Deelrapport Flexpeil. Effecten van flexibel peilbeheer op ... - Stowa

stowa.nl

Deelrapport Flexpeil. Effecten van flexibel peilbeheer op ... - Stowa

1996-2011:

BIJLAGEF

FFinal ina l rereport p ort

Flexibel peil,

van denken naar doen

eFFecten van Flexibel peilbeheer op

bodeMprocessen en WaterkWaliteit

BIJLAGE

2012

41

NEDERLANDS INSTITUUT VOOR ECOLOGIE ( NIOO-KNAW)

NET HERLANDS INSTITUTE OF ECOLOGY (NIOO-KNAW)


Effeccten

van v fllexibe

el peilbeheeer

op p

bodeempro

ocesssen

en n waterkwaaliteit

EINDDRAPPOR

RTAGE

Opdracht tgever: Agentsschap

NL • Projectnummer:

PR-10.056

Rapportnummer:

2012.51 • Auteurs: FS S, JL, LL • Dat tum: 1.12.20112


Titel rapport:

Effecten van flexibel peilbeheer op bodemprocessen en waterkwaliteit

Auteurs:

Fons Smolders, Johan Loermans & Leon Lamers

Opdrachtgever:

Agentschap NL

Rapportnummer: 2012.51

Informatie:

B-WARE Research Centre

Radboud Universiteit Nijmegen

Mercator III, Toernooiveld 1

6525 ED Nijmegen

Kamernummer: 02.025

Tel: 024-3652816

a.smolders@b-ware.eu

© B-WARE Research Centre, Nijmegen, 2012.


Inhoudsopgave

Voorwoord 1

1. Inleiding 3

2. Methodiek 7

2.1 Onderzoekslocaties 7

2.1.1 Botshol 7

2.1.2 Groene Jonker 8

2.1.3 Loenderveen Oost 8

2.1.4 Middelpolder 8

2.1.5 Muyeveld 8

2.1.6 Nieuwe Keverdijkse Polder 8

2.1.7 Oostelijke Binnenpolder van Tienhoven 9

2.1.8 Ronde Hoep 9

2.1.9 Westbroekse Zodden 9

2.2 Bemonstering in het veld 10

2.2.2 Bodemwaterraaien 10

2.2.1 Oppervlakte water 10

2.2.2 Bodemwaterraaien 10

2.2.3 Grondwater 11

2.2.4 Bodemmonsters 11

2.3 Analyses 12

2.3.1 Bodemanalyses 12

2.3.2 Oppervlaktewatermonsters 13

2.3.3 Chemische Analyses 14

3. Theoretische achtergronden 15

3.1 Decompositie en elektronenacceptoren 15

3.2 Oxidatie van veen 16

3.3 Hoge versus lage waterstanden 20

3.4 Fosforbelasting oppervlaktewater 21

3.5 Interacties tussen zwavel, ijzer en fosfor en de oppervlaktewaterkwaliteit 21

3.6 Stikstofkringloop 26

3.7 Relatie tussen sulfaatconcentratie en trofiegraad van het systeem 26

3.8 Fosfaat in de waterlaag 27

3.9 Sulfide toxiciteit 29

3.10 Voorbeeld achteruitgang Krabbescheervegetaties 29

3.11 Dilemma’s bij hogere of lagere waterpeilen in het Veenweidegebied 32

4. Uitwerking gebieden 35

4.1 Botshol 35

4.1.1 Inleiding 35

4.1.2 Oppervlaktewaterkwaliteit 38

4.1.3 Veenmosrietlanden 42

4.1.4 Grote Kooibosch 51

4.1.5 Onderwaterbodems 53

4.1.6 Conclusies 53

4.2 Groene Jonker 55

4.2.1 Inleiding 55

4.2.1 Oppervlaktewaterkwaliteit 57

4.2.2 Bodemwaterkwaliteit 60


4.2.3 Conclusies 65

4.3 Loenderveen-Oost 66

4.3.1 Inleiding 66

4.3.2 Oppervlaktewaterkwaliteit 67

4.3.3 Rietoever 70

4.3.4 Conclusies 74

4.4 Middelpolder 75

4.4.1 Inleiding 75

4.4.2 Oppervlaktewater 77

4.4.3 Onderwaterbodem 80

4.4.4 Oeverraaien 81

4.4.5 Conclusie 85

4.5 Muyeveld 86

4.5.1 Inleiding 86

4.5.2 Tienhovense Plassen 88

4.5.3 Loosdrechtse Zodden (stergebied) 94

4.5.4 Conclusies 101

4.6 Nieuwe Keverdijkse Polder 102

4.6.1 Inleiding 102

4.6.2 Oppervlaktewater Noordelijk deelgebied 104

4.6.3 Oppervlaktewater Zuidelijk deelgebied 109

4.6.4 Oeverraaien 111

4.6.5 Conclusies 116

4.7 Oostelijke Binnenpolder van Tienhoven 117

4.7.1 Inleiding 117

4.7.2 Oppervlaktewaterkwaliteit 119

4.7.3 Oeverraaien (bodemwater) 121

4.7.4 Conclusies 128

4.8 De Ronde Hoep 129

4.8.1 Inleiding 129

4.8.2 Oppervlaktewater 131

4.8.3 Bodems 133

4.8.4 Conclusies 138

4.9 Westbroekse Zodden 139

4.9.1 Inleiding 139

4.9.2 Oppervlaktewater macroionen 141

4.9.3 Onderwaterbodem 144

4.9.4 Oeverraaien 146

4.9.5 Oppervlaktewater nutriënten 149

4.9.6 Nalevering uit onderwaterbodems 152

4.9.7 Conclusies 152

5. Synthese 155

5.1 Effecten waterpeilen op bodemkwaliteit oevers 155

5.2 Werkelijke nutriëntenbelasting oppervlaktewater 156

5.3 Onderwaterbodem 158

5.5 Balans tussen kritische en werkelijke nutriëntenbelasting 159

5.6 Zwavel-/fosforrijke systemen; effecten op langere termijn 161

5.7 Verlaging van de alkaliteit 162

5.8 Slotconclusie 163

6. Literatuur 165


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

Voorwoord

Voorliggende rapportage bespreekt de belangrijkste resultaten van het door Onderzoekcentrum

B-WARE uitgevoerde deel van het project “Flexibel peilbeheer van denken naar doen!”. In dit

gezamenlijke project van Waternet, Wetterskip Fryslan, B-Ware, Deltares en NIOO is uitgebreid

onderzoek gedaan naar de uiteenlopende effecten van flexibel peilbeheer. Deze rapportage

fungeert als achtergronddocument bij het STOWA Watermozaïek hoofdrapport ‘Flexibel

Peilbeheer, van denken naar doen’ en gaat met name in op de effecten van een flexibel peilbeheer

op de bodemwater- en oppervlaktewaterchemie.

Hoofdstuk 1 bestaat uit een inleiding waarna in Hoofdstuk 2 de toegepaste methoden en

bemonsterings- en analysetechnieken worden beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de

theoretische achtergronden en in hoofdstuk 5 wordt een synthese van de resultaten gegeven. Het

lezen van deze twee hoofdstukken geeft een goed inzicht in de belangrijkste achtergronden en

uitkomsten van het onderzoek. In hoofdstuk 4 worden per onderzoeksgebied de belangrijkste

resultaten besproken. Deze hoofdstukken zijn met name interessant voor diegenen die specifiek

inzicht willen hebben in de effecten van een flexibel peilbeheer in de betreffende gebieden.

De volgende personen willen wij bedanken voor hun medewerking. Jeroen Frinsel, Rick Kuiperij

en Imke Nabben hebben geassisteerd in het vele veldwerk Lennart Swinkels en Ralf Aben

hebben als student geparticipeerd in het onderzoek en tevens een deel van het veld- en

analysewerk verricht.. In het bijzonder willen wij Winnie Rip bedanken voor het kritisch

doornemen van de conceptteksten van dit deelrapport en tevens voor de zeer prettige en

stimulerende wijze waarop ze dit project heeft geleid. Tenslotte danken wij de vele leden van het

projectteam voor de prettige samenwerking gedurende de afgelopen jaren.

1


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

2


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

1. Inleiding

Voorliggende rapportage geeft de belangrijkste resultaten van het door Onderzoekcentrum B-

WARE uitgevoerde deel van het project “Flexibel peilbeheer van denken naar doen!”. In dit

gezamenlijke project van Waternet, Wetterskip Fryslan, B-Ware, Deltares en NIOO is uitgebreid

onderzoek gedaan naar de uiteenlopende effecten van flexibel peilbeheer. Het doel van dit project

is het uitvoeren van maatregelen die flexibel peilbeheer mogelijk maken, een monitoringsplan

opzetten waarmee effecten van flexibel peilbeheer geëvalueerd kunnen worden en het

ontwikkelen van een beslisboom, waarmee bepaald kan worden of flexibel peilbeheer zinvol is in

een specifiek gebied en zo ja, hoe dit ingevuld kan worden (STOWA Hoofdrapport Flexibel

peilbeheer, 2012). Daarnaast is onderzocht onder welke omstandigheden eventuele negatieve

effecten te verwachten zijn. Het werk van Onderzoekcentrum B-WARE was gericht op de

monitoring van de chemische oppervlaktewaterkwaliteit en de effecten van het flexibel peilbeheer

op de chemie van het bodemwater in de oeverzones en de onderwaterbodems.

Tot in het begin van de 20e eeuw was het niet goed mogelijk om het waterpeil volledig onder

controle te houden. Het was dan ook vanzelfsprekend dat gebieden onder water kwamen te staan

en weer droogvielen. Er was dus sprake van een grote “verticale dynamiek” (peilfluctuatie).

Tegenwoordig komen dergelijke inundaties vrijwel niet meer voor. Het waterpeil kan bijna tot op

de centimeter worden gereguleerd met efficiënte gemalen en een goed onderhouden

afwateringssysteem. In Nederland is vrijwel overal sprake van een sterk gereguleerd waterpeil

afgestemd op functies als wonen, recreatie en landbouw. Kenmerkend voor een gereguleerd

peilbeheer is dat de toegestane marge klein is. Bij een gereguleerd peilbeheer kan sprake zijn van

een vast peil gedurende het gehele jaar (zie figuur 1.1). Daarnaast kan er sprake zijn van een vast

zomer- en winterpeil, waarbij het zomerpeil lager is dan het winterpeil of een vast zomer- en

winterpeil, waarbij het zomerpeil hoger is dan het winterpeil (zie figuur 1.1).

Nu we in staat zijn om het waterpeil tot op de centimeter te regelen, ontstaat er een

tegenbeweging, waarbij we weer meer ruimte willen geven aan peilfluctuaties. De Kaderrichtlijn

Water is in werking gesteld om waterbeheerders te verplichten hun wateren vanaf 2015 van goede

kwaliteit te laten zijn. Het binnen de huidige randvoorwaarden gecontroleerd herstellen van de

natuurlijke dynamiek (flexibel peilbeheer) kan hierbij een belangrijke bijdrage leveren. Op dit

moment is in laag Nederland in de praktijk echter zelden sprake van een volledig flexibel

peilbeheer.

Er is sprake van een flexibel peilbeheer wanneer het waterpeil binnen een bepaalde range kan

meebewegen met het weer, voor zover dit vanuit de verschillende functies aanvaardbaar is. Een

flexibel peil is niet hetzelfde als een vrij peil of een natuurlijk peil. Een natuurlijke peil is een peil

dat niet wordt beïnvloed door menselijk ingrijpen. Dit komt in Nederland vrijwel niet voor. Een

vrij peil komt wel voor. Een vrij peil is een peil dat niet gereguleerd wordt en dus volledig wordt

gestuurd door neerslag en verdamping en de hydrologische situering. In de praktijk betekent dit

dat het oppervlaktewaterpeil in de zomer laag is als gevolg van het neerslagtekort (verdamping >

neerslag) en in de winter stijgt als gevolg van het neerslagoverschot (neerslag > verdamping) (zie

figuur 1.1). Een specifieke vorm van flexibel peil is getrapt flexibel peilbeheer. Hierbij mag een

peil vrij fluctueren tussen marges die voor vaste delen van het kalenderjaar gelden in verband met

functies, zoals weidevogelbeheer. De marges van het flexibel peil zijn door het waterschap

vastgelegd in een peilbesluit.

3


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Figuur 11.1.

Overziccht

van versc chillende typeen

peilbeheer r, zoals deze in Nederlannd

voorkomen n. De

horizontaale,

gestreeptee

lijnen geven n de peilmargges

weer, zoal ls deze in het t peilbesluit zij ijn vastgesteld d. De

blauwe, vvolle

lijnen geeven

het streef fpeil weer, waaarop

actief wordt w aangest tuurd. De groeene,

volle lijn nen in

de onderrste

twee graafieken

geven n een voorbeeeld

hoe het peil p zich op basis van de meteorolog gische

omstandiigheden

kan innstellen

(uit: STOWA. S Hooffdrapport

Flex xibel peilbehe eer, 2012) .

4


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

Naar verwachting zal het instellen van een flexibel peilbeheer de chemische en biologische

kwaliteit van het oppervlaktewater verbeteren. Onze verwachting is dat flexibel peilbeheer de

kieming, vestiging en groei van oeverplanten stimuleert en tot een afname leidt van de externe

fosfaat-, stikstof- en sulfaatbelasting (i.e., de aanvoer van deze stoffen van buiten het gebied). Bij

het toestaan van grotere natuurlijke fluctuaties in het peil, kan er meer lokaal water vastgehouden

worden en hoeft minder water te worden ingelaten. Op grond hiervan zijn veranderingen in de

kwaliteit van het oppervlaktewater te verwachten. Met name wanneer het inlaatwater naar

verhouding veel fosfaat, stikstof en sulfaat bevat, resulteert verminderde inlaat in een lagere

belasting via het inlaatwater. Het verminderen van de directe eutrofiering door het verkleinen van

de nutriëntenfluxen van buiten heeft aldus een positief effect op de waterkwaliteit. Sulfaat is van

belang omdat het in de onderwaterbodem kan worden gereduceerd tot sulfide. Hierbij wordt ijzer

gebonden en fosfor gemobiliseerd (zie hoofdstuk 3). Verminderde aanvoer van sulfaat kan

hiermee leiden tot een afname van de interne mobilisatie van fosfaat (interne eutrofiëring).

Of flexibel peil daadwerkelijk leidt tot verbeteringen is echter niet zeker. Flexibel peilbeheer zal

bijvoorbeeld ook de interne nalevering van fosfor en sulfaat beïnvloeden, en leidt meestal ook

tot een toename van de verblijftijd van het water. Daarnaast kunnen kwelstomen toenemen of

afnemen. Nattere of drogere condities hebben invloed op de redoxchemie in de bodem en kunnen

leiden tot bijvoorbeeld een toename of afname van de beschikbaarheid van fosfaat en sulfaat

(Groenendijk e.a., 2012, Vermaat e.a., 2012). Het dieper uitzakken van de grondwaterstanden in

de oevers zal meestal leiden tot een toename van de sulfaatconcentraties in het bodemwater als

gevolg van de oxidatie van gereduceerde zwavelverbindingen door de indringing van zuurstof.

Anderzijds wordt gereduceerd ijzer geoxideerd waardoor de binding van fosfor in de bodem

verbetert. Uitzakkende waterstanden zullen dus meestal leiden tot een afname van de

fosforconcentraties van het bodemwater. Nattere condities in de oever zullen tot het omgekeerde

leiden, dus tot hogere fosforconcentraties en lagere sulfaatconcentraties.

Door het verloop in de tijd van de oppervlaktewaterchemie en de bodemwater- en

grondwaterchemie in de oever te bestuderen in relatie tot het waterpeil, kunnen we meer inzicht

krijgen in hoeverre fluctuaties van de waterstanden in het open water invloed hebben op de

chemische processen in de oevers en de oppervlaktewaterkwaliteit. We maken hierbij gebruik van

raaien (vanuit het open water de oever in) omdat we hierdoor kunnen vaststellen tot hoever in de

oever de effecten meetbaar zijn. Omdat we in het onderzoek raaien uitzetten in gebieden met een

verschillende oppervlaktewaterstandsfluctuaties, een verschillende bodemopbouw (klei, zand,

veen) en verschillende bodemchemische eigenschappen (ijzerrijkdom, zwavelrijkdom,

voedselrijkdom, etc.) krijgen we een goed beeld van wat we kunnen verwachten aan effecten in

de oever onder de verschillende in Nederland vigerende veldcondities.

Een scherpe analyse van wat het flexpeil nu precies doet ten opzichte van de situatie zonder

flexpeil kan echter niet voor alle onderzochte gebieden worden gemaakt vanwege het feit dat er

niet altijd een vergelijking kan worden gemaakt met een referentiegebied zonder flexpeil.

Daarnaast is er natuurlijke sprake van een korte tijdsduur van het project. Ook is er in de praktijk

soms slechts in de situatie met flexpeil gemeten en is er niet gemonitord in de periode

voorafgaande aan het instellen van het flexibele peil.

De metingen leveren ook input voor een modellering waaruit de effecten van flexibel peil ten

opzichte van een star peil kunnen worden voorspeld (Deltares. Hydrologie rapport C,. 2012).

Daarnaast zal deze exercitie duidelijk maken in hoeverre effecten van oppervlaktewater-

5


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

peilflucttuaties

überhhaupt

te mete en zijn in dee

oevers en in n welke mat te het zinvol c.q. wenseli ijk is

dit soortt

effecten daaadwerkelijk

te t monitorenn

in een ‘flex xpeil monitor ringsplan’.

Bij de keuzes

die wee

hebben gem maakt bij hett

uitzetten va an de raaien is i rekening ggehouden

me et het

feit dat we voor dde

gebieden representatiieve

situatie es willen be estuderen. DDe

financiële e- en

logistiekke

randvoorrwaarden

be etekenen dat er per gebi ied steeds ee en beperkt aaantal

raaien n kon

worden uitgezet. Daaarnaast

is gegeven g dezze

randvoorw waarden ook k de bereikkbaarheid

va an de

locaties een belangriijke

randvoo orwaarde gewweest.

Ondan nks deze beperkingen

heeeft

het onder rzoek

een grooot

aantal duiddelijke

en vo oor het waterrbeheer

uiter rst relevante resultaten oopgeleverd,

die d in

dit rappoort

besprokenn

worden.

Figuur 11.2.

Veenweiddegebied

De Ronde R Hoep. PPeilverschil

tu ussen het flexp peilgebied (voooraan)

en het t nietflexpeilgeebied.

6


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

2. MMethodiek

2.1 Onderzoekkslocaties

Hierronder

wordeen

kort de on nderzoeksgebbieden

(zie figuur f 2.1) genoemd

waaarin

het onderzoek

is

uitgeevoerd.

In hoofdstuk

4, waarin de reesultaten

wo orden bespro oken, wordt mmeer

inform matie over

de ggebieden

geegeven.

Daar rnaast verwiijzen

wij vo oor een uitg gebreide syssteemanalyse

e van de

versschillende

geebieden

naar deelrapport A van Delta ares (Deltares.

Hydrologiie

rapport A, 2012).

Figuuur

2.1.1 Overzichtskaart

van de flexxpeilgebieden

binnen het beheersgebiedd

van het Waterschap W

Amstel,

Gooi en VVecht.

2.1.11

Botshol

Het gebied is eeen

moerasg gebied bestaaande

uit tw wee grotere plassen, peetgaten

en sloten s en

veennmosrietlandd.

Natura 200 00-gebied Bootshol

staat bekend b vanw wege de rijkddom

aan (bij jzondere)

wateerplanten

zoals

het groot

nymfkruid,

kranswierb begroeiingen en galigaann

dat langs de d oevers

voorrkomt.

Het riiet

wordt jaa arlijks geoogsst

door rietsn nijders.

In hhet

zuiden zzijn

twee raaien

met boodemwaterbe

emonsteraars s en peilbuiizen

geplaatst

in het

veennmosrietlandd.

In de galig gaanvegetatiie

van het Grote G Kooibo osch (eiland ttussen

de tw wee grote

plassen)

is ook een meetops stelling gepllaatst.

De inv vloed van ee en natuurlijkker

peilbehee er en het

insteellen

van een

winterinlaat

(in plaaats

van zom merinlaat), is i bestudeerrd

op de water- w en

bodeem(water)kwwaliteit,

wa aarbij ook mogelijke negatieve of positieve ve effecten op het

veennmosrietlandd

onderzocht zijn.

7


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

2.1.2 Groene Jonker

Op dit voormalige stuk landbouwgrond ten noorden van de Nieuwkoopse plassen is de toplaag

verwijderd en zijn ondiepe plassen gegraven. In dit gebied is er sprake van een flexibel

(natuurlijker) peilbeheer sinds de inrichting. Er kan alleen water worden uitgelaten middels een

stuw. Water komt het gebied in via kwel en neerslag. Het gebied is qua vegetatie zeer

structuurrijk en rijk aan bijzondere moeras- en watervogels zoals waterral, geoorde fuut, grutto,

kemphaan en allerlei soorten eenden en ganzen. Schapen begrazen de aanwezige vegetatie rond

de plassen om boomopslag te voorkomen. Langs de grote plas in het zuidoosten zijn twee raaien

met peilbuizen en bodemwaterbemonsteraars uitgezet aan de oost- en westkant van de plas. Deze

locaties zijn representatief voor het gebied. De twee raaien zijn geplaatst in een open vegetatie.

De hoofdvraag is hier wat de rol van waterpeilfluctuatie kan zijn bij de ontwikkeling van nieuwe

natuur. Daarnaast kan hier ook worden onderzocht wat de rol van een ijzerrijke bodem (kwel in

het verleden) en mogelijke bestaande kwel is.

2.1.3 Loenderveen Oost

Evenals de Flexpeilgebieden Westbroekse Zodden, Muyeveld en de Oostelijke Binnenpolder van

Tienhoven behoort Loenderveen Oost tot het Natura 2000-gebied de Oostelijke Vechtplassen. Het

gebied bestaat uit een ondiepe plas met een zandig bodem. Langs de westelijke oever is een

mooie brede strook veenmosrietland aanwezig. Als meetlocatie hebben we een duidelijke

vegetatiegradiënt binnen deze rietzone uitgekozen. De invloed van een flexibel peil kon hier goed

bestudeerd worden op de aanwezige vegetatie en de bodem(water)kwaliteit.

2.1.4 Middelpolder

De Middelpolder ligt ten noorden van Ouderkerk aan de Amstel. Het is vergelijkbaar met de

Ronde Hoep, maar veel kleiner in omvang. Hoofddoelstelling is hier weidevogelbeheer. De

veenweiden zijn voor een gedeelte van het jaar in gebruik door een pachter voor vee. Er is een

representatieve veenweide uitgekozen met een voor dit soort gebieden zeer typerende ingezakte

oever. Ook is een oeverraai buiten het flexpeilgebied gekozen, eveneens op een venige bodem.

2.1.5 Muyeveld

De Loosdrechtse plassen vallen onder het gebied Muyeveld, waar veel recreatie op het water

plaatsvindt. In het oosten vindt er een overgang plaats van veenweiden naar de Utrechtse

Heuvelrug. Het oostelijk deel van sloten, veenweiden, rietland, plasjes en bossen wordt

gekenmerkt door een stervormige cirkel van sloten. In dit stergebied zijn twee locaties gekozen

ten noorden van de ijsbaan. Hier zijn stukken weiland geplagd, waardoor nat schraalgrasland is

ontstaan met dotterbloemen, moeraskartelblad en zeggesoorten. Een van deze ecologisch

waardevolle natte schraallanden wordt vergeleken met het aangrenzende ongeplagde

productieweiland. Daarnaast zijn er bodemwaterbemonsteraars geplaatst aan een oever van de

Tienhovense Plas.

.

2.1.6 Nieuwe Keverdijkse Polder

De Nieuwe Keverdijkse polder grenst aan het Naardermeer en dient als buffer voor het

Naardermeer met het omringende agrarische land(gebruik). Het waterpeil wordt in zijn geheel in

de polder omhoog gebracht, om wegzijging van water uit het Naardermeer tegen te gaan. In dit

gevarieerde natuurgebied zijn ten noorden en zuiden van de spoorlijn, die ook dwars door het

Naardermeer loopt, twee gebieden met elk een eigen peilbeheer geselecteerd. Beide raaien

8


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

grenzen aan slenken. In de slenk ten noorden van de spoorlijn komt krabbescheer voor. Dit is een

bijzondere waterplant, die het proces van de verlanding van laagveenwateren inzet met haar

drijvende matten. Vanuit de nabijgelegen rietkraag is een oplopende gradiënt richting de oever

uitgezet.

Ook ten zuiden van de spoorlijn zijn er bodemwaterbemonsteraars geplaatst, inclusief peilbuizen,

in een raai op de vlakke oever van de aanwezige slenk. Een belangrijke vraag die we in de

Nieuwe Keverdijkse polder wilden beantwoorden is wat het effect is van vernatting op voormalig

bemeste weilanden, zowel lokaal als voor de algemene waterkwaliteit.

2.1.7 Oostelijke Binnenpolder van Tienhoven

Grenzend aan de Westbroekse Zodden ligt de Oostelijke binnenpolder van Tienhoven. Het terrein

is rijk aan moerasvogels en bestaat uit ondiepe petgaten op een zandige bodem. Deze petgaten

zijn afgegraven tot op de onderliggende zandlaag, maar hier en daar ligt er nog een restlaag van

10-20 cm veen. In de petgaten komt onder andere veelstengelige waterbies en stijve

moerasweegbree voor. Er zijn mooie natte schraalgraslanden aanwezig met moeraskartelblad en

orchideeën. In het oostelijk deel is een raai langs een vegetatiegradiënt ingezet vanuit een

rietkraag richting het natte schraalgrasland.

In het westen van het terrein zijn enkele aparte meetpunten ingezet in de situatie met en zonder

een flexibel peilbeheer. In de Oostelijke binnenpolder was al voor de start van het

onderzoekprogramma een flexibel peilbeheer aanwezig. De vraag was welke rol flexibel peil kan

spelen bij de ontwikkeling van de petgaten en de aanwezige vegetatie.

2.1.8 Ronde Hoep

De Ronde Hoep is een uitgestrekt veenweidegebied ten zuiden van Ouderkerk aan de Amstel. In

de kern van de Ronde Hoep wordt sinds enkele jaren een flexibel peilbeheer gevoerd. Tevens is er

als proef een perceel gedraineerd en vernat met drainagebuizen. In deze kern is agrarisch

landgebruik secundair aan de hoofddoelstelling weidevogelbeheer. De veenweiden zijn in gebruik

door pachters voor vee. Uit dit grote areaal van weidse en open veenweiden zijn twee

representatieve veenweiden uitgekozen. Er zijn twee sets van twee raaien geplaatst, een in het

gedraineerde en een in het niet gedraineerde perceel, dat erg nat is in de winter. Voor beide

percelen is een sloot met flexibel en een sloot met een ‘vast’ polderpeil gekozen. De hoofdvraag

is hier wat de interactie tussen peilbeheer en drainage is voor bodem- en waterkwaliteit.

2.1.9 Westbroekse Zodden

In dit natuurgebied dat veel petgaten bevat, zijn diverse bijzondere vegetatietypen aanwezig zoals

trilveen en verlandingsvegetaties van krabbescheer, slangewortel en waterdrieblad. In het

veldonderzoek zijn deze vegetatietypen geselecteerd als meetlocaties. Hiernaast is er ook een raai

met bodemwaterbemonsteraars en peilbuizen uitgezet langs oevers met helofyten als lisdodde. Er

zijn ook raaien uitgezet in petgaten waar een flexibel peilbeheer afwezig is. In de Westbroekse

Zodden wordt onderzocht wat de effecten van een flexibeler waterpeil op verlandingsprocessen/vegetaties

zijn.

9


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

2.2 Bemmonstering

in het veld d

2.2.1 Opppervlakte

wwater

In de Fleexpeilgebiedden

is maand delijks oppervvlaktewater

verzameld voor v analyse. . Dit gebeurd de op

diverse locaties zoowel

binnen n als buitenn

(waar mo ogelijk) het gebied waaar

een flex xibel

waterpeiilbeheer

worrdt

uitgevoer rd. Oppervlaaktewater

zij jn verzameld d bij de in- en uitlaatpu unten

(stuwen) ), raaien vann

lysimeters en e overige loocaties

verspr reid over het t hele gebiedd.

Het gaat hi ierbij

om sloteen,

petgaten een

de randen n van plassenn.

2.2.2 Boodemwaterrraaien

In septtember

20110

en janu uari en feebruari

201 11 zijn in n elk gebiied

raaien van

bodemwwaterbemonstteraars

(pore euze keramissche

cups) geplaatst

om bodemwaterr

te bemonsteren.

Deze lyysimeters

zijjn

geplaatst t op 25 cmm

diepte (on nder maaive eld). De raaai

begint in n de

onderwaaterbodem

van

een sloot t, petgat of pplas

en gaat t landinwaart ts van laag naar hoog op o de

oever veerder

het weiiland,

schraa alland, rietkrraag

of bos in n (zie figuur r 2.2.1). Hierrdoor

ontston nd er

een graddiënt

van natt

naar (vocht tig of) droogg.

Op een of f twee locatie es per de raaai

werd er te evens

bodemwwater

op 50 een

100 centim meter verzammeld.

Door sp puiten aan de e slangen vann

de lysimete ers te

hangen een

vacuüm tte

trekken, werd w het bodeemwater

opg gezogen uit de d bodem. De

spuiten we erden

gespoeldd

met bodemmwater

(minimaal

15 mll)

dat nog in n de slangen en cup aanwwezig

is. Da aarna

werd hett

monster vooor

analyse verzameld.

Figuur 2.2.1 Raai vvan

bodemwa aterbemonsterraars

uitgeze et vanuit de sloot naar het weiland d. De

bemonsteeraars

staan oop

25 cm diep pte. Op het hooogste

punt in n het weiland d zijn tevens oop

dezelfde af fstand

van de oeever

bemonsteeraars

geplaatst

op 50 en 100

centimeter r diepte.

In 2011 werd er maaandelijks

bod demwater verrzameld.

In 2012 2 gebeurd de dit iedere twee maand den.

10


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

2.2.33

Grondwatter

In dde

winter (febbruari

en ma aart) van 2011

en 2012 en n de zomer (augustus/sep

( ptember) van n 2011 is

er grondwater

verzameld

uit t de peilbuizzen.

Hiervoor r werden de peilbuizen lleeggepompt

t, waarna

de bbuizen

weer volliepen met m ‘vers’ ggrondwater

(figuur ( 2.2.2).

Dit ‘versee’

grondwat ter wordt

verzzameld

en geeanalyseerd.

Figuuur

2.2.2 Leeggpompen

van peilbuizen p vann

het ‘oude’ grondwater, g da at in de buizenn

heeft gestaa an. Hierna

worddt

het ‘vers’ tooestromende

grondwater g beemonsterd

voo or verdere ana alyse.

2.2.44

Bodemmoonsters

Om relaties te kkunnen

legge en tussen de kwaliteit van n het bodem mwater en de bodem zelf, f, is er ter

hooggte

van elkee

lysimetercup

bodemmmateriaal

verz zameld. De bodemmonssters

zijn in drie- of

viervvoud

(menggmonsters)

genomen g opp

50 centim meter afstand d van de lyysimeter.

He et betreft

bodeemmateriaal

van 10 cm diepte (5 cmm

boven tot 5 cm onder de d cup). Hieervan

is het vocht- v en

orgaanisch-stofgeehalte

bepaa ald en zijnn

destructies

(onsluitin ng met zuuur

en perox xide) en

zouttextracties

uiitgevoerd.

Afhankelijk A vvan

de hardh heid en het vochtgehalte

v e van de bod dem is er

bemmonsterd

met behulp van een grondbooor,

zuigboor r, guts, happe er of veenhappper.

Op de 6 locatiees

per gebied d waar het NNIOO

veget tatieopnamen n heeft gemmaakt

langs sloten s en

plassen

zijn boodems

van de onderwaaterbodem

en e de oeve er verzameldd.

Dit zijn bodems

(menngmonsters)

gestoken op p vier locatiies

binnen de d raaien (va an 50 of 1000

meter in le engte) op

gelijjke

afstand vvan

elkaar. De D bovenste 115

cm is verz zameld m.u.v v. de toplaagg

van bijvoor rbeeld de

grasszode/dichte

wortelzone van enkele centimeters s dik. Van deze d bodems ms zijn het vocht- v en

orgaanisch

stofgeehalte

bepaal ld, en destruuctieanalyses

s alsmede wa ater, zout- een

Olsen-P extracties

e

uitgeevoerd

11


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

.

Figuur 22.2.3

Verzameelen

van de bodemmonsters

2.3 Anaalyses

2.3.1 Boodemanalysees

Op de boodemmonsteers

zijn de vo olgende analyyses

uitgevoerd:






Vocht- een

organisch stofgehalte

Het vochhtgehalte

vaan

het verse bodemmater b riaal is via he et vochtverli

in duploo

bodemmateeriaal

te drog gen gedurendde

24 uur bij ij 70

de rand worden afgeevuld

kunnen n later ook dee

concentrati

bodemvolume.

De frractie

organi isch stof in dde

bodem is b

Hiertoe is het bodemmmateriaal,

na drogen, ggedurende

4

gloeiverrlies

komt bijj

benadering overeen mett

de fractie o

o ies bepaald. Dit gebeurt

C. Om mdat de bakjees

precies to

ies worden omgerekend o nnaar

mol per

berekend doo or het gloeivverlies

te bep

4 uur verast in een ovenn

bij 550

organisch ma ateriaal in de

o door

t aan

r liter

palen.

C. . Het

bodem.

Olsen-exxtractie

Vocht- en orrganisch

stof fgehalte.

Olsen-P (plaantenbeschik

kbare fosfaatffractie).

Destructie: totaal-P (fosfaat),

totaaal-S

(zwavel),

totaal-Fe (ijzer), totaaal-Ca

(calci ium),

totaal-Mg (mmagnesium),

, totaal-Mn (mangaan), totaal-Zn (z zink), totaal-Al

(alumini ium),

totaal-K (kallium),

totaal-Si

(siliciumm).

Waterextracct.

Zoutextract: pH, fosfaat, , ammoniumm

en nitraat.

Plantenbbeschikbaar

ffosfaat

is me et behulp vann

een Olsen- extractie bep paald. Hiervooor

is aan 3 gram g

droog boodemmateriaaal

100 ml 0,5

mol l-1 naatriumbicarb

bonaat (NaHC CO3) toegevooegd.

De pH H van

het extraactiemediumm

is op pH 8, ,5 gesteld mmet

behulp va an NaOH. Gedurende

300

minuten zij jn de

12


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

monsters uitgeschud op een schudmachine (105 r.p.m.) waarna het supernantant onder vacuüm is

verzameld met behulp van teflon bodemwaterbemonsteraars (Rhizon’s). Het extract is bij 4 o C

bewaard tot verdere analyse.

Bodemdestructie

Door de bodem te destrueren (ontsluiten) is het mogelijk de totale concentratie van bepaalde

elementen/nutriënten in het bodemmateriaal te bepalen. Hiervoor is 200 mg fijngemalen

gedroogde bodem afgewogen in teflon destructievaatjes. Aan het bodemmateriaal is 4 ml

geconcentreerd salpeterzuur (HNO3, 65%) en 1 ml waterstofperoxide (H2O2, 30%) toegevoegd en

geplaatst in een destructiemagnetron (Milestone microwave type mls 1200 mega). De monsters

zijn vervolgens gedestrueerd in gesloten teflon vaatjes en na afkoelen is het destruaat nauwkeurig

overgebracht en aangevuld tot 100 ml met milli Q water. De monsters zijn in polyethyleenpotjes

bij 4 o C bewaard voor verdere analyse.

Waterextractie

Bij het uitvoeren van een waterextractie wordt 17.5 gram verse bodem uitgeschud met 50 ml

demiwater gedurende 2 uur bij 105 r.p.m. waarna de pH is gemeten met een standaard Ag/AgCl2

elektrode verbonden met een radiometer Copenhagen type PHM 82. Het supernatant is onder

vacuüm verzameld met behulp van teflon bodemwaterbemonsteraars (Rhizon’s) en bewaard bij

4 o C tot verdere analyse.

Zoutextractie (NaCl-extractie)

Bij een natriumchloride(zout)-extractie worden aan het bodemadsorptiecomplex gebonden ionen

verdrongen door natrium en chloride. Met deze extractie is onder andere de pH, ammonium- en

nitraatbeschikbaarheid van de bodem bepaald. Voor een zoutextractie is aan 17,5 gram verse

bodem 500 ml 0,2 mol l -1 natriumchloride (NaCl) toegevoegd. Gedurende 60 minuten zijn de

monsters uitgeschud op een schudmachine (105 r.p.m.) waarna de pH is gemeten met een

standaard Ag/AgCl2 elektrode verbonden met een radiometer Copenhagen type PHM 82. Het

supernatant is onder vacuüm verzameld met behulp van teflon bodemwaterbemonsteraars

(Rhizon’s) en bewaard bij 4 o C tot verdere analyse.

2.3.2 Oppervlaktewatermonsters

Aan de oppervlaktewater- en bodemvochtmonsters zijn de volgende analyses uitgevoerd:

- pH

- Alkaliteit (zuurbufferend vermogen)

- Concentraties van geselecteerde ionen en elementen

De alkaliteit werd bepaald middels een titratie met verdund zoutzuur tot pH 4,2. De toegevoegde

hoeveelheid equivalenten zuur per liter is hierbij de alkaliteit. De pH is gemeten met een

standaard Ag/AgCl2 elektrode verbonden met een radiometer Copenhagen type PHM 82. De

alkaliteit wordt in het rapport uitgedrukt als µmol L -1 . De pH werd gemeten met een standaard

Ag/AgCl2 elektrode verbonden met een radiometer (Copenhagen, type PHM 82). De metingen

van de concentraties van ionen en elementen worden hieronder besproken.

13


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

2.3.3 Chemische Analyses

De concentraties natrium (Na) en kalium (K) werden vlamfotometrisch bepaald en de

ammonium (NH4 + ), nitraat (NO3 - ), fosfaat (PO4 3- ) , sulfaat (SO4 2 ) en chloride (Cl - ) concentraties

aan de hand van kleurreacties met autoanalyser-technieken (Technicon autoanalysers, zie ook

http://www.ru.nl/fnwi/gi). De concentraties calcium (Ca), magnesium (Mg), zwavel (S), fosfor

(P), ijzer (Fe), mangaan (Mn), silicium(Si), Zink (Zn) en alle overige elementen werden gemeten

met behulp van een ICP-OES (zie ook http://www.ru.nl/fnwi/gi). De concentraties ortho-fosfaat

in watermonsters (PO4 3- ) is de hoeveelheid opgelost fosfaat. De totaal-P concentratie ligt vaak

hoger omdat hier ook niet opgelost fosfor wordt gemeten dat bijvoorbeeld geadsorbeerd is aan

organische stoffen (humuszuren) of zeer kleine colloïdale deeltjes (


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

3. TTheoretische

achte ergrondenn

In ddit

hoofdstuuk

worden de d theoretiscche

achtergr ronden besp proken van de biogeoch hemische

proccessen

die eeen

rol spelen n bij de interaacties

die op p kunnen tred den tussen hhet

oppervlak ktewater,

de oonderwaterboodem

en de oevers. o Het iis

grotendeel ls gebaseerd op onderzoeek

dat in het (recente)

verleeden

in uitgeevoerd

door onderzoekceentrum

B-W WARE en de afdeling a Aquuatische

Eco ologie en

Miliieubiologie

vvan

Radboud d Universiteiit

Nijmegen. . Ook het on nderzoek datt

in het kade er van dit

flexppeilproject

iss

uitgevoerd heeft bijgeddragen

aan de eze inzichten n.

3.1 Decomposiitie

en elek ktronenacceeptoren

Vooor

de afbraakk

van organ nisch materiaal

is met name n de beschikbaarheeid

van zog genaamde

elekktronenacceptoren

van be elang (Smoldders

e.a. 2006 6; figuur 3.1).

