03.05.2013 Views

Untitled - Holland Historisch Tijdschrift

Untitled - Holland Historisch Tijdschrift

Untitled - Holland Historisch Tijdschrift

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

<strong>Holland</strong>, regionaal-historisch tijdschrift<br />

<strong>Holland</strong>\s een tweemaandelijkse uitgave van de <strong>Historisch</strong>e Vereniging <strong>Holland</strong>, die voorts de reeks<br />

<strong>Holland</strong>se Studiën uitgeeft. <strong>Holland</strong> wordt kosteloos aan de leden toegezonden. Voor de <strong>Holland</strong>se<br />

Studiën gelden speciale ledenprijzen/ledenkortingen.<br />

Redactie<br />

J. Brugman, G.M.E. Dorren, K. Goudriaan, P.C.Jansen, M. Keblusek, P. Knevel, E. Kreuwels,<br />

J. Steenhuis, G. Verhoeven, E.L. Wouthuysen.<br />

Vaste medewerkers<br />

H.J. Metselaars (archiefnieuws), W. A.M. Hessing (archeologie).<br />

Kopij voor <strong>Holland</strong> en <strong>Holland</strong>se Studiën te zenden aan de redactiesecretaris van <strong>Holland</strong>, mevr. drs M.<br />

Keblusek, Theophile de Bockstraat 19", 1058 TW Amsterdam, telefoon 020-6695548.<br />

De kopij moet worden ingediend conform de richtlijnen van de redactie. Deze zijn verkrijgbaar bij de<br />

redactiesecretaris.<br />

Publikaties ter bespreking of aankondiging in <strong>Holland</strong> gaarne zenden aan de boekenredacteur: dr G.<br />

Verhoeven, p/a Gemeentelijke archiefdienst Delft, Oude Delft 169, 2611 HB Delft, tel. 015-2602340.<br />

<strong>Historisch</strong>e Vereniging <strong>Holland</strong><br />

De <strong>Historisch</strong>e Vereniging <strong>Holland</strong> stelt zich ten doel de belangstelling voor en de beoefening van de<br />

geschiedenis van Noord- en Zuid-<strong>Holland</strong> in het bijzonder in haar regionale en lokale aspecten te<br />

bevorderen.<br />

Secretariaat: mevr. drs G.J.A.M. Bolten, p/a Rijksarchief in Noord-<strong>Holland</strong>, Kleine Houtweg 18,<br />

2012 CH Haarlem<br />

Ledenadministratie: M.G. Rotteveel, p/a Rijksarchief in Noord-<strong>Holland</strong>, Kleine Houtweg 18, 2012<br />

CH Haarlem, telefoon 023-531 95 25.<br />

Contributie: ƒ50,- per jaar voor gewone leden (personen) en buitengewone leden (instellingen), na<br />

ontvangst van een acceptgirokaart te storten op postgirorekening nr 339121 ten name van de Histori­<br />

sche Vereniging <strong>Holland</strong> te Haarlem. Zij die in de loop van een kalenderjaar lid worden, ontvangen<br />

kosteloos de in dat jaar reeds verschenen nummers van <strong>Holland</strong>.<br />

Losse nummers: ƒ 7,50, dubbele nummers/15,-, vermeerderd met ƒ3,- administratiekosten vooreen<br />

enkel nummer, ƒ 5,50 voor meerdere nummers of voor een dubbel nummer. Losse nummers kunnen<br />

worden besteld door overmaking van het verschuldigde bedrag op postgirorekening nr 3593767 ten<br />

name van de penningmeester van de <strong>Historisch</strong>e Vereniging <strong>Holland</strong>, afd. verkoop publikaties te<br />

Haarlem, onder vermelding van het gewenste.<br />

<strong>Holland</strong>se Studiën: delen in de serie <strong>Holland</strong>se Studiën en het Apparaat voor de geschiedenis van <strong>Holland</strong><br />

kunnen op dezelfde wijze worden besteld als losse nummers van <strong>Holland</strong>. Gegevens over de publikaties<br />

van de Vereniging zijn regelmatig te vinden in de rubriek Verkrijgbaar via <strong>Holland</strong> achterin het<br />

tijdschrift.<br />

ISSN 0166-2511<br />

© 1996 <strong>Historisch</strong>e Vereniging <strong>Holland</strong>. Niets uit deze uitgave mag, op welke wijze dan ook, worden<br />

vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de<br />

redactie.


<strong>Holland</strong>, regionaal-historisch tijdschrift<br />

Tweemaandelijkse uitgave van de <strong>Historisch</strong>e Vereniging <strong>Holland</strong><br />

Achtentwintigste jaargang<br />

Dordrecht 1996


J.C.N. Raadschelders<br />

Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

Van de vele publikaties op het terrein van plaatselijke bestuurscolleges vormen die waarin<br />

zogeheten naamlijsten worden gepresenteerd, een belangrijk startpunt voor verder prosopo-<br />

grafisch en genealogisch onderzoek. Daarnaast vormen deze een belangrijke bron voor on­<br />

derzoek naar onder meer oligarchiseringstendenties en naar betrekkingen tussen plaatselijk<br />

en gewestelijk bestuur ten tijde van de Republiek.<br />

Reeds in de 17e en 18e eeuw werden lijsten van plaatselijke bestuurders opgesteld, door­<br />

gaans als onderdeel van een stadsgeschiedenis. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw was<br />

het opstellen van dergelijke lijsten onderdeel van het streven naar systematische inventarisa­<br />

tie van bronnen. Rond de eeuwwisseling publiceerde Bruinvis, stadsarchivaris van Alk­<br />

maar, een volledig overzicht van vroedschappen, burgemeesters en schepenen van die stad. 1<br />

In 1927 publiceerde Dresch, eveneens archivaris van Alkmaar, een vroedschapslijst van Be­<br />

verwijk, die overigens niet volledig was. 2<br />

Van verschillende grotere en kleinere steden zijn<br />

dergelijke bestuursnaamlijsten gepubliceerd. In het kader van een onderzoek naar de be­<br />

stuurlijke ontwikkeling van de gemeenten Alkmaar, Beverwijk, Purmerend en Zaandam<br />

heb ik in de jaren tachtig de bestaande vroedschapslij st van Purmerend aangevuld. 3<br />

Het<br />

toen verzamelde materiaal is nu bewerkt op dezelfde wijze als voor Beverwijk (zie noot 2).<br />

Behoudens de studie van Verhoofstad is er weinig onderzoek gedaan naar de stad Purmer­<br />

end. 4<br />

Verhoofstads werk is op sommige punten onjuist en/of onvolledig, wat overigens - ge­<br />

zien de taak die hij zich had gesteld - geen afbreuk doet aan de betekenis van zijn studie. 5<br />

In dit artikel worden ontwikkelingen in het bestuur van Purmerend besproken naar aan­<br />

leiding van de volledige vroedschapslij st. Na enkele korte notities over het oudste bestuur<br />

van de stad volgt een bespreking van de vroedschapslij st met informatie over de bestuursver-<br />

anderingen. Het slot van deze paragraaf is opgezet naar het voorbeeld van mijn eerdere arti­<br />

kel over Beverwijk. Vervolgens treden burgemeesters en schepenen voor het voetlicht, waar­<br />

bij tevens aandacht wordt gegeven aan de verkiezingsprocedure. Ten slotte wordt nader in­<br />

gegaan op de positie van de schout die, ofschoon niet behorende tot de stedelijke regering,<br />

een belangrijke plaats in het lokale bestuur innam. In de literatuur is weinig zelfstandige<br />

aandacht geschonken aan de ontwikkeling van het schoutambt. Notities op deze plaats zijn<br />

dan ook vooralsnog oriënterend van aard.<br />

* Ik dank Katja Bossaers voor haar kanttekeningen bij een eerdere versie van dit artikel.<br />

1 C.W. Bruinvis, De Alkmaarsche vroedschap tot 1795 (Alkmaar z.j.); idem, De regeering van de stad Alkmaar tot 1795<br />

(Alkmaar z.j.).<br />

2 N.J.M. Dresch, Inventaris van het Oud-Archief der gemeente Beverwijk 1250-1817 (Beverwijk 1927).J.C.N. Raadschelders,<br />

'De vroedschap der 'stede Beverwijck' 1642-1794', <strong>Holland</strong> 18 (1986) 24-44.<br />

3 Deze vroedschapslijst berust in het familie-archief Pont (Streekarchief Waterland) en bevat 142 namen over<br />

de periode 1605-1795. Zowel de namen als de periode van aanstelling zijn zeer onvolledig. J.C.N. Raadschelders,<br />

Plaatselijke bestuurlijke ontwikkelingen 1600-1980. Een historisch-bestuurskundig onderzoek in vier Noordhollandse<br />

gemeenten ('s-Gravenhage 1990).<br />

4 P. M. Verhoofstad, Geschiedenis van Purmerend (Purmerend 1947). Het boek van P. Huurdeman, De geschiedenis<br />

van Purmerend (Purmerend 1975), bevat geen nieuwe gezichtspunten of gegevens en is qua inhoud en opzet een<br />

getrouwe kopie van Verhoofstad.<br />

5 Verhoofstad heeft blijkens zijn noten veel gebruik gemaakt van het toenmalige gemeentearchief. De door mij<br />

bedoelde gebreken hebben betrekking op het bestuurlijke apparaat en worden in deze tekst aangestipt.<br />

1


Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

Het oudste bestuur van Purmerend 1100-1600<br />

Lokale rechtsgemeenschappen werden oorspronkelijk door een vertegenwoordiger van de<br />

graaf, de schout, en door uit de burgerij gekozen schepenen bestuurd. In Purmerend werden<br />

de vijf schepenen jaarlijks gekozen op Nieuwjaarsdag (tot 1410), Vrouwendag (Maria Lichtmis,<br />

21 februari, 1410-1441), en St Marcusdag (25 april, sinds 1441). Schout en schepenen<br />

waren met het totale bestuur belast, maar hadden vooral rechtsprekende en wetgevende taken.<br />

Toename van het aantal overheidstaken leidde tot een toename van het aantal keuren<br />

en ordonnantiën, zowel op initiatief van het bestuur als op verzoek van de burgerij. Het opstellen<br />

van keuren en het toezicht op de handhaving ervan hield een zodanige taakverzwaring<br />

in dat schout en schepenen in de loop van de 14e-16e eeuw meer en meer werden bijgestaan<br />

door raden, later burgemeesters geheten. Burgemeesters werden vooral belast met het<br />

dagelijks bestuur waaronder tevens het financieel beheer werd begrepen.<br />

Wanneer Purmerend voor het eerst burgemeesters kreeg is niet bekend. Zij worden voor<br />

het eerst vermeld in een charter uit 1433 doch pas in een charter van 1484 aangeduid als<br />

'regeerders'. 6<br />

In het charter van 12 april 1484 verleende de toenmalige Heer van Purmerend,<br />

Johan van Egmond, de stad tevens het recht 31 vroedschappen aan te stellen. Zij hadden<br />

zitting voor het leven en vulden zichzelf bij coöptatie aan. De verkiezing van de burgemeesters<br />

bleef tot 1546 geheel aan de Heer. In 1546 bepaalde de toenmalige Heer, Lamoraal,<br />

Graaf van Egmond, dat de vroedschap een zestal notabele burgers mocht nomineren waaruit<br />

hij twee burgemeesters zou kiezen. In de wijze van verkiezing van burgemeesters en<br />

vroedschappen traden met de onafhankelijkheid van de Republiek geen wijzigingen op; alleen<br />

werd de Heer vervangen door de Staten van <strong>Holland</strong>.<br />

De vroedschap 1600-1795<br />

Volgens Verhoofstad telde tot 1626 de vroedschap 31 leden, 7<br />

doch in 1600 waren er niet meer<br />

dan 25. Hoewel de vroedschap in dat zelfde jaar besloot tot uitbreiding 'tot 't volle getal' 8<br />

werd daar geen actie op genomen. Verdere afname van hun aantal leidde in 1605 tot een<br />

nieuw voorstel dat aldus werd verwoord:<br />

Eerst is goet gevonden, aengesien de vroetschappen in 't getal niet versterven en andersints<br />

zeer is vermindert dat men over sulx de vroetschappen zal verstercken met zes persoonen<br />

voort erst. 9<br />

Tegelijkertijd bepaalden de zittende leden dat verwanten in de eerste graad (vader en zoon,<br />

broers) niet verkiesbaar waren. Een halfjaar later werden zes personen in de vroedschap<br />

benoemd (nrs 26-31). Ruim anderhalf jaar later werd een tweede versterking noodzakelijk<br />

geacht (nrs 32-35). Mogelijk was het verloop door overlijden groot, aangezien in 1610 en 1611<br />

6 C.J. Gonnet, Inventaris van het archief van Purmerend 1275-1813 (Purmerend 1914) nr 21, nr 42. Overigens meent<br />

Van Sandwijk dat Purmerend 30 vroedschappen en 3 burgemeesters telde op 31 juli 1515. Zie G. van Sandwijk,<br />

Kromjkmatige en geschiedkundige beschrijving van Purmerend en omliggende dorpen en meren (Purmerend 1839) 28.<br />

7 Verhoofstad, Geschiedenis van Purmerend, 88; Huurdeman, De geschiedenis van Purmerend, 114-115.<br />

8 Streekarchief Waterland (hierna: SAW), notulen vroedschapsvergadering (hierna nr 94) dl 2, 26 april 1600.<br />

9 SAW, nr 94, dl 2, 13 februari 1605.<br />

2


Afb. 1. 18e-eeuwse plattegrond van Purmerend, A. van de Gronden.<br />

Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

nog eens acht vroedschappen werden aangesteld (nrs 36-43). Verdere uitbreidingen, telkens<br />

met vier personen (nrs 44-55), volgden in 1613, 1614 en 1618, doch tot de officiële verminde­<br />

ring van 20 personen in 1626 is het aantal vroedschappen nooit hoger dan 28 (1614).<br />

Aannemende dat absenties een redelijk betrouwbare indruk geven van het verloop, was<br />

het aantal vroedschappen - de herhaaldelijke versterkingen ten spijt - in 1621 reeds gedaald<br />

tot 20 (in 1625 nog 16). Deze toestand werd als fait accompli aanvaard in een besluit uit 1625<br />

waarin onder meer stond:<br />

Is noch met rijpe deliberatie verstaen ende bij eenparige stemmen geresolveert, omme<br />

in de eerste vergaderinge vande heeren Staten van hollant te becomen consent van twin-<br />

tich vroetschappen te houden compleet in hare vergaderingen, een stervende de plaetse<br />

over ses weecken daer naer wederom te vervullen. 10<br />

Dit is opmerkelijk. Hoewel over de opvolgingsduur van vacante vroedschapszetels weinig<br />

bekend is, bleek deze in het 17e-eeuwse Beverwijk veelal langer dan een jaar te duren. 11<br />

Of­<br />

schoon onduidelijk is of de vroedschap deze resolutie daadwerkelijk volgde, bleek mij in ge-<br />

10 SAW, nr 94, dl 5, 24 december 1625.<br />

11 Raadschelders, 'De vroedschap der 'stede Beverwijck', 29-30.<br />

3


Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

vallen waar het overlijden eerder in de notulen werd vermeld (namelijk de nrs 70, 84, 114,<br />

122, 131, 138, 177, 179) dat de opvolging meestal tussen één tot vier maanden was geregeld.<br />

Na bekrachtiging van het voorstel door de Staten van <strong>Holland</strong> (1626) werd de vroedschap<br />

met vier personen aangevuld tot twintig (nrs 56-59). Tot de wetsverzetting van 1672 werden<br />

41 personen in de vroedschap benoemd (nrs 60-100). Met uitzondering van aanvullingen<br />

op het reglement van orde, vonden in deze jaren geen wijzigingen in de vroedschap plaats. 12<br />

Uniek was in deze periode dat een zetel beschikbaar werd gehouden. In verband met zijn<br />

aanstelling tot raadsheer bij het Hof van <strong>Holland</strong> was mr Franco Riccen (nr 80) eind 1655<br />

naar Den Haag vertrokken. Acht jaar later besloot de vroedschap dat in geval van Riccens<br />

terugkeer, de eerstkomende vacature aan hem zou toevallen. 13<br />

Inderdaad werd hem in 1667<br />

een zetel aangeboden, doch Riccen bedankte voor de eer. De plaats bleef tot zijn overlijden<br />

in 1673 onvervuld. Aangezien de vroedschap in 1669 besloot haar aantal te laten afnemen<br />

tot 15, werd in de vacatures Riccen, Blau, Van Lichten, Larenius en Bel (nrs 99, 83, 86, 90,<br />

93) niet voorzien. 14<br />

Deze situatie was slechts van korte duur.<br />

Met de benoeming van Willem III tot stadhouder werden op tal van plaatsen staatsgezinde<br />

regeerders vervangen door aanhangers van de stadhouder. Niet zelden werden bij dergelijke<br />

wetsverzettingen deels de vroedschappen vervangen. In Purmerend gebeurde dit echter<br />

niet, maar de prins wenste het aantal vroedschappen uit te breiden. Zelfbenoemde hij vier<br />

van hen (nrs 101-104), terwijl met de benoeming van Jacob Hendrickss. Tegel (nr 107) het<br />

aantal weer op 20 kwam. 15<br />

Daarmee kwam een einde aan drie maanden onrust. 16<br />

Van de 35 benoemingen tussen 1672-1702 zijn die van Gerard Constantijn van Ruyten-<br />

burgh (nr 112) en diens zoon mr Reynier Gerard van Ruytenburgh een nadere aantekening<br />

waard. Eerstgenoemde was van 1667-1701 schout en kastelein van Purmerend en het was<br />

zeker in de 17e eeuw geen gewoonte dat een vertegenwoordiger van de Staten toegang kreeg<br />

tot het vroedschapsambt. 17<br />

Beide ambten werden onverenigbaar geacht. Met de benoe­<br />

ming van Ruytenburgh stapten de vroede vaderen van deze gewoonte af, hoewel de schout<br />

werd aangesteld onder.de voorwaarde dat hij geen gewestelijke ambten zou ambiëren. 18<br />

Bij de benoeming van zijn zoon (nr 131) werd de resolutie van 13 februari 1605, waarin<br />

bepaald was dat naaste bloedverwanten niet tegelijkertijd in de vroedschap konden zitten,<br />

enigszins verlaten. De zoon werd weliswaar benoemd, maar mocht pas zitting nemen en van<br />

het stemrecht gebruik maken na het overlijden van zijn vader. Zo ontstond tijdelijk een situa­<br />

tie dat de iure 20, maar defacto slechts 19 vroedschappen functioneerden. In de naamlijst over<br />

deze periode komt eenmaal dezelfde naam voor: Geert of Gerrit Cos (nrs 105 en 128). Deze<br />

12 SAW, nr 94, dl 7, 31 oktober 1648 (bij afwezigheid op de vergadering kan een vroedschap schriftelijk advies<br />

achterlaten) en 28 november 1651 (bij absentie moet een vroedschap zes stuivers boete betalen).<br />

13 SAW, dl 9, 10 juli 1663.<br />

14 SAW, dl 10, 5 maart 1669 (besluit tot 15 leden) en 9 april 1669 (melding van het octrooi van de Staten). Verhoofstad,<br />

Geschiedenis van Purmerend, 88, vermeldt 23 maart 1669 als datum van het octrooi (zie ook bij noot 29).<br />

15 SAW, dl 10, 18 september 1672 en 31 maart 1673. Vergelijk Verhoofstad, Geschiedenis van Purmerend en Otsen<br />

die menen dat na 1669 het aantal vroedschappen definitief op 15 bleef. J. Otsen, 'Purmerend in de patriottentijd',<br />

Nederlandse Historiën. <strong>Tijdschrift</strong> voor vaderlandse streekgeschiedenis 17 (1983) 173.<br />

16 Zie voor meer informatie over de onrust in Purmerend D.J. Roorda, Partij en factie. De oproeren van 1672 in de<br />

steden van <strong>Holland</strong> en Zeeland, een krachtmeting tussen partijen en facties (Groningen 1978, 2e druk) 118, 167, 191-194.<br />

17 De schout van Purmerend werd ook wel als 'kastelein' aangeduid, omdat de vroegere vertegenwoordiger van<br />

de graaf, de Heer van Purmerend, in het kasteel woonde.<br />

18 SAW, nr 94, dl 11, 18 februari 1677. In de resolutie werden specifiek de volgend ambten genoemd: Gecommitteerde<br />

Raad Hoorn, Gecommitteerde Raad Admiraliteit, Auditeur Gemeenelandsmiddelen. Het ambt van afgevaardigde<br />

in de Staten van <strong>Holland</strong> was niet in deze rij opgenomen (zie bij noot 37).<br />

4


Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

Afb. 2. Notulen (fragment) van de vroedschapsvergadering waarin werd besloten uit te breiden tot<br />

20 personen. SAW, nr 94, dl 5, 24 december 1625.<br />

trad in 1693 af ten gunste van zijn zoon Cornelis Cos (nr 126). Toen deze echter na ruim<br />

vier jaar overleed, werd zijn vader opnieuw benoemd. Van de benoemingen in de periode<br />

1672-1702 zijn vijf vacatures opgetreden (nrs 107, 110, 115, 123, 134), omdat de vroedschap<br />

in 1702 had overwogen:<br />

off niet vermits het affsterven van zijn koninge majestijt van Groot Brittanniën den octroye<br />

bij de heeren van de Regering alhier den 23e martij 1669 van de heeren Staten van<br />

<strong>Holland</strong> ende Westvrieslandt geobtineert van cragt ende effecte sal sijn, ende men den<br />

innehouden van dien bij deze conjuncture van tijden en saken, sal comen op te volgen,<br />

en oversulex in Conformitie van 't selve de vroedschap van 20 tot 15 personen te laten<br />

uytsterven. 19<br />

De vroedschap bestond van toen af tot 1788 uit 15 personen. De benoemingen in de jaren<br />

1702-1749 geschiedden door de vroedschappen zelf. Alleen werden de toetredingscriteria<br />

ogenschijnlijk verruimd, toen dr Nicolaas Melckpot (nr 138) in 1709 werd gekozen ondanks<br />

het feit dat hij nu 'geen ingeboren burger [was], geen burgeres had gehuwd of met een burgeres<br />

gehuwd was geweest'. 20<br />

Het verzet daartegen van de leden Cock, Nieuwentijt, Munnick,<br />

19 SAW, nr 94, dl 13, 29 december 1702.<br />

20 SAW, dl 14, 30 november 1709. Melckpot was echter wel degelijk in Purmerend geboren (3 mei 1661); zijn benoeming<br />

was onderwerp van factiestrijd wat uiteindelijk leidde tot een contract van correspondentie in 1710<br />

(vriendelijke mededeling van Katja Bossaers).<br />

5


Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

Pet, Brouwer en Wormer - die zelfs een tegenkandidaat voorstelden (Pieter van der Ley,<br />

die uiteindelijk in 1713 werd benoemd) - mocht niet baten. De overige benoemingen verliepen<br />

zonder problemen.<br />

Bij gelegenheid van het tweede herstel van het stadhouderlijk gezag in 1747 schonk de<br />

meerderheid van stadsregenten niet alleen een pand in Den Haag, maar besloot zij tevens<br />

de zetels van alle ambten ter beschikking te stellen. Dit was een gebruikelijke stap voor alle<br />

stadsbesturen. Van de 15 vroedschappen werden 11 herbenoemd, terwijl Pet, Koenis en Appel<br />

- die hun zetels niet ter beschikking hadden gesteld - gedwongen waren om af te treden.<br />

Samen met de na het overlijden van Jan Peereboom vacant gekomen zetel betekende dit dat<br />

de prins vier nieuwe vroedschappen aanstelde. 21<br />

Hieruit blijkt mogelijk dat vóór 1748 het<br />

merendeel der vroedschappen niet afwijzend stond tegenover Oranje. De terbeschikkingstelling<br />

van de zetels kon natuurlijk ook getuigen van politiek opportunisme.<br />

Tot 1783 deden zich in de benoeming van de vroedschappen geen noemenswaardige problemen<br />

voor. Het was in dat jaar dat eigenlijk voor het eerst in de raden van Purmerend<br />

een conflict ontstond tussen staats- en prinsgezinden. Dit leidde tot de eerste wetsverzetting<br />

in die plaats. Een kort tussenspel is hier op zijn plaats.<br />

Terwijl in de vroege 17e eeuw politieke tegenstellingen zich manifesteerden langs religieuze<br />

lijnen (remonstranten versus contra-remonstranten) verschoof in de 17e eeuw geleidelijk<br />

het accent naar de tegenstelling staats- en prinsgezinden (ook wel Loevesteinse respectievelijk<br />

Oranjegezinden). In tijden van crisis (vaak een vermenging van internationale met binnenlandse<br />

conflicten) smeedden deze latente, maar immer aanwezige facties zich aaneen tot<br />

partijen.<br />

In een dergelijke situatie besloten vier gewesten geen opvolger te benoemen voor de op<br />

6 november 1650 overleden Willem II. Oorlog met Frankrijk en afkeuring van het buitenlands<br />

beleid van Johan de Wit leidden in 1672 tot de aanstelling van Willem III als stadhouder<br />

van <strong>Holland</strong>. Dertig jaar later grepen vijf gewesten het overlijden van Willem III aan<br />

om geen nieuwe stadhouder te benoemen. Hij had immers door zijn voortdurende strijd met<br />

Lodewijk XIV de Republiek in een uiterst penibele financiële situatie gebracht.<br />

De hierop volgende wetsverzettingen, in Gelderland ook wel bekend als de plooierijen,<br />

brachten de staatsgezinden weer in het zadel. 22<br />

In 1747 herhaalde het patroon zich. Binnenlandse<br />

onrust (strenge winters vanaf 1740, stagnatie van de graanaanvoer, grote onvrede<br />

over corruptie en belastingstelsel) gecombineerd met Franse aanwezigheid in Zeeuws-<br />

Vlaanderen deden het tij keren ten gunste van de Oranje-factie en Willem IV werd tot het<br />

stadhouderschap van <strong>Holland</strong> verheven. Van de verwachtingen die men had over zijn daden<br />

(bestrijding van corruptie en verbetering van het stelsel van belastingheffing) kwam weinig<br />

tot niets terecht, en dit leidde onder zijn opvolger Willem V (1766-1795) tot hernieuwde verscherping<br />

van tegenstellingen tussen staats- en prinsgezinden. De vierde Engelse oorlog<br />

(1782-1784) was de lont in het kruitvat.<br />

Net zoals in 1650 en 1702 trokken veel steden het nominatierecht voor plaatselijke bestuurders<br />

aan zich. Zo ook in Purmerend waar op 3 december 1783 13 van de 15 vroedschap-<br />

21 SAW, dl 19, 24 juni 1747. Het pand dat men (mede) schonk was het zogeheten Logement der Vijf Steden, een<br />

huis aan de Hofsingel te Den Haag waar de gedeputeerden ter dagvaart van Hoorn, Edam, Monnikendam,<br />

Medemblik en Purmerend verbleven. Uit dank voor het geschenk bepaalden de Staten dat de vijf steden een<br />

nieuw logement zouden bekomen op kosten van het gewest. Zo sneed het mes aan twee kanten: de prins een<br />

present, de stadskas onbezwaard.<br />

22 A.H. Wertheim-Gijse Weenink, Democratische bewegingen in Gelderland 1672-1795 (Amsterdam 1973).


Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

pen zich van de prins distantieerden. Tussen hen en de Oranjegetrouwe leden Peereboom<br />

(tevens schout) en Van Goor Hinloopen ontspon zich een discussie die in volledige genotuleerde<br />

re- en duplieken is neergelegd. In dit geschil namen de Staten van <strong>Holland</strong> aanvankelijk<br />

een voorzichtige positie in, door - bij wijze van noodmaatregel - voorlopig zelf benoemingen<br />

van de magistraat te verzorgen. Later werden de Staten steeds duidelijker stadhoudersgezind.<br />

Om hier niet nader uiteen te zetten redenen begon het front van de patriotten<br />

in de loop van 1786-87 duidelijke scheuren te vertonen. 23<br />

Mede vanwege de dreiging van<br />

het in september 1787 binnengevallen Pruisische leger (de echtgenote van Willem V, Wilhelmina,<br />

was een zus van Frederik Willem II, koning van Pruisen) werd het stadhouderlijk gezag<br />

hersteld. Bij de verkiezingen op St Marcusdag van het daaropvolgende jaar werden zeven<br />

van de 15 vroedschappen herbenoemd, terwijl acht van hen weigerden hun zetel ter beschikking<br />

te stellen (nrs 176, 178, 182, 183, 189-191, 193). Zes van de acht zetels werden door<br />

de prins direct aangevuld (nrs 194-199). Van de twee nog vacerende zetels werd met de benoeming<br />

van Van Nes tijdelijk één vervuld. 24<br />

In totaal heeft Purmerend tussen 1600-1795 202 vroedschappen gehad (denk aan nrs 99,<br />

105, 128). Van 140 vroedschappen is de ambtstermijn bekend. Bij verdeling over enkele jaargroepen,<br />

die bovendien gesplitst zijn naar reden van beëindiging, ontstaat tabel 1.<br />

Tabel 1. Aantal vroedschappen verdeeld naar zittingsduur en reden van beëindiging lidmaatschap<br />

Overlijden Vertrek Totaal<br />

jaren abs. % abs. % abs. %<br />

0- 1 3 2,1 3 2,1<br />

1- 4 8 5,7 2 1,4 10 7,1<br />

5-9 18 12,9 4 2,9 22 15,7<br />

10-14 16 11,4 2 1,4 18 12,9<br />

15-19 18 12,9 2 1,4 20 14,3<br />

20-24 15 10,7 5 3,6 20 14,3<br />

25-29 12 8,6 3 2,1 15 10,7<br />

30-32 15 10,7 - - 15 10,7<br />

35- 16 11,4 1 0,7 17 12,1<br />

Totaal 121 86,4 19 13,6 140 100,0<br />

legenda: jaren = aantal jaren; abs.= absoluut aantal jaren.<br />

Zoals te verwachten bij benoemingen voor het leven bleef de overgrote meerderheid van de<br />

vroedschappen tot het overlijden in het ambt (86,4 %). Van de 19 die bij leven het ambt neerlegden<br />

waren er 11 door de prins afgezet; twee traden af wegens ouderdom (nrs 146, 155);<br />

één vanwege de aanvaarding van een gewestelijk ambt (nr 80); drie zonder opgaaf van redenen<br />

(nrs 98, 179, 203) en twee vertrokken naar Indië (nrs 168, 169). Het gemiddeld aantal<br />

23 Zie Verhoofdstad, Geschiedenis van Purmerend, 272-289. Voor de patriottentijd in het algemeen zie C.H.E. de<br />

Wit, De strijd tussen aristocratie en democratie in Nederland 1780-1848. Kritisch onderzoek van een historisch beeld en herwaardering<br />

van een periode (Heerlen 1965), alsmede C.H.E. de Wit, 'Oud en Modern. De Republiek 1780-1795'<br />

in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden dl 9 (Haarlem 1980) 113-125.<br />

24 SAW, nr 94, dl 26, 3 januari 1791. Hoewel de prins het voornemen had de twee zetels aan te vullen, vond slechts<br />

één benoeming daadwerkelijk plaats. Na het vertrek van Van Nes (die aftrad) telde de vroedschap nog slechts<br />

13 personen.<br />

7


Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

zittingsjaren was 19,8, wat hoger is dan in Beverwijk (15,7). 25<br />

Dit cijfer zegt verder weinig,<br />

al valt wel op dat 22,8% van de Purmerendse vroedschappen, tegen 7,6% in Beverwijk,<br />

30 jaar of langer in functie was. De invloed van de vroedschap is te beoordelen naar de<br />

mate waarin uit haar gelederen burgemeesters en schepenen werden gerecruteerd.<br />

