klop006nede08_01.pdf

dbnl.nl

klop006nede08_01.pdf

... ......... .... .................................„,„ .•••••• •••

i

4

.. ...,..,:. . .1,1.:,......„,......,.:•::1:::..... ,......„ . ,

...:• „ .......

.:,,,. .. , .,.. :,,....:...1.:::::,:. g..,,........ f, ::.::::, :• • • -.1 :.. ...• ...s...:.,.

'.".".' — .t.-1:-''''.1.'''' ''''' ‘" ''''''. ' 1:' i . ' ''''

.::.:k:::,..,..:.,:...,..::,,,;:-...„:„.„.2„.:,.„„;:g„..:.,,,,:10......,.\ ..'.... ,.. ... ..,:.-:.:

....;‘::::::.!7,11;',::.:::Airi-:4V.:::i.:OP,...:1E.:::':::::::..!;i1.:6iWz.-ii!......,:i.:Y:'..::'11,:'::::::.s..::.,:..::::::::;i'.,::'...:....:;..:i.,.......-.

,.:!:::0:i:::::.,::;:::.:,?:,.:i,..::::ii....:.:::...,...'...::::1';',0....,:;i:4:::,...:.:1:..!,....:;',...q.;.i.1:... .;:::?:.::.a,:...:4.4'E'...:::1.....:'......:.:...,:.,::::::!.,......

..:.'::::::::::::4;:::::......::::.i.....,..,......:::....1:::::.::::......:.....::::..::::.-

'..:,. ..:.::::::::......i.:::::::::.:::;::::..;:,,-;:::„::i:,....::u.:1,..„....::::ii:::.:!:;::.,:,::!...:;.:.....':'.

:',.:;:,...,...f:...,',...::::::.:',:..i..::!:,:.i.::,',./... .::::::-..,:-::,:.:.::::. ... ...................................................................... .,,:::::::..:...,....:.::,:!::.::::,.‘.::::,.:.::,..........

:',,:.....:,:::::::::::.4..:::.;:f.::::;:.,:...:::::,:::::;.:,..:::::":::::::'.‘:;:,:::::,..::,,,:,...:...',.s.,::::.:.:........„:'.....: . ..:.:,,:..::::.'.....;:,.:.:.:,:.:......::.:..:. s:....,..:::.,.:.....

.....,.....:..:..'

:::::::','::'...R.:4.:..ii.s......'....".:....:,......::1::.:.::.:.::.....,::,'......z..::::'...:k.;.i...:‘:',....................................::::::.:'?i:::::......,::::::.:::.:s.:.,:.‘

...;..:).'.:.':...:...:.,...;:.::....:::::....'...::::.,,i..i: ..... :::::::'..,...;:i:::::::..:: :::,:i':'.!':;:::::‘:':i'::::::::.N.7....:.:0:::'4::::::',::.,..:'.;:::...;::,::::''...:::::':':::::'.::i..:;:::::::.....

$

:,:ile,Leit:::;:e4r,;[...„,-;',..:::oftriff....,-,

.::::„:::.::::...:.:,....,:.:....::::.:.::::.:.....,:,:::::::..„...:, .s.,::::::::::::.:i....,...,„.::,....:..:,...:.„:;::::::..::,:.:.;1....:::::,......:::::::::::,.:::.::.,,„:,::::.......:::::.,:.,...,,,


NEDERLAND EN ORANJE

IN

BEELD EN SCHRIFT.


NEDERLAND EN ORANJE

IN

BEELD EN SCHRIFT.

DE GESCHIEDENIS VAN ONS VADERLAND AAN NEERLAND'S

VOLK VERHAALD

DOOR

P. J. KLOPPERS.

.A.C1-1'1'S'I'M DMEI.a-

Deze Uitgave ward vereerd met de inteekening van H.H. N.M. de Koningin en de

Koningin-Moeder der Nederlanden.

--------

AMSTERDAM,

D. LOS.


HOOFDSTUK I.

HET APRIL-MINISTERIE.

De circulaire, door de Utrechtsche vereeniging Koning

en V a d er I and in het licht gegeven, werd in alle, ook zelfs

de kleinste gemeenten van het land verspreid en, vooral door de

krachtige hulp der predikanten, was er nauwelijks een district

of eene stad, waarin niet eene kiesvereeniging gesticht werd,

die het program van de Utrechtsche vereeniging tot het hare

maakte. In elke hoofdplaats van het kiesdistrict werd eene vereeniging

gevormd van gelijkgezinden, die zich ten doel stelde,

de verkiezingen in Protestantschen geest te leiden of zich aan

te sluiten bij reeds bestaande vereenigingen, welke hetzelfde

doel beoogden. De Anti-liberalen op het platte land voegden

zich daarbij of trachtten zich althans met die uit de hoofdplaats

van het district te verstaan, ten einde versnippering van

stemmen en daardoor mislukking van het doel, dat men zich

voor oogen gesteld had, te voorkomen. Zoodra men het Bens

geworden was over den man zijner keuze, werd diens naam

gepubliceerd en hij door de hoofdvereeniging en hare vertakkingen

herhaaldelijk en met den meesten aandrang aanbevolen,

terwijl zooveel mogelijk in overleg en met goedkeuring van de

hoofdleiders gehandeld werd. Bij voorkeur koos men Protestanten

en liefst dezulken, die zich in de Kamer reeds hadden

doen kennen als bestrijders van Rome's invloed.

Natuurlijk werd er van beide zijden hard gewerkt, en

de gevolgen waren te voorzien. Behalve in die gewesten, waar

de Thorbeckianen beslist de meerderheid vormden, of wel daar,


6 DE VERKIEZINGEN.

waar men geheel onder invloed van den priester stond, was de

invloed van de werking der vereeniging K o n i n g en V a d e rland

dan ook zeer voelbaar, en toen het straks in eenige districten

op herstemming aankwam, daalden de goede kansen

der geavanceerd Liberalen nog meer. Mochten ook Maastricht,

Rotterdam en Breda, en voorts Roermond de afgetreden ministers

Thorbecke, Van Bosse en Strens andermaal in het poiitiek

zadel beuren, uit hunne medestanders moesten velen hun

zetel in de Kamer voor hunne tegenstanders ruimen. Zoo vielen

o. a. J. Heemskerk Bz. te Amsterdam, Duller te Zutfen,

Van der Linden en Metman te Gouda, Van Nierop te Hoorn,

terwijl daarentegen de Anti-revolutionairen een negental zetels

wonnen en zich thans op een twaalftal zetels in de Kamer

konden beroemen. ook Groen van Prinsterer nam in de nieuwe

Kamer zijne plaats weder in.

Nauwelijks was de Natie bekomen van de agitatie, door

de April-beweging, de crisis, de ontbinding der AKamer en de

daaropvolgende verkiezingen verwekt, of men zag alweér met

spanning naar de opening der Kamers uit en vooral hield de

vraag, wat de Koning in de gebruikelijke Troonrede wel zou

verklaren, naar aanleiding van de jongste gebeurtenissen, de belangstelling

des yolks gaande. Den Wen Juni verscheen Z. M.

dan ook zelf in de Vereenigde Kamer om de zitting te openen

en sprak het volgende :

„Mijne heeren !

1k ben levendig getroffen geworden, toen onlangs duizenden

rnijner beminde onderdanen, geschokt in hun nationaal

gevoel en verontrust over hunne teederste belangen, zich tot

mij wendden en van mij voorziening tegen het voorwerp hunner

bekommering verlangden.

Doordrongen van mijne verplichting om aller belangen en

rechten te beschermen, heb ik gemeend, mij niet te moeten

vereenigen met den raad, welke mij door de Raadslieden der

Kroon werd gegeven. 1k begreep, dat opvolgen daarvan' de

hoog gestegen bekommering niet opheffen en de onmiskenbare

spanning der gemoederen niet bedaren kon.


DE TROONREDE. 7

Op het alstoen geopenbaard verlangen der ministers, heb

ik aan sommigen hunner ontslag verleend en hen vervangen

door mannen, die mijn vertrouwen bezitten. Ik heb mij verplicht

geacht, in verband daarmede een deel der Vertegenwoordiging

te ontbinden en de kiezers in de gelegenheid te stollen

om te doen blijken van hunne waardeering der omstandigheden.

Thans zie ik mij met genoegen op nieuw omringd door de

beide Kamers der Staten-Generaal, en het is mij een behoefte

geweest, mijne heeren, in persoon uwe vergadering te openen.

Het verheugt mij, dit te kunnen doen onder verblijdende

uitzichten. Gewenschte goede verstandhouding naar buiten, toenemende

ontwikkeling en welvaart naar binnen, zijn de voorteekenen,

waaronder de Wetgevende Macht hare werkzaamheden

mag- hervatten.

Het bezwaar intusschen, waarop ik bij den aanhef het oog

had, is, tot mijn leedwezen, nog niet uit den weg geruimd.

Ik heb hierin getracht te voorzien, zoowel door ophelderingen

uit te lokken daar, vanwaar de wonde, onwillekeurig,

gelijk ik veronderstel, was toegebracht, als door maatregelen

te beramen, in eigen boezem te nemen.

De overtuiging heeft zich bij de Regeering gevestigd, dat

aan vele moeilijkheden alleen door eene wet is tegemoet te

komen.

Het zesde hoofdstuk der Grondwet verzekert rechten aan

de kerkgenootschappen, maar het legt ook aan de Regeering

plichten op, bij welker volbrenging het gezag der wet niet

kan worden gemist.

Het is mijn oogmerk, hiertoe uwe medewerking in te

roepen.

Ik zal dit met te meer vertrouwen doen, naarmate ik verzekerd

ben, dat de geest van gematigdheid en bedaard onderzoek,

aan onzen landaard zoo zeer eigen, bij uwe overwegingen

zal voorzitten, en dat het uwe ernstige zucht zal zijn, gelijk

het de mijne is, het beginsel van godsdienstige verdraagzaamheid,

op onzen bodem sinds lang inheemsch, met kracht


DE INDRUIC.

te handhaven en alles te vermijden, wat verdeeldheid en scheuring

tusschen de zonen van hetzelfde Vaderland zou kunnen

doen ontstaan.

Op die wijze zal het mogelijk zij n, een toestand te doen

geboren worden, waarin door den Staat aan alle kerkgenootschappen

eene gelijke bescherming kan worden verleend, en

waarin zij, in gemeenschappelijke onderwerping aan dezelfde

billijke en onpartijdige wet, waarborgen vinden voor hunne

onderlinge vrijheid en zelfstandigheid.

Het is overigens mijn voornemen in deze zitting alleen die

ontwerpen van wet aan Uwe beraadslagingen aan te bieden,

welke onderwerpen betreffen, die eene spoedige voorziening

eischen.

Ik verklaar alsnu deze vergadering geopend en ik besluit

met den wensch, dat de wijsheid, die van boven is, ook ons

moge opwekken en besturen, opdat onze pogingen ten nutte

van het dierbaar Vaderland zich kenmerken door orde, vredelievendheid

en recht."

Over het algemeen mocht de indruk, welke de Troonrede

maakte op de Natie, niet gunstig genoemd worden. Haar vorm

was te koud en te gematigd, dan dat zij ook maar eenigermate

zou beantwoord hebben aan de hoog gestelde verwachtingen,

die de beide partijen in den lande gekoesterd hadden :

geen hunner vond daarin een weérklank van de wenschen

zijner partij of ook maar eenige overeenstemming met de

koortsachtige opgewondenheid, welke de omstandigheden hadden

veroorzaakt. En wat den inhoud betreft, deze was zoo

dubbelzinnig, dat iedere partij zich met de hoop streelde,

straks hare eigene uitlegging daarvan verwezenlijkt te zien en

daardoor juist aanleiding vond om de tegenpartij te tarten,

welke op hare beurt weder te weinig zekerheid vond om den

aanval of te weren.

Doch niet alleen teleurgestelde verwachtingen deden zich

gelden : de vreeze, dat het anders mocht uitvallen dan men

meende uit 's Konings woorden in optimistische oogenblikken

te kunnen lezen, hield de gemoederen gespannen en onvoldaan,


HET ANTWOORD. 9

Wij erkennen, dat de Regeering inderdaad voor eene moeilijke

taak stond, en willen haar niet beoordeelen, doch alleen

constateeren, dat het haar niet gelukken mocht, eene der partijen

te voldoen. De Roomschen vreesden maar al te zeer,

dat de Regeering met de in uitzicht gestelde wet op de kerkgenootschappen

niets minder bedoelde dan de aan hunne kerk

toekomende constitutioneele vrijheid te beperken en de leiders

der April-beweging duchtten juist, dat de Regeering het voornemen

had, door toegeven en inschikkelijkheid jegens de Roomschen,

de zaak te bemiddelen en achtten de toezegging weinig

in overeenstemming met de taal, door Z. M. bij de aanbieding

van het Amsterdamsche adres geuit. Het adres van antwoord,

door de Eerste Kamer voorgedragen, vond heftige bestrijding

van de zijde van den heer Van Dam van Isselt, terwij1

van Anti-revolutionairen kant scherp protest ingediend werd

door Groen van Prinsterer en Van der Brugghen. Inderdaad,

het antwoord der Kamer op de Troonrede was dan ook zoo

zoetsappig mogelijk, alsof Kamer en Natie niets met elkaar

gemeen hadden en de eerste volstrekt niet mede gevoelde, wat

de laatste in spanning hield. Het was inderdaad weinig meer

dan een echo op de woorden des Konings en geenszins er op

berekend, de Natie te bevredigen door het bewustzijn, dat ze

nu aithans waardig en inderdaad bij de Regeering vertegenwoordigd

werd. Wel werden de adressen van antwoord in beide

Kamers met groote meerderheid aangenomen en ging men

tot de orde van den dag over, oordeelende, dat het overige

behandeld worden kon, als de toegezegde wet op de kerkgenootschappen

straks door de Regeering zou worden ingediend ;

maar ook zelfs tijdelijk kon men den storm niet bezweren.

In het vorige hoofdstuk deelden wij mede, dat het ministerie

Thorbecke, onmiddellijk nadat de inhoud van de Pauselijke

Breve en Allocutie hier bekend geworden was, den Nederlandschen

gezant bij het Roomsche Hof gelast had te vertrekken,

ten einde een openlijk bewijs van de ontevredenheid der

Regeering over de handeling van den Pauselijken Stoel te geven

en daardoor, kon het zijn, het nationaal gevoel te bevredi-


TO DE LIEDEKERCKE.

gen. Nauwelijks was echter het nieu we Ministerie opgetreden, of

de graaf De Liedekercke ontving machtiging van de Regeering

om op zijn post te biijven, aangezien men de gespannen verhouding

tegenover den Pauselijken Stoel niet wilde doen voortduren

en de moeilijkheden niet verzwaren wilde. Men , stond

nu eenmaal voor een voldongen feit en waartoe zou men den

Anti-liberalen en Roomschen nog daarenboven tegen de Regeering

meer in het harnas jagen, dan door den loop der zaken

reeds was geschied ? Integendeel, men dacht er ernstig over om

de onderhandelingen met den Roomschen Stoel te hervatten en

ook Z. M., getuige de ministerieele verklaringen in de Tweede

Kamer, wenschte niets liever. Geen wonder, dat nu de partij

van het gevallen Ministerie luide genoeg uitsprak, dat men

van den godsdienstigen zin der Natie gebruik gemaakt had als

het onfeilbare middel om het ministerie Thorbecke te doen

vallen. Hoe het zij, op last van de Regeering knoopte de graaf

De Liedekercke weder onderhandeling aan met 't hof te Rome

en zond den ioden Mei een nota aan kardinaal Antonelli. Hierin

gaf de gezant uiting aan de smartelijke gewaarwordingen,

die de Pauselijke stukken en de geheele organisatie in Nederland

gewekt hadden en verklaarde hij, dat, ofschoon de Grondwet

aan den Paus het recht toekende, de inwendige regeling

der Roomsche kerk ook hier te lande vast te stellen, diezelfde

Grondwet ook den Koning de verplichting oplegde, de rust des

lands te beschermen en te waken, dat de eene godsdienstige

gezindheid zich geen invloed veroverde ten koste der rechten

van andersdenkenden. In bijzonderheden tredende, vraagde de

gezant, namens de Regeering, den inhoud te mogen kennen van

den eed, welke de Bisschoppen zouden behooren af te leggen

bij hunne aanstelling, en tevens gaf hij den Paus in overweging,

of het ook deze zelf niet oorbaar en nuttig zou voorkomen

om eenige verandering in de organisatie te brengen, met

name vooral tot de keuze der steden Utrecht en Haarlem,

voor de oprichting van een aartsbisdom en een bisdom. Men

erkende, dat de Pauselijke Stoel de historische, herinneringen

rechtens vooroordeelen zou noemen, doch deze vooroordeelen.


DE NOTA 'S. II

waren zoo diep ingeworteld, dat men ze niet buiten rekening

houden kon, zonder de Natie te kwetsen, en daarenboven mocht

de keuze van twee plaatsen, waar zoo weinig Roomschen woonden,

zeker niet gelukkig genoemd worden. De gezant verklaarde,

dat ook de uitdrukking : „herstel der bisdommen in Holland en

Brabant," zooals die in de Pauselijke Allocutie voorkwam, zeer

veel aanstoot gewekt had, daar het wel scheen, als waren de

uitdrukkingen en woorden er op aangelegd om de Natie in

hare historische ontwikkeling te kwetsen, terwijl hij er eindelijk

op wees hoe zij, die de April-beweging in het leven geroepen

hadden, vooral tot het wekken van een schrikbeeld voor het

yolk, gewezen hadden op den inhoud van den bisschoppelijken

eed, zooals die tot heden luidde en waarin de aangestelden

zich verbonden om „ketters en scheurmakers naar hun vermogen

te vervolgen." Daardoor had men aanleiding gevonden naar

de dagen van voorheen te verwijzen, toen inquisitie en brandstapel

de nakoming schenen te zijn van den bisschoppelijken eed.

Den 'sten Juni zond de Kardinaal zijn antwoord in. Wat

de uitdrukking „in Holland en Brabant" betrof, deze was eenvoudig

door de vertaling — de Allocutie en de Breve waren in

het Latijn gesteld — in de Pauselijke stukken geslopen. Het

formulier van den eed werd gewijzigd in dier voege, dat men

daaraan geen aanstoot nemen kon. Met hand en tand echter

handhaafde de Kardinaal het recht des Pausen tot de organisatie

en de vrijheid der Nederlandsche Katholieken om hun

eigen Kerk te regelen naar hunne eigene inzichten, vooral wijl

uit die regeling geenerlei schade voor andere gezindheden voortvloeien

kon. De Paus kon moeilijk treden in eene wijziging der

organisatie, en dat te minder, wijl de instructie der bisschoppen,

met 't oog op eventueel voor te komen moeilijkheden,

zoo voorzichtig mogelijk gesteld was en sommigen der nieuwbenoemden

gelast was, voorloopig althans, hun zetel niet te

vestigen in de hoofdplaats van hun kerkgebied.

Andermaal schreef de gezant nu aan den Kardinaal en

herinnerde deze aan de voorwaarden, welke door het Ministerie

bij den aanvang der zaak gesteld waren en hoe de Pause-


I 2 HET VOLHARDEN.

lijke Stoel in dezen gezegd werd, in gebreke gebleven te

zijn. Voorts wees hij er den Kardinaal op, dat de vasthoudendheid

des Pausen des te meer de invoering van eene wet op

de kerkgenootschappen zou bevorderen, waarbij de toestand

der Roomsche kerk in Limburg en Staats-Vlaanderen er niet

voordeeliger op zou worden, aangezien deze tot heden nog

leefde onder het regime der wet van 1802, door Napoleon

tegelijk met het Concordaat geldig verklaard. Eindelijk verklaarde

de gezant, dat de Regeering de nieuwe regeling in

geen geval voor geldig aannemen kon voor de wet op de kerkgenootschappen

zou aangenomen zijn en dat ze ook onmogelijk

voor dien tijd de nieuw benoemden in hunne waardigheden

en titels zou kunnen erkennen, aangezien al wat tot heden

geschied was, slechts van eene zijde was vastgesteld en derhalve

in geenen deele als een afgedane zaak kon worden beschouwd.

Andermaal antwoordde de Staatssecretaris van den Pauselijken

Stoel. De houding van het hof was, volgens de zienswijze

des Kardinaals, volkomen correct, doch de vrees, die zich

bij andersdenkenden openbaarde, geheel van grond ontbloot,

aangezien de Heilige Vader .niets liever vvenschte dan de beste

verstandhouding te bewaren, niet slechts tusschen zijne regeering

en de Nederlandsche, maar evenzeer tusschen de beide

deelen der Natie. De regeling en het herstel der Bisschoppen

waren wel ter dege een volgens alle overeenkomst afgedane

zaak, waarop de goede trouw geen terugkomen veroorloofde

en de Paus kon zich onmogelijk leenen tot eenige wijziging

in de regeling, daar deze nauw saamverbonden was met „den

aangenomen regel der Algemeene Wetten en de hooge waardigheid

en heilige plichten van het doorluchtig Hoofd der

Kerk."

Er scheen wel geen einde te komen aan de nota's tusschen

de beide staatslieden en men kwam geen stap verder.

De Nederlandsche Regeering was te ver gegaan en de Pauselijke

Stoel was niet bereid om het voordeel, onnadenkend of

althans onvoorzichtig gegund, weder prijs te geven. Toch moest


LIGHTENVELDT 'S REIS.

de Regeering van de eene zijde de Protestanten bevredigen,

waaronder de gisting sterk bleef heerschen, en van de andere

zijde zoeken te voorkomen dat de agitatie, zoo ze al bij de

Hervormden heerschend was, niet onder de Katholieken, door

de Thorbeckianen gesteund, werd opgewekt, bijaldien men

den nadeeligen invloed der regeling zocht te beperken door op

eenmaal gedane toezeggingen terug te komen. Inziende, dat

men door schrift niet vorderde, besloot de Ministerraad den

heer Lightenveldt, den minister van R. K. Eeredienst, uit zijn

midden naar Rome of te vaardigen, opdat de Paus, naar het

later heette, geen verkeerden indruk verkrijgen zou van de

wet op de kerkgenootschappen, welke aan de Tweede Kamer

zou aangeboden worden. Toen nu echter aan dit besluit uitvoering

gegeven werd en de Minister den 3osten Juni naar

Rome vertrok, stak de storm bij vernieuwing op. Aangezien

de Regeering, zelf bekneld tusschen beide partijen, de zaak geheimzinnig

behandelde, gaf men van alle zijden aan argwaan

voedsel. De Hervormden achtten, dat men 's Pausen gevoeligheid

al te zeer ontzag ; sommigen gingen verder en spraken

luide uit, dat de Regeering de Natie om den tuin leidde. De

Roomschen vertrouwden de zaak al evenmin en oordeelden,

dat het de Regeering te doen was om den beer Lightenveldt,

in wien zij bij de indiening van de wet op de kerkgenootschappen

een waardig en krachtig pleitbezorger meenden te

hebben, tijdig te verwijderen, zoodat hij bij de beraadslagingen

in de Kamer niet zou tegenwoordig zijn. Eenigermate konden

zij er de Regeering rechtens eene grieve van maken, dat

zij de belangen van den Roomsch-katholieken Eeredienst, juist

in deze dagen van spanning, aan een Protestant, den minister

van Buitenlandsche Zaken Van Hall, toevertrouwde.

Zooveel is buiten twijfel, dat Lightenveldt zich reeds in

den Ministerraad verklaard had tegen den vorm en den inhoud

van de wet op de kerkgenootschappen, en dat hij juist niet den

wensch uitgesproken heeft om ter beeindiging der moeilijkheden

naar Rome te gaan. Doch even zeker mag aangenomen

worden, dat en de Koning 61, de Ministers uitgingen van het

13


I 4

DE WET , OP DE KERKGENOOTSCHAPPEN.

verlangen om bij beide partijen de spanning weg te nemen, in

plaats van deze door de verwijdering van Lightenveldt te wil-

len vermeerderen. Dat men daartoe deze zond, lag voor de

hand, aangezien men van een Katholiek minister de beeindiging

der gespannen verhouding het best verwachten kon. Belastte

zich Van Hall tijdelijk met de behartiging van het de-

partement, ook dat kan geen verwondering wekken als men

bedenkt, dat wel geen enkele Roomsche Staatsman lust zou

hebben in dit hachelijk tijdsgewricht op te treden, waar aan de

ministerstafel weinig anders voor hem te behalen viel dan onvoldaanheid

en miskenning van de zijde zijner geloofsgenooten.

Onder zulke omstandigheden nu werd de wet op de kerkgenootschappen

den 'sten ' Juli bij de Tweede Kamer ingediend,

en de minister van Buitenlandsche Zaken, Van Hall, nam de

verdediging op zich. Wij willen den inhoud daarvan zakelijk

weergeven. De kerkgenootschappen ontvingen volle vrijheid

om hun godsdienst en alle zaken, hunne kerk betreffende,

vrijelijk te regelen in eigen boezem. Zij waren echter verplicht,

den Koning onmiddellijk volledig kennis te geven van

hunne kerkorganisatie en zijne goedkeuring te vragen op die

bepalingen, welker uitvoering niet plaats hebben kon fonder

medewerking van de Overheid. Wat vooral tot de tegenwoordige

omstandigheden in betrekking stand was, dat geen standplaats

of zetel van een bedienaar van den openbaren eeredienst

mocht worden aangewezen of door een ander vervangen, dan

na goedkeuring der Regeering. Men mocht geen gebouw openen

tot het houden van openbare godsdienstoefening, wanneer de

Regeering dit in strijd achtte met de openbare orde en rust.

Vreemdelingen mochten geene openbare godsdienstoefening hou-

den, dan na vergunning van de Regeering bekomen te hebben.

Geenerlei godsdienstig vertoon werd op den openbaren weg

veroorloofd en zelfs het dragen van geestelijk ambtsgewaad

werd verboden. Slechts met toestemming van den Commissaris

des Konings in de provincie, mochten in eene stad, waar kerken

van meer dan den Genootschap bestonden, de klokken geluid

worden. De Roomsche Bisschoppen zouden door de wet-


PtTITIONNEMENTEN. 5

ten van den Staat kunnen verplicht worden tot een eed van

trouw aan den Koning en de Grondwet. De geestelijke titel,

hoe hoog ook, zou geenerlei r voorrang of recht verleenen

wereldlijke zaken of tegenover belijders van andere godsdiensten.

Geen geestelijke zou zijne standplaats als vast verblijf

kunnen aanmerken, aangezien den Koning het recht verbleef

om in het belang der openbare orde en rust het verblijf, zelfs

op de eenmaal door hem goedgekeurde plaatsen, te ontzeggen

en een andere aan te wijzen.

Geen wonder, dat nu de storm van Roomsche zijde opstak.

Ware het dan ook niet in navolging der Protestanten,

toch werd nu ook van Roomsche zijde een petitionnement op

touw gezet, waartoe in de Noordelijke gewesten door de Redactie

van de Tijd het initiatief genomen werd, terwijl in het

Zuiden Van Son, Luyben en Storm zich aan de spits dergenen

stelden, die de Kamers bewegen wilden om de wet op de

kerkgenootschappen niet aan te nemen. Men beklaagde zich,

en niet geheel ten onrechte, dat de wet met de andere hand

dubbel terug nam, wat zij met de eene gaf en in stede van

de bij de Grondwet verleende vrijheid van kerkregeling in

eigen boezem te handhaven, haar nog sterker dan te voren aan

banden legde. Met dezelfde geestdrift, waarmede door de leiders

der April-beweging gewerkt was, orn zooveel mogelijk

onderteekeningen onder de adressen te bekomen, werkten nu

de geestelijken in hunne parochien, slechts met dit onderscheid,

dat hun taak wat gernakkelijker was, aangezien het gezag van

den priester bij onze Roomsche medeburgers vrij wat meer gewicht

in de schaal legt. 't Gevolg was dan ook, dat er bijna

geen Katholiek gezin in den lande was, waaruit zich niet eene

stem tegen de aanneming van de wet op de kerkgenootschappen

verhief.

Men meene intusschen niet, dat de Hervormden nu het

loppunt van hunne wenschen verkregen hadden. Niet slechts

zou nu de nieuwe regeling der Roomsche kerk haar beslag

ontvangen en de bisdommen, zelfs het aartsbisdom Utrecht, gevestigd

worden ; maar, tnocht nu ook door de wet op de kerk-


z 6 IN DE KAMER.

genootschappen aan de geheele zaak de scherpe angel ontnomen

zijn, die het Protestantsche deel der Natie kwetste —

door zulke beperkende bepalingen voor te schrijven, als waardoor

de invloed der nieuwe titularissen geheel tot het eigen

gebied in den boezem hunner kerk bepaald bleef — en die bepalingen

golden niet slechts de Roomsche, maar evenzeer de

Hervormde Kerk — werd beider vrijheid aan banden gelegd.

Men begreep van die zijde echter, dat men op weinig meet te

hopen had en dat men al zeer tevreden mocht zijn, zoo de

wet aangenomen werd en wel zonder dat er door amendementen

voor de Roomschen nog meer voordeelige wijziging in

werd aangebracht. Men bepaalde er zich derhalve toe om

verzoekschriften bij de Tweede Kamer in te dienen, bij haar

op de aanneming der wet aan te dringen en tegenover de

Roomsche beweging werkte nu op nieuw eene Protestantsche,

welke andermaal haar uitgangspunt in Utrecht vond. De pers

arbeidde krachtig in dien zin mede en ondersteunde alzoo het

Ministerie, overtuigd dat men, aldus handelende, van twee taken

het beste koos.

Intusschen was de verhouding tot den Roomschen Stoel

meermalen het onderwerp van beraadslaging in de Tweede

Kamer geweest. Zoo werd den I2den Juli door Gevers van

Endegeest overlegging van de nota's aan de Kamer gevraagd,

door onze Regeering met de Pauselijke gewisseld, welke dan ook

door den Minister van Buitenlandsche Zaken toegezegd werd.

Toen echter, veertien dagen later, Dommer van Pollersveldt

het Ministerie interpelleerde over de omstandigheid, dat de belangen

van den Roomschen godsdienst aan een Protestantsch

minister waren toeyertrouwd en over het doel der zending van

Lightenveldt, antwoordde de Minister, dat de Regeering alsnog

zich liever niet over die zending wenschte uit te laten en slechts

uit noodzaak besloten had, tijdelijk de portefeuille van Roomschen

Eeredienst met die van Buitenlandsche Zaken te vereenigen.

Dat de Roomsche staatslieden overigens geen lust hadden,

ter wille van de wet op de kerkgenootschappen, hun goeden

naam bij hunne geloofsgenooten te verbeuren, bleek tevens


HET ON DERZOEK. 7

uit de omstandigheid, dat geen enkel Katholiek lid zitting had

willen nemen in de Commissie van Rapporteurs. Toen nu de

wet in de afdeelingen onderzocht was en de Commissie haar

eindrapport in de Kamer gebracht had, werden de beraadslagingen

geopend. En al weder kan onomstootelijk verklaard

worden, dat het de Anti-revolutionairen waren, die, ofschoon

zij hun stem aan de wet gaven, als een protest tegen den

door de Regeering begunstigden, stijgenden invloed van Rome,

toch door hun wakkere bestrijding zooveel mogelijk zorgden,

dat de wet de vrijheid, door de Grond wet aan de Kerkgenootschappen

gewaarborgd, ongeschonden liet. Daartoe hadden zij

den kamp te bestaan tegen de Roomschen, die tegen elk artikel

hunne stem verhieven ; tegen de Liberalen, die wel gaarne

de vrijheid der Kerken besnoeid zagen en tegen de felle bestrijders

van Rome, die in het vuur van hun dweepzieken ijver

voorbijzagen, dat ook de Hervormden last zouden hebben van

elke knellende bepaling, die men der Roomsche Kerk oplegde.

Zij volhardden daarin te meer, wijl de ervaring gedurende het

Koningschap genoegzaam bewezen had, welke noodlottige

gevolgen de in menging der Regeering in godsdienstige aangelegenheden

voor Kerk en Staat beiden hebben kan.

't Was, of er geen einde komen kon aan de beraadslagingen

der Kamer en of geen enkel lid der Vertegenwoordiging

meende zijne roeping vervuld te hebben, indien hij niet, in een

zoo lang mogelijk pleidooi, zijn eigen positie nemen voor of

tegen de wet had omschreven. De zaak was, dat men eindelijk

iets begon te gevoelen van de noodzakelijkheid om de

Natie waarlijk te vertegenwoordigen, en men rekende zich

tegenover zijne kiezers verplicht, in dezen regeeringsmaatregel

althans meer dan gewone belangstelling te doen blijken. Terwijl

de voormalige ministers, Thorbecke, Van Bosse en Strens, nu

als leden der Volksvertegenwoordiging zitting hebbende, een

schoone gelegenheid hadden om de handelingen van de vorige

Regeering te verdedigen, zette Groen van Prinsterer, mede in

naam zijner elf medeleden, uiteen, welke de houding der Anti-

revolutionaire partij tegenover de wet was en wat zij uit de

Dl. VIII. 2


18 DE AANNEMING.

wet geweerd wilde zien. De Grondwet van 1848 was, naar

hunne wijze van zien, echt Anti-ultramontaansch en ging uit van

de meening, dat „de verdediging tegen het herlevend Ultramontanisme

moest gezocht worden in nationale politick, in datgene,

wat de hoofdgedachte is geweest der beweging van April, en

deze is een protest tegen eene politieke greep van de Curie

van Rome in het Staatsrecht van ons Vaderland, een weerstand

bieden aan het Ultramontanisme." Van de zijde der Katholieken

deden zich Van Nispen tot Sevenaer, Dommer van Poldersveldt,

Storm en Van Luyben krachtig gelden. Vooral de

laatste. verzette zich heftig tegen het misbruik, dat men z. i.

van het woord Ultramontaan maakte, waaraan men voor het

yolk, dat de beteekenis van het woord niet wist te schatten,

eene hatelijke uitlegging overliet. Immers alle Katholieken in

Nederland waren Ultramontanen, dat wil zeggen : Pausgezinden.

Hoe krachtig echter de Katholieken zich deden hooren en

hoe zeer zij ook op den steun der Liberalen rekenen konden,

den 25sten Augustus werd de Wet met 41 tegen 27 stemmen

aangenomen. De Anti-revolutionairen en alien, die ten gevolge

van de April-beweging hun zetel in de Kamer hadden verkregen

of behouden, stemden voor. In de Eerste Kamer volgde

de aanneming den 8sten September met 22 tegen r6 stemmen,

waarvan een zevental Protestanten. Twee dagen later ontving

het ontwerp de Koninklijke Sanctie, nog voor de Kamer

uiteenging.

Merkwaardig was het woord, waarmede de minister van

Binnenlandsche Zaken straks de Vereenigde Zitting der Kamers,

in naam des Konings, sloot. Merkwaardig vooral, omdat het

eenig licht werpt op de verwachtingen van de Regeering met

betrekking tot de nieuwe Wet. „De vruchten van het gemeen

overleg," zoo sprak hij, „zullen niet achterwege blijven en de

Wet in deze zitting het laatst tot stand gekomen, in hare

ware beteekenis opgevat en in milden zin ten uitvoer gelegd,

zal, gelijk wij vertrouwen, strekken tot bevordering der eensgezindheid

in den Staat, zonder welke geene betere toekomst,

geen volkswelvaart voor Nederland te wachten is."


'S KONINGS BEZOEK. 19

En de Koning ?

Ook de meest onbevooroordeelde kan het niet geheel zonder

verband met de staatkundige omstandigheden beschouwen,

dat Z. M. den 1 4den der zelfde maand een bezoek aan de

stad Utrecht bracht. Was het wonder, dat en de Anti-revolutionairen

en de leiders der April-beweging daarin een bewijs

zagen, hoe de Koning, gaarne geneigd om zijn Koninklijk

woord, tot de Amsterdamsche deputatie gesproken, krachtiger

te doen gelden, eenvoudig door de banden, welke de constitutie

aanlegde, en door de omstandigheden in de vervulling beperkt

was geworden. En nu herleefde, ondanks de teleurstelling,

die men vooral in Utrecht gevoelde, het nationaal bewustzijn

en men ontving den Koning met een vreugdebetoon, dat aan

Z. M. genoegzaam verzekeren kon, hoe zeer men, de omstandigheden

rekenende en de feiten betreurende, toch met hart

en ziel aan hem persoonlijk en aan zijn huis gehecht was.

Alle pogingen dan ook om van de gelegenheid partij te trekken

en een protest te doen uitgaan tegen de Grondwet van

1848, werden in de geboorte reeds gestuit.

Meer dan ooit werd het duidelijk, dat koning Willem III

als privaat persoon, als telg uit den Oranjestam, met zijn yolk

medeleefde, ook al noodzaakten zijne constitutioneele verplichtingen

hem nu en meer dan eenmaal in zijne regeering — en

't is daarom juist, dat we er hier de aandacht op vestigen —

besluiten te bekrachtigen, welke een ander oordeel zouden

wettigen.

Op denzelfden dag, dat Z. M. Utrecht binnentrok, doortrok

Joannes Zwijnen, de nieuw benoemde Aartsbisschop van

Utrecht, de stad, doch als een onbekende, die het in de gegeven

omstandigheden beter vond, geen feestelijken intocht binnen

de hoofdplaats van zijn gebied te doen. Het was er dan

ook verre van verwijderd, dat de Regeering hem zou toegestaan

hebben, zich als titularis van dien naam in eene stad te

vestigen, waar men zeker liever Z. M. ontving dan den voor

het yolk geincarneerden voorlooper der weleer zoo beruchte

Spaansche Inquisitie. Een phar dagen later waren de nieuw


20

BEVREDIGINGS-POLITIEK.

benoemde prelaten door den minister van Roomsch Katholieken

Eeredienst ontboden, om nader aangaande hunne vestiging te

besluiten. Den aartsbisschop van Utrecht werd Haaren, in Noord-

Brabant, en den bisschop van Haarlem het dorpje Sassenheim

als officieele standplaats aangewezen. Dat den benoemden echter

de vrijheid overbleef, zich als privaatburgers te Utrecht en

te Haarlem te vestigen, was duidelijk, en zoo was feitelijk de

bisschoppelijke hierarchie in Nederland hersteld en, dank zij

de staatsmanswijsheid der Thorbeckianen, een strik over het

land gespannen, waartegen de wet op de kerkgenootschappen

te minder tegenwicht gaf, wiji zij slecht een kerkgenootschap

in zijn invloed beperken kon, zonder tevens ook de rechten

der overige kerkgenootschappen te verkrachten. De gansche

geschiedenis der April-beweging, zooals zij zich ook later in

de historie doet kennen, staat daar als een bewijs, hoe zeer de

politiek der geavanceerd-liberalen in staat zou zijn om, indien

zij niet genoeg tegenwicht ontving, den godsdienstigen burgerkrijg

te brengen.

De staatkundige gedragslijn, door het ministerie Van Hall,

met name in zake de Roomsche kerkhierarchie gevoerd, werd

door hem zelf „de politiek van apaisement" genoemd en na de

opening der Kamer, aan het einde van September 1853, aldus

omschreven :

„Ons geheele gedrag, sinds onze komst tot het Ministerie,

is daar om aan te toonen, dat onze daden gestrekt hebben

om godsdiensttwisten, zoo zij voor het oogenblik niet konden

voorkomen worden, te dempen en te delgen, en ik vlei mij te

mogen zeggen, dat de uitkomst van zaken het goede van den

maatregel, met dat doel genomen, volkomen heeft bevestigd.

Geen van ons zou zich willen bezoedelen met zijne kracht te

zoeken in het aanstoken van eenige partijschap, hoegenaamd

ook."

Doch met zulk een overigens goede bedoeling, vond het

Ministerie zich bij de heropening der Kamers geplaatst tusschen

al de partijen, waarvan geene enkele bevredigd heeten

mocht door zijne daden. Wel was de wet op de kerkgenoot-


DE TOESTAND VAN HET MINISTERIE. 2I

schappen nu aangenomen, maar de toestand van de Regeering

was er niet op verbeterd, het vertrouwen in het Ministerie

gansch niet gesterkt, terwiji de Anti-liberalen, vooral de Anti -

revolutionairen sterk gewonnen hadden door de staatkundige

gebeurtenissen van den laatsten tijd. Groen van Prinsterer, hun

leidsman en hoofd, liet zich daarover in zijn orgaan op de vol-

gende wijze uit :

„Onze denkbeelden hebben in Nederland langen tijd weinig

weérklank ontmoet. Evenwel in het laatste zevental jaren

had er merkbare wijziging plaats . . .- gedeeltelijk door den loop

der omstandigheden in ons eigen land, omdat, onder leiding van

staatslieden van de meest uitnemende begaafdheden, de toepassing

van geliefkoosde begrippen, naar het oordeel althans van

een groot gedeelte der Natie, weinig heeft kunnen teweeg brengen

van hetgeen met de behoefte der Natie, met hare rechten

en vrijheden, overeenkomstig geacht werd. Zoodanig gewij•

zigde gemoedsstemming bestond in het voorjaar van 1853. De

vrijzinnigheid was, eenigermate althans, in diskrediet gebracht.

„Toen heeft het incident plaats gehad, waaraan dit Ministerie

het aanzijn ontleent ; namelijk het bekende l a i s s e r

faire van het vorige Kabinet. Toen ging, bij het overige bezwaar

tegen de vrijzinnige richting, een kreet op : zoo wordt

door het Liberalisme de weg naar het Ultramontanisme gebaand.

Ik gebruik de terminologie der April-beweging. Te meer, dewiji

gelet werd op de uitlatingen in het buitenland, nopens het

exceptioneel en onberekenbaar voordeel, door de vrijzinnige

theorien in Nederland, voor de Ultramontaansche richting vela

-krijgbaar. Van daar verontwaardiging bovenal, omdat, zoo men

meende, onder de leus van „Recht voor alien" het recht der

Protestantsche bevolkilag miskend werd.

„Wat werd er toen van een Ministerie veriangd ? Dit eene,

met handhaving van de Grondwet en van Recht voor alien,

bescherming tegen eene richting, wier theorien (bedoelingen

laat ik daar) in het financieele, in het politieke, in het godsdienstige

gevaarlijk werden gekeurd. Dit is de ware zin en

beteekenis der April-beweging : dat is althans de oorzaak (la


22 GROEN'S OORDEEL.

raison d'être) van dit Ministerie geweest : handhaving van de

Grondwet in christelijk-historischen zin. Ook heti in zoovele

opzichten opmerkenswaardige programma van 26 April 1853,

is in het algemeen tegen de politiek van het vorig Kabinet

gericht. Zoodanig was de vorming van dit bewind.

„Na de verkiezingen viel de algemeene tegenstelling, de

tegenovergestelde politiek weg en bleef er niets over

dan het i n c i d e n t. Ook bleef het niet als rechtmatig beklag ;

het werd g e k w e t s t gevoel, opgewondenheid, lichtgeraaktheid,

voorbijgaande gemoedsstemming, waartegen de politiek ontstond

van a p a i s e m e n t; aangeduid ook met het eenvoudig

en treffend zinnebeeld van een s p o n s, waarschijnlijk om te

kennen te geven, dat uitwissching zooveel mogelijk der vlek

van den historischen oorsprong begeerd werd."

Treffend voorzeker in hare waarheid mag deze schets genoemd

worden, niet slechts, omdat zij het opgetreden Ministerie

zoo juist kenschetste, maar ook, met dankbare erkenning

van den staatkundigen vooruitgang der partij, zoo juist zich

rekenschap wist te geven van de solidariteit der groep, welke

tegen het ministerie Thorbecke opgetreden was. Groen was er

verre van af, om zich illusien te maken aangaande het blijvend

medegaan van zoovelen, welke zich om het vaandel, dat

„strijd tegen de Roomsche hierarchie" predikte, verzameld

hadden.

De gematigd-liberalen gevoelden zich al evenzeer onvoldaan.

Men verweet de tegenpartij, dat Naar gansche streven

niet anders geweest was, dan door voorgewenden ijver voor

het huis van Oranje en het verdedigen van den Hervormden

godsdienst, aan eene partij het roer van den Staat in handen

te geven, met eenzijdige terugzetting van andersdenkenden op

staatkundig terrein en met verkrachting van de Grondwet,

die recht aan alien waarborgde. En waar zij aldus dachten

over de tegenpartij, konden zij wel niet meer vertrouwen hebben

in het Kabinet, dat door die tegenpartij aan het bewind

gekomen was en rekenden het in staat, om met omver werping

van de Grondwet, de voor 1848 bestaande toestanden te


PARLEMENTAIR OF KONINKLIJK MINISTERIE. 23

herstellen. Vandaar, dat zij zich met voorliefde de constitutioneele

partij noemden en met de Katholieken in bond tegen

hen optrokken. Dezen waren natuurlijk fel gebeten op het

Ministerie ter zake van de wet op de kerkgenootschappen en

konden zich niet met hetzelve verzoenen, noch door de omstandigheid,

dat de Wet zoo gematigd mogelijk was gesteld,

noch ook door de gematigde en vredelievende uitvoering. Zij

scholden de leden van Koning en V a d e r 1 a n d en de met

haar gelijkgezinden nu eens de F a k k e 1 p a r t ij, dan de

Utrechtsche f a c t i e, en duidden hun vooral ten kwade, dat

zij, ofschoon gansch niet instemmend met de beginselen der

Anti-revolutionairen, door haat tegen Rome gedreven, het eigen

beginsel op staatkundig terrein aan banden gelegd hadden om

zich met de laatsten te vereenigen.

Wat dan ook en de Anti-revolutionairen en de Katholieken

zoo terecht gevoeld hadden, dat het samengaan van de

Anti-katholieken tijdelijk en zelfs kort zou zijn, werd maar

al te spoedig bewaarheid. In tegenspraak met het vroegere

Ministerie, dat zich gaarne, onafhankelijk van den Koning, de

uitvoerder van parlementaire besluiten rekende, achtte Van

Hall zich, en met betrekking tot de handhaving en uitvoering

der Grondwet, en ten opzichte der Regeering in het algemeen,

's Konings dienaar. Zooals in het ministerieel program omschreven

was, achtte hij, dat de gansche Regeering den Koning

en dien alleen toekwam, terwijl de Ministers daarentegen voor

elke regeeringshandeling verantwoordelijk waren ; dit was naar

zijn uitlegging de bedoeling der Grondwet. Over het algemeen

konden zich de Katholieken daarin meer vinden dan de Thorbeckianen,

die wel achtten, dat de onschendbaarheid van den

Vorst buiten alle staatkundige verschillen moest gehouden worden,

doch overigens meenden, dat het al of niet toepassen van

de beginselen van het Ministerie, met den ganschen aankleve

daarvan, eeniglijk en alleen van de stemming der Kamers ten

zijnen opzichte diende of te hangen. Reeds daarover ontstond

bij de Kamer-debatten, ook zelfs tusschen de zoogenaamd meegaande

leden en het Ministerie, strijd, en ook tusschen de Anti-


24 DE VERKIEZT.NGEN.

Katholieken werd het verschil van beginsel zoo duidelijk, dat

de Roomschen langzamerhand afzagen van hun strijd tegen

Van Hall, om zich vooral tegen de Fakkelpartij te keeren.

Jammer slechts voor het Ministerie, zag het bij de beide

uiterste partijen, de Geavanceerd-liberale en de Anti revolutionaire,

den strijd geconcentreert in handen van twee leiders,

Wier woord, door hun staatsmanstalent en beleid, groot gewicht

in de schaal legde en die tevens tegen elkaar opgewassen

waren. Groen en Thorbecke hadden bovendien dit boven

anderen vooruit, dat zij zich door een belijnd beginsel lieten

regeeren, waarvan Groen zich zelfs noch door de omstandigheden,

noch door de bezwaren der praktijk afbrengen liet. Wat de

Thorbeckianen betreft, kan dit niet verklaard worden : immers

reeds bij de toevallige verkiezingen in November 1853 bleek

het, dat hunne mildheid zich door kansberekening liet leiden.

Eenige benoemingen bij de rechterlijke macht veroorzaakten

de noodzakelijkheid van een verkiezing in Haarlem en Assen.

Voor Haarlem wenschten de Katholieken hun geloofsgenoot

Van Berckel eene plaats te geven, een verlangen, dat niet

onredelijk mocht geacht worden, aangezien ze een groot deel

van de bevolking in het district vertegenwoordigden. De

Liberalen stelden echter daar tegenover J. Heemskerk Bz., in

stede van den kandidaat der Roomschen te steunen, gelijk

dezen zoo menigmaal den Liberalen de meerderheid hadden

bezorgd. De Roomschen gaven toe en Heemskerk nam voor

Haarlem zitting.

Eensdeels door de krachtige aaneensluiting van Katholieken

en Liberalen, anderdeels doordat zich nu reeds verdeeldheid

onder de mannen van de April-beweging deed gevoelen,

gelukte het den Liberalen velen hunner partijgenooten op hunne

plaats in de Kamer te herstellen. Toen namelijk in Juni 1854 de

periodieke verkiezingen voor de helft der leden . van de Tweede

Kamer gehouden werden, werd Huguenin weer in stede van

Sleeswijk Vening gekozen, terwijl Dullert de plaats van Van

der Brugghen voor Zutfen innam. Baud, die voor Rotterdam

gezeten had, werd door Hoynck van Papendrecht vergangen en


KONING WILLEM DE DERDE.


26 DE MINISTERIEELE TAAK.

ook Anemaet nam zijn zetel voor Zierikzee weder in, terwijl

Groen van Priasterer den zijnen voor Zwolle afstaan moest aan

den vroegeren minister van Binnenlandsche Zaken, Van Zuylen

van Nyevelt. Dit was een zwaar verlies voorzeker voor de Antirevolutionaire

partij, welke haar nederlaag vooral te wijten had

aan de krachtige pogingen, door de gezamenlijke Liberale en

Roomsche partij mannen gedaan, niet slechts om den afgetreden

minister althans eenige schadevergoeding te geven voor

het offer, dat hij ter wille van Rome had moeten brengen,

maar ook om het huidige Ministerie te treffen. De wassende

verdeeldheid tusschen de mannen van Kon in g en V a d e r-

1 a n d veroorzaakte, dat in Utrecht zelfs Van Asch van Wijck

plaats maken moest voor den conservatieven burgemeester der

stad, Kien. Gelukkig voor de Anti-revolutionaire partij werd

Groen spoedig, in September 1855, bij eene toevallige verkiezing

te 's-Gravenhage, weder in de Kamer gebracht, ware het

dan ook slechts bij herstemming.

Te midden van de bestrijding, welke het van alle zijden

moest ondervinden, stond het Ministerie voor een zware taak.

Nauwelijks was de verdeeldheid over de kerkelijke regeling

door de aanneming van de Wet op de Kerkgenootschappen

a1thans eenigermate gesmoord, of de Grondwet van 1848 eischte

hare uitvoering in tal van organieke wetten, welke door het

vroegere Kabinet onafgedaan gelaten waren. Reeds beriep men

zich op de toezegging, in de additioneele artikelen der Grondwet

gedaan, dat de wetsontwerpen aangaande de ministerieele

verantwoordelijkheid, de nieuwe rechterlijke organisatie, het recht

van vereeniging en vergadering, het onderwijs en het armwezen,

zoo mogelijk nog in de zitting van 1848 en, bij onverhoopte

vertraging, in elk geval in het volgende zittingsjaar

zouden ingediend worden. Al wilde men ook toegeven, dat de

politieke atmosfeer niet gunstig geweest was tot afdoening van

zaken, toch oefende men gestadig drang op het Ministerie uit

en herinnerde het tevens niet onduidelijk aan de belofte, welke

het zelf had gedaan, wat de regeling der financieele aangele

genheden betreft. Vooral de laatste werd door de liberale partij


BEZUINIGING. 27

met spanning te gemoet gezien : het was immers een gemakkelijk

middel, niet slechts om het huidige Ministerie impopulair

te maken, maar ook om het of te doen vallen Of tot hare

belangen over te halen. Een belasting op het inkomen en de

afschaffing der accijnsen waren het geliefkoosd droombeeld van

het Ministerie Thorbecke en met name van den vroegeren

minister van Financien Van Bosse. Vooral de eerste belasting

was hier van ouds altijd bestreden en toch, de tijden waren

niet gunstig om de Natie daarover tevreden te stellen door

eene afschaffing van accijnsen, nu juist de dure tijden, welke

men doorleefde, hoogere bezoldiging der ambtenaren noodzakelijk

maakten. Toch had het Ministerie Van Hall het inderdaad

wel gemeend, toen het de leuze „bezuiniging," waarbij heel

de Natie leefde, tot de zijne gemaakt en zijn program in een

ministerieele toezegging omgezet had. Wel vormde daarmede

de voortdurende verhooging yan uitgaven een schril contrast,

ook al valt het niet te ontkennen, dat de oorzaak hiervan niet

zoo zeer lag in het minder zuinig beheer of in den invloed,

welke dit Ministerie op de Kamer uitoefende, maar veel meer

in den geheelen staatkundigen toestand, zooals die onder het

Ministerie Thorbecke was ontstaan. Zeer onverdiend was dan

ook het herhaald verwijt van de geavanceerd-liberalen aan het

adres van het Ministerie van Hall, dat dit laatste tot leuze

stelde „bezuiniging," om daarmede de Natie te blinddoeken en

intusschen steeds meer aan te vragen voor Marine, voor Oorlog,

voor Buitenland, enz. Immers Thorbecke had reeds vooruit

voorspeld, dat het nu uit zou zijn met de bezuinigingslief hebberij.

En als nu straks Van Zuylen van Nyevelt in de Kamer

betoogde, dat dit Ministerie den grooten en moeilijken arbeid

van het vorige Ministerie verijdelde, ten gevolge waarvan er

geen tekorten meer, maar overschotten, geen geldleening, maar

schulddelging, geen buitengewone belasting, maar daarentegen

opheffing van drukkende lasten zijn zou, dan is dat woord

gelogenstraft door den toestand zelf, onder de volgende

Ministerien, waarvan Thorbecke het hoofd was en de ziel.

Voorzeker, door schoone beloften had het Ministerie Thor-


28 BEL ASTINGEN.

becke de mindere klassen voor zich weten te veroveren en het

had den tijd niet gehad, deze door zijn daden teleur te stellen.

Derhalve kon zijn partij wonder vrees voor weérspraak

steeds bij de Kabinetten der tegenpartij er op aandringen, dat ze

deze beloften uit zijn program zouden verwezenlijken. Allereerst

drong men aan op de afschaffing van het tonnengeld, dat, zooals

men zeide, de belangen der scheepvaart te na kwam, benevens

op die van de accijnsen voor den Staat op het geslacht

en de invoerrechten van geslacht en versch vleesch. Een desbetreffend

wetsontwerp werd in November 1853 door negen

leden der Kamer bij haar ingediend, te weten door de heeren

De Man, Ter Brugge, Hugenholtz, Van Bosse, Van Hoevell,

Thorbecke, Reinders, Doinmer van Pollersveldt, Van Eik en

Storm, de mannen, die de kern der oppositie tegen het Ministerie

vormden. Zij beweerden, dat het noodig was maatregelen

te nemen om den aanvoer ‘wi levensmiddelen aan te moedigen

en in de duurte daarvan te gemoet te komen, en dat

de toestand van de schatkist deze leniging van den druk, die

door de duurte der levensmiddelen veroorzaakt werd, veroorloofde.

Natuurlijk bzgreep men tegenover deze voordracht voorzichtig

te moeten optreden, wijl men gevaar liep de gunst van

het mindere yolk te verbeuren, dat immers met reden gewoonlijk

de partij kiest van hen, die zijne lasten verminderen willen.

Men mistrouwde de voordracht juist om die reden, en dat te

meer, nu zij uit den kring der Thorbeckianen voortkwam ; men

achtte ze een stormram, door de Geavanceerd-liberalen tegen

het April-ministerie in gebruik genomen. De beraadslagingen

in de Kamer toonden dan ook, dat men in de voordracht veeleer

staatkundige berekening dan zucht tot bezuiniging en tot

verlichting van de lasten des yolks zocht, en straks werd het

met 41 tegen 21 stemmen verworpen.

Natuurlijk schreeuwden de Liberalen bij de verwerping

moord en brand, en terwijl de voorstellers als ware volksvrienden

verheerlijkt werden, stelde men het Ministerie voor als of

onbekend met de drukkende toestanden, waaronder de yolksklasse

leefde, Of ongevoelig voor hare ellende. Geen wonder,


ACCIJNSEN. 29

dat het Ministerie langzamerhand den weg der Liberalen volgen

ging, waarop de gunst des yolks zoo gemakkelijk te verdwenen

viel en waarvan het te minder vervreemd was, omdat het feitelijk

zelf ook liberaal heeten mocht, al ging het in de uitvoering

wat minder ver dan de Thorbeckianen en al had het

zich, door de portefeuille uit handen van het vorige Ministerie

te aanvaarden, daarvan verwijderd, evenals door den steun,

welke het bij de wet op de kerkgenootschappen van Antiliberalen

had aangenomen. Zoo klonk het dan ook bij de opening

der Kamerzitting van de regeeringstafel : „Bij de behandeling

der financieele aangelegenheden zal u blij ken, dat kan

worden besloten tot vermindering van lasten binnen zoodanige

grenzen als door eene gepaste behoedzaamheid worden voorgeschreven.

Met het delgen der schuld zal tevens kunnen worden

voortgegaan."

Er ontstond dan nu ook een ware wedijver, een stormloop

tusschen het Ministerie en de Geavanceerd-liberalen, wie

wel de meeste aanvallen op de belasting zou doen. De Regeering

zelf stelde voor om het tonnengeld op de zeeschepen af te

schaffen. Een vijftal Kamerleden, waaronder Thorbecke en Van

Bosse, dienden een ontwerp in tot afschaffing van den accijns

op de brandstoffen, terwiji een drietal andere leden voorstelden

de belasting op de rogge af te schaffen, en straks de Regeering

de afschaffing van den accijns op het gemaal aanbeval.

De woordvoerders der Anti-liberalen vonden daarin natuurlijkerwijze

aanleiding om het Ministerie te verwijten, dat het

naar het kamp der Thorbeckianen overgeloopen was, en algemeen

verklaarden zij zich dan ook tegen de laatst ingediende

wet bij de beraadslagingen, waar tegenover de Liberalen niet in

gebreke bleven luide te verklaren, dat zij niet zouden rusten

voor de laatste accijnsen verdwenen waren onder den hamer

van den voorzitter. Inderdaad, er scheen voor de mindere yolks •

klasse onder het liberale regime een gulden tijd aan te breken.

De Gemeenteraden wilden bij de hooge Regeering niet achterblijven

en schaffen nu op hun beurt bijne algemeen de accijnsen

op het geslacht, het gemaal en de brandstoffen af. In Juli


30 ORGANIEKE WETTEN.

1855 werd ook het tonnengeld afgeschaft. Daarentegen behield

men de accijnsen op den wijn en werden die op de sterke

dranken zelfs verhoogd, altemaal middelen, waardoor de geavan-

ceerd-liberalen zich meer en meer de volksgunst zochten de

veroveren.

Daarbij bleef het echter niet. Het April-ministerie had op

zijn programma vooral ook uitdelging van de schuld geschreven.

Na den welgelukten aanval op de accijnsen, wilde het door

conversie een stouten stap wagen tot vermindering der schuld,

een gewaagd plan, niet ten onrechte door de tegenstanders een

beurs- en loterijplan genoemd. Het Regeerings-ontwerp strekte

om een bepaald bedrag van de rentegevende Staatsschulden

tot 3 0/0 effecten te herleiden. De minister van Financien, Van

Doorn, trad of en werd door W. Vrolik vervangen, die, ziende

dat het voorstel geduchte tegenkanting ondervond, het spoe-

dig introk. Allengs werden nu die wetten onder handen genomen,

welke als uitvloeisel van de Grondwet, reeds door het

ministerie Thorbecke in uitzicht waren gesteld, doch door de

April-beweging op den achtergrond geschoven waren. Zoo werd

door den minister Donker Curtius eene commissie benoemd

om het wetsontwerp tot regeling der rechterlijke organisatie,

reeds in 1853 ingediend, nader te onderzoeken, en voorts werden

er wetten aangenomen in dit zittingjaar op de ministerieele

verantwoordelijkheid en op het recht van vereeniging en vergadering,

terwij1 ook de Armenwet, welke reeds onder het

ministerie Thorbecke zoo heftige tegenkanting ontmoet had,

den 23sten Mei 1854 met eene meerderheid van slechts negen

stemmen aangenomen werd.

Ja, het moet hier eerlijk betuigd, dat 't Kabinet van Hall

inderdaad zich beijverde om in het gevlei der Liberalen te komen

en werkelijk den staatkundigen tijd des levens rijk in vruch-

ten deed zijn. Zijn geboorte intusschen maakte, dat het bij de

Liberalen van Thorbecke noch vertrouwen, noch voldaanheid

oogsten kon. Medegaande, waar de Regeering zich zelf door

het liberale program liet drijven en zich haastende om het in

de toepassing der Grondwet van 1848 te steunen, namen zij het


DE PARTIJEN. 31

den Ministers schier kwalijk, dat zij zulks als hun arbeid deden

voorkomen en lieten niet na den volke luide te verkondigen, dat

elke wet, waardoor het Ministerie van Hall het yolk ten gunste

kwam, eigenlijk aan Thorbecke en de zijnen te danken was.

De Katholieken konden al evenmin de April-beweging en de

wet op de kerkgenootschappen vergeten, ook al erkenden velen

hunner de verdiensten van het huidige Ministerie als Kabinet

d'apaisement en al gingen zij in menig opzicht op staatkundig

gebied meer met Van Hall dan met Thorbecke samen. De Liberalen

lieten niet na den Roomschen, vooral bij de verkiezingen,

er op te wijzen, dat zij, om hunne kerk te believen, een staatkundig

offer hadden gebracht, en deze herinnering was voldoende

om de Katholieken steeds aan hunne zijde te brengen en

bij de stembus en bij den strijd tegen het Ministerie. De mannen

van Koning en Vaderland konden geen vrede hebben met

bewindslieden, die, grootendeels door hun toedoen op het kussen

gebracht, hunne tradition schenen te vergeten en zich gewend

hadden tot de Liberalen, als konden zij van hen alleen een

lang ministerieel leven hopen. Bij monde van een hunner woordvoerders,

De Brauw, die in 1853 als kamerlid voor Gouda

gekozen was, verweten zij het Ministerie beginselloosheid en

beweerden zij, dat het de liberale partij naar de oogen zag, ook

in de regeling der belastingen, waarbij het zelf gaarne met de

eene hand zou willen terugnemen, wat 't met de andere schonk.

Zoo trachtte de Regeering, na de afschaffing van den accijns

op het gemaal, een hoofdelij ken omslag in te voeren. Toen zij

echter zag, dat sterke bestrijding in aantocht was, trok zij gereedelijk

haar voordracht in, en zoo handelde zij ook met de

door haar voorgestelde invoering der opcenten.

De partij van Koning en Vaderland zelf echter

mocht, gelijk wij reeds boven aantoonden, evenmin op beginselvastheid

Bogen, en kon ook op hare beurt slechts een

tweeslachtig en tweedrachtig leven rekken door zich bij andere

partijen, zooals de Conservatieven en Anti-revolutionairen,

aan te sluiten. Merkwaardig is het getuigenis van Groen van

Prinsterer ten haren opzichte, als hij schrijft : „Zij is zwak,


32 KONING EN VADERLAND.

uiterst zwak, blijkens eigen confessien. Beginselloos en negatief,

Anti-Thorbeckiaansch, dat is : tegen bepaalde personen

ingenomen, Anti-Katholiek, dat is : bevreesd voor hierarchie

en hare tijdelijke overmacht, moeten zij hier of daar steun

zoeken, en zoeken die het liefst bij ons : kracht kunnen zij

zelf niet ontwikkelen." Zoo waardeerde de groote Staatsman

zelf zijne bondgenooten en scheidde hij ze terecht van de

troepen af, waarop hij rekenen kon, indien het den strijd voor

het Anti-revolutionair beginsel gold. In September 1855, toen

Boreel van Hogelanden tot Commissaris des Konings in Noord-

Holland benoemd was, had hij diens ledigstaande plaats in de

Kamer voor 's-Gravenhage ingenomen, en van dat oogenblik

af zijn strijd tegen het Ministerie hervat, dat hij in den grond

nog verderfelijker achtte voor 's lands welvaren dan het vorige

Kabinet. „Wij hadden nooit onze afkeuring verbloemd," zoo

sprak hij in November 1855 in de Tweede Kamer, „van eene

Protestantsche richting, bij uitnemendheid fel tegen de Katholieken,

maar door wie tevens wat ons dierbaar en heilig is,

aangerand wordt. Van daar, dat spoedig tegen ons van dien

kant groote verbolgenheid is ontstaan. Zoo kon het aan het

Gouvernement licht vallen, daar het meer last dan nut uit het

voortduren van ons bondgenootschap te gemoet zag, te breken

met onze richting. In s c h ij n enkel met onze richting, inderdaad

met den geheelen historischen oorsprong van het

bewind." Uit deze woorden blijkt, hoe de Anti -revolutionairen

de handelingen van het Kabinet beschouwden als een breuk met

hunne partij, en waarlijk, tegenover de sobere aanwinst, welke

het Ministerie vond bij de weinige aanhankelijkheid der Liberalen,

woog het verlies van den steun der Anti-revolutionairen

zeer zwaar. Toch wisten Groen en zijne medestanders ook zelfs

het naar het liberale kamp overgeloopen Kabinet te waardeeren

in wat het naar hunne meening goeds bezat, en stelden het op

prijs, dat het de souvereine rechten van de Kroon hoog hield

en een dam vormde tegen de willekeur, waarmede de Thorbeckianen

in het belastingstelsel ingrijpen wilden.

Zoo was het Ministerie dan nagenoeg van alien verlaten


DE GEMENGDE SCHOOL. 33

en had zijn behoud alleen te danken aan de verdeeldheid, welke

in het kamp van zijne bestrijders heerschte, waarvan de Thorbeckianen

zoo krachtig partij trokken, dat zij welhaast, in

plaats van de oppositie te vormen, konden gezegd worden, de

regeering in handen te hebben. Toen dan ook op het einde

van 1855 de wet op de middelen aangenomen was, waagde

zelfs een der liberale sprekers tot het Ministerie te zeggen :

„omdat wij voor de wet stemmen, daarom gaat gij niet met

haar ten gronde." Toch was de val van het April-ministerie

binnen een kort tijdsverloop besloten. Ten gevolge van een petitionnement

was het aan het roer gekomen, maar ook zou een

petitionnement het doen yallen.

Wij zagen hoe Koning Willem II een vergeefsche poging

deed om in zake het onderwijs aan de vele grieven der

verschillende partijen tegemoet te komen door een herziening

van de wet van 1806. Onverpoosd bleef men de school

bestrijden, welke hoe, langer zoo meer onder invloed der Liberalen

kwam, die voor hunne aan alle kerk en kerkleer vijandige begrippen

de hope der toekomst, de jeugd des yolks, trachtten te

winnen en die onder den schijn van neutraliteit niets anders

kweekten dan rationalisme en humaniteit, waarin zij den kern

van alien godsdienst zochten. Uiteraard werd de strijd nog meer

uitgelokt, daar de Liberalen zich ,hoe langer hoe minder ontzagen,

den Staat met zijne middelen te gebruiken tot bereiking

van hunne doeleinden met de school. Tegenover deze zoogenaamd

godsdienstlooze, maar inderdaad rationalistische secteschool

nu trad de kampioen der Anti-revolutionairen, Groen

van Prinsterer, voortdurend op met de leuze : vrijheid van onderwijs.

