^Journalist

webstore.iisg.nl

^Journalist

3de Jaargang No. 6

Verschijnt 'maandelijks

Januari 1949

^Journalist

Redactie: J. J. F. v. d. Bergh

Mr. E. Elias - Yge Foppema

ORGAAN VAN DE NEDERLANDSE JOURNALISTENKR.ING

„FACTS ARE SACREI)"

Gevaren der subjectiviteit

fERSTE en voornaamste taak van

E• het dagblad is en blijft het

publiceren van nieuws, d.w.z. van

nieuwe feiten, met de openbaarmaking

waarvan een algemeen belang

wordt gediend, dit laatste begrip

in ruime zin genomen. Ook hst

„journal d'opinion" dient op straffe

van ondergang zijn plicht na te komen

om waarheidsgetrouw de feiten

te publiceren, bij de kennis waarvan

zijn lezerskring of belangrijke groepen

van lezers belang hebben. Waarheidsgetrouw,

dus strevende naar een

zo groot mogelijke objectiviteit. Nu

weten we allen, dat absolute objectiviteit

niet mogelijk is. De stroom

van feiten is zo groot, dat slechts

een deel daarvan gekanaliseerd kan

worden in de kolommen van de

krant; noodzakelijkerwijze zal dus

een selectie moeten worden toegepast

en daarbij passeert de stroom

de min of meer subjectieve zeef van

de redactie. Maar toch zal de subjectieve

voorkeur van de selecterende

journalist niet de doorslag mogen

geven. Hij zal de relatieve nieuwswaarde

van de door hem te verwerken

feiten voor zijn lezers moeten

bepalen en zich bij zijn beslissing

'omtrent opneming in de krant daardoor

moeten laten leiden. De aard

van de lezerskring en het daarmede

overeenstemmende karakter van het

daarvoor bestemde blad zijn factoren,

welke in bedoelde beslissing

mede een rol spelen, doch altijd zal

de journalist zich bewust moeten

blijven van zijn voorlichtende taak

en niet louter aan de leiband van

de •— overigens dikwijls meer'veronderstelde

dan werkelijk bewezen! —

behoeften 'van zijn lezerskring moeten

lopen. Van het tot uitdrukking

komen van de relatieve nieuwswaarde

van feiten kan juist een opvoedende

werking op He lezerskring uitgaan.

Is eenmaal besloten tot de publicatie

van bepaalde feiten, dan zal

bovendien de verwerking zo objectief

mogelijk dienen te geschieden.

Ook hier geldt wederom, dat absolute

objectiviteit, zo daarvoor een

norm al gevonden zou kunnen worden,

in de practijk zeker niet bereikbaar

is. Maar iedere collega weet,

dat hij bij het streven naar objectiviteit

een sprekend orgaan heeft,

waarnaar hij dient te luisteren: zijn

journalistieke geweten. Of hij nu een

min of meer uitvoerig bericht heeft

op te stellen, dan wel een verslag,

een beschrijvende reportage, ja zelfs

een commentaar heeft te schrijven,

steeds wordt hij geconfronteerd met

„hard facts" en zal hij deze zo waarheidsgetrouw

moeten presenteren.

Het resultaat moet zo zijn, dat de

gemiddelde opmerkzame lezer, die de

feiten met eigen ogen of oren heeft

kunnen vaststellen, de journalistieke

weerg^e daarvan als juist moet erkennen.

Ook indien liet bericht wordt

„aangekleed"; ook indien de verslaggever

zich door de aard van de „verslagen"

bijeenkomst geroepen gevoelt

om de sfeer te schetsen; ook

indien de journalist in een beschrijvende

reportage blijk geeft van een

zeer persoonlijke aanpak van de behandelde

problemen; ook indien de

commentator zijn zeer subjectieve

oordeel tot uitdrukking brengt, —

steeds zal de betrokkene zich door

de wijze van presentatie niet mogen

laten verleiden de feiten te moder

leren naar de vorm, waarin hij zich

wil uiten; het feitelijke beeld mag

niet worden vertekend.

TJBT, is noodzakelijk, dat wij als

* •* journalistieke gemeenschap ons

opnieuw op deze • fundamentele beginselen

van onze beroepsuitoefening

bezinnen, omdat zich in de journalistiek

van na de oorlog, in sterkere

mate dan voorheen, verschijnselen

voordoen, welke nopen tot het aan

de orde stellen van het vraagstuk

van de feitelijke juistheid van de

nieuwsvoorziening. Uit klachten, welke

het presidium van de Federatie

uit verschillende kring bereiken,

maar ook uit eigen waarneming valt

vast te stellen een verminderde eerbied

voor de feiten, welke in

de pers moeten worden weergegeven.

Zeker, de journalisten hebben in

de afgelopen drie jaar met zeer bijzondere

moeilijkheden te kampen gehad,,

welke ten dele als verklaring en

zelfs als verontschuldiging voor bedoelde

tekortkoming mogen worden

aangevoerd. De voornaamste moeilijkheid,

welke voor de ervaren vakbroeder

niet minder klemmend was

dan voor de jonge journalist, die

eerst na' de bevrijding in het vak is

getreden, sproot voort uit het nijpend

plaatsgebrek, waarmede elke dag

opnieuw moest worden geworsteld, —

een gebrek, dat gaandeweg enigszins

is verminderd, doch dat ook

thans nog telkens weer de ontplooiing

van een behoorlijke journalistiek belemmert.

En wat de jongere collega's betreft,

zij hebben hun practische scho-

Mng niet jgekregen — zoals hun vakgenoten,

vroeger — door de verwerking

van die veelheid van secundair

nieuws, dat in de tegenwoordige

kleine kranten meestal niet aan bod

komt; zij zijn ineens gesteld voor het

belangrijke werk, waarbij de feitelijke

juistheid de beslissende factor

is in de oordeelsvorming van het

publiek over de wijze, waarop de pers

haar taak vervult. Het plaatsgebrek

ook is oorzaak, dat de selectie van

het nieuws volgens veel schemers

normen dan! voorheen moet worden

gemaakt en de beslissing omtrent

opneming dikwijls, hoezeer te goeder

trouw genomen, onvermijdelijk een

min of meer arbitrair karakter gaat

krijgen. Het weergeven van allerlei

secundaire feiten, voor een genuanceerde

beoordeling van het gehele

feitencomplex eigenlijk onmisbaar,


moet achterwege blijven. Het vermelden

van allerlei, in de maatschappij

met betrekking tot een bepaald

probleem heersende, tegenstrijdige

opvattingen is slechts bij uitzondering'

mogelijk. Vandaar de onmiskenbare

behoefte van een critisch

gestemd deel van het publiek om tegenwoordig

meer dan één krant te

lezen, omdat het anders geen volledig

beeld van bepaalde situaties

meent te kunnen krijgen. En dan kan

het niet anders dan dat de lezer, die

in zijn ene krant berichten mist, welke

in de andere wel voorkomen en

die hij niet meent te kunnen ontberen,

in het algemeen in de objectiviteit

van de pers met betrekking tot

de nieuwsvoorziening minder gelooft

dan voorheen. Onbekendheid met dedagelijkse

moeilijkheden van de dagbladredacties

is oorzaak, dat deze

lezer zich ergert aan het gemis van

bepaalde berichten in de onderscheidene

kranten; hij geeft er zich geen

rekenschap van, dat^ een krant van

de verschillende sectoren van het

leven tezelfdertijd enig beeld moet

geven en vindt altijd wel enige berichten

of verslagen, die volgens zijn

persoonlijk inzicht weggelaten hadden

kunnen worden om plaats te

maken voordat nieuwe, waarop hij

prijs stelt. Zo is het ruimtegebrek

niet alleen oorzaak van .een onvoldoende

feitelijke voorlichting, het

knaagt ook aan de wortel van de

maatschappelijke positie van de pers,

het vertrouwen van het publiek

TXlOCH ondanks deze erkenning van

'*^ de bestaande moeilijkheden moeten

we ons toch afvragen, of binnen

het kader van de mogelijkheden het

streven naar zo groot mogelijke objectiviteit

wel aanwezig is. Deze

vraag is in de eerste plaats' gerechtvaardigd

ten aanzien van de rechtsverslagen.

Wanneer een advocaat,

die in een zaak voor een bijzonder

gerechtshof, welke in een bepaalde

stad de aandacht heeft getrokken,

voor de verdachte is opgetreden, mij

negen verslagen voorlegt van ongeveer

gelijke lengte en dan constateert,

dat er slechts één krant is geweest,

die ook in de thans gebruikelijke

beknopte vorm een voldoend

beeld van het verloop van de rechtszaak

— vermelding van~ de tenlastelegging,

samenvatting van de verhoren

van verdachte en getuige, weergave

van de hoofdlijnen van requisitoir

en pleidooi — heeft gegeven,

dan is dit een bedroevend verschijnsel.

De andere verslagen waren meer

of minder aardige verhaaltjes, bij het

schrijven waarvan het subjectieve

ERVAREN JOURNALIST,

veertiger, gewend zelfstandig te

werken en leiding te geven, zoekt

functie.

Brieven onder No. 70/48, „De

Journalist", N.Z. Kolk 28, A'dam.

2

oordeel van de verslaggever de boventoon

heeft gevoerd.

In dit verband moet worden vastgesteld,

dat dit voorbeeld, dat met

vele andere is aan te vullen, des te

bedenkelijker is, aangezien het de

rechtspraak betreft. Het is een goede

journalistieke gewoonte om geen

oordeel te geven over zaken, welke

nog „sub judice" zijn of moeten komen.

Deze' gewoonte is gegrond op

de positie van de rechtspraak in ons

democratisch bestel; de pers moet

niet op de rechterstoel gaan zitten,

zulks te iminder omdat zij vrijwel

nooit het gehele dossier kent. Eerbied

voor de hoogheid van de rechtspraak,

basis van de rechtszekerheid, moet

de pers bij haar doen en laten leiden.

Dit geldt zowel de eigenlijke

verslagen als de vroeger bij grote

rechtszaken daarnaast wel gegeven

reportages van sfeer era van in een

gewoon verslag niet te vangen verloop

van de zaak; juist bij dergelijke

reportages moet de journalist zich

scherp bewust zijn van de grens tussen

het oirbare en onoirbare. Natuurlijk

kan de pers eeru taak hebben

bij het oefenen van critiek op in

kracht van gewijsde gegane rechterlijke

uitspraken, met name bij het

opsporen van rechterlijke dwalingen.

Doch ook dam zal de vorm van het

journalistieke optreden de hoogheid

van de rechtspraak niet mogen aantasten.

EJn beslist ongepast is de beschuldiging

van partijdigheid aan

het adres van eens kantonrechter

naar aanleiding van een kwestie van

uitzetting uit een woning, indien de

bewuste krant niet -de feiten vermeldt,

waarop de beschuldiging

wordt gegrond. Een voorbeeld uit de

Nederlandse pers!

Het vorenstaande geldt m.i. ook,

of liever juist voor de verslagen van

de bijzondere rechtspraak. De opzet

van deze r e e h t e r 1 ij k e behandeling

van bezettingsgevallen is immers,

dat Nederland langs de beproefde

weg van het recht wil afrekenen

met wie zich onvaderlandslievend

heeft gedragen. Wanne%r dan

ook, op zichzelf volkomen begrijpelijk,

het publiek op een eis tot het

uitspreken van de doodstraf in' een

bepaalde zaak applaudisseert, welke

volksuiting de president poogt af te

hameren, dan blijft de krant, die in

de kop boven het verslag wel het

applaus vermeldt, doch het feit van

het presidentiële ingrijpen onvermeld

laat, beneden haar taak, n.1.

de opvoedende taak om het publiek

bij te brengen, dat Vrouwe Justitia

onpartijdig is, zelfs tegen de' grootste'onverlaten,

en de weegschaal van

het recht hanteert. Juist bij de bijzondere

rechtspraak is de vorm van

de beschrijvende, subjectieve reportage

een journalistiek, welke bijzon-'

dere gevaren voor de noodzakelijke

objectiviteit in zich bergt.

IET alleen ten aanzien van de

N rechtsverslagen valt een vermin­

derde eerbied voor de feiten te constateren.

Deze openbaart zich ook

op de andere terreinen van de journalistieke

activiteit. Onlangs gaf een

bekwaam sportredacteur tegenover

mij te kennen, dat de vorm van het

verslag van belangrijke voetbalwedstrijden,

waarin het feitelijke verloop

van de wedstrijd gescheiden van het

critische oordeel wordt weergegeven,

„ouderwets" is te achten en dat aan

de „moderne" vorm van de beschrijvende

reportage, waarin feiten en

oordeel dooreengemengd zijn, verre

de voorkeur moet worden gegeven.

Ik héb er geen twijfel over laten bestaan,

dat ik, hoezeer de wenselijkheid

van een „smakelijke" aankleding

van sportverslagen erkennende, aan

de splitsing van feiten en commentaar,

althans in de grote verslagen,

nog altijd blijf hechten als de principieel

enig juiste vorm. Ik meen ook

uit ervaring te kunnen vaststellen,

dat het belangstellende, critische

publiek juist prijs stelt op de kennis

van de feiten, op grond waarvan het

een eigen oordeel kan baseren en dat

de zogenaamde „lekkere" stukjes,

waarin sommige bladen thans hun

kracht zoeken — overigens dankbare

stof voor de Charivaria-rubriekjes

opleverende! —, de wezenlijke functie

van de pers, hst geven van feiten

ook op. sportgebied, miskennen.

Deze scheiding van feiten en commentaar

is nog veel klemmender op

een ander terrein, n.1. dat der journalistieke

activiteit met betrekking tot'

de vertegenwoordigende lichamen.

Vóór de oorlog was het goed gebruik,

althans bij de meeste bladen, een zo

objectief mogelijk verslag van het

behandelde te geven, waarnaast een

aantal bladem een als zodanig duidedijk

te onderkennen,^ meer subjectief

getint overzicht gaf. Het plaatsgebrek

heeft deze laatste bladen na de

bevrijding genoopt een gemengd

overzicht-verslag te geven. Men

kan volle bewondering hebben voor

de wijze, waarop sommigen onzer

collega's zich van hun hybridische

taak van verslaggever-overzichtschrijver

kwijten, zonder nochtans

het oog te sluiten voor de onwenselijkheid

van deze gecombineerde

vorm. Een enkel blad is er reeds weer

toe overgegaan om een beknopt, feitelijk

Kamerverslag naast een overzicht

te geven; de geneigdheid der

andere daarvoor in aanmerking komende

kranten om dit voorbeeld te

volgen, schijnt vooralsnog miniem,

waarschijnlijk om (binnenkort echter

opnieuw verzwakte) redenen van

plaatsgebrek.,

In de weekbladpers is het gemis

aan een objectief Kamerverslag in

de dagbladen onlangs meermalen

aan de orde gesteld in zeer critische

geest. Ik laat nu daar, of de op de

dagbladpers gedane-aanvallen steeds

even steekhoudend waren, maar de

desbetreffende behoefte van een deel

van) het lezerspubliek is onmiskenbaar.

En overigens is ne ^ de taak


SENIORENCONVENT VOOR DE

VIERDE MAAL BIJEEN

Al voor de vierde keer is het Seniorenconvent

van Journalisten bijeen

geweest; ditmaal op Zaterdag 18

December 1948 wederom bij „Kras".

Het blijft crescendo gaan: vier en

dertig deelnemers zaten er, na een

genoeglijke borrel, aan en het zouden

er nog meer zijn geweest als niet

verscheiden collega's en oud-collega's

bericht van verhindering hadden

moeten zenden.

Monter en vief zat daar de nestor

der nestoren, Vierhout, ondanks zijn

84 lentes, die tot zijn spijt wegens

zijn gezondheidstoestand één keer

had moeten overslaan. Als „vreemde

eend in de bijt" was er Dirkse, de

administrateur van de N.R.C, in de

hoofdstad, maar een man die nu

eenmaal een figuur is in de Amsterdamse

krantenwereld en er eigenlijk

bij hoort. Als „nieuwe" gezichten

waren er voorts o.m. Meerum Terwogt,

Van Manen en Van der Hout.

Maar laten we niet verder toegeven

aan de lust om „namen te noemen".

De voorzitter van het Seniorenconvent,

collega Louis Schotting, was

weer de tafel-president. Men zou het

hem nog steeds niet aanzien dat

Vierhout hem maar zes jaar vóór is

in leeftijd!

Hij herdacht bij de aanvang van

de maaltijd onze overleden collega

van de pers in een democratische

staat om de helaas te latente belangstelling

voor de behandeling van de

openbare zaak te wekken in de eerste

plaats door een goede nieuwsvoorziening.

Het is mijn vaste overtuiging,

dat het gebrek aan interesse voor

de gemeentepolitiek, zeker voor die

van de grote steden, — in tegenstelling

tot vroeger —, vooral voortvloeit

uit een gebrek aan feitenkennis met

betrekking tot de gemeentelijke

zaken.

ERMINDERDE eerbied voor de

V feiten valt ook af te leiden uit

de zich tegenwoordig sterk openbarende

neiging om de snelheid van

berichtgeving te laten praevaleren

boven de betrouwbaarheid. Het komt

herhaaldelijk voor, dat berichten

worden gelanceerd, kennelijk zonder

dat voldoende verificatie heeft

plaats gevonden; een tegenspraak is

dan dikwerf het gevolg. Hoewel de

meeste bladen voldoen aan hun ontwijfelbare

plicht om dergelijke tegenspraken

te plaatsen, is volledig

redres op deze wijze toch niet bereikbaar;

degenen immers, die het

eerste onjuiste bericht onder ogen

hebben gehad, zullen zeker niet allen

ook de tegenspraak opmerken.

En voorzover zulks wel het geval is,

zal een al te veelvuldig voorkomen

Hesseling en gewaagde er vervolgens

van dat er twee jubilarissen

aanzaten: Van Loon, die op 1 Januari

1948 40 jaar geleden tot vast

redacteur van „De Standaard" werd

benoemd en Meerum Terwogt, die

op 1 Januari 1949 gedurende even

lange tijd zijn sportieve kracht heeft

gewijd aan de N.R.C. •

Collega Schotting deed zijn woorden

vergezeld gaan van de aanbieding

namens het Seniorenconvent

van een boekwerk aan elk der jubilarissen.

Met een gevoelig woord dankte

Van Loon, waarbij hij zijn erkentelijkheid

betuigde voor de vriendschap

die hij steeds van vele Amsterdamse

collega's had ondervonden.

Meerum Terwogt haalde in een humoristisch

dankwoord herinneringen

op aan de tijd, dat er nog geen vette,

koppen waren, maar de krant tenminste

gelezen werd en dat het als

iets zeer merkwaardigs werd beschouwd

dat van 80 auto's, die van

Utrecht naar Groningen waren gestart,

er 48 waren aangekomen.

Holsboer bleek ontdekt te hebben

dat hij nog met Meerum Terwogt op

de bewaarschool was geweest en er

met hem van was verwijderd en daarna

van rectificaties knagen aan het

vertrouwen, dat het publiek in de

pers stelt; de indruk toch wordt gewekt,

dat de pers het met de berichtgeving

niet al te nauw neemt. Ik rep

hiervan, omdat mij de laatste tijd

van verschillende zijden opmerkingen

in deze zin werden gemaakt,

waarbij de bewijzen van weinig zorgvuldige

berichtgeving werden overgelegd.

De daarbij weerkerende klacht van

Nederlandse instanties is, dat hen

betreffende berichten van "buitenlandse

persbureau's worden opgenomen,

zonder dat bij de betrokken

instantie eerst behoorlijk navraag

wordt gedaan; de moeite van het

voeren van zelfs een stadstelefoongesprek

schijnt soms te veel. Wel

heel gortig maakte het onlangs een

Haags blad, dat aan een — op zichzelf

reeds onjuist — bericht omtrent

de opzegging van een buitenlands

oliecontract door een onzer grootste

ondernemingen, zonder enige nadere

verificatie, de uit de duim gezogen

conclusie verbond, dat de welvaart

van Curacao nu wel gevaar zou lopen,

terwijl het hele geval nota bene

slechts een miniem deel van de productie

van deze onderneming gold!

Andere bladen namen het bericht, gelukkig

zonder dergelijk commentaar,

maar voorts even klakkeloos op.

was het Bob Wallagh die zich namens

de jongeren afvroeg of er. in

1965 of 1975 nog dezelfde geest van

verbondenheid onder de journalisten

zou heersen als thans, blijkens het

Seniorenconvent! Hij hoopte in elk

geval dat diezelfde geest nog tot in

lengte van jaren zou blijven bestaan.