Verkiezing en zittingsduur van burgemeesters en schepenen<br />

Oorspronkelijk had Purmerend twee burgemeesters en vijf schepenen die jaarlijks werden<br />

gekozen uit de gegoede burgerij. Wanneer het schepencollege tot zeven werd uitgebreid<br />

is niet bekend, doch het moet in de 16e eeuw zijn geweest. Hetzelfde geldt voor de burgemeesters.<br />

Het aantal burgemeesters werd volgens Verhoofstad in 1626 op drie gebracht. 26<br />

Er waren echter in 1600 al drie burgemeesters en in de jaren 1615-1617 zelfs vier. Het octrooi<br />

van 1626 zal een in de 16e eeuw ontstane situatie hebben willen bevestigen. Het<br />

vroedschapsbesluit dat aan dit octrooi vooraf ging (zie noot 10) vertelt ons meer over de<br />

plaats van de burgemeester in de vergadering met vroedschappen en over de verkiezingsprocedure:<br />

Ende dat Burgemeesteren oock nae St. Marckesdach eerstcomende meede thans de eerste<br />

stem inde vergaderinge sullen hebben, is oock geresolveert dattmen inde eerste vergaderinge<br />

voornoemt, sullen becomen soodanige consent, dat Burgemeesteren ende vroetschappen<br />

dubbelt getal van nieuwe wet als van Burgemeesteren en Schepenen voortaen<br />

sullen mogen kiese, omme bij de prince enckeltgetal daer uit genomen te werden.<br />

Eén van de drie zittende burgemeesters werd herkozen en trad op als voorzitter - presidentburgemeester<br />

- van het college. Bij de schepenen werd één van de herkozenen presidentschepen<br />

(zie afb. 3). De verkiezingsprocedure werd in het eerste stadhouderloos tijdperk<br />

grondig gewijzigd.<br />

In 1651 besloten de stadsregeerders eensgezind de verkiezing aan zich te trekken en voortaan<br />

bij boongang te doen geschieden. 27<br />

Deze gecompliceerde procedure is uitgebreid door Verhoofstad<br />

beschreven. Hier dient vermeld te worden dat in het besluit van 1651 met geen<br />

woord werd gerept over de voorheen door de schout afgenomen eed. Zijn taak bleef de gekozenen<br />

te beëdigen op het gezag van de Staten, zodat de verkiezing niet een totaal plaatselijke<br />

aangelegenheid was geworden. De boongang werd in 1672 weer afgeschaft, en de magistraatsbestelling<br />

kwam weer toe aan de stadhouder. 28<br />

Kort na het overlijden van de koning-stadhouder verklaarden de regeerders het octrooi<br />

van 1651 weer van kracht inclusief de 'ampliaties' van 1669 en 1671. 29<br />

Dit zou acht jaar zo<br />

blijven, want in 1710 wendden zij zich met een verzoek tot de Staten van <strong>Holland</strong>:<br />

25 Raadschelders, 'De vroedschap der 'stede Beverwijck", 30.<br />

26 Verhoofstad, Geschiedenis van Purmerend, 88.<br />

27 Verhoofstad, Geschiedenis van Purmerend, 91-92; SAW, nr 94, dl 7, 12 februari 1651.<br />

28 SAW, dl 10, 9 juli 1672 en 29 augustus 1672. Overigens vermeldt Verhoofstad dat de boongang niet werd afgeschaft.<br />

29 SAW, dl 13, 25 april 1702.<br />

8


1 burgemeesters<br />

[vroedschappen<br />

2 oud-burgemecstcrs 1 oud-burgemeester<br />

4 nieuwe burgemeesters • > 2 nieuwe burgemeesters<br />

14 schepenen A 7 schepenen<br />

Nominatie<br />

door Burgemeesters<br />

en Vroedschappen<br />

Elecüe<br />

door Prins<br />

Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

Beëdiging<br />

door schout<br />

Afb. 3. Nominatie, verkiezing en beëdiging van de kleine wet 1600-1651, 1672-1702, 1747-1795 (NB:<br />

boongang tussen 1651-1672 en 1702-1710).<br />

tenderende om te hebben nieu octrooy met agterlatinge van 't boontrecken 's-jaarlijks<br />

op de 25e april verkiesinge te mogen doen van de magistraat, en in plaats van drie, vier<br />

Burgemeesteren te Eligeeren. 30<br />

Beide zaken werden toegestaan, waarbij een jaar later tevens werd bepaald dat de twee jongst<br />

regerende burgemeesters automatisch herkozen werden en ieder gedurende een halfjaar president-burgemeester<br />

zou zijn. 31<br />

Met het einde van het tweede stadhouderloos tijdperk verkreeg<br />

de prins wederom het recht van electie. Wel mocht de nominatie volgens de afspraken van 1710<br />

en 1711 blijven plaatsvinden, zo stelde hij in een brief. 32<br />

Dit bleef tot de Bataafs-Franse tijdongewijzigd,<br />

met uitzondering van de jaren 1784-1787 toen de Staten de electie waarnamen.<br />

Tabel 2. Gemiddeld aantal jaren dat burgemeesters en schepenen het ambt vervulden per<br />

tienjaarlijkse periode.<br />

Burgemeesters Schepenen<br />

Periode algemeen hoger lager algemeen hoger lager<br />

1614-1623 2,4 3,6 1,7 1,5 2,5 1,1<br />

1624-1633 2,3 3,6 1,1 1,8 2,6 1,1<br />

1634-1643 2 2,5 1 1,9 2,9 1,1<br />

1644-1653 1,7 2,2 1 1,8 2 1<br />

1654-1663 1,8 2,6 1 2,6 3,8 1,6<br />

1664-1673 1,9 2,3 1 2,3 3,7 1,4<br />

1674-1683 2,5 3,7 1,3 2,2 3,7 1,5<br />

1684-1693 2,2 3,3 1,8 1,8 2,5 1<br />

1694-1703 1,9 2,3 1 2 3,1 1<br />

1704-1713 2,4 3,5 1,6 2,5 3,8 1,6<br />

1714-1723 2,7 3,6 1,9 1,9 2,7 1<br />

1724-1733 2,4 4,2 1,6 2,1 3,4 1,6<br />

1734-1743 2,2 3,5 1,6 1,8 2,7 1<br />

1744-1753 2,5 3,8 1,7 1,7 2,7 1<br />

1754-1763 3,1 4,8 2 2,5 4,1 1,6<br />

1764-1773 3,1 4,5 1,9 2,6 3,9 1,2<br />

1774-1783 2,5 3,7 1,6 2,3 4,1 1,3<br />

1784-1794 2,9 4 1,7 2 2,6 1<br />

Legenda: naast elk algemeen gemiddelde zijn twee cijfers gegeven welke het gemiddeld aantal jaren zitting uitdrukken<br />

van hen die hoger respectievelijk lager dan dit algemeen gemiddelde komen.<br />

30 SAW, dl 14, 25 april 1710.<br />

31 SAW, dl 15, 25 april 1711.<br />

32 SAW, dl 19, 7 april 1748.<br />

9


Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

Naast het conflict tijdens de Patriottentijd is nog eenmaal de wijze van verkiezing aanleiding<br />

geweest tot heftig beroerde gemoederen die de vergadering van de vroedschap in tweeën<br />

spleet. Nadat de schout in mei 1686, met steun van de vroedschappen Van der Vijver, Melcknap,<br />

Cocq, Brouwer, Berckhout en Peereboom, de prins bericht had over geconstateerde 'informaliteyten'<br />

bij de electie van de kleine wet twee weken eerder, besloot de prins de benoeming<br />

op te schorten tot nader bericht. De vroedschappen Laeckeman, Baers, Tegel, Wormer,<br />

Del en Nieuwentijt protesteerden. Iedere volgende vergadering werden door beide partijen<br />

de protesten herhaald. Uit de notulen van 22 januari 1687 - waarin de prins een nieuwe<br />

wet aanstelde tot april 1689 - blijkt dat het conflict was toegespitst rond de persoon van Thijs<br />

Gerrits Laeckeman. De prins bepaalde dat deze zijn zetel in de vroedschap mocht behouden<br />

en voor hun vergadering moest worden geconvoceerd, maar dat stukken hem betreffende<br />

ter beoordeling aan de procureur-generaal van het Hof van <strong>Holland</strong> moesten worden gezonden.<br />

33<br />

Ten aanzien van zittingsduur van burgemeester en schepenen en hun relatie tot de vroedschap<br />

zijn grote verschillen met Beverwijk te constateren (zie tabellen 2 en 3 en de grafiek).<br />

De gemiddelde zittingsduur van schepenen (tabel 2) varieerde in Purmerend tussen 1,5<br />

en 2,6 jaar (Beverwijk 1,8-4,9). De verschillen tussen hen die boven respectievelijk onder<br />

dit gemiddelde zaten zijn dan ook minder groot, namelijk 1,0-4,1 jaar (Beverwijk 1,0-6,8).<br />

Bij de burgemeesters liggen deze cijfers iets hoger: gemiddeld 1,7-3,1 jaar en (categorieën<br />

'hoger-lager') 1,0-4,8 jaar. Uit de cijfers van tabel 2 blijkt dat toe- en afname van de gemiddelde<br />

zittingsduur van burgemeesters en schepenen soms gelijk opging, dan weer verschilde.<br />

Betekent dit dat de toegankelijkheid tot deze ambten groter was dan bijvoorbeeld in<br />

Beverwijk?<br />

Tabel 3. Percentage vroedschappen in de colleges van burgemeesters (B) en schepenen (S),<br />

alsmede het percentage schepenen dat later vroedschap werd (V) per tienjaarlijkse periode.<br />

Periode B S V<br />

1614-1623 100 52,4 2,9<br />

1624-1633 96,6 45,5 28,9<br />

1634-1643 93,3 40 50<br />

1644-1653 96,6 50 48,6<br />

1654-1663 100 45,3 33,3<br />

1664-1673 100 22,9 59,3<br />

1674-1683 100 32,9 55,3<br />

1684-1693 100 12,5 28,6<br />

1694-1703 100 5,7 9,1<br />

1704-1713 100 0 15,7<br />

1714-1723 100 7,1 16,9<br />

1724-1733 100 7,1 32,3<br />

1734-1743 95 11,4 29<br />

1744-1753 100 17,1 24,1<br />

1754-1763 100 35,7 31,1<br />

1764-1773 100 42,9 45<br />

1774-1783 100 44,3 38,5<br />

1784-1794 100 28,6 10,9<br />

33 SAW, dl 12, 6 mei 1686 (brief schout aan prins).<br />

10


Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

Ik meen van niet. Uit tabel 3 blijkt dat burgemeesters vrijwel altijd zitting hadden in de<br />

vroedschap, terwijl in Beverwijk dit pas in de 18e eeuw gewoonte werd. Bij de schepenen<br />

lag het anders. Zij kwamen in Purmerend vooral van buiten de vroedschap. Na 1650 was<br />

minder dan de helft - tussen 1684-1753 zelfs veel minder - van hen tevens vroedschap. Het<br />

percentage vroedschappen in de vierschaar blijkt samen te hangen met het eveneens in tabel<br />

3 gegeven percentage van hen die op het moment dat zij schepen waren geen vroedschapsambt<br />

bekleedden, maar wel later vroedschap werden. Met de toename van het aantal vroedschappen<br />

in de schepenbank blijkt de recrutering van vroedschappen onder de oud-schepenen<br />

toe te nemen. Het schepenambt werd kennelijk meer en meer gezien als een (noodzakelijke)<br />

voorbereiding op de ambten van vroedschap en burgemeester. Toch waren ook de schepenambten<br />

niet zo toegankelijk. Namen als Baers (of: Baars, Baerts), Beets, Bel, Munnick,<br />

Neck, Peereboom en Wormer, die regelmatig in de vroedschappen konden worden aangetroffen,<br />

kwamen vaak genoeg in de nominaties van schepenen naar voren. Derhalve was ook<br />

de verdeling van deze ambten afhankelijk van patronage en bloedverwantschap.<br />

Wanneer wij de burgemeesters en schepenen samen bekijken en hierover per jaar het percentage<br />

vroedschappen vaststellen (zie afb. 4) dan blijkt de trend anders dan in Beverwijk. 34<br />

Het aantal vroedschappen in beide ambten varieerde van 1616-1654 tussen 50% a 70%, gevolgd<br />

door een daling tot 40% in 1671. Na enige jaren (1674-1683) rond de 50% te hebben<br />

geschommeld, daalde het in vier jaar tot 20% (denk aan het eerder vermelde electieconflict).<br />

Tussen 1690-1750 steeg het enigszins tot 35%-40% om pas daarna weer te stijgen tot het niveau<br />

van het begin van de 17e eeuw. Vanaf het eerste stadhouderloos tijdvak bleek het aantal<br />

regeerders toe te nemen, om na 1750 weer te dalen.<br />

De tabellen 2 en 3 en de grafiek geven aanleiding tot enkele opmerkingen. Met betrekking<br />

tot zittingsduur, 'omloopsnelheid' van de ambten en het percentage vroedschappen in colleges<br />

van schepenen en burgemeesters bestonden verschillen met Beverwijk die echter in essentie<br />

niet tot andere conclusies leiden. Ook in Purmerend heerste een oligarchie. Ten aanzien<br />

van de burgemeesters is van een vrijwel volledige functionele cumulatie sprake: zij bezetten<br />

nagenoeg altijd een vroedschapsplaats. De schepenen zijn veel minder gerecruteerd<br />

uit de vroedschappen. Het is opvallend hoe over de hele periode het percentage schepenen<br />

dat tevens vroedschap was, lager lag dan in Beverwijk. Het is treffend dat in de jaren 1693-<br />

1723 een klein aantal schepenen of zelfs geen enkele tevens zitting had in de vroedschap,<br />

terwijl van hen die in deze periode schepen werden slechts een gering percentage later vroedschap<br />

werd. Een goede verklaring hiervoor ontbreekt, maar wellicht heeft een behoefte aan<br />

machtenscheiding in de beginjaren van het tweede stadhouderloos tijdvak voor ogen gestaan.<br />

Het ambt van schepen is in vergelijking tot Beverwijk toegankelijk voor de niet tot<br />

de stedelijke regenten behorende ingezetenen. Het kon zelfs in één geval met de nodige bombarie<br />

worden afgedwongen.<br />

Hier is bedoeld het eertijds geruchtmakende geval Pergerrits. Pieter Pergerrits, geboren<br />

te Oostzaan en werkzaam geweest in het brouwersvak, vestigde zich in de jaren dertig van<br />

de 18e eeuw in Purmerend. Hij kocht hier diverse panden op, die hij liet opknappen zodat<br />

menigeen hem waardeerde voor de bevordering van de werkgelegenheid. Dat hij de aangenomen<br />

werklieden eens in de drie maanden over 12 in plaats van 13 weken uitbetaalde, viel<br />

aanvankelijk niet op. Hij spaarde echter op jaarbasis enkele maandlonen uit. Hij zal getracht<br />

34 Raadschelders, 'De vroedschap der 'stede Beverwijck", 37.<br />

11


Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

sv H<br />

1 I « I ' > ' I I 1 1 1 1 1 1 1 5 1<br />

lélH IbW 'fof /j>rï tfsy<br />

Afb. 4. Percentage burgemeesters en schepenen die tegelijkertijd vroedschap waren (vijfjaarlijks<br />

voortschrijdend gemiddelde 1616-1792).<br />

hebben een benoeming in de schepenbank te forceren, want toen hij bij de verkiezing werd<br />

gepasseerd gaf hij in scheldpartijen uiting aan het onrecht hem aangedaan. Dit was voor<br />

het stadsbestuur aanleiding hem uit de stad te bannen. Niet voor lang, want na enige tijd<br />

keerde hij terug en hij werd in 1738 en 1744 tot schepen benoemd. Hoe fout de regeerders<br />

van de stad in hun toegevendheid en vergevingsgezindheid waren geweest, bleek toen geruchten<br />

over de frauduleuze praktijken van Pergerrits door steeds meer feiten werden ondersteund.<br />

Behalve contractbreuk (de werklieden) en vervalsing in geschrifte bleek hij talloze<br />

personen (waaronder zijn eigen moeder) en instellingen (waaronder bestuurscolleges) voor<br />

vele tonnen te hebben opgelicht. Hij vluchtte bijtijds in 1746. De kwestie trok in alle gewesten<br />

de aandacht. 35<br />

De schout: vertegenwoordiger van ...?<br />

Strekte de invloed van de plaatselijke bestuurders zich ook uit tot het schoutambt? De positie<br />

van de schout verdient in dit verband nadere aandacht, omdat daarin belangrijke indicaties<br />

over de verhouding tussen plaatselijk en gewestelijk bestuur naar voren komen. De schout<br />

was van oudsher als plaatselijk vertegenwoordiger van de graaf een belangrijk man. Oorspronkelijk<br />

nam hij samen met de uit de burgerij gekozen schepenen het gehele lokale bestuur<br />

waar. De schout vervulde drie rollen. Hij was voorzitter van de schepenbank (rechter),<br />

doch functioneerde tevens als officier van justitie en commissaris van politie. Ook tijdens<br />

de Republiek bleef hij een functionaris van gewicht.<br />

Tot in de late 17e eeuw bleef hij echter wel een bij uitstek plaatselijk vertegenwoordiger<br />

35 Zie G. Voet, 'Een Purmerender oplichter van groot formaat', Nieuwe Noordhollandse Courant, 21 en 28 januari<br />

1949.<br />

12


Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

van het soevereine gezag. Zijn ambt werd onverenigbaar geacht met dat van burgemeester<br />

of vroedschap. Burgemeesters, vroedschappen en schepenen zagen er nauwlettend op toe<br />

dat de eigenmacht van de schout niet te groot werd. De aanvankelijk bijna onaantastbare<br />

schout wist zijn bevoegdheid op het gebied van rechtspraak niet alleen gedeeld met de sche­<br />

penen, maar ten aanzien van wetgeving en uitvoerend bestuur ook met schepenen en burge­<br />

meesters. Het lijkt dan ook redelijk te veronderstellen dat met de uitbreiding van het taken­<br />

pakket van plaatselijke besturen, de macht van de schout in de 17e eeuw geleidelijk afnam.<br />

Het ontbreken van meldingen in de vroedschapsnotulen over conflicten tussen schout en<br />

bestuurders in dejaren 1600-1670 (althans in Alkmaar, Beverwijk en Purmerend) is mogelijk<br />

een indicatie van het feit dat de schout minder gewichtig werd (zie verder) en opgenomen<br />

raakte in het plaatselijk bestuur.<br />

In Beverwijk werd slechts één van de schouten vroedschap en burgemeester. 36<br />

In Purmer­<br />

end kwam dit veel vaker voor (zie bijlage twee). Een aantal zaken is opvallend. Bij de benoe­<br />

ming van Gerard Constantijn van Ruytenburgh (1667) werd eer betoond aan de vertegen­<br />

woordiger van de Staten. Hij werd na verloop van tijd zelfs zesmaal tot burgemeester be­<br />

noemd. Bovendien werd hij in 1681 gedeputeerde van Purmerend in de Staten van <strong>Holland</strong><br />

en trad dus op als (gekozen) vertegenwoordiger van de stad en als (benoemd) vertegenwoor­<br />

diger van de Staten. 37<br />

Zijn zoon kreeg alvast een zetel in de vroedschap vóór hij tot schout<br />

werd aangesteld. 38<br />

De schouten Boon, Peereboom en Van Nieuwenhoven waren lang voor<br />

hun aanstelling tot schout reeds vroedschap. De vroedschappen lijken hierdoor in de 18e<br />

eeuw een invloed te hebben op de benoeming van de schout die in de eerste helft van de 17e<br />

eeuw bepaald niet bestond.<br />

Toch hadden de stedelijke regeerders minder invloed dan hieruit zou kunnen worden op­<br />

gemaakt. Anders gezegd, de schout bleef een vrij onafhankelijk instituut dat vooral in de<br />

stadhouderstijdvakken sterk stond. Na de twee stadhouderloze perioden kreeg hij zitting in<br />

plaatselijke bestuurscolleges, en kwamen ook conflicten voor tussen hem en andere bestuur­<br />

ders over de verkiezing van de magistraat.<br />

In hoeverre men zich aan de schout verplicht voelde in een stadhouderloos tijdperk blijkt<br />

uit het feit dat de in 1721 gekozen schepen Johannes Gons de eed in handen van de president­<br />

burgemeester aflegde toen schout Ruytenburgh dit geweigerd had. 39<br />

Het is maar één voor­<br />

beeld, waaraan niet al te vergaande conclusies mogen worden verbonden. Het is echter wel<br />

een machtsvertoon dat de stad zich onder een stadhouder niet kon veroorloven.<br />

Dat de schout des prinsen man was kwam vlak voor en tijdens de Patriottentijd tweemaal<br />

op eclatante wijze naar voren. De eerste kwestie raakte de bevoegdheid van de schout inzake<br />

de opvolging in een vacante vroedschapszetel. Vanaf het jaar dat Blijdenberg (1753) tot<br />

schout was benoemd, was het gebruikelijk dat de schout alleen of aan het hoofd van een de­<br />

putatie naar Den Haag reisde om de nominatie voor een vacature over te brengen. 40<br />

De be-<br />

36 Jacob Gooi van Bosvelt: schout 1692-1733, vroedschap 1716-1733, burgemeester 1717.<br />

37 SAW, nr 94, dl 11, 9 maart 1681. Van Ruytenburgh was een protégé van Willem III (naar vriendelijke mededeling<br />

van Katja Bossaers).<br />

38 Reynier Gerard van Ruytenburgh was tevens pensionaris van Purmerend van 1691-1718. Enkele vroedschappen<br />

hebben tevens het ambt van pensionaris en/of secretaris vervuld: nr 70 (pensionaris in 1637 en secretaris<br />

1639-1647), nr 78 (secretaris 1647-1656), nr 80 (pensionaris 1647-1653), nr 96 (pensionaris 1673-1674).<br />

39 SAW, dl 16, 19 mei 1721. Overigens wel met reden: Gons had te kennen gegeven zijn aanstelling als substituutschout<br />

te willen houden terwijl dit niet kon. Het probleem loste zich vanzelf op toen Gons in september 1721<br />

overleed.<br />

40 Overigens trad Blijdenberg ook op als luitenant-stadhouder in Purmerend (naar vriendelijke mededeling van<br />

Katja Bossaers). Het fenomeen van de luitenant-stadhouder vervulde een belangrijke rol in het zogeheten stad-<br />

13


Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

gin 1776 benoemde schout Boon had eigener beweging de prins op de hoogte gesteld van<br />

het overlijden van vroedschap en oud-schepen Nienhuys, daarin gesteund door het mandaat<br />

dat zijn voorganger had genoten. In een brief van augustus 1776 verklaarden burgemeesters<br />

en vroedschappen dat zij de nominatie moesten overbrengen, onder verwijzing naar de resolutie<br />

van 1687 (zie verder) en de bevestiging daarvan door Willem V (1769). Pogingen om<br />

de zaak met Boon in der minne te schikken waren mislukt, zodat zij nu hun toevlucht zochten<br />

tot de prins zelf. In een lange brief spraken burgemeesters en vroedschappen de hoop uit:<br />

dat Uwe Doorl. Hoogheyd niet onbillijk zal agten dat wij de regten onser Regeering op<br />

zo vaste onwederroepene en zo wij eerbiedig vertrouwen onwederspreekelijke gronden<br />

gevestigt reclameren nadat zij zedert den jaare 1753 zoveel hardigheden door onse te<br />

groote toegevendheid hebben moeten ondervinden en wij nu tijd gehad hebbende om<br />

meer bedagtsaam op onse gehoudenis te denken. 41<br />

De regeerders spraken van toegevendheid want het was, volgens Blijdenberg destijds, de<br />

wens van de prinses-gouvernante dat hij de nominaties zou overbrengen. De toenmalige 15<br />

vroedschapsleden, waarvan in 1776 nog vier in het college zaten, hadden dit geslikt, doch<br />

nu wensten zij hun oude rechten terug. De prins kwam hen tegemoet door hun kandidaat,<br />

Jan Peert te benoemen, maar bracht geen nadere regeling tot stand inzake de positie van<br />

schout Peereboom.<br />

De tweede kwestie speelde rond schout Peereboom die, evenals de eerste van de drie Ruytenburghen,<br />

gedeputeerde in de Staten van <strong>Holland</strong> was. Kennelijk handelde hij tegen de<br />

last in, want de 13 patriot geworden vroedschappen schreven hem in december 1783: '(..)<br />

wij sijn des te meerder verwondert, hoe Uwe Ed. Gestrenge kan goedvinden als Gedeputeerde<br />

ons over die uytgebragte lasten te bedillen'.<br />

Het betrof het standpunt van Purmerend inzake een meningsverschil tussen de prins en<br />

de stad Alkmaar over het recht van recommandatie. Iets verder in dezelfde brief schreven zij:<br />

wij hebben nooyt Uw Ed. Gestrenge tot die post waar te nemen gesolliciteert, maar ter<br />

contrarie heeft Uw Ed. Gestrenge door de recommandatie van zijn doorl. Hoogheyd die<br />

post geobtineerd. 42<br />

De formele aanspreekvormen in deze brief zijn gebruikelijk, maar getuigen in dit geval ook<br />

van verkilde verhoudingen tussen schout en regeerders. Daarbij speelde voorts ergernis over<br />

het feit dat Peereboom zijn zoons tot adjunct-secretaris van de stad had benoemd. 43<br />

Met<br />

deze benoeming èn met de wijze waarop het ambt van gedeputeerde was verkregen, was de<br />

plaatselijke autonomie aangetast. De patriotten waren weinigjaren beschoren. Na de extatische<br />

zomermaanden van 1787 werd de rust in Purmerend hersteld. De schout bleef en zijn<br />

zoon, Martin Copius Peereboom, werd vroedschap èn pensionaris.<br />

In Purmerend ontwikkelde het schoutambt zich van vertegenwoordiger van de graaf, via<br />

houderlijk stelsel, zie A.C.J. M. Gabriëls, De heren als dienaren en de dienaar als heer. Het stadhouderlijk stelsel in de<br />

tweede helft van de achttiende eeuw ('s-Gravenhage 1990) 177-199.<br />

41 SAW, dl 23, 19 augustus 1776 (lange brief over de rol van de schout).<br />

42 SAW, dl 24, 3 december 1783.<br />

43 Mr Martin Copius Peereboom werd op 14 april 1778 door de prins tot adjunct-secretaris benoemd. Op 20 april<br />

1782 volgde de aanstelling van Nicolaas Peereboom.<br />

14


Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

vertegenwoordiger van de Staten tot vertegenwoordiger van Oranje. Hij bleef een machts­<br />

factor naast de plaatselijke regeerders. In een stadje als Beverwijk was dat eveneens het ge­<br />

val, terwijl in een dorp als Westzaandam het schoutambt juist onder invloed kwam van de<br />

plaatselijke bestuurders. 44<br />

Conclusie<br />

Aan het slot van mijn artikel over Beverwijk staat onder meer te lezen dat wijzigingen in<br />

de plaatselijke bestuurscolleges van dit niet-stemhebbende stadje vooral plaatselijke<br />

politiek-bestuurlijke verhoudingen weerspiegelden, nu en dan mede beïnvloed door facto­<br />

ren van gewestelijke, confederale of zelfs internationale omvang. Het geldende staatsrecht<br />

liet niets aan duidelijkheid te wensen over ten aanzien van de positie van de niet-beschreven<br />

steden: zij waren van geen betekenis voor de formulering van gewestelijk laat staan confede-<br />

raal beleid.<br />

Anders was dit voor de stemgerechtigde steden, waarvan de positie in het geheel van de<br />

staatsordening aanmerkelijk complexer was. Enerzijds waren zij binnen het gewest gezamen­<br />

lijk soeverein en derhalve gelijk aan elkaar, anderzijds waren zij individueel ondergeschikt aan<br />

de Staten. Daarnaast bestond onder de beschreven steden een vaste rangorde. Steden als<br />

Amsterdam en Leiden waren veel belangrijker dan Purmerend dat als laatste tot de stemge­<br />

rechtigde steden was toegelaten. In de Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier en<br />

West-Friesland had ongelijkheid gestalte gekregen in een naar huidige maatstaven ondenk­<br />

bare, doch toen geaccepteerde vorm van stemmenweging door de stemmen van Alkmaar,<br />

Purmerend, Edam en Monnikendam samen evenveel gewicht toe te kennen als die van<br />

Hoorn, Enkhuizen en Medemblik. Rangorde en stemmenweging zijn slechts twee voorbeel­<br />

den ter illustratie van de complexe staatsrechtelijke en politieke verhoudingen in het gewest<br />

<strong>Holland</strong>.<br />

Purmerend heeft gemerkt wat het inhield lid van de Staten te zijn. De voordelen waren<br />

groot: toegang tot gewestelijke ambten waaraan lucratieve inkomsten waren verbonden,<br />

meedraaien in de toerbeurt bij de begeving van studentenplaatsen aan de theologische facul­<br />

teit van Leiden, inzicht in en (beperkte) invloed op gewestelijk en confederaal beleid, verster­<br />

king en handhaving van de invloed in Waterlandse bestuursorganen (onder meer heemra­<br />

den van Purmer en Beemster). Er waren ook nadelen. Juist een stemhebbende stad werd<br />

meegezogen in de politieke en economische machtsstrijd: de noodzaak snel op de juiste par­<br />

tij te wedden wanneer een wisseling van de wacht in Den Haag onafwendbaar (b)leek. Pur­<br />

merend was geen voorloper. Pas nadat Alkmaar in het conflict met de stadhouder als tijdelijk<br />

winnaar uit de strijd was gekomen, sloten Purmerends regeerders zich in meerderheid aan<br />

bij de staatsgezinden.<br />

De stadhouder verdient meer aandacht dan hier gegeven kan worden, maar enkele noti­<br />

ties kunnen worden gemaakt. Met uitzondering van de perioden 1650-1672 en 1702-1747 be­<br />

noemde de prins de vroedschappen van Purmerend, waarin hij de nominatie van dit college<br />

veelal volgde. Bij twee gelegenheden (1747, 1788) werd door hem daadwerkelijk een deel van<br />

de wet verzet. Zijn invloed op lokaal en regionaal niveau werd nog versterkt door het electie-<br />

44 A. van Braam, 'Bureaucratiseringsgraad van de plaatselijke bestuursorganisatie van Westzaandam ten tijde<br />

van de Republiek', <strong>Tijdschrift</strong> voor Geschiedenis 90 (1977) 463; Raadschelders, 'De vroedschap der 'stede Beverwijck",<br />

