Untitled - Holland Historisch Tijdschrift
Untitled - Holland Historisch Tijdschrift
Untitled - Holland Historisch Tijdschrift
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
<strong>Holland</strong>, regionaal-historisch tijdschrift<br />
<strong>Holland</strong>\s een tweemaandelijkse uitgave van de <strong>Historisch</strong>e Vereniging <strong>Holland</strong>, die voorts de reeks<br />
<strong>Holland</strong>se Studiën uitgeeft. <strong>Holland</strong> wordt kosteloos aan de leden toegezonden. Voor de <strong>Holland</strong>se<br />
Studiën gelden speciale ledenprijzen/ledenkortingen.<br />
Redactie<br />
J. Brugman, G.M.E. Dorren, K. Goudriaan, P.C.Jansen, M. Keblusek, P. Knevel, E. Kreuwels,<br />
J. Steenhuis, G. Verhoeven, E.L. Wouthuysen.<br />
Vaste medewerkers<br />
H.J. Metselaars (archiefnieuws), W. A.M. Hessing (archeologie).<br />
Kopij voor <strong>Holland</strong> en <strong>Holland</strong>se Studiën te zenden aan de redactiesecretaris van <strong>Holland</strong>, mevr. drs M.<br />
Keblusek, Theophile de Bockstraat 19", 1058 TW Amsterdam, telefoon 020-6695548.<br />
De kopij moet worden ingediend conform de richtlijnen van de redactie. Deze zijn verkrijgbaar bij de<br />
redactiesecretaris.<br />
Publikaties ter bespreking of aankondiging in <strong>Holland</strong> gaarne zenden aan de boekenredacteur: dr G.<br />
Verhoeven, p/a Gemeentelijke archiefdienst Delft, Oude Delft 169, 2611 HB Delft, tel. 015-2602340.<br />
<strong>Historisch</strong>e Vereniging <strong>Holland</strong><br />
De <strong>Historisch</strong>e Vereniging <strong>Holland</strong> stelt zich ten doel de belangstelling voor en de beoefening van de<br />
geschiedenis van Noord- en Zuid-<strong>Holland</strong> in het bijzonder in haar regionale en lokale aspecten te<br />
bevorderen.<br />
Secretariaat: mevr. drs G.J.A.M. Bolten, p/a Rijksarchief in Noord-<strong>Holland</strong>, Kleine Houtweg 18,<br />
2012 CH Haarlem<br />
Ledenadministratie: M.G. Rotteveel, p/a Rijksarchief in Noord-<strong>Holland</strong>, Kleine Houtweg 18, 2012<br />
CH Haarlem, telefoon 023-531 95 25.<br />
Contributie: ƒ50,- per jaar voor gewone leden (personen) en buitengewone leden (instellingen), na<br />
ontvangst van een acceptgirokaart te storten op postgirorekening nr 339121 ten name van de Histori<br />
sche Vereniging <strong>Holland</strong> te Haarlem. Zij die in de loop van een kalenderjaar lid worden, ontvangen<br />
kosteloos de in dat jaar reeds verschenen nummers van <strong>Holland</strong>.<br />
Losse nummers: ƒ 7,50, dubbele nummers/15,-, vermeerderd met ƒ3,- administratiekosten vooreen<br />
enkel nummer, ƒ 5,50 voor meerdere nummers of voor een dubbel nummer. Losse nummers kunnen<br />
worden besteld door overmaking van het verschuldigde bedrag op postgirorekening nr 3593767 ten<br />
name van de penningmeester van de <strong>Historisch</strong>e Vereniging <strong>Holland</strong>, afd. verkoop publikaties te<br />
Haarlem, onder vermelding van het gewenste.<br />
<strong>Holland</strong>se Studiën: delen in de serie <strong>Holland</strong>se Studiën en het Apparaat voor de geschiedenis van <strong>Holland</strong><br />
kunnen op dezelfde wijze worden besteld als losse nummers van <strong>Holland</strong>. Gegevens over de publikaties<br />
van de Vereniging zijn regelmatig te vinden in de rubriek Verkrijgbaar via <strong>Holland</strong> achterin het<br />
tijdschrift.<br />
ISSN 0166-2511<br />
© 1996 <strong>Historisch</strong>e Vereniging <strong>Holland</strong>. Niets uit deze uitgave mag, op welke wijze dan ook, worden<br />
vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de<br />
redactie.
<strong>Holland</strong>, regionaal-historisch tijdschrift<br />
Tweemaandelijkse uitgave van de <strong>Historisch</strong>e Vereniging <strong>Holland</strong><br />
Achtentwintigste jaargang<br />
Dordrecht 1996
J.C.N. Raadschelders<br />
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
Van de vele publikaties op het terrein van plaatselijke bestuurscolleges vormen die waarin<br />
zogeheten naamlijsten worden gepresenteerd, een belangrijk startpunt voor verder prosopo-<br />
grafisch en genealogisch onderzoek. Daarnaast vormen deze een belangrijke bron voor on<br />
derzoek naar onder meer oligarchiseringstendenties en naar betrekkingen tussen plaatselijk<br />
en gewestelijk bestuur ten tijde van de Republiek.<br />
Reeds in de 17e en 18e eeuw werden lijsten van plaatselijke bestuurders opgesteld, door<br />
gaans als onderdeel van een stadsgeschiedenis. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw was<br />
het opstellen van dergelijke lijsten onderdeel van het streven naar systematische inventarisa<br />
tie van bronnen. Rond de eeuwwisseling publiceerde Bruinvis, stadsarchivaris van Alk<br />
maar, een volledig overzicht van vroedschappen, burgemeesters en schepenen van die stad. 1<br />
In 1927 publiceerde Dresch, eveneens archivaris van Alkmaar, een vroedschapslijst van Be<br />
verwijk, die overigens niet volledig was. 2<br />
Van verschillende grotere en kleinere steden zijn<br />
dergelijke bestuursnaamlijsten gepubliceerd. In het kader van een onderzoek naar de be<br />
stuurlijke ontwikkeling van de gemeenten Alkmaar, Beverwijk, Purmerend en Zaandam<br />
heb ik in de jaren tachtig de bestaande vroedschapslij st van Purmerend aangevuld. 3<br />
Het<br />
toen verzamelde materiaal is nu bewerkt op dezelfde wijze als voor Beverwijk (zie noot 2).<br />
Behoudens de studie van Verhoofstad is er weinig onderzoek gedaan naar de stad Purmer<br />
end. 4<br />
Verhoofstads werk is op sommige punten onjuist en/of onvolledig, wat overigens - ge<br />
zien de taak die hij zich had gesteld - geen afbreuk doet aan de betekenis van zijn studie. 5<br />
In dit artikel worden ontwikkelingen in het bestuur van Purmerend besproken naar aan<br />
leiding van de volledige vroedschapslij st. Na enkele korte notities over het oudste bestuur<br />
van de stad volgt een bespreking van de vroedschapslij st met informatie over de bestuursver-<br />
anderingen. Het slot van deze paragraaf is opgezet naar het voorbeeld van mijn eerdere arti<br />
kel over Beverwijk. Vervolgens treden burgemeesters en schepenen voor het voetlicht, waar<br />
bij tevens aandacht wordt gegeven aan de verkiezingsprocedure. Ten slotte wordt nader in<br />
gegaan op de positie van de schout die, ofschoon niet behorende tot de stedelijke regering,<br />
een belangrijke plaats in het lokale bestuur innam. In de literatuur is weinig zelfstandige<br />
aandacht geschonken aan de ontwikkeling van het schoutambt. Notities op deze plaats zijn<br />
dan ook vooralsnog oriënterend van aard.<br />
* Ik dank Katja Bossaers voor haar kanttekeningen bij een eerdere versie van dit artikel.<br />
1 C.W. Bruinvis, De Alkmaarsche vroedschap tot 1795 (Alkmaar z.j.); idem, De regeering van de stad Alkmaar tot 1795<br />
(Alkmaar z.j.).<br />
2 N.J.M. Dresch, Inventaris van het Oud-Archief der gemeente Beverwijk 1250-1817 (Beverwijk 1927).J.C.N. Raadschelders,<br />
'De vroedschap der 'stede Beverwijck' 1642-1794', <strong>Holland</strong> 18 (1986) 24-44.<br />
3 Deze vroedschapslijst berust in het familie-archief Pont (Streekarchief Waterland) en bevat 142 namen over<br />
de periode 1605-1795. Zowel de namen als de periode van aanstelling zijn zeer onvolledig. J.C.N. Raadschelders,<br />
Plaatselijke bestuurlijke ontwikkelingen 1600-1980. Een historisch-bestuurskundig onderzoek in vier Noordhollandse<br />
gemeenten ('s-Gravenhage 1990).<br />
4 P. M. Verhoofstad, Geschiedenis van Purmerend (Purmerend 1947). Het boek van P. Huurdeman, De geschiedenis<br />
van Purmerend (Purmerend 1975), bevat geen nieuwe gezichtspunten of gegevens en is qua inhoud en opzet een<br />
getrouwe kopie van Verhoofstad.<br />
5 Verhoofstad heeft blijkens zijn noten veel gebruik gemaakt van het toenmalige gemeentearchief. De door mij<br />
bedoelde gebreken hebben betrekking op het bestuurlijke apparaat en worden in deze tekst aangestipt.<br />
1
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
Het oudste bestuur van Purmerend 1100-1600<br />
Lokale rechtsgemeenschappen werden oorspronkelijk door een vertegenwoordiger van de<br />
graaf, de schout, en door uit de burgerij gekozen schepenen bestuurd. In Purmerend werden<br />
de vijf schepenen jaarlijks gekozen op Nieuwjaarsdag (tot 1410), Vrouwendag (Maria Lichtmis,<br />
21 februari, 1410-1441), en St Marcusdag (25 april, sinds 1441). Schout en schepenen<br />
waren met het totale bestuur belast, maar hadden vooral rechtsprekende en wetgevende taken.<br />
Toename van het aantal overheidstaken leidde tot een toename van het aantal keuren<br />
en ordonnantiën, zowel op initiatief van het bestuur als op verzoek van de burgerij. Het opstellen<br />
van keuren en het toezicht op de handhaving ervan hield een zodanige taakverzwaring<br />
in dat schout en schepenen in de loop van de 14e-16e eeuw meer en meer werden bijgestaan<br />
door raden, later burgemeesters geheten. Burgemeesters werden vooral belast met het<br />
dagelijks bestuur waaronder tevens het financieel beheer werd begrepen.<br />
Wanneer Purmerend voor het eerst burgemeesters kreeg is niet bekend. Zij worden voor<br />
het eerst vermeld in een charter uit 1433 doch pas in een charter van 1484 aangeduid als<br />
'regeerders'. 6<br />
In het charter van 12 april 1484 verleende de toenmalige Heer van Purmerend,<br />
Johan van Egmond, de stad tevens het recht 31 vroedschappen aan te stellen. Zij hadden<br />
zitting voor het leven en vulden zichzelf bij coöptatie aan. De verkiezing van de burgemeesters<br />
bleef tot 1546 geheel aan de Heer. In 1546 bepaalde de toenmalige Heer, Lamoraal,<br />
Graaf van Egmond, dat de vroedschap een zestal notabele burgers mocht nomineren waaruit<br />
hij twee burgemeesters zou kiezen. In de wijze van verkiezing van burgemeesters en<br />
vroedschappen traden met de onafhankelijkheid van de Republiek geen wijzigingen op; alleen<br />
werd de Heer vervangen door de Staten van <strong>Holland</strong>.<br />
De vroedschap 1600-1795<br />
Volgens Verhoofstad telde tot 1626 de vroedschap 31 leden, 7<br />
doch in 1600 waren er niet meer<br />
dan 25. Hoewel de vroedschap in dat zelfde jaar besloot tot uitbreiding 'tot 't volle getal' 8<br />
werd daar geen actie op genomen. Verdere afname van hun aantal leidde in 1605 tot een<br />
nieuw voorstel dat aldus werd verwoord:<br />
Eerst is goet gevonden, aengesien de vroetschappen in 't getal niet versterven en andersints<br />
zeer is vermindert dat men over sulx de vroetschappen zal verstercken met zes persoonen<br />
voort erst. 9<br />
Tegelijkertijd bepaalden de zittende leden dat verwanten in de eerste graad (vader en zoon,<br />
broers) niet verkiesbaar waren. Een halfjaar later werden zes personen in de vroedschap<br />
benoemd (nrs 26-31). Ruim anderhalf jaar later werd een tweede versterking noodzakelijk<br />
geacht (nrs 32-35). Mogelijk was het verloop door overlijden groot, aangezien in 1610 en 1611<br />
6 C.J. Gonnet, Inventaris van het archief van Purmerend 1275-1813 (Purmerend 1914) nr 21, nr 42. Overigens meent<br />
Van Sandwijk dat Purmerend 30 vroedschappen en 3 burgemeesters telde op 31 juli 1515. Zie G. van Sandwijk,<br />
Kromjkmatige en geschiedkundige beschrijving van Purmerend en omliggende dorpen en meren (Purmerend 1839) 28.<br />
7 Verhoofstad, Geschiedenis van Purmerend, 88; Huurdeman, De geschiedenis van Purmerend, 114-115.<br />
8 Streekarchief Waterland (hierna: SAW), notulen vroedschapsvergadering (hierna nr 94) dl 2, 26 april 1600.<br />
9 SAW, nr 94, dl 2, 13 februari 1605.<br />
2
Afb. 1. 18e-eeuwse plattegrond van Purmerend, A. van de Gronden.<br />
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
nog eens acht vroedschappen werden aangesteld (nrs 36-43). Verdere uitbreidingen, telkens<br />
met vier personen (nrs 44-55), volgden in 1613, 1614 en 1618, doch tot de officiële verminde<br />
ring van 20 personen in 1626 is het aantal vroedschappen nooit hoger dan 28 (1614).<br />
Aannemende dat absenties een redelijk betrouwbare indruk geven van het verloop, was<br />
het aantal vroedschappen - de herhaaldelijke versterkingen ten spijt - in 1621 reeds gedaald<br />
tot 20 (in 1625 nog 16). Deze toestand werd als fait accompli aanvaard in een besluit uit 1625<br />
waarin onder meer stond:<br />
Is noch met rijpe deliberatie verstaen ende bij eenparige stemmen geresolveert, omme<br />
in de eerste vergaderinge vande heeren Staten van hollant te becomen consent van twin-<br />
tich vroetschappen te houden compleet in hare vergaderingen, een stervende de plaetse<br />
over ses weecken daer naer wederom te vervullen. 10<br />
Dit is opmerkelijk. Hoewel over de opvolgingsduur van vacante vroedschapszetels weinig<br />
bekend is, bleek deze in het 17e-eeuwse Beverwijk veelal langer dan een jaar te duren. 11<br />
Of<br />
schoon onduidelijk is of de vroedschap deze resolutie daadwerkelijk volgde, bleek mij in ge-<br />
10 SAW, nr 94, dl 5, 24 december 1625.<br />
11 Raadschelders, 'De vroedschap der 'stede Beverwijck', 29-30.<br />
3
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
vallen waar het overlijden eerder in de notulen werd vermeld (namelijk de nrs 70, 84, 114,<br />
122, 131, 138, 177, 179) dat de opvolging meestal tussen één tot vier maanden was geregeld.<br />
Na bekrachtiging van het voorstel door de Staten van <strong>Holland</strong> (1626) werd de vroedschap<br />
met vier personen aangevuld tot twintig (nrs 56-59). Tot de wetsverzetting van 1672 werden<br />
41 personen in de vroedschap benoemd (nrs 60-100). Met uitzondering van aanvullingen<br />
op het reglement van orde, vonden in deze jaren geen wijzigingen in de vroedschap plaats. 12<br />
Uniek was in deze periode dat een zetel beschikbaar werd gehouden. In verband met zijn<br />
aanstelling tot raadsheer bij het Hof van <strong>Holland</strong> was mr Franco Riccen (nr 80) eind 1655<br />
naar Den Haag vertrokken. Acht jaar later besloot de vroedschap dat in geval van Riccens<br />
terugkeer, de eerstkomende vacature aan hem zou toevallen. 13<br />
Inderdaad werd hem in 1667<br />
een zetel aangeboden, doch Riccen bedankte voor de eer. De plaats bleef tot zijn overlijden<br />
in 1673 onvervuld. Aangezien de vroedschap in 1669 besloot haar aantal te laten afnemen<br />
tot 15, werd in de vacatures Riccen, Blau, Van Lichten, Larenius en Bel (nrs 99, 83, 86, 90,<br />
93) niet voorzien. 14<br />
Deze situatie was slechts van korte duur.<br />
Met de benoeming van Willem III tot stadhouder werden op tal van plaatsen staatsgezinde<br />
regeerders vervangen door aanhangers van de stadhouder. Niet zelden werden bij dergelijke<br />
wetsverzettingen deels de vroedschappen vervangen. In Purmerend gebeurde dit echter<br />
niet, maar de prins wenste het aantal vroedschappen uit te breiden. Zelfbenoemde hij vier<br />
van hen (nrs 101-104), terwijl met de benoeming van Jacob Hendrickss. Tegel (nr 107) het<br />
aantal weer op 20 kwam. 15<br />
Daarmee kwam een einde aan drie maanden onrust. 16<br />
Van de 35 benoemingen tussen 1672-1702 zijn die van Gerard Constantijn van Ruyten-<br />
burgh (nr 112) en diens zoon mr Reynier Gerard van Ruytenburgh een nadere aantekening<br />
waard. Eerstgenoemde was van 1667-1701 schout en kastelein van Purmerend en het was<br />
zeker in de 17e eeuw geen gewoonte dat een vertegenwoordiger van de Staten toegang kreeg<br />
tot het vroedschapsambt. 17<br />
Beide ambten werden onverenigbaar geacht. Met de benoe<br />
ming van Ruytenburgh stapten de vroede vaderen van deze gewoonte af, hoewel de schout<br />
werd aangesteld onder.de voorwaarde dat hij geen gewestelijke ambten zou ambiëren. 18<br />
Bij de benoeming van zijn zoon (nr 131) werd de resolutie van 13 februari 1605, waarin<br />
bepaald was dat naaste bloedverwanten niet tegelijkertijd in de vroedschap konden zitten,<br />
enigszins verlaten. De zoon werd weliswaar benoemd, maar mocht pas zitting nemen en van<br />
het stemrecht gebruik maken na het overlijden van zijn vader. Zo ontstond tijdelijk een situa<br />
tie dat de iure 20, maar defacto slechts 19 vroedschappen functioneerden. In de naamlijst over<br />
deze periode komt eenmaal dezelfde naam voor: Geert of Gerrit Cos (nrs 105 en 128). Deze<br />
12 SAW, nr 94, dl 7, 31 oktober 1648 (bij afwezigheid op de vergadering kan een vroedschap schriftelijk advies<br />
achterlaten) en 28 november 1651 (bij absentie moet een vroedschap zes stuivers boete betalen).<br />
13 SAW, dl 9, 10 juli 1663.<br />
14 SAW, dl 10, 5 maart 1669 (besluit tot 15 leden) en 9 april 1669 (melding van het octrooi van de Staten). Verhoofstad,<br />
Geschiedenis van Purmerend, 88, vermeldt 23 maart 1669 als datum van het octrooi (zie ook bij noot 29).<br />
15 SAW, dl 10, 18 september 1672 en 31 maart 1673. Vergelijk Verhoofstad, Geschiedenis van Purmerend en Otsen<br />
die menen dat na 1669 het aantal vroedschappen definitief op 15 bleef. J. Otsen, 'Purmerend in de patriottentijd',<br />
Nederlandse Historiën. <strong>Tijdschrift</strong> voor vaderlandse streekgeschiedenis 17 (1983) 173.<br />
16 Zie voor meer informatie over de onrust in Purmerend D.J. Roorda, Partij en factie. De oproeren van 1672 in de<br />
steden van <strong>Holland</strong> en Zeeland, een krachtmeting tussen partijen en facties (Groningen 1978, 2e druk) 118, 167, 191-194.<br />
17 De schout van Purmerend werd ook wel als 'kastelein' aangeduid, omdat de vroegere vertegenwoordiger van<br />
de graaf, de Heer van Purmerend, in het kasteel woonde.<br />
18 SAW, nr 94, dl 11, 18 februari 1677. In de resolutie werden specifiek de volgend ambten genoemd: Gecommitteerde<br />
Raad Hoorn, Gecommitteerde Raad Admiraliteit, Auditeur Gemeenelandsmiddelen. Het ambt van afgevaardigde<br />
in de Staten van <strong>Holland</strong> was niet in deze rij opgenomen (zie bij noot 37).<br />
4
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
Afb. 2. Notulen (fragment) van de vroedschapsvergadering waarin werd besloten uit te breiden tot<br />
20 personen. SAW, nr 94, dl 5, 24 december 1625.<br />
trad in 1693 af ten gunste van zijn zoon Cornelis Cos (nr 126). Toen deze echter na ruim<br />
vier jaar overleed, werd zijn vader opnieuw benoemd. Van de benoemingen in de periode<br />
1672-1702 zijn vijf vacatures opgetreden (nrs 107, 110, 115, 123, 134), omdat de vroedschap<br />
in 1702 had overwogen:<br />
off niet vermits het affsterven van zijn koninge majestijt van Groot Brittanniën den octroye<br />
bij de heeren van de Regering alhier den 23e martij 1669 van de heeren Staten van<br />
<strong>Holland</strong> ende Westvrieslandt geobtineert van cragt ende effecte sal sijn, ende men den<br />
innehouden van dien bij deze conjuncture van tijden en saken, sal comen op te volgen,<br />
en oversulex in Conformitie van 't selve de vroedschap van 20 tot 15 personen te laten<br />
uytsterven. 19<br />
De vroedschap bestond van toen af tot 1788 uit 15 personen. De benoemingen in de jaren<br />
1702-1749 geschiedden door de vroedschappen zelf. Alleen werden de toetredingscriteria<br />
ogenschijnlijk verruimd, toen dr Nicolaas Melckpot (nr 138) in 1709 werd gekozen ondanks<br />
het feit dat hij nu 'geen ingeboren burger [was], geen burgeres had gehuwd of met een burgeres<br />
gehuwd was geweest'. 20<br />
Het verzet daartegen van de leden Cock, Nieuwentijt, Munnick,<br />
19 SAW, nr 94, dl 13, 29 december 1702.<br />
20 SAW, dl 14, 30 november 1709. Melckpot was echter wel degelijk in Purmerend geboren (3 mei 1661); zijn benoeming<br />
was onderwerp van factiestrijd wat uiteindelijk leidde tot een contract van correspondentie in 1710<br />
(vriendelijke mededeling van Katja Bossaers).<br />
5
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
Pet, Brouwer en Wormer - die zelfs een tegenkandidaat voorstelden (Pieter van der Ley,<br />
die uiteindelijk in 1713 werd benoemd) - mocht niet baten. De overige benoemingen verliepen<br />
zonder problemen.<br />
Bij gelegenheid van het tweede herstel van het stadhouderlijk gezag in 1747 schonk de<br />
meerderheid van stadsregenten niet alleen een pand in Den Haag, maar besloot zij tevens<br />
de zetels van alle ambten ter beschikking te stellen. Dit was een gebruikelijke stap voor alle<br />
stadsbesturen. Van de 15 vroedschappen werden 11 herbenoemd, terwijl Pet, Koenis en Appel<br />
- die hun zetels niet ter beschikking hadden gesteld - gedwongen waren om af te treden.<br />
Samen met de na het overlijden van Jan Peereboom vacant gekomen zetel betekende dit dat<br />
de prins vier nieuwe vroedschappen aanstelde. 21<br />
Hieruit blijkt mogelijk dat vóór 1748 het<br />
merendeel der vroedschappen niet afwijzend stond tegenover Oranje. De terbeschikkingstelling<br />
van de zetels kon natuurlijk ook getuigen van politiek opportunisme.<br />
Tot 1783 deden zich in de benoeming van de vroedschappen geen noemenswaardige problemen<br />
voor. Het was in dat jaar dat eigenlijk voor het eerst in de raden van Purmerend<br />
een conflict ontstond tussen staats- en prinsgezinden. Dit leidde tot de eerste wetsverzetting<br />
in die plaats. Een kort tussenspel is hier op zijn plaats.<br />
Terwijl in de vroege 17e eeuw politieke tegenstellingen zich manifesteerden langs religieuze<br />
lijnen (remonstranten versus contra-remonstranten) verschoof in de 17e eeuw geleidelijk<br />
het accent naar de tegenstelling staats- en prinsgezinden (ook wel Loevesteinse respectievelijk<br />
Oranjegezinden). In tijden van crisis (vaak een vermenging van internationale met binnenlandse<br />
conflicten) smeedden deze latente, maar immer aanwezige facties zich aaneen tot<br />
partijen.<br />
In een dergelijke situatie besloten vier gewesten geen opvolger te benoemen voor de op<br />
6 november 1650 overleden Willem II. Oorlog met Frankrijk en afkeuring van het buitenlands<br />
beleid van Johan de Wit leidden in 1672 tot de aanstelling van Willem III als stadhouder<br />
van <strong>Holland</strong>. Dertig jaar later grepen vijf gewesten het overlijden van Willem III aan<br />
om geen nieuwe stadhouder te benoemen. Hij had immers door zijn voortdurende strijd met<br />
Lodewijk XIV de Republiek in een uiterst penibele financiële situatie gebracht.<br />
De hierop volgende wetsverzettingen, in Gelderland ook wel bekend als de plooierijen,<br />
brachten de staatsgezinden weer in het zadel. 22<br />
In 1747 herhaalde het patroon zich. Binnenlandse<br />
onrust (strenge winters vanaf 1740, stagnatie van de graanaanvoer, grote onvrede<br />
over corruptie en belastingstelsel) gecombineerd met Franse aanwezigheid in Zeeuws-<br />
Vlaanderen deden het tij keren ten gunste van de Oranje-factie en Willem IV werd tot het<br />
stadhouderschap van <strong>Holland</strong> verheven. Van de verwachtingen die men had over zijn daden<br />
(bestrijding van corruptie en verbetering van het stelsel van belastingheffing) kwam weinig<br />
tot niets terecht, en dit leidde onder zijn opvolger Willem V (1766-1795) tot hernieuwde verscherping<br />
van tegenstellingen tussen staats- en prinsgezinden. De vierde Engelse oorlog<br />
(1782-1784) was de lont in het kruitvat.<br />
Net zoals in 1650 en 1702 trokken veel steden het nominatierecht voor plaatselijke bestuurders<br />
aan zich. Zo ook in Purmerend waar op 3 december 1783 13 van de 15 vroedschap-<br />
21 SAW, dl 19, 24 juni 1747. Het pand dat men (mede) schonk was het zogeheten Logement der Vijf Steden, een<br />
huis aan de Hofsingel te Den Haag waar de gedeputeerden ter dagvaart van Hoorn, Edam, Monnikendam,<br />
Medemblik en Purmerend verbleven. Uit dank voor het geschenk bepaalden de Staten dat de vijf steden een<br />
nieuw logement zouden bekomen op kosten van het gewest. Zo sneed het mes aan twee kanten: de prins een<br />