Namens de Buitenlandse Persvereniging

sprak tenslotte de secretaris

Pal Balasz, die de Nederlandse journalistiek

roemde als een journalistiek

van goed fatsoen en in herinnering

bracht, dat toen hij vele jaren geleden

als journalist in Hongarije was,

zijn hoofdredacteur een lezing had

gehouden over de Nederlandse journalistiek,

die, zoals deze het uitdrukte,

wat recht is, wat echt is en

wat mooi is, ziet, en er bekendheid

aan geeft.

Vergaderingen van de vereniging

„De Amsterdamse Pers" plachten

vroeger nog weleens gestoord te worden

door branden of andere gebeurtenissen.

Wij moesten hieraan denken toen

enkele collega's van tafel werden

weggeroepen voor het zeer ernstige

nieuws van de militaire actie in Indonesië.

Na afloop verenigde men zich

voor een napraatje bij een kopje

koffie of zo in de Bodega Oporto

en men nam afscheid met een tot

weerziens op de volgende bijeenkomst

van het Seniorenconvent.

C. J. S.

Het ene persbureau blijkt in het

algemeen betrouwbaarder dan het

andere, doch zelfs ten aanzien van

berichten van het beste bureau blijft

de( eigen verantwoordelijkheid van

de redactie onverminderd gelden.

Het schijnt soms wel, of men met de

vermelding van de bron meent van

de zaak af te zijn; de opneming op

zichzelf komt echter voor de volle

verantwoordelijkheid van het publicerende

blad. Maar de angst, dat een

andere krant-abonné het bericht van

het bureau wèl in de eerstvolgende

editie zal opnemen, blijkt soms zo

groot, dat het risico van onjuistheid,

indien op dat ogenblik verificatie

niet mogelijk blijkt, maar op de koop

toe wordt genomen.

Elk geval op zich zelf schijnt niet

zo bijster belangrijk. De reeks bewijst

echter, dat we met een veel

voorkomend verschijnsel te maken

hebben. Moge iedere Nederlandse

journalist bij zich zelf te rade gaan,

hoe hij op de plaats waarop hij staat,

eraan kan medewerken, dat de pers

algemeen blijk geeft van de noodzakelijke

eerbied voor de feiten. Niet

voor niets is de uitspraak van de

grote Engelse journalist Scott:

„Comment is free, but facts are

sacred" tot een gevleugeld woord

geworden.

ROOIJ

3


JOURNALISTIEK JOURNAAL

• Het gevecht tegen de „beeldroman"

is van enige journalistieke

betekenis, omdat de strip (een

kortere en minder pretentieuze naam

voor dit fenomeen) een deel van onze

kranten i,s geworden, een zeer intrinsiek

deel, al is dit niet in zulk

een mate het geval als in vele

andere landen; de Verenigde Staten

vooral. De dagbladen (en de weekbladen

óók) hier in Nederland

hebben dus geen reden tot zelfverwijt.

Tom Poes, Bulletje en

Bonestaak, Kapitein Rob en dezulken

lijken mij paedagogisch wel

verantwoord. Wanneer men de beeldverhalen

vergelijkt met veel dat in

Amerika vertoond wordt dan mogen

wij ons (één maal) op de borst.slaan.

0 Deze korte notitie is bedoeld

als aanloop voor een enkel woord

over de reactie die het A.N.P.-verslag

over het Enkhuizer drama heeft

teweeggebracht. Dit drama immers

werd mede als gevolg van de invloed

van Strips herleid. Wij zullen dit nu

maar daarlaten als onderwerp van

gesprek tussen psychiaters of opvoedkundigen.

Maar het feit dat dit

A.N.P.-verslag op. zichzelf als ongezonde

lectuur werd 'gekenschetst,

geeft mij aanleiding te zeggen, dat

ik het daarmee niet eens ben. Ik ben

daarentegen van mening dat dit

stuk uitmuntend was (van journalistiek

standpunt bezien) en (moraliter)

alleszins oirbaar. Ik vind het zelfs

verheugend dat de droge noteerlust

van de ijverige heren aan de Haagse

Parkstraat, nu eens werd afgewisseld

door zo'n lezenswaardig, menselijk

en bovendien zakelijk stuk

proza over een stuk nieuws dat het

merendeel der krantenlezers interesseerde.

Er zijn dagbladen geweest

die om redenen van journalistieke

vakmoraal dit A.N.P.-stuk niet

hebben opgenomen. Naar mijn mening:

ten onrechte. En (uiteraard:

ongewild) ook wel een beetje hypocriet.

0 Meyer Sluizer van het Vrije

Volk is op Curasao aangekomen. De

zoveelste collega die zijn lezers verslag

gaat uitbrengen over het „hoe

en wat" in dit kleine rijksdeel. Ik

ben over deze dingen — met alle

respect voor de kundigheid van

Sluizer en zijn voorgangers — altijd

in zoverre sceptisch gestemd, dat ik

(uit ervaring) weet hoe weinig van

deze pogingen tot beschrijving van

een wildvreemd land met zijn oneindig

aantal, op alle wijzen in

elkaar grijpende, speciale problemen

terecht komt.

Bakker van Elsevier, Kuyper van

de N.R.C, en anderen hebben uitstekende

reportages over Curagao gemaakt.

Ze waren lezenswaardig en

het pleitte voor hun inzicht en vakmanschap,

zo weinig fouten als in

hun artikelen stonden. In zoverre is

critiek op het verschijnsel ongerechtvaardigd.

Maar wie geen fouten

maakt zegt (of schrijft) daarom de

waarheid (in ruimere zin) nog niet,

geeft nog geen beeld van hoe het in

zo'n landje nu eigenlijk is. Om dat te

doen moet men het kennen. En om

het te kennen moet men er jaren

wonen. Waarmee ik bedoel te zeggen,

dat deze reportages (die immers niet

als louter reisverhaal bedoeld zijn)

betrekkelijk nut hebben. Meer niet,

al is het ook niet minder. Rijksdelen

verdienen beter dan zulke incidentele

aandacht. De aanstelling van vaste

briefschrijvers in Suriname en Curacao

is gerechtvaardigd. En daarvan

bespeuren wij niets in de Nederlandse

pers. Alleen de Grote Provinciale

Dagbladen hebben, alleen op

Curagao, een plaatselijk journalist

als briefschrijver. Diens brieven zijn

ongetwijfeld aardig, doch zij raken

de diepere problematiek niet.

• De Nieuwe Rotterdamse Courant

heeft het goede voorbeeld

gegeven toen zij, naast haar parlementair

overzicht, het parlementair

verslag in eer herstelde. Het Vrije

Volk is gevolgd (en wellicht andere

bladen ook). Een goed ding voor de

vaderlandse journalistiek en (mede)

voor de vaderlandse democratie. En

een belangrijk feit in onze wereld.

Daarom zij dit hier, notitie-gewijs,

vermeld. Deze gelegenheid zij dan

tevens te baat genomen voor een

collegiale hommage aan Wim

Snitker, de parlementarist,. voor zijn

algemeen-parlementaire beschouwingen

in de Volkskrant van iedere

Zaterdag. Goed werk, zowel op zichzelf

als om de prettige wijze waarop

het 't volk nader brengt tot zijn

vertegenwoordigers.

9 In de Leidse Straat in Amsterdam

is een fijn, klein, bekend witgoedwinkeltje

dat Depeweg heet. Die

eigennaam wordt uitgesproken als

Dépeweg (rijmt op: 'n lepe, zeg)

maar laatst las ik het als Dépéweg

— D.P. ...weg! Het journalistenbloed

kruipt waar het niet gaan kan,

zelfs in de Leidse Straat op de spitsuren.,

D.P. weg. Jammer. Niet zozeer

omdat dit weekblad zo voortreffelijk

was. Nog minder omdat het een

plaats open laat (want die plaats

was er blijkbaar niet), maar omdat

veel werk vruchteloos verricht is en,

ongetwijfeld ook, omdat idealisme is

teleurgesteld. Het blad heeft nog

geen kwartaal bestaan. Dat feit

leidt mede tot het trekken van conclusies,

die voor iedere vakman voor

de hand liggen.

# Aan de korte opleving van de

free-lancerij in Nederland, die direct

na de bevrijding, begon, is al lang

een einde gekomen. Nu is zij

(materialiter) tot (voor-oorlogse

magerte afgezakt. Eigenlijk nog

dieper, want haar honorering houdt

zelf,s geen rekening met het verhoogde

kóstenpeil des gemenen

levens. Er worden thans weer honoraria

voor incidentele bijdragen

betaald, die schandelijk zijn. Het

erge hiervan is, dat dit feit juist de

financieel-zwaksten treft. Er wordt

door „werkgevers" wel misbruik gemaakt

van de noodzaak der „werknemers"

althans iets te verdienen.

Beter iets dan niets. En er zijn weer

.schavuiten die met uitgestrekenbrave

gezichtjes guldentjes afpingelen

van toch reeds overmatigbescheiden

„eisen". Vooralsnog zijn

de free-lances onbeschermd. Zij concurreren

mateloos met sommige

persbureaux en collegae. Een akelig

gesjacher. Een troosteloos tafereel.

ELIAS

ïst U dat. . .

— P. W. Russell jr. niet meer bij de

Nieuwe Post is?

— Collega Wagenaar 25 jaren kunstredacteur

van Rotterdams Nieuwsblad

was en deswegen hartelijk (en

terecht!) is gehuldigd?

— Lunshof door de Hoge Raad is

veroordeeld en derhalve het bestaan

van een journalistiek beroepsgeheim

in Nederland niet wordt erkend?

— daarentegen het wetsontwerp

„Tuchtrecht voor de pers" (om het

zo maar eens te noemen) spoedig te

verwachten is?

— de Waarheid een aanklacht tegen

zich kreeg ingediend wegens belediging

van E. Kupers, voorzitter van

het N.V.V.?

— Buitenzorgs Dagblad is opgeheven

en Bataviaasch Nieuwsblad

nu voor de Buitenzorgse nieuwtjes

zal zorgen?

— te Stockholm een vereniging van

politie-reporters is opgericht? Zij

stelt zich ten doel een op vertrouwen

berustende samenwerking te bevorderen

tussen de politie-reporters en

de politie- en justitie-autoriteiten en

streeft naar een betrouwbare politiereportage

en uniforme normen voor

de criminele journalistiek. Voorzitter

is een redacteur van T.T. (het telegrambureau

van de Zweedse bladen)

en in het bestJur zitten verder vertegenwoordigers

van verschillende

Stockholmse kranten,

— wij het begrip „uniforme normen"

altijd met een scheef oog bekijken ?

— het Delftse „Veritas" heeft opgehouden

te bestaan?

— L. Barsdeli benoemd is tot

Australisch pers-attaché in Den

Haag?

— Yge Foppema zich heeft losgescheurd

van De Groene en vervolgens

een nieuwe verbintenis heeft aangegaan

met Vrij Nederland?

— Johan Winkler (Het Parool) een

kwart eeuw in ons (mooie) vak

werkzaam was en wij) hem daar hartelijk

mee gelukwensen?


Executieve der I.O.J,

in Boedapest

Verwijdering inplaats van samenwerking

In aansluiting op het bericht hierover

in het November-nummer laten wij

thans het verslag van coll. A. Wijffels,

de Nederlandse gedelegeerde in de bijeenkomst

van de I. O. J. te Boedapest,

in extenso volgen:

16, 17 en 18 November is te

Boedapest onder voorzitterschap van

M. A. Kenyon een vergadering gehouden

van de Uitvoerende Raad van

de Internationale Organisatie van

Journalisten. Het mistige weer belette

een aantal gedelegeerden

Boedapest tijdig; te bereiken, daar de

vliegverbindingen verbroken waren.

De Denen hebben Boedapest in het

geheel niet kunnen bereiken en de

Amerikaan, Mr. Martin, uit Parijs,

arriveerde eerst Woensdag 17 Nov.

Van de 23 leden van de Internationale

Organisatie — het aantal is

met een verminderd door het uittreden

van Australië — waren aanvankelijk

15 en later 16 gedelegeerden

tegenwoordig. Sommige delegaties

waren met meer personen aanwezig,

doch de voorzitter stelde bij

de aanvang van de vergadering

vast, dat de Uitvoerende Raad

samengesteld is uit van ieder land

één afgevaardigde.

Op Dinsdagmiddag werd de vergadering

geopend door de president

van de Hongaarse journalisten,

M. Ernö Mihalyfi, en werden de

aanwezigen toegesproken namens de

Hongaarse regering door M. I. van

Boldizsar, onder-staatssecretaris.

Mr. Kenyon, die wel begreep, dat

het moeilijk zou zijn in deze vergadering

tot practische resultaten

te komen — de uitnodigingsbrief

vermeldde als agendapunt een klacht

van de Amerikanen tegen de

Tsjecho-Slowaken in verband . met

de uitwijzing van een aantal zeer

bekende Tsjechische journalisten uit

hun nationale organisatie na de

machtsovername van Februari j.1. in

Praag —, begon de eerste middag

onmiddellijk met de behandeling van

de betrekkelijk korte agenda. Deze

vermeldde, behalve het verslag van

de secretaris-generaal, een rapport

van de voorzitter over de conferentie

van Genève, een resolutie van

Polen tegen oorlogsophitsers, een

resolutie van de Hongaren tot bescherming

van progressieve journalisten,

en als enig practisch punt een

voorstel van de voorzitter tot uitwisseling

van journalisten. .

Daar het verslag van de secretaris-generaal,

de Tsjech M. Jiri

Hronek, de tekst zowel van de

Poolse als van de Hongaarse resolutie

bevatte, gaf de behandeling

van dit verslag onmiddellijk aanleiding

tot procedure-moeilijikheden

en begonnen de gedelegeerden van

de Oost-Europese landen, welbewust

van hun meerderheid in deze vergadering,

naar aanleiding van dit

rapport politieke beschouwingen te

houden.

Aan het eind van de ochtend ^van

de tweede dag stelde daarom de

Amerikaanse gedelegeerde voor een

commissie in te stellen, die een algemeen

aanvaardbare resolutie zou

formuleren, en alle overige aangelegenheden

te verwijzen naar het

komende Congres te Brussel.

Het eerste deel van het voorstel

werd aanvaard en de voorzitter

stelde daarop voor deze commissie te

doen samenstellen uit de gedelegeerden

van Amerika, Rusland, Engeland,

Polen, Hongarije, Nederland en

Palestina. Na enige discussies vielen

de beide laatste voorgestelde leden

af en heeft een commissie van 5 leden

zich aan de formulering van een

algemene resolutie gezet. Ondanks

nachtelijke inspanningen vermocht

de comimissie daarin niet te slagen.

Bij de aanvang van de vergadering

van de laatste dag besloot men na

korte discussie de commissie weer in

de vergadering te zenden, en zijn de

beide andere punten van de agenda

afgewerkt. De middag van de laatste

dag begon hoopvol. Het verslag van

de secretaris-generaal werd aanvaard,

de tekst van een algemene

resolutie voorgesteld en met algemene

stemmen aangenomen. In deze

algemene resolutie werd de spijt uitgedrukt

over onvoldoende activiteit

van vele aangesloten organisaties,

werd opdracht gegeven aan het

secretariaat-generaal actief contact

te houden met alle progressieve

organisaties, die een strijd voeren

tegen de oorlogsophitsing en voor de

verdediging van de vrede, en sprak

de Uitvoerende Raad als zijn oordeel

uit, dat het niet betalen der contributie

door somimige organisaties als

abnormaal en in strijd met de

constitutie moet worden beschouwd.

Bovendien werd een resolutie aanvaaid,

waarini de toon van het telegram,

wat Mr. Metaxas, vice-president

van de Unie van Atheense

journalisten, aan de Uitvoerende

Raad had gezonden, ernstig werd

betreurd en de inhoud er van als

beledigend voor het Hongaarse volk

werd afgewezen. De Grieken hadden

n.1. in dit telegram mededeling gedaan

van hun weigering naar

Boedapest te komen en er de Hon-

vergaderde

garen van beschuldigd Griekse kinderen

aa:i uun ouders ontroofd te

hebben en (in Hongarije tegen hun

wil te hebben vastgezet.

De ochtend van de derde dag had

een aantal aanwezige leden van de

Uitvoerende Raad een kamp van

Griekse kinderen bezocht en kunnen

constateren, dat zij onder toezicht

van het Rode Kruis goed verzorgd

zijn en zelfs met enthousiasme liederen

zongen, waarbij de naam van

Marcos het enige woord was, van

deze vreugdeuitingen, dat wij verstonden.

Door de hier geschetste gang van

zaken scheen en ondanks de scherpe

politieke tegenstellingen, die ter

vergadering telkens weer tot uitdrukking

kwamen, een iet of wat

'optimistischer sfeer te gaan heersen.

Wellicht waa dit ook in niet geringe

mate bevorderd door de waarlijk

feestelijke ontvangst, die de gedelegeerden

zowel Dinsdag- als Woensdagavond

was bereid, en waarbij

zelfs Woensdag 's avonds de Amerikaanse

gedelegeerde en de vicepresident,

de Rus Judin, een vooraanstaande

persoonlijkheid uit de

Kominform, elkaar hadden toegedronken.

Het had er dus alle

schijn van, dat men enig begrip zou

tonen voor elkanders standpunt,

doch dit duurde slechts kort. De

• diverse stemmingen in de aanvang

van de laatste vergadering waren

nauwelijks gehouden, of de Poolse

gecjelegeerde, Kovalczyk, diende een

nieuwe lezing van zijn resolutie in,

waarvan de tekst veel agressiever

luidde, waarin met name de Amerikaanse,

Engelse, Nederlandse en

Belgische pers genoemd werden als

persen, waarin artikelen verschijnen,

die tot de oorlog ophitsen en bovendien

werden individuele Amerikaanse

journalisten voor het schrijven van

bepaalde artikelen gebrandmerkt.

Direct daarop hield de vice-president,

Judin, een fulminante rede tegen de

Amerikanen en sprak hij ook beschuldigingen

uit tegen de aangesloten

organisatie der Amerikaanse

journalisten. Mr. Martin deelde hier-

•op mede niet langer aan deze discussies

te willen deelnemen, daar

zijn, nog wel de grootste aangesloten

nationale organisatie, beledigd was,

en hij verliet hierop de vergadering.

M. Bundock, de vertegenwoordiger

van de Engelse Unie van journalisten,

deelde hierop mede, dat hij het

standpunt van zijn organisatie tegenover

de ter discussie gestelde kwesties

voldoende duidelijk had uiteengezet

en hij protesteerde tegen het

feit, dat de vergadering van de

Uitvoerende Raad werd gebruikt als

een platform voor politieke propaganda.

Hij zou dan ook niet langer

aan de discussies en de stemmingen

deelnemen. De Zweedse gedelegeerde

5


Techniek in dienst van de pers

In het Palais des Nations te

Genève werd tijdens de conferentie

voor Vrijheid van Informatie en de

Pers in het nu afgelopen jaar een

technische tentoonstelling gehouden,

waar de Mobilofoon, de Finch-facsimilezender

en een nieuwe facsimilezender

van Philips werden gedemonstreerd.

Het Mededelingenblad der

N.D.P. 1945 schrijft hierover:

Mobilofoon

„Ten teerste een ultra kortegolfzender,

welke 'het mogelijk maakt

binnen een beperkte reikwijdte, afhankelijk

van de hoogte van de antenne,

doch in het algemeen werkende

met een straal van 15-20 km, op

een vast punt contact te hebben met

personen, die zich in rijdende auto's

of anderszins op de weg bevinden

en welk apparaat hier in Nederland

onder de naam „Mobilofoon" bekend

is.

Dit toestel zal in ons land aan de

pers grote «Jiensten ikunnen bewijzen,

zoals dit ook reeds in Amerika,

Engeland en andere landen geschiedt.

Echter zal hier te lande helaas

niet het volle nut van deze uitvinding

getrokken kunnen worden.

