3 - Service Box - Peugeot

public.servicebox.peugeot.com

3 - Service Box - Peugeot

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website

van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie

over het onderhoud van uw auto.

Als de rubriek "MyPeugeot" niet beschikbaar is op de website van

het merk voor uw land, kunt u het instructieboekje op het volgende

internetadres raadplegen:

http://public.servicebox.peugeot.com

Als u het instructieboekje online raadpleegt, hebt u tevens

toegang tot de meest recente informatie. Deze informatie

is gemakkelijk te herkennen aan de paginamarkeringen die

worden weergegeven met dit pictogram:

Belangrijke informatie:

Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires

die niet onder een artikelnummer in het assortiment van

Automobiles PEUGEOT voorkomen, kan storingen in het

elektronisch systeem van uw auto veroorzaken. Wij verzoeken

u hier rekening mee te houden en raden u aan contact op te

nemen met een vertegenwoordiger van het merk PEUGEOT

om u te laten informeren over het assortiment uitrustingen en

accessoires voorzien van het betreffende artikelnummer.

Selecteer:

de link in het gedeelte voor "Particulieren",

de taal,

het model van uw auto,

de uitgiftedatum g die overeenkomt met de datum van deel 1A op p phet

kentekenbewijs van uw auto.

U kunt hier het instructieboekje van uw auto in dezelfde lay-out bekijken.


WELKOM

Wij danken u voor uw keuze voor de 508 RXH.

Dit instructieboekje is ontwikkeld om u

in de gelegenheid te stellen onder alle

omstandigheden optimaal gebruik te maken

van de mogelijkheden van uw auto.

In het eerste deel van het boekje is de

belangrijkste informatie samengevat om u in

korte tijd vertrouwd te maken met de bediening

van uw auto.

Vervolgens komen alle details van uw auto

op het gebied van comfort, veiligheid en

praktische informatie uitgebreid aan bod,

zodat u en uw passagiers maximaal van de

auto kunnen genieten.

Elk geleverd model kan, afhankelijk van het

uitrustingsniveau, de carrosserievarianten, de

uitvoeringen en de specifieke kenmerken voor

het land waarvoor de auto bestemd is, slechts

van een deel van de in dit boekje vermelde

uitrustingen zijn voorzien.

Symbolen

Waarschuwing:

dit symbool geeft waarschuwingen

weer die u absoluut dient te respecteren

omwille van uw veiligheid en die van

anderen en om schade aan uw auto te

voorkomen.

Informatie:

dit symbool vestigt uw aandacht op

aanvullende informatie die u helpt de

gebruiksmogelijkheden van uw auto

optimaal te benutten.

Bescherming van het

milieu:

dit symbool verschijnt bij adviezen met

betrekking tot de bescherming van het

milieu.

Verwijzing:

dit symbool verwijst naar de bladzijde

waar meer informatie over de

desbetreffende functie is te vinden.


Inhoud

In één oogopslag

Hybridesysteem

Controle tijdens het rijden

.

Presentatie 22

Starten / afzetten 25

Verklikkerlampje Ready 29

Keuzeschakelaar HYbrid4 29

Energiemeter 32

Weergave van de energiestromen van het

hybridesysteem 33

Eco off 36

Eco-rijden 37

Verbruik 39

Tractiebatterij 40

Slepen 44

Instrumentenpaneel 45

Verklikkerlampjes 46

Meters 57

Boordcomputer 62

Datum en tijd instellen 65

.

Toegang tot de auto

Sleutel met afstandsbediening 66

Alarm 76

Elektrisch bedienbare ruiten 78

Bagageruimte 80

Elektrisch bedienbare achterklep 81

Panoramadak (SW) 84

Brandstoftank 85

Tankbeveiliging diesel 86

Comfort

Voorstoelen 88

Achterbank 92

Spiegels 94

Stuurwielverstelling 96

Indeling interieur 97

Indeling van de bagageruimte 100

Verwarming en ventilatie 106

Automatische airconditioning met

gescheiden regeling 108

Automatische airconditioning quadrizone 111

Achterruitverwarming 116

Programmeerbaar verwarmings-/

ventilatiesysteem 117

Rijden

Elektrische parkeerrem 119

EGS-versnellingsbak met 6 versnellingen 126

Hill Holder 130

Head-up display 131

Snelheidsbegrenzer 134

Snelheidsregelaar 136

Parkeerhulp 138

Intelligente parkeerhulp 140

Zicht

Lichtschakelaar 142

LED-verlichting 145

Automatische verlichting 147

Koplampen verstellen 150

Bochtverlichting 151

Ruitenwisserschakelaar 152

Automatische ruitenwissers 154

Plafonniers 156

Sfeerverlichting 157


Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen

Kinderzitjes 158

ISOFIX-kinderzitjes 164

Kinderbeveiliging 167

Veiligheid

Richtingaanwijzers 168

Urgence-oproep of Assistance-oproep 169

Claxon 169

ESP 170

Veiligheidsgordels 173

Airbags 176

Praktische informatie

Bandenreparatieset 180

Wiel verwisselen 186

Een lamp vervangen 191

Zekeringen vervangen 198

12V-accu 202

Eco-mode 205

Wisserbladen vervangen 206

Slepen van uw auto 207

Slepen 209

Trekken van een aanhanger 210

Allesdragers monteren 212

Accessoires 213

Onderhoud

Openen van de motorkap 216

Brandstoftank leeg (Diesel) 217

Dieselmotor 218

Niveaus controleren 219

Controles 222

Technische gegevens

Inhoud

Elektromotor 225

Dieselmotor 226

Gewichten (diesel) 227

Afmetingen 228

Identifi catie 229

Audio en telematica

Urgence-oproep of Assistance-oproep 231

JBL Hifi -systeem 233

Peugeot Connect Nav 235

Index

Visuele index

.

.


4

In één oogopslag

Presentatie van het HYbrid4-systeem

Wij willen u bedanken voor uw keuze voor

deze HYbrid4-auto die op een aantal punten

verschilt van een conventionele auto.

Lees dit instructieboekje aandachtig door om

alle functies van het hybridesysteem te leren

kennen. Raadpleeg voor meer informatie het

hoofdstuk "Hybridesysteem".

22

De HYbrid4-technologie combineert op slimme

wijze twee aandrijfconcepten: een HDidieselmotor

die de voorwielen aandrijft en een

elektromotor die zorgt voor de aandrijving van

de achterwielen.

Deze twee motoren kunnen afzonderlijk

of gelijktijdig werken, afhankelijk van de

geselecteerde stand van het hybridesysteem

en de rijomstandigheden.

De auto wordt door alleen de elektromotor

aangedreven in de stand "ZEV" (Zero Emission

Vehicle) en, bij lage snelheden en wanneer

weinig vermogen wordt gevraagd, in de

stand "Auto". Bij wegrijden vanuit stilstand, bij

accelereren en tijdens het schakelen assisteert

de elektromotor de dieselmotor.

De batterij die voor de voeding van de

elektromotor zorgt, wordt tijdens het

decelereren weer bijgeladen.

1. HDi-dieselmotor (aandrijving van de

voorwielen).

2. Elektromotor (aandrijving van de achterwielen).

3. 200V-tractiebatterij.

4. Elektronische controle-eenheid vermogen.

5. Stop & Start-systeem.

6. Gestuurde handgeschakelde

6-versnellingsbak.

7. Elektrische stroom.

8. Keuzeschakelaar HYbrid4.


Zuinig en milieuvriendelijk rijden

Het brandstofverbruik van een auto kan sterk variëren afhankelijk van:

- de rijstijl van de bestuurder (rustig, sportief, snel, ...),

- het type traject dat wordt afgelegd (stad, buitenweg, autosnelweg, weinig verkeer, file, ...) en de snelheid.

Belangrijkste adviezen voor zuinig rijden

Keuzeschakelaar hybridesysteem

Zet voor een optimaal brandstofverbruik, ook in stadsverkeer, de keuzeschakelaar in de stand Auto

(deze stand wordt bij het starten automatisch ingeschakeld).

In deze stand worden de energiebronnen (verbrandingsmotor en/of elektromotor) optimaal gebruikt. De andere

standen zijn daarentegen voor een specifiek gebruik bedoeld.

Selectiehendel van de versnellingsbak

Gebruik zo veel mogelijk de automatische stand A . In deze stand wordt altijd de op dat moment optimale

versnelling ingeschakeld.

Soepel rijden

Rijd zo veel mogelijk in de "eco" -zone van de energiemeter: accelereer rustig, rijd waar mogelijk met een

constante snelheid en gebruik daarbij de snelheidsregelaar of -begrenzer.

Gebruik de "charge" -zone: anticipeer op verkeersomstandigheden die een lagere snelheid vereisen door het

gas los te laten in plaats van te remmen. De naald van de energiemeter (in de "charge"-zone) geeft aan hoeveel

energie er op deze manier wordt teruggewonnen.

Verbruiksgeschiedenis

Bekijk het effect van uw rijstijl en het type traject door de verbruiksgeschiedenis te raadplegen. Zie het hoofdstuk

"Multifunctionele displays".

Oorzaken van een te hoog brandstofverbruik en controles

Net als bij andere auto's geldt ook in dit geval het volgende: belaad uw auto niet te zwaar, beperk zo veel

mogelijk de luchtweerstand van de auto (sneller dan 50 km/h rijden met geopende ruiten, aanwezigheid van

beladen of onbeladen dakdragers, ...) en beperk zo veel mogelijk het gebruik van verbruikers (airconditioning,

stoelverwarming, achterruitverwarming, ...).

Controleer regelmatig de bandenspanning en houd u daarbij aan de door de fabrikant aanbevolen waarden. Laat

uw auto volgens de voorschriften van de fabrikant onderhouden.

In één oogopslag

.

5


6

In één oogopslag

Buitenzijde

Elektronische sleutel:

Keyless entry and start

Met dit systeem kunt u de auto openen en

sluiten en de motor starten zonder dat u de

sleutel uit uw zak hoeft te halen. De sleutel

moet zich wel in het detectiegebied bevinden.

25, 67

Noodreparatieset voor

banden

Met deze complete set, bestaande uit een

compressor en een flacon met afdichtmiddel,

kunt u een noodreparatie aan een band

uitvoeren.

180

Elektrisch bedienbare achterklep

Dit elektrisch bedienbare systeem biedt u de

mogelijkheid om met een druk op de knop de

achterklep te openen en te sluiten.

80

Parkeerhulp voor en

achter

Deze functie waarschuwt u tijdens het vooruit-

of achteruitrijden voor obstakels voor en achter

de auto.

138


Openen

Keyless entry and

start-systeem

Openen

Houd uw hand, terwijl de elektronische sleutel

zich in het detectiegebied bevindt, achter de

buitenportiergreep om de auto te ontgrendelen,

trek vervolgens aan de portiergreep om het

portier te openen.

Sluiten

In één oogopslag

Houd, terwijl de elektronische sleutel zich in

het detectiegebied bevindt, een vinger tegen de

portiergreep (bij de merktekens) om de auto te

vergrendelen.

67, 70

.

7


8

In één oogopslag

Openen

Sleutel met afstandsbediening

A. Uitklappen/inklappen van de sleutel.

B. Ontgrendelen van de auto.

66

Overige beschikbare functies...

C. Vergrendelen van de auto.

Lokaliseren van de auto.

Brandstoftank

1. Openen van de brandstofvulklep.

2. Openen en bevestigen van de

brandstoftankdop.

Inhoud van de brandstoftank: ongeveer 72 liter.

85


Interieur

Sfeerverlichting

Het gedimde licht van de sfeerverlichting

verbetert bij weinig buitenlicht het zicht in het

interieur.

157

Head-up display

Dit systeem projecteert de informatie over de

wagensnelheid en de snelheidsbegrenzer/

snelheidsregelaar op een getint scherm in het

gezichtsveld van de bestuurder, zodat deze de

blik op de weg gericht kan houden.

131

In één oogopslag

Audio- en communicatiesysteem

Dit systeem is voorzien van de

nieuwste technologie: autoradio met

MP3-afspeelmogelijkheid, USB-aansluiting,

Bluetooth handsfree set, navigatiesysteem

met kleurenscherm, AUX-aansluitingen,

hifi-audiosysteem, ...

Peugeot Connect Nav+

235

Automatische airconditioning

Deze functie maakt het mogelijk de airconditioning op

een bepaald comfortniveau in te stellen. Aan de hand

van deze instelling en de weersomstandigheden wordt

de airconditioning vervolgens automatisch geregeld.

Gescheiden regeling

108

Quadrizone

111

Het optionele JBL audiosysteem

is speciaal ontworpen voor het

interieur van uw auto.

Raadpleeg de rubriek "Audio en

telematica".

.

9


10

In één oogopslag

Schakelaars

Het branden van een verklikkerlampje geeft aan

of de bijbehorende functie is in- of uitgeschakeld.

Massagefunctie.

91

Grootlichtassistent.

148

Intelligente parkeerhulp.

140

Inbraakalarm.

76

Motor starten/afzetten met de

elektronische sleutel.

25/26

Peugeot Connect SOS

231

Elektrische parkeerrem.

119

Openen van de achterklep.

69, 80

Openen van de brandstofvulklep.

85

Uitschakelen van het CDS-systeem.

172

Elektrisch kinderslot.

167

Verklikkerlampje programmeerbare

verwarming.

117

Uitschakelen parkeerhulp.

139

Uitschakelen automatisch afzetten

van de verbrandingsmotor.

36

Head-up display

(aan/uit, instellingen).

131


Comfort

Voorstoelen

Elektrisch verstellen

1. Hoek- en hoogteverstelling van de zitting

en verstelling in lengterichting.

2. Rugleuningverstelling.

3. Verstelling van de lendensteun.

88

In één oogopslag

.

11


12

In één oogopslag

Cockpit

1. Schakelaars snelheidsregelaar/-begrenzer.

2. Koplampverstelling.

3. Schakelaar verlichting en

richtingaanwijzers.

4. Instrumentenpaneel.

5. Airbag bestuurder.

Claxon.

6. Versnellingshendel.

7. Keuzeschakelaar HYbrid4-systeem.

8. 12V-aansluiting.

USB-/Jack-aansluitingen.

9. Hendel motorkapontgrendeling.

10. Zekeringkast.

11. Zijruitontwaseming.

12. Voorruitontwaseming.

13. Contact-/stuurslot.

14. Starten met de elektronische sleutel.

15. Bediening op het stuurwiel van de

autoradio.

16. Schakelaar ruitenwissers/ruitensproeiers/

boordcomputer.

17. Schakelaar alarmknipperlichten en centrale

vergrendeling.

18. Display.

19. Middelste verstelbare en afsluitbare

ventilatieroosters.

20. Airbag passagier.

21. Verstelbare en afsluitbare zijventilatieroosters.

22. Dashboardkastje / Uitschakeling

passagiersairbag.

23. Elektrische parkeerrem.

24. Middenarmsteun met opbergvakken.

25. Opbergvakken (volgens uitvoering).

26. Autoradio.

27. Bedieningspaneel verwarming/

airconditioning.

28. Alarm / Peugeot Connect SOS - Peugeot

Connect Assistance.

29. Bediening Peugeot Connect Nav.

30. Massage / Grootlichtassistent / Intelligente

parkeerhulp.


In één oogopslag

.

13


14

In één oogopslag

Comfort

Verstellen van de hoofdsteun

Druk op de knop A om de hoofdsteun lager te

zetten.

Beweeg om de hoofdsteun hoger te zetten

deze omhoog tot de gewenste positie is bereikt.

90

Stuurwiel verstellen

1. Ontgrendelen van het stuurwiel met de

hendel.

2. Verstellen in hoogte en diepte.

3. Vergrendelen van het stuurwiel met de

hendel.

96

Deze handelingen moeten uit

veiligheidsoverwegingen uitsluitend

worden uitgevoerd als de auto stilstaat.

Bediening stoelverwarming

0 : uit.

1: laag.

2 : gemiddeld.

3 : hoog.

90


Comfort

Buitenspiegels

Verstellen

1. Selecteren van de buitenspiegel.

2. Verstellen van de buitenspiegel.

3. In de neutraalstand zetten van de selectieschakelaar

en in- en uitklappen van de buitenspiegels.

94

Overige beschikbare functies...

Automatisch kantelen van het

spiegelglas bij het inschakelen van de

achteruitversnelling.

Binnenspiegel

Uitvoering met handbediende

dag-/nachtstandinstelling

1. Selecteren van de dagstand van de

spiegel.

2. Verstellen van de binnenspiegel.

Uitvoering met automatische

dag-/nachtstandinstelling

1. Automatisch instellen van de dag- of

nachtstand.

2. Verstellen van de binnenspiegel.

96

In één oogopslag

Veiligheidsgordels vóór

1. Omdoen.

2. Vastmaken.

3. Controle van de vergrendeling door aan de

riem te trekken.

173

.

15


16

In één oogopslag

Zicht

Ring A

Ring B

143

Uit.

Automatische verlichting

Parkeerlicht.

Dimlicht/grootlicht.

Mistachterlicht.

Ruitenwissers

Schakelaar A: ruitenwissers vóór

2 . Hoge snelheid.

1. Normale snelheid.

Int. Interval.

0. Uit.

AUTO Automatische ruitenwissers.

Een keer wissen: trek de hendel één keer

naar u toe.

Ruitensproeiers: trek de hendel naar u toe en

houd de hendel enige tijd in deze stand.

152

Inschakelen van de stand

"AUTO"

Beweeg de hendel één keer omlaag.

Beweeg de hendel nogmaals één keer

omlaag of zet de hendel in een andere

stand: Int., 1 of 2.

154

Ring B: ruitenwisser achter

153

Uit.

Interval.

Ruitensproeier.


Controle tijdens het rijden

Instrumentenpaneel

Wanneer u het contact aanzet, slaan alle

meters uit en keren vervolgens terug naar de

"0"-stand.

A. Als het contact wordt aangezet, moet de

meter het resterende brandstofniveau

weergeven.

B. Bij draaiende motor moet het

verklikkerlampje laag brandstofniveau

uitgaan.

C. Als het contact wordt aangezet, wordt op

het display van het instrumentenpaneel het

motorolieniveau weergegeven.

Ga indien nodig tanken of vul olie bij.

45

Verklikkerlampjes

In één oogopslag

1. Als het contact wordt aangezet, gaan de

oranje en rode waarschuwingslampjes

branden.

2. Bij draaiende motor moeten deze lampjes

weer uitgaan.

Raadpleeg de desbetreffende bladzijde als er

lampjes blijven branden.

46

.

17


18

In één oogopslag

Veiligheid voor alle inzittenden

Airbag voorpassagier

1. Open het dashboardkastje.

2. Steek de sleutel in de schakelaar.

3. Selecteer de stand:

"ON" (inschakelen) wanneer een passagier op de

voorstoel zit of een kinderzitje voor vervoer met het

gezicht in de rijrichting is bevestigd,

"OFF" (uitschakelen) wanneer een kinderzitje voor

vervoer met de rug in de rijrichting is bevestigd.

4. Verwijder de sleutel zonder de stand van de

schakelaar te veranderen.

177

Veiligheidsgordels voor en

frontairbag aan passagierszijde

A. Verklikkerlampje niet-vastgemaakte/

losgemaakte veiligheidsgordels voor

174

B. Verklikkerlampje storing van één van de

airbags.

C. Verklikkerlampje ingeschakelde frontairbag

aan passagierszijde.

177


Onder het rijden

Vóór het starten

- Zet de selectiehendel in de stand N.

- Steek de sleutel in het contactslot of zorg

ervoor dat de elektronische sleutel zich in

de auto bevindt.

Starten bij temperaturen boven

nul

- Trap het rempedaal in.

- Druk één keer kort (ongeveer 1 seconde)

op de knop START/STOP of draai de

sleutel volledig richting het dashboard, in

de stand 3 (starten).

In één oogopslag

- Het instrumentenpaneel wordt ingeschakeld,

het verklikkerlampje Ready gaat branden en

ter bevestiging klinkt een geluidssignaal.

- De draaiknop op de middenconsole staat in

de stand AUTO.

25

Bij temperaturen onder nul moet de

dieselmotor voorgloeien:

- Druk één keer, zonder r het

rempedaal in te trappen, kort op de

knop START/STOP.

- Wacht tot het verklikkerlampje voor

het voorgloeien is gedoofd.

- Druk nogmaals, met het rempedaal

ingetrapt, kort op de knop

START/STOP.

.

19


20

In één oogopslag

Wegrijden

- Houd het rempedaal ingetrapt en zet de

selectiehendel in de stand A om vooruit

te rijden of in de stand R om achteruit te

rijden.

- Laat het rempedaal los om weg te rijden.


Onder het rijden

Snelheidsbegrenzer "LIMIT"

1. Selecteren van de snelheidsbegrenzer.

2. Verlagen van de ingestelde snelheid.

3. Verhogen van de ingestelde snelheid.

4. Onderbreken/hervatten van de

snelheidsbegrenzing (pause).

5. Uitschakelen van de snelheidsbegrenzer.

Het instellen van de snelheid is alleen mogelijk bij

draaiende motor.

134

Snelheidsregelaar

"CRUISE"

1. Selecteren van de snelheidsregelaar.

2. Verlagen van de ingestelde snelheid.

3. Verhogen van de ingestelde snelheid.

4. Onderbreken/hervatten van de

snelheidsregeling (pause).

5. Uitschakelen van de snelheidsregelaar.

Het instellen van een snelheid en het activeren

van de snelheidsregelaar is alleen mogelijk bij

een wagensnelheid hoger dan 40 km/h met

minimaal de 2e versnelling ingeschakeld.

136

Weergave op het

instrumentenpaneel

In één oogopslag

Als de snelheidsregelaar of -begrenzer is

ingeschakeld, verschijnen de instellingen van

het systeem op het instrumentenpaneel.

Snelheidsregelaar

Snelheidsbegrenzer

.

21


22

Hybridesysteem

Presentatie

slimme wijze twee aandrijfconcepten: een

HDi-dieselmotor die de voorwielen aandrijft en

een elektromotor die zorgt voor de aandrijving

van de achterwielen.

Deze twee motoren kunnen afzonderlijk

of gelijktijdig werken, afhankelijk van de

geselecteerde stand van het hybridesysteem

en de rijomstandigheden.

De auto wordt door alleen de elektromotor

aangedreven in de stand "ZEV" (Zero Emission

Vehicle) en, bij lage snelheden en wanneer

weinig vermogen wordt gevraagd, in de

stand "Auto". Bij wegrijden vanuit stilstand, bij

accelereren en tijdens het schakelen assisteert

de elektromotor de dieselmotor.

De batterij die voor de voeding van de

elektromotor zorgt, wordt tijdens het

decelereren weer bijgeladen.

1. HDi-dieselmotor (aandrijving van de

voorwielen).

2. Elektromotor (aandrijving van de achterwielen).

3. 200V-tractiebatterij.

4. Elektronische controle-eenheid vermogen.

5. Stop & Start-systeem.

6. Gestuurde handgeschakelde

6-versnellingsbak.

7. Elektrische stroom.

8. Keuzeschakelaar HYbrid4.


Belangrijkste onderdelen van het HYbrid4-systeem

De voorin geplaatste HDi dieselmotor (1) drijft de auto aan via de voorwielen en levert onder

normale omstandigheden het grootste deel van het vermogen om te kunnen rijden.

Deze motor is voorzien van het Stop & Start-systeem (5) , dat het opladen van de tractiebatterij

regelt en indien nodig voor extra vermogen zorgt (stand 4x4).

Afhankelijk van de geselecteerde stand van het hybridesysteem zorgt de achterin geplaatste

elektromotor (2) voor de aandrijving van alleen de achterwielen of vult deze de dieselmotor aan.

De elektromotor regelt de regeneratie van energie en het opladen van de tractiebatterij tijdens het

decelereren en werkt tot 120 km/h.

Een 200V-tractiebatterij (3) (hoogspanningsaccu) van het type NI-MH bevat de energievoorraad

voor de achterin geplaatste elektromotor.

Het laadniveau wordt automatisch op peil gehouden wanneer de auto decelereert.

De tractiebatterij bevindt zich in een compartiment van de bagageruimte dat alleen toegankelijk is

voor gekwalificeerde technici van de werkplaats.

Het laadniveau van de tractiebatterij wordt aangegeven door 8 horizontale of verticale streepjes

(afhankelijk van het type display).

De normale 12V-accu die zich in de motorruimte bevindt, zorgt voor de voeding van de elektrische

installatie van de auto. Deze accu wordt automatisch bijgeladen door het hoogspanningsnetwerk.

Hybridesysteem

.

23


24

Hybridesysteem

De elektronische controle-eenheid vermogen (4) stuurt automatisch de verschillende

werkingsfasen van de twee motoren (dieselmotor en elektromotor) aan om een zo laag mogelijk

brandstofverbruik mogelijk te maken.

Voor de regeling van het elektrische vermogen zijn een motorgenerator en een omvormer nodig.

De motorgenerator bepaalt het koppel van de elektromotor door de van de tractiebatterij afkomstige

stroom te regelen. Het spanningsbereik van de motorgenerator ligt tussen 150 en 270 V.

De omvormer zet de hoogspanning van 200 V van de tractiebatterij om in een spanning van

12 V voor de voeding van de elektrische installatie van de auto.

Het Stop & Start-systeem (5) schakelt de dieselmotor uit als de auto tot stilstand komt

(bijvoorbeeld voor een verkeerslicht, bij het naderen van een voorrangsweg of in een file) of in

rijomstandigheden waarbij volledig elektrisch kan worden gereden.

Het stoppen en starten van de dieselmotor gebeurt onmiddellijk en op een voor de bestuurder

onmerkbare manier.

De gestuurde handgeschakelde versnellingsbak (6) zorgt in de automatische stand voor

een aanzienlijk lager brandstofverbruik ten opzichte van een conventionele handgeschakelde

versnellingsbak, dankzij het elektronisch geregelde schakelprogramma.

Met behulp van de schakelflippers achter het stuurwiel kunt u bovendien op elk moment zelf

schakelen, zowel in de automatische als de handgeschakelde stand.


Starten - afzetten van de motor

Vóór het starten Starten bij temperaturen

boven nul

- Zet de selectiehendel in de stand N.

- Als uw auto is voorzien van het Keyless

entry and start-systeem, is het voldoende

als de sleutel zich in het interieur van de

auto bevindt.

- Is uw auto niet van dit systeem voorzien,

steek dan de sleutel in het contactslot.

- Trap het rempedaal in.

- Druk één keer kort (ongeveer 1 seconde) op

de knop START/STOP of draai de sleutel

zo ver mogelijk richting het dashboard, in de

stand 3 (starten).

- Het stuurslot wordt ontgrendeld (er is een

geluid hoorbaar en het stuurwiel beweegt

iets).

- Houd het rempedaal ingetrapt tot het

HYbrid4-systeem is ingeschakeld (het

instrumentenpaneel wordt ingeschakeld, het

verklikkerlampje Ready gaat branden en ter

bevestiging klinkt een geluidssignaal).

Het hybridesysteem bepaalt of de dieselmotor

gestart moet worden.

Hybridesysteem

Starten bij temperaturen

onder nul

Bij temperaturen onder nul moet de dieselmotor

voorgloeien:

- Druk, zonder het rempedaal in te

trappen , één keer kort (ongeveer

1 seconde) op de knop START/STOP of

draai de sleutel zo ver mogelijk richting het

dashboard, in de stand 3 (starten).

- Het stuurslot wordt ontgrendeld (er is een

geluid hoorbaar en het stuurwiel beweegt

iets).

- Wacht tot het verklikkerlampje voor het

voorgloeien is gedoofd .

- Druk, met het rempedaal ingetrapt,

nogmaals kort op de knop START/STOP of

laat de sleutel in de stand 3 (starten) staan.

- Houd het rempedaal ingetrapt tot het

HYbrid4-systeem is ingeschakeld (het

verklikkerlampje Ready gaat branden en

ter bevestiging klinkt een geluidssignaal)

en de dieselmotor is gestart.

.

25


26

Hybridesysteem

Afzetten

- Zet, voordat het HYbrid4-systeem wordt

uitgeschakeld, de selectiehendel in de

stand N.

- Druk kort op de knop START/STOP of draai

de sleutel zo ver mogelijk naar u toe, in de

stand 1 (Stop).

- Het systeem wordt uitgeschakeld en het

stuurslot wordt vergrendeld.

Wanneer u de auto hebt stilgezet, dient u voordat

u uitstapt het contact af te zetten en te wachten tot

het verklikkerlampje Ready y uitgaat. Wanneer u dit

niet doet, blijft het hybridesysteem ingeschakeld.

Raadpleeg voor meer informatie

de rubriek "voorzorgsmaatregelen/

waarschuwingen motorruimte".

Wanneer u wegrijdt in de elektrische

stand, maakt uw auto geen geluid.

Let dus extra goed op voetgangers

die u mogelijk niet horen aankomen.


van de motor

(accessoirestand)

Draai de sleutel richting het dashboard in de

middelste stand of zorg ervoor dat de sleutel

van het keyless entry and start-systeem zich

in het interieur van de auto bevindt; druk,

zonder het rempedaal in te trappen op de knop

"START/STOP". Het contact is aangezet om zo

de verschillende accessoires te activeren.

Druk op de knop "START/STOP":

de verlichting en lampjes van

het instrumentenpaneel gaan

branden zonder dat de motor

wordt gestart.

Druk nogmaals op de knop om

het contact af te zetten en de

auto te kunnen vergrendelen.

Wanneer u de accessoirestand

langdurig gebruikt, wordt automatisch

de eco-mode ingeschakeld om te

voorkomen dat de accu ontladen raakt.

Diefstalbeveiliging

Elektronische startbeveiliging

In de sleutels is een chip aangebracht die over

een geheime code beschikt. Om te kunnen

starten, moet bij het aanzetten van het contact

de code van de sleutel worden herkend door de

startbeveiliging.

Deze elektronische startbeveiliging blokkeert

het motormanagementsysteem zodra het

contact wordt afgezet en voorkomt zo het

starten van de motor bij een inbraak.

Bij een storing in het systeem wordt u

gewaarschuwd door een melding op het display

van het instrumentenpaneel.

De auto kan dan niet gestart worden.

Raadpleeg zo snel mogelijk het

PEUGEOT-netwerk.

Hybridesysteem

.

27


28

Hybridesysteem

Noodprocedure voor het starten

met de elektronische sleutel

Als de elektronische sleutel zich in het

detectiegebied bevindt en uw auto niet start als

u op de knop "START/STOP" drukt:

Open het klepje onder de knop

"START/STOP".

Steek de elektronische sleutel in de houder

A.

Druk op de knop "START/STOP".

Als de motor draait, kunt u de

elektronische sleutel verwijderen en het

klepje sluiten.

Noodprocedure voor het afzetten van

de motor met de elektronische sleutel

In noodgevallen kan de motor geforceerd

worden afgezet door de knop "START/STOP"

ongeveer drie seconden ingedrukt te houden.

In dat geval wordt het stuurslot ingeschakeld

zodra de auto stilstaat.

Als de elektronische sleutel zich niet meer

in het detectiegebied bevindt op het moment

dat de motor moet worden afgezet, wordt een

melding weergegeven op het display van het

instrumentenpaneel.

Houd de knop "START/STOP" ongeveer

drie seconden ingedrukt als u de motor

geforceerd wilt afzetten (let op: zonder

de sleutel kan de motor niet meer gestart

worden).

Tijdens het gebruik van de auto moet

de elektronische sleutel zich in het

interieur bevinden.

Als de elektronische sleutel niet

wordt herkend door het keyless

entry and start-systeem

Als de elektronische sleutel zich niet meer in het

detectiegebied bevindt tijdens het rijden of wanneer

u (op een later moment) het hybridesysteem wilt

uitschakelen, wordt een melding weergegeven op

het display van het instrumentenpaneel.

Houd de knop "START/STOP"

ongeveer drie seconden ingedrukt

als u het hybridesysteem geforceerd

wilt uitschakelen (let op: zonder de

elektronische sleutel in het detectiegebied

kan het systeem niet meer ingeschakeld

worden).


Verklikkerlampje Ready

Trap, terwijl de selectiehendel in de stand N staat,

het rempedaal in en schakel het hybridesysteem in.

Dit verklikkerlampje gaat branden zodra de auto

klaar is om te rijden (standaard is de stand "Auto"

geselecteerd) en de bestuurder het gaspedaal kan

intrappen om weg te rijden.

Het verklikkerlampje zal gewoonlijk vrijwel

direct gaan branden, maar onder bepaalde

omstandigheden (wanneer bijvoorbeeld bij koud

weer de dieselmotor moet voorgloeien of wanneer

de eco-mode is ingeschakeld) kan het voorkomen

dat u enkele seconden moet wachten.

Schakel, als u de auto hebt stilgezet, het

hybridesysteem uit en controleer of het

verklikkerlampje Readyy uit is voordat u de

auto verlaat. Wanneer u dit niet doet, blijft

het hybridesysteem ingeschakeld.

Raadpleeg voor meer informatie

de rubriek "Voorzorgsmaatregelen/

waarschuwingen motorruimte".

Keuzeschakelaar HYbrid4

Stand AUTO : voor normale rijomstandigheden

en een zo laag mogelijk brandstofverbruik.

Stand ZEV V:

100% elektrisch rijden.

Hybridesysteem

Met de keuzeschakelaar kunt u een keuze maken uit vier aandrijfstanden.

Draai de knop naar rechts of links: de geselecteerde stand wordt aangegeven door het branden van

het desbetreffende verklikkerlampje.

Stand Sport: voor maximale prestaties.

Stand 4WD : aandrijving van zowel de

voorwielen als de achterwielen.

.

29


30

Hybridesysteem

Stand Auto

Deze stand wordt aanbevolen voor normaal

gebruik k en wordt automatisch geactiveerd

bij het starten van het hybridesysteem.

In deze stand wordt de werking van de dieselmotor

en de elektromotor automatisch afgestemd

op ingeschakelde functies van de auto, de

rijomstandigheden en de rijstijl voor een zo laag

mogelijk brandstofverbruik van de auto. o

In deze stand kan onder bepaalde

omstandigheden automatisch worden

overgeschakeld op elektrisch rijden

(zero emission).

In de stand Auto geldt voor de elektromotor r het

volgende:

- de auto kan, afhankelijk van de laadtoestand

van de tractiebatterij, in de stand elektrisch

rijden "zero emission" door de elektromotor

worden aangedreven tot maximaal ongeveer

60 km/h, als aan de voorwaarden met

betrekking tot de auto wordt voldaan en als

het gaspedaal niet te diep wordt ingetrapt,

- de elektromotor assisteert de dieselmotor

bij het wegrijden, bij het schakelen, tijdens

het accelereren en wanneer de voorwielen

onvoldoende grip hebben (de elektromotor

zorgt automatisch voor vierwielaandrijving ),

- de elektromotor werkt niet bij snelheden hoger

dan 120 km/h.

Stand ZEV *

(100% elektrisch)

De werking als Zero Emission Vehicle wordt

voor 100% verzorgd door de elektrische

aandrijving van de achterwielen.

Wanneer u deze stand kiest, kunt u geruisloos

rijden met een lage snelheid.

Deze stand is beschikbaar

als aan alle noodzakelijke

voorwaarden wordt voldaan.

Het is vooral van belang

dat de laadtoestand van de

tractiebatterij voldoende is

(minimaal 4 streepjes).

* ZEV: Zero Emission Vehicle.

Als niet aan de voorwaarden voor deze

stand wordt voldaan, verschijnt de melding

"elektrische stand momenteel niet beschikbaar"

op het display. Het controlelampje ZEV zal

enkele seconden knipperen en vervolgens

uitgaan en het controlelampje AUTO van de

keuzeschakelaar gaat branden.

In de stand ZEV:

- Werkt het intrappen van het gaspedaal

progressief.

- Zijn de actieradius en de prestaties

beperkt. De maximumsnelheid in deze

stand is ongeveer 60 km/h.

- Wanneer veel vermogen wordt gevraagd

of de omstandigheden het starten van de

dieselmotor vereisen, schakelt het systeem

automatisch over op de stand AUTO.

Raadpleeg voor meer informatie over

het "Automatisch herstarten van de

dieselmotor of GEEN toegang tot de

stand ZEV" de desbetreffende rubriek.


Stand Sport

(diesel en

elektrisch)

Deze stand maakt een sportievere rijstijl

mogelijk dankzij extra prestaties.

De auto accelereert sneller doordat de

volledige capaciteit van de elektromotor

is gekoppeld aan het vermogen van de

dieselmotor.

Voor de progressiviteit van het gaspedaal, de

aansturing van de EGS-versnellingsbak en

het door de elektromotor geleverde vermogen

zijn in deze stand specifieke regelingen van

toepassing.

In de stand Sport:

- Assisteert de elektromotor de dieselmotor

tot 120 km/h.

Stand 4WD **

(diesel en

elektrisch)

In deze stand is bij lage snelheden extra

tractie *** beschikbaar dankzij de permanente

aandrijving van de voor- en achterwielen van

de auto: de dieselmotor (aandrijving van de

voorwielen) en de elektromotor (aandrijving van de

achterwielen) werken gelijktijdig en permanent.

De dieselmotor en de elektromotor worden

elektronisch op elkaar afgestemd, zodat de tractie

van de auto op een wegdek met weinig grip wordt

verbeterd.

In de stand 4WD:

- Wordt de achterin geplaatste elektromotor

indien nodig gevoed door de dynamo/

startmotor van de voorin geplaatste

dieselmotor. De dieselmotor werkt permanent.

- Assisteert de elektromotor de dieselmotor tot

120 km/h.

Deze stand dient gekozen te worden

wanneer u op gladde wegen of op onverhard

terrein (bijvoorbeeld modder en zand) rijdt.

In deze stand is het raadzaam om

onder zware omstandigheden en als de

wegconditie het toelaat veel gas te geven

om weg te kunnen rijden en te voorkomen

dat de auto vast komt te zitten.

Hybridesysteem

Let op: de wagenhoogte van uw auto

is onder ideale omstandigheden

ongeveer 184 mm (waarde rijklaar:

alleen de bestuurder inclusief volle

brandstoftank).

Deze waarde kan, afhankelijk van de

belading van de auto, de ondergrond en

de omgeving variëren.

Als de bestuurder van mening is dat de

auto een obstakel kan passeren, is hij

hiervoor zelf volledig verantwoordelijk.

** 4WD: 4 Wheel Drive (vierwielaandrijving).

*** Deze stand komt optimaal tot zijn recht als

de auto is voorzien van banden die geschikt

zijn voor de desbetreffende ondergrond (bijv.

winterbanden).

.

31


32

Hybridesysteem

Energiemeter

Op de meter worden het actuele totale

vermogen van de elektromotor en de

dieselmotor weergegeven.

De energiemeter bevat drie werkingszones.

Zone ECO

Deze zone geeft aan dat wordt gereden met

een optimaal brandstofverbruik , ongeacht of

100% elektrisch, met alleen de dieselmotor of

met een combinatie van beide wordt gereden.

Deze zone is eenvoudig te bereiken door uw

rijstijl aan te passen (m.b.v. het zogenaamde

"Nieuwe Rijden"), waardoor het verbruik van de

elektromotor of de dieselmotor zo laag mogelijk is.

Zone CHARGE

Deze zone geeft aan dat elektrische

regeneratie van energie plaatsvindt: bij

decelereren, remmen of het loslaten van het

gaspedaal, ...

Hierbij wordt de tractiebatterij bijgeladen met

"gratis" energie , die kan worden hergebruikt

zodra weer energie nodig is.

Zone POWER

Deze zone geeft aan dat extra vermogen

wordt gevraagd van het hybridesysteem,

waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van

het gekoppelde vermogen van de dieselmotor

en de elektromotor.


Weergave van de energiestromen van het hybridesysteem

Hybridesysteem

De actuele informatie met betrekking tot de geselecteerde stand van het hybridesysteem, de pijlen van de energiestromen en de laadtoestand van de

tractiebatterij worden weergegeven op het display van het instrumentenpaneel.

Standen hybridesysteem

1. Geselecteerde stand van het hybridesysteem (AUTO, ZEV,

SPORT, 4WD).

2. Meldingen, bijv.: "Zero Emission" als de dieselmotor is uitgeschakeld

(0 g/km CO 2 ).

Infrastructuur van de auto

3. Dieselmotor.

4. Laadtoestand van de tractiebatterij.

5. Elektromotor/generator.

Werking/energiestromen

6. De dieselmotor voedt de tractiebatterij (afhankelijk van de

laadtoestand).

7. Pijl van links naar rechts: de tractiebatterij voedt de elektromotor

(als de elektromotor in werking is).

Pijl van rechts naar links: de elektromotor/generator laadt de

tractiebatterij op (regeneratie van energie).

8. De dieselmotor drijft de voorwielen aan.

9. De elektromotor drijft de achterwielen aan.

.

33


34

Hybridesysteem

Voorbeelden van weergaven

Bij het starten en stoppen

Er zijn geen energiestromen (het Stop & Start-systeem stopt en

start de dieselmotor automatisch).

Terugwinnen van energie

Tijdens deze fase (snelheid minderen, remmen, loslaten van het

gaspedaal, in alle standen) wordt de tractiebatterij opgeladen

door de elektromotor/generator die wordt aangedreven door de

achterwielen.

Het terugwinnen van energie werkt optimaal wanneer u het

gaspedaal snel loslaat om op de motor af te remmen. De auto

zal dan sneller vertragen dan een conventionele auto.

100% elektrisch

Tijdens het volledig elektrisch rijden (stand AUTO of ZEV) werkt

alleen de elektromotor die wordt gevoed door de tractiebatterij.

De elektromotor drijft de achterwielen aan.

De aanduiding "Zero Emission" wijst erop dat de dieselmotor is

gestopt en de auto geen CO 2 uitstoot.


Automatisch herstarten van de dieselmotor of GEEN toegang tot de stand ZEV

Afhankelijk van de hieronder beschreven

omstandigheden kan het voorkomen dat de

verbrandingsmotor automatisch weer wordt

gestart of de stand ZEV niet beschikbaar is.

De verbrandingsmotor wordt automatisch

weer uitgeschakeld zodra de

omstandigheden niet meer aan de orde zijn.

Wanneer door de hieronder beschreven

omstandigheden de stand ZEV niet meer

beschikbaar is en de dieselmotor weer wordt

gestart, wordt automatisch overgegaan op

de stand AUTO.

Actie van de bestuurder

- In de stand M zetten van de

selectiehendel.

- Bedienen van de schakelflippers achter

het stuurwiel om te schakelen.

- Langdurig en krachtig accelereren.

- Gebruik van de ruitontwaseming.

- Gebruik van de airconditioning.

Behoud van de prestaties van

het systeem

- Zodra de wagensnelheid na het

starten hoger is dan 30 km/h (als de

verbrandingsmotor sinds het starten van

het hybridesysteem nog niet is gestart).

- Als de laadtoestand van de tractiebatterij

onvoldoende is. Om in de stand ZEV

een bepaalde afstand te kunnen rijden

is een laadtoestand van minimaal

4 segmenten nodig (in de stand AUTO

kan er bij een lagere laadtoestand

minder lang elektrisch worden gereden).

- Als het brandstofniveau de

minimumreserve bereikt (als een groot

deel van deze minimumreserve wordt

verbruikt, kan het voorkomen dat de

stand ZEV na het tanken nog enige tijd

niet beschikbaar is).

- Tijdens de regeneratie van het roetfilter

die elke ongeveer 500 km (of minder

als veelvuldig in stadsverkeer wordt

gereden) automatisch plaatsvindt en

5 tot 10 minuten duurt.

Weersomstandigheden en

zware wegcondities

Hybridesysteem

- Wanneer de motortemperatuur afwijkt

van de voor de omstandigheden

vereiste temperatuur (zoals een te lage

motortemperatuur in combinatie met de

buitentemperatuur).

- Als de tractiebatterij bijna volledig is

geladen (bijvoorbeeld bij het afdalen van

een lange helling) en het terugwinnen

van energie niet meer mogelijk is, wordt

automatisch de verbrandingsmotor weer

gestart zodat kan worden afgeremd op

de motor.

- Als de auto een steile helling op rijdt

(helling van een parkeergarage, ...).

- Als de auto langdurig in de zon heeft

gestaan.

- Bij het rijden in de bergen (ijlere lucht).

Uw auto is voorzien van geperfectioneerde

emissieregelsystemen, waaronder in het

bijzonder het roetfilter (FAP).

De dieselmotor van uw auto levert met

regelmatige intervallen de energie die nodig

is om dit filter te reinigen.

Tijdens deze regeneratiefase van het

roetfilter wordt de elektromotor bewust niet

ingeschakeld.

.

35


36

Hybridesysteem

Schakelaar ECO

OFF

afgezet en zorgt zo voor een nog aangenamer

thermisch comfort in de auto (de airconditioning

blijft permanent werken).

Als de schakelaar wordt ingedrukt, wordt de

motor onmiddellijk gestart.

Druk nogmaals op de schakelaar om terug

te keren naar de normale werking van het

systeem.