Dit komt oomdat

de afb braak van

orgaanisch

materriaal

in weze en een redoxxreactie

is. Bij een red doxreactie viindt

uitwisse eling van

elekktronen

plaatts

tussen een n reductor ddie

deze afst taat en een oxidator o diee

ze opneem mt. Welke

oxiddator

met weelke

reductor een reactie aaangaat

hang gt af van de mate m waarin elektronen gebonden g

zijn. . Een redoxrreactie

kan alleen a plaatssvinden

wan nneer er zow wel een oxidaator

als een reductor

aanwwezig

is ommdat

elektro onen in tegeenstelling

to ot protonen niet vrij inn

de natuur r kunnen

voorrkomen.

Miccro-organism

men zoals schhimmels

en bacteriën b geb bruiken meesstal

redoxrea acties om

stoff ffen om te zetten.

De ener rgie die hierbbij

vrijkomt gebruiken ze e onder andeere

voor groe ei (figuur

3.1) .

Figuuur

3.1.. Rol vvan

elektronen nacceptoren bbij

de afbraak van organisch he materiaal.

Zuuurstof

(O2) is

prefferente

elekt

nitraaat

(NO3

alter

(N2)

- een zeer ste erke oxidator

tronenacceptor

optreden.

), mangaan (M Mn

rnatieve oxiddatoren

optr

), stikstofoxiide

(N2O) of

4+ r en zal daar

. In afwezig

), ijzerr

(Fe

reden. Hierb

f ammonium

3+ ), sul

bij worden z

m (NH4 + rom indien h

gheid van z

lfaat (SO4

), m

2- het aanwezig

zuurstof zull

) en koolsto

ze gereduceerd

tot respe

mangaan (Mn n 2+ g is, vrijwel

len achteree

ofdioxide (C

ectievelijk st

), ijzer (FFe

2+ altijd als

nvolgens

CO2) als

ikstofgas

), sulfide e (S 2- ) en

15


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

methaann

(CH4) (figuuur

3.1). Na aarmate de rreacties

moei ilijker verlop pen en de mmicro-organis

smen

hier minnder

energie uit kunnen halen h daalt dde

redoxpoten ntiaal Eh (uit tgedrukt in mmV).

Meestal is onder ppermanent

natte n anaeroobe

conditie es sulfaat kwantitatief k de belangri ijkste

electronenacceptor

vvoor

de anae erobe afbraaak

(Smolders s e.a. 2006). De sulfaatbbelasting

van n een

watersyssteem

zal daan

ook in bel langrijke maate

bijdragen aan de afbra aak van orgaanische

mate eriaal

in de anaerobe

onderrwaterbodem

m. Bij de redductie

van su ulfaat komt sulfide

vrij daat

bindt aan in de

bodem aaanwezig

ijzeer.

Hierdoor wordt ijzer vvastgelegd

als a ijzersulfid de waardoor de mobiliteit t van

ijzer afnneemt

en teveens

de bindin ng van fosforr

aan ijzer(hy ydr)oxiden (f figuur 3.1).

Figuur 33.2.

Schematissche

weergave e van de proceessen

die betro okken zijn bij de anaerobe aafbraak

van

organischh

materiaal (nnaar

van der Heide H e.a. 20110).

3.2 Oxiidatie

van vveen

Wanneeer

er zuurstoff

bij het anae erobe veen kkomt,

zoals het h geval is in i de toplaagg

van percele en in

het veennweidegebied,

kan het organische o mmateriaal

(ve een) onder invloed

van zuurstof wo orden

afgebrokken

(geoxideeerd,

figuur 3.3). Hierbiij

wordt het t organische materiaal ddeels

omgez zet in

kooldioxxide

(CO2). HHet

overgebl leven veen vverliest

struct tuur en kan uiteindelijk u oook

als bagg ger in

de slotenn

terecht kommen.

Het ger reduceerde zwwavel

uit de bodems kom mt na oxidatiie

vrij als sul lfaat.

Oxidatiee

van gereduuceerde

zwavelverbindinngen

(vooral ijzersulfide)

kan volleddig

of onvolledig

verlopenn.

Wanneer dde

oxidatie onvolledig o veerloopt

komt t er behalve sulfaat ook ggereduceerd

ijzer

vrij (reaactie

1); bij een volled dige oxidatiee

wordt ook k het geredu uceerde ijzerr

geoxideerd d tot

ijzer(III) )hydroxides (reactie 1 en n 2 samen).

16


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

(1) 2 FeS2 + 7 O2 + 2 H2O 2 Fe 2+ + 4 SO4 2- + 4 H + (onvolledige oxidatie)

(2) 4 Fe 2+ + O2 + 10 H2O 4 Fe(OH)3 + 8 H + (samen met (2) volledige oxidatie)

Sulfaat is zeer mobiel en kan gemakkelijk uitspoelen uit de bodem. Het gereduceerde ijzer is

minder goed oplosbaar en wordt onder invloed van zuurstof grotendeels ook geoxideerd tot de

zeer slecht oplosbare geoxideerde vorm van ijzer (Fe 3+ ). Onder invloed van oxidatieprocessen

wordt de toplaag van de veenbodems, dus steeds armer aan zwavel en organisch materiaal en

steeds rijker aan ijzer. Verder komen bij de afbraak van het organische materiaal natuurlijk ook

nutriënten vrij, met name in de vorm van fosfor en ammonium. De bij de oxidatie gevormde

ijzer(hydr)oxides kunnen erg goed fosfor binden. Het ijzer en fosfor die vrijkomen bij de

mineralisatie van het veen zijn dus weinig mobiel omdat ijzer oxideert tot slecht oplosbare

ijzer(hydr)oxiden en P hieraan wordt geadsorbeerd. Het ammonium kan door het zuurstof worden

geoxideerd tot nitraat. Zowel sulfaat als nitraat zijn erg mobiel en kunnen uitspoelen naar het

oppervlaktewater en naar de diepere nog anaerobe bodemlagen. Hier kunnen sulfaat en nitraat als

electronenacceptor (oxidatoren) dienen voor de anaerobe afbraak van organisch materiaal in de

waterverzadigde zone (figuur 3.3).

Zuurstof

Aerobe afbraak

Sulfaat/Nitraat

Anaerobe afbraak

Intact veen

Figuur 3.3. Schematische weergave van de veenafbraak (oxidatie van veen) in het veenweidegebied

Bij de anaerobe afbraak van organisch materiaal worden sulfaat en nitraat gereduceerd tot sulfide

en stikstofgas, waarbij organisch materiaal wordt afgebroken. Het sulfaat en nitraat dat bij de

anaerobe afbraak betrokken is, wordt echter voornamelijk vrijgemaakt door de aerobe oxidatie

(onder invloed van zuurstof) in de toplaag. Daarnaast vormt ook de bemesting van de aerobe

toplaag een bron van nitraat. Al met al verloopt deze anaerobe afbraak relatief langzaam en

draagt naar schatting maximaal 10 % bij aan de totale oxidatie van het veen (Hendriks en van den

17

Zuurstof

Aerobe afbraak

Sulfaat/Nitraat

Anaerobe afbraak

Intact veen


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

Akker, 2012). In figuur 3.4 worden schematisch de processen weergegeven die betrokken zijn bij

de veenafbraak (veenoxidatie) in het veenweidegebied.

NO3

Fe(III)OOH-P

Vaste bodemfracties

P

Mest

Organisch Materiaal

CO 2 NH 4 P

NH 4

Figuur 3.4. Aerobe en anaerobe veenafbraak in veenweiden leiden tot bodemdaling

In figuur 3.5 wordt op basis van analyses die zijn uitgevoerd voor vier locaties in het Wormer en

Jisperveld (Groenendijk e.a., 2012)., de berekende fosfor- en zwavelvoorraden van de bodem

gegeven. Hierbij is onderscheid gemaakt in de voorraad in de bovenste 50 cm van de bodem en

de totale voorraad in de hieronder liggende nog intacte veenlaag (50-290 cm diepte). De

fosforvoorraad is hoog in de toplaag van het veen. Het gaat hierbij om fosfor dat is vrijgekomen

bij veenoxidatie in het verleden en om fosfor dat via bemesting in de bodem terecht is gekomen.

We zien dat de zwavelvoorraad juist in de nog intacte veenlaag veel hoger is dan de

zwavelvoorraad in de toplaag (bovenste 50 cm). Dit komt omdat het sulfaat dat vrijkomt bij de

veenoxidatie erg mobiel is en gemakkelijk uitspoelt naar bijvoorbeeld het oppervlaktewater. We

zien dat de hoeveelheden sulfaat die door veenoxidatie vrij kunnen komen fors zijn (honderden

kilogrammen per hectare per jaar). Dit proces verklaart ook waarom het Nederlandse

oppervlaktewater in gebieden met zwavelrijk veen ook zo rijk is aan sulfaat.

18

Organisch Materiaal

Fe 2+

SO 4 2-

CO 2

N 2

S 2-

Fe 2+

FeS x

aeroob

anaeroob

FeS x

O 2


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Figuuur

3.5. Bulkvvoorraad

( in kg k per hectare re) van fosfor (P) en zwavel l in de bovensste

50 cm van de bodem

(groene

balk) enn

in de hiero onder liggendde

nog intacte e veenlaag (+ ( 240 cm) vvoor

4 locaties

uit het

Wormmer-

en Jispeerveld.

De ge etallen boven de grijze balkjes

geven de d gemiddeldee

hoeveelheid d fosfor of

sulfaaat

die vrijkommt

bij de miner ralisatie van 5 mm intact ve een.(Groenendijk

e.a.,2012) 2).

Uit de reactieveergelijkingen

(1) en (2) blijkt dat de e oxidatie va an ijzersulfidde

(FeSx) lei idt tot de

prodductie

van zuur (proto onen). Via bufferreact ties in de bodem kann

dit zuur worden

geneeutraliseerd

waardoor er e netto geeen

verzuring

(afname van de pHH)

plaatsvind dt. Deze

buffferreacties

biicarbonaat-bu

uffering (3), oplossen va an carbonaten n (4) en (5) een

kationuitw wisseling

(6) worden hierronder

weerg gegeven.

(3) HH2CO3

+ H

(4) C

(5) C

(6)

+

CaCO3 + 2 H

CaMg(CO3)2

]-Ca 2+ +

HCO3

+ 2 H

-

H + Ca 2+ + C

2 + 4 H + Ca

H + ]-2 H + H2O + CO

CO2 + H2O

a

+

2+ + Mg 2+ +

+ Ca 2+

O2

+ 2 CO2 + 2 H2O H

Oveerall

betekentt

dit dat de oxidatie o van gereduceerd d zwavel leid dt tot de vormming

van equ uivalente

hoevveelheden

suulfaat

en calc cium+magnesium.

In zwwavelarme

bbodems

word den de conccentraties

van n calcium en n magnesiumm,

uitsluitend d bepaald

doorr

het oplosseen

van calciu um(magnesiuum)carbonate

en volgens re eactie (7).

(7) CCaCO3

+ COO2

+ H2O Ca C

2+ + 2 HCO

O3 -

Scheematisch

woordt

de zuurv vorming en dde

buffering die optreedt t bij de oxiddatie

van gereduceerd

zwaavel

en ijzer wweergegeven

n in figuur 3. 5.

19


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Figuur 33.5.

Oxidatiepprocessen

on nder invloed vvan

zuurstof (rode lijnen) ), de resulterrende

zuurvor rming

(blauwe llijnen)

en de zzuurbuffering

(groene lijnenn).

3.3 Hogge

versus laage

waterst tanden

De gronndwaterstandd

speelt een belangrijke b rrol

in de fos sfaatbindings scapaciteit va van de bodem m, en

daarmeee

in de potenntiële

uitspoe eling van nuutriënten

naar

de waterlaag

(van Digggelen

e.a. 20 011).

Bij een lage grondwwaterstand,

gedurende ddrogere

periodes

of bij ontwateringg,

dringt er meer m

zuurstoff

door in de bodem waar rdoor er oxiddatie

van ger reduceerde ijzerverbindin

ij ingen (waaro onder

FeSx) kaan

plaatsvinnden.

Het ge eoxideerde ij ijzer kan goed

fosfaat binden, b waarrdoor

dit wordt w

geïmmoobiliseerd

enn

de fosfaatc concentratie (labiel P) ju uist heel laa ag blijft. Alss

gevolg va an de

oxidatie van gereduuceerd

zwav vel kan er oook

sulfaat vrijkomen v terwijl

door de oxidatie van

ammoniium

(nitrificaatie)

de nitra aatconcentraatie

toeneemt t. Tijdens la agere grondwwaterstanden

n zijn

sulfaat ( (en nitraat) ddaardoor

vaa ak dominant aanwezig in n het bodem mwater (figuuur

3.6; links) ). De

oppervlaakkige

afspooeling

van fo osfaat uit dee

toplaag zal l laag zijn, omdat veel fosfor gebonden

wordt aaan

ijzer (waaaronder

ook organisch o stoof-ijzercomplexen).

Wanneeer

de grondwwaterstand

st tijgt en de bbodem

anaeroob

wordt, wordt w het ggeoxideerde

ijzer

gereduceeerd

en kommt

ijzergebond den-fosfaat vvrij

in oploss sing. De hoge e sulfaatconccentraties

ku unnen

onder deeze

omstanddigheden

ook k leiden tot sulfaatreduc ctie, waarbij sulfide worrdt

gevormd d. Dit

bindt beeter

aan ijzerr

dan fosfaat,

waardoor eer

nog meer fosfaat, dat nog aan ijzeer

gebonden was,

vrij in ooplossing

gaaat.

Het aanw wezige nitraaat

wordt gedenitrificeerd

of omgezeet

in ammon nium

(dissimmmulatieve

niitraatreductie

e naar ammmonium,

DN NRA). Tijde ens hoge grrondwatersta

anden

wordt heet

fosfaat duus

mobiel en is de sulfaattconcentratie

e juist laag. Tijdens T deze e omstandigh heden

kan de potentiele uuitspoeling

van

P naar dee

waterlaag hoog h zijn, maar m zal de ssulfaatuitspoeling

gering zzijn

(figuur 3.6;

rechts).

20


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

Lagere waterstanden (oxidatieprocessen)

O 2

SO SO4 HCO HCO3 /CO O

3 /CO O

4

2 2

FeS x

FeOx

C / N / P / S (veen)

PO 4

FeOx-PO4

NH 4

NO 3

Figuur 3.6. Schematische weergave van de dominante processen bij lagere en hogere grondwaterstanden

in de toplaag van de bodem.

3.4 Fosforbelasting oppervlaktewater

In veenweidegebieden is de toplaag van de bodems opgeladen met fosfor als gevolg van

bemesting en veenafbraak/mineralisatie in het verleden. Bij hoge grondwaterstanden wordt dit

fosfor gemobiliseerd waarna het uitspoelt naar het diepere anaerobe deel van bodem, waar het in

oplossing blijft. Deels spoelt het fosfor ook uit naar het oppervlaktewater. De historische

achtergrond van de veenbodem speelt dus een zeer grote rol in het vrijkomen en uitspoelen van

nutriënten naar de waterlaag. Het is een interessante vraag in hoeverre een recente mestgift, in

verhouding tot de bijdrage van historische bemesting, direct bijdraagt aan de P uitspoeling naar

het oppervlaktewater. Van Gerven e.a. (2011) hebben aan de hand van een model voor de

Krimpenerwaard bepaald wat de bijdrage is van de P bemesting uit het verleden (historische

bemesting) en de recente P bemesting aan de uitspoeling naar het oppervlaktewater. De recente

bemesting in 2001 bleek voor ± 7% bij te dragen aan de P belasting van het oppervlaktewater..

De bijdrage van de historische bemesting (tussen 1940 en 2001) bedroeg ± 50% en de bijdrage

van de mineralisatie van het veen in het verleden ± 43%. Deze studie laat zien dat ophoping van

meststoffen in de bodem als gevolg van de historie van bemesting en mineralisatie lang doorwerkt

en dat het stoppen van de bemesting op de korte termijn slechts een beperkt effect heeft op de

fosforbelasting van het oppervlaktewater vanuit de percelen.

3.5 Interacties tussen zwavel, ijzer en fosfor en de oppervlaktewaterkwaliteit

Sulfaat fungeert in natte anaërobe bodems als alternatieve electronenacceptor voor zuurstof

waardoor het de afbraak van organisch materiaal versnelt. Bij deze afbraak komen nutriënten vrij

in de vorm van fosfaat en ammonium, alsmede sulfide. Het bij de sulfaatreductie gevormde

sulfide reageert verder met in de bodem aanwezige ijzercomplexen waarbij ijzersulfiden (FeSx)

worden gevormd (Lamers e.a. 1998; Smolders e.a., 2006).

21

Hoge waterstanden (reductieprocessen)

FeS x

Fe2+ Fe2+ FeOx

S2- S2- PO 4

FeOx-PO4

SO 4

N2/NH 4

C / N / P / S (veen)

NO 3

HCO 3 /CO 2


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

A: Waterlaag Aeroob

SO 4 2-

SO 4 2-

SO 4 2-

S 2-

S 2-

O 2

O 2

FeS x

Anaeroob sediment

Fe 3+

Fe 2+

Fe 2+

FeOOH-P

B: Waterlaag anaeroob

SO 4 2-

SO 4 2-

S 2-

FeS x

Anaeroob sediment

Fe 2+

Fe 2+

FeOOH-P

FePO 4

PO 4 3-

PO 4 3-

PO 4 3-

Org. Mat. NH 4 +

CO 2

PO 4 3-

PO 4 3-

Figuur 3.7. Interacties tussen de zwavel ijzer en fosfor kringloop in wateren met een zuurstofhoudende

waterlaag en wateren met een zuurstofarme waterlaag.

IJzer speelt een belangrijke rol bij de immobilisatie van fosfaat in de onderwaterbodem (figuur

3.7). Zo wordt fosfaat in de bodem vastgelegd in de vorm van Fe3(PO4)2 (vivianiet) en FePO4

(strengiet). Verder wordt een belangrijk deel van het fosfaat geadsorbeerd aan tweewaardige of

driewaardige ijzer(hydr)oxiden. Naarmate een groter deel van het ijzer in de bodem gebonden is

aan sulfide zal er minder fosfaat gebonden kunnen worden in de bodem waardoor de

fosfaatconcentratie in het bodemwater van de onderwaterbodem stijgt (Smolders e.a. 1993;

22

O 2

Org. Mat.

CO 2

NH 4 +

Org. Mat. NH 4 +

CO 2

NH 4 +

N 2

O 2

Toplaagje

NO 3 -

sediment

NO 3 -


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Smoolders

e.a., 2006). Teg gelijkertijd zzal

als gevo olg van de vorming vvan

slecht oplosbaar o

ijzerrsulfide

de ijzerconcentra

atie van het bbodemwater

dalen.

Hogge

ijzerconceentraties

in het h bodemwa

de nnalevering

vaan

fosfaat naa ar de waterla

oploosbaar

geredduceerd

ijze er (Fe

geoxxideerd

tot slecht

oplosb

als sslecht

oplosbbaar

ijzer(II

volddoende

geredduceerd

ijze

zuurrstof

bevat, zzal

de nalev

toenname

van de sulfaatr

fosfa faatconcentraaties

stijgen,

voorrhanden

zijnn

om het fo

wateerlaag

toenemmen,

(Smold

2+ ) in

aar Fe 3+ ater gaan, zo

aag tegen. Di

n het geoxi

. Ditt

Fe

I)(hydr)oxid

er in het bo

vering van fo

reductie de

kan er op e

osfaat te bin

ders e.a., 200

3+ olang de wat terlaag voldooende

zuurst tof bevat,

it heeft te ma aken met hett

feit dat rela atief goed

deerde toplaagje

van hhet

sedimen nt wordt

kan sa amen met fos sfaat neerslaaan

als ijzer fosfaat f of

de in de bod dem neerslaa an (de “ijzerv rval”). Zolan ng er dus

odemwater in i oplossing g is en de wwaterlaag

vo oldoende

osfaat naar de d waterlaag beperkt zijnn.

Wanneer door een

e ijzergehalten

in he et bodemwwater

dalen en de

een gegeven n moment on nvoldoende iijzer

in het toplaagje t

nden. Hierd door zal de nalevering van fosfaat naar de

01; Geurts e.a a., 2010).

Figuuur

3.8. Verlooop

van de fosfor fo en ijzerrconcentratie

in een eutrof fe boerensloott

uit de Lopik kerwaard.

Vanaaf

eind augustus

werd de sloot s bedekt do door een kroos sdek. In februari

werd een ffosforpiek

ge emeten die

werdd

veroorzaakt door afspoeli ing van mest vvan

het percee el (Smolders e.a. e 2012).

23


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

Deze ijzerval kan functioneren zolang er voldoende zuurstof in de waterlaag boven de

onderwaterbodem aanwezig is. Wanneer de waterlaag anaëroob of in ieder geval zuurstofarm

wordt, kan het ijzer niet meer worden geoxideerd is en kan het fosfaat samen met het ijzer naar

de waterlaag diffunderen. Dit gebeurt met name in de zomermaanden wanneer het warm is en er

veel reactief organisch materiaal, dode algen en plantenresten, in de toplaag aanwezig zijn. De

hoge microbiële activiteit kan er dan, samen met feit dat er in warmer water minder zuurstof kan

oplossen, voor zorgen dat de zuurstofconcentratie in de waterlaag sterk daalt. Vaak zien we dan

dat er zich in de nazomer of het najaar een kroosdek ontwikkeld op dit soort sloten (figuur 3.8,

Boedeltje e.a, 2005). Dit kroos kan profiteren van de verhoogde beschikbaarheid van fosfor in de

waterlaag. Wanneer er zich eenmaal een kroosdekje heeft ontwikkeld blijft de waterlaag anaeroob

omdat kroos zuurstof afgeeft aan de atmosfeer en niet aan de waterlaag en ook de diffusie van

zuurstof uit de atmosfeer naar het water belemmert. Er ontstaat dus tijdelijk een nieuwe stabiele

toestand. In figuur x wordt dit geïllustreerd aan de hand van een sloot uit de Lopikerwaard.

Tabel 3.1 Gemiddelde eigenschappen van het grondwater, bodemwater, waterbodem en de bodem van drie

onderzoekslocaties in de Lopikerwaard (Smolders e.a. 2012).

Sloot 1 Sloot 2 Sloot 3 Opmerking

Grondwater

Sulfaat (µmol L -1 ) 3709 1218 1661 Jaargemiddelde

IJzer (µmol L -1 ) 114 93 28 Jaargemiddelde

Fosfor 51 27 23 Jaargemiddelde

Toestroom grondwater Ja Ja Nee

Waterbodem

IJzer/Zwavel (mol mol -1 ) 0,60 1,13 0,43 toplaag: 0-20 cm

Fosfor (mmol kg -1 ) 35,0 36,2 31,6 toplaag: 0-20 cm

Bodemwater onderwaterbodem

IJzer (µmol L -1 ) 107 503 1 Jaargemiddelde

Sulfide (µmol L -1 )


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

zwaavel

ratio vann

het sedime ent. Dit kommt

niet omdat t er weinig ij jzer in deze bodems aan nwezig is

(de totaal-ijzer concentratie van het seddiment

is im mmers hoog) ), maar omddat

alle ijzer r in deze

bodeem

is gebonnden

aan su ulfide en hiermee

is ge eïmmobilisee erd. De resuulterende

on ngunstige

verhhouding

tusseen

ijzer en fo osfor in het bbodemwater

leidt tot een toename vann

de naleveri ing van P

naarr

de waterlaag.

Tevens zien we datt

de sulfidec concentratie in deze slooot

hoog oploopt.

De

verhhouding

tusssen

de totaal l-ijzer en dee

totaal-zwav vel concentratie

van de onderwaterb bodem is

uiteiindelijk

duss

bepalend voor de ijzer/fosfor verhouding g in het bbodemwater

van de

ondeerwaterbodemm,

en hierm mee voor de nnalevering

van v P naar de e waterlaag. Tevens is deze d ratio

bepaalend

voor de

mate waari in sulfide opphoopt

in het bodemwater r van de onde derwaterbode em.

Vooor

de naleverring

van fosfo or is, zolang de waterlaag g aeroob is, dus de ratioo

tussen de ijzer

en de

fosfo for concentraatie

van het

bodemwatter

van bela ang. Smolde ers e.a. (20001)

kwamen n in een

expeerimentele

oopzet

uit op een Fe/P rat atio in het bo odemwater van v 1 waarbboven

naleve ering van

fosfa faat uit het seediment

acht terwege bleeef.

Ook Geur rts e.a. (2010 0) vonden eeen

grenswaar rde van 1

in naleveringsprroeven.

Geur rts e.a. (20088)

komen op grond van een e correlatieeve

veldstud die uit op

een grenswaardde

van 3,5. De naleveering

uit he et sediment neemt toee

bij toenem mende P

conccentraties

vaan

het bode emwater. Bijj

een bodem mwater Fe/P P ratio lagerr

dan 1 kan n deze P

naleevering

jaar rrond

plaatsvi inden. De P nalevering zal z hoger zijn

naarmate dde

Fe/P ratio o lager is

en P concentratiie

hoger. Ond der een bepaaalde

Fe/P ve erhouding za al deze vrijwwel

geen invlo oed meer

hebbben

op de naalevering

om mdat het ijzerr

dan in verh houding nog maar weinigg

P kan bind den op de

overrgang

naar dde

aerobe waterlaag. w BBij

een Fe/P ratio hoger r dan 1 zal de bodem alleen P

naleeveren

wanneeer

de waterl laag anaerooob

wordt. Wa anneer dit het t geval is heeeft

de Fe/P ratio

geen

invlooed

meer op de naleverin ng.

Figuuur

3.9. Relatties

tussen de totaal-ijzer/tootaal-zwavel

ratio r van de bodem b en de ijzer/fosfor ra atio in het

bodeemwater

voor r 646 onderwa aterbodems mmet

een organi isch stofgehal lte van ten miinste

10 % (uit

de data

set vvan

Onderzoekkcentrum

B-W WARE). Zie tekkst

voor verde ere uitleg.

25


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

Zoals we hebben gezien is ook de totaal-Fe/totaal-S ratio van de bodem indicatief voor de

toestand van het systeem. Geurts e.a. (2010) vinden voor bodems met een totaal-Fe/totaal-S ratio

hoger dan 1 dat de Fe/P ratio van het bodemwater steeds hoger was dan 1 en er geen nalevering

plaatsvond van fosfaat naar de waterlaag. Smolders e.a. (2011) vonden een grenswaarde van 0,5

voor drie sloten in de Lopikerwaard. Ook voor andere gebieden blijkt dat voor reductieve

organische bodems de grenswaarde vaak tussen de 0,5 en 1 ligt (figuur 3.9). Waarschijnlijk hangt

de variatie tussen gebieden af van de mate waarin in de bodem het zwavel voorkomt als organisch

zwavel, FeS of FeS2.

De totaal-ijzer/totaal-zwavel ratio kan bepaald worden aan droge bodem zonder dat hieruit

bodemwater hoeft te worden verzameld en ook zonder dat deze op een speciale wijze

geconserveerd hoeft te worden. Dit maakt deze ratio potentieel tot een aantrekkelijk kengetal voor

onderwaterbodems. Onderwaterbodems met een totaal-Fe/totaal-S ratio hoger dan 1 worden

gekenmerkt door een hoge Fe/P ratio van het bodemwater en zullen dus geen P naleveren zolang

de waterlaag zuurstofhoudend is. Bodems met een totaal-Fe/totaal-S ratio lager dan 0,5 zullen

vrijwel altijd P naleveren.

3.6 Stikstofkringloop

Bij de anaerobe afbraak van organische materiaal in de onderwaterbodem komt ammonium vrij.

Deels wordt dit gebonden aan het bodemadsoptiecomplex en deels is dit ammonium ook in

oplossing in de onderwaterbodem. Dit ammonium kan vrijelijk naar de waterlaag diffunderen

waar het kan worden geoxideerd tot nitraat (nitrificatie) (figuur 3.7). Het nitraat uit de waterlaag

kan in de anaerobe onderwaterbodems weer worden gedenitrificeerd tot stikstofgas waarna het

verdwijnt uit het systeem. Nitrificatie en denitrificatie zijn microbiële processen die in de winter

langzaam verlopen. Dit is de reden waarom ammonium en nitraat in de winter kunnen ophopen

in de waterlaag terwijl de concentraties in de zomermaanden meestal erg laag zijn. Behalve deze

microbiële processen speelt ook opname door diatomeeën, algen en waterplanten in het

groeiseizoen een rol bij de lage stikstofconcentraties in de zomer.

Wanneer de waterlaag anaeroob wordt kan er geen nitrificatie van ammonium meer plaatsvinden

en kan ook in de zomer ammonium accumuleren in de waterlaag, hetgeen toxisch kan zijn voor

waterplanten (zie hierna).

3.7 Relatie tussen sulfaatconcentratie en trofiegraad van het systeem

Op basis van het uitgebreide onderzoek naar de relatie tussen de abiotiek en het voorkomen van

waterplanten (de Lyon en Roelofs, 1986), is er een analyse uitgevoerd naar het voorkomen van

waterplanten op reductieve bodems (redoxpotentiaal < -150 mVolt). We zien dat er een duidelijke

relatie bestaat tussen de gemiddelde sulfaatconcentratie en de gemiddelde fosfaatconcentratie in

de waterlaag, waarbij verschillende soorten voorkomen (figuur 3.10). We zien daarnaast dat de

voor laagveenwateren karakteristieke en meest bijzondere waterplanten met name voorkomen in

wateren met een sulfaatconcentraties lager dan 500 µmol L -1 (50 mg L -1 ). Ook Geurts e.a. (2008)

vonden een verband tussen de sulfaat- en de fosfaatconcentratie van het oppervlaktewater voor

145 onderzochte laagveenwateren uit Nederland, Polen en Ierland. De data van Geurts e.a. (2008)

suggereren een drempelwaarde voor sulfaat van 300 µmol L -1 (30 mg L -1 ). Boven deze waarde

nam het aantal en de bedekking (van) rode lijst soorten spectaculair af. Laagveenwateren met een

26


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

hogere sulfaatconcentratie zijn meestal eutroof. Zolang er nog voldoende ijzer in de bodem

aanwezig is om het sulfide dat bij sulfaatreductie wordt gevormd te binden kunnen er nog wel

waterplanten groeien. Het gaat dan echter wel om meer eutrofe soorten zoals Potamogeton

pectinatus, Elodea nutallii, Myriophylllum spicatum en Ceratophyllum demersum. Vaak

ontwikkelt zich in dit soort sloten een kroosdek in de late zomer, wanneer de planten minder goed

groeien en de waterlaag anaeroob wordt.

Fosfaat (waterlaag)

25

20

15

10

5

0

I Stratiotes aloides II Nymphoides peltata

Hydrocharis morsus ranae Ranunculus circinatus

Potamogeton acutifolius Spirodela polyrhiza

Potamogeton compressus Lemna trisulca

Potamogeton lucens Potamogeton mucronatus

Utricularia vulgaris

III Potamogeton pectinatus

Myriophyllum spicatum

Ceratophyllum demersum

Figuur 3.10. Relatie tussen de gemiddelde sulfaatconcentratie (in mmol L -1 ) en de gemiddelde

fosfaatconcentratie (in µmol L -1 ) waarbij verschillende soorten waterplanten die vaak samen voorkomen

worden aangetroffen in het veld. Smolders e.a. 2003. De primaire data zijn uit de Lyon en Roelofs, (1986).

3.8 Fosfaat in de waterlaag

I

zoet water

Ceratophyllum submersum Zannichellia

pedunculata

Lemna gibba

II

Azolla filiculoides

III

0 0,5 1 1,5 2 2,5

Sulfaat (waterlaag)

De P-concentratie van de waterlaag geeft niet altijd een goed beeld van de bijdrage van de

onderwaterbodem. Dit komt omdat de concentratie in de waterlaag door vele factoren wordt

bepaald. Nalevering van P uit de onderwaterbodem is één van de factoren. Deze nalevering hangt

af van de ijzer/P ratio en de absolute P concentraties van het bodemwater. Daarnaast wordt deze

nalevering echter ook beïnvloed door het zuurstofgehalte van de waterlaag. Dit zuurstofgehalte

fluctueert sterk door het jaar heen en wordt beïnvloed door de watertemperatuur en de

beschikbaarheid van reactief (gemakkelijk afbreekbaar) organisch materiaal.

27

brak water

Ranunculus

baudotii

Enteromorpha species


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

Behalve door de nalevering uit het sediment wordt de P concentratie natuurlijk beïnvloed door de

waterdiepte (volume water per oppervlakte onderwaterbodem), doorstroming (verblijftijd) van het

waterlichaam, en de externe belasting. Deze externe belasting kan via de inlaat van

oppervlaktewater plaatsvinden maar ook via de toestroming van grondwater uit de omgevende

percelen. Met name voor lijnvormige elementen is deze invloed groot. Onderzoek in de

Lopikerwaard (Smolders e.a. 2011) laat zien dat de influx van P uit toestromend anaeroob

bodemwater uit de omliggende percelen groot kan zijn maar dat er ook ijzer en sulfaat wordt

aangevoerd. Dit ijzer kan in de waterlaag oxideren en leiden tot fosfaatprecipitatie. Het sulfaat

kan in de onderwaterbodem worden gereduceerd tot sulfide en ijzer vastleggen. Ten slotte wordt

de P concentratie natuurlijk beïnvloed door de opname door waterplanten en algen.

Tabel 3.2. Literatuuroverzicht van sulfide-toxiciteit in aquatische macrophyten en wetland planten.

Concentraties worden geven in µmol l -1 . Observaties: AP = afname bovengrondse productiviteit; AD =

afsterven bovengrondse biomassa; LE = afname bladgroei; NP = afname netto fotosynthese; NU = afname

nutriënten opname; RD = wortelsterfte; Y = afname photosynthetic yield (PAM fluorescence). Uit Lamers,

e.a., in prep.

Soort Concentratie Observatie Methode Referentie

Aquatische macrophyten

(mol l -1 )

Ceratophyllum demersum >500 AP SO4additionmesocosms Geurts e.a, 2009

Elodea nutallii 100 AP SO4additionenclosures Van der Welle e.a., 2007a

Elodea nutallii 150-500 AP SO4additionmesocosms Geurts e.a., 2009

Hydrilla verticulata 100 NP H2S in root hydroponic culture Wu e.a., 2009

Nitella flexilis 50 AP H2S injection aquarium sediment Van der Welle e.a., 2006

Potamogeton compressus 300-500 AP SO4additionmesocosms Geurts e.a., 2009

Statiotes aloides 10-100 RD H2S in root hydroponic culture Smolders & Roelofs, 1996a

Stratiotes aloides 100-600 AP SO4additionenclosures Van der Welle e.a., 2007a

Stratiotes aloides

Wetlands

500 AP SO4additionmesocosms Geurts e.a., 2009

Calla palustris 150 AP SO4additionmesocosms Geurts e.a., 2009

Caltha palustris 170 AP, Y H2S injectionmicrocosmsed. Van der Welle e.a., 2007b

Carex disticha 10-20 AP SO4additionmesocosms Lamers e.a., 1998

Carex nigra 10-20 AP SO4additionmesocosms Lamers e.a., 1998

Cladium jamaicense 220 / 690 / 920 LE / NP / AD, H2S in hydroponic culture Li e.a., 2009

Juncus effusus 500

RD

AP SO4additionmesocosms Geurts e.a., 2009

Menyanthes trifoliata >235 AP field observation Armstrong &Boatman, 1967

Panicum hemitomon 630 AP, RD H2S in hydroponic culture Koch & Mendelssohn, 1989

Panicum hemitomon 1000 AP, NU H2S in hydroponic culture Koch e.a., 1990

Phragmites australis 1400 AD H2S in hydroponic culture Armstrong e.a., 1996

Phragmites australis 1500 AP SO4 + C additionmesocosms Howes e.a., 2005

Phragmites australis 400 AP field observation Chambers, 1997

Thelypteris palustris 150 AP SO4additionmesocosms Geurts e.a., 2009

Typha domingensis 920 LE, NP, AD, RD H2S in hydroponic culture Li e.a., 2009

28


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

Al met al is de P concentratie van de waterlaag erg variabel door het jaar heen en wordt er maar

zelden een duidelijk verband gevonden tussen een eenmalige meting van P in de waterlaag en de

P concentratie in het bodemwater van het sediment. In het project Baggernut, ook uitgevoerd

binnen het Watermozaiek programma, wordt echter wel een methode gegeven om de fluxen van P

naar de waterlaag te schatten op grond van de bodemkarakteristieken die hierboven gegeven zijn

(Poelen e.a., 2012). Hierbij zijn ook de effecten van temperatuur- en zuurstofconcentratie

onderzocht (Van den Berg e.a. 2012).

3.9 Sulfide toxiciteit

In de onderwaterbodem kan sulfide accumuleren wanneer er een onbalans ontstaat in de

verhouding tussen ijzer en zwavel. Dit sulfide is giftig voor plantenwortels en kan er toe leiden

dat wortelende waterplanten niet meer kunnen groeien. In tabel 3.2 worden voor verschillende

(semi)aquatische soorten waarden gegeven van sulfideconcentraties waarbij in de literatuur

toxische effecten werden gevonden (Lamers, e.a., in prep.). De ranges zijn groot en hangen ook

mede af van de experimentele condities. In grote lijnen variëren de gevonden waarden tussen de

10 en 500 µmol L -1 . De uitzondering vormen helophyten zoals Riet (Phragmites australis) en

Lisdodde (Typha) die hogere concentraties lijken te tolereren (tot meer dan 1000 µmol L -1 ),

waarschijnlijk doordat ze in staat zijn om via hun wortels veel zuurstof in de bodem te “pompen”.

Veel experimenten zijn echter uitgevoerd met een relatief kortdurende blootstelling. Een

chronische blootstelling zal leiden tot lagere grenswaarden.

3.10 Voorbeeld achteruitgang Krabbescheervegetaties

In het laagveengebied is Krabbescheer (Stratiotes aloides) een belangrijke verlander van open

water. In een krabbescheervegetatie accumuleert veel organisch materiaal (saproperlium)

waardoor het water relatief snel ondieper wordt. Bovendien herbergen Krabbescheervegetaties

bijzondere (macro)fauna soorten waaronder de Groene Glazenmaker, de Krabbescheermot en de

Gerande Oeverspin. Omdat Krabbescheer een zeer forse biomassa productie heeft neemt hij veel

nutriënten op uit de waterlaag. Ook scheiden Krabbescheerplanten zogenaamde allelopathische

verbindingen uit waardoor ze de groei van (draad)algen afremmen (Mulderij e.a. 2006, 2009).

Door deze eigenschappen heeft Krabbescheer ook een zeer positief effect op de waterkwaliteit.

De Nederlandse Krabbescheervegetaties hebben in het verleden sterk te lijden gehad van een

toename van de sulfaatconcentratie in de waterlaag (Smolders e.a., 1996b; Smolders e.a., 2003).

Dit heeft geleid tot een sterke eutrofiering van deze systemen (figuur 3.11) en een verandering

van de waterplantenvegetatie in de voorheen door Krabbescheer gedomineerde wateren (Smolders

e.a., 1996b). In figuur 3.11 worden de processen samengevat die deze historische achteruitgang

van Krabbescheervegetaties verklaart aan de hand van een toename van de sulfaatbelasting van

het oppervlaktewater (Smolders e.a. 1996a, b; Smolders e.a. 2003). Een verhoogde

sulfaatbelasting zorgt hierbij voor een verhoogde beschikbaarheid van nutriënten (fosfor en

ammonium) door de versnelde afbraak van organisch materiaal in de onderwaterbodem en de

reactie van sulfide, dat hierbij vrijkomt, met ijzercomplexen in de bodem. Wanneer alle ijzer in de

bodem gebonden is aan sulfide kan er zich ook sulfide ophopen in het bodemwater. De ophoping

van sulfide in de bodem kan leiden tot een sterke verkorting van de levensduur van de wortels als

gevolg van sulfidetoxiciteit (Smolders e.a. 1996a).

29


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

grondwater

atmosfeer

Oppervlakte water

2- SO 4

Fe

Figuur 3.11. Schematische voorstelling van de effecten van een verhoogde sulfaatbelasting op de

achteruitgang van Krabbescheervegetaties (naar Smolders e.a. 2003).

