Toelichting op archeologische waarden- en ... - Belvedere

belvedere.nu

Toelichting op archeologische waarden- en ... - Belvedere

RAAP-RAPPORT 1688

Archeologische monumentenzorg in de

gemeente Lingewaal

Archeologische sporen in een groene parel

Deel 2: Toelichting op de archeologische waardenen

verwachtingskaart


Colofon

Opdrachtgever: Gemeente Lingewaal

Titel: Archeologische monumentenzorg in de gemeente Lingewaal: archeologische sporen

in een groene parel; Deel 1: beleidsnota archeologische monumentenzorg; Deel 2:

toelichting op de archeologische waarden- en verwachtingskaart

Status: eindversie

Datum: 15 oktober 2008

Auteurs: drs. F. de Roode (deel 1) & E. Goossens MA (deel 2)

Projectcode: LIAB

Bestandsnaam: RA1688-LIAB.indd

Projectleiders: E. Goossens MA & drs. F. de Roode

Projectmedewerkers: niet van toepassing

ARCHIS-vondstmeldingsnummer: niet van toepassing

ARCHIS-waarnemingsnummer: niet van toepassing

ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer/CIS-code: niet van toepassing

Autorisatie: drs. H.F.A. Haarhuis & drs. E. Heunks

ISSN: 0925-6229

RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V.

Leeuwenveldseweg 5b

1382 LV Weesp

Postbus 5069

1380 GB Weesp

© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2008

telefoon: 0294-491 500

telefax: 0294-491 519

E-mail: raap@raap.nl

RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade

voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.


RAAP-RAPPORT 1688

SAMENVATTING

Ter ondersteuning van het gemeentelijk beleid ten aanzien van de archeologische

monumentenzorg heeft RAAP voor de gemeente Lingewaal een archeologische

waarden- en verwachtingskaart vervaardigd (kaartbijlage 1): een kaart die op perceelsniveau

inzichtelijk maakt waar bekende archeologische waarden zich bevinden en

wat de kans is deze aan te treffen. De waarden- en verwachtingskaart is, voor toepassing

op beleidsmatig, gemeentelijk niveau, vertaald naar een beleidskaart (kaartbijlage

2). Met behulp van deze kaarten kunnen op gemeentelijk niveau werkbare

en aanvaardbare keuzes gemaakt worden ter bevordering van behoud, beheer en

ontwikkeling van het bodemarchief van Lingewaal.

De archeologische waarden- en verwachtingskaart is gebaseerd op een landschappelijk

verwachtingsmodel: de verspreiding van vindplaatsen, met name nederzettingsterreinen,

is niet willekeurig, maar sterk gerelateerd aan de opbouw van het landschap.

Aan de hand van een landschappelijke analyse en een inventarisatie en analyse van

bekende archeologische vindplaatsen is een gemeentespecifiek verwachtingsmodel

geformuleerd, op grond waarvan de archeologische waarden- en verwachtingskaart

is vervaardigd. De verwachte relatieve dichtheid aan archeologische resten is hierop

vlakdekkend weergegeven. In hoeverre de verwachte archeologische waarden nog

aanwezig zijn, is mede afhankelijk van de intactheid van het landschap.

Het natuurlijke landschap van de gemeente Lingewaal wordt gekenmerkt door een

complex stelsel van voormalige actieve rivierlopen van de Rijn die hier gedurende

duizenden jaren actief waren. Pas vanaf het begin van de jaartelling concentreerde de

Rijn zich in deze omgeving in twee hoofdstromen (Linge en Waal). Het landschap van

Lingewaal is ontstaan onder invloed van zich verplaatsende holocene prehistorische

riviersystemen. Deze riviersystemen hadden voornamelijk een meanderend of anastomoserend

karakter, waarbij over korte afstand sprake was van een sterke differentiatie

in afzettingsmilieus: meandergordels, oeverzones en komgebieden. De fossiele

meandergordels waren over het algemeen gunstige locaties voor bewoning. Ook de

direct aan meandergordels grenzende oeverzones hadden gunstige fysische eigenschappen

wat betreft de bewoningsmogelijkheden, in tegenstelling tot de verder weg

gelegen oeverzones en de komgronden.

Op basis van de landschappelijke analyse en de verspreiding van archeologische

vindplaatsen is het landschap van de gemeente Lingewaal onderverdeeld in zones

met een lage, middelmatige of hoge archeologische verwachting. Aan de hand van

75


RAAP-RAPPORT 1688

de specifieke dateringen van landschappelijke eenheden is daarbij de verwachting gespecificeerd

naar archeologische perioden. Waar de ligging van bekende vindplaatsen niet (geheel) correleert

met de verwachte geologische opbouw, is vermoedelijk sprake van een complexe geologische situatie,

zoals het voorkomen van niet eerder gekarteerde crevassen in zones met oever- en komafzettingen.

Er is getracht het vindplaatsenbestand van de gemeente Lingewaal zo compleet mogelijk

te maken. Een vindplaats vormt immers een speciaal aandachtspunt op de kaart als het gaat om

ruimtelijke ontwikkelingen en de zorgvuldige omgang hierbij met het archeologisch bodemarchief.

De vastgestelde archeologische verwachtingen en waarden zijn in overeenstemming met het te

voeren AMZ-beleid van de gemeente (zoals beschreven in deel 1 van dit rapport). In hoofdstuk 7

(van dit deel) worden de vastgestelde archeologische waarden en verwachtingen vertaald naar

een concreet beleid in het kader van de realisering van een realistisch en duurzame gemeentelijke

AMZ.

76


RAAP-RAPPORT 1688

INHOUD

75 Samenvatting

79 1 Inleiding

79 1.1 Achtergrond, kader en doelstelling

79 1.2 Wat zijn archeologische waarden en verwachtingen?

81 1.3 Opzet van het onderzoek

81 1.4 Leeswijzer

85 2 Methoden en bronnen

85 2.1 Inleiding

85 2.2 Toelichting op de landschappelijke inventarisatie

87 2.3 Toelichting op de archeologische inventarisatie

89 2.4 Beperkingen en onzekerheden van het bronnenmateriaal

91 3 Landschap

91 3.1 Weichselien (120.000-8.800 jaar geleden)

92 3.2 Holoceen (8800 voor Chr. tot heden)

95 3.3 Holocene meandergordels en restgeulen

99 3.4 Afzettingen buiten de meandergordels

103 4 Archeologie

103 4.1 Algemene bewoningsgeschiedenis van het midden-rivierengebied

103 4.1.1 Prehistorie

106 4.1.2 Romeinse tijd

107 4.1.3 (Vroege en Late) Middeleeuwen

109 4.2 Archeologische inventarisatie gemeente Lingewaal

109 4.2.1 Vindplaatsen/vindplaatskenmerken algemeen

110 4.2.2 Vindplaatscategorieën

119 4.3 Archeologische karakteristiek gemeente Lingewaal

121 5 Toelichting op de archeo logische waarden- en verwach tings kaart

121 5.1 Principes en nauwkeurigheid

122 5.2 Vestigingsfactoren en locatie keuze

122 5.2.1 Jager-verzamelaars (Paleolithicum-Mesolithicum-Neolithicum)

123 5.2.2 Landbouwers (Neolithicum-Late Middeleeuwen)

124 5.3 Het archeologisch verwach tings model voor de gemeente Lingewaal

77


RAAP-RAPPORT 1688

124 5.3.1 Meandergordels

127 5.3.2 Restgeulen

127 5.3.3 Oeverafzettingen (ongefundeerd)

128 5.3.4 crevassen

128 5.3.5 Komgebieden

128 5.3.6 Middeleeuwse dorpskernen

130 5.3.7 Oude woongronden

130 5.4 Beperkingen van het onderzoek

133 6 Bedreiging en bescherming van archeo logische waarden

133 6.1 Kwetsbaarheid van archeo logische waarden (algemeen)

136 6.2 Bodemverstoringen in de gemeente Lingewaal

138 6.3 Actuele ruimtelijke ontwikke lingen

138 6.4 Fysieke bescherming en inrich ting van archeologische terreinen

141 7 AMZ: Verwachting en beleid

141 7.1 Archeologische beleidskaart

144 7.2 Vrijstellingen

147 7.3 Onderzoeksverplichting (per categorie)

152 7.4 Aanzet tot de onderzoeks agenda gemeente Lingewaal: invulling van kennislacunes

152 7.4.1 Kennislacunes per archeologische periode

154 7.4.2 Kennislacunes per landschapstype

157 7.4.3 Overige kennislacunes/ontbrekende punten

158 7.4.4 Synthese aanbevelingen onderzoeks agenda

159 Literatuur

162 Gebruikte afkortingen

162 Verklarende woordenlijst

165 Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen

167 Bijlage 1 Catalogus van vindplaatsen

178 Bijlage 2 Catalogus van archeologische monumenten

78


RAAP-RAPPORT 1688

1 INLEIDING

1.1 Achtergrond, kader en doelstelling

Ter ondersteuning van het gemeentelijk beleid ten aanzien van de archeologische

monumentenzorg (AMZ) heeft RAAP in opdracht van de gemeente Lingewaal

(figuur 1) een archeologische waarden- en verwachtingskaart (kaartbijlage 1) en een

archeologische beleidskaart (kaartbijlage 2) vervaardigd. De kaarten zijn mede tot

stand gekomen door subsidiëring van de provincie Gelderland. De archeologische

waarden- en verwachtingskaart maakt op perceelsniveau inzichtelijk waar bekende

archeologische waarden zich bevinden en wat de kans is deze aan te treffen, zowel

in de bebouwde kom als in het landelijk gebied. De daaruit afgeleide beleidskaart

vormt een belangrijk beleidsinstrument waarmee op gemeentelijk niveau werkbare en

aanvaardbare keuzes gemaakt kunnen worden ter bevordering van behoud, beheer

en ontwikkeling van het bodemarchief van Lingewaal. Meer dan een indicatieve

kaart zoals de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) kan

de gemeentelijke beleidskaart als bindend beleidsdocument gehanteerd worden op

grond waarvan planontwikkelingen kunnen worden getoetst en vormgegeven. Het

doel van het archeologisch onderzoek in de gemeente Lingewaal is dan ook het

verschaffen van inzicht in de verspreiding en het karakter van archeologische resten,

zodat archeologie een volwaardige rol kan gaan spelen in het ruimtelijk beleid.

1.2 Wat zijn archeologische waarden en verwachtingen?

Het begrip ‘archeologische waarden’ is lastig te omkaderen. Ten eerste is de scheidslijn

tussen archeologische en bouwhistorische waarden onduidelijk. Over het algemeen

geldt voor archeologische waarden dat het reeds bekende fysieke resten en

artefacten van menselijke bewoning of aanwezigheid in het verleden betreft die niet

meer boven het huidige maaiveld aanwezig zijn. Bouwhistorische waarden zijn juist

wel zichtbaar boven het maaiveld. Waar deze scheidslijn niet duidelijk is, zoals bij

bijvoorbeeld de nog zichtbaar aanwezige omwalling van verdwenen kastelen, worden

deze wel bij de archeologische waarden gerekend. Ten tweede is de tijdsperiode

een punt van discussie. Waar in het ene geval archeologische resten uit de Nieuwe

tijd juist gezien worden als verstoring, wordt dit in het andere geval juist opgevat als

archeologisch belangrijk. Een en ander is mede afhankelijk van het type vindplaats en

de doelstelling van het archeologisch onderzoek. Om een zo compleet mogelijk beeld

te schetsen van de archeologische identiteit van de gemeente Lingewaal worden op

de waarden- en verwachtingskaart de archeologische resten uit alle archeologische

perioden (vanaf het Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd) opgenomen.

79


RAAP-RAPPORT 1688



Figuur 1. Ligging van het onderzoeksgebied (rood omlijnd); inzet: ligging in Nederland (ster).

De archeologische waarden- en verwachtingskaart

is gebaseerd op een analyse van zowel

archeologische als landschappelijke gegevens.

De relatie tussen het landschap (bodem, morfo-



80

logie en waterhuishouding) en archeologische

waarden hangt samen met de voorkeur voor

vestigingslocaties in een bepaalde periode en

binnen bepaalde landschapstypen. Op basis


RAAP-RAPPORT 1688

van kennis over deze relatie tussen landschap

en de archeologische vindplaatsen kan een

verwachtingsmodel worden opgesteld, op grond

waarvan binnen de gemeente Lingewaal zones

kunnen worden onderscheiden met een hoge,

middelmatige en lage kans op het aantreffen

van archeologische resten.

1.3 Opzet van het onderzoek

De inventarisatie van bekende vindplaatsen

omvat zowel de in archieven geregistreerde

vindplaatsen als nog niet eerder gemelde

vindplaatsen. Landschappelijke gegevens zijn

ontleend aan bodemkundige, geologische en

geomorfologische kaarten, alsmede andere

publicaties, hoogtegegevens en historisch

kaartmateriaal (zie literatuurlijst). Het door de

gemeente verworven Actueel Hoogtebestand

Nederland (AHN) was daarnaast een belangrijk

hulpmiddel bij het detailleren van de geologische

opbouw van het gebied. Door landschappelijke

eenheden te vertalen naar zones met

een hoge, middelmatige en lage archeologische

verwachting is de archeologische waarden- en

verwachtingskaart vervaardigd. De beslissingsregels

die ten grondslag liggen aan deze kaart

zijn in de vorm van een verwachtingsmodel

opgenomen in dit rapport. Daarnaast is door

inventarisatie van bodemverstoringsgegevens

en het AHN een globale indruk verkregen van

de kwaliteit (gaafheid en conservering) van de

verwachte archeologische resten. De vastgestelde

archeologische waarden en verwachtingen

zijn direct gekoppeld aan een te voeren

beleid in het kader van de AMZ. Deze adviezen

maken deel uit van het geheel van selectieafwegingen

zoals deze in de beleidsnota zijn

vastgelegd.

81

1.4 Leeswijzer

Dit rapport vormt een methodische en inhoudelijke

toelichting op de archeologische waardenen

verwachtingskaart van de gemeente Lingewaal

(kaartbijlage 1) en de daaruit afgeleide

archeologische beleidskaart (kaartbijlage 2).

Hoofdstuk 2 geeft een toelichting op de gehanteerde

bronnen en de werkwijze. Hoofdstuk 3

betreft een analyse van de landschappelijke

opbouw van de gemeente Lingewaal. Op grond

van ontstaansgeschiedenis, geomorfologie

en bodemkenmerken wordt het landschap

ingedeeld in eenheden die de basis vormen

voor de kaarten. Hoofdstuk 4 bevat een algemene

schets van de bewoningsgeschiedenis,

gevolgd door een inventarisatie van de bekende

archeologische vindplaatsen in de gemeente

Lingewaal. Aan de hand van deze inventarisatie

worden de archeologische karakteristieken van

Lingewaal beschreven. Hoofdstuk 5 vormt een

toelichting op de archeologische waarden- en

verwachtingkaart. Aan de hand van een gespecificeerd

archeologisch verwachtingsmodel

wordt aan de landschappelijke eenheden

een archeologische verwachting toegekend.

In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de bedreiging

van archeologische waarden binnen de

gemeentegrenzen van Lingewaal. Daarnaast

wordt in dit hoofdstuk enkele algemene maatregelen

voor beheer voor wat betreft de beheeren

behoudsopgaven gegeven. In het afsluitende

hoofdstuk 7 worden de vastgestelde archeologische

waarden en verwachtingen vertaald naar

een concreet beleid in het kader van de realisering

van een realistisch en duurzame gemeentelijke

AMZ.

Een overzicht van alle archeologische vindplaatsen,

monumenten, onderzoeken en de

bijhorende achtergrondinformatie uit de archeologische

database ARCHIS is te vinden in


RAAP-RAPPORT 1688

Chronostratigrafie

Tijd(vak)

Pleistoceen Holoceen

Weichselien

Laat

Glaciaal

Pleniglaciaal

Vroeg Glaciaal

Eemien

Saalien

Holsteinien

Elsterien

Cromerien

Biostratigrafie

Pollenzone

Subatlanticum

Subboreaal

Atlanticum

Boreaal

Preboreaal

Late Dryas

Allerød

Vroege Dryas

Bølling

Denekamp

Hengelo

Moershoofd

Odderade

Brørup

Amersfoort

Prehistorie

Steentijd

Tabel 1. Geologische en archeologische tijdschaal.

Middeleeuwen

Romeinse tijd

IJzertijd

Bronstijd

82

Archeologische perioden

Nieuwste tijd

Nieuwe tijd

Neolithicum

Mesolithicum

Paleolithicum

Vol

Laat

Vroeg

Laat

Midden

Vroeg

Laat

Midden

Vroeg

Laat

Midden

Vroeg

Laat

Midden

Vroeg

Laat

Midden

Vroeg

Laat

Midden

C

B

A

B

A

D

C

B

A

tabel1 standaard

Gecalibreerd

1850

1650

1500

1250

1050

900

725

525

450

270

70 na Chr.

12 voor Chr.

250

500

800

1100

1800

2000

2850

4200

4900/5300

6450

7100

8800

35.000

300.000


RAAP-RAPPORT 1688

de bijlagen 1 t/m 4. Bijlage 1 is de catalogus

van vindplaatsen; deze biedt een zo volledig

mogelijk overzicht van de archeologische

waarnemingen die in het verleden binnen de

gemeente Lingewaal zijn gedaan. Veel van

deze waarnemingen zijn direct uit ARCHIS

verworven. Bijlage 2 betreft een catalogus van

in de gemeente voorkomende archeologische

monumenten (AMK-terreinen). In de catalogi

in de bijlagen 3 en 4 worden respectievelijk de

waarnemingen en onderzoeksmeldingen uit

ARCHIS weergegeven. Deze bijlagen zijn allen

te vinden op de bijgeleverde cd-rom. Bijlage 1

en 2 staan ook in dit rapport afgedrukt. De losse

bijlage 5 betreft een beknopte samenvatting van

de informatie uit deel 1 van dit rapport.

Zie tabel 1 voor de dateringen van de in dit

rapport genoemde geologische en archeologische

perioden. Enkele vaktermen worden achter

in dit rapport beschreven (zie verklarende woordenlijst).

83


2 METHODEN

RAAP-RAPPORT 1688

EN BRONNEN

2.1 Inleiding

De ruimtelijke verspreiding van archeologische vindplaatsen, met name nederzettingsterreinen,

is niet willekeurig, maar sterk gerelateerd aan de opbouw van het

landschap. Aan de hand van een analyse van de bewoningsmogelijkheden van

het landschap door de tijd, kan een verwachtingsmodel worden geformuleerd. Dit

verwachtingsmodel vormt de basis van een zogenaamde archeologische (waardenen)

verwachtingskaart: een kaart waarop de verwachte relatieve dichtheid aan archeologische

resten vlakdekkend is weergegeven. De verwachtingszones kunnen direct

worden vertaald naar beleidsadviezen.

Aan de basis van een archeologische waarden- en verwachtingskaart staan een

analyse van het landschap en een inventarisatie en analyse van bekende archeologische

vindplaatsen. Beide componenten geven inzicht in de archeologische potentie

van het plangebied. Een derde component, de intactheid (ook wel gaafheid) van het

landschap, bepaalt uiteindelijk in hoeverre verwachte archeologische waarden nog

aanwezig zijn.

2.2 Toelichting op de landschappelijke inventarisatie

Voor een goede indruk van de archeologische verwachtingen en de verspreiding van

archeologische vindplaatsen is een gedetailleerde analyse van de ontstaansgeschiedenis

(geomorfogenese) en opbouw van het landschap noodzakelijk. Het grondgebied

van de gemeente Lingewaal maakt in zijn geheel deel uit van het middenstroomse

gedeelte van de Rijndelta. De geschiedenis van de Rijn is dan ook in hoge mate

bepalend voor de landschappelijke opbouw en vormt een belangrijke basis voor het

begrijpen van de archeologische betekenis van het landschap. Ten behoeve van een

landschapsanalyse zijn de volgende bronnen gebruikt:

- Geological-Geomorphological map of the Rhine-Meuse delta in the Netherlands

(Berendsen & Stouthamer, 2001);

- zanddiepte-kaarten van het Gelders rivierengebied, schaal 1:25.000 (Berendsen

e.a., 2001);

- de bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 (Stiboka, 1981);

- verscheidene historische topografische kaarten (o.a. Robas Producties, 1989;

Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, 1990);

- overige lokale geologische, bodemkundige en/of archeologische studies;

- het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).

85


RAAP-RAPPORT 1688














86









Figuur 2. Hoogtekaart van de gemeente Lingewaal op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).


RAAP-RAPPORT 1688

Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)

vormt een belangrijke aanvullende informatiebron

voor de landschapsanalyse. Dit met

behulp van laser-altimetrie verkregen digitale

hoogtebestand vormt een uiterst gedetailleerde

kaart van het huidige reliëf in het onderzoeksgebied

(figuur 2). Het AHN is met name gebruikt

bij het in kaart brengen van restgeulen, het

bijstellen van de begrenzing van meandergordels

en oeverzones, en het in kaart brengen

van ontgrondingen of afgravingen. Voor de

gemeente Lingewaal wordt dit plaatselijk

bemoeilijkt door de verschillende overstromingen

en inundaties van het gebied tussen de

Linge en de Waal ten oosten van de Zeiving.

Door sedimentafzetting in een groot deel van de

gemeente zijn de hoogteverschillen plaatselijk

sterk genivelleerd en landschapsanalyse nagenoeg

onmogelijk.

Door combinatie van de informatie op de

geraadpleegde kaarten, het AHN en aanvullende

bodemkundige bronnen met archeologische

gegevens is het landschap van de

gemeente Lingewaal onderverdeeld in landschappelijke

eenheden. De kenmerken van

deze eenheden worden beschreven in hoofdstuk

3, terwijl in hoofdstuk 5 de archeologische

verwachting per eenheid wordt toegelicht.

Gegevens over bodemverstoringen zijn onder

andere verkregen aan de hand van de bodemkaarten

en geomorfologische kaarten. Hierop

staan afgegraven, geëgaliseerde, opgeworpen

en vergraven zones aangegeven. Het AHN heeft

echter enkele relevante aanvullingen aan deze

kaartbeelden kunnen toevoegen.

87

2.3 Toelichting op de

archeologische inventarisatie

De archeologische inventarisatie heeft als

primaire doelstelling een zo actueel en compleet

mogelijk beeld te geven van de bekende

archeologische waarden (vindplaatsen) in de

gemeente Lingewaal. Bekende vindplaatsen

vormen de meest directe verwijzingen naar

menselijke activiteiten in het verleden en

hebben daarmee een duidelijke signaalfunctie

voor te verwachten archeologische resten in

situ. Daarnaast biedt een zo compleet mogelijk

overzicht van bekende archeologische vindplaatsen

de beste mogelijkheid om tot een zo

gedetailleerd mogelijk verwachtingsmodel te

komen. Belangrijk zijn daarvoor het type vindplaatsen

en de datering (een precieze beschrijving

van afzonderlijke vondsten is in dit kader

van minder belang). De geïnventariseerde

archeologische vindplaatsen zijn opgenomen in

een catalogus (bijlage 1; zie ook § 4.2). Tijdens

de archeologische inventarisatie (bureauonderzoek)

zijn de volgende bronnen geraadpleegd:

- het ARCHeologisch Informatie Systeem

(ARCHIS) en de Archeologische Monumentenkaart

(AMK) van de Rijksdienst Archeologie

Cultuurlandschap en Monumenten

(RACM) te Amersfoort;

- literatuur en historische topografische

kaarten (zie literatuurlijst);

- gebiedsspecialisten (o.a. dhr E. Heunks en

dhr E. Verhelst);

- gegevens uit eerder archeologisch onderzoek

(zie literatuurlijst);

- gegevens van amateur-archeologen (o.a.

AWN afdeling 15, dhr. C van Drenth, dhr. M.

van Maaren en dhr. J. Wakker).


RAAP-RAPPORT 1688

Opgemerkt moet worden dat gezien het relatief

beperkte tijdsbestek van onderhavig onderzoek

niet de opzet was een uitputtende inventarisatie

en studie te doen van alle (schriftelijke) bronnen

betreffende archeologische informatie over de

gemeente Lingewaal. Daarvoor zijn er te veel

bronnen die te zeer verspreid zijn over verschillende

instituten en bedrijven. Binnen het kader

van een archeologische waarden- en verwachtingskaart

is deze informatie in veel gevallen

ook te gedetailleerd en alleen relevant als er

een duidelijk verband wordt gelegd tussen wat

beschreven wordt (archeologische informatie)

en de ruimtelijke verspreiding ervan (landschappelijke

context, stratigrafische ligging). In veel

gevallen hebben artikelen betrekking op een

beschrijving van hetgeen gevonden is op een

bepaalde locatie: informatie die bij eventuele

planontwikkelingen op die specifieke locatie

wel relevant is, maar voor de archeologische

waarden- en verwachtingskaart op gemeentelijk

niveau van beperkte betekenis is.

ARCHIS-waarnemingen

De basis van de inventarisatie van bekende

archeologische vindplaatsen wordt gevormd

door het zeer omvangrijke vindplaatsenbestand

in ARCHIS. In ARCHIS staan slechts 29

waarnemingen geregistreerd in de gemeente

Lingewaal (situatie januari 2008). De waarnemingen

zijn gecontroleerd op het voorkomen

van onvolkomenheden (met name locatie en

complextype) en doublures. Op enkele plaatsen

zijn meerdere ARCHIS-waarnemingen op

grond van complextype, datering of andere

kenmerken samengevoegd onder één uniek

catalogusnummer. Hierbij is uitgegaan van de

clustering van ARCHIS-gegevens zoals deze is

toegepast voor de Cultuurhistorische Waardenkaart

(CHW) Gelderland (Provincie Gelderland,

2004). De ARCHIS-nummering is toegevoegd

in de vindplaatsencatalogus (bijlage 1). Indien

88

binnen eenzelfde complex ARCHIS-waarnemingen

voorkomen met verschillende perioden

en/of complextypen, dan zijn deze als afzonderlijke

waarnemingen in de vindplaatsencatalogus

opgenomen. De originele ARCHIS-waarnemingen

met alle informatie zijn als bijlage 4 op

cd-rom bijgeleverd (pdf-bestand).

AMK-terreinen

Op de archeologische monumentenkaart van de

provincie Gelderland (AMK-Gelderland) staan

zeven terreinen geregistreerd in de gemeente

Lingewaal (bijlage 2). Het betreft terreinen/vindplaatsen

waaraan de rijksoverheid (op grond

van onderzoek) een archeologische status

heeft toegekend. Voor deze terreinen geldt

dat in principe gestreefd dient te worden naar

duurzaam behoud. In de gemeente Lingewaal

komen drie typen monumenten voor:

- terrein van archeologische waarde (1x,

monumentnr. 12631);

- terrein van hoge archeologische waarde (2x,

monumentnrs. 3256 en 3257);

- terrein van zeer hoge archeologische waarde

(4x, monumentnrs. 867, 868, 869 en 870).

Overige vindplaatswaarnemingen

Een aanvulling op het vindplaatsenbestand is

verkregen aan de hand van literatuuronderzoek

(o.a. historische kaarten) en inventarisatie van

gegevens van amateur-archeologen en andere

(lokale) deskundigen. Hiervoor is onder andere

overleg gevoerd met de Archeologische Werkgemeenschap

Nederland (AWN) afdeling 15

en enkele (ex-)medewerkers van de gemeente

Lingewaal.

Tevens opgenomen in de catalogus is een

aan tal omgrachte terreinen (meestal versterkte

woon plaatsen), versterkte huizen, buitenplaatsen/boerderijen

en (al dan niet meer

be staande) molens, waarvan de bewonings-


RAAP-RAPPORT 1688

geschiedenis (vermoedelijk) teruggaat tot in de

Nieuwe tijd of vroeger. Niet al deze terreinen

zijn geregistreerd in ARCHIS; de locaties zijn

met name ontleend aan informatie van lokale

deskundigen en historische kaarten. Middeleeuwse

kerkterreinen zijn eveneens aan de

vindplaatsencatalogus toegevoegd.

Opgemerkt moet worden dat ten aanzien van

met name de (mogelijk) middeleeuwse boerderijlocaties

het vindplaatsenbestand verre van

compleet is. Mogelijk gaat op enkele historische

en in veel gevallen monumentale boerderijlocaties

de bewoningsgeschiedenis vermoedelijk

terug tot in de 16e eeuw of zelfs vroeger. Per

locatie zal dit echter aan de hand van historisch

onderzoek nader dienen te worden onderzocht.

Oude woongronden en middeleeuwse

dorpskernen

Op de archeologische waarden- en verwachtingskaart

worden ook de oude woongronden

aangegeven. Deze informatie is voornamelijk

afkomstig van bodemkarteringen en archeologisch

onderzoek. Aan de oude woongronden

van de bodemkarteringen hoeft niet per definitie

een middeleeuwse of oudere datering gekoppeld

te worden. Wel zijn de oude woongronden

vaak sterk gecorreleerd met archeologische

vindplaatsen (met name uit de Romeinse tijd

en Middeleeuwen) en hebben ze in die zin

een archeologische betekenis. Hetzelfde geldt

voor de middeleeuwse dorpskernen waarvoor

specifiek kan worden uitgegaan van een hoge

verwachting ten aanzien van het voorkomen van

bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen.

Deze oude woongronden en historische dorpskernen

zijn als zodanig niet opgenomen in de

catalogus.

89

2.4 Beperkingen en onzekerheden

van het bronnenmateriaal

De archeologische waarden- en verwachtingskaart

voor de gemeente Lingewaal is hoofdzakelijk

gebaseerd op bureauonderzoek. In principe

is daarbij uitgegaan van de meest gedetailleerde

informatie. Met betrekking tot bodemkundige/geologische

gegevens is gebleken dat voor

de gemeente Lingewaal de zanddiepte-kaarten

van het Gelders rivierengebied, schaal 1:25.000

(Berendsen e.a., 2001), veruit het beste

uitgangsmateriaal vormen. Behalve dat deze

kaarten het gehele oppervlak van de gemeente

Lingewaal beslaan, zijn ze gebaseerd op grootschalige

veldonderzoeken die specifiek gericht

zijn op het in kaart brengen van de genese van

het landschap. Aan de hand van het AHN is een

verdere detaillering in de begrenzing van de

verschillende in het onderzoeksgebied voorkomende

meandergordels en crevassesystemen

aangebracht. Naast de herbegrenzing van

bekende meandergordels konden aan de hand

van het AHN tevens een vooralsnog onbekende

meandergordel en enkele crevassecomplexen

in kaart gebracht worden. Het is echter niet uit

te sluiten dat er meerdere onbekende diepgelegen

crevassecomplexen en meandergordels

voorkomen. Diepgelegen afzettingen zijn aan de

hand van het AHN echter niet altijd zichtbaar en

de al eerder genoemde nivellering van de hoogteverschillen

in het (zuid)oosten van Lingewaal

bemoeilijkt het gebruik van de AHN.

Aan de hand van gedetailleerde bodemkundige

studies (o.a. gerelateerd aan grootschalig

geofysisch onderzoek) moet worden geconcludeerd

dat de geologische opbouw op perceelsniveau

soms vele malen complexer is dan

de globalere kaartbeelden doen vermoeden.

Specifiek in de omvangrijke oeverzones dient

rekening te worden gehouden met een verfijnd


RAAP-RAPPORT 1688

afwateringsstelsel van crevassen, komafwateringsgeulen

en belendende oeverzones die met

de huidige stand van kennis niet zonder gedetailleerd

booronderzoek vlakdekkend in kaart

kunnen worden gebracht. Ten zuiden van de

Nieuwe Lingedijk bijvoorbeeld komt een groot

crevassecomplex met geulen en oeverzones

voor. Waar deze geulen exact voorkwamen is

echter niet bekend.

De informatie over geregistreerde vindplaatsen

is grotendeels gebaseerd op gegevens van

derden. De nauwkeurigheid van deze vindplaatsgegevens

loopt hierdoor sterk uiteen en

zal bij hantering van de archeologische beleidskaart

van geval tot geval nader moeten worden

bepaald. Hoewel tijdens onderhavig onderzoek

is gestreefd naar een ‘volledig’ overzicht van

bekende archeologische vindplaatsen in de

gemeente Lingewaal, moet worden opgemerkt

dat hierbij met name gebruik is gemaakt van

geregistreerde (= officieel gemelde) vindplaatsen

en vondsten. Deze zijn aangevuld

met (goed onderbouwde) waarnemingen van

amateur-archeologen.

Een belangrijke beperking is daarnaast dat

hoofdzakelijk is uitgegaan van vindplaatsen

met een begindatering uit de Middeleeuwen

en oudere perioden. Als gevolg hiervan komen

onder andere de historische boerderijlocaties

uit de Nieuwe tijd niet overal goed in beeld. In

het algemeen geldt dat historisch-geografische

en bouwhistorische elementen en structuren

niet zijn meegenomen in het onderzoek. Een

bredere cultuurhistorische inventarisatie zal

hierin moeten voorzien.

90


RAAP-RAPPORT 1688

3 LANDSCHAP

De ligging van archeologische vindplaatsen is sterk gerelateerd aan de opbouw van

het landschap. Om uitspraken te kunnen doen over de archeologische verwachting

voor een gebied, is een gedetailleerde analyse van het landschap noodzakelijk.

Belangrijke variabelen van het landschap zijn geomorfologie, bodem en hydrologie.

Aan deze sterk aan elkaar gerelateerde variabelen liggen geologische processen ten

grondslag die hebben geleid tot het huidige landschap. In dit hoofdstuk worden de

geologische processen beschreven, voorzover deze van betekenis zijn voor de bewoningsgeschiedenis

van de gemeente Lingewaal.

3.1 Weichselien (120.000-8.800 jaar geleden)

Belangrijk voor de ontwikkeling van het huidige landschap in de gemeente Lingewaal

zijn de geologische ontwikkelingen vanaf het Weichselien, een relatief

koude periode (ijstijd) aan het eind van het Pleistoceen (2.500.000 tot 10.750 jaar

geleden). De huidige Rijndelta maakte gedurende het Midden Weichselien (ook wel

Pleniglaciaal) deel uit van een omvangrijke riviervlakte met vlechtende rivieren.

Deze brede riviervlakte lag tussen de eerder gevormde gestuwde afzettingen in

het noorden(Heuvelrugmassief en Veluwemassief) en het Brabants massief en de

gestuwde afzettingen van het Rijk van Nijmegen in het zuiden. De grofzandige en

grindrijke rivierafzettingen worden gerekend tot de Afzettingen van Kreftenheye-5

(Verbraeck, 1984).

Het Allerød-Bølling interstadiaal (14.900-13.000 jaar geleden) betrof een relatief

warme periode volgend op het Pleniglaciaal. Door afname van de sediment- en waterafvoer

onder invloed van een tijdelijke opwarming van het klimaat, veranderde het

riviersysteem van een vlechtend en accumulerend in een meanderend en insnijdend

systeem (Berendsen, 1998). Door de insnijding werd het zogenaamde Laagterras

gevormd dat alleen nog bij hoge waterstanden overstroomde (vloedvlakte). Het

Laagterras fungeerde vanaf dat moment alleen nog als oever- en komgebied van de

Kreftenheye-6 riviersystemen, waarbij een afdekkende (stugge en lemige) kleilaag is

gevormd. Deze wordt tot de Afzettingen van Wijchen gerekend. De insnijdende Kreftenheye-6

riviersystemen hebben grote delen van het Laagterras opgeruimd.