Bij het afzetten van het contact wordt

de normale werking weer geactiveerd

(controlelampje van de schakelaar uit).

Tijdens elektrisch rijden en in de STOPstand

van het Stop & Start-systeem zorgt het

hybridesysteem ervoor dat automatisch de

motor weer wordt gestart als dat nodig is om

het comfort in het interieur op hetzelfde niveau

te houden * .

Onder zeer warme weersomstandigheden is

het echter mogelijk dat temperatuurverschillen

waarneembaar zijn. Om hier onder dergelijke

omstandigheden geen last van te hebben, kunt

u de functie ECO OFF inschakelen.

* Behalve in de stand ZEV. In deze stand wordt

voorrang gegeven aan elektrisch rijden, ten

koste van een optimaal thermisch comfort.


Hybridesysteem

Eco-rijden

Door in de dagelijkse praktijk een aantal aanwijzingen op te volgen kunt u het brandstofverbruik en de CO 2 -uitstoot van uw auto verminderen.

Maak optimaal gebruik van

de versnellingsbak

Laat de selectiehendel zo vaak mogelijk in

de automatische stand staan; in deze stand

wordt de afhankelijk van de omstandigheden

optimale versnelling ingeschakeld.

Kies voor een soepele

rijstijl

Houd afstand van de auto's voor u, rem bij

voorkeur af op de motor in plaats van het

rempedaal te gebruiken en trap het gaspedaal

geleidelijk in. Als u deze aanwijzingen naleeft,

neemt het brandstofverbruik en de CO 2 -uitstoot

af en wordt de geluidsoverlast door het verkeer

beperkt.

Als het verkeer goed doorstroomt, gebruik

dan vanaf een snelheid van ongeveer 40 km/

h de snelheidsregelaar (indien aanwezig).

Gebruik op slimme wijze de

elektrische voorzieningen

Als bij het instappen blijkt dat de temperatuur

in de auto hoog is opgelopen, open dan alle

ruiten en de ventilatieroosters alvorens de

airconditioning in te schakelen.

Sluit vanaf een snelheid van 50 km/h de ruiten,

maar laat de ventilatieroosters geopend.

Gebruik de voorzieningen in het interieur

die de temperatuurstijging kunnen beperken

(blinderingspaneel van het panoramadak,

zonneschermen, enz.).

Schakel de airconditioning uit zodra de

gewenste temperatuur is bereikt (behalve bij

auto's met een automatische airconditioning).

Schakel de achterruitverwarming en de

ontwaseming uit zodra deze niet meer nodig zijn

als deze niet automatisch worden aangestuurd.

Schakel de stoelverwarming zo snel mogelijk

uit.

Schakel de verlichting en de mistlampen uit als

het zicht voldoende is.

Laat de dieselmotor vooral 's winters na het

starten niet stationair warmdraaien: uw auto

warmt sneller op als u rijdt.

Sluit als passagier zo min mogelijk

multimedia-apparatuur (DVD-speler,

MP3-speler, spelcomputer, enz.) op de auto

aan om het elektriciteitsverbruik, en dus het

brandstofverbruik, te beperken.

Koppel externe apparatuur los als u de auto

verlaat.

.

37


38

Hybridesysteem

Beperk de oorzaken van een

hoger brandstofverbruik

Verdeel het gewicht evenwichtig over de

auto: plaats de zwaarste voorwerpen in

de bagageruimte, zo dicht mogelijk bij de

achterbank.

Beperk de belading en de luchtweerstand

(dakdragers, imperiaal, fietsendrager,

aanhanger, enz.) van uw auto. Gebruik liever

een dakkoffer.

Verwijder na gebruik de dakdragers en het

imperiaal.

Vervang na de winter zo snel mogelijk de

winterbanden door zomerbanden.

Houd u aan de

onderhoudsvoorschriften

Controleer regelmatig de bandenspanning

(bij koude banden), houd u daarbij aan de

bandenspanning die staat vermeld op de sticker

op de portiersponning aan bestuurderszijde.

Controleer de bandenspanning met name:

- voor een lange rit,

- bij de wisseling van de seizoenen,

- als de auto gedurende langere tijd niet is

gebruikt.

Laat uw auto regelmatig onderhouden (olie

verversen, oliefilter en luchtfilter vervangen,

enz.) en houd u daarbij aan het door de

fabrikant voorgeschreven interval.

Laat bij het tanken het vulpistool niet meer

dan drie keer afslaan; zo voorkomt u dat

brandstof uit de tank stroomt.

U zult bij een nieuwe auto merken dat pas na

3000 km het gemiddelde brandstofverbruik

zich stabiliseert.


Verbruik van uw hybrideauto op het display

Gemiddeld verbruik over de laatste 5 minuten.

"60% Hybrid Use" betekent dat 60% met assistentie van

de elektromotor (in de stand Auto, ZEV, Sport of 4WD)

en 40% met alleen de dieselmotor wordt gereden (zonder

assistentie van het hybridesysteem).

Raadpleeg voor meer informatie over de boordcomputer het desbetreffende hoofdstuk.

Hybridesysteem

Resetten van het overzicht

van het verbruik

Druk, terwijl het hybridesysteem is geactiveerd

en het traject "2" wordt weergegeven langer

dan twee seconden op de toets om het

overzicht van het verbruik te resetten.

.

39


40

Hybridesysteem

200V-tractiebatterij

De 200V-tractiebatterij kan niet via het lichtnet

worden opgeladen.

De tractiebatterij is van het type Ni-MH

(nikkel-metaalhydride) en bevindt zich onder

de vloerplaat van de bagageruimte, vlak bij de

elektromotor.

Laden

De tractiebatterij wordt opgeladen als de auto

snelheid mindert. De elektromotor fungeert dan

als generator en zet kinetische energie om in

elektrische energie (niet bij snelheden hoger

dan 120 km/h).

Het is niet mogelijk om de tractiebatterij via het

lichtnet op te laden.

De tractiebatterij kan indien nodig ook

automatisch worden opgeladen via het Stop &

Start-systeem van de dieselmotor.

Door op deze manier energie terug te winnen wordt

"gratis" energie verkregen.

De tractiebatterij wordt uiterst snel en efficiënt

opgeladen.

Nadat de accu is ontladen (bijvoorbeeld door

langdurig rijden in de stand ZEV of onder zware

gebruiksomstandigheden) is de laadtoestand snel

weer voldoende voor een volledig gebruik van de

mogelijkheden van de verschillende standen van het

hybridesysteem.

Het opladen gebeurt automatisch tijdens het

rijden.

Het opladen kan worden versneld door op de motor

af te remmen.

De tractiebatterij heeft een laadtoestand van

gemiddeld 4 à 5 streepjes, zodat er een marge

overblijft voor het terugwinnen van energie bij het

snelheid minderen of in een afdaling (gratis energie).

Om een lange levensduur van de

tractiebatterij mogelijk te maken komt

de laadtoestand nooit onder de 20% uit,

ook niet als na het rijden in de stand ZEV

een laadtoestand van 0 streepjes wordt

weergegeven.

Als de tractiebatterij bijna volledig is

geladen, kan het zijn dat de auto bij het

loslaten van het gaspedaal minder vertraagt.


Hoogspanning

De elektromotor werkt met een spanning van

150 tot 270 V.

Let op de waarschuwingsstickers die op de

auto zijn aangebracht.

Wees uiterst voorzichtig bij werkzaamheden in

de buurt van onderdelen met hoogspanning en

onderdelen die heet kunnen worden door de

elektrische stroom.

Zet alvorens

werkzaamheden uit te

voeren altijd het contact

af (controlelampje

Ready gedoofd).

Noodonderbreker

In het geval van een aanrijding worden

de hoogspanning en de voeding van de

brandstofpomp onderbroken door een

noodonderbreker, waardoor uw auto niet meer

gestart kan worden.

Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk om het

hybridesysteem weer in te schakelen.

Hoogspanningskabels

Een aantal hoogspanningskabels zijn aan de

onderzijde van de auto bevestigd; zorg ervoor

dat deze niet beschadigd raken bij het rijden op

slecht begaanbaar terrein.

Raak onderdelen, oranje kabels en

stekkers van het hoogspanningscircuit

nooit aan, ook niet na een aanrijding.

Breng hefsystemen (krik,

tweekolomsbrug, ...) aan onder de

daarvoor bestemde steunpunten

om beschadiging van de kabels te

voorkomen.

Hybridesysteem

Waarschuwingen m.b.t. de tractiebatterij

De tractiebatterij (hoogspanningsbatterij) mag

nooit door middel van een extern apparaat

worden opgeladen. Laat werkzaamheden

aan de tractiebatterij uitsluitend over aan een

gekwalificeerde technicus.

Het onoordeelkundig uitvoeren van

werkzaamheden aan de tractiebatterij kan

leiden tot ernstige brandwonden en elektrische

schokken die levensgevaarlijk letsel kunnen

veroorzaken.

Een hoogspanningsbatterij van het type Ni-MH

(nikkel-metaalhydride) dient aan het einde van

de levenscyclus op de voorgeschreven wijze

te worden afgevoerd via de werkplaats, zodat

door de recycling van de batterij het milieu kan

worden ontzien.

.

41


42

Hybridesysteem

Ventilatie van de tractiebatterij

De tractiebatterij is voorzien van een

luchtkoelingssysteem dat bestaat uit een

luchtaanzuigopening (op de hoedenplank) en

een ventilator (onder de bagageruimtebekleding

links).

Dit systeem werkt niet permanent. Het past

de mate van ventilatie automatisch aan de

behoefte van de tractiebatterij aan.

De werking van het systeem kan achterin

hoorbaar zijn, zelfs als de auto na het rijden

stilstaat.

Als deze aanzuigopening verstopt is, kan

de tractiebatterij oververhit en daardoor

beschadigd raken. Dit kan een nadelig

effect hebben op de prestaties van het

hybridesysteem.

Om ervoor te zorgen dat de

tractiebatterij optimaal kan werken,

dient u de volgende aanbevelingen in

acht te nemen:

- houd de aanzuigopening vrij van

vreemde voorwerpen, zodat de

tractiebatterij niet oververhit kan

raken waardoor de prestaties van

het hybridesysteem afnemen,

- mors geen vloeistof, de accu zou

hierdoor beschadigd kunnen raken.


Voorzorgsmaatregelen/waarschuwingen motorruimte

Zet, voordat u de

motorkap opent,

altijd het contact af

(verklikkerlampje Ready

gedoofd).

Ook de dynamo/startmotor van uw hybrideauto

wordt met hoogspanning gevoed. Wanneer u

de motorkap opent zonder eerst het contact

af te zetten, kan het voorkomen dat de motor

plotseling door de dynamo/startmotor weer

wordt gestart.

Zet het contact eveneens af voordat

u brandstof gaat tanken, om te

voorkomen dat tijdens het tanken de

motor opnieuw wordt gestart.

Hybridesysteem

.

43


44

Hybridesysteem

Slepen

selectiehendel in de stand N en schakel vervolgens het hybridesysteem uit.

De auto mag maximaal 10 meter worden verplaatst met een snelheid van maximaal 10 km/h als de

omstandigheden (bijvoorbeeld een slechte toegankelijkheid) dit vereisen.

De auto mag niet worden gesleept met de voor- of

achterwielen op de grond, de auto mag uitsluitend

worden vervoerd op een bergingsauto of trailer.

Gebruik de sleepogen uitsluitend voor het

lostrekken van de auto of om de auto op een

bergingsauto te vervoeren.


Instrumentenpaneel

Meters en displays Bedieningstoetsen

1. Verbruiks-/energieopwekkingsindicator

(vermogen beschikbaar in percentage)

Raadpleeg voor meer informatie het hoofdstuk

"Hybridesysteem".

2. Verklikkerlampje Ready .

Geeft aan dat de auto klaar is om weg te

rijden.

3. Motorolietemperatuurmeter.

4. Brandstofniveaumeter.

5. Koelvloeistoftemperatuurmeter.

6. Snelheidsmeter (km/h of mph).

7. Aanwijzingen van de snelheidsregelaar of de

snelheidsbegrenzer.

8. Stand van de selectiehendel en van

de versnelling van de gestuurde

handgeschakelde versnellingsbak.

9. Display: energiestromen hybridesysteem,

waarschuwingsmeldingen, meldingen over

de status van functies, boordcomputer.

10. Dagteller (km of miles).

11. Automatische ruitenwissers

Onderhoudsindicator

(km of miles) vervolgens,

kilometerteller.

Beide functies worden achtereenvolgend

weergegeven na het aanzetten van het contact.

Controle tijdens het rijden

A. Dimmer verlichting.

B. Weergave logboek

waarschuwingsmeldingen.

Informatie over het onderhoud.

C. Resetten van de dagteller.

1

45


46

Controle tijdens het rijden

Gebruik, als de auto stilstaat, de linker

draaiknop van het stuurwiel om door de menu's

te scrollen en de parameters van de auto in te

stellen (comfort- en rijsystemen, ...).

- Draaien (buiten menu om): u scrolt door de

diverse beschikbare actieve functies.

- Indrukken: toegang tot het algemene menu,

bevestigen van uw keuze.

- Draaien (in het menu): verplaatsen naar

boven of naar beneden in het menu.

Algemeen menu

1

2

2

Parameters van de auto

Instellingen bestuurdersplaats

Alleen ontgrendelen kofferdeksel

1

1

2

2

2

2

2

3

3

3

3

3

3

3

3

2

Hulp bij het rijden

Geprogrammeerde snelheden

Achterruitenwisser aan bij achteruit

Elektrische parkeerrem

Verlichting

Instapverlichting

Follow me home-verlichting

Bochtverlichting

Instellingen display

Taal

Eenheid

Verbruik

Temperatuur

Kleurstelling

Voorverwarming / voorventilatie

Instellingen

Verklikkerlampjes

De verklikkerlampjes geven de bestuurder

informatie over de werking van een

systeem (ingeschakeld of uitgeschakeld) of

waarschuwen de bestuurder in het geval van

een storing (waarschuwingslampje).

Bij het aanzetten van het contact

Als het contact wordt aangezet, gaan

bepaalde waarschuwingslampjes op het

instrumentenpaneel en/of op het display van

het instrumentenpaneel enkele seconden

branden.

Zodra de motor wordt gestart, moeten deze

lampjes weer uitgaan.

Als het lampje blijft branden, controleer dan

voordat u gaat rijden welke functie het betreft.

Bijbehorende waarschuwingen

Sommige verklikkerlampjes kunnen gaan

branden in combinatie met een geluidssignaal

en een melding op het display van het

instrumentenpaneel.

Verklikkerlampjes kunnen constant branden of

knipperen.

Een aantal verklikkerlampjes heeft

beide mogelijkheden. Of het constant

branden of knipperen van een

controlelampje duidt op een storing, is

afhankelijk van de werkingsfase van

de auto.


Controle tijdens het rijden

Verklikkerlampjes ingeschakelde functies

De volgende verklikkerlampjes op het instrumentenpaneel en/of op het display van het instrumentenpaneel geven aan dat de desbetreffende functie is ingeschakeld.

Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen

Ready

(gereed)

Richtingaanwijzer

links

Richtingaanwijzer

rechts

permanent. De auto is rijklaar en u kunt het

gaspedaal intrappen.

knippert, met

geluidssignaal.

knippert, met

geluidssignaal.

Als u de lichtschakelaar omlaag

beweegt.

Als u de lichtschakelaar omhoog

beweegt.

Parkeerlichten permanent. De lichtschakelaar staat in de stand

"Parkeerlichten".

Dimlicht permanent. De lichtschakelaar staat in de stand

"Dimlicht".

Grootlicht permanent. Als u de lichtschakelaar naar u toe

trekt.

Grootlichtassistent permanent. U hebt de lichtschakelaar naar u toe

getrokken en de toets is ingedrukt.

Het controlelampje van de toets

brandt.

Mistachterlichten permanent. De mistachterlichten zijn

ingeschakeld.

Raadpleeg voor meer informatie over de lichtschakelaar het hoofdstuk "Zicht".

Het verklikkerlampje brandt als de hoogspanning is

ingeschakeld.

Trek aan de lichtschakelaar om terug te schakelen

naar dimlicht.

De camera op de binnenspiegel geeft al of niet toestemming voor

het overschakelen van het grootlicht naar het dimlicht, afhankelijk

van de buitenverlichting en de verkeerssituatie. Trek de

lichtschakelaar naar u toe om het dimlicht weer in te schakelen.

Tirez la commande d'éclairage pour revenir en feux de

croisement.

Draai de ring naar achteren om de mistachterlichten

uit te schakelen.

1

47


48

Controle tijdens het rijden

Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen

Voorgloeien

dieselmotor

permanent. De startknop "START/STOP" is

ingedrukt (Contact).

Handrem permanent. De handrem is aangetrokken of

niet goed vrijgezet.

Uitschakeling

van de

automatische

werking van

de elektrisch

bediende

handrem

Voet op het

rempedaal

permanent. De functies "automatisch

aantrekken" (bij het afzetten

van de motor) en "automatisch

vrijzetten" zijn uitgeschakeld of

werken niet.

knippert. Als u de auto op een helling te

lang probeert tegen te houden

door het gaspedaal in te trappen,

raakt de koppeling oververhit.

Wacht met starten tot het controlelampje uitgaat.

Wanneer het lampje uitgaat, wordt de motor onmiddellijk gestart, op voorwaarde dat

het rempedaal ingetrapt blijft bij auto's met automatische versnellingsbak of EGSversnellingsbak;

en het koppelingspedaal bij een handgeschakelde versnellingsbak.

De wachttijd is afhankelijk van de weersomstandigheden (in extreme gevallen

30 seconden).

Als de motor niet wil aanslaan, zet dan het contact af. Zet het contact vervolgens

weer aan en wacht opnieuw tot het lampje uitgaat voordat u de motor start.

Zet de handrem vrij zodat het controlelampje uitgaat; trap het

rempedaal in.

Houd u aan de veiligheidsvoorschriften.

Raadpleeg het hoofdstuk "Rijden" voor meer informatie over de

handrem.

Activeer de functie (volgens land van bestemming) via het configuratiemenu van

de auto of raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats

als de handrem niet meer automatisch wordt aangetrokken of vrijgezet.

De handrem kan met behulp van de procedure voor de noodontgrendeling

handmatig worden vrijgezet.

Raadpleeg voor meer informatie over de elektrisch bediende handrem de

rubriek "Rijden".

Gebruik het rempedaal en/of de elektrisch bediende handrem.


Automatische

ruitenwissers

Airbag aan

passagierszijde

Status Oorzaak Acties / Opmerkingen

permanent. De ruitenwisserschakelaar is naar

beneden bewogen.

permanent op het

display van de

verklikkerlampjes voor

de veiligheidsgordels

en de airbag vóór aan

passagierszijde.

De schakelaar in het dashboardkastje

staat in de stand "ON".

De passagiersairbag vóór is geactiveerd.

Plaats in dit geval geen kinderzitje

met de rug in de rijrichting op de stoel

van de voorpassagier.

Controle tijdens het rijden

De automatische stand van de ruitenwissers vóór is

geactiveerd.

Beweeg om de automatische stand van de

ruitenwissers te deactiveren de hendel omlaag of zet

de hendel in een andere stand.

Zet de schakelaar in de stand "OFF" om de

passagiersairbag vóór uit te schakelen.

In dit geval kunt u een kinderzitje met de rug in de

rijrichting plaatsen.

1

49


50

Controle tijdens het rijden

De volgende verklikkerlampjes geven aan dat de desbetreffende functie handmatig is uitgeschakeld.

Soms klinkt er ook een geluidssignaal en verschijnt er een melding op het display van het instrumentenpaneel.

Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen

Passagiersairbag permanent, op het display

van de verklikkerlampjes

voor de veiligheidsgordels

en de airbag vóór aan

passagierszijde.

CDS/ASR

(ESP)

De schakelaar in het dashboardkastje

staat in de stand "OFF".

De airbag vóór aan passagierszijde is

uitgeschakeld.

permanent. De toets (op het wegklapbare

paneel, linksonder op het dashboard)

wordt ingedrukt. Het bijbehorende

verklikkerlampje gaat branden.

De functie CDS/ASR wordt

uitgeschakeld.

CDS: dynamische stabiliteitscontrole.

ASR: antispinregeling.

Zet de schakelaar in de stand " ON" om de airbag vóór

aan passagierszijde in te schakelen.

Bevestig in dit geval op deze zitplaats geen kinderzitje

met de rug in de rijrichting.

Druk op de toets om de functie CDS/ASR in te

schakelen. Het verklikkerlampje dooft.

De functie CDS/ASR wordt automatisch ingeschakeld

als de motor wordt gestart.

Als het systeem is uitgeschakeld, wordt het

automatisch opnieuw ingeschakeld bij snelheden

hoger dan ongeveer 50 km/h.


Waarschuwingslampjes

Controle tijdens het rijden

Als bij ingeschakeld hybridesysteem of tijdens het rijden een van de volgende waarschuwingslampjes gaat branden, wijst dit op een storing in het

desbetreffende systeem en moet de bestuurder actie ondernemen.

Lees in het geval van een storing waarbij een waarschuwingslampje gaat branden de aanvullende informatie, die via een melding op het display van het

instrumentenpaneel wordt weergegeven.

Raadpleeg indien nodig het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.

Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen

STOP permanent,

in combinatie

met een ander

waarschuwingslampje,

een geluidssignaal en

een melding op het

display.

Dit waarschuwingslampje brandt

bij een lekke band, een storing

met betrekking tot het remsysteem

of de stuurbekrachtiging, een te

lage motoroliedruk, een te hoge

koelvloeistoftemperatuur, een storing

met betrekking tot het hybridesysteem

of een ernstige elektrische storing.

Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige

plaats, omdat u anders het risico loopt op ernstige

motorschade.

Zet het contact af en raadpleeg het PEUGEOTnetwerk

of een gekwalificeerde werkplaats.

1

51


52

Controle tijdens het rijden

Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen

Service brandt tijdelijk. Er is een kleine storing

opgetreden waarbij geen specifiek

verklikkerlampje gaat branden.

Roetfilter

(diesel)

permanent. Er is een ernstige storing

opgetreden waarbij geen specifiek

verklikkerlampje gaat branden.

permanent, in combinatie

met de tijdelijk weergegeven

melding "Kans op verstopping

van het roetfilter".

Identificeer de storing met behulp van de melding op

het display, bijvoorbeeld:

- het hybridesysteem,

- het sluiten van de portieren, achterklep of

motorkap,

- het motorolieniveau,

- het niveau van de ruitensproeiervloeistof,

- de batterij van de afstandsbediening,

- vervuiling van het roetfilter (diesel).

Raadpleeg in andere gevallen het PEUGEOT-netwerk

of een gekwalificeerde werkplaats.

Identificeer de storing met behulp van de melding op

het display en raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of

een gekwalificeerde werkplaats.

Het roetfilter begint vervuild te raken. Regenereer, zodra de omstandigheden dit toelaten,

het roetfilter door met een snelheid van minimaal

60 km/h te rijden tot het verklikkerlampje Service uit

gaat.

permanent. Het minimumniveau in het

additiefreservoir is bereikt.

Laat het reservoir snel bij het PEUGEOT-netwerk of

een gekwalificeerde werkplaats bijvullen.


Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen

Elektrisch

bediende

handrem

Storing

elektrisch

bediende

handrem

Uitschakeling

van de

automatische

werking van

de elektrisch

bediende

handrem

knippert. Het aantrekken van de elektrisch

bediende handrem is onderbroken.

Het aantrekken/vrijzetten werkt niet.

permanent. Zonder dat andere controlelampjes

branden: storing in de elektrisch

bediende handrem.

Controle tijdens het rijden

Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.

Parkeer de auto op een vlakke, horizonale

ondergrond, zet het contact af en raadpleeg

het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde

werkplaats.

Raadpleeg zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk of

een gekwalificeerde werkplaats.

De rem kan handmatig worden vrijgezet.

Raadpleeg voor meer informatie over de elektrisch

bediende handrem de rubriek "Rijden".

Remsysteem permanent. Het remvloeistofniveau is te laag. Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.

Vul het niveau bij met een vloeistof voorzien van een

artikelnummer van PEUGEOT.

Als het probleem zich blijft voordoen, laat het systeem

dan controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een

gekwalificeerde werkplaats.

+ permanent, in

combinatie met het

waarschuwingslampje

ABS.

permanent. De functies "automatisch aantrekken"

(bij het afzetten van de motor)

en "automatisch vrijzetten" zijn

uitgeschakeld of werken niet.

Er is een storing in de elektronische

remdrukregelaar (REF).

Activeer de functie (volgens land van bestemming)

via het configuratiemenu van de auto of raadpleeg het

PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats

als de handrem niet meer automatisch wordt

aangetrokken of vrijgezet.

De handrem kan met behulp van de procedure voor de

noodontgrendeling handmatig worden vrijgezet.

Raadpleeg voor meer informatie over de elektrisch

bediende handrem de rubriek "Rijden".

Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.

Laat het systeem controleren door het PEUGEOTnetwerk

of door een gekwalificeerde werkplaats.

1

53


54

Controle tijdens het rijden

Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen

Antiblokkeersysteem

(ABS)

Dynamische

stabiliteitscontrole

(CDS/ASR)

Zelfdiagnose

motor

Laag

brandstofniveau

permanent. Er is een storing in het

antiblokkeersysteem.

knippert. De CDS-/ASR-regeling is actief. Deze functie verbetert de aandrijving en zorgt voor

een betere koersstabiliteit.

permanent. Storing in het CDS-/ASR-systeem, tenzij

deze is uitgeschakeld (toets ingedrukt en

verklikkerlampje van de toets brandt).

knippert. Er is een storing in het

motormanagementsysteem.

permanent. Er is een storing in de

emissieregeling.

permanent, met de

wijzer in het rode

gebied.

Als het lampje gaat branden zit er

nog ongeveer 7 liter r brandstof in de

tank.

Vanaf dit moment worden de

laatste liters brandstof in de tank

aangesproken.

De normale remwerking blijft behouden.

Rijd voorzichtig met lage snelheid en raadpleeg

zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats.

Laat het systeem controleren door het PEUGEOTnetwerk

of door een gekwalificeerde werkplaats.

Kans op beschadiging van de katalysator.

Laat dit controleren door het PEUGEOT-netwerk of

door een gekwalificeerde werkplaats.

Het verklikkerlampje moet doven als de motor wordt gestart.

Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde

werkplaats als dit niet het geval is.

Ga zo snel mogelijk tanken om te voorkomen dat u

met een lege tank strandt.

Dit verklikkerlampje gaat elke keer na het aanzetten

van het contact branden zolang er niet voldoende

brandstof getankt is.

Rijd nooit door tot de tank helemaal leeg is,

hierdoor kunnen het emissieregelsysteem en het

injectiesysteem beschadigd raken.


Pictogram in het display van

het instrumentenpaneel

Status Oorzaak Acties / Opmerkingen

Controle tijdens het rijden

Motoroliedruk permanent. Er is een storing in de motorsmering. Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.

Parkeer de auto, zet het contact af en raadpleeg

het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde

werkplaats.

Laadstroom

accu*

Een of meer

portieren

geopend

* Volgens land van bestemming.

permanent. Er is een storing in het

laadstroomcircuit van de accu.

permanent, in combinatie

met een melding die het

desbetreffende portier

aangeeft, bij een snelheid

lager dan 10 km/h.

permanent, in combinatie

met een melding die

het desbetreffende

portier aangeeft en een

geluidssignaal, bij een

snelheid hoger dan

10 km/h.

Een portier of de achterklep is niet

goed gesloten.

Het lampje moet bij het starten van de motor uitgaan.

Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is.

Sluit het desbetreffende carrosseriedeel.

1

55


56

Controle tijdens het rijden

Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen

Veiligheidsgordel(s)

niet vastgemaakt of

weer losgemaakt.

permanent, en

knippert vervolgens

in combinatie met een

in volume toenemend

geluidssignaal.

Een van de veiligheidsgordels is niet

vastgemaakt of weer losgemaakt.

Airbags tijdelijk. Het lampje brandt gedurende enkele

seconden en dooft als het contact

wordt aangezet.

permanent. Er is een storing in een van de

airbags of de pyrotechnische

gordelspanners.

Bochtverlichting knippert. Er is een storing in de

bochtverlichting.

Trek aan de gordel en klik de gesp vast in de

gesphouder.

Het lampje moet doven zodra de motor wordt gestart.

Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is.

Laat dit controleren door het PEUGEOT-netwerk of

een gekwalificeerde werkplaats.

Laat dit controleren door het PEUGEOT-netwerk of

een gekwalificeerde werkplaats.


Koelvloeistoftemperatuurmeter

Bij ingeschakeld hybridesysteem:

- in zone A , de temperatuur is in orde,

- in zone B, de temperatuur is te hoog. Het

waarschuwingslampje STOP gaat branden,

in combinatie met een geluidssignaal

en een melding op het display van het

instrumentenpaneel.

Stop zo snel mogelijk op een veilige plaats.

Wacht enkele minuten voordat u de motor

afzet.

Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats.

De temperatuur en de druk in het koelcircuit

beginnen na enkele minuten rijden te stijgen.

Om koelvloeistof bij te vullen:

wacht tot de motor is afgekoeld,

draai de dop twee omwentelingen los om

de druk te laten dalen,

verwijder vervolgens de dop,

vul bij tot aan het merkteken "MAXI".

Wees voorzichtig bij het bijvullen

van de koelvloeistof: kans op

brandwonden. Vul niet bij tot boven het

maximumniveau (aangegeven op het

reservoir).

Controle tijdens het rijden

Motorolietemperatuurmeter

Deze geeft bij aangezet contact en tijdens het

rijden de temperatuur van de motorolie aan.

Als de wijzer in gebied C staat, is de

temperatuur in orde.

Als de wijzer in gebied D staat, is de

temperatuur te hoog.

Verlaag de rijsnelheid om de temperatuur te

verlagen.

1

57


58

Controle tijdens het rijden

CHECK (automatische controle van de auto)

Automatische CHECK

Contact aan: alle pictogrammen van de

gecontroleerde functies worden weergegeven.

Na enkele seconden doven ze.

Gelijktijdig wordt automatisch een CHECK

(automatische controle van de auto) uitgevoerd.

Als er geen storing wordt gesignaleerd, kunt u

de motor starten.

In het geval van een storing

Er is een "kleine" storing gesignaleerd: de

desbetreffende waarschuwingslampjes gaan

branden en vervolgens weer uit.

U kunt de auto starten, maar raadpleeg zo

snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats.

Er is een "grote" storing gesignaleerd: de

desbetreffende waarschuwingslampjes blijven

branden, in combinatie met het lampje STOP of

SERVICE.

Start de auto niet.

Neem zo snel mogelijk contact op met het

PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde

werkplaats.

Handmatige CHECK

Druk op de knop "CHECK" van het

instrumentenpaneel om de CHECK

(automatische controle van de auto) handmatig

te activeren.

Met behulp van deze functie kunnen op elk

gewenst moment (contact aan of bij draaiende

motor) de aanwezige waarschuwingsmeldingen

worden weergegeven.

Het display van het instrumentenpaneel

geeft bij draaiende motor en tijdens het

rijden de pictogrammen weer die een storing

aangeven (in geval van een storing).

Zolang de airbag aan passagierszijde is

uitgeschakeld * , wordt het desbetreffende

pictogram constant weergegeven.

* Volgens land van bestemming.

Dimmer verlichting

Druk, als de verlichting brandt, op de

knop B om de dashboardverlichting en de

sfeerverlichting sterker te laten branden of op

de knop A om de verlichting te dimmen.

Laat de knop los zodra de gewenste lichtsterkte

is bereikt.


Onderhoudsindicator

De onderhoudsindicator geeft aan hoeveel

kilometer u nog verwijderd bent van de

eerstvolgende onderhoudscontrole volgens het

onderhoudsschema van de fabrikant.

Deze afstand wordt berekend vanaf de laatste

nulstelling van de onderhoudsindicator op basis

van twee parameters:

- het aantal afgelegde kilometers,

- de verstreken tijd sinds de laatste

onderhoudscontrole.

De afstand tot de eerstvolgende

beurt is meer dan 3000 km

Als het contact wordt aangezet, verschijnt er

geen onderhoudsinformatie op het display.

De afstand tot de eerstvolgende

beurt is 1000 tot 3000 km

Als het contact wordt aangezet, gaat

gedurende 5 seconden de onderhoudssleutel

branden. De kilometerteller geeft de

resterende kilometers tot de eerstvolgende

onderhoudscontrole aan.

Voorbeeld: de afstand tot de eerstvolgende

onderhoudscontrole bedraagt 2800 km.

Als het contact wordt aangezet, geeft het display

gedurende 5 seconden het volgende aan:

5 seconden na het aanzetten van het contact

verdwijnt de sleutel; de teller geeft weer de

kilometerstand en de stand van de dagteller

aan.

Controle tijdens het rijden

De afstand tot de eerstvolgende

beurt is minder dan 1000 km

Voorbeeld: de afstand tot de eerstvolgende

onderhoudscontrole bedraagt 900 km.

Als het contact wordt aangezet, geeft het display

gedurende 5 seconden het volgende aan:

5 seconden na het aanzetten van het contact

treedt de kilometerteller weer in werking en

blijft de sleutel branden om aan te geven

dat er binnenkort onderhoudswerkzaamheden

uitgevoerd moeten worden.

Het pictogram van de sleutel brandt

in combinatie met een melding op het

display van het instrumentenpaneel.

1

59


60

Controle tijdens het rijden

De afstand tot de eerstvolgende

beurt is overschreden

Als het contact wordt aangezet, gaat gedurende

5 seconden de sleutel knipperen om aan te

geven dat de onderhoudswerkzaamheden zo

spoedig mogelijk uitgevoerd moeten worden.

Voorbeeld: u hebt de afstand tot de eerstvolgende

onderhoudsbeurt met 300 km overschreden.

Als het contact wordt aangezet, geeft het display

gedurende 5 seconden het volgende aan:

5 seconden na het aanzetten van het contact

treedt de kilometerteller weer in werking en

blijft de sleutel branden.

De factor tijd kan worden meegewogen

bij de nog af te leggen kilometers,

afhankelijk van de rijgewoonten van de

bestuurder.

De sleutel kan ook gaan branden als het

interval van twee jaar is overschreden.

Op 0 zetten van de

onderhoudsindicator

De onderhoudsindicator moet na elke

onderhoudsbeurt op 0 gezet worden.

Voer dit als volgt uit:

zet het contact af,

druk op de resetknop van de dagteller en

houd deze ingedrukt,

zet het contact aan; de kilometerteller

begint terug te tellen,

laat de knop los als het display "=0"

aangeeft; de sleutel verdwijnt.

Als u na deze handeling de accu wilt

loskoppelen, vergrendel dan de auto

en wacht minimaal 5 minuten. Het op

0 zetten van de onderhoudsindicator

zal anders niet worden opgeslagen.

Opnieuw weergeven van de

onderhoudsinformatie

U kunt op elk moment de onderhoudsinformatie

weergeven.

Druk op de knop voor nulstelling van de

dagteller.

De onderhoudsinformatie wordt enkele

seconden weergegeven en verdwijnt

vervolgens weer.


Motorolieniveaumeter

De motorolieniveaumeter geeft aan of het

motorolieniveau in orde is.

Bij het aanzetten van het contact wordt eerst de

onderhoudsindicator weergegeven en vervolgens

gedurende enkele seconden het motorolieniveau.

Een controle van het olieniveau is alleen

betrouwbaar als de auto op een vlakke,

horizontale ondergrond staat en de motor

minstens 30 minuten niet heeft gedraaid.

Olieniveau correct

Als het motorolieniveau in orde is, wordt

een melding op het display van het

instrumentenpaneel weergegeven.

Te weinig olie

Als het motorolieniveau te laag is, wordt een melding op

het display van het instrumentenpaneel weergegeven.

Controleer het olieniveau met de peilstok. Als blijkt dat

het olieniveau te laag is, moet olie worden bijgevuld om

te voorkomen dat ernstige motorschade ontstaat.

Storing motorolieniveaumeter

Als de motorolieniveaumeter defect is, wordt een

melding op het display van het instrumentenpaneel

weergegeven. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of

een gekwalificeerde werkplaats.

Oliepeilstok

Raadpleeg de rubriek "Controles" voor de

plaats van de peilstok en het bijvullen van

motorolie voor het motortype van uw auto.

2 merktekens op de

peilstok:

- A = maxi; het

olieniveau mag nooit

boven dit niveau

uitkomen,

- B = mini; als het

olieniveau niet boven

het niveau B uitkomt,

moet het voor de

motor van uw auto

voorgeschreven type

motorolie worden

bijgevuld via de

vuldop.

Kilometerteller

Controle tijdens het rijden

Op het display wordt in het gedeelte A de

totale kilometerstand en in het gedeelte B de

dagteller weergegeven.

Nulstelling dagteller

Druk, als de dagteller wordt weergegeven,

enkele seconden op de knop.

1

61


62

Controle tijdens het rijden

Boordcomputer

De boordcomputer geeft tijdens het rijden

verschillende informatie (actieradius,

brandstofverbruik ...).

Display van het instrumentenpaneel

Weergave van de informatie

Druk op de toets op het stuurwiel om

achtereenvolgens de verschillende functies

van de boordcomputer weer te geven.

Of op het uiteinde van de

ruitenwisserschakelaar.

- Actuele informatie:

● actieradius,

● huidig brandstofverbruik,

● de teller van het

Stop & Start-systeem.

- Traject "1":

● gemiddelde snelheid,

voor het eerste traject,

● gemiddeld

brandstofverbruik,

● afgelegde afstand.

- Traject "2":

● gemiddelde snelheid,

voor het tweede traject,

● gemiddeld

brandstofverbruik,

● afgelegde afstand.


Traject resetten

Druk de toets langer dan twee seconden

in zodra het gewenste traject wordt

aangegeven of houd de linker draaiknop op

het stuurwiel ingedrukt.

De trajecten "1" en "2" zijn onafhankelijk en

hebben dezelfde eigenschappen.

Traject "1" kan bijvoorbeeld gebruikt worden

voor een dagelijks verbruik en traject "2" voor

een maandelijks verbruik.

Resetten van het overzicht

van het verbruik

Druk, terwijl het hybridesysteem is geactiveerd

en het traject "2" wordt weergegeven langer

dan twee seconden op de toets om het

overzicht van het verbruik te resetten.

Controle tijdens het rijden

1

63


64

Controle tijdens het rijden

Boordcomputer, enkele definities...

Actieradius

(km of miles)

De actieradius geeft aan

hoeveel kilometer u nog met

de resterende hoeveelheid

brandstof kunt rijden, berekend

op basis van het gemiddelde

verbruik over de laatste

afgelegde kilometers.

Deze waarde kan variëren door een

gewijzigde rijstijl of het rijden op een

helling, waardoor het momentele

brandstofverbruik aanzienlijk kan wijzigen.

Als de actieradius minder dan 30 km bedraagt,

verschijnen streepjes op het display. Na het

tanken van minimaal 5 liter brandstof wordt de

actieradius opnieuw berekend en weergegeven

als deze meer dan 100 km bedraagt.

Het hybridesysteem en de elektromotor

zorgen niet voor een grotere actieradius,

neem daarom de aanwijzingen van de

boordcomputer in acht.

Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of

een gekwalificeerde werkplaats als

tijdens het rijden de streepjes continu

worden weergegeven.

Momenteel verbruik

(l/100 km, km/l of mpg)

Dit is het gemiddelde

brandstofverbruik over de laatste

seconden.

Deze functie wordt alleen weergegeven

bij snelheden vanaf 30 km/h.

Gemiddeld verbruik

(l/100 km, km/l of mpg)

Dit is het gemiddelde verbruik

sinds de laatste nulstelling van

de boordcomputer.

Gemiddelde snelheid

(km/h of mph)

Dit is de gemiddelde snelheid

sinds de laatste nulstelling van de

boordcomputer (contact aan).


Datum en tijd instellen

Peugeot Connect Nav+

Druk op SETUP voor het menu " Configuratie ".

Selecteer " Configuratie display " en bevestig

uw keuze.

Selecteer " Datum en tijd instellen " en

bevestig uw keuze.

Selecteer " Minuten synchroniseren

via GPS " om de instelling van de

minuten automatisch te laten doen door

het systeem.

Controle tijdens het rijden

Selecteer het item dat u wilt wijzigen.

Druk op de toets OK om de selectie te

bevestigen, verander de instelling en bevestig

de wijziging nogmaals om de nieuwe gegevens

op te slaan.

Verander de instellingen één voor één.

Selecteer vervolgens " OK " op het scherm en

bevestig de wijzigingen om ze in het geheugen

op te slaan.

1

65


66

Toegang tot de auto

Sleutel met afstandsbediening

sleutel in het portierslot of met de afstandsbediening. De sleutel met afstandsbediening dient tevens

voor de lokalisatie en het starten van de auto en maakt deel uit van de diefstalbeveiliging.

Uitklappen van de sleutel

Druk op deze knop om de sleutel uit te

klappen.

Inklappen van de sleutel

Druk op deze knop om de sleutel in te

klappen.

Wanneer u deze knop niet indrukt bij het

inklappen van de sleutel, kan het mechanisme

beschadigd raken.


Systeem "Keyless entry and start"

Systeem waarmee de auto geopend,

gesloten en gestart kan worden zonder

dat u de elektronische sleutel tevoorschijn

hoeft te halen. Kan ook worden gebruikt als

afstandsbediening.

Openen van de auto

Volledig ontgrendelen

Met de sleutel

Draai de sleutel in de richting van de

voorzijde van de auto om de auto te

ontgrendelen.

Met de afstandsbediening

Druk op het geopende hangslot

om de auto te ontgrendelen.

Als deze knop ingedrukt wordt gehouden,

worden de ruiten automatisch geopend.

Toegang tot de auto

Met de elektronische sleutel

Als u de elektronische sleutel op zak hebt

binnen de detectiezone, kunt u de auto

ontgrendelen door uw hand op de achterzijde

van de portiergreep te leggen. Trek vervolgens

aan de portiergreep om het portier te openen.

Ook uw passagiers kunnen de portieren

(maar niet de achterklep) openen als de

elektronische sleutel zich in de detectiezone

bevindt.

Het ontgrendelen wordt bevestigd

door het gedurende ongeveer

2 seconden snel knipperen van de

richtingaanwijzers.

Tegelijkertijd worden, afhankelijk

van de uitvoering van de auto, de

buitenspiegels uitgeklapt.

2

67


68

Toegang tot de auto

Vuil (vocht, stof, modder, zout, ...) op de

binnenzijde van de portiergreep kan de

detectie negatief beïnvloeden.

Als na het reinigen van de binnenzijde

van de portiergreep met een doek het

probleem niet is verholpen, raadpleeg

dan het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats.

Plotseling contact met water

(waterstraal, hogedrukspuit, ...) kan

door het systeem worden beschouwd

als een verzoek om ontgrendelen van

de auto.

Selectieve ontgrendeling

De selectieve ontgrendeling kan

worden ingesteld met behulp van het

configuratiemenu op het display van

het instrumentenpaneel.

Standaard is de volledige

ontgrendeling geactiveerd.

Met de afstandsbediening

Alleen het bestuurdersportier

ontgrendelen: druk één keer op

het geopende hangslot.

De overige portieren en de achterklep

ontgrendelen: druk nogmaals op het

geopende hangslot.

Met de elektronische sleutel

Steek om alleen het bestuurdersportier te

ontgrendelen, terwijl u de elektronische

sleutel op zak hebt, uw hand achter de

portiergreep van het bestuurdersportier en

trek het portier open.

Steek om de auto volledig te ontgrendelen

uw hand achter de portiergreep van een

van de andere portieren, aan de zijde waar

de elektronische sleutel zich bevindt, en

trek het portier open.

Het ontgrendelen wordt bevestigd

door het gedurende ongeveer

2 seconden snel knipperen van de

richtingaanwijzers.

Tegelijkertijd worden, afhankelijk

van de uitvoering van de auto, de

buitenspiegels uitgeklapt.


Ontgrendelen g van de

bagageruimte

Met de afstandsbediening

Druk op deze knop om de

auto te ontgrendelen en de

bagageruimte te openen.

Met de elektronische sleutel

Trek als de elektronische sleutel zich

binnen het detectiebereik bevindt aan de

handgreep 1 om de auto te ontgrendelen

en de bagageruimte te openen.

Selectieve ontgrendeling

bagageruimte geactiveerd

Het selectief ontgrendelen van de

bagageruimte kunt u instellen met

behulp van het configuratiemenu op het

display van het instrumentenpaneel.

Standaard is deze functie uitgeschakeld.

Met de afstandsbediening of de

elektronische sleutel wordt dan alleen de

bagageruimte ontgrendeld en/of geopend.

Vergeet niet de bagageruimte weer te

vergrendelen.

Toegang tot de auto

2

69


70

Toegang tot de auto

Sluiten van de auto

Normale vergrendeling

Met de sleutel

Draai de sleutel in de richting van de

achterzijde van de auto om de auto volledig

te vergrendelen.