De verminderde fitheid van de wortels en de verlaagde beschikbaarheid van ijzer in het

bodemwater leidt ook tot een verminderde opname van ijzer en uiteindelijk tot ijzergebrek. In het

veld is dit herkenbaar aan een gele of bleekgroene kleur van de krabbescheerplanten

(ijzerchlorose). Een sterke toename van de fosforconcentratie in de waterlaag kan leiden tot de

ontwikkeling van een kroosdek waardoor Krabbescheer uiteindelijk kan worden

weggeconcurreerd. Onder stikstofgelimiteerde omstandigheden gaat het hierbij vaak om Azolla

filiculoides, grote kroosvaren, die stikstof uit de lucht kan binden met behulp van

stikstoffixerende bacteriën (figuur 3.12). Als gevolg van het kroosdek zal er nog minder zuurstof

in de waterlaag oplossen waardoor de waterlaag anaeroob kan worden.

Bij de afbraak van organische stof in de bodem komt ook veel ammonium vrij. In eerste instantie

hoopt dit op in het bodemwater van de onderwaterbodem. Ammonium blijkt echter giftig voor

Krabbescheerplanten te worden wanneer het ophoopt in de waterlaag. Ammonium dat in de

waterlaag terecht komt zal echter worden geoxideerd tot nitraat waarna het nitraat in de

zuurstofloze onderwaterbodem weer wordt gedenitrificeerd tot stikstofgas. Bovendien nemen de

planten ook zelf veel ammonium op zolang ze voldoende kunnen groeien. Normaal gesproken

hoopt ammonium dan ook zelden op in de waterlaag. Dit kan echter wel gebeuren wanneer de

waterlaag anaeroob wordt en er geen gekoppelde nitrificatie/denitrificatie meer plaatsvindt en

30

eutrofiering

2- - SO4 + 2 CH2O HCO3+ CO2 + H2O + HS- 2- - SO4 + 2 CH2O HCO3+ CO2 + H2O + HS- FeS x

3- Fe~PO Fe~PO 4

3- + PO 4 NH 4

toxiciteit

toxiciteit

Fe def.

Afbraak Org. Materiaal


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

wannneer

de opnname

van am mmonium dooor

de plante en zelf lager r wordt dan de naleverin ng uit de

ondeerwaterbodemm.

Figuuur

3.12 Eenn

krabbesche eervegetatie ddie

compleet t overgroeid is met Grotte

kroosvaren n (Azolla

filicuuloides)

als ggevolg

van een

sterke toenname

van de fosfaatconcen

f

tratie in het oppervlaktew water (foto

Theoo

de Jong).

Vrij ammoniumm

is in de ce el toxisch viaa

beïnvloedi ing van de flexibiliteit f een

permeabil liteit van

celmmembranen

een

de remm ming van de celrespiratie e (ademhalin ng). Ammonniumtoxiciteit

kan op

dezee

wijze de viitaliteit

van planten p sterkk

vermindere en, wat zelfs kan leiden toot

sterfte van n planten

(Blooemendaal

& Roelofs, 1988;

Smoldders

e.a., 200 03). Kenmer rken voor ammmoniumsch

hade zijn

zwaart-bruine

neccrose

vlekke en met namee

op oudere bladeren. Voor V Krabbesscheer

is aan ngetoond

dat wanneer err

meer amm monium binnnenkomt

da an de plant nodig heefft

voor de groei er

stiksstofrijke,

nieet

giftige ami inozuren (o.aa.

arginine en n asparagine)

worden aanngemaakt.

(S Smolders

e.a. 2000). Dit ggebeurt

om am mmoniumtoxxiciteit

in de e cellen te voorkomen.

Deeze

detoxific catie kost

echtter

veel eneergie

en koo olhydraten wwaardoor

de eze minder beschikbaar b zijn voor de d plant.

Uiteeindelijk

kann

deze detox xificatie doorr

aanmaak van v vrije am minozuren dan an ook leiden n tot een

sterkke

remming van de gro oei (Smolderrs

e.a., 1996 6c). Over he et algemeen wordt Krab bbescheer

zeldden

aangetrooffen

in wate eren waarvaan

de ammo oniumconcen ntratie hogerr

is dan 40 µmol l

(Smmolders

e.a. 2000).

-1

In ggebieden

mett

zwavelrijke e bodems en een sterke koppeling k tus ssen het landd

en het aangrenzende

wateer

kan een verlaging

van n het waterppeil

onder bepaalde

omstandigheden

leiden tot een

sterke

31


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

toename van de sulfaatbelasting van het oppervlaktewater. In figuur 3.13 wordt schematische

weergegeven hoe een peilverlaging via een keten van reacties kan leiden tot de achteruitgang van

Krabbescheervegetaties

.

Ammoniumtoxiciteit

Stratiotes

> Ammonium in

waterlaag

< zuurstof water

Verlaging waterpeilen

Verlaging grondwaterstand

> Veenoxidatie

> Sulfaatuitspoeling

> Sulfaatreductie

waterbodem

> fosfor en ammonium onderwaterbodem

> P uitwisseling naar waterlaag

Groei kroos of algen

Figuur 3.13 Potentiële effecten van waterpeilverlaging op krabbescheervegetaties

3.11 Dilemma’s bij hogere of lagere waterpeilen in het Veenweidegebied

In de veenweiden zien we ons geplaatst voor een complexe problematiek. Lage waterstanden

leiden tot mineralisatie waarbij het veen versneld wordt afgebroken en veel sulfaat vrijkomt dat

uitspoelt naar het oppervlaktewater. De uitspoeling van sulfaat heeft een potentieel negatief effect

op de waterkwaliteit (zie hierboven). Ook de fosforuitspoeling uit diepere anaerobe veenlagen zal

toenemen bij een grotere ontwatering. Mogelijk is dit effect tijdelijk omdat de hoge P

concentraties hier waarschijnlijk samenhangen met P uitspoeling uit de toplaag. De P-uitspoeling

uit de toplaag zal bij lage grondwaterstanden veel minder hoog zijn omdat het fosfaat in de

toplaag van de bodem (hier bevindt zich de belangrijkste P voorraad, zie figuur 3.6), goed

gebonden blijft aan ijzer. Wel zal de opbouw van de P voorraad in de toplaag toenemen omdat er

minder P uitspoelt en omdat er meer P vrijkomt door mineralisatie van veen.

Bij hoge waterstanden zal er minder mineralisatie van veen plaatsvinden en zal er ook minder

sulfaat uitspoelen naar oppervlaktewater. Dit is op zichzelf positief. Er zal echter uit de toplaag

meer P uitspoelen naar de waterlaag omdat bij hoge waterstanden er meer P wordt gemobiliseerd

in de P rijke toplaag van de bodem. Per saldo betekent ook dit scenario een slechte

oppervlaktewaterkwaliteit. Wel neemt de P voorraad van de toplaag minder toe, omdat er meer P

32

> sulfide in bodemvocht < vitaliteit wortels

< ijzer in bodemvocht

> Toename

< Afname

Lichtgebrek

Stratiotes

IJzergebrek

Stratiotes


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

uitspoelt en er minder P bijkomt als gevolg van mineralisatie van veen. Bij een zeer lage

bemesting of evenwichtsbemesting zou er zelfs sprake kunnen zijn van een netto afname van de P

voorraad van de bodems.

Op de korte tot middellange termijn zullen beide scenario’s dus leiden tot een slechte

waterkwaliteit. Op de langere termijn zal een scenario waarbij hoge waterstanden worden

gehandhaafd en er zeer weinig oplading van het systeem is via bemesting leiden tot een

verbetering van de waterkwaliteit omdat er netto P verliezen zullen optreden waardoor de P

voorraad van de toplaag van de bodem geleidelijk daalt. Gezien de hoge P voorraden in de

toplaag van de bodem, moet echter worden aangenomen dat dit een proces van lange adem vergt.

Gelet op de P voorraden die werden gemeten in de vier onderzocht percelen van het Wormer en

Jisperveld duurt het bij een netto P verlies van 40 kg/ha/jaar (dit is erg hoog maar deze waardes

worden bereikt door een uitmijnbeheer op zandgronden) nog 15-30 jaar om de P voorraad van de

bodem te halveren.

Deze beschouwing maakt duidelijk dat het veenweidebeheer moeilijk samengaat met een goede

waterkwaliteit. Het is kiezen tussen twee kwaden. Dit onderzoek FLEXPEIL laat daar

voorbeelden van zien en geeft inzicht in hoe een optimale keuze gemaakt kan worden.

33


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

34


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

4. Uitwerking gebieden

4.1 Botshol

4.1.1 Inleiding

Het flexpeilgebied Botshol (2,2 km 2 ) beslaat het grootste deel van de polder Botshol ten

noordwesten van de Vinkeveense plassen, ca. 5 km ten zuiden van Amsterdam. Aan de

zuidwestkant grenst Botshol aan de 3,5 meter lager gelegen droogmakerij polder Groot Mijdrecht.

In het noordwesten wordt de Bothol begrensd door de veenrivier de Oude Waver. Aan de andere

kant van de Oude Waver ligt polder De Ronde Hoep. Het veenriviertje de Winkel stroomt langs

de noordoostkant van polder Botshol.

Ongeveer 5000 jaar geleden lag de kustlijn ongeveer ter hoogte van Botshol. Daarna verschoof de

kustlijn naar het westen en ontwikkelde zich een dik veenpakket. Zo’n 1000 jaar geleden is

begonnen met het afgraven van veen, waardoor in de loop der eeuwen een steeds groter gebied

met petgaten en legakkers ontstond. In het zuidelijke deel van Botshol is meer veen afgegraven

dan in het noordelijke deel. Door erosie van de smalle legakkers in het zuiden is daar open water

ontstaan (de Grote Wije en de Kleine Wije). In het noorden waren de legakkers breder en zijn de

smallere petgaten vaak weer verland.

Vanaf 1800 is men begonnen met het droogmalen van veel afgegraven veengebieden in de

omgeving, zoals polder Groot Mijdrecht en polder Zevenhoven. Ook voor Botshol waren plannen

voor drooglegging om landbouw mogelijk te maken, maar deze zijn nooit uitgevoerd. In 1942

werd het grootste deel van polder Botshol tot natuurgebied uitgeroepen en was drooglegging

definitief van de baan.

In de bodemprofielen is te zien dat in Botshol ondanks de afgraving nog een laag veen aanwezig

is. In polder Groot Mijdrecht, ten zuiden van Botshol, is het veen volledig afgegraven en ligt

zeeklei aan het oppervlak. Deze zeeklei ligt in Botshol op circa 4 meter diepte. Daaronder liggen

de Pleistocene zand- en grindpakketten. De dikte van de Holocene deklaag in Botshol varieert van

circa 4,5 m in het Zuidwesten tot bijna 8 m in het Noordoosten.

Botshol is sinds 1942 een beschermd natuurgebied en is in beheer bij Natuurmonumenten. Het

gebied is recentelijk Natura 2000-gebied geworden, maakt ook deel uit van de EHS en staat ook

op de ‘Toplijst Verdroging’. Het beheer is gericht op de instandhouding van de grote

natuurwaarden in Botshol. Qua fauna zijn de bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad,

meervleermuis, snor en zwarte stern doelsoorten. Qua plantengemeenschappen zijn kranswieren,

krabbenscheer, fonteinkruid, blauwgraslanden, veenmosrietlanden, moerasspirea, en

galigaanmoeras de doelsoorten. Veel van deze soorten komen voor in de jongere stadia van

verlanding. In het noordelijke deel van Botshol wordt daarom de successie teruggezet door het

opengraven van verlande petgaten en het afplaggen van verzuurde oevervegetaties. In het

zuidelijke deel worden de resterende legakkers tegen verdere afkalving beschermd. Vrijwel al het

rietland in Botshol wordt in de winter door particulieren gesneden en voornamelijk verkocht als

materiaal voor dakbedekking.

Botshol ligt net als de omliggende polders ongeveer 2 meter onder NAP. Ten zuiden van Botshol

bevindt zicht echter de zeer diepe droogmakerij polder Groot Mijdrecht op een niveau van

ongeveer 6 meter onder NAP. Door dit grote hoogteverschil treedt er veel wegzijging op vanuit

35


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Botshol naar poldeer

Groot Mijdrecht.

Vooor

de insta andhouding van de nattuur

is de grote g

wegzijgiing

van wateer

vanuit Bot tshol naar poolder

Groot Mijdrecht M een n probleem. OOm

het wate erpeil

te handhhaven

moet ggebiedsvreem

md water inggelaten

word den vanuit de e Waver. Ditt

water is bra ak en

rijk aann

nutriëntenn.

Om de nutriëntenbbelasting

te e verminder ren wordt het inlaatw water

gedefosffateerd.

Onddanks

de defo osfatering is de fosforbe elasting nog altijd hoog, voornamelijk

als

er in nattte

jaren veeel

uitspoeling g optreedt vaanuit

de lega akkers en ve erlande petgaaten

(Rip, 20 007).

De laatste

jaren vormmt

de grote populatie p grauuwe

ganzen mogelijk een n extra bron van fosfor.

Figuur 4.1.1. Botshool.

Linksboven,

Botshol l in de herfs fst. Rechtsbov ven, Gemaaidde

rietvelden n met

rietschovven.

Midden llinks,

Raai A in gemaaid rrietveld.

Mid dden rechts Raai R B. Linkssonder,

Raai C op

eiland. RRechtsonder,

Veenmosrietla and. Voor liggging

raaien zie z figuur 4.1.8 8.

36


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Het flexpeilgebbied

bestaat uit één grroot

peilvak k, dat hydro ologisch gescheiden

is van de

landdbouwpeilvakkken.

Volgen ns het oude ppeilbesluit

werd w in het flexpeilgebiedd

een winterp peil van -

2,700

m t.o.v. NAAP

en een zomerpeil z van an -2,45 m t. o.v. NAP na agestreefd. In Botshol werd w voor

febrruari

2011 alleen

in de zo omer gedefossfateerd

wate er ingelaten. Door de steerke

wegzijgi ing zakte

het ppeil

in de drroge

tot norm male winterss

zo sterk uit t dat opperv vlaktewaterpeeil

in de win nter lager

stonnd

dan in dee

zomer. Vo oor een optimmaal

peilbeh heer is bij het h nieuwe ppeilbesluit

van v 2008

rekeening

gehouuden

met de e ontwikkeliing

en oogs st van riet, de natuur, de recreati ie en de

beboouwing

(funndering)

in het h gebied. DDaarbij

wordt

gestreefd dat er geenn

toename is

van de

hoevveelheid

watter

die via de e defosfaterinng

gemiddeld d per jaar wo ordt ingelatenn.

Andders

dan in dde

oude situa atie, wordt heet

peil in het t flexpeilgebied

in het wwinterhalfjaar

r zo hoog

moggelijk

gehoudden.

Daardoo or is het gemmiddelde

wa aterpeil hoger r aan het beggin

van het voorjaar.

Vervvolgens

worddt

dit peil tot t halverwegee

de zomer hoog h gehoude en door het iinlaten

van water, w net

als iin

de oude situatie.

Vana af 1 juli magg

het peil da an geleidelijk k uitzakken ttot

een mini imumpeil

van -2,65 m t.oo.v.

NAP in de periode tot en met half septem mber. Dit is eeen

meer na atuurlijke

situaatie

met eenn

hoger pei il in de winnter.

Er ont tstaat ook meer m peilfluc uctuatie waar rdoor de

ontwwikkeling

vaan

oevervegetatie

betere kkansen

krijgt t. Tevens is de kans op nnachtvorstsc

chade aan

het rriet

en drooggteschade

aa an terrestriscche

natuur minder m groot door het hoggere

waterpe eil in het

voorrjaar.

Vervollgens

wordt juist j in het nnajaar

weer een e hoger str reefpeil aanggehouden,

wat

zoveel

moggelijk

door nnatuurlijke

aa anvulling (neeerslagovers

schot) in het winterhalfjaaar

kan plaat tsvinden.

Zo nnodig

wordt extra water ingelaten, i zoodat

het peil in i het vroege e voorjaar weeer

maximaa al is.

Het minimumppeil

wordt gehandhaafdd

door inla aat van wa ater vanuit de Waver via de

defoosfateringsinstallatie.

In zeer droge pperiodes

kan n er zoeter water w ingelate ten worden vanuit v de

Vinkkeveense

plaassen,

maar hiervan woordt

zelden gebruik g gem maakt. Het mmaximum

pe eil in het

flexppeilgebied

wwordt

gehand dhaafd door hhet

overtollige

water af te voeren naaar

de Waver r via het

gemmaal

‘Botsholl

Groot’.

Figuuur

4.1.2. Plattegrond

defos sfateringsinstaallatie

Botsho ol

37


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

4.1.2 Opppervlaktewwaterkwalite

eit

In figuuur

4.1.3 worden de e locaties weergegeven

binnen het flexppeilgebied

waar

oppervlaaktewatermoonsters

werde en verzameldd.

In figuren 4.1.4 t/m 4. 1.7 wordt heet

verloop va an de

oppvlakktewaterchemmie

gegeven.

Figuur 44.1.3

Ligging vvan

de monste erlocaties vann

het oppervla aktewater in Botshol. B Het innlaatpunt

van

gedefosfaateerd

water bbevindt

zich oo ostelijk van loocatie

226.

Figuur 44.1.4

Verloopp

van de chlorideconcentraatie

in het op ppervlaktewate er voor de mmonsterpunten

226,

225, 2244,

75, 167 en 161 (links) en n de monsterppunten

226, 227 2 en 228 (rechts).

Zie figguur

4.1.3 voor

de

ligging vaan

de monsterrpunten.

De li ichtgrijze lijn ggeeft

het verlo oop van het op ppervlaktewatterpeil

weer.

38


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Figuuur

4.1.5 Verrloop

van een n aantal opperrvlaktewaterk

kwaliteitsparameters

voor dde

monsterpu unten 226,

225, 224, 75, 1677

en 161 (link ks) en de monnsterpunten

22 26, 227 en 22 28 (rechts). Zi Zie figuur 4.1. 3 voor de

liggiing

van de moonsterpunten.

De D lichtgrijzze

lijn geeft het h verloop van

het opperrvlaktewaterp

peil.

De chlorideconccentraties

laten l zien ddat

het oppe ervlaktewater r licht brak tot matig brak b van

karaakter

is (figuuur

4.1.4). Inlaat I van ooppervlaktew

water leidt to ot een sterkkere

toename e van de

chloorideconcentrraties

dicht bij b het inlaatppunt.

Verder r naar het zui iden nemen dde

concentra aties door

mennging

met het

reeds aanw wezige oppervvlaktewater

af. a We zien dat d vanaf hett

moment da at er geen

wateer

wordt inggelaten

de concentratiev

c verschillen tu ussen de loc caties wegvaallen.

De momenten

m

39


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

waarop er inlaat heeeft

plaatsgev vonden zijn goed te herk kennen. In het h droge vooorjaar

van 2011

heeft inllaat

plaatsgevvonden

om het h oppervlaaktewaterpeil

l op peil te houden. h Vanaaf

half juli 2011

is er veeel

neerslag geevallen

en stijgt

het oppeervlaktewater

rpeil. Er wor rdt geen wateer

meer ingelaten

en de chhlorideconcenntraties

van de meetpunnten

kruipen naar elkaar toe. t Het oppeervlaktewate

erpeil

zakt vervvolgens

uit. In het najaar

(oktober/nnovember)

wordt w er weer r kortstondigg

water ingel laten.

Vanaf dde

winter sstijgt

het oppervlaktew

o waterpeil, en n wordt er geen wateer

ingelaten. . De

chlorideeconcentratiees

van de verschillende

v e locaties gaan

weer gelijk g oploppen.

Vanaf begin b

januari zzakt

het oppeervlaktewate

erpeil geleideelijk

en vana af begin maar rt wordt weeer

water ingelaten

om te vooorkomen

daat

het waterp peil te vroeg in het voorjaar

al te ver uitzakt. Verrvolgens

wor rdt er

vanaf juuni

geen watter

meer ing gelaten waarrdoor

de chlo orideconcent traties weerr

naar elkaar

toe

kruipen en het watterpeil

uitzak kt tot het mminimum

toe elaatbare peil

van -2,655

m t.o.v. NAP. N

Vervolggens

wordt err

in de tweed de helft van augustus we eer water ing gelaten om te voorkomen n dat

het wateerpeil

onder ddit

minimum mpeil zakt.

Figuur 44.1.6

Verloopp

van de nitra aat- en de ammmoniumconc

centratie van het oppervla laktewater voo or de

monsterppunten

226, 225,

224, 75, 167 en 161 ( (links) en de monsterpunten

m n 226, 227 enn

228 (rechts) ). Zie

figuur 4. .1.3 voor de ligging van de monsterppunten.

Het verloop v van het h oppervlakktewaterpeil

wordt w

weergegeeven

door de grijze lijn.

Het wateer

is hard tot

zeer hard (gemiddelde (

alkaliteit lig gt tussen de 3300 3 en 48000

µmol L

verloop van de alkkaliteit

en de d calcium+ +magnesium mconcentratie volgt het

chlorideeconcentratiee.

De sulfaat tconcentratiees

zijn wann neer er geen n sprake is

zomermmaanden

hogeer

op de loc caties 161en 167. Dit be etekent mogelijk

dat er

-1 ) . Het

verloop van n de

van inlaat in i de

op deze loc caties

40


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

mindder

sulfaatrreductie

pla aatsvindt in de zomer.

Over het h algemeenn

zien we dat de

chloorideconcentrraties,

calciu um+magnesiuumconcentra

aties en de alkaliteit ieets

lager zijn n in 2012

dan in 2011.

In ffiguur

4.1.6 wordt het verloop v van de nitraat- en ammoni iumconcentraatie

gegeven n. In de

wintter

worden oop

alle locat ties hoge nnitraatconcen

ntraties geme eten. Dit heeeft

te maken n met de

gereemde

denitrifficatie

in de koude winteermaanden.

In I het voorja aar van 2001 en 2012 zie en we dat

de inlaat vann

water ook o samenngaat

met een toename

van de nitraat t- en/of

ammmoniumconcentraties.

Di it hangt zeeer

waarschijn nlijk samen met de stikkstofrijkdom

m van het

inlaaatwater.

De cconcentraties

s zijn met naame

verhoogt

in de Noord delijk puntenn

die relatief f dicht bij

de iinlaat

liggenn.

Verderop nemen de cconcentraties

door verdu unning, assimmilatie

en microbiële m

omzzetting

(nitrifficatie,

denitr rificatie) sneel

af.

Figuuur

4.1.7 Verrloop

van de fosfor- en oortho-fosfaatco

oncentratie van v het opppervlaktewater

r voor de

monssterpunten

2226,

225, 224, 75, 167 en 1161

(links) en de monsterpu unten 226, 2227

en 228 (re echts). Zie

figuuur

4.1.3 voorr

de ligging van de monssterpunten.

Het H verloop van v het opperrvlaktewaterp

peil wordt

weerrgegeven

doorr

de grijze lijn n.

In dde

zomermaaanden

zijn de d totaal-fossfor-

en orth ho-fosfaatcon ncentraties duuidelijk

verh hoogd bij

de mmonsterpunteen

226, 225 en e 224 (figuuur

4.1.7). Di it suggereert dat er een reelatie

is met de inlaat

omddat

deze monnsterpunten

relatief r dicht bij het inlaa atpunt liggen.

Waarschijnnlijk

gaat het

hier om

naleevering

van ffosfaat

uit de

onderwateerbodem

op locaties l waar

ijzergebonnden

fosfor is

afgezet

en mmogelijk

resuuspensie

van n ijzerfosfaaatpartikeles.

Dit particula aire fosfor iss

zeer waars schijnlijk

41


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

afkomstig

van de deefosfaterings

sinstalatie. SStroomafwaa

arts van het inlaatpunt ( (zie figuur 4.1.2) 4

vindt vvlokvorming

plaats waarna w de ij ijzervlokken uitzakken in de petggaten

van het

Noordooostelijk

deel van Botshol,

stroomafwwaarts

van het h inlaatpun nt (locatie 2225

en in mi inder

mate bijj

224), preciipiteren.

Mer rkwaardig ggenoeg

is er ook sprake van een forrse

naleverin ng op

locatie 2226.

Dit monnsterpunt

lig gt nog voor hhet

inlaatpun nt. Wel is he et zo dat tot vvoor

kort via a een

korsluitiing

water koon

teruglopen n vanuit de ssloot

waar de e inlaat plaatsvindt

naar locatie 226 6 (via

het grotte

petgat reechts

van de e inlaat). OOver

de jare en zal er een n significantte

ophoping g van

ijzergebonden

fosfor

plaats heb bben gevondden

op de locatie

die dic cht bij het innlaatpunt

lig ggen.

Helaas hhebben

we teer

plekke gee en metingen n van de onde erwaterbodem ms die dit kuunnen

bevestigen.

In perioddes

waarin ggeen

water wordt w ingelateen

en er spra ake is van sta agnatie van ooppervlaktew

water

kan nallevering

uit dde

onderwaterbodems

veervolgens

to ot een stijgin ng van de foosforconcentr

raties

leiden, mmet

name opp

locaties met t veel ijzergeebonden

fosf faat. Dit zal vooral v gebeuuren

in de zo omer

wanneerr

het warm iis

en reductieprocessen

iin

de toplaag g van de ond derwaterbode dem tot anaer robie

van de ttoplaag

van hhet

sediment t leiden (zie hhoofdstuk

th heoretische kader). k Volgeens

Rip (200 07) is

er ook een

relatie meet

natte winte ers waarin veeel

uitspoelin ng heeft plaa atsgevonden. .

4.1.3 Veeenmosrietlaanden

Om moggelijke

invlooeden

van het

flexibel ppeil

en het in nlaatbeheer in dit natuurrdoeltype

va ast te

stellen wwerden

in een

tweetal veenmosrietslaanden

bodem mwatermonst ters verzameeld

in oeverra aaien

(oeverraaai

A en B) (zzie

figuur 4. 1.8).

Figuur 44.1.8

Ligging vvan

de bemonsterde

oeverrraaien

in Bots shol.

.

In Figuuur

4.1.9 zienn

we dat in oeverraai A de invloed d van het br rakke oppervvlaktewater

goed

meetbaaar

is in de oevverzone,

de bodem b die ddirect

grenst aan a het open n water. De cconcentraties

s van

de macrro-ionen

latenn

wel een ste erke fluctuattie

zien die groter g is dan die van het ooppervlaktew

water

42


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

(figuuur

4.1.5 en 4.1.9). We zien dat de concentratie es met name stijgen in peeriodes

waar rin water

worddt

ingelaten, te weten het t voorjaar enn

oktober/nov vember van 2011, 2 en het voorjaar van n 2012.

Figuuur

4.1.9 Verrloop

van de e chloride- enn

calcium+m magnesiumconc centratie een

de alkalite eit in een

veennmosrietland

( (oeverraai A, zie figuur 4.11.8).

De oever r staat voor de e locatie direcct

aan de oev ver en 95,

245, 385 en 770 voor de afsta and in cm vannaf

de oever voor de overige

monsterpuunten.

Links worden w de

ondiiepe

locaties ( (25 diepte ) ge egeven en recchts

de oeverlo ocatie en de diepere locatiies

(50 cm die epte) voor

de loocaties

op 95 en 345 cm va anaf de oever. . De grondwaterstand

in de d oever t.o.v. . maaiveld wo ordt op de

rechter

y-as gegevven

(lichtgrijz ze lijn).

Tijddens

inlaat sstijgt

het opp pervlaktewat aterpeil snell ler dan het waterpeil inn

de oever waardoor w

oppeervlaktewateer

indringt. Op O 95 cm vaan

de oever is de invloe ed van het ooppervlaktew

water nog

43


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

steeds ggoed

meetbaar,

met nam me op een diiepte

van 50 0 cm maar ook o op 25 cmm

diepte. Op O de

monsterp rpunten die vverder

van de e oever verwwijderd

ligge en (245 cm en e verder) weerden

nauwe elijks

nog flucctuaties

gemeeten

van de chloride-, enn

calcium+m magnesiumconcentratie

enn

de alkaliteit.

In

het drogge

voorjaar vvan

2011 loop pt de chloridde

en calcium m+magnesiu umconcentrattie

wel iets op o bij

de verdder

van de oever verw wijderde loccaties.

Dit wordt waar rschijnlijk vveroorzaakt

door

verdampping

en opstij ijgend ionenr rijker dieper grondwater

Figuur 44.1.10

Verloopp

van de sulfaat-

en ijzerconncentratie

en n de pH in een n veenmosriettland

(oeverra aai A,

zie figuurr

4.1.8). De ooever

staat vo oor de locatiee

direct aan de d oever en 95, 9 245, 385 en 770 voor r de

afstand inn

cm vanaf dde

oever voor de d overige moonsterpunten.

Links L worden de ondiepe loocaties

(25 die epte )

gegeven en rechts de ooeverlocatie

en de dieperee

locaties (50 cm diepte) vo oor de locaties es op 95 en 34 45 cm

vanaf dee

oever. De ggrondwatersta

and in de oeever

t.o.v. maaiveld

word dt op de rechhter

y-as geg geven

(lichtgrijz jze lijn).

44


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Figuuur

4.1.11 Dee

totaal-zwave el-. totaal-ijzerr,

en totaal-ca alciumconcentraties

en het organische stofgehalte

van dde

van de boddems

uit de oe everraaien. 0, 95 245 etc. ge eeft de afstand d van de locattie

tot het open n water in

cm. 225,

50 staat vooor

de bemonsteringsdieptee

in cm.

Het verloop vann

de sulfaatconcentratie

vvolgt

in gro ote lijnen het

verloop vaan

de overige

macro-

ioneen

(figuur 4. 1.9). Wel zie en we op 955

cm en 385 5 cm van de oever dat dee

sulfaatconc centraties

iets oplopen in dde

wintermaanden.

Op 3385

cm uit de

oever zien n neemt de suulfaatconcen

ntratie in

de zzomer

van 20012

sterk toe e op 50 cm di diepte. Dit ga aat gepaard met m het diepeer

wegzakke en van de

gronndwaterconcentraties

in het veenmossrietland

in 2011 als gev volg van hett

flexibel pe eilbeheer.

Uit figuur 4.1.11

blijkt dat de bodem teer

plekke re elatief rijk is aan zowel ijzer als zw wavel. Dit

duiddt

op het voorkomen

va an ijzersulfiddes,

die als gevolg g van het h iets diepper

uitzakken n van de

gronndwaterstandden

bloot wo orden gesteldd

aan zuursto of waardoor enige oxidat atie plaats ka an vinden

waaarbij

sulfaat vvrijkomt.

45


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

De bodeems

uit Raaii

A zijn (me et uitzonderiing

van bode em 385 (50 cm) uiterst oorganisch

en n rijk

aan zwaavel.

De relaatief

lage ijz zerconcentratties

t.o.v. de e zwavelconcentraties

laaten

zien dat t een

groot deeel

van dit zwavel in organische o voorm

aanwez zig moet zijn n. Dit betekeent

dat dit alleen a

vrijkomtt

door afbrraak

van he et organischhe

materiaa al en niet door d enkel verdroging. . De

ijzerconcentraties

vaan

het bodem mwater zijnn

in deze zw wavelrijke bodems

overwwegend

laag g. De

uitzakkeende

grondwwaterstanden

als gevolg vaan

het flexib bele peil leide en niet tot eeen

afname va an de

pH (verrzuring)

(figuuur

4.1.10). De totaal-ccalciumconce

entratie van de bodems is relatief hoog h

(figuur 44.1.11)

en zoorgt

voor de buffering b vaan

het bodem mwater verder r van de oevver.

Dichter bij b de

oevers wwordt

de pH in belangrijke

mate beppaald

door de e invloed van

het oppervvlakte

water. . Op

locatie 2245

is de totaaal-calciumco

oncentratie llager

dan op de overige lo ocaties en mmeten

we dan n ook

een lageere

pH van heet

bodemwat ter (pH 5).

Figuur 44.1.12

Verloopp

van de fosfor-

en ammonniumconcentra

atie in een ve eenmosrietlannd

(oeverraai A, A zie

figuur 4.11.8).

De oeverr

staat voor de d locatie direect

aan de oev ver en 95, 254 4, 385 en 7700

voor de af fstand

in cm vaanaf

de oeveer

voor de ov verige monsteerpunten.

Links

worden de e ondiepe loccaties

(25 die epte )

gegeven en rechts de ooeverlocatie

en de dieperee

locaties (50 cm diepte) vo oor de locaties es op 95 en 34 45 cm

vanaf de oever. De ggrondwatersta

and in de oeveer

t.o.v. maaiveld

wordt op p de rechter yy-as

gegeven (licht

grijze lijnn).

46


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

De ffosfor-

en dee

ammonium mconcentratiee

van het bo odemwater zi ijn laag (figuuur

4.1.12). Dicht bij

de ooever

lijkt eer

sprake te zijn van eeen

afname over o de mee etperiode. EEr

is geen duidelijke d

corrrelatie

zichtbbaar

met het waterpeil. Inn

ieder geva al is er geen sprake van een toenam me van de

nutrriëntenconcenntraties

na he et instellen vvan

een flexib bel peilbehee er.

Figuuur

4.1.13 VVerloop

van de d chloride- en calcium+ +magnesiumco oncentratie enn

de alkalite eit in een

veennmosrietland

( (oeverraai B, zie figuur 4.11.8).

De oever r staat voor de e locatie direcct

aan de oev ver en 75,

195, 365 en 605 voor de afsta and in cm vannaf

de oever voor de overige

monsterpuunten.

Links worden w de

ondiiepe

locaties ( (25 diepte ) ge egeven en recchts

de oeverlo ocatie en de diepere locatiies

(50 cm die epte) voor

de loocaties

op 75 en 365 cm va anaf de oeverr.

De grondwa aterstand in de d oever t.o.v. . maaiveld wo ordt op de

rechter

y-as gegevven

(licht grijz ze lijn).

47


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Figuur 44.1.14

Verloopp

van de sulfa aat- en ijzercooncentratie

en n de pH in een n veenmosriettland

(oeverra aai B,

zie figuurr

4.1.8). De ooever

staat vo oor de locatiee

direct aan de d oever en 75, 195, 365 en 605 voor r de

afstand inn

cm vanaf dde

oever voor de d overige moonsterpunten.

Links L worden de ondiepe loocaties

(25 die epte )

gegeven en rechts de ooeverlocatie

en de dieperee

locaties (50 cm diepte) vo oor de locaties es op 75 en 36 65 cm

vanaf de oever. De grrondwaterstan

nd in de oever t.o.v. maaivel ld wordt op de e rechter y-as s gegeven.

Ook in het veenmoosrietland

bij b oeverraai B (figuur 4.1.13) 4 zien we dat de invloed van n het

oppervlaaktewater

mmet

name teru ug te meten iis

in de oever rzone. Op 75 5 cm uit de ooever

is het effect e

nog duiddelijk

te metten

op 50 cm m diepte. In vergelijking met oeverra aai A, lopen de concentr raties

chloridee

en calcium+ +magnesium m hier veel miinder

hoog op. o Het maaiv veld van Oevverraai

B ligt t ook

10 cm hoger dan het maaivel ld van oeveerraai

A en de grondw waterstanden t.o.v. maaiveld,

gemiddeeld

10 cm lagger.

Net als in oeverraai A nemen to ot juli 2011 (droge ( voorjaaar

van 2011)

de

48


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

ioneenconcentratiies

aan de oevers toe, waarna ze afnemen. a In n de zomer van 2012 nemen n de

conccentraties

weeer

toe wat gepaard

gaat mmet

het verd der uitzakken n van de gronndwaterstand

den in het

veennmosrietlandd.

Dit effect is echter allleen

zichtbaar

in de oev ver en op 755

cm, niet ve erder het

percceel

in.

De bbodems

vann

oeverraai B zijn mindeer

goed gebu ufferd dan de d bodems vvan

oeverraa ai A. Dat

blijkkt

uit de pH ( (figuur 4.1.14)

en de alkaaliteit

(figuur r 4.1.13) van n het bodemwwater

maar ook o uit de

totaaal-Ca

concenntraties

van de d bodems (ffiguur

4.1.11).

De hoogte

van het mmaaiveld

en de d lagere

gronndwaterstandden

dragen hier aan bbij

omdat deze d leiden tot oxidatie van de top plaag en

uitsppoeling

van ccalcium.

In het h droge vooorjaar

van 20 011 zien we voor een deeel

van de loc caties een

afnaame

van dee

pH en de d alkaliteit. . Deze gaa at niet gepa aard met eeen

afname van de

gronndwaterstandd

maar han ngt waarschhijnlijk

wel samen me et een sterrkere

uitdro oging en

zuurrvormende

ooxidatieproce

essen van dee

bodemlaag net boven het h grondwatter.

In de zo omer van

20122

leidt het ddieper

uitzak kken van dee

grondwater rstanden nie et tot een afn fname van de d pH en

alkaaliteit

in de tooplaag

van de

drijftil.

Figuuur

4.1.15 Verrloop

van de fosfor- f en ammmoniumconce

entratie in ee en veenmosrieetland

(oeverr raai B, zie

figuuur

4.1.8). De ooever

staat vo oor de locatie direct aan de oever en 75, 195, 365 en 6605

voor de afstand in

cm vvanaf

de oeveer

voor de ove erige monsterp rpunten. Links s worden de ondiepe

locatiees

(25 diepte ) gegeven

en reechts

de oeverrlocatie

en de

diepere locaaties

(50 cm diepte) d voor de d locaties op 75 en 365 cm m vanaf de

oeveer.

De grondwwaterstand

in de oever t.o.vv.

maaiveld wo ordt op de rechter

y-as gegeeven

(lichtgrij jze lijn).

In ffiguur

4.1.155

wordt het t verloop vaan

de fosfor r- en ammo oniumconcenntratie

gegev ven voor

oeveerraai

B. Wee

zien dat het t droge voorjjaar

van 2011

samen gaa at met een pie iekje van de fosfor en

49


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

ammoniiumconcentraaties.

Ook de d ijzerconceentratie

van het bodemw water neemmt

dan voor r een

aantal loocaties

toe. AAl

met al lij jkt het er stterk

op dat verdroging v leidt

tot verzzuring

als ge evolg

oxidatie.

Deze verzuuring

kan de e toename vvan

ammoniu umconcentratie

verklarenn

(zuur verd dringt

ammoniium

van het

adsorptiec complex). DDe

toename van fosfor kan samennhangen

met t het

oplossenn

van ijzerfoosfaatcomple

exen. Daarnaaast

kan ook

een toena ame van de mineralisatie

als

gevolg van verdrooging

moge elijk een rool

spelen. In 2012 gaat

het uittzakken

van n de

grondwaaterstand

nieet

gepaard me et een toenamme

van de nu utriëntenconc centraties

.

Figuur 44.1.16

Gemidddelde

pH van n het bodemwwater

uitgezet tegen de tota aal-calciumcooncentratie

va an de

bodems uuit

de veenmoosrietlanden.

De D rode punt ligt dicht bij de oever en hier h wordt de e pH ook beïnvloed

door het oppervlaktewwater.

Alles ovverziend

lijk het erop dat t fysieke verddroging

van het veenmosrietland

bellangrijker

lijk kt te

zijn dan uitsluitend hhet

dalen van n de grondwwaterstand.

Uitzakkende U grondwaterst

g tanden als ge evolg

van het flexibele peilbeheer

zull len op korte termijn waa arschijnlijk alleen a leiden n tot verzurin ng en

een toenname

van nuutriëntenconc

centraties wanneer

deze samengaan met een lanngdurige

per riode

van weiinig

neerslagg.

Dit effect

treedt mett

name in de d eerste me eter vanaf dde

oever op.

Bij

drijvendde

veenmosriietlanden

zul llen deze proocessen

niet of nauwelijk ks spelen. Eeen

risico van n een

verder uuitzakkende

ffreatische

gr rondwaterstaand

in de nie et drijvende veenmosrietl

v landen besta aat er

in dat het

boven de grondwaters stand gelegeen

deel van de d bodem ge evoeliger woordt

voor fys sieke

verdrogiing

wanneer r het voor lan ngere tijd niiet

regent. Uitzakkende

grondwaterst

g tanden, zulle en op

de langeere

termijn wwaarschijnlijk

k wel leiden ttot

een toena ame van de netto n uitspoeeling

van calcium

uit de tooplaag

waarddoor

de veen nmosrietlandeen

waarschijnlijk

sneller zullen verz rzuren. Met name n

de veenmmosrietlandeen

met een wat w hogere mmaaiveldliggi

ing en een re elatief mindeere

buffering g zijn

hiervoorr

het gevoelligst.

