DeJournalist

webstore.iisg.nl

DeJournalist

1ste Jaargang No. 10 [12

April—Juni 1947

Int. Instituut

Soc Geschiedenis !A(> Amsterdam

DeJournalist

( FED. VAN NED, JOURNALISTEN

N. Z. KOLK No. 28

AMSTERDAM-C.

Redactie: 1. 1. F. van den Bergh

Mr. E. Elias - Y. Foppema

MAANDBLAD, ORGAAN VAN DEN NEDERLANDSCHEN JOURNALISTENKRING

Pers-Noodwet

De perswetgeving dreigt een van de

slepende kwalen in ons land te worden,

waarmede wij moeizaam en met

grote tussenpozen van het ene naar

het volgende stadium sukkelen. Thans

zijn wij tÖe aan de Wet noodvoorziening

Perswezen, die de tweede verlenging

is van het Tijdelijk Persbesluit

1945, onvermijdelijk geworden, omdat

de regering de moeilijkheden, die komen

kijken bij het ontwerpen van de

definitieve perswet, onderschat heeft.

Voor het ontwerpen van deze perswet

is thans, zoals men zich herinneren

zal, door de ministers van O., K. en W.

en van Justitie een interdepartementale

commissie ingesteld, de commissie-Pompe,

welke commissie weliswaar

is geïnstalleerd, doch kwalijk als zijnde

aan het werk beschouwd kan worden.

Het zal nog wel geruime tijd duren

-voor het definitieve perswets-ontwerp

ter tafel ligt.

Intussen moeten wij het dan weer

doen met deze noodvoorziening, die

op enkele belangrijke punten nog wel

iets meer blijkt in te houden dan een

continuering van het Tijdelijk Per&besluit

1945. Zij stelt in de eerste plaats

ten langen laatste aan de orde een

daad van eenvoudige rechtvaardigheid:

de instelling van een Raad van Beroep,

een hoger-'beroepsinstantie op de

uitspraken van de perszuiveringscommissie

uitsluitend samengesteld uit

juristen en daarom de beste waarborgen

voor onpartijdigheid biedend,

gelijk de practijk op andere gebieden

van de zuivering ruimschoots bewezen

heeft.

In de kring van het Federatiebestuur

wordt deze Baad van Beroep slechts

met instemming begroet, zij het dat

de voldoening over zijn stichting enigszins

getemperd wordt door de overweging,

dat zij te lang op zich heeft

laten wachten. De perszuivering is op

een oor na gevild op het moment, waarop

de stichting van de Raad van Beroep

nog slechts bij de Tweede Kamer

aanhangig is gemaakt. Men zal dus

eerst na voltooiïing der zuivering met


een dergelijke smalle, formele basis.

Het zal wel niet de bedoeling zijn, dat

de commissie de straat, die zij nu zojuist

gekuist heeft, helemaal gaat

openbreken, doch als dit niet de bedoeling

is, waar zal dan het criterium

liggen? Zullen de bladen, die thans

met een gezuiverde staf onder hun

oude of een daarop veel gelijkende

naam alweer geruime tijd werken, verder

ongemoeid gelaten worden en zal

de commissie alleen van haar bevoegdheid

gebruik maken met betrekking

tot de weinige bladen, die nog niet zijn

teruggekeerd? Dat ware echter grove

onbillijkheid, want het zou niets minder

dan meten met twee maten zijn,

waartegen men zich in het Voorlopig

Verslag dan ook algemeen verzet. Doch

waar zal de Oommissie het criterium

dan leggen? Ec is daaromtrent geen

enkele aanwijzing, noch in de wet, noch

in de toelichting te vinden, en het

heeft er dan ook veel schijn van, dat

deze bepaling slechts een wapen zal

worden, dat het de overheid mogelijk

maakt in te grijpen in een concurrentiestrijd,

die zich volkomen aan haar

zeggingsmacht onttrekt. Om principiële

zowel als om practische redenen

blijkt deze nieuwe bepaling in het

wetsontwerp niet houdbaar.

Indien de overheid met dit naamsverbod

de bedoeling heeft er voor te

zorgen, dat zij haar eenmaal gegeven

belofte aan de voormalige illegale

pers — om haar levenskansen te waarborgen

— gestand doet, dan heeft zij

hierin een aanzienlijk slechter middel

gekozen dan in de bevoegdheid, welke

zij aan de inmiddels opgekalefaterde

Persraad wil geven en het wetsontwerp

vastlegt met 'betrekking tot het

gebruik van de technische outillage.

Daaromtrent kan de Persraad nu verplichtingen

opleggen aan de eigenaars

van de zet- en drukapparatuur en daarin

kunnen de voormalige illegale bladen

maar ook alle andere organen, die

niet over eigen technische apparatuur

beschikken alleszins gerechtvaardigde

waarborg vinden, dat hun niet door

vijandig gezinde concurrenten de adem

zal worden afgesneden. Het is vrijwel

de enige taak, die de sinds zijn ontstaan

nogal zwaar gehavende Persraad

heeft overgehouden. Laat ons hopen,

dat hij onder leiding van zijn nieuwe

deskundige voorzitter, de heer Reinalda,

op dit beperkte maar geenszins onbelangrijke

gebied nog goed werk zal

verrichten. L- H.

JOURNALISTIEK EN RECLAME

Het blijkt tot de onuitroeibare gewoonten

van velen in het bedrijfsleven

te behoren, de pers te zien als

het verlengstuk van hun belangen,

een opvatting, waarvan het absurde

hun niet dadelijk duidelijk zal zijn,

omdat zij van het respectabele van

hun zienswijze overtuigd zijn. Sla de

gedenkschriften van onderscheiden

voorgangers in ons vak na en ge zult

telkens weer stuiten op de opdracht

van het een of ander bericht met een

commerciële achtergrond, van het

vriendelijk stukje over een pas geopende

bloemenzaak — bloemen-saZon

heette zoiets natuurlijk, want een

voorgeslacht had behoefte aan mooimaken

(vandaar melksalon, ijssalon,

e.d.), zoals in onze tijd het grote moet

trekken, waardoor we Zuivelpaleizen

hebben zien verrijzen — tot de beschrijving

van fabrieken met geen

andere bedoeling dan er de eigenaar

een plezier mee te doen op de eerste

plaats en iets wetenswaardigs te vertellen

in de tweede.

Vooral bladen, die, gelijk dat in

sommige delen des lands het geval is,

zich hebben ontwikkeld tot een boekhandel

met een advertentieblaadje,

zijn jaren lang aan deze commerciële

geest onderhevig geweest. Het

zou dwaasheid zijn, dit thans te willen

ontkennen. En het heeft in niet

geringe mate de publieke waardering

voor de courant bepaald bovendien. In

het Zuiden heeft jaren en jaren de

gewoonte bestaan, dat de redacties van

plaatselijke dagbladen op het einde

van de Vasten een rondgang langs de

extra-mooi opgemaakte slagersétalages

maakten, teneinde daarvan, naar gelang

deze vleeshouwers adverteerders

waren, dithyramben te dichten op de

schilderachtigheid der ontlede Paasossen,

de verrukkingen van de omgezette

speenvarkens en de kunstigheid

van de worstguirlandes, waarmee de

„vleselijke lusten" van de carnivoren

moesten gestreeld, zo niet geprikkeld

worden.

Het was .de reinste prostitutie —

men vergeve mij de combinatie van

deze twee begrippen — van de journalistiek,

al was de administratie er

uitermate tevreden mee. Het haalde

het vak omlaag in de ogen van de beoefenaren

allereerst en vervolgens in

die van de lezers met onderscheidingsvermogen.

Het was een schande.

De zwakke broeders, die zich daaraan

ook na deze oorlog niet, hebben

kunnen ontworstelen, vonden toen gelukkig

steun in enige persbepalingen,

die deze en dergelijke vermenging van

zakelijke met voorlichtende belangen

verboden en het laat zich aanzien, dat

straks in een definitieve perswet — de

pessimistische uitingen dienaangaande

in de Eerste Kamer ten spijt — afwijkingen

van deze regel strafbaar gesteld

zullen worden. In afwachting

daarvan hebben nog steeds plaatselijke

redacties last van verzoeken van zakenmensen,

die met deze nieuwe ontwikkeling

niet op de hoogte zijn of ze,

als zij ze kennen, toch wel graag in

hun richting zouden willen afbuigen.

En inderdaad kunnen er gevallen zijn,

die het m.i. toelaatbaar zouden maken,

dat bijvoorbeeld in een speciale rubriek

de aandacht gevraagd wordt

voor het jubileum van een zaak — ik

denk hier aan een boekhandel, een

kunsthandel —, welker bestaan in de

plaatselijke gemeenschap een cultuurfactor

is geworden. Maar er dient

onderscheid te blijven en dat wordt

maar moeilijk zo gezien.

Nog onlangs is het voorgekomen, dat

een groot filiaalbedrijf met een eigen

verwerkingsindustrie zestig jaren bestond

en de pers uitnodigde tot een

bezoek met lunch en verdere toebehoren.

Het (rijkelijk laat afkomend *)

advies van de Ned. Dagbladpers luidde

afwijzend. Niettemin probeerde

enige dagen later de directe van de

onderneming, thans niet met een

schrijven aan de redactie doch met

een brief aan de administratie, alsnog '

een redacteur binnen hare gastvrije

poorten te krijgen, waarbij het hem

zou vrijstaan van zijn bevindingen al

dan niet een verslag te schrijven. Het

was een afleidende onderkruip-poging,

die weinig succes zal hebben gehad.

Toch dient ze gesignaleerd en dient

de journalistenbent het been strak te

houden, ook nu het wel eens zou kunnen

gebeuren, dat bij de daling van

de conjunctuur (om het eens met een

omweg te zeggen) sommige directies

niet ongevoelig zouden kunnen blijken

voor de mogelijkheid,


PSYCHOLOGIE VAN HET PLAATSELIJK BLAD

Het aantal plaatsen in ons land

waar kleine dagbladen verschijnen, is

niet zo onbeduidend als het ogenschijnlijk

lijkt. Alles bijeengerekend

kan men ongeveer aannemen, dat 80%

onzer lezende landgenoten dagelijks

toch van minstens drie a vier rubrieken

der plaatselijke pers kennis nemen.

De kleine krant bleef ook na

de oorlog algemeen in ere, zelfs al

grijpt de „bovenlaag" van het lezend

publiek aan de kiosken het eerst naar

zijn „grote" krant. Ieder hunner demonstreert

daar enigszins zijn culturele

of politieke standing mee.

De mening, dat het grote dagblad,

gezien de brede verspreiding ervan,

als meest-toonaangevend beschouwd

dient te worden, is volgens bovenstaande

beschouwing niet overeenkomstig

de feiten. Overziet men de

„spreiding" der plaatselijke bladen,

die meestal ook als „streekblad" verspreid

worden, en houdt men daarbij

rekening met de veel grotere intensiteit,

waarmee zij gelezen worden, dan

kan in 't algemeen moeilijk anders

geoordeeld worden, dan door de grote

adverteerders gedaan wordt. Deze zullen,

naast hun landelijke reclame,

steeds een minstens even beduidend

bedrag besteden aan advertenties in

de plaatselijke pers. Het is deze juist,

die hun aanbiedingen in de familiekring,

in de rustige huiskamers

brengt. De „boulevard"- en AKObladen

brengen het maar zelden zover.

Het is dit individueel „indringingsvermogen"

van het plaatselijke blad,

dat het zo interessant maakt voor

een psychologische beschouwing. Met

name in ons land, waar het in geringere

mate dan in den vreemde, blootstaat

aan niet- of neven-journalistieke

invloeden. Het is minder dan bijv. in

Amerika en Engeland of evengoed in

België en Frankrijk, als speculatieof

reclame-objec^ in handen van politieke

of financiële groepen. Ten onzent

is het nog steeds, uitzonderingen

daargelaten, in de sfeer der zuivere

berichtgeving, der eigenlijke nieuws-

,verspreiding gebleven. Toch is de

plaatselijke pers, in het voetspoor der

grote dagbladen, over 't algemeen iets

meer op het terrein der speciale reportages

terechtgekomen, dan haar

eigenlijk past. Juist deze speciale reportages,

met hun vaak bedekt-subjectieve

strekking, kunnen de plaatselijke

pers zo licht doen afglijden

naar die gevaarlijke hellingen van

een zekere ondergeschiktheid aan bijkomstige

belangen, die haar licht uit,

de zuiver-journalistieke koers trekken.

Voor een plaatselijk blad geldt immers

sterker dan voor enig ander poriodiek

de eis: volstrekt zichzelf te

blijven.

Allerminst dient de kleine krant

zich te gedragen als een verlengstuk

van de grote dagbladen. Haar ver­

Hartslag-meter van het streekleven

dienste bestaat er niet in, nogmaals

het nieuws van de vorige dag onder

de aandacht van haar lezers te brengen;

evenmin zoiets als een vertraag-,

de film te projecteren, van hetgeen

zich de afgelopen 24 uur in een bepaalde

plaats aan kleine feiten en

mutaties voordeed. De tijd, in welke

het gezin van oud tot jong het wereldbeeld

in de verkleinende spiegel van

zijn krantje zag, is volstrekt voorbij.

Echter kan men nog aan verscheidene

der plaatselijke bladen bemerken, dat

zij in een overgangs-toestand verkeren,

waarin nog sporen van het verleden

zichtbaar zijn! Zij beginnen de

oude gemoedelijke sfeer van het

„stadskrantje" wel te ontgroeien,

maar in de nieuwe, psychologisch zo

veranderde situatie van de nieuwe

tijd hebben zij hun basis nog niet gevonden.

Daarom lijkt het niet van belang

ontbloot, enkele richtlijnen te

schetsen, waarlangs de plaatselijke pers

ten onzent tot kloeke opbouw komen

kan van haar principiële organisatie,

binnen haar eigen milieu. Zeker kan

zij daarbij ook lering trekken uit de

publicatie-methoden, die het buitenland

momenteel in de practijk brengt

op het terrein der plaatselijke dagbladen.

Wij volgen daarbij niet het

voorbeeld van een geachten collega, die

niet zo heel lang geleden aanbood, de

redactie van een periodiek op zich te

nemen. Hij wenste dit geheel te redigeren

„in Amerikaanse stijl", blijkbaar

ter aanbeveling van zijn kwaliteiten.

Dit is, zoals het niet moet!

Men voelt de fout, die deze reporter

maakte: het eigene van het plaatselijke

blad werd verloochend' terwille

van een bepaalde mode. Een krant, en

wel het allerminst een plaatselijk blad,

is geen hoed, die men het ene seizoen

zus stoffeert en het andere seizoen zo.

Het dient te zijn: een zelfstandige

onderneming op het gebied der publiciteit,

met een onafhankelijk, eigen

karakter, zowel cultureel, als in haar

commerciële existentie.

Bij de ontplooing van dit eigen wezen

in de nieuwe tijd, komt het ten zeerste

aan op vastheid van leiding, in het

plaatselijke blad. Funest als plaatselijk

verschijnsel werkt het zogenaamde

„kop-blad", dat men gezien zijn ontwikkeling,

in vele gevallen eerder een

„voetvaag-blad" zou kunnen noemen.

Terwille van de actualiteit en (van een

ten deze misplaatste!) economie, mist

het kopblad ten enenmale die typische

sfeer en instelling, die voor een plaatselijk

blad juist karakteristiek zijn.

In concurrentie met een goedgeleid

plaatselijk blad (goedgeleid: redactioneel

zowel als commercieel) zal geen

enkel kopblad werkelijk aan „de kop"

kunnen komen. Het kan alleen kunstmatig

in stand blijven door te parasiteren

op het „rompblad", welks onzalig

uitvloeisel het is. Evenzo is het niet

twijfelachtig hoe de strijd zal aflopen

tussen een goedgeleid plaatselijk blad,

dat zich op algemeen-stedelijk stand 1 -

punt stelt en de „sectarische bladten",

welke gewoonlijk mede om een plaats

worstelen in onze Nederlandse volksgemeenschap.

De practijk bewijst dat

enkele, nationaal-optredende, politieke

of kerkelijke organisaties wel landelijke

publiciteits-organen kunnen onderhouden.

Maar plaatselijk is dergelijke

organen gewoonlijk een kort bestaan

beschoren en tegenwoordig ziet men

ze bijna overal nog slechts als kopbladen

te voorschijn komen.

Het plaatselijke blad heeft ten deze

[reeds in de karakteristiek van zijn

opzet een voorsprong. Deze kan het

steeds vergroten door „karakteristiek"

te blijven, door de plaatselijke belangen

zo nauwgezet te dienen op journalistiek

terrein, dat ook dogmatisch

of politiek gespecialiseerde lezers de

objectiviteit van het blad, als een volstrekte

overbrugging van het verschil

in denkwijze, aanvaarden én' waarderen!

De „karakteristiek", alsmede de

objectiviteit van het plaatselijke blad

wordt vomamelijk tot stand gebracht

en in stand gehouden door een persoon:

door een all-round hoofdredacteur.

Nu erkennen wij dadelijk dat

het in een betrekkelijk klein land als

het onze onmogelijk is, om aan elk

plaatselijk blad een all-round hoofdredacteur

te verbinden. Daarvoor beschikken

we over te weinig van dergelijke

lieden! De bladen die zulk een

best lot niet trekken, moeten zich helaas

met minder vergenoegen, óf hun net

zó breed uitzetten, dat er toch eenmaal

zulk een zeldzame vogel invliegt.

De gelukkige directies, die over een

all-round hoofdredacteur de beschikking

kunnen krijgen, doen het best

hem zoveel mogelijk vrijheid van handelen

te geven. Niet in die zin, dat hij

zonder „mandaat" of richtlijnen zou

moeten werken, maar zó: dat hij inzake

de karakteristiek van de redactie,

in het blad volle bewegingsvrijheid

heeft en behoudt. Men legge hem geen

commerciële normen in de weg, als:

het ontzien van de ene categorie lezers,

of: het „opluisteren" van de andere.

In minimum van tijd is het blad dan

de prooi van een lezers-coterie, hetgeen

zich vrij snel demonstreert in een

dalend abonnementental. Zo ergens

nog zulk een „vooroorlogse" politiek

gevoerd wordt door een plaatselijk

blad, kan het er zeker van zijn, dat

het vonnis daarover in die politiek zelf

vervat ligt. Afsluiting van bepaalde

levensterreinen binnen kleine plaatsen

heeft tengevolge, dat de algemene belangstelling

voor een zo te werk gaand

blad koudweg wordt omgebracht.

A. J. D. VAN OOSTEN

(Slot volgt.)

3


Belgische bladen in Nederland

In „De Journalist" no. 8/9 (Pebruari-

Maart '47) is het probleem aangesneden

van de Belgische bladen, die thans

in Nederland verkocht worden.

De redactie van ons vakblad heeft

zich in deze aangelegenheid op het

naar mijn bescheiden mening zeer

prijzenswaardige standpunt gesteld,

dat het niet wenselijk is maatregelen

tegen de invoer van Belgische bladen

te nemen, waarbij zij waarschijnlijk

ook overwogen heeft, dat wij, als

Nederlanders, op het gebied van gehalte

en kwaliteit van persorganen de

concurrentie met onze Belgische vrienden

rustig kunnen aangaan.

In deze tijd van overmatige reglementering

op elk gebied, inzonderheid

op economisch terrein, doet zulk een

standpunt prettig aan.

Het is daarom te bejammeren, dat in

de kringen der uitgevers van periodieken

en tijdschriften een minder breed

standpunt t.a.v. de Belgische bladen

wordt ingenomen.

In het. Mededelingenblad voor het

Nederlands Tijdschriftehwezen van

April—Mei 1947 (No. 9/10) kan men

lezen, dat een speciale Commissie, die

de problemen op het terrein van verkoop

van Nederlandse tijdschriften

onderzoekt, bezwaren oppert tegen de

invoer van buitenlandse bladen in het

algemeen en tegen Belgische persorganen

in het bijzonder.

Gezegd wordt o.a., dat het papier in

België niet gedistribueerd is, dat verschillende

Nederlandse uitgevers er toe

overgaan hun objecten in België onder

te brengen, dat vele Belgische periodieken

niet als zodanig te herkennen zijn

en dat dit alles ongewenst is. De commissie

zou de invoer beperkt willen

zien tot zuiver litteraire en wetenschappelijke

uitgaven.

Zij heeft dan ook in deze geest stappen

ondernomen bij het Ministerie van

Economische Zaken. Het Directoraat-

Generaal van dit departement heeft

daarop geantwoord, dat de betreffende

aangelegenheid in overweging genomen

zal worden bij de onderhandelingen

met België over een nieuw handelsverdrag,

terwijl de Centrale Dienst

voor In- en Uitvoer heeft medegedeeld,

gaarne te zullen vernemen hoe de

Nederlandse belanghebbenden zich

voorstellen een juiste verhouding te

scheppen.

De hier aan de orde gestelde aangelegenheid

is echter een zaak, die,

behalve voor de betrokken Nederlandse

uitgevers, ook voor anderen van belang

is Op de eerste plaats is het onjuist,

dat in België geen papierdistributie

zou bestaan. Er bestaat wel degelijk

een distributie-systeem en daarbij

moet in aanmerking worden genomen,

dat de papiersituatie bij onze zuiderburen

allerminst zo rooskleurig is als

4

de Nederlandse Uitgevers van Periodieken

enz. beweren.

Zonder twijfel is de toestand aanzienlijk

gunstiger dan in Nederland,

maar het is beslist onjuist de zaken

voor te stellen of men in. België maar

raak bestellen kan. Verschillende grote

drukkerijen, papierleveranciers en uitgevers

beginnen krap in het papier te

zitten en zijn helemaal niet optimistisch

over de naaste toekomst.

Verder lijkt het ons dwaasheid van

de Belgen te eisen, dat hun uitgaven

een zodanig kenmerk moeten dragen,

dat men daaraan terstond de Belgische

oorsprong herkent. De Belgen zouden

dan met het volste recht van Nederland

kunnen eisen, dat de Nederlandse

uitgaven eveneens zulk een kenmerk

zullen dragen.

Dit laatste doen zij overigens in werkelijkheid

toch, door hun verzorgdheid

en keurige uitvoering.

De Nederlandse boeken, die men in

zeer talrijke mate in België aantreft,

zomede couranten en periodieken,

trekken, zoals ook vroeger, de aandacht

van het publiek door hun

aantrekkelijke uitvoering en uitstekende

typografische verzorging.

Een andere kant van de zaak is deze.

Er bestaat een handelsverdrag tussen

Nederland en België benevens een culturele

overeenkomst, waarbinnen een

vrije uitwisseling van boeken, couranten

en periodieken voor beide partijen

gewaarborgd is.

België voert voornamelijk periodieken

en couranten in Nederland in,

terwijl Nederland belangrijk afzetgebied

voor boeken in België heeft.

Men behoeft er niet aan te twijfelen,

dat de Belgen een beperking van hun

uitvoerfaciliteiten naar Nederland zullen

beantwoorden met een contingentering

van de hoeveelheid boeken,

die Nederland over onze zuidergrens

stuurt.

Volgens Belgische belanghebbenden

voert Nederland een groter waarde

aan boeken en periodieken in België

in, dat België naar Nederland zendt*

Het zou interessant zijn hieromtrent

eens de juiste cijfers te vernemen.