Met de afstandsbediening

Druk op het gesloten hangslot

om de auto volledig te

vergrendelen.

Met de elektronische sleutel

Druk, als de elektronische sleutel zich

binnen het detectiebereik bevindt, met een

van uw vingers op de portiergreep (bij de

merktekens) om de auto te vergrendelen.

Druk, als de elektronische sleutel zich

binnen het detectiebereik bevindt, bij de

achterklep op een knop om de auto te

vergrendelen.

Wanneer u de sleutel in de vergrendelstand

gedraaid houdt, de knop van de

afstandsbediening ingedrukt houdt of uw

vinger op de portiergreep houdt, worden

ook de ruiten en het schuifdak gesloten.

Het vergrendelen wordt bevestigd door

het gedurende ongeveer 2 seconden

branden van de richtingaanwijzers.

Tegelijkertijd worden, afhankelijk

van de uitvoering van de auto, de

buitenspiegels ingeklapt.

De auto kan niet worden vergrendeld

als een van de elektronische sleutels

zich nog in de auto bevindt of het

contact aan is gezet.

Verlaat om veiligheidsredenen (kinderen in

de auto) de auto nooit, zelfs niet voor een

korte tijd, zonder de sleutel mee te nemen.

Wees bedacht op diefstal als de

elektronische sleutel zich binnen het

detectiebereik bevindt terwijl uw auto

ontgrendeld is.

Als één van de portieren of de

achterklep geopend is of als een van de

elektronische sleutels zich in de auto

bevindt, werkt de centrale vergrendeling

niet.

Als de auto is vergrendeld en per

ongeluk wordt ontgrendeld zonder dat

binnen ongeveer 30 seconden een van

de portieren wordt geopend, wordt de

auto automatisch weer vergrendeld.

Het in- en uitklappen van de

buitenspiegels met de afstandsbediening

kan worden uitgeschakeld door het

PEUGEOT-netwerk.


Supervergrendeling

De supervergrendeling blokkeert het

van buitenaf en van binnenuit openen

van de portieren.

Als de supervergrendeling

is ingeschakeld, is ook de

vergrendelingsschakelaar in het

interieur buiten werking.

Schakel daarom nooit de

supervergrendeling in als er zich

iemand in de auto bevindt.

Met de sleutel

Draai de sleutel richting de achterzijde

van de auto om de auto volledig te

vergrendelen.

Draai binnen 5 seconden de sleutel

nogmaals richting de achterzijde van de

auto om de supervergrendeling van de auto

in te schakelen.

Met de afstandsbediening

Druk op het gesloten hangslot

om de auto volledig te

vergrendelen of druk langer dan

2 seconden op het gesloten

hangslot om ook de ruiten te

sluiten.

Druk binnen 5 seconden nogmaals op het

gesloten hangslot om de supervergrendeling

van de auto in te schakelen.

Met de elektronische sleutel

Via de portieren:

Druk, als de elektronische sleutel zich vlak

bij de auto bevindt, met een vinger op de

portiergreep (bij de merktekens) om de

auto te vergrendelen.

Druk binnen vijf seconden nogmaals op de

portiergreep om de supervergrendeling in

te schakelen.

Toegang tot de auto

Via de achterklep:

Druk, als de elektronische sleutel zich

binnen het bepaalde gebied bevindt, op de

knop om de auto te vergrendelen.

Druk binnen vijf seconden nogmaals op

de knop om de supervergrendeling in te

schakelen.

De supervergrendeling wordt

bevestigd door het gedurende

ongeveer 2 seconden branden van de

richtingaanwijzers.

2

71


72

Toegang tot de auto

Vergrendelen / ontgrendelen van binnenuit

Druk op de knop om de portieren en de

bagageruimte te ver- of ontgrendelen.

Als de supervergrendeling is ingeschakeld, is

de knop buiten werking.

Gebruik in dat geval de sleutel of

de afstandsbediening om de auto te

ontgrendelen.

Als u vanwege het vervoer van een groot

voorwerp met de achterklep geopend

rijdt, kunt u het waarschuwingssignaal

voor de geopende achterklep

uitschakelen door de knop in te drukken.

Bij het van binnenuit vergrendelen

worden de buitenspiegels niet ingeklapt.

Automatische centrale

vergrendeling van de portieren

De portieren kunnen tijdens het rijden

automatisch worden vergrendeld (bij een

snelheid hoger dan 10 km/h).

Houd om deze functie in of uit te schakelen de

knop ingedrukt tot een melding op het display

wordt weergegeven.

Het rijden met vergrendelde portieren

kan bij een noodgeval de toegang tot de

auto voor de hulpdiensten belemmeren.

Lokaliseren van de auto

Druk op het symbooltje van het

gesloten hangslot om de eerder

vergrendelde auto te lokaliseren

op een parkeerplaats.

De plafonniers gaan branden en de

richtingaanwijzers knipperen gedurende enkele

seconden.


Noodprocedure

Noodprocedure voor

openen/sluiten

met de elektronische sleutel

Met de geïntegreerde sleutel kan de auto

vergrendeld en ontgrendeld worden als de

elektronische sleutel niet werkt:

- lege batterij, accu ontladen of

losgekoppeld, ...

- auto bevindt zich in een omgeving met veel

elektromagnetische straling.

Trek aan de knop 1 om de geïntegreerde

sleutel 2 uit de houder te halen.

Open of sluit de auto met de sleutel.

Handmatig vergrendelen

Bestuurdersportier

Steek de sleutel in het slot om het portier te

vergrendelen of ontgrendelen.

Overige portieren

Controleer bij de achterportieren of de

kinderbeveiliging is uitgeschakeld.

Verwijder met de sleutel het zwarte

afdekkapje op de zijkant van het portier.

Steek de sleutel zonder te forceren in de

opening en duw vervolgens, zonder te

draaien, de nok het portier in.

Verwijder de sleutel en plaats het

afdekkapje terug.

Toegang tot de auto

Storing afstandsbediening

Na het losnemen en weer aansluiten van de

accukabels, het vervangen van de batterij

van de afstandsbediening of een storing in de

afstandsbediening kan de auto niet meer met

de afstandsbediening ontgrendeld, vergrendeld

en gelokaliseerd worden.

Ontgrendel of vergrendel de auto eerst met

de sleutel in het slot.

Synchroniseer vervolgens de

afstandsbediening.

Raadpleeg zo snel mogelijk het PEUGEOTnetwerk

of een gekwalificeerde werkplaats als

de storing niet is verholpen.

Synchroniseren

(afstandsbediening)

Zet het contact aan.

Druk zo snel mogelijk gedurende enkele

seconden op een van de knoppen van de

afstandsbediening.

Zet het contact af.

De afstandsbediening werkt nu weer.

2

73


74

Toegang tot de auto

Synchroniseren

(elektronische sleutel)

Zet het contact af.

Druk zo snel mogelijk gedurende enkele

seconden op een van de knoppen van de

afstandsbediening.

Zet het contact aan.

De elektronische sleutel werkt nu weer.

Batterij van de sleutel vervangen

Batterij ref.: CR2032 / 3 V.

Deze batterij is via het PEUGEOT-netwerk of

een gekwalificeerde werkplaats verkrijgbaar.

Als de batterij van de afstandsbediening

vervangen moet worden, wordt u

gewaarschuwd door een melding op het display

van het instrumentenpaneel.

Wip het deksel met een kleine

schroevendraaier bij de uitsparing los.

Verwijder het deksel.

Verwijder de lege batterij.

Plaats een nieuwe batterij in de juiste

richting in de houder.

Druk het deksel op de afstandbediening vast.

Gooi de lege batterijen van de

afstandsbediening niet weg: ze bevatten

metalen die schadelijk zijn voor het milieu.

Lever lege batterijen in bij een speciaal

verzamelpunt.

Batterij van de elektronische

sleutel vervangen

Batterij ref.: CR2032 / 3 V.

Deze batterij is via het PEUGEOT-netwerk of

een gekwalificeerde werkplaats verkrijgbaar.

Als de batterij vervangen moet worden, wordt u

gewaarschuwd door een melding op het display

van het instrumentenpaneel.

Wip het deksel met een spits voorwerp bij

de sleutelhanger los.

Verwijder de lege batterij.

Schuif de nieuwe batterij in de juiste

richting op zijn plaats.

Zet het deksel aan de voorzijde vast en klik

het dicht.

Synchroniseer de elektronische sleutel.


Sleutels, afstandsbediening, elektronische sleutel verloren

Ga met het kentekenbewijs van de auto en uw legitimatiebewijs naar het PEUGEOT-netwerk.

Het PEUGEOT-netwerk kan de speciale code van de sleutel en de transponder opzoeken en een nieuwe bestellen.

Afstandsbediening

Toegang tot de auto

De radiografische afstandsbediening is een systeem met een groot bereik. Het is raadzaam om niet met de knop van de afstandsbediening te

spelen om te voorkomen dat de portieren per ongeluk ontgrendeld worden.

Druk nooit op de knoppen van uw afstandsbediening buiten het bereik en het zicht van uw auto. De afstandsbediening kan dan onbruikbaar

worden en moet in dat geval opnieuw worden gesynchroniseerd.

De afstandsbediening kan niet functioneren als de sleutel in het contactslot zit, zelfs als het contact uitstaat.

Vergrendelen van de auto

Het rijden met vergrendelde portieren kan in geval van nood de toegang tot het interieur belemmeren.

Neem uit veiligheidsoverwegingen (kinderen in de auto) de sleutel met afstandsbediening of de elektronische sleutel mee als u de auto verlaat,

zelfs al is dit voor korte duur.

Elektrische storingen

De elektronische sleutel van het Keyless entry and start-systeem werkt in sommige gevallen niet correct in de nabijheid van elektronische

apparatuur: telefoon, laptop, sterke magnetische velden, ...

Diefstalbeveiliging

Breng geen wijzigingen aan in de elektronische startblokkering; dit kan tot storingen leiden.

Vergeet niet aan het stuurwiel te draaien om het stuurslot te activeren.

Bij het aanschaffen van een gebruikte auto

Laat uw sleutels door het PEUGEOT-netwerk in het elektronische geheugen van de auto opslaan, zodat u er zeker van kunt zijn dat de in uw

bezit zijnde sleutels de enige zijn waarmee de auto kan worden gestart.

2

75


76

Toegang tot de auto

Alarm

Dit systeem beveiligt uw auto tegen inbraak en

diefstal. Het systeem bestaat uit de volgende

typen beveiliging:

- Omtrekbeveiliging

Dit systeem houdt de te openen

carrosseriedelen van de auto in de gaten.

Het alarm gaat af als iemand een portier, de

achterklep of de motorkap probeert te openen.

- Interieurbeveiliging

Dit systeem treedt in werking als er bewegingen

in het interieur worden waargenomen.

Het alarm gaat af als er een ruit wordt

ingeslagen, als iets of iemand de auto

binnendringt of als iets of iemand in de auto

beweegt.

- Wegsleepbeveiliging

Dit systeem treedt in werking als er veranderingen

in de wagenhoogte worden waargenomen.

Het alarm gaat af als de auto wordt opgetild,

verplaatst of aangestoten.

Automatische beveiligingsfunctie

Dit systeem treedt in werking als iemand

probeert het alarm te saboteren.

Het alarm gaat af als iemand probeert

de accu, de bedieningseenheid of de

kabels van de sirene uit te schakelen of

te beschadigen.

Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats alvorens wijzigingen

aan het alarmsysteem aan te brengen.

Vergrendelen van de auto met

volledig ingeschakeld alarm

Inschakelen

Zet het contact af en verlaat de auto.

Druk op de vergrendelknop

van de afstandsbediening of

vergrendel de auto met het

"Keyless entry and start"systeem.

Het alarmsysteem is geactiveerd: het

verklikkerlampje van de knop zal één keer per

seconde knipperen.

De inbraakbeveiliging wordt 5 seconden nadat

de vergrendelknop van de afstandsbediening

is ingedrukt of nadat de auto met het "Keyless

entry and start"-systeem vergrendeld is,

geactiveerd. De interieurbeveiliging wordt

45 seconden en de wegsleepbeveiliging

90 seconden nadat de vergrendelknop van de

afstandsbediening is ingedrukt, geactiveerd.

Indien een portier of de achterklep niet goed is

gesloten, wordt de auto niet vergrendeld, maar

wordt de omtrekbeveiliging na 45 seconden wel

ingeschakeld.

Uitschakelen van de

interieurbeveiliging

Druk op de ontgrendelknop

van de afstandsbediening of

ontgrendel de auto met het

"Keyless entry and start"systeem.

De interieurbeveiliging wordt

uitgeschakeld; het verklikkerlampje

van de knop gaat uit.


Vergrendelen van de auto met

alleen de omtrekbeveiliging

ingeschakeld

Schakel de interieur- en wegsleepbeveiliging uit

om te voorkomen dat het alarm onnodig wordt

ingeschakeld als bijvoorbeeld:

- een ruit op een kier blijft staan,

- de auto wordt gewassen,

- een wiel wordt verwisseld,

- de auto wordt gesleept,

- de auto op een boot wordt vervoerd.

Uitschakelen van de interieur- en

wegsleepbeveiliging

Zet het contact af en druk binnen

10 seconden op deze knop

tot het verklikkerlampje blijft

branden.

Verlaat de auto.

Druk onmiddellijk op de

vergrendelknop van de

afstandsbediening of vergrendel

de auto met het "Keyless entry

and start"-systeem.

Alleen de omtrekbeveiliging wordt ingeschakeld;

het verklikkerlampje van de knop zal één keer

per seconde knipperen.

De interieur- en wegsleepbeveiliging worden

uitsluitend uitgeschakeld als deze procedure

elke keer na het afzetten van het contact wordt

uitgevoerd.

Opnieuw inschakelen van de

interieur- en wegsleepbeveiliging

Druk op de ontgrendelknop

van de afstandsbediening of

ontgrendel de auto met het

"Keyless entry and start"-systeem

om de omtrekbeveiliging uit te

schakelen.

Druk op de vergrendelknop

van de afstandsbediening of

vergrendel de auto met het

"Keyless entry and start"systeem

om alle alarmsystemen

in te schakelen.

Het verklikkerlampje van de knop

zal opnieuw één keer per seconde

knipperen.

Afgaan van het alarm

Als het alarm afgaat, treedt de sirene in werking

en knipperen de richtingaanwijzers gedurende

dertig seconden.

Als het alarm voor de 11 e keer afgaat, worden

de alarmsystemen uitgeschakeld.

Als het verklikkerlampje van de knop

snel knippert bij het ontgrendelen van

de auto met de afstandsbediening of

met het "Keyless entry and start"systeem,

is het alarm tijdens uw afwezigheid

afgegaan. Het lampje stopt met knipperen als

het contact wordt aangezet.

Toegang tot de auto

Storing afstandsbediening

Om de alarmsystemen uit te schakelen:

Ontgrendel de auto met de sleutel in het

slot van het bestuurdersportier.

Open het portier; het alarm gaat af.

Zet het contact aan, het alarm stopt. Het

verklikkerlampje van de knop gaat uit.

Vergrendelen van de auto

zonder het alarm in te schakelen

Vergrendel de auto of schakel de

supervergrendeling in met de sleutel in het

slot van het bestuurdersportier.

Storing

Als bij het aanzetten van het contact het

verklikkerlampje van de knop blijft branden,

duidt dit op een storing in het systeem.

Laat het systeem controleren door het PEUGEOTnetwerk

of door een gekwalificeerde werkplaats.

Automatisch inschakelen *

Het systeem wordt 2 minuten nadat het

laatste portier of de achterklep is gesloten,

automatisch ingeschakeld.

Om het afgaan van het alarm bij het

openen van een portier of de achterklep te

voorkomen, moet eerst op de ontgrendelknop

van de afstandsbediening worden gedrukt

of moet de auto ontgrendeld worden met het

"Keyless entry and start"-systeem.

* Volgens land van bestemming.

2

77


78

Toegang tot de auto

Elektrisch bedienbare ruiten

1. Schakelaar ruitbediening links voor.

2. Schakelaar ruitbediening rechts voor.

3. Schakelaar ruitbediening rechts achter.

4. Schakelaar ruitbediening links achter.

5. Blokkeerschakelaar elektrisch

bedienbare ruiten achter, r

vergrendeling van de achterportieren

(kinderbeveiliging).

Handbediening

Duw of trek de schakelaar tot het zware punt

om de ruit te openen of sluiten. De ruit stopt

zodra de schakelaar wordt losgelaten.

Automatische bediening

(volgens uitvoering)

Duw of trek de schakelaar voorbij het zware

punt om de ruit te openen of sluiten. Als u de

schakelaar hebt losgelaten, opent of sluit de ruit

volledig. Druk opnieuw op de schakelaar om

het openen of sluiten te stoppen.

Ongeveer 1 minuut nadat de sleutel uit het

contact is genomen, kunnen de ruiten niet meer

worden bediend.

Zet het contact aan om de ruiten weer te

kunnen bedienen.

Beveiliging tegen beknellen

Als de ruit sluit en tegen een obstakel stuit,

stopt de ruit en gaat deze direct gedeeltelijk

weer open.

Als de ruit niet wil sluiten, druk dan op de

schakelaar om de ruit helemaal te openen en

trek vervolgens de schakelaar omhoog tot de

ruit volledig is gesloten. Houd de schakelaar na

het sluiten nog ongeveer 1 seconde vast.

Tijdens deze handelingen is de beveiliging

tegen beknellen uitgeschakeld.

Blokkering van de ruitbediening

achter

Druk, voor de veiligheid van uw kinderen, op

de schakelaar 5 om de ruitbediening achter,

ongeacht de stand van de ruiten, te blokkeren.

De binnenportiergrepen van de achterportieren

worden in dat geval ook geblokkeerd.

Als de schakelaar is ingedrukt (het lampje

brandt), is de ruitbediening geblokkeerd. Als

de schakelaar niet is ingedrukt (het lampje is

gedoofd), is de ruitbediening niet geblokkeerd.


Resetten van de

ruitbediening

Als de accu is losgekoppeld geweest, moet de

ruitbediening gereset worden.

Tijdens deze handelingen is de beveiliging

tegen beknellen uitgeschakeld:

- open de ruit volledig en sluit de ruit.

Telkens als de schakelaar omhoog wordt

getrokken, sluit de ruit enkele centimeters.

Laat de schakelaar los en trek hem

opnieuw omhoog totdat de ruit volledig is

gesloten,

- houd de schakelaar na het sluiten nog

minimaal 1 seconde vast.

Neem bij het verlaten van de auto, zelfs

voor een korte periode, altijd de sleutel uit

het contact.

Wanneer tijdens het bedienen van de ruit

iets tussen de ruit en de sponning bekneld

raakt, moet de ruit weer worden geopend.

Druk daarvoor op de desbetreffende

schakelaar.

Wanneer de bestuurder de ruit aan

passagierszijde bedient, moet deze ervan

verzekerd zijn dat niets het correcte sluiten

van de ruit verhindert.

De bestuurder moet ervan verzekerd zijn

dat de passagiers op de juiste manier

gebruik maken van de elektrische

ruitbediening.

Zorg ervoor dat kinderen zich tijdens het

bedienen van de ruit niet kunnen bezeren.

Toegang tot de auto

2

79


80

Toegang tot de auto

Bagageruimte

Openen

Ontgrendel de auto volledig met de

afstandsbediening of de sleutel, duw op de

hendel A en open de achterklep.

Vanuit het interieur

Houd deze knop ingedrukt tot u aan het geluid

hoort dat de achterklep ontgrendeld is.

Sluiten

Trek de achterklep omlaag met behulp van

de handgreep aan de binnenzijde.

Als de achterklep niet goed is gesloten bij

ingeschakeld hybridesysteem of rijdende

auto (snelheid boven de 10 km/uur), verschijnt

er gedurende enkele seconden een melding op

het display van het instumentenpaneel.


Elektrisch bedienbare achterklep

Openen

Auto vergrendeld/

supervergrendeld

Druk op deze knop A van de

afstandsbediening.

Auto ontgrendeld

Druk op de knop A van de

afstandsbediening of op de knop B van de

achterklep.

Vanuit het interieur

Toegang tot de auto

Druk op deze knop om de achterklep

te ontgrendelen en open vervolgens de

achterklep.

Wanneer u de achterklep met de

afstandsbediening opent, controleer dan of niets

de beweging van de achterklep kan hinderen.

2

81


82

Toegang tot de auto

Druk op deze knop C om de

achterklep elektrisch te sluiten.

Probeer de achterklep bij het sluiten niet

tegen te houden; hierdoor stopt de achterklep

met sluiten en gaat deze vervolgens enkele

centimeters omhoog.

Handmatig sluiten: beweeg de achterklep een

klein eindje omhoog en omlaag, zodat deze

ontgrendeld wordt, en sluit vervolgens de

achterklep.

Zorg ervoor dat tijdens het openen

of sluiten van de achterklep niemand

in de buurt staat om verwondingen

te voorkomen.

Openen of sluiten

onderbreken

Tijdens het elektrisch openen of sluiten van

de achterklep is het op elk gewenst moment

mogelijk de beweging stil te zetten:

druk op de knop in het interieur, op de knop

A van de afstandsbediening of op de knop

B of C van de achterklep.

Instellen van de

openingshoogte

De maximale openingshoogte van de achterklep

kan worden opgeslagen (laag plafond, ...).

Deze hoogte kan in twee stappen worden

opgeslagen door meerdere keren op de knop C

te drukken:

- als tijdens het openen, op het moment dat de

achterklep de gewenste stand heeft bereikt,

de knop wordt ingedrukt, blijft de achterklep

in de desbetreffende stand staan,

- als de knop nogmaals wordt ingedrukt, wordt

de stand van de achterklep opgeslagen. Dit

wordt bevestigd door een geluidssignaal.

Om deze opgeslagen stand te wissen

moet de knop opnieuw ingedrukt worden

gehouden tot een geluidssignaal hoorbaar

is.

Waarschuwing "achterklep open"

Als de achterklep niet goed gesloten is, zal,

als het hybridesysteem is ingeschakeld of de

auto rijdt, een melding op het display van het

instrumentenpaneel worden weergegeven

in combinatie met een geluidssignaal (vanaf

10 km/h).


Noodbediening

Hiermee kan bij een lege accu of een eventuele

storing in het systeem van de centrale

vergrendeling de achterklep mechanisch

ontgrendeld worden.

Ontgrendelen

Klap de achterbank naar voren om bij het

slot in de bagageruimte te komen.

Steek een kleine schroevendraaier in de

opening A van het slot om de achterklep te

ontgrendelen.

Verplaats de nok naar links.

Vergrendeling na het sluiten

Wanneer de achterklep weer wordt gesloten,

wordt deze weer vergrendeld als het probleem

niet is verholpen.

Toegang tot de auto

2

83


84

Toegang tot de auto

Panoramadak (SW)

U hebt de beschikking over een panoramadak

met getint glas, waardoor de lichtinval en het zicht

in het interieur worden vergroot. Het elektrisch

bedienbare zonnescherm zorgt voor een nog beter

thermisch en akoestisch comfort in het interieur.

Elektrisch bedienbaar

zonnescherm

Dit is elektrisch te bedienen met behulp van

een draaiknop.

Openen

Draai de knop linksom (meerdere standen zijn

mogelijk).

Sluiten

Draai de knop terug in zijn oorspronkelijke

stand.

Als de stand van het scherm niet overeenkomt

met de stand op de draaiknop, druk dan de

knop in tot het scherm wel de juiste stand heeft

bereikt.

Beveiliging tegen beknellen

Als het zonnescherm bij het sluiten tegen een

obstakel stuit, stopt het automatisch en gaat het

gedeeltelijk, tot de 2e stand, weer open.

Als het na een tweede keer nog niet lukt, moet

het systeem wellicht gereset worden.

Systeem resetten

Na het opnieuw aansluiten van de accukabels

of bij een storing in het zonnescherm tijdens

het openen of sluiten, moet u het systeem soms

resetten:

draai de draaiknop in de stand "volledig

openen",

wacht tot het zonnescherm volledig is

geopend,

druk de draaiknop direct in en houd deze

gedurende minimaal drie seconden ingedrukt.

Als het zonnescherm bij het sluiten ongewild

opengaat, voer dan, zodra het zonnescherm

ophoudt te bewegen, de volgende handelingen uit:

- draai de draaiknop in de stand "volledig

sluiten",

- druk de draaiknop direct in,

- houd de draaiknop ingedrukt tot het

zonnescherm volledig is gesloten.

Tijdens deze handelingen werkt de

beveiliging tegen het beknellen niet.

Als er iets bekneld raakt tijdens het

bedienen van het zonnescherm, moet u

de beweging van het scherm omkeren.

Draai hiervoor de draaiknop in de juiste

richting.

Let er bij het bedienen van het

zonnescherm op dat niets het correcte

sluiten van het scherm kan verhinderen.

Zorg ervoor dat de inzittenden het

zonnescherm correct gebruiken.

Let goed op de kinderen tijdens het

openen en sluiten van het scherm.


Brandstoftank

Inhoud van de brandstoftank: ongeveer 72 liter.

Openen

- Druk op de toets.

Dit is gedurende enkele minuten na het

afzetten van het contact mogelijk. Zet het

contact nog een keer aan om deze functie

opnieuw te activeren (indien nodig).

De motor moet altijd

worden afgezet door

het hybridesysteem

uit te schakelen (het

verklikkerlampje Ready moet zijn gedoofd) om

te voorkomen dat de motor tijdens het tanken

automatisch wordt gestart.

Tanken

Als er minder dan 5 liter brandstof getankt wordt,

wordt deze stijging van het brandstofniveau niet

weergegeven op de brandstofmeter.

Tijdens het openen van de tankdop kan een

geluid van aangezogen lucht hoorbaar zijn.

Dit wordt veroorzaakt door de onderdruk

die ontstaat door de afdichting van het

brandstofcircuit. Dit geluid is normaal.

Kies bij het tankstation de juiste brandstof

(deze staat vermeld op de sticker aan de

binnenzijde van de brandstofvulklep van uw

auto).

Open de vuldop door deze een kwart

omwenteling linksom te draaien.

Verwijder de vuldop en plaats deze op de

steun (aan de klep).

Toegang tot de auto

Steek het vulpistool zo ver mogelijk in de

vulopening en druk hierbij de metalen klep

A in.

Vul de brandstoftank. Laat het vulpistool

maximaal drie keer afslaan, aangezien er

anders storingen kunnen optreden.

Plaats de vuldop terug en sluit deze door

de dop een kwart omwenteling rechtsom te

draaien.

Druk de klep van de tankdop dicht.

Uw auto is voorzien van een katalysator, die de

schadelijke bestanddelen in de uitlaatgassen

vermindert.

Indien u per vergissing de verkeerde

brandstof voor uw auto tankt, moet

de tank beslist worden afgetapt

voordat de motor kan worden

gestart.

2

85


86

Toegang tot de auto

Minimumbrandstofniveau

Als het minimumbrandstofniveau

is bereikt, gaat dit

waarschuwingslampje branden, in

combinatie met een geluidssignaal

en een melding op het display van

het instrumentenpaneel.

Als dit lampje gaat branden, zit er nog ongeveer

7 liter r brandstof in de tank.

Ga zo snel mogelijk tanken om te voorkomen

dat u zonder brandstof komt te staan.

Onderbreking

brandstoftoevoer

Uw auto is voorzien van een beveiliging die bij

een aanrijding onmiddellijk de brandstoftoevoer

afsluit.

Tankbeveiliging diesel

Dit mechanisme is aangebracht in auto's met een dieselmotor, waardoor het onmogelijk is om benzine te tanken.

Hiermee wordt schade aan de motor, ontstaan door het tanken van de verkeerde brandstof, voorkomen.

Deze voorziening, die in de tankopening is ingebouwd, wordt geactiveerd zodra u de

brandstoftankdop verwijdert.

Werking

Wanneer u bij een dieseluitvoering een

benzinetankpistool in de tankopening plaatst,

wordt dit tegengehouden door een klep,

waardoor het vergrendeld blijft en er dus niet

getankt kan worden.

Probeer in dat geval niet toch te tanken

maar kies een dieseltankpistool.

Het vullen van de brandstoftank met

behulp van een jerrycan is wel mogelijk,

maar doe dit met beleid.

Houd de tuit van de jerrycan recht en

druk deze niet tegen de klep van de

tankbeveiliging, om ervoor te zorgen dat de

brandstof netjes in de vulopening stroomt.

Reizen naar het buitenland

Omdat de tankpistolen voor het tanken van

Diesel per land kunnen verschillen, kan de

aanwezigheid van een tankbeveiliging op de

auto er toe leiden dat tanken niet mogelijk is.

Wij adviseren u daarom voordat u naar het

buitenland afreist bij het PEUGEOT-netwerk

te informeren of uw auto geschikt is om in het

desbetreffende land te kunnen tanken.


Brandstofkwaliteit voor

dieselmotoren

DIESEL

Auto's met dieselmotoren kunnen probleemloos

rijden op biobrandstoffen die aan de huidige

en toekomstige Europese richtlijnen voldoen

(diesel die voldoet aan de richtlijn EN 590

gemengd met biobrandstof die voldoet aan de

richtlijn EN 14214) en die aan de pomp getankt

kunnen worden (met een gehalte aan methylestervetzuren

van 0 tot 7%).

Het gebruik van biobrandstof B30 is mogelijk

bij bepaalde dieselmotoren op voorwaarde dat

de bijzondere onderhoudsvoorschriften strikt

worden nageleefd. Raadpleeg het PEUGEOTnetwerk

of een gekwalificeerde werkplaats.

Het gebruik van elk ander type (bio)brandstof

(zuivere of verdunde plantaardige of dierlijke

olie, stookolie ...) is nadrukkelijk verboden

(kans op schade aan de motor en het

brandstofcircuit).

Toegang tot de auto

2

87


88

Comfort

Voorstoelen

Elektrisch verstellen

Zet, om de stoelen elektrisch te verstellen, het contact aan of start de motor als de eco-modus is

ingeschakeld.

Na het openen van het voorportier kan de bediening van de elektrische verstelling van de

bestuurdersstoel nog ongeveer een minuut worden gebruikt. Ongeveer een minuut na het uitzetten van

het contact en in de eco-mode, wordt de bediening van de elektrische stoelverstelling uitgeschakeld.

Als het contact wordt aangezet, wordt de bediening van de elektrische stoelverstelling weer ingeschakeld.

1. Zitting kantelen en in hoogte en in

lengterichting verstellen

Licht de schakelaar aan de voorzijde op

of druk deze neer om het zitgedeelte van

de stoel te kantelen.

Licht de schakelaar aan de achterzijde

op of druk deze neer om het zitgedeelte

te verhogen of te verlagen.

Beweeg de schakelaar naar voren of

naar achteren om de stoel naar voren of

naar achteren te bewegen.

2. Kantelen van de rugleuning

Beweeg de schakelaar naar voren of

naar achteren om de hellingshoek van de

rugleuning in te stellen.

3. Lendensteun verstellen

Dit systeem biedt de mogelijkheid om

onafhankelijk van elkaar de hoogte en de

diepte van de lendensteun in te stellen.

Bedien de schakelaar:

Naar voren of naar achteren voor meer of

minder steun in de lendenen.

Omhoog of omlaag om de drukzone van

de lendensteun omhoog of omlaag te

bewegen.


Opslaan van zitposities in

het geheugen

Dit systeem slaat de elektrische instellingen

van de bestuurdersstoel, de buitenspiegels en

het head-up display op. U kunt twee standen

opslaan met de toetsen aan de zijkant van de

bestuurdersstoel.

Opslaan van een zitpositie

met de toetsen M / 1 / 2

Zet het contact aan.

Zet uw stoel, de buitenspiegels en het

head-up display in de gewenste stand.

Druk op de toets M en vervolgens binnen

4 seconden op de toets 1 of 2 .

Een geluidssignaal geeft aan dat de

zitpositie is opgeslagen.

Het opslaan van een andere stand annuleert de

vorige, in het geheugen opgeslagen stand.

Oproepen van een opgeslagen zitpositie

Contact aan of draaiende motor

Druk kort op de toets 1 of 2 om de

desbetreffende zitpositie op te roepen.

Een geluidssignaal geeft aan dat de opgeslagen

zitpositie is ingenomen.

U kunt de beweging onderbreken door op de

toets M , 1 of 2 te drukken of door één van de

schakelaars van de stoelverstelling te bedienen.

U kunt een zitpositie niet oproepen tijdens het

rijden.

Het opvragen van een opgeslagen zitpositie is

tot 45 s na het afzetten van het contact mogelijk.

In-/uitstapfunctie

Comfort

Deze functie vergemakkelijkt het in- en

uitstappen.

Zo schuift de stoel automatisch naar achteren

bij het afzetten van het contact of bij het

openen van het bestuurdersportier; de stoel

blijft in deze stand staan tot u weer instapt.

Bij aanzetten van het contact schuift de stoel

weer naar voren in de geprogrammeerde stand.

Zorg ervoor dat het verplaatsen van de stoel

niet gehinderd wordt door voorwerpen of

personen.

Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats om deze functie in

of uit te schakelen.

3

89


90

Comfort

Hoogte- en hoekverstelling

hoofdsteun

Hoofdsteun omlaag bewegen: druk de knop A

in tot voorbij het zware punt en beweeg de

hoofdsteun naar beneden tot de gewenste

positie is bereikt; laat vervolgens de knop los.

Hoofdsteun omhoog bewegen: beweeg de

hoofdsteun omhoog tot de gewenste positie is

bereikt.

Hoofdsteun verwijderen: druk op de twee

pallen B en trek de hoofdsteun omhoog.

Hoofdsteun terugplaatsen: zet de pennen van

de hoofdsteun recht in de openingen van de

rugleuning. Controleer of de hoofdsteun goed

vastzit door deze naar boven te trekken.

Voor de veiligheid is het frame van de

hoofdsteun voorzien van een blokkeersysteem

om te voorkomen dat de hoofdsteun zakt in

het geval van een aanrijding.

De juiste stand van de hoofdsteun is als

de bovenzijde van de hoofdsteun zich ter

hoogte van de bovenzijde van het hoofd

bevindt.

Ga nooit rijden als de hoofdsteunen zijn

verwijderd. De hoofdsteunen moeten zijn

geplaatst en correct zijn afgesteld.

Bediening stoelverwarming

Als het hybridesysteem is ingeschakeld, is

de stoelverwarming voor beide voorstoelen

afzonderlijk regelbaar.

Met de draaiknop kan de stoelverwarming

ingeschakeld worden en kan een

verwarmingsstand worden geselecteerd:

0 : Uit.

1: Laag.

2 : Gemiddeld.

3 : Hoog.


Massagefunctie

Deze functie zorgt voor een massage ter

hoogte van de lendenen van de bestuurder. De

functie werkt alleen bij draaiende motor en als

de STOP-stand van het Stop & Start-systeem

is geactiveerd.

Inschakelen

Druk op deze knop.

Het verklikkerlampje gaat branden en de

massagefunctie wordt voor een tijdsduur van

1 uur ingeschakeld. Gedurende deze tijdsduur

wordt de massage in cycli van 6 minuten

uitgevoerd (4 minuten massage worden

gevolgd door 2 minuten rust). Het systeem

voert in totaal 10 cycli uit.

Na een uur wordt de functie uitgeschakeld, het

verklikkerlampje gaat dan uit.

Uitschakelen

U kunt de massagefunctie op elk

gewenst moment uitschakelen door

op deze knop te drukken.

Comfort

3

91


92

Comfort

Achterbank

U kunt het linkerdeel (1/3) en/of het rechterdeel (2/3) van de achterbank neerklappen om de bagageruimte te vergroten.

Hoofdsteunen buitenste

zitplaatsen achter

De hoofdsteunen hebben twee standen, een hoge stand

(comfort en veiligheid) en een lage stand (zicht naar

achteren). De hoofdsteunen kunnen ook worden verwijderd.

Verwijderen van een hoofdsteun:

trek de hoofdsteun omhoog tot aan de

aanslag,

druk vervolgens de pal A in.

Ga nooit rijden met passagiers op de

achterbank als de hoofdsteunen zijn

verwijderd; de hoofdsteunen moeten zijn

geplaatst en in de hoge stand staan.

Neerklappen van de achterbank

vanuit de bagageruimte

Elk gedeelte van de achterbank (1/3 of

2/3) is voorzien van een afzonderlijk

ontgrendelingsmechanisme om de rugleuning en de

zitting vanuit de bagageruimte neer te klappen.

Zorg ervoor dat de rugleuning ongehinderd

kan worden neergeklapt (hoofdsteunen,

veiligheidsgordels, ...),

zorg er ook voor dat de beweging van

de bank niet kan worden gehinderd door

voorwerpen die zich op of onder de bank

bevinden,

trek vanuit de bagageruimte aan de

ontgrendeling en duw tegen de rugleuning.


Neerklappen van de

achterbank via de achterzijde

Zorg ervoor dat de beweging van de bank niet

kan worden gehinderd door voorwerpen die

zich op of onder de bank bevinden.

Schuif de voorstoel indien nodig naar

voren,

controleer of de veiligheidsgordel langs de

rand van de rugleuning loopt,

zet de hoofdsteunen in de laagste stand of

verwijder deze indien nodig,

trek de hendel 1 naar voren om de

rugleuning 2 te ontgrendelen en klap deze

vervolgens naar voren.

Comfort

Terugplaatsen van de achterbank

Let erop dat bij het terugplaatsen van de

achterbank de veiligheidsgordels niet klem

komen te zitten en dat de gesphouders op de

juiste plek komen te zitten.

Zet de rugleuning rechtop en vergrendel

deze, de zitting komt dan vanzelf op zijn

plaats,

controleer of het rode vlak ter hoogte van

ontgrendeling 1 niet meer zichtbaar is,

zet de hoofdsteunen weer in de hoogste

stand of plaats deze terug.

3

93


94

Comfort

Spiegels

Buitenspiegels

De verstelbare buitenspiegels zorgen voor

het benodigde zicht naar achteren bij een

inhaalmanoeuvre of het parkeren van de

auto. De buitenspiegels kunnen ook worden

ingeklapt voor het parkeren in een smalle

straat.

Ontwaseming - ontdooiing

Als uw auto voorzien is van spiegelverwarming,

kunt u deze inschakelen door op de toets

van de achterruitverwarming te drukken

(zie paragraaf "Ontwaseming - Ontdooiing

achterruit").

De achterruitverwarming werkt uitsluitend als

het hybridesysteem is ingeschakeld.

Verstellen

Zet de knop A naar links of rechts om de

desbetreffende spiegel te selecteren.

Duw de knop B in de 4 richtingen om de

spiegel af te stellen.

Zet de knop A weer in het midden.

De waargenomen objecten in de

buitenspiegels lijken verder af dan ze in

werkelijkheid zijn.

Hiermee moet rekening worden

gehouden om de afstand ten opzichte van

achteropkomend verkeer goed in te schatten.

Inklappen

- Automatisch: vergrendel de auto met de

afstandsbediening of de sleutel.

- Handmatig: trek bij aangezet contact de

schakelaar A naar achteren.

Als de buitenspiegels zijn ingeklapt met behulp

van de schakelaar A, worden ze niet automatisch

uitgeklapt als de auto wordt ontgrendeld. Trek

nogmaals de schakelaar A naar achteren om de

buitenspiegels uit te klappen.

Uitklappen

- Automatisch: ontgrendel de auto met de

afstandsbediening of de sleutel.

- Handmatig: trek bij aangezet contact de

schakelaar A naar achteren.

Het automatisch in- en uitklappen van de

buitenspiegels kan worden gedeactiveerd

door het PEUGEOT-netwerk of door een

gekwalificeerde werkplaats.

Klap de buitenspiegels in als u uw auto

in een automatische autowasstraat laat

wassen.


Automatisch kantelen

buitenspiegels bij het

achteruitrijden

De buitenspiegels kunnen bij het achteruit

inparkeren naar de grond worden gericht.

Programmeren

Schakel bij draaiende motor de

achteruitversnelling in.

Selecteer en verstel achtereenvolgens de

linker en rechter buitenspiegel.

De ingestelde standen worden direct

opgeslagen.

Inschakelen

Schakel bij draaiende motor de

achteruitversnelling in.

Beweeg de schakelaar A naar rechts of

links om de desbetreffende buitenspiegel

te selecteren.

De geselecteerde buitenspiegel wordt in de

geprogrammeerde stand gericht.

Uitschakelen

Haal de versnellingsbak uit de

achteruitversnelling en wacht tien

seconden.

of

Zet de schakelaar A in de middelste stand.

De buitenspiegel keert terug naar de

oorspronkelijke stand.

De buitenspiegel keert ook terug naar de

oorspronkelijke stand:

- zodra sneller wordt gereden dan 10 km/h,

- als de motor wordt afgezet.

Comfort

3

95


96

Comfort

Binnenspiegel

Verstelbare spiegel voor het zicht recht achter

de auto.

De binnenspiegel is voorzien van een

nachtstand waardoor de spiegel donkerder

wordt en de bestuurder minder hinder ondervindt

van de koplampverlichting van achteropkomend

verkeer, zon ... (antiverblindingsstand).

Binnenspiegel met handbediende

dag-/nachtstand

Verstellen

Stel de spiegel af als deze in de dagstand staat.

Dag-/nachtstand

Trek aan het hendeltje om de spiegel in de

nachtstand te zetten.

Duw het hendeltje naar voren om de

spiegel terug te zetten in de dagstand.

Om veiligheidsrdenen moeten de

spiegels zo zijn ingesteld dat de

"dode hoek" zo klein mogelijk is.

Automatisch dimmende binnenspiegel

Dankzij een sensor die de hoeveelheid licht die

vanaf de achterzijde van de auto op de spiegel

valt meet, gaat de binnenspiegel geleidelijk en

automatisch over van de dag- in de nachtstand.

Zodra de achteruitversnelling wordt

ingeschakeld, wordt de spiegel in de

dagstand gezet voor een maximaal

zicht naar achteren.

Stuurwielverstelling

Zorg dat de auto stilstaat en duw

de hendel omlaag om het stuurwiel te

ontgrendelen.

Verstel het stuurwiel in hoogte en diepte

voor een optimale zithouding.

Trek aan de hendel om het stuurwiel te

vergrendelen.

Voer deze handelingen om

veiligheidsredenen uitsluitend uit bij

stilstaande auto.


Indeling interieur

1. Gekoeld dashboardkastje

Het dashboardkastje is voorzien van een

ventilatieopening die met een draaiknop

kan worden afgesloten. Via deze opening

wordt koude lucht toegevoerd.

2. Wegklapbare bekerhouders

Druk op het deksel om de bekerhouder te

openen.

3. Uitneembare asbak

Druk op het deksel om de asbak te openen.

Asbak legen: trek de asbak omhoog om

deze te verwijderen.

4. Muntenvak

5. Peugeot Connect SOS, Peugeot

Connect Assistance

6. Middenarmsteun vóór

7. 12V-aansluitingen vóór (120 W)

Houd u aan het maximaal toegestane

vermogen om schade aan uw apparatuur te

voorkomen.

8. Peugeot Connect USB

Comfort

3

97


98

Comfort

Matten

De matten zijn uitneembaar en beschermen de vloerbedekking van de auto.

Bevestigen

Gebruik, wanneer u een nieuwe mat

bevestigt aan bestuurderszijde, uitsluitend de

bevestigingen uit het bijgeleverde zakje.

De overige matten worden gewoon op de

vloerbedekking gelegd.

Verwijderen

Verwijderen van de mat aan de

bestuurderszijde:

zet de stoel in de achterste stand,

maak de bevestigingen los,

verwijder vervolgens de mat.

Terugplaatsen

Terugplaatsen van de mat aan de

bestuurderszijde:

leg de mat goed op zijn plaats,

druk de bevestigingen vast,

controleer of de mat goed vastzit.

Om te voorkomen dat de pedalen blijven

hangen:

- gebruik uitsluitend matten die op de

bevestigingen van de auto passen;

het gebruik van deze bevestigingen is

verplicht.

- gebruik nooit meer dan één mat per

plaats.

Bij gebruik van niet door PEUGEOT

goedgekeurde matten kan de bediening

van de pedalen worden gehinderd en kan

de werking van de snelheidsregelaar/begrenzer

negatief worden beïnvloed.

Middenarmsteun achter

Klap de middenarmsteun achter omlaag

voor een optimaal zitcomfort.

De armsteun is bij bepaalde uitvoeringen

voorzien van bekerhouders. Tevens hebt u, als

de armsteun is neergeklapt, toegang tot het

skiluik.


Skiluik

Het skiluik kan worden gebruikt voor het

vervoeren van lange voorwerpen.

Openen

Klap de middenarmsteun omlaag.

Druk op de ontgrendelingsknop van het

luik.

Laat het skiluik zakken.

Steek voorwerpen vanuit de bagageruimte

door het skiluik.

Peugeot Connect USB - USB-box

Deze aansluitmodule, die bestaat uit een

JACK-aansluiting en een USB-poort, bevindt

zich in de armsteun vóór (onder het deksel).