40.<br />

15


Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

recht van burgemeesters en schepenen uit vooraf door de regeerders opgemaakte dubbeltallen<br />

en door het aanstellingsrecht van schouten en baljuws. 45<br />

In het ingewikkelde samenspel<br />

van organen en functionarissen met deels overlappende bevoegdheden vervulden deze<br />

rechtsvorderaars in de lagere rechtsgebieden een sleutelpositie: deels als gedeconcentreerde<br />

functionaris met bevoegdheden op het terrein van de plaatselijke wetgeving, maar tevens<br />

als lokaal bestuurder, met name in de 18e eeuw. In sommige gevallen slaagden stedelijke regenten<br />

in hun opzet het schoutambt binnen de eigen invloedssfeer te trekken, waardoor gevaren<br />

verbonden aan de combinatie van het schoutambt met een plaatselijk ambt werden<br />

bezworen (bijvoorbeeld Westzaandam, Amsterdam, en wellicht Alkmaar). 46<br />

Elders lukte dit<br />

niet (bijvoorbeeld Beverwijk, Purmerend) waardoor de schout, soms met steun van de prins,<br />

in een uitzonderlijk machtige positie verkeerde. Waartoe dit kon leiden zagen wij reeds. Zo<br />

blijken eenduidige uitspraken over centralistische en decentralistische tendenties in de Republiek<br />

niet goed te maken vanwege de van plaats tot plaats variërende magistraatsbestelling<br />

en, derhalve, variërende centraal-lokale verhoudingen. 47<br />

Er is echter iets dat wel voor alle rechtsgebieden, dat wil zeggen: stad èn platteland, gelijk<br />

was: de Opstand (mede) gevoed vanuit de wens tot behoud van de stedelijke autonomie en<br />

haar privileges. Deze autonomie werd echter niet beschermd tegen mogelijke centraliserende<br />

krachten. 48<br />

Lagere rechtsgebieden werden in het streven naar autonomie immers van<br />

meet af aan geconfronteerd met gedeconcentreerde functionarissen, schouten, bekleed met<br />

bevoegdheden op het terrein van wetgeving en rechtspraak. Hun invloed strekte zich in de<br />

steden en het platteland uit tot het plaatselijke politieke systeem en was vooral van belang<br />

in de stemgerechtigde steden. Hoe groot hun invloed was, en daarmee die van Oranje, is<br />

niet eenvoudig te bepalen. In de tien belangrijkste <strong>Holland</strong>se steden was de zeggenschap<br />

van de stadhouder beperkt, 49<br />

doch in Purmerend bleek zij niet onbelangrijk.<br />

45 DJ. Roorda, 'Le secret du Prince. Monarchale tendenties in de Republiek 1672-1702', in: idem, Rond prins en<br />

patriciaat. Verzamelde opstellen (Weesp 1984).<br />

46 Over de invloed van de stadhouder in Alkmaar bestaat enige onduidelijkheid. Rijpperda Wierdsma, Politie en<br />

justitie. Een studie over <strong>Holland</strong>schen staalsbouw tijdens de Republiek (Zwolle 1937) 34, geeft aan dat Alkmaar in de<br />

18e eeuw de begeving van het schoutambt mogelijk kocht, doch in ieder geval het recht van nominatie daarop<br />

verwierf. Bij Bruinvis, De regeering van de stad Alkmaar, 6, is echter te lezen dat de stad vanaf 1573 het nominatierecht<br />

verkreeg.<br />

47 Gabriëls, De heren als dienaren, 76.<br />

48 Dat dit verschijnsel later in het Koninkrijk constitutionele status kreeg, wijst op een constante in de bestuursgeschiedenis<br />

van ons land.<br />

49 Gabriëls, De heren als dienaren, 297.<br />

16


Bijlage<br />

I De vroedschappen van Purmerend 1600-1795<br />

Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

Van elke vroedschap is de naam en - indien bekend - de zittingsduur, de opvolger en de opgevolgde<br />

gegeven. In onderstaande lijst is dit aangegeven als opv. (opvolger van) en opg. (opgevolgd door). De<br />

datum waarop een vroedschap is opgevolgd, is aangehouden als de datum waarop de ambtstermijn<br />

eindigde. Het kan derhalve zijn dat een lid feitelijk enkele weken of maanden eerder uit de vroedschap<br />

was getreden. Vanaf 1605 zijn alle benoemingen in de vroedschapsnotulen vermeld, met uitzondering<br />

van nr 204.<br />

Voor de eerste jaren van de 17e eeuw werden de namen van de vroedschappen vastgesteld door de<br />

absenties van elke vergadering te noteren. De zittingsduur van de nrs 1-25, 27-28, 30-31, 33-36, 38,<br />

41-43, 45, 50-51, 53, 55, 57, 60 en 66 is onder voorbehoud. Voor hen is als eindjaar aangehouden het<br />

jaar waarin zij voor het laatst absent worden gemeld in de vroedschapsnotulen. In enkele gevallen zijn<br />

absentmeldingen te vinden in de burgemeestersnotulen. Zo waren bijvoorbeeld de nrs 55 en 57 voor<br />

het laatst in 1629 in de vroedschap absent gemeld, maar de eerste was in 1637 en de tweede in 1636<br />

burgemeester. Daarom is aangenomen dat beiden in ieder geval tot 1637 respectievelijk 1636 lid van<br />

de vroedschap zijn geweest.<br />

Nr Naam Zittingsduur<br />

1 Jacob Pauwelszn. 1600-1610<br />

2 Heyndrick Pieterss. 1600-1610<br />

3 Pieter Jacobss. Bardis 1600-1611<br />

4 Louris Dirckss. 1600-1601<br />

5 Cornelis Pieterss. Barents 1600-1616<br />

6 Jacob Matthijszn. 1600-1604<br />

7 Dirck Hendrickss. 1600-1605<br />

8 Melis Matthijss. 1600-1613<br />

9 Jan Martszn. 1600-1601<br />

10 Cornelis Janss. Nunnerts 1600-1610<br />

11 Claes Jacobss. Vincent 1600-1608<br />

12 Dirck Matthijss. Aker 1600-1610<br />

13 Jacob Pieterss. Aris 1600-1613<br />

14 Dirck Pauwelss. 1600-1619<br />

15 Claes Pouwelss. Heering 1600-1611<br />

16 Pieter Geertss. 1600-1608<br />

17 Jacob Matthijss. 1600-1603<br />

18 Jacob Jacobss. 1600-1605<br />

19 Claes Symonss. Fens 1600-1614<br />

20 Jan Jacobss. Backer 1600/4.8.1625<br />

21 Claes Sybrandtss. 1600-1604<br />

22 Symon Dirkss. 1600-1617<br />

23 Pouwelss Symonss. 1600-1605<br />

24 Claes Pieterss. Laeckenkoper 1600-1608<br />

25 Dirck Janss. Rood 1600-1618<br />

26 Jac Claess. Timmerman 5.8.1605/25.4.1623<br />

27 IJsbrandt Pieterss. Brouwer 5.8.1605/1608<br />

28 Claes Jeroenss. 5.8.1605/1606<br />

Opv. Opg-<br />

65<br />

17


Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

Nr Naam Zittingsduur Opv. Opg.<br />

29 Claes Dirckss. Cuyper 5.8.1605/16.2.16.30 66<br />

30 Pouwels Jacobss. Glas 5.8.1605/1618<br />

31 IJsbrandt Couriss. 5.8.1605/1639<br />

32 Pouwels Dirckss. Pan 25.4.1607/30.1.1627 61<br />

33 IJsbrandt Janss. Jonckers 25.4.1607/1619<br />

34 Jan Corneliss. 25.4.1607/1640<br />

35 Rieuwert Claess. Allen 25.4.1607/1613<br />

36 Jan Burchzn. Van Neck 16.5.1610/1614<br />

37 Melis Gerrit Pieterss. Croon 16.5.1610/9.3.1619<br />

38 Jacob Janss. Aris 16.5.1610/1644 77<br />

39 Gerrit Claess. Cuyper 16.5.1610/9.9.1651 88<br />

40 Pieter Heyndrickss. de Jonge 22.4.1611/1.6.1647 80<br />

41 Jan Pieterss. van Neck 22.4.1611/1620<br />

42 Dirck Gerritss. 22.4.1611/1625<br />

43 Cornelis Corneliss. Boelens 22.4.1611/1624<br />

44 Pouwels Claess. Heering 20.4.1613/10.3.1659 94<br />

45 Jacob Corneliss. Nunnert 20.4.1613/1614<br />

46 Dirck Janss. Louris 20.4.1613/25.4.1636 68<br />

47 Cornelis Janss. Groot 20.4.1613/30.1.1627 62<br />

48 Matthijs Meliss. 25.4.1614/6.12.1647 81<br />

49 Hendrick Dirckss. Schoenmaker 25.4.1614/11.8.1626 60<br />

50 Symon Pouwelss. Schoenmaker 25.4.1614/1616<br />

51 Pieter Jacobss. Cassawerker 25.4.1614/1625<br />

52 Dirck Pouwelss. Backer 25.4.1618/21.5.1652 89<br />

53 Rens Corneliss. Hoen 25.4.1618/1624<br />

54 Jacob Janzn. Grebber 25.4.1618/6.6.1650 85<br />

55 Pieter Claess. Grebber 25.4.1618/1637 72<br />

56 Michiel IJsbrandtzn. Lindeborg 14.3.1626/18.4.1634 67<br />

57 Dirck Albertss. Ruyter 14.3.1626/1636 73<br />

58 Pieter Poppen 14.3.1626/22.4.1627 63<br />

59 Jan Janzn. Dobber 14.3.1626/6.10.1637 69<br />

60 Gerrit Dirckss. Cassatier 11.8.1626/1635 49 74<br />

61 Jan Pieterss. Alberts 30.1.1627/28.12.1644 32 76<br />

62 Jacob Janss. Clercq 30.1.1627/11.12.1627 47 64<br />

63 Marten Corneliss. Veen 20.4.1627/18.12.1660 58 96<br />

64 Jan Claess. Caescoper 8.1.1628/2.7.1645 62 78<br />

65 Jan Pieterss. Avis 30.12.1628/6.6.1650 26 86<br />

66 Symon Janss. Beets 16.2.1630/1638 29 75<br />

67 Jacob Dirckss. Staet 1.5.1634/13.6.1658 56 93<br />

68 Jan Jacobss. van der Mul 25.4.1636/29.6.1641 46 70<br />

69 Louris Jacobss. Berckhout 6.10.1637/7.9.1675 59 109<br />

70 mr Burchard Noutius 29.6.1641/17.3.1655 68 90<br />

71 Huybert Huybertss. Beets 5.1.1644/20.5.1662 34 97<br />

72 Dirck Pieterss. Roothooft 5.1.1644/21.11.1679 55 115<br />

73 Jacob Gerritss. Cassaties 5.1.1644/16.6.1676 57 111<br />

74 Claes Jacobss. Wormer 5.1.1644/2.8.1648 60 82<br />

75 Jan Corneliss. Ackersloot 5.1.1644/27.12.1650 66 87<br />

76 Corneliss Reyerss. Suyder 28.12.1644/10.2.1646 61 79<br />

77 Pieter Janss. Overtwater 2.7.1645/5.1.1673 38 105<br />

78 Claes Riewertss. Allen 2.7.1645/18.4.1656 64 92<br />

79 Pieter Symonss. Munnik 10.2.1646/19.6.1649 76 84<br />

18


Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

Nr Naam Zittingsduur Opv. Opg.<br />

80 mr Franco Riccen 1.6.1647/8.11.1655 40 91<br />

81 Pieter Matthijss. Melis 6.12.1647/13.8.1659 48 95<br />

82 Gerbrandt Jacobss. Wormer 2.8.1648/30.12.1684 74 122<br />

83 Pieter Jan Blau 6.12.1648/3.7.1671<br />

84 Thijs Gerritss. Laeckeman 19.6.1649/10.12.1708 79 137<br />

85 Claes Jacobss. Houttuyn 9.6.1650/13.8.1667 54 99<br />

86 Jan Claess. van Lichten 6.6.1650/1669<br />

87 Pouwels Jacobss. Recx 27.12.1650/9.1.1669 75 100<br />

88 Adriaen Claess. Hoots 9.6.1651/13.5.1665 39 98<br />

89 Claes Janss. Melcknap 21.6.1652/28.4.1692 52 125<br />

90 Heyndrick Janss. Larenius 19.4.1655/1670 70<br />

91 Dirck Arentss. Veen 8.11.1655/21.12.1675 80 110<br />

92 Louris IJsbrandtss. 18.4.1656/26.12.1682 78 120<br />

93 Cornelis Pieterss. Bel 13.6.1658/12.6.1671 67<br />

94 Claes Sybrandtss. Schot 10.3.1659/5.1.1673 44 106<br />

95 mr Petrus Bordingh 13.8.1659/27.12.1673 81 108<br />

96 Johannes van der Vijver 18.12.1660/12.11.1690 63 124<br />

97 Claes Claess. Del 20.5.1662/1.10.1678 71 113<br />

98 Cornelis Janss. Baerts 13.5.1665/5.9.1699 88 132<br />

99 vacature Riccen (nr 80) 13.6.1667/10.4.1673 85 107<br />

100 Jacob Munnik 9.1.1669/1.6.1684 87 121<br />

101 Jacob Baluw 18.9.1672/4.7.1699 pr 130<br />

102 Pieter Recx 18.9.1672/23.9.1680 pr 116<br />

103 Claes Adriaenszn. Hoots 18.9.1672/15.1.1698 pr 129<br />

104 Willem Bel 18.9.1672/18.2.1677 pr 112<br />

105 Gerrit Cos (als 128) 5.1.1673/1.5.1693 77 126<br />

106 Pieter Janss. Backer 5.1.1673/22.2.1681 94 117<br />

107 Jacob Hendricks. Tegel 10.4.1673/febr. 1705 99<br />

108 Jan Pieterss. Overtwater 27.12.1673/19.11.1679 95 114<br />

109 Gerrit Claess. Brouwer 7.9.1675/22.8.1699 69 131<br />

110 Jacob Berckhout 21.12.1675/jan. 1708 91<br />

111 Dirck Symonss. Mul 16.6.1676/mei 1681 73 118<br />

112 G.O van Ruytenburgh 18.2.1677/17.5.1701 104 135<br />

113 Jan Dell 1.10.1678/28.4.1694 97 127<br />

114 Jacob Cock 19.11.1679/2.11.1713 108 139<br />

115 Jacob Wormer 21.11.1679/19.3.1708 72<br />

116 Claes Claess. Del 23.9.1680/25.4.1728 102 149<br />

117 IJsbrandt Spoors 22.2.1681/5.2.1716 106 142<br />

118 mr Barnardus Bronswinckel 26.4.1682/17.7.1682 111 119<br />

119 mr Hendrick Moutmaker 17.8.1682/23.12.1687 118 123<br />

120 Jan Jacobss. Loenis 26.12.1682/16.4.1700 82 133<br />

121 Pieter Peereboom 1.6.1684/29.11.1735 100 153<br />

122 dr Bernardus Nieuwentijt 30.12.1684/30.5.1718 82 143<br />

123 Jan Mijsen 23.12.1687/29.12.1702 119<br />

124 Dirck Rol 12.11.1690/30.11.1709 96 138<br />

125 Adriaan van de Woestijne 28.4.1692/9.2.1733 89 151<br />

126 Cornelis Cos 1.5.1693/9.7.1697 105 128<br />

127 Jan Jacobss. Welckom 28.4.1694/24.11.1728 113 150<br />

128 Gerrit Cos (als 105) 9.7.1697/28.12.1708 126 136<br />

129 Cornelis Binneblijff 15.1.1698/28.3.1701 103 134<br />

130 Hendrick Munnik 4.7.1699/1.6.1740 101 159<br />

19


Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

Nr Naam Zittingsduur Opv. Opg.<br />

131 mr R.G. van Ruytenburgh 22.8.1699/27.11.1718 109 144<br />

132 Abraham Baars 5.9.1699/10.12.1727 98 148<br />

133 Pieter Pet 16.4.1700/27.5.1719 120 145<br />

134 Pieter Ariss. Bel 28.3.1701/18.2.1707 129<br />

135 Dirck Brouwer 19.6.1701/20.10.1734 112 152<br />

136 Claes Wormer 28.12.1708/23.12.1740 128 161<br />

137 Lucas de Vcth 8.1.1709/20.1.1716 84 141<br />

138 dr Nicolaas Melckpot 30.11.1709/juli 1714 124 140<br />

139 Pieter van der Ley 6.12.1713/17.11.1726 114 147<br />

140 drjohannes Schot 15.8.1714/22.2.1720 138 146<br />

141 Claas Rol 20.1.1716/22.7.1753 137 170<br />

142 ArisBel 5.2.1716/15.11.1737 117 154<br />

143 Louris Gors 6.7.1718/20.2.1745 122 162<br />

144 Claas Visser 30.12.1718/7.12.1740 131 160<br />

145 Cornelis van Neck 27.5.1719/26.3.1740 133 157<br />

146 Maerten Tonning 22.2.1720/25.10.1738 140 156<br />

147 dr Philippus Boon 17.1 1.1726/22.10.1738 139 155<br />

148 Olphert Pet Pieterss. 10.12.1727/12.3.1749 132 pr<br />

149 Jan Vermees 25.4.1728/14.4.1740 116 158<br />

150 Jan Peereboom 24.11.1728/14.4.1740 127<br />

151 Claas Louwen 9.2.1733/7.12.1779 125 189<br />

152 IJsbrandt Koenis 20.10.1734/12.3.1749 135 pr<br />

153 Pieter Molenaar 29.11.1735/12.4.1764 121 178<br />

154 Jacob Appel 15.11.1737/12.3.1749 142 pr<br />

155 Sem Tonning 22.10.1738/27.12.1762 147 177<br />

156 Hendrick Ribbens 25.10.1738/2.10.1755 146 172<br />

157 Pieter Tegel 26.3.1740/13.8.1748 145 164<br />

158 mrjohan van Neck 14.4.1740/17.7.1746 149 163<br />

159 Willem Blijdenbergh 1.6.1740/12.1.1776 130 185<br />

160 Cornelis van de Burgh 7.12.1740/18.5.1750 144 169<br />

161 Jacob Wormer 23.12.1740/4.8.1764 136 179<br />

162 Xaverius Lacourière 20.2.1745/30.1.1762 143 176<br />

163 mr Willem van Neck 17.7.1746/24.6.1777 158 187<br />

164 Pieter Mauricius 13.8.1748/1.5.1758 157 173<br />

165 Hendrick Pieterss. Backer 12.3.1749/16.4.1760 pr 175<br />

166 Jan Peereboom 12.3.1749/12.12.1754 pr 171<br />

167 Jan Gors 12.3.1749/1.7.1767 pr 181<br />

168 Cornelis Neelen 12.3.1749/24.11.1767 pr 182<br />

169 Philippus Rijnier Boon 18.5.1750/30.9.1782 160 192<br />

170 Cornelis Koel 22.7.1753/30.11.1787 141 201<br />

171 Lourens Peereboom 23.12.1754/25.8.1788 166 200<br />

172 Jan Pet 2.10.1755/20.7.1765 156 180<br />

173 Adrianus van de Burgh 1.5.1758/13.1.1759 164 174<br />

174 Andries de Flinis 13.1.1759/29.5.1769 173 183<br />

175 Pieter Wijnhout 16.4.1760/11.1.1781 165 191<br />

176 Simon Appel 30.1.1762/24.5.1788 162 pr<br />

177 Jacob Tonning 27.12.1762/28.4.1778 155 188<br />

178 Jacobus van der Vooren jr 12.4.1764/24.5.1788 153 pr<br />

179 Pieter Pet 4.8.1764/4.12.1779 161 190<br />

180 Wigboldus Rijnink 20.7.1765/31.7.1789 172 202<br />

181 Antonius Jan Menger 1.7.1767/24.5.1788 167 pr<br />

20


Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

Nr Naam Zittingsduur Opv. Opg.<br />

182 Adam Lugtig 24.11.1767/24.5.1788 168 pr<br />

183 Samuel Rudolphus van Nispen 29.5.1769/2.12.1775 174 183<br />

184 Gerardus Nienhuys 2.12.1775/13.10.1776 183 186<br />

185 Hermanus Tamboer 12.1.1776/ 159<br />

186 Jan Peert 13.10.1776/ 184<br />

187 mr Cornelis van Neck 24.6.1777/2.4.1785 163 193<br />

188 Jacob Wormer 18.8.1778/ 177<br />

189 Albert Louwen 7.12.1779/24.5.1788 151 pr<br />

190 Berend Suidema 22.1.1780/24.5.1788 179 pr<br />

191 Syvert van de Burgh 11.1.1781/24.5.1788 175 pr<br />

192 mr Jan van Goor Hinloopen 30.9.1782/ 169<br />

193 Claas Schoorl 2.4.1785/24.5.1788 187 pr<br />

194 Henricus van Slijpen 24.5.1788/ pr<br />

195 Meyndert Beudeker 24.5.1788/ pr<br />

196 Jan Breek 24.5.1788/ pr<br />

197 Bernardus Arnoldus van Baaien 24.5.1788/ pr<br />

198 Henricus van der Kolk 24.5.1788/ pr<br />

199 Cornelis van Ginkel 24.5.1788/ pr<br />

200 Martin Copius Peereboom 25.8.1788/ 171<br />

201 W.G. van Nieuwenhoven 20.11.1788/ 170<br />

202 Adrie van Harlingen 31.7.1789/ 180<br />

203 Theodorus Christiaan van Nes 3.1.1791/20.4.1793 pr vac.<br />

204 Jan Cornelis Hens /6.12.1648 83<br />

II Lijst van schouten van Purmerend en hun nevenfuncties 1600-1795<br />

1. Jacob Meiss.: schout 1600-1609<br />

2. Jan Corneliss. Buys: schout 1609-....<br />

3. Jan Louriss. Can: schout ....-1628<br />

4. Frederic Riccen: schout 1628-1647<br />

5. Ventidius Riccen: schout 1647-1659<br />

6 Hinloopen: schout 1659-1667<br />

7. Gerard Constantijn van Ruytenburgh: schout 1667-1701; tevens vroedschap 1677-1701; tevens burgemeester<br />

1689-1690, 1693-1694, 1698-1699.<br />

8. mr Reynier Gerard van Ruytenburgh: schout 1701-1719; tevens vroedschap 1699-1719; tevens burgemeester<br />

1706-1707, 1710-1711, 1715-1716<br />

9. mr Gerard Constantijn van Ruytenburgh: schout 1719-1728; tevens schepen 1716-1717<br />

10. Frederik Rikken: schout 1728-1753<br />

11. Willem Blijdenberg: schout 1753-1776; tevens vroedschap 1740-1776; tevens burgemeester 1743-<br />

1744, 1746-1747, 1750-1751, 1755-1756, 1759-1760, 1763-1764, 1767-1768, 1771-1772, 1776<br />

12. Philippus Rijnier Boon: schout 1776-1782; tevens vroedschap 1750-1782; tevens schepen 1751, 1754;<br />

tevens burgemeester 1760-1761, 1764-1765, 1768-1769, 1779<br />

13. mrLaurens Peereboom: schout 1782-1788; vroedschap 1754-1788; schepen 1751-1753; burgemeester<br />

1762-1763, 1766-1767, 1772-1773, 1776-1777; 1783-1784<br />

14. Willem Gesinius van Nieuwenhoven: schout 1788-1795; tevens vroedschap 1788-1795.<br />

21


Wendy Jansen<br />

Verfrissing van lichaam en geest.<br />

Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw-<br />

Wandelen is anno 1995 een populair tijdsverdrijf. Variërend van het zondags ommetje van<br />

gezin en huisdier tot survivaltochten in de Belgische Ardennen, trekt Nederland in zijn vrije<br />

tijd het bos in. 1<br />

Gewapend met kaart en kompas uit de wandelwinkel, bergschoenen en ande­<br />

re onmisbaar geachte kledingstukken, energierepen en isotone dorstlessers kan de speur­<br />

tocht naar het avontuur beginnen, waarbij wellicht de overmaat aan uitrusting het gebrek<br />

aan natuur in Nederland moet compenseren. De hedendaagse wandelaar is vooral op zoek<br />

naar 'onbedorven' gebieden. Het criterium voor een 'mooie wandeling' is de illusie van af­<br />

wezigheid van modern menselijk ingrijpen in het landschap.<br />

Ook in de 17e en 18e eeuw werd, getuige vele uiteenlopende bronnen, veelvuldig gewandeld.<br />

2<br />

Uitgangspunt van dit artikel is de vraag wat deze wandelingen betekenden voor zowel<br />

de wandelaar als de beschrijver van de wandeling. Waar en wanneer wandelde men en wat<br />

wilde men op een wandeling beleven? En met welk doel beschreef men een wandeling? In<br />

de verschillende aspecten van het wandelen in de vroeg-moderne tijd zal getracht worden<br />

een antwoord te vinden op deze en andere vragen.<br />

Voor een onderzoek naar het begrip wandelen moet men allereerst een onderscheid maken<br />

tussen het wandelen als manier van reizen en de wandeling als vorm van recreatie. Vervoer<br />

in Nederland en vooral <strong>Holland</strong> geschiedde gemakkelijk en snel over het water, onder<br />

andere met de frequente, veilige en goedkope trekschuiten. 3<br />

Wanneer men in de 17e en 18e<br />

eeuw over wandelen spreekt wordt bijna uitsluitend op de recreatieve tocht gedoeld. Voornamelijk<br />

zal ik dan ook naar deze laatste manier van wandelen kijken.<br />

Een tweede aspect van het onderzoek naar de wandeling in de vroeg-moderne tijd betreft<br />

de manier waarop in de verschillende bronnen aandacht aan het wandelen wordt geschonken.<br />

In literaire bronnen wordt de wandeling vaak gebruikt als ordeningsprincipe, of als kader<br />

voor het verhaal of gedicht. Het feit dat een bepaalde wandeling hierin wordt beschreven<br />

of genoemd hoeft allerminst te betekenen dat het hier om een daadwerkelijk gelopen, reële<br />

wandeling gaat. Wanneer in een inleidende regel of alinea de wandeling uitsluitend dient<br />

als ordeningsprincipe wordt aan de wandeling zelf nauwelijks aandacht geschonken. 4<br />

Wandelbeschrijvingen waren vaak bedoeld om, comfortabel gezeten in de eigen luie stoel,<br />

te delen in de belevenissen van de auteur op zijn tocht. Hierbij kan het verslag van een wandeling<br />

in een bepaald gebied een kader vormen om verschillende topografische en historische<br />

wetenswaardigheden, maar ook moreel-zedelijke lessen te vermelden. De aanleiding<br />

van een dergelijke informatieve passage is dan datgene wat de wandelaar op zijn pad tegenkomt.<br />

Vaak beschrijft de auteur zijn wandeling zo realistisch mogelijk: de conversatie van<br />

de wandelaars wordt weergegeven en zaken als de genoten rustpauzes en consumpties wor-<br />

1 Het fenomeen survivaltocht in eigen land is, bij afwezigheid van gebieden waar de opdracht te 'overleven' enige<br />

moeilijkheid zou opleveren, niet gangbaar.<br />

2 Bronnen voor dit artikel zijn onder meer liedboeken, gedichten, (streek-)beschrijvingen in proza en prenten.<br />

De geraadpleegde bronnen beperken zich hoofdzakelijk tot <strong>Holland</strong>.<br />

3 Over reizen in de vroeg-moderne tijd: A. Maczak, Travel in early modern Europe (Londen 1995). Nederland was,<br />

in vergelijking met andere Europese landen, een vlak en relatief dicht bevolkt gebied. Het had voor reizigers<br />

een gunstig klimaat.<br />

4 Zie over de wandeling als ordeningsprincipe: W. B. de Vries, "Hofwijck', lusthof en speelweide: Huygens' spel<br />

met het georgisch genre', De Nieuwe Taalgids 71 (1978) 307-317 en A.J. Gelderblom, 'Observaties op de buitenplaats',<br />

in: H. Duits e.a. (red.), Eer is het lof des deuchts (Amsterdam 1986) 178-190.<br />

22


Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />

den vermeld. In dergelijke, met name in de 18e eeuw als waar gepresenteerde wandelversla­<br />

gen, vormen reis, conversatie en wetenswaardigheden samen één geheel, waarbij de aard<br />

van de verschillende componenten per tekst kan verschillen. 5<br />

Een laatste voorbehoud betreft het onderscheid tussen een 'wandelideaal' en het wande­<br />

len dat, zoals uit ander materiaal blijkt, in groten getale door de burgerij werd gedaan. De<br />

eerst genoemde, 'ideale' wandeling komt naar voren in onder meer literaire werken en poë­<br />

zie en verwoordt wat men idealiter diende te zien, te bespreken en beleven. Voor de tweede<br />

groep van wandelaars is het moeilijk precies vast te stellen welke diepere gedachten en bedoe­<br />

lingen werden gekoesterd tijdens het zondagse uitje. Wel zal gekeken worden, voor zover mo­<br />

gelijk, in hoeverre de wandelingen en het wandelideaal in de literaire beschrijvingen over­<br />

eenkomen met de realiteit van de 17e en 18e eeuw.<br />

'Hier gaat de konst natuur te boven'<br />

In tegenstelling tot de moderne Nederlander wandelde de vroeg-moderne mens bij voorkeur<br />

door een gecultiveerd en ingericht landschap: tuinen, parken en wandelpaden vlak buiten<br />

de stad. Tijdens de wandeling kon men dan een blik werpen op de fraai aangelegde lanen<br />

of op de buitenplaatsen met hun prachtige tuinen. 6<br />

Parallel aan de stedelijke ontwikkeling in Nederland ontstond tegen het eind van de 16e en<br />

het begin van de 17e eeuw de behoefte aan buitenleven. Mede onder invloed van de heersende<br />

Europese pastorale mode kwam dit ideaal van buitenleven vanaf het begin van de 17e eeuw<br />

ook tot uitdrukking in Nederlandse schilderkunst en letterkunde. Haarlem was daarbij een<br />

van de eerste steden in <strong>Holland</strong> waar nadrukkelijk in prent en poëzie werd gewezen op de aan­<br />

gename landschappelijke omgeving van de stad. 7<br />

Met name dit gebied rond Haarlem, dat<br />

een afwisselende natuur bood waarin water, bos (de Haarlemmerhout) en duinen naast el­<br />

kaar konden worden gevonden, werd in de eerste helft van de 17e eeuw veelvuldig bezongen<br />

in liedboekjes, dichtbundels en ook in beschrijvingen van dagtochtjes en wandelingen.<br />

Door de enorme groei van Amsterdam in deze periode verdween veel stadsgroen ten be­<br />

hoeve van de nieuwe inwoners. In 1627 was voor het eerst in de archieven sprake van een<br />

stadshovenier. Er verschenen keuren op het behoud van het stadsgroen en een verbod op<br />

het vernielen van bomen. 8<br />

Simon Stevin schreef al rond 1600 met betrekking tot de groen­<br />

voorziening in en rond de stad in Vande oirdeningh der steden:<br />

Voor de geheene die daer daghelicx van buyten moeten brengen versche cruyden, fruyten<br />

en ander leeftocht, oock voor inghesetens die dickwils buyten de Stadt gaen in haer Thuy-<br />

nen en Speelhuysen, of die int groen willen gaen wandelen om hemlien te vermaken. 9<br />

5 Aan een 'waar gebeurd' verhaal werd over het algemeen meer waarde toegekend (want leerzamer) dan aan de<br />

met name in de eerste helft van de 18e eeuw als 'leugenachtig' bekend staande roman. Over het begrip waarheid<br />

in de roman van de 17e en 18e eeuw: L.R. Pol, Romanbeschouwing in voorredes 1600-1755 2 dln (Utrecht 1987).<br />

6 Over tuinarchitectuur en het wandelen in de tuin: E. de Jong, Natuur en kunst: Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur<br />

1650-1740 (Amsterdam 1993).<br />

7 Met name in Italië en Frankrijk was de pastorale populair. Over de pastorale in de Nederlanden: P. van den<br />

Brink enj. de Meyere (red.), Het gedroomde land. Pastorale schilderkunst in de gouden eeuw (Zwolle 1993). Over Haarlem:<br />

H. Leeflang, 'Het aards paradijs. Het Haarlemse landschap in 16de- en 17de-eeuwse literatuur en beeldende<br />

kunst', in: De trots van Haarlem. Promotie van een stad in kunst en historie (Haarlem 1995) 115-126.<br />

8 W. Crouwele.a., Wegwezen; recreatie vroeger, nu en straks c-At. Amsterdams <strong>Historisch</strong> Museum (Amsterdam 1970)69.<br />

