Untitled

resources4.kb.nl

Untitled

EX

BIBLIOTHECA

F.G.WALLER

1933


I ONDERWYS |

l V O O R |

h

Van vier tot zes jaar.

$

DOOR DEN HEER ^

; W. E.DEPERPONCHER, $

tot gebruik zyner Kinderen of gefield.

II» DEEL» "C"

Te V,TRECHT, $

j BydeWed. J. van SCHOONHOVEN, $

MDCC LXXXIL ^


Bladz. ni

VOORB ERICHT.

rk bad gedagt,ditallereer[teOnderwysvoor

Kinderen, ia twee deeltjes, te zullen.

kunnen bevatten $ maar de rykheid der ftof,

de aneenfchakeling van een gedeelte der-

zelve, en de ontvouwing van eenige meer

afgetrokke (lukken, die my egter toefchee-

nen, tot beeter verftand vantoverige,niet

te kunnen worden agterweege gelaaten,heb'

ben my genoodzaakt dit werkje,totdriedee-

len uit te breiden; en teevens,daar de inhoud

na ook ongemaklyker werdt, de jaaren te

verlengen, eri dezelven, voor het gehee-

le onderwys in drie de'elen, van drie tot zee­

ven jaaren te « n . durf my niet vlei­

en, dat het my gelukt zal 'zyn, alles wat

' hier'vqorgedraagen wordt volkomen, onder


ÏV V O O R B E R I C H T ,

de vatbaarheid en 't begrip van kinderen van

die jaaren, te hebben gebragt, hoe zeer ik

daartoe alle myne poogingen aangewend

hebbe. Er zal derha!ven,op veek plaatièn,

nog nadere uitlegen ontvouwing nodig wee»

zen; en dit is tog, weegens de verfchillen-

de vatbaarheid van kinderen van dezelfde

jaaren, nooit te vermyden. Gebeurde het

my ondertusfchen, dat ik my, in 't geeven

van zulk een naderen uitleg, met het eene

of andere kind, verleegen vondt, en geen.

kans zag, om de voorgedraage zaak, on.

der deszelfs begrip,te brengen, zouikmaar

eenvoudig aan zulk een kind zeggen \ ik

zie nu geen kans om 't je beeter te doen

begrypen, maar naar maaten je verder vor­

deren zult, zal het je van zelf klaarer en

gemaklykêr worden , en, by eene tweede

doorleezing van 't boekje,zuI.je't beeterbe-

grypen.Enik vlei my,datdegeen,diezig,met

rfi-;3ntwoord,behelpenwil,zig, in deeze ver-

wag^-


VOO R 9 E RICHT, v

wagting,ten minfleu niet zeer dikwils zal

bedroogen vinden; vvyl ik getragt heb, de

denkbeelden zoo voor te draagen,datzy zig >

by nadere overdenking, als van zelve ont­

keten, en ook de znaken zoo aaneentefclia-

kelen, dat de eene aan de andere wederzyda.

licht bezette.

Desgelyks zal een kind, by veefe gelee»

genheeden, vraagen doeiijopdewelken mert

nog niet dan een uitftellend antwoord kan gee«»

ven By voorbeeld, indien eenig bind,

by het xin gefpr. over den dood der bees­

ten , ofeenige volgende geleegenheid, vroeg,

of de menfeben ook fterven; zoude ik op

die vraag, voor als nog , alleen dit ant»

woord geeven; ,, tusfehen de mentenen en

„ de beeften is, in dit opzigt, een zeergroot

onderfcheid; doch waarin dat onderfcheid

4 eigentlykgeleegen is, en hoe 't den men*

* 2 & fcheas


vi VOORBERICHT.

,, ffhen ten deezen aanzien gaat, kan ik

„ je nu nog niet uitleggen". Meer zou ik

'er niet van zeggen , tot dat ik,met mynea

eciüng;,. aan *t xvm geiprekje van 't 3

Deeij waar in dit (luk. ontvouwd wordt .

2ou gekomen zyn v

Sommige gefprekfes,ih dit en 't volgende

deel,. zyn,weegei.s den aart en 't gewigt

der. ü( it-»,lan^er geworden,. dan,voor da

ieezïng van eenen dag,,behoorde, Ik heb

dezelven, vooral wanneer de inhoud moei-

tj fc. wasdoor- dit tusfchen ingevoegd tee«

len H55~555jin verfcheide deelen,gefcheU

den:, op dat men 'er ,.. wanneer men 't.

nodig vondt... even zoo veele daagen aan

zcu- kunnen belleeden. Want hoe meer

tfifi ©nderwys,.over verheevenex en gewig-

tfge.r zaaken,, begint te gaan, hoe meer.

les. ''ex- ook op acn komt, den kinderen,

li

ifcBt


V O O R B E R I CHT. xf§

niet meer te gelyk te haten leezen, dan

zy, zonder vermoeijing, begrypen en ont­

houden kunnen.

Die gefprekjes, die over het Godgeleerd;

onderwys gaan, of. ter voorbereiding des-

zeiven ftrekken, heb ik,zoo. in 'r. werk als.,

op 't Regifter, met een fterrctje geteekend.

Chet XVII is alleen,in.'t vverk,by abuis,niet.

geteekend, fehoon'i hiermede toebehoort;),

op dat men dezelven,. na het doorleezen.

van ieder Afdeeling, of ook, van 'cgeheele.

deel, of werk, nog eens agter malkandereni

zou. kunnen doorleezen, era den kinderen,

een des te beeter aaneengefcbakeld denk­

beeld var» derzelver inhoud te geeven» Ook,

heb ik,betreklyk tot deeze gefprekjes, als't,

gewigtigst gedeelte van dit onderwys uit-

maaken.de. een vraag boekje cpgefteid , dat,

31 en aan 'c eind; deezer twee laatfie deelt--

* 4. j«9~


Tin VOORBERICHr

jes vinden zal. Hét zelve is, door 'r reeds

gemelde teeken **— >

,in zoo veele deelt­

jes afgefcheiden, als 'er gefprekjes zyn,

waarop het betrekking heeft, en elk deezer

deeltjes, is, op den kant, met hetnommer

van deszelfsgefprek, geteekent. Men be«

grypt ligt, dat elk deezer gefprekken eerst

moet geleezen en begreepen worden; en als

dat gefchied is , moet men het kind, dien

zelfden dag en de eerstvolgende dagen, dat

gedeelte van *t vraag boekje laaten van bui­

ten leeren, 't welk,op dat gefprek,- betrek­

king heeft. Wanneer 't gefprek wel be­

greepen is, zal 't van buiten leeren der ant­

woorden gemaklyk en dikwils van zelvegaan;

te meer daar men zig meer aan dezaaken , dan

aan de woorden binden moet, Meeftendeels

dienen deezeantwoorden alleen, om 'tkind

te helpen,in 't veiflag doen van 't geen het,

uit het gefprekje,heeft onthouden j en tee-

vens


VOORBERICHT. I 3 C

vens ook omaante wyzen,wat bet 'er vooral

uit onthouden moet. Het vraag boekje zou

te lang geworden zyn, indien ik »« c] e

voorbeelden had willen byvoegen. Een

ieder.kao deeze Jiffjaatüig, uit de gefprek-

jes zelve, genoeg aanvullen. Op fommige

vraagen egter heb ik,door een voorbeeld ,

in plaats van dooreenecigentlykejbefchryving

of bepaaling van de zaak,doen antwoorden;

wanneer ik naamïyk geen kans zag, deeze

laatften onder 't bereik en de vatbaarheid der

Kinderende brengen. Het is tog beeter iets

onvolleedigs in hun onderwys te laaten, dan

'er iets in te brengen,dat voor hen onver»

flaanbaar zy. Het eerfie is eene enkele om»

breeking, die met 'er tyd kan %vorden ver­

holpen en aangevuld ; maar het laatfte is

een weezendlyk kwaad.

De in dit deeltje , uit verfcheidene fchry-

vers-j


x VOORBERICHT.

vers, overgenoonie fuikjes in profa hebber!

nog veelmeer verandering ondergflan,dan die

in 'teeifte deeltje; de gedichtjes daar teegea

veel minder.