Na het Allerød-Bølling interstadiaal trad er een tijdelijke afkoeling van het klimaat op

gedurende het Late Dryas-stadiaal. Door toenemende piekafvoeren veranderden de

meanderende rivieren weer in meer vlechtende rivieren, waarbij zich brede dalvlakten

91


RAAP-RAPPORT 1688

ontwikkelden. De afzettingen van deze rivieren

uit de Jonge Dryas worden gerekend tot de

Kreftenheye-6 afzettingen. In het Jonge Dryas

stoven uit de zandige riviervlakte op grote

schaal rivierduinen op. Deze konden ontstaan

doordat de brede riviervlakten ‘s winters droog

lagen. Door de overheersende zuidwestenwinden

zijn de rivierduinen in Nederland voornamelijk

ontstaan op de noordoostelijke oevers

van de Kreftenheye-6 riviersystemen.

Hoewel de pleistocene fluviatiele afzettingen

op geruime diepte beneden het maaiveld voorkomen

(circa 7 tot 9 m -Mv), zijn deze door

hun ouderdom van bijzondere archeologische

betekenis. Gedurende duizenden jaren (Paleolithicum-Mesolithicum)

vormde de top van deze

afzettingen het bewoningsvlak van het rivierengebied.

Bijvoorbeeld op locaties met kleine

reliëfverschillen in het pleistocene oppervlak of

op de oevers van toenmalige geultjes is daarom

de kans op het aantreffen van bewoningssporen

uit deze perioden groot. In het bijzonder

vormden de eolische rivierduinopduikingen

gedurende de Prehistorie en de tegenwoordig

nog dagzomende rivierduinopduikingen tot in

recente tijden interessante locaties voor bewoning.

Deze worden dan ook gekenmerkt door

een hoge dichtheid van archeologische resten

uit uiteenlopende perioden. Binnen de gemeentegrenzen

van Lingewaal komen dergelijke

rivierduinen echter niet voor. Het is onbekend

in hoeverre er structurele bewoning in het Laat

Pleistoceen heeft plaatsgevonden.

3.2 Holoceen (8800 voor Chr. tot

heden)

Omstreeks 8800 voor Chr. zette de ‘definitieve’

klimaatsverandering in die het begin van het

Holoceen markeert. Het riviersysteem van

de Rijn veranderde opnieuw van vlechtend

92

in meanderend, waarbij de rivierafvoer zich

concentreerde in één insnijdende hoofdgeul.

Overige (vlechtende) geulen fungeerden als

kom- en oevergebieden van deze hoofdgeul en

verlandden geleidelijk. Door het warmer worden

van het klimaat vanaf het Holoceen raakte het

onderzoeksgebied langzaam begroeid: eerst

met een typische toendravegetatie zoals dwergberk,

alsem en dwergwilg, later gevolgd door

de den. Vanaf het Boreaal (9000-8000 jaar

geleden) ontwikkelden zich een voor een de

eerste warmteminnende boomsoorten (zoals

de hazelaar), gevolgd door eik en andere loofboomsoorten.

Vanaf het begin van het Holoceen werd het

Nederlandse Rijngebied opgebouwd als gevolg

van accumulatie van riviersediment. Vanaf circa

7000 voor Chr. (begin Atlanticum) maakte ook

de omgeving van de gemeente Lingewaal deel

uit van deze delta en gaat het riviersysteem

over van een insnijdend en erosief systeem

naar een accumulerend systeem. Tot dan lag

het onderzoeksgebied namelijk stroomopwaarts

van de terraskruising: het punt waar

netto erosie stroomopwaarts overgaat in netto

accumulatie en deltavorming stroomafwaarts.

Vanaf dat moment kwamen de eerste stroomgordels

tot ontwikkeling en begon het pleistocene

landschap geleidelijk te vernatten. Na het

passeren van de terraskruising traden door de

eeuwen heen verschillende stroomgordelverleggingen

op, waarbij nieuwe stroomgordels tot

ontwikkeling kwamen en oude inactief werden.

Deze riviersystemen hadden voornamelijk een

zogenaamd anastomoserend of meanderend

karakter, waarbij over korte afstand sprake is

van een sterke differentiatie in afzettingsmilieus

(figuur 3). Binnen de invloedssfeer van

de actieve rivierbedding ontwikkelde zich een

zandige meandergordel, geflankeerd door

zones met (relatief zandige) oeverafzettingen.


RAAP-RAPPORT 1688

Figuur 3. Schematische doorsnede door een deel van de Betuwe.

De oeverwallen worden samen met de meandergordel

tot de stroomgordel gerekend. Op

grotere afstand van de actieve rivierloop werden

alleen de allerfijnste deeltjes (de lutumfractie)

afgezet. Hier wordt het landschap gekenmerkt

door komgebieden met afzettingen van (zware)

klei.

Anastomoserende systemen: Anastomoserende

systemen worden gekenmerkt door meerdere

onderling verbonden geulen, die komgebieden

omsluiten. De individuele geulen kunnen

recht, meanderend of vlechtend zijn. Veelal

bestaan anastomoserende systemen uit rechte

geulen, die over het algemeen smal en diep

zijn. In tegenstelling tot meanderende geulen

verplaatsen de bochten in rechte geulen zich

nauwelijks zijwaarts. Vorming van brede kronkelwaarden

komt dan ook niet voor bij anastomoserende

systemen. De beddingafzettingen

zijn scherp begrensd en de aangrenzende

oeverwallen beperkt van omvang. In enkele

gevallen komen er zelf helemaal geen oeverwallen

voor. In een anastomoserend systeem

treden regelmatig stroomgordelverleggingen op

en komen crevasseafzettingen veelvuldig voor.

93

Vooral in het Atlanticum en Subboreaal kwamen

onder invloed van een snelle zeespiegelstijging

in het westelijke en centrale rivierengebied

bijna uitsluitend rechte rivieren voor. Binnen de

gemeente Lingewaal is het stroomgordelcomplex

van Enspijk, Mert, Spijk en Gellicum een

mooi voorbeeld van een anastomoserend riviercomplex.

Meanderende systemen: Een meanderend

systeem heeft slechts één kronkelende rivierbedding.

De geul van een meanderende rivier

verplaatst zich in een bocht naar buiten en

stroomafwaarts door erosie van de oevers in

de buitenbocht. Meer dan bij anastomoserende

systemen treedt er een differentiatie op in

oever- en komafzettingen. Kenmerkend voor

meanderende rivieren zijn de vorming van brede

kronkelwaarden en meanderhalsafsnijdingen.

De Linge is een fraai voorbeeld van een meanderende

rivier binnen de gemeente Lingewaal.

Landschappelijke kenmerken (breedte, diepteligging

en zandigheid) verschillen sterk per

stroomgordel. Door zeespiegelstijging en

accumulerend sediment langs de rivieren en in


RAAP-RAPPORT 1688

de komgebieden is het holocene pakket rivierafzettingen

langzaam dikker geworden. Ter

hoogte van de gemeente Lingewaal is dit pakket

circa 7 tot 9 m dik. De relatieve diepte waarop

oeverafzettingen en beddingzand in de ondergrond

voorkomen, is indicatief voor de periode

in het verleden waarin deze systemen actief

waren (ter illustratie: in figuur 3 is de afgedekte

stroomgordel ouder dan de ‘dagzomende’

stroomgordel).

Over het algemeen is er geen informatie voorhanden

over de omvang van de aangrenzende

oeverzones. Aan de hand van de onderzoeksresultaten

van de universiteit van Utrecht kan

echter gesteld worden dat de diepgelegen

stroomgordels gemiddeld circa 200 m in doorsnee

zijn. De hooggelegen stroomgordels zijn

over het algemeen circa 300 m in doorsnee.

Deze aanname is in de kaart verwerkt. Waar

echter aan de hand van het AHN wel duidelijke

oeverzones te herkennen waren zijn deze

aangepast.

De periode waarin de stroomgordelafzettingen

ontstonden, wordt aangegeven met een beginfase-

en eindfasedatering (Berendsen & Stouthamer,

2001). Voor het gebied van de gemeente

Lingewaal geldt dat zowel in de beginfasedateringen

(aanvang van rivieractiviteit) als de eindfase

een grote spreiding is te onderscheiden

(de dateringen zijn in de meeste gevallen

gebaseerd op 14C-dateringen van monsters uit

restgeulen of de basis van oeverpakketten,

evenals op archeologische waarnemingen en

zanddiepten).

In volgorde van eindfasedatering worden binnen

het gemeentegebied van Lingewaal dertien

meandergordels onderscheiden (naamtoekenning

gebaseerd op Berendsen & Stouthamer,

2001; zie ook kaartbijlage 1). De meander-

94

gordels worden in § 3.3 nader besproken.

Omdat verschillende meandergordels feitelijk

gedurende een bepaalde periode één geheel

vormen, zijn deze in voorkomende gevallen als

één systeem opgevat. De volgende meandergordels

worden onderscheiden:

Vroeg Neolithiucm

- meandergordel van Gorkum-Arkel (5437-

4409 voor Chr.)

- meandergordel van Kedichem (5437-4409

voor Chr.)

- meandergordel van Deil (4649-4176 voor

Chr.)

- meandergordel van Vuren (4649-4176 voor

Chr.)

Midden Neolithicum

- meandergordel van Herwijnen (4292-3636

voor Chr.)

Laat Neolithicum

- meandergordel van Zeek (3636-2801 voor

Chr.)

- meandergordel van Eigenblok (3636-2487

voor Chr.)

Late IJzertijd

- meandergordel van Enspijk (662-272 voor

Chr.)

- meandergordel van Mert (652-272 voor Chr.)

- meandergordel van Spijk (613-272 voor

Chr.)

- meandergordel van Gellicum (612-272 voor

Chr.)

Late Middeleeuwen

- meandergordel van de Linge (190 voor Chr.-

1307 na Chr.)

- meandergordel van de Waal (425 voor Chr.heden)

Door de vele stroomgordelverleggingen zijn

delen van oude fossiele stroomgordels geërodeerd

door jongere fasen. Met name de jonge

stroomgordels van de Linge en de Waal hebben


RAAP-RAPPORT 1688

over een groot oppervlak de oudere fasen opgeruimd.

Daar staat tegenover dat in de omvangrijke

tussenliggende komgebieden over grote

oppervlakken het stelsel van prehistorische

meandergordels gevrijwaard is gebleven van

erosie als gevolg van latere rivieractiviteiten.

Vanaf de systematische bedijkingen van de

Linge en de Waal in de 12e en 13e eeuw,

beperkten de actieve rivierprocessen zich

hoofdzakelijk tot de uiterwaarden van de Waal

en de Linge. Met de afdamming van de Linge

bij Tiel in 1307 beperkten de actieve rivierprocessen

zich tot de uiterwaarden van de Waal.

Wel traden er tot in de 19e eeuw nog regelmatig

dijkdoorbraken op (zowel langs de Linge als

langs de Waal), feitelijk de meest actuele min

of meer natuurlijke geologische processen die

van invloed zijn geweest op het huidige karakter

van het rivierenlandschap (wielen, overslaggronden).

3.3 Holocene meandergordels en

restgeulen

Meandergordel van Gorkum-Arkel / Meandergordel

van Ke di chem (5437-4409 voor Chr.)

Het meandergordelcomplex van de meandergordels

van Gorkum-Arkel en Kedichem is de

oudst bekende in de gemeente Lingewaal. De

meandergordel van Gorkum-Arkel ligt in het

meest noordelijke en westelijke deel van de

gemeente. De meandergordel van Kedichem

stroomde oost-west door het centrale gedeelte

van de gemeente en mondde benedenstrooms

uit op de meandergordel van Gorkum-Arkel.

Beide meandergordels worden gekenmerkt

door een anastomoserend systeem en de diepe

ligging van de top van het beddingzand (> 3

m -Mv). Hierdoor zijn ze niet zichtbaar in het

oppervlaktereliëf. Met een breedte van circa 300

m is de meandergordel van Gorkum-Arkel na de

95

Linge en de Waal de breedste meandergordel.

Restgeulen zijn niet bekend.

Meandergordel van Deil / Meander gordel van

Vuren (4649-4176 voor Chr.)

De meandergordels van Deil en Vuren vormen

samen een vertakt stelsel van relatief smalle

anastomoserende meandergordels in de kom

van de gemeente Lingewaal. In overeenstemming

met de hoge ouderdom worden de meandergordels

gekenmerkt door een diepe ligging

van de top van het beddingzand (> 3 m -Mv). Ze

zijn niet duidelijk zichtbaar in het oppervlaktereliëf.

Restgeulen zijn niet bekend.

Meandergordel van Herwijnen (4292-3636

voor Chr.)

De anastomoserende meandergordel van

Herwijnen stroomt in de zuidoosthoek van de

gemeente Lingewaal en is gedeeltelijk bedekt

door oeverafzettingen van de Waal. De meandergordel

wordt gekenmerkt door een diepe

ligging van het beddingzand (>3 m -Mv) en is

niet zichtbaar in het oppervlakte reliëf.

Meandergordel van Eigenblok / Meandergordel

van Zeek (3636-2487 voor Chr.)

De meandergordels van Eigenblok en Zeek

liggen in de zuidoostelijke kom van Lingewaal

en zijn op de meeste plaatsen goed herkenbaar

aan een hogere ligging in het landschap. De

meandergordel van Eigenblok sluit benedenstrooms

aan op de meandergordel van Zeek.

De meandergordel van Zeek is waarschijnlijk

weer opgenomen in de latere meandergordel

van Enspijk, waardoor deze niet zichtbaar is op

het kaartblad. De top van het zand vangt aan

tussen 2,0 en 3,0 m -Mv.


RAAP-RAPPORT 1688

Meandergordel van Enspijk (662-272 voor

Chr.) / Meandergordel van Mert (652-272 voor

Chr.) / Meandergordel van Gellicum (612-272

voor Chr.) / Meandergordel van Spijk (613-

272 voor Chr.)

Het kaartbeeld van de oostelijke kom wordt

gedomineerd door een complex van zich vertakkende

en weer bijeenkomende relatief smalle

anastomoserende meandergordels. Deze zijn

op de paleogeografische kaart onderscheiden in

vier deel-meandergordels, maar feitelijk vormen

ze één systeem dat gedurende dezelfde periode

actief is geweest. Het meandergordelcomplex

is in het oppervlaktereliëf goed herkenbaar aan

een hogere ligging, waardoor ook de verschillende

oeverzones herkenbaar zijn. In het oostelijke

gedeelte wordt het beeld sterk vertroebeld

door de nivellering van het oppervlakteverschil;

de oeverzones zijn hier nauwelijks herkenbaar.

Naast de bekende meandergordels van

dit complex is aan de hand van het AHN een

vooralsnog onbekende meandergordel gekarteerd.

Op basis van het begin- en eindpunt en

de hoogteligging van de meandergordel wordt

deze tot bovenstaand complex gerekend. De

gordel stroomt oost-west centraal in Lingewaal

en mondt uit op de meandergordel van Spijk.

Waar deze ontspringt, is aan de hand van het

kaartmateriaal niet exact te bepalen, maar

dit zal hoogstwaarschijnlijk in het oosten van

Lingewaal zijn. Aan de hand van het AHN zijn

tevens de belendende oeverzones te traceren.

Tevens zijn op verschillende plaatsen crevassesystemen

herkenbaar. In sommige gevallen

zijn deze niet zichtbaar in het oppervlaktereliëf

en gebaseerd op bodemkundige gegevens. In

andere gevallen vertoont het oppervlaktereliëf

opvallende hoogteverschillen die alleen lijken te

kunnen worden toegeschreven aan niet eerder

gekarteerde crevassen. De ligging van de

meandergordels is hier hoofdzakelijk gebaseerd

96

op de resultaten van bodemkundige karteringen.

De top van het beddingzand vangt aan

op gemiddeld circa 1,0 tot 2,0 m -Mv.

Meandergordel van de Linge (190 voor Chr.-

1304 na Chr.)

De Linge betreft een zeer jong riviersysteem

dat na de ontwikkeling vanaf circa 190 voor Chr.

een korte maar intensieve actieve fase kent.

De Linge vormde gedurende enkele eeuwen

zuidelijke hoofdafvoer van de Rijn als tegenhanger

van de Nederrijn-Lek noordelijker. Met

de ontwikkeling van een zuidwestelijke tak van

de Waalstroomgordel stroomafwaarts van Tiel

in de Laat Romeinse tijd (ca. 425 na Chr.) was

het gedaan met de functie van de Linge als

hoofdafvoer van de zuidelijke Rijnloop. Vanaf

dat moment raakte de Linge geleidelijk buiten

werking, wat uiteindelijk in 1307 werd bezegeld

met de afdamming van de rivier en de bedijking

van het winterbed (al vanaf de 12e eeuw

vonden eerste aanzetten hiertoe plaats). De

ligging van de dijken komt op veel plaatsen

overeen met de overgang van de meandergordelafzettingen

naar de oever- en komafzettingen.

De dijken liggen op de stabielere oeveren

komafzettingen (figuur 4).

De meandergordel van de Linge heeft een

gemiddelde breedte van circa 800 m, wat indicatief

is voor de kracht waarmee dit systeem

enkele eeuwen actief was. Als een van de

weinige restgeulen in het rivierengebied is de

restgeul van de Linge nog steeds watervoerend

en bevaarbaar, hoewel deze daarvoor wel actief

wordt opengehouden. Deze ligt als een brede,

diepe depressie in het landschap, waarbij

het open water slechts een gedeelte van de

oorspronkelijke breedte van de rivier weergeeft

(figuur 5).


RAAP-RAPPORT 1688

Figuur 4. Uitzicht van af de Lingedijk met het aangrenzende oeverwallandschap.

Figuur 5. De restgeul van de Linge betreft tegenwoordig slechts een nauwe watergang.

97


RAAP-RAPPORT 1688

Figuur 6. De brede uiterwaarden van de Waal, die grotendeels gekenmerkt worden door laat-middeleeuwse en

jongere gronden.

Meandergordel van de Waal (425 voor Chr.heden)

Vanaf circa 190 voor Chr. verlegde de Rijn in

het bovenstroomse deel van de Rijndelta zijn

hoofdafvoer geleidelijk van meerdere kleine

meandergordels naar één hoofdafvoer: de

Waalstroomgordel. In het midden-rivierengebied

volgde de Waal daarbij in eerste instantie een

westelijke koers in de vorm van de Lingestroomgordel.

De afvoercapaciteit van de Waal nam

vanaf de Laat Romeinse tijd in korte tijd snel

in betekenis toe, mogelijk samenhangend met

een tijdelijke vernatting van het klimaat. In de

loop van de Middeleeuwen en Nieuwe tijd nam

de betekenis van de Waal als hoofdafvoer van

de Rijn nog verder in betekenis toe, waarbij ook

de noordelijke takken van de Rijndelta (Nederrijn

en IJssel) het moesten ontgelden. Alleen

dankzij menselijk ingrijpen, onder andere door

de aanleg van het Pannerdensch kanaal in

1707, bleven deze noordelijke Rijntakken nog

98

enigszins watervoerend. Tot op de dag van

vandaag vormt de Waal feitelijk de enige actieve

afvoer van de Rijn; de overige afvoeren (Nederrijn

en IJssel) fungeren alleen als zodanig door

menselijke ingrepen (Van de Ven, 1993).

Het actieve karakter van de Waal gaat samen

met een snelle verplaatsing van de hoofdgeul

en grootschalige erosie- en sedimentatieprocessen.

Vanaf de systematische bedijkingen

van de grote rivieren in de 12e en 13e eeuw,

werden deze processen geconcentreerd

binnen het gebied tussen de winterdijken, de

uiterwaarden, wat tot gevolg heeft dat in de

uiterwaarden van de Waal vrijwel al het oude

land is geërodeerd (figuur 6). Uitzonderingen

vormen enkele smalle zones direct tegen de

winterdijken en zogenaamde luwtezones (zones

die door een afwijkende topografische ligging

buiten de activiteiten van de riviergeul blijven;

Heunks & Odé, 1998).


RAAP-RAPPORT 1688

3.4 Afzettingen buiten de

meandergordels

Oeverafzettingen

De meandergordels worden geflankeerd door

zones met relatief zandige oeverafzettingen

(zie figuur 3). Oeverafzettingen worden veelal

gekenmerkt door een wigvormige opbouw.

Terwijl dicht tegen de meandergordels dikke

pakketten oeverafzettingen zijn afgezet, neemt

de dikte van het oeverpakket op grotere afstand

geleidelijk af. De oeverafzettingen representeren

de bloeifase van een stroomgordel; de

rivier was in die fase zo actief dat deze ook op

grotere afstand van de actieve bedding zandig

materiaal afzette. In het algemeen liggen

oeverafzettingen op komkleiafzettingen waarin

de meandergordel zich heeft ingesneden. Het

oever-op-komprofiel is dan ook kenmerkend

voor de zones aan weerszijden van de meandergordels.

De oeverzones liggen op veel

plaatsen hoger dan de aangrenzende zones met

meandergordelafzettingen en vormen daarmee

zeer geschikte locaties voor bewoning.

Overigens worden meandergordels niet altijd

vergezeld door aangrenzende zones met oeverafzettingen.

Bij het ontstaan van een meandergordel

vindt er in eerste instantie voornamelijk

insnijding plaats in de bestaande holocene

afzettingen (bijvoorbeeld komafzettingen) waar

de nieuwe rivierloop zich een weg door baant.

Ook de onderliggende pleistocene afzettingen

worden daarbij meestal ingesneden. Indien de

meandergordel weinig actief is of als de ontwikkeling

plotseling stagneert, kan het zijn dat

de verticale opbouw niet boven de top van de

bestaande afzettingen uit komt. De activiteiten

van de rivier blijven in dat geval beperkt tot de

meandergordel en oeverwallen worden niet of

nauwelijks gevormd.

99

Binnen de gemeente Lingewaal is de verspreiding

van oeverafzettingen langs de anastomoserende

riviersystemen erg grillig. Langs

veel meandergordels van dit type, en dan

voornamelijk in de westelijke helft, zijn op

grond van bodemkundige gegevens en/of in het

oppervlaktereliëf helemaal geen oeverzones

te onderscheiden. De meandergordels zijn

diep ingesneden in het veen- en komkleipakket

zonder vorming van een meer zandige oeverzone.

Wel moet daarbij worden opgemerkt dat

mogelijk hoger gelegen oeverzones in het kaartbeeld

zijn opgenomen in de meandergordel. Uit

onderzoek van de Universiteit van Utrecht kan

worden opgemaakt dat de diepgelegen stroomgordels

gemiddeld circa 200 m in doorsnee

zijn. De hooggelegen stroomgordels zijn over

het algemeen circa 300 m in doorsnee. Deze

aanname is in de kaart verwerkt. De grenzen

van de meandergordels zijn op enkele plaatsen

op basis van het AHN bijgesteld, waarbij mogelijk

belendende ongefundeerde hoger gelegen

oeverzones zijn meegenomen.

Crevassen

Crevassen, ook wel oeverwaldoorbraakafzettingen

genoemd, liggen in dezelfde landschappelijke

context als de oeverafzettingen. Evenals

oeverafzettingen zijn de crevasseafzettingen

relatief zandig. Crevassen zijn ontstaan in de

lagere delen van de oeverzones, vaak in de

buitenbocht van een actieve geul. Behalve door

hun ontstaanswijze onderscheiden crevassen

zich van de oeverafzettingen op grond van

geomorfologische kenmerken (langgerekte vorm

dwars op de ligging van de meandergordel)

en (in veel gevallen) de aanwezigheid van een

crevassegeul. Hoewel crevassen vaak op korte

afstand van de meandergordel doodlopen, zijn

er ook voorbeelden waarbij de crevasse doorloopt

tot ver in een komgebied en in sommige


RAAP-RAPPORT 1688

Figuur 7. Het Vurense wiel ontstaan in het einde van de 16e eeuw. De overslaggronden zorgen voor een goede

conservatie van de onderliggende archeologische resten.

Figuur 8. Het kommenlandschap vormt het laagst gelegen deel van de gemeente Lingewaal. Vanwege de lage

ligging is het landschap gedurende de eeuwen meerdere malen overstroomd.

100


RAAP-RAPPORT 1688

gevallen als een miniatuurstroomgordel blijft

fungeren. Dergelijke crevassen kunnen zich

verder ontwikkelen tot nieuwe hoofdstromen.

Op enkele plaatsen in de kom- en oeverzones

van Lingewaal zijn in het verleden crevassesystemen

gekarteerd. Sommige crevassen

zijn zeer eenduidig met een opvallend hogere

ligging en een zeer zandige opbouw en zijn

over lange afstand in het oppervlaktereliëf

(AHN) te volgen. Aan de hand van uitgebreid

geofysisch onderzoek blijkt ten zuiden van de

Nieuwe Lingedijk een omvangrijk gebied met

prehistorische crevassecomplexen aanwezig te

zijn. Hoe diep de top van deze complexen onder

het maaiveld ligt, is niet bekend. Het is aan de

hand van de beschikbare informatie tevens niet

eenduidig te bepalen tot welke riviercomplexen

de crevassen behoren.

Ook elders in de omvangrijke zones met

oeverafzettingen dient rekening te worden

gehouden met niet eerder gekarteerde zones

met crevassen. De crevassen in het middenrivierengebied

worden gekenmerkt door een

hoge dichtheid aan prehistorische en Romeinse

bewoningslocaties. Aan crevassecomplexen

wordt dan ook een hoge archeologische waarde

toegekend.

Overslaggronden

Een bijzonder type oeverafzettingen wordt

gevormd door de dijkdoorbraakafzettingen of

overslaggronden. Op verschillende plaatsen zijn

de winterdijken van de Linge en de Waal in de

afgelopen eeuwen doorgebroken, waarbij diepe

kolken (zgn. wielen) zijn ontstaan (figuur 7).

Het grofzandige en grindrijke materiaal uit die

kolken is daarbij als een waaier over het achterliggende

land afgezet. De overslaggronden

hebben een beperkte omvang en geen invloed

op de archeologische verwachting. Wel is het

101

bodemarchief ter hoogte van overslaggronden

door de afdekking beter bewaard gebleven.

Komgebieden

De komafzettingen zijn ontstaan op relatief

grote afstand van de actieve meandergordel

(zie figuur 3). Het zijn de gebieden die bij hoog

water onder zeer rustige omstandigheden (lage

stroomsnelheid) onder water liepen en waar

alleen het allerfijnste materiaal (hoofdzakelijk

kleideeltjes) sedimenteerde. De komgebieden

worden dan ook gekenmerkt door dikke

pakketten kleiige afzettingen. Door de natte

omstandigheden en geringe sedimentatie kan in

komgebieden daarnaast op grote schaal veenvorming

zijn opgetreden. Mede als gevolg van

klink vormen de komgebieden tegenwoordig de

laagst gelegen gebieden van het rivierenlandschap

(figuur 8).

Het rustige afzettingsmilieu van de komgebieden

heeft tot gevolg dat juist hier het onderliggende

pleistocene rivierenlandschap goed

bewaard is gebleven. De opbouw van de ondergrond

wordt dan ook gekenmerkt door het voorkomen

van (niet verspoelde) laat-pleistocene

afzettingen van de Kreftenheye-rivieren. Het

komkleipakket (inclusief hierin voorkomende

oeverafzettingen) heeft in de komgebieden in de

gemeente Lingewaal een dikte van circa 7 tot 9

m. Ter hoogte van diepe pleistocene geulinsnijdingen

kan dit pakket kom- en oeverafzettingen

veel dikker zijn. Gedetailleerde gegevens over

het precieze verloop van het pleistocene reliëf

ontbreken. Meest nauwkeurig zijn de gegevens

van de zanddiepte-kaarten van het Gelders

rivierengebied (Berendsen e.a., 2001).

Uiterwaardafzettingen

De geologische opbouw van de uiterwaarden

wijkt in hoge mate af van de stroomgordels die

vóór de bedijking zijn ontstaan. Terwijl de Waal


RAAP-RAPPORT 1688

voor de bedijking werd gekenmerkt door één

hoofdgeul, werd de rivier vanaf het moment van

bedijking gekenmerkt door het voorkomen van

zandbanken, eilanden en meerdere geulen. De

natuurlijke aan- en opwassen van zandbanken

en eilanden werden door de mens gestimuleerd,

onder andere door de aanleg van wilgenbossen

en kribben. Als gevolg hiervan konden

geulen geïsoleerd en buiten werking raken en

langzaam dichtslibben. In veel gevallen werd

een van de actieve rivierloop geïsoleerde geul

(strang) bovenstrooms afgedamd. Door herhaling

van dit proces van gestimuleerde eilandvorming,

leidend tot het geïsoleerd raken van

voormalige actieve geulen, konden de uiterwaarden

in fasen aangroeien (Hesselink, 2002).

Deze groeifasen zijn te onderscheiden door een

kenmerkend patroon van parallelle strangen.

Dit patroon kan beschouwd worden als een

duidelijke aanwijzing voor gronden die ontstaan

zijn na de systematische bedijkingen in de Late

Middeleeuwen. Door voortdurende erosie- en

sedimentatieprocessen werden de resterende

delen van oudere stroomgordelfasen in de

uiterwaarden van de gemeente Lingewaal bijna

geheel opgeruimd. De buitendijkse gebieden

van de Waal worden dan ook over het algemeen

gekenmerkt door laat-middeleeuwse en jongere

gronden. Enkele uitzonderingen hierop betreffen

een deel van de Bovenwaard en de Benedenwaard

nabij Herwijnen en de uiterwaarden bij

Vuren.

102


RAAP-RAPPORT 1688

4 ARCHEOLOGIE

4.1 Algemene bewoningsgeschiedenis van het middenrivierengebied

Om de tot op heden bekende archeologische vindplaatsen en de in hoofdstuk 5

beschreven archeologische verwachtingen voor de gemeente Lingewaal in een ruimer

kader te kunnen plaatsen, is een korte schets van de bekende bewoningsgeschiedenis

van de regio op zijn plaats. Al duizenden jaren zijn mensen op het grondgebied

van de gemeente Lingewaal actief en door de eeuwen heen kunnen algemene ontwikkelingen

worden onderscheiden in leefgewoonten en leefomgeving. Het dynamische

en voortdurend veranderende rivierenlandschap is hierin een belangrijke sturende

factor.

4.1.1 Prehistorie

Paleolithicum en Mesolithicum

In tegenstelling tot wat nog in de eerste helft van de 20e eeuw werd verondersteld,

werd het rivierengebied al vele duizenden jaren voor ‘de komst van de Bataven’ door

mensen bewoond. Er zijn zelfs vondsten aangetroffen die erop wijzen dat er al in

het Midden Paleolithicum (ca. 300.000-35.000 jaar geleden) mensen in het gebied

aanwezig waren. Dit is nog maar relatief kort bekend omdat vondsten uit die periode

op zeer grote diepte liggen en veelal moeilijk te herkennen zijn. In het Midden Paleolithicum

heeft zich een aantal relatief warme perioden voorgedaan waarin de huidige

Betuwe bewoond is geweest. Mogelijk stammen de meeste midden-paleolithische

vondsten uit het warme Eemien, een periode die werd beëindigd door de laatste ijstijd

(het Weichselien).

Het grootste deel van het Weichselien was Nederland onbewoond. Tegen het eind

van deze ijstijd (Laat Paleolithicum) werd het gebied periodiek bewoond door jagers

die het voornamelijk gemunt hadden op rendierkudden. Uit deze periode zijn echter

nauwelijks vondsten in het rivierengebied aangetroffen, voornamelijk vanwege de

diepte van de geologische niveaus waarin resten uit het Laat Paleolithicum kunnen

voorkomen. Veel vindplaatsen uit deze vroege periode zijn in de loop der eeuwen

waarschijnlijk verspoeld door latere erosie- en sedimentatieprocessen.

Een belangrijk kenmerk van het Paleolithicum en het daaropvolgende Mesolithicum is

dat de voedselvoorziening van de mens uitsluitend door middel van jagen en verza-

103


RAAP-RAPPORT 1688

melen geschiedde. In het grootste deel van

Nederland, waaronder het rivierengebied, is

deze levenswijze tot in het begin of midden van

de Late Steentijd (Vroeg-Midden Neolithicum)

gehandhaafd.

In de warmere en vochtigere periode van het

Holoceen (vanaf ca. 9500 voor Chr.) veranderde

de vegetatie geleidelijk en nam de diversiteit

aan wild en vis toe. Daarvan maakte de mens

dankbaar gebruik bij zijn pogingen om zoveel

mogelijk bronnen in de natuurlijke omgeving te

benutten. De jager-verzamelaars trokken door

het landschap en verbleven slechts tijdelijk op

een bepaalde plaats. Waarschijnlijk lieten ze

zich met name leiden door (jaarlijkse) migratiepatronen

van wild (en vissen) en de oogstperiode

van verschillende wilde planten in specifieke

landschappen. Ze maakten gebruik van

vuurstenen werktuigen en bewapening, waarvan

bewerkte vuurstenen spitsen en klingen een

belangrijk onderdeel vormden. Bij de kampvuren

op de pleisterplaatsen verwerkte men de jachtbuit

en herstelde men de schade aan de uitrusting.

Sporen van dergelijke jagerskampen, met

resten van kampvuren (houtskool en verbrande

aarde en leem), gereedschap en vuursteenafval

zijn binnen de gemeente Lingewaal niet bekend.

Dit is niet verwonderlijk, aangezien het hiermee

corresponderende landschap zich circa 7 tot 9

m beneden het huidige maaiveld bevindt.

Neolithicum

In het uiterste zuiden van Nederland (het

Limburgse lössgebied) vestigden zich al vanaf

5300 voor Chr. de eerste boeren. Verder naar

het noorden trokken nog lang kleine groepen

mensen in het ritme van de seizoenen rond op

zoek naar voedsel. In de loop van het Midden

Neolithicum (ca. 4900 voor Chr.) begon men

ook in het rivierengebied over te gaan op een

sedentaire leefwijze met veeteelt en land-

104

bouw als voornaamste voedselbronnen. Er

ontstonden verspreid over de bewoonbare

gronden (stroomgordels, crevassen, zandopduikingen)

kleine agrarische nederzettingen

(waarschijnlijk vaak slechts één boerderij). Men

hield met name runderen en varkens, die beter

dan schapen in de relatief natte komgebieden

geweid konden worden. Het nieuwe gebruik

van uit klei gebakken vaatwerk wordt eveneens

als een kenmerk van deze tijd beschouwd. In

het rivierengebied woonden vanaf het Midden

Neolithicum de mensen van de Vlaardingencultuur

(ca. 3500-2500 voor Chr.). Op de overwegend

beboste oeverwallen langs de rivieren

woonden deze boeren in sedentaire nederzettingen.

Naast akkerbouw en veeteelt bleef ook

de jacht nog lange tijd van betekenis in de voedselvoorziening.

De opbouw van het landschap wijst op een

rustig en gevarieerd milieu met gunstige

bewoningsmogelijkheden. Indien neolithische

vindplaatsen op de meandergordels liggen,

correspondeert de einddatering van deze meandergordels

over het algemeen met de neolithische

bewoningsfase. Dit komt overeen met

het uitgangspunt dat een meandergordel zeer

aantrekkelijk wordt voor bewoning indien deze

over zijn bloeifase heen is en nog wel open

water bevat in de vorm van (rest)geulen.

Al eerder is opgemerkt dat de diepteligging van

neolithische en prehistorische vindplaatsen

sterk kan variëren. De diepteligging is sterk

afhankelijk van de lokale situatie. In het algemeen

kan gesteld worden dat op de dagzomende

hooggelegen prehistorische meandergordels

de vindplaatsen (vrijwel) aan het

maaiveld liggen (bijv. Eigenblok), terwijl deze

in diepgelegen prehistorische meandergordels

en complexen van oeverzones met crevassesystemen

en komafzettingen zijn afgedekt.