present, de stadskas onbezwaard.<br />
22 A.H. Wertheim-Gijse Weenink, Democratische bewegingen in Gelderland 1672-1795 (Amsterdam 1973).
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
pen zich van de prins distantieerden. Tussen hen en de Oranjegetrouwe leden Peereboom<br />
(tevens schout) en Van Goor Hinloopen ontspon zich een discussie die in volledige genotuleerde<br />
re- en duplieken is neergelegd. In dit geschil namen de Staten van <strong>Holland</strong> aanvankelijk<br />
een voorzichtige positie in, door - bij wijze van noodmaatregel - voorlopig zelf benoemingen<br />
van de magistraat te verzorgen. Later werden de Staten steeds duidelijker stadhoudersgezind.<br />
Om hier niet nader uiteen te zetten redenen begon het front van de patriotten<br />
in de loop van 1786-87 duidelijke scheuren te vertonen. 23<br />
Mede vanwege de dreiging van<br />
het in september 1787 binnengevallen Pruisische leger (de echtgenote van Willem V, Wilhelmina,<br />
was een zus van Frederik Willem II, koning van Pruisen) werd het stadhouderlijk gezag<br />
hersteld. Bij de verkiezingen op St Marcusdag van het daaropvolgende jaar werden zeven<br />
van de 15 vroedschappen herbenoemd, terwijl acht van hen weigerden hun zetel ter beschikking<br />
te stellen (nrs 176, 178, 182, 183, 189-191, 193). Zes van de acht zetels werden door<br />
de prins direct aangevuld (nrs 194-199). Van de twee nog vacerende zetels werd met de benoeming<br />
van Van Nes tijdelijk één vervuld. 24<br />
In totaal heeft Purmerend tussen 1600-1795 202 vroedschappen gehad (denk aan nrs 99,<br />
105, 128). Van 140 vroedschappen is de ambtstermijn bekend. Bij verdeling over enkele jaargroepen,<br />
die bovendien gesplitst zijn naar reden van beëindiging, ontstaat tabel 1.<br />
Tabel 1. Aantal vroedschappen verdeeld naar zittingsduur en reden van beëindiging lidmaatschap<br />
Overlijden Vertrek Totaal<br />
jaren abs. % abs. % abs. %<br />
0- 1 3 2,1 3 2,1<br />
1- 4 8 5,7 2 1,4 10 7,1<br />
5-9 18 12,9 4 2,9 22 15,7<br />
10-14 16 11,4 2 1,4 18 12,9<br />
15-19 18 12,9 2 1,4 20 14,3<br />
20-24 15 10,7 5 3,6 20 14,3<br />
25-29 12 8,6 3 2,1 15 10,7<br />
30-32 15 10,7 - - 15 10,7<br />
35- 16 11,4 1 0,7 17 12,1<br />
Totaal 121 86,4 19 13,6 140 100,0<br />
legenda: jaren = aantal jaren; abs.= absoluut aantal jaren.<br />
Zoals te verwachten bij benoemingen voor het leven bleef de overgrote meerderheid van de<br />
vroedschappen tot het overlijden in het ambt (86,4 %). Van de 19 die bij leven het ambt neerlegden<br />
waren er 11 door de prins afgezet; twee traden af wegens ouderdom (nrs 146, 155);<br />
één vanwege de aanvaarding van een gewestelijk ambt (nr 80); drie zonder opgaaf van redenen<br />
(nrs 98, 179, 203) en twee vertrokken naar Indië (nrs 168, 169). Het gemiddeld aantal<br />
23 Zie Verhoofdstad, Geschiedenis van Purmerend, 272-289. Voor de patriottentijd in het algemeen zie C.H.E. de<br />
Wit, De strijd tussen aristocratie en democratie in Nederland 1780-1848. Kritisch onderzoek van een historisch beeld en herwaardering<br />
van een periode (Heerlen 1965), alsmede C.H.E. de Wit, 'Oud en Modern. De Republiek 1780-1795'<br />
in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden dl 9 (Haarlem 1980) 113-125.<br />
24 SAW, nr 94, dl 26, 3 januari 1791. Hoewel de prins het voornemen had de twee zetels aan te vullen, vond slechts<br />
één benoeming daadwerkelijk plaats. Na het vertrek van Van Nes (die aftrad) telde de vroedschap nog slechts<br />
13 personen.<br />
7
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
zittingsjaren was 19,8, wat hoger is dan in Beverwijk (15,7). 25<br />
Dit cijfer zegt verder weinig,<br />
al valt wel op dat 22,8% van de Purmerendse vroedschappen, tegen 7,6% in Beverwijk,<br />
30 jaar of langer in functie was. De invloed van de vroedschap is te beoordelen naar de<br />
mate waarin uit haar gelederen burgemeesters en schepenen werden gerecruteerd.<br />
Verkiezing en zittingsduur van burgemeesters en schepenen<br />
Oorspronkelijk had Purmerend twee burgemeesters en vijf schepenen die jaarlijks werden<br />
gekozen uit de gegoede burgerij. Wanneer het schepencollege tot zeven werd uitgebreid<br />
is niet bekend, doch het moet in de 16e eeuw zijn geweest. Hetzelfde geldt voor de burgemeesters.<br />
Het aantal burgemeesters werd volgens Verhoofstad in 1626 op drie gebracht. 26<br />
Er waren echter in 1600 al drie burgemeesters en in de jaren 1615-1617 zelfs vier. Het octrooi<br />
van 1626 zal een in de 16e eeuw ontstane situatie hebben willen bevestigen. Het<br />
vroedschapsbesluit dat aan dit octrooi vooraf ging (zie noot 10) vertelt ons meer over de<br />
plaats van de burgemeester in de vergadering met vroedschappen en over de verkiezingsprocedure:<br />
Ende dat Burgemeesteren oock nae St. Marckesdach eerstcomende meede thans de eerste<br />
stem inde vergaderinge sullen hebben, is oock geresolveert dattmen inde eerste vergaderinge<br />
voornoemt, sullen becomen soodanige consent, dat Burgemeesteren ende vroetschappen<br />
dubbelt getal van nieuwe wet als van Burgemeesteren en Schepenen voortaen<br />
sullen mogen kiese, omme bij de prince enckeltgetal daer uit genomen te werden.<br />
Eén van de drie zittende burgemeesters werd herkozen en trad op als voorzitter - presidentburgemeester<br />
- van het college. Bij de schepenen werd één van de herkozenen presidentschepen<br />
(zie afb. 3). De verkiezingsprocedure werd in het eerste stadhouderloos tijdperk<br />
grondig gewijzigd.<br />
In 1651 besloten de stadsregeerders eensgezind de verkiezing aan zich te trekken en voortaan<br />
bij boongang te doen geschieden. 27<br />
Deze gecompliceerde procedure is uitgebreid door Verhoofstad<br />
beschreven. Hier dient vermeld te worden dat in het besluit van 1651 met geen<br />
woord werd gerept over de voorheen door de schout afgenomen eed. Zijn taak bleef de gekozenen<br />
te beëdigen op het gezag van de Staten, zodat de verkiezing niet een totaal plaatselijke<br />
aangelegenheid was geworden. De boongang werd in 1672 weer afgeschaft, en de magistraatsbestelling<br />
kwam weer toe aan de stadhouder. 28<br />
Kort na het overlijden van de koning-stadhouder verklaarden de regeerders het octrooi<br />
van 1651 weer van kracht inclusief de 'ampliaties' van 1669 en 1671. 29<br />
Dit zou acht jaar zo<br />
blijven, want in 1710 wendden zij zich met een verzoek tot de Staten van <strong>Holland</strong>:<br />
25 Raadschelders, 'De vroedschap der 'stede Beverwijck", 30.<br />
26 Verhoofstad, Geschiedenis van Purmerend, 88.<br />
27 Verhoofstad, Geschiedenis van Purmerend, 91-92; SAW, nr 94, dl 7, 12 februari 1651.<br />
28 SAW, dl 10, 9 juli 1672 en 29 augustus 1672. Overigens vermeldt Verhoofstad dat de boongang niet werd afgeschaft.<br />
29 SAW, dl 13, 25 april 1702.<br />
8
1 burgemeesters<br />
[vroedschappen<br />
2 oud-burgemecstcrs 1 oud-burgemeester<br />
4 nieuwe burgemeesters • > 2 nieuwe burgemeesters<br />
14 schepenen A 7 schepenen<br />
Nominatie<br />
door Burgemeesters<br />
en Vroedschappen<br />
Elecüe<br />
door Prins<br />
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
Beëdiging<br />
door schout<br />
Afb. 3. Nominatie, verkiezing en beëdiging van de kleine wet 1600-1651, 1672-1702, 1747-1795 (NB:<br />
boongang tussen 1651-1672 en 1702-1710).<br />
tenderende om te hebben nieu octrooy met agterlatinge van 't boontrecken 's-jaarlijks<br />
op de 25e april verkiesinge te mogen doen van de magistraat, en in plaats van drie, vier<br />
Burgemeesteren te Eligeeren. 30<br />
Beide zaken werden toegestaan, waarbij een jaar later tevens werd bepaald dat de twee jongst<br />
regerende burgemeesters automatisch herkozen werden en ieder gedurende een halfjaar president-burgemeester<br />
zou zijn. 31<br />
Met het einde van het tweede stadhouderloos tijdperk verkreeg<br />
de prins wederom het recht van electie. Wel mocht de nominatie volgens de afspraken van 1710<br />
en 1711 blijven plaatsvinden, zo stelde hij in een brief. 32<br />
Dit bleef tot de Bataafs-Franse tijdongewijzigd,<br />
met uitzondering van de jaren 1784-1787 toen de Staten de electie waarnamen.<br />
Tabel 2. Gemiddeld aantal jaren dat burgemeesters en schepenen het ambt vervulden per<br />
tienjaarlijkse periode.<br />
Burgemeesters Schepenen<br />
Periode algemeen hoger lager algemeen hoger lager<br />
1614-1623 2,4 3,6 1,7 1,5 2,5 1,1<br />
1624-1633 2,3 3,6 1,1 1,8 2,6 1,1<br />
1634-1643 2 2,5 1 1,9 2,9 1,1<br />
1644-1653 1,7 2,2 1 1,8 2 1<br />
1654-1663 1,8 2,6 1 2,6 3,8 1,6<br />
1664-1673 1,9 2,3 1 2,3 3,7 1,4<br />
1674-1683 2,5 3,7 1,3 2,2 3,7 1,5<br />
1684-1693 2,2 3,3 1,8 1,8 2,5 1<br />
1694-1703 1,9 2,3 1 2 3,1 1<br />
1704-1713 2,4 3,5 1,6 2,5 3,8 1,6<br />
1714-1723 2,7 3,6 1,9 1,9 2,7 1<br />
1724-1733 2,4 4,2 1,6 2,1 3,4 1,6<br />
1734-1743 2,2 3,5 1,6 1,8 2,7 1<br />
1744-1753 2,5 3,8 1,7 1,7 2,7 1<br />
1754-1763 3,1 4,8 2 2,5 4,1 1,6<br />
1764-1773 3,1 4,5 1,9 2,6 3,9 1,2<br />
1774-1783 2,5 3,7 1,6 2,3 4,1 1,3<br />
1784-1794 2,9 4 1,7 2 2,6 1<br />
Legenda: naast elk algemeen gemiddelde zijn twee cijfers gegeven welke het gemiddeld aantal jaren zitting uitdrukken<br />
van hen die hoger respectievelijk lager dan dit algemeen gemiddelde komen.<br />
30 SAW, dl 14, 25 april 1710.<br />
31 SAW, dl 15, 25 april 1711.<br />
32 SAW, dl 19, 7 april 1748.<br />
9
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
Naast het conflict tijdens de Patriottentijd is nog eenmaal de wijze van verkiezing aanleiding<br />
geweest tot heftig beroerde gemoederen die de vergadering van de vroedschap in tweeën<br />
spleet. Nadat de schout in mei 1686, met steun van de vroedschappen Van der Vijver, Melcknap,<br />
Cocq, Brouwer, Berckhout en Peereboom, de prins bericht had over geconstateerde 'informaliteyten'<br />
bij de electie van de kleine wet twee weken eerder, besloot de prins de benoeming<br />
op te schorten tot nader bericht. De vroedschappen Laeckeman, Baers, Tegel, Wormer,<br />
Del en Nieuwentijt protesteerden. Iedere volgende vergadering werden door beide partijen<br />
de protesten herhaald. Uit de notulen van 22 januari 1687 - waarin de prins een nieuwe<br />
wet aanstelde tot april 1689 - blijkt dat het conflict was toegespitst rond de persoon van Thijs<br />
Gerrits Laeckeman. De prins bepaalde dat deze zijn zetel in de vroedschap mocht behouden<br />
en voor hun vergadering moest worden geconvoceerd, maar dat stukken hem betreffende<br />
ter beoordeling aan de procureur-generaal van het Hof van <strong>Holland</strong> moesten worden gezonden.<br />
33<br />
Ten aanzien van zittingsduur van burgemeester en schepenen en hun relatie tot de vroedschap<br />
zijn grote verschillen met Beverwijk te constateren (zie tabellen 2 en 3 en de grafiek).<br />
De gemiddelde zittingsduur van schepenen (tabel 2) varieerde in Purmerend tussen 1,5<br />
en 2,6 jaar (Beverwijk 1,8-4,9). De verschillen tussen hen die boven respectievelijk onder<br />
dit gemiddelde zaten zijn dan ook minder groot, namelijk 1,0-4,1 jaar (Beverwijk 1,0-6,8).<br />
Bij de burgemeesters liggen deze cijfers iets hoger: gemiddeld 1,7-3,1 jaar en (categorieën<br />
'hoger-lager') 1,0-4,8 jaar. Uit de cijfers van tabel 2 blijkt dat toe- en afname van de gemiddelde<br />
zittingsduur van burgemeesters en schepenen soms gelijk opging, dan weer verschilde.<br />
Betekent dit dat de toegankelijkheid tot deze ambten groter was dan bijvoorbeeld in<br />
Beverwijk?<br />
Tabel 3. Percentage vroedschappen in de colleges van burgemeesters (B) en schepenen (S),<br />
alsmede het percentage schepenen dat later vroedschap werd (V) per tienjaarlijkse periode.<br />
Periode B S V<br />
1614-1623 100 52,4 2,9<br />
1624-1633 96,6 45,5 28,9<br />
1634-1643 93,3 40 50<br />
1644-1653 96,6 50 48,6<br />
1654-1663 100 45,3 33,3<br />
1664-1673 100 22,9 59,3<br />
1674-1683 100 32,9 55,3<br />
1684-1693 100 12,5 28,6<br />
1694-1703 100 5,7 9,1<br />
1704-1713 100 0 15,7<br />
1714-1723 100 7,1 16,9<br />
1724-1733 100 7,1 32,3<br />
1734-1743 95 11,4 29<br />
1744-1753 100 17,1 24,1<br />
1754-1763 100 35,7 31,1<br />
1764-1773 100 42,9 45<br />
1774-1783 100 44,3 38,5<br />
1784-1794 100 28,6 10,9<br />
33 SAW, dl 12, 6 mei 1686 (brief schout aan prins).<br />
10
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
Ik meen van niet. Uit tabel 3 blijkt dat burgemeesters vrijwel altijd zitting hadden in de<br />
vroedschap, terwijl in Beverwijk dit pas in de 18e eeuw gewoonte werd. Bij de schepenen<br />
lag het anders. Zij kwamen in Purmerend vooral van buiten de vroedschap. Na 1650 was<br />
minder dan de helft - tussen 1684-1753 zelfs veel minder - van hen tevens vroedschap. Het<br />
percentage vroedschappen in de vierschaar blijkt samen te hangen met het eveneens in tabel<br />
3 gegeven percentage van hen die op het moment dat zij schepen waren geen vroedschapsambt<br />
bekleedden, maar wel later vroedschap werden. Met de toename van het aantal vroedschappen<br />
in de schepenbank blijkt de recrutering van vroedschappen onder de oud-schepenen<br />
toe te nemen. Het schepenambt werd kennelijk meer en meer gezien als een (noodzakelijke)<br />
voorbereiding op de ambten van vroedschap en burgemeester. Toch waren ook de schepenambten<br />
niet zo toegankelijk. Namen als Baers (of: Baars, Baerts), Beets, Bel, Munnick,<br />
Neck, Peereboom en Wormer, die regelmatig in de vroedschappen konden worden aangetroffen,<br />
kwamen vaak genoeg in de nominaties van schepenen naar voren. Derhalve was ook<br />
de verdeling van deze ambten afhankelijk van patronage en bloedverwantschap.<br />
Wanneer wij de burgemeesters en schepenen samen bekijken en hierover per jaar het percentage<br />
vroedschappen vaststellen (zie afb. 4) dan blijkt de trend anders dan in Beverwijk. 34<br />
Het aantal vroedschappen in beide ambten varieerde van 1616-1654 tussen 50% a 70%, gevolgd<br />
door een daling tot 40% in 1671. Na enige jaren (1674-1683) rond de 50% te hebben<br />
geschommeld, daalde het in vier jaar tot 20% (denk aan het eerder vermelde electieconflict).<br />
Tussen 1690-1750 steeg het enigszins tot 35%-40% om pas daarna weer te stijgen tot het niveau<br />
van het begin van de 17e eeuw. Vanaf het eerste stadhouderloos tijdvak bleek het aantal<br />
regeerders toe te nemen, om na 1750 weer te dalen.<br />
De tabellen 2 en 3 en de grafiek geven aanleiding tot enkele opmerkingen. Met betrekking<br />
tot zittingsduur, 'omloopsnelheid' van de ambten en het percentage vroedschappen in colleges<br />
van schepenen en burgemeesters bestonden verschillen met Beverwijk die echter in essentie<br />
niet tot andere conclusies leiden. Ook in Purmerend heerste een oligarchie. Ten aanzien<br />
van de burgemeesters is van een vrijwel volledige functionele cumulatie sprake: zij bezetten<br />
nagenoeg altijd een vroedschapsplaats. De schepenen zijn veel minder gerecruteerd<br />
uit de vroedschappen. Het is opvallend hoe over de hele periode het percentage schepenen<br />
dat tevens vroedschap was, lager lag dan in Beverwijk. Het is treffend dat in de jaren 1693-<br />
1723 een klein aantal schepenen of zelfs geen enkele tevens zitting had in de vroedschap,<br />
terwijl van hen die in deze periode schepen werden slechts een gering percentage later vroedschap<br />
werd. Een goede verklaring hiervoor ontbreekt, maar wellicht heeft een behoefte aan<br />
machtenscheiding in de beginjaren van het tweede stadhouderloos tijdvak voor ogen gestaan.<br />
Het ambt van schepen is in vergelijking tot Beverwijk toegankelijk voor de niet tot<br />
de stedelijke regenten behorende ingezetenen. Het kon zelfs in één geval met de nodige bombarie<br />
worden afgedwongen.<br />
Hier is bedoeld het eertijds geruchtmakende geval Pergerrits. Pieter Pergerrits, geboren<br />
te Oostzaan en werkzaam geweest in het brouwersvak, vestigde zich in de jaren dertig van<br />
de 18e eeuw in Purmerend. Hij kocht hier diverse panden op, die hij liet opknappen zodat<br />
menigeen hem waardeerde voor de bevordering van de werkgelegenheid. Dat hij de aangenomen<br />
werklieden eens in de drie maanden over 12 in plaats van 13 weken uitbetaalde, viel<br />
aanvankelijk niet op. Hij spaarde echter op jaarbasis enkele maandlonen uit. Hij zal getracht<br />
34 Raadschelders, 'De vroedschap der 'stede Beverwijck", 37.<br />
11
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
sv H<br />
1 I « I ' > ' I I 1 1 1 1 1 1 1 5 1<br />
lélH IbW 'fof /j>rï tfsy<br />
Afb. 4. Percentage burgemeesters en schepenen die tegelijkertijd vroedschap waren (vijfjaarlijks<br />
voortschrijdend gemiddelde 1616-1792).<br />
hebben een benoeming in de schepenbank te forceren, want toen hij bij de verkiezing werd<br />
gepasseerd gaf hij in scheldpartijen uiting aan het onrecht hem aangedaan. Dit was voor<br />
het stadsbestuur aanleiding hem uit de stad te bannen. Niet voor lang, want na enige tijd<br />
keerde hij terug en hij werd in 1738 en 1744 tot schepen benoemd. Hoe fout de regeerders<br />
van de stad in hun toegevendheid en vergevingsgezindheid waren geweest, bleek toen geruchten<br />
over de frauduleuze praktijken van Pergerrits door steeds meer feiten werden ondersteund.<br />
Behalve contractbreuk (de werklieden) en vervalsing in geschrifte bleek hij talloze<br />
personen (waaronder zijn eigen moeder) en instellingen (waaronder bestuurscolleges) voor<br />
vele tonnen te hebben opgelicht. Hij vluchtte bijtijds in 1746. De kwestie trok in alle gewesten<br />
de aandacht. 35<br />
De schout: vertegenwoordiger van ...?<br />
Strekte de invloed van de plaatselijke bestuurders zich ook uit tot het schoutambt? De positie<br />
van de schout verdient in dit verband nadere aandacht, omdat daarin belangrijke indicaties<br />
over de verhouding tussen plaatselijk en gewestelijk bestuur naar voren komen. De schout<br />
was van oudsher als plaatselijk vertegenwoordiger van de graaf een belangrijk man. Oorspronkelijk<br />
nam hij samen met de uit de burgerij gekozen schepenen het gehele lokale bestuur<br />
waar. De schout vervulde drie rollen. Hij was voorzitter van de schepenbank (rechter),<br />
doch functioneerde tevens als officier van justitie en commissaris van politie. Ook tijdens<br />
de Republiek bleef hij een functionaris van gewicht.<br />
Tot in de late 17e eeuw bleef hij echter wel een bij uitstek plaatselijk vertegenwoordiger<br />
35 Zie G. Voet, 'Een Purmerender oplichter van groot formaat', Nieuwe Noordhollandse Courant, 21 en 28 januari<br />
1949.<br />
12
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
van het soevereine gezag. Zijn ambt werd onverenigbaar geacht met dat van burgemeester<br />
of vroedschap. Burgemeesters, vroedschappen en schepenen zagen er nauwlettend op toe<br />
dat de eigenmacht van de schout niet te groot werd. De aanvankelijk bijna onaantastbare<br />
schout wist zijn bevoegdheid op het gebied van rechtspraak niet alleen gedeeld met de sche<br />
penen, maar ten aanzien van wetgeving en uitvoerend bestuur ook met schepenen en burge<br />
meesters. Het lijkt dan ook redelijk te veronderstellen dat met de uitbreiding van het taken<br />
pakket van plaatselijke besturen, de macht van de schout in de 17e eeuw geleidelijk afnam.<br />
Het ontbreken van meldingen in de vroedschapsnotulen over conflicten tussen schout en<br />
bestuurders in dejaren 1600-1670 (althans in Alkmaar, Beverwijk en Purmerend) is mogelijk<br />
een indicatie van het feit dat de schout minder gewichtig werd (zie verder) en opgenomen<br />
raakte in het plaatselijk bestuur.<br />
In Beverwijk werd slechts één van de schouten vroedschap en burgemeester. 36<br />
In Purmer<br />
end kwam dit veel vaker voor (zie bijlage twee). Een aantal zaken is opvallend. Bij de benoe<br />
ming van Gerard Constantijn van Ruytenburgh (1667) werd eer betoond aan de vertegen<br />
woordiger van de Staten. Hij werd na verloop van tijd zelfs zesmaal tot burgemeester be<br />
noemd. Bovendien werd hij in 1681 gedeputeerde van Purmerend in de Staten van <strong>Holland</strong><br />
en trad dus op als (gekozen) vertegenwoordiger van de stad en als (benoemd) vertegenwoor<br />
diger van de Staten. 37<br />
Zijn zoon kreeg alvast een zetel in de vroedschap vóór hij tot schout<br />
werd aangesteld. 38<br />
De schouten Boon, Peereboom en Van Nieuwenhoven waren lang voor<br />
hun aanstelling tot schout reeds vroedschap. De vroedschappen lijken hierdoor in de 18e<br />
eeuw een invloed te hebben op de benoeming van de schout die in de eerste helft van de 17e<br />
eeuw bepaald niet bestond.<br />
Toch hadden de stedelijke regeerders minder invloed dan hieruit zou kunnen worden op<br />
gemaakt. Anders gezegd, de schout bleef een vrij onafhankelijk instituut dat vooral in de<br />
stadhouderstijdvakken sterk stond. Na de twee stadhouderloze perioden kreeg hij zitting in<br />
plaatselijke bestuurscolleges, en kwamen ook conflicten voor tussen hem en andere bestuur<br />
ders over de verkiezing van de magistraat.<br />
In hoeverre men zich aan de schout verplicht voelde in een stadhouderloos tijdperk blijkt<br />
uit het feit dat de in 1721 gekozen schepen Johannes Gons de eed in handen van de president<br />
burgemeester aflegde toen schout Ruytenburgh dit geweigerd had. 39<br />
Het is maar één voor<br />
beeld, waaraan niet al te vergaande conclusies mogen worden verbonden. Het is echter wel<br />
een machtsvertoon dat de stad zich onder een stadhouder niet kon veroorloven.<br />
Dat de schout des prinsen man was kwam vlak voor en tijdens de Patriottentijd tweemaal<br />
op eclatante wijze naar voren. De eerste kwestie raakte de bevoegdheid van de schout inzake<br />
de opvolging in een vacante vroedschapszetel. Vanaf het jaar dat Blijdenberg (1753) tot<br />
schout was benoemd, was het gebruikelijk dat de schout alleen of aan het hoofd van een de<br />
putatie naar Den Haag reisde om de nominatie voor een vacature over te brengen. 40<br />
De be-<br />
36 Jacob Gooi van Bosvelt: schout 1692-1733, vroedschap 1716-1733, burgemeester 1717.<br />
37 SAW, nr 94, dl 11, 9 maart 1681. Van Ruytenburgh was een protégé van Willem III (naar vriendelijke mededeling<br />
van Katja Bossaers).<br />
38 Reynier Gerard van Ruytenburgh was tevens pensionaris van Purmerend van 1691-1718. Enkele vroedschappen<br />
hebben tevens het ambt van pensionaris en/of secretaris vervuld: nr 70 (pensionaris in 1637 en secretaris<br />
1639-1647), nr 78 (secretaris 1647-1656), nr 80 (pensionaris 1647-1653), nr 96 (pensionaris 1673-1674).<br />
39 SAW, dl 16, 19 mei 1721. Overigens wel met reden: Gons had te kennen gegeven zijn aanstelling als substituutschout<br />
te willen houden terwijl dit niet kon. Het probleem loste zich vanzelf op toen Gons in september 1721<br />
overleed.<br />
40 Overigens trad Blijdenberg ook op als luitenant-stadhouder in Purmerend (naar vriendelijke mededeling van<br />
Katja Bossaers). Het fenomeen van de luitenant-stadhouder vervulde een belangrijke rol in het zogeheten stad-<br />
13
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
gin 1776 benoemde schout Boon had eigener beweging de prins op de hoogte gesteld van<br />
het overlijden van vroedschap en oud-schepen Nienhuys, daarin gesteund door het mandaat<br />
dat zijn voorganger had genoten. In een brief van augustus 1776 verklaarden burgemeesters<br />
en vroedschappen dat zij de nominatie moesten overbrengen, onder verwijzing naar de resolutie<br />
van 1687 (zie verder) en de bevestiging daarvan door Willem V (1769). Pogingen om<br />
de zaak met Boon in der minne te schikken waren mislukt, zodat zij nu hun toevlucht zochten<br />
tot de prins zelf. In een lange brief spraken burgemeesters en vroedschappen de hoop uit:<br />
dat Uwe Doorl. Hoogheyd niet onbillijk zal agten dat wij de regten onser Regeering op<br />
zo vaste onwederroepene en zo wij eerbiedig vertrouwen onwederspreekelijke gronden<br />
gevestigt reclameren nadat zij zedert den jaare 1753 zoveel hardigheden door onse te<br />
groote toegevendheid hebben moeten ondervinden en wij nu tijd gehad hebbende om<br />
meer bedagtsaam op onse gehoudenis te denken. 41<br />
De regeerders spraken van toegevendheid want het was, volgens Blijdenberg destijds, de<br />
wens van de prinses-gouvernante dat hij de nominaties zou overbrengen. De toenmalige 15<br />
vroedschapsleden, waarvan in 1776 nog vier in het college zaten, hadden dit geslikt, doch<br />
nu wensten zij hun oude rechten terug. De prins kwam hen tegemoet door hun kandidaat,<br />
Jan Peert te benoemen, maar bracht geen nadere regeling tot stand inzake de positie van<br />
schout Peereboom.<br />
De tweede kwestie speelde rond schout Peereboom die, evenals de eerste van de drie Ruytenburghen,<br />
gedeputeerde in de Staten van <strong>Holland</strong> was. Kennelijk handelde hij tegen de<br />
last in, want de 13 patriot geworden vroedschappen schreven hem in december 1783: '(..)<br />
wij sijn des te meerder verwondert, hoe Uwe Ed. Gestrenge kan goedvinden als Gedeputeerde<br />
ons over die uytgebragte lasten te bedillen'.<br />
Het betrof het standpunt van Purmerend inzake een meningsverschil tussen de prins en<br />
de stad Alkmaar over het recht van recommandatie. Iets verder in dezelfde brief schreven zij:<br />
wij hebben nooyt Uw Ed. Gestrenge tot die post waar te nemen gesolliciteert, maar ter<br />
contrarie heeft Uw Ed. Gestrenge door de recommandatie van zijn doorl. Hoogheyd die<br />
post geobtineerd. 42<br />
De formele aanspreekvormen in deze brief zijn gebruikelijk, maar getuigen in dit geval ook<br />
van verkilde verhoudingen tussen schout en regeerders. Daarbij speelde voorts ergernis over<br />
het feit dat Peereboom zijn zoons tot adjunct-secretaris van de stad had benoemd. 43<br />
Met<br />
deze benoeming èn met de wijze waarop het ambt van gedeputeerde was verkregen, was de<br />
plaatselijke autonomie aangetast. De patriotten waren weinigjaren beschoren. Na de extatische<br />
zomermaanden van 1787 werd de rust in Purmerend hersteld. De schout bleef en zijn<br />
zoon, Martin Copius Peereboom, werd vroedschap èn pensionaris.<br />
In Purmerend ontwikkelde het schoutambt zich van vertegenwoordiger van de graaf, via<br />
houderlijk stelsel, zie A.C.J. M. Gabriëls, De heren als dienaren en de dienaar als heer. Het stadhouderlijk stelsel in de<br />
tweede helft van de achttiende eeuw ('s-Gravenhage 1990) 177-199.<br />
41 SAW, dl 23, 19 augustus 1776 (lange brief over de rol van de schout).<br />
42 SAW, dl 24, 3 december 1783.<br />
43 Mr Martin Copius Peereboom werd op 14 april 1778 door de prins tot adjunct-secretaris benoemd. Op 20 april<br />
1782 volgde de aanstelling van Nicolaas Peereboom.<br />
14
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
vertegenwoordiger van de Staten tot vertegenwoordiger van Oranje. Hij bleef een machts<br />
factor naast de plaatselijke regeerders. In een stadje als Beverwijk was dat eveneens het ge<br />
val, terwijl in een dorp als Westzaandam het schoutambt juist onder invloed kwam van de<br />
plaatselijke bestuurders. 44<br />
Conclusie<br />
Aan het slot van mijn artikel over Beverwijk staat onder meer te lezen dat wijzigingen in<br />
de plaatselijke bestuurscolleges van dit niet-stemhebbende stadje vooral plaatselijke<br />
politiek-bestuurlijke verhoudingen weerspiegelden, nu en dan mede beïnvloed door facto<br />
ren van gewestelijke, confederale of zelfs internationale omvang. Het geldende staatsrecht<br />
liet niets aan duidelijkheid te wensen over ten aanzien van de positie van de niet-beschreven<br />
steden: zij waren van geen betekenis voor de formulering van gewestelijk laat staan confede-<br />
raal beleid.<br />
Anders was dit voor de stemgerechtigde steden, waarvan de positie in het geheel van de<br />
staatsordening aanmerkelijk complexer was. Enerzijds waren zij binnen het gewest gezamen<br />
lijk soeverein en derhalve gelijk aan elkaar, anderzijds waren zij individueel ondergeschikt aan<br />