In figu uur 4.1.16 ziien

we dat de gemiddel lde pH van het bodemw water

correleerrt

met de tottaal-Ca

conc centratie vann

de bodem. De bodemei igenschappenn

bepalen du us de

bodemwwaterkwaliteiit,

in dit geva al de zuurbufffering

van de d bodem. De D afname vaan

de invloed d van

50


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

oppeervlaktewateer

draagt maar

in geringee

mate bij aan

de verzur ring. De buffferende

wer rking van

het ooppervlaktewwater

in de toplaag t van dde

bodems bl lijft immers beperkt tot dde

oeverzone es.

4.1.44

Grote Koooibosch

Oevverraai

C ligtt

bij het Gro ote Kooiboscch

(eiland tussen

de twee e grote plasseen)

(zie figuu ur 4.1.8).

De ooeverraai

looopt

vanaf he et openwaterr

door een Galigaanveget

tatie tot aan n de rand van n het bos.

De wwaterstand

iin

het bos za akt in de zommermaanden

n diep weg (zie ( figuur 44.1.17)

. In het h droge

voorrjaar

van 20111

tot meer dan d 30 cm diieper

dan het

oppervlakte ewaterpeil . WWaarschijnli

ijk speelt

hierbbij

de verdammping

van de e bomen eenn

grote rol.

Figuuur

4.1.17 Verrloop

van de waterwatersta

w anden bij oeve erraai C (zie figuur fi 4.1.8). PPeilbuis

17 sta aat in het

bos oop

het eiland.

Opvvallend

is de sterke toenam me van met nname

de chlo oride en de calcium+mag

c gnesiumconc centraties

in dee

oeverzone gedurende het h voorjaar van 2011 (fi iguur 4.1.18) ). Deze toenaame

gaat gep paard met

grooot

verschil inn

stijghoogte e tussen het oppervlaktew water (peilbu uis 14) en dee

grondwate erstand in

het bos (peilbuiis

17). Deze resultaten llaten

zien da at er hoogstw waarschijnlijjk

sprake is van een

inzijjging

van opppervlaktewater

in de ooevers

als ge evolg van het

verschil iin

stijghoogte.

In de

wintter

en het vooorjaar

van 2012 2 verdwiijnt

het stijgh hoogteversch hil en is er ttijdelijk

zelfs fs sprake

van een hogere waterstand in het bos oop

het eilan nd. In deze periode p neemmt

de chloride

en de

calcium+magnessiumconcent

tratie in de oeverzone

ju uist weer af. In de zomerr

van 2012 on ntstaat er

weer

een stijghooogteverschi

il en beginneen

de conce entraties ook weer op te lopen. Het bos lijkt

hiermmee

dus eenn

aanzuigende e werking te hebben op het h oppervlak ktewater in dde

oever.

De fosfor- en ammoniumc concentratiess

zijn in deze d oeverz zone duideliijk

hoger da an in de

veennmosrietlandden

(oeveraa aien A en BB).

Het gaat t hier duidelijk

ook omm

een veel eutrofere

vegeetatie.

Het binnendring gen van het oppervlakte ewater gaat gepaard g mett

een afname

van de

fosfo forconcentrattie,

waarschijnlijk

doorddat

het oppervlaktewate

er relatief ar arm is aan fosfor f in

51


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

vergelijkking

met hett

bodemwate er, maar moggelijk

ook om mdat de vera anderde chemmie

invloed heeft h

op de mobiliteit

van fosfor

Figuur 44.1.18

Verloopp

van een aan ntal chemischhe

parameter rs van het bod demwater in eeen

raai vana af het

open watter

naar de raand

van het bos b op een bebbost

eiland (oeverraai ( C, zie figuur 4.11.8).

De raai loopt

vanaf hett

open water ( (rand plas) via

een galigaaanvegetatie

en n de oever naar

de rand vaan

het bos (zie

ook

figuur 4. 1.8). Alle bodemwatermon

nsters zijn gennomen

op een n diepte van 25 2 cm. Aan dee

rand van he et bos

werden oook

monsters genomen op een diepte vaan

50 cm (bo os (50cm)). Op p de rechter yy-as

wordt met m de

lichtgrijzze

lijn het veerschil

in stiig ghoogte gegevven

tussen het t Open water (peilbuis 14) en een peilbu uis in

het bos (p (peilbuis 17).

52


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

Tabel 4.1.1 Eigenschappen van de onderwaterbodems. De bodemvochtconcentraties zijn de gemiddelde

waardes van alle bemonsteringsdata. De bodemconcentraties worden gegeven per liter bodemvolume.

Bodem Bodemvocht

% µmol L ‐1

µmol L ‐1

µmol L ‐1

mol mol ‐1

µmol L ‐1

4.1.5 Onderwaterbodems

In de onderwaterbodems werden overwegend lage concentraties aan ammonium en fosfor

gemeten. Omdat we met zwavelrijke bodems te maken hebben is de ijzer/zwavel ratio van de

bemonsterde onderwaterbodems ongunstig en de ijzerconcentratie van het bodemwater

(bodemvocht) laag (tabel 4.1.1). De fosfor- en ammoniumconcentraties van het bodemwater zijn

echter ook relatief laag. Dit betekent dat de nalevering van nutriënten vanuit de

onderwaterbodems ook relatief laag zal zijn. Botshol is al sinds langere tijd een natuurgebied en

het inlaatwater wordt gedefosfateerd. Hierdoor is ook de fosforbelasting van een groot deel van de

onderwaterbodem laag. Daarnaast kan het brakke karakter van het oppervlaktewater ook leiden

tot een remming van de microbiële afbraak van organische materiaal. Opvallend is in ieder geval

dat de ammonium- en de fosforconcentraties van het bodemwater afnemen met een toename van

de chlorideconcentratie van het bodemwater (tabel 4.1.1).

De in tabel 4.1.1 opgenomen onderwaterbodems liggen allemaal in het Zuidelijke deel van

Botshol. We hebben eerder gezien dat in het Noordelijke deel nabij oppervlaktewaterlocaties 224,

225 en 226, er wel mobilisatie van fosfor kan plaatsvinden en dat dit hoogstwaarschijnlijk

samenhangt met de precipitatie van ijzerfosfaatdeeltjes uit de defosfatering. Helaas hebben we

van deze locaties geen bodemanalyses,

4.1.6 Conclusies

Het flexibele peilbeheer leidt niet tot een netto afname van de inlaat van oppervlaktewater uit de

Waver en dus ook niet tot een besparing op de defosfateringskosten. Wel leidt het nieuwe

peilbeheer tot meer natuurlijke waterpeilfluctuaties wat de ontwikkeling van de oevervegetaties

ten goede kan komen.

Inlaat van oppervlaktewater leidt lokaal tot een extra belasting van het systeem met nitraat en

ammonium. Stroomafwaarts van de defosfatering vindt er in een klein deel van het gebied in de

zomermaanden een mobilisatie van fosfor plaats uit de onderwaterbodems. Het gaat hier zeer

waarschijnlijk om fosfor dat vrijkomt bij de reductie van ijzerfosfaatdeeltjes afkomstig van de

defosfatering die ter plekke zijn geprecipiteerd. Binnenkort zullen de petgaten waarin de

ijzerfosfaatvlokken bezinken worden gebaggerd, waardoor de nalevering uit deze bodems in de

zomer zal afnemen. De nalevering van nutriënten uit de onderwaterbodems in de rest van het

gebied is waarschijnlijk laag.

De directe invloed van gebufferd oppervlaktewater op de buffering van de toplaag van de bodem

is beperkt en is slechts meetbaar in de directe oeverzone (eerste meter tot twee meter). De totaalcalcium

concentratie blijkt bepalend te zijn voor de gemiddelde zuurgraad. Oxidatie van de

53

µmol L ‐1

µmol L‐1 µmol L ‐1

µmol L ‐1 mol mol ‐1

Org. Stof tot‐Ca tot‐Fe tot‐S tot Fe/S tot‐P Anorg N NH4 Fe P Fe/P Cl

163 82,2 36,3 9,6 77,4 0,1 1,9 99,6 110,1 1,1 12,1 0,09 19995

168 64,8 43,4 16,4 64,8 0,3 1,6 58,9 64,2 3,2 3,8 0,83 25523

162 78,5 32,6 23,0 73,2 0,3 1,8 103,3 5,0 2,9 1,5 1,87 27595

µmol L ‐1


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

toplaag zal leiden tot mobilisatie en uitspoeling van calcium. Het uitzakken van het

oppervlaktewaterpeil in de zomer van 2012 leidt ook tot een daling van de grondwaterpeilen in

de veenmosrietlanden. Hoewel de vochtigheid van de bodem belangrijker lijkt te zijn dan het

absolute grondwaterpeil is het wel waarschijnlijk dat verlaagde grondwaterpeilen in de

veenmosrietlanden op de langer termijn zullen leiden tot sterke oxidatie van de toplaag van de

bodems, versnelde afbraak, en een versnelde afname van de buffercapaciteit. Dit effect treedt

echter voornamelijk op in de eerste meters vanaf de oevers.

Overall effect op de waterkwaliteit: Waarschijnlijk positief ook al vanwege de betere

ontwikkeling van oeverplanten. Veenmosrietlanden blijven wel een punt van aandacht.

54


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

4.2 Groene Jonker

4.2.1 Inleiding

De Groene Jonker is een natuurgebied in polder Zevenhoven, tussen de Nieuwkoopse plassen en

de veenrivier de Kromme Mijdrecht (Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.). Het

flexpeilgebied de Groene Jonker (voorheen ook wel de Kouspolder genoemd) heeft een

oppervlakte van bijna 1 km 2 en ligt ten noorden van het kleine dorpje ‘Noorden’, tussen de Hoge

Dijk, de Kousweg en de Jonge Zevenhovense weg. Tussen de Groene Jonker en de Kromme

Mijdrecht aan de noordoostkant liggen de hoger gelegen ‘Bovenlanden’ op de oeverwallen. Aan

de overkant van de Kromme Mijdrecht ligt polder Groot Mijdrecht.

Tot aan het eind van de laatste ijstijd hebben vlechtende rivieren een dik pakket zand en grind

afgezet. Aan het begin van het Holoceen kreeg de zee steeds meer invloed en is tijdens

overstromingen zeeklei afgezet. In de tweede helft van het Holoceen sloten de duinen zich en

schoof de kustlijn terug naar het westen. De inundaties vanuit zee namen af en er begon een

pakket veen te groeien. Vanaf de 17e eeuw zijn grote delen, waaronder de Groene Jonker,

afgegraven. Er ontstonden door de veenafgraving in eerste instantie veenplassen, zoals de

Nieuwkoopse plassen. Polder Zevenhoven is rond 1800 echter drooggemalen en is een

droogmakerij geworden. Sindsdien is het gebied weer in gebruik genomen als landbouwgrond (in

eerste instantie akkerbouw, later veehouderij).

In polder Zevenhoven en in de Groene Jonker is de veenlaag die in de omgeving veelal nog

aanwezig is afgegraven. De circa 4 meter dikke laag zeeklei uit de eerste helft van het Holoceen

ligt daardoor aan het oppervlak. Onder deze klei ligt nog een dunne laag basisveen en daaronder

een dik pakket Pleistoceen zand en grind.

De Groene Jonker is sinds 2007 als natuurgebied in bezit van Natuurmonumenten. Voor 2007 was

het gebied in gebruik voor veehouderij. In 2007-2008 is het gebied heringericht en omgevormd

tot een half-natuurlijk moeras met afwisselend open water, bloemrijk grasland en jonge

verlandingstadia (rietlanden, natte graslanden en ruigtes). Er zijn laagtes gegraven die permanent

onder water staan. Andere delen zijn juist opgehoogd voor de ontwikkeling van half-natuurlijk

grasland. In het hele gebied is de bovenste 10 centimeter van de bodem afgeplagd om nutriënten

en andere landbouwstoffen te verwijderen en rietgroei te bevorderen. Het beheer is gericht op de

ontwikkeling en instandhouding van zoetwater- en verlandingsgemeenschappen, rietland,

rietruigte en natte schraallanden, moeras en struweel. De Groene Jonker moet ook voedsel bieden

voor vogels (purperreiger, lepelaar) die broeden in het Nieuwkoopse plassengebied. Het

landschap wordt open gehouden door te maaien en bomen en struiken te verwijderen. Er vindt

ook begrazing plaats door een kudde schapen van Natuurmonumenten.Het gebied is deels

toegankelijk voor recreanten; aan de zuidkant van de Groene Jonker lopen wandelpaden en is er

een vogelobservatiepunt.

De Groene Jonker zelf ligt op circa -5 m t.o.v. NAP. De Kromme Mijdrecht en de ‘bovenlanden’

langs de Kromme Mijdrecht liggen op -1.5 tot 0.5 m t.o.v. NAP. Vanuit deze gebieden treedt

sterke wegzijging op naar polder Zevenhoven en de Groene Jonker, maar het gebied trekt door de

lage peilen ook brak en nutriëntenrijk diep kwelwater aan uit de ondergrond. Het water uit polder

Zevenhoven wordt door diverse gemalen naar het boezemsysteem gepompt. Dit brakke,

nutriëntenrijke water wordt vervolgens gebruikt om het waterpeil in hoger gelegen gebieden op

peil te houden. Via de Amstel en de Waver wordt het uitgemalen water onder meer ingelaten in de

55


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

flexpeilggebieden

in de Ronde Hoep, H de Midddelpolder

en n polder Bot tshol. Sinds dde

invoering g van

flexibel peilbeheer mmag

het wate erpeil in de GGroene

Jonke er vrij fluctu ueren tussen dde

-5,60 en -5,10 -

m t.o.v. NAP. Door alle lokale peilverschille

p en in de directe

omgevin ng van de Gro roene Jonker is er

veel varriatie

in de grrondwaterstr

roming. In heet

zuiden en het oosten treedt t door dde

invloed va an de

bovenlannden

kwel oop

in de Gro oene Jonker. Meer naar het noordwe esten is er eechter

wegzij jging

naar het t omliggendee

landbouwgebied

van poolder

Zevenh hoven, waar het peil nog 70-120 cm lager

is. Via reegelbare

stuwwen

kan wat ter uitgelatenn

worden naa ar het omligg gende landboouwgebied.

Figuur 44.2.1.

Groene Jonker. Links sboven, bodemmwaterraai

aa an oevers open n water; Rechhtsboven,

beeld d van

plas met oevers in Auggustus

2011; Midden M links, Geoorde fuut t; Midden rech hts Steltkluut, Linksonder, FLAB

F

(algenmaat);

Rechtsondder,

blauwalg g in juli 2011.

56


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

4.2.11

Oppervlakktewaterkwaliteit

In fiiguur

4.2.2 wworden

de loc caties gegeveen

van de mo onsterpunten n in de Groenne

Jonker. Het

oppeervlaktewateer

in Groene Jonker is harrd

tot zeer ha ard.

Figuuur

4.2.2. Liggging

van bemo onsteringslocaaties

in de Gr roene Jonker.

De cchloride,

calccium-

en ma agnesiumconncentratie

en n de alkaliteit

laten een vvergelijkbaar

r verloop

zienn

(figuur 44.2.3)

en volgen v minn

of meer het tegen novergesteldee

patroon van de

oppeervlaktewateerstand.

In he et zeer drogee

voorjaar va an 2011 stege en de concenntraties

sterk k. Dit kan

grottendeels

verkklaard

worde en door indaamping,

maa ar er kan mogelijk m ook sprake zijn van een

toenname

van de invloed van kwel bij lageere

oppervla aktewaterstan nden.

In taabel

4.2.1 wwordt

de sam menstelling vvan

het gron ndwater van het eerste wwatervoerend

de pakket

gegeeven.

Het grrondwater

is rijk aan nattrium

en chl loride en wo ordt verder ggekenmerkt

door een

zeerr

hoge alkalliteit

en cal lcium- en mmagnesiumco

oncentraties. Verder is het grondw water ook

extreeem

rijk aann

ammonium m en in de zoomer

rijk aa an fosfor en ijzer. Dit zoou

kunnen duiden d op

aanvvoer

van zeeer

kleine Fe-P F partikeels

via het grondwater. Opvallend is dat er ook wel

versschillen

bestaaan

tussen de

verschillennde

locaties. Peilbuis 2 ligt l aan de ZZuidoost

kant

van het

57


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

gebied een

heeft erg lage sulfaatc concentratiess

( 1000

-1 ), dit in

µmol L -1 n tegenstellinng

tot de overige

).

Figuur 4.2.3 Verloopp

van een aantal a oppervvlaktewaterkw

waliteitsparam meters. Er wo worden gemid ddelde

waarden gegeven voorr

locaties die bij benaderinng

een vergelij jkbaar verloo op laten zijn . DDe

grijze lijn geeft

het verlooop

van de opppervlaktewater

rstand nabij lo locatie 59 (zie figuur 4.2.2).

Tabel 4.22.1

Samensteelling

van het t grondwater uit het eerste e watervoeren nde pakket in augustus 201 11 en

maart 20012

van Groenne

Jonker.

PB

2

9

11

13

Datum

25‐08‐11

7‐03‐12

25‐08‐11

7‐03‐12

25‐08‐11

7‐03‐12

25‐08‐11

7‐03‐12

µmol L ‐1

pH Alkal.

6,9 12440

7,5 11610

7,0 10870

7,6 10210

6,8 9538

7,2 9445

6,9 10790

7,3 10380

µmol L ‐1

µmol L ‐1

mol mol

Ca Mg

‐1

SO4 NNa

Cl

3708 2361 64 18893

3467

3471 23188

65 2391

4962

2632 1593 1023 7551

4982

2687 17044

1290 70064

4537

4885 1372

4274 1275

4014 20377

1659 8855

1318

3351 18888

1035 8842

1316

Vanaf 24

augustus 22012

werd de

stuw bij dee

uitlaat naar r beneden ge ezet om het wwater

af te laten. l

Dit werd

gedaan ten

behoeve van v de steltllopers

maar ook om nutriënten

af tte

voeren ui it het

systeem.

De abruptee

daling van de oppervllaktewatersta

and moet he ebben geleid tot een toen name

58

µmol L ‐1

µmol L ‐1

1700 1301

2562

1128 1329

2390

µmmol

L ‐1

µmol L‐1

K NH4

435 2555

423 2147

412 1340

351 954

191 1517

182 1286

461 1571

427 1523

µmol L ‐1

µmol L ‐

1 mol mol ‐1

NO3 P Fe

1,3 14,11

9,2

243,1 8,44

1,6

3,0 4,55

23,3

44,5 1,44

3,5

4,6 18,99

264,6

1,3 1,66

18,4

1,5 55,00

90,1

2,4 4,55

2,8


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

van de toestrooom

van gron ndwater maaar,

doordat het uitzakke en van het oppervlaktew waterpeil

sammenviel

met eeen

relatief natte

periode met veel nee erslag, teven ns tot verdunnning

met reg genwater.

De llaatste

metinng

die werd uitgevoerd u inn

begin oktob ber laat zien dat het aflateen

van het water w leidt

tot lagere

fosforcconcentraties

s en hogere ssulfaatconcen

ntraties in he et oppervlakttewater.

Figuuur

4.2.4 Veerloop

van een

aantal opppervlaktewat

terkwaliteitspa arameters. EEr

worden ge emiddelde

waarrden

gegeven voor locaties die bij benaddering

een ver rgelijkbaar ve erloop laten zzijn

. De grijze e lijn geeft

het vverloop

van dee

oppervlaktew waterstand naabij

locatie 59 9 (zie figuur 4. 2.2).

We zien verder dat de sulfa aatconcentrattie

het opper rvlaktewaters standsverlooop

lijkt te vo olgen. De

zeerr

natte periode

van ha alf juli 2011

leidt bijv voorbeeld to ot een sterkke

stijging van het

oppeervlaktewateerpeil

en to ot de uitspooeling

van sulfaat naa ar het oppeervlaktewater

na de

voorrafgaande

drroogte.

Deze e uitspoeling is het sterks st in het We estelijke deell

van Groene e Jonker.

Het gaat hier om opperv vlaktewater dat geïsol leerd raakt van de ho hoofdplas bi ij lagere

oppeervlaktewateerstanden

wa aardoor hierr

een accum mulatie van stoffen kann

optreden. Ook in

deceember

vindt er een stijg ging plaats vvan

de sulfaa atconcentrati ies bij een st sterke stijging

van de

oppeervlaktewateerpeilen.

Dit t alles duidtt

op uitspoe eling van su ulfaat uit dee

lokale bod dems bij

stijggende

waterrstanden.

We W komen hhier

later op o terug. In

de zomeermaanden

daalt de

sulfa faatconcentraatie

van het oppervlaktew

o water bij gelij jkblijvende of o dalende wwaterpeilen.

Dit D wordt

verooorzaakt

dooor

sulfaatredu uctie (een teemperatuursa

afhankelijk proces). p Bij deze sulfaa atreductie

worddt

ook alkaliiteit

gegenere eerd.

59


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

Het oppervlaktewater van Groene Jonker is eutroof en wordt gekenmerkt door hoge fosfor,

ammonium- en nitraatconcentraties. In Groene Jonker Oost (de plas) worden in de nattere zomer

van 2012 hogere fosforconcentraties gemeten dan in het (droge) voorjaar en de zomer van 2011,

waarin de waterstand in de plas lager was en een groter deel van de oevers droog lag. Dit kan

worden veroorzaakt door een sterkere mobilisatie van fosfor uit de nattere bodems in 2012. In

drogere bodems wordt fosfor gebonden aan ijzer waardoor de mobiliteit afneemt. In een groot

deel van het gebied zijn nog delen van de voedselrijke landbouwbodem aanwezig. Met name de

hoger gelegen delen zullen rijker zijn aan fosfor omdat deze in geringere mate zijn afgegraven. De

hoge P concentraties in het water stimuleren het ontstaan van blauwalgenbloei en botulisme bij

hogere temperaturen.

Het verloop van de anorganische stikstofconcentraties (ammonium en nitraat) van het

oppervlaktewater laat een piekerig verloop zien. Vanaf oktober lopen de nitraat- en de

ammoniumconcentraties op. Hierbij piekt de ammoniumconcentratie in november/december en

de nitraatconcentratie in december/januari. Deze piek wordt veroorzaakt doordat er vanaf het

najaar geen assimilatie van stikstof meer plaatsvindt door algen en planten. Het stikstof dat

vrijkomt bij afbraak, nalevering uit de bodem en inspoeling uit de oevers wordt niet meer

opgenomen en tevens vindt er ook veel minder denitrificatie plaats in de onderwaterbodems. In

het voorjaar zien we de stikstofconcentratie weer sterk dalen als gevolg van stikstofassimilatie

door organismen. In de zomer worden weer hogere concentraties voor met name ammonium

gemeten. Dit was zowel in de zomer van 2011 als in de zomer van 2012 het geval. Dit kan met

een toename van de nalevering te maken hebben in de warme zomermaanden waarin onder

zuurstofarmere condities de nitrificatie van ammonium afneemt. Ook zouden de

ammoniumpieken veroorzaakt kunnen worden door toestromend grondwater. Het grondwater uit

het eerste watervoerende pakket is extreem rijk aan ammonium (tabel 4.2.1). Opvallend is echter

dat juist in de wat meer geïsoleerde oppervlaktewateren van Groene Jonker West, de ammonium

en de fosfaatconcentraties hoger pieken dan in Groene Jonker Oost. De kwel treedt echter juist uit

aan de Oostkant. Dit pleit eerder voor een lokale nalevering van ammonium en fosfaat uit de

bodem en niet voor de aanvoer via kwelwater.

4.2.2 Bodemwaterkwaliteit

In figuur 4.2.5 wordt het verloop van de fosforconcentraties gegeven voor de ondiepe

bodemwatermonsters. We zien dat in de Oostelijke raai (nummers 60 t/m 65) de

fosforconcentraties in de meest hooggelegen delen van oevers hoger zijn in de zomer van 2012.

De combinatie van nattere condities (hogere waterstanden) en hogere temperaturen leiden

waarschijnlijk tot een toename van de mobiliteit van fosfor in de bodem als gevolg van

reductieprocessen. Op locatie 62 (een permanent nat deel van de oever), vindt er na het stijgen

van de waterstanden in juli 2011 al een sterke toename van de fosforconcentratie plaats. In figuur

4.2.6 zien we dat de bodems waar mobilisatie van fosfor plaatsvindt ook de bodems zijn waarin

de hoogste totaal-fosfor concentraties worden gemeten. Waarschijnlijk zijn fosforrijkere bodems

minder diep afgegraven dan de fosforarmere.

Hoewel de twee bemonsterde oeverraaien natuurlijk niet perse representatief zijn voor de bodems

in het gebied, laten deze wel zien dat in de relatief fosforrijke bodems (totaal-P concentraties

hoger dan 25 mmol kg -1 ) de P concentratie in het bodemwater als gevolg van reductieprocessen

kan toenemen onder natte bodemcondities in de zomer.

60


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Figuuur

4.2.5 Verlloop

van de fo osforconcentraatie

in het ond diepe bodemw water van Grooene

Jonker. Links L voor

Oeveerraai

A en reechts

voor Oe everraai B. Dee

locatienumm mers lopen op van nat (60 cc.q.

68) naar droog (65

c.q. 71). De grijzee

lijn geeft het verloop van dde

oppervlakte ewaterstand bij b locatie 59. .

Figuuur

4.2.6 De totaal-fosforc concentratie vvan

de bodem ms in Groene Jonker. De mmonsterpunte

en worden

voorr

de Oostelijkee(oeverraai

A) A en de Wesstelijke

raai (o oeverraai B) gegeven g van nnat

(in het op pen water,

linkss)

tot droog (oop

de oever, re echts). 25, 50 en 100 staat voor v de bemon nsteringsdieptte

in cm.

De kkleibodems

uuit

Groene Jo onker zijn vaan

origine rijk

aan zwavel

en ijzer. In de diepere delen d van

de bbodems

komeen

deze elem menten voor iin

gereducee erde vorm als s ijzersulfidees.

Als gevolg g van het

landdbouwkundigge

gebruik in n het verledeen

is de topla aag van deze e kleibodemss

geoxideerd d. Hierbij

is heet

zwavel vrrijgekomen

als a sulfaat enn

het ijzer de eels in de sle echt oplosbaare

geoxideer rde vorm

achttergebleven

in de bodem m. Omdat suulfaat

een re elatief mobiel

anion is kan dit gem makkelijk

uitsppoelen.

Hierrdoor

is de totaal-zwave

t elconcentratie

van de top plaag van dde

bodem afg fgenomen

(zie figuur 4.2.77).

Omdat we e met kalkrijjke

bodems te t maken he ebben leidt dde

oxidatie in n Groene

Jonkker

niet tot eeen

sterke afn name van de pH.

61


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Figuur 44.2.7

De totaaal-zwavel-.

To otaal-ijzer, en totaal-calcium mconcentratie es en het orgaanische

stofge ehalte

van de vaan

de bodemss

uit de oeverr raaien in Grooene

Jonker. De D monsterpu unten worden voor de Oost telijke

en de Weestelijke

raai ggegeven

van nat n (in het oppen

water, link ks) tot droog (op de oever, rechts). 25, 50 5 en

100 staatt

voor de bemoonsteringsdiep

pte in cm.

Het sulffaat

dat vrij is gekomen bij de oxidaatie

van de kleibodems is deels nogg

aanwezig in i de

bodems. . In figuur 44.2.8

zien we w dat de suulfaatconcent

traties van het h bodemwaater

in de diepte d

toenemeen.

Op 1 meeter

diepte (w waar de totaaal-zwavelcon

ncentraties het h hoogste zzijn

) worden n ook

de hooggste

sulfaatcconcentraties

s in het boddemwater

ge emeten. Dit laat zien daat

de kleibodem,

voormallig

agrarische

grond, diep p ontwaterd is geweest en e dat er tot op een meteer

diepte oxidatie

heeft pplaatsgevondden.

Ook in

een deeel

van de ondiepe bodems b worrden

nog hoge

sulfaatcooncentraties

in bodemw water gemeteen.

Voor de locaties 65 en 66 (beiide

relatief hoog h

gelegen op de oever)

nemen de concentratiees

vanaf het begin van de

metingen vvrijwel

linea air af.

Uitspoelling

van sulffaat

uit de bo odem is de mmeest

waarschijnlijke

ve erklaring. Ditt

laat zien dat

de

sulfaatrij ijke bodems nog sulfaat kunnen k nalevveren

naar de e waterlaag.

In sommmige

bodems (bijvoorbeeld

locaties 600

en 62) wor rden al lage sulfaatconcen

s entraties gem meten

vanaf heet

begin vann

de metinge en. Voor dee

Oostelijke raai worden n hogere sullfaatconcentr

raties

gemetenn

dan voor dde

westelijke e raai. Ookk

voor de bo odems uit de e Oostelijk rraai

zien we e een

afnemennde

trend vann

de sulfaatconcentraties,

maar deze afname is ve eel minder duuidelijk

dan voor

de locatties

65 en 666.

Dit wil niet n zegen ddat

er uit de eze bodems minder sulfa faat uitspoelt t. De

uitspoeliing

van sulffaat

uit de bodems b kan deels worde en gecompen nseerd door het in oplos ssing

gaan vann

sulfaatzoutten

(o.a. jaro osiet en gips) ) of door het

nog steeds vrijkomen vvan

sulfaat uit u de

oxidatie van gereducceerd

zwavel l onder tijdellijk

drogere condities c

62


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

.

.Figuuur

4.2.8 Veerloop

van de e sulfaatconccentratie

in het h ondiepe bodemwater

(l (links) en he et diepere

bodeemwater

(rechhts)

van Groe ene Jonker. Dee

bovenste gr rafieken zijn van v de Oostellijk

raai en de e onderste

tweee

van de Westeelijke

raai. De e grijze lijn geeeft

het verloop p van de oppe ervlaktewatersstand

bij loca atie 59.

Figuuur

4.2.9 RRelatie

tussen n de totaall-zwavelconce

entratie van de bodemss

en de ge emiddelde

sulfaaatconcentratiie

van het bod demwater voorr

de verschille ende bodemdiepten.

63


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Figuur 44.2.9

laat zieen

dat de gem middelde sullfaatconcentr

ratie van he et bodemwatter

correleert t met

de totaall-zwavelconccentratie

van n de bodem. Op termijn zullen z de nu veel nattere e omstandigh heden

waarschhijnlijk

leidenn

tot een ve erdere afnamme

van de su ulfaatconcent traties in dee

toplaag va an de

bodems waardoor oook

de nale evering van sulfaat naa ar het opper rvlaktewater geleidelijk zal

afnemenn.

Figuur 44.2.10

De gemiddelde

sulf faat, ammoniium

ijzer en fosforconcent

f

raties van hhet

bodemwat ter in

Groene JJonker.

De moonsterpunten

worden w voor dde

Oostelijke en de Westelij ijke raai gegev even van nat (in (i het

openwateer,

links) tot ddroog

(op de oever, o rechts). 25, 50 en 100 0 staat voor de

bemonsterinngsdiepte

in cm m.

In figuuur

4.2.10 wworden

de gemiddelde g sulfaat-, am mmonium-, ijzer- i en foosforconcentr

raties

gegevenn

voor het boodemwater.

Op O grond vaan

de bodem mwaterkwalite eit kan wordden

veronder rsteld

dat de nnalevering

vvan

P vanui it de geïnunndeerde

bod dems naar de d waterlaagg

laag is. In n het

bodemwwater

worden

immers s steeds vveel

hogere

ijzerconc centraties gemeten dan

fosforcooncentraties

( (zie hoofdstu uk 3). Niet tee

min worde en er relatie ef hoge totaaal-P

concentr raties

gemetenn

in de waterrlaag.

Uit figuur

4.2.11 bblijkt

dat de fosfor f concen ntratie van dde

waterlaag sterk

correleerrt

met de ijzzerconcentrat

tie van de wwaterlaag.

De e hoge ijzerc concentratiess

in de water rlaag

kunnen verklaard worden

door (periodiek) zuurstofarm me condities waarbij w ijzerr

en fosfor uit u de

(onderwwater)bodem

naar de wat terlaag kunneen

diffundere en. Hier blijft

het fosfaat at en ijzer dee els in

oplossinng

maar woordt

het ijze er ook geoxxideerd

waar rbij colloïdale

ijzer(hydrr)oxide

dee eltjes

worden gevormd waaaraan

fosfaa at kan bindenn.

Dit soort deeltjes d kunn nen relatief llang

in suspe ensie

blijven. De in het wwater

opgeloste,

en voor aalgen

het bes st beschikbar re, ortho-fossfaatconcentr

raties

zijn duiddelijk

een sttuk

lager dan n de totaal-foosforconcent

traties, maar zijn nog weel

dusdanig hoog

h

dat ze vooor

een ernsttige

eutrofier ring van de wwaterlaag

kun nnen zorgen (figuur 4.2.44)

64


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Figuuur

4.2.11 Reelatie

tussen de d totaal-fosfoor

en de totaal-ijzerconcent

tratie van hett

oppervlaktew water van

de GGroene

Jonkerr.

4.2.33

Conclusiess

Er iis

in dit gebbied

geen vergelijking v mogelijk tu ussen een aa an- of afwez ezigheid van n flexibel

peilbbeheer.

Het gaat verder om o een voorrmalig

landb bouwgebied waarin w zwavvelrijke

en fo osforrijke

kleibbodems

vooorkomen.

De e fosfaatverrrijkte

toplaag g is deels afgegraven a wwaardoor

grote

open

wateerpartijen

zijn

ontstaan met m een grotee

structuurvar riatie in de aanwezige

veegetatie.

Bela angrijkste

doellstelling

is heet

ontwikkele en van moerrasnatuur

met t rietlanden. Het gebied iis

een zeer waardevol w

vogeelgebied

en eer

zijn al een n aantal voorr

Nederland zeldzame z vo ogelsoorten wwaargenomen

n. Er zijn

echtter

ook waterrkwaliteitspr

roblemen diee

zich uiten in i de ontwik kkeling van FFLAB

(algen nmatten),

botuulisme

en lokkaal

ook blau uwalgenbloeei,

samenhan ngend met de e P-voorraadd

in de niet of o minder

afgeegraven

delenn,

en in mind dere mate de aanvoer van n nutriëntenrijk

grondwatter.

Het is een uitddaging

om de waterkwwaliteit

voor r Groene Jo onker te verrbeteren.

De e interne

sulfa faatnaleveringg

is hoog net n als de naalevering

va an P uit de bodems. Dee

waterkwal liteit kan

beïnnvloed

wordeen

door te spelen s met hhet

waterpei il. Langdurig ge hoge watterstanden

en n weinig

doorrstroming

lijjken

te leiden

tot een acccumulatie

van

fosfor in de waterlaaag,

wat pleit voor het

tijdeelijk

laten daalen

van het waterpeil. AAnderzijds

kunnen k lage waterstanden

w n ook juist leiden l tot

een toename vann

de invloed d van eutrooff

kwelwater. De geforcee erde verlaginng

van de waterstand

in auugustus/septtember

2012 heeft in iedder

geval geleid

tot een afname a van dde

fosforcon ncentratie

van het oppervlaaktewater,

waarmee

peilffluctuatie

per r saldo voord delig lijkt uit t te pakken.

Het is gewenst oom

de monit toring van dee

waterkwali iteit en de grond-

en oppeervlaktewate

erstanden

voorr

te zetten. IIn

de Groen ne Jonker ligggen

alle mo onsterpunten n in een gebbied

met een n flexibel

peilbbeheer.

65


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

4.3 Loeenderveen-OOost

4.3.1 Inlleiding

Het flexxpeilgebied

LLoenderveen

n-Oost (2,3 kkm

plassen. De Loendderveense

plassen p besta

Waterleiidingplas

en Terra Nova (ofwel de L

wordt bbegrensd

dooor

kades. In n het westen

Loenderrveen-Oost

scheidt

van de

Waterleidi

Loenderrveen-Oost

een

Vuntus, Loosdrechtse

L

van poolder

Kortennhoef.

Loen nderveen-Oo

drinkwaaterdoeleindeen

in eigendo om is van he

wordt ddoor

Waterrnet.

Het water w in Lo

drinkwaatervoorziening.

Op de bodem

van d

waarondder

het pleiistocene

zan nd en grind

Waterleiidingplas

besstaat

uit zand d. De andere

zand.

2 ) ligt aan n de noordw westkant van de Loosdrec chtse

aan, naast de Loenderveense

Plaas

Oost, ui it de

Loenderveens se Plas West t). De plas LLoenderveen-Oost

n ligt een kade

van geb biedsbeheerdder

Waternet

die

ingplas en aa an de oost en n zuid kant liggt

de kade tu ussen

e plassen. Te en noorden li igt de Wijdee

Blik, onder rdeel

ost maakt deel uit van v het geebied

dat voor

et Gemeente elijk Waterbe edrijf Amster erdam en beh heerd

oenderveen-O Oost is een n ‘noodvooorraad’

voor r de

de plas ligt een e laag vee en van maximmaal

1 meter

dik

d ligt. De kade tussen

Loendervveen-oost

en n de

e kades besta aan uit veen en e zijn lokaaal

opgehoogd d met

Figuur 44.3.1.

Loendeerveen-Oost.

Linksboven, L dde

plas, recht tsboven kade tussen de WWaterleidingpla

as en

Loendervveen-Oost

meet

rechts het rietland. Linkksonder

de bodemwater b gradiënt g in heet

rietland. Rechts

R

onder, allgenbloei

tusseen

opdrijvend de waterpestpllanten

(septem mber 2012).

66


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Het gebied heeft ft als hoofdfu unctie noodvooorziening

voor v de drink kwaterwinninng

en heeft natuur n als

neveenfunctie.

MMet

name de d brede strrook

riet op p de kade tussen de Waterleiding gplas en

Loennderveen-Ooost

is waarde evol (ringslaang,

purperre eiger). Dit rietland

worddt

in stand gehouden g

doorr

te maaien een

opslaande e elzen te veerwijderen.

Om O het gebie ed aantrekkeelijker

te maken

voor

de ppurperreiger

zijn zandeilanden

opgesspoten

waar rietplakken uit Terra Noova

op de oever

zijn

gepllaatst.

Het water

in Loend derveen-Oosst

is helder en n er groeien onder meer kkranswieren.

Het waterpeil inn

Loendervee en-Oost magg

sinds februa ari 2011 vrij fluctueren vvan

-1,30 tot t -1,00 m

t.o.vv.

NAP. Als de peilen te laag zijn kann

water ingel laten worden n vanuit de LLoosdrechtse

e Plassen.

Het inlaatwater vanuit de Lo oosdrechtse plassen is re elatief schoo on. Voor de uuitlaat

van overtollig o

wateer

bevindt zich in he et noorden van Loend derveen-Oost t een insteelbare

stuw aan de

Lammbertzkade.

Indien Terr ra Nova eenn

waterbeho oefte heeft dan wordt er water vanuit v de

Loennderveense

pplas

via de st tuw aan de LLambertzkade

e ingelaten.

4.3.22

Oppervlakktewaterkwaliteit

In fi figuur 4.3.2 wworden

de lo ocaties weerrgegeven

waar

oppervlak ktewatermonnsters

zijn ve erzameld.

De vverschillendee

locaties lie eten onderlinng

geen grot te verschillen n zien en daa aarom worden

hier de

gemmiddelde

conccentraties

besproken.

Figuuur

4.3.2 Liigging

van

bodeemwaterraaienn

(oranje).

de monsterlo locaties van

67

de oppervla aktewatermonnsters

(blauw w) en de


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

In figuuur

4.3.3 worddt

het verloo op van de wwaterkwaliteit

van het op ppervlaktewaatergegeven.

. Het

gaat omm

de gemidddelde

waarden

van de ddrie

monste erpunten (zie e figuur 4.3.2).