Hierop kunt u draagbare apparatuur aansluiten,

zoals een iPod ® of een USB-stick.

Dankzij de aansluitmodule kunt u de

audiobestanden op uw draagbare apparatuur

beluisteren via de luidsprekers van uw

autoradio.

U kunt deze bestanden beheren met de toetsen

op het stuurwiel of het bedieningspaneel van

de autoradio en ze weergeven op het display

van het instrumentenpaneel.

Comfort

Tijdens het gebruik van de USB-poort kan de

draagbare apparatuur automatisch worden

opgeladen.

Raadpleeg voor meer informatie over

het gebruik van deze uitrusting de

rubriek "Audio en datacommunicatie".

3

99


100

Comfort

Indeling van de bagageruimte

1. Bagageruimteverlichting

2. Schakelaars voor neerklappen

zitplaatsen achter

3. Inklapbare haken

4. 12V-aansluiting (maximaal 120 W)

5. Opbergvakken

Hierin zijn het sleepoog, het wielblok (om

te voorkomen dat de auto wegrolt) en de

bandenreparatieset opgeborgen (volgens

uitvoering en land van bestemming).

6. Bagageafdekking

(zie volgende pagina) .

7. Sjorogen

Pak de ringen één voor één en leg ze in de

geleiderail .

Verplaats de ring in de gewenste positie

door op de knop te duwen.


Ventilatie van de tractiebatterij

De tractiebatterij is voorzien van een

luchtkoelingssysteem dat bestaat uit een

luchtaanzuigopening (op de hoedenplank) en

een ventilator (onder de bagageruimtebekleding

links).

Dit systeem werkt niet permanent. Het past

de mate van ventilatie automatisch aan de

behoefte van de tractiebatterij aan.

De werking van het systeem kan achterin

hoorbaar zijn, zelfs als de auto na het rijden

stilstaat.

Als deze aanzuigopening verstopt is, kan

de tractiebatterij oververhit en daardoor

beschadigd raken. Dit kan een nadelig

effect hebben op de prestaties van het

hybridesysteem.

Om ervoor te zorgen dat de

tractiebatterij optimaal kan werken,

dient u de volgende aanbevelingen in

acht te nemen:

- houd de aanzuigopening vrij van

vreemde voorwerpen, zodat de

tractiebatterij niet oververhit kan

raken waardoor de prestaties van

het hybridesysteem afnemen,

- mors geen vloeistof, de accu zou

hierdoor beschadigd kunnen raken.

Comfort

3

101


102

Comfort

Bagageafdekscherm

Oprollen Verwijderen Plaatsen

Druk voorzichtig de vergrendeling

(PRESS) in, het bagageafdekscherm wordt

automatisch opgerold.

De flap A kan langs de leuning van de

achterbank worden neergeklapt.

Knijp de bediening 1 in en licht het

bagageafdekscherm eerst aan het rechter

uiteinde op, daarna aan het linker uiteinde

en verwijder het.

Plaats het linker uiteinde van het

oprolmechanisme in de uitsparing B achter

de achterbank.

Knijp de bediening 1 van het

oprolmechanisme in en bevestig het in de

uitsparing C rechts.

Laat de bediening los om het

bagageafdekscherm te bevestigen.

Rol het bagageafdekscherm af tot het vast

kan worden gezet aan de achterstijl.


Gevarendriehoek (opbergen)

In de binnenbekleding van het kofferdeksel is

plaats voor een opgevouwen gevarendriehoek,

al dan niet in een koker.

Trek voordat u uit de auto stapt om

de gevarendriehoek uit te vouwen

en te plaatsen uw reflecterende

veiligheidsvest aan.

De opgevouwen gevarendriehoek (of de koker)

moet de volgende afmetingen hebben:

- A : lengte = 438 mm,

- B: hoogte = 56 mm,

- C: breedte = 38 mm.

Raadpleeg voor gebruik van de

gevarendriehoek de gebruiksaanwijzing van de

fabrikant.

Draai aan de knop om het deksel te

verwijderen.

Houd het deksel en de gevarendriehoek

tegen om te voorkomen dat ze vallen.

Comfort

Op de weg plaatsen van de

gevarendriehoek

Plaats de gevarendriehoek achter de

auto op de in de onderstaande tabel

aangegeven afstand, afhankelijk van het

wegtype en de hoeveelheid buitenlicht.

Plaatsingsafstand (in meter)

Binnenweg

Overdag 's Nachts

Snelweg

50 m 80 m 150 m

Deze waarden zijn gebaseerd op

internationale richtlijnen.

Houd u bij het plaatsen van de

gevarendriehoek aan de ter plaatse

geldende wettelijke voorschriften.

De gevarendriehoek is leverbaar als

accessoire, raadpleeg het PEUGEOT-netwerk

of een gekwalificeerde werkplaats.

3

103


104

Comfort

Bagagenet voor hoge belading

Het net, dat aan de specifieke bovenste en

onderste bevestigingen wordt vastgemaakt,

zorgt ervoor dat de auto tot aan het dak kan

worden beladen:

- achter de voorstoelen (1e zitrij) wanneer de

achterbank is neergeklapt,

- achter de achterbank (2e zitrij).

Klap de achterbank niet op wanneer

de oprolautomaat van het net op

de rugleuning van de neergeklapte

achterbank is bevestigd. g

1 e zitrij

plaats de oprolautomaat van het net boven

de twee rails (op de achterzijde van de

neergeklapte achterbank),

de twee inkepingen A moeten boven de

twee rails B zijn geplaatst. Schuif de twee

rails B in de inkepingen A en druk de

oprolautomaat (in lengterichting) van rechts

naar links om deze te blokkeren,

controleer of het net goed is vastgemaakt

en goed gespannen is,

klap de achterbank neer,

rol het bagagenet voor hoge belading uit

zonder het strak te spannen,

plaats een van de uiteinden van de metalen

stang van het net in de desbetreffende

bovenste bevestiging 1,

trek aan de metalen stang van het net om

het andere uiteinde in de andere bovenste

bevestiging 1 te plaatsen.


2 e zitrij

rol de bagageafdekking op en verwijder deze

vervolgens,

plaats het linker uiteinde van de oprolautomaat

2 in de steun van de bagageafdekking,

plaats het rechter uiteinde van de

oprolautomaat 2 in de steun van de

bagageafdekking, vergrendel deze vervolgens

(rode markering),

rol het bagagenet voor hoge belading vanaf

de achterbank uit, duw er daarbij tegenaan om

het net los te maken uit de bevestigingshaken,

plaats een van de uiteinden van de metalen

stang van het net in de desbetreffende

bovenste bevestiging 3 ,

trek aan de metalen stang van het net en

plaats het andere uiteinde in de andere

bovenste bevestiging 3 ,

controleer of het net goed is vastgemaakt

en goed gespannen is.

Comfort

3

105


106

Comfort

Verwarming en ventilatie

De ventilatie zorgt voor een optimaal comfort

en zicht in het interieur.

De lucht in het interieur wordt gefilterd

en wordt van buitenaf toegevoerd via het

luchtrooster onder de voorruit, of in het interieur

gerecirculeerd.

Bedieningspaneel

De lucht kan afhankelijk van de instellingen

van de bestuurder, voorpassagier of

achterpassagiers (afhankelijk van het

uitrustingsniveau) via verschillende circuits

worden toegevoerd.

Stel de temperatuurregeling in: de lucht van de

verschillende circuits wordt gemengd om het

gewenste comfortniveau te bereiken.

Stel de luchtverdeling in met de desbetreffende

(combinatie van) toetsen: de lucht wordt via de

gewenste uitstroomopeningen verdeeld.

Stel de luchtopbrengst in: de aanjagersnelheid

wordt verhoogd of verlaagd.

De bedieningsschakelaars bevinden zich op

het paneel A van de middenconsole.

Luchtverdeling

1. Uitstroomopeningen voor het ontdooien of

ontwasemen van de voorruit.

2. Uitstroomopeningen voor het ontdooien of

ontwasemen van de zijruiten.

3. Afsluitbare en verstelbare

zijventilatieroosters.

4. Afsluitbare en verstelbare middelste

ventilatieroosters.

5. Uitstroomopeningen beenruimte

voorpassagiers.

6. Afsluitbare en verstelbare ventilatieroosters

voor de achterpassagiers.

7. Uitstroomopeningen beenruimte

achterpassagiers.


Gebruiksadviezen voor de verwarming, ventilatie en airconditioning

Neem voor een optimale werking van de verwarming, ventilatie en airconditioning de volgende

gebruiksadviezen in acht :

Als de binnentemperatuur zeer hoog blijft nadat de auto lang in de zon heeft gestaan, kunt u

het passagierscompartiment kort ventileren.

Zet de knop van de luchtopbrengst zodanig dat de interieurlucht goed ververst wordt.

Let erop dat voor een gelijkmatige verdeling van de lucht naar het interieur de

uitstroomopening onder de voorruit, de verschillende luchtkanalen, ventilatieroosters en

overige uitstroomopeningen en de ventilatieopening in de bagageruimte vrij blijven.

Kies onder normale omstandigheden altijd voor de toevoer van buitenlucht; bij langdurig

gebruik van de luchtrecirculatie in het interieur kunnen de voorruit en de zijruiten beslaan.

Let erop dat de zonnesensor op het dashboard niet wordt afgedekt. Deze sensor dient voor

de regeling van de automatische airconditioning.

Zet de airconditioning 1 tot 2 keer per maand 5 tot 10 minuten aan om het systeem in perfecte

staat te houden.

Controleer regelmatig de staat van het interieurfilter en laat de filterelementen periodiek

vervangen (zie het hoofdstuk "Controles").

Wij raden u een gecombineerd interieurfilter aan. Dankzij het speciale toegevoegde actieve

filter draagt het bij tot een gezuiverde lucht voor de inzittenden en een schoon interieur

(vermindering van allergische reacties, stank en vetaanslag).

Als de airconditioning werkt, gebruikt deze een klein deel van het motorvermogen. Dit heeft

een hoger brandstofverbruik tot gevolg.

Bij een zware belasting van de motor (trekken van een aanhanger op een steile helling bij

een hoge buitentemperatuur) kan de airconditioning tijdelijk worden uitgeschakeld voor een

optimale trekkracht van de motor.

Condensvorming in de airconditioning kan ertoe leiden dat er zich een klein plasje water

onder de auto vormt. Dit is een normaal verschijnsel.

Laat de airconditioning regelmatig controleren om het systeem in perfecte staat te houden.

Gebruik de airconditioning niet als deze niet koelt en raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats.

Comfort

Het airconditioningssysteem is chloorvrij

en is niet schadelijk voor de ozonlaag.

3

107


108

Comfort

Automatische airconditioning met gescheiden regeling

De airconditioning werkt uitsluitend als het hybridesysteem is ingeschakeld (verklikkerlampje Ready aan).

De airconditioning werkt minder doeltreffend in de elektrische rijstand (zie rubriek ECO OFF).

Automatische werking

1. Automatisch programma

"Comfort"

Druk op deze toets "AUTO". Het

lampje gaat branden.

Het is raadzaam deze stand te gebruiken:

het systeem regelt de temperatuur, de

luchtopbrengst, de luchtverdeling naar

de luchtroosters en de luchtrecirculatie

automatisch en optimaal aan de hand van de

door u ingestelde waarde.

Het systeem kan tijdens alle seizoenen effectief

gebruikt worden, mits de ruiten zijn gesloten.

Om bij koude motor de toevoer van

koude lucht te beperken, wordt de

aanjagerregeling geleidelijk op het

optimale niveau gebracht.

Bij koud weer wordt de warme lucht

uitsluitend naar de voorruit, de zijruiten

en de beenruimte van de passagiers

verdeeld.

In de stand ZEV V gaat het verklikkerlampje

van de toets " AUTO"

niet branden.

2 - 3. Regeling bestuurders-/

passagierszijde

De bestuurder en de voorpassagier kunnen de

temperatuur afzonderlijk naar wens instellen.

De op het display weergegeven waarde heeft

betrekking op een bepaald comfortniveau en

niet op de werkelijke temperatuur in graden

Celsius of Fahrenheit.

Draai de knop 2 of 3 naar links

(blauw) of naar rechts (rood) om

deze waarde te verlagen of te

verhogen.

Voor een optimaal comfort wordt de waarde

21 aanbevolen. Niettemin is afhankelijk

van uw wensen een afstelling tussen 18 en

24 gebruikelijk.

Voor een optimaal comfort is het raadzaam

dat het verschil in instelling links en rechts niet

meer dan 3 bedraagt.


Als de temperatuur in de auto bij

het instappen veel lager of hoger

is dan de ingestelde waarde, heeft

het geen zin om voor het gewenste

comfort de ingestelde waarde te

wijzigen. Het systeem compenseert

automatisch en zo snel mogelijk het

temperatuurverschil.

4. Automatisch programma

"Zicht"

Zie paragraaf "Ontwaseming -

ontdooiing vóór".

Bij auto's met een Stop & Startsysteem

geldt dat zolang de

voorruitontwaseming in werking is, de

dieselmotor niet wordt afgezet.

5. Centrale regeling/gescheiden

regeling

Druk op deze toets om de instellingen

van de passagierszijde af te stemmen

op die van de bestuurderszijde

(centrale regeling). Het lampje van de

toets gaat branden.

6. Airconditioning aan/uit

De airconditioning functioneert, als

de ruiten gesloten zijn, optimaal in elk

seizoen.

Dit systeem maakt het mogelijk om:

- in de zomer de temperatuur in het interieur

te verlagen,

- in de winter, bij temperaturen hoger dan

3°C, de ruiten sneller te ontwasemen.

Inschakelen

Druk op de toets "A/C" , het desbetreffende

lampje gaat groen branden.

De airconditioning werkt niet als de regeling

voor de luchtopbrengst is uitgeschakeld.

Uitschakelen

Druk nogmaals op de toets "A/C", het

groene lampje dooft.

Het uitschakelen van de airconditioning kan

negatieve effecten hebben (vocht, condens).

Handmatig instellen

Comfort

7. Maximale werking airconditioning

Als u de temperatuur van de lucht

in het interieur tijdelijk wilt verlagen,

drukt u op deze toets; de aanduiding

"LO" wordt weergegeven.

Druk nogmaals op de toets om terug te gaan

naar de vorige instellingen.

Al naar gelang uw wensen kunt u de

automatische bediening van het systeem

handmatig aanpassen. De overige functies

worden automatisch geregeld.

Druk op de toets "AUTO" om het systeem

weer volledig automatisch te laten

functioneren.

Om het interieur maximaal te verkoelen

of te verwarmen is het mogelijk de

minimale waarde 14 of de maximale

waarde 28 te overschrijden.

Draai de knop 2 of 3 naar links

totdat "LO" verschijnt of naar

rechts totdat "HI" verschijnt.

3

109


110

Comfort

8. Regeling luchtverdeling

Druk op de desbetreffende toets voor de

stand:

Voorruit en zijruiten.

Centrale ventilatieroosters en

zijventilatieroosters.

Beenruimte.

Afhankelijk van uw behoeften kunt

u twee instellingen combineren of

de drie instellingen gezamenlijk

selecteren.

9. Regeling luchtopbrengst

Druk op deze toets

"gevulde ventilator" om de

luchtopbrengst te verhogen.

Afhankelijk van de gevraagde waarde wordt het

pictogram van de luchtopbrengst, de ventilator,

geleidelijk gevuld.

Druk op deze toets

"lege ventilator" om de

luchtopbrengst te verlagen.

Uitschakelen van het systeem

Druk op deze toets

"lege ventilator" van de

luchtopbrengst tot het symbool

van de ventilator verdwijnt en

"--" wordt weergegeven.

Alle functies van de airconditioning worden dan

uitgeschakeld.

De temperatuur wordt dan niet meer

geregeld, maar er blijft een kleine luchtstroom

gehandhaafd.

10. Toevoer van buitenlucht/

luchtrecirculatie

Druk op deze toets om de lucht in

het interieur te laten recirculeren. Het

lampje van de toets gaat branden.

De luchtrecirculatie dient om de toevoer van

buitenlucht bij stank en stofoverlast af te sluiten. De

luchtrecirculatie wordt automatisch ingeschakeld

als de ruitensproeiers worden geactiveerd.

Druk de toets, zodra de luchtrecirculatie

niet meer nodig is, nogmaals in om de

toevoer van buitenlucht te hervatten en het

beslaan van de ruiten te voorkomen. Het

lampje van de toets gaat uit.

Vermijd het te lang rijden met een uitgeschakeld

systeem om te voorkomen dat de ruiten beslaan

of de luchtkwaliteit vermindert.

Als u op de toets "gevulde ventilator" drukt,

wordt het systeem weer ingeschakeld waarbij

de instellingen van vóór de uitschakeling

worden toegepast.


Automatische airconditioning quadrizone

De airconditioning werkt uitsluitend als het hybridesysteem is ingeschakeld (verklikkerlampje Ready aan).

De airconditioning werkt minder doeltreffend in de elektrische rijstand (zie rubriek ECO OFF).

Automatische werking

1. Automatisch programma

"Confort"

Met de standen Soft/Auto/Fast kunnen de

bestuurder en de voorpassagier het door hen

gewenste comfortniveau instellen:

Voor een aangenaam comfort en een zo

laag mogelijk geluidsniveau, aangezien

de aanjagersnelheid beperkt wordt.

Voor het beste compromis tussen

thermisch comfort en een laag

geluidsniveau.

Voor een doeltreffende en

dynamische luchttoevoer.

2. Inschakelen / uitschakelen van

de airconditioning achter

Druk op deze toets om de

airconditioning achter uit te

schakelen en het systeem te

blokkeren. Op het LCD-display

wordt een hangslot weergegeven. Als de

airconditioning achter weer wordt ingeschakeld,

wordt de automatische stand geactiveerd en de

laatst ingestelde waarden voor de temperatuur

toegepast.

Comfort

3 - 4. Regeling aan bestuurders-/

passagierszijde

De bestuurder en de voorpassagier kunnen de

temperatuur afzonderlijk naar wens instellen.

De op het display weergegeven waarde heeft

betrekking op een bepaald comfortniveau en

niet op de werkelijke temperatuur in graden

Celsius of Fahrenheit.

Draai de knop 3 of 4 naar links

(blauw) of naar rechts (rood) om

deze waarde te verlagen of te

verhogen.

Voor een optimaal comfort wordt de waarde

21 aanbevolen. Niettemin is afhankelijk

van uw wensen een afstelling tussen 18 en

24 gebruikelijk.

Voor een optimaal comfort is het raadzaam

dat het verschil in instelling links en rechts niet

meer dan 3 bedraagt.

3

111


112

Comfort

Als de temperatuur in de auto bij

het instappen veel lager of hoger

is dan de ingestelde waarde, heeft

het geen zin om voor het gewenste

comfort de ingestelde waarde te

wijzigen. Het systeem compenseert

automatisch en zo snel mogelijk het

temperatuurverschil.

5. Automatisch programma

"Zicht"

Zie de paragraaf "Ontwaseming -

ontdooiing vóór".

Bij auto's met een Stop & Startsysteem

geldt dat zolang de

voorruitontwaseming in werking is, de

dieselmotor niet wordt afgezet.

6. Centrale regeling / Quadrizone

Druk op deze toets om de instellingen

van de passagierszijde voor en

achter af te stemmen op die van de

bestuurderszijde (centrale regeling).

Het lampje in de toets gaat branden.

7. In-/uitschakelen van de

airconditioning

De airconditioning functioneert, als

de ruiten gesloten zijn, optimaal in elk

seizoen.

Dit systeem maakt het mogelijk om:

- in de zomer de temperatuur in het interieur

te verlagen,

- in de winter, bij temperaturen hoger dan

3°C, de ruiten sneller te ontwasemen.

Inschakelen

Druk op de toets "A/C" , het desbetreffende

lampje gaat groen branden.

De airconditioning werkt niet als de regeling

voor de luchtopbrengst is uitgeschakeld.

Uitschakelen

Druk nogmaals op de toets "A/C", het

desbetreffende groene lampje dooft.

Het uitschakelen van de airconditioning kan

negatieve effecten hebben (vocht, condens).

Handmatige instellingen

Al naar gelang uw wensen kunt u de

automatische bediening van het systeem

handmatig aanpassen. De overige functies

worden automatisch geregeld.

Druk op een van de toetsen Soft/Auto/Fast om

de automatische stand weer in te schakelen.

Om het interieur maximaal te verkoelen

of te verwarmen is het mogelijk de

minimale waarde 14 of de maximale

waarde 28 te overschrijden.

Draai de knop 3 of 4 linksom

tot "LO" wordt weergegeven

of rechtsom tot "HI" wordt

weergegeven.

In de stand ZEV gaat het

verklikkerlampje van de toets " A/C" niet

branden.


Druk op de desbetreffende toets voor de

stand:

Voorruit en zijruiten.

Centrale ventilatieroosters en

zijventilatieroosters.

Beenruimte.

Afhankelijk van uw wensen kunt

u twee instellingen combineren of

de drie instellingen gezamenlijk

selecteren.

9. Regeling luchtopbrengst

Druk op deze toets

"gevulde ventilator" om de

luchtopbrengst te verhogen.

Afhankelijk van de gevraagde waarde wordt het

pictogram van de luchtopbrengst, de ventilator,

geleidelijk gevuld.

Druk op deze toets

"lege ventilator" om de

luchtopbrengst te verlagen.

Uitschakelen van het systeem

Druk op deze toets

"lege ventilator" van de

luchtopbrengst tot het symbool

van de ventilator verdwijnt en "--"

wordt weergegeven.

Alle functies van de airconditioning worden dan

uitgeschakeld.

De temperatuur wordt dan niet meer

geregeld, maar er blijft een kleine luchtstroom

gehandhaafd.

Vermijd het te lang rijden met een uitgeschakeld

systeem om te voorkomen dat de ruiten beslaan

of de luchtkwaliteit vermindert. Als u op de toets

"gevulde ventilator" drukt, wordt het systeem

weer ingeschakeld waarbij de instellingen van

vóór de uitschakeling worden toegepast.

10. Toevoer van buitenlucht/

luchtrecirculatie

Comfort

Automatische stand luchttoevoer

Deze stand wordt bij het programma

"Comfort" standaard geactiveerd.

De luchtrecirculatie dient om de toevoer van

buitenlucht bij stank en stofoverlast af te

sluiten. De luchtrecirculatie wordt automatisch

ingeschakeld als de ruitensproeiers worden

geactiveerd. De luchtrecirculatie wordt bij

temperaturen lager dan 5°C niet ingeschakeld

om te voorkomen dat de ruiten van de auto

beslaan.

Druk deze toets, zodra de luchtrecirculatie

niet meer nodig is, nogmaals in om de

toevoer van buitenlucht te hervatten en het

beslaan van de ruiten te voorkomen. Het

lampje van de toets gaat uit.

3

113


114

Comfort

Comfortregeling achterpassagiers

De bediening van de airconditioning achter

werkt uitsluitend als vanaf de zitplaatsen vóór:

- de toets REAR is geactiveerd,

- het automatische programma Zicht niet is

ingeschakeld.

1. Automatisch programma

Comfort

Druk op de toets "AUTO". Het

verklikkerlampje in de toets gaat

branden.

Wij raden u aan deze stand te gebruiken. In

deze stand worden automatisch op optimale

wijze alle functies - de interieurtemperatuur,

de luchthoeveelheid, de luchtverdeling -

geregeld overeenkomstig het door u ingestelde

comfortniveau.

Dit systeem werkt, als de ruiten gesloten zijn, in

alle seizoenen doeltreffend.

2. Regeling van de luchtverdeling 3. Temperatuurregeling links of

rechts

Druk meerdere keren op de desbetreffende

toets om de luchtverdeling als volgt te wijzigen:

- Beenruimte en centraal

ventilatierooster.

- Centraal ventilatierooster.

- Automatische regeling

luchtverdeling.

De linker en rechter passagier kunnen

afzonderlijk de door hun gewenste temperatuur

instellen.

De op het display weergegeven waarde heeft

betrekking op een comfortniveau en niet op een

temperatuur in graden Celsius of Fahrenheit.

Draai de draaiknop linksom om

de temperatuur te verlagen en

rechtsom om de temperatuur te

verhogen.

Een ingestelde waarde van ongeveer 21 biedt

een optimaal comfort. Desgewenst kunt u een

andere waarde instellen; een waarde tussen

18 en 24 is gebruikelijk.

Bovendien raden wij u af om een instelling te

kiezen waarbij het verschil tussen de waarden

links en rechts groter is dan 3.

Zorg ervoor dat de ventilatieroosters en

de luchtafvoerkanalen in de vloer niet zijn

afgedekt.


4. Regeling van de luchtopbrengst

Druk op deze toets "gevulde

ventilator" om de luchtopbrengst

te verhogen.

Het symbool voor de aanjagersnelheid, de

ventilator, wordt geleidelijk afhankelijk van de

gevraagde waarde gevuld.

Druk op deze toets

"lege ventilator" om de

luchtopbrengst te verlagen.

Uitschakelen van het systeem

Druk op deze toets "lege

ventilator" van de luchtopbrengst

tot het symbool van de ventilator

verdwijnt en "- -" wordt

weergegeven.

Hiermee worden alle functies van het

airconditioningsysteem uitgeschakeld.

Het thermische comfort wordt niet meer

geregeld. Een lichte luchtstroom die

wordt veroorzaakt doordat de auto zich

voortbeweegt, blijft echter voelbaar.

Comfort

3

115


116

Comfort

Ontwasemen -

Ontdooien vóór

Met handbediende

airconditioning

Selecteer dit programma om de

voorruit en de zijruiten snel te

ontwasemen of te ontdooien.

Het systeem werkt volledig automatisch

en regelt de luchttemperatuur, de

aanjagersnelheid, de luchttoevoer en stelt de

luchtverdeling zodanig in dat de voorruit en de

zijruiten zo snel mogelijk schoon worden.

Stel de temperatuurregeling in om de ruiten

sneller te ontwasemen/ontdooien.

Druk om het programma uit te schakelen

nogmaals op de toets "Zicht". Het lampje van

de toets gaat uit en het systeem wordt weer

ingeschakeld met de instellingen van vóór de

inschakeling van het programma.

Met automatische

airconditioning met gescheiden

regeling of quadrizone

Automatisch programma

"Zicht"

Selecteer dit programma om de

voorruit en de zijruiten snel te

ontwasemen of te ontdooien.

Het systeem werkt volledig automatisch

en regelt de luchttemperatuur, de

aanjagersnelheid, de luchttoevoer en stelt de

luchtverdeling zodanig in dat de voorruit en de

zijruiten zo snel mogelijk schoon worden.

Als bij de airconditioning quadrizone op deze

toets wordt gedrukt, wordt de airconditioning

achter uitgeschakeld en wordt de bediening

ervan geblokkeerd.

Druk nogmaals op de toets "Zicht" of op

"AUTO" om deze functie uit te schakelen;

het lampje in de toets gaat uit en dat van de

toets "AUTO" gaat branden.

Het systeem keert terug naar dezelfde

instellingen als die van vóór het uitschakelen.

Bij auto's met een Stop & Start-systeem geldt

dat zolang de voorruitontwaseming in werking

is, de dieselmotor niet wordt afgezet.

Achterruitverwarming

Aan

Uit

De achterruitverwarming kan

worden ingeschakeld met de toets

op het bedieningspaneel van de

airconditioning.

De achterruitverwarming werkt uitsluitend als

het hybridesysteem is ingeschakeld.

Druk op deze toets om de achterruit

en, afhankelijk van de uitvoering, de

buitenspiegels te ontwasemen. Het

verklikkerlampje van de toets gaat branden.

De achterruitverwarming wordt automatisch

uitgeschakeld om onnodig brandstofverbruik te

voorkomen.

U kunt de achterruitverwarming ook eerder

uitschakelen door nogmaals op de toets te

drukken. Het verklikkerlampje van de toets

gaat uit.

Schakel, zodra de omstandigheden

het toelaten, de achterruit- en

buitenspiegelverwarming uit omdat

minder stroomverbruik leidt tot een

lager brandstofverbruik.


Programmeerbaar verwarmings-/ventilatiesysteem

Stand "Programmeerbare

verwarming"

Dit is een aanvullend en afzonderlijk systeem

dat het koelvloeistofcircuit van de motor

opwarmt, zodat de ruiten sneller ontdooid

kunnen worden en het interieur voorverwarmd

kan worden.

Dit verklikkerlampje gaat uitsluitend

branden als het systeem in de stand

"programmeerbare verwarming"

wordt geprogrammeerd.

Stand "Programmeerbare

ventilatie"

In deze stand wordt het interieur geventileerd

met buitenlucht, zodat onder zomerse

omstandigheden bij het instappen een

aangenamere temperatuur in het interieur

heerst.

Programmeren

Druk met aangezet contact op de linker

draaiknop van het stuurwiel om toegang te

krijgen tot het hoofdmenu.

Selecteer in het "Hoofdmenu" de optie

"Voorverwarming/ventilatie",

Comfort

Vink "Activeren" aan en selecteer voor het

programmeren indien nodig "Parameters",

Selecteer "Verwarming" om de motor

en het interieur voor te verwarmen of

"Ventilatie" om het interieur te ventileren,

3

117


118

Comfort

Selecteer:

- "onmiddellijk" om de verwarming of

ventilatie te starten (als de keuze via

"OK" is bevestigd),

- het eerste klokje om uw vertrektijd te

programmeren/op te slaan,

- het tweede klokje om een tweede

vertrektijd te programmeren/op te slaan.

Afhankelijk van de ingestelde vertrektijd

berekent het systeem automatisch het optimale

inschakeltijdstip.

De werking van de stand "Ventilatie"

bij het onmiddellijk of geprogrammeerd

inschakelen van deze stand is afhankelijk

van de temperatuur in het interieur van de

auto en de buitentemperatuur.

Met de twee klokjes kunt u, bijvoorbeeld

afhankelijk van het seizoen, een keuze

maken uit twee starttijden.

Via een melding op het display van het

instrumentenpaneel wordt uw keuze

bevestigd.

Tussen twee keer starten van de

auto kan er slechts één stand voor

het geprogrammeerd of onmiddellijk

voorverwarmen/ventileren worden

ingeschakeld.

Het onmiddellijk of geprogrammeerd

inschakelen van de verwarming en de

ventilatie werkt niet als:

- het brandstofniveau te laag is,

- de accuspanning te laag is.

Voordat de verwarming of de ventilatie

wordt geprogrammeerd moet eerst

de interieurbeveiliging van het

inbraakalarm worden uitgeschakeld

(zie "Alarm").

Zorg ervoor dat de programmeerbare

verwarming altijd is uitgeschakeld

tijdens het bijvullen van brandstof,

om brand- en explosiegevaar te

voorkomen.

Gebruik om koolmonoxidevergiftiging

te voorkomen de programmeerbare

verwarming nooit, zelfs niet voor korte

tijd, in een afgesloten ruimte zoals

een garage of werkplaats zonder

afzuiginstallatie.

Parkeer om brandgevaar te voorkomen

de auto niet op een brandbare

ondergrond (dor gras, dode bladeren,

papier...).


Elektrische parkeerrem

De elektrische parkeerrem kan op

twee manieren worden bediend:

- Automatisch aantrekken/vrijzetten

De parkeerrem wordt automatisch

aangetrokken bij het afzetten van de motor

en automatisch vrijgezet bij het wegrijden

(standaard geactiveerde functies),

- Handmatig aantrekken/vrijzetten

De parkeerrem kan handmatig worden

aangetrokken door aan de hendel A te

trekken.

U kunt de parkeerrem handmatig weer

vrijzetten door het rempedaal ingetrapt te

houden en gelijktijdig de hendel in te drukken

en vervolgens los te laten.

Als de parkeerrem nog niet is aangetrokken en het

bestuurdersportier wordt geopend, klinkt er een

geluidssignaal en verschijnt er een melding op het

display.

Programmeren van de werking

Afhankelijk van het land van bestemming kan

de functie voor het automatisch aantrekken van

de parkeerrem bij het afzetten van de motor en

het automatisch vrijzetten van de parkeerrem

bij het wegrijden worden uitgeschakeld.

Deze functie kan worden ingeschakeld/

uitgeschakeld via het menu op het

display van het instrumentenpaneel.

Als de functie is uitgeschakeld, dient u de

parkeerrem dus handmatig te bedienen.

Als dit verklikkerlampje brandt

op het instrumentenpaneel, is de

automatische functie uitgeschakeld.

Wij raden u aan de parkeerrem niet te

gebruiken bij zeer lage temperaturen

(vorst) en bij het trekken van een

aanhanger (slepen, ...). Schakel in

dergelijke gevallen de automatische

parkeerrem uit of zet deze met de hand

vrij.

Handmatig aantrekken

Rijden

Wanneer de auto stilstaat en het hybridesysteem

is in-of uitgeschakeld trekt u aan de hendel A

om de parkeerrem aan te trekken.

De aangetrokken toestand van de parkeerrem

wordt aangegeven door:

- het branden van het

verklikkerlampje parkeerrem en het

verklikkerlampje P op de hendel A,

- de weergave van een melding.

Wanneer u het bestuurdersportier opent terwijl

het hybridesysteem is ingeschakeld en de

parkeerrem niet is aangetrokken, klinkt een

geluidssignaal en verschijnt er een melding op

het display.

Controleer voordat u de auto verlaat of

de verklikkerlampjes van de parkeerrem

op het instrumentenpaneel en op de

hendel A constant branden.

4

119


120

Rijden

Handmatig vrijzetten

Om bij aangezet contact of terwijl het

hybridesysteem is ingeschakeld de parkeerrem

vrij te zetten, trapt t u het rempedaal in, druktt u de

hendel A in en laat u deze vervolgens weer los.

De vrijgezette toestand van de parkeerrem

wordt aangegeven door:

- het uitgaan van het

verklikkerlampje parkeerrem en het

verklikkerlampje P op de hendel A ,

- de weergave van een melding.

Als u aan de hendel A trekt zonder het

rempedaal in te trappen, wordt de parkeerrem

niet vrijgezet en verschijnt een melding op het

instrumentenpaneel.

Extra stevig aantrekken

U kunt, indien nodig, de parkeerrem extra

stevig aantrekken . Dit gebeurt door de hendel

A langer te bedienen , tot een melding op het

display verschijnt en er een geluidsignaal klinkt.

Het extra stevig aantrekken van de

parkeerrem is noodzakelijk in de volgende

omstandigheden:

- wanneer aanhanger aan de auto is

gekoppeld en de automatische bediening

is geactiveerd, terwijl u de parkeerrem

handmatig bedient,

- wanneer de hellingcondities vermoedelijk

zullen variëren terwijl de auto stilstaat

(bijvoorbeeld wanneer de auto vervoerd

wordt op een boot of trailer, of bij slepen).

In het geval van een aangekoppelde

aanhanger, wanneer de auto beladen is

of op een steile helling staat, dient u de

parkeerrem extra stevig aan te trekken,

bij het parkeren de voorwielen naar de

stoeprand te sturen en een versnelling

in te schakelen.

Na het extra stevig aantrekken van de

parkeerrem duurt het langer voordat de

parkeerrem weer is vrijgezet.

Automatisch aantrekken,

motor afgezet

Wanneer de auto stilstaat en u de motor

afzet, wordt de parkeerrem automatisch

aangetrokken.

De aangetrokken toestand van de parkeerrem

wordt aangegeven door:

- het branden van het verklikkerlampje

remsysteem en het verklikkerlampje

P op de hendel A ,

- de weergave van een melding.

Controleer voordat u de auto verlaat of

de verklikkerlampjes van de parkeerrem

op het instrumentenpaneel en op de

hendel A constant branden.

Laat kinderen nooit alleen in de auto

wanneer het contact is aangezet:

ze zouden de parkeerrem kunnen

vrijzetten.


Automatisch vrijzetten

De elektrische parkeerrem wordt automatisch

geleidelijk vrijgezet bij het wegrijden ,

zet de selectiehendel in de stand A , M of R

en geef gas.

De vrijgezette toestand van de parkeerrem

wordt aangegeven door:

- het doven van het verklikkerlampje

handrem en het verklikkerlampje P

op de hendel A,

- de weergave van een melding.

Geef, wanneer de auto stilstaat terwijl

het hybridesysteem is ingeschakeld,

niet onnodig gas omdat u dan het risico

loopt dat de parkeerrem wordt vrijgezet.

Parkeerrem aantrekken,

hybridesysteem ingeschakeld

Wanneer de auto stilstaat terwijl het

hybridesysteem is ingeschakeld, dient u de

auto tegen wegrollen te beveiligen door de

parkeerrem handmatig aan te trekken. Trek

daarvoor aan de hendel A.

De aangetrokken toestand van de parkeerrem

wordt aangegeven door:

- het branden van het

verklikkerlampje parkeerrem en het

verklikkerlampje P op de hendel A ,

- de weergave van een melding.

Wanneer u het bestuurdersportier opent terwijl

de parkeerrem niet is aangetrokken, klinkt een

geluidssignaal en verschijnt er een melding op

het display.

Controleer voordat u de auto verlaat of

de verklikkerlampjes van de parkeerrem

op het instrumentenpaneel en op de

hendel A constant branden.

Bijzondere omstandigheden

Rijden

In bepaalde situaties (starten van de motor...)

bepaalt de parkeerrem zelf zijn aantrekkracht.

Dit is normaal.

Wilt u de auto enkele centimeters verplaatsen

zonder de motor te starten, trap dan met

aangezet contact het rempedaal in en zet

de parkeerrem vrij door de hendel A eerst

in te druk ken en vervolgens los te laten .

De vrijgezette toestand van de parkeerrem

wordt aangegeven door het doven van het

verklikkerlampje op de hendel A en van het

verklikkerlampje op het instrumentenpaneel in

combinatie met een melding.

Wanneer de parkeerrem is aangetrokken

en u deze vanwege een defect of accupech

niet kunt vrijzetten, kunt u gebruik maken van

de functie voor de noodontgrendeling van de

parkeerrem.

Om de goede werking van de parkeerrem

en dus uw veiligheid te garanderen, mag de

parkeerrem niet vaker dan acht keer achter

elkaar worden aangetrokken en vrijgezet.

Als dit toch gebeurt, wordt u gewaarschuwd

door een melding en het knipperen van een

verklikkerlampje.

4

121


122

Rijden

Noodremfunctie

Wanneer het rempedaal niet werkt, kan de

auto worden gestopt door aan de hendel A te

trekken en deze vast te houden.

De dynamische stabiliteitsregeling zorgt

ervoor dat de auto stabiel blijft wanneer de

noodremfunctie actief is.

In geval van een storing aan het systeem van

de noodremfunctie verschijnt een melding.

Bij een defect aan het CDS,

aangegeven door het branden van dit

verklikkerlampje, kan de stabiliteit bij het

remmen niet worden gegarandeerd.

In dat geval moet de bestuurder er zelf

voor zorgen dat de auto stabiel blijft door

afwisselend aan de hendel A te trekken en

deze weer los te laten.

Noodontgrendeling

Als de bediening van de elektrische

parkeerrem niet werkt of als de accu ontladen

is, kan de parkeerrem door middel van een

handbediende noodontgrendeling worden

ontgrendeld.

Beveilig de auto tegen wegrollen

(of blokkeer de auto terwijl het

rempedaal nog ingetrapt is) en zet als

het hybridesysteem is ingeschakeld de

selectiehendel in de stand M of R .

Schakel het hybridesysteem uit, maar

laat het contact aanstaan. Als de

auto niet tegen wegrollen kan worden

beveiligd, mag de noodontgrendeling

niet worden uitgevoerd en moet zo snel

mogelijk contact worden opgenomen

met het PEUGEOT-netwerk of met een

gekwalificeerde werkplaats.

De noodremfunctie mag uitsluitend in

uitzonderlijke gevallen worden gebruikt.

Gebruik indien uw auto hiermee is

uitgerust het wielblok B dat zich achter de

achterbank bevindt.

Beveilig de auto als deze op een helling

staat tegen wegrollen door het wielblok

voor of achter (aan de kant van de voet

van de helling) een van de voorwielen te

plaatsen.

Plaats op een vlakke ondergrond het

wielblok voor of achter een van de

voorwielen.


Klap het 2/3 gedeelte van de achterbank

neer om bij het groene deksel te komen.

De noodremfunctie mag uitsluitend in

uitzonderlijke situaties worden gebruikt.

Maak een gat in het deksel en plaats de

bediening in de schacht.

Draai de bediening voor de noodontgrendeling

rechtsom. Uit veiligheidsoverwegingen

moet t de bediening tot de aanslag worden

doorgedraaid. De parkeerrem is losgezet.

Zorg ervoor dat de bediening weer goed wordt

teruggezet.

De werking van de parkeerrem wordt gereset

zodra het contact wordt afgezet en weer wordt

aangezet. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk

als het resetten van de parkeerrem niet

mogelijk is.

Vervolgens kan het langer duren voordat de

parkeerrem wordt aangetrokken dan bij de

normale werking.

Rijden

Neem uit veiligheidsoverwegingen altijd

zo snel mogelijk contact op met het

PEUGEOT-netwerk om het deksel te laten

vervangen.

Zorg ervoor dat er geen stoffige of vochtige

voorwerpen in de buurt van het deksel

worden geplaatst.

Zodra bij de noodprocedure de

mechanische ontgrendeling van de

parkeerrem is begonnen, kan niet meer

worden gegarandeerd dat de auto met de

parkeerrem tegen wegrollen kan worden

beveiligd en is het niet mogelijk om de

parkeerrem mechanisch weer aan te

trekken.

De hendel A mag niet worden bediend en

het systeem mag niet worden uitgezet of

gestart zolang de ontgrendelingsbediening

niet is teruggezet.

Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats.

Nadat de storing is verholpen of de accu

weer is opgeladen, kunt u de parkeerrem

weer activeren door de bedieningshendel

A uitgetrokken te houden tot het

verklikkerlampje van de parkeerrem (!)

begint te knipperen. Houd de hendel

vervolgens nogmaals uitgetrokken tot

dit verklikkerlampje permanent blijft

branden.

4

123


124

Rijden

Storingen

Als het storingslampje van de elektrische parkeerrem gaat branden in combinatie met één of meer verklikkerlampjes uit de onderstaande tabel, zet de auto dan op

een veilige plaats stil (vlakke ondergrond, met ingeschakelde versnelling) en raadpleeg zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.

Situaties Gevolgen

Weergave van de melding "Storing parkeerrem" en branden van de

volgende verklikkerlampjes:

Weergave van de melding "Storing parkeerrem" en branden van de

volgende verklikkerlampjes:

Weergave van de melding "Storing parkeerrem" en branden van de

volgende verklikkerlampjes:

- De automatische bediening is uitgeschakeld.

- De hill holder is niet beschikbaar.

- De elektrische parkeerrem kan alleen handmatig worden bediend.

- De elektrische parkeerrem kan alleen handmatig worden vrijgezet

door het rempedaal in te trappen en de hendel los te laten.

- De hill holder is niet beschikbaar.

- De automatische bediening en het handmatig aantrekken van de

parkeerrem blijven mogelijk.

- De automatische bediening is uitgeschakeld.

- De hill holder is niet beschikbaar.


en/of

knipperend.

Situaties Gevolgen

Weergave van de melding " Storing parkeerrem " en branden van de

volgende verklikkerlampjes:

en/of

knipperend.

Rijden

Om de elektrische parkeerrem aan te trekken:

parkeer de auto en zet het contact uit,

trek de hendel ten minste 5 seconden uit tot de parkeerrem is

aangetrokken,

zet het contact aan en controleer of de verklikkerlampjes van de

elektrische parkeerrem gaan branden.

Het aantrekken van de parkeerrem duurt langer dan normaal.

Om de elektrische parkeerrem vrij te zetten:

zet het contact aan,

houd de hendel ongeveer 3 seconden ingedrukt en laat de hendel weer los.

Als het controlelampje van de elektrische parkeerrem knippert of als de

verklikkerlampjes niet gaan branden als het contact wordt aangezet, werken

deze procedures niet. Parkeer de auto op een vlakke ondergrond en laat het

systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde

werkplaats.

- Alleen de functies automatisch aantrekken bij het afzetten van de

motor en automatisch vrijzetten bij het wegrijden zijn beschikbaar.

- Het handmatig aantrekken/vrijzetten van de elektrische parkeerrem

is niet mogelijk en de dynamische noodremfunctie is niet

beschikbaar.

Weergave van de melding "Storing accu" . - Zet de auto zo snel mogelijk stil (rekening houdend met het overige

verkeer) en beveilig de auto tegen wegrollen (plaats indien nodig een

wielblok achter een wiel).

- Trek de elektrische parkeerrem aan alvorens de motor af te zetten.

4

125


126

Rijden

EGS-versnellingsbak met 6 versnellingen

Bij de EGS-versnellingsbak met 6 versnellingen

kunt u kiezen tussen automatische bediening

en handmatig schakelen.