de Staten. Daarnaast bestond onder de beschreven steden een vaste rangorde. Steden als<br />
Amsterdam en Leiden waren veel belangrijker dan Purmerend dat als laatste tot de stemge<br />
rechtigde steden was toegelaten. In de Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier en<br />
West-Friesland had ongelijkheid gestalte gekregen in een naar huidige maatstaven ondenk<br />
bare, doch toen geaccepteerde vorm van stemmenweging door de stemmen van Alkmaar,<br />
Purmerend, Edam en Monnikendam samen evenveel gewicht toe te kennen als die van<br />
Hoorn, Enkhuizen en Medemblik. Rangorde en stemmenweging zijn slechts twee voorbeel<br />
den ter illustratie van de complexe staatsrechtelijke en politieke verhoudingen in het gewest<br />
<strong>Holland</strong>.<br />
Purmerend heeft gemerkt wat het inhield lid van de Staten te zijn. De voordelen waren<br />
groot: toegang tot gewestelijke ambten waaraan lucratieve inkomsten waren verbonden,<br />
meedraaien in de toerbeurt bij de begeving van studentenplaatsen aan de theologische facul<br />
teit van Leiden, inzicht in en (beperkte) invloed op gewestelijk en confederaal beleid, verster<br />
king en handhaving van de invloed in Waterlandse bestuursorganen (onder meer heemra<br />
den van Purmer en Beemster). Er waren ook nadelen. Juist een stemhebbende stad werd<br />
meegezogen in de politieke en economische machtsstrijd: de noodzaak snel op de juiste par<br />
tij te wedden wanneer een wisseling van de wacht in Den Haag onafwendbaar (b)leek. Pur<br />
merend was geen voorloper. Pas nadat Alkmaar in het conflict met de stadhouder als tijdelijk<br />
winnaar uit de strijd was gekomen, sloten Purmerends regeerders zich in meerderheid aan<br />
bij de staatsgezinden.<br />
De stadhouder verdient meer aandacht dan hier gegeven kan worden, maar enkele noti<br />
ties kunnen worden gemaakt. Met uitzondering van de perioden 1650-1672 en 1702-1747 be<br />
noemde de prins de vroedschappen van Purmerend, waarin hij de nominatie van dit college<br />
veelal volgde. Bij twee gelegenheden (1747, 1788) werd door hem daadwerkelijk een deel van<br />
de wet verzet. Zijn invloed op lokaal en regionaal niveau werd nog versterkt door het electie-<br />
44 A. van Braam, 'Bureaucratiseringsgraad van de plaatselijke bestuursorganisatie van Westzaandam ten tijde<br />
van de Republiek', <strong>Tijdschrift</strong> voor Geschiedenis 90 (1977) 463; Raadschelders, 'De vroedschap der 'stede Beverwijck",<br />
40.<br />
15
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
recht van burgemeesters en schepenen uit vooraf door de regeerders opgemaakte dubbeltallen<br />
en door het aanstellingsrecht van schouten en baljuws. 45<br />
In het ingewikkelde samenspel<br />
van organen en functionarissen met deels overlappende bevoegdheden vervulden deze<br />
rechtsvorderaars in de lagere rechtsgebieden een sleutelpositie: deels als gedeconcentreerde<br />
functionaris met bevoegdheden op het terrein van de plaatselijke wetgeving, maar tevens<br />
als lokaal bestuurder, met name in de 18e eeuw. In sommige gevallen slaagden stedelijke regenten<br />
in hun opzet het schoutambt binnen de eigen invloedssfeer te trekken, waardoor gevaren<br />
verbonden aan de combinatie van het schoutambt met een plaatselijk ambt werden<br />
bezworen (bijvoorbeeld Westzaandam, Amsterdam, en wellicht Alkmaar). 46<br />
Elders lukte dit<br />
niet (bijvoorbeeld Beverwijk, Purmerend) waardoor de schout, soms met steun van de prins,<br />
in een uitzonderlijk machtige positie verkeerde. Waartoe dit kon leiden zagen wij reeds. Zo<br />
blijken eenduidige uitspraken over centralistische en decentralistische tendenties in de Republiek<br />
niet goed te maken vanwege de van plaats tot plaats variërende magistraatsbestelling<br />
en, derhalve, variërende centraal-lokale verhoudingen. 47<br />
Er is echter iets dat wel voor alle rechtsgebieden, dat wil zeggen: stad èn platteland, gelijk<br />
was: de Opstand (mede) gevoed vanuit de wens tot behoud van de stedelijke autonomie en<br />
haar privileges. Deze autonomie werd echter niet beschermd tegen mogelijke centraliserende<br />
krachten. 48<br />
Lagere rechtsgebieden werden in het streven naar autonomie immers van<br />
meet af aan geconfronteerd met gedeconcentreerde functionarissen, schouten, bekleed met<br />
bevoegdheden op het terrein van wetgeving en rechtspraak. Hun invloed strekte zich in de<br />
steden en het platteland uit tot het plaatselijke politieke systeem en was vooral van belang<br />
in de stemgerechtigde steden. Hoe groot hun invloed was, en daarmee die van Oranje, is<br />
niet eenvoudig te bepalen. In de tien belangrijkste <strong>Holland</strong>se steden was de zeggenschap<br />
van de stadhouder beperkt, 49<br />
doch in Purmerend bleek zij niet onbelangrijk.<br />
45 DJ. Roorda, 'Le secret du Prince. Monarchale tendenties in de Republiek 1672-1702', in: idem, Rond prins en<br />
patriciaat. Verzamelde opstellen (Weesp 1984).<br />
46 Over de invloed van de stadhouder in Alkmaar bestaat enige onduidelijkheid. Rijpperda Wierdsma, Politie en<br />
justitie. Een studie over <strong>Holland</strong>schen staalsbouw tijdens de Republiek (Zwolle 1937) 34, geeft aan dat Alkmaar in de<br />
18e eeuw de begeving van het schoutambt mogelijk kocht, doch in ieder geval het recht van nominatie daarop<br />
verwierf. Bij Bruinvis, De regeering van de stad Alkmaar, 6, is echter te lezen dat de stad vanaf 1573 het nominatierecht<br />
verkreeg.<br />
47 Gabriëls, De heren als dienaren, 76.<br />
48 Dat dit verschijnsel later in het Koninkrijk constitutionele status kreeg, wijst op een constante in de bestuursgeschiedenis<br />
van ons land.<br />
49 Gabriëls, De heren als dienaren, 297.<br />
16
Bijlage<br />
I De vroedschappen van Purmerend 1600-1795<br />
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
Van elke vroedschap is de naam en - indien bekend - de zittingsduur, de opvolger en de opgevolgde<br />
gegeven. In onderstaande lijst is dit aangegeven als opv. (opvolger van) en opg. (opgevolgd door). De<br />
datum waarop een vroedschap is opgevolgd, is aangehouden als de datum waarop de ambtstermijn<br />
eindigde. Het kan derhalve zijn dat een lid feitelijk enkele weken of maanden eerder uit de vroedschap<br />
was getreden. Vanaf 1605 zijn alle benoemingen in de vroedschapsnotulen vermeld, met uitzondering<br />
van nr 204.<br />
Voor de eerste jaren van de 17e eeuw werden de namen van de vroedschappen vastgesteld door de<br />
absenties van elke vergadering te noteren. De zittingsduur van de nrs 1-25, 27-28, 30-31, 33-36, 38,<br />
41-43, 45, 50-51, 53, 55, 57, 60 en 66 is onder voorbehoud. Voor hen is als eindjaar aangehouden het<br />
jaar waarin zij voor het laatst absent worden gemeld in de vroedschapsnotulen. In enkele gevallen zijn<br />
absentmeldingen te vinden in de burgemeestersnotulen. Zo waren bijvoorbeeld de nrs 55 en 57 voor<br />
het laatst in 1629 in de vroedschap absent gemeld, maar de eerste was in 1637 en de tweede in 1636<br />
burgemeester. Daarom is aangenomen dat beiden in ieder geval tot 1637 respectievelijk 1636 lid van<br />
de vroedschap zijn geweest.<br />
Nr Naam Zittingsduur<br />
1 Jacob Pauwelszn. 1600-1610<br />
2 Heyndrick Pieterss. 1600-1610<br />
3 Pieter Jacobss. Bardis 1600-1611<br />
4 Louris Dirckss. 1600-1601<br />
5 Cornelis Pieterss. Barents 1600-1616<br />
6 Jacob Matthijszn. 1600-1604<br />
7 Dirck Hendrickss. 1600-1605<br />
8 Melis Matthijss. 1600-1613<br />
9 Jan Martszn. 1600-1601<br />
10 Cornelis Janss. Nunnerts 1600-1610<br />
11 Claes Jacobss. Vincent 1600-1608<br />
12 Dirck Matthijss. Aker 1600-1610<br />
13 Jacob Pieterss. Aris 1600-1613<br />
14 Dirck Pauwelss. 1600-1619<br />
15 Claes Pouwelss. Heering 1600-1611<br />
16 Pieter Geertss. 1600-1608<br />
17 Jacob Matthijss. 1600-1603<br />
18 Jacob Jacobss. 1600-1605<br />
19 Claes Symonss. Fens 1600-1614<br />
20 Jan Jacobss. Backer 1600/4.8.1625<br />
21 Claes Sybrandtss. 1600-1604<br />
22 Symon Dirkss. 1600-1617<br />
23 Pouwelss Symonss. 1600-1605<br />
24 Claes Pieterss. Laeckenkoper 1600-1608<br />
25 Dirck Janss. Rood 1600-1618<br />
26 Jac Claess. Timmerman 5.8.1605/25.4.1623<br />
27 IJsbrandt Pieterss. Brouwer 5.8.1605/1608<br />
28 Claes Jeroenss. 5.8.1605/1606<br />
Opv. Opg-<br />
65<br />
17
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
Nr Naam Zittingsduur Opv. Opg.<br />
29 Claes Dirckss. Cuyper 5.8.1605/16.2.16.30 66<br />
30 Pouwels Jacobss. Glas 5.8.1605/1618<br />
31 IJsbrandt Couriss. 5.8.1605/1639<br />
32 Pouwels Dirckss. Pan 25.4.1607/30.1.1627 61<br />
33 IJsbrandt Janss. Jonckers 25.4.1607/1619<br />
34 Jan Corneliss. 25.4.1607/1640<br />
35 Rieuwert Claess. Allen 25.4.1607/1613<br />
36 Jan Burchzn. Van Neck 16.5.1610/1614<br />
37 Melis Gerrit Pieterss. Croon 16.5.1610/9.3.1619<br />
38 Jacob Janss. Aris 16.5.1610/1644 77<br />
39 Gerrit Claess. Cuyper 16.5.1610/9.9.1651 88<br />
40 Pieter Heyndrickss. de Jonge 22.4.1611/1.6.1647 80<br />
41 Jan Pieterss. van Neck 22.4.1611/1620<br />
42 Dirck Gerritss. 22.4.1611/1625<br />
43 Cornelis Corneliss. Boelens 22.4.1611/1624<br />
44 Pouwels Claess. Heering 20.4.1613/10.3.1659 94<br />
45 Jacob Corneliss. Nunnert 20.4.1613/1614<br />
46 Dirck Janss. Louris 20.4.1613/25.4.1636 68<br />
47 Cornelis Janss. Groot 20.4.1613/30.1.1627 62<br />
48 Matthijs Meliss. 25.4.1614/6.12.1647 81<br />
49 Hendrick Dirckss. Schoenmaker 25.4.1614/11.8.1626 60<br />
50 Symon Pouwelss. Schoenmaker 25.4.1614/1616<br />
51 Pieter Jacobss. Cassawerker 25.4.1614/1625<br />
52 Dirck Pouwelss. Backer 25.4.1618/21.5.1652 89<br />
53 Rens Corneliss. Hoen 25.4.1618/1624<br />
54 Jacob Janzn. Grebber 25.4.1618/6.6.1650 85<br />
55 Pieter Claess. Grebber 25.4.1618/1637 72<br />
56 Michiel IJsbrandtzn. Lindeborg 14.3.1626/18.4.1634 67<br />
57 Dirck Albertss. Ruyter 14.3.1626/1636 73<br />
58 Pieter Poppen 14.3.1626/22.4.1627 63<br />
59 Jan Janzn. Dobber 14.3.1626/6.10.1637 69<br />
60 Gerrit Dirckss. Cassatier 11.8.1626/1635 49 74<br />
61 Jan Pieterss. Alberts 30.1.1627/28.12.1644 32 76<br />
62 Jacob Janss. Clercq 30.1.1627/11.12.1627 47 64<br />
63 Marten Corneliss. Veen 20.4.1627/18.12.1660 58 96<br />
64 Jan Claess. Caescoper 8.1.1628/2.7.1645 62 78<br />
65 Jan Pieterss. Avis 30.12.1628/6.6.1650 26 86<br />
66 Symon Janss. Beets 16.2.1630/1638 29 75<br />
67 Jacob Dirckss. Staet 1.5.1634/13.6.1658 56 93<br />
68 Jan Jacobss. van der Mul 25.4.1636/29.6.1641 46 70<br />
69 Louris Jacobss. Berckhout 6.10.1637/7.9.1675 59 109<br />
70 mr Burchard Noutius 29.6.1641/17.3.1655 68 90<br />
71 Huybert Huybertss. Beets 5.1.1644/20.5.1662 34 97<br />
72 Dirck Pieterss. Roothooft 5.1.1644/21.11.1679 55 115<br />
73 Jacob Gerritss. Cassaties 5.1.1644/16.6.1676 57 111<br />
74 Claes Jacobss. Wormer 5.1.1644/2.8.1648 60 82<br />
75 Jan Corneliss. Ackersloot 5.1.1644/27.12.1650 66 87<br />
76 Corneliss Reyerss. Suyder 28.12.1644/10.2.1646 61 79<br />
77 Pieter Janss. Overtwater 2.7.1645/5.1.1673 38 105<br />
78 Claes Riewertss. Allen 2.7.1645/18.4.1656 64 92<br />
79 Pieter Symonss. Munnik 10.2.1646/19.6.1649 76 84<br />
18
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
Nr Naam Zittingsduur Opv. Opg.<br />
80 mr Franco Riccen 1.6.1647/8.11.1655 40 91<br />
81 Pieter Matthijss. Melis 6.12.1647/13.8.1659 48 95<br />
82 Gerbrandt Jacobss. Wormer 2.8.1648/30.12.1684 74 122<br />
83 Pieter Jan Blau 6.12.1648/3.7.1671<br />
84 Thijs Gerritss. Laeckeman 19.6.1649/10.12.1708 79 137<br />
85 Claes Jacobss. Houttuyn 9.6.1650/13.8.1667 54 99<br />
86 Jan Claess. van Lichten 6.6.1650/1669<br />
87 Pouwels Jacobss. Recx 27.12.1650/9.1.1669 75 100<br />
88 Adriaen Claess. Hoots 9.6.1651/13.5.1665 39 98<br />
89 Claes Janss. Melcknap 21.6.1652/28.4.1692 52 125<br />
90 Heyndrick Janss. Larenius 19.4.1655/1670 70<br />
91 Dirck Arentss. Veen 8.11.1655/21.12.1675 80 110<br />
92 Louris IJsbrandtss. 18.4.1656/26.12.1682 78 120<br />
93 Cornelis Pieterss. Bel 13.6.1658/12.6.1671 67<br />
94 Claes Sybrandtss. Schot 10.3.1659/5.1.1673 44 106<br />
95 mr Petrus Bordingh 13.8.1659/27.12.1673 81 108<br />
96 Johannes van der Vijver 18.12.1660/12.11.1690 63 124<br />
97 Claes Claess. Del 20.5.1662/1.10.1678 71 113<br />
98 Cornelis Janss. Baerts 13.5.1665/5.9.1699 88 132<br />
99 vacature Riccen (nr 80) 13.6.1667/10.4.1673 85 107<br />
100 Jacob Munnik 9.1.1669/1.6.1684 87 121<br />
101 Jacob Baluw 18.9.1672/4.7.1699 pr 130<br />
102 Pieter Recx 18.9.1672/23.9.1680 pr 116<br />
103 Claes Adriaenszn. Hoots 18.9.1672/15.1.1698 pr 129<br />
104 Willem Bel 18.9.1672/18.2.1677 pr 112<br />
105 Gerrit Cos (als 128) 5.1.1673/1.5.1693 77 126<br />
106 Pieter Janss. Backer 5.1.1673/22.2.1681 94 117<br />
107 Jacob Hendricks. Tegel 10.4.1673/febr. 1705 99<br />
108 Jan Pieterss. Overtwater 27.12.1673/19.11.1679 95 114<br />
109 Gerrit Claess. Brouwer 7.9.1675/22.8.1699 69 131<br />
110 Jacob Berckhout 21.12.1675/jan. 1708 91<br />
111 Dirck Symonss. Mul 16.6.1676/mei 1681 73 118<br />
112 G.O van Ruytenburgh 18.2.1677/17.5.1701 104 135<br />
113 Jan Dell 1.10.1678/28.4.1694 97 127<br />
114 Jacob Cock 19.11.1679/2.11.1713 108 139<br />
115 Jacob Wormer 21.11.1679/19.3.1708 72<br />
116 Claes Claess. Del 23.9.1680/25.4.1728 102 149<br />
117 IJsbrandt Spoors 22.2.1681/5.2.1716 106 142<br />
118 mr Barnardus Bronswinckel 26.4.1682/17.7.1682 111 119<br />
119 mr Hendrick Moutmaker 17.8.1682/23.12.1687 118 123<br />
120 Jan Jacobss. Loenis 26.12.1682/16.4.1700 82 133<br />
121 Pieter Peereboom 1.6.1684/29.11.1735 100 153<br />
122 dr Bernardus Nieuwentijt 30.12.1684/30.5.1718 82 143<br />
123 Jan Mijsen 23.12.1687/29.12.1702 119<br />
124 Dirck Rol 12.11.1690/30.11.1709 96 138<br />
125 Adriaan van de Woestijne 28.4.1692/9.2.1733 89 151<br />
126 Cornelis Cos 1.5.1693/9.7.1697 105 128<br />
127 Jan Jacobss. Welckom 28.4.1694/24.11.1728 113 150<br />
128 Gerrit Cos (als 105) 9.7.1697/28.12.1708 126 136<br />
129 Cornelis Binneblijff 15.1.1698/28.3.1701 103 134<br />
130 Hendrick Munnik 4.7.1699/1.6.1740 101 159<br />
19
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
Nr Naam Zittingsduur Opv. Opg.<br />
131 mr R.G. van Ruytenburgh 22.8.1699/27.11.1718 109 144<br />
132 Abraham Baars 5.9.1699/10.12.1727 98 148<br />
133 Pieter Pet 16.4.1700/27.5.1719 120 145<br />
134 Pieter Ariss. Bel 28.3.1701/18.2.1707 129<br />
135 Dirck Brouwer 19.6.1701/20.10.1734 112 152<br />
136 Claes Wormer 28.12.1708/23.12.1740 128 161<br />
137 Lucas de Vcth 8.1.1709/20.1.1716 84 141<br />
138 dr Nicolaas Melckpot 30.11.1709/juli 1714 124 140<br />
139 Pieter van der Ley 6.12.1713/17.11.1726 114 147<br />
140 drjohannes Schot 15.8.1714/22.2.1720 138 146<br />
141 Claas Rol 20.1.1716/22.7.1753 137 170<br />
142 ArisBel 5.2.1716/15.11.1737 117 154<br />
143 Louris Gors 6.7.1718/20.2.1745 122 162<br />
144 Claas Visser 30.12.1718/7.12.1740 131 160<br />
145 Cornelis van Neck 27.5.1719/26.3.1740 133 157<br />
146 Maerten Tonning 22.2.1720/25.10.1738 140 156<br />
147 dr Philippus Boon 17.1 1.1726/22.10.1738 139 155<br />
148 Olphert Pet Pieterss. 10.12.1727/12.3.1749 132 pr<br />
149 Jan Vermees 25.4.1728/14.4.1740 116 158<br />
150 Jan Peereboom 24.11.1728/14.4.1740 127<br />
151 Claas Louwen 9.2.1733/7.12.1779 125 189<br />
152 IJsbrandt Koenis 20.10.1734/12.3.1749 135 pr<br />
153 Pieter Molenaar 29.11.1735/12.4.1764 121 178<br />
154 Jacob Appel 15.11.1737/12.3.1749 142 pr<br />
155 Sem Tonning 22.10.1738/27.12.1762 147 177<br />
156 Hendrick Ribbens 25.10.1738/2.10.1755 146 172<br />
157 Pieter Tegel 26.3.1740/13.8.1748 145 164<br />
158 mrjohan van Neck 14.4.1740/17.7.1746 149 163<br />
159 Willem Blijdenbergh 1.6.1740/12.1.1776 130 185<br />
160 Cornelis van de Burgh 7.12.1740/18.5.1750 144 169<br />
161 Jacob Wormer 23.12.1740/4.8.1764 136 179<br />
162 Xaverius Lacourière 20.2.1745/30.1.1762 143 176<br />
163 mr Willem van Neck 17.7.1746/24.6.1777 158 187<br />
164 Pieter Mauricius 13.8.1748/1.5.1758 157 173<br />
165 Hendrick Pieterss. Backer 12.3.1749/16.4.1760 pr 175<br />
166 Jan Peereboom 12.3.1749/12.12.1754 pr 171<br />
167 Jan Gors 12.3.1749/1.7.1767 pr 181<br />
168 Cornelis Neelen 12.3.1749/24.11.1767 pr 182<br />
169 Philippus Rijnier Boon 18.5.1750/30.9.1782 160 192<br />
170 Cornelis Koel 22.7.1753/30.11.1787 141 201<br />
171 Lourens Peereboom 23.12.1754/25.8.1788 166 200<br />
172 Jan Pet 2.10.1755/20.7.1765 156 180<br />
173 Adrianus van de Burgh 1.5.1758/13.1.1759 164 174<br />
174 Andries de Flinis 13.1.1759/29.5.1769 173 183<br />
175 Pieter Wijnhout 16.4.1760/11.1.1781 165 191<br />
176 Simon Appel 30.1.1762/24.5.1788 162 pr<br />
177 Jacob Tonning 27.12.1762/28.4.1778 155 188<br />
178 Jacobus van der Vooren jr 12.4.1764/24.5.1788 153 pr<br />
179 Pieter Pet 4.8.1764/4.12.1779 161 190<br />
180 Wigboldus Rijnink 20.7.1765/31.7.1789 172 202<br />
181 Antonius Jan Menger 1.7.1767/24.5.1788 167 pr<br />
20
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
Nr Naam Zittingsduur Opv. Opg.<br />
182 Adam Lugtig 24.11.1767/24.5.1788 168 pr<br />
183 Samuel Rudolphus van Nispen 29.5.1769/2.12.1775 174 183<br />
184 Gerardus Nienhuys 2.12.1775/13.10.1776 183 186<br />
185 Hermanus Tamboer 12.1.1776/ 159<br />
186 Jan Peert 13.10.1776/ 184<br />
187 mr Cornelis van Neck 24.6.1777/2.4.1785 163 193<br />
188 Jacob Wormer 18.8.1778/ 177<br />
189 Albert Louwen 7.12.1779/24.5.1788 151 pr<br />
190 Berend Suidema 22.1.1780/24.5.1788 179 pr<br />
191 Syvert van de Burgh 11.1.1781/24.5.1788 175 pr<br />
192 mr Jan van Goor Hinloopen 30.9.1782/ 169<br />
193 Claas Schoorl 2.4.1785/24.5.1788 187 pr<br />
194 Henricus van Slijpen 24.5.1788/ pr<br />
195 Meyndert Beudeker 24.5.1788/ pr<br />
196 Jan Breek 24.5.1788/ pr<br />
197 Bernardus Arnoldus van Baaien 24.5.1788/ pr<br />
198 Henricus van der Kolk 24.5.1788/ pr<br />
199 Cornelis van Ginkel 24.5.1788/ pr<br />
200 Martin Copius Peereboom 25.8.1788/ 171<br />
201 W.G. van Nieuwenhoven 20.11.1788/ 170<br />
202 Adrie van Harlingen 31.7.1789/ 180<br />
203 Theodorus Christiaan van Nes 3.1.1791/20.4.1793 pr vac.<br />
204 Jan Cornelis Hens /6.12.1648 83<br />
II Lijst van schouten van Purmerend en hun nevenfuncties 1600-1795<br />
1. Jacob Meiss.: schout 1600-1609<br />
2. Jan Corneliss. Buys: schout 1609-....<br />
3. Jan Louriss. Can: schout ....-1628<br />
4. Frederic Riccen: schout 1628-1647<br />
5. Ventidius Riccen: schout 1647-1659<br />
6 Hinloopen: schout 1659-1667<br />
7. Gerard Constantijn van Ruytenburgh: schout 1667-1701; tevens vroedschap 1677-1701; tevens burgemeester<br />
1689-1690, 1693-1694, 1698-1699.<br />
8. mr Reynier Gerard van Ruytenburgh: schout 1701-1719; tevens vroedschap 1699-1719; tevens burgemeester<br />
1706-1707, 1710-1711, 1715-1716<br />
9. mr Gerard Constantijn van Ruytenburgh: schout 1719-1728; tevens schepen 1716-1717<br />
10. Frederik Rikken: schout 1728-1753<br />
11. Willem Blijdenberg: schout 1753-1776; tevens vroedschap 1740-1776; tevens burgemeester 1743-<br />
1744, 1746-1747, 1750-1751, 1755-1756, 1759-1760, 1763-1764, 1767-1768, 1771-1772, 1776<br />
12. Philippus Rijnier Boon: schout 1776-1782; tevens vroedschap 1750-1782; tevens schepen 1751, 1754;<br />
tevens burgemeester 1760-1761, 1764-1765, 1768-1769, 1779<br />
13. mrLaurens Peereboom: schout 1782-1788; vroedschap 1754-1788; schepen 1751-1753; burgemeester<br />
1762-1763, 1766-1767, 1772-1773, 1776-1777; 1783-1784<br />
14. Willem Gesinius van Nieuwenhoven: schout 1788-1795; tevens vroedschap 1788-1795.<br />
21
Wendy Jansen<br />
Verfrissing van lichaam en geest.<br />
Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw-<br />
Wandelen is anno 1995 een populair tijdsverdrijf. Variërend van het zondags ommetje van<br />
gezin en huisdier tot survivaltochten in de Belgische Ardennen, trekt Nederland in zijn vrije<br />
tijd het bos in. 1<br />
Gewapend met kaart en kompas uit de wandelwinkel, bergschoenen en ande<br />
re onmisbaar geachte kledingstukken, energierepen en isotone dorstlessers kan de speur<br />
tocht naar het avontuur beginnen, waarbij wellicht de overmaat aan uitrusting het gebrek<br />
aan natuur in Nederland moet compenseren. De hedendaagse wandelaar is vooral op zoek<br />
naar 'onbedorven' gebieden. Het criterium voor een 'mooie wandeling' is de illusie van af<br />
wezigheid van modern menselijk ingrijpen in het landschap.<br />
Ook in de 17e en 18e eeuw werd, getuige vele uiteenlopende bronnen, veelvuldig gewandeld.<br />
2<br />
Uitgangspunt van dit artikel is de vraag wat deze wandelingen betekenden voor zowel<br />
de wandelaar als de beschrijver van de wandeling. Waar en wanneer wandelde men en wat<br />
wilde men op een wandeling beleven? En met welk doel beschreef men een wandeling? In<br />
de verschillende aspecten van het wandelen in de vroeg-moderne tijd zal getracht worden<br />
een antwoord te vinden op deze en andere vragen.<br />
Voor een onderzoek naar het begrip wandelen moet men allereerst een onderscheid maken<br />
tussen het wandelen als manier van reizen en de wandeling als vorm van recreatie. Vervoer<br />
in Nederland en vooral <strong>Holland</strong> geschiedde gemakkelijk en snel over het water, onder<br />
andere met de frequente, veilige en goedkope trekschuiten. 3<br />
Wanneer men in de 17e en 18e<br />
eeuw over wandelen spreekt wordt bijna uitsluitend op de recreatieve tocht gedoeld. Voornamelijk<br />
zal ik dan ook naar deze laatste manier van wandelen kijken.<br />
Een tweede aspect van het onderzoek naar de wandeling in de vroeg-moderne tijd betreft<br />
de manier waarop in de verschillende bronnen aandacht aan het wandelen wordt geschonken.<br />
In literaire bronnen wordt de wandeling vaak gebruikt als ordeningsprincipe, of als kader<br />
voor het verhaal of gedicht. Het feit dat een bepaalde wandeling hierin wordt beschreven<br />
of genoemd hoeft allerminst te betekenen dat het hier om een daadwerkelijk gelopen, reële<br />
wandeling gaat. Wanneer in een inleidende regel of alinea de wandeling uitsluitend dient<br />
als ordeningsprincipe wordt aan de wandeling zelf nauwelijks aandacht geschonken. 4<br />
Wandelbeschrijvingen waren vaak bedoeld om, comfortabel gezeten in de eigen luie stoel,<br />
te delen in de belevenissen van de auteur op zijn tocht. Hierbij kan het verslag van een wandeling<br />
in een bepaald gebied een kader vormen om verschillende topografische en historische<br />
wetenswaardigheden, maar ook moreel-zedelijke lessen te vermelden. De aanleiding<br />
van een dergelijke informatieve passage is dan datgene wat de wandelaar op zijn pad tegenkomt.<br />
Vaak beschrijft de auteur zijn wandeling zo realistisch mogelijk: de conversatie van<br />
de wandelaars wordt weergegeven en zaken als de genoten rustpauzes en consumpties wor-<br />
1 Het fenomeen survivaltocht in eigen land is, bij afwezigheid van gebieden waar de opdracht te 'overleven' enige<br />
moeilijkheid zou opleveren, niet gangbaar.<br />
2 Bronnen voor dit artikel zijn onder meer liedboeken, gedichten, (streek-)beschrijvingen in proza en prenten.<br />
De geraadpleegde bronnen beperken zich hoofdzakelijk tot <strong>Holland</strong>.<br />
3 Over reizen in de vroeg-moderne tijd: A. Maczak, Travel in early modern Europe (Londen 1995). Nederland was,<br />
in vergelijking met andere Europese landen, een vlak en relatief dicht bevolkt gebied. Het had voor reizigers<br />
een gunstig klimaat.<br />
4 Zie over de wandeling als ordeningsprincipe: W. B. de Vries, "Hofwijck', lusthof en speelweide: Huygens' spel<br />
met het georgisch genre', De Nieuwe Taalgids 71 (1978) 307-317 en A.J. Gelderblom, 'Observaties op de buitenplaats',<br />
in: H. Duits e.a. (red.), Eer is het lof des deuchts (Amsterdam 1986) 178-190.<br />
22
Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />
den vermeld. In dergelijke, met name in de 18e eeuw als waar gepresenteerde wandelversla<br />
gen, vormen reis, conversatie en wetenswaardigheden samen één geheel, waarbij de aard<br />
van de verschillende componenten per tekst kan verschillen. 5<br />
Een laatste voorbehoud betreft het onderscheid tussen een 'wandelideaal' en het wande<br />
len dat, zoals uit ander materiaal blijkt, in groten getale door de burgerij werd gedaan. De<br />
eerst genoemde, 'ideale' wandeling komt naar voren in onder meer literaire werken en poë<br />
zie en verwoordt wat men idealiter diende te zien, te bespreken en beleven. Voor de tweede<br />
groep van wandelaars is het moeilijk precies vast te stellen welke diepere gedachten en bedoe<br />
lingen werden gekoesterd tijdens het zondagse uitje. Wel zal gekeken worden, voor zover mo<br />
gelijk, in hoeverre de wandelingen en het wandelideaal in de literaire beschrijvingen over<br />
eenkomen met de realiteit van de 17e en 18e eeuw.<br />
'Hier gaat de konst natuur te boven'<br />
In tegenstelling tot de moderne Nederlander wandelde de vroeg-moderne mens bij voorkeur<br />
door een gecultiveerd en ingericht landschap: tuinen, parken en wandelpaden vlak buiten<br />
de stad. Tijdens de wandeling kon men dan een blik werpen op de fraai aangelegde lanen<br />
of op de buitenplaatsen met hun prachtige tuinen. 6<br />
Parallel aan de stedelijke ontwikkeling in Nederland ontstond tegen het eind van de 16e en<br />
het begin van de 17e eeuw de behoefte aan buitenleven. Mede onder invloed van de heersende<br />
Europese pastorale mode kwam dit ideaal van buitenleven vanaf het begin van de 17e eeuw<br />
ook tot uitdrukking in Nederlandse schilderkunst en letterkunde. Haarlem was daarbij een<br />
van de eerste steden in <strong>Holland</strong> waar nadrukkelijk in prent en poëzie werd gewezen op de aan<br />
gename landschappelijke omgeving van de stad. 7<br />
Met name dit gebied rond Haarlem, dat<br />
een afwisselende natuur bood waarin water, bos (de Haarlemmerhout) en duinen naast el<br />
kaar konden worden gevonden, werd in de eerste helft van de 17e eeuw veelvuldig bezongen<br />
in liedboekjes, dichtbundels en ook in beschrijvingen van dagtochtjes en wandelingen.<br />
Door de enorme groei van Amsterdam in deze periode verdween veel stadsgroen ten be<br />
hoeve van de nieuwe inwoners. In 1627 was voor het eerst in de archieven sprake van een<br />
stadshovenier. Er verschenen keuren op het behoud van het stadsgroen en een verbod op<br />
het vernielen van bomen. 8<br />
Simon Stevin schreef al rond 1600 met betrekking tot de groen<br />
voorziening in en rond de stad in Vande oirdeningh der steden:<br />
Voor de geheene die daer daghelicx van buyten moeten brengen versche cruyden, fruyten<br />
en ander leeftocht, oock voor inghesetens die dickwils buyten de Stadt gaen in haer Thuy-<br />
nen en Speelhuysen, of die int groen willen gaen wandelen om hemlien te vermaken. 9<br />
5 Aan een 'waar gebeurd' verhaal werd over het algemeen meer waarde toegekend (want leerzamer) dan aan de<br />
met name in de eerste helft van de 18e eeuw als 'leugenachtig' bekend staande roman. Over het begrip waarheid<br />
in de roman van de 17e en 18e eeuw: L.R. Pol, Romanbeschouwing in voorredes 1600-1755 2 dln (Utrecht 1987).<br />
6 Over tuinarchitectuur en het wandelen in de tuin: E. de Jong, Natuur en kunst: Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur<br />
1650-1740 (Amsterdam 1993).<br />
7 Met name in Italië en Frankrijk was de pastorale populair. Over de pastorale in de Nederlanden: P. van den<br />
Brink enj. de Meyere (red.), Het gedroomde land. Pastorale schilderkunst in de gouden eeuw (Zwolle 1993). Over Haarlem:<br />
H. Leeflang, 'Het aards paradijs. Het Haarlemse landschap in 16de- en 17de-eeuwse literatuur en beeldende<br />
kunst', in: De trots van Haarlem. Promotie van een stad in kunst en historie (Haarlem 1995) 115-126.<br />
8 W. Crouwele.a., Wegwezen; recreatie vroeger, nu en straks c-At. Amsterdams <strong>Historisch</strong> Museum (Amsterdam 1970)69.<br />
9 Geciteerd naar De Jong, Natuur en kunst, 192.<br />
23
Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />
dtf\vm
Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />
Nu eens den kruisweg ingetreden,<br />
door net geschoore laanen heen.<br />
Bekoorlyk lommer, hier is geen<br />
Gevaar voor afgematte leden<br />
'Hier gaat de konst natuur te boven', dichtte Straat over 'het lustpadt' de Schagerlaan. Ook<br />
Gijsbert Tijssens prees juist het aangelegde, geordende landschap in een vers dat de lezer<br />
meevoert op een tocht door 'lustig Diemermeer'. Hier kan de koopman uitrusten van het<br />
beursgewoel:<br />
Wat zoekt een Reiziger op verre uitheemse landen,<br />
Naar trotse hoven, daar de hoogmoed heerst, en woond;<br />
Hy ziet hoe BUITENRUST door netheid wordt bekroond,<br />
Als hy zyn oogen zwaaid door zo veel wandeldreven.<br />
Niet alleen rond Amsterdam, maar ook elders in Nederland vermaakte de stadbevolking<br />
zich in de nabijheid van de stad in tuin en park. Hebelius Potter deed in 1808 verslag van<br />
zijn wandelingen in een werk getiteld Wandelingen en kleine reizen door sommige gedeelten van het<br />
vaderland. Hij vermeldde over de stadhouderlijke tuin in Leeuwarden:<br />
Deze tuin is echter, met al zijn gebreken, een aangenaam uitspanningsplekje, voorname<br />
lijk voor de burgerij der stad, die hier dagelijks, maar vooral des zondags, in grooten geta<br />
le samenkoomen, om zich met wandelen te vermaken, en een kopje thee of iets anders<br />
te gebruiken, en om te zien en gezien te worden. 12<br />
In een reisverslag van de Groningse familie Van Bolhuis werd bij Utrecht de 'wandelplaets<br />
buiten de stad om' genoemd. 13<br />
In Schoonhoven wandelde de stadsbevolking buiten de stads<br />
wal 'langs groenbezoomde wegen, of dichte lommerpaan'. In 1770 waren de bomen op de<br />
wallen rond Schoonhoven gerooid en verkocht, 'doch naderhand zyn dezelve wallen, rond<br />
som de Stad, weeder met een dubbele ry jonge ype boomen beplant, tusschen welke een<br />
schoon breed en welgezand wandelpad heen loopt'. 14<br />
Dat men in de vroeg-moderne tijd wandelend recreëerde in gecultiveerd gebied kent in de<br />
eerste plaats op praktisch niveau zijn voor de hand liggende redenen. Alleen al het feit dat<br />
het Nederlandse vroeg-moderne landschap enorm verschilde van het tegenwoordige, zorgt<br />
voor grote verschillen in het wandelen 'vroeger' en nu. 15<br />
Een voorkeur voor 'nette wandelpa<br />
den' is niet verwonderlijk wanneer men bedenkt dat een groot deel van Nederland inderdaad<br />
woest en oningericht was en het reizen geen gemakkelijk avontuur. Tijdens een rondreis in<br />
1 2 H. Potter, Wandelingen en kleine reizen door sommige gedeelten van het vaderland 2 dln (Amsterdam 1808/1809) dl 1,<br />
190. Met de 'gebreken' van de tuin doelde de auteur op de tuinarchitectuur die 'nog in dezelfde oude regelmatige<br />
orde, en in den eigen stijven stijl' was, namelijk de volgens een geometrisch patroon aangelegde tuin van<br />
de eerste helft van de 17e eeuw. Dit in tegenstelling tot de in Potters tijd heersende mode van de 'bevallige, natuurlijke'<br />
tuininrichting.<br />
13 De Groningse vader en zoon Michiel en Abel Eppo van Bolhuis maakten tussen 1680 en 1705 verschillende<br />
reisjes per wagen of met het jacht door Nederland. Geciteerd in Maandblad Oud-Utrecht (1957) 20-27.<br />
14 T.D. Moor, Schoonhovensche arcadia (Gouda 1977) 17 en 20.<br />
15 A. van der Woud, Het lege land. De ruimtelijke orde van Nederland 1798-1848 (Amsterdam 1987).<br />
25
Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />
1732 door Oost-Nederland beschreef de Amsterdamse lakenkoopman Andries Schoemaker<br />
(1660-1735) de omgeving van Ommerschans:<br />
En dewijl daar zijn noch lover, noch gras, noch geboompte en is, gaf het een deftig ruym<br />
gezigt over de hey. De toegangen daaromheen sijn seer ongemackelijk als sijnde niet allenig<br />
een hobbelde bobbelde heyde, maar ook op vele plaatzen seer moerassig! 16<br />
Uit dergelijke passages blijkt dat een woest stuk land, alleen al op grond van het praktische<br />
ongemak dat dit tijdens een reis opleverde, als negatief werd ervaren. Het moet inderdaad<br />
oncomfortabel zijn om met paard en wagen over heipollen te rijden. Verderop dichtte Schoemaker:<br />
Daer boom noch lover groeit, noch oogverkwikkend gras,<br />
daer op de woeste hei geen vee of menschen woonen,<br />
daer dikwils 't zwarte veen in brand geraekt en as,<br />
een schets van Plutoos hof aen de Aeckerontschen plas,<br />
en 't aek'lig schimmenhol natuurlijk kan vertoonen.<br />
Het dodenrijk en de vloed van droefheid werden hier zelfs aangehaald om een woest en oningericht<br />
gebied te beschrijven. Joachim d'Outrein noemde, op weg naar de buitenplaats Rozendaal,<br />
de heide bij Arnhem een 'dorre Woesteny' waar slechts wilde dieren leefden. 17<br />
Met<br />
name Drenthe moest het in de reisverslagen ontgelden. Potter, ditmaal wandelend door Zevenwouden<br />
en Drenthe, schreef:<br />
Van Appelscha naar de Smilde wandelende, leverde de weg niets bijzonders op; dezelve<br />
was zelfs eenzaam en akelig, lopende gedeeltelijk over eene woeste zandvlakte. Eene<br />
woeste nare ledigheid omringde mij. 18<br />
Zijn enig houvast in deze verlatenheid vormde het uitzicht op de Smilderkerk, zonder welke<br />
hij zich in Afrika's zandwoestijnen zou hebben gewaand: 'Hier valt niet veel te wandelen,<br />
dewijl de geheele omtrek uit barre veenlanden bestaat'. De Watergraafsmeer daarentegen<br />
werd door Potter wel hogelijk gewaardeerd:<br />
De Middelweg, lopende van de Outewaler naar de Hartsevelder brug, is ongemeen fraai,<br />
van het begin tot het einde met lantaarnen voorzien, en ter wederzijds pronkende met<br />
heerlijke gebouwen en schoone tuinen.<br />
Verderop zijn tocht in Diemen ging het weer mis: 'Eene regelmatige buurt zonder boomen<br />
en zonder tuinen; zie daar alles: - en zonder deze twee laatste op het land! - wat is dan zulk<br />
een landleven?' 19<br />
Naast de al genoemde Watergraafsmeer was ook de Plantage populair bij wandelend en<br />
16 A.J. Gevers en A.J. Mensema, Over de hobbelde bobbelde heyde. Andries Schoemaker, Cornelis Pronk en Abraham de Haen<br />
op reis door Overijssel, Drente en Friesland in 1732 (Alphen aan den Rijn 1985).<br />
17 J. d'Outrein, De Roosendaalse vermakelykheden, met een geestelyk oog beschouwd, in digtmaal gesteld(Amsterdam 1700)3.<br />
18 H. Potter, Wandelingen dl 1, 91.<br />
19 H. Potter, Wandelingen dl 2, 287 en 290.<br />
26
Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />
Afb. 2. De Muiderstraat in de Nieuwe Plantage naar de Muiderpoort toe, ets door Daniël Stopen-<br />
dael. Bron: M. Broüerius van Nidek, Het verheerlijkt Watergraefs- of Diemermeer (Amsterdam 1725).<br />
recreërend Amsterdam. Het moerassige gebied in het oosten van de stad werd vanaf f682<br />
ingericht als recreatiegebied voor de Amsterdammers. In de Plantage konden tuinen worden<br />
gehuurd. Vier wandelaars die in 1733 's ochtends vroeg de Plantage passeerden, 'wanneer<br />
men hier nog niet zo veel geloop en gery niet verneemt als er op den dag, en voornamelyk<br />
des namiddags is', prezen de wandellanen aldaar:<br />
Doch hier aan kan men zien wat konst en arbeid niet al vermag, en hoe de schranderheit<br />
der menschen dat gene goed kan maken wat aan de Natuur ontbreekt. 20<br />
De heren zagen meer voordelen. De Plantage, voor wandelaars en tuinbezitters 'een zoete<br />
en pleyzierige uitvlucht', lag binnen de stadspoorten. Niet alleen hoefden de inwoners van<br />
Amsterdam 'niet vry verre tot afmattens toe buiten de stad [te] kuieren eer zy in eenige<br />
groente konnen komen' maar ook konden zij 's avonds laat en zelfs 's nachts doorfeesten.<br />
Binnen de stad wandelde men ook wel over de stadssingels, maar door de brakke en moerassige<br />
grond waren de bomen daar niet zo fleurig. Om de wegzakkende bodem te verhogen<br />
was daarbij de weg met 'puy en steenen' belegd, hetgeen de begaanbaarheid niet verhoog-<br />
20 De wandelaars of vermakelyke reyze 2 dln (Amsterdam 1733) dl 2, 23. In dit anonieme werk wordt verslag gedaan<br />
van een tweetal wandelingen door vier heren, voor 'uitspanning van den geest' en 'zoete en vermakelyke tydkor-<br />
ting'. Het eerste deel behandelt een tocht door Noord-<strong>Holland</strong>, in deel twee begeeft de groep zich naar Zuid-<br />
<strong>Holland</strong>.<br />
27
Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />
de. 21<br />
avant-la-lettre'. 22<br />
Kolfbanen, theekoepels en bierhuizen maakten de Plantage compleet tot een 'Tivoli-<br />
Steeds weer blijkt dat de aanwezigheid van tuinen garant stond voor een 'mooi' gevonden<br />
landschap. De natuur moest in de tuin worden vormgegeven, en hiervoor bestonden voor<br />
schriften en idealen, onder andere beschreven in het populaire 'handboek voor de tuinkunst'<br />
Den Nederlandtsen Hovenier (1669) van Jan van der Groen. 23<br />
Dankzij de klassieke literatuur<br />
over tuinkunst en natuurbeleving had de tuin van oudsher een eerbiedwaardige status. Ook<br />
bij Van der Groen zijn de klassieke ideeën van onder andere Vergilius, Varro en Horatius<br />
over de tuin en het buitenleven duidelijk herkenbaar. Het buitenleven is volgens Van der<br />
Groen om verschillende redenen het meest ideale leven. Het is het 'vermaekelijkst' want het<br />
prikkelt de zintuigen, en het 'voordeelighste': vruchten en groenten kunnen van het eigen<br />
land gegeten worden. Schone lucht en de afwezigheid van stedelijke weelde en overdaad ma<br />
ken het buitenzijn tot het gezondste leven dat er is. Het 'salighste' is het leven buiten ten<br />
slotte om morele redenen. Er zijn geen verderfelijke stedelijke toestanden, wel daarentegen<br />
volop natuur om God te loven. 24<br />
In de tuin, waar de natuur geheel naar eigen inzicht ge<br />
vormd en vervolmaakt kon worden, was de perfecte combinatie te vinden van buiten zijn<br />
in een ideale ordening van de natuur. De tuin was dan ook het wandelgebied bij uitstek.<br />
Wandelen temidden van gecultiveerde natuur, en met name in tuinen of in gebieden waar<br />
tuinen aanwezig waren, gaf dus een extra dimensie aan de wandeling.<br />
De wandelweg naar boven<br />
Van der Groen vond de natuur dikwijls onvolmaakt, 'wanschikkelyk', dat wil zeggen zonder<br />
orde. 25<br />
Alleen door kunst (arbeid, techniek) was verbetering en daarmee meer behagen,<br />
meer nut mogelijk. Een dergelijke natuur- en kunstbeschouwing stoelde op het idee van orde<br />
en symmetrie in de schepping. De natuur was voor alles een openbaring Gods. Het bezoek<br />
aan de tuinen van de lusthof Rozendaal diende volgens D'Outrein 'als een ladder, om op<br />
te klimmen tot den Grooten Maker van het Heel-Al'. 26<br />
De volgens de wiskunde geordende<br />
bomen en planten laten ons zien<br />
hoe wel geordent wy ons selven moeten toonen<br />
Als planten van een Heer, als eenes Vaders soonen. 27<br />
Daniël Willink dichtte in een lofzang op de Plantage:<br />
21 De wandelaars dl 2, 23-25.<br />
22 G. Mak, Een kleine geschiedenis van Amsterdam (Amsterdam 1994) 111.<br />
23 Jan van der Groen, Den Nederlandtsen hovenier, zijnde het I. deel van hel vermakelijck landl-leven. Beschrijvende alderhande<br />
princelijkcke en heerlijcke lusthoven en hofsteden en hoemen de selve met veelderley uytnemende hoornen, bloeme en kruyden, kan<br />
beplanten, bezayen en vergieren. Met koperefig. Mei noch omtrent 200 modellen van bloem-percken, parterres enz. (Amsterdam<br />
1669). De vele herdrukken en vertalingen van het boek zijn een indicatie voor de toenmalige populariteit<br />
van het buitenleven, de tuinarchitectuur en horticultuur.<br />
24 Geciteerd naar De Jong, Natuur en kunst, 17-18.<br />
25 De Jong, Natuur en kunst, .35.<br />
26 D'Outrein, De Roosendaalse vermakelykheden, Voorwoord.<br />
27 D'Outrein, De Roosendaalse vermakelykheden, 4.<br />
28
Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />
Hier 's 't eind van de bestraaten weg<br />
Daar duizenden van menschen treeden,<br />
Langs boomen glad gelyk een' heg,<br />
Geschooren naar de maat en reden. 28<br />
In het vormgeven van de natuur kon de mens de door God bedoelde orde in de Schepping<br />
terugvinden. In Jan van Westerhovens Den Schepper verheerlijckt in de schepselen van 1685 laat<br />
de auteur zijn twee personages Verus en Rogans een wandeling in de omgeving van Haarlem<br />
maken. Tijdens de tocht voeren de twee heren diepzinnige gesprekken naar aanleiding van<br />
wat ze onderweg tegenkomen. In de voorrede schreef Van Westerhoven:<br />
de eenzaamheid en stille, heeft my grootelyks de occasie tot eerlyke en Christelyke beden<br />
kingen menigmaal verschaft, inzonderheid, wanneer ik in eenzaamheid door de lands<br />
douwen wandelde, en my door de uitterlyke zinnen, Godes wonder-werken, aan den He<br />
mel en op der Aarden zich vertoonende, met een zonderlinge geneugt in het herte en ver<br />
stand gebragt en ingelaten wierden. 29<br />
Volgens de leer van Calvijn heeft God zich in de eerste plaats door de Schrift aan de mens<br />
geopenbaard. Maar ook in de Schepping, de wereld, is Hij aanwezig. Het genieten van de<br />
Goddelijke natuur heeft dan ook een positieve, religieuze betekenis, mits natuurlijk gedaan<br />
in het besef van Gods almacht. 30<br />
'Er is geen boek, waarin ons vollediger de manier geleerd<br />
wordt om God te loven' schreef Calvijn over de schepping. De mens is daarbij geroepen juist<br />
om de wereld te bestuderen omdat in de schepping de goddelijke orde is terug te vinden.<br />
Een dergelijk idee bevorderde niet alleen natuurwetenschappelijk, empirisch onderzoek<br />
maar gaf ook voor veel auteurs betekenis aan de door hen gemaakte wandeltochten in de<br />
natuur. 31<br />
Een opdrachtgedicht van Kornelis van Bracht in Westerhovens werk luidt:<br />
Dus prijs ik hier oock Westerhoven<br />
Want als hy handelt dese stof<br />
En wandelende melt Godts lof<br />
Soo leyt sijn Wandel-wegh na boven.<br />
Niet alleen op een beschouwelijk-literair vlak maar ook in de praktijk van het zondags uitje<br />
28 D. Willink, Amsterdamsche taupe nj nieuweplantagïe begrepen in twee boeken. Nevens den Amstelstroom (Amsterdam 1712)<br />
55.<br />
29 J. van Westerhoven, Den schepper verheerlijckt in de schepselen, ofte choor-gesang, aller geschapene dingen, daer in den mensch<br />
den bovensangh heeft. Voor-gestelt in 7 samenspraken, onder somersche wandelingen. Dienende wijders tot lof van Haerlems<br />
vermaeckelijcke landsdouwen. Doorgaens met toepassclijckc veersen en gezangen gemenght, en na 't leven afgebeelde konst-pl.<br />
verc. (Haarlem 1685) 2. Herdrukt in 1715.<br />
30 Ondanks de bestaande tegenstelling met het katholieke ideaal van zich terugtrekken uit de wereld kan het loven<br />
van Gods schepping door verheerlijking van de natuur en het Nederlandse landschap meer een algemeen Neder<br />
lands religieus thema dan uitsluitend een calvinistische zaak worden genoemd. Leellang, Het aards paradijs; 124.<br />
31 Zie hierover B. Bakker, 'Levenspelgrimage of vrome wandeling? Claes Janszoon Visscher en zijn serie Plaisante<br />
Plaelsen, Oud <strong>Holland</strong> 107 (1993) 97-116 en H. Leeflang, 'Het landschap in boek en prent. Perceptie en interpre<br />
tatie van vroeg zeventiende-eeuwse Nederlandse landschapsprenten', in: B. Bakker en H. Leeflang, Nederland<br />
naar 't leven. Landschapsprenten uit de Gouden Eeuw (Zwolle/Amsterdam 1993). Voor een overzicht van het land<br />
schap in de vroeg-moderne letterkunde: Th. J. Beening, Het landschap in de Nederlandse letterkunde van de Renaissance<br />
(Nijmegen 1963).<br />
32 Van Westerhoven, Den Schepper verheerlijckt (Haarlem 1685).<br />
2!)
Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />
blijkt dat geloof en wandelen in de vroeg-moderne tijd niet ver van elkaar afstonden. Onder<br />
meer is dit te lezen in de verschillende discussies gevoerd door calvinistische predikanten<br />
over de Zondagsrust. 33<br />
De synode te Dordrecht in 1574 stelde het volgende voor:<br />
De classen sullen bij haren Overheden versoeken, datse het koopen, verkoopen, arbey-<br />
den, drinken, wandelen, etc. dewyl de Predikatie duurt (insonderheyd des Sondags) ver<br />
bieden willen.<br />
Een halve stuiver boete wordt in 1573 voorgesteld voor de 'ledematen der Consistorie' die<br />
tijdens de bijeenkomsten zich bezig houden met 'schelden, speelen, ryfelen, soeselen, clap-<br />
pen, liggen, wandelen enz.' 34<br />
In een tirade tegen de verstoring van de zondagsrust pleitte een Rotterdamse leraar in<br />
1713 voor een verbod op bezoek van 'de Tuynen en Playzierplaatzen, die op die dag [zondag]<br />
't meest bezogt werden'. Even verontwaardigd was de predikant Jacobus Koelman in 1687<br />
toen hij in zesendertig punten tekeer ging tegen de verstoring van de zondagsrust. Punt ne<br />
genentwintig luidt:<br />
Dan zoekt men wereldsche verlustigingh, de stoepen zijn vol, en de straaten, ende mark<br />
ten krielen van menschen, de thuynen en hovens hebben noyt meer besoeks, en de cin-<br />
gels, wandel- en uyt-loop-plaatsen zijn zwart, men loopt lanterfanten, als ledig-gangers,<br />
pronken, en pralen.<br />
Niet iedere calvinist was even streng in de leer als Koelman. Willem a Brakel rekende het<br />
wandelen op zondag niet tot zondig vermaak:<br />
Doch tot des verbodene sonden en brengen wy niet het wandelen in 't veldt ofte gaen in<br />
thuynen, 't zy alleen ofte met andere, om de werken van Godt te aenschouwen, en hem<br />
daer in te verheerlyken, om sig na siele ende lichaam te verquikken. 35<br />
Wellicht was, gezien de vele tirades tegen het wandelen op zondag, de gemiddelde wandelaar<br />
meer met een vermakelijk uitstapje bezig dan met godsdienstige overpeinzingen.<br />
In de Ryper Zeepostil wa.n 1699 komen eveneens religie en wandelen ter sprake. 36<br />
Engel van<br />
Dooregeest en Cornelis Posjager, twee doopsgezinde leraren uit het Noordhollandse dorp<br />
De Rijp, schrijven hierin naast tweeëntwintig gewichtige godsdienstige leerredes in het eer<br />
ste deel, een beknopte geschiedenis van De Rijp en omgeving. In dit tweede deel geven de<br />
leraren tips voor aangename wandelingen rond De Rijp.<br />
De eerste predicatie vergelijkt het juiste leven met een wandeling over het 'effen padt<br />
van deught ende godsaligheyt'. De mens is een reiziger op aarde die de rechte wandelweg<br />
dient te gaan: 'laet ons dan in alle vroomheid dagelijks wandelen voor het oog van onze<br />
3 7<br />
God'. Nadrukkelijk wordt in deze en andere vergelijkingen telkens het woord wandelen<br />
33 S. D. van Veen, Zondagsrust en zondagsheiliging in de zeventiende eeuw (Nijkerk 1889).<br />
34 Van Veen, Zondagsrust, 8.<br />
35 Van Veen, Zondagsrust, 68.<br />
36 E. A. Dooregeest en CA. Posjager, De Ryper Zeepostil bestaende in xxii predieatién toegepast op de zeevaerl (Amsterdam<br />
1699).<br />
37 Dooregeest en Posjager, Zeepostil, 10-16.<br />
30
Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />
Afb. 3. De Maliebaan, ets door Daniël Stopendael. Bron: M. Broüerius van Nidek, Het verheerlijkt<br />
Watergraefs- of Diemermeer (Amsterdam 1725).<br />
(in plaats van bijvoorbeeld lopen of reizen) gebruikt.<br />
Het tweede deel van het boek beschrijft op wervende wijze de geschiedenis en topografie<br />
van De Rijp. Het gebied is zeer waterrijk, dus transport geschiedt meestal over het water.<br />
Ook om te wandelen is het gebied volgens de heren zeer aangenaam. 38<br />
De Beemster is, om<br />
te beginnen, 'prachtig aangelegd en zeer vruchtbaar'. Deze polder kan in ieder geval wat<br />
de weidegronden betreft wedijveren met Italië om de titel van aards paradijs. Van De Rijp<br />
langs de Beemster naar Purmerend is het twee uur gaans en met name in mei is er ten oosten<br />
van De Rijp voor een godvruchtig wandelaar volop gelegenheid om Gods lof te zingen. Zuidwaarts<br />
kan er langs aangename wateren en grazige klaverweiden tot Oostgraftdijk en het<br />
Starnmeer gelopen. Het is (nu richting westen) een half uur lopen naar Noordeinde over<br />
een goede stenen weg. Wie verder loopt over de velden en weiden van de Schermerpolder<br />
(bedijkt in 1632) komt na drie uur aan in Alkmaar. Via Schermerhoorn ten noorden van<br />
de Rijp kan de wandelaar op een zomerse dag helemaal doorlopen tot Hoorn, een tocht van<br />
vier uur 'om oude en nieuwe dingen te bepeynsen'. 39<br />
Liefde voor en trots op de eigen streek komen in deze aanbevolen wandelroutes duidelijk<br />
38 In andere, vroegere bronnen (met name van voor de verschillende droogleggingen in Noord-<strong>Holland</strong>) werd<br />
veelvuldig geklaagd over de slechte wegen die met name 's winters vaak onder water stonden. Ook later in de<br />
17e en 18e eeuw bleef het reizen over water voorrang houden boven dat over land. A.Th. van üeursen, Een<br />
dorp in de polder. Graft in de zeventiende eeuw (Amsterdam 1994) 49-51.<br />
39 Dooregeest en Posjager, Zeepostil, 360-365.<br />
31
Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />
naar voren, evenals het godsdienstig element in het genieten van de <strong>Holland</strong>se natuur. Ook<br />
buiten de tuin, in de optimaal geordende natuur, werd er dus graag gewandeld.<br />
'Oude en nieuwe dingen bepeynsen'<br />
Tijdens een flinke wandeling kon men volgens De Ryper Zeepostil nadenken over oude en nieu<br />
we dingen. Naast het element van recreatie en van godsdienstig besef heeft wandelen een<br />
didactisch aspect. Met name in de meer verhalende wandelverslagen komen vaak 'leerzame<br />
zaken' ter sprake. Een verhaal in de vorm van een wandeling bood de auteur de gelegenheid<br />
om zijn personages op ongedwongen wijze instructieve gesprekken te laten voeren. Wat de<br />
wandelaars op hun weg tegenkwamen vormde hierbij een natuurlijk aanknopingspunt. 40<br />
Reizen was vanouds verbonden met een educatief doel. 41<br />
Vanaf het eind van de 16e eeuw<br />
verscheen een genre bekend onder de naam ars apodemica, dat de reiziger instrueerde over<br />
de beste manier van reizen. Eén van de algemeen geldende voorschriften in deze werken was<br />
dat men historische, geografische, economische en culturele observaties behoorde te doen.<br />
Voor de Nederlandse reiziger waren dergelijke voorschriften onder andere te lezen bij Lip-<br />
sius: de reiziger moest het gebied waar hij doorheen trok onderzoeken door middel van het<br />
lezen van boeken, het ondervragen van bewoners van het gebied en het aantekenen van de<br />
geschiedenis, topogafie en gebruiken van het land. 42<br />
Heeft het bovenstaande betrekking op een daadwerkelijke reis, in de reis 'vanuit de luie<br />
stoel' met poëzie en prentenatlas werd eenzelfde verbinding met studie gelegd. Broüerius<br />
van Nidek richtte zich in de platenatlas Het verheerlijkt Watergraafsmeer tot de 'liefhebberen<br />
van kunst, historiën en buitenleven', en begon het werk met een uitgebreide historische uit<br />
eenzetting over het ontstaan van het gebied. Op de prenten zelf zijn groepen wandelaars en<br />
recreanten afgebeeld die zich in de Watergraafsmeer vermaken. In Het zegenpralendKennemer-<br />
land (1725) van dezelfde auteur werden bij de afgebeelde huizen en dorpen eveneens ge<br />
schiedkundige feiten vermeld. De tekst bij de tiende prent prijst bijvoorbeeld 'een heerlyken<br />
lusthof, die naar de juiste meetkunde aengelegt, het allerkeurigste oog bekoren en verlokken<br />
moet' aan bij 'minnaren en kenners van de Nederlandsche outheden'. 43<br />
Het Nederlandse hofdicht, het loflied op de buitenplaats, onderscheidde zich van het buiten<br />
landse georgische genre door het specifiek didactische aspect. 44<br />
De natuur en de tuin als af<br />
spiegeling van het Paradijs of Gods schepping verschaften in deze poëzie morele en godsdiensti<br />
ge lessen. In het ideale buitenleven hingen de lessen die in de natuur gevonden worden samen<br />
met de studie van onder meer letterkunde, geschiedenis en kunst en de discussie daarover met<br />
vrienden. In de gecultiveerde natuur van het hofdicht vormden natuur en cultuur één geheel.<br />
Ook Potter (1808) wilde in zijn wandelingen 'het nuttige, leerzame en aangename met el-<br />
kanderen vereenigd tot erkentenis en bewondering van de magt, wijsheid en goedheid van<br />
40 Verschillende van de hier genoemde wandclbcschrijvingen zijn dan ook geschreven in dialoogvorm, de traditioneel<br />
didactische vorm bij uitstek. D. Marsh, The quattrocento dialogue. Classical tradition and humanist innovatwn<br />
(Cambridge (Mass)/Londen 1980) hoofdstuk 1.<br />
41 Zie Maczak, Travel en A. Frank-van Westrienen, De Groote Tour. Tekening van de educatieve reis der Nederlanders<br />
in de zeventiende eeuw (Amsterdam 1983).<br />
42 De tekst van Lipius is afgedrukt in Frank-van Westrienen, De Groote Tour.<br />
43 M. Broüerius van Nidek, Het Zegenpralenl Kennemerlant, Vertoont in 100 Heerelykegezichten (Amsterdam 1729) 11.<br />
44 Zie noot 10. In de emblematische en religieuze natuurbeschouwing is het Nederlandse hofdicht afwijkend van<br />
de Franse, Engelse en Italiaanse traditie.<br />
32
Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />
den Schepper en Onderhouder aller dingen' en verbond de observaties tijdens zijn tochten<br />
met historisch-topografische informatie. In het verslag van een 'Wandeling op eenen herfst<br />
dag' gaat hij na een dag hard werken ter ontspanning naar buiten, en wel naar het dorpje<br />
Aalzum in Friesland. Hij beschrijft tijdens het tochtje zijn bespiegelingen over de aard en<br />
herkomst van terpen, geeft een topografische beschrijving van het gebied en gaat in op het<br />
leven van de oudste bewoners:<br />
Ik verbeeldde mij denzelven [de aloude bewoonders], ingehuld in zijnen mantel van<br />
beestenvellen, met pijl en boog, langs de moerassige velden te zien dwalen, om in de<br />
noodzakelijke behoeften van het leven te voorzien, terwijl zijn kuische en eenvoudige<br />
echtgenoote bezig is den voorraad te verzamelen, die tot brandstof dienen moet... Akelige<br />
donkerheid, in welke onze voorvaderen dus gedompeld lagen! 45<br />
Nog in 1838 begaf Ottho Gerhard Heldring zich op weg in zijn Wandelingen ter opsporing van<br />
Bataafsche en Romeinsche Oudheden om, al wandelend in de Betuwe, de resten van onze 'vrede<br />
lievende en toch zoo heldhaftige' Bataafse voorouders te onderzoeken. 46<br />
Potters en ook Heldrings historische en topografische informatie is beperkt. 47<br />
Anders is dit<br />
bij de informatie in verschillende Nederlandse arcadia's van de 17e en 18e eeuw, een apart<br />
genre in de 'instructieve reisliteratuur' dat opvalt juist door de vele met name historische les<br />
sen die tijdens de beschreven tochtjes door de personages aan de lezer worden meegedeeld. 48<br />
De Batavische Arcadia van Johan van Heemskerk (1637) vertelt van een groepje jongelui<br />
die wandelend en per speelwagen een reisje in de omgeving van Den Haag en Katwijk ma<br />
ken. 49<br />
Tijdens dit dagje uit gaan de geleerde gespekken over onder meer het internationaal<br />
zeerecht, de herkomst van de naam Katwijk en de Chatten en de geschiedenis van de graven<br />
van <strong>Holland</strong>. Het succes van het werk leidde tot een tweede editie in 1647 (sterk uitgebreid<br />
met een erudiet Latijns notenapparaat) en herdrukken van deze tweede versie tot ver in de<br />
18e eeuw. Tevens vestigde Van Heemskerk een Nederlandse arcadische traditie: verschillen<br />
de auteurs in de 17e en 18e eeuw gaven aan naar zijn voorbeeld een 'arcadia' te willen schrij<br />
ven. Het resultaat is een serie zeer diverse werken waarin een groepje Nederlandse burgers<br />
al rijdend, spelevarend en wandelend uiteenlopende historische, topografische en ook lucht<br />
hartiger kwesties bespreekt. Reis en wandeling staan hier niet ten dienste van een religieus-<br />
emblematische natuurbeleving maar dienen als vehikel voor intellectuele gesprekken. 50<br />
45 Potter, Wandelingen, 7 en 9.<br />