Wat nu betreft de vraag of het juist

is, het Nederlandse publiek, dat door

da slechte papiersituatie in Nederland

al zo bitter weinig waar voor zijn geld

krijgt op het gebied van periodieken,

vooral wat betreft ontspanningslectuur,

te beletten uitgaven uit België te kopen,

menen wij, dat dit onjuist is.

Het moge juist zijn, dat verschillende

Nederlandse uitgevers door een

samenwerking met Belgische uitgevers

kans hebben gezien hun uitgaven naar

België over te hevelen, hier dient de

vraag te worden gesteld, of dit een

nadeel is.

Wij betwijfelen dit. Immers, de zuiver

Belgische uitgaven zijn niet zó

geschikt voor Nederland, dat men daar

beducht voor behoeft te zijn. Zij zijn

ir. het Vlaams geredigeerd en dit bevredigt

het Nederlandse publiek niet.

De Frans-geredigeerde uitgaven vinden

slechts geringe afzet.

In totaal gezien zouden wij durven

beweren, dat de werkelijk 100 pet. Belgische

uitgaven in Nederland slechts

een bescheiden markt vinden.

Indien nu uitgaven uit België

komen,, die een werkelijk Nederlands

cachet dragen en dus vermoedelijk het

resultaat zijn van een Belgisch-Nederlandse

samenwerking, dan is dit een

voordeel voor het Nederlandse publiek.

Immers, op deze wijze wordt een tegemoetkoming

gegeven aan onze geringe

mogelijkheden.

Bovendien — en dit is de kant, waarmede

wij als journalisten te maken

hebben — groeit het begrip bij de

Belgische uitgevers, dat zij voor het

in Nederlandse trant redigeren van

hun uitgaven Nederlandse deskundigen

nodig hebben. Enige collega's hebben

dan ook dientengevolge reeds

connecties met Belgische uitgevers

kunnen aankopen en het is lang niet

onwaarschijnlijk, dat op die wijze een

interessante relatie ontstaat.

Tenslotte willen wij wijzen op het

vrij grote aantal werknemers, dat een

boterham verdient als agent of colporteur.

Velen hunner zouden ernstig gedupeerd

worden als zij een of meer

hunner objecten, voor zover het Belgische

uitgaven betreft, moesten

missen.

De Nederlandse tijdschriften-uitgevers

dienen dan ook te bedenken, dat

de papierschaarste mede een gevolg is

van het teveel aan periodieken in

Nederland zelf. Ondanks de papierschaarste

komen er voortdurend nieuwe

organen bij, terwijl er talrijke periodieken

zijn waarvan het bestaansrecht

in twijfel getrokken moet

worden.

Het lijkt ons dan ook niet onwaarschijnlijk,

dat de Nederlandse tijdschriften-uitgevers

bij het beoordelen

van de „Belgische*kwestie" te veel hebben

gelet op hun eigen rechtstreekse

belangen en daarbij bovendien nog

verzuimd hebben acht te slaan op de

euvelen, die wij binnen onze eigen

grenzen moeten opruimen.

Gezien de culturele samenwerking

met België, die, naar wij hopen en

verwachten, in de niet ver verwijderde

toekomst zal leiden tot een nog inniger

contact dan voorheen, is het van belang,

dat het Nederlandse persorgaan,

het Nederlandse boek, kortom het

ganse Nederlandse geestesleven in gedrukte

vorm vrije en onbeperkte toegang

tot België krijgt en behoudt.

De belangstelling voor dat alles

neemt in België toe en het lijkt ons

niet verstandig onzerzijds beperkingen

te gaan opwerpen, die ons uiteindelijk

zelf zullen gaan benadelen.

De magere jaren, die Nederland

moet doorstaan, zullen eens voorbij

gaan. Of de vette jaren, die België

thans beleeft, langdurig zullen zijn,

kunnen wij onze zuiderburen slechts

toewensen en voor hen hopen.

De culturele samenwerking der lage

landen zal echter op den duur voor


Nederland inzonderheid van grote betekenis

worden, omdat er iets van ons

verwacht wordt en wie dit begrijpt, zal

alles wat naar beperking riekt en de

toenadering remt, uit de weg gaan.

M. G. HARINGMAN.

Hilversum, 26 April 1947.

Ter aanvulling van het bovenstaande

nemen we hieronder gaarne op wat

de Zondagochtend, uitgave van het

Handelsblad van Antwerpen, naar

aanleiding van deze kwestie schreef:

In het degelijke orgaan van de Nederlandse

journalistenkring, wordt

onder de kop „Belgische bladen komen

in Nederland" door een collega S. in

zachte en minder zachte bewoordingen

geprotesteerd tegen de zogenaamde

bestaande concurrentie, aangedaan

door de Belgische bladen, die ook in

Nederland worden verkocht.

De redactie van „De Journalist"

treft hiervoor geen blaam, want zij

verklaart in een voetnota:

„Wij zouden niet alleen voorlopig

geen maatregelen willen nemen, doch

— bij voorbaat — nooit. Een verschil

in beginsel tussen collega S. en ons.

Redactie."

Het past echter — omdat het onze

overtuiging is dat slechts een vruchtbare

samenwerking tussen Zuid en

Noord dient te worden nagestreefd —

dat wij de Collega S. even antwoorden.

Verschillende Nederlandse bladen

komen sinds „onheuglijke tijden" in

België, en niemand heeft zich daarover

ooit verwonderd, laat staan zich

daartegen verzet. Integendeel, hebben

de meeste Belgische intellectuelen zich

regelmatig op de Nederlandse bladen

geabonneerd, zoals zij zich abonneer­

Zuid«Amerikaanse collega's

bezoeken ons land

Een gezelschap Zuidamerikaanse

journalisten heeft, op uitnodiging der

K.L.M., van 22 April tot 7 Mei een bezoek

gebracht aan ons land. Het waren

de heren F. Souza Brasil („Journal do

Brasil"), Raimundo Austrogesilo de

Athayde („Diarios Associados"), Joao

Antonio Mesple („O Globo"), O. de

Carvalho Lengruber (radio-journalist),

Israel Dias Novais („Cbncio Paulistano"),

Virgniand Goncalves („Dario de

Sao Paulo") en Romeo Pasqualini

(hoofd-filmoperateur „National News

Service"), allen uit Brazilië en José

Gonzalez („El Dia") uit Uruguay.

De Zuidamerikaanse collega's kwamen

Dinsdagsmorgens in de vroegte

per K.L.M.-machine, via Lissabon, op

Schiphol aan, vergezeld van de heer

G. S. de Clercq, directeur van het Ned.

Informatiebureau te Rio de Janeiro en

de heren D. J. Lambooy, hoofdredacteur

van het Alg. Ned. Persbureau, en

Vogels, perschef van de K.L.M., die van

een reis naar Zuid-Amerika terugkeerden.

Ter ontvangst waren aanwezig officials

van de K.L.M, en van het Neder-

den op Franse en Engelse kranten, om

zodoende, de wind uit de vier windstreken

te voelen waaien.

Hoe kan men — en vooral nu de toenadering

tussen het Belgische en het

Nederlandse volk, méér dan een droom,

werkelijkheid moet worden, in het belang

van beide landen — hoe durft

men dan zelfs de overweging maken,

dat het verspreiden van de Belgische

voorlichting, die het Nederlandse volk

NIET kent, en de „indringers" dienen

te worden in het oog gehouden?

De Zuidnederlandse kijk op de dingen

dient toch ten minste zo belangrijk

geacht te worden als de Nederlandse

kijk?

Om naar elkaar toe te groeien — en

dat is toch de bedoeling — moeten wij

elkaar toch eerst grondig leren kennen?

En is de pers dan niet in de

eerste plaats de aangewezen middelaar?

Zeggen wij maar eerlijk, het is hard

te betreuren, dat slechts in 1947 de

eerste Belgische bladen in Nederland

worden verspreid. Zij doen toch niet

meer concurrentie dan de Nederlandse

bladen onderling.

En wanneer zij bijv. de kans hebben

om een Zondagsblad uit te geven, kan

men hen de voordelen van een weekblad-concurrentie

niet gunnen?

Zoals wij elders in dit blad schrijven:

samenwerking is niet mogelijk

zonder wederzijds vertrouwen. Begin

dan met het vertrouwen aan te kweken,

collega's.

En, ware het „niet te hopen,, dat de

Zuidnederlandse* bladen alle nog degelijker

zouden worden, dan de Noordnederlandse?

Gaat het ten slotte niet om het algemene

belang van de Lage Landen?

lands-Zuidamerikaanse Instituut en de

vertegenwoordiger van het bestuur der

Federatie van Ned. Journalisten, coll.

J. J. F. v. d. Bergh.

Er was voor dit bezoek een uitgebreid

programma samengesteld met bezoeken

aan verschillende grote gemeenten en

onderscheidene belangrijke industrieën,

bij de afwerking waarvan de collega's

uit Zuid-Amerika zich ten volle konden

oriënteren omtrent de toestand in ons

land en de mogelijkheden, welke de

Nederlandse handel en industrie bieden

voor uitbreiding der Nederlands-

Zuidamerikaanse handelsbetrekkingen.

In het kader van dit program waren

— zoals gebruikelijk — ook verschillende

officiële diners opgenomen. Zo was

er op de dag van aankomst een diner

van de K.L.M. in het Amstelhotel te

Amsterdam, aan welke maaltijd coll.

Mr. M. Rooy de Federatie van Ned.

Journalisten heeft vertegenwoordigd,

terwijl aan het afscheidsdiner, veertien

dagen later in „Lido" te Amsterdam,

de vice-voorzitter van het Federatiebestuur,

de heer L. Hanekroot, die taak

vervulde.

Tijdens hun verblijf in Amsterdam,

waar hun programma druk bezet was,

vroegen de gasten coll. Petzhold, of het

niet mogelijk was, dat zij eens rustig

met een paar Amsterdamse collega's

konden praten. Deze heeft onmiddellijk

daartoe het initiatief genomen en

Zaterdagavond, na het concert van het

Concertgebouworkest hebben de collega's

v. d. Bergh, Jan H. de Groot, Petzhold

en Rizouw op „De Koepel" de

Zuidamerikaanse collega's heel huiselijk

en genoegelijk ontvangen en hun

alle mogelijke inlichtingen, die zij

wensten over de organisatie en positie

der journalisten hier te lande, over

aantal en richting der dag- en weekbladen,

over de politieke verhoudingen,

samenstelling der Regering en der Staten

Generaal — kortom over allerlei

uiteenlopende onderwerpen verschaft.

De volgende Zaterdag heeft het bestuur

der Federatie van Ned. Journalisten

— dat, gehoord hebbende van dit

bezoek, zelf daartoe het initiatief had

genomen — de Zuidamerikaanse collega's

een ontvangst bereid in een der

zalen van het Kurhaus te Scheveningen,

waar zij door mr. Rooy in een

kort speechje hartelijk zijn verwelkomd.

Ongeveer vijftig personen hadden

aan de uitnodiging van het bestuur tot

bijwoning van deze ontvangst gevolg

gegeven. Daarbij was in de eerste

plaats de gezant van Brazilië, S. Rangel

de Cactro, voorts een aantal officials

van de K.L.M., o.m. Hans Martin,

de chef van de afd. perszaken van de

Regerings Voorlichtingsdienst, de perschefs

van de ministeries van Economische

Zaken en van Landbouw, visserij

en voedselvoorziening, verscheiden

hoofdredacteuren, bestuurderen van de

Buitenlandse persvereniging en een

aantal Haagse collega's. Dè bijeenkomst

was zeer geslaagd, hetgeen voor

een niet gering deel te danken was aan

de voortreffelijke voorbereiding daarvan

door coll. J. E. van der Wielen,

secretaris van de Haagse Journalistenvereniging.

Er heerste een genoegelijke

stemming en alleen de omstandigheid,

dat de Zuid-Amerikanen tegen half

acht genood waren aan een Indische

rijsttafel, noopte er toe de samenkomst,

waarin velen met de buitenlandse gassen

van gedachten hebben gewisseld, te

eindigen.

Mr. M. Rooy, voorzitter van de Federatie,

zond tijdens de bijeenkomst

het volgende telegram aan de heer

Herbert Moses, president van de Braziliaanse

journalistenorganisatie: „De

Federatie van Nederlandse Journalisten

in een samenkomst met de Braziliaanse

collega's verenigd, zendt zijn

hartelijke groeten aan de Braziliaanse

zusterorganisatie en spreekt de wens

uit, dat het contact tussen kameraden

der onderscheiden delen der wereld zal

bijdragen tot een blijvende vriendschap

tussen de twee landen."

Hierop werd het volgende antwoord

ontvangen: „De Braziliaanse organisatie

zendt broederlijke groeten aan de

Nederlandse collega's en juicht de gedachte

toe een innige kameraadschap

te bevorderen tussen alle journalisten

teneinde de vooruitzichten op duurzame

vrede te doen toenemen."

5


Mijnheer de redacteur....

Wie butter op zijn hoofd heeft......

Moet niet in. de étalage

gaan staan!

Enkele maanden na de bevrijding

verscheen bij de uitgeverij „West-

Friesland" te Hoorn de roman „En de

krant kwam uit " Auteur: Henri

van Putten. Pseudoniem voor de min

of meer bekende heer Hans P. van den

Aardweg. Onderwerp: 's mans held-

. haftige rol in de rijen van het „bovengronds

verzet" als redacteur van het

„Dagblad voor Noordholland", een rol,

die de waarlijk toch niet zo vreselijk

strenge perszuiveringscommissie aanleiding

heeft gegeven de heer Van

den Aardweg een certificaat te weigeren.

Hetzelfde lot deelde de heer

F. Butter, die het boek uitgaf en in de

oorlog directeur van het „Dagblad voor

Noordholland" was, niettegenstaande

de ijver van zijn onderdanige dienaar

om zijn chef en broodheer af te schilderen

als de nobelste, dapperste, onbaatzuchtigste

krantendirecteur, die

ons land ooit heeft gekend.

Kortom: het is een misselijk boek.

De dagbladen waren indertijd nog te

klein om aan dit letterkundig wangedrocht

aandacht te besteden en „De

Journalist" was nog niet weer verrezen

om de collega's attent te maken op

deze brutale poging van Van den

Aardweg om zijn straatje schoon te

vegen. Er zou voor mij dan ook geen

aanleiding zijn na bijna twee jaar de

aandacht op dit boek te vestigen, wanneer

ik het niet toevallig weer was

tegengekomen. En wel in de étalage

van een Amsterdamse boekwinkel,

waarin ter gelegenheid van de nationale

feestdag een kleine collectie verzetsliteratuur

was tentoongesteld. Temidden

daarvan lag Van den

Aardwegs boek!

Schrijver en uitgever zullen zich er

alleen maar over kunnen verheugen.

De apologie van Henri van Putten,door

de commissie Vonkenberg nonchalant

terzijde geschoven, prijkt nu

naast de werken, waarin de daden van

hen worden beschreven, die in het

„Dagblad voor Noordholland" op gezag

van de Duitse heren „terroristen"

en „avonturiers" werden genoemd. De

boekhandelaar kunnen we er geen verwijt

van maken, dat hij geen betere

selectie toepast. De man maakt zo'n

étalage ook uit een zakelijk oogpunt en

dit is tenminste nog een lichtpuntje in

deze trieste historie: dat deze „verzetsroman"

van de Noordhollandse (bovengrondse)

knokploegleider Henri van

Putten nog niet is uitverkocht.

Amsterdam, 5 Mei '47.

EVERT WERKMAN.

Frankfurter maskerade.

Met belangstelling las ik in ons

orgaan het artikel „Die Frankfurter

Zeitung nach 1933", ontleend aan de

N. Zür. Ztg. Mag ik er evenwel uw

aandacht op vestigen, dat dit artikel,

6

geschreven door de oud-medewerker

van dat genoemd Duits blad, Wilhelm

Rey, kort daarna fel in de N.Z.Z. is

bestreden, waarbij de innerlijke voosheid

van Rey's betoog m.i. ten volle

werd aangetoond. *)

Rey doet niet anders dan „voor

eigen parochie praten". De gedragslijn,

welke de Frankfurter in de jaren

'33—'43 heeft gevolgd, is precies dezelfde

als die, door menig „Nederlands"

blad tijdens de bezetting toegepast

en had voornamelijk ten doel,

het leven der krant zo lang mogelijk

te rekken. Om dat te bereiken, werden

talloze concessies aan de machthebbers

van het Derde Rijk gedaan,

concessies, waartegenover de stoutigheden,

die enkele redacteurs of medewerkers

zich nu en dan eens in de

kolommen der F.Z. veroorloofden,

eigenlijk toch weinig betekenden. Per

slot van rekening „collaboreerde" de

F.Z. immers op ruime schaal en de

nazi-bonzen wisten heel goed wat ze

deden met hun betrekkelijke zachtmoedigheid;

toen de kruik h.i. lang

genoeg te water was gegaan, lieten ze

het broze voorwerp breken! Rey geeft

zelf toe, dat de heren van de eervolle

reputatie der Frankfurter in 't buitenland

zoveel mogelijk profijt trokken

en hier slaat hij de spijker precies

op de kop, maar . . . veroordeelt

tevens de krampachtige redactionele

pogingen, om het blad „coüte que

coüte" te laten voortbestaan, in de

hoop, eenmaal het nationaal-socialistische

masker te kunnen afwerpen.

Ik voor mij kan zo'n maskerade niet

waarderen en zij heeft, naar 't mij wil

voorkomen, zowel binnens- als buitenslands

slechts averechtse resultaten opgeleverd.

Göbbels es. hadden ongetwijfeld

„ihre Freude d'ran". Zo goed als

aan het gemodder van menig ten

onzent verschijnend persorgaan, dat

gedwee de „verplichte copy" der

Presse-Abteilung slikte en dan dit

fraais weer door een kunstig gewrongen

beschouwinkje of een behoedzaam-ondeugend

zinnetje trachtte te

compenseren.

„Huilen met de wolven" wordt wel

eens als het toppunt van slimheid

aanbevolen, maar gewoonlijk trekken

de wolven er het meeste profijt van

en weten ze, zodra zij hun kans

schoon zien, de pseudo-wolf heus wel

te vinden. De Frankf. Ztg. heeft dit

aan den lijve ervaren, zonder met haar

„masker-politiek" ook slechts enige

dienst aan het Duitse vaderland te

hebben toewezen. In ere sneuvelen

zou het blad, dat een reputatie had

te verliezen, vrij wat beter hebben gesierd.

En wat voor de Fr. Ztg. geldt,

is, met enige variatie, evenzeer voor

niet-Duitse bladen van toepassing.

Leeuwarden.

F. TH. HOLSBOER.

*) Zie blz. 18 van dit nummer.-Red.

Arm, maar krachtig?

Naar aanleiding van het artikel „De

N.J.K. als vakorganisatie" zou ik het

volgende willen zeggen:

De N.J.K. kan m.i. dan pas als vakorganisatie

optreden, indien:

a. Alle werkende journalisten in

Nederland lid zijn;

b. een voldoende kas is gevormd.

Dit kan alleen bereikt worden als

de contributie zodanig is gesteld, dat

deze geen, toij velen thans te zwaar,

geldelijk offer vormt tot toetreding

van iedere journalist.

Het is m.i. beter een sterke ledenbond

te hebben met dragelijke contributie

dan een verbond met een beperkt

aantal leden, die hoofdelijk wel

meer bijdragen, doch waarvan als

representatieve bond naar buiten veel

minder kracht tfitgaan kan.

Voordat aan deze voorwaarden zal

zijn voldaan, kan m.i. de N.J.K. niet

als krachtige vakorganisatie met succes

naar buiten optreden.

Met dank voor de plaatsing,

C. HYMANS.

Amsterdam.

(Het is maar de vraag wat men „een

dragelijke contributie" noemt. Zal de

Kring de belangen van zijn leden op

afdoende wijze kunnen behartigen,

dan is daarvoor nu eenmaal geld

nodig. Het ideaal van collega Hymans:

„arm maar krachtig", is een utopie.

Dit geldt voor elke vakvereniging en

heeft daarvoor te allen tijde gegolden.

De arbeiders hebben dit sinds lang

beseft en hebhen van hun vaak armzalig

loon bedragen op zij gelegd voor

de opbouw en versterking van hun

vakbonden, waarbij vergeleken de

contributie-eisen van de Kring uitermate

schappelijk zijn. Zou het werkelijk

waar zijn dat het saamhorigheidsbesef

en de bereidheid om voor het

gemeenschappelijk belang een bescheiden

offer te brengen onder boorddragers

zoveel minder is? Ondanks het

betoog van collega Hymans weigeren

wij het te geloven! — Red.)

Het legioen der zevenduizend

Ik heb dan eindelijk mijn voorlopig

certificaat!

Met — naar ik meende gerechtvaardigde

— voldoening heb ik het mijn

collega's bij Scheltema getoond. Je

mag er toch immers wel een beetje

trots op zijn, wanneer je zo maar, zij

het dan na lang wachten, zuiver bent

bevonden, al is het dan ook voorlopig.

Maar ze keken een 'beetje misprijzend

naar het papiertje en een tikje achterdochtig

vroegen ze: „Heb je dat nou

pas gekregen? Ik heb het mijne al

meer dan een jaar." En er waren er,

die verachtelijk naar het hoge stamboeknummer

wezen: 7224! „Ik dacht,

dat jij zo verschrikkelijk zuiver was",

zeiden ze om daarna nadenkend hun

broodje-kaas aan te snijden.

Dat heeft mij tot nadenken gestemd.

Ik zit inderdaad een beetje met dat

hoge nummer in mijn maag, want

iedereen denkt nu, dat ik wel een heel

zwaar geval moet zijn geweest. Weliswaar

heb ik mij gehaast om te ver-



klaren, dat ik het certificaat „zomaar"

heb gekregen en dat ik zelfs nooit ben

opgeroepen om gehoord te worden,

maar dat hoge nummer staat er nu

eenmaal. En bij Scheltema achter de

koffie en bij Suisse achter de borrel

denken ze er het hunne van . . .

In alle ernst echter: er zit aan dat

hoge nummer nog een probleem vast.

Wanneer mij nummer 7224 wordt uitgereikt,

betekent dat — het is heel

gemakkelijk uit te rekenen — dat er

nog 7223 andere certificaten zijn uitgereikt.

Dat er, met andere woorden,

meer dan zevenduizend personen op

het ogenblik werkzaam zijn in

de journalistiek of in niet-joumalistieke,

leidende functies bij de dag- en

weekbladpers. Wie zijn toch wel die

zevenduizend? Vóór de oorlog telden

de N.J.K. en de R.K.J.V. tezamen,

naar ik meen, niet meer dan een 1600

journalisten. Dat legioen is zeer gehavend

uit de oorlog te voorschijn gekomen.

Weliswaar zijn er tallozen bijgekomen

— waaronder de tientallen

zuivere minderjarigen, waarover niet

al te zuivere, doch wel zeer meerderjarige

collega's direct na de bevrijding

soms zo smalend wisten te praten —

doch wie de klaagzangen der onderscheidene

dagbladdirecteuren aanhoort,

dat het zo moeilijk is geschikte

redacteuren te vinden, krijgt

toch niet de indruk, dat er nu zo ontstellend

veel journalisten méér zijn.