RAAP-RAPPORT 1688

De meeste vindplaatsen in het rivierengebied

uit het Neolithicum hebben een einddatering in

de Bronstijd. In sommige gevallen is continuiteit

van bewoning gedurende beide perioden

daadwerkelijk aangetoond (o.a. bij grootschalig

archeologisch onderzoek ten behoeve van de

aanleg van de Betuweroute). In een aantal

gevallen is de datering Neolithicum-Bronstijd

echter toegepast in verband met het ontbreken

van goed dateerbaar vondstmateriaal. De

verspreiding van bronstijdnederzettingen komt

sterk overeen met de verspreiding van neolithische

vindplaatsen, maar het huidige beeld

hiervan wordt sterk bepaald door de mate

waarin onderzoek heeft plaatsgevonden.

Binnen de gemeente Lingewaal komen slechts

twee vondsten voor uit het Neolithicum. Het

gaat om een hamerbijl uit het Vroeg Neolithicum

die op 14 m diepte is aangetroffen tijdens het

zandzuigen en om vuursteenvondsten gedaan

in de omgeving van Vuren (cat.nrs. 3 en 42).

Bronstijd

Terwijl de bewoningsdichtheid van het rivierengebied

in de Vroege Bronstijd (2100-1800 voor

Chr.) nog gering is, neemt deze in de Midden

Bronstijd (1800-1200 voor Chr.) geleidelijk toe.

Het aantal kleine nederzettingen dat vooral de

laatste jaren in het kader van grote bouwprojecten

in het rivierengebied in kaart is gebracht,

is aanzienlijk (o.a. woningbouwlocaties, Betuweroute

en bedrijvenparken). Veel van de

neolithische nederzettingsterreinen zijn vermoedelijk

tot in de Bronstijd in gebruik geweest. De

boerderijen hadden in deze tijd veelal zeer forse

afmetingen van meer dan 20 m lengte. Kenmerkend

is het gebruik van bronzen gebruiksvoorwerpen

(o.a. bijlen en sikkels) die door middel

van ‘internationale’ handelsrelaties in het rivierengebied

zijn terechtgekomen.

105

Door een tijdelijke vernatting van het klimaat

gedurende de Late Bronstijd en Vroege IJzertijd

(1200-600 voor Chr.) had het rivierengebied in

toenemende mate last van overstromingen. Als

gevolg hiervan was er in die periode een sterke

afname van de bevolking. In de gemeente

Lingewaal zijn geen vindplaatsen uit de Bronstijd

bekend.

IJzertijd

De IJzertijd (800 tot 12 voor Chr.) wordt in het

rivierengebied gekenmerkt door een stijging van

het aantal bewoners. In de loop van de IJzertijd

nam de gemiddelde omvang van de nederzettingen

toe. Met name in de Late IJzertijd, op

een moment dat ook de bevolkingsaanwas

het sterkst was, bevonden zich her en der

nederzettingen die bestonden uit een aantal

boerenerven op terreinen met een omvang van

meerdere hectaren. De grootste prehistorische

nederzettingen in het rivierengebied stammen

uit de periode 50 tot 12 voor Chr., toen de

Bataven zich in dit gebied vestigden.

Vanaf de IJzertijd wordt het gebruik van ijzer

voor de vervaardiging van wapens en gebruiksvoorwerpen

gemeengoed. Het bezit van ijzeren

gebruiksvoorwerpen onderstreept vanaf dat

moment de verdergaande sociale differentiatie

in de lokale en regionale gemeenschappen.

Na de ruilhandel was de daaropvolgende stap

de introductie en ontwikkeling van smelt- en

smeedtechnieken in de gemeenschappen zelf.

Nu konden de ijzeren voorwerpen ter plaatse

vervaardigd worden door (veelal rondreizende)

smeden. Brons werd nog gebruikt voor onder

andere sieraden, mantelspelden en lederbeslag.

In de 1e eeuw voor Chr. had men in het

rivierengebied ook de beschikking over glas,

zij het hoofdzakelijk voor armbanden en kralen.

Vermeldenswaardig is het gebruik van de eerste


RAAP-RAPPORT 1688

munten, dat min of meer samenviel met de

komst van de Bataven.

De hogere bevolkingsdichtheid, gecombineerd

met de grotere trefkans (vindplaatsen uit de

IJzertijd zijn groter, liggen vaak vrijwel aan het

huidige maaiveld en worden gekenmerkt door

veel nederzettingsafval), heeft ertoe geleid dat

het rivierengebied een relatief hoge dichtheid

aan vindplaatsen uit de IJzertijd kent. In veel

gevallen gaat het om sporen van nederzettingsterreinen,

vaak geconcentreerd langs de toen

actieve meandergordels met aangrenzende

oeverzones. Langs de Linge, een rivier die pas

in de loop van de Late IJzertijd tot ontwikkeling

kwam, zijn tot op heden weinig eenduidige

sporen van bewoning in de IJzertijd.

Veel nederzettingsterreinen uit de IJzertijd

liggen in zones met oude woongronden met een

langdurige bewoningscontinuïteit (Romeinse

tijd-Middeleeuwen). Deze kunnen als gevolg

van intensieve en langdurige bewoning soms tot

meer dan een meter hoger liggen dan de omgeving.

De woerdgronden worden gekenmerkt

door een zwarte humusrijke bodem met veel

archeologische vondsten (nederzettingsafval).

Net als vindplaatsen uit de Bronstijd ontbreken

tot op heden in de gemeente Lingewaal vindplaatsen

uit de IJzertijd. In de aangrenzende

gemeente Geldermalsen zijn echter meerdere

vindplaatsen ter hoogte van het meandergordelcomplex

Enspijk, Gellicum, Hooiblok

(datering 662-272 voor Chr.) bekend. Ook de

ruimer omliggende oeverzones blijken hier in

de IJzertijd te zijn benut als woon- en akkergrond.

Omdat dit meandergordelcomplex ook

door grote delen van de gemeente Lingewaal

stroomt, is het aannemelijk dat ook hier ijzertijdvindplaatsen

voorkomen.

106

4.1.2 Romeinse tijd

Formeel eindigt de IJzertijd met de komst van

de Romeinen in onze streken, circa 12 voor Chr.

In deze periode werd de noordelijke Rijntak,

de Nederrijn, tot rijksgrens aangewezen. Een

stelsel van grensforten (castella) moest deze

grens bewaken. Op de befaamde Tabula Peutingeriana,

een middeleeuwse kopie van een

Romeinse wegenkaart, staan de belangrijkste

legioenplaatsen (castra, zoals Noviomagi ofwel

Nijmegen), forten (castella) en bijbehorende vici

(burgerlijke nederzettingen bij een castellum)

vermeld. Er bestonden ook niet-militaire vici.

Langs het Gelderse deel van de limes lagen

in de Midden Romeinse tijd (ca. 70-270 na

Chr.) naast de enige Nederlandse castra (in

Nijmegen) circa tien castella (Willems, 1986;

Bechert & Willems, 1995). Veel vermoedelijke

castellumlocaties langs de Gelderse limes zijn

als gevolg van de voortdurende activiteit van de

Rijn in deze zone verspoeld. Lingewaal lag op

circa 15km ten zuidwesten van de limes in een

streek die werd gedomineerd door de Bataafse

cultuur.

In de 1e en 2e eeuw na Chr. nam de bevolking

sterk toe. Na de Batavenopstand in 69 na Chr.

trad een langdurig relatief vreedzame periode

in. Mede hierdoor ontstond in met name de 2e

eeuw na Chr. welvaart in het rivierengebied. Als

gevolg van de aanwezigheid van de Romeinse

militaire organisatie in het gebied ontstond er

een grote afzetmarkt voor agrarische producten.

Hierbij werd vermoedelijk het grootste deel

van de voor landbouw geschikte bodems in

het rivierengebied benut. De archeologische

vondsten uit deze periode bestaan voor een

groot deel uit typisch Romeinse producten

(zoals gedraaid aardewerk). De bevolking nam

veel van de Romeinse levenswijze over, ook in

religieus opzicht. Tevens leverden de Bataven

troepen aan het Romeinse leger en zelfs aan


RAAP-RAPPORT 1688

de keizerlijke lijfwacht. Waarschijnlijk als onderdeel

van de bezettings- en pacificatiestrategie

namen de Romeinen ook inheemse elementen

over. Er vond ten dele een versmelting plaats

van inheemse en Romeinse godheden, zoals

blijkt uit de aanwezigheid van Gallo-Romeinse

tempels in het rivierengebied (o.a. te Elst,

Wamel en Empel). Tegen het eind van de 2e

eeuw na Chr. kwam aan de relatief rustige en

voorspoedige periode een eind door herhaaldelijke

invallen van Germaanse stammen.

Vanaf die periode vertoonde de Romeinse

macht in het gebied tekenen van instabiliteit.

Voor het eerst sinds eeuwen daalde het

bevolkingsaantal. De twee daaropvolgende

eeuwen werden gekenmerkt door een afwisseling

van perioden met invallen en herstel van

de Romeinse grensverdediging. De Romeinse

overheersing in Nederland eindigde definitief

met een grootschalige inval van Germanen

in 406 na Chr. Dit gaat samen met een sterke

terugval van de bevolkingsdichtheid en een

afname van het areaal landbouwgrond.

In de gemeente Lingewaal zijn, in tegenstelling

tot de rest van het rivierengebied, vindplaatsen

uit de Romeinse tijd schaars. Er zijn drie vindplaatsen

bekend langs de stroomgordel van de

Linge (cat.nrs. 4, 9 en 25) en één vindplaats op

de meandergordel van Spijk (cat.nr. 33). Deze

laatste vindplaats is aangetroffen tijdens de

aanleg van het Lingebos. De vindplaatsen met

cat.nrs. 9 en 25 liggen op de oever- en meandergordelafzettingen

van de Linge op een oude

woongrond. De oude woongrond ter hoogte van

cat.nr. 9 wordt als terrein van hoge archeologische

waarde aangeduid (ARCHIS-monumentnr.

3256). De Romeinse bewoning lijkt zich voornamelijk

te hebben geconcentreerd op de Lingestroomgordel

en mogelijk op de smallere, relatief

jonge prehistorische stroomgordels die toen

buiten werking waren, maar vermoedelijk nog

107

wel via open restgeulen in verbinding stonden

met de Linge.

4.1.3 (Vroege en Late) Middeleeuwen

De Vroege Middeleeuwen laten een voortzetting

zien van de roerige tijden waarmee de

Romeinse tijd eindigde. Vanaf de 5e eeuw

maakten de uit verschillende Germaanse

stammen voortgekomen Franken in het rivierengebied

de dienst uit. In de 6e eeuw stichtte het

Frankische geslacht de Merovingen het Merovingische

rijk, waarbij de voormalige Romeinse

limes min of meer in ere werd hersteld als rijksgrens.

De Merovingische periode wordt gekenmerkt

door geheel eigen rijke culturele uitingen

met kenmerkende sieraden, wapenversieringen,

glas, en een levendige handel hierin.

In de 8e eeuw, een tijd waarin het christendom

in het rivierengebied definitief vaste voet kreeg,

werd het Karolingische rijk gesticht. In deze

periode nam ook de bevolking weer toe. Veel

huidige dorpen en steden in het rivierengebied

hebben hun oorsprong in de Karolingische

periode. Op basis van schriftelijke bronnen kan

dit ook worden gesteld voor de dorpskernen

Asperen, Heukelum, Herwijnen (cat.nr. 39),

Spijk en Vuren in de gemeente Lingewaal

(Stenvert e.a., 1999, Bijl, 1990). Deze ontwikkelden

zich in vrijwel alle gevallen langs de

levensaders van de regio, de Linge en de Waal.

Alleen de ligging van de voormalig buurtschap

Leuven, centraal gelegen in de gemeente

Lingewaal, wijkt af en is georiënteerd op een

hooggelegen fossiele meandergordel aan de

Leuvense Kweldijk. Deze bewoning bestaat uit

enkele middeleeuwse lintvormig gelegen terpen

(cat.nrs. 14, 19, 23, 26, 31 en 32). De meeste

kerken in de dorpen van Lingewaal hebben een

middeleeuwse voorganger, waarvan het bouwmateriaal

vaak is verwerkt in latere fasen (cat.

nrs. 11, 16, 34 en 38).


RAAP-RAPPORT 1688

Figuur 9. Terpbewoning bij Spijk. Door de steeds hogere waterstand en overstromingsfrequentie moest men de

huisplaatsen steeds verder ophogen en kropen deze steeds hoger tegen de dijk op.

Buiten de historische dorpskernen ontbreken

vooralsnog eenduidige aanwijzingen voor

vroeg-middeleeuwse bewoning. Dit is een weerspiegeling

van de concentratie van bewoning in

de dorpskernen. De grote komgebieden noordelijk

en zuidelijk van de Linge werden vermoedelijk

alleen voor specifieke activiteiten (jacht,

weidegrond) benut.

In de Late Middeleeuwen steeg het inwonersaantal

verder en groeiden diverse nederzettingen

in het rivierengebied uit tot kleine steden.

In Lingewaal is dit niet het geval, hoewel diverse

kleine steden in de directe omgeving ervan

liggen (Gorinchem en Leerdam). De bewoning

in de Late Middeleeuwen wordt gekenmerkt

door het voor het eerst in de geschiedenis op

grote schaal toepassen van steenbouw, al bleef

hout nog geruime tijd het belangrijkste bouwmateriaal.

108

Een ingrijpende verandering in het rivierengebied

was de grootschalige bedijking die het

in de loop van de 12e en 13e eeuw mogelijk

maakte om ook relatief lage delen van het

rivierengebied, met name de komgronden, te

ontginnen. De eerste kaden werden niet langs

de rivier, maar dwars daarop aangelegd, aan de

oostkant van het dorpsgebied. Een zijkade of

zijdwende liep door over de helling aan de landzijde

van de oeverwal en diende in de eerste

plaats om de toestroming van water uit de buurnederzetting

te houden. De Zeiving die dwars

door de gemeente Lingewaal loopt, is een voorbeeld

van een dergelijke zijkade. Ter bescherming

tegen het overstromingswater dat via de

kom zijn weg zocht werden de achterkades

aangelegd. In het begin van de Late Middeleeuwen

werden ook de dijken langs de Linge

en de Waal aangelegd. Hierdoor kon het water

echter niet meer door de kommen afvloeien en


RAAP-RAPPORT 1688

kwam het water steeds hoger tegen de dijken

te staan. Het gevolg was dat de dijken frequent

doorbraken. Dijkdoorbraken ontstonden vaak

waar deze een stroomrug kruiste. De zanderige

stroomrug zorgde voor een grote hoeveelheid

kwelwater waardoor de dijken verzwakt werden

en tijdens hoge waterdruk doorbraken. Op deze

plaatsen ontstonden kolkgaten, ook wel wielen

genoemd. Om de grote hoeveelheid kwelwater

tegen te gaan werd ook wel een kweldijk aangelegd.

Hierdoor kon het waterpeil in het wiel

worden verhoogd, zodat er tegendruk aan het

buitenwater werd gegeven.

Door de vele dijkdoorbraken concentreerde

de bewoning in de Late Middeleeuwen zich

nog steeds op de natuurlijke hoge gronden en

tegen de winterdijken. Deze bewoning tegen

de dijken uitte zich onder meer in de vorm van

terpbewoning, waaronder de terpbewoning

bij Spijk (figuur 9). Deze vorm van bewoning

was het gevolg van de steeds hogere waterstand

en overstromingsfrequentie van de

Linge, waardoor men de huisplaatsen moest

ophogen en deze steeds hoger tegen de

Lingedijk ‘opkropen’. Daarnaast zijn in de Late

Middeleeuwen op een groot aantal plaatsen

verspreid over de gemeente Lingewaal al dan

niet versterkte buitenplaatsen, zoals Engelenburg,

Leyenburg en Wadenstein, ontstaan

(cat.nrs. 6, 10, 13, 15, 17, 18, 28, 43, 44 en

45). De opkomst van deze versterkte, vaak

stenen huizen hangt samen de opkomst van de

feodale adel die er op uit is door vererving van

leengoederen en de eventueel daarbij behorende

ambten zijn macht en zelfstandigheid

te vergroten. Lokale heren werden door het

ontbreken van een sterk centraal gezag min of

meer gedwongen de verdediging van hun bezittingen

zelf ter hand te nemen. In de gemeente

Lingewaal waren er onder meer de heren van

Herwijnen, Vuren, Asperen en Leyenberg.

109

De overige laat-middeleeuwse vindplaatsen in

de gemeente Lingewaal bestaan hoofdzakelijk

uit kerkterreinen, enkele terreinen waar aardewerk

scherven zijn aangetroffen en een kloosterterrein.

4.2 Archeologische inventarisatie

gemeente Lingewaal

Door clustering van de verzamelde archeologische

gegevens zijn 46 vindplaatsen

gedefinieerd: plaatsen waar archeologische

vondsten zijn geregistreerd en/of waar op grond

van historische bronnen bewoning in de Late

Middeleeuwen of eerder mag worden verondersteld

(bijlage 1). De vindplaatsen zijn weergegeven

op de archeologische waarden- en

verwachtingskaart (kaartbijlage 1).

4.2.1 Vindplaatsen/vindplaatskenmerken

algemeen

Mede samenhangend met de beperkte ruimtelijke

ontwikkelingen in de afgelopen decennia

zijn in de gemeente Lingewaal slechts zo’n

dertig archeologische onderzoeken in ARCHIS

geregistreerd. Hiervan hebben slechts enkele

een archeologische vindplaats opgeleverd. De

meeste vindplaatsen zijn niet tijdens regulier

archeologisch onderzoek aangetroffen, maar

betreffen particuliere meldingen of archeologische

monumententerreinen (kastelenterreinen).

Een andere oorzaak van de lage vindplaatsdichtheid

is de grote diepte waarop de vindplaatsen

zich aandienen. Door de relatief dikke

komafzettingen en de daarmee gepaarde grote

diepteligging van de meeste stroomgordels en

archeologische belangrijke laag is het waarnemingseffect

van oppervlaktekarteringen gering.

De archeologische indicatoren zullen door regulier

bodemgebruik niet geraakt worden en niet

aan het oppervlak terecht komen. Alleen nederzettingen

met een relatief hoge vondstdichtheid


RAAP-RAPPORT 1688

en geringe diepteligging ten opzichte van het

maaiveld zullen door middel van oppervlakte

kartering herkend worden.

De huidige inventarisatie omvat 46 vindplaatsen

(peildatum: maart 2008). Hoewel vindplaatsen

verspreid over de gehele gemeente voorkomen,

zijn er duidelijke verschillen in dichtheid te

onderscheiden. Veel vindplaatsen hebben

betrekking op de historische dorpskernen en

de versterkte buitenplaatsen/kasteelterreinen.

De overige vindplaatsen betreffen onder meer

enkele nederzettingsterreinen. Dergelijke locaties

worden veelal gekenmerkt door een hoge

dichtheid aan vondsten van nederzettingsafval,

vooral aardewerk(fragmenten) die typerend zijn

voor activiteitsgebieden rondom huisplaatsen.

Andere typen vindplaatsen zoals grafvelden,

infrastructuur (wegen, afwateringssystemen) en

cultusplaatsen laten veel minder aan het oppervlak

zichtbare sporen na. Deze zijn dan voor de

meeste perioden niet vertegenwoordigd in het

vindplaatsenspectrum en worden over het algemeen

alleen tijdens (al dan niet archeologische)

graafwerkzaamheden ontdekt.

4.2.2 Vindplaatscategorieën

De geïnventariseerde vindplaatsen zijn verdeeld

in een aantal categorieën, die hieronder worden

toegelicht. Indien de functie of betekenis van

een archeologische waarneming niet duidelijk

is, valt deze onder de categorie onbekend.

Nederzettingen

De term nederzetting is gebruikt voor plaatsen

waar archeologische vondsten vermoedelijk

duiden op de aanwezigheid van bewoningsresten

uit de Prehistorie en/of de Romeinse

tijd en/of de Middeleeuwen. Het kan hierbij

zowel gaan om prehistorische woonlocaties

bestaand uit één of enkele boerderijen als

om een boerengehucht uit de Middeleeuwen

110

met resten van meerdere grote gebouwen.

De archeologische inventarisatie heeft meerdere

vindplaatsen opgeleverd die als nederzetting

kunnen worden geïnterpreteerd. Het

merendeel van deze vindplaatsen ligt op de

oeverwallen/oeverafzettingen van de holocene

stroomgordels, met name de stroomgordels

van de Linge en de Waal. Veelal zijn nederzettingsterreinen

in het rivierengebied langdurig

bewoond geweest. Mede als gevolg van

voortdurende ophoging zijn deze vaak als een

(lage) verheffing in het landschap herkenbaar.

Dergelijke verhoogde nederzettingsterreinen

staan bekend als woerdgronden, woonterpen

of oude woongronden. Deze tijdens bodemkarteringen

in kaart gebrachte oude woongronden

vormen een directe verwijzing naar bewoning

in het verleden. De in de gemeente Lingewaal

bekende woongronden liggen alle op de stroomgordels

van de Linge en de Waal in de buurt van

de huidige dorpskernen.

Verder zijn op de archeologische waarden- en

verwachtingskaart de middeleeuwse dorpskernen

opgenomen waarvan verondersteld

wordt dat de bewoning hiervan teruggaat tot

in de Late Middeleeuwen en mogelijk zelfs

Vroege Middeleeuwen. In en rond deze oude

dorpskernen is de kans op de aanwezigheid van

nederzettingsresten uit de Middeleeuwen groot.

Begravingen

Vondsten die (kunnen) duiden op de aanwezigheid

van een graf, grafveld of crematieresten

zijn ondergebracht in de categorie begravingen.

Eenduidige grafwaarnemingen zijn de

vindplaatsen waar menselijke resten (bot of

verbrand bot) en/of grafstructuren (bijv. kringgreppels)

zijn aangetroffen. In de gemeente

Lingewaal zijn geen begravingen anders dan

behorende tot de laat-middeleeuwse dorpskerken

bekend.


RAAP-RAPPORT 1688

Kastelen, buitenplaatsen en versterkte

huisplaatsen

In de gemeente Lingewaal kunnen op basis

van schriftelijke bronnen, historisch kaartmateriaal

en archeologische vondsten op een

aantal plaatsen versterkte huisplaatsen worden

onderscheiden. Het betreft veelal omgrachte

huisplaatsen en kastelen. Op de kadastrale

kaarten uit de eerste helft van de 19e eeuw

(Nationaal Archief, 2003) zijn de omgrachtingen

van op deze manier versterkte landhuizen/

boerderijen in de meeste gevallen nog duidelijk

aanwezig (figuur 10). Het is aannemelijk dat

de oorsprong van deze versterkte huisplaatsen

in veel gevallen in de Late Middeleeuwen ligt.

In de meeste gevallen wordt dit ondersteund

door historische bronnen en archeologische

vondsten.

De meeste kastelen in Lingewaal zijn in 1672

door Franse troepen verwoest. Het kasteel werd

later vaak herbouwd in de vorm van landhuizen

en buitenplaatsen. Bij landhuizen van na 1500

ligt de nadruk steeds meer of vrijwel geheel op

bewoonbaarheid en/of vermaak. Deze buitenplaatsen

kenmerken zich over het algemeen

door een meer of minder uitgebreide tuin- of

parkaanleg. In de vindplaatsencatalogus zijn

tien kastelen opgenomen waarvan de oorsprong

(vermoedelijk) teruggaat tot vóór 1500. Deze

liggen in de meeste gevallen in of in de nabije

omgeving van de middeleeuwse dorpskernen.

- Lingestein: Dit voormalige kasteel aan

de zuidkant van Asperen werd in 1329

gebouwd. Het kasteel heeft mogelijk eerder

al bekend gestaan onder de namen Bolwerk

en Gehufte. Lingestein is in 1672 door de

Franse troepen van Lodewijk de veertiende

verwoest (Maanen, 1995).

- Wadenborch: Het voormalige kasteel in

Asperen (ook wel Wadenstein genoemd)

dateert van voor 1300. Het kasteel is in 1672

111

Figuur 10. Op de kadastrale kaart van 1830 is de omgrachting

van kasteel Wayenstein nabij Herwijnen nog aanwezig.

door de Franse troepen vernietigd (Maanen,

1995). In het huidige gebouw is het gemeentehuis

van de gemeente Lingewaal gevestigd

(figuur 11). Het terrein is als beschermd

archeologisch monument aangeduid (monumentnr.

12631).

- Merckenburg: Kasteel Heukelum, ofwel

Kasteel Merckenburg dateert uit de 13e

eeuw (figuur 12). Het kasteel is in de loop

der eeuwen tweemaal verwoest en even zo

vaak weer opgebouwd. Het huidige kasteel

is in 1740 gebouwd op de restanten van

een oud middeleeuws kasteel dat nog uit

de 13e eeuw stamt (Absolute Facts, 2008).

De eerste verwoesting van het kasteel vond

plaats in de 14e eeuw. In de 17e eeuw werd

kasteel Merckenburg voor de tweede maal

tot de grond toe gelijk gemaakt. De Merckenburg

was van oorsprong een zwaar vierkant

gebouw, gericht op het westen. Het kasteel

was omringd door een brede gracht. Aan

de westzijde van het slot bevond zich een

grote zware poorttoren. Daarnaast was de


RAAP-RAPPORT 1688

Figuur 11. Het (omgebouwde) kasteel Wadenborch wordt tegenwoordig als gemeentehuis van Lingewaal

gebruikt.

Figuur 12. Kasteel Merckenburg nabij Heukelum. Het kasteel dateert oorspronkelijk uit de 13e eeuw. Het

huidige gebouw is in 1740 gebouwd.

112


RAAP-RAPPORT 1688

Figuur 13. Kasteel Wadenborch dateert uit het begin van de 15e eeuw. De funderingsresten zijn nog vlak onder

het maaiveld aanwezig.

voorburcht toegankelijk door middel van een

ophaalbrug. Het terrein is als beschermd

archeologisch monument aangeduid (monumentnr.

3257).

- Leyenburg: In 1329 werd Arnout van

Heukelum door de graaf van Holland

beleend met het huis Merenburg (Ebidat,

2008). Huis Merenburg lag nabij de terpen

aan de Leuvense Kweldijk. In 1374 kwam

het in bezit van het geslacht van Leyenberg,

waar het kasteel naar vernoemd werd.

Leyenburg verdween in de 17e eeuw. Over

het kasteel Leyenburg is alleen iets bekend

door de vondst van een stuk muur in 1961

en de opgraving in 1963/64. Het onderzoek

bracht toen een vierkante voorburcht en een

rechthoekig hoofdgebouw aan het licht. Het

kasteel, gelegen op een verhoging, bevatte

eerst aan de noordzijde een voorburcht.

Deze werd in het begin van de 15e eeuw

vervangen door een voorburcht aan de zuid-

113

zijde. De hoofdburcht had tenminste drie

bouwfasen. Zij was omgeven door een ringmuur

met weergang op spaarbogen, vermoedelijk

uit het eind van de 15e eeuw. Aan de

oostzijde bevond zich een zware toren uit

de derde bouwfase. De ingang was in de

noordgevel. Naast deze ingang bouwde men

al spoedig een ronde toren ter verdediging.

Na de verplaatsing van de voorburcht werd

de ingang verplaatst. Van de oudste fase

is bijna niets teruggevonden: deze fase is

afgebroken en het afkomend materiaal is

hergebruikt voor de funderingen van nieuw

bouwwerk.

- Wayenstein: Dit voormalig kasteel (ook wel

Wadestein genoemd) stond in Herwijnen

(figuur 13). Wayenstein is waarschijnlijk

rond het begin van de 14e eeuw gebouwd

door Gijsbert van Herwijnen. (Bierens de

Haan, 2000). De eerste vermelding van het

kasteel in een geschrift dateert uit 1402, als


RAAP-RAPPORT 1688

Figuur 14. Op het kasteelterrein van Drakenburg (1401) bevindt zich tegenwoordig een boerderijterp.

Figuur 15. Kasteel Frissestein is buitendijks gelegen en is, net als veel andere kastelen in Lingewaal, rond 1672

door Franse troepen verwoest.

114


RAAP-RAPPORT 1688

het omschreven wordt als een ‘alde hofstat’.

Het omgrachte kasteelterrein was circa

47 x 47 m. Op de noordelijke helft stonden

de gebouwen, waaronder een hoofdgebouw,

een vierkante toren in de gracht en

een ronde toren op de noordwesthoek. De

zuidelijke helft was in gebruik als tuin. Tot

het midden van de 19e eeuw was het kasteel

nog bewoond. In 1865 volgde echter de

sloop. Enkel de ronde toren en de aanzet

van het aangrenzende stalgebouw op de

voorburcht bleven bestaan tot in de Tweede

Wereldoorlog. De funderingen en funderingsresten

van het kasteel zijn nog vlak onder

het maaiveld aanwezig (Schiferli, 2005). De

binnenplaats is gebruikt als vuilstortplaats

en de buitengracht is nog aanwezig.

- Drakenburg: Drakenburg, Drakestein of De

(Blauwe) Toren is een voormalige versterkt

huis in Herwijnen (figuur 14). De eerste

vermelding van Drakenburg dateert uit

1401. Destijds was Arnt van Leyenburg

eigenaar van het huis. De afstammelingen

van Van Leyenburg namen later de naam

Van Drakenburg aan(Van Zee, 1999). In

1482 werd het huis verkocht (aan wie is niet

duidelijk). Nog voor de eeuwwisseling veranderde

Drakenburg weer van eigenaar. Nu

kwam het in bezit van Johan van Herwijnen.

Destijds had de familie alle vier kastelen

in Herwijnen in bezit. In 1672 werd huize

Drakenburg door enkele Franse troepen

vernietigd. Alleen de toren stond nog overeind.

Op het terrein bevindt zich nu een

boerderijterp uit de 18e eeuw. Tijdens werkzaamheden

in de 20e eeuw zijn de gewelven

van de kasteelkelder aangetroffen.

- Frissestein: Dit is een voormalig kasteel

in Herwijnen. Frissestein (ook wel Huis te

Herwijnen genoemd). Het hoorde in de 14e

eeuw toe aan het geslacht Van Herwijnen

en lag buitendijks. In 1609 kwam het kasteel

115

in het bezit van de familie Van Brederode.

Het kasteel werd rond die tijd voor het eerst

Frissestein genoemd. De middeleeuwse

burcht bestond uit een voorburcht van circa

40 x 28 m en een hoofdburcht van circa 37 x

37 m (Ebidat, 2008). Beide terreinen waren

met elkaar verbonden door een houten brug.

Volgens afbeeldingen uit 1672 bestond de

voorburcht uit een vierkant terrein, met op de

oosthoek een ronde toren met uitgebouwde

toilettoren en aan de noordwestzijde een

hoge vierkante poorttoren met uitgebouwde

traptoren. In 1672 is Frissestein door Franse

troepen verwoest. Het huis op de hoofdburcht

had een u-vormige plattegrond, die

bestond uit een rechthoekige zaalbouw en

twee torens of nagenoeg vierkante vleugels.

Deze u-vorm werd afgesloten door middel

van een uitgebouwde poorttoren. Uit opgravinggegevens

blijkt dat de funderingen van

de hoofdburcht 1,53 m dik waren. De resten

van het middeleeuwse Frissestein liggen

onder de grond in een weiland (figuur 15).

Het huidige huis werd in 1828 gebouwd.

- Engelenburg: In 1468 werd het voormalige

versterkte huis Engelenburg (figuur 16) voor

het eerst genoemd in het geschrift (Ebidat,

2008). Afgaande op de oudst bekende belening

lijkt het kasteel Engelenburg tussen

1430 en 1468 gebouwd. Engelenburg is in

1672 door Franse troepen verwoest. Hoe het

er toen voordien is niet bekend. De vroegste

afbeelding is gemaakt door Pronk en dateert

uit circa 1730. Het toont een hoofdburcht

en een klein deel van de voorburcht. De

hoofdburcht lijkt te bestaan uit een u-vormig

complex afgesloten met een keermuur

met poortgebouw. De woonvleugels tellen

twee bouwlagen boven een kelder, onder

zadeldaken tussen trapgevels. Het poortgebouw

heeft een tentdak. De noordwestelijke

vleugel bevat een lage uitbouw aan de


RAAP-RAPPORT 1688

Figuur 16. Kasteel Engelenburg dateert uit het begin van de 15e eeuw. Hoe het complex er precies heeft uitgezien

is niet bekend.

zuidwestzijde. Op de voorburcht staat een

bijgebouw met aanbouw onder een schilddak

en aan de zuidwestzijde een gebouw met

een trapgevel, mogelijk het poortgebouw.

Een niet gedateerde anonieme steendruk

en tekening tonen een geheel ander beeld

dat moeilijk te koppelen is aan de tekening

uit 1730 (Ebidat, 2008). Afgebeeld is de

westzijde, waarbij het poortgebouw op de

voorburcht is afgebeeld. De hoofdburcht op

de tekening bestaat uit twee evenwijdig aan

elkaar gelegen, noordoost-zuidwest gerichte

korte vleugels met zadeldaken tussen trapen

tuitgevels, met tegen de noordoosthoek

een achthoekig torentje; de ingang van de

hoofdburcht bevindt zich in de noordwestelijke

vleugel. Het kasteel werd in 1817 voor

afbraak verkocht en gesloopt. Tot 1834 werd

het poortgebouw van de voorburcht gehandhaafd.

In 1939 is een eerste opgraving

verricht en zijn stenen gevonden met een

116

maat van 25 x 12 x 5,5 cm. In 1981 werd een

bijna 2 m brede fundering op hout gevonden,

met een baksteenmaat van 28 x 13 x 6 cm.

Uit beide opgravingen zijn geen nadere

gegevens over de ligging en vormgeving van

de gebouwen naar voren gekomen.

- Tumelenburg: Dit voormalig kasteel te Vuren

is door de heren van Asperen in de 14e eeuw

gebouwd. In 1672 werd Tumelenburg door

de Fransen verwoest. (Heerlijkheid Vuren,

2008). Halverwege de 18e eeuw werd er

door de graaf van Bylandt een nieuw kasteel

in Engelse landhuistijl op de fundamenten

van het voormalige Tumelenburg geplaatst.

Aan het einde van de 18e eeuw kwam het

goed in handen van Gerard Meersman en

in 1822 werd het huis verkocht aan Jan

Viruly. Hij verbond hierbij zijn naam aan het

huis. Het geslacht Viruly vertrok echter in

1895 naar Gorinchem, waarna het huis werd

gesloopt.


RAAP-RAPPORT 1688

- Kasteel Spijk: Het kasteel van Spijk,

genaamd De Cloot, werd al in 1460 vermeld.

Karel de Stoute gaf het toen met de hoge en

lage jurisdictie, land en tienden in leen aan

Jan van Vuren. Het kasteel was buitendijks

gelegen en werd in 1814 op een openbare

veiling verkocht en vervolgens gesloopt

(Maanen, 1995).

Kerken

Bijna alle middeleeuwse dorpskernen van

Lingewaal worden gekenmerkt door een

markant kerkgebouw, waarvan de bestaande

fundering en toren in de meeste gevallen teruggaan

tot de Late Middeleeuwen. In de meeste

gevallen liggen de kerken op de oorspronkelijke

bouwlocatie, waarbij (mogelijk) sprake is

van een vroeg-middeleeuwse (Karolingische)

voorganger. Het bouwmateriaal van vroegere

bouwfasen is veelal verwerkt in latere fasen.

Als bestaande bouwkundige objecten staan

de kerken van Lingewaal wel geregistreerd op

de monumentenlijst; als archeologische vindplaats

staan ze echter sporadisch geregistreerd.

