13.05.2013 Views

Untitled

Untitled

Untitled

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

A L G E M E E N E<br />

SPECTATORIAALE<br />

SCHOUWBURG.<br />

ZESDE DE E Li


% I tttd 843 G-i<br />

I<br />

A L (i E M E E N K<br />

S P E C I A T OE.IAALE<br />

SGHOXJWBtlRG*,<br />

T O ONEEL STUKKEN<br />

DOOI DE<br />

E E» S TE VEENUF TEN VAN EUILOPA,<br />

Met Nieuw-geïnventecrde KuuslplaateE.<br />

TT. A >I S X X 11 D A M B§<br />

II.GARTMAX, ^V.VliR>ÏAXDEI.,Ex J-W.S AlIT.<br />

M D C C X C I I .


JElk die een gevoelig hart in den boezem omdraagt,<br />

gal, na het kezen van het tooneeljluk, waaraan de be.<br />

roemde Maaier goedgevonden heeft den naam van PAPE­<br />

GAAI te geeven, met den braaven grijzen vader RI.<br />

CHARD, welmeenend gaarne zeggen: Zóó ja,<br />

zóó toch - beloont de Hemel kinderlijke liefde! -<br />

Rijzend gejlacht, dat uwe fchreeden naar den Schouwburg<br />

zoo greetig verhaast, welk eene leerfclwol zoude dezelve<br />

voor u weezen, wanneer uw aandacht aldaar fieeds vermees-<br />

tcrd mogt worden door het hooren voordraagen van zoo veels<br />

onderfcheidene drangmiddelen, als ooi het vuur der ouder­<br />

liefde en demiver zalige gevolgen, in uwe jeugdige ziel tt<br />

gloedender kunnen houden'.<br />

In Broeder MORITZ zult gij allen; die hem reeds<br />

kent, — of voor zoo veelengij dien zonderlingen hier zult<br />

leeren kennen, een karakter bewonderen, dat, fchoon<br />

verre van bovenmenschlijk te weezen, nogthands flschts<br />

weinige Jlervelingen bezipten.<br />

Het WEES ME isj EN - dan waartoe eenige aan,-<br />

beveeling deezer edele bij eenen landaart ,die zelf aan on­<br />

waardige ouderlmen nkt ophoudt wél te dom ?


DE PAPEGAAI.<br />

I N H O U D .<br />

BROEDER MORITZ.<br />

HET WEESMEISJEN.


G£ö3t,t>£.


D E<br />

P A P E G A A I ,<br />

T O O N E E L S P E L ,<br />

I M<br />

D R I E B E D R I J V E N ,<br />

DOOR<br />

AUGUST VAN KOTSEBUE.


P E R S O O N E N .<br />

Lady AMALIA BEDFORD, eene rijke wedmve.<br />

E E T T Ï , haare kamenier.<br />

RiciiARD W E S T E R L A N D , een wei-eer gegoedkoop-<br />

G E O R G E , \<br />

> zijne zoonen.<br />

LO DE WIJK, J<br />

XURY, een neger enjlaaf van George.<br />

HENDRIK, knecht van Lodewijk<<br />

EEN OUDE VISSCHER.<br />

mant<br />

Het Stuk Jpeelt in eene Duitfche Koopjlad. dich­<br />

ter op tet tooneel ziet men een gedeelte der zee­<br />

haven , en eene visfchers-hut. Op den voorgrond<br />

ftaat, ter wederzijden, een fchom huis, eik vut »m<br />

ruim balcon.


D E<br />

P A P E G A A I ,<br />

T O O N E E L S P E L .<br />

E E R S T E BEDRIJF.<br />

E E R S T E T O O N E E L.<br />

AMALIA: 2 ij zit op het Balkon van haar huis: voor<br />

haar, op de leuning daarvan fiaat een kooi met eenen<br />

vogel daar in : zij zit met de hand onder liet<br />

hoofd,en heeft haar oog op den vogel gevestigd:<br />

BETIY, ftaai een weinig ter zijde,<br />

AMALIA: zij zingt.<br />

Klapwiek, klapwiek, kleine vogel!<br />

Nu verlost van tirannij!<br />

Dartel door des levens lente,<br />

Klapwiek, klapwiek, gij zijt vrij.<br />

Hoort ge intusfehen in 't geboomte,<br />

Een verleidelijk gefluit !<br />

O verrrouw niet op dat lokken;<br />

Klapwiek, en vlieg 't bosch weêr uit.<br />

A Ziet


j D E P A P E G A A I ,<br />

Ziet gij niet die bonte ftrikken,<br />

Waai- die roode bezie hangt ?<br />

Klapwiek, klapwiek, arme vogelr<br />

Eer men u, bedrogen, vangt.<br />

Hebt ge uw lusten nu verzadigd<br />

Aan die bezies, zoet en rood;<br />

O vergeefs is dan uw fpartlen,<br />

Niets verio^t u, dan de dood.<br />

Neen, neen, ongelukkig dier! ik meen het za<br />

erg niet met u. Wie zelve, jaaren lang in den ker­<br />

ker verfmachtte, zal voorzeker geen levendig we­<br />

zen opfluiten. Ik ben weder vrij. Alles om mij<br />

heen moet vrij zijn; ook gij, lieve vogel! (Zij opent<br />

de kooi, laat den vogel' wegvliegen, en zingt, terwijl zij<br />

hem naziet:')<br />

K'apwick, klapwiek, kleine vcgel'.<br />

Nu verlost van tirannij!<br />

Darteldoor des levens lente,<br />

Klapwiek, klapwiek, gij ziit vrij.<br />

B E T T Y , ter zïde.<br />

Daar zit zij weder een quartier lang van wegvlie­<br />

gen te praaten ; ik geloof waarlijk dat haar ver-<br />

Hand mcêgevlcgen is.<br />

AM A-


T O O N E E L S P E L . 3<br />

AMALIA.<br />

Wat fiaat gij daar bij u zelve te fnappen?<br />

BETTY.<br />

Een fnaphaan, Milady?<br />

AMALIA.<br />

O gij doof fchcpfel! men moet waarlijk al een heel<br />

vrolijk humeur hebben, om aan uwe zijde door het<br />

leven heen te fJenteren; of' u flechts achter na te<br />

Jaatcn ileepen.<br />

BETTY.<br />

Een fleep! MiladxPdieis immers languit de mode.<br />

A M A L I A , na gelagchen te hebben , zegt zij, cenigzins<br />

fchreeuwende.<br />

Ik vroeg, waarom gij daar in den hoek ftaat, en<br />

in u zelve pruttelt?<br />

BETTY.<br />

Ik maakte mijne aanmerkingen over het geen gij<br />

zeider.<br />

A M A L 1 A.<br />

En die zijn ? laat hooren !<br />

BETTY.<br />

Voor eerst kwam het mij voor als of ik 'cr niet<br />

veel van verftond.<br />

4 M . U A , lagehmae.<br />

r Het cerile is reeds zo fraai, dat ik het tweede<br />

niet hooren wil — 't was een lied, dat de genoe­<br />

gens mijner vrijheid uitdrukte, en mij te gelijk<br />

A 2 waar.


4 D E P A P E G A A I ,<br />

waarfchouvvde, het net niet weder zo fchielijk over<br />

het hoofd te laaten werpen.<br />

BETT Y , fnopachtig.<br />

Ach, waarom juist een net, Milady? maak 'er<br />

tcnroozenkleuden band van, en het ding krijgt een<br />

geheel ander aanzien.<br />

AMALIA.<br />

Ha! nu heb ik uw geliefdst gefprek op het tapijt<br />

gebragt!<br />

BETTY.<br />

Daar gij eenen ouden knorrepot van een man<br />

had, die de genoegens des levens niet meer genie-<br />

een kon, en ze ook u misgunde, wijt gij nu<br />

iet aan het huwelijk, waarvan de man alleen de<br />

fchuld draagt; beproef het Hechts , Milady ! Milord<br />

liedfbit was een oud man, neem een jongen: Mi-<br />

lord Bcdfo.'t was immer knorrig, neem 'er een, die<br />

immer vrolijk is ; bij voorbeeld den Baron WesteT-<br />

land : (zij wijst op het huis aan de andere zijde.)<br />

AM U I A<br />

ja dat dacht ik wel! die (laat zeer in uw gunst:<br />

een paarmaal uwe bevalligheden gevleid , en een<br />

handvol geld in uw beurs geflopt, dit heeft eene<br />

bijzondere uitwerking gedaan.<br />

BETTY.<br />

Uitwerking moet het ook doen ; hierin hebt gij<br />

zeer


T O O N E E L S P E L . S<br />

zeer gelijk: Milady! hij is een bevallig, rijk en<br />

voornaam jong Heer.<br />

AMALIA.<br />

Zulks is mij om 't even.<br />

BETTY.<br />

Met het beste hart van de wereld!<br />

AMALIA.<br />

Dit zou eerder in aanmerking komen.<br />

BETTY.<br />

Hij heeft in 't geheel geen naastbeftaanden,<br />

uitgezonderd een' ouden oom , die Gouverneur,<br />

de Hemel weet, op welk een Antülisch eiland, is, een<br />

fchatrijk man; als die fterft, erft de jonge Heer<br />

nog een paar tonnen gouds.<br />

AMALIA.<br />

Altoos goud! heb ik dan geen geld genoeg? of<br />

wil ik meteen' geldzak trouwen?<br />

BETTY.<br />

O trouwen kunt gij hem gerust; hij is op verre<br />

na geen grootfpreeker : ook ken ik zijn' kamer­<br />

dienaar, den Heer Hendrik Fliederbosch; een recht<br />

aartig hupseh mensen, zo braaf, zo wèl gemaakt,<br />

omtrent dertig jaaren oud, en nog ongetrouwd;<br />

die zeide mij<br />

AMALIA.<br />

Wat ik niet weeten wil! Om te trouwen, moet<br />

men minnen; om te minnen, moet men iemand<br />

A 3<br />

h 0 ü<br />

£-


6 D E P A P E G A A I ,<br />

hoogachten. O.' Hymen is een gebreklijkc knaap,<br />

wanneer hij niet links en rechts op achting en lief­<br />

de fïeunt.<br />

BETTY, ter zijde.<br />

Dat verfla ik in 't geheel nier.<br />

AMALIA.<br />

En van beiden heeft de jonge Heer nog geen<br />

vonkjen in mij verwekt; hij is een zeer dagclijkscli<br />

maakfel , een roman , dien men in een half uur<br />

doorbladert.<br />

BETTY.<br />

Roman hier, roman daar ! een rechte roman<br />

moet tog met een huwelijk eindigen.<br />

A M A L I A .<br />

Hij bevalt mij, en is een aartige pop; maar wie<br />

wil immer fpeelen?<br />

BETTY.<br />

Spoelen? dir zeggen zijne vijanden; hij is geen<br />

fpeeler; dat hij tot tijdverdrijf nu en dan....<br />

AMALIA.<br />

Ik twijfel ook nog zeer aan de goedheid van zijn<br />

hart.<br />

Ik in 't geheel niet!<br />

BETTY.<br />

AMALIA.<br />

Neen, neen! Goudene vrijheid, nimmer zal<br />

ik


T O O N E E L S P E L . 7<br />

ik u vervvisfclen, zo waare verdienften mij de ban­<br />

den niet reiken.<br />

BETTY.<br />

De huwelijken worden in den hemel gefloten.<br />

AMALIA.<br />

Juist daarom zou ik u raaden, u daarmede niet<br />

te bemoejen.<br />

BETTY.<br />

Maar zo gij niet trouwen wilt, waarom dan zo<br />

lang hier gebleven ?<br />

A M A L I A .<br />

Denkt gij dat ik hier op het trouwen uitga,<br />

zo als onze zuidzeevaarders op ontdekkingen ? Ik<br />

blijf' hier — ik weet het zelve niet recht om<br />

dat ik 'er te wél ben om verder te reizen, en om<br />

dat ik mij verheug, hier te kunnen blijven zonder<br />

iemand rekenfehap daarvan te moeten geeven.<br />

BETTY, levendig.<br />

Ach; daar zie ik den Heer Fliederbosch ko­<br />

men.<br />

AMALIA, glimplagchendt.<br />

En een, ach 1 vliegt hem te gemoet.<br />

BEUÏ,<br />

O! in alle eer, Milady 1<br />

A4 TWKK.


8 D E P A P E G A A I ,<br />

TWEEDE T O O N E E L.<br />

De vnorigen, H E N D R I K : hij draagt aan zijrt<br />

arm een gioote korf, die met een witten doek<br />

bedekt is.<br />

H E N D R I K ; hij groet in 't voorbijgaan, en wil<br />

het huis aan de andere zijde intreeden.<br />

B E T T Y ,<br />

"V^aarheen, HeTte lieer Fliederbosch?<br />

H E N D R I K .<br />

Naar huis, gelijk gij ziet. Ik heb haast,<br />

Haast u langzaam!<br />

BE T T Y.<br />

H E N D R I K , ter zijde.<br />

Dat is; blijf nog wat hier, om u te verveelen.<br />

B E T T Y , klimt van het baken af en gaat naar<br />

hem toe.<br />

Wat zweet gij! dat heeft u van daag zuur ge­<br />

vallen !<br />

H E N D P . I K.<br />

Ja in zuure appelen moet men ook bijten.<br />

B E I T Y.<br />

Het weder is geweldig benaauwend.<br />

Red:; drukkend.<br />

H E N D R I K , zinfpeeknde op Betty.<br />

EK T-


T Q O N E E L S F E L . g<br />

BET TY.<br />

Wij zullen van daag nog onweer krijgen; de<br />

haanen kraajen.<br />

HE N D RIK.<br />

Ja; en de ganzen fhateren te veel.<br />

BETT Y.<br />

Wat hebt gij daar in uw' korf?<br />

HENDRIK.<br />

Het een en ander voor mijn' Heer. De korf is<br />

ten uwen dienst.<br />

BETTY.<br />

Wonderlijk mensen', dat weet ik immers wel,<br />

dat gij in den dienst van uw' Heer zijt. Laat toch eens<br />

Z :<br />

en ! (Zij ligt den doek een weinig op: Hendrik poogt<br />

denzelven neder te houden; terwijl BETTÏ een citroen<br />

vit den korf krijgt.) Ei! fchoone groote citroenen.<br />

Wat Zal uw Heer daarmede doen ?<br />

Limonade maaken.<br />

HENDRIK. •<br />

BETTY, zoekt verder, en vindt een met harst toe­<br />

gemaakte flesch, waaraan een kaart;en gebon­<br />

den is: op hetzelve, leest zij ;<br />

Arak -— Dat ziet 'er bijna uit, als of gij punch<br />

maaken wildet? zou het waar zijn wat de men­<br />

tenen van uw' Heer zeggen ? f<br />

AS «E»'


io D E P A P E G A A I ,<br />

HENDRIK.<br />

Wat zeggen de menfehen dan?<br />

BETTY.<br />

Dat hij een weinig aan den drank is.<br />

HENDRIK.<br />

Een weinig? ei; waarnn niet in 't geheel? —<br />

Den Arak branden wij in de nachtlamp. Mijn-<br />

Heer kan de reuk van de boomolij niet verdraagen.<br />

BETTY-<br />

Zo, zo. (Z7 haait een andere fltsch uit den korf,<br />

waarop zij leest-) Champagne! ei! brandt gij dia<br />

ook in de nachtlamp ?<br />

HENDRIK.<br />

Daar drinkt Mijnheer fomwijlen een glas van,<br />

om zig des nachts onder het ftudeeren uit den<br />

flaap te houden.<br />

BETTY, zij vindt een pak kaarten.<br />

Ei, kaarten! zou het waar zijn, wat de men.<br />

fchen zeggen?<br />

HENDRIK.<br />

Wat zeggen de menfehen dan?<br />

BETTY.<br />

Dat uw Heer een fpeeler is.<br />

Gekheid!<br />

HE N D RIK.<br />

BETTY.<br />

Wat doet gij dan met de kaarten?<br />

MSN»


T O O N E E L S P E L. n<br />

HENDRI K.<br />

Wij maaken 'er loutjcns van voor den muziek,<br />

meester.<br />

In zulk een menigte'<br />

BETTY.<br />

HENDRIK.<br />

De overigen gebruiken wij voor vifitekaartjens.<br />

BETTY.<br />

Ja zo!<br />

HENDRIK, zeer wellevend en met veile compli­<br />

menten, echter wat zacbt.<br />

Nu, doove domme babbeltoot.' heb ik u toch een'<br />

logen op den mouw gefpeld.<br />

BETTY, denkende dat Hendrik haar een fraai com­<br />

O gij zijt al te goed!<br />

pliment maakt.<br />

HENDRIK, als vooren.<br />

Dat u de drommel haal', nieuwsgierige aap.<br />

B E T T Y , vriendlijk neigende.<br />

Uw gehoorzaame dienaaresfc.<br />

HENDRIK, bij zig zeiven, terwijl hij in huis gaat.<br />

ik moet mijn Heer een' wenk geeven, dat zijne<br />

fchoone zichtbaar is.<br />

B E T T Y , tegen Amalia.<br />

Die Heer Fliederbosch is tog een recht innee-<br />

mendmensch, altoos wees hij iet aartigs te zeggen.<br />

A M A •


ia D E P A P E G A A I ,<br />

AMALIA,<br />

Ja; zo gij die aartige dingen maar recht hooren<br />

kost.<br />

D E R D E T O O N E E L.<br />

LODEWIJK, AMALIA, BETTY.<br />

LODEWIJK, voor het vengfier aan de over zijde.<br />

Ooeden avond, Milady!<br />

AMALIA.<br />

Goeden avond, Mijnheer Baron!<br />

LODEWIJK.<br />

Gij zijt buiten gekomen, om frisfehc lucht te<br />

feheppen ?<br />

AMALIA.<br />

Frisch is de lucht juist niet. Gints fchijnt een<br />

onweder optekomen.<br />

L O DE WIJ K.<br />

De godin der liefde heeft niets te vreezen van<br />

baars vaders blikfemftraalen.<br />

AMALIA.<br />

Een goed geweeten is de beste afleider.<br />

LODEWIJK.<br />

Beneemt echter de inwendige angst des harren<br />

niet: een gewond hart trekt den blik (cm naar zig,<br />

trots ijzer en ftaal: ik zal onder uwe vleugelen<br />

een


T O O N E E L S P E L . 13<br />

een fchuilplaats komen zoeken. (Hij fluit liet<br />

vengfter zonder antwoord aftewachen.~)<br />

A M A L I A .<br />

Maak mij de mensch toch tot geen klokhen: het<br />

duifjcn moge dat onnozel kuikentjen onder haare<br />

vleugelen neemen , ik bedank 'er zeer voor. (Zij<br />

vertrekt.')<br />

BETTY.<br />

De Hemel weet welk een mengelmoes de verlief­<br />

den tegen elkander al uitflaarï, van klokhennen^<br />

en kuikentjensj van donder en onweder, en blik-<br />

fem en harten. (Zij neemt de ledige kooi op en wil<br />

vertrekken.)<br />

V I E R D E T O O N E E L.<br />

BETTY, LODEWIJK, HENDRIK.<br />

L 0 D E W ij K , haar toeroepende.<br />

"Vfy aar is Milady ?<br />

Zij ging in huis.<br />

B 1$ T T Y.<br />

L O D E W IJ K.<br />

]uist als ik kom! 'er zal hier dan niet zeer<br />

veel voor mij opzitten, merk ik wel.<br />

BET rY.<br />

Opzitten ! o ja: 't heeft eerst zeven uuren<br />

gefiagen , en zij gaat nimmer voor middernacht naar<br />

bed;


14 D E P A P E G A A I ,<br />

bed; maar, wat zal ik zeggen; zij heeft fomtijdl<br />

grillen,<br />

LODEWIJK.<br />

Wat doet gij met die ledige kooi ? wilt .gij 'er<br />

harten in opfluiten?<br />

BETTY.<br />

Zij heeft een papegaai gekocht, en hem na een<br />

half uur weder laa.cn vliegen.<br />

V IJ I D E T O O N E E L.<br />

LODEWIJK, HE ND li IK.<br />

LODEWIJK, zig op de bank nederwerpende.<br />

Die vrouw heeft wonderlijke grillen : ik zie<br />

wel, langs den gewoonen weg zal ik haar geen<br />

meester worden.<br />

HENDRIK. .<br />

Met verlof, Mijnheer Baron! wat noemt gij<br />

den gewoonen weg, om zig van een vrouw meester<br />

te maaken ?<br />

LODEWIJK.<br />

Wat? die groote ruime weg van ijdelheid, van zucht<br />

om te bchaagen, op welken zij allen wandelen.<br />

HENDRIK.<br />

Ware het wel kwaad dat gij den zijweg des<br />

lederen gevoels eens infloegt?<br />

LO-


O O N E E L S P E L .<br />

LODEWIJ K.<br />

Die is reeds met gras bewasfen en in het ge­<br />

heel niet meer begaanbaar, federt de hekell'ehiij-<br />

vers 'er ftrohalmen op geplant hebben.<br />

HENDRIK.<br />

Zo moet ik u rasden, Mijnheer , ter zijde met ge­<br />

weld een nieuw pad te maaken ; want op den<br />

groeten weg van het borgen zal men in 't kort<br />

voor ons den flagtboom hiaten vallen.<br />

Hoe zo?<br />

LODEWIJK.<br />

HENDRIK.<br />

Wc!, de heeren kooplieden fpreeken zekerlijk<br />

Weinig, en febrijven veel: echter hoort men nog al<br />

hier en daar fomwijlen een woord van wisfel , van<br />

prompte betaaling, van arrest z'j zijn on­<br />

barmhartige menfehen : niet eens de noodigfte dage-<br />

lijklche behoeften , Champagne noch Bourgogne<br />

willen z'j meer laaten volgen. Ik heb goed Zeg­<br />

gen": Mijnheer drinkt niet anders; hij kan geen<br />

water in den mond verdraagen : zij lagchen mi/<br />

Uit, en zeggen: ik meest de fletch onder den drop<br />

zetten, als het eens Champagne regent.<br />

L O D E W Y K.<br />

Die menfehen weeten met geene Edellieden cm-<br />

tegaan. <br />

HEM-


i6 D E P A P E G A A I ,<br />

HENDRIK.<br />

En zijn zo ongeloovig, en mompelen van Zelf.<br />

gefmeedde vrijheers-diplomas. De naam van Wes-<br />

terland is onder de kooplieden al te bekend. Uws<br />

vaders weleer zo uitgeftrekte handel....<br />

L O D E W IJ K.<br />

Dat zij praaten, wat zij willen; ik heb mij ru<br />

flechts tot Baron gemaakt; er was eens een Kei­<br />

zer, die zig zei ven de kroon opzette.<br />

HENDRIK.<br />

En wij voeren de kroon flechts in het cachet.<br />

Evenwel was het vrij beter dat gij eenen anderen<br />

naam haddet aangenomen;bij voorbeeld. Baron West-<br />

wind! dat klinkt zo warm, zo verkwikkend, zo<br />

vruchtbaar: of wat verhevens, als Adelaarsveld ,<br />

Cederenberg , Leeuwenkop, Zonne - fterren , dit<br />

klinkt prachtig!<br />

Gij zijt een zot,<br />

LODEWIJK.<br />

HENDRIK.<br />

Neen, neen, op den naam komt het in de<br />

wereld zeer veel aan: ga flechts bij u zeiven<br />

eens na, wanneer gij een' vreemden naam hoort,<br />

of gij 'er niet aanftonds een zeker gevolg uit trekc,<br />

en of gij u, bij voorbeeld, een meisjen wel als fehoon<br />

zoudt voordellen, dieBregetta Modder of Sibille AU<br />

fetn heette?<br />

LO-


T O O N E E L S P E L. 17<br />

LODEWIJK.<br />

Houd op met die grillen! gij hebt mij daar iets<br />

in den kop gebrigt. Jk lagch met het oordeel<br />

der waere.d ; het is mij om het even, of men mij<br />

voor ecnen honderdjaangen, dan voor ecnen Baron<br />

van drie dagen houdc; maar de Lady kan het ge­<br />

waar worden 'er zijn overal dienstvaardige<br />

lieden.<br />

11 EN DRIK.<br />

Ach! de dienstvaardige lieden zouden ons zo<br />

veel niet fchaden, zo maar uw oude papa niet<br />

hier ware!<br />

Wat?<br />

L 0 D E w ij K.<br />

HENDRIK.<br />

Hij is reeds tweemaal aan de deur geweest.<br />

Ik heb hem telkens laaten kloppen , en door het<br />

ileutclgat toegeroepen.- mijn Heer is uit de flad;<br />

want hij zag 'er niet naar uit, om ons geld te<br />

brengen.<br />

LODEWIJK.<br />

Welk een booze geest mag hem in deeze ftad<br />

gevoerd hebben?<br />

HENDRIK.<br />

Waarfchijnlijk die der armoede. Hij heeft een<br />

ongelukkig eerlijk bankroet gemaakt, verftaat niet<br />

ter rechter tijd te fterven, heeft vermoedelijk ge-<br />

B noord *


jt D E P A P E G A A I ,<br />

hoord, dat wij door onze industrie (hij maakt eau<br />

beweging van kaarten te mengen) iets overgelegd heb.<br />

ben, e:i bezoekt nu het lieve Loodjen , dat altoos<br />

zijn liefde zoontjen was, om in zijne armen te<br />

ftcrvcn. Mais helasl hij koomt hier ook te laat: s»<br />

gewonnen, zo verteerd.<br />

L O D E W IJ K.<br />

Moed, moed, lieve Hendrik! Het geluk zal ons<br />

niet altijd den rug toekeeren. De guinies der Engel-<br />

fche Dame, en de dukaaten onzer gasten gij<br />

hebt, hoop ik, die beiden vreemden wel ver-<br />

zogt?<br />

HENDRIK.<br />

Dit fpreekt van zelfs: zij hebben het aangenoo-<br />

men en zuilen koomen. Maar aan de guinies<br />

der Engelfche Dame twijfel ik nog zeer. •<br />

LOD E WIJK.<br />

Helaas', ik ook; nu wie weet welk een fchat<br />

de volgende nagt in haaren fchoot verbergt.<br />

HENDRIK.<br />

Als wij hem maar geligt hadden.<br />

LOD E w ij K.<br />

Intusfchen is het noodzaaklijk dat gij alle ca<br />

gangen mijnes vaders naauwkcurig nafpoort, en alle<br />

onheilen zo veel mooglijk afweert. Altans moet<br />

volftrekt niemand weeten, dat mijn vader een bede­<br />

laar is. Heb ik eerst die twee vreemden eens ge­<br />

plukt,


T O O A T<br />

E E L S P E L. 1$<br />

pinkt, dan geef ik den ouden 'er een gedeelte<br />

van; want als hjj waarlijk zo arm is, moet ik<br />

toch iets voor hem doen. Meent gij dit ook niet ?<br />

waar is zijn verblijf?<br />

HENSRIB:, haalt de [chouders op.<br />

In een c'cndig kroegjen in de voorftad. (Het don­<br />

dert van verre.)<br />

LOD EW1JK.<br />

Het onweder koomt op.<br />

IUNDRIK, omziende.<br />

Ginds over de zee hangt eene zwaare bui .<br />

m a a r wat d/ommel! zie ik wel ? -<br />

wanneer ik mij niet bedrieg, Heer Baron, zo<br />

is de man , dio daar van de brug afkoomt,<br />

uw vader<br />

LODEWIJK.<br />

Mijn vader? ja waarlijk! zou hij herwaards kol­<br />

men ? 0:n 's hemels wil, zoek hem ergens anders<br />

onder het dak te brengen. Eer ik hem fprcek,<br />

moet -ik eerst hebben .. gij verftaat mij ? Voor het<br />

tegenwoordige wil ik hem niet zien. Dat ware een<br />

dubbel onweaer. (Hij gaat in zijn huis )<br />

Z E S D E T O O N E E L.<br />

HENDRIK, alleen.<br />

Ergens anders onder het dak brengen! ja waar<br />

dan? het is toch zeer gemaklijk, wanneer men tot<br />

B a alle


20 D E P A P E G A A I ,<br />

alle lastposten zijne lieden heeft. Daar gaat hij<br />

heen, drinkt een glas punch, en ik mag toezien,<br />

hoe ik hest den ouden affcheep. Wat zal ik<br />

hem zeggen ? mijn Heer is uitgegaan dan<br />

wagt hij, tot hij te huis koomt. Mijn Heer is uit<br />

de ftad — daar mede heb ik hem al eens wegge-<br />

krcegcn. Mijn Heer is ziek ja; nu meet hij<br />

eens ziek wezen. Wel ingezien, is het ook geen<br />

leugen; want hem ontbreekt de nervw rerum geren-<br />

dantm, her welk, overgezet zijnde, zoveel te zeg­<br />

gen is, a's de zenuuwkoorts.<br />

Het dondert van tijd tot tijd en van verre.<br />

Z E V E N D E T O O N E E L.<br />

De oude R I C I I A R D W E S T E R L A N D ,<br />

H E N D R[K.<br />

R I C H A R D , langzaam naderende.<br />

Mijn vriend! is mijn Heer Westerland te huis?<br />

H E N D R I K .<br />

Mijn Heer Westerland? dien ken ik niet.<br />

Wie woont bier dan'<br />

R I C H A R D .<br />

H E N D R I K .<br />

De Baron van Westerland.


T O O N E' E L S P E L. ai<br />

RICHARD.<br />

Nu ja; Baron! in 's Hemels naam. Is hij te<br />

huis ?<br />

HENDRIK.<br />

RICHARD, terwijl hij in huis gaan wil.<br />

Op de eerfte verdieping?<br />

HENDRIK.<br />

Hou , hou , goede vriend. M ;<br />

jn Heer is niet te<br />

fpreeken.<br />

RICHARD.<br />

Niet te fpreeken! Ik ben zijn vader.<br />

Gij zijn vader ?<br />

HENDRIK.<br />

RICIARD, hem fcherp in de oogen-ziende.<br />

jr n - en • gij zijt Hendrik.<br />

HENDRIK, eenigzins verlegen.<br />

Hendrik Vlicdcrbosch om u te dienen.<br />

RICHARD.<br />

Gij Zijt dan die Hendrik, die, toen ik nog in<br />

eencn bloeijCndén ftaat leefde, als jongen, aan<br />

mijn deur bedelde; ik nam u halfbevroren in. Heb<br />

ik een Gang in mijnen boezem gekoesterd?<br />

H E N D KIK, zich feilende, als of bij hem allengs-<br />

kens leert kennen.<br />

Ach! g ;<br />

j zijt mooglijk zelf de Heer Richard<br />

Westerland.<br />

RICHARD.<br />

Die ben ik, Hei d.ik! eens bragt ik ubij mijnen<br />

B 3 zoon


22 D E P A P E G A A I ,<br />

zoon, en'iet u met hem opvoeden; breng gij mij<br />

nu ook bij mijnen zoon.<br />

HENDRIK.<br />

Dit zou ik gaarne doen maar hij is ziek —•<br />

hij heeft uitdrukiijk verboden... •<br />

RI C II A R D.<br />

Is hij ziek? wie zal hem beter oppasfen, dan zijn<br />

vader ? breng mij bij hem!<br />

Ik durf niet.<br />

HENDRIK.<br />

RICHARD.<br />

Gij durft niet? Wist Lodewijk dat zijn vader<br />

koomen zou? mooglijk weet hij het; maar<br />

ik wil hoopen, dat hij het niet weet.<br />

HENDRI K.<br />

En al wist hij het; is het heden de dag van de<br />

fcheiding z'jner z'ekte; hij moet zich voor gemoeds­<br />

bewegingen wagten. De plorslijke vreugd van u<br />

weder te zién, kon hem het leven kosten.<br />

RICHARD.<br />

Hemel! zo heb ik oude man met angst en ge­<br />

vaar een weg van zeventig mijlen vergeefs afgelegd!<br />

waar zal ik troost en hulp zoeken; wanneer mij.<br />

ne kinderen hunne deur voor mij fluiten ?<br />

HENDRIK.<br />

Zo is het niet gemeend, oude Heer! op een an­<br />

deren tijd wanneer zj'ne krachten het toelaaten. (een<br />

der gasten gaat htt buis in,)<br />

RI,


T O O N E E L S P E L . 23<br />

RICH AR D.<br />

Wie is dat, die daar ingaat?<br />

HENDRIK-<br />

Dat is de doktor. QEr gaat nog een ander in.)<br />

RICH A RD.<br />

En wie is die ? HENDRIK.<br />

De apotheker.<br />

RICHARD.<br />

Wee u, Hendrik, zo gij mij beliegt! reeds ze-<br />

dert drie dagen zit ik tusfehen deeze muuren. Mij­<br />

ne armoede ls verteerd.<br />

Des te flimmer l<br />

HENDRIK, ter zijde.<br />

RICHARD.<br />

De fchipper, die mij over het Baltisch meir voer­<br />

de, vordert betaling.<br />

Des te erger !<br />

HENDRIK, ter zijde.<br />

RICHARD.<br />

Ik bewoon eenelendig vertrekje!) in dc voorflad,<br />

en zal welhaast op de ftraat vernagten moeten.<br />

HENDRIK, ter zijde.<br />

Een ruime herberg.<br />

RICHARD.<br />

Wee u , Hendrik, zo gij mij beliegt! gij zult<br />

eenen grijsaart als uwen aanklaager voor 's Hemels<br />

richterftocl zenden.<br />

B 4


24 D E P A P E G A A I ,<br />

HENDRIK.<br />

Ei klaag uwen zoon aan ! ik heb hem immers<br />

niet krank gemaakt '<br />

RICH AR D.<br />

Zo beloont Lodcvvijk mijne teerhartige vader­<br />

liefde! Heeft hij vergecten, dat ik om zijnentwil<br />

niet zelden zijnen ouderen broeder mishandelde?<br />

dat hij het is, om wiens wil mijn goede George<br />

zich vrijwillig naar Amerika verbond? Ik liet hem<br />

vertrekken Waarfchijnlijk vertrok bij in<br />

elendel O ik zal hem opzoeken! — George!<br />

George! Ik koom tot u naar Amerika.<br />

HENDRIK.<br />

Is zulks u ernst, mijn Heer Westerland! 'er lig­<br />

gen twee fcheepen zeilvaardig , het eene naar Vir-<br />

ginien; het andere naar Penfylvanien. Mijn Heer<br />

zal gaarne een plaats voor u in de kajuit betaalen.<br />

RICHARD.<br />

Monster! een plaats in de hel hebt gij aan, mij<br />

verdiend!<br />

Het donjërt Jlerker.<br />

H E N D ü i K , een weinig verfchrikt.<br />

Het onweder koomt nader het begint<br />

reeds donker te worden ftraks zal het ftor-<br />

rnen en regenen: weet gij wat, oude Heer, ginds<br />

ziet gij eene vi fcliers - hut, wanneer gij daar tot<br />

morgen blijven kondet!---<br />

Rl-


T O O N E E L S P E L . 25<br />

E IC II A R D.<br />

Hendrik! Hendrik! hier onder den vrijen hemel,<br />

in ftorm en onwedcr wilt gij mij, arme oude man!<br />

Iaaten Haan ?<br />

II F, N r-, RIK,<br />

De Hemel bewaar mij? ik wijs u immers die gindfehe<br />

hut, waar gij tot morgen blijven kunt: volg nfjnen<br />

raad. Intusfchen word uw zoon mfsfehien beter,<br />

en dan breng ik u bij hem. {Hij gaat in huis en<br />

fluit de deur toe.)<br />

AG T S T E T O O N E E L.<br />

RiciiAF.D W E S T E R L A N D alleen; hij floot eeni-<br />

ge oogenblikken in eene peinzende houding.<br />

Ontwaak, oude man, Uit dcezen verlchriklijken<br />

droom! fpreek hem niet uit, den vloek, die op<br />

uwe lippen zweeft. Hij was immers mijn zoon,<br />

niet flechts een huurling met eene gemeene ziel,<br />

die, wanneer hij aich zat gegeten heeft, opftaat,<br />

en niet eens zegt: ik dank u. Neen, mijn zoon<br />

weetniet dat ik hier ben. Hij is krank! {zine<br />

handen naar de ven/Iers om hoog ftrekkende) de Hemel<br />

geeve hem eene zagte rust! Ik zal morgen weder<br />

koomen. QWj doet eenige fchreden.) Maar waar ga<br />

ik heen? in gindfehe hut, zonder geld? men zal<br />

mij wegzenden. De verre weg, en dit gefprek<br />

JJ 5 heb-


26 D E P A P E G A A I ,<br />

hebben mijne krachten verteerd — het onweder<br />

koomt allengskens nader tot aan mijne woo­<br />

ning kan ik het niet uithouden. En al kon ik<br />

het tot in de voorftad brengen! beloofde ik niet<br />

bij mijne wederkomst mijne fchuld te betalen? zal<br />

men mij in huis neemen, als ik met ledige handen<br />

koom ? Och, goede Hemel! hebt gij niet éénen<br />

biikfem voor mij ? ik heb genoeg geleefd !<br />

NEGENDE T O O N E E L.<br />

R I C H A R D , E E N O U D E V I S S C H E R .<br />

D E V I S S C H E R , treedt uit zijne hut en ziet naar<br />

het onweder.<br />

Dat zal een zwaar weder worden. De zee<br />

ftaat verfchriklijK hol. Goed, dat ik mijn boot aan<br />

land gebragt heb. 't Is beter bewaard , dan beklaagd.<br />

Het ziet 'er uit, als of het van nagt afgrijslijk zal<br />

flormcn en regenen. De Hemel hclpe eiken braaven<br />

zeeman, die thans op de woedende zee zwalkt.' de<br />

arme duivel, die van agtermiddag cp deeze hoog­<br />

te kruiste, en door tegenwind niet in zee konde<br />

loopen, zal het regt hard te verantwoorden heb­<br />

ben. De Hemel zij hem genadig! (.hij wil weder in<br />

zijne hut gaan.<br />

KI-


T O O N E E L S P E L . 27<br />

RICH ARD. Zttgl. diep.<br />

DE VISSCHER, lioort het, en blijft ftaan.<br />

Wie zugc daar zo ? Hoe 1 is 'er iemand in nood ?<br />

RIC HARD.<br />

Ach, goede grijsaart, ik kan niet verder', de<br />

nagt en het onweder hebben mij hier overvallen.<br />

Wie zijt gij dan ?<br />

DE VISSCHER.<br />

RICHARD.<br />

Een vreemdeling, wel eer een Koopman inBee-<br />

men, gelukkig en gegoed. Rampen en valfehe<br />

vrienden hebben mij arm gemaakt.<br />

DE VISSCHER.<br />

Een Breemer? Breemen is ver van hier.<br />

RICHARD.<br />

Niet zo wijd voor hem, wicn clende door de<br />

waereld drijft.<br />

DE VtSSCH ER.<br />

Wat voerde u herwaards?<br />

RICHARD.<br />

De ecnige vriend, die m'j niet verhaten had : de<br />

hoop Ik had twee zoonea: de oudfte, een eerlijke<br />

jongen, wiens braaiheid de verblinde vader niet naar<br />

waardij beloonde, ging twaalf jaa/en geleden naar<br />

Amerika. Dejongfle, mijn lieveling, was deel­<br />

genoot m'jner gunftige omftandigheden. Toen ech-<br />

ter het gebrek in mijne wooning zijnen ze el ves­<br />

tigde, verliet hij mij, en ging de wijde waereld in.<br />

DE


28 D E P A P E G A A I ,<br />

Dat was Hecht.<br />

DE VISSCHER.<br />

F IC H A R D.<br />

Vijf jaaren bragr ik in elende alleen door. Na lang<br />

zoeken en uitvorfchen',verneem ik eindelijk , dat bij,<br />

ik weet niet hoe , een glinsterend fortuin gemaakf<br />

nebbe en in decze ftad woone. Deeze tijding<br />

lokte mij uit.<br />

DE VISSCHER.<br />

Hebt gij uwen zoon gevonden?<br />

Nog niet.<br />

RICHARD.<br />

DE VISSCHER.<br />

Nu in dit weder zult gij hem ook niet zoeken,<br />

Koom in, en blijf bij mij, tot het onweder voor­<br />

bij zij.<br />

RICHARD.<br />

]k neem het met dank aan.<br />

DE VISSCHER, naar de zijde der hutte.<br />

Roosj en!<br />

Een vrouwlijke Jlem van binnen.<br />

Vader!<br />

DE VISSCHER.<br />

Zet den ketel op het vuur, en hang den visch over,<br />

(Zij gaan in de hut: men hoort ferm en onweder.)<br />

T I E N D E T O O N E E L.<br />

G E O R G E , xuRY, draagt op de hand een papegaai.<br />

Beide blootshoofds, met natte hairen en jlordige kleeren.<br />

GEORGE, de handen wringend:,<br />

jolles verlooren; ö Hemel! x u-


T O O N E E L S P E L . 29<br />

XURY.<br />

Hou moed, beste Heer! Ik heb u altoos hooren zeggen,<br />

leven en eer alleen kan niemand wedergeeven; maar<br />

al het overige kan men herwinnen.'<br />

GEORGE.<br />

Ach, Xury! deeze heerlijke grondbeginzels zïjn<br />

gecne vrienden in nood. Zij verzeilen ons in ge­<br />

lukkige dagen, maar vlieden weg, wanneer wij<br />

hunne huip noodig hebben.<br />

XURY.<br />

Daar voor hebt gij mij, goede heer, dat ik hen<br />

vasthoude, wanneer z^j u ontfl'ppm willen.<br />

Zie! het leven hebben wij gered, en onze eer,<br />

denk ik, ook!<br />

GEORGE.<br />

Dit is echter ook alles,<br />

XURY.<br />

Ei toch niet, gij hebt den papegaai vergeten.<br />

GEORGE.<br />

Dat arme dier zal ook met ons verhongeren!<br />

XURY, den vogel lief hozende.<br />

Jaco zal niet hongeren, zo lang Xury nog éeii<br />

fl.uk broods heeft.<br />

Heeft Xury dat ?<br />

GEORGE, bitter.<br />

XURY, in zijn zik voelende en lagcliende.<br />

Neen waarlijk! ik heb vergeeten be r<br />

chu't in mijn<br />

zak te fteeken. Domme Xury! anders heb ik al­<br />

toos alle mijne zakken vol. Hou! daar vinde ik<br />

toch


^0 D E P A P E G A A I ,<br />

toch iets, een klein flesjen, dit nam ik, toen ons<br />

fchip tegen de klippen ftict met de eene hand, en<br />

onzen papegaai met de andere. 'Er is echter niet<br />

veel meer in: drink , goede Heer !<br />

GEORGR.<br />

Zo het gift zij; geef dan hier!<br />

XURY.<br />

Gift? — Foei! Toen men mij in Afrika<br />

bij u bragt, en ik geene andere goden kende, dan<br />

mijn Fetifchjen, toen leerde gij mij den waaren<br />

Schepper kennen, cn zeide altoos: hij ware een fChild<br />

in nood.<br />

GEORGE, aangedaan.<br />

Xury! 0nj fluit hem in zijne armen,) ik ben niet<br />

arm ; ik heb eenen vriend gered!<br />

XURY.<br />

En hebt ecnen vader ; die is Opperheer! niet<br />

waar, goede Heer?<br />

GEORGE,<br />

Hemel! Decze voortreflijke ziel heb ik u gebragt.<br />

XURY.<br />

Thans is het nagt; eens zal het wel weder dag<br />

worden ! Hebt gij dan in het geheel niets gered ?<br />

uw beurs ? uwe papieren ?<br />

GEORGE.<br />

Niets; hoegenaamd, niets.<br />

XURY, huiverende van de koude.<br />

Ha, het is koud en nat! Zijt gij ook niet koud,<br />

arme Jako? GE-


T O O N E E L S P E L , 3t<br />

GEORGE.<br />

Goede Xury! zult gij het mij vergeeven, dat, ik<br />

u tot deelgenoot mijner rampen maakte?<br />

XURY.<br />

Neen, mijn Heer! zo moet gij niet fpreeken. Ie­<br />

mand op zulk eene wijs aan weldaadon erinneren,<br />

is niet beter, dan hem dezelvcn verwijten. Zonder<br />

u , ware ik tans levendig begraven in de Spaan-<br />

fche geldgroeven, of befproeide met mijn zweet<br />

eene Engelfche ftikerplantagïe. Goede Heer! de<br />

opgezwollen kring, dien mij eens mijne ketenen druk­<br />

ten, en welken ik lang om handen en voeten droeg,<br />

is van tijd tot tijd verdweenen; meent gij , dat<br />

mijne dankbaarheid insgelijks verdwijnen zal ? meent<br />

gij , dat, wijl ik geene ketenen meer draag, ik ook<br />

met u geene ongelukken meer draagen wil? Ik ben<br />

p-ezond en fterk; zo lang ik mijne armen roeren<br />

kan, zal het u nimmer aan brood ontbreeken. Ver­<br />

geef mij, dat Xury zo dwaas was om over koude te<br />

klaagen. Duid zulks niet ten kwaade; ik wilde u<br />

flechts doen opmerken, dat het tijd was, inkoomen<br />

te zoeken, cn onze kleederen te dróogen.<br />

GEORGE.<br />

Wie zal in . het holle des nagts ons fchïpbreuke-<br />

lingen inneemen, die niets gered hebben', dan eenen<br />

papegaai — en het medelijden met geene baare<br />

munt koopen kunnen ?<br />

x v-


3~ D,E P A P E G A A I ,<br />

'XURY.<br />

Zo? is men hier te lande gewoon het medelijden<br />

te betaalen? 6 Lieve Heer! trek dan met mij te<br />

rug naar Africa, naar onze wildernisfen; ik zal u bij<br />

mijnen ouden vader brengen, hij zal u zijne biezen<br />

legerftede inruimen, hij zal onze vocen wasfen en<br />

zalven , zijnen boog van den wand neemen, tusfehen<br />

de klipp n omzwerven, en u een Huk wild fchieten.<br />

GEORGE.<br />

Zwijg ffil, Xury! m'jn hart reikhalsde naar het<br />

land, waarin wij zijn; het is mijn vaderland! arm<br />

en elendig werd ik 'er uit verftooten, arm en elen-<br />

dig keere ik in hetzelve weder.<br />

XURY, het huis aan de linkerzijde beziende.<br />

ïn dit groote feboone huis moet zekerlijk een rijk<br />

man woonen. Daar brandt nog licht zie ik, en<br />

het fchijnt mij toe , als of ik glazen hoorde klinken.<br />

Laat ons 'er aankloppen, lieve Heer! die rijke man<br />

zal zich verheugen, op het onverwagtst in het mid­<br />

den des tïagts eene weldaad te kunnen doen.<br />

Denkt gij dit ?<br />

G E o R G E.<br />

XURY.<br />

Wel zekerlijk; waar voor is hij anders rijk?<br />

GEORGE.<br />

Zo klop aan; en leer door ondervinding, het geene<br />

ik mij fchaam u te leeren.<br />

XURY, klopt aan.<br />

He! holla! doe open! ELF-


T O Ö N E E L S P E L . 33<br />

ELFDE T O O N E E L.<br />

DE VOOIIICEN, HENDRIK.<br />

HENDRIK, aan het venfter.<br />

Wie , drommel! maakt daar zulk een geweld?<br />

xuu v.<br />

Doe open ! doe open ! hier zijn gasten.<br />

HENDRIK.<br />

De verzogte gasten zijn reeds lang daar; de onver-<br />

zogte kunnen voor de deur blijven. (Hij Jlaat het<br />

venfter toe.)<br />

XURY.<br />

De kaerel weet niet, dat wij arme fchipbrcukün»<br />

gen zijn; hij zal wel anders fpreeken, als hij zulks<br />

hoort. (Hij klopt op nieuws.) Hei daar ! Hollal<br />

HENDRIK, aan het venfter.<br />

Al weder? Zijt gij nachtwagts!<br />

XURY.<br />

Wij zijn arme ongelukkigen, die fchipbreük gele­<br />

den hebben, met natte kleêren, en leêge maagen.<br />

HENDRIK.<br />

Zo wilde ik dat gij in den afgrond der zee laagt!<br />

(Hij fmijt het venfter toe.)<br />

Ontmenschte fchurk!<br />

Bied hem geld!<br />

XURY.<br />

OXOKOI.<br />

C X»RY.


34 D E P A P E G A A I ,<br />

XURY.<br />

Wij hebben het immers niet.<br />

GEORGE.<br />

Slechts om u te doen zien —<br />

XURY.<br />

Nu zo gij wilt. (Tegen Hendrik.) Hei! goede vriend?<br />

wij verlangen uwcmoeite niet voor niots.<br />

Wat zegt gij daar ?<br />

HENDRIK.<br />

XURY.<br />

Doe open, wij willen u geld geeven.<br />

HENDRIK»<br />

Geld ? o! dan zijt gij overal welkoom. Ik ben oo-<br />

genbliklijk bij u. (.Hij fluit het venfter weder toe.)<br />

XURY.<br />

Schurk! zo uw heer dit wist; hij liet u dood flaan.<br />

GEORGE.<br />

Goede zoon der natuur! gij zult nog uit menig<br />

eenen zoeten droom worden opgewekt.<br />

XURY.<br />

Ei, laaten wij naar Jamaika terug keeren !<br />

HENDRIK, met een' lantaarn.<br />

Daar ben ik reeds. Wat kan ik hier verdienen?<br />

Een godsloon.<br />

Anders niet.<br />

XURY.<br />

HENDRIK.<br />

XURY.


T O O N E E L S P E L * 35<br />

XURY.<br />

Hebt gij daar reeds een kapitaal van bij een?<br />

HENDRIK.<br />

Zulk een kapitaal brengt eenen flegten interest op.<br />

XURY.<br />

Nu! de Hemel vermeerdere het kapitaal met den<br />

interest; en betaal het daar te famen.<br />

HENDRIK.<br />

Hebt gij mij geroepen, om mij zedelesfen voor<br />

te prediken?<br />

X U 3 Y.<br />

Wij wilden u flechts zeggen, dat gij een fchurk<br />

zijt. Kondt gij niet aanftonds, op het hooren dat<br />

wij twee fchipbreukelingen waren , naar beneden koo-<br />

men? Verkoopt gij uw medelijden voor geld, zo<br />

fcheer u maar weder naar binnen ! met zulk een beest<br />

zouden wij geen uur zelfs onder één dak willen zijn.<br />

HENDRIK, hem r,iet het licht van<br />

nabij beziende.<br />

Gij,zwarte duivel! Ik laat ftraks een paar duchtige<br />

kaere's koomen, en u murw flaan.<br />

XURY, met den arm dreigend.<br />

Ja! laat ze maar koomen, gij, witte fatan ! Het zal<br />

mij regt aangenaam zijn t wanneer ik gelegenheid<br />

vinde om de koude een weinig uit mijne leden te<br />

bakfen.<br />

GEORGE.<br />

Goede vriend, wie woont cr in dit huis?<br />

Ca BEN-


35 D E P A P E G A A I ,<br />

HENDRIK.<br />

De Baron van Westerland.<br />

G E O B G E.<br />

Lodewijk Westerland? Maajr Baron — is hij reed»<br />

lang Baron?<br />

HENDRIK.<br />

Niet zo lang als noodig is om wijs te worden.<br />

GEORGE.<br />

Uw heer is alzo geen gebooren edelman?<br />

HENDRIK.<br />

Ik was er niet bij, toen hij gebooren werd: de<br />

•delijke ftempel word in 's moeders lijf zeer onduide-<br />

ijk uitgedrukt.<br />

GEORGE.<br />

Is dit land zijn vaderland?<br />

HENDRIK.<br />

Zijn vaderland is overal, waar oesters en Cham­<br />

pagne te bekoomen zijn.<br />

GEORGE, ter zijde.<br />

Dit moet ik nader onderzoeken.<br />

HENDRIK.<br />

Maar ik vinde dat deeze tijd zeer ongefchikt tot<br />

een faamenfpraak is. Gij zijt door en door nat, arme<br />

drommels! nu ik wil u bewijzen, dat mij de punch<br />

tot milddaadigheid aangezet heeft. Koomt in; wij<br />

zullen den koetfier een goed woord geeven, dat hij<br />

i een plaatsjen in zijn ffcal aanwijst!<br />

GS*.


T Q Q N E E L S P E L . 37<br />

GEORGE, ter zijde.<br />

Ik in mijns broeders (lal! liever onder den vrijen<br />

hemel derven, (.hard.) Ik dank 11, mijn vriend; ik heb<br />

uwe hulp niet noodig.<br />

HENDRIK.<br />

Loopt dan naar den drommel ! waarom mij r!an ge­<br />

plaagd, om af te koomen? Juist daar een van onzen<br />

gasten het interesfantde quinzelevée gevouwen heeft.<br />

XURY.<br />

Om u te zeggen , dat gij een grof fchepfel zijt. Bij<br />

mij te lande brengt men geen gasten in de dal. • Jvlen<br />

geeft hun rijst te eeten, en een flok rum te drinken ,<br />

en een bed zo goed als men het heeft: verdaat gij mij ?<br />

HENDRIK.<br />

Zo zijn de lieden bij u te lande zot. (Terwijl hij<br />

heen gaat, en de deur fiuit.) Waar geen geld is, daar<br />

is ook geen Duitfchcr. De dood is gekheid, en uwe<br />

aanwijzing op het eeuwige leeven is reeds lang ver­<br />

vallen munt.<br />

TWAALFDE -TOONEEL.<br />

XURY, GEORGE.<br />

XURY.<br />

Vervloekte hond ! Liever wil ik in de Afrikaanfche<br />

wiidernisfen tiigers bevegten , of in de Nieuwe waereld<br />

in het graf eener zilvergroeve afdijgen. Onder gind­<br />

fehe omwandelende geraamten geeft het nog menfehen.<br />

C 3 GE-


38. D E P A P E G A A I ,<br />

GEORGE.<br />

Wees bedaard, goede Xury! meet het befchaafde<br />

land niet naar den maatftok uwer ruuwe deugden.<br />

XURY.<br />

Regt goed, Mijnheer. Ik bekommer mij weinig om<br />

eenen üaapeloozen nagt onder den blooten hemel.<br />

Maar vergun mij alleen iets té vraagen; wanneer gij<br />

wist hoe uwe landslieden denken, waarom verliet<br />

gij dan onze vreedzaame hutten? uwe bloeijende<br />

Plantagiën? waarom verkogt gij alles, en waagde u<br />

op het ftormend element, om naar een land te vaaren ,<br />

waar men meer huizen, maar minder menfehen dan<br />

bij' ons heeft?<br />

G E O R G K.<br />

Weet gij, wat het is! vaderland?<br />

XURY, vergenoegd.<br />

o Ja, de plaats, waar ik gebooren ben.<br />

GEORGE.<br />

Hoe is het u te moede, wanneer gij aan deezen<br />

oord denkt.<br />

xu R Y.<br />

_ Ach ! het is reeds lang. lang, dat ik hem niet ge­<br />

zien heb. Ik was" naauwlijks zes jaaren oud, toen een<br />

Portugeesch fchipper mij kogt en naar Jamaika voerde,<br />

maar altoos nog zou ik de plaats kunnen affchetfen,<br />

waar de hut mijner ouderen ftond. (Verrukt enfehie.<br />

lijk-) Zij was aan een beek, aan de rechterzijde een<br />

heu-


J Q O N E E L S P E L . 39<br />

heuvel, aan de linkerzijde een klein bosch. Op den<br />

heuvel plagt mijne moeder te Hijgen , wanneer zij<br />

mijnen vader fan de jagt terug wagtte. Ik hing mij<br />

dan aan haar, huppelde mijnen vader tegemoet; hij<br />

gaf mij een ftuk wild, dat ik hem nadroeg, mij in-<br />

beeldende, dat mijn perfoon al zeer gewigtig zijn<br />

moest. ( Zeer aangedaan.) Och ! vergeef mij, mijn­<br />

heer! wanneer ik nog aan deeze hut denk. —<br />

Begrijpt gij mij nu?<br />

GEORGE.<br />

XURY.<br />

Hos vergenoegd en vrolijk ik di€ jaaren mijner<br />

kindsheid doorbragt. —<br />

GEORGE.<br />

Vaderftad ! waar ik dat gelukkige van de jaaten der<br />

jongelingfchap genoot! —<br />

XURY.<br />

Waar elke boom, elke plant met mij opwiesch! -<br />

GEORGE.<br />

Nu dunkt mij zou ik elke bedelaarfter fchilderen,<br />

welke aan dien en dien hoek zat.<br />

XURY.<br />

Nog hoor ik het gezang der vogelen, en het ge­<br />

ruisen, der beeke. —•<br />

GEORGE.<br />

.Nog bromt het geluid der klok van den nabij ftaaa-<br />

den kerktooren in mijn ooten.