Daar komen natuurlijk bij degenen,

die in leidende functies werkzaam

zijn, doch geen redactiewerk

verrichten. Maar die kunnen met hun

allen die zevenduizend toch ook niet

volmaken?

Wie zijn die zevenduizend dan toch

wel? Ik kan de vraag niet beantwoorden.

Eén collega heeft overigens getracht

een tipje van de certificatensluier op

te lichten. „Bij ons op. de redactie",

zei hij, „werkt iemand, die wel drie

certificaten heeft. Allemaal andere

nummers. Allemaal aangetekend verstuurd.

Dié is pas zuiver!" Dat laatste

was natuurlijk een steek onder water,

omdat ik daar zo onnozel met slechts

één papiertje zat. Maar ik heb hier

en da-ar eens geïnformeerd en die driedubbele

zuivering moet beslist op een

administratieve vergissing berusten.

Regel is het niet.

Dus: wie zijn die zevenduizend?

E. WERKMAN,

(Stamboekno. 7224)

Taaiperikelen.

Dat journalisten zich beijveren om

bij onze taal de wacht te betrekken,

is ongetwijfeld een loffelijk streven,

't Is alleen maar jammer, dat Nederlands

zo moeilijk is, ook zelfs in de

nieuwe spelling — ja, misschien is het

volgens de jongste uitvinding op dit

gebied nog moeilijker geworden —; terwijl

zich bovendien nog de moeilijkheid

voordoet, dat niet ieder, die zich

tot zuiveren geroepen acht, daarvoor

de nodige bekwaamheid bezit.

In een verslag over de onthulling

van een gedenkplaat, kwam de volgende

critische opmerking voor: „Het

is jammer, dat een storende fout in de

SCHRIFTELIJKE CURSUS

Het onderstaande is een opstel,

als „vrij werk" gemaakt

door een leerling van een der

vele schriftelijke cursussen in

ons vak die ons vaderland arm

is. Het is zonder enige verandering

afgedrukt; de woorden

tussen haakjes zijn verbeteringen

van de leraar, die het werk

met het cijfer 7i beloonde en

het cursief gedrukte onderschrift

er aan toevoegde. Van

onze kant hebben wij hier niets

aan toe te voegen dan de verzuchting:

Hoe lang nog? Het

onlangs ingestelde toezicht op

de schriftelijke cursussen betreft,

naar wij menen, voorlopig

alleen het handelsonderwijs!

Ons vertrek

Het is 5 Februari. Wij hangen over

de reling van het troepenschip, starend

op de kade, die nu verlaten is.

Beneden verlaten de M.P.'s het schip.

De loopplanken worden binnengehaald

en de deuren in de scheepswand,

waardoor wij vanmorgen binnenmarcheerden,

worden gesloten.

Enkele mensen van de maatschappij

lopen nog haastig op de kade heen en

weer. Verder alles stil.

Ergens slaat een klok, twaalf slagen

klinken door de nachtelijke stilte. Een

der mannen op de kade blaast luide

op een fluit. Dit is het teken! De trossen

worden losgegooid. Nog even en

we raken los van de kade. Eerst tergend

langzaam, een halve meter, een

meter, maar steeds verder. Het begin

van de reis!

Langzaam verdwijnt , de kade uit

het gezicht. Daar staat het hek, waarachter

vandaag nog vele familieleden

tekst is geslopen, — wellicht wordt

deze snel veranderd. Het „Ter herdenking

van de burgers, die op 7 Mei 1945

op de Dam gevallen zijn", dient te

worden gecorrigeerd in „Ter herdenking

aan "

Ja, de Nederlandse taal is niet makkelijk.

En er zijn nu eenmaal, ook in

ons mooie beroep, mensen, die graag

een beetje dik doen en niet vrij zijn

van eigenwijsheid.

Maar toch vraagt men zich af, of

op de redactie, waar zo'n verslag wordt

doorgegeven, niet iemand zit, die verstandiger

is en meer herinnering heeft

aan zijn schooluren Ned. taal.

v. d. B.

ons toewuifden. In gedachten zie ik

ze nog staan. Zwaaiend met zakdoeken,

anderen hadden oranje linten en

sommigen bliezen op een hoorn of

hadden grote houten borden bij zich.

Alles om ons een laatste afscheid toe

te wuiven. Ze lieten zich niet afschrikken

door het ongure weer en de bitter

koudei wind, die hen door hun

kleding gesneden moet hebben. De

kade zinkt weg in het duister. Ik voel

iets in me opkomen. Bedwingen jongen,

wees flink. Ik zoek m'n hangmat

op en probeer een plaatsje te vinden

aan de zolderwand. We hangen allen

tegen elkaar, zij aan zij, ruimen vol.

's Nachts droom ik van een huilend

meisje en een bedroefde moeder.

We hangen weer over de reling. Het

is nu half vijf in de vroege morgen.

IJmuiden! Weer roepen de mensen op

de kade, ondanks de felle koude. Sommigen

hebben dekens om het lichaam

geslagen. Alle goeds wordt ons toegewenst.

Als het schip gaat varen hollen

zij nog mede, zolang ze maar kunnen.

Daar roept nog een moeder, zo luid

als zij maar kan: „Dag Jan, houdt je

goed hoor!" Haar jongen staat hier

tussen ons aan de reling. Zij roept die

woorden aan hem, maar het is mij

alsof ze voor ons allen bedoeld zijn.

Alsof al onze eigen moeders daar ook

staan, op het laatste stukje Holland

en ons toeroepen: „Dag, houdt je goed

hoor!" Ik zou namens ons allen willen

terugroepen: „We zullen ons goed

houden, we zullen laten zien wat we

' waard zijn, wat er in ons zit."

De mensen zwaaien nóg met de armen,

maar het schip vaart medogenloos

verder. De mensen worden al kleiner

en kleiner... stipjes zijn het nu,

we zien ze al niet meer. De kust zakt

al dieper en dieper weg, tot ze zich

geheel oplost in de ochtendnevel die

over de rustige zee hangt. Ik groet u,

dierbaar Nederland!^

Rondom ons is nu niets als (dan)

water, als (steeds) maar water. Het

schip klieft door de rustige zee met

zijn vier en twintig honderd soldaten

aan boord. Twee duizend hiervan waren

drie maanden geleden nog burgers.

Wij hebben het burgerleven

echter tijdelijk vaarwel moeten zeggen.

Hei valt niet mee, maar het

moet.

Maar wij kunnen de toekomst met

open ogen tegemoet zien, omdat we

weten, dat velen in Holland, verlangend

naar onze terugkomst uitzien.

Wij zullen onze plicht doen (taak

verrichten), ook als het wel eens

moeilijk zal vallen. Het is onze plicht

tegenover volk en land van Nederland

en Indië.

TAAIE.

Heel goed. Zendt u het maar naar

de redactie van... Het lijkt me wel

iets voor dat blad.

Tracht bij de persdienst te komen

of bij de redactie van een soldatenkrant.

Maak verhalen van alle echte

avonturen. En veel succes!

7


DE COMMISSIE PERSWET GEÏNSTALLEERD

Maar .... zij begint pas in September te werken.

De Ministers van O., K. en W. en van Justitie hebben

— zoals bekend is — een commissie ingesteld teneinde

van advies te dienen omtrent de wenselijkheid om met

inachtneming van de grondwettelijk gewaarborgde vrijheid

van drukpers nadere wettelijke regelen te stellen

met betrekking- tot het perswezen, waarbij, onverminderd

de bevoegdheid van de commissie om andere onderwerpen

in haar advies te betrekken, in het bijzonder ware

na te gaan:

1. of en in hoeverre het aanbeveliirg verdient bij de wet

regelen te stellen met betrekking tot het uitgeven van

dag- en nieuwsbladen en andere periodieken en het

exploiteren van persbureaux, zulks in aansluiting aan

hetgeen dienaangaande door de Persraad werd voorbereid;

2. of en in hoeverre er aanleiding bestaat de bestaande

strafrechtelijke bescherming tegen misdragingen, door

middel van de drukpers begaan, uit te breiden;

3. of het wenselijk moet worden geacht de strafrechtelijke

bescherming, bedoeld onder twee (2) aan te

vullen met een tuchtrechtelijke, in dier voege, dat aan

een in te stellen of te erkennen organisatie van

journalisten de bevoegdheid wordt toegekend tot het

in eigen kring opleggen van tuchtmaatregelen.

De Ministers hebben deze commissie bevoegd verklaard

aan haar advies de voorstellen toe te voegen, welke zij

ter bereiking van de door haar aanbevolen maatregelen

nodig of wenselijk acht en verder bepaald, dat het door

haar uit te brengen advies zal worden vastgesteld bij

meerderheid van stemmen, met dien verstande, dat ieder

lid het recht heeft zijn afwijkend gevoelen afzonderlijk

kenbaar te maken.

In deze commissie zijn benoemd:

tot lid en voorzitter: Prof. Mr. W. P. J. Pompe, hoogleraar

te Utrecht;

tot leden: W« H. van Baarle, voorzitter van de Ned.

Organisatie van Tijdschriftuitgevers (Notu); A. M. Banda,

voorzitter van de Ver. Ned. Nieuwsbladpers; Dr. C.

Beekenkamp, administrateur Ministerie O., K. en W.;

G. H. J. B. Bodewes, voorzitter van de Kath. Ned. Dagbladpers;

A. J. Boskamp, bestuur der Ned. Dagbladpers

1945; Dr. E. Diemer, lid van de Persraad; Mej. Mr; G.

Galema, hoofdcorrfmies Ministerie O., K. en W.; L. Hanekroot,

voorzitter Kath. Ned. Journalistenkring; Mr. R.

A. V. Baron van Haersolte, tijdelijk ambtenaar Ministerie

van Justitie; H. Hermans, secretaris minister-president;

Mr. B. H. Kazemier, raadsadviseur bij: het Ministerrie

van Justitie; C. A. Keuning, dagbladdirecteur; H.

Korte Jr., en J. Meyer leden Persraad; Mr. M. Rooy,

voorzitter Ned. Journalistenkring; Mr. W. Verkade, publicist

en tot secretaris: Mr. J. L. Kranenburg, secretaris

Persraad.

De installatie dezer Interdepartementale Commissie geschiedde

op Woensdagmiddag 2 April j.1. door de Minisvan

Onderwijs, vergezeld van zijn ambtgenoot van Justitie.

De rede van Dr. Gielen werd beantwoord door Prof.

Pompe als voorzitter der commissie. Het bleek niettemin,

dat de commissie, wegens drukke bezigheid van Prof.

Pompe, eerst in September a.s. haar taak zal kunnen

beginnen.

Aan de rede van de Minister van O, K. en W. is het

volgende ontleend:

8

„Ongeveer tegelijk met het verzoek varf de Persraad

om een Commissie ad hoc te benoemen voor een

nieuwe Perswet — uit overweging dat de samenstelling

van die Raad eigenlijk onvoldoende is om dit

deel van de hem opgedragen taak naar behoren te

vervullen, met name, omdat het wetenschappelijke en

ambtelijke element onvoldoende zijn vertegenwoordigd

— 'kwam mijn ambtgenoot van Justitie in de Raad

van Ministers met het denkbeeld, te laten onderzoeken

of en in hoeverre er aanleiding bestond, de strafrechtelijke

bescherming tegen misdragingen, door middel

van de drukpers begaan, uit te breiden. Ik meen

te mogen zeggen, dat uit deze coïncidentie Uw Commissie

geboren is.

„Over haar taakomschrijving kan ik kort zijn:

„Ik moge mij bepalen tot het onderstrepen van een

enkele passage uit die taakomschrijving, namelijk de

woorden: „onverminderd de bevoegdheid van de Commissie

om andere onderwerpen in haar advies te betrekken".

Ik zou mij bijvoorbeeld zeer goed kunnen indenken,

dat gij er behoefte aan zoudt hebben, na te gaan of,

en in hóeverre aan het uitoefenen van het beroep van

journalist wettelijke vereisten ikunnen en moeten gesteld.

En vanzelfsprekend bijna is het, dat voor een goede

behandeling van deze gehele materie van te voren moet

vaststaan wie als journalist kan worden aangemerkt.

„Hoe voortreffelijk de toekomstige Perswet ook moge

worden, zij zal ons volk geen goede pers geven, indien die

pers niet gemaakt wordt door mensen, „die liefde hebben

voor ideeën, niet omdat het hun eigen ideeën zijn, maar

omdat zij het ware. het goede, het schone inhouden".

De journalist moet evenals de directie „aan die ideeën

en beginselen dienstbaar wezen en zijn eigen gemak,

ijdelheid, voordeel, bij deze ideeën achterstellen".

„Ik heb wel eens gelezen, dat wij nog voor een goed

deel leven onder de heerschappij van het Romeinse recht.

Ook wat de rechtspositie van de journalist betreft is,

naar mijn mening, de tijd gekomen, dat men zich daaraan

ontworstelt.

„Het zou onbillijk zijn, een parallel te trekken tussen

een Romeinse slavenhouder en de dagbladdirecteur, die

inktkoelies in zijn dienst heeft; maar ligt de tijd, dat

directeuren meenden een soort jus abutendi op de journalisten

te hebben, zo heel ver achter ons?

„Ik ga niet zo ver, te beweren, dat het met de „mores"

wel in orde zal komen, indien de rechtspositie maar

behoorlijk geregeld is. Verdiepen, van verantwoordelijkheidsbesef

—' ik zinspeelde er reeds op — zal het primaire

doel moeten zijn en blijven van de organisaties der bedrijfsgenoten.

Doch het zal uw taak zijn te zoeken naar

een juridisch^ vorm, waar binnen die verantwoordelijkheid'

kan worden gestimuleerd. Of, om een uitdrukking te gebruiken

van de grootmeester der Nederlandse journalisten,

Dr. Abraham Kuyper: een hekwerk te timmeren,

waarlangs de leiboom kan worden gebonden, opdat zij

meer vrucht drage.

„De persvrijheid — kostelijk goed en onschatbaar voorrecht

in een democratisch bestel! — verdraagt zich ogenschijnlijk

niet met wettelijke beperkingen. Worde het

U vergund, ten dezen schijn en wezen te onderkennen en

te ontdekken, in hoeverre juist de gebondenheid waarborg

is voor de ware vrijheid."

De Collectieve Arbeids-Overeenkomst

De Commissie, gevormd door de besturen

van de N.D.P. 1945, de N.J.K. en de K.N.J.K.

tot het ontwerpen van een Collectieve Arbeids-Overeenkomst,

heeft de onderhandelingen

over een ontwerp-C.A.O. beëindigd. Het

ontwerp is thans aan de besturen der drie

organisaties voorgelegd, die het nog in de

loop van Juni in behandeling zullen nemen.


HET BEROEPSGEHEIM VAN E)E JOURNALIST

In de nummers 4 en 5 van de lopende

jaargang van De Katholieke Journalist

heeft collega W. Goldschmitz te Maastricht

belangwekkende beschouwingen

gewijd aan het vraagstuk van het beroepsgeheim

van de journalist. Na in

het eerste artikel een historisch overzicht

van de stand van dit vraagstuk

te hébben gegeven, geeft de schrijver

in het tweede een uiteenzetting van

zijn eigen standpunt.

Voor 'de lezers van De Journalist, die

waarschijnlijk grotendeels deze beschouwingen

niet onder ogen hebben

gehad, laten wij het tweede artikel van

collega Goldschmitz hier in zijn geheel

volgen; het luidt:

„Met het overzicht van meningen en

feiten in het vorig artikel, kunnen we

niet volstaan. Het is nodig, dat we tot

een welomschreven conclusie komen,

zodat we weten, waaraan we ons als

katholieke journalisten hebben te houden.

Ik heb de moeilijkheden vastgelegd

in een aantal vragen, welke ik zal

trachten te beantwoorden.

Deze vragen luiden als volgt:

A. Mag een journalist ter publicatie

in zijn dagblad gebruik maken van

mededelingen, welke hem ter ore zijn

gekomen uit besprekingen in bijeenkomsten,

waarvoor de bevoegde autoriteit

aan degenen, die daarbij aanwezig

waren, op volkomen regelmatige wijze

en uitdrukkelijk geheimhouding heeft

opgelegd:

1. indien deze mededelingen de journalist

door een der in de vergadering

aanwezigen zijn verstrekt, terwijl de

zegsman er zich volledig bewust van

was:

a. dat hij willens en wetens de hem

wettig opgelegde geheimhouding schond

en

b. dat de betrokken journalist —

zelfs met goedvinden van de zegsman

— gebruik zou maken van deze mededeling

voor berichten in zijn blad?

2. indien deze mededelingen de journalist

zijn geworden, doordat een der

in de vergadering aanwezigen onbewust

of door onvoorzichtigheid dingen

heeft gezegd, welke voor de journalist

voldoende aanwijzing vormden omtrent

de inhoud van hetgeen ter vergadering

is gezegd of behandeld, wanneer

hij meent, dat publiciteit nodig

is om wille van de grote belangen, die

op het spel staan?

3. indien deze mededelingen de journalist

zijn verstrekt ter publicatie, omdat

de betrokken zegsman de overtuiging

heeft, dat geheimhouding ten

onrechte is opgelegd, b.v. omdat hij

meent, dat door die geheimhouding

het algemeen belang wordt geschaad?

B. Wanneer een dergelijke publicatie,

terecht of ten onrechte, eenmaal is geschied,

is dan de journalist verplicht,

de naam van zijn zegsman te verzwijgen:

1. wanneer hij uitdrukkelijk beloofd

heeft, als een toevertrouwd eru beloofd

geheim, de herkomst zijner berichten

niet aan te geven?

2. wanneer hij zulks niet heeft beloofd,

maar de zegsman stilzwijgend

aanneemt, dat de journalist hem niet

zal noemen, ook al zouden daaruit

voor de journalist grote nadelen voortvloeien?

Ik geloof, dat in deze vragen de verschillende

mogelijkheden en moeilijkheden

alle tot uitdrukking komen.

Ziehier het antwoord op deze voor

ons, journalisten belangrijke vragen:

Ad A. 1.

Een lid van de gemeenteraad of van

een ander college, waarin zaken onder

geheimhouding worden medegedeeld,

mag daarvan nooit mededeling doen

aan derden. Een dergelijke schending

van vertrouwen is — objective — een

op ernstige wijze misdoen tegen de

rechtvaardigheid. Een journalist, die

dergelijke geheime mededelingen ontvangt,

heeft die kennis dus op onrechtmatige

wijze verkregen. Hij mag

daar dus geen, ruchtbaarheid aan geven.

Doet hij dat toch, dan misdoet hij

eveneens op ernstige wijze tegen de

rechtvaardigheid.

Ad A. 2.

Ook een dergelijke wetenschap is onrechtmatig

verkregen. Subjective heeft

dat raadslid niet ernstig misdreven,

maar wat de publicatie betreft, geldt

daarvan hetzelfde als onder A. 1.

Hierbij dienen twee opmerkingen r,e

worden gemaakt:

1. Het is mogelijk, dat een journalist

door enkele losse opmerkingen van

zo'n persoon, die tot geheimhouding

verplicht is, op het spoor wordt gebracht

van zaken, die in het geheim

zijn behandeld. Door verdere nasporingen,

door dingen met elkaar te combineren

enz. zou hij met vrij grote zekerheid

kunnen achterhalen, wat er met

gesloten deuren besproken is. Zijn kennis

is dan eveneens onrechtmatig verkregen.

De geheimhouding als zodanig

is niet opgeheven en dus mogen de op

deze wijze verkregen gegevens evenmin

gepubliceerd worden.

2. Het is denkbaar, dat een of meer

tot geheimhouding verplichte personen,

bewust of onbewust, hun mond

voorbij praten, zodat een min of meer

grote kring van personen van de geheime

besprekingen op de hoogte is. In

dat geval is er geen sprake meer van

geheim en is er p e r s e geen bezwaar

meer tegen publicatie.

In, het laatste geval is het evenwel

onjuist bij de publicatie in de krant de

schijn te wekken, alsof de aldus verworven

kennis verkregen is door de

loslippigheid van een der tot geheimhouding

verplichte personen. Vooreerst

is dat onwaar en bovendien werpt men

de blaam van schending van vertrouwen

op degenen, die tot geheimhouding

verplicht waren. /

Ad A. 3.

Wanneer volkomen objectief en alle

omstandigheden in aanmerking genomen,

vast staat, dat het bewaren van

het geheim in strijd zou zijn met het

algemeen belang, dan is men niet tot

geheimhouding gebonden.

Immers:

wanneer geheimhouding wordt opgelegd,

dan moet zulks geschieden met

het oog op het algemeen belang.

Welnu, de opgelegde geheimhouding

is in strijd met het algemeen belang.

Ergo.

Maar het bewijs, dat de opgelegde

geheimhouding inderdaad in strijd is

met het algemeen belang, zal moeilijk

te leveren zijn.

Wanneer is het geheimhouden van

besprekingen in een Raad, Provinciale

Staten, van Eerste of Tweede Kamer

of welk college dan ook in strijd met

het algemeen belang? Hoe wil men dit

bewijzen? Het gaat daarbij niet om

de subjectieve mening van meneer X.

of meneer Y. Er zijn bewijzen nodig.

Bovendien: in een geval als dat van

de meer genoemde collega Hanssen

kan men toch niet aannemen, dat

slechts één van de raadsleden het algemeen

belang juist ziet en dat de 44

anderen daarvoor blind zijn.

Overigens, laten we eens aannemen,

dat een raadslid volledig overtuigd is,

aan de hand van steekhoudende argumenten,

dat geheimhouding van de gevoerde

besprekingen schade zou berokkenen

aan het algemeen belang, dan

nog behoeft hij niet zijn toevlucht te

nemen tot publicatie in een dagblad.

Daar zijn andere wegen. Hij kan

trachten over de betrokken aangelegenheid

een discussie uit te lokken in

een openbare vergadering. Hij kan een

interpellatie aanvragen. Hij kan zich

beroepen op de Commissaris der Koningin,

op de Kroon.

Dit bewijst wel, dat er heel wat moet

gebeuren en dat buitengewoon zwaarwichtige

argumenten aangevoerd moeten

worden, wil een tot geheimhouding

verplicht persoon zich van die geheimhouding

terecht ontslagen achten.

Alleen op deze argumenten gebaseerd

en nadat alle andere wegen niet tot

resultaat hebben geleid, zou een journalist

zich mogen lenen tot publicatie

van dergelijke geheimen. Maar daar

volgt dan ook uit, dat het bijna niet

te bewijzen is voor een journaKst, dat

hij geroepen zou zijn om tot die publicatie

over te gaan. Aanvaardend de

theoretische mogelijkheid van een dergelijke

noodzaak, zal het geval zich

practisch zeer zelden voordoen.

Ten overvloede nog dit.

Openbaarheid is een groot goed. Zij

voorkomt heel veel kwaad. Maar wat

baat het, als b.v. alle bovengenoemde

instanties in het geval gekend zijn,

zonder dat zij ingrijpen, dat de massa

het te weten komt via de pers? Zou

men werkelijk menen, dat b.g. autoriteiten

van mening zouden veranderen,

als het publiek ook van de zaak op de

hoogte was?