Immers, P.T.T. steekt weer eens

haar bemoeierige (beleefder gezegd:

monopolistische) vingers in deze

materie en weigert aan de pers een

bepaald aantal golflengten toe te

wijzen. In ons land zal men n.1. uit

de rijdende auto eerst een P.T.T.post

moeten oproepen, die dan via

de telefoon een lijnverbinding met

de krant mogelijk maakt. Het gtijdverlies,

dat hiermede gepaard gaat,

Oberg vroeg zich af, wat de voorstanders

van de Poolse resolutie

eigenlijk beoogden met de vergadering

van de Uitvoerende Raad. Hij

wees er op, dat het aannemen van

deze resolutie consequent zou moeten

leiden tot een uiteenspringen van de

Internationale Org. van Journalisten.

Op deze grond wenste ook hij niet

langer aan de discussie deel te

nemen. De Nederlandse gedelegeerde,

de heer Wijffels, merkte op,

dat men bijeengekomen was, zoals

bij de opening van de vergadering

algemeen was geconstateerd, om de

internationale samenwerking van

journalisten te bevorderen. In tegenstelling

daarmede leidden de gevoerde

discussies tot verscherping van

de verhoudingen, en moest hij bij de

voorstanders van de Poolse resolutie

een grote intolerantie constateren.

Om deze reden sloot hij zich bij de

Amerikaanse, Engelse en Zweedse

gedelegeerden aan. Ook de Belgische

gedelegeerde, M. Eemans, liet zich

in gelijke zin uit. Ondanks deze verklaringen

van vertegenwoordigers

uit Westelijke landen gingen de vertegenwoordigers

van Polen, Tsjecho-

Slowakije, Joego Slavië, Roemenië,

6

kan zeer storend zijn en het zou o.i.

aanbeveling verdienen, wanneer de

N.D.P. en het A.N.P. zich tot de regering

wendden teneinde hier dezelfde

vrijheid voor de pers te krijgen,

welke in andere landen mogelijk

is.

Fascimile-zenders

Het tweede toestel,- dat gedemonstreerd

werd, is de z.g. „Finch Facsimile",

een apparaat van Amerikaanse

origine, dat radio-telegrafisch

beeldiberichten kan overzenden

en ontvangen.

Dit toestel biedt verschillende mogelijkheden

voor de pers, daar het in

staat is originele teksten, foto's en

schetsen vrij snel en volkomen betrouwbaar

over grote afstanden over

te brengen. Van het ontvangtoestel

wordt het facsimile onmiddellijk

droog afgeleverd. De snelheid van

het apparaat is ongeveer 8 min.

voor een kwarto pagina.

Het voordeel van facsimile boven

telex-transmissie is, dat een nauwkeurige

copie gemaakt wordt van

het document, dat wordt overgeseind.

Het is dus een fotocopie en

geen schrijfmachine-vertaling, welke

de ontvanger in handen krijgt.

Het briefpapier met handtekening of

ander herkenningsteken wordt in

beeld overgebracht.

In een facsimile-zender worden de

documenten regel voor regel afgetast

door een zeer klein lichtpunt

van ongeveer 0,01 inch. Het gereflecteerde

licht wordt door een fotoelectrische

cel omgezet in electrische

stroomstoten; aan de ontvangstzijde

Bulgarije en Rusland voort met de

wraking van Amerikaanse en andere

journalisten, waarbij uitvoerige documentaties

werden overgelegd. Alleen

de gedelegeerden van Frankrijk en

Palestina, de Heren Hermann en

Carlebach, hoewel voorstanders van

de Poolse resolutie, stelden nog pogingen

in het werk om enige opheldering

in de discussies te 'brengen

tussen Westelijke en Oostelijke ver-'

tegenwoordigers. Ondanks het feit,

dat de minister-president de aanwezige

gedelegeerden om 8 uur' aan een

diner genodigd had, ging men voort

de vergadering te rekken met politieke

toespraken tot tegen die tijd.

De Poolse en ook de daarna ingediende

Hongaarse resolutie werden

resp. met 10 en 9 stemmen aangenomen,

een resultaat, dat reeds uren

tevoren allen, die ter vergadering

aanwezig waren, duidelijk was. Met

het houden van sympathieke toespraken

over elkanders verdiensten

ter vergadering en met. dankredevoeringen

op de gastheren, eindigde

deze aan practische resultaten arme

bijeenkomst van de Uitvoerende

Raad'.

worden deze stroomstoten weer omgezet.

Als wij het goed begrepen

hebben, wordt het papier, dat metaaldeeltjes

bevat, door de stroom

beïnfluenceerd en wordt het belichte

plekje zwart; deze plekjes bijeen geven

dan het beeld.

Dit apparaat is in Amerika o.a. in

gebruik bij politie, spoorwegen, grote

fabrieken en de pers. Helaas zal

ook dit toestel in Nederland eventueel

weer alleen via P.T.T. mogen

werken. In Amerika koopt men een

dergelijk apparaat voor ƒ 6000.— en

is men vrij in het gebruik. Naar wij

vernemen, heeft P.T.T. dit toestel

in onderzoek en zal het eventueel

slechts verkrijgbaar zijn in

huur van P.T.T.

Wat de pers betreft heeft het nog

een ander interessant aspect. Men

zou zich kunnen voorstellen, dat het

A,N.P. of een bepaalde krant op een

bepaalde tijd van de dag een kort

nieuwsblad uitzendt. De abonné heeft

dan slechts tijdig zijn knop om te

zetten en ontvangt binnen een half

uur, in welke irimboe hij zich ook

bevindt (mits in het bezit van electrische

stroom!) vier pagina's van

een beknopt nieuwsblad thuis afgeleverd.

Het nieuwe Philips-apparaat

De derde machine en tevens de

meest belangrijkste is het nieuwe

telecommunicatietoestel van Philips,

dat veel sneller werkt dan het bovenomschreven

Finch-apparaat. Het

is ook een facsimile-zender.

Nam het laatste 8 min. voor een

normale kwarto brief, het Philipsapparaat

vraagt daarvoor slechts 8

sec. of in krantentaai: in 8 minuten

kan een krant van 16 pagina's in

beeld worden overgeseind (dus tekst

met plaatjes en advertenties: compleet).

Dit snellere systeem heeft het

nadeel, dat het niet direct gedrukte

kopij aflevert, de ontvangst geschiedt

op een fotografische film.

Anderzijds is het een voordeel, dat

een onbeperkt aantal copieën van het

overgezonden document igemaalkt

kunnen worden en vergroot. Ook

kan van deze film dadelijk een cliché

worden gemaakt.

Dit systeem biedt de mogelijkheid

voor een grote courant om in verafgelegen

plaatsen neven-edities" te

drukken zonder dat een zetterij nodig

is. Immers, de foto wordt naar

de cliché-fabriek gezonden om een

cliché te maken op pagina-formaat.

Het apparaat, dat in Genéve geëxposeerd

werd is het eerste dat

Philips heeft gemaakt. Vermoedelijk

zal het nog wel enige tijd duren

voordat het verkrijgbaar wordt gesteld

en dan komt het vraagstuk van

de kosten natuurlijke ook om de hoek

kijken!

Hoe het zij, het is een enorme

sprong voorwaarts in de nieuwsoverbrenging."

D.


UIT DE AFDELINGEN

HET RAPPORT-VAKOPLEIDING

IN DE H.J.V.

In de algemene vergadering van

de Haagse Journalisten Vereniging,

op 8 Nov. j.1. in „Boschlust" gehouden,

is het Rapport van de Commissie

Vakopleiding N.J.K. aan de

orde geweest. De vergadering was

vrij goed bezocht; slechts moest

worden betreurd dat zo weinig jongere

leden — wie deze zaak toch wel zeer

ter harte moest gaan — aanwezig

waren.

Op verzoek van het bestuur waren

de schriftelijke conclusies der leden

te voren ingezonden. Een drietal had

aan dit verzoek gevolg gegeven, n.1.

de collega's Veersema, Terwoort en

G. Werkman. De voorzitter, collega

D. J. Lambooy, leidde de besprekingen

in. In zijn historische beschouwing

deed hij uitkomen dat de H.J.V.

in de discussie over de reeds een

halve eeuw aan de orde. zijnde vakopleiding

een eerste plaats heeft ingenomen.

Hij maakte gewag van het

plan-Lievegoed tot stichting van

een Persinstituut, waarvan de oorlog

de verwezenlijking heeft vertraagd,

doch dat nu in Amsterdam in het

leven is geroepen; van de activiteit

der Katholieke' collega's, die nu

te Nijmegen een opleiding in de

journalistiek aan de R.K. Universiteit

kunnen volgen; van de privaatdocentschappen

voorts te Leiden en

Utrecht en van de stichting van de

7e Faculteit in de hoofdstad.

De conclusies van het bestuur der

H.J.V. waren: het Rapport is niet

in alle opzichten duidelijk. Het legt

te zeer de nadruk op de belangen

van hen die in het vak komen en te

weinig op die van hen,, die in het vak

zijn. Aan vakopleiding is behoefte

met een minimum grondslag van

eindexamen H.B.S. of gymnasium;

voor hen, die een bijzondere journalistieke

begaafdheid vertonen, zou

van die eis kunnen worden afgeweken.

Het rapport-Lievegoed,

waarin wetenschappelijke normen

zijn vastgelegd, zou de basis kunnen

zijn voor de academische opleiding,

opgenomen in het Academisch Statuut.

Persoonlijk zou de voorzitter

gaarne een aanvang zien gemaakt

met het programma-Baschwitz, dat

sommigen echter te overladen achtten.

Het vraagstuk der na-vorming

behoort, naar aller oordeel, in volle

omvang te worden bezien.

De door de collega's Terwoort en

Veersema ingezonden opmerkingen

GEROUTINEERD

SCHEEPVAARTREDACTEUR,

34 jaar, die thans leidende functie

bekleedt bij' departementale voorlichtingsdienst,

zag zich gaarne

geplaatst als perschef van rederij,

scheepvaartredacteur, o.d.

Brieven onder No. 72/48, „De

Journalist", N.Z. Kolk 28, A'dam.

stemden hierin met elkaar overeen,

dat zij in grotere mate met de aanleg

dan met de kennis wilde zien

rekening gehouden. In de conclusies

van eerstgenoemde werd ook gewezen

op de loondrukkende werking

en de vrees geuit van een grote toevloed

van academisch gevormde candidaten

van studies uit, waarin zij

niet konden floreren. Hiertegen werd

door de voorzitter aangevoerd dat

het salaris niet vast zit aan de opleiding,

maar aan de functie. Wel

werd algemeen 'het gemis gevoeld

van een overgangsbepaling om te

voorkomen, dat reeds werkende journalisten

zouden worden verdrongen

door academici.

Besloten werd in de door de H.J.V.

voor te leggen conclusies te verwerken

de voorstellen van collega G.

Werkman, hierop neerkomende dat

de aanwezigheid van het grootste

aantal beroepsjournalisten in Den

Haag de stichting van een „filiaal"

van de Leidse universitaire opleiding

vereist, welke heel goed te verenigen

zou zijn met de opleiding in de diplomatieke

en politieke wetenschappen.

Voorts: vestiging van een „middelbare

opleiding" in Den Haag; het op

ruime schaal mogelijk maken van

schriftelijke cursussen voor de collega's

met een ongeregeld leven, en

van avondcursussen voor collega's met

een geregeld leven. In deze materie

behoren te worden betrokken: het Instituut

voor Perswetenschap; de

Kring van Haagse Dagbladdirecteuren;

het Gemeentebestuur van

Den Haag en de Rijksuniversiteit te

Leiden.

De discussies over het rapport en

de ter vergadering gebrachte voorstellen

waren zeer geanimeerd, zodat

van een vruchtbare avond kan worden

gesproken.

DE PERS EN DE OVERHEID

Teneinde een beter en meer contact)

Ite btewerkstelügen tussen de

Overheid, in haar groot aantal verschijningsvormen

en de leiding van

grote bedrijven, had de Vereniging

van Journalisten „Het Oosten" een

bijeenkomst georganiseerd van autoriteiten

in de provincie Overijsel en

de gemeente Apeldoorn, welke plaats

journalistiek bij genoemde provincie

is ingedeeld.

De medewerking werd daarvoor

ingeroepen — en spontaan verleend

— van de Commissaris der Koningin

in de provincie Overijsel, Ir. J. B.

ridder de Van der Schueren, te

Zwolle.

Zaterdag 27 November j.1. is die

bijeenkomst gehouden in de hall van

het stadhuis te Deventer, waarvan

het gemeentebestuur, desgevraagd,

dadelijk bereid was, enkele zalen van

het gemeentehuis ter beschikking te

stellen, terwijl dat zelfde bestuur zo

vriendelijk was een kop thee te serveren.

Een gastvrije geste, welke bijzonder

op prijs is gesteld.

Toen de voorzitter van „Het Oosten",

Collega J. C. Visser, hoofdredacteur

van de Nieuwe Apeld. Courant,

met een enkel woord de vergadering

opende, kon hij ongeveer

honderd dames en heren welkom

heten, onder wie de Commissaris der

Koningin, de burgemeester van Deventer,

mr. H. W. Bloemers, die ook

nog een begroetingswoord sprak,

vele collega's uit alle delen van de

provincie en uit Apeldoorn, provinciale

en gemeentelijke autoriteiten

en vertegenwoordigers van justitie,

de politie, medische wereld en bedrijfsleven.

Inleider van deze middag was mr.

M. Rooy, voorzitter van de Federatie

van Nederlandse Journalisten en de

Nederlandse Journalistenkring, die

sprak over „Pers en Overheid".

Er volgde op het klare betoog een

geanimeerde discussie, waaraan sprekers

van zeer uiteenlopende richting

deelnamen.

Na afloop daarvan was er gelegenheid

in een ongedwongen samenzijn

voor kennismaking en het leggen of

vernieuwen en versterken van contacten.

„Het Oosten" is met deze bijeenkomst

uitnemend gestart in de

openbaarheid.

De wens is reeds te kennen gegeven

ook een dergelijke bijeenkomst te

houden in Twente, in Enschede b.v.

De mogelijkheid daarvan wordt

overwogen.

DE CONTACT-AVONDEN VAN

DE R.J.V.

De Rotterdamse Journalisten Vereniging

is, aangemoedigd door het

succes van de première, met de contact-leggerij

voortgegaan. Het is

thans duidelijk, dat de leden van de

R.J.V. niet alleen naar de bijeenkomsten

in café Atlantic gaan om

onder het genot van de goede gaven

van de inrichting een babbeltje met

elkaar te maken. Hun belangstelling

gaat vooral bok uit naar de door de

sprekers te behandelen onderwerpen.

De op 3 November j.1. gehouden

bijeenkomst, waarop collega Goedhart

zijn met jonge ogen en oren

gevormde mening over de verhouding

tussen de oudere en jongere

collega's naar voren bracht, was nog

drukker bezocht dan die in October;

hetgeen voorzitter Schraver nog vergenoegder

deed glimlachen. De discussie,

die op de woorden van collega

Goedhart volgde, was uitgebreid,

maar toch zeer genoeglijk.

Helaas moest degene, die op

Woensdag 8 December zou spreken,

verstek laten gaan. En prompt lieten

met hem vele trouwe bezoekers

van de eerste twee avonden verstek

gaan. De meesten van hen verzekerden

later, dat, wanneer er de volgende

keer weer een inleider is, zij vast

en zeker weer van de contact-partij

zullen zijn. Het bestuur weet dus op

welk contact-bestek het moet varen.

Sw.


FEDERA TIENIEUWS

VERGADERING DER BUITEN­

LANDSE COMMISSDE

Op Zaterdag 18 December jl.

.kwam de (Buitenlandse Commissie

der Federatie in Den Haag bijeenter

bespreking van de resultaten van de

onlangs te Boedapest gehouden bijeenkomst

van de Enecutieve van de

I.O.J. Coll. A. Wijffels, die bij deze

gelegenheid de Federatie vertegenwoordigd

heeft, was mede aanwezig,

teneinde het door hem uitgebrachte

verslag nader toe te lichten. (Dit

verslag is elders in dit nummer opgenomen).

Uitvoerig werd de vraag

besproken, welke houding op het

congres der I.O.J. in 1949 — dit

volgens een destijds genomen besluit,

te Brussel zou worden gehouden -*•

dient te worden aangenomen. Nadat

de Commissie zich hiervan op grond

van nog te verkrijgen inlichtingen

nader beraden zal hebben, zal zij

advies uitbrengen aan het Federatie-bestuur.

SECTIE TIJDSCHRIFT-REDAC­

TEUREN

(De Commissie, welke het initiatief

heeft genomen tot oprichting van

een sectie Tijdschriftredacteuren is

met haar werkzaamheden zover gevorderd,

dat zij binnenkort met

haar pntwerp-reglement hoopt gereed

te komen. Het licht in de bedoeling

om alle belangstellenden in

het begin van het jaar, zo enigszins

mogelijk nog in Januari, m een

vergadering bijeen te roepen, teneinde

tot de oprichting der sectie te

kunnen overgaan.

INSTITUUT VOOR

PERSWETENSOHAP

De Woensdagavondlezingén

In het vorige nummer werd een

lijst opgenomen van sprekers en

onderwerpen in de cyclus lezingen,

die het Persinstituut op Woensdagavonden

organiseert. In deze opgave

zijn inmiddels enkele wijzigingen

gekomen, zodat het programma voor

de komende maanden thans als

volgt luidt:

Woensdag 19 Januari

Spreker: Dr. M. van Blankenstein.

Onderwerp: De journalistiek in de

internationale sfeer. (Deze lezing

was aangekondigd voor 1 December,

doch werd uitgesteld).

Woensdag 26 Januari

Spreker: J. A. van Houten. — On­

derwerp: Functie en taak van de

Dienst Voorlichting Buitenland.

Woensdag 9 Februari:

iSpreker: Dr. M. Schneider. — Onderwerp:

Een vakliteraire excursie.

Woensdag 16 Februari

Spreker: J. v. d. Kieft. — Onderwerp:

Bedrijfseconomische problemen

van het dagbladbedrijf.

Woensdag 23 Februari

Spreker: Mr. P. J. Mijksenaar.

Onderwerp: Gemeentebestuur en

Pers.

Woensdag 9 Maart

Spreker: R. W. P. Peereboom.

Onderwerp: De verantwoordelijkheid

van de journalist.

De lezingen worden gehouden in

het Instituut voor Perswetenschap,

Keizersgracht 604, telkens om acht

uur. Na iedere voordracht bestaat

gelegenheid tot discussie. De toegang

is vrij voor belangstellenden.

RADIOTOESTELLEN VOOR

JOURNALISTEN

In 1947 is na overleg tussen de

verschillende persorganisaties en het

Philips Persbureau een regeling

vastgesteld, volgens welke radiotoèstellen,

waaraan voor persdoeleinden

dringend behoefte bestond, na gunstig

advies van de daartoe ingestelde

commissie, door de N.V. Philips Verkoop

Mij. met voorrang worden geleverd.

Hoewel de positie op de Nederlandse

markt nog niet van die aard

is, dat aan alle aanvragen kan worden

voldaan, is het thans mogelijk

gebleken de' destijds vastgestelde regeling

ook uit te strekken tot aanvragen

van icHividuele journalisten.

Na overleg tussen de Adviescommissie

Radiotoestellen Pers en het

Philips Persbureau is thans de volgende

regeling vastgesteld.

Voor het verkrijgen van radiotoestellen

kunnen in aanmerking

komen:

I. De redacties van de dagbladen,

tijdschriften en nieuwsbladen,

die hieraan voor hun berichtgeving

behoefte hebben. De

aanvrage behoort door de

hoofdredactie van het blad te

worden ingediend; de tóestellen

dienen eigendom van het

betrokken blad te blijven en te

worden gereserveerd voor het

speciale doel, waarvoor zij bej

schikbaar zijn gesteld.

Onafhankelijk dagblad in het Westen des lands (c-blad) zoekt een

CHEFREDACTEUR

voor de rubriek stadsnieuws. Sollicitant moet over verantwoordelijkheidsgevoel,

organisatievermogen, initiatief en een vlotte stijl beschikken.

Een prettige en succesvolle werkkring wordt hem gegarandeerd. Brieven

met foto, uitvoerige levensbeschrijving en Verder alle gegevens, die voor

de beoordeling van de persoon en het werk van belang kunnen zijn, worden

ingewacht onder No. 67/48, Bureau „De Journalist", N.Z. Kolk 28, A'dam.