Het flexibel

peilbeheeer

is ingesteeld

op 15 feb bruari 2011. We zien da at het waterpeil

in het drooge

voorjaar r van

2011 dieep

uitzakt toot

het minimumpeil

van -1,30 m NA AP. In de win nter van 20111-2012

stijg gt het

waterpeiil

hoger dan in de winter r van 2010-22011

tot de maximumho oogte van -11,00

m NAP.

De

sulfaatcooncentratie

vvan

het oppe ervlaktewaterr

is relatief laag

en neem mt verder af iin

de loop va an de

tijd. Ditt

is waarschiijnlijk

het ge evolg van dee

afname va an de inlaat van oppervllaktewater

uit u de

Loosdreechtse

Plasseen

en de toen name van de invloed van n regenwater.

De schommmelingen

wo orden

veroorzaaakt

door sullfaatreductie

in de zomerr.

Figuur 44.3.3

Verloop van een aan ntal oppervlakktewaterkwaliteitsparameters

voor Loennderveen-Oost

t. Het

gaat om de gemiddeelde

waardes van drie subblocaties.

Op p de rechter- as wordt hett

verloop van n het

oppervlaktewaterpeil

ggegeven

(grijz ze lijn). .

Het watter

is matig hhard.

De alk kaliteit schommmelt

en neemt

toe in het h droge vooorjaar

als ge evolg

van indaamping

en neeemt

vervolg gens sterk af f in juni en ju uli 2012. Ver rdunning dooor

neerslag speelt

hierbij eeen

rol maaar

waarschijn nlijk ook dee

fotosynthe ese van wat terplanten enn

algen, wa aarbij

anorganisch

koolstoff

in de vorm m van bicarboonaat

en CO2 2 wordt vastg gelegd in de vvegetatie.

Oo ok in

de zommer

van 20122

wordt nam melijk een daling van de alkalitei it van het ooppervlaktew

water

waargennomen.

De alkaliteit van het ooppervlaktew

water wordt vooral beepaald

door r de

bicarbonnaatconcentrratie.

Deze is s afhankelijkk

van de nal levering van anorganischhe

koolstof uit u de

68


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

ondeerwaterbodemm

en aanvoer

via inlaat van buiten enerzijds, e en de fotosynthhetische

activ viteit van

de wwaterplanten

anderzijds.

Figuuur

4.3.4 Verloop

van een aantal opperrvlakte

waterk kwaliteitspara ameters voor LLoenderveen

Oost. Het

gaatt

om de gemmiddelde

waar rdes van driee

sublocaties.

Op de rech hter-as wordt dt het verloop p van het

oppeervlaktewaterppeil

gegeven (grijze ( lijn).

De nutriëntencooncentraties

van de wwaterlaag

(n nitraat, amm monium en fosfor/fosfa aat) zijn

overrwegend

laagg

(figuur 4.3 3.4). We heebben

te mak ken met een relatief goeede

kwaliteit t van het

oppeervlaktewateer.

De nutrië ëntenconcenttraties

pieke en in de winter.

In de winter is er r minder

opnaame

van stikkstof

en min nder denitrifiicatie

waardo oor met nam me de nitraatcconcentraties

s kunnen

oploopen.

De fosfaatconcentr

ratie laat eenn

piek zien in n december 2011. 2 Deze ppiek

valt sa amen met

het stijgen van het waterpei il en met eeen

ammonium mpiek en he et begin van n de nitraatpi iek in de

wintter.

Waarschhijnlijk

hang gt deze pieek

deels sam men met he et uitspoelenn

van nutrië ënten uit

ondeergelopen

oeevers

in het begin b van de winter.

Dooor

de ooghareen

kijkend zi ien we een ggeleidelijk

toe ename van de d fosfor- enn

met name de d ortho-

fosfa faatconcentraaties

sinds he et instellen vvan

het flexib bele peil beg gin 2011. Eeen

langere ve erblijftijd

als ggevolg

van hhet

flexibele peil p en mogeelijk

een toen name van fos sfaatrijke kwwel

zou hierbij

een rol

kunnnen

spelen. EEr

kan echter

ook een intterne

verklar ring zijn, die e los staat vaan

het peilbeh heer. Het

helddere

water inn

de plas maakt m de groeei

van de waterplanten

w mogelijk. DDeze

nemen met hun

worttels

veel nuutriënten

op p uit de relatief

voeds selrijke onde erwaterbodemm.

Als gev volg van

winddwerking

slaaan

deze wat terplanten loos

uit de wek ke onderwate erbodem. De e dode plante en lekken

69


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

nutriënten naar de waterlaag wat lokaal kan leiden tot algenbloei. Er ontstaat dus, via de

waterplanten, als het ware een nutriëntenpomp van de onderwaterbodem naar de waterlaag. Zo

valt de verhoogde fosforconcentratie die werd gemeten in september 2012 samen met een bloei

van algen aan de Oostzijde van de plas (zie figuur 4.3.1). In combinatie met een verder toename

van de toch al lange verblijftijd van het water, kan dit tot problemen leiden. Het is zaak om de

ontwikkeling van de fosforconcentraties van de plas te blijven monitoren.

4.3.3 Rietoever

In de rietoevers langs de kade die Loenderveen-Oost scheidt van de Waterleidingplas werd ook de

bodemwaterkwaliteit van een oeverraai gevolgd. De raai liep van het open water dat gedomineerd

werd door Lisdodde via een steeds droger wordende rietvegetatie tot aan de voet van de dijk

(kade) (zie figuur 4.3.2). Het verloop van de bodemwaterchemie wordt gegeven in figuur 4.3.5.

De bodemeigenschappen van de verschillende bemonsteringpunten in figuur 4.3.6. De

grondwaterstanden zakken nergens erg diep uit en de waterstanden blijven nabij maaiveld. Alleen

in de meest droge periode (het voorjaar van 2011) zakt het waterpeil uit tot enige decimeters

onder maaiveld. In de winter van 2011-2012 werd de complete oeverzone geïnundeerd met

oppervlaktewater.

Het verloop van de bodemchemie verschilt sterk tussen de locaties en is op het eerste gezicht ook

nogal chaotisch. De sulfaatconcentraties zijn jaarrond laag (< 100 µmol L -1 ). Op de drie meest

natte locaties (Lisdodde, Rietkraag, Moerasvaren) neemt de alkaliteit toe in de (na-)zomer (vanaf

juli). Deze toename gaat gepaard met een toename van de ijzerconcentraties. Het gaat hier om

organische bodems (zie figuur 4.3.6) en deze toename hangt waarschijnlijk samen met een

toename van de anaerobe afbraak waarbij anorganische koolstof (alkaliteit) en gereduceerd ijzer

vrijkomt. Alleen in de rietkraag leidt dit ook tot een meetbare toename van de ammonium- en

fosforconcentraties. Het lijkt er dus op dat uitzakkende grondwaterpeilen gevolgd door natte

condities tijdelijk kunnen leiden tot een toename van de anaerobe afbraak van organisch

materiaal. In de winter neemt de alkaliteit weer af ook omdat de gehele oeverzone dan wordt

geïnundeerd door de stijgende waterpeilen. De toename van alkaliteit en ijzerconcentraties is

voor deze locaties veel minder sterk in de zomer van 2012. Voor de locatie Moerasvaren neemt

de alkaliteit en ijzerconcentratie zeer sterk af na inundatie met oppervlaktewater en blijft veel

lager in 2012 dan in 2011.

De ammonium en fosforconcentraties van het bodemwater zijn overwegend laag. De

fosforconcentraties zijn echter beduidend hoger voor de locaties Riet/Moerasvaren en Open

vegetatie. Het verloop van de fosforconcentratie is hier merkwaardig met een sterke stijging

tijdens de droge periode in het voorjaar van 2011 en een initiële daling in de natte periode die

hierop volgt. Opvallend is verder dat op deze locaties de fosforconcentratie gestaag toeneemt in

de tijd.

70


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Figuuur

4.3.5 Verlloop

van de alkaliteit a en de sulfaat-, cal lcium+magne esium- fosfor-, , ijzer- en am mmonium-

conccentratie

in het

bodemwate er voor de boodemvochtloca

aties van de raai in het riietland

langs s de kade

tusseen

Loenderveeen-Oost

en de e Waterleidinggplas.

Daarnaast

wordt de e grondwatersstand

in de oe ever t.o.v.

Maaaiveld

gegevenn

voor de peilb buis gelegen mmidden

in de raai r (grijze lijn).

In fiiguur

4.3.7 wwordt

het ver rloop van dee

bodemwate erchemie ge egeven voor verschillend de dieptes

op dde

locatie ‘oppener

vegetatie’.

Opvalleend

is dat de e inundatie van v het maaivveld

vanaf december d

2011

gepaard gaaat

met een afname van de alkaliteit t, calcium+m magnesium- en ijzercon ncentratie

op mmet

name 50 cm diepte in n de bodem. Vanaf mei 2012 2 nemen de concentra raties weer ge eleidelijk

toe. Deze afnamme

kan worden

verklaardd

door inzijg ging van opp pervlaktewateer

na inunda atie in de

wintter.

De fosfoorconcentrati

ie is juist hooger

aan maa aiveld en dez ze neemt opp

grotere diep pte juist

71


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

iets toee

in de loop van de tijd d. Het is onnduidelijk

wa aar de hoger re fosforconccentraties

in n het

bodemwwater

van de toplaag van deze locatiee

(en locatie ‘Riet Moerasvaren’)

vanndaan

komen n. De

fosforcooncentratie

vvan

de topla aag van de bodem is niet n opvallend

hoog (zzie

figuur 4. .3.6).

Mogelijkk

treedt er lookaal

aanvoer

op van fossfaatrijk

gron ndwater. Dat treedt dan inn

ieder geval l niet

uit op dde

locatie ‘OOpener

vege etatie’ want op grotere diepte d neem mt de P conccentratie

juis st af.

Mogelijkk

gaat het omm

water dat elders e uitreeddt

en dat hier r afstroomt over o maaivelld.

Op een lo ocatie

die op eenkele

meterrs

afstand van

de locattie

‘Riet Mo oerasvaren’ is gelegen ( (zie figuur 4.3.8) 4

werden op een dieptte

van 50 cm m bodemwattermonsters

genomen. De D fosforconccentraties

zij jn op

deze loccaties

relatieff

hoog en hie er werd ook een toename e van de fosf forconcentrattie

waargeno omen

vanaf heet

begin vann

de metinge en (figuur 4.33.6).

Het is de vraag of deze lokale e toename va an de

stijging van de fossforconcentraties

in de oeverzones s aan het ing gestelde flexxibele

peilbe eheer

gerelateeerd

kan wordden

(mogelijk

is het een llokale

kwels stroom vanuit

de waterleeidingplas).

Figuur 44.3.6

Enkele bbodemchemisc

che eigenschaappen

van de bodems uit de d oeverraai iin

het rietland d. De

monsterppunten

wordeen

geordend van nat (linkks)

tot droog g (rechts). 25,

50 en 1000

staat voo or de

bemonsteeringsdiepte

inn

cm (zie voor r de ligging figguur

4.2.2).

72


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Figuuur

4.3.7 Veerloop

van de d alkaliteit, calcium+ma agnesium- fo osfor- en ijzzerconcentrati

ie in het

bodeemwater

voor de bodemwat terlocaties vaan

de locatie opener o vegetatie

in de raaai

in het rietla and langs

de kaade

tussen Loenderveen-Oo

ost en de Wateerleidingplas.

Daarnaast wordt w de gronddwaterstand

in n de oever

t.o.v.

Maaiveld geegeven

voor de e peilbuis geleegen

midden in i de raai.

Figuuur

4.3.8 Linkks:

Bodemwaterlocaties

vaan

de raai in het rietland langs de kadde

tussen Loenderveen-

Oostt

en de Waterrleidingplas.

Rechts: Verlooop

van de fosforconcentra

aties in het bbodemwater.

Daarnaast D

worddt

de grondwaaterstand

in de d oever t.o.v. maaiveld geg geven voor de e peilbuis geleegen

midden in de raai

(grijz jze lijn).

73


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

4.3.4 Conclusies

De verminderde inlaat van fosfor en sulfaat via oppervlaktewater samenhangend met het flexibel

peilbeheer is positief voor de waterkwaliteit. De metingen laten inderdaad een afname van de

sulfaatconcentratie van het oppervlaktewater zien.

Hoewel de overall effecten hierdoor mogelijk positief zijn, is verdere monitoring noodzakelijk.

De trend voor de ortho-P en in iets mindere mate de fosforconcentratie laat namelijk een

geleidelijke toename zien. Het is onduidelijk waardoor deze toename wordt veroorzaakt. Er vindt

waarschijnlijk mobilisatie van fosfor via ondergedoken waterplanten plaats (zie figuur 4.3.1). Dit

is het gevolg van het heldere water in combinatie met de relatief voedselrijke onderwaterbodem

(Lamers e.a., 2012). Waarschijnlijk slaan de planten als gevolg van windwerking los van de

slappe bodem waarna ze wegrotten in het water. Daarnaast kan ook de toename van de verblijftijd

en mogelijk een toename van kwel in de zomer (beiden direct het gevolg van het flexibele

peilbeheer) tot een toename van de P concentratie leiden (zie ook Deltares Hydrologie rapport C,

2012). Het is in ieder geval zaak om de ontwikkeling van de fosforconcentratie in de waterlaag

goed te volgen.

Voor de rietoevers meten we lokaal ook een toename van de P concentraties in de toplaag van de

bodem, vanaf het moment dat het flexibele peil is ingesteld. Het is onduidelijk of deze toename

ook causaal samenhangt met het ingestelde flexibele peil, maar dit kan niet worden uitgesloten.

Het is zaak om de verandering van de lokale kwelstromen, die het gevolg kunnen zijn het flexibel

peilbeheer, goed in kaart te brengen.

74


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

4.4 Middelpoldder

4.4.11

Inleiding

De MMiddelpoldeer

(6,1 km

aan de oostkant b

Midddelpolder

he

2 ) ligt

tussen Ammsterdam

en

begrensd door

de Amstell

en aan de z

eeft een oppe ervlakte van 0,4 km 2 n Ouderkerk aan de Amsttel.

Het gebie ed wordt

zuidkant door r de A9. Het t flexpeilgebi ied in de

.

Figuuur

4.4.1. Miiddelpolder.

Linksboven, L aaanleg

van ee en dammetjes die het moge gelijk maakt het h gebied

hydrrologische

te isoleren. Rechtsboven,

stuww

t.b.v. inlaa at en uitlaat van v oppervlakktewater.

Mid dden links,

drasssige

conditiess

langs één van v de haarvvaten;

Midden n rechts, beg grazing door runderen; Li inksonder,

bodeemwaterraai

bbuiten

het flexp peilgebied; RRechtsonder,

bodemwaterra

b aai buiten het fflexpeilgebied

d.

75


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Voor dee

ontginningg

was er ter

plaatse vaan

De Midd delpolder ee en laagveenggebied

langs s het

veenriviiertje

de Ammstel.

De ontg ginning van het gebied is i gestart in de Middeleeeuwen

omstr reeks

1200 AAD.

Hierbij is het veen n in de Middelpolder

grotendeels afgegravenn,

waardoor een

droogmaakerij

is ontsstaan.

In het flexpeilgebiied

(het Bov venland) is he et veen echteer

blijven lig ggen.

Dit kommt

omdat hett

gebied in kerkelijk k bezzit

was en ni iet is verkoch ht voor veennafgraving.

In I de

lithologiische

profiellen

is de veenlaag

duidellijk

te zien die d nog aanw wezig is in heet

flexpeilgebied,

maar afggegraven

is iin

de directe e omgeving. Deze veenla aag is ca. 4 meter m dik. DDaaronder

bev vindt

zich de llaag

moerigee

zandige kle ei / kleiige zaand

die in de e omgeving van v het flexppeilgebied

aan

het

oppervlaak

ligt.

Het flexxpeilgebied

iis

geïsoleerd d van de ommgeving

doo or dammetjes s (figuur 4.44.1).

Middels s een

stuw wordt

indien nodig wate er ingelatenn

of uitgelat ten. Het fle expeilgebiedd,

eigendom van

Landschhap

Noord-HHolland,

is via pacht in landbou uwkundig gebruik g en de ecologi ische

doelstelllingen

in heet

gebied be ehelzen eenn

goed wei idevogelbehe eer en de oontwikkeling

van

interessaante

sloot-

en oeverv vegetaties. HHet

waterpe eil buiten he et flexpeilgeebied

volgt een

tegennattuurlijk

verlloop

met hogere

waterrstanden

in de zomer (-2,40 m NNAP)

en la agere

waterstaanden

in de winter (-2,4 45 m NAP) ). Binnen he et flexpeilgebied

mag hhet

waterpeil l vrij

variërenn

tussen -2,555

m NAP) en n -2,25 m NAAP.

Figuur 44.4.2.

Bemonssteringslocatie

es in de Midddelpolder.

He et flexpeilgebi ied is rood ommlijnd.

Linkso onder

(inzet) iss

duidelijk te zien hoe in 2010 een nieeuwe

hoofdwa atergang aan de oostkant van het gebi ied is

gegravenn

om het natuuurgebied

te ku unnen isolerenn

van de rest van v de polder.

76


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Een deel van de monsterpunt ten ligt binneen

en een deel

buiten het t flexpeilgebiied

(figuur 4.4.2). 4 Op

een locatie grennzend

aan een e brede slooot

is een raai r geïnstalleerd

t.b.v. bodemwater ranalyses

(oevverraai

A). HHetzelfde

is gedaan g langss

een sloot buiten b het fle expeilgebiedd

(oeverraai B). B Voor

de loocatie

buitenn

het flexpeilgebied

is gekkozen

voor een e locatie met m een venigge

ondergron nd.

4.4.22

Oppervlakktewater

We zien dat het oppervlakte ewaterpeil in het flexpeilgebied

diep uitzakt in heet

droge voorjaar

van

2011(figuur

4.44.3).

Buiten n het flexxpeilgebied

oppeervlaktewateer.

gebeurt dit niet dooor

de inl laat van

.

Figuuur

4.4.3. OOppervlaktewa

aterpeilverlooop

binnen het h flexpeilge ebied (peilbuuis

2) en buiten

het

flexppeilgebied

(peilbuis

13).

In fiiguur

4.4.4 een

4.4.5 word dt het verlooop

van de waterkwaliteit

t gegeven vooor

het flexpe eilgebied

en dde

monsterpuunten

buiten het flexpeillgebied.

Binn nen het flex xpeilgebied hhebben

we te t maken

met verschillen tussen de br redere waterggangen

(mon nsterpunten 49, 4 219, 2200,

222) en de smallere

‘haaarvaten’

(moonsterpunten

n 217 en 218)

van he et gebied. Twee T van dde

oppervlak ktewater-

meeetpunten

ligggen

net buite en de aangellegde

damm metjes die het t flexpeilgebbied

afsluiten n van de

omggeving.

Het flexibel peillbeheer

heef

en dde

waterhardhheid

zijn vee

is zzeer

hard ( (de gemidde

flexppeilgebied

liigt

de alkalit

rondd

de 2600 µmmol

L

in hhet

flexpeilge

binnnen

het flexp

de hhaarvaten

wo

-1 ft een duidellijk

effect op p de waterkw

el hoger buiteen

het flexpe eilgebied. He

elde alkaliteiit

ligt tussen n de 4800

teit rond de 1700 µmol L

(hard d water) vooor

de bredere

ebied. Het ge emiddelde vaarieert

van

peilgebied tot t meer dan 9900

µmol L

orden relatief

lage gemidddelde

sulfaa

-1 waliteit. De c

et water buite

en 5500 µm

(matig hard h water) v

sloten. De sulfaatconcen

370 tot 590 0 µmol L

-1

voor de sl

atconcentrati

-1 chlorideconc

en het flexpe

mol L

vo

oten buiten h

ies gemeten (

-1 centraties

eilgebied

). Binnen

het

voor de haar rvaten en

ntraties zijn ook o lager

oor de brede ere sloten

het flexpeilg gebied. In

(


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

.

Figuur 4.4.4 Verloopp

van een aan ntal oppervlakktewaterkwali

iteitsparamete ers in Middelppolder.

Er wo orden

gemiddellde

waarden ggegeven

voor sloten s die bij bbenadering

ee en vergelijkba aar verloop laaten

zien. De grijze g

lijn staat t voor het oppeervlaktewaterp

rpeilverloop biinnen

het flexp peilgebied..

Het oppervlaktewateerpeil

in het flexpeilgebied

wordt in belangrijke mate door nneerslag

gestu uurd.

Een uitzzakkend

watterpeil

in het t flexpeilgebbied

moet bij j gelijkblijve end (of zelfss

stijgend, fi iguur

4.4.2) wwaterpeil

buiiten

het flex xpeilgebied wworden

geco ompenseerd door de inllaat

van Am mstel-

water. WWe

zien dat deze inlaat tijdens het droge voorjaar

van 2011

leidt tot eeen

sterke stij jging

van de aalkaliteit

en dde

chloride- en e de calciumm+magnesiu

umconcentrat ties buiten heet

flexpeilgebied.

In het fflexpeilgebieed

blijven de eze concentrraties

veel lager omda at het harde en chloride erijke

Amstelwwater

niet wwordt

ingelate en. Hier vinndt,

met nam me in de haa arvaten, een toename va an de

chlorideeconcentratiee

plaats door r indampingg.

In juli 2011 2 dalen de d concentraaties

buiten n het

flexpeilvvak

door verrdunning

me et regenwateer

na de hef ftige regenbu uien van hallf

juli 2011. Een

soortgelijke

scherpe daling is oo ok zichtbaar tussen nove ember en dec cember 20111

en eind jun ni en

begin auugustus

20122.

De sulfaa atconcentratiee

buiten het flexpeilgebi ied volgt hett

verloop va an de

oppervlaaktewaterpeiilen

van het flexpeilgebiied.

Dit laat t zien dat na atte periodenn

(veel neer rslag)

leiden toot

een toenamme

van de su ulfaatconcenttraties

van he et oppervlakt tewater en dr droge periode en tot

een dalinng.

Dit suggereert

dat uit tspoeling vann

sulfaat uit de bodem na aar het oppeervlaktewater

r een

belangrij ijke rol speellt.

De sulfaa atconcentratiee

van het oppervlaktew

o water wordt eenerzijds

bep paald

door aannvoer

via uitspoeling

en (in de warmmere

maande en van het ja aar) door redductie

van su ulfaat

78


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

in dde

onderwateerbodem.

Zo owel buiten als binnen het flexpeilgebied

leidt t de stijging van het

oppeervlaktewateerpeil

in ju uli tot een sterke stijging

van de d sulfaatcooncentratie

van het

oppeervlaktewateer.

Uiteindeli ijk blijven de sulfaatco oncentraties binnen het flexpeilgebied

lager

dan buiten het fflexpeilgebie

ed. In de haaarvaten

neem mt de sulfaa atconcentratiie

in juli ste erker toe,

moggelijk

vanweege

een ste erkere uitspooeling

van sulfaat vana af de oeverrs

en een geringere g

wateerdiepte.

De sulfaatconce entraties nemmen

vervolge en in augustu us ook weer sterk af in haarvaten,

wat kan duiden op een sterk ke sulfaatredductie

in de onderwaterb bodems van de haarvaten n. Alleen

na dde

extreme drroogte

in het t voorjaar vaan

2012 zien n we een toen name van de e sulfaatconcentraties.

Daaarna

nemen dde

concentrat ties af in de warme maan nden en blijv ven ze bij beenadering

gelijk

in de

koudde

winterperriode.

In de haarvaten bblijven

de su ulfaatconcent traties vanaf f augustus 20 011 laag.

Dit ssuggereert

dat

de aanvoe er van water r uit de hoof fdwatergang, waar de sulffaatconcentr

raties jaar

rondd

hoger zijn,

beperkt is. Dit wordt bbevestigd

do oor de lagere chlorideconncentraties

en n ook de

lageere

alkaliteit in de haarva aten. Buiten het flexpeil lgebied neem mt de sulfaattconcentratie

e af in de

zommer

mede als gevolg van sulfaatreducctie.

In de ho oofdwatergan ngen van hett

flexpeilgeb bied blijft

de suulfaatconcenntratie

in de zomer hoogg.

Dit beteken nt waarschijn nlijk dat de ssulfaatreductie

van de

ondeerwaterbodemms

niet heel l erg fors is maar in ie eder geval da at de netto ssulfaatconsumptie

de

nettoo

sulfaataanvvoer

als gevo olg van uitsppoeling

uit de e percelen in evenwicht hhoudt.

Figuuur

4.4.5 Verlloop

van een aantal a oppervvlaktewaterkw

waliteitsparameters

in de Mi Middelpolder. Er E worden

gemiiddelde

waardden

gegeven voor sloten ddie

bij benad dering een ver rgelijkbaar vverloop

laten zijn . De

grijzze

lijn staat vooor

het opperv vlaktewaterpeiilverloop

binn nen het flexpei ilgebied..

79


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

De nutriëntenconcentraties van de waterlaag (nitraat, ammonium en fosfor/fosfaat) zijn hoog en

voor fosfor en fosfaat zelfs zeer hoog. De fosfor- en fosfaatconcentraties zijn binnen het

flexpeilgebied extreem hoog en 5 tot 10 maal hoger dan buiten het flexpeilgebied. Hierbij worden

de hoogste concentraties gemeten in de haarvaten. Verder valt op dat in het flexpeilgebied de

fosfor- en ortho-fosfaatconcentraties het laagste zijn in de winter. In de winterperiode vindt er

netto afvoer plaats van P omdat er een doorstroming van het systeem plaatsvindt vanaf het

moment dat het maximale waterpeil is bereikt. In de zomerperiode wordt het gebiedseigen water

vastgehouden en accumuleert het P dat via uitspoeling of nalevering uit de onderwaterbodem in

de waterlaag terecht komt. Dit geeft aan dat isolatie van nutriëntenrijke gebieden negatief uitpakt.

Voor stikstof (nitraat en ammonium) zien we een omgekeerd beeld en zijn de concentraties over

het algemeen hoger in de winter. Vanaf oktober lopen de nitraat- en de ammoniumconcentraties

op. Hierbij piekt de ammonium concentratie in november/december en de nitraatconcentratie in

december/januari. Deze piek wordt veroorzaakt doordat er vanaf het najaar geen assimilatie van

stikstof meer plaatsvindt door algen en planten. Het stikstof dat vrijkomt bij afbraak, nalevering

uit de bodem en uitspoeling vanuit de oevers wordt niet meer opgenomen en tevens vindt er ook

veel minder denitrificatie plaats in de onderwaterbodems. In het voorjaar zien we de

stikstofconcentratie weer sterk dalen als gevolg van stikstofassimilatie door organismen. Hoewel

nitraat vrijwel afwezig is in de zomer treden er nog wel ammoniumpieken op in de waterlaag. Dit

vindt normaal gesproken vooral plaats wanneer het water tijdelijk zuurstofarm wordt en er geen

oxidatie van ammonium (nitrificatie) meer plaatsvindt. In de haarvaten meten we dit terug in de

droge periode in het voorjaar van 2011.

4.4.3 Onderwaterbodem

De twee onderzochte onderwaterbodems hebben hoge concentraties aan opgelost fosfor en

ammonium en maar weinig opgelost ijzer. De potentiële nalevering van P en ammonium uit de

slootbodems is dan ook hoog. Dit geldt zowel voor de sloot in het flexpeilgebied (locatie 49) als

de sloot buiten het flexpeilgebied (locatie 176). Buiten het flexpeilgebied vindt doorstroming

plaats met boezemwater waardoor de nageleverde nutriënten ook weer worden afgevoerd terwijl

deze in het geïsoleerde flexpeilgebied accumuleren. De bodemanalyse laat ook zien dat er veel

meer zwavel dan ijzer in de bodem aanwezig is waardoor het ijzer grotendeels gebonden is aan

gereduceerd zwavel. Hierdoor is de capaciteit van de bodem om fosfor te binden relatief laag en

is er ook maar weinig ijzer in opgeloste vorm aanwezig in het bodem water (zie hoofdstuk 3).

Tabel 4.4.1 Eigenschappen van de onderwaterbodems. De bodemvochtconcentraties zijn de gemiddelde

waardes van alle bemonsteringsdata. De bodemconcentraties worden gegeven per liter bodemvolume.

Bodem Bodemvocht

% µmol L ‐1

µmol L ‐1

µmol L ‐1

mol mol ‐1

80

µmol L ‐1

µmol L ‐1

µmol L‐1 µmol L ‐1

µmol L ‐1 mol mol ‐1

Org. Stof tot‐Ca tot‐Fe tot‐S tot Fe/S tot‐P Anorg N NH4 Fe P Fe/P

49 90.8 62.8 4.4 42.7 0.10 0.8 717.0 484.6 1.7 87.2 0.02

176 85.4 93.3 13.7 194.4 0.07 2.2 1564.1 779.4 4.3 81.9 0.05


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

4.4.44

Oeverraaiien

Figuuur

4.4.6 Het organische st tofgehalte en dde

totaal-zwav vel-. totaal-ijz zer-, totaal-caalcium,

totaal-f -fosfor- en

tot Anorganischee

stikstofconc centraties vaan

de bodem ms uit de oeverraaien o

in Middelpo older. De

monssterpunten

woorden

voor de e raai in het fl flexpeilgebied en de raai buiten

het flexppeilgebied

geg geven van

nat (in het opeenwater,

links ks) tot droogg

(op de oe ever, rechts). . 25, 50 enn

100 staat voor de

bemoonsteringsdieppte

in cm.

In fiiguur

4.4.6 wworden

de bo odemeigenschhappen

gege even van de bodems b uit dde

bodemwat terraaien.

We zien dat vooor

beide raa aien de zwavvelgehalten

toenemen t in de diepte. DDe

ijzerconc centraties

nemmen

juist af inn

de diepte. De D organischhe

bodems zi ijn rijk aan zwavel z en alss

gevolg van n oxidatie

van het veen is het gereduceerde

zwaveel

in de topla aag van de bodems b geoxxideerd

tot sulfaat

en

deells

uitgespoelld.

In de di iepere bodemms

die nog g niet aan zuurstof z zijnn

blootgestel ld, is dit

81


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

gereduceeerd

zwavel nog aanwez zig. De bodeems

bevatten n ook geredu uceerd ijzer in de vorm m van

ijzersulffide.

Dit ijzeer

wordt onder

invloed van oxidati ieprocessen geoxideerd tot driewaar rdige

ijzer(hyddr)oxiden

diee

slecht oplo osbaar zijn enn

in de bode em achterblijven.

Een sooortelijke

gradiënt

zien we ook vanaf dde

sloot het weiland w in. DDicht

bij de sloot is het gemiddeld nnatter

en vin ndt er

veel minnder

oxidatiee

plaats. Hier rdoor zijn de zwavelconc centraties dicht

bij de oevvers

juist hog ger.

.

Figuur 44.4.7

Verloopp

van de sulfa faat-, fosfor- een

ijzerconce entratie in het

ondiepe boddemwater

voo or de

bodemvoochtraaien

binnen het flexpeilgebieed

(links) en n buiten het

flexpeilgebbied

(rechts). . De

locatienuummers

lopen op van nat (5 51 c.q. 178) naaar

droog (56 6 c.q. 180). De e grijze lijn geeeft

het verloop p van

de gronddwaterstand

mmidden

in de ra aai.

Figuur 44.4.7

geeft hhet

verloop van v de sulfaaat-,

ijzer- en fosforconcentraties

in dde

toplaag va an de

bodems. . Het boddemvocht

van v de raaai

buiten het flexpei ilgebied laaat

veel ho ogere

82


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

sulfa faatconcentraaties

zien dan n de raai binnnen

het flexp peilgebied. Binnen B het fl flexpeilgebied

zakken

de ggrondwatersttanden

gemid ddeld minderr

diep uit ma aar tijdens het

zeer drogge

voorjaar van v 2011

zakkken

de gronddwaterpeil

ju uist dieper wweg.

Het hoog gst gelegen deel d van de e oever (locatie

56) is

hier echter mindder

rijk aan zwavel z waarddoor

de pote entiële mobil lisatie van zwwavel

lager is. In de

raai buiten het fllexpeilgebied

d zien we eenn

merkwaard dig verloop van v de sulfaaatconcentraties.

In het

hooggstgelegen

ppunt

(locatie e 180) beginnt

de toena ame van de sulfaatconccentratie

het vroegst,

gevoolgd

door dde

lager geleg gen locaties 179 en 178. . De sulfaatc concentratie op locatie 179 1 piekt

een maand later dan op locat tie 178.

Een verklaring hhiervoor

kan worden gevo

juli 2011, vindtt

er op de lo ocatie buiten

gronndwaterstandden

ten opzic chte van het

een sterke stijginng

van de su ulfaatconcen

(lagee

oever) vindt

dus waars schijnlijk gee

sulfa faat wordt dooor

oxidatie van het vee

vanaaf

het moment

dat de wa aterpeilen in h

percceel

naar de ssloot

ontstaat.

Opvallend

niet verder daleen

dan 400 00 µmol L

laagggelegen

oevver

daalt d

Waaarschijnlijk

vvindt

er hier b

-1

onden in de grondwaterstanden

in dee

percelen. Vanaf V half

n het flexpe eilgebied een n sterke opbbolling

plaats

van de

slootpeil (fi iguur 4.4.8). Vanaf dat mmoment

zien n we ook

ntratie bij loc catie 178 (de e oever). Opp

de natte loc catie 178

en sulfaatmo obilisatie pla aats door oxiidatie

ter ple ekke. Het

en vrijgemaakt

in het pe erceel en spooelt

uit naar de sloot

het perceel stijgen s en er een stijghooogtegradiënt

vanaf v het

d is dat de sul lfaatconcentr ratie op de hhoger

gelegen n locaties

1

. Dit is blijkbaar b de evenwichtssconcentratie

e. Op de

e concentraatie

wel weer

tot waar rdes onder de 1000 µ mol L

behalve uitwwisseling

me et de waterlaa ag ook sulfaaatreductie

pla

-1 .

aats.

Figuuur

4.4.8 Verrloop

van de freatische f groondwaterstand

den voor de raai r binnen heet

flexpeilgebi ied (links)

en dde

raai buiten het flexpeilge ebied (rechts). . Peilbuis 11 en 15 liggen ver van de oeever

op het midden

van

het pperceel.

De ovverige

peilbui izen zijn geraangschikt

van de sloot (peil lbuis 2 en 13) ) de oever op en liggen

steedds

binnen de bbodemwaterra

aai. Peilbuis 3 ligt op 3,5 meter m uit de oe ever en peilbuuis

12 op 7 me eter uit de

oeveer.

Peilbuis 144

ligt op ander rhalve meter uuit

de oever.

De iijzer-

en fosfforconcentra

aties in de topplaag

van de e bodems dalen

gedurendde

de droge perioden

waaarin

de waterppeilen

uitzak kken. Dit is hhet

gevolg va an de oxidati ie van ijzer wwaarbij

fosfa aat wordt

geboonden

aan ijzzer(III)(hydr

r)oxiden. Vooor

de bodem ms binnen het t flexpeilgebiied

zien we dat d in de

laaggste

en meesst

natte delen n van de oevver

de fosfa aatconcentrat tie ook in dee

natte perio ode hoog

blijfft.

De ijzercooncentraties

variëren hieer

weinig en zijn overwe egend laag. Vermoedeli ijk is het

ijzerr

hier in gereeduceerde

vo orm aanweziig

en gebond den aan gereduceerd

zwaavel

(sulfide) ). Op de

hogeere

gelegen delen (55 en n 56) zien wee

dat de fosf faatconcentra atie sterk fluuctueert

en hoog h is in

de nnattere

periodde

(reductie) en laag is inn

de drogere e periode (oxidatie).

Op dde

niet flexpe eillocatie

83


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

zijn dee

fosfor- en de ijzercon ncentraties jaar

rond ho oog op deze e laaggelegenn

natte loc catie.

Interessaant

is hier ddat

de ijzerc concentratie afneemt mogelijk

als gevolg van de reductie e van

sulfaat ddat

vanaf het

perceel toe estroomt (ziee

hierboven) ). Hierbij wo ordt sulfide ggevormd

dat t met

het ijzerr

neerslaat. WWe

zien teg gelijkertijd ddat

de fosfaa atconcentratie

stijgt wat veroorzaakt t kan

worden door een afname van de fosfaatbbinding.

Vo oor de hoger

gelegen llocaties

blijft

de

fosfaatcooncentratie

llaag.

Voor locatie 179 is er wel een toename e van de ijze zerconcentrat tie in

augustuss

september, maar deze gaat g niet geppaard

met ee en toename van v de fosforrconcentratie

e van

het bodeemwater.

Figuur 4.4.9 Verloopp

van de su ulfaat-, fosforr-

en ijzerconcentratie

op p verschillendde

dieptes in n het

bodemwaater

voor de bodemvochtr raaien binneen

het flexpei ilgebied (links s) en buiten het flexpeilg gebied

(rechts). De grijze lijn geeft het verl loop van de grrondwaterstan

nd midden in de d raai.

84


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

In figuur 4.4.9 wordt het verloop van de sulfaat-, ijzer- en fosforconcentraties gegeven voor de

sublocaties waar ook in de diepte is gemeten. Beide locaties lagen in het weiland nabij de oever.

Op de niet-flexpeillocatie (locatie 180), wordt ook op wat grotere diepte veel hogere

sulfaatconcentraties gemeten dan in het flexpeilgebied (locatie 56). Dit hangt waarschijnlijk

samen met de gemiddelde grondwaterstanden die lager zijn in het niet-flexpeilgebied en ook de

hogere zwavelconcentratie van de bodem op locatie 180. We zien met name een toename van de

sulfaatconcentratie in het meest geoxideerde bovenste deel van de bodem. De ijzer- en

fosforconcentratie blijft hier jaar rond laag. Op 50 cm diepte neemt tijdens het droge voorjaar van

2011 de ijzer- en fosforconcentratie tijdelijk af waarschijnlijk omdat dit deel van de bodem

tijdelijk geoxideerd wordt. Opgemerkt dient te worden dat de locatie waarop de

grondwaterstanden zijn gemeten dichter bij de sloot ligt (nabij locatie 179) dan monsterpunt 180.

Zeer waarschijnlijk is het grondwaterpeil ten opzichte van maaiveld op deze locatie minstens 10

cm dieper uitgezakt dan het grondwaterpeil in grafiek 4.4.9 aangeeft (figuur 4.4.1). Op 100 cm

diepte is de bodem jaar rond waterverzadigd. De fosforconcentratie is hier constant hoog (50

µmol L -1 ). De ijzerconcentratie is laag omdat alle ijzer hier gebonden wordt aan gereduceerd

zwavel. De sulfaatconcentratie fluctueert hier tussen de 1000 en 2000 µmol L -1 en wordt

waarschijnlijk deels ook bepaald door uitspoeling van sulfaat dat vrijkomt bij oxidatie in de

toplaag van de bodem.

De locatie in het flexpeilgebied (locatie 56) is gemiddeld natter (figuur 4.4.9). Op 50 en 100 cm

diepte zijn de ijzer- en de fosforconcentraties jaar rond hoog waarschijnlijk omdat hier nauwelijks

oxidatie optreedt. De ijzerconcentraties zijn gemiddeld laag vanwege de binding aan gereduceerd

zwavel. In de toplaag zien we immobilisatie van fosfor en ijzer gedurende het droge voorjaar, als

gevolg van oxidatie processen in de toplaag. Onder nattere condities wordt het ijzer gereduceerd

waarbij het ijzer en fosfor oplossen.

Samenvattend zien we voor de Middelpolder dat nattere condities leiden tot een toename van de

mobiliteit van fosfor en drogere condities tot een toename van de mobiliteit van zwavel (sulfaat).

4.4.5 Conclusie

Het overall effect van flexpeil op de waterkwaliteit is negatief vanwege de forse toename van de

fosfor/fosfaat concentraties in het oppervlaktewater. Nalevering van fosfaat uit de

onderwaterbodem en mogelijk ook uitspoeling van fosfaat uit de oevers/percelen is een dominant

proces in dit gebied en een langere verblijftijd van het water pakt hier slecht uit. Een positief

aspect is dat de sulfaatbelasting en de alkaliteit van het oppervlaktewater afnemen, maar deze

wegen niet op tegen de forse toename van de fosfaatconcentraties binnen het gebied. Wel is het zo

dat de P concentraties in 2011 hoger waren dan in het jaar 2012. Droge jaren (minder afvoer) zijn

dus relatief slecht voor de waterkwaliteit binnen het flexpeilgebied waarschijnlijk ook vanwege de

langere verblijftijd.