Ik betwijfel het ten sterkste. Zo corrupt

is overigens onze samenleving nog

niet, dat autoriteiten van hoog tot

laag de dwang van de publieke opinie

nodig hebben om het algemeen belang

naar behoren te behartigen.

Nu de plicht tot zwijgen.

Vooraf zij opgemerkt, dat in de suppositie

B.l. wordt verondersteld een

9


toevertrouwd geheim (secretum commissum)

en in de suppositie B.2. een

natuurlijk geheim (secretum naturale).

Ad B. 1.

De journalist moet zwijgen. Hij mag

de naam van zijn zegsman niet noemen.

Al is er dan ook geen sprake van

ambtsgeheim of beroepsgeheim in de

strenge zin des woords, zoals straks

zal worden aangetoond, het is een toevertrouwd

geheim. Maar bij een toevertrouwd

geheim is men uit rechtvaardigheid

verplicht tot stilzwijgen.

Ook al zijn daaraan nadelen verbonden.

Daarvan geldt, wat we reeds eerder

van geheim en schending van' vertrouwen

zeiden.

Zouden echter voor de journalist

zeer grote nadelen uit zijn zwijgen

voortvloeien, b.v. dat hij en zijn gezin

brodeloos zouden worden en ten prooi

aan de grootste ellende, dan is hij niet

tot geheimhouding verplicht, omdat de

belofte, expressis verbis of stilzwijgend,

tot geheimhouding, dergelijke grote

nadelen niet impliceert.

Het geval staat evenwel anders, wanneer

tevoren uitdrukkelijk is overeengekomen,

dat ook ergerlijke grote nadelen

hem niet van zijn belofte tot

geheimhouding zullen ontslaan, m.a.w.,

dat hij zal zwijgen, wat er ook van

moge komen.

Ad B. 2.

Als de zegsman alleen maar stilzwijgend

aanneemt, dat de journalist hem

niet zal noemen, staat deze niet onder

toevertrouwd geheim, doch onder natuurlijk

geheim. Ook dan mag hij zijn

zegsman niet noemen. Doet hij het

toch, dan misdoet hij tegen de naastenliefde.

In dat geval is geringer nadeel

voldoende om van de verplichting tot

geheimhouding te ontslaan. Wel moet

rekening gehouden worden met het

nadeel, dat door openbaarmaking de

zegsman dreigt.

De zaak heeft nog een andere kant.

Voor de samenleving is het van het

allergrootste belang, dat vertrouwelijke

zaken ook vertrouwelijk blijven; dat

datgene, waarvoor geheimhouding is

opgelegd, ook geheim blijft.

Waar moet het naar toe, als men

bij vertrouwelijke besprekingen in overheidscolleges

niet zeker is, dat alle

aanwezigen zwijgen? Dat ieder lid, afgaande

op zijn subjectieve mening, dat

iets niet geheim mag blijven aan het

praten en publiceren slaat?

Is openbaarheid, zoals ik reeds opmerkte,

een groot goed, van niet minder

waarde voor onze samenleving is

de zekerheid, dat vertrouwelijk en geheim

blijft, wat als vertrouwelijk en

als geheim is medegedeeld.

En als men dat overweegt, dan komt

een journalist, aan wie dergelijke geheime

besprekingen zijn medegedeeld,

voor de strijd tussen de volgende twee

belangen te staan:

enerzijds het bekend maken bij de

bevoegde autoriteiten van die personen,

die geen geheim kunnen bewaren;

anderzijds zijn plicht om te verzwijgen

de naam van zijn zegsman.

Ik zou niet gaarne zonder meer willen

beslissen, welke van deze twee belangen

het zwaarste weegt.

De bijzondere omstandigheden van

het afzonderlijke geval dienen in aanmerking

te worden genomen. Wel leren

de moralisten, dat de getuige, ook wettelijk

ondervraagd door de rechter,

niet gebonden is datgene te openbaren,

wat hij onder strikt vertrouwd

geheim weet. Dit als algemene norm;

hieruit blijkt wel, dat de presumptie

meer is voor het zwijgen.

Deze beschouwing geldt voor het geval,

dat de publicatie ten onrechte is

geschied en vervalt, als de publicatie

terecht zou geschied zijn.

Beroepsgeheim ?

Ten slotte de vraag: Bestaat er voor

de journalist een ambts- of beroepsgeheim?

Deze vraag moet beslist ontkennend

beantwoord worden.

Een ambts- of beroepsgeheim bestaat

alleen voor die personen, die krachtens

Deelnemers aan de op 15 April j.l. door het Leger des Heils in Nederland

aangeboden perslunch in verband met de a.s. viering van zijn 60-jarig jubileum.

10

hun ambt of beroep noodzakelijk kennis

moeten nemen van vertrouwelijke

zaken, die natuurlijkerwijze geheim

moeten blijven.

Een medicus, een advocaat, een notaris,

een burgemeester komen beroepsof

ambtshalve noodzakelijk in aanraking

met vertrouwelijke zaken. De

mensen zijn nu eenmaal gedwongen

in bepaalde omstandigheden de hulp

van een dezer personen in te roepen.

De ene partij moet de vertrouwelijke

mededelingen doen en de andere moet

ze uit hoofde van zijn beroep of ambt

aanvaarden. Zij zijn krachtens hun

ambt of beroep tot geheimhouding verplicht

en ook ons burgerlijk recht

(B.W. art. 1946) en ons Wetboek voor

Strafrecht (art. 272) erkennen dit

ambts- of beroepsgeheim. Anders zou

voor de samenleving vervallen het vertrouwen

in een noodzakelijke consultatie.

Maar voor een journalist bestaat

toch niet de verplichting krachtens

zijn beroep om te luisteren naar

mededelingen uit vertrouwelijke en geheime

vergaderingen en besprekingen.

Net zo min bestaat voor iemand de

verplichting mededelingen uit geheime

vergaderingen te doen aan een journalist.

Daaruit volgt, dat van een beroepsgeheim

voor de journalist in de

eigenlijke zin des woords geen sprake

kan zijn. Zijn plicht om over vertrouwelijke

zaken zijn mond te houden,

vloeit dan ook niet voort uit een beroepsgeheim,

maar uit de verplichting,

die ieder mens ten deze heeft.

Ziedaar een overzicht van deze aangelegenheid

en van het standpunt in

zake vertrouwelijke en geheime besprekingen,

zoals wij als katholieke

journalisten dat moeten innemen.

Daaruit blijkt wel, welk een tere zaak

het vertrouwen is. Met het aan ons

geschonken vertrouwen kunnen we

niet voorzichtig genoeg omgaan.

Willen we onze reputatie als betrouwbare

journalisten handhaven, dan

moet het publiek er zeker van kunnen

zijn,, dat men vertrouwelijke zaken,

waarvoor aan de betrokkene geen geheimhouding

is opgelegd, met een gerust

hart aan ons kan mededelen.

Daarmede houden we niet alleen onze

eigen reputatie, maar ook de eer van

ons vak hoog."

Een andere opvatting

Collega Goldschmitz komt dus tot

de slotsom, dat het eigenlijke beroepsgeheim

van de journalist niet bestaat.

Wel is z.i. de vakgenoot onderworpen

aan de algemene, voor ieder bestaande,

zedelijke verplichting om „over vertrouwelijke

zaken zijn mond te houden".

Wanneer ik het mij tot een taak

reken, deze zienswijze t.a.v. het beberoepsgeheim

te bestrijden, dan wil

ik vooropstellen, dat de beschouwingen

van mijn geachte collega verraden,

hoezeer hij op respect afdwingende

wijze met het probleem heeft

geworsteld. Mijn bestrijding heeft dan

ook niet ten doel om ook maar iets

af te doen aan, de hoge zedelijke opvattingen,

welke de schrijver aan zijn

zienswijze ten grondslag heeft gelegd.

Integendeel, het ideële belang van de


journalistiek kan slechts gediend worden,

indien zij gezien wordt als

staande onder de gelding van de algemene

zedewet. Mijn betoog strekt er

daarom alleen toe, aan te tonen, dat

mijn opponent de kwestie niet juist

heeft gesteld en in zijn behandeling

daarvan niet de gezichtspunten heeft

betrokken, welke m.i. beslissend zijn

en tot een tegengestelde conclusie

moeten voeren.

Na gewezen te hebben op het beroepsgeheim

van de medicus, de advocaat

e.a., die „beroeps- of ambtshalve

noodzakelijk in aanraking met vertrouwelijke

zaken komen, vraagt coll.

Goldschmitz: „Maar voor een journalist

bestaat toch niet de verplichting

krachtens zijn beroep om te luisteren

naar mededelingen uit vertrouwelijke

en geheime vergaderingen en besprekingen?"

Met deze min of meer rhetorische

vraag kan de zaak, waarop

het hier aan komt echter niet worden

afgedaan. Ik aarzel niet, de gestelde

vraag in juist tegengestelde zin te beantwoorden.

Ten einde zijn publieke

taak tot het geven van in- en voorlichting

naar behoren te kunnen vervullen,

behoeft de journalist wel degelijk

vertrouwelijke informatie. Bij het

publiek bestaat dikwijls de ernstige

misvatting, dat de-journalist alles wat

hem ter ore komt, zo maar in de

krant zet. Onder vakgenoten behoeft

het echter geen nader betoog, niet

alleen dat zulks geenszins het geval is,

maar ook dat de juiste kennis van de

achtergronden van een zaak, onjuiste

of ontijdige publicaties kan voorkomen

dan wel publicatie in de juiste

vorm kan bewerken. Meermalen weigeren

de naast-betrokkenen, uit een

verkeerd begrip van de functie van

de pers of van het nut van goede

voorlichting, zelf de nodige background

information te verschaffen, en

moet de journalist zich deze kennis

wel uit andere bronnen vergaren, wil

hij de publieke voorlichting niet overlaten

aan het gerucht en de legendevorming.

Hier openbaart zich reeds de

eigen verantwoordelijkheid van de

journalist, die zijn plicht t.o.v. het

algemeen belang heeft.

Ook wenden zich soms personen tot

de journalist, die zich bezwaard gevoelen

door de wetenschap van verborgen

gehouden feiten, en die evenzeer

gedreven worden door de behoefte

om hun hart uit te storten als

zij, die de bijstand van de advocaat

of de medicus inroepen. In bepaalde

gevallen kan het algemene belang dan

alleen gediend worden door publicatie

van de feiten, zonder dat echter de

bron zich kan laten kennen. Van dergelijke

situaties zijn historische voorbeelden

aan te wijzen. Vandaar ook

het adagium, door „The Times" reeds

tientallen jaren geleden aangevoerd:

,„The Press lives with disclosures",

Aan deze kant van de zaak heeft ook

de commissie uit de Ned. Journalistenkring.—

door collega Goldschmitz in

zijn eerste artikel vermeld — * aandacht

geschonken in de volgende bewoordingen

:

„Het dagblad wezen is in onze heden*

daagse rechtsstaat een wel is waar niet

nauwkeurig omgrensd, doch niettemin

algemeen erkend publiek orgaan, welks

onbelemmerde werkzaamheid onderdeel

vormt voor de openbare controle

op de publieke; zaak. Menigmaal valt

aan de courant een taak te beurt, het

licht te doen vallen op uitwassen en

misstanden, hetzij daarbij overheden

dan wel particulieren in het geding

zijn. Voor de vervulling van die taak

zal zij vaak op vertrouwelijke inlichtingen

moeten steunen, welker verkrijging

in hoge mate belemmerd zou

worden, indien men niet op de discretie

van de journalist zou kunnen rekenen.

Bovendien is de courant meer dan

eens voor burgers van goeden wille

een onontbeerlijk hulpmiddel gebleken

om te voorkomen, dat handelingen

zouden worden begaan, c.q. correctie

van handelingen te bewerkstelligen,

welker lakenswaardig of ongewenst

karakter tot dusver aan de aandacht

was ontsnapt.

"„Ongetwijfeld laat deze vrijheid

ruimte open voor willekeur en misbruik.

Zij is echter onverbrekelijk verbonden

met het wezen der persvrijheid.

Zij laat zich noch omgrenzen,

noch omschrijven, doch zij vindt haar

natuurlijke beperking in de weer*

standskracht van het gezonde dagbladwezen,

die een snelle zelfcorrectie

van mogelijke buitensporigheden waarborgt.

„In dit geval moet met zorg onderscheiden

worden tussen het publiceren

van geheimen louter om der wille van

de reclame van voor goed-ingelicht

door te gaan en het publiceren van

feiten in het algemeen belang. Het

eerste is ongeoorloofd, het tweede kan

heilzaam zijn.

„De Commissie acht het nodig op

dit punt bijzondere nadruk te leggen.

Wanneer de pers, voor de goede vervulling

van haar taak in het algemeen

belang, een verschoningsrecht erkend

wil zien, moet zij ervoor waken, dat

dit recht alleen wordt ingeroepen op

deugdelijke gronden van noodzakelijkheid

in het algemeen belang.

„Uit het vorenstaande volgt, dat een

overheid, die de critische functie van

het dagbladwezen, zoals deze in de

democratische rechtsstaat is gegroeid,

aan banden zou willen leggen, een

krachtig wapen zou kunnen vinden in

een doorbreking van het beroepsgeheim

van de journalist, zoals dit tot

dusver, naar internationale ere-code,

werd gehandhaafd, zonder nochtans

bescherming in de wet te vinden.

Immers, men zou zich wel tweemaal

bedenken, alvorens een journalist in

vertrouwen te nemen, indien men aan

diens vermogen om in dit opzicht naar

zijn beroepscode te handelen, ernstig

zou moeten gaan twijfelen."

De Commissie fundeert dus het beroepsgeheim

van de journalist in het

algemeen belang, dat gediend wordt

met een ongeschokt vertrouwen in

zijn zwijgzaamheid onder alle omstandigheden.

Daarin onderscheidt zich nu

de zwijgverplichting van de journalist

van de algemene plicht om vertrouwelijkheid

te bewaren. Met de door

collega Goldschmitz beoogde gelijkstelling

van de journalistieke beroepsplicht

aan de algemeen-menselijke ver­

plichting op dit stuk, komt de journalist

ook niet uit, want voor de gewone

burger wordt de verplichting tot zwijgen

in het algemeen opgeheven door

zijn wettelijke plicht tot spreken, wanneer

hij als getuige voor de rechter

wordt gedaagd, terwijl de journalist

ook dan, naar algemene opvatting,

moet zwijgen. Een journalist, die zijn

bron tegen diens wil openbaart, verspeelt

de algemene achting, terwijl de

publieke opinie altijd geneigd is zich

te keren tegen de gewone getuige, die

niet medewerkt om de waarheid aan

het licht te brengen.

Het is van deze algemene gezichtshoek

uit, dat ook de vragen beantwoord

moeten worden, welke collega

Goldschmitz, naar mijn mening ten

onrechte, bij zijn behandeling van het

vraagstuk voorop heeft gesteld. Hij

heeft daardoor de indruk gewekt, dat

hij de kwestie in haar geheel had gevangen,

terwijl hij in werkelijkheid

daarmede slechts de casuistiek t.a.v.

de publicatie uit geheime vergaderingen

heeft beoefend. De zaak moet veel

ruimer gesteld worden. Er geschieden

in de ambtelijke sfeer, belangrijk

onderdeel van ons politiek leven, allerlei

dingen, welke onder de ambtelijke

geheimhoudingsplicht vallen, maar die

door chefs, hetzij uit prestige-overwegingen,

hetzij om andere redenen, verborgen

worden gehouden, en die eenvoudig

niet aan het licht treden, indien

zij niet langs vertrouwelijke weg

ter kennis van de pers worden gebracht.

In dergelijke gevallen moet de

journalist naar eigen geweten beoordelen,

of het algemeen belang publicatie

vordert, en mag hij bij voorbaat

niet aannemen, dat de ambtelijke

visie daarop de enig juiste is. Trouwens,

ook het oordeel van een vergadering

is ten deze niet beslissend

voor de journalist, al zal hij zich wel

tweemaal bedenken, aleer hij tot openbaarmaking

van het in een geheime

bijeenkomst verhandelde overgaat. Het

is een merkwaardig ding, maar zodra

de openbaarheid wegvalt, vermindert

dikwijls ook het verantwoordelijkheidsbesef

der aanwezigen. Thorbecke

heeft hier reeds op gewezen, toen hij

in de jaren '40 met kracht openbaarheid

van vergaderingen van publieke

colleges eiste. Ook op dit punt stel ik

dus, dat de journalist zelf moet beoordelen,

of het algemeen publicatie

van vertrouwelijke inlichtingen vergt.

Doet hij dit, dan moet hij zijn bron

ook onvoorwaardelijk dekken.

Daarmede is voor mij tevens de

vraag beantwoord, of een journalist

aangifte zou moeten doen van het

strafbare feit, begaan door degene, die

zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden.

Evenmin als de dokter of

de geestelijke, die met dergelijke of

andere feiten in aanraking komt, naar

de opvatting van zijn beroep of ambt

de vertrouwelijkheid mag schenden,

mag de journalist zulks doen.

En daarmede kom ik tot de onderscheiding,

welke collega Goldschmitz

in zijn artikel niet voldoende in het

oog heeft gehouden, n.1. tussen het

vertrouwen, dat de journalist niet mag

schenden, wanneer hij met medeweten

van zijn bron tot publicatie is over-

11


I N M E M

D. A. Klomp

Meer dan een kwart eeuw heeft hij

dagelijks tegenover mij gezeten en

hebben wij, onder het werk door, gesproken

over alles wat hem in het

leven interesseerde en dat was heel

wat, want Klomp — of Dirk zoals wij

hem allen noemden — was een man,

die alles wat er gebeurde met de

grootste belangstelling volgde, die er

een bijzonder heldere kijk op had en

die nooit zou nalaten zijn visie daarop

in een altijd belangwekkende improvisatie

te verkondigen.

Hij was niet alleen een man van

woorden, maar ook van daden.

Dat wisten .zo talloos velen, die een

promotor nodig hadden, een pleiter

voor hun belangen, een man, die, als

hij zich van zijn goed recht bewust

was, voor niets en niemand uit de

weg ging, een geboren spreker en onnavolgbaar

debater, een man, die in

het verenigingsleven een grote plaats

heeft bekleed en aan wie het te danken

is, dat het dorp zijner inwoning

— Bergen met Bergen aan Zee —

een bekend en druk vacantieoord is

geworden.

Op deze plaats wil ik hem, voornamelijk

als vriend en journalist herdenken,

als redacteur van de „Alkmaarse

Courant", waaraan hij bijna

veertig jaren gewerkt heeft, als redacteur

van de „Badbode", welk blad hij

tot een der besten van zijn soort in

den lande heeft gemaakt.

Hij was een harde werker en nooit

was hem iets te veel. Hij heeft duizenden

verslagen gemaakt over onderwerpen

en op vrijwel elk gebied

van het maatschappelijk leven. Hij

kende iedereen en ieder kende hem.

Hij kwam nooit „thuis" zonder een

„nieuwtje" en niemand beter dan hij,

met zijn talloze relaties, was in staat

een „tip" uit te buiten en er alles uit

te halen wat er in zat.

Hij was daarbij een uitstekend collega.

Trouw en vriendschap stonden

gegaan, èn de vertrouwelijkheid, welke

de journalist moet bewaren, wanneer

hem onder het zegel van geheimhouding

bepaalde dingen zijn medegedeeld.

In het laatste geval mag de

journalist, die met het oog op het

algemeen belang, zoals hij dat na

nauwgezette overweging ziet, m.i.

slechts tot publicatie overgaan, na opnieuw

met zijn bron ruggespraak te

hebben gehouden. En evenzeer komt

het mij geboden voor, dat, wanneer

een journalist van bepaalde zijde een

vertrouwelijke mededeling „niet voor

publicatie" heeft ontvangen, doch van

12

O R I A M

in zijn vaandel geschreven. 'Hij zag

in ieder mens slechts het goede en

ook als hij daarin zo vaak teleurgesteld

werd, vond hij altijd weer

motieven om anderer houding te verklaren

en te vergeven.

Hij nam nimmer een blad voor de

mond en dat heeft hem zo nu en dan

wel eens vijanden bezorgd, maar men

kon niet lang boos op hem blijven,

omdat men de zuiverheid van zijn

bedoelingen erkende en veel, veel groter

was het aantal zijner vrienden.

Dirk was een populaire figuur) en

velen, ook onder de collega's zullen

nu met weemoed terugdenken aan de

gezellige bijeenkomsten, buiten op zijn

„terrasje", waar hij zijn vrienden onvergetelijke

avonden bezorgde en Dirk

en zijn lieve, altijd zorgvolle vrouw

steeds weer de gulle gastheer en gastvrouw

geweest zijn.

Ook wie in nood of angst zat, wist

zijn landhuisje aan de Nesdijk te vinden

en ging en getroost vandaan,

met nieuwe levensmoed en meer vertrouwen

in de toekomst en vaak ook

met de middelen om dreigende nood

met succes te kunnen bestrijden. Hij

kende als jongen uit een arbeidersgezin

te goed zo veler noden en behoeften,

hij wist hoe zwaar de strijd

zijn.

Hij interesseerde zich op kunstgebied

voornamelijk voor schilderijen

en breed was de kring van Bergense

kunstenaars, die hem als een der hunnen

beschouwden. Hij bezat een fraaie

collectie doeken en hij schreef in de

oorlogsjaren een belangwekkend boek

over de „Bergense school", dat clandestien

werd gedrukt en uitgegeven.

Collega Van den Bergh heeft bij

de teraardebestelling namens het

Kringbestuur reeds getuigd, dat —

hoe groot de laatste jaren het meningsverschil

ook mocht zijn — het

eigenaardige dit was, dat Klomp, of

Dirk, zoals ook de collega's in de

Kring hem bij voorkeur noemden —

in de bijna veertig jaren van zijn

lidmaatschap altijd aller vriend bleef.

andere kant hetzelfde niet onder de

voorwaarde van geheimhouding verneemt,

*>en zich dus tot openbaarmaking

in het algemeen gerechtigd

kan achten, zijn eerste bron daarvan

verwittigt. Inderdaad, ik ben het met

coll. Goldschmitz eens, dat in de

journalist gesteld vertrouwen een tere

plant is, welke met zorg moet worden

omgeven. Dat zulks zou insluiten, dat

de journalist geen beroepsgeheim zou

hebben, en niet naar wettelijke erkenning

daarvan zou moeten streven, ontken

ik met alle kracht.

M. ROOY.

Dat tekent volkomen de zuiverheid

van zijn bedoelingen.

Toen wij op 23 September van het

vorige jaar weer in ons eigen gebouw

aan de slag gingen, kwam hij op de

fiets van Bergen, maar onderweg

openbaarde zich de kwaal, die hem

waarschijnlijk reeds lang in haar

macht had, zodat hij per auto huiswaarts

moest keren.

Nadien heeft hij practisch geen

werkzaam aandeel in ons werk en onze

strijd meer gehad, al volgde hij elk

detail met de grootste belangstelling

en leefde hij ten volle mee met alles

wat ons beroerde.

Op 19 Februari, na een ziekte van

bijna vijf maanden, heeft de kwaal,

waarvan noch hij of zijn vrouw, noch

wij gelukkig hebben geweten, dat ze

ongeneeslijk was, dit sterke en steeds

om het leven kampende lichaam overwonnen.