46 O.G. Heldring, Wandelingen ter opsporing van Bataafsche en Romeinsche Oudheden, legenden, enz. (Amsterdam 1838).<br />
47 Het verbinden van de wandeling met didactische en educatieve informatie is wijd verbreid en kan voor Nederland<br />
voorde 17e, 18e en ook 19e eeuw (bijvoorbeeld de wandelingen van Jac.P. Thijssen) met vele voorbeelden<br />
worden aangevuld. Een vroeg 17e-eeuws voorbeeld betreft de Haarlemse stadsgeschiedenis van S. Ampzing<br />
in de vorm van een wandeling (1628). Ook in de 18e eeuw schrijft J. F. Martinet zijn encyclopedische Katechismus<br />
der Natuur (Amsterdam 1777-1779) in de vorm van wandelingen van leerling en meester in en rond Zutphen.<br />
Vanzelfsprekend verandert de aard van de didactische informatie met de tijd, maar de verbinding van educatieve<br />
informatie met wandelen blijft.<br />
48 Een inventarisatie van het genre in H. Groot, 'Achttiende-eeuwse arcadia's: tussen literatuur en geschiedenis',<br />
<strong>Holland</strong> 17 (1985) 241-252. Tevens W.F. Jansen, "Laag bijdegrondse geleerdenpoespas'. Onderzoek naar de<br />
zeventiende- en achttiende-eeuwse arcadia's', Spektator 23 (1994) 2, 127-126. Over de historische informatie in<br />
Van Heemskerks Batavische Arcadia: J.J.V.M. de Vet, 'Opstand in Arcadië', De Zeventiende Eeuw 10 (1994) 57-64.<br />
49 J. van Heemskerk, Inleydinghe tot het ontwerp van een Batavische Arcadia (Amsterdam 16.37).<br />
50 Verwant aan de arcadia is de eerder genoemde morgenwandeling rond Haarlem of Den schepper verheerlykt van<br />
Van Westerhoven. Vooral bedoeld als lofzang op Gods schepping komen ook hier tijdens de wandeling verschillende<br />
historische en erudiete kwesties in de dialogen ter sprake.<br />
33
Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />
Een 'sachte oeffeninghe'<br />
Een laatste aspect van de wandeling in de vroeg-moderne tijd betreft het wandelen als een<br />
gezonde en in de medische traktaten aanbevolen exercitie. De Franse tuinarchitect Antoine<br />
Joseph Dezailler d'Argenville hechtte grote waarde aan afwisseling in de tuin voor maximale<br />
verfrissing van lichaam en geest in de wandeling. 51<br />
Ook in Johan van Beverwijcks Schat der<br />
Gesontheyt, de meest populaire 'medische encyclopedie' van de 17e eeuw, wordt het wandelen<br />
aanbevolen. 52<br />
Het menselijk lichaam behoeft beweging, net zoals water in een put dat gaat<br />
stinken wanneer het lange tijd stil staat. Hiervoor bestaan 'sterke' oefeningen, die de mens<br />
doen hijgen, en 'zwakke' oefeningen, die leiden tot een blozend gezicht en licht zweten. Zo<br />
dra deze verschijnselen zich voordeden diende men direct te stoppen: net als de andere be<br />
schreven oefeningen voor het lichaam mocht wandelen niet vermoeiend zijn. Voor de gezon<br />
de en ook de oudere mens is wandelen als 'sachte oeffeninghe' voldoende om 'de wermte<br />
te vermeerderen, de geesten te bewegen en de vuyligheyt af te setten'. Het is het beste met<br />
een lege maag en in de schaduw (tegen oververhitting) te bewegen. Om in de schaduw te<br />
kunnen lopen worden bomen dan ook als zeer gewenst beschouwd.<br />
'Een nut en verheven vermaak': vier wandelaars in <strong>Holland</strong><br />
Hoe vermakelyk zou [het] zyn in de schone dagen, die 'er doenmaals [in mei] waren, zich<br />
buiten de stad inde groente te verlustigen, om wat lucht en vermaak te scheppen en dus<br />
van een Zaizoen te profiteren. De een zou naar zyne Buitenplaats gaan, de ander naar<br />
die van goede vrienden, de derde zou zich gezelschap zien te vinden om een plezierreisje<br />
van eenige dagen te doen. 53<br />
In een tweetal verslagen van wandeltochten door Noord- en Zuid-<strong>Holland</strong> komen verschil<br />
lende van de hierboven besproken aspecten van het wandelen naar voren. Het eerste deel<br />
van De Wandelaars of vermakelyke reyze uit 1733 doet verslag van een recreatieve tocht van vier<br />
heren langs verschillende steden in Noord-<strong>Holland</strong>, geschreven voor 'uitspanning van den<br />
geest' en 'zoete en vermakelyke tydkorting'.<br />
De (anonieme) auteur, die zich presenteert als een der wandelaars, meldt in de voorrede<br />
waarom deze wandeling de moeite van het opschrijven loont. In de eerste plaats betreft het<br />
een aangenaam, nuttig en vooral waar reisverslag. Hoe verder en exotischer de reis immers,<br />
hoe meer verzinsels een auteur kan toevoegen. Hier, op reis in het eigen <strong>Holland</strong>, is dit van<br />
zelfsprekend niet het geval. Daarbij is deze reis zeldzaam, omdat hij geheel te voet is afge<br />
legd. Een niet gebruikelijk fenomeen bij een dergelijk grote tocht 'daar men door gantsch<br />
Noord-holland het gemak van schuiten of Wagens hebben kan'. De wandelaars hebben een<br />
reden hiervoor:<br />
Inde Schuiten is 't maar melancolyk te zitten, en het stoten dat men dikwils op de wagens<br />
moet lyden als of 't hart uit het lyf zou bersten, staat ons niet veel aan.<br />
51 De Jong, Natuur en kunst, 176.<br />
52 J. van Beverwyck, Schat der Gesontheyt, Veresert me! 1 listoryen, Kupere Platen, als oock met Verssen van Heer Iacob Cats<br />
(Amsterdam 1643) 680-685.<br />
53 De wandelaars dl 1, 2.<br />
34
Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />
Daarnaast is er reizend per boot niet zoveel van het landschap te zien als wandelend. 54<br />
Géén<br />
beschrijving zal worden gegeven van 'steden, Dorpen, Adelyke Huizen, Sloten, Oudheden,<br />
Landstreken, enz.': daarvan bestaan er al heel veel door geleerden die de auteur toch niet<br />
kan verbeteren. Het samengaan van historisch-topografische lessen en reisbeschrijving,<br />
blijkt hier weer, is gebruikelijk en populair.<br />
Het reisgezelschap bestaat naast de auteur uit twee jonge broers, wandelliefhebbers die<br />
nog nooit Noord-<strong>Holland</strong> hebben gezien, en een oudere heer die wel mee wil 'voor de<br />
klucht'. Voor het welslagen van de onderneming zijn vier personen absoluut nodig. Dit om<br />
voldoende 'divertissement van gezelschap' en 'stoffe tot discours' te hebben. Aangename ge<br />
sprekken tijdens het lopen zijn dus belangrijk. 55<br />
'Nooit zou ik gedroomt hebben, dat een<br />
Reisje van vier manspersonen te voet, door zo een klein District als Noordholland, zonder<br />
gezelschap van eenige Juffers, en zonder eenig volk in schuiten of op wagens aan te treffen'<br />
voldoende stof zou geven voor een complete beschrijving, aldus de auteur. Het meenemen<br />
van een aantal jongedames was inderdaad gebruikelijk in een wandelbeschrijving. De juffers<br />
zorgden meestal voor de amoureuze verwikkelingen in het verhaal. Ook traden zij op als<br />
vragenstelsters om de heren gelegenheid te bieden hun kennis te etaleren.<br />
Een tweede voorwaarde van de wandelaars, 'dat wy op onze Reize nooit op eenmaal zo<br />
verre mogen gaan dat wy vermoeit worden, want anders is 't vermaak weg', betreft de rust<br />
pauze na ten hoogste twee uur lopen. Tegen een dikzak, meer het type om per paard en wa<br />
gen langs de herbergen te rijden, wordt gezegd:<br />
en wy die magere luiden zyn, en zeer vlug over de weg konnen, zyn in tegendeel liefheb<br />
bers van wandelen, al was't maar om onze goede gezondheid en goede honger te behou<br />
den, en door veel zitten niet te vet te worden, en nog lui en onlustig worden daar toe.<br />
Met het wandeltempo blijkt het echter allemaal wel mee te vallen. Er wordt gelopen 'met<br />
langzame treden om ons in 't allerminst te vermoeien'. Niet alleen is dit gezonder en langer<br />
vol te houden, ook een Italiaans spreekwoord zegt het al: chi va piano, va sano, e va lonlano. 56<br />
Ten slotte wordt de wandeluitrusting van de vier heren uitgebreid beschreven: kleren die<br />
goed beschermen tegen zon en regen, maar geen jassen 'om lichter overweg te komen.' Ieder<br />
is in het bezit van een goede 'surtout' of reisrok (een overjas) en per persoon wordt daarnaast<br />
een degen meegenomen. Weliswaar is dit niet een echt afdoende bescherming - hoewel het<br />
goede scherpe exemplaren betreft - maar Nederland is gelukkig een veilig land om te reizen.<br />
Zoveel linnengoed 'tot verschoning' als men in de zakken bergen kan 'om in het wandelen<br />
niet geincommodeert te zijn' en een flinke som geld, maken de groep klaar voor vertrek. 57<br />
De tocht duurt in totaal drie weken waarin de heren, al keuvelend over weinig diepgravende<br />
zaken en vol bewondering voor het rijke landschap, via de dorpen en steden in Noord-<br />
<strong>Holland</strong> weer terugkeren in Amsterdam.<br />
Het tweede deel van de Wandelaars doet verslag van een vergelijkbare tocht door Zuid-<br />
<strong>Holland</strong>, gelopen in augustus. Ook nu betreft het weer een 'waargebeurd' verslag: 'Indien<br />
ik by forme van een Roman tot verderf der zeden had wilen schrijven, zou ik de zaken een<br />
54 De wandelaars dl 1, 2.<br />
55 Het element van geleerde en genoeglijke discussie met vrienden is ook in de beschrijvingen van het ideale buitenleven<br />
in de hofdichten te vinden.<br />
56 Wie rustig loopt, loopt in gezondheid, en langdurig.<br />
57 De wandelaars dl 1, 6-16.<br />
35
Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />
gantsch anderen draai hebben konnen geven'. Het is ditmaal moeilijk een vierde man te vinden.<br />
Verscheidene kennissen mogen niet van hun vrouw, werken te hard of zijn te dik om te<br />
lopen. Wanneer dit probleem uiteindelijk is opgelost kan de groep vertrekken, en wel op zondagochtend.<br />
Wandelen op zondag is toch niet geheel onomstreden, blijkens de verdedigende<br />
opmerkingen van de schrijver: wie zich eraan stoort dat het groepje op zondag begint te wandelen<br />
is een 'al te fyne zemelknoper'. De heren gaan immers niet brassen, uit rijden of 'wellustigheden<br />
bedryven'. Deze tocht dient 'niet om een dierlyk en zinnelyk vermaak voor 't ligchaam,<br />
maar vooral om een nut en verheven vermaak voor den geest' door middel van 'discoursen,<br />
beschouwingen en bespiegelingen van de zaken die ons voorkomen zouden'. 58<br />
Nadat ze via de Plantage buiten de stad zijn gekomen worden ze op weg van de Muiderpoort<br />
naar het Diemermeer gepasseerd door vele rijtuigjes op een zondags pleziertochtje.<br />
Amsterdammers, een volk dat door de week hard werkt (en daarom zo rijk is), hebben een<br />
'liefhebbery van plezierluchtjes'. 59<br />
Net als de tocht door Noord-<strong>Holland</strong> verloopt ook deze<br />
wandeling van ongeveer drie weken rustig en probleemloos. Zelfs het aanbod van een paar<br />
dames van lichte zeden slaan de heren beleefd af.<br />
Tot besluit<br />
In het voorafgaande is een aantal aspecten van de 17e- en 18e-eeuwse wandeling besproken.<br />
Men wandelde in ingericht, vormgegeven land: in tuinen, op wandelpaden of in parken rond<br />
de steden. Maar ook buiten de door mensen vormgegeven natuur werd gewandeld. Mits de<br />
toestand van de paden dit toeliet (afhankelijk van weer enj aargetij de) liep men in <strong>Holland</strong> graag<br />
door het rijke boerenland, over dijken en door polders. Pas wanneer het land echt woest en onontgonnen<br />
was, zoals in Drenthe of op de Veluwe, haakte de vroeg-moderne wandelaar af.<br />
Het godsdienstig aspect van de wandeling speelt een belangrijke rol, met name in de meer<br />
literaire beschrijvingen. De lezer deelde immers tijdens de (fictieve) wandeling in de natuuren<br />
godsbeleving van de personages. Niet ieders wandelweg leidde even direct 'naar boven',<br />
maar het besefis algemeen dat in de natuur het goddelijk element kon worden teruggevonden<br />
of op een directe manier ervaren. In het vormgeven van de 'wanschikkelijke' natuur<br />
zocht men een manier om de goddelijke orde terug te vinden. Uit de geschriften van de vooren<br />
tegenstanders van het wandelen op zondag blijkt iets van de gevoelde spanning tussen<br />
het wandelen als middel om tot God te komen en de puur recreatieve wandeling. De herhaalde<br />
verzekering van verschillende zondagswandelaars dat het hier eerder een serieuze godsdienstoefening<br />
betreft dan een aangenaam uitje, spreekt voor zichzelf.<br />
Een derde aspect betreft het didactische element. Een verhaal in de vorm van een wandeling<br />
blijkt een uitermate geschikt middel om allerhande meer en minder diepgaande informatie<br />
te verschaffen. De auteur geeft de gesprekken van zijn wandelende personages vaak<br />
letterlijk, in dialoogvorm, weer. In verschillende arcadia's leidde deze vorm zelfs tot lange<br />
verhandelingen over hoogst serieuze zaken. De vorm van wandeling of reisje verdwijnt hier<br />
soms bijna achter de informatieve en erudiete passages. 60<br />
58 De wandelaars dl 2, 16.<br />
59 De wandelaars dl 2, 26.<br />
60 Later in de 18e eeuw lijkt het geleerde karakter in dergelijke reis- en wandelverslagen te veranderen in luchthartiger<br />
gespreksstof. Nader (historiografisch) onderzoek van de arcadia's en verwante genres zou dit verschijnsel<br />
kunnen verhelderen.
Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />
En ook het lichaam is gebaat bij een gezonde wandeling. Liefst voorzien van voldoende<br />
rustpauzes, schaduw en een aangenaam uitzicht, kuierde de vroeg-moderne Nederlander,<br />
al keuvelend of in stilte genietend, door zijn welvarende <strong>Holland</strong>. En wie één keer de Vierdaagse<br />
van Nijmegen heeft gelopen moet bekennen: er valt wat te zeggen voor deze manier.<br />
37
Jos Leenders<br />
De lof der kleurloosheid.<br />
Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />
Vanaf de grondwet van 1848 tot die van 1917 is de Nederlandse politiek in sterke mate beïn<br />
vloed geweest door het liberalisme. Straatnamen in oudere stadsdelen herinneren nog steeds<br />
aan belangrijke liberale voormannen als Thorbecke, Van Houten, Kappeijne van de Cop-<br />
pello, Fransen van de Putte enzovoort. Ondanks hun onmiskenbare bijdragen aan staat en<br />
maatschappij heeft de geschiedschrijving zich lang weinig positief uitgelaten over de geringe<br />
samenhang van het Nederlandse liberalisme tot 1885. Dat zou zich vooral hebben onder<br />
scheiden door geringe daadkracht ondanks een electorale meerderheid. 1<br />
Het kreeg ook aan<br />
gewreven dat het een maar matige neiging tot partijvorming had vertoond, hetgeen werd<br />
verklaard uit onderlinge tegenstellingen en uit de ideeën van Thorbecke over de rol van par<br />
tijen. Thorbecke had de vorming van een Kamerclub geaccepteerd voor incidenteel overleg,<br />
maar partijvorming bij het electoraat afgewezen. De kiezers hadden alleen te kiezen en daar<br />
na waren de gekozenen autonoom tot de volgende verkiezing. 2<br />
Dat er ook positievere argu<br />
menten voor de geringe liberale ambitie tot samenhang bestonden, bleef toegedekt.<br />
Tegenover dit 'negativisme' valt een tamelijk recent artikel van E. H. Kossmann in NRC-<br />
Handelsblad te plaatsen. Hij betoogde dat men niet liberaal werd om redenen in het liberale<br />
programma gelegen. De keuze was er niet een voor een partij maar juist voor on- of boven-<br />
partijdigheid, voor het algemeen belang. Het liberalisme verhief zich, aldus Kossmann, bo<br />
ven het politieke strijdtoneel. Wie zich tegen liberale standpunten verzette, heette zich te<br />
keren tegen de onpartijdige waarheid, de tijdgeest, de objectief vast te stellen gang van de<br />
geschiedenis. 3<br />
H. te Velde identificeerde liberalisme met algemeenheid, en de elite, de (geze<br />
ten) burgerij, met de natie als geheel op basis van de romantisch organische metafoor van<br />
Thorbecke. Daarin representeerde het Nederland van 1848 het lichaam, representeerden<br />
de kiesgerechtigde burgers het heldere hoofd, en het 'volk' (slechts) de ledematen. De natio<br />
nale eenheid vond haar bezegeling in het parlement, alleen dat creëerde een 'staatsregtelijke<br />
persoonseenheid'. In het parlement vormde de natie zich een mening, één mening, de libera<br />
le. Een moderne natie gericht op de toekomst moest die wel aanhangen. 4<br />
De liberalen van<br />
1848 hebben de mogelijkheid van een pluralistische samenleving zoals die rond 1870 door<br />
brak, niet voorzien. Ze vonden er pas na 1890 een antwoord op.<br />
Nu hebben genoemde betogen in de eerste plaats betrekking op wat zich voltrok op natio<br />
naal niveau. Het is de vraag of de liberale pretentie van algemeenheid ook een echelon lager,<br />
lokaal, in een kiezersvereniging, gold en zo ja, hoe zij daar werd gemotiveerd. Hoe reageer<br />
den niet-liberalen trouwens op die ogenschijnlijk toch wel grote liberale zelfverzekerdheid?<br />
Door de blik te richten op een betrekkelijk willekeurige kiezersvereniging, 'Burgerplicht'<br />
(1867) te Hoorn, kan een eerste antwoord worden gegeven.<br />
1 Bijvoorbeeld CA. Tamse, 'De politieke ontwikkeling in Nederland 1874-1887', in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden<br />
dl 13 (Bussum 1978) 207-224.<br />
2 G. Taal, Liberalen en radicalen in Nederland 1872-1901 (Den Haag 1980) 23.<br />
3 NRC-Handelsblad, 11 februari 1993.<br />
4 H. te Velde, Gemeenschapszin en plichtsbesef. Liberalisme en nationalisme in Nederland, 1870-1918 (Den Haag 1992)<br />
38
Oprichting<br />
De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />
Burgerplicht Hoorn was vernoemd naar de eerste Burgerplicht, een Amsterdams initiatief<br />
van 1866. Overigens was te Hoorn aan kiezersverenigingen al behoefte ontstaan bij de kies<br />
rechtuitbreiding van 1851, toen het aantal raadskiezers er sterk toenam van 293 naar 553.<br />
In 1858 had Hoorn relatief de meeste Kamerkiezers van Nederland, 3,82% van de bevolking<br />
tegen bijvoorbeeld hekkensluiter Amsterdam, 1,57%. 5<br />
Vooral de 'middenklasse der burge<br />
rij', heette het, verlangde naar vereniging. Zij wist nog niet hoe te stemmen en diende te wor<br />
den ingewijd. 6<br />
Twee kiesverenigingen kwamen tot stand, de 'algemeene' en de 'vrijzinnige',<br />
ad hoc-creaties die al gauw verliepen. Misschien bestond te Hoorn bij nader inzien toch wei<br />
nig behoefte aan geformaliseerde politieke voorlichting en kanalisering van opvattingen. Er<br />
waren ten slotte maar twee 'partijen'. De 'algemeenen', de protestanten, van evangelisch ver<br />
lichte Groninger snit, stemden sinds 1853 vooral conservatief omdat ze onmogelijk nog libe<br />
raal konden kiezen. De liberalen hadden hun bondgenoten de 'roomsen' - te Hoorn een<br />
derde van de bevolking - immers een onafhankelijk bisschoppelijk bestuur bezorgd. Ook<br />
kan gebrek aan interesse juist bij de nieuwe kiezers een rol hebben gespeeld.<br />
Getuige advertenties in de Hoornsche Courant werd in verkiezingstijd wel informeel over<br />
kandidaten gedelibereerd; in 1864 door liberalen onder leiding van Hoorns burgemeester<br />
mr W.C.J. de Vicq. Het ergerde de conservatieve Purmerender Courant dat niet vergaderd was<br />
over te stellen kandidaten. Dat was al voorgekookt. Er was alleen besproken hoe ze aan te<br />
bevelen. 7<br />
al wel gevoeld.<br />
De noodzaak kandidaatstelling publiekelijk te doen plaatsvinden werd kennelijk<br />
Een dergelijke strekking kan ook een advertentie in 1866 van drie politiek onduidelijke<br />
heren hebben gehad. Zij riepen bij een kamerverkiezing 'namens eenige kiezers' op tot een<br />
openbare vergadering met debat over een te stellen conservatieve en liberale kandidaat. 8<br />
Een<br />
vermoedelijk gevolg was de totstandkoming in 1867 van Burgerplicht. Het verslag daarvan<br />
ontbreekt. Het archief van Burgerplicht is spoorloos en daarmee statuten, reglement en le<br />
denlijsten. Maar de Hoornsche Courant nam, overigens pas wat later, de gewoonte aan uitvoe<br />
rig verslag te doen. Zo is een goede bron voorhanden. Op 6 april 1867 stelde Burgerplicht<br />
voor het eerst kandidaten voor de gemeenteraad.<br />
Over de aanleiding tot de oprichting van Burgerplicht valt met enige stelligheid te gissen.<br />
Nationaal was de traditionele politieke tweedeling aan het verschuiven. De katholieken be<br />
gonnen hun sympathie voor het verbond met de liberalen te verliezen. Voor veel protestantse<br />
kiezers gold eerder het omgekeerde: het viel ze moeilijk de conservatieven nog langer te steu<br />
nen wegens hun 'gedrochtelijk' verbond met Groenianen en katholieken. Zeker is dat de<br />
stichting van Burgerplicht Amsterdam met deze ontwikkelingen te maken had. 9<br />
Of Hoorn<br />
direct contact met de hoofdstad heeft onderhouden, is niet duidelijk. Contact tussen kiesver<br />
enigingen was over het algemeen zeldzaam. Burgerplicht Rotterdam zocht kort na oprich-<br />
5 L. Blok, Stemmen en Kiezen, Het kiesstelsel in Nederland in de periode 1814-1850 (Groningen 1987) 314.<br />
6 Hoornsche Courant (hierna HC), 25 augustus 1851. Zie verder: J. M. M. Leenders, Benauwde verdraagzaamheid, hachelijk<br />
fatsoen. Families, standen en kerken te Hoorn in het midden van de negentiende eeuw (Den Haag 1992) 30-31.<br />
7 Bijvoorbeeld HC, 4 en 11 juni en 30 juli 1864. Purmerender Courant, 20 juli 1864, geciteerd in HC, 30 juli 1864.<br />
8 HC, 5 juli 1866.<br />
9 H. Bas, 'Gelijkgestemd of'gelijkgezind? Een onderzoek naar partijvorming bij de Amsterdamse kiesvereniging<br />
Burgerpligt 1866-1881' (ongepubliceerde doctoraalscriptie Universiteit van Amsterdam 1988); Th. van Tijn,<br />
Twintig jaren Amsterdam. De maatschappelijke ontwikkeling van de hoofdstad, van de jaren '50 der vorige eeuw tot 1876<br />
(Amsterdam 1965) 329-332.<br />
39
De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />
ting contact met Amsterdam. Die nam samenwerking in overweging, maar verder dan dat<br />
kwam het niet. In 'De Grondwet' te Middelburg werd zo'n contact voorgesteld, maar ook<br />
daar kwam het er niet van. 10<br />
De verkiezingsuitslagen in het district Hoorn, dat sinds jaar en dag een conservatief en<br />
een liberaal afvaardigde, tonen aan hoezeer de kiesvereniging van pas kwam. Aanvankelijk<br />
lijken velen door de politieke renversement niet meer goed geweten te hebben wie te kiezen.<br />
In 1868, toen de liberalen nationaal wonnen, koos Hoorn nota bene twee conservatieven.<br />
Mogelijk had een aanzienlijk aantal protestanten pas na de stembus ontdekt met de katholie<br />
ken conservatief te hebben gestemd, een onverteerbare wetenschap. In 1869 werd het<br />
liberaal-conservatieve evenwicht te Hoorn hersteld en in 1871 werd Hoorn voor het eerst<br />
sinds 1852 weer uitsluitend liberaal vertegenwoordigd; dit zou tot het eind (1918) zo blijven.<br />
De vernoeming naar het Amsterdamse voorbeeld geeft aan dat achter de oprichting van<br />
Burgerplicht 'links-liberalen' schuilgingen, denkend in de lijn van de Hoornse dominees,<br />
Modernen die rond 1860 de meeste hervormden achter zich hadden gekregen. Hun nieuwe<br />
elan sloeg over naar sociaal en politiek terrein. 11<br />
Aan de wieg van Burgerplicht stond nadrukkelijk Anton G. Renssen, 37 jaar, steenkoper,<br />
nog geen halfjaar te Hoorn woonachtig en toch meteen tot secretaris gekozen. Renssens in<br />
breng was niet tot ieders genoegen. De Purmerender Courant wist nog in 1874 dat deze vreem<br />
deling het kind had gebakerd. En ook na 1867 noemde zij Burgerplicht 'door vreemdelingen<br />
beheerscht'. 'Logen', vond de liberale Hoornsche Courant: 'vijf burgers', geen vreemdelingen<br />
maar 'Vaderlanders', waren de stichters geweest. 12<br />
Hoorn stond wat vreemde inbreng betreft<br />
niet alleen: voor de Amsterdamse Burgerplicht is geconstateerd dat het aantal niet te Am<br />
sterdam geboren leden aanzienlijk was. 13<br />
Vaak waren die te Hoorn jonger dan veertig, het<br />
geen samenhing met hun carrière-patroon. Voor rechterlijke, kerkelijke en HBS-functies<br />
was het stadje veelal een doorgangshuis.<br />
Het eerste Hoornse bestuur telde vijf personen, waarvan drie gezeten burgers van midden<br />
dertig, 'volksmannen', 'links-liberale' voorstanders dus van het burgerlijk belang versus de<br />
oude aristocratie. De overige twee, kennelijk aangezocht om Burgerplicht een algemeen<br />
imago te bezorgen, verschilden in leeftijd (midden veertig), stand (kleinburgerlijk) en gods<br />
dienst (respectievelijk katholiek en orthodox hervormd). De katholiek verdween al begin<br />
1868 uit het bestuur, de ander kort daarop. Voortaan was het exclusief vrijzinnig hervormd<br />
en liberaal.<br />
Slechts voor 1871 en 1877 is het aantal leden vermeld, respectievelijk 107 en 180. 14<br />
Het<br />
laatste aantal bedroeg 29,7% van het electoraat voor de gemeenteraad. Vergeleken met de<br />
Amsterdamse naamgenoot - in 1881 436 leden ofwel 5% - was dat veel, zelfs wanneer in<br />
de beschouwing wordt betrokken dat te Hoorn geen concurrerende kiesverenigingen be<br />
stonden, niet werd geballoteerd en de contributie lager was: ƒ1- per jaar tegen ƒ 5,- te Am<br />
sterdam. 15<br />
dam ƒ56,-.<br />
De hoogte hing samen met de census, te Hoorn voor de Raad ƒ 16,-, te Amster<br />
10 E.W. Janssen Perio, 'Liberale Perikelen. De liberale kiesvereniging 'Burgerplicht' te Rotterdam 1868-1879',<br />
<strong>Tijdschrift</strong> voor geschiedenis 69 (1956) 176; A.F. van Ommen, 'De liberale kiezersvereniging 'De Grondwet' te<br />
Middelburg van 1858 tot 1880' in: Archief van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (1981) 47.<br />
11 Leenders, Benauwde verdraagzaamheid, 398.<br />
12 HC, 11 oktober 1874.<br />
13 Bas, 'Gelijkgestemd of gelijkgezind', 18, noemt .35 % in 1867, 45 % in 1881.<br />
14 HC, 3 mei 1871 en 3 februari 1878.<br />
15 Bas, 'Gelijkgestemd of gelijkgezind', 15 en 16.<br />
4(1
De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />
Niet volkomen duidelijk is hoe de getalsverhouding Kamerkiezers-(alleen)raadskiezers in<br />
Burgerplicht was. Hoorn kende er in 1867 respectievelijk 348 en 564. 16<br />
De vermelding in<br />
1875 dat bij een vergadering 80 leden aanwezig waren, waarvan 60 Kamerkiezers, 17<br />
recht<br />
vaardigt het vermoeden dat de laatsten het leeuwedeel van het gezelschap uitmaakten. Het<br />
betrof toen weliswaar de bespreking van een Kamer-kandidatuur, maar ook alleen-<br />
raadskiezers waren anders dan bijvoorbeeld te Middelburg daarbij welkom. Anders dan in<br />
Amsterdam mochten ze zelfs meestemmen. 18<br />
Te Rotterdam werd hun presentie aanvanke<br />
lijk niet op prijs gesteld. Sinds 1871 mochten daar echter al wel niet-kiezers kandidaten stel<br />
len. Kortom, Burgerplicht was een tamelijk uitgesproken bourgeoisgezelschap waar de<br />
alleen-raadskiezer, de kleine burgerman, zich niet zo thuisvoelde. Ter vergelijking: de Am<br />
sterdamse Burgerplicht bestond in 1881 voor driekwart uit Kamerkiezers. 19<br />
Van de 36 tussen 1870 en 1887 in de pers geregistreerde vergaderingen (exclusief 'mee<br />
tings') telden twee tussen de 20 en 30 aanwezigen, zeven tussen de 30 en 40, zes tussen de<br />
40 en 50, evenveel tussen de 50 en 60, vier tussen de 60 en 70, zes tussen de 70 en 80 en vijf<br />
meer dan 80 aanwezigen; dit levert een gemiddelde van 55,5 aanwezigen op. De vergaderfre<br />
quentie wisselde nogal. In 1874 werd voorgesteld vier keer per jaar bijeen te komen 'om zich<br />
te oefenen in politieke kennis'. 20<br />
Dat aantal werd echter al gauw niet gehaald,- omdat veel<br />
leden pas echt te porren waren voor kandidaatstellingen en voor lokale belangen als stoom<br />
trein en -tram. Bij meetings bestond hetzelfde patroon: een ophanden zijnde Kamerverkie<br />
zing trok 150 a 200 personen (niet-leden: 25 cent toegang), een politiek onderwerp verder<br />
van huis, zoals inkomstenbelasting of volksonderwijs, veel minder. Wat de aanwezigheid<br />
door de tijd heen betreft valt geen op- of neergaande curve te ontwaren. De vergaderingen<br />
waren doordeweeks en 's avonds. Meetings ook weieens op zondag, gewoonlijk 's avonds van<br />
half zeven tot half elf. 21<br />
Alle richtingen waren welkom.<br />
