar Gooik)<br />
“Waar da’k spijt van heb, is dat we hier moeilik weggeraken met de fiets. Da zou<br />
ik meer willen doen. Maar het is hier veel te vermoeiend. Vroeger deden we dat<br />
nog wel eens, maar ook veel te weinig hé. Anders hadden we dat nu misschien<br />
beter gekunnen.” (Lucien 76 jaar Gooik)<br />
Sander (M) en Valerie (V)<br />
Valerie is een jonge niet werkende vrouw van 29 jaar. Ze is gehuwd en moeder<br />
van 3 kinderen. Sander is 11 en de oudste, gevolg door twee andere zonen van<br />
9 en 1. Samen wonen ze in de Lenniksestraat in Oetingen (Gooik). Ze beschikken<br />
slechts over één wagen, maar zijn serieus aan het denken aan de aankoop van<br />
een tweede wagen. De reden is de moeilijke verplaatsingen met een heel jong<br />
kind. Sander en zijn broer gaan voorlopig nog naar de basisschool in de buurt en<br />
ze kunnen er naartoe gaan met de fiets.<br />
“Basismobiliteit dat is iets waarvan ik het gevoel heb dat ik dat niet heb, zie.<br />
Zolang de kleine niet naar de kleuterschool is, zit ge daar toch serieus mee vast.”<br />
(Valerie 29 jaar Gooik)<br />
“Neen, ik vind niet dat ik niet weg kan door het openbaar vervoer of zo. Zolang<br />
ge met nen baby zit is dat gewoon moeilijk. Nu mijn kinderen kunnen meestal<br />
wel alleen naar school. En anders brengt mijne man ze wel. Als het slecht weer is<br />
of zo;” (Valerie 29 jaar Gooik)<br />
“Ik moet daar eerlij kin zijn, met de kleine zie ik daar tegenop. Daarvoor nam ik<br />
den bus wel zenne. ’t Is nog geweest dat mijn vriendin naar hier kwam en dat we<br />
samen dan met den bus naar Halle gingen om wat te shoppen.” (Valerie 29 jaar<br />
Gooik)<br />
“Da’k nu de bus efkes ni pak, da ligt aan mij. Maar ik zeg het, als de kleine naar<br />
de kleuterschool gaat, dan zal ik zekerst terug de bus pakken. Ik ben de ganse<br />
dag thuis, dus da’s gemakkelijk. Voor mijne man ni hé. Diene haat dat. Zelfs als<br />
de bus nog 5 minuten te vroeg is, staat em nog te klagen.” (Valerie 29 jaar<br />
Gooik)<br />
“Voor mensen zoals ik is den bus ideaal. Als ge gene auto hebt dan kunt ge toch<br />
gaan waar ge wilt hé; En echt duur vind ik het openbaar vervoer ni. Ik spreek nu<br />
niet van de trein naar de zee of naar Londen ofzo hé. Maar den bus, wat is dat<br />
twee euro. Daar kunt ge met de auto niet voor rijden zé. Als ge parking moet<br />
betalen dan zijt ge direct het driedubbele kwijt.” (Valerie 29 jaar Gooik)<br />
185
“De kostprijs van het vervoer is voor ons belangrijk ja. We hebben maar één<br />
inkomen en met drie kinderen moet ge toch wat oppassen wat ge doet. Maar<br />
dan spreek ik ni van de prijs van den bus hé. Als ge naar den Aldi of de Colruyt<br />
gaat in plaats van den Delhaize kunt ge bij manier van spreken een week lang<br />
gratis rijden.” (Valerie 29 jaar Gooik)<br />
“Binnen twee jaar gaat het voor onze Sander wel anders zijn. Dan moet em naar<br />
het middelbaar en dan blijft onze Joren natuurlijk nog hier. Dan zal em alleen<br />
naar school moeten. Enfin, dan is em ook al 11 hé” (Valerie 29 jaar Gooik)<br />
“Ik wil eigenlijk met de fiets naar school gaan als ik naar het middelbaar moet.<br />
Maar mijn mama en pap willen dat ik de bus pak.” (Sander 11 jaar Gooik)<br />
“t’Is zeker niet dat ik Sander niet betrouw of zo zenne. Wat mij betreft zou hij wel<br />
met de fiets mogen gaan. Maar ik vind dat het niet veilig is op straat. Ze moeten<br />
ook altijd naar school op de drukste momenten van de dag natuurlijk. En met de<br />
bus is het dan toch veel veiliger.” (Valerie 29 jaar Gooik)<br />
“Onze Sander zit bij de voetbal van Gooik. Hij heeft eerst bij Oetingen gespeeld,<br />
maar daar hadden ze vorig jaar niet genoeg spelers meer en dan is hij naar<br />
Gooik gegaan. We hebben dan wel het geluk gehad dat de zoon van ons<br />
buren even oud is en dat hij ook overgegaan is naar Gooik. Nu kan hij meerijden<br />