8

II. De individuele journalisten, die

kunnen aantonen, dat zij voor

, hun werk dringend behoefte

aan een toestel hebben, (ten

bewijze hiervan kunnen zij o.a.

een verklaring overleggen van

de redactie van het blad of

van de bladen, waaraan zij verbonden

zijn of medewerken).

III. De andere individuele journalisten.

Aanvragen van de eerste categorie

hebbén voorrang t.a.v. die van de

tweede en de derde; aanvragen van

de tweede categorie t.a.v. die van

de derde.

Deze regeling is ook van'toepassing

op foto-journalisten die lid zijn

van de N.V.F.

Alleen radiotoestellen uit de prijsklasse

van f 105.—, f 135.— en

ƒ 395.— kunnen wiorden aangevraagd.

De aanvragen behoren in duplo te

worden ingediend bij de Adviescommissie

(adres: Bureau Federatie van

Ned. Journalisten, N. Z. Kolk 28,

Amsterdam), onder vermelding van:

1. het gewenste type toestel;

2. naam en adres van de handelaar,

van wie men het toestel

zal betrekken;

3. de organisatie, waarbij het blad

of de individuele journalist is

aangesloten;

4. eventuele motivering van de urgentie

der aanvrage.

Aanvragen, die aan de gestelde

eisen niet voldoen, kunnen niet in

behandeling worden genomen.

NEDERLANDSE JOURNALIST,

40 jaar, kenner van het Duitse

vraagstuk met veeljarige buitenlandse

ervaringen en met volle

bewegingsvrijheid in alle zones

van Duitsland, inclusief geheel

Berlijn, wenst voor Nederlands

blad te werken.

Brieven onder No. 60/48, „Dé

Journalist", N.Z. Kolk 28, A'dam.

.ui

fÈtfljl

var » den

W Dag

HIJ HUURDE ZIJN KLEEDING BIJ:

Gebr.Lokhoff

GERARD DOUSTRAAT 88

AMSTERDAM ZUID

TROUW-, ROUW- EN

AVQNDKLEEDING


Een redactie van een Nederlandse

krant, noch de redacteuren-verslaggevers

zijn te koop. Dat is de eer

van de Nederlandse pers.

Als we nu ee npersconferentie

hebben, dan nuttigen we zonder gewetensbezwaar

ons kopje koffie. En

als er een koekje of gebakje bij is,

dan verhoogt dat de sfeer en het

prikkelt via de vraag onze aandacht.

X]

Toen kwam mijn collega A., terug

op zijn bureau: de vulpenhoudeirsfabriek

had een fraaie vulpen gegegeven.

Aan iedere persconferencier

één. Een mooie, een nieuwe, waarborg

van kwaliteit. „Schrijf hier

maar een stukkie over."

En mijn collega B. kwam wat later

thuis met een tong en een worst

en een biefstuk en een pak vet. En

B.'s vrouw zei: „Hei je niet meer van

die klussies?"

En collega C. kreeg gisteren twee

kilo caramels mee van de nieuwe

toffee-fabriek. Maar hij zei er ons

niets van en tot na Nieuwjaar kauwen

ze in de verslaggeversfamilie

van C. de taaie caramels van de

persconferentie uit de laatste dagen

van November.

Ik heb van al die dingen niets gehad

en dat verdriet mij op zichzelf.

En daarom kan ik ook gemakkelijker

mijn afgunst spuien in deze

vorm:

We zijn niet ,;om te kopen".

Maar we zouden de heren cadeaugevers

op persconferenties zo hoffelijk-weg

moeten zeggen — in zulke

gevallen —: ook voor deze vorm van

psychologische chantage voelen we

niet veel. Houdt U uw vulpenhouders

en caramels en biefstuk. Uw

koffie was goed en over de rest zullen

wij in onze bladen al of aiet

goed onze mening of het opgestokene

weergeven.

Misschien vindt de redactie van

ons maandblad de hoffelijke vorm,

waarin wij ons tegen de geschenkenplaag

op conferenties kunnen beschermen

1 ). Om ook psychologisch

vrije mensen te blijven. In de advertentierubriek

kan, men dan zijn biefstuk,

vulpenhouders, caramels en

wat dies meer zijn, naar 'hartelust

aanbevelen. Dat is tenminste gekochte

en — hopelijk later —• betaalde

ruimte.

Rotterdam. K. TIMMERMAN

i) Waarom moet de redactie nu ineens

denken aan de regels uit Humbert

Wolfe's „Uncelestial City" die Wickham

Steed aanhaalt in zijn boek over „The

Press": You cannot hope

to bribe or twist,

thank God! the

British journalist.

But, seeing what

the man will do

unbribed, there's

no occasion to....

Alle ironie ter zijde: het lijkt ons geboden,

geschenken, van welke aard ook,

die méér zijn dan een reclame- of toegif

tartikel, vriendelijk doch beslist te

met biefstuk

weigeren onder mededeling dat dit tot de

regels van ons beroep behoort, waarvan

men niet kan afwijken zonder een blaam

op zich te laden.

Overigens doet zich de vraag voor of

persconferenties, belegd door vulpenhouderfabrikanten,

toffee-industriëlen en

biefstukhandelaren, eigenlijk wel aangelegenheden

voor de pers zijn.

Stichting „Het Nederlandsen

Persmuseum"

Het voorlopig bestuur van de

Stichting „Het Nederlandsch Persmuseum",

dat zich na de bevrijding

had gevormd, is thans door een definitief

bestuur vervangen, • waarin alle

organisaties zijn vertegenwoordigd,

welke daartoe volgens de statuten

het recht hebben. Dit nieuwe bestuur

heeft Zaterdag 18 December 1948

zijn eerste vergadering gehouden en

de'functies als volgt verdeeld:

Voorzitter mr. P. J. Mijksenaar

(Amstelodamum); secretaris C. J.

Schotel Fzn (De Amsterdamse

Pers); penningmeesteres mej. E.

Dronckers (Vereniging ter bevordering

van de belangen des boekhandels)

; vice-voorzitter R. W. P.

Peereboom (Kennemer Journalisten

Een dorre, maar

Een collega in het Oosten schrijft

ons:

Het is Latinisten een „gruwel", dat

in de meeste bladen het woord

„agressie" met één g geschreven

wordt. Men kan geen courant opnemen,

zonder in een of ander artikel

dit woord tegen te komen. Het is

een teken des tijds en wijst op de

g«spanraen atmosfeer, waarin wij

leven.

Agressie met één g heeft juist de

tegenovergestelde betekenis van wat

men bedoelt.

Aggressie is de vernederlandste

vorm van het Latijnse „agressio",

welk woord is samengesteld uit het

voorvoegsel „ad" en het zelfstandig

naamwoord „gressio", waarbij het

woordje „ad" tot „ag" is veranderd

door assimilatie. „Gressio" is afgeleid

van het werkwoord „gredior",

dat „schrijden" „met kracht lopen"

betekent, terwijl „ad'' betekent „naar

iets toe", „op iets aan".

In „aggressio" ligt dus het begrip

van ,,met kracht naar iets toe lopen

of schrijden", dus „aanvallen". -

Er bestaat echter ook een woord

„agressio", dat afgeleid is van het

voorvoegsel „a", . hetgeen betekent

„van iets weg" of „van iets af" plus

het zelfstandig naamwoord „gressio".

Het geheel betekent dus „van

iets weglopen of schrijden" met andere

woorden: terugtrekken, wijken,

vluchten.

Dat is dus precies het tegenovergestelde

begrip.

Vereniging); vice-secretaris H. Overhoff

(Kath. Journalisten Kring;

vice-penningmee,ster H. A. A. R.

Knap (De Amsterdamse Pers).

Leden van het bestuur zijn verder:

mr. K. van Houten (N.D.P. 1945);

dr. E. van Raalte (Haagse Journalisten

Vereniging); mr. M. Rooy

(Nederlandse Journalisten Kring) en

jhr. ir. G. C. Six van Wimmenum

(Koninklijk Oudheidkundig Genootschap).

(Volgens de statuten heeft de

vereniging „De Amsterdamsche

Pers" het recht twee leden in het

bestuur aan te wijzen).

In het voorlopig bestuur had met

mej. Dronckers en de heren Van

Houten, Mijksenaar en Schotel zitting

gehad de heer H. van Wijk, die

penningmeester was en ook reeds

vóór de oorlog deze functie had vervuld

doch zich nu om gezondheidsredenen

genoodzaakt had gezien zich

niet meer beschikbaar te stellen.

Hem werd ter vergadering hulde

gebracht voor het vele, door hem

voor het Persmuseum gedaan.

Het secretariaat van de Stichting

is gevestigd: Johannes Verhulststraat

42 boven, telefoon 91675. Het

Museum is geopend des Dinsdags,

Donderdags en Vrijdags van 10—12

uur (in plaats van van 3—5 zoals

tot dusver).

nuttige taalles

Aangezien de meeste bladen, welke

het over „agressie" hebben, vermoedelijk

hierin wel de aanvallende betekenis

naar voren zullen willen

brengen, bediene men zich dus van

de juiste schrijfwijze.

Onze collega uit het Oosten verkondigt

een opvatting die in strijd

is niet alleen met het algemeen gebruik

(zoals hij zelf al opmerkt),

maar ook met Koenen-Endepols-

Heeroma'en Van Dale. De laatste

, waarschuwt in zijn nieuwe druk

zelfs: „Men schrijve niet aggressie,

aggressief."

Natuurlijk heeft onze collega gelijk

wat het Latijn betreft, maar woorden

ondergaan in de loop van de

eeuwen nogal eens veranderingen en

de etymologie heeft niet altijd het

laatste woord. Een verandering onderging

het Vuig. Lat. aggressor

toen het in de 14e eeuw als agresseur

in het Frans werd overgenomen,

evenals agression van aggressio. Het

middeleeuwse Frans agresser raakte

in de 16e eeuw in onbruik maar is

in het begin van de 20ste in de krantentaai

opnieuw ingevoerd. (Gegevens

ontleend aan Dauzat: Dictionnaire

Etymologique). Ned. agressie,

agressief zal eerder ontleend zijn

aan het Frans dan rechtstreeks gevormd

naar het Latijn; vandaar de

spelling met één g, die trouwens

overeenkomt met de uitspraak die

men gewoonlijk hoort.

Y. F.

9


KENT U DE COLUMBIA

MISSOURIAN?

iDr. E. van Raalte vertelt in

Haarlems Dagblad:

De staatsuniversiteit van Missouri,

waar inwoners van die staat voor

een schijntje kunnen studeren, bezit

de oudste, wellicht ook- de meest

bekende ischool voor journalistiek.

Veertig jaar geleden door een wet

van de staat Missouri in het leven

geroepen, geniet zij tot de huidige

dag toe een uitstekende roep. Men

kan daar alleen „bachelor" in de

journalistiek worden, doordat de

student er terstond na zijn eindexamen

middelbare school („High

School") aan de slag kan gaan en

niet pas nadat hij een of ander

, bachelorschap tot besluit van een

vierjarige studie aan een college

heeft behaald. Hier studeren dus,

gelijk dat heet, niet-gegradueérden.

Deze moeten de eerste twee jaar de

bovenvermelde algemene achtergrond

deelachtig worden. Daarna

komt dan hun speciale opleiding.

Ongerveer drie kwart van zijn

tijd moet de aanstaande bachelor

wijden aan vergaring van algemene

kennis (geschiedenis, staatsinstellingen,

economie, enz.), een kwart is

bestemd voor practische werken op

journalistiek gebied. Nadat een der

professoren mij het eerste deel van

de dag door de school had rondgeleid

en het nodige tevens over de

gang van zaken had verteld, gingen

we het opmaken en drukken van de

krant bekijken. De voor journalistiek

studerenden in Columbia geven een

krant uit, de „Columbia Missourian",

met een oplage van 5000, wat slechts

iets minder is dan diej van 't andere

plaatselijke blad. Het \ is een echte

krant, welke gewoon op de „markt"

van het lezende publiek komt. Alleen

de zetters en het hoofd van de

advertentie-afdeling zijn betaalde

„beroepswerkers"; alle overige

krachten, zowel wat het verzamelen

en publiceren van nieuws, wat de

hoofdartikelen, de bijdragen over het

gezelschapsleven in het kleine Columbia,

sport, film, het illustratieve

gedeelte van de krant als het winnen

van advertenties betreft, bestaan uit

studenten in de journalistiek. Zij

genieten geen geldelijk honorarium,

maar de uren aan het werk voor dit

dagblad besteed, gelden als studieuren.

Toen ik vroeg, hoe de plaatselijke

krant over dit verschijnsel

oordeelde, vernam ik, dat die er voor

zichzelf een zeer gezonde aansporing

in ziet om harerzijds zo goed

mogelijk voor de dag te komen.

Natuurlijk krijgt de „Columbia Missourian",

op precies dezelfde wijze

en voorwaarden ais andere kranten

onder meer ook het nieuws van

United Press, terwijl uit de aard van

de zaak de krant over de modernste

telex-inrichtingen beschikt. Een

honderdtal studenten-berichtgevers

staat het blad ten dienste. De hoofdartikelen

zijn van de hand van

studenten. Een en ander natuurlijk

onder het kritisch, schiftend, oppertoezicht

van de professoren. Eenmaal

bachelor in de journalistiek,

VAN ALLERLEI KANTEN EN KRANTEN

hebben deze afgestudeerden dus heel

wat meer dan theoretische kennis

verworven. Hun practische leerjaren

op persgebied — in de ruimste zin

van het woord; zo onder meer ook

op het gebied van advertentiewezen

en van al wat de zakelijke leiding

van een blad raakt — hebben zij

achter de rug. Jaarlijks verlaten ongeveer

700 bachelors in de journalistiek

deze grootste van de Amerikaanse

journalistieke vakscholen in

universitair verband. En zij krijgen

tot dusverre dan steeds terstond een

werkkring, want de vraag is nog

altijd aanmerkelijk groter dan wat

alle scholen tezamen opleveren.

Ongeveer een honderdtal gaat nog

een algemene universitaire graad

halen, met journalistiek als hoofdvak.

Ten slotte zij vermeld, dat,

evenals zulks in het algemeen voor

de studenten aan de universiteit van

Missouri geldt, zowat 1/3 van de

in de journalistiek studerenden uit

meisjes bestaat.

HEERLIJK! VOOR NLX!

Voorburgse journalisten zijn niet

zó dik gezaaid dat wij er geen aandacht

aan zouden wijden wanneer zij

„in the limelight" komen. Wel, en in

een (ietwat oude: 19 November)

Voorburgsche Courant vonden wij een

opgetogen verhaaltje over de Voorburgse

journalisten Henri L. de

Vldal de St. Germain en Koenraad

Brouwer, die zonder cent op zak een

wereldreis maken. Wel... :

„Die wereldreis is niet zo maar

een plan, dat toch wel niet zal

lukken. Onze twee Voorburgse

wereldreizigers kennen het klappen

van de zweep. Toen iemand eens

tegen hen zei, dat ze niet naar Polen

durfden, hebben ze eventjes laten

zien dat dit, zelfs zonder geld, vandaag

de dag maar een koud kunstje

is. Ze gingen naar Parijs, waar de

visa voor internationale journalisten

makkelijker te krijgen zijn dan hier.

Ze slaagden er in, zonder geld met

een vliegtuig naar Praag te komen.

Daar lukte het, een tweede klas

kaartje naar Kotawitz zonder betaling

op de kop te tikken. „Het is

allemaal alleen maar een kwestie

van relaties, van doorzettingsvermogen

en handigheid. Alles kun je

bereiken", beweerden beide wereldreizigers."

Moet er bij dat „relaties" en

„doorzettingsvermogen" niet nóg

iets?

VERARMING IN DE

KATHOLH3KE PERS

Onder deze kop schrijft Dr. H. van

der Grinten een artikel in de

Nieuwe Eeuw, waaraan wij het

volgende ontlenen:

Ook het katholieke dagblad is

bezig te verschuiven van journal

d'opinion naar nieuwskrant, van

opvoedend, vormend en richtinggevend

orgaan tot gezellige vergaarbak

van „hot news" onder allerlei

vorm.

De stichting en geweldige uitbouw

yan De Volkskrant, — knappe prestaties

die echter in haar gevolgen

niet zonder gevaar blijken, — spelen

in ditj opzicht een belangrijke rol. Wij

geloven zelfs, dat men veilig mag

beweren, dat de wijze, waarop De

Volkskrant haar krant maakt, ook op

de niet-katholieke bladen van dagelijkse

invloed is.

Voorop sta, dat, gezien in het

groot geheel der katholieke dagbladpers,

deze uitzonderlijk frisse en

actieve „volkskrant" een eigen

plaats ruimschoots heeft verdiend.

Doch niettemin kan de lof over deze

prestatie voorlopig slechts voorwaardelijk

. zijn, n.1. in zoverre het

aannemelijk blijft, dat de populariteit

van de eenling geen schade doet

aan het gehéél van het katholieke

dagbladwezen.

Op de eerste plaats dient de opzet

zelf zuiver te worden gehouden, zodat

de zucht naar nieuws niet gaat

praevaleren boven de liefde tot de

waarheid, en het publieke welzijn

voorgaat bij de prikkelende sensatie,

al betekent die dan een primeur voor

de redactie en geld in de la van de

directeur.

Waartoe in dit opzicht een knieval

voor de massa leiden kan, bewijzen

het beruchte Prestwick-verslag in

een katholiek weekblad, de verhalen

over de Enkhuizer-affaire * in verschillende

katholieke dagbladen.

Hier werden grenzen definitief overschreden;

men graaft niet in de

gevoelens van smartelijk getroffenen

ten aanschouwe van een menigte,

evenmin als een pathologisch moordgeval

in tienduizenden huishoudens

uiteengerafeld dient te worden.

Vervolgens dienen de andere katholieke

bladen, op de eerste plaats

die met een landelijke verspreiding,

zich niet door deze sprint naar „hot

news" en staccato-voorlichting van

de wijs te laten brengen. Het is jammerlijk

om te zien, hoe de Korte Golf

van de Volkskrant zich in sommige

andere bladen voortplant in golfjes

van allerlei 'aard. Waartoe is het

nodig zich uit te sloven om grotere

of kleinere VolkskrantjeB te worden,

als men door de handhaving en versteviging

van eigen karakter in

allerlei rubrieken, die een classpaper

dient te bieden, zijn lezers dat

kan voorzetten, waartoe géén Volkskrant

in staat is?

En op de derde plaats, dienen de

katholieken zich, bij de handhaving

van dat eigen karakter van het

journal d'opinion, te blijven bezinnen

op de specifieke waarden van onze

gewestelijke bladen en, op de allereerste

plaats, van de twee andere

katholieke landelijke bladen, Maasbode

en Tijd.

Bij de grote waarde, die een frisse,

bliksemsnelle nieuwskrant als De

Volkskrant heeft, zou een uniformiteit

in het katholiek dagblad naar

het schema ivan die Volkskrant,

verarming betekenen.

Het is niet te hopen, dat het Nederlandse

katholieke volk zoveel

jaren na zijn volledige emancipatie

op ieder gebied geen twee grote

journaux d'opinion meer zou kunnen

dragen. ' .

ZAKELIJK VóóK GEKLEURD

De Nieuwe Eeuw schrijft:

De Ned. Journalistenkring heeft

een brief ontvangen van het Comité

Burgerrecht, waarin dit comité aandringt

op een meer uitvoerige en

objectieve verslaggeving van de

behandelingen in ons parlement.

Er is vroeger al eens geklaagd

over de jsubjectieve toon, die sinds

de bevrijding in vele onzer persorganen

in de weergave van Kamerdebatten

is gaan overheersen. Terwijl

vóór de oorlog onze parlementaire

journalistiek uitmuntte door

zakelijke en objectieve reproductie

van het gesprokene, meent men

thans dikwijls te mogen volstaan

met het geven van persoonlijke indrukken

van de behandeling. Aan de

ter tafel gekomen stukken en de

zienswijze van de Kamerleden

daarop, kon zo niet altijd volledig

recht worden gedaan. Dikwijls

worden meningen en stemmingen

toegevoegd, die de lezer een vertrokken

beeld geven van de geest van de

behandeling zoals die werkelijk geweest

is. De papierkwestie heeft

lange tijd gediend als dooddoener

ook op het punt van de beperkte voorlichting

uit ons parlementair leven.