Wanneer de Kinderen dit tweede deelt

je geheel hebben uitgeleezen, kan men hun

de zedekundige vraagen en antwoorden agter

't Aj B Boek,by J. L. van LaarMahu-

et 1781 uitgegeeven, laaten leezenenvaiï

buiten leeren; als zynde dezelven zeer wel

gefield en zeer nuttig van inhoud.


ONDERWYS

V O O R

1£ J2V JD JEJR MW

Van vier tot zes jaar.

I. AFDEELING.

I.

I N L E I D I N .G.

j^!®!SS||en boer had twee zoons , die

| E | naauwlyks een jaar,iu ouderdom,

lf>®!>©$f fcheelden. Eenigen tyd na hunne

geboorte,p]antte hytwee appelboompjes,

die beiden even goed van foort waren, en ook

beiden even voorfpoedig opwieflen. Toen

zyne twee jongens, de een zeven, de ander

agt jaaren bereikt hadden, bragt hy ze, op

eenen dag der lente, by deeze tweeboomp*

jes, die beiden in vollen bloei flonden, en

gaf'er hun aan elk een van, ten gefchtiik.

A je


s ï. AFDEELING.

Je ziet, zeide hy teegen hun, zy zyn

beiden vaneen goed foort, -beideneven oud,

en belooven ook beiden evenveel ; maar wat

zy in der daad geeven zullen hangt nu van

uwe zorgencppasfing af. Door onagtzaamheid

kunnen zy even zoo ligt bederven, als

door vlytige oppasfitig en zorg, tot goede

vrugtdraagendc boomen, opgroeien. Ik

heb je aan beiden reeds geleerd, hoe meu

Zulke boompjes oppasten en be&ndelen

moet; en nu ftaat het maar aan u het geen ik

je geleerd hebt, in 't wetk,te ftellen, of nïet,en

je daar door een goeden,of eenen flegten oogst

te bezorgen.

Jan, de oudfte deezertwee jongens, was,in

't bezorgen van zyn boompje, onvermoeid.

Daaglykfch kwam hy naar 't zelve zien, en

daar de rups dit Jaar zeermeenigvuldig was,

fpaarde hy geen arbeid en geduld, om'er zyn

boompje van te zuiveren. Boven dien, daar

het nog jong, en de ftam, in vergelyking van

de kroon, nog wat dun was, bondt hy 't

boompje aan een paaltje vast, op dat het niet

fcheefzou groeien, of te veel, door den wind,

heen en weer geflingerd worden. Eindelyk

fpltte hy den grond, rondom zyn boompje,

doch


I. AFDEELING. 3

doch zonder de wortels te kwetfen, lugtig

otn, op dat reegen, lugtenzonnefchyn des

te beeter, van alle kanten,in den grond, zouden

kunnen'indringen. Met een woord hy

droeg'er alle de zorg voor, die een goe d boornkvveeker'er

voor draagen kon.

Michiel,zyn broeder,deedt juist het teegendeel.

Hy dagr; myn boompje zal, zonder

my, wel groeien! EB dus liet hy 't ftaan,zoo

als het frondt. Ondeiwyl dat zyn broeder

aan het zyn e beezig was, liep hy,met de jongens

van het dorp,fpeelen, zonder ooit naar

zyn boompje te komen omzien. Alleen plukte

hy 'er weleensdebloesfemsaf,omdie in 'c

rond re ftrooien,of'er mee te fpeelen; of wierp

'er met fteenties naar,om te zien,of hyze

raaken en affinyten kon, en daar door brak

hy de meefte vrugttakjes af.

Het gevolg van dit alles was juist zoo als

men 't wel verwagten moest. In den herfst

ftondt het boompje van Jan volfchoone vrugten

, zoo dat hy fommige takken, met flaaken,

teegen 't affcheuren,bewaaren enonderffeunen

moest. Michiel daar en teegen, diefeedert

lang niet eens meer om zyn booinpiegedagthad,

maar nu evenwel, aan de lekkere

A 2 vuig-


4 I. AFDEELING.

vi ugten, die zyn broertje van 't zyne plukte,

begon te merken, dat appelboompjes goede

dingen zyn, ftondi zeer verwonderd, toen

by, by het zyne gekomen, bevond t, dat'er

geene enkele vrugt>en zelfs nog maar weinige,

half afgegeete blaaden aan waren. Verdrietig

en misnoegd liep hy, naarzynen Vader

, toe, en zei tegen hem, maar Papa! wat

heb je my daar ook voor een boompje gegeeven?

Het gelykt wel een ouden ftalbeezem,

met zyne dorre takken! en ik kan 'er geen eenen

appel aan vinden,- Myn broertje daar en

teegen; o! dien heb je geheel anders bedeeld!

Op zyn boompje zitten de appels zoo dik als

zan d! Zeg hem dan nu ten minften ,dat hy die,

metmy,deele!

Met jou deelen, jou luien bengel! zei de

Vader, teegen hem ; en zou ik dat aan je

broertje beveelen, Zou dan de geen die vlytigis

eHgeen arbeid fpaart, devrugtenvan

zyne moeite en zweet deelen moeten, met den

geenen, die den ganfchen dag leedigloopt?

— Neen vriendje! dat moet niet zyn. Geen

enkelen appel zal je broertje jou geeven; en

indien hy ze je geeven wou , zou ik 't

hem verbieden; want ik wil, datje de ftraf

van


I, A F D E E L I N G . 5

van je agteloosehid en luiheid draageu zult.

Maar Papa, hervatte Michiel, waarom

heb je dan aan Jan een zoo veel beeter boompje

gegee ven dan aan my?

Je boompjes waren beiden even goed, antwoordde

de Vader; ik heb't je zelf doen zien,

toen ik ze je gaf. Zy zyn beiden van 't zélfde

foort, beiden even oud en even goed opgewasfen

, en zy (tonden ook beiden even vol

bloesfem, en beloofden even veel vrugt. Maar

wat was het geval? Kort na dat ik je de boompjes

gegeeven had; kwam de rups 'erin. Jan,

die daaglykfch naar't zyne gingzien,merkte't

haast, en getroofte zig de moeite, van ze

daaglyksch tekoomen wegv?ngen,zoo dat hy

hun geen tyd liet, om zyn boompje veel te

befchadigen, en daarom ftaat het nu nog

fleurig en wel. Maar jy in teegendeel zaagt

'er niet eens naar om, enlietderupfen eeten

wat zy eeten wilden. Ook plukte je'er zelf

wel eens de bloesfems van af, of fmeet 'er met

fteentjes naar, offchoon ik jegewaarfchuwd

had, dat elk bloesfempje minder aan jeboom,

ook een appel minder was. En is het, nadat

alles, wel wonder, dat jou boompje daar nu

zoo dor en zonder vrugten ftaat? — Klaag

A 3 der-


6 I. AFDEELING.

derhal ven niet over myMichiel! want beiden

heb ik je gelyk bedeeld. Maar klaag over je

zeiven, en leer hier uit, dat elk belooning

vindt, naar zynen arbeid.

Michiei had, teegen dit alles,niets in te

brengen; want hy herinnerde zig zeer wel,

dat het geen zyn vader hem verweet, maar

al te waar was. Hy moest dus ongetroost

heenen gaan, en kon zyn boomje nimmer

zonder fmert aanzien.

Zyn Vader zag zulks, met genoegen, en

zei tegen hem; myn lieve Michiei! ik hoop

dat dit voorbeeldje nu zal leeren, hoe veel

oplettendheid, arbeidzaamheid en zorg *er,

byzonder in ons beroep, vereifcht wordt,

om aan den kost te komen. Hoe vruchtbaar

onze grond ook zyn mooge, zonder eene

goede bebouwing, kunnen wy'er tog geene

goede graanen en vrugten van trekken. Zoo

ras wy lui of zorgloos worden, en ons werk

verzuimen, verwilderd alles en begroeit rnet

doorens,diftels en onkruid;en daar kunnen wy

net zoo min graan of vruchten van plukken,

als jy van je verwaarloosde appelboompje.