Hij is van ons heengegaan en op

zijn begrafenisdag — Zaterdag 22 Februari

— is in het onder een dikke

sneeuwlaag bedolven dorp in de kop

van Noord-Holland wel gebleken hoe

zijn werk in brede kring gewaardeerd

is en hoe men er behoefte heeft gevoeld

deze grote en eenvoudige man

de hulde te brengen, welke hem zo

ruimschoots toekomt.

\ Bergen rouwde en overal — ook van

net gemeentehuis —> waren de vlaggen

halfstok gehesen. Wij — zijn Alkmaarse

collega's — hebben hem wel

eens plagend de ongekroonde koning

van Bergen genoemd, maar hij was

het inderdaad, want zijn woord had

daar gezag, meer dan dat van ieder

ander.

Het was te voorzien, dat de redevoeringen

niet tot hun recht zouden

komen, wanneer slechts op het koude

kerkhof in de warrelende sneeuwvlokken

gelegenheid tot spreken zou worden

gegeven. Daarom had het kerkbestuur

— en dat tekent ook hoe men

daar'over hem dacht —• bij uitzondering

de Ruïnekerk voor de uitvaart

besphikbaail gesteld. Daar lag htet

stoffelijk overschot van deze vrijdenker

opgebaard tussen een schat van

kransen en bloemstukken, daar was


geen plaatsje — zelfs geen staanplaatsje

— onbezet en daar hebben

zeer velen van hun gevoelens doen

blijken.

Daar spraken de burgemeester van

Bergen, Dr. Muygens, bestuursleden

van tal van organisaties —• ook van

de Vrije Socialisten — en daarnaast

vele vrienden en collega's, de heer C.

Krak, die in Klomp's journalistieke

jaren directeur van de „Alkmaarsche

Courant" was, Van den Berg namens

de „Nederlandsche Journalistenkring",

Frans Otten als collega en vriend,

Hansen namens de jongeren, die in

hun opleiding aan de „Alkmaarsche

Courant" zoveel aan de overledene

hadden be danken, ondeifêetekende

namens vrienden en collega's aan de

courant, waaraan wij zo vele jaren

samenwerkten en last not least David

Kouwenaar, die hem in een gevoelvolle

rede dank bracht voor een meer dan

dertigjarige trouwe vriendschap.

Een aantal leden van Bergens Mannenkoor

— welks omfloerst vaandel

met enige andere in de kerk was opgesteld

—• zong daarna „Ecce quomodo

moritur" van Handel en honderden

volgden even later de lijkstoet naar

het witte kerkhof, waar bij de groeve

metershoge wimpels van de gemeente

en van de V.V.V. waren opgesteld en

waar de kist tussen een schat van

bloemen en dennegroen in de aarde

werd neergelaten.

De heer P. Klomp uit Den Haag,

die reeds in het kerkgebouw in gevoelvolle

woorden de grote verdienste van

zijn broer geschetst had en alle aanwezigen

en de sprekers in het bijzonder

dank had gebracht, sprak hier

nogmaals een kort dankwoord, waarmede

de plechtigheid werd besloten.

Een man van groot formaat, een

onvermoeid strijder voor wat hij recht

en rechtvaardig achtte, een goed

vriend en voortreffelijk collega is van

ons heengegaan.

Als er één is, die na een leven in

dienst der gemeenschap rust en vrede

verdiend heeft, dan is hij het.

TJEERD ADEMA.

Bon

De ouderen onder ons en vooral degenen,

die vóór de oorlog op de perstribune

van de Tweede Kamer zich

dag aan dag hebben gelaafd aan de

onuitputtelijke opgewektheid van wijlen

onze collega Bon, zal het bijgaande

kiekje interesseren. Het stelt Bon

voor in zijn laatste dagen. De vriendelijkheid,

die hem altijd kenmerkte,

heeft hij blijkbaar tot zijn laatste dagen

behouden. Ook zijn opgewektheid

heeft hem nooit verlaten. Alleen

heeft hij lichamelijk zeer geleden en

daarvan spreken zijn trekken een duidelijke

taal.

Het is Bon; zoals een zijner zoons,

die de zeer gewaardeerde kanselier is

van de Nederlandse legatie in Rio de

Janeiro en die vroeger in de perskamer

van de Tweede Kamer dikwijls

zijn huiswerk kwam maken, mij vertelde,

na zijn komst in Zuid-Amerika

lichamelijk eigenlijk nooit goed gegaan.

Voordien genoot hij een uitmuntende

gezondheid. Na zijn komst heeft

zich een hartaandoening ontwikkeld,

die hem langzaam maar zeker ten

grave heeft gesleept. Op het laatst

mocht hij zelfs niet meer liggen. Het

heeft hem grote voldoening gegeven,

dat hij nog enkele maanden dicht bij

zijn kinderen heeft mogen leven, die,

zoals de ouderen onder ons weten, in

de Nederlandse kolonie te Carambehy

verbleven.

Alle vier de zoons zijn in de oorlog

geweest. Gelukkig zijn zij ongedeerd

uit de krijg gekomen. Alleen heeft de

jongste, de krullebol, — er was een

sterke band tussen Bon en zijn jon­

gens — die wij zo dikwijls op de perstribune

zagen, bij Caen gevochten en

daar shell-shock gekregen, waarvan

hij nog altijd niet geheel genezen is.

Mevrouw Bon woont nog steeds in

Amerika in de buurt van haar kinderen

en maakt het goed. Drie der zoons

wonen nog in Carambehy, een der

zoons is kanselier van de Nederlandse

legatie.

Lb.

A. Bovendeert

Te Roermond is in de oudernom van

67 jaar overleden de heer Antoon P.

Bovendeert.

Met hem verliest de Nederlandse

journalistiek een vooral in het Zuiden

van ons land voor de oorlog bekende

en zeer actieve figuur.

Ant. Bovendeert was een veertig

jaar geleden werkzaam als redacteurverslaggever

van de Limburger Koerier

en hij genoot in de kring van zijn

collega's, maar ook bij de lezers van

dit blad, een zekere befaamdheid om

zijn scherpe opmerkingsgaven, zijn

kennis van personen, feiten en toestanden

en zijn vlotte omgang met de

Limburgse bevolking.

Later werd hij directeur-redacteur

van de Zuid-Limburger te Kerkrade

en daarna vestigde hij aldaar een correspondentie-bureau,

waarmee vrijwel

alle gewestelijke bladen, doch ook

vele bladen elders in den lande, in

nieuws-contact stonden.

Kort na de bevrijding werd dhr. Bovendeert

getroffen door een slopende

ziekte en hij vond in de laatste jaren

verpleging te Roermond. Daar is hij

half Maart overleden.

De lijkdienst, gevolgd door de ter

aardebestelling vond Dinsdag plaats te

Kapel in 't Zand, Roermond.

Hij ruste in vrede.

(Gazet van Limburg.)

W. C. Waalwijk

In Batavia overleed begin Maart

coll. W. G. Waalwijk, legercontactofficier

bij de Legervoorlichtingsdienst met

de rang van eerste luitenant, tevoren

redacteur van het Indische soldatenblad

„Wapenbroeders".

Collega Waalwijk werd in 1919 in

Amsterdam geboren; enkele jaren later

werd hij ingezetene van Dordrecht en

daar is hij ook, jong al, in de journalistiek

gekomen. De „Dordtenaar"

schreef bij zijn overlijden:

„Hij was achtereenvolgens verbonden

aan de Dordrechtse Courant, het Dagblad

van Rotterdam en het Dordr.

Nieuwsblad. In de bezettingsjaren

werkte hij mede aan het illegale

„Trouw", om zich na de bevrijding te

verbinden aan „De Vrije Pers".

„De Dordtenaar" in haar gedaante

van nog geen jaar geleden was mede

een product van de toegewijde arbeid

van Willem Waalwijk, zoals zijn vakgenoten

hem kenden. Toen ons blad

nog „De Vrije Pers" heette, heeft hij

er geruime tijd de redactionele leiding

van gehad. Hij was echter niet iemand,

die graag op een stoel bleef zitten.

Zijn journalistenhart trok naar reportage,

liefst zover mogelijk van huis.

De naam Indië bekoorde hem in 't bijzonder,

hij haakte ernaar daarheen te

gaan en zijn pen in dienst te stellen

van de Nederlandse taaik in het grote,

verre land.

Hij kreeg zijn kans en greep haar.

In November van het vorig jaar kreeg

hij een aanstelling bij de Legervoorlichtingsdienst

te Batavia in een functie

aan het blad „Wapenbroeders".

Met hart en ziel heeft hij zich op

dit voor hem geheel nieuwe werk geworpen.

Nadat de eerste tijd van inwerken,

wennen en aanpassen voorbij*"

was, had hij een taak gevonden, die

hem boeide en bekoorde en waaraan

'hij zich met zijn gehele hart kon ge-

•wen. Wij en anderen kregen opgewekte

berichten van hem, want hij bleef in

nauw contact met het vaderland, dat

hij ook via de radio toesprak.

Zijn leven en zijn werk zijn abrupt

afgesneden, Willem Waalwijk is op

jeugdige leeftijd en ver van het vaderhuis

en het vaderland gestorven.

Deernis is in ons hart, deernis om

dit tragisch verscheiden van een goede

vriend, een prettige, bescheiden

collega, een goed mens met een hart

voor zijn medemensen. Deernis ook met

zijn ouders en familie, die hem moesten

afstaan zo kort nadat hij een

lievelingswens, een journalistieke functie

in Indië, vervuld zag.

Het is een afscheid voor immer geweest.

Zijn beeld blijft in ons hart.

Willem Waalwijk zal door zijn Dordtse

collega's nimmer worden vergeten."

13


J V

VAK ALLE KANTEN EN KRANTEN

^ _ r

Bij gebrek aan perschefs!

Couranten krijgen^ hun officiële

nieuws door leden van het parlement

om te kopen of door hen op borrels

te tracteren, waardoor zij gaan praten,

aldus een artikel in de Worlds

Press News, dat van de hand is van

het parlementslid Allighan (lab.).

Aangezien het enige indiscreties bevat,

zal de kwestie door de commissie van

privileges van het Lagerhuis onderzocht

worden. (N.R.C.)

Journalistiek in Rusland.

Vrijdag hebben een aantal Britse en

Amerikaanse journalisten een bezoek

mogen brengen aan het dagblad der

communistische partij in Rusland, de

Prawda („Waarheid"). Toen men de

rondleidende redacteur vroeg, wat er

gebeurde, als iemand iets schreef, wat

de regering niet aanstond, antwoordde

deze: „Niets. Alleen, dat gebeurt niet

vaak."

De Prawda krijgt maandelijks 15.000

ingezonden stukken.

Daarvan bevatten er gemiddeld 50

critiek. Een Amerikaan vroeg, of de

lezers ook wel eens critiek oefenden op

de aanvallen, van de krant op de

Westelijke mogendheden. Hierop luidde

het antwoord: „Jazeker, de schrijvers

vinden, dat de aanvallen lang

niet genoeg zijn". >

De Prawda heeft een oplage van

2.500.000 exemplaren. Volgens de redactie

bedruipt het blad niet alleen zichzelf,

maar levert het ook een batig

saldo op voor de communistische

partij.

Een- editie (bevat 4 (pagina's. De

Prawda geeft geen nieuws over ramrien

en misdaden. Dat is niet belang-

Tijk. Ongeveer de helft van de ruimte

wordt besteed aan berichtgeving uit

het buitenland.

De persen zijn van Brits, Amerikaans

of Duits fabrikaat. De kranfcwordt

niet alleen in Moskou, maar

ook in acht andere Russische steden

gedrukt.

Bij de redactie werken 430 personen,

in de drukkerij 2000. Een verslaggever

verdient 190 tot 250 gulden

per maand en krijgt bovendien premies

voor elk geplaatst artikel.

Iedereen krijgt een maand vacantie

die gewoonlijk op kosten van de krant

wordt doorgebracht in de Kaukasus

of aan de Zwarte Zee. Ongeveer een

kwart van de redacteuren is lid van

de communistische partij. De meesten

hunner bezetten de hoge functies.

Men vroeg hoe het kwam, dat wanneer

er bijvoorbeeld een interview met

Stalin werd gepubliceerd, alle kranten

letterlijk dezelfde tekst en dezelfde

koppen brachten. Dat kwam doordat

14

alle bladen dezelfde tekst en dezelfde

koppen van het officiële nieuwsbureau

Tass kregen.

De bezoekers werden voorgesteld aan

de criticus David Zaslawsky. Van hem

wordt gezegd, dat hij de giftigste pen

in heel de Sowj et-Unie voert. Hij is

zo vinnig, dat als iemand in Moskou

wordt ingemakat, men zegt, dat hij

„gezaslawskyseerd" wordt. Zaslawsky

bleek evenwel een vriendelijk mens

te zijn met een enigszins gezette en

gedrongen figuur. Hij lachte en schertste

voortdurend en zag er naar uit

alsof hij liever in een fuifje dan in

de wereldpolitiek zou duiken.

De hoofdredacteur Popelow verklaarde,

dat hij geen enkele richtlijn

van de communistische partij kreeg.

„Waarom ook?" zo zeide hij, „ik ben

lid van het centraal comité der communistische

partij en lid van de

Opperste Sowjet". 't Centraal comité

benoemt de redacteuren.

De vraag van een der correspondenten,

of de Prawda last van de

censuur had, verwekte bulderend gelach

bij de hele Russische redactie en

Popelow zei, dat 'de grootste zorg van

de Prawda op het ogenblik was net

zoveel papier te krijgen als de Amerikaanse

Zondagsbladen en 5 millioen

abonné's. (Trouw)

Zijn wij werkelijk onmisbaar?

Aan het eind van dit tweede krantenloze

tijdperk (d.w.z. na de Franse

krantenstaking) vraagt men zich hier

af, of het speciaal de journalisten

zijn, die het leven zonder kranten als

een ramp van de eerste grootte hebben

afgeschilderd. Het is onbetwistbaar,

zegt men, dat een leven mèt kranten

voor hen een belang van de eerste

grootte is. Even onbetwistbaar verraadt

Francois Mauriac, de bekende katholieke

romancier, enige hunner geheimste

gedachten in het derde en laatste

nummer van een „ondergronds" blaadje,

samengesteld en heimelijk gedrukt

door de redacteuren van de „Figaro",

dat in deze laatste stakingsdagen op

gebrekkige wijze werd verspreid. In

deze curieuze krant zegt Mauriac:

„Kranten leveren ideeën aan de mensen,

maar er is niets, dat de gewone

sterveling zo goed missen kan als juist

ideeën. Laten wij hopen, dat het publiek

intussen niet heeft ontdekt, dat

het menselijke geslacht sinds het begin

van de wereld tot aan het jaar

1631 van de "Christelijke tijdrekening

het heel best zonder krant heeft kunnen

stellen en dat met of zonder dagbladen

het gemiddelde van de verdronkenen,

de cocu's en de gehangenen

niet verandert."

Maar ook is het waar, dat vreemde

geruchten de laatste tijd de ronde

zijn gaan doen en dat een groeiend

gevoel van onbehagen bij de burgerij

te constateren was, omdat zij in het

duister tastte, juist terwijl in Moskou

wordt geconfereerd, president Truman

zijn historische rede hield en de

rumoerige discussies over het Indo-

Chinese conflict in het eigen parlement

plaats hebben. Dit gevoel van

onbehagen heeft nog eens de aandacht

gevestigd op de eenvoudige waarheid,

dat een democratie niet kan functionneren

zonder een goed voorgelicht

volk. (Het Parool)

Zeg het eenvoudig.

Gunning, who does business as

Readable News Reports, has helped

30 U.S. dailies stop talking over their

readers' heads. He urges them to try

for the spoken-language level, where

radio has operated for years. Among

his clients: the Louisville Courier-

Journal, the Washington Star, United

Press. His prize customer: the Wall

Street Journal, which he says puts

out "the most readable front page in

the country" by shunning the technical

jargon of the Street.

His yardsticks were developed by

educators who wanted to improve on

Mc-Guffey. Gunning simply measures

the number of words per sentence (a

good average for newspaper stories: 16-

20), the number of abstract words per

100 words, etc. He has no concern with

felicity of phrase, or the worth of

what a man is trying to say. Last

week, after surveying editorials in half

a dozen big U.S. papers, Gunning told

what he found: "Most editorial writers

seem to confuse dignity with

pomposity. Their marathon sentences,

foggy words and abstractions put their

pieces completely out of reach of all

but the upper 5 to 10 % of their

readers."

Gunning's advice: Write as you

talk. Most best-sellers, and even the

King James version of the Bible, are

written so sixth- of seventh-graders

can read them. Why should a Washington

correspondent write '^bilateral

concordance" when he means "twoway

pact"? Why should a police

reporter say an accident victim suffered

"contusions and abrasions" when

he really means "cuts and bruises?"

(Time)

Hun vakopleiding.

De Indonesische journalisten-bond

zal aan het eind van deze maand een

spoedcursus in de journalistiek ope-.

nen, welke ongeveer twee weken in

beslag neemt.

Het leerplan omvat o.m. interviewlessen,

geschiedenis van de pers in

binnen)- en buitenland, nieuwsversprei-

. ding, persvrijheid en persdelicten.

't Doet ons een beetje denken aan

de burgemeesterscursussen van de

N.S.B. (N. Haagse Crt.)

Onze vakopleiding.

Wij kregen eens een brief van een

jongeman, die zich „gediplomeerd

journalist" noemde. Het geval was in

méér dan één opzicht wat zonderling:

voor het beroep van journalist bestaan

geen wettelijke normen en daarom is


de omschrijving „gediplomeerd journalist"

even dwaas als b.v. „gediplomeerd

aannemer"; maar bovendien was de

brief zo erbarmelijk gesteld en bevatte

hij een dusdanig aantal vergrijpen

tegen de Nederlandse taal, dat wij ons

in verbazing afvroegen, wie. in hemelsnaam

deze knaap het brevet had

uitgereikt, waarop hij zich zo trots

beriep. Daar het geval ons interesseerde

vroegen we hem, of wij zijn

diploma eens mochten zien. Twee

dagen later kregen wij het document

aangetekend toegezonden. De man

had niets te veel geschreven. Het was

een getuigschrift, uitgereikt door een

instituut voor schriftelijk onderwijs,

gevestigd in een Gelderse stad, waar

duidelijk op stond vermeld dat de bezitter

de lessen in de journalistiek

met vrucht had gevolgd. Het ding was

fraai gedrukt in verschillende kleuren

en voorzien van enige sierlijke handtekeningen,

geen wonder dat de bezitter

er erg mee in zijn schik was.

De opleiding bleek één hele winter te

hebben geduurd en ƒ50 te hebben

gekost. (Heerenveense Koerier)

Voorlichtings-desiderata.

De Overheidsvoorlichting heeft in

die eerste tijd na de bevrijding inderdaad

zeer nuttig werk verricht, hetgeen

toch wel, meer dan men wilde

weten, tot uiting is gekomen.

Maar deze Overheidsvoorlichting had

naar onze smaak een aflopende taak,

althans in details, omdat inmiddels

de Nederlandse oers zich herstelde en

gereed maakte ook om haar dienende

taak tussen overheid en publiek te

hei-vatten.

Dat is nu zover; en wij menen, dat

het zo goed is. Wanneer nu desondanks

aan bijna alle ministeries het

insluipsel van de perschef wordt gehandhaafd,

wanneer de Regeringsvoorlichtingsdienst

blijft doorgaan,

andere werkzaamheden te verrichten,

dan waartoe hij aanvankelijk was

geroepen, dan is het toch wel tijd, dat

de regering nu eindelijk op het punt

van Overheidsvoorlichting gaat reorganiseren

en coördineren. Maar hopelijk

dan niet volgens de methode

van de vorige minister-president, door

namelijk zijn eigen schepping te verdrinken,

maar door 't bestaande apparaat

in betere, dat wil zeggen: productievere

en tevens minder kostbare vorm

te gieten.

De uitvoering van de voorlichting

moet zo straf mogelijk worden geconcentreerd

en gesteld onder de bescherming

van de minister-president en

zijn ministerie van Algemene Zaken,

waaronder dan de RVD zou kunnen

vallen. Deze Regeringsvoorlichtingsdienst

zal onder zijn vleugels moeten

nemen het instituut van perschefs der

verschillende ministeries, dat blijkbaar

onuitvoerbaar is.

Maar die RVD distanciëre zich in

elk geval van de Pers, waarmee hij

nooit eerder op al te goede voet heeft

gestaan.

Wat de Pers nodig heeft aan voorlichting

vanwege de Rijksoverheid, kan

zij zelf bekijken, al geven wij toe, dat

zekere toeschietelijkheid van de kant

der Regering niet onwelkom zou zijn.

Wij denken bijvoorbeeld aan Brussel,

aan Londen en andere centra in 't

buitenland, waar overheidsvoorlichters

de weg kennen naar het Nieuws-centrum,

dat de Pers zelf wist te scheppen.

(De Stem, Breda)

„Oud" en „nieuw".

De directie van „De Noordhollandse

Courant" en het stichtingsbestuur van

de „Vrije Hoornse Courant" hebben

besloten in het vervolg samen te werken.

Een onaangenaam, tijdperk in de

Westfriese krantengeschiêdenis behoort

hiermede tot het verleden.

(Trouw)

Inkt in onze aderen.

Een van onze Amerikaanse collega's

Richard J. Lewis, die het comité uit

Albany vergezelde, was zo vriendelijk

voor ons blad zijn indrukken over de

Nederlandse verslaggevers weer te

geven.

Travelling in The Netherlands with

the Albany Committee for Nijmegen,

primarily as a news reporter, and

secondarily as a ."social" member ofi

that committee, I have been struck

by a variety of pleasant experiences.

In Amerika the "gentlemen of the

fourth Estate" are, at times, inclined

to show a brashness that would shock

the most hardened newspaperman of

your country.

The quiet self-control of the Dutch

newspapermen was exhibited in startling

measure at a pressconference

upon the arrival in Nijmegen of the

Albany committee. To me, as an

American reporter, little was said of

note in more than 90 minutes of discussion.

Nonetheless, the same politeness

of the more than 15 members of

the European press was not disturbed.

Since that first meeting with the

"Foreign" members of my profession,

I have come to know them more

intimately. We have "knocked about"

together and had fine times. Now,

upon the evening of my departure

from Nijmegen, I can unqualifiedly

state that, like reporters in America,

the men who report the news here,

have veins flowing with printer's ink,

a quality that makes a reporter a

man, and worth his salt.

(Groot-Arnhem)

De V.N. en de persvrijheid.

Het is een merkwaardige samenloop

van omstandigheden, dat de sub-commissie

voor persvrijheid van -de Ver.

Naties is ingesteld op hetzelfde ogenblik,

dat een rapport verscheen omtrent

de persvrijheid in de Verenigde

Staten, samengesteld door een commissie

van dertien geleerden, die

gedurende drie jaren een studie van

de Amerikaanse perstoestanden hebben

gemaakt om na te gaan of hier al of

niet de persvrijheid in gevaar is. Met

zeker voorbehoud omkleed is hun

conclusie bevestigend, voornamelijk

wegens de omstandigheid dat een

aanmerkelijk deel van de pers in handen

is van een kleine groep personen,

die op de redactionele leiding een te

grote invloed kunnen uitoefenen.