4o DE P A P E G A A I ,<br />

XURY.<br />

Nog dunkt mij, fta ik naast mijnen vader aan het<br />

beekjen, en zie de visfchen fpartelen. —<br />

GEORGE.<br />

Nog huppel ik in gedachten om de tafel mijner<br />

moeder, als zij koeken bakte.<br />

XURY.<br />

Vong ik een vischjen : o hoe vrolijk fprong ik op !<br />

GEORGE-<br />

Een ftuk koek in mijne hand, en alle mijne wen-<br />

fchen waren bevredigd!<br />

XURT.<br />

Of ik in mijn leven nog wel ooit daar meer koomen<br />

zal, waar die hut ftaat? mooglijk ftaat zij er nu niet<br />

meer! of mijn vacter en moeder nog leeven ? zij<br />

moeten al zeer oud zijn.<br />

GEORGE.<br />

En mijn vader! — ach ! — Iaaten wij hier van ftil<br />

zwijgen, Xury! en liever nog eens ons best doen,<br />

om onder het dak te koomen. Ik zie daar ginds nog<br />

iicht branden. (Op de risfchershut wijzende.') Mis-<br />

fchien neemt men ons daar wel in.<br />

XURY.<br />

Daar? — Mijnheer! dat huis is wat klein. Heeft<br />

men ons de deer eenes rijken voor het hoofd ge-<br />

fmeeten; hoe kunnen wij dan hopen onder het dak<br />

eenes armen een fchuilplaats te zullen vinden ?<br />

GE*


T O O N E E L S P E L . 41<br />

GEORGE.<br />

Weder den bal misgeflagen. De arme weet, wat<br />

armoede is.<br />

XURY.<br />

Ja, maar hij heeft niets, en de rijke heeft.<br />

GEORGE.<br />

De arme deelt zijn niets mede, en geeft meer dan<br />

de rijke heeft.<br />

XURY.<br />

Dit verfta ik niet.<br />

GEORGE.<br />

Goed; wij zullen zien, wie de menfehen beter<br />

kent. QHij klopt aan de hut.')<br />

DE VISSCHER, van binnen.<br />

Wie daar?<br />

GEORGE.<br />

Een ongelukkige, die fchipbreuk geleden heeft.<br />

Ik koom zo aanftonds.<br />

Wat zegt gij nu?<br />

DE VISSCHER.<br />

GEORGE, tegen Xury.<br />

XURY.<br />

Ik zeg, dat hier te lande de verkeerde waereld is.<br />

D E R T I E N D E T O O N E E L.<br />

DE VISSCHER, DE VOOBIGEN.<br />

DE VISSCHER, met eenen lantaarn.<br />

w ie klopt er nog zo laat? of zo vroeg, wil ik<br />

zeggen ?<br />

C s xu-


4t DE PAPEGAAI;<br />

XURY.<br />

Vriend, hebt gij een plaatsjen voor twee menfehen<br />

en een papegaai?<br />

DE VISSCHER.<br />

De hut is klein, maar wanneer gij met een klein<br />

plaatsjen te vreden zijt, zo is zij groot genoeg.<br />

XURY.<br />

Maar wij hebben niets, waarmede wij het u ver­<br />

gelden kunnen.<br />

DE VISSCHER.<br />

Echter wel eene aanwijzing op een godsloon^<br />

XURY.<br />

Dit is hier te land vervallen munt.<br />

Maar daar niet!<br />

DE VISSCHEK, net aandagt he-<br />

melwaards ziende.<br />

XURY, vrolijk aangedaan, ter zijde»<br />

Mij dunkt: dit is mijnes vaders hut.<br />

DE VISSCHER.<br />

Ik zie dat gij door en door nat zijt. Gij zijt gewis<br />

met het fchip verongelukt, dat hier den geheelen dag<br />

voor de wal gedreven heeft.<br />

GEORGE.<br />

Ja, goede oude, wij ftieten tegen een klip; het<br />

fchip wierd lek, raakte in weinig tijds vol water, en<br />

zonk.<br />

DE VISSCHER.<br />

Ik heb het wel gedagt; deeze haven is allerbe-<br />

zwaarlijkst in te vaaren. Maar zaagt gij dan die<br />

aonnen niet?<br />

• E-


TOOSEELSP&L. 43<br />

GEORGE.<br />

Men kon ze door het woeden der zee niet zien,<br />

en al had men dit — de ilorm 1 . .<br />

DE VISSCHER.<br />

Zekerlijk het weder was al te erg; en het was niet<br />

mooglijk een fchip te regeeren. Nu koomt in ! droogt<br />

uwe kleederen, maar met het bed zal het wat moeilijk<br />

vallen. Ik heb reeds een oud man in huis, die<br />

is !ook bij mij door het booze weder binnen geraakt;<br />

dien heeft mijne dochter haar bed ingeruimd:<br />

hij ligt in haar vertrek. Mijn bed is tot uwen dienst;<br />

maar gij, zwarte ! zult het met een bos ftroo voor lief<br />

moeten neemen.<br />

XURY.<br />

' De wijze, waarop gij uw ftroo aanbiedt, maakt het<br />

tot zwaanendons.<br />

DE VISSCHEH.<br />

De mensch doet niets vergeefs. Ik had ook eens<br />

een zoon, die voor veele jaaren naar de Oost-Indien<br />

, als matroos, voer. Hij heette Nicolaas<br />

Röder. Zederd heb ik niets van hem gehoord.<br />

Mooglijk rust hij reeds op den bodem derzee.Mooglijk<br />

vang ik menigen visch, welke zich met zijn vleesch<br />

gevoed heeft. Mooglijk ook niet. Men heeft voorbeelden<br />

genoeg, dat een jong kaerel, na veele jaaren<br />

te hebben rond gezworven, gelukkig en rijk is terug<br />

gekeerd. Daarom hoop ik nog altoos; en zo lang mijne<br />

vermolmde knokken nog zoo faamenhangen als mijn<br />

oud


44 D E P A P E G A A I ,<br />

oud gelapt net, denk ik: wie weet waar en van wie<br />

mijn zoon Nikolaas thands weldaaden ontvangt! dit<br />

wil ik vergelden, aan eiken ongelukkigen, dien ik<br />

ontmoet. Koomc binnen !<br />

XURY.<br />

Aan dat fchoone groote huis heeft men ons afgewezen.<br />

DE VISSCHER.<br />

Dat geloof ik wel; wanneer gij een paar meisjens,<br />

een paar fpelers, of een paar paerden geweest waart,<br />

zou men u wel ingelaaten hebben; gij vindt het voor­<br />

zeker bij mij wel zo goed en gerust. In dat huis<br />

fpookt het.<br />

Het fpookt?<br />

XURY.<br />

DE VISSCHER.<br />

Het ergfte fpook. Het booze geweten dwaalt daar<br />

in rorid. Neen, den hemel zij dank ! Ik ben drie-<br />

en- zeventig jaaren oud, gezond, vrolijk en wel<br />

gemoed. Ik ben nimmer krank geweest; de arbeid is<br />

mijn arts, mijn kok en keldermeester. Ik woon<br />

zekerlijk maar in eene arme hut; maar eene hut,<br />

waarin ik van harte vrolijk ben, is mij meer waard<br />

dan een paleis , het welk mij traanen doet ftorten<br />

Koomt binnen! In een kwartier uurs weet gij mijne<br />

geheele levensgefchiedenis van buiten.<br />

XURY.<br />

En ik zal ze nooit vergeeten.<br />

(Zij gaan alk drie in de hut.)<br />

, Einde van het eerfte bedrijf x<br />

TWEE-


T O O N E E L S P E L . 45<br />

TWEEDE BEDRIJF.<br />

E E R S T E T O O N E E L.<br />

LODEWIJK, in een overrok uit zijn huis jluipende;<br />

daarna HENDRIK.<br />

LODEWIJK.<br />

Schielijk ! Schielijk ! alles is dood. ^<br />

Ja, ja, onze zonden lecven.<br />

HENDRIK, van binnen.<br />

LODEWIJK.<br />

Verdoemd geluk ! juist, daar ik u zo noodig heb.<br />

HENDRIK, terwijl hij eenen mantel'<br />

zak nederlegt.<br />

Moest ik te veel drinken, en dronken worden.<br />

L O D E W IJ K.<br />

Na geen fcherts,kaerel, — maak dat wij voordkomen'.<br />

HENDRIK.<br />

Naar mij behoeft gij niet te wagten: ik zal wel na<br />

koomen. (Hij gaat binnen.)<br />

L O D E W IJ K.<br />

Welk een duivel maakte mij zo dom, om mijn geld<br />

aan lieden te verliezen, die ik overzien kon!<br />

Wanneer de Engelanderin — neen, neen, — hoe<br />

zou ik mijn armoede, mijne fchulden, mijnen vader<br />

voor haar verbergen! — mijnen ouden vader! —<br />

Weg


4ö D E P A P E G A A I ,<br />

Weg met deeze herinnering ! — (naar de deur gaande)<br />

Schielijk, Hendrik ! fchielijk, de dag breekt aan.<br />

HENDRIK, brengt nog eenen mantelzak.<br />

Zijt gij nog hier? — Ik dagt, dat gij al op de ha­<br />

ven waart.<br />

LODEWIJK.<br />

Ten einde gij u zo veel te zekerer metmijneganfe-<br />

robe wegpakken kondt?<br />

HENDRIK.<br />

Ware dat niet vriendelijk ? zou er uw last niet lig-<br />

ter, en de mijne zwaarer mede worden? en moet<br />

in deeze waereld de een den anderen niet helpen<br />

draagen ?<br />

. LODEWIJK.<br />

Mensch ! hoe kunt gij nog fchertfen?<br />

HENDRIK.<br />

Treurigheid maakt zwaare beenen, en wij hebben<br />

ligte voeten noodig, zo ons de fchuldenaars niet ag-<br />

terhaalen zullen.<br />

L O D E W IJ K.<br />

Maar Hendrik, wanneer mijn plan met de Enge.<br />

landerin. . .<br />

HENDRIK.<br />

Gekheid ! — om die vrouw in uw belang te krij­<br />

gen, had gij het heel anders moeten aanleggen. —<br />

Zelfs, als .een waarlijk rijke Baron had gij niets uit­<br />

gerecht. ~ Alzo voord — voord!<br />

LO-


T O O N E E L S P E L . 47<br />

L O D E WIJ K.<br />

Gij hebt niets vergeeten?<br />

HENDRIK.<br />

Een redelijke portie onbetaalde rekeningen uitge­<br />

zonderd , zo kan zich geen mot aan 't geen wij agter-<br />

gelaaten hebben, verzadigen. — Maar wagtl — Ik<br />

moet de deur fluiten: het leêge nest kon Hechte ge­<br />

dachten veroorzaaken.<br />

LODEWIJK, i'n het weggaan.<br />

Ik ga naar Turkijen, en worde een tweede Bon -<br />

neval.<br />

HENDRIK, heeft den mantelzak<br />

opgenomen, en volgt hem.<br />

En ik ga naar Eldorado, en zamel keilteenen.<br />

TWEEDE T O O N E E L.<br />

De •mde RICHARD uit de hut komende.<br />

Neen, ik kan niet flaapen, terwijl mijn kranke zoon<br />

Lodewijk mooglijk den nagt, vol fmart, in eene<br />

heete koorts waakende doorbrengt. Laaten die arme<br />

fchipbreukelingen, die ik in de hut des ouden visfehers<br />

hoorde, mijn bed inneemen; ik zal intusfehen voor<br />

Lodewijk bidden.—De morgen breektaan; het is nog<br />

zo doodsch en .iiil op de ftraat; den galm van een<br />

eenigen voetftap hoort men tot aan de poort; zo uit-<br />

geftorven, zo eenzaam, en in de eerfte fcheemring<br />

de-s morgens. — o Welk een hartelijke opwekking<br />

tot het gebed ! •— Ik wil mij hier nederzetten (Hij<br />

zet


48 D E P A P E G A A I ,<br />

set zich op de floep van Amalia's huis, en wagt tot het<br />

volkomen dag is) en luisteren naar elke fchaduw,<br />

die ik agter de venftergordijnen wandelen zie.<br />

Het is een heerlijke morgen na eenen ftormachtigen<br />

nagt! Beeld onzes levens ! Ach ja ! Ik heb ook reeds<br />

menigmaal mijne zon zien op-en ondergaan, en daarom<br />

vertrouw ik op den Hemel! — Zo frisch en blo­<br />

zend, ais het morgenrood, was mijn Lodewijk, toen<br />

hij van mij fcheidde; doodsch en bleek zal ik hem<br />

weder vinden. — Geduld ! ingevallene wangen worden<br />

weder vol, matte holle oogen weder levendig; zo<br />

het maar van binnen niet ichuilt; daar weet geen<br />

arts raad voor ! — Hemel! doe met uwen verk wikken -<br />

den morgendaauw eene geneezende kracht op hem<br />

nederdaalen ! — Het word toch weder levendig in<br />

de ftad, daar hoor ik van verre eenen fmid arbei­<br />

den, en het rad eenes waterputs knarfen. Vlijt en<br />

kommer zijn altoos het eerst wakker. Ha ! de oude<br />

visfcher! —<br />

DER-


t O O N E E L S ƒ E L. 4'J<br />

DERDE T O O N E E L.<br />

KICHARD, DE OUDE VISSCHER, met een net.<br />

RICHARD.<br />

Goeden morgen, oude vriend!<br />

DE VISSCHER, werpt zyn tiet weg en<br />

treedt voorwaarts.<br />

Wat? — Ja, 7.0 waar ik leef! — Ik denk, pij<br />

ligt nog in diepe rust, en zit daar op dien harden<br />

fteenl — Waarom zijt gij toch opgedaan; daar gij<br />

de rust zo nodig hebt!<br />

RICHARD.<br />

Rust? goede oude! ik ken geen rust. Mijn hart<br />

word door eene teerhartige bekommering beangstigd.<br />

Gij zijt immers ook vader, gij zult het weeten, hoe<br />

men te moede is, wanneer men naar zijn kind reik­<br />

halst.<br />

DE VISSCHER.<br />

Dit zou ik denken. Maar het is nog vroeg. Beter<br />

ware het, dat gij eerst uitfliept, en dan uwen zoon<br />

opzocht.<br />

RICHARD.<br />

Ach, ik heb hem reeds gevonden, goede man! —<br />

maar ik kan hem niet fpreken, de arme jongen is<br />

krank. —<br />

D


50 D E P A P E G A A I ,<br />

DE VISSCHER.<br />

Dan beklaag ik u, arme Heer! Nu heb maar ge­<br />

duld, tot het volkomen dag is, dan zal ik er u heên<br />

brengen. Gij zijt zwak, en hebt eenen leidsman<br />

noodig.<br />

RICHARD.<br />

Ik dank u. Maar ik heb niet wijd te loopen; hij<br />

woont in dat huis hier regt tegen over.<br />

DE VISSCHER.<br />

Woont daar uw zoon? — Ach lieve Hemel!<br />

RICHARD.<br />

Gij ziet mij zo bedrukt aan? gij weet dan ook,<br />

dat hij krank is? mooglijk ftaat het heel flecht met<br />

hem.<br />

DE VISSCHER.'<br />

Ja wel ftaat het flecht met hem.<br />

o Hemel!<br />

RICHARD.<br />

DE VISSCHER.<br />

Het zal haast met hem gedaan zijn.<br />

RICHARD.<br />

Ongelukkige vader! zo moest ik dan komen, OIO<br />

hem de oogen toe te drukken !<br />

DE VISSCHER.<br />

De oogen toe te drukken?<br />

RICHARD.<br />

Ja, deezen jammerlijken troost zal men mij toch<br />

niet ontzeggen. Ik moet naar hem toe.<br />

DIS


T O O N E E L S P E L . 5!<br />

D E VISSCHER.<br />

Ik verfta u niet, goede Heer! uw zoon is niet<br />

krank.<br />

Niet krank?<br />

RICHARD.<br />

DE VISSCHER.<br />

Ten minften zijn ligchaam is niet krank.<br />

RICHARD.<br />

Zijn ligchaam is niet krank; hoe begrijp ik dat? —<br />

Gisteren avond laat was ik aan zijne deur, men wees<br />

mij af, en zeide: hij lag in eene heete koorts: mijne<br />

tegenwoordigheid zoude hem te veel aandoen.<br />

DE VISSCHER.<br />

Foei — dat is al te flecht!<br />

Spreek, fpreek!<br />

RiciiARD, angftig.<br />

DE VISSCHER.<br />

Uw zoon deugt niet, goede Heer! ik weet zijne<br />

geheele gefchiedenis. Een oude trouwe bediende,<br />

welken hij voor eenige weeken wegjaagde, wijl hij<br />

voor hem te eerlijk was, heeft mij alles verhaald.<br />

RICHARD.<br />

Dat was gewis mijn oude eerlijke Jofeph,<br />

DE VISSCHER.<br />

Juist! zo heet hij. Wij waren goede buuren,<br />

praatten menigen avond te faamen. Immer fïonden<br />

hem de traanen in de oogen, wanneer hij van de<br />

flechte huishouding fprak, Daar is een fchurk in<br />

D 2 buis,


5a D E P A P E G A A I ,<br />

huis, zekere Hendrik; die is het bederf uives zoons,<br />

die brengt hem tot alles kwaads.<br />

RICHARD.<br />

Die? Is dit de dank voor mijne weldaadcn ?<br />

DE VISSCHER.<br />

Zulks zeide de oude Jcfeph ook. Uw zoon verliet<br />

u; niet om den last te verlichten; maar, wijl uwe<br />

omftandigheden begonnen te veranderen. Met het<br />

geld, dat gij hem gaaft, girg hij naar Spa;het groote<br />

fpel lokte hem; de duivel liet hem winnen; in vier<br />

weeken was hij een fpeeler.<br />

RICHARD.<br />

Ach! zo heeft hij de rust zijnes vaders op eene<br />

kaart gezet — en verloren.<br />

DE VISSCHER.<br />

In het begin ging het goed ; dit is juist het erglie.<br />

Van waar zouden er zo veele booswigten koomen,<br />

wanneer het kwaad niet altoos in het begin gelukte?<br />

Hij zal wel ;


T O O N E E L S P E L.<br />

RICHARD.<br />

Ongetwijfeld een flecht vrouwsperfooH!<br />

DE VISSCHER.<br />

Dat niet, het zou eene braave vrouwzijn, eene<br />

weduwe, eene Engelfche. Maar, zo als de oude<br />

Jofeph zeide, zo mag zij hem niet lijden, en beeft<br />

gelijk;mooglijk zou hij haar ook niet moogen lijden,<br />

wanneer zij zo rijk.niet was , en hij niet op het<br />

drooge zat!<br />

RICHARD.<br />

Alles weder doorgebragt?<br />

DE VISSCHER.<br />

Zulk goed houdt geenen ftand. Verfpeeld, ver­<br />

dronken. Hendrik, die fijne fchurk, helpt hem be-<br />

fleelen!<br />

RICHARD.<br />

En hij was gisteren avond t'huis?<br />

DE VISSCHER.<br />

Ja wel, en heeft den gantfehen nagt met drinken<br />

.en fpeelen doorgebragj;.<br />

RICHARD.<br />

Ach ongelukkige vader! ik wil weder naar huis<br />

bedelen, en mij daar bij mijne vrouw laaterj begra­<br />

ven. Ja, ik wil voord ! de grond brandt onder mijne<br />

voeten. Maar ik ben den fchipper, die mij herwaarts<br />

bragt, dertien daalders fchuldig, en heb geen pen­<br />

ning! waait gij er niet geweest, zo had ik gisteren<br />

svond mij -hongerig moeten nederliggen.<br />

D 3 DE


54 DE P A P E G A A I ,<br />

DE VISSCHER.<br />

Dertien daalders? ach, ik arme man ! hier zijn<br />

twaalf ftuivers, dit is al het geld, wat ik heb —•<br />

neem het voor lief.<br />

RICHARD.<br />

De Hemel zegene u; maar neen. —<br />

DE VISSCHER.<br />

Verfmaad mijne armoede niet! Ik bid u!<br />

RICHARD.<br />

Neen, goede oude! ik zal het neemen, wijl het<br />

u fmarten zou, wanneer ik het affloeg.<br />

DEVISSCHER.<br />

o Welk eene vreugd is het wél te doen ! Er zou­<br />

den geene rijken zijn, wanneer de rijke dit gevoel­<br />

de. Nu zal ik de gantfehe ftad rondloopen, en de<br />

dertien daalders voor u zien bij een te zamelen.<br />

De Hemel zegene u!<br />

VIERDE T O O N E E L.<br />

DE OUDE RICHARD, alleen.<br />

jNeen! hij is niet geheel en al verlaaten, die in<br />

den nood eenen vriend aantreft, welke hem troost.<br />

Rijk of arm, in pei of in zijde, altoos is het ge­<br />

zicht eenes vriends troostelijk. Helpen kunt gij<br />

mij niet, goede oude! maar verkwikt hebt gij mij.<br />

(.Hij vak in eene diepe gedachte ) George! George!<br />

dit heb ik aan u verdiend ! Kondet gij zien, hoe veele<br />

dui-


T O O N E E L S P E L. 55<br />

duizendmaalen uw broeder mij de hardheid vergeldt,<br />

niet wel!;e ik u eens van mij afftiet! Even zo als ik hier<br />

vreemd en hulploos fta,even zohebtgij waarfchijnlijk<br />

onder eenen vreemden hemel moeten omdwaalen. —<br />

o Dat gij mijn zegen kondet hooren, gelijk gij mijnen<br />

vloek gehoord hebt! — Ik ben zeer mat — dit ge^<br />

fprek heeft mij mijne Iaatfte krachten benomen. —<br />

Hij valt op eene bank voor het huis van Amalia neder,)<br />

Ik ben zeer mat.— wat is dat — dat mijne oogen<br />

toevallen — en ik toch niet flaapen kan. — (Hij<br />

zit met gejlotene oogen, half Jluimerende.)<br />

V IJ F D E T O O N E E L.<br />

GEORGE uit de hut komende zonder EICHASB<br />

te zien.<br />

Daar ben ik nu weder even ver, als toen ik voor<br />

tien jaaren mijnes vaders huis verliet. Maar neen !<br />

toen was ik tien jaaren jonger;en dat is veel. Konde<br />

ik flechts mijn overvaaren naar de West-Indien be-<br />

taalen, dan er blijft mij zo veel niet over, 0111 mijne<br />

overvaart in het rijk der dcoden te voldoen. Klaagen<br />

en jammeren echter baat niet;-ik ben flechts drie- en<br />

dertig jaaren oud; wat de grijsheid drukt, werpt de<br />

man van zich af. — Een fchoone morgen; geen fpoor<br />

van het onweder van gisteren. Waarom alzo in mij<br />

de fpooren der ongelukken van gisteren? Waar nog<br />

kracht is, is nog hulp. Ik wil mijn best doen, en<br />

«1 doorflaan. Maar hoe? Naar Breemen, naar mijnen<br />

D 4 v a-


56" D E P A P E G A A I ,<br />

vader? Neen. Het was mijn geliefd voorneemen,<br />

zo lang ik geld in den zak had, mij voor hem te (tel­<br />

len , en te zeggen : „ Nu, vader! ben ik thands u meer<br />

waardig? De flaperige George, zo als gij mij noemde,<br />

heeft het zo ver gebragt: de aanhoudende vlijt heeft<br />

zijn geluk bevorderd." Maar zo — door mijn gezicht<br />

alleen weldaaden van hem te eisfehen — neen, dit<br />

doe ik niet! — fïier bij mijnen broeder? — Ik<br />

weet nog niet eens of het mijn broeder wel is; en,<br />

geftsld, hij ware het, of hij dan wel een mensen<br />

is, dien ik iéts wil vcrfchuldigd zijn? — Neen,<br />

bij naastbeftaanden moet men het laatst hulp zoeken.<br />

Er zal toch nog wel iemand in de waereld zijn, die<br />

een bekwaame waarneemer zijner zaaken nodig heeft.<br />

In deeze ftad woont eene menigte van kooplieden;<br />

Ik heb hier zelf mijnen correspondent; dien zal ik<br />

opzoeken, als het wat laater is: deeze zal mij onge­<br />

twijfeld, met raad en daad bijftaan. (Hij keert zich<br />

onder htt Jpre eken toevallig naar de tijde, waar zijn vader<br />

zit.) Hemel.' wat zie ik! — {hij blijft een oogenblik<br />

ftaroogend ftaari) mijn vader! o mijn oude vader ! wat<br />

is dat? — Hoe komt die oude man hier? — en hier<br />

op die bank? _ Is het huis, waarin mijn broeder<br />

Woont, mooglijk het zijne? Waarom of hij toch Brèe-<br />

n»en verlaaten heeft? — Zou hij zich hier nederge­<br />

zet hebben? _ doch zijn uiterlijk aanzien fchijnt<br />

gebrek aan te duiden. En hij fluimert op deeze bank?<br />

Wuf zal ik daar van denken? — (Hij treedt nader.)<br />

Zijn


2 0 0 N E E L S P B L . J?<br />

Zijn hair is grijs geworden, zijne wangen ziin ingè«<br />

vallen, zijne handen vermagerd: ach! hij moei veel<br />

verdriet hebben gehad. Wanneer hem maar de ge­<br />

dachte aan George niet gepijnigd hebbe! mijn hart<br />

heeft het hem vergeeven. — Wat zal ik doen? zal ik<br />

hem wekken ? — neen ! ik blijf hier, en bewaak hem,<br />

terwijl hij fluimen. Of hij mij nog kennen zal? Eene<br />

tienjaarige fcheiding, menigvuldige zorgen en flaa-<br />

pelooze nagten hebben ook mijn gezigt veranderd —<br />

zou ik bij zijn ontwaaken mij aan zijne voeten ne-<br />

derftorten, en den naam van vader ftamelen ? of zou<br />

ik beproeven, mij in te houden ? — Ja; ik zal zien<br />

wat de item der natuur in hem zal te weeg brengen ?<br />

RICHARD, Jpringt met fchrik op<br />

en ontwaakt.<br />

ja! dat was een ijsfelijke droom ! Mijn zoon<br />

George itond voor mij, bleek en ontfteld; een hulle,<br />

ilraalende blik —hu! dat was een verfchrikkelijke<br />

èioom.<br />

GEORGE.<br />

Goede oude ! gij zit daar zo in de zon. Gij zult<br />

hoofdpijn krijgen.<br />

RICHARD.<br />

Hoofdpijn, mijnheer! het weinige brein, dat<br />

lik nog overig heb, is door het ongeluk reeds uit­<br />

gedroogd?<br />

GEORGE.<br />

Zijt gij dan ongelukkig, goede glijbaan?<br />

1)5<br />

R I<br />

"


'j8 D E P A P E G A A I ,<br />

RICHARD.<br />

Hebt gij nimmer het treurfpel Kening Lear zien<br />

fpeelen? God bewaare u voor zijn noodlot! — Mijn<br />

hoofd word zeer zwak.<br />

GEORGE.<br />

Zouden uwe eige kinderen? . .<br />

Ik had twee zoonen.<br />

En beiden? —<br />

RICHARD.<br />

GEORGE.<br />

RICHARD.<br />

Niet beiden ! laster mijnen goeden George niet!<br />

Ik verftootte hem, en zijn broeder verftootmij, dit<br />

is des Hemels gerechte ftraf!— o mijn zoon George !<br />

inogt ik u nog eenmaal zien, eer ik fterve ! — konde<br />

ik met de laatlte traan,uit deeze uitgedroogde oogen<br />

gedrukt, u om vergiffenis mijner wreedheid fmee-<br />

ken, — u zegenen!<br />

GEORGE, aan zijne voeten.<br />

Zegen mij dan, mijn vader, zegen uwen zoon<br />

George!<br />

RICHARD, erkent zijn Z"on, wil hem aan<br />

het hart drukken, en valt in<br />

onmagt neder.<br />

GEORGE.<br />

Hemel! deeze ontdekking was te fchielijk, vader!<br />

vader ! — (Naar de zijde der hutte.) Xury i Xury!<br />

Hij fterft — ach ! wat heb ik gedaan. (Hj zoskt den<br />

ouden weder bij zich zeiven te brengen; Ricfiard bekoomt<br />

ailengskens, George Jlort zich in zijne armen.)<br />

u i-


T O O N E E L S P E L. 59<br />

R 1 c H A tt D , drukt hem vast aan zich, laat hen<br />

vervolgends fidderend los, en valt<br />

met opgeheven handen op beidt<br />

knieën neder.<br />

Vergeving, mijn zoon, vergeving !<br />

G E O R G E , zoekt vergeefs hem op te heffen<br />

en knielt naast hem.<br />

Goede vader! niets van het voorlcdene. — Uw<br />

zegen-<br />

RiCHARD, legt de handen op hem.<br />

Hij zegene u , in wiens mngt het alleen ftaat kin­<br />

derlijke liefde te beloonen. Hij zegene u, zo als Hij<br />

het mij vergeeve?<br />

GEORGE, heft den ouden mm op, en<br />

zet hem weder op de bank.<br />

Vergeeten is al mijn elend I vergeeten de lange<br />

tienjaarige proeftijd I Ik heb de liefde mijnes vaders<br />

weder! Ik ben gelukkig en vergenoegd! de zegen<br />

mijnes vaders rust op mij! ik ben rijk! ik ruil met<br />

geenen koning.<br />

RICHARD.<br />

7.et u naast mij, George ! dat ik u aanzie, en de<br />

trekken uwer moeder op uw gezicht zoeke. — Ja,<br />

gij zijt het: dit is het oog mijner goede Frederika;<br />

dat, geheel en al, haar goedaartig uitzicht! Hemel!<br />

hoe was het mooglijk, dat zulk een braave vrouw<br />

ook de moeder eenes monfters worden kon? Ach!<br />

de veikwikkendfte vrugt endewormfteekigftefpruiten<br />

uit


6o D E P A P E G A A I ,<br />

uit éénen ftam. Uw broederl — of hoe? weet gij<br />

mooglijk reeds?... Ik vind u hier? hoe en waarom<br />

vlnde ik u hier? Behoort gij ook tot dat huis?<br />

GEORGE.<br />

Neen, vader ! eerst zedert weinige uuren ben ik<br />

in deeze Had.<br />

R r c II A K D.<br />

God zij dank ! gij geeft mij het leven weder.<br />

GEO R GE.<br />

Maar mijn broeder? — Gij wilde van mijnen broeder<br />

fpreeken. —<br />

RICHARD.<br />

Hij verdient het niet, dat wij deeze vrolijke oo-<br />

genblikken met zijnen naam bezoedelen. Hij _ if<br />

zal alle zijne ondeugden in één woord te faamen noe­<br />

men — hij verachtte zijnen vader.<br />

GEORGE.<br />

Ik iidder ! Maar zijt gij hier van verzekerd , beste<br />

vader?<br />

RICHARD.<br />

Zal er wel een vader zijn, die zijnen zoon be-<br />

fchuldig*. wanneer hij van deszelfs fchuld niet over­<br />

tuigd is? zeventig mijlen ver ben ik, arm, bedorven<br />

man! herwaarts gekoomen op het hooren, dat het<br />

mijnen Lodewijk wél ging, en wijl ik dagt: dat het<br />

hem nog beter gaan zou, wanneer hij met zijnen ou­<br />

den vader deelen koride. In ftorm en onweder klopte<br />

ik in den laaten avond aan zijne deur, en werd afge-<br />

wee-


T O O N E Ë L S P E L . 6*<br />

weezen. Speelers en fehürken meldden zich aan,<br />

en werden iogdaaten. Ik hongerde; en zij zwelg-<br />

den. Mij zeide men dat mijn zoon krank was: ik<br />

bad voor hem; en hij zondigde. Met één woord,<br />

George! daar is uwes broeders huis; en hier zit uw<br />

oude vader onder den vrijen hemel, zonder te wee­<br />

ten waar heen.<br />

GEORGE.<br />

Foei! dat is fchandelijk ! C Opfpringende.) Ik moet<br />

er naar toe-<br />

RICHARD»<br />

Blijf! zijne misdaad is te groot; de Hemel alleen<br />

kan hem ftraffen ! Die zij richter mijner zaaken ! Ik wil<br />

weder naar mijne wooning terug keeren: ga met nüj<br />

mede, lieve zoon! wilt gij?<br />

o Zeer gaarne.<br />

GEORGE.<br />

RICHARD.<br />

Van waar koomt gij hier?<br />

Uit de West -Indien.<br />

GEORGE.<br />

RICHARD.<br />

Voorzeker niet met ledige handen.<br />

GEORGE.<br />

De Hemel heeft mijnen vlijt gezegend, maar de<br />

baaren hebben deszelfs vrusten weder verfionden.<br />

RICHARD.<br />

Dat is erg. — Doch ik heb u weder? druk u weder


62 D E P A P E G A A I ,<br />

der aan mijn hart; ik ben niet arm. Maak flechts,<br />

dat wij van hier weg koomen, want hier zal ik nimmer<br />

wel zijn.<br />

GEORGE.<br />

Ik volg u, zo haast gij wilt.<br />

RICHARD.<br />

Den fchipper, die mij herwaards bragt, een woest<br />

oploopend mensen, ben ik nog dertien daalders fchul-<br />

dig, en heb geen dertien ftuivers; want ik dagt hier<br />

geld te zullen ontvangen. Zo gij maar maaken kunt,<br />

dat ik van deezen ongemakkelijken fchuldeisfcher<br />

bevrijd raak ; zullen wij aanftonds de poort uitgaan.<br />

Dertien daalders?<br />

GEORGE.<br />

RICHARD.<br />

Zo veel zult gij toch wel gered hebben ?<br />

GEORGE.<br />

Ach, goede vader! geen penning heb ik gereed.<br />

RICHARD.<br />

Niet? — De Hemel ftraft mij zwaar!<br />

GEORGE.<br />

Ja, wel zwaar! mijn weinigen rijkdom kon ik ook<br />

misfen, maar het genoegen, eenen vader te helpen;<br />

zou ik ook dat derven moeten? Wagt! Ik heb hier<br />

eenen correspondent, die mij in alle zijne brieven<br />

vriend noemde: ik heb hem verfcheiden kleine diensten<br />

bewezen; menig klein voordeel gedaan : hij zal mij het­<br />

zelve van daag met woeker vergelden; dertien daal­<br />

ders»


T O O N E E L S P E L . 63<br />

ders, weinig voor hem, oneindig veel voor mij!<br />

o Voor mij had ik niet kunnen bedelen ! Ik vlieg naar<br />

hem toe —» maar — u hier zo alleen te laaten. —<br />

Xury*, Xury! — Ik zal een mensch bij u brengen,<br />

welken ik van fliaf tot mijnen vriend maakte. Zijn<br />

gezicht is zwart als eene kool; zijne ziel wit,als het<br />

gewaad eenes cherubims. — (Naar de zijde der Mm<br />

roepende.) Xury ! Xury !<br />

Ik koom al.<br />

ZESDE T O O N E E L.<br />

XURY, DE VOORIGEN.<br />

XURY, geeuwende.<br />

GEORGE.<br />

Hier,lieve Xurylfiaap een andermaal langer,koom<br />

en omhels de knie deezes grijsaarts; hij is mijn vader!<br />

XURY.<br />

Uw vader? (Hij knielt voor den ouden man neder,en<br />

zet deszelfs voet op zyn hoofd. De oude Ilichard reikt hem<br />

de hand; Xury kuscht dezelve.<br />

GEORGE.<br />

Ik moet de ftad in; vertrouw hem derhalven u<br />

aan, wijk niet van zijne zijde!<br />

XURY.<br />

Eer zal men de Leeuwin van haare jonge fcheidenj<br />

GEORGE, fpoedt zich heen.<br />

Z E-


«H D E P A P E G A A I " ,<br />

1<br />

ZEVENDE T O O N E E L.<br />

RICHARD, XURY.<br />

XURY.<br />

Gij zijt zijn vader ? dit verheugt mij. Zie , hoe het'<br />

Opperwezen eiken blikfem des voorledenen nagts door<br />

eenen zonneftraal weder krachteloos maakt. Mijn<br />

goede Heer is ook weer vrolijk en moedig gewon­<br />

den. Waar ging hij heen?<br />

RICHARD.<br />

Naar eenen vriend om een weinig geld te leenen.—<br />

Zijt gij reeds lang bij mijnen zoon ?<br />

ÏUkï,<br />

Zederd zeven jaaren. Hij verloste mij uit eene harde<br />

flavernij, mij en nog vijf mijner kameraaden. Ach!hij<br />

heeft het altoos zo goed met mij gemeend. Een paar<br />

jaaren agter malkander ftrafte de Hemel het land met<br />

misgewas; veele andere flaaven ftierven van hon­<br />

ger; wij hadden altoos vol op; en toen hij defchoone<br />

plantagie verkogt, om naar zijn vaderland te keeren,<br />

hadt gij het gehuil en gejammer eens moeten hooren !<br />

Ja zulk eenen Heer krijgen zij gewis niet weder.<br />

RICHARD.<br />

Zeg mij eens, Xury! heeft hij u wel immer van<br />

mij gefproken?<br />

Dikwils, zeer dikwils.<br />

XURY.<br />

RICHARD.<br />

En mij nimmer vervloekt ?<br />

x v R 7.


T O O N E E L S P E L . 6S<br />

X'JR Y.<br />

Dit zij verre; wij hebben een papegaai. Gij<br />

zult hem zien. Hij is het eenigc, wat wij uit de<br />

fchipbreuk gered hebben. Mijn Heer heeft hem<br />

zelf opgevoed, en hem alles leeren zeggen: bij<br />

voorbeeld: „ bid George! fcbep moed! bid voor<br />

uwen vader !" wanneer hij zich den gantfclien dsg<br />

moede en mat gearbeid had, en des avonds te huis<br />

kwam; dan riep de vogel hem toe: bid George!<br />

bid voor Uwen vader. Dikwils heb ik gezien,<br />

hoe hij dan nederknielde, en den Hemel bad, om<br />

u te zegenen.<br />

RICHARD.<br />

Genoeg, genoeg! gij baart mij vreugd en wee.<br />

Ach! Xury! Ik had nog een zoon.<br />

XURY.<br />

Nog eenen? Is hij dood?<br />

RICHARD.<br />

Gave de Hemel, dat hij dood ware! zo dorst ik hem<br />

nog beminnen. Hij is van mij vervreemd: hij ver-<br />

ftoot, hij veracht mij —<br />

Foei!<br />

XURY.<br />

RICHARD, droogt de oogen af.<br />

XURY.<br />

Ik mogt zulke traanen niet op mijne ziel «ebben;<br />

ik denk, zij branden gelijk de middags-zon onder<br />

de linie.


66 DE PAPEGAAI,<br />

RICHARD.<br />

Hij leeft in aanzien en vreugd.<br />

XURY.<br />

Zo; dat kan onmooglijk lang duuren. Altoos<br />

denk ik, dat een booswigt, de lucht zij ook nog<br />

zo helder , van verre het geklater des donders<br />

hoort, en daar voor fiddert. — Ween niet, oude<br />

Heer.' uwe traanen zullen hem noch verbeteren,<br />

noch dooden. Volg mij in die hut; hier gaar/en<br />

ons de voorbijgaanden aan. Daar woont<br />

een arm man met een rijk hart. Hij zal u met<br />

een flok rum verkwikken, en dan zult gij mooglijk<br />

een weinig fluimeren, tot mijn Heer wederkoomt.<br />

RICHARD*<br />

Ach, Xury! zijn er in Africa of America ook<br />

zulke onnatuurlijke zoonen?<br />

XURY.<br />

Neen, oude Heer! in Africa niet, maar in America<br />

woont een volk,dat zijne grijsaarts d.jodt , wanneer<br />

zij niet meer voort kunnen, doch vooraf het tederfte<br />

affcheid van hun neemt.<br />

RICHARD.<br />

Beter, Xury! tienmaal beter, eenen kusch op den<br />

mond des vaders en op het zelve oogenblik hem<br />

het hoofd verpletterd, dan duizendmaal door eenen<br />

zoon vermoord te worden. Ach! de eerfte traan,<br />

die


T O O N E E L S P E L .<br />

die geweend wierd, was de traan eenes ongelukki-<br />

gen vaders.<br />

{Hij gaat langzaam naar de hut.)<br />

AGTS TE T O O N EE L.<br />

XURY alleen, hem naziende.<br />

Zulke traanen zoude ik niet gaarne op mijn»<br />

ziel hebben. — Is dit het land, waar de menfehen<br />

vrij zijn ? geen flaaven van hun hart; maar tienmaal<br />

meer flaaven hunner lusten? — Goede Hemel!<br />

laat mij nimmer van mijne flaaffche denkwijs<br />

afwijken! Heet is het land, waar ik gebooren<br />

wierd; ruuw zijn de zeden des volks, maar zulke<br />

traanen heb ik er echter nooit zien ftorten.<br />

NEGENDE T O O N E E L.<br />

GEORGE, XURY.<br />

GEORGE, (nedergeflagen enteenvreden.')<br />

Waar liet gij mijnen [vader?<br />

XURY.<br />

Ik bragt hem in de hut.<br />

GEORGE.<br />

Xury 1 ik moet dertien daalders hebben.<br />

E % X¥-


«53 D E P A P E G A A I ,<br />

XURY.<br />

Ik heb niet eenen penning.<br />

G EO B G E.<br />

Dit weet ik; maar dat geld moet er zijn, al zou­<br />

den wij het uit het middelpunt der aarde<br />

krabben,<br />

XURY.<br />

Was uw vriend ook meedogenloos, en Hit hij u<br />

•ngeholpen heen gaan? Ja, mijn Heer, een goede<br />

bron kent men eerst in den tijd der droogte.<br />

GEORGE.<br />

Gij doet hem onregt. Hij ftierf voor weinige<br />

Weeken; ik vond zijne weduwe in rouw en<br />

traanen.<br />

XURY.<br />

Hij ftierf? ja! dan heeft hij geen fchuld. Maar<br />

meer ter ongelegener tijd had hij waarlijk niet fterven<br />

kunnen, {hij bedenkt zig een oogenblik) Weet gij<br />

wat, mijn Heer! verkoop mij!<br />

GEORGE.<br />

Foei, foei, Xury! Ik drijf geenen handel in<br />

menfehen. Gij zijt in een vrij land, en, wat meer<br />

is dan dit, gij zijt mijn vriend.<br />

XURY.<br />

Juist daarom. Uw vijand zou zich voor u niet<br />

laaten verkoopen.<br />

GEORGE.<br />

Geen woord meer! —. Ik heb niet veel noo-<br />

digi


T O O N E E L S P E L . 69<br />

dig; dertien daalders, om eenenonredelijkenfchuld-<br />

•ifcher te voldoen. Er valt mij ieis in, haal<br />

onzen papegaai, De ftad is groot; er zijn gekken<br />

genoeg in, die een paar goudftukken wegfmijten<br />

zullen, 'om het genoegen te hebben eenen bonten<br />

fnappenden vogel in het venfter te zetten: want<br />

dit is tegenwoordig de fmaak. Ga; veil hem de<br />

ftad rond; en verkoop hem ; maar voor geen pen­<br />

ning minder, dan voor dertien daalers.<br />

XURY.<br />

Ach! lieve Hemel! mijn Jako! Liever wilde<br />

ik het kleed van mijn lijf verkoopen,<br />

GEORGE.<br />

Ik ook ; maar daar zal niemand zo veel gelds<br />

voor geeven.<br />

XURY.<br />

Deze vogel is 'evenwel het eenigfte , wat wij<br />

nog hebben.<br />

GEORGE.<br />

Ji.ist daarom behoort het aan mijnen vader. 1<br />

XURY.<br />

Hij heeft altoos uit mijnen mond gegeeten.<br />

GEORGE.<br />

Mijn vader lijdt honger.<br />

XURY.<br />

Nu zo, vaarwel, lieve Jaco! Gij zult mooglijk<br />

in handen koomen, waar uit gij meer fuik er en aman-<br />

E 3 de-


7e DE PAPEGAAI,<br />

len krijgen zult, dan uit de mijnen; echter zal u<br />

gewis niemand lief hebben, als ik.<br />

GEORGE,<br />

Ook mijn hart hangt aan den vogel. Hij heeft<br />

mij menig een onfchuldig genoegen gebaard. Doch<br />

het moet zijn; koom!<br />

XURY.<br />

Arme Jacol vaarwel! Qbeiden gaan in de hut.)<br />

Einde van het tweede bedrijf.<br />

DER-


T O O N E E L S P E L . 71<br />

DERDE BEDRIJF.<br />

EERSTE TOON EEL.<br />

B E T T Y , daarna A M A L I A .<br />

B E T T Y , koomt op het balkon en maakt de<br />

theetafel gereed.<br />

AMALIA, koomt vervolgens in een morgengewaad,<br />

zet zich aan de theetafel, fchenkt in en drinkt.<br />

B E T T Y fnijdt een boterham.<br />

De thee deugt niet.<br />

ben.<br />

AM A LI A.<br />

BETTY.<br />

Er deugt nimmer iets, als Milady verdrietig is.<br />

A M A L I A .<br />

Zo? ben ik verdrietig? en waarover?<br />

BETTY.<br />

Dat niet- Neen. A M A L I A .<br />

Ik vraag , waarom gij denkt, dat ik verdrietig<br />

E 4 *ET-


7* D E P A P E G A A I ,<br />

BETTY.<br />

Ja zo! eên van beiden, of gij weet het reeds<br />

en dan behoef ik u zulks niet te zeggen; of gij<br />

zijt verdrietig zonder zelf te weeten waarom, en<br />

dan wil ik het u wel zeggen.<br />

AMALIA.<br />

Gij maakt mij nieuwsgierig.<br />

Gij zijt verliefd.<br />

Op uwe kat?<br />

BETTY.<br />

A M A L I A .<br />

BETTY.<br />

Op den Baron van Westerland.<br />

AMALIA.<br />

Waarlijk? Gij treft het wit niet,<br />

BETTY.<br />

Wel nu, wie zou bij een mansperfoon op het ge-»<br />

?icht letten ? zo geweldig bruin is hij toch ook niet,<br />

AMALIA.<br />

Ware uwe mond zo toegenageld, als uw oor —-<br />

BETTY.<br />

Hagel en ftortregen. Ja het was een fchriklijk<br />

weder.<br />

AMALIA.<br />

Gij fpreekt van den voorleden nagt; en echter<br />

heeft mij het onweder minder in mijnen flaap ge-<br />

floord, dan het tieren en raazen hiertegenover. Daar<br />

heb ik hooren zingen, fehreeuwen, de glazen hooren


T O O N E E L S P E L . 73<br />

ren klinken. Het was ais of zij, in plaats van pau-<br />

ken,den donder befteld hadden, om hen te accom-<br />

pagneeren.<br />

BETTY.<br />

Ik houde niet veel van de pauken.<br />

AMALIA.<br />

Pat verwondert mij. Het is nog het eenigfte in»<br />

ftrument, het welk gij hooren kunt.<br />

BETTY.<br />

Neen, het vocaal muziek verkies ik verre.<br />

AMALIA.<br />

In London, nietwaar? wanneer Handel's mees-<br />

terftukken van negen honderd kunftenaars vereeu­<br />

wigd worden? Dan zijn uwe ooren toereikende.<br />

O ja? als ik rijk was.<br />

BETTY.<br />

AMALIA.<br />

Ha! ha! hn! het aartigfte onderhoud van de<br />

waereld; echter met dat alles verveelend, als men<br />

haar daaglijks bij zich heeft. Zij gelijkt volmaakt een<br />

man , dien men ook daaglijks bij zich heeft en<br />

altoos heeft, en dien men toch zo zeldzaam noodig<br />

heeft.<br />

BETTY, die zeer opmerkzaam geluisterd heeft.<br />

Alzo heeft men hem toch fomtijds noodig.<br />

AMALIA.<br />

Ja toch; bij voorbeeld bij een onweder gelijk<br />

E 5<br />

d<br />

«


74 D E P A P E G A A I ,<br />

dat van den voorigcn nacht,om een lied uit het ge­<br />

zangboek voor te leezen.<br />

BETTY.<br />

Bijeen onweder flechts? Ach Milady! Maar er<br />

zijn zo veele onweders in het menschiijk leeven,<br />

waarin het regt aangenaam is wanneer men in de<br />

armen eenes vriends de oogen durft fluiten , als<br />

het blikfemt.<br />

AMALIA.<br />

Zie! daar hebt gij iets gezegd, dat zo dom niet<br />

is. Ach ja; alleen genieten en alleen lijden, is bij­<br />

kans even verdiïetig. Ik ben nog jong genoeg, om<br />

te gevoelen, dat liefde mij ontbreekt; echter ben ik<br />

ook oud genoeg om te begrijpen, dat liefde zonder<br />

hoogachting flechts een aartig kind is, waarmede<br />

men zich wel eenige oogenblikken vermaaken kan,<br />

maar het daarna weder laat loopen , en hetzelve<br />

ten hoogden naroept: koom fpoedig weder, lieve<br />

kleine knaap!<br />

Waar is hij dan ?<br />

BET T Y, omziende.<br />

AMALIA.<br />

Is het mijn fchuld, dat-ik tot heden nog niet<br />

vond, wat ik zogt? Js het mijn fchuld, dat 'er<br />

veele menfehen in de waereld zijn, welke men<br />

flechts beminnen kan ?<br />

BET-


T O O N E E L S P E L . 75<br />

BETTY, ter zijde.<br />

Zij beweegt den mond; ik merk, dat zij (preekt,<br />

maar niet met mij.<br />

AMALIA.<br />

Ik heb noch ouders noch voogden, die mijne<br />

jeugd leiden! dus moet ik de reden wel tot mij­<br />

ne opzichtfter maaken. Haar wil ik ook de zorg<br />

toevertrouwen , om mij een echtgenoot te kiezen;<br />

het hart wil ik flechts tot eenen dienaar mede<br />

geeven.<br />

T W E E D E T O O N E E L.<br />

DE VOORIOEH, XURY, met den papegaai.<br />

XURY.<br />

Wie koopt er een papegaai ? wie koopt! wie<br />

koopt!<br />

Hm! die is zwart.<br />

BETTY.<br />

XURT.<br />

Goeden dag! Wilt gij mijn papegaai koopen?<br />

Kan hij praaten ?<br />

AMALIA.<br />

XURY.<br />

O ja, hij praat van 's morgens tot 's avonds.<br />

A M A-


76 DE P A P E G A A I ,<br />

A M A L I A.<br />

Hoe veel moet hij kosten?<br />

XURY.<br />

Drie Louis d'or. »<br />

BETTY.<br />

Zijt gij razend? hier koopt men een' papegaai<br />

voor een dukaat.<br />

XURY.<br />

Dat is meer dan ik voor u geeven zou, en minder<br />

dan een eenige veder van mijnen pagegaai<br />

waard is.<br />

BETTY.<br />

Gij zijt zeer wellevend!<br />

XURY.<br />

Men kan niet alles te gelijk zijn. Ik ben" eerlijk.<br />

Wilt gij hem koopen, fchoone vrouw?<br />

zo gij het geld misfen kunt, zo doe het! ik verkoop<br />

M iets, dat honderd daalders waard is. Den papegaai<br />

geef ik u toe.<br />

En dat is<br />

AMALIA.<br />

XURY.<br />

De vreugd van een weldaad gedaan te hebben.<br />

AMALl A.<br />

Gij b„-haagt mij : koom ik zal u het geld<br />

geeven.<br />

XUR Y.<br />

Nu,goede Jaco, lieve landsman, wij zien elkan.<br />

der


T O O N E E L S P E L . 77<br />

der thands voor de laatfte maal. Vaarwel ! pas<br />

braaf op, doe uwer opvoeding geene fchande aan!<br />

(Hij volgt Amalia. in kuis.)<br />

DERDE T O O N E E L.<br />

BETTY alleen.<br />

D at is nu weder een inval. — Wat helpt het?<br />

zij koopt den vogel, om hem morgen weder bij<br />

de eene of andere medelijdende ziel in den kost te<br />

befteeden. — Altooszegt zij: „Betty,gij hebt gril-<br />

„ len";en zij zeif is toch louter vol grillen. Hoort<br />

zij iets groots, iets fchitterends verhaalen; aanftonds<br />

fchieten haar de traanen in de oogen, en dan ftaat<br />

zij oogenbliklijk in beraad om een dommen<br />

ftreek te begaan- In zulke gevallen denkt zij dikwils<br />

noch aan ftand noch aan afkomst. Haare<br />

gunst kan men door kleinigheden winnen, en ook<br />

door kleinigheden verliezen. Reeds tweemaalen ftond<br />

zij op het punt om aanzienlijke huuwlijken aan<br />

te gaan. De eene minnaar was een Lord: deeze<br />

geviel haar; wijl hij in treurfpelen weende ; en<br />

zij gaf hem liet affcheid, wijl hij, bij gelegenheid<br />

dat zij met hem uitgereeden was, te veel de zweep<br />

gebruikte. Lieve hemel! en hij deed het alleen<br />

ten haaren gevalle. •— Nu vraag ik: heeft Betty<br />

zulke grillen? — De andere was een rijke Baronet :•<br />

dee


D E P A P E G A A I ,<br />

deeze wierp eens, toen men voor eenen prediker,<br />

wiens huis verbrand was, ineen groot gezelfchap,<br />

geld inzamelde , zijne geheele beurs in den hoed.<br />

Fluks had hij haar hart ingenomen ; daarna hoorde<br />

zij dat hijeenen ouden bedienden had weggejaagd,<br />

die twintig jaaren in het huis zijnes vaders geweest<br />

was: knap! gaf zij hem den zak. — Heeft Betty<br />

zulke grillen? — Een andermaal wilde zij met drom­<br />

mels geweld met eenen armen luitenant ter zee<br />

trouwen, wijl hij met gevaar zijnes levens eene<br />

zwangere vrouw gered had, die in het water ge­<br />

vallen was. Bij geluk moest de jonge heer kort<br />

daar aan met het esquader uitzeilen. — Heeft<br />

Betty zulke grillen? — Daar komt hij weder. Het<br />

moet toch aartig zijn, zulk eenen zwarten man te<br />

hebben. Ik moet eens met dien knaap wat prar.-<br />

ten. Quidj Hoor eens,zwarte!<br />

V I E R D E T O O N E E L.<br />

XURY; tellende het geld, dat hij ontvangen heeft,<br />

Zijt gij getrouwd?<br />

met aandagt na.<br />

BETTY.<br />

XURY, de munt van hetJluk gelds beziende.<br />

Dit is een vrouw.<br />

BET-


T O O N E Z L S P E L . 79<br />

BETTY.<br />

Wel zekerlijk, zot! met eene vrouw! of trouwen<br />

bij u te lande de mannen met mannen?<br />

XURY.<br />

Het zilver fchijnt mij toe zeer flecht te zijn. De<br />

neus is rood.<br />

BETTY.<br />

Wat! dat zegt mij een fchelm na! Denkt gij dat<br />

het mijne gewoonte is, wat diep in het glas te<br />

kijken?<br />

XURY.<br />

Wiens beeld of het toch zij ? het vrouwsperfooa<br />

is fchoon genoeg.<br />

BETTY, eene zekere houding aannemende.<br />

Men heeft zich in acht genomen.<br />

XURY.<br />

Daar ftaat iets gefchreven. Ik moet toch eens<br />

zien of ik het weinigje leezen, dat ik gekend heb,<br />

nog niet vergeeten ben. {.hij fpelt) E-li-fa- beth.<br />

BETTY.<br />

Ja zo heet ik ; maar kortheidshalve noemt mea<br />

mij Betty.<br />

x u * Y , terwijl hij het geld in zijnen zak fteekt.<br />

Wat drommel fnapt zij? zij is razend, of doof.<br />

Vaarwel!<br />

BETTY, hem terug houdende.<br />

Neen, zo hebben wij niet gewed.


Zo D E P A P E G A A I ,<br />

XURY.<br />

Wij hebben in het geheel niet gewed.<br />

BE TT Y."<br />

Maar wij zullen wedden.<br />

Waar over?<br />

XURY.<br />

BETTY.<br />

Dat gij u op mij verlieven zult.<br />

XURY.<br />

Ik? — ha! ha! ha! Ja waart gij in Afrika.<br />

BETTY.<br />

Wel nu! ware het niet zo ver van hier, intusfchen<br />

wat de Hemel eens befloten heeft.<br />

XURY,<br />

Git zwart, als ebbenhout.<br />

BETTY.<br />

Ei, daar let ik niet op,<br />

Ik wel.<br />

XURY.<br />

BETTY.<br />

Gij zijt al te befcheiden. Wanneer ik voor u<br />

maar fchoon genoeg ben.<br />

Hm! de mond —<br />

XII R ï.<br />

BETTY op haar lippen bijtende.<br />

De mond? Is die niet klein genoeg?


dik.<br />

T O O N E E L S P E L . 8t<br />

XURY.<br />

Juist daarom! breed moet hij zijn , de lippen<br />

BETTY.<br />

Wij verftaan malkander niet.<br />

XURY.<br />

Dit koomt mij ook zo voor; daarom ga ik.<br />

BETTY.<br />

Wagt nog een oogenblik , ik heb u zo iets te<br />

vraagen.<br />

XURY.<br />

En ik u niets te antwoorden; want offchoon gij<br />

zo zwart waart, als gij nu blank zijt, en wanneer<br />

gij ook flechts den fchijn van een neus, en lippen<br />

als leverbeulingen had; zou echter voor het tegen,<br />

woordige mijn Heer voorgaan?<br />

(Hij gaat heen.)<br />

BETTY.<br />

Wat fnapt dat wonderlijk fchepfel ? fchijn<br />

van een neus? lippen als leverbeulingen? Meent hij<br />

mij daar mede ? heeft hij lust mijne nagels in zijn<br />

kroeskop te voelen ?<br />

FT F


8? DE PAPEGAAI.<br />

V IJ F D E T O O N E E L.<br />

AMALIA, EETTY.<br />

A M A L I A driftig.<br />

Betty, Betty! loop hem na; haal hem terug:<br />

ik moet hem fpreeken.l<br />

BETTY.<br />

Waarom? Waarom?<br />

AMALIA.<br />

Dit zult gij naderhand wel hooren, — Loop!<br />

loop!<br />

, BETTY.<br />

Maar als hij niet koomen wil ?<br />

AMALIA.<br />

Zo beloof hem geld!<br />

BETTY, heengaande.<br />

Ik geloof, waarlijk, dat zij op dien zwarten verliefd<br />

is.<br />

Z E S D E T O O N E E L.<br />

AMALIA alleen.<br />

De zeldzaamfte papegaai, dien ik ooit gehoord<br />

heb. „ Bid George, bid voor uwen vader," riep hij<br />

Mij duidelijk toe. Daar fteekt iets agter, dat ik<br />

out-


T O O N E E L S P E L . 83<br />

ontwikkelen moet. Wie eenen papegaai, in plaatfe<br />

van: Wie daar? Goed vriend, en iets diergelijks,<br />

eene vermaaning tot een gebed kan leeren, moet zijne<br />

bijzondere redenen daartoe hebben. — Riep de vo­<br />

gel: „ Bid George!*' dan zou ik gelooven, dat hij<br />

aan eenen kwaker toebehoord had; maar! „ bid voor<br />

uwen vader!" Waarom juist: „ voor uwen vader"<br />

ZEVENDE T O O N E E L.<br />

A M A L I A , X U R Y , BETTY.<br />

Wat is 'er vnn uwen dienst, fchoone vrouw?<br />

Ik heb grooten haast.<br />

AMALIA.<br />

Waarom zo haastig?<br />

XURY.<br />

In dit oogenblik weent mooglijk een vader aan<br />

den h?ls zijnes zoons , en Xury , dat domme<br />

icl.epfel! kan hulp bieden, en koomt nog niet.<br />

AMALIA.<br />

Gij kunt hulp bieden? hoe zo?<br />

XURY.<br />

Een aartige vraag, met dit geld.<br />

AMALIA<br />

Gij maakt mime nieuwsgierigheid (reeds grooter.<br />

W?t is dat voor eenen vogel, dien gij mij verkogt<br />

hebt?<br />

F a XV-..


*4<br />

DE P A P E G A A I ,<br />

XURY.<br />

De fchoonfte vogel van de waereld: hij is ge­<br />

boortig van St. Domingo, niet ouder dan zeven jaa­<br />

ren, en kan'er nog honderd leeven, (preekt duitsch,<br />

eet amandelen, laat zich gaarne den kop kraauwen,<br />

en bijt kleine kinderen. — Berouwt u de koop,<br />

zo geef hem mij terug, maar het geld bekoomt gij<br />

niet weder.<br />

AMALIA.<br />

Zot! de vogel behaagt mij. Wie heeft hem het<br />

fpreeken geleerd ?<br />

Mijn Heer?<br />

Wie is uw Heer ?<br />

XURY.<br />

AMALIA.<br />

XURY.<br />

Een braaf ongelukkig man.<br />

Hoe is zijn naam?<br />

George Westerland.<br />

AMALIA.<br />

XURY.<br />

AMALIA deinst terug.<br />

George Westerland ? Baron van Westerland ?<br />

XURY.<br />

Niets van Baron ? Kan men zonder dat ook niet<br />

braaf zijn?<br />

AM A-


T O O N E E L S P E L . 85<br />

AMALIA.<br />

O ja, de deugd geeft geene diplomaas! Heeft<br />

uw Heer nabeftaanden in de ftad?<br />

Eenen armen vader?<br />

„Anders niemand ?<br />

dat?<br />

XURY.<br />

AMALIA.<br />

XURY.<br />

En eenen rijken broeder?<br />

AMALIA.<br />

De vader arm ? de broeder rijk ? hoe koomt<br />

XURY.<br />

Dat koomt zo; wijl de zoon een deugniet is, die<br />

den vader laat bedelen. Neem het mij niet kwaa-<br />

lijk, fclioone vrouw, de jonge Heer is mooglijk<br />

iemand van uwe kennis?<br />

AMALIA.<br />

Ja, ik ken hem; maar zo goed niet als gij hem<br />

mij leert kennen. Die arme vader! Maar hij heeft<br />

twee zoonen. — Ik wil hoopen dat uw Heer zij.<br />

nen broeder ongelijk zij.<br />

XURY.<br />

Zóó ongelijk als uwe kleur aan demijne is, dan ;he­<br />

laas! zijn goede wil is alles, wat hij bezit. Wanneer<br />

gij bij fchoon weder eens voor uw vermaak rij­<br />

den gaat; zo vestig uwe oogen op gindfehe klip­<br />

pen, en denk dan: het was toch hard, dat een<br />

F 3 goe-


Stf D E P A P E G A A I .<br />

goede zoon juist voor de haven fchipbreuk Jijden,<br />

alles 'er bij infchieten, en zijnen vader aan deube-<br />

delftaf vinden moest.<br />

A M A L I A .<br />

Gij hebt fchipbreuk geleden?<br />

XUK Y<br />

In den ftorrn van den voorledenen nagt.<br />

Maar de pnpegar.i ?<br />

AMALIA.<br />

XURY.<br />

De papegaai' Nu die deed zijn best om zich te<br />

redden; daar toe had hem de goede Hemel een paar<br />

vleugels aan het lijf gegeven. Toen het onweer op<br />

het hevigfte was, en het fchip tïootte on verbrij­<br />

zelde, vloog mijn arme Jaco op een Huk van<br />

de kajuit, dat op het water dreef; en riep: „ bid<br />

George:" jn , dagt ik: bidden heeft zijn tijd, thans<br />

moeten wij zwemmen. Ik deed mijn best om hem<br />

te naderen, vatte hem bij de pooten — want gij<br />

moet weeten, dat ik in het zwemmen mijnes gelij.<br />

ken wel zien wil — en zo bragt ik hem gelukkig<br />

aan land.<br />

AMALIA.<br />

En kund zo wreed zijn, hem te verkoopen ?<br />

XURY.<br />

Ach, fchoone vrouw! wat moesten wij doen' de<br />

©jademan had r.iets te eeten,en was dertien daalders<br />

fchuldig. Ik raadpleegde met mijnen Heer, en<br />

wij


T O O N E E L S P E L .<br />

wij befloten — neen; hij beiloot, ik heb geen<br />

deel aan deeze goede daad — den armen Jaco te<br />

verkoopen. Zekerlijk hebben wij beiden geweend,<br />

toen ik hem wegdroeg; en Jaco had gewis ook<br />

geweend, als hij had kunnen weenen.<br />

AMALIA.<br />

Maar fpreeken kan hij; en wat beduiden dewoor»<br />

den, die hij (preekt?<br />

XURY.<br />

Hoor, fchoone vrouw ! Mijn Heer werd voor<br />

tien jaaren uit zijnes vaders huis verftooten. Hij<br />

kwam te Jamaika, waar het hem in den aanvang<br />

jammerlijk genoeg ging. Lieve Hemel! hij bleef<br />

mensch,had zijnen vader nooit beledigd, en kwam<br />

dikwils in de verzoeking, om hem, onï zijne wreed­<br />

heid te vervloeken. Toen kweekte hij deezen pa­<br />

pegaai op , welke hem in de naare oogenblikken zijner<br />

wanhoop toeroepen moest: bid,George! bid voor<br />

uwen vader!<br />

AMALIA, aangedaan,<br />

Ik weet genoeg. Uw Heer moet een voortreflijk<br />

hart hebben.<br />

XURY, vuurig.<br />

Ja, fchoone vrouw! dat heeft hij.<br />

AMALIA.<br />

Gij zult hem zekerlijk niet verlaaten?<br />

F 4 x»-


D E P A P E G A A I ,<br />

XURY.<br />

Om alle de diamantmijnen van Golkonda niet.<br />

Goede jongen! — den papeguai hebt gij goedkoop<br />

verkogt. (Zij reik hem eene volle beurs toe)<br />

daar neem dat, en doe 'er u goed mede.<br />

x n R y.<br />

Ik dank u, fchoone vrouw. Gij zijt meer dan<br />

fchoon: gij zijt goed!<br />

AMALIA, ter zijde.<br />

Nimmer heeft mij iemand iets zo ftreelends gezegd.<br />

XURY.<br />

Nu flechts naar mijnen Heer geloopen, die zal<br />

opkijken over den rijken Xury. Vaarwel, fchoone<br />

vrouw.' de voorzienigheid geeve u een goudenftoel<br />

in den Hemel, en een zagt Bruiloftsbed op<br />

de aarde.<br />

AMALIA.<br />

Nog iets! waar is uw verblijf?<br />

XUR y.<br />

Wij hebben 'er geen. De goede oude visfcher<br />

nam ons in,<br />

C Hij loopt weg.)<br />

ACH


T O O N E E L S P E L . 89<br />

A C H T S T E T O O N E E L.<br />

AMALIA, BETTY.<br />

AMALIA, werpt zich op de bank neder, en leunt<br />

met het hoofd op haare hand.')<br />

BETTY.<br />

"Waar over of zij nu weder peinst? Ik heb van het<br />

ganfche gefprek bijkans niets verilaan. — Een<br />

fchipbreuk — een oude papegaai, die fchulden had,<br />

— een vaderlijk huis, dat naar Jamaika verftooten<br />

werd — daar moog de drommel wijs uit worden.<br />

AMALIA.<br />

Mijn hoofd is zo vol van gedachten, als 'er op<br />

een guuren winterdag fneeuwvlokken vallen, flechts<br />

zo koud niet als die.<br />

BETTY, ter zijde.<br />

Zij fpreekt van fneeuwvlokken; en wij hebben<br />

den fchoonften zomerfchen dag.<br />

AMALIA.<br />

Is het de liefde tot deezen zonderlingen; of is<br />

het mijn hart, dat mij romaneske beelden voormaalt?<br />

BETTY.<br />

Ha! lia! Zij fpreekt van beelden.<br />

F 5 AMA-


93 D E P A P E G A A I ,<br />

AMALIA.<br />

Hoe! wanneer ik befterad was, om dit deugd­<br />

zaam mensch gelukkig te maken; hoe ! wanneer<br />

hij beftemd was om mij die fchoone jaaren weder<br />

te geven, welken ik aan de zijde eenes knorrigen<br />

grijsaarts verloren heb?<br />

BETTY.<br />

Verloren? Het verftand verloren; zo fchijnt het<br />

•rij toe.<br />

AMALIA.<br />

Maar Lady Bedford en een bedelaar! maar een<br />

bedelaar met zulk een hart! het mijne heeft<br />

bij rang en rijkdom gebrek moeten lijden.<br />

wen:<br />

BETTY.<br />

Ik geloof waarlijk, zij wil den zwarten trou- .<br />

AMALIA.<br />

Of hij welgemaakt is? — want dit is toch al­<br />

toos het punt, waar naar onze oogen het eerst<br />

zien, die den troon der reden voorbij gaan, en<br />

ons hart er berigt van doen. — Onverfchillig is<br />

mij zijne geftalte zekerlijk niet; maar mijn befluit<br />

bepaalen neen, dat zal zij ook niet. Mij<br />

is zijne deugd genoeg. Een goede zoon is ook<br />

een goede echtgenoot. - Die zogenaamde Baron<br />

—— is gewis zijn broeder. Gelukkig, dat dit<br />

toeval mij hem beeft leeren kennen. Hij is niet<br />

flechts een gek, hij is een lasteraar; want de eer-<br />

fte


T O O N E E L S P E L . *i<br />

fie fdireede van dien affchuuwlijken booswigt<br />

was de verachting zijner ouderen. Laat ons zien;h, e<br />

vang ik het aan, om den fpraakmeester van mijnen<br />

papegaai te leeren kennen ? — hem tot mijnent te<br />

verzoeken? — dit zou mij verlegen maaken. Ik<br />

•weuschte liever bij toeval — (zij bedenkt zich.)<br />

NEGENDE T O O N E E L.<br />

SE VOORICEN. DU OUDE VISSCHER.<br />

DE VISSCHER.<br />

Ei, zo wilde ik, dat gij allen in den afgrond der<br />

zee laagt, gij, onbarmhartige menfehen! üitgelag-<br />

chen heeft mij dat duivels volk, die rijken :<br />

Slechts<br />

bij arme hondsvotten, als ik. heb ik deeze drie<br />

daalders te faamgekregen — wat zal hij daar mede<br />

aanvangen ?<br />

Waarschijnlijk is dat de oude Visfcher die hem her-<br />

tergde — Goede vriend! is die hut de uwe?<br />

DE VISSCHER, ter zijde.<br />

Dat is ook eene rijke — Zo het niet met de wel­<br />

levendheid ftreed, gaf ik haar geen antwoord.<br />

AMALIA.<br />

Hebt gij mij niet verftaan? Is die hut de uwe?<br />

BE


92 DE PAPEGAAI,<br />

DEVISSCHEH.<br />

Ja, Mevrouw! Ik ben er geen penning op fchuldig.<br />

AMALIA, glimlagchende.<br />

Dit is het niet: waarom ik het vraag: men<br />

heeft mij gezegd, dat gij eenen grijsaart met zijnen<br />

zoon herbergt,<br />

DE VISSCHER.<br />

Dan heeft men u de waarheid gezegd.<br />

AMALIA.<br />

Zijt voorzichtig, oude! Op die lieden zou geen<br />

goed hair zitten.<br />

DE VISSCHEB.<br />

Dan heeft men hen verdoemd belogen,<br />

Hoe zo ?<br />

AMALIA.<br />

DE VISSCHER.<br />

Wijl ik fchier geloof, dat gij in alle uwe voornaame<br />

huizen te vergeefs zoeken zult naar het geen<br />

ik in mijne hut heb. Den ouden maaken zijn<br />

grijs hair en ongelukken achtbaar. De jonge — o<br />

een braave jonge! zo eerlijk en braaf, zo kinderlijk<br />

en vroom — hij'heeft niets, dan zijn hart en<br />

goeden naam: (Mj neemt zijn muts af) en ik bid u<br />

mevrouw, geen van beiden in mijne tegenwoordigheid<br />

te beledigen.<br />

A M A-


T O O N E E L S P E L . 93<br />

A M A L I A .<br />

Wanneer ik naar uwe loffpraak oordeelen zal,<br />

zo rhoet uw gast een voortreflijk mensch zijn.<br />

DE vrssciiER.<br />

Dat is hij ook. Wanneer eene jonge rijke we­<br />

duwe haar geluk bevorderen wilde. —<br />

A M A L I A .<br />

Zijn geluk bevorderen wilde?<br />

DE VISSCHER.<br />

Haar geluk bevorderen wilde. Ik weet wel wat<br />

ik zeg.<br />

A M ALI A.<br />

Waarlijk? Ik dank u, goede grijsaart! maar —<br />

(ter Zijde) Vrouwen! hoe bezwaarlijk valt u het<br />

veinzen! (eenvóuwig) ziet hij 'er we !<br />

l uit?<br />

DE V I S S C H E R , glimlagchende.<br />

Of hij 'er wél uitziet? — ha! ha! ha! wat<br />

fcheelt het mij, of hij er wél uitziet? Hij heeft<br />

een bult, Mevrouw! en ziet fcheel met beide oo­<br />

gen. — Daar komt hij zelf. Nu kunt gij hem zei.<br />

ven opneemen en bezien, zo veel het u lust. Of<br />

hij 'er wél uitziet? Ha, ha, ha! als of daarom zijn<br />

hart beter ware!<br />

A M A L I A , nieuwsgierig G E O R G E aanziende.<br />

Juist zo, gelijk ik hem wenschte.<br />

TIEN-


#4 DE PAPEGAAI,<br />

TIENDE T O O N E E L.<br />

GEORGE met de beurs van A M A L I A in dt '<br />

hand.<br />

DE VOORIGEN.<br />

GEORGE tegen den Fisfcher,<br />

Eerlijke grijsaart! mijn vader fluimen en Xury weert<br />

hem de vliegen van het aangezicht — koom!<br />

help mij den norfchen fchipper opzoeken! Zie<br />

hier is geld —geld! nu k-m ik hem helpen. In het<br />

vervolg zullen wij flechts één huisgezin uitmaaken;<br />

de ganfche week arbeiden . en des zondags onder de<br />

luiden bij een glas bier regt vrolijk zijn.<br />

DE VISSCH F R.<br />

Zie, jonge Heer! nu zou ik mij verheugen; maar<br />

ik verheug mij echter flechrsten halven, wijl ik niet<br />

helpen kan. Drie daalders is alles, wat ik heb kun­<br />

nen bijeenkrijgen.<br />

GEORGE.<br />

Goede oude! Uwe daad blijft, wat zij is, Koom!<br />

koom!<br />

Mijn heer! een woord!<br />

AMALIA (eenvouwig.)<br />

Gfioi- GE (verlegen.)<br />

Mevrouw! ik heb diingende berglieden. —<br />

AM A.