Maar wanneer wy wel oppasfen, en naarstig,

in ons werk,zyn,dan ftaat alles, op onze

velden, in vrugt en bloei. Mi-


I. AFD E E L I N O. ;/

Micbiel iuifterde naar deezc les, en'wevdt,

by vervolg van tyd , een even naarftig landbouwer

, als zyn broeder. En toen verheugde

hy zignog wel duizeudmaal, over de goede

les, die zyn Vader hem gcgecven had.

Gy numynelieve kinderen! zyt allen, gelyk

deeze twee appelboompjes. Indien wy je

verwaarloozen, indien wy je geen goed onderwys

, geene goede opvoeding geeven, dan

is het te vreezen,dat het met je gaan zal, even

als met bet boompje van Michiei, en 'er niets

goeds van je zal worden. Indien wydaarentcegen

goede zorg voor je draagen, indien

wy je wel ondervvyzen , en je eene goede opvoeding

geeven, dan kan 'er iets goeds ra j;

worden, dan kun je, geeuwende je gein ele

keven, voor je zeiven gelukkig, en voor anderen

nuttig zyn. Maar myne lieve kinders !

zullen onze zorgen, zullen onze onderwyzingen

van eenige vrugt voor je zyn, dan

moetje ons zelfs helpen, door oplettend te

zyn, vlytig te leeren, en op onze lesfenen

vermaaningen wel agt te flaan, om ze op te

volgen en 'er dus je voordeel meê te doen.

Want anders kan alle onze moeite en zorg

A 4

n i e t s


3 I. A F D E Ï L I N G .

niets baaten; en het zou al wederom met

je gaan,als met het.boompje van Michiei.

I I.

Jacob. O zie Papa.'Dat zyn groote visfchen,

die daar liggen, hoe noemt men die?

Vader. Dat zyn Kabbeljauwen.

J. En waar worden die gevangen Papa ?

Zulke visfchen wilde ik ook wel eens vangenj

V. Dat geloof ik wel, maar daar zou je

niet veel aan doen kunnen; zy zouden je veel

te fterk zyn. Ook worden zy niet hier gevangen

, maar in de Zee.

J. Wat is dat de Zee?

V. De Zee is eene verbaazend groote en

diepe plas van zout water.

y. Van zout water Papa ? Ik dagt dat al

het water zoo zoet was, als 't geen dat wy

drinken ?

V. Neen Jacob,'t Zeewater is niet zoet,

maar zoo zout dat men 't niet drinken kan.

J. Maar Papa wie heeft 'er dat zout in

gedaan ?

V. Als ik je 'zal gezegd hebben,hoe groot

de zee is, dat zul je gaauw begrypen, dat nievpiud

daar zout in kan hebben gedaan, maar

dat het zeewater van zig zelve zout moet zyn.

?.


I. A F D E E L I N G . 9

J. Hoe groot is de zee dan wel Papa?

V. Je weet wel dat Groot-Mama's buitenplaats

hier een uur gaans van daan is; dat is

te zeggen , dat een groot menfch wel doorftappende,

een uur tyds nodig heefr,om van hier ,

tot buiten by Groot-Mama, te komen.

J. Ja Papa, dat is ook al een heel einde.

V. Ja maar ,by de zeevergeleeken, is 't

niets. Want op fommige plaatfenisde zee

tien, oplanderen, twintig,vyftig,honderd,

ja duizend uuren gaans breed, enjverfcheide

duizend uuren gaans lang.

J. O Papa dat is ontfaglyk groot.

f>. Datishettog. Ook omringd die groote

zee alle de landen, die 'er in de Waareld

zyn. Zelfs zyn 'er fommige landen, die geheel

in't midden deezer groote zee liggen,zoo

dat het water der zee ze, van alle kanten,omringd;

even als of ik een fteen,of een hoop aarde

, midden in een bord met water lag. En

zulke landen hiet men Eilanden,.

J. Is ons land, daar wy in woonen ,

ook een Eiland Papa?

V. Neen ons land ligt maar van twee kanten

aan zee. Aan de twee andere kanten , ligt

het, met meer andere landen,in een zeer groot

A 5


io I. A F D E E L I N G .

flulye famen, en dat hiet men het vafte land;

cn't zelve is ook veel meer dan duizend uuren

gaans lang en breed. Wanneer je wat verder

zult gevorderd zyn, zal ik je eene befchry ving

van alle die landen geeven, en van de menfchen

die 'er in woonen.

J. O ja Papa, als 't je belieft, dat moet

wel plaifierig zyn.

y. Dat is het ook — Maaromondertusfchen

tot onze Kabbeljauwen weer te keeren,

zal ik je nu zeggen, hoe men die vangt. —

Somtyds gebruikt men daar netten toe; maar

meestentyds neemt men een heel lang touw,

daar men, op gelyke afltanden, verfcheide andere

kleiner touwen aan bindt, fomtydswel

tot twee honderd toe; en aan elk van die twee

honderd kleiner touwen maakt men dan een

grooten vifchhaak vast; omtrent zoo als de

geenen, die wy aan onze hengelshebben,maar

veelgrooter. Daarna (leekt men aan diehaaken,

in plaats van biood of pieren, zoo als wy

gebruiken, een fuikje osfen-lever, ofwel

een Prik.

J. Wat is dat Papa, een Prik?

V. Dat is een fuort van vlsfcbje , da t wel

naar een Aal ofPaling gely kt, en daar de Kabbel-


I A F D E E L I N G . n

beljauw veel van houdt. Wanneer dezelve

nu het (tukje osfenleever of den prik wil indikken

, dan flikt hy teevens, even als onze baarsjes

en karpers, den haak mede in, en blyfr.

'er aanhangen. En als men denkt, dat'er Kabbeljauwen

genoeg aan dehaaken zitten , dan

haalt menYtouw op, doet de Kabbeljauwen

van dehaaken af, en legt ze in't ('chip. Want

men moet, met kleine fcheepen, een geheel

einde ver in zee gaan, om Kabbeljauwen

genoeg te kunnen vinden. Eindelyk als men

zyn fehip vol genoeg met Kabbeljauwen geladen

heeft, dan zeilt men 'er mee,naar huis,,

en verkoopt ze aan al wie ze hebben wü. E n

daar vindt men altyd menfehen genoeg toe,

want de Kabbeljauwen frnaaken zeer lekker ;;

en men kan ze,op verfcheidenerlei wyze,ge=bruikeu.

- J. Hoe dan Papa?

V. Niet alleen eet men ze verfcb, dat is

zoo aanftonds, of ten minften weinig dagen <

na dat zy gevangen zyn, want verfch kunnen

zy niet lang goed blyven; maar men legt ze

ook, in 't zout, en dan kan men ze zeer lang

bevvaaren ,zonder dat zy bederven; en dat

noemt men zoute vifch of labberdaan, )c

A 6 hebt


12 I. A F D E E L I N G .

hebt ze ór s wel,met geele wortelen en pietercelie-faus,

zien eeten.

J. Is dat dan ook Kabbeljauw?

V. Ja,'t is 'er ten minden een foortvan.

En ftokvifch is ook eenfoort van Kabbeljauw,

dien men in de lugt gehangen heeft, om ze te

lasten droogen , wanneer zy ook weer zeer

lang kan bewaard worden , zonder te bederven.

Dus zie je,dai de Kabbeljauwen van veel

•gebruik zyn.

J. Dat is waar Papa?

V. En behalven de Kabbeljauw,wordt'er

ïiog meer vifch. in zee , gevangen; als

Schelvifch, en Tarbot, die zeer groot en

plat is, en Schol, en Tongen, en Bot, en

Molenaar, en dien lekkeren Haring, dien

men 's zomers verfch eet, fchoon tog een

weinig gezouten, wyl zy geheel verfch te

fchielyk bëderven zou; en 's winters wat gezouten

en dan gerookt, wanneer men 't Bokking

biet; en die Bokking kan ook weer,zo wel

als de labberdaan en ftokvifch,lang bewaard en

naar anderen landen verzonden worden.

Dus de zee ons eene menigte goede en lekkere

fpyze geeft. — En wil ik je nu eens zeggen,

in welke opzigten, de zee ons nog al meer

van nut is? J»


ï AFDEELING. 13

^. Als ik je belieft Papa.