met onze buurvrouw. Die brengt ze dan en gaat ze ook halen.” (Valerie 29 jaar<br />
Gooik)<br />
Marian (V)<br />
Marian is 81 jaar en al meer dan 10 jaar weduwe. Ze heeft nooit met de wagen<br />
gereden, maar is volgens eigen zeggen nog in goede gezondheid. Ze is zeer<br />
actief in verschillende bewegingen en verenigingen. In het huishouden krijgt ze<br />
hulp van haar dochter die niet ver uit de buurt woont. Ze woont in de<br />
Diestsestraat in Geel. Voor haar wekelijkse boodschappen doet ze soms beroep<br />
op haar dochter. Maar niet altijd. Ze ziet er bijvoorbeeld niet tegenop om daar<br />
zelf in te voorzien en gebruikt daarvoor onder andere de bus.<br />
“Stel dat ge naar de dokter moet, ja dan gaat diene belbus daar ook niet staan<br />
wachten hé. En bij de dokter weet ge toch nooit om hoe laat ge daar buiten<br />
komt.” (Marian 81 jaar Geel)<br />
“Goh meneer, met den auto rijden. Ik heb dat nu nog nooit gedaan in mijn<br />
leven. Ik moet zeggen, zelfs niet om mijn rijbewijs te halen. Vroeger was dat zo<br />
hé. En ik heb dat nooit nodig gehad. Mijne man kon natuurlijk met de auto rijden<br />
hé.” (Marian 81 jaar Geel)<br />
186
“Ge kunt niet altijd op alleman rekenen, hé. Ik wil dat ook niet zenne. Ik heb dat<br />
nooit gedaan. Ook niet toen mijne man nog leefde. Dan ging ik ook met de bus<br />
weg. En vroeger al sik jong was veel met de fiets hé. Maar de tijden zijn<br />
veranderd. Het verkeer is veel drukker geworden en ge moet ook verder gaan<br />
dan vroeger hé” (Marian 81 jaar Geel)<br />
“Ja, als mijn dochter naar de winkel gaat dan neemt ze mij mee. Dat is vooral<br />
gemakkelijk voor den drank. Voor het ander heb ik haar niet direct nodig. Ik ben<br />
maar alleen en zo veel heb ik niet nodig” (Marian 81 jaar Geel)<br />
“Maar ik zen nog goed zenne. Ik moet zelfs al eens een oude mee de bus<br />
ophelpen die zelfs jonger is als ik.” (Marian 81 jaar Geel)<br />
“Ik zen nogal veel weg eigenlijk. Mijn dochter zegt dat ik nooit in mijn kot zen. ’t Is<br />
waar zenne, maar ik doen dat graag. Ge zijt dan onder de mensen.” (Marian 81<br />
jaar Geel)<br />
“Gisteren zen ik nog naar Geel gegaan en eigenlijk moest ik nu bij mijn<br />
vriendinnen zijn. Maar nu kost ik niet natuurlijk. Anders gaan ik elke week naar<br />
een paar vriendinnen hier een beetje verder. Niet dat er veel gebeurd of zo<br />
zenne. Maar den enen weet ne keer dit en den andere dat. En da’s plezant hé.<br />
Met een taske koffie.” (Marian 81 jaar Geel)<br />
“Als ik ’s avonds ergens moet zijn dan vraag ik wel altijd dat iemand mij thuis<br />
afzet. Allez, nu moet ik da zelfs al niet meer vragen hé. Ze weten dat en als ze<br />
dan vertrekken komen ze af en zeggen ze, hoe zit het Marian, gaade mee. En<br />
dan wordt ik thuis afgezet hé.” (Marian 81 jaar Geel)<br />
“Ik wil m’n dochter daarmee niet lastig vallen zenne. Ik zou ook nie weten<br />
waarom. Zolang da’k op m’n alleen weg kan, moet dat ook niet hé. Past op,<br />
soms is ze ongerust zé. Want ne gsm da em ik ni hé. Kan dat toch nie gebruiken.<br />
K’em ene zé, maar ik gebruik da ni. En dan ja…” (Marian 81 jaar Geel)<br />
“Voor veel is den belbus gemakkelijk ook hé. Ge moet allen de dag tevoren<br />
bellen en dan gaat da heel goed. Om terug te komen ook, alleen als ge niet<br />
goed weet wanneer ge terug moet zen, dan is dat lastig hé. Gelijk bij de dokter.”<br />
(Marian 81 jaar Geel)<br />
“’t Is al geweest da’k em gemist heb zé de belbus. Maar ’t was men eigen fout.<br />
Ik was te laat.” (Marian 81 jaar Geel)<br />
Agnes (V) en Lore (V)<br />
Agnes is 45 jaar en zelfstandig schoonheidsspecialiste. Ze werkt thuis en ze woont<br />
samen met haar man haar jongste dochter Lore (18 jaar) in de Aardseweg in Ten<br />
Aarde (Geel). Lore studeert Letterkunde in Antwerpen. Ze is geen kotstudente en<br />
komt dus dagelijks naar huis. Ze heeft op dit ogenblik slechts een voorlopig<br />
187