Deze versnellingsbak heeft twee

gebruiksmogelijkheden:

- automatische bediening, waarbij het

op- en terugschakelen volledig automatisch

wordt geregeld,

- handmatige bediening, waarbij de

bestuurder zelf sequentieel kan schakelen.

Bij de automatische bediening blijft het altijd

mogelijk om zelf te schakelen met behulp van

de flippers achter het stuurwiel, bijvoorbeeld

om even snel in te halen.

In combinatie met deze versnellingsbak

beschikt uw auto over een aantal aanvullende

functies:

- de Hill Start Assist,

- de kruipfunctie (de auto zet zich bij het

loslaten van het rempedaal langzaam

in beweging), als de automatische

bediening is geselecteerd of tijdens het

achteruitrijden.

Selectiehendel

R. Achteruit.

Trap het rempedaal in, trek de

selectiehendel omhoog en duw deze naar

voren.

N. Neutraalstand.

Trap het rempedaal in en selecteer deze

stand om de motor te kunnen starten.

A. Automatische bediening.

Duw de selectiehendel naar achteren om

deze stand te selecteren.

M. Handmatig, sequentieel schakelen.

Til de selectiehendel op en beweeg deze

naar achteren om deze stand te selecteren

en schakel vervolgens met behulp van de

flippers achter het stuurwiel.

Flippers achter het stuurwiel

+. Opschakelen (rechts van het stuurwiel).

Trek de flipper aan de rechterzijde achter

het stuurwiel "+" een keer naar u toe om

op te schakelen.

-. Terugschakelen (links van het stuurwiel).

Trek de flipper aan de linkerzijde achter het

stuurwiel "-" een keer naar u toe om terug

te schakelen.

Met de flippers is het niet mogelijk de

neutraalstand of de achteruitversnelling

in te schakelen of uit de

achteruitversnelling te schakelen.


Weergave op het

instrumentenpaneel

N Neutral (neutraalstand).

R Reverse (achteruitversnelling).

1, 2, 3, 4, 5, 6. Versnellingen bij handmatig

schakelen.

A Gaat branden als u kiest voor automatische

bediening en gaat uit als u kiest voor

handmatige bediening.

Trap het rempedaal in als een

melding wordt weergegeven op het

display van het instrumentenpaneel.

Bij het inschakelen van de

achteruitversnelling klinkt een

geluidssignaal.

Zet voordat u de auto verlaat de

selectiehendel in de stand N en schakel

het hybridesysteem uit door het contact uit

te zetten (controlelampje Ready y gedoofd).

Starten van de auto

Selecteer de stand N.

Houd het rempedaal ingetrapt.

Start het hybridesysteem.

Op het display van het

instrumentenpaneel verschijnt de

aanduiding N.

Als u de motor probeert te starten zonder dat

de selectiehendel in de stand N staat, knippert

de aanduiding N op het instrumentenpaneel

in combinatie met een geluidssignaal

en een melding op het display van het

instrumentenpaneel.

Als bij het starten het rempedaal niet wordt

ingetrapt, knippert op het instrumentenpaneel de

aanduiding voet op het rempedaal in combinatie

met een geluidssignaal en een melding op het

display van het instrumentenpaneel.

Selecteer een versnelling (stand M of A A)

of

de achteruitversnelling (stand R). R

Zet de handrem vrij als deze niet

automatisch wordt bediend.

Neem uw voet van het rempedaal en geef

gas.

Op het display van het

instrumentenpaneel verschijnt de

aanduiding A, 1 of R.

Trap om krachtig te accelereren

(bijvoorbeeld voor een

inhaalmanoeuvre) het gaspedaal met

kracht in, tot voorbij het zware punt.

Rijden

Als de motor stationair draait, u niet

remt, de handrem is vrijgezet en de

stand R , A of M is geselecteerd, rijdt de

auto zonder dat u gas hoeft te geven.

Automatische bediening

Start de auto en selecteer de stand A om

de stand automatische bediening in te

schakelen.

Op het display van het

instrumentenpaneel verschijnt de

aanduiding A.

De versnellingsbak werkt dan automatisch,

zonder dat u zelf hoeft te schakelen. De

versnellingsbak kiest voortdurend de meest

geschikte versnelling, afhankelijk van de

volgende parameters:

- de rijstijl,

- het profiel van de weg.

4

127


128

Rijden

Handmatig schakelen

Bij de automatische bediening blijft het altijd

mogelijk om zelf te schakelen met behulp van

de flippers achter het stuurwiel, bijvoorbeeld

om even snel in te halen.

Bedien de flippers "+" of "-" achter het

stuur.

De versnellingsbak wordt dan in de

desbetreffende versnelling geschakeld, mits de

snelheid van de auto en het motortoerental dit

toestaan. De aanduiding A blijft op het display

staan.

Als de stuurbediening enige tijd niet meer

gebruikt wordt, gaat de versnellingsbak weer

over op de automatische stand.

Handmatig schakelen

Zet na het starten de selectiehendel in de

stand M om de handbediende stand in te

schakelen.

Bedien de flippers + of -.

De aanduiding A verdwijnt en de

achtereenvolgens ingeschakelde

versnellingen worden weergegeven op

het display van het instrumentenpaneel.

Het schakelen naar een andere versnelling

is alleen mogelijk als de snelheid van de

auto en het motortoerental dit toestaan. De

verbrandingsmotor blijft altijd draaien.

Het is niet noodzakelijk om bij het schakelen

het gaspedaal los te laten.

Bij het remmen of het verminderen van

de snelheid schakelt de versnellingsbak

automatisch terug, zodat de juiste versnelling

is geselecteerd op het moment dat u het

gaspedaal weer intrapt.

Als bij stapvoets rijden de achteruitversnelling

wordt geselecteerd, wordt deze pas

ingeschakeld als de auto volledig tot stilstand

is gekomen (rempedaal ingetrapt). Op het

display van het instrumentenpaneel wordt

een pictogram weergegeven.

In de handbediende stand wordt bij krachtig

accelereren niet opgeschakeld als de

bestuurder de flippers achter het stuurwiel

niet bedient.

Selecteer de neutraalstand N nooit tijdens

het rijden.

Selecteer de achteruitversnelling (stand R R)

uitsluitend als de auto volledig stilstaat en

de voet op het rempedaal wordt gehouden.


Kruipfunctie (rijden zonder

gasgeven)

Dankzij deze functie verloopt het rijden op lage

snelheid soepeler (inparkeren, file rijden, ...).

Als het hybridesysteem is ingeschakeld en de

selectiehendel in de stand A , M of R staat, zet

de auto zich langzaam in beweging zodra u

het rempedaal loslaat (zelfs zonder dat u het

gaspedaal bedient).

Uit veiligheidsoverwegingen wordt deze functie

alleen geactiveerd als u het rempedaal intrapt

tijdens het inschakelen van een versnelling

vooruit of de achteruitversnelling.

Deze functie wordt uitgeschakeld zodra het

bestuurdersportier wordt geopend. Sluit om de

functie weer in te schakelen het portier en trap

het rempedaal of gaspedaal in.

Laat als het hybridesysteem is

ingeschakeld nooit kinderen alleen in de

auto achter.

Stilzetten van de auto

Voordat u de motor afzet, kunt u:

- de selectiehendel in de stand N bewegen

om de neutraalstand te selecteren,

- een versnelling ingeschakeld laten. In dat

geval kan de auto niet worden verplaatst.

Trek in beide gevallen de handrem aan om de

auto volledig stil te zetten (als de handrem niet

in de automatische stand staat ingesteld).

Selecteer wanneer u de auto met

ingeschakeld hybridesysteem stilzet

altijd de neutraalstand N .

Controleer voordat u werkzaamheden

onder de motorkap uitvoert altijd of de

selectiehendel in de neutraalstand N

staat en de handrem is aangetrokken.

Storing

Rijden

Als dit waarschuwingslampje bij

het aanzetten van het contact gaat

knipperen, in combinatie met een

geluidssignaal en een melding op het display van het

instrumentenpaneel, duidt dit op een storing in de

versnellingsbak.

Laat het systeem controleren door het PEUGEOTnetwerk

of door een gekwalificeerde werkplaats.

Houd bij het starten van de motor altijd

het rempedaal ingetrapt.

Trek de handrem aan om te voorkomen

dat de auto wegrolt, behalve wanneer

de handrem automatisch wordt bediend.

4

129


130

Rijden

Hill Holder

Dit systeem houdt bij het wegrijden op een

helling uw auto ongeveer 2 seconden op

zijn plaats. In die tijd kunt u uw voet van het

rempedaal naar het gaspedaal verplaatsen.

Deze functie is alleen actief:

- als de auto volledig stilstaat met het

rempedaal ingedrukt,

- bij bepaalde hellingcondities,

- als het bestuurdersportier is gesloten.

De Hill Holder kan niet worden uitgeschakeld.

Verlaat de auto niet in de korte periode

dat u de Hill Holder gebruikt.

Als u de auto moet verlaten terwijl het

hybridesysteem ingeschakeld is, trek

de parkeerrem dan handmatig aan

en controleer of het verklikkerlampje

van de parkeerrem en het lampje P

op de hendel (elektrische parkeerrem)

permanent branden.

Als de auto bergopwaarts stilstaat en de

selectiehendel in de stand A of M staat, wordt

de auto even op zijn plaats gehouden

wanneer u het rempedaal loslaat:

Als de auto bergafwaarts stilstaat en de

achteruitversnelling ingeschakeld is, wordt

de auto even op zijn plaats gehouden

wanneer u het rempedaal loslaat.

Storing

Bij een storing in de Hill Holder gaan deze

controlelampjes branden. Raadpleeg het

PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde

werkplaats om het systeem te laten controleren.


Head-up display

scherm projecteert, in het directe gezichtsveld

van de bestuurder zodat deze zijn ogen niet

van de weg hoeft af te wenden.

Dit systeem werkt wanneer het hybridesysteem

is ingeschakeld. De instellingen worden bij het

afzetten van het contact opgeslagen.

Schakelaars

1. Inschakelen head-up display.

2. Uitschakelen head-up display

(lang indrukken).

3. Regeling lichtsterkte.

4. Hoogteverstelling weergave.

Informatie op het head-up

display

Rijden

Als het head-up display is ingeschakeld, geeft

het de volgende informatie weer:

A. De snelheid van uw auto.

B. De informatie van de snelheidsregelaar/begrenzer.

C. De aanwijzingen van het navigatiesysteem

(volgens uitvoering). Deze worden in de

elektrische stand in het blauw weergegeven.

Raadpleeg voor meer informatie over

het navigatiesysteem de rubriek "Audio

en datacommunicatie".

4

131


132

Rijden

Inschakelen/uitschakelen

Druk bij draaiende motor op de toets 1 om

het systeem in te schakelen en het scherm

uit te klappen.

Houd de toets 2 ingedrukt om het systeem

uit te schakelen en het scherm in te klappen.

De ingeschakelde/uitgeschakelde status van

het head-up display blijft behouden als de motor

opnieuw wordt gestart.

Hoogteverstelling

Stel het display bij draaiende motor op de

gewenste hoogte af met de toetsen 4:

- omhoog om het display hoger af te

stellen,

- omlaag om het display lager af te stellen.

Regelen van de lichtsterkte

Stel bij draaiende motor de lichtsterkte van

het display in met de toetsen 3:

- "zon" om de lichtsterkte te verhogen,

- "maan" om de lichtsterkte te verlagen.

Het is raadzaam de toetsen uitsluitend

bij stilstaande auto te bedienen.

Leg nooit voorwerpen rondom het

scherm (of in de uitsparing) zodat het

uitklappen en de goede werking van het

scherm niet verhinderd worden.

Bij bepaalde weersomstandigheden

(regen en/of sneeuw, zeer zonnig

weer, ...) kan de informatie op het

head-up display tijdelijk minder goed

leesbaar zijn.

Sommige zonnebrillen kunnen het lezen

van de informatie hinderen.

Gebruik een schone en zachte doek

(bijvoorbeeld een brillendoekje

of microfiberdoekje) om het

projectiescherm te reinigen. Gebruik

nooit een droge doek, een schuurspons,

of een schoonmaak- of oplosmiddel om

te voorkomen dat er krassen ontstaan

op het scherm of de anti-reflecterende

laag beschadigd raakt.


Snelheden opslaan

Het opslaan van snelheden geldt voor de snelheidsbegrenzer en voor de snelheidsregelaar.

Werking

U kunt vijf snelheden opslaan in het geheugen

van het systeem.

Standaard zijn er al enkele snelheden

opgeslagen.

Ga naar het hoofdmenu van het display van

het instrumentenpaneel door op de toets

"CONFIG" te drukken.

Selecteer het menu "Persoonlijke

instellingen - Configuratie" en bevestig uw

keuze.

Selecteer het menu "Parameters auto" en

bevestig uw keuze.

Selecteer "Hulp bij het rijden" en bevestig

uw keuze.

Selecteer "Opgeslagen snelheden" en

bevestig uw keuze.

Wijzig de snelheid.

Selecteer "OK " en bevestig dit om de

wijzigingen op te slaan.

Voer deze handelingen omwille van de

veiligheid alleen uit als de auto stilstaat

en gebruik hierbij het display van het

instrumentenpaneel.

Deze handelingen kunnen alleen

uitgevoerd worden als de auto stilstaat.

Selecteren

Rijden

Selecteren van een opgeslagen

snelheid:

druk op de toets " + " of

" -" en houd de toets even

ingedrukt; het systeem

stopt bij de dichtstbijzijnde

opgeslagen snelheid,

druk nog eens op de toets " + " of "- " en

houd de toets ingedrukt om een andere

opgeslagen snelheid te kiezen.

Op het instrumentenpaneel wordt de snelheid

en de status van het systeem

(in-/uitgeschakeld) weergegeven.

4

133


134

Rijden

Snelheidsbegrenzer

wagensnelheid de door de bestuurder

ingestelde maximumsnelheid overschrijdt.

Als de ingestelde maximumsnelheid is bereikt,

heeft het dieper intrappen van het gaspedaal

geen effect. Alleen door het gaspedaal

tot voorbij het zware punt in te trappen,

kan de ingestelde snelheid tijdelijk worden

overschreden.

Als het gaspedaal vervolgens geleidelijk weer

wordt losgelaten en de wagensnelheid onder

de ingestelde maximumsnelheid komt, wordt de

snelheidsbegrenzer weer geactiveerd.

Het inschakelen van de snelheidsbegrenzer

geschiedt handmatig: de ingestelde snelheid

dient minimaal 30 km/h te bedragen.

Het uitschakelen van de snelheidsbegrenzer

geschiedt eveneens handmatig met de hendel.

De ingestelde maximumsnelheid blijft na het

afzetten van het contact opgeslagen in het

geheugen.

Bij het gebruik van de snelheidsbegrenzer moet

de bestuurder te allen tijde de snelheidslimiet in

acht nemen, zijn aandacht op het verkeer blijven

vestigen en zijn verantwoordelijkheid nemen.

Bediening op het stuurwiel

1. Toets voor het selecteren van de

snelheidsbegrenzer

2. Toets voor het verlagen van de ingestelde

snelheid

3. Toets voor het verhogen van de ingestelde

snelheid

4. Toets voor het onderbreken/hervatten van

de snelheidsbegrenzing (Pause)

5. Toets voor het uitschakelen van de

snelheidsbegrenzer

Weergave op het

instrumentenpaneel

De informatie van de snelheidsbegrenzer

wordt weergegeven op het display van het

instrumentenpaneel.

Deze informatie wordt tevens

weergegeven op het head-up display.

Zie voor meer informatie de rubriek

"Head-up display".

A. Snelheidsbegrenzing ingeschakeld/

onderbroken

B. Snelheidsbegrenzer geselecteerd

C. Ingestelde snelheid


Programmeren

Druk op 1: de snelheidsbegrenzer

is geselecteerd, maar nog niet

ingeschakeld (Pause).

Er kan een snelheid worden ingesteld

zonder de begrenzer in te schakelen.

Stel de snelheid in door op de toets 2 of

3 te drukken (bijv.: 90 km/h).

U kunt de ingestelde snelheid vervolgens wijzigen met de toetsen 2 en 3:

- +/- 1 km = kort indrukken,

- +/- 5 km = lang indrukken,

- +/- in stappen van 5 km = ingedrukt houden.

Inschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk op de toets 4 .

Onderbreken van de snelheidsbegrenzing: druk nogmaals op de

toets 4 : het onderbreken wordt bevestigd op het display via de

melding "Pause".

Weer inschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk nogmaals op

de toets 4.

Overschrijden van de ingestelde snelheid

Als het gaspedaal geleidelijk wordt ingetrapt, wordt de snelheid niet

verhoogd. Als het gaspedaal met kracht wordt ingetrapt, tot voorbij

het zware punt, wordt de begrenzer tijdelijk uitgeschakeld en gaat de

ingestelde snelheid op het display knipperen.

Het knipperen van de ingestelde snelheid stopt automatisch als het

gas wordt losgelaten.

Rijden

Uitschakelen van de functie

Druk op 5: de snelheidsbegrenzer is

uitgeschakeld.

Storing

In het geval van een storing in de

snelheidsbegrenzer wordt de ingestelde snelheid

gewist en knipperen de streepjes op het display.

Laat het systeem controleren door het PEUGEOTnetwerk

of door een gekwalificeerde werkplaats.

Bij een steile afdaling of bij het krachtig

intrappen van het gaspedaal kan de

snelheidsbegrenzer niet voorkomen dat de

ingestelde snelheid wordt overschreden.

Bij gebruik van niet door PEUGEOT

goedgekeurde matten kan de bediening

van het gaspedaal worden gehinderd

en daarmee de werking van de

snelheidsbegrenzer worden beïnvloed.

De door PEUGEOT goedgekeurde

matten zijn voorzien van een derde

bevestigingspunt bij de pedalen, waarmee

wordt voorkomen dat de mat en de pedalen

met elkaar in contact kunnen komen.

4

135


136

Rijden

Snelheidsregelaar

de bestuurder met een constante ingestelde

snelheid rijden zonder gas te hoeven geven.

Het inschakelen van de snelheidsregelaar

geschiedt handmatig. Hiervoor is het nodig dat:

- de wagensnelheid minimaal 40 km/h is,

- minimaal de 2e versnelling is ingeschakeld,

- de stand A is geselecteerd.

Het uitschakelen van de snelheidsregelaar

geschiedt handmatig met de hendel,

door het rempedaal in te trappen of om

veiligheidsredenen door activering van het

ESC.

Door het gaspedaal in te trappen, kan de

ingestelde snelheid tijdelijk worden overschreden.

Om weer terug te keren naar de ingestelde

snelheid is het voldoende het gaspedaal los te

laten.

Na het afzetten van het contact worden alle

ingestelde snelheden gewist.

Bediening op het stuurwiel

1. Toets voor het selecteren van de snelheidsregelaar

2. Toets voor het programmeren van een snelheid en

het verlagen van de ingestelde snelheid

3. Toets voor het programmeren van een snelheid en

het verhogen van de ingestelde snelheid

4. Toets voor het onderbreken/hervatten van de

snelheidsregeling (Pause)

5. Toets voor het uitschakelen van de

snelheidsregelaar

Bij het gebruik van de snelheidsregelaar

moet de bestuurder te allen tijde de

snelheidslimiet in acht nemen, zijn

aandacht op het verkeer blijven vestigen

en zijn verantwoordelijkheid nemen.

Weergave op het display

De informatie van de snelheidsregelaar

wordt weergegeven op het display van het

instrumentenpaneel.

Deze informatie wordt tevens

weergegeven op het head-up display.

Zie voor meer informatie de rubriek

"Head-up display".

A. Snelheidsregelaar ingeschakeld/

onderbroken

B. Snelheidsregelaar geselecteerd

C. Ingestelde snelheid


Programmeren

Druk op 1: de snelheidsregelaar

is geselecteerd, maar nog niet

ingeschakeld (Pause).

Stel de snelheid in door de

wagensnelheid op het gewenste niveau

te brengen en vervolgens op de toets

2 of 3 te drukken (bijv.: 110 km/h).

U kunt de ingestelde snelheid vervolgens wijzigen met de toetsen 2 en 3:

- +/- 1 km = kort indrukken,

- +/- 5 km = lang indrukken,

- +/- in stappen van 5 km = ingedrukt houden.

Onderbreken van de snelheidsregelaar: druk op de toets 4: het

onderbreken wordt bevestigd door de melding "Pause".

Weer inschakelen van de snelheidsregelaar: druk nogmaals op

de toets 4.

Overschrijden van de ingestelde snelheid

Als de ingestelde snelheid wordt overschreden, gaat de ingestelde

snelheid op het display knipperen.

Het knipperen van de ingestelde snelheid stopt automatisch als de

snelheid weer is gedaald tot de ingestelde snelheid.

Uitschakelen van de functie

Druk op 5 : de snelheidsregelaar is uitgeschakeld. Op het display

wordt weer de kilometerteller weergegeven.

Storing

Rijden

In het geval van een storing in de

snelheidsregelaar wordt de ingestelde snelheid

gewist en knipperen de streepjes op het display.

Laat het systeem controleren door het PEUGEOTnetwerk

of door een gekwalificeerde werkplaats.

Let tijdens het gebruik van de

snelheidsregelaar op wanneer u de

snelheid met de toetsen instelt; dit kan

een plotselinge verandering van de

wagensnelheid veroorzaken.

Gebruik de snelheidsregelaar niet op

gladde wegen of bij zeer druk verkeer.

Bij een steile afdaling kan de

snelheidsregelaar niet voorkomen dat de

ingestelde snelheid wordt overschreden.

Om te voorkomen dat de pedalen blijven

hangen:

- controleer of de mat goed op zijn

plaats ligt,

- gebruik nooit meer dan één mat per

plaats.

4

137


138

Rijden

PARKEERHULP

Deze functie signaleert met behulp van

sensoren in de bumper obstakels in de

nabijheid van de auto (personen, auto's,

bomen, slagbomen, enz.) die binnen het

detectiebereik vallen.

Bepaalde obstakels (paaltjes, pionnen, enz.)

die aanvankelijk wel worden gedetecteerd,

worden door dode hoeken in het detectiebereik

mogelijk niet meer gedetecteerd als ze zich

vlak bij de auto bevinden.

Deze functie is een hulpsysteem: de

bestuurder dient altijd alert te blijven en

is zelf verantwoordelijk.

Parkeerhulp achter

De functie wordt geactiveerd zodra de

achteruitversnelling wordt ingeschakeld. Hierbij

klinkt een geluidssignaal.

Zodra de achteruitversnelling wordt

uitgeschakeld, is de functie niet meer actief.

Geluidssignalen

De bestuurder wordt via een onderbroken

geluidssignaal gewaarschuwd bij het naderen van

obstakels. De frequentie van het geluidssignaal

neemt toe naarmate de auto het obstakel nadert.

Aan de weergave van het geluidssignaal via de

luidspreker (rechts of links) is te herkennen aan

welke zijde van de auto het obstakel zich bevindt.

Zodra de afstand tussen de auto en het obstakel

kleiner wordt dan dertig centimeter, klinkt het

geluidssignaal ononderbroken.

Grafi sche weergave

De grafische weergave is een aanvulling op het

geluidssignaal. Op het multifunctionele display

worden blokjes weergegeven die het pictogram

van de auto steeds dichter naderen. Als de auto

het obstakel zeer dicht genaderd is, verschijnt

ook het symbool "Gevaar" op het display.


Parkeerhulp vóór

De parkeerhulp vóór is een aanvulling op

de parkeerhulp achter en wordt geactiveerd

zodra er bij een wagensnelheid van maximaal

10 km/h vóór de auto een obstakel wordt

gedetecteerd.

De parkeerhulp vóór wordt uitgeschakeld zodra

de auto langer dan drie seconden stilstaat met

een ingeschakelde versnelling vooruit, als er

geen obstakel meer wordt gedetecteerd of

wanneer de wagensnelheid hoger wordt dan

10 km/h.

Aan de hand van het geluid dat via

de luidspreker (voor of achter) wordt

weergegeven, is te herkennen of het

obstakel zich voor of achter de auto bevindt.

Uitschakelen/activeren van de

parkeerhulp vóór en achter

De functie kan worden uitgeschakeld door deze

knop in te drukken. Het controlelampje in de

knop gaat branden.

Door de knop opnieuw in te drukken wordt de

functie weer geactiveerd. Het controlelampje

dooft.

De functie wordt automatisch

uitgeschakeld zodra een aanhanger

wordt aangekoppeld of een

fietsendrager wordt gemonteerd (auto's

voorzien van een door PEUGEOT

aanbevolen trekhaak of fietsendrager).

Storing

Rijden

Als er een storing optreedt,

gaat bij het inschakelen

van de achteruitversnelling

dit verklikkerlampje op het

instrumentenpaneel branden en/of wordt er een

bericht op het display weergegeven, in combinatie

met een geluidssignaal (korte pieptoon).

Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats.

Controleer bij slecht weer of in winterse

omstandigheden of de sensoren

soms bedekt zijn met modder, ijs

of sneeuw. Bij het inschakelen van

de achteruitversnelling geeft een

geluidssignaal (lange pieptoon) aan dat

de sensoren vuil kunnen zijn.

Als de snelheid van de auto lager

is dan 10 km/h, kan de parkeerhulp

geluidssignalen geven als reactie op

bepaalde omgevingsgeluiden (motoren,

vrachtwagens, drilboren, enz.).

4

139


140

Rijden

Intelligente parkeerhulp

Dit systeem meet de afmetingen van een

parkeerplek tussen twee auto's of obstakels en

geeft informatie over:

- de mogelijkheid te parkeren in een lege

parkeerplaats, aan de hand van de

afmetingen van uw auto en de benodigde

afstanden voor het manoeuvreren,

- de moeilijkheidsgraad van het inparkeren.

Het systeem meet geen parkeerruimtes op

waarvan de afmetingen aanmerkelijk groter of

kleiner zijn dan de afmetingen van uw auto.

Weergave

Het verklikkerlampje van de

schakelaar A kan twee verschillende

toestanden aangeven:

- brandt permanent: de functie is

geselecteerd door een druk op de

schakelaar A .

- uit: de functie is niet ingeschakeld.


U hebt een beschikbare parkeerplek ontdekt:

Zet de selectiehendel in de stand A.

Druk op de schakelaar A om de functie te

selecteren.

Schakel de richtingaanwijzer aan de zijde

van de parkeerplaats in; er verschijnt een

melding en het verklikkerlampje knippert

ter bevestiging van het meten.

Rij langs de parkeerplaats met een

snelheid van minder dan 20 km/h, en

bereid u voor op het inparkeren.

Zodra het systeem klaar is met het meten,

geeft het de moeilijkheidsgraad voor het

inparkeren aan met een melding op het

display van het instrumentenpaneel, in

combinatie met een geluidssignaal.

De functie kan de volgende meldingen weergeven:

Inparkeren mogelijk

Inparkeren moeilijk

Inparkeren afgeraden

Rijden

De functie wordt automatisch uitgeschakeld:

- bij het inschakelen van de

achteruitversnelling,

- bij het afzetten van het contact,

- als geen meting nodig is,

- vijf minuten na het selecteren van de

functie,

- als gedurende langer dan een minuut met

meer dan 70 km/h wordt gereden.

Als de zijdelingse afstand tussen uw

auto en de parkeerplek te groot is,

bestaat de kans dat het systeem geen

meting uitvoert.

De functie blijft na elke meting

beschikbaar, zodat u meerdere

parkeerplaatsen achter elkaar kunt

laten opmeten.

Let er bij slecht weer en in de winter op

dat de sensoren niet vervuild, bevroren

of met sneeuw bedekt zijn.

De intelligente parkeerhulp schakelt de

parkeerhulp aan de voorzijde tijdens het

meten uit, zolang de auto vooruit rijdt.

Laat het systeem bij een storing

controleren door het PEUGEOTnetwerk

of door een gekwalificeerde

werkplaats.

4

141


142

Zicht

Lichtschakelaar

Met de lichtschakelaar kunt u de verlichting en signalering van de auto selecteren en inschakelen.

Hoofdverlichting

Uw auto is voorzien van verschillende

verlichtingsfuncties:

- parkeerlicht: om gezien te worden,

- dimlicht: voor een optimaal zicht zonder

medeweggebruikers te verblinden,

- grootlicht: voor een optimaal zicht op

wegen zonder ander verkeer,

- bochtverlichting: voor een optimaal zicht in

bochten.

Aanvullende verlichting

Uw auto is voorzien van aanvullende verlichting

voor specifieke rijomstandigheden:

- mistachterlichten: voor een optimale

zichtbaarheid van achteren bij mist,

- dagrijverlichting: voor een betere

zichtbaarheid van uw auto overdag.

Automatische functies

Het verlichtingssysteem van uw auto heeft

verschillende extra automatische functies die

afzonderlijk kunnen worden ingesteld:

- follow me home-verlichting,

- bochtverlichting,

- instapverlichting,

- dagrijverlichting,

- automatische verlichting,

- "Grootlichtassistent".


Ring voor de selectie van de

stand van de hoofdverlichting

Draai aan de ring om het symbool van de

gewenste stand tegenover het merkteken te

zetten.

Lichten uit.

Automatische verlichting.

Alleen parkeerlicht.

Dimlicht of grootlicht. Grootlichtschakelaar

Zicht

Trek de hendel naar u toe om over te schakelen

van dim- naar grootlicht en terug.

Als de verlichting is uitgeschakeld of wanneer

alleen de parkeerlichten zijn ingeschakeld, kunt

u een lichtsignaal geven door de hendel naar u

toe te trekken.

Verklikkerlampjes

Een verklikkerlampje op het

instrumentenpaneel geeft aan dat de

geselecteerde verlichting is ingeschakeld.

5

143


144

Zicht

Ring voor de selectie van de mistverlichting

De mistverlichting werkt in combinatie met het dimlicht en het grootlicht.

Mistachterlichten

Verdraai de ring één stand naar voren om

de mistachterlichten in te schakelen.

Als de verlichting automatisch wordt

uitgeschakeld (uitvoeringen met automatische

verlichting) of als het dimlicht handmatig wordt

uitgeschakeld, blijven de mistverlichting en de

parkeerlichten branden.

Draai de ring naar achteren om de

mistverlichting uit te schakelen.

De parkeerlichten worden dan ook

uitgeschakeld.

Bij helder of regenachtig weer,

zowel overdag als 's nachts, zijn de

mistachterlichten verblindend voor

medeweggebruikers en daarom niet

toegestaan. Gebruik ze uitsluitend bij

mist of sneeuwval.

Onder deze weersomstandigheden

dient u de mistlampen en het dimlicht

handmatig in te schakelen, omdat

de lichtsensor voldoende licht kan

waarnemen.

Vergeet niet de mistachterlichten uit te

zetten zodra ze niet meer nodig zijn.


Als het contact is afgezet, de verlichting

handmatig is ingeschakeld en een van

de voorportieren wordt geopend, klinkt

een geluidssignaal om aan te geven dat

de verlichting nog brandt.

Het geluidssignaal stopt zodra de

verlichting wordt uitgeschakeld.

Als de dimlichten bij afgezet contact

blijven branden, gaat de auto over in

de ECO-mode om het ontladen van de

accu te voorkomen.

Als het contact wordt afgezet, wordt

de verlichting gedoofd, maar kunt u de

verlichting altijd weer inschakelen met

de lichtschakelaar.

Onder bepaalde weersomstandigheden

(lage temperatuur, vochtigheid) kan zich

een laagje condens aan de binnenzijde

van de koplampen en de achterlichten

vormen; dit verdwijnt enkele minuten na

het ontsteken van de koplampen.

LED-verlichting

Deze wordt automatisch ingeschakeld als de

motor wordt gestart.

Afhankelijk van het land van bestemming doet

deze verlichting dienst als:

- dagrijverlichting * en als parkeerlicht

's nachts (bij de dagrijverlichting is de

lichtsterkte groter),

of als

- parkeerlichten overdag en 's nachts.

Als uw auto is uitgerust met LED's werken

de conventionele gloeilampen van de

dagrijverlichting/ parkeerlichten vóór niet.

* functie kan worden ingesteld via het

configuratiemenu van de auto.

Verlichting overdag

Zicht

Verlichting overdag is verplicht in sommige

landen: deze wordt automatisch ingeschakeld

als de motor wordt gestart zodat de auto

overdag beter zichtbaar is voor de overige

weggebruikers.

De verlichting overdag is beschikbaar:

- in landen waar dit volgens de wetgeving

verplicht is; het dimlicht brandt in

combinatie met de parkeerlichten en de

kentekenplaatverlichting,

- in overige landen; de speciaal voor dit doel

bestemde verlichting brandt.

Deze functie kan worden

ingeschakeld of uitgeschakeld

via het configuratiemenu van

de auto.

5

145


146

Zicht

Handbediende follow me

home-verlichting

Deze functie zorgt ervoor dat na het afzetten

van het contact de dimlichten nog even blijven

branden om het uitstappen in het donker te

vergemakkelijken.

Inschakelen

Geef binnen 30 seconden of 1 minuut na

het afzetten van het contact (afhankelijk

van de in het configuratiemenu ingestelde

tijd van de automatische follow-me-homeverlichting)

een "lichtsignaal" met de

lichtschakelaar.

Geef nogmaals een "lichtsignaal" om de

functie uit te schakelen.

Uitschakelen

Na het vergrendelen van de auto wordt de

handbediende follow me home-verlichting na

ongeveer 30 seconden automatisch uitgeschakeld.

De zijkant van de auto wordt gemarkeerd door het

inschakelen van de parkeerlichten aan de kant van

het verkeer.

Duw de lichtschakelaar binnen één minuut

na het afzetten van het contact omhoog of

omlaag om de parkeerlichten aan de kant van

het verkeer in te schakelen (voorbeeld: rechts

van de weg parkeren: lichtschakelaar omlaag

duwen; parkeerlichten links gaan branden).

Het inschakelen wordt bevestigd door

een geluidssignaal en het branden van

het controlelampje van de desbetreffende

richtingaanwijzer op het instrumentenpaneel.

Zet om de parkeerlichten uit te schakelen de

lichtschakelaar in de middenstand of zet het

contact aan.


Automatische verlichting

Het parkeerlicht en het dimlicht worden

automatisch ingeschakeld als de lichtsterkte

van de omgeving onvoldoende is of in

bepaalde gevallen dat de ruitenwissers worden

ingeschakeld.

De verlichting wordt uitgeschakeld als de

lichtsterkte van de omgeving weer voldoende is

of nadat het wissen is gestopt.

Inschakelen

Draai de ring in de stand "AUTO". " Het

inschakelen wordt bevestigd door een melding

op het display van het instrumentenpaneel.

Uitschakelen

Draai de ring in een andere stand. Het

uitschakelen wordt bevestigd door een melding

op het display van het instrumentenpaneel.

Koppeling met de automatische

follow me home-verlichting

De koppeling van de automatische follow

me home-verlichting aan de automatische

verlichting biedt de volgende extra

mogelijkheden:

- instellen van de duur van de follow me

home-verlichting (15, 30 of 60 seconden),

- automatische inschakeling van de follow

me home-verlichting als de automatische

verlichting is ingeschakeld.

Instellen

De tijdsduur van de follow me

home-verlichting kan via het

configuratiemenu van het display

van het instrumentenpaneel in de

autoparameters worden ingesteld.

Storing

Bij een storing in de

lichtsensor gaat de

verlichting branden,

wordt dit pictogram weergegeven op

het instrumentenpaneel en/of verschijnt

een melding op het display van het

instrumentenpaneel, in combinatie met een

geluidssignaal.

Zicht

Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats.

Als de lichtsensor bij mist of sneeuw

voldoende licht waarneemt, wordt de

verlichting niet automatisch ingeschakeld.

Dek de met de regensensor

gecombineerde lichtsensor die zich in

het midden van de voorruit achter de

binnenspiegel bevindt, niet af. De aan de

sensor gekoppelde functies worden dan

niet meer bediend.

5

147


148

Zicht

Grootlichtassistent

Dit systeem schakelt automatisch om

tussen dim- en grootlicht, afhankelijk van de

aanwezigheid van overig verkeer op de weg

dat wordt geregistreerd door een sensor op de

binnenspiegel.

Het systeem wordt geactiveerd vanaf 25 km/h

en wordt weer gedeactiveerd bij 15 km/h.

Inschakelen

zet de lichtschakelaar in de stand "AUTO"

of "Dimlicht/grootlicht",

druk op deze toets; het

lampje gaat branden.

Uitschakelen

De bestuurder kan indien nodig op elk moment

zelf ingrijpen:

druk op deze toets; het

lampje gaat uit,

of schakel om met de lichtschakelaar terwijl

deze in de stand "AUTO" of "Dimlicht/

grootlicht" staat.

Bij het geven van een lichtsignaal wordt

het systeem niet uitgeschakeld.

De status van het systeem blijft na

het afzetten van het contact in het

geheugen opgeslagen.

Het automatische omschakelsysteem

is een hulpsysteem bij het rijden. De

bestuurder blijft zelf verantwoordelijk

voor de verlichting van zijn auto en de

aanpassing van de verlichting aan de

lichtsterkte van de omgeving, het zicht

en het verkeer.

Er kunnen storingen in de werking van

het systeem optreden:

- als het zicht slecht is (bijvoorbeeld

bij sneeuwval, zware regenval of

dichte mist, ...),

- als het gedeelte van de voorruit voor

de sensor vuil, beslagen of bedekt is

(bijvoorbeeld met een sticker),

- als de verlichting van uw auto wordt

weerkaatst door spiegelende of

reflecterende panelen (bijvoorbeeld

verkeersborden).

Het systeem signaleert geen:

- weggebruikers die geen verlichting

voeren, zoals voetgangers,

- weggebruikers van wie de

verlichting wordt afgeschermd

(bijvoorbeeld door een vangrail op

de snelweg),

- weggebruikers die zich aan de top

of de voet van een steile helling,

in een bocht of op een zijweg

bevinden.


Instapverlichting

buitenzijde

De instapverlichting wordt afhankelijk van de

door de lichtsensor gesignaleerde hoeveelheid

licht geactiveerd om op donkere plaatsen het

lokaliseren van de auto en het instappen te

vergemakkelijken.

Inschakelen

Druk op het geopende hangslot

van de afstandsbediening.

Het dimlicht en parkeerlicht

gaan branden en uw auto wordt

ontgrendeld.

Uitschakelen

De instapverlichting buitenzijde gaat na een

bepaalde tijd automatisch uit, of gaat uit na het

aanzetten van het contact of het vergrendelen

van de auto.

Programmeren

De duur van het branden

van de instapverlichting kan

worden geselecteerd via het

configuratiemenu van het display van

het instrumentenpaneel.

Verlichting

buitenspiegels

Om de toegang tot de auto te vergemakkelijken,

worden de volgende delen verlicht:

- het oppervlak naast het bestuurders- en

het passagiersportier,

- het oppervlak voor de buitenspiegels en

achter de voorportieren.

Inschakelen

Zicht

De instapverlichting wordt ingeschakeld:

- bij het ontgrendelen,

- bij het verwijderen van de contactsleutel,

- bij het openen van een portier,

- bij het lokaliseren van de auto via de

afstandsbediening.

Uitschakelen

De verlichting dooft na een bepaalde tijd

automatisch.

5

149


150

Zicht

Halogeen

koplampen

handmatig verstellen

Verstel de koplampen met halogeenlampen

afhankelijk van de belading van uw auto

om verblinding van medeweggebruikers te

voorkomen.

1 Bestuurder .

2 Bestuurder + voorpassagier.

3 Bestuurder + voorpassagier +

achterpassagiers.

4 5 personen.

5 5 personen + belading in de bagageruimte.

6 Bestuurder + belading in de bagageruimte.

Stand "0": basisinstelling.

Automatische koplamphoogteverstelling bij

xenonlampen

Om verblinding van andere weggebruikers

te voorkomen corrigeert dit systeem bij

stilstaande auto automatisch de hoogte van de

lichtbundel van de xenonlampen, afhankelijk

van de belading van de auto.

In het geval van een storing

verschijnt dit pictogram op

het instrumentenpaneel,

in combinatie met een geluidssignaal

en een melding op het display van het

instrumentenpaneel.

Het systeem zet in dat geval de koplampen in

de lage stand.

Raak in het geval van een storing de xenonlampen

niet aan. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of

een gekwalificeerde werkplaats.


Dynamische bochtverlichting

Als het dimlicht of grootlicht is ingeschakeld,

zorgt deze functie ervoor dat de lichtbundels de

wegberm beter verlichten in bochten.

Deze functie, die uitsluitend in combinatie

met xenonlampen wordt geleverd, zorgt voor

een aanzienlijke verbetering van het zicht in

bochten.

Als de auto stilstaat, stapvoets rijdt of

in de achteruitversnelling staat, is deze

functie uitgeschakeld.

De status van de functie blijft na

het afzetten van het contact in het

geheugen opgeslagen.

met bochtverlichting

zonder bochtverlichting

Configuratie

Storing

Zicht

Deze functie kan worden

geactiveerd of gedeactiveerd via het

configuratiemenu van het display van

het instrumentenpaneel.

In het geval van een storing

knippert dit pictogram op het

instrumentenpaneel in combinatie

met een melding op het display van

het instrumentenpaneel.

Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of

een gekwalificeerde werkplaats.

5

151


152

Zicht

Ruitenwisserschakelaar

De ruitenwissers voor en achter zorgen

voor een optimaal zicht voor de bestuurder,

ongeacht de weersomstandigheden.

Afhankelijk van de uitvoering zijn de volgende

automatische functies van de ruitenwissers

mogelijk:

- automatische werking van de ruitenwissers

vóór,

- automatisch inschakelen van de

ruitenwisser achter bij het inschakelen van

de achteruitversnelling.

Handmatige functies

De bestuurder schakelt de ruitenwissers

handmatig in.

Uitvoering met handbediende

ruitenwissers (interval)

Uitvoering met automatische ruitenwissers

Ruitenwissers vóór

Wissnelheid:

hoge snelheid (hevige neerslag),

normale snelheid (matige regenval),

interval (wissnelheid aangepast aan

de wagensnelheid),

uit,

één keer wissen (duw de hendel even

omlaag),

automatisch (omlaag duwen

en loslaten),

één keer (de hendel even

naar u toe trekken).


Ruitenwisser achter

Ring voor de selectie van de ruitenwisser

Schakel de automatische werking van

de ruitenwisser achter uit bij sneeuwval

of strenge vorst en bij montage van

een fietsendrager op de achterklep.

Dit kan worden uitgevoerd via het

configuratiemenu van het display van

het instrumentenpaneel.

achter:

uit,

interval,

wissen en sproeien (gedurende enige

tijd).

Achteruitversnelling

Als de ruitenwissers vóór zijn ingeschakeld

op het moment dat u de achteruitversnelling

inschakelt, wordt automatisch de ruitenwisser

achter ingeschakeld.

Instellen

Deze functie kan worden

geactiveerd of gedeactiveerd via het

configuratiemenu van het display van

het instrumentenpaneel.

Deze functie is standaard

geactiveerd.

Ruitensproeiers vóór en

koplampsproeiers

Zicht

Trek de ruitenwisserschakelaar naar u

toe. De ruitensproeiers treden in werking,

waarna enige tijd de ruitenwissers worden

ingeschakeld om de ruit schoon te wissen.

De koplampsproeiers worden alleen

geactiveerd als de dimlichten branden .

Te laag niveau ruiten-/

koplampsproeiervloeistof

Als uw auto is voorzien van

koplampsproeiers en het

niveau van het reservoir

te laag is, verschijnt dit pictogram op het

instrumentenpaneel in combinatie met een

geluidssignaal en een melding op het display

van het instrumentenpaneel.

Het pictogram verschijnt als het contact wordt

aangezet of als de schakelaar wordt bediend,

zolang het reservoir niet gevuld is.

Vul het ruiten-/koplampsproeierreservoir bij of

laat het bijvullen.

5

153


154

Zicht

Automatische ruitenwissers

vóór

De ruitenwissers worden automatisch

ingeschakeld als de sensor achter de

binnenspiegel regen detecteert. De snelheid

van de ruitenwissers wordt aangepast aan de

hoeveelheid neerslag.

Inschakelen

Duw de hendel één keer omlaag.

Dit verklikkerlampje op het

instrumentenpaneel gaat branden en

er verschijnt een melding.

Uitschakelen

Duw de hendel nog een keer omlaag

of zet de hendel in een andere stand

(Int., 1 of 2).

Dit verklikkerlampje op het

instrumentenpaneel gaat uit en er verschijnt

een melding.

Elke keer als het contact meer

dan 1 minuut is afgezet, moet u

de automatische werking van de

ruitenwissers opnieuw activeren door

de hendel één keer omlaag te duwen.


Storing

In het geval van een storing in de automatische

werking van de ruitenwissers werken deze in

de intervalstand.

Laat het systeem controleren door het

PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde

werkplaats.

Dek de regensensor, die zich

gecombineerd met de lichtsensor in

het midden van de voorruit achter de

binnenspiegel bevindt, niet af.

Schakel de automatische werking van

de ruitenwissers uit als de auto wordt

gewassen in een wasstraat.