T O O A ' E E L S P E L . &<br />

AMALIA.<br />

Uwe bezigheden ken ik, en u wenschte ik te<br />

leeren kennen.<br />

GEORGE.<br />

Mevrouw, gij zult u in den perfoon vergisfen.<br />

Ik ben een vreemdeling, die eerst zederd weinige<br />

uuren... —,<br />

AMALIA.<br />

Ik vergis mij niet. Ik fpreek met George Westerland.<br />

GEORGE, verbaasd.<br />

Zo is mijn naam; doch ik moet mij met regt<br />

verwonderen, deezen onverfchilligen naam uit den<br />

mond eener onbekende Dame te hooren,<br />

AMALIA.<br />

Mijn heer! deeze naam is mij niet onverfchillig,<br />

GEORGE, ter zijde.<br />

Zonderling! waarfchijnlijk eene Iigte kooi, die<br />

mij voor eenen rijken West-Indienvaarder aanziet,<br />

(hard). Mevrouw, gij ziet eenen fchipbreukling<br />

voor u, die u in niets, in niets hoegenaamd van<br />

dienst zijn kan.<br />

AMALIA.<br />

Zo kan ik u misfchien van dienst zijn. Ik verwonder<br />

mij in zulk een goed hart den argwaan tevinden:<br />

flechts eigenbelang zij de drijfveer aller<br />

handelingen,.<br />

6 S-


25 DE P A P E G A A I ,<br />

GEORGE.<br />

ó Mevrouw! wanneer men veel onder het menschdora<br />

verkeerd heeft, zo verdwijnt de zoete droom<br />

van broederliefde en men feitelijkheid.<br />

AMALIA.<br />

Ik zou u om dit grondbeginfel haaten; wanneer<br />

niet uwe ongelukken u ontfchuldigden. .<br />

GEORGE, ter zijde.<br />

Hm! Zo fpreekt geene lichtekooi!<br />

AMALIA.<br />

Sta mij eene vraag toe, die u waarfchijnlijk zeer<br />

zonderling zal voorkoomen, maar ik bid u, mij<br />

nier in den aanvang, maar na het einde, onzes gefpreks<br />

te beoordeelen!<br />

GEORGE.<br />

Vraag flechts, Mevrouw!<br />

AMALIA.<br />

Zijt gij getrouwd?<br />

GEORGE, fchielijk.<br />

De Hemel zij gedankt! neen.<br />

AMALIA.<br />

De Hemel zij gedankt! neen? — Zijt gij dan<br />

een vrouwenhaater?<br />

GEORGE.<br />

Dit zij verre; doch het zoude mij van harte<br />

leed doen, een onfchuldig fchepfel in mijne elende<br />

te hebben gewikkeld; maar vergeef mij! klaagen<br />

is mijne gewoonte niet.<br />

AM A-


T O O N E E L S P E L . 97<br />

AMALIA.<br />

Moed! moed! Een uwer dichters zegt, zoowaar<br />

als fchoon: „Eeneenigoogenblik kan alles vergoeden."<br />

Gij ftaat alzo in hoegenaamd geene verbindnis<br />

met eene vrouw; het zij hier , het zij in Indien?<br />

GEORGE.<br />

Ik begrijp niet, Mevrouw —<br />

AMALIA.<br />

Waarom ik dit vraag' Gij zult het wel ontdek,<br />

ken. Mijn heer! ik ben lady Amalia Bedfort.<br />

Milady.<br />

GEORGE.<br />

AMALIA.<br />

Dezelfde, die uwen papegaai kogt.<br />

G EO RGB, zeer verlegen.<br />

Zo moet ik u danken.<br />

AMALIA.<br />

Tot nog toe niets; maar veelligt eens iets. - Ik<br />

weet uwe gefchiedenis; ik weet ook waarom gij<br />

uwen papegaai verkogt.<br />

GEORGE, half ter zijde.<br />

Zou Xury mij verraaden hebben?<br />

AMALIA.<br />

Niets minder. Uw papegaai verried 0, en Xury<br />

verried Hechts den papegaai.<br />

GEORGE.<br />

Ik begrijp niet, Mevrouw! waar been gij met<br />

dit alles wilt.<br />

Q ; A M A-


5>t DE PAPEGAAI,<br />

AMALIA.<br />

Misfehien naar een onverwagt, maar goed emde„<br />

Uwe kinderlijke liefde heeft mijn hart geheel en-<br />

al ingenomen. De fchrede, welke ik op het puat<br />

fta om te doen, is zonderling, zeer zonderling;<br />

maar ik ben eene vrije Brittin, en volg de infpraak<br />

mijnes harte. Mijn' naam weet gij. Ik heb jaarlijks<br />

3000 pondenfterlings inkoomcn. Lord Bedfort,een<br />

grijsaart, dien ik eens gedwongen wierd mijne hand<br />

te geeven, leeft niet meer. Dat ik geen leelijke<br />

vrouw ben, zegt mij mijn fpiegel; dat. ik eene<br />

goede vrouw ben, bewijst ti de achting, die ik<br />

voor uwe deugd toon; want die alleen kan de deugd<br />

hoogfchatten, wiens hart voor dezelve vatbaar is..<br />

— Mijn heer •- het word mij zwaar, verder te<br />

fpreeken — verlfaat gij mij 2<br />

GEORGE.<br />

Milady — ik heb flechts ééns gedachte — en<br />

die is te groot voor deeze waereld<br />

AMALIA.<br />

Gij moet mij eerst regt leeren kennen, (levendig)<br />

fta mij toe u mijn karakter te fehetfen. Ik ben agt-<br />

en - twintig jaaren oud , een weinig i jdel, lagch<br />

gaarne, en zie zeer ongaarne dat anderen weenen —<br />

(eensklaps ernjlig'i Ik kan echter ook wecnen , wanneer<br />

ik goede menfehen lijden zie; en als de nood het<br />

vordert, meer dan weenen. (weder levendig • Mijn<br />

weduwftaat begint mij te verveelen ; ik befloot<br />

we-


TOONEELS P E L. 99<br />

weder te trouwen; en mijne keuze meer aan de<br />

reden , dan aan het hart overtelaaten. Ik zag vee •<br />

ie mannen, maar hart en reden zweegen. Ook<br />

W2s uw broeder onder deezen.<br />

Ja, uw broeder! —<br />

D E VISSCHER.<br />

AMALIA.<br />

Stil! niets meer van hem, het moet u wee doen<br />

zijnen naam te hooren. — Reeds dagt ik mij<br />

tot den eeuwigen weduwflaat veroordeeld; wie<br />

had kunnen denken, dat een papegaai daar Ipreeken<br />

zou, waar reden en hart zweegen! „ George bid,<br />

„ voor uwen vader," riep mij de vogel toe; en<br />

deeze ongewoone woorden in den bek eenes pape-<br />

gaais maakten mijne nieuwsgierigheid gaande. Ik<br />

liet uwen Xury terug roepen; ik vroeg hem uit<br />

nu weet gij alles. Uwe kinderlijke liefde heeft mij<br />

met agting en verwondering vervuld , heeft mij<br />

den wensch doen uitboezemen , dat ik, van het<br />

lot tot een middel mogte zijn uitgekozen, om uwe<br />

deugd te beloonen. — Wij kennen malkanderen<br />

nog te weinig, om ons te minnen; maar genoeg,<br />

om ons hoog te fchatten, en dan, zegt men, is 'er<br />

flechts eene kleine fchreede meer overig. En wan­<br />

neer ik nu befloten had. na den proeftijd van een<br />

jaar, mijn lot met u te deelen. — antwoord, mijn<br />

heer! vrij en openhartig, hoe de Duitfche man<br />

G 2 over


100 DE PAPEGAAI,<br />

over de Britfche vrouw denkt! Zoudt gij met mij<br />

dien ftap waagen durven ?<br />

GEORGE.<br />

Milady! — Uwe grootmoedigheid — mijne verbaasdheid<br />

— wanneer het geen droom zij<br />

AMALIA.<br />

Waarheid ! hoe zonderling dit alles mij zeiven<br />

ook fchijne.<br />

GEORGE.<br />

Zo gij dan niet flechts fchertst, Milady! zo gij<br />

dan waarlijk eene openhartige Brittin zijt ;<br />

zo hoor vrijwillig de openlijke bekentenis eenes<br />

Duitfchers. Ik heb nimmer bemind; maar een<br />

hart, dat nooit bemind heeft, is voor de min het<br />

vatbaarfte. Gij zijt fchoon, Milady! gij hebt ver-<br />

ftand, en een edel hart. Ik gevoel.dat ik u bemin­<br />

nen zal. Maar wanneer nu eens de zagtfte band<br />

ons vereenigt . wanneer aan uwen boezem mijn<br />

geluk weder ontluikt, wanneer uw rijkdom mij<br />

in ftaat ftelt, mijnen ouden vader zijne laatfte dagen<br />

te verzoeten; zal u nimmer in het een of ander<br />

oogenbiik eenig verwijt ontflippen ; zal nimmer<br />

de gedachte kwelling geeven van u aan eenen bede­<br />

laar zonder naam , rang , • of aanzien te hebben<br />

opgeofferd? Zult gij het altoos aan mijn eben<br />

gevoel overlaaten, mij aan het geen te herinneren<br />

wat gij voor mij deed? ó Milady! Elk droevig'<br />

00.


T O O N E E L S P E L . ioi<br />

oogenblik, elke rimpel in uw voorhoofd zou mij<br />

de verfchriklijke ged?ch: e doen opvatten : „De (tap,<br />

welken gij thans doen wilt, hebbe u berouwd!**<br />

en ach! tienmaal ongelukkiger zou ik dan zijn!<br />

tienmaal rampzaliger, wanneer ik u minde. Be­<br />

proef u zelve! Luister niet naar de infpraak uwes<br />

harte, overweeg de gevolgen , en bellis daa<br />

n.ijn lot.<br />

AMALIA.<br />

Ja, gij zïit mijn hart, mijne liefde waardig!<br />

De Hemel geeve, dat deeze mijne gevoelens nim­<br />

mer veranderen mogen, zo ben ik binnen het<br />

jaar eene der gelukkigfte vrouwen.<br />

Dit tijdperk —<br />

GEOttGIi.<br />

AMALIA.<br />

Is niet te lang; ons geluk hangt daar van af.<br />

Het geen ik doe, is reeds zo vreemd — wat<br />

zoudt gij van mij denken, wanneer ik zonder a<br />

te kennen, nog verder ging ? — Spreek!<br />

GEORGE.<br />

Ik onderwerp mij aan elke proef; ook aan dit<br />

viitftel mijnes geluks. — (hij kuschtJiaare hand.)<br />

DE VISSCHEB.<br />

En hij zal de proef doorftam, zo waar als ik een<br />

eerlijk man ben! Ook zij zal de proef door-<br />

ftaan; want zo iets heb ik in mijn leeven nog<br />

nimmer van eene rijke gehoord. En wijl zij dus<br />

G 3 bei-


102 D E P A P E G A A I ,<br />

beiden de proef zullen doorftaan, zo zeg ik<br />

ziet gij! met traanen in de oogen — de liemel<br />

zegene hun voorneemen!<br />

BETTY.<br />

Mijne ooreu hebben niets verftaan ; mijne oogen<br />

echter des te meer.<br />

G E O R G E .<br />

Goede oude! nimmer zal ik vergeeten, dat gij<br />

mij uwe hut opende, toen nog alle harten voor<br />

mij gefloten waren.<br />

AMALIA.<br />

Leef nog flechts één jaar, braave man! en gij<br />

zult op mijne bruiloft aan onze tafel zitten.<br />

DE VISSCHER.<br />

Te veel eer, Mevrouw! neen, daarbij voeg ik<br />

aïet. Ik zal van verre Haan, en voor u om zegen<br />

bidden.<br />

G E O R G E .<br />

Ik vlieg naar mijnen vader! Zulk eene boodfcbap<br />

is verkwikkender, dan (luimeriug. Met deeze vreugd<br />

zal ik hem wekken, en in de armen zijner dochter<br />

voeren! (hij gaat heen.)<br />

B E T T Y .<br />

Nu, dat heb ik lang gedagt, dat zij zich op zulk<br />

eene wijs nog eens zoude laaten vangen. Milady!<br />

Uwen voornaame naastbeftaanden in London zal het<br />

regt aangenaam zijn, wanneer zij de tijding van uw<br />

huwlijk krijgen,<br />

A M A


T Q O N E E L S F E L . 103<br />

AMALtA.<br />

Ik verzoek diergelijke aanmerkingen na te laten.<br />

B E T T Y .<br />

Dat denk ik ook; aan aanmerkingen zal het niet<br />

entbreeken.<br />

AMALIA.<br />

Ik leef voor mij, en niet voor mijne rVastbeftaan»<br />

^ e n - Bij den jammerhartigen heer BaVon wordt<br />

het van daag laat dag! —<br />

D E VIS SC II E R.<br />

Ta, dat wilde ik u daareven reeds zeggen — die<br />

is over alle bergen heên,<br />

Wat zegt gij ?<br />

AMALIA.<br />

D E VISSCHER.<br />

^Reeds afgezeild. Ik zag hem en Hendrik ophet<br />

dek gij zult gelukkig overkoomcn, dagt<br />

ik; want wat hangen zal...<br />

ELFDE T O O N E E L.<br />

BE VOORIOEN, RICHARD, GEORGE, X V E V.<br />

G E OR G F.<br />

Hier is zij, die edele, zonderlinge vrouwf<br />

R I C H A R D , gatt waggelende mar haar toe.<br />

Milady! — mijn dank is itom — Een traan vaa<br />

vreugd —. in twintig jaaren heb ik dien niet ge­<br />

weend — zij het loon uwer grootmoedigheid!<br />

A M A-


101 D E P A P E G A A I .<br />

AM AL IA.<br />

Lieve vader! Het loon voor bet geene ik doe,<br />

is de hand eens braaven. Staat hij zijne proef<br />

door!....<br />

RICHARD.<br />

Dit zal hij — of het vuurig gebed eenes vaders<br />

moest niet tot's Hemels troon klimmen! —<br />

A M A LI A.<br />

Zo zal in het vervolg niets deezen gelukkigen<br />

kring fcheiden: onze vader, mijn George, ik, en<br />

deeze braave oude, (op den visjcher wijzende.)<br />

x u R Y.<br />

En den armen Xury zoudt gij vergeeten, die zo<br />

blijd is — zo blijd is, dat hij weenen moet,als een<br />

kind.<br />

GEORGE.<br />

Xury! mijn vriend! onder geenen anderen naam<br />

zult gij bij mij woonen.<br />

AMALIA.<br />

En den papegaai fchenk ik u weder.<br />

XURY.<br />

Ik dank u hartelijk: Mijn goede Jaco! hoe blijd<br />

zal hij zijn Eiken morgen zal ik hem de woorden<br />

lecren: „ Xury! bidvoor Ge irgeen de goede vrouw!"<br />

RICHARD.<br />

Leer hem: „ Zó beloont deïlemel kinderlijke liefde."<br />

Einde van liet derde en hatjle bedrijf.


...lieve Meïiie! g'ij moet Let ilarerblaatljen voltallig"<br />

ma aken .


BROEDER MÖRIÏS,<br />

DE ZONDERLINGE;<br />

O F<br />

DE VOLKPLANTING<br />

VOOR DE<br />

PELEW-EILANDEN.<br />

T O O N E E L S P E L ,<br />

IN DRIE B E D R I J V E N ,<br />

DOOR<br />

A. VAN KOTSEBUE.


P E R S O O N EN.<br />

M0RITS ELDINGEN.<br />

EUFROSINE, oude moei^<br />

JOULTJE, 1<br />

7 zusters .<br />

>van MORITS.<br />

NETJE , J R<br />

OMAR, een jong Arabier, J<br />

vriend en bediende J<br />

MARIA, kamenier van Eufrojine. •<br />

WILLEM VAN MOLL, asfesfor bij den raad van<br />

Juflitie.<br />

DIEDRIK VAN MOLL, gepenjïoneerd officier, en<br />

broeder van Willem.<br />

De kamerheer van STIERENBOCK.<br />

Schipper THOM.<br />

K A R G , een hedendaagsch fchrijver.<br />

Een kind. /<br />

(Het tooneel is in eene zeejlad.)


B R O E D E R M O R I T S ,<br />

T O O N E E L S P E L .<br />

E E R S T E BEDRIJF.<br />

E E R S T E T 0 O N E E L.<br />

Het tooneel verbeeldt een zeer groen oord: aan deszelfseinde<br />

ziet men eenen tuin, met een hek omringd, wiens deur<br />

op het tooneel uitkomt: aan beide zijden ftaan eenige<br />

banken van zoden:op den voorgrond ziet men rechts en<br />

links de beelden van de Liefde en van Diana: ver in het ver-<br />

fchiet verheft zig een fraai gebouw boven het geboomte uit.<br />

K A R G : hij zit op één der banken met een lei en<br />

griffie in de hand, bedenkt zig, fchrijft,<br />

fchudt het hoofd, wischt het gefchrevene<br />

uit, en bedenkt zig andermaal.<br />

Eerst den tytel ! het boek zal wel volgen : een<br />

boek te fchrijven is geen kunst: op drie, vierhon­<br />

derd bladzijden allerleie waar ter markt te brengen,<br />

die den kooper graag maakt! — ei! wie kan dat niet?<br />

maar een' tytel te vinden, die zonder eenige ver­<br />

dere hulp in ftaat is het boek aan den man te- bren­<br />

gen ; een' tytel , die zelfs, bevoorens men eens<br />

weete of er aardappelen dan wel fefanten of pafteien<br />

zullen opgedischt worden, den eetlust wekt; een'<br />

tytel, dis uit één , ten hoogften twee woorden be-<br />

A a ftaat,


4 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

ftaat, en echter op honderd boeken toepasfelijk is,<br />

dit is het meesterftuk der hedendaagfche vernuften;<br />

en, de Hemel zij dank! in het maaken van tytels<br />

wijk ik niemand : mijn boekverkooper bevindt er zig<br />

ook reeht wèl bij: deeze keer wil het echter niet<br />

lukken; en, al is de inhoud zelve nog zo gewigtig,<br />

wie leest tegenwoordig een boek als de tytel niet<br />

nieuw is, en op het eerfte aanzien, bevalt. (Zig be­<br />

denkende.) Over den oorfprong des kwaads — dit koopt<br />

niemand—-Da bron der boosheid — dit leest niemand —<br />

De bron des ongeluks — dit zou er eerder naar gelij­<br />

ken — Pandora's doos — dit is al oud vuil. (Zig<br />

voor het hoofd flaande.) Zo! daar heb ik het: een<br />

electrique vonk ! Duivel, zal het boek heeten —<br />

Duivel', en niet ééne lettergreep meer: (Hijfchrijft.)<br />

Een goede Engel heeft mij daar den Duivel ingefluis­<br />

terd : dat boek zal een verbazenden aftrek hebben ï<br />

ik wed dat de duivel zijn' derden druk beleeft.<br />

TWEEDE TOONEEL.<br />

K A R G , O M A R , die een tafel uit den tuin draagt<br />

en dezelve voor eene der banken zet.<br />

KARG.<br />

Goeden morgen, goeden morgen Mijnheer Omar!<br />

reeds zo vroeg uit de pluimen? wat zal dit hier<br />

worden ?<br />

OMAR.<br />

Men wil in het groen ombijten.<br />

KARG?


T O O N E E L S P E L , $<br />

K A R G.<br />

Ei, ei! de inval is niet kwaad! een recht poëti-<br />

fche inval! ik ben ook nog nuchteren, en zal des<br />

maar hier blijven.<br />

OMAR.<br />

Zo als het u belieft: 't is hier koel, de fchaduw<br />

is recht aangenaam : het gindfehe huis — neem het<br />

mij niet kwalijk, Mijnheer! op het bouwen verftaat<br />

gij u niet — 't huis is als een lantaarn; in alle ka­<br />

mers wordt men fchier door de zon gebraden :<br />

veel liever wilde ik voor eene Arabifche tent dub­<br />

belde huur geevea, dan een enkele voor zulk een<br />

broeikast.<br />

KAR G.<br />

Goede vriend! ik heb het huis niet gebouwd.<br />

OMAR.<br />

Eten moest gij het ook niet gekocht hebben.<br />

K A R G.<br />

Ik heb het ook niet gekocht; het is eene ervenis<br />

van mijn' vader»<br />

OMAR.<br />

Was uw vader ook een fchrijver?<br />

K ARG.<br />

Ach, lieve Hemel! neen ! hij was een kousfen -fa-<br />

brikeur.<br />

OMAR.<br />

Wat van beiden brengt meer op? het fchrijven of<br />

èe koufenfabriek?<br />

A 3 IAIÏ.


6 B R O E D E R . M O R I T S ,<br />

K ARG.<br />

Helaas! de koufen fabriek ; doch maar alleen ,<br />

wat baar geld , niet wat roem en eer betreft: in<br />

de kamers, die ik thans verhuur, ben ik groot<br />

gebragt.<br />

OMAR.<br />

En uwe kamer onder het dak ?<br />

KAR G.<br />

Bewoonden toenmaals mijns vaders leerjongens: de<br />

wereld is onbillijk, blind !<br />

OMAR.<br />

Dat's niet waar , zij ziet met heldere oogen :<br />

koufen zijn noodzaakelijk, boeken kan men ontbee-<br />

ren; zo denkt de wereld.<br />

K A R c.<br />

En heeft onrecht. (Omar gaat af en aan, en haalt<br />

het theegoed: Karg roept hem, na:) Doch de eer 1 de<br />

eer! — maar wat weet een Arabier van eer ! ik<br />

woon zekerlijk flechts onder het dak, dan, mijn<br />

naam woont in paleizen: zekerlijk zijn mijne maal-<br />

tijden flechts Pythagorisch ; dan mijn naam is zout<br />

en peper op'de tafel der Grooten: (Tegen Omar.)<br />

Kom eens wat nader , goede vriend ! laaten wij<br />

wat praaten : het is nog vroeg ; en uw meester<br />

flaapt nog: ik wil u een ontwerp mededeelen, waar­<br />

door gij op éénmaal door gantsch Europa beroemd<br />

kunt worden,<br />

OMAR.


TOONEELSPEL. y<br />

OMAR.<br />

Beroemd? ik wil niet beroemd zijn.<br />

K ARG.<br />

Hoor flechts: een ontwerp, welks uitvoering u<br />

allergemaklijkst vallen zal: reeds lang ben ik voor.<br />

neemens geweest, eene befchrijving van Egypten uit-<br />

tegeeven, waarin noch Savary, noch Pococke, noch<br />

Volney, of hoe zij anders heeten, breedvoerig ge­<br />

noeg geweest zijn.<br />

OMAR.<br />

Zijt gij dan in Egypten geweest?<br />

Wel neen I 1<br />

KAKG.<br />

OMAR.<br />

,En gij wilt er eene befchrijving van uitgeeven?<br />

KARG.<br />

Waarom niet? gij zult mij helpen: Egypten is uw<br />

vaderland; gij kunt mij de gewigtige zaaken aan de<br />

hand doen, en tot erkentenis zal ik uwen naam laa-<br />

ten drukken.<br />

Zeer verpligt.<br />

OMAR.<br />

KARG.<br />

Men kon zelfs in een bijvoegzel uwe reizen op-<br />

disfchen: het publiek houdt veel van reisbefchrij-<br />

vingen.<br />

OMAR.<br />

'T zou mogelijk de moeite niet waardig zijn.<br />

KARG.<br />

Ei! waarom niet? tegenwoordig is alles de moeite<br />

A 4. waar-


* B R O E D E R M O R I T S ,<br />

waardig , en , voor zo ver ik weet hebt gij met<br />

uwen Heer de halve wereld doorkruist?<br />

Zo omtrent.<br />

OMAR.<br />

K A R G .<br />

En een menigte avantuuren gehad!<br />

Ja-<br />

OMAR.<br />

KARG.<br />

Misfchien zelfs eens fchipbreuk geleden 2<br />

Neen, dat niet.<br />

OMAR.<br />

KARG.<br />

Ofwel een nieuw eiland ontdekt?<br />

Dat ook niet.<br />

OMAR.<br />

KARG.<br />

Maar zeg mij' toch, hoe is uw Heer aan dien groo.<br />

ten rijkdom gekomen?<br />

Is mijn Heer rijk?<br />

OMAR.<br />

KARG.<br />

Wel zekerlijk! als een Spaansch regifterfcbip :<br />

men weet immers den armoedigen ftand wel, waarin<br />

vóór zijne aankomst, zijne beide zusters en oude<br />

moei leefden? zij woonden in een acbterïtraatjen, op<br />

een armzalig klein kamertjen, alwaar zij zig, bijkans<br />

dag en nacht, de vingers aan ftukken naaiden om met<br />

£cre aan een kqrstjen broods te komen; naauwlijis<br />

ech-


T O O N E E L S P E L , $<br />

echter verfcbeen hun Heer broeder, of het kleins<br />

hutjen werd, als door eene toverroede, in dit prach.<br />

tig landhuis veranderd, wollen tegen zijden verwis-<br />

feld, en diamanten namen de plaats van glascierfels<br />

in: de gantfche ftad heeft er den mond vol van, men<br />

gist er op allerleie wijse over.<br />

Die arme menscbjens!<br />

O M A K.<br />

KARG.<br />

Nu , nu , het is een geoorloofde nieuwsgierig­<br />

heid — ik zeif moet bekennen dat ik het gaarne<br />

wist — mogelijk heeft uw Heer in de Egyptifche<br />

pyramiden het graf van deezen of geenen Koning ge­<br />

plunderd ?<br />

Neen.<br />

OMAR.<br />

KARG.<br />

Of van onder de ruïnen van Palmyra ecnen fchat<br />

opgegraven ?<br />

Ook niet.<br />

OMAR.<br />

KARG.<br />

Of goud uit het flik van de Nijl gewasfchen?<br />

OMAR.<br />

Nog minder; ik wil u het geheim met korte woor­<br />

den yerklaaren: mijn Heer is een woekeraar.<br />

KARG.<br />

Een woekeraar ! daar zie ik hem evenwel niet<br />

voor aari. 4<br />

A 5 OMAI^.


*0 B R O E D E R M O R I T S j<br />

OMAR.<br />

Hij is door de Natuur met twee groote fchatten<br />

bedeeld ; de eene draagt hij hier , (op zijn hart<br />

vijzende:) de andere daar, (op zijn voorhoofd -wij­<br />

zende:) de eene heeft hem duizend harten verwor­<br />

ven , en de andere de beurs gevuld: verftaat gij mij ?<br />

KARG, glimplagchende, en op een<br />

ontevreden toon.<br />

Ja, ja ! dit is recht aartig gezegd, en Iaat zig wel<br />

eens in een boek ftellen; jammer flechts, dat het<br />

niet waarfchijnelijk is: het hart, mijn lieve vriend !<br />

kan in baare munt geen'penning opweegen, en het<br />

hoofd — ach goede Hemel! elk ander lid wordt beter<br />

betaald dan dat.<br />

OMAR.<br />

Gij hebt mis ! maar, al ware het zo, had echter<br />

de Natuur hierin niet onbillijk gehandeld; want het<br />

hoofd en hart betaalen zig zelvcn met een munt,<br />

welke geen Vorst flaan kan: met het gevoel hunner<br />

waardij e naamlijk.<br />

(Men hoort van verre Netje in den tuin zingen.)<br />

jMetje komt!<br />

DERDE TOONEEL.<br />

De voorigen. JUULTJE, NETJE.<br />

OMAR, met blijken van onrust.<br />

(Juultje en Netje komen gearmd aan.)<br />

HET-


TOONEELSPEL. rt<br />

NETJE: op de theetafel wijzende.<br />

Zie daar ! 't is waarlijk als of wij in de oude goede<br />

dagen der fchikgodinnen leefden: „ Tafel, deku!"<br />

een flag der toverroede, en alles is gereed.<br />

JUULTJE.<br />

Goeden morgen, Omar !<br />

Goeden morgen, Omar!<br />

NETJE.<br />

OMAR.<br />

Goeden morgen, fchoone meisjens!<br />

Goeden morgen, lieve Zon !<br />

NETJE, opwaards ziende.<br />

JUULTJE, Karg gewaar wordende.<br />

Ook onzen huisheer ! (Zij neigt.)<br />

NETJE.<br />

Van Febus tot zijnen voedfterling. (Tegen Karg.)<br />

Zoon van den Olympus ! (Zij maakt eene diepe neiging.)<br />

KARG: haaren groet met gemaaktheid<br />

beantwoordende.<br />

Gezellinne van Venus! fchalkachtige gratie !<br />

NETJE.<br />

Mooi! mooi! nog niemand heeft mij eene gra.<br />

tie genoemd: om bezongen te worden, moet men<br />

flechts den dichter prijzen. Goede Heer Karg! vereer<br />

mij toch een klein weinig onftervelijkheid ! maak<br />

toch eens een vers op mij!<br />

KARG.<br />

Bckoorelijke zanggodin ! de bezielende vonken, die<br />

uit


12 B R O E D E R M 0 8 I T S ,<br />

uit uwe oogen vloejen . . . (ter zijde.) Ik geloof<br />

dat zij op mij verliefd is.<br />

NETJE.<br />

O ga voord ! mijn ziel plaatst zig in mijne oorea.<br />

K AR o.<br />

Hoe ! gij zelve vernedert u om mijne lier te ftem-<br />

men? (Ter zijde.) 'T is zo i<br />

Ontila ons van den gek.<br />

JUULTJE, tegen Netje.<br />

NETJE.<br />

Hij maakt mij den tijd kort.<br />

En mij lang.<br />

JUULTJE.<br />

NETJE.<br />

Ik begrijp het: gij wilt mij een nieuws vertellen<br />

dat ik reeds, van buiten ken : het zij zo luit zusterlijke<br />

liefde. — Mijnheer Karg! er is mij een ongeluk<br />

overgekomen.<br />

KARG.<br />

Een ongeluk? (Ter zijde, terwijl hij over zijn hart<br />

Jlrijkt.) ja ! ja ! een ongeluk.<br />

NETJE.<br />

Gij kunt het mij echter draagelijk maaken,<br />

KARG, ter zijde.<br />

Daar hebben wij 't! (Tegen Netje.) Spreek! mijn<br />

hart opent zig als een ftads poort.<br />

Mijn kater is dood.<br />

N E T J E .


T O O N E E L S P E L . 13<br />

Uw — uw — kater!<br />

KARG, zeer bedremmeld en Jiotterendi*<br />

NETJE.<br />

Hij ving reeds zo lief muizen.<br />

KA R G.<br />

En — en ik — zou de eer hebben, u dit verlies<br />

te vergoeden? ik verfta mij immers niet op 'tmuizen»<br />

vangen ?<br />

NETJE.<br />

Och neen! 't verlies is onherftelbaar: luide jam-<br />

merklagten alleen kunnen mijne fmart verzachten;<br />

klagten , welke de dichterlijke lier op eenen zo<br />

zachten toon uitbrengt: mijn hart begeert een' treur­<br />

zang op den dood van dit lieve dier, ik zal er met<br />

blijdfchap een' Dukaat voor betaalen.<br />

KARG.<br />

Een ... 0 wees toch zo goed dit laatfte wooré<br />

eens te herhaalen?<br />

Een dukaat.<br />

NETJE.<br />

KARG.<br />

Dukaat! ik verfta het — Niet het goud, het welk<br />

de dichter als ftof onder zijne voeten treedt; maar<br />

de kirrende fmart der tederfte duive zal mij bezielen<br />

NETJE: zeer kuisch.<br />

Ja, mijn lieve heer Karg ! ik ben een- duifjen, dat-<br />

van haarsn kater verlaaten is.<br />

KARG.<br />

Ik zal mijne lier met floers overtrekken, enzingeffj<br />

NET-


14 B R O E D E R M O R 1 T S ,<br />

NETJE.<br />

Haast u, haast u! de morgenftond heeft goud iri<br />

den mond; en, zo het u recht gelukt, geef ik u nog<br />

bovendien een kusch.<br />

KARG, verrukt.<br />

Dorst ik vooraf mijne brandende lippen op deeze<br />

zwaanehand drukken ?<br />

NETJE, haar hand hem toereikende.<br />

Daar ! zijt gij nu bezield?<br />

KARG.<br />

Ja — maar — (Na de theetafel wijzende, en op een<br />

hoofdfeiten toon.) Ik heb nog niet ontbeten.<br />

Tast maar toe !<br />

NETJE, lagchende.<br />

KARG.<br />

Slechts ééne minut voor het ligchaam , dan is mijn<br />

geest geheel tot uwen dienst. (Hij gaat naar de tafel,<br />

fchenkt thee en eet gretig een boterham : Juultje en<br />

Netje houden intusfehen een ander gefprek, zij bekom­<br />

meren zig niet verder over hem, en worden niet eens<br />

gewaar , dat hij , na eenige onopgemerkte buigingen<br />

heenjluipt.)<br />

V I E R D E TOONEEL.<br />

JUULTJE, NETJE, OMAR.<br />

NETJE.<br />

IVT-iar Juultje ! hij zal alles fchoon opeeten.<br />

JUUL.


T O O N E E L S P E L . ig<br />

JUULTJE.<br />

Laat hij; ik heb geen' honger.<br />

Ik wel.<br />

NETJE.<br />

Is mijn broeder al opgedaan ?<br />

JUULTJE, tegen Omar.<br />

OMAR.<br />

Reeds federt twee uuren is hij met de oude TantS<br />

aan den gang.<br />

Waar over?<br />

NETJE.<br />

OMAR.<br />

Zij wil den glans van haar huis nerftellen; zij wil<br />

eene kamenier, een' looper, portier, rij tuig, enz. heb­<br />

ben; en Morits antwoprdt niets anders, dan: „ Ge-<br />

„ lijk gij verkiest, lieve Tante! betaal flechts die lie-<br />

„ den van mijn geld niet": als zij zig bijna half dood<br />

hoest, om er hem de noodzaakelijkheid van te be­<br />

wijzen, glimplacht hij, en fchudt het hoofd.<br />

JÏULTJEN.<br />

Recht goed dat hij lacht! maar Tante, vrees ik,<br />

zal zo lang verzoeken en begeeren, tot den goeden<br />

Morits het geeven verveelen zal; 't is ook ondank­<br />

baar ! zij vergeet wie wij waren, en wie wij door<br />

hem zijn.<br />

NETJE.<br />

Een kamenier echter kan hij ons niet afflaan s<br />

gij hebt ze gezien , dat lief en droefgeestig fchep-<br />

zeltjen. <br />

JUUL-


16 B i t O E D Ë R J v l Ö R I T S ,<br />

JUULTJE.<br />

Gezien, en van het eerfte oogenbiik af aan bemind.<br />

NETJE.<br />

Wij hebben geene bediende , maar zij eene mees­<br />

teres noodig: als zo eene zullen wij haar aan Morits<br />

voordraagen. O! zo wij eene zaak iriaar altoos aan het<br />

rechte einde vatten, moeten de mannen doen wat<br />

wij willen.<br />

OMAR.<br />

En de Natuur heeft voor dat rechte einde u zö<br />

veel fijn vernuft gegeven, dat het u zelden mislukt.<br />

NETJE.<br />

Hoe met gij dat, kroeskoppige Arabier!<br />

OM A !!.<br />

Heb ik de halve wereld niet doorgereisd ? Drf<br />

meisjens en geestlijken gelijken elkander overal.<br />

NETJE<br />

Ook onder uwe omzwervende benden?<br />

Ook daar.<br />

OMAR.<br />

NETJE.<br />

O befchrijf mij toch eens uwe fchöohheden ! hoê<br />

moet er een meisjen wel uitzien, oin zulke woests<br />

rhenfchen den kop gek te maaken ?<br />

O M A R.<br />

Zij moet zwarte oogen hebben, groot en zacht, en<br />

ais overwelfd met twee hoogen van ebbenhout: zij moet<br />

lang


T O ONEELSPEL. j 7<br />

lang en dun zijn, als een lans; ligt op de voeten, als<br />

een jong veulen; haare lippen verwt zij blaauw, en<br />

haare nagels goudkleurig: baar boezem gelijkt twee<br />

granaatappelen, en haare woorden zijn zoeter dan<br />

honig.<br />

De lippen blaauw!<br />

NETJE.<br />

JUULTJE.<br />

De nagels goudkleurig !<br />

KETJE.<br />

Welk een elendige fmaak !<br />

OMAR.<br />

Dat zelfde zeggen mijne landslieden van B.<br />

NETJE.<br />

Uwe landslieden zijn gekken, die beter meteen'<br />

fabel weeten omtegaan dan met een paar purpere<br />

lipjens.<br />

t<br />

OMAR.<br />

Gij moet het hun vergeeven; zij zagen Netje niet.<br />

NETJE,<br />

Ei! de drommel! dat is een fraai compliment:<br />

maar g.j vergat dat Juultje ook hier is.<br />

OMAR.<br />

Wat vergeet men bij u niet?<br />

Nog fraajer!<br />

NETJE. .<br />

OMAR.<br />

Vaderland _ ouders _ alles zou men bij u verjee<br />

ten !<br />

^ NE Ti


ïS B R O E D E R M O R I T S ,<br />

KETJE, verlegen.<br />

Wilt gij mijn' broeder niet roepen? zeg hem das<br />

wij honger hebben — dat wij naar hem wachten.<br />

OMAR.<br />

Ja, ja, ik ga—gij wilt maar van mij ontflagen zijn-<br />

mogelijk heb ik te gek gepraat — vergeef het mij!<br />

(Hij drukt haar in V heengaan de hand.)<br />

V IJ F ü E T O O N E E L .<br />

KETJE, JUULTJE.<br />

NETJE, eenigzins bewogen.<br />

Of die knaap zig ook op het handdrukken verftaat!'<br />

waarlijk, als of hij van jongs af niet anders gedaan<br />

hadde.<br />

JUULTJE.<br />

Ik wensch u geluk met uwe verovering.<br />

KETJE, lagchende.<br />

Ja toch ! den bediende van mijn' broeder !<br />

JUULTJE.<br />

Zo noemt hij zig, maar noemt Morits hemookzo?<br />

KETJE.<br />

Laat mij met vrede ; beneem mij mijne vrolijk­<br />

heid niet. (Zij keert zig mar het beeld van Diana.)<br />

Kuifche Diana ! overtrek mijn hart met een ijskorst v<br />

door geen verliefden blik te fmelten, en kunt gij dan<br />

niet , zo fla de mannen met blindheid, op dat zij-<br />

mijne bekoorelijkheden niet zien!<br />

juuv-


T O O N E E L S P E L . t 9<br />

JUULTJE.<br />

Of maak hen minder onbeftendig!<br />

NETJE.<br />

Of liever verdelg hen geheel van den aardbodem?<br />

dit ware we! het beste: de mannen verbeelden zig<br />

dat wij zonder hen niet leeven kunnen; zij fchrïjvcii<br />

dikke boeken , met bewijzen dat de biftorie der<br />

Amazoonen een fabel is — eene dwaasheid! eene be­<br />

klagenswaardige dwaasheid! zij ergeren zig, dat er<br />

vrouwen waren , die moeds genoeg hadden om de<br />

rechter borst opteofferen ais het er op aankwam dat<br />

eenen zuchtend minnaar den kop gekloofd zou worden.<br />

JUULTJE.<br />

Gelukkig meisjen ! met uwe bertendige vrolijkheid!<br />

NETJE.<br />

Zeg liever; gezond Netjen ! ik ben zo gezond als<br />

een visch ; mij fcheelt niets; geen enkele droppel<br />

bloeds die traag in mij omloopt j alles is even<br />

vlug — mijn ligchaam moet altoos wat doen, al<br />

ware het ook niet anders dan dat mij fomwijlen de<br />

lust bevangt om te huppelen: (Zij huppelt.) zie, zo<br />

ftaat mijn ziel onder de plak; zij durft maar in hel<br />

geheel geene grillen aanvangen , al wilde zij ook<br />

nog zo gaarne: bij u echter is 't juist het tegendeel:<br />

de eerwaardige geest voert den fcepter, en veroor­<br />

looft bet ligchaam ter naauwernood zig te verza­<br />

digen : volg mij lieve zuster , en fmijt den dub- 1<br />

helzinnigen Wilm de deur uvvs harten uit; fluit ze<br />

£ 3<br />

toej


.ao B R O E D E R M O R I T S ,<br />

toe; en klopt hij, zo roep door het fleutelgat: „Er<br />

„ is niemand t huis! "<br />

JUULTJE.<br />

Hoe kan ik ! is niet mijne liefde een deel mijns<br />

levens geworden? ach, Netje! wat heb ik hem toch<br />

gedaan? waarom mijdt hij mij federt de terugkomst<br />

van mijn' broeder? waarom ftamelt hij flechts nietsbe-<br />

duidende pligtplegingen tegen mij? ik ben hem ge­<br />

trouw, Netje! waarlijk, ik ben hem getrouw! mijn<br />

hart verwijt mij niets! waar van daan dan deezefchie-<br />

lijke verandering ?<br />

NETJE.<br />

Dit hebt gij mij reeds honderdmaal gevraagd, en<br />

honderdmaal heb ik u geantwoord: ik weet het niet:<br />

wie kan de mannen doorgronden? geloof mij; deeze<br />

wonderlijke fchepfels weeten zeiven niet wat zij<br />

willen.<br />

JUULTJE.<br />

Als ik mij nog den laatften avond herinner — twee<br />

dagen vóór de terugkomst van mijn' broeder — welke<br />

fraaje kafteelen wij in de lucht bouwden; hoe wij in<br />

verbeelding reeds de begravenis van den ouden Raads­<br />

heer, die zijne bevordering tegenhoudt, bijwoonden;<br />

hoe wij zijne inkomften alsdan berekenden ; onze<br />

huislijke inrichtingen beraamden , en hij mij, Jag-<br />

chende, beloofde het loon zijner fchilderkunst tot<br />

fpeldegeld te zullen geeven — ach ! welk een ver­<br />

rukkende droom! wat heb ik hem toch gedaan?<br />

. . NET.


T Q O N E E L S P E L . si<br />

NETJE.<br />

'Een fchoone droom is ook dankens waardig: wat<br />

waren wij toch, lieve Juultje! zonder zuike droo-<br />

men? beneem ons het genoegen der verbeelding;<br />

o hoe weinig blijft ons dan overig! zie daar; ik<br />

begin te filofofeeren, 't zijn fententien , die ik fpreck ;<br />

nu zal het ook niet lang meer aanloopen of ik fehiijf<br />

een boek.<br />

JUULTJE.<br />

Ach ! wat heb ik hem gedaan ?<br />

NETJE, rondom zig ziende.<br />

St — vraag het hem zeiven — daar komt hij.<br />

JUULTJE, verjchrikt.<br />

Daar komt hij! wie?<br />

NE TJE.<br />

Willem van Moll: daar komt hij den vijver langs —<br />

zie, nu gaat hij de weide over — nu ftaat hij onder<br />

den grooten populier — hij fcbijnt in bedenken te<br />

zijn — maar ik verwed mijn gebedeboek dat hij hier<br />

voorbijkomt.<br />

JUULTJE.<br />

Ach Netje! wat zal ik doen ? kom laat ons gaan.<br />

NETJE.<br />

Neen zeker niet , meisjen ! niet hier van daan !<br />

't zou den jongen Heer kittelen, als twee hupfche<br />

meisjens voor hem liepen.<br />

JUULTJE.<br />

Ik fidder — ik zal geen één woord kunnen uitbrengen.<br />

B 3 HET"


a* BROEDER MORITS,<br />

KETJE.<br />

Des te beter! waagt hij het om ons aantefpreeken,<br />

dan zal ik hem wel tand bieden.<br />

JUULTJE.<br />

Gij moet hem echter niet beledigen.<br />

KETJE.<br />

Zachtaartig duifjen! (Omziende,) moedig! — de<br />

vijand rukt aan.<br />

ZESDE TOONEEL.<br />

De voorigen. WILLEM VAK MOLL.<br />

(Willem groen in 't voorbijgaan zeer eerbiedig.)<br />

KETJE, hem toeroepende.<br />

Keeds zo vroeg uit, Mijnheer van Moll?<br />

WILLEM, zeer droog.<br />

Om den fchoonen morgen te genieten, Mejuffrouw'<br />

(Hij gaat aan de andere zijde weder heen.)<br />

ZEVENDE T O O N E E L .<br />

KETJE, JUULTJE, die op een der banken<br />

nedervalt, en in traanen uitbarst.<br />

KETJE , met den voet Jlampende.<br />

Die ondeugd! — zo doen zij allen — zij bemin­<br />

nen, en weeten niet waarom; zij fcheiden en weeten<br />

ook niet waarom — vroeg men de Natuur: waarom<br />

fchiept gij mannen? ik wed zij wist het ook niet —<br />

maai


T V O N E E L S P E L . s 3<br />

maar ja! tot onze plaag _ neen! neen! — om van<br />

alle fchoone meisjens bedrogen te worden; dit is onze<br />

roeping: wee de ongelukkige, die zig door haar hart<br />

op een' dwaalweg laaten brengen ! wees vrolijk ,<br />

Juultje! help mij de mannen bedriegen — fta op!<br />

droog af die traanen; ik hoor Tante hoesten: 't is<br />

waarlijk goed dat zij komt, mijn toorn wijkt voor<br />

mijn' honger: kom, laac ons ontbijten; de mannen<br />

zijn geen boterham waardig.<br />

(Juultje veegt haare oogen af, en tracht eene vrolijke<br />

houding aanteneemen.')<br />

AG T S T E TOONEEL.<br />

Nu, komt gij alleen?<br />

Be voorigen. OMAR.<br />

KETJE.<br />

OMAR.<br />

De oude Tante is nog in den moestuin: de mos-<br />

fchen hehfcen veel fchade aan de vruchten gedaan;<br />

zij wil er een vogelverfchrikker doen zetten.<br />

KETJE.<br />

Zij behoeft er flechts zelve te gaan ftaan , dan<br />

kan zij die kosten fpaaren.<br />

B 4 & E-


=4 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

NEGENDE TOONEEL.<br />

De voorigen. MOEITS.<br />

MORITS: hij gaat na Omar enfchudt<br />

~ hem hartlijk bij de hand.<br />

Lroeden morgen Omar! wij z a g e n elkander flechts<br />

ter Joops.<br />

OMAR.<br />

Goeden morgen lieve Morits!<br />

MORITS.<br />

Hebt gij fchfpper Thom gefproken?<br />

T<br />

OMAR.<br />

Ja.<br />

... MORITS.<br />

wat zeide hij ?<br />

OMAR.<br />

Hij zal van daag of morgen komen.<br />

MORITS.<br />

Zo mag me„ welhaast om eenen fchilder denken.<br />

(.regen zijne Zusters.) Goeden morgen, kinderen !<br />

K JETJE.<br />

Een allerlieffle rangfehikking! eerst den bediende<br />

en daarna zijne zusters.<br />

MORITS.<br />

Ja, lieve zusters! gij m o o g t e r m e d e f p o t ( e n Z Q<br />

veel gij wilt; m i j n e rangrehikkir^ ftaat in mijn hart<br />

gefchreven.<br />

NETJE.<br />

Nog fraaier! die kroeskop is u liever dan het te.<br />

derhartige Juultje én het vrolijke Netje?<br />

M O-


TOONEEL S P E Li 2 5<br />

Hij is mij liever.<br />

MORITS.<br />

NETJE: in eene fchertfende gramfchap.<br />

Barbaar! gij verfcheurt alle banden van het bloed.<br />

MORITS.<br />

Ik zou u immers in de verlegenheid brengen, als<br />

ik vroeg: wat denkt gij bij deeze uitdrukking?<br />

NETJE.<br />

Wat ik denk? dat is een domme vraag! een vrouw<br />

denkt niet.<br />

MORITS.<br />

De gekheid der ouders, de dankbaarheid der kin­<br />

deren , de gewoonte, welke zusters verbindt; dit<br />

noemt gij banden van het bloed !<br />

NETJE.<br />

Maar de fympathie — die geheime trek van 't<br />

harte . . .<br />

MORITS.<br />

Zwijg mij toch van zulk eene dwaasheid!<br />

NETJE.<br />

Gelooft gij er niet aan?<br />

MORITS.<br />

Zo min als ik geloof dat twee boomen hunne krui­<br />

nen zamen neigen , om dat hunne zaaden voormaals<br />

in eene zelfde vrucht verborgen lagen.<br />

NETJE, over zijne vangen Jlrijkende.<br />

Maar zeg mij toch eens, zotskap! waarom zijt gij<br />

P' 5 dan


26 B R O E D E R M O R I T S .<br />

dan terug gekomen , als uwe zusters u zo onver-<br />

fcbillig zijn?<br />

M o rt I TS.<br />

Onverfchillig? wie zegt dat? ik houde recht veel<br />

van u; want ik denk altoos met verrukking aan de<br />

vrolijke uuren mijner kindsheid en jongelingfchap:<br />

alle genoegens deeldet gij met mij; geen aangenaame<br />

herinnering wordt in mijne ziel levendig, zonder<br />

uw beeld in derzelver betrekking met zig te voeren :<br />

wanneer mijn geest in de lommerrijke droeven<br />

van mijns vaders flot omdwaalt, zo zie ik Juultje,<br />

hoe zij eens haar gaazen fchort aan een' doornhaag<br />

fcheurde, en, uit angst voor de magere vingeren haa-<br />

rcr knorrige Gouvernante, weende: ga ik de weide<br />

langs, door welke zig het kabbelend beekjen flingerde,<br />

waarin wij die fchoone kreeften vingen; zo zie ik<br />

Netje, hoe zij voor een kikvorsen, die haar na-<br />

fprong, vlugtte : treed ik de donkere kamer onzes<br />

pedanten Gouverneurs in , zo zie ik Juultje , hoe<br />

zij voor mij, toen hij mij kastijden wilde, om dat ik<br />

perfiken gtftolen had, in de bres fprong: zet ik mij<br />

op den fteenen bank voor het huis neder , zo zie ik<br />

Netje, hoe zij mij haaren fpaarpenning in de hand<br />

drukte, om die aan eene arme ongelukkige vrouw<br />

€e geeven, welke haar kind op den rug in een korf<br />

droeg; zie, dit zijn de banden, die mij aan u bin­<br />

den ; dit zijn de bronnen, die mij naar u doen reik­<br />

halzen: de Natuur fpot met uwe dwaaling.<br />

NET-


T O O N E E L S P E L . 27<br />

NETJE.<br />

Wel nu , zo wij dit al eens laaten gelden, wat<br />

heeft die zwartkop dan gedaan, dat bij een plaats<br />

boven ons in uw hart bekleedt?<br />

M O It IT S.<br />

Wat hij gedaan heeft? — o ! — lieve Omar! ver­<br />

laat mij voor eenige oogenblikken! ik moet u prijzen.<br />

O M A R.<br />

Dit zult gij niet — gij weet, ik kan dat niet<br />

lijden.<br />

MORITS.<br />

Noch ik; maar nu is het noodzaakelijk; ga, bid<br />

ik u, en wacht hier digt bij.<br />

OMAR, tegen Netje, met neder,<br />

gejlagene oogen.<br />

Zo ik door uws broeders lof uwe vriendfchap ver­<br />

werven kan , wil ik die gaarne ten koste mijner<br />

fchaamte koopen. (Hij gaat den tuin in.)<br />

TIENDE TOONEEL.<br />

J U U L T J E , N E T J E , MORITS.<br />

NETJE.<br />

Altoos heeft hij mij wat te zeggen: laatst verfioutte<br />

hij zig, zelfs mij de hand te drukken.<br />

MORITS.<br />

Gij hebt hetzelve, hoop ik, niet onbeantwoord<br />

gelasten?<br />

NET-


-28 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

Et, dat liet ik wel.<br />

KETJE.<br />

MORITS.<br />

De hand van zulk een braaf man!<br />

KETJE.<br />

Dan hadden wij waarlijk veel te doen, wanneer<br />

wij alle eerlijke mannen de hand drukken moesten.<br />

MORITS.<br />

Hij heeft het leven van uw' broeder tweemaal<br />

gered.<br />

Heeft hij ?<br />

JUULTJE.<br />

KETJE.<br />

De drommclfche jongen zal nog maaken dat ik hem<br />

lief moet hebben.<br />

MORITS.<br />

Dit zult gij — alles wat ik heb , ben ik aan hem<br />

verfchuldigd; het Rond in de magt zijns vaders mij<br />

alles te beneemen, en zijne broederliefde deed mij<br />

hetzelve houden.- het is nu vier jaaren geleden, dat<br />

ik, deels uit nieuwsgierigheid, deels om door mijne<br />

koopmanfchap nog meer fchatten bijeen te zamelen,<br />

met de groote Karavaan naar Mecca reisde; veertig<br />

kameelen waren met mijne goederen beladen; ons<br />

gezelfchap beftond uit eenige duizende perfoonen:<br />

naauwlijks hadden wij twee dagen gereisd , toen<br />

eene bende Arabieren ons, in eene ontzachlijkezand-<br />

woeltijn, overviel: de Janitfaaren, die ons tot be­<br />

dekking dienden, werden verftrooid, alles, wat wij<br />

bij


T O O N E E L S P E L . 29<br />

bij ons hadden , werd geplunderd, en wij, als eene<br />

kudde fchaapen naar de gevangenis gedreeven : Omar's<br />

vader was Cheick of Vorst dezer bende, en Omarzeif<br />

maakte mij, met den fabel in de vuist, tot zijn' fiaaf:<br />

mijne tegenwoordigheid van geest , die mij minst<br />

verlaat als jk niets dan geld te verliezen heb, ver-<br />

fchilde merkelijk van het gezucht en gekerm der ove­<br />

rigen: men zonderde mij uit, en vattede eindelijk<br />

eenige achting voor mij op : ik was verfcheidene<br />

kleine nuttige wetenfchappen magtig: ik reed te paard<br />

fpijt een geboren Arabier, en fchoot met hetpiftool,<br />

flng op flag, een Huk gelds van de lans af: elk ver­<br />

wonderde zig over mij: des avonds plaatfte ik mij<br />

in hunnen kring, en verhaalde allerhande-fprookjens,<br />

waarmede zij veel ophebben: fomwijlen mengde ik<br />

er eenige zedelesfen onder, om, ware het mogelijk,<br />

deeze ruwe menfehen een weinig te befchaaven :<br />

zo werd ik hun eindelijk onontbeerelijk: de oude<br />

Cheick noemde mij zoon, en Omar werd dagelijks<br />

meer en meer aan mij verbonden : ik fchepte<br />

vermaak in den jongeling te vormen ; en het ge­<br />

lukte mij boven verwachting: de plant was goed en<br />

fchoon: ik paste dezelve broederlijk op; haar bloe-<br />

fem was heerlijk, en beloofde de kostelijkfte vruch­<br />

ten: allengskens, naarmaate zijne begrippen zig ont­<br />

wikkelden , bejtroop hem de lust, om befchaaifde<br />

volken te leeren kennen , en deugden onder hen<br />

uitteoefenen waarvoor zijne landslieden nog on-<br />

vat-


3o B R O E D E R M O R I T S ,<br />

vatbaar waren. Het viel bezwaarlijk den ouden vader<br />

tot zulk eene fcheiding te beweegens eindelijk echter<br />

ftond hij ons verzoek toe — vertrouwde hem mijner<br />

zorgen aan, en wij vertrokken: van het geen ons<br />

federt gebeurd is, zal Ik u alleenlijk zeggen, dat, toen<br />

wij eens in Sirié'n van eene bende rovers overvallen<br />

werden , Omar's dapperheid mijn leven , vrijheid<br />

en goederen rcddede; dat hij zelf, in zijn bloed<br />

zwemmende, zodanig nederviel, dat zijn voorhoofd<br />

en hals er nog tegenwoordig de lidtekens van draagen :<br />

dit is nog niet alles: te Smirna met een boot naar<br />

het fchip zeilende, waarmede wij vertrekken zouden,<br />

kwam er op het onverwachtfte een baar , die het<br />

kleine vaartuig omver fmeet, wanneer ik, niet kun­<br />

nende zwemmen, buiten twijfel had moeten verdrin­<br />

ken , zo niet Omar- mij bij het hair gegrepen, mijn<br />

hoofd boven water gehouden, en met mij meer dan<br />

een half uur tegen de woede der zee geworftcld had-<br />

de, tot men ons eindelijk te hulp kwam: naauwlijk»<br />

was hij aan land, of hij viel in onmagt neder.<br />

O hoe liefheb ik hem nu !<br />

JUULTJE, bewogen.<br />

NETJE, een' traan van haare wangen<br />

veegende.<br />

De kroeskop dringt zig met geweld in mijn hart.<br />

MORITS.<br />

Begrijpt gij nu, waarom hij mij liever dan ouders<br />

en


T O O N E E L S P E L . g<br />

en zusters is? hij is mijn weldoener; en een edel.<br />

moedig hart kent geen vaster banden dan die des<br />

dankbaarheid: wel nu,- Ketje! wilt gij zijne hand<br />

nog niet wederom drukken ?<br />

K E T J E .<br />

Ktisfchen zelfs wil ik hem.<br />

M08ITS.<br />

Zo hoor ik het gaarne. (Hij roept.) Omar! Omar '3<br />

ELFDE TOONEEL.<br />

De voerigen. OMAR.<br />

MORITS.<br />

Kom nader, trouwe vriend! dat ik de gedenkte­<br />

kens uwer liefde aan mijne zusters toone! (Hij ftrijki<br />

het hair van Omar s voorhoofd weg.) Ziet hier, lieve<br />

kinderen! (Hijfchuift zijnen halsdoek weg.) En hier !<br />

(legen Omar, wiens voorhoofd en hals hij kuscht.) Die<br />

was ik aan mijn hart verfchuldigd, en nu fpreek ik<br />

er ook nimmer in uw bijzijn een enkel woord<br />

meer van.<br />

OMAR.<br />

Goed, lieve Morits! beloof mij dit!<br />

JUULTJE, hem vrijmoedig omhelzende.<br />

Ik dink u voor het leven van mijn' broeder.<br />

K E T J E , een weinig fchuw.<br />

Daar, druk mijn hand nog eens! (Omar doet hetj<br />

zij drukt de zijne weder, en kus.ht hem.)<br />

OM A St,


32. B R O E D E R M O R I T S ,<br />

OMAR, geheel verrukt.<br />

O'i welk een oogenblik!<br />

T W A A L F D E T O O N E E L .<br />

De voorigen. EUFROSINE.<br />

EUFROSINE, al hoestende.<br />

tVinderen ! kinderen! ei, lieve hemel! wat doet<br />

gij daar? hebt gij dan alle tucht, alle eerbaarheid<br />

uit het oog verloren ?<br />

NETJE.<br />

Een kusch in eeren, kan niemand deeren.<br />

JUULTJE.<br />

Lieve Tante! het was een gevolg onzer dankbaarheid.<br />

EUFROSINE.<br />

Dankbaarheid ? wat dankbaarheid ! die moet bij een<br />

jongmeisjen op geen kusfchen uitioopen: een kuschjen<br />

is dikwijls gevaarlijk, zegt men: ik heb het echter<br />

nooit ondervonden.<br />

MORITS.<br />

Als het hart vol is, en 't ons aan woorden ont­<br />

breekt , kan eene vuurige omhelzing alleen onze<br />

tolk zijn.<br />

EUFROSINE.<br />

Maar fpreekt dan toch ! wat is er? wat heeft hij<br />

gedaan , dat uwe harten er zo vol van zijn ? als<br />

*t inderdaad de moeite waardig is, ben ik ook zo<br />

grootsch


T O O J V E E L S P E L . S 3<br />

grootsch niet als de meesten mijner gelijken, en wil<br />

hem zelfs wel een* kusch geeven.<br />

N E T J E.<br />

Hij heeft het leven van broeder Morits gered.<br />

1 weemaal.<br />

E UFROSINE.<br />

Hoe? waar? wanneer?<br />

KETJE.<br />

Eéns werden zij van rovers overvallen.<br />

EUFROSINE.<br />

En toen heeft hij zig dapper geweerd?<br />

Geraden.<br />

KETJE..<br />

EUFROSINE.<br />

Nu, dit was immers zijn pligt?<br />

JUULTJE.<br />

Op een anderen tijd vielen zij beiden in het water.<br />

EUFROSIN*.<br />

En hij heeft hem gered?<br />

Geraden. NETJE.<br />

EUFROSINE.<br />

Nu, dit was immers zijn pligt?<br />

M 0 R I T S<br />

. 'enigzins ophopend.<br />

Weet gij wat, lieve Tante ! pas op, dat gijniet<br />

« het water valt! want, als Omar u er uithelpen<br />

wilde, zou ik hem bij de hairen terug houden.<br />

EUFROSINE.<br />

Kinderen! kinderen ! gij maakt u te gemeenzaam<br />

C<br />

met


34 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

met de bedienden: het is een geluk, wanneer men<br />

trouwe lieden in zijnen dienst heeft; maar men moetze<br />

door toegevendheid niet bederven : ('Lij haalt een<br />

ft uk gelds uit haar beurs.) Daar, goede vriend ! drink<br />

eens op mijn gezondheid.<br />

MOKITS: hij rukt haar het geld uit de hand<br />

en werpt het voor haar voeten:<br />

waarna hij Omar omhelst.<br />

Vergeef het haar, waarde Omar ! zij is te beklaa.<br />

gen ; zij heeft een bekrompen hart, maar het is haare<br />

fchuld niet: zij zou een recht goed flag van een<br />

vrouw zijn, ware haar niet reeds in haare kindsheid<br />

door eene trotfche gouvernante ingeprent, dat alles<br />

wat zij doet den fchijn van iet bijzonders, iet voor­<br />

naams moet hebben: het ging met haar als met die<br />

Romeinfche knaapen , welke men ontwrichtte, om<br />

hen tot den krijgsdienst en dappere daaden onbe­<br />

kwaam te maaken: dit is haar fchuld niet.<br />

EUFROSINE,<br />

Ei, goede Hemel! . . .<br />

MORITS, haar fchielijk in de rede<br />

vallende.<br />

Niets meer, lieve tante! hij is onze weldoener:<br />

het weinige geld zelfs, het welk ik zo even weg­<br />

wierp, hebt gij aan hem te danken: dat hij u 'smor­<br />

gens de thee gereed maakt , uwe bloemen begiet ,<br />

en uwe canarievogels oppast, is zijne vrije keuze;<br />

want, bij den Hemel! begeert hij het, zo ben ik zijn<br />

knecht»


T O O N E E L S P E L . 3 J<br />

knecht, gij zijn meid, Netje zijne naaifter, en Juultje<br />

zijn waschvrouw.<br />

OMAR, verlegen.<br />

Houd toch op, bid ik u, gij hebt het mij beloofd.<br />

M O E I T S.<br />

Nog maar één woord; misfchien moet ik morgen<br />

of overmorgen van ujcheiden: (Tegen Eufrofme.) hij<br />

is mijn eenigfte erfgenaam, en alles het zijne wat het<br />

mijne was: ook mijne zusters draag ik hem op, en,<br />

wil hij na mijnen dood uw broeder zijn, zo hebt gij<br />

geenen broeder verlooren.<br />

OMAR, aangedaan en verlegen.<br />

Gij houdt uw woord niet, maar jaagt mij we *<br />

der weg.<br />

DERTIENDE TOONEEL.<br />

MORITS, EUFROSINE, JUULTJE, NETJE.<br />

MORITS.<br />

JfLen bediende is een mensch als wij; niet zelden<br />

beter dan wij ; wie koel en onvriendlijk is tegen<br />

een' trouwen bediende , moge misfchien een groot<br />

ftaatsman, een dapper held zijn. maar mijn vriend is<br />

hij niet: dan, dit behoort tot die fouten, welken de<br />

gewoonte gebillijkt heeft; met dit alles bid ik u<br />

mijne Zusters! bid ik u, beste Tante! Iaat mij nim­<br />

mer eenig ongenoegen tegen Omar blijken: eert mij<br />

in hem! hij is mijn broeder, laat ik des niemand uit<br />

trotsheid den neus voor hem zien optrekken.<br />

C 2<br />

EUFEO-


3


T O O N E E L S P E LI S 7<br />

•zekerlijk ftipt gevorderd; want, lieve Hemel! deeze<br />

foort van menfehen zijn daar immers toe geboren!<br />

MORITS.<br />

Beeze foort! er is geen foort! ik zeg u. al!e men­<br />

fehen zijn als wij: wij behooren allen tot ééne foort"<br />

een domkop alleen, zijn vader zij een houthakker of<br />

een Baron, is, van rechtswege, tot flaavernij ge­<br />

boren.<br />

EUFROSINE.<br />

Hoe vliegt gij daar weder op als buskruid<br />

waarom liet gij mij niet uitpraaten ? ik wilde u ver-<br />

haaien , dat er nog vier perfoonen in leven zijn<br />

welke in betere tijden bij mij gediend hebben, er!<br />

•door mij allen verzorgd zijn: daar was Anna Goed-<br />

brood; die trouwde met den Hofmeester des Graaven<br />

van Solms, en ik gaf haar een kostelijk uitzet: daar<br />

was Catharina Zipfelman, die met een huzaaren<br />

Wachtmeester, onder het regiment van mijnen Heer<br />

Oom zaliger trouwde; deeze verzocht mij nog voor twee<br />

jaaren om een haarer kinderen ten doop te houden . .•<br />

MORITS.<br />

Al genoeg! al genoeg, lieve Tante! ik ben van<br />

uwe goedhartigheid overtuigd.<br />

EUFROSINE.<br />

Zo dat ik maar zeggen wilde, als wij nu dat jonge<br />

meisjen, waarvan ik u laatst fprak, in onzen dienst<br />

namen, zoudt gij zien, beste Neef! dat ik haar als<br />

mijn kind handelen zou.<br />

C 3 MORITS.