Met name vanwege de herkenbaarheid en de

betekenis voor de geschiedenis en historische

opbouw van de dorpskernen, zijn alle kerken op

de archeologische waarden- en verwachtingskaart

van Lingewaal weergegeven.

- Asperen: De Nederlands hervormde kerk te

Asperen (figuur 17) is halverwege de 15e

eeuw gebouwd. In de rooms-katholieke

tijd werd de Catharinakerk ook wel buurkerk

genoemd. De kerk is een ruime kruiskerk

met een pseudo-basilicaal schip. De

monumentale toren van baksteen, is van

Kempische bouwstijl. Op de zolder bevindt

zich een uit 1532 daterende klok. Vroeger

moeten er vijf klokken gehangen hebben. De

grote kerk is diverse malen getroffen door

stadsbranden. Voor het laatst gebeurde dat

in 1896. In 1978 is de kerk voor laatst gerestaureerd

(Harten, 1997).

117

Figuur 17. De Nederlands Hervormde kerk in Asperen.

- Vuren: De oorspronkelijke kerk dateert uit de

Vroege Middeleeuwen. De kerk stond buitendijks.

Mede door de vele overstromingen

werd de oude kerk in de 17e eeuw verplaatst

naar de binnenberm van de dijk. Het gebouw

werd in 1799 verwoest door de dijkdoorbraak

die vlakbij plaats vond. De kerk is in 1826

herbouwd (Harten, 1997).

- Herwijnen: De oorspronkelijke middeleeuwse

kerk stond midden in de Waal en is waarschijnlijk

na de het verleggen van de Waal

verloren gegaan. In de 15e eeuw heeft de

kerk op het huidige kerkhof van Herwijnen

gestaan. Dit is nu nog steeds met paaltjes

gemarkeerd. Tijdens de watersnood van

1809 is de kerk zwaar beschadigd geraakt.


RAAP-RAPPORT 1688

In 1823 werd de kerk vervangen. De huidige

kerk staats op 20 m van de vorige (Harten,

1997).

- Heukelum: In het jaar 996 schonk een

zekere Fretzhold zijn rechten op de kerk

aan de bisschop van Utrecht. Dit is eerste

vermelding van een kerk in Heukelum. De

middeleeuwse kerk is in 1699 door een grote

brand voor een groot deel verloren gegaan.

Na het herstel bestond de kerk enkel uit een

dwarspand en koor. In 1728 werd er een

schip aan toegevoegd. Bij de grote brand

van 1772 werd de toren opnieuw afgebrand.

De kerk bleef nog staan totdat de gemeente

hem in 1829 liet slopen (Harten, 1997).

Kloosters

In de gemeente Lingewaal komen enkele kloosterterreinen

voor. Twee liggen in Asperen, één

in Heukelum en één ten noorden van Herwijnen.

- Kruisbroeders(heren)klooster: In 1315

werd het kruisbroedersklooster in Asperen

gevestigd. De Kruisbroeders waren verwant

aan de Franciscanen en Dominicanen. Het

klooster heeft op de hoek van de huidige

Mistraat en Brugstraat gestaan. Het Kruisbroedersklooster

werd ten tijde van de Beeldenstorm

in 1566 verwoest, waarna het later

in de eeuw werd afgebroken. Een deel van

de stenen zijn nog terug te vinden in een

aantal huizen (Harten, 1997).

- Begijnenklooster van de heilige Anna in de

Gulden Poort: Sint Anna was een Begijnenklooster,

dat zich later bij de Dominicanessen

aansloot. Het klooster stond aan het

einde van de Minstraat in Asperen. Hoewel

de eerste vermelding van het klooster in

Asperen uit 1488 dateert, wordt aangenomen

dat het uit de 14e eeuw stamt. Ten

tijde van de Beeldenstorm is het klooster

vernield (Harten, 1997).

118

- Het Klooster: In Heukelum heeft mogelijk

een klooster gestaan. Het zou hier moeten

gaan om een niet meer bestaand huis aan

de Voorstraat, dat in de volksmond “Het

Klooster” genaamd werd. De naam van het

huis was “Jofferensteiger” (Harten, 1997).

- Karthuizerklooster van Herwijnen: Het

terrein, ook wel Het Heilige Land genoemd,

betreft het voormalig Karthuizerklooster, dat

dateert uit einde van de 15e eeuw. Tijdens

ruilverkavelkingswerkzaamheden in de jaren

60 van de vorige eeuw zijn puinresten van

het klooster aangetroffen. De aangrenzende

begraafplaats had de naam Quando of

Kwando.

Overige vindplaatstypen

In de gemeente Lingewaal is tot op heden

slechts een beperkt aantal typen vindplaatsen

geregistreerd. Zo ontbreken schat- en depotvondsten,

aanwijzingen voor voormalige

wegtracés of andere infrastructurele werken

en zijn er ook geen vindplaatsen bekend die

gerelateerd kunnen worden aan vroegere

economische activiteiten zoals metaalbewerking

en keramische industrie (pottenbakken). Deze

waardevolle, maar niet zichtbare relicten komen

vermoedelijk wel voor en dit geeft aanleiding om

dit archief met alle zorgvuldigheid te beheren.

Vooral de ontdekking van bijzondere vondsten

en vindplaatstypen kan leiden tot geheel nieuwe

zienswijzen over de vroegere bewoning van

het gebied. Tevens kunnen dergelijke vondsten

doorgaans rekenen op massale belangstelling

van een breed publiek en een versteviging van

het draagvlak.

Niet alle historische locaties staan op de archeologische

waarden- en verwachtingskaart

weergegeven. Onder andere ontbreekt een

volledig overzicht van historische woonlocaties,


RAAP-RAPPORT 1688

waarvan er veel tegenwoordig nog bebouwd

zijn met monumentale boerderijen. Op tal van

historische en in veel gevallen monumentale

boerderijlocaties gaat de bewoningsgeschiedenis

vermoedelijk terug tot in de 16e eeuw of

zelfs vroeger; per locatie zal dit echter aan de

hand van historisch onderzoek nader dienen te

worden onderzocht. De verschillende al dan niet

nog bestaande voor- en achtermolens nabij de

Linge en de Waal zijn wel aangegeven.

Losse vondsten/onbekend

Op meerdere plaatsen zijn archeologische

vondsten of waarnemingen geregistreerd

waarvan de archeologische context niet duidelijk

is. Dit zijn voorwerpen die voorzover bekend

buiten de context van een grotere archeologische

vindplaats zijn aangetroffen of die niet in

een van de andere categorieën ondergebracht

kunnen worden. Het kan gaan om fragmenten

aardewerk uit diverse perioden, metalen

gebruiksvoorwerpen, munten en bot die zijn

aangetroffen tijdens werkzaamheden of een

oppervlaktekartering.

4.3 Archeologische karakteristiek

gemeente Lingewaal

Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat er in de

gemeente Lingewaal archeologisch gezien relatief

weinig bekend is. Tot en met de Romeinse

tijd zijn er slechts twee vindplaatsen bekend.

Beide betreffen toevalsvondsten uit het Neolithicum

en zijn tijdens grondwerkzaamheden

aangetroffen. Er zijn vier vindplaatsen uit de

Romeinse tijd geregistreerd. Drie daarvan zijn

op de stroomgordel van de Linge gelegen, één

op de stroomgordel van Spijk. Één Romeinse

vindplaats betreft een terrein van hoge archeologische

waarde ten oosten van Heukelum.

Hier zijn tijdens een bodemkartering aardewerk

scherven uit de Romeinse tijd en de Middel-

119

eeuwen aangetroffen. In hoeverre de omgrenzing

van het terrein juist is aangegeven is onbekend.

Uit de Vroege Middeleeuwen is slechts één

vindplaats bekend. Het betreft een oude woongrond

nabij Herwijnen. Op deze plek zou de

oudste vermelding van Herwijnen naar wijzen

(mondelinge mededeling M. van Maaren). Alle

dorpskernen van Lingewaal zijn ontstaan in de

laatste periode van de Vroege Middeleeuwen

(9e-10e eeuw). Ze zijn echter niet als losse

vindplaats in de catalogus opgenomen. De

legenda eenheid “historische dorpskernenop

kaartbijlage 1 verwijst echter naar de vroegmiddeleeuwse

uitleg van de dorpen.

De meeste vindplaatsen in Lingewaal dateren

uit de Late Middeleeuwen. In deze tijd is de

bewoning hoofdzakelijk geconcentreerd op de

oeverwallen van de Linge en de Waal. Afwijkend

zijn de terpen aan de Leuvense Kweldijk. Deze

zijn centraal in Lingewaal op de prehistorische

stroomgordel gelegen. Naast vindplaatsen in

die verband staan met de verschillende dorpskernen

komen negen kasteelterreinen voor.

De originele kasteelgebouwen zijn echter bijna

allemaal in 1672 door Franse troepen gesloopt.

Enkele zijn later als landhuis herbouwd. Naast

kasteelterreinen zijn ook de middeleeuwse

kerken en kloosters in de kaart opgenomen.

In de gemeente Lingewaal staan ten slotte

zeven archeologische terreinen geregistreerd.

- 4 beschermde terreinen van hoge archeologische

waarde:

- Monumentnr. 867: verhoogd gelegen laatmiddeleeuws

kerkterrein te Herwijnen;

- Monumentnr. 868: kasteelterrein Wayenstein

te Herwijnen;

- Monumentnr. 869: kasteelterrein Engelenburg

te Herwijnen;


RAAP-RAPPORT 1688

- Monumentnr. 870: kasteelterrein Frissestein

te Herwijnen.

- 2 terreinen van hoge archeologische waarde:

- Monumentnr. 3256: oude woongrond met

fragmenten Romeins en middeleeuws

aardewerk te Heukelum;

- Monumentnr. 3257: kasteelterrein Merckenburg

te Heukelum.

- 1 terrein van archeologische waarde:

- Monumentnr. 12631: kasteelterrein Wadenstein

te Asperen.

120


5 TOELICHTING

RAAP-RAPPORT 1688

OP DE ARCHEO LOGISCHE

WAARDEN- EN VERWACH TINGS KAART

5.1 Principes en nauwkeurigheid

Een archeologische waarden- en verwachtingskaart is een kaart waarop de verwachte

dichtheid aan archeologische resten vlakdekkend is weergegeven. De kaart vormt

daarmee de grafische weergave van een voorspellingsmodel dat gebaseerd is op het

principe dat archeologische resten niet willekeurig over een gebied zijn verspreid,

maar gerelateerd zijn aan bepaalde landschappelijke kenmerken of eigenschappen.

Het vaststellen van de archeologische verwachting voor een gebied kan gebaseerd

zijn op kwantitatieve vindplaatsgegevens (een zogenaamde inductieve benadering),

maar er zijn ook verwachtingsmodellen die sterk leunen op een hypothetische benadering

(een zogenaamde deductieve benadering).

In het geval van een inductieve benadering worden de relaties tussen archeologische

vindplaatsen en landschappelijke kenmerken berekend door middel van een statistische

(GIS-)analyse. Voorwaarde voor een verantwoorde statistische onderbouwing

van een verwachtingsmodel is een voldoende grote archeologische dataset en een

evenredige onderzoeksdichtheid binnen de gehele gemeente. Idealiter zou dit betekenen

dat het grondgebied geheel onderzocht zou moeten worden. In de gemeente

Lingewaal zijn er echter te weinig vindplaatsen geregistreerd en onvoldoende archeologische

onderzoeken uitgevoerd om een statistische analyse uit te voeren.

Een deductieve benadering is echter wel mogelijk. Een voordeel van de deductieve

benadering van het verwachtingsmodel is dat het vindplaatsenbestand (met geregistreerde

vindplaatsen) als een onafhankelijk controlemiddel gebruikt kan worden

om de voorspellende waarde van het verwachtingsmodel te toetsen. Door algemene

kennis over de ligging en verspreiding van archeologische vindplaatsen in het

rivierengebied te combineren met landschappelijke gegevens (geologie, ouderdom

fossiele rivierlopen, bodemgesteldheid en geomorfologie), zijn de landschappelijke

eenheden in de gemeente Lingewaal voorzien van een archeologische verwachting.

Onder archeologische verwachting wordt de kans op het voorkomen van archeologische

resten verstaan. Archeologische verwachting zegt dus iets over de dichtheid

waarin archeologische terreinen binnen een landschappelijke eenheid voorkomen of

worden verwacht. Hoe hoger de archeologische verwachting, hoe groter de verwachte

dichtheid aan archeologische resten. Hoe groter de dichtheid aan archeologische

resten, hoe groter de (verwachte) archeologische waarde van een bepaalde landschappelijke

eenheid. Met de termen hoge, middelmatige en lage archeologische

121


RAAP-RAPPORT 1688

verwachting wordt de verwachte (relatieve)

dichtheid aan archeologische vindplaatsen tot

uitdrukking gebracht.

De archeologische verwachting van de landschappelijke

eenheden moet niet verward

worden met de waarde van individuele archeologische

vindplaatsen die binnen deze

eenheden voorkomen. Een archeologische vindplaats

in een gebied met een hoge archeologische

verwachting is niet per definitie waardevoller

dan een vindplaats in een gebied met een

lage archeologische verwachting. De waarde

van individuele vindplaatsen is namelijk afhankelijk

van de criteria gaafheid, zeldzaamheid en

de externe (landschappelijke) context en niet

van de ligging binnen een bepaalde verwachtingszone

(Groenewoudt, 1994).

5.2 Vestigingsfactoren en locatiekeuze

Tot op heden maken archeologische verwachtingsmodellen

in Nederland voornamelijk

gebruik van vestigingsfactoren en locatiekeuzen

die gebaseerd zijn op economische en landbouwkundige

motieven. Over andere motieven

(bijvoorbeeld van politieke, religieuze, sociale of

strategische aard) is tot dusverre nog zo weinig

bekend dat ze slechts bij hoge uitzondering

gebruikt worden bij het opstellen van verwachtingsmodellen.

Economische en landbouwkundige

motieven hebben in hoofdzaak betrekking

op de fysieke mogelijkheden en beperkingen

van het landschap waarin men leefde. Door

gebruik te maken van geologische en bodemkundige

gegevens kunnen deze op relatief

eenvoudige wijze worden herleid.

Aan bepaalde landschappelijke parameters

kan in alle archeologische perioden een vergelijkbare

verwachting worden gekoppeld. Voor

122

het rivierenlandschap geldt bijvoorbeeld: hoog

en droog = hoge archeologische verwachting,

laag en nat = lage archeologische verwachting.

Vooral de holocene stroomgordels waren hoge

en goed herkenbare elementen in het overwegend

moerasachtige en dichtbegroeide rivierenlandschap.

In het verleden werden zowel

oeverwallen als (rest)geulen gebruikt als verbindingsroute

tussen verschillende gebieden.

Toch zijn er in de loop van de tijd ook duidelijke

verschillen in locatiekeuze te onderscheiden.

Meest markant zijn deze verschillen tussen

jager-verzamelaars enerzijds en landbouwers

anderzijds.

5.2.1 Jager-verzamelaars (Paleolithicum-

Mesolithicum-Neolithicum)

Een belangrijk kenmerk van de Oude en Midden

Steentijd en ten dele ook de Nieuwe Steentijd is

dat de mens in zijn voedselvoorziening voorzag

door middel van jagen en verzamelen. Deze

zogenoemde jager-verzamelaars trokken door

het landschap en verbleven alleen tijdelijk op

een bepaalde plaats. Bij een analyse van de

verspreiding van steentijdvindplaatsen (van

jager-verzamelaars) in het rivierengebied blijkt

dat de ligging van vindplaatsen van jager-verzamelaars

sterk aan bepaalde landschappelijke

eenheden is gebonden. In vrijwel alle gevallen

zijn de vindplaatsen van jager-verzamelaars

te vinden op de overgang van nat naar droog.

Dit verband is sterker naarmate deze overgang

markanter is (bijvoorbeeld op hoge zandkoppen

in laaggelegen gebieden). Een verklaring voor

deze sterke relatie moet worden gezocht in de

volgende factoren:

- Landschappelijke overgangen worden

gekenmerkt door het op korte afstand van

elkaar voorkomen van een grote verscheidenheid

aan vegetatietypen. Dit brengt voor

jager-verzamelaars met zich mee dat er op

dergelijke locaties een grote verscheiden-


RAAP-RAPPORT 1688

heid aan voedselbronnen op korte afstand

voorhanden is in de vorm van planten en

dieren.

- Landschappelijke overgangsgebieden zijn

markante en goed herkenbare elementen

in het landschap. In het verleden kunnen

deze zijn gebruikt als migratieroute tussen

verschillende gebieden.

De sterke voorkeur voor landschappelijke overgangssituaties

is een van de weinige locatiekeuzefactoren

voor jager-verzamelaars op grond

waarvan een ruimtelijk voorspellingsmodel kan

worden geformuleerd. Gebieden met een hoge

archeologische verwachting zijn:

- oevers van (crevasse)geulen en andere

depressies;

- ruggen en koppen in natte, laaggelegen

terreinen.

5.2.2 Landbouwers (Neolithicum-Late

Middeleeuwen)

Met de introductie van de landbouw in de loop

van het Neolithicum stelde de mens geleidelijk

andere eisen aan zijn landschappelijke

omgeving. De locatiekeuze werd steeds meer

bepaald door de mate waarin gronden geschikt

waren voor de akkerbouw. De eerste landbouwers

hadden nagenoeg geen technische

middelen om de bodemstructuur en -vruchtbaarheid

te verbeteren (de oudst bekende zeer

primitieve ploeg dateert bijvoorbeeld uit de

IJzertijd). Oogstrisico’s werden direct bepaald

door de fysische eigenschappen van het landschap.

Belangrijke parameters waren grondwaterregime,

natuurlijke vruchtbaarheid, bewerkbaarheid

van de bodem en areaal geschikte

landbouwgrond.

Tot de gebieden met een hogere archeologische

verwachting moeten in de eerste plaats

de relatief hooggelegen fossiele meandergor-

123

dels worden gerekend. In het rivierengebied

worden de meandergordels over het algemeen

gekenmerkt door een hoge dichtheid aan

archeologische vindplaatsen uit de Prehistorie

en latere archeologische perioden. Over het

algemeen geldt tevens een hoge verwachting

voor gebieden met relatief hooggelegen ongefundeerde

oeverafzettingen en crevassesystemen

(de oeverwallen). In sommige delen

van het rivierengebied geldt ten aanzien van

de oeverzones een sterke relatie tussen bewoningsdichtheid

(en archeologische verwachting)

en afstand tot de corresponderende meandergordel.

Dit doet zich met name voor in gebieden

met grote kommen en een eenduidig patroon

van meandergordels met belendende oeverzones.

Door het geringe aantal vindplaatsen is

dit verband in de gemeente Lingewaal onduidelijk.

Naast reliëf en bodemkwaliteit kan de aanwezigheid

van voormalig open water in de vorm

van restgeulen worden genoemd als locatiekeuzefactor.

In het rivierengebied zijn resten

van bewoning uit de IJzertijd en Romeinse

tijd met name te vinden langs restgeulen, die

fungeerden als natuurlijke, bevaarbare verbindingen

tussen bewoningsconcentraties. Binnen

de gemeente Lingewaal is aan de hand van het

AHN de ligging van enkele delen van restgeulen

gereconstrueerd.

Komgebieden vormden vanaf de introductie

van de landbouw veel minder aantrekkelijke

locaties voor bewoning. In deze van oudsher

laaggelegen en natte gebieden is de dichtheid

aan (bekende) archeologische vindplaatsen

meestal veel geringer. Indien echter zandige

oeverafzettingen in de kom zijn gesedimenteerd,

neemt de geschiktheid voor bewoning

sterk toe. Een specifiek voorbeeld hiervan zijn

de crevasseafzettingen. Deze afzettingen zijn


RAAP-RAPPORT 1688

vaak diep in komgebieden doorgedrongen,

waarbij ze smalle, hoger gelegen en relatief

zandige ruggen kunnen vormen temidden van

kleiige komafzettingen. In sommige gevallen

zijn crevassen langere tijd watervoerend

geweest en kunnen ze worden beschouwd als

kleine stroomgordels. Door hun geringe omvang

zijn waarschijnlijk veel crevassen binnen de

gemeente Lingewaal nog niet in kaart gebracht.

5.3 Het archeologisch verwachtings

model voor de gemeente

Lingewaal

De archeologische waarden- en verwachtingskaart

is tot stand gekomen door kennis over

de opbouw van het landschap (beschreven in

hoofdstuk 3) te combineren met kennis over de

gebruiksmogelijkheden van dit landschap voor

de mens gedurende de verschillende archeologische

perioden (basisprincipes beschreven in

§ 5.1 en § 5.2). Samen met de reeds bekende

archeologische vindplaatsen (§ 4.2) geeft

deze kaart een zo compleet mogelijk overzicht

van de huidige archeologische kennis over de

gemeente Lingewaal.

Binnen de gemeente Lingewaal kan op basis

van de ouderdom van individuele stroomgordels,

de geologische ontstaansgeschiedenis,

geomorfologie en bodemgesteldheid, onderscheid

worden gemaakt in vier landschapstypen

met een eigen karakter en periodespecifieke

archeologische verwachting:

- diepgelegen meandergordels en restgeulen;

- hooggelegen meandergordels en restgeulen;

- gebieden met oeverafzettingen en

crevassen;

- komgebieden.

124

5.3.1 Meandergordels

Op basis van de gunstige geomorfologische en

bodemkundige kenmerken kan aan de verschillende

fossiele meandergordels van Lingewaal

in principe een middelmatige tot hoge archeologische

verwachting worden toegekend.

De fossiele meandergordels zijn relatief hoge

zones in het holocene rivierenlandschap met

een relatief lage overstromingsfrequentie. De

meandergordels vormen de droge delen in

het rivierenlandschap en fungeren als veilige

woonlocatie en natuurlijke verbindingsroute. De

relatief zandige afzettingen zijn gunstige landbouwgronden

met een hoge natuurlijke bodemvruchtbaarheid

en een goede bewerkbaarheid.

Een andere gunstige locatiekeuzefactor betreft

de aanwezigheid van restgeulen. Behalve het

belang van de nabijheid van open water (drinkwater,

waswater, etc.), kunnen de restgeulen

gezien worden als natuurlijke transport- en

verbindingsroutes in het rivierenlandschap. De

specifieke archeologische verwachting voor een

meandergordel is met name afhankelijk van de

ouderdom van de afzettingen en de mate waarin

die zijn afgedekt door jongere afzettingen.

Binnen de meandergordels wordt onderscheid

gemaakt tussen hooggelegen en diepgelegen

meandergordels. Bij hooggelegen meandergordels

vangt de top van het zand aan op minder

dan 3 m -Mv. Bij diepgelegen meandergordels

vangt dit op dieper dan 3 -Mv aan. Dit geeft

overigens geen indicatie over de dikte en de

top van de oeverwalafzettingen. Dit verschilt

per meandergordel en staat niet in relatie tot de

diepteligging van de meandergordel.

Diepgelegen meandergordels

Hoewel er voor de diepgelegen meandergordels

nauwelijks informatie betreffende bewoningsmogelijkheden

voorhanden is, wordt aangenomen

dat ze wel gedurende enige tijd geschikte


RAAP-RAPPORT 1688

nederzettingslocaties vormden. In de aangrenzende

gemeente Geldermalsen is gebleken dat

de hoogste delen van deze meandergordels met

name in de Bronstijd geschikt voor bewoning

waren. Hoe lang de diepgelegen meandergordels

exact geschikt voor bewoning waren is

niet bekend. In de nationale onderzoeksagenda

archeologie (NOAa) wordt in hoofdstuk 8 dit

expliciet als kennislacune genoemd (Deeben,

e.a., 2006). Omdat wordt aangenomen dat de

diepgelegen meandergordels gedurende enige

tijd bewoonbaar zijn geweest, wordt er een

middelmatige archeologische verwachting aan

toegekend.

- Meandergordels van Gorkum-Arkel, Deil,

Kedichem en Vuren (middelmatige archeologische

verwachting vanaf het Laat-Mesolithicum

tot en met het Neolithicum):

Van deze zeer oude meandergordels zijn

geen archeologische vindplaatsen bekend.

Indien archeologische sporen zich hier

voordoen, zullen deze betrekking hebben

op het Vroeg Neolithicum of mogelijk zelfs

Laat Mesolithicum: een periode waarvan

tot op heden in het rivierengebied relatief

weinig bekend is en waarvan het aantal

vindplaatsen op één hand te tellen is (voorzover

te relateren aan holocene fluviatiele

context). Mogelijk speelt de geringere bevolkingsdichtheid

hierbij een rol, hoewel vooral

de diepteligging goed gedocumenteerde

waarnemingen vrijwel onmogelijk maakt. De

meandergordels zijn vermoedelijk slechts

gedurende een korte periode aantrekkelijk

geweest voor bewoning en na vorming al

snel afgedekt door jongere sedimenten.

- Meandergordel van Herwijnen (middelmatige

archeologische verwachting vanaf het

Midden Neolithicum tot en met de Bronstijd):

Ook de meandergordel van Herwijnen is

diepgelegen en er zijn geen archeologische

vindplaatsen van bekend. Mogelijke vind-

125

plaatsen zullen betrekking hebben op het

Midden Neolithicum tot en met de Bronstijd.

De meandergordel is vermoedelijk slechts

gedurende een korte periode aantrekkelijk

geweest voor bewoning en na vorming al

snel afgedekt door jongere sedimenten.

- Meandergordel van Zeek (middelmatige

archeologische verwachting vanaf het Laat

Neolithicum tot en met de Bronstijd, lage

archeologische verwachting voor overige

perioden):

De meandergordel van Zeek is diepgelegen,

en grotendeels opgenomen in de meandergordel

van Enspijk. Er zijn geen archeologische

vondsten van bekend die gerelateerd

kunnen worden met de meandergordel van

Zeek. Als de afzettingen van Zeek nog intact

zijn, geldt een middelmatige verwachting

vanaf het Laat Neolithicum tot de Bronstijd.

Hooggelegen meandergordels

Binnen de gemeente Lingewaal komen meerdere

hooggelegen meandergordels voor. Bij

deze gordels vangt de top van het zand aan

op minder dan 3 m -Mv. Voor hooggelegen

meandergordels geldt een hoge archeologische

verwachting.

- Meandergordel van Eigenblok (hoge archeologische

verwachting Laat Neolithicum-IJzertijd,

middelmatige archeologische verwachting

Romeinse tijd-Late Middeleeuwen):

De meandergordel van Eigenblok is hooggelegen

(tussen 2,0 en 3,0 m -Mv). De meandergordel

raakte in het Laat Neolithicum

buiten werking en lag vanaf dan als hoog

opgeworpen zandige rug in het landschap.

De meandergordel was dan ook aantrekkelijk

voor bewoning vanaf het Laat Neolithicum,

wat bevestigd wordt door tijdens structureel

archeologisch onderzoek vastgestelde

archeologische vindplaatsen in de gemeente

Geldermalsen. In de gemeente Lingewaal


RAAP-RAPPORT 1688

zijn echter nog geen vondsten bekend. Het

is onduidelijk in hoeverre de meandergordel

in de Romeinse tijd en Middeleeuwen nog

aantrekkelijk waren voor bewoning.

- Meandergordelcomplexen van Enspijk, Mert,

Spijk en Gellicum (hoge archeologische

verwachting IJzertijd-Romeinse tijd, middelmatige

archeologische verwachting voor de

Middeleeuwen):

Een groot aantal hooggelegen meandergordels

was in de IJzertijd actief binnen de

gemeentegrenzen van Lingewaal. Hoewel ze

een variërende begindatering hebben, valt

de einddatering van deze meandergordels

rond 270 voor Chr. Uitgaande van optimale

bewoningsmogelijkheden vanaf het moment

dat een geul over zijn bloeifase heen is, zijn

deze meandergordels qua archeologische

verwachting daarom sterk vergelijkbaar.

In de naburige gemeente Geldermalsen is

op al deze meandergordels een relatief hoge

dichtheid aan vindplaatsen uit de periode

IJzertijd-Romeinse tijd vastgesteld. In de

gemeente Lingewaal is alleen een Romeinse

vondst bekend op de meandergordel van

Spijk (cat.nr. 33).

Hoewel het landbouwareaal beperkt was,

vormde de aanwezigheid van open water in

de vorm van restgeulen vermoedelijk een

doorslaggevende factor in de exploitatie van

de smalle meandergordels in de Romeinse

tijd. In de meandergordel van Spijk kon aan

de hand van het AHN een restgeul in kaart

worden gebracht.

In hoeverre de laat-prehistorische meandergordels

nog aantrekkelijk waren in de

Middeleeuwen, is niet met zekerheid te

zeggen. Het lijkt erop dat de bewoning

zich over het algemeen meer nadrukkelijk

concentreerde in dorpskernen langs de

Linge en de Waal. In het oosten van de

gemeente Lingewaal zijn twee mogelijke

126

nederzettingen uit de Late Middeleeuwen

bekend (cat.nrs. 20 en 27). Verder zijn er

langs de Leuvense Kweldijk enkele huisterpen

uit de Late Middeleeuwen bekend.

Deze zijn gelegen op een vooralsnog onbekende

hooggelegen meandergordel behorende

tot het complex.

- Meandergordel van de Linge (hoge archeologische

verwachting Middeleeuwen,

middelmatige archeologische verwachting

Romeinse tijd):

De Linge kende waarschijnlijk een bloeifase

in de Romeinse tijd en vormde toen een

actieve rivier met een snel lateraal opschuivende

stroomgeul en de vorming van brede

kronkelwaarden. De rivier overstroomde

regelmatig, waarbij behalve de verder weg

gelegen komgebieden ook de kronkelwaarden

via de kronkelwaardgeulen onder

water liepen en onbewoonbaar werden.

In die tijd moet de meandergordel weinig

aantrekkelijk zijn geweest voor sedentaire

bewoning. In de gemeente Lingewaal komt

één nederzettingsterrein op de meandergordel

voor. Daarnaast zijn er twee nederzettingsterreinen

op de aangrenzende

oeverwalafzettingen van de Linge bekend.

Delen van de meandergordel waren dus al in

de Romeinse tijd bewoonbaar. In de Vroege

Middeleeuwen kwam de Linge in rustiger

vaarwater en werden de hoger gelegen

zandige kronkelwaarden op korte afstand

van de Lingegeul aantrekkelijke zones voor

bewoning. De middeleeuwse dorpskernen

en ook de meer geïsoleerde boerderijen en

kasteelterreinen liggen voor een belangrijk

deel op de meandergordel van de Linge.

- Meandergordel van de Waal (lage archeologische

verwachting voor alle perioden, met

uitzondering van aangegeven zones):

Voor de meandergordel van de Waal (de

uiterwaarden) geldt over grote oppervlakken


RAAP-RAPPORT 1688

een lage archeologische verwachting voor

alle archeologische perioden, met uitzondering

van het voorkomen van boten,

kadewerken, beschoeiingen en andere

watergerelateerde archeologische objecten

(Romeinse tijd-Late Middeleeuwen). De

uiterwaarden zijn vanaf de Late Middeleeuwen

onderhevig geweest aan erosie- en

sedimentatieprocessen van de Waal, waarbij

het oude land is opgeruimd. De kans op het

aantreffen van losse (verspoelde) vondsten

is daarmee niet uit te sluiten. Afwijkend

zijn enkele buitendijkse zones waar de

Waalbandijk “landinwaarts” neigt. Hier lijkt

het oude middeleeuwse land gevrijwaard

gebleven van verspoeling en geldt middelmatige

archeologische verwachting vanaf de

Romeinse tijd.

- Onbekende meandergordel

Aan de hand het AHN is in de gemeente

Lingewaal één tot op heden ongekarteerde

meandergordels gekarteerd. Deze meandergordel

ligt ter hoogte van de Leuvense

Kweldijk en is gezien de hoogteligging

waarschijnlijk te plaatsen in het meandergordel

complex van Enspijk, Mert, Spijk en

Gellicum. Op basis hiervan kan de meandergordel

in de IJzertijd gedateerd worden en

krijgt hij een hoge archeologische verwachting

IJzertijd-Romeinse tijd, en een middelmatige

archeologische verwachting voor de

Middeleeuwen. Aan de hand van het AHN

zijn tevens de belendende oeverzones te

traceren.

5.3.2 Restgeulen

Restgeulen vormen binnen de meandergordels

een bijzondere landschappelijke eenheid met

een zeer specifieke archeologische verwachting.

Hoewel de kans op het voorkomen van

nederzettingssporen hier in principe laag is,

dient met name in de oeverzones rekening

127

te worden gehouden met de aanwezigheid

van zeer goed geconserveerde resten van

nabijgelegen nederzettingen (o.a. afvalzones,

kadewerken en beschoeiingen). Daarnaast is

er in restgeulen een relatief hoge kans op het

voorkomen van (resten van) vaartuigen. Deze

verwachting is van toepassing voor alle restgeulen,

onafhankelijk van de datering. Ook in

het brede dal van de Linge, dus niet alleen in

de huidige waterloop, kunnen belangrijke goed

geconserveerde resten uit de Romeinse tijd

en Middeleeuwen voorkomen. Dit is met name

het geval in de nabijheid van de middeleeuwse

dorpskernen en de vroegere nederzettingsterreinen.

5.3.3 Oeverafzettingen (ongefundeerd)

De oeverafzettingen buiten de meandergordels

vormen de overgangszones tussen de meandergordels

en de komgebieden. Vooral in de

oeverzones direct tegen de meandergordels van

de Linge en de Waal aan kunnen de oeverafzettingen

relatief hoog liggen ten opzichte van de

omgeving. Deze zones direct grenzend (gemiddeld

binnen 200 m) aan de meandergordels

hebben vergelijkbare (gunstige) geomorfologische

en bodemkundige eigenschappen met de

oeverafzettingen binnen de meandergordels;

hiervoor geldt in principe dan ook een hoge

archeologische verwachting. Voor oeverzones

buiten 200 m van een meandergordel geldt een

middelmatige archeologische verwachting. De

oeverzones van de overige (anastomoserende

systemen) meandergordels zijn over het algemeen

minder goed ontwikkeld. Hierdoor zijn ze

minder geschikt voor bewoning en geldt een

middelmatige archeologische verwachting. Bij

de kartering van de oeverafzettingen is gebruik

gemaakt van het AHN en bodemkarteringen van

de Universiteit van Utrecht.


RAAP-RAPPORT 1688

De periodespecifieke archeologische verwachting

voor oeverafzettingen wordt bepaald door

de ouderdom van de afzettingen en de afstand

tot de meandergordel. Daarnaast zijn op veel

plaatsen in de gemeente Lingewaal de oeverzones

opgebouwd uit meerdere fasen van

stroomgordels. Hierdoor is op veel plaatsen

geen eenduidig onderscheid te maken in

stroomgordelspecifieke oeverzones.

5.3.4 crevassen

Crevassen, ook wel oeverwaldoorbraakafzettingen

genoemd, liggen in dezelfde landschappelijke

context als de oeverafzettingen. Evenals

oeverafzettingen zijn de crevasseafzettingen

relatief zandig. Behalve door hun ontstaanswijze,

onderscheiden crevassen zich van de

oeverafzettingen op grond van geomorfologische

kenmerken (langgerekte vorm dwars op

de ligging van de meandergordel) en (in veel

gevallen) de aanwezigheid van een crevassegeul

van waaruit deze is opgebouwd. Mede door

de vaak iets hogere ligging en meer zandige

textuur vormen de crevassen binnen de zones

met oeverafzettingen de meest kansrijke zones

voor het voorkomen van bewoningssporen uit

het verleden. Voor reeds bekende crevassen

dient daarom te worden uitgegaan van een hoge

archeologische verwachting, waarbij de specifieke

datering afhankelijk is van de ouderdom

van de corresponderende meandergordel.