Hadden ook aanyankelijk de Roomschen gemeend in

de school van 1842 hun wenschen verkregen te hebben, welhaast

werd het hun ook duidelijk, dat ze in slechter conditie

gekomen waren door den geest van het Protestantisme, die

in de school van 18Q6 heerschte, te ruilen voor dien van het

Modernisme, dat, door het Liberalisme beschermd, onbeperkt

in de volksschool heerschtte. Zoo begroetten ook zij met blijde

verwachting de gelegenheid, welke de grondwetsherziening van

Dl. VIII. 3


34

ARTIKEL 194.

1848 bood tot wegneming ook van de grieven op onderwijsgebied,

en gespannen verbreidde men het rapport der commissie,

het ontwerp eener Grondwet, waarvan de Regeering verklaarde

dat zij het onderwijs tot een voorwerp van haar nauwgezette

zorg maakte. De meerderheid dier commissie wenschte een

milde toepassing van de vrijheid van onderwijs, doch vond bij

de conservatieven en bij liberalen als De Bosch Kemper sterke

bestrijding, en aan dezen geleerde, die in het vrijlaten van het

onderwijs weinig anders zag dan het te voorschijn roepen van

een „secteschool," was het voornamelijk te danken, dat de commissie

de zorg van den Staat voor het openbaar onderwijs

gewenscht bleef achten. Aan hen nu, die in het zoogenaamde

bijzonder onderwijs niet anders zagen dan de voortwoekering

van de scholen, die kerkelijke begrippen verspreidden en, naar

hun wijze van zien, godsdiensthaat onder de Natie kweekten,

en die daarom de reeds bestaande vrijheid van onderwijs niet

wilden uitgebreid zien voor het minst, had men 't veelbesproken

artikel 194 te danken, waarbij bepaald werd, dat I°. het

onderwijs een voorwerp zou zijn van de aanhoudende zorg der

Regeering ; 2 0. dat de inrichting daarvan, met eerbiediging van

ieders godsdienstige begrippen, door de wet zou worden bepaald,

en 3°. dat in het Rijk van overheidswege overal voldoend

openbaar onderwijs zou gegeven worden. Voorts verklaarde de

Staat het geven van onderwijs vrij, behoudens het toezicht der

Overheid, en voor zoover het lager en middelbaar onderwijs

betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en

zedelijkheid der onderwijzers.

Het toenmalige Ministerie haastte zich om aan de toezegging

in de additioneele artikelen der Grondwet te voldoen en

nog in de zitting van 1849 een ontwerp van wet op het onderwijs

bij de Kamer aanhanging te maken, doch zijn spoedige

val maakte dat het ontwerp, ofschoon door minister De Kernpenaer

gereed gemaakt, niet aan de orde kwam. Hoeveel nu

Thorbecke straks eene spoedige afdoening van deze zaak in

het verschiet stelde, de April-beweging schoof de regeling van

het onderwijs andermaal op den achtergrond.


EEN NIEUWE WILT. 35

Ook voor deze gewichtige en tevens gevaarlijke taak vond

zich derhalve het April-ministerie, en met name minister Van

Reenen, geplaatst. Wel haastte hij zich, door enkele milde bepalingen

bij de uitvoering van de Wet van i8o6 de Roomschen

en Anti-revolutionairen tijdelijk tevreden te stellen, doch

dezen bleven met ongeduld aandringen op de indiening van

't wetsontwerp, overtuigd als zij waren, dat hunne vrijheid van

handelen alleen kon rusten op de weigering der Staten-Generaal,

om in hun wenschen te treden. De Liberalen en Conservatieven

toch in de Kamer, zoowel als in de gemeentebesturen en

Provinciale Staten, waren gansch niet gezind de vrije school toe

te laten ; dit bleek nog al genoeg uit de bezwaren, welke zij

den oprichters van bijzondere scholen in den weg legden. Wijl

de Regeering van oordeel was, dat zij de gewestelijke en gemeentelijke

besturen niet dwingen kon tot het verleenen van

vrijheid tot oprichting van bijzondere scholen, diende Groen

zelfs den I3den Mei 1854 een wetsvoorstel in, waarbij bepaald

werd dat zij, die een bijzondere school wilden oprichten en

van de gemeentelijke en gewestelijke besturen geen oorlof konden

verkrijgen, zich tot den Koning om beslissing konden

wenden. Ofschoon de Kamer dit voorstel verwierp, gaf Groen

den moed niet op, en dat te minder, wij1 het duidelijk was,

dat sommigen slechts tegen gestemd hadden, omdat men binnen

betrekkelijk kort tijdsverloop een volledig wetsontwerp

voor het lager onderwijs van de regeeringstafel kon te gemoet

zien. De periodieke verkiezingen echter in Juni 1854.

maakten de kans voor de bijzondere school niet beter ; gelijk

wij gezien hebben, moesten toch velen harer voorstanders

het veld ruimen voor de Liberalen, en gedurende eenigen tijd

althans moest de onvermoeide kampioen voor het bijzonder

onderwijs zich vergenoegen met buiten de Kamer zijne belan-

gen te verdedigen.

Eindelijk dan, het was in September van dit jaar, diende

de minister van Binnenlandsche Zaken een ontwerp van wet voor

het lager en middelbaar onderwijs in, waarbij, wat het eerste

betreft, vooral deze bepalingen aanleiding tot wrijving gaven :


36 AFKEURING.

„De openbare scholen zijn ingericht voor kinderen van

verschillende godsdienstige gezindheden.

„De onderwijzers in deze scholen onthouden zich van iets

te onderwijzen, te doen of toe te laten, kwetsend voor de

godsdienstige begrippen van eenige gezindheid.

„Het geven van onderwijs in den godsdienst wordt over.

gelaten aan de kerkelijke genootschappen. Hiertoe zijn de gebouwen

voor het openbaar lager en middelbaar onderwijs, buiten

de schooluren, voor de leerlingen der school beschikbaar.

„Waar de plaatselijke omstandigheden het toelaten, mogen

afzonderlijke openbare scholen worden ingericht voor kinderen

van dezelfde godsdienstige gezindheid."

Wie kon met zulk een herstel van grieven vrede hebben ?

Het ontwerp voldeed geen der beide partijen en in het strewn

van het Ministerie om allen te bevredigen, leed het andermaal

schipbreuk. De Liberalen bestreden het, omdat den Antirevolutionairen

en Roomschen in de door ons laatstelijk aangehaalde

alinea vrijheid gegeven werd, gezindheidsscholen op

te richten en de Regeering derhalve aan hun veriangen te dien

opzichte tegemoet kwam. De Anti-revolutionairen kantten zich,

door de ervaring • geleerd, tegen de zoogenaamde „gemengde

school," zooais die in alinea r omschreven werd en die slechts

algemeene ontwikkeling en vorming beoogcle. Nimmer kon Groen

van Prinsterer er in treden, dat de Bijbel van de Staatsschool

geheel geweerd en alles wat naar Christendom zweemde, daar

verzwegen worden zou, en voortdurend verschenen er dan ook

vlugschriften en artikelen in „de Nederlander" van zijne hand,

waarin hij de voor de belijders van alle godsdiensten gepaste

Staatsschool uit het wetsont werp bestreed. Van der Brugghen

stond in dit opzicht niet geheel aan zijne zijde en sprak vrij

wat meer vergoelijkend over 't ontwerp, daar hij met de bezwaren

rekende, waarmede het Ministerie bij de oplossing der reeds

jaren lang bestaande schoolquestie te worstelen had. Weifelend

en aarzelend stond Van der Brugghen reeds toen voor de zaak,

waar tegenover Groen van Prinsterer zulk eene besliste houding

aannam. Ofschoon minder met de bezwaren der uitvoering


GROEN EN VAN DER BRUGGHEN. 37

rekenende, achtte Groen het met het Christelijk beginsel op

elk gebied in strijd, zoo hij van zijn ideaal zou afzien, en

verloochening en afval van de ergste soort, indien hij aan de

door het Ministerie voorgestelde school ooit zijne stem zou

geven. Volgens hem moest het Christelijk beginsel de school

des yolks als een zuurdeeg doordringen, waarom noch de Bijbel

mocht geweerd, noch ter wille van de pasklaarheid voor alien

de historie des lands mocht verwrongen worden. Daar nu eene

school, waaraan zulk een eisch gesteld worden moest, moeilijk

aan Roomschen en Israelieten opgedrongen worden kon,

stond hij beginselscholen voor. Terecht begreep Groen, dat de

Overheid bij Naar ontwerp gedrongen was door den wensch om

de Roomschen zooveel mogelijk te gelieven, en hij erkende dan

ook, dat de Roomsche kerk alleen dan nog eenigen vrede met

de Staatsschool zou kunnen hebben, wanneer daaruit alles geweerd

werd, wat eenigszins met het gezag van den priester in

strijd komen kon, in een woord : wanneer zij een louter burgerlijk

maatschappelijke inrichting van het onderwijs vertegenwoor

digde. „Het voldoen aan het verlangen der Katholieken," zoo

schreef hij, ,is grondwettig, is billijk, is onvermijdelijk." Daarom

juist had men telkens door de onvermijdelijkheid daarvan

moeten zwichten en was de openbare school geworden, wat

zij was in 18o6, in 1842, in 1849 en eindelijk nu, terwijl de

invloed daarvan zelfs merkbaar was in bijzondere scholen van

de tweede klasse. Hieraan was dan ook geen ontkomen dan

door de zoogenaamde gesplitste of gezindheidsschool.

In gansch anderen geest liet zich Van der Brugghen uit.

Juist in de bestrijding van liberale zijde vond hij een onmiskenbaar

waarteeken, dat de wet den Anti-liberalen gunstig

was. Bovendien meende hij, dat men in het feit dat het ontwerp

niet alles gaf, wat men wenschte, geen aanleiding nemen

mocht om in bondgenootschap met de Liberalen het Ministerie

te bestrij den, dat althans eene poging gedaan had om den

bestaanden toestand te verbeteren. „Ik moet bekennen," zoo

schreef hij, „dat ik in het beginsel van mogelij k e splitsing

een grooten stap zie, gewichtiger dan de Regeering misschien


3 8FACULTATIEVE SPLITSING.

zelve, tevens rekening houdende met den algemeenen nationalen

afkeer van de gezindheidsschool, bedoeld heeft. De invoering

van het nieuw beginsel zal, naar mijn gedachte, als een wigge

werken, die in een kleine reet past, maar met een paar hamerslagen

groote houtblokken klooft." Het stond bij hem vast,

dat eene openbare gezindheidsschool, als regel, niet mogelijk,

maar ook niet wenschelijk was ; kon dat niet, dan bleef er,

volgens zijne zienswijze, niets anders over dan, als r e g e 1,

eene niet gezindheidsschool, wat dan ten gevolge van de omstandigheden

wel niet anders dan eene godsdienstlooze school

zou kunnen zijn, waarop echter exception mogelijk waren. Er

was daarnaast alleen mogelijk eene facultatieve openbare gezindheidsschool,

maar, juist omdat deze facultatief wezen moest,

daarom mocht zij niet opgedrongen worden ; zelfs zou het

doenlijk zijn, hare vergunning bij de wet te verzekeren. ZO6

stonden toen reeds Groen en Van der Brugghen feitelijk tegenover

elkaar.

Zooveel is zeker, dat Groen de denkwijze der Roomschen

juist had onderschept, dat dezen niet alleen gekant waren tegen

den invloed der zoogenaamde Calvinisten, maar evenzeer tegen

dien van de alle geloof ondermijnende begrippen van humaniteit

en beschaving, welke de Liberalen en moderne Protestanten

als Christendom aanmerkten en dat zij derhalve alleen dulden

konden een beslist neutrale school, die in den loop van den

tijd zou blijken geheel onmogelijk te zijn, aangezien ook buiten

Bijbelsche en Vaderlandsche Geschiedenis om, de overige

vakken en de geheele opvoeding in de school herhaaldelijk

aanleiding geven tot gesprekken, waarin de persoonlijke overtuiging

des onderwijzers zich verraadt.

Wat het zedelijk beginsel der wet betreft, waren het niet

alleen de Liberalen, die zich in het stelsel der gemengde school

vinden konden. Aan hunne zij de stonden de Israelieten, vooral

de sterke, afwijkende richting onder hen, die juist in een doodzwijgen

van alle geloofsverschil den laatsten slagboom meenden

te zien vallen, welke hen in het maatschappelijk leven van

hunne medeburgers scheidde ; de modernen, vooral hunne predi-


DE VOORSTANDERS. 39

kanten ; de Maatschappij tot Nut van 't A l g e m e e n ; de

V r ij m e t s e 1 a a r s en ook de zoogenaamde „Groote Protestantsche

partij," ;die zich alleen in Anti-papisme als Protestantsch

kennen deed. Deze alien meenden, dat het afzijn van alien

godsdienstzin met den naam van „verdraagzaamheid" kon bestempeld

worden en nu in naam dier „verdraagzaamheid" predikten,

dat kinderen althans onkundig moesten gelaten worden

van alle geloofsverschil. Natuurlijk werden dezen zeer gesteund

door de Staatsonderwijzers, die niet ophielden de meening te

verkondigen, dat, indien de school slechts de noodige kennis

aanbracht, huisgezin en kerk wel het overige konden en moes-

ten doen. Van daar dat zij zich niet slechts voor den geest

van het ontwerp verklaarden, maar ook zelfs het beginsel

der gezindheidsschool bestreden en daarom ook zich kantten

tegen elk voorrecht aan de bijzondere scholen gegund, dat

niet onmiddellijk het uitvloeisel was van de bepalingen der

Grondwet. Geen wonder, dat zij veel invloed uitoefenden. Men

maakte de goede gemeente diets, dat de tegenstand van Antirevolutionairen

en Roomschen niet anders was dan een kerkelijk

drijven, een streven om de jeugd der Natie onder den

invloed van de geestelijken te brengen. Men verweet de bestrijders

van den geest der wet, dat zij onverdraagzaam, godsdiensthaat

en verdeeldheid tusschen de burgers van een zelfden

Staat kweekten en het hun eenig doel was, om door middel

van hunne zoogenaamde „gemoedsbezwaren" hun streven, om

zelf aan het roer van den Staat te komen, verwezenlijkt te

zien. Slechts weinigen onder de Roomschen hadden in dit opzicht

echter betere verwachtingen van den liberalen zin van

Thorbecke en zijn aanhang.

Nadat in de biaden zoowel als in de periodieke pers het

ontwerp druk besproken was, en de zaak ook in de afdeelingen

der Kamer uitvoerig behandeld was, werd den 2osten

Mei 1855 het eindverslag uitgebracht, waarin het o. a, heette :

„De vraag werd behandeld of het niet als eene leemte in

de wet te beschouwen was, dat de vermelding van het Chris-

telijk beginsel als grondslag van onderwijs daarin ten eenen-


40

HET CHRISTELIJK BEGINSEL.

male ontbrak. De gevoelens stonden te dezen aanzien tegenover

elkander, en dit openbaarde zich in de besprekingen, die

wij niet in bijzonderheden zullen ontwikkelen, maar slechts in

hoofdbeginsel aangeven.

„In de eerste plaats waren er eenige leden, die de verzwijging

van het Christelijk beginsel in de wet ten sterkste

afkeurden en het een beschamend verschijnsel achtten, dat zoo-

danige onchristelijke wet op het onderwijs aan de Vertegenwoordiging

eener Christennatie kon worden aangeboden en die

met nadruk het gevoelen voorstonden, dat ook op de openbare

scholen een positief godsdienstig onderwijs, in verband

met het onderwijs in den godsdienst, dat gegeven wordt van

wege de Kerk, zou worden mogelijk gemaakt.

„Het tweede hoofdgevoelen werd door een veel grooter

aantal leden voorgestaan. Zij gingen uit van de stelling, dat,

even als het Christendom de grondslag is onzer beschaving,

zoo ook de Christelijke godsdienstige beginselen een der hoofdelementen

van het openbaar lager onderwijs moeten uitmaken.

Zij geloofden niet, dat de Grondwet eenigen hinderpaal daaraan

in den weg legt. De eerbiediging van ieders godsdienstige

begrippen, in het 2de lid van art. 194 der Grondwet voorgeschreven,

behoeft niet in dien zin te worden uitgelegd, alsof

geheele ter zijde stelling dier begrippen bedoeld ware. Het duldt

zelfs zulk eene uitlegging niet. De zin onzer Natie vordert een

godsdienstig, en wel een Christelijk godsdienstig onderwijs. De

overgroote meerderheid der ingezetenen verlangt niet, dat reeds

op de school bijzondere leerstellingen van kerkgenootschappen

worden aangeraakt of in de jeugdige gemoederen zaden worden

geworpen, waaruit later het kwaad der onverdraagzaamheid

zou kunnen ontkiemen ; maar zij stelt er wel hoogen prijs

op, dat het lager onderwijs dienstbaar worde gemaakt aan de

bevordering van zedelijkheid en godsdienst en aan het geloof

in die groote waarheden, waaromtrent al de Christen-kerkgenootschappen

het Bens zijn. Werd dus de inrichting van het

openbaar lager onderwijs derwijze geregeld, dat de bevordering

van Christelijke beginselen op de openb are school onmo-


DE AFDEELINGEN. 41

gelijk werd, dan zou die regeling, in plaats van ieders godsdienstige

begrippen te eerbiedigen, gelijk de Grondwet beveelt,

integendeel in strijd zijn met het godsdienstig begrip van de

Natie in het algemeen. Tegelijk zou dan het belang van den

Staat, welks welzijn op de zedelijkheid en den godsdienstzin

zijner burgers berust, weinig worden behartigd. De school is

geenszins de opvoedingsplaats der jeugd, maar kan en mag

toch aan die opvoeding dienstbaar gemaakt zijn.

„Men verlangde van deze zijde, dat de wet of op het

voorbeeld van die van 1806, de opleiding tot Christelijke maatschappelijke

deugden als een hoofddoel van het lager onderwijs

aanwees, Of, zoo het woord Christ el ij k vermeden moest

worden, althans liet doorstralen, dat het godsdienstig element

niet is uitgesloten. Het verbod om iets te leeren, wat met

Christelijke begrippen strijdt, zou reeds eenigermate bevredigen

en tot geruststelling der Natie strekken.

„In de derde plaats waren er verscheidene leden, die het

geenszins als een gebrek in de wet beschouwden, dat daarin

niet van het Christelijk beginsel als grondslag van het onderwijs

gewag werd gemaakt. Deze leden erkenden gaarne dat

onze beschaving, onze zeden op het Christendom berusten. Zij

konden zich niet voorstellen dat het mogelijk ware, lager onderwijs

te geven, dat niet tot zekere hoogte van het Christelijk

beginsel, van de hoofdwaarheden des Christendoms uitgaat.

Daarin ligt ook niets verkeerds, niets berispelijks, mits

slechts het geven van aanstoot vermeden worde. Maar dat

beginsel behoeft geene versterking in de wet. De Christelijke

zin heeft de Natie zoo zeer doortrokken, dat het onderwijs

Christelijk zal zijn, ook dan als de wet geheel daarvan zwijgt,

„Op deze beschouwingen kwam men bij het bespreken

van het beginsel der gemengde scholen terug, welk beginsel

door de overgroote meerderheid verdedigd werd, als liggende

in de Grondwet en geboden door het Staatsbelang. Sommigen

gaven intusschen aan om in de wet op te nemen, dat het onderwijs

ook strekken zou ter opleiding tot godsvrucht, vaderlandsliefde

en alle maatschappelijke deugden."


4 2 HERZIENIN G.

Even sterk als nu dit laatste zich tegen den wensch stelde

van de Anti-revolutionairen, even krachtig bestreed de liberale

meerderheid Groen's ideaal ter vestiging van gezindheidsscholen.

Het heette toch in het verslag :

„De bevoegdheid tot vestiging van afzonderlijke scholen

voor kinderen van dezelfde gezindheid, werd door de overgroote

meerderheid afgescheurd, als ongrondwettig, als strijdende

met den aard van het lager onderwijs, dat vreemd moet blij-

ven aan de leerstellingen van een bepaald kerkgenootschap,

als leidende tot eene bron van tweedracht en als gepaard met

onoverkomelijke bezwaren in de uitvoering."

Zoo ging dus de meening der meerderheid, gelijk ook het

eindrapport vermeldde, verder dan de Regeering. Wilde deze

toch, waar het mogelijk was, in het stelsel der gezindheidsschool

wêl treden en vooral in grootere plaatsen de splitsing

der openbare school mogelijk maken, de meerderheid was hier

zdo tegen en zij was zdo sterk, dat de Minister het noodig

vond om het ontwerp ter nadere herziening terug te trekken, en

in een nieuw ontwerp, aan het einde van het jaar 1855 ingediend,

maakte het Ministerie zich geheel los van de wenschen

der Anti-revolutionairen en hunne medestanders in dezen 1 om

geheel aan de zij de der meerderheid te treden. Benevens enkele

wijzigingen in ondergeschikte punten toch werd het artikel,

dat voor grootere plaatsen de oprichting van de gesplitste

of gezindheidsschool in het uitzicht stelde, geheel weggelaten

en daarentegen bepaald, dat de Staatsschool uitsluitend gemengde

school zou zij n.

Natuurlijk waren de Anti-revolutionairen en die met hen

tegen het beginsel van de wet gekant waren, verontwaardigd

over deze nieuwe concessie van het Ministerie aan de liberale

meerderheid, en dat te meer, daar de strijd bij hen dieper

ging dan tot de politieke oppervlakte. Het gold toch bij hen

de vraag, of de Nederlandsche jeugd, de hope der toekomst

van Neerland's yolk, voortaan de prooi zou worden van een beginsel,

met verzwijging van de Christelijke waarheden, niet

anders kweeken kon dan ontkerstening en, onder de leuze van


GROEN EN DE FAKKELPARTIJ. 43

neutraliteit, strijd voerde tegen hetgeen der Christelij ke Natie

het dierbaarst was. Feller dan ooit ontbrandde de strijd, een

godsdienstoorlog in den waren zin des woords, welke dertig

jaren lang de Natie stond te verdeelen en in zijne langdurigheid

en materieele uitwerking vrij wat meer beteekende

dan de geheele April-beweging, gelijk hij dan ook de Natie

en hare Vertegenwoordiging grooter offers kostte aan tijd en

kracht. Andermaal trad nu Groen van Prinsterer aan de spits

zijner medestanders in het strijdperk der Volksvertegenwoordiging.

Wie er met hem en de zijnen ging, deerde of be-

kommerde hem niet. Hij wist, dat er in de Roomsche bladen

gesproken werd van eene herhaling der April-beweging en

dat zelfs liberale bladen deze mededeeling bevestigden ; maar

hij wenschte niet samen te gaan met de lieden, die ze op

touw zetten wilden, en hij had goed gezien. Immers, mocht

de zoogenaamde Fakkelpartij ook al voornemens geweest zijn,

andermaal een monsterpetitionnement op touw te zetten, nadat

het haar duidelijk geworden was, dat de Anti-revolutionairen

thans eeniglijk en alleen tegen de onderwijswet wilden ageeren,

zonder zich tot nadere concessien en beloften voor de toekomst

te verbinden, toch trok zij zich haastig terug van eene

partij, die zij in den grond evenzeer haatte, als zij op elk

gebied, behalve wat den strijd tegen Rome betrof, der liberale

partij genegen was. En immers, dat begreep Groen terecht,

hadden de Fakkelpartij en de Anti-revolutionairen ook

dit slechts gemeen, dat men het ontwerp van beide zijden bestreed,

als zijnde eene concessie, niet slechts aan de Liberalen,

maar ook aan de Katholieken, om welke laatsten te gelieven

de Bijbel van de Staatsschool moest verbannen worden.

Was Groen alzoo wars van een bond met anderen, die,

slechts door bijkomende omstandigheden tijdelijk met hem zouden

samengaan, verre was het van hem dat hij zijn steun bij

de Natie, en wel bij het Christenvolk van Nederland zou versmaden.

Dit bleek, toen hij den stoot gaf aan het adres, dat

0. G. Heldring, den door zijn philantropischen arbeid zoo be-

kenden predikant van Hemmen, D. Chantepie de la Saussaye,


44

HET PETITIONNEMENT.

predikant bij de Waalsche gemeente te Leiden en voorts door

de predikanten L. J. van Rijn, F. G. van der Ham, L. Merens,

J. H. Booken, J. J. Doedes en J. J. van Toorenenbergen ontworpen

werd en waarin afzonderlijke scholen voor Roomschen,

Israelieten en Protestanten gevraagd werden. Alvorens dit adres

bij de Tweede Kamer ingediend werd, trachtte men daarop

allerwege betuigingen van instemming te verkrijgen, en moge

het ook niet zulk een tal van naamteekeningen verworven hebben

als het Utrechtsche petitionnement tegen de invoering der

Bisschoppelijke hierarchie, zooveel is zeker, dat duizenden in

den lande het teekenden en dat vooral de predikanten krachtig

medewerkten, om hunne gemeenteleden aan te sporen de

poging te steunen, welke dienen moest om de Nederlandsche

Jeugd te redden uit den klauw van het moderne ongeloof,

waaraan het ministerieel ontwerp haar, naar hun zienswijze,

overgaf. Wat men bedoelde, bleek onder meer uit het slot van

het adres, waar de opstellers schreven :

„Op grond van dit een en ander wenden wij ons tot de

Volksvertegenwoordiging in den naam onzes Heeren Jezus

Christus ; in den naam onzer gemeenten ; in den naam van vele

geloofsgenooten in ons Vaderland, wier getal wij vertrouwen,

dat bij behoorlijke kennisneming gewis toenemen zal, met het

ernstig en dringend verzoek : dat zij niet toelate, dat onze

Grondwet langer buiten verband met het geloof en de geschiedenis

der Natie worde gehouden ; dat zij geene wet voor onze

scholen bekrachtige, waarin onder algemeene bewoordingen

datgeen, hetwelk aan elke gezindheid meest dierbaar is, wordt

geweerd ; dat zij zorge, dat bij de opleiding onzer Nederland-

sche Protestantsche Jeugd, beroep op den Bijbel, trouw verhaalde,

volle historie en betamelijke melding des Zaligmakers

geene Staat-misdaad worde."

Het bleef niet bij dit petitionnement. Ongeveer gelijktijdig

met dit, bereikte de Kamer een tweede adres, geteekend door

den heer Van Beeck Calkoen c. s., waarin de godsdienstlooze

school en het stelsel der wet aan de kaak gesteld werden als

de vruchten van een „dor wijsgeerig Deisme, eene koude, van


GROEN EN BEETS. 45

God verwijderde zedekunde." Mocht ook de zoogenaamde

groote Protestantsche partij zich losgemaakt hebben

van de Anti-revolutionairen, ook zij deed hare stem hooren,

en de Vereeniging K o n i n g en V a d e r 1 a n d drong in eene

van uit 's-Gravenhage verzonden circulaire sterk op petitionneering

aan, hoewel gezegd moet worden, dat deze aandrang

weinig gevolg had, aangezien zij het vermoeden niet ontgaan

kon, te zeer gedreven te worden door de zucht om hare mannen

in de Vertegenwoordiging en aan de regeeringstafel te

brengen. Onder de vele neven-adressen, die inkwamen, moet

tevens melding gemaakt van het indrukwekkend vertoog, door

den predikant Van Koetsveld bij de Kamer ingediend. Toen

de Kamer, die op reces uiteengegaan was, weder samenkwam,

werden er nog een 95-tal adressen bij haar ingediend, waarvan

een, uit Leeuwarden afkomstig, niet minder dan 3784 hand-

teekeningen bevatte.

Toch was het er, ondanks den storm, welke het ontwerp

in het leven riep, verre van af, dat alle Christenen in den

lande over de gemengde school gelijk zouden denken. Vele

predikanten en gemeenteleden waren zich minder bewust van

den aan het Christendom vijandigen geest der onderwijswet

en achtten, dat het gemis aan het Christelijk bestanddeel in

het onderwijs, door huisgezin en kerkelijk onderricht zou kunnen

aangevuld worden. Vooral vond men de zoodanigen onder

de meer aanzienlijken, terwiji Groen zijne aanhangers meest

onder de kleine burgers en op het platte land telde. Zoo schreef

Kennink, Groen's medestander, hem met betrekking tot den

geleerden en vromen Nikolaas Beets : „deze acht de gemengde

school te nationaal, dan dat men met eenig vertrouwen aan hare

opheffing kon denken en arbeiden." Ja, zelfs Van der Brugghen

aarzelde het stelsel van zijn vriend en medestrijder te huldigen.

Met onbezweken ijver zetten echter Groen en zij, die met

hem gelijk dachten, den strijd voort, daarin ondersteund en tot

meerderen weerstand geprikkeld door den kamp, in de bladen

over de zaak gevoerd. Men hoopte op de verkiezingen, in Juni

1856 aanstaande, Omstreeks dezen tijd en bij de spanning,


46

GROEN'S ADVIES.

waarin de Natie leefde, zou de Koning aan Groen van Prinsterer,

die de betrekking van Staatsraad 'bekleedde, een advies

gevraagd hebben met betrekking tot een eventueele wijziging

van het Ministerie. Natuurlijk kon het advies van Groen voor

het Kabinet niet gunstig luiden. „Ik waardeer de talenten, de

verdiensten, ook de bedoeling der ministers, wier politieke

richting aan het Kabinet kleur geeft" (waaronder stilzwijgend

mannen als Van Hall, Vrolik en Van Reenen bedoeld werden),

„tnaar ik schroom niet te herhalen, wat ik in de Tweede Kamer

meermalen gezegd heb : dit Ministerie heeft het voetspoor

eener staatkunde, waartegen het Vorst en Volk zou vrijwaren,

gevolgd ; de nationale kracht, waarin Uwe Majesteit een steunpunt

van vorstelijke zelfstandigheid vond, verlamd ; bondgenooten

moedeloos en tegenpartijders overmachtig gemaakt. De

zegekreet ten vorigen jare, na het tot stand komen der afschaffing

op het gemaal : „de oppositie is de regeerende partij,"

is niet onbekend, waarbij straks de aanmerking geyoegd werd :

„is het voor de waardigheid der Kroon niet beter dat het

hoofd der oppositie minister, dan dat de minister aan het

hoofd der oppositie onderschikt zij ! Vooral zou in April

1853 niet licht iemand van dit Ministerie deze wet op het lager

onderwijs hebben verwacht : verloochening van het Christelijk

karakter der Natie ; prijsgeven aan de, Roomschgezinden van

al hetgeen de Protestantsche Christen als onmisbaar in de

volksopvoeding waardeert. Het intrekk en van zoodanige wet

zou, dunkt me, de eerste daad en het programma van een ge-

wijzigd bewind zijn."

En wat hij van een eventueel nieuw op te treden Ministe-

rie wenschte, formuleert Groen aldus : „in de regeling van het

lager onderwijs worde niet belet het oprichten van openbare

scholen, waar, door afzondering van Israelieten en Roomschen,

de Protestant, gelijk ook de wetgever van 1806 gewild heeft,

in de gelegenheid zij tot het belijden van den Zaligmaker, tot

het gebruiken van Gods Woord, tot het vermelden van datgeen,

waarin de kracht en de kern der geschiedenis, van uwe

en ook van zijne vaderen openbaar is."


DE VERKIEZINGEN. 47

De verkiezingen van 10 Juni 1856, waarbij de helft van

de leden der Tweede Kamer zouden bevestigd worden in hun

zetels of door anderen vervangen, beschaamde echter de hoop,

die sommigen nog koesterden op eene mogelijke wijziging van

zaken. Bijna overal behaalden de Liberalen, ook thans weder

trouw door de Katholieken gesteund, de overwinning, en zelfs

Groen moest zijn zetel voor 's-Gravenhage afstaan aan Gevers

van Deynoot. Hoe de Katholieken over de zaak dachten, bleek

uit hetgeen d e T ij d schreef : „De heer Groen van Prinsterer

heeft de onderwijsquestie op den voorgrond gezet en haar ge-

steld als de hoofdvraag, die bij de verkiezingen gelden moet.

Ongetwijfeld is de zaak van het onderwijs eene der leyensquestien

en, stond zij alleen, wij zouden niet aarzelen ons aan

zijne zijde te scharen ; want in het onderwijs ligt de toekomst

van het Vaderland. Maar de zaak van het onderwijs in den

toestand, waarin Nederland zich op het oogenblik bevindt,

staat niet alleen. De politieke questie overheerscht haar. En

mocht Groen slagen in de beweging, die hij met talent en moed

bestuurt, hij zou, ook zonder dat hij 't wilde, tot resultaten

komen, die de zaak van het onderwijs op den achtergrond

schuiven, om haar te maken tot een onderdeel van algemeene

politieke reactie."

Overigens toonden de uitingen der liberale en Katholieke

bladen duidelijk, dat men nog minder voor Groen en zijn beginsel

beducht was dan voor de zoogenaamde „staart van de

partij," dat men de gevolgen vreesde, wanneer de Anti-liberalen

het roer zouden in handen krijgen. Hiervoor was eenige reden.

De verkiezingen waren over het algemeen zoo ongunstig uitgevallen

voor het Ministerie, dat het zijn ontslag aangevraagd

had en de Koning derhalve voor de pijnlijke keuze stond om

of een Ministerie uit de Anti-liberalen Of uit de Thorbeckianen

te kiezen. Den 23sten Juni verscheen dan ook het Koninklijk

besluit in het Staatsblad, waarbij in plaats van Donker Curtius,

den afgetreden minister van Justitie, nu Van der Brugghen

werd benoemd, terwijl minister van Reenen, voor Bin-

nenlandsche Zaken, door Simons vervangen werd. Van Hall,


48

DE CRISIS.

die reeds voor hen zijn ontslag had gevraagd en bekomen, was

door Gevers van Endegeest vervangen en zijne plaats in de

Tweede Kamer voor het district Leiden werd andermaal door

Groen van Prinsterer ingenomen. Als minister van Roomschen

Eeredienst trad eenigen tijd later Van Romunde op in de

plaats van Mutsaers en evenzoo nam het lid der Eerste Kamer

Lotsy, den ministerieelen zetel voor Marine in, welke tot

heden door Smit van de Broeke was bezet. Den minister van

Oorlog, Forstner van Dambenoy en Van Rappard, minister van

Hervormden Eeredienst, werd het gevraagde ontslag geweigerd.

Met grooten weérzin werd het nieuwe Kabinet door nage-

noeg alle partijen ontvangen. Alleen de Fakkelpartij en eenige

met haar bevriende redactien heetten het welkom ; de overigen

vreesden zeer, dat men een tijdperk van reactie tegenging.

Gedurende den tijd, waarin de Kamers gesloten waren — onmiddellijk

toch na de benoeming van het nieuwe Kabinet waren

de Staten-Generaal uiteengegaan — drong zich al meer de

vraag op, wat toch het Ministerie mocht bewogen hebben tot

zoo plotseling en onverwacht aftreden, aangezien het na de

juni-verkiezingen nog niet zulk een weerstand ondervonden had,

die het to voorschijn roepen van een crisis rechtvaardigde. Met

spanning wachtte men dan ook de heropening der Kamers af,

welke op 19 September zou plaats hebben. Het werd toch

algemeen vermoed, dat veleer verschil van zienswijze tusschen

den Koning en zijne ministers aanleiding tot de verwisseling

van Kabinet had gegeven, en toen dan ook de Koning straks

in eigen persoon de Kamers opende, bleef er daaromtrent geen

twijfel meer over.

„De ontwerpen van wet tot regeling van de drie takken

van openbaar onderwijs zullen aan u gezamenlijk worden voorgelegd.

Het verband, vereischt tusschen de deelen van een

samenhangend geheel, kan op die wijze beter worden bewaard,"

zoo heette het in de troonrede, en voorts :

„De zorg voor de onschendbaarheid van alles wat tot het

gebied des gewetens behoort, is een der voorvaderlijke overkveringen

van mijn Stamhuis. Zij heeft ook mij bewogen, als -


HET ADRES VAN ANTWOORD. 49

nog naar middelen om te zien, ten einde de bezwaren van

zeer velen tegen de ontworpen regeling van het volksonderwijs

zooveel mogelijk op te heffen.

Ik wenschte met uwe hulp aan Nederland schoolinrichtingen

te verzekeren, in welke het godsdienstig karakter der

Natie, sinds eeuwen door het Christendom gevormd en ontwikkeld,

wordt geeerbiedigd en tevens de eisch der wetenschap

en het beginsel der volkseenheid worden gehuldigd."

Natuurlijk viel deze mededeeling niet sterk in den geest

van de meerderheid der Tweede Kamer en het kan dan ook

niemand verwonderen, dat het adres van antwoord op de troonrede

terstond aangegrepen werd om Z. M. te doen gevoelen

dat de groote meerderheid der Vertegenwoordiging zich onvoldaan

gevoelde. Ietwat scherp en snijdend klonk het dan ook :

„Door Uwe Majesteit wordt ons het uitzicht geopend op de

voordracht van verschillende wetsontwerpen van het uiterst

gewicht, tot welker nauwgezet onderzoek wij ons gaarne bereid

verklaren. Daaronder is er een, dat op het lager onderwijs,

waarvan de indiening, naar onze overtuiging, thans geen

verder uitstel gedoogt. Het gevoelen der Kamer over dit gewichtig

onderwerp is bekend. Het staat uitgedrukt in het verslag

onzer overwegingen van het vroeger ingediend wetsontwerp,

hetwelk door de geheel onverwachte sluiting der vorige zitting,

met vele andere zaken onafgedaan is gebleven. Wij zijn

met Uwe Majesteit overtuigd, dat al wat tot het gebied des

gewetens behoort, ongeschonden moet blijven en meenen, dat

dit Joel kan worden bereikt door stipte inachtneming van

de voorschriften der Grondwet, die door gelijkstelling der gezindheden

en door de uitdrukkelijke bepaling, dat bij de inrichting

van het Openbaar Onderwijs ieders godsdienstige begrippen

moeten worden geeerbiedigd, elk denkbeeld van gewetensdwang

ten eenenmale afsnijdt."

Onverdacht was het antwoord in den zin der Liberalen en

ook de Katholieken konden zich in de gemengde school, naar

zij meenden, best schikken — de toekomst heeft hen veel be

ter geleerd — mits de meest strikte neutraliteit maar bewaard

Dl. VIII. 4


50 DE AANLh1DING TOT DE CRISIS.

werd en deze kon misschien, doch nimmer ten koste van eenige

Kerk, veel-min van de Katholieke, bewaard blijven. Daarvoor

waren echter toen de oogen nog niet geopend en de correctieve

zin van het adres van antwoord werd aangenomen door 6o Kamerleden

; slechts een 6tal Anti- revolutionairen brachten hunne

stem daarentegen uit.

Natuurlijk werd, te midden van de beraadslagingen over het

adres van antwoord, het Ministerie opgeroepen om rekenschap

te geven van zijne aanvaarding der portefeuille. Van der Brugghen,

de minister van Justitie, maakte zich tot tolk zijner ambtgenooten

en deelde mede, dat de minister van Buitenlandsche

Zaken, Van Hall, reeds terstond na den vrede tusschen Rusland,

Engeland en Frankrijk gesloten, op ontslag aangedrongen

had. De overige ministers hadden gemeend Z. M. de

taak gemakkelijk te moeten maken en, waar misschien het

voorzien in de vacature, door het aftreden van minister Van

Hall ontstaan, op belemmeringen in hunne personen stuitte,

allen hunne portefeuille beschikbaar te moeten stellen.

Tot zoo ver de geschiedenis, wat de aanbieding der portefeuille

betreft, maar zooals het ontslag aan de ministers van

Oorlog en Hervormden Eeredienst geweigerd was, zoo had dit

ook kunnen geweigerd worden voor de overige departementen.

Dit was echter niet geschied.

„De Koning toch was levendig getroffen over de bezwaren,

die door velen tegen de voorgenomen regeling van het

onderwijs waren ingebracht en had herhaaldelijk te kennen

gegeven dat, al werd de aanhangige wet door de Kamers

aangenomen, hij bezwaar zou maken, daaraan Zijne Koninklijke

sanctie te geven. Het gevolg hiervan was, dat Z. M.

besloot het aangeboden ontslag aan te nemen. Aan Van der

Brugghen werd de .vorming van een nieuw Ministerie opgedragen,

waarin hij na ettelijke onderhandelingen slaagde. De

reden van het optreden van het nieuwe Ministerie was geheel

en al gelegen in de questie van het onderwijs en in den wensch

des Konings, om alsnog te beproeven, aan de gemoedsbezwaren

van velen te gernoet te komen. De tegenwoordige raadslieden


DE PET1TIEN. 5 T

der Kroon hebben zich bereid verklaard mede te werken om

te onderzoeken, of het mogelijk zal zijn den wensch des Konings

te verwezenlijken en die mogelijkheid nog geacht aan-

wezig te zijn."

Intusschen had Groen vruchteloos beproefd, de Kamer te

bewegen de noodige aandacht aan de petitien te schenken en

reeds in April had hij haar verzocht een dag te bepalen,

waarop hij een voorstel zou kunnen doen ter benoeming van

een commissie, om over de verzoekschriften, die omtrent de

voordracht op het lager onderwijs waren ingekomen of nog

zouden inkomen, een algemeen versiag in te leveren, hetzij

voor de beraadslaging, hetzij, indien het ontwerp niet in discussie

komen mocht, voor het einde der zitting. Dit kon men

natuurlijk niet weigeren en de datum van 28 April werd daartoe

aangewezen. Ofschoon de heeren Elout van Soeterwoude

en Van Lynden hun medelid en partijgenoot trouw ter zijde

stonden, werd het voorstel, door Bosscha en De Brauw fel

bestreden, met 47 tegen 7 stemmen verworpen en weinige

dagen daarna verklaarde het Ministerie, dat het voor de wet

op het lager onderwijs zou pal staan. Wij zagen reeds, wat

er geschiedde in den tijd, waarin de Kamers gesloten waren.

Gedurende dien tijd had Groen, met het oog op de aanstaande

verkiezingen, een achttal blaadjes aan de K i e z e r s geschreven,

waarin hij trachtte den toeleg van de Liberalen en Roomschen,

om al de Anti-revolutionairen uit de Kamer te verdringen,

te verijdelen. Het gelukte hem in zoo verre, dat alien

hun plaats in de Kamer weder innamen ; hij zelf werd straks

in Leiden gekozen.

„Ik reken op de Natie," zoo schreef hij in een diet . blaad .

jes, „ik reken op den Koning. Er is eene Natie, die, als de

wetgever de Christelijke conscientie raakt, geen ontnemen van

rechten, in Kerk en School, die zij ter plichtsbetrachting noodig

heeft, vergunt. Er is een Koning, die, aan zijn en onze

vaderen gedachtig, recht voor alien verlangt en door wien

geen opdringen, maar evenmin wegdringen van hetgeen onmisbaar

is voor den Protestantschen Christen, zal worden geduld."


5 2 VAN DER BRUGGHEN,

Groen had zich niet bedrogen, toen hij op den Koning

rekende. Toen Z. M. kennis gekregen had van den inhoud

der petitien, had hij inderdaad meermalen verklaard, dat hij,

getroffen door de gemoedsbezwaren van zoovelen zijner onderdanen,

ook al werd de wet door de Kamer aangenomen, ze

niet zou bekrachtigen. Daar nu het Ministerie eerst door de

portefeuille-aanbieding van Van Hall en voorts door de verklaring

van minister Van Reenen, dat men de petitionnarissen in

geen enkel opzicht tegemoet komen kon, toonde, dat het niets

voor de gemoedsbezwaren te wachten gaf, ontstond er verwijdering

en de Koning nam het ontslag aan. Zoo was dus

met het Ministerie ook het wetsontwerp Van Reenen van de

regeeringstafel verwijderd. Nadat de Koning raad van Groen

ingewonnen had, werd aan Van der Brugghen de samenstelling

van het nieuwe Kabinet opgedragen. Deze wilde vooraf

de zekerheid hebben, dat hij in zake het onderwijs op den

leider der Anti-revolutionairen steunen kon. Belden ontmoetten

elkander op Groen's buitengoed Oud-Wassenaar, bij Leiden,

en na een langdurig onderhoud scheidden zij in de meening,

dat zij in hoofdzaak, wat het onderwijs betrof, hetzelfde wilden.

Helaas, het misverstand zou zich droevig wreken. Toen reeds

toch had Van der Brugghen, bij gelegenheid dat men bij hem

aandrong op het teekenen van het petitionnement, verklaard,

dat hij, indien de Koning hem riep om een schoolwet voor

het land te geven, geene andere zou kunnen geven, doch teekenen

zou hij, om te doers zien, dat ook hij niet zulk eene

school voor zijne kinderen begeerde. Men wist dus reeds, dat

hij, onverwachts geroepen om der Natie eene school te geven,

dit zulk eerie zijn zou, welke hij voor zijne eigene kinderen

zou verwerpen.

Had het ministerie Van Hall onder moeilijke omstandigheden

het bewind aanvaard, voor niet minder heet vuur beyond

zich het nieuwe Kabinet. Ronduit gezegd, kon het op geen

enkele partij rekenen : het vond noch vertrouwen bij de Liberalen,

noch bij eenige schakeering hunner tegenstanders, noch

bij de Katholieken. Reeds bij de eindrede over het adres van


DE I3ERAADSLAGINGEN. 5 3

antwoord op de troonrede gevoelde Groen zich teleurgesteld.

Bij de beraadslaging van de alinea in de Troonrede, welke het

onderwijs betrof, werd de zaak door de verschillende partijen

van alle zijden beschouwd en behandeld. Bosscha, die, ofschoon

ten gevolge van de April-beweging in de Kamer getreden, in

den grond tegen de Anti-revolutionairen partij nam, achtte,

dat het Christelijk beginsel zich in daden meer dan in dogma's

uitsprak en dat op de Staatsschool het beginsel van verdraagzaamheid

en humaniteit heerschen moest, en dat alleen. Nauurlijk

trad zijn rnede-afgevaardigde uit de hoofdstad, de Israeliet

Godefroy, gaarne aan zijne zijde en beweerde, dat de Grondwet

de gemengde school eischte voor alle burgers van den

Staat, Van Nispen trad tegenover Groen op, die met zijn talent

en vuur het Anti-revolutionair streven op het gebied van

de verhouding tusschen Staat en Godsdienst verdedigde, het Christelijk

beginsel als grondslag van opvoeding onzes yolks handhaafde

en zijn stelsel van gesplitste scholen aanbeval. Wel was

Van Nispen het niet geheel eens met het wetsontwerp, zooals

het door Van Reenen gewijzigd was, waarbij de mogelijkheid

van gezindheidsscholen was buitengesloten, maar ook verkoos

hij het boven de algemeene uitbreiding, welke Groen daaraan

geven wilde en daarenboven teekende hij protest aan tegen de

uitdrukkingen, welke Groen zich tegenover de Katholieken veroorloofde.

Hoe het zij, toen Thorbecke eindelijk verklaarde,

dat het gevoelen der Kamer duidelijk genoeg aan het licht

getreden was en men de gemengde school wenschte, kon hij

dit althans van nagenoeg alle leden, behalve van de Antirevolutionairen

getuigen, en het was het Ministerie duidelijk

geworden, dat alleen een ontwerp in dien geest genade zou

kunnen vinden.

Niet gunstiger mocht de kans der Anti-revolutionairen

in den boezem der Natie gerekend worden. Op een enkel blad

na, stond de gansche Pers aan de zijde der Liberalen, wat het

onderwijs betrof. De moderne Protestanten stelden geenerlei

prijs op het bewaren van een Christelijk beginsel, waarvan zij

voor zich zelf al lang afstand gedaan hadden, voor de school


54

ONTN UCHTERIN G.

van het jonge Nederland, en naast hen stond eene groote me

nigte, die, schoon Anti-papistisch, op dit gebied weinig belangstelling

openbaarde, omdat hun eigen gemoedsleven zich tot

vormelijk vasthouden aan het Protestantisme bepaalde. De

Roomschen waren meerendeels v6or de gemengde school. Niet

als zouden zij, vrij van alle nevenbeschouwingen, niet eene

school begeerd hebben, waarin hun kerk opgebouwd werd,

maar het stelsel kwam van Groen, den bestrijder van Rome's

invloed, en daarom kon het niet deugen. Bovendien voedden

zij argwaan tegen een Ministerie, aan welks hoofd een Antirevolutionair

stond en dat onder zijn leden een tweetal mannen

telde, die hun rol in de April-beweging gespeeld hadden.

Eindelijk bij de gesplitste school zouden ongetwijfeld de

Protestanten, enkele deelen van ons land uitgezonderd, de meeste

inrichtingen bezetten en derhalve overwegenden invloed uit-

oefenen.

Al zwaarder moest onder zulke omstandigheden de taak

op de schouders van het Ministerie wegen en, den minister

Van der Brugghen beoordeelende naar zijne vroegere uitlatingen,

valt het niet te bevreemden, dat hij eindelijk aan het

slot der beraadslagingen over het antwoord op de Troonrede

verklaarde, dat er zou gezocht worden naar een middel om,

zonder of te wijken van het beginsel der gemengde school, waaraan

sedert 1806 de Natie gehecht was, de gemoederen te bevredigen.

Geen wonder, dat Groen een smartkreet hooren deed.

„De hoofdgedachte van het petitionnement was tegen de gemengde

school. En nu de hoofdpersoon. Hij, aan wien de

vorming van het Kabinet werd toevertrouwd, is een mijner

meest hooggeachte vrienden, die de onhoudbaarheid der gemengde

school jaren achtereen heeft verdedigd. Hoe lang heeft

bij mij de illusie geduurd ? Acht dagen. Zij is verdwenen op 5

Juli, toen bij de sluitingsrede ter tegemoet koming iets toegezegd

werd, ja, en toch zoo, dat naar mijn inzien, in de omschrijving

van het middel, reeds de mogelijkheid van tegemoet

koming uitgesloten werd."


WANTROUWEN. 55

De strijd werd, na eenige weken van rust, tegen het einde

der maand November hernieuwd bij de beraadslagingen over

het zesde hoofdstuk der begrooting, en wel van Binnenlandsche

Zaken. Vooral tegen den minister van dat departement had

men zeer ernstige bedenkingen. Niet slechts behoorde hij tot

de meest invloedrijke onderteekenaars van het adres tegen de

Roomsche bisschoppen in 1853, maar hij had in 1856 zelfs zijn

naam gezet onder een adres, waarbij niet alleen de naar gezindheden

gesplitste school verlangd werd, doch zelfs op grondwetsherziening

werd aangedrongen, indien de vigeerende Grondwet

de invoering van die school niet gedoogde. Hoe kon dat

verleden gerijmd worden met het aanvaarden van zijn plaats

in een Kabinet, dat bepaalden eerbied voor de Grondwet betoonde

en welks hoofdlieden bewezen nog altijd geen betere

school aan de Natie te kunnen• geven dan de gemengde ? Het

onderwijs was dan ook de hoofdschotel bij de beraadslagingen

over de begrooting en scherp en bitter was de toon zoowel

tegen den minister van Binnenlandsche Zaken, als tegen Van.

der Brugghen en het gansche Kabinet. Alle partijen wantrouwden

het Kabinet en ongetwijfeld, dit had daartoe groote aanleiding

gegeven, toen het bij monde van den heer Van der

Brugghen, in strijd met diens vroegere verklaring, uitsprak :

„De kwestie van het onderwijs is niet geweest de eenige oorzaak

van het optreden van dit Ministerie. Ook is dat optreden

niet geweest de wensch om te voldoen aan al de eischen, of

de wenschen, of de voorstellen, of de droombeelden, of, hoe

men 't ook noemen moge, die neérgelegd zijn in alle petitien,

die bij deze Kamer zijn ingediend." Allerminst vriendelijke

woorden, welke de hoofdman van het Kabinet tot zijne Antifevolutionaire

geestverwanten richtte, doch niet alleen van

hunne zijne trof hem verwijt. Zelfs Thorbecke merkte aan,

dat de minister van Justitie op heden in strijd was met zijne

verklaring van 24 September. En die weerspraak met zich zelf

openbaarde zich niet alleen in de mededeeling aangaande den

oorsprong van het Kabinet, maar op 24 September had de

minister verzekerd, dat hij de mogelijkheid erkende om aan


56 BINNENLANDSCHE ZAKEN.

de bezwaren der petitionnarissen tegemoet te komen en thans,

nog geen twee maanden later, verklaarde hij het onmogelijk

te achten om aan de hoofdgedachte van het petitionnement,

de gezindheidsschool bedoelende, tegemoet te komen. Ja, drie

dagen later week hij zelfs geheel van de religieuse beschouwing

der zaak in Anti-revolutionairen zin af, door te verklaren,

dat het onderwijs op een gemengde school goed, zelfs in

waren zin Christelijk zijn Icon, zonder het gebruik van den

Bijbel en zonder bepaald leerbegrip. Zoo werd het duidelijk,

hoe de invloed van Simons, den minister van Binnenlandsche

Zaken, niet slechts op den gang der zaak, maar ook zelfs op

Van der Brugghen zijn schadelijke terugwerking had gehad en

koel, maar verdiend was 't scherpe woord van Van Zuylen van.

Nyeveldt, toen hij dienzelfden dag verklaarde : „Nu het waarlijk

Anti-revolutionair element zich heeft geeffaceerd, nu het

zich zelf heeft verloochend, geloof ik niet meer bij den minister

van Justitie, maar bij zijn ambtgenoot voor Binnenlandsche

Zaken de hoofdrichting van het Kabinet, de leidende gedachte

der Regeering, te moeten zoeken.

En tegen dezen minister keerde zich nu de oppositie van

alle zijden. Van zijne mededeeling, dat hij binnen weinige weken

gereed zou zijn met zijn ontwerp van wet op het lager

onderwijs, nam men al zeer weinig nota en algemeen keurde

men het denkbeeld af, om de drie takken van onderwijs gelijktijdig

te willen regelen. Weldra sprak zich de persoonlijke

weerzin in daden uit : bij de stemming over de begrooting

staakten de stemmen over de begrooting voor Binnenlandsche

zaken, en toen zich dit feit den volgenden dag herhaalde, was

het hoofdstuk verworpen. Als vreemdeling in den parlementairen

strijd, kon de minister zich slechts met groote moeite

tegen al de aanvallen van zijne tegenstanders verdedigen. Straks

werd hij ziek, zoodat hij zelfs niet het einde der beraadslagingen

kon bijwonen. Ofschoon een kredietwet voor het zesde

hoofdstuk der begrooting aangenomen werd, bood Simons zijn

ontslag aan. Het scheen echter den wensch des Konings te

zijn om Simons te handhaven ; althans minister Van der Brug-


ONTSLAG VAN SIMONS. 57

ghen deelde aan de Kamer mede, dat Z. M. den heer Simons,

indien zijne gezondheid dit mocht toelaten, in de gelegenheid

wilde stellen, zijne wet op het lager onderwijs bij de

Kamer in te dienen en te verdedigen ; voorts dat deze van

zijn oorspronkelijk plan om voor de drie takken van onderwijs

gelijktijdig wetten in te dienen, had afgezien en dat de wet op

het lager onderwijs in ieder geval, of de heer Simons aanbleef

dan aftrad, voor het uiteengaan der Kamer haar zou aangeboden

worden. Toch begreep Simons, dat de wijze, waarop de

Kamer zich tegenover hem gehouden had, zijne aftreding tot

een gebiedende noodzakelijkheid maakte en hij kon des te eer

bij zijn aanvrage om ontslag blijven, naardien hij inderdaad

niet tegen den ministerieelen werkkring opgewassen was en zijn

gezondheidstoestand hem genoegzame reden bood. Simons trad

dus af, maar het beginsel, hetwelk hij vertegenwoordigde, dat

der Groote Protestant sche partij, hadhijalseenzegel

op heel het Kabinet gedrukt — en het was de doodsvlek van

het Ministerie.

Over 't algemeen scheen noch de Koning, noch het Ministerie

vooralsnog geneigd om aan de oppositie toe te geven. Het

schijnt zelfs, dat Z. M. den door het petitionnement van 1853

bekenden Utrechtschen professor Mulder tot zich ontboden

heeft, om hem over de aanvaarding der portefeuille te raadplegen,

waaruit blijken zou dat Z. M. gansch niet geneigd was

het Kabinet aan de meerderheid der Kamer op te offeren. Van

zijn optreden kwam echter niets en 't was moeilijk, zoo niet

onmogelijk, een plaatsvervanger voor Simons te vinden. Zoo

nam dan eindelijk de heer Van Rappard, de minister van den

Hervormden Eeredienst, de zware taak op zich, niet omdat

hij zulks begeerde, doch tegen zijn wensch en louter om aan

deri aandrang des Konings te voldoen. In zijne plaats trad

de heer Wierda Beckman als minister van Hervormden Eeredienst

op.

In gemoede, de toestand van 't Kabinet was alles behalve

benijdenswaardig. Nadat het votum der Kamer den minister

van Binnenlandsche Zaken verwijderd had, bracht men de op-


58 ARTIKEI, 2 3.

positie ook op de andere departementen over, en zoowel bij de

stemming over Oorlog als bij die over Onvoorziene Uitgaven

staakten de stemmen en werden de begrootingen eerst den

volgenden, en dan nog wel met eene nietsbeduidende meer-

derheid van een of twee stemmen, aangenomen. Dat te midden

van zulk een ministerieel lijden de goede toon tusschen het

Kabinet. en de Kamers nog al eens te wenschen overliet, laat

zich begrijpen. Toch draalde het Kabinet niet, zijne belofte te

vervullen en den 2 'sten Februari 1857 diende de minister Van

Rappard bij de Kamer zijn wetsontwerp op het lager onderwijs

in, dat volkomen beantwoordde aan de voorspellingen,

die het Kabinet had gedaan : het behield de gemengde school

als school van den Staat en de eenige poging, welke het

beproefde, om aan de wenschen van de petitionnarissen te

gemoet te komen, was art. 23, hetwelk luidde :

„Het schoolonderwijs wordt, onder aanleeren van gepaste en

nuttige kundigheden, dienstbaar gemaakt aan de verstandelijke

ontwikkeling der kinderen en hunne opleiding tot alle C h r i stelijke

en maatschappelijke deugden, en voorts:

De onderwijzer onthoudt zich van iets te leeren, te doen

of toe te laten, wat strijdig is met den eerbied, verschuldigd

aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden. Hij Arent

aan de kinderen dien eerbied in en wekt hen op tot onderlinge

liefde en verdraagzaamheid.

Het geven van onderwijs in den godsdienst wordt overgelaten

aan de Kerkgenootschappen. Hiertoe zijn de schoollokalen

buiten de schooluren voor de leerlingen der school

beschikbaar.

Waar de kinderen van het bezoeken der openbare school,

uit hoofde van godsdienstige bezwaren der ouders, worden

teruggehouden en deze bezwaren, na een zorgvuldig onderzoek,

niet kunnen worden uit den weg geruimd, zal, indien mogelijk,

hieraan te gemoet gekomen worden door middel van eene

rijkssubsidie. Het verleenen van zoodanige subsidie geschiedt

door de wet."

Het was duidelijk : het Ministerie had eene poging ge-


DE BhSTRIJDING. 59

daan om de petitionnarissen te gelieven. Niet slechts had zij

het woord C h r ist el ij k e in de wet opgenomen, maar zij had

ook in de 4de alinea beproefd aan de wenschen tegemoet te

komen van hen, die niet van het openbaar onderwijs gediend

waren. Doch met recht mocht men van eene mislukte poging

spreken. Dit bleek al aanstonds toen het ontwerp, na den

2 'sten Februari 1857 aan de Kamer aangeboden te zijn, in

de afdcelingen werd onderzocht. ,Het woord C h r i s t e l ij k was

in de wet genoemd," zoo zeide men van Anti-revolutionaire

zijde, „ja, maar op eene w ijze en in een verband, dat alle

kracht daaraan ontnam en het tot niets meer maakte dan tot

eene bedriegelijke leuze." Ongetwijfeld, zoo meenden de Katholieken,

de uitdrukking was slechts uit de wet van 1806 overgenomen,

om den invloed van het Protestantisme op de yolks -

school te bewimpelen, maar des te zekerder en veiliger te doen

zijn. Naar hun oordeel zou zij slechts strekken om al de misbruiken

te bestendigen, waarover men zich in 1841 reeds had

beklaagd. En mocht dit niet het geval zijn, dan zou, zoo stemden

zij met de Anti-revolutionairen in, het Modernisme en

Rationalisme zijn spel spelen en het woord C h r i s t el ij k e zou

weinig anders aanduiden dan dit vage algemeene begrip van

zedelijkheid, hetwelk niet veel meer dan uiterlijke beschaving

en publiek onbesproken levenswandel aanduidt, en dat zich in

het arme woord humaniteit oplost.

De Liberalen waren voorzichtig genoeg om zich niet

beslist tegen de uitdrukking te verklaren, maar verborgen hun

weerstand onder den schijn van heiligen eerbied voor het woord

Christelijk. Voorzeker, hoe kon eenig onderwijzer of opvoeder

onder eene Natie als de onze iets anders bedoelen dan-tot

Christelijke deugden op te leiden en, waar dit zoo was, mocht

het dan niet onvoorzichtig schijnen, zulks bepaaldelijk uit te

spreken, als ware nog iets anders denkbaar ? Integendeel, men

achtte het afkeurenswaardig, dat zij, die steeds op het feit

wezen, dat onze Natie en Staat uit de Hervorming voortgesproten

waren, die altijd beweerden, dat ons yolk een Christen-

volk was, het nu nog noodig oordeelden, om de beoefening


6o TELEURSTELLING.

der Christelijke deugden als gebiedend voor te schrijven bij

een wetsartikel, in stede van ze als vrucht van de innerlijke

overtuiging der Natie zich vrij te doen ontwikkelen. Ook

begrepen zij, en terecht, dat deze tegemoetkoming hen, die de

gezindheidsscholen wilden om de opvoeding in den geest hun •

ner kerkelijke overtuiging ongehinderd te doen plaats hebben,

allerminst bevredigen kon en men noodeloos een strijd en

storm opriep, welke toch niet anders dan wind zouden doen

oogsten.

Groen vooral was bitter teleurgesteld, ook al had hij,

vooral na de sluitingsrede, waarvan wij boven spraken, weinig

meer van het Kabinet verwacht. In een vijftal vlugschriften,

waarin hij tevens de belangstelling voor de zaak wilde levendig

houden, en waarvan het eerste den 4den April reeds verscheen,

wees hij op de nagenoeg geheele gelijkheid van dit ontwerp

met het vorige. Hij noemde de uitdrukking C h r i s t el ij k een

bloot versiersel en de toegezegde, of liever, in uitzicht gestelde

rijkssubsidie aan het bijzonder onderwijs, welke, in elk bijzonder

geval door de wet zou moeten worden bepaald, eene looze

voorspiegeling, die nimmer zou kunnen uitgevoerd, ja zelfs niet

kon aangenomen worden. Overigens was het dezelfde wet,

waartegen zulk een aanzienlijk deel des yolks in de petitien

zijne stem verheven had, dezelfde wet, welke de Koning aanleiding

gegeven had, om met het vorige Ministerie te breken

en om welker uitvoering aan de Natie te besparen, Zijne

Majesteit zich tot een man als Van der Brugghen gewend

had.

W61 trachtte diens vriend, Ds. Heldring, het ontwerp te

verdedigen als het eenig mogelijke en dat aan de Christelijke

werkzaamheid van de voorstanders van het bijzonder onderwijs

vrije werking vergunde, doch Groen bestreed dit gevoelen heftig

en weldra bleek het dan ook, dat tal van predikanten en

gemeenteleden het gevoelen van Heldring gansch niet deelden,

gelijk uit de vernieuwde indiening van petitien andermaal

duidelijk werd.

Bij de openbare beraadslagingen trachtte minister Van


AMEN DEM ENT ELOUT. 6 E

der Brugghen zich te verdedigen, vooral tegen de beschuldiging

van Groen, dat het dezelfde wet zou zijn, die aan de Kamer

ingediend werd, doch hij was tegen de bestrijding van Groen

niet opgewassen. Nog trachtte Elout van Soeterwoude een

amendement te doen aannemen, waarbij werd gepleit voor de

mogelijkheid tot oprichting van bijzondere scholen voor Israelieten,

doch Van der Brugghen zelf bestreed het, achtende,

dat de Grondwet den Israelieten het recht waarborgt, de school

van den Staat te bezoeken. De heer Van Lynden beaamde dit,

doch meende, dat het toch verstandig was dezen uitweg te

zoeken, wijl, indien de nationale opvoeding in Christelijken zin

tot haar recht komen zou, er ongetwijfeld botsing zou ontstaan,

of indien deze vermeden werd, een Christendom op de yolksschool

zou gehuldigd worden, z66 ontdaan van zijn kenmerkende

bestanddeelen, dat het den Jood niet ergeren zou, maar

den Christen daarentegen diep zou grieven. Al dit pogen leidde

echter tot niets : het amendement Elout werd door de groote

meerderheid der Kamer verworpen.

En toen de alinea betreffende mogelijke subsidieering van

rijkswege aan bijzondere scholen aan de orde kwam, bleek

het al spoedig, dat men ze alleen zou kunnen toestaan onder

voorwaarde, dat de aldus bevoorrechte scholen toegankelijk

moesten zijn voor kinderen van alle gezindheden, een beperking,

waardoor men de genadegift der wet aan het bijzonder

onderwijs tot niets terug bracht. Terecht merkte dan ook de

heer Baud op, dat men derhalve de bijzondere school alleen

subsidie toestond, indien ze zich volkomen gelijkstelde met de

openbare school en het derhalve gelijk stond of men een

hulpbehoevenden dienaar pensioen beloofde, op voorwaarde

dat hij stierf.

Nauwelijks was de wet met 47 tegen 13 stemmen aangenomen,

of Groen meende een krachtig protest daartegen te

moeten uitspreken. Hij verliet de vergaderzaal en liet het vol.

gend schrijven aan den voorzitter achter

„Nu de beraadslaging over de wet op het lager onderwijs

is afgeloopen, 'weal ik met smart, doch uit persoonlijk


62 DE SANCTI E .

plichtsbesef en na rijp beraad, mijn ontslag als lid der Tweede

Kamer der Staten-Generaal.

Gelief, mijnheer de voorzitter, met de uitdrukking mijner

hoogachting te ontvangen, en ook aan de Kamer over te brengen,

mijn dank voor de welwillendheid, die mij, bij menig

verschil in zienswijze, van de meeste leden ten deel viel."

In zijn „Open brief" aan zijne kiezers te Leiden ontwikkelde

hij nader de aanleiding tot zijn ontslag nemen. „Het

is," zoo schreef hij, „een kreet der smarte, wegens de ramp,

door toegefelijkheid aan wanbegrippen, over het Vaderland

gebracht ; een protest tegen de beginselen van wetgeving en

bestuur, waarbij noch op volksgeloof, noch op den eenigen

grondslag van ware volksverlichting, noch op de voorwaarde

van volkszegen mag worden gelet."

Straks gaf mede de Eerste Kamer hare sanctie aan de wet,

door ze met algemeene stemmen, uitgezonderd die van den.

heer Oudermeulen, aan te nemen. Deze beweerde, dat het verwijderen

van alien positieven godsdienst van de staatsschool

niet anders dan treurige gevolgen na zich slepen kon. Opmerkelijk

was het dan ook, dat de eenige Israeliet, die in de

Tweede Kamer zitting had, de heer Godefroy, niet aarzelde,

zijne stem te geven voor de o p l e i d i n g tot alle C h r i stelijke

en maatschappelijke deugden, een bewijs te

meer, dat de heer Oudermeulen niet te veel zeide, toen hij het

ontwerp aldus oordeelde.

