Jeugdwerk 1

lds.org

Jeugdwerk 1

Ik kan lief zijn voor de dieren

DOEL Ieder kind laten inzien dat het belangrijk is om lief te zijn voor de dieren.

Les

35

VOORBEREIDING 1. Lees na gebed Genesis 2:19–20; 6–8 aandachtig door.

2. Benodigdheden:

a. Een bijbel.

b. Plaat 1-28, De schepping – levende wezens (Evangelieplaten 100); plaat 1-30,

Noach en de ark met dieren (Evangelieplaten 103).

3. Tref de nodige voorbereidingen voor de aanvullende activiteiten die u wilt gaan doen.

LEERACTIVITEITEN Vraag een kind om het openingsgebed uit te spreken.

Aandacht Doe een dier na dat de kinderen kennen. Laat de kinderen raden welk dier u uitbeeldt. Laat

de kinderen om de beurt een dier nadoen en laat de andere kinderen raden welk dier het is.

Adam gaf alle dieren een naam

Herinner de kinderen eraan dat onze hemelse Vader en Jezus alle dieren op de aarde

hebben geschapen, vissen, vogels en insecten. Laat de bijbel zien en vertel dat in de

Schriften staat dat Adam alle dieren een naam gaf (zie Genesis 2:19–20). Laat plaat 1-28,

De schepping – levende wezens, zien.

• Hoe noemde Adam de dieren op deze plaat? (Laat de kinderen om de beurt een dier

aanwijzen en zeggen hoe het heet.)

Onze hemelse Vader en Jezus willen dat wij lief zijn voor de dieren

Verhaal Laat plaat 1-30, Noach en de ark met dieren, zien en vertel het verhaal van Noach en de ark

zoals u dat in Genesis 6–8 kunt lezen. Benadruk dat er ten minste twee van iedere diersoort

van de verdrinkingsdood gered werden. Onze hemelse Vader en Jezus houden van dieren en

willen dat er dieren op de aarde zijn.

• Waarom nam Noach dieren mee in de ark?

• Voor welke dieren die Noach in de ark meenam, ben je dankbaar?

• Hoe denk je dat onze hemelse Vader en Jezus willen dat je met de dieren omgaat?

Verhaal Vertel in uw eigen woorden het volgende verhaal van president Spencer W. Kimball, de

twaalfde president van de kerk:

Toen president Spencer W. Kimball nog een jongetje was, moest hij de koeien naar een weide

brengen die op ongeveer anderhalve kilometer van zijn ouderlijk huis lag. Op een dag maakte

hij een katapult waarmee hij steentjes tegen hekken en boomstronken kon schieten. Hij leerde

het steeds beter en uiteindelijk kon hij zelfs op grote afstand een boom of een hek raken.

Er stonden grote bomen langs de weg waar hij met de koeien liep. Het viel Spencer op dat er

veel jonge vogeltjes in de bomen zaten. Toen hij de vogeltjes zag, kwam hij in de verleiding

om ze neer te schieten om te laten zien hoe goed hij kon mikken. Maar toen moest hij denken

aan een liedje dat hij in het jeugdwerk gezongen had. Het ging als volgt: ‘Dood geen kleine

vogeltjes (...) De aarde is van God en hij zorgt voor voedsel voor groot en ook voor klein.’

Spencer dacht na over de woorden die hij had gezongen. Hij besefte dat onze hemelse Vader

vogeltjes belangrijk vindt en dat het niet goed is om ze neer te schieten. Daarom was hij

voortaan altijd voorzichtig en gebruikte hij zijn katapult niet als er kleine vogeltjes in de buurt

waren (zie Conference Report, april 1978, blz. 71; of Ensign, mei 1978, blz. 47).

115

More magazines by this user
Similar magazines