9 Geciteerd naar De Jong, Natuur en kunst, 192.<br />

23


Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />

dtf\vm


Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />

Nu eens den kruisweg ingetreden,<br />

door net geschoore laanen heen.<br />

Bekoorlyk lommer, hier is geen<br />

Gevaar voor afgematte leden<br />

'Hier gaat de konst natuur te boven', dichtte Straat over 'het lustpadt' de Schagerlaan. Ook<br />

Gijsbert Tijssens prees juist het aangelegde, geordende landschap in een vers dat de lezer<br />

meevoert op een tocht door 'lustig Diemermeer'. Hier kan de koopman uitrusten van het<br />

beursgewoel:<br />

Wat zoekt een Reiziger op verre uitheemse landen,<br />

Naar trotse hoven, daar de hoogmoed heerst, en woond;<br />

Hy ziet hoe BUITENRUST door netheid wordt bekroond,<br />

Als hy zyn oogen zwaaid door zo veel wandeldreven.<br />

Niet alleen rond Amsterdam, maar ook elders in Nederland vermaakte de stadbevolking<br />

zich in de nabijheid van de stad in tuin en park. Hebelius Potter deed in 1808 verslag van<br />

zijn wandelingen in een werk getiteld Wandelingen en kleine reizen door sommige gedeelten van het<br />

vaderland. Hij vermeldde over de stadhouderlijke tuin in Leeuwarden:<br />

Deze tuin is echter, met al zijn gebreken, een aangenaam uitspanningsplekje, voorname­<br />

lijk voor de burgerij der stad, die hier dagelijks, maar vooral des zondags, in grooten geta­<br />

le samenkoomen, om zich met wandelen te vermaken, en een kopje thee of iets anders<br />

te gebruiken, en om te zien en gezien te worden. 12<br />

In een reisverslag van de Groningse familie Van Bolhuis werd bij Utrecht de 'wandelplaets<br />

buiten de stad om' genoemd. 13<br />

In Schoonhoven wandelde de stadsbevolking buiten de stads­<br />

wal 'langs groenbezoomde wegen, of dichte lommerpaan'. In 1770 waren de bomen op de<br />

wallen rond Schoonhoven gerooid en verkocht, 'doch naderhand zyn dezelve wallen, rond­<br />

som de Stad, weeder met een dubbele ry jonge ype boomen beplant, tusschen welke een<br />

schoon breed en welgezand wandelpad heen loopt'. 14<br />

Dat men in de vroeg-moderne tijd wandelend recreëerde in gecultiveerd gebied kent in de<br />

eerste plaats op praktisch niveau zijn voor de hand liggende redenen. Alleen al het feit dat<br />

het Nederlandse vroeg-moderne landschap enorm verschilde van het tegenwoordige, zorgt<br />

voor grote verschillen in het wandelen 'vroeger' en nu. 15<br />

Een voorkeur voor 'nette wandelpa­<br />

den' is niet verwonderlijk wanneer men bedenkt dat een groot deel van Nederland inderdaad<br />

woest en oningericht was en het reizen geen gemakkelijk avontuur. Tijdens een rondreis in<br />

1 2 H. Potter, Wandelingen en kleine reizen door sommige gedeelten van het vaderland 2 dln (Amsterdam 1808/1809) dl 1,<br />

190. Met de 'gebreken' van de tuin doelde de auteur op de tuinarchitectuur die 'nog in dezelfde oude regelmatige<br />

orde, en in den eigen stijven stijl' was, namelijk de volgens een geometrisch patroon aangelegde tuin van<br />

de eerste helft van de 17e eeuw. Dit in tegenstelling tot de in Potters tijd heersende mode van de 'bevallige, natuurlijke'<br />

tuininrichting.<br />

13 De Groningse vader en zoon Michiel en Abel Eppo van Bolhuis maakten tussen 1680 en 1705 verschillende<br />

reisjes per wagen of met het jacht door Nederland. Geciteerd in Maandblad Oud-Utrecht (1957) 20-27.<br />

14 T.D. Moor, Schoonhovensche arcadia (Gouda 1977) 17 en 20.<br />

15 A. van der Woud, Het lege land. De ruimtelijke orde van Nederland 1798-1848 (Amsterdam 1987).<br />

25


Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />

1732 door Oost-Nederland beschreef de Amsterdamse lakenkoopman Andries Schoemaker<br />

(1660-1735) de omgeving van Ommerschans:<br />

En dewijl daar zijn noch lover, noch gras, noch geboompte en is, gaf het een deftig ruym<br />

gezigt over de hey. De toegangen daaromheen sijn seer ongemackelijk als sijnde niet allenig<br />

een hobbelde bobbelde heyde, maar ook op vele plaatzen seer moerassig! 16<br />

Uit dergelijke passages blijkt dat een woest stuk land, alleen al op grond van het praktische<br />

ongemak dat dit tijdens een reis opleverde, als negatief werd ervaren. Het moet inderdaad<br />

oncomfortabel zijn om met paard en wagen over heipollen te rijden. Verderop dichtte Schoemaker:<br />

Daer boom noch lover groeit, noch oogverkwikkend gras,<br />

daer op de woeste hei geen vee of menschen woonen,<br />

daer dikwils 't zwarte veen in brand geraekt en as,<br />

een schets van Plutoos hof aen de Aeckerontschen plas,<br />

en 't aek'lig schimmenhol natuurlijk kan vertoonen.<br />

Het dodenrijk en de vloed van droefheid werden hier zelfs aangehaald om een woest en oningericht<br />

gebied te beschrijven. Joachim d'Outrein noemde, op weg naar de buitenplaats Rozendaal,<br />

de heide bij Arnhem een 'dorre Woesteny' waar slechts wilde dieren leefden. 17<br />

Met<br />

name Drenthe moest het in de reisverslagen ontgelden. Potter, ditmaal wandelend door Zevenwouden<br />

en Drenthe, schreef:<br />

Van Appelscha naar de Smilde wandelende, leverde de weg niets bijzonders op; dezelve<br />

was zelfs eenzaam en akelig, lopende gedeeltelijk over eene woeste zandvlakte. Eene<br />

woeste nare ledigheid omringde mij. 18<br />

Zijn enig houvast in deze verlatenheid vormde het uitzicht op de Smilderkerk, zonder welke<br />

hij zich in Afrika's zandwoestijnen zou hebben gewaand: 'Hier valt niet veel te wandelen,<br />

dewijl de geheele omtrek uit barre veenlanden bestaat'. De Watergraafsmeer daarentegen<br />

werd door Potter wel hogelijk gewaardeerd:<br />

De Middelweg, lopende van de Outewaler naar de Hartsevelder brug, is ongemeen fraai,<br />

van het begin tot het einde met lantaarnen voorzien, en ter wederzijds pronkende met<br />

heerlijke gebouwen en schoone tuinen.<br />

Verderop zijn tocht in Diemen ging het weer mis: 'Eene regelmatige buurt zonder boomen<br />

en zonder tuinen; zie daar alles: - en zonder deze twee laatste op het land! - wat is dan zulk<br />

een landleven?' 19<br />

Naast de al genoemde Watergraafsmeer was ook de Plantage populair bij wandelend en<br />

16 A.J. Gevers en A.J. Mensema, Over de hobbelde bobbelde heyde. Andries Schoemaker, Cornelis Pronk en Abraham de Haen<br />

op reis door Overijssel, Drente en Friesland in 1732 (Alphen aan den Rijn 1985).<br />

17 J. d'Outrein, De Roosendaalse vermakelykheden, met een geestelyk oog beschouwd, in digtmaal gesteld(Amsterdam 1700)3.<br />

18 H. Potter, Wandelingen dl 1, 91.<br />

19 H. Potter, Wandelingen dl 2, 287 en 290.<br />

26


Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />

Afb. 2. De Muiderstraat in de Nieuwe Plantage naar de Muiderpoort toe, ets door Daniël Stopen-<br />

dael. Bron: M. Broüerius van Nidek, Het verheerlijkt Watergraefs- of Diemermeer (Amsterdam 1725).<br />

recreërend Amsterdam. Het moerassige gebied in het oosten van de stad werd vanaf f682<br />

ingericht als recreatiegebied voor de Amsterdammers. In de Plantage konden tuinen worden<br />

gehuurd. Vier wandelaars die in 1733 's ochtends vroeg de Plantage passeerden, 'wanneer<br />

men hier nog niet zo veel geloop en gery niet verneemt als er op den dag, en voornamelyk<br />

des namiddags is', prezen de wandellanen aldaar:<br />

Doch hier aan kan men zien wat konst en arbeid niet al vermag, en hoe de schranderheit<br />

der menschen dat gene goed kan maken wat aan de Natuur ontbreekt. 20<br />

De heren zagen meer voordelen. De Plantage, voor wandelaars en tuinbezitters 'een zoete<br />

en pleyzierige uitvlucht', lag binnen de stadspoorten. Niet alleen hoefden de inwoners van<br />

Amsterdam 'niet vry verre tot afmattens toe buiten de stad [te] kuieren eer zy in eenige<br />

groente konnen komen' maar ook konden zij 's avonds laat en zelfs 's nachts doorfeesten.<br />

Binnen de stad wandelde men ook wel over de stadssingels, maar door de brakke en moerassige<br />

grond waren de bomen daar niet zo fleurig. Om de wegzakkende bodem te verhogen<br />

was daarbij de weg met 'puy en steenen' belegd, hetgeen de begaanbaarheid niet verhoog-<br />

20 De wandelaars of vermakelyke reyze 2 dln (Amsterdam 1733) dl 2, 23. In dit anonieme werk wordt verslag gedaan<br />

van een tweetal wandelingen door vier heren, voor 'uitspanning van den geest' en 'zoete en vermakelyke tydkor-<br />

ting'. Het eerste deel behandelt een tocht door Noord-<strong>Holland</strong>, in deel twee begeeft de groep zich naar Zuid-<br />

<strong>Holland</strong>.<br />

27


Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />

de. 21<br />

avant-la-lettre'. 22<br />

Kolfbanen, theekoepels en bierhuizen maakten de Plantage compleet tot een 'Tivoli-<br />

Steeds weer blijkt dat de aanwezigheid van tuinen garant stond voor een 'mooi' gevonden<br />

landschap. De natuur moest in de tuin worden vormgegeven, en hiervoor bestonden voor­<br />

schriften en idealen, onder andere beschreven in het populaire 'handboek voor de tuinkunst'<br />

Den Nederlandtsen Hovenier (1669) van Jan van der Groen. 23<br />

Dankzij de klassieke literatuur<br />

over tuinkunst en natuurbeleving had de tuin van oudsher een eerbiedwaardige status. Ook<br />

bij Van der Groen zijn de klassieke ideeën van onder andere Vergilius, Varro en Horatius<br />

over de tuin en het buitenleven duidelijk herkenbaar. Het buitenleven is volgens Van der<br />

Groen om verschillende redenen het meest ideale leven. Het is het 'vermaekelijkst' want het<br />

prikkelt de zintuigen, en het 'voordeelighste': vruchten en groenten kunnen van het eigen<br />

land gegeten worden. Schone lucht en de afwezigheid van stedelijke weelde en overdaad ma­<br />

ken het buitenzijn tot het gezondste leven dat er is. Het 'salighste' is het leven buiten ten<br />

slotte om morele redenen. Er zijn geen verderfelijke stedelijke toestanden, wel daarentegen<br />

volop natuur om God te loven. 24<br />

In de tuin, waar de natuur geheel naar eigen inzicht ge­<br />

vormd en vervolmaakt kon worden, was de perfecte combinatie te vinden van buiten zijn<br />

in een ideale ordening van de natuur. De tuin was dan ook het wandelgebied bij uitstek.<br />

Wandelen temidden van gecultiveerde natuur, en met name in tuinen of in gebieden waar<br />

tuinen aanwezig waren, gaf dus een extra dimensie aan de wandeling.<br />

De wandelweg naar boven<br />

Van der Groen vond de natuur dikwijls onvolmaakt, 'wanschikkelyk', dat wil zeggen zonder<br />

orde. 25<br />

Alleen door kunst (arbeid, techniek) was verbetering en daarmee meer behagen,<br />

meer nut mogelijk. Een dergelijke natuur- en kunstbeschouwing stoelde op het idee van orde<br />

en symmetrie in de schepping. De natuur was voor alles een openbaring Gods. Het bezoek<br />

aan de tuinen van de lusthof Rozendaal diende volgens D'Outrein 'als een ladder, om op<br />

te klimmen tot den Grooten Maker van het Heel-Al'. 26<br />

De volgens de wiskunde geordende<br />

bomen en planten laten ons zien<br />

hoe wel geordent wy ons selven moeten toonen<br />

Als planten van een Heer, als eenes Vaders soonen. 27<br />

Daniël Willink dichtte in een lofzang op de Plantage:<br />

21 De wandelaars dl 2, 23-25.<br />

22 G. Mak, Een kleine geschiedenis van Amsterdam (Amsterdam 1994) 111.<br />

23 Jan van der Groen, Den Nederlandtsen hovenier, zijnde het I. deel van hel vermakelijck landl-leven. Beschrijvende alderhande<br />

princelijkcke en heerlijcke lusthoven en hofsteden en hoemen de selve met veelderley uytnemende hoornen, bloeme en kruyden, kan<br />

beplanten, bezayen en vergieren. Met koperefig. Mei noch omtrent 200 modellen van bloem-percken, parterres enz. (Amsterdam<br />

1669). De vele herdrukken en vertalingen van het boek zijn een indicatie voor de toenmalige populariteit<br />

van het buitenleven, de tuinarchitectuur en horticultuur.<br />

24 Geciteerd naar De Jong, Natuur en kunst, 17-18.<br />

25 De Jong, Natuur en kunst, .35.<br />

26 D'Outrein, De Roosendaalse vermakelykheden, Voorwoord.<br />

27 D'Outrein, De Roosendaalse vermakelykheden, 4.<br />

28


Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />

Hier 's 't eind van de bestraaten weg<br />

Daar duizenden van menschen treeden,<br />

Langs boomen glad gelyk een' heg,<br />

Geschooren naar de maat en reden. 28<br />

In het vormgeven van de natuur kon de mens de door God bedoelde orde in de Schepping<br />

terugvinden. In Jan van Westerhovens Den Schepper verheerlijckt in de schepselen van 1685 laat<br />

de auteur zijn twee personages Verus en Rogans een wandeling in de omgeving van Haarlem<br />

maken. Tijdens de tocht voeren de twee heren diepzinnige gesprekken naar aanleiding van<br />

wat ze onderweg tegenkomen. In de voorrede schreef Van Westerhoven:<br />

de eenzaamheid en stille, heeft my grootelyks de occasie tot eerlyke en Christelyke beden­<br />

kingen menigmaal verschaft, inzonderheid, wanneer ik in eenzaamheid door de lands­<br />

douwen wandelde, en my door de uitterlyke zinnen, Godes wonder-werken, aan den He­<br />

mel en op der Aarden zich vertoonende, met een zonderlinge geneugt in het herte en ver­<br />

stand gebragt en ingelaten wierden. 29<br />

Volgens de leer van Calvijn heeft God zich in de eerste plaats door de Schrift aan de mens<br />

geopenbaard. Maar ook in de Schepping, de wereld, is Hij aanwezig. Het genieten van de<br />

Goddelijke natuur heeft dan ook een positieve, religieuze betekenis, mits natuurlijk gedaan<br />

in het besef van Gods almacht. 30<br />

'Er is geen boek, waarin ons vollediger de manier geleerd<br />

wordt om God te loven' schreef Calvijn over de schepping. De mens is daarbij geroepen juist<br />

om de wereld te bestuderen omdat in de schepping de goddelijke orde is terug te vinden.<br />

Een dergelijk idee bevorderde niet alleen natuurwetenschappelijk, empirisch onderzoek<br />

maar gaf ook voor veel auteurs betekenis aan de door hen gemaakte wandeltochten in de<br />

natuur. 31<br />

Een opdrachtgedicht van Kornelis van Bracht in Westerhovens werk luidt:<br />

Dus prijs ik hier oock Westerhoven<br />

Want als hy handelt dese stof<br />

En wandelende melt Godts lof<br />

Soo leyt sijn Wandel-wegh na boven.<br />

Niet alleen op een beschouwelijk-literair vlak maar ook in de praktijk van het zondags uitje<br />

28 D. Willink, Amsterdamsche taupe nj nieuweplantagïe begrepen in twee boeken. Nevens den Amstelstroom (Amsterdam 1712)<br />

55.<br />

29 J. van Westerhoven, Den schepper verheerlijckt in de schepselen, ofte choor-gesang, aller geschapene dingen, daer in den mensch<br />

den bovensangh heeft. Voor-gestelt in 7 samenspraken, onder somersche wandelingen. Dienende wijders tot lof van Haerlems<br />

vermaeckelijcke landsdouwen. Doorgaens met toepassclijckc veersen en gezangen gemenght, en na 't leven afgebeelde konst-pl.<br />

verc. (Haarlem 1685) 2. Herdrukt in 1715.<br />

30 Ondanks de bestaande tegenstelling met het katholieke ideaal van zich terugtrekken uit de wereld kan het loven<br />

van Gods schepping door verheerlijking van de natuur en het Nederlandse landschap meer een algemeen Neder­<br />

lands religieus thema dan uitsluitend een calvinistische zaak worden genoemd. Leellang, Het aards paradijs; 124.<br />

31 Zie hierover B. Bakker, 'Levenspelgrimage of vrome wandeling? Claes Janszoon Visscher en zijn serie Plaisante<br />

Plaelsen, Oud <strong>Holland</strong> 107 (1993) 97-116 en H. Leeflang, 'Het landschap in boek en prent. Perceptie en interpre­<br />

tatie van vroeg zeventiende-eeuwse Nederlandse landschapsprenten', in: B. Bakker en H. Leeflang, Nederland<br />

naar 't leven. Landschapsprenten uit de Gouden Eeuw (Zwolle/Amsterdam 1993). Voor een overzicht van het land­<br />

schap in de vroeg-moderne letterkunde: Th. J. Beening, Het landschap in de Nederlandse letterkunde van de Renaissance<br />

(Nijmegen 1963).<br />

32 Van Westerhoven, Den Schepper verheerlijckt (Haarlem 1685).<br />

2!)


Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />

blijkt dat geloof en wandelen in de vroeg-moderne tijd niet ver van elkaar afstonden. Onder<br />

meer is dit te lezen in de verschillende discussies gevoerd door calvinistische predikanten<br />

over de Zondagsrust. 33<br />

De synode te Dordrecht in 1574 stelde het volgende voor:<br />

De classen sullen bij haren Overheden versoeken, datse het koopen, verkoopen, arbey-<br />

den, drinken, wandelen, etc. dewyl de Predikatie duurt (insonderheyd des Sondags) ver­<br />

bieden willen.<br />

Een halve stuiver boete wordt in 1573 voorgesteld voor de 'ledematen der Consistorie' die<br />

tijdens de bijeenkomsten zich bezig houden met 'schelden, speelen, ryfelen, soeselen, clap-<br />

pen, liggen, wandelen enz.' 34<br />

In een tirade tegen de verstoring van de zondagsrust pleitte een Rotterdamse leraar in<br />

1713 voor een verbod op bezoek van 'de Tuynen en Playzierplaatzen, die op die dag [zondag]<br />

't meest bezogt werden'. Even verontwaardigd was de predikant Jacobus Koelman in 1687<br />

toen hij in zesendertig punten tekeer ging tegen de verstoring van de zondagsrust. Punt ne­<br />

genentwintig luidt:<br />

Dan zoekt men wereldsche verlustigingh, de stoepen zijn vol, en de straaten, ende mark­<br />

ten krielen van menschen, de thuynen en hovens hebben noyt meer besoeks, en de cin-<br />

gels, wandel- en uyt-loop-plaatsen zijn zwart, men loopt lanterfanten, als ledig-gangers,<br />

pronken, en pralen.<br />

Niet iedere calvinist was even streng in de leer als Koelman. Willem a Brakel rekende het<br />

wandelen op zondag niet tot zondig vermaak:<br />

Doch tot des verbodene sonden en brengen wy niet het wandelen in 't veldt ofte gaen in<br />

thuynen, 't zy alleen ofte met andere, om de werken van Godt te aenschouwen, en hem<br />

daer in te verheerlyken, om sig na siele ende lichaam te verquikken. 35<br />

Wellicht was, gezien de vele tirades tegen het wandelen op zondag, de gemiddelde wandelaar<br />

meer met een vermakelijk uitstapje bezig dan met godsdienstige overpeinzingen.<br />

In de Ryper Zeepostil wa.n 1699 komen eveneens religie en wandelen ter sprake. 36<br />

Engel van<br />

Dooregeest en Cornelis Posjager, twee doopsgezinde leraren uit het Noordhollandse dorp<br />

De Rijp, schrijven hierin naast tweeëntwintig gewichtige godsdienstige leerredes in het eer­<br />

ste deel, een beknopte geschiedenis van De Rijp en omgeving. In dit tweede deel geven de<br />

leraren tips voor aangename wandelingen rond De Rijp.<br />

De eerste predicatie vergelijkt het juiste leven met een wandeling over het 'effen padt<br />

van deught ende godsaligheyt'. De mens is een reiziger op aarde die de rechte wandelweg<br />

dient te gaan: 'laet ons dan in alle vroomheid dagelijks wandelen voor het oog van onze<br />

3 7<br />

God'. Nadrukkelijk wordt in deze en andere vergelijkingen telkens het woord wandelen<br />

33 S. D. van Veen, Zondagsrust en zondagsheiliging in de zeventiende eeuw (Nijkerk 1889).<br />

34 Van Veen, Zondagsrust, 8.<br />

35 Van Veen, Zondagsrust, 68.<br />

36 E. A. Dooregeest en CA. Posjager, De Ryper Zeepostil bestaende in xxii predieatién toegepast op de zeevaerl (Amsterdam<br />

1699).<br />

37 Dooregeest en Posjager, Zeepostil, 10-16.<br />

30


Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />

Afb. 3. De Maliebaan, ets door Daniël Stopendael. Bron: M. Broüerius van Nidek, Het verheerlijkt<br />

Watergraefs- of Diemermeer (Amsterdam 1725).<br />

(in plaats van bijvoorbeeld lopen of reizen) gebruikt.<br />

Het tweede deel van het boek beschrijft op wervende wijze de geschiedenis en topografie<br />

van De Rijp. Het gebied is zeer waterrijk, dus transport geschiedt meestal over het water.<br />

Ook om te wandelen is het gebied volgens de heren zeer aangenaam. 38<br />

De Beemster is, om<br />

te beginnen, 'prachtig aangelegd en zeer vruchtbaar'. Deze polder kan in ieder geval wat<br />

de weidegronden betreft wedijveren met Italië om de titel van aards paradijs. Van De Rijp<br />

langs de Beemster naar Purmerend is het twee uur gaans en met name in mei is er ten oosten<br />

van De Rijp voor een godvruchtig wandelaar volop gelegenheid om Gods lof te zingen. Zuidwaarts<br />

kan er langs aangename wateren en grazige klaverweiden tot Oostgraftdijk en het<br />

Starnmeer gelopen. Het is (nu richting westen) een half uur lopen naar Noordeinde over<br />

een goede stenen weg. Wie verder loopt over de velden en weiden van de Schermerpolder<br />

(bedijkt in 1632) komt na drie uur aan in Alkmaar. Via Schermerhoorn ten noorden van<br />

de Rijp kan de wandelaar op een zomerse dag helemaal doorlopen tot Hoorn, een tocht van<br />

vier uur 'om oude en nieuwe dingen te bepeynsen'. 39<br />

Liefde voor en trots op de eigen streek komen in deze aanbevolen wandelroutes duidelijk<br />

38 In andere, vroegere bronnen (met name van voor de verschillende droogleggingen in Noord-<strong>Holland</strong>) werd<br />

veelvuldig geklaagd over de slechte wegen die met name 's winters vaak onder water stonden. Ook later in de<br />

17e en 18e eeuw bleef het reizen over water voorrang houden boven dat over land. A.Th. van üeursen, Een<br />

dorp in de polder. Graft in de zeventiende eeuw (Amsterdam 1994) 49-51.<br />

39 Dooregeest en Posjager, Zeepostil, 360-365.<br />

31


Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />

naar voren, evenals het godsdienstig element in het genieten van de <strong>Holland</strong>se natuur. Ook<br />

buiten de tuin, in de optimaal geordende natuur, werd er dus graag gewandeld.<br />

'Oude en nieuwe dingen bepeynsen'<br />

Tijdens een flinke wandeling kon men volgens De Ryper Zeepostil nadenken over oude en nieu­<br />

we dingen. Naast het element van recreatie en van godsdienstig besef heeft wandelen een<br />

didactisch aspect. Met name in de meer verhalende wandelverslagen komen vaak 'leerzame<br />

zaken' ter sprake. Een verhaal in de vorm van een wandeling bood de auteur de gelegenheid<br />

om zijn personages op ongedwongen wijze instructieve gesprekken te laten voeren. Wat de<br />

wandelaars op hun weg tegenkwamen vormde hierbij een natuurlijk aanknopingspunt. 40<br />

Reizen was vanouds verbonden met een educatief doel. 41<br />

Vanaf het eind van de 16e eeuw<br />

verscheen een genre bekend onder de naam ars apodemica, dat de reiziger instrueerde over<br />

de beste manier van reizen. Eén van de algemeen geldende voorschriften in deze werken was<br />

dat men historische, geografische, economische en culturele observaties behoorde te doen.<br />

Voor de Nederlandse reiziger waren dergelijke voorschriften onder andere te lezen bij Lip-<br />

sius: de reiziger moest het gebied waar hij doorheen trok onderzoeken door middel van het<br />

lezen van boeken, het ondervragen van bewoners van het gebied en het aantekenen van de<br />

geschiedenis, topogafie en gebruiken van het land. 42<br />

Heeft het bovenstaande betrekking op een daadwerkelijke reis, in de reis 'vanuit de luie<br />

stoel' met poëzie en prentenatlas werd eenzelfde verbinding met studie gelegd. Broüerius<br />

van Nidek richtte zich in de platenatlas Het verheerlijkt Watergraafsmeer tot de 'liefhebberen<br />

van kunst, historiën en buitenleven', en begon het werk met een uitgebreide historische uit­<br />

eenzetting over het ontstaan van het gebied. Op de prenten zelf zijn groepen wandelaars en<br />

recreanten afgebeeld die zich in de Watergraafsmeer vermaken. In Het zegenpralendKennemer-<br />

land (1725) van dezelfde auteur werden bij de afgebeelde huizen en dorpen eveneens ge­<br />

schiedkundige feiten vermeld. De tekst bij de tiende prent prijst bijvoorbeeld 'een heerlyken<br />

lusthof, die naar de juiste meetkunde aengelegt, het allerkeurigste oog bekoren en verlokken<br />

moet' aan bij 'minnaren en kenners van de Nederlandsche outheden'. 43<br />

Het Nederlandse hofdicht, het loflied op de buitenplaats, onderscheidde zich van het buiten­<br />

landse georgische genre door het specifiek didactische aspect. 44<br />

De natuur en de tuin als af­<br />

spiegeling van het Paradijs of Gods schepping verschaften in deze poëzie morele en godsdiensti­<br />

ge lessen. In het ideale buitenleven hingen de lessen die in de natuur gevonden worden samen<br />

met de studie van onder meer letterkunde, geschiedenis en kunst en de discussie daarover met<br />

vrienden. In de gecultiveerde natuur van het hofdicht vormden natuur en cultuur één geheel.<br />

Ook Potter (1808) wilde in zijn wandelingen 'het nuttige, leerzame en aangename met el-<br />

kanderen vereenigd tot erkentenis en bewondering van de magt, wijsheid en goedheid van<br />

40 Verschillende van de hier genoemde wandclbcschrijvingen zijn dan ook geschreven in dialoogvorm, de traditioneel<br />

didactische vorm bij uitstek. D. Marsh, The quattrocento dialogue. Classical tradition and humanist innovatwn<br />

(Cambridge (Mass)/Londen 1980) hoofdstuk 1.<br />

41 Zie Maczak, Travel en A. Frank-van Westrienen, De Groote Tour. Tekening van de educatieve reis der Nederlanders<br />

in de zeventiende eeuw (Amsterdam 1983).<br />

42 De tekst van Lipius is afgedrukt in Frank-van Westrienen, De Groote Tour.<br />

43 M. Broüerius van Nidek, Het Zegenpralenl Kennemerlant, Vertoont in 100 Heerelykegezichten (Amsterdam 1729) 11.<br />

44 Zie noot 10. In de emblematische en religieuze natuurbeschouwing is het Nederlandse hofdicht afwijkend van<br />

de Franse, Engelse en Italiaanse traditie.<br />

32


Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />

den Schepper en Onderhouder aller dingen' en verbond de observaties tijdens zijn tochten<br />

met historisch-topografische informatie. In het verslag van een 'Wandeling op eenen herfst­<br />

dag' gaat hij na een dag hard werken ter ontspanning naar buiten, en wel naar het dorpje<br />

Aalzum in Friesland. Hij beschrijft tijdens het tochtje zijn bespiegelingen over de aard en<br />

herkomst van terpen, geeft een topografische beschrijving van het gebied en gaat in op het<br />

leven van de oudste bewoners:<br />

Ik verbeeldde mij denzelven [de aloude bewoonders], ingehuld in zijnen mantel van<br />

beestenvellen, met pijl en boog, langs de moerassige velden te zien dwalen, om in de<br />

noodzakelijke behoeften van het leven te voorzien, terwijl zijn kuische en eenvoudige<br />

echtgenoote bezig is den voorraad te verzamelen, die tot brandstof dienen moet... Akelige<br />

donkerheid, in welke onze voorvaderen dus gedompeld lagen! 45<br />

Nog in 1838 begaf Ottho Gerhard Heldring zich op weg in zijn Wandelingen ter opsporing van<br />

Bataafsche en Romeinsche Oudheden om, al wandelend in de Betuwe, de resten van onze 'vrede­<br />

lievende en toch zoo heldhaftige' Bataafse voorouders te onderzoeken. 46<br />

Potters en ook Heldrings historische en topografische informatie is beperkt. 47<br />

Anders is dit<br />

bij de informatie in verschillende Nederlandse arcadia's van de 17e en 18e eeuw, een apart<br />

genre in de 'instructieve reisliteratuur' dat opvalt juist door de vele met name historische les­<br />

sen die tijdens de beschreven tochtjes door de personages aan de lezer worden meegedeeld. 48<br />

De Batavische Arcadia van Johan van Heemskerk (1637) vertelt van een groepje jongelui<br />

die wandelend en per speelwagen een reisje in de omgeving van Den Haag en Katwijk ma­<br />

ken. 49<br />

Tijdens dit dagje uit gaan de geleerde gespekken over onder meer het internationaal<br />

zeerecht, de herkomst van de naam Katwijk en de Chatten en de geschiedenis van de graven<br />

van <strong>Holland</strong>. Het succes van het werk leidde tot een tweede editie in 1647 (sterk uitgebreid<br />

met een erudiet Latijns notenapparaat) en herdrukken van deze tweede versie tot ver in de<br />

18e eeuw. Tevens vestigde Van Heemskerk een Nederlandse arcadische traditie: verschillen­<br />

de auteurs in de 17e en 18e eeuw gaven aan naar zijn voorbeeld een 'arcadia' te willen schrij­<br />

ven. Het resultaat is een serie zeer diverse werken waarin een groepje Nederlandse burgers<br />

al rijdend, spelevarend en wandelend uiteenlopende historische, topografische en ook lucht­<br />

hartiger kwesties bespreekt. Reis en wandeling staan hier niet ten dienste van een religieus-<br />

emblematische natuurbeleving maar dienen als vehikel voor intellectuele gesprekken. 50<br />

45 Potter, Wandelingen, 7 en 9.<br />

46 O.G. Heldring, Wandelingen ter opsporing van Bataafsche en Romeinsche Oudheden, legenden, enz. (Amsterdam 1838).<br />