Enkele grote bladen hadden voor

de oorlog de prijzenswaardige gewoonte

hun kamerverslagen te

splitsen in een zuiver zakelijk relaas

en een min of meer critisch, commentaar

op de behandeling. Eensdeels

werd daarmee voldaan aan de eis

der objectieve weergave, anderdeels

vernam de lezer daarnaast de opinie

en de kleur van het blad ten overstaan

van de , behandeling. Wanneer

deze goede gewoonte — om het

papiermotief — niet overal hersteld

kan worden, is het natuurlijk vanzelfsprekend

dat daar het zakelijk

verslag moet prevaleren boven het

„gekleurde". Ten slotte heeft het

publiek er, recht op te weten wat er

precies omgaat in onze volksvertegenwoordiging.

IN HET WATER GOOIEN

In The Spectator van 18 November

1948 heeft Wilson Harris o.m. de

volgende bijzonderheden vermeld uit

de verhoren van de Royal Commission

on the Press:

Lord Kemsley heeft o.a. verklaard,

dat de enige plaats, waar een jongeman

de journalistiek kan leren, het

krantenbureau is, maar daarnaast

moet iedere journalist zoveel mogelijk

colleges volgen als mogelijk is.

Het Kemsley-concern verkeert in de

gelukkige omstandigheid, dat vele

van zijn dagbladen uitkomen in universiteitssteden

en journalisten van

het bedrijf, die niet in die plaatsen

woonachtig zijn, kunnen op kosten

van de krant dikwijls cursussen volgen.

Een goed voorbeeld van wat

bereikt kan worden is de cursus, die

deze winter te Aberdeen wordt gehouden.

Het college is samengesteld

in bijzonder overleg met de universiteit

en de lezingen vinden plaats

om half vijf 's middags, dus op een

tijdstip, dat de dagploeg net vrij is

en de nachtploeg nog niet in dienst

behoeft te zijn. Acht lezingen in deze

serie behandelen Europese politiek

en politieke ideeën, zes imperiale en

Amerikaanse geschiedenis en zes

economische onderwerpen. Dit is een

uitstekende keuze.

Ook in andere plaatsen vinden leergangen

plaats en waar de mogelijkheid

aanwezig is kunnen ook journalisten

van andere concerns de lezingen

volgen.

Dit alles is echter slechts een zijde

van de medaille. De andere zijde betreft

de technische training, dus het

zuivere vakmanschap. Ook hier kan

men verschillende wegen inslaan en

een der bekendste is: in het water

gooien en dan maar zien of het

beestje zwemt of verdrinkt, m.a.w.

laat de jonge journalist maar werken

en door vallen en opstaan zal

hij zijn vak wel Ieren. Dit is echter

een gevaarlijke methode, omdat de

fouten onmiddellijk door millioenen

lezers worden opgemerkt en daarom

heeft het Kemsley-concern het volgende

plan ontworpen: te Londen

(en af en toe ook in provinciale

hoofdsteden) worden van tijd tot tijd

besprekingen en korte lezingen gehouden,

waarop redacteuren van alle

delen des lands aanwezig zijn. Een

erkende autoriteit houdt dan beschouwingen

over ieder onderdeel

van de journalistieke techniek.

Uiteraard verkeren de journalisten

van Kemsley in een gunstige positie,

omdat het concern zo groot is, dat

het zich al deze dingen kan permitteren.

Doch de Royal Commission on

the Press suggereert, dat andere

bladen voor deze aangelegenheid tezamen

werken en zodoende een behoorlijke

nevenopleiding voor journalisten

tot stand brengen.

EEN TEKEN, OF LOOS ALARM?

Aan het drama van Enkhuizen

hebben, behoudens de politieautoriteiten

en de psychiaters, mensen van

allerlei slag, in dit geval nieuwsjagers,

gedokterd, die blijkbaar alleen

maar uit waren op een sensationeel

verhaal en bij wie meer ernstige

bedoelingen (om ons volk op

een verantwoorde wijze van de

feiten in kennis te stellen) ontbroken

moeten hebben. Zij zwermden over

Enkhuizen uit en klommen in hun

pen zonder zich zéér zorgvuldig van

de juiste toedracht der feiten op de

hoogte te stellen.

Persbureaux, persmannen en persvrouwen,

die schrijven als een kip

zonder kop, staan schuldig aan vermeerdering

van de som der ellende,

die er al genoeg in de wereld is, omdat

zij voedsel gaven aan een ongezonde

fantasie van millioenen mensen,

ouders en kinderen.

Het staat zeer zeker nog niet vast,

dat de twee jongelui uit Enkhuizen

een beeldverhaal in droevige practijk

hebben gebracht.

Wel staat vast, dat vele persmensen

er al een beeldverhaal van heb-

*ben gemaakt, dat even ongezond was

als de inhoud van die honderden

boekjes, welke in de kiosken en in

obscure boekwinkeltjes staan uitgestald.

Voorkomen moet worden, dat de

geestelijke volksgezondheid niet alleen

door die rommellectuur wordt

aangetast, maar ook en jaz-elfs door

onze eigen dagbladen, die het dagelijks

geestelijk voedsel vormen van

ons allen. (Twentse Courant)

VERZUCHTING ^

Naar men weet hebben de heren

Van de Kieft, Dosker, Bruins Slot en

Peereboom radio-lezingen gehouden

over onderwerpen, die in verband

staan met de pers. En het Nieuwsblad

van het Noorden verzucht:

De pers spreekt nu via de radio tot

publiek en overheid. De N.D.P. heeft

zich al zo vaak rechtstreeks tot de

Overheid gewend, de dagbladen hebben

al zo vaak hun nood geklaagd,

het krantenlezend publiek heeft al

vaak zijn teleurstellingen neergelegd

aan de voeten van de onmachtige

journalisten, de verbetering van de

papierpositie voor de pers is nog

altijd zeer onvoldoende gebleven. In

de advertenties wil het bedrijfsleven

getuigen van zijn voortstuwende

kracht, wil de arbeidsmarkt haar

mogelijkheden demonstreren, wil de

kleine man (in de kleine annonces)

zijn kansen wagen, de Overheid, die

soms anderzijds met de deviezen 20

royaal kan zijn, toont tegenover de

pers een volkomen gebrek aan begrip.

Zal het woord door de radio

uitkomst brengen?

10 11


ARTIKEL, ZEVEN

/Robert Peereboom wijdt in Haarlems

Dagblad een hoofdartikel aan

de een-eeuw-oude Grondwet van 1848

en aan derzelver artikel 7:

Na een honderdjarig achtbaar

bestaan verdient ons eerwaardig

persvrijheidsartikel alle respect van

het levende geslacht; het is dan ook

slechts met schroom dat men opmerkt,

dat er een overbodig woord

in staat, namelijk „voorafgaand".

„Niemand heeft verlof nodig" zou de

bedoeling duidelijk weergeven. Dat

is later wel ontdekt, maar men heeft

het woord erin laten staan omdat

het geen kwaad deed en omdat men

kennelijk een beetje huiverig was

voor het ontketenen van discussie

over een zo belangrijk artikel, dat in

de practijk des levens voldeed.

Aanvankelijk bleef na 1848 nog

een rem op de ontwikkeling der Pers

bestaan, die het grondwets-artikel

niet had kunnen wegnemen. Dat was

een zegelbelasting, die de dagbladen

zo duur maakte, dat maar weinig

mensen ze bekostigen konden. Die

werd pas in 1869, toen er nog maar

90.000 abonné's op 9 dagbladen in

Nederland waren, opgeheven en

daarop ontstond pas de ontwikkeling

van het moderne dagblad, dat het

gehele volk zou gaan bereiken. Een

honderdtal dagbladen in Nederland

heeft nu — statistiek van 1 September

1.1. — 2.845.000 abonné's. Dat is

dus ruim een-én-dertig maal zoveel,

als het aantal dagblad-abonné's nog

geen tachtig jaar geleden bedroeg.

Artikel Zeven is er heus niet

alleen voor de journalisten en de

dagbladen. Het betreft alle Nederlanders

en alle drukwerken: boeken,

brochures, pamfletten, „vliegende

blaadjes", wat u maar noemen wilt.

Maar de journalist dankt er de vrije

uitoefening van zijn beroep aan en

iedereen kan zich na een eeuw nog

eens bezinnen op Thorbecke's woorden,

toen hij de gemeentehuishouding

vóór 1848 in de Kamer critiseerde:

„Licht ts in de politieke wereld

zowel als in de natuur een noodzakelijk

levens-element, bij welks

gemis gene of niet dan een halve,

ziekelijke ontwikkeling te wachten

is. Zolang wij in ons gemeentewezen

publiciteit missen zal de grote weg

tot verbetering zijn gesloten. Zonder

publiciteit geen hervorming. Hervorming

heeft de onverzoenlijkste aller

vijanden, de gewoonte, tegen zich.

Gewoonte is vooroordeel-ziek, dewijl

zij zonder onderzoek haar gang

gaat; en vooroordeel ruimt voor

,gene machfe dan voor publiek onderzoek

het veld."

Zo sprak de oude staatsman in

dat verre verleden. Zo gold het voor

. hem niet alleen ten aanzien van de

gemeente-huishouding, maar van het

ganse overheids-bestel en dé maatschappelijke

samenleving. Zo hebben

vorige generaties het leren verstaan

en zijn wij erin opgevoed. In de

dwangmethoden der autocratische

staten van onze tijd, die de volksvrijheden

opnieuw onderdrukt hebben

en in andere landen tevens aan-

12

*

tasten, in hun* ontstellende beperkingen

en vooroordelen zien wij de

waarheid van Thorbecke's woord en

de hoge waarde Artikel Zeven

opnieuw bevestigd. Licht is in de

politieke wereld zowel als in de

natuur een noodzakelijk levenselement.

ARME KERELS

Men weet wel dat de Tsjecho-Slowaakse

pers, zoals Peereboom dat in

zijn Haarlems Dagblad uitdrukt, „nu

definitief aan de ketting van de staat

is gelegd". — Onze Haarlemse collega

commentarieert:

Ge zoudt u kunnen afvragen hoe

al die Tsjecho-Slowaakse journalisten

nu ineens overtuigde communisten

kunnen zijn. De staatsgreep is immers

pas in het begin van dit jaar

voltrokken. Welnu, sommige nietovertuigden

zijki «ruit gegaan, arvderen

zijn eruit gezet en wat nog

mocht resten zal moeten „doen alsof",

tenzij het bereid is betrekking —

en waarschijnlijk zijn bewegingsvrijheid

— te verliezen. Het is eenvoudig.

De methoden van de dictatuur zijn

vaak eenvoudig. Tenminste in haar

uitgangspunt. De toepassing is in de

aanvang meestal ingewikkeld, maar

wordt op den duur ook eenvoudig.

Prikkeldraad.

Het congres der overgebleven journalisten

in Tsjecho-Slowakije -heeft

plechtig ibeloofd, ieder sensationeel

karakter aan de pers te zullen ontnemen

en „het oude euvel van de dagblad

concurrentie, die heeft geleid tot

de jacht naar sensatie en grote koppen"

te zullen vervangen door nauwe

samenwerking tussen de verschillende

redactiebureaux. Het wonderlijke is

dat ook de meest statige en achtenswaardige

bladen in het Westen, zoals

bijvoorbeeld de Londense Times, altijd

aan' concurrentie hebben blootgestaan

en nog steeds in die situatie

verkeren, maar zich nooit door een

sensationeel karakter en grote koppen

hebben gekenmerkt. Andere beweegredenen

dan de concurrentie der dagbladen

beïnvloeden een streven naar

sensatie en het daarmee gepaard

gaande stelsel van grote koppen. Dat

is hier onlangs nog uiteengezet. Goed,

de gelijkgeschakelde Tsjecho-Slowaakse

pers ziet dat anders in en

•zal zich nu voortaan gaan toeleggen,

onder de vaderlijke leiding van herder

Kopecky, op louter kleine koppen.

Zonder concurrentie, die trouwens

in een staats-monopolie geen

zin meer zou hebben. Wat is concurrentie?

Wedijver. Pogen, meer succes

dan een ander te behalen. Het is tot

dusver niet zozeer opgevallen, dat

het communisme zich van wedijver

met anderen onthoudt Maar in eigen

kring is het ervóór. Geen wedijver

meer tussen de Tsjecho-Slowaakse

bladen. Als men dit „ideologisch" zou

doorvoeren zouden straks alle voetbalclubs

hun wedstrijden gelijk

moeten spelen en de zwemmers gelijk

moeten aantikken. Ik noem dit voorbeeld

maar, omdat het zulk een duidelijk

en voor ieder begrijpelijk staal­

tje geeft van „het euvel der concurrentie".

Dat het de mens tot zijn beste

prestaties aanspoort is een bijkomende

omstandigheid, die men ideologisch

weet te veronachtzamen. De menselijke

natuur is van minder belang.

Laat hij het trouwens maar eens proberen,

als hij aan de ketting van de

„volksdemocratische" staat is bevestigd.

Een meWng, die afwijkt van de politiek

der regering, zal de Tsjecho-

Slowaakse pers niet ten beste kunnen

geven. En hoe zal het met de

publicatie van het nieuws, dus met

de berichtgeving gaan ? Dat is allang

gebleken uit de wijze waarop die in

Sovjet-Rusland wordt 'toegepast. Het

zal alles in het kader der eigen ideologie

moeten passen en wat daar niet

mee overeenstemt, of wat minder

aangenaam voor het communistische

bewind is — bijvoorbeeld een Russisch

échec in het buitenland of een

uiteenzetting van de beste bedoelingen,

die men daar koestert of enige

mededelingen betreffende het economisch

herstel, dat er zich voltrekt —

zal moeten worden weggelaten. Daarentegen

zal een geduchte hoeveelheid

communistische propaganda moeten

worden opgenomen. De mensen zullen

al spoedig niet meer weten, wat er

eigenlijk in de wereld gebeurt. En de

radio dan? Wij kunnen ons de loop

van zaken met dis radio zonder al te

grote inspanning voorstellen.

Arme Tsjechen en Slowaken.

«L'IMPLACABLE RIGUEUR»

Il paraït difficile de trouver un

pays oü les correspondants étrangers

peuvent exercer leur activité professionnelle

dans les conditions meilleures

qu'aux Etats-Unis: acces aux

mêmes sources d'information que

leurs confrères américains, accueil

compréhensif dans tous. milieux politiques,

parlementaires, diplomatiques

ou administratifs, totale liberté de

manoeuvre et de mouvements. On

peut af firmer en regie générale qu'il

n'est fait aucune discrimination

entre journalistes américains et

étrangers des Ie moment oü ceux-ci

ont été «accrédités».

Mais encore faut-il parvenir aux

Etats-Unis et. . . y demeurer. Or,

hospitallers par nature, les Américains

ont cependant mis a leur générosité

un frein puissant qui s'appelle

la loi de 1924 sur 1'immigration.

Etat danjs 1'Etat — ou plus

exactement aux frontières de 1'Etat

— Ie «Naturalization and Immigration

Sefivlce», qui dépend en

principe du département de la

justice, jouit en fait d'une autonomie

absolue. Ainsi Ie visa délivré par les

ajnbassades et consulats américains

ne donne pas Ie droit d'entrer aux

Etats-Unis, mais slmplement d'aborder

un point d'accès: la les autorités

d'immigration peuvent s'opposer

souverainement a ce que 1'étranger

mette Ie pied sur Ie territoire federal.

Il existe bien un recours contre la

decision prise par 1'agent administratif.

Mais il est porté devant un


MIJNHEER DE REDACTEUR,,..

Het „vreemde verhaal"

Nu N.S.-perschef Aghina in De

Journalist van December heeft gereageerd

op het artikeltje „Vreemd

verhaal over een wolk, een stem,

een draad en een vragend mannetje"

van collega G. Werkman in het

November-nummer, lijkt het mij

goed enkele opmerkingen te maken.

De heer Aghina heeft gelijk, wanneer

hij zegt, dat de journalistieke

activiteit in de trein, die op 29 September

om de stad Holland reed,

niet groot was. Dat echter alleen een

provinciaal dagblad en een nieuwsblad

hun dorst aan de „overvloedige

bronnen" laafden, was onjuist.

Er werd inderdaad goed nieuws

verteld. De paar verslaggevers, die

het hoorden, waren er blij mee, vooral,

omdat zij het nieuws alléén hadden.

Elke collega zal dit kunnen begrijpen.

En zij waren enigszins teleurgesteld,

toen bleek, dat door bemiddeling

van de heer Aghina het

nieuws ook aan anderen doorgegeven

zou worden. Immers, wat voor

zin heeft journalistieke activiteit in

een feesttrein, wanneer een primeur

niet beschermd is?

Dat aan ir. Den Hollander geen

vragen werden gesteld, is overdreven.

Er werd zeer veel gevraagd en

tijdens dit gesprek kwam dan ook al

het nieuws, dat reeds in de „radiocoupé"

aan enkelen bekend was ge-

..worden, naar voren.

L. VELLEMAN.

Mag ik de polemiek met collega

Aghing., die zich zo schaamt over de

tegenwoordige journalisten, nog even

op schaamteloze wijze voortzetten?

Maar nu dan in alle ernst; het geval

heeft ook een minder „geestige"

kant dan die ik trachtte te belichten.

In feite was het verschijnsel, dat ik

meende te moeten signaleren, dieptragisch;

het signaleren van andere

tragische verschijnselen verandert

daar niet veel aan.

Zijn wij te bescheiden (liever gezegd:

te lui) geworden om uit alle

gebeurtenissen het nieuws te halen

dat er in zit? Wie kennis kan nemen

van al het lood, dat op de steen blijft

staan, wie dagelijks meemaakt hoeveel

gewaardeerde kopij met een

zucht in de prullemand wordt, gesmeten,

wie weet hoeveel goede voornemens

bij gebrek aan papier of aan

geld om hals gebracht worden, zou

eerder geneigd zijn de stelling te

verdedigen, dat de Nederlandse journalistiek

oververzadigd is van werklust

en ijver.

Hoe is het dan mogelijk, dat niet

tribunal spécial qui fait partie lui- encore a 1'heure actuelle que cette

même du service de 1'immigration. démarche ait été couronnée de

Ceel dit il est assez rare que la succes.

porte des Etats-Unis soit fermée a Le correspondant étranger admis

un journaliste. Est seulement con- au, titre de simple «visiteur» n'a pas

sidéré comme persona non grwta, Ie droit d'autre part au titre de

publiciste appartenant a une «orga­ «résidant». Il n'en paie pas moins

nisation subversive». Et Ie parti ses impöts. Et ceux-ci constituent

communiste entre dans cette cate­ pour lui une charge plus lourde que

gorie.

pour le résidant en ce qu'il ne

Mais 1'implacable rigueur de la lol beneficie pas des abattements prévus

de 1924 soumet Ie journaliste étran­ au titre des charges de familie.

ger a certaines tracasseries admini- On a essayé 1'an dernier de reméstratives

auxquelles il n'est pas dier a cette situation. L'Association

exposé par exemple dans les autres des correspondants étrangers, par le

démocraties occidentales. Hors Ie truchement de son avocat conseil,

«visa d'immigration», qui permet est entree en contact avec 1'immi­

1'établissement dans Ie pays et ouvre gration. Malgré toute la bonne

la voie a la naturalisation après cinq volonté manifestée par les fonction-

ans de séjour, Ie correspondant naires de ce service il (n'a pas été

étranger aux Etats-Uni,s ne peut possible de trouver dans la loi de

obtenir qu'un «temporary visitor 1924 la «faille providentielle».

visa».

Ainsi, a moins d'etre contingenté

'Ce visa, accordé pour six mois au , dans le «quota» d'immigration, ce

maximum, est sujet a renouvellé- qui est assez difficile en raison des

ment. II Test même automatique- modalités de classification, le corresment.

Mais le service d'immigration, pondant étranger est voué au statut

aux termes d'une circulaire récente, provisoire du visiteur toléré. Il est

exige comme condition préalable a la cependant heureux que 1'amabilité de

reconduction de l'autorlsation de la plupart des agents supplée è, la

séjour le versement d'une caution de carence de la loi.