38 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

MORITS.<br />

AI weer het oude deuntjen !<br />

EUFROSINE.<br />

Ik moet het wel zo lang zingen, tot gij er einde­<br />

lijk naar luiftert: Juultje! Netje! helpt mij dat won­<br />

derlijk fchepzel toch overtuigen! hij flaatglad af om de<br />

lieve kleine Maria in dienst te neemen : hij bedenkt<br />

zelfs niet eens dat ik, van jongs af aan, tot den dood<br />

van mijnen Heer broeder zaliger, mij nimmer zonder<br />

kamenier beholpen heb: geen muts kan ik alleen<br />

meer opzetten , geen veter rijgen! is het dan nog<br />

niet genoeg, dat wij zijne grillen, ten gevalle van<br />

onzen ftand , verbergen? hij zegt: het is flechts<br />

uitwendige vertooning; welaan! dit ware zo eens;<br />

is dan mijn gemak, het vergenoegen mijns ouderdoms,<br />

ook flechts uitwendige vertooning?<br />

MORITS.<br />

Zo moet ik het u dan nog eens herhaalen ? ik ben<br />

terug gekomen om u en mijne zusters een gerust, een<br />

zorgloos leven te verfchafFen : gij hebt voor het<br />

lieve brood moeten werken ; hier van zijt gij nu<br />

bevrijd; en wees daarmede te vreden: u in over­<br />

vloed te zetten was nooit mijn oogmerk, en ik zelf<br />

verlang dit niet: gij hebt eene meid die u bedient;<br />

dat is genoeg : wilt gij er meer, en ben ik zwak<br />

genoeg uw verzoek intewilligen, zo ontrooft gij mij<br />

niet van het geld, 't welk noodeloos daar aan ver-<br />

fpild wordt; maar ontfteelt het aan ongelukkigen.<br />

J U U L«


T O O N E E L S P E L . 39<br />

JUULTJE.<br />

Maar, lieve Broeder! als uwe inwilliging eens een<br />

weldaad aan eene ongelukkige ware?<br />

Hoe zo?<br />

MORITS.<br />

NETJE,<br />

Het meisjen dat Tante in haaren dienst neemen<br />

zou , is een arme verlaatene wees: wij hebben haar<br />

niet noodig, maar zij ons.<br />

MORITS.<br />

Dat's iet anders: waarom zeidet gij mij dat niet<br />

aanftonds ?<br />

NETJE.<br />

Gij moet haar zien ; zij zal u voorzeker bevallen:<br />

zachte droefgeestigheid rust op haar gelaat; haar<br />

mond klaagt niet, maar het oog verraadt dat zij<br />

ongelukkig is.<br />

MORITS.<br />

Laat haar komen, hoe eer hoe liever! zo lang mij<br />

een plekjen gronds overig blijft, 't geen ik het mijne<br />

noemen kan, zal een ongelukkige mij nimmer ver­<br />

geefs om eene fchuilplaats fmeeken.<br />

Goede Broeder!<br />

JUULTJE en NETJE.<br />

EUFROSINE.<br />

Dit heet als Edelman denken.<br />

MORITS.<br />

Denken moest, wanneer hij een mensch is.<br />

C 4 juui-


40 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

JUULTJE.<br />

Hoe blijde zal de arme kleine Maria zijn !<br />

KETJE.<br />

Wij zullen aanftonds om haar zenden.<br />

MORITS.<br />

Daar het nu toch zo valt, is het mij lief, dat ons<br />

klein huisgezin met een fchepzel vermeerderd wordt:<br />

er kon een tijd komen waarin wij ze noodig hadden.<br />

NETJE.<br />

Wat wil mijn Heer broeder daar mede zeggen?<br />

Ik wil trouwen.<br />

MORITS.<br />

NETJE, JUULTJE en EUFROSINE.<br />

Gij!<br />

MORITS.<br />

Ja ik ! reeds lang gevoel ik dat mij wat ontbreekt .*<br />

nooit zie ik een lief meisjen, of mijn oog blijft met<br />

eene begeerte aan haar hangen, welke ik, zo lang<br />

ik omzwierf en in bezigheden woelde, nimmer on­<br />

dervond: niets doen en gebrek aan tijdkorting zijn<br />

meest altoos de bronnen, waaruit de liefde ont-<br />

fpringt: zie ik ergens een klein kind zo neem ik het<br />

op den arm, kusch het, en knijp het in de bolle<br />

koontjens — ik wil vader worden, en des wil ik een<br />

vrouw neemcn.<br />

NETJE.<br />

Durft men vraagen, wie de hooggebiedende Sultan<br />

den neusdoek zal toewerpen ?<br />

MO-


- T O O N E E L S P E L . 41<br />

U, als gij wilt.<br />

Mij ! (.Zij lacht.)<br />

Of u.<br />

Mij ? (Zij lacht mede.)<br />

MORITS.<br />

NETJE.<br />

MORITS, legen Juultje.<br />

JUULTJE.<br />

(Eufrofine heest.)<br />

MORITS.<br />

Waarom lacht gij? ik fpreek in ernst: gij gevalt<br />

mij beiden: ik ken u beiden: gij zijt een paar goede<br />

meisjens — beiden even fchoon : wie van beiden mij<br />

derhalven hebben wil is mij onverfchillig.<br />

NETJE.<br />

Broeder ! het fchort u in de harfens.<br />

MORITS.<br />

Vindt gij dat? en waarom?<br />

EUFROSINE.<br />

Neef! neef! gij zijt waarlijk op den weg om dol<br />

te. worden: hebt gij dan in het geheel geen ontzach<br />

voor de heilige banden des bloeds?<br />

MORITS.<br />

Daar hebben wij 't! weder een verdoemd voor­<br />

oordeel ! ik wil li, in dénen adem, honderd volken<br />

opnoemen-, die hunne zusters trouwen, en er zig<br />

zeer wèl bij bevinden.<br />

EUFROSINE.<br />

Dat zijn heidenen! blinde heidenen! maar bij een<br />

C 5<br />

b s<br />

"


42 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

befchaafd christelijk volk is zulks niet geoorloofd:<br />

met eene Tante zou 't nog door den beugel kunnen,<br />

dit word fomwijlen wel eens toegelaaten.<br />

Met een Tante! wat dunkt u?<br />

NETJE, Jpotachtig, tegen Morits.<br />

MORITS.<br />

Ik denk dat gij zottinnen zijt, waarmede men over<br />

zaaken , die het gezonde vernuft betreffen , niet<br />

ftrijden moet: gij wilt mij dan niet? alzo het u ge­<br />

lieft : van daag of morgen wandel ik den gemeenen<br />

weg langs, en zoek mij eene vrouw.<br />

EUFROSINE.<br />

Zie toch vooral op eene adelijke afkomst, en on-<br />

befproken geflacht!<br />

MORITS.<br />

Venus werdt uit zeefchuim geboren: een fchoon<br />

meisjen is mij een Koningin, al ware het ook dat ik<br />

haar op eenen misthoop vonde!<br />

• O gij zwakke mannen!<br />

NETJE.<br />

V E E R T I E N D E TOONEEL.<br />

De voorigen. OMAR, THOM.<br />

II ier is fchipper Thom.<br />

Welkom, Thom!<br />

OMAR.<br />

MORITS.'<br />

THOM,


T O O N E E L S P E L . 45<br />

THOMS hem de hand toereikende^<br />

De Hemel zegene u Mijnheer! ik wilde u maar zeg­<br />

gen dat ik haast klaar ben: morgen of uiterlijk over­<br />

morgen denk ik voor de haven te liggen,.en, zo<br />

wind en weder gunftig zijn, zeilen wij, als het den<br />

Hemel belieft, over een paar dagen naar den Levant:<br />

hebt gij iet aan uwe goede vrienden te beftellen? zo<br />

breng het in gereedheid.<br />

MORITS.<br />

Ik dank u , Thom ! voor uw bericht: ik zal u<br />

een pakjen medcgeeven voor den ouden Cheick ,<br />

Omar's vader: ik heb het reeds met onzen Conful te<br />

Smirna afgcfproken: deeze weet middelen en wegen<br />

om het hem te doen toekomen; aan dien behoeft gij<br />

het derhalven flechts aftegeeven.<br />

Goed ! goed !<br />

THOM.<br />

MORITS.<br />

Maar kinderen ! nu heb ik eenen fchilder noodig:<br />

toen wij van den goeden ouden Cheick fcheidden,<br />

moest ik hem mijne beeltenis belooven : weet gij mij<br />

nu een' kunftenaar aan de hand te doen, die zijne<br />

kunst verltaat?<br />

NETJE, fthielijk.<br />

De Asfesfor Willem van Moll.<br />

JUULTJE, jchielijk en Jlil tegen Netje.<br />

Om 'sHemels wil, Netje !<br />

M ÓIIIT s.<br />

Asfesfor? en van? neen, dat gaat niet: ik wil<br />

geen


44 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

geen mensch hebben die mij door opoffering van tijd<br />

en moeite eenige verpligting zou opleggen: ik moet<br />

iemand hebben dien ik betaalen kan.<br />

NETJE.<br />

Deeze Iaat zig ook betaalen; kom, ik zal hem maar<br />

laaten roepen : (Zij vertrekt.)<br />

Netje ! Netje !<br />

JUULTJE, haar volgende.<br />

EUFROSINE.<br />

Wacht dan toch! ei, mijn Hemel! kinderen! wacht<br />

dan toch ! (Zij volgt al hoestende.)<br />

THOM,<br />

Is er nog iet anders van uwen dienst? ik heb nog<br />

allerlei kramerij te bezorgen.<br />

MORITS.<br />

Niets , niets , mijn goede Thom ! kom na den<br />

middag nog eens weder, zo kunnen wij zamen bij<br />

Valet nog een flescbjen leêgen.<br />

T H O M.<br />

Dat kon wel gebeuren: de Hemel zegene u!<br />

VIJFTIENDE TOONEEL.<br />

M ORITS, OMA R.<br />

MORITS.<br />

Gij ftaat in gedachten?<br />

OMAR, bewogen.<br />

Ik denk aan mijn' vader.<br />

MORITS.


T O O N E E L S P E L . 45<br />

MO RITS.<br />

Wilt gij hem ook uw portrait niet zenden?<br />

OMAR , na een oogenblik zmjgens.<br />

Wat dunkt u Morits ! dat ik hem liever het origi­<br />

neel zelve bragt?<br />

Ernst of fcherts ?<br />

Ik ben niet gelukkig.<br />

Wat ontbreekt u?<br />

MORITS, verfchrikt.<br />

OMAR.<br />

MORITS, zijnen arm om hem Jlaande.<br />

OMAR.<br />

Ik heb meer dan ik immer had: mijn rijkdom is<br />

mijn ongeluk: gij waart het, die mij dat geen, wat<br />

mij van mijne paarden en kameelen onderfcheidt,<br />

deedt kennen — mijn hart naamlijk ! — ik waande<br />

toenmaals van uwe hand eenen weêrgaloozen fchat<br />

ontvangen te hebben: maar, o Morits! hoe moeje.<br />

lijk valt het dien fchat te bewaaren ! de genoegens<br />

des harten zijn weinig, en die, welke het ontbree-<br />

ken, martelen ons.<br />

MORITS.<br />

Lieve Omar! ik begrijp u niet.<br />

OMAR.<br />

Hoor, gij moet het mij vergeeven, dat, wanneer<br />

ik fomwijlen mijne voorige levenswijs met mijne te­<br />

genwoordige vergelijk, ik de laatfte zekerlijk ver-<br />

rukkend — mogelijk met 'smenfehen beftemming.<br />

mee?


A-S B R O E D E R M O R I T S ,<br />

meer overkomftig vind; maar echter bi] de herinne­<br />

ring mijner voorige woestheid, een gevoeligen traan<br />

pleng, en wensen — vergeef het mij, Morits! —<br />

u nooit gekend te hebben.<br />

MORITS, treurig.<br />

Mij? uw' vriend, uw' broeder?<br />

OMAR.<br />

U! mijn' vriend! mijn' broeder! voor alle de fchat-<br />

ten van Indien wilde ik niet weder zijn wat ik was •<br />

maar alle de fchatten des aardbodems gaf ik gaarne,<br />

om nooit geweest te zijn wat ik ben: fla flechts een<br />

vlugtigen blik op mijne toenmaalige gefteldheid, en<br />

op mijne tegenwoordige : gij hebt een jaar onder<br />

ons geleefd, en weet hoe weinig een'Arabier noodig<br />

heeft om gelukkig te zijn: het moedige ros te be­<br />

rijden , en met eene gefpierde vuist de lans te dwin­<br />

gen — zie daar het toppunt zijner eerzucht! een<br />

jonge zedige Beduine tot vrouw , een tent , een'<br />

pels, en een merrie om veulens te fokken l — zie<br />

daar zijn' ganfehen rijkdom: had ik 'smorgens de zon<br />

zien opgaan, en mijnen vader zien lagchen, dan was<br />

ik gelukkig; 'smiddags zat ik vrolijk aan den ingang<br />

mijner tent, at mijn melk en dadelen, en elk voorbij­<br />

ganger was mijn gast: viel mij de tijd lang, zo ging<br />

ik flaapen: de flaap Hond mij altoos ten dienfte, want<br />

hoofd noch maag was bezwaard: een fpreuk uit den<br />

Koran, en een aartig fprookjen waren de eenige fpij-<br />

zen mijner ziel; en het eenige voedzel mijner denk-<br />

beel-


T O O N E E L S P E L . 47<br />

beelden: naauwlijks echter waart gij bij ons, of in<br />

weinige weeken zag ik een geheel andere wereld<br />

rondom mij: gij deedt nieuwe begeerten — nieuwe<br />

behoeften in mij ontfraan: bevredigdet veelen der-<br />

zelven; maar om allen te bevredigen, moest gij een God<br />

geweest zijn: zal ik het nu aan den Hemel, of zal ik<br />

het aan u wijten, dat mijn hart ontbreekt watmijnie-<br />

mand geeven kan? dat ik altoos begeer wat ik niet<br />

verkrijgen kan ? dat mijn vernuft immer uit den kring<br />

wil, welke de Natuur zelve getrokken heeft?waarom-<br />

moest ik gevoelen dat er zulk een kring is? waarom<br />

hebt gij dit gevoel in mij verwekt? uwe Iesfen kos­<br />

ten mij de rust mijns levens.<br />

MORITS.<br />

Ik fta verftomd ! dikwijls heeft Omar met mij over<br />

tijd en eeuwigheid — over 's menfehen geluk en be-<br />

ftemining gefproken: het is de eerftemaal niet, dat<br />

hij over den nevel klaagt welke het toekomflrige voor<br />

onze oogen verbergt; maar hield zig immer te vre-<br />

den, wanneer ik hem in het verfchiet den engel des<br />

doods toonde, die ons van achter het voorhangzei,<br />

het geen genot en hoop vanéén fcheidt, toewenkt:<br />

hoe het nu daar uitziet, is hetzelfde! genoeg, dat<br />

ik u overtuigde, dat de laatfte oogenblikken van dit<br />

leven niet de allerlaatnen zijn : mijn geweeten kan<br />

ik niets wijten: ik heb u niets ontnomen, hetwelk<br />

ik u niet duizendmaal vergoed heb — neen Omar!<br />

veins niet! dit is de oorzaak uwer zwaarmoedigheid<br />

niet;


4-8 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

niet: deeze gedachte is in u flechts weder levendig<br />

geworden, daar gij buiten dien niet gelukkig waart:<br />

zeker is u iet droevigs bejegend, (Hem hartlijk om­<br />

armende.) en gij wilt zulks voor mij verbergen?<br />

Ach, Morits 1<br />

OMAR.<br />

MORITS.<br />

Vertrouw mij alles.<br />

Ik bemin uwe zuster!<br />

Juultje ?<br />

Neen, Netje.<br />

OMAR.<br />

MORITS.<br />

OMAR.<br />

MORITS.<br />

Is dit het alles? ik geef ze u tot vrouw!<br />

OMAR.<br />

Tegen haaren wil?<br />

MORITS.<br />

Waarom zou zij niet willen?<br />

OMAR.<br />

Neen! neen! zij wil niet.<br />

MORITS.<br />

Heeft zij 't u gezegd?<br />

OMAR.<br />

O , dat befpeurt men rasch : als onze oogen<br />

elkander ontmoeten, en ik de mijnen nederfla, ziet<br />

zij mij onbefchroomd in het aangezicht: als mij het<br />

hart overftroomt, en een beduidend woord mijnen<br />

mond ontflipt, zo moest zij mij immers verdaan?<br />

maar zij lacht er mede.<br />

MORITS.


TOONEELSPEL. 4 §<br />

MORITS.<br />

Dit is zo haare gewoonte.<br />

OMAR.<br />

O wist gij federt hoe lang deeze drift, van wier<br />

oorfprong ik zo min reden, weet te geeven als van<br />

dien des Nijls, in mijnen boezem heerschte! ik flaap<br />

met, en waakende droom ik: ik eet niet, en ben<br />

nooit hongerig: ik ftrek mijn hand uit, en denk niets<br />

daar bij; ik fpreek, en weet niet wat: 'k heb altoos<br />

moeten lagchen om onze Oosterfche dichters, wan­<br />

neer zij van eenen fmoorlijk verliefden plagten te<br />

zeggen: „ zijn ligchaam werpt geene fchaduw meer<br />

van zig;- ach, Morits! haast zal ik die groot-<br />

fpraak waarmaaken - neen, ik wil weder naar mijnen<br />

ouden vader, die mogelijk eiken morgen de kracht-<br />

iooze armen naar de zon uitftrekt, e n zijnen zoon<br />

van den Hemel terug eischt.<br />

MORITS.<br />

Wel, wie had ooit gedacht, dat Omar op mijn<br />

zuster ftompneusjen zo verzot zou geraakt zijn 1 wees<br />

gerust, Heffte vriend ! ik zal Netje fpreeken.<br />

Wilt gij?<br />

OMAR.<br />

MORITS.<br />

Nu, dat fpreekt immers van zelf!<br />

OMAR.<br />

Maar haar niet te overreden !<br />

® MORITS.


50 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

MORITS.<br />

Neen toch niet! laat mij flechts begaan: waarach.<br />

tig Omar ! ik moet lagchen : het begin was zo treu­<br />

rig, dat ik voor het minst een zelfmoord verwachtte,<br />

en eindelijk, van nabij gezien, is het niets dan de<br />

gunst van een meisjen; het wispeltuuriglte ding op<br />

den aardbodem!<br />

Zo als gij het neemt.<br />

OMAR.<br />

MORITS.<br />

En gij het , binnen kort of lang, neemen zult:<br />

(Hijfchudt hem bij de hand.') Frisch op! wees vrolijk!<br />

kan het bezit mijner zusters u gelukkig maaken, zo<br />

fchenk ik ze u beiden, en de oude Tante daarenboven.<br />

OMAR.<br />

Is Netje de mijne, zo ben ik de gelukkigfte der<br />

ftervelingen. (Zij vertrekken, doch worden door Karg<br />

wederhoudend)<br />

Z E S T I E N D E T O O N E E L .<br />

De voorigen. KARG, met een papier in de<br />

hand.<br />

KARG, met drift.<br />

O, maar één oogenblik Mijnheer ! maar één<br />

oogenblik!<br />

MORITS.<br />

Wat is er van uw' dienst?<br />

KARG,


TOONE ELSPEL. $ 1<br />

KAK d<br />

Ik ben zelf geheel tot uwen dienst: hier is het<br />

klaagdicht, Mijnheer! — het klaagdicht! gij hebt<br />

immers den kater van Mejuffrouw uwe zuster wel ge­<br />

kend? nu deeze is onder de Harren verplaatst! —<br />

zie hier zijn' geloofsbriel!<br />

MORITS, tegen Omar.<br />

Wat wil het mensch hebben ?<br />

KARG.<br />

Een' dukaat wil ik hebben, dien Mejuffrouw uwe<br />

zuster mij beloofd heeft; en ik fchenk haar wel ne­<br />

gen-en-negentig dukaaten in de plaats; want ditklaag-<br />

dicht, Mijnheer! ... het fiaagde mij! zeg ik u; het<br />

flaagde mij! honderd dukaaten is het onder de broe­<br />

ders waard'! ik zal het voorleezen; hoor. (Hij fchraapt<br />

zijn keel uit.)<br />

MORITS, hem geld geevende.<br />

Daar mijn vriend ! doch met beding dat gij mij<br />

niets voorleest. (Hij gaat met Omar den tuin in.)<br />

ZEVENTIENDE TOONEEL.<br />

KARG.<br />

Gehoorzaame dienaar ! (de dukaat beziende.) een<br />

fchoone gerande dukaat! maar niets voorleezen ! —<br />

neen, Mijnheer! dit onuitfpreekelijk genoegen ver­<br />

koopt een dichter voor alle de Ichatten van Pluto<br />

niet: voorleezen moet ik het; aan wien. dat ver-<br />

fcheelt mij niet; en wil volfhekt niemand mij hoo-<br />

D 2 n. ,,,


52 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

ren, zo hoort gij, vogelen des wouds! gij bronnen<br />

en boomen 1 (Rond ziende.) Ha! ginds zie ik een'<br />

herder zijne kudde drijven: t' fa lustig, Karg ! fchie-<br />

lijk naar hem toe! dat hij uw klaagdicht hoore, en<br />

dat zijn fluit verftomme !<br />

Sinds van het eerfle ledrijf.<br />

T W E E -


TOONEELSPEL. 53<br />

TWEEDE BEDRIJF.<br />

EERSTE TOONEEL.<br />

KETJE; zij zit nevens het beeld van Diana;<br />

naast haar op den grond ftaat een korf-<br />

jen met roozen gevuld, van welke zij<br />

zingende een' krans vlecht; van verre<br />

Jlaat Omar haar te befpieden.<br />

Nooit is 't huwlijk zo gelukkig,<br />

Meisjen ! of gij loopt gevaar;<br />

Zelfs de beste mannen volgen<br />

Doorgaands hunne grillen naar.<br />

Volgen? neen: zij gallopeeren ! daar is geen hou-<br />

den, geen binden aan: zij doen het geen hun goed­<br />

dunkt, en het haft begeert.<br />

(Zij zingt weder.)<br />

Sla de zottin doch met roeden ,<br />

Die het dwaaze ftuk beging,<br />

Zig, haar leven lang, te kluiftreu<br />

Door den gouden huwlijksring.<br />

(Zij neuriet en bromt in zig zelve, terwijl zij dan op<br />

haaren arbeid, dan op het ledige korf jen ziet.)<br />

Ik heb geen roozen genoeg geplukt: het zij zo<br />

Diaua moet het zo voor lief neemen.<br />

D 3 (Omar %


S4 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

(Omar deeze woorden naauwlijks gehoord hebbende,<br />

vertrekt. Netje vervolgt met zingen.)<br />

De bruigom zegt: „ kom zoete lam! "<br />

Maar: „ wijf, kom hier I" zo fpreekt de man.<br />

'k Wil daarom nimmer zijn gcvixên ,<br />

Neen I neen! neen! neen, neen! neen!<br />

Text en verklaaring, ipfe fecit: het vers is wel<br />

juist niet fchoon, maar 't is toch waar.<br />

(Omar is ondertusfchen, zonder gezien te worden, uit<br />

den tuin teruggekomen, en vult, ongemerkt, het korf­<br />

den met roozen, die hij medegebragt heeft, waarna hij<br />

Jlil weder wegfluipt — Netje herhaalt de laatjle<br />

regels.)<br />

'k Wil daarom nimmer, enz.<br />

(Zij ziet toevallig naar het korf jen en fpringt terug.)<br />

Ach ! wat is dat? ik wed, dit heeft geen getrouwd<br />

mm gedaan : maar het is toch aartig ! (Zij ziet<br />

in 't rond.) Geen levendige ziel ! gewis is de eene of<br />

andere Boschgod op mij verliefd: o zulke minnaars<br />

moet men vasthouden; men kan ze tot alles gebrui­<br />

ken. (Zij werpt een' kitsch in de lucht.) Mijnheer de<br />

BoschgoJ! ik bedank u voor deeze aartige welle­<br />

vendheid. (Zij begint de roozen te vlechten , en<br />

neuriet.)<br />

TWEE-


T O O N E E L S P E L . %%<br />

TWEEDE TOONEEL.<br />

NETJE, MORITS.<br />

MORITJ.<br />

luster Netje! 't is mij lief dat ik u alleen vind.<br />

Ik ben niet alleen.<br />

Wie is dan bij u?<br />

Mijn minnaar.<br />

NETJE.<br />

MORITS,<br />

NETJE.<br />

MORITS, al lagchentle omziende.<br />

Waarfchijnelijk een onligcbaamlijk wezen?<br />

Geraaden.<br />

NETJE,<br />

MORITS.<br />

Lieveling van Goden en menfehen ! maar ftel voor<br />

een oogenblik de geesten eens aan een zijde; wij<br />

moeten van aardfche dingen met elkander wat<br />

fpreeken.<br />

Laat hooren.<br />

NETJE.<br />

MORITS.<br />

Een minnaar met vleesch en been is immers wel<br />

zo goed als een onzichtbaar wezen?<br />

NETJE.<br />

Dat's de vraag.<br />

MORITS.<br />

, G«ene kan u omhelzen, en dat kan deeze niet.<br />

D 4 METJJZ.


5


T O O N E E L S P E L . 5 7<br />

MORITS.<br />

Neen, mijn fchat! gij mogt mij weder naar de oude<br />

laiue verwijzen.<br />

NETJE.<br />

Nu, dan zeg ik u dat deeze foort van honger mij<br />

niet aangrijpen zal: ik zie zo raenig een, die demaig<br />

overladen heeft.<br />

MORITS.<br />

Grillen! wat zult gij beginnen, wanneer de herf?t<br />

voorbij is en niemand de overrijpe vruchten begeert ?<br />

wanneer gij de wereld en u zelve tot last, al kug-<br />

chende, zult omdwaalen: bij de lïuronen huwen de<br />

oude wijven hunne Vorlten ; bij de Marfanen hcer-<br />

fchen zij; en laas! men vindt zelfs een volk, het<br />

welk niemand voor Koning erkent dan eene oude<br />

vrijfter: maar bij de Europcërs, lieffte Zuster! is<br />

.'ene oude vrijfter gelijk etn oude brief, die wel<br />

jefchrevSn, maar niet afgezonden is.<br />

KETJ E.<br />

Wel nu; wat kan u dat fchcelcn? hij is immers<br />

aan u nietgeaddresjeerdl<br />

MORITS.<br />

Een bloem, die aan den fteel verwelkt.<br />

N E T J E.<br />

Gij behoeft die immers niet te plukken'?<br />

MORITS.<br />

Een boom vol bladen, maar zonder vruchten.<br />

D 5 NETJE,


58 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

NETJE.<br />

Verkwik u bij eenen anderen.<br />

MORITS.<br />

Een huis door niemand bewoond, wijl er de ou.<br />

derdom in fpookt.<br />

NETJE.<br />

Mijnheer , Broeder ! gij put al uwe fchrander-<br />

faeid uit.<br />

MORITS.<br />

En gij mijn geduld: kort en goed, meisjen ! gij<br />

zijt voor het huwelijk gefchapen; dit is uwe eenigfte<br />

beftemming: een oude vrijer kan de wereld nog op<br />

duizenderleie wijzen van nut zijn ; maar eene oude<br />

vrijfter ontfteelt haaren evennaasten eiken brok dat<br />

zij in den mond fteekt, terwijl zij in alles het on­<br />

kruid evenaart, behalven in vruchtbaarheid.<br />

NETJE.<br />

Pha ! hoe vliegt dat op ! — maar mijn vernuftige<br />

Heer Broeder ! die u zo veel over het welzijn uwer<br />

zusters bekommert, ëéne hoofdzaak vergeet gij.<br />

En die is?<br />

MORITS.<br />

NETJE.<br />

Een meisjen moet niet eer trouwen, als: ten eer-<br />

ften: voor zij er lust toe heeft; en ten tweeden:<br />

voor er iemand is die haar hebben wil.<br />

MORITS.<br />

Dit laatfle is voor deeze keer uw geval niet.<br />

NETJE.


T O O N E E L S P E L . 5£><br />

NETJE.<br />

Niet? o fchielijk! mijne nieuwsgierigheid barst in<br />

volle vlam uit: wie ftaat er toch zo teèrhaitigen<br />

eerbiedig naar deeze kleine witte hand?<br />

MORITS.<br />

Een man met een vlekloos hart, brandend voor<br />

de liefde, heet voor de vriendfehap, warm voor de<br />

deugd , week voor het medelijden , fchoon als de<br />

lente , weldaadig als de herfst, zachtzinnig als een<br />

kind , en verftandig als een grijsaart.<br />

NETJE.<br />

Met één woord — een god!<br />

MORITS.<br />

Met één woord — Omar !<br />

Omar!<br />

NETJE , bedeesd.<br />

MORITS, haar nabeotzende.<br />

Omar ! — ja Omar! gij fpreekt zijn' naam uit als of<br />

gij een' beter' man wist.<br />

NETJE.<br />

Neen, Omar is mij te verftandig.<br />

Een wonderlijk gebrek.<br />

MORITS.<br />

NETJE.<br />

Als ik tog trouwen moet, zo geef mij een'man,<br />

hoe dommer hoe liever, met wien ik naar mijnen<br />

zin kan omfpringen , die mij nooit met een maar<br />

lastig valt; die, als ik hem zeg: deeze a is een b,<br />

mij,


6o B R O E D E R M O R I T S ,<br />

mij, zeer ootmoedig, zijn b nazegt; die, als ik gril­<br />

len heb , mij fchoon vindt ; en bekoorelijk, als ik<br />

meesmuil; die mijne minnaars vriendelijk voor de<br />

deur ontvangt, en mijne kinderen wiegt.<br />

MORITS.<br />

AI fpots genoeg! wist ik dat gij dacht gelijk gij<br />

fpreekt, ik ware in Raat u aan onzen fchrijver Karg<br />

te koppelen.<br />

NETJE.<br />

Dat zou er beter naar gelijken: de vrouw eens<br />

fchrijvers heeft het zo kwaad niet, zo zij nu en dan<br />

maar eens de goedheid heeft, om de vruchten van<br />

den geest haars gemaals te prijzen, kan zij doen en<br />

laaten wat zij wil, en het hart goeddunkt — maar<br />

neen! vrijheid! edele vrijheid! u wijde ik mijne<br />

dagen ! de ijzeren ketens zijn, met bloemen omwon­<br />

den, zekerlijk wel zeer fchoon, wanneer men ze van<br />

buiten beziet, maar zij die ze draagt gevoelt hunnen<br />

last, en eerlang vei welken de bloemen. (Zij heeft<br />

intusfchcn haaren bloemenkrans voltooid.') Diana! kuis-<br />

fche Diana! ontvang de gelofte uwer dienaaresfe! maak<br />

mij ongevoelig als een' Reen, en koud als de maan,<br />

die uwen fchedel fiert! (Dit zeggende, omwindt zij<br />

het beeld van Diana met den krans.)<br />

MORITS.<br />

Gij zijt een zottin! en dit moogt gij mijnenthalve<br />

altoos blijven, zo maar uwe zotheid niet fchadelijk<br />

ware: ik moet haar duur betaalen! zij kost mij eenen<br />

vriend —.


T O O N E E L S P E L . 6 l<br />

vriend — ik had er flechts één'; deeze verlaat mij;<br />

deszelfs plaats wordt ledig in mijn hart, en wie kan<br />

dezelve vervullen?<br />

NETJE.<br />

Waarom ledig? liefde en vriendfchap worden door<br />

de fcheiding nog warmer.<br />

MORITS.<br />

Een verwijderd vriend is een afgeflorven vriend.<br />

NETJE.<br />

Ook wil ik u in vertrouwen zeggen, dat gij, zo<br />

dit uwe eenigfte bekommering is, zoer gerust kunt<br />

zijn: Omar zal niet vertrekken.<br />

Niet ? ik zeg u hij zal.<br />

• MORITS.<br />

NETJE.<br />

En ik zeg u hij zal niet: hij is verliefd.<br />

Daarom juist.<br />

MORITS.<br />

NETJE.<br />

Juist daarom niet: konden de verliefden vertrek-<br />

ken, er waren i» de wereld gewis zo veele ongeluk-<br />

kigen niet.<br />

MORITS.<br />

Gij kent hem niet : nog voor weinige minuten<br />

heeft bij mij zijn voorneemen geopenbaard.<br />

NETJE.<br />

Dat moest ik beter weeten : al hadd' hij zijne koffer<br />

gepakt, al ftond' hij zelfs reeds met den eenen voet<br />

in


6z B R O E D E R M O R I T S ,<br />

in het fchip, zo zeg ik: (teerhartig.') Omar! — aan-<br />

llonds trekt hij den voet terug.<br />

Kwaadaartig genacht!<br />

MORITS.<br />

KETJE.<br />

Wei zo! is het dan zo kwaad dat men zijne wa­<br />

pens kent en gebruikt?<br />

MORITS.<br />

Ik wenschte dat Omar ons hadde beluisterd ! — hij<br />

moest u haaten.<br />

KETJE.<br />

Paperlapap ! — maar laat ons van wat anders praa-<br />

ten : ginds komt de Heer van Moll om u te por-<br />

traiteeren.<br />

MORITS.<br />

Ik weet waarlijk niet of het wel noodig zal zijn;<br />

want gaat Omar heen, dan ga ik mede.<br />

KETJE, met een fchertzende deftigheid.<br />

Om eens ajs Orestes en Pylades in de gefchie-<br />

denis te fchitteren.<br />

DERDE TOONEEL.<br />

De voorigen, WILLEM VAK MOLL.<br />

(Na wederzijds elkander gegroet te hebben.)<br />

KETJE.<br />

Vergeef eene uwer oude vriendinnen haare fioutheid<br />

Mijnheer van Moll! mijn broeder wilde zig gaarne<br />

laaten portraiteersn, en ik was zo vry . . .<br />

W I L.


T O O N E E L S P E L . 6%<br />

WILLEM.<br />

Zonder complimenten : ik doe het zeer gaarne.<br />

NETJE ; levendig.<br />

Een tafeU een glas water, (Tet zijde.) en Juultje,<br />

(Overluid.) zullen op het oogenblik hier zijn. (Zij<br />

vertrekt.)<br />

VIERDE TOONEEL.<br />

MOEITS, WILLEM.<br />

MORITS.<br />

Vooraf, lieve man! — want uwe phyfiognomie<br />

ftaat mij zeer wel aan — moet ik u iet zeggen: ik<br />

ben een vijand van alle nietsbeduidende uiterlijkhe­<br />

den; van alle zogenaamde welleevendheid, die ledige<br />

harsfeas uitvonden, en zotten naaapten; hieronder<br />

behoort ook die wonderlijke gewoonte, van iemand<br />

in de derde perfoon aantefpreeken; ik kan dat ver-<br />

wenschte gemijnheer niet uitftaan; neem het mij der­<br />

hal ven ten goede, wanneer ik zulks nalaat; het is<br />

niet kwaad gemeend.<br />

WILLEM.<br />

Spreek zo als 't u belieft, Mijnheer! wanneer uw<br />

omgang mij behaagt, zal ik u veelligt even gemeen­<br />

zaam behandelen.<br />

MORITS..<br />

Braaf! dat is hartetaal: zo hoor ik het gaarne :<br />

nu moet ik nog iet verzoeken; en dat is, mij den<br />

prijs van uwen arbeid te zeggen.<br />

WIL-


T O Ö N E E L S P E L . 6?<br />

ttunften nog in de wieg liggen : hij heeft den droes<br />

van coloriet, houding, kleeding , enz. als<br />

hij flechts een beeldjen heeft , het welk hem de<br />

trekken zijns vriends in de gedachten brengt, is hij<br />

te vreden.<br />

V IJ FD E TOONEEL.<br />

De voorigen. OMAR, die eene tafel en een glas water<br />

Als 't Mijnheer gelieft?<br />

binnen brengt.<br />

WILLEM.<br />

MORITS.<br />

Wijs mij een plaats aan, en zet of draai mij, gelijk<br />

gij mij hebben wilt.<br />

WILLEM.<br />

Op gintfche bank.<br />

MORITS : hij zet zig op de bank; Willem<br />

plaatst zig tegen over hem aan de<br />

tafel, en krijgt zijn fchildtrtuig<br />

voor den dag.<br />

OMAR, zacht, tegen Morits.<br />

Gij fpraakt met Netjen?<br />

Ja.<br />

En mijn hoop?<br />

MORITS.<br />

OMAR.<br />

MORITS.<br />

I» op het ftuifzand van een vrouwenhart gebouwd-<br />

^ OMAR.


66 B R O E D E R M O R I T S\.<br />

Ach! dat dacht ik wel.<br />

OMAR.<br />

W I L L E Mi<br />

Het hoofd een weinig meer rechts z o ­<br />

niet ftijf, niet ernftig — 't zal mij aangenaam zijn r<br />

als Mijnheer zig met iemand onderhoudt.<br />

MORITS.<br />

Zet u hier nevens mij , Omar! wij zullen over<br />

uwen vader fpreeken. (Omar gaat naast hem zitten 7<br />

Zij praaten zacht, terwijl Willem Jchildert.)<br />

ZESDE T O O N E E L .<br />

De voorigen. STIERENBOCK, KARG: zij komen<br />

eene der zijdeuren uit, en blijven voor op<br />

het tooneel jlaan.<br />

KARG.<br />

u we Excellentie zij zo goed, ginds heen het oog-<br />

te wenden: daar zit hij op die bank.<br />

Wie van beiden?<br />

STIERENBOCK, door een vergroot­<br />

KARG.<br />

glas ziende.<br />

Die, in den grijzen rok: hij draagt nooit een an­<br />

der kleed.<br />

En die naast hem zit?<br />

Is zijn bediende.<br />

STIERENBOCK.<br />

KARG.


T O O N E E L S P E L . 6 ?<br />

STIER ENBOCFC.<br />

Zijn bediende ! (Hij lacht.) Een allerliefst debut,<br />

dat mij den man op het eerde gezicht charakterifeert!<br />

KARG.<br />

Een Arabier, dien hij uit Egypten medebragt.<br />

STIERENBOCK.<br />

Nog beter ! — dus niet eens van een vernuftig<br />

menfehen-ras — kijk , kijk daar fiaat hij den arm<br />

om zijn' bals: men zou fchier gelooven, dat zwart­<br />

bruine monfhr ware eene Socratifche liefde.<br />

KARG.<br />

s<br />

O! het hoofd van deezen man is zo vol wonderlijke<br />

grillen, als hst hoofd van uwe Excellentie vol poe-<br />

derftofjens; en ik twijfel zeer, of de welleevende<br />

hoveling zig met zulk een' ruwen zoon vandeNatuur<br />

wel verdragen zal.<br />

STIERENBOCK.<br />

Wees daar niet bang voor; ik weet mij naar alles<br />

te voegen ; des noods allerlei masquen voor het<br />

gezicht te houden ; ja , al kroop mij een tor het<br />

eene neusgat in, en het andere weder uit, zo ver­<br />

zeker ik u, dat ik er mijn' neus zelfs niet eens van<br />

zou optrekken : ik zeide u zo even , dat het ebbe in<br />

mijne finantiën is ; een rijk huwelijk alleen kan er<br />

den vloed weder inbrengen; al ging er ook al den<br />

trots mijner oude dappere voorvaderen mede om een<br />

luchtjen.<br />

E 2 KARG.


68 B R O E D E R M O R I T S .<br />

K A R G .<br />

O fchoon! fchoon ! (Hij haalt een memorieboek]'en<br />

uit zijn' zak, enfchrijft.)<br />

Wat doet gij?<br />

STIEREN BOCK.<br />

KARG.<br />

Ik fchrijf die fraaje gelijkenis op, om er in een<br />

mijner nieuwfte fchriften gebruik van te maaken.<br />

STIERENBOCK.<br />

Ik heb daarom befioten, wat er het Hof en de<br />

ftad ook van mogen zeggen, de zustér van deezen<br />

man mijne hand te bieden: ik weet een voortreffelijk<br />

middel om de fpotters den mond te ftoppen: ik zal<br />

naamlijk de eerfte zijn, die over mijn huwlijk rail­<br />

leert; en maakt mijne aanftaande Burgervrouw aan<br />

het Hof eene bêtife, zal ik de glimplagchende jonkers<br />

met eenige dukaaten om de ooren rammelen. Cela<br />

mettra les rieurs de mm cêté,<br />

KARG.<br />

Geeft de milde broeder haar flechts de helft zg-<br />

ner diamanten tot een bruidlchat, zo kan hij de ge­<br />

meende boerin in eene Vorftin herfcheppen.<br />

STIERENBOCK.<br />

Hij is verduiveld rijk, zegt men; des te beter?<br />

goud is 't verfoelifel, dat men onder de eer moet leg­<br />

gen , om haar eenigzins te doen gelden.<br />

KARG.<br />

O fchoon! fchoon! (Hijfchrijft weder.)<br />

STI&»


ZOONEELSPEL; 69<br />

STIERENBOCK.<br />

Ten einde echter deeze wonderlijke ffiap niet te<br />

vergeefs gedaan worde, diende ik te weeten hoe ik<br />

mij best, ten opzichte van dit mensen, gedraagen<br />

moet; wees derbalven zo goed, mijn vriend ! en<br />

onderricht mij, eer wij verdergaan, een weinig van<br />

zijne wijze van denken, fpreeken , en handelen;<br />

van zijne grillen en domheden; in 't kort, verraad<br />

mij de zwakke zijde der vesting: buiten de twee Louis<br />

d'or, die ik u voor het Bruiloftsdicht beloofd heb,<br />

kunt gij op mijn volle erkentenis — op mijne proteüie<br />

ftaat maaken.<br />

KARG.<br />

Uwe Excellentie heeft over mijn hoofd en tong<br />

flechts te beveelen : charakters te fchetfen, verfta ik<br />

trots Epitletes en la Btuycre: een der hoofd-charakters<br />

deezes wonderlijken mans is zijn vast geloof aan de<br />

gelijkheid aller Handen: een Graaf, met verlof van<br />

uwe Excellentie, en een handwerker, met eerbied<br />

gezegd, acht hij gelijk, en niet zelden de laatfte nog<br />

iet meer : eens drukte hij zig in mijn bijzijn dus<br />

uit: ,, een kruisbeziën - bosch ware hem liever, dan<br />

„ eene verdorde tak op eenen honderdjaarigen eik."<br />

STIERENBOCK, een fnuifjen neemenie.<br />

Ik ken deeze elendige grondbeginzels, welke de<br />

vrijheid der drukpers fn de wereld verfpreid heeft: zij<br />

zijn het gewoone ftokpaardvan alle burgerlijke fchrij-<br />

vers: die honden blaffen de maane aan, en zouden ze<br />

&wn naar beneden fcheuren — Nu verder.<br />

E 3 KARG.


?o BROEDER MORITS,<br />

K A R G.<br />

Uit dit begrip rpruiten «Jte de anderen voord: hij<br />

is een gezworen vijand van alle de in de menschlijke<br />

zamenleeving zo wèl ingevoerde gebruiken: jij! jij!<br />

zo noemt hij den Vorst, en den boer: wanneer het<br />

hem lust, gaat hij zitten , en laat zijne gasten liaan;<br />

men zal den hoed voor hem afneemen, en hij den<br />

zijnen ophouden; men zal hem willen fpreeken, en<br />

hij zal met koite woorden zeggen , dat men hem<br />

alleen moet laaten.<br />

STIERENBOCK.<br />

Ik weet genoeg: laaten wij nu maar naar hem toe­<br />

gaan, en maak hem mijnen Rand en naam bekend!<br />

(Zij gaan naar Morits.)<br />

KARG,<br />

Mijnheer Eldingen ! ik heb de eer, u zijne Excel­<br />

lentie, den Heer Graaf Eugenius van Stierenbock,<br />

Erfheer van Goldbach en Lummerdingen, zijn door­<br />

luchtigheids welbeminden Kamerheer, Prefident van de<br />

Akademte der Wetenfchappen , medelid des Oeconomi-<br />

fchen taks, en veifcheideneanderegenootfehnppen...<br />

STIERENBOCK.<br />

Waartoe dient die lofzang, lieve man? ware ik ooit<br />

trots op titelen? — Mijnheer! ik ben, in 't kort<br />

gezegd, Graaf Stierenbock, wie'n alles, wat hij van<br />

u zag en hoorde, wenfehen deed om kennis met u<br />

te maaken en veelligt — uwe vriendfehap te ge­<br />

winnen. <br />

MO-


T Ü O N E E L S P E t . 71<br />

MORITS, zig een weinig na hem toekee-<br />

rende, doch zonder optszien.<br />

Zeer verpligt: mijn vriendfchap is weinig , en<br />

mijn kennis in het geheel niets waardig.<br />

STIERENBOCK.<br />

Altoos was de befcheidenheid de gezellin vanwaare<br />

verdienften.<br />

MORITS.<br />

Even gelijk het koper altoos eenig goud met zig<br />

voert, zo vindt men ook overal veele ondeugden<br />

met eenige deugden vermengd.<br />

STIERENBOCK.<br />

Voortreffelijk gedacht en gezegd : het eerfte oogen­<br />

blik onzer kennis overtuigt mij, dat de geheime trek<br />

mijns harten mij niet bedrogen heeft — doch — wat<br />

zult gij van mijn eigenbelang denken — wanneer ik<br />

u zo aanftonds vrijmoedig beken., dat nog een ander<br />

oogmerk mij herwaarts voert.<br />

Dit vermoedde ik wel.<br />

MORITS.<br />

STIERENBOCK.<br />

Vermoeddet gij wel! hoe zo?<br />

MORITS.<br />

Slechts eigenbelang bindt menfehen aan menfehen.<br />

STIERENBOCK.<br />

Waar blijven dan achting, vriendfchap en liefde?<br />

MORITS.<br />

Deezeu hangen allen van het eigenbelang af.<br />

L' 4 STIE-


72 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

S T I E R E N B O C K .<br />

Ja , wanneer gij het zo neemen wilt, en des te<br />

eerder durve ik u het geheim mijns harten ontdek­<br />

ken , waarvan het geluk mijns levens afhangt — zo<br />

het u niet ongelegen kwame , wilde ik u gaarne eens<br />

een oogenblik alleen fpreeken.<br />

M O R I T S .<br />

Sedert ik geen koopman meer ben, heb ik voor<br />

niemand op de geheele wereld iet geheims.<br />

S T I E R E N B O C K ,<br />

Maar ik heb iet, dat voor deezeHeeren een geheim is.<br />

M O R I T S .<br />

Dan moet ik u verzoeken, mij hetzelve op een andermaal<br />

medetedeelen !<br />

S T I E R E N B O C K .<br />

Ja — ja _ ik — mijn dienst — de neiging van<br />

den Vorst, die zig zo zeer aan mijn gezelfchap ge­<br />

wend heeft, vergunnen mij zo weinig, mijnen tijd<br />

doortebrengen , daar waar mijn hart mij roept —<br />

gij wilt het? het zij zo ! — er huisvest in mijne ziel<br />

geen gedachte, welke het daglicht fchuwen moetj<br />

en buiten dien zal het tog in het kort geen geheim<br />

meer zijn ; doch — wanneer het hart te vol is ,<br />

weigert de tong haaren dienst; 't is derhalven uwe<br />

beurt, vriend Karg !<br />

K A R G , Hit eenige keeren zijn keel uit-<br />

gefchraapt te hebben.<br />

Blode en befchroomd zou ik optreeden in deeze<br />

hoog-


T O O N E E L S P E L . 73<br />

hoog- aanzienlijke vergadering, zo het gewigt mij­<br />

ner rede, zonder eenige pronk of praal voorgedra­<br />

gen , mij geen borg bleeve voor de goedkeuring<br />

mijner hoorderen; welk oor kan de liefde zijn hoor-<br />

kracht , welk hart haar zijne voelkracht ontzeggen J<br />

mij verftaat niet alleen de mikrokosmos, tot wien<br />

ik fpreek; mij verftaat elke boom, elke grashalm,<br />

elke tjilpende vogel in de lucht, elkwormtjen, dat<br />

zig wellustig in het ftof kromt.<br />

STIERENBOCK.<br />

Hou den mond! gij zijt een gek ! — Mijnheer El-<br />

dingen ! zonder voorrede — want ik heb het, voor<br />

een' hoveling lastig, gebrek, dat het hart mij altoos<br />

op de lippen ligt — ik bemin uwe zuster, en wilde<br />

haar tot mijne vrouw hebben.<br />

MORITS.<br />

Mijn zuster! wie van beiden?<br />

Wie is het?<br />

Juultje.<br />

Juultje.<br />

STIERENBOCK: hij keert zig verlegen<br />

fchielijk naar Karg, en zegt Jlii.<br />

KARG, ftil,<br />

STIERENBOCK: hard cp.<br />

(Willem laat de grootfte onrust blijken : hij veegt uit<br />

wat hij begonnen heeft , begint weder , veegt het<br />

weder Uit.")<br />

MORITS.<br />

Het Haat aan mijne zuster om te kiezen: tot baar<br />

E 5 had


74 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

had gij u moeten wenden: in zaaken van het hart zal<br />

ik mij nimmer aanmaatigen een meisjen de wet voor­<br />

telen rij ven.<br />

STIERENBOCK.<br />

Zo moest mij een rechtfehapen man antwoorden;<br />

dit kon ik reeds vooruit opmaaken : ook ben ik hier<br />

niet gekomen, om de hand der zuster van den broe­<br />

der te verzoeken; maaralleen om u te bewegen, mij<br />

in mijn voorneemen eenigermaate behulpzaam te zijn,<br />

flechts de tolk mijner gevoelens te weezen , want<br />

in het bijzijn uwer beminnenswaardige zuster, zou­<br />

den flechts mijne oogen fpreeken, en mijn mond zou<br />

verftommen.<br />

MORITS.<br />

Dit wil zeggen dat ik Juultje zal voorbereiden.<br />

Juist.<br />

STIERENBOCK.<br />

MORITS.<br />

Dat wil ik wel doen.<br />

STIERENBOCK.<br />

Mijn rust is in uwe handen : reeds jaaren lang<br />

heeft mij deeze verborgen drift verteerd: gij weet,<br />

beste Eldingen ! dat niets ter wereld meer van<br />

ijdele omftandigheden afhangt, dan de wenfehen van<br />

ons hart.<br />

Dat weet ik.<br />

MORITS.<br />

STIERENBOCK.<br />

Mijn rang, mijn ftand , mijne familie, de Vorst<br />

zelfs,


T O O N E E L S P E L . 7 S<br />

gel fis, alles heeft mij teruggehouden: men heeftop<br />

allerhande wijs getracht mij van mijn Voorneemen af-<br />

tebrengeh ; men heeft mij bcfpot, gebeden , be-<br />

dreiqd — vergeefs! in eiken ftrijd met mij zeiven,<br />

zegevierde de liefde.<br />

WILLEM, die zig' niet langer<br />

kan bedwingen.<br />

Mag ik vrangen, Mijnheer Stierenbock! hoe, en<br />

waar gij de juffer hebt leeren kennen ?<br />

STIERENBOCK, hem van liet hoofd tot de<br />

voeten bejehouwende.<br />

Bijna zou ik antwoorden: ,, gij moogt niet vraa-<br />

„gen;" maar ik ben te vrolijk om de paaien der wel-<br />

ieevendheid te buiten gaan: flechts onder het wande­<br />

len en in de kerk heb ik dat engelachtig meisjen ge­<br />

zien ! en o, om haar te beminnen, moet men haar<br />

flechts zien !<br />

WILLE M.<br />

Daar heht gij gelijk in, (zig herft ellende, doch een<br />

weinig ftekelack-ig.) niet waar ,• uit haare zwarte<br />

oogen draalt een vuur . . .<br />

STIERENBOCK.<br />

O haare oogen ! zo zwart als een raavenveder in<br />

de draaien der zon.<br />

Zij heeft blaauwe oogen.<br />

K A R G , hem aanftootende.<br />

STIER EN30CK.<br />

Zo fchijnt het van verre; kemt men haar echter<br />

na.


75 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

nader bij, zo gelijken zij de violen en koornbJoemen.<br />

W I L L E M .<br />

En haar lang goudgeel hair ....<br />

STIERENBOCK.<br />

Als het golvend langs haaren boezem flattert, ftel<br />

ik mij altoos het fchoone meisjen voor, waarvan<br />

Tacitus gewaagt, de bevallige Bisfula . . . .<br />

K A R o, hem weder aanjlotende.<br />

Haar hair is aschkleurig.<br />

STIERENBOE K.<br />

De kunst heeft zekerlijk wel dit goudgeel hair na­<br />

gebootst, maar ook zonder geele poeder, welke de<br />

mode uitvondt , zouden haare aschkleurige lokken<br />

mannenharten verftrikken.<br />

WILLEM.<br />

En haare fraaje talie. . . .<br />

STIERENBOCK, bemerkende dat men den<br />

fpot met hem drijft.<br />

Waartoe die optelling van alle haare bekoorlijkhe­<br />

den , die zig flechts gevoelen — niet befchrijven laa­<br />

ten. (Tegen Willem op een Jiekelachtigen toon.') Gij ver­<br />

gist u geheel, Mijnheer de Asfesfor! hoe ligt kon<br />

•dit verzuim in uw fchildery uwen arbeid, uwen roem<br />

£n uwe inkomjlen nadeel toebrengen.<br />

WILLEM.<br />

Wat wilt gij daarmede zeggen ?<br />

STIE-


T O O N E E L S F E L . 77<br />

STIERENBOCK.<br />

O , niets ter wereld! ik weet dat de verheven<br />

geest van den Heere van Moli fpot met die dwaasheid<br />

des vooroordeels, welke een' Edelman verbiedt eene<br />

burgerlijke handteering te drijven, en zig daarvoor<br />

te laaten betaalen.<br />

W I L L E M .<br />

'T is waar, ik fpot er mede.<br />

STIERENBOCK.<br />

Ook weet ik zeer wel dat de Heer Asfesfor van<br />

Moll een' post bekleedt, die hem rijk lijk het on­<br />

derhoud verfchaft; maar wie kan het hem ten kwaa-<br />

de duiden, dat hij een' fchat zoekt bijeen te fchraa.<br />

pen , ten einde , wanneer hij zig blind geschil­<br />

derd zal hebben, het hem niet gaan moge, als Beli-<br />

farius. (Hij lacht.)<br />

Graaf . . . .<br />

WILLEM.<br />

STIERENBOCK.<br />

Niet verder: ieder mensch handelt naar zijne be­<br />

grippen, en die geenen zijn de besten, welke zqn<br />

innerlijk geluk bevorderen, zonder zig aan het oor­<br />

deel der wereld te iiooren — Vaarwel, liefde El-<br />

dingen ! moet ik herhaalen, dat de rust mijns le­<br />

vens in uwe handen is? deez«n nademiddag zie ik u<br />

weder — om u — verrukkende gedachte ! — mo­<br />

gelijk, als broeder aan mijn hart te drukken. (Hij<br />

maakt een kleine buiging, en vertrekt.)<br />

KARG.,


78 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

KARG, hem aan de flip van zijnen rok<br />

vasthoudende.<br />

Uwe Excellentie ! nog één woord.<br />

Maar fchielijk.<br />

STIERENBOCK.<br />

KARG.<br />

Zoude uw Excellentie mij, op afflag der twee<br />

Louis d'or, niet een'daalder willen geeven ?<br />

STIEREN BOCK.<br />

Ik heb niet dan goud geld bij mij.<br />

(Hij vertrekt; Karg fchudt het hoofd en volgt hem.)<br />

ZEVENDE TOONEEL.<br />

MORITS, WILLEM VAN MOLL, OMAR.<br />

(Een oogenblik zwijgens, Willem tracht vruchtloos<br />

zijne gemoedsbeweeging te verbergen.)<br />

G ij hebt u geërgerd?<br />

MORITS.<br />

WILLEM.<br />

Ik had mij niet moeten ergeren.<br />

MORITS.<br />

Neen waarlijk; het wns de moeite niet waard':<br />

maar weet gij ook waar over gij u geërgerd hebt ?<br />

WILLEM.<br />

Over zijn valsch gezicht, zijn fchimplagchen, over<br />

zijnen giftigen toon, zijne Hekelachtige wijze van<br />

ipreeken. . .<br />

MO-


T O O N E E L S P E L , 79<br />

MORITS.<br />

Neem het mij niet kwalijk, mijn fchat! gijergerdet<br />

H, om dat hij byna gelijk had.<br />

Had hij gelijk?<br />

WILLEM.<br />

MORITS.<br />

Ja, zie, als het waar is, dat gij een voordeeligen<br />

post bekleedt . . .<br />

Dat is- waar.<br />

WILLEM.<br />

MORITS.<br />

Waarvan gij ordentelijk leeven kunt.<br />

WILLEM.<br />

Waarvan ik leeven kan.<br />

MORITS.<br />

Nu, zo moest de fchilderkunst u tot uitfpanning<br />

en niet tot winst dienen: gij moet er niet weder<br />

boos om worden ; ik meen het goed, en zoek 11<br />

geenzins te beledigen: gij hebt eene van die gezich­<br />

ten , tot welken ik altoos fpreeken moet gelijk-<br />

ik denk.<br />

WILLEM.<br />

Gij gelooft dan ook, dat ik mijn' flamboom onteer,<br />

als . . . .<br />

M O RIT S.<br />

Gekheid met den ftamboom ! een goed hart, waar-<br />

Bit de takken der deugd zig verfpreiden, is de echte<br />

ftamboom.<br />

WIL-


So B R O E D E R M O R I T S ,<br />

Nu, derhalven.<br />

Zij't gij getrouwd ?<br />

Neen.<br />

WILLEM.<br />

MORITS.<br />

WILLEM.<br />

MORITS. . ,<br />

Hebt gij misfchien onvermogende ouders?<br />

Neen.<br />

WILLEM.<br />

MORITS.<br />

Zo blijf ik bij mijne gedachte : een jong gezond<br />

mensch, die volop heeft om te leeven, denkt weinig<br />

aan fpaaren en fchatten te verzamelen: doet hij het<br />

echter — zo doet hij recht verftandig, recht prijs­<br />

lijk; maar in de zorgelooze jeugd verraadt het een<br />

kleine trek tot gierigheid, die in den ouderdom in<br />

voile vlam zal uitbarften.<br />

WILLEM, zeer aangedaan.<br />

Gij doet mij onrecht — maar laat ons hiervan<br />

zwijgen.<br />

MORITS.<br />

Zeer gaarne.<br />

WILLEM, na een oogenblik zwijgens.<br />

Waarlijk — ik heb mij over dien Iaaghartigen een<br />

weinig geërgerd — zo geërgerd, dat mijn hand nog<br />

beeft: ik kan niet voordwerken: vergun mij eenige<br />

minuten verpoozing.<br />

MORITS.<br />

Naar uw goedvinden : kom , Omar ! laaten wij<br />

in-


1 0 0 N E E L S P R L , 9 )<br />

Intusfcheq onder de linden eens wandelen. (Hij haalt<br />

een boek uit zijn' zak.) Ik zal n een' fchat mede*<br />

deelen , dien ik van daag in dit boek vond. (Hij<br />

leest.) „Befchrijving 'der Peluw - Eilanden:" dat<br />

moet een volk weezen ! ja, Omar! er zijn nog men­<br />

fehen ! ik heb een kostelijkcn inval: kom, dat ik<br />

u dien mededeele, en help mij denzelven ten uit­<br />

voer brengen. (Hij vat hem onder den arm, en zij<br />

vertrekken.)<br />

A GTS TE TOONEEL.<br />

WILLEM, met het hoofd in de hand, en<br />

den elleboog op de tafel rustende.<br />

Openbaare laster wordt den mensch voor eene<br />

deugd aangerekend ; en in het verborgen werken­<br />

de deugd, met befchimpende vermoedens gebrand-<br />

merkt! wat baat het mij, dat ik goed , dat ik recht-<br />

fchapen handel ! ik word miskend; cn niet alleen<br />

miskennen mij zotten, maar ook lieden, wier oor-<br />

deel ik hoog fchat, wier achting mij zou opbeuren,<br />

gelijk derzelver minachting mij nederdrukt — wat<br />

baat het mij? _ o Deugd! Deugd! beloondet gij u<br />

zelve niet, wie zou moed hebben, om aan deeze<br />

zijde des grafs om loon te (trijden ?<br />

N E,


82 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

NEGENDE T O O N E E L .<br />

JUULTJE, WILLEM.<br />

(Willem, in gedachten verzonken, hoort Juultje<br />

Willem!<br />

Hemel! Juultje!<br />

niet komen.)<br />

JUULTJE, zij Jlaat naast hem, en legt<br />

' haare hand op zijn' fchouder^<br />

WILLEM, van fchrik opfpringende.<br />

JUULTJE, met een weemoedigeflem.<br />

Wat heb ik u gedaan , Willem ? waarmede heb<br />

ik u beledigd?<br />

Gij mij beledigd ?<br />

WILLEM, zeer verward.<br />

JUULTJE.<br />

Reeds lang dwaalde ik door den hof, trachtte<br />

te vergeefs u een oogenblik alleen te vinden —<br />

en nu dat oogenblik dadr is — laat mijn beklem*<br />

hart mij naauwlijks toe te fpreeken — neen, ik<br />

heb u niet beledigd — en echter zijt gij zo ver­<br />

anderd!<br />

Veranderd ?<br />

WILLEM.<br />

JUULTJE.<br />

Gij fchuwt mijn tegenwoordigheid.<br />

Wil'


T O O N R E L S P E L . g 3<br />

WILLEM.<br />

Ben Ik daarom veranderd? _ ook Juultje miskent<br />

mij!<br />

JUULTJE.<br />

Spreek dan I wat is het dat u van mij verwijdert?<br />

Uw goud.<br />

Mijn goud!<br />

WILLEM.<br />

JUULTJE.<br />

WILLEM.<br />

De fchatten uws broeders: o gij z ij t n i e t m e e r<br />

die gij waart! ik minde u _ de Hemel alleen<br />

weet boe zeer ik u minde ! alle mijne gedachten<br />

liepen over u ; alles had betrekking op u ! als<br />

ik eenzaam op mijn kamer zat, en, met'een'<br />

berg van aften voor mij, een relaas opmaakte; kon<br />

het mij fomwijlcn uuren lang verbijsteren, als 'ik op<br />

het onverwachtfte eene groote J fchrijven moest:alle<br />

mijne vrouwen - portraiten geleeken naar U; alle<br />

mijne tekeningen zinfpeelden op u: zag ik iémand<br />

die fchatten bijéén vergaêrde, of las ik in een der<br />

nieuwspapieren dat ergens een Vorst den troon be­<br />

klommen had , zo ftelde ik mij in zijne plaats; en<br />

dacht hoe arm ik zonder u zijn zoude.<br />

JUULTJE, hem omhelzende.<br />

Ach Willem! wat heb ik u misdaan, dat gii z o<br />

niet meer denkt?<br />

WILLEM.<br />

Ja ik ben arm zonder ul zeer arm! _ 0! dat gij<br />

F 2 nog


14 BROEDER MORITS,<br />

nog mijn nooddruftig Juultje waart! hoe zoet was<br />

die gewaarwording, waarmede ik eertijds, hetgeen<br />

ik uitgefpaard had , weglegde, denkende: dat ii<br />

voor Juultje ! heden nog ga ik dagelijks tweemaal<br />

het kleine ftraatjen door, waarin gij weleerwoondet,<br />

en zie dan door het Iaage vengfter in het donkere ka-<br />

mertjen, in 't welke ik zo veele zalige oogenbrik­<br />

ken genoot — Juultje! Juultje! betrek dat huisjen<br />

weder! hervat uwen arbeid, op dat ik u weder durve<br />

beminnen.<br />

JUULTJE.<br />

Verfta ik u recht ? gij durft het lot berispen<br />

dat uw Juultje van gebrek en armoede bevrijd heeft?<br />

WILLEM.<br />

Ik alleen moest u daarvan bevrijd hebben; mis­<br />

fchien wat laater; maar is een laater vrucht uit de<br />

hand der liefde ontvangen, niet duizendmaal zoeter<br />

dan een vroeger uit die des gevals?<br />

JUULTJE.<br />

Gewis, beste Willem! maar daar het nu zo is<br />

zonder mijn toedoen zo is, zonder dat ik zelfs daar­<br />

toe ooit de minfte hoop heb kunnen opvatten; zal<br />

ik nu dit toeval met het geluk mijns levens moeten<br />

boeten?<br />

WILLEM.<br />

Het is voorbij! die fchoone droom isuitgedroomdl<br />

ik wil mijn geluk aan geene vrouw te danken heb­<br />

ben ! die oorringen, die gij daar draagt, zijn. al­<br />

ken


• T O O N E E L S P E L . «j<br />

leen genoeg, om mij voor altoos u te doen fcbuwen.<br />

JUULTJE: met drift haare oorrin­<br />

gen losmaakende.<br />

Daar, neem ze! en geef ze den eerften nooddruf-<br />

tigen, die u ontmoet.<br />

WILLEM, haare hand terug Jlootende.<br />

Hoe ijslijk is het, wanneer grondbegïnzels door<br />

het gevoel beftormd worden ! — neen Juultje ! 't<br />

is bepaald — nimmer zal ik bij uwen rijken broede*<br />

om uwe hand bedelen.<br />

JUULTJE.<br />

Mijn broeder is een weldenkend man.<br />

WILLEM.<br />

Dat zij zo! maar hij, die mij reeds nu, daar ik<br />

om loon fchilder , voor gierig uitmaakt; wat zou<br />

hij denken, wanneer ik zijne rijke zuster ten huwelijk<br />

vroeg'? meent gij, dat ik mij vernederen zoude om<br />

hem beter te onderrichten ?<br />

Laat dat aan mij over!<br />

JUULTJE.<br />

WILLEM.<br />

Gij zult hem zijne inwilliging afdwingen, hieraan<br />

twijfel ik geenzins; dit zou hem echter van zijne ge­<br />

dachten in het minst niet afbrengen, en elk dubbel­<br />

zinnig gezicht van hem ware mij een fteek in de ziel,<br />

die zelfs elke vreugd, welke ik in uwe armenfmaakte,<br />

verbitteren zoude.<br />

F 3 JUUL-


«ff B R O E D E R M O R I T S ,<br />

,JiruLTjE, aangedaan.<br />

Dit is e e n 0verdreevene trotsheid , of mogelijk<br />

flechts een voorwendsel.<br />

Ook dat nog!<br />

WILLEM.<br />

JUULTJE.<br />

Gij bemint mij niet meer, Willem! en zijt om een<br />

voorwendzel verlegen.<br />

WILLEM.<br />

Ach Hemel! hoe word ik gefolterd!<br />

JUULTJE.<br />

Wees gerust , Mijnheer van Moll ! gij behoeft<br />

geene uitvlugten: ik had geene andere aanfpraak,<br />

dan die uw hart mij gaf: voor den rechterftoel der<br />

liefde alleen konde ik dezelve doen gelden.<br />

WILLEM, hij haalt een portrait uit zijn' zak,<br />

Troost gij mij!<br />

het welk hij weemoedig beziet.<br />

JUULTJE.<br />

Dit is mogelijk een wenk — ik heb ook het uwe<br />

nog: (Zij haalt het portrait van Willem voor den dag.)<br />

willen wij ruilen ?<br />

WILLEM.<br />

O Hemel! Juultje ! dit kwam uit uw hart niet voord.<br />

(Juultje barst uit in traanen, die zij te vergeefs<br />

zoekt te verbergen.)<br />

WILLEM.<br />

Neen! de dood alleen kan mij dit ontrukken! op<br />

tnijn boret zal het met mij ten grave daalen!<br />

de


T O O N E E L S P E L . ij<br />


88 B R O E D E R M O R l'r S,<br />

JUULTJE.<br />

Hij verlaat mij, en ik kan hem niet haaten.<br />

, . N E T J E , bedroefd.<br />

Ik ook niet.<br />

JUULTJE. 9<br />

Trotfche weldenkend» Willem!<br />

NETJE.<br />

Verdoemde kroeskop!<br />

J U U L T J E , zig naar haare zusier keerende.<br />

Help mij, Netje!<br />

_ , NETJE.<br />

llaad mij, Juultje!<br />

JUULTJE.<br />

Hij wil mij niet hebben, om dat ik rijk ben.<br />

NETJE.<br />

En ik wil hem niet hebben, om dat ik zelve niet<br />

weet wat ik wil.<br />

JUULTJE.<br />

Maar ik zal met mijn' broeder fpreekr-.<br />

N E T J E .<br />

Ja, dat zal ik ook doen.<br />

JUULTJE.<br />

Het is mij intusfchen recht lief, dat ik eindelijk de<br />

zaak doorgrond heb, en de reden weet waarom hij<br />

mij fchuwt: deeze hevige fpanning zijner ziele kan<br />

met lang duuren; de trotsheid eener edele weigering<br />

kan mijn' Willem flechts eenige oogenblikken het<br />

genot der liefde vergoeden (Zij ftaat op.) Neen I nog<br />

is alles niet voor mij verlooren, weg met die traa­<br />

nen: mijn hoop wordt weder levendig.<br />

NETJE.