ijbewijs, maar gaat toch regelmatig, soms samen met moeder met de wagen<br />
naar de universiteit.<br />
Buiten de boodschappen verplaatst Agnes zich niet veel. Ze werkt thuis en als ze<br />
naar de bank moet bijvoorbeeld zorgt ze ervoor dat ze terwijl ook nog andere<br />
boodschappen kan doen. Ze kunnen ook beroep doen op een belbus, maar<br />
daar hebben ze nog niet naar geïnformeerd. Haar oudste zoon (24 jaar) en haar<br />
tweede dochter (22 jaar) zijn het huis uit en zijn wel fervente gebruikers van het<br />
openbaar vervoer.<br />
“Basismobiliteit is voor mij hier den auto.” (Agnes 45 jaar Geel)<br />
“We hebben een halte hier een kilometer van hier en dat is toch niet dichtbij, hé.<br />
Want ik ben ervan overtuigd dat als de halte dichterbij zou zijn dat we de bus<br />
meer zouden gebruiken. Allez, mijn dochters toch. Die hebben dat nooit echt<br />
willen doen. Het zijn ook meisjes hé en ze moeten hier dan toch langs een vrij<br />
verlaten baan tijdens de avond. Allez, de tweede heeft nog wel de bus<br />
genomen.” (Agnes 45 jaar Geel)<br />
“Neen, ik neem de bus hier niet. Ik zie dat niet zitten om nog zo ver te stappen,<br />
zeker niet als het regent. Ik neem wel soms de trein naar Antwerpen, maar dan<br />
zet mijn ma mij af aan het station.” (Lore 18 jaar Geel)<br />
“Boodschappen gaat niet anders dan met de auto, hé. We zijn hier met 3<br />
volwassenen in huis en ik ga zo’n twee keer in de week. Maar dat is toch direct<br />
veel.” (Agnes 45 jaar Geel)<br />
“Als ik naar de bank moet dan zorg ik er natuurlijk voor om terwijl ook een brood<br />
of zo mee te brengen. Da’k niet alleen voor een brood buiten moet. Daarvoor is<br />
de benzine te kostelijk, hé.” (Agnes 45 jaar Geel)<br />
“Niet dat ik niet wil stappen hoor, want ik ga regelmatig met de fiets. Maar te<br />
voet vind ik niet plezant.” (Lore 18 jaar Geel)<br />
“We hebben hier een belbus maar, ik heb daar nog niet naar gevraagd. Dat is<br />
ook niet zo makkelijk hé. Ge moet dat bestellen en zo. Maar mocht ik geen auto<br />
hebben, dan zou ik wel met de belbus gaan, denk ik.” (Agnes 45 jaar Geel)<br />
“We hebben er ook altijd voor gezorgd dat de kinderen zo snel mogelijk hun<br />
rijbewijs hebben. Lore is nu de laatste en we hebben drie wagens dus ze heeft<br />
haar eigen vervoer.” (Agnes 45 jaar Geel)<br />
“Mijn oudste zoon die heeft toen ze een huis heeft gekocht hier op Ten Aard wel<br />
gekeken naar het openbaar vervoer. Ze wonen nu eigenlijk vlak aan een<br />
buskotje en zij gaan alle twee elke dag met het openbaar vervoer gaan werken.<br />
Zij hebben daar echt speciaal naar gekeken. Die vonden dat een auto en zeker<br />
twee veel te veel geld.” (Agnes 45 jaar Geel)<br />
188
“Naar de zee gaan we met de trein. We rijden dan naar het station van Geel en<br />
dan met de trein naar de kust. En dan nemen we daar de bus of de tram. Maar<br />
dat is anders hé. Dan hebt ge compagnie en geen zorgen of stress. Da’s anders<br />
als hier thuis hé.” (Agnes 45 jaar Geel)<br />
“Ik heb de afgelopen jaren les gevolgd in Antwerpen en dat deed ik met de<br />
auto. En in het begin had ik daar wat schrik van maar nu, gaat dat gemakkelijk.”<br />
(Agnes 45 jaar Geel)<br />
“Als de kinderen jongeren waren was dat wel lastig. Ons twee meiskes die<br />
gingen dan dansen in Lichtaart en die moesten dan gevoerd worden en dan<br />
moest de zoon nog naar ergens anders gebracht worden. Allez, ge voelt echt<br />
ne chauffeur, hé. “ (Agnes 45 jaar Geel)<br />
“De meiskes schelen vier jaar en die gingen alle twee dansen, en eerst was dat<br />
de woensdag en de vrijdag, maar dan ging de oudste naar een andere groep<br />
en dat was op dinsdag en donderdag. En dan hebben we gezegd gedaan.<br />
Anders was ik elke dag aan het rondrijden en dat kan niet. En met het openbaar<br />
vervoer ’s avonds naar Lichtaart en terug dat is niet te doen. Dan zijn ze maar<br />
gestopt.“ (Agnes 45 jaar Geel)<br />
189