Wacht 's winters met het inschakelen

van de automatische ruitenwissers tot

de voorruit ontdooid is.

Speciale stand van de

ruitenwissers voor

Deze stand maakt het mogelijk de ruitenwissers

los te zetten van de voorruit.

In deze stand kunnen de ruitenwisserbladen

worden gereinigd of de ruitenwissers worden

vervangen. In de winter kan deze stand tevens

worden gebruikt om de ruitenwissers los te

zetten van de voorruit.

Als de ruitenwisserschakelaar binnen een

minuut nadat het contact is afgezet wordt

bediend, worden de ruitenwissers in de

verticale stand gezet.

Zet het contact aan en bedien de

ruitenwisserschakelaar om de

ruitenwissers na de werkzaamheden weer

in de ruststand te zetten.

Zicht

Om een goede werking van de flat-blade

ruitenwissers te behouden, adviseren wij u:

- voorzichtig met de ruitenwissers om te

gaan,

- de ruitenwissers regelmatig te reinigen

met zeepsop,

- de ruitenwissers niet te gebruiken om

een stuk karton tegen de voorruit te

houden,

- de ruitenwissers te vervangen zodra

ze tekenen van slijtage vertonen.

5

155


156

Zicht

Plafonniers

1. Plafonnier vóór

2. Kaartleeslampjes vóór

3. Kaartleeslampjes achter

4. Sfeerverlichting

Plafonnier vóór

In deze stand gaat de

interieurverlichting geleidelijk branden:

- als de auto wordt ontgrendeld,

- als de sleutel uit het contact wordt verwijderd,

- als een portier wordt geopend,

- als op de vergrendelingsknop van de

afstandsbediening wordt gedrukt om de auto

te lokaliseren.

De interieurverlichting gaat geleidelijk uit:

- als de auto wordt vergrendeld,

- als het contact wordt aangezet,

- 30 seconden na het sluiten van het laatste

portier.

Permanent uit.

Permanent aan.

In de stand "interieurverlichting permanent

ingeschakeld", blijft de interieurverlichting

afhankelijk van de omstandigheden gedurende

een bepaalde tijd branden:

- bij afgezet contact: ongeveer 10 minuten,

- in de eco-mode: ongeveer 30 seconden,

- als het hybridesysteem is ingeschakeld:

onbeperkt.

Kaartleeslampjes vóór en

achter

Druk bij aangezet contact op de

desbetreffende schakelaar.

Als plafonnier vóór in de stand

"interieurverlichting permanent ingeschakeld"

staat, branden ook de kaartleeslampjes achter,

behalve als deze in de stand "Permanent uit"

staan.

U kunt de kaartleeslampjes achter vanaf de

zitplaatsen vóór uitschakelen om bijvoorbeeld

slapende passagiers niet te storen. De

achterpassagiers kunnen echter altijd zelf de

kaartleeslampjes inschakelen.

Zorg ervoor dat er geen voorwerpen in

contact zijn met de plafonniers.


Sfeerverlichting

omgeving bevindt.

Inschakelen

Als het buiten donker is, gaan de leds van de

sfeerverlichting automatisch branden als de

parkeerlichten worden ingeschakeld.

Uitschakelen

De sfeerverlichting gaat automatisch uit als de

parkeerlichten worden uitgeschakeld.

De sfeerverlichting kan handmatig worden

uitgeschakeld door de dimmer van de

verlichting van het instrumentenpaneel op het

zwakste niveau te zetten.

Zicht

5

157


158

Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen

Algemene informatie met betrekking tot

kinderzitjes

Hoewel PEUGEOT bij het ontwerp van

uw auto veel aandacht heeft besteed aan

veiligheidsvoorzieningen voor uw kinderen, is

hun veiligheid natuurlijk ook afhankelijk van

uzelf.

Volg voor een optimale veiligheid de volgende

adviezen op:

- conform de Europese wetgeving dienen

kinderen jonger dan 12 jaar of kleiner

dan 1,50 m in gehomologeerde, aan

het lichaamsgewicht aangepaste

kinderzitjes op met veiligheidsgordels of

ISOFIX-bevestigingen uitgeruste plaatsen

te worden vervoerd * ,

- de veiligste plaats voor het vervoeren

van een kind is volgens de statistieken

een plaats op de achterbank van uw

auto,

- kinderen tot 9 kg moeten zowel voorals

achterin met de rug in de rijrichting

worden vervoerd.

PEUGEOT beveelt u aan kinderen op

de zij achterzitplaatsen van uw auto te

vervoeren:

- met de rug in de rijrichting tot 2 jaar,

- met het gezicht in de rijrichting

vanaf 2 jaar.

* De regels voor het vervoeren van kinderen

zijn per land verschillend. Informeer hiervoor

naar de wetgeving in uw land.


Kinderzitje op de passagiersstoel voor

"Met de rug in de rijrichting"

Wanneer een kinderzitje voor het

vervoeren met de rug in de rijrichting op

de passagiersstoel voor r wordt geplaatst,

moet de airbag aan passagierszijde zijn

uitgeschakeld. Gebeurt dit niet, dan kan

het kind bij het afgaan van de airbag

levensgevaarlijk gewond raken .

"Met het gezicht in de rijrichting"

Wanneer een kinderzitje met het gezicht in

de rijrichting op de passagiersstoel voor

wordt geplaatst, moet de stoel in de achterste

stand van de voor-/achterwaartse verstelling

worden gezet, in de hoogste stand en met

de rugleuning rechtop en mag de airbag aan

passagierszijde niet worden uitgeschakeld.

Let erop dat de veiligheidsgordel goed

aansgespannen is.

Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen

Passagiersstoel in de hoogste stand en zo

ver mogelijk naar achteren.

6

159


160

Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen

Airbag aan passagierszijde OFF

Raadpleeg de voorschriften op de sticker die

zich aan beide zijden van de zonneklep aan

passagierszijde bevindt:

Schakel voor de veiligheid van uw kind de airbag aan passagierszijde altijd uit als u een

kinderzitje met de rug in de rijrichting op de voorstoel plaatst.

Anders kan een kind bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk gewond raken.

Raadpleeg de rubriek "Airbags" van het

gedeelte "Veiligheid" voor meer informatie

over het uitschakelen van de airbag.


Door PEUGEOT aanbevolen kinderzitjes

Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen

PEUGEOT levert een complete reeks kinderzitjes met artikelnummer die met een driepunts veiligheidsgordel kunnen worden vastgemaakt.

Groep 0+: vanaf de geboorte tot 13 kg Groep 1: van 9 tot 18 kg

L1

"RÖMER/BRITAX Baby-Safe Plus".

Wordt met de rug in de rijrichting geplaatst.

L4

"RECARO Start".

Groep 2 en 3: van 15 tot 36 kg

L2

"RÖMER Duo Plus ISOFIX".

L5

"KLIPPAN Optima".

Vanaf 6 jaar (ongeveer 22 kg),

gebruik alleen de zitverhoging.

L6

"RÖMER KIDFIX"

Kan op de ISOFIX-verankeringspunten van de auto worden bevestigd.

Het kind wordt beschermd door de veiligheidsgordel.

6

161


162

Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen

Bevestiging kinderzitjes met veiligheidsgordel

Conform de Europese wetgeving geeft dit overzicht de mogelijkheden weer met betrekking tot het bevestigen, met een veiligheidsgordel, van een

universeel gehomologeerd kinderzitje, gerangschikt naar gewicht van het kind en de plaats in de auto:

Plaats

Passagiersstoel vóór (c)

met hoogteverstelling

Passagiersstoel vóór (c)

zonder hoogteverstelling

Buitenste zitplaatsen

achter

Gewicht van het kind en leeftijdsindicatie

Minder dan 13 kg

(Categorie 0 (b) en 0+)

Tot ongeveer 1 jaar

Van 9 tot 18 kg

(Categorie 1)

Van 1 tot ongeveer

3 jaar

Van 15 tot 25 kg

(Categorie 2)

Van 3 tot ongeveer

6 jaar

Van 22 tot 36 kg

(Categorie 3)

Van 6 tot ongeveer

10 jaar

U (R) U (R) U (R) U (R)

U U U U

U U U U

Middelste zitplaats achter X X X X

a : universeel kinderzitje dat in alle auto's bevestigd kan worden met behulp van de veiligheidsgordel.

b : groep 0, vanaf de geboorte tot 10 kg. Reiswiegen en autobedjes mogen niet op de passagiersplaats voor worden vervoerd.

c : raadpleeg de huidige wetgeving in uw land alvorens een kinderzitje op deze plaats te bevestigen.

U : zitplaats geschikt voor de bevestiging van een universeel gehomologeerd kinderzitje met een veiligheidsgordel, zowel met de "rug in de rijrichting"

als met het "gezicht in de rijrichting".

U (R): als U, waarbij de stoel van de auto in de hoogste stand en zo ver mogelijk naar achteren moet staan.

X: zitplaats die niet geschikt is voor een kinderzitje voor de aangegeven gewichtscategorie.


Adviezen voor kinderzitjes

De onjuiste bevestiging van een kinderzitje

brengt de veiligheid van het kind in gevaar bij

een aanrijding.

Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels of het

tuigje van het kinderzitje, zelfs bij korte ritten,

worden vastgemaakt waarbij de speling ten

opzichte van het lichaam van het kind zoveel

mogelijk moet worden beperkt.

Zorg er bij het bevestigen van het

kinderzitje met de veiligheidsgordel voor

dat de veiligheidsgordel correct tegen het

kinderzitje is gespannen en dat de gordel het

kinderzitje stevig op zijn plaats houdt. Schuif

de passagiersstoel, wanneer deze versteld

kan worden, indien nodig naar voren.

Zorg er voor een optimale bevestiging

van het kinderzitje "met het gezicht in de

rijrichting" voor dat de rugleuning van het

zitje tegen de rugleuning van de stoel van

de auto aandrukt en dat de hoofdsteun geen

belemmering vormt.

Als de hoofdsteun verwijderd moet

worden, berg deze dan zorgvuldig op om te

voorkomen dat de hoofdsteun door de auto

vliegt bij krachtig afremmen.

Kinderen jonger dan 10 jaar mogen niet

met het gezicht in de rijrichting op de

passagiersstoel voor worden vervoerd,

behalve als de achterzitplaatsen al bezet zijn

door andere kinderen of als de achterbank

niet bruikbaar, neergeklapt of verwijderd is.

Schakel de airbag aan passagierszijde

uit zodra een kinderzitje met de rug in de

rijrichting op de voorstoel wordt geplaatst.

Het kind kan anders bij het afgaan van de

airbag levensgevaarlijk gewond raken.

Plaatsen van een stoelverhoger

Het bovenste gedeelte van de

veiligheidsgordel moet over de schouder van

het kind liggen zonder de hals te raken.

Controleer of de heupgordel goed over de

bovenbenen van het kind ligt.

PEUGEOT beveelt aan een stoelverhoger

met rugleuning te gebruiken voorzien

van een gordelgeleider ter hoogte van de

schouder.

Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen

Laat uit veiligheidsoverwegingen:

- geen kinderen zonder toezicht achter in

een auto,

- nooit een kind of een dier in een auto

achter wanneer alle ruiten gesloten zijn

en de auto in de zon staat,

- de sleutels nooit binnen bereik van de

kinderen achter in de auto.

Gebruik de kindersloten om te voorkomen

dat de portieren en de portierruiten achter

per ongeluk geopend worden.

Zorg er voor dat de portierruiten achter niet

verder dan voor 1/3 deel geopend worden.

Plaats zonneschermen om uw jonge

kinderen tegen de zon te beschermen.

6

163


164

Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen

ISOFIX-bevestigingen

Uw auto voldoet aan de nieuwste ISOFIXnormen.

De hieronder aangegeven zitplaatsen zijn uitgerust

met de voorgeschreven ISOFIX-bevestigingen:

Elke zitplaats is voorzien van drie bevestigingsringen:

- Twee bevestigingsringen A , die zich tussen

de rugleuning en de zitting van de zitplaats

bevinden, aangegeven met een etiket.

- Eén bevestigingsring B achter de

stoel, TOP TETHER genoemd, voor de

bevestiging van de bovenste riem.

De ISOFIX-bevestigingen zorgen voor een veilige,

degelijke en snelle montage van het kinderzitje in

uw auto.

De ISOFIX-kinderzitjes beschikken over

twee sloten die eenvoudig aan de twee

bevestigingsringen A kunnen worden verankerd.

Sommige kinderzitjes zijn bovendien voorzien van

een bovenste bevestigingsriem die kan worden

vastgemaakt aan de bevestigingsring B.

Zet om de bovenste bevestigingsriem vast te maken de

hoofdsteun van de zitplaats omhoog en steek de haak

tussen de hoofdsteun en de rugleuning door. Bevestig

de haak aan de bevestigingsring B en trek de riem aan.

Bij een onjuist geplaatst kinderzitje kan

het kind bij een aanrijding ernstig letsel

oplopen.

Raadpleeg het overzicht voor de bevestiging

van ISOFIX-kinderzitjes in uw auto, waarin

staat vermeld welke kinderzitjes voor uw auto

zijn gehomologeerd.


ISOFIX-kinderzitje

Aanbevolen door PEUGEOT en gehomologeerd voor uw auto

"RÖMER Duo Plus ISOFIX"

(gewichtsgroep B1 )

Groep 1: van 9 tot 18 kg

Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen

Dit wordt uitsluitend met het gezicht in de rijrichting geplaatst.

Het is voorzien van een bovenste riem voor verankering aan de bovenste bevestiging B , de

TOP TETHER.

Drie standen: rechtop, ruststand en ligstand.

Verstel de voorstoel van de auto om te voorkomen dat de voeten van het kind de rugleuning raken.

Dit kinderzitje kan ook worden bevestigd op zitplaatsen die niet zijn voorzien van ISOFIX-bevestigingen. Het is in dat geval verplicht het

kinderzitje met de normale driepunts veiligheidsgordel op de zitplaats van de auto te bevestigen.

Volg bij het plaatsen van het kinderzitje de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het zitje.

6

165


166

Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen

Overzicht bevestiging ISOFIX-kinderzitjes

Overeenkomstig de Europese wetgeving geeft het overzicht de mogelijkheden aan voor het bevestigen van een ISOFIX-kinderzitje op een plaats in de

auto voorzien van ISOFIX-bevestigingen.

Bij universele en semi-universele ISOFIX-kinderzitjes wordt de ISOFIX-maat op het kinderzitje naast het ISOFIX-logo aangegeven met een letter (A A t/m G).

Tot 10 kg

(categorie 0)

Tot ca.

6 maanden

Gewicht van het kind / leeftijdsindicatie

Tot 10 kg

(categorie 0)

Tot 13 kg

(categorie 0+)

Tot ca. 1 jaar

Van 9 tot 18 kg (categorie 1)

Van ca. 1 tot ca. 3 jaar

Type ISOFIX-kinderzitje Reiswieg "rug in de rijrichting" "rug in de rijrichting" "gezicht in de rijrichting"

ISOFIX-maat F G C D E C D A B B1

Passagiersstoel voor Geen Isofix

Buitenste zitplaatsen achter X IL-SU IL-SU

Middelste zitplaats achter Geen Isofix

IUF: zitplaats geschikt voor de bevestiging van een universeel gehomologeerd ISOFIX- kinderzitje met het gezicht in de rijrichting en een bovenste riem.

IL-SU: zitplaats geschikt voor de bevestiging van een semi-universeel gehomologeerd ISOFIX-kinderzitje:

- rug in de rijrichting voorzien van een bovenste riem of een steun,

- gezicht in de rijrichting voorzien van een steun,

- reiswieg voorzien van een bovenste riem of een steun.

Raadpleeg de paragraaf "Isofix-bevestigingen" voor meer informatie over de bevestiging van de bovenste riem.

X: zitplaats niet geschikt voor de bevestiging van een kinderzitje of een reiswieg uit de aangegeven gewichtsklasse.

IUF

IL-SU


Elektrische kinderbeveiliging

Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen

De elektrische kinderbeveiliging voorkomt dat beide achterportieren van binnenuit kunnen worden geopend en blokkeert de bediening van de achterportierruiten.

Inschakelen

Druk bij ingeschakeld contact op deze knop.

Het verklikkerlampje van de knop gaat

branden in combinatie met een melding die het

inschakelen bevestigt.

Het lampje blijft branden zolang de elektrische

kinderbeveiliging is ingeschakeld.

Het blijft mogelijk de portieren van buitenaf te

openen en de elektrisch bedienbare achterste

zijruiten te bedienen vanaf de bestuurdersstoel.

Uitschakelen

Druk nogmaals bij ingeschakeld contact op

deze knop.

Het verklikkerlampje van de knop gaat

uit in combinatie met een melding die het

uitschakelen bevestigt.

Het lampje blijft uit zolang de elektrische

kinderbeveiliging is uitgeschakeld.

Als het lampje een ander signaal geeft,

wijst dit op een storing in de elektrische

kinderbeveiliging.

Laat het systeem controleren door

het PEUGEOT-netwerk of door een

gekwalificeerde werkplaats.

Dit systeem werkt onafhankelijk van de

centrale vergrendeling; gebruik het nooit

in plaats daarvan.

Controleer bij het aanzetten van

het contact altijd de stand van de

kinderbeveiliging.

Neem vóór het verlaten van de auto altijd

de sleutel uit het contact, zelfs voor korte

periodes.

Bij een ernstige aanrijding wordt de

elektrische kinderbeveiliging automatisch

uitgeschakeld, zodat de achterpassagiers

de auto ongehinderd kunnen verlaten.

6

167


168

Veiligheid

Richtingaanwijzers

Links: duw de hendel helemaal omlaag.

Rechts: duw de hendel helemaal omhoog.

Wanneer de richtingaanwijzers na

meer dan 20 seconden nog niet zijn

uitgeschakeld, wordt bij een snelheid

van meer dan 60 km/h automatisch het

knippergeluid versterkt.

Functie "snelweg"

Beweeg de hendel iets omhoog of omlaag,

zonder het zware punt te passeren; de

desbetreffende richtingaanwijzers knipperen

vervolgens drie keer.

Alarmknipperlichten

Druk de knop in, de richtingaanwijzers

knipperen tegelijkertijd.

De alarmknipperlichten werken ook als het

contact is afgezet.

Automatisch inschakelen

van de alarmknipperlichten

Bij een noodstop, en afhankelijk van de mate

van remvertraging, en als het ABS ingrijpt of als

een aanrijding wordt gesignaleerd, worden de

alarmknipperlichten automatisch ingeschakeld.

Zodra er weer gas wordt gegeven gaan de

alarmknipperlichten uit.

U kunt de alarmknipperlichten echter ook

uitschakelen door de knop in te drukken.


Urgence-oproep of

Assistance-oproep

Hiermee kunt u een noodoproep of

hulpoproep doen naar de hulpdiensten of de

desbetreffende PEUGEOT-helpdesk.

Raadpleeg de rubriek "Audio en

datacommunicatie" voor meer informatie

over het gebruik van deze voorziening.

Claxon

Systeem om uw medeweggebruikers met een

geluidssignaal te waarschuwen voor direct

gevaar.

Druk op het middelste gedeelte van het

stuur met bedieningstoetsen.

Beperk het gebruik van de claxon tot de

volgende gevallen:

- direct gevaar,

- inhalen van een fietser of

voetganger,

- naderen van een onoverzichtelijke

situatie.

Veiligheid

7

169


170

Veiligheid

Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)

Elektronisch stabiliteitsprogramma dat de

volgende systemen omvat:

- het antiblokkeersysteem (ABS) en de

elektronische remdrukregelaar (EBD),

- de noodremassistentie (AFU),

- de antislipregeling (ASR),

- de dynamische stabiliteitscontrole (CDS).

Begrippen

Antiblokkeersysteem (ABS) en

elektronische remdrukregelaar

(EBD)

Deze systemen zorgen tijdens het remmen voor

een betere stabiliteit en bestuurbaarheid van

uw auto en voor een betere controle in bochten,

vooral op een slecht of glad wegdek.

Het ABS voorkomt het blokkeren van de wielen

in het geval van een noodstop.

De EBD verdeelt de remdruk over de wielen.

Noodremassistentie (AFU)

Dit systeem zorgt ervoor dat in noodgevallen de

optimale remdruk sneller wordt bereikt, zodat

de remafstand kleiner wordt.

Het systeem wordt ingeschakeld als het

rempedaal snel wordt ingetrapt en zorgt ervoor

dat de benodigde bedieningskracht wordt

verminderd en de effectiviteit van het remmen

wordt vergroot.

Antislipregeling (ASR)

De ASR past de aandrijfkracht aan om het

doorspinnen van de wielen te voorkomen

via de remmen van de aangedreven wielen

en de motor. De ASR zorgt ook voor meer

koersstabiliteit bij het accelereren.

Dynamische stabiliteitscontrole

(CDS)

De CDS houdt de vier wielen in de gaten en

grijpt, als de koers van de auto afwijkt van

de door de bestuurder gewenste richting,

automatisch in via de remmen van een of

meerdere wielen en het motorkoppel om de

auto voor zover mogelijk weer in de juiste koers

te brengen.


Tractiecontrole op

besneeuwde wegen

(Intelligent Traction Control)

Deze auto is uitgerust met een systeem dat

zorgt voor extra tractie op besneeuwde wegen:

Intelligent Traction Control.

Deze automatische functie is permanent

geactiveerd om situaties met weinig grip

op te sporen, zoals het wegrijden en het

voortbewegen van de auto in verse en diepe

sneeuw of over platgereden sneeuw.

In dergelijke omstandigheden beperkt de

Intelligent Traction Control het doorslippen

van de wielen om voor een optimale grip

te zorgen. Zo wordt de aandrijving en de

bestuurbaarheid verbeterd.

In barre rijomstandigheden (diepe sneeuw,

modder, enz.) kan het nuttig zijn de

dynamische stabiliteitscontrole en de

antislipregeling tijdelijk uit te schakelen, zodat

de wielen kunnen slippen, waardoor ze meer

grip zouden kunnen vinden.

Het is raadzaam om het systeem zodra het kan

weer in te schakelen.

Onder gladde omstandigheden is het raadzaam

te rijden op winterbanden.

Werking

Antiblokkeersysteem (ABS) en

elektronische remdrukregelaar

(REF)

Als dit lampje gaat branden in

combinatie met een geluidssignaal

en een melding op het display,

duidt dit op een storing in het ABSsysteem,

waardoor u tijdens het remmen de

controle over uw auto zou kunnen verliezen.

Als dit lampje gaat branden in

combinatie met het lampje STOP P,

een

geluidssignaal en een melding op het

display, duidt dit op een storing in de

elektronische remdrukregelaar waardoor u tijdens

het remmen de controle over uw auto zou kunnen

verliezen.

Stop onmiddellijk.

Raadpleeg in beide gevallen het PEUGEOTnetwerk

of een gekwalificeerde werkplaats.

Veiligheid

Zorg er bij vervanging van de wielen (banden

en velgen) voor dat wielen worden gemonteerd

die voor uw auto zijn gehomologeerd.

De normale werking van het

antiblokkeersysteem kan merkbaar zijn door

het trillen van het rempedaal.

Trap het rempedaal bij een noodstop

krachtig en volledig in en laat het

niet los.

7

171


172

Veiligheid

Dynamische stabiliteitscontrole

(CDS)

Inschakelen

Dit systeem wordt automatisch ingeschakeld zodra

de motor wordt gestart.

Het systeem wordt geactiveerd zodra de wielen te

weinig grip hebben of de koers van de auto afwijkt.

Uitschakelen

In dat geval gaat dit verklikkerlampje

op het instrumentenpaneel

knipperen.

In bijzondere omstandigheden (als de auto

vastzit in de modder, sneeuw, in mulle grond,...)

kan het nuttig zijn het ESP-systeem uit te

schakelen, zodat de wielen kunnen spinnen en

weer grip kunnen krijgen.

Druk op de knop "ESP OFF" .

Als dit verklikkerlampje en het lampje

op de knop gaan branden, grijpt het

ESP-systeem niet meer in op de

werking van de motor.

Opnieuw inschakelen

Het systeem wordt automatisch weer

ingeschakeld als het contact opnieuw wordt

aangezet of vanaf snelheden boven 50 km/h.

Druk nogmaals op de knop "ESP OFF" om

het systeem handmatig weer in te schakelen.

Storing

Als dit verklikkerlampje gaat branden

in combinatie met een geluidssignaal

en een melding op het display van

het instrumentenpaneel, duidt dit op

een storing in het systeem.

Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats om het systeem te

laten controleren.

Het ESP-systeem zorgt voor meer

veiligheid tijdens het rijden. De

bestuurder mag zich echter nooit laten

verleiden tot het nemen van meer

risico's of te hard rijden.

De goede werking van het systeem

wordt verzekerd door de naleving van

de voorschriften van de constructeur

met betrekking tot de wielen (banden

en velgen), onderdelen van het

remsysteem, elektronische onderdelen

alsmede de montageprocedure en het

uitvoeren van werkzaamheden door het

PEUGEOT-netwerk.

Laat het systeem na een aanrijding

controleren door het PEUGEOTnetwerk

of door een gekwalificeerde

werkplaats.


Veiligheidsgordels

Veiligheidsgordels vóór Veiligheidsgordels achter

De veiligheidsgordels vóór zijn voorzien van

een pyrotechnische gordelspanner en een

spankrachtbegrenzer.

Deze systemen zorgen voor extra

bescherming van de bestuurder en passagier

bij frontale en zijdelingse aanrijdingen.

Bij een krachtige aanrijding zorgen de

pyrotechnische gordelspanners ervoor dat de

veiligheidsgordels stevig tegen de lichamen

van de inzittenden worden getrokken.

De pyrotechnische gordelspanners zijn actief

zodra het contact wordt aangezet.

De spankrachtbegrenzer beperkt de kracht

waarmee de gordel tegen het lichaam van

de inzittenden getrokken wordt en bevordert

daarmee de veiligheid.

De achterzitplaatsen zijn voorzien van een

driepuntsveiligheidsgordel met oprolautomaat

en spankrachtbegrenzer (met uitzondering van

de middelste zitplaats achter).

Omdoen

Veiligheid

Trek aan de gordel en steek de gesp in de

gordelsluiting.

Controleer of de gordel goed is

vastgemaakt door even aan de riem te

trekken.

Losmaken

Druk op de rode knop van de gordelsluiting.

Houd de gordel vast terwijl deze zich

oprolt.

7

173


174

Veiligheid

Hoogteverstelling vóór

Knijp, om het bevestigingspunt te vinden,

de knop in en schuif deze in één van de

standen.

Pictogram(men)

veiligheidsgordel(s) losgemaakt/

niet vastgemaakt

1. Pictogram veiligheidsgordels voor en/of

achter losgemaakt/niet vastgemaakt, op

het instrumentenpaneel.

2. Pictogram veiligheidsgordel links voor.

3. Pictogram veiligheidsgordel rechts voor.

4. Pictogram veiligheidsgordel rechts achter.

5. Pictogram veiligheidsgordel midden achter.

6. Pictogram veiligheidsgordel links achter.

Als de wagensnelheid hoger is

dan 20 km/h, knippert (knipperen)

het pictogram (de pictogrammen)

gedurende twee minuten in combinatie

met een geluidssignaal. Na deze 2 minuten blijft

(blijven) het pictogram (de pictogrammen) branden

zolang de bestuurder of passagier(s) zijn gordel

(hun gordels) niet heeft (hebben) vastgemaakt.

Pictogram(men)

veiligheidsgordel(s) voor en achter

Bij het aanzetten van het contact

gaat het pictogram 1 op het

instrumentenpaneel en de

desbetreffende pictogrammen

(2 t/m 6) op het pictogrammendisplay van

de veiligheidsgordels en passagiersairbag

rood branden als de desbetreffende

veiligheidsgordel niet is vastgemaakt of weer is

losgemaakt.


Alvorens te gaan rijden dient de bestuurder

te controleren of alle passagiers hun

veiligheidsgordel goed hebben omgedaan en

vastgemaakt.

Zorg ervoor dat alle inzittenden tijdens het

rijden hun veiligheidsgordel dragen, ook al

betreft het een korte rit.

Draai de gespen van de veiligheidsgordels

niet om; de gordels zijn dan niet voldoende

effectief.

De veiligheidsgordels zijn voorzien van een

oprolautomaat die ervoor zorgt dat de lengte

van de gordel automatisch wordt aangepast

aan de lichaamsbouw van de gebruiker. De

gordel wordt automatisch opgerold als deze

niet wordt gebruikt.

Controleer zowel voor en na het gebruik van

de gordel of deze goed is opgerold.

De heupgordel moet zo laag mogelijk op het

bekken worden geplaatst.

De schoudergordel moet langs het holle

gedeelte van de schouder worden geplaatst.

De oprolautomaten zijn voorzien van

een automatische blokkeerinrichting die

in werking treedt bij een aanrijding, een

noodstop of het over de kop slaan van

de auto. U kunt de blokkeerinrichting

deblokkeren door stevig aan de riem te

trekken en deze weer los te laten, zodat de

riem weer een stukje wordt opgerold.

Voor een effectieve werking van de

veiligheidsgordel:

- dient deze strak om het lichaam te

worden gedragen,

- moet deze in een vloeiende beweging

naar voren worden getrokken, zonder

dat de gordel gedraaid raakt,

- mag deze door niet meer dan één

persoon worden gedragen,

- mag deze geen beschadigingen of rafels

vertonen,

- mag er om te voorkomen dat de gordel

niet goed werkt, niets aan worden

gewijzigd.

Vanwege de wettelijke

veiligheidsvoorschriften moeten

werkzaamheden en controles aan de

veiligheidsgordels worden uitgevoerd

door het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats, die tevens voor

de garantie zorgt en de werkzaamheden

volgens de voorschriften uitvoert.

Laat de veiligheidsgordels van uw auto

regelmatig controleren door het PEUGEOTnetwerk

of een gekwalificeerde werkplaats,

vooral als de gordels beschadigingen

vertonen.

Reinig de veiligheidsgordels met zeepsop

of een reinigingsmiddel voor textiel,

verkrijgbaar bij het PEUGEOT-netwerk.

Controleer na het neerklappen of verstellen

van een stoel of de achterbank of de gordel

zich op de juiste plaats bevindt en goed is

opgerold.

Voorschriften voor kinderen

Veiligheid

Maak voor kinderen tot 12 jaar of kleiner dan

1,50 m gebruik van een geschikt kinderzitje.

De veiligheidsgordel mag door niet meer dan

één persoon gedragen worden.

Laat nooit een kind op schoot zitten tijdens

het rijden.

Bij aanrijdingen

De gordelspanners kunnen, afhankelijk van

de aard en de kracht van de aanrijding,

vóór en onafhankelijk van de airbags afgaan.

Het activeren van de gordelspanners gaat

gepaard met wat onschadelijke rook en een

knal, als gevolg van de activering van de

pyrotechnische lading die in het systeem is

geïntegreerd.

In alle gevallen gaat het verklikkerlampje van

de airbag branden.

Laat het systeem na een aanrijding

controleren en eventueel vervangen door het

PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde

werkplaats.

Bij een aanrijding wordt de hoogspanning

automatisch onderbroken.

7

175


176

Veiligheid

Airbags

De airbags zijn speciaal ontworpen om de

veiligheid van de inzittenden (uitgezonderd

de middelste passagier achter) bij ernstige

aanrijdingen te verbeteren. Ze vormen

een aanvulling op de werking van de

veiligheidsgordels met spanbegrenzers

(behalve bij de middelste passagier achter).

De elektronische schoksensoren registreren

de frontale en zijdelingse aanrijdingen waaraan

de registratiezones voor een aanrijding worden

blootgesteld:

- bij een ernstige aanrijding gaan de

airbags onmiddellijk af om de inzittenden

van de auto (uitgezonderd de middelste

passagier achter) te beschermen. Direct

na de aanrijding ontsnapt het gas snel

uit de airbags, zodat het zicht niet wordt

belemmerd en de inzittenden de auto

eventueel kunnen verlaten,

- bij een minder ernstige aanrijding of een

aanrijding van achteren en in bepaalde

gevallen waarbij de auto over de kop slaat,

treden de airbags niet in werking. De

veiligheidsgordels zorgen in deze situaties

voor een afdoende bescherming.

De airbags werken alleen als het

contact aan is.

De airbags werken slechts eenmaal.

Als er een tweede aanrijding plaatsvindt

(tijdens hetzelfde of een volgend

ongeval), worden de airbags niet meer

opgeblazen.

Registratiezones voor een

aanrijding

A. Impactzone vóór.

B. Impactzone opzij.

Het activeren van de airbags gaat

gepaard met wat onschadelijke rook en

een knal, als gevolg van de activering

van de pyrotechnische lading die in het

systeem is geïntegreerd.

De rook is niet schadelijk, maar kan

voor personen die hier gevoelig voor

zijn, irriterend zijn.

De knal die bij het afgaan wordt

geproduceerd, kan het gehoor

gedurende een korte periode enigszins

verminderen.

Frontairbags

De frontairbags beschermen de bestuurder

en voorpassagier bij een ernstige frontale

aanrijding, om de kans op hoofd- en borstletsel

te verkleinen.

De bestuurdersairbag is geïntegreerd in

het stuurwiel en de passagiersairbag in het

dashboard boven het dashboardkastje.

Activering

De airbags worden gelijktijdig opgeblazen,

behalve als de airbag aan passagierszijde

is uitgeschakeld, bij een ernstige frontale

aanrijding binnen (een gedeelte van) de

impactzone vóór (A), in de lengterichting

van de auto en vanaf de voorzijde richting

de achterzijde van de auto, die zich op een

horizontale ondergrond moet bevinden.

De frontairbag wordt opgeblazen tussen de

bestuurder en het stuur of tussen de passagier

voorin en het dashboard om te verhinderen dat

deze naar voren wordt geslingerd.


Uitschakelen

Alleen de airbag aan passagierszijde kan

worden uitgeschakeld:

zet het contact af f,

steek de sleutel in de

schakelaar voor uitschakelen van de airbag

aan passagierszijde,

draai deze in de stand "OFF" ,

verwijder de sleutel zonder de stand van de

schakelaar te veranderen.

Afhankelijk van de uitvoering van uw auto

brandt dit waarschuwingslampje hetzij op

het instrumentenpaneel, hetzij op het display

voor de waarschuwingslampjes van de autogordels en

de airbag aan passagierszijde, bij aangezet contact en

zolang de airbag is uitgeschakeld.

Schakel voor de veiligheid van uw kind

de airbag aan passagierszijde altijd uit

als u een kinderzitje met de rug in de

rijrichting op de voorstoel plaatst.

Anders kan een kind bij het afgaan

van de airbag levensgevaarlijk gewond

raken.

Opnieuw inschakelen

Als u het kinderzitje hebt verwijderd, zet dan

met afgezet contact de schakelaar weer op

"ON" om de airbag opnieuw in te schakelen

en zo de veiligheid van uw passagier te

garanderen.

Als het contact is aangezet en

de airbag aan passagierszijde

opnieuw wordt ingeschakeld, gaat dit

waarschuwingslampje op het display

van de waarschuwingslampjes van

de autogordels en de airbag aan

passagierszijde gedurende ongeveer

1 minuut branden.

Storing

Veiligheid

Als dit lampje op het

instrumentenpaneel gaat branden in

combinatie met een geluidssignaal

en een melding op het display van

het instrumentenpaneel, laat het

systeem y dan controleren door het PEUGEOT-

netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. De

kans bestaat dat de airbags bij een ernstige

aanrijding niet worden geactiveerd.

Als dit lampje knippert, raadpleeg

dan het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats. De

kans bestaat dat de airbag aan

passagierszijde bij een ernstige

aanrijding niet wordt geactiveerd.

Plaats geen kinderzitje op de voorstoel als

minimaal één van beide waarschuwingslampjes

van de airbags permanent blijft branden.

Laat het systeem controleren door het

PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde

werkplaats.

7

177


178

Veiligheid

Zijairbags

De zijairbags beschermen de bestuurder en

de voorpassagier bij een ernstige zijdelingse

aanrijding om de kans op letsel te verkleinen.

De zijairbags zijn aangebracht in het frame van

de rugleuning, aan de portierzijde.

Activering

De zijairbags worden aan de desbetreffende

zijde opgeblazen bij een ernstige zijdelingse

aanrijding binnen (een gedeelte van) de

impactzone opzij (B ), loodrecht op de lengteas

van de auto en vanaf de buitenzijde richting de

binnenzijde van de auto.

De zijairbag wordt opgeblazen tussen de

inzittende voorin en het desbetreffende

portierpaneel.

Detectiezones voor een

aanrijding

A. Impactzone vóór.

B. Impactzone opzij.

Windowairbags

De windowairbags beschermen de bestuurder

en passagiers (uitgezonderd de middelste

passagier achter) bij een ernstige zijdelingse

aanrijding, om de kans op letsel aan de zijkant

van het hoofd te verkleinen.

De windowairbags zijn aangebracht in de stijlen

en in de hemelbekleding.

Activering

De windowairbag wordt gelijktijdig met

de zijairbag aan de desbetreffende zijde

opgeblazen bij een ernstige zijdelingse

aanrijding binnen (een gedeelte van) de

impactzone opzij (B ), waarbij de krachten

loodrecht op de lengterichting van de auto en

vanaf de buitenzijde richting de binnenzijde van

de auto worden uitgeoefend.

De windowairbag wordt opgeblazen tussen de

inzittenden vóór en achter en de ruiten.

Storing

Als dit waarschuwingslampje gaat

branden in combinatie met een

geluidssignaal en een melding op het

display van het instrumentenpaneel,

raadpleeg dan het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats om het systeem

te laten controleren. De kans bestaat dat de

airbags bij een ernstige aanrijding niet worden

geactiveerd.

Bij een lichte zijdelingse aanrijding of

bij over de kop slaan kan het zijn dat de

airbag niet wordt geactiveerd.

Bij een aanrijding van achteren of

een frontale aanrijding wordt de

windowairbag niet geactiveerd.


Houd u aan de volgende veiligheidsvoorschriften voor een maximale effectiviteit van de airbags:

Maak er een gewoonte van om normaal

rechtop in de voorstoelen te zitten.

Draag altijd een correct afgestelde

autogordel.

Zorg dat er zich niets bevindt tussen de airbag

en de inzittenden (kinderen, huisdieren,

objecten...). Dit kan de goede werking van de

airbag belemmeren en/of de inzittende bij het

opblazen van de airbag verwonden.

Laat na een aanrijding of diefstal van uw auto

de airbagsystemen controleren.

Werkzaamheden aan airbagsystemen mogen

uitsluitend door het PEUGEOT-netwerk of

door een gekwalificeerde werkplaats worden

uitgevoerd.

Zelfs als alle bovenstaande voorschriften

worden nageleefd, blijft de kans bestaan

op letsel of lichte brandwonden aan het

hoofd, de borst of de armen als de airbag

wordt geactiveerd. De airbag wordt namelijk

zeer snel opgeblazen (binnen enkele

milliseconden) en loopt vervolgens even

snel leeg, waarbij de warme gassen via de

daarvoor bestemde openingen naar buiten

stromen.

Airbags vóór

Houd het stuurwiel niet aan de spaken

vast en laat uw handen niet op het

stuurwielkussen rusten.

De voorpassagier mag zijn voeten niet op het

dashboard laten rusten.

Het is raadzaam niet te roken in de

auto. Als de airbag wordt opgeblazen,

kunnen brandende sigaretten of een pijp

brandwonden of ander letsel veroorzaken.

Verwijder het stuurwiel nooit, maak geen gaten

in de stuurwielbekleding en sla er niet op.

Zijairbags

Veiligheid

Bedek de stoelen uitsluitend met daarvoor

goedgekeurde stoelhoezen, die in combinatie

met actieve zijairbags gebruikt kunnen

worden. Voor informatie over de stoelhoezen

die geschikt zijn voor uw auto kunt u

zich wenden tot het PEUGEOT-netwerk

(zie hoofdstuk "Praktische informatie - §

Accessoires").

Bevestig nooit iets aan de rugleuning van de

stoelen (kleding...): dit zou bij het afgaan van

de airbags kunnen leiden tot verwondingen

aan armen of borstkas.

Ga niet onnodig dicht tegen het portierpaneel

zitten.

Windowairbags

Bevestig nooit iets op de hemelbekleding;

dit zou bij het afgaan van de windowairbags

kunnen leiden tot hoofdletsel.

Demonteer nooit de handgrepen van

het dak (indien aanwezig); deze maken

deel uit van de bevestiging van de

windowairbags.

7

179


180

Praktische informatie

Bandenreparatieset

De volledige set voor de reparatie van een

band bestaat uit een compressor en een flacon

met afdichtmiddel. Hiermee kunt u de band

tijdelijk repareren, zodat u de dichtstbijzijnde

garage kunt bereiken.

Met deze reparatieset kunnen de meeste lekke

banden worden gerepareerd, als het lek zich in

het loopvlak of de hiel van de band bevindt.

Toegang tot de set

Overzicht gereedschap

Al het gereedschap is specifiek bestemd

voor uw auto, gebruik het niet voor andere

doeleinden. Afhankelijk van de uitvoering is uw

auto voorzien van het volgende gereedschap.

1. 12V-compressor.

De compressor bevat een

afdichtingsproduct voor het tijdelijk

repareren van een band en regelt de

bandenspanning.

2. Een wielblok * voor een van de voorwielen,

zodat de auto niet weg kan rollen.

3. Afneembaar sleepoog.

Zie paragraaf "Slepen van de auto".

* Volgens land van bestemming of uitvoering.


Beschrijving van de set

A. Schakelaar stand "Reparatie" of "Op

spanning brengen".

B. Aan/uit schakelaar "I/O".

C. Knop voor leeg laten lopen.

D. Manometer (bar of psi).

E. Opbergvak met:

- kabel + adapter voor 12V-aansluiting,

- diverse opblaasnippels voor accessoires

als ballonnen, fietsbanden, ...

F. Flacon met afdichtmiddel.

G. Witte slang met dop voor de reparatie.

H. Zwarte slang voor het op spanning

brengen.

I. Sticker met snelheidslimiet.

Praktische informatie

De sticker met snelheidslimiet I moet

op het stuurwiel worden geplakt om u

te herinneren aan het feit dat de band

tijdelijk is gerepareerd.

Rijd na het repareren met behulp van

de bandenreparatieset niet sneller dan

80 km/h.

8

181


182

Praktische informatie

Reparatiemethode

1. Afdichting van het lek

Zet het contact af.

Zet de schakelaar A in de stand

"Reparatie".

Controleer of de schakelaar B in

de stand "O" staat.

Verwijder het voorwerp dat de lekkage

heeft veroorzaakt niet uit de band.

Rol de witte slang G volledig uit.

Draai de dop van de witte slang los.

Sluit de witte slang aan op het ventiel van

de lekke band.

Let op: dit product is schadelijk

(ethyleenglycol, colofonium...) bij

inname en irriterend voor de ogen.

Houd het middel buiten het bereik van

kinderen.

Sluit de stekker van de compressor aan op

de 12V-aansluiting in de auto.

Start de motor en laat deze draaien.

Schakel de compressor niet in voordat

de witte slang is aangesloten op het

ventiel van de band: het afdichtmiddel

wordt anders buiten de band gespoten.


Activeer de compressor door de schakelaar

B in de stand "I" te zetten, tot de

bandenspanning 2,0 bar bedraagt.

Het afdichtmiddel wordt onder druk in

de band gespoten; neem gedurende

deze handeling de slang niet los van de

aansluiting (kans op spatten).

Als na vijf tot zeven minuten de

gewenste bandenspanning niet is

bereikt, is de band niet te repareren met

de bandenreparatieset; neem contact

op met het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats om u verder

te helpen.

Verwijder de set en draai de dop van de

witte slang vast.

Zorg ervoor dat restanten van de vloeistof

niet op of in de auto terecht kunnen komen.

Houd de set binnen handbereik.

Maak direct een rit van ongeveer vijf

kilometer met matige snelheid (tussen

20 en 60 km/h), zodat het afdichtmiddel het

lek kan dichten.

Zet de auto stil en controleer de reparatie

en de bandenspanning met de set.

Praktische informatie

8

183


184

Praktische informatie

2. Op spanning brengen

Zet de schakelaar A in de stand

"Bandenspanning".

Rol de zwarte slang H volledig

uit.

Sluit de zwarte slang aan op het ventiel van

de gerepareerde band.

Sluit de stekker van de compressor weer

aan op de 12V-aansluiting in de auto.

Start de motor opnieuw en laat de motor

draaien.

Ga zo snel mogelijk naar een

servicepunt van het PEUGEOT-netwerk

of een gekwalificeerde werkplaats.

Vergeet niet de technicus te vertellen

dat u de set hebt gebruikt. Na nadere

inspectie kan de technicus u vertellen

of de band gerepareerd kan worden of

moet worden vervangen.

Breng de band met behulp van de

compressor op de voorgeschreven

spanning (spanning verhogen:

schakelaar B in stand "I"; spanning

verlagen: schakelaar B in stand "O"

en knop C indrukken), zoals vermeld

op de bandenspanningssticker in de

portieropening aan bestuurderszijde.