T O O N E E L S P E L . 8 V<br />

KETJE,<br />

Zie, zie, gij' zijt recht fpraakzaam geworden: bij<br />

ons werkt de liefde zeer verfchillend; u doet zij<br />

fpreeken, en mij — zwijgen.<br />

Bemint gij dan?<br />

JUULTJE..<br />

NETJE, vsrfchrikt.<br />

Wat? heb ik dat gezegd? zulks zou zeer dom zijn,'<br />

en nog dommer , als het zo ware. (Haare beiden<br />

ooien toejloppende.) Neen! 't is nietwaar! 't is niet<br />

waar! ik zal zo lang fchreeuwen, tot ik mijn hart<br />

overfchreeuw.<br />

JUULTJE.<br />

Vergeeffche moeite! en waarom ook , gelukkig<br />

meisjen! wanneer het flechts aan U ftaat, de liefde<br />

in de armen te Ioopen ?<br />

NETJE.<br />

Daar hebben wij 't! — maar, recht toe recht aan,<br />

in de armen geloopen ! hoe men daar bij vaarcn zal,<br />

vindt men naderhand wel: de liefde is een kind met<br />

reuzen. armen ; alles omgrijpt zij, maar drukt het<br />

minfte aan 't hart.<br />

JUULTJE.<br />

Zo lang gij nog zo praaten kunt, zijt gij niet verliefd,<br />

Netje!<br />

NETJE.<br />

Ben ik niet? waarlijk niet? ik bedï.nk u, zuster!<br />

(Zij vat haar om den hals, en kuscht haar.) Gij geeft mij het<br />

leven weder: derhalven, die huppelt, zingt en fpringt,<br />

* 5 item,


pa BROEDER MORITS,<br />

item, die kluchtige invallen heeft, is niet verliefd:<br />

ergo, ben ik niet verliefd: hoe moet men er dan<br />

toch uitzien, als men verliefd is? (Zij neemt een<br />

vertwijfelde houding aan , en Jlaat de oogen neder.)<br />

ach ! — o! — ach ! — o ! — (De eogen len Hemel<br />

Jlaande.) heilige, kuifche maan! zie op myn üroevig<br />

lijden neder!<br />

Dartel fchepfel I<br />

JUULTJE.<br />

KETJE.<br />

Gij, en onze kleine lieve Maria, maaken zamen<br />

een allerliefst paar : ik zou wel om een blik uit<br />

Omar's fchelmachtige oogen durven wedden , dat het<br />

meisjen, zo niet verliefd is, ten minden verliefd is<br />

geweest, en er een afkeer van gekregen heeft: maar<br />

weet gij wel, dat dit Madonnen • gezicht bij mij in<br />

een heel goed blaadjen daat? haare befcheidenheid,<br />

haar knipoogen, haar plotsling bloozen over niets,<br />

haar dilzwijgen, haar lagchen, als men haar aanziet,<br />

en haar zuchten, als men haar niet aanziet; dit alles<br />

heeft zo iet romanesks, zo iè\ nieuwsgierigheid-<br />

wekkends — wij moesten dit meisjen voor onze<br />

vriendin aanneemen,<br />

JUULTJE.<br />

Dit zullen wij, en in zeker opzicht zijn wij haar<br />

zulks verpligt: Tante zal met haare grillen haar ge­<br />

noeg plaagen en kwellen.<br />

WETJE.


TOONEEL S PEL. ot<br />

NETJE.<br />

Zo zij dat doet, zeg ik het mijn' broeder; die<br />

zal haar het hoofd wel recht zetten.<br />

ELFDE TOONEEL.<br />

De voorigen. MAR IA.<br />

MARIA.<br />

Uwe Tante zendt mij hier: de Juffrouwen zouden<br />

fchielijk, fchielijk boven komen.<br />

NETJE.<br />

Wat is er dan zo fchielijk fchielijk te doen?<br />

MARIA.<br />

De kanarievogels moeten eeten gegeven, en dan uit<br />

Benjamin Smolk een paar bladzijden gelezen worden.<br />

NETJE.<br />

Kon zij deeze gewigtige bezigheden u niet toevertrouwen?<br />

MARIA.<br />

Ik heb er mij toe aangeboden, maar zij denkt dat<br />

ik daarmede nog niet goed kan omgaan.<br />

NETJE.<br />

'T is ook een groote kunst!<br />

j ÜULTJE.<br />

Wij dienen evenwel te gaan.<br />

NETJE.<br />

Zo aanftonds _ Nu lieve Maria, hoe ftaat het u<br />

hier aan?<br />

MA'


5* B R O E D E R M O R I T S ,<br />

MARIA.<br />

Ach ! zo ik u maar aan fta.<br />

NETJE.<br />

Ware ik een jongen , ik zou u, over dit punt,<br />

recht aartige dingen zeggen: hebt gij mijn' broeder<br />

al gezien?<br />

Neen.<br />

MARIA.<br />

NETJE.<br />

Wanneer otfze Tante u fomwijlcn wat ruw beje­<br />

gent, moet gij u zulks niet aantrekken: 't is zo<br />

haare gewoonte; zij is zieklijk, en maakt het met<br />

ons niet beter.<br />

JUULTJE.<br />

Onze liefde zal u een' ftand , waartoe gij niet ge­<br />

boren fchijnt, gemaklijk maaken. (Zij kuscht haar en<br />

vertrekt.)<br />

NETJE.<br />

Geboren ? een fchoon meisjen is geboren om te<br />

heerfchen ; vergeet dit niet, en maak bij de eerfte<br />

gelegenheid gebruik van de wapens , die gij in<br />

uwe oogen draagt. (Zij kuscht haar ook, en volgt haar<br />

zuster.)<br />

TWAALFDE TOONEEL.<br />

MARIA.<br />

B ~n ik alleen ? — zal ik een verborgen plek jen vinden,<br />

waar ik den Hemel in het verborgen danken kan,<br />

dat zijne goedheid der bedrogene onfchuld eene vei­<br />

lige fchuilplaats gaf? — nimmer heb ik mij durven<br />

rlei-


T O O N E E L S P E L . ^<br />

vleien , dat mij nog zulk een geluk in de wereld<br />

zoude te beurt vallen — een paar lieve, deugdzaame<br />

meisjens , in het geheel niet meesterachtig , nie­<br />

mand over den fchouder aanziende — maar ja! hij<br />

alleen weet rijk te zijn, die eens arm was: de oude<br />

Tante is zekerlijk een weinig knorrig — maar lieve<br />

Hemel ! zij heeft ook een benaauwde borst! — neen,<br />

ik ben te vreden : zuinigheid zal mij, en mijn ander<br />

ik , tot genoegzaam onderhoud verftrekken : hier zal<br />

ik trachten te vergeeten, (zuchtende,) dat men mij<br />

vergat. (Zij wil vertrekken.)<br />

DERTIENDE TOONEEL.<br />

MARIA, MORITS.<br />

M o R i T s: Maria ziende, blijft hij verwonderdfiaan.<br />

Lieve kleine! wie zijt gij?<br />

MARIA: op een eenvoudigen toon.<br />

Mijnheer! ik dien in dit huis.<br />

MO RITS.<br />

En ik beveel in dit huis: het fchijnt mij echter toe,*<br />

als waart gij tot beveelen en ik tot dienen geboren.<br />

MARIA, met eene befcheidene vriendlijkheid.<br />

Mijnheer is veelligt de broeder van mijne Juf­<br />

frouwen?<br />

MORITS.<br />

Juist, mijn fchat!<br />

MARIA.<br />

Ik beveel mij in uwe gunst.<br />

MO-


94 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

MORITS.<br />

Gij hebt die reeds: hoor, fchoon meisjen! toea<br />

ik u vroeg: wie zijt gij? antwoorddet gij mij een-<br />

voudig: — „ Mijnheer ik dien in dit huis", en toen<br />

gij hoordet dat ik de broeder mijner zusters was,<br />

betaaldet gij mij die verwantfchap aanftonds met een<br />

vriendlijken oogwenk: ik moet u evenwelzeggen,<br />

niet te kunnen lijden dat men, om eens anderens<br />

wille , mij vriendlijk aanziet: de minzaamheid van<br />

een jong meisjen wil ik alleen aan mij zeiven te<br />

danken hebben.<br />

MARIA.<br />

Het meisjen, dat u voor de eerftemaal ziet, en<br />

aanftonds vriendlijk bejegent, zulk eene vriendlijk-<br />

heid is weinig waard'.<br />

MORITS, verwonderd.<br />

Meent gij dat? — gij kunt gelijk hebben.<br />

MARIA.<br />

Er zijn gezichten, die het vermogen bezitten, om<br />

op het eerfte oogenblik iemands hart inteneemen: gij<br />

Mijnheer! zijt een dier gunftelingen der Natuur: in<br />

uw oog is de verzekering te leezen, dat een eerlijk,<br />

(ftamelend.) een eerlievend meisjen bij u niets waagt :<br />

ik, ongelukkige weeze! heb in uw huis een veilige fchuil-<br />

plaats gevonden; gij zult mij niet weder wegjaagen ?<br />

MORITS.<br />

Wegjaagen? gaf ik u grond om zo iet te duchten?<br />

MA-


Bijna.<br />

T O O N E E L S r i l . 9 g<br />

Wanneer? waar?<br />

MARIA.<br />

MORITS, fchielijk.<br />

MARIA.<br />

Dat gij mij geduurig bekeeft , mij aanhoudend<br />

ftuurs bebandeldec, zoude ik gewillig verdraagen;<br />

mijn ijver zou u uwe genegenheid afdwingen: maar<br />

naauwlijks ziet gij mij, of gij vleit mij, en noemt<br />

mij fchoon; dit maakt mij bekommerd: een meisjen<br />

dat men niet kent, fchoon te noemen, geeft eene<br />

begeerte te kennen om haare deugd te ondermijnen-<br />

beste Heer! zie mij zo niet aan; zulk een blik all e«<br />

ware in ftaat om mij uit uw huis te jaagen.<br />

MORITS.<br />

Gij vreest de mannen ?<br />

Ach, ja!<br />

MARIA.<br />

MORITS.<br />

Gij fpreekt mogelijk bij ondervinding?<br />

MARIA.<br />

Ik ben negentien jaaren oud.<br />

MORITS.<br />

Waarlijk, dit was een domme vraag: vertel mij<br />

toch eens, fchoon kind! _ g o ed kind! wilde ik<br />

zeggen _ welk leed heeft de wereld u gedaan?<br />

MA R I A.<br />

Moet ik het eerfte uur mjjns verblijfs in uw huis<br />

»eeds aan een droevige herinnering wijden ?<br />

MO-


pd BROEDER M O RITS,<br />

MORITS.<br />

Meisjen ! gij fpreekt recht, en uwe oogen tekenen<br />

nog veel meer dan gij fpreekt : hoe zou het zijn,<br />

als gij vergat, dat het geval u onbillijk behandeld<br />

heeft — dat gij flechts mijne oude Tante dienstbaar<br />

zijt? — en hoe als ik uw broeder ware?<br />

MARIA.<br />

Dan zou ik zeggen : lieve broeder ! Iaat mij met<br />

vrede! mijne elende is mij lief geworden: lijden en<br />

zwijgen valt dien niet zwaar, die door het medelij»<br />

den eens vreemden vernederd zou worden.<br />

MORITS.<br />

En ik — ik zou zeggen, dat mij door Natuur een<br />

dommen trek gefpeeld ware , zo zij u tot mijne<br />

zuster gevormd hadde; ten minden zou ik het<br />

menschdom voor zinneloos uitkrijten, dat de Natuur<br />

de wet had voorgefchreven, waarbij geen broeder<br />

zijne zuster, als vrouw, beminnen mag; want zie,<br />

ik begin u lief te hebben : de Hemel zij gedankt<br />

dat gij mijne zuster niet zijt? federt den tijd mijner<br />

jongelingfchap , federt ik het eerfte daglicht zag ,<br />

heeft het vooroordeel zig altoos tegen mijne geliefde<br />

neigingen verzet: dit heeft mij tot een vervolger tot<br />

een'aartsvijand van alle menschlijke domheden gemaakt:<br />

mijn ganifche leven was eene onafgebrokene beftrij-<br />

ding van het vooroordeel; immer bereid om met het<br />

zelve te flaan, als de MallhefersmetdeMufulmannen:<br />

menig genoegen heeft het mij verbitterd, menig ge­<br />

heel


T O O N E E L S P E L .<br />

heel benomen: beklaag mij. fchoon meisjen ! nim­<br />

mer heb ik dit verdiend , want ik heb nooit het<br />

fpoor der eerlijkheid te buiten gegaan. (Hij vat haar<br />

liefkoozend bij de hand.) O. zo gij mij beklaagt, hebt<br />

gij nog maar één' kleinen Ifap noodig, tot den wensch,<br />

om mij de onbillijkheid des noodlots te vergoeden:<br />

ik heb mij zo dikwijls over vooroordeelen moe­<br />

ten ergeren — in uwe armen zoude ik er flechts<br />

over lagcben.<br />

MAUIA, haare hand terug trekkende.<br />

Gij vergeet, MijnheerI dat vrouwlijke deugd geen<br />

vooroordeel is. (Zij vertrekt met drift.)<br />

VEERTIENDE TOONEEL.<br />

MOKITs , hij ziet Maria eenige cogenblikken<br />

zwijgende na.<br />

/Maar , maar, lief trotsch meisjen ! vrouwlijke<br />

deugd is flecht* vooroordeel: de Europeer verdedigt<br />

haar met het zwaard, en de Timgu*er verkoopt haar<br />

voor een blaas met traan; de Morgenlander fluit haar<br />

achter deuren en grendels, en de Neger verkoopt haar<br />

aan den meestbiedenden — maar zo zijn de vrouwen,<br />

naamlijk de Schoone vrouwen; zij houwen den knoop<br />

met één' flag door: „zo is 't! zo moet het zijn !"<br />

wij fchrijven dikke boeken , en niemand gelooft ons; zij<br />

fpreeken één woord, en de verftandiglte mannen zeg.<br />

G gen-


j-jf B R O E D E R M O R I T S ,<br />

gen ootmoedig; Ja'. — Dat meisjen heeft mij waarlijk<br />

het hoofd (JVa een weinig zwijgens.) wat zeg ik! —<br />

het hart verrukt! — dit is te erg! oost en west<br />

doorgekruist, overal ongefchonden'er afgekomen;<br />

en hier in deezen afgelegenen hoek der wereld! —•<br />

lieve Hemel! is men dan nergens voor de vrouwea<br />

zeker?<br />

Einde van het tweede bedrijf.<br />

DER-


T O O N E E L S P E L . g 9<br />

D E R D E BEDRIJF.<br />

E E R S T E TOONEEL.<br />

MORITS, OMAR.<br />

(Omar is bezig met de eerjie letter van Netjes nam<br />

in een' boom'te fnijden : Morits komt in gedachten<br />

met een' nedergeflagenen hoed aan de andere zijde des<br />

tooneels, een laan uit, en /peelt met eene roos, welke<br />

hij tusfchen zijne vingers houdt, en waaraan hij/om-<br />

wijlen riekt.)<br />

Wat doet gij daar?<br />

MORITS, Omar gewaar wordende.<br />

OMAR.<br />

Ik maak een' boom trotsch: hij zal den naam van<br />

uwe zuster draagen.<br />

MORITS, zig van hem afkeerende.<br />

Waarlijk de lentelucht is de bron der liefde! al­<br />

les mint! (Tegen Omar.) Zo aanftonds heb ik een<br />

vinkenestjen ontdekt: de moeder fladderde fchuw.en<br />

echter zeer vrolijk digtom mijn hoofd heen : hoor Omar!<br />

(Met den vinger wijzende.) ginds in het bosch ! zorg<br />

daar voor, dat geen moedwillige knaap het verftoore!<br />

Dat wil ik gaarne.<br />

OMAR, voordjhijdende.<br />

MORITS: hij keert zig boschwaarts.<br />

Alles mint! alles maakt nestjeus! (Tegen Omar.)<br />

G 3 'J i s


ioo B R O E D E R M O R I T S ,<br />

'T is van daag een fchoone lentedag : mijne oude<br />

Tante heeft voor de eerftemaal het vengftergeopend:<br />

haddet gij eens gezien, hoe levendig de kanarievo­<br />

gels in hunne hokjens werden! hoe vrolijk zij van<br />

ftokjen op ftokjen fprongen, en het noodige voor<br />

hunne nestjens bijecnzamelden! mijn zuster Netje<br />

ftond er ook bij.<br />

Stond daar ook bij ?<br />

En lachte.<br />

En lachte.<br />

OMAR, zig fchielijk omkeerende.<br />

MORITS.<br />

OMAR, met tegeiizin.<br />

MORITS.<br />

En glimplachte, wil ik zeggen.<br />

OMAR, vriendlijk.<br />

En glimplachte? — en haalde een weinig dieper<br />

adem dan voorheen?<br />

Zo kwam he: mij voor.<br />

MORITS.<br />

OMAR.<br />

Ach I (Hij gaat voord met in den loom te fnijden.)<br />

MORITS, van Omar afgekeerd.<br />

Alles mint! alles bouwt zig nestjens! mcnfchen-<br />

oogen zwemmen in traanen van wellust, en zelfs<br />

zulk een zucht is wellust. (Tegen Omar.) Hebt gij<br />

gezien, hoe de zwaluwen onder ons dak zingen en<br />

rondzwieren; hoe zij in- en uitvliegen en zig verlusti­<br />

gen l


T O O N E E L S P E L . r o t<br />

?en! liefde Omar! zorg toch, dat geen zindelijke<br />

huisknecht mij deeze gasten verjaage !<br />

OMAR, zig naar hem toewendende.<br />

Als gij in de zoete vermenging der gantfche Natuur<br />

zo veel behaagen fchept, waarom bouwt gij n<br />

zelve dan geen nest?<br />

MORITS, na een oogenblik zwijgen!.<br />

Zie deeze roos!<br />

OMAR.<br />

Zij is fchoon, pas ontloken, en riekt. (Hij Jleeki<br />

zijne hand daarna uit.)<br />

MORITS, trekt de roos fchielijk terug en<br />

houdt dezelve achter zijn' rug.<br />

Neen, goede vriend! 't genot zij mij alleen ver­<br />

gund — ik heb een meisjen gevonden !<br />

Een meisjen?<br />

OMA R a<br />

MORITS.<br />

Voor weinige minuten zag ik dat lieve bekoord ij t;<br />

fchepfel: mij dunkt, ik min!<br />

OMA Ra<br />

Sedert weinige minuten?<br />

MORITS.<br />

Hoe veele minuten beeft een vink noodig om dg<br />

eene egaè te kiezen ?<br />

OMAR.<br />

Alleenlijk met dit kleine onderfcheid .--een vink ver­<br />

kiest voor één* zomer, en wij voor alle de zomers,<br />

herfsten en winters van ons leven.<br />

G<br />

.3 M O-


io2 B R O E D E R M O R I T S .<br />

Wie zegt dat?<br />

MORITS.<br />

OMAR.<br />

De tyran aller volken ! de gewoonte.<br />

MORITS,<br />

De tyran aller volken, maar de miine niet: be­<br />

haagt mijn vrouw mij niet dan neem ik morgen weder<br />

eene andere.<br />

OMAR.<br />

En overmorgen neemt mogelijk geen eene u meer ?<br />

MORITS. t<br />

Maar Omar, de vink is een zot, zo hij eiken zomer<br />

uit onbeftendigheid verwisfeit; hij is een zot, want<br />

kent noch zijn voordeel, noch zijn genoegen: een<br />

nieuwe Iieffte is even zo ongefchikt als een nieuw<br />

kleed: het drukt op de borst, fpant onder den arm;<br />

en, is het laken ftijf, zo buigt het zig nief in de<br />

noodige vouwen, maar beangftigt het arme fchepfel<br />

zo als u , morgenlander ! toen gij voor de eerfte<br />

maal een Europisch kleed aantrekt: wij hebben een<br />

fpreekwoord : oude liefde roest niet: een waar<br />

woord, mijn vriend! nieuwe en oude liefde evenaar­<br />

ten eikanderen, als een ftaatliekleed en een flaap.<br />

rok: o hos blij is een hoveling, als hij 'savonds<br />

van het ftijve cirkel t'huis komt, en zijn' gemak­<br />

lijken ouden flaaprok kan aantrekken!<br />

OMAR.<br />

Wij fpraken van uw ftaatfiekleed.<br />

MORITS.


Y O O N E E L S P E L . i 0j<br />

- MORITS.<br />

Ik wil het tot mijn flaaprok maaken: de gewoonte<br />

verbindt het gemeen aan ééne vrouw, maar mij mijne<br />

keuze, het genoegen :het gemeen durft niet verande­<br />

ren, en ik wil niet.<br />

OMAR.<br />

O, noem mij toch mijne aanftaande meesteres!<br />

MORITS.<br />

Uwe vriendin! — een fraaje bloem, niet ontijdig<br />

door de kunst van de hand eens Hoveniers uitgedreven,<br />

maar onder den vrijen hemel heerelijk opgewasferj:<br />

een meisjen door de Natuur tot Vorftin gevormd,<br />

en door het noodlot tot kamenier vernederd —<br />

"Maria.<br />

OMAR.<br />

Die, bij de oude Tante?<br />

Dezelfde.<br />

Al o R I T s.<br />

OMAR.<br />

Een fchoon meisjen! en zo zij goed is, een lief<br />

meisjen ! iet vorstlijks echter heb ik aan haar niet<br />

befpeurd. ''<br />

M e R i T s.<br />

Wat noemt gij vorstlijk? — onnozele Omar! —'<br />

alles, wat zig eenige magt over het menschdom aan-<br />

maatigt, is vorstlijk: een fchrander vernuft, een<br />

zwaard in de hand , een volle beurs ; dit alles is<br />

vorstlijk; en een fchoon meisjen is koninglijk ! hoe<br />

vaak immers heeft fchoonheid voltooid , waar het<br />

G 4 ver-


ï4 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

vernuft en het zwaard te vergeefs naar trachtten? —<br />

gij Jacht ?<br />

OMAR.<br />

Vergeef het mij: ik herinnerde mij hos dikwijls<br />

dezelfde Morits, van een aartig meisjen terug komen­<br />

de, glimplagchende mij op den fchouder klopte, en<br />

zeide: ,, Waarlijk, de oude grijsaart Pluto heeft ge­<br />

lijk ; de vrouwen hebben geene ziel; een tijdverdrijf<br />

van weinige oogenblikken - en zij verveelen ons".<br />

MORITS.<br />

Hoor , beste Omar ! zend Maria herwaarts, op<br />

dat ik in haare armen voor deezen laster boete!<br />

OMAR.<br />

Een harde ftrafl.— zijt gij dan reeds zo ver gevorderd,<br />

dat ik haar eene heimelijke zamenkomst<br />

durve vooritellen ?<br />

MORITS.<br />

Ach neen ! — gij moet een voorwendzei zoeken —<br />

Nog veele dingen moeten weggeruimd worden — zeg;<br />

ik heb haar bevolen . . . .<br />

Bevolen ?<br />

O M A R,<br />

M o R i T s.<br />

Nu ja, voor de iaatfte keer bevelen.<br />

OMAR, glimplagchende.<br />

Om in het vervolg altooa te gehoorzaamen.<br />

TWEE.


TOONEELSPEL. ia%<br />

TWEEDE TOONEEL.<br />

MORITS.<br />

Gehoorzaamen ? — waarom niet? — wat is het<br />

voor een vrijen man, te gehoorzaamen ? gehoorzaam<br />

ik der zonne niet, als zij mij noopt, mij in haare<br />

frraalen te koesteren? gehoorzaam ik der deugd niet,<br />

als zij mij gebied: een edele daad te volvoeren ?<br />

— ja , ik zal ook Maria gehoorzaamen — doen »<br />

wat men doen wil; volgen, wat Natuur en het hart<br />

gebieden; hier in beftaat de vrijheid eens wijzen ! —<br />

zonderling! — federt deeze weinige minuten, ont­<br />

wikkelen zig honderd nieuwe begrippen: ontelbaare<br />

zaaken , waarover ik nimmer dacht, komen mij thans<br />

zo helder, zo klaar voor; en echter fchijnt het mij<br />

toe dat het daar, (op zijn hoofd wijzende,) Hechts<br />

gefluimerd heeft.: alles is plotslings ontwaakt; hoe,<br />

weet ik niet: eene verwarring in de harsfens! eene<br />

verwarring in het hart! de jonge pas geborene be­<br />

grippen trachten de ouden te verdelgen; het teêr-<br />

hartigfte eerst ontftaane gevoel zoekt het oude te<br />

verdringen — het oude — wat heb ik dan voor­<br />

heen gevoeld? — niets! in het geheel niets! (Be-<br />

wogen.) het is van daag voor de eerftemaal, dat ik<br />

gevoel! (Hij wischt zijne oogen af.) Ik ben ! — ik<br />

gevoel dat ik ben ! — en de geheele verwarring ont­<br />

wikkelt zig in het godlijk gevoel mijns aanwezens!<br />

G s DER.-


iorj B R O E D E R M O R I T S ,<br />

DERDE TOONEEL.<br />

MORITS, MARIA.<br />

MORITS: Maria te gemoet gaande.<br />

Vergeef het mij, lief meisjen! ik heb u daar even<br />

allerlei nietsbeduidende woorden voorgepraat: hon­<br />

derdmaal herhaalde dingen, doen bij honderdduizen­<br />

den altoos dezelfde uitwerking: ik telde u onder den<br />

grooten hoop, en bedroog mij: weg met die vernede­<br />

rende gedachte! ik ben geen Iafaart — en ook geen<br />

wellusteling: wat ik u thans vraagen zal, is mij ernst.<br />

(Met de hand op de borst.") De Hemel ziet mij! nooit<br />

deed ik een' zwaarder' eed.<br />

Wat beduidt dit alles ?<br />

MARIA.<br />

MORITS.<br />

Gij behaagt mij: wilt gij het genot des levens met<br />

mij deelen?<br />

MARIA.<br />

Mijnheer! voor geld kan men alles koopen, ook<br />

niet zeldzaam de eer van een jong meisjen ! doch de<br />

mijne niet. (Zij wil vertrekken.)<br />

MORITS, haar wederhoudende.<br />

Gij hebt mij niet begreepen, Jief meisjen! gij kent<br />

mijne denkenwijs niet ; uit dezelve vloeien alle<br />

mijne uitdrukkingen voord: het genot mijns levens<br />

met mij deelen, kan alleen mijne vrouw, mijne echt-<br />

genoote: dit zult gij zijn! de zegen eens Priesters<br />

ech-


T O O N E E L S P E L . io 7.<br />

echter is bij mij van veel minder waarde, dan de<br />

band der liefde: geen formulier — mijn hart alleen<br />

kan u voor mijn' trouw tot) een zekeren borg ftrek-<br />

ken: zijt gij echter in andere begrippen groot ge-<br />

bragt: welaan! geef mij uw hand, en breng mij bij<br />

den eerden geestlijken, die zeer gaarne voor een<br />

paar daalders onze verbintenis in het protocol des<br />

Hemels zal opfchrijven.<br />

MAEIA, zeer verbaasd.<br />

Mijnheer! — het gerucht verfpreidt honderd won.<br />

derlijke trekken uws charakters; maar het geen ik<br />

heden ondervind , gaat mijne verwachting verre te<br />

boven.<br />

MORITS.<br />

Ik heb echter nimmer, in mijn geheeleleven,met<br />

de dagelijkfche gewoonte overeenkomftiger gehan­<br />

deld: er-is toch niets wonderlijker dan de algemeene<br />

opvatting der menfehen; overal zegt men: Morits<br />

is een zonderling man, die altoos zijn' eigen' kop<br />

volgt, nooit doet wat anderen doen; nooit denkt<br />

wat anderen denken: duizenden trouwen, en men<br />

vindt zulks zeer natuurlijk ; maar Morits wil trou­<br />

wen — ei! dat vindt men iet zeer bijzonders.<br />

MARIA.<br />

Dat niet, maar den aart en wijze: gij ziet mij<br />

van daag voor 't eerst!<br />

MORITS.<br />

Ik begrijp u reeds, lief meisjen ! maar zeg mij<br />

toch!


TO8 B R O E D E R M O R I T S,<br />

toch! zijn dan die huwelijken altijd de besten, tot<br />

wier voltrekking men jaaren lang noodig heeft? als<br />

men jaaren lang met vrijen doorbrengt, en eerbiedig<br />

rondsom de bloem, welke men zou kunnen plukken,<br />

maar met geduld Iaatoverrijpen,heen trippelt?geloof<br />

mij; hij, wie zijn harten het toeval aanftonds opvolgt,<br />

word zeldzaamcr bedrogen, dan de bedachtzaame, die<br />

op de kruk van het verftand omhinkt, een bril van<br />

eigenbelang op den neus zet, en een vrouw voor<br />

het huishouden, niet voor het hart neemt.<br />

MARIA.<br />

Wat noemt gij, mannen ! toch een VTOUW voor uw<br />

hart? in uwe verliefde oogenblikken , waarin alles<br />

ligchaamlijk is, waant gij immer, dat het hart in uwe<br />

verrukkingen deelt: een bevallige blik uit een fchoon<br />

oog — „ Ach! dit heeft mijn hart getroffen!" —<br />

een zachte druk eener fneeuwwitte hand _ „ Ach!<br />

„ dit drong mij tot in de ziel I" _ ' t j s niet<br />

waar! gij vleit u te genieten, maar begeert flechts; en<br />

naauwlijks is deeze begeerte voldaan, of het meisjen<br />

uws harten is vergeeten, in haare plaats ftaat, (geen.<br />

wende,) een vrouw.<br />

MORITS.<br />

Gij hebt gelijk, allerliefst fnapftertjen! als gij van<br />

visouwen fpreekt, zo als zij gewoonlijk zijn; want<br />

aan dezulken ligt bitter weinig gelegen: maar een<br />

vrouw, die het ééne oogenblik met haaren echtge-<br />

mot in een zee van wellust zwemt, en in het andere<br />

zijn


T O O N E E L S P E L ; ityi<br />

zijn kommer met hem deelt; in het eene oogenblik<br />

met hem dartelt, en in het andere, zo niet Phaedon,<br />

ten minften Wieland met hem leest; zulk eene vrouw<br />

doet haaren echtgenoot immer begeeren immer ge.<br />

nieten; en zulk een vrouw zijt gij! — Ha toe! het<br />

zal u waarlijk nooit berouwen.<br />

M A K I A.<br />

Neen "Mijnbeer! gij vergeet, dat uw geflacht zeer<br />

dikwijls dingen doen durft, die men 't onze niet<br />

vergeeven zou: een man mag, zo rasch hij wil, het<br />

huwelijk inhollen; maar een meisjen durft hem flechts<br />

ftapvoets navolgen": ik ken u niet.<br />

MORITS.<br />

Maar gij hebt van mij gehoord? Morits, de zon­<br />

derlinge, is het fprpokjen der ftad! wel nu, wat,<br />

zegt men van mij? wij zijn zelden erger dan er van<br />

ons gefproken wordt; veeltijds' zelfs beter: men zal<br />

mij veelligt als een mensch vol grillen en dwaas*<br />

heden affchilderen, maar nimmer van een onedele<br />

daad overtuigen — dat ik in een' fchooncn zomer­<br />

nacht, als andere menfehen flaapen, of Faro fpee-<br />

len , onder den fchoon geftarnden hemel wandel;<br />

dat ik fomwijlen des morgens om zes uuren het<br />

middagmaal houde , cn 's avonds koffij drink ; dat<br />

men mij nooit dan met eenen aschgraauwen rok ge­<br />

kleed ziet ; dat ik zondags mijn hair niet witter<br />

laat poederen, dan des faturdags; dit alles behoort<br />

tot het wezen des menfehen niet — is alleen de<br />

lijst


HO B R O E D E R M O R I T S ,<br />

lijst van het fchilderij: Iaat nu die lijst eenïgzins<br />

naar den Chineefchen fmaak gemaakt zijn; zomaar<br />

de fchilderij goed en onbedorven is, gelijk zij van<br />

de hand haars grooteu meesters kwam: en waarlijk?<br />

zo is het : dit ongepoederd hair bedekt een den-<br />

kend breid ; onder deezen eenvoudigen rok flaat een'<br />

warm hart: zie, meisjen! zo als ik hier voor u fta _<br />

eenige kleinigheden uitgezonderd _ houde ik mij<br />

voor eenen der besten menfehen in de geheeie we­<br />

reld: denk niet, dat dit ijdelheid _ trotfche waan<br />

is; ik gevoel dat ik goed ben; waarom zou ik het dan<br />

niet zeggen?<br />

MARIA.<br />

Gewis : ook ik gevoel dat een braaf man tot mij<br />

fpreekt: deeze taal kan geen flecht hart voeren:<br />

maar. . . .<br />

MORITS.<br />

O , ware dit maar het laaffte offer, dat gij der<br />

maagdlijke fchaamte wijdet!<br />

MARIA.<br />

Neen, Mijnheer! dit offer ben ik aan mijn'pligt<br />

fchuldig: het wordt mij zwaar uwe hand te weigeren:<br />

des te beter! ik dank u ! ik begin mij zelve weder<br />

hoog te fchatten.<br />

MORITS.<br />

Dat's een raadfel, lief meisjen ! — geef reden, ver-<br />

ftandige reden , en hebt gij die niet, zo zeg fchielijk s<br />

Ja! — bij den Hemel! het zal u nimmer berouwen.<br />

MA-


T O O N E E L S P E L . n|<br />

MARIA.<br />

Mijn hart heeft flechts ééne beweegreden; maar<br />

voor u zijn er veel meer: ik ben eene arme vaderlooze<br />

wees.<br />

MORITS.<br />

Een fraaje beweegreden, waarlijk!<br />

MARIA.<br />

Mijn vader was flechts een arm hand - werksman.<br />

MORITS.<br />

Een fchoone beweegreden 1<br />

MARIA.<br />

Mijne moeder . . .<br />

MORITS, haar ongeduldig in de re-<br />

de vallende.<br />

Ik wil immers met uwe moeder niet trouwen, lief<br />

Vind? ga bij haar; laat zij u haaren zegen geeven,<br />

en kom ftraks aan dit hart weder: of is zij arm?<br />

waarfchijnelijk! we! nu, ik heb gelds genoeg; wat<br />

het mijne is, is ook het uwe.<br />

Braave man !<br />

MARIA, bewogen»<br />

MORITS.<br />

Of denkt gij dat ik mij haarer fchaamen zal ? breng<br />

haar hier! al ware zij ook nog zo met lappen gekleed;<br />

de eerfte plaats aan mijn tafel zal de haare zijni<br />

Edelmoedig mant<br />

MARIA, zeer bewegen.<br />

MO-


Ua BROEDER MORITS,<br />

MORITS.<br />

Foei kind! dit is geene edelmoedigheid! een goede<br />

gedachte - meer niet! ik vergeet nimmer dat ik<br />

mensen ben - doch , wanneer gij het zo neemen<br />

wilt, wel! gaarne ware ik in uwe oogen nog een<br />

weinig meer waard', dan ik tegenwoordig ben —<br />

nu! — uwe reden ?<br />

Ach!<br />

MARIA.<br />

MORITS.<br />

Gij fpraakt van een beweegreden , welke in tiw<br />

hart huisvest? openbaar ze mij! de beweegrede­<br />

nen daar, (op het hart wijzende.-) zijn zekerlijk veel<br />

zwaarder te beftrijden, dan die hier: (op zijn hofd<br />

wijzende.) maar laat ik het beproeven !<br />

MARIA, zeer verlegen.<br />

Ja — ja — ik wil u toonen , wie ik ben — in<br />

weinige oogenblikken — ik verlaat u — binnen een<br />

quartier uurs ben ik weder hier.<br />

MORITS.<br />

Wat zal dat? waarom niet aanftonds?<br />

MARIA.<br />

Vergun mij ten minften nog een quartier den zoeten<br />

waan, van door een' braav' man bemind te worden;<br />

FIER.


T O O N E E L S P E L . 113<br />

VIERDE TOONEEL.<br />

MOKITS: hij ftaat verwonderd, en ziet<br />

Maria eenige oogenblikken zwij­<br />

gend na.<br />

Wat wil zij daarmede zeggen ? (Hij leunt tegen<br />

het eene beeld, in de houding eens diepdenkenden , met<br />

de oogen naar den grond gekeerd, terwijl hij deeze<br />

woorden herhaalt:) Wat drommel wil zij daarmede<br />

zeggen?<br />

V IJ F D E T O O N E E L .<br />

IOBITS, DIEDEIic VAN MOLL, met een houten<br />

Uw dienaar, Mijnheer!<br />

been, en op een kruh<br />

DIEDRIK, een weinig haastig.<br />

MORITS: hij keert het hoofd naar Diedrik, be-<br />

fchouwt hem, en zegt op een droegen toon.<br />

Dat zijt gij niet.<br />

DIEDRIK.<br />

Nu, ou, het is zo de gewoone wijze van fpreeken»<br />

MORITS.<br />

Ik bedien mij van geen fpreekwijzen. (Hij neemt zijn<br />

vorigen ftand aan , en verliest zig in zijne gedachten.)<br />

DIEDRIK.<br />

Niet? zo (peelt Mijnheer een droevige rol in de<br />

wereld; want hedendaags is alles eene wijze van<br />

fpreeken; de vriendfchap is eene wijze van fpreeken,<br />

PI de


H4 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

de deugd is hetzelfde; en het is zeer natuurlijk ;wani<br />

een zekere wijze van handelen is altijd bezwaarelijker<br />

dan een zekere wijze van fpreeken : zie ; zonder<br />

een wijze van fpreeken is Mijnheer in onze beste<br />

gezelfchappen niet gezien: „ Uw gehoorzaame die-<br />

„ naar, Mijnheer! — Van harten de uwe — Hoe vaart<br />

„ gij? — Zeer wèl, pin u te dienen — En uwe be-<br />

,, minde? — Zo redelijk — En de lieve kleine fa-<br />

„ mille? — De jongde krijgt tandjens — Hoe gaat<br />

„ het voor 't overige, beste vriend? — Nog naar<br />

„ ouder gewoonte — Gij zijt, hoop ik, van mijne<br />

„ vriendfchap overtuigd? (Hij doet, als of hij iemand<br />

„ hij de hand fchudde:) zo ik u ergens in van dienst<br />

„ kan zyn , hebt gij flechts over mij te beveeleu;<br />

,, het zal mij tot een innig genoegen ftrekken —<br />

„ Maar, Route vriend! men ziet u zo zelden; gij<br />

„ maakt u recht raar — Ik bid gehoorzaamst om ver-<br />

„ gecving: men heeft mij nog nergens gemist—Stout<br />

„ man ! gij zondigt tegen de vriendfchap" — Zie,<br />

Mijnheer! zo brengt de eene wijze van fpreeken de<br />

andere voord; en ware dit zoniet, zou menig jong<br />

Heer — o wonder! geen tien woorden kunnen za-<br />

menhechten; en menige fnapachtige Dame — o won­<br />

der boven wonder! — in het geheel moeten ftil-<br />

zwijgen.<br />

MORITS, die in 't geheel geen acht<br />

op hem gejlagen lieeft.<br />

Wat drommel of zij daar toch mede zeggen wil?<br />

DTE-


T O O N E E L S P E L . u 5<br />

DIEDRIK.<br />

Wat ik daarmede zeggen wil ? niets ter wereld,<br />

imijn vriend! een onwederfpreekelijke waarheid, van<br />

dewelke gij u heden of morgen in alle talrijke gezel-<br />

fchappen overtuigen zult: ook kwam ik waarlijk hier<br />

niet om wijzen van fpreeken uitteventen: ik zou al­<br />

leenlijk gaarne weeten, of de Graaf van Stierenbock<br />

hier geweest is, dan of hij nog komen zal, en wan­<br />

neer ? — nu wees toch zo goed van mij te antwoor­<br />

den?— hè! — droomt "Mijnheer?<br />

Wie ben je? wat wil je?<br />

MORITS, fchielijk opziende.<br />

DIEDRIK, gramjlorig terug fpringende.<br />

Je'. —— Bomben, mortieren en kartouwen! ziet<br />

Mijnheer niet dat ik Officier ben? of denkt Mijn­<br />

heer, dat ik den rechterarm niet meer roeren kan 9<br />

fchoon mijn linkerbeen bij Quebek begraven ligt?<br />

MORITS, zeer bedaard.<br />

Dit moet gij mij ten goede houden, mijn vriend !<br />

ik fpreek tegen alle menfehen zo gemeenzaam.<br />

DIEDRIK, bedaard.<br />

Ei! derhalven een kwaaker? nu, in 's Hemels naam<br />

dan ! ik mag het lijden: hoor, Broeder Eldingen! ik<br />

vroeg, of de Graaf van Stierenbock bij u geweest is?<br />

Deezen morgen, ja.<br />

2a! hij wederkomen?<br />

MORIT s.<br />

DIEDRIK.


Htf B R O E D E R M O R I T S ,<br />

MORITS.<br />

Hij zeide het ten minden.<br />

DIEDRIK.<br />

Dit zegt niets: maar vordert zijn belang dat hij<br />

wederkome ?<br />

Ik denk ja.<br />

MORITS.<br />

DIEDRIK.<br />

Nu, dan komt hij zeker: gij zult mij immers wel<br />

toedaan, hier een weinig op hem te wachten? ik zoek<br />

reeds federt drie uuren naar dien windhond: eerst<br />

was ik aan zijn hotel; daar fnaauwde een Franfchen<br />

lichtmis mij toe: ,, Zijne Excellentie is niet t'huis.'<br />

intusfehen hij, met een hoonend medelijden mijn<br />

been befchouwde , en de hand over zijne dikke kui­<br />

ten ftreek: ja, ja mijn vriend! gezonde kuiten-gel­<br />

den zekerlijk meer dan elendige houten beenen: van<br />

daar hinkte Ik naar eene danferesfe uit de Opera,<br />

die ijslijk op hem fchimpte, en mij verzekerde, zijne<br />

Excellentie hadde reeds federt lang de genadige voe.<br />

ten over haaren drempel niet meer gezet: federt<br />

eenigen tijd, verftaat gij het Broeder Eldingen! dat<br />

wil zeggen, federt hij geen geld meer heeft: van daar<br />

zocht ik hem in het kofFyhuis: ééne minut vroe­<br />

ger, dan had ik hem gevonden: zo even had hij i<br />

conto honderd dukaaten verlooren , en was in geen<br />

zeer vrolijke luim naar het groote veld gereden, om<br />

met een luchtbal in de hoogte te ftijgen: zo hij den<br />

hals niet breekt, zal hij daarvan daan wel hier komen.<br />

110-


T O O N E E L S P E L . 117<br />

MORITS.<br />

Wat wilt gij dan van hem hebben?<br />

DIEDRIK.<br />

Ik wil met hem vechten.<br />

•Vechten ! duelleeren ?<br />

MOR ITS.<br />

DIEDRIK.<br />

Ja, met den degen of met de piftoolen: hij heeft<br />

flechts te kiezen.<br />

MORITS.<br />

Weet gij wel, dat deeze wijze van zig recht te<br />

verfchafFen , eene der gruwzaamfte vooroordeelen<br />

is, welke het menschdom vergiftigen?<br />

DIEDRIK.<br />

Dat fcheelt mij niet, ik heb het niet verzonnen.<br />

MORITS.<br />

Het zal de beledigde eer wreeken ; maar wat<br />

is eer?<br />

DIEDRIK.<br />

Eer ? gelooft gij, dat ik niet weet wat eer is?<br />

(Op den degen Jlaande.) Hier, hier is de eer.<br />

MORITS.<br />

Uw degen is flechts een middel om eere te ver­<br />

fchafFen; maar gewis niet in een tweegevecht! eer<br />

is de zedelijke waarde, welke het oordeel van een<br />

braaf man in ons ftelt.<br />

DIEDRIK.<br />

Dat Lan zijn; maar ik moet met den Graaf vechten.<br />

II 3 M*.


«« B R O E D E R M O R I T S ,<br />

MORITS.<br />

Een braaf m a n kan ik nimmer doormijn' degen van<br />

m m d a a d e<br />

e n e e n<br />

"'<br />

vecbl? a<br />

" e S ffl<br />

^ - wil i k n i e c o v e r t u i g e n.<br />

° geUjki m 0 £ t m e t d e n G r a a f<br />

i k dZT7r , b r 3 a f<br />

felaLl ?T<br />

k W 3 a d m i ] ^<br />

icnande — mij niet.<br />

PI E D R I K.<br />

'<br />

ftrskt Z ü , k s<br />

Dat f s W 3 a r. m a a. i k m o e t > ^ d a<br />

met den Graaf vechten.<br />

MORITS.<br />

Wat heeft hij u dan gedaan?<br />

^ een fchurk<br />

hem tot<br />

n , e t S<br />

heei?l ' f "^""'"W armen broeder<br />

» die grootfpreeker beledigd, en mij i„ h e m.<br />

MORITS.<br />

Wie is U W broeder? is die niet mans genoeg o r a<br />

zrjne eigen zaak te verdedigen ?<br />

DIEDRIK.<br />

Ja. bij den Hemel! dat is hij: Willem van Moll<br />

^aagt het hart op de rechte plaats; maar heeft een<br />

burgerlijke bediening! de Vorst is naauwziende, en<br />

"••jn goede broeder moet honderd zaaken in het oog<br />

«ouden, die bij mij vervallen.<br />

3<br />

MO»


l O O N E E L S P E L i n 9<br />

MORITS.<br />

Willem van Moll? dat is die jonge fchilder?<br />

DIEDRIK.<br />

Dezelfde, die deezen morgen hier was. Nu, gij<br />

•waart er bij ?<br />

MORITS.<br />

Ja, en ik moet bekennen, dat de wijze, waarop.<br />

de Graaf tegen uw' broeder fprak zeer beledigend<br />

was; ten minften, in gevalle een verftandig man van<br />

een' dwaas beledigd kan worden: de flelling dat uw<br />

broeder zijne geboorte onteert, om dat hij zijne<br />

kunst laat betaalen , is een armhartige flelling: echter<br />

zult gij mij moeten toeflemmen, dat een jong<br />

mensch, die een post bekleedt welke hem een fat-<br />

foenlijk onderhoud verfchaft, door eene foortgslijke<br />

handelwijze, eene onedele hebzucht verraadt: ware<br />

ik in uws broeders plaats, ik zou dit fchoone talent<br />

als een' teerpenning aanzien, en denken: „ Zo een<br />

„ fchurk mij durft dwingen, hem om het dagelijks<br />

,, brood naar de oogen te zien, ik fmijt hem ampt<br />

„ en tytel naar den kop, vat het penfeel op, én ga<br />

,, de poort uit" — D, gij gelooft niet wat moed,<br />

welke gerustheid het in alle gevallen van 't leven geeft,<br />

als men op zulk een fteun kan roemen! maar uw broe­<br />

der heeft zijn talent ontëert, daar hij het tot een<br />

flaaf van noodelooze behoeften maakt.<br />

Dl E D R 1 K.<br />

Zeg eens, Broeder Eldingcn! oordeelt gij altoos<br />

z© fchielijk? H 4 K. a.


