Jeugdwerk 1

lds.org

Jeugdwerk 1

Les

23

Ik hoor bij een gezin

DOEL De kinderen laten inzien dat onze hemelse Vader onst wil laten horen bij een gezin waar we

nodig zijn en waar we liefde krijgen.

VOORBEREIDING 1. Lees na gebed Lucas 1:26–35 aandachtig door.

2. Zorg dat u bekend raakt met de gezinnen waartoe de kinderen in uw klas behoren zodat

u tijdens de les van elk gezin een positieve gebeurtenis kunt noemen die pas heeft plaats

gevonden, zoals een pasgeboren baby, een broer of zus die op zending is of een

uitstapje.

3. Benodigdheden:

a. Een bijbel.

b. Krijt en een bordenwisser.

c. Plaat 1-5, Gezin met een baby; plaat 1-7, Een liefhebbend gezin; plaat 1-16, De geboorte

van Jezus (Evangelieplaten 200); plaat 1-23, Een nest met jonge vogeltjes; plaat 1-51,

Een gezin dat samenwerkt; plaat 1-53, Gezinsactiviteit.

4. Tref de nodige voorbereidingen voor de aanvullende activiteiten die u wilt gaan doen.

N. B.: Houd rekening met de gezinssituatie van de kinderen in uw klas. Laat de kinderen

inzien dat niet het aantal gezinsleden belangrijk is maar dat de gezinsleden van elkaar

houden en voor elkaar zorgen.

LEERACTIVITEITEN Vraag een kind om het openingsgebed uit te spreken.

Aandacht Laat plaat 1-23, Een nest met jonge vogeltjes, zien. Laat de kinderen over de plaat praten en

zorg dat ze het nest en de vogels noemen.

• Wie heeft het nest voor de baby-vogels gebouwd?

• Waarom hebben baby-vogels een moeder en vader nodig? (Om ze eten te geven, warm te

houden, en ze te beschermen.)

• Wie leert de baby-vogels vliegen als ze wat ouder en sterker zijn geworden?

Leg uit dat de baby-vogels bij een gezin horen waar voor ze gezorgd wordt.

74

Ik hoor bij een gezin

• Hoor jij bij een gezin?

• Waarvoor heb je een gezin nodig?

Laat plaat 1-5, Gezin met een baby, zien. Herhaal dat onze hemelse Vader wilde dat we

allemaal naar de aarde zouden komen om deel uit te maken van een gezin. Leg uit dat een

pasgeboren baby nog niet voor zichzelf kan zorgen. Een baby kan nog geen eten voor

zichzelf maken of zich aankleden. Hij heeft een gezin nodig waar voor hem of haar gezorgd

wordt.

• Wie zorgde er voor jou toen je geboren was?

• Wat deden de andere gezinsleden voor jou toen je nog een baby was?

• Wat doen de andere gezinsleden nu voor jou?

• Wie wilde dat je bij een gezin hoorde?

More magazines by this user
Similar magazines