5.3.5 Komgebieden

De komgebieden zijn de laagst gelegen

delen van het rivierenlandschap met een van

oorsprong hoge grondwaterstand en een

kleiige profielopbouw. Binnen het holocene

rivierenlandschap vormden de komgebieden

ongeschikte locaties voor bewoning en andere

menselijke activiteiten. Aan komgebieden is

daarom in principe een lage archeologische

verwachting toegekend. Aan de hand van de

128

aangeleverde gegevens van de Universiteit

van Utrecht blijkt dat binnen het kommenlandschap

van Lingewaal een ingewikkeld patroon

van al dan niet diepgelegen crevassen stroomt.

Slechts een deel van deze crevassen kon in

kaart gebracht worden. In de komgebieden moet

echter overal rekening gehouden worden met

de mogelijke aanwezigheid van crevassen.

5.3.6 Middeleeuwse dorpskernen

De middeleeuwse dorpskernen worden gekenmerkt

door een hoge bewoningsdichtheid gedurende

vele eeuwen. De kans op het voorkomen

van bewoningssporen uit de Middeleeuwen

is hier dan ook zeer hoog. In het rivierengebied

komen twee hoofdtypen dorpsvormen

voor, namelijk compacte en gestrekte. In de

gemeente Lingewaal komt alleen het gestrekte

oeverwaltype type voor. De gestrekte vorm

duidt op een aanpassing aan geïsoleerde

smalle stroomruggronden met een regelmatig

reliëf, dan wel een concentratie van bewoning

langs de dijk. De huizen staan er langs twee

of drie parallelle wegen en de kernen worden

gekenmerkt door een Voorstraat ofwel Hoofdstraat,

die later in veel gevallen de Lingedijk

werd. Hier lagen behalve de boerderijen ook

winkels en ambachtsbedrijven aan. De andere

parallelle straten werden vaak de Midden- en/

of Achterstraat genoemd en hadden een agrarische

functie. Vaak gingen zij rechtstreeks in een

veedrift over. In Lingewaal heeft Asperen een

Voor- en Achterstraat en Middenweg. Heukelum

heeft een Voor- en Achterweg en Herwijnen

alleen een Achterweg. In Vuren heeft de Mildijk

de functie van de achterweg. In Spijk concentreerde

de bewoning zich langs de Zuiderlingedijk,

en fungeerde de Spijkse Kweldijk als

achterweg. Hier was echter geen bewoning aan

gelegen.


RAAP-RAPPORT 1688

Figuur 18. De wal van Asperen, aangelegd in het begin van de 14e eeuw, nadat stadsrechten aan Asperen

werden verleend.

Asperen

Asperen is een oude maar kleine stad, waarvan

de eerste schriftelijke vermelding stamt uit

het jaar 893. Het stadje is ontstaan op een

stroomrug. Na de verlening van de stadsrechten

in waarschijnlijk het begin van de 14e

eeuw, werd de nederzetting omwald en later

ommuurd (figuur 18). De stadsmuur had drie

stadspoorten, waarvan één waterpoort die over

de door de stad lopende Min lag. In het begin

van de 16e eeuw werd Asperen ingenomen door

huurtroepen van Gelre die de stad platbrandden

en honderden inwoners vermoorden. In 1896

richtte een stadsbrand grote schade aan. Na

de Tweede Wereldoorlog werd Asperen in noordelijke

en westelijke richting uitgebreid (Stenvert,

1999). Karakteristieke vindplaatsen voor

Asperen zijn de twee kasteelterreinen Wadenstein

en Lingestein, de diverse kloosters en de

stadsomwalling.

129

Heukelum

Heukelum is een kleine stad, waarvan de

historie mogelijk terug gaat tot voor 784, toen

het nog Herculim heette. Destijds trok Karel

de Groote naar Herculim om de Nedersaksen

te bevechten. Heukelum is ontstaan op een

oeverwal van de rivier de Linge. Sindsdien

heeft het zich uitgestrekt als een oeverwal

dorp, al heeft de stedelijke ontwikkeling zich

na de Middeleeuwen niet doorgezet (Stenvert,

1999). In ieder geval voor 1392 was aan de

bewoningskern, die ommuurd en omgracht

was, stadsrecht verleend. De stadsmuur had

vijf kleine steigerpoorten, waarvan er vier langs

de Linge lagen en één langs de stadsgracht.

Heukelum heeft in de loop der eeuwen vele

rampen overwonnen. Van overstromingen tot

een stadsbrand in 1772, waarbij een groot deel

van de huizen werd verwoest. Na de Tweede

Wereldoorlog is het dorp in zuidwestelijke richting

uitgebreid. Heukelum kenmerkt zich vooral


RAAP-RAPPORT 1688

door de van oorsprong 14e-eeuwse hervormde

kerk, het 18e-eeuwse kasteel Merkenburg, het

klooster, de stadsgracht en het omvangrijke

AMK-terrein ten oosten van de stad.

Herwijnen

Het dorp Herwijnen ontstond in de Vroege

Middeleeuwen tussen 650 en 750 op de

stroomrug van de Waal. Herwijnen heeft zich in

de loop der eeuwen gevormd als een langgerekt

dijkdorp (Stenvert, 1999). Kenmerkend voor

Herwijnen zijn de diverse kasteelterreinen en de

vluchtberg met de middeleeuwse kerk.

Spijk

Spijk is een klein dorp, ontstaan in de Vroege

Middeleeuwen op een oeverwal van de Linge.

In de loop der tijd is er een langgerekt dijkdorp

ontstaan. Na de Tweede Wereldoorlog is er bij

de kerk kernvorming ontstaan. Kenmerkend

voor het dorp is de hervormde kerk uit de 13e

eeuw (Stenvert, 1999). De belangrijkste vindplaatsen

tot nu toe zijn het kasteel Spijk en de

middeleeuwse kerk van Spijk.

Vuren

De nederzetting Vuurn ontstond tussen de jaren

850 tot 950 op de oeverwal van de Waal. Vuren

ontleent haar naam aan het woord “vooraangelegen”.

Als gevolg van de vele overstromingen

werd Vuren tussen de 10e en 13e eeuw bedijkt.

De Vurense bevolking groeide geleidelijk gedurende

de eeuwen, ondanks de vele overstromingen

en afwateringsproblemen. Halverwege

de 19e eeuw werd het fort bij Vuren aangelegd.

Dit maakte deel uit van de Nieuwe Hollandse

Waterlinie (De Heerlijkheid Vuren, 2008).

Andere belangrijke vindplaatsen zijn kasteel

Tumelenborg en de middeleeuwse kerk.

130

5.3.7 Oude woongronden

In het rivierengebied worden oude woongronden

op de meeste plaatsen gekenmerkt door het

voorkomen van archeologische vindplaatsen

uit zowel de Prehistorie als de Romeinse tijd en

de Middeleeuwen. De oude woongronden zijn

deels gekarteerd tijdens vroegere bodemkarteringen,

waarbij een donker gekleurde humeuze

laag is herkend. Deels betreft het archeologische

bodemkarteringen. Oude woongronden

kunnen als zones met een hoge archeologische

verwachting worden opgevat.

5.4 Beperkingen van het onderzoek

Een essentiële beperking van de archeologische

waarden- en verwachtingskaart is dat deze

voornamelijk betrekking heeft op nederzettingsterreinen

waarvan het verspreidingsbeeld door

een ruimtelijk (landschappelijk) verwachtingsmodel

verklaard kan worden. Aan de basis van

deze verwachtingsmodellen ligt de koppeling

tussen ruimtelijke variabelen enerzijds (terreingradiënten,

bodemgeschiktheid en waterhuishouding)

en de verwachte locatiekeuzefactoren

voor de verschillende cultuurgemeenschappen

anderzijds. Van andere typen vindplaatsen,

zoals depots en offerplaatsen, wegen en

grafvelden, is de ruimtelijke verspreiding niet

of slechts in geringe mate gekoppeld aan

landschappelijke variabelen, hoewel ze vaak

wel een duidelijke ruimtelijke relatie (ligging,

afstand) met nederzettingsterreinen vertonen.

Hoewel deze vindplaatsen een archeologische

verwachting vertegenwoordigen, blijven ze bij

het beschrijven van de verwachte archeologische

waarden, grotendeels buiten beschouwing.


RAAP-RAPPORT 1688

De aan landschappelijke eenheden toegekende

archeologische verwachting kent door de

kennislacunes en beperkingen van het bronnenmateriaal

verschillende maten van betrouwbaarheid.

In een sedimentatiegebied zijn de dieper

gelegen (oudere) geologische niveaus vanzelfsprekend

minder goed onderzocht dan afzettingen

die dichter aan het maaiveld voorkomen.

Dit geldt ook voor de daarbinnen voorkomende

archeologische resten. In het algemeen kan

worden gesteld: hoe verder terug in de tijd

hoe minder bekend is over de desbetreffende

culturen en hoe moeilijker een beeld te vormen

is van het corresponderende landschap. Hierdoor

is er een zekere scheefgroei in de waarnemingen

en kennis van resten van archeologische

perioden die in de diepere ondergrond

voorkomen.

Specifiek voor het diep afgedekte pleistocene

landschap in oever- en/of komgebieden geldt

dat de lokale ´landschappelijke´ karakteristieken

hiervan slechts zeer globaal bekend

zijn. Ook hier kunnen archeologische sporen

worden verwacht, waarbij onderscheid kan

worden gemaakt in zones met een hoge en een

lage archeologische verwachting. Er zijn in de

gemeente Lingewaal echter geen pleistocene

opduikingen bekend. Vooralsnog wordt voor

het gehele komgebied dan ook uit gegaan van

een lage archeologische verwachting voor alle

perioden.

Het verwachtingsmodel gaat uit van een intact

landschap met gave bodemprofielen. In werkelijkheid

zijn grote delen van het gebied in meer

of mindere mate verstoord door allerlei bodemtechnische

ingrepen in het verleden. De mate

van deze verstoringen en het effect ervan op

131

de archeologische waarden in het gebied zijn

slechts globaal bekend. Met name particuliere

initiatieven op perceelsniveau in het verleden

(bijvoorbeeld egaliseren) zijn vrijwel niet meer

te reconstrueren. De archeologische waardenen

verwachtingskaart doet dan ook slechts

globaal uitspraken over de mate van bodemverstoring.

Het verwachtingsmodel zegt niets over

de gaafheid van te verwachten archeologische

waarden.


6 BEDREIGING

RAAP-RAPPORT 1688

EN BESCHERMING VAN ARCHEO-

LOGISCHE WAARDEN

6.1 Kwetsbaarheid van archeo logische waarden (algemeen)

Archeologische waarden (of vindplaatsen) zijn zeer kwetsbaar voor allerlei ingrepen

in de bodem. Wanneer de bodem verstoord wordt, worden ook archeologische resten

verstoord en soms zelfs geheel vernietigd. Hoe kwetsbaar archeologische resten

zijn, is afhankelijk van enerzijds de aard, omvang en diepte van de bodemingreep en

anderzijds van de aard, omvang en diepteligging van de archeologische resten en

de geologische en waterhuishoudkundige situatie ter plaatse (Kars & Smit, 2003).

Bedreigend zijn:

- bouw- en sloopactiviteiten;

- werkzaamheden in het kader van natuurontwikkeling;

- de aanleg en het kappen van bos;

- diepe agrarische grondbewerking;

- ploegen;

- egaliseren;

- ontgrondingen;

- het graven en dempen van sloten;

- de aanleg van drainage;

- grondwaterpeilverlaging;

- het aanbrengen van ophogingslagen of oppervlakteverharding;

- het rijden met zwaar materieel.

De verstoring van archeologische waarden komt in veel gevallen neer op het

verdwijnen van grondsporen, verplaatsing van archeologisch materiaal en verstoring

van de ruimtelijke context. In enkele gevallen hebben de werkzaamheden (ook) na

de uitvoering een schadelijke uitwerking. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer haaks

op de hoogtelijnen wordt geploegd, wat erosie in de vorm van afspoeling van bodemmateriaal

in de hand werkt. Dit leidt er weer toe dat het archeologisch niveau steeds

dichter aan de oppervlakte komt te liggen en sneller geraakt wordt door de ploeg. De

genoemde werkzaamheden en hun gevolgen voor archeologische waarden worden

hieronder nader besproken.

Bouw- en sloopactiviteiten

Voor bouwactiviteiten zijn graafwerkzaamheden nodig die tot diep onder de basis

van de bouwvoor (dus dieper dan ca. 30-40 cm -Mv) kunnen reiken, bijvoorbeeld ten

behoeve van de aanleg van funderingen voor bedrijfsgebouwen (zoals een stal of

133


RAAP-RAPPORT 1688

schuur) of boerderijverplaatsingen in het kader

van land- of herinrichting. Ook sloopactiviteiten

kunnen archeologische waarden bedreigen, in

de eerste plaats doordat onder het te slopen

object archeologische waarden verborgen

kunnen zijn. Anderzijds kan het te slopen

object ook zelf belangrijke archeologische en/

of bouwhistorische resten bevatten. Binnen

stedelijke gebieden komen de bedreigingen

voor het bodemarchief voornamelijk voort uit

bouwactiviteiten die funderingen nodig hebben.

Vanzelfsprekend is de aanleg van (bijvoorbeeld)

een parkeergarage een zeer ingrijpende verstoring

van de bodem ter plaatse. Indien op die

plek archeologische resten aanwezig zijn of te

verwachten zijn (op basis van kaartbijlagen 1

en 2), dient grote terughoudendheid betracht te

worden bij de planning en uitvoering van dergelijke

projecten. De aanduiding van een historische

bewoningskern dient als begrenzing van

een mogelijk historische dorpskern en de aldaar

gelegen archeologische waarden.

Werkzaamheden in het kader van

natuurontwikkeling

Wanneer natuurontwikkeling gepaard gaat met

grondverzet (bijvoorbeeld de aanleg van natte

oevers, het uitdiepen van voormalige geul- of

beeklopen en de aanleg van poelen) vormt dat

een ernstige bedreiging voor archeologische

waarden. Natuurontwikkeling kan echter ook

bijdragen aan de bescherming van archeologische

waarden door planinpassing. Voorwaarde

is dat vroegtijdig rekening wordt gehouden met

archeologische waarden. Als voorbeeld van

een natuurontwikkeling waarbij tevens archeologische

waarden worden beschermd, geldt

bijvoorbeeld een verlande meanderende stroom

die opnieuw wordt uitgediept. De archeologisch

waardevolle terreinen aan weerszijden van

de voormalige stroom kunnen daarbij worden

gespaard en bovendien opgehoogd (dus extra

134

beschermd) met de grond die vrijkomt bij het

uitdiepen.

De aanleg en het kappen van bos

De aanleg van bos gaat gepaard met grondverzet.

Dit kan beperkt zijn tot het graven van

plantgaten, het ploegen van plantvoren en

het loskomen van kluiten bij stormschade. De

schade die deze werkzaamheden en gebeurtenissen

veroorzaken aan archeologische

waarden is mede afhankelijk van de diepteligging

van de archeologische resten ten opzichte

van het maaiveld. Hoe dieper de archeologische

resten liggen, hoe geringer de aantasting is.

Een ernstige bedreiging echter, ook voor archeologische

waarden die diep onder het maaiveld

liggen, is bosaanleg gepaard gaand met het

diep omzetten van de grond. Hetzelfde geldt

voor het kappen van bos: bij het kappen van

bos worden boomstronken verwijderd. Dit gaat

gepaard met veel grondverzet, waardoor archeologische

sporen ernstig verstoord worden. Het

laatste kan worden voorkomen door de stobben

in de grond te laten zitten.

Diepe agrarische grondbewerkingen

Diepe grondbewerkingen, zoals woelen, diepploegen,

mengwoelen, mengploegen en frezen,

worden tot onder de basis van de bouwvoor

uitgevoerd. Woelen is het losmaken van een

dichte ondergrond zonder dat de ondergrond

naar boven wordt gehaald of wordt vermengd

met de bouwvoor. Door woelen wordt de waterhuishouding

verbeterd. Woelen gebeurt met een

scherpe woeler of ondergrondbreker tot een

diepte van 1,5 m -Mv. Doel van diepploegen

(bijv. door gebruik te maken van een ‘bosploeg’)

is een goede ondergrond naar boven te halen,

waarbij de grond zowel gekeerd als gemengd

kan worden. Er kan tot op circa 2 m -Mv gewerkt

worden. Meermaals is gebleken dat hierdoor

archeologische waarden worden aangetast.


RAAP-RAPPORT 1688

Andere werktuigen voor diepe grondbewerkingen

zijn de mengploeg en diepspitfrees.

Mengploegen is een alternatief voor diepploegen.

Bij het mengploegen worden de

boven- en ondergrond losgemaakt en gemengd,

waarbij het dieptebereik van de mengploeg

ongeveer 2 m -Mv is. Bij het frezen worden de

boven- en ondergrond alleen gemengd. De

maximale werkdiepte van de diepspitfrees is 1,0

à 1,5 m -Mv.

Ploegen

Bij ploegen wordt de bouwvoor losgemaakt,

omgekeerd en in meer of mindere mate verkruimeld.

De diepte van ploegen is afhankelijk van

het gewas. In de regel wordt ongeveer tot een

diepte van 30 à 40 cm geploegd. Ploegen heeft

niet direct een nadelige uitwerking op archeologische

lagen of resten onder de bouwvoor.

Op termijn leidt ploegen echter wel degelijk tot

ernstige aantasting. Ten gevolge van verstuiving

van de top door harde wind en afspoeling

door regenwater (erosie) neemt de dikte van

de bouwvoor af, waardoor niet aangetaste

archeologische lagen binnen het bereik van de

ploeg komen te liggen. Artefacten worden uit

deze laag opgeploegd en geraken in secundaire

context in de bouwvoor. Daarmee verliezen ze

hun oorspronkelijke archeologische context.

Bij normale landbouwwerkzaamheden zal bij

bodems met een normale bouwvoor slechts

sporadisch schade optreden aan sporen in de

ondergrond.

Egaliseren

Egalisatie wordt toegepast om reliëfverschillen

binnen percelen te verkleinen, waarbij grond

wordt verplaatst van de hogere naar de lagere

delen. Doel van egalisatie is enerzijds de

wateroverlast in de lagere delen op te heffen

en verdroging van hoger gelegen delen tegen

te gaan. Anderzijds wordt door egalisatie een

135

vlakker terrein gecreëerd dat zich gemakkelijker

laat bewerken. Egalisatie vond voorheen

voornamelijk in akkerbouwgebieden plaats.

Tegenwoordig wordt ook grasland geëgaliseerd

vanwege de verplichte mestinjectie. Bij

egalisatie is de belangrijkste voorwaarde het

behoud van de bouwvoor. Om deze reden wordt

in akkerbouwgebied egalisatie gecombineerd

met diepploegen, zodat de bouwvoor uiteindelijk

over het gehele terrein weer bovenop ligt.

Ontgrondingen

Bij ontgronding (o.a. ten behoeve van zand- en

kleiwinning) wordt een gebied geheel of gedeeltelijk

afgegraven. De verlaging van een gebied

bij een ontgronding kan variëren van enkele

centimeters tot verscheidene meters. De grond

die bij een ontgronding vrijkomt, wordt afgevoerd

voor verwerking, verspreid over de omgeving

of tijdelijk opgeslagen om later te worden

teruggezet.

Het graven en dempen van sloten en

greppels

Het aanleggen van een sloot of greppel kan

gezien worden als een vorm van ontgronden.

Het dempen van sloten wordt toegepast om

percelen beter toegankelijk te maken voor de

huidige, grote landbouwmachines. Ook in het

kader van een land- of herinrichting vinden dit

soort werkzaamheden plaats.

Aanleg van drainage

Bij de aanleg van drainage worden sleuven

gemaakt waarin de drainagebuizen worden

gelegd. Tijdens de noodzakelijke graafwerkzaamheden

kunnen archeologische lagen

worden verstoord, grondsporen verdwijnen en

artefacten worden verplaatst. Het feit dat de

sleuf vaak met dezelfde grond wordt dichtgegooid,

betekent dat artefacten zich na deze

werkzaamheid in verplaatste positie bevinden.


RAAP-RAPPORT 1688

Archeologische waarden worden door deze

werkzaamheden veelal alleen plaatselijk aangetast.

Grondwaterpeilverlaging

Bij grondwaterpeilverlaging neemt de diepte

toe tot waarop zuurstof in de grond kan doordringen.

Dit leidt tot oxidatie, waardoor met

name de organische component vergaat van

archeologische resten die voorheen onder de

grondwaterspiegel lagen. Grondwaterpeilverlaging

betekent tevens dat plantenwortels en

bodemdieren dieper in de bodem kunnen doordringen

dan voorheen. Dit leidt tot het homogeniseren

van de bodem, waardoor archeologische

grondsporen verdwijnen en archeologisch

materiaal verplaatst wordt.

Ophogingslagen, oppervlakteverharding,

rijden met zwaar materieel

Het rijden met zwaar materieel, het aanbrengen

van oppervlakteverharding of een ophogingslaag

kan een nadelig effect hebben voor de

kwaliteit van archeologische resten omdat

zetting kan optreden. Hierdoor kan de ruimtelijke

context van de archeologische resten

worden verstoord.

6.2 Bodemverstoringen in de

gemeente Lingewaal

Om de toegekende archeologische verwachtingen

van landschappelijke eenheden te

kunnen vertalen naar een archeologische

waarde, moet inzicht worden verkregen in de

gaafheid (mate van intactheid) van de bodem.

In verstoorde bodems is ook in gebieden met

een hoge archeologische verwachting de kans

op het voorkomen van goed geconserveerde

archeologische resten immers gering.

136

Gegevens over bodemverstoringen zijn hoofdzakelijk

verkregen aan de hand van bodem- en

geomorfologische kaarten en het AHN. Op

verschillende kaarten staan afgegraven, geëgaliseerde,

opgeworpen en vergraven zones

aangegeven. Voorzover deze voldoende nauwkeurig

zijn en inzage geven in de mate van

bodemverstoring, zijn deze opgenomen in het

kaartbeeld (kaartbijlagen 1 en 2).

Het AHN geeft een goed beeld van het huidige

oppervlaktereliëf. De meeste verstoringen van

de bodemkaarten etc. zijn goed te herleiden,

maar ook zijn duidelijk een aantal niet eerder

gekarteerde ontgrondingen zichtbaar. Vooral

in het dal van de Linge en de Waal liggen een

aantal grote ontgronde percelen, ontstaan als

gevolg van de kleiwinning voor de baksteenindustrie.

Daarnaast zijn verspreid over de

gemeente kleinere ontgronde percelen op het

AHN herkenbaar, die vaak samenhangen met

infrastructurele werken (o.a. ook werken van de

Diefdijk) dan wel bouwactiviteiten. De verstoringen

zijn zo volledig mogelijk op de kaarten

weergegeven. Er dient echter opgemerkt te

worden dan de diepte van de verstoringen

onbekend is. In combinatie met de mogelijke

diepe ligging van de archeologische resten

betekent dit dat bodemverstoringen niet altijd

met de vernietiging van de eventuele aanwezige

archeologische resten gepaard gaat. Een

opvallend verschijnsel op het AHN is het drainagepatroon

dat zichtbaar is op een groot aantal

percelen, die zijn opgedeeld in circa 20 tot 30

m brede opgeworpen ruggen met tussenliggende

laagten. Dit duidt op een landbouwsysteem

dat ook wel wordt aangeduid met ‘het op

akkers zetten van een perceel’ en dat tot enkele

decennia terug gangbaar was en nu beeldbepalend

is voor het micro-oppervlaktereliëf van het

rivierengebied (figuur 19). De hoogteverschillen


RAAP-RAPPORT 1688







Figuur 19. Het 'op akker zetten' van een perceel is duidelijk in het AHN-beeld waar te nemen.

binnen een perceel bedragen circa 50 tot

75 cm, maar grotere hoogteverschillen zijn ook

mogelijk. In die gevallen zijn de lagere delen

(de drainagelaagten) dus mogelijk tot meer dan

50 cm afgegraven en is er sprake van een serieuze

bodemverstoring. Omdat deze slechts op

een deel van een dergelijk perceel betrekking

heeft en het niet overal duidelijk is wat de feitelijke

mate van bodemverstoring is als gevolg

van het op akkers zetten van het perceel, zijn

deze niet op kaart weergegeven. Wel vormt dit

verschijnsel een aandachtspunt bij archeologisch

onderzoek in verband met selectiebeoordeling

ten aanzien van onderzoeksmethoden en

waardering van vindplaatsen.

Bebouwde oppervlakken

Binnen de bebouwde kommen van Lingewaal

is de bodem over een groot oppervlak waarschijnlijk

diep verstoord en zijn archeologische

resten ten dele aangetast dan wel verdwenen,

onder andere op plaatsen waar huizen of

137




andere gebouwen met een diepere fundering

staan (of hebben gestaan) en ter plaatse van

wegen. Op basis van archeologisch onderzoek

in bebouwde gebieden kan echter worden

geconcludeerd dat verspreid in de bebouwde

kom tevens zones voorkomen waar de bodemverstoring

tot op heden gering is geweest en

waar de aanwezigheid van gave bodemprofielen

met daarin archeologische waarden niet mag

worden onderschat. Te denken valt aan groenzones,

sportterreinen, oppervlakkige bestratingen

en overige terreinen waar een diepe

bodemverstoring niet op voorhand vaststaat.

Tevens is bekend dat de historische dorpskernen

van ondermeer Heukelum en Asperen in

de Middeleeuwen enkele malen is opgehoogd.

Zo werd tijdens rioolwerkzaamheden nabij

de kerk in Asperen op circa 1 m -Mv een oud

loopoppervlak aangetroffen. Alleen door meer

gedetailleerd bureauonderzoek en/of aanvullend

veldonderzoek is de mate van verstoring


RAAP-RAPPORT 1688

tot op perceelsniveau te specificeren. Voor

de als water weergegeven oppervlakken is de

bodemverstoring natuurlijk evident, voor zover

het vergravingen betreft.

6.3 Actuele ruimtelijke ontwikkelingen

Binnen de gemeente Lingewaal staan in de

toekomst enkele grootschalige ontwikkelingen

gepland. Deze behelzen onder andere de

ruimtelijke ontwikkelingen in verband met de

Nieuw Hollandse Waterlinie (NHW) en het landschapsontwikkelingsplan

(LOP). In het Pact van

Rijnauwen zijn de eerste afspraken vastgelegd

omtrent de ontwikkeling van de NHW (Liniecommissie,

2008). In dit pact zijn zes kansrijke

gebieden aangeduid, waaronder het gebied

Liniekwartier/Diefdijk in de gemeente Lingewaal.

Centraal staan onder meer de versterking

van Fort Asperen en de Diefdijk. Concrete

plannen zijn echter nog niet uitgewerkt. In

hoeverre de ontwikkelingen omtrent de NHW

bedreiging van het archeologisch erfgoed met

zich meebrengen, is vooralsnog onduidelijk.

Het landschapsontwikkelingsplan biedt een

visie om enerzijds de landschappelijke eenheid

van de gemeenten Lingewaal, Geldermalsen

en Neerijnen te versterken en anderzijds ruimte

te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe

ontwikkelingen in de toekomst (Projectteam

LOP, 2007). De gemeenten zijn onderverdeeld

in zeven gebieden waarvan er twee het grootste

deel van de gemeente Lingewaal innemen.

Concrete ontwikkelingen zijn nog niet geformuleerd.

Op basis van de LOP kan al wel worden

gesteld dat vooral in het geval van waterberging

rekening gehouden dient te worden met een

grote bedreiging van het bodemarchief.

138

6.4 Fysieke bescherming en inrichting

van archeologische terreinen

Fysieke bescherming van terreinen met archeologische

waarden heeft als doel het (verdere)

verval van de archeologische informatie tegen

te gaan, en (zo mogelijk) aangerichte schade

te herstellen. Fysieke bescherming houdt in

dat er maatregelen worden getroffen op het

terrein met archeologische waarden zelf. Doel

daarvan is de meest gunstige randvoorwaarden

te scheppen voor duurzaam behoud, zonder de

aanwezige archeologische waarden te beschadigen.

Dit kan neerkomen op maatregelen die als doel

hebben:

- verdere aantasting van de archeologische

waarden te voorkomen;

- het terrein beter zichtbaar of herkenbaar en

toegankelijk te maken;

- beschadigingen te restaureren.

Fysieke bescherming kan gepaard gaan met

inpassing van terreinen met archeologische

waarden in ruimtelijke ontwikkelingen en kan al

dan niet worden gecombineerd met maatregelen

voor publieksgerichte doeleinden (zie bijvoorbeeld

Anema, 1997; Van Marrewijk e.a., 1998).

Voor nog maar weinig terreinen met archeologische

waarden zijn fysieke beschermingsmaatregelen

genomen. Hierdoor is nog slechts weinig

bekend over het effect dat deze maatregelen

kunnen hebben op archeologische resten.

Zeker is dat de specifieke kwetsbaarheid van

de te beschermen archeologische resten en de

geologische en waterhuishoudkundige situatie

ter plaatse daarbij een rol spelen (Kars & Smit,

2003). In de toekomst zullen door monitoring

meer gegevens beschikbaar komen over de

effecten van fysieke bescherming.


RAAP-RAPPORT 1688

Fysieke bescherming is in het kader van de

implementatie van het Verdrag van Malta

gekoppeld aan kwaliteitseisen. Wat betreft de

uitvoeringswerkzaamheden zijn deze eisen

vastgelegd in de KNA. Deze eisen betreffen

naast de inrichtingsmaatregelen ook het beheer

en de procedure die bij een inrichting doorlopen

moet worden. De beschermingsmaatregelen

zijn gekoppeld aan een Programma van Eisen

(PvE) dat het bevoegd gezag (gemeente Lingewaal,

dan wel provincie Gelderland dan wel de

RACM) moet goedkeuren. Het opstellen van

een PvE dient door een senior-archeoloog te

geschieden. Het ontwikkelen en de uitvoering

van de beschermingsmaatregelen moet door

deskundigen (ontwerper en senior-archeoloog)

gedaan worden.

Het proces voor fysieke inrichting zoals

beschreven in de KNA omvat achtereenvolgens:

- maken inrichtingsplan: er dient een PvE voor

de inrichting opgesteld te worden waarin

aanvullende randvoorwaarden zijn opgenomen

om de archeologische kwaliteit van

het in te richten terrein te waarborgen. Op

basis hiervan maakt een (civiel) ontwerper

een inrichtingsplan. De ontwerper dient het

inrichtingsplan in bij de opdrachtgever die

het voorlegt aan het bevoegd gezag;

- maken beheersplan: er dient een PvE voor

het beheer opgesteld te worden waarin

aanvullende randvoorwaarden zijn opgenomen

om de archeologische kwaliteit

te waarborgen. Op basis van het PvE en

(indien beschikbaar) het inrichtingsplan

ontwerpt een daartoe bevoegd archeoloog

een beheersplan. De archeoloog dient het

beheersplan in bij de opdrachtgever die het

voorlegt aan het bevoegd gezag;

- uitvoeren inrichting: de inrichting wordt op

basis van het vastgestelde inrichtingsplan

139

uitgevoerd, conform het PvE en aanvullende

randvoorwaarden;

- uitvoeren beheer: het beheer wordt uitgevoerd

op basis van het PvE. Eventueel

wordt het beheersplan op basis van nieuwe

inzichten, door bijvoorbeeld monitoring,

bijgesteld. Ook kan op basis van nieuwe

inzichten besloten worden tot extra beschermingsmaatregelen.

De huidige praktijk is dat in overleg met het

bevoegd gezag tot beschermingsmaatregelen

wordt besloten. Bij de uitwerking is

een ontwerper (ingenieursbureau, architect)

betrokken, evenals een deskundige op archeologisch

gebied. De kosten van de beschermingsmaatregelen

worden veelal opgenomen in

de projectkosten.

Het is van belang om bij fysieke bescherming

tevens te voorzien in het beheer en onderhoud

nadat de beschermingsmaatregelen gerealiseerd

zijn. Gemeenten kunnen besluiten het

beheer in eigen hand te nemen. Dit is goed

mogelijk als de terreinen met archeologische

waarden in gronden liggen waarvan het beheer

onder de verantwoordelijkheid van de gemeente

valt, zoals groenstroken en parkeerterreinen.

Een abonnement op de Archeologische Monumentenwacht

Nederland voorziet eveneens in

het beheer van terreinen met archeologische

waarden.


RAAP-RAPPORT 1688

Vindplaatsen en verwachtingenkaart Archeologische Beleidsadvieskaart

Bekende

archeologische

waarden

Onbekende

archeologische

waarden

AMZ terrein van zeer

hoge archeologische

waarde,

(beschermd)

AMZ terrein van hoge

archeologische waarde

AMZ terrein van

archeologische Waarde

Waarnemingen

Historische dorpskern/

molen

Oude woongrond

Hoge

verwachting

Middelhoge

verwachting,

(laaggelegen

meandergordel

Middelhoge

verwachting

lage

verwachting

onbekende

verwachting

Reeds

afdoende

onderzocht

gebied en

water

140

Archeologisch Waardevol Gebied.

(AWG Categorie 1).

Archeologisch Waardevol Gebied

(AWG Categorie 2).

Archeologisch Waardevol Gebied

(AWG Categorie 3)

Archeologisch Waardevol Gebied

(AWG Categorie 4)

Archeologisch Waardevol

Gebied

(AWG Categorie 5)

Archeologisch Waardevol

Verwachtingsgebied.

(AWV Categorie 6).

Archeologisch Waardevol

Verwachtingsgebied.

(AWV Categorie 7).

Archeologisch Waardevol

Verwachtingsgebied (AWV

Categorie 8).

Archeologisch Waardevol

Verwachtingsgebied (AWV

Categorie 9).

Archeologisch Waardevol

Verwachtingsgebied (AWV

Categorie 10).

Archeologisch

Waardevol

Verwachtingsgebied

(AWV Categorie 11)

Figuur 20. De vertaling van de waarden- en verwachtingskaart naar beleid.


7 AMZ:

RAAP-RAPPORT 1688

VERWACHTING EN BELEID

7.1 Archeologische beleidskaart

De archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Lingewaal

(kaartbijlage 1) is voor de toepassing op beleidsmatig, gemeentelijk niveau vertaald

naar een beleidskaart (kaartbijlage 2). De archeologische beleidskaart dient te

worden gebruikt als de archeologische onderlegger bij het opstellen van een bestemmingsplankaart.

De kaart is van een zodanig gedetailleerd schaalniveau (1:10.000)

dat deze direct van toepassing is voor gebruik op perceelsniveau.

In figuur 20 is aangegeven hoe de vertaling van waarden- en verwachtingskaart

naar beleidskaart heeft plaatsgevonden. Er wordt op de archeologische beleidskaart

geen onderscheid meer gemaakt in archeologische perioden en de archeologische

verwachting is alleen met de termen hoog, middelmatig en laag (en onbekend) weergegeven.

Waar sprake was van overlappende kaarteenheden zijn deze vereffend en

is er sprake van één vlakdekkende eenheid. Op de archeologische beleidskaart staat

kort aangegeven wat het gewenste beleid is, hetgeen in § 7.3 verder is uitgewerkt.

Op de archeologische beleidskaart wordt onderscheid gemaakt in Archeologisch

Waardevolle Gebieden (AWG’s) en Archeologisch Waardevolle Verwachtingsgebieden

(AWV’s).