V. Het is uit de zee, dat de meefte dampen

opwaasfemen, die de wolken uitmaakcn

en ons den reegen geeven.

J. Maar Papa, — het reegen-water fnaaakt

immers zoet, en je hebt my gezegt, dat het

water van de zee zout is.

V. Dat is beide waar; want wanneer het

water,uit de zee, opwaasfemt,dan blyft al het

zout,dat 'er in gemengd was,in de zee liggen,

zoo dat 'er alleen zaiver,zoet water opdampt.

J. Maar hoe weet men dat Papa ?

V. Zulks weet men niet alleen daar uit,

dat de wolken, die boven de zee hangen, waar

geen land, in twee of drie honderd uuren

gaans, in de rondte, te vinden is, zoo wel zoet

water doen reegenen, als die wolken,die boven

't land hangen ; terwyl men nergens zout

water reegenen ziet; maar ook om dat het klaar

blykt, uit de wyze, waarop men't zout maakt,

dat wy daaglyksch gebruiken.

J. Hoe maakt men dat dan Papa?

V. Dat maakt men van zeewater; ten

minften voor het grootst gedeelte, want 'er

zyn ook plaatfen, daar men zout, onder in

den grond, vindt.

A 7 1>


$4 I. A F D E Ë L I N G.

^.Maar Papa, hoe doet men dan,om

van zeewaafer zout te maaken?

V. Men graaft ze-er groote, vierkante ,

ondiepe gaten,of putten,in den grond , waar

van feè'n den bodem,met vafte klei,bedckt,zo

dat het water niet in den grond kan wegzakken;men

Iaat die putten,tot twee, drie, vier,

of zelfs zes voeten hoog} met>aeewa$er „ wol

lonpen, door eene opening, die men vervolgens

fluitzoo dat het water 'er niC/weer uit

kan. Dit zeewater laatmenfli', in die putten,

flaan; en wanneer men dan maar twee of drie

dagen fterke zonnefebyn heeft, (wantin de

landen,daar men,op die wyze,zout maakt,i.s'É

warmer en minder ongeftadig w^er dan hierj)

vindt men reeds meest al het water weggedampt,-

en dan ziet men dat het zout, 'twelk

in 't water gemengd was, in eene korst, op

den bodem van den put, is blyven liggen*

Men flaat die korst aan fluk, en haalt de Hukken

uit de put, om ze te hiaten droogen.

J, En is dat dan'tzout 5 dat wy eeten?

V. ja, maar dan-ziet het 'er nog zoo wit

niet uit, als wy 't op tafel krygen; want dan

is 'er nog veel fliben vuiligheid in, die, met

het zeewater, gemengd waren. Om'er die nu

uit


ï. AFDEELING. fr§

uittekrygen,unytmen cenige Hukken van dat

zout, in een pot met fchoon zoetwater; en

als het daar eenigen tyd in gedaan heeft - dan

fmelt het zout, en mengt zig, zoowdalsde

flib en vuiligheid, met dat water. Waar lang*

zaamer hand zakken de flib en vuiligheid , die

zig niet zoo wel als het zout, met het water,

vermengen kunnen, op den grond van den

pot neer, en dan blyft het water wel zout,

maar is verder fchoon.Wanneer het nufeboon

is, en al 't vuil wel naar den grond is gezonken,

giet men het voorzigtig, in een anderen

pot, over, zoo dat alle de vuiligheid, ouder

in den eerden pot blyft liggen, en men, in den

tweeden pot, niets dan fchoon zout water

heeft. Daarna zet men dat fchoone zoute water

, op 'i vuur,tekooken;en dan dampt al het

water weer in rook weg, maar het zout valt,in

fchoone witte korreltjes, op den bodem van't

vat neer. Wil men 't zout nog witter hebben ,

dan laat men 't fchoone zoute water, eer men

't kookt, door eenige dikke, vafle, wolle- dof,

als zelfkant van laaken b. v.loopen , en dan

blyft de vuiligheid, die'ernogin mogtzyn,op

dat ftof liggen. Nu zie je klaar, uit deeze wy ze

van 't zout te maaken en te zuiveren , dat

ais


16 I. AFDEELING.

als 'er, uit zout water, damp opryst,het zuivere

water alleen in de hoogte vliegt; maar het

zout zig altyd van 'i water, eer 't zelve opryst,,

affcheidt, en liggen blyft; en dit is de reede,

waarom de dampen, die geduurig, uit de

zee, opryzen.geen zout, maar zoet water

geeven,

I I I.

Verfchrik niemand.

Foei! Wimpje; dat zyn flegte grapjes.

Ik bid het u, ei laat dat ftaan l

Zeg, waarom zoudt ge Jan verfchrikken?

Hy heeft u nimmer kwaad gedaan.

Hy raakte, door zulk dwaaslyk fpeelen ,

Misfchien zyn ganfchen leevens • tyd ,

( Bedenk eens wat ge zoudtbedryven!)

Zyn lichaams kragt en welvaart kwyt.

De Broederliefde,

O! "Wat heeft de broedermin ,

Voor ons, veel vermaakeu in!

Zoo als ik en Gerrit leeven

Is het leeven regt veel waard!

Altoos vreedzaam en bedaard,

Door geen haat of nyd gedreeven ,

Is dat een van beiden doet

Ook den and'ren altoos goed.

Heek


I. AFDEELING. i?

Heeft myn broeder Gerrit lust

Om te fpeelen; ik tot rust,

Laat ik maar het miufte blyken ,

Dat ik, niet gezin ! tot fpel,

Liever leer, het is hem vel.

En in plaats van ftuurtch te kyken ,

Krygt hy boeken en zwygt ftil,

Dus wil Gerrit, zoo ik wil.

Ben ik weer tot fpel gezind,

Als hy daar geen' vreugde in vindt,

En zyn lesfen liefst wil leeren ,

'k Zal dat ook niet tegen gaan,

'r Speelen is dan afgedaan.

Wat hy dan ook zal begeeren,

't Spel of boeken, ik ben reê,

Zoo hy wil, zoo wil ik meê.

• I V.

Moeder. Zie eens Pauline, daar is je

pop, die heeft armen, en beenen, en.een

hooft, en een neus, en eene mond, zoo

wel als jy; is dan je pop niet net het zelfde

alsjybent; of denk je,dat je nog iets anders

bent, dan je pop.

Pauline. Wel Mama,my dunkt,dat ik

nog iets anders ben.

M. En waarom dat, welk onderfcheid

is


i8 I. AFDEELING.

is'er dan tusfchen jou en je pop? Wat kun

jy, by voorbeeld, doen, dat je pop niet

ka n doen.'

P. Wel zie eens Mama, ik kan immers

myne hand opligten,en ik kan loopen en fprin-

gen ,„dat kan de pop tog niet doen.

M. Daar heb je gelyk in. lykuntjebe-

weegen, en dat kan de pop niet. Maar heb

je broertjes wagentje niet zien vooitrollen?

Dat beweegt zig dan evenwel ook.

P. Ja Mama, dat geloof ik wel, als Han-

na]het voorttrekt , of van zig affloot, dan

rolt het weg. Maar my hoeft tog niemand

voort te trekken, or weg te flooten. Zie maar

eens, hoe ik alken loopen en fprmgen kan!

M. Daar heb je weer gelyk in. De wagen

en de pop kunnen zig niet zelfbeweegsn, een

ander moet ze draagen, trekken, of voort-

ftooten; maar jy kunt je zelf beviel gen, net

zoo als je wilt. Je kunt ftaan, ofgaan, of

loopen, of weer gaan zitten , net zooalsje't

goed vindt. Je kunt je handen, je voeten,

je tong gebruiken, net zoo alshet je belieft.

— Maar Pauline, Broertje kan noch fpreeken,

noch loopen, noch fpringen; Broertje moet

zoo wel gedraagen worden als de pop 5 is die

dan


t AFDEELING. 19

dan ten minften, niet net het zelfde als de pop.

P Wel Mama; — Broertje kan tog ten

minften zyne hand opligten, en wyzen; —

zoo groot zal 't kindje voorden', — en dat

kan de pop immers niet doen.

M. Zeer wel; Broertje is derhalven ook

iets anders dan de pop. MaarPauiine,

hoe weet je nu, dat broertje dat alles kan

doen?