Het zou interessant zijn om te experimenteren met een beijzering van de onderwaterbodem.

Hierdoor kan de fosfaatbinding en de ijzerbeschikbaarheid in de onderwaterbodems worden

verhoogd, waardoor in ieder geval de interne nalevering van fosfor vanuit de onderwaterbodem

afneemt.

85


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

4.5 Muuyeveld

4.5.1 Inlleiding

Het flexxpeilgebied

MMuyeveld

(2 26,7 km

4.5.1). DDeze

polder ligt ten we

Breukelvveense

plas, de Tienhov

van peillvak

60-1 beestaat

uit op

gezien meer land dan wate

verkavellingspatroonn

wordt dit ge

Het gebiied

met het ffeitelijke

ster

2 ) iss

peilvak 60-1

van polde er Muyeveldd

(zie afbeel lding

esten van Hiilversum

en bestaat uit de Loosdrecchtse

plassen n, de

vense plas, dde

Vuntus-pl las en de Kievitsbuurt.

HHet

grootste deel

pen water. HHet

oostelijk ke deel van Muyeveld hheeft

percen ntueel

r, in het westelijk deel d is dit t andersom. . Vanwege het

ebied ‘De Grroene

Ster’ ofwel o ‘De Ster

van Loosddrecht’

genoemd.

rpatroon valt t buiten het flexpeilgebied

fl d in peilvak 60-2,

Figuur 44.5.1

Polder MMuyeveld

besta aat uit 10 peillvakken,

het gr rootste westel lijk peilvak, 600-1,

is het vak k met

flexibel ppeilbeheer

en ddat

meedoet in n het project FFLEXPEIL.

In het Pleistoceenn

is een dik d pakket zand en grind g afgezet

in Muyyeveld.

Dit zijn

smeltwaaterafzettingeen

en dekzan nden uit de ijjstijden.

Er zit z een duide elijke oost-we west georiënte eerde

helling iin

de bovenkkant

van dit zandpakket door de ligging

van de Utrechtse HHeuvelrug

aa an de

oostkantt

van Muyevveld.

Het geb bied lag ‘in de luwte’ va an de stuww wal, waardoor or een relatief

dik

pakket ddekzand

dooor

de wind is s afgezet. Inn

het Holoce een is door de d stijgende zeespiegel en e de

meestijggende

grondwwaterstanden

n een veenpaakket

ontstaa an. De dikte van dit veennpakket

neem mt af

van circa

5 meter in het westelijk ke deel van MMuyeveld

to ot 0 meter in het oostelijkke

deel. De rivier r

de Dreccht

liep vann

oost naar west door hhet

gebied vanaf v de Ut trechtse Heuuvelrug

door r het

veengebbied

naar de Vecht. De Drecht is noog

goed herk kenbaar als de centrale watergang in i de

Groene Ster waar dde

sloten en n petgaten opp

uitkomen. Ten zuiden n van Oud-LLoosdrecht

is i de

86


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Dreccht

verdwennen

onder he et waterpeil en zijn de oeverwallen n weggeëroddeerd.

In het t westen,

paraallel

aan de BBloklaan,

lig ggen de oeveerwallen

van de Drecht weer w boven hhet

waterpeil en loopt

de riivier

door tot

aan de Vec cht.

Figuuur

4.5.2. MMuyeveld.

Lin nksboven, Raaai

A op ee en brede ge eplagde oeveerstrook;

Rec chtsboven,

verlaandingsvegetaatie

gelegen tu ussen raai A een

B met wat terdrieblad en n moerasvarenn.

Midden link ks, Raai B

verdderop

langs ddezelfde

sloot in weiland. MMidden

recht ts, Raai C bij j Tienhovensee

plasens; Li inksonder,

wateerplantenvegetatie

bij raai C; C Rechtsondeer,

de Schaats sbaan (locatie e 236).

87


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

Het flexpeilgebied Muyeveld bestaat voor het grootste deel uit open water waarvoor geen

bodemtype is vastgesteld. Door de variatie in de dikte van de veenlaag is een gradatie in

bodemtypen aanwezig. De Vereniging Natuurmonumenten heeft in Muyeveld een aantal

natuurgebieden in beheer. De Loosdrechtse plassen maken onderdeel uit van het Natura2000

gebied, de Oostelijke Vechtplassen. Het Natura2000-beheer doel is een zo hoog mogelijke

diversiteit aan levensgemeenschappen die karakteristiek zijn voor een laagveenplassenlandschap

aan de voet van een stuwwal. Om dit te realiseren moet zowel in de eutrofe als in mesotrofe

milieus alle stadia uit de verlandingsreeks aanwezig zijn. De Groene Ster in het oostelijke deel

van Muyeveld is voor een deel in gebruik voor veehouderij. Deze agrarische percelen liggen met

name in de oostelijk gelegen peilvakken 60-2 t/m 60-9 en hebben een jaar rond peil. De plassen

functioneren als recreatiegebied. Bij de keuze van het flexibel peilbeheer is rekening gehouden

met alle functie’s in dit peilvak (watergebiedsplan Zuidelijke Vechtplassen, 2008).

De ecologische kwaliteit van de plassen is onvoldoende. Verlanding vanuit de oevers komt niet

goed op gang, het doorzicht is slecht en er komen nagenoeg geen kranswieren, fonteinkruiden en

krabbescheer voor. Het gebied is bovendien gevoelig voor blauwwierbloei en botulisme. Het

waterbeheer is erop gericht de ecologische waterkwaliteit te verbeteren door de toevoer van

nutriënten via inlaatwater te verminderen, natuurvriendelijke oevers te ontwikkelen en de visstand

te verbeteren.

Muyeveld had officieel een vast zomerpeil van de -1,15 m NAP en een vast winterpeil van -1,05

m NAP. In de praktijk bleek het peil echter te variëren tussen -1,18 en -1,05 m NAP (Borren e.a.

2012). Men greep wel in om het peil naar de streefpeilen te brengen. In de toekomstige situatie

met flexibel peilbeheer mag het peil vrij variëren tussen -1,20 en -1,05 m NAP. Bij watertekorten

kan water worden ingelaten vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal. Dit inlaatwater wordt

gedefosfateerd. In nattere periodes ontvangt Muyeveld ook (ongezuiverd) water uit omliggende

gebieden (o.a. uit de Bethunepolder, Oostelijke Binnenpolder van Tienhoven, Westbroekse

zodden, Molenpolder en de polder Ganzenhoef). In verband met de pleziervaart lekt er via de

sluis (lekwater en schutwater) ook relatief veel water vanuit de Vecht naar de Loosdrechtse

plassen. Indien het peil boven -1,05 m NAP stijgt dan wordt het overtollige water uit Muyeveld

via gemaal Loosdrecht op de Vecht geloosd.

4.5.2 Tienhovense Plassen

Het onderzoek in Muyeveld heeft zich toegespitst op de Tienhovense Plassen en de

Loosdrechtse zodden. In de Tienhovense Plassen werd op een drietal locaties de

oppervlaktewaterkwaliteit gevolgd (zie figuur 4.5.3). De resultaten worden gegeven in figuur

4.5.4.

De oppervlaktewaterpeilen vertonen een typisch verloop. In de periode voor het instellen van het

flexibel peilbeheer wanneer het peil stijgt tot het maximum toelaatbaar peil wordt er uitgemalen

tot het streefpeil. De meetlocaties van Flexpeil liggen decentraal in klein water en er is een

vertraging te zien van het centrale peilbeheer op de plassen. Het geïsoleerde karakter blijkt

verderop ook uit de waterkwaliteit. Vanaf 1 oktober 2011 is het nieuwe flexibele peil gefaseerd

ingesteld waardoor het gemiddelde peil van 6 metingen rondom de plassen in de zomer mag

uitzakken tot -1,18 m NAP, op individuele plaatsen kan het peil lager staan door windeffect of

geïsoleerde ligging. Het gaat voor het minimum peil dus gemiddeld slechts om een paar

88


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

centtimeter.

Vaanaf

1 okt tober worddt

het peil l losgelaten n alleen aals

het gem middelde

oppeervlaktewateerpeil

hoger of o lager worrdt

dan -1,05 5 of -1,18 wo ordt respectieevelijk

uitge emalen of

ingeelaten.

Het vvoorjaar

van 2012 was reelatief

nat en n er waren ve eel extreme zzomerse

bui ien. Door

het nnieuwe

peilbbeheer

en he et bijzonderee

weerbeeld van 2012 is er in het eerrste

jaar met t flexibel

peilbbeheer

75% minder wat ter ingelatenn

ten opzicht te van het gemiddelde g vvan

de voorg gaande 8

jaar. .

Figuuur

4.5.3 Liggging

van de mo onsterlocatiess

van de opper rvlaktewaterm monsters (blauuw)

en de

bodeemwaterraai(ooranje)

in de Tienhovense T pplas.

Het water is maatig

hard met t relatief lagge

sulfaatcon ncentraties (<


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Figuur 4.5.4 Verlooop

van een aantal oppeervlaktewaterk

kwaliteitspara ameter (zwarrte

lijn)s voo or de

Tienhoveense

plas. Hett

gaat om de gemiddelde wwaardes

van drie d sublocati ies. Op de recchter-as

word dt het

verloop vvan

het oppervvlaktewaterpe

eil ter plaatse ggegeven.

De orthho-fosfaat

en fosforconce entraties van de waterlaag g zijn relatief f laag, maar de concentr raties

zijn niett

lager in 20112

dan in 201 11. De ortho-fosfaat

conc centraties lijk ken zelfs ietss

hoger te zij jn. In

2012 piiekt

de fosfoorconcentrati

ie op 31 meei.

Deze pie ek valt same en met een stijging van n het

oppervlaaktewaterpeiil

na drie nat tte dagen (8, , 9 en 10 me ei). Dit sugge ereert dat er r mogelijk an ndere

fosforbrronnen

zijn ddie

niet samenhangen

mmet

inlaat ma aar met uitsp poeling of tooestroming

van v P

rijk water.

We zienn

deze piek ook terug oop

andere, do och niet alle e, locaties in Muyeveld d (zie

hierna). Het is niet wwaarschijnlijk

dat de fosfforpiek

te ma aken heeft met m de inlaat van water om mdat

het inlaaatwater

gedeefosfateerd

wordt w en de stijging van n P concentr ratie fors is. Uitspoeling g kan

voor eenn

locatie als dde

Tienhove ense plassen ooverigens

be est een releva ante bron zijnn

omdat hier r nog

relatief vveel

oeverzoone

aanwezig g is.

90


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Figuuur

4.5.5 Veerloop

van een e aantal opppervlaktewaterkwaliteitsparameters

(zzwarte

lijn) voor de

Tienhovense

plas. . Het gaat om m de gemiddellde

waardes van v drie sublocaties.

Op dde

rechter-as wordt het

verlooop

van het opppervlaktewat

terpeil (grijze lijn) ter plaa atse gegeven.

In fi figuur 4.5.6 wwordt

het ve

(zie figuur 4.5.22

en 4.5.3) in

zijn een aantal mmissende

dat

is heet

verloop vaan

de chemis

chaootisch.

Opvaallend

is de

worddt

gemeten oop

31 mei 20

en zzou

mogelijkk

kunnen wo

het nog iets dieper we

piekkconcentratiees.

De mate

gronndwaterstandd

maar ook v

algeemeen

wordeen

hoger op

daleende

sulfaatconcentraties

een stijging van de grondwa

de bbodemchemie

ter plekke

waaarden

van 155

µmol L

kunnnen

bijdrage

Dit wordt beves

-1 rloop van eeen

aantal che emische para ameters gegeeven

van oev verraai C

n samenhangg

met het ve erloop van het h grondwatterpeil

ter pl laatse. Er

ta omdat de bbemonsteringscup

een aa antal malen iis

ontvreemd d. Verder

sche parametters

voor de locatie hoog g op de oeverr

(locatie 15 52) nogal

fosforpiek een

de ammon niumpiek die e laag op dee

oever (loca atie 151)

011. Deze pieek

valt same en met de laa agste grondwwaterstand

in de oever

orden veroorz rzaakt door mineralisatie

m van het veeen.

In mei 2012

leidt

egzakken vvan

de gro ondwaterstan nd echter niet tot dergelijke d

e waarin de bodem uitd droogt, hang gt echter niiet

alleen af f van de

van de neersllag.

Het voorjaar

van 2011

was extreeem

droog. Over het

p de oever hogere sulf faatconcentra aties gemeteen.

Opvallen nd is dat

samengaan met stijgend de ijzer- en fosforconcent

fo traties en volgen v op

aterstanden. Dit suggere eert dat redox xprocessen ( (natter versus

droger)

sterk beïnvlloeden.

De fosforconcen

f ntraties in dee

oevers lope en op tot

. Hoewel H dit nniet

erg hoo og is, laat he et wel zien ddat

de oevers

zouden

en aan de P belasting b vann

het opperv vlaktewater wanneer w het tot afspoelin ng komt.

stigd door de d bodemcheemische

an nalyses van de bodems (figuur 4.5.7 7). In de

91


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Tienhovvense

plassenn

is één onde erwaterbodem

organiscche

bodem met een relatief

ongun

fosforcooncentratie

vvan

20 µmol L

aanweziig

waardoorr

de nalever

zuurstoffhoudend

is.

Afgaande

represenntatief

is vooor

gehele pla

-1 m bemonster rd (tabel 4.5. .1, no. 150). Het gaat om m een

nstige ijzer/z zwavel verh houding en een gemidd delde

. Wel iss

er nog veel meer ijzer dan d fosfor inn

het bodemv vocht

ring uit de oonderwaterbodem

laag zal z zijn zolaang

de water rlaag

op het geeanalyseerde

e monster (dat ( natuurllijk

niet pe er se

s), is de naleevering

uit de d onderwate erbodem bepeerkt.

Figuur 4.5.6 Verlooop

van de alkaliteit enn

de sulfaat-,

calcium+m magnesium- ffosfor-,

ijzer r- en

ammoniuumconcentratiie

(blauwe lij jnen) in het boodemwater

vo oor de bodemw waterlocaties van raai C op p een

legakker bij de Tienhoovense

Plassen n (zie figuur 44.5.3).

Daarna aast wordt de grondwatersttand

(grijze lij jn) in

de oever t.o.v. Maaiveld

gegeven vo oor de peilbuiss

gelegen midd den in de raai i.

92


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Figuuur

4.5.7 Enkeele

bodemchem mische eigensschappen

van de bodems uit

de oeverraaaien.

De mons sterpunten

wordden

geordend van nat (links s) tot droog ( rrechts).

25, 50 0 en 100 staa at voor de bemmonsteringsdie

epte in cm

(zie vvoor

de ligginng

figuur 4.5.2 2 en 4.5.8).

Tabeel

4.5.1 Eigennschappen

van n de onderwatterbodems.

De

bodemvocht tconcentratiess

zijn de gemid ddelde

waarrdes

van alle bbemonstering

gsdata. De boddemconcentra

aties worden gegeven g per liiter

bodemvolume.

Bodem

%

844

Org. Stof

2,0

955

0,6

1500

73,9

µmol L ‐1

µmoll

L ‐1

µmol L ‐1

tot‐Ca tot‐FFe

tot‐S

33,3 188,3

5,0

15,6 211,4

3,2

63,6 200,6

26,8

mol mol ‐1

93

µmmol

L ‐1

µmol L ‐1

Bodemvoccht

µmol L‐1

tot Fe/S ttot‐P

Anorg N NH4

3,6 1,6 80, ,1 4,2

6,6 1,4 813, ,8 644,4

0,8 2,9 131, ,5 11,1

µmol L ‐1

Fe

46,0

138,1

147,6

µm

mol L ‐1 mol mol ‐1

P Fe/P

0,8 56,37

1,1 129,21

21,9 6,73


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

4.5.3 Looosdrechtse

Zodden (ste ergebied)

In het sstergebied

(LLoosdrechtse

e Zodden) ziijn

op een vijftal v locatie es oppervlakktewatermon

nsters

verzameeld

(zie figuuur

4.5.8). In figuur 4.5.99

wordt het verloop van n de oppervllaktewaterch

hemie

gegevenn

voor de maacroionen

in relatie tot hhet

verloop van v de grond dwaterstand tter

plaatse. Twee T

van de locaties ( (83 en 94) ) lagen in dezelfde sloot en li ieten een vvrijwel

iden ntiek

concentrratieverloop

zien. Hiervo oor worden dde

gemiddeld de waarden gegeven. g

Figuur 44.5.8

Ligging vvan

de monste erlocaties vann

de oppervlak ktewatermonst ters (blauw) een

de

bodemwaaterraai(oranjje)

in het sterg gebied.

De chloride-

en sulffaatconcentra

atie van het oppervlakte ewater neme en toe in heet

droge voo orjaar

van 2011,

als gevolgg

van de inla aat van oppeervlaktewater

r. Deze toe ename is echhter

verreweg g het

sterkst vvoor

locatie 234. Deze is i gelegen inn

de centrale e watergang die gevormmd

wordt doo or de

voormallige

Drecht. Op de ander re locaties bliijven

sulfaat t- en chloride econcentratiees

in het voo orjaar

van 2011

veel lager. Dit duidt er r op dat de wwaterkwalitei

it van de slot ten van het sstergebied

in n veel

minderee

mate beïnvvloed

wordt door de inlaaat

van oppe ervlaktewater r dan de plaassen.

Vana af het

najaar vvan

2011 neemen

de sulfaatconcentrraties

op de locaties 234

en 235 tooe.

Dit gaat niet

gepaard met een toename

van ch hlorideconceentraties

(figu uur 4.5.9) ma aar wel met een toename e van

de fosfoorconcentratiies

van het oppervlaktew

o water (figuur r 4.5.10). De e toename vaan

de sulfaa at- en

fosforcooncentraties

in natte periodes p kaan

niet wo orden verkl laard door de inlaat van

oppervlaaktewater.

HHet

ligt meer voor de hannd

dat er spr rake is van de d uitspoelinng

van sulfaat

en

fosfor uuit

de oeveers.

Voor fosfor f kan er ook no og sprake zijn z van naalevering

ui it de

94


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

ondeerwaterbodemms.

In de zomer

van 20112

treedt er geen g sulfaat-

en chlorideepiek

op. Dit laat zien

dat iin

2012 de inlaat

van op ppervlaktewaater

nog min nder invloed heeft gehad op de water rkwaliteit

in het stergebbied

en dat t er mindeer

uitspoeli ing heeft plaats p gevoonden.

De gemeten

sulfa faatconcentraatie

van het oppervlaktew

o water is de resultante r van n uitspoelinng/

inlaat ene erzijds en

sulfa faatreductie iin

de onderw waterbodemss

anderzijds. Op locatie 234 daalt inn

het voorja aar en de

zommer

van 2012

de sulfaa atconcentratiee

van het op ppervlaktewa ater, in tegennstelling

tot in 2011,

omddat

de sulfaaatreductie

gro oter is dan dee

input.

Figuuur

4.5.9 Veerloop

van ee en aantal opppervlaktewat

terkwaliteitspa arameters vooor

de locaties

in het

sterggebied.

Op dee

rechter-as wordt het veerloop

van he et oppervlakte ewaterpeil geg egeven. Voor de eerste

perioode

ontbrakenn

peilmetingen n in het stergeebied

en is het t oppervlaktew waterpeil van TTienhoven

opg genomen.

Opvvallend

is datt

in de twee zijsloten vaan

de Drecht de waterkwa aliteit anderss

is dan in de e Drecht.

De chlorideconncentratie

maar m ook dde

waterhar rdheid (alka aliteit en ccalcium+mag

gnesium-

conccentratie)

zijjn

bijvoorbee eld consequeent

lager. Dit t laat zien da at de sloten vvan

het sterge ebied een

eigeen

waterkwalliteit

hebben n die slechts in beperkte mate wordt beïnvloed b dooor

de water rkwaliteit

van de grote plaassen

waarme ee ze in verbbinding

staan n. In tabel 4. 5.2 zien we dat de water rkwaliteit

van het gronddwater

bij raai A en raai B ook

wordt gekenmerkt door relat tief lage

chloorideconcentrraties.

Een uitzondering

u vormt buis 9 waar het water w uit hett

eerste wate ervoerend

pakkket

een veel hogere alkaliteit,

en ammmonium-

en chlorideconc

c centratie laatt

zien.

95


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Figuur 44.5.10

Verloopp

van een aan ntal oppervlakktewaterkwali

iteitsparamete ers (zwarte enn

gekleurde lij ijnen)

voor de locaties in hhet

stergebied d. Op de recchter-as

word dt het verloop p van het opp ppervlaktewate erpeil

gegeven. Voor de eersste

periode on ntbraken peilm lmetingen in het h stergebied d en is het opp ppervlaktewate erpeil

van Tienhhoven

opgenoomen

(lichtgrij jze lijnen)..

Tabel 4.55.2

Chemischee

eigenschapp pen grondwateermonsters

Raai A

3

3

4

4

5

5

Raai B

7

7

8

8

9

9

Datum

2011‐08‐222

Oever

2012‐02‐220

Oever

2011‐08‐222

GWperc

2012‐02‐220

GWperc

2011‐08‐222

WVP1

2012‐02‐220

WVP1

2011‐08‐222

Oever

2012‐02‐220

Oever

2011‐08‐222

GWperc

2012‐02‐220

GWperc

2011‐08‐222

WVP1

2012‐02‐220

WVP1

pH Alkal.

Ca

6,2 22082

897

6,2 22736

941

6,1 22097

918

6,2 22547

942

6,2 22215

1000

6,4 22168

837

6,5 22489

981

6,4 22549

862

6,8 33904

999

6,6 22086

594

6,4 66223

2542

6,4 66412

2974

96

Mg Cl

66 388

72 382

68 387

74 411

80 337

68 372

242 528

188 576

267 557

144 483

276 1678

294 2074

SO4 FFe

P

7,5 444,2

1,1

7,5 400,6

0,5

8,3 433,5

1,4

7,3 355,2

0,7

9,9 733,2

2,4

7,4 77,6

0,4

47,7 433,3

1,9

38,1 233,7

1,9

187,1 644,3

3,0

55,2 544,0

2,4

110,1 644,9

3,0

56,1 1055,6

1,6

NO3 NH4

2,2 6,0

2,1 4,2

0,1 5,3

1,5 5,2

0,1 16,0

0,5 4,4

0,4 14,2

4,3 35,2

8,7 75,0

10,3 74,0

4,6 759,4

1,3 588,2


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

De fosfor- en ammoniumconcentratie van het oppervlaktewater worden waarschijnlijk ook door

interne processen bepaald, zoals uitspoeling vanuit het omringende land en mogelijk nalevering

uit de onderwaterbodems. Ammonium en nitraat pieken, zoals overal, vooral in de winter. In grote

lijnen zien we dat de fosforconcentraties van het oppervlaktewater het verloop van de

oppervlaktewaterstanden volgen. Stijgende waterstanden leiden tot hogere concentraties in het

oppervlaktewater. Dit suggereert dat uitspoeling uit de weilanden mogelijk een belangrijk proces

is. Over het algemeen zijn de fosforconcentraties laag voor de locatie 236 (schaatsbaan) en iets

hoger in de sloot 83/94. De concentraties zijn duidelijk hoger voor de sloten 234 en 235 die een

wat eutrofer karakter hebben.

In sloot 83/94 werden de onderwaterbodems bemonsterd (locaties 84 en 95 in tabel 4.5.1). Het

gaat om minerale bodems met zeer lage fosforconcentraties en hoge ijzerconcentraties in het

bodemwater. De potentiële fosfornalevering uit deze bodems is erg laag.

In sloot 83/94 werden twee oeverraaien onderzocht. Een van de raaien lag op een geplagd perceel

(raai A en een op een niet geplagd perceel (raai B).

In figuur 4.5.11 worden de resultaten geven voor raai A. Hier werd een raai vanaf de oever

bemonsterd (85 t/m/91) en twee locaties die wat verder van de oever af lagen op het geplagde

perceel (Riet en Veldrus). De grondwaterstanden ten opzichte van maaiveld in het geplagde

perceel zijn jaar rond hoog. De ammonium- en fosforconcentraties zijn overwegend laag. Het

bodemwater is goed gebufferd en de ijzer- en zwavelconcentraties variëren weinig door het jaar

heen. Dit correspondeert met het beeld dat de grondwaterstanden jaar rond hoog zijn, waardoor er

geen wisselende redoxcondities optreden. De sulfaatconcentraties zijn laag met op de locatie met

Veldrus een stijging tot 100 µmol L -1 in het voorjaar van 2011.

In figuur 4.5.12 worden de resultaten gegeven voor het niet geplagde perceel (raai B). Hier

zakken de grondwaterstanden ten opzichte van maaiveld dieper uit. Op locatie 100, in het weiland

gelegen, worden relatief hogere fosfor- , ijzer- en ammoniumconcentraties gemeten. De fosfor-

en ijzerconcentratie nemen toe bij stijgende waterstanden als gevolg van de reductie van

ijzer(hydr)oxiden. In het droge voorjaar van 2011 dalen de ijzer- en fosforconcentraties door

oxidatie van ijzer waaraan fosfor vervolgens bindt. Ook neemt als gevolg van oxidatie de

ammoniumconcentratie af en daalt de alkaliteit. Tegelijkertijd zien we op locatie 97 (hoge oever)

de sulfaatconcentratie van het bodemwater sterk toenemen tot waardes van meer dan 800 µmol

L -1 . Deze stijging gaat gepaard met een afname van de alkaliteit. Dit laat zien dat er oxidatie van

gereduceerd zwavel kan plaatsvinden in de oevers bij uitzakkende grondwaterpeilen.

Overall zien we dat de geplagde zone wordt gekenmerkt door lagere nutriëntenconcentraties

(figuur 4.5.13). Op het niet geplagde, voedselrijkere weiland worden met name onder nattere

omstandigheden hogere fosfor- en ammoniumconcentraties gemeten. De agrarische functie van

de percelen lijkt dus duidelijk een effect te hebben op de waterkwaliteit van de sloten in het

stergebied. Plaggen leidt tot een afname van de potentiële uitspoeling van nutriënten naar het

oppervlaktewater. Omdat als gevolg van de maaiveldverlaging er ook sprake is van gemiddeld

nattere omstandigheden, zal er ook minder sulfaat vrijkomen door oxidatieprocessen. Dit

voorbeeld laat mooi zien dat hogere waterstanden t.o.v. maaiveld in combinatie met het

afplaggen van de voedselrijke toplaag, kunnen leiden tot een sterke afname van de potentiële

belasting van het oppervlaktewater.

97


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Figuur 44.5.11

Verlooop

van de alkaliteit a en de sulfaat-, calcium+mag gnesium- fosffor-

, ijzer-

en

ammoniuumconcentratiie

(gekleurde lijnen) in heet

bodemwater r voor de bod demvochtlocatties

(25 cm di iepte)

van raai

A op het geplagde pe erceel langs sloot 83/94 4 (zie figuur 4.5.8). Daaarnaast

word dt de

grondwaterstand

(grijjze

lijn) in de e oever t.o.v. mmaaiveld

geg geven voor de e peilbuis geleegen

midden in de

raai.

98


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Figuuur

4.5.12 VVerloop

van de d alkaliteit een

de sulfaat-,

calcium+m magnesium-, fosfor- , ijzer- ij en

ammmoniumconcenntratie

(groene e en blauwe llijnen)

in het t bodemwater voor de bodeemvochtlocaties

(25 cm

diepte)

van raai B op het niet geplagde peerceel

langs sloot s 83/94 (zi ie figuur 4.5.22

en 4.5.8). Daarnaast D

worddt

de grondwwaterstand

(gr rijze lijnen) iin

de oever t.o.v.

maaiveld d gegeven voo oor de peilbui is gelegen

middden

in de raai. .

99


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Figuur 44.5.13

Gemidddelde

bodemw waterkwaliteitt

op de locatie es in raai A en e B. De monssterpunten

wo orden

geordendd

van nat (linkks)

tot droog ( rechts). 25, , 50 en 100 staat s voor de bemonsteringgsdiepte

in cm m (zie

voor de lligging

figuur 4.5.3 en 4.5.8 8).

100


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

4.5.4 Conclusies

Het overal effect van een flexibel peilbeheer op de oppervlaktewaterkwaliteit is waarschijnlijk

positief vanwege de verminderde inlaat van sulfaat en fosfor via het oppervlaktewater (75%

reductie van inlaat in 2012 ten opzichte van de 9 voorgaande jaren zonder flexibel peilbeheer).

Wel zal een deel van het positieve effect van de verminderde inlaat worden tenietgedaan door de

wat langere verblijftijd, waardoor de interne bronnen relatief belangrijker worden.

In 2012 werden in de Tienhovense plassen lagere sulfaatconcentraties gemeten dan in 2011

(maximaal 250 µmol L -1 in 2012 ten opzichte van maximaal 300 µmol L -1 in 2011).

Vermoedelijk hebben de verschillende weersomstandigheden (voorjaar 2011 was erg droog) een

grotere invloed gehad op de inlaat dan de iets lagere toelaatbare minimum oppervlaktewaterstand

(-1,20 m NAP t.o.v. -1,18 m NAP). op de monsterlocaties in het stergebied en de Tienhovense

plassen zijn in het eerste jaar na instellen van flexibel peilbeheer niet significant veranderd.

Voor de sloten van het stergebied lijkt de waterkwaliteit slechts in beperkte mate door inlaat

beïnvloed te worden. De verschillen in waterkwaliteit, lijken vooral door lokale processen bepaald

te worden (uitspoeling uit de oeverzones en percelen en mogelijk toestromend grondwater). De

sulfaatconcentraties van de sloten zijn relatief laag. De nutriëntenbeschikbaarheid verschilt per

locatie. Het flexpeil heeft waarschijnlijk geen groot effect op de waterkwaliteit in het stergebied

maar kan wel tot minder uitspoeling leiden.

Een vergelijking van de bodemwaterkwaliteit in een geplagd en niet geplagd perceel langs één

van de sloten laat zien dat plaggen leidt tot een afname van de potentiële stikstof-, fosfor- en

sulfaatuitspoeling. Bij de instelling van flexibel peil langs bemeste percelen biedt plaggen van de

oeverzone dus een goede mogelijkheid om zowel de biodiversiteit van de terrestrische vegetatie te

vergroten, alsook de waterkwaliteit te verbeteren. De huidige waterkwaliteit is gelet op het

landbouwkundige gebruik redelijk. Introductie van krabbescheer zou voor een verdere verbetering

van de waterkwaliteit kunnen leiden. Krabbescheer kan zeer veel biomassa vormen en hierbij veel

nutriënten vastleggen. De soort maakt het water helder waardoor ook andere soorten een kans

krijgen zich te vestigen. Wel is een goed beheer waarbij jaarlijks een fors deel van de vegetatie

wordt verwijderd een voorwaarde voor de instandhouding van de vegetaties. De ervaring leert dat

voor een succesvolle introductie het wenselijk is om voldoende grote oppervlakten (ten minste

enkele vierkante meters) te introduceren.

101


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

4.6 Nieuwe Keverdijkse Polder

4.6.1 Inleiding

De Nieuwe Keverdijkse Polder ligt ten westen van het Naardermeer. Aan de westkant wordt de

polder begrensd door de Vecht en in de zuidkant door de ’s Gravelandsche vaart. De

uitwateringsvaart van het Naardermeer naar de Vecht is de noordgrens van de polder. Een paar

honderd meter verder noordelijk ligt de A1. Het deel van de polder met flexibel peilbeheer heeft

een oppervlakte van 2,3 km 2 en ligt aan de oostkant van de Keverdijk. De spoorlijn tussen

Hilversum en Amsterdam loopt door het gebied.

In het Pleistoceen is een dik pakket zand en grind afgezet dat in de Nieuwe Keverdijkse Polder nu

op circa 1,5 tot 3 meter onder maaiveld ligt. Tijdens de laatste ijstijden maakte het flexpeil gebied

van de polder deel uit van het Naardermeer. Het Naardermeer is een natuurlijk meer, dat al sinds

de laatste ijstijden bestaat. Overstromingen vanuit de rivier en de zee hebben sediment afgezet in

het studiegebied. Vanuit de Zuiderzee is het gebied regelmatig overstroomd. Het Vechtgebied was

een estuarium en het zeewater stroomde via de Vecht het Naardermeer in. De belangrijkste

getijdenkreek is nog duidelijk herkenbaar in het landschap. In de 13 e eeuw is de Keverdijk

aangelegd om te voorkomen dat zeewater via de Vecht en het Naardermeer de landbouwpolders

instroomde. Het flexpeilgebied lag toen buitendijks. Aan het eind van de 14 e eeuw is bij Fort

Uitermeer een dijk aangelegd om de getijdenkreek van de vecht naar het Naardermeer af te

dammen. Met uitzondering van enkele stormen kon er vanaf die tijd geen zeewater meer het

Naardermeer in. In 1629 is het Naardermeer omdijkt op de huidige locatie. Sindsdien ligt zowel

het flexpeilgebied als het Naardermeer binnendijks.

Het flexpeilgebied is lange tijd in gebruik geweest als landbouwgrond. Eind jaren ’80 kreeg het

gebied de status van bufferzone voor het Natura-2000 gebied het Naardermeer. Door een hoger

waterpeil in de Nieuwe Keverdijkse polder treedt er minder wegzijging op vanuit het

Naardermeer. Daarmee is de landbouwfunctie grotendeels verdwenen en is het gebied in beheer

bij Vereniging Natuurmonumenten. Het bestaat grotendeels uit nat grasland en het wordt begraasd

met Galloway runderen. De natte delen van dit gebied zijn begroeid met een rietvegetatie. Het

natuurdoel is laagveenbos afgewisseld met moerassen.

Het flexpeilgebied ligt op circa -1,15 m t.o.v. NAP en hiermee enkele decimeters hoger dan de

rest van de Nieuwe Keverdijkse Polder, die gemiddeld op -1.4 m t.o.v. NAP ligt. Het

flexpeilgebied ligt echter lager dan het peil van het Naardermeer, waar een winterpeil van –0,9 m

t.o.v. NAP en een zomerpeil van -1.1 m t.o.v. NAP wordt gehandhaafd. In het flexpeilgebied mag

het peil variëren rond de -1.5 m t.o.v. NAP. Door het hogere peil in het Naardermeer treedt er

lichte kwel op in het oostelijke deel van het gebied. In het westen grenst het flexpeilgebied aan

landbouwgebieden waar het peil rond de -2,0 m t.o.v. NAP gehouden wordt. Daardoor treedt er

aan de westkant wegzijging op naar deze landbouwgebieden.

Het flexpeilgebied bestaat uit twee peilvakken, die van elkaar gescheiden worden door de

spoorlijn. In het noordelijke peilvak mag het peil variëren tussen -1,5 en -1,2 m t.o.v. NAP. In het

zuidelijke peilvak zijn de peilbeheermarges -1.7 en -1.4 m t.o.v. NAP. In droge periodes kan

water vanuit het Naardermeer ingelaten worden. Het Naardermeer zelf wordt op peil gehouden

door de inlaat van water uit het Markermeer dat eerst wordt gedefosfateerd. Het wateroverschot

van het flexpeilgebied wordt via instelbare stuwen uitgelaten naar het omliggende

102


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

landdbouwgebiedd.

Vervolgen ns wordt het water in he et westen van n de Nieuwee

Keverdijks se polder

doorr

gemaal Honnswijkck

naa ar de Vecht ggepompt.

Figuuur

4.6.1. Nieeuwe

Keverdij ijkse Polder Linksboven, oeverraai A, langs de Krreek

in het Noordelijke No

deelggebied.

Rechttsboven,

Peilverschil

binnenn

(links) en bu uiten flexpeilv vak. Midden liinks,

Plas bij oeverraai

B in mei 2011. Pllas

bij oeverra aai B in mei 22012.

Linkson nder, vegetatie e (met o.a. Waatergentiaan)

in Kreek

in heet

Noordelijkee

deelgebied in n juli 2011 Reechtsonder,

alg gen in plas bij j oeverraai B in mei 2011.

103


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

4.6.2 Opppervlaktewwater

Noord delijk deelgebbied

In het oonderzoek

wwerden

mon nsters genommen

in zow wel het Noor rdelijke alls

het Zuide elijke

deelgebiied.

In figguur

4.6.2 worden de bemonsterd de locaties voor het NNoordelijke

deel

weergeggeven.

Figuur 44.6.2

Ligging vvan

de monste erlocaties in hhet

Noordelijk ke deel van de Nieuwe Kever erdijkse Polder r.

Figuur 44.6.3

Verloop van de chlorideconcentrattie

(gekleurde e lijnen) voor de oppervlakttewatermeetpu

unten

gelegen iin

het Noordeelijke

deel van n het flexpeilggebied

Nieuw we Keverdijkse e Polder. Linnks

de plassen n (24,

210 en 212)

en rechts de sloten (211,

213 en 2144.)

Het verloo op van de oppervlaktewaterp

rpeilen gemete en bij

monsterppunt

24 worddt

gegeven op p de rechter yy-as

(grijze lij jn). Zie figuu ur 4.6.2 voor de ligging va an de

punten.

104


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Figuuur

4.6.4 Verrloop

van een aantal chemiische

paramet ters (gekleurd de lijnen) vooor

de oppervla aktewatermeettpunten

geleggen

in het Noo ordelijke deell

van het flexp peilgebied Nieuwe

Keverdi dijkse Polder. Links de

plasssen

(24, 210 en 212) en rechts

de slotenn

(211, 213 en n 214.) Het ver rloop van de ooppervlaktewa

aterpeilen

(lichhtgrijze

lijn) ggemeten

bij monsterpunt

24

wordt gegev ven in op de rechter r y-as. ZZie

figuur 4.6. .2 voor de

liggiing

van de punnten.

In 22011

zakte hhet

oppervlak ktewaterpeil diep uit in het h droge vo oorjaar. Dezee

lage peilen n werden

ingeesteld

vanweege

de aanleg g van dammeen

en stuwen n voor de inr richting van hhet

flexibele e peilvak.

Een groot deel van de ondie epe plassen vviel

droog (z zie ook figuu ur 4.6.1). Wee

zien dat de e dalende

wateerpeilen

gepaard

gingen met stijgennde

chloridec concentraties s in het oppeervlaktewate

er (figuur

105


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

4.6.3), wwaarschijnlijkk

als gevolg g van indampping

maar (lo okaal) moge elijk ook dooor

het toestro omen

van (lookaal)

gronddwater.

Van naf half juuli

stijgen de waterst tanden sterkk

en dalen n de

chlorideeconcentratiees

in het oppervlaktewateer.

In de win nter dalen de concentratiees

als gevolg g van

de verduunning

mett

regenwater.

In de zomeer

van 2012 dalen de op ppervlaktewaaterstanden

maar m

weinig wwat

ook resuulteert

in slec chts een lichhte

stijging van

de chlorid de concentrat aties.

Figuur 44.6.5

Verloopp

van de ortho o-fosfaat en dde

fosforconc centraties(gekl leurde lijnen) ) voor de op pper-

vlaktewatermeetpuntenn

gelegen in het h Noordelijkke

deel van het

flexpeilgebied

Nieuwe KKeverdijkse

Po older.

Links dee

plassen (244,

210 en 212) 2 en rechhts

de sloten n (211, 213 en 214.) Heet

verloop va an de

oppervlaktewaterpeileen

(lichtgrijze lijn) gemeten bij monsterpu unt 24 wordt gegeven op dde

rechter y-as s. Zie

figuur 4.66.2

voor de liggging

van de punten. p

De sulfa faatconcentraaties

in het oppervlaktew

waterstaanden.