Zoals reeds gemeld, werd tot Nederlands

lid van de subcommissie, die uit

twaalf leden bestaat, dr. G. J. van

Heuven Goedhart verkozen. Behalve

de grote vijf, hebben hierin verder

vertegenwoordigers van Panama, Uruguay,

Tsjechoslowakije, Canada, Noorwegen

en de Philippijnen zitting. Vertegenwoordiger

van de Sowj et-Unie is

J. M. Lomaken, plaatsvervangend chef

van de persafdeling van het Russische

departement van buitenlandse zaken.

De Ver. Staten zullen worden vertegenwoordigd

door prof. Zacheriah

Chafee, die voor het in de aanhef

vermelde rapport omtrent de persvrijheid

in Amerika een groot deel

der verantwoordelijkheid draagt, daar

hij als vice-voorzitter van de betrokken

commissie fungeerde. Met deze

keus hebben de Ver. Staten dus laten

blijken er toe te willen medewerken

het probleem in al zijn omvang te

stellen.

a De sub-commissie, voor welker eerste

vergadering de datum en plaats

van samenkomst op het ogenblik, dat

wij dit schrijven nog niet bepaald

zijn, doch die wel spoedig aan het

werk zal gaan, zal nu moeten beginnen

met na te gaan „welke rechten,

verplichtingen en practijken het begrip

vrijheid van voorlichting zal dienen

te omvatten". Een grote taak, die

neerkomt op het uitwerken van een

internationale gedragscode voor de

pers. Het betekent het overbruggen

van ideologische tegenstellingen zowel

als het ontwerpen van een dam tegen

ongewenste influencering van de pers

door machtige belangengroepen. Het

welslagen van deze onderneming zou

een belangrijke stap zijn in de richting

van geestelijke ontwapening.

(N.R.C.)

Zo'n enkel krantje per dag.

De Amerikanen en Canadezen hebben

in het afgelopen jaar tezamen

voor een bedrag van bijna 890 millioen

dollar uitgegeven voor dagbladen. Dit

is te New York bekend gemaakt door

de Amerikaanse vereniging van dagbladuitgevers.

Van dit bedrag namen de Canadezen

bijna 44 millioen dollar voor hun

rekening. (Alg. Dbl.)

De oudste Nederlandse kranten.

Enige jaren voor de oorlog ontdekte

dr. S. Hallberg, directeur van de Universiteitsbibliotheek

in Gothenburg,

een verzameling oude Nederlandse

kranten in de Koninklijke Bibliotheek

van Stockholm. Dr. Hallberg constateerde,

dat de kranten uit het jaar

1618, welke zich onder de exemplaren

bevonden, de oudste Nederlandse

kranten zijn, welke tot nog toe zijn

gevonden. In samenwerking met de

adjunct-directeur van de Gothenburgse

universiteitsbibliotheek, de heer Polke

Dahl, heeft dr. Hallberg een fascimileuitgave

samengesteld van Nederlandse

kranten van 1618-^1625, welke zich

deels in de Koninklijke Bibliotheek

in Stockholm, deels in de Kon. Bibliotheek

in Den Haag bevinden. De

samensteller heeft de gehele oplage

van deze fascimile-uitgave, bestaande

uit driehonderd exemplaren, aan de

Koninklijke Bibliotheek in Den Haag

geschonken. De Zweedse bibliothecaris

is Woensdag op uitnodiging van de

15


Nederlandse regering, tezamen met de

heer Polke Dahl, met het K.L.M.toestel

uit Malmö naar Nederland gekomen,

waar zij vandaag in Den Haag

de boeken officieel aan de Koninklijke

Bibliotheek hebben overgedragen.

(Haags Dbl.)

Persvrijheid of ondernemersvrijheid.

Niet lang geleden maakten wij een

paar opmerkingen over het zevende

artikel van onze Grondwet, volgens

hetwelk niemand voorafgaand verlof

nodig heeft om zijn gedachten en

gevoelens door middel van de drukpers

te openbaren („behoudens ieders verantwoordelijkheid

volgens de wet").

Wij keerden ons toen tegen een gangbare,

maar niet te verdedigen interpretatie

van dat artikel. Volgens de

interpretatie zou artikel 7 een ordening

van het perswezen in de weg

staan, want het zou „iedereen" het

recht toekennen om een dagbladonderneming

te stichten. Dat is een averechtse

uitleg.

Onze Grondwet heetft slechts tot

uitdrukking willen brengen, dat de

Regering niet het recht heeft, de

burger te dwingen, verlof te vragen

voor het doen drukken van zijn

mening.

De foutieve interpretatie speelt ons

telkens parten. Zo is tegen de door

minister Burger in het Persbesluit-1944

opgenomen bepaling volgens welke zou

worden geoordeeld over de behoefte

aan een nieuw dagblad, protest aangetekend

op grond van artikel 7 dei-

Grondwet. Geheel ten onrechte. Dat

artikel heeft met ordening- volstrekt

niets te maken. Men kan er zich op

beroepen indien de staat, „censuur"

instelt, maar niet indien de staat aan

de hand van welke criteria dan ook,

het aantal dagbladen beperkt of, via

een bedrijfsorgaan bijvoorbeeld, laat

beperken.

Het is interessant, dat soortgelijke

vragen opgeworpen zijn in het onlangs

— na drie jaar studie — in Chicago

gepubliceerde particuliere rapport ener

Commissie voor de Persvrijheid („A

free and responsible press," Chicago

1947). Dat rapport, door een werkgroep,

hoofdzakelijk uit de universitaire

kring van Chicago, opgesteld, is

voorzichtig in zijn conclusies, waar die

het lot der persvrijheid raken. De

Commissie ziet gevaren in de ontwikkeling

der laatste decennia, die leidde

tot ophoping van persmacht in steeds

minder handen. Zij zocht binnen 't

kader van de liberaal-kapitalistische

Amerikaanse samenleving naar de

mogelijkheden om tegen dat gevaar

dammen op te werpen en komt daarbij

met een reeks aanbevelingen. Maar

op één punt is de Commissie heel

beslist: zij weigert een interpretatie

te aanvaarden gelijk die door velen

hier te lande op artikel 7 van de

Grondwet wordt toegepast.

Ook de Amerikaanse Grondwet kent

een persvrijheidsartikel. Ook dat artikel

geeft de burger een waarborg.

Maar, zegt de Commissie, „het bedoelt

vrije meningsuiting veilig te stellen",

niet een gepriviligeerde industrie te

scheppen". De erkenning van het

recht op vrije meningsuiting „verhindert

niet de aanvaarding van bijzon-

16

dere regelingen, die bepaalde vormen

van meningsuiting beheersen", staat

niet in de weg aan „deelneming door

de regering aan het perswezen".

Nergens concludeert de Commissie,

dat „persvrijheid" een vrijheid voor

ondernemers zou zijn, dat zij het recht

van de „courantier" zou waarborgen

om naar hartelust dagbladbedrijven te

stichten. Wie zulk een „recht" in artikel

7 van onze Grondwet leest, kan

met de lezing van „A free and responsible

press" zijn voordeel doen. Hij

zal eruit leren, dat hij het in conservatief

liberalisme nog van de Amerikanen

wint. (Het Parool)

Critiek.

The paper situation in the Netherlands

is none too good. Delivery from

Sweden will be much smaller than

was expected. It is chilly consolation

that the newspapers are somewhat

larger than last year. But it is remarkable

how one becomes accustomed to

anything. Now we find a six-page

edition "thick". Before the war a

twelve-page issue was "thin".

Nevertheless, this necessary limitation

has its good points (Heaven

deliver me from the anger of my

colleagues). In accordance with an

old proverb, perhaps this limitation

will provoke skill — the ability to absorb

what is written on four pages,

as well as to condense well enough to

put all one's material into that amount

of space. England could teach us a

thing or two in this respect. Its

papers certainly made the most of

their allotted space. The Daily Express

certainly managed to plunge

its 3J million readers into plenty of

mystery and crime sensations.

The Dutch press has not been able

to imitate this by any means, I note

with fraternal regret. Looking at

our press as a whole, it has definitely

retrogressed. The reason: the human

element; too many inexpert and incompetent

writers are now called

"journalists". Remarkable is the

fact that even available journalists

•are not always "used". The brilliant

J. H. Boas — well-known to Knickerbocker

readers — is the London correspondent

of the Maasbode. But we

seldom find his articles in that paper.

Having mentioned its name we

should like to add that in our opinion

the Maasbode has retrogressed sadly.

In the category of Catholic newspapers,

is has long been overshadowed

by the Tijd (under the editorship of

the brisk P. J. Kerstens). The Volkskrant

is also on a higher level. Its

editor-in-chief, Liicker, learned the

trade in the employ of the Telegraaf.

The Nieuwe Courant (formerly the

Vaderland) has also become a fine

publication, under the editorship of

Gerard Polak Daniels, of the "old

guard." There are also excellent provincial

papers. Now that all the

papers are published in the same form

and size the quality of their editorship

shows up much more clearly.

Many of the big papers undoubtedly

have given way to the smaller ones.

But we will mention no names. That

would be painful for some of the

larger ones. And we believe in reverence,

even in journalism.

(Knickerbocker Weekly)

De gewestelijke pers.

Men is geneigd de grote stad te

aanvaarden als de haard van opinievorming:

hier wordt de openbare

mening gemaakt, die „de provincie"

moet leren accepteren. Men wil een

gewestelijke pers aanvaarden, in zoverre

die zich bezig houdt met het

streeknieuws, dat voor de stad van

geen belang is. Een verdere taak heeft

zij niet. En deze taak kan naar be^

horen worden vervuld door het „kopblad",

dat een gewestelijke naam

draagt, maar in zijn redactioneel gedeelte

in Holland wordt klaargemaakt.

De provinciale redacteur, die het blad

aannemelijk moet maken voor het

gewest, vindt daarin niet steeds een

dankbare taak. Hij tracht naar zijn

beste weten de culturele behoeften

van zijn lezers te vervullen, maar stuit

bij zijn pogingen altijd op de grotestadsvisie,

die aan het blad zijn karakter

geeft.

De reactie tegen dit streven bestond

reeds voor de oorlog, maar heeft na

de bevrijding meer bewuste vormen

aangenomen. Ook en vooral in de

pers. In Brabant, in Noord-Holland,

in Twente, in Groningen en niet het

minst in Friesland is het besef ontwaakt,

dat het gewest zijn eigen culturele

gestalte behoort te hebben, en

dat zelfstandigheid der delen van een

volk voorwaarde is voor een gezonde

ontwikkeling van het geheel. Het is

de personalistische en federatieve

gedachte, die opkomt tegen het streven

naar collectiviteit. De oorlog heeft

dat verzet slechts kunnen versterken.

De provincie is niet meer het onmondig

volksdeel, dat eet van de brokken

die van de tafel der heren vallen;

niet meer een bepaald aantal plattelanders,

dat het wel met een streekblaadje

af kan, omdat immers de

enkele intellectuelen, die hier noodgedwongen

moeten verblijven, maar

met de bevolking als zodanig niets

gemeen hebben zich wel op de „grote"

pers oriënteren.

De provincie is ontwaakt. Haar

intellectuelen, de laatsten der Mohikanen

niet meegerekend, voelen hun

saamhorigheid met heel het volk, en

wensen met allen samen te werken

aan de opbouw van een gewestelijk

cultureel leven. Daarvoor is het gewestelijke

dagblad levensvoorwaarde. Niet

slechts in Friesland. En de reactie, die

overal in de lande ontwaakt tegen

het geestelijk overwicht van de grote

stad, is geen plattelandsschuwheid of

boerse onwelwillendheid: het is de bewuste

herkenning en verdediging van

eigen levensvorm. Door het eigen opinieblad

kijkt 't ontwaakte gewest uit

eigen ogen. We hebben de indruk dat

de regering in het aanhangige ontwerp

Noodperswet voor de positie van

de gewestelijke pers en haar grote

culturele betekenis voor het volksleven

een open oog heeft, ook al wordt het

onderwerp niet met zoveel woorden

genoemd. Op de duur is ordening op

dit gebied noodzakelijk. Maar aan dé

definitieve regeling zijn we nog niet

toe. (Heerenveense Koerier)


een oordeel over

zuivering

Kringsecretaris Van den Bergh heeft

tijdens zijn verblijf te Londen hier

gevestigde collega's, behalve op belangwekkende

mededelingen betreffende

de herrijzenis der Nederlandse journalisten-organisaties,

onthaald op nummers

van „De Journalist". Uit Nos. 3

en 6/7, welke mijn gewaardeerd aandeel

in de distributie waren, blijkt dat

de journalistieke wereld in ons land

zich verre van gelukkig voelt over de

ontwikkeling der pers onder wat ik

zou willen noemen het zuiveringsrégime.

Er komen in de beide nummers geen

bezwaren — redactioneel of ontleend

aan verschillende kranten — voor,

waarmede ik niet ten volle instem.

Mijn voornaamste bezwaar tegen de

„zuivering" koester ik, gelijk een eerbaar

journalist betaamt, niet als journalist,

maar als burger. Een zuiveringsprocedure,

waarbij in strijd met elke

aannemelijke rechtsorde, een ieder als

„onzuiver" geldt zolang het tegendeel

niet bewezen is, moet gebrandmerkt

worden als een monsterachtigheid, die

slechts heeft kunnen rijpen in het

brein van mensen zonder enig staatsburgerlijk

besef. Niets heeft mij pijnlijker

getroffen dan dat de grote massa

der Nederlandse journalisten zich aan

deze procedure onderworpen heeft. De

pers in haar geheel had er, als bewaakster

en verdedigster van de meest

elementaire grondrechten van de burger,

onmiddellijk in onweerstaanbaar

verzet tegen moeten komen. Zij had

haar onuitvoerbaar moeten en kunnen

maken. Want hiermede zijn beginselen

gemoeid, niet van professioneel persbelang,

maar van fundamenteel burgerrecht,

waarvoor andere volken revoluties

gewaagd en gewonnen hebben.

Ik weet natuurlijk dat het gedrag

van een zeer groot aantal journalisten

en een zeer groot aantal kranten tijdens

de bezetting allerjammerlijkst

geweest is. Ook erken, ik, dat gedurende

het onvermijdelijke overgangstijdperk

na de verjaging der Duitsers voorlopige

disciplinaire maatregelen gewenst

waren tegen die van professioneel

wangedrag verdachte journalisten

tegen wie niet — of nog niet — een

gerechtelijke actie kon worden ingesteld.

Maar disciplinaire of gerechtelijke

actie zonder duidelijke en gedetailleerde

aanklacht tegen elk individu,

waartegen zij gericht is, is volkomen

ontoelaatbaar; zij is een zwaarder

zonde tegen de Heilige Geest van het

Nederlandse burgerschap dan de meeste

journalisten, die onder vijandelijke

bezetting zijn blijven werken, begaan

hebben.

Diegenen, die zich tot lid der Zuiveringscommissie

hebben laten benoemen,

hebben alleen reeds door aldus

de termen van het Persbesluit 1945

als instructie te aanvaarden, bewezen

volkomen onbevoegd te zijn. Heel de

pers had hun onmiddellijk de oorlog

op leven en dood moeten verklaren.

Er is een ander bezwaar tegen deze

monsterlijke, aan de mentaliteit der

MiddeivEuropese binnenlanden verwante,

methode van rechtsbedeling.

Het is niet van principiële, doch van

incidentele aard, en toch van professioneel

standpunt bezien ternauwernood

minder belangrijk. Door het te

Londen, tegen elk gezaghebbend journalistiek

oordeel gezag in, zo plomp in

elkaar gefrommelde Persbesluit, is op

„de" Nederlandse journalist een

brandmerk gedrukt, waarvan erkend

moet worden dat het helaas in al te

veel gevallen een verdiend onderscheidingsteken

is. Maar afgezien van die

betrekkelijk weinigen, die onder alle

omstandigheden „verraders" geweest

zouden zijn, drukt het overgrote deel

van de schuld en verantwoordelijkheid

voor hetgeen „de" Nederlandse journalist

misdaan mocht hebben, niet op

hem, doch op de Regeringen en Overheden,

waarvan die te Londen geestelijk

en wettelijk de continuatie was.

Deze journalistieke catastrophe —

want dat was het — werd onvermijdelijk

gemaakt door het beleid van Nederlandse

Regeringen, dat de grondoorzaak

geweest is van geestelijke en

andere corruptie in de Nederlandse

pers:

1. De op alle mogelijke wijzen aan de

pers opgedrongen „morele neutraliteit",

zelfs reeds jaren vóór de oorlog.

Onder 1 "* dit smadelijke régime,

dat ingegeven werd door doodsangst

voor Duitsland, werd de meest

egoïstische kleurloosheid tot een

nationale deugd, en zedelijke lafheid

tot een journalistieke deugd

verheven. Journalisten, die onder

druk van het régime geleerd hadden

van hun hart een moordkuil te maken;

de waarheid te verzwijgen of

te verbloemen indien deze aanstoot

kon geven aan Duitse instanties;

met vals vertoon van de toch reeds

zo diep-immorele morele neutraliteit

beschouwingen te schrijven die

veeleer „actes van braafheid" ten

behoeve van Berlijn dan eerlijke

commentaren ten behoeve van de

Nederlandse lezers waren; de uitvluchten

te vinden waarmee zij

hun eigen professioneel geweten

gedwee het zwijgen oplegden —

jonge journaliste

die journalisten was dat alles

reeds lang tot een tweede natuur

geworden toen plotseling de Duitsers

heer en meester geworden waren

in hun land.

2. De nalatigheid der Regering de

pers voor te lichten betreffende de

in geval van Duitse invasie aan te

nemen houding. In overeenstemming

met Nederlandse Regeringstradities

pleegde zij overleg ten

aanzien van wat er met goud,

fondsen, gloeilampen en petroleum

gebeuren zou, en ten einde de

„boel" in veiligheid te brengen,

werden uitgebreide maatregelen

getroffen en faciliteiten verleend.

De Regering had lang van te

voren overleg moeten plegen met

de leiders der pers; zij had dezen

er op moeten wijzen, dat waar de

vijand zich nestelde, de persen en

andere machines onklaar gemaakt

moesten worden; zij had alle verantwoordelijke

journalisten de faciliteiten

moeten toezeggen zich buiten

gebied, dat met vijandelijke

bezetting bedreigd werd, te begeven

3. De perverse inzichten van Regeringsinstantie

te Londen, die ondanks

sterke aandrag van beroepsjournalisten,

weigerden een poging

aan te wenden het verzuim enigermate

te herstellen door van daaruit

de leiders der pers in Nederland

te waarschuwen voor het gevaar,

dat voortzetting der werkzaamheden

onder vijandelijke bezetting

opleverde voor de nationale

zaak, maar integendeel met ongelooflijke

niaiserie zichzelf poogden

wijs te maken, dat de pers „toch

nog wel iets goeds zou kunnen

doen."

4. Openbare uitlatingen en oproepen

van Jhr. De Geer, die de indruk

wekten dat het de voornaamste

plicht van de Nederlander in bezet

gebied was, de vijand geen aanstoot

te geven.

Er zijn nog veel meer punten, maar

ik geloof dat deze vier de voornaamste

zijn. En verreweg het voornaamste

punt is dat betreffende de opgedrongen

en afgedwongen morele neutraliteit.

Zij is het die geleid heeft tot de

corruptie van veel, maar bovenal tot

corruptie en ontmanning van een pers,

die vervolgens door de Regering hulpeloos

en reddeloos in handen van de

vijand werd gelaten.

Londen. J. H. BOAS.

medewerkster aan verschillende bladen, enkele jaren werkzaam

geweest aan groot dagblad, ervaring in vrouwen- en

kinderrubrieken, reportage, verslaggeverij, opmaak en andere

redactioneel werk,

ZOEKT PRETTIGE WERKKRING,

waarin haar algemene ontwikkeling en vlotte stijl, beter dan

tot dusver tot haar recht kunnen komen. Uitstekende referenties.

Brieven onder No. 10/47, De Journalist.

17


DE LAATSTE JAREN DER FRANKFURTER ZEITUNG

In het vorige nummer van

De Journalist werd uit de

Neue Zürcher Zeitung een

artikel overgedrukt oper „Die

Frankfurter Zeitung nach

1933", geschreven door de

oud-redacteur van de Frankfurter

Ztg. Wilhelm Rey. In

de N.Z.Z. heeft Reto Coratsch

daarop van antwoord gediend

en uiteengezet, dat de

rol van de Frankf. Ztg: in

werkelijkheid heel wat minder

eervol is geweest. Terwille

van het geestelijk evenwicht

van onze lezers drukken

wij hierbij de hoofdinhoud

ook van dit artikel af.

In der letzten Sonntagausgabe der

„Neuen Zürcher Zeitung" hat Wilhelm

Rey geschildert, wie manche Redakteure

der „Frankfurter Zeitung" widerstrebend

ihre Domestizierung durch

das siegreiche Naziregime, über sich

ergeben Hessen, wie sle Masken über

ihre Gesichter stulpten, das Zwielicht

suchten und vom Tage traumten, da

das Blatt sich dereinst einen Ruck

geben und wieder zu seiner liberalen

Tradition zurückkehren würde. Herr

Rey war, so viel uns bekannt ist, derjenige

Mitarbeiter der „Frankfurter

Zeitung", der sich am meisten exponiert

hat und nur mit knapper Not

den Verfolgungen durch die braunen

Gewalthaber entronnen ist. Das ist

für uns Grund genug, seinen guten

Glauben zu respektieren. Aber wenn

er zum Schlusse kommt, die „Frankfurter

Zeitung" sei „nach einer zehnjahrigen

Auseinandersetzung mit dem

Regime kampfend untergegangen", so

erblicken wir darin schon eine starke

Uebertreibung, ja, mehr als das, eine

Verzeichnung und den Ansatz zu einer

Legendenbildung. Noch gibt es genug

Leser der „Frankfurter Zeitung", die

sich erinnern, wie es eigentlich gewesen.

Wir wissen genau, das die Schriftleiter

der „Frankfurter Zeitung" keine

überzeugte Nazi waren, dass viele, dass

die Besten von ihnen unter der

Gleichschaltung litten. Aber nicht darauf

kommt es an, was ein Redaktor,

der die Faust im Sack macht, für sich

denkt oder mit Anspielungen uinschreibt,

die vielleicht ausser ihm und

seinen Mit-Auguren in den Redaktionsraumen

niemand versteht; nicht ein

paar sinnvoll eingesetzte „Gansefüsschen"

mehr odler weniger bestimmen

das Gesicht eines Blattes, und auch

nicht eine unter dem Strich erscheinende

Würdigung eines Werkes der

sogenannten „entarteten Kunst" oder

ein paar Schnippchen, die man den

herrschenden Machten mit der Um-

18

gehung des Arierparagraphen scnlagt.

Entscheidend ist die Gesamtwirkung,

die eine Zeitung im Inland und im

Ausland aüsübt. Der Kurs der „Frankfurter

Zeitung" vom Jahre 1933 an

aber wurde jedenfalls nicht von Herrn

Rey und seinem Freundeskreis bestimmt,

und diejenigen, die im poiitischen

Teil des grossen Blattes den

Ton angaben, haben gründlich dafür

gesorgt, das das Haus an der Eschenheimergasse

nicht als eine Zitadelle

mannhafter Resistance im Gedachte

nis fortlebt. ,

„La trahison des clercs".