P. Wel, lieve Mama! ik heb het immers

zoo dikwilsgeziÊW.

M. Waar hei» je dat meegezien Pauline?

P, Wel met myne oogen, Mama!

M, Regtzoo. Maar zo je nu geene oo­

gen bad, zou je het dan wel kunnen zienf

P. Neen Mama.

M. En zou je dan wel weeten kunnen, of

broertje dat kon doen of niet?

P. Neen Mama, dat zou ik dan niet kun­

nen weeten.

ld. En zou je wel ergens van weeten kun-

kun, zo je geene oogen had? Zou je dan,

by voorbeeld, wel kunnen weeten , wat 'ei

rondom je omgaat.

P, Neen Mama, dat geloof ik niet; HMÜ

dan zou ik weezen, net zoo als 's cagts.,

wan-


I. AFDEELING.


22 I. A F D E E L I N G .

riette is, die je daar goeden dagt zegt?

p, Wel Mama om dat ik hei hoor. Ik ken

Henriet te's flem wel.

M. Zeer wel j en dat is dan weêr iets

nieuws, want je weet dat nu niet, omdatje

'tgezien, gevoeld, ofgerooken, maar om dat

je 't gehoord hebt. Dus zy u 'er nu al vier wyzen,

of muidelen, waar door je iets weeten

kum;he' Gezigt, bet Gevoel, tieReuk, en't

Gehoor. —— Maar doe nuje mond eens open.

Wat Heek ik'er nu in?

P. ü Mama, dat is lekker J dat is aalbes-

fen gely.

M Hoe weetje , f

dat dat aalbesfen-gely is?

P. Wel Mama, dat kan ik zeer wel proeven,

dat beeft net den fmaak van aalbesfen-gely,

M. Het is ook aalbesfen-gely. — Maar

dat is dan eene vyrde wys,'waar op je iets weeten

kunt. Zou je ze me nu alle vyf wel kunsien

opnoemen, of wil ik 't eens doen?

P. Als 't je belieft Mama.

ili. Het Gezigt, het Gsveel, de Reuk,

liet Gehoor, en ce Smaak. —- En deeze vyf

middelen, waar door men iets weeten, of zoo

als men 't noemt, ontwaar worden kat), h'tet

men de vyf Zinnen. Maar nu zal ik je den

doek weer van de oogen doen, P-


I. AFDEELING. iy

M. Als 't je belieft Mama.

p, QDendosk afdoende.) Zoo, nu kun

je weer zien. — Maar Pauline, kan je pop nu

wel ook, zoo als jy, iets zien, of voelen , of

ruiken, oïhooren, of/maaken"? (

P. Neen Mama, dat kan zy niet.

Af. Dit is dan nu , in deezen opzigte ,bet

onderrcheid, tusfchenjou en je pop, dat jy

je zelf beweegen kunt, dat jy kunt 7ten en

voelen, en ruiken, en hooren , erfmaaken t

maar dat je pop niets van dat alles doen kan.

Is't niet zoo?

P. Ja wel Mama.

M. Nu, al wie zig zelf beweegen, en

zkn, tn voelen, en ruiken, enhooren , en

fmaaken kan » die fee/ï, of is leevendig Dus

beu jy leevendig, om dat jy dat alles doen

kunt;(*>uaar i e

popis niet Zeeyeradzg,omdat

(*) Maar de blindeman, leeft die dan niet,

wyl 'er onder't hier opgenoemde iets is, naam-

lyk het zien; dat by niet meer doen kan? - —.

Hy leeft voorzeeker, om dat hy zig zelf bewee­

gen kan, 't welk de ecrlte envoornaameblyk

van'tleeven, delioofdeigenfchapderleeve;!


24 I- AFDEELING.

zy niets, van dat alles kan doen. —-— Maar de

dieren nu, de honden, de paarden, de vo­

gels &c. zyn die leevendig of niet ?

P. Wel Mama, ik geloof ja, dat ze lee~

vendig zyn.

M. Daar heb je ook gelyk in; want de

poes kan zig zoo wel zelf beweegen als Pau­

line Zy kan zelfs veel harder loopen, en

veel hooger fpringen dan jy; niet waar?

P. Ja Mama, dat kan zy tog.

M. En als je agter haar aan komt gaan, en

je klapt in de handen, kan zy dat dan hoor en,

of niet?

P. Ja wel zeeker kan zy dat hooren Mama,

want zy loopt dan aanftonds weg.

M. En wanneer je ze van a gieren met een

ftok aanraakt?

P. Ja dan loopt zy nog fchielyker weg.

kiger dan dat van anderen, om dat hy niet kaft

zien. En indien hy 'er doof by was, zou zyn lee­

ven nog veel gebrekkiger zyn. En indien hy

ook van de drie overige zinnen was beroofd, zou

't'een allergebrekkigst/eev* •: zyn; fchoon even-

wel[nog een leeven, zoo lang hem de zelf bewe­

ging overbleef.


I. AFDEELING. 25

Af. Dus kan zy den ftok ook voelen. ——

En wanneer je haar den ftok maar van verre

wyst ?

P. Dan loopt ze ook al weg.

Af. Zy kan derhalven den ftok ook zien.

En zoo is 't met de honden, de paarden, de

vogelen , en alle de heeften even eens. Zy

kunnen zig zelf beweegen, net zoo als zy willen

; zy kunnen zien, voelen, ruiken, horen

, en fmaaken, zoo wel als wy;en dus zyn

zy ook zoo wel als wy levendig, en hebben

zoo wel als wy vyf zinnen. Maar de pop,

die niets van dat alles kan, en niets van dat

alles heeft, die is niet leevendig. 'mmmm En de

tafel, is die leevendig ?

P. Neen Mama, die kan zig ook niet bewegen

, en die kan niet zien, en niet voelen.

M Dat heb je regt j,de tafel is niet leeven'

dig. — En die fteenën, die daar ginder, op

een hoop, teegen den muur, liggen,kunnen

zig die beweegen, of zien, of hooren ?

P. Neen Mama.

M. Dus zyn die dan ook nktlevendig. En

even zoois't met de huizen , en methethuisraad,

en met je fpeelgoed, en met alles wat

je rondom je ziet, behalven de menfchen en

B de


z6 I. AFDEELING.

de heeften. De menfchen en de beeden zyn

eigenttyk alleen levendig; maar al liet overige

knktleevendig, (*) maar leevenhos.

V.

Doortje, die, even als haare broêrtjes, zusjes,

en andere fpeelmakkertjes, tot nu toe,

niets dan linne jurken , en Ieêre fchoenen, en

't hair, in losfe krullen , om 'thoofd, hangende

gedraagen had , kwam eens, in gezelfchap

, met eenige andere kinderen, die als

Dames gekleed enlgekapt waren,en vcndtdat

zoo fraai, dat zy brandde, om voortaan ook,

opdiewyze , gekleed te gaan.

Zo als zy t'huiskwam, zei zy, teegenhaaren

Vader; o myn lieve Papa! ik bidt je!

laat my ook een zyde tabbertje en zyde fchoe- -

Hen maaken, zoo als die andere kinderen

droegen, daar ik van daag mede in gezelfchap

geweest ben, en laatmy, even als zy, met

eene hooge muts, gekapt gaan. — Indien je

daar vermaak in vindt, antwoordde de Vader,

wil ik dat wel doen, maar ik vrees, dat het je

(*•) Vanhetü«y«Mderplanten,'twelk,ineen

meer oneigentlyken zin, dus genaamd wordt,

zal , in't vervolg, gefprooken worden.


L AFDEELING. 27

gaauw berouwen zal. — Oneen, myn lieve

Papa.' zei Doortje geheel verblyd, je moest

eens gezienhebben, hoe mooi alle die kinderen

'er uitzagen ,• het was een plaifierom te

zienEn, ik bidt je myn lieve Papa / waarom

tog zoumy dat haast berouwen 3 — Wel,hervatte

de Vader, om dat je je dan veel ftiller

zult moeten houden,en'er altoos om denken ,

om je mooie kleêi en niet te bemorsfen, ofte

fcheuren , want zulke kleêren kan men niet in

dewafchdoen, zoo als je jurken ; en zy kosten

te veel geld,om'er dikwils nieuwen te koopen.