Als de bandenspanning sterk daalt, is

het lek niet goed gedicht; neem contact

op met het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats om u verder te

helpen.

Verwijder de set en berg deze op.

Rijd niet harder dan 80 km/h en niet verder

dan 200 km.


Uitnemen van de flacon

Berg de zwarte slang op.

Neem het gebogen aansluitstuk van de witte slang los.

Houd de compressor rechtop.

Draai de flacon aan de onderzijde los.

Let op dat er geen afdichtmiddel uit de

flacon stroomt.

De uiterste gebruiksdatum staat op de

patroon vermeld.

De patroon met afdichtmiddel kan slechts

één keer gebruikt worden en moet daarna

worden vervangen, ook als hij niet leeg is.

Werp de patroon na gebruik niet weg,

maar lever deze in bij het PEUGEOTnetwerk

of een officieel inzamelpunt.

Vergeet niet om bij het PEUGEOTnetwerk

of een gekwalificeerde

werkplaats een nieuwe patroon met

afdichtmiddel te kopen.

Controle / aanpassen

bandenspanning

U kunt de compressor, zonder inspuiting van

het afdichtmiddel, ook gebruiken om:

- uw bandenspanning te controleren of uw

banden op spanning te brengen,

- andere opblaasbare voorwerpen op te

pompen (ballen, fietsbanden...).

Draai de schakelaar A in de

stand "Op spanning brengen".

Rol de zwarte slang H volledig

uit.

Sluit de zwarte slang aan op het ventiel van

de band of van de accessoire.

Breng indien nodig eerst een van de

meegeleverde verloopstukken aan.

Praktische informatie

Sluit de stekker van de compressor aan op

de 12V-aansluiting van de auto.

Start de auto en laat de motor draaien.

Breng de band op spanning met behulp

van de compressor (op spanning brengen:

schakelaar B in stand "I"; leeg laten lopen:

schakelaar B in stand "O" en druk op de

knop C ), zoals staat aangegeven op de

bandenspanningssticker van de auto of het

opblaasbare voorwerp.

Verwijder de set en berg deze op.

8

185


186

Praktische informatie

Wiel verwisselen

In het geval van een lekke band kunt u het wiel met het bij de auto geleverde gereedschap verwisselen volgens de onderstaande procedure.

Toegang tot het gereedschap

Het gereedschap bevindt zich in de

bagageruimte, achter de achterbank.

Beschikbaar gereedschap *

Dit gereedschap is specifiek voor uw auto

en kan, afhankelijk van de uitvoering van uw

auto, verschillen. Gebruik het niet voor andere

doeleinden.

1. Wielsleutel.

Hiermee kan de wieldop worden verwijderd

en kunnen de wielbouten worden losgedraaid.

2. Krik met geïntegreerde slinger.

Hiermee kan de auto worden opgekrikt.

* Volgens land van bestemming.

3. Gereedschap voor het verwijderen van

sierdoppen.

Hiermee kunnen bij lichtmetalen velgen

de sierdoppen van de wielbouten worden

verwijderd.

4. Dop voor het verwijderen van slotbouten (in

het dashboardkastje).

Hiermee kunnen met behulp van de

wielsleutel de speciale slotbouten worden

verwijderd.

5. Eén wielblok om wegrollen van de auto te

voorkomen.

6. Sleepoog.

Zie de paragraaf "Slepen van de auto".

Zet het contact altijd af (verklikkerlampje

Ready uit) als u werkzaamheden aan

de auto wilt uitvoeren, om letsel door

het automatisch starten van de motor te

voorkomen.

Zorg ervoor dat bij gebruik van

hefgereedschap (bijvoorbeeld een

krik) altijd de steunpunten voor de krik

worden gebruikt om te voorkomen dat de

hoogspanningskabels beschadigd raken.


Wiel met wieldop

Monteren: plaats de wieldop, begin bij

de ventielopening en druk de wieldop

rondom met de hand vast.

Demonteren van het wiel

Stilzetten van de auto

Zet de auto op een plaats waar het

verkeer niet gehinderd wordt en zorg

ervoor dat de auto op een horizontale,

stabiele en stroeve ondergrond staat.

Trek de handrem aan (tenzij deze

geprogrammeerd is in de automatische

stand), zet het contact af en zet de

selectiehendel in de stand A , M of R om

de wielen te blokkeren.

Controleer of het verklikkerlampje

remsysteem en het controlelampje P op

de handremhendel branden.

Controleer of de inzittenden de auto

hebben verlaten en zich op een veilige

plaats bevinden.

Ga nooit onder een auto liggen die

alleen op de krik steunt; gebruik een bok.

Procedure

Praktische informatie

Verwijder de sierdop van de wielbouten

met het gereedschap 3 (volgens

uitvoering).

Bevestig de dop 4 op de wielsleutel 1 en

draai de slotbout een omwenteling los

(volgens uitvoering).

Draai de overige wielbouten een

omwenteling los met alleen de wielsleutel 1 .

8

187


188

Praktische informatie

Plaats de krik 2 onder één van de twee

steunpunten aan de voorzijde A of

achterzijde B (weergegeven door een

driehoek), bij het te verwisselen wiel.

Draai de krik 2 uit tot het voetstuk op de

grond staat. Zorg ervoor dat het voetstuk

zich loodrecht onder het gebruikte

steunpunt A of B bevindt.

Krik de auto op tot er voldoende ruimte

tussen het wiel en de grond is om het (niet

lekke) reservewiel te monteren.

Verwijder de wielbouten en leg ze op een

schone plaats weg.

Verwijder het wiel.


Monteren van het wiel

Na het verwisselen van het wiel

Verwijder de naafdop van het wiel

om het op de juiste manier in de

bagageruimte op te bergen.

Laat zo snel mogelijk het

aanhaalmoment van de wielbouten en

de bandenspanning van het reservewiel

controleren door het PEUGEOT-netwerk

of een gekwalificeerde werkplaats.

Laat de lekke band zo spoedig mogelijk

repareren en verwissel hem met het

reservewiel.

Procedure

Praktische informatie

Plaats het wiel op de naaf.

Draai de wielbouten met de hand vast.

Draai de slotbout met de wielsleutel 1 en

de dop 4 enigszins vast.

Draai de overige wielbouten enigszins vast

met alleen de wielsleutel 1.

8

189


190

Praktische informatie

Laat de krik zakken.

Vouw de krik 2 op en verwijder hem.

Draai de slotbout vast met de wielsleutel

1 en de dop 4.

Draai de overige wielbouten vast met

alleen de wielsleutel 1.

Bevestig de doppen op de overige

wielbouten (volgens uitvoering).

Berg het gereedschap op in de houder.


Een lamp vervangen

Verlichting vóór

Uitvoering met xenonlampen en

bochtverlichting

1. Richtingaanwijzers (LED's).

2. Dimlicht/grootlicht (bochtverlichting)

(D1S-35W).

3. Dagrijverlichting/parkeerlicht (LED's).

Zet het contact altijd af (verklikkerlampje

Ready uit) als u werkzaamheden aan

de auto wilt uitvoeren, om letsel door

het automatisch starten van de motor te

voorkomen.

Onder bepaalde weersomstandigheden

(lage temperatuur, vochtigheid) kan zich

een laagje condens aan de binnenzijde

van de koplampen en de achterlichten

vormen; dit verdwijnt enkele minuten na

het ontsteken van de koplampen.

Praktische informatie

Uitvoering met halogeenlampen

1. Dim- en grootlicht (H7-55W).

2. Grootlicht (H7-55W).

3. Dagrijverlichting/parkeerlichten (LED's).

4. Richtingaanwijzers (PY21-21W).

Let er bij het monteren van H7-lampen met nokjes

op dat deze nokjes goed in de uitsparingen

komen, zodat het licht in de juiste richting schijnt.

8

191


192

Praktische informatie

De koplampunits zijn voorzien van glas

van polycarbonaat met een speciale

vernislaag:

reinig de koplampen nooit met

een droge of schurende doek en

gebruik geen oplosmiddelen,

gebruik een spons met zeepwater,

wanneer u met een

hogedrukreiniger hardnekkig vuil

probeert te verwijderen, houd

de straal dan nooit langdurig op

de koplampen, de achterlichten

en de randen ervan gericht, om

beschadiging van de vernislaag en

de afdichtrubbers te voorkomen,

raak de lamp niet met de vingers

aan, maar gebruik een nietpluizende

doek.

Bij het vervangen van lampen moet de

verlichting minstens enkele minuten

uitgeschakeld zijn (risico van ernstige

verbranding).

In verband met het behoud van de

kwaliteit van de koplampen mogen

uitsluitend anti-UV-lampen worden

gebruikt.

Vervang een kapotte lamp altijd door een

nieuwe lamp met dezelfde specificaties.

Elektrocutiegevaar

Het vervangen van een xenonlamp

(D1S-35W) moet worden uitgevoerd

door het PEUGEOT-netwerk of door

een gekwalificeerde werkplaats.

Dim- en grootlicht (uitvoering

met xenonlampen)

Het vervangen van D1S-xenonlampen

dient vanwege elektrocutiegevaar te

worden uitgevoerd door het PEUGEOTnetwerk

of door een gekwalificeerde

werkplaats.

Het is raadzaam om beide D1S-lampen

gelijktijdig te laten vervangen als één

ervan defect is.

Richtingaanwijzers

(uitvoering met

xenonlampen)

Dagrijverlichting

Neem voor het vervangen van

de ledlampen contact op met het

PEUGEOT-netwerk of met een

gekwalificeerde werkplaats.


Dimlicht (uitvoering met

halogeenlampen)

Trek aan de borglip om de plastic

beschermkap te verwijderen.

Neem de stekker van de lamp los.

Trek de lamp uit de lamphouder en vervang

de lamp.

Voer het monteren uit in de omgekeerde

volgorde.

Grootlicht (uitvoering met

halogeenlampen)

Trek aan de borglip om de plastic

beschermkap te verwijderen.

Neem de stekker van de lamp los.

Trek de lamp uit de lamphouder en vervang

de lamp.

Voer het monteren uit in de omgekeerde

volgorde.

Praktische informatie

8

193


194

Praktische informatie

Richtingaanwijzers (uitvoering met halogeenlampen)

Draai het wiel volledig naar binnen voor

een gemakkelijke toegang tot de spatplaat.

Verwijder de twee bevestigingsbouten van

het deksel in de wielkast.

Zet het deksel halfopen.

Draai de lamphouder een kwart

omwenteling en verwijder het geheel.

Neem de stekker van de lamphouder los.

Trek de lamp uit de lamphouder en vervang

de lamp.

Voer het monteren uit in de omgekeerde

volgorde.

Voor het vervangen van deze lampen

kunt u ook het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats raadplegen.

Instapverlichting in de

buitenspiegels

Voor het vervangen van de LED dient u het

PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde

werkplaats te raadplegen.

Geïntegreerde zijknipperlichten

Voor het vervangen van deze lampen dient u

het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde

werkplaats te raadplegen.


Achterlichten

1. Remlicht (LED's).

2. Achteruitrijlicht (W19W).

3. Richtingaanwijzers (PY21W

amberkleurig).

4. Parkeerlicht (LED's).

5. Mistachterlichten (LED's).

LED's vervangen

Neem voor het vervangen van LED's

contact op met het PEUGEOT-netwerk

of met een gekwalificeerde werkplaats.

Richtingaanwijzers (op de

schermen)

Open de achterklep en verwijder

vervolgens het afdekplaatje.

Verwijder het afdichtschuim.

Neem de stekker van de lamp los.

Verwijder de bevestigingsmoer van de

lamp.

Praktische informatie

Verwijder de lamp voorzichtig via de

buitenzijde van de auto.

Verwijder het afdichtschuim.

Maak de lamphouder los.

Draai de lamp een kwart omwenteling en

vervang deze.

Voer het monteren uit in de omgekeerde

volgorde.

8

195


196

Praktische informatie

Achteruitrijlicht (achterklep)

Open de achterklep en verwijder

vervolgens het afdekplaatje.

Neem de stekker van de lamp los.

Verwijder de bevestigingsmoer van de

lamp.

Verwijder de lamp voorzichtig via de

buitenzijde van de auto.

Verwijder het afdichtschuim.

Draai de lamphouder een kwart

omwenteling en vervang de lamp.

Voer het monteren uit in de omgekeerde

volgorde.


Derde remlicht (LED's)

Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats.

Kentekenplaatverlichting

Steek een kleine schroevendraaier in een

van de buitenste gaten van het lampglas.

Duw de schroevendraaier naar buiten om

het lampglas los te maken.

Neem de stekker van de lamp los.

Verwijder het lampglas.

Trek de lamp uit de lamphouder en vervang

de lamp.

Praktische informatie

8

197


198

Praktische informatie

Zekeringen vervangen

In het geval van een storing in een bepaalde functie kunt u de desbetreffende defecte zekering vervangen volgens de onderstaande procedure.

Toegang tot het gereedschap

De tang voor het verwijderen van zekeringen

bevindt zich in het dashboardkastje.

Vervangen van een zekering

Goed Defect

Voordat u een zekering vervangt, dient u de

oorzaak van de storing op te sporen en te

(laten) verhelpen.

U kunt aan de draad van een zekering zien

of deze defect is.

Gebruik de speciale tang om de zekering

uit de zekeringkast te verwijderen.

Vervang een defecte zekering altijd door

een zekering met dezelfde stroomsterkte.

Selecteer de zekering aan de hand van

het nummer op de zekeringkast, de op de

zekering aangegeven stroomsterkte en het

onderstaande overzicht.

Montage van elektrische

accessoires

Bij het ontwerp van het elektrische circuit van

uw auto is reeds rekening gehouden met de

montage van zowel de standaarduitrusting

als eventuele opties.

Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats voordat u andere

elektrische voorzieningen of accessoires in

de auto monteert of laat monteren.

PEUGEOT is niet aansprakelijk voor

kosten die voortvloeien uit storingen

veroorzaakt door het monteren

van extra accessoires die niet door

aanbevolen en geleverd worden, en niet

volgens de voorschriften van PEUGEOT

zijn gemonteerd. Dit geldt met name als

het gezamenlijke stroomverbruik van de

extra accessoires meer dan

10 milliampère bedraagt.


De zekeringkast bevindt zich aan de onderzijde

van het dashboard (linkerzijde).

Toegang tot de zekeringen

Open het uitklapbare paneel; u moet

daarbij een zekere weerstand overwinnen.

Zekering

nr.

Ampère

(A)

Functies

F6 A of B 15 Autoradio.

F8 3 Inbraakalarm.

F13 10 Aansteker vóór.

F14 10 12V-aansluiting vóór.

F16 3 Plafonnier achter, kaartleeslampen achter.

F17 3 Plafonnier vóór, make-upspiegel.

F28 A of B 15 Autoradio.

F30 20 Ruitenwisser achter.

F32 10 Audioversterker.

Praktische informatie

8

199


200

Praktische informatie

Zekeringen achter het

dashboardkastje

Zekering


Ampère

(A)

Functies

F3 15 Paneel ruitbediening in bestuurdersportier, 12V-aansluiting achterzitplaatsen.

F4 15 12V-aansluiting bagageruimte.

F5 30 Elektrisch bedienbare ruiten achter met eentrapsbediening.

F6 30 Elektrisch bedienbare ruiten vóór met eentrapsbediening.

F11 20 Servicecentrale trekhaakaansluiting.

F12 20 Audioversterker.

F15 20 Blinderingspaneel panoramadak.

F16 5 Paneel ruitbediening in bestuurdersportier.


Zekeringen

motorruimte

De zekeringkast bevindt zich onder de

motorkap, naast de accu.

Toegang tot de zekeringen

Maak het deksel los.

Vervang de zekering (zie de

desbetreffende paragraaf).

Sluit na het vervangen van de zekering

zorgvuldig het deksel voor een goede

afdichting van de zekeringkast.

Zekering


Ampère

(A)

Functies

F20 15 Ruitensproeierpomp voor en achter.

F21 20 Pomp koplampsproeiers.

F22 15 Claxon.

F23 15 Grootlicht rechts.

F24 15 Grootlicht links.

F27 5 Afschermklep koplamp links.

F28 5 Afschermklep koplamp rechts.

Praktische informatie

8

201


202

Praktische informatie

12V-accu

Procedure voor het gebruik van een hulpaccu voor het starten van de motor met behulp van startkabels en voor het laden van een lege accu.

Uw auto is naast de tractiebatterij van

het hybridesysteem voorzien van een

conventionele 12V-accu. Deze accu bevindt

zich onder de motorkap.

In bepaalde omstandigheden, als de 12V-accu

te ver ontladen is om het hybridesysteem in te

schakelen, kan de 12V-accu via een hulpaccu

worden opgeladen.

Laad de 12V-accu niet op als het

verklikkerlampje Ready brandt.

Deze sticker geeft aan dat er een

speciale 12V-loodaccu is gebruikt die

alleen losgekoppeld en/of vervangen

mag worden bij het PEUGEOT-netwerk

of bij een gekwalificeerde werkplaats.

Het negeren van deze aanwijzing kan

ertoe leiden dat de accu vroegtijdig aan

vervanging toe is.

Toegang tot de accu

De accu bevindt zich in de motorruimte.

Toegang tot de accu:

open de motorkap via hendel in het

interieur en bedien gebruik vervolgens de

veiligheidshaak aan de buitenzijde,

verwijder de kunststof afdekkap voor

toegang tot de pluspool,

maak indien nodig de zekeringkast los om

de accu te kunnen verwijderen.

Zet het contact altijd af (verklikkerlampje

Ready uit) als u werkzaamheden aan

de auto wilt uitvoeren, om letsel door

het automatisch starten van de motor te

voorkomen.

Loskoppelen van de pluspool (+)

Trek de hendel D zo ver mogelijk omhoog

om de accupoolklem E te openen.

Weer aansluiten van de pluspool (+)

Plaats de geopende accupoolklem E op de

pluspool (+) van de accu.

Druk verticaal op de accupoolklem E om

hem goed tegen de accu aan te drukken.

Zet de accupoolklem vast door de pasnok

opzij te bewegen en vervolgens de hendel

D omlaag te duwen.

Forceer de hendel niet bij het

omlaagduwen, aangezien de

accupoolklem niet kan worden

vergrendeld als deze niet correct is

geplaatst; herhaal de procedure.


Starten van de motor met

een hulpaccu en startkabels

Als de accu van uw auto ontladen is, kan

de motor worden gestart met een hulpaccu

(externe accu of een accu van een andere auto)

en startkabels.

Controleer eerst of de nominale spanning

van de hulpaccu 12 V bedraagt en of

de capaciteit van de hulpaccu minimaal

gelijk is aan die van de ontladen accu.

Start de motor niet door een acculader

aan te sluiten.

Koppel de pluspool (+) van de accu niet

los terwijl de motor draait.

Sluit de rode kabel aan op de pluspool (+)

van de ontladen accu A en vervolgens op

de pluspool (+) van de hulpaccu B .

Sluit de groene of zwarte kabel aan op de

minpool (-) van de hulpaccu B (of op het

massapunt van de auto met de hulpaccu).

Sluit het andere uiteinde van de groene

of zwarte kabel aan op het massapunt C

van de auto met de lege accu (of op de

motorsteun).

Start de motor van de auto met de

hulpaccu en laat deze gedurende enkele

minuten draaien.

Stel de startmotor in werking van de auto

met de lege accu en laat de motor draaien.

Als de motor niet direct start, zet dan het

contact af en wacht even alvorens een

nieuwe poging te doen.

Wacht tot de motor stationair draait en

neem dan de kabels in omgekeerde

volgorde los.

Praktische informatie

Koppel de kabels niet te snel los, maar

laat ze enkele minuten (tot de motor

weer stationair draait) aangesloten om

te voorkomen dat de accu te weinig

opgeladen wordt en de handeling dus

opnieuw uitgevoerd moet worden.

Bij het starten van de auto waarvan de

accu defect is, moet de elektronische

sleutel zich in het interieur bevinden,

moet het bestuurdersportier gesloten

zijn en moet de veiligheidsgordel aan

bestuurderszijde zijn vastgemaakt.

8

203


204

Praktische informatie

Laden met behulp van een

acculader

Maak de accupoolklemmen los.

Volg de aanwijzingen van de fabrikant van

de acculader.

Sluit de accukabels weer aan, te beginnen

met de (-) kabel.

Controleer of de accupolen en de klemmen

schoon zijn. Indien ze bedekt zijn met een

(witte of groene) oxidatielaag, neem dan

de accukabels los en reinig de polen en

klemmen.

Laad de tractiebatterij niet op.

Na het monteren van de accu

kan het, afhankelijk van de

weersomstandigheden en de

laadtoestand van de accu, enkele uren

(tot ongeveer 8 uur) duren voordat het

Stop & Start-systeem weer zal werken.

Accu's bevatten schadelijke stoffen,

zoals zwavelzuur en lood. Accu's

moeten volgens de wettelijke

voorschriften worden afgevoerd en

mogen in geen geval bij het huisvuil

terechtkomen.

Lever lege batterijen en accu's in bij een

speciaal afvalstoffendepot.

Het is raadzaam de accu los te

koppelen als uw auto langer dan een

maand buiten gebruik is.

Keer de polariteiten niet om en gebruik

uitluitend een 12-volts accu.

Maak de accupoolklemmen niet los bij

draaiende motor.

Laad de accu niet op zonder de

accupoolklemmen los te nemen.

Het aanduwen van de auto om de motor

te starten, is niet toegestaan.

Vóór het loskoppelen van de

accukabels

Wacht 2 minuten na het afzetten van het

contact.

Sluit de ruiten en de voorportieren voordat u de

accukabels loskoppelt.

Na het weer aansluiten van de

accukabels

Zet het contact aan en wacht 1 minuut alvorens

de motor te starten, zodat de elektronische

systemen geïnitialiseerd kunnen worden.

Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats als er zich na deze

handeling toch nog problemen voordoen.

Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor het

zelf opnieuw initialiseren van (afhankelijk van

de uitvoering):

- de sleutel met afstandsbediening,

- het elektrische zonnescherm / de

elektrische zonneschermen,

- ...


Spaarfase

De spaarfase stuurt de elektrische functies van

de auto aan om het ontladen van de accu te

voorkomen.

Tijdens het rijden kunnen in verband met de

laadtoestand van de accu enkele functies

(airconditioning, achterruitverwarming, ...)

tijdelijk worden uitgeschakeld.

Deze functies worden automatisch

ingeschakeld zodra de laadtoestand van de

accu dit toelaat.

Eco-mode

Praktische informatie

De eco-mode bepaalt de maximale gebruiksduur van een aantal functies om te voorkomen dat de

accu ontladen raakt.

Nadat de motor is afgezet, kunt u een aantal elektrische functies zoals het audio- en

telematicasysteem, de ruitenwissers, dimlichten, plafonniers, ... nog in totaal maximaal 40 minuten

gebruiken.

Inschakelen van de

eco-mode

Vervolgens geeft een melding op het display

van het instrumentenpaneel aan dat de ecomode

is ingeschakeld en worden de actieve

functies in de ruststand gezet.

Als u op het moment dat de eco-mode wordt

ingeschakeld aan het telefoneren bent, kan het

gesprek nog gedurende ongeveer 10 minuten

worden voortgezet via de handsfree set van uw

autoradio.

Als de eco-mode is geactiveerd,

kan het bij het inschakelen van het

hybridesysteem enkele seconden duren

tot het controlelampje Ready gaat

branden.

Uitschakelen van de

eco-mode

De functies worden automatisch weer

ingeschakeld als de motor gestart wordt.

Start om de functies direct weer te kunnen

gebruiken de motor en laat deze draaien:

- minder dan tien minuten om de functies

ongeveer vijf minuten te kunnen

gebruiken,

- meer dan tien minuten om de functies

ongeveer dertig minuten te kunnen

gebruiken.

Neem de tijd die nodig is voor het starten van

de motor in acht om een juiste lading van de

accu te garanderen.

Vermijd het herhaaldelijk en continu starten van

de motor om de accu bij te laden.

Als de accu ontladen is, kan de motor niet

gestart worden (zie de paragraaf "Accu").

8

205


206

Praktische informatie

Wisserbladen vervangen

demonteert

Bedien de ruitenwisserschakelaar binnen

één minuut na het afzetten van het contact

om de ruitenwissers naar het midden van

de voorruit te verplaatsen.

Demonteren

Til de desbetreffende ruitenwisserarm op.

Maak het wisserblad los en verwijder het.

Monteren

Breng het nieuwe wisserblad aan en klik

het vast.

Zet de ruitenwisserarm voorzichtig terug.

Na het monteren van een

wisserblad vóór

Zet het contact aan.

Bedien nogmaals de

ruitenwisserschakelaar om de

ruitenwissers in de ruststand te zetten.


Uw auto op een bergingsauto vervoeren

Werkwijze voor vervoer van uw auto op een bergingsauto.

Toegang tot het gereedschap

Het sleepoog bevindt zich achter de

achterbank.

Klap het 2/3 gedeelte van de achterbank

neer om bij het sleepoog te komen.

Laat uw auto bij pech altijd op een

bergingsauto vervoeren.

Sleep de auto nooit met de vier

wielen of met alleen de voor- of

de achterwielen op de grond. De

aandrijving van de auto kan dan

beschadigd raken.

Zet de selectiehendel in de stand N en

zet altijd de motor af (verklikkerlampje

Ready uit).

Aan de voorzijde

Praktische informatie

Maak het klepje in de voorbumper los door

op de onderkant ervan te drukken.

Draai het sleepoog vast tot de aanslag.

Bevestig de sleepkabel of -stang.

Schakel de alarmknipperlichten in.

Zet de selectiehendel in de stand N.

Het niet opvolgen van dit advies kan er

toe leiden dat bepaalde onderdelen van

het remsysteem beschadigd raken en

dat de rembekrachtiger na het starten

mogelijk niet meer werkt.

8

207


208

Praktische informatie

Aan de achterzijde

Trek het klepje in de achterbumper aan de

linkerkant los via de punt van de ring.

Draai het sleepoog vast tot de aanslag.

Bevestig de sleepkabel of -stang.

Schakel de alarmknipperlichten in.

Bij het slepen van de auto met

stilstaande motor zijn de rem- en

stuurbekrachtiging uitgeschakeld.


Slepen

Voordat u werkzaamheden uitvoert: trap het rempedaal in terwijl het contact aanstaat, zet de

selectiehendel in de stand N en schakel vervolgens het hybridesysteem uit.

De auto mag maximaal 10 meter worden verplaatst met een snelheid van maximaal 10 km/h als de

omstandigheden (bijvoorbeeld een slechte toegankelijkheid) dit vereisen.

De auto mag niet worden gesleept met de voor- of

achterwielen op de grond, de auto mag uitsluitend

worden vervoerd op een bergingsauto of trailer.

Gebruik de sleepogen uitsluitend voor het

lostrekken van de auto of om de auto op een

bergingsauto te vervoeren.

Praktische informatie

8

209


210

Praktische informatie

Trekken van een aanhanger

De trekhaak bestaat uit een mechanisch systeem voor

het aankoppelen van een aanhanger of het monteren

van een fietsendrager en een elektrische aansluiting

voor de verlichting en signalering.

Uw auto is hoofdzakelijk bedoeld voor het

vervoer van personen en bagage, maar is

tevens geschikt voor het trekken van een

aanhanger.

Maximaal

aanhangergewicht

Het maximale aanhangergewicht bedraagt

800 kg.

Sneeuwscherm

Bij het trekken van een aanhanger dient het

sneeuwscherm te zijn verwijderd, indien uw

auto hiermee is uitgerust.

Raadpleeg daarvoor het PEUGEOT-netwerk of

een gekwalificeerde werkplaats.

Wij raden u aan gebruik te maken van

een speciaal door PEUGEOT geteste

en goedgekeurde trekhaak inclusief

bedrading en deze door het PEUGEOTnetwerk

of een gekwalificeerde

werkplaats te laten monteren.

Als de trekhaak wordt gemonteerd door

een bedrijf dat niet tot het PEUGEOTnetwerk

behoort, moet de montage

altijd volgens de voorschriften van de

fabrikant worden uitgevoerd.

Het rijden met een aanhanger heeft veel

invloed op het rijgedrag van de auto en

vergt daarom extra aandacht van de

bestuurder.


Adviezen

Gewichtsverdeling

Verdeel het gewicht in de caravan/

aanhanger gelijkmatig, plaats zware

voorwerpen zo dicht mogelijk bij de as en

houd u aan de toegestane kogeldruk.

Door een geringere luchtdichtheid nemen

de prestaties van de motor af als men op

grotere hoogte boven de zeespiegel komt.

Trek boven de 1000 m 10% van het maximale

aanhangergewicht af en herhaal dit voor elke

volgende 1000 m.

Raadpleeg de rubriek "Technische gegevens"

voor de gewichten en aanhangergewichten die

voor uw auto van toepassing zijn.

Zijwind

Houd er rekening mee dat de

zijwindgevoeligheid van de auto groter is.

Koeling

Het trekken van een aanhanger op

een helling veroorzaakt een hogere

koelvloeistoftemperatuur.

De koelventilator wordt elektrisch bediend en is

niet afhankelijk van het motortoerental.

Pas uw snelheid aan om het toerental te

beperken.

Het maximale aanhangergewicht is

afhankelijk van het hellingspercentage en de

buitentemperatuur.

Let in elk geval goed op de aanwijzing van de

koelvloeistoftemperatuurmeter.

Als het waarschuwingslampje van

de koelvloeistoftemperatuur gaat

branden in combinatie met het

waarschuwingslampje STOP, P stop

dan zo snel mogelijk en zet de

motor af.

Remmen

Praktische informatie

Het trekken van een aanhanger verlengt de

remweg.

Bij een lange afdaling is het, om te voorkomen

dat de remmen oververhit raken, raadzaam om

op de motor af te remmen.

Banden

Controleer de bandenspanning van de auto

en de aanhanger en breng deze indien

nodig op de juiste waarde.

Verlichting

Controleer de verlichting van de

aanhanger.

De parkeerhulp wordt automatisch

uitgeschakeld als bij het aankoppelen

van een aanhanger een originele

PEUGEOT-trekhaak wordt gebruikt.

8

211


212

Praktische informatie

Allesdragers monteren

Houd u bij het monteren van de dwarsdragers

aan hun montageplaats. Deze zijn herkenbaar

aan de merktekens op beide dakrails.

Gebruik door PEUGEOT goedgekeurde

accessoires en houd u aan de

aanwijzingen en instructies in de

montagehandleiding van de fabrikant

om beschadiging van de carrosserie

(vervorming, krassen, ...) te voorkomen.

Max. toegestane daklast op allesdrager,

bij een maximale laadhoogte van 40 cm

(m.u.v. fietsendrager): 100 kg.

Pas bij een belading hoger dan

40 cm de rijsnelheid aan aan de

rijomstandigheden om schade aan de

allesdragers en de bevestigingsplaatsen

op het dak te voorkomen.

Raadpleeg de wetgeving van uw land

met betrekking tot het vervoeren van

voorwerpen die langer zijn dan de auto.


Accessoires

Een ruime keuze aan accessoires en originele onderdelen wordt u aangeboden door het PEUGEOT-netwerk.

Deze accessoires en onderdelen zijn getest en goedgekeurd ten aanzien van bedrijfszekerheid en veiligheid.

Ze zijn volledig aangepast aan uw auto, zijn voorzien van een artikelnummer en beschikken over de garantie

van PEUGEOT.

"Comfort":

thermomodule, rokersset, 230V-aansluiting,

uitneembare lamp, ...

"Familie en recreatie":

zitverhogers en kinderzitjes, bak in

bagageruimte, dakkoffer, skidrager,

fietsendrager op trekhaak, trekhaken

(zwanenhals, zonder gereedschap afneembare

kogel, wegklapbaar), bedrading, verschuifbare

laadvloer, ombouwset bedrijfsauto, ...

De trekhaak en bijbehorende bedrading

moeten door het PEUGEOT-netwerk worden

gemonteerd.

"Styling":

spoiler, spatlappen voor en achter,

aluminium pookknop, lichtmetalen velgen

(16, 17, 18 en 19 inch), carrosseriestylingset,

buitenspiegelkappen, windgeleiders op de

portieren, ...

"Veiligheid":

snelheidsregelaar/-begrenzer, inbraakalarm,

hyperfrequentie-eenheid, graveren van

ruiten, slotbouten, alcoholtest, EHBOtrommel,

gevarendriehoek, veiligheidsvest,

voertuigvolgsysteem voor lokalisering na

diefstal, winteruitrusting (stalen 17 inchvelgen

geschikt voor sneeuwkettingen),

sneeuwkettingen, achteruitrijcamera,

parkeerhulp voor en achter, bagageblok, ...

"Bescherming":

Praktische informatie

matten * , stoelhoezen, beschermhoes voor

de auto, zonneschermen, bagagenet,

bagagenet voor hoge lading, hondenrek,

dorpelbeschermers voor portieren en

bagageruimte, kunststof stootlijsten, ...

* Om te voorkomen dat pedalen blijven hangen:

- controleer of de mat goed op zijn plaats

ligt en goed is bevestigd,

- leg nooit meerdere matten op één

plaats.

8

213


214

Praktische informatie

"Multimedia":

autoradio's, portable navigatiesystemen,

portable videoscherm Takara/Sony, Bluetooth

handsfree set, luidsprekers, DVD-speler, WiFi,

rijhulpsystemen, videoafspeelmogelijkheid,

hyperfrequentie-eenheid, ...

Installeren van

radiocommunicatiezenders

Voordat u radiozenders als uitrusting

achteraf monteert, kunt u bij het

PEUGEOT-netwerk informeren

naar de technische gegevens

(frequentieband, maximaal

uitgangsvermogen, positie antenne,

specifieke installatievoorschriften) van

de voor montage geschikte zenders

ter beschikking, volgens de Richtlijn

Elektromagnetische Compatibiliteit

(2004/104/EG).

Producten voor reiniging, onderhoud

(interieur en exterieur), bijvullen

(ruitensproeiervloeistof...) en navullen

(flacon voor bandenreparatieset...) zijn

verkrijgbaar bij het PEUGEOT-netwerk.

Afhankelijk van de lokale wetgeving

kan de aanwezigheid van een

veiligheidsvest, een gevarendriehoek en

een set reservelampen en -zekeringen

in de auto verplicht zijn.

Het monteren van elektrische uitrustingen

of accessoires die niet onder een

artikelnummer in het assortiment van

PEUGEOT voorkomen, kan leiden tot

storingen in het elektronisch systeem van

uw auto en een verhoogd stroomverbruik

veroorzaken.

Houdt u rekening met deze te nemen

voorzorgmaatregel. Wij raden u

aan contact op te nemen met een

vertegenwoordiger van het merk

PEUGEOT om u te laten informeren over

het assortiment uitrustingen en accessoires

voorzien van een artikelnummer.


PEUGEOT & TOTAL

Onderhoud

9

215


216

Onderhoud

Openen van de motorkap

Zet het contact altijd af (verklikkerlampje

Ready uit) als u werkzaamheden onder

de motorkap wilt uitvoeren, om letsel

door het automatisch starten van de

motor te voorkomen.

Raak de oranje "hoogspanningskabels"

nooit aan.

Openen

In het interieur: trek de handgreep links

onder het dashboard naar u toe.

Aan de buitenzijde : beweeg de hendel

omhoog en til de motorkap op.

Een gasdemper opent de motorkap en houdt

deze omhoog.

Sluiten

Laat de motorkap voorzichtig zakken en

laat deze aan het einde van de slag in het

slot vallen.

Controleer of de motorkap goed

vergrendeld is.


Brandstoftank leeg (Diesel)

Bij auto's met HDi-motor is het in het geval van

een lege brandstoftank noodzakelijk om het

brandstofsysteem te ontluchten: raadpleeg de

afbeelding van de desbetreffende motorruimte.

Als de tank van uw auto is voorzien van

een tankbeveiliging, raadpleeg dan de

rubriek "Tankbeveiliging (Diesel)".

Als de motor niet direct aanslaat,

beëindig dan uw startpoging en herhaal

de procedure.

Zet het contact altijd af (verklikkerlampje

Ready uit) als u werkzaamheden onder

de motorkap wilt uitvoeren, om letsel

door het automatisch starten van de

motor te voorkomen.

2.0 HDi-motor

Vul de brandstoftank met minimaal 5 liter

diesel.

Open de motorkap.

Verwijder indien nodig de afdekkap van de

motor voor toegang tot de opvoerpomp.

Draai de ontluchtingsnippel los.

Bedien de handopvoerpomp tot u brandstof

door de transparante slang ziet stromen.

Draai de ontluchtingsnippel vast.

Bedien de startmotor tot de motor aanslaat

(als de motor bij de eerste poging niet

aanslaat, wacht dan vijftien seconden

alvorens opnieuw te starten).

Als de motor na enkele pogingen niet

aanslaat, bedien dan de handopvoerpomp

en vervolgens de startmotor opnieuw.

Breng de afdekkap van de motor aan en

controleer vervolgens of deze goed vastzit.

Sluit de motorkap.

Onderhoud

9

217


218

Onderhoud

Dieselmotor

Zet het contact altijd af (verklikkerlampje

Ready uit) als u werkzaamheden onder

de motorkap wilt uitvoeren, om letsel

door het automatisch starten van de

motor te voorkomen.

Dit overzicht is een hulpmiddel bij

het controleren van de verschillende

vloeistofniveaus, het vervangen van bepaalde

onderdelen en het ontluchten van het

brandstofcircuit.

1. Reservoir stuurbekrachtiging.

2. Reservoir ruiten- en koplampsproeiers.

3. Reservoir koelvloeistof.

4. Reservoir remvloeistof.

5. Accu/zekeringen.

6. Zekeringkast.

7. Luchtfilter.

8. Oliepeilstok.

9. Motorolie (bij)vullen.

10. Handopvoerpomp.

11. Ontluchtnippel.


Niveaus controleren

Onderhoud

Laat in het geval van een sterk gedaald niveau het desbetreffende circuit controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.

Controleer de onderstaande niveaus regelmatig en vul indien nodig bij, tenzij anders aangegeven.

Zet het contact altijd af (verklikkerlampje

Ready uit) als u werkzaamheden onder

de motorkap wilt uitvoeren, om letsel

door het automatisch starten van de

motor te voorkomen.

Motorolieniveau

Het motorolieniveau kan bij aangezet

contact worden gecontroleerd via

de motorolieniveaumeter op het

instrumentenpaneel, of met de oliepeilstok.

Een handmatige controle van het motorolieniveau

is alleen betrouwbaar als de auto op een vlakke,

horizontale ondergrond staat en de motor

minstens 30 minuten niet heeft gedraaid.

Het is normaal dat u tussen twee onderhoudsbeurten

door olie moet bijvullen. PEUGEOT adviseert u om

elke 5000 km het olieniveau te controleren en, indien

nodig, olie bij te vullen.

Na het bijvullen zal de olieniveaumeter op het

dashboard bij het aanzetten van het contact na

30 minuten de juiste waarde aangeven.

Olie verversen

Raadpleeg het onderhoudsboekje voor het

verversingsinterval voor uw auto.

Om een verminderde betrouwbaarheid van de

motor en de emissieregeling te voorkomen, is

het gebruik van additieven in de motorolie niet

toegestaan.

Let bij werkzaamheden onder de

motorkap goed op, want bepaalde delen

van de motor kunnen zeer heet zijn

(kans op brandwonden).

Type motorolie

Gebruik de door de fabrikant aanbevolen

motorolie voor uw auto en motoruitvoering.

Remvloeistofniveau

Het remvloeistofniveau dient zich

zo dicht mogelijk bij het merkteken

"MAXI" te bevinden. Controleer indien

dit niet het geval is of de remblokken

van uw auto zijn versleten.

Remvloeistof verversen

Raadpleeg het onderhoudsboekje voor het

voorgeschreven verversingsinterval.

Type remvloeistof

Gebruik de door de fabrikant voorgeschreven

remvloeistof die voldoet aan de DOT4-norm.

Stuurbekrachtigingsvloeistofniveau

Het stuurbekrachtigingsvloeistofniveau

dient zich zo dicht mogelijk bij het

merkteken "MAXI" te bevinden. Draai

bij koude motor de dop open om het

niveau te controleren.

9

219


220

Onderhoud

Het koelvloeistofniveau dient zich

zo dicht mogelijk bij het merkteken

"MAXI" te bevinden, maar mag

beslist niet hoger zijn.

Als de motor warm is, wordt de temperatuur

van de koelvloeistof geregeld door de

koelventilator. Deze kan ook bij afgezet contact

werken.

Bij uitvoeringen voorzien van een roetfilter

kan de koelventilator bij afgezet contact

nog (gaan) werken, zelfs bij koude motor.

Wacht bovendien alvorens werkzaamheden

aan het koelsysteem uit te voeren ten minste

1 uur nadat de motor gedraaid heeft, omdat het

koelsysteem onder druk staat.

Draai om brandwonden te voorkomen de dop

eerst 2 omwentelingen los om de druk te laten

dalen. Verwijder, als de druk eenmaal gedaald

is, de dop en vul koelvloeistof bij.

Koelvloeistof verversen

De koelvloeistof behoeft niet te worden

ververst.

Type koelvloeistof

Gebruik de door de fabrikant voorgeschreven

koelvloeistof.

Niveau ruiten- en

koplampsproeiervloeistof

Wanneer uw auto is voorzien van

koplampsproeiers, wordt een te

laag vloeistofniveau van de ruiten-

en koplampsproeiers aangegeven

door een geluidssignaal en een

melding op het display van het

instrumentenpaneel.

Vul bij de eerstvolgende gelegenheid het

reservoir bij.

Type ruiten- en

koplampsproeiervloeistof

Voor een optimale reiniging en om het

bevriezen van de sproeiers te voorkomen is

het (bij)vullen van het reservoir met water niet

toegestaan.


Niveau brandstofadditief

(diesel met roetfilter)

Een te laag additiefniveau wordt aangegeven

door het verklikkerlampje Service in combinatie

met een geluidssignaal en een melding op het

display van het instrumentenpaneel.

Bijvullen

Laat het bijvullen zo spoedig mogelijk uitvoeren

door het PEUGEOT-netwerk of door een

gekwalificeerde werkplaats.

Afgewerkte producten

Vermijd langdurig huidcontact met

afgewerkte olie en andere vloeistoffen.

De meeste van deze vloeistoffen zijn

bijtend en schadelijk voor de gezondheid.

Gooi afgewerkte olie en andere vloeistoffen

niet in het riool, in het water of op de grond.

Deponeer afgewerkte olie in de

daarvoor bestemde containers

bij het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats.

Onderhoud

9

221


222

Onderhoud

Controles

Raadpleeg, tenzij anders aangegeven, de bladzijden in het onderhoudsboekje die betrekking hebben op de motoruitvoering van uw auto voor het laten

controleren van bepaalde onderdelen volgens het onderhoudsschema van de constructeur.

Laat de controles eventueel uitvoeren door het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.

Zet het contact altijd af (verklikkerlampje

Ready uit) als u werkzaamheden onder

de motorkap wilt uitvoeren, om letsel

door het automatisch starten van de

motor te voorkomen.

12V-accu

De accu is onderhoudsvrij.

Niettemin is het raadzaam om

regelmatig te controleren of de

accupolen en -klemmen schoon

zijn, vooral bij warm weer en in de winter.

Raadpleeg voordat u de accukabels

losneemt de rubriek "Praktische informatie"

voor meer informatie over de te nemen

voorzorgsmaatregelen.

Deze sticker, die hoort bij het Stop & Startsysteem,

geeft aan dat er een speciale

12V-loodaccu is gebruikt die alleen

losgekoppeld en/of vervangen mag worden

door het PEUGEOT-netwerk of door een

gekwalificeerde werkplaats.

Luchtfilter en interieurfilter

Laat de filters periodiek vervangen

volgens de in het onderhoudsboekje

aangegeven intervallen.

Als de omgeving (veel stof...) en

het gebruik (veel stadsverkeer...) daartoe

aanleiding geven, moeten de filters twee

keer zo vaak worden vervangen.

Een verstopt interieurfilter kan de prestaties

van de airconditioning verstoren en

onaangename geuren veroorzaken.

Oliefilter

Laat bij het olie verversen tevens

het oliefilter vervangen.

Raadpleeg het onderhoudsboekje

voor het vervangingsinterval.


Roetfilter (diesel)

Als het roetfilter vervuild is, wordt

u hierop geattendeerd door het

tijdelijk branden van dit lampje in

combinatie met een melding op het

multifunctionele display.

Ga om het roetfilter te regenereren,

zodra de omstandigheden het toelaten,

met een snelheid van minimaal 60 km/h

rijden tot het lampje dooft.

Als het lampje blijft branden is het

minimum brandstofadditiefniveau

bereikt: raadpleeg de paragraaf "Niveau

brandstofadditief".

Bij een nieuwe auto kunt u de

eerste paar keer dat het roetfilter

geregenereerd wordt een brandlucht

ruiken; dit is volkomen normaal.