Ondanks de vrijzinnig protestantse gezeten burgerlijke dominantie was het tableau de la<br />
troupe niet zelden enerverend. Daartoe droegen de lokale adel en een kleinburgerlijke min<br />
derheid van winkeliers en neringdoenden bij, maar vooral Willem Nuyens, de gedreven ka<br />
tholieke dokter/historicus uit het naburige Westwoud. Kwam deze de trap van de De Witte<br />
Engel opstommelen, dan volgde steevast een politieke vechtpartij met de Moderne domi<br />
nees.<br />
Het gedogen van deze in vrijzinnige ogen achterbakse gladjanus illustreert dat Koss-<br />
manns stellingname - liberaal en toch algemeen, ja zelfs dus algemeen - lokaal, althans te<br />
Hoorn, valt terug te vinden. Maar daar is bij lange na niet alles mee gezegd. Burgerplicht<br />
was zelfs principieel niet liberaal. Of beter gezegd, de liberale meerderheid interpreteerde<br />
het vrijzinnig beginsel zo dat 'aan niemand eenigen eisch gesteld mocht worden omtrent zij<br />
ne staatkundige richting'. 22<br />
De termen vrijzinnig en liberaal werden overigens door elkaar<br />
gebruikt, hoewel ze niet identiek waren. In Burgerplicht Rotterdam werd bijvoorbeeld het<br />
voorstel verworpen voortaan niet meer van liberale maar van vrijzinnige beginselen te spre<br />
ken: 'Vrijzinnig toch wil iedereen heeten; terwijl liberaal vooral in de laatste tijd meer be-<br />
16 Gemeenteverslag over 1867, hoofdstuk Verkiezingen.<br />
17 HC, 30 mei 1875.<br />
18 Van Ommen, 'De liberale kiezersvereniging', 81; Bas, 'Gelijkgestemd of gelijkgezind', 15.<br />
19 Janssen Perio, 'Liberale perikelen', 175; Bas, 'Gelijkgestemd of gelijkgezind', 18.<br />
20 HG, 7 oktober 1874.<br />
21 HC, 11 februari 1872 en 28 april 1875. Bijvoorbeeld meeting van 20 mei 1869. HC, 28 mei 1871.<br />
22 HC, 3 mei 1871.<br />
41
De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />
paaldelijk de partijnaam is geworden'. 23<br />
Te Hoorn was men in ieder geval gewoon liberaliteit<br />
nauw te verbinden met algemeenheid of neutraliteit. Men noemde die kleurloosheid, een<br />
epitheton ornans.<br />
Motieven<br />
De kleurloosheid hing nauw samen met de doelstelling van Burgerplicht. In de Rotterdamse<br />
naamgenoot, wat algemeenheid betreft op Hoorn gelijkend, werd het doel scherp geformu<br />
leerd: 'zedelijke invloed uit te oefenen', met andere woorden, er geen 'politieke club' van te<br />
maken. 24<br />
Het begrip partij werd eenvoudig vereenzelvigd met politieke zedeloosheid. Alleen<br />
kleurloosheid kon, zo meende men overeenkomstig Thorbeckes opvatting, het algemeen be<br />
lang dienen. Centraal stonden kandidaatstelling en verkiezing. Daarom werd het hoofdzaak<br />
genoemd 'de keuze te vergemakkelijken', vooral door 'voor te lichten, zodat met oordeel ge<br />
kozen [kon] worden'. Het was ook zaak 'de onverschilligen' op te wekken. Het kiesrecht werd<br />
beschouwd als een hoge morele plicht. De Hoornsche Courant stelde zelfs zonder meer: 'Wie<br />
alzoo zijne stem niet uitbrengt en dat doen kan, die overtreedt de wet, al kan hij deswege<br />
niet door de wet vervolgd worden'. 25<br />
Dat kon niet omdat Thorbecke kennelijk zoveel burger<br />
zin had verondersteld dat stemplicht niet in zijn conceptie te pas kwam. Stemmen was een<br />
vrije morele daad. Pas latere generaties liberalen gingen, toen de liberale droom van natio<br />
nale eenheid vervluchtigde, steeds meer tot vrijheid en vooruitgang dwingen: in de kerk de<br />
orthodoxen, in de school de confessionelen, in de nationale opvoeding het hele volk. De op<br />
komstplicht van 1917 was in zekere zin het sluitstuk van deze liberale dwang tot vrijheid. 26<br />
Ter voorlichting van de kiezers werden in Burgerplicht voordrachten gehouden over zaken<br />
als censusverlaging, kieswetherziening en gemeentebelasting. Rituelen bevorderden de on<br />
derlinge band en de politieke moraal. In 1873 bijvoorbeeld werd in Burgerplicht 25 jaar<br />
grondwet gevierd. Willem III werd telegrafisch gelukgewenst. Dat was geen cynisme. Tegen<br />
half elf 's avonds vond 'een eenvoudige collation' plaats met 'menige hartelijke (...) dronk<br />
op koning en Vaderland'. 27<br />
Eerder dat jaar had Burgerplicht zich trouwens gekeerd tegen<br />
een adres dat om grondwetswijziging verzocht met als doel gepromoveerden aan het kies<br />
recht te helpen. Aan de grondwet diende niet te gauw gesleuteld te worden. In 1876 werd<br />
speciaal vergaderd bij gelegenheid van de onthulling, te Amsterdam, van het Thorbeckemo-<br />
nument. 28<br />
De kleurloosheid van Burgerplicht kwam voort uit bewuste en onbewuste motieven. Eerst<br />
de bewuste. Volgens een hoofdartikel in 1872 legden kleurloze kiesverenigingen 'het meeste<br />
gewicht in de schaal' en bevorderden zij 'de mate van staatkundig leven in een district'. Ove<br />
rigens hield de Hoornsche Courant een zekere distantie in acht. Omstandig werd verklaard dat<br />
zij niet het 'orgaan' van de (kleurloze) Burgerplicht was. Natuurlijk niet, 'want in die ver-<br />
eeniging zijn alle richtingen vertegenwoordigd'. Intussen steunde het blad echter wel de libe<br />
rale opinies en kandidaten en was zijn politieke redacteur voorzitter van Burgerplicht. Nuy-<br />
23 Janssen Perio, 'Liberale perikelen', 182.<br />
24 Janssen Perio, 'L"lerale perikelen', 182. Zie voor Hoorn bijvoorbeeld HC, 14 mei 1873.<br />
25 HC, 14 mei 1873.<br />
26 Leenders, Benauwde verdraagzaamheid hoofdstuk 14; Te Velde, Gemeenschapszin en plichtsbesef'hoofdstuk IV.<br />
27 HC, 6 maart 1870 en 5 november 1873.<br />
28 HC, 16 maart 1873. Het adres was van 'Orde en Vrijheid' te Kampen. HC, 4 juni 1876, vergadering van 30 mei.<br />
42
De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />
ens mocht graag op deze voor een argeloze lezer toch wel wat onoverzichtelijke situatie wij<br />
zen. 29<br />
Wanneer las die nu een kleurloze, wanneer een liberale mening? Of bestond au fond<br />
toch geen verschil tussen beide? Hoe het ook zij, de Courant wist drie redenen waarom<br />
kleurloosheid eis was.<br />
Ten eerste bestond te Hoorn een traditie van verdraagzaamheid jegens minderheden, te<br />
rugreikend zelfs tot de tijd voorafgaand aan de Republiek. Tot beginjaren 1860 maakte het<br />
verdraagzaamheidsbetoog deel uit van de Hoornse 'bestuurskunde'. In de Hoornsche Courant<br />
stonden typische verdraagzaamheidsverhalen met als kern het voorbeeld dat een protestant<br />
gaf aan een katholiek of andersom. Joden speelden altijd de minste viool: jegens hen werd<br />
de overtuigende proeve van verdraagzaamheid geleverd. 30<br />
Een decennium later werd ver<br />
draagzaamheid een bewijs bij uitstek van vrijzinnigheid genoemd. In Burgerplicht werd<br />
daarom niet geballoteerd. Niet alleen waren kiezers van allerlei pluimage welkom, maar ook<br />
introducés en, wat meer zegt, niet-kiezers. Dat was ongewoon. Te Amsterdam bijvoorbeeld<br />
konden niet-kiezers ten slotte wel lid worden maar slechts na ballotage, te Middelburg ble<br />
ven ze uitgesloten. 31<br />
Te Hoorn werd hen pas in 1870 het recht van lidmaatschap toegekend.<br />
Reden kan aanvankelijke vrees voor overrompeling zijn geweest. Te Rotterdam werden niet-<br />
kiesgerechtigden in het begin geweerd onder het motto: een kiesvereniging dient geen pro<br />
paganda te maken. Later voerde te Hoorn bijvoorbeeld een HBS-leraar, niet-kiezer, zelfs<br />
het woord. 32<br />
Meestemmen bij kandidaatstelling mocht hij overigens niet. Te Middelburg<br />
werd zulks gemotiveerd: tegenstanders van een kandidaat zouden die dan makkelijk kunnen<br />
discrediteren, hij was immers door niet-kiezers 'opgedrongen'. 33<br />
Het tweede argument voor kleurloosheid was hoe meer (soorten) zielen, hoe meer vreugd:<br />
immers, zo kon een rijk geschakeerd debat opbloeien. Dat was primair een kwestie van prin<br />
cipe, want 'overal waar men [het debat] ontwijkt, daar zetelt groote zwakheid van beginsel<br />
of dweepachtige ingenomenheid'. Gedoeld werd op de 'uiterste' partijen, Groenianen en<br />
vooral ultramontanen, waar door rotsvast geloof en ijzeren leiding eenvoudig niets te bedis<br />
cussiëren zou zijn. Ging het echter over de Amsterdamse Burgerplicht - sinds 1874 bezat<br />
die zelfs een programma - dan werd minder zwaar getild; die mocht zich best liberaal noe<br />
men, ofschoon zij wel moest weten dat 'het debat er vaak minder afwisselend, minder be<br />
langrijk was'. 34<br />
Gezien de bonte taferelen in De Witte Engel zou dat weieens een terechte<br />
constatering geweest kunnen zijn. Men werd te Hoorn door de ingebouwde dus permanente<br />
oppositie wel gedwongen beginselen en koers zo precies mogelijk te formuleren.<br />
Het valt nu nauwelijks meer te vatten hoezeer men debat als revolutionair ervoer. In het<br />
Hoornse Nut duurde het vanaf het eerste verzoek in 1862 daartoe zeker vijfjaar voordat het<br />
debat enigszins inburgerde. Voordien beperkte men zich na een voordracht tot applaudisse<br />
ren. Immers, 'overspreking zou afligt ontaarden in een weinig vrugtbaar of wel in een verbo<br />
den dispuut over staatkundige en godsdienstige geschillen'. 35<br />
Het debat werd pas mogelijk na<br />
de cultuuromslag in Moderne richting. Overeenkomstig het liberale burgerzin-optimisme<br />
leek de nationale eenheid immers niet langer bedreigd. Deels ook omdat de heilzame uitwer<br />
king van de lageronderwijswet van 1857 die zeker leek te stellen. Debat leek zo minder riskant.<br />
29 HC, 10 november 1872, 11 juni 1871, 29 oktober en 1 november 1874.<br />
30 Leenders, Benauwde verdraagzaamheid, 331 en 374.<br />
31 G. Taal, Liberalen en radicalen, 103; Van Ommen, 'De liberale kiezersvereniging', 81.<br />
32 HC, 27 april 1870 en 6 juni 1886; Janssen Perio, 'Liberale perikelen', 175.<br />
33 Van Ommen, 'De liberale kiezersvereniging', 48.<br />
34 HC, 10 november 1872.<br />
35 Notulen Nut, Streekarchief Hoorn, 21 januari 1863.<br />
43
De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />
Het debat werd scherp bewaakt. Redevoeringen, behalve die van de voorzitter aan het<br />
begin, werden te Hoorn niet getolereerd. Wie een onderwerp aansneed dat niet op het convocatiebiljet<br />
had gestaan, werd gemaand te zwijgen. Wel bestond de mogelijkheid een buitengewone<br />
vergadering bijeen te roepen op verzoek van een bepaald aantal leden. 36<br />
Ook in<br />
Rotterdam was men streng. Iemand die onbeperkte spreektijd wilde invoeren werd terecht<br />
gewezen.<br />
Procedures werden strikt uitgevoerd. Toen te Hoorn een kandidaat voor een raadszetel<br />
te kennen gaf niet voor verkiezing in aanmerking te willen komen, mocht hij zich pas terug<br />
trekken nadat hij gekozen was. Stemmen bij acclamatie, zelfs bij een volslagen zekere kandi<br />
daat, werd nooit gepraktiseerd als in strijd 'met 't begrip van vrije verkiezingen'. Te Rotter<br />
dam mocht zelfs de kandidatuur voor het raadslidmaatschap van de burgemeester die perio<br />
diek aftrad niet bij zitten en opstaan worden goedgekeurd. 37<br />
Niettemin verdient juist het tijdvak 1867-1886/87 - althans te Hoorn - de naam: tijdvak<br />
van het (open) debat en/of van de kleurloosheid. In 1886 richtten de Hoornse katholieken<br />
een eigen kiesvereniging op en liepen weg uit Burgerplicht. Nadien zou het debat als zodanig<br />
niet verdwijnen maar wel zijn open, naïeve karakter verliezen. Vanaf 1886 spraken te Hoorn<br />
de 'partijen' niet meer en plein public met elkaar. Behalve misschien voor een borrel was Nuy-<br />
ens niet langer welkom in De Witte Engel.<br />
Zo bezien zijn 1867 en 1886/87 keerpunten te noemen. De vraag is natuurlijk of Rotter<br />
dam en Hoorn model stonden voor de natie als geheel. Is dat zo, dan zien we de paradox<br />
dat in 1886/87 de liberalen de confessionelen in de schoolstrijd enigszins tegemoet kwamen,<br />
en de afstand staatkundig dus wat afnam, terwijl die in het persoonlijke vlak tegelijkertijd<br />
juist groeide, althans werd geïnstitutionaliseerd. Het een was wellicht het gevolg van het an<br />
der.<br />
De derde en belangrijkste reden voor de Hoornse kleurloosheid naast verdraagzaamheid<br />
en de garantie voor een levendig debat was uitschakeling van elk mandat impératif. 3&<br />
Dat bond<br />
'volksvertegenwoordigers, behartigers van het algemeen belang, aan een partij en benam<br />
dezen zo de onafhankelijkheid nodig voor die behartiging. Ook al was iemand de liberale<br />
richting toegedaan, ja juist daarom, hij behoorde te allen tijde zelfstandig te blijven.<br />
Enerzijds was dit de echo van de felle angst voor ruggespraak, ontleend aan het beeld van<br />
een corrupte regentenrepubliek en de coteriegeest onder koning Willem I. Volgens het in<br />
Hoorn in de jaren 1850 dominante juste milieu-klimaat behoorden politici niet 'aan den lei<br />
band' te lopen. Exponent daarvan heette toen juist Thorbecke te zijn met zijn liberale Ka<br />
merclub. Niet 'discussie en wrijving van denkbeelden' tussen ministers en vertegenwoordi<br />
ging zouden diens eerste kabinet hebben beheerst, maar 'het zwaartepunt van de Regering'.<br />
Die was de machtigste 'tot aan (..) de Revolutie'. 39<br />
Het citaat geeft overigens ook aan dat<br />
debat vóór 1860 niet per se werd afgekeurd. Het hoorde echter thuis, zo vond het juste milieu,<br />
in het parlement, niet in de lokale omgeving.<br />
Anderzijds, positiever, vloeide de overtuiging dat de ware liberaal zelfs geen lid kon zijn<br />
van de liberale partij voort uit Thorbeckes opvatting zelf. Liberale politiek was zijns inziens<br />
de constitutionele politiek van 1848 en die stond gelijk met het algemeen belang. De een-<br />
36 Bijvoorbeeld HC, 25 december 1881. HC, 17 september 1882 op verzoek van zeventien leden. Niet duidelijk<br />
is hoe groot het vereiste aantal was.<br />
37 Janssen Perio, 'Liberale perikelen', 176 en 179; HC, 11 juli 1883 en 10 november 1872.<br />
38 HC, 10 november 1872.<br />
39 HC, 29 november 1856.<br />
44
De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />
heidsstaat sloot elke intermediair tussen staat en burger uit als vermenging van deelbelang<br />
met algemeen belang. 40<br />
Maar de generatie liberalen van 1870 begon noodgedwongen af te dingen op dit purisme.<br />
Het ging haar bijvoorbeeld te ver elk advies aan de kiezer uit den boze te achten. Diens zelf<br />
standigheid moest nu ook weer niet overdreven worden voorgesteld. Velen sloten zich im<br />
mers aan bij de keuze van de lokale kiesvereniging, 'temeer daar ze er vrienden en goede<br />
kennissen hadden'. Ook mocht de Amsterdamse Burgerplicht wel even aan de leiband van<br />
De Grondwet lopen om te voorkomen dat de oude Amsterdamse partij een zege behaalde,<br />
'die men volstrekt niet wil'. 41<br />
Tevens werd niet meer elke aanzet tot partijvorming van de hand gewezen. Op de vraag<br />
of eventuele kandidaten van 'hun politiek gevoelen' blijk mochten komen geven, werd te<br />
Hoorn positief gereageerd. Volgens de Thorbeckiaans gezinde Arnhemsche Courant was dat<br />
'inconstitutioneel': de grondwet verbood ruggespraak met hen die benoemden. Nee, werd<br />
in Burgerplicht opgemerkt, dat zou het geval zijn als er afspraken met kandidaten werden<br />
gemaakt. Het ging echter maar om 'polsvoelingen'. 42<br />
Ook werd te Hoorn het oude 'wie zit die zit'-principe op de tocht gezet, dat inhield dat<br />
periodiek aftredende raadsleden vrijwel automatisch herkozen werden. Te Middelburg wa<br />
ren de leden van De Grondwet aanvankelijk zelfs verplicht geweest de door haar gestelde<br />
kandidaten te stemmen. Sinds 1861 waren ze daarin vrij. In 1871 verklaarde de Hoornsche<br />
Courant dat de kiezers zich juist niet in de eerste plaats dienden af te vragen 'of zij den aftre<br />
dende moesten herkiezen. Grondvalsch [was] die meening, want de periodieke aftreding is<br />
enkel en alleen hierom bij de wet vastgesteld, om den kiezer de gelegenheid te geven een an<br />
deren afgevaardigde te kiezen'. In 1887 werd zelfs reglementair vastgelegd dat aftredende<br />
bestuursleden (van de Centrale Kiesvereeniging voor het district Hoorn) 'niet dadelijk' her<br />
kiesbaar waren. Te Middelburg waren ze bij periodieke aftreding al in 1861 niet herkies<br />
baar. 43<br />
De praktijk hinkte overigens wat na. Wanneer kiezers inderdaad raadsleden niet her<br />
kozen, werd in Burgerplicht gemopperd.<br />
De oppositie<br />
De bewuste, geformuleerde principes die ten grondslag lagen aan de kleurloosheid bevatten<br />
latent ook onbewuste aspecten. Natuurlijk werd het open debat niet alleen voorgestaan om<br />
dat het zo aangenaam spannend was. Het was ook een liberaal experiment om het gesprek<br />
tussen polariserende groepen gaande en de samenleving flexibel te houden. Een methode<br />
ook om de eenheid, lokaal en nationaal, te sauveren en om de oppositie, katholieken en klei<br />
ne burgers - die ten dele samenvielen - zoet te houden.<br />
Ook het bezwaar tegen partijvorming had als (sub)doel te voorkomen dat oppositionele<br />
minderheden zich aldus aan de blik van de politieke dominant onttrokken. Een goede in<br />
druk van de effecten van de kleurloosheid valt trouwens te krijgen uit het gedrag van die min<br />
derheden.<br />
40 Te Velde, Gemeenschapszin en plichtsbesef, 23.<br />
41 HC, 10 november 1872.<br />
42 HC, 20 december 1874. Zie ook Janssen Perio, 'Liberale perikelen', 178.<br />
43 Van Ommen, 'De liberale kiezersvereniging', 81; HC, 18 juni 1871. Reglement 1887, artikel 4 bij Van Ommen,<br />
80.<br />
45
De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />
De kleinburgerlijke winkeliers dachten niet in termen van enige politieke theorie maar<br />
van plaatselijk commercieel belang. Hun concrete politieke bewustzijn ergerde zich aanvankelijk<br />
vooral aan 'vreemdelingen' van het type Renssen, later aan rijksambtenaren. Niet de<br />
liberale overtuiging van dezen werd gehekeld, maar hun 'stand' en levenswijze. Ze zouden<br />
de stad alleen maar geld kosten, er nauwelijks iets besteden en dan op de koop toe ook nog<br />
via Burgerplicht in de Hoornse Raad belanden.<br />
Grootburgerlijke kleurloosheid en kleinburgerlijk belang botsten. In 1871 werd uit 'vijandigheid<br />
tusschen stand en stand' een raadskandidaat van Burgerplicht niet herkozen. Op<br />
zichzelf was dat al een niet eerder vertoond affront binnen de 'wie zit die zit-cultuur. Erger<br />
heette het te zijn dat 'in het duister was gewroet'. 'Werken in het duister' had bijna iets crimineels,<br />
was een taboe, in zekere zin de tegenpool van kleurloosheid: het zou gaan om bekrompen<br />
eigenbelang tegenover de strijd met open vizier.<br />
De gezeten burgerij bestierf het verwijt echter voor even op de lippen, toen de zondaren<br />
aanvoerden geen gelegenheid te hebben gekregen hun kandidaten aan te bevelen. Er was<br />
meteen gestemd nadat de aftredenden door het (bourgeois)bestuur besproken waren. Kennelijk<br />
had het debat toch ook iets illusoirs. Het 'vrije woord' en de 'vrije gedachte', veelvuldig<br />
vertolkt door woordgoochelaars als predikanten, HBS-leraren en rechters, sloegen 'de kleine<br />
mensjes' dood. Die keken wel uit, zeiden ze, opinies over personen te uiten, omdat dat 'op<br />
hun bestaan [hun nering] gewroken zou worden'. 44<br />
De gezeten heren bonden niet echt in. Pas in 1887 zag het bestuur zich gedwongen een<br />
kleinburgerlijke kandidaat over te nemen, nadat een eerder door haar gekandideerde en vervolgens<br />
gekozen rijksambtenaar de stad al na een halfjaar had verlaten.<br />
Dè tegenstelling te Hoorn was echter protestanten versus katholieken. Grote en kleine protestantse<br />
burgerij vonden elkaar in hun aversie tegen Rome, landelijk aangewakkerd sinds<br />
de jaren 1830. In Hoorn leken de katholieken op te dringen in winkelsector en politiek. Vooral<br />
zij hadden zijde gesponnen bij de kiezersaanwas in het kielzog van 1848. Van 1850 op 1851<br />
was het aantal Hoornse raadskiezers zoals gezegd gestegen van 293 naar 553, minder dan<br />
twee keer zoveel, het katholieke aandeel daarin echter van 30 naar ongeveer 150, vijf keer<br />
zoveel. Dat feit en de godsdienstige agitatie rond 1853 hadden de niet-katholieken wakker<br />
geschud, maar hun tegenstanders mochten toch één, later twee zetels bezetten in een Raad<br />
van dertien. 45<br />
Deze betrekkelijk verdraagzame opstelling was mede te danken aan het toen<br />
nogheersende regenteske verdeel-en heersprincipe. Van 1863 tot 1875 was zelfs een der twee<br />
wethouders katholiek, zij het dat hij van een nogal vrijzinnig type was. Zoals gezegd zat ook<br />
in het eerste Burgerplicht-bestuur nog een katholiek, maar sinds eindjaren 1860 werden ook<br />
de Hoornse katholieken steeds meer met argusogen bezien.<br />
Eind 1871 trok een van de twee katholieke raadsleden zich vervroegd terug en vonden zijn<br />
geloofsgenoten krachtens de inmiddels gegroeide traditie het niet meer dan normaal een<br />
eigen kandidaat voor te stellen. Burgerplicht schoof echter Renssen naar voren. Vermoedelijk<br />
zou de ook bij menig protestant populaire katholieke winkelier in koloniale waren hebben<br />
gewonnen van de 'vreemdeling', ware de politiek-godsdienstige hemel niet extra getroebleerd<br />
geraakt. Inmiddels waren namelijk niet alleen de Gorkumse martelaren (1867), het<br />
Mandement van 1868, de val van Rome, de afstemming van het gezantschap bij de paus<br />
44 HC, 6 augustus 1871 en 30 juli 1871.<br />
45 Leenders, Benauwde verdraagzaamheid, 361-367.<br />
46
De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />
en de Onfeilbaarheid gepasseerd, maar ook hing 1 april 1872 in de lucht, de nationale herdenking<br />
van de val van Den Briel. Renssen won in herstemming. 46<br />
Anderhalfjaar later wensten twee van de vier periodiek aftredende raadsleden niet herkozen<br />
te worden; Renssen was daar één van. De verkiezingsuitslag bracht Hoorn in rep en roer.<br />
De katholieken zouden de kleurloosheid hebben gebruskeerd doordat ze in strijd met alle<br />
gewoonten voor alle vier vacante zetels eigen kandidaten hadden gesteld. Weliswaar waren<br />
de beide herkiesbaren niettemin in eerste stemming herkozen, maar hun was 'zedelijk onrecht'<br />
aangedaan. 47<br />
De katholieken verdedigden zich. Zij hadden indertijd gemeend dat Renssen gekandideerd<br />
en gekozen was 'uit beleefdheid', omdat hij president van Burgerplicht was. Zij hadden<br />
gedacht dat de kiesvereniging het 'de volgende keer' wel zou goedmaken. Zij deden het<br />
overigens voorkomen alsof zij nog het beste van hun opponenten hadden gedacht. Hun 'grief<br />
gold natuurlijk niet de leden van Burgerplicht (..), maar alleen de kiesvereniging als corporatie'.<br />
48<br />
En misschien meenden ze dat oprecht: protestanten waren individueel mogelijk aimabel<br />
genoeg, maar als groep werden zij veelal bevangen door een zekere gêne als het ging om<br />
openlijke steun aan katholieken.<br />
Omgekeerd gaf een protestantse niet-kiezer al evenmin de schuld aan de katholieke Kerk<br />
als zodanig of aan 'de burgers zeiven', maar 'enkel en alleen [aan] treurige verblindheid'.<br />
Dit elkaar wederzijds sauveren sloot aan bij de Hoornse - en misschien wel Nederlandse<br />
- traditie zich nooit tegen andermans geloof als zodanig te keren. De schuld werd altijd elders<br />
gelegd. 49<br />
Beide partijen deden hun best de bestaande toestand, inclusief de machtsverhouding,<br />
tot het algemene te verklaren. Wie er iets aan poogde te veranderen was een drijver<br />
en bedierf de atmosfeer.<br />
Ten slotte werd de 'rondborstigheid' der katholieken door de liberale voorzitter hulde gebracht,<br />
maar hun betoog genegeerd: 'de klove' was toch maar gegroeid en het doel kon de<br />
middelen niet heiligen. Een motie van treurnis werd aanvaard met 41 tegen 2 bij 2 onthoudingen.<br />
50<br />
De katholieken bleven echter 'wroeten', zoals in 1876 nadat het laatste katholieke raadslid<br />
was overleden: Burgerplicht was toen zo 'grootmoedig' een liberaal katholieke rijksambtenaar<br />
te kandideren, maar de 'ondankbare' katholieken stemden opnieuw op een eigen, orthodoxe<br />
kandidaat. Pas bij de herstemming won de liberaal. 51<br />
In 1881 kwam deze te overlijden<br />
en was de voorraad liberale katholieken uitgeput. Omdat de Raad bovendien wegens<br />
bevolkingsaanwas met twee zetels tot vijftien werd uitgebreid, stelde Burgerplicht zowaar<br />
de katholieke winkelier kandidaat en werd deze vervolgens meteen gekozen. In 1883 kwam<br />
zelfs een tweede katholiek in de Raad na in Burgerplicht voorgesteld te zijn door nietkatholieken,<br />
mogelijk een nieuwe katholieke taktiek. De vreugde was echter van korte duur.<br />
Nadat de winkelier in 1885 was overleden, volgde een protestantse liberaal hem op.<br />
46 HC, 24 januari 1872, 4 en 18 februari 1872.<br />
47 HC, 6 en 23 juli 1873.<br />
48 HC, 23 juli 1873.<br />
49 HC, 20 juli 1873; Leenders, Benauwde verdraagzaamheid, 376.<br />
50 HC, 23 juli 1872, vergadering van 22 juli.<br />
51 HC, 12 maan 1876.<br />
47
De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />
Taktieken<br />
Samengevat kenden de Hoornse liberalen - dat is: de niet-katholieken - dus de volgende<br />
spitsvondige praktijk. In de eerste plaats hoort elke volksvertegenwoordiger onafhankelijk<br />
te zijn. Alleen om die kwaliteit mag hij gekozen worden. Het spreekt vanzelf dat iemands<br />
geloofsbelijdenis volstrekt irrelevant is. Of iemand nu protestant, katholiek of jood is, zolang<br />
hij onafhankelijk (en kundig) is verdient hij in aanmerking te komen voor een kandidatuur.<br />
Ten tweede lag in deze praktijk de nadruk op onafhankelijkheid, ofwel: geen ruggespraak<br />
ontvangen. Wie ontvangt die niet? De oprechte liberaal. Dat wil zeggen, de voorstander van<br />
volkomen scheiding van Kerk en Staat, tevens verdediger van openbaar, neutraal, godsdien<br />
stig gemengd onderwijs. Wie kan die combinatie in zijn persoon verenigen? De oprechte<br />
protestant, bedoeld is: de vrijzinnige protestant, de vrijzinnige jood en de liberale katholiek.<br />
De niet-katholieken handhaafden, in tegenstelling tot de katholieken met hun hang naar<br />
'over de bergen', nauwgezet de illusie maar één identiteit te bezitten: de liberale, de kleurlo<br />
ze. Dat was opmerkelijk, veel liberalen waren vrijzinnig protestant. 'De vrijzinnigheid',<br />
schrijft Te Velde zelfs, '(..) is te beschouwen als de religieuze pendant van het politiek libera<br />
lisme'. Zelfs Thorbecke achtte christendom boven geloofsverdeeldheid, een protestants<br />
amalgaam, 'het krachtigste cement' van de staat. Slechts godsdienst kon de op zichzelf onsa<br />
menhangende individuen verbinden. Na 1870 gingen politiek liberalisme en religieuze vrij<br />
zinnigheid daarom samen in de strijd tegen de confessionelen. Beide stromingen waren be<br />
wegingen van de burgerij, beide hechtten aan tolerantie, vrijheid, kritische geest en vooruit<br />
gangsgeloof en meenden dat alleen hun beginsel toekomst had. Dat zou slechts een kwestie<br />
van volksopvoeding zijn. 52<br />
Des te interessanter is het dat in Burgerplicht nooit openlijk de eigen protestants-liberale<br />
dubbele identiteit werd erkend. Het woord protestant(s) werd er eenvoudig nooit gebezigd.<br />
Aan de katholieken werd het overgelaten de godsdienst in het geding te brengen. Onmiddel<br />
lijk werden ze daarop aangevallen. Het is de vraag of dat alleen maar taktiek was. Liberalen<br />
beschouwden zich als de kampioenen van de scheiding van Kerk en Staat en loochenden<br />
uit principe al elk religieus fundament in hun politieke voorkeur. Nuyens had al in 1861 in<br />
Een blik op de geschiedenis van onzen tijd zijn best gedaan de zwakheid van die opvatting aan<br />
te tonen. Ook aan het liberalisme zou godsdienst ten grondslag liggen; protestantisme en<br />
liberalisme waren twee handen op één buik en de 'zoogenaamde liberalen (..) vorderen met<br />