Minister Van der Brugghen had een treurige rol gespeeld.

Te veel verwachtende van de offervaardigheid zijner partijgenooten

en te zeer ingenomen met zijn eigenaardige denkbeelden

over de algeheele onafhankelijkheid van Godsdienst en Staat,

had hij gebroken met zijne en zich aangesloten bij de groote

Protestantsche partij en den lande eene wet gegeven, waarin

de liberale partij meer tegemoet gekomen werd dan zelfs een

Thorbecke in zijne beste dagen had vermogen te doen. Was

het vreemd, dat men van het onbegrijpelijk Ministerie

gewaagde ? Den uden Augustus 1857 verscheen de nieuwe

Wet op het Lager Onderwijs in het Staatsblad, door de sanctie


LIBERALE TRIOMF. 6 3

des Konings bekrachtigd, ook al staafde de geschiedenis de

Iiitspraak van Groen, dat Z. M. allerminst zulk eene wet had

gewild. Thorbecke had gezegevierd en zijne geestverwanten

juichten : immers nu aan hunne gemoedsbezwaren voldaan was,

rekenden zij zich tot dankbaarheid verplicht. De grieven van

andersdenkenden beteekenden toch niets of werden louter door

partijzucht opgeworpen. De groote Protestantsche partij stelde

zich tevreden met de goede bedoeling, die in de wet lag en

het oppervlakkig Christendom, waarvan zij sprak. De Katholieken

meenden, dat door deze wet; de eenzijdigheid, welke

die van 1806 in de uitvoering gekenmerkt had, aithans zou

weggenomen zijn en slechts de ervaring kon hun de oogen

openen voor het feit, dat de zoogenaamde neutraliteitsleer,

waarvan de Liberalen uitgingen, de geweldige vijandin van elke

kerk, ook van de hare was. Dc Anti-revolutionairen alleen

bleven den strijd onvermoeid voortzetten. Geslagen, doch niet

verslagen, zochten zij in eigen veerkracht en offervaardigheid,

en vooral in het kenbaar maken van hun beginselen, onder

het yolk hun kracht naar het uitwendige.


HOOFDSTUK II.

PARTIJEN EN MINISTERS.

Mochten alzoo de Liberalen op het gebied van onderwijs

triomf blazen, zij konden natuurlijk niet rusten, eer ook op

elk ander gebied van het staatsleven hunne beginselen hadden

gezegevierd. Ware nu ook het huidige Kabinet hun in eene

zoo belangrijke zaak als het onderwijs was, ter wille geweest,

allerminst konden zij verwachten, dat dit ook bij de voorziening

van andere staatsbelangen zou geschieden, waar het Ministerie

zeker niet tegenover eene zoo groote meerderheid in

de Kamer zou staan. Voorloopig zouden zij het nog kunnen

dulden, totdat de gelegenheid schoon heeten mocht om

het te doen vallen, zonder dat de wensch om andermaal als

regeeringspartij op te treden, en vooral om hun afgod, Thorbecke,

aan het bewind te brengen, te zeer door de reeten

gluurde. Een machtigen bondgenoot vond men allereerst in de

stemming der Natie, die wars was van den langdurigen strijd

over het onderwijs, en meende, dat het tijd werd om andere

takken van staatsdienst de aandacht te schenken. En van de

andere zijde vond men zijn steun in den toestand van 't buitenland.

Te midden toch van de oorlogen en staatkundige schokken,

welke het buitenland beroerden, ontwikkelde zich het

maatschappelijke leven tot een Dngekende hoogte en vooral

zij, die in stoffelijke welvaart het hoogste geluk van den Staat

zochten, drongen krachtig aan op den wedijver van Nederland

met de aangrenzende Staten. Allereerst en allermeest moest

de stoomwagen de verschillende einden des lands verbinden en


DE STAAT OF DE CONCESSIONARISSEN.

de gewesten doorkruisende, niet slechts een algemeen middel

van verkeer openen, dat aan vele plaatsen nieuw leven en

nieuwen bloei schenken zou, maar ook Nederland zou maken

tot den weg, waar langs de producten van het buitenland naar

andere werelddeelen konden vervoerd worden. Nu of nooit,

zoo meende men, was het tijd om de handen aan het werk te

slaan. Een aanzienlijk bedrag der schuld was reeds door de

rijke Oost-Indische baten geamortiseerd en in het vorige jaar

was dit bedrag zelfs tot 20 millioen gestegen, terwijl bovendien

het budget van den Staat een batig saldo in twee achtereenvolgende

jaren van respectievelijk negen en zes ton aanwees.

Geen wonder, dat velen meenden dat de Staat niet beter

kon doen, dan, zelf de zaak ter hand te nemen. Dan zou de

onderneming op algemeene en ruime schaal kunnen aangelegd

worden en particuliere, stedelijke en gewestelijke belangen zou-

den voor het algemeen staatsbelang moeten wijken, terwijl

betere regeling zou verkregen en eene doodende concurrentie,

waarvan ten slotte de burgers des lands de dupe zouden zij n,

voorkomen worden kon. Anderen daarentegen, ofschoon dit

alles gedeeltelijk toegevende en overtuigd, dat, zoo de Staat

de zaak aan maatschappijen overliet, deze zich zeker meer

door de zucht tot winst, dan door het belang van het land en

zijne ingezetenen zouden laten leiden, achtten, dat de gunstige

omstandigheden slechts toevallig mochten gerekend worden en

geen grand gaven, om er voor de toekomst op te bouwen.

Dit gold vooral, zoo meenden zij, de Oost-Indische baten, die

zeker spoedig zouden inkrimpen, daar nu reeds de klacht hoe

langer zoo sterker vernomen werd, dat men de bezittingen

verwaarloosde, om hetgeen zij afwierpen eeniglijk en alleen

ten bate van het moederland te besteden. Anderen achtten,

dat de Staat het particulier initiatief ook in dezen zoo vrij

mogelijk moest laten en al de schaduwzijden daaryan voorkomen

kon door aan de te geven concession bepaalde voorwaarden

te verbinden en sterke contrOle uit te oefenen, terwijl

men oordeelde, dat de baten uit de Oost zuiver voor de Kolonien

moesten worden besteed. Zoo waren er twee partijen te

DI. VIII. 5

65


66 THORBECKE'S INVLOED.

dezen opzichte : de eene, die van den aanleg van spoorwegen

Staatszorg wilden makers, de andere, die dien wilden overgelaten

zien aan concessionarissen. Ofschoon ook de Regeering

bij de opening van de Kamers in 1857 blijk gaf, dat zij de

zaak overwoog, was het haar alles behalve gegund, zich rustig

aan deze meer materieele belangen te wijden. Verre toch was

het er van verwijderd, dat men het „onbegrijpelijke Ministerie"

ongemoeid zijn staatkundige loopbaan zou kunnen laten vervolgen

; daarvoor stond het te zeer tusschen de partijen. De

Roomschen wantrouwden Van der Brugghen en zijne medestanders,

daar zij in hen besliste bestrijders van hunne Kerk

zagen ; de Liberalen, hoe zeer zij ook voordeel trokken van de

zucht van het Kabinet, om de wenschen der meerderheid tegemoet

te komen, beschouwden het als een hinderpaal voor de

volkomen verwezenlijking hunner verwachtingen en schroomden

niet, het in de liberale pers voor te stellen, als ware het

alleszins geneigd, den weg der reactie te betreden. Naarmate

de invloed van Thorbecke weder vies, trad zijne partij stouter

op en al spoedig toonde zij hare kracht, toen zij de begrooting

van Oorlog verwierp, waardoor minister Forstner van Dambenoy

tot aftreden genoodzaakt was. Dit was echter slechts

het begin van 't vonnis, dat voor het Kabinet Van der Brugghen

reeds beschreven was. Al meer vertoonde zich de zucht,

om tegen alles te stemmen, wat van de regeeringstafel kwam

en toen straks de minister van Financier Vrolik een voorstel

deed om eenige wijzigingen in het belastingstelsel te brengen,

werden deze, grootendeels op den aandrang der Liberalen, verworpen,

welke voorgaven, dat de voorgestelde wijzigingen te

weinig omvattend waren en een meer doortastende hervorming

in den weg stonden. Zes dagen later, 23 Februari 1858, werd

een ander voorstel met betrekking tot onze handelsverhouding

met Belgie zoo ongunstig in de afdeelingen ontvangen, dat en

Van der Brugghen en Vrolik daarin aanleiding vonden hunne

portefeuilles ter beschikking van den Koning te stellen, nog

voor het voorstel in de Kamer tot onderwerp van beraadslaging

gemaakt was. Het gevolg was, dat geheel het Ministerie ont-


DE CRISIS. 67

slag yraagde en de Koning aan den gewezen Gouverneurgeneraal

van Nederlandsch Indie, J. J. Rochussen, de samenstelling

van een nieuw Kabinet opdroeg. Terwijl deze zelf de

portefeuille van Kolonien aanvaardde en hij uit het vorige

Kabinet de minister van Oorlog Van Meurs, die Forstner van

Dambenoy opgevolgd was, benevens Lotsy voor de Marine

en Van Romunde voor Roomschen Eeredienst behield, trad de

Amsterdamsche burgemeester Boot voor Justitie op, welke

ook de belangen van den Hervormden Eeredienst voorloopig

toevertrouwd werden ; deze laatste werden eenigen tijd later

door Bosscha overgenomen. Van Bosse trad andermaal als

minister van Financien op, terwij1 Tets van Goudriaan den zetel

voor Binnenlandsche en Van Goltstein dien van Buitenlandsche

Zaken innam. Kort, doch met recht treurig mocht de geschiedenis

van het afgetreden Kabinet heeten : het had tot weinig

anders gediend dan om de brug te vormen, waardoor de Natie

en het Ministerie Thorbecke, dat zich door de zaak der Bisschoppen

onmogelijk gemaakt had bij 't meerendeel des yolks,

weer tot elkaar gebracht werden, en in den tijd van deszelfs

afwezen had het den arbeid van Thorbecke's Kabinet inderdaad

nauwgezetter verricht, dan dit laatste het zelf had

vermogen te doen.

Zeker was het den Koning aangenaam, te midden van al

de moeilijkheden, welke het Staatsbewind hem bracht en te midden

van het woelen der partijen te zien, hoe het Nederlandsche

yolk zijne Vorsten eert en liefheeft. Vooral den overleden

Koning kon het niet vergeten. Reeds terstond na den dood

van Willem II had zich, op het algemeen uitgedrukt verlangen

der Natie, eene Commissie gevormd, om als een bewijs van

hulde en dankbaarheid aan zijne trouw en verdiensten, een

standbeeld op te richten. Met algemeenen bijval werd dan

ook de optreding dier Commissie begroet en van alle zijden

stroomden de geldelijke bijdragen der Natie toe. De Koning

had op allerlei wijze zijne ingenomenheid met het plan betuigd

en toen nu den 23sten Maart 1854 het standbeeld onthuld

werd, woonde hij met de beide Prinsen Frederik en Hendrik


68 STANDBEELD VOOR WILLEM II.

de plechtigheid bij, waarbij de heer Van Dam van Isselt dit

blijk van de toegenegenheid der Natie voor zijne Oranjevorsten,

Z. M. den Koning en diens doorluchtig geslacht aanbood.

Willem III aanvaardde het in hartelijke bewoordingen en

betuigde zijn dank aan het Volk, wiens geldelijke offers zulk

een blijvende herinnering aan zijns Vaders deugden en verdiensten

mogelijk gemaakt hadden. Het nationaal geheugen leefde

na 25 jaren terug in de dagen van den Belgischen opstand.

Door koning Willem I was een vereeniging opgericht onder

den naam van Met alen Kr u i s, waarvan de leden gerechtigd

waren tot het dragen van eene bijzondere medaille, welke dien

naam voerde. Nu besloot men eene blijvende herinnering aan

den volksgeest van die jaren op te richten. Dit plan vond echter

op verre na niet de instemming, waarin het huldebetoon

aan koning Willem II had mogen deelen. Men achtte, dat de

ontwerpers van het plan door politieke drijfveeren bestuurd

werden en velen zagen in de oprichting een tastbaar bewijs

van zelfsvoldaanheid en zelfvergoding. Hoe het zij, toen het

gedenkteeken „de Eendracht" den 27sten Augustus 1856 .op den

Dam te Amsterdam onthuld werd, woonden andermaal de

Koning en Prins Hendrik de plechtigheid bij. Weder voerde

daarbij de heer Van Dam van Isselt het woord. De Koning

antwoordde daarop :

„Mijne Heeren !

„Voordat het gedenkteeken wordt onthuld, dat naar mijn

wensch opgericht is ter herinnering aan den voortreffelijken

geest, die in 183o en 1831 het Nederlandsche Volk bezielde,

verlang ik mijne tevredenheid te betuigen, dat ik mij op dit

oogenblik in mijne trouwe Hoofdstad door zoovelen zie omringd,

die in verschillende betrekkingen en langs verschillende

wegen hebben getoond in die moeielijke dagen, dat zij hun

Vaderland lief hadden, en dat zij met vaste trouw verbonden

waren aan hunnen Koning.

Het Metalen Kruis is het eenige uitwendige teeken, dat

nit dien tijd van ware vaderlandsche geestdrift is overgebleven


HET MONUMENT TE AMSTERDAM. 69

Nadat ik mij had overtuigd, dat de vereeniging van hen,

die met dit gedachtenis-, met dit eerteeken zijn versierd, alleen

vaderlandsliefde en kameraadschappelij ke herinneringen ten doel

had, heb ik mij tot Beschermheer van die vereeniging verklaard,

en ik heb mijn beminden broeder, Prins Hendrik der

Nederlanden, benoemd tot Voorzitter van het door mij ingestelde

Hoofdbestuur, omdat ik, als vertegenwoordiger van het

Koninklijke geslacht en van het huis van Oranje-Nassau, het

bewijs wilde leveren, dat ik die liefde en die trouw, die het

Nederlandsche Volk destijds aan mijn Stamhuis heeft betoond,

op den rechten prijs weet te schatten.

Moge dit feest, dat de oud-krijgskameraden van den voortreffelij

ken Prins-Veldmaarschalk tesamen vieren, rijk voor hen

zijn in aangename herinneringen, maar bovenal, moge dit feest

er toe leiden, dat de band van trouw, van eensgezindheid en

van liefde, die het edele Nederlandsche Volk aan zijn geboortegrond

en aan zijne Vorsten verbindt, wordt versterkt en

bevestigd.

Daartoe drage ook het gedenkteeken bij, dat aan den

volksgeest van 183o tot 1831 door ons wordt toegewijd en

dat ook door mij zal worden begroet met : „Leve het Vader -

land !"

Onder het luid gejubel van de menigte, die zich op den

Dam verdrong en onder het lossen van het geschut, viel nu

het omhulsel, waarna de Koning aan de vereeniging h e t

Metalen Kr u i s een prachtige banier schonk en den ontwerper,

den heer Tetus van Elven, tot ridder van de Eikenkroon

verhief, terwijl de beeldhouwer George, die het standbeeld van

Willem II ontwierp, in de orde van den Nederlandschen Leeuw

opgenomen werd.

Ook jegens onze krijgers, die in den strijd in onze bezit-

tingen verminkt of buiten staat geraakten om het Vaderland

te dienen en in hun eigen behoeften te voorzien, maakte de

Koning zich verdienstelijk. Wêl bestond er een Invalidenhuis,

doch algemeen klaagde men, dat het gansch niet aan de

eischen van zulk eene stichting voldeed. Gevoelig voor alles,


70 WATERVLOEDEN.

wat zijne onderdanen betrof, zorgde Z. M. dat de Kolonialen,

die verminkt of gebrekkig naar hier keerden, een vriendelijk en

aangenaam tehuis vonden. Hij stond daartoe namelijk 't schoon

gelegen vorstelijk lustverblijf Bronbeek, aan den straatweg van

Arnhem naar Velp gelegen, en waar, onder andere aanzienlijke

vreemdelingen, ook de - graaf van Chambord, een der

pretendenten naar de Fransche kroon, geruimen tijd verblijf

gehouden had, ten hunnen gebruike af, onder bepaling, dat

daaraan nimmer eene andere bestemming zou mogen gegeven

worden, en van af dien tijd kan het Nederlandsche Invalidenhuis

met de schoonste inrichtingen van dien aard wedijveren.

Toen in 1855 zware watervloeden ons Vaderland teisterden,

toonde Willem III vooral, dat hij een Koning was, die

deelnam in de rampen zijner onderdanen. Zelf snelde hij naar

de plaats des gevaars en hielp, waar hij kon, terwijl hij, toen

daar giften voor de noodlijdenden ingezameld werden, voorging

met een koninklijke gift. „In die dagen handelde niet slechts

de Koning, maar bovenal de mensch en is het de dank der

menschheid vooral," zoo schreef de Halfmaandelijksche Kronijk,

„die den Koning wordt toegebracht. De Koning zelf — en

dit verhoogt het karakter zijner handeling heeft gewild,

dat men aldus, hetgeen hij deed, opvatte ;" en zijn antwoord

aan hen, die hem eene serenade door de Haagsche Schutterij

wilden doen brengen : „Neen, want ik deed niets buitengewoons

; ik deed slechts mijn plicht," getuigt er van, hoe

diep hij doordrongen was van zijne roeping als Koning en

mensch.

De Natie op hare beurt toonde telkens hare gehechtheid

aan het Oranjehuis, hare belangstelling in alles, wat zijn leden

betrof. Toen dan ook den 4den September de Prins van Oranje

zijn achttienden jaardag vierde en volgens de Grondwet meerderjarig

werd, gaf zij allerwege blijken van hartelijke instemming

met de feestvreugde van het Vorstelijk Huis. Doch keerren

wij tot den loop der gebeurtenissen terug.

Met onverschilligheid bijna werd het nieuwe Ministerie

ontvangen. De Liberalen, niet tevreden, wijl Thorbecke niet


HET NIEUWE KABINET. 7 I

andermaal aan het roer van den Staat was geplaatst, verwachtten

bovendien van het opgetreden Kabinet weinig doortastendheid

en vreesden, dat het al te zeer in gematigd liberalen

zin zou regeeren ; alleen Van Bosse was de man hunner wenschen.

De Anti-liberalen daarentegen, ofschoon velen hunner

gansch niet ingenomen waren geweest met het Ministerie Van

der Brugghen, meenden toch, dat de val daarvan eenvoudig

was bewerkt, omdat de meeste leden als sterk gekleurde Protestanten

te boek stonden en dezen vleiden er zich niet mede,

dat zij van hun plaatsvervangers veel goeds zouden te wachten

hebben. De verkiezingen van dat jaar vielen geheel en al ten

voordeele van de Liberalen uit en toen dan ook den 2osten

September 1852 de Kamer op nieuw bijeenkwam en de Koning

zelf de Troonrede uitgesproken had, bleek het uit 't antwoord

op de Troonrede genoegzaam, welke geest de meerderheid der

Staten-Generaal bezielde. Toch scheen men den weg der gematigdheid

te willen inslaan en te streven naar eene verzoefling

tusschen de verschillende partijen. De omstandigheid, dat

er door de aanzienlijke Indische oaten meer dan 13 millioen

in de staatsschatkist overbleef, versterkte bij het Ministerie het

verlangen, om met den aanleg van spoorwegen een aanvang

te maken. Meer dan eenig staatsbelang leefde deze zaak op de

publieke markt. Niet slechts wees de dagbladpers voortdurend

daarop, maar ook in eene menigte van vlugschriften werden

plannen besproken en aan het plaatselijk zoowel als aan het

algemeen belang getoetst. Over het algemeen was men meer

tot het stelsel van concessien aan maatschappijen en bijzondere

personen geneigd. Zoo werden er concessien verleend voor een

Noordernet en eene andere voor den aanleg van een weg uit

Rotterdam naar den Moerdijk. Vooral drong men bij de Volksvertegenwoordiging

aan op aansluiting tusschen het Noordoostelijk

en Zuidelijk spoorwegnet, en wenschte men de verbinding

van Vlissingen met het Limburgsche, ten einde den verkeersweg

met Duitschland en Belgie te voltooien. Straks werd

echter de aandacht van de Vertegenwoordiging verdeeld door

het opwerpen van een nieuw plan, namelijk het graven van


72

STRIJD OVER DEN SPOORWEG.

een kanaal van Amsterdam door de duinen naar de.Noordzee,

zoogenaamd „Holland op zijn Smalst." Ook al mochten godsdienstige

of staatkundige beginselen buiten spel zijn, heftig was

niettemin de strijd, in de Tweede Kamer gevoerd. Amsterdam,

dat om zijn handel zeer nauw in de zaak betrokken was, sprak

zich even sterk voor den aanleg van spoorwegen uit als het

zich tegen de richting, door den Minister voorgesteld, verzette,

en het werd hierin gesteund door Utrecht, dat meende door

zijn ligging in het centrum des lands, bestemd te zijn om het

middenpunt van de aan te leggen spoorlijnen te worden, eene

verwachting, waarop het door de ministerieele plannen teleurgesteld

werd. Ook Friesland en Overijsel rekenden zich misdeeld.

De meer bevoorrechte streken en steden, zooals Gelderland,

Rotterdam en Dordrecht, benevens vele kleinere plaatsen,

waren hoogelijk met het plan ingenomen en weldra trachtte 't

Kamerlid op last van den minister en zijne medeleden toezeggingen

te verkrijgen, welke zijn kiesdistrict het meest begunstigden,

terwij1 de questie van het landsbelang op den achtergrond

trad. Het Volk, dat voor een groot deel de oogen slechts open

had voor hetgeen onmiddellijk en plaatselijk de meeste winst

beloofde, dweepte natuurlijk het meest met den afgevaardigde,

die het belang van zijn district met het meeste resultaat wist

te bepleiten.

Zoo verliep het jaar onder allerlei beraadslagingen en onderhandelingen,

en toen de Kamer den Oen September weder

bijeenkwam, was het al weder de strijd over de spoorwegen,

die het hoofdgerecht uitmaakten op den disch, welke voor

Regeering en Vertegenwoordiging toebereid was. Natuurlijk gaven

de groote baten, welke men uit Indie trok, daartoe mede

aanleiding. Of ook hier te lande de uitgaven de inkomsten

met drie millioen dreigden te overtreffen, andermaal waren de

Oost-Indische baten, die niet minder dan 17 millioen bedroegen,

daarvoor goed, en daardoor was de Kamer tegenover de

concessionarissen ruim van hart en kende die van het Noordernet

een subsidie van bijna 5 millioen, het Zuidelijke een som

van 23 1/2 millioen ongeveer toe, terwijl aan beiden gedurende


PRINS FREDERIK DER NEDERLANDEN.


74

NIEUWE CRISIS.

50 jaren eene waarborgsom van respectievelijk 0/ 2 millioen en

4 1/, millioen aan rente werd toegezegd.

Zoo werd den 4den November het wetsontwerp door de

Tweede Kamer' aangenomen, en reeds meende het Ministerie

zich zeker van de over winning, ja, men gaf zich op sommige

der bevoorrechte plaatsen reeds aan vreugdebetoon over. Wat

echter zeer zeldzaam voorviel, geschiedde nu : de Eerste Kamer

stak een spaak in het wiel. Groot was de verontwaardiging

in de hoofdstad, vooral daar men in de Tweede Kamer zich,

om de bezwaren en de kosten bij de uitvoering, sterk tegen

het graven van het kanaal uitsprak, dat Amsterdam met de

zee verbinden zou. Natuurlijk maakten de tegenstanders van

Thorbecke en de zijnen ijverig gebruik van de gisting onder

de bevolking der hoofdstad en verweten het al aan den oudminister

en zijne liberale partijgenooten, ja, schreven het zelfs

toe aan de zucht der Thorbeckianen om zich op Amsterdam

en Utrecht voor de April-be weging te wreken. Men drong

aan op het zenden van verzoekschriften aan den Koning, toen

de stemmen in de Eerste Kamer, waar het geheele ontwerp

den 8sten Februari 186o in behandeling genomen was en het

met eene stem meerderheid verworpen werd, de hoofdstad tevreden

stelde, maar tevens den val van het Ministerie veroorzaakte.

Nadat Rochussen te vergeefs getracht had een nieuw

Kabinet saArn te stellen, droeg de Koning de vorming daarvan

aan Van Hall op en deze was gelukkiger in zijne bemoeiingen.

Terwijl hij zelf de portefeuille van Financien koos, trad de

Commissaris des Konings in de provincie Utrecht, baron Van

Heemstra, als minister van Binnenlandsche Zaken, Van Zuylen

van Nyevelt voor Buitenlandsche Zaken, Godefroy voor Justitie,

Mutsaers voor den Roomschen en Bosscha voor den Hervormden

Eeredienst op, terwijl Lotsy het departement van Marine

en Rochussen dat van Kolonien behield. De Casembroot,

die, toen Van Meurs zijn ontslag aangevraagd had, als minister

van Oorlog opgetreden was, bleef eveneens aan. Het bleek, dat

de oppositie van Amsterdam een groote rol gespeeld had ook

bij de samenstelling van het Kabinet , immers Godefroy was


HET NIEUWE ONTWERP. 75

door de hoofdstad afgevaardigd en Van Hall was genoegzaam

bekend, niet slechts tegen het ontwerp van het afgetreden

Kabinet te zijn, doch ook weinig sympathie te gevoelen voor

concessie aan maatschappijen en partikulieren, zoodat met de

aanvaarding van het bewind door het nieuwe Kabinet de zaak

der spoorwegen een nieuw stadium intrad. Daar de spoorwegquestie

het huidige Kabinet aan het bewind gebracht had, begreep

het, terstond de zaak ter hand te moeten nemen en reeds

den 24sten April bereikte een wetsontwerp de Kamer, dat zich

zoowel door beginsel als door ruime en breede opvatting ver

van de vroegere plannen onderscheidde. Het Ministerie stelde

op den voorgrond, dat het aan exploitatie van Staatswege boven

concession aan particulieren de voorkeur gaf en oordeelde,

dat de toestand van 's Lands schatkist alleszins het aanvaarden

van de zorg voor dit staatsbelang gedoogde. Wel mocht de

geraamde uitgave van too millioen zwaar heeten, doch bleef

de toestand van het Vaderland en de bezittingen z(56 gunstig

als die thans mochten genoemd worden, dan bestond er alle

reden om te gelooven, dat het geheele plan binnen een tijdsverloop

van tien jaren zou voltooid zijn. Immers de jaarlijksche

begrooting had een batig saldo geboekt van 13 millioen,

terwijl de baten uit de Oost op 1 o millioen geschat werden !

Wel zou de aanstaande vrij making der slaven in onze West-

Indien, indien het desbetreffend wetsvoorstel mocht worden

aangenomen, een goede som vereischen en werden de kosten

voor den Rotterdamschen Water weg op 3 millioen geschat,

doch ondanks deze oogenblikkelijke uitgaven, zou men althans

I() millioen kunnen besteden om met den aanleg van sporen

een aanvang te maken. Het ministerieel ontwerp omvatte dan

ook niet minder dan een negental lijnen, en wel : van Arnhem

langs den Usel naar Leeuwarden, van Harlingen over Leeuwarden

naar Groningen's Oostgrenzen, van Zutfen over Enschede

met vertakkingen naar de Duitsche grenzen, van Maastricht

over Venlo en Tilburg naar Breda, van Roosendaal

naar Vlissingen, van Venlo naar Pruisen, van Maersbergen

over 's Hertogenbosch naar Boxtel, van Rotterdam over Dord-


76 DE AANNEMING.

recht en Moerdijk naar Breda, en eindelijk van Amsterdam

naar Haarlem en voorts over Alkmaar of Zaandam naar den

Helder. Bij de uitgebreidheid van het ontwerp had het Ministerie

vooral dit voordeel, dat zij aan den naijver van vele ste-

den en gewesten op elkaa.r het zwijgen oplegde en, mocht de

een den ander ook de nieuwe bron van opkomst en bloei benijden,

men zweeg, omdat men straks zelf aan de beurt kwam

KONING WILLEM III B1J DE WAThRSNOOD.

en door mildheid tegenover anderen zijn eigen zaak zocht te

dienen. Was het daaraan misschien te wijten, dat het ministerieel

ontwerp, ondanks de sterke bestrijding, waaraan Thorbecke,

die aan het stelsel van concessie de voorkeur gaf, het

onderwierp, toch de overhand behield en de vele amendementen

alien achtereenvolgens verworpen werden, met uitzondering

slechts van het amendement Van Goltstein, hetwelk voor-


DE KONIALE QUESTIE. 77

stelde om in plaats van Maarsbergen als uitgangspunt voor de

lijn, welke van daar uit over den Bosch naar Boxtel zou gaan,

Utrecht als zoodanig te verkiezen ? Hoe het zij, elf dagen nadat

het ontwerp in behandeling genomen was, werd het met

eene meerderheid van 16 stemmen aangenomen, terwijl straks

in de Eerste Kamer slechts vijf stemmen zich tegen het ont-

werp verklaarden.

Te midden van den strijd over de spoorwegen, was de helft

der Kamer volgens de wet afgetreden en hadden de nieuwe

verkiezingen plaats gehad, doch weder hadden de Liberalen,

gesteund door de Katholieken, bijna overal de overwinning

behaald. Nu de spoorwegquestie van de baan was, dreigden de

verschillende beschouwingen over het politiek beheer van de

bezittingen aanleiding te worden tot hevigen partijstrijd. Wij

zagen reeds, hoe velen in den lande wenschten, dat de baten

der Kolonien uitsluitend, of althans voor een groot deel, ten

gerieve van de bezittingen zelf zouden worden besteed. Vooral

onder de Liberalen sprak zich deze meening sterk uit en velen

hunner gingen daarin zelfs verder, dan hun hoofd- en leidsman

Thorbecke wel bedoelde. De Katholieken, als altijd trouw met

de Liberalen in bond, gebruikten mede den stormram tegen

het Kabinet, waarin nu voornamelijk de minister van Kolonidn

Rochussen het moest ontgelden. Men schreef hem te weinig

ijver, te groote bedilzucht en een lichtvaardig zoeken naar de

gunst der partijen toe, oefende voortdurend kritiek op alle

regeeringsbesluiten en handelingen en wist het eindelijk zoo ver

te brengen, dat de Kamer zelfs pressie op hem uitoefende. De

liberale partij kon daarbij echter het vermoeden niet ontgaan,

dat het haar om weinig anders te doen was, dan om ook dit

Kabinet een haastigen val te bereiden, ten einde de Koning,

bij gebrek aan de noodige keuze, gedwongen zou worden Thorbecke

andermaal tot de regeeringstaak te roepen. Behalve op

dit terrein, wenschte men ook over het algemeen herziening

van de rechterlijke organisatie, welke veel te omslachtig en te

kostbaar gerekend werd en daardoor als ondoelmatig werd

veroordeeld, terwij1 de Regeering bovendien regeling van het


7 8 REGEERINGS- ON TWERPEN.

belastingstelsel en van de comptabiliteitswet aan de orde wilde

stellen, benevens een wetsontwerp tot vrijmaking der slaven in

West-Indie.

In strijd met het verlangen der Regeering, wilde de Tweede

Kamer eene bijzondere Wet op het koloniaal beheer in het

algemeen, doch zij liet daaraan op voorstel van den heer Idzerda

de beraadslaging over de rechterlijke organisatie voorafgaan.

Ook hier waren zeer de plaatselijke belangen in het spel. Als

een overblijfsel uit den tijd der getinieerde provincien, had ieder

gewest zijn Gerechtshof, in de hoofdstad gevestigd, hetwelk

natuurlijk aan die stad een goed contingent van gegoede burgers

verzekerde. Minister Godefroy wenschte, in stede van de

provinciale Gerechtshoven, er vijf over het geheele Land te vestigen,

en wel te Amsterdam, 's Gravenhage, 's Hertogenbosch,

Arnhem en Leeuwarden. Natuurlijk verzetten zich hiertegen

de Afgevaardigden van die districten, welke tot heden een

provinciaal Hof bezaten, doch hun weerstand baatte weinig. In,

het laatst van November werd de Wet op de nieuwe rechterlijke

organisatie aangenomen, ook door de Eerste Kamer, en

daarmede was een zaak geregeld, welke sinds 1848 genoeg

kritiek, maar weinig afdoening gevonden had.

Bij de begrooting moest de minister van Kolonien het

andermaal ontgelden. Thorbecke vooral meende zijne pijlen op

hem te mogen richten en de partijgenooten hielpen trouw

mede. Vooral de suikercontracten, door de Regeering aangegaan,

leverden stof tot kritiek. Het kamerlid Wintgens had

reeds vroeger eene motie ingediend, waarbij de wenschelijkheid

uitgesproken werd, om voortaan de suikercontracten bij de Wet

te regelen, en de Kamer had deze motie aangenomen. Ondanks

dat, had de minister Rochussen toch een nieuw contract, het

zoogenaamde Pangka-contract, uitgegeven. Dit veroorzaakte een

pijnlijken strijd tusschen den Minister, die zich niet aan den

band der Vertegenwoordiging binden wilde, en de Kamer, die

zich door den heer Rochussen veronachtzaamd rekende. De

laatste besloot haar gezag tegenover den Minister te handhaven

en ging zelfs zoo ver, dat zij hare afkeuring over het Pangka-


RAMPEN. 79

contract uitsprak. Vruchteloos verdedigde de Minister zijne

koloniale politiek, vruchteloos beweerde hij, dat, wilde men de

rijke Oost-Indische baten voor de schatkist behouden, de Kamer

niet storend op den gang der zaken moest ingrijpen. De Kamer

had nu eenmaal besloten, dat de suikercontracten mede door

hare hand zouden gaan en de Minister had dat besluit veron-

achtzaamd ; hij moest gestraft worden, en de begrooting van

Kolonien werd met 41 tegen 28 stemmen verworpen. Rochussen

nam dien ten gevolge ontslag en zijn aftreding was eene profetie

van het lot, dat weldra het geheele Kabinet wachtte.

Maar binnenlandsche rampen verdrongen weldra de ge-

dachte aan staatkundige beroeringen uit de harten der Natie.

De noodklok klonk voor de tweede maal gedurende de

regeering van den tegenwoordigen Koning, langs de oevers van

Rijn, Waal en IJsel. Onvergetelijk zijn voor het Nederlandsche

Volk de treurige dagen, waarmede het jaar 1861 zijn loop

begon. Langen tijd hebben vorst en dooi elkander afgewisseld.

Hooger en hooger hoopen zich de ijsmassa's tegen den dijk

op, met somber gekraak schuiven de schotsen zich tot torenhoogte

opeen en dreigen de landen achter den dijk met ondergang.

Allen spannen hunne krachten in, duizenden hunden

zijn in de weer om het verwoestend element te keeren en

met bange harten ziet men elkander aan, zwijgend, doch met

een uitdrukking, die genoeg zegt, dat men den arbeid vruchteloos

rekent. 't Is nu eenmaal plicht om het gevaar te keeren,

als het kan, doch . . . het kan niet, neen, het zal niet. Men

versterkt de meest gevaar loopende punten, men verhoogt de

lagere gedeelten, maar de woeste reuzengevaarten spotten met de

inspanning der landbewoners. Daar stort de schrikbare massa

over den dijk heen en men vlucht. Het ijs breekt diepe gaten

in den dijk. De schotsen, nu uiteengeslagen, worden door den

fel bewogen stroom voortgejaagd en werpen alles omver, wat

hun voortgang belemmert : boomen, huizen, schuren, stallen,

niets wordt overgelaten, en eenige uren later ziet ge het schuimende

watervlak, dat in verbolgen woede zijn triomf viert,

bedekt met deuren en kozijnen, stoelen, tafels, gereedschappen


8o BIJ BRAKEL EN POEDEROYEN.

en levensmiddelen. Daar tusschen klinken de angstkreten der

menschen, het geloei van dieren, die in doodsangst om hulp

roepen en — daar ginds op het sterke deel van den dijk staan

de geredden, handen wringend, omdat ze hun liefste betrekkin-

gen voor hun oogen zien verdrinken, hun welvaart verwoest

zien en zelf, ach ! ter nauwernood hebben ze er het leven afge-

bracht ! Ze staan daar, verkleumd en uitgeput door honger en

ellende, zonder schuilplaats, zonder eenige bescherming. Niets

zien ze om zich heen dan ellende, en hunne kleine kinderen

besterven het in hunne armen !

Op 4 Januari bezweek de dijk bij Brakel in den Bommelerwaard.

De noodklok luidde voort en binnen weinige uren stroomden

de polders bij Brakel en Poederoyen vol. Aan redden van

huisraad viel niet te denken ; lijfsbehoud was het eenige, wat

men nog zocht te verzekeren. Een ooggetuige verhaalt : „De

eene woning werd v erzwolgen na de andere. Weldra kon men

er, behalve die, welke door het ijs op den dijk werden gekruid,

drie en twintig tellen, die spoorloos verdwenen in de diepte,

welke het met geweld naar binnen stroomend water had gemaakt.

Eerst toen hied — althans voor dit oogenblik — de

verwoesting op, die, zoo lang zij duurde, geen einde scheen te

zullen nemen. Dit gebeurde tusschen drie en vier uur in den

morgenstond van den 5den Januari. Op hetzelfde tijdstip, of

kort daarna, brak de Waarddijk op vijf verschillende plaatsen

door. Als door vijf wijd geopende kaken braakte alzoo de Waal

hare baren, welke van woede schuimden en hare ijsbrokken,

die voor niets weken, maar alles omver stietten, wat zij tegenkwamen,

in den polder uit. Het was, alsof de gansche landstreek

zou vergaan, zoo beukten de golven, zoo kraakten de

boomers en ratelden de ijsschotsen. Elk hoorde het met beving

aan en — doch dit hoorde God alleen I — menig stil gebed zal

inmiddels opgezonden zijn tot den Almachtige, tegen Wiens

wit geen schepsel zich verroeren of bewegen kan ..... Eensklaps

verneem ik een akelig, naar gegil, dat mij ijlings heendreef

om er de oorzaak van te vernemen. Met ontroering werd

ik die oorzaak gewaar. Gaande naar de zij de van de door


IN HET MAAS- EN WAALSCHE. 8

den vloed verzwolgen woningen en door het ijs verpletterde

gebouwen, ondekte ik eenige vrouwen en kinderen, die als

wanhopig hunne handen wrongen, wier weegeklag ik niet beschrijven

kan. Deze miste zijn vader, gene zijne moeder, een

derde haren man. Over het geheel waren er twaalf personen,

die na de doorbraak niet te voorschijn kwamen en bij gevolg

verdronken moesten zijn, toen het aan de overigen gelukte, uit

hunne neerstortende of wegzinkende huizen te vluchten en zoo.

doende, met achterlating van alles, wat zij hadden, het leven

te behouden."

Tot zoover het verhaal van den ooggetuige, wat de doorbraak

te Brakel betreft. Niet minder hartroerend was het

schouwspel bij het doorbreken van den Waaldijk te Zuilichem

en Nieuwwaal, niet minder vreeselijk de gevolgen van de door-

braak in den Waaldijk te Leeuwen in het Maas- en Waalsche,

De heer Quack schrijft daarvan in het Gedenkboek, te dien

tijde uitgegeven, het volgende : „Achttien ongelukkigen wisten

zich voorloopig te redden op een hooischelf, die echter den

drang van het ijs ook maar kort kon weerstaan. Daar dreven

zij heen met dat ijs, dat hun den ondergang gezworen had,

maar eerst nog met hen moest worstelen op de baren, die

het her- en der waarts dreven, eer het zijn doel bereiken mocht.

Hoe vreeselijk was die worsteling, hoe ongelijk hun kans ! Met

de kracht der warihoop klemden zij zich vast, zochten den

vijand, die hen telkens in de diepte dreigde te storten, te

dwingen dat hij hen droeg, totdat hun geschrei om hulp zou

zijn gehoord, of zij eene plaats bereikten, waar zij veilig konden

zijn. Helaas, verreweg de meesten deden dat te vergeefs !

Hier zag eene moeder hare dochter, ginds eene dochter hare

moeder, daär een zoon zijnen vader, verder een vader zijnen

zoon een prooi der golven worden, die hen den een na den

ander verzwolgen, als waren zij overeengekomen om de overblijvenden

te martelen, niet slechts door de verliezen, welke zij

hen berokkenden, maar meer door hun gedurig voor oogen

te stellen, welk een rampzaligen ondergang zij bereidden voor

alien, die tot nog toe ontkwamen aan haar verschrikkelijk ge-

Dl. VIII. 6


82 DEELNEMING.

weld. Ook .echtgenooten werden daardoor gescheiden of tesamen

om het leven gebracht, en broeders en zusters aan hunne

broeders en zusters ontnomen. Hoe akelig, hoe zieldoorsnijdend

en hartverscheurend was toen het gejammer, het geween en

het gegil der bedroefden, die zelven, met den bangsten dood

voor oogen, hunne dierbaarste betrekkingen plotseling zagen

verdwijnen, of vruchteloos kampen tegen eene kracht, die de

hunne altijd overmocht. En onder al dat gejammer, onder al

dat geween, onder al dat gegil verhief zich het gehuil van den,

wind, het geloei van den storm en het gezang eener krankzinnige,

die hen vergezelde op den vloed en nergens door te

bewegen was, om het vroolijk lied te staken, dat zij aanhief

onder zooveel smart, dat zij telkens van voren af aan begon

en op nieuw herhaalde onder zoo groote ellende. Met nog twee

andere personen, die hunne dierbaarste betrekkingen verloren,

was zij de eenige, die van dit achttiental het leven behield."

Het geheele Vaderland deelde in de ramp, welke de ongelukkige

streken getroffen had. De bevolking der omliggende

plaatsen deed alles wat zij kon, om de ongelukkigen te troosten.

Zij namen hen in hun eigen woning, in opzettelijk daartoe

ingerichte kerken en gebouwen op, en commissien werden

allerwege gevormd, die, door ruime bijdragen uit den lande

gesteund, de noodlijdenden van spijs en drank, kleeding en

dekking voorzagen. Nauwelijks had de Koning de eerste berichten

van den nood ontvangen, of hij zond zijne adjudanten

af naar het tooneel van de ramp om het noodige onderzoek

in te stellen en den noodlijdenden zijne ondersteuning toe te

zeggen. Meer nog : van prins Hendrik en zijne adjudanten vergezeld,

vertrok hij den 23sten Januari van Den Haag naar Gorinchem.

Nadat men te voet over de Lek bij Vreeswijk gegaan

was, spoedde de Koning zich naar Gorinchem, van waaruit

hij de geteisterde streken bezocht en zich nauwkeurig op de

hoogte stelde van den toestand en van de maatregelen, welke

men genomen had, om in de ellende der zwaar beproefde bewoners

te voorzien. In persoon begaf de Koning zich tot de

ongelukkigen en sprak hun woorden van troost en bemoedi-


DES KONINGS 131.'201, K. 8 3

ging toe. Zonder zich om het ruwe weder of oni de gevaren

van den overtocht te bekommeren, staken de Koning en zijn

broeder naar Hurwenen over, waar vele noodlijdenden in de

kerk en in het schoolgebouw verpleegd werden, die letterlijk

alles, tot zelfs hunne kleederen, verloren hadden. Voor alien

had de Koning een hartelijk woord van deelneming en troost

en veler gelaat klaarde op bij de bewijzen van belangstelling,

welke den Koning hun toonde. Hij stond daar als een vader

tusschen zijne kinderen en in zijn blik en houding was de deernis

te lezen, welke hij met zijne arme onderdanen gevoelde.

Hij betuigde zijn koninklijken dank aan hen, die de noodlijdenden

verzorgden en verzekerde hen, dat hij hunne toewijding

nimmer zou vergeten.

Nauwelijks was de Koning op het Loo teruggekeerd, of

hij vernam, dat nu het westelijk gedeelte van het Maas- en

Waalsche overstroomd was, waardoor reeds vele verwoestingen

hadden plaats gegrepen en nog meerdere voor de deur stonden.

Ditmaal door prins Hendrik en den Kroonprins vergezeld,

begaf zich de Koning over Tiel daarheen. Men sprak tegenover

den Koning zijn bezorgdheid uit, dat men hem nergens

een passend nachtverblijf zou kunnen bezorgen. „In dat geval,"

antwoordde de Vorst, „ben ik nog sterk genoeg, om het een

nacht op den dijk te kunnen uithouden." Na een bezoek te Wamel

en Leeuwen, keerde Z. M. over de ijsbergen en dammen,

welke den tocht over de rivier zeer gevaarlijk maakten, naar

Tiel terug, vanwaar hij aan den Minister van Binnenlandsche

Zaken den last zond, een algemeene collecte voor de noodlijdenden

uit te schrijven. Eerst toen het grootste gevaar voorbij

was, vertrok de Koning weer naar Den Haag, maar hij

bleef som op som voor de noodlijdenden beschikbaar stellen,

en toen men hem raadde, nu te matigen, daar hij reeds zooveel

gegeven had, klonk het antwoord : „welnu, dan maar verder

stoppen, zooveel en zoo lang wij kunnen en ons een jaar

behelpen."

Green wonder, dat de Koning op zijne doorreize overal

met vreugde en dankbaarheid werd begroet. De burgemeester


84

DE DANKBAARHEID,

van Rotterdam hield aldaar namens de burgerij een treffende

tuespraak. „Als de nood aan den man is, zijn wij bij elkander !"

antwoordde de Vorst. Tre ffend is het woord, waarmede de heer

Withuys, namens de burgerij van Den Haag, den Koning toesprak.

„Sire," zoo zeide hij, „de eenvoudige burgers, die mij

de eer hebben waardig geacht om tot Uwe Majesteit het woord

te voeren, zijn vertegenwoordigers der burgerstanden in uwe

hofstad, maar vier ootmoedige nadering tot Uwe Majesteit in

alle steden en standen des lands zal worden toegejuicht. Toen

er dijken bezweken, toen zij, die daar achter woonden, in rust,

welvaart en in het genot van huiselijk geluk, eensklaps van

dak, deksel en voedsel beroofd, op de verbroken dijken stonden

en om hulpe schreiden, — klonk er een noodkreet door

het land. Maar terstond daarop klonk ook een andere kreet :

„de Koning gaat er heen ! Onze Koning I" Elk wist of hoorde

nu van 's Konings medelijdend hart en gevoelde, dat redding

en hulp zouden komen, waar de Koning kwam, en dankte den

Allerhoogste, die in Zijne genade aan het Vaderland, bij zulk

een groote ramp, zulk een goeden Koning had geschonken.

De burgerstanden vooral, door beperkte middelen in het vermogen

om te helpen nauw begrensd, hebben diep bewogen

Uwe Majesteit gevolgd in zijn verblijf onder de ongelukkigen,

in zijne zorg voor hunne verpleging, in de ontberingen, die

hij zich getroost, in de gevaren, die hij verduurd en in de

groote offers van edel metaal, die hij gebracht heeft met zoo

milde hand, uit menschenliefde, uit liefde tot het yolk. En wat

brengt nu deze eenvoudige burgers tot den Koning, tusschen

wien en hen de afstand zoo groot is ? Het is de behoefte hunner

harten, om Uwe Majesteit in persoon, door een uit het

hart gesproken woord, kennis te doen erlangen van de dank-

baarheid, de innige dankbaarheid der burgerstanden, voor alles

wat de Koning goeds gedaan en goeds voorbereid heeft door

zijn weldadig goud, zijne troostrijke deelneming, minzame taal

en werkzaam voorbeeld. Zie hunne en mijne dankbaarheid,

Sire ! met welbehagen ; neem het gesproken hartelijk woord

met goedheid aan ! U w naam is voortaan bij hen : Vader des


TE AMSTERDAM. 85

yolks. Zij bidden God, om Uwer Majesteits liefdevolle daden

en opofferingen te beloonen met volheid van zegen over U en

Uw Koninklijk Huis, en door de liefde der dankbare onderdanen

het geluk van Uw leven tot in hoogen ouderdom te verlengen."

„Niets dan wat het menschelijk gevoel mij voorschreef,

heb ik gedaan !" antwoordde de Koning. „En is dat de plicht

van iedereen, het is inzonderheid de plicht van den Koning,

die Koning is over een yolk als het Nederlandsche. In de liefde

van dit yolk vind ik mijn grootste loon." Nu brak er een

ware storm van toejuichingen los en men verdrong zich om

het koninklijk rijtuig, om den Vorst de hand te drukken. De

Koning en de Vorstelijke familie gaven nagenoeg een ton gouds

en het geheele bedrag van collecten en giften voor de noodlijdenden

bedroeg uit het geheele Vaderland nagenoeg anderhalf

millioen gulden, behalve de ingezonden voedingsmiddelen,

kleedingstukken, enz. Van alle zijden stroomden adressen van

dank aan den Koning toe, en toen hij in April aan de hoofdstad

zijn gewoon jaarlijks bezoek bracht, werd hij met warme

geestdrift welkom geheeten. Treffend was vooral de ontvangst,

die de Willemstraters hem bereidden, toen Z. M. hun wijk

bezocht en bij deze gelegenheid boden zij een sierlijk bewerkten

zilveren beker aan. Met warmen dank aanvaardde de Koning

dit eenvoudig bewijs van de hartelijke liefde zijner getrouwe

onderdanen, en aan het einde van zijn toespraak verzekerde

hij : „Mocht het Vaderland — wat God verhoede ! —

ooit weer in nood verkeeren, dan zal ook ik niet op de plaats

van 't gevaar gemist worden. Daarvoor zijn wij in de wieg

gelegd ; wij, Prinsen van Oranje, kunnen niet anders doen ;

weest daarvan overtuigd !"

„Dat zijn van die uren, die men nimmer vergeet !" sprak

Z. M., toen hij van uit de Willemstraat naar het Paleis terugkeerde.

Heel het land was jaloersch op Amsterdam, en vooral

Utrecht en Zeeland drongen er zoo sterk op aan den Koning

op hun grond te mogen verwelkomen, dat deze aan hun wensch


86 IN ZEELAND.

voldeed. Negen dagen lang vertoefde de Koning te midden der

Zeeuwen, en in Middelburg wilde men de paarden van zijn

wagen spannen en dien zelf trekken, hetgeen de Koning echter

niet wilde toestaan. „Ik verlang geen slavenarbeid van mijne

onderdanen," zoo betuigde Z. M. Te Westkapelle gekomen,

begaf de Koning zich terstond naar den dijk en bezichtigde

dezen, onder het loeien van den storm, met de meeste nauwkeurigheid.

Na de school bezocht te hebben, nam hij een kijkje

bij het ringrijden, dat men te zijner eer deed. Hij onderhield

zich met de boeren, met de arbeiders zelfs, „Zeg eens," zeide

de Koning tot een hunner, zijn sigarenkoker voor den dag

halende en er een sigaar uit nemende, „kun jij niet een beetje

vuur maken ?" „O, ja wel," antwoordde de arbeider, die den

Koning niet uit zijn geyolg onderscheidde. Daarop nam hij

zijn tonderdoos, sloeg vuur en bood het Z. M. aan. Toen de

Koning aangestoken had, reikte hij den man zijn sigarenkoker

over met de woorden : „de eene dienst is de andere waard ;

daar heb jij nu een gedachtenis van mij !" „Dank je wel," zei

de verlegen arbeider met den hoed op het hoofd, en stak den

koker in zijn borstzak. Toen men hem op zijn lompheid wees,

verontschuldigde hij zich daarmede, dat hij den Koning niet

kende. Hij wilde toen zijn fout herstellen, maar de Koning

was reeds verder gegaan.

Ook Utrecht wedijverde met Zeeland in vreugdebetoon en

merkwaardig vooral waren de uitingen van de genegenheid

des yolks. Zoo had een bakker een chassinet boven zijn Winkel

geplaatst, waarop een bakker voor een gloeienden oven

was afgebeeld en daaronder las men :

Hen, die niet Oranje minnen,

Schuif ik zoo den oven binnen.

In Deventer ontwierpen eenige dames het plan, om namens

de Nederlandsche vrouwen aan Z. M. een blijvende hulde aan

te bieden. Hun voornemen vond overal bijval, vooral daar men,

ten einde de deelneming algemeen te maken, bepaald had, dat

ook zelfs een gift van een enkelen stuiver welkom zou zijn.

Straks werd dan ook op het Loo een waardig monument ge-


RAMP IN JAVA. 87

plaatst in marmer, op een blauw voetstuk, de Faam voorstellende,

welke in de eene hand een bazuin, in de andere een

krans van eikebladeren houdt. Bij de onthulling werd Z. M.

een album aangeboden, bevattende de namen der Commission

en met , het inschrift op het schutblad :

„Aan Koning Willem III, ter herinnering aan Oranje's liefde,

zijn Volk betoond in de rampspoedige dagen van de maanden

Januari en Februari, aangeboden door Nederland's vrouwen."

Het monument, waarvan de Haagsche beeldhouwer Lacomble

de bewerker was, werd door den Koning minzaam

aanvaard. Een gedenkpenning, in die dagen geslagen, stelt aan

de eene zijde de Maagd van Gelderland, vluchtende voor den

vloed, bij een kolom voor, met het opschrift : „Oranje naast

God" en aan de keerzijde de woorden : „Willem III, Januari

en Februari 1861."

Wet mocht het jaar 1861 het jaar der volksrampen heeten.

Nog luidde de noodklok in het Maas- en Waalsche, toen

een regeeringstelegram in 's Gravenhage de tijding bracht van

een geweldigen watervloed op Midden-Java, waarbij tal van

menschenlevens en zeer veel bezitting en gewas verloren gegaan

waren. Inderdaad, droevig waren_ de mededeelingen over

de ramp, welke straks op ruimer schaal verspreid werden. Zij

betroffen vooral de residentien Kedoe, Bagelen, Djokjokarta,

Soerakarta, Banjoemaas en omgelegen deelen, en verwoestten

eene streek, welke men terecht de tuin van Java noemt. Op

den laatsten dag van Januari begonnen zware plasregens, die tot

den 3den Februari voortduurden, de rivieren to doen zwellen,

zoodat het water een hoogte van 3o voet bereikte. De oevers

zakten weg, aardstortingen voltooiden de verwoesting, bruggen

werden weggeslagen, honderden huizen stortten in en geheele

dessa's werden vernield. Meer dan 240 menschen kwamen

alleen bij de aardstortingen en den vloed om het leven.

In Bagelen, waar de hoofdplaats en een groot deel laag

gelegen land overstroomden, vonden 700 slachtoffers hun dood

in den vloed, terwiji nog 50 anderen levend begraven werden,

en dat binnen den tijd van weinige uren. Op Djokjokarta brak


88 DE CRISIS.

den 22sten Februari een geweldige storm uit het Noord oosten

los, vergezeld van stortregens, waardoor de rivieren buiten

hare bedding traden, bruggen weggeslagen, 45 dessa's verwoest

en tal van slachtoffers gemaakt werden. Zoo ging het eveneens

op Soerakarta en vooral in Banjoemaas. Zware aardschokken

dreven het water van de Serayoe tot dertig voet op en de

bewoners moesten, om het lijf te redden, op de boomen klimmen,

waar zij tusschen slangen, hagedissen en ander verdervend

gedierte, 36 uren lang in doodsnood moesten blijven, door

de zweepende takken met omkomen in den vloed bedreigd.

Daar ginds verdronken hunne liefste betrekkingen en hun vee

en de verbolgen stroom spoelde daar al hun rijkdom voort.

Niet minder dan 200 dessa's werden verwoest en 270 menschen

kwamen om. Het moederland, zelf geteisterd en door

zoo groote ellende bezocht, had een open hart voor de ramp

zijner zonen in de bezittingen. Behalve vele bijzondere gaven,

verzamelden de Commissien, welke zich gevormd hadden tot

leniging van den nood, een som van ongeveer twee ton gouds.

De Koning zelf was vorstelijk voorgegaan en schonk met zijne

Familie niet minder dan tien duizend gulden.

Inmiddels was de door Rochussen aangeboden portefeuille

van Kolonien overgegaan op den beer Cornets de Groot. Verschil

in den ministerraad, zoo heette het, gaf aanleiding dat

ook Van Hall ontslag verzocht. In den grond echter was de

oorzaak hierin gelegen, dat het gematigd liberaal Ministerie

niet in den geest viel der Thorbeckianen, die niet rusten zouden

voor hun hoofdman weder aan het bewind was. Zij maakten

het daarom elken minister moeilijk, die, naar hunne voorstelling,

een struikelblok was voor het verkrijgen hunner wenschen,

en dat te meer, nu het gerucht wilde, dat de Koning

geen Kabinet Thorbecke wenschte. Het aftreden van Van Hall

sleepte de geheele ontbinding van het Kabinet na zich. De

aanleiding tot deze crisis was echter aid, weinig binnen" den

levenskring der Natie gelegen, dat deze van de zaak maar weinig

nota nam en het nagenoeg met onverschilligheid aanzag, dat

de tusschentoestand zelfs geruimen tijd duurde. Den I4den


HET KABINET VAN ZUYLEN. 89

Maart 1861 werden de nieuwe Ministers in het Staatsblad ver-

meld en nu bleek, dat baron Van Heemstra aangebleven was

voor Binnenlandsche Zaken, Jhr. De Casembroot voor Oorlog

en Godefroy voor Justitie, terwijl Van Zuylen van Nijevelt voor

Buitenlandsche Zaken, Van Tets van Goudriaan voor Financier],

Loudon voor Kolonien, Strens voor den Katholieken Eeredienst,

Jolles voor den Hervormden en Huysen van Kattendijke voor

Marine opgetreden was. Daar een drietal leden van het Kabinet

reeds onder Thorbecke aan de ministerstafel gezeten hadden,

waren natuurlijk de Liberalen weer met dit Kabinet ingenomen

en beschouwden het, om zoo te spreken, als de brug, waarover

Thorbecke weder aan het bewind treden zou. Dit sprak te

sterker, nu Van Zuylen van Nijevelt als minister opgetreden

was, de man, die zulk een groote rol in de geschiedenis der

April-beweging 'had gespeeld en toen voor de Anti-liberalen

had moeten wijken ; deze trad dan nu ook feitelijk als de premier

van het Kabinet op. In eene gewone Kamerzitting op 24 April

legde Van Zuylen de politieke gedragslijn van het Kabinet

bloot en, ofschoon hij beweerde geen program te zullen geven,

legde hij duidelijk de beginselen uiteen, waarnaar de nieuwe

Regeering meende te moeten handelen. Mocht het feit, dat de

behandeling der koloniale aangelegenheden in den grond aanleiding

gegeven had tot verwisseling van Kabinet, de veronderstelling

wettigen, dat de politiek van het tegenwoordige

Ministerie in tegenspraak zou zijn met die van het vorige, zoo

meende de Minister dit te moeten tegenspreken. Erkende hij

ook, dat eenige handelingen, die aanleiding tot ergernis gegeven

hadden, door wettelijke besluiten moesten voorkomen

worden, over het algemeen, oordeelde de Minister, waren en

de meerderheid der Kamer, en die der Natie, wat de koloniale

belangen betreft, behoudend gezind, en moest Indie een,

Nederlandsche bezitting blijven, Voorzeker werd het hoog tijd,

dat de hand geslagen werd aan middelen tot verhooging van

de stoffelijke welvaart onzer bezittingen en de zedelijke verbetering

harer bewoners, doch dit kon, naar de meening der

Regeering, zeer goed geschieden binnen de grenzen van den


90 DE ROMEINSCHE QUESTIE.

tegenwoordigen staat van zaken ; men behoefde daarvoor de

cultuur van den Staat niet op te geven, noch van leidend beginsel

te veranderen. De Natie was, zoo beweerde de Minister,

het geredekavel en. het twisten moede en verlangde naar de

daden der Regeering en, zoo men nu op nieuw blijken gaf van

machteloosheid, het Volk zou gaan twijfelen aan de kracht van

het liberale beginsel, waarom hij er op aandrong, dat men aan

de jammerlijke verdeeldheid, welke de kracht der liberale partij

ontzenuwde, een einde maken, en met terzijdestelling van kleine

verschillen, een doel zou voor oogen houden : de bevestiging

en voltooiing van het constitutioneel staatsgebouw. Weldra zou

het echter blijken, dat deze verwachting tot de zoogenaamde

vrome wenschen mocht gerekend worden ; niet slechts was

het op nieuw de koloniale questie, die de Liberalen verdeelde,

maar ook de buitenlandsche verhoudingen brachten verwijdering

te weeg tusschen Liberalen en Katholieken.

Met Sardinie aan het hoofd en den bekwamen Sardinischen

minister, graaf Cavour, tot leidsman, had zich in Italie een

partij gevormd, die zich tot leus gesteld had om Italie vrij te

maken van de onderdrukking, welke het, naar hare meening,

van de zijde van Oostenrijk, Napels en den Paus te lijden

had. Langzamerhand had men in Europa al meer zich aan

de eene of andere zijde gevoegd en werd het duidelijk, dat de

Katholieke Staten zich tegen en de Protestantsche daarentegen

sterk voor de vrij making van Italie verklaarden. Algemeen gingen

er in de pers krachtige stemmen op tegen de onderdrukking

van den Italiaanschen volksgeest door de priesterschap, en

niet weinig werd de tegenstand vermeerderd, toen er ontdekt

werd, dat een Israelitisch meisje, Mortara genaamd, in het

geheim gedoopt en door de geestelijkheid aan den invloed van

hare familie was onttrokken, om haar voor de Roomsche kerk

te behouden. Lang zou evenwel de bestaande staat van zaken

nog voortgeduurd hebben, indien niet Napoleon, die in 1854

den Franschen keizerstroon beklommen had, zich in de zaak

had gemengd. Deze was namelijk, gedurende zijn vroeger verblijf

in Italie, lid geworden van een geheim genootschap, dat


NAPOLEON 'S HOUDIN G. 91

zich de vrijmaking van Italie tot taak gesteld had, en de Itali-

aansche revolutionairen verwachtten, nu hun medelid den keizerlijken

zetel bestegen had, krachtigen steun van hem voor hun

zaak. Toen deze uitbleef, verklaarden zij hem voor een verrader

en spraken het vonnis des doods over hem uit, met

welks volvoering zich zekere Orsini en een tweetal anderen belastten.

Een aanslag werd gepleegd : Napoleon bleef ongedeerd

en Orsini met een zijner handlangers werden ter dood veroordeeld.

Hetzij dat Napoleon echter hierdoor de vreeze in het

bloed gevaren was, hetzij dat hij een middel zocht om zijne

onrustige Franschen met de buitenlandsche politiek bezig te

houden en daardoor hunne blikken of te wenden van zijn binnenlandsch

beheer — hij had straks (1858) een onderhoud met

graaf Cavour te Plombiêre, en de oorlog tegen Oostenrijk werd

een feit. De Oostenrijkers moesten uit Italie wordeti verwijderd

en een Statenbond, met den Paus als voorzitter, zou tot stand

gebracht worden. Het volgende jaar werd de oorlog verklaaid ,

Victor Emanuel, de koning van Sardinie, vereenigde zijn legers

met de Franschen en, na bij Magenta en Solferino verslagen

te zijn, moest de Keizer van Oostenrijk te Villa Franca een

vrede teekenen, waarbij bepaald werd, dat een Italiaansche

Statenbond, met den Paus aan 't hoofd, zou worden opgericht.

Hiermede waren echter de omwentelingsgezinden niet tevreden.

Garibaldi rukte met zijne vrijkorpsen op, de vorsten van Parma,

Modena en Toskane werden verjaagd en ook in den kerkelijken

Staat waren de opstandelingen meester. Straks werden

Parma, Modena en Toskane bij het koninkrijk Sardinie

ingelijfd, en nadat Garibaldi met zijn vrijwilligers het eiland

Sicilie en ook het vasteland van Napels veroverd had, deed

Victor Emanuel ook daar zijn zegevierenden intocht. Toen

men nu ook op Rome losging, nam Napoleon wel den schijn

aan, als wilde hij den Paus tegen de Piemonteezen beschermen,

doch in den grond liet hij hen stilzwijgend begaan, ja,

bij den dood van Cavour erkende hij Victor Emanuel als

koning van Italie, hoewel hij, al weder voor de leus, bezwaar

aanteekende tegen elke verdere handeling, die de rust van


92 DE DEBATT EN.

Europa storen of het gezag van den Paus schaden kon. Zoo

speelde Napoleon zijn dubbelzinnige rol en straks werd Rome

als hoofdstad van den een en ondeelbaren Italiaanschen Staat

uitgeroepen. Weldra volgden vele Protestantsche Staten het

voorbeeld van Frankrijk en erkenden het koninkrijk Italie,

en ook ten ontzent werd daarvoor, vooral van liberale zijde,

sterk geijverd, waaruit een hevige strijd in de dagbladen ontstond.

Het einde van de zaak was, dat de Nederlandsche Regee-

ring Victor Emanuel als koning van Italie erkende, waarmede

zij echter niet wilde betuigen hare rechtvaardiging van de feiten,

waardoor het nieuwe koninkrijk tot stand gekomen was.

Debatten over deze zaak konden in de Tweede Kamer niet

achterwege blijven. Mocht de Troonrede bij de opening der Ka-

mers daarover ook een voorzichtig zwijgen bewaren, de Katholieke

leden waren evenzeer over de erkenning verontwaardigd,

als de Liberalen ze toejuichten. Ongelukkigerwijze stelde echter

de Groninger afgevaardigde Zijlker voor, in het antwoord op de

Troonrede eene zinsnede in te lasschen, waarin warme sympathie

zou uitgesproken worden met den Italiaanschen strijd, als zijnde

gelijk met dien, welke de Nederlandsche Natie zelve in de

16de eeuw gevoerd had tegen hare onderdrukkers. Natuurlijk

lieten de Katholieken dezen aanval van liberale zijde niet onbeantwoord.

De Regeering trachtte tusschen beide partijen door

te zeilen en beweerde, dat de erkenning eenvoudig geschied was

in het belang van den handel en gansch geene goedkeuring

van de revolutie, doch slechts een berusten in hare gevolgen

bedoelde. Zelfs vestigde de Minister er de aandacht van de

gezanten in het buitenland op, dat zoowel de Troonrede als de

Eerste Kamer in haar antwoord over de Romeinsche questie

gezwegen had en de Tweede Kamer zich had neergelegd bij

het ontwerp der Commissie tot beantwoording van de Troonrede,

in welk ontwerp de zaak noch goed-, noch afgekeurd werd.