In was bestand der eigentliche Unterschied

zwlschen der „Frankfurter

Zeitung" und den Naziparteiblattern?

Vor allem darin, dass die Frankfurterin

das, was die Pressemeute Goebbels'

rauh hinausklaffte, in gepflegtem

Stil, mit der Dialektik geschutter Journalisten

ausdrückte. Es war ein Unterschied

wie zwischen der routinierten

Diplomatie eines Neurath und Weizsacker

und dem blutigen Dilettantismus

des parteioffiziellen Aussenpolitikers

Alfred Rosenberg, die schliesslich

doch alle zu den gleichen ErgebnLssen

hinf ührten. Das Raffinement, mit

dem die „Frankfurter Zeitung" Hitlers

Politik verteidigte und unterstützte,

hat aber viel grössere Effekte erzielt

als der polternde Chor der Parteipresse.

Das galt für Deutschland selber,

wo gerade die gebildeten Schichten,

die| zur Lesergemeinde der

„Frankfurter Zeitung" gehórten, in

ihrer djefaitistiechen Tatenlosigkeit

einen Gewissènstrost fanden, vor allem

aber für das Ausland, wo das von

altersher angesehene Blatt ungeheuer

schlaferung der Misstrauischen ausgerichtet

hat. Wenn ein auf dem

Fundament einer ehrwürdigen liberalen

und demokratischen Tradition

stehendes Blatt wie die „Frankfurter

Zeitung" der Umwalzung in Deutschland

so viele gute und positive Seiten

abgewinnt, so sagte man sich im Ausland

mindestens bis Ende 1938, und

wenn sie immer wieder versichert, dass

Hitlers aussenpolitische Ziele begrenzt

sind und zu einem neuen europaischen

Gleichgewicht führen wird, das „peace

in our time" sichert — dann mussen

die ewigen Warner und Schwarzseher

doch Unrecht haben, dann ist doch

etwas daran, dass die Nazi kreditwürdig

sind...

Die Leute, die in den politischen

Spatten der „Frankfurter Zeitung" das

grosse Wort führten, aber haben das

„Vertrauen", das die Nazibehörden in

sie setzten, mit Zins und Zinseszins

belohnt. Das Blatt jubelte im Marz

1938 über den Einmarsch in Oesterreich;

es unterstützte mit allen Kraften

die Erpressungsmanöver gegen die

Tschechoslowakei, machte den Raub

der Sudetengebiete als „letzte terrioriale

Forderung" schmackhaft, stellte

mit einer Fülle von Argumenten den

Ueberfall auf Prag im Marz 1939 als

Akt legitimer Notwehr dar, blies dann

aus vollen Lungen in das Feuer der

Agitation gegen Polen und bewahrte

sich bei Kriegsausbruch als Stimmungserreger,

um in den folgenden

Jahren jeden Ueberfall und jede Gewalttat

mit spaltenlangen spitzfundigen

Begründungen zu verteidigen und

sich, den letzten Rest von Schamgefühl

abstreifen, zum Hüter des „europaischen

Geistes" aufzuwerfen.

Rudolf Kirchers Charakterrolle.

Ein einziges Mal nach der Machtergreifung

durch Hitler hat die „Frankfurter

Zeitung" ein offenes, tapferes

Wort gewagt. Das war am 7. Februar

1933, als der Leiter des Berliner Bureaus.

Rudolf Kircher, in einem Leitartikel

verkündete, der neuen Regierung

gegenüber könne es nur eines

geben: scharfste Abwehr. Unter Anspielung

auf Stalins Vierjahresplan,

den der nachahmerische Hitler gerade

damals in seine Parole „Gebt mir vier

Jahre Zeit!" umgemünzt hatte, schrieb

Rudolf Kircher die kraftvollen Satze:

„Der Kampf wird lange genug

dauern. Vier Jahre, meint Herr Hitler

—, vier Jahre", davon hat schon

einmal einer gesprochen, der sich

geirrt hat. Er wird hart auf hart

gehen; aber wir werden nicht einen

einzigen Grundsatz aufgeben, und

wir werden alle Hande voll zu tun

haben, um auch nur einen Teil der

Ungerechtigkeiten zu verzeichnen,

die von der sehr machtigen Regierungsgruppe

aller Wahrscheinlichkeit

nach begangen werden. Vier Jahre

— nun, das wird uns Zeit geben,

diese Regierung und ihre Taten auf

das genaueste zu studieren vmd sie

öffentlich aufzuzeigen. Kein Tag soil

uns dabei verloren gehen."

Kirchers Artikel, der auf die Elite

der Leserschaft der „Frankfurter Zeitung"

eine elektrisierende Wirkung

ausübte, endete mit dem imponierenden

Gelubde:

„Nicht locker lassen! Diese Regierung

wird auch nicht locker lassen

— wenigstens nicht, so lange das

Kabinett zusammenhalt. Wir mussen

auf der Hut sein, vor allem poütisch,

denn wer heute erlahmt oder sich

einschüchtern liisst, verdirbt seinen

Charakter."

Wenige Wochen spater, am 9. April

1933, kroch Ruöolf Kircher in einem

Leitartikel, in welchem das mit Wenn

und Aber operierende Gemurmel zu

einem kaum ernst genommenen Nebengerausch

herabsank, wahrend die Anbiederung

an den Nationalsozialismus

herausstach, vor den neuen Herren zu

Kreuze. Er versicherte nun, in Deutschland

könne die straffere Organisation

des öffentlichen Lebens „viel Gutes


In het kort

In de Persraad zijn een paar nieuwe

gezichten verschenen, en wel van de

heren H. J. van Balen (dir. A.N.W.B.),

R. Peereboom (Haarlems Dbl.) en H.

de Ruig (fin. dir. Trouw). M. A. Reinalda

is voorzitter geworden.


Coll. mr. G. J. van Heuven Goedhart

is een van de twaalf leden van

de subcommissie voor de vrijheid van

voorlichting en pers van de Verenigde

Naties, die o.m. het program

moet uitwerken voor de internationale

conferentie voor persvrijheid die het

volgende jaar zal bijeenkomen.

Ingesteld is een rijkscommissie van

advies inzake de papierverdeling voor

boeken en tijdschriften. Voorzitter is

de heer M. A. Reinalda.


Coll. Lunshof is als hoofdredacteur

van Elseviers Wbl. afgetreden, maar

hij blijft meewerken, in tegenstelling

tot Anton van Duinkerken, die voor

Vrij Nederland is gaan werken.

stiften". lm neuen Regime „werden

wir manches finden, was wir uns so

oder ahnlich als die Tendenz der Gestaltung

Deutschlands gewünscht haben...

Der nationale Gesamtstaat... ist

ohne Zweifel durch diese Revolution

machtiger und ganz gewiss rascher gefördert

worden, als es je seit Weimar

móglich schien. Wie immer diese Regelung

im einzelnen aussehen mag — ein

Unmass überflüssiger Politik wird beseitigt

werden, ein Unmass von Leerlauf,

von Reibung, von Wichtigtuerei

und parteipolitischer Eigensucht."

Am Jolgenden Reichsparteitag, wo

neben Hitler vor allem Julius Streicher

im Rampenlicht stand, beteuerte die

„Frankfurter Zeitung" in einem Leitartikel,

die ganze Nation nehme teil,

„wenn ihr jetzt durch die Proklamation

von Nürnberg wie mit Leuchtfeuern

der Weg in die Zukunft erhellt

wird". Kircher, der sich als Festberichterstatter

seine Sporen als neuer

Chefredaktor abverdiente, schlug wahre

Purzelbaume der Begeisterung und erklarte:

„Die gewaltige geistige und

physische Macht des Nationalsozialismus

ist zu einem überzeugenden Ausdruck

gekommen."

Was Tausende von Leitartikeln und

redaktionellen Kommentaren gesündigt

haben, das wird auch durch die Freiheiten,

die sich die Feuilleton- oder die

Beilagen-Redaktion gelegentlich herausnahmen,

wenn sie etwa in kulturhistorischer

Travestie auf die

Schwachen des Dritten Reiches anspielten,

nicht weggelóscht. Auch das

«

Het dagblad De Nieuwe Nederlander,

dat de laatste tijd door de Arbeiderspers

werd uitgegeven, heeft de

strijd om het bestaan moeten staken.

In de vorige Journalist heeft gestaan,

dat er in de Verenigde Staten

negen bladen in het Nederlands zouden

verschijnen. Om een collega, die

naar de namen en adressen hiervan

vroeg, te gerieven, zijn we op informatie

uitgegaan, wat we liever eerder

hadden moeten doen, want nu hebben

we vernomen dat er de laatste tijd

(over hoe lang die tijd zich uitstrekt,

weten we niet) een paar aigevallen

schijnen te zijn, zodat er maar zes

meer kunnen worden vermeld. Hiervan

worden alleen de eerste drie geheel

of in hoofdzaak in 't Nederlands

gedrukt; de volgende twee half om

half; de laatste bevat o.a. Nederlandse

bijdragen.

Onze toekomst (Chicago, 111.), weekblad.

De volksvriend (Orange City, Io#a),

weekblad.

De wachter (Grand Rapids, Mich.),

weekblad.

Missionary Monthly Reformed Review

(Grand Rapids, Mich.), weekblad.

Knickerbocker Monthly (New York,

N.Y.), maandblad.

The Herald of Christian Science

(Boston, Mass.), driemaandelijks.

„Berliner Tageblatt" und die „Deutsche

Allgemeine Zeitung'', deren Redaktionen

vom Gefiihl ihrer „Anstandigkeit"

ebenso tief durchdrungen waren

wie die Schriftgelehrten in Frankfurt,

haben sich solche verschmitzten

Maskengange erlaubt (Betrachtungen

über das feine Athen und das grobe

Sparta waren eine Zeitlang Mode) und

taten sich auf ihre Courage etwas zugute,

obwohl ihnen deswegen kein

Haar gekrümmt wurde.

Der „Frankfurter Zeitung" ist eine

Spekulation zum Verhangnis geworden:

durch Klügeleien und Konzessionen,

dem Teufel die Krallen

streichelnd, wollte sie sich über Wasser

halten, um dann eines schonen Tages,

wenn der Spuk verflogen sein würde

(dass sie immer an einen vorübergehenden

Spuk glaubte, stellt der Einsicht

ihrer Lenker ein schlechtes

Zeugnis aus) frisch-fröhlich die Flagge

eines neuen Regimes hochzuziehen.

Non propter vitam vivendi perdere

causas, diese klassisehe Warming hat

sie missachtet, und damit hat sich an

ihr ein Stuck vom Schicksal des deutschen

Bürgertums überhaupt vollzogen.

Der Ullstein-Verlag in Berlin, mag er

auch sonst manchen Fehler begangen

haben, war doch besser beraten, als er

schon im Marz 1934 die „Vossische Zeitung"

freiwillig eingehen liess. Damals

hat ein sehr altes, sehr bedeutendes

Blatt etwas zustande gebracht, was im

Hexensabbat des Dritten Reichs nur

wenigen gelungen ist: in Würde zu

sterben.

RETO CARATSCH.

Een Grootmeester

der journalistiek

Een van de groten uit ons vak, mr.

G G. van der Hoeven, is op 2 Mei

75 jaar geworden. Aan de vooravond

van die dag schreef de N.R.C.:

,„Toen in 1936 mr. Van der Hoeven,

na meer dan 25 jaar de hoofdredactie

van de N.R.C, te hebben gevoerd, zijn

vooraanstaande plaats in de journalistiek

verliet om zijn otium cum dignitate

te gaan genieten, werd een tijdperk

van bijzondere aard in de geschiedenis

van de krant afgesloten.

Het was aangevangen in die jaren,

welke, hoewel reeds behorende tot de

nieuwe eeuw, historisch nog gerekend

worden tot de vorige, — die jaren,

welke als „fin de siècle" worden gekenschetst,

en die de kiemen van de

komende beproevingen in zich droegen.

Spoedig immers brak de eerste

wereldoorlog uit, die zoveel ellende

over de mensheid uitstortte, maar welke

buiten onze grenzen bleef. Het was

de voor ons land zo moeilijke periode

van de neutraliteit, welke aan de leiding

van een groot dagblad de hoge

eisen stelde, welke in de persoon van

de heer Van der Hoeven ten volle hun

vervulling vonden. Toen de wereld na

deze grote botsing der volkeren opleefde

in de hoop op een betere toekomst

was het echter de hoofdredacteur

van de N.R.C., die met de scherpe,

critische blik, welke hem bij voortduring

heeft gekenmerkt, onderkende,

dat de oorlog, zij het alleen met andere

middelen, werd voortgezet. De

loop van de geschiedenis der volgende

twintig jaren met hun teleurstellingen

op internationaal terrein en de ontwrichtende

werking van de economische

wereldcrisis hebben de feilloosheid

van dit inzicht bewezen.

Aan deze sterke critische zin paarde

de heer Van der Hoeven dat diepe

gevoel van onafhankelijkheid, dat in

binnten- en buitenland maar al te

zeldzaam wordt aangetroffen, doch

dat, met een hoog ontwikkelde vakbekwaamheid,

de enige hechte grondslag

moet worden geacht voor een

journalistiek, welke haar publieke taak

naar behoren vervult. Onafhankelijkheid

.tegenover vriend en tegenstander,

vooral tegenover de geestverwante

partij, die slechts zoverre op de steun

van de hoofdredacteur van de N.R.C,

mocht rekenen als hij haar beleid in

overeenstemming met het algemene

belang achtte.

Op deze verheven wijze heeft mr.

Van der Hoeven het liberalisme uitgedragen

en verdedigd, waarvan hij zelf

zulk een voornaam vertegenwoordiger

was. Deze geestesrichting was voor

hem echter meer dan staatkunde, zij

was een levenspractijk, welke hij

vooral beoefende tegenover degenen,

die het voorrecht hadden tot zijn

naaste medewerkers te behoren. Hij

had dat ook in grote leiders zo zeldzame

vermogen, hun een vrijheid te

gunnen, waarin zij zich ten volle konden

ontplooien."

19


ALLERLEI OFFICIEELS

UIT DE KRINOBESTÜURS-

VERGADERING.

Het bestuur van de N.J.K. kwam 29

Maart 1.1. te Amsterdam in vergadering

bijeen. Aanwezig waren alle

bestuursleden, behalve mevr. v. Meurs

(die in het buitenland vertoefde),

de redacteuren


lid kunnen worden van de nationale

journalisten-organisatie.

't Is ongetwijfeld goed, dat deze( zaak

nu straks in Praag onder de ogen zal

worden gezien, wat wellicht er toe zal

kunnen leiden, dat een bevredigende

oplossing wordt verkregen, b.v. dat het

onderling, internationaal contact, dat

de radio-journalisten voor de behartiging

en bespreking van hun specifieke

belangen wensen, binnen het kader der

I.O.J. tot stand komt — welke oplossing

op de vergadering der Executive

van verschillende zijden werd bepleit.

Van de verschillende punten, die ter

Executive-vergadering nog verder behandeld

zijn, zij nog vermeld, dat, nadat

het I.O.J.-Bureau van het dagblad

„Rozospastis" te Athene een telegrafisch

verzoek had gekregen om te

inteveniëren inzake de arrestatie en

wegvoering zonder verhoor van de

journalist Linardatos van de staf van

„Rozospastis", het Bureau een telegram

heeft gezonden naar de Griekse

minister van Binnenlandse Zaken, kolonel

Zervas, waarin met een verwijzing

naar de actie, welke de I.O.J. voert

voor de persvrijheid, nadere volledige

inlichtingen zijn gevraagd over de

arrestatie en deportatie van de bedoelde

journalist. Op dit telegram was

nog geen antwoord ontvangen.

v. d. B.

MEDEDELINGEN VAN HET

BUREAU DER FEDERATIE.

Ledenlijst N.D.P. 1945. Van het

secretariaat van ,,De Nederlandse Dagbladpers

1945" is een bijgewerkte

ledenlijst dezer vereniging ontvangen,

welke voor de leden der Kringen op

het Secretariaat der Federatie ter

inzage ligt.

Adres gevraagd. Wie kan het secretariaat

van de N.J.K. helpen aan het

huidige adres van coll. J. van Wijk,

die tot voor kort verbonden was aan

„De Langedijker Courant"? Verondersteld

wordt, dat hij thans in Den Haag

werkzaam is.

Waarschuwing. Alvorens in te gaan

op een uitnodiging van de heer Bruno

Mylen uit Stockholm tot het leveren

van foto's en/of artikelen voor Zweedse

en andere bladen stelle men zich in

verbinding met het Secretariaat der

Federatie, N..Z Kolk 28, Amsterdam-C,

tel. 46910.

Hoe heet onze Federatie? Aangezien

hieromtrent bij sommige leden misverstand

blijkt te bestaan, wordt de aandacht

er op gevestigd, dat de juiste

benaming van het federatief verband,

waarin N.J.K. en K.N.J.K. samenwerken,

luid*: Federatie van Nederlandse

Journalisten (niet: Federatie van

Nederlandse Journalistenkringen).

Persconferentiecommissie. Verzoeken

om advies aan de Persconferentiecommissie

van N.D.P. en Federatie betreffende

de wenselijkheid van het al of

niet aannemen van uitnodigingen tot

het bijwonen van persconferenties, ex

cursies enz., richte men uitsluitend tot

het Secretariaat der Federatie van

Ned. Journalisten, iT.Z. Kolk 28,

Amsterdam-C.

HAAGSE JOURNALISTENVERENIGING

l De Haagse Journalisten Vereniging,

afdeling van de N.J.K., is in de avond

van de 17de Maart j.1. in „Boschlust"

in haar jaarlijkse algemene vergadering

bijeengeweest. Het was toen

juist een jaar geleden dat zij herrees,

nadat een voorlopig comité, „De

Haagse Pers" geheten, in het eerste

jaar na de bevrijding de vele en velerlei

persbelangen met grote ijver had

behartigd. Terecht is aan dit comité

in het jaarverslag hulde voor zijn

arbeid gebracht.

Er is nu een nieuw huishoudelijk

reglement goedgekeurd en een bestuur

gekozen. Hoe verblijdend groot de opkomst

der leden ook was — een derde

van de ruim 120 — in deze, met een

zo zakelijke agenda uitgedoste vergadering,

toch zouden er niet genoeg geweest

zijn, indien het bestuur bij zijn,

overigens te waarderen, pogingen om

naar de geest van het nieuwe reglement

te handelen, had volhard. De

vergadering, steunend op de welwillend

(en gratis) verleende juridische adviezen

van daarin doorknede leden,

wuifde de gemoedsbezwaren van

praeses Lambooy en medebestuursleden

met een vriendelijk, evenwel niet

a! te overhaast schijnend gebaar weg

en baande zich daarmede een ruim

uitzicht op het kreupelhout der bestuursverkiezing.

Dat geen kreupelhout

bleek te wezen, maar een mals

grasveldje, dat onder leiding van een

paar ervaren zeiszwaaiers onder de

leden met enkele streken werd geschoren.

Waarmede we slechts wilden uitdrukken

dat de stemming vlot verliep,

nadat de collega's D. J. Lambooy

(A.N.P.), als voorzitter; J. E. van

der Wielen (Alg. Handelsblad), als

secretaris en L. R. Stallinga (Het

Vrije Volk), als penningmeester, bij

acclamatie waren herkozen. Herkozen

werden eveneens de collega's: mevr. E.

G. .Wakkie (Nieuwe Crt.), J. S. Hoek

(Trouw) en R. Quast (Haagse Crt.);

in de vacature mr. Davidson (De

Waarheid) werd gekozen collega J. G.

Raatgever (Haagsch Dagblad). Het

aftredende bestuur, dat zich vóór de

inwerkingtreding van een nieuw reglement

een voorlopige taak had toegedacht,

had geen candidaten gesteld.

Op zijn voorstel werd posthuum

tot lid van verdienste benoemd mej.

Emmy Belinfante,« die gedurende een

lange reeks van jaren voor de oorlog

niet alleen een sieraad van de

Nederlandse journalistiek, maar ook

een voortreffelijke secretaresse van de

H.J.V. is geweest. In de week voorafgaande

aan de jaarvergadering had de

voorzitter in de bestuursvergadering

de verdiensten van haar, die in Auswitz

werd vermoord, in de herinnering

teruggeroepen en voorgesteld haar

posthuum te eren. Enkele dagen later

bleek nog eens ten overvloede hoe

nauwgezet wijlen onze secretaresse

was geweest en hoe zeer haar gedachten

bij haar H.J.V. hebben verwijld,

toen het door haar verstopte archief

van een tot nu toe onbekend onderduikadres

te voorschijn kwam.

De jaarverslagen van de secretaris

en de penningmeester erlangden zonder

enig bezwaar goedkeuring. Zij verdienden,

zowel wegens hun vorm als

hun inhoud, in extenso te worden afgedrukt.

Volstaan moge worden met

de vermelding van het beroep dat collega

Van der Wielen in zijn pakkend

verslag in het bijzonder op de jongere

collega's deed, om grotere belangstelling

zowel voor de H.J.V. als voor het

vak te tonen. Met alle waardering en

dankbaarheid voor het veelal gevaarlijke

werk door de mannen en vrou-

Ter gelegenheid van de voetbalwedstrijd Nederland—België bood de

Nederlandse Sportpers in Hotel Victoria te Amsterdam de Belgische

sportcollega's een lunch aan. Aan de hoofdtafel coll. A. J. Koejemans,

penningmeester van de N.J.K. (Foto Alg. Holl. Fotopersbur.)

2 1


wen van de illegale pers in de bezettingstijd

verricht, achtte hij het niettemin

nuttig te wijzen op het gevaar,

dat in de opvatting schuilt als zou de

journalistiek, tijdens de bezetting bedreven

in wezen dezelfde geaardheid

bezitten als de vooroorlogse journalistiek

en de na-oorlogse.

Hij gaf uiting aan zijn bezorgdheid,

dad er — alle opgelegde beperkingen

Ia aanmerking genomen — in de geaardheid

onzer pers iets veranderd is

en niet ten goede, waarvoor deels verwijten

moeten worden gericht aan de

regering (te weinig papier; te weinig

deviezen voor de aanstelling van buitenlandse

correspondenten; de wijze

waarop de regering haar voorlichting

meent te moeten organiseren), deels

het peil van de huidige journalistiek

schuld moet worden aangewreven. In

verband nu met dit laatste werd een

beroep gedaan op de jongere collega's

om zich meer dan tot nu toe in de

détails van het vak te willen verdiepen;

een tekort aan technische

kennis in te halen; zich meer algemene

ontwikkeling eigen te maken

dan waartoe de oorlogsjaren met al

Journalisten, die lid zijn van de Partij

van de Arbeid, kwamen Zaterdag

te Amsterdam in een vergadering' bijeen,

die gewijd was aan het onderwerp:

„Overheid en pers". Aanwezig waren

journalisten, verbonden aan verscheidene

dag- en weekbladen, en een aantal

gasten, waaronder weth. Bern. C.

Franke van Amsterdam, mr. M. Rooy,

voorzitter, J. J. F. v. d. Bergh, secretaris

van de N.J.K., mr. A. C. van

Rantwijk, secretaris der Federatie van

Ned. Journalisten, en mr. C. A. Steketee,

adj.-secr. van de „Ned. Dagbladpers

1945". De vergadering stond onder

voorzitterschap van de heer K. Voskuil.