47 Het verbinden van de wandeling met didactische en educatieve informatie is wijd verbreid en kan voor Nederland<br />

voorde 17e, 18e en ook 19e eeuw (bijvoorbeeld de wandelingen van Jac.P. Thijssen) met vele voorbeelden<br />

worden aangevuld. Een vroeg 17e-eeuws voorbeeld betreft de Haarlemse stadsgeschiedenis van S. Ampzing<br />

in de vorm van een wandeling (1628). Ook in de 18e eeuw schrijft J. F. Martinet zijn encyclopedische Katechismus<br />

der Natuur (Amsterdam 1777-1779) in de vorm van wandelingen van leerling en meester in en rond Zutphen.<br />

Vanzelfsprekend verandert de aard van de didactische informatie met de tijd, maar de verbinding van educatieve<br />

informatie met wandelen blijft.<br />

48 Een inventarisatie van het genre in H. Groot, 'Achttiende-eeuwse arcadia's: tussen literatuur en geschiedenis',<br />

<strong>Holland</strong> 17 (1985) 241-252. Tevens W.F. Jansen, "Laag bijdegrondse geleerdenpoespas'. Onderzoek naar de<br />

zeventiende- en achttiende-eeuwse arcadia's', Spektator 23 (1994) 2, 127-126. Over de historische informatie in<br />

Van Heemskerks Batavische Arcadia: J.J.V.M. de Vet, 'Opstand in Arcadië', De Zeventiende Eeuw 10 (1994) 57-64.<br />

49 J. van Heemskerk, Inleydinghe tot het ontwerp van een Batavische Arcadia (Amsterdam 16.37).<br />

50 Verwant aan de arcadia is de eerder genoemde morgenwandeling rond Haarlem of Den schepper verheerlykt van<br />

Van Westerhoven. Vooral bedoeld als lofzang op Gods schepping komen ook hier tijdens de wandeling verschillende<br />

historische en erudiete kwesties in de dialogen ter sprake.<br />

33


Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />

Een 'sachte oeffeninghe'<br />

Een laatste aspect van de wandeling in de vroeg-moderne tijd betreft het wandelen als een<br />

gezonde en in de medische traktaten aanbevolen exercitie. De Franse tuinarchitect Antoine<br />

Joseph Dezailler d'Argenville hechtte grote waarde aan afwisseling in de tuin voor maximale<br />

verfrissing van lichaam en geest in de wandeling. 51<br />

Ook in Johan van Beverwijcks Schat der<br />

Gesontheyt, de meest populaire 'medische encyclopedie' van de 17e eeuw, wordt het wandelen<br />

aanbevolen. 52<br />

Het menselijk lichaam behoeft beweging, net zoals water in een put dat gaat<br />

stinken wanneer het lange tijd stil staat. Hiervoor bestaan 'sterke' oefeningen, die de mens<br />

doen hijgen, en 'zwakke' oefeningen, die leiden tot een blozend gezicht en licht zweten. Zo­<br />

dra deze verschijnselen zich voordeden diende men direct te stoppen: net als de andere be­<br />

schreven oefeningen voor het lichaam mocht wandelen niet vermoeiend zijn. Voor de gezon­<br />

de en ook de oudere mens is wandelen als 'sachte oeffeninghe' voldoende om 'de wermte<br />

te vermeerderen, de geesten te bewegen en de vuyligheyt af te setten'. Het is het beste met<br />

een lege maag en in de schaduw (tegen oververhitting) te bewegen. Om in de schaduw te<br />

kunnen lopen worden bomen dan ook als zeer gewenst beschouwd.<br />

'Een nut en verheven vermaak': vier wandelaars in <strong>Holland</strong><br />

Hoe vermakelyk zou [het] zyn in de schone dagen, die 'er doenmaals [in mei] waren, zich<br />

buiten de stad inde groente te verlustigen, om wat lucht en vermaak te scheppen en dus<br />

van een Zaizoen te profiteren. De een zou naar zyne Buitenplaats gaan, de ander naar<br />

die van goede vrienden, de derde zou zich gezelschap zien te vinden om een plezierreisje<br />

van eenige dagen te doen. 53<br />

In een tweetal verslagen van wandeltochten door Noord- en Zuid-<strong>Holland</strong> komen verschil­<br />

lende van de hierboven besproken aspecten van het wandelen naar voren. Het eerste deel<br />

van De Wandelaars of vermakelyke reyze uit 1733 doet verslag van een recreatieve tocht van vier<br />

heren langs verschillende steden in Noord-<strong>Holland</strong>, geschreven voor 'uitspanning van den<br />

geest' en 'zoete en vermakelyke tydkorting'.<br />

De (anonieme) auteur, die zich presenteert als een der wandelaars, meldt in de voorrede<br />

waarom deze wandeling de moeite van het opschrijven loont. In de eerste plaats betreft het<br />

een aangenaam, nuttig en vooral waar reisverslag. Hoe verder en exotischer de reis immers,<br />

hoe meer verzinsels een auteur kan toevoegen. Hier, op reis in het eigen <strong>Holland</strong>, is dit van­<br />

zelfsprekend niet het geval. Daarbij is deze reis zeldzaam, omdat hij geheel te voet is afge­<br />

legd. Een niet gebruikelijk fenomeen bij een dergelijk grote tocht 'daar men door gantsch<br />

Noord-holland het gemak van schuiten of Wagens hebben kan'. De wandelaars hebben een<br />

reden hiervoor:<br />

Inde Schuiten is 't maar melancolyk te zitten, en het stoten dat men dikwils op de wagens<br />

moet lyden als of 't hart uit het lyf zou bersten, staat ons niet veel aan.<br />

51 De Jong, Natuur en kunst, 176.<br />

52 J. van Beverwyck, Schat der Gesontheyt, Veresert me! 1 listoryen, Kupere Platen, als oock met Verssen van Heer Iacob Cats<br />

(Amsterdam 1643) 680-685.<br />

53 De wandelaars dl 1, 2.<br />

34


Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />

Daarnaast is er reizend per boot niet zoveel van het landschap te zien als wandelend. 54<br />

Géén<br />

beschrijving zal worden gegeven van 'steden, Dorpen, Adelyke Huizen, Sloten, Oudheden,<br />

Landstreken, enz.': daarvan bestaan er al heel veel door geleerden die de auteur toch niet<br />

kan verbeteren. Het samengaan van historisch-topografische lessen en reisbeschrijving,<br />

blijkt hier weer, is gebruikelijk en populair.<br />

Het reisgezelschap bestaat naast de auteur uit twee jonge broers, wandelliefhebbers die<br />

nog nooit Noord-<strong>Holland</strong> hebben gezien, en een oudere heer die wel mee wil 'voor de<br />

klucht'. Voor het welslagen van de onderneming zijn vier personen absoluut nodig. Dit om<br />

voldoende 'divertissement van gezelschap' en 'stoffe tot discours' te hebben. Aangename ge­<br />

sprekken tijdens het lopen zijn dus belangrijk. 55<br />

'Nooit zou ik gedroomt hebben, dat een<br />

Reisje van vier manspersonen te voet, door zo een klein District als Noordholland, zonder<br />

gezelschap van eenige Juffers, en zonder eenig volk in schuiten of op wagens aan te treffen'<br />

voldoende stof zou geven voor een complete beschrijving, aldus de auteur. Het meenemen<br />

van een aantal jongedames was inderdaad gebruikelijk in een wandelbeschrijving. De juffers<br />

zorgden meestal voor de amoureuze verwikkelingen in het verhaal. Ook traden zij op als<br />

vragenstelsters om de heren gelegenheid te bieden hun kennis te etaleren.<br />

Een tweede voorwaarde van de wandelaars, 'dat wy op onze Reize nooit op eenmaal zo<br />

verre mogen gaan dat wy vermoeit worden, want anders is 't vermaak weg', betreft de rust­<br />

pauze na ten hoogste twee uur lopen. Tegen een dikzak, meer het type om per paard en wa­<br />

gen langs de herbergen te rijden, wordt gezegd:<br />

en wy die magere luiden zyn, en zeer vlug over de weg konnen, zyn in tegendeel liefheb­<br />

bers van wandelen, al was't maar om onze goede gezondheid en goede honger te behou­<br />

den, en door veel zitten niet te vet te worden, en nog lui en onlustig worden daar toe.<br />

Met het wandeltempo blijkt het echter allemaal wel mee te vallen. Er wordt gelopen 'met<br />

langzame treden om ons in 't allerminst te vermoeien'. Niet alleen is dit gezonder en langer<br />

vol te houden, ook een Italiaans spreekwoord zegt het al: chi va piano, va sano, e va lonlano. 56<br />

Ten slotte wordt de wandeluitrusting van de vier heren uitgebreid beschreven: kleren die<br />

goed beschermen tegen zon en regen, maar geen jassen 'om lichter overweg te komen.' Ieder<br />

is in het bezit van een goede 'surtout' of reisrok (een overjas) en per persoon wordt daarnaast<br />

een degen meegenomen. Weliswaar is dit niet een echt afdoende bescherming - hoewel het<br />

goede scherpe exemplaren betreft - maar Nederland is gelukkig een veilig land om te reizen.<br />

Zoveel linnengoed 'tot verschoning' als men in de zakken bergen kan 'om in het wandelen<br />

niet geincommodeert te zijn' en een flinke som geld, maken de groep klaar voor vertrek. 57<br />

De tocht duurt in totaal drie weken waarin de heren, al keuvelend over weinig diepgravende<br />

zaken en vol bewondering voor het rijke landschap, via de dorpen en steden in Noord-<br />

<strong>Holland</strong> weer terugkeren in Amsterdam.<br />

Het tweede deel van de Wandelaars doet verslag van een vergelijkbare tocht door Zuid-<br />

<strong>Holland</strong>, gelopen in augustus. Ook nu betreft het weer een 'waargebeurd' verslag: 'Indien<br />

ik by forme van een Roman tot verderf der zeden had wilen schrijven, zou ik de zaken een<br />

54 De wandelaars dl 1, 2.<br />

55 Het element van geleerde en genoeglijke discussie met vrienden is ook in de beschrijvingen van het ideale buitenleven<br />

in de hofdichten te vinden.<br />

56 Wie rustig loopt, loopt in gezondheid, en langdurig.<br />

57 De wandelaars dl 1, 6-16.<br />

35


Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />

gantsch anderen draai hebben konnen geven'. Het is ditmaal moeilijk een vierde man te vinden.<br />

Verscheidene kennissen mogen niet van hun vrouw, werken te hard of zijn te dik om te<br />

lopen. Wanneer dit probleem uiteindelijk is opgelost kan de groep vertrekken, en wel op zondagochtend.<br />

Wandelen op zondag is toch niet geheel onomstreden, blijkens de verdedigende<br />

opmerkingen van de schrijver: wie zich eraan stoort dat het groepje op zondag begint te wandelen<br />

is een 'al te fyne zemelknoper'. De heren gaan immers niet brassen, uit rijden of 'wellustigheden<br />

bedryven'. Deze tocht dient 'niet om een dierlyk en zinnelyk vermaak voor 't ligchaam,<br />

maar vooral om een nut en verheven vermaak voor den geest' door middel van 'discoursen,<br />

beschouwingen en bespiegelingen van de zaken die ons voorkomen zouden'. 58<br />

Nadat ze via de Plantage buiten de stad zijn gekomen worden ze op weg van de Muiderpoort<br />

naar het Diemermeer gepasseerd door vele rijtuigjes op een zondags pleziertochtje.<br />

Amsterdammers, een volk dat door de week hard werkt (en daarom zo rijk is), hebben een<br />

'liefhebbery van plezierluchtjes'. 59<br />

Net als de tocht door Noord-<strong>Holland</strong> verloopt ook deze<br />

wandeling van ongeveer drie weken rustig en probleemloos. Zelfs het aanbod van een paar<br />

dames van lichte zeden slaan de heren beleefd af.<br />

Tot besluit<br />

In het voorafgaande is een aantal aspecten van de 17e- en 18e-eeuwse wandeling besproken.<br />

Men wandelde in ingericht, vormgegeven land: in tuinen, op wandelpaden of in parken rond<br />

de steden. Maar ook buiten de door mensen vormgegeven natuur werd gewandeld. Mits de<br />

toestand van de paden dit toeliet (afhankelijk van weer enj aargetij de) liep men in <strong>Holland</strong> graag<br />

door het rijke boerenland, over dijken en door polders. Pas wanneer het land echt woest en onontgonnen<br />

was, zoals in Drenthe of op de Veluwe, haakte de vroeg-moderne wandelaar af.<br />

Het godsdienstig aspect van de wandeling speelt een belangrijke rol, met name in de meer<br />

literaire beschrijvingen. De lezer deelde immers tijdens de (fictieve) wandeling in de natuuren<br />

godsbeleving van de personages. Niet ieders wandelweg leidde even direct 'naar boven',<br />

maar het besefis algemeen dat in de natuur het goddelijk element kon worden teruggevonden<br />

of op een directe manier ervaren. In het vormgeven van de 'wanschikkelijke' natuur<br />

zocht men een manier om de goddelijke orde terug te vinden. Uit de geschriften van de vooren<br />

tegenstanders van het wandelen op zondag blijkt iets van de gevoelde spanning tussen<br />

het wandelen als middel om tot God te komen en de puur recreatieve wandeling. De herhaalde<br />

verzekering van verschillende zondagswandelaars dat het hier eerder een serieuze godsdienstoefening<br />

betreft dan een aangenaam uitje, spreekt voor zichzelf.<br />

Een derde aspect betreft het didactische element. Een verhaal in de vorm van een wandeling<br />

blijkt een uitermate geschikt middel om allerhande meer en minder diepgaande informatie<br />

te verschaffen. De auteur geeft de gesprekken van zijn wandelende personages vaak<br />

letterlijk, in dialoogvorm, weer. In verschillende arcadia's leidde deze vorm zelfs tot lange<br />

verhandelingen over hoogst serieuze zaken. De vorm van wandeling of reisje verdwijnt hier<br />

soms bijna achter de informatieve en erudiete passages. 60<br />

58 De wandelaars dl 2, 16.<br />

59 De wandelaars dl 2, 26.<br />

60 Later in de 18e eeuw lijkt het geleerde karakter in dergelijke reis- en wandelverslagen te veranderen in luchthartiger<br />

gespreksstof. Nader (historiografisch) onderzoek van de arcadia's en verwante genres zou dit verschijnsel<br />

kunnen verhelderen.


Verfrissing van lichaam en geest. Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />

En ook het lichaam is gebaat bij een gezonde wandeling. Liefst voorzien van voldoende<br />

rustpauzes, schaduw en een aangenaam uitzicht, kuierde de vroeg-moderne Nederlander,<br />

al keuvelend of in stilte genietend, door zijn welvarende <strong>Holland</strong>. En wie één keer de Vierdaagse<br />

van Nijmegen heeft gelopen moet bekennen: er valt wat te zeggen voor deze manier.<br />

37


Jos Leenders<br />

De lof der kleurloosheid.<br />

Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />

Vanaf de grondwet van 1848 tot die van 1917 is de Nederlandse politiek in sterke mate beïn­<br />

vloed geweest door het liberalisme. Straatnamen in oudere stadsdelen herinneren nog steeds<br />

aan belangrijke liberale voormannen als Thorbecke, Van Houten, Kappeijne van de Cop-<br />

pello, Fransen van de Putte enzovoort. Ondanks hun onmiskenbare bijdragen aan staat en<br />

maatschappij heeft de geschiedschrijving zich lang weinig positief uitgelaten over de geringe<br />

samenhang van het Nederlandse liberalisme tot 1885. Dat zou zich vooral hebben onder­<br />

scheiden door geringe daadkracht ondanks een electorale meerderheid. 1<br />

Het kreeg ook aan­<br />

gewreven dat het een maar matige neiging tot partijvorming had vertoond, hetgeen werd<br />

verklaard uit onderlinge tegenstellingen en uit de ideeën van Thorbecke over de rol van par­<br />

tijen. Thorbecke had de vorming van een Kamerclub geaccepteerd voor incidenteel overleg,<br />

maar partijvorming bij het electoraat afgewezen. De kiezers hadden alleen te kiezen en daar­<br />

na waren de gekozenen autonoom tot de volgende verkiezing. 2<br />

Dat er ook positievere argu­<br />

menten voor de geringe liberale ambitie tot samenhang bestonden, bleef toegedekt.<br />

Tegenover dit 'negativisme' valt een tamelijk recent artikel van E. H. Kossmann in NRC-<br />

Handelsblad te plaatsen. Hij betoogde dat men niet liberaal werd om redenen in het liberale<br />

programma gelegen. De keuze was er niet een voor een partij maar juist voor on- of boven-<br />

partijdigheid, voor het algemeen belang. Het liberalisme verhief zich, aldus Kossmann, bo­<br />

ven het politieke strijdtoneel. Wie zich tegen liberale standpunten verzette, heette zich te<br />

keren tegen de onpartijdige waarheid, de tijdgeest, de objectief vast te stellen gang van de<br />

geschiedenis. 3<br />

H. te Velde identificeerde liberalisme met algemeenheid, en de elite, de (geze­<br />

ten) burgerij, met de natie als geheel op basis van de romantisch organische metafoor van<br />

Thorbecke. Daarin representeerde het Nederland van 1848 het lichaam, representeerden<br />

de kiesgerechtigde burgers het heldere hoofd, en het 'volk' (slechts) de ledematen. De natio­<br />

nale eenheid vond haar bezegeling in het parlement, alleen dat creëerde een 'staatsregtelijke<br />

persoonseenheid'. In het parlement vormde de natie zich een mening, één mening, de libera­<br />

le. Een moderne natie gericht op de toekomst moest die wel aanhangen. 4<br />

De liberalen van<br />

1848 hebben de mogelijkheid van een pluralistische samenleving zoals die rond 1870 door­<br />

brak, niet voorzien. Ze vonden er pas na 1890 een antwoord op.<br />

Nu hebben genoemde betogen in de eerste plaats betrekking op wat zich voltrok op natio­<br />

naal niveau. Het is de vraag of de liberale pretentie van algemeenheid ook een echelon lager,<br />

lokaal, in een kiezersvereniging, gold en zo ja, hoe zij daar werd gemotiveerd. Hoe reageer­<br />

den niet-liberalen trouwens op die ogenschijnlijk toch wel grote liberale zelfverzekerdheid?<br />

Door de blik te richten op een betrekkelijk willekeurige kiezersvereniging, 'Burgerplicht'<br />

(1867) te Hoorn, kan een eerste antwoord worden gegeven.<br />

1 Bijvoorbeeld CA. Tamse, 'De politieke ontwikkeling in Nederland 1874-1887', in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden<br />

dl 13 (Bussum 1978) 207-224.<br />

2 G. Taal, Liberalen en radicalen in Nederland 1872-1901 (Den Haag 1980) 23.<br />

3 NRC-Handelsblad, 11 februari 1993.<br />

4 H. te Velde, Gemeenschapszin en plichtsbesef. Liberalisme en nationalisme in Nederland, 1870-1918 (Den Haag 1992)<br />

38


Oprichting<br />

De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />

Burgerplicht Hoorn was vernoemd naar de eerste Burgerplicht, een Amsterdams initiatief<br />

van 1866. Overigens was te Hoorn aan kiezersverenigingen al behoefte ontstaan bij de kies­<br />

rechtuitbreiding van 1851, toen het aantal raadskiezers er sterk toenam van 293 naar 553.<br />

In 1858 had Hoorn relatief de meeste Kamerkiezers van Nederland, 3,82% van de bevolking<br />

tegen bijvoorbeeld hekkensluiter Amsterdam, 1,57%. 5<br />

Vooral de 'middenklasse der burge­<br />

rij', heette het, verlangde naar vereniging. Zij wist nog niet hoe te stemmen en diende te wor­<br />

den ingewijd. 6<br />

Twee kiesverenigingen kwamen tot stand, de 'algemeene' en de 'vrijzinnige',<br />

ad hoc-creaties die al gauw verliepen. Misschien bestond te Hoorn bij nader inzien toch wei­<br />

nig behoefte aan geformaliseerde politieke voorlichting en kanalisering van opvattingen. Er<br />

waren ten slotte maar twee 'partijen'. De 'algemeenen', de protestanten, van evangelisch ver­<br />

lichte Groninger snit, stemden sinds 1853 vooral conservatief omdat ze onmogelijk nog libe­<br />

raal konden kiezen. De liberalen hadden hun bondgenoten de 'roomsen' - te Hoorn een<br />

derde van de bevolking - immers een onafhankelijk bisschoppelijk bestuur bezorgd. Ook<br />

kan gebrek aan interesse juist bij de nieuwe kiezers een rol hebben gespeeld.<br />

Getuige advertenties in de Hoornsche Courant werd in verkiezingstijd wel informeel over<br />

kandidaten gedelibereerd; in 1864 door liberalen onder leiding van Hoorns burgemeester<br />

mr W.C.J. de Vicq. Het ergerde de conservatieve Purmerender Courant dat niet vergaderd was<br />

over te stellen kandidaten. Dat was al voorgekookt. Er was alleen besproken hoe ze aan te<br />

bevelen. 7<br />

al wel gevoeld.<br />

De noodzaak kandidaatstelling publiekelijk te doen plaatsvinden werd kennelijk<br />

Een dergelijke strekking kan ook een advertentie in 1866 van drie politiek onduidelijke<br />

heren hebben gehad. Zij riepen bij een kamerverkiezing 'namens eenige kiezers' op tot een<br />

openbare vergadering met debat over een te stellen conservatieve en liberale kandidaat. 8<br />

Een<br />

vermoedelijk gevolg was de totstandkoming in 1867 van Burgerplicht. Het verslag daarvan<br />

ontbreekt. Het archief van Burgerplicht is spoorloos en daarmee statuten, reglement en le­<br />

denlijsten. Maar de Hoornsche Courant nam, overigens pas wat later, de gewoonte aan uitvoe­<br />

rig verslag te doen. Zo is een goede bron voorhanden. Op 6 april 1867 stelde Burgerplicht<br />

voor het eerst kandidaten voor de gemeenteraad.<br />

Over de aanleiding tot de oprichting van Burgerplicht valt met enige stelligheid te gissen.<br />

Nationaal was de traditionele politieke tweedeling aan het verschuiven. De katholieken be­<br />

gonnen hun sympathie voor het verbond met de liberalen te verliezen. Voor veel protestantse<br />

kiezers gold eerder het omgekeerde: het viel ze moeilijk de conservatieven nog langer te steu­<br />

nen wegens hun 'gedrochtelijk' verbond met Groenianen en katholieken. Zeker is dat de<br />

stichting van Burgerplicht Amsterdam met deze ontwikkelingen te maken had. 9<br />

Of Hoorn<br />

direct contact met de hoofdstad heeft onderhouden, is niet duidelijk. Contact tussen kiesver­<br />

enigingen was over het algemeen zeldzaam. Burgerplicht Rotterdam zocht kort na oprich-<br />

5 L. Blok, Stemmen en Kiezen, Het kiesstelsel in Nederland in de periode 1814-1850 (Groningen 1987) 314.<br />

6 Hoornsche Courant (hierna HC), 25 augustus 1851. Zie verder: J. M. M. Leenders, Benauwde verdraagzaamheid, hachelijk<br />

fatsoen. Families, standen en kerken te Hoorn in het midden van de negentiende eeuw (Den Haag 1992) 30-31.<br />

7 Bijvoorbeeld HC, 4 en 11 juni en 30 juli 1864. Purmerender Courant, 20 juli 1864, geciteerd in HC, 30 juli 1864.<br />

8 HC, 5 juli 1866.<br />

9 H. Bas, 'Gelijkgestemd of'gelijkgezind? Een onderzoek naar partijvorming bij de Amsterdamse kiesvereniging<br />

Burgerpligt 1866-1881' (ongepubliceerde doctoraalscriptie Universiteit van Amsterdam 1988); Th. van Tijn,<br />

Twintig jaren Amsterdam. De maatschappelijke ontwikkeling van de hoofdstad, van de jaren '50 der vorige eeuw tot 1876<br />

(Amsterdam 1965) 329-332.<br />

39


De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />

ting contact met Amsterdam. Die nam samenwerking in overweging, maar verder dan dat<br />

kwam het niet. In 'De Grondwet' te Middelburg werd zo'n contact voorgesteld, maar ook<br />

daar kwam het er niet van. 10<br />

De verkiezingsuitslagen in het district Hoorn, dat sinds jaar en dag een conservatief en<br />

een liberaal afvaardigde, tonen aan hoezeer de kiesvereniging van pas kwam. Aanvankelijk<br />

lijken velen door de politieke renversement niet meer goed geweten te hebben wie te kiezen.<br />

In 1868, toen de liberalen nationaal wonnen, koos Hoorn nota bene twee conservatieven.<br />

Mogelijk had een aanzienlijk aantal protestanten pas na de stembus ontdekt met de katholie­<br />

ken conservatief te hebben gestemd, een onverteerbare wetenschap. In 1869 werd het<br />

liberaal-conservatieve evenwicht te Hoorn hersteld en in 1871 werd Hoorn voor het eerst<br />

sinds 1852 weer uitsluitend liberaal vertegenwoordigd; dit zou tot het eind (1918) zo blijven.<br />

De vernoeming naar het Amsterdamse voorbeeld geeft aan dat achter de oprichting van<br />

Burgerplicht 'links-liberalen' schuilgingen, denkend in de lijn van de Hoornse dominees,<br />

Modernen die rond 1860 de meeste hervormden achter zich hadden gekregen. Hun nieuwe<br />

elan sloeg over naar sociaal en politiek terrein. 11<br />

Aan de wieg van Burgerplicht stond nadrukkelijk Anton G. Renssen, 37 jaar, steenkoper,<br />

nog geen halfjaar te Hoorn woonachtig en toch meteen tot secretaris gekozen. Renssens in­<br />

breng was niet tot ieders genoegen. De Purmerender Courant wist nog in 1874 dat deze vreem­<br />

deling het kind had gebakerd. En ook na 1867 noemde zij Burgerplicht 'door vreemdelingen<br />

beheerscht'. 'Logen', vond de liberale Hoornsche Courant: 'vijf burgers', geen vreemdelingen<br />

maar 'Vaderlanders', waren de stichters geweest. 12<br />

Hoorn stond wat vreemde inbreng betreft<br />

niet alleen: voor de Amsterdamse Burgerplicht is geconstateerd dat het aantal niet te Am­<br />

sterdam geboren leden aanzienlijk was. 13<br />

Vaak waren die te Hoorn jonger dan veertig, het­<br />

geen samenhing met hun carrière-patroon. Voor rechterlijke, kerkelijke en HBS-functies<br />

was het stadje veelal een doorgangshuis.<br />

Het eerste Hoornse bestuur telde vijf personen, waarvan drie gezeten burgers van midden<br />

dertig, 'volksmannen', 'links-liberale' voorstanders dus van het burgerlijk belang versus de<br />

oude aristocratie. De overige twee, kennelijk aangezocht om Burgerplicht een algemeen<br />

imago te bezorgen, verschilden in leeftijd (midden veertig), stand (kleinburgerlijk) en gods­<br />

dienst (respectievelijk katholiek en orthodox hervormd). De katholiek verdween al begin<br />

1868 uit het bestuur, de ander kort daarop. Voortaan was het exclusief vrijzinnig hervormd<br />

en liberaal.<br />

Slechts voor 1871 en 1877 is het aantal leden vermeld, respectievelijk 107 en 180. 14<br />

Het<br />

laatste aantal bedroeg 29,7% van het electoraat voor de gemeenteraad. Vergeleken met de<br />

Amsterdamse naamgenoot - in 1881 436 leden ofwel 5% - was dat veel, zelfs wanneer in<br />

de beschouwing wordt betrokken dat te Hoorn geen concurrerende kiesverenigingen be­<br />

stonden, niet werd geballoteerd en de contributie lager was: ƒ1- per jaar tegen ƒ 5,- te Am­<br />

sterdam. 15<br />

dam ƒ56,-.<br />

De hoogte hing samen met de census, te Hoorn voor de Raad ƒ 16,-, te Amster­<br />

10 E.W. Janssen Perio, 'Liberale Perikelen. De liberale kiesvereniging 'Burgerplicht' te Rotterdam 1868-1879',<br />

<strong>Tijdschrift</strong> voor geschiedenis 69 (1956) 176; A.F. van Ommen, 'De liberale kiezersvereniging 'De Grondwet' te<br />

Middelburg van 1858 tot 1880' in: Archief van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (1981) 47.<br />

11 Leenders, Benauwde verdraagzaamheid, 398.<br />

12 HC, 11 oktober 1874.<br />

13 Bas, 'Gelijkgestemd of gelijkgezind', 18, noemt .35 % in 1867, 45 % in 1881.<br />

14 HC, 3 mei 1871 en 3 februari 1878.<br />

15 Bas, 'Gelijkgestemd of gelijkgezind', 15 en 16.<br />

4(1


De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />

Niet volkomen duidelijk is hoe de getalsverhouding Kamerkiezers-(alleen)raadskiezers in<br />

Burgerplicht was. Hoorn kende er in 1867 respectievelijk 348 en 564. 16<br />

De vermelding in<br />

1875 dat bij een vergadering 80 leden aanwezig waren, waarvan 60 Kamerkiezers, 17<br />

recht­<br />

vaardigt het vermoeden dat de laatsten het leeuwedeel van het gezelschap uitmaakten. Het<br />

betrof toen weliswaar de bespreking van een Kamer-kandidatuur, maar ook alleen-<br />

raadskiezers waren anders dan bijvoorbeeld te Middelburg daarbij welkom. Anders dan in<br />

Amsterdam mochten ze zelfs meestemmen. 18<br />

Te Rotterdam werd hun presentie aanvanke­<br />

lijk niet op prijs gesteld. Sinds 1871 mochten daar echter al wel niet-kiezers kandidaten stel­<br />

len. Kortom, Burgerplicht was een tamelijk uitgesproken bourgeoisgezelschap waar de<br />

alleen-raadskiezer, de kleine burgerman, zich niet zo thuisvoelde. Ter vergelijking: de Am­<br />

sterdamse Burgerplicht bestond in 1881 voor driekwart uit Kamerkiezers. 19<br />

Van de 36 tussen 1870 en 1887 in de pers geregistreerde vergaderingen (exclusief 'mee­<br />

tings') telden twee tussen de 20 en 30 aanwezigen, zeven tussen de 30 en 40, zes tussen de<br />

40 en 50, evenveel tussen de 50 en 60, vier tussen de 60 en 70, zes tussen de 70 en 80 en vijf<br />

meer dan 80 aanwezigen; dit levert een gemiddelde van 55,5 aanwezigen op. De vergaderfre­<br />

quentie wisselde nogal. In 1874 werd voorgesteld vier keer per jaar bijeen te komen 'om zich<br />

te oefenen in politieke kennis'. 20<br />

Dat aantal werd echter al gauw niet gehaald,- omdat veel<br />

leden pas echt te porren waren voor kandidaatstellingen en voor lokale belangen als stoom­<br />

trein en -tram. Bij meetings bestond hetzelfde patroon: een ophanden zijnde Kamerverkie­<br />

zing trok 150 a 200 personen (niet-leden: 25 cent toegang), een politiek onderwerp verder<br />

van huis, zoals inkomstenbelasting of volksonderwijs, veel minder. Wat de aanwezigheid<br />

door de tijd heen betreft valt geen op- of neergaande curve te ontwaren. De vergaderingen<br />

waren doordeweeks en 's avonds. Meetings ook weieens op zondag, gewoonlijk 's avonds van<br />

half zeven tot half elf. 21<br />

Alle richtingen waren welkom.<br />

Ondanks de vrijzinnig protestantse gezeten burgerlijke dominantie was het tableau de la<br />

troupe niet zelden enerverend. Daartoe droegen de lokale adel en een kleinburgerlijke min­<br />

derheid van winkeliers en neringdoenden bij, maar vooral Willem Nuyens, de gedreven ka­<br />

tholieke dokter/historicus uit het naburige Westwoud. Kwam deze de trap van de De Witte<br />