Ook 't Ministerie Van Zuylen was echter geen lang leven

beloofd. Van lieverlede werd 't een publiek geheim, dat er een

groot verschil van zienswijze in het Ministerie zelf was over

de koloniale zaken en, met name de ministers Van Zuylen en


LOUDON. 93

Loudon, sterk tegenover elkander stonden. Dit nu kwam vooral

uit, toen minister Van Zuylen aan de Vertegenwoordigers onzer

Regeering in het buitenland kenbaar maakte, dat de benoeming

van baron Sloet van de Beele, tot Gouverneur-generaal van

Nederlandsch Indie, niet moest beschouwd worden als een breuk

met het bestaande regeeringsstelsel ten opzichte der Kolonien,

zooals men in de liberale bladen had laten verluiden. De spanning

tusschen de beide ministers werd nu nog grooter en Van

Zuylen nam zijn ontslag, terwijl de portefeuille van Buitenlandsche

Zaken tijdelijk aan den minister voor Roomschen Eeredienst

toevertrouwd werd. Straks echter bij de begrooting hadden

zoowel de minister van Kolonien, Loudon, als die van

Financien, Tets van Goudriaan, het zwaar te verduren en ook

tegen de oorlogsbgrooting gingen krachtige stemmen op. De

verplichte jaarlijksche uitgaven van tien millioen voor den aanleg

van spoorwegen maakte, dat de uitgaven de ontvangsten

met zeven millioen overtroffen, waaruit de Liberalen echter aanleiding

namen het financieel beheer te laken. Wat den minister

van Kolonien aanging, hij vermocht geen der partijen te

bevredigen. Wel verklaarde de Minister, dat hij met het cuL

tuurstelsel en den gedwongen arbeid der Javanen geleidelijk

breken wilde, doch van de eerie zijde haalde hij daardoor

het misnoegen op zich van hen, die in behoud van den toestand

alleen heil zagen voor den Staat en de Kolonien, en van

de andere zijde bevredigde hij daardoor zijne liberale partijgenooten

niet, die gaarne een splotseling ingrijpen zouden gezien

hebben en weinig van zoogenaamde geleidelijke overgangen

gediend waren. Ook achtten zij, dat de begrooting nu reeds

duidelijk aantoonde, tot welke misrekeningen men kwam, indien

men voor de belangen van den Staat op zeer wisselvallige

Indische baten rekende en achtten het tijd, de financiEn van

den Staat te scheiden van die der Kolonien. Wijl echter Loudon

beslist aan de zijde der Liberalen stond, werd hij met

toegevendheid behandeld en zag hij zijne begrooting aangeno-

men. Ook zelfs die van Financier en Oorlog behaalden eene

meerderheid, zij het dan ook van slechts weinige stemmen. De


94

TWEEDE MINISTERIE THORBECKE.

minister van Binnenlandsche Zaken echter zag de zijne verworpen

en vooral de omstandigheid, dat de begrooting voor

onvoorziene uitgaven slechts voor de helft van het bedrag aangenomen

werd, gaf het Kabinet aanleiding om collectief ontslag

aan te vragen.

De Liberalen verwachtten nu niet anders dan het toppunt

van hun wenschen te zullen verkrijgen en hun leidsman Thorbecke

aan het bewind te zullen zien treden. Het gerucht liep

echter, dat de Koning persoonlijke antipathie tegen den Staatsman

koesterde en deze ook aan het Hof minder gewild zou

zijn. Dit vermoeden werd versterkt, toen Z. M. aan den oud -

minister Van Reenen, en door de April-beweging en door de

schoolquestie genoeg bekend, het vormen van een Kabinet

opdroeg. Van Reenen mocht echter niet slagen, en thans verkregen

de geavanceerd Liberalen inderdaad hun wensch. Thorbecke

werd met de samenstelling van het nieuwe Ministerie

belast en op i Februari 1862 kondigde het Staatsblad de namen

en functien van het nieuwe Kabinet aan. Thorbecke trad

als minister van Binnenlandsche Zaken op, Betz van Financien,

Blanken van Oorlog, Olivier van Justitie, Huysen van Kattendijke

van Marine, Uhlenbeck van Kolonien, Meeussen van Roomschen

en Jones van Hervormden Eeredienst, terwijI baron Stratenis,

die slechts voorloopig als minister van Buitenlandsche

Zaken opgetreden was, zijne plaats door Van der Maesen de

Sombref zag innemen. Deze benoemingen, zoowel als die van

Mackay, den afgevaardigde van Arnhem, tot vice-president

van den Raid van State, veroorzaakten nieuwe toevallige ver-

kiezingen, bij welke gelegenheid Franssen van de Putte voor

Rotterdam zitting nam.

De Liberalen juichten en verkondigden, dat de wagen van

Staat nu eerst weer in het rechte spoor gekomen was. Mocht

zich de profetie verwezenlijken, het werd inderdaad meer dan

tijd. 't Was of men na 1848 het gewenscht evenwicht tusschen

Regeering en Volksvertegenwoordiging niet had kunnen vinden.

Gedurende de regeering van den huidigen Koning, derhalve

in een tijdvak van dertien jaren, waren 54 verschillende perso-


VERWACHTINGEN. 95

nen in den lande met de onderscheidene portefeuilles belast,

en onder hen waren sommigen twee, anderen drie en enkelen

zelfs viermaal benoemd, zoodat de Staatscourant niet minder

dan 8o verschillende benoemingen aan de regeeringstafel vermeld

had. Inderdaad werd het hoog tijd, dat het partijgeharrewar

een einde nam en men de Regeering eindelijk eens

rustig liet voort arbeiden ; nauwelijks toch hadden vele bewindslieden

den tijd gehad, om de kracht van hun leidend beginsel

in daden om- te zetten. De Liberalen vleiden zich, dat Thorbecke

er nu in geslaagd zou zijn om een Kabinet te vormen,

waaraan niet de zoo noodige homogeniteit ontbrak en dat zich

niet andermaal door verdeeldheid in eigen boezem een spoedigen

val zou , voorbereiden. Vooral nu de meederheid der

Kamer op de hand van den premier was, vleide men zich,

dat de taken in de Kamer vlugger van de hand zouden gaan,

en dat te meer, toen straks de periodieke verkiezing in Juni

weder de liberale partij ten goede kwamen. Ofschoon Groen

en te Leiden en te Zwolle in herstemming kwam, werd hij,

dank zij den steun, welke de Katholieken aan den liberalen

kandidaat boden, niet herkozen ; daarentegen trad hij in de

plaats van zijn geestver want Mackay, na diens benoeming, als

vertegenwoordiger voor Arnhem op, zoodat andermaal Thorbecke

tegenover zijn ouden tegenstander kwam te staan. In

's Gravenhage werd, mede door de hulp der Roomschen, Mr.

Kappeijne van de Copello tot lid der Kamer gekozen.

Ongetwijfeld had een Kabinet, met een man als Thorbecke

aan het hoofd, veel voor. Hij was een man van uitnemende

talenten, hoog geacht zelfs bij den tegenstander, en

wist met vaste hand het scheepke der Regeering, tusschen de

klippen door, naar buiten te brengen. Niet slechts de Liberalen

dweepten met hem, maar ook de Katholieken konden

maar niet vergeten, dat hij hen in de dagen van 1853 zoo zeer

aan zich had verplicht, ook al mocht de Romeinsche questie

vele Katholieken van de Liberalen vervreemd hebben, en al begonnen

zij steeds meer te gevoelen, dat zij in weinig opzichten

slechts gemeene zaak met de Liberalen konden maken. Al deze


96 DE FINANCIEN.

dingen saam genomen, deden echter van het tweede Ministerie

Thorbecke verwachten, dat, mocht het ook niet die kracht bezitten,

welke 't bij zijn eerste optreden had gekenmerkt, daaraan

een langer leven weggelegd was dan de vorige Kabinetten

mochten genieten. Ten overvloede mocht het zijn staatkundigen

arbeid beginnen met een tweetal wetten, welker tot stand

komen door alle partijen begeerd werd. Deze waren : allereerst

de tariefhervorming, door minister Betz ontworpen en verdedigd,

waardoor in den geest der Liberalen het vrijhandelstelsel nog

meer uitgebreid werd en welke door bijna de geheele handelswereld

als eene weldaad voor den Staat op handelsgebied gerekend

werd. Voorts werden ook de slaven vrij verklaard in

onze West-Indische Kolonien, een maatregel, waaromtrent bijna

geen verschil van gevoelen bestond, dan wat de wijze van uitvoering

betrof. Met betrekkin daartoe verklaarde de Wet,

dat de eigenaars recht hadden op schadevergoeding van wege

den Staat. Beide ontwerpen nu konden nog gedurende deze

zitting van de Tweede Kamer haar beslag krijgen.

Weldra bleek het echter, dat het tweede Kabinet Thorbecke

nu niet zoo geheel op rozen treden zou. Wê1 waren de

omstandigheden ook in financieel opzicht zoo gunstig mogelijk

en bleek het bij de opening der nieu we zitting, dat de inkomsten

de uitgaven met 7000.000 gulden overtroffen, ter wijl ook

Indie weer nieuwe baten beloofde of te werpen — omstandigheden,

welke den Minister recht schenen te geven, zijne plannen

tot belastinghervorming aan de orde te stellen, doch nau welijks

waren de beraadslagingen over dit hoofdstuk der begroo-

ting geopend, of de Minister vond kr achtige bestrijding van

de zijde der Conservatieven en der Anti-revolutionairen. Toch

werd zijne begrooting aangenomen en in dit opzicht althans

was hij gelukkiger dan zijn collega, de Minister van Kolonien,

wiens regeeringsbeleid heftige aanvallen van de zijde der bovengenoemde

partijen doorstaan moest. Men wraakte het in

hem, dat hij den inlander, door particulieren en maatschappijen

vergunning tot exploitatie van den bodem op Java te

geven, al meer slachtoffer maakte van willekeur en meende, dat


UHLEN BECK. 97

op deze wijze mede de financien van den Staat schade leden.

Krachtig werd de Minister echter bijgestaan door het voor

Rotterdam gekozen lid Franssen van de Putte - en vooral daar

aan, , had hij- de aanneming zijner begrooting te danken. Niet

zoo voorspoedig was hij echter in de Eerste Kamer, waar zich

slechts • een viertal leden vdor de begrooting verklaarden, zoodat

Uhlenbeck zich genoodzaakt zag zijn ontslag bij 'den Koning

aan, te vragen ;. Franssen van de Putte nam hierop zijne

plaats in..

_Inmiddels zou er eindelijk uitvoering gegeven worden aan

den wensch om Amsterdam door een kanaal, dat de duinen

doorsneed, met de zee te verbinden, wat zeker een grootsch

werk rnocht heeten. Niet slechts moest een grout deel van

het IJ drooggemaakt, maar bovendien moesten kolossale sluizen

aangelegd, om de zee te verhinderen zich landwaart in te

begeven. De kosten werden niet minder dan 18 millioen geraamd.

Doch welke , de bezwaren ook waren, in de hoofdstad

droomde men van niets anders, en ook van elders openbaarde.

zich de -grootste belangstelling. Jaeger wist eene maatschappij

op, te richten, die de zaak ter hand nam en concessie ontving.

Z66 , dankbaar waren Amsterdam's ingezetenen, dat zij Jaeger

tot lid van den Raad verkozen en wel met algemeene stemmen

bij de eerste de -beste gelegenheid. Te gelijkertijd, met de concessie

aan de maatschappij, „Holland op zijn Smalst" te verleenen,

- stelde de , Minister voor de verbetering van de Maasmonden,

tot aan de zee, waarvan de kosten, ongeveer drie

door den Staat zouden gedragen worden. Natuurlijk waren de

blijke-n. van vreugde in Amsterdam' en Rotterdam zeer groat,,

toen beide ontwerpen in Januari 1863 aangenomen werden.

Ook- de wet op het middelbaar onderwijs kwam dit jaar

tot stand. Zij diende voornamelijk om allerwege de jongelieden,

die zich op bepaalde vakken toeleggen wilden, beter toe

te rusten en was derhalve gericht op het belang van kooplieden,

ambtenaren, ingenieurs, enz., waartoe vooral onderwijs

zou gegeven worden s in de taal- en natu-urkundige vakken,

handelswetenschap en daarmede verwante. De wet eischte, dat

Dl. VIII. 7


98

MIDDELBAAR ONDERWIJS.

in elke gemeente boven de 10.000 inwoners eene Hoogere Burgerschool

zou opgericht worden, terwijl gemeenten beneden

dat peil, indien zij tot de oprichting besloten, subsidie van het

Rijk zouden kunnen ontvangen. Uiteraard stemden de Antirevolutionairen

op nieuw tegen het ontwerp, doch over het algemeen

was de bestrijding niet zoo fel als die bij de wet op

't Lager Onderwijs. Dit lag waarschijnlijk hierin, dat men deze

scholen meer als wetenschappelijke dan als opvoedingsinrichtingen

aanzag en men nog minder overtuigd was van de schade,

welke zij, zooals later blijken zou, het godsdienstig karakter

der Natie konden aandoen. Vele wetten van meer ondergeschikt

belang kwamen voorts onder het tweede ministerie Thorbecke

tot stand. Wat het buitenland betreft, nam men, door

de ervaring geleerd, de grootste behoedzaamheid in acht. Wêt

trachtten de Roomschen van de gunstige gelegenheid partij te

trekken om de Regeering te bewegen, hare belangstelling in

's Pausen toestand uit te spreken of althans een woord van

afkeuring te zeggen over de handelingen van de Italiaansche

regeering ten zijnen opzichte ; maar eene Regeering, waarvan

Thorbecke het hoofd en de ziel was, schroomde uiteraard alle

aanraking met Rome. Bij de indiening van de begrooting over

1863 en '64 moesten andermaal de ministers van Financien

en Kolonieti tegen de oude grieven te velde trekken. Ofschoon

ten gevolge van den overvloedigen koffieoogst en den hoogen

prijs der koffie de bezittingen weder een groot batig saldo opleverden,

dat natuurlijk weder besteed werd ten bate van het

Moederland, gedeeltelijk tot uitdelging van schuld en het overige

voor openbare werken en spooraanleg, zoo was het toch

duidelijk, dat zond,er de Indische baten de uitgaven de inkomsten

zouden overschreden hebben, waarom men van verschillende

zij den op bezuiniging aandrong, ten einde er beter evenwicht

tusschen uitgaven en inkomsten mocht verkregen worden.

Tevens deed men andermaal een beroep op de Regeering,

om -de Indische baten los te maken van het Moederland en

ze uitsluitend aan te wenden ten behoeve ran de Kolonien.

Eenigen der voorstanders hiervan lieten hun stem z66 luide


BRAND TE ENSCHEDE. 99

hooren, dat zij het vermoeden wekten, als ware het hun meer

om hun eigen voordeel, dan wel om de belangen van den

inlander te doen.

In den voorzomer van 1862 had een felle brand de nijvere

fabrieksstad Enschede bijna geheel in de asch gelegd. Vier

kerken, het stadshuis, het postkantoor, vier scholen, een weeshuis,

twintig fabrieken en 791 huizen werden een prooi der

vlammen, zoodat van de geheele stad slechts 141 huizen bleven

staan. Ofschoon, wat werkelijk een wonder heeten mag,

slechts drie menschen het leven bij het onheil inboetten, waren

ongeveer 360o burgers van huis en goed beroofd ; de snelle

uitbreiding en de groote omvang van den brand maakten het

ten eenenmale onmogelijk, lets in veiligheid te brengen. Ook

thans echter verloochende zich de Nederlandsche liefdadigheid

niet. De plattelandsbewoners in den omtrek stelden hnn woningen,

stallen en schuren tot huisvesting van de beroofden open

en de Commissie, die zich weldra vormde, om met de hulp

van geheel Nederland in den nood te voorzien, werd rijkelijk

bedeeld van geld, levensmiddelen en kleederen. De Koning

ontving te Parijs, waar hij zich destijds be yond, de tijding

van het . ongeval. Terstond gelasttc hij, dat men en van het

Loo en uit het Kamp de noodige veldtenten zou doen aanrukken,

ten einde de ongelukkigen, die onder den blooten hemel verblijf

hielden, tot woning te idienen, totdat hierin gevoegelijk

kon worden voorzien. Tal van wagens, met dekens, gereedschappen,

kleederen en levenswaren beladen, werden op zijn last naar

het tooneel van de ramp gezonden, en voorts toonde Z. M.

door het beschikbaar stellen van een aanzielijk geldelijk bedrag,

hoezeer hij ook in deze nationale ellende deelnam.

Reeds in 1862 waren er stemmen opgegaan, om de vijftigjarige

herinnering aan onze bevrijding van het Fransche

juk alom in den lande feestelijk te vieren. Natuurlijk vond de

oproeping daartoe overal in den laude gehoor, maar men

meende, meer te moeten doen dan door nationale feesten, door

vlaggen en illuminatie, optochten en ander voorbijgaand huldebetoon,

de herinnering bij de Natie te verlevendigen aan


I00 HET NATIONAAL MONUMENT.

onze verlossing uit de banden van den dwingeland en het

herstel van ons Vorstenhuis. Allengs gingen er meer stemmen

op voor het oprichten van een nationaal gedenkteeken, tot

blijvende gedachtenis aan de dagen onzer bevrijding en de

mannen die zich daarbij onderscheidden, en deze meening vond

krachtigen steun bij de Koninklijke familie. Verschillende cornmissien

vormden zich en daaruit werd eerie hoofdcornmissie gevormd,

van welke Prins Frederik de uitnoodiging ontving om

het voorzitterschap te aanvaarden, Deze voldeed hieraan, en

weldra maakte de Commissie haar plan openbaar om een gedenknaald

' op te richten, ter plaatse waar de souvereine Vorst

in 1813 geland was, en in het Willemspark te 's Gravenhage

een monument te stichten als een hulde en bewijs van liefde

en dank der Natie aan de grondleggers van Neerland's herstel

en aan den souvereinen Vorst, den eersten grondwetti-

gen Koning uit het Huis van Oranje. De Koning sprak niet

alleen zijne goedkeuring uit over de plannen der Commissie,

maar toonde ook zijne ingenomenheid door eene vorstelijke

bijdrage en beloofde aan de uitnoodiging te voldoen om op

17 November, 1863 den eersten steen te leggen van het Nationaal

Monument in het Willemspark.

Schitterend mocht dan ook de feestviering op vele plaatsen,

vooral in de hoofdstad des lands en in het vorstelijk Den

Haag heeten. Onder begunstiging van het Oranje-zonnetje had

de plechtigheid van de steenlegging plaats. Nadat er des voormiddags

in de Groote Kerk een godsdienstoefening gehouden

was ter wijding van den dag, waaraan de Koning en de Koningin

en de leden van het Vorstelijk gezin deelnamen, begaven

zich de leden der Hoofdcommissie naar het Mauritspark, waar

men den Prins-voorzitter afwachtte. Een weelderig gestoffeerde

tribune was opgericht voor de Koninklijke familie en een

negental andere voor de hooggeplaatste personen, afgevaardig7

den en genoodigden. Toen Prins Frederik zich vertoonde, werden

hem de mannen voorgesteld, die aan de verlossing van het

Vaderland hadden deelgenomen, benevens de , zonen en. verwantep

van hen, die men gewoon is de grondleggers van Neder-


DE STEENL1 GGING. 1 0 1

lands herstel te noemen. Eindelijk stiet de muziek hare fanfare's

uit en uit duizende kelen barstte een : „leve de Koning !"

los ; Z. M. verscheen. Toen hij gezeten was, werd eene feestcantate

gezongen en daarna nam de redenaar, Prof. Van

Oosterzee, het woord en hield een weisprekende rede, die met

een gebed besloten werd. Daarop begaf de Koning zich met

de Prinsen, Ministers, Voorzitters der beide Kamers en andere

hooggeplaatsten naar de plaats, waar de grondslagen van het

monument gelegd zouden worden, waar Prinses Marianne hem

een zilveren truffel overhandigde en Z. M. den deksteen bevestigde.

Het kanon bulderde, de muziek speeide de vier eerste

regels van het Volkslied en de duizende toeschouwers zongen

het met geestdrift tot het einde, ' terwij1 de Koning naar zijn

zetel terugkeerde. Nadat de opgewondenheid een weinig tot

rust gekomen was, nam Prins Frederik het woord en dankte

den Koning en de leden van het Koninklijk gezin voor de

bereidwilligheid, waarmede zij aan de feestviering deelgenomenhadden.

Hierop antwoordde de Koning het volgende :

„Het is heden de schoonste dag van mijn leven, de dag,

waarOp Neérland's Volk op zoo ondubbeizinnige wijze zijne gehechtheid

en trouw — zoo menigvuldig bewezen in alle om=

standigheden, welke de Voorzienigheid meende ons Vaderland te

laten ondervinden — aan den dag legt. Ik stel dit op hoogen

prijs en wanneer het eenigszins vermetel van mij is, althans

wat welsprekendheid betreft, op dit oogenblik het woord te

nemen, zoo is het, omdat het voor mij en voor mijn hart eene

ware behoefte is, een woord te spreken tot het Nederlandsche

Volk ; een kort woord van een Koning, uit 't Huis van Oranje

gesproten. Dit woord k a n niet anders zijn, m a g niet anders

wezen, dan aan alle toehoorders, hier tegenwoordig, de plechtige

- verzekering of te leggen, dat de dag van heden, de dag

van de eerste steenlegging van dit echt nationaal gedenkteeken,

de dag der liefde en trouw van het Nederlandsche Volk

bij deze onvergetelijke plechtigheid, bij deze groote nationale

herinnering, dat deze dag voor mij niet alleen, maar voor alle

leden van het Huis van Oranje, een nieuwe prikkel is om nog


102 DE ON THULLIN G.

meer te doen voor het welzijn en den bloei van het Volk van

Nederland, dan reeds geschied is, voor dat Nederlandsche

yolk, waarvoor wij nooi t, ja nooit g e n o e g, kunnen doen 1"

Wie zal het wagen de geestdrift in hare uiting te beschrijven,

ten toppunt gevoerd als ze werd door zulke woorden,

waarvan ieder zich overtuigd hield, dat ze rechtstreeks uit 's

Konings hart gevloeid waren. 't Was, of er geen eind aan het

gejubel komen zou, en toen Z. M. eindelijk het terrein van het

feest verliet, werd hij als door de jubelkreten zijns Volks ten

paleize geleid.

Dertien dagen daarna had op het Scheveningsche strand

een nieuwe plechtigheid plaats. 't Was 5o jaar geleden, op

denzelfden 'datum, dat de Erfprins daar aan land gestapt was,

en die dag mocht niet onopgemerkt voorbijgaan. Op de plek,

waar de Vorst landde, lag een pink, met viaggen versierd en

een optocht werd gehouden, waarbij heel het bedrijf ter zee

in al zijn omvang voorgesteld werd. De predikanten en de

pastoor der gemeente hielden toepasselijke toespraken en het

feest, dat door Prins en Prinses Frederik en Prinses Maria

bijgewoond was, werd met een maaltijd besloten.

Eerst na zes jaren kon bet Nationaal Monument onthuld

worden, en wel 17 November 1869. Andermaal werd de

dag door een morgen-godsdienstoefening gewijd, welke door de

Koningin bijgewoond werd. Daarna trokken de verschillende

korpsen, de schutterij, de koninklijke scherpschutters, de oudstrijders,

weeskinderen, werklieden en vele genoodigden naar

het Willemspark. Onder de laatsten be yond zich ook Dirk van

Duyne, den visscher, die den wagen leidde, welke den Prins

van de pink naar den wal reed. De onthulling had plaats

ten aanschouwe van den Koning, de Koningin, den Prins van

Oranje, Prins Alexander en den grijzen Prins Frederik met

zijne dochter, prinses Maria. Met de hand naar de Nederlandsche

Maagd uitgestrekt, welke het monument op den top droeg,

sprak Prins Frederik : „Moge die Nederlandsche Maagd in alle

eeuwen uit de hoogte slechts hiervan de getuige zijn, hoe het

herboren, met Oranje vereenigd Nederland, onveranderlijk wil


DE OORKONDE. 103

trouw blijven aan de voorvaderlijke zinspreuk : „Eendracht

maakt macht." Met deze wenschen op de lippen, met deze

bede dank ik God, dat Zijne goedertierenheid mij het voorrecht

heeft willen schenken, deze ure te beleven."

Het proses-verbaal der plechtige grondsteenlegging voor

het Monument, dat door den Koning onderteekend werd, is

van den volgenden inhoud :

„Ter eeuwige gedachtenis van het halve eeuwfeest van

Nederland's herstelde onafhankelijkheid heeft

ZIJNE MAJESTEIT WILLEM DE DERDE,

Koning der Nederlanden,

op den X VIIden November MDCCCLXIII

den eersten steen gelegd van dit nationaal gedenkteeken,

waartoe de gelden zijn bijeengebracht uit vrijwillige giften van

en inzamelingen bij 1Zijner Majesteit's onderdanen, zoo in het

Koninkrijk en zijne overzeesche bezittingen als elders gevestigd ;

onder de leiding in het Vaderland van bijna achthonderd plaatselijke

commissien en eene hoofdcommissie, wier voorzitterschap

mocht worden bekleed door Zijne Koninklijke Hoogheid

PRINS FREDERIK DER NEDERLANDEN,

den eenig overgebleven mannelijken telg van Oranje, die persoonlijk

getuige was van de groote en wondervolle gebeurtenissen,

aan wier dankbare herinnering dit gedenkteeken is gewijd.

Gedaan te 's-Gravenhage op Dinsdag den zeventienden

November achttien honderd drie en zestig, ten aanschouwe van

afgevaardigden, genoodigden en duizenden landgenooten, en in

onmiddellijke tegenwoordigheid van alien, die nevens Zijne Majesteit

den Koning en de Koninklijke Prinsen, deze oorkonde

met hunne naamteekening hebben bekrachtigd."

Te midden van deze nationals gedenkdagen doorleefde het

huishouden van Staat echter andermaal zijne moeilijke dagen.

Nog voor het jaar 1863 ten einde was, zag de Minister van

Financien, Van der Maesen de Sombref, zich genoodzaakt zijn

ontslag te nemen, daar zijne begrooting verworpen werd. Het

was lang niet gemakkelijk een opvolger te vinden, en slechts


104 DE INDISCHE FINANCIRN.

na herhaalde pogingen, mocht Thorbecke er in slagen in den

heer Cremers een opvolger voor den heer Van der Maesen to

vinden. •

Eindelijk zou men dan een .schrede op *den weg zetteit

tot scheiding der financien van de Indien en het Moederland.

In Februari van het volgende jaar toch, toen de Kamer weer

bijeenkwam, werd haar vanwege de Regeering een wetsontwerp

tot regeling van de wijze van beheer der Indische geldmiddelen

aangeboden. Volgens dit ontwerp, dat inderdaad een

geheelen omkeer beoogde in het beheer der Indische geldmiddelen,

zou de Regeering een afzonderlijke begrooting voor de

Kolonien indienen. Hoe zeer de Anti-revolutionairen ook voor

de belangen der inboorlingen ijverden en op een beter beheer

der Kolonien aandrongen, zij stemden tegen dit ontwerp, waarbij,

ja, de Indische baten zeker meer ten goede van de Kolonien

zouden komen, doch deze tevens geheel blo- otgesteld werden

aan al de gevolgen, welke de voortdurende partijenvorming

in de Kamer na zich sleepten. Hun verzet kon echter de

zaak in geen geval keeren, aangezien niet slechts alle Liberalen,

die beweerden, dat nu alle onrecht tegenover Indie eindigen

zou, maar ook alle Roomsche afgevaardigden voor het ontwerp

stemden. Toch bleef de koloniale questie de beraadslagingen

in de Kamer niet alleen, maar ook de daarop volgende

periodieke verkiezingen in Juni beheerschen, en rnochten ook

al de Liberalen de meerderheid behouden, en werden in verschillende

districten afgevaardigden gekozen, die als tegenstanders

van het Kabinet bekend stonden, waaronder de vroegere

minister J. J. Rochussen, die voor Amsterdam zitting nam, en

als Indische specialiteit en geldman, gansch niet in het gevlei

van het Ministerie kwam, evenmin als Van Zuylen van Nijevelt,

die voor de Residentie optrad en, ofschoon liberaal, niet tot

de vrienden van het Kabinet kon gerekend worden. Ook de

oud- minister Simons, die onder het ministerie Van der Brugghen

zulk een treurige rol gespeeld had, werd door Gorkum

in de Kamer gebracht, terwijl Zwolle, door de keuze van

Groen en De Mijer, de oppositie tegen het Kabinet versterkte.


AFSCHAFFING DER ACCIJNSEN. 105

Terstond bij de indiening van de begrooting voor financien

en Kolonien greep de heer Rochussen de gelegenheid

aan, om den minister van financien Betz te verwijten, dat hij

den toestand van 's Rijks geldmiddelen in veel te gunstig daglicht

stelde. 0 zeker, de Regeering had niet minder dan 141(2

millioen voor spoorwegen kunnen uittrekken, benevens nog

een millioen voor den Rotterdamschen waterweg, en daarenboven

nog Ic• millioen voor amortisatie kunnen aanwijzen, doch

dit mocht vooral niet aan den gunstigen toestand van 's Rijks

schatkist toegeschreven worden. Was deze toch niet door buitengewoon

voordeelige baten uit Indie verstrekt geworden, dan

zouden de uitgaven de inkomsten nog met het dubbele bedrag

van 't vorige jaar overtroffen hebben. Dit moet echter betuigd,

dat, hoe fel de bestrij ding ook ware, welke de beide ministers,

wier begrooting het gold, te lijden hadden, dezen zich met

het meeste beleid verdedigden en inderdaad toonden, op de

hoogte van de zaken te zijn. Niet minder kantte zich de oppositie

tegen den minister van Binnenlandsche Zaken, doch ook

hij mocht de overwinning behalen.

Een andere zaak, welke reeds lang op afdoende regeling

scheen te wachten, was die betreffende de geneeskunde en aanverwante

vakken, mitsgaders de opleiding daarin, maar vooral

mocht de liberale partij triomf vieren, toen zij eindelijk de gemeente-accijnsen

afgeschaft zag, ten gevolge van een regeeringsvoorstel,

dat met groote meerderheid door de Tweede Kamer

en straks ook door de Eerste aangenomen werd. De schade,

door de verschillende gemeenten te lijden, zou Naar vergoed

worden door eene nieuwe regeling van de wet op het personeel,

waarbij vier vijfden van het bedrag daarvan aan de

gemeenten toegewezen werden. En toen nu de begrooting over

het volgend dienstjaar, de ontvangsten op een paar tonnen

gouds hooger dan het vorige jaar kon ramen, scheen het, of

inderdaad aan het tweede ministerie Thorbecke een langduri-

ger staatkundige loopbaan weggelegd was, dan al zijne voorgangers

van 1848 of genoten hadden. En toch school ook bier de

adder der verdeeldheid onder het gras, en reeds lang was het


I06 HAFFMANS.

den meer ingewijde duidelijk, dat het Kabinet alles behalve

als een man tegenover de oppositie stond, die bij elke verkiezing

sterker werd, zoodat het al minder bewijzen van die

innerlijke kracht naar buiten vertoonde, welke door eenheid

van beschou wing en handelen geboren wordt. Daarenboven

maakte Thorbecke's doctoraal optreden in de Kamer hem telkens

meer vijanden, die gaarne van elke gelegenheid gebruik

maakten, om hem hunne antipathie te doen gevoelen. Vooral

lokten de maatregelen, welke de Regeering nam, om de uitbreiding

der veeziekte te breidelen, die in 1865 ons land teisterde,

heftig verzet uit en niet dan met moeite zag de Minister zijn

ontwerp van wet op de besmettelijke veeziekten, waarin de Regeering

zich het recht toekende om het vee uit de aangetaste

stallen te onteigenen en te dooden, door de Kamer aannemen.

Gaven aldus en de koloniale en de financieele belangen

den tegenstanders van het Kabinet en deszelfs leider voortdurend

het wapen in de hand om tegen de ministers op te treden,

van gansch andere zijde ontstond er een storm, die het

Ministerie eerst uiteen en daarna omverwerpen zou. Gelijk wij

vroeger mededeelden, werd Nederlandsch Limburg bij het eindverdrag

met Belgie onder de Noordelijke gewesten opgenomen.

Door deze zoo late toetreding waren daar enkele bepalingen

van kracht gebleven, die, vooral op het gebied van belasting,

deze provincie boven de anderen bevoorrechtte. Reeds was er

meer dan eens op aangedrongen, dat deze ongelijkheid in verplichte

opbrengsten zou vervallen, waartegen de Limburgsche

afgevaardigden natuurlijk protest aanteekenden. Door toedoen

van den later zoo bekend geworden Limburgschen afgevaardigde

Haffmans, werden er echter geruchten verspreid, als zou

de minister van Financien, met het oog op de verkiezingen en

om de Limburgers te weerhouden de oppositie tegen het Kabinet

te versterken, aan invloedrijke aanzienlijke personen brieven

geschreven hebben, waarin er niet onduidelijk op gezinspeeld

werd, dat het Ministerie daarvoor wel gaarne een wetsontwerp

tot regeling der grondlasten in Limburg in portefeuille

zou willen houden. Natuurlijk wekte deze mededeeling hevige


DE CRISIS. 107

verontwaardiging en scherpe bestrijding van den minister Betz

in de Tweede Kamer, welke eindelijk zoo hoog ging, dat deze

Minister zijne portefeuille ter beschikking van den Koning

moest stellen.

Dit was echter slechts het begin van het einde. Verloor

het Kabinet door het uittreden van Betz ook veel van zijn

kracht, noodlottiger voor zijn duur was de steeds groeiende

verdeeldheid tusschen Thorbecke en Franssen van de Putte, die

het over het beheer der Kolonien niet eens waren en wier verschil

van meening steeds sterker naar buiten trad. Franssen

van de Putte wilde een veel krachtiger ingrijpen dan

Thorbecke's politiek scheen te kunnen gedoogen, en toch was

Van de Putte er de man niet naar, om zich door Thorbecke

de wet te doen stellen. Eindelijk gaf de vraag, of het nieuwe

strafwetboek voor de Kolonien eenvoudig bij Koninklijk besluit,

gelijk Van de Putte wilde, dan wel na een goedkeurend

votum van de Volksvertegenwoordiging, waarop Thorbecke

aandrong, uitgevaardigd worden zou, tot ztilk een ingrijpende

verdeeldheid in den boezem van het Kabinet aanleiding, dat

Thorbecke zijn ontslag aanbood, waarop straks het geheele

Ministerie zijn voorbeeld volgde. Niet slechts verloor Thorbecke

zijn plaats aan de regeeringstafel, maar hij scheen ook zelfs

bij zijne partijgenooten zijn roem overleefd te hebben, nu zich

tegenover hem een man gesteld had, die nog radicaler en

meer doorzettend was dan hij. In ieder geval rekende men

zich reeds thans eenigermate in hem teleurgesteld, daar het nu

duidelijk gebleken was, dat ook hij aan de liberale partij niet

die eenheid bezorgen kon, Welker gemis het eene Kabinet na

het andere vallen deed.

De heeren Van Bosse en Franssen van de Putte werden

door den Koning met de samenstelling van een nieuw Kabinet

belast, waarin zij nu weldra slaagden. Terwiji Cremers, Blanken

en Franssen van de Putte hunne zetels weder innamen, trad

Van Bosse als minister van Financien, Geertsema, die als afgevaardigde

voor Groningen in de Tweede Kamer zitting had,

als minister van Buitenlandsche Zaken, Pels Rijcken, als mi-


108 FRANSSEN VAN DE PUTTE,

nister van Marine en Picke voor Justitie op. Nu had men dan

geheel een Kabinet in den geest der geavanceerd liberalen,

doch het zou weldra blijken, dat het geene meederheid vinden

kon in eene Kamer, waarvan de meeste leden wel de koene

grepen van Franssen van de Putte boven de meer bedachtzame

politiek van een Thorbecke verkozen, doch tegen de stoute

stappen van het huidige Kabinet nog te veel opzien hadden. Al

tt liberaal, dat was de klip, waarop het tegenwoordige Ministerie

struikelen zou. Was het om de kleur te bekennen of om sensatie

te verwekken, dat het Ministerie, nauwelijks aan het bewind,

terstond met een ontwerp van wet op het landbezit in Indie

tot de Volksvertegenwoordiging kwam ? Zooveel is zeker, dat

men zich eenigermate in de aanleiding tot den val van het

tweede ministerie Thorbecke vergiste. Dit toch was niet gedrongen

om ontslag te nemen door een votum van de Volksvertegenwoordiging,

doch door verdeeldheid in eigen boezem.

Door de gedurige wisseling der Kabinetten ten onzent, kon

het wel niet anders of, daar zich de meeste leden van het

Kabinet aan de zijde van Franssen van de Putte schaarden,

moest wel aan hem de vorming van het nieuwe Ministerie opgedragen

worden. Daar nu juist in de beschouwing over het

koloniale vraagstuk het zwaartepunt van het geschil lag, is het

eenigermate begrijpelijk, dat het nieuwe Ministerie terstond

voor den dag kw-Irn met hetgeen zijne bijzondere opvatting

was in het punt van geschil. In het ontwerp der Regeering

nu, regelende de cultuur en het grondbezit, werd het voorstel

gedaan om den inlander het eigendomsrecht toe te kennen op

den door hem individueel en in erfelijk gebruik bezeten grond.

Dit was de meerderheid der Kamer echter te sterk af, waarop

de heer Poortman, die voor Alkmaar zitting had, een amendement

voorstelde, waarbij slechts het recht van gebruik aan

den inlander zou worden gewaarborgd. Hij bedoelde, zoo gaf

hij voor, daarmede geen oppositie te voeren tegen het Kabinet,

maar veeleer een poging te doen, om de zeer uiteenloopende

meeningen van Regeering en Kamer tot elkaár te brengen.

De Conservatieven echter dachten, ondanks de verklarin-


ONTEVREDENHEID. . I09

gen van den voorsteller, het hunne van het amendement en

meenden, dat het niets anders beoogde, dan om onder den

schijn van in den geest van het Ministerie te treden, inderdaad

aan den wensch der oppositie tegemoet te komen. Ook het

Ministerie begreep, dat, werd het amendement aangenomen,

geest en strekking van het regeeringsontswerp ver zoek waren,

en toen nu de Kamer toch het amendement Poortman aannam,

boden de gezamenlijke ministers . portefeuilles den Ko -

ping aan.

Groot was de ontevredenheid in den lande, toen zich al

weder de tijding van een ministerieele crisis verbreidde, ook

al had het afgetreden Kabinet te korten levensduur gekend,

om zich onder de Natie te doen waardeeren, en al betreurde

men derhalve nu juist minder het aftreden der lieden, die het

Kabinet vormden. Van de eene zijde leefde men te weinig in

de Oost-Indische belangen, om deze zoo herhaaldelijk een

teweeg brengen van stoornis in den gang der staatsmachine te

veroorloven ; van de andere werd men ontevreden op de liberale

partij, die het eene Kabinet na het andere afmaakte,

zoodat het hoe langer zoo meer duidelijk werd, dat zij slechts

een Ministerie dulden kon, dat de uitvoerder van hunne wenschen

was, of ten minste in ieder opzicht hun beginsel volgde.

Tevens werd het duidelijk, daar bijna al de Kabinetten in

liberalistischen zin elkander opgevolgd waren, hoe de partij aan

verdeeldheid in eigen boezem Teed en daaraan zelfs de hoogste

belangen des lands ten offer bracht. Immers niet alleen

mannen van de andere richting, als Van der Brugghen en Simons,

hadden het tegen haar moeten afleggen, maar Thorbecke

zelf had voor de oppositie het veld moeten- ruimen, al was

ze dan ook gekant tegen een mede minister. Men sprak het

luide uit, dat zij zelf niet wist wat zij eigenlijk wilde en beschuldigde

hare leden, dat zij door eerzucht gedreven werden

en slechts beoogden voor hen en hunne vrienden een plaats

aan de ministersta fel te veroveren. Langzamerhand begon men

van de zoogenaamde parlementaire meerderheid der Liberalen

genoeg te krijgen, en wien kan het verbazen ? Immers stond


I 10 NIEUW KABINET.

men telkens voor nieuwe heldenstukken op het eigen lief hebberijgebied

en konden de gewone zaken hun eisch niet krijgen,

terwijl men toch eigenlijk in elk nieuw opgetreden Ministerie

slechts eene variatie op het oude zag. Het was voorzeker

geen wonder, dat bij de nagenoeg maandelijksche verwisselingen

van Kabinet, de zaken op de Departementen niet met zorg

behandeld, doch machinaal en zonder eenige belangstelling afgedaan

werden, zoodat hierover zelfs ernstige klaagtonen opgingen.

De Natie geraakte tegenover de Regeering in een soort

van lijdelijkheid, aangezien ze van de eene zij de genoeg kreeg

van het liberaal bewind en van de andere geen middel wist,

om er zich van te verlossen. Immers, de Anti-revolutionairen

konden geen Ministerie vormen en van hunne vereeniging met

andere partijen had men in het ministerie Simons-Van der

Brugghen een treurig voorbeeld gehad. De conservatieve partij

was al even verdeeld als de liberale, ja, van haar was nog

minder te hopen, vooral daar zij den weerstand van alle partijen

zou hebben te overwinnen. Zoo was de staatkundige toestand

terecht ernstig te noemen en er bleef weinig anders over,

dan een Kabinet uit de verschillende partijen, en wel uit de

meest gematigde leden daarvan, te vormen. Deze taak werd

door den Koning aan baron Van Zuylen van Nyeveldt opgedragen,

en deze mocht binnen betrekkelijk korten tijd slagen. Terwij1

hij zelf de portefeuille van Buitenlandsche Zaken aanvaardde,

trad Mr. J. Heemskerk Az. als minister van Binnenlandsche

Zaken, graaf R. J. Schimmelpenninck voor Financien, Mr.

E. J. H. Borret voor Justitie, P. Myer voor Kolonien, G. C. C.

Pels Rijcken voor Marine, generaal J. van den Bosch voor

Oorlog op ; de portefeuilles voor Hervormden en Roomschen

Eeredienst werden opgedragen aan de ministers van Financien

en Justitie. Met weinig geestdrift werd het nieuwe Ministerie

begroet. Immers, wel behoorde Van Zuylen van Nyeveldt tot

de geestverwanten van Groen van Prinsterer op godsdienstig

terrein, maar zijn verleden gaf aan de Anti-revolutionairen

weinig te hopen. Ook Myer werd tot de Anti-revolutionairen

gerekend, doch, aangezien hij slechts als koloniale specialiteit


GROEN 'S UITTREDEN. III

zitting genomen had en voornamelijk gekozen was, omdat hij

de hevigste oppositie tegen het vorige Kabinet gevoerd had,

kon men zich ook van hem weinig beloven. Heemskerk behoorde

tot de Conservatief-liberalen en was derhalve niemands

vriend, ook al meenden de Liberalen uit het feit, dat hij door

de Amsterdamsche Liberalen in de Kamer gekozen was, te m ogen

afleiden, dat hij straks aan hunne zijde zou staan. Was

het misschien, omdat men algemeen van den Roomschen minister

Borret wist, wie hij was en wat men van hem te wachten

had, dat hij, toen de Kamer in het begin van Juni weer

bijeenkwam, een zoogenaamd ministerieel programma uitsprak ?

Ofschoon men het Kabinet verdacht gemaakt had, als zou

het gewichtige veranderingen willen invoeren, de Minister verzekerde,

dat het Kabinet zich hiervan niet bewust was. Het

zou de Indische questie in den geest van het amendment Poortman

ten einde trachten te brengen, eene voorspelling, die weinig

in den geest der voorstanders van het afgetreden Kabinet

viel. De Anti-revolutionairen waren van meet aan teleurgesteld

door de verzekering van den Minister, dat men geene verandering

in de wet op het lager onderwijs beoogde, doch voortgaan

zou de openbare school als regel te beschouwen, eene verkla -

ring, waarmede ook de Roomschen over het algemeen weinig

ingenomenheid betoonden. Overigens zou men naar gewenschte

bezuiniging in het huishouden van Staat streven.

Onverpoosd was de strijd voor het onderwijs, in en buiten

de Kamer door Groen van Prinsterer voortgezet, totdat de begrootings-discussien

in 1864, waarbij hij wegens ongesteldheid

zelf niet tegenwoordig zijn kon, hem genoegzaam bewezen,

dat vooralsnog zijn strijd op dit punt in de Volksvertegenwoordiging

hopeloos was. Van de zijde der tegenpartij ondervond

hij zelfs niet de ridderlijkheid, welke hij onder Thorbecke

had gewaardeerd, veel minder mocht hij zich op haar rechts-

gevoel beroemen. Van de zijde der minderheid kon hij zich

noch op steun, noch op medewerking beroemen, en zoo trad

hij in April 1865 andermaal af, om nu niet in de Kamer, maar

in het land, als een Volksvertegenwoordiger zonder mandaat te


I 1 2 VOOR D1 DERDE MAAL.

strijden voor eerlijke wetsuitlegging en voor herziening van

art. 194. Daardoor verloste hij de Kamer van de ontroering,

waarmede zij vernomen had, dat hij op indiening van een

voorstel ter wijziging van dat artikel bedacht was.

Toen hij straks andermaal in de Kamer gebracht werd

en ook Mr. L. W. C. Keuchenius, zijn vriend en medestander,

naast hem zitting nam, wilde men nog eens beproeven, of,

ondanks de verklaring van den minister van Justitie, van het

conservatieve Ministerie Van Zuylen-Heemskerk, in zake het.

onderwijs ten minste, eenig goed zou te wachten zijn. Groen

was afwezig, toen Keuchenius het Ministerie interpelleerde over.

de vraag, of de ministers van Binnen-, van Buitenlandsche Zaken

en van Kolonien eenstemmig dachten over de onderwijsvraag

en over de tegemoetkoming aan de bezwaren van an-:

dersdenkenden ? Daarop volgde van de zijde van het Kabinet

de verklaring, dat men niets meer toezeggen kon dan loyale

toepassing van de wet, zooals zij was, en men overigens even

min overtuigd was van de noodzakelijkheid tot herziening als

van de tijdigheid om eene poging te doen in den geest der.

voorstanders van het bijzonder onderwijs. Weinige dagen later

schreef Groen : „Ten gevolge der verklaringen van het Kabinet,

nader in de zitting van 23 Augustus bevestigd, ben ik nu volkomen

overtuigd, dat mijn terugkeer in de Tweede Kamer

voor hetgeen ik beoog, doelloos, zoo niet schadelijk zou zijn,"

en hiermede nam hij voor de derde maal ontslag als lid der

Tweede Kamer.

Daar het zittingsjaar bij de optreding van het nieuwe

Kabinet bijna ten einde geloopen was, had het Ministerie in,

den aanvang weinig politieken storm te verduren. De minister

van Kolonien, die zijne begrooting nog v6Or het uiteengaan der

Kamer had zien aannemen, bood zijn ontslag aan en werd

door den heer Trakranen vervangen, die zich terstond hevige

oppositie op den hals haalde door de benoeming van den heer

P. Myer, den afgetreden minister, tot Gouverneur-generaal van

Nederlandsch-Indie, in de plaats van Sloet van de Beele. Men

dacht in den boezem der Natie het zijne van het onverwacht


MYER 'S BENOEMING. 113

en minder gemotiveerd ontslag nemen van den Minister van

Kolonien en zijne daaraanvolgende benoeming, en vooral de

liberale pers liet zich daarover heftig uit. De overige partijen

verdedigden de zaak evenmin, ook al meeuden zij dat de Kamer

zich hierover niet mocht uitlaten, als zijnde de benoeming

van 's Konings wege geschied. De Kamer zelf dacht daarover

echter anders, zooals straks blijken zal.

Den uden September werden de zittingen der Kamer

heropend met eene troontrede, waarin het heette met betrekking

tot de Kolonien : „Een mild, rechtvaardig, krachtvol bestuur,

gegrond op de handhaving van ons hoog gezag en op

eerbiediging van de gebruiken en instellingen der volken, onder

onze heerschappij geplaatst, zal hun vertrouwen in de Neder-

landsche Regeering bevestigen." Bij de beraadslagingen over

het ontwerp-adres brak terstond de storm over 't Ministerie los.

Heftig was de taal geweest in de liberale pers. Deze zaak was

de vrucht van voorafgegaan overleg, zoo heette het, ze was

niet minder dan misleiding, dan eene intrigue. Myer had de

Indische radicalen in de Vertegenwoordiging teleurgesteld en

daar moest eene persoonlijke veete bestaan tusschen Myer en

Keuchenius, die geruimen tijd in Indie gewoond had. Maar in

de Kamer sprak men nog stouter. Godefroy kenschetste den

treurigen indruk, welke de benoeming in den lande gemaakt

had ; Storm van 's Gravesande heette ze eene „onwaardige

handeling" en Keuchenius zelf „kon geen woorden vinden om

deze daad naar behooren te qualificeeren."

Na lande beraadslagingen stelde Keuchenius eene motie

voor, luidende : „De Kamer, de gedragslijn van het Kabinet ten

opzichte van de uittreding van den heer Minister van Kolonien

P. Myer afkeurende, gaat over tot de orde van den dag."

Over het algemeen was men het hierover eens, dat de minister

Myer, die de koloniale begrooting verdedigd en zijn te

volgen gedragslijn aangegeven had, zedelijk verplicht was geweest

ze ook uit te voeren, doch de tegenstanders beweerden,

dat hij, door hiermeé in gebreke te blijven, de Kamer had misleid.

Over de motie ontstond nieuwe strijd. Men kende Keuche-

Dl. VIII. 6


11 4

DE PROTEsTr..N.

nius niet slechts als een volboed geestver want van Groen, maar

tevens als een Oost Indisch radicaal, en van conservatieve zijde

meende men in de motie een steenworp tegen de koloniale

beginselen van het Kabinet te zien. Anderen weder kreten ze

uit voor eene aanranding van de rechten der Kroon en van

weerszijden ontzag men zich niet, aan den tegenstander minder

ridderlijke bedoelingen toe te schrijven. Natuurlijk was de bestrijding

van de zijde van het Kabinet bijna algemeen. Zoowel

Van Zuylen als Heemskerk, Trakanen als Borret bestreden om

't zeerst de motie Keuchenius en beschuldigden de opponenten,

als beoogden zij niets minder, dan de Grond wet of te breken

en achtten de motie zelfs revolutionair, omdat zij verzet aanteekende

tegen eene benoeming, welke door den Koning geschied

was en waarin deze geheel vrij moest gelaten worden.

Toch bleek het, dat de Kamer zich door den weerstand der

Ministers, die zelfs de kabinetsquestie stelden, niet intimideeren

liet. De motie werd met 39 tegen 23 stemmen aangenomen.

Ofschoon alle Revolutionairen tegengestemd hadden, met uitzondering

van den voorsteller zelf, hadden al de Liberalen hun

stem ten gunste der .motie gegeven. Dien zelfden dag nog werd

er ministerraad gehoudcn en het gevolg was, dat het Kabinet

aan den Koning de ontbinding der Kamer raadde. De Koning

volgde dien raad en tegen 1 October, derhalve drie dagen na de

aanneming der motie, werd de Kamer ontbonden verklaard.

Als be weegredea daarto. vermeldde de ministerieele voordracht

het volgende :

„Door de aanneming van deze motie, welke, in verband

met de toelichting, daarvan door den voorsteller gegeven, en

met de beraadslaging daarover gevoerd, niet anders kan worden

beschouwd dan als een afkeuring en berisping van de benoeming

van den laatst afgetreden Minister van Kolonien tot

U. M. vertegenwoordiger in Nederlandsch Indie, is de Tweede

Kamer, naar ons oordeel, met overschrijding van hare grondwettige

bevoegdheid, getreden op het gebied der uitvoerende

macht, bij den Koning berustende, en heeft zij inbreuk gemaakt

op het prerogatief der Kroon, waarvan de uitoefening,


DE ONTBINDING. 1 1 5

naar de uitdrukkelijke bepalingen der Grondwet, aan den Koning

als Hoofd der uitvoerende macht en als Opperbestuurder

der Kolonien, vrij en onafhankelijk van elke tusschenkomst of

inmenging der Staten-Generaal, gewaarborgd behoort te blijven.

Het is onze overtuiging, Sire, dat voor het behoud onzer constitutioneele

instellingen_ het vooral noodig is, de onderlinge verhouding

der onderscheidene Staatsmachten, zooals die door de

Grondwet begrensd is, zorgvuldig te handhaven, wil men niet,

dat hare eendrachtige samenwerking voor hetgeen het heil des

Vaderlands gebiedt, ten eenenmale verijdeld wordt. Wij gelooven

dan ook, dat de Vertegenwoordiging, die, in strijd met eene

getrouwe naleving der Grondwet, hare roeping miskent, niet

meer kan geacht worden de denkwijze en den zin der Natie

uit te drukken, en dat er voor U. M. onder zulke omstandigheden

alleszins redenen aanwezig zijn om, met gebruikmaking

van het recht, daartoe aan het Hoofd van den Staat toegekend,

eene duidelijke verklaring van de Natie te vragen en te erlangen.

Het is tot dat , einde, Sire, dat wij in diep gevoeld besef

der verantwoordelijkheid, die op ons rust, ons verplicht achten,

aan U. M. in overweging te geven, tot de ontbinding der

Tweede Kamer te besluiten."

Den i 'den October daaraanvolgende verscheen eene proclamatie-

des Konings „aan zijne geliefde Landgenooten en Onderdanen,"

waarin het heette :

„Zal ons dierbaar Vaderland voortdurende orde en eensgezindheid

blijven bewaren, dan behoort de Regeering een

middelpunt te zijn, waarop de blikken des Volks zich met

vertrouwen kunnen vestigen. Aan dat vereischte kan Beene Regeering

voldoen, wanneer tusschen haar en de Volksvertegenwoordiging

de overeenstemming ontbreekt, zonder welke de

eendrachtige samenwerking, zoo onmisbaar voor de behartiging

der Nationale zaak, onmogelijk is. De ondervinding der laatste

tijden heeft overtuigend bewezen, dat die overeenstemming en

samenwerking niet te verkrijgen zijn met de jongste samenstelling

. van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De gedurige

verwisseling van mijne verantwoordelijke raadslieden zou


I 16 DE VERKIEZINGEN.

allengs schadelijk worden voor de zedelijke en stoffelijke.belangen

der Natie. Zij verlamt de kracht der Regeering. Bestendiging

van richting brengt daarentegen kracht van bestuur en van

uitvoering mede. Om daartoe te geraken, roep ik thans mijn geliefd

Volk op, ten einde van zijne wenschen te doen blijken."

Gelijk te verwachten was, zweette de pers gedurende de

dagen, die aan de nieuwe verkiezingen, welke op 30 October

bepaald waren, voorafgingen, en over het algemeen voerden de

dagbladen een hartstochtelijken en opgewonden toon. Onder de

leuze, dat men voor vrijheid, gezag en orde optrok, trachtte men

het Volk geestdriftig te maken voor de vraag, of men door een

koninklijk, dan wel door een parlementair Ministerie zou geregeerd

worden, en wijl de zaak zelf minder binnen den gedachtenkring

van het gewone yolk viel, gaven de Liberalen zich alle

moeite om de Natie te doen verstaan, dat men in geen geval

het recht der Kroon aangetast had door aan de motie-Keuchenius

zijn stem te verleenen, maar daarentegen het Ministerie,

door de ontbinding der Kamer aan Z. M. voor te stellen, de

rechten:des Volks aangetast had. Het Handelsblad riep het

advies vin een tiental hoogleeraren in de rechten in en plaatste

hunne uitgesproken meening in zijne kolommen. Het regende

vlugschriften, en vooral maken wij melding van den inv Wed,

welke de hoogleeraar J. T. Buys, voor de motie-Keuchenius,

en dien van professor J, de Bosch Kemper, een tegenstander

van die motie, uitoefenden. Men kan niet zeggen, dat eene

enkele partij zich onverdeeld aan de eene of andere zijde

schaarde en de meer gematigden begrepen, dat het nu ten minste

zaak was te zorgen, dat er tegen de nieuwe verkiezingen een

genoegzaam aantal Vertegenwoordigers gevonden werden, die

zich niet zoozeer tot taak stelden voor of tegen het Kabinet

op te trekken, maar veeleer de belangen, zoo van het Vaderland

als van de Kolonien, wars van alien partijstrijd, te besturen.

Men kan niet zeggen, dat het Ministerie gewonnen had

bij de nieuwe verkiezingen. Wel is waar, enkele leden der oppositie

verloren hun zetels en de liberale partij was verzwakt,

doch gewichtig mocht de omkeering niet heeten, en daarmede


DE NIEUWE KAMER. 1 17

was feitelijk het pleit voor het Kabinet verloren. Toch scheen

het, dat de nieuwe Kamer, den I9den November bijeen gekomen,

het geschilpunt wilde laten rusten en wars was van partijtwist,

en dat de Regeering op het door haar ingenomen

standpunt was gebleven, bleek wel uit de troonrede, waarin

zij uitsprak, dat voortaan aan de Kamer de behartiging van

's Lands belangen „binnen de grenzen van haren werkkring

zou worden toevertrouwd." In het begin scheen 't dan ook, dat

betere dagen zouden aanbreken. Zonder weèrstand van eenig

belang werden de kredietwetten en straks de begrooting voor

het ingetreden jaar aangenomen. Daarna kwamen de belangen

van onze levende strijdkrachten aan de orde, en deze vraagden

de aandacht te meer, nu de verhouding tusschen de naburige

staten, Frankrijk en Pruisen, zeer gespannen was. Gereedelijk

stemde men dan ook er in toe, de Regeering eene verhooging

van de oorlogsbegrooting toe te staan voor het bestrijden van

noodzakelijke uitgaven tot verhooging onzer weerbaarheid voor

mogelijke gevallen. Een ontwerp tot reorganisatie van de Schutterij

werd echter, hoewel het door de Tweede Kamer met

eene kleine meerderheid' aangenomen werd, door de Eerste

verworpen, wij1 zij voor den geest van ,,snilitarisme" vreesde,

welke het ontwerp scheen te begunstigen. Dan, ook dit jaar

mocht niet voorbijgaan, zonder dat het Kabinet een zijner

leden althans had moeten verliezen. Minister Trakanen namelijk

had een ontwerp aangeboden, regelende het uitgeven van

woeste gronden in erfpacht, Welk voorrecht hij aan alle vreemdelingen

in Indie wilde toegewezen zien, doch niet aan de

inboorlingen zelf. Van de drie amendementen, welke achtereenvolgens

ingediend werden door Van Goltstein, Wintgens en

Franssen van de Putte, weal het laatste met 59 tegen 4 stemmen

aangenomen. In tegenspraak met den geest van het ontwerp

bepaalde het amendement, dat het recht orn' de woeste

gronden in erfpacht te aanvaarden, alleen aan alle Nederlanders

en aan ingezetenen van Nederlandsch-Indie zou worden verleend.

Onmiddellijk trok de Minister zijn ontwerp in en bood

zijne portefeuille Z. M. aan. Het ontslag werd aangenomen en


118 VOORSTEL DE BRAUW.

nog voor de sluiting der Kamer aanvaardde de heer Hasselman

het departement van Kolonien (17 Juli 1867).

Op 17 September werden de Kamers geopend en in de

troonrede der Volksvertegenwoordiging uitzicht gegeven op .de

indiening van belangrijke wetsontwerpen. De Regeering toch

zeide een Wet op het Hooger Onderwijs en de afschaffing van

het zegelrecht op de dagbladen toe, en stelde tevens een nieuwe

regeling der rechterlijke organisatie en een wetboek van burgerlijke

rechtsvordering in het uitzicht. Ofschoon de Regeering

andermaal eene gelukkige begrooting indiende, waarbij de ont-

vangsten de uitgaven met een bedrag van meer dan f 900.000

overtroffen en de Kolonien .een batig slot van ongeveer 15

millioen beloofden of to werpen, kon zij toch den strijd daarover

in de Kamer niet ontgaan, wijl men haar euvel nam de

wijze, waarop zij de Koloniale baten -boekte. Ook veroorzaakte

de Wet op het Lager Onderwijs nieuwe oppositie. Door Jhr.

W. M. de Brauw, die weleer zeer geijverd had voor de wet

van Van der Brugghen, werd in Mel 1867 een voorstel inge-

diend tot wijziging dier -wet, bedoelende, dat aan de bijzondere

scholen van gemeentewege subsidie zou mogen ingediend worden.

Ofschoon vele voorstanders van het bijzonder onderwijs

hiermede minder gaaf instemden, wijl het naar hunne wijze van

zien den Staat nog meer versterkte in zijn vermeend •recht

tot het uitoefenen van het schoolmeesterschap, zoo verklaarde

Groen zich voor het leidend beginsel van het voorstel, ofschoon

en hij en de hoogleeraar Gratema het facultatief stellen van

de subsidieering bedenkelijk achtten. Overigens gaf hij ' zijne

.

zienswijze over de zaak ten beste in een tweetal brochures,

getiteld: wat dunkt u van het voorstel De Brauw?

Veel succes had de voorsteller niet. De Liberalen en de Regeering

beiden spraken -uit, ' dat men de wet zou handhaven, en

nauwelijks . werd het ontwerp der bespreking waardig geacht,

zoodat men de zaak al spoedig vergat, hoewel de questie over

het onderwijs de Natie in twee strijdvaardige partijen bleef

verdeelen. Den 'sten November van dit jaar overleed minister

Borret, die als een belangrijk lid der Regeering aangemerkt werd,


LIMBURG EN LUXi'MI3URG. 119

vooral omdat hij door zijn persoonlijkeu invloed een groote bres

had geschoten in het samengaan van Roomschen en Liberalen.

De heer Wintgens trad als zijn opvolger op, terwijl de heer

Luyken de portefeuille van Roomschen en Baron van Lijnden

van Sandenburg die voor Hervormden Eeredienst aanvaardde.

Leed het Ministerie door al deze zaken in eigen boezem

schade, weldra had het van buiten af een zwaren storm te

doorstaan, en wel ten gevolge van de zoogenaamde Luxemburgsche

questie. Zooals onze lezers weten, was bij het eindverdrag

met Belgie het hertogdom Limburg, uitgenomen Maastricht en

Venlo, tot een hertogdom verklaard, dat in den Duitschen

bond opgenomen, doch onder het bewind des Konings en onder

de bepalingen van de Nederlandsche Grondwet gesteld werd.

Deze regeling bracht mede, dat bij voorkomende gevallen het

hertogdom 50.000 man moest opbrengen voor het bondsleger.

Deze bepaling had reeds, zooals we zaken, in 1848 aanleiding

tot lastige verwikkelingen gegeven en reeds toen den wensch

doen uiten, dat Limburg geheel van Duitschland mocht losgemaakt

zijn. Natuurlijk werd het verlangen daarnaar nog sterker,

toen er in 1866 een oorlog uitbrak tusschen de hoofdstaten

van Duitschland, Pruisea en 0Jstenrijk, en met groote

voldoening zag men, dat de Duitsche bond niet aandrong op

de levering der Limburgsche bondstroepen.

Ook Luxemburg, waarvan een deel tot Belgie behoorde

en een ander deel als een groothertogdom door den Koning

bestuurd werd, dat dien ten gevolge, al was het dan ook

slechts door persoonlijke banden met ons vereenigd, en in welks

hoofdstad Pruisen bezetting hield, mocht zich buiten den reuzenkamp

houden. Pruisen had den oorlog voordeelig gevoerd

en zijne macht aanzienlijk vermeerderd. Dit wekte den naijver

van keizer Napoleon en van het Fransche yolk op, waarbij

nog kwam, dat Napoleon telkens een middel uitdenken moest

om de aandacht van zijn yolk van zijn binnenlandsche politiek

af te wenden. Hij knoopte derhalve onderhandelingen met

den Koning-Groothertog aan over den verkoop van Luxem-

burg, en de Pruisische minister Graaf van Bismarck, vooral na


1 20

DE LUX EMBURGSCHE QUESTIE.

den welgelukten oorlog van 1866 een veelvermogend man,

scheen aanvankelijk genoegen met de zaak te nemen en ze te

beschouwen als eene persoonlijke questie tusschen den Keizer

en den Groothertog. Ook het Kabinet beschouwde de zaak

aldus en meende dat noch de Regeering, noch de Vertegenwoordiging

hier te lande iets met het Groothertogdom had uit te

staan. Wat Limburg betrof, drong het hoe langer zoo meer aan

op formeele losmaking van den band met Duitschland. Hoe

het zij, aanvankelijk scheen de zaak van den verkoop op geen

hinderpalen te stuiten, zoodat ook de Koning een bereidwillig

oor verleende aan de voorstellen van Napoleon. Wijl men echter

begreep, in elk geval straks ook met Pruisen de zaak te moeten

regelen, drongen en de minister van Buitenlandsche Zaken

en de Nederlandsche gezant te Parijs er op aan, dat voor

Limburg tevens de band met Duitschland zou losgemaakt worden.

Toch was men op de houding van Duitschland tegenover

de zaak, alles behalve gerust. Ofschoon Bismarck zelf, zooals

we zagen, niet tegen de zaak was, zoo moest ook hij de Duitschers

ontzien, die vooral in dezen tijd niet de minste vervreemding

van eenig Duitsch gebied straffeloos dulden zouden. Daarom

gaf de Koning zeif aan den Pruisischen gezant in de Residentie

mededeeling van de onderhandelingen tusschen hem en de

Fransche regeering, terwijl ook de minister van Buitenlandsche

Zaken ze van zijne zij de aan onzen gezant te Berlijn, graaf

Van Bijlandt, berichtte, met opdracht daaarvan aan Bismarck

mededeeling te doen. Wel ter dege liet minister Van Zuylen in

deze correspondentie uitkomen, dat men hier meende, als Regeering

niets te doen te hebben met de zaak, die den Keizer der

Franschen en den Koning-Groothertog alleen betrof. Mocht

echter de Pruisische regeering meenen, dat men in Nederland

een minder lijdelijke rol tegenover de zaak spelen moest, dan

verklaarde het Kabinet zich bereid om als bemiddelaar tusschen

Frankrijk en Pruisen op te treden. Op eenigszins dubbelzinnige

wijze antwoordde Bismarck hierop, dat men te Berlijn

niet onkundig gebleven was van den aard van den persoonlijken

band, welke Nederland met Luxemburg vereenigde,


GRAAF BISMARCK. I 2 I

voorts dat tot heden geen onderhandelingen tusschen Frankrijk

en Pruisen gevoerd waren en men te Berlijn derhalve geen

reden had om van de goede diensten en de bereidwilligheid

der Nederlandsche Regeering gebruik te maken.

Ofschoon dit antwoord der Regeering een vrijbrief voor

eigenmachtig handelen in de zaak scheen, in dier voege althans

als men tot nu toe gedaan had, was men hier te lande alles

behalve gerust op het einde, aangezien men zich voorstelde, dat

de beslissing der zaak tusschen den Koning en den Franschen

Keizer wel aanleiding geven kon tot een oorlog tusschen de

beide Op elkaars invloed en macht naijverige geburen. Wel

werd men eenigzins gerust gesteld toen de Regeering openlijk

verklaarde, van onzen gezant aan het Pruisische hof een schrijven

te hebben ontvangen, waarin met betrekking tot de aanhangige

zaak het volgende voorkwam : „Graaf Bismarck, heden

door mij ondervraagd, heeft mij ook gemachtigd om in

zijnen naam te verklaren, dat het Pruisische gouvernement

Limburg geheel vrij acht van alle politieke verbintenis met

Duitschland en hij geneigd is, daarvan weldra door een officieel

stuk te doen blijken, hoewel hij die formaliteit overbodig rekent

na de stemming van het Duitsch Parlement. Toch was men niet

buiten alle vreeze en weldra zou het blijken, dat er inderdaad

grond tot bezorgdheid bestond, toen Bennigsen, het hoofd van

de Nationaal-liberalen, den Rijkskanselier interpelleerde over

de loopende geruchten aangaande den afstand van Luxemburg

aan Frankrijk, waarbij de afgevaardigde de meening uitsprak,

dat alle partijen ongetwijfeld de Bondsregeering gaarne steunen

zouden tot handhaving van Duitschlands een- en ondeelbaarheid.

Het antwoord van Bismarck was alweder eenigszins

ontwijkend : Pruisen zou rekening houden met de zienswijze

van hen, die het eindverdrag met Belgie mede onderteekend

hadden, met die van de Duitsche bondgenooten en met die

des Rijksdags. Tevens voegde hij daarbij de kennisgeving, dat

de door Nederland aangeboden bemiddeling, tusschen Frankrijk

en Pruisen over deze zaak, van de hand gewezen was. Natuurlijk

gaf deze verklaring in de Nederlandsche Tweede Kamer


122 STAKING 1)FR ONDERHANDELINGEN.

aanleiding tot een interpellatie, ditmaal aan de zijde van Thorbecke.