het woord verdraagzaamheid in den mond voor zich zeiven het regt tot onverdraagzaam<br />
heid'. 53<br />
Hoezeer protestantisme en liberalisme samenhingen, verraadt het ingezonden stuk in de<br />
Hoornsche Courant van 'Een protestant die recht voor allen wil': met het oog op het onderwijs<br />
keerde hij zich tegen een katholieke kandidaat. 'Een verdraagzame protestant' ageerde om<br />
dat katholieken geweigerd hadden liberale heren te stemmen. 54<br />
Een derde element van de liberale praktijk openbaarde zich wanneer een katholiek als<br />
kandidaat werd voorgesteld. Kunnen oprechte liberalen hem eigenlijk wel voorstellen, want<br />
is zo'n katholiek met zijn dubbele loyaliteit jegens het vaderland en Rome te vertrouwen?<br />
Hooguit kan een liberaal een liberale katholiek inbrengen. Door diens standpunt in de on-<br />
52 Te Velde, Gemeenschapszin en plichtsbesef, 8, 39.<br />
53 W.J. F. Nuyens, Een blik op de geschiedenis van onzen tijd (Amsterdam 1861), IV; Leenders, Benauwde verdraagzaamheid,<br />
377-379.<br />
54 HC, 16 april 1867 en 20 juli 1873.<br />
1 »
De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />
derwijskwestie laat deze zien de eerste loyaliteit serieus te nemen. Probleem is echter, waarom<br />
anders wordt zo'n katholiek voorgesteld dan juist omdat hij katholiek is en zo een voorbeeld<br />
van liberaliteit aan de tegenpartij wordt gegeven. Immers, de katholieken, een minderheid,<br />
hebben formeel geen recht op een zetel. Zo'n voorstel is dus eigenlijk onliberaal. Een<br />
principiële liberaal handelt namelijk zonder aanzien des persoons. Verder is mogelijk dat<br />
een katholiek kandidaat wordt gesteld juist omdat hij katholiek is, om het katholieke volksdeel<br />
aan een vertegenwoordiger te helpen. Dat is helemaal uit den boze. 'Een gevaarlijk beginsel'<br />
wordt dan ingevoerd dat de eis van onafhankelijkheid ondergraaft. Kortom, voor een<br />
katholiek is er maar één reële kans. Hij wordt voorgesteld, maar bedankt voor de kandidatuur.<br />
Dat alleen kan zijn ware liberaliteit bewijzen zonder dat de liberale keuzeheren in verlegenheid<br />
hoeven te geraken. Zij kunnen hem dan alsnog kandidaat stellen. 55<br />
Overigens hield niet iedere Hoornse liberaal zich aan deze praktijk. Toen in 1876 de laatste<br />
katholiek uit de Raad was verdwenen, stelde jonkheer Dirk van Akerlaken zelfs een orthodox<br />
katholiek voor: 'Dewijl 1/3 van de bevolking dezer gemeente tot die gezindte [behoort]'.<br />
Zijn argument was negatief: 'Wij [liberalen] ontgaan [zo] de verdenking van exclusivisme'.<br />
56<br />
Vermoedelijk pleitte hij echter in de regenteske traditie: geef ze een ongevaarlijk<br />
stukje van de macht, dan houden we ze zoet. Van Akerlaken kreeg niet zijn zin: een liberale<br />
katholiek werd gekandideerd. Het verzet was geleid door Adriaan van Eek, voorzitter van<br />
Burgerplicht en broer van een liberaal Kamerlid.<br />
Eigenlijk verschilden de heren van mening over de functie van de Raad. Volgens Van Eek<br />
was die 'een zuiver administratief lichaam'. 57<br />
Hij volgde hierin Thorbecke die gesteld had<br />
dat provincie en gemeente delen in het geheel waren, geen intermediairen. Ze hadden die<br />
laatste functie vóór 1848 bezeten, hetgeen weerspiegeld was in hun uitgesproken standskarakter.<br />
58<br />
De Gemeentewet van 1851 schreef dan ook louter de opstelling van verordeningen,<br />
van een begroting, politie, belastingheffing en dergelijke voor. Van Eek maakte geen onderscheid<br />
tussen lokaal en nationaal niveau. Volgens de jonker, man van de bestuurspraktijk<br />
die in vrijwel elk lichaam zat tot de Tweede Kamer toe, kon het algemeen belang in een heterogene<br />
maatschappij slechts behartigd worden indien de delen van het volk zoveel mogelijk<br />
tot hun recht kwamen. Slechts één beperking kende hij: het openbare onderwijs. Was het<br />
om een Kamerzetel gegaan, dan zou hij daarom een katholiek 'nimmer hebben gesteund',<br />
maar 'in den Raad moeten verschillende mannen [vertegenwoordigd] zijn'. 59<br />
Het is intussen<br />
zeker niet zonder betekenis dat nog tot 1892 - het jaar van zijn dood - een dergelijk onmiskenbaar<br />
patricisch geluid uit een liberale mond viel te beluisteren. Het zijn zulke heren die<br />
mede een brug hebben geslagen naar de invoering van de evenredige vertegenwoordiging<br />
in 1917.<br />
Ook aan Hoornse katholieke zijde valt wel een pleidooi voor evenredigheid te vinden, namelijk<br />
in 1873, zij het nog retorisch verpakt. Gevraagd werd toen of katholieken geen 'recht'<br />
hadden op vertegenwoordiging krachtens hun 'niet gering aandeel in de gemeentelasten'.<br />
Ofschoon het betoog nog weinig indruk maakte, was het intussen wel de eerste aankondiging<br />
te Hoorn van wat veel later in de verzuiling praktijk zou worden: elke zuil ontvangt een eigen<br />
aandeel overeenkomstig haar bijdrage in de belastingen.<br />
55 Janssen Perio, 'Liberale perikelen', 177, beschrijft zo'n Werdegang van een katholieke kandidaat te Rotterdam.<br />
56 HC, 2 februari 1876.<br />
57 HC, 20 juli 1873.<br />
58 Te Velde, Gemeenschapszin en plichtsbesef, 23.<br />
59 HC, 2 februari 1876.<br />
49
De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />
Zoals gezegd vielen de Hoornse katholieken in 1885 weer terug op één zetel. In plaats van<br />
hun voorgangers die gewend waren zich tegenover de liberalen klein te maken, trad een nieu<br />
we generatie aan die dat weigerde. Een nieuw argument werd aangedragen: wij hebben<br />
recht op meer vertegenwoordiging, want 'er komen in de Raad soms kwesties voor waarbij<br />
de belangen van deze of geene gezindte betrokken zijn'. 60<br />
Het effect in zetels was nihil. Kort<br />
daarop was de katholieke kiesvereniging 'Eensgezindheid' een feit. De 'jongelui' hadden<br />
eindelijk ingezien dat Burgerplicht voor katholieken ook een dwangbuis had gevormd.<br />
Hoewel het voorbeeld van zulke verenigingen elders meegespeeld kan hebben, had Eens<br />
gezindheid niet zozeer het doel de katholieken te mobiliseren, maar ze los te maken van de<br />
koeionering door Burgerplicht. Typerend is dat zij de ergernis over hun gevangenschap in<br />
het kleverige web van de 'liberale' principes van kleurloosheid en algemeenheid nooit en pu<br />
blic hadden vertolkt. Mogelijk bestond dat gevoelen vroeger niet eens. Ongetwijfeld had een<br />
gewoonlijk lager opleidingsniveau de katholieken parten gespeeld. Misschien mag het al<br />
moedig worden gevonden dat bij kandidaatstellingen de mond open werd gedaan. Eensge<br />
zindheid bevrijdde van al die intimiderende omstandigheden. In eigen kring kon men beter<br />
tot zijn recht komen, in beide betekenissen. De stap die tot Eengezindheid leidde, was kort<br />
om in hoofdzaak het gevolg van de hautaine, tergende, houding der liberalen/niet-katholie-<br />
ken.<br />
En de liberalen? Nog in 1885 had Burgerplicht geweigerd deel te nemen aan de Liberale<br />
Unie, het initiatief van onder andere de Amsterdamse naamgenote. Die wilde volgens een<br />
Hoornse liberaal 'inconsequent' invoeren wat liberalen nu juist bij andere richtingen af<br />
keurden: 'een hoofdkwartier vanwaar bevelen worden uitgevaardigd (..), een drilsysteem'. 61<br />
Een jaar later werd Burgerplicht door de ontwikkelingen ingehaald. Men was niet eens<br />
gechoqueerd. De Hoornsche Courant schreef zelfs dat het haar verwonderde dat de katholieken<br />
er nu pas toe overgingen. 62<br />
Op 1 juni 1886 bekende Burgerplicht eindelijk kleur: zij werd<br />
officieel liberaal en voerde ballotage in.<br />
Geconcludeerd kan worden dat de politiek-godsdienstige tegenstelling te Hoorn zich als<br />
volgt ontwikkelde. In de jaren 1850 had de stad een regentenbestuur. De dominante Gronin<br />
ger richting daarin wist zeker dat de geloofsverschillen mettertijd vanzelf zouden verdwij<br />
nen. Ze mochten daarom niet worden geafficheerd. Omdat het patriciaat voldoende over<br />
wicht bezat, kon het de protestantse meerderheid ervan overtuigen dat te scherpe polarisatie<br />
versus katholieken haar eigen groepsbelang kon schaden. Het ongebreideld uiten van woede<br />
en haat versterkte weliswaar de groepsband op korte termijn, maar bedreigde de stedelijke<br />
eenheid op langere termijn zozeer, dat de groepsband zou kunnen worden aangetast. Het<br />
leek wijzer andersdenkenden, mits sociaal van voldoende gewicht, wat tegemoet te komen.<br />
De katholieke minderheid werd bijgevolg twee zetels 'toegestaan'. Deze op haar beurt<br />
deed er bij het vigerende stelsel goed aan zich verder gematigd op te stellen. Nu kreeg zij<br />
weliswaar misschien minder dan waarop zij recht meende te hebben, maar toch meer dan<br />
niets, hetgeen de consequentie van polarisatie kon zijn. 63<br />
Dit systeem werd 'verkocht' onder<br />
de juste milieu-v\ag van het algemeen belang.<br />
In de jaren 1870-80 had Hoorn een in feite liberaal, maar kleurloos genoemd, bestuur.<br />
60 HC, 23 juli 1873 en 16 mei 1886.<br />
61 HC, 15 februari 1885.<br />
62 HC, 23 mei 1886.<br />
63 Leenders, Benauwde verdraagzaamheid, 366.<br />
50
i<br />
De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />
De nu vigerende Moderne theologie was er zeker van dat het geloof als zodanig en vooral<br />
het kerkelijk geloof zou verdwijnen. Geloofsverschillen waren niettemin vooralsnog een on<br />
miskenbaar feit; ze werden zelfs scherper. In de politieke arena vormden ze het strijdpunt<br />
bij uitstek, maar op lokaal niveau mochten ze niet als zodanig worden geafficheerd. De klei<br />
ne burgerij werd eerder gedwongen dan overtuigd tot het bourgeois-beleid via de 'leerstuk<br />
ken' kleurloosheid en algemeenheid. Deze waren ook een opnieuw opnemen van het juste<br />
milieu-motief, al was dat nooit helemaal weg geweest. In zekere zin institutionaliseerden de<br />
liberalen - nota bene dè tegenstanders van de oude aristocratie - de regenteske methode.<br />
Ook de verdeel- en heerstechniek werd, zij het op een lager pitje, voortgezet: meestal één<br />
zetel voor de katholieken.<br />
Als het in de macht van de liberale bourgeoisie had gelegen had deze toestand wellicht<br />
ad infinitum voorbestaan. Het waren de overwegend kleinburgerlijke katholieken die er een<br />
punt achter zetten. Zij ontsnapten aan het liberale dwangbuis Burgerplicht en dwongen<br />
haar indirect zichzelf ten slotte liberaal, dus niet langer kleurloos, te verklaren. Het negatie<br />
ve oordeel over de betrekkelijke onsamenhangendheid van het Nederlandse liberalisme tot<br />
middenjaren 1880 blijkt, tot slot, een anachronisme te zijn.<br />
51
Boekennieuws<br />
Recensies<br />
westen. Hij gaat zelfs nog een stap verder, door<br />
zijn blik ook regelmatig te richten op voor de Re<br />
Jonathan I. Israël, The Dutch Republic. lts rise, publiek relevante ontwikkelingen in de aangren<br />
greatness, andfall 1477-1806 (The Oxford Hiszende Duitse gebieden. Hiermee heeft hij ook de<br />
tory of Early Modern Europe, Oxford: Claren- <strong>Holland</strong>se geschiedschrijving een dienst bewedon<br />
Press, 1995, xxx + 1231 blz., ISBN 0-19- zen, aangezien zo de positie van het belangrijkste<br />
873072-1)<br />
gewest binnen de confederatie meer reliëf krijgt.<br />
The Dutch Republic kent een strikt chronologi<br />
De Nederlandse historicus etaleert heden ten dasche opzet in vier grote blokken: het ontstaan van<br />
ge een sterke voorkeur voor detailonderzoek op de Republiek (1477-1588), de vroege Gouden<br />
de vierkante millimeter. Zelden waagt iemand Eeuw (1588-1647), de late Gouden Eeuw (1647zich<br />
nog aan een synthese van de uitkomsten van 1702) en de eeuw van verval (1702-1806). Binnen<br />
al deze deelstudies over een groter gebied en over deze delen is gekozen voor een thematische on<br />
een langere periode. Alleen al om die reden is de derverdeling, waarin politiek, economie, religie<br />
verschijning van Israels The Dutch Republic te be en cultuur de voornaamste aandachtsgebieden<br />
schouwen als een zeldzaam hoogtepunt in de na vormen. Het zwaartepunt in het boek ligt onmisoorlogse<br />
vaderlandse historiografie. Israël, die kenbaar bij de bloeiperiode van de Republiek, die<br />
zich eerder vooral opwierp als een kenner van de maarliefst 725 pagina's opslokt. Beschrijving van<br />
maritieme geschiedenis van de Nederlanden, de neergang vraagt minder dan 200 bladzijden.<br />
presenteert in zijn nieuwe boek de samenhangen De illustraties in de Engelse editie - een Nederde<br />
lotgevallen van een ogenschijnlijk merkwaarlandse uitgave is in voorbereiding - zijn schaars,<br />
dig samenraapsel van gewesten, dat als Repu kwalitatief matig en gebundeld in het hart van het<br />
bliek der Zeven Verenigde Nederlanden uitgroei boek. De vele in de tekst geplaatste landkaartjes<br />
de tot een heuse wereldmacht, maar uiteindelijk zijn daarentegen zeer verhelderend.<br />
verschrompelde tot een kleine pion in het inter De auteur baseert zijn relaas primair op benationale<br />
krachtenveld.<br />
staande literatuur. Op diverse plaatsen in het<br />
Zoals zovele Angelsaksische historici voor boek haalt hij daarnaast echter ook oorspronke<br />
hem, toont ook Israël zich zeer gefascineerd door lijke bronnen aan. Methodologisch zijn hier wel<br />
het politieke, economische en culturele wonder enkele vraagtekens bij te plaatsen. Een blik in de<br />
dat zich op zo'n klein grondgebied voltrok. Dit literatuurlijst leert dat er geen systematisch lite<br />
leidt bij hem echter niet tot blinde bewondering ratuuronderzoek heeft plaatsgevonden. Bij een<br />
of kritiekloze verheerlijking. De auteur aarzelt dergelijk breed opgezette studie is het weliswaar<br />
geenszins om stelling te nemen of oordelen te vel ondoenlijk om kennis te nemen van alle relevante<br />
len. Daarbij is zijn schrijfstijl soepel, helder en literatuur, doch op sommige terreinen toont de<br />
treffend. Waarschijnlijk is het daarom, dat de le lijst opvallende hiaten. Met name gaat dit op voor<br />
zer zich van begin tot eind geboeid weet en geen enkele studies van recentere datum over het ka<br />
moeite heeft om de horde van bijna 1200 pagina's tholicisme in de Nederlanden. Ook voor de men<br />
te nemen.<br />
taliteitsgeschiedenis heeft Israël geen oog gehad<br />
The Dutch Republic is geen klassiek handboek, of willen hebben.<br />
want Israël is verre van 'onpartijdig'. Het meest Het archiefonderzoek van Israël heeft zich<br />
in het oog springend is zijn keuze voor een klein- klaarblijkelijk geconcentreerd op het opvullen<br />
Nederlandse geschiedopvatting. In tegenstelling van hiaten en is dientengevolge beperkt van om<br />
tot Pieter Geyl, zijn voorganger op de leerstoel vang gebleven. Welke gevaren er schuilen in een<br />
Nederlandse geschiedenis te Londen, huldigt Is dergelijke aanpak wordt bijvoorbeeld zichtbaar<br />
raël de opvatting dat de scheiding tussen Noord op pagina 442, wanneer op grond van een blijk<br />
en Zuid onvermijdelijk was, op grond van geheel baar vluchtige blik in de Delftse vroedschapsreso<br />
verschillende ontwikkelingsfasen en omstandigluties geheel ten onrechte geconcludeerd wordt<br />
heden. Deze visie leidt er echter niet toe dat hij dat predikanten en regenten in deze <strong>Holland</strong>se<br />
vervalt in een <strong>Holland</strong>istische benadering. Welis stad in 1617 in meerderheid het arminianisme<br />
waar wordt terecht sterk de nadruk gelegd bij de waren toegedaan.<br />
allesoverheersende invloed van het gewest Hol Ook het gebruik van literatuur heeft zo zijn riland,<br />
doch Israël slaagt er tegelijk in voldoende sico's, zoals mag blijken op pagina 365, waar Is<br />
recht te doen aan de inbreng van de andere geraël - overigens in navolging van velen voor<br />
52
hem - het dwaalspoor van Jaanus volgt, die in<br />
zijn biografie van de predikant Arent Cornelisz<br />
de omvang van de Delftse gereformeerde ge<br />
meente in 1608 volstrekt verkeerd berekende.<br />
Het vaststellen van dergelijke missers maakt<br />
deze lezer wel enigszins wantrouwend ten aan<br />
zien van de waarde van de informatie op terrei<br />
nen waarop hij minder goed thuis is. De wijze<br />
waarop Israël op diverse plaatsen in scherpe lij<br />
nen het religieuze krachtenveld in de Nederlan<br />
den uittekent, is echter dermate treffend en steek<br />
houdend, dat ik de geconstateerde onjuistheden<br />
graag beschouw als onvermijdelijke, doch onbe<br />
tekenende weeffoutjes. Israël weet zich namelijk<br />
uitstekend los te maken van het zwart-wit den<br />
ken, dat beschouwingen over de godsdienstige<br />
verhoudingen in de Republiek nog al te vaak<br />
overheerst. Dat de meerderheid van de bevolking<br />
zich in de eerste helft van de zeventiende eeuw<br />
(nog) niet had gebonden aan een kerkelijke rich<br />
ting, wordt haarfijn uit de doeken gedaan, even<br />
als de grote betekenis van spiritualistische stro<br />
mingen. Bijzonder veel aandacht besteedt Israël<br />
aan de lotgevallen van de heersende (gerefor<br />
meerde) kerk. Deze keuze heeft onder meer te<br />
maken met zijn overtuiging dat de Bestands-<br />
twisten tussen arminianen en gomaristen in oor<br />
sprong weliswaar religieus van karakter waren,<br />
maar uiteindelijk ontaardden in een primair poli<br />
tieke machtsstrijd. Deze strijd, die na de beslech<br />
ting van de leergeschillen op de Synode van Dor<br />
drecht onverminderd doorging, speelde zich af<br />
tussen voorstanders van gewestelijke autonomie<br />
en aanhangers van een generale soevereiniteit.<br />
Voor de eerstgenoemde richting gebruikt Israël<br />
de aanduiding 'politiek arminianisme', welke<br />
denkcategorie praktisch uiterst bruikbaar blijkt,<br />
doch ongetwijfeld zijn bestrijders zal vinden in<br />
historici als Van Deursen.<br />
Niet alleen wegens zijn visies op kerk en poli<br />
tiek heeft Israël nog jaren stof tot discussie gebo<br />
den. Ook op tal van andere terreinen etaleert hij<br />
een opmerkelijke kijk op de Republiek. Voor een<br />
deel zijn deze ideeën reeds bekend uit zijn eerde<br />
re studies, bijvoorbeeld over de ontwikkeling van<br />
de Nederlanden tot zeevarende natie of over de<br />
wortels van het tolerantiedenken in deze regio<br />
nen. Voor een ander deel zijn ze nieuw. Vrijwel<br />
geen onderwerp blijft in het boek dan ook onaan<br />
geroerd. Slechts het belang van de Republiek als<br />
boeken-producerende natie had wel wat meer na<br />
druk mogen krijgen. Misschien zou het recente<br />
boek van De Vries en Van der Woude de auteur<br />
Boekennieuws<br />
hierin de juiste weg hebben kunnen wijzen, doch<br />
dit andere standaardwerk dat wij in 1995 moch<br />
ten begroeten, verscheen te laat om nog van bete<br />
kenis te kunnen zijn voor Jonathan Israël.<br />
P.H.A.M. Abels<br />
Jan de Vries en Ad van der Woude, Nederland<br />
1500-1815. De eerste ronde van moderne economi<br />
sche groei (Amsterdam: Balans, 1995, 894 blz., ƒ<br />
110,-, ISBN 90-5018-281-X)<br />
Vijftien jaar nauwe samenwerking tussen de<br />
Amerikaanse historicus Jan de Vries en zijn Ne<br />
derlandse vakgenoot Ad van der Woude ging<br />
vooraf aan de publikatie van dit nieuwe over<br />
zichtswerk over de economische geschiedenis van<br />
de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën.<br />
De auteurs gingen op zoek naar factoren die de<br />
opmerkelijke economische bloei van de Repu<br />
bliek mogelijk maakten, maar tegelijkertijd ook<br />
in zekere zin beperkten. Zij stelden zich daarbij<br />
tevens tot taak de Nederlandse economische ont<br />
wikkelingen te plaatsen in het bredere internatio<br />
nale kader van de Westeuropese economie. Het<br />
resultaat is het hier voorliggende handboek van<br />
meer dan de dubbele omvang die oorspronkelijk<br />
was gepland.<br />
De tot dusverre verschenen overzichten van de<br />
economische geschiedenis van Nederland van de<br />
late middeleeuwen tot het begin van de 19e eeuw<br />
bestonden uit de gebundelde bijdragen van groe<br />
pen auteurs of monografieën van één of twee<br />
auteurs. J.G. van Dillen kan als een vertegen<br />
woordiger van beide genres beschouwd worden.<br />
Hij verzorgde in 1954 een algemene bijdrage over<br />
het economisch leven van de Republiek in de<br />
'oude' Algemene Geschiedenis der Nederlanden en<br />
schreef later het bekende handboek Van rijkdom en<br />
regenten, dat in 1970 postuum verscheen. Evenals<br />
andere Nederlandse economische historici voor<br />
hem, liet Van Dillen zich sterk inspireren door de<br />
Duitse historische school met haar sterk institu-<br />
tionalistische, verhalende en feitrijke economi<br />
sche geschiedschrijving.<br />
De Vries en Van der Woude hebben bewust<br />
met deze traditie gebroken. Zij oriënteren zich op<br />
zowel de Franse Annales-schooX, waarin meer de<br />
nadruk wordt gelegd op de betekenis van econo<br />
mische, sociale en geografische factoren, als op<br />
de Amerikaanse new economie history, waarin het<br />
economische handelen vanuit een sterk theore-<br />
5:5
Boekennieuws<br />
tisch kader wordt beschouwd en systematisch gebruik<br />
wordt gemaakt van kwantitative gegevens.<br />
Deze Franse en Amerikaanse werkwijzen combinerend,<br />
willen de auteurs komen tot een nieuwe<br />
benadering van de economische ontwikkeling<br />
van Nederland tussen 1500 en 1815. Het aanvangsjaar<br />
markeren de auteurs als het begin van<br />
een lange fase van economische groei in heel<br />
Europa, in welk kader zij de opkomst van de Nederlandse<br />
economie willen verklaren. Veranderingen<br />
van het institutionele kader (het ontstaan<br />
van het Koninkrijk als eenheidsstaat), in de demografie<br />
(een nieuwe, sterke bevolkingsgroei) en<br />
in de prijsontwikkeling (een ombuiging van inflatie<br />
naar deflatie), zijn voor hen aanleiding het<br />
jaar 1815 als logisch eindpunt te fixeren.<br />
Na een eerste inleidend deel gaan de auteurs in<br />
het tweede deel van start met een systematische<br />
schets van de geografie, de conjunctuur, de demografie<br />
en het geldwezen, structuurelementen<br />
die gedurende de door hen behandelde periode<br />
allerminst vaste grootheden blijken te zijn. Zij<br />
benadrukken vervolgens het belang van het ontbreken<br />
van een feodale traditie voor de economische<br />
groei van de Republiek, relativeren de rol<br />
van het calvinisme in de opbloei van de Nederlandse<br />
economie en signaleren een opmerkelijke<br />
integratie van het economisch leven, ondanks de<br />
sterk verbrokkelde politieke structuur van de Republiek.<br />
Na de observaties over deze 'socioculturele'<br />
variabelen, worden in het derde deel de<br />
sectoren van de Nederlandse economie uitvoerig<br />
behandeld: de landbouw, de visserij, de nijverheid<br />
en de handel en scheepvaart, respectievelijk<br />
vóór en na 1650.<br />
In het vierde deel presenteren De Vries en Van<br />
der Woude hun analysen. In afzonderlijke hoofdstukken<br />
nemen zij daarbij eerst de wisselwerking<br />
tussen stad en land als uitgangspunt en vervolgens<br />
de levensstandaard en de arbeidsmarkt. Het<br />
laatste hoofdstuk van het vierde deel gebruiken<br />
de auteurs om de eerder in het boek gesponnen<br />
draden aaneen te rijgen. Onder de noemer<br />
macro-economische beschouwingen wordt daarbij<br />
een periodisering van de economische ontwikkelingen<br />
gegeven en op zoek gegaan naar een<br />
concept om de ontwikkeling van de Nederlandse<br />
volkshuishouding in een internationale context te<br />
presenteren.<br />
Hoewel de auteurs demografische factoren van<br />
wezenlijk belang achten om de economische ontwikkelingen<br />
in de Republiek te kunnen begrijpen,<br />
wijzen zij daarbij resoluut de visie van Ro-<br />
54<br />
bert Thomas Malthus af als een sluitend verklaringsmodel.<br />
Ook willen zij het economische leven<br />
niet met het begrip 'handelskapitalisme' associëren.<br />
De auteurs wensen de Republiek van de 16e<br />
tot de 19e eeuw in economische zin veeleer te beschouwen<br />
als de 'eerste moderne volkshuishouding'.<br />
Met een aan dat concept ontleend begrippenapparaat<br />
schetsen zij de factoren die opkomst<br />
en verval, succes en mislukkingen van de Nederlandse<br />
economie in dat tijdvak in (inter)nationale<br />
context verklaren.<br />
In de afsluitende paragraaf van hun macroeconomische<br />
beschouwingen doen de auteurs<br />
nog een poging om tot een schatting van het Bruto<br />
Nationaal Produkt te komen. Met reserves komen<br />
zij daarbij tot een taxatie van het nationaal<br />
inkomen per hoofd vanaf omstreeks 1660. Gebrek<br />
aan vrijwel alle essentiële informatie belet<br />
hen helaas ook de daarvoor verstreken 'Gouden<br />
Eeuw' in dat opzicht in kaart te brengen, zodat zij<br />
zich tot een even globale als voorzichtige schatting<br />
van de trend in die voorafgaande periode<br />
moeten beperken.<br />
De Vries en Van der Woude hebben zich voor<br />
de vervaardiging van hun handboek gebaseerd<br />
op de reeds verschenen literatuur. Een inventief<br />
gebruik daarvan heeft niet kunnen verhinderen<br />
dat hun analyse op grenzen stuit bij de beschouwing<br />
van relevant geachte facetten van het economisch<br />
leven die tot op heden minder diepgaand<br />
zi jn onderzocht. Het pleit voor de zorgvuldigheid<br />
van de auteurs dat zij aan de daarmee gegeven beperkingen<br />
bij hun schets van de Republiek als<br />
moderne volkshuishouding niet zonder meer<br />
voorbijgaan, maar tekortkomingen in de huidige<br />
kennis expliciet signaleren, om vervolgens te waken<br />
voor het trekken van (te) vergaande conclusies.<br />
De ruime aandacht die door economische geschiedschrijvers<br />
steeds aan het gewest <strong>Holland</strong> is<br />
besteed, heeft De Vries en Van der Woude vele<br />
bouwstenen opgeleverd, maar zij hebben hun<br />
overzichtswerk niet een overdreven '<strong>Holland</strong>s'<br />
karakter gegeven. Het onderwerp van de auteurs<br />
is de economische geschiedenis van de Noordelijke<br />
Nederlanden. Ook in dat ruimere kader blijkt<br />
<strong>Holland</strong> in menig opzicht prominent te fungeren,<br />
maar de schrijvers integreren het duiden van<br />
de economische ontwikkelingen in het <strong>Holland</strong>se<br />
in een analyse van het economisch verband van<br />
de totale Republiek.<br />
Het moge voorts duidelijk zijn dat het handboek<br />
veel meer is dan een samenvattend overzicht
van het tot dusverre verrichte onderzoek. De<br />
nieuwe benadering van De Vries en Van der<br />
Woude heeft ook een nieuw beeld van de econo<br />
mische bloei van de Republiek opgeleverd. Met<br />
overtuiging presenteren zij die bloei als 'de eerste<br />
ronde van moderne economische groei', mogelijk<br />
gemaakt door een sterke urbanisatie, een relatief<br />
hoog opleidingsniveau, een grote geografische en<br />
sociale mobiliteit en een rijke geldhuishouding en<br />
geschraagd door efficiënte stelsels van belasting<br />
heffing en armenzorg. Hun schets van de moder<br />
ne economie en evenzeer moderne samenleving<br />
van de Republiek met haar homo economicus, de ra<br />
tioneel beslissende mens die erop uit is de econo<br />
mische omgeving in voor hem gunstige zin te<br />
beïnvloeden, past niet in de lange tijd gangbare<br />
opvatting dat de politieke Revolutie in Frankrijk<br />
en de Industriële Revolutie in Engeland de over<br />
gang naar een moderne maatschappij markeer<br />
den. De in die opvatting verankerde voorstelling<br />
van de tegenstelling tussen traditioneel-agrari-<br />
sche en modern-industriële samenlevingen<br />
wordt door de auteurs in de epiloog van hun<br />
werk - het vijfde en laatste deel - met overtuiging<br />
omver gekegeld.<br />
Hoewel opbouw en betoog van het handboek<br />
in dienst staan van het totale concept van de 'eer<br />
ste moderne volkshuishouding' kunnen ook le<br />