Engel opstommelen, dan volgde steevast een politieke vechtpartij met de Moderne domi­<br />

nees.<br />

Het gedogen van deze in vrijzinnige ogen achterbakse gladjanus illustreert dat Koss-<br />

manns stellingname - liberaal en toch algemeen, ja zelfs dus algemeen - lokaal, althans te<br />

Hoorn, valt terug te vinden. Maar daar is bij lange na niet alles mee gezegd. Burgerplicht<br />

was zelfs principieel niet liberaal. Of beter gezegd, de liberale meerderheid interpreteerde<br />

het vrijzinnig beginsel zo dat 'aan niemand eenigen eisch gesteld mocht worden omtrent zij­<br />

ne staatkundige richting'. 22<br />

De termen vrijzinnig en liberaal werden overigens door elkaar<br />

gebruikt, hoewel ze niet identiek waren. In Burgerplicht Rotterdam werd bijvoorbeeld het<br />

voorstel verworpen voortaan niet meer van liberale maar van vrijzinnige beginselen te spre­<br />

ken: 'Vrijzinnig toch wil iedereen heeten; terwijl liberaal vooral in de laatste tijd meer be-<br />

16 Gemeenteverslag over 1867, hoofdstuk Verkiezingen.<br />

17 HC, 30 mei 1875.<br />

18 Van Ommen, 'De liberale kiezersvereniging', 81; Bas, 'Gelijkgestemd of gelijkgezind', 15.<br />

19 Janssen Perio, 'Liberale perikelen', 175; Bas, 'Gelijkgestemd of gelijkgezind', 18.<br />

20 HG, 7 oktober 1874.<br />

21 HC, 11 februari 1872 en 28 april 1875. Bijvoorbeeld meeting van 20 mei 1869. HC, 28 mei 1871.<br />

22 HC, 3 mei 1871.<br />

41


De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />

paaldelijk de partijnaam is geworden'. 23<br />

Te Hoorn was men in ieder geval gewoon liberaliteit<br />

nauw te verbinden met algemeenheid of neutraliteit. Men noemde die kleurloosheid, een<br />

epitheton ornans.<br />

Motieven<br />

De kleurloosheid hing nauw samen met de doelstelling van Burgerplicht. In de Rotterdamse<br />

naamgenoot, wat algemeenheid betreft op Hoorn gelijkend, werd het doel scherp geformu­<br />

leerd: 'zedelijke invloed uit te oefenen', met andere woorden, er geen 'politieke club' van te<br />

maken. 24<br />

Het begrip partij werd eenvoudig vereenzelvigd met politieke zedeloosheid. Alleen<br />

kleurloosheid kon, zo meende men overeenkomstig Thorbeckes opvatting, het algemeen be­<br />

lang dienen. Centraal stonden kandidaatstelling en verkiezing. Daarom werd het hoofdzaak<br />

genoemd 'de keuze te vergemakkelijken', vooral door 'voor te lichten, zodat met oordeel ge­<br />

kozen [kon] worden'. Het was ook zaak 'de onverschilligen' op te wekken. Het kiesrecht werd<br />

beschouwd als een hoge morele plicht. De Hoornsche Courant stelde zelfs zonder meer: 'Wie<br />

alzoo zijne stem niet uitbrengt en dat doen kan, die overtreedt de wet, al kan hij deswege<br />

niet door de wet vervolgd worden'. 25<br />

Dat kon niet omdat Thorbecke kennelijk zoveel burger­<br />

zin had verondersteld dat stemplicht niet in zijn conceptie te pas kwam. Stemmen was een<br />

vrije morele daad. Pas latere generaties liberalen gingen, toen de liberale droom van natio­<br />

nale eenheid vervluchtigde, steeds meer tot vrijheid en vooruitgang dwingen: in de kerk de<br />

orthodoxen, in de school de confessionelen, in de nationale opvoeding het hele volk. De op­<br />

komstplicht van 1917 was in zekere zin het sluitstuk van deze liberale dwang tot vrijheid. 26<br />

Ter voorlichting van de kiezers werden in Burgerplicht voordrachten gehouden over zaken<br />

als censusverlaging, kieswetherziening en gemeentebelasting. Rituelen bevorderden de on­<br />

derlinge band en de politieke moraal. In 1873 bijvoorbeeld werd in Burgerplicht 25 jaar<br />

grondwet gevierd. Willem III werd telegrafisch gelukgewenst. Dat was geen cynisme. Tegen<br />

half elf 's avonds vond 'een eenvoudige collation' plaats met 'menige hartelijke (...) dronk<br />

op koning en Vaderland'. 27<br />

Eerder dat jaar had Burgerplicht zich trouwens gekeerd tegen<br />

een adres dat om grondwetswijziging verzocht met als doel gepromoveerden aan het kies­<br />

recht te helpen. Aan de grondwet diende niet te gauw gesleuteld te worden. In 1876 werd<br />

speciaal vergaderd bij gelegenheid van de onthulling, te Amsterdam, van het Thorbeckemo-<br />

nument. 28<br />

De kleurloosheid van Burgerplicht kwam voort uit bewuste en onbewuste motieven. Eerst<br />

de bewuste. Volgens een hoofdartikel in 1872 legden kleurloze kiesverenigingen 'het meeste<br />

gewicht in de schaal' en bevorderden zij 'de mate van staatkundig leven in een district'. Ove­<br />

rigens hield de Hoornsche Courant een zekere distantie in acht. Omstandig werd verklaard dat<br />

zij niet het 'orgaan' van de (kleurloze) Burgerplicht was. Natuurlijk niet, 'want in die ver-<br />

eeniging zijn alle richtingen vertegenwoordigd'. Intussen steunde het blad echter wel de libe­<br />

rale opinies en kandidaten en was zijn politieke redacteur voorzitter van Burgerplicht. Nuy-<br />

23 Janssen Perio, 'Liberale perikelen', 182.<br />

24 Janssen Perio, 'L"lerale perikelen', 182. Zie voor Hoorn bijvoorbeeld HC, 14 mei 1873.<br />

25 HC, 14 mei 1873.<br />

26 Leenders, Benauwde verdraagzaamheid hoofdstuk 14; Te Velde, Gemeenschapszin en plichtsbesef'hoofdstuk IV.<br />

27 HC, 6 maart 1870 en 5 november 1873.<br />

28 HC, 16 maart 1873. Het adres was van 'Orde en Vrijheid' te Kampen. HC, 4 juni 1876, vergadering van 30 mei.<br />

42


De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />

ens mocht graag op deze voor een argeloze lezer toch wel wat onoverzichtelijke situatie wij­<br />

zen. 29<br />

Wanneer las die nu een kleurloze, wanneer een liberale mening? Of bestond au fond<br />

toch geen verschil tussen beide? Hoe het ook zij, de Courant wist drie redenen waarom<br />

kleurloosheid eis was.<br />

Ten eerste bestond te Hoorn een traditie van verdraagzaamheid jegens minderheden, te­<br />

rugreikend zelfs tot de tijd voorafgaand aan de Republiek. Tot beginjaren 1860 maakte het<br />

verdraagzaamheidsbetoog deel uit van de Hoornse 'bestuurskunde'. In de Hoornsche Courant<br />

stonden typische verdraagzaamheidsverhalen met als kern het voorbeeld dat een protestant<br />

gaf aan een katholiek of andersom. Joden speelden altijd de minste viool: jegens hen werd<br />

de overtuigende proeve van verdraagzaamheid geleverd. 30<br />

Een decennium later werd ver­<br />

draagzaamheid een bewijs bij uitstek van vrijzinnigheid genoemd. In Burgerplicht werd<br />

daarom niet geballoteerd. Niet alleen waren kiezers van allerlei pluimage welkom, maar ook<br />

introducés en, wat meer zegt, niet-kiezers. Dat was ongewoon. Te Amsterdam bijvoorbeeld<br />

konden niet-kiezers ten slotte wel lid worden maar slechts na ballotage, te Middelburg ble­<br />

ven ze uitgesloten. 31<br />

Te Hoorn werd hen pas in 1870 het recht van lidmaatschap toegekend.<br />

Reden kan aanvankelijke vrees voor overrompeling zijn geweest. Te Rotterdam werden niet-<br />

kiesgerechtigden in het begin geweerd onder het motto: een kiesvereniging dient geen pro­<br />

paganda te maken. Later voerde te Hoorn bijvoorbeeld een HBS-leraar, niet-kiezer, zelfs<br />

het woord. 32<br />

Meestemmen bij kandidaatstelling mocht hij overigens niet. Te Middelburg<br />

werd zulks gemotiveerd: tegenstanders van een kandidaat zouden die dan makkelijk kunnen<br />

discrediteren, hij was immers door niet-kiezers 'opgedrongen'. 33<br />

Het tweede argument voor kleurloosheid was hoe meer (soorten) zielen, hoe meer vreugd:<br />

immers, zo kon een rijk geschakeerd debat opbloeien. Dat was primair een kwestie van prin­<br />

cipe, want 'overal waar men [het debat] ontwijkt, daar zetelt groote zwakheid van beginsel<br />

of dweepachtige ingenomenheid'. Gedoeld werd op de 'uiterste' partijen, Groenianen en<br />

vooral ultramontanen, waar door rotsvast geloof en ijzeren leiding eenvoudig niets te bedis­<br />

cussiëren zou zijn. Ging het echter over de Amsterdamse Burgerplicht - sinds 1874 bezat<br />

die zelfs een programma - dan werd minder zwaar getild; die mocht zich best liberaal noe­<br />

men, ofschoon zij wel moest weten dat 'het debat er vaak minder afwisselend, minder be­<br />

langrijk was'. 34<br />

Gezien de bonte taferelen in De Witte Engel zou dat weieens een terechte<br />

constatering geweest kunnen zijn. Men werd te Hoorn door de ingebouwde dus permanente<br />

oppositie wel gedwongen beginselen en koers zo precies mogelijk te formuleren.<br />

Het valt nu nauwelijks meer te vatten hoezeer men debat als revolutionair ervoer. In het<br />

Hoornse Nut duurde het vanaf het eerste verzoek in 1862 daartoe zeker vijfjaar voordat het<br />

debat enigszins inburgerde. Voordien beperkte men zich na een voordracht tot applaudisse­<br />

ren. Immers, 'overspreking zou afligt ontaarden in een weinig vrugtbaar of wel in een verbo­<br />

den dispuut over staatkundige en godsdienstige geschillen'. 35<br />

Het debat werd pas mogelijk na<br />

de cultuuromslag in Moderne richting. Overeenkomstig het liberale burgerzin-optimisme<br />

leek de nationale eenheid immers niet langer bedreigd. Deels ook omdat de heilzame uitwer­<br />

king van de lageronderwijswet van 1857 die zeker leek te stellen. Debat leek zo minder riskant.<br />

29 HC, 10 november 1872, 11 juni 1871, 29 oktober en 1 november 1874.<br />

30 Leenders, Benauwde verdraagzaamheid, 331 en 374.<br />

31 G. Taal, Liberalen en radicalen, 103; Van Ommen, 'De liberale kiezersvereniging', 81.<br />

32 HC, 27 april 1870 en 6 juni 1886; Janssen Perio, 'Liberale perikelen', 175.<br />

33 Van Ommen, 'De liberale kiezersvereniging', 48.<br />

34 HC, 10 november 1872.<br />

35 Notulen Nut, Streekarchief Hoorn, 21 januari 1863.<br />

43


De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />

Het debat werd scherp bewaakt. Redevoeringen, behalve die van de voorzitter aan het<br />

begin, werden te Hoorn niet getolereerd. Wie een onderwerp aansneed dat niet op het convocatiebiljet<br />

had gestaan, werd gemaand te zwijgen. Wel bestond de mogelijkheid een buitengewone<br />

vergadering bijeen te roepen op verzoek van een bepaald aantal leden. 36<br />

Ook in<br />

Rotterdam was men streng. Iemand die onbeperkte spreektijd wilde invoeren werd terecht<br />

gewezen.<br />

Procedures werden strikt uitgevoerd. Toen te Hoorn een kandidaat voor een raadszetel<br />

te kennen gaf niet voor verkiezing in aanmerking te willen komen, mocht hij zich pas terug­<br />

trekken nadat hij gekozen was. Stemmen bij acclamatie, zelfs bij een volslagen zekere kandi­<br />

daat, werd nooit gepraktiseerd als in strijd 'met 't begrip van vrije verkiezingen'. Te Rotter­<br />

dam mocht zelfs de kandidatuur voor het raadslidmaatschap van de burgemeester die perio­<br />

diek aftrad niet bij zitten en opstaan worden goedgekeurd. 37<br />

Niettemin verdient juist het tijdvak 1867-1886/87 - althans te Hoorn - de naam: tijdvak<br />

van het (open) debat en/of van de kleurloosheid. In 1886 richtten de Hoornse katholieken<br />

een eigen kiesvereniging op en liepen weg uit Burgerplicht. Nadien zou het debat als zodanig<br />

niet verdwijnen maar wel zijn open, naïeve karakter verliezen. Vanaf 1886 spraken te Hoorn<br />

de 'partijen' niet meer en plein public met elkaar. Behalve misschien voor een borrel was Nuy-<br />

ens niet langer welkom in De Witte Engel.<br />

Zo bezien zijn 1867 en 1886/87 keerpunten te noemen. De vraag is natuurlijk of Rotter­<br />

dam en Hoorn model stonden voor de natie als geheel. Is dat zo, dan zien we de paradox<br />

dat in 1886/87 de liberalen de confessionelen in de schoolstrijd enigszins tegemoet kwamen,<br />

en de afstand staatkundig dus wat afnam, terwijl die in het persoonlijke vlak tegelijkertijd<br />

juist groeide, althans werd geïnstitutionaliseerd. Het een was wellicht het gevolg van het an­<br />

der.<br />

De derde en belangrijkste reden voor de Hoornse kleurloosheid naast verdraagzaamheid<br />

en de garantie voor een levendig debat was uitschakeling van elk mandat impératif. 3&<br />

Dat bond<br />

'volksvertegenwoordigers, behartigers van het algemeen belang, aan een partij en benam<br />

dezen zo de onafhankelijkheid nodig voor die behartiging. Ook al was iemand de liberale<br />

richting toegedaan, ja juist daarom, hij behoorde te allen tijde zelfstandig te blijven.<br />

Enerzijds was dit de echo van de felle angst voor ruggespraak, ontleend aan het beeld van<br />

een corrupte regentenrepubliek en de coteriegeest onder koning Willem I. Volgens het in<br />

Hoorn in de jaren 1850 dominante juste milieu-klimaat behoorden politici niet 'aan den lei­<br />

band' te lopen. Exponent daarvan heette toen juist Thorbecke te zijn met zijn liberale Ka­<br />

merclub. Niet 'discussie en wrijving van denkbeelden' tussen ministers en vertegenwoordi­<br />

ging zouden diens eerste kabinet hebben beheerst, maar 'het zwaartepunt van de Regering'.<br />

Die was de machtigste 'tot aan (..) de Revolutie'. 39<br />

Het citaat geeft overigens ook aan dat<br />

debat vóór 1860 niet per se werd afgekeurd. Het hoorde echter thuis, zo vond het juste milieu,<br />

in het parlement, niet in de lokale omgeving.<br />

Anderzijds, positiever, vloeide de overtuiging dat de ware liberaal zelfs geen lid kon zijn<br />

van de liberale partij voort uit Thorbeckes opvatting zelf. Liberale politiek was zijns inziens<br />

de constitutionele politiek van 1848 en die stond gelijk met het algemeen belang. De een-<br />

36 Bijvoorbeeld HC, 25 december 1881. HC, 17 september 1882 op verzoek van zeventien leden. Niet duidelijk<br />

is hoe groot het vereiste aantal was.<br />

37 Janssen Perio, 'Liberale perikelen', 176 en 179; HC, 11 juli 1883 en 10 november 1872.<br />

38 HC, 10 november 1872.<br />

39 HC, 29 november 1856.<br />

44


De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />

heidsstaat sloot elke intermediair tussen staat en burger uit als vermenging van deelbelang<br />

met algemeen belang. 40<br />

Maar de generatie liberalen van 1870 begon noodgedwongen af te dingen op dit purisme.<br />

Het ging haar bijvoorbeeld te ver elk advies aan de kiezer uit den boze te achten. Diens zelf­<br />

standigheid moest nu ook weer niet overdreven worden voorgesteld. Velen sloten zich im­<br />

mers aan bij de keuze van de lokale kiesvereniging, 'temeer daar ze er vrienden en goede<br />

kennissen hadden'. Ook mocht de Amsterdamse Burgerplicht wel even aan de leiband van<br />

De Grondwet lopen om te voorkomen dat de oude Amsterdamse partij een zege behaalde,<br />

'die men volstrekt niet wil'. 41<br />

Tevens werd niet meer elke aanzet tot partijvorming van de hand gewezen. Op de vraag<br />

of eventuele kandidaten van 'hun politiek gevoelen' blijk mochten komen geven, werd te<br />

Hoorn positief gereageerd. Volgens de Thorbeckiaans gezinde Arnhemsche Courant was dat<br />

'inconstitutioneel': de grondwet verbood ruggespraak met hen die benoemden. Nee, werd<br />

in Burgerplicht opgemerkt, dat zou het geval zijn als er afspraken met kandidaten werden<br />

gemaakt. Het ging echter maar om 'polsvoelingen'. 42<br />

Ook werd te Hoorn het oude 'wie zit die zit'-principe op de tocht gezet, dat inhield dat<br />

periodiek aftredende raadsleden vrijwel automatisch herkozen werden. Te Middelburg wa­<br />

ren de leden van De Grondwet aanvankelijk zelfs verplicht geweest de door haar gestelde<br />

kandidaten te stemmen. Sinds 1861 waren ze daarin vrij. In 1871 verklaarde de Hoornsche<br />

Courant dat de kiezers zich juist niet in de eerste plaats dienden af te vragen 'of zij den aftre­<br />

dende moesten herkiezen. Grondvalsch [was] die meening, want de periodieke aftreding is<br />

enkel en alleen hierom bij de wet vastgesteld, om den kiezer de gelegenheid te geven een an­<br />

deren afgevaardigde te kiezen'. In 1887 werd zelfs reglementair vastgelegd dat aftredende<br />

bestuursleden (van de Centrale Kiesvereeniging voor het district Hoorn) 'niet dadelijk' her­<br />

kiesbaar waren. Te Middelburg waren ze bij periodieke aftreding al in 1861 niet herkies­<br />

baar. 43<br />

De praktijk hinkte overigens wat na. Wanneer kiezers inderdaad raadsleden niet her­<br />

kozen, werd in Burgerplicht gemopperd.<br />

De oppositie<br />

De bewuste, geformuleerde principes die ten grondslag lagen aan de kleurloosheid bevatten<br />

latent ook onbewuste aspecten. Natuurlijk werd het open debat niet alleen voorgestaan om­<br />

dat het zo aangenaam spannend was. Het was ook een liberaal experiment om het gesprek<br />

tussen polariserende groepen gaande en de samenleving flexibel te houden. Een methode<br />

ook om de eenheid, lokaal en nationaal, te sauveren en om de oppositie, katholieken en klei­<br />

ne burgers - die ten dele samenvielen - zoet te houden.<br />

Ook het bezwaar tegen partijvorming had als (sub)doel te voorkomen dat oppositionele<br />

minderheden zich aldus aan de blik van de politieke dominant onttrokken. Een goede in­<br />

druk van de effecten van de kleurloosheid valt trouwens te krijgen uit het gedrag van die min­<br />

derheden.<br />

40 Te Velde, Gemeenschapszin en plichtsbesef, 23.<br />

41 HC, 10 november 1872.<br />

42 HC, 20 december 1874. Zie ook Janssen Perio, 'Liberale perikelen', 178.<br />

43 Van Ommen, 'De liberale kiezersvereniging', 81; HC, 18 juni 1871. Reglement 1887, artikel 4 bij Van Ommen,<br />

80.<br />

45


De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />

De kleinburgerlijke winkeliers dachten niet in termen van enige politieke theorie maar<br />

van plaatselijk commercieel belang. Hun concrete politieke bewustzijn ergerde zich aanvankelijk<br />

vooral aan 'vreemdelingen' van het type Renssen, later aan rijksambtenaren. Niet de<br />

liberale overtuiging van dezen werd gehekeld, maar hun 'stand' en levenswijze. Ze zouden<br />

de stad alleen maar geld kosten, er nauwelijks iets besteden en dan op de koop toe ook nog<br />

via Burgerplicht in de Hoornse Raad belanden.<br />

Grootburgerlijke kleurloosheid en kleinburgerlijk belang botsten. In 1871 werd uit 'vijandigheid<br />

tusschen stand en stand' een raadskandidaat van Burgerplicht niet herkozen. Op<br />

zichzelf was dat al een niet eerder vertoond affront binnen de 'wie zit die zit-cultuur. Erger<br />

heette het te zijn dat 'in het duister was gewroet'. 'Werken in het duister' had bijna iets crimineels,<br />

was een taboe, in zekere zin de tegenpool van kleurloosheid: het zou gaan om bekrompen<br />

eigenbelang tegenover de strijd met open vizier.<br />

De gezeten burgerij bestierf het verwijt echter voor even op de lippen, toen de zondaren<br />

aanvoerden geen gelegenheid te hebben gekregen hun kandidaten aan te bevelen. Er was<br />

meteen gestemd nadat de aftredenden door het (bourgeois)bestuur besproken waren. Kennelijk<br />

had het debat toch ook iets illusoirs. Het 'vrije woord' en de 'vrije gedachte', veelvuldig<br />

vertolkt door woordgoochelaars als predikanten, HBS-leraren en rechters, sloegen 'de kleine<br />

mensjes' dood. Die keken wel uit, zeiden ze, opinies over personen te uiten, omdat dat 'op<br />

hun bestaan [hun nering] gewroken zou worden'. 44<br />

De gezeten heren bonden niet echt in. Pas in 1887 zag het bestuur zich gedwongen een<br />

kleinburgerlijke kandidaat over te nemen, nadat een eerder door haar gekandideerde en vervolgens<br />

gekozen rijksambtenaar de stad al na een halfjaar had verlaten.<br />

Dè tegenstelling te Hoorn was echter protestanten versus katholieken. Grote en kleine protestantse<br />

burgerij vonden elkaar in hun aversie tegen Rome, landelijk aangewakkerd sinds<br />

de jaren 1830. In Hoorn leken de katholieken op te dringen in winkelsector en politiek. Vooral<br />

zij hadden zijde gesponnen bij de kiezersaanwas in het kielzog van 1848. Van 1850 op 1851<br />

was het aantal Hoornse raadskiezers zoals gezegd gestegen van 293 naar 553, minder dan<br />

twee keer zoveel, het katholieke aandeel daarin echter van 30 naar ongeveer 150, vijf keer<br />

zoveel. Dat feit en de godsdienstige agitatie rond 1853 hadden de niet-katholieken wakker<br />

geschud, maar hun tegenstanders mochten toch één, later twee zetels bezetten in een Raad<br />

van dertien. 45<br />

Deze betrekkelijk verdraagzame opstelling was mede te danken aan het toen<br />

nogheersende regenteske verdeel-en heersprincipe. Van 1863 tot 1875 was zelfs een der twee<br />

wethouders katholiek, zij het dat hij van een nogal vrijzinnig type was. Zoals gezegd zat ook<br />

in het eerste Burgerplicht-bestuur nog een katholiek, maar sinds eindjaren 1860 werden ook<br />

de Hoornse katholieken steeds meer met argusogen bezien.<br />

Eind 1871 trok een van de twee katholieke raadsleden zich vervroegd terug en vonden zijn<br />

geloofsgenoten krachtens de inmiddels gegroeide traditie het niet meer dan normaal een<br />

eigen kandidaat voor te stellen. Burgerplicht schoof echter Renssen naar voren. Vermoedelijk<br />

zou de ook bij menig protestant populaire katholieke winkelier in koloniale waren hebben<br />

gewonnen van de 'vreemdeling', ware de politiek-godsdienstige hemel niet extra getroebleerd<br />

geraakt. Inmiddels waren namelijk niet alleen de Gorkumse martelaren (1867), het<br />

Mandement van 1868, de val van Rome, de afstemming van het gezantschap bij de paus<br />

44 HC, 6 augustus 1871 en 30 juli 1871.<br />

45 Leenders, Benauwde verdraagzaamheid, 361-367.<br />

46


De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />

en de Onfeilbaarheid gepasseerd, maar ook hing 1 april 1872 in de lucht, de nationale herdenking<br />

van de val van Den Briel. Renssen won in herstemming. 46<br />

Anderhalfjaar later wensten twee van de vier periodiek aftredende raadsleden niet herkozen<br />

te worden; Renssen was daar één van. De verkiezingsuitslag bracht Hoorn in rep en roer.<br />

De katholieken zouden de kleurloosheid hebben gebruskeerd doordat ze in strijd met alle<br />

gewoonten voor alle vier vacante zetels eigen kandidaten hadden gesteld. Weliswaar waren<br />

de beide herkiesbaren niettemin in eerste stemming herkozen, maar hun was 'zedelijk onrecht'<br />

aangedaan. 47<br />

De katholieken verdedigden zich. Zij hadden indertijd gemeend dat Renssen gekandideerd<br />

en gekozen was 'uit beleefdheid', omdat hij president van Burgerplicht was. Zij hadden<br />

gedacht dat de kiesvereniging het 'de volgende keer' wel zou goedmaken. Zij deden het<br />

overigens voorkomen alsof zij nog het beste van hun opponenten hadden gedacht. Hun 'grief<br />

gold natuurlijk niet de leden van Burgerplicht (..), maar alleen de kiesvereniging als corporatie'.<br />

48<br />

En misschien meenden ze dat oprecht: protestanten waren individueel mogelijk aimabel<br />

genoeg, maar als groep werden zij veelal bevangen door een zekere gêne als het ging om<br />

openlijke steun aan katholieken.<br />

Omgekeerd gaf een protestantse niet-kiezer al evenmin de schuld aan de katholieke Kerk<br />

als zodanig of aan 'de burgers zeiven', maar 'enkel en alleen [aan] treurige verblindheid'.<br />

Dit elkaar wederzijds sauveren sloot aan bij de Hoornse - en misschien wel Nederlandse<br />

- traditie zich nooit tegen andermans geloof als zodanig te keren. De schuld werd altijd elders<br />

gelegd. 49<br />

Beide partijen deden hun best de bestaande toestand, inclusief de machtsverhouding,<br />

tot het algemene te verklaren. Wie er iets aan poogde te veranderen was een drijver<br />

en bedierf de atmosfeer.<br />

Ten slotte werd de 'rondborstigheid' der katholieken door de liberale voorzitter hulde gebracht,<br />

maar hun betoog genegeerd: 'de klove' was toch maar gegroeid en het doel kon de<br />

middelen niet heiligen. Een motie van treurnis werd aanvaard met 41 tegen 2 bij 2 onthoudingen.<br />

50<br />

De katholieken bleven echter 'wroeten', zoals in 1876 nadat het laatste katholieke raadslid<br />

was overleden: Burgerplicht was toen zo 'grootmoedig' een liberaal katholieke rijksambtenaar<br />

te kandideren, maar de 'ondankbare' katholieken stemden opnieuw op een eigen, orthodoxe<br />

kandidaat. Pas bij de herstemming won de liberaal. 51<br />

In 1881 kwam deze te overlijden<br />

en was de voorraad liberale katholieken uitgeput. Omdat de Raad bovendien wegens<br />

bevolkingsaanwas met twee zetels tot vijftien werd uitgebreid, stelde Burgerplicht zowaar<br />

de katholieke winkelier kandidaat en werd deze vervolgens meteen gekozen. In 1883 kwam<br />

zelfs een tweede katholiek in de Raad na in Burgerplicht voorgesteld te zijn door nietkatholieken,<br />

mogelijk een nieuwe katholieke taktiek. De vreugde was echter van korte duur.<br />

Nadat de winkelier in 1885 was overleden, volgde een protestantse liberaal hem op.<br />

46 HC, 24 januari 1872, 4 en 18 februari 1872.<br />

47 HC, 6 en 23 juli 1873.<br />

48 HC, 23 juli 1873.<br />

49 HC, 20 juli 1873; Leenders, Benauwde verdraagzaamheid, 376.<br />

50 HC, 23 juli 1872, vergadering van 22 juli.<br />

51 HC, 12 maan 1876.<br />

47


De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />

Taktieken<br />

Samengevat kenden de Hoornse liberalen - dat is: de niet-katholieken - dus de volgende<br />

spitsvondige praktijk. In de eerste plaats hoort elke volksvertegenwoordiger onafhankelijk<br />

te zijn. Alleen om die kwaliteit mag hij gekozen worden. Het spreekt vanzelf dat iemands<br />

geloofsbelijdenis volstrekt irrelevant is. Of iemand nu protestant, katholiek of jood is, zolang<br />

hij onafhankelijk (en kundig) is verdient hij in aanmerking te komen voor een kandidatuur.<br />

Ten tweede lag in deze praktijk de nadruk op onafhankelijkheid, ofwel: geen ruggespraak<br />

ontvangen. Wie ontvangt die niet? De oprechte liberaal. Dat wil zeggen, de voorstander van<br />

volkomen scheiding van Kerk en Staat, tevens verdediger van openbaar, neutraal, godsdien­<br />

stig gemengd onderwijs. Wie kan die combinatie in zijn persoon verenigen? De oprechte<br />

protestant, bedoeld is: de vrijzinnige protestant, de vrijzinnige jood en de liberale katholiek.<br />

De niet-katholieken handhaafden, in tegenstelling tot de katholieken met hun hang naar<br />

'over de bergen', nauwgezet de illusie maar één identiteit te bezitten: de liberale, de kleurlo­<br />

ze. Dat was opmerkelijk, veel liberalen waren vrijzinnig protestant. 'De vrijzinnigheid',<br />

schrijft Te Velde zelfs, '(..) is te beschouwen als de religieuze pendant van het politiek libera­<br />

lisme'. Zelfs Thorbecke achtte christendom boven geloofsverdeeldheid, een protestants<br />

amalgaam, 'het krachtigste cement' van de staat. Slechts godsdienst kon de op zichzelf onsa­<br />

menhangende individuen verbinden. Na 1870 gingen politiek liberalisme en religieuze vrij­<br />

zinnigheid daarom samen in de strijd tegen de confessionelen. Beide stromingen waren be­<br />

wegingen van de burgerij, beide hechtten aan tolerantie, vrijheid, kritische geest en vooruit­<br />

gangsgeloof en meenden dat alleen hun beginsel toekomst had. Dat zou slechts een kwestie<br />

van volksopvoeding zijn. 52<br />

Des te interessanter is het dat in Burgerplicht nooit openlijk de eigen protestants-liberale<br />

dubbele identiteit werd erkend. Het woord protestant(s) werd er eenvoudig nooit gebezigd.<br />

Aan de katholieken werd het overgelaten de godsdienst in het geding te brengen. Onmiddel­<br />

lijk werden ze daarop aangevallen. Het is de vraag of dat alleen maar taktiek was. Liberalen<br />

beschouwden zich als de kampioenen van de scheiding van Kerk en Staat en loochenden<br />

uit principe al elk religieus fundament in hun politieke voorkeur. Nuyens had al in 1861 in<br />