„Over Luxemburg zijn geen eigenlijke onderhandelingen

gevoerd," antwoordde minister Van Zuylen, „ma ar wel hebben

er besprekingen plaats gehad. Nederland is 'Wel degelijk, zoo

niet rechtstreeks, dan toch zijdelings betrokken bij de oplossing

van het Luxemburgsche vraagstuk. Door het aanbieden

harer goede diensten heeft de Nederlandsche Regeering willen

constateeren, dat zij geene verantwoordelijkheid op zich neemt

in de Luxemburgsche aangelegenheden. Volgens verklaring van

Von Bismarck hebben alle banden tusschen Luxemburg en

Duitschland opgehouden te bestaan. De Nederlandsche Regeering

zal zich voortaan noch officieel, noch officieus met de zaken

van Luxemburg inlaten."

Zoowel de Koning-Groothertog als Napoleon begrepen echter,

dat het hoog tijd was de aangeknoopte onderhandelingen

te staken, wilden zij het Duitsche yolk niet tegen zich in

de wapenen jagen, en duidelijk werd door de afgevaardigden

uit alle partijen uitgesproken, geen afstand van Duitschen

grond aan Frankrijk te zullen gedoogen. Daarom stelde keizer

Napoleon, die toch gaarne nog iets van den buit redden wilde,

zich tevreden, zoo slechts de Pruisische troepen Luxemburg

ontruimden en de vestingwerken rondom die stad geslecht werden.

De Fransche Regeering maakte daarvan een voorstel bij

de andere Mogendheden en men verzocht den Koning-Groothertog

het daarheen te willen leiden, dat eene conferentie over

deze zaak te Londen zou gehouden worden. Straks werd dan

ook in dier voege door de groote Mogendheden besloten : Luxemburg

werd neutraal verklaard en geheel van den Duitschen

bond losgemaakt.

Hiermede was echter de Luxemburgsche questie niet ten

chide, noch voor het Buitenland, waar tusschen Franschen en

Duitschers een naijver en haat ontstoken werden, welke niet

dan door bloed konden bevredigd worden, noch voor onze

binnenlandsche verhoudingen. De voor- en tegenstanders van

het Ministerie vonden van beide zijden aanleiding : deze om de

staatsmanstalenten van den Minister van Buitenlandsche Zaken


DE OPPOSITIE. 1 2 3

te roemen, gene om de handelingen van minister Van Zuylen

te dezen opzichte streng of te keuren. De eersten beweerden,

dat de Minister weinig anders had kunnen doen en hij niet

slechts bewerkt had, dat Nederland zich met behoud van eer

uit de netelige questie had kunnen redden, maar ook tevens

Europa den vrede had gewaarborgd door een dreigende breuk

tusschen Frankrijk en Duitschland te voorkomen. De tegenstanders

beweerden, dat de eer van de Nederlandsche Natie

gekrenkt was door de weigering van Pruisen om de interventie

van onze Regeering aan te nemen, doch dat de Minister zelf

daartoe aanleiding gegeven had door die tusschenkomst aan te

bieden en voorts, dat we ons buiten onderteekening van de

Londensche nota hadden kunnen en moeten houden, aangezien

die onderteekening ons de zedelijke plicht oplegde de wapenen

op te nemen, zoodra van Fransche of Duitsche zijde de neutraliteit

van Luxemburg mocht geschonden worden. 't Was te

voorzien, dat er straks in de Kamer hevige strijd over de zaak

zou gevoerd worden en dat de begrooting daartoe eene welkome

gelegenheid aanbieden zou. Zooveel is zeker, dat de tegenstanders

van het Kabinet gaarne de gelegenheid aangrijpen

wilden, om het in zijn geheel te doen vallen. Bij het hoofdstuk

van Buitenlandsche Zaken brak dan ook bijna aanstonds de

storm los. Godefroy, Van der Maesen en Thorbecke verweten

den Minister, dat hij door de onderteekening van de Londensche

nota het Land in groot gevaar gebracht had en over het

algemeen Nederland gemengd had in eene zaak, welke kon

gezegd worden alleen de bijzondere belangen van den Koning-

Groothertog te betreffen. De Minister antwoordde daarop met

de herinnering aan de goede diensten, die dit Kabinet met

name in de buitenlandsche verhoudingen des Lands bewezen

had. Immers door de houding van het Kabinet was men vrij

gebleven van inmenging in den oorlog van 1866, zelfs had men

de vrije vaart op den Rijn bewaard en bovendien Limburg van

Duitschland weten los te maken. In de onderhandelingen met

Luxemburg had het Kabinet zich eerst gemengd, toen deze

werkelijk dreigden den Europeeschen vrede te verstoren, ook al


I24 ROEKFLOOS SPEL.

had het reeds lang kennis gedragen van de loopende onderhandelingen,

en hoe wilde men nu het Ministerie een grief er

van maken, dat het de Londensche nota had onderteekend !

Gold het dan niet het voorkomen van een oorlog tusschen de

beide grootste mogendheden van Europa, een zaak, waarbij

wij toch zeker het hoogste belang hadden ?

Waarschijnlijk zou de zaak nog een ander verloop hebben

gehad, indien niet de heer Cremers, vroeger Minister,

thans lid der Tweede Kamer, aan den Voorzitter een tweetal

brieven had ter hand gesteld, welke hij ontvangen had toen

hij reeds zijn ontslag bij den Koning had ingediend en nadat

zijne plaats aan de regeeringstafel reeds door een ander ingenomen

was. De brieven hadden dus door den Nederlandschen

gezant te Berlijn, aan zijn opvolger moeten ter hand gesteld

zijn, doch werden nu gebruikt om de beweringen van minister

Van Zuylen te logenstraffen. Zij maakten echter een pijnlijken

indruk op de Kamer, die bovendien door de oppositie

in haar wantrouwen tegenover het Ministerie gestijfd werd.

Later toch is wel ter dege gebleken, dat de onderhandelingen

van den Franschen Keizer uitgingen en ter eerste instantie buiten

de Duitsche Regeering om gevoerd werden ; dat de houding

der Nederlandsche Regeering tegenover de Duitsche voorzichtig

en eerlijk mag genoemd worden en de verontwaardiging,

daarover onder het Duitsche yolk ontstaan, geenszins

aan haar te wijten was ; dat voorts, wat de Londensche nota

aangaat, het voor een land als het onze, zO6 nauw in de zaak

betrokken, niet mogelijk was, zich buiten de onderteekening te

houden. Hoe het zij, het vonnis over de begrooting van Buitenlandsche

Zaken geveld, dit gevoelde ieder, was een kaakslag

voor geheel het Kabinet en als zoodanig werd 't ook door het

Ministerie opgenomen, dat weldra collectief ontslag aan Z. M.

vraagde. „Roekeloos, voorwaar," zoo schreef een blad der ministerieele

partij, „is het spel, dat de Tweede Kamer met

's Lands eer en hoogste belangen heeft gespeeld. Onwaardig

vooral, omdat oud-ministers zich niet hebben geschaamd om

brieven in het geding te brengen, waarvan zij wederrechtelijk


NIEUWE ON TBINDING. 125

houders waren, en die moesten strekken om den minister van

Buitenlandsche Zaken, Van Zuylen, te bestraffen wegens met

hun inhoud strijdige uitlatingen en hem ten val te brengen."

Zoo scheen ook de Koning er over te denken. Vijf dagen

na de ontslagaanvrage berichtte Z. M., dat hij geen beslissing

over de zaak wenschte te nemen voor de beraadslagingen over

de kredietwetten ten einde geloopen waren, en toen deze alien

aangenomen waren en het Ministerie op zijn ontslagaanvrage

terugkwam, deelde Z. M. den gezamenlijken ministers mede,

dat hij besloten had het ingediende ontslag niet aan te nemen.

Toen nu den 27sten December de Kamers gesloten werden,

kondigde het Ministerie het besluit van Z. M. aan en voegde

daarbij de verklaring, dat andermaal een beroep op het Nederlandsche

Volk noodzakelijk zijn zou.

Zoo was dan nu eene zaak, waarbij wij bij den aanvang

als gansch niet betrokken geacht waren, op eenmaal van groot

staatkundig gewicht geworden. Andermaal raakte de dagbladpers

in rep en roer. Vooral de liberale bladen stelden het

voor, als was de ontbinding der Kamer een ongeoorloofde aanval

op de zelfstandigheid der Volksvertegenwoordiging en op

de vrijheid der Natie, als gebruikte het Kabinet de onaantastbaarheid

van den Koning als een schild om zich te dekken

tegen de slagen van de Vertegenwoordigers. Alras echter ontaardde

de strijd in een gansch anderen dan in het antwoord

op de vraag, of men achtte, dat de houding van het Kabinet

in zake de Luxemburgsche questie den lande tot voordeel of

schade aangemerkt werd. Hoe langer zoo meer toch wekte

de Wet op het Lager Onderwijs verzet en niet slechts bij de

Anti-revolutionairen, maar vooral ook bij de Roomschen. Daar

tegenover stelden zich nu de Liberalen, die wel duchtig afgaven

op het monsterverbond van Rome en Dordt, zooals zij

het heetten, maar toch evenzeer van hun standpunt steun zoch-

ten en vonden bij de moderne predikanten. Voor hen scheen

„de neutrale school" wel te zijn, wat bij de door hen zoo geminachte

„Clericalen" de kerk gold, en het werd hoe langer

zoo meer duidelijk, dat godsdienstloosheid ook een godsdienst


126 BESCHULDIGIN GEN.

is, en wel een van die soort, welke hare belijders ten eenenmale

onverdraagzaam en onverdragelijk maakt. Natuurlijk zocht men

dezen vreemdsoortigen godsdienstij ver voor „een Christendom boven

geloofsverdeeldheid," — hetwelk slechts dien naam verdiende,

waar het den gezamenlijken bestrijders van de fundamenteele

waarheden des Christendoms gold — onder allerlei voorwendsels

te versteken. De Ultramontanen, Anti-revolutionairen en Reac-

tionairen, zooals men met het oog op de verkiezingen liefst de

Conservatieven heette, beschuldigden de Liberalen, dat zij de

vrijheid des Konings, gelijk die door de Grondwet hem was

verzekerd, schaamteloos durfden aantasten. Verkregen zij hun

wensch, dan zegevierde de revolutie, dan werd Nederland in

heilloozen krijg gewikkeld, dan ondermijnden zij met behulp

van staatsgeld den godsdienst door de „neutrale school," welke

niets meer of minder was dan een „moderne secteschool" en

dan, mocht men al schijnen te ijveren voor de belangen van

den Javaan, zouden de Indische baten, in plaats van in de

schatkist van den Staat, eenvoudig in de beurs van begunstigde

particulieren verzeilen. Van de andere zijde bleef men

het antwoord niet schuldig. Volgens de Liberalen was het de

tegenpartij, die den Koning gebruikte om haar wenschen te

verkrijgen in zake het onder wijs, ten einde van de school het

voorportaal voor hun kerk te maken, die, door hun geestelijkheid,

zoowel Protestantsche als Roomsche, voortgedreven, het

yolk buiten de zegeningen der beschaving en verlichting wilde

houden en de jeugd in bijgeloof en onkunde wilde doen voortleven

ten koste van de maatschappij der toekomst, en die revolutionair

genoeg was om aan de heiligste beginselen der

Grondwet te tornen, en zich evenzeer niet ontzag, den Koning

tegen de Liberalen in het harnas te jagen.

Ondanks al deze beschuldigingen, die men elka'ar wederzijds

naar het hoofd slingerde, ondanks den ijver voor de

stembus, brachten de nieuwe verkiezingen geen gevoelige verandering

in de samenstelling der Tweede Kamer en, hoe de

liberale partij ook onderling verdeeld heeten mocht, hierin was

zij het eons, dat heel het Ministerie vallen moest. Nauwelijks


DE MOTIE-BLUSSE, 127

dan ook had de Minister van Buitenlandsche Zaken de Kamers

i 1 den naam des Konings geopend, nauwelijks waren de beraadslagingen

aangevangen, of Thorbecke opende op nieuw

den yeldtocht met de pertinente vraag aan het Kabinet, of

cl.: vorige Kamer aanleiding tot de plaats gehad hebbende

ontbinding gegeven had. Aanstonds was de strijd geopend :

Thorbecke, Godefroy, Van Bosse en vele andere Liberalen

keurden den genomen maatregel ten sterkste of en sloegen uit

het zondeboek van het Ministerie geen pagina over ; Van Goltst,:in,

De Bosch Kemper en anderen namen het Kabinet in

bescherming, totdat eindelijk Blusse de volgende motie voorstelde

: „De Kamer, gehoord de inlichtingen der Ministers en

oordeelende, dat geen landsbelang de jongste ontbinding der

Kamer vorderde, sluit de beraadslagingen." Het eenige, wat

men toestond, was eenig uitstel met de stemming over de motie,

totdat de Minister de onder hem berustende stukken over

de Luxemburgsche questie, die ten voordeele van het Kabinet

plcitten, aan de Kamer zou overlegd hebben. Dan, ook dit

veranderde weinig aan de zaak : den 23sten Maart toch werd

de motie Blusse, ofschoon dan ook slechts met eene meerderheid

van drie stemmen, door de Kamer aangenomen.

Gesteund door het Koninklijk vertrou wen, had het Kabinet

besloten om dit votum der Kamer te trotseeren. Toch

was het Ministerie reeds meer dan overtuigd, dat de begroo.

ting zonder eenigen twijfel het slagveld worden zou, waar het

beslissend treffen tusschen Ministerie en Vertegenwoordiging

zou plaats grijpen. Te elfder ure trachtte minister Heemskerk,

door het indienen van een wetsontwerp, eenige geringe wijzigingen

in de zoo gehate Wet op het Lager Onderwijs te brengen,

welke poging om het leven van het Kabinet te verlengen,

indien ze daartoe althans beproefd was, weinig succes mocht

behalen. -Katholieken en Anti-revolutionairen toch verklaarden

zich tegen het ontwerp, hetwelk hun te weinig gaf, om zich

daartoe in den strijd tegen art. 194 de handen te laten binden.

Daarna kwam de begrooting van Buitenlandsche Zaken

aan de orde, die, zij het dan ook slechts met eene meerder-


128 DE LIBERALE PARTIJ.

heid van 2 stemmen, door de Kamer verworpen werd. Zoo had

dan, naar het heette, de Natie aan den Koning haar oordeel

doen kennen over het huidige Kabinet en het vonnis geveld

over de Luxemburgsche questie. In den grand echter was het

andermaal de liberale partij, die door allerlei machinatien er

in geslaagd was, om de eigenlijke regeering des lands aan zich

te trekken en elke politieke gelegenheid aangreep, om zijne beginselen

te doen zegevieren. Haar wil moest als wet gelden en

voor _den Koning en voor de Natie, en toch — ook hare dagen

waren geteld. Het Ministerie begreep, dat het nu niet langer

der oppositie het hoofd bieden kon. Het bood den Koning

collectief ontslag aan en Z. M. berustte andermaal in de beslissing

der Kamer. Maar onder het yolk begon men het dwangjuk

der Liberalen moede te worden en te morren over de wijze,

waarbij zij telkens en telkens weder alles en alien in den lande

aan hun partijbelang onderwierpen. De klove tusschen hen en

hun tegenstanders werd steeds grooter. Van Anti-revolutionaire

zijde Was de Vereeniging voor Christelijk Nationaal School-

onderwijs, en straks, toen in den boezem dier Vereeniging strijd

over het beginsel ontstond, een Vereeniging voor Gereformeerd

Onderwijs opgericht, welke beide in den strijd voor het Christelijk

Onderwijs vooraan zouden staan. In 1869 werd er daarentegen

van liberale zijde een Schoolverbond opgericht, dat zich

ten doel stelde het schoolverzuim zoowel op openbare als bijzondere

scholen te bestrijden en zich daartoe op geheel onpartijdig

standpunt trachtte te stellen. Alras bleek het echter, dat

men de batterijen tegen het Christelijk Onderwijs opwierp,

toen in 1870 de Vereeniging tot bevordering van het Volksonderwijs

ontstond. Deze schreef in haar program : i o. bescherming

en verdediging van de beginselen der Wet op het Lager Onderwijs

van 1857, en 2°. grondig onderzoek en, zoo mogelijk, opheffing

van de bezwaren tegen een tusschenkomst van de Regeering

om het Onderwijs algemeen en verplichtend te maken.

Al terstond begrepen de Anti-revolutionairen, dat men

middelen zocht om de vrijheid van onderwijs, voor zoover zij

nog door de Grondwet gewaarborgd werd, tot een doode letter


ANTI-SCHOOLWETVERBOND. 129

te maken, en daartoe zou niet 1 e e r-, maar Schoolplich t,

gecontroleerd door den sterken arm der liberale partij-regee-

ring, moeten leiden. In Mei 1872 deed toen de heer J. Voorhoeve

H.Czn. het voorstel, om een A nt i-s choolwet ver bond

in het leven te roepen, dat zich ten doel stellen zou, on v e rw

ij ld verandering aan te brengen in de Grond- en Schoolwet

en daarin die wijzigingen te bewerken, welke door de Vereen.

voor Christ. Nat. Schoolonderwijs in hare algemeene vergadering

van 1869 waren aangenomen. Groen en ook Dr. A. Kuyper,

wiens naam allengs als leider der Anti -revolutionaire partij

naast dien van Groen begon genoemd te worden, hadden

adhaesie aan zijn plan geschonken en, hoewel de Vereen. voor

C. N. S. 0. besloot eene afwachtende houding aan te nemen,

kwam toch het a n t i-s chool wet v er b ond tot stand, dat

zich als middelen tot bereiking van zijn streven bedienen zou

van : 1° bewerking der publieke opinie, 2 0 petitieonementen bij

de Overheid en 3° het oefenen van invloed op de verkiezingen.

Het tweede der genoemde middelen zou men echter niet aanwenden

dan wanneer het aantal leden van den bond ][0.000

bedroeg. Wij keeren echter tot de politieke geschiedenis terug.

Wie mocht dan, nu het ministerie Heemskerk-Van Zuylen

gevallen was, bekwaam en geschikt geacht worden om de zoo

ondankbare en moeilijke taak van de Regeering te aanvaarden

? Men moest ook van liberale zijde erkennen, dat de liberale

beginselen niet konden strekken tot aanbeveling, wijl proef

na proef, ook door liberale ministers genomen, gebleken was,

mislukt te zijn. Men fluisterde wel onder de doldriftige vereerders

van Thorbecke van een derde Kabinet, dat zijn naam

dragen zou, maar bij de toenemende verdeeldheid ook onder

de Liberalen, vreesde men toch dat de . invloed, welke het zou

bezitten, allicht evenzeer zou afgenomen zijn als de kracht van

het tweede Ministerie reeds bij het eerste achter gestaan had.

Ook in de liberale kringen begon men te mokken over den

partij- en personenstrijd van de laatste tientallen jaren en van

het op het spel zetten van 's lands belangen, ten einde eigen

eerzucht te bevredigen, en juist in dat opzicht wachtte men van

Dl. VIII. 15


1 30 HET NIEUWE KABINET.

Thorbecke en de zijnen niet veel heil. Vooral de laatste overwinning

van de Liberalen scheen den meest scherpzinnigen

onder hen een voltooiing van hun nederlaag ; immers, nimmer

zou men van de overzijde den strijd tegen het Kabinet vergeten

en nimmer het vergeven, dat men het onverdiend vallen

deed. Het eenige, wat men mogelijk achtte, was, dat onder de

vrienden en geestverwanten van Thorbecke naar nieuwe ministers

zou gezocht worden, zonder dat zelfs zijn naam bij de vorming

werd vermeld.

Van Reenen, aan wien de Koning de vorming van een

nieuw Ministerie opgedragen had, kon niet slagen, waarop Z. M.

de adviezen inwon van den heer Mackay, den vice-president

van den Raad van State en den heer Philipse, den voorzitter

der Eerste Kamer, en zoo vond men dan eindelijk, 1 Juni,

de namen der nieuwe ministers in de Staats-courant vermeld.

Als Minister van Binnenlandsche Zaken was Fock, de burgemeester

van Amsterdam, opgetreden, Roest van Limburg aanvaardde

de portefeuille voor het Buitenland, Van Lilaar die

van Justitie, De Waal van Kolonien, Brox van Marine, Van

Mulkens van Oorlog, terwijl Van Bosse andermaal de zorg

voor de Financien op zich nam. Straks werden de Ministerien

van de beide Eerediensten opgeheven, terwijl de administratieve

zaken van de beide departementen door Van Bosse en Van

Lilaar zouden worden beheerd. Reeds hierdoor keerde het Kabinet

velen tegen zich. Maar straks zou het zich door de verkiaring

zijner politieke beginselen nog meer vijanden maken.

Nauwelijks was de Kamer bijeengekomen, of het Antirevolutionaire

lid Koorders interpelleerde de Regeering om haar

opheldering to vragen over de Kabinetsformatie, de Koloniale

politiek en de herziening der Wet op het Lager Onderwijs.

Geharnast stonden bij dit debat de beide partijen tegenover

elkaar ; van de eerie zijde begaven zich Gef ken, Koorders en

meerdere Anti- revolutionairen in 't krijt ; van de andere streden

Jonckbloet en andere Liberalen met even scherpe wapenen,

totdat het Ministerie zich bij deze laatsten aansloot met de

verklaring, dat men in de Wet op het Lager Onderwijs van dit


DE CONSERVATIEVEN. 131

Ministerie geen wijziging te wachten had. De Anti- revolutionairen

schaarden zich terstond tegen het Kabinet en dit had

van nu of ook de oppositie van de Roomschen te doorstaan,

die door een „mandement der bisschoppen," in 1868 uitgevaardigd,

nader ingelicht waren aangaande het ware karakter van

den schoolstrijd.

Langzamerhand begon de conservatieve partij, ten gevolge

van den schoolstrijd, zich geheel in de hoofdpartijen op te lossen.

Voornamelijk was dit te danken aan de scherpe belijning

van de beginselen der Anti-revolutionaire en andere partijen

door Groen van Prinsterer, die in dien tijd zijn „Nederlandsche

Gedachten" uitgaf, daarin de onhoudbaarheid van de halfslachtige

stelling der Conservatieven duidelijk deed aan het licht treden

en hen drong, om zich of voor Schoolwetherziening te verklaren,

Of in de gelederen der Liberalen een toevlucht te zoeken. Onverbiddelijk

was Groen op dit punt tegenover zijne beste vrienden

zelfs, en de ervaring heeft bewezen, dat hij wel zag. Waren

tot nu toe nog onder de Anti-revolutionairen medegerekend

mannen, die nog niet overtuigd waren van het verderfelijke en

onhoudbare der Staatsschool, thans was de onderwijsquestie het

s h i b b o l e-t h van de partij en afgesneden werden alien, die op

het stuk van de schoolwijziging niet medegingen of aarzelden,

en tegen het non possumus van het Kabinet den strijd

niet mede aanbonden. Zoo werd de partij innerlijk gezuiverd

en in plaats, dat het aantal harer geestverwanten verminderde,

groeide het te meer aan naarmate de banden steeds sterker

aangetrokken werden tusschen hen, die op staatkundig gebied

samengingen met den Anti-revolutionairen leider en hen, welke

op kerkelijk gebied tot de Gereformeerden behoorden. Langzamerhand

begon Groen zich sterker te gevoelen en toen de

Liberalen het onrechtmatige van den strijd wilden aantoonen

door de bewering, dat deze niet gewijzigd worden kon met

het oog op art. 194 van de Grond wet, toen was ook Groen's

antwoord gereed : „Welaan, dan herziening der Grondwet om

artikel 194."

Vooral bleek de kracht van het Anti-revolutionaire begin-


I 32 DE ANTI- REVOLUTIONAIRE PARTIJ.

sel bij de stembus van 1869. Het was duidelijk, dat het er

den leider om te doen was, te zien, op wie hij in den strijd

rekenen kon. Ofschoon vele Conservatieven geneigd waren op

politiek, vooral ook op godsdienstig terrein, met Groen mede

te gaan, toch dweepten zij nog met de, naar hun wijze van

zien, mogelijke en zoo door hen gewenschte neutrale school,

daar zij den invloed der beslist kerkelijken in de school duchtten.

„Dan ga ieder zijns weegs," zeide Groen, die de openbare

bestrijding van den liberalen tegenstander verre verkoos boven

den dubbeizinnigen steun van halve geestverwanten. Daarmede

hadden dan ook de Conservatieven hun vonnis geveld : zij los•

ten zich in de overigen op en straks ging hun naam zelfs verloren.

Zoo was dan voor of tegen art. 194 de vraag, die de

stembus van 1869 beheerschte. Krachtige medestanders vond

de onvermoeide kampioen voor het Christelijk Onderwijs in

Dr. A. Kuyper, Keuchenius en Wormser, en van hun trouw

was hij zeker. Dit kon niet zoo onvoorwaardelijk worden gezegd

van het groeiend aantal leden der beide Kamers, die ge-

zegd werden de Anti-revolutionaire beginselen te belijden ; reeds

hunne aanzienlijke positie in den lande scheen hen sterk naar

de conservatieve partij te doen overhellen. Den grootsten aanhang

had Groen echter bij het zoogenaamde „volk achter de

kiezers" en mocht het niet dadrom zij n, toch ongetwijfeld

oefende dit invloed uit ; vele predikanten in den lande stonden

aan zijne zij de en dat te meer, waar strijd tegen de liberale

politiek en tegen de godsdienstlooze school en afkeerigheid

van de moderne theologie vruchten van denzelfden boom heeten

mochten.

Onder de liberale woordvoerders, welke bij al hunne onderlinge

verdeeldheid het toch alien hierover eens waren, dat

art. 194 bewaard moest worden als de hoeksteen van Neerland's

welvaren in de toekomst, behoorde Dr. Jonckbloet, die,

na geruimen tijd als hoogleeraar in de letterkunde te Groningen

gefungeerd te hebben, tot lid der Kamer verkozen was en

in 1866 reeds den handschoen tegen Groen had opgenomen,

om, in weérspraak met diens verklaringen, te betoogen, dat


JONCKBLOET EN LAMPING. 133

art. 194, ofschoon geen onbeperkte vrijheid, toch vrijheid van onderwijs

verzekerde ; dat het openbaar onderwijs door den Staat

ingesteld, aangekweekt, aanbevolen en beschermd, op den voorgrond

moest staan ; dat aan het bijzonder onderwijs recht van

bestaan niet meer verzekerd was en het daarbij voorwaarden

had te vervullen, door den Staat gesteld, welke het uitvloeisel

waren van de overtuiging, dat de Staat geroepen en verplicht

is voor het onderwijs te zorgen ; dat door concurrentie of gemis

aan genoegzame scholen het degelijk onderwijs zou ondermijnd

worden en dat sectescholen niet dan nadeeligen invloed uitoefenden.

Dit was volgens Jonckbloet het leidend beginsel van de

wet en . alleen strookende met den geest van de Grondwet. De

vraag, of men na dien tijd misschien, door de ervaring geleerd,

meerdere of wel geheele vrijheid van onderwijs zou kunnen

toestaan, moest, volgens hem, ontkennend beantwoord worden,

waarom aan de wenschen van hen, die tegen de wet van 1857

optrokken, in geen geval kon worden voldaan.

Op nog stouter toon liet zich de moderne predikant Lamping

uit, in zijne artikelen en vlugschriften over School we th

e r z i e n i n g. De tijd was, naar zijne meening voorbij, dat men,

denken en spreken kon over een Christelijken Staat in offi-

cieelen zin, en het Christendom was, hoeveel Groen ook daartegen

mocht hebben en aanvoeren, niets dan individueele meeting

en geenszins de officieele godsdienst van Staat. Dit was nu

eenmaal de onafwijsbare eisch van den modernen Staat. De

lagere school moest voldoen aan de behoeften van het algemeen

en Icon niet anders zijn dan ze was. Wie meer wilde,

moest zelf maar voor datgene zorgen, wat niet voor alien, maar

voor sommigen in het bijzonder noodig scheen. Men had immers

volledige vrijheid van onderwijs, waarom men zoo lang

gestreden had. Het kanaal voor de gemoedsbezwaren was gegraven

; wie er belang bij hadden, hadden nu te zorgen, dat zij

daardoor een uitweg vonden. 't Werd, naar zijn inzien, hoog

tijd, dat men den strijd opgaf tegen een onderwijs, dat door

een groot deel der Natie begeerd werd en voor haar noodig

was. In plaats van een soort van geestelijke curateele te willen


134 SCHOOLVERBOND VOLKSONDERWIJS.

uitoefenen over het geheele yolk, deed men beter zijn krachten

te gebruiken ter voorziening in de bijzondere behoeften, doch

wilde men op de puinhoopen van het Openbaar Onderwijs de

confessioneele school stichten, om in de kinderen, het geslacht

der toekomst, aan het Liberalisme den doodsteek toe te brengen,

dan zou men de Liberalen op hun post vinden.

En zooals de woordvoerders dachten, zoo spraken de overigen

het door hunne handelingen uit. Vooral de moderne predikanten

meenden het recht en de verplichting te hebben voor

de Openbare School te velde te trekken, en vergaten maar al

te vaak, dat zij daardoor voor hunne richting rechten opeischten

en in beslag namen, die zij aan de tegenpartij ontzegden

en tegen welker verovering door anderen, zij het zich tot plicht

en bevoegdheid rekenden te waken. Was de school hunner

liefde en verwachting uit de beurzen hunner voorstanders gesticht

en onderhouden, dan zouden zij recht gehad hebben ;

dit eene ontbrak er slechts aan. Ook op practische wijze zochten

zij de Openbare School te steunen door de oprichting van

het School v er b on d, eene vereeniging, die het getrouw

schoolbezoek door het uitreiken van belooningen zocht te bevorderen,

en zeker van meer onschuldigen aard mocht gerekend

worden dan de in 1870 door de heeren A. Moens en mr. A.

Kerdijk gestichte vereeniging Volksonderwijs. Deze toch had

niet slechts met het Schoolverbond dit gemeen, dat een althans

voormalig modern predikant ze had opgericht en moderne predikanten

hare krachtige pleitbezorgers waren, doch zij trad

ook terstond op politiek terrein op en wilde, door invloed uit

te oefenen op de keuze van leden van den ,Gemeenteraad, der

Provinciale Staten en der Volksvertegenwoordiging, meerderen

steun van den Staat afdwingen voor het Openbaar Onderwijs,

ten einde het te versterken en te verbeteren, terwijl zij den

weerzin der tegenpartij nog verhoogde door de aanmatiging,

waarmede zij optrad.

Niet slechts de naam, welke men de Openbare School gegeven

had : „Moderne Secteschool," maar de omstandigheid, dat

de modernen ha p r voorstanders waren en Roomschen en Anti-


PI ERSON . 1 3 5

revolutionairen haar bestreden, maakte van den geheelen strijd

een waren godsdienstoorlog tusschen de burgers van den Staat.

Dit wend ook zelfs door talentvolle mannen onder de Liberalen

afgekeurd. Zoo schreef Allard Pierson in zijne vlugschriften,

getiteld : „De liberale partij op godsdienstig gebied" terecht :

„In de werkelijkheid bezitten wij eene niet-godsdientlooze

school, waarin Christelijke deugden moeten worden aangekweekt

: eene school derhalve, doortrokken van een Christendom,

verheven boven geloofsverdeeldheid. Er is ongetwijfeld

een Christendom boven geloofsverdeeldheid ; er zijn deugden,

ook dit duldt geen tegenspraak, die door dat Christendom

worden aangekweekt. Dat is metterdaad het Christendom, dat

in onze jeugd van Staatswege aangekweekt wordt. Men moet

dit toegeven, en voorts dat dit bepaalde door den Staat in

bescherming genomen Christendom gevoegelijk met den naam

van „modern Christendom" of „Christendom naar de moderne

opvatting" kan worden betiteld. De Staat laat dus op zijne

scholen een bepaald Christendom aan de kinderen mededeelen,

een Christendom zonder dogmatiek, een Christendom naar

de beschrijvinge Thorbeckes. Het harde woord is dan ook uitgesproken

: Onze staatsscholen zijne moderne sectescholen. Is

dat woord zoo geheel onjuist ?"

Voorts toonde Pierson aan dat de bewering, dat men het

godsdienstig onderwijs gerust aan het gezin en de catechisatie

overlaten kon, slecht geuit kon worden door hen, die van de

Openbare School met recht eischten, dat zij opvoedend en degelijk

onderwijs zou geven. Immers dan woog het onderricht, in

het gezin en op de catechisatie ontvangen, in geenen deele op

tegen den invloed, welke men van de school wachten mocht,

en kon men zich integendeel vleien met de verwachting, dat

er een geslacht der toekomst opgroeien zou, geheel doordrongen

van den geest van het boven geschetste Thorbecke's Christendom.

Dat de geheele Natie dit zou wenschen, was te dwaas

om te veronderstellen, en daarom juist achtte hij de wet niet

liberaal : immers drong zij aan de Natie in hare school een

Christendom op, waarvan een groot deel niets weten Wilde en


1 36 HET MANDEMENT.

maakte zij propaganda voor een godsdienst, welke door een

groot deel der Natie verafschuwd werd.

Natuurlijk vond Pierson heftige bestrijding bij zijne partijgenooten,

die hem van dubbelzinnige politiek beschuldigden

en wier leuze bleef, dat er volstrekt aan de wet niet mocht

getornd worden en men den tegenstander niets toegeven kon

of mocht. Zoo ging de schoolquestie voort om de gemoe.deren

tegen elkaar te verdeelen en maakte zij alle andere belangen

aan zich ondergeschikt. Reeds spraken we van het mandement

der Roomsche bisschoppen, die, te 's Hertogenbosch vergaderd,

een herderlijk schrijven richtten tot de geloovigen van Nederland,

waarin zij dezen de plichten herinnerden, welke op hen

rustten met betrekking tot de opvoeding van hunne kinderen

en die der Kerk. Zij betoogden hierin, dat de Kerk niet tevreden

kon zijn met eene school, die op zijn hoogst hare leer

eerbiedigde en onaangeroerd liet, maar zulk eene eischte, waar

de jeugd deze leer kennen en beoefenen leerde. Ofschoon zij

nu toegaven, dat men niet in elke plaats eene uitsluitend

Roomsche school oprichten kon en derhalve de ouders vrijlieten

om, waar geen Roomsche school kon bestaan, zich met

hun kinderen tot de openbare te wenden, daar moest dit steeds

als een „droeve noodzakelijkheid" aangemerkt worden en moest

men trachten door dubbelen ijver en waakzaamheid in 't gemis

te voorzien. Waar het anders kon, daar wezen zij de ouders

op hunne verantwoordelijkheid aan God voor het zieleheil hunner

kinderen en keurden zij het plaatsen van Roomsche kinderen

op de openbare school ten hoogste af.

Scherp werd het mandement door de Liberalen bestreden,

die hun school gaarne de volksschool noemden en, alsof haar

die naam toekwam, nu meenden recht te hebben tot de bewering,

dat de Bisschoppen hunne leeken buiten het nationale

leven plaatsten, waaraan zij de minder liberale bedreiging vastkoopten,

dat men hen op deze wijze evenzeer uitsloot van

de vervulling van ambten en bedieningen in den Staat, aangezien

deszelfs ambtenaren wel ter dege in het nationale leven

moesten medegaan. Alsof, zoo antwoordden de Roomschen van


HEYDENRIJCK. 137

hunne eene school, welke door de helft der Natie verfoeid

werd, de volksschool heeten mocht en alsof men in de

uitsluiting, waarmede de Liberalen dreigden, eenvoudig berus.

ten zou.

Nu de schoolquestie de verkiezingen beheerschte, werden

dan ook de wenschen der verschillende partijen scherper be,

lijnd en bleek het, dat de Anti-revolutionairen nog steeds bij

PRINS HENDRIX DER NEDERLANDEN.

het ideaal van gezindheidsscholen bleven, terwij1 de Roomschen

zich tevreden stelden, wanneer men slechts geene hinderpalen

ontwierp voor de stichting van bijzondere scholen. Vooral de

heer Heydenrijck had in de Kamerzitting van 28 September

1868 hunne wenschen geformuleerd, welke hierop neérkwamen,

dat schoolgeldheffing verplichtend moest gemaakt worden

voor de gemeenten, zoo deze aanspraak wilden maken op sub-


I 3 8 HET DAGBLADZEGEL.

sidle uit 's Rijks kas, en alleen onvermogenden van schoolgeld

zouden vrijgesteld worden ; dat men in sommige gevallen aan

hulponderwijzers het recht zou verleenen om aan het hoofd van

bijzondere scholen op te treden ; dat de examens meer waarborgen

voor onpartijdigheid zouden geven en ook de bijzondere

school zou vertegenwoordigd zijn in de examen-commission. Hoe

billijk en matig deze eischen ook gesteld waren, bij de Liberalen,

die nu eenmaal de macht in handen hadden, was schijn

noch schaduw van toegeven te .bespeuren, en de strijd werd

des te feller.

In deze zitting werd eindelijk de belofte vervuld, in de

troonrede van 1868 geuit, dat men zou trachten het zegel op

de dagbladen of te schaffen. Het door de Regeering ingediende

ontwerp werd met 41 tegen 31 stemmen aangenomen en straks

eveneens door de Eerste Kamer goedgekeurd, waarna den 7den

April 1869 de wet ter opheffing in het Staatsblad verscheen.

Deze wet gaf een ongekende vlucht aan de journalistiek in

ons land. Niet slechts konden de bestaande bladen hun formaat

vergrooten, hun abonnement verlagen en het getal hunner

medewerkers uitbreiden, maar ook tal van nieuwe bladen

verschenen en door dit alles werd de politiek meer onder den

burgerman gebracht. Van daar dat de onderwijs-questie, thans

het meest aanhangig, nu hoe langer zoo meer de zaak van

het Volk werd en de Natie nu met recht gezegd kon worden,

door den strijd om de school in twee kampen verdeeld te zijn.

Zeer in den geest der Geavanceerd-liberalen was voorts

het regeeringsontwerp ter afschaffing van de doodstraf, dat door

den Minister van Justitie Van Lilaar in de Kamer verdedigd

werd en, na de aanneming door de Kamers, de Koninklijke sanc-

tie verwierf. Wij achten het niet binnen de grenzen van dit werk

(,

te liggen, een oordeel over deze afschaffing uit te spreken. De

Roomschen en Anti-revolutionairen stemden grootendeels tegen

het ontwerp. De eersten wilden de afschaffing wel beperkt zien

tot de meest klaar bewezen en grofste misdaden, doch wilden

van geene opheffing hooren. De Anti-revolutionairen verdedigden

de doodstraf met een beroep op de Heilige Schrift en


DE KIESDISTRICTEN. 139

achtten de afschaffing daarmede in openbaren en stelselmatigen

strijd. Zooveel is zeker, dat onze tijd rijk is aan moordtooneelen

en dat over 't algemeen zij, die het meest teergevoelig zijn

voor eigen veiligheid, in den regel anderer leven minder ontzien.

Ook nog in andere opzichten maakte zich het Ministerie

Fock voor de liberale partij verdienstelijk, zoo o. a. door de

opheffing der beide Ministerien van Eeredienst, waardoor de

Regeering het ideaal der Liberalen : volkomen scheiding van

Kerk en Staat, eene schrede nader kwam.

Een Ministerie, dat zoo geheel op de Liberalen steunde,

en dezen dan ook zooveel mogelijk ter wille was, moest wel,

uit zucht tot zelfbehoud, alle middelen in het werk stellen om

hen in de meerderheid te doen blijven. Vreezende, dat bij de

gewone periodieke verkiezingen van 1869, waarbij de helft der

Kamerleden hun mandaat moesten doen vernieuwen of aan

anderen overgeven, de liberale meerderheid in het gedrang

zou kunnen komen, vooral daar ook ditmaal de leuze gesteld

werd : de strijd voor of tegen het bijzonder onderwijs, nam het

Ministerie de toevlucht tot een beproefd, maar minder zedelijk

middel, namelijk de verandering der kiesdistricten. Op behendige

wijze wist men sommige districten, waar de bevolking

overwegend anti-liberaal heeten mocht, door toevoeging van

een ander deel, waar de Liberalen de meerderheid vormden,

voor de tegenpartij te bederven, en daar, waar de kans der Liberalen

zwak stond, door aanhechting van een nieuw deel hun

de overwinning te verzekeren, en op deze wijze gelukte het andermaal

hen ook bij deze stembus op het kussen te houden.

Veel tegenwerking had het Kabinet dan ook niet van de huidige

Kamer te wachten, en zoo 't toch spoedig zijn taak moest

neerleggen, was het niet ten gevolge van den weerstand, welke

het in de Kamers vond, maar veeleer daaraan te wijten, dat

ook dit Kabinet leed aan de. liberale ziekte : verdeeldheid

in eigen boezem. Wel is waar, werd de begrooting van Kolonien

niet al te gunstig in de Tweede Kamer ontvangen, doch

het stond te bezien of dit reeds aan minister De Waal aanleiding

geven kon zijn ontslag te nemen. Zelfs toen de Eerste


140

DE CRISIS.

Kamer met eene meerderheid van eene stem de begrooting

voor Kolonien verwierp, mocht dat den betrokken Minister aanleiding

tot aftreden geven, doch straks boden ook de Ministers

WILLEM, PRINS VAN ORANJE.

van Binnenlandsche Zaken, Justitie en Oorlog hunne portefeuilles

aan, waarop de Koning aan Fock en Van Bosse opdroeg,

hunne plaatsen te vervullen. Dezen schenen echter niet naar

wensch te kunnen slagen, en het duurde tot in het volgende


HET KONINKLIJK HUIS. 141

jaar, eer een nieuw Ministerie gevormd was, waarin zelfs Fock

geen zitting meer had. Andermaal, thans ten derden male, trad

Thorbecke op als Minister van Binnenlandsche Zaken, Brock

voor Marine, Gericke van Herwijnen voor Buitenlandsche Zaken,

Booms voor oorlog, Blusse voor Financien en van Bosse

voor Kolonien.

Inmiddels was de Koninklijke Familie niet vrij gebleven

van smartelijke verliezen. Na het overlijden van zijn Vader,

trof den Koning het verlies van zijn zoon Prins Willem Frederik

Maurits Alexander Hendrik Karel. Op den i 5den September

1843 geboren, ontwikkelde de vorstenteig zich zeer

voorspoedig, totdat hij plotseling op zesjarigen leeftijd door

een verraderlijke krankheid aangetast werd en ondanks alle

pogingen, door de wetenschap aangewend, om het dierbaar

jeugdig leven to redden, den 4den Juni overleed. Zwaar leed

het Vorstelijk Gezin, vooral de Koningin onder dit verlies, dat

eenigermate verzacht werd, toen den Koning het volgend jaar

op den 25sten Augustus een zoon geboren werd, die de namen

Willem Alexander Karel Hendrik Frederik ontving. Treffend

is de groep van wit marmer, op last der Koningin door den

beeldhouwer Van der Ven vervaardigd, welke in het Koninklijk

Paleis prijkt en aan de herinnering van beide gebeurtenissen

gewijd is. Een Cherubijn, Prins Maurits voorstellende, draagt

een kind, Prins Alexander in zijn armen en reikt het zijnen

treurenden Ouders toe. De: kunstenaar heeft genoeg gezorgd,

dat de aanschouwer als van zelf de gedachte voelt opreizen,

dat de gestorvene den jonggeborene ten beschermengel zijn en

hem langs een bebloemd levenspad leiden wil.

Vijftien jaar later, den eersten Maart 1865, trof den Koning

een nieuwe slag in het overlijden van zijne lieve moeder Anna,

Paulowna, die hij steeds zoo hoog waardeerde. Reeds van Februari

af werd zij door hevige borstaandoening gekweld, en

van dien tijd af werden de berichten van Zorgvlied, waar zij

verblijf hield, steeds meer onrustbarend, totdat zij op genoem-

den datum op 70-jarigen leeftijd overleed. Zij was eene vrouw,

groot van verstand en met een scherpzinnigen geest begaafd,


I 42 THORBECKE VOOR DE DERDE MAAL.

en wijdde zich in den laatsten tijd zeer aan de verpleging van

kranken. Zij stichtte een hospitaal voor de gewonde en verminkte

strijders uit den kamp met Belgie en zoowel Zorgvlied en

Soestdijk, waar zij gewoonlijk verblijf hield, als Baarn en Scheveningen,

welke dorpen zij vaak bezocht, houden hare nagedachtenis

in dankbare herinnering. Straks werd zij naast haren doorluchtigen

Gemaal in de Koninklijke grafkelder te Delft bijgezet.

Men verwachtte niet bijzonder veel van het nieuwe Ministerie,

ofschoon het Thorbecke onder zijne leden telde. Het

tweede ministerie Thorbecke had reeds genoeg doen zien, dat

het zijne levenskrachten jaarlijks opteerde en dat het ook den

leider onmogelijk was, een homogeen Kabinet te vormen. Bij

zijn derde optreden gaf het hiervan nog meer blijk, tenzij men

wijzen wil op de ongekrenkte vasthoudendheid, waarmede men

zich tegen de eischen van andere partijen verweerde, waar het

de zoogenaamde School der Natie betrof ; op dit punt stond

men aaneengesloten als een muur. Daarentegen was en wat de

Koloniale zaken, belastingen, kiesrecht en verdediging betreft,

ook in dit Ministerie dezelfde verdeeldheid als vroeger. 't Zou

onbillijk zijn, hiervan den leider een verwijt te maken. Het lag

in den aard der zaak, dat hem niet die geestkracht meer kenmerkte,

welke hij twintig jaren vroeger getoond had, toen hij

zich voor 't eerst aan de regeeringstafel plaatste , maar bovendien

waren het de verdeeldheden in den boezem der partij,

welke elk streven verlamde. Hierbij kwam, dat na 1848 het

eerie Kabinet het andere als om strijd verdrong, doch nagenoeg

elk der opvolgende Ministerien althans getracht had, door

de uitvoering van een zeker deel der Grondwet, hare liberale

neigingen te toonen, zoodat er weinig belangrijks op wetgevend

gebied te doen overig bleef. Ook dit bracht als van zelf mede,

dat de gedachten van Natie en Kiezers bij den strijd om den,

school beperkt bleven. Op dit punt nu was Thorbecke onveranderlijk

dezelfde gebleven, gelijk mede bleek uit de wijze, waarop

eene interpellatie van het kamerlid Van Loon over de

questie door en in de Tweede Kamer behandeld werd. En

toch scheen ook hierin een kentering te zullen komen. Immers,


DE FINANCI1N. 143

bij de nieuwe zitting in September 1871 luidde het in de

Troonrede : „Onze instellingen van onderwijs beantwoorden over

het algemeen aan het doel. Intusschen behoeven sommige vakken

aanvulling of nieuwe regeling, die voorbereid wordt." Ofschoon

bier nu slechts van vakken gesproken werd, hoopten

de tegenstanders der Wet, dat zij eindelijk gelegenheid zouden

ontvangen om een beroep te doen op het billijkheidsgevoel

van het Ministerie en de liberale meerderheid. Het was intusschen

niet aan het derde ministerie Thorbecke vergund, deze

gelegenheid aan te bieden. Zooals we gezien hebben, had dezelfde

Minister bij zijn eerste optreden de Natie beloofd om,

door vereenvoudiging in het staatsbeheer, aanzienlijk te zullen

bezuinigen. In plaats daarvan was de liberale staatshuishouding,

die alle zorgen zoo gaarne op de Regeering deed aankomen,

steeds kostbaarder geworden. Aanvankelijk was dit

niet opgemerkt, daar men, dank zij de ruime Indische baten,

steeds een goede kas had. Wel waren er onder de oppositie

velen geweest, die herhaaldelijk op dezen misstand hadden

gewezen, doch zoo lang men nog voor batige saldo's stond, had

men zich tamelijk kalm bij de zaken neergelegd. Eerst toen

er hoe langer zoo meer aangedrongen werd op losmaking der

Indische financien van die van het Moederland, ten einde de

baten voor de Kolonien zelf mochten aangewend worden, toen

de Liberalen al sterker optraden voor een hervorming van het

cultuurstelsel, waardoor de baten van de Kolonien weldra tot

het verleden zouden behooren, toen bovendien de accijnsen

afgeschaft werden, waardoor het Rijk veel minder imkomsten

ontving, zag men de noodzakelijkheid in, om op andere wijze

de al meer groeiende tekorten te dekken. Van liberale zijde

was reeds dikwijls aangedrongen op een belasting op de inkom-.

sten, waardoor men zich voorstelde, dat ieder naar vermogen

tot de behoeften van den Staat zou bijdragen. Velen, zoowel

in als buiten de Kamer, hadden zich voortdurend tegen de

zaak verklaard, en niet geheel ten onrechte maakte men de

opmerking, dat deze belasting het meest drukken zou op die

lieden, wier inkomsten bekend waren, en dat zij te weinig


1 44

TRORBECKE'S DOOD.

rekening zou kunnen houden met de veranderlijkheid der inkomsten,

met de behoeften der gezinnen, met de meer of minder

gunstige plaatselijke omstandigheden en dat zij tot ontduiking,

bedrog en zelfs tot meineed aanleiding geven zou.

Hoewel door verschillende Ministerien en- vooral door Van

Bosse sterk op de heffing aangedrongen was, toch had men

daarin niet kunnen slagen, wijl ook velen onder de Liberalen

den of keen der Natie van eene inkomstenbelasting deelden.

Toch beproefde ook Blusse andermaal de meerderheid der

Kamer voor het gelief koosd ideaal te winnen. W61 trachtten

enkele liberale leden den Minister te steunen en door verschillende

amendementen het ingediende ontwerp aannemelijk

te maken, doch zij vermochten den Minister niet te redden en,

nadat amendement na amendement gevallen was, werd de geheele

wet met overgroote meerderheid van stemmen verworpen,

waarap Blusse natuurlijk den Koning zijne portefeuille aanbood.

Reeds was de leider van het Kabinet krank, toen de Minister

van Financien zijn ontslag nam. Korten tijd daarna overleed

Thorbecke, de man, die tot driemalen toe in naam des Konings

het schip van Staat had bestuurd en wien om zijne zeldzame

talenten voorzeker eene eervolle plaats onder de Nederlandsche

Staatslieden toekomt. Aan hem had de liberale partij

inderdaad hare jaren van fortuin te danken en hij wist zelfs

zijnen tegenstanders ontzag in te boezemen. Daar tegenover sta,

dat hij eene ware partijregeering wist te grondvesten en meer

dan eenig ander de Natie trachtte te doorzuren van liberale

beginselen op staatkundige en moderne theorieen op godsdienstig

gebied, terwijl hem alle gevoel voor de rechten der minderheden

vreemd scheen te zijn.

Nadat Van Bosse eenigen tijd de Binnenlandsche Zaken

na den dood van Thorbecke beheerd had, kondigde de

Staatscourant in Juli de benoeming van het nieuwe Ministerie

aan. Geertsema trad voor Binnenlandsche Zaken, Gericke van

Herwijnen voor Buitenlandsche Zaken, De Vries voor Justitie,

Franssen van de Putte voor Kolonien, Van Delden voor Finan-

Oen, Van Limburg Stirum voor Oorlog en Brock voor Marine op.


GEERTSEMA-DE VRIES, 145

Vooral van De Vries, die griffier van de Noord-Hollandsche

Provinciale Staten geweest was, hadden de Liberalen

grootsche verwachtingen, en men achtte in hem een tweeden

Thorbecke aan het bewind te zien treden. Overigens wist men

wel, wat men van het nieuwe Kabinet te wachten had. Franssen

van de Putte was zelfs een Thorbecke te liberaal geweest

en ook Geertsema overtrof hem in vooruitstrevende beginselen.

Wat de nieuwe belasting betreft, scheen het dat Zijne Majesteit

zelf bij het beginsel van het vorig Kabinet wilde volharden,

aangezien Van Delden als een sterk voorstander van

eene inkomstenbelasting bekend stond. Welhaast zou het echter

blijken, dat zij evenmin als hun voorganger in staat waren,

aan de eischen der verdeelde liberale partij te voldoen. Bij de

opening der Kamers in 1872 werd gerept van een legerwet,

eene nieuwe wet op de rechterlijke organisatie en op het hooger

onderwijs, maar het lager onderwijs bleef onaangeroerd.

Weldra toonde het Kabinet, dat het zich niet tot ijdele beloften

wilde beperken.

Wij zagen reeds, hoe de heer Voorhoeve in dit jaar het

Anti-Schoolwetverbond oprichtte, dat onder zijn programma

mede opnam het bewerken van de publieke opinie. Krachtiger

dan dit verbond, droeg daartoe echter bij de uitgave van de

Standaard, waarvan het eerste nummer op i April 1872 verscheen,

met Dr. A. Kuyper als hoofdredacteur. Machtig was de

invloed, welke van dit blad uitging en in gemoede, Groen had

in Dr. A. Kuyper niet slechts een talentvol, maar ook een sterken

medewerker en medestrijder voor de Anti-revolutionaire

beginselen gevonden.

Het geheele Vaderland, met uitzondering van de Roomsche

bevolking, had dit jaar feest gevierd ter herdenking aan de verlossing

van Spanje. Vooral de herinnering aan de verlossing

van Den Briel bracht de harten in beweging, en met recht

mocht de feestredenaar getuigen in zijne toespraak : de Vaderlandsche

feestviering te Brielle op 1 April 1872: „Zoo lang dit

yolk nog eerbied heeft en liefde gevoelt voor zijne geschiedenis,

zal het dien dag in waarde houden, als den dageraad der ver-

DI. VIII. m


146 IN DEN BRIEL.

lossing van het verdrukte Nederland, als den geboortedag van

den vrijen Nederlandschen Staat . . . . Wel mochten onze

vaderen, nu horiderd jaar geleden, dien blijden dag plechtig

vieren en den Almachtigen God loven en danken voor de weldaden

aan de stad Brielle en de gansche Republiek bewezen.

Dankgebed en psalmgezang stegen ten hemel, kanongebulder

en klokgelui weergalmden, vlaggen en wimpels wapperden in

de fraai versierde straten. Maar hoeveel luisterrijker nog is het

feest, dat wij heden vieren, nu weder een eeuw is verstreken.

Nu is het niet deze stad alleen, die den juichtoon aanheft,

maar gejuich en gejubel weerklinken door het geheele land.

Nu is gansch Nederland in feestgewaad gedoscht :- jong en oud

verdringen zich om hunne vreugde te toonen . . .. En te recht

mag onze blijdschap luider klinken dan die van onze vaderen,

want al de zegeningen, door de afwerping van het Spaansche

juk, aan Nederland ten deel gevallen, wij genieten ze ruimer

en vollediger dan ooit onze voorouders ze genoten hebben, ook

op het toppunt van hun bloei. Welk geslacht ook immer Neerlands

verlossing dankbaar herdenken mocht, voor het onze is

die dankbaarheid een dubbele plicht . . . . Laat alien wijd en

zijd verkondigen, dat het vrije Nederland feest viert. Ziet, onze

beminde Koning is met ons ten hoogtijd opgegaan. De door_

luchtige nazaat van Willem van Oranje heeft willen deelnemen

aan de gedachtenisviering der Nederlandsche vrijheid, die de

roem is van zijn geslacht en daardoor op nieuw een blijk gegeven,

hoe in dit gelukkige land Vorst en Volk een zijn."

Zoo was het dan ook. Vergezeld van de Prinsen had de

Koning zich naar Den Briel begeven om door zijne tegenwoor-

digheid de feestvreugde te verhoogen, om deel te nemen aan

de gedachtenisviering van een strijd, waarvan hij zelf met zijn

yolk de heerlijke vruchten genoot en met zijn yolk gezamenlijk

God te danken. Men had te Brielle besloten, een blijvend

monument op te richten ter herinnering aan den zegen en de

laden van het voorgeslacht, en wijI men naast God aan stoere

zeelieden den overgang der stad te danken had, zoo had men 't

plan opgevat, een toevluchtsoord te vestigen voor oude en ver-


VERDEELDHEID. 147

minkte zeelieden. Met veel belangstelling was dit plan door

geheel 'het land ontvangen en, door den Koning vorstelijk voorgegaan,

zonden Nederlanders uit alle oorden hunne bijdragen

in. Behalve het Asyl, wilde men ook een beeld plaatsen, eene

nimf, de Nederlandsche vrijheid yoorstellende, welke, uit zee

opgerezen, hare banier hier verhief, en tot het leggen van den

eersten steen van dit monument had de Koning zich naar hier

gespoed.

Onverdeeld was deze feestviering in den lande niet. De

Roomschen, hoe zeer zij ook bij andere gelegenheden getoond

hadden. gaarne deel to nemen, waar het eene huldebetooning

aan Oranje of aan den_ Koning gold, meenden hierin niet te

mogen medegaan. Volgens hen was koning Filips de wettige

overheid en had men zich niet door geweld aan zijn bestuur

mogen onttrekken. Ja, men noemde zelfs het heldenbedrijf der

Watergeuzen een revolutionair feit. Vlugschriften verschenen om

de Watergeuzen vrij te pleiten van de beschuldiging der Roomschen,

dat zij boeven en zeeroovers zouden geweest zijn, wier ruw

geweld men vereeren wilde. Langzamerhand werd de toon in de

elkaar verdringende brochures bitter, en zeker is het treurig te

moeten vermelden, dat om het nationaal monument te Brielle

Roomschen en Protestanten elkander uittarten en bedreigden.

In den zomer van 1872 had de Koning het plan gevormd

om de Noordelijke provincien onzes lands een bezoek te brengen,

toen droevige omstandigheden in den schoot der Koninklijke

familie hem verhinderden. Aan het einde van het jaar

187o, op den 6den December, was Prinses Frederik ten grave

gedaald, terwijl in 1871 's Prinsen dochter, de koningin van

Zweden, overleed. De overgebleven dochter van prins Frederik

huwde in hetzelfde jaar met den Vorst von Wied, welk

huwelijk den_ 28sten Juni 1872 met de geboorte van een zoon

gezegend werd. In plaats van naar het Noorden, trok de Ko-

ning naar Luxemburg, waar Prins Hendrik zijne geliefde ge-

malin door den dood had verloren. De overledene was eene

rijk begaafde vrouw, die met haren vorstelijken gemaal in

hoogst gelukkigen echt leefde.


148 AFSCHAFFING VAN PLAATSVERVANGING.

Inmiddels was het Ministerie Geertsema-De Vries weinig gelukkiger

dan zijn voorgangers. Reeds 't ontwerp op de rechterlijke

organisatie, tegen het einde van Mei '73, dus nog voor de

periodieke verkiezingen ingediend, werd met 39 tegen 37 stemmen

verworpen door de Tweede Kamer. Zoo werd het al spoedig

duidelijk, dat of minister De Vries niet beantwoorden kon

aan de verwachtingen, welke zijne partij van hem gekoesterd

had, Of dat de verdeeldheid in den boezem der partij ook

hem booze parten speelde. Straks leed echter de minister van

Oorlog, de heer Van Limburg Stirum, nog gevoeliger nederlaag.

Reeds lang was van verschillende zijden op afschaffing

der plaatsvervanging in het leger aangedrongen. Een groot deel

der Natie was langzamerhand de meening toegedaan, dat juist

het plaatsvervangingsstelsel 't gehalte van den militairen stand

bedierf en persoonlijke dienstplicht eene vermenging van stand

in het Leger zou bewerkstelligen, welke niet anders dan gun8tig

werken kon. Vooral hadden vele woordvoerders der liberale

partij zich verklaard tegen het onzedelijk beginsel, dat bij de

plaatsvervanging voorzat, hetwelk niet slechts de laagste standen

bij voorkeur in 't leger bracht, maar ook landskinderen van de

verplichting ontsloeg om het Vaderland te verdedigen, terwijl

bovendien de klassenhaat sterk gevoed werd door de overweging,

dat men voor geld anderen blootstelde aan de lichamelijke

en zedelijke gevaren van een leven, dat men zelf niet

verkoos. Dit was volgens hen een voorrecht, aan den rijkdom

we door de wet gegund, maar in geen enkel opzicht te verde •

digen ; in een woord, het was zoo conservatief mogelijk. Toch

bleek het, dat niet alle Liberalen zoo over de zaak dachten,

want toen straks de minister Van Limburg Styrum, een groot

voorstander van persoonlijke dienstplicht, een ontwerp indiende,

waarvan de afschaffing der plaatsvervanging de grondslag was,

werd het met 43 tegen 25 stemmen verworpen. Dit was dan

ook wel te verwachten, daar de zaak order de Natie niet genoeg

voorbereid was. Het nemen van hulptroepen, van vreemden

ter zijner verdediging, zit den Nederlander als in het bloed,

ook al ontbreekt het hem niet aan moed en standvastigheid


HET ONTWERP AFGESTEMD. 149

waar hij tot eigen verweer optreden moet. De vreemde huurlingen

daarenboven hebben zich hier gewoonlijk zoo door hun

zijn en handelen geteekend, dat men zich gewoon gemaakt had,

om met zekere minachting op den soldatenstand neer te zien,

en deze was en hierdoor en door _ de omstandigheid, welke we

boven noemden, dan ook werkelijk tot cen laag peil gedaald,

waarom ouders inderdaad er tegen opzagen hunne zonen in het

kazerneleven te zenden. Ten platten lande en bij den kleinen

burgerstand zag men bovendien groot bezwaar in het onttrekken

van den jonkman aan zijne burgerlijke werkzaamheden.

Kortom, in de Natie leefde het denkbeeld gansch niet, wat

men van de zij de der voorstanders ook aanvoeren mocht voor

het gepaste en billijke van den persoonlijken dienstplicht. Wel

sloeg men later, door de ondervinding geleerd, een meer praktischen

weg in door de oprichting van den Anti-dienstvervangingsbond,

en deze nam aanvankelijk een schijnbaar hooge

vlucht, maar wel beschouwd waren de leden of zelf militairen

Of zij zochten de toekomst hunner kinderen in den militairen

stand, en voorts hebben de vlugschriften en voorlezingen, van

wege den Bond uitgegeven of gehouden, in deze tot zelfs op

onzen tijd geen verandering kunnen brengen.

Hoe het zij, mocht de geringe meerderheid, waarmede

het ontwerp op de rechterlijke organisatie verworpen werd,

niet van dien aard gerekend worden, dat de minister van Justitie

zich tot aftreden genoopt zag, minister Van Limburg

Styrum meende den Koning de portefeuille te moeten aanbieden.

De Koning, die het advies van de heeren Van Reenen

en Van Lynden van Sandenburg ingewonnen had, meende

echter de crisis niet over het geheele Ministerie te moeten uitbreidene

De verkiezingen hadden de liberale partij in de Kamer

nagenoeg gelaten zooals zij was ; tegenover de plaatsen, door

de Anti -revolutionairen gewonnen, hadden de Roomschen aan

invloed verloren, terwijl ook de Conservatieven bij de verkiezingen

schade geleden hadden. Voor deze Kamer, welke in

plaats van Van Reenen den heer Dullert tot voorzitter koos,


150 DE KONING IN HET NOORDEN.

trad nu het gezuiverde Kabinet Geertsema-De Vries andermaal

op, zij het dan ook voor korten tijd.

In het begin van Mei 1873 had den Koning eindelijk aan

zijn lang gekoesterd voornemen om het Noorden te bezoeken,

gevolg gegeven. — Allereerst lag Assen aan de beurt, bij welke

gelegenheid Zijne Majesteit ook de kolonie Frederiksoord een

bezoek bracht. Van Drente begaf de Koning zich naar Friesland.

Kenmerkte de Koning zich gedurende de geheele reis

door zijne minzaamheid en populariteit, vooral te Leeuwarden

toonde hij hartelijke belangstelling in het volksleven van het

Noorden, zoo eigenaardig in zeden en gewoonten, gelijk dan

ook de bevolking vaak op de meest treffende wijze hare liefde

voor Oranje en hare vreugde over 's Konings bezoek aan den

dag legde. Nadat de Koning den 1 8den Mei de godsdienstoefening

in de Martinikerk te Groningen had bijgewoond, bracht

hij denzelfden dag, door zijn adjudant en den beer Van Heiden

Reinestein begeleid, een bezoek aan den vader van den

bij Atjeh gesneuvelden (straks spreken we nader over den

strijd) generaal Kohler. Ofschoon de Koning ook bier weder

met een waar menschlievend hart de inspraak van zijn natuurlijk

gevoel volgde, was het gansche land in verrukking over

's Konings teedere belangstelling. In eigen persoon wilde hij

den grijsaard zijn leedwezen betuigen, wijl de dood hem een

steun en den kinderen des overledenen een lief hebbend vader

ontroofd had. Tevens betuigde de Koning hoe zeer hij den

dood van den dapperen bevelhebber als een verlies voor het

leger en den Staat beschouwde.

Vijf dagen later zou te Heiligerlee een monument ont-

huld worden ter eere van den jeugdigen graaf Adolf van Nassau,

die in 1568 met zijn heldenbloed de eerste overwinning

in den tachtigiarigen strijd had behaald. Reeds had een warm

vaderlander vijftig jaren geleden eene eenvoudige naald ter

plaatse opgericht, welke echter straks door een meer passend

gedenkteeken vervangen werd. De prins van Oranje en prins

Hendrik hadden het feest van de eerste steenlegging bijgewoond.

Thans was de Koning zelf met de prinsen Hendrik,


TE HEILIGERLEE. 1 5 I

Frederik en Alexander tegenwoordig. Ondanks de zware regens

had zich eene onafzienbare schare, uit alien rang en stand, op

het feestterrein verzameld, waar eene sierlijk ingerichte tribune

straks den Koning met de Prinsen ontving. Nadat de feestrede

door prof. Hofstede de Groot uitgesproken was, zongen de aanwezigen

het „Wilhelmus" en 't tweede couplet van het „Wien

Neerlandsch bloed," waarop de Koning last gaf het omhulsel

van het monument te laten vallen. leder was vol bewondering

voor het kunststuk, dat zich thans aan aller oog vertoonde, en

ook Zijne Majesteit gaf den beiden vervaardigers, de heeren

Egenberger te Groningen en Geefs te Antwerpen, zijne waardeering

van hun arbeid ondubbelzinnig te kennen. Het monument

stelt graaf Adolf voor op het punt van te sneuvelen, door

den Nederlandschen Leeuw verdedigd. Het verheft zich op een

prachtig voetstuk, door een ijzeren hek omringd, en aan de

vier zijden op marmeren steenen de opschriften dragende :

23 Mei 1568.

De eerste zege in de tachtigjarige worsteling.

GRAAF ADOLF liet hier zijn leven in den roemrijken strijd.

NEDERLAND EN ORANJE VERBONDEN.

Den vaderen door het nageslacht gewijd.

leder gevoelde : men stond op heiligen grond en ook de

Koning was er van doordrongen, getuige de gesprekken, die

Zijne Majesteit met de aanwezigen hield.

Straks riep Alkmaar den Koning tot bijwoning van het

feest ter herinnering aan het deel, dat de veste gehad had in

den vrijheidskrijg. Het wilde den dag vreugdevol herdenken,

toen het den Spanjaard van voor zijne muren zag afdeinzen,

en met dank aan God, na 300 jaren, zijne verlossing door

een blijvend gedenkteeken vereeuwigen. Gaarne gaf Zijne Majesteit

gehoor aan den wensch der burgerij, en recht feestelijk

werd hij door de Alkmaarders ontvangen. Het frissche sparregroen

sierde huizen en straten en menig opschrift getuigde

van nationale geestdrift. Zoo las men boven de deur eener

woning


152 IN ALKMAAR.

De Spanjaard kwam, zag — en verloor.

Hij kwam vol hoop — zij ging te loor.