Ook zul je dan altyd wel moeten oppasfen,

om je hair niet uit zyn fatiben te brengen,

want als men, zoo als de Dames, in't

hair, of, met eene hooge muts, netjes gekapt

is, dan ftaat het belachlyk, wanneer'er

hier of daar eene losfe vlok byj hangt. — O

daar zal ik wel oppasfen, myn lieve Papa ƒ zei

Doortje weer, geef my maar zulke kleêren,ik

zal wel voorzigtig zyn, en zal wel maaken

dat zy niet bederven. M 'T is wel dan, zei

Papa, wy zullen zien hoe 't uitvalt. En hy

liet een fraayen opfchik voor Doortje maaken;

en bedelde den pruikenmaker, teegen den dag,

waarop 't alles klaar zou zyn; ennooideook

B a ee-


23 L AFDEELING.

«enigen vanDoortjes gewoone fpeelmakkcrtjes,

om dien dag met haar te kernen eeten.

Toen deeze zoo gewenfehte dag gekomen

was, kwam eerst de pruikemaaker aanzetten,

en nam Doortjes hoofd, dat nog nooit gekapt

was geweest, onder handen, lei haar braaf

papillotten in 't hair, en kapte ze naar de eerste

mode. Daar zulks nu aan Doortje nog noot

gebeurd was , vondt zy 't heel aardig, en

heelde zig in, nu eene groote Dame te zyn.

Somtydsdeedt de pruikemaaker haar wel eens

braaf zeer aan 't hoofd, door te fterk aan de

hairen te trekken, en 't verveelde baar ook

zoo lang te moeten flil zitten; maar daar't nu

nog een nieuwtje was , nam zy met dit alles

geduld.

Zoo drazy gekapt was, trok men haarde

mooie kleêren aan, en toenfprongzyop van

vreugde en kon zig niet verzadigen , met haar

zeiven en alle die mooie kleeren te bekyken.

Aan tafel kon zy naauwlyks eeten, zoo was

zyjmet'.haareniOpfchik, in genomen, en had

ook zoo veel op te pasfen ; wyl zy nu eens gevaar

liep, met haare manchetten, over een

bord of fchootel, te fleepen; en dan weer bang

was, dat de knegt iets op haaren tabbert Horten


L. AFDEELING. 2?

ten mogt. Zoo als zy hem maar van verre zag

aankomen ,keekzy hem al angftig tegemoet;

— Voorzigtigtogjau-! voorzigtig.'zeize, en

kroopj zoo digt teegen haar zusje aan, alszy

maar kon;maar dan kreukte zy haaren tabberr,

of haarë manchetten weer, en dat fpeet haar

geweldig. Het fcheelde zelfs eens weinig,

of zy begon 'er om te huilen , dat 'er een kwaade

plooi in gekomen was. Maar haar zusje

lachte haar zoodanig uit, datzy ziginhieldt.

Na den eeten ging zy wandelen , met haare

broertjes, zusjes en andere fpeelmakkertjes y

die allen hunne gewoone kleêren aan hadden.

Terwyl zy over het dorp gingen, was Doortje

geheel uit haar zei ven van vreugd, daar zy

zag, hoe een ieder haar aankeek, en haare

kleêren zoo mooi vondt. Maar 't fpeet baar

tog, dat zy hier en daar hoorde zeggen; Ei !

ei! zie onze Doore eens flyfgeworden zyn!

Zy houdt zig als een kermis pop, die men te

kyk brengt, en ziet onskwalyk aan, zoo iszy,

met haarenopfchik, ingenoomen; wat

de mooie kleêren tog doen / — Maar wanneer

zy dan een ander weer hoordezeggen; datis

een koftelyke tabbert! dan was zy't voorige 1

weer vergeeten, en zwom in vreugde.

B 3 Bui-


3o I. AFDEELING.

Buiten het dorp, aan eene wei, gekomen,

die met bloemen bedekt was,en daar de mooifle

kapelletjes, in meenigte, rond vloogen,gingen

haare fpeelmakkertjes terftond de wei in,

plukten bloemen, liepen de kapelletjes na,

om ze te vangen, en fprongen braaf herom,

op't gras. Doortje wilde, als naar gewoonte

mee-doen, maar men waarfcbuwde haar,

dat het gras nat, en de ingang van de wei flikkerig

was, zoo dat zy haare zyde fchoenen,

en mooien tabbert, in eens zou bederven. Zy

moest derhalven,opden weg, blyvenwagten,

tot dat de overigen, met bloemen plukken

en herom fpringen , gedaan hadden. Dit

fpeet haar zeer; maar gelukkig hadden de

overigen de vriendlykheid, voor haar, van 't

niet lang te maaken.

Zy moeiten nu een klein bofch door , en

daar bleef Doortje al ras agter, wyl zyvoor»

zigtig gaan moest, om haaren tabbert niet vuil

te maaken, teegen de ftruiken, en niet hier of

daar, met haare zyde fchoeneis, in'tnat te

trappen. De overige kinderen ondertusfchen

liepen en huppelden vrolyk vooruit; toenzy

eensklaps om hnlp hoorden roepen.Zy liepen

tcrftond te rug, en vonden de goede Doore,

met


I. A F D E E L I N G . 31

rnet haare hooge muts, ineeneu nederhangendentak,

vastgeraakt. Zy durfde geen voet

verzetten, nocheenigebeweeging doen ; uit

vrees van de gaze poffen, boven op haare

muts, te fcheuren.en maakte dus eene vry belachlyke

vertooning. Men maakte ze voorzigtig

los, maar kon niet beletten., dat de muts

'er merklyk by leedt, en ook het kapfelvry

wat uit een raakte. —— Daar by begon zy

nu te blaagen, dat het ftyvebalynekeurslyf,

't welk men haar, om den tabbert netjes te

djcn zitten, iu plaats van'tgewoone llappe

keurslyf van touw,had aangedaan, haar zoodanig

knelde , dat zy haare fpeelmakkertjes

niet langer volgen kon. Zy wenfchte dus

dat men weêr naar huis mogt gaan; dan daalde

overigen zig eene veel langer wandeling

voorgefteld hadden, konden zy daar zoo terftond

niet toe befluiten. Zy kwamen egter

overeen, om het, op een accoordje te gooi.

en. Doortje zou, op een bankje, dat daar digt

by ftondt, en 't welk eerst wel fchoon gemaakt

werdt, blyven zitten, onderwyl dat de overigen

maar eens het bofch zouden rond wandelen,

en haar dan weerkomen haaien, om

famen naar huis te gaan.

B 4 Dit


32 ï. AFDEELING.

Dit gefchiedde; maar de arme Doore begon

zig wel ras, op haar bankje, te verveelen ,

en dagtnu by haar zelve; Papa kon tog wel

gelyk gehad hebben, toenhy zeide, dat my

die opfchik ras berouwen zon. Ware ik nu

zoo als de overigen gekleed , dan hadde ik

meê, in de wei, geipeeld, en dan liep ik nu,

met de overigen het bofch rond, in plaats van

hier zoo in myne eenzaamheid te zitten. Het

is tog in de daad niet gemaklyk mooi opgefchikttezyn;

menzit'erzooflyfin , en men

kan niets meê doen! Had ik dien opfchik

maar liever niet gevraagd!——Maardat zou

tog ook jammer zyn, want het is alles zoo

mooi;—evenwel wat heb ik'er aan, als ik

'er my om verveelen moet?

Terwyl Doore dus by haar zelve, voor en

teegen, den opfchik, pleitte, kwamen haare

makkertjes zeer hard aanloopen, en riepen

haar al van verre toe; fchielyk Doore! fchielyk

naar huis! daar komt eene zwaare reegenbui

op; zo je die op't lyf krygt, dan is al

je mooie goed bedorven. Doortje Mondt

op en ging aan 't loopen; doch daar haar ftyve

keurslyf haar hoe langer hoe meer verveelde,

waren de anderen haar al ras voorby. Haar

oud-


I. AFDEELING. 33

oudfte broertje evenwel hadmidelydenmet

haar, en gaf haar een arm } om haar te helpen.