1 2 0 B R<br />

O E D E R Ivi o 11 i T S j<br />

MORITS.<br />

Of mogelijk wil hij fchatten verzamelen - maar ook<br />

9<br />

hit geen werk voor zijne jaaren. * - * « *<br />

dedd<br />

a r a<br />

? i e<br />

' "<br />

C<br />

Ik houde u voor P P„. , ^ J,ft<br />

""-><br />

b r a a V e n m a n<br />

niet i> , •• ^ed ik dit<br />

kwikken? of »»i<br />

neen ' w , , ^<br />

e e i e M a , t r e s t e<br />

' '<br />

J<br />

"gchaam te ver.<br />

? _<br />

BITS, ^n haU vallende, en<br />

met aandoening aan zijn bons<br />

„ , , drukkende.<br />

S St<br />

f»W=«, en ttok 11V °'" ''' ;e<br />

" l:<br />

" «"<<br />

kwam


TOONEELSPEL. in<br />

kwam te rug : mijn ongeluk , mijne armoede , de<br />

zelfvervee]ing wierpen mij op het ziekbed: daar lag<br />

ik anderhalf jaar, en ware, zonder de hulp van mijn'<br />

broeder, van gebrek geftorven: tot laat in den nacht<br />

zat hij te arbeiden , zo dat, als hij des morgens op-<br />

ftond, zijne dik opgezwollene oogen traanden: alles<br />

wat ik ben en heb, is het zijne! de rok, dien ik<br />

draag, is de zijne! (Zeer bewogen.) en mijn hart!<br />

jnijn hart is eeuwig voor hem.<br />

MORITS.<br />

Man ! geef mij uw hand ! laat ons vrienden zijn !<br />

ik deed uw' broeder onrecht: hij zal't mij vergce.<br />

ven , hoop ik — o , kon ik voor dat jonge edel<br />

fchepfel iet doen , zonder zijnen hoogmoed te be­<br />

ledigen !<br />

DIEDRIK.<br />

Dat kunt gij, en wil ik u zeggen wat?<br />

M o R i T ?.<br />

Spreek! ik ben rijk: durf ik met hem deelen?<br />

DIEDRIK<br />

Willem van Moll fchildert voor geld: oordeel nu<br />

of hij gefchenken kan aanneemen!<br />

M o R i x s.<br />

Zo kan ik hem niets dan mijne vriendfchap aanbieden.<br />

En uw zuster Juultje.<br />

DIEDRIK.<br />

H 5 Mo»


Ïi2 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

MORITS.<br />

Met een bruidfchat van tienduizend dukaaten.<br />

DIEDRIK.<br />

Dan neemt hij haar niet.<br />

Hoe zo!<br />

MORITS.<br />

DIEDRIK.<br />

Sedert vier jaaren beminnen zij elkander; hoopen<br />

cn wenfchen zij - de oude Juftitieraad , op wien<br />

mijn broeder volgt, gaat in zijn zeventigfte jaar:<br />

fterft deeze, dan treedt Willem in zijne plaats, en<br />

heeft genoeg om met vrouw en kinderen te ieeven;<br />

dan trouwt hij Juultje: zie, zo Honden de zaaken.'<br />

toen gij met die verdoemde fchatten terug kwaamt:<br />

federt flijt mijn broeder geen vrolijk oogenblik meer.<br />

MOR ITS.<br />

Dat kan niet zijn: al het goud der beide Indien<br />

was niet in ftaat om het hart mijner zuster te veranderen.<br />

DIEDRIK".<br />

Wie zegt dat? Juultje is een braaf meisjen: gij<br />

kwaamt terug, en zij dacht eerlang het toppunt haa-<br />

rer wenfchen te zullen herijken.<br />

Zij had gelijk.<br />

MORITS.<br />

DIEDRIK.<br />

Zij had ongelijk; want mijn broeder volgt zijne<br />

eigene grillen : hij wil geehé vrouw zijn geluk te<br />

danken hebben.<br />

MO-


T O O N E E L S P E L . 123<br />

MORITS.<br />

Wat is dat, aan eene vrouw zijn geluk te danken<br />

hebben! als Juultje hem tot een gelukkig man — tot<br />

een gelukkig vader maakt, heeft hij dan zijn geluk<br />

haar niet te danken?<br />

DIEDRIK.<br />

Zekerlijk.<br />

MORITS.<br />

Derhalven, fchoon met andere woorden: hij wil<br />

haar geen geld te danken hebben : al weder een ver.<br />

wenscht vooroordeel! wij moeten ons best doen om<br />

hem daar van aftebrengen.<br />

DIEDRIK.<br />

Zo gij meent dat het gelukken zal.<br />

MORITS.<br />

Ik zal hem bewijzen dat . . . . wij worden ge*<br />

ftoord; blijf hier, ftraks fpreeken wij nader.<br />

A ha ! Mijnheer Graaf!<br />

DIEDRIK, omziende.<br />

ZESDE TOONEEL.<br />

De voorigen. DE GRAAF STIERENBOCK.<br />

STIERENBOCK, tegen zijn' looper.<br />

De Vorst kan wachten. (Nader komende.") Ook de<br />

liefde en vriendfchap hebben haare rechten : niet<br />

waar, mijn dierbaare vriend Eldingen? ik vlieg her.<br />

waards: de Vorst wil uitrijden , hij kreeg in 't hoofd<br />

arn mij medeteneemen; ik zou hem met eenig aaneê-


124 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

genaam gefprek onderhouden — ik? _ ben ik in<br />

ftaat om Vorften te onderhouden ? ik met mijn ge­<br />

voelens? met mijn denkenswijs? Gij zijt niet wét<br />

zeide mij de Vorst onlangs; gij zijt hypochonder;<br />

gij moest reizen; en bewees mij tevens de genade om<br />

mij een gezantfchap optedraagen, om 't welk dezoon<br />

des Minifters hem op nieuw te vergeefs gebeden had —<br />

maar — ,, Uwe doorluchtigheid vergeeve 't mij ",<br />

zeide ik, „ ik ben te zeer aan het Vaderland en het<br />

,, Hof verknocht: de Maatkunde is het vak niet,<br />

„ waarin ik zoek uittemunten" . . . . uittemunten?<br />

neen, ik wil hoegenaamd niet uitmunten: het uit­<br />

muntende is niet altoos het beste, nietwaar lieflte<br />

vriend ? cn dan moet men nog de vereischte talenten<br />

hebben ; men moet een' kop hebben, en ik heb<br />

meer hans dan kops : de Natuur ichiep mij voor<br />

ftille huislijke genoegens: een man als gij, Jieffte<br />

Eldingen ! bereisd , gevormd , doet den Staat te kort<br />

als hij zig in dc eenzaamheid begraaft — A propts!<br />

deezen middag fpijsde ik bij den Minifter der buiten-<br />

landfche zaaken; gij zult het mij vergeeven, zo ik te<br />

voorhaarig geweest ben ? de vriendfchap rukte mij<br />

voord: deMinifter fprak van zekeren moejelijken post —<br />

onder ons: (hij fluiftert hem iet in het oor:) na de<br />

tafel waren wij in zijn kabinet. „ Lieve Graaf!"<br />

zeide hij tegen mij: „ gij weet in welk een verband<br />

„ wij tegenwoordig met dat hof ftaan ; gij kent ons<br />

» oogmerk en de koelheid, met welke wij aldaar,<br />

» fe-


T O O N E E L S P E L . lij<br />

„ federt eenigcn tijd, behandeld worden; wij moe­<br />

ten iemand derwaards zenden , die, zo als men<br />

>, zegt, den grond peilt; een' man van een voor-<br />

„ beeldige kennis, van eene verfijnde levenswijze; in<br />

„ 'tkort, gij begrijpt mij? gij zijt een menscbken-<br />

„ ner, fla er mij zulk eenen toch eens voor!" ver­<br />

geef het mij, mijn vriend ! uw naam ontflipte mijne<br />

lippen: de Minister kende u niet, ik befchreef u:<br />

de vriendfchap beftuurde mij, en hij beloofde mij<br />

den Vorst er over te zullen fpreeken: dat zal ik ook<br />

doen, daar kunt gij u gerust op verlaaten, en mijn credit<br />

is niet twijfelachtig: ik vraag zelden iet; en hem,<br />

«lie zelden vraagt, wordt zelden iet afgeflagen: maar<br />

apropos, mijn waarde! hoe vaart Juultje! mijn hart<br />

is zo vol van haar; ik kan aan niets anders denken,<br />

van niets anders fpreeken, dan aan en van haar.<br />

. MORITS.<br />

Dat doet mij leed; want Juultje wil en zal met den<br />

Graaf Stierenbock niet trouwen.<br />

STIERENBOCK.<br />

Zij wil niet? — zij zal niet? hoe begrijp ik dat?<br />

MORITS.<br />

Woordlijk, als 't u belieft: zij v/il niet om dat haar<br />

zin, zij kan niet om dat haar hart het verbiedt.<br />

STIERENBOCK.<br />

Haar hart? — a ha! daar heeft men mijne be-<br />

fchroomdheid een verduivelden trek gefpeeld: men<br />

heeft mij gefupplandeerd? men is mij voorgekomen?<br />

ge-


m B R O E D E R M O R I T S ,<br />

gelukkig medeminnaar! ik kan niets doen, als bem<br />

benijden, en zwijgen: mag men ook zijn naam wee­<br />

ten? dat toch geen onwaardige hand mij deezen fchat<br />

ontroovs! zij kent mij niet, zij kent dat hart niet,<br />

't welk geen offer te groot ware om Juultje te bezit­<br />

ten : men beeft mij van mijn voorneemen trachten te<br />

doen afzien; men heeft mij den ouderdom mijns ge-<br />

Üachts voorgehouden, wiens wapen reeds voor zeven­<br />

honderd jaaren in de tournooifpelen bekend was, en<br />

federt die zijnafgefchaft,indedom-capittelsfchittert:<br />

zwijg ! heb ik geantwoord; wat mij het geval gaf,<br />

zal mij de liefde niet aanrekenen: Juultjes gemaal<br />

is de fchoone tytel waarnaar ik tracht, en alle ove­<br />

rigen verfmaad ik: nu bedreigde men mij met de on­<br />

genade van den Vorst, om dat deeze eens zeer ge­<br />

nadige oogmerken met mij had; maar had men mijn<br />

hart om raad gevraagd i ik ben eerst mensch en dan<br />

Graaf: die denkt en gevoelt als ik, weegt Juultjes<br />

genade zeer gemaklijk tegen die van den Vorst op:<br />

daar hoort gij nu, Üeffte vriend! wat ik gezegd heb.<br />

MORITS.<br />

Zulke gevoelens zijn immer fchoon , ook dan,<br />

•Wanneer men zijne oogmerken niet bereikt.<br />

STIERENBOCK.<br />

Zekerlijk — ja — men moet zig fchikken in din­<br />

gen, die niet te veranderen zijn: mijne gevoelens<br />

voor u, waardfte vriend ! zullen altoos dezelfdera<br />

blijven: zo ik u ooit ergens in van dienst kan'zijn,<br />

hebs


TOONEELSPE,L; -27<br />

hebt gij flechts over mij te beveelen — A propos —<br />

nu ik tog hier ben — hoewel de- Hofraad Muller<br />

heeft het mij reeds toegezegd — ook zijn broeder<br />

de Krijgsraad — maar men treft die Heeren na den<br />

middag zo zelden t'huis — en de zaak vereischt<br />

fpoed, gij kunt mij iet ten gevalle doen.<br />

MO RITS.<br />

Zeer gaarne ! flechts fchielijk.<br />

STIEREN BOCK.<br />

De Baron Winter verkoopt zijne fchoone Heer­<br />

lijkheid Wintershagen; kent gij ze? voor een fpot-<br />

geld van 30,000 daalders: het mensch heeft gefpeeld,<br />

en is te gronde gegaan; er was een coup te doen: ik<br />

ben het met hem reeds zo goed als ééns: deezen<br />

avond zal onder een flesch wijn het contract gefloten<br />

worden: eenige maanden te voren had ik geld ge­<br />

noeg liggen , was zelfs verlegen, hoe het veiligst<br />

uittezetten : eenige maanden laater zal het even<br />

zo zijn, maar juist tegenwoordig ben ik niet bij kasr<br />

ik wende mij tot u, beste vriend! want beledig<br />

mijne vrienden niet gaarne door mistrouwen, of te­<br />

rughouding : gij zult immers wel zo goed willen zijn,,<br />

van mij 10,000 dukaaten op een folo wisfelbrief te<br />

verlhekken?<br />

Ik zet nooit geld uit,<br />

MORITS.<br />

STIERENBOCK.<br />

Niet? wat doet gij er dan mede?<br />

MO»


iül B R O E D E R M O R I T S ,<br />

Ik verteer het.<br />

MORITS.<br />

STIER ENBOCK.<br />

En als het op is?<br />

MORITS, glimplagchende.<br />

Dan fpeel ik Faro.<br />

STIERENBOCK?.<br />

En zo gij verliest?<br />

MORITS.<br />

Dan trouw ik een rijk meisjen.<br />

STIERENBOCK.<br />

Gij fchertst, of zijt van daag in een kwaade luim;<br />

ik zal morgen wederkomen, en de bewijzen mijner<br />

goederen medebrengen : zekerheid , hijpotbeeck ,<br />

pand, alles, alles, zo als gij het maar hebben wilt:<br />

arevoir! mijn beste vriend! (Morits omhelzende.')On­<br />

gaarne verlaat ik u, zo zeer heb ik mij reeds aan uwen<br />

geestrijken omgang gewend: (Hij wil vertrekken.)<br />

DIEDRIK: geduurende dit gefprek heeft deeze zijne<br />

handfehoenen aangetrokken, en door verfcheidene<br />

gebaarden zijn ongeduld te kennen gegeven:<br />

hij gaat voords den Graaf in den weg ftaan.)<br />

Houd , Mijnheer Graaf! wij hebben nog een paar<br />

woorden met elkander te wisfelen.<br />

STIERENBOCK: hij beziet Diedrik van 't hoofd<br />

tot de voeten; en gelaat zig als of hij<br />

hem plotslings herkent.<br />

Ach! mijn beste vriend, de Lieutenant van Moll ï<br />

ein-


T O O N E E L S P E L . 129<br />

eindelijk zie ik u dan weder! ftout man! moet ik u<br />

dan op de derde plaats aantreffen ? heb ik u niet<br />

ontelbaare reizen verzocht, mijn huis voor het uwe<br />

te rekenen? is er aan mijne tafel niet altoos voor<br />

u mede gedekt ? beter u , of ik daag u voor den<br />

rechterftoel der vriendfchap. (Hij wil nogmaals ver-<br />

trekken.)<br />

DIEDRIK, hem bij den arm vattende.<br />

Snappen, zonder eind! — Maar tweewoorden,<br />

lieer Graaf! de Vorst zal de genade wel hebben van<br />

nog eenige oogenblikken te wachten: het heeft u he­<br />

den morgen geliefd, mijn' broeder eenige zotheden te<br />

zeggen; 't zal u daarom deezen namiddag gelieven<br />

een paar kogels met mij te wisfelen. (Hij haalt twee<br />

•pijlooien uit zijn' zak.)<br />

STIERENBOCK, zijn fchrik, zo veel mogelijk,<br />

onder een glimplach trachtende te verbergen.<br />

Allerliefst! immer goeds moeds! immer vrolijk !<br />

zie, beste Eldingen! daar moet men een voorbeeld<br />

aan neemen: de braave man heeft ongelukken gehad<br />

veele ongelukken; hij heeft met eer gediend; ik zeg<br />

het u, hij heeft zijn regiment eer aangedaan ; en wat<br />

heeft hij daarvan ? lieve Hemel ! de wispeltuurige<br />

Fortuin boeleert met het geluk ; maar zelden met ver­<br />

dienden: in fpijt echter van dit alles is hij de vroliikite<br />

in gezelfchap , altijd even charmant; il a toujours le<br />

mot poar rire: ik ben au des efpoir, waarde vriend! dat<br />

de tijd mij niet langer toelaat, in deezen kleinen<br />

1<br />

ver-


1Zo B R O E D E R M O R I T S ,<br />

vertrouwelijken kring, op deezen heerlijken lentedag,<br />

het waare genot des levens met u te deelen: maar<br />

de lastige dienst. . . . (Hij wil weder vertrekken.)<br />

DIEDRIK hem andermaal terug houdende.<br />

Donder en blikfem ! Mijnheer! denkt gij, dat de<br />

eer mijns broeders voor een wein-ig pluimftrijkerij<br />

veil is ? ik moet fatisfaétie hebben : kies één deezer<br />

piftoolen ! of wilt gij liever met den degen, zo trek<br />

van leer, want zonder vechten komt gij er bij mijn<br />

ziel niet af.<br />

STIERENBOCK.<br />

De eer uws broeders! mijn lieffte beste Heer Lieu-<br />

tenant! hier beeft ongetwijfeld eenmisverftandplaats:<br />

ik ben een der beste vrienden van den Heer van<br />

Moll; wij zijn zelfs nog met den anderen vermaag-<br />

fchapt; mijne overoudtante was een eige nicht van<br />

den Baron Hammer, wiens ftiefbroeder een geborene<br />

van Mol tot vrouw had; vraag maar eens aan den<br />

Prefident, den Graaf van Sorr, hoe ik mij nog on­<br />

langs omtrent uwen Heer broeder heb uitgelaten ;<br />

vraag de Hofdame hunner Doorluchtigheden, de Baro­<br />

nes Werbing, wat ik nog gisteren van hem zeide. . .<br />

DIEDRIK.<br />

Dat is mij het zelfde: ik weet, wat het u van daag<br />

geliefd heeft te zeggen, en derhal ven, zonder verdere<br />

omftandigheden. (Hij reikt hem een pjiool toe.)<br />

STIERENBOCK.<br />

Van daag? Hemel! zou mij in een vriendlijk ge-<br />

fprek


T O O N E E L S P E L . I I 3<br />

fprek ook misfchien een woord ontflipt zijn? maar<br />

neen.' dit is niet mogelijk! een misverftand mijn<br />

lieffte Heer Lietitenant! een bloot misverftand , en<br />

zulk een quid pro qutt zou mij verleiden, den degen<br />

te trekken tegen een' man, dien ik om zijne verdien-<br />

ften en beminnelijk charakter hoogfchat! nimmer,<br />

al konde ik ook de waarfchouwing vergeeten, die<br />

de Vorst mij deed, toen ik, eenige jaaren gele­<br />

den , het ongeluk had van den Ridder Cedcrholm in<br />

een tweegevecht te dooden : hier houdt geene be­<br />

dreiging des Vorften mij terug — hier is 't vriend­<br />

fchap , ongeveinsde genegenheid , die mijnen arm<br />

verlamt: ik vlieg naar uwen Heer broeder, druk<br />

hem aan mijn hart , en wij zullen deeze gekheid<br />

in een flesch Champagne verdrinken. (Hij vertrekt:<br />

Diedrik wil hem, weder terug houden , doch hij ont-<br />

fnapt hem )<br />

ZEVENDE TOONEEL.<br />

DIEDRIK VAK MOLL, MORITS.<br />

Verdoemde windbuil!<br />

DIEDRIK, den Graaf naloopende.<br />

MORITS.<br />

Laat hem loopen; 't is de moeite niet waard', dat<br />

gij er een' fplinter uit uw' kruk om verliest.<br />

DIEDRIK.<br />

Ik denk, Broeder Eldingen ! ik floeghem liever den<br />

gantfchen kruk om de ooren in Rukken.<br />

12 iio-


ljï BROEDER MORITS,<br />

MORITS.<br />

En zo gij een nieuwen moest koopen, zou'tu meer<br />

kosten, dan de geheele Graaf waardig is: geloof mij,<br />

goede Moll! zijn eer aan een' zot kwijt raaken, en<br />

van een' zot', wedervorderen , is even het zelfde<br />

als naarftiglijk een Ruk gouds te zoeken in 't ftof dat<br />

men in zijn zakken draagt-<br />

DIEDRIK.<br />

Gij fpreekt als een boek; maar de wetten der<br />

eer ... .<br />

MORITS.<br />

Zijn niet in de holle hersfenpan gegraveerd; zij lig-<br />

gen hier, in het hart, begraven, en zijn de wetten der<br />

deugd: eer en deugd zijn zo onaffcheidbaar, als licht<br />

en warmte.... doch genoeg daarvan! ik heb haast.<br />

(Hij ziet op zijn horologie.) Dat quartier is bijkans<br />

reeds een half uur geworden: ga lieve Mol, en haal<br />

uw' braaven broeder! ik zou u vergezellen, maar<br />

mijn hart heeft hier nog iet aftedoen: breng hem<br />

des in de armen eens mans, die anders niet zeer<br />

mild met zijne vriendfchap is: verhaal hem echter<br />

niet, wat er tusfchen ons is voorgevallen; wij zul­<br />

len hem onverwachts een' vrolijken avond ver-<br />

fchaffen.<br />

DIEDRIK.<br />

Ja, ja, dat zulten wij! lieve Broeder Willem!—<br />

omhelzen moet ik u, mijn beste ! (Zij omhelzen elkan­<br />

der.) Mijn' broeder Willem vrolijk maaken! Heifa,<br />

houten Romp! voorwaards! mars!<br />

AG T-


T O O N E E L S P E L . m<br />

AG TS TE TOONEEL.<br />

MORITS.<br />

Er zijn tog veele goede menfehen in de wereld<br />

en de ongevormden zijn doorgaands de besten: zij<br />

zingen zo natuurlijk — hebben naar geene lier ge­<br />

leerd — Welk een fchoone dag, wanneer alles gaat<br />

zo als het gaan moet! ik ben van daag juist gefchikt<br />

om menfehen gelukkig te maaken ; want ik ben zo<br />

vrolijk en luchtig, als een tienjaarige knaap, dieniets<br />

denkt, dan heden! heden! en niets gevoelt, dan dat<br />

hij leeft en gezond is — maar Maria — uitbottende<br />

liefde en vrolijkheid; dit zegt men immers, kan niet<br />

zamen gaan ? O neen ! neen I Maria gaf dit hart alles<br />

wat het ontbrak: het zocht, en wist zelf niet wat;<br />

het leed gebrek, en had overvloed; het hing aan de<br />

vriendfchap, gelijk het oog eens Jentimenteelen nacht­<br />

wandelaars aan de maan — het was bevrozen — de<br />

zon ging op _ o hoe warm is het mij geworden !<br />

NEGENDE TOONEEL.<br />

MORITS, MARIA: met een klein knaap]en aan<br />

de hand.<br />

MORITS, haar te gemoet gaande.<br />

il-indelijk daar, lief meisjen? noemt gij dit woord<br />

houden ? is dit een quartier ? daarvoor zult gij<br />

in het vervolg ook mijne jaaren tot quartieren<br />

maaken.<br />

•* 3 MA-


134 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

MARIA.<br />

Reeds lang Rond ik achter het gintfche hek — gij<br />

waart niet alleen - en ik 'wilde mij eerst herftel-<br />

ien — mij voorbereiden _ mijne oogen waren<br />

zo rood.<br />

MORITS.<br />

Lief meisjen ! de roode wangen kan ik u vergee-<br />

ven; wart masgdlnke fchaamte doet de wangen; maar<br />

verdriet de oogen rooi worden — mijn vrouw mag<br />

flechts om de elende van een ander traanen (tonen.<br />

MARIA.<br />

De edelmoedigheid van een'man kan bittere traanen<br />

droogen, maar de edelmoedigheid van een'man is niet<br />

thnagtig, kan het voorledene niet vernietigen, noch<br />

deszelfs fpooren uit het verfcheur.l hart uitwis-<br />

fchen — „ Uwe vrouw!" — poel edel r„an ! er<br />

was een tijd . waarin ik mij zulk een tijtel zou<br />

wa.irdig geacht hebben; maar van de zoete dagen<br />

der onfchuld , is mij niets overig gebl v n — dan<br />

de moed, om zelve u te zeggen - dat die tyj vooibij<br />

is — dit knaapien — is mijn kind! (Zij ziet het kind<br />

ma aandoening aan, en prangt het met verrukking in<br />

haare armen., Karei ! Karei ! uw moeder heeft u<br />

iet groots geofFerd ! om deezes offers wille, durft<br />

gij' mij nimmer vloeken, dat ik in een zwak oogen­<br />

blik u een eerloos aanwezen gaf| Vaarwel, Mijn-<br />

fieer ! deeze traanen zijn getuigen mijner dank­<br />

baarheid en zegen : ik bea u zeer veel verfchul-<br />

"'-•'; ' digd ;


T O O N E E L S P E L . 135<br />

digd ; gij hebt mijne ziel bet leven wedergege­<br />

ven : gij deed mij op nieuw gevoelen, dat ik nog<br />

niet geheel en al verachtelijk ben: ja, Mijnheer 1<br />

gaarne wi! ik 't u bekennen: ik ware zo diep verne­<br />

derd, dat ik mij zelve niet eens onderwinden dorst<br />

den Hemel te bidden: want wat had ik anders tot<br />

verzoening mijner fchuld intebrengen dan woorden?<br />

dit offer, het welk ik van daag der deugd breng,<br />

geeft mij eene geringe aanfpraak op mijne eigene waar­<br />

dij weder: ik dank u, Mijnheer! gij hebt eene ramp­<br />

zalige gered ! want wie is rampzaliger dan die zig<br />

zelve veracht ? de herinnering deezer eogenblik-<br />

ken zal mij nog jaaren lang het leven verzoeten;<br />

ik zal den Hemel weder vrolijk bidden ! en in elk<br />

gebed zal uw naam van mijne lippen vloejen —><br />

vaarwel!<br />

MORITS, haar bij de hand vattend;.<br />

Blijf! (Na een korte poos zwijgens, trekt hij het kind<br />

naar zig toe.) Waar is uw vader, kleine?<br />

Hij is dood.<br />

HET KI MD.<br />

Ik ben uw vader, lieve jongen !<br />

Hemel!<br />

MORITS: hij tilt het kind emhoog.<br />

MARIA.<br />

MORITS, terwijl hij het kind<br />

weder neerzet-<br />

Gij werpt mij daar weder een vooroordeel in den<br />

1 4<br />

w e<br />

ëï


136 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

weg; doch ik ftruikel echter niet — zie deezen<br />

diamant; (hij toont haar zijn' ring;) hij is fraai,<br />

van het beste water: hij is de mijne; ik ben dé<br />

eerile niet die hem bezat; maar, zo de Hemel<br />

wil, zal ik de laatfte zijn; hij moet met mij begra­<br />

ven worden , en zijn bezit verfchaft mij zo veel<br />

vergenoeging, als hadde ik hem met eigen hand uit<br />

de mijnen van Golconda gehaald, ftf// vat Maria op<br />

eene hartlijke wijze bij de hand.) Meisjen! ik gevoel<br />

dat gij mij, zo als gij daar voor mij ftaat, recht ge­<br />

lukkig zult maaken : gij fpreekt van een' tijd waar-<br />

in gij beter waart dan nu? en ik, ik zeg u; gij zijt<br />

nu beter dan ooit; uwe onfchuld was onweetend-<br />

heid - gewoonte: gij waart goed, om dat men u<br />

gezegd had, dat men goed zijn moet: thans weet gij<br />

waarom gij goed zijt; des zijt gij nu eerst deugd­<br />

zaam ! en ik zou het geluk mijns geheelen levens aan<br />

eenen gril opofferen ? eene roos niet plukken, om<br />

dat eens een kapel met haar boeide? — ik heb geen<br />

recht om te vraagen wat gij voorheen waart; ik weet,<br />

wat gij nu zijt, en wat gij mij zijn zult: vraagt gij<br />

mij ook niet, of ik altoos een zedig jongeling was?<br />

zonder eenige onbezonnenheid? — in mijn oogen<br />

hebben beide gedachten het zelfde recht: fla toe ,<br />

meisjen ! heden begint voor ons beiden een nieuw'<br />

leven ! het tegenwoordige is vrolijk ; het toekom-<br />

ftige lacht ons toe; het voorledene ligt achter ons,<br />

gelijk een regenwolk , die door den wind over<br />

ons


T O O N E E L S P E . L . 137<br />

ons heen gedreeven is: blijf niet aan uw verdriet<br />

hangen ! herinner in uw lijden met een innige blijd-<br />

fchap, dat het is doorgedaan: het geen u in het ver­<br />

volg bedroeven megt, zal ik eerlijk met u deelen.<br />

MARIA: Jlerk ontroerd, tracht zij te vergeefs<br />

En dit kind?<br />

te fpreeken: zij drukt haare dankbaar­<br />

heid met gebaarden uit; fluit vervol­<br />

gends het kind in haare armen, ziet, aan­<br />

doenlijk en teder, Morits aan, en brengt<br />

de volgende woorden al flikkende uit:<br />

MORITS.<br />

Ik ben zijn vader — hij is mijn zoon ! de moeder,<br />

welke mij hem baarde, heet niet wellust, maar liefde:<br />

de Natuur heeft mij denzelven in geen dartel oogen­<br />

blik, tot zoon opgedrongen: hij is mijn zoon dooi­<br />

de keuze van mijn hart. (Hij reikt het knaapjen zijne<br />

hand toe.) Kom, kleine ! fla toe ! (Het knaapjen doet<br />

het: Morits fchudt hem de hand.) Hier beloof ik u,<br />

voor het aangezicht des geenen, die het meeste deel<br />

in uw lot neemen zal; voor het aangezicht van den<br />

Hemel en uwe moeder, dat ik u een eerlijk, een<br />

liefhebbend vader zijn zal! ja ik zal u zo vaderlijk<br />

handelen, dat eens uw rechte vader, zelfs voor zig,<br />

ten geenen dage zig niet zal verftouten te zeggen:<br />

't is mijn kind!<br />

iiET KIND, zijn handjen terug trekkende.<br />

Ai! gij doet mij zeer.<br />

IS MO-


33* BROEDER MORIT &,<br />

MORITS, glimplagchende.<br />

Hij heeft mij niet verftaan; maar daar, (naar den<br />

Hemel wijzende,) daar ben ik verftaan — en gij —<br />

niet waar?<br />

J3 . . •<br />

MARIA, zeer ontroerd.<br />

MORITS.<br />

Dat's dan afgedaan : ik ben u thans niet meer<br />

vreemd, en durf u derhalvenmetmeergrondsvraagen:<br />

Wilt gij mijn vrouw worden, lief meisjen?<br />

MARIA.<br />

Ach! gij verdient een onverdeeld hart.<br />

MORITS,<br />

Verdien ik dit, dan zal ik het ook ongetwijfeld<br />

verkrijgen: wat nog hier of daar hangen bleef, zal<br />

de tijd terug brengen; elke dag zal mijn' rijkdom ver­<br />

meerderen; en het ge'voei daarvan mij telkens een<br />

nieuw genot zijn.<br />

MARIA.<br />

Ja I ik zal u beminnen ! voor het tegenwoordige<br />

echter is het mij nog onmógelijk: gij waart ai te zeer<br />

mijn weldoener: wij zijn elkander nog niet genoeg<br />

gelijk: maar zo hoogachting en dankbaarheid de eer-<br />

fte voedfels der waare liefde zijn — gelijk ik het<br />

mij in dit oogenblik verbeelde te gevoelen — nu<br />

dan — Ja!<br />

Zeg mij na: „ Morits!"<br />

MORITS, met verrukking haare<br />

hand vattende.<br />

MA-


Morits!<br />

T O O N E E L S P E L . 139<br />

„ Ik bemin u!"<br />

ü.<br />

„ Ik ben de uwe."<br />

De uwe.<br />

MARIA, befchaaizd en ontroerd.<br />

MORITS.<br />

MARIA.<br />

MORITS.<br />

MARIA.<br />

MORITS: hij omreist haar hartlijk.<br />

De mijne! kom hier, lieve kleine! gij moet het<br />

klaverblaadjen voltallig maaken. (Hij heft hem omhoog,<br />

en het knaapjen omarmt hen beiden — Terwijl Morits<br />

het kind nederzet en Maria loslaat, vervolgt hij:)<br />

De knoop is gelegd, voor eeuwig gelegd; doch<br />

Hechts in mijne oogen ; in de uwen ontbreekt er nog<br />

eene plechtigheid aan: kom ! volg mij naar een'<br />

predikant.<br />

MARIA.<br />

Vergun mij, dat ik eerst een weinig ademhaale! —<br />

ik ben te zeer ontroerd — kan te naauwernood op<br />

mijne voeten blijven daan.<br />

M O R I T S.<br />

Ga naar uw kamer, lieve engel!<br />

MARIA.<br />

Ach ja! — 't hart is mij zo eng — ik moet met<br />

J<br />

den


Uo B R O E D E R M O R I T S ,<br />

den Hemel fpreeken ! (Het knaapjen bij de hand neemende.)<br />

Kom kind! gij zult nevens mij knielen! uw<br />

femelen en mijne traanen - „een, die zullen bij<br />

den Hemel niet verfmaad worden. (Zij wil vertrekken:<br />

Morits omhelst haar.)<br />

MORITS.<br />

Toef niet lang _ niet lang toch!<br />

TIENDE TOONEEL.<br />

De voorigen. OMAR, die de tuindeur uitkomt.<br />

V eel geluks!<br />

OMAR.<br />

MORITS.<br />

Ha! zijt gij daar? (Hijomhelst Omar, en omhelst hem.)<br />

gevoelt gij dat ik gelukkig ben?<br />

OMAR.<br />

Bij mijns vaders baard ! ik gevoel het.<br />

MORITS.<br />

Omar! gij ziet in haar mijn vrouw; Maria! hij is ><br />

mijn broeder.<br />

OMAR, Maria de hand toereikende.<br />

De Hemel zegene u, lief meisjen! laaten wij vrienden<br />

zijn! - maar nu ga i k ; de oude tante kijft;<br />

zij heeft reeds twintigmaal naar u gevraagd: zij fcheld<br />

en hoest als omftrijd.<br />

MORITS.<br />

Wees onbezorgd ; ga naar uw kamer! ik zal in-<br />

tus-


T O O N E E L S P E L . Hi<br />

tusfchen de oude tante zo veel nieuws vertellen,<br />

dat haar fchielijk het raazen en hoesten vergaan zal:<br />

gij, Omar! denk aan mijn voorneemen! maak u reis­<br />

vaardig; wij ftuuren naar de Peluw-Eilanden.<br />

ELFDE TOONEEL.<br />

OMAR,<br />

Naar de Peluw - Eilanden ? en liefde is uw ftuur-<br />

man? neen, Omar's droefgeestigheid voege bij uwe<br />

vrolijkheid niet: ik wil terug naar mijn ouden va­<br />

der! ik was een dwaas, dat ik van hem afging: daar<br />

hielden onze te vredene meisjens mij voor een wel­<br />

gemaakt Arabier; hier is mijn gezicht te geel, te<br />

bruin, te wild, te bars: daar roemde men mij, als<br />

een bekwaam jongeling; want ik zat treffelijk te paard ,<br />

en kon een paar fpreuken uit den Coran : hier lacht<br />

men over mijne domheid, want ik kan zelfs niet eens<br />

danfen , en weet niets — niets anders dan dat ik<br />

bemin! — ja, ik wil terug ! als 't maar niet te laat<br />

is — ach ja , 't is te laat ! melk drinken , dade-<br />

Ien eeten, mij met lappen kleeden, en onder ten-<br />

ten woonen ; dit alles wilde ik gaarne; maar mijn<br />

hoofd! mijn hoofd! ik denk niet meer op zijn Ara­<br />

bisch. (Met de hand voor het voorhoofd.) Daar heerscht<br />

het koude Noorden, en al de warmte, welke ik uit<br />

het Zuiden medebragt, is naar het hart gezonken<br />

(Zijn oog valt op den loom, waarop hij den naam van<br />

Netje gefneeden heeft.) Ha, mijn werk is nog niet<br />

vol-


H2 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

voleind ! (Hij gaat naar den boom, en vervolgt zijn 1<br />

arbeid.) Goede boom! in twintig jaaren zal deeze naam<br />

in uwe korst nog zo diep niet zijn ingegroeid, als<br />

hij zig in weinige maanden in dit hart groef!<br />

T W A A L F D E T O O N E E L .<br />

OM AU, NETJE: zij komt Jlil zien wat Omar<br />

doet, en leunt vervolgends, diep in gedachten,<br />

Ach Netje!<br />

met den elleboog op het voet/luk van<br />

't beeld van Diana.<br />

OMAR: zijn werk voltooid hebbende i<br />

ziet hij het tederlijk aan.<br />

NETJE, op een boertig-treurigen toon.<br />

Ach Omar!<br />

OMAR, verfchrikt, laat het mesvallen,<br />

loopt naar Netje, en vat haar hand.<br />

Wien geldt dit, ach?<br />

Mij zelve.<br />

NETJE.<br />

OMAR.<br />

Gij noemdet mijn' naam.<br />

Gij den mijnen.<br />

NETJE.<br />

OMAR.<br />

Om dat ik u lief heb.<br />

NET-


TOONF. E L S P E L , j 4 3<br />

, NETJE.<br />

Om dat ik geen' man lief hebben wil.<br />

Waarom niet?<br />

OMAR*<br />

NETJE.<br />

Om dat er geen een deugt.<br />

Ik ben een goed menscf»<br />

OMAR, hartlijk.<br />

NETJE.<br />

Dat zijt gij allen, zo lang gij wenscht en bweïrf.'<br />

Gij doet mij onrecht!<br />

OMAR.<br />

, NETJE.<br />

Ei zekerl<br />

OMAR.<br />

Ik zal u altoos lief hebben.<br />

NETJE.<br />

Gij zult mij niet lief hebben.<br />

Ik moet.<br />

O M A R.<br />

NETJE.<br />

Wie .dwingt u? k<br />

OMA R.<br />

Waarom volgt gij mij overal? of ik u zie, dan<br />

niet zie , is het zelfde: 't zij ik met mijne gedachten<br />

Egypten's verzengde luchtftreek doorzweev', of.mij<br />

aan den oever van den Nijl verlustig'; overal ftaat<br />

gij voor mij: zoek ik de tent van mijn' vader, gij<br />

zit


J44 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

zit aan den ingang! dwaal ik in de ruïnen van Balbefc<br />

om, gij ftaat achter ieder afgebroken zuil.<br />

Gij zijt een gek!<br />

Ja wel!<br />

NETJE*<br />

OMAR, zuchtende.<br />

NETJE.<br />

Wat zal men met u beginnen ?<br />

OMAR.<br />

Mij weder bij mijn verftand brengen.<br />

KETJE.<br />

Neen, goede vriend! wij maaken de mannen gaarne<br />

gek, want hun verftand verveelt ons.<br />

OMAR.<br />

Ik zal u niet langer verveelen , ook door mijn<br />

gekheid niet: ik keer naar de hut mijns vaders terug:<br />

Schipper Thom zal binnen weinige dagen derwaarts<br />

zeilen, en mij medeneemen: maar geloof mij, Netje!<br />

als ik weg zal zijn, zult gij voorzeker nog dikwijls<br />

zeggen: „ die Omar was tog een goed mensch!"<br />

NETJE.<br />

Wel ja toch! een meisjen denkt dat flechts.<br />

Vaarwel!<br />

Zijt gij dol ?<br />

OMAR.<br />

KETJE.<br />

OMAR.<br />

Het blijft bepaald — ik vertrek — gij zult mij<br />

nooit —


T O O N E E L S P E L : ,45<br />

nooit — nooit wederzien! een' affcheidskusch kunt<br />

gij' mij' evenwel niet waigeren.<br />

N E TJE.<br />

Zie zulk een onbefchaamd fchepfel eens aan!<br />

OMAR.<br />

Hoe ligt vergeet een meisjen een' kusch! mij echter<br />

zal hij een verkwikkend voedzel zijn tot in mijne<br />

hut toe.<br />

NETJE.<br />

Hadde ik ooit gedacht, dat een kusch zo voedzaam<br />

was?<br />

OMAR, eenigzins fcherp.<br />

Spot heb ik niet verdiend. {Hij wil vertrekken.)<br />

NETJE.<br />

Blijf! — blijf jong mensch ! — hoe ! vertrek­<br />

ken? — hebt gij mij reeds verlof gevraagd ?<br />

OMAR.<br />

Gij jaagt mij immers voord ?<br />

NETJE.<br />

Neen, neen ! ik beveel u te blijven.<br />

OMAR.<br />

Zo zoekt gij mij te martelen, als een knaap zijn'<br />

tor, dien hij aan een' draad gebonden heeft?<br />

NETJE.<br />

Daar zijt gij toe gemaakt: verzet u tegen uwe beftemming<br />

niet!<br />

OMAR.<br />

Gaarne zoude' ik alles lijden, konde ik in 't ver­<br />

volg flechts, al ware het ook nog zo laat, opdeminfte<br />

vergoeding hoopeft! J£ W E X.


145 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

KETJE.<br />

Dat is: wanneer gij op uwe beurt mij eens kondet<br />

martelen?<br />

OMAR.<br />

Ja, zo gij, bemind worden, eene marteling noemt.<br />

WETJE.<br />

Hoor, hoor, hoe die bruine jongen fnappen kan!<br />

als of hij alle onze romans gelezen hadde !<br />

Lieve Netje!<br />

OMAR, knielende.<br />

KETJE.<br />

Nu ja, dat ontbreekt er nog aan.<br />

OMAR.<br />

Ik weet niet, of het geen ik u zeg in romans<br />

ftaati maar waarlijk ! in mijn hart ftaat het.<br />

KETJE, hem eenigzins teder aan­<br />

ziende.<br />

En daarbij ziet hij er uit als of het zo ware.<br />

'T is waar.<br />

OMAR.<br />

KETJE, tegen 't beeld van Diana.<br />

Kuifche Diana ! befcherm mij! — fta op jong<br />

mensch ! ziet gij niet dat ginds alle oogenblikken<br />

He a voorbij gaan ? een Europisch meisjen mag<br />

g-en' Arabier onder den vrijen hemel voor haar laa-.<br />

ten knielen.<br />

OMAR, opjlaande.<br />

Maar plaagen mag zij hem wel 1<br />

KET-


T Q Q N E E L S F E L . Hf<br />

NETJE.<br />

Wees verftandig! wat wilt gij van mij hebben ?<br />

Ik wil u trouwen.<br />

OMAR.<br />

NETJE.<br />

Dacht ik 't niet! aanftonds maar trouwen! 't woord<br />

alleen jaagt mij een' febrik op 't lijf.<br />

OMAR.<br />

De zaak echter is zeer gemaklijk.<br />

NETJE, op Diana wijzende.<br />

En ik heb deezen beloofd, (met een belagchelyksu<br />

sucht ,) in haaren dienst grijs te worden : zie! dee­<br />

zen bipemkrans heb ik met eige hand gevlochten —<br />

met eige hand haar ten offer gebragt: deeze roozen<br />

zijn het zinnebeeld van mijn maagdlijken ftaat.<br />

OMAR.<br />

Laat haar het zinnebeeld; ik ben met het overige<br />

te vreden.<br />

NETJE.<br />

Gij zijt waarlijk zeer ligt te vergenoegen !<br />

O M A R.<br />

En die roozen ftaan uwe trotfche Diana niet eens<br />

goed; zij zouden de fchalkachtige Liefde wel eens zo<br />

fraai kleeden,<br />

Denkt gij dat?<br />

NETJE.<br />

OMAR.<br />

Laaten wij het eens beproeven. (Hij nikt Diana<br />

phtsling den krans af, en vliegt daarmede naar het<br />

ieeld der Liefde.)<br />

K 2 HEÏJE,


ttf BROEDER MORITS,<br />

NETJE, vergramd, echter fpot acht ig.<br />

Baldadige fchavuit!<br />

OMAR, na fchielijk het eene einde van denbloemkrans<br />

aan de hand der Liefde vastgemaakt te<br />

hebben, gaat hij ylings naar Netje, trekt<br />

haar met geweld voord, Jlingert zijnen<br />

arm om den hooren, en wikkelt zig met<br />

haar in den krans.)<br />

Gij zult de mijne zijn ! ja, ik lees het, in fpijt van<br />

uw' moedwil, in die zwarte oogen! gij zijt de mijne.<br />

NETJE, zig zachtlijk verweerende.<br />

Ik zal dien duivelfchen fnapper de oogen uit­<br />

krabben.<br />

Gij zijt de mijne?<br />

OMAR, haar vuuriglijk kusfchende.<br />

NETJE : zij ziet hem tederlijk aan,<br />

Ach ja ! (Een oogenblik zwijgens.)<br />

en valt hem eindelijk om den hals.<br />

OMAR, verrukt.<br />

Gij hebt mij tot een' God verheven ! — nu weg<br />

met deeze banden ! (Hij maakt den bloemkrans lus.)<br />

Zelfs geen bloemen zullen u binden — flechts<br />

mijne liefde! flechts mijn hart! U allesvennogende<br />

zoon der goden! u pasfen deeze roozen ! (Hij om-<br />

windt de Liefde met den krans.)<br />

NETJE, hem aanziende, en na een<br />

poos gezwegen te hebben.<br />

Qui que tufois, voila ton maitrel<br />

11 fejl, il le fut, eu il doit l'etre.<br />

DER.


T O Ó N E E L S P E Ll 149<br />

DERTIENDE TOONEEL.<br />

Ach Juultje i<br />

Wat is er?<br />

De voorigen, JUULTJE.<br />

KETJE.<br />

JUULTJE,<br />

NETJE.<br />

Ik had een' minnaar, en nu heb ik een' man!<br />

Ernst of fcherts?<br />

JUULTJE.<br />

. KETJE.<br />

Ziet gij dan aan mijn huwelijksgelaat niet, dat het<br />

mjar eens recht ernst is?<br />

o M A R.<br />

Wensch mij geluk, zuster! geJuk met mijn behaalden<br />

zegen!<br />

JUULTJE.<br />

Van gantfcber harten ! (Zij omarmt Netje.)<br />

NETJE.<br />

En , hebt gij mij lief, zo volg mijn voorbeeld;<br />

want niets is verdrietiger, dan gevangen te zyn, en<br />

een ander in vrijheid te zien omwandelen.<br />

JUULTJE.<br />

Zal ik mij vernederen voor een' trotsch man, die<br />

mij om mijn goud verfmaadt?Ach Netje! ik vrees dat<br />

zijn hoogmoed fterker zal weezen dan zijne liefde.<br />

K 3 NET-


(J50 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

NETJE.<br />

Tog niet! zijn hoogmoed houdt flechts de kamer<br />

gefloten , waarin zijne liefde brandt; maar geloof mij,<br />

het helpt hem niets: binnen kort of lang flaat d«<br />

vlam alle de vengtTers te gelijk uit. (Tegen Omar<br />

die mtusfchen haare hand kuscht en Jlreelt.) Nu, nu,'<br />

horst! eet mijn hand niet op!<br />

Ach, Netje!<br />

-TT . N E T I E.<br />

Wat is 't?<br />

1<br />

JUULTJE, omziende.<br />

TT" i JUULTJE»<br />

Hij komt.<br />

NETJE.<br />

O wat groot ongeluk !<br />

Verlaat mij niet!<br />

JUULTJE.<br />

NETJE.<br />

Wil hij u fchaaken ?<br />

JUULTJE.<br />

^erberg mijne droefgeestigheid achter uwen vro-<br />

hjken luim! fpreek, lach, fcherts, opdat hij niet<br />

hemerke hoe het in mijn hart gefield is.<br />

NETJE.<br />

En waarom mag hij dat niet bemerken?<br />

JUULTJE.<br />

Ik wil hem zijne trotschheid betaald zetten,<br />

NETJE.<br />

Bravo ! A ce truitje reconnois mon/ang.<br />

VEER.


TOONEELSPEL: t$ t<br />

VEERTIENDE TOONEEL.<br />

De vorigen. W I L L E M en DIEDRIK VAN M O L L .<br />

(Na elkander wederzijds gegroet te hebben.')<br />

NETJE.<br />

Zijt welkom, Mijne Heeren!<br />

DIEDRIK.<br />

Wij dachten Mijnheer uwen broeder te zullen aan­<br />

treffen.<br />

NETJE.<br />

En waart zeer aangenaam bedrogen, niet waar?<br />

want gij vondt ons.<br />

DIEDRIK.<br />

Zekerlijk — dat — dat fpreekt van zelf.<br />

NETJE.<br />

Mijn lieffte Heer Lfraténapt, u neem ik het niet<br />

kwalijk, als een jong meisjen n eene galanterie uit de<br />

keel baaien moet : want de krijgstrompet verdraagt<br />

zig flecht met het zachte bofgeiispei; maar uw Heer<br />

broeder . • .<br />

Is krank.<br />

DIEDRIK.<br />

Krank ? wat fcheelt hem ?<br />

J U U L T J E , fchielijk.<br />

NETJE.<br />

Een' neusdoek, om de traanen aftewisfchen, die<br />

aan zijne blonde oogleden hangen: leen hem uwe<br />

hand, lieve zuster!<br />

K 4 wit-.


*52 B R O E D E R M O R I T S ,<br />

WILLEM, verlegen.<br />

Vergeef het mij _ ik weetniet, lieve broeder'ik<br />

ben zeer gezond.<br />

DIEDRIK.<br />

Dafs gelogen! oordeel zelve! ik kom t'huis *<br />

heb hem veel te vertellen: ik begin mijn verhaal; hij<br />

ziet mij ftrak in de oogen; ik praat meer dan een<br />

quartier lang, en, toen ik wèl had uitgepraat, had<br />

hij er geen enkel woord van verfiaan.<br />

NETJE.<br />

Zeker een-gebrek aan 't gezicht; eene zorglijke<br />

aiel-verfchijning; maar mijn arme zuster is er'noz<br />

veel erger aan.<br />

s<br />

WILLEM, fchielijk.<br />

Hoe zo? watfcheelt haar?<br />

NETJE.<br />

Zij lijdt in de edele leevensdeelen - voor eemVe<br />

minuten bejegende haar een geval, waarin men het<br />

hart noodig heeft; zij zoekt het, en, begrijp welk<br />

eene omRandigheid! t is weg- weg 0Ver alle bergen.<br />

Netie. nI1J ü<br />

- ÜLTJE<br />

m e t e e n t r e u<br />

JNetje ! plaag ' "Se glimplach.<br />

Uuj niet!<br />

WILLEM.<br />

Zoekt gij mij ook de overwinning des vernuft, he<br />

zwaarehjk te maaken ? veinufts be-<br />

NE T.


T O O N E E L S P E L . 153<br />

NETJE: zij maakt eene diepe buiging.<br />

Dit is voor het Vernuft, en dit voor de Liefde !<br />

(Zij omarmt Omar.)<br />

DIEDRIK.<br />

Bravo ! dat's een fnoepig ding ! ik geloof men zou<br />

met haar de wereld kunnen doormarcheeren, zonder<br />

een' enkelen dag rust te houden.<br />

NETJE.<br />

Wel zo, Mijnheer de krijgsman ! gij begint los te<br />

raaken.<br />

DIEDRIK.<br />

Waarlijk , ik zou bijna bemerken , dat er nog<br />

een ander vuur dan kanonsvuur is: maar genoeg, die<br />

jonge vriendlijke man daar, (op O mar wijzende.) heeft ze<br />

eerlijk prijs gemaakt; en al ware dit zo niet — mijri -<br />

houten been! — ach ! lieve Hemel ! mijn houten<br />

been !<br />

VIJFTIENDE TOONEEL.<br />

De vorigen. MORITS, MARIA, EUFROSINE.<br />

EUFROSINE, al hoestende.<br />

Als het maar niet reeds te koel is.<br />

NETJE.<br />

Ach neen! wij zweeten hier allen.<br />

MORITS, tegen Diedrik.<br />

Ik dank u, Broeder Moll! dat gij uw woord ge­<br />

houden hebt.<br />

K 5 DIE-


154 BROEDER MORITS,<br />

DIEDRIK.<br />

Ik hou immer mijn woord.<br />

MORITS, tegen Willem.<br />

Lieve jonge man! ik bid om uwe vriendfchap:<br />

heeft mijn voorbaarig oordeel u deezen morgen fmart<br />

veroorzaakt, zo is 't mij van harten leed : men<br />

ontmoet zo zeldzaam in de wereld een mensch; en<br />

men ziet het zo weinig iemand aan den neus: uw<br />

broeder heeft mij het raadzel opgelost ; zeer hard<br />

zoudt gij mij ftraffen , zo gij een' gril tegen mij<br />

behieldt.<br />

W I L L E M .<br />

Hoe, broeder! gij hebt gepraat?<br />

D IE D K I K.<br />

Dat heb ik: voor den duivel dat heb ik ! hoe! ik<br />

zou het gelaten aanzien, dat men vergiftige pijlen op<br />

uwe eer fcboot?<br />

MORITS.<br />

Gij bemint mijn zuster; Juultje mint u; gij waart<br />

het ééns; mijn goud heeft u gefcheiden, dat moet<br />

het niet; het moge zulk een gril zijn als het will';<br />

*t is een fchoone weldenkende gril, en ik eer den-<br />

zelven : Juultje is arm, dood arm; van mij krijgt zij<br />

geen' penning.<br />

Juultje !<br />

W I L L E M , vliegt naar Juultje.<br />

JUULTJE, in zijne armen.<br />

Stoute, hoogmoedige Willem !<br />

EUFRO-


T O O N E E L S P E L . 1-5<br />

EUFROSINE.<br />

Wacht toch kinderen ! ei mijn Hemel ! wacht<br />

toch ! (Zij trippelt tusjchen hen beiden.) ik moet immers<br />

de plaats haarer moeder bekleeden — Ik geef 11 mijn'<br />

zegen, en ben met dit huwelijk recht in mijn' fchik;<br />

want zijne afkomst is van adel.<br />

NETJE.<br />

Maar, lieve Tante! Juultje vraagt immers niet, waar<br />

hij van daan gekomen is ? zo hij er maar is.<br />

EUFROSINE.<br />

Zwijg; als dat zo ware, moesten alle menfehen<br />

gelijk zijn, want alle menfehen zijn er: (zij hoest.)<br />

hoe ongerijmd!<br />

WILLEM: hij omarmt Morits.<br />

Mijn broeder!<br />

MORITS.<br />

Geen grillen meer.<br />

WILLE M.<br />

Hartlijke, broederlijke vriendfchap!<br />

MORITS.<br />

Nu, de vriend dorst u niets aanbieden, de broe­<br />

der durft eerder een woord fpreeken. (Hem ver­<br />

trouwelijk naar zig trekkende.) Zo 't u eens aan geld<br />

mogte ontbreeken — niet waar?<br />

Ja, ja.<br />

WILLEM.<br />

(Diedrik is hartlijk bewogen, hinkt naar Willem, naar<br />

Juultje en Morits, fchudt hun jlilzwijgend de han­<br />

den , en gaat vervolgends in een' hoek, waar hij de<br />

traanen van zijne oogen wischt.)<br />

K ET-


3S


T O O N E E L S P E L . i sr<br />

EUFROSINE.<br />

Een Vorst! hij draagt evenwel geen ordeband.<br />

MORITS.<br />

Het hart maakt hem kennelijker dan de orde.<br />

EUFROSINE.<br />

Nu, nu, ik geef u mijn' zegen.<br />

N E T J E , zuclttende.<br />

Ach ! — Numero twee is ook afgedaan.<br />

MORITS.<br />

Maar Netje! ziet gij niets aan mij?<br />

NETJE.<br />

Gij ziet er uit, als een vernuftige broeder, die<br />

zijne zuster tien duizend dukaaten fchenken wil.<br />

MORITS.<br />

Gefchonken heeft: dit aan een zijde — ziet gg<br />

anders niets?<br />

EUFROSINE.<br />

. Ach , dat had zijne moeder zaliger hem zekerlijk<br />

ook niet aangezien,<br />

MORITS.<br />

Lieve Tante! laat mijn moeder rusten!<br />

NETJE.<br />

Gij maakt mij nieuwsgierig.<br />

Ziet gij nog niets?<br />

MORITS, Maria omarmende.<br />

N E T J E , in de handen klappende.<br />

Ja waarlijk! ik zie 't! ik zie 't! Numero drie ! Nu­<br />

mero drie!<br />

J U U L T J E .<br />

Onze Maria. JEUFRO-


iS§ B R O E D E R M O R I T S ,<br />

EUFROSINE, fterk hoestende.<br />

Ja, onze Maria!<br />

Lieve zuster!<br />

JUULTJE, naar Maria gaande en<br />

haar omarmende.<br />

NETJE: zij omhelst Maria mede.<br />

Nu zijn de drie gratiën voltallig. (Alle de overigen<br />

émringen Maria en Morits, en wenfchen hem met ge-<br />

laarden geluk.)<br />

ï UFROSINE.<br />

Wacht toch kinderen ! ei , mijn lieve Hemel!<br />

wacht dan toch! (Zij trippelt in den kring.) Ik moet<br />

immers de plaats uwer moeder bckleeden ! 'Tis waar,<br />

de afkomst — de afkomst: dit heeft nog geen Graaf<br />

van Eldingen gedaan.<br />

WILLFM, DIEDRIK en MARIA, te gelijk.<br />

De Graaf!<br />

MORITS»<br />

Waar toe dit, lieve Tante? —Ja, mijne vrienden !<br />

ik ben Graaf: mijn vader bezat aanzienlijke goederen<br />

in den Elzas; hij leefde goed, ftierf arm, enlietons,<br />

behalven zijn' Graaflijken titel, niets dan fchuldenna:<br />

wij verlieten de p.laats waar wij niet meer konden fchit-<br />

teren : gij allen weet, hoe mijne zusters zig federt onder<br />

het opzicht haarer Tante geneerden : de jongens kun­<br />

nen gemaklper door de wereld komen: ik verzettede<br />

den gouden bijhang mijns Graaflijken diploma's bij<br />

eenen Jood, om aan reisgeld te geraaken: ik ging<br />

KtiC


T O O N E E L S P E L . 150<br />

naar den Levant, en werd koopman: de handel, mijn<br />

iiver, het geluk, de vriendfchap en ook een paarmaal<br />

de liefde hebben mij rijk gemaakt; de Graaf heeft<br />

geen enkel middagmaal voor mij betaald: een Afri-<br />

kaansch Prins, wiens vriendfchap ik bij zekere gele­<br />

genheid won , verhief mij tot Vorst van de Maan en<br />

het geflernte ; hij zelf was onbegrensd Heer der<br />

Zonne: dit alles is gekheid, en wanneer gij mij lief<br />

hebt, zo laat mij nimmer meer het woord Graaf uit<br />

uwen mond hooren: mijne jongens kunnen doen wat<br />

zij willen: (tegen Maria.) en gij, hef meisjen! zal<br />

Morits, Graaf van Eldingen, u liever zijn , dan Mo­<br />

rits , zo maar eenvoudig weg ? (Maria omhelst hem )<br />

EUFROSINE.<br />

Nu, nu, gij zijt en blijft een wonderlijk fchepzel:<br />

kom hier, dat ik u mijn' zegen geeve.<br />

NETJE.<br />

Dank zij den Hemel! de drie gratiën zijn allen<br />

bezorgd.<br />

MORITS.<br />

Luiftert kinderen! ik heb u een ontwerp medetc-<br />

deelen : wij mosten allen , zo als wij hier ftaan,<br />

flechts één huisgezin uitmaaken: een hoopjen goede<br />

menfehen , die, van de befchaafde zotten afgezon­<br />

derd, met eige handen het veld bouwen, de vruch­<br />

ten onzes ijvers inoogflcn , van de grootcn des Lands<br />

ongekweld blijven, en van niemand, dan de Engelen<br />

benijd vvoidentzuik eene vrijplaats biedt ons een klein<br />

plek-


iSo B R O E D E R M O R I T S ,<br />

plekjen gronds in den Oceaan aan, het welk te arm is<br />

om de hebzucht der menfehen optewekken reen zekere<br />

Engelander,Wilfon , heeft de Pelew-Eilanden ontdekt;<br />

daar woonen goede, onbedorvene fchepfels: ik heb<br />

befloten, mijn geheel vermogen in nooddruften des<br />

levens te verwisfelen ; deezen wil ik in eenige fche-<br />

pen laaden, en daar mij met mijn huisgezin neder­<br />

zetten : wilt gij mij volgen ?<br />

JUULTJE.<br />

Gaat Willem meê?<br />

KETJE.<br />

Gaat Omar meê ?<br />

DIEDRIK.<br />

Niemand vraagt: gaat Diedrik meê?<br />

ALLEN.<br />

Ja, wij gaan allen meê.<br />

KETJE.<br />

Paar voor paar, gelijk in J e aike Noachs.<br />

DIEDRIK.<br />

Mij uitgenomen: ik breng niet eens een paar beenen<br />

meê.<br />

NETJE, ter zijde, tegen Diedrik.<br />

Trouw de oude Tante !<br />

DIEDRIK.<br />

Gehoorzaame dienaar ! li e v e r worde ik fchool-<br />

meester op de Pelew-Eilanden.<br />

WILLEM, tegen Morits.<br />

Gij hebt mijne ziel van dit ontwerp beroofd; reeds<br />

voor


T O O N E E L S P E L. isi<br />

voor lang verveelde mij de hedendaagfchelevenswijs:<br />

Laat ons het land bebouwen, zegt Candide.<br />

En hij had gelijk.<br />

Hij had gelijk.<br />

MO KITS.<br />

ALLEN.<br />

Z E S T I E N D E T O O N E E L .<br />

De voorigen. THOM.<br />

T li O M.<br />

II eifa 1 dat gaat hier lustig.<br />

MORITS.<br />

Gij komt net van pas, eerlijke Thom! hebt gij<br />

wel ooit van de Pelew-Eilanden gehoord?<br />

THOM,<br />

'Die zijn immers daar , waar de Antelope fchip­<br />

breuk geleden heeft? zou ik niet!<br />

MORITS.<br />

Wilt gij ons derwaards brengen ï<br />

T H o M.<br />

Is er wat mede te verdienen?<br />

Wel zeker!<br />

MORITS.<br />

THOM.<br />

Goed, dan breng ik u naar Lapland en Spitsbergen<br />

EUFROSINE.<br />

Maar, kinderen! gij denkt om mijn' hoest niet!<br />

L NET-


itfa B R O E D E R MO. R I T S .<br />

NETJE.<br />

Lieve fante ! het is een voortreffelijk climaat,<br />

vooral voor longzieken.<br />

EUFROSINE.<br />

Nu ja, zo gij dat denkt.<br />

MORITS.<br />

O hoe gelukkig zullen wij, hoe gelukkig zulle»<br />

onze kinderen zijn!<br />

Is het u dan ernst!<br />

Recht ernst.<br />

THOM.<br />

WILLEM.<br />

THOM.<br />

Dan laat ik mijn' broeder naar den Levant zeilen,<br />

en geef u mijn nieuw fchip, het welk morgen van<br />

ftapel zal loopen: gij moest het koopen.<br />

Hoe zal het heeten ?<br />

Broeder Morits.<br />

MORITS.<br />

JUULTJE.<br />

ALLEN.<br />

Vivat! lang leeve Broeder Morits! (Zij zwaajert<br />

met den hoed-)<br />

Einde van het derde of laatjle ledrijf


Mijïi mowflei'! ...


H E T<br />

W E E S M E I S J E N,<br />

B L J? S P E jr.<br />

IN DRIE BEDRIJVEN,<br />

D O O K<br />

L E B R U N.


P E R S O O N E N .<br />

DE GRAAVIN VAN E L M O NT.<br />

DE GRAAF VAN E L M O N T , Zoott dsf GriMVitlHtt<br />

DE GRAAF VAN VALBOURG.<br />

JULIA, Doekt er van den Graave van Valhourg.<br />

DE MARQUIS VAN V E R V I L L E .<br />

p i c A R D , Kamerdienaar van den Graave van Efmottt,<br />

LOUISE, Kamenier van de Graavinne.<br />

EEN KNECHT,<br />

Het tooneel is in de twee eerfte Bedrijven op een<br />

landgoed, en in het derde te Parijs.


H E T<br />

W E E S M E I S J E N,<br />

B L IJ S P E L.<br />

EERSTE BEDRIJF.<br />

Het tooneel verbeeldt de zaal in een<br />

tuitenvet bltjf.<br />

EERSTE TOONEEL.<br />

PICARD, LOUIS E.<br />

L O U I S E.<br />

Z o zijn wij dan eindelijk commenfaalen in'tzeifde<br />

huis?<br />

PICARD.<br />

Ja, mijn fchoone! wij woonen onder één dak»<br />

in afwachting van beter.<br />

LOUISE.<br />

O, gij komt altijd met gekheid voor den dag.<br />

PICARD.<br />

Is 't gekheid u te willen trouwen?<br />

As LOUISE.


4 HET WEESMEISJEN,<br />

10ÜIIE.<br />

Voorzeker, als het eene onmogelijke zaak is.<br />

PICARD.<br />

Onmogelijk! en waarom?<br />

LO UISE.<br />

Wilt gij dat weeten ? hoor. • Het huwelijk it<br />

alleen voor de Rijken ingefleld; wij arme duivels»<br />

die gemak en luiheid aan de dienstbaarheid hechten,<br />

zijn wij gefchikt om een huishouden te beginnen?<br />

PICARD.<br />

Gemak en luiheid! weet gij dan wat het lot ons<br />

toegedacht heeft? Wie heeft u gezegd dat wij geen<br />

fortuin zullen maaken , en dat gij u eindelijk aan<br />

uwe heerfchende neiging niet zult kunnen overgeeven?<br />

LOUISE.<br />

Ik beken, dat ik een lief hebfter van de rust ben»<br />

en dat ik bijzonder veel werks zoude maaken van<br />

dat lieve voorwerp, 't welk mij van 't genot daarvan<br />

verzekerde; maar komt u dat zo gemaklljk<br />

voor?<br />

PICARD.<br />

Niets gemaküjker dan dat, mijn hartediefjen! Om<br />

in de dienstbaarheid fortuin te maaken, behoeft men<br />

flechts zijne meefters te kennen, en hunne hartstochten<br />

te vleien. Ik heb twee jaaren bij den<br />

Marquis van Verville gewoond, en hem die dienden<br />

beweezen, welke de groote Heeren nooit vergeeten,<br />

ja zelfs tegen goud opweegen.<br />

LOUISE.


B L IJ S P E L. 5<br />

L O U I S E.<br />

Gij zijt niet zeer kieich, Plctrd I<br />

PICARD.<br />

In tegendeel, mijn kind! het is uit overman van<br />

kieschheid dat ik het zo naauw niet heb willen<br />

uitpluizen; ik heb alle middelen, die mij nader bij<br />

mijne Louife konden brengen, voor uitmuntend gehouden.<br />

LOUISI.<br />

Ik moet u ten minden voor de beweegoorzaak<br />

danken.<br />

PICARD.<br />

Ik verzeker u, dat, zo de Graaf van Elmont,<br />

mijn nieuwe meefter, denzelfden fmaak heeft als<br />

de Marquis van Verville, ik 'er wel rasch mijn<br />

voordeel mede zal doen, en hem de drijfveer van<br />

onze ontwerpen maaken: vooreerst moeten wij tegen<br />

allen een offenfif en defenfif verbord fluiten;<br />

gij moet mijn misdagen verbloemen, en ik zal uw<br />

gekke ftreaken bedekken; gij moet mij bij mijn'<br />

meefter voorfpreeken, ik zal uw' vlijt bij uwe meefteresfe<br />

doen gelden; en wij zouden al heel dom<br />

moeten zijn, zo wij niet binnen een jaar twee drie<br />

den dienst op eene eerlijke wijs vaarwel konden<br />

zeggen.<br />

LOCISE.<br />

Bat zijn inderdaad groote voorteemens, jnijn<br />

vriend I<br />

h 3 PI-


6 HET WEESMEISJE N,<br />

PICARD.<br />

Wilt gij aan de uitvoering medewerken?<br />

LOUIS E.<br />

Gaarne! mits gij niets onderneemt, zonder mij<br />

tlvoorens te raadpleegen.<br />

PICARD.<br />

Fiat! zie daar mijn hand, lieve Louife! en dat<br />

een kuschjen het zegel van ons kleine verbond zij!<br />

L O UI S E.<br />

Zacht wat, Picard! gij hebt nog geen fortuin gemaakt.<br />

PICARD.<br />

Dat's waar: maar laat ons geen' tijd verliezen.<br />

Kom aan, geef mij eent een fchets van die wezens,<br />

welken, door het recht van de rijkften te weezen,<br />

over onj gebieden.<br />

LOUISE.<br />

Vooreerst: de Graavin van Elmont is eene aantrekkelijke<br />

en nog jonge weduwe; zij maakt een afgod<br />

van haar'eenigften zoon, den jongen Graaf van<br />

Elmont, wiens kamerdienaar gij de eer hebt te<br />

zijn.<br />

PICARD.<br />

Zij maakt 'er een' afgod van ? goed: zij zal hem<br />

dan ook braaf geld laaten verkwisten?<br />

LOUISE.<br />

Gantsch niet: zij, bemint hem op eene verftandig©<br />

wijs.


B L ry s p E L. 7<br />

PICARD.<br />

En ha»r trant van leeven?<br />

LOUISE.<br />

lt voorbeeldig; in den volften zin.<br />

PICARD.<br />

Te drommel! maar haar vriendfchapiverbintenisfen?<br />

LOUISE.<br />

Zij bepaalt zig bij 't gezelfchap van Mevrouw de<br />

Tourville, wier landhoeve een mijl hier van daan<br />

ligr.<br />

PICARD.<br />

Dat vraag ik niet heeft zij niemand die...<br />

die... wac duivel, gij verftaat mij immers wel ? een<br />

man , wiens... een goeden vriend meen ik ?<br />

LOUISE,<br />

Sedert veertien jaaren leefde zij in de nanuwfie<br />

vriendfchap met den Graave van Valbourg.<br />

PICARD.<br />

Ha! ha! nu begin ik lont te ruiken.<br />

LOUISE.<br />

Gij bedriegt u, mijn lieve Picard! de gantfche<br />

wereld draagt den Graaf van Valbourg eerbied toe,<br />

en niettegenflaande de vriendfchap,die 'er tusfchen<br />

hem en mijne meefteresfe heerscbt, is hun goede<br />

naam onbevlekt gebleven: ten anderen begint men<br />

hem te verdenken van ernftige oogmerken omtrent<br />

juffrouw Julia, dat weesmeisjen, waarvan ik u<br />

alreè gefproken heb.<br />

A 4 PI-


9 HET WEES MEISJEN,<br />

PICARD.<br />

Oogmerken! dat laac zig hooren; maar ernftige<br />

oogmerken! {Hij lacht.)<br />

LOUISE.<br />

Ja, ernftige; en zeer erndige: de Graaf van Val­<br />

bourg heeft veel te vee! eerbied voor zijne vriendin,<br />

om andere oogmerken te hebben wegens een mei»!<br />

jen, waarvoor zij federt veertien jaaren zorgt; wier<br />

geboorte zekerlijk nog niet bekend is, maar wie r<br />

fchoonheid,gaaven en goede hoedanigheden'tgemis<br />

van veele andere voordeden vergoeden.<br />

PICARD.<br />

Zo 't mij voorkomt, moet ons verval in dit huis<br />

fchaars weezen?<br />

LOUISE.<br />

Schaars? neen: maar het is evenredig aan de<br />

dienden; en dewijl hier niemand zulke dienden vor.<br />

dert als de groote Heeren nooit vergeeten en tegen<br />

goud opweegen, moet meu 'er alle gedachten van<br />

een fpoedig en fchitterend fortuin volftrekt verbannen.<br />

PI C AR D.<br />

O, zie daar de zwakke geesten! de minde hin.<br />

derpaal verfchrikt hun, en doet hen den moed verliezen.<br />

LOUISE.<br />

Ik ontfla u van de moeite om mijne geestvermo.<br />

geni eere aan te doen; wat voordeel uwe levendige<br />

«n flikkerende verbeelding u op mij geeve, houdt<br />

ecb-


B L IJ S P E L. 9<br />

echter in *t oog, dat ik u in alles moet beftuuren:<br />

die is 't eerfte artijkel van ons verbond.<br />

PICARD.<br />

En het zal ftand houden, mijn Louife! dat zweer<br />

ik bij mijne liefde! voleindig uwe charakterfchetfen<br />

met dat van den Graave van Elmont — wat man<br />

is hij?<br />

LOUISE.<br />

Een allerliefst jongman, die zijne ftudie naauwlijks<br />

voleindigd heeft?<br />

PICARD.<br />

En de kleine Julia, hè? geen heerenrecht?<br />

LOUISE.<br />

Hij bemint zijne moeder, en befchouwt haar, die<br />

zij befchermt, als een aangenomen zuster, welke hij<br />

van harte lief heeft — anders niet.<br />

PICARD.<br />

Ik ga dan bij volmaakte wezens woonen, en zal<br />

den geveinsden moeten uithangen.<br />

LOUISE.<br />

Den geveinsden ? neen 1 maar gij zult de voorbeelden,<br />

die gij ziet, moeten volgen, en vooral, zo<br />

•t mogelijk is, vergeeten dat gij bij den Marquii<br />

van Verville gediend hebt.<br />

PICARD.<br />

Maar a propos, van den Marquis van Verville;<br />

hij is de boezemvriend van mijn nieuwen meefter;<br />

boe (iaat die vriendfchap mevrouw de Graavin aan ?<br />

AS LOUISE.