Als langdurig met zeer lage snelheid

wordt gereden of de motor langdurig

stationair draait, kan bij gasgeven

soms rook uit de uitlaat waargenomen

worden. Dit heeft geen invloed op de

prestaties en heeft geen gevolgen voor

het milieu.

Tijdens de regeneratie van het roetfilter

is 100% elektrisch rijden niet mogelijk.

Onderhoud

EGS-versnellingsbak met

6 versnellingen

Remblokken

De versnellingsbak is

onderhoudsvrij

(olie verversen niet noodzakelijk).

Raadpleeg het onderhoudsboekje

voor het interval van de

niveaucontrole.

De slijtage van de remblokken

is sterk afhankelijk van de rijstijl,

vooral bij stadsverkeer en veel korte

ritten. Hierdoor kan het noodzakelijk

blijken om de remblokken vaker, tussen twee

onderhoudscontroles door, te laten controleren.

Als het remsysteem vrij is van lekkages, duidt

een te laag remvloeistofniveau erop dat de

remblokken versleten zijn.

9

223


224

Onderhoud

Staat van remschijven Elektrische parkeerrem

of een gekwalificeerde werkplaats

voor informatie over het controleren

van de slijtage van de remschijven.

Dit systeem hoeft niet apart

gecontroleerd te worden. Als er

zich toch een probleem voordoet,

laat het systeem dan controleren

door het PEUGEOT-netwerk of een

gekwalificeerde werkplaats.

Raadpleeg voor meer informatie de rubriek

"Elektrische parkeerrem - § Storingen".

Gebruik uitsluitend door PEUGEOT

aanbevolen producten of gelijkwaardige

kwaliteitsproducten.

Om de werking van belangrijke organen

als het remsysteem te optimaliseren,

selecteert en biedt PEUGEOT

specifieke producten aan.

Vanwege de kans op beschadiging

van het elektrisch systeem is het

reinigen van de motorruimte met een

hogedrukreiniger niet toegestaan.


Elektromotor en tractiebatterij

Elektromotor -

Techniek Synchroon met permanente magneten.

Max. vermogen: ECE-norm (kW) 27

Toerental bij max. vermogen (t/min) 2500

Max. koppel: ECE-norm (Nm) 200

Toerental bij max.koppel (t/min) 1250

Rendement (%) 80 - 90

Tractiebatterij

Ni-MH

(Nikkel-metaalhydride)

Spanning (V~) 200

Energieopslagcapaciteit (kWh / Ah) 1,1 / 5,5

Actieradius (km) 2 (ongeveer)

Technische gegevens

De actieradius is afhankelijk van de weersomstandigheden, de rijstijl van de bestuurder, het gebruik van de elektrische uitrustingen van de auto en de

leeftijd van de batterij.

10

225


226

Technische gegevens

Motor en versnellingsbak

Dieselmotor

Versnellingsbak

2,0 l HDi

163 pk

2Tronic

(6 versnellingen)

Type Variant Uitvoering 8URHC8/P

Cilinderinhoud (cm 3 ) 1997

Boring x slag (mm) 85 x 88

Max. vermogen: ECE-norm (kW) 120

Toerental bij max. vermogen (t/min) 3850

Max. koppel: ECE-norm (Nm) 300

Toerental bij max. koppel (t/min) 1750

Brandstof Diesel

Katalysator Ja

Roetfilter Ja

Inhoud carter (in liter)

Motor (met vervangen filter) 5


Gewichten en aanhangergewichten (in kg)

Dieselmotoren

Versnellingsbak

2,0 l HDi

163 pk

2Tronic

(6 versnellingen)

Type Variant Uitvoering 8URHC8/P

- Ledig gewicht 1770

- Gewicht rijklaar * 1845

- Maximaal technisch toegestane massa totaal 2325

- Maximaal toegestaan treingewicht

helling max. 12%

- Aanhanger geremd (binnen max.

toegestaan treingewicht)

helling max. 10% of 12%

- Aanhanger geremd ** (met verminderde

belading auto, binnen max. toegestaan

treingewicht)

- Aanhanger ongeremd 750

- Aanbevolen kogeldruk 75

Technische gegevens

* Het gewicht rijklaar staat gelijk aan het ledig gewicht + bestuurder (75 kg).

** Het totale gewicht van de aanhanger kan, binnen het maximaal toegestane treingewicht, worden verhoogd indien de belading van de auto wordt verminderd.

Houd er in dat geval rekening mee dat het trekken van een aanhanger met een licht beladen auto een negatieve invloed heeft op het weggedrag.

Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1000 meter; het opgegeven aanhangergewicht dient

voor elke extra 1000 meter met 10% te worden verminderd.

Bij het trekken van een aanhanger mag niet harder worden gereden dan 100 km/h of de plaatselijk geldende snelheidslimiet (in Nederland wettelijk 90 km/h).

Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen. Als de buitentemperatuur meer dan 37°C

bedraagt, moet het treingewicht worden verminderd.

3125

800

1100

10

227


228

Technische gegevens

Afmetingen (in mm)

brandstoftank).

Deze waarde kan, afhankelijk van de belading van de auto, de ondergrond en de omgeving variëren.

Als de bestuurder van mening is dat de auto een obstakel kan passeren, is hij hiervoor zelf volledig verantwoordelijk.


Identifi catie

De auto is voorzien van verschillende zichtbare merktekens voor de identificatie en registratie van de auto.

A. Serienummer onder de motorkap.

Dit nummer is ingeslagen in de carrosserie,

bij de schokdempersteun.

B. Serienummer op de onderste

voorruittraverse.

Dit nummer staat op een sticker en is

zichtbaar door de voorruit.

C. Constructeurssticker.

Dit nummer staat op een eenmalige

sticker op de portiersponning, aan

bestuurderszijde.

D. Sticker bandenspanning/kleurcode van

de lak.

Deze sticker is op de middenstijl aan

bestuurderszijde bevestigd.

Technische gegevens

De sticker bevat de volgende informatie:

- bandenspanning zonder en met volle

belading,

- bandenmaat,

- door de constructeur aanbevolen

bandenmerken,

- bandenspanning van het reservewiel,

- kleurcode van de lak.

Controleer de bandenspanning

minimaal één keer per maand, bij koude

banden.

Er mogen alleen sneeuwkettingen op

de voorwielen worden gemonteerd.

De keuzeschakelaar moet in de stand

4WD staan.

Een te lage bandenspanning

veroorzaakt een hoger

brandstofverbruik.

10

229


230

Technische gegevens


URGENCE-OPROEP OF ASSISTANCE-OPROEP

231


232

URGENCE-OPROEP OF ASSISTANCE-OPROEP

Druk in geval van nood langer dan 2 seconden op

deze toets. Het knipperen van het groene ledlampje en

een geluidssignaal bevestigen dat de oproep naar de

alarmcentrale PEUGEOT CONNECT SOS is verstuurd * .

Het groene ledlampje blijft branden (zonder te knipperen) wanneer de

verbinding tot stand is gebracht. Aan het einde van het gesprek gaat het

lampje uit.

Door deze toets meteen opnieuw in te drukken, wordt de oproep

geannuleerd. Het groene ledlampje dooft. De annulering wordt bevestigd

met een gesproken bericht.

Om een oproep te annuleren kunt u ook de alarmcentrale PEUGEOT

CONNECT SOS melden dat de oproep per vergissing werd verstuurd.

De alarmcentrale PEUGEOT CONNECT SOS lokaliseert onmiddellijk uw

auto, neemt in uw landstaal contact met u op ** en roept indien nodig de

hulp in van de bevoegde hulpdiensten ** . In landen waar de alarmcentrale

niet operationeel is of wanneer de lokalisatie uitdrukkelijk is geweigerd,

wordt de oproep meteen doorgestuurd naar de hulpdiensten (112), zonder

lokalisatie.

Wanneer de elektronische eenheid airbags een botsing heeft

waargenomen, wordt onafhankelijk van het eventueel afgaan van

de airbags, automatisch een noodoproep gedaan.

* Afhankelijk van de algemene gebruiksvoorwaarden, die u bij uw verkooppunt kunt

opvragen, en de technische beperkingen van het systeem.

** Afhankelijk van de geografi sche dekking van PEUGEOT CONNECT SOS en PEUGEOT

CONNECT ASSISTANCE en van de offi ciële landstaal die door de eigenaar van de auto

is gekozen.

De lijst van de landen waar het systeem werkzaam is en de lijst van beschikbare diensten van

PEUGEOT CONNECT kunt u bij uw verkooppunt opvragen of op www.peugeot.nl bekijken.

Druk langer dan 2 seconden op deze toets voor het

aanvragen van hulp bij het stranden van de auto.

Een gesproken bericht bevestigt dat de oproep is

verstuurd ** .

Door deze toets meteen opnieuw in te drukken, wordt de aanvraag

geannuleerd.

Dit wordt bevestigd door een gesproken bericht.

WERKING VAN HET SYSTEEM

Bij het aanzetten van het contact, gaat

het groene lampje 3 seconden branden.

Dit duidt op een goede werking van het

systeem.

Het oranje lampje knippert: er is een storing

in het systeem.

Het oranje lampje blijft branden: de

noodbatterij moet vervangen worden.

Raadpleeg in beide gevallen het

PEUGEOT-netwerk.

Wanneer u uw auto buiten het PEUGEOT-netwerk hebt gekocht, raden

wij u aan de aanwezigheid van deze diensten bij het netwerk te laten

controleren en eventueel confi gureren. In een meertalig land kunt u het

systeem laten confi gureren in de offi ciële landstaal van uw voorkeur.

Om technische redenenen, zoals het verbeteren van de diensten van

PEUGEOT CONNECT, behoudt de constructeur zich het recht voor om op

elk willekeurig moment het telematicasysteem in de auto te wijzigen.


JBL HIFI-SYSTEEM

Het Hifi -systeem versie 5.1 is door de ingenieurs van PEUGEOT samen met de specialisten van het merk JBL ontwikkeld.

Voor een optimale geluidskwaliteit zijn voor en achter in het interieur vier

tweewegluidsprekersets gemonteerd. De twee wegen worden door een

actief fi ltersysteem van elkaar gescheiden.

De luidsprekersets bestaan uit een tweeter met textieldome, voor een

stabiele en uitgebalanceerde geluidsweergave van de hoge tonen, en

een mediumwoofer met een vermogen van 50 W RMS voorzien van

een omgekeerde driver en een neodymium magneet voor een perfecte

weergave van de lage tonen.

De centrale luidspreker in het dashboard zorgt voor een nog betere

geluidskwaliteit en geeft de inzittenden het gevoel bij een live-optreden

aanwezig te zijn.

De subwoofer in de bagageruimte, met een drievoudige spoel en een

vermogen van 150 W, geeft extra diepte en kleur aan de lage tonen van

het geluidsspectrum.

Het geheel wordt aangestuurd door een 10-wegversterker met een

vermogen van 500 W RMS en een impedantie van 2 ohm. Deze

versterker is van specifi eke software voorzien die zorgt voor een

surround-effect en een uitstekende geluidsverdeling, zodat zowel de

bestuurder als de passagiers optimaal van de muziek kunnen genieten.

233


234


Dit systeem is zodanig gecodeerd dat het uitsluitend in

uw auto functioneert.

Om veiligheidsredenen mag de bestuurder handelingen

die zijn volledige aandacht vragen uitsluitend uitvoeren

bij stilstaande auto.

Wanneer de eco-mode is geactiveerd, schakelt

het systeem zichzelf na het afzetten van de motor

automatisch uit om te voorkomen dat de accu ontladen

raakt.

PEUGEOT CONNECT NAV

GPS-NAVIGATIE

MULTIMEDIA-AUTORADIO/BLUETOOTH-

TELEFOON

INHOUD

01 Basisfunctie - Bedieningspaneel

02 Stuurkolomschakelaars

03 Werking

04 Navigatie

05 Verkeersinformatie

06 Telefoneren

07 Index - ADDR BOOK

08 Radio

09 Multimediaspelers

10 Audio-instellingen

11 Configuratie

12 Menustructuur

blz.

blz.

blz.

blz.

blz.

blz.

blz.

blz.

blz.

blz.

blz.

blz.

236

238

239

241

255

258

266

269

272

278

279

280

Veelgestelde vragen blz. 283

235


236

01 BASISFUNCTIES

Ingedrukt houden: resetten van het

systeem.

Toets MODE: selecteren

van het type permanente

weergave.

Draaien: volumeregeling

(voor elke geluidsbron

afzonderlijk, inclusief de

TA-meldingen en navigatieaanwijzingen).

Aan/uit.

Kort indrukken: onderbreken/

herstellen van het geluid.

Display uitschakelen.

Selecteren van de

geluidsbron: CD, USB,

AUX, Apple ® -speler,

Bluetooth Streaming,

Radio.

Selecteren:

- automatisch zoeken naar radiozenders in afl opende/

oplopende volgorde.

- van het vorige/volgende nummer op de CD, MP3-bestand

of mediabestand.

De kaart naar links/naar rechts verplaatsen in de stand

" De kaart verplaatsen ".

Functie TA

(verkeersinformatie)

aan/uit.

Kort indrukken: selecteren

van een in het geheugen

opgeslagen radiozender.

Lang indrukken: de

radiozender waar u

op dat moment naar

luistert opslaan als

voorkeuzezender.

Weergave van de lijst met ontvangen radiozenders,

nummers of CD/MP3/Apple ® -speellijsten.

Lang indrukken: beheer van de structuur van de MP3/

WMA-bestanden/bijwerken van de lijst met ontvangen

radiozenders.

Selecteren van het

FM-golfbereik.

Annuleren van de

bewerking, omhoog in de

menustructuur.

Lang indrukken: terug

naar de permanente

weergave.

Toegang tot de " Audioinstellingen

":

klankkleur, bassen,

hoge tonen, loudness,

geluidsverdeling,

balans links/rechts,

balans voor/achter,

snelheidsafhankelijke

volumeregeling.

Selecteren:

- van het vorige/volgende item in een lijst of in een menu.

- van de vorige/volgende afspeellijst van de mediadrager.

- stapsgewijs zoeken naar een radiozender met een

hogere/lagere frequentie.

- van de vorige/volgende MP3-afspeellijst.

De kaart omhoog/omlaag verplaatsen, met de functie

" De kaart verplaatsen ".


01

BASISFUNCTIES

Toegang tot het menu "Telefoon"

en weergave van de laatste

gesprekken of aannemen van een

inkomend gesprek.

Toegang tot het menu

" Navigatie " en weergave van de

laatst gekozen bestemmingen.

Met de radio als geluidsbron,

toegang tot het menu " RADIO "

en weergave van de lijst met

ontvangen radiozenders.

Toegang tot het menu

" Confi guratie ".

Lang indrukken: toegang tot het

GPS-bereik en de demo-modus.

Annuleren van de bewerking, omhoog in

de menustructuur.

Lang indrukken: terug naar de

permanente weergave.

Draaiknopje voor selecteren en bevestigen:

Selecteer een item op het display en

bevestig uw keuze door het knopje kort in

te drukken.

Druk als er geen menu of lijst wordt

weergegeven het knopje kort in om een

contextmenu op te vragen, afhankelijk van

de weergave op het scherm.

Draaien bij weergave van de kaart:

in-/uitzoomen op de kaart.

Weigeren van een inkomend

gesprek of gesprek beëindigen.

Toegang tot het menu

" Verkeersinformatie TMC "

en weergave van de actuele

verkeersinformatie.

Media als geluidsbron, toegang

tot het menu " MEDIA " en

weergave van de tracklist.

Weergave van de lijst met

contacten / Toegang tot het menu

" Contacten ".

237


238

02 STUURKOLOMSCHAKELAARS

- Indrukken: toegang tot het

menu van het display van het

instrumentenpaneel.

- Draaien: scrollen binnen het

menu van het display van het

instrumentenpaneel.

- Volume verhogen.

- Geluidsweergave onderbreken /

hervatten.

- Volume verlagen.

- Draaien.

Radio: automatische selectie van

vorige/volgende zender.

Media: volgende/vorige track.

- Drukken en draaien: naar

6 opgeslagen voorkeurzenders.

- Geluidsbron wijzigen.

- Toets TEL/SRC (kort indrukken):

Binnenkomend gesprek aannemen.

Tijdens een telefoongesprek: toegang tot

het menu Telefoon: Gesprek beëindigen,

privé-modus, handsfree functie.

- Toets TEL/SRC (even ingedrukt houden):

Binnenkomend gesprek weigeren of

telefoongesprek beëindigen.

Buiten een telefoongesprek om: toegang

tot het menu Telefoon (nummer ( kiezen,

contacten, lijst met gesprekken, voice mail).

- Selecteren van permanente

weergave op het display.

- Radio: weegave van zenders.

Media: weergave van tracklist.


"RADIO"

03

"TELEFOON"

(tijdens communicatie)

ALGEMENE WERKING

Druk een paar keer achter elkaar op de toets MODE om naar de volgende menu's te gaan:

ENERGIESTROMEN HYBRIDESYSTEEM

Raadpleeg voor meer informatie

de rubriek "Weergave van

de energiestromen van het

hybridesysteem" van het hoofdstuk

"Hybridesysteem".

SETUP : INSTELLINGEN:

datum en tijd, confi guratie weergave, geluid.

Gebruik voor het schoonmaken van het display een zacht,

niet-schurend doekje (bijvoorbeeld een brillendoekje) zonder

schoonmaakmiddel.

"KAART OP VOLLEDIG

SCHERM"

"KAART OP VERKLEIND

SCHERM"

(tijdens navigatie)

VERBRUIK HYBRIDEAUTO

Raadpleeg voor meer informatie

de rubriek "Verbruik van uw

hybrideauto" van het hoofdstuk

"Hybridesysteem".

Geluidsbron veranderen:

RADIO : RADIO als geluidsbron.

MUSIC : MUSIC als geluidsbron.

Raadpleeg het hoofdstuk "Menustructuur display" voor een

gedetailleerd overzicht van de keuzemogelijkheden binnen de

menu's.

239


240

03

ALGEMENE WERKING

WEERGAVE AFHANKELIJK VAN DE CONTEXT

Door de draaiknop in te drukken krijgt u

toegang tot de snelkeuzemenu's.

RADIO:

1

1

1

TA in-/uitschakelen

RDS in-/uitschakelen

TELEFOON (tijdens

communicatie):

1

1

2

2

Opties

Veranderen van frequentieband

In-/uitschakelen verkeersinformatie (TA)

Privémodus

In de wacht zetten

1

1

MULTIMEDIASPELERS, CD

OF USB (afhankelijk van

media):

Afspeelwijze:

1

1

1

1

Normaal

Willekeurig

Willekeurig op elk medium

Herhalen

KAARTWEERGAVE OP VOLLEDIG

OF VERKLEIND SCHERM:

1

DTMF-tonen

Ophangen

Navigatie stoppen/hervatten

1

1

1

1

2

2

2

2

2

2

2

2

Bestemming kiezen

Adres invoeren

Adresboek

GPS-coördinaten

Alternatieve route

Kaart verplaatsen

Info plaats

Als bestemming kiezen

Als etappe kiezen

Deze plaats opslaan (contacten)

Kaartmodus verlaten

Navigatiecriteria


04

NAVIGATIE

Naar het menu "NAVIGATIE"

Druk op NAV.

Houd het uiteinde van de

lichtschakelaar even ingedrukt

om de laatste gesproken

instructie te herhalen.

Selecteer r " Opties " in het navigatiemenu en vervolgens

" Laatste bestemmingen wissen " en bevestig uw keuze

om de laatste bestemmingen te wissen. Selecteer " Ja " en

bevestig uw keuze.

Het is niet mogelijk om één enkele bestemming te wissen.

"Navigatie"

"N Navigatie i ig ti i "

Wissel tussen het menu en de lijst (links/rechts).

of

Raadpleeg het

PEUGEOT-netwerk

om updates voor de

kaartgegevens te

verkrijgen.

241


242

04

NAVIGATIE

EEN BESTEMMING KIEZEN

EEN NIEUWE BESTEMMING KIEZEN

Druk op NAV voor het menu

"Navigatie".

Selecteer " Een bestemming kiezen"

en bevestig uw keuze, selecteer dan

" Adres invoeren " en bevestig uw

keuze.

Selecteer " Land " en bevestig uw keuze.

Selecteer " Plaats" en bevestig uw

keuze om de plaats van bestemming op

te slaan.

Selecteer één voor één de letters van de

plaats en bevestig elke letter steeds met

het draaiknopje.

Selecteer een plaats uit de lijst en bevestig uw keuze.

U kunt ook een lijst met plaatsen in het opgegeven land opvragen

door een paar letters op te geven en dit te bevestigen met "Lijst" .

Draai aan de draaiknop en selecteer OK

om uw keuze te bevestigen.

Vul de gegevens zoals "Weg"

en " Nummer/Kruising" op dezelfde

manier in.

Selecteer "Opslaan " om de adreskaart op te slaan.

U kunt maximaal 400 kaarten opslaan.

Bevestig met "OK" om het navigeren te

starten.

Selecteer een navigatiecriterium:

"Snelste route ", "Kortste route " of

beste route " Afstand/Tijd ", en selecteer

indien gewenst, aanvullende criteria

zoals: "Met tolwegen ", " Met veerpont",

of "Verkeersinformatie" en bevestig uw

keuze met " OK ".


04

NAVIGATIE

EEN BESTEMMING KIEZEN

NAAR EEN VAN DE LAATSTE BESTEMMINGEN

Druk op NAV voor het menu

"Navigatie".

Selecteer de gewenste bestemming en

bevestig uw keuze om het navigeren te

starten.

NAAR EEN CONTACT UIT HET ADRESBOEK

Navigeren naar een uit het adresboek van de telefoon

geïmporteerd adres is alleen mogelijk als het adresbestand

compatibel is met het systeem.

Druk op NAV voor het menu

" Navigatie ".

Selecteer en bevestig "Bestemming

kiezen", selecteer vervolgens

" Adresboek " en bevestig uw keuze.

Selecteer de gewenste bestemming en

bevestig uw keuze met " OK" om het

navigeren te starten.

243


244

04

NAVIGATIE

GPS-COÖRDINATEN ALS BESTEMMING INVOEREN NAAR EEN PUNT OP DE KAART

Druk op NAV voor het menu

"Navigatie".

Selecteer en bevestig " Bestemming

kiezen ", selecteer " GPS-coördinaten"

en bevestig uw keuze.

Voer de GPS-coördinaten in en bevestig

uw invoer met "OK" om het navigeren

te starten.

Druk, als de kaart op het scherm wordt

weergegeven, op OK om naar het

contextmenu te gaan. Selecteer dan

"Kaart verplaatsen" en bevestig uw

keuze.

Verplaats de cursor op het scherm

met de navigatietoets om een

bestemmingspunt te kiezen.

Druk op OK voor het contextmenu van

de functie " Kaart verplaatsen ".

Selecteer "Als bestemming kiezen" of

"Als tussenstop kiezen " en bevestig

uw keuze.


04

NAVIGATIE

NAAR POINTS OF INTEREST (POI)

Druk op NAV voor het menu

"Navigatie".

Selecteer "Een bestemming kiezen"

en bevestig dit, selecteer vervolgens

"Een adres invoeren" en bevestig dit.

Selecteer en bevestig "POI " en selecteer

en bevestig dan " Rondom huidige

plaats " om een POI in de buurt te

zoeken.

Selecteer en bevestig "POI " om een POI

in een etappe op te nemen, selecteer

vervolgens "Op de route " en bevestig

uw keuze.

Om een POI als bestemming op te

geven moet u eerst het land en de

plaats opgeven (zie "Naar nieuwe

bestemming"), vervolgens "POI"

selecteren en bevestigen en dan

"Dichtbij" selecteren en bevestigen.

Points of interest (POI) zijn openbare gebouwen en diensten in de

omgeving (hotels, bedrijven, vliegvelden...).

Selecteer " Zoeken op Naam" om POI's op naam in plaats van op

afstand te zoeken.

Zoek een POI in één van de rubrieken

op de volgende pagina's.

Selecteer de gewenste POI en bevestig

uw keuze met "OK " om het navigeren

te starten.

245


246

04

POI-LIJST

NAVIGATIE

Dit pictogram verschijnt als er zich meerdere Points of Interest

in hetzelfde gebied bevinden. Door op dit pictogram in te

zoomen kunt u de verschillende Points of Interest bekijken.

* Afhankelijk van beschikbaarheid in

het land.


04 NAVIGATIE

UPDATEN RISICOZONE-POI'S

De uitgebreide procedure is beschikbaar bij het PEUGEOTnetwerk.

De bestanden moeten in zijn geheel worden gekopieerd op het

gekozen medium.

Een melding geeft aan dat het downloaden succesvol is afgerond.

Er mogen geen andere gegevens op de CD-Rom of USB-stick zijn

opgeslagen.

* Beschikbaar in bepaalde landen.

Download vanaf internet het updatebestand voor

de Risicozone POI'S en zet het op een CD-Rom of

USB-stick.

Deze dienst * is beschikbaar via http://peugeot.

navigation.com of https://www.peugeot-connectdownloads.co.uk.

Plaats de CD-Rom of de USB-stick met het

bestand voor Points Of Interest in de CD- of USBspeler

van het systeem.

Het systeem detecteert automatisch welk

medium is geplaatst. Start de update door "JA" te

bevestigen.

247


248

04 NAVIGATIE

INSTELLEN WAARSCHUWINGSMELDINGEN

RISICOGEBIEDEN

Druk op NAV voor het menu

"Navigatie".

Selecteer " Opties " en bevestig uw keuze,

selecteer vervolgens " Risicogebieden

instellen " en bevestig uw keuze.

U kunt nu kiezen uit:

- "Zichtbare meldingen"

- "Meldingen met geluidssignalen"

- "Alleen meldingen weergeven bij het

navigeren"

- "Alleen meldingen geven bij een te hoge

snelheid".

U kunt de tijd tussen het moment van de

waarschuwing voor een Risicogebied en het

passeren van het risicogebied instellen.

Selecteer "OK K"

om de instellingen te bevestigen.

Deze functies zijn alleen beschikbaar als de risicogebieden zijn

gedownload en in het systeem zijn geïnstalleerd.

De gedetailleerde procedure voor het updaten van de risicogebieden

is beschikbaar op de website www.peugeot.com.


04 NAVIGATIE

EEN ETAPPE TOEVOEGEN

Druk op NAV voor het menu

"Navigatie".

Selecteer " Etappes en routes " en

bevestig uw keuze.

Selecteer " Etappe toevoegen " en

bevestig uw keuze.

Het adres van de etappe geeft u als

bestemming op via " Adres invoeren ",

een kaart uit het " Adresboek ", of uit

"Laatste bestemmingen".

Selecteer " Dichtbij" om in de buurt van

de etappe te komen of "Strikt " om de

etappe heel precies te rijden.

Bevestig met "OK" om het navigeren

te starten en globaal de richting aan te

geven.

ETAPPES BEHEREN

Herhaal de handelingen 1 en 2,

selecteer " Etappes Ordenen/Wissen"

en bevestig uw keuzes om etappes te

beheren.

Selecteer de etappe die u wilt

verplaatsen.

Selecteer en bevestig uw keuze om de

wijzigingen op te slaan.

Selecteer "Verwijderen " om een etappe te verwijderen.

249


250

04 NAVIGATIE

NAVIGATIEOPTIES

CRITERIA VOOR DE BEREKENING

Druk op NAV voor het menu

"Navigatie".

Selecteer "Opties " en bevestig uw

keuze.

Selecteer " Rekencriteria defi niëren " en

bevestig uw keuze.

Met deze functie kunt u de verschillende

criteria voor het berekenen van de route

instellen:

- de soort route (" Snelste route ",

"Kortste route", " Afstand/Tijd "),

- aanvullende criteria zoals (" Met

tolwegen" of " Met veerpont"),

- al of niet rekening houden met de

verkeersinformatie

("Verkeersinformatie").

Als u opgeeft dat het systeem rekening moet houden met de

verkeersinformatie, wordt er automatisch een nieuwe route

berekend als de verkeerssituatie daar aanleiding toe geeft.

Selecteer " OK" en bevestig uw keuze

om de instellingen op te slaan.


04 NAVIGATIE

KAARTEN BEHEREN

POINTS OF INTEREST OP DE KAART KIEZEN

Druk op NAV voor het menu

"Navigatie ".

Selecteer "Kaartbeheer" r en bevestig

uw keuze.

Selecteer "Gegevens van de kaart " en

bevestig uw keuze.

Selecteer één of meer categorieën die u

op het scherm wilt zien.

Selecteer " Standaard " om alleen " Tankstations, garages " en

"Risicogebieden" (indien gedownload) weer te geven op de

kaart.

Selecteer " OK" en bevestig uw keuze,

selecteer nogmaals "OK" en bevestig dit

opnieuw om de instellingen op te slaan.

251


252

04 NAVIGATIE

ORIËNTERING VAN DE KAART

Druk op NAV voor het menu

"Navigatie ".

Selecteer "Kaartbeheer" r en bevestig

uw keuze.

Selecteer "Oriëntering van de kaart"

en bevestig uw keuze.

Selecteer:

- "Op auto georiënteerd " om de

kaart op de auto te richten,

- "Op noorden georiënteerd " om

de kaart altijd naar het noorden te

richten,

- "Perspectief" f om de kaart in

perspectief te zien.

In het menu " SETUP " kunt u de kleur van de kaart veranderen

door weergave bij "Dag" of "Nacht" te kiezen.

De straatnamen worden op de kaart weergegeven bij een schaal

van 100 m of kleiner.


04 NAVIGATIE

GESPROKEN NAVIGATIEBERICHTEN INSTELLEN

VOLUMEREGELING/UITSCHAKELEN

Het instellen van het volume is mogelijk door de volumeknop te

bedienen tijdens de weergave van een route-aanwijzing.

Druk op NAV voor het menu

"Navigatie".

Selecteer "Opties " en bevestig uw

keuze.

Selecteer "Instellen gesproken

berichten" en bevestig uw keuze.

Het volume van de instructies kunt u ook instellen via het menu

"SETUP" / " Spraaksynthese ".

Selecteer de volumeweergave en

bevestig uw keuze.

Stel het gewenste volume in en bevestig

uw keuze.

Selecteer "Uitschakelen " om de gesproken instructies uit te

schakelen.

Selecteer " OK" en bevestig uw keuze.

253


254

04 NAVIGATIE

MANNENSTEM/VROUWENSTEM

Druk op SETUP voor het

confi guratiemenu.

Selecteer " Spraaksynthese " en

bevestig uw keuze.

Selecteer " Mannenstem kiezen " of

" Vrouwenstem kiezen" en bevestig

uw keuze met " Ja ". Het systeem wordt

vervolgens opnieuw opgestart.


05 VERKEERSINFORMATIE

Naar het menu "VERKEERSINFORMATIE"

Druk op "TRAFFIC ".

" Verkeersinformatie V Ve k kee s i f fo at ti tie TMC

TMC C"

Wissel tussen het menu en de lijst (links/rechts).

of

255


256

05

INSTELLEN VAN DE FILTERS EN DE WEERGAVE VAN TMC-BERICHTEN

Een TMC-bericht (Trafi c Message Channel) is informatie met betrekking tot het verkeer en het weer die in real time wordt ontvangen en

doorgestuurd naar de bestuurder in de vorm van gesproken berichten en visuele waarschuwingen op de navigatiekaart.

Het navigatiesysteem kan in dat geval een alternatieve route voorstellen.

Druk op TRAFFIC voor weergave van

het menu "Verkeersinformatie TMC".

Selecteer de functie "Geografi sch

fi lter" en bevestig uw keuze.

Wij adviseren:

- een fi lter op de route en

- een fi lter rondom de auto van:

- 20 km in de stad,

- 50 km op de snelweg.

Het systeem biedt de keuze:

- " Bewaar alle berichten :",

of

- "Bewaar de berichten :"

● "Rondom de auto", (bevestig de

opgegeven kilometers om dit te

wijzigen en de afstand te kiezen),

● " Op de route".

Bevestig met "OK" om de wijzigingen op

te slaan.


05

BELANGRIJKSTE PICTOGRAMMEN TMC

Zwart-blauwe driehoek: algemene informatie, bijvoorbeeld:

Rood-gele driehoek: verkeersberichten, bijvoorbeeld:

VERKEERSBERICHTEN BELUISTEREN

De functie TA (Traffi c Announcement) geeft voorrang aan het luisteren

naar verkeersberichten. Om te worden geactiveerd moet deze functie een

radiozender die deze berichten uitzendt, goed kunnen ontvangen. Zodra een

verkeersbericht wordt uitgezonden, wordt de geluidsbron die op dat moment

wordt weergegeven (Radio, CD, USB, ...) automatisch onderbroken en wordt

het verkeersbericht weergegeven. Zodra het verkeersbericht is afgelopen,

wordt de weergave van de oorspronkelijke geluidsbron hervat.

Druk op RADIO om het menu weer te

geven.

Selecteer " Opties" en bevestig uw

keuze.

Selecteer " TA in-/uitschakelen " en

bevestig uw keuze.

Het geluidsvolume van de verkeersberichten kunt u alleen instellen

tijdens de weergave van een dergelijk bericht.

U kunt de functie op elk moment in- of uitschakelen door

op de toets te drukken.

Druk tijdens een verkeersbericht op de toets wanneer u

het bericht wilt onderbreken.

257


258

06 TELEFONEREN

Toegang tot het menu "TELEFOON"

Druk op deze toets.

Selecteer in "Lijst gesprekken" een nummer en bevestig

uw keuze met OK om een gesprek te starten.

Binnenkomende gesprekken.

Uitgaande gesprekken.

" Telefoon Tlf eeoo "

In de bovenbalk wordt steeds

aangegeven

Geen verbinding met een

telefoon.

Verbinding met een

telefoon.

Binnenkomend gesprek.

Uitgaand gesprek.

Bezig met

synchroniseren van

adresboek.

Telefoongesprek bezig.

Als u verbinding met een andere telefoon maakt, wordt

de lijst met de laatste gesprekken gewist.


06

TELEFONEREN

BLUETOOTH-TELEFOON

KOPPELEN

EERSTE KOPPELING

Ga voor meer informatie (compatibiliteit, extra hulp, enz.) naar

www.peugeot.nl.

Activeer de Bluetooth-functie van uw

telefoon en stel deze zo in dat de

telefoon "gezien" wordt.

Druk op deze toets.

Selecteer "Bluetooth-functies" en

bevestig uw keuze.

Het koppelen van de Bluetooth-telefoon aan de handsfree-set mag

om veiligheidsredenen en vanwege het feit dat deze handeling de

volledige aandacht van de bestuurder vraagt, uitsluitend worden

uitgevoerd als de auto stilstaat .

Selecteer "Randapparatuur zoeken" en

bevestig uw keuze.

Er verschijnt een overzicht van de

apparatuur die waargenomen is. Wacht

tot de knop "Verbinden" verschijnt.

Selecteer het gewenste apparaat in de

lijst, kies dan " Verbinden" en bevestig

uw keuze.

Het systeem stelt voor:

- het profi el "Handsfree functie "

(alleen telefoon),

- het profi el "Audio " (streaming:

lezen van muziekbestanden van de

telefoon),

- of beide profi elen " Alle".

Selecteer met " OK " en bevestig uw

keuze.

259


260

06

TELEFONEREN

De beschikbaarheid van diensten hangt af van het GSM-netwerk, de simkaart en de compatibiliteit van de gebruikte Bluetooth-apparatuur.

Controleer in de gebruiksaanwijzing van uw telefoon en informeer bij uw provider welke diensten voor u toegankelijk zijn.

Kies het profi el "Handsfree functie " als u geen muziek wilt

beluisteren.

Het systeem kan maar één profi el kiezen als de telefoon

geen extra functies heeft. U kunt allebei de profi elen als

standaardinstelling kiezen.

Kies een code voor de verbinding en

bevestig uw invoer met " OK".

Voer dezelfde pincode als die van de telefoon in om

de verbinding tot stand te brengen.

Accepteer een automatische verbinding met de telefoon als u wilt

dat de telefoon automatisch aangesloten wordt bij het starten van

de auto.

Het is afhankelijk van het type telefoon of het systeem u vraagt

om toestemming voor de overdracht van uw telefoonboek.

Bij terugkomst in de auto wordt de verbinding met de laatst

aangesloten telefoon binnen ongeveer 30 seconden na het

aanzetten van het contact, automatisch weer tot stand gebracht

(Bluetooth actief en apparatuur "zichtbaar").

Om het profi el van de automatische verbinding te veranderen,

moet u de koppeling met de desbetreffende telefoon ongedaan

maken en de telefoon daarna met het nieuwe profi el opnieuw

koppelen.


06 TELEFONEREN

BELLEN

EEN NIEUW NUMMER BELLEN EEN CONTACT BELLEN

Druk op deze toets.

Selecteer "Bellen" en bevestig uw

keuze.

Toets het nummer in op het virtuele

toetsenbord door de cijfers te selecteren

en daarna te bevestigen.

Bevestig met "OK" om het ingevoerde

telefoonnummer te bellen.

Gebruik de telefoon liever niet onder het rijden. Stop op een veilige

plaats of gebruik de toetsen op het stuur.

Druk op deze toets of houd

TEL/SRC op het stuurwiel ingedrukt.

Selecteer "Contacten " en

bevestig uw keuze.

Selecteer het gewenste contact en

bevestig uw keuze.

Selecteer het nummer en bevestig uw

keuze om het bellen te starten.

261


262

06 TELEFONEREN

LAATSTE NUMMERS BELLEN

Druk op deze toets of houd TEL/SRC

ingedrukt, selecteer " Gesprekkenlijst"

en bevestig uw keuze.

Selecteer het gewenste nummer en

bevestig uw keuze.

Druk op PHONE, selecteer " Telefoonopties " en bevestig uw

keuze, en selecteer vervolgens " De gesprekkenlijst wissen" als

u de lijst met gesprekken wilt wissen, en bevestig uw keuze.

U kunt altijd rechtstreeks met uw telefoon bellen. Zet in dat geval

de auto uit veiligheidsoverwegingen stil.

EEN GESPREK BEËINDIGEN

Druk op GESPREK BEËINDIGEN.

of

Houd de toets TEL/SRC op het

stuurwiel even ingedrukt.


06 TELEFONEREN

EEN GESPREK AANNEMEN

Als u gebeld wordt, klinkt een beltoon en verschijnt een

pop-upvenster op het scherm.

Standaard is het systeem ingesteld op

"Ja" om het gesprek aan te nemen.

Druk op " OK " om het gesprek aan te

nemen.

Selecteer " Nee " en bevestig uw keuze

om het gesprek te weigeren.

Druk deze toets of TEL/SRC even in om

een gesprek aan te nemen.

Houd deze toets of TEL/SRC langer

ingedrukt

of druk op OPHANGEN om een gesprek

te weigeren.

263


264

06

OPTIES TIJDENS EEN GESPREK *

Druk tijdens het gesprek een paar keer

op de toets MODE om het telefoonmenu

te selecteren en druk vervolgens op

"OK" om naar het contextmenu te gaan.

Of druk deze toets even in.

Selecteer " Privé-modus " en bevestig

uw keuze om het gesprek rechtstreeks

via de telefoon te voeren.

Of selecteer " Hands-freefunctie " en

bevestig uw keuze om het gesprek via

de luidsprekers van de audio-installatie

weer te geven.

Selecteer en bevestig " In de wacht

zetten " om het gesprek in de wacht te

zetten.

Of selecteer " Gesprek hervatten " en

bevestig uw keuze om een gesprek dat

in de wacht is gezet, voort te zetten.

* Afhankelijk van het type telefoon en het abonnement.

Selecteer " DTMF-tonen " om het

numerieke toetsenbord te kunnen

gebruiken voor het kiezen van eventuele

opties die u in een gesprek worden

aangegeven.

Selecteer " Verbreken " om het gesprek

te beëindigen.

U kunt ook een conference-call met 3

deelnemers houden. Start daarvoor eerst

2 afzonderlijke gesprekken* en selecteer

dan "Conference " in het contextmenu

dat verschijnt als u deze toets indrukt.


06

TELEFONEREN

BEHEER VAN TELEFOONVERBINDINGEN BELTONEN INSTELLEN

Druk op deze toets.

Selecteer "Bluetooth-functies".

Selecteer " Lijst met gekoppelde

randapparatuur" r en bevestig uw keuze.

U kunt nu:

- verbinding maken met de geselecteerde

telefoon via " Verbinden" of de

verbinding " Verbreken ",

- de koppeling met de geselecteerde

telefoon verbreken.

U kunt ook alle koppelingen tegelijk verbreken.

Druk op deze toets.

Selecteer "Telefoonopties" en bevestig

uw keuze.

Selecteer "Opties beltonen " en

bevestig uw keuze.

U kunt het volume en het type beltoon

instellen.

Selecteer "OK" en bevestig uw keuze

om de wijzigingen op te slaan.

265


266

07 INDEX - ADDR BOOK

Toegang tot het menu "CONTACTEN"

Druk op ADDR BOOK.

De manier waarop de

contactenlijst geordend is,

hangt af van de gebruikte

telefoon.

Bestemming:

- afkomstig van de contacten die in de mobiele telefoon

en op de SIM-kaart zijn opgeslagen (afhankelijk van

de synchronisatie-opties van het Bluetooth-menu en

de compatibiliteit van de telefoon),

- opgeslagen in het systeem.

Selecteer een contact en bevestig uw keuze.

Selecteer vervolgens "Navigeren naar" r en bevestig uw keuze.

"Contacten Contacten C t t "

" Co Contacten C t ttacte t weergeven

ee ge g e "

(" ( O " " "I I t "

Telefooncontacten:

- van de mobiele telefoon en de SIM-kaart (afhankelijk

van de synchronisatie-opties van het Bluetooth-menu

en de compatibiliteit van de telefoon),

- opgeslagen in het systeem.

Selecteer een telefooncontact en bevestig uw keuze om

het desbetreffende nummer te bellen.


07

INDEX - ADDR BOOK

ADRESBOEK / SYNCHRONISEREN CONTACTEN

Druk twee keer op ADDR BOOK en

selecteer vervolgens "Nieuw contact"

om een nieuw contact op te slaan.

Druk twee keer op ADDR BOOK ,

selecteer vervolgens "Confi guratie" en

bevestig uw keuze.

Selecteer "Alle contacten wissen "

om de opgeslagen contacten uit het

geheugen te verwijderen.

Selecteer "Alles importeren " om alle

contacten van de telefoon te importeren

en op te slaan.

Selecteer " Synchronisatie-opties" en

bevestig uw keuze:

- Geen synchronisatie: alleen de in het

geheugen van het systeem opgeslagen

contacten (altijd aanwezig).

- Contacten van telefoon weergeven:

alleen de contacten die in het geheugen

van de telefoon zijn opgeslagen.

- Contacten van SIM-kaart weergeven:

alleen de contacten die op de SIMkaart

van de telefoon zijn opgeslagen.

- Alle contacten weergeven: de

contacten die in het geheugen van

de telefoon én op de SIM-kaart zijn

opgeslagen.

Druk twee keer op ADDR BOOK en

selecteer vervolgens "Status van

contactengeheugen " als u wilt weten

hoeveel contacten er in het geheugen

zijn opgeslagen en hoeveel ruimte er nog

over is.

267


268

07

INDEX - ADDR BOOK

CONTACTEN BEHEREN

Druk twee keer op ADDR BOOK ,

selecteer vervolgens "Contacten

weergeven" en bevestig uw keuze.

Selecteer het gewenste contact en

bevestig uw keuze.

Selecteer "Openen " om een extern

contact weer te geven of een opgeslagen

contact te wijzigen.

Een extern contact moet altijd eerst geïmporteerd worden voordat

u het kunt wijzigen. Het contact wordt in het geheugen van het

systeem opgeslagen. Contacten in het adresboek van de telefoon of

op de SIM-kaart kunnen niet verwijderd of gewijzigd worden via de

Bluetooth-verbinding.

Selecteer "Importeren " om één contact

naar het systeem te kopiëren.

Selecteer "Verwijderen " om een

opgeslagen contact uit het systeem te

verwijderen.

Selecteer OK of ESC om dit menu te

verlaten.


08 RADIO

Naar het menu "RADIO"

Druk op RADIO.

Houd LIST even ingedrukt om

het overzicht van zenders te

verversen.

Druk op of of gebruik het draaiknopje om de vorige

of volgende zender van de lijst te kiezen.

Dit overzicht verschijnt ook als u de toets LIST op het

stuur indrukt.

"FM FM FM-band FM band b d dd"

Wissel tussen het menu en de lijst (links/rechts).

of

269


270

08 RADIO

SELECTEREN VAN EEN ZENDER

Er kunnen storingen in de ontvangst optreden door obstakels in de omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.), ook als de

RDS-functie is ingeschakeld. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de autoradio.

De kwaliteit van de ontvangst wordt

aangegeven door het aantal actieve

golven in dit symbool.

Alfabetisch

Druk op RADIO of LIST , kies de