zers die primair geïnteresseerd zijn in één of meer<br />
aspecten van het economisch leven van de Repu<br />
bliek, uitstekend bij De Vries en Van der Woude<br />
terecht. Indexen van geografische namen, van<br />
persoons-, familie-, firma- en goederennamen en<br />
van zaken en begrippen waarborgen een goede<br />
toegang tot het werk. Voorts vergroten talrijke ta<br />
bellen en grafieken het overzichtskarakter van<br />
het handboek. De bronnen waaraan de daarin<br />
verwerkte gegevens zijn ontleend, worden meest<br />
al vermeld, maar de tekst zelf is door de auteurs<br />
niet geannoteerd. Wie zich verder in de behan<br />
delde onderwerpen wil verdiepen, moet dan ook<br />
in de Lijst van gebruikte literatuur enig speurwerk<br />
verrichten.<br />
De Vries en Van der Woude verdienen in dub<br />
bel opzicht lof voor het resultaat van hun langdu<br />
rige inspanningen. Zij hebben niet alleen een<br />
nieuw overzicht van de economische geschiede<br />
nis van de Republiek vervaardigd, maar door<br />
hun benadering en concept ook een nieuwe di<br />
mensie aan die geschiedenis toegevoegd.<br />
A.Ph.F. Wouters<br />
Boekennieuws<br />
Florike Egmond, Op het verkeerde pad. Georgani<br />
seerde misdaad in de Noordelijke Nederlanden,<br />
1650-1800 (Amsterdam: Bakker, 1994, 317 blz.,<br />
ƒ45-, ISBN 90-351-1319-5)<br />
Een speurtocht in de archivalia van meer dan<br />
driehonderd rechtbanken in <strong>Holland</strong>, Zeeland,<br />
Brabant en Utrecht ging vooraf aan deze studie<br />
van Florike Egmond, een herbewerking van haar<br />
in 1991 verdedigde proefschrift. Op het verkeerde<br />
pad gaande, verdiept de auteur zich in de wereld<br />
van de georganiseerde misdaad op het platteland<br />
van <strong>Holland</strong>, Zeeland en Brabant van 1650-1800.<br />
Onder de noemer 'georganiseerde misdaad'<br />
plaatst zij alle uit vijf of meer personen bestaande<br />
groepen die vermogensmisdrijven pleegden op<br />
een georganiseerde, professionele wijze (herken<br />
baar door specialisatie, planning en een zekere<br />
mate van continuïteit). Egmond concentreert<br />
zich daarbij op drie hoofdthema's: misdaadpa<br />
tronen (criminele stijlen), marginale culturen<br />
(invloed van illegale activiteiten op de levenswij<br />
ze van de betrokken groepen) en beeldvorming<br />
(bij de rechterlijke instanties).<br />
Het eerste deel van de in totaal vijf delen tellen<br />
de studie functioneert als inleiding. In een eerste<br />
hoofdstuk worden terminologie, begrippenkader<br />
en de genoemde thema's toegelicht. Het tweede<br />
hoofdstuk van de inleiding biedt een algemene<br />
beschouwing over met name de organisatie, pro<br />
cedures en strafvormen van de rechtbanken en de<br />
verschillen tussen de georganiseerde misdaad op<br />
het platteland en in de steden. In de drie volgende<br />
delen (elk bestaande uit twee hoofdstukken) wor<br />
den de criminele organisaties onder het ontleed<br />
mes gelegd, waarbij de auteur in het midden van<br />
de 17e eeuw begint en geleidelijk in de tijd op<br />
schuift naar het einde van de 18e eeuw.<br />
In het tweede deel, gewijd aan het verband tus<br />
sen banditisme en oorlog, worden naoorlogse<br />
benden in <strong>Holland</strong> en Zeeland (1615-1720) en mi<br />
litaire benden in Brabant (1690-1720) geprofi<br />
leerd. Het derde deel gaat over criminele verban<br />
den van etnische minderheden en biedt een ana<br />
lyse van zigeunerbenden (1695-1720) en joodse<br />
netwerken (1690-1800). In het vierde deel wordt<br />
de veranderende structuur van de plattelandson<br />
derwereld in de 18e eeuw geschetst. Egmond<br />
richt zich daarbij op de toenemende connecties<br />
van joden en zigeuners met christelijke benden in<br />
het Noorden en de groeiende samenwerking tus<br />
sen de criminele circuits in Brabant.<br />
De auteur behandelt in de drie centrale delen<br />
55
Boekennieuws<br />
van haar studie een groot aantal facetten van het<br />
bendeleven in de Republiek. De factoren die hebben<br />
bijgedragen tot de bendevorming, dc structuur<br />
van de benden, hun operatiegebied, de criminele<br />
specialisaties van de bendeleden, de rol<br />
van de vrouw, de mate van gewelddadigheid cn<br />
tal van andere deelthema's vormen de bouwstenen<br />
voor een even kleurrijk als fascinerend beeld<br />
van de wereld van de georganiseerde misdaad,<br />
dat moeilijk te rijmen valt met de gangbare voorstellingen<br />
van de keurige, saaie Republiek. Het<br />
gemak en het overzicht waarmee Egmond telkens<br />
nieuwe invalshoeken en vraagstellingen aan elkaar<br />
rijgt en de vindingrijkheid die zij bij de interpretatie<br />
van het bronnenmateriaal aan de dag<br />
legt, dwingen respect af. Naar tabellen of grafieken<br />
zal de lezer echter tevergeefs zoeken, omdat<br />
de auteur haar gegevens niet heeft gekwantificeerd.<br />
Zij heeft bewust gekozen voor een kwalitatieve<br />
benadering en blijkt daarbij in staat een uitgebalanceerde<br />
en boeiende analyse te geven,<br />
waarin de nuances zwaarder wegen dan de grove<br />
lijnen.<br />
Aan dit laatste (impliciete) uitgangspunt<br />
houdt Egmond ook vast in het vijfde en afrondende<br />
deel van haar studie, waarin zij haar conclusies<br />
presenteert. Zo constateert zij dat de criminele<br />
verbanden die in de loop van de 17e en de 18e<br />
eeuw op de voorgrond traden, niet zonder meer<br />
in een overzichtelijke lange-termijnontwikkeling<br />
te persen zijn, maar dat elk type bende een geheel<br />
eigen chronologie kende. Daarnaast ontkent de<br />
auteur niet dat factoren als immigratie, armoede<br />
en sociale marginalisering van invloed zijn geweest<br />
op het ontstaan van benden, maar eenduidig<br />
en direct was die invloed allerminst. Veeleer<br />
was er sprake van wisselende combinaties van deze<br />
factoren, die helder moeten worden blootgelegd<br />
om de vorming van specifieke criminele<br />
groepen cn netwerken te kunnen begrijpen.<br />
De geografie van de georganiseerde misdaad<br />
brengt Egmond ook tot interessante observaties.<br />
Regionale verschillen waren volgens haar minder<br />
relevant voor joodse netwerken, zigeunerbenden<br />
en gemengde criminele netwerken aan het einde<br />
van de 18e eeuw. Bij niet-etnische benden kwamen<br />
echter duidelijke regionale tegenstellingen<br />
naar voren. Dergelijke criminele organisaties<br />
vormden zich in <strong>Holland</strong> rond individuele mannen<br />
en vrouwen, die hun banden met de plaatselijke<br />
gemeenschap reeds hadden verloren toen zij<br />
zich in het bendeleven op het platteland begaven,<br />
maar zowel voor zaken als om uit te gaan nog re<br />
f)()<br />
gelmatig in de steden vertoefden. In Brabant sloten<br />
zich hele families aan bij de benden, die bij<br />
het bedrijven van hun criminele activiteiten juist<br />
in sterke mate steunden op contacten met de<br />
plaatselijke bevolking en zelden belangstelling<br />
hadden voor stedelijke voorzieningen.<br />
Geografische verschillen beïnvloedden ook het<br />
type misdrijven. In het dunbevolkte Brabant<br />
kwamen grootscheepse gewelddadige overvallen<br />
relatie! vaak voor. In <strong>Holland</strong> was het aantal<br />
spectaculaire geweldsmisdrijven daarentegen relatief<br />
klein. Het dichtbevolkte kustgebied vereiste<br />
een meer heimelijke werkwijze op kleinere schaal<br />
om vroegtijdige ontdekking en daarmee aanhouding<br />
te voorkomen.<br />
Ten slotte was er volgens Egmond in de Republiek<br />
ook geen sprake van een homogene en gevaarlijke<br />
subcultuur van criminelen, die zich had<br />
losgemaakt van de 'normale' maatschappij. Dat<br />
de gerechtelijke autoriteiten er belang bij hadden<br />
een dergelijke stereotiepe voorstelling in stand te<br />
houden cn zelfs te voeden, verklaart zij uit de behoefte<br />
om het publiek een tegenbeeld voor te houden.<br />
Op die wijze werd het belang van de openbare<br />
orde benadrukt en de gevestigde burger opgeroepen<br />
zich aan de heersende normen en regels te<br />
houden. Het pleit dan weer voor de speurzin van<br />
de auteur dat zij achter deze door rechterlijke instanties<br />
voorgehouden fagade een veelvoud aan<br />
identiteiten, onderscheidingen en culturele verschillen<br />
heeft ontdekt.<br />
Met een appendix over de strafrechtelijke organisatie,<br />
overzichten van geraadpleegde bronnen<br />
cn literatuur en ccn handzaam register sluit<br />
Egmond haar studie af. Als er dan toch een minpunt<br />
genoemd kan worden, dan betreft het de literatuurverwijzingen.<br />
Door dc vermelding van<br />
auteursnamen, jaartallen van publikatie en paginanummers<br />
in de tekst, wordt de lezer hinderlijk<br />
van de stof afgeleid. Deze kanttekening mag echter<br />
ook beschouwd worden als kissebissen van een<br />
stevig verwende recensent. De auteur verdient alle<br />
lof voor haar diepgaande infiltratie in de onderwereld<br />
van de Republiek. De genuanceerde analyse<br />
van Egmond kan in menig opzicht zelfs model<br />
staan voor de wetenschappelijke benadering<br />
van dc hedendaagse georganiseerde misdaad.<br />
A.Ph.E Wouters
Museumnieuws<br />
Jongens en meisjes. Het leven in het Amsterdamse<br />
Burgerweeshuis<br />
Tentoonstelling - en aanvullingen in de vaste opstelling<br />
- over het Burgerweeshuis<br />
Amsterdams <strong>Historisch</strong> Museum<br />
3 maart t/m 18 augustus 1996, mat/m vr 10.00 tot<br />
17.00 uur; za en zo 11.00 tot 17.00 uur<br />
Het gebouwencomplex waarin het Amsterdams<br />
<strong>Historisch</strong> Museum is gevestigd werd vanaf het<br />
einde van de 16e eeuw tot 1960 bewoond door de<br />
Amsterdamse burgerwezen. In en om het museum<br />
is, zeker voor de kenner, van alles te zien dat<br />
aan dat verleden herinnert. De woorden van<br />
Joost van den Vondel bij de toegangspoort in de<br />
Kalverstraat: 'Hier treurt het Weeskint met gedult<br />
dat arm is zonder zyne schuit (..)', de wand<br />
met kastjes op de 'jongensplaats' of de regentenkamer<br />
binnen in het museum. Toch komt in de<br />
vaste opstelling van het museum, dat de aandacht<br />
vestigt op alle mogelijke aspecten van de geschiedenis<br />
van Amsterdam, deze vroegere functie van<br />
het gebouw niet meer aan de orde.<br />
Daar is nu wat aan gedaan, ten eerste door er<br />
een tentoonstelling aan te wijden en ten tweede<br />
door er ook in de vaste opstelling aandacht aan te<br />
besteden.<br />
Vaste opstelling<br />
De regentenkamer heeft een opknapbeurt gehad<br />
cn is voorzien van uitgebreide beteksting. In het<br />
aangrenzende kaskantoortje wordt aan de hand<br />
van objecten en een video een inleiding gegeven<br />
op de geschiedenis van het Burgerweeshuis vanaf<br />
de oprichting omstreeks 1520. In een ander vertrek<br />
naast de regentenkamer, de 'Van Speykkamer',<br />
kan men zich vergapen aan een curieuze<br />
verzameling 'Speykiana'. De burgerwees J.C.J.<br />
van Speyk (1802-1831) bracht het tot luitenant ter<br />
zee. Tijdens de Belgische opstand raakte zijn kanonneerboot<br />
in de Schelde bij Antwerpen aan lager<br />
wal. In plaats van zich over te geven, stak van<br />
Speyk een brandende sigaar (of een ander brandend<br />
object - niemand kon het navertellen) in het<br />
kruitvat zodat het schip met vriend en vijand de<br />
lucht in ging. De excessieve heldenverering die<br />
hem postuum ten deel viel, is te verklaren uit de<br />
toenmalige identiteitscrisis van de Nederlandse<br />
staat. De uitgestalde objecten, die het Burgerweeshuis<br />
in die periode verwierf, getuigen van de<br />
kitscherige pathetiek van het f9e-eeuwse nationalisme:<br />
niet alleen serviesgoed met de beeltenis<br />
van Van Speyk erop, maar ook restanten van zijn<br />
sjaal en zelfs een stukje van zijn borstkas!<br />
Afb. 1. J. A. Backer, Vier regentessen van het Burgerweeshuis met binnenmoeder en een kind. Olieverf<br />
op doek (2,38 x 2,74 m). Amsterdams <strong>Historisch</strong> Museum, in bruikleen van sociaal-agogisch centrum<br />
Het Burgerweeshuis, Amsterdam.<br />
57
Museumnieuws<br />
Afb. 2. N. van der Waaij, Amsterdamse weesmeisjes voor een stadsprofiel van Amsterdam. Olieverf<br />
op doek (1,37 x 2,10 m). Amsterdams <strong>Historisch</strong> Museum.<br />
Tentoonstelling<br />
Van 7 maart tot 18 augustus is een tijdelijke expositie<br />
over het Burgerweeshuis ingericht. Aan de<br />
hand van foto's en een keur van objecten, van tinnen<br />
lepels, kleding en inschrijfboeken tot schoolspullen<br />
en collectebussen, wordt een beeld gegeven<br />
van het dagelijks leven in het weeshuis. De<br />
nadruk ligt hierbij op de periode van eind vorige<br />
eeuw tot de jaren dertig van deze eeuw. Dankzij<br />
de talrijke reacties op een oproep in de krant kunnen<br />
veel foto's en persoonlijke herinneringen van<br />
wezen getoond worden.<br />
Wellicht is het belangrijkste onderwerp van deze<br />
expositie het gebouw zelf. Bezoekers kunnen<br />
door het hele museum, dwars door de vaste opstelling,<br />
een route volgen waarlangs elf kijkdozen<br />
staan opgesteld. In de dozen zijn afbeeldingen te<br />
zien van dezelfde ruimte in vroeger tijden. Met<br />
een beetje verbeelding verandert de museumzaal<br />
met schilderijen en vitrines in een eetzaal met<br />
lange tafels, waar het geluid van tinnen lepels op<br />
tinnen borden zich vermengt met de stem van het<br />
meisje dat de beurt heeft voor te lezen uit de Bijbel.<br />
Op deze manier krijgt de bezoeker tijdens<br />
een rondwandeling door het museum een indruk<br />
van een klaslokaal, de dokterskamer, de strijkkamer<br />
en de slaapzalen van de jongens en de meisjes.<br />
De dozen vestigen niet alleen de aandacht op<br />
het interieur maar werpen ook een blik naar buiten.<br />
Op de binnenplaatsen spelen kinderen in<br />
hun roodzwarte uniformen en zitten oudere<br />
58<br />
meisjes te breien of te naaien. De ramen geven<br />
uitzicht op het gymlokaal, en vanaf de bovenste<br />
verdieping is in de verte het Maagdenhuis te zien,<br />
het weeshuis voor katholieke meisjes.<br />
De weeskamer<br />
De geschiedenis van de opvang van weeskinderen<br />
is zo oud als de stad. Tot in deze eeuw was de gemiddelde<br />
levensverwachting zo laag, dat grote<br />
aantallen minderjarige kinderen zeker hun<br />
ouders zouden verliezen. Volgens de christelijke<br />
moraal was het de taak van de gemeenschap om<br />
de zorg voor kinderen die geen verwanten hadden,<br />
op zich te nemen. In eerste instantie werden<br />
ze door religieuze instellingen opgevangen; godshuizen<br />
en gasthuizen of kloosters die zich toelegden<br />
op charitatieve activiteiten.<br />
Het lot van wezen en verlaten kinderen hing in<br />
belangrijke mate af van hun sociale achtergrond.<br />
Verweesde kinderen van de burgerij, dat wil zeggen,<br />
van ouders die het poortergeld van de stad<br />
hadden betaald, vielen onder de oppervoogdij<br />
van de burgemeesters. Deze taak werd in de eerste<br />
helft van de 15e eeuw overgedragen aan de<br />
weeskamer. De weeskamer beheerde de goederen<br />
van wezen zolang ze minderjarig waren en hield<br />
toezicht op de voogdij. Als de ouders vreemdelingen<br />
waren, te arm om het poortergeld te betalen,<br />
of als de kinderen te vondeling waren gelegd, bemoeide<br />
de weeskamer zich niet met hen. In een<br />
verordening van Philips van Bourgondië uit<br />
1459, was het kinderen tot hun twaalfde jaar, of
als zij een ambacht leerden, tot hun zestiende<br />
jaar, dan ook toegestaan te bedelen.<br />
De oprichting omstreeks 1520 van het Burgerweeshuis<br />
veranderde weinig aan deze toestand,<br />
omdat daar maar heel weinig kinderen terecht<br />
konden. Alleen poorterskinderen, die bovendien<br />
volle wezen waren, werden opgenomen. De rest<br />
kwam nog steeds niet in aanmerking. In de loop<br />
van de 16e eeuw groeide het aantal ouderloze kinderen<br />
zo sterk, dat het Burgerweeshuis steeds<br />
strengere voorwaarden voor opname ging stellen.<br />
Vanaf 1564 moest minstens één ouder twaalf jaar<br />
poorter geweest zijn en werden bovendien alleen<br />
nog kinderen onder de negen jaar opgenomen.<br />
In de 16e eeuw was het Burgerweeshuis eerst<br />
gevestigd in verschillende huizen aan de Kalverstraat<br />
en het Rokin. Na de Alteratie van Amsterdam<br />
in 1578 werden veel roomse kerkelijke<br />
goederen door het nieuwe hervormingsgezinde<br />
stadsbestuur onteigend. Het Burgerweeshuis<br />
kwam in 1579 in het bezit van onder andere het<br />
Karthuizerklooster buiten de stad en van het Sint<br />
Luciënklooster, dat gelegen was tussen de Kalverstraat<br />
en de Nieuwezijds Voorburgwal. Het<br />
laatstgenoemde, een vrouwenklooster, werd in<br />
1580 in gebruik genomen als weeshuis.<br />
Ondanks de strenge restricties groeide het aantal<br />
kinderen dat in aanmerking kwam voor opname<br />
sterk in de 17e eeuw. Pestjaren als 1601-1602,<br />
1623-1625, en de jaren van oorlog zoals in 1652-<br />
1654, 1665-1667 en 1672-1674 vertoonden vanzelfsprekend<br />
grote pieken. In de jaren dertig en<br />
Museumnieuws<br />
zestig van de 17e eeuw steeg het aantal burgerwezen<br />
twee keer tot tegen de duizend.<br />
Vanaf 1631 huurde het weeshuis het aan de andere<br />
kant van de Begijnensloot gelegen, leegstaande<br />
Oudemannenhuis (in 1663 aangekocht),<br />
dat in gebruik kwam als huisvesting voor de jongens.<br />
Boven de zuilengalerij, aan de noordzijde<br />
van de jongensplaats, kwam de jongensschool.<br />
De toename van het aantal wezen was niet alleen<br />
een probleem voor het Burgerweeshuis. Ook<br />
het Maagdenhuis, dat omstreeks 1570 werd gesticht<br />
en na de Reformatie een rooms-katholiek<br />
meisjestehuis bleef, kon onvoldoende kinderen<br />
onderdak bieden. Pas in de loop van de 17e eeuw<br />
kwamen er andere opvangmogelijkheden. Na de<br />
Reformatie stichtten de verschillende kerkgenootschappen<br />
diaconieën die de zorg kregen over<br />
de 'eigen' armen. In een later stadium bouwden<br />
de meeste diaconieën ook een weeshuis. In 1631<br />
opende het Walenweeshuis de deuren, twintig<br />
jaar daarna het weeshuis van de Engelse gemeente,<br />
in 1656 het Diaconieweeshuis van de Hervormde<br />
Kerk, in 1675 en 1676 de twee weeshuizen<br />
van de Doopsgezinde gemeentes en ten slotte<br />
in 1678 het Luthers Weeshuis. Vanaf 1664 was er<br />
behalve het Maagdenhuis ook nog een roomskatholiek<br />
jongensweeshuis. Ten slotte had ook de<br />
joodse gemeenschap haar eigen wezenzorg.<br />
Aalmoezeniersweeshuis<br />
Toch was al die opvang nog niet genoeg. Kinderen<br />
wier ouders geen poorters of lidmaten van een<br />
59
Museumnieuws<br />
kerkelijke gemeente waren geweest, en 'onechte'<br />
kinderen of vondelingen werden daarom vanaf<br />
ongeveer 1613 opgevangen door een college van<br />
door de stad aangestelde aalmoezeniers of armenvaders.<br />
Zij besteedden deze kinderen bij<br />
pleegouders, tegen betaling van kostgeld. Omdat<br />
de verzorging door die pleegouders niet altijd tot<br />
tevredenheid stemde - veel kinderen liepen nog<br />
steeds haveloos op straat te bedelen - besloot de<br />
stad rond 1665 ten slotte tot de oprichting van een<br />
Aalmoezeniersweeshuis.<br />
Met name de vergelijking met het Aalmoezeniersweeshuis<br />
wijst uit dat de burgerwezen door<br />
de tijd heen een naar verhouding geprivilegeerde<br />
positie hebben gehad. De Amerikaanse historica<br />
Anne Mc Cants rondde in 1995 aan het Massachusetts<br />
Institute of Technology haar dissertatie<br />
af over het Burgerweeshuis, die nog niet gepubliceerd<br />
is. Mc Cants heeft voor haar onderzoek de<br />
rekeningen uit het archief van het Burgerweeshuis<br />
bestudeerd om met name de materiële kant<br />
van het wezenbestaan in kaart te brengen: tot op<br />
de milligram nauwkeurig heeft ze bijvoorbeeld<br />
de samenstelling van de dagelijkse maaltijden in<br />
het weeshuis gereconstrueerd. Uit de resultaten<br />
van dat onderzoek blijkt dat de burgerwezen naar<br />
moderne maatstaven niets te kort kwamen aan eiwitten,<br />
koolhydraten, mineralen en vitamines. In<br />
het Aalmoezeniersweeshuis bevatte het menu<br />
aanzienlijk minder calorieën per kind. De burgerwezen<br />
aten naar verhouding ook meer zuivel,<br />
vis cn vlees. Alleen aan vitamine C kregen ze<br />
waarschijnlijk slechts een tiende binnen van wat<br />
(>()<br />
tegenwoordig als norm geldt. Verse groenten en<br />
fruit werden in de 17e eeuw weinig gegeten. Veel<br />
van de toen voorkomende ziektes en fysieke ongemakken<br />
kwamen voort uit een gebrek aan vitamine<br />
C. Pas met de introductie van de aardappel in<br />
de 19e eeuw als hoofdbestanddeel van de dagelijkse<br />
maaltijd kwam daaraan een einde.<br />
Niet alleen wat de voeding betreft, ook waar<br />
het de overige materiële verzorging aanging hadden<br />
de burgerwezen het relatief goed. De levensverwachting<br />
in het Burgerweeshuis lag aanzienlijk<br />
hoger dan in het Aalmoezeniersweeshuis. Er<br />
was een aparte ziekenafdeling met eigen kook- en<br />
wasgelegenheden. De kinderen sliepen er in de<br />
17e en 18e eeuw hooguit gedrieën in een bed, dit<br />
in tegenstelling tot het letterlijk volgestouwde<br />
Aalmoezeniersweeshuis.<br />
Het onderwijs in het Burgerweeshuis was behoorlijk<br />
en de jongens leerden redelijk gespecialiseerde<br />
beroepen omwille van de toekomstige bestaanszekerheid.<br />
Velen van hen leerden huistimmeren,<br />
scheepstimmeren of zeilmaken. De jongens<br />
die in de stad bij een meester een ambacht<br />
leerden, bewaarden hun gereedschap en andere<br />
eigendommen vanaf 1762 in de kastjes die op de<br />
jongensplaats werden gebouwd. Tijdens de tentoonstelling<br />
is een van de kastjes met dergelijke<br />
spullen ingericht.<br />
Wat de burgerwezen in de 19e eeuw bespaard<br />
is gebleven was het werken in textielfabrieken en<br />
de verplichte overplaatsing in de jaren na 1822<br />
naar de landbouwkoloniën van de Maatschappij<br />
van Weldadigheid. In dat jaar werden na een be-
Museumnieuws<br />
Afb. 5. De kinderschool, 1904. Tegenwoordig is dit zaal 6 van de permanente tentoonstelling over<br />
de geschiedenis van Amsterdam. Fotograaf onbekend, Amsterdams <strong>Historisch</strong> Museum.<br />
sluit van de regering alle wezen en vondelingen<br />
uit de gesubsidieerde weeshuizen naar Ommerschans<br />
in Overijssel overgebracht, waar het werk<br />
in de landbouw zou worden gecombineerd met<br />
onderwijs. In praktijk werden de kinderen er onder<br />
barre omstandigheden uitgebuit. Het Burgerweeshuis<br />
heeft zich hieraan weten te onttrekken<br />
door in die periode overheidssubsidie te weigeren.<br />
Dat was natuurlijk alleen mogelijk doordat<br />
de instelling over aanzienlijke eigen inkomsten<br />
uit bezittingen beschikte.<br />
Eigenlijk is er in het Burgerweeshuis in al die<br />
eeuwen ogenschijnlijk weinig veranderd. Het<br />
17e-eeuwse roodzwarte uniform met de witte<br />
kapjes en oorijzers voor de meisjes en petten voor<br />
de jongens werd pas in 1919 afgeschaft. Mochten<br />
die pakjes al bij volwassenen vertedering teweeg<br />
hebben gebracht - het weeshuis bezit verschillende<br />
idyllische schilderijen van wezen in uniform<br />
- de uniformen werkten stigmatiserend en waren<br />
vooral een belangrijk middel tot controle.<br />
Een burgerweeskind was altijd en overal herkenbaar.<br />
Personeel<br />
Uit de 17e- en 18e-eeuwse archieven komt duidelijk<br />
naar voren dat het personeel niet op pedagogische<br />
kwaliteiten werd aangenomen en dat het<br />
weeshuis niet speciaal was ingericht ter bevordering<br />
van het fysiek en emotioneel welbevinden<br />
van de kinderen. Alles lijkt te hebben gedraaid<br />
om efficiënt koken, kleden, wassen, poetsen,<br />
naaien enzovoort. De regenten waren tevreden<br />
over de bestiering van het weeshuis zolang de kinderen<br />
vrij van schurft en luizen waren en discipline<br />
kenden en zolang iedereen zich stipt aan het<br />
rooster hield en het huishoudboekje klopte. Het<br />
heeft heel lang geduurd voordat opvangen, verzorgen<br />
en opvoeden een beroep werd en men zich<br />
ging bekommeren om de geestelijke gezondheid<br />
van de kinderen. In de loop van de 20e eeuw vond<br />
men dat het oude kloostergebouw niet meer voldeed<br />
aan de eisen van moderne kinderopvang. In<br />
1960 betrokken de kinderen een nieuw gebouw<br />
naar ontwerp van Aldo van Eyck aan het IJsbaanpad.<br />
Deze expositie laat zien dat er aan het einde<br />
van de vorige eeuw ook al het een en ander veran-<br />
61
Museumnieuws<br />
Aft>. 6. De meisjeseetzaal, 1904. Fotograaf onbekend, Amsterdams <strong>Historisch</strong> Museum.<br />
derde. Het aantal kinderen verminderde tot onder<br />
de 200, hetgeen de persoonlijke aandacht ten<br />
goede moet zijn gekomen. Bij de opvoeding en<br />
opleiding werd toen al meer rekening gehouden<br />
met wat het best bij ieder kind paste. Aan het begin<br />
van deze eeuw bleven niet meer alle meisjes<br />
in het weeshuis om huishoudelijk werk en handwerken<br />
te leren. Sommigen gingen buiten het<br />
weeshuis naar school en werden onderwijzeres of<br />
verpleegster of kwamen op een kantoor terecht.<br />
Ook de zomervakanties in Bergen aan Zee, waar<br />
het weeshuis een 'herstellingsoord' inrichtte, golden<br />
in die tijd zeker als een luxe. De toenmalige<br />
weeskinderen die nu nog leven, hebben dan ook<br />
goede herinneringen aan hun kindertijd.<br />
Het oude Burgerweeshuis werd na de verbouwing<br />
in 1975 geopend als Amsterdams <strong>Historisch</strong><br />
Museum. De afbeeldingen in de kijkdozen ma<br />
62<br />
ken duidelijk dat er tussen 1960 en 1970 ingrijpend<br />
is verbouwd. In het interieur is praktisch<br />
geen steen op de andere blijven staan. Onder het<br />
hele gebouw zijn bijvoorbeeld kelders gegraven,<br />
die dienen als depot voor het museum. Toch blijft<br />
het vroegere interieur van het weeshuis in het<br />
huidige museum herkenbaar, doordat de gevels<br />
met rust zijn gelaten en daarmee ook de grootte<br />
en de hoogte van de ramen intact zijn gebleven.<br />
Zoals de zon naar binnen scheen op de kinderen<br />
in het klaslokaal, zo doet hij dat nog steeds in de<br />
museumzaal.<br />
Erika Kuijpers<br />
Historica, afgestudeerd aan de Universiteit van<br />
Amsterdam met de doctoraalscriptie 'Leren lezen<br />
en schrijven. Onderwijs en alfabetisering in<br />
dc 17e eeuw in Amsterdam' (1995).
Inhoud<br />
28e jaargang nr 1, 1996<br />
J.C.N. Raadschelders<br />
Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />
Wendy Jansen<br />
Verfrissing van lichaam en geest.<br />
Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />
Jos Leenders<br />
De lof der kleurloosheid.<br />
Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />
Boekennieuws<br />
Museumnieuws<br />
Aan dit nummer werkten mee:<br />
Drs Wendy Jansen studeerde in 1993 af als historica aan de Universiteit van Amsterdam.<br />
Momenteel werkt zij onder meer voor Stichting Zaans Museum in oprichting. Adres: Sta<br />
dionkade 68-111, 1077 VR Amsterdam.<br />
Dr Jos Leenders promoveerde in 1991 te Amsterdam op Benauwde verdraagzaamheid, hachelijk<br />
fatsoen, een studie over de stad Hoorn in het midden van de 19e eeuw. Hij werkt thans aan een<br />
aansluitend boek. Adres: Hoofdstraat 300, 1611 AP Bovenkarspel.<br />
Dr J.C.N. Raadschelders (1955), bestuurskundige en historicus, is verbonden aan de Inter<br />
facultaire vakgroep Bestuurskunde van de Rijksuniversiteit Leiden. Adres: Faculteit der So<br />
ciale Wetenschappen, Postbus 9555, 2300 RB Leiden.<br />
Omslagontwerp: Ester Wouthuysen.<br />
Produktie: Uitgeverij Verloren, Larenseweg 123, 1221 CL Hilversum, telefoon 035-6859856,<br />
fax 035-6836557, ISDN 035-6420707.<br />
1<br />
22<br />
38<br />
52<br />
57