500 dollars. Le département d'Etat il Mais il est permis de se demander

est vrai, alerte par certains repré- si un traitement réciproque des

sentants diplomatiques, eux-mêmes correspondants américains a 1'étran-

saisis par leurs ressortissants intéger n'amènerait pas le législateur

resses a; la question, a demandé au federal a reviser en ce qui concerne

service d'immigration de reviser ses les journalistes les conditions d'accès

positions. Mais il ne semble pas et de séjour aux Etats-Unis. Nos

alleen de buitenwereld, maar zelfs

een insider als de heer Aghina —

van wie ik nooit zal beweren, dat hij.

geen hele echte en echte hele journalist

is, al is hij dan „maar" een

perschef — de indruk van het tegendeel

krijgt? Omdat van het voortdurende

gebrek aan plaatsruimte een

dagelijks ontmoedigende anti-stimulans

uitgaat. Interviews, waarvoor

men hard-werkende autoriteiten of

captains-of-industry heeft moeten

lastig vallen, worden maar al te vaak

niet afgedrukt, omdat er te veel ander

nieuws is. Dan slaat men als

verslaggever een figuur tegenover de

geïnterviewde. De volgende keer bedenkt

men zich wel drie maal voor

men weer eens iemand aaiischiet.

Het klinkt als een paradox, maar

het is een feit: de verslaggever, die

geregeld met veel nieuws thuiskomt,

wordt door zijn bureau-collega, die

de ondankbare taak der selectie uitoefent,

lelijk aangekeken. Het papiertekort

werkt fnuikend.

Dat er in de journalistiek een grotere

belangstelling aan de dag wordt

gelegd voor koffie, taartjes en sigaren

dan voor nieuws kan ik (gelukkig)

tegenspreken. Nog nooit is van

de zijde des verslaggevers de conditio

(al dan niet sine qua non) gesteld,

dat hij te eten en te drinken

moet hebben. Dit zij met nadruk geconstateerd.

In vele andere landen

eisen journalisten voor een interview

of een goede recensie wel degelijk

een maaltijd en dikwijls nog baar

confrères américains, suivant certains

échos parvenus a Washington,

ne se montreraient point, semble-t-il,

particulièrement satisfaits du comportement

a leur endroit de certains

fonctionnalres des cadres administratifs

avec lesquels ils auraient

affaire pour les questions de residence

et d'impöts. La legislation

frangaise est pourtant bien plus

amène a leur égard que les lois américaines

ne le sont envers leurs

collègues étrangers aux Etats-Unis:

le permis de séjour leur est accordé

pour de tres longs termes, et ils sont

soumis a la même taxation que les

journalistes francais. Sur le plan des

principes les Américains sont partout

nettement favorisés. Ne pourrait-on

dès lors faire en sorte que nos

amis d'outre-Atlantique codifient un

statut du correspondant étranger, oü

il serait bien entendu tenu compte

de la réciprocité? Cette solution

cadrerait d'ailleurs parfaitement

avec la regie de liberté d'accès aux

sources d'information qui, si nous ne

nous trompons pas, est essentiellement

d'origine américaine. Cela

vaudrait certainement mieux que

d'envisager d'infliger a nos hótes les

journalistes d'Amérique le même

traitement administratif que les

Etats-Unis font subir bon gré mal

gré aux correspondantc frangais.

(Le Monde - Parijs)

13


geld bovendien. Er zijn buiten onze

grenzen zelfs dagbladuitgevers, die

daar bij de salariëring rekening mee

houden, zoals men bij het benoemen

van kellners rekening houdt met het

feit, dat zij fooien ontvangen. In

zulke landen en met zulke kranten

kan een perschef carrière maken! In

Nederland heeft menige wei-doorvoede

persconferentie geen enkel of

een averechts resultaat opgeleverd,

omdat de perschef niet met goed

bruikbaar nieuws voor de dag kwam.

De heer Aghina zal uit eigen ervaring

kunnen getuigen, dat de goodwill,

die de N.S. en hij persoonlijk

bezitten bij de pers, niet met koffie,

taartjes en sigaren is gekocht en nog

minder met geld. En hij zou, dunkt

mij, ook niet graag willen, dat dat

zo was.

En nu dan de schuldvraag. Heb ik

die opgeworpen? Het is niet in mijn

hoofd opgekomen iemand te betichten

van. een onjuist gedrag, ook de

heer Aghina niet. Gezien zijn overwegingen

(die ik pas achteraf vernam)

was de bedoeling goed; dit zij

ruiterlijk erkend. Hetgeen echter

niet wegneemt, dat hier — voor zover

ik weet voor het eerst in ons

land — het geluidsbandje tussen

overheid en pers geschoven werd.

Alleen dat feit was van (zeer betreurenswaardige)

betekenis, niethet

feit wie het, met welke bedoeling

dan ook, toevallig deed. Twee of drie

weken later kreeg ik van de Niwin

een uitnodiging om naar een geluidsbandje

te komen luisteren. Ik

ben niet gegaan, het gevaar trotserend,

dat ook collega Heilker mij nu

van „dekking van eigen insufficiënte"

gaat verdenken. Wij moeten ons

blijven verzetten tegen elke (ook

de goed-bedoelde) poging omj het directe

en levendige contact met de

mens af te snijden. Dat de heer

Aghina en ik het op dat punt eens

zijn blijkt tenslotte wel uit het feit,

dat hij zich heeft geschaamd over

het „gebrek aan onbescheidenheid",

dat hij signaleert.

GERHARD WERKMAN.

Collega Velleman heeft gelijk waar

hij zegt, dat in de radio-coupé ook

een verslaggever van een landelijk

dagblad aanwezig was. Hij was dit

namelijk zelf. Daar ik de heer Velleman

toen nog slechts oppervlakkig

kende, heb ik hem in de drukte van

het ogenblik aangezien voor de vertegenwoordiger

van een gewestelijk

blad. Toen ik dus over laatstgenoemde

schreef, bedoelde ik de heer Velleman

van het Vrije Volk. Mijn reeds

mondeling aangeboden excuses, herhaal

ik ihierlbij publiekelijk.

De teleurstelling van de heer Velleman

toen zijn nieuws door mijn

toedoen zijn exclusief karakter dreigde

te verliezen, kan ik mij indenken.

In het onderhavige geval heb ik

meer waarde gehecht aan de belangen

van alle aanwezige journalisten

dan aan dat van een hunner. Voorafgaand

overleg met de heer V. wafe

14

gewenst geweest en te meer mocht

dit van mij verwacht worden, daar

ik wel tevoren overleg heb gepleegd

met de reporter van de wereld-omroep.

Ik heb niet beweerd, dat aan de

heer Den Hollander, toen deze in het

CS. te Amsterdam de pers te woord

stond, geen vragen werden gesteld.

Doch wel dat er geen enkele vraag

, spontaan loskwam. Deze volgden

eerst, toen ik antwoordend op de

vraag van de heer Den Hollander:

„Wat moet ik nu zeggen?", het gesprek

op gang had gebracht.

Collega Werkman en ik blijken het

in de kern der zaak gelukkig eens te

zijn. Dat de Nederlandse journalisten

in het algemeen hard werken,

mag ik tot mijn vreugde dagelijks in

mijn eigen werk constateren uit het

zeer grote aantal nieuwsdorstigen,

dat zich aan de 'bron van de NSpersdienst

komt laven. Het getuigt

van grote beroepsliefde en ijver dat

zij dit doen ten spijt van de ontmoedigende

anti-stimulans van het papiertekort.

Ik sprak over een concreet geval

uit de praktijk, waarbij de schijn

werd gewekt, dat de journalisten

meer belang stelden in koffie met

taartjes en sigaren dan in nieuws.

Maar ik heb nooit beweerd dat dit

verschijnsel zich altijd en overal

„Namen

ANNEER wij in ons onvergelij­

W kelijk mooie beroep „ergens op

af moeten", komt het meermalen

voor, vooral in het geval van een

officiële gebeurtenis, dat na afloop

een samenscholing van vakgenoten

plaats vindt om de vraag „Zullen

we namen nemen?" breedvoerig te

bespreken.

Wat dit betreft is het mijn persoonlijke

opvatting, edat wij het oude

systeem, n.1. het slotstuk van een

verslag, eindigend met de beruchte

woorden: „Onder de aanwezigen

merkten wij op " zo gauw mogelijk

moeten laten schieten, vooral in

de kleine en provinciale dagbladen,

willen wij straks, ibij een ruimere

papier-armslag, niet verdrinken in de

poel van persoonlijkheden, die ons

vroeger het leven zuur en de krant

onleesbaar maakten.

Het zal in vele gevallen moeilijk

zijn, om de meneer met het indrukwekkende

gezicht, die er hevig van

overtuigd is, dat zijn naam en voorletters

in dertig-punts kapitalen op de

voorpagina van de plaatselijke, krant

zullen verschijnen, teleur te stellen;,

vooral, omdat „je die vent nog wel

eens nodig hebt". Het zal ondoenlijk

zijn, helemaal geen namen te nemen,

omdat het de lezer waarachtig wel

interesseert, welke hoogwaardigheidsbekleder

het heeft aangedurfd, het

banket ten huize van de bekende bankier

Q ter gelegenheid van enzo-

voordoet. Veel minder nog dat de

pers deze lekkernijen als conditio —

eventueel sine qua non — stelt voor

een behoorlijk verslag.

Evenmin als collega Werkman de

schuldvraag wil opwerpen, wil ik mij

verder verdiepen in de oorzaak van

het merkwaardige, ook door collega

Velleman erkende feit, dat in die

trein, waarin zoveel journalisten

a.h.w. roet hun neus op het nieuws

werden gedrukt, er slechts drie het

nieuws roken.

Over het principe dat het fout is

door middel van het geluidsbandje

het directe en levendige contact met

de mens af te snijden, ben ik het

volledig met collega Werkman eens.

Ik stel echter vast, dat iets dergelijks

in dit geval ook niet gebeurd

is. Er was alle gelegenheid voor direct

contact met de mens (en). Eerst

toen bleek dat de meeste journalisten

daarvan om welke reden dan

ook geen gebruik wensten te maken,

heb ik hun het surrogaat van het

geluidsbandje aangeboden. Maar liever

zöu ik bij deze gelegenheid meer

professionale onbescheidenheid hebben

gezien.

J. AGHINA,

Perschef Ned. Spoorwegen.

Kan hiermee de discussie niet gevoeglijk

als gesloten worden beschouwd

? RED.

nemen"

voorts op te luisteren. Maar er

is verschil tussen de waslijst A.D.

1903 en een volkomen boycot van alle

officials, Naar dit verschil voert de

bekende gulden middenweg, die vaak

smal is en langs vele afgronden voert.

Hoewel het gelukkig onmogelijk Is,

am voor deze kwestie een stelregel op

te zetten, zou men toch een schema

kunnen aanvaarden, dat er op neer

komt, dat slechts de allerbelangrijkste

Hoge Heren bij name worden genoemd

en het vulgus beneden de rang

Van wethouder (voor kleine kranten)

en onder de stand van minister (voor

landelijke verhalen) worden samengevat

in de vergaarbak, die „veel [belangstelling

uit prominente kringen"

pleegt te heten in het verschrikkelijk

Nederlands, dat bij officiële gebeurtenissen

het hoofd opsteekt.

Wanneer deze of een andere regel

consequent zou worden toegepast, is

het euvel der namennoemerij en het

vooral bij kleine bladen nog wel eens

gebruikelijke „afsnoepsysteem" binnen

afzienbare tijd uit de journalistieke

wereld.

„Namen Nemen" is een bezigheid,

die op een hellend vlak wordt uitgevoerd

en de leggers van voor de oorlog

hebben mij laten zien, dat dit vlak

eindigt in de dorheid der halve kolom,

waarin de hoogsten der aarde zich

ongelezen verdringen. Daarom zou ik

zeggen: In elk • geval heel weinig

„namen nemen". j. F.


Wantoestanden in de modejournalistiek

Diefstal van geestelijk eigendom

Er was er eens een tijd, dat de

Hollandse vrouwen nauwelijks wisten

wat mode was. In die tijd bestond

het onderwerp mode voor geen enkel

dagblad in ons land en alleen voor

een paar periodieken, die dan ook

als „vrouwenblaadjes" werden aangeduid.

Langzamerhand is 1 er een

merkbare verandering gekomen in

de houding van de Nederlandse

vrouw ten opzichte van de mode. Zij

ging er belang in stellen, zij wenst,

net als haar buitenlandse zusteren,

op de hoogte te zijn van (hetgeen

Parijs, Londen, New York en andere

mode-centra scheppen en dragen. En

sinds dat merkwaardige tijdstip dat

wij als „bevrijding" aanduiden, wenst

een zeer groot deel van de Nederlandse

vrouwen zo zeer op de hoogte

te zijn, dat zij ook de namen en bijzonderheden

van de grote ontwerpers

wenst te kennen. Dat alles is

wel zeer veranderd.

In de Nederlandse dagbladpers is

er echter maar heel weinig veranderd.

Zeker, de grote bladen hebben

een vrouwenpagina, eens per week,

de grote weekbladen hebben een

vrouwenpagina en op die vrouwenpagina

komt dan meestal wel een

mode-artikeltje voor, meest geïllustreerd

met foto's of tekeningen. En

dn dat deel der periodieke pers dat

in journalistieke kringen — maar

niet in de kringen der adverteerders

•— nog steeds smalend wordt aangeduid

als „vrouwenblaadjes"; wordt

inderdaad aan de mode veel meer

ruimte en veel meer geld besteed dan

vroeger. »

Maar hoe!

Bijna zonder uitzondering nemen

de heren redacteuren van de grote

dag- en weekbladen aan, dat elke

vrouw wel over mode schrijven kan,

zoals men vroeger meende, dat elke

moeder, uit hoofde van haar moederschap,

ook een ervaren opvoedkundige

Was. Wanneer men een redacteur

van een, grote krant eens, voorzichtig

en beleefd, er op wijst dat

hetgeen zijn modemedewerkster in

zijn pagina's verkondigt niet helemaal

juist is, dan trekt hij glimlachend

zijn schouders op, antwoordt

dat de dame in kwestie toch zo aardig

schrijft en daarmee is de zaak —

de zaak van de onjuiste en incompetente

voorlichting — afgedaan. En

wanneer men zo'n redacteur dan vertelt

dat die dame, die zo aardig

schrijft, bovendien nog uit buitenlandse

Waden tekeningen steelt en

die als eigen tekening van een ontwerp

van iemand anders lanceert,

dan is de enige reactie de verbazingwekkend

naïeve vraag „mag dat dan

niet?"

(Met de vrouwenbladen is het anders

gesteld. Daar weten degenen

die over de mode schrijven er meestal

wel een en ander van, hoewel men

ook hier al te vaak nog in de mening

verkeert dat. een vrouw die coupeuse

is, of althans goed kan naaien en

knippen, ook kijk moet hebben op de

mode als cultuur- en tijdsverschijnsel.

Alsof men van een meester-metselaar

goede, gefundeerde artikelen

over architectuur zou mogen verwachten,

of van een meubelmaker

dat hij -kan schrijven over meubelkunst!

Over het algemeen is dan ook

hetgeen men in deze bladen over de

-mode leest niet meer dan -een opsomming

van technische details, die dan

inderdaad meestal wel correct, zijn.

Maar waar leest men ooit in onze

pers over de mode als sociaal verschijnsel,

als tijdsverschijnsel; van

economisch, psychologisch of cultureel

standpunt bekeken? Wie

tracht de Hollandse vrouwen iets op

dit gebied uit te leggen en te leren?

Afgezien van- een enkel artikel van

een kunsthistorica, waarbij de mode

wel eens als historisch verschijnsel is

behandeld voor een lezerspubliek van

intellectuelen.

Er komt bij deze soort mode-journalistiek

echter nog iets kijken: de

plaatjes. Deze plaatjes zijn deels

tekeningen, deels foto's. Nu is het

een van de eigenaardigheden van ons

land, dat de lezeressen knippatronen

bijzonder op prijs stellen en dat tal

van bladen zich speciaal toeleggen

op de publicatie van modellen waarvan,

tegen een de kosten dekkende

vergoeding, knippatronen kunnen

worden geleverd. Uitstekend! Dit

stelsel voldoet aan een werkelijke behoefte

in ons land omdat zo veel

vrouwen, vooral tegenwoordig, zelf

haar kleren en die vian haar kinderen,

vervaardigen.

De modellen voor deze knippatronen

kan men kopen of laten tekenen.

Onder kopen, zonder meer,

wordt dan verstaan dat modetekeningen,

enkel of in serie, gekocht

worden van agenten van buitenlandse

tekenaars of uitgevers, en dat

men verder met deze tekeningen kan

doen wat men wil. Deze tekeningen

worden immers in- grote series speciaal

voor dit doel vervaardigd. Wij

hebben in ons eigen land maar heel

weinig modetekenaars die iets goeds

presteren; dit speciale vak ligt ons

nu eenmaal niet en bovendien is hier,

voor de werkelijk begaafden, aan dit

bedrijf nauwelijks een droge boterham

te verdienen. Maar goed, er zijn

in ons land enkele modetekenaars en

-tekenaressen, die, al of niet in vaste

dienst, voor de hier bedoelde periodieken

werken en dan eveneens modellen

tekenen (in hoofdzaak min

of meer gegapt van buitenlandse

bladen) die speciaal bedoeld zijn voor

De schrijfster van dit artikel

is verontwaardigd over wantoestanden

op h,et gebied van

de modejournalistiek. Dit is een

onderdeel, waaraan slechts weinigen

van ons aandacht plegen

te schenken. De zaak is echter

belangrijk genoeg om ze aam

de orde te stellen, want diefstal

van geestelijk eigendom wordt

in het buitenland tamelijk hoog

opgenomen en het gevolg is dat

de Nederlandse journalistiek

(en niet alleen- enkele boosdoen(st)ers)

een slechte naam

krijgt. Natuurlijk willen we

graag ook beschouwingen van

andere kant opnemen — echter

liever géén verklaringen in

de trant van „wij doen zulke

dingen nooit!" Dat.geloven we

nl. zó wel — en daar gaat het

niet om.

publicatie met aanbod van knippatroon.

Op dezelfde wijze worden hiervoor

ook foto's gebruikt. En die foto's

worden grotendeels gekocht van dezelfde

agenten die ook tekeningen

uit het buitenland importeren en die

meest optreden als agent van een

groot foto-atelier of van een grote

buitenlandse uitgever, die het reeds

zelf gebruikte materiaal op deze

wijze buitenslands nog eens rendabel

maakt. Een deel van deze foto's

komt hier in het land zonder vermelding

van de naam van de ontwerper

of het land van herkomst, maar

het overgrote deel bestaat wel degelijk

uit foto's van modellen van' de

Haute Couture of van de grote buitenlandse

confectiefabrieken. Gewoonlijk

staat daar dan bij dat deze

foto's slechts gepubliceerd mogen

worden met vermelding van de naam

van- het huis dat dit model heeft gecreëerd.

Niet alleen dat dit bij ons

te lande slechts hoogst zelden wordt

gedaan, neem, veel r.edacties publiceren

deze modellen als zijnde speciaal

door de eigen ontwerpers (die

zij niet hebben) ontworpen voor de

lezeressen, en bovendien worden daar

dan knippatronen van aangeboden!

Meni zou zeggen dat het voor de

hand ligt dat dit niet mag. Merkwaardig

genoeg begrijpen veel leden

van redacties en directies dit helemaal

niet en natuurlijk gebeurt het

maar hoogst zelden dat de huizen in

kwestie zo'n Hollands vrouwenblad

onder ogen krijgen en daarin hun

eigen model.terugvinden. Een enkele

maal gebeurt dat wél, en dan verischijnt

er een tooze brief aan de

agent; die weet het geval dan, als

„hoge uitzondering", weg te praten

en daar blijft het meestal -bij.

Er zijn echter ook buitenlandse

15


modehuizen, die op een dergelijk

misbruik van hun fotomateriaal —

dat. zij gratis aan sommige bladen

ter beschikking stellen — geen prijs

stellen. Zij stellen daarom, doormiddel

van een agent (alweer dezelfde

agenten die modemateriaal hier te

lande verkopen en die doorgaans

fatsoenlijke lieden zijn), deze foto's

liever ter beschikking van hun

agenjt, mits deze er voor zorgt:

1. dat de bladen 'hier deze foto's,

waarvoor zij de agent evengoed

moeten betalen als voor het andere

mode-materiaal dat zij van hemkopen

(want de agent doet het werk

en maakt er de buitenlandse reizen

voor) publiceren met vermelding van

de naam van ontwerper of huis, en

2. dat er geen knippatronen van

worden! gemaakt.