Archeologisch Waardevolle Gebieden

Het op de bestemmingsplankaart plaatsen van bekende en onbekende archeologische

waarden is een belangrijke stap om het belang van archeologie in de ruimtelijke

ordening aan te geven. Van deze gebieden weet men (globaal) wat er aanwezig is en

er is sprake van een duidelijke, vaak kadastrale, begrenzing. De bekende archeologische

vindplaatsen worden op de beleidskaart aangeduid als Archeologisch Waardevol

Gebied (AWG). Hierbij worden de volgende categorieën onderscheiden:

- AMK-terrein van zeer hoge archeologische waarde, beschermd (beschermd archeologisch

monument, AWG categorie 1);

- AMK-terrein van (hoge) archeologische waarde (archeologisch monument; AWG

categorie 2);

- terrein zonder status (vindplaats/puntlocatie met rondom een attentiezone van

50 m; AWG categorie 3);

- historische dorpskern/molen (AWG categorie 4);

- oude woongronden (AWG categorie 5).

141


RAAP-RAPPORT 1688

Archeologische Waardevolle Verwachtingsgebieden

De verwachtingsgebieden worden op de

beleidskaart aangeduid als Archeologisch Waardevol

Verwachtingsgebied (AWV) waarbij nog

wel een onderscheid in de mate van verwachting

(hoog, middelmatig en laag) wordt aangebracht.

De volgende categorieën Archeologisch

Waardevolle Verwachtingsgebieden worden

onderscheiden:

- gebieden met een hoge archeologische

verwachting (AWV categorie 6);

- gebieden met een middelmatige archeologische

verwachting, diepgelegen meandergordels

(AWV categorie 7);

- gebieden met een middelmatige archeologische

verwachting, overig (AWV categorie 8);

- gebieden met een lage archeologische

verwachting (AWV categorie 9);

- gebieden met een onbekende archeologische

verwachting (AWV categorie 10).

Overige vlakken:

- reeds archeologisch onderzochte gebieden

met status binnen AMZ-cyclus (AWV categorie

11);

- water (AWV categorie 11).

Al naar gelang de nauwkeurigheid en de schaal

van de beleidskaart kan men besluiten bepaalde

verwachtingsgebieden wel en andere niet op

de bestemmingsplankaart over te nemen. Doorgaans

worden de verwachtingsgebieden met

een hoge verwachting (AWV categorie 6) en

met een middelmatige verwachting (AWV categorieën

7 en 8) op de bestemmingsplankaart

gezet. De keuze hiervoor is te begrijpen, omdat

men immers in deze gebieden de hoogste

dichtheid aan archeologische waarden kan

verwachten en dus ook het grootste risico loopt

resten aan te treffen tijdens grondwerkzaamheden.

142

De gebieden met een lage verwachting (AWV

categorie 9) worden over het algemeen niet

op de bestemmingsplankaart gezet. Zoals al

eerder is aangegeven, wil dit niet zeggen dat er

in deze gebieden geen archeologische waarden

te verwachten zijn. De kans op het aantreffen

ervan is echter veel kleiner zodat men kan

besluiten het risico van archeologische resten

op de koop toe te nemen. Het uitsluiten van

deze gebieden voor toekomstig onderzoek zal

in theorie wel leiden tot een vicieuze cirkel.

Immers, door geen onderzoek uit te voeren,

zal niets worden gevonden en zal men ook in

de toekomst in deze gebieden sneller geneigd

zijn geen onderzoek meer uit te voeren. Het is

daarom aan te raden AWV categorie 9 wel op te

nemen in het bestemmingsplan zodat ook over

deze gebieden meer informatie beschikbaar

wordt. In deze gebieden kan men kiezen voor

een lichte en extensieve manier van onderzoek.

In gebieden met een onbekende verwachting is

niet genoeg informatie bekend om een uitspraak

te doen over de dichtheid aan en/of mate van

verstoring van de archeologische waarden. Het

zonder meer afschrijven van deze gebieden

voor archeologisch onderzoek kan in een aantal

gevallen tot onverwachte en ongewilde verrassingen

leiden. De gemeente kan er voor kiezen

deze gebieden eerst te laten onderzoeken om

duidelijkheid te krijgen over de archeologische

verwachting. Voor grote gebieden kan dit echter

veel tijd en geld kosten. De gemeente kan er

dan ook voor kiezen deze gebieden als aparte

categorie (AWV categorie 10) op de bestemmingsplankaart

op te nemen en pas te handelen

als er ook daadwerkelijke ruimtelijke ontwikkelingen

in deze gebieden op stapel staan.

Met name de verwachtingsgebieden leggen

een grote ruimtelijke claim op de grond. Tegelijkertijd

kan men de ligging en status van de


RAAP-RAPPORT 1688

Planontwikkeling met bodemingrepen

Geen archeologisch onderzoek,

wel meldingsplicht losse

vondsten

nee

Bodemingreep dieper

dan 30 cm -Mv:

Ja

Beschermd gebied. Bij

planvorming vooraf overleg

vereist met Rijk/RACM

Ja

AWG categorie 1, beschermd

gebied en/of gebouw

Vergunning ex. artikel 11

MW88

Figuur 21. Beslisboom archeologische onderzoeksverplichting gemeente Lingewaal.

nee

143

Inventariserend archeologisch

onderzoek noodzakelijk

Ja

AWG categorie 2, overige

monumenten

Nee

Inventariserend archeologisch

onderzoek noodzakelijk

Ja

plangebied > 100 m²

Ja

AWG categorie 3, vindplaatsen

zonder status

Geen archeologisch onderzoek,

wel meldingsplicht losse

vondsten

Nee

Nee

Bureauonderzoek (met

veldinspectie) noodzakelijk

t.b.v. inschatten verstoringsgraad

Ja

AWG categorie 4, historische

dorpskernen

Nee

Inventariserend archeologisch

onderzoek noodzakelijk

Ja

plangebied > 100 m²

Ja

AWG categorie 5, oude

woongronden

Geen archeologisch onderzoek,

wel meldingsplicht losse

vondsten

Nee

Nee

Inventariserend archeologisch

onderzoek noodzakelijk

Ja

plangebied > 100 m²

Ja

AWV categorie 6 (hoge

archeologische verwachting)

Geen archeologisch onderzoek,

wel meldingsplicht losse

vondsten

Nee

Nee

Inventariserend archeologisch

onderzoek noodzakelijk

Ja

plangebied > 500 m²

& bodemingreep

dieper dan 100 cm -

Mv

Ja

AWV categorie 7 (middelmatige

archeologische verwachting)

Geen archeologisch onderzoek,

wel meldingsplicht losse

vondsten

Nee

Nee

Inventariserend archeologisch

onderzoek noodzakelijk

Ja

plangebied > 500 m²

Ja

AWV categorie 8 (middelmatige

archeologische verwachting)

Geen archeologisch onderzoek,

wel meldingsplicht losse

vondsten

Nee

Nee

plangebied > 5000 m² Ja

Inventariserend archeologisch

onderzoek noodzakelijk

Ja

AWV categorie 9 (lage

archeologische verwachting)

Geen archeologisch onderzoek,

wel meldingsplicht losse

vondsten

Nee

Nee

Oppervlakte beperking

afhankelijk van onderliggende

eenheid. Bureauonderzoek met

veldinspectie om

verstoringsgraad te bepalen.

Ja

AWV categorie 10

(bodemverstoringen onbekende

archeologische verwachting )

Nee

Geen archeologisch onderzoek,

wel meldingsplicht losse

vondsten

Ja

AWV categorie 11 (AMZonderzoekstraject

afgerond, en

waterpartijen )


RAAP-RAPPORT 1688

verwachtingsgebieden juist gebruiken om

heel gericht ingrepen te plannen. Indien een

gemeente op zoek is naar een gebied voor de

ontwikkeling van een nieuwbouwwijk, de aanleg

van een weg of waterberging kan men op basis

van de verwachtingszones gebieden uitzoeken

waar de kans op het aantreffen van archeologische

resten het kleinst is. Hoewel bij deze

procedures archeologie maar een onderdeel

uitmaakt van het hele planproces biedt het al

wel in een vroeg stadium inzicht in waar vanuit

archeologisch oogpunt geen of weinig complicaties

zijn te verwachten.

Afwegingskader archeologische onderzoeksverplichting

In de legenda van de archeologische beleidskaart

staat omschreven welke voorschriften in

het bestemmingsplan van toepassing zijn. In

figuur 21 is deze legenda in de vorm van een

beslisboom weergegeven. Met behulp van deze

beslisboom kan worden bepaald of archeologisch

onderzoek noodzakelijk is. De onderzoeksverplichting

per categorie (AWG en AWV)

wordt besproken in § 7.3.

7.2 Vrijstellingen

Een veel gehoorde vraag is: Moet nu altijd en

overal archeologisch onderzoek worden uitgevoerd?

Het antwoord is simpel: Nee, niet altijd

en overal is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Het doel van de beleidsnota (deel 1

van dit rapport) en een goed onderbouwde en

gedetailleerde waarden- en verwachtingskaart

(vertaald naar een beleidskaart) is juist om het

nut en de noodzaak van archeologisch onderzoek

te kunnen bepalen. Het vaststellen van het

nut en de noodzaak van archeologisch onderzoek

is gebaseerd op een aantal factoren:

- de diepte van de ingreep;

- de aard en omvang van de ingreep;

144

- de status van bekende vindplaats;

- de archeologische verwachting;

- de archeologische kenmerken van een

gebied.

Diepte van de ingreep

Alle bodemingrepen die niet dieper gaan dan

30 cm -Mv zijn vrijgesteld van archeologisch

onderzoek. De diepte van deze vrijstelling is

gebaseerd op de gemiddelde diepte van een

bouwvoor. Hoewel in de bouwvoor archeologische

resten kunnen voorkomen bevinden deze

zich niet meer in hun oorspronkelijk context.

De waarde van deze resten is hiermee relatief

gering.

Ingrepen dieper dan 30 cm -Mv hoeven niet in

alle gevallen tot verstoring van archeologische

waarden te leiden, bijvoorbeeld omdat deze

archeologische waarden veel dieper liggen dan

de geplande ingrepen, zoals bij diepgelegen

meandergordels. Met uitzondering van deze

diepgelegen meandergordels dient dit echter

wel door middel van een archeologisch (bureau)

onderzoek zorgvuldig te worden onderzocht en

onderbouwd.

Men moet zich er overigens van bewust zijn

dat een voor de archeologie verstorende

bodemingreep niet altijd grondverzet met zich

meebrengt. Het verlagen van het grondwaterpeil

of het storten van grond zijn voorbeelden

van ingrepen waarbij niet direct wordt gegraven

maar die indirect zeer schadelijk kunnen zijn

voor archeologische waarden namelijk respectievelijk

verdroging en verdrukking van archeologische

lagen. In § 6.1 wordt hier dieper op in

gegaan.

Aard en omvang van de ingreep

Bepalen welke ingrepen wel en welke ingrepen

niet onderzoeksplichtig zijn, is een belangrijk


RAAP-RAPPORT 1688

punt van discussie binnen de archeologische

wereld. Uitgangspunt is dat alleen archeologisch

onderzoek hoeft te worden uitgevoerd

in de gebieden waar verstoring van mogelijke

archeologische resten plaatsvindt (bijvoorbeeld

door saneringen, ontgravingen, waterpeilverlagingen

etc.). Om te bepalen of een ingreep

daadwerkelijk een bedreiging vormt, is het

echter van belang dat men (bij voorkeur zo

nauwkeurig mogelijk) weet wat de diepteligging

is van de archeologische vondstlagen.

Als een archeologische vondstlaag op 3 m -Mv

verwacht wordt, zullen ingrepen tot 2 m -Mv

in veel gevallen geen bedreiging vormen. Ook

inzicht in de intactheid van het bodemprofiel is

van belang om de bedreiging van een geplande

ingreep te kunnen inschatten. Archeologische

waarden die aan of dicht onder het maaiveld

verwacht worden, vormen weliswaar een zeer

groot struikelblok voor geplande ingrepen, maar

door hun ondiepe ligging zijn deze waarden ook

zeer kwetsbaar voor natuurlijke en antropogene

verstoringsprocessen (verspoeling, regulier

grondgebruik etc.); er is dus een kans dat de

archeologische waarden al sterk zijn aangetast

door vroegere verstoringen, waardoor ze niet

langer behoudenswaardig zijn. Om te kunnen

bepalen of een bodemingreep schadelijk is,

dient men dus altijd nauwkeurige informatie te

hebben over de aard en diepte van de ingreep,

de aard en diepte van de archeologische lagen/

vindplaatsen en de mate van verstoring van de

bodem. Omdat dergelijke informatie op voorhand

vaak niet goed bekend is en sterk per

gebied kan verschillen, blijft het lastig om hier

algemene uitspraken over te doen. Op rijksniveau

wordt gewerkt met een vrijstelling van

onderzoek voor gebieden met een oppervlak

kleiner dan 100 m². Deze oppervlakte is gehanteerd

tijdens de totstandkoming van de herziening

van de Monumentenwet en is niet nader

onderbouwd.

145

Wat is nu voor Lingewaal vanuit maatschappelijke,

economische en archeologische afwegingen

de meest pragmatische oppervlakte?

Uitgangspunt moet zijn dat de minimale

oppervlakte waarbij archeologisch onderzoek

verplicht is, afhankelijk gesteld moet worden

van de kans op het voorkomen van archeologische

resten. Eén altijd geldende oppervlaktemaat

is dan ook niet van toepassing. Uitgangspunt

is dat de ondergrenzen een maatschappelijk

aanvaardbare balans vormen tussen de

ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en

het zorgvuldig beheren van het archeologisch

erfgoed. Daarnaast is er een praktische overweging

waarbij de gestelde oppervlakken zoveel

mogelijk aansluiten op de gehanteerde boordichtheid

bij verschillende vormen van archeologisch

vooronderzoek (zoals voorgesteld in de

KNA is dit gebaseerd op bewuste keuzes ten

aanzien van het minimaal te onderzoeken deel

van het bodemarchief):

- 100m²: stemt overeen met voorgesteld

oppervlak in aanstaande monumentenwet;

- 500 m²: sluit aan op het gehanteerde maximale

boorgrid conform de KNA versie 3.1

voor karterend booronderzoek in holocene

gebieden met een hoge archeologische

verwachting (20 x 25 m boorgrid);

- 2000 m²: sluit aan op het gehanteerde reguliere

boorgrid conform de KNA versie 3.1

voor karterend booronderzoek in holocene

gebieden met een middelmatige archeologische

verwachting (40 x 50 m boorgrid);

- 5000 m²: sluit aan op het reguliere boorgrid

voor verkennend booronderzoek (2 boringen

per ha).

Bodemverstoringen die binnen de gegeven

ondergrens blijven, zijn dus in principe vrijgesteld

van archeologisch onderzoek (vergunningverlening

ten aanzien van archeologie). De

ondergrenzen dienen in het bestemmingsplan te


RAAP-RAPPORT 1688

worden opgenomen onder de voorschriften voor

sloop-, bouw- en aanlegvergunningen.

Wat te doen met belangrijke toevalsvondsten?

Het stellen van ondergrenzen levert het risico

op dat belangrijke, nog niet bekende archeologische

waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen

worden aangetroffen zonder dat archeologisch

vooronderzoek heeft plaatsgevonden. Vondsten

gedaan tijdens planuitvoering vallen onder de

informatieplicht. Het stopleggen van de graafwerkzaamheden

is na vergunningverlening op

juridische gronden niet meer mogelijk, tenzij

het om vondsten gaat van rijksbelang. Indien

het om behoudenswaardige vondsten gaat (ex

situ), zal in de meeste gevallen in goed overleg

met de ontwikkelaar een noodplan kunnen

worden geformuleerd om deze zo goed mogelijk

te documenteren en bergen. De kosten voor

dergelijk onderzoek zijn dan op kosten van de

gemeente, evenals de eventueel optredende

planschade.

Bekende vindplaatsen

De bekende vindplaatsen die op de archeologische

monumentenkaart binnen de gemeente

Lingewaal staan aangegeven, hebben een

status. Het betreft terreinen van archeologische

waarde, van hoge archeologische waarde

en van zeer hoge archeologische waarde,

beschermd (de zogenaamde rijksmonumenten).

De toekenning van een status wordt bepaald op

grond van door de RACM gehanteerde criteria

zoals kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde.

Omdat van deze AMK-terreinen bekend is dat

ze archeologische waarden bevatten, is het

uitgangspunt dat op deze terreinen geen vrijstellingen

gelden voor ingrepen dieper dan

de bouwvoor. Toch is het niet zo dat het AMKterrein

heilig is. Soms is de begrenzing van een

AMK-terrein niet altijd goed onderbouwd en/

of is niet meer precies duidelijk waarom een

146

terrein als archeologisch waardevol is aangeduid.

Aanvullend archeologisch onderzoek kan

dan tot een beter inzicht in de begrenzing en

waarde van het terrein leiden. Soms zou dit

kunnen betekenen dat het terrein minder waardevol

is of dat het veel kleiner is dan gedacht.

Het omgekeerde is uiteraard ook mogelijk.

De AMK terreinen in de gemeente Lingewaal

betreffen bijna allemaal kasteel- of kerkterreinen;

het AMK-terrein met monumentnr. 3256

is een terrein met nederzettingssporen uit de

Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen.

Archeologische verwachting

Zoals al eerder is aangegeven, wordt de archeologische

verwachting gedefinieerd als de

te verwachten dichtheid aan archeologische

waarden. In gebieden met een hoge archeologische

verwachting bevinden zich naar verwachting

meer vindplaatsen dan in gebieden met

een middelhoge en een lage archeologische

verwachting. De kans op het aantreffen van

archeologische waarden is dan ook het grootst

in gebieden met een hoge archeologische

verwachting. Voor deze gebieden geldt dan ook

dat ook bij relatief kleine ingrepen vindplaatsen

kunnen worden verstoord. Of vindplaatsen

ook daadwerkelijk worden aangetroffen en

verstoord, wordt sterk bepaald door bijvoorbeeld

de aard, omvang en diepteligging van de

vindplaatsen en de aard, omvang en diepte van

de geplande bodemingrepen.

Over het algemeen geldt dat hoe lager de

archeologische verwachting is, hoe ruimer de

regels zijn. In gebieden met een onbekende

archeologische verwachting geldt dat de

bodemverstoringen mogelijk de archeologisch

resten vernietigd hebben. Dit kan door onder

meer een veldcontrole uitgesloten worden.


RAAP-RAPPORT 1688

Archeologische kenmerken van een gebied

De keuze om ergens archeologisch onderzoek

te laten uitvoeren wordt soms ook bepaald door

wat men aan archeologie binnen een gebied

heeft. Wanneer men bijvoorbeeld de archeologische

kenmerken van de gemeente Lingewaal

bekijkt valt op dat de meeste vindplaatsen

dateren uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe

tijd. Het zijn deze fasen in de geschiedenis die

de meeste of grootste sporen hebben achtergelaten

en men zou dan ook kunnen stellen dat

deze perioden typisch zijn voor de gemeente

Lingewaal. Voor het opstellen van een archeologisch

beleid kan men dan ook uitgaan van

deze perioden. Door de Late Middeleeuwen en

de Nieuwe tijd bewust als speerpunten in het

archeologisch beleid neer te zetten, bouwt men

na verloop van tijd een grote schat aan informatie

op die de geschiedenis van de bewoning

van de gemeente Lingewaal aanzienlijk kan

completeren en verfijnen. De overige perioden

zoals de IJzertijd of de Vroege Middeleeuwen

hebben naar verwachting niet of veel minder

bijgedragen en kunnen dan als minder waardevol

worden gezien.

Een andere optie is echter dat men niet kijkt

naar de perioden waar men al veel informatie

over heeft, maar juist naar de perioden

waarover men nog vrijwel niks weet. Voor

de gemeente Lingewaal zou dit bijvoorbeeld

kunnen betekenen dat men binnen het archeologiebeleid

speciale aandacht vraagt voor

de bewoning uit het Vroeg Neolithicum tot

en met de Vroege Middeleeuwen. Deze perioden

zijn niet of nauwelijks goed onderzocht,

maar zouden een belangrijke bijdrage kunnen

leveren aan het invullen van de witte vlekken in

de bewoningsgeschiedenis van de gemeente

Lingewaal. Men zou er in dit geval dus voor

kunnen kiezen om het onderzoeksgeld te reserveren

voor onderzoeken naar het Vroeg Neoli-

147

thicum tot en met de Vroege Middeleeuwen en

of onderzoek naar deze perioden te stimuleren.

Een derde mogelijkheid is om te streven naar

behoud van een representatief deel van de

geschiedenis van de gemeente Lingewaal.

Belangrijke perioden krijgen verhoudingsgewijs

veel aandacht, maar ook aan de minder

bekende of belangrijke perioden moet serieus

aandacht worden besteed.

Hoewel een gemeente een grote vrijheid heeft

in het kiezen voor specifieke perioden als

onderdeel van het archeologisch beleid is het

in veel gevallen zeer lastig om de keuzes goed

te onderbouwen. Men moet immers een goed

beeld hebben van wat men aan archeologische

vindplaatsen heeft en wat men aan archeologische

vindplaatsen kan verwachten. Hoewel

een waarde- en verwachtingskaart hierbij een

belangrijk hulpmiddel is, is het archeologisch

kennisniveau op basis van de bekende vindplaatsen

in de gemeente Lingewaal nog zeer

gering (slechts 46). Een keuze maken voor

een of meer perioden als speerpunten van het

gemeentelijk archeologiebeleid kan dus feitelijk

alleen geschieden als men over een goed

onderbouwd en volledig overzicht van de archeologie

binnen de gemeente beschikt. Dit is voor

de gemeente Lingewaal dus nog niet aan de

orde.

7.3 Onderzoeksverplichting (per

categorie)

Terreinen met status (archeologische

monumenten)

Voor vindplaatsen met status geldt dat in

principe gestreefd dient te worden naar duurzaam

behoud. Terreinen die door het Rijk of

de Provincie zijn aangewezen als beschermd

archeologisch monument krijgen een speciale


RAAP-RAPPORT 1688

Archeologische onderzoeksverplichting per categorie

- AWG categorie 1: streven naar behoud in huidige staat; bodemingrepen dieper dan 30 cm

-Mv zijn vergunningsplichtig; eventuele onderzoeksstrategieën en selectiekeuzes dienen in

overleg met de RACM vastgesteld te worden;

- AWG categorie 2: streven naar behoud in huidige staat; bij bodemingrepen dieper dan 30 cm

-Mv is archeologisch inventariserend veldonderzoek verplicht;

- AWG categorie 3: streven naar behoud in huidige staat; archeologisch inventariserend veldonderzoek

verplicht als oppervlakte van de ingreep groter is dan 100 m² én de diepte van de

ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv;

- AWG categorie 4: streven naar behoud in huidige staat; bij bodemingrepen dieper dan 30 cm

-Mv is een archeologisch bureauonderzoek met eventueel karterend veldonderzoek verplicht;

- AWG categorie 5: streven naar behoud in huidige staat; archeologisch inventariserend veldonderzoek

verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 100 m² én de diepte van

de ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv;

- AWV categorie 6: streven naar behoud in huidige staat; archeologisch inventariserend veldonderzoek

verplicht als oppervlakte van de ingreep groter is dan 100 m² én de diepte van de

ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv;

- AWV categorie 7: streven naar behoud in huidige staat; archeologisch inventariserend onderzoek

verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 500 m² én de diepte van de

ingreep dieper reikt dan 100 cm -Mv;

- AWV categorie 8: streven naar behoud in huidige staat; archeologisch inventariserend veldonderzoek

verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 500 m² én de diepte van

de ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv;

- AWV categorie 9: streven naar behoud in huidige staat niet vereist; archeologisch onderzoek

verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 5000 m² én de diepte van de ingreep

dieper reikt dan 100 cm -Mv;

- AWV categorie 10: archeologisch onderzoeksverplichting afhankelijk van ondergrenzen van

de oppervlakteverstoring en de verstoringsdiepte van de onderliggende categorieën; voor

verstoorde gebieden in combinatie met AWV categorie 9 is geen archeologisch onderzoek bij

ruimtelijke ontwikkelingen noodzakelijk;

- AWV categorie 11: voor ingrepen in waterpartijen en wielen gelden geen beperkingen.

status op de bestemmingsplankaart en worden

aangeduid als AWG categorie 1. Omdat deze

terreinen via de Monumentenwet of een (provinciale)

monumentenverordening zijn beschermd,

vallen ze feitelijk buiten het archeologiebeleid

van de gemeente. Om misverstanden te voorkomen

is het echter wel van belang dat deze

terreinen op de bestemmingsplankaart staan

aangegeven.

148

Door het Rijk of Provincie aangewezen archeologische

monumentterreinen die niet wettelijk

zijn beschermd, worden aangeduid als

AWG categorie 2. Deze terreinen van (hoge)

archeologische waarde kennen feitelijk geen

specifieke beperkende richtlijnen ten aanzien

van gebruik of ontwikkelingsmogelijkheden;

voor deze terreinen geldt dat voorafgaande

aan bodemingrepen aanvullend veldonderzoek

noodzakelijk is om de exacte kwaliteit en


RAAP-RAPPORT 1688

omvang vast te stellen. In de gemeente Lingewaal

bevinden zich vier wettelijk beschermde

archeologische monumenten, twee terreinen

van hoge archeologische waarde en één terrein

van archeologische waarde.

Gemeentelijk beleid

Beschermd archeologisch monument, AWG

categorie 1: streven naar behoud in huidige

staat. Bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv

zijn vergunningsplichtig (vergunningsaanvraag

bij RACM). Tevens dienen eventuele onderzoeksstrategieën

en selectiekeuzes in overleg

met de RACM vastgesteld te worden.

Archeologisch monument; AWG categorie 2:

streven naar behoud in huidige staat. Bij

bodem ingrepen dieper dan 30 cm -Mv is

archeo logisch inventariserend veldonderzoek

ver plicht.

Terreinen zonder status (puntlocaties met

rondom een attentiezone van 50 m)

De meeste vindplaatsen binnen de gemeente

Lingewaal betreffen vindplaatsen zonder

status (AWG categorie 3). De meeste hiervan

staan weliswaar geregistreerd in ARCHIS (de

overige zullen te zijner tijd in ARCHIS dienen te

worden opgenomen), maar dit zegt niets over

de waarde ervan. Het kan gaan om een enkel

fragment laat-middeleeuws aardewerk dat met

bemesting op een akker is terechtgekomen,

maar ook intacte nederzettingsterreinen kunnen

als stip op de kaart staan. Bij het opstellen van

de archeologische beleidskaart zijn alleen die

vindplaatsen geselecteerd waarvan de waarneming

(vermoedelijk) duidt op de aanwezigheid

van archeologische resten in situ. In die

gevallen is behoud van de huidige situatie

wenselijk. Bij gebrek aan een begrenzing van

de vindplaats is een attentiezone van 50 m

rondom de centrumcoördinaat gehanteerd als

zone waarbinnen een verhoogde kans bestaat

149

op het aantreffen van archeologische resten.

Indien maatregelen (ingrepen) in deze zone

onvermijdelijk zijn en fysieke aantasting van

de vindplaats wordt verwacht, dient in een zo

vroeg mogelijk stadium van de planvorming

inventariserend veldonderzoek te worden uitgevoerd.

Op deze wijze kan de aard, datering en

omvang van de vindplaats worden bepaald. Aan

de hand hiervan kan een selectiebesluit worden

genomen.

Gemeentelijk beleid

Terrein zonder status (vindplaats/puntlocatie

met rondom een attentiezone van 50 m), AWG

categorie 3: streven naar behoud in huidige

staat. Archeologisch inventariserend veldonderzoek

verplicht als oppervlakte van de ingreep

groter is dan 100 m² én de diepte van de

ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv.

Historische dorpskernen/molens

Historische dorpskernen en historische molens

(AWG categorie 4) zijn zones met een zeer

hoge kans op het voorkomen van archeologische

sporen uit de Middeleeuwen en Nieuwe

tijd. In deze zones dienen bij voorkeur geen

werkzaamheden te worden uitgevoerd die tot

fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische

waarden leiden. Het beleid is dus

gericht op behoud van de bestaande situatie.

Indien behoud niet mogelijk is, dient in geval

van planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening

voor bodemingrepen vroegtijdig

inventariserend archeologisch onderzoek in

de vorm van een historisch bureauonderzoek

eventueel aangevuld met een karterend veldonderzoek

te worden uitgevoerd. Het veldonderzoek

is vooral gericht op het vaststellen van de

mate van bodemverstoring en het vaststellen

van eventuele bewonings- en ophogingslagen.

Is de bodemverstoring gering (ondiep of plaatselijk)

en kunnen archeologische resten worden


RAAP-RAPPORT 1688

verwacht dan dient vervolgonderzoek te worden

uitgevoerd door middel van proefsleuven of

begeleiding.

Gemeentelijk beleid

Historische dorpskern/molen, AWG categorie

4: streven naar behoud in huidige staat

Bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv is een

archeologisch bureauonderzoek met eventueel

karterend veldonderzoek verplicht.

Oude woongronden

Oude woongronden (AWG categorie 5) worden

op de meeste plaatsen gekenmerkt door het

voorkomen van archeologische vindplaatsen uit

zowel de Prehistorie als de Romeinse tijd en de

Middeleeuwen. De oude woongronden zijn sterk

gecorreleerd aan de ligging van bekende archeologische

vindplaatsen. Binnen de gemeente

Lingewaal bevinden de oude woongronden

zich alle op de stroomgordels van de Linge

en de Waal nabij de historische dorpskernen.

Indien maatregelen (ingrepen) in deze zone

onvermijdelijk zijn en fysieke aantasting van de

vindplaats wordt verwacht, dient in een zo vroeg

mogelijk stadium van de planvorming inventariserend

veldonderzoek te worden uitgevoerd.

Op deze wijze kan de aard, datering, omvang,

etc. van de vindplaats worden bepaald. Aan de

hand hiervan kan een selectiebesluit worden

genomen.

Gemeentelijk beleid

Oude woongronden, AWG categorie 5: streven

naar behoud in huidige staat, archeologisch

inventariserend veldonderzoek verplicht als de

oppervlakte van de ingreep groter is dan 100 m²

én de diepte van de ingreep dieper reikt dan

30 cm -Mv.

150

Gebieden met een hoge archeologische

verwachting

In gebieden met een hoge archeologische

verwachting wordt de hoogste dichtheid aan

archeologische vindplaatsen verwacht. In deze

zones dienen bij voorkeur geen werkzaamheden

te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting

van de (verwachte) archeologische waarden

leiden. Het beleid is dus gericht op behoud

van de bestaande situatie. Indien behoud niet

mogelijk is, moet met het oog op een zorgvuldige

belangenafweging, voorafgaand aan

bodemingrepen in de vroegste fase van planvorming

een inventariserend veldonderzoek

worden uitgevoerd.

Gemeentelijk beleid

Gebieden met een hoge archeologische

verwachting, AWV categorie 6: streven naar

behoud in huidige staat. Archeologisch inventariserend

veldonderzoek verplicht als oppervlakte

van de ingreep groter is dan 100 m²

én de diepte van de ingreep dieper reikt dan

30 cm -Mv.

Gebieden met een middelmatige archeologische

verwachting

De gebieden met middelmatige archeologische

verwachting worden in twee categorieën

gesplitst: diepgelegen stroomgordels (dus de

meandergordel en aangrenzende oeverwallen)

en overige gebieden (o.a. oeverzones buiten

200 m van de meandergordel van de Linge

en Waal en oeverzones overige hooggelegen

meandergordels). Het grootste verschil betreft

de diepte waarop de archeologische laag

verwacht kan worden. Deze ligt bij de diepgelegen

stroomgordels enkele meters diep onder

het maaiveld (minimaal 1,5 m -Mv). Dit brengt

met zich mee dat hier bodemingrepen bij diepgelegen

stroomgordels tot en met 100 cm -Mv


RAAP-RAPPORT 1688

zijn toegestaan zonder archeologische onderzoeksverplichting

(AWV categorie 7).

In gebieden met een middelmatige archeologische

verwachting wordt een lagere dichtheid

aan archeologische vindplaatsen verwacht

dan in gebieden met een hoge archeologische

verwachting. Daarom wordt bij planontwikkelingen

de voorkeur gegeven aan het ontwikkelen

(verstoren) van gebieden met een middelmatige

of lage archeologische verwachting

boven gebieden met een hoge archeologische

verwachting. Met het oog op een zorgvuldige

belangenafweging moet, voorafgaand aan

bodemingrepen, in de vroegste fase van planvorming

een inventariserend veldonderzoek

worden uitgevoerd.

Gemeentelijk beleid

Gebieden met een middelmatige archeologische

verwachting, diepgelegen meandergordels,

AWV categorie 7: archeologisch inventariserend

onderzoek verplicht als de oppervlakte van de

ingreep groter is dan 500 m² én de diepte van

de ingreep dieper reikt dan 100 cm -Mv.;

Gebieden met een middelmatige archeologische

verwachting, overig, AWV categorie 8: archeologisch

inventariserend veldonderzoek verplicht

als de oppervlakte van de ingreep groter is dan

500 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt

dan 30 cm -Mv.

Gebieden met een lage archeologische

verwachting

In zones met een lage archeologische verwachting

wordt de kans op het voorkomen van

archeologische vindplaatsen klein geacht.

Wel kunnen hier toevalsvondsten aangetroffen

worden waarvoor een meldingsplicht

geldt. Vooral in de ter hoogte van de actieve

meandergordels kunnen watergerelateerde

objecten (zoals beschoeiingen en vaartuigen)

151

verwacht worden. Tevens is het mogelijk dat

binnen de komafzetting nabij meandergordels

nog onbekende diepgelegen stroomgordels

en/of crevassen voorkomen. Voorafgaand aan

grootschalige bodemingrepen moet derhalve

een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd

worden.

Gemeentelijk beleid

Gebieden met een lage archeologische

verwachting, AWV categorie 9: archeologisch

onderzoek verplicht als de oppervlakte van de

ingreep groter is dan 5000 m² én de diepte van

de ingreep dieper reikt dan 100 cm -Mv.

Gebieden met een onbekende archeo logische

verwachting

Op een aantal locaties buiten bebouwde

gebieden is de bodem als gevolg van bijvoorbeeld

klei- en zandwinning tot grote diepte

verstoord. Dit is vooral in het buitendijkse

gebied het geval, waarvoor een lage verwachting

geldt. De kans op het voorkomen van

intacte archeologische resten is hier klein.

Indien sprake is van een vergraving in een

Archeologisch Waardevol Gebied, of in Archeologisch

Waardevolle Verwachtingsgebieden

categorieën 6,7 en/of 8, dan kan hier afhankelijk

van de diepte van de bodemverstoringen de

aanwezigheid van archeologische resten niet

uitgesloten worden. Met het oog op een zorgvuldige

belangenafweging moet, voorafgaand aan

bodemingrepen, in de vroegste fase van planvorming

een archeologisch bureauonderzoek

worden uitgevoerd, eventueel gevolgd door

een veldinspectie met als doel de diepte van de

bodemverstoring te bepalen.

Gemeentelijk beleid

Gebieden met een onbekende archeologische

verwachting, AWV categorie 10: archeologisch

onderzoeksverplichting afhankelijk van


RAAP-RAPPORT 1688

ondergrenzen van de oppervlakteverstoring en

verstoringsdiepte onderliggende categorieën.

Voor verstoorde gebieden in combinatie met

AWV categorie 9 is geen archeologisch onderzoek

bij ruimtelijke ontwikkelingen noodzakelijk.