Hij zag — en raakte glad van 't spoor.

Hij schrok — en ging er vlug van door,

En Alkmaar dankt er God nog voor.

Even voor 12 uren, nadat de godsdienstoefening, waarmede

men 't feest gewijd had, geeindigd was, verspreidde zich

de mare : „De Koning komt !" en weldra zag men hem met

prins Hendrik en prins Alexander verschijnen. Uitbundig was

de geestdrift bij dit eerste bezoek, dat de Koning aan Alkmaar

bracht. Nauwelijks waren de vorstelijke personen in de feestzaal

gekomen, of een mannenkoor voerde een feestcantate uit,

„Holland's glorie," waarna freule Van Foreest, met een achttal

jonge dames, op Zijne Majesteit toetrad en het volgende sprak :

„Sire ! de nazaten van hen, die voor drie eeuwen alles hebben

opgeofferd voor hunne vrijheid, achten zich onuitsprekelijk gelukkig,

thans Uwe Majesteit in hun midden te zien en haar

de verzekering te geven van hunne liefde en trouw voor het

Stamhuis van Oranje." In minzame taal beantwoordde Zijne

Majesteit de dochter van het heldengeslacht, dat zooveel bijgedragen

heeft tot Alkmaar's verlossing. Van daar begaf de Koning

zich naar het Stadhuis, om de oorspronkelijke stukken te

bezichtigen, die op het beleg betrekking hebben : de brieven,

door den grooten Zwijger aan de stad gezonden, de polsstok

van Van der Mey, enz., waarop men zich naar het feestterrein

begaf. Hier hield Dr. Nikolaas Beets de feestrede, waarbij

hij in korte trekken de feiten van het beleg herdacht en Vorst

en Volk vermaande om vast te houden aan het vertrouwen op

Gods leiding. Tusschen het uitspreken van de feestrede was 't

oogenblik gekomen, waarop Zijne Majesteit den eersten steen

legde van het monument, dat ter herinnering aan Alkmaar's

victoria verrijzen zou. Onder het losbranden van het geschut

scheen er aan de juichkreten, welke uit de menigte opgingen,

bijna geen einde te zullen komen. Toen de feestredenaar geeindigd

had, begaf Zijne Majesteit zich naar het Raadhuis, waar


'S KONINGS RECHTERHAND. 153

de schoone en aan historische herinneringen zoo rijke optocht

langs hem voorbij trok. Treffend waren de woorden, welke Zijne

Majesteit sprak bij het instellen van een dronk op Prins Hendrik,

zijn broeder. „Mijne heeren," zoo sprak de Koning, „bij

gelegenheid van het eeuwfeest te Brielle was ik zoo vrij en ik

neem heden dezelfde vrijheid om uit te spreken, wat ik gevoel

en wat ik beschouw als een goede tijding voor elk vaderlandslievend

hart. Dat onzer aller vader, de onvergetelijke en onvergelijkelijke

Prins Willem de Eerste, zijn broeder Lodewijk

van Nassau zijn rechterhand noemde, is bekend ; mijne heeren,

diezelfde steun staat thans ter linkerzijde van koning Willem

den Derden — Prins Hendrik."

Ofschoon de schitterende illuminatie, waarmede het feest

besloten werd, zeer te lijden had van de donder- en regenbuien,

welke straks over de stad losbarstten, bleven de Alkmaarders

zich tot diep in den nacht aan de feestvreugde wijden en herdachten

velen in de stifle binnenkamer de verlossing, welke

God aan de stad had geschonken.

Het wordt echter tijd, dat we tot den loop der staatkundige

gebeurtenissen terugkeeren.


HOOFDSTUK III.

DE OORLOG MET ATJEH EN DE SCHOOL.

We zagen in een vorig hoofdstuk hoe de Koning, na

geraadpleegd te hebben met de heeren Van Lynden van Sandenburg

en Van Reenen, meende, dat de tijd nog niet daar

was om tot verandering van Kabinet over te gaan, waarbij

waarschijnlijk het bezwaar zich zal hebben doen gelden, dat

het moeielijk, ja bijna onmogelijk was, een Kabinet saAm te

stellen, dat op een voldoende en ietwat standvastige meerderheid

in de Kamer rekenen kon. Rijk aan het ter tafel brengen

van eenigszins belangrijke wetten, mag het Ministerie Geertsema-De

Vries juist niet heeten ; doch des te belangrijker echter

mogen de gebeurtenissen in de Kolonien geacht worden.

Wij zagen reeds hoe Indie, ten gevolge van de vestiging van

het cultuurstelsel door graaf Van den Bosch, nader uitgebreid

door J. C. Baud, vooral onder de laatste regeeringsjaren van

Koning Willem II, aanzienlijke bedragen voor de schatkist van

het Moederland afgeworpen had, ook al moesten er aanzienlijke

sommen afgezonderd worden om een oorlog, die inmiddels

op Balie uitgebroken was, te bestrijden. Tot in 1841 waren

de Balineezen, die hunne onafhankelijkheid hadden weten te

bewaren, voor ons lastige naburen. Aan de leer der Hindoes

gehecht, oefenden zij onder hun vijftal vorsten, waarvan er een

als de eerste gold, ongestraft hun strandrecht uit op de arme

schipbreukelingen, die op hun kust verzeild , raakten, plunderden

hen meedoogenloos uit en verkochten ze als slaver). De Nederlandsche

schipbreukelingen werden evenzeer straffeloos door


DE BALINEEZEN. 155

hen uitgeplunderd en in slavernij gebracht, totdat het in 1841

den Gouverneur-generaal Merkus, door middel van onderhandelingen,

gelukte, drie der vijf vorsten te bewegen, de suzereiniteit

van Nederland te erkennen en hen over te halen, hun

onderdanen van zeeroof en strandvonderij te onthouden. Deze

laatste belofte werd echter zeer slecht door hen nagekomen en,

ofschoon de vorsten, na hierover onderhouden te zijn, andermaal

hunne toezegging deden, voortdurend gingen de Balineezen

voort om hunne winsten van de gestrande schepen te halen,

en onder de vele schepen, uit Indie gezeild, welker bemanning

zij tot slavernij doemden, na zich van hunne bezittingen

meester gemaakt te hebben, behoorde ook een Nederlandsch

vaartuig. Vruchteloos reisde een Gouvernements-commissaris uit

Batavia of naar Bali, om de vorsten tot de nakoming van de

in 1841 gesloten en in 1843 hernieuwde verdragen te herinneren.

Er bleef niets anders over dan met de wapenen tusschenbeide

te komen en de on willige Radjah's te tuchtigen, wat

vooral dien van Beliling gold. In Juni 1846 bracht daartoe

eene vloot van 40 transport- en oorlogsschepen 3000 man

naar Bali over, welks vorsten zich tot krachtigen tegenweer

gereed hielden. Een macht van 10.000 Balineezen stond Tangs

de kust geschaard, om de 1700 landingstroepen, waaronder

400 Europeanen waren, w61 te ontvangen. Heftig was de strijd,

maar de zedelijke meerderheid der Hollanders besliste en Beliling

met andere versterkte plaatsen vielen in onze handen, zoodat

reeds na vier weken aan den Gouverneur-generaal de blijde

tijding kon , gebracht worden, dat de Radjah's van Beliling en

Karang-Assam zich onderworpen hadden niet slechts, maar

ook eene vergoeding beloofd hadden voor de door hen aangebrachte

schade. Zij zouden voorts hunne sterkten slechten

en op Beliling een Nederlandsch fort, dat hunne zeerooverij in

toom houden kon, dulden. Men meende thans genoeg gedaan

te . hebben, en het landingsleger scheepte zich in om naar Batavia

terug te keeren.

Men had echter buiten de trouweloosheid van den yij and

gerekend. Nauwelij.ks toch waren de troepen aan boord, of in


156 VAN DER WIJCK EN MICHIELS.

stede van hunne sterkten te slechten, legden zij nieuwe aan,

bemoeilijkten hen, die het Nederlandsche fort bouwden en roofden

en plunderden de schepen op nieuw, geen enkele vlag, veel

min de Nederlandsche, ontziende. Ja, weldra bleek het dat de

Radjah's een verbond hadden aangegaan tot bestrijding van

onze invloed. Eene nieuwe expeditie was hiervan 't gevolg. Andermaal

werden 2400 man onder generaal Van der Wijck naar

Bali overgebracht, maar nu stonden voor het minst 20.000 man

op de kust geschaard om de landing te beletten. Wel werd

deze volvoerd, maar straks, na een strijd van twee dagen,

moesten de landingstroepen met een zwaar verlies terugtrekken,

vele gesneuvelden en gewonden achterlatende. Wê1 vraagde

generaal Van der Wijck versterking aan bij den Gouverneurgeneraal,

doch in stede van versche troepen te ontvangen,

kreeg hij bevel om onmiddellijk naar Batavia terug te keeren,

waaraan hij den 2osten Juni voldeed.

Het Nederlandsch gezag had een gevoeligen knak gekregen

en het moest hersteld, zouden de Balineezen niet in volslagen

willekeur hun schanddaden uitrichten. Het Moederland

zond versterking en den 3den April van het volgende jaar vertrok

generaal Michiels, de Gouverneur van Sumatra's Westkust,

naar Bali met een expeditie van 5000 man, 38.000 koelies, een

vloot van 62 schepen met 2000 man en 285 kanonnen, sterk

genoeg om den Balineezen gezag of te dwingen. Dit scheen dan

ook aanvankelijk wel het geval te zijn, althans de vorsten van

Beliling en Karang Assam vraagden om een onderhoud, waarbij

zij de hun gestelde eischen aannamen en goedkeurden, dat

de generaal Djaga-Aga op zekere voorwaarden zou binnenrukken.

Het bleek echter weldra, dat zij den Generaal slechts hadden

willen ophouden, om intusschen de noodige maatregelen te

kunnen nemen om hem de bezetting van deze voorname sterkte

niet slechts te beletten, maar hem bij de poging daartoe in

een hinderlaag te lokken. Toen dit duidelijk geworden was,

besloot generaal Michiels den vijand geen langer pardon te

verleenen. Hij rukte tegen de hoofdmacht der Balineezen, ongeveer

15.000 man sterk, op, maar ook hij was na een verlies


DE ONDERWERPIN G. 157

van Poo man tot terugtocht gedwongen. Majoor De Brauw echter

had de zijnen glansrijk tegen den vijand aangevoerd en

eene schitterende overwinning behaald, ten gevolge waarvan de

Balineezen hunne versterkte plaatsen aan de onzen overlieten,

zoodat_ den volgenden dag, ondanks den tegenspoed van de

hoofdmacht, eene volkomen overwinning naar Batavia kon be-,

richt worden. Weldra legden dan ook de overigen het hoofd in

den schoot : Beliling en Karang-Assam werden onderworpen en

de Radjah werd door zijn eigen yolk gedood. Een nieuwe strijd

volgde bij Klongklong en andermaal delfden de Balineezen het

onderspit, maar zwaar moest 't Nederlandsche leger zijn triomf

betalen door den dood van generaal Michiels, die, ten gevolge

van eene wonde, in den strijd bekomen, den volgenden dag

overleed. In zijne plaats aanvaardde luitenant-kolonel Van Swieten

het opperbevel over de Nederlandsche troepen. De Balineesche

vorsten, wel inziende dat zij tegen de Hollanders niet

opgewassen waren, boden op nieuw onderhandelingen aan, doch

al spoedig bleek het, dat hun doel geen ander was dan de

vorige maal. Van Swieten, dit nu bemerkende, schaarde zijne

troepen ten strijde, toen de Radjah's hem voorkwamen en algeheele

onderwerping aanboden, waartoe zij zelf een gezantschap

naar Batavia afvaardigden. Met spanning had men natuurlijk

in Nederland den loop van den strijd gevolgd en zelfs was

Bernhard van Saksen-Weimar door de Regeering hier te lande

afgezonden, om het opperbevel over het geheele Indische leger

op zich te nemen ; doch reeds vOor zijne aankomst te Batavia

was Bali onderworpen en hadden al de Radjah's het Nederlandsch

gezag erkend. Van nu aan hielden de zee- en strandrooverijen

op Bali op (i5 Juli 1849).

Het scheen echter, dat Java thans de belangstelling en

de inspanning van het Moederland eischen ging. Ook hier hadden

de mededeelingen van den storm, welke gansch Europa

in 1848 bewoog, hun invloed doen gelden, vooral toen men

vernam, dat deze in het Moederland eene herziening van de

Grondwet en het optreden van het Ministerie Thorbecke ten

gevolge gehad had. De harten van de te Batavia wonende


158 POLITIEKE DEMON STRATIE.

Europeanen waren in spanning geraakt. Een tweetal van hen,

de heeren J. F. Canter de Visscher en mr. P. C. Ardesch,

vraagden den Gouverneur-generaal J. J. Rochussen verlof eene

vergadering te beleggen, waar de al of niet wenschelijkheid zou

behandeld worden van de bepaling, dat de Europeanen op

Java, te Delft hunne studien moesten voltooid hebben, indien

zij hooger rang dan dien van kommies bekleeden wilden. De

voornaamste aanlegger der zoogenoemde „politieke demonstrade"

was W. L. Baron van Hoevell, leeraar te Batavia, en als

zijn medegenoot stond nevens Canter de Visscher, die president

van 't boedelmeesterscollege was, en Ardesch, die president was

van den Raad van Justitie, ook L. J. A. Tollens, de zoon van

den zoo populair geworden dichter. Hoog werd over de politieke

demonstratie, die 20 Mei gehouden werd, uitgevaren, alsof

ze eene revolutionaire daad ware, hoewel ze toch alleen in zoover

buitengewoon heeten mocht, dat te Batavia nimmer zoo

iets was vertoond en men daar tot nog toe den moed gemist

had om zijne bezwaren, zij het dan ook op de meest bescheiden

wijze, aan de Regeering te kennen te geven. Het was toch

met recht een ongeoorloofde dwang te noemen, welke op de

Europeesche ouders, in Indie woonachtig, uitgeoefend werd,

dat zij, alvorens hun ionen tot eenig ambt van aanbelang in

Indie benoemd te kunnen zien, genoodzaakt waren hen naar

Delft te zenden, en het verlangen was alleszins natuurlijk, dat

elk Nederlander, hoewel in Indie geboren en woonachtig, voor

elke betrekking benoembaar zou zijn, indien hij slechts genoegzame

bekwaamheid voor de vervulling bezat. Een Commissie

werd benoemd tot het ontwerpen van een adres aan Zijne

Majesteit den Koning, waarin Van Hoevell en voorts de later

zoo besproken P. Meyer, die de portefeuille van Kolonien straks

met het Gouverneur-generaalschap inwisselde, Dr. W. Bosch,

de stichter van de maatschappij ,,Tot nut van den Javaan,”

benevens vele andere aanzienlijken, zitting namen. W61 kwam

men met meerdere wenschen ter vergadering, zooals het verlangen

naar vrijheid van drukpers, waarop Tollens aandrong,

doch voorloopig hield men zich aan de eene zaak, en toen deze


VAN HO1VELL. 159

tot een begin van uitvoering gekomen was, ging men rustig

uiteen. Jammer slechts, dat de Gouverneur-generaal aan deze

eerste uiting van liberaal-koloniale politiek zelf gewicht bijgezet

had door de troepen te consigneeren, als ware er vrees

voor oproer of gewelddadigheid geweest en dat hij straks mis-

schien, volgens geheime instructie uit het Moe .derland, verdere

politieke samenkomsten zijne vergunning weigerde, niet slechts

te Batavia, maar over het geheele gebied van Nederlandsch

Indie. Ja, men ging verder. Van Hoevell ontving een schrijven

van den Gouverneur-generaal, waarin deze hem de ontevredenheid

der Regeering betuigde over de samenkomst en hem mededeelde,

dat deze zelfs de vraag gesteld had of men hem

in zijne betrekking zou kunnen handhaven, hetgeen alleen ge-

schiedde omdat men zich vleide, dat hij zich van nu aan onthouden

zou van feiten, die aanleiding zouden kunnen geven

tot strenge maatregelen. Van Hoevell beantwoordde deze vermaning

met het nemen van ontslag als predikant en daarop

begaf hij zich naar het Moederland. De Commissie had inmiddels

haar adres voltooid en door middel van den Gouverneurgeneraal

aan de Regeering in Nederland doen toekomen, van

welke zij een beleefd antwoord terug ontving, dat echter niets

aan de zaak veranderde. Men had nu eenmaal in het Moederland

weinig belangstelling voor Indie en bovendien, de zaken

gingen zoo goed en er vloeiden ook rijke Indische baten in

de Nederlandsche schatkist : zulke nieuwigheden mochten den

goudstroom eens keeren en de bron van inkomsten doen uitdrogen.

Hierbij kwam, dat slechts een zeer gering deel onzes

yolks met de Indische toestanden bekend is en de groote

meerderheid zich moet laten leiden door zoogenaamde Indische

specialiteiten, wier adviezen, hoe schaarsch ze reeds zij n, elkaar

vaak tegenspreken. Zooveel is echter zeker, dat men ook op

het terrein der Koloniale zaken stond voor een strijd tusschen

Conservatieven en Liberalen, en de toestanden door de Oost-

Indische Compagnie gevestigd en later door mannen als Van.

den Bosch en Baud nog meer versterkt, hun tijd gehad had-

den, ook al trachtten de Gouverneur-generaal Rochussen en


i6o DE PARTIJEN.

straks P. Meyer, ze krampachtig vast te houden en te bestendigen

door maatregelen, die allerminst in den geest der vrijheid

kunnen worden geacht en weinig geschikt mogen gerekend

worden voor eene bevolking als die van Java, waar, bij

een tal van 20 millioen inboorlingen, slechts een 50.000-tal

Europeanen leven, waarvan een groot getal vreemdelingen, met

wier belangen rekening moet gehouden worden. Tegenover het

conservatieve beginsel, dat zijn heilzame werking alleen bewijzen

kon door de millioenen, welke jaarlijks naar het Moederland

gezonden werden, deed zich al meer de overtuiging gel-

den, dat de Kolonien meer uit het oogpunt van hun eigen be-

lang moesten beheerd worden, dat men den Inlander uit zijn

toestand van geestelijke of hankelijkheid moest opbeuren en,

waar men het voor het Moederland wenschelijk achtte, niet te

steunen op zeer wisselvallige baten, uit de Kolonien voortvloeiende,

en rekende men zich, door de wijze 'waarop de saldo's

verkregen waren, allerminst gerechtvaardigd tegenover God of

de publieke opinie. Het kamerlid Wintgens schetste den strijd

tusschen de Conservatieven en Liberalen op het gebied der

Kolonien aldus : „De conservatieve richting is die, welke in de

eerste plaats wil gelet hebben op de belangen van het Moederland

en van de Kolonien als een groot geheel in hun samenhang,

maar die aan de Kolonien het karakter van overzeesche

bezittingen van het Moederland niet wil hebben ontnomen.

Die richting begrijpt dat zij, dit standpunt innemende, waakt

voor het goede recht van dat Moederland, en zij verzet zich

tegen iedere poging, die een greep wil doen in de Inlandsche

huishouding en de rechtsinstellingen der Javanen, omdat zij

weet, dat zij daardoor strijdt voor het goed recht der inland-

sche maatschappij.

De andere richting is die, welke meent, dat de banden

tusschen Moederland en Kolonien van lieverlede moeten worden

losgemaakt en eindelijk geslaakt ; dat aan den ondernemingsgeest

van de groote landbouw-industrieelen de vrije teugel

moet worden gelaten ; dat aan dezen in de eerste plaats de

voordeelen, die Java afwerpt, moeten toevloeien en dat zij in


HET CULTUURSTLLSEL. 161

hun streven vrij en onbelemmerd moeten staan tegenover de

Inlandsche Maatschappij."

Reeds de zending van den regeerings-commissaris Elout,

in 1816, was een poging geweest tot verwezenlijking van

het ideaal der Liberalen, waarmede op Koloniaal terrein de

Anti -revolutionairen tamelijk wel medegingen, ook al verschilden

beiden vaak in beginsel en middelen. Andermaal echter

zegevierde de conservatieve politiek, zoodat zelfs in 1848

nog ongeveer dezelfde toestand in Indie en hetzelfde gemis aan

belangstelling voor de Kolonien in het Moederland heerschte.

Ja, het was er zelfs niet beter op geworden, daar onder de

politiek van eigenbaat vele misbruiken ingeslopen waren, waardoor

de Inlanders uitgezogen, de vrienden van het bewind in

het Moederland op onbillijke wijze bevoordeeld en contracten

gesloten werden, welke het licht schuwden. Langzamerhand

deden zich uit alle richtingen, de Conservatieven alleen uitgezonderd,

stemmen tegen het cultuurstelsel hooren, maar, ook

al ontwaakte de volksconcientie, men nam nog steeds de millioenen

aan, welker toevloeiing als de vrucht daarvan gerekend

werd en, zoo krachtige stemmen zich in Indie deden hooren,

de Regeering had krachtige maatregelen om ze het zwijgen op

te leggen en beroofde van officieele ambten of gebruikte het

recht van uitzetting voor hen, die al te zeer den werkelijken

toestand aan het licht brachten. Twee geweldige slagen werden

aan de conservatieve partij op koloniaal gebied toegebracht,

de eerste met eigen stok. De bedreiging, aan Van Hoevell gezonden,

was oorzaak, dat hij zelf het ontslag vraagde, waarmede

men hem gedreigd had en naar het Moederland terugkeerde,

waar hij, grootendeels door den steun der Katholieken,

verbolgen als dezen waren over de uitzetting van een viertal

hunner priesters, straks de afgevaardigde voor het district Almelo

in de Tweede Kamer gebracht werd en weldra als leider

optrad van hen, die ten opzichte van Indie de liberale

politiek volgden. Een tweede was de verschijning in 1860 van

een werk, getiteld „Max Havelaar," van de hand van Douwes

Dekker, onder den pseudoniem van Multatuli, dat grooten op-

Dl. VIII.


162 DE LIBERAAL-KOLONIALE POLITIEK.

gang maakte en een zeldzamen schok in de gemoederen teweeg

bracht, vooral door het talent waarmede het geschreven was.

Ook al viel de schrijver in menig opzicht misschien niet van

overdrijving vrij te pleiten, ook al wierp hij in zijn werk niet

slechts den Conservatieven en de Regeering, maar ook den godsdiensten

en hun belijders den handschoen toe, toch was zijne

beschrijving van de toestanden op Java van dien aard, dat

men in Nederland wrake riep over hetgeen op Nederlandschen

naam in Indie plaats had. Twee jaren later trad Franssen van

de Putte als minister van Kolonien op en toen hij, ook na den

val van Thorbecke aan het bewind bleef, had men alle hoop,

dat betere dagen voor de Kolonien zouden aanlichten. Van

Hoevell trad als lid van den Raad van State op en van nu of

vond de liberaal-koloniale partij in Franssen van de Putte een

rijk begaafd leidsman. Toen Franssen van de Putte straks in

het ministerie-Thorbecke zitting nam, trad in de Kamer Des

Amorie van der Hoeven, de afgevaardigde van Breda, als de

woordvoerder voor de liberale richting op het gebied der Ko-

lonien op. Deze was vroeger advokaat in Indie en redacteur

van het „Bataviaansch Handelsblad" geweest en als die van

een kundig, talentvol Indisch specialiteit werden zijne adviezen

hoogelijk gewaardeerd, ook al droegen vele leden der Kamer

hem wegens zijn overgang tot het Roomsche geloof persoonlijk

geene genegenheid toe. Werkten deze drie mannen ten,

voordeele van de koloniaal-liberale politiek, in diezelfde richting

trachtte ook de maatschappij „Tot nut van den Javaan"

werkzaam te zijn, welke door Dr. Bosch in 1868 opgericht

werd en zich de opheffing van het Cultuurstelsel ten doel stelde.

Ofschoon deze maatschappij voornamelijk uit gerepatrieerde

Indiers bestond en voorts hare gelederen liet aanvullen door

moderne predikanten en hun aanhang, zoo oefende zij merkbaren

invloed uit door de zedelijke gronden, welke zij voor haar

bestaan wist aan te brengen. "Poch scheen zij na de opheffing

van het Cultuurstelsel haar recht van bestaan verloren te hebben,

en langzamerhand stierf zelfs haar naam weg.

De staatkundige omkeer In '48 had ook voor Indie zijn


DE AGRARISCHE WET. 163

gevolgen, naardien de maatregelen in betrekking tot de Kolonien

meer aan de goedkeuring der Staten-Generaal onderworpen

en onder wettelijken vorm gebracht werden, doch

eerst in 1855 kwam er een regeeringsreglement voor de Ko-

lonien tot stand, welks invoering dan ook belangrijken invloed

uitoefende op den toestand van Java. Men kon echter

eerst in 1861 getuigen dat, onder minister Loudon, toen baron

Sloet van der Beele naar. Indie vertrok als Gouverneur-generaal,

met de tot heden gevolgde koloniale politiek gebroken werd.

Loudon gaf duidelijk te kennen dat, ofschoon het Cultuurstelsel

niet in een slag kon worden afgebroken, althans de

daaraan verbonden gedwongen arbeid vervallen moest. Ook

Franssen van de Putte beoogde hetzelfde, al verkoos hij eer

gelijkmatige slooping van het stelsel boven een schok, welke

straks zou gevolgd worden door heftige protesten. De comptabiliteitswet

maakte een einde aan ministerieele willekeur, wat

de beschikking over gelden voor Indie betrof, en bracht deze

onder de beslissing van de Staten-Generaal, doch zij had deze

schaduwzijde, dat nu vaak door de nog minder deskundigen

in de Vertegenwoordiging uitspraak werd gedaan over de Indische

belangen. Deze wet beperkte ook de suiker-cultuur van

regeeringswege en liet deze aan het particulier initiatief over,

dat daarvan slechts een vastgestelde belasting aan den Staat

vergoeden zou. De straks daarop gevolgde Agrarische wet bepaalde,

dat gedurende 75 jaren woeste gronden vanwege den

Staat in erfpacht zouden gegeven worden, terwiji de Inlanders

in de gelegenheid gesteld werden, zich in persoonlijk bezit van

grond te stellen, eene bepaling, waardoor in beginsel een wezenlijke

omkeer werd tot stand gebracht. Spoedig daarop, in

1872, was de afschaffing der differentieele rechten aan de orde,

waardoor ook de buitenlander gelijk werd gesteld in het toevoeren

en verkoopen van Indische producten en, mocht ook

al de koffie-cultuur behouden blijven, men kon inderdaad zeggen,

dat het conservatieve beginsel in Indie lag te zieltogen

onder de aanhoudende slagen, door de koloniaal-liberale politiek

toegebracht, en het Cultuurstelsel had feitelijk uitgediend.


164

AFSCHAFFING VAN CULTUUR.

Met deze verandering was echter tevens langzamerhand een

einde gemaakt aan den stroom der Indische baten, en met

recht kon de afgevaardigde Wintgens in de Kamerzitting van

13 November 1882 verklaren : „Het is nu zoo ver gekomen,

dat wij met en sedert het jaar 1878 Oost-Indie moeten beschou

wen als een lastpost van Nederland, die ons dwingt leeningen

te sluiten en zware belastingen op te leggen aan de

Natie. Sedert 1826 bedraagt het subsidie van Oost-Indie, door

het toenmalig met Belgie vereenigd Koninkrijk, 37.700 000 gulden,

en eerst met 1833, .door de invoering en in werking treding

van het Cultuurstelsel, heeft Java van Nederland geen subsidien

meer getrokken, maar integendeel baten afgeworpen voor

den Nederlandschen Staat, hetwelk heeft geduurd tot 1878,

dus vijf en veertig jaren. Toen (5 Juni 1878) zijn wij het tijdperk

der tekorten ingetreden en daarmede hebben wij in hetzelfde

jaar 1878 eene leening moeten aangaan tot een bedrag

van 45.000.000 gulden, ter wijl tien dagen later in het „Staatsblad"

de belasting verscheen van de erfopvolging in de rechte

lijn."

Intusschen valt het niet te ontkennen, dat inzonderheid de

wijze, waarop het Cultuurstelsel werd toegepast, de gebreken,

welke het aankleefden, de willekeur, die het den inlandschen

hoofden veroorloofde en die door de Nederlandsche ambtenaren

bevorderd of althans geduld werd, de bevolking schandelijk

uitputte en aan den rand van den ondergang of tot uitbarsting

van ergernis gebracht had. Konden dus de Conservatieven

op Koloniaal gebied tegeriover onze bezittingen gansch

niet Trij uitgaan, van hun zijde richtten ook zij hunne beschuldigingen

tegen de Liberalen en zagen met zorg de toekomst

onzer Kolonien tegen. Men verweet den Liberalen, dat zij niet

genoeg den dweepzieken ijver van het Mahomedanisme beteu-

gelden en vreesde daarvan de noodlottige gevolgen. Die dweepzucht

wordt aangevuurd en versterkt door de pelgrims, die

van Java en andere eilanden naar Mekka trekken en bij hun

terugkeer, onder den naam van Hadjis, als heiligen aangemerkt

worden. Meermalen ontstonden reeds oproerige bewegingen,


GRIEVEN. 165

door de Hadjis verwekt, en de afgevaardigde Wintgens, die als

pleitbezorger der conservatief-koloniale politiek optrad, gispte

streng de zorgeloosheid, waarmede de Regeering de bedevaarten

naar Mekka aanzag en duldde, zonder eenigen maatregel te

nemen om dreigende onlusten te voorkomen. „Hare politiek,"

zoo sprak hij, „is gelijk aan de daad van den struisvogel, die

meent, dat, wanneer hij slechts het gevaar niet ziet, het ook

in werkelijkheid niet bestaat. Ik meen, dat het belang van het

land medebrengt zich dat gevaar niet te ontveinzen en daarop

zoowel in de Kolonie zelve als daar buiten te letten. Sedert

1855 is het getal bedevaartgangers naar Mekka zeer aanzienlijk

vermeeiderd. Wij weten ook, dat het een allergevaarlijkst

element is op Java, dat ieder Hadji in waarheid is een vijand

van het Nederlandsche gezag."

Een tweede grieve is de onmacht van het koloniaal-liberaal

beginsel, tot keering van den stroom der Chineezen, die

zich jaarlijks bij duizenden in onze Kolonien nederzetten, niet

om er te blijven wonen, maar slechts om daar eenigen tijd hun

handel en bedrijf uit te oefenen en daarmede, zoowel als door

het uitzuigen der Inlanders, fortuin te maken en straks naar

China terug te keeren, maarom zij dan ook hunne vrouwen en

kinderen in hun vaderland laten. Deze massa van listige bedriegelijke

vreemdelingen, al mogen zij op het gebied van handel

en nijverheid den Kolonien nuttig zij n, moesten met hunne

zucht om binnen korten tijd groote rijkdommen te vergaderen

en, bij hun steeds klimmend aantal, met recht als gevaarlijk

voor de Regeering beschouwd worden.

Zeer wordt vooral de houding, welke de Regeering van

Indie tegenover de zending inneemt, gegispt. Oogenschijnlijk

worden de verkondiging van het Evangelie geene hinderpalen in

den weg gelegd ; inderdaad echter is de Regeering niet slechts

geheel neutraal, maar wordt de vrijheid der Evangelieprediking

zoo aan banden gelegd, dat men geneigd is te gelooven, dat de

Regeering 't Mahomedanisme beschermen wil. Kennelijk spreekt

hierin de zucht om door vrijgevigheid tegenover den godsdienst

der bevolking, de inboorlingen voor zich te winnen.


166 HET ONDERWIJS.

Ook op het gebied van het onderwijs verklaren de Conservatief-kolonialen

zich tegen de heerschende richting. Onder

het conservatief bewind werd, 't kan niet ontkend worden, het

volksonderwijs dermate verwaarloosd, dat de Indische ouders,

wilden zij hunne kinderen doen beantwoorden aan hunne maatschappelijke

bestemming, wel genoodzaakt waren hen naar het

Moederland te zenden. Nauwelijks hadden de Liberalen echter

't roer in handen, of 't lag geheel op hun lijn om ook hier al

die zegeningen te verspreiden, welke men, naar men zich voorstelde,

door de neutrale volksschool reeds over het Vaderland

had gebracht. Verbetering van het onderwijs, dat toovermiddel

tegen alle maatschappelijke en nationale kwalen, die onmisbare

voorwaarde tot volksgeluk en volkswelvaart, werd ook hier het

wachtwoord. Gewone lagere en middelbare scholen werden op-

gericht in grooten getale, jammer slechts dat het onderwijs,

daarin verstrekt, geheel en al door Nederlandsche beschouwing

werd geregeerd en in Nederlandschen geest gegeven, ofschoon

men de middelen om daardoor de bevolking en hare kinderen

meer aan het Moederland te verbinden, maar al te zeer verwaarloosde.

En de voorstanders van het liberaal-koloniaal bestuur konden

deze en andere beschuldigingen van dien aard niet altijd afwijzen.

Zoo sprak de gouverneur-generaal Meyer bij zijn aftreden

: „Bevreemdend is het feit niet, dat de uitgaven in Indie

steeds toenemen en niet door even zekere ontvangsten worden

opgewogen. Ten onrechte wordt dit vaak aan de Indische regereeging

toegeschreven. De oorzaak daarvan is in werkelijkheid

gelegen in de veranderde beginselen, die door 't regeeringsregle-

ment van 1855 zijn in het leven geroepen, en in den aandrang

tot ontwikkeling, dien de al meer en meer ontwaakte belangstelling

in de Kolonien in het Moederland heeft weten op te

wekken. Men denke, bij voorbeeld, aan de voorschriften omtrent

de beperking der heerendiensten, het verbod van gedwongen

levering, de meer strenge bescherming van den Inlander tegen

willekeur, de ontwikkeling van handel, landbouw en nijverheid,

de verbetering van het rechtswezen, de uitbreiding van onder-


ATJEH. 167

wijs, enz. De toepassing van dergelijke beginselen is ondenkbaar

zonder de aanwending van middelen, die met belangrijke

uitgaven gepaard gaan. De oorspronkelijke inlandsche huishouding,

die aan de maatschappelijke ontwikkeling van den Inlander

beantwoordde, was gebrekkig, maar goedkoop. Van eene

ontwikkeling van Indie, volgens Westersche begrippen, is .evenmin

de grootere volmaaktheid als de grootere kostbaarheid te

miskennen . . . Het prestige van het gezag heeft geleden,

doch alleen in zoo verre dit vroeger ook steun vond in willekeur

en dwingelandij, en op het p r e s t i g e, dat deze maatregelen

aan het gezag kunnen bijzetten, kan door een rechtvaardig

gouvernement geen prijs worden gesteld."

Zoo moesten dan toch de schaduwzijden door de voorstanders

zelven erkend worden. En duur voorzeker mocht de

Indische staathuishouding gerekend worden en duurder zou ze

nog worden door den straks uitgebroken en tot heden nog

niet beeindigden krijg met Atjeh, welks treurig verloop te meer

den twijfel onder de Natie levendig houdt aangaande het goed

recht tot de verklaring daarvan. Na Java is geheel het eiland

Sumatra het belangrijkste van onze Kolonien. Grooter en rijker

zelfs dan Java, is het echter tot heden minder bekend en minder

ontgonnen, waartoe ook zeker de omstandigheid bijdraagt,

dat het land niet in die mate van ons afhankelijk werd als

Java, en bovendien een deel daarvan zijne algeheele onafhankelijkheid

wist te behouden. Het sterke en voortdurende verzet

van de inlandsche bevolking en hare vorsten waren oorzaak,

dat het eiland tot heden voor ons niet in belangrijkheid

wedijveren kon met Java, en toch werden wij juist dial- in een

strijd gewikkeld, welke reeds meer menschenlevens en millioenen

vraagde, dan ooit voor de gewichtigste onzer Kolonien

geofferd werden.

Onder dat deel van Sumatra, dat zich tegenover ons gezag

staande hield, behoorde de staat Atjeh, aan de noordpunt

van Sumatra gelegen en door een Sultan geregeerd, die

naar schatting over twee millioen onderdanen beveelt en tevens

als leenheer eenige bijgelegen vorstendommen aan zich onder-


168 TRACTAAT VAN 1824.

worpen houdt, ook al betwistten dezen hem vaak elke uitoefening

van gezag. Ten tijde van Prins Maurits hadden wij tot

het rijk van Atjeh in de meest vriendschappelijke verhouding

gestaan en gezanten van den Vorst hadden den Prins geschenken

van zijnentwege overgebracht, welke door den Prins

op dezelfde wijze beantwoord waren. De bewoners zijn dweepzieke

volgers van Mahomed en zij en hunne vorsten waren

geruimen tijd de schrik van de Indische zeeen, waar zij ook

het Nederlandsch gezag groote of break deden. De rooverijen

en plundertochten ter zee werden of door den Sultan zelf, Of

door de van hem leenroerige Radjah's ondernomen ; wat de laatsten

betreft, echter niet zonder voorkennis en goedkeuring

van den Sultan, die den roofzieken onderhoorigen gaarne kruit

en lood verkocht, om de vreemdelingen te bestoken. Zij bepaalden

zich niet slechts tot het plunderen en prijs maken van,

schepen en het vermoorden of in slavernij voeren van de bemanning,

maar zij breidden hunne misdaden ook op de eilanden

uit, die onder Nederlandsch of Britsch gezag stonden en

verspreidden daar op het alleronverwachts gewoonlijk den grootsten

schrik en ontsteltenis. Natuurlijk kon zulk een toestand

niet gedoogd worden door natien, die voortdurend handelsverkeer

met Indie oefenden en die dus de zedelijke plicht hadden

om voor hunne onderdanen en hunne goederen te waken.

Wel is waar was in 1813 door het Weener-Congres aan

Nederland de teruggave van de meeste zijner Kolonien verzekerd,

doch nog zeer veel moest er onderling geregeld worden,

eer de ruil met Engeland kon geschieden. Zoo werd in.

1824 bij het tractaat te Londen bepaald, dat wij zorgen zouden

zulk een invloed op Atjeh uit te oefenen, dat het zijne

zeerooverijen liet varen, onder dien verstande echter, dat aan

Atjeh niets van zijne onafhankelijkheid mocht ontnomen worden.

Deze laatste bepaling maakte de taak, welke we te vervullen

hadden, zeer moeilijk en veroorzaakte ook, dat we ons

voor een groot deel straffeloos de geweldenarijen van den Atjehneeschen

roover en op onze zeeen en te land in onze bezittingen

moesten laten weggevallen, ook al trachtte men nu en


DE UITVOF RING. 169

dan ook door eenig militair vertoon de roovers in bedwang

te houden. Zoo lang echter het tractaat van 1824 in werking

bleef, kon dit niet veel baten. In 1872 werd er een nieuw

tractaat gesloten tusschen Engeland. en Nederland, waarbij wij

onze bezittingen aan de kust van Guinea aan Engeland afstonden

en dit laatste ons vrij liet, ons gezag op Sumatra tegenover

de Atjehneesche roovers te handhaven. Nu was het dan

ook meer dan ooit plicht om, zoo mogelijk, langs vriendelijken

weg, doch kon het niet anders, dan door kracht van wapenen,

onze onderdanen en hunne bezittingen te beschermen tegen de

roovers ter zee en te land. Hierbij kwam, dat de bewoners

van verschillende, aan Atjeh onderhoorige landschappen, mede

onze hulp kwamen inroepen tegen de geweldenarijen en knevelarijen,

hun aangedaan. Had de Sultan van Atjeh nu gehoor

willen geven aan den vriendelijken, maar ook hoogst ernstigen

aandrang van onze zijde, om zijne onderdanen en leenroerige

vorsten te beletten hunne rooverijen ter zee en te land te doen

eindigen, zoo was alles in orde gebleven. Doch de Sultan was,

ondanks zijne schoone beloften, op dit punt geheel .doof en in

stede van ons te helpen in de maatregelen, van onze zijde genomen,

om een gewenschte verhouding tot stand te brengen,

ontmoette het Indisch bestuur eer wantrouwen en tegenwerking,

en scheen de Sultan niet anders te kunnen aannemen, dan dat

we trachtten zijn rijk te annexeeren, zooals dit langzamerhand

met al onze Kolonien, in Indie het geval geweest was. In geen

geval wilden zij zich formeel verbinden om een einde te maken

aan hunne onderlinge veeten en aan hunne zee- en strandrooverijen.

Een verdeeldheid in den Staat zelf maakte de zaak nog

moeilijker. Er bestonden in Atjeh twee partijen, die elkander

den invloed op den nog minderjarigen Sultan betwistten en

waarvan de een zich voortdurend tegenover de ander in machtsbetoon

gelden liet. De zoogenaamde Atjehneesche partij was

ons gezag genegen en wilde gaarne in nader vergelijk met ons

treden ; de andere, de Arabische, daarentegen, deed al wat zij

kon, om het te bestrijden en wekte steeds meer wantrouwen

in onze bedoelingen, toen wij langzamerhand meer oorlogssche-


170 BONDGENOOTEN.

pen zonden in de Oost-Indische wateren en peilingen lieten

doen op de kust. Aan haar had men het dan ook te danken,

dat Atjeh zich tot vreemde mogendheden wendde, om, ingeval

het door Nederland bestookt werd, op hunne hulp te kunnen

rekenen. Zoo wendde het zich tot Turkije, welks Sultan als het

hoofd van den Islam werd beschouwd, de geestelijke vader van

alles wat zich naar Mahomed noemde, waarom de Atjehneezen

ook meenden met eenig recht zijne bescherming te mogen

inroepen. Ook riepen zij door middel van de Consuls te Singapore

de hulp in van Amerika en Italie. De laatsten beloofden

hunne tusschenkomst en trachtten het hierheen te leiden,

dat hunne regeering oorlogsschepen ter bescherming van Atjeh's

onaf hankelijkheid zenden zouden , ja, de Consul der Vereenigde

Staten stelde te dien aanzien zelfs een tractaat tusschen

beide landen voor. Engeland hield zich strikt onzijdig

en reeds in het begin van 1872, toen de Atjehneezen zich ook

tot den Gouverneur der Straits-Settlements gewend hadden,

antwoordde deze, dat men zich met de zaken van dat land

niet kon inlaten. Zoo althans waren de mededeelingen, welke

minister Franssen van de Putte den toenmaligen Gouverneurgeneraal

van Nederlandsch-Indie zond. De Nederlandsche Regeering

meende tegenover de pogingen van den Sultan van

Atjeh het hare te moeten doen en gaf zoowel den Sultan van

Turkije als den President der Vereenigde Staten en den Koning

van Italie, benevens de Koningin van Engeland bericht,

welke hare verhouding tegenover Atjeh was, terwiji zij hen ver-

zocht om hunne Consuls te gelasten, zich van inmenging in de

Atjehneesthe zaken te onthouden en alzoo den schijn te vermijden,

als zouden de Atjehneezen door hen gesteund worden.

De Koning van Italie voldeed hieraan onmiddellijk. De President

der Vereenigde Staten, nadat er onderzoek ingesteld was,

deelde aan onze Regeering mede, dat het hem gebleken was,

dat de Amerikaansche Consul te Singapore, vooral wijl de Atjehneezen

hem groote handelsvoordeelen voor zijn Staat aangeboden

hadden, zeer ingenomen was geweest met het denkbeeld

van een traktaat, waarvan inderdaad reeds een volledig


DE OORLOGSVERKLARING. 171

ontwerp door hem was opgesteld. Zijne Regeering had hem

nu echter stellige bevelen gegeven zich van alle handeling van

dien aard 'te onthouden. De Sultan van Turkije antwoordde

in gelijken geest en bood zelfs zijne diensten aan, indien men

van zijn geestelijke invloed op zijne geloofsgenooten gebruik

maken wilde tot beeindiging der zaak. Toen nu, ondanks dat

alles, de Atjehneezen voortgingen met hun rooverijen en hun

invallen in den met ons bevriende Staten, en de steeds meerder

wordende veeten en regeeringloosheid in dat land den toestand

al dreigender deden worden, besloot onze Regeering in Indie, den

Sultan van Atjeh opheldering en rekenschap te vragen van

zijn verraderlijk gedrag en tevens zich te onthouden van alle

inmenging in de binnenlandsche aangelegenheden van Atjeh,

ten einde daardoor te voorkomen, dat de verhouding tusschen

dat Rijk en Atjeh niet nog ingewikkelder zou worden. In

overeenstemming met deze verklaring vertrok dan de vicepresident

van den Raad van Indie, Nieuwenhuizen, met vier

oorlogsschepen, in de hoedanigheid van Commissaris-generaal,

met volmacht naar Atjeh, om, indien de Sultan weigerde de

noodige opheldering te geven van zijne houding en de stelligste

waarborgen voor de toekomst, dat hij voortaan een goede ver-

standhouding met ons land bewaren en daartoe een einde maken

zou aan menschenroof en plundering, hem den oorlog te

verklaren. Dit geschiedde onmiddellijk, nadat de Gouverneurgeneraal

in kennis was gesteld met de onderhandelingen, welke

de beide Consuls te Singapore geopend hadden. Een aanzienlijke

legerafdeeling, die den Gouvernements-commissaris op den

voet zou volgen, mocht strekken, zoo vleide men zich, om den

Atjehneezen ontzag in te boezemen en hen meer tot schikking

te neigen. Toen de Gouvernements-commissaris nu den 22sten

Maart 1873 op de reede van Atjeh kwam en van zijn opdracht

kennis gaf, scheen de Regeering van dat land eerst geneigd

om toe te geven, doch alras werd het duidelijk, dat de Atjeh-

neezen tot den oorlog gezind en goed gewapend waren, en

zij slechts de onderhandelingen rekten om tijd te winnen. Nu

verklaarde de heer Nieuwenhuizen, na gepleegd overleg met


172 DE MEENINGEN.

den minister Franssen van de Putte en den Gouverneur-generaal

Loudon, den oorlog aan den Sultan.

Wij meenen, dat er nog altijd te weinig licht ontstoken

is over deze zaak, om over het meer of minder rechtmatige

van de oorlogsverklaring een oordeel uit te spreken. Onbe-

twistbaar is het, dat het minder of meer goede v9rloop eener

zaak zeer veel invloed heeft op het oordeel, dat tijdgenoot en

nakomelingschap zich daarover aanmatigt en dat de houding

van den minister Franssen van de Putte en van den Gouverneur-generaal

Loudon ook daarnaar gewaardeerd werd. Ons

yolk dacht zeer licht over den krijg en liet, in de vaste overtuiging,

dat we binnen betrekkelijk korten tijd den onbeschaafden

vijand zouden overwonnen hebben, den strijd daarover aan

de pers en de staatslieden in de Tweede Kamer over. Maar

gelijk al ras bleek, de oorlog was door ons te overhaastig begonnen

en 't werd al spoedig duidelijk, dat wij onzen vijand te

licht geschat hadden en niet tot den krijg gereed waren. Dat

daardoor al spoedig, afgescheiden van verdere beschuldigingen,

de Regeering naar het hoofd geworpen werd, dat zij ondoordacht

gehandeld had, den oorlog had uitgelokt en de belangen

des lands in de waagschaal gesteld had, ligt in den aard

der zaak. Zooveel is zeker, dat, had ook de Regeering kunnen

voorzien, welk een langen nasleep de oorlog met Atjeh zou

hebben, hoe zware en talrijke offers van de Natie en de schatkist

zouden gevraagd worden, zij zich zeker langer zou bedacht

hebben eer zij den oorlog verklaard had. Men rekende

er vast op, dat alleen de bloote verschijning onzer troepen,

misschien een enkel treffen voldoende zou zijn, om de Ajeh-

neezen ten onder te brengen, en 't was deze rooskleurige berekening,

welke, ook met het oog op de gevolgen, afgekeurd

moet worden. Door deze hooggespannen verwachting misleid,

begon men dan ook den strijd op een oogenblik, toen onze

Indische zeemacht allerminst mocht verklaard worden strijdvaardig

te zijn en ons Indisch leger evenmin goed gewapend

heeten mocht overeenkomstig de eischen van den tijd, terwijl

niet kan ontkend worden, dat de strategische voorbereidselen


DE EERSTE EXPEDITIE. 17,3

tot bekendheid met het terrein, waarop men zou te strijden hebben,

geheel of gedeeltelijk ontbraken, even als de ware ‘schatting

van de krachten des vijands. Dat onze Staat,' gelijk later

bleek, voor een droeve oplossing werd geplaatst; was in' geeri

geval het Ministerie nosh den Gouverneur-generaal te vergeven.

Onder aanvoering van generaal Kohler, waarover wij vroeger

reeds spraken, werden een leg- erafdeeling van 3000 -man en

een vloot van een zestal oorlogsschepen, waarover de kapitein

ter zee Koopman bevel voerde, ter reede van Atjeh • afgezonden.

Nadat de Gouvernements-secretaris andermaal beproefd had

om den Sultan te bewegen het oppergezag v an' Nederland te

erkennen en deze geweigerd had, werden de troepen aan land

gebracht en de vijandelijkheden geopend. Helaas, de eerste aan •

val verijdelde reeds de schoone verwachtingen, welke de Nederlandsche

Regeering koesterde. Den I4den April werd de aanval

begonnen, maar in stede van daardoor reeds de Ajehneezen

bewogen te hebben het hoofd in den schoot te leggen, waren

onze troepen verslagen en moesten ze in allerijl terugtrekken.

Niet minder dan 400 man waren gesneuveld en onder hen de

dappere generaal Kohler. Men hield nu krijgsraad en besloot,

met het oog op den gevaarlijken toestand der schepen in dit

jaargetijde, om naar Batavia terug te keeren.

Ons prestige was geschonden. Wilde men tegenover Atjeh

slagen en den indruk wegnemen, dien de -geleden nederlaag

op de overige inboorlingen onzer bezittingen ongetwijfeld maken

zou, dan moest haastig eene nieitwe en sterke expeditie

volgen, welke de Atjehneezen en de omwonenden overtuigen zou,

dat zij althans op den duur het Nederlandsche gezag niet straffeloos

konden weerstaan. Men besloot dan ook tot aänzienlijke

versterking der krijg-smacht en droeg het opperbevel over de

tweede expeditie op aan generaal Van Swieten, die zich toen

in Nederland be yond. Men hoopte, dat hij zou kunnen slagen

in het vermijden van de bezwaren, waarmede de vorige expeditie

te worstelen had gehad en dat men voorzorgen genoeg

zou kunnen nemen, om de geleden schade te herstellen. Zoo

scheepten zich dan op den Oen December 1873, goon man


1 74

VAN SWIETEN.

Nederlandsche troepen naar Atjeh in. Verschillende gevechten

hadden plaats, en eindelijk rukte Van Swieten reeds in Januari

tegen den Kraton of het versterkte paleis van den Sultan op.

Nadat eerst de missigist of de tempel bij den Kraton genomen

was, viel den 24sten ook de Kraton in onze handen en men

vleidde zich nu in Nederland, dat de oorlog hiermede geeindigd

zou zijn, vooral toen men straks vernam, dat de Sultan

in een gevecht den dood gevonden had. Van Swieten meende

dan ook, dat de Nederlandsche troepen het eiland verlaten

konden, mits men slechts een goed aantal in de Kraton achterliet,

om de bevolking in bed wang te houden. Zoo bleef er

dan eene bezetting van 2000 man in den Kraton ; de troepen

keerden voorts naar Batavia terug en Van Swieten verliet

Atjeh aan het einde van April, om zich naar het Vaderland

te begeven en daar de lauweren te oogsten van zijn zegevie-

renden tocht.

Nog zonder tot de zwaarmoedigen te behooren, achtten

verscheidenen, die de zaken kenden, den toestand minder rooskleurig

dan men geloofde en voorspelden, dat men nog heel

wat tijd en geld en moed zou noodig hebben, eer men zich

meester rekenen kon van Atjeh zelf, bovenal van deszelfs

bondgenooten, de kleinere inlandsche vorsten in het noordoosten

van het eiland. Men antwoordde hen met schouderophalen

en stelde liever de vraag aan de orde, welke handelwijze men

nu in het vervolg tegenover het onderworpen Atjeh zou volgen.

Generaal Van Swieten achtte, dat men nu langs politie-

ken weg de zaak verder beslechten moest en dat men tegenover

de overwonnen bevolking weinig meer te doen had dan

Kotta Radjah te bezetten. Geheel verschillend van meening

daarentegen was kolonel Pel. Hij achtte, dat men van den

schrik, onder de Atjehneezen ontstaan, gebruik maken moest

om hen geheel uit elkaar te jagen en te voorkomen dat zij

zich andermaal, met hun bondgenooten vereenigd, op de Nederlandsche

troepen of de door hen bezette sterkten werpen

zouden.

Het gevoelen van Van Swieten behield echter de over-


GENERAAL PEL. 175

hand en nu werd de verhouding van het overwonnen en onderworpen

land, naar men meende althans, geregeld. Den I2den

Februari verklaarde Van Swieten, in overleg met de Nederlandsch-Indische

Regeering, dat hij het bestuur van drie districten

of Sagies had aanvaard en dat de hoofden, die zich niet

onderwierpen, van hunne waardigheden vervallen zouden zijn,

in welk geval de bevolking andere hoofden zou kiezen. Voorts

zou men in de Adat, dat is : de herkomsten van het land, geene

verandering brengen. Slechts zou voortaan niet de Sultan, maar

de Nederlandsche Regeering souverein zijn, ook al maakte men

nog niet uit, of het bestuur onmiddellijk door den Gouverneurgeneraal

of van zijnentwege, of door een van de Nederlandsche

Regeering afhankelijk Vorst zou gevoerd worden. Van S wieten

verliet dan met een groot deel der troepen het vijandelijk

land, zich vleiende, dat de onderwerping van Atjeh slechts een

quaestie van tijd was, mits men den Kraton slechts behield.

Het duurde echter niet lang, of de Ajehneezen stoorden den,

zoeten waan, begonnen op nieuw allerlei vijandelijkheden, trachtten

de communicatie van de Nederlandsche troepen met de

reede te verstoren en stelden zich niet tevreden met onze bondgenooten

te kwellen, maar verontrustten zelfs de bezetting in

den Kraton, zoodat in allerijl nieuwe versterking van troepen naar

Atjeh moest worden gezonden. .Behalve door de onverwachte

aanvallen van den vijand, werd het leger door de cholera geteisterd.

Langzamerhand waren wij genoodzaakt om ons alleen tot

onze verdediging te bepalen en dit gaf aanleiding tot verz wakking

van het leger en bezwaring van onze schatkist. Tegen

het einde van 1875 waagde generaal Pel het weder, aanvallend

op te treden en reeds hadden we onderscheidene voordeelen

behaald, toen de opperbevelhebber van het Nederlandsche leger

in Indio plotseling overleed (1876). Zijne plaats werd, althans

tijdelijk, door generaal Wiggers van Kerchem ingenomen, die

zich echter genoodzaakt zag, weer tot het oude stelsel terug te

keeren. Door hun voortdurende en verrassende aanvallen brachten

de Atjehneezen ons veel schade aan, ter wij1 hun haastig

terugtrekken ons leger belette, hun de aangebrachte schade be-


176 DILMONT.

taald te zetten. Ook generaal Diernont, die in Van Kerchem's

plaats getreden was, kon weinig meer gedaan krijgen dan zijn

voorganger en in stede van dat men zich op overwinningen kon

beroemen, gingen onze zaken al meer achteruit, toen het een

oogenblik den schijn had alsof de Atjehneezen zelf den weerstand

moede werden en er toenadering kwam bij de aanzienlijkste

hoofden van het weerbarstige yolk. Dit wekte het denkbeeld,

dat men met de wapenen nu afgerekend had en men een verzoenende

en vreedzame staatkunde tegenover den vijand volgen

kon. Het bleek • echter weldra, dat de Gouverneur-generaal

Van Lansberg, die Atjeh in het voorjaar van 1877 bezocht

had, zich de zaak al te rooskleurig voorgesteld had. Nauwelijks

toch was de vijand hier geslagen, of hij gunde zich den

tijd, niet alleen om zich te herstellen, maar ook om de onzen in

slaap te wiegen, en plotseling vernam men weder, dat de eene

of andere post der onzen op 't alleronverwachts aangevallen

was. In 1879 aanvaardde generaal Van der Heiden het opper-

bevel over het leger, en zijn komst was de aanvang van betere

dagen. Helaas, dat men zich al weder vleidde, dat de kracht

van den Atjehnees gebroken was ! In Batavia achtte men, dat

nu de tijd gekomen was, om een geregelde orde van zaken in

te voeren. Daartoe behoort ook de instelling van een burgerlijk

bestuur, aan welks hoofd straks de resident Pruis van der Hoeven

optrad, die dan ook weldra den generaal Van der Heiden,

althans voor dit deel van diens taak, verving.

Intusschen wordt het tijd, dat we met onze belangstelling

naar het Moederland terugkeeren. Het ministerie Geertsema-

De Vries had, ten gevolge van het wetsontwerp op de uitoefening

van het kiesrecht, zijn portefeuille moeten neerleggen. In

den laatsten tijd was er door Liberalen zoowel als door Antirevolutionairen

steeds aangedrongen op verlaging van census,

te meer daar elk van hen meende, in het zoogenaamde „volk

achter de kiezers" veel steun voor zijn partij te zullen vinden.

Dat nam niet weg, dat ook velen onder hen den invloed van

het mindere yolk op de stembus vreesden, zoowel bij de eene

als bij de andere partij, ook al durfden zij dit niet zoo openlijk


ON VERSCHILLIGHEID. 177

uitspreken. Dit gaf gereedelijk aanleiding om het wetsontwerp

uit allerlei schijn- en ware redenen te bestrijden. De Anti-revolutionairen

achtten, dat het ontwerp de steden voorrechten

boven het platte land schonk ; de Liberalen verklaarden zich

daar tegen, of omdat de census hun nog te hoog voorkwam,

Of omdat de Minister, volgens hun beweren, geene rekening

gehouden had met de plaatselijke omstandigheden. Hoe het zij,

het beginsel, waarvan het wetsontwerp uitging, werd verworpen

door de meerderheid der Tweede Kamer, en het Ministerie

nam zijn ontslag in hetzelfde jaar 1874, waarin de Koning

de herinnering vierde van zijn vijf en twintigjarig koningschap,

een heugelijk feit, waaraan door heel de Natie om strijd deelgenomen

werd. Toen werd het duidelijk, hoe zeer vooral het

bewind van dezen Koning er toe bijgedragen had, om de

aloude banden tusschen Volk en Vorst te versterken en hoe

de liefde tot Oranje in aller hart leefde.

Moeilijker dan ooit waren desniettegenstaande de staatkundige

omstandigheden. Eigenlijk gezegd waren het alleen

de Anti-revolutionairen, die door hun hoofdleiders Groen van

Prinsterer en Dr. A. Kuyper in hun staatkundig Leven gesterkt

werden ; de overige Natie leefde voort, alsof geen Volksvertegenwoordiging

zitting hield. De kleingeestige kibbelarij, de heil-

looze partijstrijd, waarvan de meeste zittingen getuige waren,

boezemden niemand eenig belang meer in en koude onverschilligheid

had de belangstelling van voorheen vervangen. 't Was,

alsof men gevoelde : de Vertegenwoordiging zit niet langer om

voor de belangen der Natie te waken, maar eenig en alleen

om eigen haarkloverijen of te waken. „Wanneer het Parlement,"

zoo sprak en zoo schreef men, „meer oor en oog heeft

voor zijne kleine, nietige twisten, dan voor de nooden en behoeften

van 't rijke volksleven, doe dan het yolk ook alzoo, en

zoeke het elders voor zijnen geest edeler bezigheid, dan het, de

parlementaire annalen doorsnuffelende, vinden kan. Laat regee-

ren, wie regeeren wil ; men moge op het Binnenhof nog hechten

aan politieke onderscheidingen, wij niet meer ; men moge

zich daar nog warm maken voor deze of gene kleur, ons laat

Dl. VIII. 12


178 DE CRISIS.

elke kleurschakeering koud ; want wij weten, dat ten slotte alle

kleuren slechts de wisselende symbolen zijn van een zelfde onmacht.

Mocht vroeger of later in dien chaos nog een vrucht

rijpen, het zal voor ons nog tijd genoeg zijn haar te beproeven ;

hare bereiding is in elk geval te onsmakelijk om er op toe te

zien." Zoo werd niet ten onrechte de volslagen gevoelloosheid

geschetst, waarmede de Natie de handelingen der Tweede Kamer

ontving.

En wie zou nu lust gevoeld hebben, om in zulk een toe -

stand eene ministerieele portefeuille te aanvaarden ? Oak zelfs

de Liberalen gevoelden de ellende, waarin men geraakt was,

en toen dan ook eindelijk de crisis geeindigd was, schreef een

hunner woordvoerders, professer Buys : „Aan Welk een benauwden

politieken dampkring zijn wij eindelijk ontkomen en hoe

verlammend werkte deze terug op geheel ons staatkundig leven.

Eene onverschilligheid, aanstekelijker dan de war mste geestdrift

ooit kan zijn, had zich allengs over alle klassen van onze maatschappij

-uitgestrekt. Eigen apathie of te scheiden en anderen

te brengen tot soortgelijke daad, scheen boven het vermogen

van wie ook. Men heeft het Parlement den rug toegekeerd :

alle beschouwingen, voor zoover de bladen zich daaraan waagden,

maanden lang ongelezen gelaten, en dan ook maanden

lang geleefd zonder jets te hooren of van Conservatief Of van

Liberaal. Wie kon het ons euvel duiden ? Of was het te vergen,

dat wij ons op den duur zouden verdiepen in parlementaire

debatten, enkel merkwaardig om hunne kleingeestigheid ?"

Doch het duurde lang, eer men het einde van de crisis

constateeren kon. Men kon geen stel ministers uit de meerderheid

der Kamer bijeen krijgen, om ze den Koning aan te be-

velen, en toen men eindelijk een zevental mannen gevonden

had, geschikt en geneigd om in 's Konings naam de zaken

der Regeering te behartigen, toen kon men er vast op rekenen,

dat er van homogeniteit weinig sprake kon zijn, doch

allerminst, dat het Ministerie zou kunnen steunen op een meer •

derheid in de Tweede Kamer. Eerst in September, dus vier

maanden nadat de crisis uitgebroken was, mocht men de be-


VOORUITZICHTEN. 179

noeming der nieuwe ministers in de Staatscourant lezen. Het

waren de heeren J. Heemskerk Az., Van der Does de Willebois,

Van Lynden van Sandenburg, Van Goltstein, Van der

Heim, Weitzel en Taalman Kip, die respectievelijk de portefeuilles

van Binnenlandsche en Buitenlandsche Zaken, van Justitie,

Kolonien, Financien, Oorlog en Marine aanvaardden.

Minder dan eenig ander Kabinet mocht dit op den steun

der partijen rekenen. De Liberalen waren gansch niet met Heemskerk

ingenomen, ook al wilden ze hem gaarne gebruiken om

hunne idealen in de Schoolwet verwezenlijkt te zien. De And.revolutionairen

wantrouwden hem als een Conservatief en ook

de Roomschen, hoe wel zij thans genoeg hadden van het mede

optrekken met de Liberalen, stelden evenmin vertrouwen in het

nieuwe Kabinet. De periodieke pers droeg er ijverig het hare

aan toe om de stemming tegenover het ministerie Heemskerk

te bederven.

De stembus van 1875 was den Anti- revolutionairen gunstiger

dan den Liberalen, ter wijl ook de Conservatieven hunne

afgevaardigden voor Amsterdam, Van Reenen en 's Jacob,

buiten de Kamer geplaatst zagen. Het scheen dat 't Kabinet,

door 't indienen van praktische wetsontwerpen, den strijd van

de partijen onderling en tegen zich zelf beproefde te onderdrukken.

Zoo diende het reeds in het eerste jaar van zijn optreden

een ontwerp op de rechterlijke organisatie in, waarbij de provinciale

Rechtbanken afgeschaft en door vijf Gerechtshoven vervangen

werden. Natuurlijk trachtten de plaatsen, die daardoor

van hun Gerechtshoven beroofd werden, door hun vertegenwoordigers

tegen de aanneming van de wet zich te verzetten, en beproefden

andere afgevaardigden weer, zich voor hun district in

dit opzicht verdienstelijk te maken, waardoor een strijd van

lokale belangen ontstond, doch het ontwerp kreeg zijn beslag.

Ook werd nog in hetzelfde jaar een wetsontwerp, dat belangrijke

uitbreiding van het spoor wegnet beoogde, door de Regeering

ingediend en door de Kamers aangenomen, waarbij het

Ministerie zich zelfs in eene groote stemmenmeerderheid mocht

verheugen. Toch zou ook dit jaar niet voorbijgaan, zonder dat


i8o DE V1RKIEZINGEN.

het Kabinet de tastbare bewijzen zou hebben opgedaan van

den weérstand, welke de partijen daarop uitoefenden. De minister

van Oorlog trad dan ook af en de ministers van Binnenlandsche

Zaken en Financien moesten ook harde woorden

en scherpe beoordeelingen hooren ten gevolge van eene overeenkomst

met de Rijn-Spoorwegmaatschappij gesloten, met

betrekking tot de lijn Leiden—Woerden, waarin zij, naar men

meende, te weinig overleg met de Kamer gepleegd hadden.

Ofschoon men gaarne van de gelegenheid gebruik maakte om

het algemeen regeeringsbeleid van het Kabinet te gispen en

men niet onduidelijk te kennen gaf, hoe zeer men geneigd was

het Ministerie te doen vallen, zoo kon men eigenlijk geen

genoegzame motieven vinden of het over den vorm niet Bens

worden, waarin men de zaak zou gieten, terwij1 bovendien het

geheele debat weldra zoo zeer het karakter van den partijstrijd

kreeg, dat de minister van Binnenlandsche Zaken met recht

verklaren kon, dat het debat over de hoofden der ministers

heenliep, waarbij hij tevens niet naliet om de verwijten, welke

men tot het Ministerie richtte, op de aanvallers als partijlieden

terug te slingeren. Intusschen werd het „kamergekrakeel"

steeds geweldiger en brak de liberale partij, door hare

onderlinge verdeeldheid, al meer haar prestige bij de Natie af.

Toch vielen de nieuwe verkiezingen in 1877 andermaal ten

gunste der Liberalen uit, waarbij de Anti-revolutionairen drie

en de Conservatieven twee zetels verloren. Nu andermaal hun

gelederen versterkt waren, begonnen de Liberalen dan ook terstond

hun aanval op het Ministerie, waartoe de Troonrede alleszins

aanleiding bood. Immers, terwijl de klachten over de onderwijswet

zich vermenigvuldigden, zweeg de Troonrede daaroyer

geheel en toch : de Liberalen wenschten niets liever dan den

eisch der Wet ten gunste van het Openbare Onderwijs verscherpt

te zien en de Anti-revolutionairen en Katholieken rustten

niet, eer daarin wijzigingen ten voordeele der Christelijke

school zouden gebracht zijn. Het adres van aniwoord, door de

Commissie daartoe gekozen en waarin niet minder dan vijf

liberalen zitting hadden, stelde voor in paragraaf 9 te verkla-


DE OPPOSITIE, IS 1

ren : „Op onze bereidwilligheid om nuttige en noodige verbeteringen

in onze wetgeving te helpen tot stand te brengen, kan

ten alien tijde worden gerekend. Aan zoodanige verbetering

echter heeft voor alles de Wet op het Lager Onderwijs behoefte.

Dat een zoo gewichtig volksbelang schade lijdt door

een gemis aan overeenstemming tusschen Regeering en Vertegenwoordiging,

wekt algemeen diep gevoelde teleurstelling op."