Een blik op de geschiedenis van onzen tijd zijn best gedaan de zwakheid van die opvatting aan<br />

te tonen. Ook aan het liberalisme zou godsdienst ten grondslag liggen; protestantisme en<br />

liberalisme waren twee handen op één buik en de 'zoogenaamde liberalen (..) vorderen met<br />

het woord verdraagzaamheid in den mond voor zich zeiven het regt tot onverdraagzaam­<br />

heid'. 53<br />

Hoezeer protestantisme en liberalisme samenhingen, verraadt het ingezonden stuk in de<br />

Hoornsche Courant van 'Een protestant die recht voor allen wil': met het oog op het onderwijs<br />

keerde hij zich tegen een katholieke kandidaat. 'Een verdraagzame protestant' ageerde om­<br />

dat katholieken geweigerd hadden liberale heren te stemmen. 54<br />

Een derde element van de liberale praktijk openbaarde zich wanneer een katholiek als<br />

kandidaat werd voorgesteld. Kunnen oprechte liberalen hem eigenlijk wel voorstellen, want<br />

is zo'n katholiek met zijn dubbele loyaliteit jegens het vaderland en Rome te vertrouwen?<br />

Hooguit kan een liberaal een liberale katholiek inbrengen. Door diens standpunt in de on-<br />

52 Te Velde, Gemeenschapszin en plichtsbesef, 8, 39.<br />

53 W.J. F. Nuyens, Een blik op de geschiedenis van onzen tijd (Amsterdam 1861), IV; Leenders, Benauwde verdraagzaamheid,<br />

377-379.<br />

54 HC, 16 april 1867 en 20 juli 1873.<br />

1 »


De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />

derwijskwestie laat deze zien de eerste loyaliteit serieus te nemen. Probleem is echter, waarom<br />

anders wordt zo'n katholiek voorgesteld dan juist omdat hij katholiek is en zo een voorbeeld<br />

van liberaliteit aan de tegenpartij wordt gegeven. Immers, de katholieken, een minderheid,<br />

hebben formeel geen recht op een zetel. Zo'n voorstel is dus eigenlijk onliberaal. Een<br />

principiële liberaal handelt namelijk zonder aanzien des persoons. Verder is mogelijk dat<br />

een katholiek kandidaat wordt gesteld juist omdat hij katholiek is, om het katholieke volksdeel<br />

aan een vertegenwoordiger te helpen. Dat is helemaal uit den boze. 'Een gevaarlijk beginsel'<br />

wordt dan ingevoerd dat de eis van onafhankelijkheid ondergraaft. Kortom, voor een<br />

katholiek is er maar één reële kans. Hij wordt voorgesteld, maar bedankt voor de kandidatuur.<br />

Dat alleen kan zijn ware liberaliteit bewijzen zonder dat de liberale keuzeheren in verlegenheid<br />

hoeven te geraken. Zij kunnen hem dan alsnog kandidaat stellen. 55<br />

Overigens hield niet iedere Hoornse liberaal zich aan deze praktijk. Toen in 1876 de laatste<br />

katholiek uit de Raad was verdwenen, stelde jonkheer Dirk van Akerlaken zelfs een orthodox<br />

katholiek voor: 'Dewijl 1/3 van de bevolking dezer gemeente tot die gezindte [behoort]'.<br />

Zijn argument was negatief: 'Wij [liberalen] ontgaan [zo] de verdenking van exclusivisme'.<br />

56<br />

Vermoedelijk pleitte hij echter in de regenteske traditie: geef ze een ongevaarlijk<br />

stukje van de macht, dan houden we ze zoet. Van Akerlaken kreeg niet zijn zin: een liberale<br />

katholiek werd gekandideerd. Het verzet was geleid door Adriaan van Eek, voorzitter van<br />

Burgerplicht en broer van een liberaal Kamerlid.<br />

Eigenlijk verschilden de heren van mening over de functie van de Raad. Volgens Van Eek<br />

was die 'een zuiver administratief lichaam'. 57<br />

Hij volgde hierin Thorbecke die gesteld had<br />

dat provincie en gemeente delen in het geheel waren, geen intermediairen. Ze hadden die<br />

laatste functie vóór 1848 bezeten, hetgeen weerspiegeld was in hun uitgesproken standskarakter.<br />

58<br />

De Gemeentewet van 1851 schreef dan ook louter de opstelling van verordeningen,<br />

van een begroting, politie, belastingheffing en dergelijke voor. Van Eek maakte geen onderscheid<br />

tussen lokaal en nationaal niveau. Volgens de jonker, man van de bestuurspraktijk<br />

die in vrijwel elk lichaam zat tot de Tweede Kamer toe, kon het algemeen belang in een heterogene<br />

maatschappij slechts behartigd worden indien de delen van het volk zoveel mogelijk<br />

tot hun recht kwamen. Slechts één beperking kende hij: het openbare onderwijs. Was het<br />

om een Kamerzetel gegaan, dan zou hij daarom een katholiek 'nimmer hebben gesteund',<br />

maar 'in den Raad moeten verschillende mannen [vertegenwoordigd] zijn'. 59<br />

Het is intussen<br />

zeker niet zonder betekenis dat nog tot 1892 - het jaar van zijn dood - een dergelijk onmiskenbaar<br />

patricisch geluid uit een liberale mond viel te beluisteren. Het zijn zulke heren die<br />

mede een brug hebben geslagen naar de invoering van de evenredige vertegenwoordiging<br />

in 1917.<br />

Ook aan Hoornse katholieke zijde valt wel een pleidooi voor evenredigheid te vinden, namelijk<br />

in 1873, zij het nog retorisch verpakt. Gevraagd werd toen of katholieken geen 'recht'<br />

hadden op vertegenwoordiging krachtens hun 'niet gering aandeel in de gemeentelasten'.<br />

Ofschoon het betoog nog weinig indruk maakte, was het intussen wel de eerste aankondiging<br />

te Hoorn van wat veel later in de verzuiling praktijk zou worden: elke zuil ontvangt een eigen<br />

aandeel overeenkomstig haar bijdrage in de belastingen.<br />

55 Janssen Perio, 'Liberale perikelen', 177, beschrijft zo'n Werdegang van een katholieke kandidaat te Rotterdam.<br />

56 HC, 2 februari 1876.<br />

57 HC, 20 juli 1873.<br />

58 Te Velde, Gemeenschapszin en plichtsbesef, 23.<br />

59 HC, 2 februari 1876.<br />

49


De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />

Zoals gezegd vielen de Hoornse katholieken in 1885 weer terug op één zetel. In plaats van<br />

hun voorgangers die gewend waren zich tegenover de liberalen klein te maken, trad een nieu­<br />

we generatie aan die dat weigerde. Een nieuw argument werd aangedragen: wij hebben<br />

recht op meer vertegenwoordiging, want 'er komen in de Raad soms kwesties voor waarbij<br />

de belangen van deze of geene gezindte betrokken zijn'. 60<br />

Het effect in zetels was nihil. Kort<br />

daarop was de katholieke kiesvereniging 'Eensgezindheid' een feit. De 'jongelui' hadden<br />

eindelijk ingezien dat Burgerplicht voor katholieken ook een dwangbuis had gevormd.<br />

Hoewel het voorbeeld van zulke verenigingen elders meegespeeld kan hebben, had Eens­<br />

gezindheid niet zozeer het doel de katholieken te mobiliseren, maar ze los te maken van de<br />

koeionering door Burgerplicht. Typerend is dat zij de ergernis over hun gevangenschap in<br />

het kleverige web van de 'liberale' principes van kleurloosheid en algemeenheid nooit en pu­<br />

blic hadden vertolkt. Mogelijk bestond dat gevoelen vroeger niet eens. Ongetwijfeld had een<br />

gewoonlijk lager opleidingsniveau de katholieken parten gespeeld. Misschien mag het al<br />

moedig worden gevonden dat bij kandidaatstellingen de mond open werd gedaan. Eensge­<br />

zindheid bevrijdde van al die intimiderende omstandigheden. In eigen kring kon men beter<br />

tot zijn recht komen, in beide betekenissen. De stap die tot Eengezindheid leidde, was kort­<br />

om in hoofdzaak het gevolg van de hautaine, tergende, houding der liberalen/niet-katholie-<br />

ken.<br />

En de liberalen? Nog in 1885 had Burgerplicht geweigerd deel te nemen aan de Liberale<br />

Unie, het initiatief van onder andere de Amsterdamse naamgenote. Die wilde volgens een<br />

Hoornse liberaal 'inconsequent' invoeren wat liberalen nu juist bij andere richtingen af­<br />

keurden: 'een hoofdkwartier vanwaar bevelen worden uitgevaardigd (..), een drilsysteem'. 61<br />

Een jaar later werd Burgerplicht door de ontwikkelingen ingehaald. Men was niet eens<br />

gechoqueerd. De Hoornsche Courant schreef zelfs dat het haar verwonderde dat de katholieken<br />

er nu pas toe overgingen. 62<br />

Op 1 juni 1886 bekende Burgerplicht eindelijk kleur: zij werd<br />

officieel liberaal en voerde ballotage in.<br />

Geconcludeerd kan worden dat de politiek-godsdienstige tegenstelling te Hoorn zich als<br />

volgt ontwikkelde. In de jaren 1850 had de stad een regentenbestuur. De dominante Gronin­<br />

ger richting daarin wist zeker dat de geloofsverschillen mettertijd vanzelf zouden verdwij­<br />

nen. Ze mochten daarom niet worden geafficheerd. Omdat het patriciaat voldoende over­<br />

wicht bezat, kon het de protestantse meerderheid ervan overtuigen dat te scherpe polarisatie<br />

versus katholieken haar eigen groepsbelang kon schaden. Het ongebreideld uiten van woede<br />

en haat versterkte weliswaar de groepsband op korte termijn, maar bedreigde de stedelijke<br />

eenheid op langere termijn zozeer, dat de groepsband zou kunnen worden aangetast. Het<br />

leek wijzer andersdenkenden, mits sociaal van voldoende gewicht, wat tegemoet te komen.<br />

De katholieke minderheid werd bijgevolg twee zetels 'toegestaan'. Deze op haar beurt<br />

deed er bij het vigerende stelsel goed aan zich verder gematigd op te stellen. Nu kreeg zij<br />

weliswaar misschien minder dan waarop zij recht meende te hebben, maar toch meer dan<br />

niets, hetgeen de consequentie van polarisatie kon zijn. 63<br />

Dit systeem werd 'verkocht' onder<br />

de juste milieu-v\ag van het algemeen belang.<br />

In de jaren 1870-80 had Hoorn een in feite liberaal, maar kleurloos genoemd, bestuur.<br />

60 HC, 23 juli 1873 en 16 mei 1886.<br />

61 HC, 15 februari 1885.<br />

62 HC, 23 mei 1886.<br />

63 Leenders, Benauwde verdraagzaamheid, 366.<br />

50


i<br />

De lof der kleurloosheid. Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />

De nu vigerende Moderne theologie was er zeker van dat het geloof als zodanig en vooral<br />

het kerkelijk geloof zou verdwijnen. Geloofsverschillen waren niettemin vooralsnog een on­<br />

miskenbaar feit; ze werden zelfs scherper. In de politieke arena vormden ze het strijdpunt<br />

bij uitstek, maar op lokaal niveau mochten ze niet als zodanig worden geafficheerd. De klei­<br />

ne burgerij werd eerder gedwongen dan overtuigd tot het bourgeois-beleid via de 'leerstuk­<br />

ken' kleurloosheid en algemeenheid. Deze waren ook een opnieuw opnemen van het juste<br />

milieu-motief, al was dat nooit helemaal weg geweest. In zekere zin institutionaliseerden de<br />

liberalen - nota bene dè tegenstanders van de oude aristocratie - de regenteske methode.<br />

Ook de verdeel- en heerstechniek werd, zij het op een lager pitje, voortgezet: meestal één<br />

zetel voor de katholieken.<br />

Als het in de macht van de liberale bourgeoisie had gelegen had deze toestand wellicht<br />

ad infinitum voorbestaan. Het waren de overwegend kleinburgerlijke katholieken die er een<br />

punt achter zetten. Zij ontsnapten aan het liberale dwangbuis Burgerplicht en dwongen<br />

haar indirect zichzelf ten slotte liberaal, dus niet langer kleurloos, te verklaren. Het negatie­<br />

ve oordeel over de betrekkelijke onsamenhangendheid van het Nederlandse liberalisme tot<br />

middenjaren 1880 blijkt, tot slot, een anachronisme te zijn.<br />

51


Boekennieuws<br />

Recensies<br />

westen. Hij gaat zelfs nog een stap verder, door<br />

zijn blik ook regelmatig te richten op voor de Re­<br />

Jonathan I. Israël, The Dutch Republic. lts rise, publiek relevante ontwikkelingen in de aangren­<br />

greatness, andfall 1477-1806 (The Oxford Hiszende Duitse gebieden. Hiermee heeft hij ook de<br />

tory of Early Modern Europe, Oxford: Claren- <strong>Holland</strong>se geschiedschrijving een dienst bewedon<br />

Press, 1995, xxx + 1231 blz., ISBN 0-19- zen, aangezien zo de positie van het belangrijkste<br />

873072-1)<br />

gewest binnen de confederatie meer reliëf krijgt.<br />

The Dutch Republic kent een strikt chronologi­<br />

De Nederlandse historicus etaleert heden ten dasche opzet in vier grote blokken: het ontstaan van<br />

ge een sterke voorkeur voor detailonderzoek op de Republiek (1477-1588), de vroege Gouden<br />

de vierkante millimeter. Zelden waagt iemand Eeuw (1588-1647), de late Gouden Eeuw (1647zich<br />

nog aan een synthese van de uitkomsten van 1702) en de eeuw van verval (1702-1806). Binnen<br />

al deze deelstudies over een groter gebied en over deze delen is gekozen voor een thematische on­<br />

een langere periode. Alleen al om die reden is de derverdeling, waarin politiek, economie, religie<br />

verschijning van Israels The Dutch Republic te be­ en cultuur de voornaamste aandachtsgebieden<br />

schouwen als een zeldzaam hoogtepunt in de na­ vormen. Het zwaartepunt in het boek ligt onmisoorlogse<br />

vaderlandse historiografie. Israël, die kenbaar bij de bloeiperiode van de Republiek, die<br />

zich eerder vooral opwierp als een kenner van de maarliefst 725 pagina's opslokt. Beschrijving van<br />

maritieme geschiedenis van de Nederlanden, de neergang vraagt minder dan 200 bladzijden.<br />

presenteert in zijn nieuwe boek de samenhangen­ De illustraties in de Engelse editie - een Nederde<br />

lotgevallen van een ogenschijnlijk merkwaarlandse uitgave is in voorbereiding - zijn schaars,<br />

dig samenraapsel van gewesten, dat als Repu­ kwalitatief matig en gebundeld in het hart van het<br />

bliek der Zeven Verenigde Nederlanden uitgroei­ boek. De vele in de tekst geplaatste landkaartjes<br />

de tot een heuse wereldmacht, maar uiteindelijk zijn daarentegen zeer verhelderend.<br />

verschrompelde tot een kleine pion in het inter­ De auteur baseert zijn relaas primair op benationale<br />

krachtenveld.<br />

staande literatuur. Op diverse plaatsen in het<br />

Zoals zovele Angelsaksische historici voor boek haalt hij daarnaast echter ook oorspronke­<br />

hem, toont ook Israël zich zeer gefascineerd door lijke bronnen aan. Methodologisch zijn hier wel<br />

het politieke, economische en culturele wonder enkele vraagtekens bij te plaatsen. Een blik in de<br />

dat zich op zo'n klein grondgebied voltrok. Dit literatuurlijst leert dat er geen systematisch lite­<br />

leidt bij hem echter niet tot blinde bewondering ratuuronderzoek heeft plaatsgevonden. Bij een<br />

of kritiekloze verheerlijking. De auteur aarzelt dergelijk breed opgezette studie is het weliswaar<br />

geenszins om stelling te nemen of oordelen te vel­ ondoenlijk om kennis te nemen van alle relevante<br />

len. Daarbij is zijn schrijfstijl soepel, helder en literatuur, doch op sommige terreinen toont de<br />

treffend. Waarschijnlijk is het daarom, dat de le­ lijst opvallende hiaten. Met name gaat dit op voor<br />

zer zich van begin tot eind geboeid weet en geen enkele studies van recentere datum over het ka­<br />

moeite heeft om de horde van bijna 1200 pagina's tholicisme in de Nederlanden. Ook voor de men­<br />

te nemen.<br />

taliteitsgeschiedenis heeft Israël geen oog gehad<br />

The Dutch Republic is geen klassiek handboek, of willen hebben.<br />

want Israël is verre van 'onpartijdig'. Het meest Het archiefonderzoek van Israël heeft zich<br />

in het oog springend is zijn keuze voor een klein- klaarblijkelijk geconcentreerd op het opvullen<br />

Nederlandse geschiedopvatting. In tegenstelling van hiaten en is dientengevolge beperkt van om­<br />

tot Pieter Geyl, zijn voorganger op de leerstoel vang gebleven. Welke gevaren er schuilen in een<br />

Nederlandse geschiedenis te Londen, huldigt Is­ dergelijke aanpak wordt bijvoorbeeld zichtbaar<br />

raël de opvatting dat de scheiding tussen Noord op pagina 442, wanneer op grond van een blijk­<br />

en Zuid onvermijdelijk was, op grond van geheel baar vluchtige blik in de Delftse vroedschapsreso­<br />

verschillende ontwikkelingsfasen en omstandigluties geheel ten onrechte geconcludeerd wordt<br />

heden. Deze visie leidt er echter niet toe dat hij dat predikanten en regenten in deze <strong>Holland</strong>se<br />

vervalt in een <strong>Holland</strong>istische benadering. Welis­ stad in 1617 in meerderheid het arminianisme<br />

waar wordt terecht sterk de nadruk gelegd bij de waren toegedaan.<br />

allesoverheersende invloed van het gewest Hol­ Ook het gebruik van literatuur heeft zo zijn riland,<br />

doch Israël slaagt er tegelijk in voldoende sico's, zoals mag blijken op pagina 365, waar Is­<br />

recht te doen aan de inbreng van de andere geraël - overigens in navolging van velen voor<br />