Reeds archeologisch onderzochte gebieden

met status binnen AMZ-cyclus

Op de beleidskaart zijn niet automatisch alle

onderzoeksgebieden vrijgesteld van archeologisch

onderzoek. Alleen de zones waar

voldoende veldonderzoek is uitgevoerd, zijn

gevrijwaard van archeologische onderzoeksverplichting.

Daarom wordt er onderscheid

gemaakt tussen gebieden waarbij de AMZcyclus

nog niet beëindigd is (er dus nog

vervolgonderzoek moet plaatsvinden); gebieden

waarbij de AMZ-cyclus beëindigd is (er in principe

geen vervolgonderzoek meer nodig is); en

terreinen waarvan de status binnen de AMZcyclus

op grond van de gegevens in ARCHIS

niet bekend is. In de gemeente Lingewaal komt

echter geen onderzoeksmelding voor waarvan

de AMZ-cyclus nog niet beëindigd is. Wel is

één onderzoek vroegtijdig beëindigd (ARCHISonderzoeksnr.

7772); dit betreft een booronderzoek

waarna een vervolgonderzoek in de vorm

van proefsleuven is geadviseerd. Het bevoegd

gezag heeft echter besloten van het proefsleuven

onderzoek af te zien en de bouwvergunning

te verlenen.

Gemeentelijk beleid

Reeds archeologisch onderzochte gebieden met

status binnen AMZ-cyclus, AWV categorie 11:

voor afdoende onderzochte gebieden gelden

geen beperkingen.

Water

Waar er zich binnen de gemeente gegraven

waterpartijen of wielen bevinden, kan er vanuit

152

gegaan worden dat de archeologische resten

daar verdwenen zijn.

Gemeentelijk beleid

Water, AWV categorie 11: voor ingrepen in

waterpartijen en wielen gelden geen beperkingen.

7.4 Aanzet tot de onderzoeksagenda

gemeente Lingewaal:

invulling van kennislacunes

Archeologisch gezien is er in de gemeente

Lingewaal relatief weinig bekend. Door

het formuleren van kennislacunes is dit te

benoemen en door het formuleren van hoofdvragen

en aanbevelingen in te vullen. De

kennislacunes worden per archeologische

periode en landschapstype omschreven. Naast

kennislacunes en actiepunten per periode

worden tevens enkele algemene kennislacunes

en actiepunten omschreven. Deze zijn niet in

een periode of landschapstype in te delen.

7.4.1 Kennislacunes per archeologische

periode

Mesolithicum-Bronstijd, diepgelegen

meandergordels

In de gemeente Lingewaal zijn slechts twee

‘losse’ vindplaatsen uit de Prehistorie bekend.

Vanwege de diepgelegen stroomgordels was

bewoning in deze periode hoogstwaarschijnlijk

wel mogelijk. De bewoningsgeschiedenis en

bewoningsgeschiktheid van de diepgelegen

meandergordels dienen in toekomstig veldonderzoek

daarom punt van aandacht te zijn.

De geringe kennis over de diepgelegen meandergordels

is mede te wijten aan het feit dat

archeologische booronderzoeken doorgaans

niet dieper dan 3 m -Mv worden doorgezet. De

diepgelegen meandergordels liggen juist tussen


RAAP-RAPPORT 1688

de 3 en 6 m -Mv (Berendsen en Stouthamer,

2001). Om de bewoningsgeschiktheid van de

verschillende diepgelegen meandergordels te

onderzoeken dienen archeologische booronderzoeken

op plaatsen waar deze verwacht

worden daarom tot minimaal de meandergordelafzettingen

of maximaal 6 m -Mv doorgezet te

worden.

Voor de periode Mesolithicum-Bronstijd zijn de

volgende hoofdonderzoeksvragen geformuleerd:

- Was het toenmalige rivierenlandschap

geschikt voor bewoning?

- Op welke delen van de diepgelegen stroomgordels

concentreerde deze bewoning zich?

- Wat was de aard van deze bewoning?

Aanbeveling toekomstig onderzoek:

- Booronderzoeken doorzetten tot in de meandergordelafzettingen

of maximaal 6 m -Mv.

IJzertijd-Vroege Middeleeuwen B

In de gemeente Lingewaal zijn geen vindplaatsen

uit de IJzertijd bekend. De bekende

vindplaatsen uit de Romeinse tijd liggen voornamelijk

op de oeverwallen van de Linge. Wat

deze vindplaatsen precies inhouden, is echter

niet bekend. Daarom wordt aanbevolen om (in

ieder geval) monumentnr. 3256 nader te onderzoeken

door middel van een waarderend booronderzoek

en (bij voorkeur tevens) de overige

twee vindplaatsen door middel van een waarderend

booronderzoek. Catalogusnr. 4 betreft de

vondst van een onbekend aantal scherven uit

onder meer de Romeinse tijd. Catalogusnr. 25

betreft de vondst van vier Romeinse munten op

de meandergordel van de Linge. Op dit moment

is het echter onzeker in hoeverre de meandergordel

van de Linge bewoonbaar was in de

Romeinse tijd. Door deze vindplaats nader te

153

onderzoeken is hier mogelijk (deels) duidelijkheid

over te verkrijgen.

Van de overige meandergordels is weinig

bekend met betrekking tot de Romeinse tijd.

Alleen op de meandergordel van Spijk zijn

tijdens de aanleg van het Lingebos enkele

inheems-romeinse scherven aangetroffen.

Mocht hier een Romeinse nederzetting zijn

geweest, dan is deze waarschijnlijk compleet

verloren gegaan door de werkzaamheden. De

vondst geeft echter wel aan dat de hooggelegen

meandergordels geschikt waren voor bewoning.

Vondsten uit de Romeinse tijd op dezelfde

meandergordels in de gemeente Geldermalsen

bevestigen dit beeld. Hier zijn ook vindplaatsen

uit de IJzertijd aangetroffen! Met deze mogelijkheid

moet ook in Lingewaal rekening worden

gehouden.

In hoeverre de Romeinse bewoning zich heeft

doorgezet in de Vroege Middeleeuwen is onbekend.

De eerste vindplaatsen na de Romeinse

tijd in de gemeente Lingewaal betreffen de

dorpskernen uit de 8e en 9e eeuw.

Voor de periode IJzertijd tot en met de Vroege

Middeleeuwen zijn de volgende hoofdonderzoeksvragen

geformuleerd:

- Heeft er in de gemeente Lingewaal ook

bewoning plaatsgevonden in de IJzertijd?

- Wat is het karakter van de verschillende

vindplaatsen (met name monumentnr. 3256)

uit de Romeinse tijd?

- In hoeverre was het prehistorische meandergordelcomplex

van Enspijk, Mert, Spijk en

Gellicum geschikt voor bewoning in de IJzertijd

en Romeinse tijd?

Aanbeveling toekomstig onderzoek:

- Aard, omvang en datering onderzoeken van

monumentnr. 3256 en twee overige vind-


RAAP-RAPPORT 1688

plaatsen (cat.nrs. 4 en 25) uit de Romeinse

tijd door middel van karterend booronderzoek.

Vroege Middeleeuwen C-Nieuwe tijd

Alle dorpskernen in de gemeente Lingewaal

kennen hun oorsprong in de Vroege Middeleeuwen.

Waar daadwerkelijk de eerste kernen

ontstaan zijn en waar deze bewoning uit

bestond, is nagenoeg onbekend. Alleen van

Herwijnen is uit historische bronnen bekend

dat deze mogelijk gelegen heeft ter hoogte van

de oude woongrond aan de Achterweg/ Molenstraat

in Herwijnen. Het is niet bekend hoe de

dorpen zich precies hebben ontwikkeld. Dit

kan nader onderzocht worden aan de hand van

onderzoek in de historische dorpskernen. Of

er naast de dorpskernen ook elders bewoning

heeft plaatsgevonden, is onbekend. Wel komt

vanaf de Late Middeleeuwen terpbewoning voor

aan de Leuvense Kweldijk. De hier aanwezige

meandergordel is blijkbaar geschikt voor bewoning.

Naast bewoning aan de Leuvense Kweldijk

komen er enkele andere vindplaatsen in het

middengebied van Lingewaal voor. Het merendeel

van de bewoning concentreert zich echter

in de vroeg-middeleeuwse dorpskernen op de

oeverwallen van de Linge en de Waal.

Voor de periode Vroege Middeleeuwen C-

Nieuwe tijd zijn de volgende hoofdonderzoeksvragen

geformuleerd:

- Hoe hebben de verschillende dorpskernen

zich gedurende de eeuwen ontwikkeld?

- Wanneer is overgegaan van houtbouw naar

steenbouw?

- Zijn er zones te onderscheiden op functie,

zoals agrarisch landgebruik (boerderijen) en

ambachten (smidse, pottenbakkerij)?

- In hoeverre was het prehistorische meandergordelcomplex

van Enspijk, Mert, Enspijk en

154

Gellicum in de Middeleeuwen nog geschikt

voor bewoning?

- Wat is de daadwerkelijke aard van cat.nrs. 1,

20 en 27?

Aanbeveling toekomstig onderzoek:

- Aard, omvang en datering onderzoeken van

catalogusnrs. 1, 20 en 27 door middel van

karterend booronderzoek.

7.4.2 Kennislacunes per landschapstype

Stroomgordel van de Linge

De stroomgordel van de Linge is kenmerkend

voor de gemeente Lingewaal. Op de oeverwallen

van de Linge kwam vanaf de Romeinse

tijd bewoning voor en op meandergordel

vormden zich in de Vroege Middeleeuwen de

dorpskernen van Asperen, Heukelum en Spijk.

In hoeverre de meandergordel van de Linge in

de Romeinse tijd geschikt was voor bewoning

is op dit moment onderwerp van discussie. Op

de gehele meandergordel van de Linge zijn er

tot op heden niet of nauwelijks vindplaatsen

bekend. Op de meandergordel liggen tevens

vier oude woongronden en vier kasteelterreinen.

De stroomgordel van de Linge herbergt dus een

belangrijk deel van het cultuurhistorisch erfgoed

van Lingewaal. Het is noodzakelijk dat dit

erfgoed zo goed mogelijk bewaard wordt. Om

dit te bewerkstelligen dienen de AMK-terreinen

behouden te blijven en bodemingrepen

binnen de historische dorpskernen zich tot

een minimum te beperken. In principe dienen

ook de oude woongronden bij bodemingrepen

ontzien te worden. Van de oude woongronden is

echter de exacte omvang, aard en datering niet

bekend. Daarom wordt aanbevolen om dit eerst

te bepalen door middel van een archeologisch

karterend booronderzoek, alvorens te bepalen


RAAP-RAPPORT 1688

wat de beschermende maatregelen voor de

woongronden dienen te zijn.

Voor de stroomgordel van de Linge zijn de

volgende hoofdonderzoeksvragen geformuleerd:

- Vanaf wanneer was de meandergordel van

de Linge geschikt voor bewoning?

- Wat is de exacte aard, omvang en datering

van de oude woongronden op de stroomgordel

van de Linge?

Aanbeveling toekomstig onderzoek:

- Aard, omvang en datering onderzoeken van

de oude woongronden op de stroomgordel

van de Linge door middel van karterend

booronderzoek.

Stroomgordel van de Waal

Net als de Linge is de stroomgordel van de

Waal kenmerkend voor de gemeente Lingewaal.

De oeverwal van de Waal was waarschijnlijk pas

vanaf de Vroege Middeleeuwen bewoonbaar.

In de gemeente Lingewaal komt in elk geval

pas bewoning voor vanaf de Vroege Middeleeuwen;

ten zuiden van Lingewaal echter, ter

hoogte van Zuilichem, zijn nabij een restgeul

van de Waal de staanders van een brug aangetroffen

die waarschijnlijk uit de Romeinse tijd

dateert (Koppert, 1969). Mogelijk komen er op

de onverspoelde delen van de meandergordel

van de Waal nog resten van bewoning vanaf de

Romeinse tijd voor.

De bewoning in de Vroege Middeleeuwen

kenmerkt zich door de opkomst van de bewoningskernen

van Herwijnen en Vuren. Gedurende

de Middeleeuwen heeft deze bewoning

zich langs bijna de gehele Waaldijk verspreid.

Tevens komen er vijf kasteelterreinen en drie

oude woongronden voor. Van de oude woongronden

zijn de exacte aard, omvang en date-

155

ring van twee onbekend; de oude woongrond ter

hoogte van Wadestein betreft het kasteelterrein.

De oude woongrond ter hoogte van catalogusnr.

39 betreft mogelijk het oudste gedeelte van

Herwijnen en de grote woongrond ter hoogte

van monumentnrs. 867 en 869 betreft mogelijk

deze kasteelterreinen en de bewoning daaromheen.

Om de exacte aard, omvang en datering

van de twee onbekende oude woongronden te

achterhalen wordt aanbevolen deze te onderzoeken

door middel van een archeologisch

karterend booronderzoek.

De stroomgordel van de Waal herbergt dus

eveneens een groot deel van het cultuurhistorisch

erfgoed van de gemeente. Het is

noodzakelijk dat dit erfgoed zo goed mogelijk

bewaard wordt. Om dit te bewerkstelligen

dienen de AMK-terreinen behouden te blijven

en bodemingrepen binnen de historische dorpskernen

zich tot een minimum te beperken. Op

basis van de resultaten van het onderzoek naar

de oude woongronden kunnen de beschermende

maatregelen voor deze gebieden opgesteld

worden.

Voor de stroomgordel van de Waal zijn de

volgende hoofdonderzoeksvragen geformuleerd:

- Vanaf wanneer waren de oeverwallen en de

onverspoelde delen van de meandergordel

van de Waal geschikt voor bewoning?

- Wat is de exacte aard, omvang en datering

van de twee onbekende oude woongronden

op de stroomgordel van de Waal?

Aanbeveling toekomstig onderzoek:

- Aard, omvang en datering onderzoeken van

de twee oude woongronden (met uitzondering

van de twee beschermde monumenten

867 en 869) op de oeverwal van de Waal

door middel van karterend booronderzoek.


RAAP-RAPPORT 1688

Figuur 22. De Leuvense kweldijk is de enige zone tussen de Linge en de Waal met bewoning uit de Vroege

Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd.

Leuvense Kweldijk

De Leuvense Kweldijk is bijzonder door de

terpen uit de Late Middeleeuwen (figuur 22).

Het is de enige zone tussen de stroomgordels

van de Linge en de Waal waarvan bekend is

dat deze vóór de Nieuwe tijd werd bewoond. De

Leuvense Kweldijk is gelegen aan het stroomgordelcomplex

van Enspijk, Mert, Gellicum en

Spijk. Ter hoogte van de terpen is onder meer

kogelpotaardewerk aangetroffen. Dit wijst op

bewoning in de laatste periode van de Vroege

Middeleeuwen.

Voor de terpbewoning langs de Leuvense Kweldijk

zijn de volgende hoofdonderzoeksvragen

geformuleerd:

- Waarom is men in de Middeleeuwen juist

aan de Leuvense Kweldijk gaan wonen?

- Vanaf waneer komt er bewoning voor aan de

Leuvense Kweldijk?

- Hoe heeft de bewoning zich ontwikkeld?

156

Komgebieden in centraal Lingewaal

De komgebieden in Lingewaal beslaan een

groot deel van de gemeente. Het gebied wordt

doorkruist door de verschillende stroomgordels

en bijbehorende crevassesystemen. Mogelijk

zijn niet alle stroomgordels en crevassesystemen

bekend (door de grote diepte waarop

ze liggen niet op het AHN waarneembaar).

Ondanks de lage verwachting van de komgebieden

is het noodzakelijk dat voorafgaand aan

grootschalige bodemingrepen archeologisch

(boor)onderzoek plaats vindt. Om er zeker van

te zijn dat er geen crevassesystemen in de

ondergrond aanwezig zijn, dienen de boringen

tot minimaal 4 m -Mv doorgezet te worden. Dit is

de gemiddelde grootste diepte waarop crevassesystemen

in Lingewaal voorkomen. Indien in

de komgebieden tot op heden ongekarteerde

crevassesystemen blijken voor te komen dient

deze informatie in een update van de waardenen

verwachtingskaart opgenomen te worden.


RAAP-RAPPORT 1688

Voor de komgebieden zijn de volgende hoofdonderzoeksvragen

geformuleerd:

- Komen er in de komgebieden tot 4 m -Mv

ongekarteerde stroomgordels en/of crevassesystemen

voor?

- Aan welke bekende stroomgordels zijn deze

te koppelen?

- Werden deze stroomgordels en crevassesystemen

bewoond? Zo ja, wat is de aard,

omvang en datering van de bewoning?

Aanbeveling toekomstig onderzoek:

- Bij grootschalige diepe bodemverstoringen

(> 0,5 ha en > 1m -Mv) verkennend booronderzoek;

terugkoppeling resultaten naar

waarden- en verwachtingskaart.

7.4.3 Overige kennislacunes/ontbrekende

punten

Vindplaatsen met onbekend complextype

Binnen de gemeente Lingewaal komen de

volgende vindplaatsen waarvan niet bekend is

welk type complex het betreft:

- Cat.nr. 1 betreft de losse vondst van enkele

aardewerkscherven uit de Late Middeleeuwen.

De vindplaats ligt ter hoogte van

een crevassesysteem. Aangezien crevassesystemen

aantrekkelijke bewoningslocaties

vormden, is het mogelijk dat het om een

nederzettingsterrein gaat.

- Cat.nr. 5 betreft grijsbakkend gedraaid

aardewerk en Siegburgscherven uit de Late

Middeleeuwen, gevonden in de buurt van het

kerkhof van Spijk. Mogelijk zijn de vondsten

afkomstig van een laat-middeleeuwse huisplaats.

- Cat.nr. 20 betreft de vondst van een aantal

aardewerk fragmenten en een brok tefriet

met bewerkingssporen uit de Late Middeleeuwen.

De vondsten zijn gedaan tijdens

157

een oppervlaktekartering in verband met de

aanleg van de Betuweroute. De vindplaats

ligt op de oeverzone van de stroomgordel

van Enspijk. Indien deze vindplaats een

nederzetting uit de Late Middeleeuwen

betreft, is dit het bewijs dat de hooggelegen

stroomgordels in de Middeleeuwen bewoonbaar

zijn geweest.

- Cat.nr. 27 betreft de vondst van meerdere

kogelpot- en Pingsdorfscherven. Mogelijk

betreft het een nederzettingsterrein uit de

Late of zelfs de Vroege Middeleeuwen.

Deze vindplaats ligt, net als cat.nr. 20, op de

oeverwal van de meandergordel van Enspijk.

Aanbeveling toekomstig onderzoek:

- Onderzoek de bovenstaande vindplaatsen

op aard, omvang en datering door middel

van karterend booronderzoek.

Kasteelterreinen zonder status

In de gemeente Lingewaal komen tien kasteelterreinen

voor. Vijf hiervan staan geregistreerd

als AMK-terrein. Om de overige vijf, onbeschermde

kasteelterreinen (Drakenstein, Tumelenborg,

Kasteel Spijk, Leyenburg en Lingestein)

voor verder verval te beschermen, dienen

ze op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd

te worden. Tevens is het raadzaam,

indien dit nog onbekend is, per kasteelterrein

te onderzoeken in hoeverre de fundamenten en

grachtenstelsel nog in de ondergrond aanwezig

zijn.

Voor de kasteelterreinen zijn de volgende

hoofdonderzoeksvragen geformuleerd:

- In hoeverre zijn de fundamenten, grachten

en overige resten van de diverse kastelen

nog in de ondergrond bewaard gebleven?

- Hoe zagen de kasteelterreinen er in de

diverse fasen uit?


RAAP-RAPPORT 1688

Aanbeveling (korte termijn):

- de kasteelterreinen zonder AMK-status op

de gemeentelijke monumentenlijst plaatsen,

teneinde het verval van de terreinen tegen

te gaan; de kasteelterreinen waarvan nog

niet bekend is in hoeverre de fundamenten,

grachten en overige resten nog in de ondergrond

aanwezig zijn hierop onderzoeken.

7.4.4 Synthese aanbevelingen onderzoeksagenda

Aan de hand van alle bovenstaande actiepunten

kan, los van de beleidskaart, een onderzoeksagenda

voor de korte termijn worden opgesteld.

Van diverse vindplaatsen blijkt de aard,

omvang en datering onduidelijk. Om deze te

onderzoeken, wordt aanbevolen één overkoepelend

project op te zetten. Door deze locaties

nader te bekijken wordt een duidelijker beeld

verkregen van de bewoningsgeschiedenis van

de gemeente Lingewaal en kan de waarden- en

verwachtingskaart gespecificeerd worden. Er

kan voor gekozen worden om al deze vindplaatsen

te onderzoeken, maar het is ook mogelijk

om bijvoorbeeld alleen de Romeinse vindplaatsen

of alleen de oude woongronden nader

te onderzoeken. Een en ander is afhankelijk van

de definitieve onderzoeksagenda en van het

beschikbare budget. Mogelijk nader te onderzoeken

gebieden zijn:

- De woongronden op de stroomgordel van de

Linge;

- De woongronden nabij cat.nr. 39 en monumentnrs.

867/869 op de oeverwal van de

Waal;

- Cat.nrs. 1, 4, 5, 20, 25 en 27;

- Monumentnr. 3256.

Naast de vindplaatsen wordt tevens aanbevolen

om de kasteelterreinen waarvan nog

niet bekend is in hoeverre de fundamenten,

grachten en overige resten nog in de onder-

158

grond aanwezig zijn nader te onderzoeken.

Tevens wordt aanbevolen de kasteelterreinen

die nog geen wettelijke bescherming genieten

op de gemeentelijke monumentenlijst te

plaatsen om te behoeden voor verder verval.

Daarnaast kunnen aan de hand van de opgesomde

kennislacunes diverse aanbevelingen

voor de lange termijn geformuleerd worden:

- Grootschalige, diepe bodemverstoringen (>

0,5hectare en > 1m -Mv) dienen voorafgegaan

te worden door een verkennend booronderzoek

die tot 4 m -Mv doorgezet moeten

worden. Hiermee kan worden bepaald of er

mogelijk ongekarteerde stroomgordels en/of

crevassesystemen in de diepere ondergrond

aanwezig zijn;

- Omdat de archeologische laag bij diepgelegen

meandergordels op grote diepte onder

het maaiveld aanwezig is, dienen boringen

te worden doorgezet tot in de meandergordelafzettingen

of tot maximaal 6 m -Mv;

- De resultaten dienen te worden teruggekoppeld

naar de waarden- en verwachtingskaart.


RAAP-RAPPORT 1688

LITERATUUR

Anema, K. 1997. Archeologisch erfgoed goed

beheerd: behoud, inrichting en beheer in het landelijk

gebied.

Asmussen, P.S.G., 1991. Archeologische begeleiding

Betuweroute: deel A: vaststellen minst schadelijke

tracé. RAAP-rapport 59. RAAP Archeologisch

Adviesbureau, Amsterdam.

Bente, D.A., 2000a. Plangebied Waaloever te Vuren,

gemeente Lingewaal: een aanvullende archeologische

inventarisatie. RAAP-verslagnummer 2000-1576/MW.

RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam.

Bente, D.A., 2000b. Plangebied Tuincentrum

Haarweg te Vuren, gemeente Lingewaal : een

aanvullende archeologische inventarisatie. RAAPverslagnummer

2000-2425/MW. RAAP Archeologisch

Adviesbureau, Amsterdam.

Bente, D.A., 2000c. Plangebied Zeiving 2000 te

Vuren, gemeente Lingewaal: een aanvullende

archeologische inventarisatie. RAAP-verslagnummer

2000-2608/MW. RAAP Archeologisch Adviesbureau,

Amsterdam.

Berendsen, H.J.A., E.L.J.H. Faessen & H.F.J.

Kempen, 1994. Zand in banen: zanddiepteattentiekaarten

van het Gelders rivierengebied.

Provincie Gelderland, Arnhem.

Berendsen, H.J.A. & E. Stouthamer, 2001.

Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse

Delta, The Netherlands. Van Gorcum, Assen.

159

Boer, G.H. de, & N.M.J.E. Boemaars., 2001.

Plangebied De Eng te Asperen, gemeente Lingewaal:

een aanvullende archeologische inventarisatie RAAPverslagnummer

2001-0473/AA. RAAP Archeologisch

Advies bureau, Amsterdam.

Bijl A., 1990. Vuren, een ärrem land? elf eeuwen

geschiedenis van een dorp aan de Waal. Romijn en

Van der Hoff b.v., Gorinchem.

Bijl A., 1992. Over heren, weiden en kastelen: een

geschiedenis van Herwijnen van prehistorie tot heden.

Schorel Drukkerij, Vuren.

Bierens de Haan, J.C. & J.R. Jas, 2000. Geldersche

kastelen: tot defensie en eene plaissante wooninge:

architectuur, interieur, tuinen. Waanders/ St. Vrienden

der Geldersche Kasteelen, Zwolle.

Bongers Architecten, 2005. Kasteel Spijk.

Architecten bv, Oud-Alblas.

Groot de, R., 2006. Bureauonderzoek locaties

Dorpsstraat en Industrieweg Vuren, gemeente

Lingewaal. Synthegra Archeologie Rapport 176019.

Synthegra Archeologie bv, Dordrecht.

Harten, J.D.H., 1997. Sporen in het landschap: kleine

historische landschaps elementen in de West-Betuwe

en de Vijfheerenlanden. Matrijs, Utrecht.

Heunks, E., 2001a. Plangebied Achterweg 56 (bouw

loods) te Herwijnen, gemeente Lingewaal: een

inventariserend archeologisch onderzoek. RAAPverslagnummer

2001-3124/RT. RAAP Archeologisch

Advies bureau B.V., Amsterdam.


RAAP-RAPPORT 1688

Heunks, E., 2001b. Woningbouwlocatie Herwijnen,

gemeente Lingewaal: een inventariserend

archeologisch onderzoek. RAAP-verslagnummer

2001-3125/RT. RAAP Archeologisch Adviesbureau

B.V., Amsterdam.

Heunks, E., 2006. Gemeente Geldermalsen:

beleidsnota archeologische monumentenzorg: naar

een realistische en duurzame omgang met het

archeologisch erfgoed. RAAP-rapport 1384. RAAP

Archeologisch Adviesbureau B.V., Amsterdam.

Heunks, E. , 2007. Adviesdocument: beoordeling

rapportages en PvE's voor de gemeente Lingewaal:

beoordeling bureauonderzoek Azewijnseweg te Vuren.

Synthegra Archeologie Rapport 176197. Synthegra

Archeologie bv, Dordrecht.

Hemmen, F. van, D. Bekius & E. Heunks, 2007.

Schone slaper: Hollands hoop in bange dagen:

cultuurhistorisch advies voor de verbetering van

de 'Diefdijklinie'. RAAP-rapport 1531. RAAP

Archeologisch Adviesbureau, Weesp.

Heunks, E. & O. Odé, 1998. Ruimte voor

Rijntakken: archeologische verwachtingskaart met

geomorfogenetische onderbouwing. RAAP-rapport

362. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam.

Jansen, S., 2005. Kastelen in rivierenland. Werkgroep

Rivierlandse Kastelen/SQZI Conceptstudio.

Kars, H. & A. Smit (red.), 2003. Handleiding fysiek

behoud archeologisch erfgoed. Geoarcheological

and bioarcheological studies 1. Instituut voor Geo- en

Bioarcheologie, Vrije Universiteit, Amsterdam.

Klaveren van, H.W., 2005. Poldersekade 16 te Vuren:

inventariserend veld onderzoek door middel van

boringen. Synthegra Archeologie Rapport 175140.

Synthegra Archeologie bv, Dordrecht.

160

Klij, P., 1999. AAO “Het Bolwerk” te Heukelum. ADCrapport

9. Amersfoort.

Koop, P.J.M., 2004. Asperen Zevenhuizenweg:

inventariserend archeologisch veldonderzoek

karterende fase. BAAC-rapport 04.220. BAAC,

Deventer.

Marrewijk, D. van, e.a. (red.), 1998: Ruimtelijk

ontwerpen en archeologie. Alphen a/d Rijn.

Raemaekers, D.C.M., 1999. Plangebied Vuren-West,

gemeente Lingewaal: een aanvullende archeologische

inventarisatie (AAI). RAAP-verslag nummer 1999-

1343/MW. RAAP Archeologisch Adviesbureau,

Amsterdam.

Roller de G.J., 2003. Een archeologisch

inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van

een bureauonderzoek en boringen aan de Brugstraat

te Asperen, gemeente Lingewaal (Gld.). ARC-rapport

2003-64. Archeological Research & Consultancy,

Groningen.

Schiferli, R., 2005. Kasteelterrein Wadenstein,

gemeente Lingewaal: archeo logisch vooronderzoek:

een bureau-, geofysisch- en booronderzoek. RAAPrapport

1181. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V.,

Amsterdam.

Schulte, A.G., 2000. Kerken in Gelderland. Walburg

Pers, Zutphen.

Stenvert. R. e.a., 1999. Monumenten in Nederland:

Gelderland. Waanders, Zwolle.

Stiboka, 1981. Bodemkaart van Nederland, schaal

1:50.000: kaartblad 38 Oost Gorinchem. Stichting

voor Bodemkartering, Wageningen.


RAAP-RAPPORT 1688

Stinner, J. & K.-H.Tekath, 2003. Het Hertogdom

Gelre: geschiedenis, kunst en cultuur tussen Maas,

Rijn en IJssel. Matrijs, Utrecht.

Vossen. I., 2006. Uitbreiding golfbaan De

Lingewaelsche: archeologisch bureauonderzoek.

Oranjewoud Projectnummer 1907-147987.

Oranjewoud bv, Heerenveen.

Vossen. I., 2006. Uitbreiding golfbaan De

Lingewaelsche: aanvullend archeologisch

veldonderzoek. Oranjewoud Projectnummer 1907-

147987. Oranjewoud bv, Heerenveen.

161


RAAP-RAPPORT 1688

GEBRUIKTE AFKORTINGEN

AHN Actueel Hoogtebestand Nederland

AMK Archeologische monumentenkaart

AMZ Archeologische monumentenzorg

ARCHIS Archeologisch informatiesysteem

AWG Archeologisch waardevolle gebied

AWN Archeologische Werkgemeenschap Nederland

AWV Archeologisch waardevolle verwachtingsgebied

CHW Cultuurhistorische waardenkaart

IKAW Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden

LOP Landschapsontwikkelingsplan

-Mv beneden maaiveld

RACM Rijksdienst voor Archeologie Cultuurlandschap en Monumenten

VERKLARENDE WOORDENLIJST

afzetting Neerslag of bezinking van materiaal.

Allerød tijd Korte, relatief warme periode uit het Laat-Glaciaal (Weichselien),

ca. 11.800-11.000 jaar geleden.

anastomoserende rivier (vlechtende) rivier die bestaat uit een stelsel van meerdere ondiepe

waterlopen die zich herhaaldelijk splitsen en samenvoegen. Deze

term wordt gebruikt naast dalvormende en meanderende rivieren

(zie aldaar).

bodemarchief Het geheel van overblijfselen dat informatie kan verschaffen over

menselijk handelen in het verleden (de materiële nalatenschap),

bewaard in en in bepaalde gevallen (bijvoorbeeld een grafheuvel)

op de bodem.

archeologische monumenten Aard, omvang en kwaliteit van deze vindplaatsen rechtvaardigen

blijvend behoud uit wetenschappelijke en/of cultuurhistorische

overwegingen. Al naar gelang de betekenis die aan deze aspecten

wordt toegekend, verdienen deze vindplaatsen te worden geplaatst

op het beschermingsprogramma van Rijk, provincie of gemeente.

Uit dien hoofde dient daarom te worden gestreefd naar een

ongestoord behoud van de daarin aanwezige archeologische

sporen. Werkzaamheden gericht op het behoud zijn uiteraard

toegestaan.

artefact Alle door de mens gemaakte of gebruikte voorwerpen.

162


RAAP-RAPPORT 1688

Atlanticum Onderafdeling van het Holoceen. Het Atlanticum (8800-5000 jaar

geleden) was warmer en vochtiger dan ons huidige klimaat.

Bølling tijd Korte, relatief warme periode uit het Laat-Glaciaal (Weichselien),

ca. 13.000-12.000 jaar geleden.

Boreaal Relatief koude periode van het Holoceen, ca. 9000-8000 jaar

geleden.

14 14 C-datering (ook wel C14- of C -datering) bepaling van gehalte aan radioactieve

koolstof 14C van organisch materiaal (hout, houtskool, veen,

schelpen e.d.) waaruit de 14C-ouderdom kan worden afgeleid. Deze

ouderdom wordt opgegeven in jaren vóór 1950 na Chr. (jaren BP)

met daaraan toegevoegd de aan de meting verbonden mogelijke

afwijking (standaarddeviatie).

castellum Romeins legerkamp.

complex Het totaal van bij één vindplaats behorend materiaal.

crevasse Doorbraakgeul door een oeverwal.

Dryas stadiaal Laatste gedeelte van het Pleistoceen (Laat Glaciaal), ca. 13.500

tot 8.000 voor Chr.; het Dryas stadiaal wordt onderverdeeld in het

Vroegste Dryas (13.500-13.000 voor Chr.), het Bølling interstadiaal

(13.000-12.000 voor Chr.), de Vroege Dryas (12.000-11.000 voor

Chr.), het Allerød interstadiaal (10.800-9.000 voor Chr.) en de Late

Dryas (9.000-8.000 voor Chr.).

Eemien Interglaciaal tussen Saalien en Weichselien (resp. voorlaatste en

laatste glaciaal), ca. 130.000-120.000 jaar geleden.

eolisch Door de wind gevormd, afgezet.

erosie Verzamelnaam voor processen die het aardoppervlak aantasten en

los materiaal afvoeren. Dit vindt voornamelijk plaats door wind, ijs

en stromend water.

fluviatiel Door rivieren gevormd, afgezet.

geomorfologie Verklarende beschrijving van de vormen van de aardoppervlakte in

verband met de wijze van hun ontstaan.

glaciaal A) ijstijd: koude periode uit het Pleistoceen; b) betrekking

hebbende op het landijs.

grondsporen Sporen van menselijke werkzaamheden in het verleden (kuilen,

greppels, paalgaten), herkenbaar als verkleuringen en verstoringen

van de bodemstructuur.

Holoceen Jongste geologisch tijdvak (vanaf de laatste ijstijd: ca. 8800 jaar

voor Chr. tot heden).

interstadiaal Een warmere periode tijdens een glaciaal.

komgronden Gronden achter de oeverwallen, waar na overstroming zware klei is

afgezet.

kronkelwaard Deel van een stroomgebied omgeven - en grotendeels opgebouwd

- door een meander.