„Neen", zeggen de redacties „dat

doen we lekker niet. Wij willen alleen

foto's van originele modellen die

we naamloos of als de onze kunnen

publiceren! en wa.arvan we naar

hartelust knippatronen kunnen maken.

Maar daar willen we natuurlijk

niet genoeg voor betalen. Want als

we werkelijk modellen voor ons blad

moesten laten ontwerpen, zou dat

veel te duur komen. Wij wensen dus

voort te gaan met het stelen van

buitenlandse ontwerpen en uw foto's,

waarvan we netjes de herkomst

moeten vermelden en waavan we het

model niet mogen copiëren — neen,

daar moeten we niets van hebben."

Het zou precies hetzelfde zijn indien

b.v. een weekblad een foto

kocht van een huis van Le Corbusier,

dit publiceerde als een ontwerp, speciaal

door de architect van dat

weekblad ontworpen voor de lezers

van het blad, en daarbij een volledige

bouwplaat en handleiding aanbood,

zodat men, zonder architect, het huis

zelf kon bouwen.

Dat kan men in de architectuur

natuurlijk niet doen. En geen blad

zal trouwens zo iets doen.

Maar als het „maar" over de mode

gaat, ja, dan mag men zo oneerlijk

zijn als men wil, en zo incompetent

als men wil. Want dan is het immers

„maar mode".

ELKA i&OHRIJVER

LEERLING-JOURNALISTE

zoekt plaatsing aan Dagblad of

Periodiek (goed op de hoogte van

de Engelse taal).

Brieven onder No. 73/48, van „De

Journalist", N.Z. Kolk 28, A'dam.

Bij een weekblad in het Westen

des lands kan een

JONG, AMBITIEUS

JOURNALIST

worden geplaatst. Kennis van ot

aanleg voor opmaak strekt tot

aanbeveling. Br. met korte en

krachtige inhoud gaarne aan het

Bureau van dit blad.

Brieven onder No. 74/48, „De

Journalist," N.Z. Kolk 28, A'dam.

16

Wetswijziging voorgesteld in Noorwegen

Beroepsgeheim van de Journalist

De Noorse commjssie voor het

strafrecht heeft verslag uitgebracht

over de kwestie van het beroepsgeheim

van de journalist en daaraan

een voorstel toegevoegd tot aanvulling

van de strafwet. Een comité uit

de Noorse persbond had zich ook

reeds met de zaak bezig gehouden en

op de voorstellen van dit comité is

hjet verslag van de strafrechtcommissie'

Sn hoofdzaak gebouwd.

Nieuw is in haar voorstel de bepaling,

dat vrijstelling van de plicht om

getuigenis af te leggen niet behoort

te worden verleend wanneer het artikel

waarom het gaat, inlichtingen

bevat waarvan kan worden aangenomen

dat zij zijn verstrekt met

strafbare schending van de plicht

tot geheimhouding of wanneer de

getuige weigert volledige inlichtingen

over de zaak te geven die hij

kan verkrijgen van de schrijver of

van deN zegsman, zonder deze te noemen.

In tegenstelling met het comité

van de Persbond heeft de strafrechtcommissie

voorts een bepaling ontworpen

dat plicht om getuigenis af

te leggen regel, vrijstelling een uitzondering

is.

In haar toelichting zegt de commissie

o.a., dat ieder het zeker eens

is over de maatschappelijke betekenis

van het recht op vrije meningsuiting

van de pers en dat men moet

toegeven dat verschillende mogelijkheden

voor de waakzame critiek, die

de pers tot taak heeft uit te oefenen,

kunnen worden verijdeld wanneer

aan de verantwoordelijke personen

van een dagblad steeds zou worden

opgelegd de bron te noemen voor de

inlichtingen die zij publiceren. Maar

naast het belang er van dat de pers

haar critiek kan uitoefenen, zijn ook

andere gewichtige maatschappelijke

belangen in het geding, zodat de belangen

tegen elkaar moeten worden

afgewogen. Het gebeurt dat er in de

pers inlichtingen worden gegeven,

niet om een maatschappelijk gerechtvaardigde

critiek te oefenen, maar

uitsluitend uit sensatielust en in zulke

gevallen kan de pers geen aanspraak

maken op bescherming.

In weerwil van het feit, dat er ongetwijfeld

zekere bezwaren zijn tegen

uitbreiding van de mogelijkheid

voor de pers haar zegsman te dekken

en dat de behoefte aan wetswijziging

niet bijzonder urgent is, kan

het naar het oordeel der strafrechtcommissie

toch doelmatig zijn een

wetswijziging in te voeren die soepeler

regelen geeft op dit gebied.

De commissie stelt dan voor aan

artikel 176 van de wet op het strafproces

de volgende bepaling toe te

voegen:

„De uitgever (redacteur) van een

blad of tijdschrift kan vrijgesteld

worden van het geven van antwoord

op de vraag wie de schrijver is van

een artikel ^.of schriftelijke mededeling

is of de zegsman ervan, wanneer

de rechter na afweging van de

tegenstrijdige belangen dit redelijk

acht. Hetzelfde geldt voor anderen

die weten wie de schrijver of de zegsman

is door hun arbeid voor de betrokken

uitgeverij, redactie of drukkerij.

Er mag geen vrijstelling worden

verleend wanneer het artikel of

de mededeling inlichtingen bevat

waarvan aangenomen kan worden

dat zij verstrekt zijn met strafbare

schending van plicht tot geheimhouding

of wanneer de getuige weigert

volledige inlichtingen over de zaak te

geven die hij zich kan verschaffen

van de schrijver of de zegsman zonder

deze te noemen.

De bepaling in het bestaande artikel,

dat de rechter kan beslissen dat

het getuigenis alleen aan de rechter

zelf en partijen zal worden meegedeeld

met gesloten deuren en onder

oplegging van plicht tot geheimhouding,

geldt eveneens voor deze aanvulling

van het artikel.

Het Noorse blad „Verdens Gang",

waaraan dit bericht is ontleend,

noemt het voorstel van de commissie

een stap~in de goede richting,

maar niet ver genoeg. Het wordt, aldus

het blad, geheel aan het oordeel

van de rechter overgelaten te beslissen

of een persman zijn bron

moet noemen of niet en dat kan het

blad geen bevredigende regeling

vinden. Het vreest dat vele rechters

een onvoldoend begrip zullen tonen

voor de zeer belangrijke overweging,

dat de mensen zich vol vertrouwen

tot de pers kunnen wenden en er op

kunnen bouwen dat hun naam niet

tegen hun wil zal worden genoemd.

Zij kunnen zeer eerbiedwaardige en

zwaar wegende redenen hebben om

niet te voorschijn te treden en het is

van buitengewoon belang voor het

openbare debat dat het publiek zo

veel mogelijk door de pers aan het

woord kan komen met klachten en

inlichtingen wanneer men van mening

is dat er iets niet in orde is.

Het Noorse blad wenst opnieuw te

onderstrepen wat het al meer heeft

betoogd: er is geen sprake van dat

de pers haar verantwoordelijkheid

wil ontlopen, integendeel. Wanneer

zij na onderzoek en toetsing van inlichtingen

die zij heeft gekregen ze

aan het licht brengt, neemt zij er de

verantwoordelijkheid voor op zich.

Wat zij wenst is, de kleine man te

beschermen die de bron is van de inlichtingen

en die in de grootste

moeilijkheden kan komen, zelfs als

hij niets verkeerds heeft gedaan. Er

zijn vele| manieren, ook buiten dte

wet om, een man te treffen wanneer

iemand zich wil wreken, aldus eindigt

het artikel in „Verdens Gang".

C. J. S.


Geslachtelijke

SCIPULUS schreef: „De N.R.C,

had zijn kolommen voor degelijker

dingen nodig" en: „'t Kan natuurlijk

ook zijn dat hij (de NRC) de

moeilijkheid uit de weg gegaan is."

En stortte zich daarmee midden in

de (geslachtelijke) moeilijkheden.

Het is geen toeval dat het eerste

protest van een collega uit Breda

kwam. Hij knipte de aangehaalde

zinsneden uit, plakte ze op en schreef

er boven: „De N.R.C, een hij "

Stel je voor, wat een blunder voor

de man die zich het recht aanmatigt

om kritiek te oefenen op de taal van

anderen!

Dat iemand uit de zuidelijke provincies

een courant zou hebben aangeduid

als hij, is bijna Ondenkbaar.

In de zuidelijke dialecten wordt nog

vrij algemeen het onderscheid tussen

„mannelijke" en „vrouwelijke" woorden

gehandhaafd, niet alleen in de

pronominale aanduiding, maar ook in

de attributieve voornaamwoorden en

de lidwoorden. Weliswaar is deze onderscheiding

op geen stukken na

dezelfde als die van het woordenboek

en de schoolgrammatica, maar

zij maakt toch dat afwijkingen van

de laatste die de Bovenmoerdijker in

zijn dagelijkse spreektaal vanzelf gebruikt

en die hem bij het schrijven

makkelijk uit de pen vloeien, door

Zuiderlingen vreemd worden gevonden.

Er is echter niet alleen een tegenstelling

tussen Noord en Zuid: ook

het beroep schijnt er bij te pas te

komen. Prof. Gerlach Royen schrijft

tenminste (Pronominale problemen in

het Nederlands; Tilburg 1935): „Stelt

men journalisten tegenover letterkundigen,

dan krijgt men de indruk dat

de eersten zich meer bezondigen aan

het antigrammatikaal gebruik van

vrouwelike pronomina (haar, zij, ze)

bij mannelijke en onzijdige naamwoorden,

terwijl bij literatoren een

grotere liefde voor den dag komt

voor het 'hollandse' gebruik van hij,

hem, zijn bij woorden, die in de Woordenlijst

als vrouwelik genoteerd

staan."

We hebben dus met (minstens)

drie factoren te maken: de spreektaal,

de Woordenlijst en het beroep.

In het „Hollands" met zijn aanzienlijke

invloed op het beschaafde Nederlands

in de overige gewesten, toestaat

de neiging alle voorwerpsnamen met

hij en zijn aan te duiden.

Nu komen echter spraakkunst plus

Woordenlijst, verdelen de niet-onzijdige

woorden in ,,mannelijke'' en „vrouwelijke"

en stellen vast dat de eerste

met hij en zijn, de laatste met zij en

haar moeten worden aangeduid. De

verdeling in „manneUjk" en „vrouwelijk"

is deels historisch, deels

willekeurig. Het voorschrift inzake de

pronominale aanduiding heeft met de

levende taal van vroeger of nu maar

moeilijkheden

bitter weinig te maken. We hebben

hier te doen met onderscheidingen die

we op school, met eindeloos veel

moeite, hebben moeten leren en die

geen sterveling tot in alle finesses

goed kan toepassen zonder behulp

van een woordenboek.

Bij het spreken plegen we ons van

dat kunstmatige systeem weinig aan

te trekken.' (De enkeling die het wel

probeert, maakt onherroepelijk brokken.

Nadat wijlen prof. Slotemaker de

Bruine eens had verklaard dat hij de

geslachtsverschillen en naamvalsuitgangen

„zo voelde" en ook in zijn

spreken toepaste, is een ondeugende

neerlandicus bij Z.H.G. ter kerke gegaan

om een stenografisch verslag te

maken van de preek: deze bleek te

wemelen van zij's voor „mannelijke"

woorden en dreunende dew's in de

eerste naamval.) Bij het schrijven

echter is het systeem ons min of meer

opgelegd. Voor een „Hollander" komt

deze situatie hierop neer:

. „Als ik „gewoon" schreef, zoals ik

in beschaafd gezelschap zou spreken,

dus mijn taalgevoel zou volgen zonder

aan voorschriften en regels te

denken, zou ik in een groot aantal

gevallen zijn schrijven. Het is me echter

ingehamerd dat het voor „vrouwelijke"

woorden (die geen enkel kenmerk

hebben waardoor ik ze als

„vrouwelijk" kan onderscheiden:

aangeleerde regels, schriftelijk taalgebruik

en woordenboek zijn mijn enige

houvast) haar moet zijn. Bijgevolg

moet ik bij elk zijn dat me spontaan

uit de pen wil vloeien, even oppassen:

moet het bijgeval ook haar zijn?

Natuurlijk volgt men deze redenering

niet bewust. Men redeneert helemaal

niet: men schrijft. En schrijft,'

om het toch maar vooral niet „verkeerd"

te doen, van tijd tot tijd haar

als het ook volgens spraakkunst en

woordenboek zijn had moeten zijn.

Hiermee is lang niet alles gezegd.

Er zijn voor de „haarcultuur" en de

„vervrouwelijking", die in de rubriek

Charivaria telkens weer worden gesignaleerd,

stellig nog meer oorzaken;

prof. Royen somt er in het hierboven

geciteerde boekje verschillende op.

Maar de hier gegevene is wel een

van de voornaamste. Het is dezelfde

oorzaak die (bij degenen die de naamvalsuitgangen

nog handhaven) aanleiding

geeft tot het gebruik van Oen

voor vrouwelijke zelfstandige naamwoorden

of (soms: en!) in de eerste

naamval, en die sommigen er toe

brengt aan in plaats van als te bezigen

na de stellende trap.

Er worden dus twee soorten van

„fouten" gemaakt: fouten die indruisen

tegen het taalgebruik (zoals haar

en zij voor „mannelijke" en onzijdige

woorden) en fouten die uit het taalgebruik

voortkomen maar in strijd

zijn met de (kunstmatige) regels van

de spraakkunst (zijn en hij voor

woorden die volgens de Woordenlijst

„vrouwelijk" zijn. — We laten hier

het belangrijke feit buiten beschouwing

dat het taalgebruik niet in

het hele Nederlandse taalgebied hetzelfde

is). We zouden ze onnatuurlijke

en natuurlijke fouten kunnen noemen

— als we niet de vraag moesten

stellen of we hier wel van „fouten"

mogen spreken — of hier niet veeleer

de grammatica „fout" is. Het is

wel merkwaardig dat, volgens prof.

Royen, de journalisten meer „onnatuurlijke"

en de letterkundigen meer

„natuurlijke fouten" plegen te maken

Maar we hebben nu eenmaal een

„Wet van 14 Februari 1947, houdende

voorschriften met betrekking tot de

schrijfwijze van de Nederlandsche

taal", die in art. 1 sub 10 bepaalt: „Ten

aanzien van het voornaamwoordelijk

gebruik en het gebruik van tweed'enaamvalsvormen

als der, dezer, zijner,

enz. worden regels gesteld bij algemeenen

maatregel van toestuur. Totdat

deze van kracht wordt, richt men zich

naar de Woordenlijst van De Vries en

TejWinkel."

Düs had Discipulus ongelijk en zijn

collega uit het Zuiden gelijk

Jawel, als het wettelijke voorschrift

te handhaven zou zijn. Maar niemand

heeft ooit consequent de regels van

De Vries en Te Winkel kunnen volgen,

ondanks alle (verloren) moeite

die het ene geslacht na het andere

van onderwijzers en leraren zich heeft

gegeven om ze ons volk in te prenten.

Daarom hebben we dan ook, na jarenlange

strijd, De Vries en Te Winkel

verlaten. En sinds de naamvalsuitgangen

facultatief zijn gesteld, dat wil

voor de meeste taalgebruikers zeggen:

zijn afgeschaft (men vergete niet

dat deze afschaffing op de scholen

al in 1930 door minister Terpstra

officieel is ingeluid, nadat ze officieus

al veel eerder was begonnen), neemt

het aantal dergenen die zich ook maar

bij benadering naar de Woordenlijst

kunnen richten snel af. Er, is geen

ontkomen aan: alle ijver van onze

correctoren, die in de taalregels geconfijt

plegen te zijn, zal niet kunnen

verhinderen dat art. 1 sub 10 een dode

letter blpt.

Art. 1 sub 10 is gelukkig slechts

als voorlopig bedoeld. Art. 5 van

dezelfde wet schrijft de instelling

voor, en regelt de samenstelling en

bevoegdheden, van „een vaste Commissie

van Advies inzake de schrijfwijze

van de Nederlandse taal". De

zeven leden van deze commissie zijn

bij toesluit van de Prinses-Regentes op

29 October 1947 benoemd. Voorzitter

is prof. Van Haeringen. Deze commissie

zal ons uit de geslachtelijke

en pronominale moeilijkheden moeten

helpen. Voorlopig zit zij echter zelf

nog voor een moeilijkheid. Minister

Gielen heeft namelijk verzuimd haar

te installeren, en minister Rutten heeft

nog geen gelegenheid gevonden dit

verzuim te herstellen

DISCIPULUS

17


Kan uit Apeldoorn iets goeds voortkomen? Jaï

E taak van de krant is, de lezers

D voor te lichten over wat er in de

wereld gebeurt. Nu is één van de

dingen die er in de wereld gebeuren,

er wel niet een van de minst belangrijke,

dat er kranten verschijnen.

Dus dient de krant haar lezers ook

voor te lichten aangaande de zaken

van de krant, zo redeneerde collega

Visser van de Nieuwe Apeldoornse,

en hij wijdde in het nummer van 28

September een hoofdartikel aan onze

C.A.O. We hadden daar natuurlijk

in een vorig nummer al iets uit

moeten aanhalen, maar toen ging

het er niet meer in. Geen nood, het

onderstaande zal voorlopig wel niet

verouderen'.

„Het is een lange en moeilijke weg

geweest, welke de voorlichting in

Nederland heeft moeten gaan, voor

zij de erkenning ontving, waarop zij

krachtens haar wezen aanspraak

mocht en moest maken. De totstandkoming

van een collectieve arbeidsovereenkomst

betekent een mijlpaal

van betekenis op idie weg. Zij sluit

een hoofdstuk — een serie hoofdstukken

— af, zij is tegelijk een begin.

Eem afsluiting, voorzover zrj een

erkenning inhoudt van het journalistieke

beroep en naar men mag

hopen aan de beunhazerij paal en

perk zal stellen. Deze C.A.O. is van

gewicht, voor zover zij de maatschappelijke

positie van de journalist

regelt. Maar sterker dan de overwegingen

van financiële aard spreken

de morele factoren. Want deze

C.A.O. stelt zeer nadrukkelijk de

verantwoordelijkheid van de journalist,

een verantwoordelijkheid, welke

als ongeschreven wet door de besten

werd aanvaard en als richting gevend

voor hun gedragingen werd

erkend, maar die nu als geschreven

, overeenkomst iedere journalist en

directie gelijkelijk bindt. Zij zal haar

nadere uitwerking krijgen in de wettelijke

regelingen, waarvan de

Troonrede gewaagde. Dat wil niet

zeggen, dat aan de persvrijheid te

kort zal worden gedaan. Zij is een

van onze hoogste goederen. Een

volk, dat deze vrijheid prijs geeft,

snijdt zichzelf in het leven.

Wij willen het tot stand komen

van deze C.A.O. beschouwen als een

zeer gewichtige stap naar een verantwoorde

voorlichting. Zij is niet

slechts van belang voor de journalist,

zij is dat ook voor het Nederlandse

volk, dat iedere dag met de

journalist in aanraking komt. En

daarom willen wij ook tegenover onze

lezers de ideële betekenis van

deze C.A.O. met nadruk in het licht

stellen. De journalist wordt er door

bepaald bij zijn verantwoordelijkheid

als voorlichter en deze omstandigheid

kan er toe bijdragen, dat er tussen

lezer en krant een sfeer van

groter vertrouwen) wordt gekweekt.

Een bijdrage daartoe vormt ongetwijfeld

de stichting van het Instituut

voor Perswetenschap. Daar­

18

mede heeft de opleiding der journalisten

een wetenschappelijk verantwoorde

vorm gekregen.

De voorlichting zal er wel bij varen.

Niet in die zin, dat zij nu zwaarwichtig

en onverteerbaar wordt. Wel

in die zin, dat alleen de besten zullen

worden uitgeschift, die om hun bekwaamheid,

hun vlotheid, hun

schrijfvaardigheid tot schrijfwaardigheid

worden uitverkoren en die

hun verantwoordelijkheid kennen."

Klein maar flapper

Op 11 October nam de Nieuwe

Apeldoornse (klein maar dapper)

een handschoen op die ridder Bomans,

gezeten op het ros Elsevier,

wat achteloos had weggeslingerd.

Collega Bomans had zitten lezen in

een nummer van De Gooische Bazuin

van 1885 en hij schreef:

„Zie, dat vind ik nu een aardige

krant. Laten wij haar eens bekijken.