Ook bragt hy ze nog even voor den reegen

t'huis ; maar een van haare mooie zyde

fchoentjes was, in't flyk, blyven fleeken;

en zy moest nu, by haare mooie kleêren , pen

paar gemeene leêrelchoenen aan doen, die 'er

wonder by afifaaken.

Zy was tog b!y, dat 'er verder niets bedorven

was. — Maar nu ging men, om't overige

van den avond door te brengen, blindemannetje

fpeelen; en daar by raakte de arme

Doore weer bedroefd in 't naauw. — O

pas opj kreuk myn tabbert niet! riep zy,

teegen den een. — Scheur myne manchette

niet! riep zy,tegen den blindeman, die haar

vangen wilde. Zy was, da ar door,en ook door

haaren opfchik,terftond b ekend,en had nu,op

haare beurt, moeten geblind worden; maar

daar toe was zy niet te beweegen; haare muts

en kapfel zouden 'er geheel door bedorven

zyn , en zy moest 'er uitfcheiden, en in een

hoekje gaan ftaan toekyken.

Na dat de overigen nog eenigen tyd gefpeeld

hadden, gingen zy allen tefamen aan

eene ronde tafel zitten, om Chocolade te

II. teel. B 5 drin-


34 L AFDEELING.

drinken; en hier kwam onze arme Doore

nog eeist het ergfte ongeval van dengeheelen

dag over. De meid ftortte, by ongeluk, een

vol kopje chocolade, over haar en haar nigtjes

jyf, dathetftroomde- Dat is niets! zei haar

nigtje, myne jurk fteek ik morgen, in de

wafch, en dan is zy weer helder. — Maar

myn arme tabbert, zei Doore zeer droevig,

die is nu geheel bedorven! Wat raad nu? en

zy begon te fchreien.

Zal ik je morgen een anderen zy den tabbert

laaten maaken? vroeg haar Vader, die, e ven

re vooren, in de kamer, gekomen was.—

O Neen! Neen! myn lieve Papa, zei Doore,

nooit weer ƒ nooit weer! Mag ik morgen myn

hair weer in 't rond laaten hangen, en myne

voorige kleederen weer aan doen? — Zeer

gaarne, zei de Vader; deezen tabbert ondertusfchen

kun je, in je kamer, aan den kapftok

hangen; en zoo dikwilsals je weer lust krygt,

om opgefchikt te zyn, gaa hem dan maar eens

bekyken. Dan zal hy je al 't plaifier herinneren,

dat de opfchik je van daag bezorgd heeft,

en dan geloof ik, dat je 'er voor lang van zult

geneezen zyn.

VI.


ger.

I. A F D E E L I N G . 35

V ï.

Emilie. Mama, myn vogeltje heeft hon­

Moeder. {Aan hxar bureau zittende te

fcbryven.) Wel geef hem te eeten, je hebt

alles, wat 'er toe nodig is.

E. Ja Mama, rnaar hy wil niet eeten.

M. Dat komt dat hy droevig is.

E. En waarom is'hy droevig?

ik/. Om dat hy ongelukkig is.

E. Ongelukkig! o jammer! myn zoet,

lief vogeltje l — En waarom is het ongelukkig

?

M. Om dat je *t niet weet te bezorgen

en te voeden, en vooral om dat het in eene

gevangenis zit.

E. In eene gevangenis?

M. Wel zeeker. Indien ik je eens, in

een zeer klein kamertje,oplloot, zonderje 'er

ooit uit te laateu, zou je dan gelukkig zyn?

[ E. Myn arm, lief vogeltje!

M. J a, jy bent het zelf, die het ongeluk?

kïg maakt.

E. Ik Mama?

M, Oordeel maar zelf, Dit Vogeltje

B 6" leef*


36 I. AFDEELING.

leefde eerst.in 'truime veld, daar heldoor

bosfchen en tuinen, vloog,en kwinkeleerde,

en zig vrolyk maakte. En nu heb je 't, in

een klein kooitje,opgeflooten, waarin'tzig

naauwlyks roeren kan. — Zieeens,hoe angftig

het heen en weer vliegt, en teegen de

traliën iparteit.' Indien't arme diertje fchreien

kon, 'tzouzeeker fchreien.

E, {Het vogeltje, uit de kooi, haaiende)

Arm, klein vogeltje! — Mama , 't venfter

is open, — zal ik 't in vryheid zetten?

M. Zoo als je wilt, myn lieve kind !

Wat my betreft, ik heb nooit vogeltjes, in

v u , ! ; c n

KCC:. !\ l&'&uï*; óm uat ïic gaarne zie,

dat alles , wat my omringd,gelukkig zy,

E, Wel ik wil even goedhartig als myne

lieve Mama zyn, {iaat Schoorvoetende^) Ik

zal hem laaten wegvliegen. —Zal ik Mama?

M. Net zoo als je wilt, myn lieve

kind.'

£, Wagt,ik zal hem eerst wat eeten

geeven. — OMamal zie, hy eet! hy eet!

M. Wel ik ben 'er blyiom, wyl 't j e plak

fier doet.

E. Hy eet! ik kan hem opvoeden! —

O


I. AFDEELING. 37

O lief! lief vogeltje! (zy geeft het een zoen)

wat is het mooi! — OzieMama,hetftreeit

my ook! Dat is een lief diertje! (Zyzettet

Jchielyk weer in de hoi, zit ingedagten en

zugt, en ziet wel haast weer het vogeltje,

teegen de traliën, fpartelen.)

M, (Het vogeltje. met medelyden, aanziende.)

Arm, ongelukkig diertje!

E. (Met traanen' in de oogen.) Ach!

lieve Mama! — (Zy neemt het weer uit de

kooi.) Wil ik het niet maar liever laaten vliegen

? —

M. (foortfcbryvende en zonder haar aan

te ziêTi-j Zoo als je wilt Emilie.

E. (Naar 't venlier gaande.) Allerliefst

diertje J — (Zy komt fchreiende te r«gO Mama!—

ik kan niet.

M. Wel nu kind! hou het dan. Dit

vogeltje,even als alle de dieren, begrypt niet,^

hoe wreed het van jou gehandeld is, dat je

hem dus, om het gering vermaak 't welk jy

'ervan hebben kunt, van al zyn geluk beroofd.

Het zal daarom ook geene haat

teegen je voelen. Maar het is des niet te

min aeex ongelukkig, en 't zal nooitverge-

B 7 noegd


33 I. A F D E E L I N G. .

noegd zyn, zoo lang 't niet weer in vryheid

is. Ik voor my zou niet het geringde diert­

je van zyn geluk berooven willen, indien

het geen kwaad deedt.

E. Kom Mama, ik zal de kooi, op 't

venfter, en open zetten.

M. Daar kun je van doen wat je wilt.

Maar ftoor my nu niet meer,in 'tfchryven,

want je houdt my te lang op.

E, (Haare moeder de hand zoenende, en

naar de kooi gaande ) Lief! lief vogeltjel

(Zy Jchreit; — na een weinig overdenking,

zet zy de kooi,op 't venfter, ziet het vogeltje

vrolyk weg vliegen, en komt zeer rood en met

traanen in de oogen te mg.) Mama, 't is

gedaan.' Ik heb het vogeltje in vryheid ge­

field!

M. CHaar omhelzende.) Wel myne

lieve Emilie, je hebt eene goede daad ge­

daan , en om dewelke ik je nog veel meer

bemin , dan te vooren.

E. O myne lieve Mama! hoe wel ben

ik 'er dan over beloond!

M. Dat zul je altoos zyn, zoo dikwils als

je iets zult opofferei^omwWtetfpera. Daar

by,


L A F D E E L I N G . 39

by,deeze opofferingen zyn.alleen in 't voor-

uitzigr, moeilyk. Zoo ras men ze gedaan

beeft, voelt men 'er zulk een genoegen en

vreugde over, dat men terftond bly is,

van ze te hebben gedaan. B. v.jefchrei-

de, op 'toogenblikjdatjehetbefluitnaamt,

om je vogeltje in vryheid te zetten,

maar fpyt het je nu , dat je 't gedaan

hebt V

E. Neen Mama, ik had iets zwaars op

*t hart, zoo lang ik het daar zoo droevig

zag fpartelen ; maar dat pak werdt my als

afgeligt, zoo ras ik het weer zoo vrolyk

en zingende, over den tuin, zag vliegen.