163


RAAP-RAPPORT 1688

leem Grondsoort die wordt gekenmerkt door een hoog siltgehalte

(bodemdeeltjes tussen 0,002 en 0,05 mm).

limes Grens (meer in het bijzonder de noordgrens van het Romeinse rijk).

löss (Wind)afzetting van zeer fijnkorrelig materiaal.

lutum Minerale delen in de klei.

meanderende rivier Een kronkelende rivier met min of meer lusvormige bochten.

meandergordel Dat gedeelte van een stroomgordel waarbinnen de bedding van de

rivier zich heeft verplaatst.

nederzettingsterrein Woonplaats; de aard en samenstelling van het in het veld

aangetroffen sporen en materiaal wordt geïnterpreteerd als resten

van bewoning in het verleden.

oeverafzetting Rug langs een rivier, bestaande uit overwegend kleiafzettingen.

oeverwal Langgerekte rug langs een rivier of kreek, ontstaan doordat bij het

buiten de oevers treden van de stroom het grovere materiaal het

eerst bezinkt.

organisch Van plantaardige of dierlijke oorsprong.

oude woongrond Gronden met een 40 tot 80 cm dikke, zwarte humeuse bovenlaag,

gekenmerkt door de aanwezigheid van veel bewoningsresten

(houtskool, stenen, aardewerk), en een hoog fosfaatgehalte. Ze

zijn meestal hoog gelegen (stroomrug, donk) en daardoor goed

gedraineerd. Ze zijn bewoond geweest vanaf de IJzertijd tot en met

de Late Middeleeuwen.

overslag Sedimentatiewaaier welke is ontstaan bij doorbraak van een dijk in

het rivierengebied.

overslaggrond Het materiaal waaruit een overslag is opgebouwd (voornamelijk

zand en zavel).

oxidatie Reactie met zuurstof (roesten/corrosie bij metalen; 'verbranding' bij

veen).

Pleistoceen Geologisch tijdperk dat ca. 2,3 miljoen jaar geleden begon.

Gedurende deze periode waren er sterke klimaatswisselingen van

gematigd warm tot zeer koud (de vier bekende ijstijden). Na de

laatste ijstijd begint het Holoceen (ca. 8800 voor Chr.).

Pleniglaciaal Koudste periode van de laatste ijstijd, het Weichselien, ca. 70.000-

13.000 jaar geleden.

Prehistorie Dat deel van de geschiedenis waarvan geen geschreven bronnen

bewaard zijn gebleven.

relict Overblijfsel, rest.

reliëf 1. verhevenheid, het uitsteken of uitkomen boven iets anders; 2. de

natuurlijke oneffenheid van een oppervlak.

164


RAAP-RAPPORT 1688

restgeul Een door afsnijding, verlaten en daardoor inactief deel van

een rivier of geul, dat geen rol meer speelt bij de afvoer van

rivierwater. De afzettingen die hierin worden gevormd worden

restgeulafzettingen genoemd.

rivierduin Door uitstuiving uit een riviervlakte hierlangs ontstaan duin (in

Nederland meestal Weichselien of Vroeg Holoceen van ouderdom).

sedentair Op een vaste plaats gevestigd.

sediment Afzetting gevormd door het bijeenbrengen van losse

gesteentefragmentjes (zoals zand of klei) en eventueel delen van

organismen. Soms in iets te ruime zin ook gebruikt voor sedentaat.

sedimentatie Het afzetten van materiaal.

stadiaal Een relatief korte, koude periode binnen een glaciaal.

strang Met water gevulde, van de hoofdstroom afgesneden -'dode'meander.

stratigrafisch De ligging der lagen betreffend.

stroomgordel Het geheel van rivieroeverwal-, rivierbedding- en

kronkelwaardafzettingen, al dan niet met restgeul(en).

stroomrug Door relatieve hoogte in landschap zichtbare stroomgordel.

terp Door de mens opgeworpen woon- en vluchtheuvel.

uiterwaard Een strook land langs een rivier tussen zomerbedding en

rivier(winter)dijk die bij hoge waterstand onderloopt.

vlechtende rivier Een vlechtende rivier bestaat uit een stelsel van meerdere,

ondiepe waterlopen die zich herhaaldelijk splitsen en samenvoegen

(zie anastomoserende rivier).

wiel Kolkgat dat tijdens een dijkdoorbraak door het zich naar binnen

stortende water wordt uitgeschuurd in het land achter de dijk.

woerd Oude woongronden die doorgaans op de hogere delen van

stroomruggen liggen. Het zijn nederzettingsterreinen die veelal

reeds in de IJzertijd bewoond werden en waar als gevolg van

langdurige bewoning een onmiskenbare, donker gekleurde

afvallaag is gevormd.

OVERZICHT VAN FIGUREN, TABELLEN EN BIJLAGEN

Figuur 1. Ligging van het onderzoeksgebied (rood omlijnd); inzet: ligging in Nederland (ster).

Figuur 2. Hoogtekaart van de gemeente Lingewaal op basis van het Actueel Hoogtebestand

Nederland (AHN).

Figuur 3. Schematische doorsnede door een deel van de Betuwe.

Figuur 4. Uitzicht van af de Lingedijk met het aangrenzende oeverwallandschap.

Figuur 5. De restgeul van de Linge betreft tegenwoordig slechts een nauwe watergang.

165


RAAP-RAPPORT 1688

Figuur 6. De brede uiterwaarden van de Waal, die grotendeels gekenmerkt worden door laatmiddeleeuwse

en jongere gronden.

Figuur 7. Het Vurense wiel ontstaan in het einde van de 16e eeuw. De overslaggronden

zorgen voor een goede conservatie van de onderliggende archeologische resten

Figuur 8. Het kommenlandschap vormt het laagst gelegen deel van de gemeente Lingewaal.

Vanwege de lage ligging is het landschap gedurende de eeuwen meerdere malen

overstroomd.

Figuur 9. Terpbewoning bij Spijk. Door de steeds hogere waterstand en

overstromingsfrequentie moest men de huisplaatsen steeds verder ophogen en

kropen deze steeds hoger tegen de dijk op.

Figuur 10. Op de kadastrale kaart van 1830 is de omgrachting van kasteel Wayenstein nabij

Herwijnen nog aanwezig.

Figuur 11. Het (omgebouwde) kasteel Wadenborch wordt tegenwoordig als gemeentehuis van

Lingewaal gebruikt.

Figuur 12. Kasteel Merckenburg nabij Heukelum. Het kasteel dateert oorspronkelijk uit de 13e

eeuw. Het huidige gebouw is in 1740 gebouwd.

Figuur 13. Kasteel Wadenborch dateert uit het begin van de 15e eeuw. De funderingsresten

zijn nog vlak onder het maaiveld aanwezig.

Figuur 14. Op het kasteelterrein van Drakenburg (1401) bevindt zich tegenwoordig een

boerderijterp.

Figuur 15. Kasteel Frissestein is buitendijks gelegen en is, net als veel andere kastelen in

Lingewaal, rond 1672 door Franse troepen verwoest.

Figuur 16. Kasteel Engelenburg dateert uit het begin van de 15e eeuw. Hoe het complex er

precies heeft uitgezien is niet bekend.

Figuur 17. De Nederlands Hervormde kerk in Asperen.

Figuur 18 De wal van Asperen, aangelegd in het begin van de 14e eeuw, nadat stadsrechten

aan Asperen werden verleend.

Figuur 19. Het 'op akker zetten' van een perceel is duidelijk in het AHN-beeld waar te nemen.

Figuur 20. De vertaling van de waarden- en verwachtingskaart naar beleid.

Figuur 21. Beslisboom archeologische onderzoeksverplichting gemeente Lingewaal.

Figuur 22. De Leuvense kweldijk is de enige zone tussen de Linge en de Waal met bewoning

uit de Vroege Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd.

Tabel 1. Geologische en archeologische tijdschaal.

Bijlage 1. Catalogus van vindplaatsen (ook op bijgeleverde cd-rom).

Bijlage 2. Catalogus van archeologische monumenten (ook op bijgeleverde cd-rom).

Bijlage 3. Catalogus van onderzoeksmeldingen (alleen op bijgeleverde cd-rom).

Bijlage 4. ARCHIS-waarnemingen (alleen op bijgeleverde cd-rom).

Bijlage 5. Bestuurlijke leidraad (losse bijlage).

Kaartbijlage 1. Archeo logische waarden- en verwachtingskaart.

Kaartbijlage 2. Archeologische beleidskaart.

166


RAAP-RAPPORT 1688

BIJLAGE 1 CATALOGUS VAN VINDPLAATSEN

Catalogusnummer 1

- ARCHIS-waarnemingsnummer: 38061; ROB-code: 38HZ-3

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 130950/427800

- Plaats: Vuren; Toponiem: Wegse Wetering; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Onbekend; Functie: Onbekend

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Middeleeuwen Laat

- Bron: ARCHIS (ROB)

- Beschrijving: Losse vondst van enkele aardewerk fragmenten uit de Late

Middeleeuwen. De fragmenten zijn aangetroffen tijdens militaire werken.

Catalogusnummer 2

- ARCHIS-waarnemingsnummer: 24776; ROB-code: 38GZ-15

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 129010/429850

- Plaats: Spijk; Toponiem: Kasteel Leyenburg; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Kasteel; Functie: Versterking

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Middeleeuwen Laat

- Bron: ARCHIS (ROB)

- Beschrijving: Archeologisch onderzoek van de Leyenburg bracht een vierkante

voorburcht en een rechthoekig hoofdgebouw aan het licht. Vooral de muren van het

hoofdgebouw zijn door uitbraak sterk beschadigd. Aan de oostzijde heeft een zware

donjon gestaan. Het complex was door een ringmuur uit waarschijnlijk het einde 15e

eeuw omgeven. Het grondplan van de Leyenburg heeft in ten minste 2 bouwfasen zijn

huidige vorm gekregen.

Catalogusnummer 3

- ARCHIS-waarnemingsnummer: 25116; ROB-code: 38GZ-7

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 129780/428680

- Plaats: Vuren; Toponiem: Spijksche Veld; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Onbekend; Functie: Onbekend

Begindatering: Neolithicum Vroeg B; Einddatering: Neolithicum Vroeg B

- Bron: ARCHIS (ROB)

- Beschrijving: De vondst bestaat uit een hamerbijl, gevonden op een diepte van circa 14

m -Mv tijdens het zandzuigen. De hamerbijl is doorboord, 95 mm lang, 52 mm breed en

38 mm hoog.

Catalogusnummer 4

- ARCHIS-waarnemingsnummer: 31031; ROB-code: 38GZ-47

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 129680/429780

- Plaats: Spijk; Toponiem: Spijkse Kweldijk; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Nederzetting, Onbepaald; Functie: Nederzetting

Begindatering: Romeinse tijd; Einddatering: Middeleeuwen Laat

- Bron: ARCHIS (ROB)

- Beschrijving: Losse vondsten van een onbekend aantal fragmenten aardewerk.

Datering Romeins en Late Middeleeuwen. De vondsten zijn aangetroffen tijdens het

167


RAAP-RAPPORT 1688

omzetten van een weiland naar natuurgebied. Jongere vondsten zijn wel waargenomen,

maar niet verzameld.

Catalogusnummer 5

- ARCHIS-waarnemingsnummer: 25115; ROB-code: 38GZ-6

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 128900/429700

- Plaats: Spijk; Toponiem: Notenhof; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Onbekend; Functie: Onbekend

Begindatering: Middeleeuwen Laat B; Einddatering: Middeleeuwen Laat B

- Bron: ARCHIS (ROB)

- Beschrijving: De vondst bestaat uit grijsbakkend gedraaid aardewerk en Siegburg

scherven uit de Late Middeleeuwen (14e-15e eeuw). Alle scherven zijn ten oosten van de

kerk van Spijk, naast het kerkhof aangetroffen.

Catalogusnummer 6

- ARCHIS-waarnemingsnummers: 7950, 32402; ROB-codes: 38HN-15, 38HN-15

- Monumentnummer: 3257; ROB-code: 38H-007; Waarde: Terrein van hoge

archeologische waarde

- Coördinaten (x/y coördinaten): 134560/432220

- Plaats: Heukelum; Toponiem: Kasteel Merckenburch; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Kasteel; Functie: Versterking

Begindatering: Middeleeuwen Laat A; Einddatering: Nieuwe tijd

- Bron: ARCHIS (ROB)

- Beschrijving: Terrein met de resten van het Kasteel Merckenburch uit waarschijnlijk de

12e eeuw. Kasteel Heukelum is in 1734 op de fundamenten van Merckenburch gebouwd.

De toren in het bestaande bouwwerk is echter nog middeleeuws.

Catalogusnummer 7

- ARCHIS-waarnemingsnummer: 17893; ROB-code: 38HN-22

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 133000/431600

- Plaats: Heukelum; Toponiem: Achterweg; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Kapel; Functie: Religie

Begindatering: Middeleeuwen Laat B; Einddatering: Middeleeuwen Laat B

- Bron: ARCHIS (ROB)

- Beschrijving: De vindplaats betreft de (Maria)-Kapel.

Catalogusnummer 8

- ARCHIS-waarnemingsnummers: 44546, 50735; ROB-codes: 38HN-27, 38HN-37

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 133450/431750

- Plaats: Heukelum; Toponiem: Het Bolwerk; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Molen; Functie: Economie

Begindatering: Middeleeuwen Laat B; Einddatering: Middeleeuwen Laat B

- Bron: Kleij, P., 1999. Archeologisch onderzoek in het kader van de bouw van een

appartementencomplex in Heukelum. ADC-rapport 9.

- Beschrijving: De vindplaats betreft de fundering van een Molen uit de 14e-15e eeuw.

Tijdens archeologisch onderzoek zijn ondermeer een omwalling, funderingsresten,

bouwmateriaal en proto-steengoed aangetroffen.

168


RAAP-RAPPORT 1688

Catalogusnummer 9

- ARCHIS-waarnemingsnummer: 24895; ROB-code: 38HN-7

- Monumentnummer: 3256; ROB-code: 38H-006; Waarde: Terrein van hoge

archeologische waarde

- Coördinaten (x/y coördinaten): 134100/431950

- Plaats: Kedichem; Toponiem: Heidense Weg; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Nederzetting ; Functie: Nederzetting

Begindatering: Middeleeuwen Laat B; Einddatering: Nieuwe tijd A

Complextype: Nederzetting; Functie: Nederzetting

Begindatering: Romeinse tijd Midden; Einddatering: Romeinse tijd Midden

- Bron: ARCHIS (ROB)

- Beschrijving: Losse vondst bestaande uit enkele scherven uit de Romeinse tijd en de

Late Middeleeuwen.

Catalogusnummer 10

- ARCHIS-waarnemingsnummers: 24893, 32400; ROB-codes: 38HN-5, 38HN-28

- Monumentnummer: 12631; ROB-code: 38H-A03; Waarde: Terrein van archeologische

betekenis

- Coördinaten (x/y coördinaten): 135915/432615

- Plaats: Asperen; Toponiem: kasteel Wadenstein; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Kasteel; Functie: Versterking

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Nieuwe tijd B

- Bron: ARCHIS (ROB)

- Beschrijving: De vindplaats betreft de resten van kasteel Wadenstein (ook wel

Wadenborch geheten), welke in 1672 door de Fransen werd opgeblazen.

Catalogusnummer 11

- ARCHIS-waarnemingsnummer: 31535; ROB-code: 38HN-23

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 136020/432520

- Plaats: Asperen; Toponiem: Nh Kerk; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Kerk; Functie: Religie

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Nieuwe tijd C

Complextype: Graf, Onbepaald; Functie: Begraving

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Nieuwe tijd

- Bron: ARCHIS (ROB)

- Beschrijving: De vindplaats betreft de Middeleeuwse kerk van Asperen.

Catalogusnummer 12

- ARCHIS-waarnemingsnummers: 7922, 31525; ROB-codes: 38HN-13, 38HN-14

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 136440/432210

- Plaats: Asperen; Toponiem: Oranjewal; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Stad; Functie: Nederzetting

Begindatering: Middeleeuwen Laat B; Einddatering: Nieuwe tijd B

- Bron: Groningen, C.L. van, 1989. De Nederlandse monumenten van geschiedenis en

kunst. De Vijfherenlanden met Asperen, Heukelum en Spijk.

- Beschrijving: Tijdens het onderzoek in verband met de restauratie van de stadswallen

van Asperen zijn delen van de stadmuur aangetroffen. Het betreft ondermeer delen van

de muur, de torens en de houten vloer van de sluis in de Waterpoort.

169


RAAP-RAPPORT 1688

Catalogusnummer 13

- ARCHIS-waarnemingsnummer: 24942; ROB-code: 38HZ-1

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 135000/428250

- Plaats: Vuren; Toponiem: Kasteel Leyenburg; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Kasteel; Functie: Versterking

Begindatering: Middeleeuwen Laat B; Einddatering: Nieuwe tijd A

- Bron: Renaud, 1963 en 1964. Nieuwsbulletin van de Koninklijke Nederlandse

Oudheidkundige bond, 1963 en 1964.

- Beschrijving: De vindplaats betreft het kasteelterrein Leyenburg.

Catalogusnummer 14

- ARCHIS-waarnemingsnummer: 127661; ROB-code: 38HZ-15

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 134500/428450

- Plaats: Leuven; Toponiem: Leuvense Kweldijk; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Nederzetting, Onbepaald; Functie: Nederzetting

Begindatering: Middeleeuwen Laat B; Einddatering: Middeleeuwen Laat B

- Bron: Asmussen, 1996. Archeologische begeleiding Betuweroute. RAAP-Rapport 196.

- Beschrijving: Het betreft een geëgaliseerde vindplaats uit de Late Middeleeuwen.

Mogelijk onderdeel van de landerijen van kasteel Leyenburg. Diepere sporen zoals

waterputten zijn mogelijk bewaard gebleven.

Catalogusnummer 15

- ARCHIS-waarnemingsnummers: 14810, 400707; ROB-codes: 38HZ-8, 38HZ-23

- Monumentnummer: 868; ROB-code: 38H-002; Waarde: Terrein van zeer hoge

archeologische waarde, beschermd

- Coördinaten (x/y coördinaten): 136430/426580

- Plaats: Herwijnen; Toponiem: Wadestein; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Kasteel; Functie: Versterking

Begindatering: Middeleeuwen Laat B; Einddatering: Nieuwe tijd C

- Bron: Bijl, A., 1992. Over Heren, weiden en kastelen. Een geschiedenis van Herwijnen

van prehistorie tot heden. Schiferli, R., 2005. Kasteelterrein Wadestein, gemeente

Lingewaal. RAAP-Rapport 1181.

- Beschrijving: De vindplaats betreft het kasteelterrein Wadestein/Wayenstein uit de 14e

eeuw. Mogelijk dateert het kasteel al uit het begin van de 13e eeuw. In 1865 is het

kasteel grotendeels gesloopt. De fundamenten bevinden zich tegenwoordig direct onder

het maaiveld.

Catalogusnummer 16

- ARCHIS-waarnemingsnummer: 14809; ROB-code: 38HZ-7

- Monumentnummer: 867; ROB-code: 38H-001; Waarde: Terrein van zeer hoge

archeologische waarde, beschermd

- Coördinaten (x/y coördinaten): 137560/425740

- Plaats: Herwijnen; Toponiem: Schoutensteeg; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Kerk; Functie: Religie

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Middeleeuwen Laat

- Bron: ARCHIS (ROB)

170


RAAP-RAPPORT 1688

- Beschrijving: Het monument betreft een verhoogd gelegen kerkterrein c.q. vluchtberg

uit de Late Middeleeuwen, met een diameter van circa 60 m en een hoogte van circa 2,5

m ten opzichte van het omringende maaiveld.

Catalogusnummer 17

- ARCHIS-waarnemingsnummers: 14811, 56787; ROB-codes: 38HZ-9, 38HZ-21

- Monumentnummer: 869; ROB-code: 38H-003; Waarde: Terrein van zeer hoge

archeologische waarde, beschermd

- Coördinaten (x/y coördinaten): 137730/425970

- Plaats: Herwijnen; Toponiem: Engelenburg; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Kasteel; Functie: Versterking

Begindatering: Middeleeuwen Laat B; Einddatering: Nieuwe tijd

- Bron: ARCHIS (ROB). AMR-project, 2003.

- Beschrijving: De vindplaats betreft voormalig kasteel Engelenburg uit de 15e eeuw.

Oorspronkelijk bestond het kasteel uit een voorburg en hoofdburg. Tevens was het

terrein omgracht.

Catalogusnummer 18

- ARCHIS-waarnemingsnummer: 14812; ROB-code: 38HZ-10

- Monumentnummer: 870; ROB-code: 38H-004; Waarde: Terrein van zeer hoge

archeologische waarde, beschermd

- Coördinaten (x/y coördinaten): 137810/425650

- Plaats: Herwijnen; Toponiem: Frissestijn; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Kasteel; Functie: Versterking

Begindatering: Middeleeuwen Laat B; Einddatering: Middeleeuwen Laat B

- Bron: Vermeulen, F.A.J. 1946: De Monumenten van geschiedenis en kunst in de

Provincie Gelderland, deel 3. Tielerwaard.

- Beschrijving: Het monument betreft een terrein met de resten van het kasteel

Frissestijn (Huis te Herwijnen) uit de 14e-15e eeuw. Het kasteel complex bestaat uit een

hoofdburcht en een voorburcht omgeven door grachten.

Catalogusnummer 19

- ARCHIS-waarnemingsnummer: 128091; ROB-code: 38HZ-16

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 134400/428400

- Plaats: Leuven; Toponiem: Leuvense Kweldijk; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Onbekend; Functie: Onbekend

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Nieuwe tijd

- Bron: RAAP, 1997.

- Beschrijving: Vondst bestaande uit enkele scherven roodbakkend geglazuurd

aardewerk en steengoed uit de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd.

Catalogusnummer 20

- ARCHIS-waarnemingsnummer: 407215; ROB-code: 38HZ-26

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 137910/428000

- Plaats: Herwijnen; Toponiem: Broekgraaf; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Onbekend; Functie: Onbekend

Begindatering: Middeleeuwen Laat A; Einddatering: Middeleeuwen Laat B

171


RAAP-RAPPORT 1688

- Bron: Asmussen, P.S.G., 1991. Archeologische begeleiding deel A: Vaststellen minst

schadelijke tracé. RAAP-Rapport 59.

- Beschrijving: Tijdens een veldkartering zijn enkele aardewerk fragmenten uit de Late

Middeleeuwen gevonden. Tevens werd een brok tefriet met bewerkingssporen

aangetroffen. Het is niet duidelijk of het om een nederzettingsterrein gaat.

Catalogusnummer 21

- ARCHIS-waarnemingsnummer: 401916; ROB-code: 38HZ-24

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 131169/428048

- Plaats: Vuren; Toponiem: Veenbult; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Dijk; Functie: Infrastructuur

Begindatering: Nieuwe tijd A; Einddatering: Nieuwe tijd C

- Bron: ADC Archeoprojecten

- Beschrijving: Bij de tracébegeleiding Betuweroute is in de gemeente Lingewaal de dijk

en de daar voor gelegen gracht van de Hollandse Waterlinie ontdekt. Het dijklichaam en

gracht waren duidelijk herkenbaar in het vlak en profiel.

Catalogusnummer 22

- ARCHIS-waarnemingsnummer: 400360; ROB-code: 38HZ-22

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 131200/426200

- Plaats: Vuren; Toponiem: Poldersekade 16; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Onbekend; Functie: Onbekend

Begindatering: Paleolithicum; Einddatering: Nieuwe tijd C

- Bron: Klaven, van H.W., 2004. Inventariserend veldonderzoek Poldersekade 16 te

Vuren. Synthegra BV/Verhoeve Groep Rapportage 175140.

- Beschrijving: De vondst bestaat uit drie fragmenten bot.

Catalogusnummer 23

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 135135/428520

- Plaats: Leuven; Toponiem: De Wildheuvel; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Terp/wierde; Functie: Nederzetting

Begindatering: Middeleeuwen Laat B; Einddatering: Nieuwe tijd

- Bron: M. van Maren

- Beschrijving: Terp de Wildheuvel. De terp maakt onderdeel uit van het laatmiddeleeuwse

terpencluster aan de Leuvense Kweldijk

Catalogusnummer 24

- ARCHIS-waarnemingsnummer: 38062; ROB-code: 38HZ-4

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 130700/427650

- Plaats: Vuren; Toponiem: Wegse Wetering; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Schans; Functie: Versterking

Begindatering: Nieuwe tijd C; Einddatering: Nieuwe tijd C

- Bron: Rijksmuseum van oudheden.

- Beschrijving: Vondsten bij aanleg militaire werken. Geen verdere informatie bekend.

172


RAAP-RAPPORT 1688

Catalogusnummer 25

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 134910/433175

- Plaats: Asperen; Toponiem: Leerdamseweg; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Nederzetting, Onbepaald; Functie: Nederzetting

Begindatering: Romeinse tijd; Einddatering: Romeinse tijd

- Bron: Justin Wakker

- Beschrijving: Enkele oppervlakte vondsten waaronder vier Romeinse munten ( o.a. 1

Denarius). Vinder is de heer Van Ochten.

Catalogusnummer 26

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 133955/428325

- Plaats: Vuren; Toponiem: Leuvense Kweldijk; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Huisterp; Functie: Nederzetting

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Nieuwe tijd C

- Bron: Justin Wakker

- Beschrijving: Langs de Leuvense Kweldijk liggen enkele huisterpen uit de Late

Middeleeuwen. De vondsten die hier zijn aangetroffen bestaan uit meerdere kogelpot

scherven, postmiddeleeuws aardewerk, zilveren en koperen munten (t/m 18e eeuw), en

veel dierlijk bot.

Catalogusnummer 27

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 137775/428905

- Plaats: Herwijnen; Toponiem: De Laar; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Nederzetting, Onbepaald; Functie: Nederzetting

Begindatering: Middeleeuwen Laat A; Einddatering: Middeleeuwen Laat B

- Bron: Justin Wakker

- Beschrijving: Vondst bestaande uit meerdere kogelpot en Pingsdorf scherven. Het is

niet zeker of het een nederzettingsterrein betreft.

Catalogusnummer 28

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 136885/426100

- Plaats: Herwijnen; Toponiem: Kasteel Drakenstein; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Kasteel; Functie: Versterking

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Nieuwe tijd

- Bron: M. van Maaren

- Beschrijving: Kasteelterrein van voormalig kasteel Drakenburg uit het einde van de 13e

eeuw. Op het terrein bevindt nu een boerderijterp uit de 18e eeuw. Tijdens

werkzaamheden in de 20e eeuw zijn de gewelven van de kasteelkelder aangetroffen.

Catalogusnummer 29

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

173


RAAP-RAPPORT 1688

- Coördinaten (x/y coördinaten): 138400/426410

- Plaats: Herwijnen; Toponiem: Karthuizerklooster; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Klooster(complex); Functie: Religie

Begindatering: Middeleeuwen Laat B; Einddatering: Nieuwe tijd

- Beschrijving: Het terrein, ook wel Het Heilige Land genoemd, betreft het voormalig

Karthuizerklooster, welke dateert uit einde van de 15e eeuw. Tijdens

ruilverkavelkingswerkzaamheden in de jaren 60 van de vorige eeuw zijn puinresten van

het klooster aangetroffen. De aangrenzende begraafplaats had de naam Quando of

Kwando (catalogusnummer 30).

Catalogusnummer 30

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 138420/426350

- Plaats: Herwijnen; Toponiem: Kwando; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Grafveld, Inhumaties; Functie: Begraving

Begindatering: Middeleeuwen Laat B; Einddatering: Nieuwe tijd

- Bron: M. van Maaren

- Beschrijving: Dit terrein betreft de voormalige begraafplaats Quando/Kwando

behorende bij het Karthuizerklooster (catalogusnummer 29).

Catalogusnummer 31

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 133925/428248

- Plaats: Leuven; Toponiem: De Grote Heuvel; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Terp/wierde; Functie: Nederzetting

Begindatering: Middeleeuwen Laat B; Einddatering: Nieuwe tijd

- Bron: M. van Maaren

- Beschrijving: Terpterrein de Grote Heuvel. Het terrein maakt onderdeel uit van de terein

langs de Leuvense Kweldijk.

Catalogusnummer 32

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 133715/428240

- Plaats: Leuven; Toponiem: Leuvense Kweldijk; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Terp/wierde; Functie: Nederzetting

Begindatering: Middeleeuwen Laat B; Einddatering: Nieuwe tijd

- Bron: M. van Maaren

- Beschrijving: Terpenterrein genaamd De Heuvel voor de Kerkweg. Behoord tot het de

terpencluster aan de Leuvense Kweldijk.

Catalogusnummer 33

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 130755/428715

- Plaats: Spijk; Toponiem: Lingebos; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Onbekend; Functie: Onbekend

174


RAAP-RAPPORT 1688

Begindatering: Romeinse tijd; Einddatering: Romeinse tijd

- Bron: A. Bijl

- Beschrijving: Tijdens de aanleg van het Lingebos zijn enkele scherven uit de Romeinse

tijd aangetroffen. De exacte locatie is niet bekend. Mogelijk zijn de scherven afkomstig

van een op de meandergordel van Spijk gelegen nederzetting. Mogelijk compleet

vergraven.

Catalogusnummer 34

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 133745/431751

- Plaats: Heukelum; Toponiem: Kerk Heukelum; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Kerk; Functie: Religie

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Nieuwe tijd

- Bron: M. van Maaren

- Beschrijving: De kerk van Heukelum. Deze zou via een ondergrondse tunnel in verband

staan met Kasteel Merckenburg (catalogusnummer 6). Van de vermoedelijke tunnel zijn

tijdens werkzaamheden overblijfselen aangetroffen. De kerk is oorspronkelijk geweid aan

Maria en is éénbeukig met een kort vijfzijdig gesloten schip. De huidige kerk verrees in

fasen ter plaatse van een voorganger uit circa 1250. De zuidelijke dwarsarm kwam rond

1350 tot stand, de kap en gevel dateren uit circa 1510. De voormalig sacristie is laat

14e-eeuws en het koor verrees rond circa 1400. Bij een brand in 1699 werden het

oorspronkelijke schip en de vroeg 16e-eeuwse toren verwoest. Het huidige schip dateert

uit 1728.

Catalogusnummer 35

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 133848/431838

- Plaats: Heukelum; Toponiem: Klooster Heukelum; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Klooster(complex); Functie: Religie

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Nieuwe tijd

- Bron: M. van Maaren

- Beschrijving: Het klooster van Heukelum. Verder geen informatie bekend.

Catalogusnummer 36

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 136217/432545

- Plaats: Asperen; Toponiem: Asperen; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Stad; Functie: Nederzetting

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Nieuwe tijd C

- Bron: M. van Maaren

- Beschrijving: De dorpskern van Asperen is in het verleden meerdere keren opgehoogd.

Zo werd tijdens rioolwerkzaamden op 1 m -MV bestrating aangetroffen.

Catalogusnummer 37

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 133665/431715

- Plaats: Heukelum; Toponiem: Heukelum; Gemeente: Lingewaal

175


RAAP-RAPPORT 1688

- Archeologie

Complextype: Stad; Functie: Nederzetting

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Nieuwe tijd C

- Bron: M. van Maaren

- Beschrijving: De dorpskern van Heukelum is in het verleden waarschijnlijk meerdere

keren opgehoogd.

Catalogusnummer 38

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 128928/429860

- Plaats: Spijk; Toponiem: Hervormde Kerk; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Kerk; Functie: Religie

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Nieuwe tijd C

- Beschrijving: De Hervormde Kerk van Spijk is een driebeukige pseodobasilicale kerk

met driezijdig gesloten koor uit circa 1250 en werd rond 1500 met een geleding

verhoogd. Het huidige schip en koor kwam in 1400 en 1500 tot stand.

Catalogusnummer 39

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 136925/426040

- Plaats: Herwijnen; Toponiem: Achterweg; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Stad; Functie: Nederzetting

Begindatering: Middeleeuwen Vroeg D; Einddatering: Nieuwe tijd C

- Bron: M. van Maaren

- Beschrijving: Volgens oude bronnen betreft de aangegeven woongrond het oudste

gedeelte (circa begin 9e eeuw) van Herwijnen.

Catalogusnummer 40

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 136/432

- Plaats: Asperen; Toponiem: Brugstraat; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Klooster; Functie: Religie

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Middeleeuwen Laat

- Bron: M. van Maaren

- Beschrijving: Kluisbroederklooster te Asperen.

Catalogusnummer 41

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 136093/432581

- Plaats: Asperen; Toponiem: Minstraat; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Klooster; Functie: Religie

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Middeleeuwen Laat

- Bron: M. van Maaren

- Beschrijving: Begijnenklooster van de heilige Anna.

176


RAAP-RAPPORT 1688

Catalogusnummer 42

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 131/425

- Plaats: Vuren; Toponiem: Steenfabriek; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Onbekend; Functie: Onbekend

Begindatering: Neolithicum; Einddatering: Neolithicum

- Bron: A. Bijl

- Beschrijving: Vondst van vuursteen nabij de steenfabriek van Vuren. Exacte plaats en

diepte is niet bekend.

Catalogusnummer 43

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 132/426

- Plaats: Vuren; Toponiem: Kasteel Tumelenborg; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Kasteel; Functie: Versterking

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Middeleeuwen Laat

- Bron: A. Bijl

- Beschrijving: De vindplaats betreft kasteel Tumelenburg.

Catalogusnummer 44

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 136/432

- Plaats: Asperen; Toponiem: Kasteel Lingestein; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Kasteel; Functie: Versterking

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Middeleeuwen Laat

- Bron: A. Bijl

- Beschrijving: Kasteel Lingestein te Asperen.

Catalogusnummer 45

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 128/429

- Plaats: Spijk; Toponiem: Kasteel Spijk; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Kasteel; Functie: Versterking

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Middeleeuwen Laat

- Beschrijving: De vindplaats betreft het voormalig kasteel Spijk.

Catalogusnummer 46

- ARCHIS-waarnemingsnummer: -; ROB-code: -

- Monumentnummer: n.v.t.

- Coördinaten (x/y coördinaten): 132/426

- Plaats: Vuren; Toponiem: Kerk; Gemeente: Lingewaal

- Archeologie

Complextype: Kerk; Functie: Religie

Begindatering: Middeleeuwen Laat; Einddatering: Middeleeuwen Laat

- Beschrijving: De vindplaats betreft de voormalige kerk van Vuren.

177


RAAP-RAPPORT 1688

BIJLAGE 2 CATALOGUS VAN ARCHEOLOGISCHE

MONUMENTEN

Monumentnummer 867

- Waarde: Terrein van zeer hoge archeologische waarde, beschermd

- Plaats: Herwijnen; Toponiem: Schoutensteeg

- Complextype: Kerkterrein/vluchtheuvel

- Begindatering: Late Middeleeuwen; Einddatering: Late Middeleeuwen

Monumentnummer 868

- Waarde: Terrein van zeer hoge archeologische waarde, beschermd

- Plaats: Herwijnen; Toponiem: Wayenstein

- Complextype: Kasteel Wayenstein

- Begindatering: Late Middeleeuwen; Einddatering: Nieuwe tijd

Monumentnummer 869

- Waarde: Terrein van zeer hoge archeologische waarde, beschermd

- Plaats: Herwijnen; Toponiem: Engelenburg

- Complextype: Kasteel Engelenburg

- Begindatering: Late Middeleeuwen; Einddatering: Nieuwe tijd

Monumentnummer 870

- Waarde: Terrein van zeer hoge archeologische waarde, beschermd

- Plaats: Herwijnen; Toponiem: Frissestein

- Complextype: Kasteel Frissestein

- Begindatering: Late Middeleeuwen; Einddatering: Nieuwe tijd

Monumentnummer 3256

- Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde

- Plaats: Heukelum; Toponiem: Hoenderwaard

- Complextype: Nederzetting

- Begindatering: Romeinse tijd; Einddatering: Late Middeleeuwen

Monumentnummer 3257

- Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde

- Plaats: Heukelum; Toponiem: Merckenburg

- Complextype: Kasteel Merckenburg

- Begindatering: Late Middeleeuwen; Einddatering: Nieuwe tijd

Monumentnummer 12631

- Waarde: Terrein van archeologische waarde

- Plaats: Asperen; Toponiem: Wadenstein

- Complextype: Kasteel Wadenstein

- Begindatering: Late Middeleeuwen; Einddatering: Nieuwe tijd

178

More magazines by this user
Similar magazines