Vooreerst is het een echte streekeditie.

Maak u niets wijs, dat kennen

wij niet meer. Wij kennen alleen landelijke

bladen. Zeker, daarnaast bestaan

er ook plaatselijke couranten,

die echter van de landelijke alleen

hierin verschillen, dat zij met het

nieuws 24 uur ten achter zijn. De

echte couleur locale durft geen redactie

meer aan. Men is bang voor

achterlijk, voor provinciaal versleten

te worden. Wat een schromelijke vergissing!

Want inderdaad is de geboorte

van een tweeling te Laren

voor de streekgenoten van oneindig

meer gewicht, dan wat de heer Bidault

in de Franse Kamer gezegd

heeft. In het algemeen trouwens ben

ik van mening dat de geboorte van

een kind, laat staan van twee, belangrijker

is dan de woorden van

Bidault. Want die zijn morgen vergeten.

Een tweeling echter blijft".

„Achter? sprac'k'baes Visser, achter?

Stille maets, een toontje min.

Achter? wacht, daar sel ick achter,

BIn ick angders, dien ilk bin"

en hij schreef in de N. A. Crt. het

volgende commentaar:

„Wij kunnen'Bomans gelijk geven,

wanneer hij klaagt, dat wij, mede

dank zij de alarmerende berichtgeving

— hoewel waarlijk niet uitsluitend

.daardoor! — in een angstpsychose

leven. Dat er allerwege een

drang bestaat: weg van hier, gevangen

als velen zijn in een soort

paniekstemming, over zaken, waarvan

men de strekking en de draagwijdte

niet kan beoordelen.

Het is een onderwerp dat een

aparte beschouwing verdient, maar

deze dient wel ietwat dieper te gaan,

dan die van Bomans. Er de kranten

de schuld van te geven is tot op

zekere hoogte juist. In haar algemeenheid

is deze oordeelvelling wel

oppervlakkig en daarom onjuist.

Het zou voor de landelijke dagbladen

natuurlijk erg prettig zijn, indien

de provincie 24 uur later met

inmiddels oud geworden nieuws

kwam. Maar dat is niet zo. Hier is

sprake van een misverstand, om niet

te zeggen misleiding. De provinciale

dagbladen zijn geabonneerd op het

zelfde nieuws, dat tegelijk van de

telex rolt in Amsterdam, zo goed als

in Arnhem, Groningen, Maastricht,

Apeldoorn of -Kampen. Wanneer het

er dus om gaat, bij te zijn, wel, wat

het grote nieuws betreft staan de

kansen volmaakt gelijk.

Eigen karakter

Maar wat de provinciale bladen

een voorsprong geeft op de landelijke

bladen, zit hem juist in. die couleur

locale, waarvan Bomans zegt, dat de

provinciale pers haar niet aandurft.

Want die couleur locale is de kracht

van de plaatselijke en streekbladen.

Zij geeft aan die bladen hun karakter,

dat geheel eigene, waardoor zij zich

onderscheiden van de andere bladen.

Dat zij die zouden opofferen terwille

van het twijfelachtig genoegen

„groot" te zijn, het zou de ondergang

betekenen van de provinciale

en regionale pers. De heer Bomans

ziet echter iets zeer belangrijks over

het hoofd. Hij las een krant uit 1885

en wij schrijven nu ,1948. Het is lichtelijk

naïef, te verlangen naar de

goede oude tijd. Iedere tijd heeft zijn

bekoring en zijn zorgen. Maar daarnaast

moge worden overwogen, dat

in 1885 Baarn bij wijze van spreken

verder van Amsterdam verwijderd

was, dan vandaag Amsterdam van

Parijs, Londen, Oslo of zelfs New

York. De wereld is in onze huiskamers

gekomen en of wij willen of

niet: wij zijn: partij, direct toetrokken

bij het wereldgebeuren.

En wat tenslotte de vergelijking

betreft van Bidault en de tweeling.

Wellicht zijn de woorden van Bidault

morgen inderdaad vergeten, maar

wat hij bereikt of niet bereikt met

zijn woorden, dat zal van Invloed

blijken te zijn, hoe dan ook, op het

leven van die tweeling.

Daar gaat het om en het is mede

op die gronden, dat ook de provinciale

pers, met handhaving van de

couleur locale, aandacht schenkt aan

wat er op het toneel buiten de onmiddellijke

gezichtskring gebeurt. Zij

zou in het vervullen van haar opdracht

tekort schieten, indien zij terwille

van de locale kleur de voorlichting

op dit brede terrein liet schieten

en voor struisvogel ging spelen.

De ontwikkeling gaat door en het

is goed en nodig, deze ontwikkeling

op de voet te volgen.

Nee, de heer Bomans heeft de

plank volkomen misgeslagen. De

provinciale pers weerlegt zijn klacht

dagelijks."

Het moet goed zijn in Apeldoorn

te wonen. Men leest er elke dag zijn

(provinciaal) krantje en kan er desgewenst,

zo men zeven stuivers rijk

is, in de Hoofdstraat een portie

Elsevier-met-Bomans gaan halen.

En waar kan men in Amsterdam de

Nieuwe Apeldoornse krijgen?


HET PLAATSELIJK BLAD

John Betjeman, de befaamde

boekbespreker, houdt in The Strand

een éloge op zijn eigen plaatselijke

krant „Newbury Weekly News", een

loftuiting op een journalistiek instituut

dat, onzes inziens, in grote ere

moet worden gehouden, óók in Nederland.

Wij nemen gedeelten uit Betjemans

artikel hier over niet in de

laatste plaats omdat het plaatselijk

blad ons zelf zo warm aan het hart

ligt:

T Is never quoted by Pravda, nor

I by the New York, Times, but the

Newbury Weekly News is England.

So are the Wadebridge and Padstow

Guardian, The Evesham and Four

Shires Journal, and a hundred

other weekly local newspapers. Their

columns, praise heaven, are unaffected

by disputes between Bolivia

and Paraguay. The do not voice what

purports to the British opinion of

Bulgaria's opinion of Belgium's opinion

about Iceland. This is not to

say that they will neglect to mention

a juicy murder if it occurs locally.

But they leave it to the national

daily papers and the pontifical news

reports of the B.B.C. to make us

"internationally minded". The aim of

most daily papers—apart from such

useful information as sports form

and results—seems to be to leave the

reader with the impression that the

end of the world will be to-morrow

or at any rate next week. But the

local paper tells us about people we

know personally and events iai which

we have taken or.can take a hand.

Their news is news, not entertainment,

and their advertisements are

an extension of the news.

With the local paper every paragraph

matters, every column is read

aind believed. The farmer, slippers on

at last, tie undone and waistcoat

open, forms filled in, and petrol-lamp

humming a tune to its own brightness,

reads every one of the auctioneers'

advertisements announcing

sales of livestock and farm implements.

His wife has looked through

every small advertisement—a pram

for sale, a radiogram, a sewing

machine; and she will also notice

that once again Mrs. Greenaway is

in want of someone te help in the

kitchen and dairy, that the young

Caldecotts can't be doing so well or

they would not be offering for sale

that piano in which old Lizzie Caldecott

had taken such pride. Probably

if Lizzie had been a more sensible

woman and brought up the children

to think more about work and less

about making themselves better- than

Een lofzang door JOHN BETJEMAN

they , were with piano-playing and

suchlike nonsense ....

And the Rector's wife, cold, penniless,

underfed and overworked in the

great draughty rectory, looks with

longing at the auction of furniture

at a neighbouring vicarage. She

might bid for that set of Encyclopaedia

Britannica for Wilfred, and

at the same time put in for the

screen, which would make all the

difference to the warmth of the big

drawing-room.

In far cottages on lonely hill-tops,

where the rain makes the garden

paths slippery and water-butts overflow

into the dark night, the girls

and the young men read the notices

of new films. Their mothers read

about where the next whist drive is

to be. And they all decide to go on

Saturday afternoon, by coach, to the

football match.

And down in the village Mrs. Whitefoot

thinks the schoolmistress sent

in that report of the Women's Institute

Meeting out of spite, deliberately

leaving her name out of the list

of those who had helped with the

refreshments. Well, next time she

won't help at all), that will, show

them. If they mention that Mrs.

Greenfoot, who didn't even bother to

help with the washing-up, why

shouldn't they mention her? But in

another house, in village or town,

where a chais is empty, a bedroom

vacant, an unwonted stillness about

and a heap of flowers dying on the

rain-soaked churchyard earth outsidei,

there will be another bit in the local

paper which will be cut out and

treasured. It will be the bit with its

list of mourners and its touching

catalogue of floral tributes 'From

all at Clanfield," "From Tom, Mum

and Sam," "From little Winnie." The

Daily Express may sound like England,

but the local paper is England.

On a main street is the stationer's

shop in which the paper had its origin.

For in 1867, Walter Blacket, a

Newbury stationer, decided to start

a paper, and he called in a friend,

Thomas Wheildon Turner, who had

newspaper experience, to help him.

Thus runs the announcement of the

first issue and, whatever its independence

of politics, the wording has a

Gladstonian ring:

"The Newbury Weekly News will

seek to be the reflex of the opinion

of the community amongst which it

circulates: while being the exponent

of no party in politics or sect in religion,

its' endeavour will be to advance

those principles of liberty and progression

which Englishmen of all

classes and opinions love and

cherish."

And above that stationer's shop

lives Mr. Hugh Turner, younger son

of the first editor, and editor since

1929. His father was editor from

1867 to 1924. He was succeeded by

his assistant, Mr. Frank Stillman,

who died in 1929. So there have been

only three editors since the paper

started. But in that time Newbury

has grown. In the period between the

two last wars an area of light industry

spread along the Kennet valley

towards Reading. For this, for

the town of Newbury and for the

villages round, the' Newbury Weekly

News caters. Before the newsprint

cut in July last year its circulation

was 18.300.

It has to be accurate, for any

distortion will be found out. The staff

is known personally throughput the

district. Do not the' people the editor

writes about meet him in the

street from day to day? Indeed, to

walk with Mr. Hugh Turner or Mr.

Ashley Turner, his elder brother, the

business manager of the paper, in

the streets of Newbury is like a

triumphant march with "How are

you, sir?" the "Fine mornings," the

nods and the, handshakes every few

yards.

When election time comes round,

equal space is meted out to each, candidate

and it is measured to an inch.

Best of all, the Newbury Weekly

News has fought and is always

fighting the unrecognised Trade

Union of Officialdom. Local Councils

and, even more, County Councils

delight in secret committees from

which* the Press is excluded. There

things are said and decisions made

which, if they became public, would

show their promoters up for the

unscrupulous power-maniacs that

they often are. A well-run, wellwritten

independent local paper like

the, Newbury Weekly News is a

bulwark against dictatorship, 'a

means whereby important matters—

and local matters are important—

can be publicly discussed. The local

paper is England.

Correspondentie voor redactie en .

administratie a.u.b. richten

p/a Bureau der

FED. v. NED. JOURNALISTEN

gebouw Persmuseum

Nieuwezijdskolk 28

Amsterdam-C.

Telefoon 46910 — Giro 254336

(t. name v.d. Ned. Journ. Kring)

19


CHA

Redactioneel Nederlands

„Onder heerschappij van de motie",

zette de N-R-C. (keurig) boven een

Kameroverzicht. Maar Het Vrije

Volk, dat maar ruimte had voor een

een-koloms kop, schreef kort en

fout: „Motioneel"..

Discipulus meent dat dit een

nieuwe aanwinst is, na de politionele

actie, het justitionele optreden en

het ovationele applaus. Hij wil graag

zijn aandeel tot deze taaiverrijking

bijdragen en stelt daarom voor:

grationeel beleid, munitionele ontploffing,

federationeel congres,

tractationele poppekast, industrialisationele

opbouw en actionele politie

(dat is natuurlijk, die van de politionele

actie).

Voor meer eruditionele voorbeelden

houdt hij zich aanbevolen.

STournalistieke geologie

Na het turf krijt, eerder door

de Volkskrant ontdekt, thans opnieuw

door het Parool aangeboord

(in de St. Pieteijsberg), is er alweer

een nieuwe delfstof aan het licht

gebracht, en wel in de zandafgravingen

bij Maarn: kleileem. De

eer van de ontdekking komt toe aan

de N.R.C.

I

Bij gebrek aan kopij

De Tijd vult blijkbaar geregeld

sommige edities met opgewarmde

en aangelengde kost maar zet er

dan eerlijk boven: „Reeds gedeeltelijk

geplaatst".

Het blijft een kritique woord

Een chique, duidelijk verzorgd rapport.

(Linie).

Maar het kan nog kritique'r

Een van de chique'ste concertzalen.

(Vrije Volk).

Wat niet in Van Dale staat

Eerdaags komen wij op het betoog van

dr. Greve terug. (Tijd).

Koning George moet reis naar Australië

aflasten. (Parool).

Niemand in de wereld kan Maurice

Chevalier evenaarden. (Het Vrije Volk).

Vervrouwelijking '

De goden der Olympus. (Zwingli).

Het nationalisme wordt door het communisme

vaak als dekmantel voor haar

acties gebruikt", zeide hij, „doch wij willen

juist het communisme van haar dekmantel

ontdoen." (A. N. P.).

De aanklachten tegen deze industrieën

worden gefabriceerd met behulp van

verraderlijke employees. (Linie).

Wel goed maar toch 'n beetje gek

Op het ogenblik is er niets, dat deze

Chinese communistische strijdkrachten,

kan verhinderen haar opmars voort te

zetten. (Parool).

Hoe men een legende vormt

„Die voorbeeldige vorstin, die uit de

geschiedenis is getreden en legende is

geworden", zo karakteriseerde de beroemde

Franse schrrjver Georges Duha-

20

mel, bij wie Nederland zéér hoog aangeschreven

staat, gisteravond te Parijs,

waar een late jubileumviering in de vereniging

Frankrijk—Nederland, plaats

vond, onze vorstin Wilhelmina.

Dit is het nieuwe, zo juist door de

kunstenaar Willy Sluyters voltooide portret'

van „de vorstin, die legende werd".

(De Vrije Alkmaardér, onder het portret

van koningin Juliana).

Geef mij proza om te bewonderen

Het zou zonde zijn als' de journalistiek

van de Maasbode vergeten in

haar leggers bleef liggen. Vandaar

deze herdruk van enkele^ fragmenten

uit een artikel:

De heer Diepen betoogde, dat een of

twee enkele baan of banen voldoende

zouden .zijn om de luchthaven tot een

maximale capaciteit te kunnen opvoeren.

Het wachten is een groot trjdveirlies,

dat terdege moet worden berekend in

het rendement van een luchtlijn.

De topcapaciteit van een spitsuur is

uiteraard maatstafgevend.

De heer Diepen stelde tegenover deze

capaciteit, dat v deze zich vooral bij passagiersvluchten

voordoet.

Industriële vestigingen met een tendens

om naar Rotterdam te worden getrokken.

Wat betreft de groot- en tussenhandel

ligt het zwaartepunt kwalitatief precies

op Delft, doch kwalitatief meer naar het

Zuiden. Tenslotte ligt wat betreft de vestiging

van verkeersbedrn'ven het zwaartepunt

precies op Overschie.

Tengevolge van de zuigkracht van

Schiphol zal men er op berekend moeten

zijn

Hiertegenover staat echter, dat Breda

ten opzichte van Schieveen, Eindhoven

even gunstig ligt.

Het economisch-geografisch zwaartepunt

komt op de stad Rotterdam te

liggen.

Met nog enkele opmerkingen besluit de

brochure met de conclusie —

De beide

• Men kan zeggen dat de beide regeringsverklaringen,

maar dan ook de

béide, aan één en dezelfde onduidelijkheid

lijden. (Volkskr.).

Dat kan men zeggen, ja. Maar

het is beter het niet te doen.

Meer \

Op het' Amsterdamse V. W. O.-congres

is het feit naar voren gebracht, dat de

ontwikkeling der alpha-wetenschappen

meer of minder ver ten achter is bij die

der bêta-wetènschappen.

(Maatschappij en Wetenschap).

Discipulus heeft de indruk dat de

alpha-wetenschappen meer ver ten

achter zijn.

Meest

De meest vreemde mensen en zaken.

(Meided. N. D. P.).

De meest eenvoudige manier.

(Kerk en Zondag).

Aanwinsten

De al dan niet grondwettigheid van

het voorstel. (Parool).

De al grondwettigheid verdient

natuurlijk de voorkeur.

In Den Haag vernamen wij, dat het

onjuist zou zijn te veronderstellen dat

het besluit is getroffen door de Nederlandse

regering. (N. R. C).

Het is inderdaad onjuist. Besluiten

worden nl. niet getroffen maar

genomen.

Schaduwen van gisteren

Anderzijds versluieren zij de kunstgrepen

der beïnvloeding. (Parool).

De sociale" rechtvaardigheid wordt

„versluierd". (Parool).

Maar een germanisme wordt door

aanhalingstekens niet bemanteld.

De arbeiders ontzegt men het witbrood.

(Parool).

Men wenste een versnelde vrijgave van

die tegoeden. (Parool).

Voor blijkbaar zeer vele Nederlanders

heeft het werk van Nico van Suchtelen

een beduidende betekenis gehad. 'Linie).

Hij kreeg in het vervolg beduidend

minder slaag. (Parool).

Hét verschijnsel Bernadette van film

en Werfelboek. (Linie).

Dit slachtoffer van de Nijmegenramp.

(Vrije Volk).

De Indonesië-politiek. (Parool).

(In Limburg maakt men een nieuw

soort' stenen) en van die stenen trekt

men huizen op, de z.g. Limburg-woning.

(Vrije Volk).

De zwakke Rio-formules. (Parool).

De Vandenbergh-resolutie. (Parool).

Hun aardgebonden verkeersconcurrenten.

(Alg. Hbl.).

De moeilijkheden, die van de aanvang

af de vestiging ener nieuwe rechtsorde

hebben doorkruist. (N. R. O.

Van Klaveren stelt wedstrijd tegen

Delannoit veilig. (Vrijei Volk).

Bij koninklijk besluit krijgt het betreffende

schip dan een zgn. „Koninklijke

vermelding bij dagorder". (N. R. C).

De betreffende schilderijen. (Parool).

Van welk een insnijdende betekenis

het is. (Parool).

Voor Drees zal deze dag eerst recht

een feiestdag zijn. (Vrije Volk). .

Een voorlichtingsobject waarvan gij de

verlogenheid behoort te kennen. (Linie).

Schuldig als ge zijt aan poging tot

geestelijke valsmunterij. (Linie).

In het begin van de dertiger jaren.

(Linie).

Thans is dat gevoel afgezwakt. (Linie).

Stellen wij ons zo'n oude, verweduwde

vrouw voor. (Linie).

Om over de zedelijke belangen van

het publiek beleidvol te waken. (Linie).

Voorkeur voor Engels

Op 10 April 1916 bracht het grote dagblad

de „Denver Post" een kolossale

knots van een verhaal. Het was een walvis

van een stunt voor de Denver Post.

* (Linie).

dat de communisten Maandag laat

in de middag de algehele controle over

de stad in handen kregen. (N. R. C).

Truman zei, ietwat vermoeid: „Ik vermaak

mezelf buiten die grote witte gevangenis".

(Vrije Volk).

Het zal goed zijn, dat de minister zich

realiseert dat deze dingen van groot belang

zijn. (Vrije Volk).

Voor de recreatie zijn dergelijke gebieden

als regel verloren. (N. R. C).

CORRESPONDENTIE

„Moeilijk Frans: Qui trop embrasse,

mal étreint. In dit geval:

men kan ook te véél willen corrigeren.

„Représailles" is heus correct,

zelfs 15 maal herhaald." (F. Th. H.)

— Natuurlijk is het correct. Maar in

de Charivaria was het een drukfout:

in H.V.V. stond vijftien keer

„représsailles". U hebt er geen idee '

van hoe moeilijk het is een zetter

expres een fout te laten zetten: ze

vertikken het eenvoudig zich te

vertikken.

„Voor zover ik weet en kan nagaan

is rooster in elke betekenis mannelijk.

Kunt U misschien onder

Charivaria verklaren hoe het komt

dat men dit woord zo dikwijls onzijdig

gebruikt?" (W.A.S.) — Omdat

het zowel een het- als een de-woord

is: zie het gebruik en elk goed

woordenboek. DISCIPULUS

More magazines by this user
Similar magazines