Dit was te meer een slag in het aangezicht voor het Kabinet,

dat immers reeds aan het einde van het jaar 1876 een ontwerp

op het Lager Onderwijs aangeboden had ! Wel verdiend

was dan ook het verwijt van den ministerieelen tafel aan de

Kamer, toen minister Heemskerk verklaarde : „Hoe men ook

de woorden moge opvatten, in de zinsnede zal ieder onbevooroordeelde

niet anders lezen dan eene weigering, om met de

Regeering de Wet op het Lager Onderwijs te behandelen. De

Minister kan voorspelien, dat dit bij de geheele Natie algemeene

en diepgevoelde teleurstelling zal opwekken. Jaren 1 ang

is aangedrongen op algeheele herziening der Wet op het Lager

Onderwijs, zelfs met onstuimigheid. Nadat nu de Commissie

van Rapporteurs verklaart : het ontwerp is in staat van wijzen,

nu zal de Kamer zich terugtrekken . . . en nu niet mee te

willen, is dat eene houding ?" Pertinent eischte de Minister

nu, dat de Commissie van Rapporteurs zou verklaren, wat zij

met de geincrimineerde paragraaf bedoelde. Ten einde het

struikelblok weg te nemen, stelde men in de Tweede Kamer

voor, de zinsnede, die aan de Regeering zooveel aanstoot gaf,

weg te laten, wat echter door de groote meerderheid verworpen

werd, en ten slotte deed het antwoord van Kappeyne van

de Copello den beker overloopen, als hij namens de Commissie

van Rapporteurs verklaarde : „welken invloed de aanneming

van de paragraaf op de Regeering moge uitoefenen, heeft de

Commissie noch te onderzoeken, noch te beslissen." Hij beschouwde

echter den beer Heemskerk als een constitutioneel

man, die zich slechts den bekenden grondregel te herinneren

had, dat „men moest aftreden of zich onderwerpen."

Zoo werd dan, toen paragraaf 9, ofschoon alle Anti-revo-


I 8 2 HET NIEUWE KABINET.

lutionairen, Roomschen en Conservatieven tegenstemden, door

de meerderheid der Kamer aangenomen werd, aan het Ministerie

de bedoeling van de Rapporteurs derwijze vertolkt, dat

het Kabinet den 27sten April zijne portefeuilles andermaal ter

beschikking van Zijne Majesteit stelde. Wel werd het ontslag

aangenomen, doch de langdurigheid van de crisis gaf de Natie

aanleiding tot allerlei veronderstellingen. Eindelijk werd den

2den November 1877 het Kabinet genoemd : als minister van

Binneniandsche Zaken trad J. Kappeyne van de Copello op,

voor Buitenlandsche Zaken nam Van Heeckeren van Kell, voor

Financien J. Gleichman, voor Justitie H. J. Schmidt, voor Kolonien

P. P. van Bosse, voor oorlog De Roo van Alder werelt

en voor Marine H. Wichers plaats, terwijl straks Mr. P. P. R.

Tak van Poortvliet een nieuw-geschapen portefeuille, die van

Openbare Werken en Waterstaat aanvaardde.

Treurig mocht de geschiedenis van het tweede ministerie

Heemskerk heeten, dat zich vooral door de onderwijs-questie

vele vijanden gemaakt had. Afvallig wordende aan zijne vrienden,

of liever aan hen, die het steunden, had het, ter wille van

den steun der Liberalen, eigen traditien verloochend, zonder

den buit to kunnen verwerven, waarvoor het zich dat offer getroost

had.

Reeds in 1874 had Kappeyne van de Copello in een zeer

beruchte rede, toen men van liberale zijde op de invoering

van leerplicht aandrong en daartegen het bezwaar aangevoerd

werd, dat men daarmede de minderheid onderdrukken zou, het

befaamde woord gesproken : „Het algemeen belang mag niet

worden opgeofferd aan gemoedsbezwaren, hoewel dan ook van

een belangrijk deel der Natie. Die minderheid moet dan onderdrukt

worden, want zij is dan de vlieg, die de gansche zalf

bederft en heeft in onze maatschappij geen recht van bestaan."

Op deze krasse uitlating werd dan ook van de overzijde niet

ten onrechte geantwoord : „Neem dan ook uit het wapenschild

der Nederlanden weg den Leeuw, het beeld der fierste vrijheid,

en stel er voor in de plaats den Adelaar met het Lam in de

klauwen, 't beeld der tirannie." Ofschoon de Liberalen dit zeer


GROEN VAN PRINSTERER. 183

goed gevoelden, was er van hen op dit punt geen recht te

wachten, gelijk reeds in December 1875 bleek, toen Dr. Kuyper

in de Tweede Kamer het voorstel deed, om 30.00o gulden

uit te trekken voor toelagen aan hoofdonderwijzers, niet van

overheidswege bezoldigd, voor de opleiding van kweekelingen,

die slaagden voor het examen, dat hun den toegang tot de

School opende, een amendement, zoo onschuldig, dat men zelfs

van liberale zijde het nut en het recht daarvan erkende en

de Minister zelf verklaarde, dat hij het niet in strijd rekende

met de Wet. Ook dit kon echter geen genade vinden in de

oogen der Liberalen en zij verwierpen het amendement met 44

tegen 32 stemmen. In 1876 verscheen Moens, thans inspecteur

van 't Lager Onderwijs in Utrecht, in de Tweede Kamer, met

een wetsvoorstel, dat in het geheel geen rekening hield met

de bezwaren der tegenpartij en ten doel scheen te hebben, het

Christelijk Onderwijs geheel te vernietigen. Hij wenschtte aanzienlijke

uitbreiding van het aantal kweekscholen, verhooging

van de salarissen der openbare onderwijzers en afschaffing

van de kweekelingen als werkkracht in de School, waardoor

de jaarlijksche begrooting van ohderwijs met millioenen verhoogd

werd, terwijl voor het bijzonder Onderwijs ook de minste

opoffering, hoe billijk en goed ook, te hoog gerekend en

geweigerd werd. Minister Heemskerk echter had de behandeling

van het voorstel Moens voorkomen, door op het einde

van 1876 zelf een nieuwe onderwijswet in te dienen, waardoor

het voorstel Moens zijn belang verloor. Juist in dien tijd verloor

de Anti-revolutionaire partij haren eminenten hoofdleider,

Mr. Guillaume Groen van Prinsterer, een man, die genoeg zijn

stempel op zijn yolk en zijn tijd gezet heeft, om waardig te zijn,

dat wij een oogenblik bij zijn leven stilstaan. Hij was den 2lsten

Augustus 1801 te Voorburg uit aanzienlijke ouders geboren. Hij

studeerde te Leiden in de letteren en de rechten, en reeds toen

werd een door hem geleverd opstel over de hegemonie der

Atheners bekroond. Daar geraakte hij in nauwe vriendschap

met Thorbecke. In 1821 kwam hij met Bilderdijk in aanra-

king en deze, zoowel als de hoogleeraar Kemper, boezemden


184 Zip LEVEN.

hem te meer liefde voor de historie in. In 1823 promoveerde

hij op denzelfden dag tot doctor in de letteren en de rechten.

Hij bleef tot 1828 de liberale beginselen toegedaan en lid der

groote Protestantsche partij en eerst in het volgende jaar toonde

zijn Volksgeest en Burger zi n, dat hij zijn beginsel wij-

zigde. Bij het overlijden van Borger had men Groen tot zijn

opvolger bestemd, en hij zou in diens plaats getreden zijn, had

zijn vader, een bekwaam geneesheer van strenge opvatting, dit

niet tegengehouden. Zijn kennis van het Grieksch en Latijn

maakte zelfs de bewondering van een Thorbecke gaande en

men kwam van andere academien over, om hem te hooren.

Toen Kemper in 1824 overleed, was hij als de aangewezen

man om zijne plaats in te nemen, doch hij had een menigte

benijders, en dezen wisten hem uit den weg te dringen. Drie

jaren later werd hij tot referendaris van het Kabinet des Ko-

nings benoemd, in welke qualiteit hij van 1835-1865 de uitgave

van de Archives van Or anje bezorgde, een waar

reuzenwerk, door Dr. Beynen een der rijkste en schoonste wer-

ken genoemd, die zijn tijd aan het nageslacht zou vermaken.

In 1827 gehuwd met Jonkvrouwe van der Hoop, werd hij in

1828 Staatsraad in buitengewonen dienst, terwijl hij in hetzelfde

jaar als secretaris van het Kabinet des Konings naar Brussel

vertrok, hoewel zijns ondanks. Daar vooral had de kennismaking

met Merle d'Aubigne, den talentvollen schrijver der

K e r k h e r v o r min g, grooten invloed op zijn:leven en denken.

„Uit den sleur van een gematigd liberalisme, waarin ik als

geestverwant 's Gravenhage verliet," zoo getuigt hij zelf, „ben ik

in een tijdgewricht van ongeveer derdehalf jaar tot vastheid

van anti-revolutionaire politiek geraakt." Nadat hij in 1833

tot herstel zijner geschokte gezondheid eene reis in het buitenland

gedaan had, werd hij in 1834 tot Bewaarder van 't huisarchief

des Konings aangesteld. De uitgave zijner N e d e r 1 a n d-

sche Gedachten van 1829-1833, waarbij velen hem groote

overdrijving aantijgden, berokkende hem vele vijanden en kostte

hem menig vriend. Door de Regeering ten behoeve van het

archief van Oranje naar het buitenland gezonden, onderzocht


ZIJN WERKEN. 1 85

hij de archieven te Parijs en te Basancon. Teruggekeerd in

het vaderland, maakte hij kennis met den uitnemend geleerden

en vromen improvisator Willem de Clercq, ten wiens huize hij

straks Da Costa ontmoette, die door zijne uitgaven van de

Bezwaren tegen den geest der eeuw, reeds geen

vreemdeling meer voor hem was. De maatregelen tegen de

Afgescheidenen, welke, door Thorbecke verdedigd, door hem

gewraakt werden, plaatsten beide uitnemende staatslieden reeds

toen tegenover elkaA,r. Nadat hij in 1840 zijne B ij d r age tot

de herziening der Grondwet in Nederlandschen

z i n uitgegeven had, werd hij in 1840 tot lid der Tweede Kamer

gekozen en kreeg hij datzelfde jaar zitting in de Staatscommissie

tot onderzoek van de bezwaren tegen de Wet op het

Lager Onderwijs. Wij zagen reeds, hoe hij in eene afzonderlijke

nota aandrong op splitsing der openbare school en volledige

vrijheid voor het bijzonder onderwijs. Van 1841-1846 deed

hij zijn Handboek der Geschiedenis van het Vad

e r 1 a n d verschijnen, terwijl later de door hem in besloten

kring gehouden voorlezingen van historischen inhoud, onder den

titel Ongeloof en Rev o l u t i e, 't licht zagen. Nadat tal van

brochures en stukken van zijne hand in het maandschrift „de

Vereeniging" elkander opgevolgd waren, nam hij de redactie van

de N e d e r 1 a n d e r ter hand, welke hij echter weldra wegens

gebrek aan genoegzame deelname staken moest. Tot driemalen

toe had hij een zetel in de Kamer aangenomen, toen hij zich,

na de teleurstelling, hem door zijn vriend Van der Brugghen

bereid, daaruit andermaal verwijderde. Ten einde den buitenlander

beter in te lichten over de godsdienstige toestanden hier

te lande, dan dit 'van andere zijde geschiedde, schreef hij in

1860 zijn le Parti Anti-revolutionaire et Confessionel

dans l'Eglise reformee des Pays-Bas, een

van de vele beroemde kerkelijke geschriften van zijne hand, die

door helderheid en degelijken stiji uitmuntten. Had hij reeds bij

de oprichting der Vereeniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs

een geldelijk blijk gegeven van warme belangstelling

voor haar streven, straks trad hij zelf tot haar toe, en weldra


186 IN DE KAMER.

als Eere-voorzitter aan Naar hoofd. Kenmerkend is de invloed

van den geleerden en vromen professer te Berlijn, Dr. T. J.

Stahl, op Groen, dien hij „zijn dankbaren kweekeling" heette

en die straks zijn nagedachtenis door een geschrift eerde.

Had Groen tot 1857 er steeds op aangedrongen, dat de

Regeering toch rekening houden zou met het godsdienstig

karakter onzes yolks, de, beginselen van de wet van 1857 waren

van dien aard, dat hij het raadzaam oordeelde, dat de

Staat van nu aan zich geheel van de Kerk losmaakte en wat

de School betrof, drong hij nu slechts op eerlijke toepassing

der Wet aan, hoe zeer hij deze ook afkeurde. Met dit program

trad hij in 1862 op nieuw in de Kamer, waaruit hij in 1865

andermaal ontslag nam, meenende buiten de Kamer meer voor

de propageering van het Anti- revolutionair beginsel en de vrije

School te kunnen doen. Hieraan hadden dan ook zijne Parlementaire

Studien en Schetsen het aanzijn te danken, waarin

de vraagstukken van den dag behandeld werden. Straks zette

hij zijne N e d er landsche gedachten voort, waarin onder

meer de scheuring uiteengezet werd, die zich tusschen hem en

de ethisch-irenischen, Beets en De la Saussaye, in den boezem

van Christelijk Nationaal had voorgedaan (1869). In 1853 riep

de bekende Amerikaansche geschiedschrijver John Lothrop

Motley, die zich door zijne Opkomst van de Nederland -

sche Republiek reeds een grooten naatn gemaakt had, zijn

hulp in tot het vervaardigen van een levensbeschrijving van

Johan van Oldenbarneveldt. Toen dit werk in 1873 verscheen,

was het echter zoo partij dig geschreven, dat Groen het noodig

oordeelde den Stadhouder, pries Maurits, te verdedigen tegen

de zware beschuldigingen, door Motley tegen hem ingebracht,

als zou hij, op souvereiniteit dezer landen belust geweest

zijnde en in Oldenbarneveldt een hinderpaal gevonden hebbende,

met doodelijken haat tegen hem vervuld zijn geweest,

om zijn tegenstander den voet te lichten, de Gereformeerde

beweging zonder eigen overtuiging aangegrepen en niet gerust

te hebben, eer Oldenbarneveldt onschadelijk gemaakt was door

een gerechtelijken moord. Ten einde nu den Stadhouder ook


ZIJN DOOD.

bij het buitenland in goeden naam te houden, schreef Groen

diens verdediging in het Fransch : Maurice et Oldenba rn

eveld t, en staafde ze door de aanhechting van een 53-tal

brieven uit de archieven van het huis van Oranje, waaruit de

ongegrondheid van Motley's bewering onomstootelijk bleek.

Daarna begon hij in het najaar van 1875 aan zijne laatste

serie Nederlandsche gedach ten, of, zooals hij ze zelf betitelde:

zijn Christelijk-Historisch Testament. Hoe

veelvuldig ook zijne geschriften waren, toch miste Groen populariteit

: hij schreef nu eenmaal, zooals hij zelf erkende, niet a a n

het yolk, maar voor het yolk, en daarom juist heette hij ook

de verschijning van de St a n d a a r d, waarin de Christelijkhistorische

beginselen besproken werden in een taal, welke het

yolk verstond, hartelijk welkom, te meer omdat hij zich nu

geheel en onverdeeld aan zijn historischen en staatkundigen

arbeid wijden kon.

Den I9den Mei 1876 nam de dood hem weg, en voorzeker,

de vervulling van zijn wensch : „Dat ik verteere, als ik

maar nuttig ben," was hem niet ontgaan. Drie jaren later

volgde hem zijn trouwe gade, zijn steun en rechterhand in zijn

'even : „de secretaris van haren man."

Zoo was dan andermaal de School het struikelblok geworden

voor geheel een Kabinet. Dit is dan ook licht te begrijpen

voor een ieder, die een weinig meer dan oppervlakkig de zaken

beziet. In den grond toch was de Schoolquestie een godsdienststrijd

tusschen hen, die een Christendom boven geloofs -

verdeeldheid huldigden en daarvoor gaarne de gansche Natie als

stormenderhand wilden veroveren en hen, die den godsdienst

der vaderen als het fondament en het richtsnoer beschouwden

van alle waarachtige volksopvoeding. De Liberalen verwachtten

van de neutrale school, door den tegenstander „moderne secteschool"

geheeten, alleen die verdraagzaamheid, welke zij eene

voorwaarde rekenden voor nationale eendracht ; de Anti-revolutionairen

en Roomschen achtten, dat de openbare school niet

anders dan de geheele ontkerstening des yolks bedoelde. De

eersten meenden, dat de volksontwikkeling en beschaving schade

1 8 7


188 DE SCHOOLSTRIJD.

leden door den eisch, welke de Godsdienst aan de School

stelde ; de laatsten daarentegen oordeelden, dat kennis en

beschaving, zoo ze niet ten gebruike van het godsdienstig

bewustzijn gesteld werden, ten verderve leidden. Reeds van 1857

of woedde de strijd tusschen de beide partijen al heviger.

Hoe meer en hoe heftiger de aanvallen van de Anti-revolutionairen

en Roomschen tegen de wet gericht werden, des te

sterker verklaarden de Liberalen, dat zij dit paladium voor de

toekomst des yolks ten einde toe zouden verdedigen. Dr. A.

Kuyper, ook in de Kamer in Groen's arbeid getreden, heette

het vigeerend Schoolstelsel „een kwetsing der gewetensvrijheid"

voor zijne partijgenooten, eischtte scheiding der School

naar de godsdienstige gezindheden en achtte wijziging van art.

194 der Grondwet gebiedend noodzakelijk. Geen subsidie, welke

het vrije onderwijs moeilijk vrijhouden kon van afhankelijkheid

van den Staat, maar restitutie, waarbij het voordeel erkend

werd, dat het vrije onderwijs aan den Staat waarborgde, benevens

de erkenning van zijn goed recht, dat was Dr. Kuyper's

leuze. Intusschen was het vooral de vereeniging Volksonderwijs,

die door haar voornaamste pleitbezorgers, haren stichter

A. Moens, afgevaardigde der Tweede Kamer voor het kiesdistrict

Sneek, en Mr. Kerdijk, een bekwamen rechtsgeleerde

van radicale richting, het vuur nog feller aanblies, toen zij,

niet tevreden met hetgeen de wet reeds aan de Lagere School

verzekerde, nog op uitgebreider staatsbemoeiing in zake het

Onderwijs aandrong en de kosten voor het Onderwijs bijna

geheel ten laste van het Rijk brengen wilde. Fel werd daardoor

de politieke haat tusschen de beide partijen en van weerszijden

hield men zich overtuigd, dat de strijd slechts met de geheele

vernietiging van een der beiden kon beslecht worden en bij al

de voorstellen, door Volksonderwijs tot wetsverbetering ingediend,

schemerde dan ook niet onduidelijk 't streven door om de

vrijheid van het Bijzonder Onderwijs geheel en al te vernietigen,

en . dat eeniglijk en alleen door middel van den Staat, alsof

de Regeering gerechtigd was met behulp van de gelden, door

alien saAmgebracht, een deel der burgers van hun recht en


HET ONTWERP-KAPPEYNE. 189

hunne vrijheid te berooven en in zekere godsdienstige meening

te dringen. Daarom moest ook het Kabinet-Heemskerk

vallen. Van hem toch, zijne vorige pogingen hadden het bewezen,

konden de Liberalen geen Wet wachtten, die aan de

hooggeplaatste verwachtingen van Volksonderwijs voldoen zou.

Hij was, zooals Kappeyne het bij de begrootingsdiscussie uitdrukte

: „een conservatief staatsman, die zich op clericale krukken

in evenwicht hield op liberaal ijs." Daarom nam toen

reeds Moens het initiatief, waarbij wel niet al de verwachtingen

van Volksonderwijs vervuld werden, maar toch 40 percent

van de kosten voor het Onderwijs op rekening van den Staat

zouden komen. Van alle zijden gingen er uit de voorstanders

van het Bijzonder Onderwijs stemmen tegen het voorstel Moens

op, dat echter plaats maakte voor het ontwerp, straks door

minister Heemskerk ingediend. Heftige tegenkanting ondervond

bij de Anti-liberalen het ontwerp Heemskerk, dat niet slechts

geenerlei rekening hield met hunne grieven, maar ook vooral

in de daarbij gevoegde memorie van toelichting de bezwaren

der overtijde met bitteren spot bejegende. Zoo boden de hoofden

van 258 bijzondere scholen te Amsterdam, gezamenlijk door

ongeveer 41.000 leerlingen bezocht, den Koning een adres aan,

waarin zij verklaarden, dat het Bijzonder Onderwijs rechtmatige

aanspraak had op staatsrechterlijke gelijkstelling met het Openbare

en waarbij Zijne Majesteit eerbiedig werd verzocht, haar

zorg voor het onderwijs op zoodanige wijze te behartigen, dat

ook voor hen, die niet tot de zeer rijken behoorden, de vrijheid

om andere dan openbare scholen te bezoeken, geen gevaar

liep. Een achttal anti-revolutionaire kamerleden, de heeren

Van den Berg van Heemstede, Schimmelpenninck van der Oye,

Kuyper, Van Wassenaer van Catwijck, Teding van Berkhout,

A. Mackay, Van Asch van Wijk en Van Heemstra, dienden

reeds bij 't onderzoek van het ontwerp in de sectien eene collectieve

nota in, waarbij op dringenden, doch waardigen toon

de „voorziening van het zedelijk belang en de vrijheid van

conscientie en staatsrechterlijke gelijkheid voor de beide takken

van onderwijs" verlangd werd. Zij vraagden als hun minimum,


I 90 DE NOTA DER ACHT KAMERLEDEN.

dat als nieuw art. 1 in de Wet de volgende bepaling opgenomen

mocht worden.

De zorg der Overheid voor het Lager Onderwijs strekt zich

uit tot :

1. De bevordering van de opleiding van het onderwijzend

personeel.

2. De uitreiking van de verlofstukken tot het geven van

onderwijs.

3. De uitbetaling van een vaste jaarwedde van rijkswege

aan alle onderwijzers, volgens bij de Wet vast te stellen regelen.

4. De toekenning van pensioenen aan alle onderwijzers,

eveneens naar bij de Wet vast te stellen regelen.

5. Het houden door de gemeente van scholen, zitplaatsen

opleverend voor alle kinderen, wier ouders of voogden open -

baar onderwijs voor hen begeeren.

6. Het houden van toezicht op het Onderwijs.

Ongunstig werd het ontwerp door alle partijen ontyangen,

dock weldra schortte de crisis den strijd, daar bij den

val van het ministerie Heemskerk zijn ontwerp ingetrokken

werd. Van het nieuwe Ministerie werd straks de oplossing

van de questie verlangd en algemeen verwachtte men natuurlijk,

dat de Liberalen het toppunt hunner wenschen zouden

bereiken. Den 2den Maart 1878 werd dan ook het nieuwe

ministerieel ontwerp in de Kamer begroet. In de memorie

van toelichting heette het : „Het Bijzonder Onderwijs, dat neutraal

gegeven wordt, heeft geen aanspraak op geldelijke ondersteuning

van overheidswege , met welk recht zou dan het

Bijzonder Onderwijs, dat niet neutraal is, dergelijke aanspraak

willen doen gelden ?" Daar in de sectie-vergaderingen alleen

Liberalen benoemd werden, behoorden ook de rapporteurs alleen

tot hun partij en zoo werd dan ook reeds in de algemeene

beschouwingen geconstateerd, dat de meeningen van de voor -

en tegenstanders met evenveel voor- en tegeningenomenheid in

de Staten- Generaal besproken werden. De voorstanders van

het vrije Onderwijs daarentegen merkten op, dat de Minister

in de memorie van toelichting zich op een eenzijdig standpunt


DE MEMORIE VAN TOELICHTING. 191

geplaatst had. Immers daarin werd het Openbaar Onderwijs

geheel beschouwd als een tak van publieken dienst, welke uitsluitend

door het Staatsgezag moest worden bevorderd, maar

het vergat daarbij, dat de Grondwet, al heeft zij ook aan de

Openbare School zekeren voorrang toegekend, de vrije School

daarnevens heeft gesteld, en dus althans geene onderdrukking

dier School heeft gewild. En waar de memorie van toelichting

beweerde, dat de groote meerderheid der Natie, telkens wanneer

zij er toe opgewekt werd, ondubbelzinnig hare voortdurende

gehechtheid aan de neutrale School had aan den dag

gelegd, bracht de tegenpartij daartegen in, dat de neutrale

School voor de Roomschen en de Anti-revolutionairen, dat wil

zeggen : voor 2/3 der bevolking althans niet bruikbaar heeten

kon, en dat te meer, wijl zij de zoo geloofde neutraliteit, welke

men haar toeschreef, noch bezat, noch ook bezitten kon. De

Wet zelf met haren eisch ter opleiding tot alle maatschappelijke

en Christelijke deugden, maakte die School_ dienstbaar tot

de aankweeking van een Christendom boven geloofsverdeeldheid,

waarmede zij zich niet vereenigen konden en zoo werd,

naar hunne meening, de meerderheid der Natie door eene minderheid

van hare grondwettige vrijheid beroofd om hare kinderen

naar hare inzichten te doen opvoeden. Naar het oordeel

van die Kamerleden, welke de tegenstanders der Wet vertegenwoordigden,

zou eerst dan aan het grondwettig voorschrift, dat

eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen voorschreef, bij

de regeling van 't Openbaar Onderwijs volkomen voldaan worden,

wanneer de zoogenaamde neutrale School als aanvullingsschool

dienst deed voor de kinderen dier ouders, die aan zulk eene

neutraliteit inderdaad de voorkeur gaven, en zulk een regeling

werd te meer aanbevolen in een land, welks bevolking, wat

godsdienstige belijdenis betreft, zoo gemengd heeten mocht.

Slecht konden zij dan ook aannemen, dat daardoor, zooals

de Minister in de memorie van toelichting zeide, slechts kerkelijke

tweedracht en onverdraagzaamheid zou aangekweekt worden.

Mocht echter, zoo namen zij als conclussie aan, de confessioneele

Staatsschool niet te verkrijgen zijn, dan achtten zij als


I 92 UITLEGGING DER GRONDWET.

surrogaat, verplichte subsidie aan bijzondere scholen van Staatswege

gewenscht.

De leider der Roomsche leden in de Kamer, de heer Van

Nispen van Sevenaer, zette zijne bezwaren tegen het ontwerp

in een afzonderlijke nota uiteen, waarin hij zijne instemming

met het mandement van de bisschoppen te kennen gaf. Evenzoo

kwam een nota in van een achttal anti-revolutionaire Kamerleden,

waarvan Bichon van IJselmonde de eerste onder-

teekenaar was. Het mocht niet baten : de meerderheid in de

afdeelingen verklaarde de bezwaren der tegenstanders voor

ongegrond en vereenigde zich met de beginselen, in de memorie

van toelichting blootgelegd : „De grondwetgever," zoo

heette het, „heeft zijne voorliefde vow de openbare school,

zooals hij die kende, onverholen aan den dag gelegd. Hij

stelde er overgrooten prijs op, dat die school, waar de kinderen

van alle burgers, hoedahig hunne geloofsbelijdenis ook zij,

op dezelfde banken broederlijk nevens elldar gezeten, gemeenschappelijk

worden onderwezen en eene zedelijk-godsdienstige

opleiding, vreemd aan alle kerkleer ontvangen, de volksschool

bij uitnemendheid bleef. Daarom wilde hij, dat er bij het toekennen

van volledige vrijheid van onderwijs, afdoende waarborgen

bestonden, dat die vrijheid niet te eeniger tijd zou

worden misbruikt ; dat niet de bijzondere, de kerkelijk gekleurde

school ergens in den lande de openbare zou kunnen

ondermijnen of verdringen. In die richting ligt alles — ieder

die de geschiedenis der grondwetsherziening onbevooroordeeld

nagaat, moet het erkennen, wat evenwel de tegenstanders der

openbare school meenden niet te moeten erkennen — wat

over de vaststelling van art. 194 der Grondwet is verhandeld.

Het recht der ouders, om naar hunne begrippen de opvoeding

hunner kinderen te regelen, om in het kiezen van leermeesters

aan geen dwang onderworpen te zijn, werd erkend, loch de

openbare school moest niet enkel den voorrang hebben, maar

de eenige blijven, rechtstreeks door het Staatsgezag bezorgd.

Daarom werd op sterken aandrang der Vertegenwoordiging in

art, 194 het voorschrift opgenomen, dat het Openbaar Onder-


DE INHOUD, 193

wijs is „een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regeering"

en het andere, niet minder belangrijke, volgens hetwelk

„overal in het Rijk van overheidswege voldoend onderwijs

wordt gegeven."

Wat den hoofdinhoud der Wet betreft, het beginsel der

Wet van 1857 bleef gehandhaafd, aan opleiding van onderwijzers

op Rijksnormaalscholen en normaallessen werden groote

bedragen toegezegd, het schooltoezicht werd uitgebreid en 30

pCt. der kosten, welke de gemeenten aan het onderwijs besteden

moesten, zouden door het Rijk teruggegeven worden,

waaronder ook de kosten van schoolbouw gerekend werden.

Of nu de voorzichtigen in den lande al berekenden, dat men

de Rijksschatkist te zeer bezwaarde — immers voor het eerste

jaar werden de uitgaven op nagenoeg anderhalf millioen

begroot, waar dan nog wel vier millioen bij zou komen — dat

alles baatte niet. Voor de school der volksbeschaving en yolksverlichting

mocht geen offer te groot heeten en geen Liberaal

mocht zijn stem tegen het ontwerp-Kappeyne verheffen.

Nimmer was er een wetsontwerp met grooter spanning

door de Leden der Kamer en door het talrijke publiek op de

tribunes ontvangen, en met de meeste belangstelling volgde

men de beraadslagingen, totdat den uden Juli het wetsontwerp

door de Tweede Kamer met 25 tegen 48 stemmen aangenomen

werd. Al de Liberalen hadden voor, alle Anti-revolutionairen

en Roomschen tegen gestemd. Den 7den Augustus

nam ook de Eerste Kamer het ontwerp aan met 27 tegen 10

stemmen, waaronder, behalve de Roomsche leden, ook de heeren

't Hoofd en Aylva van Pallandt behoorden.

Inmiddels was er in den lande eene groote volksbeweging

ontstaan. Nauwelijks was het ontwerp ter openbare kennis gebracht,

of zelfs voor de behandeling daarvan richtten duizenden

in den lande zich tot de Tweede en straks tot de Eerste Kamer

, met de bede, om het regeeringsvoorstel te verwerpen. Den

3osten Maart hadden de heeren Brummelkamp c. s., gesteund

door de vele Kerkeraden en Gemeenteleden der Christelijk Gereformeerden,

een dergelijk adres ingezonden, later gevolgd door

Dl. VIII, 13


194

HET PETITIONNEMENT.

een ander van Patrimonium, het Algemeen Nederlandsch Werkiiedenverbond,

door de Vereeniging van Christelijk Nationaal

Schoolonderwijs, enz. De Vereeniging van Christelijk Nationaal

Schoolonderwijs had eene Commissie benoemd, om, indien het

ontwerp•Kappeyne mocht aangenomen worden, de leiding van

eene volksbeweging op zich te nemen en in zake de onderwijswet

een petitionnement aan Zijne Majesteit aan te bieden.

Deze Commissie bestond uit de heeren Ds. van Son, Mr. G.

H. de Marez Oyens, H. Beuker, M. Wiegand, Dr. A. Kuyper,

Mr. B. J. L. Baron de Geer van Jutfaas, Jhr. Mr. A. F. de

Savornin Lohman en N. M. Feringa, de eerste als voorzitter,

de laatste als secretaris. Men besloot om de Kerkeraden der

Nederlandsch Hervormde, der Christelijk Gereformeerde en der

Hersteld Luthersche Gemeenten uit te noodigen, het adres der

ouders te steunen met een zelfstandig adres ; voorts aan Evangeliseerende

en kerkelijke vereenigingen gelijk verzoek te doen ;

de redaction der Christelijke Pers medewerking te verzoeken om

in de verschillende plaatsen op te wekken tot het vestigen van

locale Comites en het adres te doen zijn een adres van doopouders,

hetzij vaders of weduwen, of ook van voogden en belangstellenden.

De inhoud zou de volgende verklaring bevatten

a. dat ondergeteekenden voor de aan hunne zorg toevertrouwde

kinderen „eene School met den Bi; bel" wenschen,

doch thans, tenzij zij gegoed zijn of door anderen bedeeld

worden, geen Christelijk Onderwijs kunnen bekostigen- ;

b. dat de wijze, hoe dit doel te bereiken, geheel aan de

prudentie van den Koning worde overgelaten ;

c. dat velen, die dit begeerden, thans genoodzaakt zijn,

hunne kinderen op de Openbare Scholen te doen, die dus teekenen

en

d. dat velen op de Openbare School vooralsnog wel den

Bijbel vinden, maar in strijd met de Wet, weshalve ook dezen

teekenen.

Toen nu het ontwerp door de Tweede Kamer aangenomen

was, werd door de petitionnarissen in het geheele land

eene ure des gebeds gehouden en met het werk der ondertee


DE AANBIEDING. 195

kening een aanvang gemaakt. Als belangstellende zou ieder

teekenen mogen, man of vrouw, van 20 jaren oud en daarboven.

Aangezien er ongeveer 200.000 exemplaren van het

adres door het land verspreid waren, kon men althans het

verwijt van de overzijde ontgaan, dat men niet zou geweten

hebben, waarvoor men teekende. Daar Zijne Majesteit langer

in het Buitenland verbleef, dan aanvankelijk het voornemen

was, moest men van het oorspronkelijk plan, om het adres op

1 Augustus den Koning aan te bieden, afzien en begaven de

leden der deputatie, uit 28 personen bestaande, zich naar Apeldoorn,

met den beer Jhr. Elout van Soeterwoude als voorzitter

aan de spits, en de adressen, in 14 folio portefeuilles met

zich voerende, droegen tot opschrift : S m e e k s c hr ift aan

den Koning om eene School met den Bijbel.'t Was

voorzeker eene ernstige, eene plechtige ure, toen de deputatie

op Zaterdag des namiddags te 2 uren ten paleize op het Loo,

in de zoogenaamde „blauwe kamer" tegenover Zijne Majesteit

stond. Met aandacht en vaak met blijkbare instemming leende

de Koning het oor aan de woorden van Ds. van Son en

straks van den voorzitter der deputatie. Hartelijk en belangstellend

was het Koninklijk antwoord, door Zijne Majesteit besloten

met een „Leve Nederland !" hetwelk door de deputatie

met een „Leve de Koning ! Leve Oranje !" beantwoord werd.

Zijne Majesteit noodigde dien zelfden dag nog den Voorzitter

aan zijn tafel. In eene memorie van instructie hadden de adressanten

een zestal stelsels ter oplossing van de schoolquestie

blootgelegd. Men wees op facultatieve splitsing naar de gezindheid

of overtuiging der schoolgaande kinderen, waarbij aan de

gemeentebesturen het recht zou toegekend worden, openbare

scholen in te richten voor Protestantsche, Joodsche en Roomsche

kinderen, waar dit gewenscht werd, terwijl evenzeer neutrale

scholen zouden opgericht worden, indien de neutralisten

dit voor hunne kinderen begeerden. Mocht de bevolking echter

of eene neutrale Of eene confessioneele school begeeren, dan

verviel de splitsing. Ook zou bij de instandhouding van de

neutrale school als regel de bijzondere school, of zij al dan


196 DE VERSCHILLENDE STELSELS.

niet neutraal heeten mocht, subsidie van staatswege kunnen

ontvangen, waardoor de oprichting van bijzondere scholen zou

worden in de hand gewerkt. Ook ware het mogelijk de bijzondere

scholen te restitueeren, wat zij door de stichting en

instandhouding aan het Rijk bespaarden, in welk geval de rechtsgelijkheid

van beide erkend en het budget van onderwijs voor

den Staat niet verhoogd werd. Een vierde middel was het

zoogenaamde subventiestelsel : de ouders van de leerlingen der

openbare school zouden daarbij den kostenden prijs van het

onderwijs betalen en on- en minvermogenden geheel of gedeeltelijk

van rijkswege gesteund worden, hetzelfde of zij voor hun

kinderen van de openbare of de bijzondere school wenschten

gebruik te maken. Voorts meende men de zaak ook oplosbaar,

indien den gemeenten meerdere vrijheid geschonken werd om

het onderwijs naar locale behoeften in te richten, terwijl eindelijk

voorgesteld werd om alle onderwijzers in werkelijken

dienst uit de schatkist te bezoldigen, ofschoon dit dusgenaamde

salarieeringsstelsel de grieven niet wegnam en evenmin de moeilijkheid

oplossen zou. Men wees er voorts op, dat men zoowel

den voorstanders als den tegenstanders der wet, gelijk recht

had willen doen en, mochten er leemten in de vijf eerste stelsels

overgebleven zij n, dan zouden deze ongetwijfeld den voorstanders

ten goede komen. Bovendien had 't stelsel van facultatieve

splitsing dit voor, dat het de school geheel in de hand van

de Overheid liet, wat de oprichting en instandhouding betrof,

en zich hierbij de behoefte aan bijzondere scholen minder zou

laten gelden. Het smeekschrift was door 305.869 Nederlandsche

mannen en vrouwen geteekend en voorts door afzonderlijke

adressen van 306 Kerkeraden van de Nederlandsch Hervormde

Kerk, Io8 van de Christelijk Gereformeerde, 7 van de Hersteld

Luthersche Gemeenten, benevens door een aantal corporatien

en vereenigingen geteekend.

Onmiskenbaar was bij heel deze beweging, en ook in den

opzet en den inhoud van het adres en de memorie, de invlocd

van Dr. A. Kuyper. In 1874 voor Gouda tot lid der Kamer

gekozen, had hij in het begin van 1875 zich naar het buiten-


HET RAPPORT. 197

land moeten begeven tot herstel van zijne overspannen zenuwen

; geen wonder voorwaar, bij den reuzenarbeid, waaraan hij

zich wijdde. In dien tijd overleed Groen van Prinsterer en van

toen of was hij de aangewezen leider der Anti-revolutionairen,

gelijk Groen hem reeds meermalen genoemd had. In den zomer

van 1877 keerde hij weder en nadat hij ontslag uit de Volksvertegenwoordiging

genomen had, wijdde hij zich geheel aan

de St anda ar d en de Herau t, welke beide bladen een

grooten invloed uitgeoefend hebben op onze staatkundige en

kerkelijke historie van den laatsten tijd.

Ook de Roomschen wendden zich tot den Koning met de

bede, dat hij zijne koninklijke goedkeuring aan de Wet van

Kappeyne onthouden mocht en boden een adres aan, door

200.000 mannelijke ingezetenen onderteekend.

Al deze pogingen echter, hoezeer ook weerklank vindende

bij de Natie, waren met onvruchtbaarheid geslagen. Den 1 3den

Augustus bracht minister Kappeyne aan den Koning rapport

uit, waarin hij het monsterachtige volkspetitionement voorstelde

als eene politieke demonstratie, welke, lang te voren beraamd

en voorbedacht, slechts ten doel zou gehad hebben om

den Koning tegenover de Volksvertegenwoordiging te plaatsen.

Voorts betoogde de Minister, dat de adressanten slechts- tevreden

zouden zijn met eene Openbare School met den Bijbel,"

waarom de onthouding der Koninklijke sanctie den adressanten

in geen geval genoeg zijn zou. Bitter en onrechtvaardig was

bovenal het verwijt, dat de Minister zich veroorloofde tegenover

de petitionarissen, toen hij hun aantijgde, dat zij de gemoederen

der eenvoudigen hadden opgezweept om de Kroon

in botsing te brengen met de Vertegenwoordiging des Lands en

het Vaderland in verderf te brengen. Scherp en bitter, maar

welverdiend was dan ook de Open Brie f, welke de heer

Jhr. Elout van Soeterwoude aan den Minister van B i nn

e n l a n d s c h e Z a k e n richtte, nadat 't Rapport in de Staatscourant

openbaar gemaakt was. Met onwederlegbaar talent pareerde

de S t a n d a a r d in hare hoofdartikelen het ministerieel

Rapport en de naam, welke zij aan het ontwerp-Kappeyne gaf :


198 HET RIJNKANAAL.

„de Scherpe Resolutie," kreeg op nieuw beteekenis in de histoden

onzes lands, toen de Koning, door de omstandigheden

gedrongen, toch zijn goedkeuring aan een ontwerp verleende,

waarin van de liberale partij kan gezegd worden, haar hoogste,

doch ook haar eindtriomf gevierd te hebben.

Zoo waren dan de adressanten teleurgesteld, maar zwaar

zouden de gevolgen rusten op hen, die de teleurstelling had-

den veroorzaakt. De tegenstanders der Schoolwet gevoelden

zich tot nieuwe en krachtige werkzaamheid geprikkeld. De

petitionnarissen besloten vereenigd te blijven en vormden eene

Unie, een School met den Bijbel, die, onder meer, jaarlijksche

collecten ten goede van het Christelijk Onderwijs organiseerde,

welke collecten, door het geheele land gehouden, in de eerste

jaren meer dan een ton gouds afwierpen.

Nu het ministerie Kappeyne door de Wet op het Lager

Onderwijs de Natie als in twee strijdende legers verdeeld had,

zette het zich tot een nieuwe taak. In 187o reeds had Zijne

Majesteit in hoogstdeszelfs eigen persoon in het IJ bij Schellingwoude

den gedenksteen gelegd voor de Zuiderzee-sluizen,

de sleutels van het werk ter verbinding van de Noord- en

Zuiderzee. Na dien tijd was er vooral van de zijde van Amsterdam

aangedrongen op een waterweg door de Geldersche

vallei, waardoor de Rijn met het nieuwe Noordzeekanaal zou

verbonden worden en Amsterdam, om zoo te spreken, zou gelegen

zijn aan . de mond van een stelsel van rivieren en kanalen,

dat in het hart van Europa zijn oorsprong nam. De kunst

zou alzoo aan de hoofdstad des Rijks vergoeden, wat de natuur

haar onthouden had. Niet onverdeeld mocht de belangstelling

voor dit groote plan heeten. Mannen van invloed, ook te Amsterdam

zelf, zagen bezwaar in de enorme kosten, welke de

voltooiing eischen zou, en anderen weder waren van oordeel,

dat een weg door Zuid-Holland naar de Merwede gunstiger

zou zijn. Het Ministerie, bij monde van den heer Tak, verklaarde

zich voor het Rijnkanaal, doch toen deze belangrijke

zaak in 1879 aan de orde kwam, werd het ministerieel ontwerp,

na lange beraadslagingen, verworpen. Ofschoon men het


DE CRISIS. 199

ontslag, door den minister van Waterstaat genomen, billijkte,

achtte de liberale partij het minder noodzakelijk, dat nu juist

het geheele Ministerie aftreden zou en toch, de geruchten liepen

al spoedig, dat het kabinet-Kappeyne collectief ontslag

aanbieden zou. De zaak was, dat ook hier de gewenschte

homogeniteit ontbrak en er ook geen genoegzame overeenstemming

tusschen den Koning en het Kabinet bestond, waarbij

zich ongetwijfeld ook de omstandigheid deed gelden, dat een

tweetal leden uit het Kabinet overleden waren. De minister van

Kolonien, Van Bosse, was in het begin van 1879 bezweken en

de heer 0. van Rees had zijne plaats ingenornen ; weldra was

de heer De Roo van Alderwereldt gevolgd, wiens portefeuille

aan den heer Den Beer van Poortugaal overgedragen was. De

grootste oorzaak bestond echter in de aloude verdeeldheid onder

de liberale partij, waardoor dan ook de Kanaalwet gevallen

was, wijl zelfs vele liberale leden daartegen gestemd hadden. De

omstandigheid, dat te midden van een ministerieele crisis, door

de beide ministers van Binnenlandsche Zaken en Waterstaat,

een voorstel tot herziening van de Grondwet van 1848 aan

Zijne Majesteit aangeboden werd, openbaarde het gebrek aan

eendrachtige samenwerking in het Kabinet en het gemis aan

overeenstemming tusschen den Koning en zijne ministers. Hoe

het zij, de bladen deelden achtereenvolgens mede, dat Zijne

Majesteit de heeren Heemskerk Az., Fransen van de Putte en

Cremers had ontvangen om met hen over de samenstelling van

een nieuw Kabinet te raadplegen, doch geen van de benoemden

had kans gezien, om onder de tegenwoordige omstandigheden

een nieuw Ministerie seam te stellen. Het duurde tot

in Augustus 1879, toen, in de plaats van de aftredende ministers,

de namen genoemd werden van hen, die het nieuwe Ka-

binet zouden samenstellen, en wet : Baron van Lijnden van Sandenburg,

die als kabinetsformeerder opgetreden was, voor Buitenlandsche-

en Jhr. Mr. W. Six voor Binnenlandsche Zaken,

Mr. E. J. A. Modderman, hoogleeraar te Leiden, voor Justitie,

Mr. J. Vissering, die hetzelfde ambt bekleedde, voor Financien.

W. Baron van Goltstein trad voor Kolonien, Van Erp Taal-


200 ZWARE SLAGEN.

man Kip voor Marine en G. J. G. Klerck voor Waterstaat en

Openbare Werken op. Het mocht met recht een fusie-Kabinet

heeten, aangezien er de meest heterogene bestanddeelen in vertegenwoordigd

waren. Six, Vissering en Modderman waren tot

dusver als conservatief beschouwd, Reuter was Roomsch, Van

Goltstein behoorde tot de gematigd-liberalen en Van Lijnden

werd tot op dit oogenblik tot de Anti-revolutionairen gerekend.

Zware slagen hadden echter achtereenvolgens het Oranjehuis

getroffen. In het begin van het jaar 1877 was H. M.

koningin Sophia der Nederlanden overleden, eene gebeurtenis,

die zoowel het Koninklijk Huis als 't geheele Land in diepen

rouw dompelde. Den 24sten Augustus 1878 was Prins Hendrik

ten tweeden male gehuwd met prinses Maria, dochter van

Prins Frederik Karel van Pruisen. Slechts een half jaar later,

den uden Januari, werd hij op zijn kasteel Walferdange, in

Luxemburg, zijn geliefkoosd verblijf, door de mazelen aangetast

en, na een krankheid van weinige dagen, blies hij in de

armen zijner Gemalin den laatsten adem uit. Verloor de Koning

in zijne Gemalin eene rijkbegaafde, verstandige Gade, de zoo

hartelijk beminde Moeder harer kinderen : ons Volk eene edele

beschermvrouwe van alles, wat schoon is en edel en goed. Zwaar

was ook het verlies, dat en Vorst en Volk leden door het verscheiden

van Prins Hendrik. In vele gevallen was hij 's Konings

rechterhand. Hij was in hooge mate populair en werd

hartelijk door 't Volk geliefd. Zijn vermogen was steeds ter beschikking

voor alles, wat de welvaart der Natie verhoogen kon

en inrichtingen voor zeevaart, handel en nijverheid vonden in

hem een krachtigen steun. Slechts vijf maanden later, den i iden

Juni 1879, overleed de oudste zoon des Konings to Parijs, op

den leeftijd van 39 jaren. Bange 9vragen verdrongen zich in

het hart van alien, die het wel meenden met de toekomst van

Oranje en Nederland. De Koning ging gebukt onder slag op

slag , slechts een zoon, Prins Alexander bleef hem over en zou

deze kroon en scepter erven, indien ook zijn koninklijke Vader

den volke ontviel ? Wie zou het zeggen ? Reeds geruimen tijd

was ook de gezondheidstoestand van Prins Alexander wanke-


DOOD VAN PRINS ALEXANDER. 20I

lend, en inderdaad, de vreeze, welke men koesterde, was niet

ongegrond. Den 2 Isten Juni 1884 toch, in den ouderdom van

bijna 38 jaar, sleepte een langzaam verval van krachten, waaraan

de droefheid over het overlijden van moeder en broeder

KONIN GIN SOPHIA.

een geduchten stoot gegeven had, hem weg. ZOO was dan de

Oranjeboom, die weleer zoo heerlijke en rijke loten en vruchten

gedragen had, als uitgestorven. Ook Zijne Koninklijke

Hoogheid Prins Frederik der Nederlanden, die den hoogen


202 'S KONINGS TWEEDE HUWELIJK.

ouderdom van 84 jaren had mogen bereiken, was den 8sten

September 1881 gestorven en de Koning bleef alleen over als

de laatste mannelijke vertegenwoordiger van het roemrijk geslacht

der Oranje-Nassau's. Duister was het verschiet voor

Nederland en Oranje en menig warm Vaderlander dacht met

bange zorg aan de toekomst, doch .. .

Er liepen geruchten, en weldra werden zij door officieele

tijdingen bevestigd, dat de Koning zich voor de tweede maal

in den echt dacht te begeven met Prinses Adelheid Emma

Wilhelmina Theresia, de lieftallige en beminnelijke derde dochter

van den Vorst van Waldeck-Pyrmont. Ofschoon de Natie

aanvankelijk niet met onverdeelde sympathie de tijding van

het voorgenomen huwelijk ontvangen had, toch was er slechts

een wensch, dat het der Vorstin zou mogen gelukken om den

afgaanden levensdag van den bejaarden Koning met een glans

van vrede en huiselijk geluk te bestralen. De Vorstin heeft

meer gedaan. Niet slechts braken voor den Koning heldere,

gelukkige dagen aan, maar als stormenderhand,'en vooral door

warme belangstelling is het wel en het wee harer onderdanen,

gelukte het der Koningin, de liefde van het Volk te veroveren,

en met warme geestdrift werd het Koninklijk Echtpaar

straks in de hoofdstad des Rijks welkom geheeten. Een eigenaardig

huldeblijk gaf het „koop- en scheeprijk" Amsterdam

aan de jeugdige Vorstin, toen het haar bij die gelegenheid

uitnoodigde om het juist voltooide Droogdok te komen openen.

Gaarne gaf H. M. aan dezen wensch der burgerij gehoor,

en de naam „Koninginnendok" herinnert nog steeds aan de

vervulling van dien wensch. Zoo gaf Neerland's Volk het bewijs,

dat zij de Vorstin dankbaar was voor de zorgen, die zij

aan haren Koninklijken Echtgenoot wijdde en het toonde, dat

het zijn hart niet gesloten houdt ook voor den vreemdeling,

die het met liefde en belangstelling tegenkomt. Hoe werd echter

de vreugde der Natie ten top gevoerd en — waarom het

verzwegen — ook de liefde voor de Koningin verhoogd, toen er

in den zomer van het volgend jaar eene Prinses geboren werd,

die de namen ontving van Wilhelmina Paulina Maria. Het ge-


„ONS PRINSESJE. ” 203

heele land was opgetogen van vreugde, en warme gebeden

rezen voor de Koninklijke Moeder en haar jeugdige Spruit, de

hope van geheel de Natie : „ons Prinsesje," zooals zij weldra

heette. De warme belangstelling van geheel het yolk begeleidde

haar van de wieg tot bij haar onderwijs en hare wandelingen.

Opgroeiende, gaf de jonge Prinses al spoedig blijken van goeden

aanleg. Terwijl hare Koninklijke Moeder zelf haar onderwijs

in den godsdienst, waarmede gewoonlijk haar dagtaak

aanving, leidde, en tevens haar in de Duitsche taal onderrichtte,

ontving zij onderwijs in de Fransche taal van Mejuffrouw Liotard,

terwijl den heer Gediking, hoofd eener school te 's Gravenhage,

het onderwijs in het Hollandsch en de overige yakken

opgedragen werd. Beiden werden later, onder waardeering

van de door hen bewezen diensten, vervangen door Dr. J. J.

Salverda de Grave en Miss Saxon Winter, aan welke laatste

het onderwijs in de Engelsche taal opgedragen werd. Ook in

de muziek en de rijkunst ontving de jeugdige Vorstin nauwgezet

onderricht van bekwame mannen, terwijl de Koningin zelf

haar in de handwerken onderwees. Al meer en meer won de

zich voorspoedig ontwikkelende Prinses de liefde harer toekomstige

onderdanen en meermalen gaf 't Volk daarvan de ondubbelzinnigste

blijken op haren geboortedag of bij andere feestelijke

gelegenheden. Reeds in het jaar 1884 werd bepaald dat,

ingeval de Koning mocht komen te overlijden gedurende de

minderjarigheid der Prinses, de Koningin als Voogdes-regentes

zou optreden.

Wij hebben gezien, hoe het ministerie-Kappeyne viel over

de Kanaalwet. Wel scheen Kappeyne zelf geneigd om aan de

ministerstafel te blijven, zoo de Koning hem steunen wilde bij

eene voorgestelde Grondwetsherziening. Tot zulk eene belofte

liet Zijne Majesteit zich echter niet bewegen en het geheele

Kabinet nam daarop ontslag, om plaats te maken voor het

ministerie-Van Lijnden van Sandenburg, waarin ook de heer

Modderman zitting nam voor Justitie, benevens Van Goltstein

voor Kolonien. Belangrijke wetten kwamen onder dit Kabinet,

dat van 1879-1883 zitting had, tot stand, waaronder vooral


204 HET ATHENEUM VAN AMSTERDAM.

het nieuwe Wetboek van Strafrecht, dat de gewijzigde Code

Penal, die tot hiertoe in ons land gevolgd werd, verving, de

Drankwet en die tot aanleg van het Merwedekanaal.

Lang had zich Amsterdam beklaagd, dat het op het gebled

van Hooger Onderwijs achterstond bij de hoofdsteden van

ALhXANDER, PRINS VAN ORANJE.

al Europa's Staten. Wel is waar was zijn Atheneum beroemd,

eensdeels door de beroemde mannen, die daaraan gevormd

waren, anderdeels door het talent zijner hoogleeraren, maar

toch, het bleef een ondergeschikte rol spelen to midden van de

Universiteiten van het Werelddeel en het Vaderland. Op aan.

drang nu van Amsterdam, werd het Atheneum in een Univer-


DE VRIJE UNIVERSITEIT. 205

......................................n

siteit veranderd, waarover het beheer zoowel als het onderhoud

aan de stad blijven zou, onder eenigen weinigen invloed,

welke de Regeering aan zich behield. We erkennen gaarne het

bezwaar voor de Regeering, om tot de opheffing van een der

vier Universiteiten en tot de keuze van de uit te vallen Hoogeschool

te besluiten, doch ook moet toegegeven worden, dat voor

ons betrekkelijk klein land en zijne draagkracht, het behoud

van alien, tamelijk overbodige weelde heeten mag, een overblijfsel

uit den tijd, toen elke Provincie nog op zich zelf stond en

natuurlijk tuk was op den eisch van eene volledige inrichting

voor zich zelf op elk gebied, waardoor men echter verhinderd

werd om bij alien genoegzame krachten te concentreeren en

dat vooral, nu de nieuwe Wet op het Hooger Onderwijs, in.

1876 onder het tweede ministerie-Heemskerk tot stand gekomen,

de benoeming van vrij wat meer hoogleeraren yorderde

en dus groote opofferingen vraagde.

Het beginsel van het vrije onderwijs, dat zich op het gebied

van de Lagere School zoo krachtig baan gebroken had,

begon zich evenzeer te doen gelden op het gebied van het

Hooger Onderwijs, en vond in de heeren Dr. A. Kuyper en

Dr. F. L. Rutgers krachtige en talentvolle pleitbezorgers, in

Dr. A. Bronsvelt, te Utrecht, een onvermoeid en scherp bestrijder.

Wij kunnen niet anders dan het streven, om ook de Calvinistische

jongelingschap, die hare opleiding in de Christelijke

Bijzondere School aanvankelijk genoten had, ook bij verdere

ontwikkeling te vrijwaren tegen het moderne ongeloof en de

materialistische richting van den tijdgeest, eene logische consequentie

noemen. Ten koste van groote geldelijke opofferingen

en ondanks den fellen tegenstand, vooral van ethische zijde, werd

in 188o te Amsterdam eene Vrije Universiteit op Gereformeerden

grondslag geopend, aanvankelijk siechts voor de Theologische,

Literarische en straks ook voor de Juridische Faculteit.

Ook tegen haar openbaarde zich in de regeeringskringen de

zelfde tegenstand, welke het particulier initiatief bij de La.

gere School had te doorworstelen, en misschien zal het nog

eenigen tijd duren, eer de quasi-liberale zin der meerderheid


206 DE WERELDTENTOONSTELLING.

in de Vertegenwoordiging, of ook het denkbeeld van voortreffe-

lijkheid van het staats-cachet aan de ministerstafel er toe zullen

komen, om aan het vrije Hooger Onderwijs gelijke rechten

toe te kennen met de Rijks-universiteiten.

In April 1882 werd Z. M., bij gelegenheid van het huwelijk

der zuster van de Koningin met den hertog van Albany.

in Engeland, door Koningin Victoria in de orde van den Kouseband

opgenomen. Den Isten Mei 1883 opende Zijne Majesteit

de eerste Internationale en Koloniale Wereldtentoonstelling

te Amsterdam, welke met de vroegere te Londen, Parijs en

andere Europeesche expositien van dien aard wedijveren kon.

Krachtig werd en door den Koning en door de Regeering tot

het weislagen van deze onderneming medegewerkt. De uitbrei -

ding, die het Koloniaal Museum te Haarlem ontving, dankt

het aan deze eerste expositie. Amsterdam was in dien tijd

getuige van een zeldzaam schouwspel. Na een rein naar Engeland,

waar de Koning ook Hampton-Court, de residentie van

wijlen zijn doorluchtigen naamgenoot, den Stadhouder-Koning

bezocht, toog Zijne Majesteit naar Luxemburg en voldeed gaarne

aan de uitnoodiging van Koning Leopold II van Belgie, om

hem te Spa 4 te ontmoeten. Van zijne zijde beantwoordde de

Belgische Koning dit door een bezoek op het Loo, waarna hij

met zijn Koninklij ken Gastheer de Tentoonstelling te Amsterdam

bezocht, waar Zijne Majesteit hem in eigen persoon rondleidde.

Na het bezoek aan de Tentoonstelling vertoonden zich beide

Vorsten op het balkon van het Paleis op den Dam, waar eene

onafzienbare menigte hun verschijnen met gejuich begroette.

De vervoering steeg ten top, toen beide Vorsten al de herinneringen

aan het verleden schenen te willen begraven in een

hartelijke omhelzing, ten aanschouwe van het Nederlandsche

Volk. .In October van dat zelfde jaar bracht Zijne Majesteit

aan koning Leopold een tegenbezoek, en daarmede was zeker

de laatste vonk van wrok gebluscht, welke nog in het hart

van Belg en Nederlander tegen elkander leven mocht.

De maanden Mei en Juni 1884 gaven aan 't Vorstenhuis

vreugde en leed. Reeds had de Natie zich opgemaakt om het


KABINET VAN LIJNDEN-SIX. 207

35-jarig Koningschap van Willem III feestelijk te herdenken,

toen de ziekte en het daarop spoedig gevolgd overlijden van.

Prins Alexander aan alle feestelijke stemming het zwijgen oplegde.

Toch gingen die dagen niet zonder dankbare herinnering

voorbij. Verschil over de omzetting van communaal in individueel

grondbezit op Java, waartegen minister Van Goltstein zich

verzette, gaf aanleiding, dat het Kabinet-Van Lijnden zijn ontslag

nam. Het had vroegere geestverwanten teleurgesteld, reeds

in zijn optreden : van mannen toch als Van Lijnden en Six hadden

de Anti-revolutionairen betere dingen gehoopt dan dat zij

de erfenis van een Kappeyne zouden hebben aanvaard. Zoo de

s c h e r p e resolutie al niet in al haar strengheid aangevoerd

was, dan was dit grootendeels hieraan te danken, dat de schatkist

de weelde, welke het Openbaar Onderwijs door Kappeyne

toegedacht was, niet bestrijden kon. Waar het mogelijk was,

bleek het, dat het Ministerie gaarne de Staatsschool begunstigde,

al ware 't ook ten koste van het Christelijk Onderwijs.

En als dan ook in 1882 een door den heer De Savornin Lohman

ingediend voorstel, waarbij althans de bijzondere scholen

niet geheel onderworpen waren aan de eischen, welke de Wet

van Kappeyne ten opzichte van de schoollokalen stelde, de

goedkeuring der Kamers verkrijgen mocht, zoo had men dit

minder aan de welwillende aanbeveling der Regeering dan aan

de gunstige beslissing der Kamer te danken. Langzamerhand

begonnen ook de Liberalen zelf de gebreken van de zoo hoog

geloofde wet van Kappeyne in te zien en werden zij toegeeflijker

op het punt van wijziging. Ook de heer Vermeulen zag

zijn voorstel, waarbij, in strijd met de Wet van 1878, ook

hulponderwijzers-akten voor vreemde talen konden verkrijgen,

gelijk dat voor dien tijd het geval geweest was, reeds met 57

tegen 18 stemmen aangenomen.

De nieuwe verkiezingen hadden eindelijk, dank zij de

krachtige aaneensluiting van de Anti-liberalen, een omkeer in

de verhouding van de partijen in de Kamer gebracht : de

Anti-liberalen wogen namelijk in stemmen-aantal tegen hun

bestrijders op, en de beslissing in 's Lands zaken hing nu


208 KABINET-HEEMSKERK.

slechts af van de stem des heeren Wintgens, die de schaal

deed overslaan, naarmate hij zich bij de eene of andere partij

voegde. Toen Wintgens straks ontslag nam, stond de Kamer

„op het doode punt," 43 tegen 43, zoodat van nu af elk beshift,

door haar genomen, menschelijker wijze gesproken, van

het toeval af hing.

Het Kabinet Van Lijnden was inmiddels door een Ministerie

Heemskerk vervangen, welks premier dus voor de derde

maal de leiding van 's lands zaken in handen nam. Een voorstel

om het getal Kamerleden op 96 te brengen, waarbij dit

meer in verhouding tot het aantal kiezers komen zou en tevens

de Kamer uit haar moeilij ken toestand zou gered worden,

mocht niet de goedkeuring der leden wegdragen (1884).

Nog moeten we melding maken van eene zending, welke

Nederland op nieuw in nadere betrekking bracht met onze oude

stamverwanten, de zoogenaamde „Boeren" aan de Vaalrivier

in Zuid-Afrika. In het begin van Maart kwamen de heeren

Paul Kruger, president der Zuid-Afrikaansche Republiek, Smit,

minister van Oorlog, en Du Toit, mede lid van het Staatsbestuur,

in Holland, ten einde nieuwe relatien met Holland aan te

knoopen. Met warme belangstelling werd de deputatie in ons

Land ontvangen en van dien tijd af dateert een steeds levendiger

geworden verstandhouding met de oude Hollanders ginds,

die door de krachtige wijze, waarop zij hunne onafhankelijkheid

op Engeland hadden weten te herwinnen, de sympathie

niet slechts van Nederland, maar ook van geheel Europa had-

den gewonnen.

Van vele zij den was er reeds aangedrongen op Grondwetsherziening

en de omstandigheden maakten deze dan ook zeer

gewenscht, doch weinig kans bestond er, dat het ontwerp, het-

welk in 1886 vanwege het ministerie Heemskerk de Kamer bereikte,

aangenomen zou worden. Krachtig hadden zich toch

de Anti-revolutionairen bijeengeschaard en dezen stelden, als

onafwijsbare voorwaarde voor het bekomen van hun steun, de

wijziging yan art. 194, hun een steen des aanstoots van zooveel

jaren herwaarts. De Roomschen in de Kamer steunden hen en


HET LAGER ONDERWIJS. 209

inderdaad, de Minister, ofschoon aanvankelijk niet tot wijziging

van bedoeld artikel gezind, scheen geneigd eene poging te willen

wagen om op schoolgebied aan het vaderland den vrede te

hergeven, en nam zelf het initiatief tot wijziging. Straks bood

hij daartoe het volgende voorstel aan :

„De inrichting van het Openbaar Onderwijs wordt door de

wet geregeld. De openbare scholen zijn toegankelijk voor alle

leerlingen, zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid.

In of voor elke gemeente wordt lager onderwijs gegeven,

voldoende aan de behoefte der bevolking.

Het wordt, voor zooveel daarin niet op andere wijze is

voorzien, van overheidswege verstrekt in openbare scholen; aldaar

wordt het onderwijs aan onvermogenden kosteloos gegeven."

Aan de laatste bepaling werd straks nog eene zinsnede

toegevoegd, welke vaststelde, dat anderen dan onvermogenden

een billijk schoolgeld betalen zouden. Toch waren hiermede

de tegenstanders der wet van Kappeyne nog gansch niet voldaan,

wijl er van rechtsgelijkheid tusschen het openbaar en

bijzonder onderwijs geen sprake was. De Anti-revolutionaire

en Roomsche Kamerleden vereenigden zich dan ook tot het

volgend voorstel, waarin zij hunne eischen omschreven :

Artikel 194 der Grondwet worde gelezen als volgt :

„Het 'Onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg

der Regeering. Het geven van onderwijs is vrij. Het toezicht

van de Overheid op het Onderwijs in het algemeen,:de inrichting

van het openbaar onderwijs en, voor zoover het lager

onderwijs betreft, de aan den onderwijzer te stellen eischen

van bekwaamheid en zedelijkheid worden door de wet geregeld.

De openbare scholen zijn toegankelijk voor leerlingen zonder

onderscheid van godsdienstige gezindheid.

In of voor elke gemeente wordt lager onderwijs gegeven,

voldoende aan de behoeften der bevolking. Het wordt, voor zooveel

daarin niet op andere wijze is voorzien, van overheidswege

verstrekt in openbare scholen voor onvermogenden kosteloos,

voor anderen tegen betaling van een billijk schoolgeld.

In de kosten van het bijzonder onderwijs kan, naar bij

Dl. VIII. 14


210 DE NIEUWE GRONDWET.

de wet te stellen regelen, uit openbare middelen worden bijgedragen,

of het Onderwijs al of niet voldoet aan het in het

vierde lid bepaalde vereischte voor de openbare scholen.

De Koning doet jaarlijks van den staat der openbare

en bijzondere scholen een uitvoerig verslag aan de Staten -

Generaal geven."

Toch droeg dit voorstel niet geheel de goedkeuring der

partij buiten de Kamer weg, omdat 't geen ruimte liet aan on-

vermogenden om hun kinderen kosteloos te zenden. Intusschen,

mocht het met recht een gunstig oogenblik heeten om den

jarenlangen schoolstrijd te beeindigen, ook thans zou men hierin

niet slagen. De Kamer nam hoofdstuk X, onderwijs en armwezen

betreffende, het eerst in behandeling, maar alle pogingen

tot oplossing van de zaak mislukten en zoowel het ontwerp

als de amendementen werden verworpen, waarop het

Ministerie ontslag nam. Aanvankelijk droeg de Koning de vorming

van een nieuw Kabinet aan den heer Mackay op, doch

toen deze niet slaagde, volgde een kamerontbinding en werden

nieuwe verkiezingen uitgeschreven, die een weinig meer ten

gunste der Liberalen uitvielen. Minder eng aaneengesloten stonden

thans de Anti-liberalen tegenover het Ministerie en toen nu

ook de Liberalen, om aan den schoolstrijd een einde te maken,

een amendement aannamen, door de heeren Schaepman en Vos

de Waal ingediend, waarbij artikel 194 althans eenigszins naar

de wenschen van de rechterzijde gewijzigd werd, toen werd

dan ook de nieuwe Grondwet den uden Juni aangenomen. De

Eerste Kamer nam evenzeer alle hoofdstukken der nieuwe Grondwet

aan, behalve het tiende, het Onderwijs betreffende, waarom

dit andermaal ongewijzigd bleef. Het bleef nog steeds de vraag,

of de herziene Grondwet ook door de volgens haar voorschrift

bijeengeroepen nieuwe Kamer, met de vereischte twee derden

van de stemmen der leden zou aangenomen worden. Dan, ook

dit geschiedde, en nadat de Koning de wet gesanctionneerd had,

werd ze den 3osten November 1887 pleehtig afgekondigd. De

herziening was vooral van gewicht ten opzichte van de defensie,

het kiesrecht, de samenstelling der Kamers en de verdui-


NATIONAAL VREUGDEBETOON. 2 1 I

delijking der bepalingen omtrent de troonsopvolging. Voortaan

zou de Eerste Kamer uit 5o leden bestaan, die wel, even als

voorheen, door de Provinciale Staten zouden gekozen worden,

doch niet, zooals vroeger, alleen uit de hoogst aangeslagenen,

maar ook uit degenen, die hooge openbare staatsambten bekleedden

of bekleed hadden. De Tweede Kamer zou uit zoo

leden bestaan, en voortaan zouden alle leden tegelijk om de vier

jaar aftreden. Ook werden de vereischten voor kiesbevoegdheid

dermate gewijzigd, dat van toen of alle mannelijke ingezetenen,

die den leeftijd van 23 jaren bereikt hebben, Nederlanders

zijn en voldoen aan de door de kieswet te bepalen kenteekenen

van geschiktheid en maatschappelijken weistand, kiezer zouden

zijn. Voorts kreeg de Eerste Kamer mede het recht van

enquete en de Vereenigde Kamer dat van amendement, terwifi

geestelijken of bedienaren van den godsdienst niet langer van

het lidmaatschap der Kamers zouden zijn buitengesloten.