Inleiders waren de heren M. A. Reinalda,

voorzitter van de Persraad, en

de journalist mr. dr. J. Barents.

Twee resoluties werden aangenomen,

die zullen worden aangeboden aan het

congres der Partij van de Arbeid. In

de eerste wordt uitgesproken, dat de

22

hun belemmeringen en hiaten veroorzakende

onderbrekingen van het onderwijs

hen de gelegenheid gaven, en

zich daarom te zetten aan studie, teneinde

kennis te nemen van de veelheid

van problemen, niet alleen van

deze tijd, maar ook van vroeger.

Bovendien moeten zij een algemene

belangstelling voor het maatschappelijke

leven aan de dag leggen.

Opmerkingen, welke onze secretaris

waren ingegeven door zijn liefde voor

ons beroep, dat zo spoedig mogelijk

weer het aanzien moet herkrijgen dat

het voor de oorlog heeft bezeten.

R. QUAST.

(De redactie van De" Journalist

plaatst dit verslag in extenso, ter aanmoediging

van collega's-afdelingssecretarissen,

die deze gelegenheid om de

gebeurtenissen in hun afdeling Kringkundig

te maken wel eens over het

hoofd schijnen te zien. Men beschouwe

dit echter niet als een precedent

wat betreft de publiceerbaarheid

van verslagen in deze ongetwijfeld

aangename maar uitvoerige trant.)

Democratisch* socialistische

journalisten

ERVAREN JOURNALIST

ruime algemene ontwikkeling

universitair geschoold, buitenlandse

relaties, veelzijdige belangstelling,

moderne oriëntatie,

uitgebreid archief,

ZOEKT CONTACTEN

met redacties van dag- en weekbladen

voor de plaatsing van

artikelen, beschouwingen, overzichten

en schetsen.

Onderwerpen o.a.: Indië, Amerika,

Politiek, Economie, Radio,

Muziek, Atoom-energie.

Brieven onder no. 9/47 Bureau

„De Journalist", N.Z. Kolk 28,

Amsterdam.

democratisch-socialistische j ournalisten

zich rekenschap geven van de gevaren,

waarmede enerzijds de toenemende

kapitalistische invloed, anderzijds

totalitaire overheidsbemoeiing in verscheidene

landen de vrijheid der pers

bedreigen. Zij' zijn van oordeel, dat een

onafhankelijke integere pers een levensvoorwaarde

is voor het behoud en de

ontplooiing der democratie eri van het

op democratische grondslag zich ontwikkelende

socialisme. Voor de handhaving

van de journalistieke onafhankelijkheid

en de naleving van zedelijke

normen tegenover kapitalistische overheersing

en overheidsbemoeiing moet

de pers de middelen ontberen, zolang

een ordening van het nerswezen op

wettelijke grondslag ontbreekt. De

practische betekenis van de persvrijheid

wordt in hoge mate bepaald door

de wijze waarop de ideële en materiële

positie van de journalisten is geregeld.

De aanwezige journalisten spraken

als hun overtuiging uit, dat het democratisch

socialisme, waarvan de Partij

van de Arbeid de draagster is, geroepen

is de totstandkoming van een

wettelijke regeling na te streven en

verzochten het partijbestuur zich over

zodanige regeling in het bijzonder en

over vraagstukken van perspolitiek in

het algemeen te doen voorlichten door

een commissie, waarin ook vertegenwoordiger%

der democratisch-socialistische

journalisten zijn opgenomen.

In de tweede resolutie wordt uitgesproken,

dat de mogelijkheden van

vernieuwing der pers, die voortvloeiden

uit de verzetsstrijd tegen de bezetter,

van grote waarde zijn en dat

het partijbestuur de nakoming van

door de regering aan de voormalige

illegale pers gedane toezeggingen met

energie dient te helpen realiseren.

f en telegram uit Java

De N.J.K. en de K.N.J.K. ontvingen

het volgende telegram uit Java:

„Ondergetekenden deel uitmakende

van een Nederlands reisgezelschap

dat begin April een rondtocht door

het binnenland van Java heeft gemaakt

brengen op verzoek van de

Journalistenvereniging Malang onderstaande

boodschap over aan de Nederlandse

Journalisten. Brengt onze groeten

over aan onze collega's in uw land

en laat ons als twee vrije volken

samenwerken rondborstig als twee

ridders, die beiden een zuiver en rein

hart hebben. Met een doel voor ogen

de zwakke te helpen en elkaar te versterken.

Malang, 10 April 1947, Journalistenvereniging

kring Malang. Deze

boodschap werd het Nederlandse reisgezelschap

aangeboden na een tournee

door het binnenland:. Het door ons

bereisde gebied maakte een rustige en

ordelijke indruk. Gedurende de tournee

kregen de waarnemers de indruk

dat de nationale en sociale gedachten

belichaamd in de Republiek steunen,

op en gestuurd worden door groeperingen

waarvan de kracht en omvang

groter is dan veelal in Nederland

verondersteld wordt. Het Nederlandse

reisgezelschap constateert voorts dat

de voorlichting in 1 de Nederlandse pers

dienaangaande, alsmede omtrent het

consolidatie-stadium waarin' de Republiek

zich bevindt in het algemeen

nog onvoldoende is, zoals ook de van

Indonesische zijde omtrent Nederland

gegeven voorlichting onvoldoende moet

worden geacht. Indruk werd gewekt

dat men bereid is tot hernieuwde

samenwerking met Nederland mits

deze samenwerking uitgaat van het

beginsel der gelijkwaardigheid en

gelijkgerechtigheid der beide volken.

Prof. dr R. F. BEERLING

Mr A. M. H. BONGAERTS

C. DE KONING

C. MEULEMAN

Mr M. M. VAN POLL."

Aan Prof. Beerling c.s. werd door

de Federatie een telegrafisch antwoord

gezonden waarin tevens verzocht

werd een boodschap met groeten

aan de Journalistenvereniging Malang

te willen overbrengen.

De Journalist.

Knarsetandend moet de redactie

erkennen, dat technische en organisatorische

(of desorganisatorische) omstandigheden

haar te machtig zijn

geweest, zodat dit nummer weer met

de nodige (of onnodige) vertraging

verschijnt.

Boze brieven hierover zullen gaarne

in ontvangst genomen (maar niet beantwoord)

worden door de redacteuren:

J. J. F. van den Bergh, Trouw, N.Z.

Voorburgwal 225, Amsterdam; Mr. E.

Elias, Elsevier, Spuistraat 118b, Amsterdam;

Y. Foppema, De Groene

Amsterdammer, Frederiksplein 24, Antsterdam,

en door de

Administratie: Ned. Persmuseum, N.Z.

Kolk 28, Amsterdam.


Bij de Nederlandse

collega's in Londen

Van een bezoek aan Londen in verband

met besprekingen met de Internationale

Federatie van Journalisten,

heeft de secretaris van de Nederlandse

Journalisten Kring, J. J. P. van den

Bergh, gebruik gemaakt aan de collega's

hier uiteen te zetten wat in

Nederland sinds de oorlog op het

gebied van organisatie van Journalisten

is tot stand gebracht en in

welke richting zich de ontwikkeling

van de Kring beweegt.

Deze uiteenzetting was zeer nodig.

Het bleek dat van de Londense correspondenten

slechts één lid was van de

Kring — schrijver dezes — en dat er

gebrek aan begrip bestond inzake de

doelstellingen van de Kring. Belangstelling

voor het onderwerp was er

genoeg: Vrijwel alle Nederlandse

journalisten in Londen waren aanwezig

op de bijeenkomst, die door de

pers-attaché, ex-collega D. de Man,

was gearrangeerd. Er zijn hier een

kleine twintig Nederlandse journalisten

werkzaam, van wie slechts enkelen

op het appèl onttoraken.

Bij de discussie, volgende op de

duidelijke inleiding van collega Van

den Bergh, bleek dat buitenlandse

correspondenten meer oog —• en daardoor

ook meer belangstelling — hebben

voor hun bijzondere positie dan

voor een algemene regeling die zich

niet in uitzonderingen verdiept. Collega

Van den Bergh deed de oplossing

MUTATIES IN HET GOOI

Het bestuur van de afdeling Gooi

van de N.J.K. is thans als volgt samengesteld

:

L. J. van Looi, voorzitter; M. G.

Haringman, secretaris; P. Endt, 2e

secretaris; K. Dokkum, penningmeester

en G. Sluyzer, bestuurslid.

De vertegenwoordiging van de afd.

het Gooi in de Krinigraad luidt thans

als volgt:

L. J. van Looi en M. G. Haringman,

leden; mej. T. Schimmel en P. Endt,

plaatsvervangende leden.

Collega S. Stokvis (tot dusverre

voorzitter) vertrok naar Den Haag,

H. Amberg, tot dusverre penningmeester,

ging naar Amerika, terwijl het

Kringsraadslid J. C. van Broekhuizen

naar Amsterdam vertrok.

De afd. Gooi zal een nauwe samenwerking

met de Katholieke Journalisten

Kring aangaan. Hiertoe werd een

permanente contactcommissie gevormd,

bestaande uit de collega's

Van Looi en Endt (N.J.K.) en Groothof

en Gieskes (K.N.J.K.).

Het secretariaat der afd. Gooi van

df N.J.K. blijft gevestigd Snellliuslaan

23, Hilversum, telefoon 9550 (Kennr. K

2950).

aan de hand, dat de Londense Correspondenten

een sectie zouden kunnen

vormen voor hun bijzondere toelangen

met inachtneming van de algemene

belangen als voorgestaan door de

N.J.K. Besloten werd dat de Londense

collega's over een week opnieuw bijeen

zouden komen om zich daarover te

beraden.

langdurig werd ook van gedachten

gewisseld over de voordelen van het

Kring-lidmaatschap bij de Internationale

Pederatie te Londen, in vergelijking

met het lidmaatschap van de

zeer actieve Foreign Press Association

te Londen. Ettelijke correspondenten

waren de mening toegedaan, dat de

Foreign Press Association goed voor

de belangen der buitenlandse correspondenten

opkwam, terwijl de mate

van activiteit van de Internationale

Federatie nog zou moeten worden

afgewacht. Welk nut zou daarom hun

Kring-lidmaatsohap hebben, zo vroegen

zij. Andere correspondenten daarentegen

voelden meer voor de principiële

zijde van Kring-lidmaatschap

en spraken de hoop uit, dat een vergroting

van het ledental ook zou

leiden tot de verhoging van de activiteit

in allerlei richting, in het

bijzonder in de druk op de Internationale

Federatie om de belangen van

buitenlandse correspondenten te' bevorderen.

Londen. C. J. VAN SLUYS.

(Met buitengewoon genoegen denk ik

terug aan deze middag te midden der

Nederlandse collega's in Londen.

Dankbaar gedenk ik daarbij de hartelijke

gastvrijheid, waarmede collega

De Man — ja „collega", want hij is

als buitengewoon lid tot de N.J.K.

toegetreden — ons op de ambassade

heeft ontvangen en een zo goede sfeer

heeft geschapen voor de daar gevoerde

besprekingen. Besprekingen, die

ongetwijfeld verhelderend hebben gewerkt,

ook voor het Kring-bestuur, dat

gaarne ook de belangen van deze collega's

in de verstrooiing, waar mogelijk,

zal behartigen en daartoe nodig

heeft een juist inzicht in hun

speciale positie, wensen en verlangens.

Dat — zoals mij later is gebleken —

deze bijeenkomst heeft geleid tot een

nauwere aaneensluiting der Nederlandse

collega's in Londen, verheugt

mij zeer. En dat het aantal der Londense

leden in de Kring sindsdien is

toegenomen zie ik als gevolg van deze

ontmoeting, die alhoewel mijnerzijds

niet als „zendingsreis" bedoeld, toch

misschien door hetgeen ik daar over

de opbouw en het werk der journalistieke

organisatie in Nederland heb

verteld — waar het hart vol van is,

loopt de mond zo licht van over! —

onbedoeld dit karakter heeft gekregen.

Dat het Kringbestuur in zijn jongste

vergadering heeft toesloten om voor

de in het buitenland werkzame leden,

in verband met hun bijzondere positie

en hun, door valuta-verhoudingen

en andere factoren boven het normale

peil liggende salarissen, een speciale

contributieregeling te ontwerpen, mag

mede als een gevolg van dit persoonlijk

contact worden gezien, v. d. B.)

Katholieke Wereldpost

en de bezetter

Belangrijke documenten, die de

Sicherheitsdienst over de Katholieke

Kerk in Nederland had verzameld, zijn

kort voor de bevrijding, in September

1944, naar Duitsland overgebracht.

Maar dank zij de opsporingsijver van

het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie,

zijn reeds enkele dossiers

achterhaald en naar ons land teruggebracht.

Zij staan nu ter beschikking

van de Nederlandse autoriteiten. Drs. L.

de Jong, chef van het Rijksinstituut,

was zo vriendelijk, deze stukken ons

ter inzage te geven en toestemming te

verlenen, daaruit een en ander te

publiceren.

In ons orgaan kunnen wij volstaan

met de vermelding, hoe het „De katholieke

Wereldpost", het bekende persbureau

van wijlen collega Hein Houben,

is vergaan ... Dit persbureau werd gezien

als een der staatsvijandige ondernemingen,

van wat toen heette het

„politiek katholicisme" in Nederland.

Daarover had de S.D. een dossier aangelegd

van meer dan 30 getypte bladzijden,

waarin natuurlijk op de eerste

plaats werden gesignaleerd de leidende

figuren, als dr. Hein Houben en rector

van Lierop, die beiden dan ook spoedig

gevankelijk werden weggevoerd, om

niet meer levend terug te keren. '

Ook over de medewerkers van dit

Persbureau had men „bezwarend"

materiaal verzameld. Het was alles

streng vertrouwelijk gesteld. J. P. J.

Asselbergs zou staan in dienst van de

Secret Service, wijlen prof. dr. J. Hoogveld

heette in een protocol van het

verhoor „ten zwaarste belast", eveneens

F. Ballhorn uit Breda en K. Urban

uit Den Haag was „vermoedelijk

een Engelse verbindingsman". Wijlen

collega rector van Lierop stond genoteerd

als verbindingsman voor Duitse

berichtgeving, Hein Houben als de

intiemste vriend van pater Muckermann,

„slaafs verbonden aan het

Vaticaan en onderdanigst dienaar van

bisschop Hopmans te Breda". „Hij

reisde alle bereikbare bisschopszetels

af" ... (De Katholieke Journalist)

JOURNALIST, thans chef-redacteur

provinciaal dagblad, zoekt

andere werkkring aan groot dagblad

of voorlichtingsdienst; vertrouwd

met: alle rutoriek-werk,

grote reportage, opmaak, documentatie

enz. Vlotte verschijning,

31 jaar, goede talenkennis, uitstekende

referenties. Br. onder

no. 14147.

JOURNALIST, 26 jaar, sinds

twee jaar belast met redactionele

leiding groot provinciaal dagblad,

zag zich gaarne geplaatst in journalistieke

werkkring in. Indië.

Harde werker, goed organisator.

Enige naam in jonge Nederlandse

letterkunde. Referenties en knipselboeken

liggen op Tj te wachten.

Brieven onder no. 15147.

23


SPENCER B. HOGAN, U. S.-WAR CORRESPONDENT

(Fragment uit „G. I. Joê

kwam voorbij", door i ~>nze

Limburgse collega M. W.

Duynziiigs, die G I. Joe van

zéér nabij heeft gekend . —

Uitgave Ons Vrije Nederland.)

Ik ontmoette Hogan in Brussel.

Hij zat, moe en verveeld, op een

barkruk in „Sans Gêne". Zijn ellebogen

rustten op de bar. Zijn lange,

slanke vingers woelden door zijn haren

en hij staarde in het glas, dat voor

hem stond', alsof daar iets heel lelijks

te zien was.

Toen hij mij zag, zwaaide hij met

een telegram. Het kwam, zoals dat

heet, „hot off the Ticker".

„Je had gelijk", zei hij somber.

„Waarmee?", vroeg ik.

„Dat verhaal over de autoriteit van

Britse journalisten", zei hij.

. Ik las het telegram.

Het had de volgende inhoud:

Flash — Flash

28/4/45 — Flash-Reuter

By Paul Scott

San Francisco, April 28 (Reuter) —

A message from Himmler Guaranteeing

German unconditional surrender

to Britain and the United States

has been conveyed to the British and

United States Governments, according

to information sent to Stettinius, Molotov

and Eden in San Francisco, it

mas authoritativily states in official

circles here last night.

(More)

Flash

Er stonden dikke, rode potloodstrepen

onder de woorden Reuter, San

Francisco en Authoritativily.

„Dit bericht", zei Hogan, „is een

wereldprimeur."

„En Reuter ...", begon ik.

,„Ja", zei Hogan, „Reuter! ... een

Engels persbureau. En het ergste is:

het bericht komt uit Frisco! Was er

dan géén Amerikaanse journalist in

staat...?"

Hij zuchtte zwaar.

„Het is", zei ik, „een kwestie van

autoriteit."

„Ja", zei Hogan en hij glimlachte

vaag: „maar let op. Er zijn dingen

die een autoriteit zich niet kan permitteren,

maar 'n beroemdheid wél."

„Welke dingen?", vroeg ik.

„Binnen enkele dagen", zei Hogan

geheimzinnig, „valt Berlijn en tekenen

de Duitsers de capitulatie."

„En?", vroeg ik.

„De vraag is: welke journalist is

het eerst in Berlijn", zei Hogan.

„De Russen", raadde ik.

„Neen", zei Hogan met overtuiging,

„de Amerikanen!"

„Maar de Russen...", begon ik opnieuw.

„De Russen kunnen Hitler verslaan"

zei Hogan, „maai; de Amerikaanse

reporter verslaan zij niet!"

Verdere discussie was uitgesloten.

34

En ditmaal kreeg Hogan gelijk.

Het Amerikaanse persbureau Associated

Press had de super-wereldprimeur

van de Duitse capitulatie. Ed.

Kennedy, die het bericht verzond, zag

daarbij een nadrukkelijke order van

generaal Eisenhower om het bericht

nog enige uren vast te houden, minzaam

over het hoofd. Het bezorgde

hem 'n hoop moeilijkheden.

Maar hij werd beroemd, voor zo

ver hij het al niet was.

En Berlijn?

De Russen versloegen Hitler, maar

de Amerikaanse reporter versloegen

zij niet.

Er lag een stalen ring van rode

tanks rond de puinhopen van de

Duitse hoofdstad.

Er waren uiterst strenge orders, ook

van het geallieerde hoofdkwartier:

niemand zonder, toestemming der

Russen naar Berlijn.

Maar Seymour Freidin van de New

York Herald Tribune, John Groth, de

tekenaar van American Legion Monthly,

Margaret Irwin van de St. Louis

Post-Dispatch en Andrew Tully van

de Boston Traveler, zagen Berlijn.

Vóór alle anderen. Ook zónder de medewerking

van de Russen. Ook zonder de

toestemming van het geallieerde hoofdkwartier.

Enkele weken later schorste Shaeff

hen als oorlogscorrespondent. Men

stuurde hen terug naar de States.

Doch wat zou het?

De New York Herald Tribune, de

American Legion Monthly, de St.

Louis Post-Dïspatch en de Boston

Traveler hadden de story.

John Groth verklaarde later:

„Ik vind het unfair, dat men ons

straft. Ik ben van mening, dat het

Amerikaanse volk, dat vier millioen

van zijn beste zonen naar Europa

zond, waarvan er velen nooit meer

zullen terugkeren, recht heeft op ooggetuige-verslagen

van de val van de

hoofdstad van de vijand."

Dat deed, om zo te zeggen, de deur

dicht.

En Groth, Freidin, Margaret Irwin

en Tully werden beroemd, voor zo ver

zij het al niet waren ...

Voor hij naar de States terugkeerde,

ontmoette ik Spencer B. Hogan

voor het laatst.

Dat was in Den Haag, vele maanden

na V.E.-Day, bij de triomphtocht van

generaal Eisenhower door deze stad.

Ik sprak hem, tijdens een korte

pauze temidden van de plechtigheden,

in „Des Indes".

Hij geeuwde nadrukkelijk, zoals die

eerste keer, lang, lang geleden.

„Een oorlogscorrespondent zonder

oorlog", zei hij, grinnekend: „Generaal

Eisenhower in Den Haag, generaal

Eisenhower in Brussel, generaal

Eisenhower in Parijs, generaal Eisenhower

in Londen. En overal: juichende

mensen, bloemen, toespraken, champagne."

Ik dacht aan de lezers van

de „Post", die — oorlog of niet —

steeds weer nieuws willen hebben,

en liefst: sensationeel nieuws.

„Een oorlogscorrespondent zonder

oorlog is als een granaat zonder kanon",

zei Hogan.

„Hoezo", vroeg ik.

„Je wilt ontploffen, maar je kunt

het niet!", zei hij.

En hij vroeg mij of ik de „Tien

Wenken Voor Den Oorlogscorrespondent"

kende.

Ik kende ze niet.

„Here they are!", zei Hogan, en hij

somde ze op:

1. Een veroverde stad is beter dan

een veroverd dorp.

2. Een vijandelijk offensief is beter

dan een eigen opmars zonder veroverde

steden.

3. Een jonge, blonde, liefst gewapende

vijandelijke spionne is

beter dan een vijandelijk offensief.

4. Een Private uit je eigen stad is

belangrijker dan een generaal uit

'n andere stad.

5. Een generaal uit je eigen stad is

belangrijker dan een Private uit

je eigen stad.

6. Iedere dode Private is belangrijker

dan iedere dode generaal. (Het

bericht, dat de generaal gesneuveld

is, seint Associated Press immers

toch aan alle bladen.)

7. Een goede primeur is belangrijker

dan generaal Eisenhower.

8. Wees held met de helden! Een

front-reportage zonder gierende

granaten en vlakbij inslaande

vijandelijke bommen, is geen frontreportage.

9. Het front is overal, dus óók in

Parijs. Ga daarom herhaaldelijk

naar Parijs.

10. Een interview met Hitler en Eva

Braun — vóór of na hun dood —

overtreft alles.

LANDBOUWREDACTEUR.

Journalist, 32 jaar, ongehuwd,

thans werkzaam als redacteur

van diverse rubrieken (o.m.

buitenland, landbouw en veeteelt)

aan provinciaal dagblad,

zoekt plaats als landbouwredacteur

aan groter landelijk blad.

Is (als boerenzoon) geheel op

de hoogte met nationaal (en

internationaal) agrarisch gebeuren.

Brieven onder no. 13/47.

JOURNALIST

40 jaar, zowel voor als na de

oorlog werkzaam geweest als

hoofdredacteur van onafhankelijke

bladen, thans door fusie

buiten functie, zoekt zelfstandige

werkkring of opdracht.

Kan zich eventueel ook belasten

met zakelijke leiding van

dagblad. Brieven no. 11/47.

ERVAREN JOURNALIST

zoekt werkkring of medewerking

aan groot dagblad als

redacteur-wetenschappen. Brieven

no. 12/47.

KV. OE ARBEIDERSPERS - AMSTERDAM

More magazines by this user
Similar magazines