10 HET WEESMEISJE N,<br />

LOUISE.<br />

De vriendfchap van den jongen Graaf voor den<br />

Marquis is het eenigfte gebrek, dat men hem kan<br />

verwijten, en men hoopt dat hy 'er het gevaar van<br />

zal inzien.<br />

PICARD.<br />

Je, maar onder inwachting dat hij de oogen<br />

opene , zullen wij van zijne verblindheid gebruik<br />

maaken: de Marquis is van die menfehen, welken<br />

de ondeugden onder het dekkleed der bevalligheden<br />

doen doorgaan. Een jongman, de handen van zijn'<br />

opzichter ontfnapt, heeft meer lust om die gekjens<br />

van aanbelang nateaapen, dan voorzichtigheid om<br />

zig voor hunne verleidingen te behoeden, en ik zie<br />

dat de Marquis van Verville in allen gevalle de be.<br />

werker van mijn fortuin moet zijn.<br />

LOUISE.<br />

Luister Picard, luister: ik bemin, ik acht, en<br />

eerbiedig de geenen, die ik dien: zo gij wilt dat wij<br />

vrienden blijven, zult gij in mijne verkleefdheid<br />

aan hun moeten deelen: verre van den Graaf laagen<br />

te leggen, hoop ik dat gij mij van de dwaasheden,<br />

waartoe men hem zoude kunnen verleiden , zult<br />

verwittigen: bedenk wel, dat ik nooit de vrouw<br />

zal zijn van iemand , die mij, om een weinig goud,<br />

op eene onbehoorelijke wijze verkreegen, de ondeugden<br />

en belagchelijke gebreken van een' Marquis<br />

v*n Verville zou doen gevoelen.<br />

PI-


B L IJ S P E L. ii<br />

PICARD.<br />

Seldrement, mijn fchoone, wat een vloed van<br />

zedekunde! zo ik u geloofde, zou ik van kamerdienaar<br />

preceptor worden.<br />

LOUISE.<br />

Waarom niet? het lot heeft u in den Jaagden<br />

dand geplaatst, maar gij Uunt voordeel doen met<br />

uwe omdandigheid. Een hupsch man weet zig al.<br />

tijd achting te verwerven.<br />

PICARD.<br />

Zie daar nu weder philofophie! ik zie wel dat'er<br />

in dit kadeel menig ernftig gefprek wordt gevoerd.<br />

LOUISE.<br />

Stil: ik hoor iemand, 't Is de Graaf van Valbourg.<br />

— Hoel hij zo vroeg op?<br />

PICARD.<br />

Dat's ook waar! Daar het nog zo vroeg is, hadden<br />

wij op een langer geheim gefprek kunnen hoopen:<br />

hij moet geweldig verliefd zijn! deeze zal ons<br />

ten minden in het een of ander van dienst weezen.<br />

T WE EDE TOONEEL.<br />

De voorigen. VALBOURG.<br />

VALBOURG, mijmerende.<br />

rla! goeden morgen Louife! is de Graavin bij<br />

de hand?<br />

LOUISE.


72 HET WE ES MEISJEN,<br />

LOUISE.<br />

Neen, Heer Graaf — bij de hand! om zei uuren<br />

'8 morgens ?<br />

VALBOURG, zijn horologie ziende.<br />

Gij hebt gelijk: 't is eerst zes uuren. Wie is<br />

die knaap?<br />

touisi.<br />

Een jongman, dien men gister als kamerdienaar<br />

bij Mijnheer den Graaf van Elmont geplaatst heeft.<br />

VALBOURG.<br />

Bij den Graaf van Elmont ? Waar was uw lastite<br />

dienst, mijn vriend?<br />

PICA R D.<br />

Bij den Marquis van Verville, Mijnheer.<br />

VALBOURG.<br />

De Marquis van Verville! ik geloof niet dat gij<br />

hier zult aarten.<br />

PICARD.<br />

Mijnheer.... ik.... .<br />

VALBOURG.<br />

Zo gij de genegenheid van uw volk wilt verdienen,<br />

moet gij Louife om raad vraagen; 't is een<br />

meisjen dat achtingwaardig is; dat op haare zaaken<br />

past, en veel van Julia houdt.<br />

LOUISE.<br />

Wel, Mijnheer, wie zou Julia niet liefhebben?<br />

VALBOURG, Louife eengoudbeurt<br />

aanbiedende.<br />

Zie daar, liefkind! het is uwe genegenheid voor<br />

Julia


B L IJ S P E L. 13<br />

Julia niet die ik betaal: 't is een blijk mijner vriendfchap<br />

, die ik u gaarne wil geeven.<br />

PICARD , bij zig zeiven, en ver.<br />

trekkende.<br />

Verrukkend begin! hij is verzot op Julia.<br />

LOUISE.<br />

Ach! Mijnheer.... mijne erkentenis...<br />

VALBOURG.<br />

't Is wel, 't is wel, mijn kind! (Heen en weder<br />

gaande) Ik dachc niet dat het nog zo vroeg was.—.<br />

Voorzeker rust de Graavin nog?— zo zij echter eens<br />

wakker ware! — mijn hart heeft verligting noodig —<br />

Louife!<br />

Mijnheer!<br />

LOUISE.<br />

VALBOURG.<br />

Ga bij uwe Meefteres; maar zachtjes, heel zacht­<br />

jes : 20 zij niet meer flaapt, zeg haar dan dat haar<br />

oude vriend haar verzoekt aftekomen.<br />

Goed, Mijnheer!<br />

LOUISE.<br />

DERDE TOONEEL.<br />

VALBOURG.<br />

CjTevoelig hart van een' vader! hart, dat federt zo<br />

langen tijd gefchokt is! zult gij dan nooit rust heb­<br />

ben ? Julia! ongelukkig kind! dat ik mogelijk met<br />

bet


14 HET WEESMEISJEN,<br />

het zegel der fchande zal gebrandmerkt zien ! o<br />

mijne dochter! zult gij mij uw geboorte vergeeven<br />

indien de wetten u tot de vergetelheid doemen ? En<br />

gij, getrouwe vriendin! die de ongelukkige vrucht van<br />

de tederfte liefde opkweektet, zonder haar te kennen<br />

1 gij hebt geen kennis aan de ongerustheid, die<br />

mij grieft;'t is heden de dag: de nagedachtenis<br />

mijner vrouw: mijn lot, het lot van mijne dochter,<br />

alles zal in weinige oogenbükken onherroepelijk bepaald<br />

zijn: de onzekerheid van mijn toekomend loc<br />

verfcheurt mij —O gij, die onder den last van nooddruft<br />

en ramprpoeden zucht, befchouwt mijn lot, en<br />

leert het uwe zegenen; eene onmenschlijke hand<br />

ontrukt u niet uwe vrouwen, uwe kindereu! in 'r,<br />

midden van uwe ellenden, {hekken u haare liefkoo><br />

zingen, haare traanen zelfs tot troost — het brood,<br />

met uw zweet bevochtigd, verliest zijne bitterheid<br />

tusfchen de natuur en de liefde — en ik mijn<br />

vrouw! — mijn dochter; mijn Julia!...<br />

LOUISE, die onmiddelijk daarna<br />

weder vertrekt.<br />

^Mevrouw de Graavin was op, Mijnheer; zij komt<br />

V A L B O U E G.<br />

'T is wel, ik bedank u. (Zijne traanen afwhfende.)<br />

Herftellen wij ons, en laat ons de gevoeligheid<br />

onzer vriendinne ontzien.<br />

FIER.


B L IJ S P E L. i5<br />

VIERDE TOONEEL.<br />

VALBOURG, DE GRAAVIN.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Gij zijt al zeer vroeg op, mijn vriend J federt<br />

gij bij mij zijt, fchijnt de flaap u te ontvlugten ?<br />

VALBOURG.<br />

'T is waar, Mevrouw , dat ik federt eenigen tijd<br />

zeer weinig flaap maar mijn hart zou nog min.<br />

der rust hebben in Parijs, dan hier.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Wat kan uw rust ftooren? geluk, gezondheid,<br />

aanzien! gij hebt alles,wat herleven kan veraangenaamen:<br />

de vriendfchap, de tedere vriendfchap,<br />

ciert het boven alles op, en gij zoudt niet geluk»<br />

tig zijn! wat ontbreekt u?<br />

v ALBOUR G.<br />

Het hoogfte goed; de vrede der ziele.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Gij maakt mij ongerust.<br />

VALBOURG.<br />

Mijn kwaaien zijn niet versch: federt vijftien jaaren<br />

zijn ze in dit hart beiloten.<br />

DE


i6 HET WEE S MEISJEN,<br />

DE GRAAVIN.<br />

En geen enkel oogenblik van vertrouwen, dat'er<br />

mij de bewaarder van gemaakt zou hebben! Ach<br />

Valbourg!<br />

VALBOURG.<br />

Zou het droevig Vermaak van u over mijn leed te<br />

onderhouden, van 'er u in te zien deelen,mij vertroost<br />

hebben? Ik heb geleeden, maar alléén: ik heb mijn<br />

vriendin gelukkig gezien, en ook fomtijds het<br />

genoegen gehad iet tot haar geluk toetebrengen.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Ga dan voord, wreede man! en overtuig mij dat<br />

ik uw vriendin ben — wat is uw leed?<br />

VALBOUR G.<br />

Mevrouw, herïnner u de eerde tijden van onze<br />

vriendfchap; zij begon met den dood van uwen echt*<br />

genoot; eene endezelfde droefgeestigheid had onze<br />

zielen vervuld, en dit gevoelen vermeerderde ea<br />

bevestigde onze vriendfchap — wij waren beiden<br />

flagtoffers van eene fmartlijke fcheiding.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Hoe mijn vriend! gij waart echtgenoot?<br />

VALBOURG.<br />

En ik ben vader: een meisjen, zo wel van de<br />

natuur als van het fortuin begundigd, boezemde<br />

mij weleer de hevigfte drift in haare ouden<br />

ontzeiden mij haar hand; ik was jong, vuurig, over-<br />

reedend, men beminde mij, en gaf mijne beden ge­<br />

hoor: een geheim, doch wettig huwelijk, maakte<br />

mij


B L IJ S P E L. ï ?<br />

mij eindelijk den gelukkigften der mannen: dan ach!<br />

zo veel geluks duurde flechts een oogenblik: mijn<br />

vrouw gaf onder het ter wereld brengen van het zo<br />

gewenschte kind , in mijne armen den geest ; ik be-<br />

daauwde haare koude overblijffels met mijne traa.<br />

nen; ik wischte de tekenen van dit doodlijk geval<br />

uit; ik nam mijn kind mede, en gaf het in vertrouw­<br />

de handen over: mijn vrouws vader wist de oor­<br />

zaak van haar dood niet, of veinsde die niet te<br />

weeten: alles gefchiedde zonder gerucht: ik zal u<br />

de overmaat van mijne droefheid niet fchetfen •—<<br />

gij hebt een zelfden flag gevoeld: het tafreel mijner<br />

rampen te vertoonen, zou u de uwen herinneren.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Ik heb ze maar al te wél gevoeld. Wat zou ik<br />

geworden zijn, zonder mijn' zoon!<br />

VALBOURG.<br />

En wat zou mijn lot geweest zijn , zonder mijn<br />

dochter? Schoon ik dikwijls haar geboorte beweend<br />

heb, heb ik mij echter fomtijds bij haar kunnen<br />

vertederen: 't is of haare eerfte ongelukken, mij nog<br />

fterker aan haar verbinden.<br />

DE GRAAVIN.<br />

En wat is van dit kind geworden?<br />

VALBOUR G.<br />

'T is wél. Ach! de tederïle vader zou niet<br />

meer gedaan hebben dan de weldaadige handen die<br />

haare kindschheid hebben opgevoed: maar, mijne<br />

B<br />

vriea.


iS HET WEESMEISJEN,<br />

vriendin^ dit ongelukkig wezen kan zig nog op<br />

niemand in de gantfche wereld beroepen.<br />

De vader mijner ecbtgenoote ftierf, nu een jaar<br />

geleeden: ik dacht hec toen tijd te zijn om een<br />

huwelijk te wettigen, waartegen het vaderlijk gezach<br />

zig niet meer konde aankanten; ik dacht een aanzienlijk<br />

fortuin, 't geen de Natuur dit kind, hetwelk<br />

mij nog niet kent, en dat mij te vergeefsch<br />

zou kennen zo het onder de vruchten van een on.<br />

geoorloofde liefde moest gefteld worden , niet te<br />

moeten laaten verlooren gaan. Ik bragt mijne bewijzen<br />

voor, en baatzuchtige, wreede erfgenaamen<br />

dorden ze miskennen: men beftreed de wettigheid<br />

van mijn huwelijk, en op den eerften eisch werd het verklaard<br />

van geener waarde te zyn: verbeeld u mijne wanhoop!<br />

ik appelleerde tegen dit vonnis: deberoemdfte<br />

Rechtsgeleerden beijveren mijne zaak zonder ophouden,<br />

en belooven mij een gunftige uitfpraak; maar<br />

hoe meer het oogenblik nadert, hoe meer mijne<br />

angften verdubbelen, en de ftandvastigheid en<br />

de hoop mij begeeven. 'T is heden dat mijn lot<br />

beflist wordt: als ik denk dat ik binnen eenige uuren<br />

in 't aanzien der wetten, over den geheiligden naam<br />

van vader kan bloozen, en dat een kind, hetwelk<br />

ik aanbid, mij misfchien zijn aanweezen zal verwijten!—<br />

ach! vriendin, deeze toeftand is fchrikkelijk,<br />

gij alleen kunt dien verzachten, mijn' moed<br />

onderfteunen, en mijn hoop verlevendigen: dit is<br />

't oog-


B L IJ S P E L. ig<br />

't oogmerk van een misfchien te laat vertrouwen ,<br />

maar dat voor mijn hare noodzaakelijk geworden is.<br />

DE GRAAVIN.<br />

'T is op den rand van den afgrond dat uw geheim<br />

n ontvalt! en gij zegt mij den naam van uw kind<br />

niet, waar het zig ophoudt! — — moet het<br />

eene andere fchuilplaats hebben dan in mijn huis?<br />

wie anders dan ik moet haar tot moeder ver'<br />

ft.reK.ken, als de wet haar veroordeelt? en kan,<br />

als de uitflag naar onzen wensch is, Mejuffrouw<br />

Valbourg ergens voegelijker zijn dan bij mij? in al><br />

le gevallen, mijn vriend, zijt gij mij een volkomen<br />

vertrouwen fchuldig.<br />

VALBOURG.<br />

Zo dra haar lot beflist is, zal ik 'tuzeggen: komt<br />

het met mijne wenfchen overeen , met wat vermaak<br />

zal ik dat geliefde kind, 't geen ik als dan zonder<br />

bloozen zal kunnen erkennen, u niet aanbieden!<br />

tedere vriendin! fpaar mij het verdriet en de<br />

fchaamte, van, vóór het beflisfend oogenblik, mijn<br />

kind voor u te doen verfchijnen.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Ik zal 'er niet meer op (laan; de vriendfchap moet<br />

niet te veel vergen; ik zal mij troosten , dewijl gij<br />

mijne dienstaanbiedingen weigert; ik had echter<br />

gedacht dat, na de verpligting die mijn zoon aan u<br />

heeft, gij mij ook iet zoudt hebben willen fchuldig<br />

weezen.<br />

B i V4V


29 HET WEESMEISJE N,<br />

VALBOURG.<br />

Ik ben u meer fchuldig dan gij denkt en wat<br />

uw' zoon aangaat, ik heb alleenlijk mijne genegenheid<br />

opgevolgd , in het vormen van het hart en 't<br />

verftand van een beminnelijk jongman, die zo volmaakt<br />

aan mijne zorgen beantwoordt: ik bekenuechter,<br />

dat ik bedroefd en verwonderd ben over zijne<br />

naauwe verbintenis met den Marquis van Verville:<br />

die vriend voegt hem niet, hij moet het gezien hebben,<br />

en echter doet hij hem in zijn kasteel blijven i<br />

Wij moeten op middelen bedacht zijn, om deezen<br />

gevaarlijken omgang te fluiten.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Gij komt mij vóór: ik wilde 'er u over fpreeken;<br />

wij zullen 'er ons werk van maaken. Laaten wij ons<br />

nu aan de troostrijke gedachte van een gunftig von­<br />

nis overgeeven: maar zie daar mijne Julia, dit kind,<br />

zo waardig haare ouders te kennen, en hun geluk uit-<br />

temaaken.<br />

VALBOURG.<br />

Ik zie haar nimmer zonder ontroering.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Haar gezicht moet u herinneren....<br />

VALBOURG.<br />

Achl alles, Mevrouw, allesi<br />

VIJF-


B L IJ S P E L. * i<br />

V IJ F D E TOONEEL.<br />

De voorigen. TUL IA.<br />

JULIA, de Graavin omhelzende.<br />

G oeden dag, lieve MamaJ Heer Graaf, ik heb de<br />

eer u te groeten.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Gij omhelst hem niet, Julia? weet gij dan niet<br />

dat hij mijn oude vriend is P<br />

JULIA.<br />

Och! met groot vermaak. ([Zij gaat tusfchenheiden<br />

door, en omhelst Falbourg.j Maar hoe 1 gij<br />

fchijnt verdrietig te zijn! Ach! Mijnheer, ik had<br />

nooit gedacht dat men bij mijn lieve Mama verdrietig<br />

kon weezen.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Beminnelijk kind! gij zult mij helpen hem troosten.<br />

JULIA.<br />

Met al mijn hart: maar waar over?<br />

DE GRAAVIN.<br />

Een proces dat hij vreest te verliezen, maakt hem<br />

ongerust en bedroefd.<br />

JULIA.<br />

Waarom zou hij het verliezen ? ik ben wel verzekerd<br />

dat het recht aan zijne zijde is.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Hoe dat?<br />

B 3 ] H.


SMÈ HET WEËSMEISjEN,<br />

JULIA.<br />

Voor eerst: om dat hij de vriend is van mijn He vé<br />

Mama, en dat al wie bij haar is, gelijk moet hebben;<br />

en dan is de Graaf zo goed, zo bedaard! zie daar,<br />

Mama, ik heb hem haast zo lief als u.<br />

VALBOURG.<br />

Welk eene beminnelijke oprechtheid!<br />

JULIA.<br />

Gij ontroert u nog meer, dat wfl ik niet hebben 5<br />

Heer Graaf. Ik ben gelast u te troosten; ik wil u<br />

Uwe fmerten doen vergeeten: kom, zie mij eens<br />

aan: lach eens tegen mij, lach dan! doe dan ook<br />

iet voor julia!<br />

V A L B O U R G , haar in zijne armen<br />

neemende.<br />

Ja, liefkind ! gij hebt het recht om alles van mij<br />

te verkrijgen: maar 'er zijn droefheden die gij niet<br />

kunt lullen, en die men in uwe jaaren gelukkig niet<br />

kent.<br />

JULIA.<br />

Denkt gij dat, Mijnheer? ik heb mijne droefheden<br />

ook: maar als ze mij kwellen, weet ik ze zeer<br />

fchielijk te vergeeten.<br />

DE GRAAVIN,<br />

Hé! hoe doet gij dat?<br />

JULIA.'<br />

Dan kom ik bij u, Mamaatjen, ik omhels u, en<br />

ik denk 'er niet meer om*<br />

VA L«


B L IJ S P E L. 23<br />

VALBOURG.<br />

Maar, lieve Julia, wat zijn uw droefheden? Ik<br />

kan niet zien dat gij zulke groote zoudt kunnen<br />

hebben.<br />

JULIA, a/sten uiterjlen geraakt.<br />

Het zijn de uwen , Mijnheer, die u niet meer moes­<br />

ten aandoen, daar Mama en ik 'er u om bidden: als<br />

ik droevig ben, dan is het niet om een armzalig<br />

proces; het zijn vrij wat gevvigtiger zaaken; maar ik<br />

zou het mij verwijten,indien ik Mama mijne traanen<br />

liet zien: ik weet dat zij de haaren zoude doen<br />

vloeien; gij zijt zo kiesch niet; zie daar, zie daar<br />

^e uwen verdubbelen.... fchei 'er dan uit, gij zult<br />

mij ook doen huilen.<br />

VALBOURG.<br />

Ach! laat ze vloejen; die traanen, waarvan ik<br />

geen meefter meer ben.... maar, mijn kind! wat<br />

zijn dat dan voor droefheden, waarvan gij met zo<br />

.veel belang fpreekt ?<br />

JULIA, haare oogen nederflaande.<br />

Gij vraagt het mijl kan men ze , met zo veel verftand,<br />

niet vooruit gevoelen?<br />

DE GRAAVIN.<br />

Spreek, fpreek, mijn kind! gij hebt 'er te veel<br />

vau gezegd, om het overige te zwijgen.<br />

JULIA.<br />

Ach! mijn goede Mama! als ik uü wen zoon in uwe<br />

armen zie drukken,hem de tederfte naamen geeven.<br />

als ik hetn uwe liefde zie beantwoorden, denkt gij<br />

B 4 dat


«4 HET WEESMEISJEN,<br />

dat mijn hart mij dan niets zegt ? Ach, Mama! waar<br />

om heb ik ook geene ouders? ik zou ze zo wei weeten<br />

te beminnen.<br />

VALBOURG, bij zig zeiven.<br />

Mijn hart breekt.<br />

D<br />

E GRAAVIN.<br />

Mijn Julia! gij kunt u over het geluk beklaagen;<br />

maar-over mijn hart...<br />

JULIA, haar omhelzende.<br />

Ach! mijn lieve Mama! ik ben u vrij wat meer<br />

dan mijne ouders verfchuldigd: zij hebben mij verworpen,<br />

verlaaten, mogelijk haaten zij mij 'er nog bij;<br />

ik vraag hun noch om aanzien, noch om geluk,<br />

maar zij zijn mij haare liefde fchuldig: kunnen zij<br />

'er mij zonder onrechtvaardigheid van berooven ?<br />

Ik vraag het u, Mijnheer, aan u die zulk een<br />

deugdzaam man zijt.<br />

VALBOURG, bij zig zeiven.<br />

Mijn geheim is op het punt van mij te ontglip,<br />

pen. (Oveiluid.) Julia!... Ach! geloof dat uweou-<br />

ders... zo zij leeven... zo zij u gezien hebben...<br />

zo zij u kennen... hoe moeten zij zuchten! (Tegen<br />

de Graavln.) Mijn hart is verfcheurd... dit kind<br />

herinnert mij ieder oogenblik.... Julia.... uw va­<br />

der.... 'er moeten zeker dringende redenen.... 'er<br />

«oeten onoverwinnelijke hinderpaalen zijn.... ik<br />

un mijne traanen niet weerhouden... iaat ons gaan<br />

Mevrouw,laat ons gaan... ach! nimmer was uw vriend<br />

«eer ontroerd, meer bewogen, meer ongelukkig.<br />

ZES.


B L IJ S P E L. 25<br />

ZESDE TOONEEL. •<br />

Jü L IA.<br />

Ik wilde hen niet bedroeven: dat is de eerfte maal<br />

dat ik van mijn' toeftand fpreek, en... men moe*<br />

dan ftilzwljgend lijden, als men waare vrienden<br />

heeft!— Zie daar mijn goede Mama uitgegaan, haar<br />

zoon zal welhaast komen; hij zegt mij altijd dat<br />

hij mij bemint, en ik geloof het; maar wat zal daar<br />

van worden? Ik voor mij heb hem lief uit al mijn<br />

hart, maar ik zal het hem nooit zeggen, want ik<br />

gevoel wel dat mijn goede Mama niet kan toeftaan...<br />

daar is hij. (Met blijd/chap.) Och! ik wist wel dat<br />

hij komen zou.<br />

ZEVENDE TOONEEL.<br />

ELMONT, JULIA.<br />

ELMONT.<br />

H oe, lief zusjen! gij verwachtte mij?<br />

JULIA.<br />

Ik, Mijnheer! in 't geheel niet.<br />

ELMONT.<br />

Nogthans meende ik te hooren... zoudt gij vreezen<br />

mij een oogenblik 't geluk te doen fmaaken?<br />

JULIA.<br />

Integendeel, Mijnheer, ik zal mij altijd gevleid<br />

li 5 vin-


Sé HET WEE S MEISJEN,<br />

vinden, wanneer ik den zoon van mijn goede Mama<br />

vermaak kan doen: mijne erkentenis beveelt hes<br />

mij.<br />

ELMONT.<br />

Gij verftaat wel wat ik zeggen wil, Mejuffrouw'<br />

maar uw hart, altoos ongevoelig...<br />

JULIA.<br />

Ongevoelig, Mijnheer? waarom belastert gij mijn<br />

bart? het minnen is te zoet, dan dat het 'erzigooit<br />

aan zoude onttrekken.<br />

ELMONT.<br />

Is het wel waar, mijn Julia ? gij doet mijne lief­<br />

de dan eindelijk recht ? — hoe! gij bemint mij ?<br />

JULIA.<br />

Wat hij mij daar al vraagt 1 ik bemin en bet is<br />

mijn pligt: zijt gij mijn broeder niet? Ik bemin<br />

allen die mij genegen zijn.<br />

ELMONT.<br />

En vooral Mijnheer van Valbourg, niet waar?<br />

JULIA.<br />

Och ja! ik bemin hem uitermaate.<br />

ELMONT. \<br />

Ik geloof het: men brengt geen geheele dagen<br />

door met iemand die ons onverfchillig is, Me.<br />

juffrouw.<br />

JULI A.<br />

Gij fchijnt geraakt, Mijnheer! hoe veelen hebt gij<br />

'er met hem doorgebragt, zonder dat ik 'er u ooit<br />

iet van gezegd heb?<br />

E L-


È L IJ S P E L. a ?<br />

E L M O N T .<br />

Ik geloof dat 'er eenig onderfcheid te niaaken is,<br />

Mejuffrouw.<br />

J U L I A .<br />

Ik zie 'er geen, Mijnheer.<br />

E L M O N T .<br />

Waarom kan ik dan het zelfde voorrecht niet ge»<br />

nieten? gij weet hoe dierbaar mij die oogenblikken<br />

zijn zouden.<br />

J U L I A .<br />

Ja, ik geloof dat u dit wel zou aanftaan ; maar<br />

de zaak is niet mogelijk.<br />

En waarom niet?<br />

E L M O N T .<br />

J U L I A .<br />

Om dat gij Mijnheer Valbourg niet zijt.<br />

E L M O N T .<br />

Ziet gij mij voor zo teder, zo eerlijk, zo kiesch<br />

niet aan als hem?<br />

J U L I A .<br />

Ik zie u voor een ten naastenbij volmaakt wezentjen<br />

aan, daarom heb ik u ook zo lief.<br />

E L M O N T .<br />

Achl nu lacht gij met mij.<br />

J U L I A »<br />

Gij weet wel, broêrtjen, dat ik daartoe niet in<br />

ftaat ben.<br />

E L '


«8. HET WEES MEISJEN,<br />

ELMONT.<br />

Maar, fpreek dan uit, ondeugend meisjen als gij<br />

zijt, en plaag mij niet langer.<br />

JULIA.<br />

Zie eens, nu plaag ik hem! maar hoe moet ik<br />

dan doen, om vrede met u te houden? Gij zijt het<br />

Mijnheer, die een plaaggeest zijt.<br />

ELMONT.<br />

Ja, als ik n van mijne liefde fpreek, niet waar,<br />

Mejuffrouw ?<br />

JULIA.<br />

Waarlijk gij neemt alles verkeerd op: ik zal<br />

woorden met u krijgen.<br />

ELMONT.<br />

Och neen! zusjen lief.... maar gij hebt foratijds<br />

zulke onaangenaame grillen....<br />

JULIA.<br />

Maar, waar haalt gij uwe uitdrukkingen van daan,<br />

Mijnheer? Gij zijt van daag ineen onverdraagelijke<br />

luim.<br />

ELMONT»<br />

Ik ben misfchien nog onverdraagelijker dan mijne<br />

uitdrukkingen en mijn luim.<br />

JULIA.<br />

Al verder, Mijnheer, gij hebt een wonderbaar<br />

doorzicht!<br />

ELMONT.<br />

Ik heb genoeg doorzicht, om in den grond van<br />

uw hart te leezcn.


B L IJ S P E L. i y<br />

JULIA.<br />

Daar is niet veel toe noodig, MijnheerI ik draag<br />

groote zorg om juist te fpreeken zo als ik denk.<br />

ELMONT.<br />

Ja, tegen Mijnheer Valbourg, Mejuffrouw.<br />

JULIA.<br />

Tegen hem, tegen u, en tegen de gintfche wereld<br />

, Mijnheer.<br />

ELMONT.<br />

O, tegen mij? neem mij niet kwalijk dat ik daar<br />

aan twijfel': voor 't overige is 't natuurlijk achterhoudend<br />

te zijn met die geenen, die ons verwijtiagen<br />

zouden kunnen doen.<br />

om.<br />

JULIA.<br />

Nu verfta ik u niet meer.<br />

ELMONT.<br />

Mijn lieve Julia! geef mij gehoor, ik bid 'er u<br />

JULIA.<br />

Hé, federt een uur doe ik anders niet.<br />

ELMONT.<br />

Zeg mij in ernst dat gij mij bemint.<br />

JULIA.<br />

Daar lach ik nooit meê-<br />

Bemint gij mij, Julia?<br />

E L M O N T. '<br />

JULIA.<br />

Met mijn geheele ziel; ik heb 't u honderdmaal<br />

gezegd.<br />

EL.


3» HET WEESMEISJEN,<br />

ELMONT.<br />

Gij bemint Mijnheer Valbourg dan niet?<br />

JULIA.<br />

Hé, waarom zou ik hem niet beminnen?<br />

ELMONT.<br />

Daar ontfnapt zij mij wéér!<br />

JUL I A.<br />

Gij zoudt dan willen dat ik niemand lief had<br />

dan u?<br />

ELMONT.<br />

Die begeerte is zeer natuurlijk.<br />

En waarom?<br />

JULIA.<br />

ELMONT.<br />

Om dat ik u mijn geheele hart heb gegeven, en<br />

dat gij mij het uwe fchuldig zijt: om dat de liefde<br />

de eenige belooning is, die men der liefde kan aanbieden.<br />

JULIA.<br />

Welnu, zie hoe onnozel dat ik ben: ik had altoos<br />

gedacht, dat gij niet meer dan vriendfchap voor mij<br />

had.<br />

ELMONT.<br />

Denkt gij dat men lang bij zulk een koud gevoe.<br />

len kan blijven?<br />

JULIA.<br />

k ken 'er, die 'er mede te vreden zijn.<br />

ELMONT.<br />

Zijn zij 'er te gelukkiger om?


B L IJ S P E L. tl<br />

O dar"weet ik niet.<br />

JULIA.<br />

ELMONT.<br />

Ik voedt federt lang, mijn waarde Julia! detederffie<br />

liefde voor u.,<br />

Gij zijt wel goed.<br />

JULIA.<br />

ELMONT.<br />

Zo ik mij vleien konde 'er u eens in te zien deelen?<br />

JULIA.<br />

Dat is eene andere zaak.<br />

ELMONT.<br />

Zo gij ten minden de vrees, die mij ftraks be«<br />

naauwde, wildet verdrijven.<br />

JULIA.<br />

Hij gaat mij wéér fpreeken van Mijnheer Val.<br />

bourg.<br />

ELMONT.<br />

Hebt gij genegenheid voor hem?<br />

JULIA.<br />

Ver daar van daan.<br />

Kan ik het gelooven?<br />

ELMONT.<br />

JULIA.<br />

Gij weet wel dat ik nooit onwaarheid fpreek.<br />

ELMONT.<br />

Die verzekering geeft mij de rust weder.<br />

JULIA.<br />

G, des te beter, lieve broeder!<br />

SL.


3* HET WEES MEISJEN,<br />

ELMONT.<br />

Ik geef mij over aan de hoop van uw hart teraa»<br />

ken, en 'er alleen van bemind te zijn — antwoord<br />

mij*<br />

JULIA.<br />

Dat is mijn geheim.<br />

A GT ST E TOONEEL.<br />

De voorigen. VERVILLE.<br />

VERVILLE, onbe/uisd binnen komende.<br />

Verrukkend gefprek! waarlijk!... hoe nu ,<br />

waarde Graaf! gij fluipt uit uw vertrek?... Qülia<br />

aanziend».) Mejuffrouw! zijn haast verwondertmiJ<br />

niet meer; uwe oogen rechtvaardigen hem.<br />

JULIA.<br />

Mijne oogen, Mijnneer?<br />

VERVILLE, tegen Elmont.<br />

Ik dank u van mij hier gebragt te hebben; maar<br />

ik moet over u klaagen: hoe! gij bezit een aller­<br />

liefst voorwerp, en federt drie groote maanden dat<br />

wij elkander kennen, hebt gij het voor mij verbol­<br />

gen gehouden; och! dat is niet welgedaan: Mejuf­<br />

frouw, ontvang ten minften de verzekering van mijn<br />

leedweezen: men kan u niet zien, zonder fpijt te<br />

gevoelen, van u niet eerder gezien te hebben.<br />

ju-


B L IJ S P E L. 33<br />

JULIA.<br />

Mijnheer!... waarlijk... (Ter zijde.) Ik weetniet<br />

wat ik hem zeggen zal,<br />

ELMONT [lil tegen Verville.<br />

Niet waar, mijn vriend, is zij niet bekooreUjk?<br />

VERVILLE.<br />

Ja, ja, bekoorelijk, dat is het woord : maar<br />

ik ben misfchien op het belangrijkst oogenblik<br />

van het gefprek ingekomen : welk vermaak men<br />

ook bij u vinde, Mejuffrouw, zo ik hinder, ver*<br />

trek ik: 'er zijn opofferingen, die men de vriendfchap<br />

fchuldig is.<br />

Maar.... Ik....<br />

JULI A.<br />

VERVILLE.<br />

Antwoord Mejuffrouw nooit dan met lettergree.<br />

pen? haar te zien is zeer zoet-; maar men zou ze<br />

ten miniten moeten hooren: zou het een overmaat<br />

van befchroomdheid zijn, die dit lief mondjen gefloten<br />

houdt? gij moet 'er u van ontdoen, Mejuffrouw;<br />

gij moet 'er u van ontdoen: ik heb nog<br />

geen wezentlijke rechten op uw vertrouwen; maar<br />

dat zal binnen kort komen, ik hoop het, en gijzult<br />

die naare achterhoudendheid voor mij niet meer<br />

hebben: kom fchoon kind, neem uw gemak: ik<br />

geloof niet dat mijn opflag zeer verfchrikkend is.<br />

JULIA.<br />

Gij hebt gelijk, Mijnheer.<br />

C<br />

VER.


34. HET WEESMEISJEN,<br />

VERVILLE.<br />

Zij zegt het ten minden zeer naïf: 't is een<br />

bloem, versch uit de handen der Natuur gelto­<br />

men ; maar die aangekweekt moet worden: geluk­<br />

kig de den-ding die gij waardig zult achten, uwe<br />

berfchepping te bewerken! 't is Mamaatje Hef, die<br />

zig tot hiertoe met haare opvoeding belast heeft:<br />

ik zie het aan dit bij uitdek eerbaar gelaat: maar,<br />

Mejuffrouw, zodanig een leermeester voegt u niet<br />

meer: ieder ding heeft zijn' tijd: gij verdaat mij?<br />

JULIA.<br />

Neen, Mijnheer: maar ik ga Mevrouw de Graavin<br />

rekenfchap geeven, van het geen gij mij de<br />

eer gedaan hebt te zeggen, en van haar de wijze<br />

leeren, waarop ik aartigheden moet beantwoorden,<br />

die men zig met mij nog niet veroorloofd<br />

had.<br />

NEGENDE TOONEEL.<br />

VERVILLE, ELMONT.<br />

VERVILLE.<br />

U w fchoon Weesmeisjen is een weinig droef.<br />

ELMONT.<br />

Gij zijt te gaauw geweest, mijn vriend: ik verzoek<br />

u, haar meer te ontzien.<br />

VERVILLE.<br />

Hé! gaauwdief, gij ziet 'er mij wel na uit, om<br />

haar eenigde leermeester te willen worden.<br />

EL-


È L IJ S P E L. 35<br />

ELMONT.<br />

Ik beken u, dat zij mij bij rjitflek waardig is.<br />

VERVILLE.<br />

En hoe ver zijt gij met haar?<br />

ELMONT.<br />

Ik hoop mij met 'er tijd te doen beminnen.<br />

VERVILLE.<br />

Bekoorelijk vooruitzicht 1 waarlijk! gij zult dan<br />

van een vuurige min blaaken, op hoop van een on­<br />

zekere wederliefde, die men misfchien nog de<br />

wreedheid zal hebben, u te verbergen?<br />

ELMONT.'<br />

Maar, wat wilt gij dan dat ik worde?<br />

VERVILLE.<br />

Gelukkig, mijn vriend! gelukkig! daar moet men<br />

meê beginnen.<br />

ELMONT.<br />

Ik zal haar onfchuld aanranden! ik heb 'er nog<br />

geene gedachten van durven voeden.<br />

VER. VILLE.<br />

Het is dan zeer gelukkig, dat ik hier gekomen<br />

ben, om ze u integeeven.<br />

ELMONT.<br />

Gij zult goedvinden dat ik ze verwerp?<br />

VERVILLE.<br />

Zo als gij wilt: maar denkt gij dat ieder zo<br />

kiesch zal zijn? gij hebt mij al gefproken van<br />

eenen Graaf van Valbourg; hij is een liefhebber, ik<br />

heb van zijn Hukken gehoord: men heeft mij ge-<br />

C 2 zegd,


2


B L IJ S P E L. 37<br />

ELMONT.<br />

Laat ons ophouden met boerten, Marquis: kunt<br />

gij geen oogenblik redelijk zijn?<br />

VERVILLE.<br />

Een oogenblik redeneeren! o dat is hard genoeg]<br />

maar wat kan 't fcheelen, men moet iet doen voor<br />

zijne goede vrienden: laat ons dan redeneeren;<br />

maar laat ons kort zijn: kom, ondervraag u zeiven<br />

wêl, en als de aart van uwe liefde bepaald zal zijn,<br />

zullen wij na middelen omzien om ze te kroonen.<br />

ELMONT.<br />

O, mijne liefde is al wat zij kan.<br />

VERVILLE.<br />

Dat is te zeggen hevig in al de kracht van het<br />

woord.<br />

ELMONT.<br />

Zij is boven alle uitdrukking.<br />

VERVILLE.<br />

De kwaal is gevaarlijk, zij moet geneezen wor­<br />

den. Vooreerst veronderftel ik niet dat gij de<br />

groote dwaasheid zoudt willen begaan?<br />

Welke?<br />

ELMONT.<br />

VERVILLE.<br />

Van te trouwen.<br />

ELMONT.<br />

Haar trouwen.... ach! zo ik dorst.... zo mij:<br />

ne moeder....<br />

C 3 VER"


3? HET WEESMEISJEN,<br />

VERVILLE.<br />

Ik verfta u: zo gij uw eigen meester waart... :<br />

ELMONT.<br />

Ik zou niet twijfelen.<br />

VERVILLE.<br />

Maar gij zijt het niet, bij geluk: gij hebt een'<br />

naam, een' ftaat, een aanzienlijk fortuin, en boven<br />

dat alles, eea moeder te ontzien: gij ziet dat ik zo<br />

goed als een ander redeneer, als ik 'er mij mede<br />

bemoejen wil.<br />

ELMONT.<br />

Mijn moeder heeft mij zo liefl men zou haar eens<br />

kunnen toetfen, zo gij dit op u wildet neemen.<br />

VERVILLE.<br />

Gij fcheert den gek met mij: zij zou mij in mijn<br />

aangezicht uitlagchen en mij den rug toedraajen:<br />

dat zou waarfchijnelijk het antwoord zijn, dat ik<br />

van haar krijgen zoude; ik zóu haar gaan voorftel.<br />

len, u met een' kleine kleuter te verè'enigen, die<br />

gij niet eens zoudt aanzien, zonder die fnoepige<br />

tronie, die u den kop doet draajen? zo zij van geboorte<br />

was, en vijftig duizend guldens inkomen<br />

bad, zou ik mij met de boodfchap belasten, en het<br />

zou mij kunnen gelukken: maar Julia van dit alles<br />

ontbloot, kan uw vrouw niet zijn — laaten wij 'er<br />

des uwe lieffte van maaken.<br />

ELMONT.<br />

Haar ontè'eren! haar verhagen 1 neen nooit....<br />

Ik wenschte wel te weeten wat mijn moeder denkt:<br />

ik heb alle mogelijke toevlugt bij haare liefde.<br />

VEE'


B L TJ S P È L. 53<br />

VERVILLE.<br />

Weet gij waar toe uw koppigheid u zal brengen?<br />

dat zal ik u zeggen: uw moeder, eens achter het<br />

geheim zijnde, zal wijze maatregelen neemen, en<br />

zal wèl doen: men zal u ontzien, men zal u hoo-<br />

nig om den mond fmeeren, gij zult nergens erg in<br />

hebben, en op een zekeren morgen, zal men uwe<br />

Julia in een rijtuig laaten (lappen, en haar na de eene<br />

of andere afgelegene plaats brengen: mogelijk zelfs<br />

zal de gedienftige Valbourg op zig neemen om haar<br />

te geleiden: neen mijn vriend, de zaaken moeten<br />

zo niet behandeld worden.<br />

ELMONT.<br />

Ik begrijp dat gij gelijk kant hebben;<br />

VERVILLE.<br />

Dat is zeer gelukkig: voor eerst moet menden<br />

lieven Valbourg in zijne ontwerpen dwarsboomen, zo<br />

hij 'er heeft, dat zeer mogelijk is: ik ken de flenter<br />

van die oude jongens: zij draajen zig in een huis,<br />

onder de fcboonfchijnenden naam van vrienden;<br />

langzamerhand vestigen zij hun gezach; verwij­<br />

deren die hun in den weg zijn,laaten niemand zien<br />

dan zigzelve; vertoonen zig dikwijls; bewijzen dienst<br />

op dienst; verbannen het wantrouwen, door een<br />

ingetogen en zelfs ftreng voorkomen; laaten hunne<br />

liefde niet blijken dan onder den onfchuldigen<br />

fchijn van vriendfchap; verwekken eindelijk een<br />

volkomen zorgeloosheid, en verwachten, altoos<br />

meesters van hunne zinnen, het gunftig oogenblik,<br />

C 4. maa


4* HET VVE ES ME IS JEN,<br />

g e b r U I k V a D Z 0 D d e r d a t m e<br />

' ' « tana ze-<br />

0 0 r Z i e n<br />

E n I . h e e f t<br />

' * ««« vervolgends her<br />

du f en a a n e e n J 0 D g e n > J o o r e n d o Q r<br />

n a a r ï d i e d r e e<br />

o e d h e c h t<br />

huwS<br />

huwelnk<br />

T<br />

alle. weder herfteit:<br />

°° " * «• ««k<br />

g l j 2 u l t m i j t o e f t e m,<br />

denke<br />

m<br />

° a i t e d a t m e D<br />

ELMONT.<br />

Ik weet niet wat ik doen zal: wreede vriend"<br />

zaatnï ? f"**"** a<br />

waar in ik<br />

zaaken zie, la ' e r maar é é n hulpmiddel.<br />

En dat is?...<br />

Schaaken.<br />

«ceder bezondigen!<br />

..<br />

ELMONT,<br />

VERVILLE.<br />

ELMONT.<br />

V<br />

ERVILLE.<br />

J t e g e<br />

" m i j n<br />

' er<br />

^ W* w u liever tegen u zeiven bezondigen? de<br />

«en ch „ t o t vermaak gefchapen; de ftrenge dwee<br />

per aa t h e n t f n a p p e n ; ^ *dwe*<br />

voor t overige wil ik u niet dwingen geluk-<br />

<br />

kig


li L IJ S P E L. 4 r<br />

kig te worden; dat Valbourg en zijns gelijken de<br />

opvoeding van Julia beginne, gij zult ze vervolgends<br />

voltoojen: deeze uitkomst is juist de vleiendiïe<br />

niet, maar het is ten ininften de zekerfte.<br />

E L M O NT.<br />

Gij doet mij ijzen: uw redenen fchijnen mij niet<br />

overtuigend: nogthans heb ik 'er geenen, die wezentlijker<br />

zijn, tegen intebrengen: uwe ondervinding,<br />

uw waereldkennis, geeven u op mij een vermogen,'<br />

dat mijne reden wederfpreekt, maar waaraan ik mij<br />

niet onttrekken kan.<br />

VERVILLE.<br />

Laat u dan geleiden, en verlaat u op klaarziender<br />

oogen, dan de uwen; ik heb u een zekeren Picard<br />

afgeftaan, die u in dergelijke zaaken met nut moet<br />

dienen; hij is een fchat, waarvan ik mij om uwentwil<br />

beroofd heb: geen brak heeft zulk een fijne lucht;<br />

geen wild ontfnapt hem; die fnaak heeft mij groote<br />

dienften beweezen, en hij is bijna zo bekwaam als<br />

ik, om uwe onervarenheid te geleiden; laat hem hier<br />

komen, dat wij hem zijn les opzeggen. Picard !<br />

Picard! Picard 1<br />

TIENDE TOONEEL.<br />

De voorigen. PICARD.<br />

PICARD.<br />

\V,. belieft Mijnheer?


42 HET WEESMEISJE N,<br />

VERVILLE.<br />

Luister, Picard: ik heb u gelegenheid ver-<br />

fchaft, om uw nieuwen meefter uw' ijver te<br />

betoonen. Gij moet de gangen van den Graaf van<br />

Valbourg nafpeuren, die voorneemeus zou kunnen<br />

hebben...<br />

PICARD.<br />

O! hij heeft 'er, Marquis! ik verzeker het u.<br />

ELMONT.<br />

Wat zegt gij? wat hebt gij gezien?<br />

PICARD.<br />

Ik behoef de zaaken niet te zien, Mijnheer! om<br />

'er het fijne van te weeten: ik heb een goed gevoel:<br />

als men uit den dienst ,van Mijnheer den Marquis<br />

komt, bezit men het pit van de kunst.<br />

ELMONT.<br />

Wat hebt gij dan opgemerkt?<br />

PICARD.<br />

Gefmoorde zuchten, fteelsgewiis geworpene blikken<br />

, eene verwarde houding, in tegenwoordigheid<br />

van Mevrouw de Graavin; een vuurig gelaat, doordringendoog,<br />

tusfchen vier oogen; zie, dat heb ik<br />

waargenomen.<br />

E L AI O N T.<br />

Alles vermeerdert mijne bekommering: moet ik<br />

ze verliezen? Ach! Julia! zoudt gij u tot zo verre<br />

vergeeten!<br />

PI.


B L IJ S P E L. 43<br />

PICARD.<br />

Ik kwam zo even in Mevrouws geheim vertrek;<br />

ik had 'er niets te doen, maar ik wist dat Juffrouw<br />

Julia en Mijnheer Valbourg 'er alleen waren, en<br />

ik weet gaarne wat 'er meer omgaat.<br />

ELMONT.<br />

Ga voord ; fpreek, wat deeden zij 'er?<br />

PICARD.<br />

Zij zitten naast elkander: Mijnheer Valbourg houdt<br />

de handen van Juffrouw Julia in de zijnen ; Juffrouw<br />

Julia laat bet hoofd hangen, en haare traanen vloe-<br />

jen op de handen van Mijnheer Valbourg.<br />

ELMONT.<br />

'T is te grof, 't is te grof: haar gefprek moet ge-<br />

floord worden — neen, loop, ga in de zijkamers,<br />

maak groot gerucht, gebruik eenig voorwendfel om<br />

weder in het vertrek te komen; houdt ze in 't oog:<br />

gij ftaat mij voor alles in.<br />

PICARD.<br />

Maar indien Mijnheer Valbourg gewaar wordt<br />

dat ik hem beloer , en dat hij de vrijheid neemt....<br />

mij... gij veiftaat mij immers wel ?<br />

ELMONT.<br />

Mijne weldaaden zullen het u vergoeden — ge­<br />

hoorzaam. <br />

ELF-


«• HET WEESMEIS JEN,<br />

E L F D E TOONEEL.<br />

VERVILLE, ELMONT.<br />

VERVILLE.<br />

W el nu, mijn vriend, had ik ongelijk? uw jon*.<br />

he.d, uw gulheid, doet u alles aan den fchoonften<br />

kantbefchouwen, en zonder mij... Ha! daar is uw<br />

eerbiedwaardige Mama.<br />

TWAALFDE TOONEEL.<br />

De vootïgen. DE GRAAVIN.<br />

_ T DE GRAAVIN.<br />

Mijnheer de Marquis! wilt gij mij wel toeftaan,<br />

met mijn' zoon een woordjen alleen te fpreeken?<br />

VER VILLE.<br />

Ik, Mevrouw! ik heb mij nimmer tegen iemands<br />

vermaak gefteld : ten anderen heeft een moeder ge<br />

heiligde rechten: ik ga, en laat u op uw gemak<br />

zedenkunde preéken.<br />

DERTIEND E TOONEEL.<br />

DE GRAAVIN, ELMONT.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Mijn zoon! ik ben niet te vreden, en ik zou u<br />

verwijtingen kunnen doen: luiller naar mij: gij hebtu<br />

on-


B L IJ S P E L. 45<br />

onvoorzichtig met den Marquis van Verville ver­<br />

bonden : ik heb uw vriendfchap in haar geboorte<br />

beftreeden, gij hebt mijn' raad niet willen hooren;<br />

welhaast is die man uw eenigfte vriend geworden,<br />

en om zijnentwil hebt gij uw moeder vergeeten, zo<br />

wel als Mijnheer Valbourg, wien gij verpligtingenhebt.<br />

Ach! Valbourg!<br />

ELMONT, ter zijde.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Ik heb mijn verzoek herhaald, gij hebt het beant­<br />

woord , door Mijnheer van Verville in mijn kafteel<br />

te brengen: heb vrienden die uwer waardig zijn,<br />

mijn zoon! en het zal mij een vermaak weezen,<br />

om ze onder de mijnen te tellen; wat deeze betreft,<br />

hij voegt u, noch mij, noch Julia: hoe heeft hij<br />

zig daar even tegen haar aangefteld ? op wat wijs<br />

verlaat hij ons daar ? ik heb reden te gelooven<br />

dat hij in zijne zeden zo wuft als in zijne daadeais:<br />

en zo ik het wêl heb, wat gevaar loopt gij dan met<br />

zulk een' man niet? hoe veel traanen zal hij uw<br />

moeder misfchien niet doen ilorten ?<br />

ELMONT, verleegen.<br />

Ach! Mevrouw! uw vreezen.... zo gij mijn<br />

hart kendet ..<br />

DE GRAAVIN.<br />

Ik heb nooit aan uw hart getwijfeld maar ik vrees<br />

voor uwe al te groote gezeggelijkheid. Mijn vriend!<br />

uwe jaaren zijn die van het vertrouwen: men zoekt<br />

zig alsdan niet te hoeden voor de gebreken, die man<br />

nut


45 HET WEES MEISJEN,<br />

niet kent; maar langzaaraerhand verliest men zijne<br />

pligten uit het oog, men vergeet ze, de verkeerd<br />

heid neemt de overhand, fleept ons mede, en knaagingen<br />

alleen blijven over aan hem, die niet dan<br />

het getuigenis van een goed geweeten had behooren<br />

te gevoelen.<br />

ELMONT.<br />

Ach! moeder! wat tafereel fchetst gij mij daar!<br />

zou het mogelijk zijn, dat ik inderdaad ondeugend<br />

wierd? ach Verville, zoudt gij mij kunnen verleiden?<br />

DE GRAAVIN.'<br />

Twijfel 'er niet aan, mijn zoon! de adem van<br />

een zedenloos mensch is vergiftig; en de zui-<br />

•erfte deugd, wanneer zij hem te na komt, ver­<br />

liest haar frischheid en haaren glans: wat kan het<br />

onderwerp van uw lange en menigvuldige gefprek-<br />

ken zijn? — Gij zwijgt, mijn zoon! gij fchroomt<br />

voor mij te bloozen: 'er zijn harde bekentenisfen,<br />

die een moeder niet hooren moet; maar wij hebben<br />

beiden een'vriend, wijs, befcheiden,san wien gij u<br />

kunt openbaaren — Mijnheer Valbourg...<br />

ELMONT, met verontwaardiging.<br />

Mij aan hem vertrouwen, moeder! neen nooit!<br />

DE GRAAVIN.<br />

Wat hoor ik? zou men hem bij u reeds zwart<br />

gemaakt hebben? beef! indien men bij u zijn deugd<br />

zoekt verdacht te maaken, heeft men uw verderf gezworen! <br />

EL-


B L IJ S P E L. 47<br />

ELMONT, hutten zigzehen.<br />

Zijn deugd 1.... ongelukkige Julia!<br />

DE GRAAVIN.<br />

Gij weigert mij op Mijnheer Valbourg te ver­<br />

trouwen? uw achterhoudenheid bedroeft mij; ik<br />

verberg het u niet: dit is het eerlle verdriet dat gij<br />

mij aandoet, Elmont! doe mij ten minften hoopeo<br />

dat het van geen ander zal gevolgd zijn: ik eiscb<br />

dat gij met Mijnheer Verville volftrekt geen vriend­<br />

fchap meer houdt; dit is het eenige middel, ommij<br />

van u te verzekeren, men zal het zodanig overleg­<br />

gen, dat gij in geene ongelegenheid komt: zo een<br />

brief, die Mijnheer Valbourg deezen morgen ver­<br />

wacht, mij niet noodzaakt hier te blijven, zal ik<br />

met Julia op het kafteel van Tourville gaan eeten:<br />

gij zult méégaan: Mijnheer Valbourg zal bij den<br />

Marquis blijven, hij zal u iigtlijk bij hem veront-<br />

fchuldigen, en zal 'er ons behendig van weeten te<br />

ontlasten : gij zult mij die opoffering doen, niet<br />

waar,mijn vriend? gij zijt het mijne liefdefchuldig:<br />

het is 't noodlottig vermogen, dat die man op uw<br />

hart verkreegen heeft, 'twelk dat hart vóór mij Huk;<br />

maar zijn gebied is verwoest, dat van de natuur ee<br />

de deugd, zal herboren worden — Wij zullen za.<br />

men het middagmaal houden F Julia zai 'er zijn; 'tis<br />

uw kleine zuster, gij hebt haar lief... Kom, mijn<br />

zoon! kom mijn vriend! (Zij omhelst hem,)<br />

Einde van het eerfte Bedrijf.<br />

TWEE-


4« HET WEES MEISJEN,<br />

TWEEDE BEDRIJF.<br />

EERSTE TOONEEL,<br />

JULIA, VALBOURG.<br />

JULIA.<br />

Ja, heer Graaf, het is met liefde, dat hij mij<br />

bftmint, en hij heeft het mij zo even gezegd.<br />

VALBOURG.<br />

En het is de eerile maai dat hij het u zegt?<br />

JULIA.<br />

Ja, maar ik had het al gemerkt.<br />

VALBOURG.<br />

En de bekentenis, die hij 'er u van gedaan heeft,<br />

mishaagde u niet?<br />

JULIA.<br />

Integendeel: hij is zo beminnelijk!'<br />

VALBOURG.<br />

Gij bemint hem dan ook?<br />

JULIA.<br />

OI ik ben verzot op hem.<br />

Weet hij het?<br />

VALBOURG.<br />

JULIA.<br />

Hij zal het nooit weeten.<br />

En waarom?<br />

VALBOURG.<br />

ju.


B L IJ S P E L.<br />

JULTA.<br />

Wilt gij dat ik mijn goede Mama verdriet aandoe ?<br />

Maar zie daar, als ik 'er meer van zeg.,,.<br />

VALBOURG.<br />

Spreek, fpreek, mijn kind; fchenk mij uw vertrouwen<br />

, ik ben het niet onwaardig.<br />

JULIA.<br />

Gij ziet wel dat ik u niets verberg: niet dat ik<br />

iet voor Mama geheim wil houden; maarzo ik haar<br />

ongerustheden kan befpaaren... gij gevoelt immerj<br />

wel, Heer Graaf! dat ik niet moet denken om de<br />

vrouw van haar' zoon te worden.<br />

VALBOURG.<br />

Julia, gij kent u zelve nog niet.<br />

JULIA.<br />

Helaas! neen: dit doet mij wanhoopen...<br />

VALBOURG,<br />

Een enkele dag kan uw toeftand grootüjks veranderen.<br />

JULIA, met drift.<br />

Hoe! zou Mama gezien hebben... zou zij den­<br />

ken... Ach! Heer Graaf! ik zie wel dat gij alles<br />

weet... zeg mij dan eens... fpreek, fpreek, mijn<br />

lieve vriend! verligt mijn bart: is men waarlijk ge.<br />

zind mij mijn' broeder te laaten trouwen ? wat een<br />

goedheid! wat een edelmoedigheid!<br />

VALBOURG.<br />

Ik geloof niet, mijn kind, dat men het voorge­<br />

le no<br />

49


50 HET WEESMEIS J EN,<br />

nomen heefc: maar de zaak fchijnc mij niet volftrekt<br />

onmogelijk.<br />

JULIA.<br />

Maar wat middelen zal men aanwenden? ik zie 'er<br />

geen een, dat....<br />

VALBOURG.<br />

Dan zie ik ze, Julia, en ik zal ze op zijn' tijd in<br />

't werk Hellen.<br />

JULIA.<br />

Hoe! gij belooft mij...<br />

VALBOURG.<br />

Ik beloof niets; ik verbind mij alken u uit al mijn<br />

vermogen te helpen.<br />

JULIA.<br />

Maar zal het heel lan^ duuren, Heer Graaf? ik<br />

wenschte dat de zaak al gedaan ware.<br />

VALBOURG.<br />

Matig u, mijn kind: ik denk dat men in zijn vijftiende<br />

jaar wel wachten kon.<br />

JULIA.<br />

O, het is voor mij niet dat ik haast maak; ik zou<br />

wachten zo lang men wilde.<br />

VALBOURG.<br />

En wat zet u dan aan ?<br />

JULIA.<br />

'T belang van mijn kleinen Graaf doet mij bedui-<br />

ten ; hij zou geduurig bij mij willen zijn, en ik kan<br />

mij daar, welllaans halve, niet toe leenen, niet<br />

waar, mijn vriend? indien wij getrouwd waren,<br />

zou


B L IJ S P E L. 51<br />

zou ik hem geen oogenblik verlaaten, en ik zou<br />

Mijnheer Verville, die met zijn verlof, een onbe-<br />

fcheiden Heer is, wel beletten, mijn' man te plaa<br />

gen, en zijn goede Mama verdriet aantedoen; arme<br />

kleine broêr! ik zou u zo lief hebben, ik zou u<br />

zo ftreelen, dat gij geen oogenblik zoude overhou­<br />

den, voor uwe vrienden.<br />

VALBOURG.<br />

Liefkind! gij zoudt mij de vrolijkheid wedergee-<br />

ven, indien ik 'er vatbaar voor ware: behoud lang<br />

die gulheid, kentekenen van een gevoelige en zui­<br />

vere ziel; laat ons hoopen, mijne Julia: de hemel<br />

zal de onfcbuld, die hij bemint, niet verlaaten ;<br />

o mijn God! ontruk haar aan deboosaartigheid haa.<br />

rer vijanden!<br />

JULIA, verwonderd.<br />

Ik heb dan vijanden, Heer Graaf?<br />

VALSOURG.<br />

Al zeer wreede, mijn kind.<br />

JULIA.<br />

Ik heb nooit iemand kwaad gedaan.<br />

VALBOURG.<br />

Daarom is hun haat niet minder werkzaam.<br />

JULIA.<br />

Kunnen zij mijn huwelijk beletten?<br />

Ik hoop neen.<br />

VALBOURG.<br />

JULIA.<br />

Dan vergeef ik het hun : maar ga dan, Heer<br />

D 2 Graaf,


52 HET WEE S MSISJEN,<br />

Graaf, ga bij mijn lieve Mama, en gij zult haar<br />

zeggen: Julia en Elmont hebben elkander lief: die<br />

arme Julia is niets, heeft niets; maar zij heeft een<br />

goed hart, en zij zou het willen verdeelen tusfchen<br />

u en uw 1<br />

zoon,<br />

VALBOURG.<br />

Ik zal fpreeken, Julia, ik zal misfchien van daag<br />

fpreeken, ik durf 'er mij meê vleien : (Elmont<br />

en Verville vertoonen zig in 't verfckiet, en luiste'<br />

ren.) Ik keur uwe befcheidenheid omtrent Mevrouw<br />

en haar'zoon goed,- vertrouw aan niemand het geen<br />

wij elkander zo even gezegd hebben: ik zal niets<br />

verzuimen, wees 'er van verzeekerd om uw geluk<br />

te bevestigen.<br />

JULIA.<br />

Ach! wat zal ik u liefhebben!<br />

VALBOUR G.<br />

Wat zullen wij elkander liefhebben! .<br />

JULIA.<br />

' Gij alleen kunt mijn geluk uitmaaken.<br />

VALBOURG.<br />

Beminnelijk kind! gij zijt het,die het mijne moet<br />

uitmaaken.<br />

JULIA.<br />

Och! als wij getrouwd zullen zijn...<br />

VALBOURG.<br />

Zullen mijn wenfchen vervuld weezen.<br />

JULIA.<br />

Wat zijt gij goed! wat zijt gij beminnelijk! om.<br />

heli


B L IJ S P E L. 53<br />

hels mij, mijn vriend. (Elmont maakt eenige beweeging;<br />

de Marquis weêrhoudt hem , en leidt hem weg.)<br />

VALBOURG.<br />

Ach ! Julia! welk een gevoel doet gij mij onder­<br />

vinden ! waarom is het zuiverde genot door vreezen<br />

vergiftigd. Gij zoudt ongelukkig zijn.'... ach! wie<br />

zal aanfpraak op het geluk kunnen maaken, zo het<br />

uw gerechte deel niet zij ?<br />

v<br />

T WE EDE TOONEEL.<br />

/<br />

JULIA.<br />

at is hij beleefd! wat is hij zachtzïnnigt welk<br />

een belang neemt hij in mij! 't is de waardige vriend<br />

wei van mijn goede Mama: zie daar mijn kleine El­<br />

mont... o! die lelijke Marquis is weêr bij hem: hij<br />

ftaat mij niet aan: niemand in huis heeft hem lief:<br />

D E R D E TOONEEL.<br />

VERVILLE, JULIA, ELMONT.<br />

VERVILLE.<br />

Daar zijt gij dan alleen, fchoon kind: ik ben verwonderd<br />

dat men u zo rasch verlaaten heeft: ik bemerk<br />

in uwe oogen een zekere kwijning, die den<br />

hoogden trap van gevoel te kennen geeft: het ge.<br />

fprek was levendig, naar dat ik zien kan.., nog<br />

D 3 maaü


54 HET WEESMEISJEN,<br />

maals fpraakloos ? weinig menfehen , dunkt mij<br />

bezitten de kunst van u te doen fpreeken.<br />

JULIA.<br />

Voor zo ver ik kan, Mijnheer, houd ik geen lang<br />

gefprek, als met die geenen voor wie ik achting<br />

heb.<br />

VIERDE TOONEEL.<br />

VERVILLE. ELMONT.<br />

VERVILLE.<br />

M erkt gij wel hoe fchamper zij is, onder die zo.<br />

genaamde onfchuld? gij wilt ze volftrekt voor een<br />

kind aandien, en ik zie ze voor...<br />

ELMONT.<br />

Ik weet niet wat ik 'er van denken zal: ik verlies<br />

mij in mijne gistingen: 'er zijn oogenblikken, waar.<br />

in ik alles geloof, om dat ik alles vrees: indien ik<br />

mijn liefde ondervraag, fchrik ik; zo ik mijn reden<br />

gehoor geef, kan ik ze mij niet fchuidig verbeelden.<br />

VERVILLE.<br />

Zag dan integendeel dat uw reden haar veroor.<br />

deelt, en dat uw dwaaze liefde haar ontfchuldigt;<br />

zinlooze! kan men verblind genoeg zijn, om zijne<br />

oogen en ooren niet te gelooven ? Gij hebt elkander<br />

zo even de tederfte uitdrukkingen hooren doen, de<br />

klaarfte blijken van liefde gegeeven, en gij twijfelt<br />

aan


B L IJ S P E L. SS<br />

aan uw ongeluk! wat zeg ikï het is't ongelukkigfte<br />

dat u kon gebeuren: geef ze aan haare belagchelijke<br />

liefde over; wees een man.<br />

ELMONT.<br />

Hé, kan ik, wrcede vriend? ziet gij niet, dat<br />

gij, door mij haare misdagen onder 't oog te bren­<br />

gen, mij den angel, dia mijn hart reeds verfcheur-<br />

de, 'er nog dieper indrukt? 't is aan Valbourg, dat<br />

men mij opoffert! ik keur uwe befcheidenheid om­<br />

trent Mevrouw Elmont en haar' zoon goed,zeide zo<br />

even de verleider: mijn moeder weet dan niets: wij<br />

allen drekken des dien man tot een fpeelpop... mijn<br />

woede is onbefchrijvelijk. Ach! Julia! Julia! gij<br />

verliest de achting voor u zelve!... ongelukkige!<br />

het was 't eenigde goed, dat u de Voorzienigheid<br />

had gelaaten, en fchaamteloos ontbloot gij 'er u<br />

van!<br />

VER VILLE.<br />

'T is thans om geen boos worden, of klaagen te<br />

doen, 'er moet een beduit genomen worden.<br />

ELMONT.<br />

Het is genomen: ik ga bij mijn moeder, ik zal<br />

haare aanflagen ontdekken...<br />

VERVILLE.<br />

Die zij niet zal willen gelooven. Van wat kracht<br />

zal het getuigenis van een' jongman van agttien jaa­<br />

ren zijn, wanneer 't bedreeden wordt door iemand,<br />

die federt veertien jaaren een onbepaald vertrouwen<br />

D 4 ge-


5^ HET WEESMEIS JEN,<br />

geniet? geloof mij, hoe oprechter uw moeder is,<br />

hoe minder geloof zij aan uwe woorden zal flaan.<br />

ELMONT.<br />

Dat voel ik: maar dat huwelijk daar zij van fortken...<br />

VERVILLE.<br />

Grof lokaas, 't welk een heerschzuchtig meisjen<br />

aangrijpt, om zig uit haar' iaagen ftand te verheffen.<br />

ELMONT.<br />

Maar het middel dat gij mij voorgefiagen hebt, is<br />

haatelijk. Mijn moeder, mijn goede moeder!,...<br />

met welk eene toegevendheid behandelde zij mij nog<br />

pas een oogenblik geleeden.<br />

VERVILLE.<br />

Uw jongheid zal u verontfchuldigen.<br />

ELMONT.<br />

Hé! wie zal haar overblijven, om haare traanen<br />

aftedroogen, zo zij door Valbourg en door mij verraaden<br />

is?<br />

VERVILLE.<br />

De reden: gelooft gij dat zij zo fterk aan dien kleinen<br />

kleuter verkleefd is?<br />

ELMONT.<br />

Maar zo de gevolgen...<br />

VERVILLE.<br />

En wat voor gevolgen hebt gij te vreezen? ver.<br />

onderftel dat ons fchelraftukjen ontdekt werd, wat<br />

zou het dan nog weezen ? zou uw moeder u ver­<br />

vol.