Dit hangt waar rschijnlijk s

drooggeevallen

oeverrs

en onderw waterbodems

2011 voolledig

droogg

en laat na vollopen in j

oppervlaaktewater

zieen

van 900 µmol µ L

verdunnning

in de wiinter

neemt

2012 bliijven

de sulfa faatconcentra

-1 water laten een stijging zien na heet

stijgen va an de

samen met nalevering van sulfaatt

uit de ee erder

(figuur 4.6.4 4). Locatie Plas P 210 viell

in de zomer r van

juli 2011 ee en relatief ho oge sulfaatcooncentratie

in n het

. Alls

gevolg van n de reductie e van sulfaaat

in de zome er en

de sulfaatconncentratie

op p alle monst terpunten steeeds

verder af. a In

aties in het opppervlaktewa

ater zeer laa ag (overwegeend

< 50 µm mol L -

1 ).

De alkalliteit

en de ccalcium+mag

gnesiumconccentraties

in het h oppervlaktewater

lateen

voor een groot g

deel vann

de locaties een stijging g zien gedureende

het dro oge voorjaar van 2011. OOok

in 2012 zien

106


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

we bbij

een dalennde

oppervla aktewaterstannd

in mei en n juni een st tijging van dde

concentraties.

Met

namme

voor dee

slootlocat ties is dezze

stijging veel sterk ker dan dee

stijging van de

chloorideconcentrraties

(zie figuur fi 4.6.4) . Dit sugger reert dat we e niet alleenn

met indam mping te

makken

hebben mmaar

waarsch hijnlijk ook mmet

toestrom mend (lokaal) ) grondwaterr.

Opvallend is dat de

flucttuaties

met nname

in het oppervlaktew

o water van slo oot 211 erg groot g zijn. Inn

de plassen wordt w in

20122

een lagere alkaliteit en lagere calciuum+magnesi

ium-concentraties

gemete ten dan in 20 012. In de

sloteen

zijn deze verschillen veel v kleiner.

De oortho-fosfaatt

en fosforco oncentraties in het oppe ervlaktewater r laten een z

zienn

(figuur 44.6.5).

Opva allend zijn de relatie ef hoge totaal-ijzercon

oppeervlaktewateer

en tevens het feit dat deze correle eren met de totaal-fosfo

wateerlaag

(figuuur

4.6.6). De D hoge ijzerrconcentratie

es in de wat terlaag kunne

doorr

toestromiing

van ijzer-

en fo fosfaathouden nd bodemw water of g

oppeervlaktewateer

blijft het fo osfaat en ijzeer

deels in op plossing maar

wordt het

waaarbij

colloïdaale

ijzer(hyd dr)oxide deeeltjes

worden n gevormd waaraan w fos

soorrt

deeltjes kunnen relatief r langg

in suspensie

blijven n. Ook kan

sedimentdeeltjess

leiden tot verhoogde ttotaal-ijzer

en e totaal-fosf forconcentrat

Het in het wateer

opgeloste e, en voor aalgen

het be est beschikbare,

ortho-fo

conccentraties

ddie

duidelijk k een stuk lager zijn dan de totaal-fosfor

conccentraties

zijjn

nog wel dusdanig hooog

dat ze voor eutrofi iering van d

zorggen

(figuur 44.6.5).

De ortho-fosfaatcooncentraties

(0,5-6 ( µmol L

wateerkwaliteit

wwat

overeenkomt

met het beeld in het veld (lokaal

-1 zeer piekerig g patroon

ncentraties in het

orconcentratie

van de

nen verklaard d worden

grondwater. In het

t ijzer ook ge eoxideerd

sfaat kan bin nden. Dit

n opwervel ling van

aties in de waterlaag. w

fosfaat komt voor in

rconcentratie es. Deze

de waterlaag g kunnen

) indicereen

een (matig g) eutrofe

veel algen).

Figuuur

4.6.6 Relaatie

tussen de totaal-fosfor een

de totaal-ij jzerconcentrat tie van het opppervlaktewat

ter van de

Nieuuwe

Keverdijkkse

Polder.

In fiiguur

4.6.7 zzien

we dat de d nitraat- enn

ammonium mconcentraties

in het oppeervlaktewate

er pieken

vertoonen

in de kkoude

winterp periode. Dit heeft te mak ken met de geremde

opnaame

van stik kstof door

algeen

en planteen

en de veel lageree

nitrificatie-

en denitrificatiesnelheeden

in de d koude

107


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

wintermmaanden.

Mett

name in slo

oplopen tot bijna 2550

µmol L

van heet

oppervlak

verbindiing

met een

naleverinng/uitspoelin

sloot. Inn

plas 212 m

periode. Ook deze p

wordt mmogelijk

vero

-1 oot 211 wordden

hoge am mmoniumpiek ken gemeten met waarden n die

. Deze piekeen

vallen sam men met de ortho-fosfaat

o t en fosforpi ieken

ktewater (fig guur 4.6.5). Deze locati ie staat vanaf

het najaaar

van 201 11 in

n groot op ppervlak aann

geïnundee erd weiland.

Waarschijjnlijk

beïnvloedt

ng vanuit dit d geïnundeeerde

weiland d de oppervlaktewaterkwwaliteit

van deze

meten we ook k een erg hooge

ammoniu umpiek in mei

2011, geddurende

de droge d

piek gaat ge epaard met eeen

toename e van de fo osfor- en ijzeerconcentrati

ie en

oorzaakt door r toestromennd

anaeroob bodemwater.

b

Figuur 4.6.7 Verlooop

van de ammonium- en nitraatco oncentraties (gekleurde llijnen)

voo or de

oppervlaktewatermeetppunten

gelege en in het Nooordelijke

deel l van het flex xpeilgebied NNieuwe

Keverd dijkse

Polder. Links de plasssen

(24, 210

en 212) enn

rechts de slo oten (211, 21 13 en 214.) HHet

verloop va an de

oppervlaktewaterpeileen

(grijze lijn) ) gemeten bijj

monsterpunt t 24 wordt gegeven g op dee

rechter y-as s. Zie

figuur 4.66.2

voor de liggging

van de punten. p

108


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

4.6.33

Oppervlakktewater

Zu uidelijk deelgebied

In hhet

Zuidelijkee

deelgebied (figuur 4.6. 8) zien we ook o een diep uitzakkend oppervlaktew waterpeil

in heet

voorjaar vvan

2011 (fig guur 4.6.8). OOok

hier gaa at deze gepa aard met een forse stijgin ng van de

chloorideconcentrraties

in het t oppervlakttewater.

Oo ok de alkaliteit

en de ccalcium+mag

gnesium-

conccentratie

stijggt

in het drog ge voorjaar. Het verloop van deze concentraties

vvolgt

min of meer het

verlooop

van de ggemeten

chlo orideconcentrraties.

Wel verandert v de waterkwaliteeit.

In de win nter vindt

er eeen

verdunnning

plaats van de ionnconcentratie

es als gevo olg van eenn

toename van de

regeenwaterinvloed

en in het voorjaar eenn

stijging. Het

gemeten oppervlaktew

o waterpeil blij jft stabiel

in 20012

en vertooont

geen dal ling in het vooorjaar

of de zomer. Dit suggereert s tooch

dat er in sprake is

van toestroom vaan

grondwat ter of inlaat vvan

oppervla aktewater.

Figuuur

4.6.8 Liggging

van de mo onsterlocatiess

in het Zuidel lijk deel van de d Nieuwe Kev everdijkse Pold der.

De sulfaatconceentraties

in het h oppervlaaktewater

(f figuur 4.6.9)

perioode

in het vvoorjaar

201 11 en met nname

na het kortstondig

septtember

2011.

Daarna da alen de sulfaaatconcentrat

ties geleideli

blijvven

de sulfaaatconcentrati

ies erg laag ( (< 100 µmol l L

uit ggeoxideerde

droogvallend de bodems eeen

belangrij

conccentraties

vaan

het opperv vlaktewater nnemen

toe t

2011.

Sloot 216 laat een for rse toename zien van de

-1 stijgen tijddens

en na de d droge

g uitzakken vvan

het wat terpeil in

ijk en vanaf de zomer van v 2012

). Dit laa at zien dat uiitspoeling

va an sulfaat

jk bron van sulfaat is. Dee

ortho-fosfa aat/fosfor

tijdens de droge d periodee

in het voorjaar

van

totaal-fosfor rconcentratiee

in de wint ter. Deze

109


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

toenamee

gaat gepaarrd

met een af fname van dde

concentrat tie van de macroionen. m DDit

lijkt te du uiden

op de uiitspoeling

vaan

ijzer en fosfor fo uit dee

lokale bode ems , naar het h oppervlakktewater.

Ov verall

duiden de gemetenn

ortho-fosfa faat concentr traties ook in oppervla aktewater vaan

het Zuid delijk

deelgebiied

op eenn

matig eutro ofe waterkwwaliteit.

In de d winter worden

verhooogde

nitraat t- en

ammoniiumconcentraaties

gemete en als gevolgg

van een ve erminderde stikstofopnaame

door pla anten

en algenn

en lagere niitrificatie

en denitrificatiee

snelheden.

Figuur 4.6.9 Verlooop

van ee en aantal chemische parameters p

(gekleurde lijnen) voor r de

oppervlaktewatermeetppunten

gelegen

in het Zuuidelijke

deel van het flexp peilgebied Ni Nieuwe Keverd dijkse

Polder. Het verloop vvan

de oppervlaktewaterpeeilen

(lichtgrij jze lijn) gem meten bij monssterpunt

28 wordt

w

gegeven oop

de rechter y-as. Zie figu uur 4.6.8 voor de ligging van

de punten.

110


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Figuuur

4.6.10 Verloop va an een aanntal

chemische

paramete ers(gekleurde lijnen) voor de

oppeervlaktewatermmeetpunten

gelegen g in heet

Zuidelijke deel d van het flexpeilgebieed

Nieuwe Ke everdijkse

Poldder.

Het verlooop

van de op ppervlaktewatterpeilen

(lich ht grijze lijn) gemeten bij mmonsterpunt

28 wordt

gegeeven

op de recchter

y-as. Zie e figuur 4.6.8 vvoor

de liggin ng van de punt ten

4.6.44

Oeverraaiien

In dde

oeverraai bbij

oppervlak ktewaterlocaatie

24 zien we w dat locaties

die het veerste

weg lig ggen van

de ooevers

(locatiie

333, 445 en e 695) de laaagste

chlorid de- en calcium+magnesiuumconcentra

atie in het

bodeemvocht

heebben

(figuu ur 4.6.11). DDe

verschil llen binnen de raai zijjn

groot en n hangen

waaarschijnlijk

saamen

met de e maaiveldliggging.

De ho oger gelegen punten verdder

verwijder rd van de

oeveer

laten lagerre

concentrat ties in het boodemwater

zien, z waarsch hijnlijk als geevolg

van uit tspoeling

van ionen in hett

verleden. Figuur F 4.6.122

laat zien dat d op de loca atie in het we weiland, die te evens het

versste

verwijderrd

is van de oever, o de cooncentraties

chloride c en calcium+mag

c gnesium toen nemen in

de ddiepte.

De bbodems

zijn zeer ijzerrijk k (figuur 4.66.13)

waardo oor onder nat tte condities de ijzerconc centraties

van het bodemmwater

hoo og zijn (figguur

4.6.11).

In het voorjaar vvan

2011 zakte z de

gronndwaterstandden

diep uit. Dit gaat geepaard

met een e afname van v de ijzercconcentratie

van het

bodeemwater,

alls

gevolg van v de oxiddatie

van gereduceerd g

ijzer tot hhet

slecht oplosbare o

ijzerr(III)hydroxiides.

Ondank ks de sterke aafname

van de d oplosbare ijzerconcent ntraties zien we w dat de

fosfo forconcentrattie

in de oeverzone

juistt

fors toenee emt. Ook in het h oppervlaaktewater

is er e sprake

111


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

van eenn

toename vvan

de fosfor r- en de ammmoniumconce

entraties (figuur

4.6.5 en n 4.6.7). Mog gelijk

wordt ddit

veroorzaaakt

door een verhoogde afbraak (mi ineralisatie) van organiscche

materiaa al na

droogvaal

of door heet

toestromen n van fosfaaatrijk

grondw water door de d uitzakkennde

waterstan nden.

Op de loocatie

in het weiland zien n we dat ookk

op 1 meter r diepte de bodem b wordt dt geoxideerd d. Dit

leidt ookk

hier tot eeen

scherpe daling

van dee

ijzer- en fo osforconcentr ratie in mei/jjuni

2011 (fi iguur

4.6.12).

Figuur 44.6.11

Verloopp

van een aan ntal bodemcheemische

para ameters(gekleu urde lijnen) op 25 cm diep pte in

oeverraaai

A (figuur 4.66.2,

bij opperv vlaktewatermoonsterpunt

24 4. De oever sta aat voor de loocatie

direct aan

de

oever en 108, 223, 3333,

445 en 695 5 voor de afsttand

in cm vanaf

de oever voor de overiige

monsterpu unten.

Locatie 6665

ligt in hhet

weiland (z zie ook figuur r 4.6.12. De grondwaterstand

in de oevver

t.o.v. maa aiveld

wordt opp

de rechter y- as gegeven (g grijze lijn).

112


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Figuuur

4.6.12 Veerloop

van een n aantal bodeemchemische

parameters op o drie verschhillende

diepte es (25, 50

en 1100

cm dieptee)

in het weil land (locatie op 695 cm uit u de oever) bij oeverraaai

A (figuur 4.6.2, bij

oppeervlaktewater-monsterpunt

24). De gronddwaterstand

in i het weiland d t.o.v. maaiveeld

wordt op de d rechter

y-as gegeven (grijjze

lijn).

We zien de chlorideconcentr

raties in het bbodemwater

in de toplaag g van de boddems

dalen en e op 100

cm diepte stijgeen

als gevolg g van het uiitzakken

van n de waterpe eilen. Chloriide

is erg mobiel m en

worddt

slecht gebbonden

in de e toplaag vann

de bodems en zal met het h uitzakken en van de wa aterpeilen

meee

uitzakken naar groter re diepten. De sulfaat tconcentratie es laten, na het stijgen n van de

gronndwaterstandden

vanaf jul li 2011, een stijging zien n voor de lo ocaties bij dee

oever en de e locaties

die hhet

verste vaan

de oever af gelegen zzijn.

Mobilisa atie van sulf faat als gevollg

van verdr roging en

113


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

oxidatie van de bode

van de bodem bij

waarschhijnlijk

te ma

sulfaatcooncentratie

n

van sulffaatreductie.

veel langgzamer

en sp

In het wweiland

zien w

1000 µmmol

L

hierbove

uitspoeli

-1 em is de meest

waarschiijnlijke

verkl laring. De bo odems zijn, mmet

uitzonde ering

de oever (deze zijn zwavelrijk), matig zwa avelrijk (figu guur 4.6.14) wat

aken heeft met m de voormmalige

invlo oed van de zee. z In de ooever

zien we w de

na het stijgen n van de wateerpeilen

wee er snel afnem men, waarschhijnlijk

als ge evolg

Op de verde er van de oevver

gelegen locaties,

die droger d zijn, ggaat

deze afn name

peelt waarsch hijnlijk de geeleidelijke

uitspoeling

va an sulfaat eenn

belangrijke e rol.

we dat op 10 00 cm diepte relatief hoge

sulfaatconc centratie woorden

gemete en (>

), teerwijl

de to otaal-zwavell

concentrat ties relatief weinig verrschillen

van n de

en liggende bbodems.

Oo ok dit suggeereert

dat er r sprake is van

een inzijggsituatie

wa aarbij

ing van sulfaaat

plaatsvind dt naar het grrondwater.

Figuur 44.6.13

De totaaal-zwavel-.

to otaal-ijzer, en totaal-calciumconcentratie

es en het orgaanische

stofge ehalte

van de bbodems

uit dee

oeverraaien.

De monsterp rpunten worde en voor de ra aaien gegeveen

van nat (i in het

openwateer,

links) tot ddroog

(op de oever, o rechts). 25, 50 en 100 0 staat voor de

bemonsterinngsdiepte

in cm m.

114


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Figuuur

4.6.14 Ve Verloop van ee en aantal boddemchemische

parameters op 25 cm dieepte

in het bodemwater

van oeverraai B (figuur 4.6.8, , bij oppervlaaktewatermonsterpunt

28. Oever staat vvoor

de locat tie bij het

oppeervlaktewatermmonsterpunt.

890 en 1740 voor de afstand

in cm va anaf het monnsterpunt

oeve er voor de

overrige

monsterpuunten.

De gro ondwaterstandd

in de oever t.o.v. maaivel ld wordt op dde

rechter y-as s gegeven

(grijz jze lijn).

In hhet

weiland worden als gevolg van de historisc che bemestin ng van het ggebied

relat tief hoge

fosfo forconcentratties

gemeten n in met namme

de toplaag g van de bode ems. Na drooogval

in het t voorjaar

van 2011 blijvenn

de fosfor-

en de ijzercconcentraties

s van het bod demwater laaag

in de bov venste 25

cm vvan

de bodemm.

Blijkbaar vindt er na hhet

stijgen va an de grondw waterstand geeen

reductie van ijzer

115


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

meer plaats en blijft het fosfaat gebonden. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat het

grondwater in het weiland niet meer tot aan maaiveld komt waardoor de toplaag geoxideerd blijft.

Oeverraai B ligt in het Zuidelijke deelgebied (figuur 4.6.8). Hier viel in het droge voorjaar van

2011 een groot deel van een ondiepe moeraszone droog (figuur 4.6.14). Opvallend zijn de zeer

hoge sulfaatconcentraties in het bodemwater die hier worden gemeten op de monsterpunten 890

en 1740. Figuur 4.6.13 laat zien dat we op deze monsterpunten te maken hebben met wat

zwavelrijkere bodems. Als gevolg van oxidatieprocessen in het verleden is hier een groot deel

van het gereduceerde zwavel geoxideerd tot sulfaat dat hier nog in de toplaag van de bodem

aanwezig is. Deze verhoogde sulfaatconcentraties hangen samen met de invloed van de zee in

het verleden. Op locatie 1740, de locatie met de hoogste sulfaatconcentraties, worden ook zeer

hoge chlorideconcentraties in het bodemwater gemeten (figuur 4.6.14). Ook hier hebben we te

maken met ijzerrijke bodems (figuur 4.6.13) en leidt droogval tot een tijdelijk afname van de

ijzerconcentraties als gevolg van oxidatieprocessen. Vanaf juli 2012 hebben we weer te maken

met overwegend hoge grondwaterstanden (figuur 4.6.14) en nemen de ijzerconcentraties weer

toe als gevolg van reductieprocessen.

De totaal-fosforconcentraties van de bodems zijn hoog maar het fosfaat is niet heel erg mobiel

vanwege de goede binding van het fosfor in deze ijzerrijke bodems waardoor de

fosforconcentratie van het bodemwater laag blijft. De bodems zijn verder ook relatief rijk aan

totaal-calcium en in het bodemvocht worden ook erg hoge calcium+magnesiumconcentraties

gemeten. Op de locaties 890 en 1740 neemt de sulfaatconcentratie in 2012 geleidelijk af. Het is

onduidelijk of dit met uitspoeling van sulfaat of met de reductie van sulfaat in de bodem te maken

heeft.

4.6.5 Conclusies

In 2011 trad er een sterke verdroging op in het voorjaar. Dit had te maken met het zeer droge

voorjaar en met de inrichtingsmaatregelen binnen het gebied waardoor tijdelijk stuwen lager zijn

gezet om de werkzaamheden te faciliteren. De lagere grondwaterstanden leidden tot

veranderingen in de bodemwatersamenstelling. Zo werd er sulfaat gemobiliseerd, wat leidde tot

uitspoeling van sulfaat en verhoogde sulfaatconcentraties in het oppervlaktewater in 2011. Ook de

ijzerconcentraties namen tijdelijk af maar de fosforconcentraties werden maar weinig beïnvloed

of namen met name in de oeverzone grenzend aan het open water juist toe. In de zomer van 2012

bleven de waterstanden in het gehele gebied hoog en werden overwegend zeer lage

sulfaatconcentraties gemeten in het oppervlaktewater.

Het flexibel peilbeheer heeft vooral een ondersteunende functie voor het Naardermeer. De hogere

waterstanden die zijn ingesteld zullen leiden tot minder wegzijging uit het Naardermeer. Er lijkt

uitspoeling van fosfor en ijzer vanuit de bodems naar het oppervlaktewater plaats te vinden. Het

ijzer oxideert in het oppervlaktewater en vormt colloïdale ijzer(hydr)oxiden waaraan fosfor kan

binden. Een deel van het fosfor blijft echter ook in oplossing en zorgt voor het (matig) eutrofe

karakter van het oppervlaktewater. Waarschijnlijk zijn de interne processen bepalend voor de

waterkwaliteit. Hogere oppervlaktewaterpeilen zullen leiden tot minder uitspoeling uit de bodems

waardoor de oppervlaktewaterkwaliteit zeer waarschijnlijk zal verbeteren. Grootschalige

inundatie van niet geplagde weilanden kan echter lokaal ook leiden tot een toename van de

nutriëntenconcentraties, zoals waarschijnlijk het geval is bij sloot 211 in het Noordelijke

deelgebied.

116


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

4.7 Oostelijke Binnenpol lder van Tiienhoven

4.7.11

Inleiding

Figuuur

4.7.1 De Oostelijke Binnenpolder

B

van Tienhoven..

Linksbov ven, Overzichhtsfoto

van he et gebied.

rechtsboven

Stuw bij één van de d uitlaatpuntten.

Midden Oevergradiën nten met peilbbuizen

en por reuze cups

ten bbehoeve

bodemmwaterbemon

nstering (linkss

raai A en re echts raai D). Onder: Linkss

waterplanten nvegetatie

met Waterlelie en Glanzend Fonteinkruid.

Reechts

Moerasw wespenorchis bij Raai A.

De OOostelijke

BBinnenpolder

r van Tienhooven

(2,1 km m

oosttkant

van dee

Tienhoven nse Plassen. Aan de noo

2 ) ligt tusse en Hilversumm

en Utrech ht, aan de

ordkant wor rdt de poldeer

begrensd door het

117


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Tienhovvens

kanaal. In het noord doostelijke deeel

van de po older is flexibel

peilbeheeer

ingesteld door

een klein

deelgebiedd

hydrologis sch te isolereen.

In het Ho oloceen onts stonden veennmoerassen

in i de

lage delen

die gevoeed

werden met m kwelwateer

vanuit de stuwwal. De e dikte van hhet

veenpakk ket is

echter bbeperkt

gebleeven

en de bodems b in dee

Oostelijke Binnenpold der bestaan uuit

een 0-1 meter m

dikke laaag

veen bovvenop

het Ple eistocene zannd.

Het flexp peilgebied in het noordooostelijke

deel l van

de poldeer

wordt geddomineerd

door open water dat bestaat b uit in n de jaren neegentig

gegr raven

petgatenn

met een zanndbodem.

In n de niet afgeegraven

delen n komen voo ornamelijk vvenige

bodem ms op

zand vooor.

Het fleexpeilgebied

in de Oo ostelijke Bin innenpolder van Tienh hoven wordt dt beheerd door

Natuurmmonumenten.

. Het zuidw westelijke ddeel

van de e polder is in agrariscch

gebruik. Het

belangrij ijkste natuurdoel

is he et behoud, en herstel van verlan ndingsvegetaaties.

Om jonge

verlandiingsstadia

inn

de Oostelijk ke Binnenpoolder

meer ru uimte te gev ven, zijn in dde

jaren negentig

zes nieuuwe

petgatenn

gegraven en zijn de ooevers

afgep plagd. De meeste m oeverss

van de nie euwe

petgatenn

zijn flauw en hebben een e brede plaas-dras

zone. . Dit in tege enstelling tott

de steile oe evers

van de nnieuwe

petgaaten

van de Westbroekse

W e Zodden. De

petgaten zi ijn gegravenn

in de veeng grond

die daarrvoor

als aggrarisch

gras sland in gebbruik

was. Het ontwik kkelen van een soorten nrijke

oeverveggetatie

worddt

gezien als de d eerste stapp

in het verla andingsproce es.

Het flexxpeil

deel vann

de Oostelij jke Binnenppolder

is hydrologisch

geïsoleerd

dooor

de sloten af a te

sluiten. Via drie insstelbare

stuw wen aan de westkant va an het flexpe eilgebied kann

het overto ollige

water wworden

uitgelaten

naar de rest van de polder. Er is geen minimum- een

maximum mpeil

vastgesteld

voor het flexpeilgebi ied. Het peil mag in prin ncipe vrij fluc ctueren; wel l kan in de zo omer

water wworden

afgelaten

om de

oevers tee

kunnen maaien. m Beha alve de uitlaaat

is er in n het

flexpeilggebied

via hhet

oppervlak ktewater duss

geen uitwi isseling van water met dde

omgeving.

In

figuur 4.7.2

worden de bemonste eringslocaties

weergegev ven.

Figuur 4.7.2 Ligginng

van de

bodemwaaterraaien

(orranje).

monsterlocatiies

van de

118

oppervlaktew watermonsterss

(blauw) en n de


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

4.7.22

Oppervlakktewaterkwaliteit

In fi figuur 4.7.3 wordt het ve erloop gegevven

van een aantal belan ngrijke water

voorr

de monnitoringspunt

ten van hhet

oppervl laktewater (figuur 4.7

sulfa faatconcentraaties

van het t oppervlakteewater

zijn zeer z laag (< 50 5 µmol L

hardd

tot hard enn

de pH waa arde is overwwegend

hoo og (>7,5). Ge

2011

zakt heet

oppervla aktewaterpeill,

wat gep paard gaat

chloorideconcentrraties

van he et oppervlakttewater

als ge evolg van ind

-1 rkwaliteitspa arameters

7.3). De gemeten

) ). Het water is matig

edurende hett

droge voor rjaar van

met een n stijging van de

damping en mmogelijk

kw wel.

Figuuur

4.7.3 Veerloop

van een e aantal ooppervlaktewa

aterkwaliteitsp parameters vvoor

de vers schillende

monssterpunten

bbinnen

het flexpeilgebieed.

Op de rechter y-a as wordt heet

verloop van het

oppeervlaktewaterppeil

gegeven (grijze ( lijn).

Verdder

zien we dat de mees st Zuidelijkee

petgaten (p petgat 231 en

148) hetzeelfde

verloop p van de

wateerkwaliteit

laaten

zien als

de Zuideliijke

sloot di ie gelegen is s bij het uittlaatpunt

(slo oot 138).

Hetzzelfde

geldt vvoor

het mee est Noordelijjk

petgat (pe etgat 229) en de Noordeliijke

sloot (sloot

232).

In het Noordden

is het water haarder

getuig ge de hog gere alkalite teit en de hogere

calcium+magnessiumconcent

traties. Het gebied gren nst hier aan het hoger gelegen Tie enhovens

kanaaal.

Vermoeddelijk

treedt er vanuit diit

kanaal kwel

op waardo oor gebufferrd

grondwat ter wordt

aanggevoerd.

De meest Zuidelijk

gelegenn

petgaten zijn z duidelijk k minder gebbufferd

wat mogelijk

duiddt

op veel mminder

beïnv vloeding vannuit

het Tien nhovens kan naal. Overige gens staan de eze twee

Zuiddelijke

petgaaten

met elka aar in verbinnding

omdat er gaten in de d legakkerss

zitten. Ze staan s niet

in diirect

verbindding

met de Noordelijke N ppetgaten.

119


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Petgat 2230

ligt ten NNoorden

van de petgaten 231 en 148 en heeft een waterkwalitteit

die tussen

die

van de ZZuidelijke

enn

Noordelijk ke monsterpuunten

in ligt. . Het lijkt er rop dat de wwaterkwaliteit

t van

dit petgaat

zowel vannuit

het Noo orden (meer gebufferd) als a het Zuide en (minder ggebufferd)

wordt w

beïnvloeed.

Figuur 4.7.4 Verlooop

van een aantal oppeervlaktewaterk

kwaliteitsparameters

voor de verschil llende

monsterppunten

binneen

het flexp peilgebied. OOp

de rech hter y-as wordt w het vverloop

van het

oppervlaktewaterpeil

ggegeven.

De nutrriëntenconcenntraties

van de oppervlaaktewaterlaag

(nitraat, ammonium a een

fosfor/fos sfaat)

zijn relaatief

laag (figuur

4.7.4) maar m wel ietts

hoger dan in de nabijg gelegen Westtbroekse

Zod dden.

Voor dee

twee meest Zuidelijk pe etgaten (petgaat

148 en 231)

laten de fosfor f en fossfaatconcentr

raties

in 2011eeen

toenamee

zien vanaf eind juli tot en met sept tember. Deze e toename vaalt

samen met

de

sterke sstijging

van dde

oppervlak ktewaterstandden

medio ju uli. Ook de am mmoniumcooncentratie

la aat in

deze pettgaten

een piiek

zien die ongeveer sammenvalt

met t de fosforpie ek. Dit sugggereert

naleve ering

uit de onnderwaterboodems

als gevolg

van anaaerobie

van de waterlaag g of toestrooom

van anae eroob

dieper ggrondwater

(kwel). Het blijft onduuidelijk

waar rdoor deze toename woordt

veroorz zaakt.

Binnen het flexpeillgebied

hebben

we in het bodemw water nerge ens hoge foosforconcentr

raties

gemetenn,

ook niet inn

de freatisch he grondwateerbuizen

of in i de onderw waterbodems (zie tabel 4. .7.1).

Er zou sspraken

kunnnen

zijn van n de toestrooom

van anae eroob fosfaathoudend

grrondwater

ui it het

Zuidelijkk

gelegen laandbouwgeb

bied. Ook iss

goed denk kbaar dat er door lokalee

verschille en in

stijghoogte

tussen de petgate en kwelstrooompjes

op gang g komen n waarbij lookaal

anae eroob

120


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

fosfaathoudend grondwater omhoog wordt gedrukt. Ook in de zomer van 2012 loopt de

fosforconcentratie in de twee Zuidelijkste petgaten op.

Nitraat piekt zoals in alle oppervlaktewateren in de winter. Ammonium piekt in de winterperiode

alleen in de sloten. Hierin bevindt zich een wat dikkere baggerlaag waaruit waarschijnlijk

ammonium wordt nageleverd.

Tabel 4.7.1 Eigenschappen van de onderwaterbodems. De bodemvochtconcentraties zijn de gemiddelde

waardes van alle bemonsteringsdata. De bodemconcentraties worden gegeven per liter bodemvolume.

Bodem Bodemvocht

% mmol L ‐1 mmol L‐1 mmol L‐1 mol mol ‐1 mmol L‐1 µmol L ‐1

µmol L‐1 µmol L ‐1

µmol L ‐1 mol mol ‐1

Org. Stof tot‐Ca tot‐Fe tot‐S tot Fe/S tot‐P Anorg N NH4 Fe P Fe/P

130 1,4 14,3 18,3 7,0 2,6 1,3 86,5 5,2 143,8 2,0 71,04

144 1,0 20,0 22,4 2,5 8,9 1,6 74,0 8,4 57,0 1,5 38,78

4.7.3 Oeverraaien (bodemwater)

In figuur 4.7.5 worden de bodemchemische eigenschappen gegeven voor de locaties waar de

bodemwaterkwaliteit is gevolgd. Hieronder wordt per raai het verloop van de

bodemwaterkwaliteit besproken waarbij verwezen zal worden naar deze figuur.

Noord-Oostelijk van het meest zuidelijke petgat is een raai bemonsterd (raai A) die vanuit de

rietkraag de oever oploopt. De oeverzone is hier fraai ontwikkeld met lokaal zegges,

moeraskartelblad en moeraswespenorchis.

We hebben hier te maken met een zeer minerale zwavelarme en fosforarme zandbodem (figuur

4.7.5). Er vindt als gevolg van uitzakkende waterpeilen en hiermee samenhangende oxidatie van

de bodems dan ook nauwelijks mobilisatie van sulfaat plaats (figuur 4.7.6). De

sulfaatconcentraties van het bodemwater zijn het hele jaar rond (erg) laag (< 30 µmol l -1 ). De

bodems zijn erg arm aan calcium (totaal-calciumconcentraties < 15 mmol kg -1 ). Uit onderzoek

elders weten we dat dit soort bodems erg gevoelig zijn voor verzuring. De alkaliteit van het

bodemwater is gelet op de lage totaal-calcium concentraties, echter relatief hoog, dit is gunstig

omdat het risico op verzuring hiermee vermindert. Deze goede buffering van de bodems wordt

waarschijnlijk in belangrijke mate bepaald door de invloed van gebufferd oppervlaktewater uit de

petgaten en mogelijk toestromend gebufferd grondwater. Gedurende het droge voorjaar neemt de

alkaliteit van het bodemwater iets af, maar er treedt geen verzuring op, de pH blijft hoog. De

ijzerconcentraties zijn jaar rond laag met uitzondering van de permanent geïnundeerde rietzone

waar jaar rond reductieve condities heersen. Gedurende het droge voorjaar van 2011 laten de

ijzerconcentraties van het bodemwater een klein dipje zien en de sulfaatconcentraties een klein

piekje, als gevolg oxidatiereacties in de bodem.

Overall gebeurt er niet zo veel omdat de grondwaterstanden niet erg diep uitzakken in deze

minerale oeverzone, maar vooral ook omdat de zandbodems relatief inert zijn (weinig tot geen

reactief zwavel of ijzer bevatten). De fosforconcentraties van het bodemwater nemen vanaf de

tweede helft van 2011 toe maar blijven laag. De fosforconcentratie in de permanent geïnundeerde

bodem in de rietkraag (A riet in figuur 4.7.6 en figuur 4.7.7) volgt de fosforconcentratie van het

open water van het petgat, maar is nooit hoger (figuur 4.7.7). De fosforconcentratie in de toplaag

121


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

van de ooeverzone

stiijgt

vanaf he et moment daat

het grondw waterpeil in d

stabiliseeert

daarna oop

een waard de van ongevveer

1 µmol l L

fosforpieeken

in het ooppervlaktew

water van Pettgat

231 en 1

2011 herrhaalt

zich inn

2012.

-1 de oevers beegint

te stijge en en

. Het bl lijft onduideelijk

waardoo or de

148 worden veroorzaakt. v Het verloop van

Figuur 44.7.5

Enkele bodemchemische

eigenschapppen

van de bodems b uit de oeverraaien. De monsterpu unten

worden voor elke rraai

gegeven n van nat ( (links) tot droog d (rechts) s). 25 en 550

staat voo or de

bemonsteeringsdiepte

inn

cm (zie voor r de ligging figguur

4.7.2).

122


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Figuuur

4.7.6 VVerloop

van de alkaliteitt

en de sulf lfaat-, calciu um+magnesiumm-

fosfor-, ijzer- en

ammmoniumconcenntratie

in het bodemwater voor de bode emvochtraai A. A De grondwwaterstand

in n de oever

t.o.v.

maaiveld woordt

op de rech hter y-as gegeeven

(grijze lij jn).

123


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Figuur 44.7.7

Verloopp

van de fosf forconcentrattie

in het bod demwater voo or de bodemmvochtraai

A, het

bodemwaater

van de rietkraag

die permanent p onnder

water sta aat en het op ppervlaktewaater

van het petgat p

waaraan deze raai ligtt.

De grondwa aterstand in dee

oever t.o.v. maaiveld m wor rdt op de rechtter

y-as gegev ven.

In figuuur

4.7.8 worddt

het verloo op van de bbodemwaterk

kwaliteit geg geven voor rraai

D. In ra aai D

hebben we te makeen

met bode ems waarvooor,

vanaf het h open wa ater het landd

opgaande, het

organiscche

stofgehaalte

toeneemt t. Hiermee nneemt

ook de d totaal-ijze er, totaal-zwwavel

en tota aal-P

concentrratie

toe (figuur

4.7.5). De sulfaaat-,

fosfor- en ammoniu umconcentraaties

die wo orden

gemetenn

in het bodemwater

zijn op alle locaaties

laag. Op p de locatie die d het verstee

op de oeve er ligt

(D182) wworden

hogeere

ijzer- en sulfaatconceentraties

gem meten dan op p de twee anddere

punten. De

ijzer- enn

sulfaatconccentraties

als smede de alkkaliteit

zijn (veel) ( lager in de winteer.

Waarschij jnlijk

vindt er in de winterr

accumulati ie van regennwater

plaats in de toplaa ag van de leegakker

waar rdoor

het meerr

ionenrijkerre

en geredu uceerde gronndwater

word dt weggedruk kt. Ook in ddeze

raai zien

we

de fosfoorconcentraties

toenemen n vanaf het mmoment

dat de waterpeil len stijgen. DDaarnaast

blijven

ook hier

de fosforcconcentraties

s in de boddems

lager dan d in het oppervlaktew

o water en zijn

de

concentrraties

het hooogste

voor de d locatie diie

het dichtst te bij het op pen water liggt.

Dit sugge ereert

beïnvloeeding

van de fosforconce entraties vanuuit

het open water w (inzijg gend oppervlaaktewater).

124


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Figuuur

4.7.8 VVerloop

van de alkaliteitt

en de sulf lfaat-, calciu um+magnesiumm-

fosfor-,

ammmoniumconcenntratie

in he et bodemwate ter (25 cm) diepte) vo oor de bodeemvochtraai

gronndwaterstand

in de oever t.o o.v. maaiveld wordt op de tweede

as gege even.

In fi figuur 4.7.9.

Tweee

hiervan lig

‘flexxpeil

1’ en ‘

plaggstrook

(loca

mineerale

bodem

4.7.55).

We zien

Dezze

locatie rea

van 2011. Op de

µmool

L -1 wordt het verloop

van dde

bodemwa aterconcentra aties gegeveen

voor vier locaties.

ggen in het flexpeilgebie

f ed op de vla akke oever di ie grenst aann

petgat 148 (locaties

‘flexpeil 2’) . De twee annderen

ligge en net buiten n het flexpeiilgebied

in een e natte

aties geen ‘f flexpeil 1’ een

geen ‘flex xpeil 2’). Locatie

flexpeeil

1 bestaat

uit een

m terwijl de e overige loccaties

worde en gekenmer rkt door eenn

veenbodem m (figuur

n dat locatie geen flexpeeil

2, de hoo ogste ijzer en n sulfaatconncentraties

la aten zien.

ageert ook he et sterkst opp

de uitzakke ende grondwaterstanden

iin

het droge voorjaar

eze locatie neemt n als gevvolg

van vee enoxidatie de e sulfaatconccentratie

toe tot 1400

, terwijll

de ijzerconc centratie daaalt

tot zeer la age waardes.

125

ijzer- en

D. De


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Figuur 44.7.9

Verloop van de alkaliteit

en de sulffaat-,

calcium m+magnesium-

fosfor- en ijjzerconcentra

atie in

het bodemmwater

voor dde

bodemvoch htlocaties A een

B, gelegen op een plagpl lek net buitenn

het flexpeilg gebied

(geen flexxepil

1 en 2) en binnen he et flexpeilgebiied

(flexpeil 1 en 2). Daarn naast wordt de grondwater rstand

in de oevver

t.o.v. NAP gegeven voor r twee peilbuizzen

gelegen in n de buurt van n de locaties.

Voor dee

overige bodems is er een veell

kleinere, toename

van

ijzerconcentratie

enn

de alkalite eit vertonen juist een dipje d gedure

fosforcooncentraties

zijn overwegend

(erg) llaag.

Opvall lend is de p

augustuss

2011. Dezee

piek valt samen s met dde

piek van 15 µmol L

petgat 1448,

waarmeee

deze locatie e in verbindiing

staat.

-1

n de sulfaatc tconcentratie.

De

ende de drooge

periode.

De

piek op locaatie

flexpeil 1 in

in het oppeervlaktewater

r van

126


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Figuuur

4.7.10 Verrloop

van een aantal opperrvlaktewaterkw

waliteitsparam meters voor slloten

binnen (sloot 138

en 2232)

buiten ( (sloten 141 en e 233) het fflexpeilgebied

d. Op de rech hter-as worddt

het verloop p van het

oppeervlaktewaterppeil

gegeven.

Er iis

geen verrgelijking

te maken meet

petgaten zonder een flexibel peeilbeheer

om mdat alle

ondeerzochte

pettgaten

binnen n het peilvaak

met flexib bel peil liggen.

Er is weel

een tweet tal sloten

bemmonsterd

net buiten het flexibelpeilge

f ebied (figuu ur 4.7.10). Sl loot 141 is eeen

geïsoleerde

sloot

buiteen

het flexpeeilgebied.