Schitterend was in den aanvang des jaars 's Konings 7oste

verjaardag gevierd, waartoe reeds maanden te voren in bijna

alle steden en dorpen des lands de noodige voorbereidingsmaatregelen

genomen waren. Op nieuw ontving de Koninklijke

Familie toen het bewijs, hoezeer het yolk Oranje mint, en vooral

te Amsterdam, waar men de feesten uitgesteld had tot 's Konings

gewone jaarlijksche komst in de hoofdstad, putte men

zich uit in vreugdebetoon. Geen buurt, hoe gering ook, of ze had

een commissie gevormd en ze wedijverde met hare rijkere zusters

in het brengen van offers voor de algemeene feestviering.

Jammer slechts, dat Zijne Majesteit door ziekelijke omstandigheden

verhinderd]werd het Paleis zoo vaak te verlaten, als hij

dit gaarne zou gedaan hebben. Hij bepaalde zich tot enkele

bezoeken, doch de Koningin en „ons Prinsesje" vertoonden

zich overal en bezochten allerlei stichtingen, waardoor de Koningin

en hare vorstelijke dochter niet weinig aan populariteit

wonnen

In Maart 1888 hadden de verkiezingen plaats voor de

nieuwe Kamer „van too ;" daarbij bleven de Liberalen in de

minderheid en de gevolgen daarvan deden zich terstond gevoe-


2 1 2 MACKAY-KEUCEIENIUS.

len. Het ministerie-Heemskerk bood den Koning weidra zijne

portefeuilles aan en een nieuw ministerie Mackay-Keuchenius

trad op, waarin straks Jhr. de Savornin Lohman zitting nam,

toen, ten gevolge van de verwerping zijner begrooting door

de Eerste Kamer, Keuchenius, die als minister van Kolonien

zitting genomen had, weidra aftrad. Aan het Ministerie gelukte

het eindelijk, eene herziening van de Wet op het Lager Onderwijs

tot stand te brengen, welke den 8sten December 1889

aangenomen werd en die het Bijzonder Onderwijs rechtsgelijkheid

met het Openbare Onderwijs toezegde, althans voor zoover

het 't Riik betrof, en dit trachtte te verwezenlijken door

een subsidiestelsel, geregeld naar het aantal schoolgaande kinderen

en dat der onderwijzers.

Ook de Eerste Kamer nam straks een wetsontwerp aan,

dat weidra den naam van „pacificatie" verkreeg, omdat men

zich vleide, dat daardoor althans op het gebied van den Staat

de strijd over het onderwijs zou beslecht zijn. Ook de Koninklijke

bekrachtiging liet zich niet lang wachten en voortaan

zou dus „de maatschappij" en niet „de wetgever" uitmaken,

of de openbare of de bijzondere school aanvulling dan wel

regel zijn zou.

Intusschen was 's Konings gezondheid al meer wankelend

geworden. Eene chronische ingewandsziekte deed zich telkens

heviger gevoelen en, hoe Amsterdam zich ook voorgesteld had,

bij de feesten, die het vieren wilde ter eere van den 8sten verjaardag

der Prinses, de Koningin en de „Lieveling des Volks"

op 't Paleis te mogen zien, de Vorstin achtte het bedenkelijk de

zijde , haars Koninklijken Gemaals te verlaten. Evenzeer werd

het voornemen der Koninklijke Familie verhinderd om zich van

het Loo naar het buitenland te begeven. Naarmate het einde

des jaars naderde, namen de berichten aangaande 's Konings

toestand een meer onrustbarend karakter aan en bij de kwaal,

waaraan de Vorst lijdende was, voegden zich nog de verschijnselen

van diphteritis. Den overgang van het oude in het

nieuwe jaar in de Residentie te vieren, hoezeer dit ook een

jaarlijks gebruik heeten mocht, bier kon thans geen sprake


' S KONINGS KRANKFIEID. 213

van zijn. Nauwelijks was het nieuwe jaar ingetreden, of er

moest zelfs buitengewone geneeskundige hulp voor Zijne Majesteit

ingeroepen worden. De crisis naderde en men ver-

wachtte niet anders, of het einde zou spoedig daar zijn. De

in de Staatscourant voorkomende bulletins schenen daarop te

zinspelen en ten paleize op het Loo ruimde men reeds plaats

in voor hen, die wegens hun officieel ambt na het overlijden

aanwezig moesten zijn. Toch won 's Konings ijzersterk gestel

het nog eenmaal van de krankheid, en een korte wijie van herstel

trad in. Hoe zwaar hij ook leed, nog steeds hield Zijne

Majesteit zich met de belangen van het land en de welvaart

zijner onderdanen bezig, en zelfs op zijn krankbed gedacht hij

de Nederlandsche Heidemaatschappij, de ontginning in de Peel.,

den landbouw in Limburg, en dat alles steunde hij met vorstelijke

gaven.

Zwaar en gedrukt was de stemming der Natie, toen andermaal

de i9de Februari, de jaardag des Konings, aanbrak,

en nauwelijks was deze dan ook verstreken, of andermaal gaf

de abnormale toestand van den vorstelijken lijder reden tot

bezorgdheid. Was men ook ten hove minder bezorgd, weldra

toch constateerden de geneesheeren een algemeenen achteruitgang

bij toeneming der plaatselijke ziekte-verschijnselen, waarom

het Ministerie het wenschelijk achtte, nog tijdig de Staatszaken

te regelen. Er hadden beraadslagingen plaats tusschen

den Raad van State, het Ministerie en de geneesheeren des

Konings, en het gevolg was eene afkondiging in de Staats-

Courant van 29 Maart 1889, waarbij de Raad van Ministers,

oordeelende, dat de Koning buiten staat geraakt was de Regeering

waar te nemen, volgens de desbetreffende artikelen der

Grondwet, de Staten-Generaal in vereenigde vergadering samenriep.

Den 2den April daaraanvolgende waren de beide Kamers

in vereenigde zitting vergaderd. De tribunes waren eivol van

lieden, die belang stelden in dit onder de lotgevallen des lands

eenig feit. Bijna alle leden der Staten-Generaal waren tegenwoordig

en aan de ministerstafel waren alle plaatsen bezet. Terstond

nadat de gebruikelijke formaliteiten bij de opening der


2 14 DE MINISTERIEELE MEDEDEELING.

zitting afgeloopen waren, gaf de Voorzitter der Eerste Kamer,

Mr. W. A. A. J. Baron Schimmelpenninck van der Oye, het

woord aan den minister van Binnenlandsche Zaken, die, na een

algemeen overzicht van den loop van 's Konings ziekte gegeven

te hebben, mededeelde, dat de Ministers, verwarring

en stremming in den gang van 's lands zaken vreezende, het

noodzakelijk geacht hadden, om eene besliste verklaring van

de geneesheeren des Konings te vragen, of naar hun oordeel

nog eene gunstige wending binnen betrekkelijk korten tijd zou

verwacht mogen worden, dan wel of deze, naar hunne meening,

niet meer, of slechts na lang verloop, mocht tegemoet gezien

worden. Daarop hadden de Ministers eene verklaring ontvangen,

geteekend door Prof. Rosenstein, den lijfarts des Konings'

Dr. Vinkhuizen en Dr. J. Vlaanderen, waarin dezen uitspraken,

dat in den eersten tijd, althans volgens de regelen der

wetenschap, geene verbetering in den toestand zou intreden.

Nogmaals hadden de Ministers door persoonlijk bezoek op het

Loo zich overtuigd, dat ook van hervatting der geringste werkzaamheid

geen sprake kon zijn, waarom de Ministerraad zich

_genoodzaakt zag te verklaren, dat Zijne Majesteit buiten staat

geraakt was de Regeering waar te nemen en daarvan, met verzoek

om advies, kennis gegeven had aan den Raad van State.

Deze achtte, dat de Staten-Generaal onverwijld behoorde saamgeroepen

te worden : een advies, tot welks opvolging men zich

bij het steeds ongunstiger worden der berichten van het Loo,

te meer gedrongen gevoelde. — De Minister zeide :

„Niet dan met diepe smarte kwijt de Raad van Ministers

zich bij dezen van die droevige taak. Hoe gaarne hij u ook

gewezen had op de eene of andere omstandigheid, die de gelegenheid

zou kunnen openen om een beslissing ten deze vooralsnog

te verdagen, de Raad vindt er, helaas, geene.

Het oogenblik is thans gekomen, waarop uwe tusschenkomst

en beslissing volgens de Grondwet vereischt worden."

Getroffen had de Vertegenwoordiging des yolks de droeve

mededeelingen van den Minister aangehoord en de Voorzitter

was voorzeker aller tolk, toen hij sprak : „De Vertegenwoor-


HET BESLUIT. 2 1 5

diging van het Nederlandsche Volk beseft het pijnlijke van de

taak, heden door de Regeering vervuld, en in niet mindere

mate voorzeker voelt zij al het onuitsprekelijke en den hoogen

ernst van de thans haar opgedragen taak, om te voorzien in

de Regeering, die de laatste Vorst uit het innig geliefde Stamhuis

van Oranje tijdelijk moet nederleggen.

Eene beslissing werd tot den volgenden morgen verdaagd.

Andermaal waren de tribunes met eene opeen gedrongen schare

bezet, terwijl in de loge vele aanzienlijken, officieele personen,

ook tal van dames plaats genomen hadden. Nadat de notulen

van de vorige vergaderingen gelezen waren, sprak de Voorzitter

: „Thans meen ik, hoe onnoemelijk zwaar het ons ook

moge vallen, in overweging te moeten geven, dat de Vereenigde

Vergadering besluite :

„De Staten-Generaal, in vereenigde vergadering, verklaart,

dat het bij artikel 38, Iste lid, der Grondwet omschreven geval

aanwezig is."

Na eene langdurige en indrukwekkende stilte, vervolgde

hij : „Indien geen der Leden het woord verlangt te voeren,

wordt tot stemming overgegaan !"

De hamer viel ; de Voorzitter nam de presentielijst en las

de namen der aanwezigen af. Allen stemden voor, en terwijl

alien zich van hunne zetels verhieven, meldde de Voorzitter

het resultaat der stemming en vervolgde : „Dit besluit, wel de

meest smartelijke beslissing, waartoe ooit de Nederlandsche

Volksvertegenwoordiging kon geroepen worden, zal op de bij

de Grondwet omschreven wijze worden afgekondigd. Ik heb de

eer om aan de Vergadering voor te stellen, mededeeling van

dit besluit te doen aan den Raad van State en aan de hoofden

der Ministerieele Departementen, in rade vereenigd."

Na goedkeuring door de Kamer sprak de Voorzitter, op

den toon van de diepste ontroering, luide : „God behoede ons

Koninklijk Huis !"

Getroffen verlieten de Leden der Kamers de vergaderzaal.

Den 4den April daaraanvolgende verscheen de afkondiging

van het besluit in de Staatscourant en deelde de Raad van


2 16 HERSTEL.

State aan de Natie mede, dat hij, volgens de Grondwet, in

naam des Konings, de waarneming van het Koninklijk gezag

had aanvaard, totdat een door de Regeering bij de Vertegenwoordiging

in te dienen wetsontwerp, betreffende de benoeming

van een Regent of Regentes, zou zijn aangenomen. Met bange

zorg las men dagelijks de berichten aangaande den Vorstelijken

lijder, toen zich op het alleronverwachts zulk een keer

in diens toestand voordeed, dat men vooralsnog de instelling

van het regentschap verschoof. Weinig tijds na bovenbedoelde

of kondiging in de Staatscourant begon men hoop te koesteren

op 's Konings herstel. Een week later berichtte men reeds

van het Loo, dat de toestand bepaald gunstiger heeten mocht.

Reeds den 20sten April wachtte Zijne Majesteit op gunstig

weder om zich in de buitenlucht te kunnen begeven, en nauwelijks

was de maand April verstreken, of andermaal werden de

beide Kamers tot eene vereenigde zitting opgeroepen, maar nu,

om officieel de blijde tijding te vernemen, dat Zijne Majesteit,

Gode zij dank, weder in staat gesteld was om de Regeering

waar te nemen. Een driewerf „hoera !" en een geestdriftvol

,,Leve de Koning !" was het antwoord op deze mededeeling, en

straks werd er besloten om, namens de beide Kamers, aan Zijne

Majesteit een telegram van gelukwensching te zenden. De volgende

week mocht Zijne Majesteit weder in de buitenlucht gaan

en Dr. Vinkhuizen nam afscheid van den Koninklijken patient.

Dankzeggingen rezen ten hooge uit de kerken, telegrammen en

adressen van gelukwenschingen werden bij honderden naar het

Loo gezonden, en 't was alsof der Natie een zware last van het

hart gewenteld was, zoo kinderlijk blijde betoonde zij zich bij

het verassend herstel.

Wie had het dan ook nog durven hopen, dat de Koning

bij herstelde gezondheid nog een luisterrijk feest met zijn geliefde

Volk zou vieren, en wel dat zijner veertigjarige Regeering

! De bange verwachting, de lange spanning, waarin men

verkeerde, waren oorzaak, dat men geenerlei toebereidselen

voor den 1 2den Mei had gemaakt, doch nu de zaken zulk

eene verrassende wending genomen hadden, meende men zich


VEERTIGJARIGE REGEERING. 2 17

te moeten bepalen tot datgene, wat de burgers der gemeenten

zelf uit vrije beweging doen konden en wilden, en nu juist

werd het openbaar, hoe zeer het Volk zijn Koning lief had. In

allerijl toch werd niet slechts het geliefkoosde dundoek voor

den dag gehaald, maar -versieringen, illuminatien, schilden en

alles wat de vindingrijkheid der liefde in der haast gereed

maken kon, werden aangebracht.

Op den dag zijner inhuldiging vaardigde de Koning eene

proclamatie aan zijn yolk uit van den volgenden inhoud :

„Geliefde Landgenooten en Onderdanen I"

„Heden zijn veertig jaren voorbijgegaan sedert den dag,

waarop ik plechtig de Regeering over het Nederlandsche Volk

heb aanvaard.

Zal mijn Volk van mij getuigen, dat ik mijn Koninklijk

n

woord heb gestand gedaan, ik weet, dat in lief en leed, in

blijde en droeve dagen, mijn Volk getrouw gebleven is aan mij

en mijn Huis.

„Ik heb er steeds naar gestreefd, de welvaart en den

bloei van ons Vaderland te bevorderen.

„Met innigen dank jegens den Almachtige zie ik op het

verviogen tijdperk terug. Zijn zegen heeft het oud verbond

van Oranje en Nederland bevestigd.

„Over de toekomst van mijn Huis en mijn Volk roep ik

op dezen plechtigen dag dienzelfden zegen in. De herinnering

aan het verleden is mij een waarborg voor de toekomst : Oranje

en Vaderland, onder Gods zegen een, krachtig en vrij I"

Het Loo, I2 Mei 1889. WILLEM.

Volgens den- wensch van den Koning werd de I2de Mei,

zijnde een Zondag, alleen gewijd aan de godsdienstige viering

van den heuglijken dag, en oak de burgerij bepaalde zich grootendeels

tot het uitsteken van vlaggen en het dragen van de

geliefde Oranjekleur. Den volgenden dag echter vierde de Natie

op voorbeeldige wijze het schoone feest. Ook op het Paleis

ontving het feest eene godsdienstige wijding. Tal van vreem-


2 1 8 DE FEESTELIJKHEDEN.

delingen hadden zich naar Apeldoorn begeven en zij smaakten

het genoegen, de Koningin met de Prinses des namiddags

te zien uitrijden om de versierde straten van de gemeente

in oogenschouw te nemen. Een stroom van telegrammen bereikte

het Paleis, en zelfs moest men 't personeel aan het Telegraafkantoor

met buitengewone 'hulp versterken. Duizenden verdrongen

zich den volgenden dag voor het Paleis, om op het uitrijden

der Koningin en van het Prinsesje te wachten, en straks

kregen zij dan ook hun wensch, toen de beide vorstelijke per -

sonen — Zijne Majesteit mocht niet uitgaan — in een open

landauer gezeten, stapvoets door het versierde dorp reden. De

wijze, waarop en de Koningin en de jeugdige Prinses aan het

dorpsfeest deelnamen, versterkte de liefde en de geestdrift voor

haar beiden niet slechts, maar ook sterkte het den band tusschen

Koning en Volk. Vanwege den Amsterdamschen Gemeenteraad

was een adres van gelukwensching tot den Koning

gericht en allerwege heerschte ongekunstelde volksvreugde,

welke Zijne Majesteit aanleiding gaf om straks den directeur van

het Kabinet des Konings, den beer Alewijn, de volgende proclamatie

in de Nederlandsche Staats-Courant te doen plaatsen :

„De Koning heeft den ondergeteekende opgedragen om,

door middel van de Nederlandsche Staats-Courant,

Zijner Majesteits meest hartelijken dank te betuigen voor de

zoo algemeene blij ken van hulde en gehechtheid, van het Nederlandsche

Volk ontvangen ter gelegenheid van Zijner Majesteits

herstel en van de herinnering van Hoogstdeszelfs veertigjarige

Regeering."

's Gravenhage, 14 Mei 1889.

De Directeur van het Kabinet des Konings,

ALEWIJN.

Bij de laatste herziening der Grondwet was bepaald, dat

bij overlijden van Zijne Majesteit de kroon zou overgaan op

Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Wilhelmina en, indien dit

overlijden plaats greep gedurende de minderjarigheid van de

Kroonprinses, zou hare Koninklijke Moeder als Regentes optreden.


ADOLPH VAN NASSAU. 2 19

Deze bepaling kon echter voor de opvolging in het Groot -Hertogdom

Luxemburg niet gelden, aangezien volgens de Salische

Wet, welke daar nog geeerbiedigd werd, de opvolging van

vrouwelijke erfgenamen niet werd erkend. Het Groot-Hertogdom

zou bij het overlijden des Konings vervallen aan den

naasten mannelijken verwant van het huis des Konings, hertog

Adolph van Nassau. Gedurende de krankheid des Konings hadden

de Luxemburgers, toen het uitgesproken was, dat de Koning

niet meer in staat was de Regeering waar te nemen, en

met het oog op zijn waarschijnlijk spoedig overlijden, den Hertog

verzocht voorloopig het regentschap op zich te nemen. Ofschoon

men van den Hertog, die slechts weinig in leeftijd met

Zijne Majesteit verschilde, voorzeker een bezadigd optreden had

mogen verwachten, toonde deze maar al te zeer, hoe welkom

hem deze noodiging was ; de wijze, waarop hij zich gedroeg

en het vertoon, dat hij maakte, als ware hij reeds landsheer,

mishaagden menigeen. Juist zou hij den volgenden dag

met zeer veel plechtigheid geinstalleerd worden, toen de Koning

weer herstelde en de al te grage Hertog kreeg een welverdiende

bestraffing, toen Zijne Majesteit een schrijven aan

hem verzond, waarin hij zijn lieven Neef verzekerde, dat hij de

teugels van het bewind eerst bij zijn laatsten ademtocht uit

zijne handen geven zou. Zoo kon de quasi Groot-Hertog, tot

groot vermaak van geheel Europa, met stille trom naar zijn

lustslot aan den Rijn terugkeeren, hoewel hij reeds proclamatien

tot zijne aanstaande „onderdanen" gericht had.

De gezondheidstoestand van den Vorst had zich reeds in

zoover hersteld, dat de Koningin zich met de Prinses voor

eenige dagen naar Neuwied durfde begeven, en toen nu den

i4den September de minister van Binnenlandsche Zaken de

Kamers in naam des Konings sloot, mocht hij verklaren : „Het

gevaar, dat het leven van Zijne Majesteit den Koning bedreigde,

werd door Gods goedertierenheid gelukkig afgewend. De maatregelen,

tot wier vaststelling uwe medewerking werd ingeroepen

om bij voortduring den goeden - gang des bestuurs te verzekeren,

bleken hierdoor onnoodig. Uwe vergadering sprak, na


2 20 DE WERKZAAMHEDEN VAN HET KABINET.

het gelukkig herstel des Konings, hierover luide, als tolk van

het geheele Nederlandsche yolk, hare blijdschap uit."

Bovendien mochten Regeering en Kamer met zelfvoldoening

op het afgeloopen zittingsjaar terugzien. Met Frankrijk was een

overeenkomst gesloten over de grensscheiding tusschen Suriname

en Fransch Guyana. Eene wet was aangenomen om den overmatigen

arbeid van vrouwen en kinderen tegen te gaan ; eene

andere ter voorkoming van bedrog in den boterhandel; bepalingen

op den accijns en de invoerrechten op bier en azijn waren

in het leven geroepen, en overeenkomsten waren gesloten met

de Hollandsche Spoorwegmaatschappij en de maatschappij Zeeland.

Straks volgde de aanneming der wet tot regeling der pensioenen

van burgerlijke ambtenaren en hunne weduwen en weezen,

gelijk mede ten vorigen jare reeds een ontwerp tot regeling

van het militair onderwijs goedgekeurd was. In het belang van

handel en scheepvaart werden overeenkomsten aangegaan met

betrekking tot de kanaal- en havengelden op het Noordzeekanaal,

terwijI wijzigingen in de Consulaatsrechten gebracht

werden en de Tweede Kamer de noodige gelden toestond tot

verbetering van de rivier de Waal. In 1890 werden overeenkomsten

gesloten met de groote Spoorwegmaatschappij en bier te

lande, waarbij de Rijnspoor van een som van 38 millioen aan

den Staat overgedragen werd. Een ontwerp op de zeevisscherijen,

waartoe door het kamerlid Reekers het initiatief genomen

werd, hief knellende bepalingen op, waaronder onze visschersbevolking

gedrukt ging. Kortom, het was zichtbaar, dat

men een toestand van rijk, staatkundig leven tegemoet ging,

nu eenmaal de onderwijs-questie, welke de Natie zoo lang ver-

deeld gehouden had, althans voor het Rijk tot eene oplossing

gebracht was, en daardoor ook het voortdurend partijgekrakeel

in de Tweede Kamer tot stilstand was gekomen. Bij de opening

der Kamerzitting 1890-91 drong de Regeering in de

openingsrede aan op de spoedige behandeling van het ontwerp

tot regeling van den krijgsdienst, in de vorige zitting reeds

aangeboden, waarbij de noodige invoerings- en overgangsbepalingen

de Kamer nog wachtten. Wetsontwerpen op de ver-


NIEUWE KRANKHEID, 221

eveningen en de bevoegdheid om als officier of machinist dienst

te doen aan boord van koopvaardijschepen, zouden ingediend

worden. Nog steeds duurde het verzet der Atjehneezen voort

en werden nieuwe offers van de schatkist en nieuwe inspanning

van de zeemacht geeischt, om het Nederlandsch gezag te handhaven.

Door het verleenen van rentegarantie aan particu-

liere concessionarissen, zou men trachten den verderen aanleg

van spoorwegen op Java te bevorderen. De beschikbare batige

saldo's van vroegere dienstjaren maakten het mogelijk de in te

dienen begrooting, die een tekort zou teweeg brengen, te bestrijden

zonder tot geldleeningen ten behoeve van Nederlandsch-

Indie over te gaan.

Jammer slechts, dat niet van een voortgaand herstel bij

den Koning kon gerept worden. Ofschoon nu reeds Langer dan

een jaar de officieele berichten nopens zijn toestand achterwege

bleven, deden de mededeelingen van het Loo in de maand

Augustus vermoeden, dat Zijne Majesteit zich minder wel beyond.

Aanvankelijk schreef men het aan de omstandigheid toe,

dat Zijne Majesteit niet van de buitenlucht genoot, en zonder

bepaalde bezorgheid werd dan ook de tiende jaardag van de

Koninklijke Prinses gevierd. Geregeld volbracht de Koning de

plichten, welke de Regeering hem oplegde, en naar den uiterlijken

schijn was er weinig verandering bij hem waar te nemen,

hoewel zich blijkbaar de behoefte aan meerdere rust gelden

deed. In het laatst van September toonden zich minder gunstige

verschijnselen : vermindering van eetlust en onthouding van

gewonen arbeid. Weder trad eene algemeene verzwakking in

en men achtte het noodig Prof. Rosenstein en Dr. Vinkhuizen,

in consult met Dr. Vlaanderen, op het Loo te ontbiedeti. Ofschoon

zich weder verschijnselen van de gewone nierziekte voordeden

en de Koning reeds drie dagen bijna onafgebroken 't bed

hield, toch achtten de geneesheeren den toestand vooralsnog

niet zorgwekkend en hoopte men, dat Zijne Majesteit binnen

betrekkelijk korten tijd zou herstellen. De onrustbarende ver-

•schijnselen duurden voort, maar daar de geestvermogens bui-

tengewoon helder bleken en de toestand niet levensgevaarlijk


222 STREMMING IN ZAKEN.

was, koesterde men geen ernstige bezorgdheid. Natuurlijk bracht

echter de wedergekeerde krankheid nieuwe stremming in de

Staatsmachine teweeg, en in het begin van October waren de

Staatsstukken en documenten, die op 's Konings inzage en teekening

wachtten, tot een ganschen stapel van honderden stukken

aangewassen. Andermaal kwam er schromelijke staking

in 's lands taken en, vooral wiji nu getwijfeld worden moest

aan hernieuwd herstel, werd er thans op nieuw, en wel over

het instellen van een definitief regentschap gedacht. De kwaal

des Konings toch scheen ook de hersenen aan te tasten en de

Vorstelijke lijder scheen voortdurend in een staat van verdooving

te verkeeren. Toen vooral schitterde de trouwe liefde van

de Koningin voor haren Koninklijken Gemaal, wiens krankbed

zij nauwelijks een oogenblik verliet.

Nadat het aantal stukken, dat op de Koninklijke onderteekening

wachtte, het getal van Boo had overschreden, achtte

het Ministerie voorziening dringend noodzakelijk. Hoe noode

dan ook, andermaal vaardigde de Ministerraad de ministers

van Kolonien en Justitie of uit zijn midden, om met de geneesheeren

des Konings op het Loo te raadplegen en zich

persoonlijk aangaande den toestand van den Vorstelijken lijder

te vergewissen. Weldra bevatte de Staats-Courant de officieele

mededeeling van hun bevinding en de verklaring, dat zich

zulk een vermoeidheid der hersenen voorgedaan had, dat Zijne

Majesteit buiten staat verkeerde, zich met ernstige aangelegenheden

bezig te houden. Den volgenden dag, 14 October, bracht

daarop de heer Mackay, de voorzitter van den Ministerraad,

de mededeeling aan de Tweede Kamer, dat de Ministerraad, na

andermaal met de geneesheeren des Konings geraadpleegd en

zich persoonlijk van den toestand overtuigd te hebben, zich

tot zijn leedwezen de vraag had moeten voorleggen, of niet

nu reeds maatregelen dienden getroffen te worden, om in de

waarneming der Regeering te voorzien.

Met weemoed en te midden van eene indrukwekkende

stilte, had de Kamer de droeve mededeeling des Ministers aangehoord,

loch niet minder waren de leden der Vertegenwoor-


DE VEREENIGDE KAMER.

223

diging getroffen toen de Voorzitter, de heer Beelaerts van

Blokland, den Minister antwoordde met de volgende woorden :

„Met diepe smart verneemt de Kamer de allertreurigste

mare, dat zoo groote beproeving over ons land en ons Koningshuis

is gebracht. Moge het besef, dat de innigste deelneming

in het lijden van Zijne Majesteit, onzen geeerbiedigden Koning,

ons bezielt en de stellige wetenschap, dat de Vertegenwoordiging

van het Nederlandsche Volk zich des te vaster schaart

rondom den Troon, hoe zwaarder ramp er treffe, althans eenige

verzachting bieden aan Hare Majesteit de Koningin, in deze

voor haar zoo onuitsprekelijke omstandigheden."

Terwijl de toestand des Konings afwisselend bleef en zelfs

den 2 isten October het bulletin nog meldde, dat geene vermindering

van krachten te bespeuren viel, was de Raad van State

vergaderd om over voorziening' in den belemmerden gang der

Staatsmachine te beraadslagen, en het gevolg daarvan was, dat

andermaal tegen Dinsdag, 28 October, de Staten-Generaal in

vereenigde zitting opgeroepen werd, aangezien de Ministerraad,

den Raad van State gehoord, officieel moest constateeren, dat

de Koning buiten staat geraakt was om de Regeering waar te

nemen. Daar er echter weinig verandering in den toestand van

den lijder scheen te komen, begaf de minister van Kolonien,

de heer Mackay, zich met Dr. Vinkhuizen andermaal naar het

Loo, om juiste mededeelingen aan de Vereenigde Kamers te

kunnen doen. Ofschoon er geen merkbaar verval van krachten

aanwezig was, zoo duurde de toestand van bewusteloosheid

bijna onafgebroken voort. Met bewonderenswaardige helderheid

van geest, te midden van de droevige omstandigheden, welke

Hare Majesteit doorleefde, bezorgde de Koningin zelve de voorbereidende

maatregelen en verklaarde zich tevens bereid, om

het regentschap uit handen van den Raad van State te aanvaarden,

zoodra ook de Vertegenwoordiging de noodzakelijkheid

daarvan uitgesproken had.

Den daaropvolgenden Dinsdag, des namiddags te 2 uren,

verdrongen zich weder tal van belangstellenden op de tribunes

en in de loges, om getuige te zijn van het droevig schouwspel,


224 DE MINISTERRAAD.

dat de Vereenigde Kamer andermaal aanbieden zou. Het was

blijkbaar, clat alien onder den ernstigen indruk waren van het

besluit, dat de Vertegenwoordiging onvermijdelijk nemen moest.

Van de 15o leden der Kamer waren ruim 130 aanwezig, terwijl

alle Ministers tegenwoordig waren. De voorzitter der Eerste

Kamer, • de heer van Naamen van Eemnes, gaf onmiddellijk na

opening het woord aan den minister van Kolonien, die tevens

voorzitter van den Ministerraad was. Wij besparen onzen lezers

de officieele mededeelingen, die weinig meer bevatten dan de

mededeeling van 's Konings toestand, benevens een verslag van

de ten gevolge daarvan door de Regeerings-lichamen genomen

maatregelen, welke gestaafd werden door de voorlezing van

daarop betrekking hebbende schriftelijke bescheiden. De Minister

besloot met de verklaring :

„Hoe smartelijk het voor den Raad van Ministers ook moge

zijn, aan Uwe vergadering mededeeling te moeten doen van

den treurigen toestand, waarin Zijne Majesteit de Koning zich

thans andermaal bevindt, zoo meent de Raad echter niet Langer

te mogen aarzelen, Uwe medewerking in te roepen om,

ingevolge de voorschriften der Grondwet, in de waarneming

der Regeering te voorzien."

Zeer pijnlijk was de indruk, door de mededeelingen van

den Minister veroorzaakt, vooral wijl deze inderdaad nog ernstiger

waren, dan men zich, naar luid der officieele bulletins, de

zaak voorgesteld had. Nadat geruimen tijd eene diepe en ernstige

stilte in de vergaderzaal had geheerscht, verhief de Voorzitter

zich van zijn zetel en sprak : „Met diep leedwezen heeft

de Vertegenwoordiging van 't Nederlandsche Volk aangehoord

de verklaring, die de Raad van Ministers zich op nieuw heeft

verplicht gevoeld, overeenkomstig de Grondwet, of te leggen

omtrent den toestand van Zijne Majesteit, onzen geeerbiedigden

Koning.

„Zij beseft ten voile, hoe zwaar die verpiichting den Raad

valt en is overtuigd, dat geheel het Volk ten voile deelt in de

zoo zware en smartelijke beproeving, die het geliefde Vorstenhuis

op nieuw treft."


HET BESLUIT. 225

Daarop stelde .de Voorzitter voor om de vergadering tot

het nemen van het besluit te verdagen tot den volgenden

namiddag. De Voorzitter had het voldoende geacht, dat het

verslag der zitting gedrukt en aan de Leden der Kamer zou

ter hand gesteld worden. Daartegen verklaarde zich echter de

heer Pijnappel, die, meenende dat het noodig was ook zelfs

den schijn van overhaasting bij dit ernstig besluit te vermijden,

voorstelde, de zaak eerst naar de afdeelingen te verwij -

zen. Nadat beide voorstellers voor hunne meening in het krijt

getreden waren, bleek het echter, dat verreweg de groote

meerderheid der Kamers zich aan de zijde van den Voorzitter

schaarde, en zoo werd dan tot het vergaderen op den volgenden

dag besloten tot het nemen van een definitief besluit.

De Leden der Vertegenwoordiging kwamen andermaal den

volgenden dag ter bestemder ure samen, terwiji tribunen en

loges geen plaats meer onbezet hielden. Op nieuw was de gansche

Ministerraad tegenwoordig en slechts 35 Leden der Vertegenwoordiging

ontbraken. Onder plechtig zwijgen verhieven

zich de Ministers, de Leden en de Griffiers van hun zetel, terwijl

de Voorzitter voorstelde het volgende besluit te nemen :

„De Staten-Generaal in vereenigde vergadering, verkiaren,

dat het bij artikel 38, eerste lid der Grondwet, omschreven

geval aanwezig is."

Andermaal, ware het dan ook onder de verbazing zijner

medeleden, verzocht de heer Pijnappel het woord. Hij verklaarde

zijn leedwezen, dat men er den vorigen dag niet toe

had 11unnen geraken, de zaak naar de afdeelingen te verwijzen,

wijl hij het voornemen gekoesterd had, daar zijne bezwaren

bloot te leggen. Nog steeds toch betreurde hij het, aan

een dergelijk besluit ten vorigen jare te hebben medegewerkt.

Immers, de ervaring had hem toen geleerd, dat verklaringen

van de geneesheeren, zooals ze toen en ook nu gegeven wera

den, niet volledig genoeg zijn om daaruit op te maken, of de

toestand een voorbijgaande zou zijn, dan wel of inderdaad het

geval, bedoeld in artikel 38, ingetreden was, en de Koning

moest verklaard worden buiten staat te zijn om de Regeering

Dl. VIII. 1.5


2 26 HET REGENTSCHAP.

waar te nemen. Hoe goed echter de heer Pijnappel 't ook bedoelen

mocht, hij vond wel bestrijding, doch geen steun. Vooral

de heer Schaepman verdedigde in krachtige bewoordingen

het voorstel van den Voorzitter. Daarna trad de minister van

Kolonien andermaal op, om nogmaals aan te toonen, dat men

in de onderhavige omstandigheden niet anders kon of mocht

handelen, ook al zou, wat trouwens thans niet meer te wachten

was, straks kunnen worden geconstateerd, dat Zijne Majesteit

andermaal in zooverre hersteld wa g, dat de zaken van

Staat weder door hem konden behartigd worden. Nadat nog

enkele sprekers zich tegen het voorstel van den heer Pijnappel

uitgelaten hadden, en deze getoond had bij zijne meening te

blijven, ging men tot stemming over ; met 109 stemmen werd

het voorstel van den Voorzitter aangenomen. Andermaal verhief

deze zich van zijn zetel en sprak :

„Dit besluit zal op de bij de Grondwet voorgeschreven

wijze worden afgekondigd.

„Mededeeling van dit besluit zal worden gedaan aan den

Raad van State en aan de hoofden der Departementen, in rade

vereenigd.

„Moge de Almachtige ons dierbaar Vaderland en ons geliefd

Vorstenhuis behoeden !

„Met deze bede sluit ik de Vergadering."

Zwijgend en geheel vervuld van de moeilijke taak, door

hen volbracht, het constateeren namelijk, dat de Goddelijke

Voorzienigheid in hare wijsheid aan de Regeering van den

laatsten Oranjevorst een einde gemaakt had, verlieten de Leden

de vergaderzaal, en nog dienzelfden avond verscheen er afkondiging

van het besluit de Vereenigde Kamer in de Staatscourant,

terwijI de Raad van State den volgenden dag aan de

Natie kond deed, dat hij volgens de Grondwet in 's Konings

naam het Koninklijk gezag had aanvaard.

Droef waren intusschen de omstandigheden op het Loo, en

't was alsof een sombere nevel van diepe neérslachtigheid over

heel het Land hing, waarin de sympathie-betuigingen uit den

vreemde te vergeefs een zonnestraal trachtten te werpen . Zoo


IN LUXEMBURG. 227

verklaarde het te Parijs verschijnend dagblad Le Temps in

een artikel, dat van welwillende gezindheid jegens Nederland

en de Nederlanders overvloeide, hoe zeer de herinnering aan het

verleden en de belangstelling voor het heden en de toekomst

van ons Land, de grootste sympathie wekte voor een yolk, dat

op het punt stond met zijn roemrijk verleden te moeten breken,

terwijl ook de Zwitsersche gezant, namens den Bondsraad,

zijne deelneming uitsprak bij de wederinstorting des Konings

en den wensch uitte, dat spoedig herstel andermaal volgen

mocht. De vervulling van dezen wensch liet zich niet denken,

en zoo er nog een lichtstraal was te midden van 't duister van

Neérlands toekomst, dan werd ze gewekt door het bewustzijn,

dat het Oranjehuis althans nog niet uitgestorven was en we

een Prinses hadden, die, door haar Volk geliefd, straks den zwaren

scepter van haren Koninklijken Vader overnemen zou, al

moesten er dan waarschijnlijk ook nog jaren verloopen, waarin

hare Koninklijke Moeder dien voor haar zou dragen.

In Luxemburg maakte evenzeer het besluit van de Nederlandsche

Staten-Generaal voorziening in den gang der regeeringszaken

noodzakelijk, en nadat het Regentschap ingesteld

was, werd andermaal hertog Adolf uitgenoodigd, de regeering

als Regent op zich te nemen. Gaarne voldeed de Hertog hieraan,

ofschoon hij met het oog op den gezondheidstoestand van

den Koning-Groothertog verzocht, dat men zich van alle vreugdeblijken

mocht onthouden. In de Kamer der Vertegenwoordiging

van het Luxemburgsche Volk werd verklaard, dat men tot

dien maatregel moest overgaan tegenover een Vorst, „die gedurende

een tijdsverloop van veertig jaren aan het land voorspoed,

geluk en vrijheid heeft geschonken." Hare Majesteit de

Koningin had hare instemming betuigd met de instelling van

het Regentschap, en zoo werd hertog Adolf van Nassau den

Oen November plechtig als Regent geinstalleerd. Wij achten

echter deze plechtigheid van zoo weinig betrekking tot onze

geschiedenis, dat wij ze stilzwijgend voorbijgaan.

Ofschoon de lichamelijke toestand van den hoogen lijder

bevredigend heeten mocht, zoo bleef de afwijking in de hersen-


228 'S KONINGS TOESTAND,

function, naar luid der officieele bulletins, bestaan. Langzamerhand

werden de krachten gesloopt en slechts zelden mocht

men gelooven, dat het bewustzijn voor een oogenblik terugkeerde,

om terstond weder voor volkomen gevoelloosheid plaats

te maken. Daarbij deden zich aanvallen van beroerte gelden

en al meer dreigend werden de officieele tijdingen ; hoewel er

van oogenblikkelijk levensgevaar nog geen sprake was, toch

kon men zich niet ontveinzen, dat er geenerlei hope op herstel

overbleef. Overal rees er uit de kerken des lands een bede tot

God omhoog om, kon het zijn, den slag, welke het Koninklijk

Gezin en het Volk dreigde, nog genadiglijk of te wenden.

Herhaaldelijk hield Hare Majesteit de Koningin een langdurig

onderhoud met den Voorzitter van den Ministerraad, den

heer Mackay, ten einde de maatregelen tot instelling van het

Regentschap te bespoedigen, hetgeen met het oog op de te

verwachten gebeurtenissen, hoogst raadzaam geoordeeld werd.

Zoo werd dan in overleg met den Raad van State bepaald,

dat door de ministers van Kolonien en Justitie in een openbare

Vereenigde Vergadering van de Kamers een ontwerp van

Wet tot benoeming van een Regentes van het Koninkrijk zou

worden aangeboden, zoo lang de Koning buiten staat heeten

moest, de Regeering waar te nemen. Dit geschiedde dan ook

in de zitting van 12 November, terwijl tevens de kosten van

het Regentschap, in mindering van het jaarlijks inkomen der

Kroon, werden vastgesteld. Bij de behandeling van het ontwerp,

betreffende de kosten van het Regentschap, werd door eenige

leden der Vertegenwoordiging de noodzakelijkheid betoogd tot

voorziening in het toezicht over de goederen. Men achtte dit

gebiedend voorgeschreven door artikel 35 der Grondwet, waar-

omtrent echter verschil van meening bestond. Dit gaf de Cornmissie

van Rapporteurs aanleiding, den minister van Kolonien

als voorzitter van den Ministerraad te verzoeken, met haar in

mondeling overleg omtrent deze zaak te treden, waaraan met

de meeste bereidwilligheid voldaan werd. Het resultaat der

beraadslagingen was echter, dat men vooralsnog deze voorziening

niet noodzakelijk achtte : immers de liefde en trouwe zorg,


DE INSTALLATIE. 229

waarmede Hare Majesteit de Koningin over den hoogen Lijder

waakte, maakte dergelijke zorg overbodig. Ofschoon vooral de

heer Smidt bezwaar bleef aanteekenen tegen de niet voorziening,

werd de wet zelfs zonder stemming aangenomen, hetgeen

den volgenden dag in de Eerste Kamer mede het geval was.

Den 2osten November daaraanvolgende moest de Koningin-

Regentes beeedigd worden. Gansche scharen van nieuwsgierigen

vulden de straten der Residentie, ter wijl de spoortrein nog

duizenden aanvoerde, die getuigen wilden zijn, voor zoover

het hun mogelijk was, van het eenig schouwspel. De Koningin

had zich dien zelfden morgen naar Den Haag begeven, waar

zij door de ministers van Kolonien, Buitenlandsche Zaken en

Justitie, benevens door vele hooggeplaatste officieele personen

ontvangen en door duizenden harer onderdanen begroet werd.

Tegen een uur werd de Vereenigde Zitting der Staten-Generaal

door den Voorzitter der Eerste Kamer, den heer Mr. A. van

Niamen van Eemnes, geopend, waarna een Commissie benoemd

werd uit de leden der beide Kamers, tot ontvangst van Hare

Majesteit de Koningin-Regentes. Deze arriveerde tegen half

twee uren, gezeten in een met zes paarden bespannen rijtuig,

en omgeven door haar hof. Onder de plechtige stilte van de

duizenden, die zich op de straten verdrongen, had de stoet de

vergaderzaal bereikt, waar intusschen alle Kamerleden, Grootwaardigheidbekleeders

en hooge Ambtenaren in gala-costuum

waren bijeengekomen en de tribunes en loges met eene dichte

menigte bezet waren, zoodat de zaal een inderdaad schitterend

schouwspel opleverde. Wij zullen ons niet bezig houden met

eene volledige beschrijving van het ceremonieel. Daar zat Hare

Majesteit op den koninklijken zetel naast den Troon, aan beide

zij den door haar gevolg geflankeerd en achter haar twee hofdames.

In de eene hand hield zij een waaier, in de andere

het eedsformulier. Nu sprak de Voorzitter het volgende :

„Mevrouw!

„Ik heet Uwe Majesteit welkom in dit plechtig, maar smartelijk

oogenblik.

„Nederland, gedurende meer dan 40 jaren tevreden en ge-


230 DE EED.

lukkig door de grondwettige regeering van zijn geeerbiedigden

Koning, is sedert eenigen tijd met diepe droefheid vervuld

door de langdurige ziekte van zijn geliefden Vorst, waarvan

de genezing, hoe zeer ook afgebeden, steeds onzeker blijft.

„In deze donkere dagen is het een heldere lichtstraal, dat

iedereen Uwe Majesteit heeft leeren hoogachten en liefhebben

als Gemalin, als Moeder en als Koningin.

„Daarom ziet het Nederlandsche Volk ook vertrouwend tot

Uwe Majesteit op, omdat het vast overtuigd is, dat Uwe Majesteit

met geheele toewijding van hart en geest het goede voorbeeld

van Uwen Koninklijken Gemaal zal volgen, nu Uwe

Majesteit geroepen is, in Zijne plaats te regeeren.

„Daarom ook verheugt de Volksvertegenwoordiging zich

zeer, dat Uwe Majesteit, aan hare eenparige roepstem gehoor

gevende, bereid is het Regentschap te aanvaarden.

„Als haar Voorzitter neem ik thans de vrijheid, Uwe Majesteit

eerbiedig te verzoeken, den door de Grondwet van den

Regent gevordenden eed in mijne •handen te willen afleggen."

Nu rees de Koningin van haren zetel op, en terwijl alien

stonden, sprak zij luide en ontroerd :

„Ik zweer trouw aan den Koning.

„Ik zweer, dat ik in de waarneming van het Koninklijk

gezag, zoo lang de Koning buiten staat blijft de regeering waar

te nemen, de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.

„Ik zweer, dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied

des Rijks met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren

; dat ik de algemeene en bijzondere vrijheid en de

rechten van alle des Konings onderdanen en van elk hunner

zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van de

algemeene en bijzondere welvaart alle middelen aanwenden,

welke de wetten te mijner beschikking stellen, gelijk een goed

en getrouw Regent schuldig is te doen.

„Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig !"

Thans zette zij zich weder neder, waarop de Voorzitter

sprak :

„Moge de Almachtige God steeds Uwe Majesteit Zijn bes-


DE PROCL AMATI E. 2 3 1

ten zegen schenken op de gewichtige, maar moeilijke taak,

door Uwe Majesteit aanvaard !

„Moge Hij ons dierbaar Vaderland en ons geliefd Vorstenhuis

altijd nabij zijn en behoeden !"

Nu verliet Hare Majesteit, andermaal door de Commissie

begeleid, de Vergaderzaal om zich naar het Paleis te begeven,

waar straks, nadat de Vergadering der Staten-Generaal door

den Voorzitter gesloten was, audientie gehouden werd. Dien zelfden

dag nog verliet Hare Majesteit de Residentie, andermaal

door duizenden bij duizenden, onder eerbiedig zwijgen uitgeleid,

benevens door de Groot-officieren, de Ministers, den Raad

van State, het Corps Diplomatique en verschillende autoriteiten.

Denzelfden avond kon men de volgende Proclamatie in

de Nederlandsche Staatscourant lezen:

In naam van Zijne Majesteit Willem III, bij de gratie Gods

Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog

van Luxemburg, enz. enz.

„Wij, Emma, Koningin der Nederlanden, Regentes van

het Koninkrijk.

„In de ernstige dagen, waarin 's Konings toestand ons

alien met droefheid vervult, treed Ik op als Regentes van het

Koninkrijk.

„Ik gevoel al het gewicht der taak, die Mij is opgelegd ;

maar uit liefde tot het Nederlandsche Volk aarzel ik niet haar

te aanvaarden, nu de Staten-Generaal met eenparigen, vertrouwen

wekkenden aandrang Mij daartoe riepen.

,Mijne kracht en wijsheid zoek Ik bij den Almachtigen

en Alwijzen God. Ik reken op den trouwen steun van het Nederlandsche

Volk, dat Mij door zoovele blijken van liefde en

verknochtheid voor altijd aan zich verbond.

„De Koning, mijn geliefde en geeerbiedigde Gemaal, gaf

mij altoos een hoog voorbeeld van de vorstelijke plichtsbetrachting

en de werkzaamheid in het belang van Land en

Volk, die het Huis van Oranje steeds onderscheidden. Ik acht

het mijn plicht, dit voorbeeld na te streven,


232 DE BULLETINS.

„Moge God het lijden van onzen Koning verzachten en

Nederland nemen onder Zijne heilige hoede !

„Laster en bevelen, dat deze Proclamatie in het S t a at sb

1 a d zal worden geplaatst.

„Gedaan te 's-Gravenhage op heden, den 2osten Novemker

1890.

EMMA."

De Proclamatie was door het achttal Ministers gecontrasigneerd.

Van alle zijden, ook van de buitenlandsche hoven,

stroomden de blijken van hulde en deelneming, in den vorm

van adressen, telegrammen en verkiaringen van hulde en sympathie

toe, en in vele bladen, ook van over de grenzen, verschenen

waardeerende artikelen over de Koningin-Regentes.

Een tijd lang bleef de toestand van den Koninklijken lijder

op dezelfde hoogte. Na eenige dagen van hevige opgewondenheid,

in het midden der maand November, was weder rust

gevolgd en bij gebruik van het noodige versterkende voedsel,

bleef de hooge Kranke op en neer gaan. Onvermoeid waakte

de Koningin aan Zijne legerstede, welke zij slechts verliet,

om de zorgen der Regeering waar te nemen. Den I6den November

nog las men in de S t a a t s-C our ant het volgende

officieele bericht : „In den toestand van Zijne Majesteit den

Koning is noch verbetering, noch achteruitgang op te merken.

Slapen en waken wisselen elkander op onregelmatige wijze af,

terwij1 de krachten dezelfde blijven." Alleen werd de spraak

nu en dan eenigszins belemmerd, en nog op Vrijdag, 21 November,

meldde het officieele bulletin : „Sinds 15 November is de

toestand van Zijne Majesteit nagenoeg onveranderd gebleven.

De voedselopneming blijft voldoende, maar Zijne Majesteit geniet

op zeer ongeregelde tijden rust." Niemand dacht, dat de

lang gevreesde slag zoo spoedig volgen zou.

Den 2osten November hernieuwden zich echter de gewone

pijnaandoeningen met groote hevigheid, en sterk daalde de

pols, terwijl bij volkomen afwezen van bewustzijn de polsslag

al meer versnelde en het slikken onmogelijk werd, waarom

Hare Majesteit den toestand als hoogst ernstig beschouwde en


DE GENEESHEEREN. 233

onmiddellijk aan Prof. Rosenstein en Dr. Vinkhuizen getelegrafeerd

werd om over to komen, terwiji bovendien straks op

hun wensch ook Dr. Roessingh uit Deventer ontboden werd.

Op Zondag morgen werd het volgend bulletin uitgegeven :

„In den toestand van Zijne Majesteit den Koning is plot-

.


234 DE DOOD.

ter ontboden, om hen in deze ernstige omstandigheden ter zij de

te staan."

Op raad van de geneesheeren had Hare Majesteit, overspannen

door net aanhoudende waken en de bezorgdheid, zich

omstreeks te 4 uren in den nacht, te bed begeven, om eenige

rust te nemen, terwijl Dr. Roessingh met een kamerdienaar

aan de Koninklijke sponde waakte. Toen de eerste de ternperatuur

opnam, gaf Zijne Majesteit plotseling den laatsten

snik : uitputting van kracht, ten gevolge van hevige bloedafscheiding,

had het einde verhaast.

Willem de Goede was niet meer. Het oordeel over den

mensch aan God overlatende, kan men niet anders zeggen, dan

dat hij zich als Koning den eerenaam verwierf en waard maakte,

welke zijn Volk hem gal. Rijk was zijne Regeering : zij het

dan ook niet aan heldhaftige krijgsdaden en het veroveren van

lauweren op het slagveld, dan toch aan vele zegenrijke gebeurtenissen,

door en onder hem te voorschijn geroepen, en het

zal de vraag zijn, of hij, die den heldenaard weet te beteugelen

en om tee zetten in toewijding aan de belangen zijns Volks in

vredestijd, geen schitterender eerekroon verdient dan de overwinnaar

in den krijg.

Met het overlijden van Zijne Majesteit in kennis gesteld,

snelde de Koningin naar de ziekenkamer. 't Was een pijnlijk

oogenblik voor Hare Majesteit, maar de heiligste oogenblikken

van een Koningin moeten ook den historieschrijver gewijd blijven.

Straks woei de vlag van het Paleis halfstok en verkondigde

de bevolking rondom, dat Naar Koning het tijdelijke

met het eeuwige had verwisseld, en Maandag 24 November

bevatte de S t a a t s c o u r ant de volgende Proclamatie

„In naam van Hare Majesteit Wilhelmina, bij de gratie

Gods Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,

enz. enz. enz.

„Wij Emma, Koningin-Weduwe, Regentes van het Ko-

ninkrijk.

„Het heeft Gode behaagd, mijnen geliefden en gederbiedigden

Gemaal, Koning Willem den Derde tot Zich te nemen.


DE PROCLAMATIE.

„Ruim een en veertig jaren schaarde zich het Nederlandsche

Volk om Zijnen troon en gedurende dit tijdvak werden,

onder 's Heeren zegen, rust, vrede en welvaart aan het Vaderland

geschonken.

„De Kroon is door zijn afsterven, dat ons alien met diepen

rouw vervuld, overgegaan op Mijne beminde dochter Wilhelmina

Helena Paulina Maria. Haar Troon vinde zijnen hechten

steun in de innige trouw en verknochtheid van het Nederlandsche

Volk aan het Huis van Oranje !

„Moge de Almachtige God de gebeden verhooren, die tot

Hem opgezonden worden voor onze Koningin Wilhelmina , Hij

neme Haar onder Zijne heilige hoede en bescherming !

„Krachtens de Wet ben ik gedurende Hare minderjarigheid

geroepen, als Regentes van het Koninkrijk, het Koninklijk

gezag voor Haar waar to nemen.

„Vertrouwende op Hem, in wiens hand het lot is der

Vorsten en Volkeren, neem Ilc de Mij toevertrouwde regeeringstaak

op Mij, met de bede, dat hare vervulling in allen

deele moge strekken tot heil van Land en Volk, en tot bevestiging

van het Koninkrijk.

„Lasten en bevelen, dat de Proclamatie zal worden aangeplakt

en afgekondigd ter plaatse waar zulks gebruikelijk is,

en dat zij in het St a a t s b l a d zal worden geplaatst.

Paleis : Het Loo, 24 November 1890.

Em MA."

Algemeen was de rouw in den Lande. Niet slechts werden

terstond alle openbare vermakelijkheden gestaakt, maar ook

stroomden telegrammen en adressen van deelneming naar het

Paleis, terwij1 de Burgemeesters zich op de verschillende plaatsen

des Rijks vaak in gevoelvolle bewoordingen tolk maakten

van de gevoelens der ingezetenen.

Ook in het Groot-Hertogdom Luxemburg gevoelde men

den schok, door het overlijden des Konings teweeg gebracht.

Hertog Adolf aanvaardde nu inderdaad de regeering over het

„lang beloofde" land. „Deze treurige gebeurtenis," zoo zeide de

desbetreffende Proclamatie, met zinspeling op 's Konings over-

235


KONINGIN WILHELMINA.


REDE VAN DEN VOORZITTER DER TWEEDE KAMER. 237

lijden, „dompelt het land, dat onder de regeering van den

Koning- Groothertog vrijheid, onafhankelijkheid en voorspoed

genoot, in diepen rouw. De geschiedenis van deze veertigjarige

regeering getuigt van de genoten weldaden, en de dankbaarheid

van het Luxemburgsche yolk volgt den Koning tot het graf."

In de zitting van 25 November werd namens de Koningin-

Regentes aan de Tweede Kamer de officieele mededeeling van

's Konings overlijden gedaan. Nadat alle leden ze staande

hadden aangehoord, sprak de Voorzitter, de heer Beelaerts

van Blokland, het volgende :

„Mijne heeren!

„Met diepe smart ontvangt de Kamer de treurmare, in

deze Koninklijke Boodschap vervat.

„Nog geheel onder den indruk van het aandoenlijk oogen-

blik, waarop de Koningin-Regentes deze zaal betrad tot vervulling

van de taak, Haar bij 's Konings ziekte door het

algemeen vertrouwen opgedragen, overvalt ons plotseling de

tijding, dat het Gode behaagd heeft om den Koning, Zijne

Majesteit Willem III, tot Zich te nernen.

„Wij betreuren in hem een Vorst, die in Zijne langdurige

en gedenkwaardige regeering treffende blijken heeft gegeven,

hoe warm de bloei en welvaart van het Land hem ter harte

gingen, die onder alle omstandigheden de grondwettige rechten

en vrijheden zijner onderdanen met de grootste nauwgezetheid

heeft gehandhaafd en voorgestaan.

„Eeren wij 's Konings nagedachtenis door het voorbeeld

te geven van onverbrekelijke gehechtheid en trouw aan de

beide Vorstinnen, die den Koning zoo onuitsprekelijk dierbaar

waren en die Hij, als de kostelijkste nalatenschap, aan het

Nederlandsche Volk heeft toebetrouwd.

„Moge de eenheid der Natie in hare hoogste belangen

zich toonen door onderlinge aaneensluiting en door eendrachtige

samenwerking van Regeering en Volksvertegenwoordiging !

„Moge 's Heeren zegen rusten op onze beminde Koningin

Wilhelmina !


238 HET ADRES DER KAMER.

„Moge door Gods genade in de ruimste mate wijsheid en

kracht geschonken worden aan de Koningin-Regentes, die verzekerd

kan wezen, dat het ons een voorrecht zal zijn, hare

paden te mogen effenen, hare zorgen te mogen verlichten !"

Den volgenden dag werd met algemeene stemmen, op den

na, door de Kamer een besluit genomen om aan Hare Majesteit

de Koningin een adres van rouwbeklag in te dienen,

hetwelk aldus luidde :

„Mevrouw!

„Met diepe ontroering ontving de Tweede Kamer der Staten-Generaal

de smartelijke tijding van het overlijden van Zijne

Majesteit Willem III, Neérlands geeerbiedigden Koning, den

zoon uit dat roemruchtig Huis van Oranje, waarmede ons Volk

sinds eeuwen door heilige banden van dankbaarheid en liefde

verbonden is.

„Als Vertegenwoordigers der thans in rouw gedompelde

Natie brengen wij erkentelijke hulde aan den Vorst, die gedurende

een zoo lang tijdperk zijne krachten wijdde aan de

bevordering der belangen van den Staat.

„De Koning, die 21 Maart 1849 het zijn roeping noemde,

aan de Grondwet volledige werking te geven, kon veertig jaren

later met rustige fierheid de getuigenis inroepen van zijn Volk,

dat hij zijn Koninklijk woord gestand had gedaan. Zijn naam

is aan vele belangrijke maatregelen onafscheidelijk verbonden ; in

de dankbare herinnering des Volks leeft zijne regeering voort.

„Aan Hare Majesteit de Koningin is een beminde Vader,

aan Uwe Majesteit, die den Koning met onafgebroken toewijding

ter zijde stond, een dierbare Gemaal ontvallen. Het is

ons een behoefte des harten, onze innige deelneming te betuigen

in den rouw van het Koninklijk Huis.

„wij gevoelen ons gedrongen, aan Uwe Majesteit de verzekering

aan te bieden van onze trouw en verknochtheid aan

het Koninklijk Huis, en niet minder van onzen ernstigen wil

om met de Kroon mede te werken tot bevordering van 's Lands

belang.


.............

IN DE STERFKAMER. 239

„Moge de Almachtige God Uwe Majesteit kracht schenken

tot het dragen van de zware beproeving, U opgelegd, en

tot het vervullen van de gewichtige taak, welke U op zich nam

zoowel uit liefde voor ons dierbaar Vaderland als uit teedere

zorg voor 's Konings Dochter, op wie Neérlands hoop, tot

voortzetting der aan het geliefde Vorstenhuis van Oranje

verbonden grootsche herinneringen, gevestigd blijft."

Hoe zwaar dan ook getroffen, Hare Majesteit de Koningin

droeg met kalme gelatenheid den zwaren slag. De telegraaf

had geen oogenblik rust vanwege al de uitingen van troost

en deelneming, die nog op den sterfdag zelf naar het Loo

gezonden werden. Op verzoek van Koningin Wilhelmina —

zooals de Dochter van den Overledene reeds terstond na den

dood Haars Vaders aangesproken werd, 'wie het niet vergund

werd het lijk van den Koning te gaan zien, ten einde Haar te

groote aandoening zou gespaard blijven — werden bloemen uit

haar eigen tuin vergaderd en op het doodsbed gespreid.

Natuurlijk waren op hoog bevel alle publieke vermakelijkheden

geschorst tot aan het einde der maand, terwijl de

Koningin-Weduwe en de dames ten hove onmiddellijk den

zwaren rouw aannamen. In de Residentie waren de paleizen en

de ministerieele departementen geheel gesloten en was de vlag

halfstok geheeschen, alsmede uit de woningen der gezanten,

benevens uit vele particuliere huizen en de bureaux der Pers.

Duizenden ambtenaren, grootwaardigheidbekleeders, buitenlandsche

vertegenwoordigers en particulieren spoedden zich naar

het Paleis in het Noordeinde, om daar hun naam in het

condoleanceboek in te schrijven.

Des Zondags aan den avond bezocht de Koningin-Weduwe

andermaal de sterfkamer, waar Zij een grooten palmtak op

het rustbed van Haren Gemaal nederlegde, dat in admiraalsuniform

gehuld en onder palmtakken gedekt lag. Roerend was

het tooneel, toen het personeel der hof houding en vele anderen,

met toestemming der Koningin-Regentes, een laatsten blik

op den Overledene wierpen en, met den burgemeester van Apel-

doorn aan de spits, langs het sterf bed trokken. Een afdruk van


240 DE KISTING.

........................

gips werd van het borststuk des overledenen genomen, terwijl

den heer De Josselin de Jong, kunstschilder te 's Hage, op-

gedragen werd, een houtskoolteekening van het gelaat des Konings

te maken, wiens uiterlijk tot nu toe weinig verandering

had ondergaan. Uit de meeste Europeesche hoven waren reeds

telegrammen van deelneming overgeseind, die door Hare

Majesteit oogenblikkelijk beantwoord werden, terwijl in vele

buitenlandsche bladen zeer waardeerende artikelen aan den

Overledene gewijd werden.

Op Dinsdag, 25 November, had de plechtigheid der kisting

plaats. De lijkkist bestond uit een looden kist, aan de binnenzijde

met wit zijden matrassen bekleed en die hermetisch kon

gesloten worden. Een zware eikenhouten kist was bestemd om

de looden kist te omvatten, welke op haar beurt zou geplaatst

worden in eene andere van gepolijst mahoniehout met zilveren

garnituur,, uit twaalf zilveren handvatsels bestaande, waarop de

symbolen des doods. Een twaalftal zilveren schroeven droegen

koninklijke kronen. Op het deksel was een zilveren plaat aangebracht,

waarop de datums van geboorte en overlijden stonden

vermeld, terwij1 een opening in de kisten gelaten was, waarover

een glazen plaat zoo aangebracht werd, dat het gelaat

zichtbaar bleef. De kist stond op een achttal zilveren leeuwenklauwen.

Nadat het Koninklijk lijk in de kist was overgebracht,

werd deze naar de audientiezaal gedragen, waar zij onder

bewaking van twee kamerheeren bleef. Op twee schragen

geplaatst, was daarboven een boog aangebracht van palmtakken,

terwijl aan weérszijden op zilveren candelabres een twaalftal

kaarsen hun schijnsel op de kist wierpen. Een weinig naar

voren bevonden zich andermaal aan beide zijden een negental

kaarsen, die de sterfzaal verlichtten, daarin gesteund door een

zestal andere, die op den met rouwfloers gedrapeerden schoorsteen

gesteld waren. Een Oranjeboom zonder knop prijkte een

weinig verder. De kist, geheel met rouwfloers overdekt, droeg

de admiraalsjas, steek en label van den Overledene, en aan

het voeteneinde een palmkrans, met witte rozen doorvlochten

pn met witte zijde saamgehouden.


DEELNEMING. 241

De meeste buitenlandsche Hoven namen voor drie weken

den rou-w aan en uit Rusland, Duitschland, Frankrijk, Belgie,

Engeland, Oostenrijk en vele andere Europeesche Hoven, werden

door (le regeerende vorsten per telegram en brief woorden

van hart,:lijke deelneming aan Hare Majesteit, de Koningin-Regentes,

toegezonden. Treffend was de wij ze, waarop de

droeve gebeurtenis in de Nederlanden door de Belgische Kamer

van Volksvertegenwoordiging werd herdacht, treffend vooral,

nadat de Voorzitter en de Minister van Buitenlandsche Zaken

het woord daarover gevoerd hadden, de volgende uiting van

den heer Carlier :

„Mijnheer de Voorzitter van de Kamer en Mijnheer de

Minister van Buitenlandsche Zaken hebben in welsprekende

woorden gezegd, welke diepe ontroering het overlijden van

Koning Willem III in ons midden verwekt.

„Wij vergeten niet, Mijne Heeren, en wij zullen ze nimmer

vergeten, de groote en onsterfelijke herinneringen, die ons

aan onze Nederlandsche broeders hechten, evenmin als de roemrijke

diensten, door het Huis van Oranje aan de zaak der vrijheid

bewezen.

„Na de voorbijgaande onweerswolken heeft ieder misverstand

tusschen de twee volkeren opgehouden ; wij zijn thans

weer brogders, zooals voorheen.

„De Regeering, die in Nederland een einde neemt, heeft

hare groote dagen, hare heerlijke oogenblikken gehad.

„Men weet namelijk, dat, nauwelijks eenige jaren geleden,

dank zij eene nieuwe uitbreiding der gron. dslagen van het stemrecht,

Troon en Vorstenhuis diepere wortelen dan ooit geschoten

hebben in het hart des Nederlandschen yolks.

„Dit zijn de gevoelens, waarmee wij ons aansluiten bij den

rouw, die onze Nederlandsche naburen treft, en waarmee wij

hun de oprechtheid onzer broederlijke en onveranderlijke yriendschap

betuigen."

En met een daverend : „Zeer wel ! zeer wel !" werd deze

sympathieke uiting begroet.

Op eene in die dagen to Antwerpen gehouden vergade-

Dl. VIII. 16


242 DE ROUW.

ring van den Nederduitschen Bond, saAmgeroepen tot protest

tegen eene beleediging van de Vlaamsche taal, sprak de Voor-

zitter, onder langdurig en daverend applaudissement der aanwezigen,

nadat hij den zwaren slag, welke Noord-Nederland

door het afsterven van Koning Willem III trof, had herdacht,

het volgende : „De Bond heeft steeds vreugde en leed met zijne

noordelijke naburen gedeeld en zal daarom ook thans zijn rouwbeklag

zenden aan 't Koninklijk Huis en aan den Staat. Er

is een goed voorbeeld gegeven door de Koningin, die de taal

des Volks heeft geleerd, zoodra zij de Echtgenoote werd van

den Nederlandschen Koning."

Te half twee uren zou op Vrijdag, 28 November, ten paleize

op het Loo toegang verleend worden