52


hem - het dwaalspoor van Jaanus volgt, die in<br />

zijn biografie van de predikant Arent Cornelisz<br />

de omvang van de Delftse gereformeerde ge­<br />

meente in 1608 volstrekt verkeerd berekende.<br />

Het vaststellen van dergelijke missers maakt<br />

deze lezer wel enigszins wantrouwend ten aan­<br />

zien van de waarde van de informatie op terrei­<br />

nen waarop hij minder goed thuis is. De wijze<br />

waarop Israël op diverse plaatsen in scherpe lij­<br />

nen het religieuze krachtenveld in de Nederlan­<br />

den uittekent, is echter dermate treffend en steek­<br />

houdend, dat ik de geconstateerde onjuistheden<br />

graag beschouw als onvermijdelijke, doch onbe­<br />

tekenende weeffoutjes. Israël weet zich namelijk<br />

uitstekend los te maken van het zwart-wit den­<br />

ken, dat beschouwingen over de godsdienstige<br />

verhoudingen in de Republiek nog al te vaak<br />

overheerst. Dat de meerderheid van de bevolking<br />

zich in de eerste helft van de zeventiende eeuw<br />

(nog) niet had gebonden aan een kerkelijke rich­<br />

ting, wordt haarfijn uit de doeken gedaan, even­<br />

als de grote betekenis van spiritualistische stro­<br />

mingen. Bijzonder veel aandacht besteedt Israël<br />

aan de lotgevallen van de heersende (gerefor­<br />

meerde) kerk. Deze keuze heeft onder meer te<br />

maken met zijn overtuiging dat de Bestands-<br />

twisten tussen arminianen en gomaristen in oor­<br />

sprong weliswaar religieus van karakter waren,<br />

maar uiteindelijk ontaardden in een primair poli­<br />

tieke machtsstrijd. Deze strijd, die na de beslech­<br />

ting van de leergeschillen op de Synode van Dor­<br />

drecht onverminderd doorging, speelde zich af<br />

tussen voorstanders van gewestelijke autonomie<br />

en aanhangers van een generale soevereiniteit.<br />

Voor de eerstgenoemde richting gebruikt Israël<br />

de aanduiding 'politiek arminianisme', welke<br />

denkcategorie praktisch uiterst bruikbaar blijkt,<br />

doch ongetwijfeld zijn bestrijders zal vinden in<br />

historici als Van Deursen.<br />

Niet alleen wegens zijn visies op kerk en poli­<br />

tiek heeft Israël nog jaren stof tot discussie gebo­<br />

den. Ook op tal van andere terreinen etaleert hij<br />

een opmerkelijke kijk op de Republiek. Voor een<br />

deel zijn deze ideeën reeds bekend uit zijn eerde­<br />

re studies, bijvoorbeeld over de ontwikkeling van<br />

de Nederlanden tot zeevarende natie of over de<br />

wortels van het tolerantiedenken in deze regio­<br />

nen. Voor een ander deel zijn ze nieuw. Vrijwel<br />

geen onderwerp blijft in het boek dan ook onaan­<br />

geroerd. Slechts het belang van de Republiek als<br />

boeken-producerende natie had wel wat meer na­<br />

druk mogen krijgen. Misschien zou het recente<br />

boek van De Vries en Van der Woude de auteur<br />

Boekennieuws<br />

hierin de juiste weg hebben kunnen wijzen, doch<br />

dit andere standaardwerk dat wij in 1995 moch­<br />

ten begroeten, verscheen te laat om nog van bete­<br />

kenis te kunnen zijn voor Jonathan Israël.<br />

P.H.A.M. Abels<br />

Jan de Vries en Ad van der Woude, Nederland<br />

1500-1815. De eerste ronde van moderne economi­<br />

sche groei (Amsterdam: Balans, 1995, 894 blz., ƒ<br />

110,-, ISBN 90-5018-281-X)<br />

Vijftien jaar nauwe samenwerking tussen de<br />

Amerikaanse historicus Jan de Vries en zijn Ne­<br />

derlandse vakgenoot Ad van der Woude ging<br />

vooraf aan de publikatie van dit nieuwe over­<br />

zichtswerk over de economische geschiedenis van<br />

de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën.<br />

De auteurs gingen op zoek naar factoren die de<br />

opmerkelijke economische bloei van de Repu­<br />

bliek mogelijk maakten, maar tegelijkertijd ook<br />

in zekere zin beperkten. Zij stelden zich daarbij<br />

tevens tot taak de Nederlandse economische ont­<br />

wikkelingen te plaatsen in het bredere internatio­<br />

nale kader van de Westeuropese economie. Het<br />

resultaat is het hier voorliggende handboek van<br />

meer dan de dubbele omvang die oorspronkelijk<br />

was gepland.<br />

De tot dusverre verschenen overzichten van de<br />

economische geschiedenis van Nederland van de<br />

late middeleeuwen tot het begin van de 19e eeuw<br />

bestonden uit de gebundelde bijdragen van groe­<br />

pen auteurs of monografieën van één of twee<br />

auteurs. J.G. van Dillen kan als een vertegen­<br />

woordiger van beide genres beschouwd worden.<br />

Hij verzorgde in 1954 een algemene bijdrage over<br />

het economisch leven van de Republiek in de<br />

'oude' Algemene Geschiedenis der Nederlanden en<br />

schreef later het bekende handboek Van rijkdom en<br />

regenten, dat in 1970 postuum verscheen. Evenals<br />

andere Nederlandse economische historici voor<br />

hem, liet Van Dillen zich sterk inspireren door de<br />

Duitse historische school met haar sterk institu-<br />

tionalistische, verhalende en feitrijke economi­<br />

sche geschiedschrijving.<br />

De Vries en Van der Woude hebben bewust<br />

met deze traditie gebroken. Zij oriënteren zich op<br />

zowel de Franse Annales-schooX, waarin meer de<br />

nadruk wordt gelegd op de betekenis van econo­<br />

mische, sociale en geografische factoren, als op<br />

de Amerikaanse new economie history, waarin het<br />

economische handelen vanuit een sterk theore-<br />

5:5


Boekennieuws<br />

tisch kader wordt beschouwd en systematisch gebruik<br />

wordt gemaakt van kwantitative gegevens.<br />

Deze Franse en Amerikaanse werkwijzen combinerend,<br />

willen de auteurs komen tot een nieuwe<br />

benadering van de economische ontwikkeling<br />

van Nederland tussen 1500 en 1815. Het aanvangsjaar<br />

markeren de auteurs als het begin van<br />

een lange fase van economische groei in heel<br />

Europa, in welk kader zij de opkomst van de Nederlandse<br />

economie willen verklaren. Veranderingen<br />

van het institutionele kader (het ontstaan<br />

van het Koninkrijk als eenheidsstaat), in de demografie<br />

(een nieuwe, sterke bevolkingsgroei) en<br />

in de prijsontwikkeling (een ombuiging van inflatie<br />

naar deflatie), zijn voor hen aanleiding het<br />

jaar 1815 als logisch eindpunt te fixeren.<br />

Na een eerste inleidend deel gaan de auteurs in<br />

het tweede deel van start met een systematische<br />

schets van de geografie, de conjunctuur, de demografie<br />

en het geldwezen, structuurelementen<br />

die gedurende de door hen behandelde periode<br />

allerminst vaste grootheden blijken te zijn. Zij<br />

benadrukken vervolgens het belang van het ontbreken<br />

van een feodale traditie voor de economische<br />

groei van de Republiek, relativeren de rol<br />

van het calvinisme in de opbloei van de Nederlandse<br />

economie en signaleren een opmerkelijke<br />

integratie van het economisch leven, ondanks de<br />

sterk verbrokkelde politieke structuur van de Republiek.<br />

Na de observaties over deze 'socioculturele'<br />

variabelen, worden in het derde deel de<br />

sectoren van de Nederlandse economie uitvoerig<br />

behandeld: de landbouw, de visserij, de nijverheid<br />

en de handel en scheepvaart, respectievelijk<br />

vóór en na 1650.<br />

In het vierde deel presenteren De Vries en Van<br />

der Woude hun analysen. In afzonderlijke hoofdstukken<br />

nemen zij daarbij eerst de wisselwerking<br />

tussen stad en land als uitgangspunt en vervolgens<br />

de levensstandaard en de arbeidsmarkt. Het<br />

laatste hoofdstuk van het vierde deel gebruiken<br />

de auteurs om de eerder in het boek gesponnen<br />

draden aaneen te rijgen. Onder de noemer<br />

macro-economische beschouwingen wordt daarbij<br />

een periodisering van de economische ontwikkelingen<br />

gegeven en op zoek gegaan naar een<br />

concept om de ontwikkeling van de Nederlandse<br />

volkshuishouding in een internationale context te<br />

presenteren.<br />

Hoewel de auteurs demografische factoren van<br />

wezenlijk belang achten om de economische ontwikkelingen<br />

in de Republiek te kunnen begrijpen,<br />

wijzen zij daarbij resoluut de visie van Ro-<br />

54<br />

bert Thomas Malthus af als een sluitend verklaringsmodel.<br />

Ook willen zij het economische leven<br />

niet met het begrip 'handelskapitalisme' associëren.<br />

De auteurs wensen de Republiek van de 16e<br />

tot de 19e eeuw in economische zin veeleer te beschouwen<br />

als de 'eerste moderne volkshuishouding'.<br />

Met een aan dat concept ontleend begrippenapparaat<br />

schetsen zij de factoren die opkomst<br />

en verval, succes en mislukkingen van de Nederlandse<br />

economie in dat tijdvak in (inter)nationale<br />

context verklaren.<br />

In de afsluitende paragraaf van hun macroeconomische<br />

beschouwingen doen de auteurs<br />

nog een poging om tot een schatting van het Bruto<br />

Nationaal Produkt te komen. Met reserves komen<br />

zij daarbij tot een taxatie van het nationaal<br />

inkomen per hoofd vanaf omstreeks 1660. Gebrek<br />

aan vrijwel alle essentiële informatie belet<br />

hen helaas ook de daarvoor verstreken 'Gouden<br />

Eeuw' in dat opzicht in kaart te brengen, zodat zij<br />

zich tot een even globale als voorzichtige schatting<br />

van de trend in die voorafgaande periode<br />

moeten beperken.<br />

De Vries en Van der Woude hebben zich voor<br />

de vervaardiging van hun handboek gebaseerd<br />

op de reeds verschenen literatuur. Een inventief<br />

gebruik daarvan heeft niet kunnen verhinderen<br />

dat hun analyse op grenzen stuit bij de beschouwing<br />

van relevant geachte facetten van het economisch<br />

leven die tot op heden minder diepgaand<br />

zi jn onderzocht. Het pleit voor de zorgvuldigheid<br />

van de auteurs dat zij aan de daarmee gegeven beperkingen<br />

bij hun schets van de Republiek als<br />

moderne volkshuishouding niet zonder meer<br />

voorbijgaan, maar tekortkomingen in de huidige<br />

kennis expliciet signaleren, om vervolgens te waken<br />

voor het trekken van (te) vergaande conclusies.<br />

De ruime aandacht die door economische geschiedschrijvers<br />

steeds aan het gewest <strong>Holland</strong> is<br />

besteed, heeft De Vries en Van der Woude vele<br />

bouwstenen opgeleverd, maar zij hebben hun<br />

overzichtswerk niet een overdreven '<strong>Holland</strong>s'<br />

karakter gegeven. Het onderwerp van de auteurs<br />

is de economische geschiedenis van de Noordelijke<br />

Nederlanden. Ook in dat ruimere kader blijkt<br />

<strong>Holland</strong> in menig opzicht prominent te fungeren,<br />

maar de schrijvers integreren het duiden van<br />

de economische ontwikkelingen in het <strong>Holland</strong>se<br />

in een analyse van het economisch verband van<br />

de totale Republiek.<br />

Het moge voorts duidelijk zijn dat het handboek<br />

veel meer is dan een samenvattend overzicht


van het tot dusverre verrichte onderzoek. De<br />

nieuwe benadering van De Vries en Van der<br />

Woude heeft ook een nieuw beeld van de econo­<br />

mische bloei van de Republiek opgeleverd. Met<br />

overtuiging presenteren zij die bloei als 'de eerste<br />

ronde van moderne economische groei', mogelijk<br />

gemaakt door een sterke urbanisatie, een relatief<br />

hoog opleidingsniveau, een grote geografische en<br />

sociale mobiliteit en een rijke geldhuishouding en<br />

geschraagd door efficiënte stelsels van belasting­<br />

heffing en armenzorg. Hun schets van de moder­<br />

ne economie en evenzeer moderne samenleving<br />

van de Republiek met haar homo economicus, de ra­<br />

tioneel beslissende mens die erop uit is de econo­<br />

mische omgeving in voor hem gunstige zin te<br />

beïnvloeden, past niet in de lange tijd gangbare<br />

opvatting dat de politieke Revolutie in Frankrijk<br />

en de Industriële Revolutie in Engeland de over­<br />

gang naar een moderne maatschappij markeer­<br />

den. De in die opvatting verankerde voorstelling<br />

van de tegenstelling tussen traditioneel-agrari-<br />

sche en modern-industriële samenlevingen<br />

wordt door de auteurs in de epiloog van hun<br />

werk - het vijfde en laatste deel - met overtuiging<br />

omver gekegeld.<br />

Hoewel opbouw en betoog van het handboek<br />

in dienst staan van het totale concept van de 'eer­<br />

ste moderne volkshuishouding' kunnen ook le­<br />

zers die primair geïnteresseerd zijn in één of meer<br />

aspecten van het economisch leven van de Repu­<br />

bliek, uitstekend bij De Vries en Van der Woude<br />

terecht. Indexen van geografische namen, van<br />

persoons-, familie-, firma- en goederennamen en<br />

van zaken en begrippen waarborgen een goede<br />

toegang tot het werk. Voorts vergroten talrijke ta­<br />

bellen en grafieken het overzichtskarakter van<br />

het handboek. De bronnen waaraan de daarin<br />

verwerkte gegevens zijn ontleend, worden meest­<br />

al vermeld, maar de tekst zelf is door de auteurs<br />

niet geannoteerd. Wie zich verder in de behan­<br />

delde onderwerpen wil verdiepen, moet dan ook<br />

in de Lijst van gebruikte literatuur enig speurwerk<br />

verrichten.<br />

De Vries en Van der Woude verdienen in dub­<br />

bel opzicht lof voor het resultaat van hun langdu­<br />

rige inspanningen. Zij hebben niet alleen een<br />

nieuw overzicht van de economische geschiede­<br />

nis van de Republiek vervaardigd, maar door<br />

hun benadering en concept ook een nieuwe di­<br />

mensie aan die geschiedenis toegevoegd.<br />

A.Ph.F. Wouters<br />

Boekennieuws<br />

Florike Egmond, Op het verkeerde pad. Georgani­<br />

seerde misdaad in de Noordelijke Nederlanden,<br />

1650-1800 (Amsterdam: Bakker, 1994, 317 blz.,<br />

ƒ45-, ISBN 90-351-1319-5)<br />

Een speurtocht in de archivalia van meer dan<br />

driehonderd rechtbanken in <strong>Holland</strong>, Zeeland,<br />

Brabant en Utrecht ging vooraf aan deze studie<br />

van Florike Egmond, een herbewerking van haar<br />

in 1991 verdedigde proefschrift. Op het verkeerde<br />

pad gaande, verdiept de auteur zich in de wereld<br />

van de georganiseerde misdaad op het platteland<br />

van <strong>Holland</strong>, Zeeland en Brabant van 1650-1800.<br />

Onder de noemer 'georganiseerde misdaad'<br />

plaatst zij alle uit vijf of meer personen bestaande<br />

groepen die vermogensmisdrijven pleegden op<br />

een georganiseerde, professionele wijze (herken­<br />

baar door specialisatie, planning en een zekere<br />

mate van continuïteit). Egmond concentreert<br />

zich daarbij op drie hoofdthema's: misdaadpa­<br />

tronen (criminele stijlen), marginale culturen<br />

(invloed van illegale activiteiten op de levenswij­<br />

ze van de betrokken groepen) en beeldvorming<br />

(bij de rechterlijke instanties).<br />

Het eerste deel van de in totaal vijf delen tellen­<br />

de studie functioneert als inleiding. In een eerste<br />

hoofdstuk worden terminologie, begrippenkader<br />

en de genoemde thema's toegelicht. Het tweede<br />

hoofdstuk van de inleiding biedt een algemene<br />

beschouwing over met name de organisatie, pro­<br />

cedures en strafvormen van de rechtbanken en de<br />

verschillen tussen de georganiseerde misdaad op<br />

het platteland en in de steden. In de drie volgende<br />

delen (elk bestaande uit twee hoofdstukken) wor­<br />

den de criminele organisaties onder het ontleed­<br />

mes gelegd, waarbij de auteur in het midden van<br />

de 17e eeuw begint en geleidelijk in de tijd op­<br />

schuift naar het einde van de 18e eeuw.<br />

In het tweede deel, gewijd aan het verband tus­<br />

sen banditisme en oorlog, worden naoorlogse<br />

benden in <strong>Holland</strong> en Zeeland (1615-1720) en mi­<br />

litaire benden in Brabant (1690-1720) geprofi­<br />

leerd. Het derde deel gaat over criminele verban­<br />

den van etnische minderheden en biedt een ana­<br />

lyse van zigeunerbenden (1695-1720) en joodse<br />

netwerken (1690-1800). In het vierde deel wordt<br />

de veranderende structuur van de plattelandson­<br />

derwereld in de 18e eeuw geschetst. Egmond<br />

richt zich daarbij op de toenemende connecties<br />

van joden en zigeuners met christelijke benden in<br />

het Noorden en de groeiende samenwerking tus­<br />

sen de criminele circuits in Brabant.<br />

De auteur behandelt in de drie centrale delen<br />

55


Boekennieuws<br />

van haar studie een groot aantal facetten van het<br />

bendeleven in de Republiek. De factoren die hebben<br />

bijgedragen tot de bendevorming, dc structuur<br />

van de benden, hun operatiegebied, de criminele<br />

specialisaties van de bendeleden, de rol<br />

van de vrouw, de mate van gewelddadigheid cn<br />

tal van andere deelthema's vormen de bouwstenen<br />

voor een even kleurrijk als fascinerend beeld<br />

van de wereld van de georganiseerde misdaad,<br />

dat moeilijk te rijmen valt met de gangbare voorstellingen<br />

van de keurige, saaie Republiek. Het<br />

gemak en het overzicht waarmee Egmond telkens<br />

nieuwe invalshoeken en vraagstellingen aan elkaar<br />

rijgt en de vindingrijkheid die zij bij de interpretatie<br />

van het bronnenmateriaal aan de dag<br />

legt, dwingen respect af. Naar tabellen of grafieken<br />

zal de lezer echter tevergeefs zoeken, omdat<br />

de auteur haar gegevens niet heeft gekwantificeerd.<br />

Zij heeft bewust gekozen voor een kwalitatieve<br />

benadering en blijkt daarbij in staat een uitgebalanceerde<br />

en boeiende analyse te geven,<br />

waarin de nuances zwaarder wegen dan de grove<br />

lijnen.<br />

Aan dit laatste (impliciete) uitgangspunt<br />

houdt Egmond ook vast in het vijfde en afrondende<br />

deel van haar studie, waarin zij haar conclusies<br />

presenteert. Zo constateert zij dat de criminele<br />

verbanden die in de loop van de 17e en de 18e<br />

eeuw op de voorgrond traden, niet zonder meer<br />

in een overzichtelijke lange-termijnontwikkeling<br />

te persen zijn, maar dat elk type bende een geheel<br />

eigen chronologie kende. Daarnaast ontkent de<br />

auteur niet dat factoren als immigratie, armoede<br />

en sociale marginalisering van invloed zijn geweest<br />

op het ontstaan van benden, maar eenduidig<br />

en direct was die invloed allerminst. Veeleer<br />

was er sprake van wisselende combinaties van deze<br />

factoren, die helder moeten worden blootgelegd<br />

om de vorming van specifieke criminele<br />

groepen cn netwerken te kunnen begrijpen.<br />

De geografie van de georganiseerde misdaad<br />

brengt Egmond ook tot interessante observaties.<br />

Regionale verschillen waren volgens haar minder<br />

relevant voor joodse netwerken, zigeunerbenden<br />

en gemengde criminele netwerken aan het einde<br />

van de 18e eeuw. Bij niet-etnische benden kwamen<br />

echter duidelijke regionale tegenstellingen<br />

naar voren. Dergelijke criminele organisaties<br />

vormden zich in <strong>Holland</strong> rond individuele mannen<br />

en vrouwen, die hun banden met de plaatselijke<br />

gemeenschap reeds hadden verloren toen zij<br />

zich in het bendeleven op het platteland begaven,<br />

maar zowel voor zaken als om uit te gaan nog re­<br />

f)()<br />

gelmatig in de steden vertoefden. In Brabant sloten<br />

zich hele families aan bij de benden, die bij<br />

het bedrijven van hun criminele activiteiten juist<br />

in sterke mate steunden op contacten met de<br />

plaatselijke bevolking en zelden belangstelling<br />

hadden voor stedelijke voorzieningen.<br />

Geografische verschillen beïnvloedden ook het<br />

type misdrijven. In het dunbevolkte Brabant<br />

kwamen grootscheepse gewelddadige overvallen<br />

relatie! vaak voor. In <strong>Holland</strong> was het aantal<br />

spectaculaire geweldsmisdrijven daarentegen relatief<br />

klein. Het dichtbevolkte kustgebied vereiste<br />

een meer heimelijke werkwijze op kleinere schaal<br />

om vroegtijdige ontdekking en daarmee aanhouding<br />

te voorkomen.<br />

Ten slotte was er volgens Egmond in de Republiek<br />

ook geen sprake van een homogene en gevaarlijke<br />

subcultuur van criminelen, die zich had<br />

losgemaakt van de 'normale' maatschappij. Dat<br />

de gerechtelijke autoriteiten er belang bij hadden<br />

een dergelijke stereotiepe voorstelling in stand te<br />

houden cn zelfs te voeden, verklaart zij uit de behoefte<br />

om het publiek een tegenbeeld voor te houden.<br />

Op die wijze werd het belang van de openbare<br />

orde benadrukt en de gevestigde burger opgeroepen<br />

zich aan de heersende normen en regels te<br />

houden. Het pleit dan weer voor de speurzin van<br />

de auteur dat zij achter deze door rechterlijke instanties<br />

voorgehouden fagade een veelvoud aan<br />

identiteiten, onderscheidingen en culturele verschillen<br />

heeft ontdekt.<br />

Met een appendix over de strafrechtelijke organisatie,<br />

overzichten van geraadpleegde bronnen<br />

cn literatuur en ccn handzaam register sluit<br />

Egmond haar studie af. Als er dan toch een minpunt<br />

genoemd kan worden, dan betreft het de literatuurverwijzingen.<br />

Door dc vermelding van<br />

auteursnamen, jaartallen van publikatie en paginanummers<br />

in de tekst, wordt de lezer hinderlijk<br />

van de stof afgeleid. Deze kanttekening mag echter<br />

ook beschouwd worden als kissebissen van een<br />

stevig verwende recensent. De auteur verdient alle<br />

lof voor haar diepgaande infiltratie in de onderwereld<br />

van de Republiek. De genuanceerde analyse<br />

van Egmond kan in menig opzicht zelfs model<br />

staan voor de wetenschappelijke benadering<br />

van dc hedendaagse georganiseerde misdaad.<br />

A.Ph.E Wouters


Museumnieuws<br />

Jongens en meisjes. Het leven in het Amsterdamse<br />

Burgerweeshuis<br />

Tentoonstelling - en aanvullingen in de vaste opstelling<br />

- over het Burgerweeshuis<br />

Amsterdams <strong>Historisch</strong> Museum<br />

3 maart t/m 18 augustus 1996, mat/m vr 10.00 tot<br />

17.00 uur; za en zo 11.00 tot 17.00 uur<br />

Het gebouwencomplex waarin het Amsterdams<br />

<strong>Historisch</strong> Museum is gevestigd werd vanaf het<br />

einde van de 16e eeuw tot 1960 bewoond door de<br />

Amsterdamse burgerwezen. In en om het museum<br />

is, zeker voor de kenner, van alles te zien dat<br />

aan dat verleden herinnert. De woorden van<br />

Joost van den Vondel bij de toegangspoort in de<br />

Kalverstraat: 'Hier treurt het Weeskint met gedult<br />

dat arm is zonder zyne schuit (..)', de wand<br />

met kastjes op de 'jongensplaats' of de regentenkamer<br />

binnen in het museum. Toch komt in de<br />

vaste opstelling van het museum, dat de aandacht<br />

vestigt op alle mogelijke aspecten van de geschiedenis<br />

van Amsterdam, deze vroegere functie van<br />

het gebouw niet meer aan de orde.<br />

Daar is nu wat aan gedaan, ten eerste door er<br />

een tentoonstelling aan te wijden en ten tweede<br />

door er ook in de vaste opstelling aandacht aan te<br />

besteden.<br />

Vaste opstelling<br />

De regentenkamer heeft een opknapbeurt gehad<br />

cn is voorzien van uitgebreide beteksting. In het<br />

aangrenzende kaskantoortje wordt aan de hand<br />

van objecten en een video een inleiding gegeven<br />

op de geschiedenis van het Burgerweeshuis vanaf<br />

de oprichting omstreeks 1520. In een ander vertrek<br />

naast de regentenkamer, de 'Van Speykkamer',<br />

kan men zich vergapen aan een curieuze<br />

verzameling 'Speykiana'. De burgerwees J.C.J.<br />

van Speyk (1802-1831) bracht het tot luitenant ter<br />

zee. Tijdens de Belgische opstand raakte zijn kanonneerboot<br />

in de Schelde bij Antwerpen aan lager<br />

wal. In plaats van zich over te geven, stak van<br />

Speyk een brandende sigaar (of een ander brandend<br />

object - niemand kon het navertellen) in het<br />

kruitvat zodat het schip met vriend en vijand de<br />

lucht in ging. De excessieve heldenverering die<br />

hem postuum ten deel viel, is te verklaren uit de<br />

toenmalige identiteitscrisis van de Nederlandse<br />

staat. De uitgestalde objecten, die het Burgerweeshuis<br />

in die periode verwierf, getuigen van de<br />

kitscherige pathetiek van het f9e-eeuwse nationalisme:<br />

niet alleen serviesgoed met de beeltenis<br />

van Van Speyk erop, maar ook restanten van zijn<br />

sjaal en zelfs een stukje van zijn borstkas!<br />

Afb. 1. J. A. Backer, Vier regentessen van het Burgerweeshuis met binnenmoeder en een kind. Olieverf<br />

op doek (2,38 x 2,74 m). Amsterdams <strong>Historisch</strong> Museum, in bruikleen van sociaal-agogisch centrum<br />

Het Burgerweeshuis, Amsterdam.<br />

57


Museumnieuws<br />

Afb. 2. N. van der Waaij, Amsterdamse weesmeisjes voor een stadsprofiel van Amsterdam. Olieverf<br />

op doek (1,37 x 2,10 m). Amsterdams <strong>Historisch</strong> Museum.<br />

Tentoonstelling<br />

Van 7 maart tot 18 augustus is een tijdelijke expositie<br />

over het Burgerweeshuis ingericht. Aan de<br />

hand van foto's en een keur van objecten, van tinnen<br />

lepels, kleding en inschrijfboeken tot schoolspullen<br />

en collectebussen, wordt een beeld gegeven<br />

van het dagelijks leven in het weeshuis. De<br />

nadruk ligt hierbij op de periode van eind vorige<br />

eeuw tot de jaren dertig van deze eeuw. Dankzij<br />

de talrijke reacties op een oproep in de krant kunnen<br />

veel foto's en persoonlijke herinneringen van<br />

wezen getoond worden.<br />

Wellicht is het belangrijkste onderwerp van deze<br />

expositie het gebouw zelf. Bezoekers kunnen<br />

door het hele museum, dwars door de vaste opstelling,<br />

een route volgen waarlangs elf kijkdozen<br />

staan opgesteld. In de dozen zijn afbeeldingen te<br />

zien van dezelfde ruimte in vroeger tijden. Met<br />

een beetje verbeelding verandert de museumzaal<br />

met schilderijen en vitrines in een eetzaal met<br />

lange tafels, waar het geluid van tinnen lepels op<br />

tinnen borden zich vermengt met de stem van het<br />

meisje dat de beurt heeft voor te lezen uit de Bijbel.<br />

Op deze manier krijgt de bezoeker tijdens<br />

een rondwandeling door het museum een indruk<br />

van een klaslokaal, de dokterskamer, de strijkkamer<br />

en de slaapzalen van de jongens en de meisjes.<br />

De dozen vestigen niet alleen de aandacht op<br />

het interieur maar werpen ook een blik naar buiten.<br />

Op de binnenplaatsen spelen kinderen in<br />

hun roodzwarte uniformen en zitten oudere<br />

58<br />

meisjes te breien of te naaien. De ramen geven<br />

uitzicht op het gymlokaal, en vanaf de bovenste<br />

verdieping is in de verte het Maagdenhuis te zien,<br />

het weeshuis voor katholieke meisjes.<br />

De weeskamer<br />

De geschiedenis van de opvang van weeskinderen<br />

is zo oud als de stad. Tot in deze eeuw was de gemiddelde<br />

levensverwachting zo laag, dat grote<br />

aantallen minderjarige kinderen zeker hun<br />

ouders zouden verliezen. Volgens de christelijke<br />

moraal was het de taak van de gemeenschap om<br />

de zorg voor kinderen die geen verwanten hadden,<br />

op zich te nemen. In eerste instantie werden<br />

ze door religieuze instellingen opgevangen; godshuizen<br />

en gasthuizen of kloosters die zich toelegden<br />

op charitatieve activiteiten.<br />

Het lot van wezen en verlaten kinderen hing in<br />

belangrijke mate af van hun sociale achtergrond.<br />

Verweesde kinderen van de burgerij, dat wil zeggen,<br />

van ouders die het poortergeld van de stad<br />

hadden betaald, vielen onder de oppervoogdij<br />

van de burgemeesters. Deze taak werd in de eerste<br />

helft van de 15e eeuw overgedragen aan de<br />

weeskamer. De weeskamer beheerde de goederen<br />

van wezen zolang ze minderjarig waren en hield<br />

toezicht op de voogdij. Als de ouders vreemdelingen<br />

waren, te arm om het poortergeld te betalen,<br />

of als de kinderen te vondeling waren gelegd, bemoeide<br />

de weeskamer zich niet met hen. In een<br />

verordening van Philips van Bourgondië uit<br />

1459, was het kinderen tot hun twaalfde jaar, of


als zij een ambacht leerden, tot hun zestiende<br />

jaar, dan ook toegestaan te bedelen.<br />

De oprichting omstreeks 1520 van het Burgerweeshuis<br />

veranderde weinig aan deze toestand,<br />

omdat daar maar heel weinig kinderen terecht<br />

konden. Alleen poorterskinderen, die bovendien<br />

volle wezen waren, werden opgenomen. De rest<br />

kwam nog steeds niet in aanmerking. In de loop<br />

van de 16e eeuw groeide het aantal ouderloze kinderen<br />

zo sterk, dat het Burgerweeshuis steeds<br />

strengere voorwaarden voor opname ging stellen.<br />

Vanaf 1564 moest minstens één ouder twaalf jaar<br />

poorter geweest zijn en werden bovendien alleen<br />

nog kinderen onder de negen jaar opgenomen.<br />

In de 16e eeuw was het Burgerweeshuis eerst<br />

gevestigd in verschillende huizen aan de Kalverstraat<br />

en het Rokin. Na de Alteratie van Amsterdam<br />

in 1578 werden veel roomse kerkelijke<br />

goederen door het nieuwe hervormingsgezinde<br />

stadsbestuur onteigend. Het Burgerweeshuis<br />

kwam in 1579 in het bezit van onder andere het<br />

Karthuizerklooster buiten de stad en van het Sint<br />

Luciënklooster, dat gelegen was tussen de Kalverstraat<br />

en de Nieuwezijds Voorburgwal. Het<br />

laatstgenoemde, een vrouwenklooster, werd in<br />

1580 in gebruik genomen als weeshuis.<br />

Ondanks de strenge restricties groeide het aantal<br />

kinderen dat in aanmerking kwam voor opname<br />

sterk in de 17e eeuw. Pestjaren als 1601-1602,<br />

1623-1625, en de jaren van oorlog zoals in 1652-<br />

1654, 1665-1667 en 1672-1674 vertoonden vanzelfsprekend<br />

grote pieken. In de jaren dertig en<br />

Museumnieuws<br />

zestig van de 17e eeuw steeg het aantal burgerwezen<br />

twee keer tot tegen de duizend.<br />

Vanaf 1631 huurde het weeshuis het aan de andere<br />

kant van de Begijnensloot gelegen, leegstaande<br />

Oudemannenhuis (in 1663 aangekocht),<br />

dat in gebruik kwam als huisvesting voor de jongens.<br />

Boven de zuilengalerij, aan de noordzijde<br />

van de jongensplaats, kwam de jongensschool.<br />

De toename van het aantal wezen was niet alleen<br />

een probleem voor het Burgerweeshuis. Ook<br />

het Maagdenhuis, dat omstreeks 1570 werd gesticht<br />

en na de Reformatie een rooms-katholiek<br />

meisjestehuis bleef, kon onvoldoende kinderen<br />

onderdak bieden. Pas in de loop van de 17e eeuw<br />

kwamen er andere opvangmogelijkheden. Na de<br />

Reformatie stichtten de verschillende kerkgenootschappen<br />

diaconieën die de zorg kregen over<br />

de 'eigen' armen. In een later stadium bouwden<br />

de meeste diaconieën ook een weeshuis. In 1631<br />

opende het Walenweeshuis de deuren, twintig<br />

jaar daarna het weeshuis van de Engelse gemeente,<br />

in 1656 het Diaconieweeshuis van de Hervormde<br />

Kerk, in 1675 en 1676 de twee weeshuizen<br />

van de Doopsgezinde gemeentes en ten slotte<br />

in 1678 het Luthers Weeshuis. Vanaf 1664 was er<br />

behalve het Maagdenhuis ook nog een roomskatholiek<br />

jongensweeshuis. Ten slotte had ook de<br />

joodse gemeenschap haar eigen wezenzorg.<br />

Aalmoezeniersweeshuis<br />

Toch was al die opvang nog niet genoeg. Kinderen<br />

wier ouders geen poorters of lidmaten van een<br />

59


Museumnieuws<br />

kerkelijke gemeente waren geweest, en 'onechte'<br />

kinderen of vondelingen werden daarom vanaf<br />

ongeveer 1613 opgevangen door een college van<br />

door de stad aangestelde aalmoezeniers of armenvaders.<br />

Zij besteedden deze kinderen bij<br />

pleegouders, tegen betaling van kostgeld. Omdat<br />

de verzorging door die pleegouders niet altijd tot<br />

tevredenheid stemde - veel kinderen liepen nog<br />

steeds haveloos op straat te bedelen - besloot de<br />

stad rond 1665 ten slotte tot de oprichting van een<br />

Aalmoezeniersweeshuis.<br />

Met name de vergelijking met het Aalmoezeniersweeshuis<br />

wijst uit dat de burgerwezen door<br />

de tijd heen een naar verhouding geprivilegeerde<br />

positie hebben gehad. De Amerikaanse historica<br />

Anne Mc Cants rondde in 1995 aan het Massachusetts<br />

Institute of Technology haar dissertatie<br />

af over het Burgerweeshuis, die nog niet gepubliceerd<br />

is. Mc Cants heeft voor haar onderzoek de<br />

rekeningen uit het archief van het Burgerweeshuis<br />

bestudeerd om met name de materiële kant<br />

van het wezenbestaan in kaart te brengen: tot op<br />

de milligram nauwkeurig heeft ze bijvoorbeeld<br />

de samenstelling van de dagelijkse maaltijden in<br />

het weeshuis gereconstrueerd. Uit de resultaten<br />

van dat onderzoek blijkt dat de burgerwezen naar<br />

moderne maatstaven niets te kort kwamen aan eiwitten,<br />

koolhydraten, mineralen en vitamines. In<br />

het Aalmoezeniersweeshuis bevatte het menu<br />

aanzienlijk minder calorieën per kind. De burgerwezen<br />

aten naar verhouding ook meer zuivel,<br />

vis cn vlees. Alleen aan vitamine C kregen ze<br />

waarschijnlijk slechts een tiende binnen van wat<br />

(>()<br />

tegenwoordig als norm geldt. Verse groenten en<br />

fruit werden in de 17e eeuw weinig gegeten. Veel<br />

van de toen voorkomende ziektes en fysieke ongemakken<br />

kwamen voort uit een gebrek aan vitamine<br />

C. Pas met de introductie van de aardappel in<br />

de 19e eeuw als hoofdbestanddeel van de dagelijkse<br />

maaltijd kwam daaraan een einde.<br />

Niet alleen wat de voeding betreft, ook waar<br />

het de overige materiële verzorging aanging hadden<br />

de burgerwezen het relatief goed. De levensverwachting<br />

in het Burgerweeshuis lag aanzienlijk<br />

hoger dan in het Aalmoezeniersweeshuis. Er<br />

was een aparte ziekenafdeling met eigen kook- en<br />

wasgelegenheden. De kinderen sliepen er in de<br />

17e en 18e eeuw hooguit gedrieën in een bed, dit<br />

in tegenstelling tot het letterlijk volgestouwde<br />

Aalmoezeniersweeshuis.<br />

Het onderwijs in het Burgerweeshuis was behoorlijk<br />

en de jongens leerden redelijk gespecialiseerde<br />

beroepen omwille van de toekomstige bestaanszekerheid.<br />

Velen van hen leerden huistimmeren,<br />

scheepstimmeren of zeilmaken. De jongens<br />

die in de stad bij een meester een ambacht<br />

leerden, bewaarden hun gereedschap en andere<br />

eigendommen vanaf 1762 in de kastjes die op de<br />

jongensplaats werden gebouwd. Tijdens de tentoonstelling<br />

is een van de kastjes met dergelijke<br />

spullen ingericht.<br />

Wat de burgerwezen in de 19e eeuw bespaard<br />

is gebleven was het werken in textielfabrieken en<br />

de verplichte overplaatsing in de jaren na 1822<br />

naar de landbouwkoloniën van de Maatschappij<br />

van Weldadigheid. In dat jaar werden na een be-


Museumnieuws<br />

Afb. 5. De kinderschool, 1904. Tegenwoordig is dit zaal 6 van de permanente tentoonstelling over<br />

de geschiedenis van Amsterdam. Fotograaf onbekend, Amsterdams <strong>Historisch</strong> Museum.<br />

sluit van de regering alle wezen en vondelingen<br />

uit de gesubsidieerde weeshuizen naar Ommerschans<br />

in Overijssel overgebracht, waar het werk<br />

in de landbouw zou worden gecombineerd met<br />

onderwijs. In praktijk werden de kinderen er onder<br />

barre omstandigheden uitgebuit. Het Burgerweeshuis<br />

heeft zich hieraan weten te onttrekken<br />

door in die periode overheidssubsidie te weigeren.<br />

Dat was natuurlijk alleen mogelijk doordat<br />

de instelling over aanzienlijke eigen inkomsten<br />

uit bezittingen beschikte.<br />

Eigenlijk is er in het Burgerweeshuis in al die<br />

eeuwen ogenschijnlijk weinig veranderd. Het<br />

17e-eeuwse roodzwarte uniform met de witte<br />

kapjes en oorijzers voor de meisjes en petten voor<br />

de jongens werd pas in 1919 afgeschaft. Mochten<br />

die pakjes al bij volwassenen vertedering teweeg<br />

hebben gebracht - het weeshuis bezit verschillende<br />

idyllische schilderijen van wezen in uniform<br />

- de uniformen werkten stigmatiserend en waren<br />

vooral een belangrijk middel tot controle.<br />

Een burgerweeskind was altijd en overal herkenbaar.<br />

Personeel<br />

Uit de 17e- en 18e-eeuwse archieven komt duidelijk<br />

naar voren dat het personeel niet op pedagogische<br />

kwaliteiten werd aangenomen en dat het<br />

weeshuis niet speciaal was ingericht ter bevordering<br />

van het fysiek en emotioneel welbevinden<br />

van de kinderen. Alles lijkt te hebben gedraaid<br />

om efficiënt koken, kleden, wassen, poetsen,<br />

naaien enzovoort. De regenten waren tevreden<br />

over de bestiering van het weeshuis zolang de kinderen<br />

vrij van schurft en luizen waren en discipline<br />

kenden en zolang iedereen zich stipt aan het<br />

rooster hield en het huishoudboekje klopte. Het<br />

heeft heel lang geduurd voordat opvangen, verzorgen<br />

en opvoeden een beroep werd en men zich<br />

ging bekommeren om de geestelijke gezondheid<br />

van de kinderen. In de loop van de 20e eeuw vond<br />

men dat het oude kloostergebouw niet meer voldeed<br />

aan de eisen van moderne kinderopvang. In<br />

1960 betrokken de kinderen een nieuw gebouw<br />

naar ontwerp van Aldo van Eyck aan het IJsbaanpad.<br />

Deze expositie laat zien dat er aan het einde<br />

van de vorige eeuw ook al het een en ander veran-<br />

61


Museumnieuws<br />

Aft>. 6. De meisjeseetzaal, 1904. Fotograaf onbekend, Amsterdams <strong>Historisch</strong> Museum.<br />

derde. Het aantal kinderen verminderde tot onder<br />

de 200, hetgeen de persoonlijke aandacht ten<br />

goede moet zijn gekomen. Bij de opvoeding en<br />

opleiding werd toen al meer rekening gehouden<br />

met wat het best bij ieder kind paste. Aan het begin<br />

van deze eeuw bleven niet meer alle meisjes<br />

in het weeshuis om huishoudelijk werk en handwerken<br />

te leren. Sommigen gingen buiten het<br />

weeshuis naar school en werden onderwijzeres of<br />

verpleegster of kwamen op een kantoor terecht.<br />

Ook de zomervakanties in Bergen aan Zee, waar<br />

het weeshuis een 'herstellingsoord' inrichtte, golden<br />

in die tijd zeker als een luxe. De toenmalige<br />

weeskinderen die nu nog leven, hebben dan ook<br />

goede herinneringen aan hun kindertijd.<br />

Het oude Burgerweeshuis werd na de verbouwing<br />

in 1975 geopend als Amsterdams <strong>Historisch</strong><br />

Museum. De afbeeldingen in de kijkdozen ma­<br />

62<br />

ken duidelijk dat er tussen 1960 en 1970 ingrijpend<br />

is verbouwd. In het interieur is praktisch<br />

geen steen op de andere blijven staan. Onder het<br />

hele gebouw zijn bijvoorbeeld kelders gegraven,<br />

die dienen als depot voor het museum. Toch blijft<br />

het vroegere interieur van het weeshuis in het<br />

huidige museum herkenbaar, doordat de gevels<br />

met rust zijn gelaten en daarmee ook de grootte<br />

en de hoogte van de ramen intact zijn gebleven.<br />

Zoals de zon naar binnen scheen op de kinderen<br />

in het klaslokaal, zo doet hij dat nog steeds in de<br />

museumzaal.<br />

Erika Kuijpers<br />

Historica, afgestudeerd aan de Universiteit van<br />

Amsterdam met de doctoraalscriptie 'Leren lezen<br />

en schrijven. Onderwijs en alfabetisering in<br />

dc 17e eeuw in Amsterdam' (1995).


Inhoud<br />

28e jaargang nr 1, 1996<br />

J.C.N. Raadschelders<br />

Bestuurders van de stad Purmerend, 1600-1795<br />

Wendy Jansen<br />

Verfrissing van lichaam en geest.<br />

Aspecten van de wandeling in de 17e en 18e eeuw<br />

Jos Leenders<br />

De lof der kleurloosheid.<br />

Een kiezersvereniging, 1867-1886<br />

Boekennieuws<br />

Museumnieuws<br />

Aan dit nummer werkten mee:<br />

Drs Wendy Jansen studeerde in 1993 af als historica aan de Universiteit van Amsterdam.<br />

Momenteel werkt zij onder meer voor Stichting Zaans Museum in oprichting. Adres: Sta­<br />

dionkade 68-111, 1077 VR Amsterdam.<br />

Dr Jos Leenders promoveerde in 1991 te Amsterdam op Benauwde verdraagzaamheid, hachelijk<br />

fatsoen, een studie over de stad Hoorn in het midden van de 19e eeuw. Hij werkt thans aan een<br />

aansluitend boek. Adres: Hoofdstraat 300, 1611 AP Bovenkarspel.<br />

Dr J.C.N. Raadschelders (1955), bestuurskundige en historicus, is verbonden aan de Inter­<br />

facultaire vakgroep Bestuurskunde van de Rijksuniversiteit Leiden. Adres: Faculteit der So­<br />

ciale Wetenschappen, Postbus 9555, 2300 RB Leiden.<br />

Omslagontwerp: Ester Wouthuysen.<br />

Produktie: Uitgeverij Verloren, Larenseweg 123, 1221 CL Hilversum, telefoon 035-6859856,<br />

fax 035-6836557, ISDN 035-6420707.<br />

1<br />

22<br />

38<br />

52<br />

57

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!