In figuur 4.7.10

zien we da at de waterkw waliteit op ddit

monsterp punt sterk

lijktt

op de waterrkwaliteit

van

het binnenn

het flexpeil lgebied geleg gen punt 1399.

Het punt ligt

dicht

bij eeen

uitstroomm

van het pe eilgebied waaardoor

de waterkwaltiet

w t hier ook beeïnvloed

zal worden

doorr

uitstromennd

water. Da aarnaast staatt

het niet in contact met het oppervlaaktewater

va an de rest

van het gebied.

Slooot

232 ligt inn

het Noorde en dicht bij het Tienhov venskanaal en n ontvangt mmogelijk

kw wel uit dit

kanaaal.

Deze slooot

wordt dan

ook gekennmerkt

door een hogere alkaliteit a dann

de Zuideli ijke sloot

binnnen

het flexppeilgebied

(s sloot 138). DDe

fosforcon ncentraties voor v de sloteen

zijn rela atief laag

maaar

duidelijk hhoger

in sloo ot 138. Deze sloot staat in n open verbi inding met dde

Zuidelijk petgaten

(2311

en 148) waaar

de fosfor rconcentratiees

hoog kun nnen oplopen n in de zomerr

(figuur 4.7. 7).

De wwaterkwaliteeit

buiten het flexpeilgebiied

wordt het t best weersp piegeld door sloot 233. D

bredde

sloot buiteen

het flexpe eilgebied. Heet

water van deze sloot is

harder (3000

µmol L -1

Dit is een

) dan het

127


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

water in het flexpeilgebied. De fosforconcentraties in deze sloot zijn vergelijkbaar met de

concentraties die worden gemeten in het Noordelijke deel van het flexpeilgebied en lager dan de

concentraties die worden gemeten in het Zuidelijke deel van het flexpeilgebied.

4.7.4 Conclusies

Omdat het helaas niet mogelijk was om buiten het flexpeilgebied te meten en alle onderzochte

petgaten binnen het peilvak met flexibel peil liggen, is er geen goede vergelijking te maken met

petgaten zonder een flexibel peilbeheer, Er zijn wel sloten buiten het flexibelpeil gebied

bemonsterd. Deze analyses laten zien dat het water binnen het flexibelpeilgebied minder hard is

maar dat fosforconcentraties vergelijkbaar zijn met de concentraties die worden gemeten in het

Noordelijke deel van het flexpeilgebied.

De sulfaatconcentraties van het oppervlaktewater zijn jaar rond erg laag (overwegend lager dan

40 µmol L -1 ). Uitzakkende grondwaterstanden leidden op geen enkele locatie binnen het

flexpeilgebied tot sulfaatconcentraties van betekenis. Bovendien is het relatieve oppervlak aan

open water groot De interne sulfaatbelasting van het oppervlaktewater is dan ook laag. De totaal

ijzer/totaal-zwavel verhouding van de onderwaterbodems alsmede de ijzer/fosfor ratio van het

bodemwater van de onderwaterbodems is gunstig en de nalevering van fosfor vanuit de

onderwaterbodems is waarschijnlijk erg laag. Ook in de bemonsterde oeverzones worden lage

fosforconcentraties (overwegend lager dan 2 µmol L -1 ) gemeten. Hoewel de metingen natuurlijk

niet perse representatief zijn voor het gehele gebied lijkt de nalevering van fosfor vanuit de

bodems binnen het gebied gering te zijn.

De waterkwaliteit van de petgaten verschilt. De meest Noordelijke petgaten zijn het sterkst

gebufferd wat mogelijk samenhangt met kwel vanuit het Tienhovens kanaal. De twee meest

Zuidelijke petgaten (deze staan met elkaar in verbinding) zijn minder sterk gebufferd en laten een

stijging van de fosforconcentraties zien in de zomermaanden. Hoewel een interne belasting niet

helemaal kan worden uitgesloten, lijkt dit niet waarschijnlijk. Het is mogelijk dat toestroming van

gereduceerd fosforrijker water, mogelijk veroorzaakt door tijdelijke verschillen in stijghoogte

tussen de petgaten of toestroming vanuit het Zuidelijke landbouwgebied, hiervoor de reden is.

Overall effect flexpeil waterkwaliteit: waarschijnlijk positief. Minder inlaat betekent minder

aanvoer van fosfor en sulfaat via het oppervlaktewater, en de huidige dynamiek leidt niet tot de

mobilisatie van sulfaat en/of fosfor binnen het flexpeilgebied. Lokale kwelstroompjes hebben

mogelijk wel een groot effect op de waterkwaliteit van de petgaten. Toestroming van fosforrijker

grondwater zou de oorzaak kunnen zijn van de hogere fosforconcentraties die in de zomer worden

gemeten in de twee meest Zuidelijke petgaten. Dit laatste zou dus negatief kunnen uitpakken voor

de waterkwaliteit van deze petgaten. Dit soort effecten zouden minder groot worden wanneer voor

de hele Oostelijke Binnenpolder van Tienhoven flexibelpeil zou worden ingesteld en/of wanneer

de petgaten met elkaar in verbinding zouden staan.

128


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

4.8 De Ronde Hoep

4.8.11

Inleiding

Poldder

De Ronde

Hoep (12 km k

en dde

Waver aann

de oostkan

Ronnde

Hoep is hydrologisch

van het flexpeilggebied

in pol

2 ) ligt ten zuiden van Amsterdam A t

nt (Fout! Verrwijzingsbron

niet gevo

h geïsoleerd en daar is flexibel f peilb

lder de Rondde

Hoep is 1, 5 km 2 tussen de Ammstel

aan de westkant

onden.). Hett

centrale dee el van de

beheer ingessteld.

De opp pervlakte

.

Bij dde

ontginninng

zijn vanaf f de relatief hoog en dro oog gelegen oeverwallen o van de Wav

Amsstel

sloten geegraven

naar r binnen toe. Hierbij is het

typerende kavelpatrooon

in De Ron

ontsstaan.

In tegeenstelling

to ot droogmakeerijen

(zoals s Groot Mijd drecht) is heet

veen in D

Hoeep

nooit afgegraven,

wa aarschijnlijk doordat er teveel klei met het veeen

vermengd

gebiied

is in eersste

instantie voor akkerbbouw

in gebr ruik genomen n, maar vanaaf

de 17

veehhouderij

de ooverhand.

Si inds de ontgginning

en de d ontwaterin ng in de Mid

sterkke

bodemdalling

op in De e Ronde Hoeep

(3-4 meter r in totaal). De D venige en

totaaal

circa 8 mmeter

dik. On nder de dekllaag

ligt een n dik pakket t Pleistoceen

lokaale

voorkomeens

van klei en veen.

e ver en de

nde Hoep

De Ronde

d is. Het

eeu uw kreeg

ddeleeuwen treedt er

n kleiige deklaag

is in

n zand en gr rind, met

Figuuur

4.8.1. De Ronde Hoep.

Linksboven, het verschil in winterpeil tussen het fleexpeilgebied

(vooraan)

en hhet

polderpeil (niet-flexpeil l, achter); Reechtsboven,

bo odemwaterraa aien vanuit dee

sloot het weiland

in;

Linkksonder,

nat peerceel

in het flexpeil f gebiedd;

Linksonder, , recent bemes st perceel.

129


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

De geheele

polder Dee

Ronde Hoe ep is in gebruuik

voor vee ehouderij. He et centrale deeel,

waar flexibel

peilbeheeer

is ingevooerd,

is in eigendom

vann

de Stichtin ng Noord-Hollands

Land ndschap en wordt w

onder vooorwaarden

verpacht aan n agrariërs. DDe

percelen n worden bem mest (figuur 4.8.1). Er wordt w

primair gericht op sooortenrijke

en

kwetsbare weidevogelgemeenschap

ppen, omdatt

deze momenteel

zowel kkwalitatief

alls

kwantitatief

de grootsste

natuurwa aarden in het

gebied verrtegenwoordigen.

Een tweeede

natuurdooelstelling

is s de ontwikkkeling

van an ndere faunist tische en bottanische

waa arden

in een beperkt deel

van het beheergebieed.

Daarbij wordt gestreefd

naar een botani ische

ontwikkkeling

van eeen

aantal graslandperccelen

en ee en meer na atuurlijke onntwikkeling

van

graslanddranden

langgs

slootoevers.

Binnen heet

waterbeheer

wordt ges streefd naar ooptimalisatie

e van

(grond)wwaterafhankeelijke

natuur r, waarbij eeen

zo’n goed d mogelijke waterkwaliteeit

en natuur rlijke

schommmelingen

in het

waterpeil worden nageestreefd.

Het t is een KRW W waterlichaaam.

Ten behhoeve

van heet

invoeren van v flexibel peilbeheer is

het central le deel van ppolder

De Ronde R

Hoep hyydrologisch

ggeïsoleerd

in n 2007. Het fflexpeilgebie

ed ligt midden

rondom eeen

brede, cen ntrale

sloot (MMeentsloot).

Alle sloten in het flexppeilgebied

st taan via dez ze Meentslooot

met elkaar

in

verbindiing.

In het nooordoosten

kan k indien nnodig

water via v een afsluitbare

duikerr

(gelegen tu ussen

monsterp rpunt 201 enn

202) het fle expeilgebiedd

ingelaten worden w (figu uur 4.8.2.). HHet

inlaatwat ter is

afkomstig

uit de Waaver

en heeft t een hoge EC

en P-conc centratie door

een grote bbijdrage

van brak

uitgemalen

water uitt

polder Groo ot Mijdrechtt.

In nattere tijden t kan via a een verstellbare

stuw aa an de

oostkantt

(gelegen tussen

monster rpunt 198 enn

197) water het flexpeilg gebied uitgela laten worden n.

Figuur 44.8.2.

Oppervllaktewatermon

nsterpunten biinnen

in de Ro onde hoep.

130


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Binnnen

het flexppeilgebied

is een maximuum-

en een minimumpeil

m vastgesteld van -2,45 en n -2,80 m

t.o.vv.

NAP. Ronndom

het flex xpeilgebied zzijn

de partic culiere onder rbemalingen n verdwenen en zijn 4

grotte

peilvakkenn

overgebleven.

In de winnter

staat het t peil in het flexpeilgebie

f ed veelal hog ger dan in

het oomliggende

ggebied

(zie ook o Fout! Veerwijzingsbron

niet gev vonden.).

In hhet

onderzoeksgebied

lig ggen een deeel

van de monsterpunte

m en binnen enn

een deel buiten

het

flexppeilgebied

(zzie

figuur 4.8 8.2).

4.8. .2 Oppervlaaktewater

De oppervlaktew

(figuuur

4.8.3). S

heefft

duidelijk

flexppeilgebied.

D

binnnen

het fl

sulfa faatconcentra

24000

µmol L

450

-1 .

µmol L -1 waterpeilen binnen het flexpeilgebie ed zijn hoge er dan buite

Sommige per rcelen in heet

flexpeilgeb bied zijn dan n ook zeer n

een effect op de watterkwaliteit,

maar er zijn

ook ver

De sulfaat- en e chloridecooncentraties

zijn veel hog ger buiten he

lexpeilgebied d. Buiten het flexpe eilgebied worden w gem

aties gemete en die liggenn

tussen de 500 en 1100 0 µmol L

Binnen het t flexpeilgebiied

liggen de d gemiddeld

enn

zijn de waa arden relatieff

stabiel.

-1 en het flexpe eilgebied

nat. Het flex xibel peil

rschillen bin nnen het

et flexpeilge ebied dan

middeld zee er hoge

, mmet

uitschie eters naar

de sulfaatcon oncentraties lager l dan

Figuuur

4.8.3. OOppervlaktewa

aterpeilen enn

het verloop op van een aantal oppeervlaktewaterk

kwaliteits-

paraameters

in pollder

Ronde Ho oep. Er wordeen

gemiddelde e waarden geg geven voor slooten

die bij be enadering

een vvergelijkbaar

verloop laten n zijn.

131


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Ook de alkaliteit vverschilt

ster

(gemidddelde

alkalitteit

varieert

flexpeilggebied

sprakke

is van ma

1300 enn

2200 µmol

L

fosfor/foosfaat)

zijn

zomermmaanden

ligge

daar buiiten.

De gem

het Noordelijke

deel

Zuidelijkk

deel (locat

dat voorr

het Zuidelij

erg hoogg

oplopen in

-1 rk. Buiten hhet

flexpeilg gebied is he et water har

tussen de 3200 en 5100 5 µmol L

atig hard tott

hard water (gemiddelde

). De nutriëntencon

n ncentraties van v de water

in de hele polder hooog

en voo or fosfor en

en hierbij de e nitraatconceentraties

in het h flexpeilg

middelde amm monium en ( (totaal) fosfo or en ortho-fo

l van het flex xpeilgebied (locaties 35, , 202. 203 en

ties 196. 198 8. 200) (ietss)

hoger, dan n buiten het

jke deel van het flexpeilggebied

de (to otaal) fosfor e

de zomer va an 2012.

-1 rd tot zeer hard

) terwijll

er binnen n het

e alkaliteit vvarieert

tusse en de

rlaag (nitraatt,

ammonium m en

n fosfaat zeeer

hoog. In n de

ebied overwwegend

hoger r dan

osfaat concenntraties

zijn voor

n 204) iets llager

en voo or het

flexpeilgebieed.

Opvallend

is

en ortho-fosffaat

concentr raties

De chlorridepieken

(ffiguur

4.8.3) hangen sammen

met de in nlaat van opp pervlaktewatter,

zowel binnen

als buiteen

het flexpeilgebied

in 2011, maarr

alleen buit ten dit gebie ed in 2012. DDe

sulfaatpi ieken

buiten hhet

flexpeilgeebied

lijken vooral v veroorrzaakt

te wo orden door ui itspoeling vaanuit

de perc celen,

met namme

in de winnter.

Figuur 44.8.4

Verloopp

van een aantal

oppervlaaktewaterkwal

liteitsparamet ters in polderr

Ronde Hoep p. Er

worden ggemiddelde

waaarden

gegeve en voor slotenn

die bij benad dering een ver rgelijkbaar veerloop

laten zij ijn .

132


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

4.8.33

Bodems

Figuuur

4.8.5 Verlloop

van een aantal a bodemmchemische

eig genschappen in i de diepte iin

polder Ron nde Hoep .

Het ggaat

om totaaal-concentratie

es voor de boodems.

133


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

De bodeem

in de Roonde

Hoep bestaat b uit rrelatief

zwav velrijk veen. In figuur 4.8.5 worde en de

chemiscche

karakteriistieken

gege even van dee

vier locatie es in de Ronde

Hoep wwaar

in deta ail de

bodemwwaterchemie

is gevolgd. Deze locatie

liggen in het h noordelijke

deel van de Ronde Hoep, H

aan de rrand

van het flexpeilgebi ied. Twee vaan

deze locat ties staan on nder invloed van het flex xibele

peil terwwijl

twee anddere

onder in nvloed staan vvan

het pold derpeil. Verder

ligt er steeeds

één locat tie in

een weiiland

dat geddraineerd

wordt

(middels

drainage buizen) en n één in eenn

weiland zo onder

drainagee.

Het valt t op dat de zwwavelconcen

ntraties toeneemen

in de diepte. d Dit ka an worden tooegeschreven

n aan

de oxidaatie

van de toplaag van het veen. HHierbij

word dt relatief im mmobiel gereeduceerd

zw wavel,

geoxideeerd

tot het mmobiele

sulf faat. Dit suulfaat

kan ui itspoelen naar

diepere vveenlagen

en n het

oppervlaaktewater.

AAls

gevolg va an de veenoxxidatie

neem mt ook het organische

sttofgehalte

va an de

toplaag af en neemt het massa volume v (kiloogram

droge bodem per liter

bodemvoolume)

toe. Het

ijzergehalte

in de tooplaag

neemt t juist toe omm

dat hier re elatief slecht t oplosbare iijzer(hydr)ox

xiden

accumulleren.

De oxxidatie

van ge ereduceerd zzwavel

en ijz zer leidt teve ens tot de prroductie

van zuur

waardooor

calcium inn

de bodems in oplossingg

gaat en uits spoelt. We zi ien dan ook ddat

in de top plaag

van het vveen

lagere calciumconc centraties wworden

gemet ten dan diepe er in het veenn.

Figuur 44.8.6

Verloopp

van het gr rondwaterpeill

en de sulfa faatconcentrat ties van het bodemwater voor

verschilleende

bemonsteringsdiepten

n, voor de wweilanden

van n de verschill lende flexpeilllocaties

in polder

p

Ronde Ho Hoep.

134


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Het anaerobe noog

niet geoxi ideerde veenn

is duidelijk k rijk aan gereduceerd

sttikstof

(amm monium).

De totaal-ammooniumconcen

ntratie neemmt

dan nam melijk toe in

de dieptee

terwijl de e totaal-

nitraaatconcentrattie

juist hoge er is in de boovenste

10 cm m van de bod dem (figuur 44.8.5).

Ook dit wordt

verooorzaakt

dooor

de oxidati ie van het vveen

waarbij ammonium wordt geoxxideerd

tot nitraat n en

natuuurlijk

door ooxidatie

van opgebrachtee

meststoffen n. Nitraat hoo opt alleen opp

in de toplaa ag en niet

diepper

in het veeen

omdat het t hier onder nattere cond dities weer wordt w genitrifficeerd

tot stikstofgas

of ggereduceerd

ttot

ammoniu um. Opvalleend

is dat in het flexpeilg gebied de ammmoniumcon

ncentratie

in dde

bodem hoger is en n de afnamme

naar het t maaiveld toe geringeer.

Ook is hier de

nitraaatconcentrattie

van de to oplaag lager. Dit beeld co orrespondeer rt met de naattere

conditi ies in het

flexppeilgebied

wwaarbij

de bo odem minderr

diep geoxid deerd raakt.

In ffiguur

4.8.6 wordt het verloop vann

de grondw waterstanden n in de weiilanden

weer rgegeven

alsmmede

de sulffaatconcentra

atie voor de verschillend de dieptes wa aarop bemonnsterd

is. We e zien dat

de ggrondwatersttand

in de percelen p van het niet fl lexpeilgebied d gemiddeld d op een halv ve meter

ondeer

maaiveld ligt. In het flexpeilgebie

f ed ligt de gro ondwaterstan nd hoger. Opp

50 cm diep pte meten

we in de niet-fflexpeil

weil landen gemiiddeld

veel hogere h sulfa aatconcentratties.

Dit kan n worden

toeggeschreven

aaan

de oxida atie van het veen waarbi ij sulfaat vri ijkomt. Alleeen

tijdens de d meest

drogge

periode mmeten

we tijd delijk lagere sulfaatconce entraties. Mo ogelijk als geevolg

van in ndamping

waaardoor

tijdelijjk

calciumsu ulfaat kan neeerslaan.

Ook k op 100 cm m diepte is dde

sulfaatcon ncentratie

van het bodemwwater

hoger in de niet-fllexpeilweilan

nden (figuur r 4.8.6). Waaarschijnlijk

is i dit het

resuultaat

van uitsspoeling

van n sulfaat dat iin

hoger gele egen delen va an de bodemm

is vrijgekom men.

.

Figuuur

4.8.7 Verlloop

van het oppervlaktewa

o aterpeil en de sulfaatconcen ntraties van heet

bodemwate er voor de

oeveerzones

van dee

verschillende

flexpeillocatties

in polder Ronde Hoep.

Figuuur

4.8.7 laaat

zien dat ook aan dee

oevers de sulfaatconc centraties hooger

zijn in de niet-

flexppeilweilandeen

dan in de d flexpeilweeilanden.

Al l met al bli ijken de laggere

oppervl lakte- en

gronndwaterstandden

in het niet-flexpeilg

n gebied te lei iden tot hog gere sulfaatcconcentraties

s in het

bodeemwater

vann

de bodems s. In combinnatie

met de lagere oppe ervlaktewateerstanden

in het niet

flexppeilgebied

zzal

dit leiden n tot een verssterkte

uitspoeling

van sulfaat s naar hhet

oppervla aktewater

en dde

waargenomen

hogere sulfaatconceentraties

in het h niet-flexpeilgebied

(ffiguur

4.8.3) ). In het

flexppeilgebied

zijn

de sulfaa atconcentratiees

van het bodemwater

in i de perceleen

lager waa ardoor in

commbinatie

met de hogere oppervlaktew

o waterstanden n de uitspoel ling naar de percelen toe

kleiner

135


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

zijn. Hett

deelrapportt

van Deltare es Hydro tooont

aan dat de d uitwisselin ng en uitspooeling

van sto offen

van de ppercelen

naarr

het oppervlaktewater

tooe

afneemt bij b een Flexibel

peilbeheeer.

Het wate erpeil

van het oppervlakteewater

bewee egt mee mett

het grondw waterpeil in de oeverzonne,

waardoor

het

onderlinnge

hoogte- een

daarmee drukverschil d afneemt (De eltares. Hydro ologie rappoort

C,. 2012).

Figuur 4.8.8. Gemidddelde

bodem mwaterkwaliteeitseigenschap

ppen voor de e verschillendde

bemonster rings-

locaties een

bemonsteriingsdieptes

in polder Rondee

Hoep.

In figuuur

4.8.8 wordden

de gemid ddelde conceentraties

in het h bodemwa ater gegevenn

voor een aantal a

chemiscche

parameteers.

Het bode emwater in dde

toplaag va an de bodem m wordt gekennmerkt

door r een

lage alkaaliteit

als geevolg

van ve erzuring dooor

oxidatiepro ocessen en infiltratie vaan

regenwate er. Er

136


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

zijn voor de allkaliteit

geen

duidelijkee

verschillen n zichtbaar tussen de fflexpeil-

en de niet-

flexppeilweilandeen.

De sulfaa atconcentratiees

zijn, zoals s ook al bleek

uit figuur 44.8.5,

duidelijk

hoger

in de

flexpeil-weeilanden,

wa aarbij de hooogste

sulfaatc concentraties s worden geemeten

aan de d oevers

en oop

50 cm diiepte.

De calcium- c en magnesium mconcentraties

(de belanngrijke

tweew waardige

katioonen)

zijn ssteeds

gelijk aan de som van de sulfa aatconcentrat tie plus de hhelft

van de alkaliteit. a

De cconcentratie

calcium en n magnesiumm

in het bod demwater wo ordt in belanngrijke

mate e bepaald

doorr

de oxidatiee

van het vee en waarbij ccalcium

en magnesium m wordt w vrijgemmaakt

door het h bij de

oxiddatieprocesseen

geproduce eerde zuur (zzie

hoofdstuk k 3).

Diepper

in het vveen

is het ijzer i aanwezzig

in gered duceerde vor rm waarbij hhet

gebonde en is aan

gereeduceerd

zwaavel

(sulfide)

. Deze ijzeervorm

is zee er slecht oplo osbaar waarddoor

de conc centraties

op eeen

meter diepte

op alle locaties laagg

zijn. De ijzerconcentr

i ratie in het bbodemwater

is steeds

veell

hoger op eeen

diepte van n 50 cm. Hieer

maakt de oxidatie van n veen ijzer vvrij

(zie hoofdstuk

3)

dat hier bij zeerr

lage water rstanden deeels

verder wordt w geoxid deerd tot ijzeer(hydr)oxides

maar

deells

ook in oplossing

blijft als gereduceeerd

ijzer. Bo oven in het veen v is het ijzer

relatief immobiel i

omddat

het hier vvoornamelijk

k in de slechtt

oplosbare geoxideerde g vorm v aanwez ezig is. We zi ien dat er

hier grote verschhillen

optred den tussen dee

flexpeilwe eilanden en de d niet- flexppeil

weilanden.

In de

natteere

flexpeilwweilanden

ka an er reducttie

van de toplaag t optre eden waardooor

een deel

van de

ijzerr(hydr)oxiden

worden ge ereduceerd wwaardoor

ze in oplossing

gaan. In dde

veel drog gere niet-

flexppeilweilandeen

gebeurt di it veel mindeer.

We zien dat ook de gemiddelde g ffosforconcen

ntratie in

de tooplaag

van dde

flexpeilweilanden

hogger

is dan in n de niet-flex xpeilweilandeen.

Dit komt t doordat

als ggevolg

van dde

reductie va an ijzer(hydrr)oxides

het hieraan h gebo onden ijzer vrrijkomt.

Figuuur

4.8.9 Relaatie

tussen de e ijzer- en de ffosforconcentr

raties in de to oplaag van weeilanden.

Elk punt p staat

voorr

een monsterddatum.

Opvvallend

is verrder

dat in de

gedraineerrde

weilande en de fosforconcentraties

van het bod demwater

op 50 en 100 cm

diepte hoger

zijn dann

in de niet gedraineerde

g e weilanden (figuur 4.8.8 8). Het is

moggelijk

dat drrainage

leidt tot een verssterkte

uitspo oeling van fo osfor uit de ttoplaag.

Figu uur 4.8.9

laat duidelijk zien

dat in de e toplaag vann

de weiland den de fosfo orconcentratiee

in het bod demwater

corrreleert

met de ijzerco oncentratie en dat in de natte fl lexpeilweilannden

de ijzer- i en

137


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

fosforconcentratie in het bodemwater hoger zijn dan in de niet-flexpeilweilanden. Dit betekent

dat in het flexpeil gebied de potentiële uitspoeling van fosfor naar het oppervlaktewater groter zal

zijn. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat ook de uitspoeling van gereduceerd ijzer naar het

oppervlaktewater zal toenemen. Dit ijzer wordt geoxideerd in de waterlaag en kan hierbij

neerslaan met het uitgespoeld fosfaat.

In de onderzochte onderwaterbodems (tabel 4.8.1, nummers 46 en 183 hebben geen flexpeil) is de

ijzerconcentratie veel lager dan de zwavelconcentratie. Hierdoor is de binding van fosfor in de

onderwaterbodem slecht en is de beschikbaarheid aan gereduceerd ijzer laag. In de

onderwaterbodem zien we dat er veel minder ijzer dan fosfor in het bodemwater aanwezig. Dit

betekent dat deze bodems van Ronde Hoep in principe jaar rond fosfaat kunnen naleveren, en

geen bindingscapaciteit hebben (zie hoofdstuk 3).

Tabel 4.8.1 Eigenschappen van de onderwaterbodems. De bodemwaterconcentraties zijn de gemiddelde

waardes van alle bemonsteringsdata. De bodemconcentraties worden gegeven per liter bodemvolume

Bodem Bodemvocht

4.8.4 Conclusies

% µmol L ‐1

µmol L ‐1

µmol L ‐1

mol mol ‐1

Gelet op de waterhardheid en sulfaat- en chlorideconcentraties is er duidelijk een positief effect

van het flexibele peilbeheer. Voor de nutriënten zijn er geen verschillen of is er zelfs sprake van

een (iets) slechtere situatie in het flexpeilgebied. De afwezigheid van een positief effect op de

nutrientenconcentraties heeft te maken met het feit dat het om een landbouwgebied gaat. De

interne nalevering van fosfor en stikstof in het systeem (bijvoorbeeld uit de onderwaterbodems)

is dusdanig groot dat de langere verblijftijd niet opweegt tegen de verminderde inlaat van

nutriënten. De nalevering van P uit de onderwaterbodems wordt op korte termijn niet beïnvloed

door het flexibele peil. Wel leidt het flexibele peil tot een lagere alkaliteit en sulfaatbelasting van

het oppervlaktewater wat op de langere termijn gunstig is. Mogelijk leiden de nattere condities

ook tot een toename van de uitspoeling van fosfor en ammonium uit de percelen naar het

oppervlaktewater. Opvallend is in ieder geval dat voor het nattere Zuidelijke flexpeilgebied de

hoogste stikstof- en fosfaatconcentraties worden gemeten in het oppervlaktewater.

Opgemerkt moet worden dat het verbeteren van de waterkwaliteit niet het hoofddoel is van het

instellen van het flexibele peil in dit gebied. Het peilbeheer moet in eerste instantie de

weidevogeldoelstelling dienen en ook de wordt de ontwikkeling van een meer natuurlijke

oevervegetatie nagestreefd.

138

µmol L ‐1

µmol L ‐1

µmol L‐1 µmol L ‐1

µmol L ‐1 mol mol ‐1

Org. Stof tot‐Ca tot‐Fe tot‐S tot Fe/S tot‐P Anorg N NH4 Fe P Fe/P

35 86,9 67,3 3,6 69,7 0,1 0,7 1076,3 606,9 1,4 16,2 0,09

46 87,1 50,9 4,6 58,1 0,1 0,8 1097,4 503,8 2,4 12,9 0,19

183 87,5 68,6 5,3 81,4 0,1 0,8 1133,3 590,4 1,6 22,0 0,07


Rapportage Flexibel Peilbeheer Onderzoekcentrum B-WARE

_______________________________________________________________________________

4.9 Westbroekse Zodden

4.9.1 Inleiding

De Westbroekse zodden (2,6 km 2 ) liggen ten noorden van Westbroek, ongeveer 5 kilometer ten

noorden van Utrecht en 5 km ten westen van de A27 tussen Hilversum en Utrecht. Het gebied ligt

aan de flank van de Utrechtse heuvelrug. Aan het eind van de ijstijd is in dit gebied veel dekzand

afgezet door de wind. In het Holoceen ontstonden veenmoerassen die gevoed werden met

kwelwater vanuit de stuwwal. Door de relatief hoge ligging is de dikte van het veenpakket zeer

beperkt gebleven (0-1 meter). Door de glooiing van de onderliggende dekzanden is de dikte

variabel en op de dekzandruggen komt het zand aan de oppervlakte.

Aangezien de veenlaag maar dun is, was het niet rendabel de landbouwgrond op te offeren voor

turfwinning. Men heeft dan ook maar op zeer beperkte schaal turf gewonnen in het gebied. De

petgaten in de Westbroekse Zodden zijn gegraven in de periode 1991 tot 1999 in het kader van

natuurontwikkeling.

In enkele petgaten is flexibel peilbeheer ingesteld door de open verbindingen met andere dicht te

maken In de afgesloten petgaten mag het peil vrij fluctueren. Er wordt in de flexpeil-petgaten via

het oppervlaktewatersysteem geen water meer aan- of afgevoerd. Via de goed doorlatende

zandgrond staan de ‘geïsoleerde’ petgaten wel in verbinding met de omgeving. Het peilbeheer in

de rest van de Westbroekse Zodden heeft daardoor wel invloed op het peil in de afgesloten

petgaten. In het hoofdpeilvak van de Westbroekse Zodden wordt een winterpeil van -1,05 m NAP

en een zomer peil van -1,00 m NAP gehandhaafd (polderpeil).

Het gebied wordt beheerd door Staatsbosbeheer en maakt deel uit van het Natura 2000 gebied de

‘Oostelijke Vechtplassen’. In het gebied komen trilvenen (figuur 4.9.1), broekbossen, rietvelden

en graslanden voor. Het belangrijkste natuurdoel voor het gebied is het behoud, herstel en

uitbreiding van verlandingsvegetaties.

Om de jonge verlandingsstadia meer ruimte te geven heeft Staatsbosbeheer van 1991 tot 1999 een

aantal petgaten gegraven. Sinds de aanleg van de petgaten is de verlanding vanuit de oevers echter

nauwelijks op gang gekomen. In sommige sloten en (nieuw gegraven) petgaten komen wel

kranswieren, krabbenscheer (figuur 8.9.1 of fonteinkruiden voor. Voor enkele petgaten (één in het

Zuidelijke deelgebied en één in het Noordelijke deelgebied) is flexibel peilbeheer ingesteld door

de open verbindingen met andere petgaten dicht te maken. De petgaten met een flexibel peil

liggen geïsoleerd t.o.v. de omgeving.

In de petgaten met een flexibelpeil mag het peil vrij fluctueren. Er wordt in de flexpeil-petgaten

geen oppervlaktewaterwater meer aan- of afgevoerd.

139


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Figuur 88.9.1.

De Wesstbroekse

Zodd den. Linksbovven,

petgat me et trilveenverl landing, rechttsboven

Petga at met

Krabbesccheerverlandiing.Midden

en n onder Oeveergradiënten

met m peilbuizen n en poreuze e cups ten beh hoeve

bodemwaaterbemonsterring.

140


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

4.9.22

Oppervlakktewater

ma acroionen

De ppetgaten

met

een flexibe elpeil hebbenn

het hele jaar j door ee en hoger peeil

dan het polderpeil p

(figuuur

8.9.2). GGemiddeld

la ag in de ondderzoeksperio

ode het peil zo’n 10 cm hoger in de petgaten

met een flexibel peil. In de winter w kon diit

verschil op plopen tot me eer dan 25 cmm

(figuur 8.9 9.2.

Figuuur

8.9.2. Opppervlaktewate

erpeilverloop Westbroekse e zodden van n het in het ZZuidelijk

(roo od) en het

Noorrdelijk

(groenn)

deelgebied gelegen petggat

met flexib bel peil. In zw wart wordt heet

oppervlakte ewaterpeil

geveen

voor het ppeilvak

met polderpeil. HHet

piekerige e patroon va an het waterp rpeil in het Zuidelijke Z

flexppeilpetgat

worrdt

veroorzaak kt door storinggen

in de ‘Div ver’ metingen. .

Het valt op daat

de petga aten met eeen

flexibelp peilbeheer een

lagere ccalcium+mag

gnesium-

conccentratie

en ook een lag gere alkaliteeit

hebben dan d de petga aten zonder flexibel pei il (figuur

8.9.33).

De chloriideconcentra

aties zijn bedduidend

hoge er voor de pe etgaten zondder

flexibel peil p in het

Zuiddelijke

deelggebied.

Deze e verschillenn

in chloride econcentratie es kunnen woorden

verkla aard door

de innlaat

van opppervlaktewa

ater. In het droge voorjaar

stijgt de chlorideconncentratie,

al ls gevolg

van indamping, in alle petg gaten maar dde

concentra atie stijgt rel latief fors inn

de petgaten n zonder

flexiibel

peil vaan

het Zuide elijk deelgebbied.

De calcium+

mag gnesiumconccentratie

en ook de

alkaaliteit

volgenn

dit patroon n. Na de heviige

regenval l van half jul li stijgt de wwaterspiegel

zowel in

de ppetgaten

met een flexibel l peil als in dde

petgaten zonder z een flexibel f peil hhetgeen

gepa aard gaat

met een afnamee

van de chlo orideconcenttraties

als ge evolg van ve erdunning. Inn

het Zuidel lijke deel

nemmen

in de petggaten

zonder r flexibelpeill

ook de calc cium+magne esiumconcent ntratie en de alkaliteit

af.

141


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

Figuur 88.9.3

Verloopp

van een aan ntal oppervlaaktewaterkwal

liteitsparameters

in Westbrroekse

zodden.

Er

worden ggemiddelde

wwaarden

gegev ven voor petggaten

die bij benadering een

vergelijkbaaar

verloop laten

zien .

In figuuur

8.9.4 worddt

de gemidd delde chlorideeconcentratie

uitgezet te egen de gemmiddelde

alka aliteit

van het oppervlaktewwater.

Hier rbij worden aalle

bemonst teringslocaties

(zowel dee

petgaten als

de

sloten) wweergegevenn.

Het freati ische grondwwater

(twee meetpunten m in het Zuideelijke

deelgeb bied)

laten rellatief

lage geemiddelde

ch hlorideconcenntraties

zien.

De hogere chlorideconncentraties

in n het

Zuidelijkke

deelgebieed

kunnen du us alleen verrklaard

word den door de inlaat van ooppervlaktew

water.

De tweee

meetpuntenn

in het geïso oleerde petggat

hebben een e lage gem middelde chloorideconcent

tratie

en alkaaliteit

omdaat

ze niet beïnvloed worden do oor oppervl laktewater. De gemidd delde

waterkwwaliteit

van dde

petgaten uit u het Noorddelijke

deelge ebied komt nog n het bestee

overeen me et de

waterkwwaliteit

van hhet

freatische e grondwaterr.

Dit suggere eert dat de waterkwaliteit

w t van de petg gaten

van het Noordelijke deelgebied veel meer beeïnvloed

wordt

door frea atisch grondwwater,

of in ieder

geval dooor

water daat

een vergel lijkbare kwaaliteit

heeft als a het freati ische grondwwater.

Dit zo ou te

maken kkunnen

hebben

met het fe eit dat de veeenlaag

naar het h noorden toe t uitwigt teegen

de zand dlaag

van het HHilversums

pplateau

en du unner wordt, , waardoor er r meer grond dwaterinvloeed

mogelijk is.

142


Rappportage

Flexibbel

Peilbeheer r

Onderzzoekcentrum

B-WARE B

_________________________

___________ ___________ ___________ _____________________

________

Figuuur

8.9.4 Rellatie

tussen de d gemiddeldee

chloridecon ncentratie en de gemiddeldde

alkaliteit (links) en

sulfaaatconcentratiie

(rechts) van n het oppervlaaktewater

en het h freatische grondwater. g

Oveerigens

is err

binnen het t cluster van an petgaten van het zui idelijke deellgebied

een gradiënt

zichhtbaar

(figuuur

8.9.5). Me et name de ppetgaten

die e westelijk van v het geïsooleerde

petgat

liggen

hebbben

een lagere

alkaliteit en e chloridecooncentratie

dan d de oostel lijk gelegen ppetgaten.

Mo ogelijk is

er vvoor

deze peetgaten

sprak ke van beïïnvloeding

vanuit v het ge eïsoleerde peetgat

(met jaar

rond

hogeere

oppervlaktewaterstan

nden, figuur 88.9..2).

Figuuur

8.9.5 Gemmiddelde

alk kaliteit en chllorideconcent

tratie van he et oppervlakteewater

in het t Zuidelijk

deelggebied.

143


Rapportaage

Flexibel Peilbeheer

Onderzoekccentrum

B-WA ARE

_____________________________

_____________________

___________ ___________ ___________ ____

4.9.3 Onnderwaterboodem

In figuuur

8.9.6 zienn

we dat de alkaliteit a vann

het oppervl laktewater co orreleert mett

de alkaliteit t van

het bodeemwater.

Dee

alkaliteit va an het bodemmwater

is hie erbij steeds (veel) ( hoger dan de alka aliteit

van hett

oppervlakktewater

en n het verscchil

neemt toe naarm mate de alkkaliteit

van het

oppervlaaktewater

hooger

is. De gemiddelde g cchlorideconcentratie

van het bodemwwater

is voo or de

petgatenn

met een fleexibel

peil ge elijk en voorr

de petgaten n zonder flexibelpeil

steedds

iets hoger r dan

de gemidddelde

chlorrideconcentra

atie van het oppervlaktew water.

Figuur 8.9.6 Links: gemiddelde chlorideconccentratie

van het bodemwater

van de onderwaterbodem

uitgezet ttegen

de gemiiddelde

chlorid deconcentratiie

van het op ppervlaktewate er. Rechts: geemiddelde

alka aliteit

van het bodemwater van de ond derwaterbodeem

uitgezet tegen t de gem middelde alka kaliteit van n het

oppervlaktewater

De alkalliteit

in het ssediment

(bij j benadering de bicarbon naatconcentra atie) wordt ggevormd

doo or de

afbraak van organiscch

materiaal (hoofdstuk 3). Hierbij worden w altern natieve elekttronenaccept

toren

gebruiktt

om de anaeerobe

afbraak k te laten veerlopen.

Er bestaat b echte er ook een teerugkoppelin

ng op

deze affbraak

die gestuurd kan k wordenn

door de alkaliteit van het ooppervlaktew

water.

Oppervllaktewater

mmet

een hog ge alkaliteit t kan de afbraak a van organisch materiaal in n de

onderwaaterbodem

sttimuleren

(Smolders

e.a. .. 2006). Andersom

kan de alkaliteitt

die gegener reerd

wordt inn

de onderwaaterbodems

de d waterlaag bufferen.

Figuur 88.9.7

laat zieen

dat in het geïsoleerde petgat er een n duidelijke seizoensvariiatie

zichtba

in de alkkaliteit

van dde

onderwate erbodem. Deeze

neemt toe e in de zomer,

wanneer hhet

warmer w

en de annaerobe

afbraaakprocessen

n beter verloopen.

Deze stijging

van de d alkaliteit ggaat

gepaard

een stijgging

van de ij