B L PJ S P E L. 5 7<br />

volgen? zouden het de ouders van Julia zijn, die<br />

niemand kent? kom aan, z-varigheidmaaker! laat u<br />

overreeden.<br />

ELMONT*<br />

O! mijn moeder, mijn moeder.<br />

VERVILLE.<br />

O • laat uw verveelende gedachten vaaren: zo ik<br />

naar u luister, zullen wij nergens toe komen: wij<br />

zullen te paard gaan zitten: heel zacht, heel bedaard<br />

tijden, tot aan het einde van de dreeven: en<br />

vervolgends zetten wij door, op een galop tot Parijs<br />

toe, alwaar uw fchoone u deezen avond zal<br />

komen vinden.<br />

Deezen avond?<br />

ELMONT, verwonderd.<br />

VERVILLE.<br />

Wei ja, fchalk, deezen avond: ik hou niet van<br />

dingen, die lang duuren.<br />

ELMONT.<br />

Maar... ik weetniet... zo...<br />

VERVILLE.<br />

Maar... zo... alles is gezegd, alles is bepaald.<br />

Holla! iemand. {Tegen een knecht, die op zijn ge'<br />

geven teken binntn gekomen is.) Roep Picard.<br />

D 5 FT F-


53 HET WEES MEISJEN,<br />

V IJ F D E TOONEEL.<br />

VERVILLE. ELMONT.<br />

VERVILLE.<br />

VJelukkige fchalk! een meisjen van vijftien jaaren,<br />

engelachtig fchoon; een oude medevrijer, wanhoo-<br />

pig, en de vrucht zijner listen verliezende; welk<br />

een genot! daar bij nog het vermaak om zijn eerde<br />

rol op het tooneel der wereld, met eene fchaaking<br />

te fpeelen : een fchaaking in uwe jaaren, is een<br />

heldhaftige trek, die in de jaarboeken der liefde zal<br />

aangetekend worden, en die u met onze eerfte en<br />

beste jonge lieden gelijk fielt.<br />

ZESDE TOONEEL.<br />

De voorigen. r i c A R r>.<br />

Mij nheer Picard, loop naar Parijs, verzamel de<br />

fchelmen van uwe kennis, die u in uwe groote on-<br />

derneemirigen helpen: gij zult ze plaatfen met een<br />

rijtuig in het kleine bosch, dat bij het kasteel van<br />

Tijurville ligt, en deezen avond, als de Graavin en<br />

Julia wederkomen<br />

VERVILLE.<br />

PICARD.<br />

Ah! Ik begrijp Mijnheer. Men zal zig meester<br />

maa-


B L IJ S P E L. 59<br />

maaken van de jonge Juffrouw, en men zal ze bren­<br />

gen .... waar ?<br />

VERVILLE.<br />

Te Parijs, in mijn huisjen, alwaar wij u zullen<br />

verwachten. Zo de Juffrouwen deezen dag niet koo­<br />

men, zult gij het ons waarfchouwen: gij ziet<br />

wst vertrouwen men in uwe bekwaamheden fielt,<br />

zoek het te rechtvaardigen.<br />

PICARD.<br />

O! de Marquis weet wel....<br />

VERVILLE.<br />

Het is nog vroeg, wij zijn maar een mijl van Pa­<br />

rijs af, dit kan zig alles zeer wèl fchikken: (Tegen<br />

Elmont) A propos, hebt gij geld ?<br />

ELMONT.<br />

Wel .... niet genoeg....<br />

VERVILLE.<br />

Ik zal het u bezorgen. Daar ik van 't vermaak<br />

mijn afgod maak', heb ik altijd gevoeld dat het<br />

goud 'er het beweegrad van was, en de begeerte<br />

om mijn genot te verlengen, heeft mij fpaarzaam<br />

gemaakt. Ten allen tijde kan ik over duizend<br />

louifen befchikken: zij zijn tot uw' dienst. Mijnheer<br />

Picard, wees befcheiden en werkzaam ; 'er<br />

zitten een vijftig louifen op, zonder het geen gij<br />

nog op de dagelijkfche kosten zult weeten te fteelen:<br />

kom aan, mijn vriend! kom aan, fchielijk ta<br />

paard, (Hij voert Elmont weg.^<br />

ZE


CO HET WEESMEISJEN,<br />

ZEVENDE TOONEEL.<br />

PICARD»<br />

Er zitten een vijftig louifen op, zonder het geen<br />

gij nog op de dagelijkfche kosten zult weeten<br />

te fteelen: waarlijk het uitzicht is alleraange­<br />

naamst. ... En ik zal voorzeker Mijnheer den Mar­<br />

quis tot geen logenaar maaken zo de duizend<br />

louifen mij door de handen gaan; ach! mijne Loui­<br />

fe! wat een oogst zal ik dan voor uw voeten „neer­<br />

leggen!... Waarlijk! die kleine Graaf Elmont is<br />

gelijk week wasch, waarvan de Marquis al maakt<br />

wat hij wil. Wij gaan dan fchaaken. fchai-<br />

ken 1 — Ik weet tog niet of mijn onverbiddelijke<br />

Louifa .... neen, zij zal het mij niet vergeeven;<br />

want zij is een meisjen, dat vaste grondbeginfelen<br />

heeft, en in den trant van de verhevene weezer.s,<br />

welken dit kasteel bewoonen, fpreekt en denkt: de<br />

duivel haal, als ik fomtijds niet in verzoeking<br />

kom, om te Iagchen over mijne genegenheid voor<br />

zulk een zottin: haar eruftig voorkomen, haar deftige<br />

woorden zijn al heel aartig, en dac alles maakt<br />

mij den kop gek. Zo ik den Marquis gehoorzaam,<br />

word ik kwaade vrienden met haar; en dan is 't<br />

eens voor al over.... neen, wij zullen goede<br />

vrienden blijven; ik wil geen inbreuk maaken op<br />

het verbond van deezen morgen.... aan den ande­<br />

ren kant zo ik mij aan Louife vertrouw, en dat zij<br />

bah-


B L IJ S P E L. 61<br />

babbelt, baal ik mij den Marquis op den hals,<br />

en ik verlies een fom.... Ik kan 'er niet toe overgaan.<br />

Wat de liefde ook doe, ik zal niet méegeeven:<br />

ten anderen ben ik een man van eer, ik<br />

zal mijn' meester niet verraaden,<br />

A G TST E TOONEEL.<br />

Gij zijt dan alleen?<br />

LOUISE. PICARD.<br />

LOUISE.<br />

PICARD.<br />

Gantsch niet: ik fprak met u,<br />

Met mij i<br />

LOUISE.<br />

PICARD.<br />

Zeker, gij zijt geen oogenblik uit mijne hersfens.<br />

LOUISE.<br />

Mijnheer Picard is hoflijk.<br />

PICARD.<br />

Ik ben oprecht. {Stil.) Wat is zij mooi! wat leedweezen<br />

om daarvan afteftappen!<br />

Wat pruttelt gij daar?<br />

LOUISE.<br />

PICARD, fiil.<br />

Maar mijn geld, een geld, dat ik om zo te zeg­<br />

gen beet heb, zal ik dat mijn' neus voorbij laaten<br />

gaan? LOL-.


(,% HET WEES MEISJEN,<br />

LOUISE.<br />

Heer Picard I voor een kamerdienaar van den<br />

goeden trant toont gij al weinig * uw wereld te<br />

weeten.<br />

PICARD, fiil.<br />

Ja; mijn Louife, of geld: ik moet kiezen.<br />

LOUISE, ah zig verveelende.<br />

Picard! Picard.<br />

PICARD.<br />

Een oogeEblik, ik kom bij u. (fiil.) 'T geld<br />

is zeer aantrekkelijk.... Maar Louife...;. Ach!<br />

Louife is zo uitlokkende. Ongelukkige ifrijd! de<br />

liefde en 't belang.... aan welke der twee Godhe­<br />

den moet ik dan hulde doen? (Tegen Louife.) Zie<br />

mij aan, heks: wat een oog! wat is het fchoon!<br />

wat is het fpreekend!... Gij grimlacht!.... ach.'<br />

't is gedaan, gij wint het, en ik offer u mijn for­<br />

tuin op.<br />

LOUISE.<br />

Ik denk dat ons in dat ftuk onze opofferingen<br />

niet zwaar zullen vallen.<br />

PICARD.<br />

De mijne kost mij drommels veel: twee honderd<br />

louifen ten minnen; mijn kind , twee honderd loui­<br />

fen, die ik met de voet fchop, die ik de moeite niet<br />

wil neemen om opteraapen.<br />

LOUISE.<br />

Ik zou u zo belangloos niet geloofd hebben.<br />

PICARD.<br />

Noch ik waarlijk ook niet: gij zult meer twijfelen<br />

aan


B L IJ S P E L. 61<br />

aan het vermogen van uwe bekoorlijkheden, dewijl<br />

zij wonderen bewerken.<br />

Maar fpreek dan uir.<br />

LOUISE.<br />

PICARD.<br />

Dat is juist het moejelijke ik zie u al van te<br />

vooren een donker gezicht zetten... echter'er moet<br />

gefproken worden.... want.... al wat ik u zeg,<br />

heeft u nog niet wijzer gemaakt.<br />

LOUISE.<br />

Maak een einde van uwe brabbeltaal.<br />

PICARD, knielende.<br />

Zie daar Louife; ik zal mijn verhaal beginnen,<br />

met u om vergiffenis te vraagen.<br />

En waar voor?<br />

LOUISE.<br />

PICARD.<br />

Van het geen wij deezen morgen beftemd hadden,<br />

een oogenblik uit het oog verlooren te hebben.<br />

LOUISE.<br />

Picard, gij zult gewis de eene of andere gekheid<br />

gebrouwd hebben.<br />

PICARD.<br />

Neen , ik heb de eer van de uitvinding niet.<br />

LOUIS E.<br />

Maar die van de uitvoering?<br />

PICARD.<br />

Hoor dan, men wint geen twee honderd louifen<br />

met leégzitten; ik heb wel moeten belooven om<br />

iet


f>4 HET WEESMEISJEN,<br />

iet te doen: hé! wie zou het hebben kunnen laaten?<br />

gij waart 'er niet; en waarom waart gij 'er<br />

niet? een enkele blik van u had mij belet voor de<br />

verzoeking te bezwijken.<br />

LOUISE.<br />

Tot de zaak, tot de zaak!<br />

Vergeeft gij 't mij?<br />

PICARD.<br />

LOUISE.<br />

Ja: dewijl gij niets gedaan hebt als belooven, en<br />

dat gij eerlijk genoeg zijt om 'er berouw van te<br />

hebben. Ik geloof dat 'er van u nog een eerlijk<br />

man te maaken is.<br />

PICARD, opjiaande.<br />

Gij doet mij veel eer aan.<br />

LOUISE.<br />

'T is met dien Marquis van Verville dat gij u dus<br />

bedorven hebt: ik wed dat hij begreeen p zal zijn<br />

in 't geen gij mij zult vertellen.<br />

PICARD.<br />

O! 't is waarlijk een ijsfelijk mensch; mijn Louife J<br />

hij heeft mij last gegeven...<br />

LOUISE.<br />

Hij heeft u last gegeeven? ..<br />

PICARD.<br />

Om te fchaaken...<br />

LOUISE.<br />

Om te fchaaken?.. Wie?<br />

Juffrouw Julia.<br />

PICARD.<br />

LOUISE,


È L Ij S P E L, fe3<br />

LobisE, verbaasd, hetwelk tot<br />

aan 't einde van dit tooneel<br />

voordduurt.<br />

Julia! o! wat booswicht! wat gedrocht! 'er is<br />

geen oogenblik te verliezen; ik ga Mevrouw ter-<br />

Hond waarfchouwen.<br />

PICARD.<br />

Hé, wacht wat! ik zeg u immers dat ik het ben,<br />

die haar fchaaken moet, en gij ziet wel dat ik haar<br />

niet fchaak: luifter naar mij.<br />

LOUISE.<br />

Spreek fchielijk... fchielijk.., mijn Julia fchaaken?<br />

PICARD.<br />

Ja, van avond, bij haar wederkomst van 't kalïeel<br />

Van Tourville.<br />

LOUISE.<br />

Zijzal'er nletgaan... neen, zij zal'er niet gaan... ik<br />

zal het beletten —die eerlooze! wat middelen durft hij<br />

gebruiken! ach ! 'twasheteenigftedat hij kondeaartgrijpen;<br />

Julia zou nooit naar hem geluifterd hebbeii.-<br />

PICARD.<br />

Maar de Marquis bemint haar niet.<br />

LOUISE.<br />

Hij bemint haar niet, en hij fchaakt haar!<br />

PICARD.<br />

'T is niet Voor hem.<br />

LOUISE.<br />

Voor wis dan ? fpreek, fpreek... gij doet mij iterven<br />

van ongeduld.


65 HET WEES MEISJEN,<br />

PICARD.<br />

•\ioor den Graaf van Elmont, die op haar verzot is.<br />

LOUISE.<br />

Wat, hij heeft dien jongman reeds bedorven<br />

ik loop, ik vlieg naar Mevrouw, om haar alles te<br />

zeggen.<br />

PICARD.<br />

Maar bedaar toch wat! als gij zo doet, zult gij het<br />

gantfche kasteel in rep en roer brengen: als de Mar­<br />

quis verneemt dat ik gefproken heb... hij is niet<br />

gemaklijk.<br />

LOUISE.<br />

Ik zal mij ftil houden, mijn goede Picard, ik zat<br />

mij ftil houden... ik zal om uwe veiligheid denken...<br />

gij zijt een braave jongen... nu bemin ik u met al<br />

mijn hart. (Zij omhelst hem.) Vaarwel, mijn lieve<br />

Picard! vaarwel.mijn vriend!<br />

NEGENDE TOONEEL.<br />

PICARD.<br />

,,\^aarwel ,mijn lieve Picard! vaarwel, mijn vriend V'<br />

en dan nog twee kuschjens, dat heb ik voor mijn<br />

twee honderd louifen: dat is op zijn groot Heers be­<br />

taald... ik geloof, dat ik met al mijn verftand daar<br />

een domme ftreek gedaan heb; waarlijk, het is de<br />

fchuld van mijn verftand niet, dat ik verliefd ben }<br />

het is die van mijn hart; en men vergeeft al de mis-<br />

Hagen, die daar uit ontftaan: een zwak, eenie­<br />

der,


£ L IJ S P E L. 67<br />

der, een brandend hart, heeft de grootfte mannen<br />

r<br />

ot ontfchuldiging geftrekt; waarom zou ik hetzelfde<br />

voorrecht niet hebben ? ik, die de zotte begeerte<br />

niet heb van mij beroemd te maaken, door mijne<br />

hartstochten te beftrijden? — maar de Marquis zal<br />

zig aan mijne redenen,al waren zij nog zo gegrond,<br />

niet overgeaven ; hoe zal ik mij daar toch uitredden?<br />

maar, voor den duivel, niets is ligter, ik<br />

ben onbefcheiden geweest uit liefde; ik za! uitnood<br />

deugdzaam worden: mijne bekentenis aan Louife<br />

geeft mij rechten op de achting van Mevrouw de<br />

Graavin, en van Mijnheer Valbourg; ik zal mij<br />

onder hunne befcherming dellen, en niets mee r<br />

vreezen van dan Marquis — mijn eerfte daad in<br />

dit huis zal 'er mij zelfs een zekere vastigheid geeven:<br />

men zal 'er mij noemen als een voorbeeld<br />

van eerlijkheid, terwijl dat... o! hoe veele daaden<br />

zijn 'er in fchijn deugdzaam, die haaren oorfprong<br />

niet dan alleenlijk aan menschlijke inzichten te danken<br />

hebben ! Zie daar Mijnheer Valbourg — laat ons<br />

deezen maar vast waarneernen: Iaat ons zijne heerichende<br />

hartstogt vleien.<br />

TIENDE TOONEEL.<br />

VALBOURG. PICARD.<br />

V A L B O U R G , in gedachten.<br />

Neen, federt deezen morgen heb ik geen enkel<br />

E 2 oogen.


6B HET WEES MÈISJEN,<br />

oogenblik voor mij gehad; ik ga, ik kom; mijné<br />

ongerustheden , mijne zorgen volgen mij overal-<br />

(Hij haalt zijn horologie voor den dag ) Zie daar het<br />

oogenblik -— ik zou mogelijk nog op het Raadhuis<br />

kunnen weezen ,en ik zou hooren... het vonnis van<br />

mijn dood misfehien... neen, ik zal hier niet van<br />

daan gaan: ik zal 'er ilerker zijn tusfchen mijn doch •<br />

ter en mijn vriendin.<br />

PICARD, achter op het tooneel.<br />

Hij peinst ernftig- laat ons naderen.<br />

VALBOURG'.<br />

Mijn Julia! deeze dag zou u ten toppunt van'tgeluk<br />

kunnen voeren.<br />

PICARD, ter zijde.<br />

En hem ook —— hij wordt mij niet gewaar.<br />

VALBOURG.<br />

Het zou mij zo aangenaam zijn,, zulke welgefchik •<br />

te banden te knoopen.<br />

PICARD, ter zijde.<br />

O! bij voorbeeld, 'er is niets fchreeuwends in de<br />

welvoeglijkheid... Mijnheer...<br />

VALBOURG.<br />

Aan de liefde en aan de erkentenis te gelijk ta<br />

voldoen.<br />

PICARD.<br />

Hij ziet of hoort niets! die kleine Julia heeft alle<br />

koppen gek gemaakt: (Harder.) Mijnheer!<br />

VALBOURG.<br />

Ha! zijt gij daar, mijn vriend! Louife heeft mij<br />

veel


3 L IJ S P E L. «5?<br />

veel goeds van u gezegd: ik zal u bij Mevrouw van<br />

Elmont ten voorfpraak verftrekken; zij is een weinig<br />

tegen u vooringenomen, maar zij is rechtvaardig;<br />

en zo gij inderdaad eerlijk zijt, die kleine buien<br />

gaan over.<br />

PICARDi<br />

Ik zal mij gelukkig achten, Mijnheer, de guns t<br />

van Mevrouw aan uwe goedheden fchuldig te zijn •<br />

ik hoop ook die van Juffrouw Julia aan u te danken<br />

te hebben.<br />

VALBOURG.<br />

Julia? ik weet niet om wat reden...<br />

PICARD.<br />

Ik ben haar gunst niet onwaardig; en indien ik een<br />

pogcherware, zoudt gij moeten toeltetnmen, dat zij<br />

mij reeds eenige verpligting heeft; maar men kan<br />

zig niet beroemen.van 'c geen men voor haar doet:<br />

men is reeds betaald, door 't vermaak van haar van<br />

dienst te zijn.<br />

VALBOURG.<br />

Maar wat kunst bezit zij dan om zig te doen be­<br />

minnen ?<br />

Ach ! 't is geen kunst.<br />

PICARD.<br />

VALBOURG.<br />

Dat's waar, zij kent niet dan de Natuur, en zo zij<br />

behaagt, is het zonder het te weeten.<br />

PICARD.<br />

Wij verlangen allen om haar gelukkig te zien.<br />

E 3 VAL-


7© HET WEESMEISJEN,<br />

VALBOURG.<br />

Ik bedank u voor uwe gevoelens omtrent haart<br />

uwe wenfchen zullen misfchien vervuld worden.<br />

PICARD.<br />

Dat hoopen wij ook: een bondig huwelijk...<br />

VALBOURG, hem vriendlijk toelagchende.<br />

Ja, ik zal 'er mijn werk van maaken.<br />

PICARD.<br />

Ach! Mijnheer, voor u is het vermaak bewaard<br />

van haar geluk te vestigen.<br />

VALBOURG, ter zijde.<br />

Die jongen dunkt mij een allerbest hart te hebben.<br />

PICARD.<br />

Gij wordt door geen baatzuchtige liefde gedreeven.<br />

VALBOURG.<br />

Wat wilt gij zeggen ?<br />

PICARD.<br />

Dat uw keus voortreffelijk is; dat de gantfche<br />

wereld u zal goedkeuren.<br />

VALBOURG.<br />

Gij doet mij verwonderd (taan, mijn vriend; wie<br />

heeft u kunnen toevertrouwen...?<br />

PICARD.<br />

Niemand in de wereld, Mijnheer!! eenige woor­<br />

den hier en daar gehoord, tekens, blikken de<br />

liefde verbergt zig niet ligt voor een opmerkend oog<br />

TAL.


B L IJ S P E L. 7i<br />

VALBOURG.<br />

Kom 'er voor uit: heeft de Graaf van Elmont u<br />

zijne liefde toevertrouwd ?<br />

Ja, Mijnheer.<br />

PICARD.<br />

V A L B O U R G .<br />

En hij heeft u belast hem daarin te dienen?<br />

PICARD.<br />

Ja, Mijnheer; maar juffrouw Julia is mij veel te<br />

dierbaar, clan dat ik haar zo wreed in zwaarigheid<br />

zou brengen.<br />

VALBOURG.<br />

In zwaarigheid brengen?<br />

PICARD.<br />

Ten anderen, is het een meisjen, dat naar haare<br />

jaaren zeer veel reden en oordeel bezit: zij geeft<br />

niet veel om de jonge lieden: o! zij denkt gezond!<br />

VALBOURG.<br />

Ik zie, mijn vrieud, dat gij niets weet, en dat<br />

gij alles zoudt willen weeten - ontdoe u van die<br />

kuuren, zij zouden u hier niet voordeelig zijn; de<br />

dienstboden worden hier zacht behandeld; maar men<br />

verftaat niet, dat zij doordringen in het geen men<br />

niet noodig oordeelt hun te ontdekken; hebt gij<br />

uwe waarneemingen .aan iemand medegedeeld?<br />

Neen, Mijnheer.<br />

PICARD.<br />

VALBOURG.<br />

Bewaar een diep geheim omtrent Julia; den<br />

Graaf van Elmont, en mij; ik dank u voor uwe<br />

E 4 ver-


7* HET WEESMEISJEN,<br />

me<br />

d k i 0 n g e iTTrf.r<br />

m a a r '*-><br />

een onbefcheidenheid doen ftraffen, gelijk ik uwe<br />

goed wll,igheid zal weeten te beioonen. Ga, mijn<br />

ELFDE TOONEEL.<br />

VALBOURG.<br />

Peeze knecht, bij Verville gedurig bezig met<br />

konkelen.heeft 'er de gewoonte nog van behouden,<br />

ik hoor uit eenige woorden, die hem ontfnaptzijn<br />

dat mj m.jne gevoelens voor Julia verkeerd heeftop'<br />

genomen: hij heeft gelijk, een hevige genegenhetd<br />

ontdekt zig altijd; gelukkig nog, dat mem'er<br />

de bron niet van kent, en dat ik mijn geheim bewaard<br />

heb,<br />

TWAALFDE TOONEEL.<br />

DE GRAAVIN, VALBOURG.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Ach! mijn vriend kom mij te bu'p t r o o s t<br />

m,, - raad mij _ h e I p m i j d f i ^ ^<br />

lukken voor een goede moederdraagen,datnaamlijk<br />

van een ondeugenden zoon te hebben.<br />

^ ^ ^ ^ ^ ^ Veranderti<br />

" -<br />

DE<br />

•* *on


B l IJ S P E £,<br />

n<br />

DE GRAAVIN.<br />

Mij toeft mijne tedere bekommeringen gezien;<br />

bij is doof geweest voor mijne gebeden; zijn bijna<br />

fmeekende moeder heeft hem het geheim van zijne<br />

misdaad niet kunnen doen openbasren , terwijl een<br />

knecht het ontdekt heeft: al te teder vader! gijvreest<br />

de geboorte van uw kind te zullen moeten beweenen:<br />

deszMfs deugden kunr.cn die ten minften coen ver­<br />

geeten; macrwat zal V van mij worden, zo mijn<br />

zoon de zijne onteert?<br />

V A L B O U R G .<br />

Gij doet mij fchrikken, Mevrouw: wat is 'er dan<br />

gebeurd ?<br />

DE GRAAVIN.<br />

Mijn zoon, door een losbandige liefde voor Julia<br />

ingenomen, heeft vergeeten wat hij zig zelv' verfchnldigd<br />

is, wat hij mij fchuldig is, wat hij fchuldig<br />

is san een meisjen , 't welk voor hem heilig<br />

moest zijn: hij heeft het ontwerp van een fchaaking<br />

gevormd.<br />

VALBOURG.<br />

Hij is niet fchuldig, Mevrouw: men gaat des van<br />

de onfchuld tot de groottte verkeerdheid niet over:<br />

het omwerp is niet van hem.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Ik geloof het zo wel ais gij: maar wat kan het<br />

fcheelen hoe men de misdaad bedrijft, zo zij inderdaad<br />

bedreven wordt?<br />

E 5 DER-


7* HET WEES'MEISJEN,<br />

D E RTIE ND E TOONEEL.<br />

De voorigen. JULIA.<br />

JULIA, zij werpt zig in de armen<br />

der Graavinne.<br />

O, mijn goede Mama! befcherm mij! help mij!<br />

red mij!<br />

DE GRAAVIN.<br />

Hoe! zou Louife u gezegd hebben...<br />

JULIA.<br />

Kon zij het mij verbergen? zij heeft mij zo lief!<br />

ik zag haar lijden, ik bood haar mijn hulp aan, en<br />

het is op mij .. Elmont, Verville — wat heb ik<br />

hun gïdaan? de eene bid mij aan, de andere ken ik<br />

niet: hebben zij het recht van mij te verachten, om<br />

dat ik niets in de wereld ben? 't is genoeg dat men<br />

ongelukkig is om geplaagd te worden, zelfs door<br />

die, welken ons dierbaar zijn.<br />

•DE GRAAVIN.<br />

Verban uw vreezen, mijn kind! zijt gij niet bij<br />

mij?<br />

JULIA.<br />

Ach! gij ziet het, Mama! uwe befchermingheeft<br />

uw' zoon niet tegengehouden; hij gevoelt wel, die<br />

booswicht! dat ik aan u niet verbonden ben, dan door<br />

de banden van medelijden, en dat hij alles mag on­<br />

der-


B L IJ S P E L. 73<br />

derftaan met een arm meisjen, dat niets dan haare<br />

onfehnld ten wapen heeft: ach! mijne zwakheid zei.<br />

ve moest hem gevoelens ingeboezemd hebben —<br />

ten anderen, kent hij mij? weet hij of ik ook geen<br />

ouders heb, of ik ze niet eens zal kennen, of hij<br />

niet genoodzaakt zal zijn hun rekenfchap te geeven<br />

van zijne aanflagen? vergeef mij, Mama! ik bedroef<br />

u door uw' zoon te beïchuldigen maar hij beeft<br />

mijn hart verfcheurd, en het gevoel van mijn' hoon<br />

geeft mij een kracht, die ik mij nooit toekende: mijn<br />

moeder, mi;n goede vriend ! uwe traanen vloejen?<br />

(Tusjchen beiden doorgaande.) Ach! dat ik 'er de mij­<br />

ne bij voege daar zijn wij met ons drieën be­<br />

zig een misdaad te beweenen, waaraan geen één<br />

onzer fchuldig is, en die ik nooit zal vergeeten.<br />

Juli*.<br />

Bedaar, troost u.<br />

VALBOURG.<br />

DE GRAAVIN.<br />

JULIA.<br />

Ik wil den bewerker van mijn leed niet meer zien:<br />

ik zal uit dit huis gaan; Mevrouw, gij hebt mij<br />

aan de armoede ontrukt, en ik zal moeds genoeg<br />

hebben van 'er mij weder inteftorten, zoo niemand<br />

mij wil aanneemen: wat zeg ik ? federt veertien<br />

jaaren moet gij eenïg bewijs van mijne geboorte ge­<br />

kregen hebben: zo gij 'er iet van weet, fpreek, ik<br />

bid u, ik bezweer u; gij kunt niet langer zwijgen.<br />

D2


?6 HET WEESMEISJEN,<br />

DE GRAAVIN.<br />

Hoe verheft zig haare ziel! mijn vriend help mij<br />

haare bekommeringen verdrijven.<br />

JULIA.<br />

Zoudt gij ergens van weeten, Heer Graaf? wat<br />

wreedheid noopt u tot zwijgen? heb medefjden<br />

met mij! breng mij aan de voeten van mijn* vader!<br />

dat ik u het vermaak fchuldig zij, van hem voor de<br />

eerfte maal te omhelzen!<br />

VALBOURG.<br />

Ongelukkig kind! misfchien zult gij hem maar al<br />

te rasch kennen,<br />

JULIA.<br />

Wie hij pok zij, voor mijne eer en mijne rust za!<br />

ik hem te laat gekend hebben,<br />

VALBOUR G.<br />

Zo hij zig over het fortuin te beklaagen hadde ?<br />

JULIA.<br />

Ach 1 des te beter! ik zou voor hem werken.<br />

VA LBO UR G.<br />

Gij verfhat mij niet, zo uw vader ongelukken<br />

ondervonden had ?<br />

JULIA.<br />

Ik zou'er hem over troosten.<br />

VALBOURG.<br />

Indien gij hem verwijten te doen haddet?<br />

Dat kan niet zijn.<br />

JULIA.<br />

VAL.


B L IJ S P E L. 7f<br />

VALBOURG,<br />

Dat hij u ongelijk gedaan hadde?<br />

JULIA.<br />

In hem te omhelzen, zou ik ze vergeeten.<br />

V A L B O U R G , haar in zijne armen<br />

drukkende.<br />

Beminnelijk en dierbiar kind! gij verdient te zègepraalen:<br />

hoe het ook uitvalle, ik geef mij ovaria,<br />

Julia, gij hebt een' vader, en gij zijtin zijne<br />

armen.<br />

JULIA.<br />

Ach! mijn goede Mama! indian ik de keus gehad<br />

hadde, zou ik geen'ander'vader gewild hebben, dan<br />

uw vriend.<br />

Lieve Valbourg!<br />

DE GRAAVIN.<br />

VALBOURG.<br />

O mijn dochter! mijn lieve dochter! —*•— het 'n<br />

geen vreemdeling meer, die u tegen zijn' boezem<br />

drukt 3 't is een vader, een tedere vader — ach!<br />

mijne rampen zijn geëmdigd.<br />

EEN KNECHT, die terftond weder vertrekt.<br />

Een bijzondere bode, fpoorflags van Parijs geko­<br />

men, heeftmij deezen brief voor Mijnheer den Graaf<br />

overhandigd.<br />

VALBOURG.<br />

Geef hier, en last ons alleen. (Hij ziet beurtlings<br />

den briefen Julia aan, maakt een beweeging om<br />

denzelven opentebreeken, en geeft hem einde/ijk aan de<br />

Graas


?t HET WEE S MEISJEN,<br />

Graavin over.) Zie daar mijn lot, het uwe — deeze<br />

brief... ach! boe is mijn hart... ik heb de kracht<br />

niet... daar, breek open, en lees.<br />

DE GRAAVIN, leest.<br />

,, Mijnheer! zo even hebt gij uw proces gewon-<br />

„ nen." — Ach, Julia! ach, mijn vriend!<br />

VALBOURG.<br />

Ik flerf... o Hemel! ik dank 'er u voor... mijn<br />

dochter!., mijn vriendin!., wat al weldaaden op<br />

éénmaal!<br />

DE GRAAVIN, weder kezende.<br />

„ Mijnheer! zo even hebt gij uw proces gewon-<br />

„ nen, en ik haast mij het u te fchrijvcn; gantsch<br />

„ Parijs juicht een vonnis, door alle eerlijkeiieden<br />

„ zo zeer gewenscbt, toe: ik zal u van de bijzon-<br />

„ derheden verwittigen, wanneer ik de eer zal heb-<br />

M ben u te zien."<br />

JULIA.<br />

Ik wist wel dat hij geen ongelijk kon hebben.<br />

VALBOURG.<br />

Neen, dewijl ik voor uw heil arbeidde. Welk een<br />

dag! mijn lieve Julia! gij weet nog niet hoe belangrijk<br />

hij is: maar dat hij u altijd in geheugen blijve!<br />

JULIA.<br />

Kan ik het oogenblik vergeeten, dat mij mijn' vader<br />

heeft wedergegeeven!<br />

VALBOURG.<br />

Mijn lieve, mijn waardige vriendin! ik gevoel de<br />

groot-


B L IJ S P E L. 7P<br />

grootheid mijner verpligtingen aan u: gijkuntzenog<br />

vermeerderen.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Ik wil u alles te danken hebaen, uw beminnelijke<br />

dochter zal het geluk van mijn' zoon uitmaaken.<br />

JULIA.<br />

Ze? dan, Mama, dat hij het is, die h?t mijne zal<br />

uitmaaken: hij heeft mij van daag kwaad gedaan,<br />

maar Ik heb de kracht niet om langerboosre blij ven:<br />

(Haar' Vader omhelzende.) Ik ben geheel aan mijne<br />

liefde overgegeven.<br />

Waar is uw zoon?<br />

VALBOURG.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Hij is met den Marquis te paard gaan rijden.<br />

VALBOURG.<br />

En hoe hebt gij ontdekt?...<br />

DE GRAAVIN.<br />

Picard, die met de uitvoering belast was, heeft<br />

aan mijn kamenier alles bekend.<br />

VALBOURG.<br />

Zijn bekentenis duidt een gevoelige ziel aan,<br />

en ik geloof dat men zig op hem kan verha­<br />

ten: men moet uw' zoon zo ver brengen, dat hij de<br />

grootheid zijns misflags van zii£ zeiven gevoele; dat<br />

hij bemerke dat een onbepaald vertrouwen tot de<br />

misdaad kan Leiden, en dat een jongman altoos tege n<br />

zijn


jfo HÉT WEESMEISJEN,<br />

zijn eigeü hart moet gewapend zijn... daar-valt<br />

mij iet in.., ja... Mevrouw, ik geloof dat gij hét<br />

zult goedkeuren, het vereiécht een weinig gedienftigheid<br />

van ü; maar de les zal krachtig zijn, eh uw<br />

zoon zal ze nooit vergeeten,<br />

DE 0 R A A V I N.<br />

Ga uw' gang, mijn vriend! ik laat alles aan uw<br />

zorg en voorzichtigheid over.<br />

JULIA.<br />

Ja, maar gaat hem geen verdriet aandoen, want<br />

ik zou hem van alles waarfchouwen; ik wil niet dat<br />

hij een oogenblik lijde; ik heb zo even gevoeld wat<br />

men uitftaat als het hart beklemd is.<br />

VALBOURG.<br />

Wees gerust, mijn kind! wij hebben hem zo lief<br />

als gij. Holla! iemand. (Een knecht verfchijnt.)<br />

Laat Picard komen. Hoe meer ik 'er over denkj<br />

hoe zekerder mij dit r..iddel voorkomt. De nut-<br />

löosheid van een misdaad, vermeeidert de knaa.<br />

ging nog: wat berouw zal hij hebben! wat zal hij<br />

zijn' vriend, en zijn misdaadige toegeevelijkheid<br />

terwenfehen!<br />

VIJF-


B L IJ S P £ L.<br />

VEERTIENDE TOONEEL,<br />

De VQQrigen. PICARD.<br />

V A L B O U R G .<br />

TC<br />

•*-*-om nader, Picard ƒ uw gedrag i s prijzenswaardig,<br />

en het zal 'er niet bij blijven. Mevrouw de<br />

Graavin weet wat men een trouwen dienaar fchuldig<br />

is, en gij zult u verheugen over 't geen gij gedaan<br />

hebt: dat uwe bekentenis ain Louife een geheim<br />

tusfchen ons zij: handel even als of gij mij niet<br />

gefproken hadt; voer de bevelen van uw' meester<br />

uit.<br />

PICARD.<br />

Hoe, Mijnheer! in ernst? gij belast mij Mejuffrouw<br />

te fchaaken, op haar wederkomst van 't kafieel<br />

van Tourville?<br />

VALBOURG.<br />

Ja, en om het nog gemakiijker te maaken, zal<br />

Julia alleen naar Tourville gaan: Mevrouw de Graavin<br />

en ik zulien hier blijven; wij hebben iet te<br />

doen.<br />

JULIA.<br />

Neen, ik zal u niet verlaaten; dit is mijn va«<br />

voorueeaien.<br />

VALBOURG.<br />

Mijn kind! gij kent mijne tederheid; geloof dat '<br />

ik u niet in gevaar zal Hellen.<br />

PICARD.<br />

Waarlijk, ik fta 'er van verfteld! Hoe, Mijnheer!<br />

gij wilt volftrekt...?<br />

F<br />

V A i -


Is HET WEESMEISJEN,<br />

VALBOURG.<br />

Dat gij Mevrouw gehoorzaamt, in wier naam ik<br />

thans tegen u fpreek: voer de bevelen van uw'<br />

meester ftiptlijk uit. (Tegen Julia) Vrees niet voor<br />

y, noch voor Elmont. (legen de Graavin.) Gij zult<br />

mijne ontwerpen weeten; gij zult ze goedkeuren.<br />

(Tegen Julia) Moed en vertrouwen ; (Tegen de Graa­<br />

vin) vast befluit en (landvastigheid; (Tegen Picard)<br />

gewilligheid, geheim, en fpoed. (Tegen de Graa­<br />

vin en Julia) Komt, en zijt verzekerd dat alles zai<br />

gelukken.<br />

FTFTIENDE TOONEEL.<br />

PICARD, alleen.<br />

Ik ben niet meer achter het fijne van de mis: de<br />

lh'mfle zou in zijne gistingen verdwaalen... Men<br />

biedt mij geld aan, om Julia te fchaaken; ik denk<br />

een bijzondere ijverige en belangelooze daad te<br />

doen, door alles te bekennen, en die, aan welke<br />

ik had gemeend een wezenlijken dienst te bewijzen,<br />

belasten mij mijne eerfte bevelen te volgen... Hier<br />

is eene ingewikkeldheid... eene tegenftrijdigheid<br />

van belangen, die... welke... dat is al een drom-<br />

melfche verwarde zaak: dit's alles wat ik 'er in<br />

zie: laaten zij 'er in allen gevalle voor opdraajen,<br />

ik zal de geheele wereld gehoorzaamen, ik zal de<br />

geheele wereld dienen, ik zal van de geheele we­<br />

reld geld trekken, en als men wil, zal ik de geheele<br />

wereld fchaaken.<br />

Einde yan het Tweede Bednf.<br />

DERDE


B L IJ S P E L. 85<br />

D E R D E BEDRIJF.<br />

Het Tooneel vertoont een geheim vertrek.<br />

EERSTE TOONEEL.<br />

VERVILLE, ELMONT.<br />

V E R V I L L E .<br />

Wei nu, mijn vriend 1 zie daar u dan in zon­<br />

derlinge avantuuren! gij hebt zo even den eerften<br />

ftap gedaan tot de onftervelijkheid; uw gezegge-<br />

lijkheid verrukt mij: wat zou het jammer ge­<br />

weest zijn, een' jongman, die zo veel belooft, on­<br />

der de moederlijke vleugelen te laaten! — Wel nu...<br />

hoe! altoos in gedachten? altoos fentimenteel?<br />

Kom, mijn vriend! ftaak uwe mijmering, en bereid<br />

u om de aankomst van uwe beminde behoorelijk te<br />

vieren.<br />

ELMONT.<br />

Verville! gij zult mij belagchelijk vinden; gij zult<br />

mij befpotteu; maar ik kan u het geen ik gevoel, niet<br />

verbergen, ik befpeur knaaging.. .<br />

VERVILLE.<br />

Op het oogenblik van het geluk! die knaaging<br />

komt fraai van pas! maar het gezicht van uwe fchoo­<br />

ne zal ze doen verdwijnen; haare groote kwijnende<br />

oogen zullen u weder tot de liefde terug brengen.<br />

F 2 Eb-


l + HET WEES MEISJEN,<br />

ELMONT.<br />

En het is mijn liefde zelve die mijn plaag is, hoe<br />

dierbaarder Julia mij zij, hoe bekoorelijker ik haar<br />

vind, hoe meer ik mij verwijr<br />

VE R VIL LE.<br />

U van uwe overwonnene verzekerd te hebben.<br />

ELMONT.<br />

En mijn moeder, cie haar te vergeefs zal hebben<br />

willen befchermen: ik zie haar overtoliige pogingen<br />

doen, om haar te wederhouden; den geen' die haar<br />

uit haare armen rukt, verwenfehen, hem met ver­<br />

vloekingen belaaden, die hij zonder twijfel ver-<br />

dient: dat zij in lang niet weete<br />

VERVILLE.<br />

Ik maak 'er wel ftaat op, dat zij het nooit z»<br />

weeten: gij wordt docr den bekwaamden fchurk van<br />

Parijs gediend; onderneemend, ijverig en geheim:<br />

gij kunt alle dagen een fnoepreisjen doen, hier eenige<br />

uuren komen doorbrengen, en weder ftilletjes<br />

naar het kasteel teiug keeren, om uw moeder te<br />

troosten.<br />

ELMONT.<br />

Haare fmart befpotten! bij mijne eerfte feilen<br />

nog de laagheid van de geveinsdheid voegen! ach!<br />

ik zou op dit oogenblik mijn moeder te voet willen<br />

vallen, en haar zeggen: ik heb een misdaad beraamd,<br />

die mijn hatt ontkent: ik kom 'er de vergiffenis<br />

van verdienen, door een oprechte bekentenis.<br />

VER-


B L IJ S P E L. 85<br />

VERVILLE.<br />

Gij hebt uitmuntende gedachten, mijn vriend: gij<br />

moest ze mij een weinig eer medegedeeld hebben,<br />

wij zouden elk zijn gemak hebben laaten houden 5<br />

maar Iaat ons weder te pasrd gaan zitten, laaten wij<br />

het rijtuig te gemoet rijden, wij zullen Julia in zegepraal<br />

weder in 't kasteel van' Elmont brengen, en ....<br />

ELMONT.<br />

De raad dien gij mij geeft, is mogelijk de beste,<br />

dien ik nog van u gekregen heb.<br />

VERVILLE.<br />

Wel nu, mijn vriend! gij moet hem volgen, en<br />

dewijl gij thans bezig zijt met aanfpraaken opteftellen,<br />

zult gij zeggen: „ Mijnheer Valbourg, gij die<br />

„ mijn moeder bedrogen hebt, Julia en mij, ik wil<br />

„ veel liever de fpeelpopvan mijne oprechtheid zijn,<br />

„ dan een meisjen , dat gij misleiden wilt, asn uwe<br />

„ verleidingen ontrukken daar is ze, ik breng<br />

„ ze u weder, volg uwe ontwerpen, en ik....."<br />

ELMONT.<br />

Houd op, Marquis! wat durft gij mij voorflaan?<br />

Ik haar weder onder de magt van dien man bren«<br />

gen! ik zag haar liever in het graf daalen.<br />

VERVILLE.<br />

In het graf! altoos tot uiterltens.. ..I<br />

F 3 TWEE-


86 HET WEESMEISJEN,<br />

TWEEDE TOONEEL.<br />

De voorigen. PICAKD, in rijknechts-klederen.<br />

PICARD»<br />

Plaats, plaats voor den Heer Mercurius: ik heb<br />

mij vertoond, ik heb gefproken, ik heb gefchaakt.<br />

VERVILLE,<br />

Het jong meisjen... ?<br />

PICARD.<br />

Is hier twee honderd fchreden van daan; zo<br />

zacht als een lam: het was de moeite niet waardig<br />

geweest zo veel voorzorgen te neemen: bij de<br />

eerfte opeisfching is zij van equipage veranderd, en<br />

naardien zij door niemand verzeld was, en wij<br />

door niemand gezien zijn, heb ik een gedeelte van<br />

haar geleide te rug gezonden, en wij zijn ftilletjes<br />

in Parijs gekomen , zonder dat 'er op ons gelet<br />

is.<br />

VERVILLE.<br />

En wat heeft zij gezegd ?<br />

PICARD.<br />

Geen enkel woord ! het is onmogelijk meer onderwerping<br />

te betoonen.<br />

VE RVILLE.<br />

Noch een ftilz wijgen der meisje te vinden.<br />

ELMONT.<br />

De groote fmarten befluiten zig altoos diep in 't<br />

hart, haar fmart heeft zig uitwendig moeten vertoonen...,


B L IJ S P E L. «7<br />

PICARD»<br />

Door zeer dubbelzinnige tekens, waarlijk, eeni­<br />

ge zuchten voor, ik weet niet wie; boezem.zwel­<br />

lingen gelijkende naar, ik weet niet wat.<br />

ELMONT.<br />

En dat is genoeg, om mij te bekommeren: aan<br />

wien zou zij haar leed vertrouwd hebben? aan den<br />

geenen die de wreedheid zoude gehad hebben, om<br />

'er zig in te verheugen? O! mijne lieve Julia! wat<br />

gevoel ik mij fchuldig, wanneer ik om den toe-<br />

fland denk daar gij u in moet bevinden.... Ik heb<br />

beiloten....<br />

Waar toe?<br />

VERVILLE.<br />

ELMONT.<br />

Haar aan Valbourg te ontrukken, dien ik verfoei,<br />

dien ik haat, en dien ik niet meer wil- ontzien.<br />

Zeer wel.<br />

VERVILLE.<br />

ELMONT.<br />

Maar ik zal ook haare jongheid weeten te eerbiedi­<br />

gen, ik zal haare traanen afdroogen, of ik zal 'er<br />

de mijnen bijvoegen,en ik zal mijne eerftemisflagen<br />

niet vergrooten, door ijsfelijk genoeg te zijn, van<br />

haare zwakheid te overvallen, en mij een eeuwig<br />

leedweezen te bereiden.<br />

VERVILLE.<br />

Een meisjen fchaaken, om haare deugd te redden,<br />

dat is een trek, die een Romein, in de tijden der<br />

F 4<br />

b u r<br />

*


«8 HET WEESMEISJEN,<br />

burgerlijke vrijheid, zou gepast hebben; maar,<br />

mijn vriend, gij denkt 'er niet om.<br />

ELMONT.<br />

Vergeef mij, MijnheerI het vertrouwen beeft<br />

*ijne paaien: men kan de welvoeglijkheid onwillig<br />

uit het oog verliezen; doch men krenkt da<br />

eerlijkheid niet zonder het te weeten,<br />

Ik hoor de koets.<br />

PICARD.<br />

VERVILLE.<br />

Ga haar ontvangen, en breng haar hier.<br />

DERDE TOONEEL.<br />

VERVILLE, ELMONT.<br />

T _ ELMONT.<br />

Aloë zal ik mij voor haar verwonen ? hoe zal ik<br />

haare tegenwoordigheid verduuren? Achl Verville!<br />

wat fta ik uit!<br />

VERVILLE.<br />

Dat begrijp ik zonder moeite:het eeifte oogenblik<br />

valt zwaar, voor een'jongman die nog niets gezien<br />

heeft; maar ik ben 'er ook, en ik zal u beiden opgeruimd<br />

maaken.<br />

EL Af ONT.<br />

Beleefdheid, mijn vriend, ordentelijkheid.<br />

VERVILLE.<br />

Ja, ja, mijn beste.<br />

E L-


B L IJ S P E L.<br />

ELMONT.<br />

'T is het dierbasrfte teken van vriendfchap....<br />

VERVILLE.<br />

Du ik u kan geeven : ik verfta u , ik verfta u.<br />

ELMONT.<br />

Men komt.... zij is 't.... ik beef.... ik heb<br />

moeite om ftaande te blijven. (Hij werpt zig in een"<br />

leuning/loei.)<br />

VIERDE TOONEEL.<br />

VERVILLE, de Graavin, gefluiërd en met<br />

de klederen van Julia aan : Picard,<br />

geleid de Graavin, en vertrekt na de­<br />

zelve aan Verville overgegeven te hebben,<br />

ELMONT.<br />

VERVILLE.<br />

(Hij neemt de Graavin uit de handen van Picard,<br />

en brengt haar bij een' leuningjloel, waarop zij<br />

gaat zitten.)<br />

Ach! daar is onze fchoone gevangene! Gij zult<br />

ons vergeeven, lief kind! het geen uw reisjen<br />

onregelmaatig moge gemaakt hebben? wij zullen<br />

.uwe gevangenis zodanig verzachten, dat gij het<br />

zoete van de vrijheid zult vergeeten;. maar waarom<br />

die fluiët, die kap? de lelijkheid alleen heeft 'er<br />

het gebruik van kunnen uitvinden.<br />

F 5 EL-


9» HET WEES MEISJEN,<br />

ELMONT.<br />

Ik neem de eer en de liefde rot getuigen, van a<br />

mijne gevoelens niet optedraagen , dan met de<br />

eerbied en de achting, die men der ongelukkigs<br />

fchoonheid fchuldig is.<br />

VERVILLE.<br />

Een aartige eed!<br />

ELMONT.<br />

Ik zal hem houden.<br />

VERVILLE.<br />

Dat kan niet zijn.<br />

ELMONT.<br />

Gij zult het zien.<br />

VERVILLE.<br />

Maar terwijl wij den tijd met hairklooven doorbrengen<br />

, houdt de jonge Juffrouw hardnekkig haare<br />

koelheid, het ftilzwijgen en haar masqué. Sta mij<br />

toe, Elmont, dat ik deezen ondoordringbaaren fluiër<br />

opligte?<br />

ELMONT.<br />

Zonder haare toeffemming?<br />

VERVILLE.<br />

Wat drommel heb ik daarmeé nodig? (Hij ligt '<br />

den fluiër op.)<br />

ELMONT.<br />

Mijn moeder!.... welk een donderflag treft mij<br />

hier 1 (Hij valt weder in zijn' leuning/loei.')<br />

DE GRAAVIN, tegen Verville.<br />

Ik heb willen zien, in hoe verre een man zonder<br />

be.


IS L IJ S P E L. 91<br />

beginfelen zig kan vergeeten: gij hebt u verbeeld<br />

Mijnheer, uwe manier van denken, door middel van<br />

een weinig op.^efmukte taal te doen aanneemen;<br />

maar ik ken mijn' zoon; zijne dwaalihg kan niet lang<br />

duuren : reeds gevoelt hij het ijdele der ijsfelijke<br />

gronden, die gij hem ingeboezemd hebt: te ver­<br />

geefs zoekt gij 'er het haatelijke van te vermom­<br />

men; te vergeefs wilt gij u zei ven beguichelen:<br />

uwe vermenigvuldigde dwaasheden kunnen geen*<br />

ftand houden tegen eene fchemering van waarheid.<br />

Op 't oogenblik dat ik tegen u fpreek, zijt gij ter néér<br />

geflsgeu, door de tegenwoordigheid van een moe­<br />

der, die gij niet verwachtte. (Tegen Verville,) Gij<br />

glimplacht, Mijnheer! de bittere lach der ondeugd<br />

verliest zijn kracht, wanneer hij ontmaskerd is, en<br />

door de Natuur en door de eerlijkheid beftreeden<br />

wordt.<br />

VERVILLE.<br />

Gij behandelt mij al zeer hard, Mevrouw! ik ben<br />

in mijn huis en ik zie niet wat recht gij hebt....<br />

DE GRAAVIN.<br />

Mijne rechten zijn die, welken de deugd altijd zal<br />

hebben, om de misdaad te befchaamen,<br />

VERVILLE.<br />

Gij zegt mij zeker al zeer mooje dingen! maar<br />

Mevrouw, al die ijdele uitftal kan mij niet doen<br />

zwichten: ik kan dat alles op zijn rechte waar­<br />

de fchatten: voor 't overige, Elmont! laat ik<br />

u mijn huisjen over, en ik geef u de magt, om het<br />

optedraagen, aan wie het ook in bezit zou willen<br />

neemen.<br />

VTF-


3* HET WEES ME IS JEN,<br />

V'TF D E TOONEEL.<br />

DE GRAAVIN, ELMONT.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Y)ia man is ongeneezelijk, laaten wij hem voor al­<br />

tijd vergeeren. Wel nu, mijn zoon, gij hoort<br />

reeds de eerde roep eener fchuldige ziel: een<br />

blik vsn uw moeder vernietigt u; wat zou het<br />

dtn zijn, zo ik, eene rechtvaardige gedrengheid ge-<br />

hoor geevende, mij aan al de wederwraak overgave,<br />

die mij zoude kunnen bezielen? wat is de ondeugd<br />

laag! wat is zij verachtelijk! zij onteert u voor uwe<br />

eigene oogen; zij beneemt u den moed om vergiffenis<br />

aftebidden, en ze te verdienen.<br />

ELMONT.<br />

Zij zal mij ten minden de bracht niet beneemen,<br />

om voor uwe voeten neder te vallen, en 'er mijn<br />

vonnis aftewachten.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Daar heeft uwe noodlottige vriendfchap u toe<br />

gebragt: het tederde en het allergeliefd.fte kind,<br />

ziet in zijne moeder niet meer dan een dreigende<br />

rechteresfe: tij is aan haare voeten, terwijl hij in haare<br />

armen moest zijn; hij. heeft zelfs geen vertrouwen<br />

meer op die liefde, die hem nooit is afgevallen!<br />

ongelukkige! zoudt gij verblind genoeg zijn, om<br />

aan mijn hart te twijfelen? kom weder tot u zelv';<br />

wordt mijn' zoen weder, en gij zult uw moeder<br />

we-


3 L IJ S P E L. $3<br />

wedervinden: ik ben hier flechts om u uw' ffiisftap<br />

te deen gevoelen en ze u te vergeeven.<br />

ELMONT.<br />

Zal ik ze mij zei ven kunnen vergeeven? ... Ach!<br />

mijn moeder! ik ben tegen zo veele goedheden niet<br />

gewapend gij verdrukt mij onder den last van<br />

mijne misdaad : uwe toegeevendheid vermeerdert<br />

mijne knaagingen.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Hoor, mijn zoon: door haar cp


94- HET WEES MEISJEN,<br />

waarom opendet gij mij uw hart niet? gij zoudt mrj<br />

geene traanen gekost, gij zoudt 'er Julia geene ontrukt<br />

hebben.<br />

ELMONT.<br />

Aan Julia!... Hemel!... zij zou kennis hebben<br />

van een' aanflag<br />

DE GRAAVIN.<br />

Daar zij u niet in ftaat toe dacht, en welke<br />

Picard u belet heeft ter uitvoer te brengen: ik heb<br />

'er op het oogenblik over gebloosd; ik bloos nog,<br />

over de bekentenis die ik 'er van doe; maar uw<br />

knecht heeft van daag meer eerlijkheids bezeten dan<br />

gij: gij verlaagdet een onfchuldige, die omtrent u<br />

geen ander ongelijk had, als u te beminnen; gij gaaft<br />

haar over aan de verachting van Verville, aan de onbefchaal'dheid,<br />

en misfchien aan de fmaadheden.<br />

(Elmont Werpt zig in de armen zijner moeder.') Ach!<br />

Elmont! ik heb het u vergeeven, ik heb 'er geen<br />

berouw van; maar vergeet de ongelukken nooit die<br />

gij fchier zoudt veroorzaakt hebben.<br />

ELMONT.<br />

Die vergeeten, Moeder! neen, nooit! Ach! een<br />

toomlooze liefde alleen, kon mij voor mijne misdaad<br />

blind maaken.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Was de misdaad het eenigfte middel dat u gelukkig<br />

kon doen weezen? zou ik u een beminnelijk en<br />

deugdzaam meisjen, dat ik als mijn kind befchouw,<br />

geweigerd hebben?<br />

EL-


£ L IJ S P E L. 05<br />

ELMONT.<br />

Hoe,Moeder! gij zoudt ze mij gegeven hebben?<br />

DE GRAAVIN.<br />

Wat heb ik anders gezocht, dan uw geluk, zo lang<br />

gij ademhaalt?<br />

ELMONT.<br />

Ach! Julia!... zal Julia het mij vergeeven? Mevrouw<br />

, op u hoop ik alleen: hoe meer fmaads ik<br />

haar aangedaan heb, hoe meer pogingen ik doen<br />

zal, om mij haarer waardig te maaken.<br />

DE GRAAVIN..<br />

Zie daar het edel voorneemen, waaraan ik mijn'<br />

zoon erken. Ja, mijn vriend, Julia zal mime be­<br />

den gehoor geeven; ik denk 'er mij mede te kun­<br />

nen vleien.<br />

ELMONT.<br />

Ik, Mevrouw... (Mefbefchroomdheid) Valbourg!...<br />

ik heb het gezien... ik heb het gehoord...,<br />

DE GRAAVIN.<br />

'Er zijn gevallen, waarin de wijze man noch zijne<br />

ooren, noch zijne oogen moetgelooven. Veertig<br />

jaaren van een onbefproken gedrag, mijne vriendfchap<br />

en mijne achting waren bewijzen, die de k!aar«<br />

blijkelijkheid zelve logenachtig gemaakt moesten<br />

hebben. Gij zult ijzen, jongman, als gij de uiigeftrektheid<br />

van uwe verongelijking, omtrent dien<br />

eerbiedwaardigen man zult weeten.<br />

ELMONT.<br />

Ach! Mevrouw, het is genoeg dat gij hem nog<br />

bemint, om hem te rechtvaardigen... Echter die<br />

lieikoozingen van Valbourg, hebben iet verdachts.<br />

DE


96 HET WEE S MEISJEN,<br />

DE GRAAVIN.<br />

We! nu, Mijnheer, dewijl mijn getuigenis niet<br />

voldoende is, om u van begrip te doen veranderen,<br />

zo weet dan alles: weet dat die liefkoozingen die<br />

u zo zeer bekommeren, haar oorfprong in de Na»<br />

tuur hebben.<br />

ELMONT.<br />

Ik bid u, fpreek duidelijker.<br />

DE GRAAVIN.<br />

Die man, die van het huwelijk van Julia fprsk,<br />

dacht alleen om u ; hij zocht het middel om uw lot<br />

met dat van dit beminnelijk kind te vereenigen: die<br />

man, die haar in zijne armen drukte ,gaf zig aan het<br />

onfchuldig vermaak over, van een dochter; zijns<br />

waardig, te omhelzen, en 't is de vaderlijke liefde<br />

die gij hebt durven lasteren en veroordeel en.<br />

E L ïl O M T.<br />

Julia zou zijn dochter zijn!<br />

DE GRAAVIN.<br />

En zijn wettige dochter: 't is Mejuffrouw van<br />

Valbourg, 't is haar vadur die gij gehoond hebt.<br />

ELMONT, buiten zig zeiven.<br />

Ach! ongelukkige, die ik ben!... ik durf niet<br />

denken aan de cisfelijkneden.... liemel! wat ben ik<br />

fchuldig!<br />

ZES.


B L IJ S P E L. 97<br />

ZESDE TOONEEL.<br />

DE GRAAVIN, JULIA, VALBOURG, ELMONT.<br />

VALBOURG.<br />

Gij zijt het niet meer, jongman; uw misdag wai<br />

van Verville, uw berouw is van u.<br />

ELMONT.<br />

Ach! Mijnheer... ach! Mejuffrouw... ik ben be-<br />

fchaamd... ter neêr geflagen.... iloe! Mijnheer,<br />

gij overlaad mij niet met verwijtingen.<br />

VALBOURG.<br />

Verwijtingen, als men berouw heeft?<br />

JULIA.<br />

Als men door een valfciien vriend is verleid ge­<br />

worden.<br />

ELMONT : hij wil zig voor de voeten<br />

van Valbourg werpen, die hem<br />

weder opbeurt.<br />

Mijnheer, ik val u te voet: mijne herdelling kan<br />

niet te fterk noch te bondig zijn; zo gij wist met<br />

welk een ligtvaardigheid ik u veroordeeld heb, met<br />

welk eene drengheid ik uwvonnishebuitgefprokenl<br />

VALBOURG.<br />

Mijnheer, dat verwondert mij niet: de jeugd is<br />

onbezonnen; maar wees niet drenger voor u, als<br />

ik zelve wil zijn: Mevrouw de Graavin heeft u<br />

al gezegd wat zij u moest zeggen: laat ons het<br />

G voor-


eS HET WEES ME IS JE N,<br />

voorleedcne vergeeten, en omhels mij, mijn fchoon«<br />

zoon.<br />

JULIA.<br />

Gij ziet hoe goed mijn vader is: troost u, mijn<br />

vriend, en wees altijd mijn broeder, tot dat gij<br />

mijn man wordt.<br />

zijn.<br />

ELMONT.<br />

Is die dierbaare naam voor mij gemaakt ?<br />

JULIA.<br />

Ja, dewijl gij mij lief hebt, en mij belooft zoet te<br />

ELMONT.<br />

Ik leg in uwe handen den eed daarop af: het is<br />

door u mijn gantfche leven aan te bidden, dat ik<br />

gruwelen zal uitwisfchen.<br />

J U L T 1_<br />

Ach! ik bid u, fpreek daar niet meer van: mijn<br />

vader vergeet alles, ik vergeet het insgelijks: wees<br />

gelukkig, mijn broértjen, ik leed van u nog te zien<br />

lijden.<br />

ELMONT.<br />

Ach! moeder! ach! Mijnheer... ach! mij­<br />

ne Julia!... ik weet niet hoe ik mij zal uitdrukken..-,<br />

wat is het zoet de deugd te volgen, en haar zijn<br />

geluk verfchuldigd te weezen! neen, ik zal geen<br />

gedachten meer hebben, of ik zal ze die eerbied,<br />

waardige wezens toevertrouwen ; zij zullen mij<br />

bewaaren voor de klippen mijner jaaren, en zo ik<br />

mij


B L IJ S P E L.<br />

mij ooit door de ondeugd voel aanranden, zal Ik<br />

mij deezen proefdag herinneren, en ik zal aan mijn<br />

vrouw, aan mijne moeder, en aan mijn' vriend we­<br />

dergegeven worden.<br />

Einde van V laatfte Bedrijf.<br />

$9

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!