Daar by ben ik ook zoo bly, van wel te

hebben gedaan, en daar door nog meer de"

geneegenheid van myne lieve Mama te heb»

ben gewonnen.

M, Wel myn lieve kind, vergeet dat

nooit; en wanneer het je eens zal moeite

kollen, om tot eenige goede daad te be-

fluiten, denk dan om 't vogeltje, en wees

verzeekerd,dat 'er gene opoffering is, waar

voor het genoegen van ixel te hebben ge-

daan, en de liefde en agting der geenen,

die


4o I. AFDEELING.

die wy beminnen te hebben gewonnen, ons

niet overvloedig beloonen kan.

V i f.

Pauline. Mama, zie 'er dat hier, in nigtjes

kamer, eens uitzien!Zie! daaris'tglas

van den fpiegel aan ftuk —enhier, by het

tafeltje, ligt een heelen boel gebrookeporcelein;

wie of daar tog zoo mag huis gehouden

hebben ?

Moeder. Ik weet het niet, Pauline. Maar

dat ziet 'er tog jammerlyk uir.—Ik zal de meid

eens roepen, en't haar vraagen. — Steintje!

Sterntje. Wat belieft je Mevrouw ?

M. Wat is hier tog gebeurd Steintje?

Zie 'er dat eens uitzien.

S. (Perleegen.) Mevrouw, — 't is,

— ik durf 't niet zeggen —

M. Nu, nu, fpreek maar uit; het ligt

'er nu tog toe. — Heb jy 't gedaan?

S. Och neen Mevrouw! dan zou ik't wel

ten eerften bekennen. — Maar 't is, — \

istog ook wel eene onvoorzigtigheid van my,

die 'ergeleegenheid toe gegeeven heeft, maar

waarlyk Mevrouw,'t was een ongeluk.

M. Wel nu Steintje, zeg dan maar, wat je

gedaan hebt. e


L A F'D E E L I N G. 41

S. Mevrouw, terwyl de Juffrouw daar zar

thee te drinken ,;wilde ik 't goed, op 't kaptafeltje,

onder den fpiegel, aan een kant fchikken.

En ik weet waarlyk niet, hoe 't gebeurd

is,maar ik moet,by ongeluk, aan 'tmooie

bloempotje geftcoten hebben, dat de juffrouw

gifteren gekogt heeft, en daar een tip van den

handdoek over heen lag,'zoo dat ik het niet

zien kon ,• althans het bloempotje viel van de

tafel en brak aan ftukken.

M. Zoo! dan zal de juffrouw je wel onthaald

hebben, want zy was 'er .zoo meê in

haar fchik.

S. Ja Mevrouw, zy voer bedroefd teegen

my uit, en keef, en raasde zoo, dat ik my niet

wist te bergen. In 't begin antwoordde ik

haar niets; maar op 't laatst kon ik my tog niet

beletten', teegen haar te zeggen; maar

juffrouw, ik wist niet dat daar een bloempotje

ftondt, en je had 'er den handdoek ook, met

een tip, over heen gegooid. — Wat, zei ze,

jou impertinente feeks! zul je nog zeggen, dat

het mynefchuldis? en met een greep zy

den boe fleutels, die by haar, op 't ronde thee»

tafeltje lag, en dreigde 'ermymee\ Maar,

doordeeze beweeging, ftietzyhettheetafelt-

J>


42 I. A F D E|E L I N G.

je om ver, en al het theegoed viel aan ftukken,

op den vloer. Toen werd zy nog veel boozer,

en fmeetmy, metdeileutels, naar't hoofd.

Gelukkig evenwel bukte iknogbytyds, en

toen vloogen de fleutels in den fpiegel, en

deeden'er't glas,in duizend ftukken, uit vallen.

M. Zoo, toen had de juffrouw zig wel

geweerd! En wat zei ze toen ?

S, Ja Mevrouw, dat weet ik niet; ik

pakte my zoo fchielyk uit de kamer weg, als

ik maar kon. In 'teerfte oogen blik wilde ik

naar Mevrouw toe gaan, en haar over de juffrouw

klaagen, en myn ontflag verzoeken,

uit den dienst. Maar daar na heb ik my weer

bedagt. De juffrouw is anders tog zoo goedhartig

l 't is waarlyk jammer dat zy zoo oploopende

is. ,

M. Ja dat is het tog, dat bederft haar geheel

en al; en met het befte hart van de waareld,

zal zy nog eens den eeneu ofanderen

een groot ongeluk aanbrengen, indien zy zoo

voort gaat. Maar ik zal evenwel maaken, dat

zy dit geval zal onthouden. Het porcelein

was haar eigen, daar mag zy voor zorgen, ik

zal 'er haar geen ander, in de plaats, geven;

maar 't fpiegelglas zal zy my, zonder genade,

uit


I. A F D E E L I N G . 43

uit haar zakgeld, betaalen; en daar het *eer

groot en mooi was, zal haare beursdklang

heugen, en zy tyd hebben,om te.voelen, wat

men, door zulke oploopendheeden, wint. —

Daar by verbiede ik je, Steintje, van haar den

minften dienst te doen, voor dat zy 't je, in

myne teegenwoordigheid, zeer vriendlyk is

komen verzoeken, onder belofte,van zig nooit

weer zoo teegen je te buiten te gaan,als zy nu

gedaan heeft,

S. O Mevrouw, dat hoeft niet; m— dat

zal zig wel fchikken; Zy zal zig,uit haar

zelve, wel bedenken; ik ben 'er te

vrecde meê.

M. Ik niet. Zy moet leeren, dat zyjoil,

net zoo mm als iemand anders, mishandelen

mag, — Ik zou je zelf, uit je dienst moeten

laaten gaan, indien je niet deedt het geen ik je

nu zeg. Want de juffrouw moet hier, in

myn huis, niet bedorven worden. Dat zou

ik aan haare moeder, diezemy, vooreenigc

jaaren, heeft toevertrouwd, niet kunnen verantwoorden,

«••» Maar daar komt zy zelf aan.

Wel Nigtje

Lotje. (In haar Tantes armen hopende O

Och myne lieve Tante J ik weet het wel, —ik


44 I. AFDEELING.

ik verdien alles watje me zeggen kunt, *

ik verdien eene zwaare draf, —»Ik ben dwaas,

ik ben dol, als ik my zoo oploopend maak,


I. AFDEELING. 45

mishandeling gaarne betaalen zou, indien zy

te betaalen was. Maar zoo iets is, met geen

geld, goed te maaken. Ik ben evenwelbly,

datzy'er, uit haar zei ven, om gedagt heeft,

om je excuus te vragen , en je eenige vergoeding

te doen; ik zou'er haar anders nog eens

eene les over hebben moeten geeven. m

Maar nu zie ik, dat zy'. zelf wel yoelt, wat

zy gedaan heeft.

L. O ja, myne lieve TanteJ ik voel

't maar al te wel.

M. Nu dan zal ik 'er je ook niets meer over

zeggen; maar je, aanjeeigenadenken overlaaten,

-——-MaarPauline, fpiegeljyje daar

nu ondertusfchen aan, en zie'er uit, hoe 't

gaat, wanneer men ergens boos over wordt.

Wel verre van het, daardoor, te verhelpen,

brengt men zig zeiven, in de war, en voegt

'er gemeenlyk nog meer en veel erger kwaad

by. Daarom, zoo als je weer eens, by je zeiven,

voelt ,f dat je ergens boos overbegintte

worden, denk dan om den bos fleutels en 't

fpiegelglas, en gaa je oploopendheid, by 't

allereerfie oogenbük, teegen; eer je het eene

kwaad by 't andere voegt, en je misfchien vervoeren

laat, tot iets, datjejegeheele leeven

fpy


46 t. AFDEjELING.

fpyren zou. Gelyk het Nigtje Lotje, haar

geheele leeven lang, zou geipeetenhebben,

indien zy Steintje, met de fleutels,aan 't hoofd

geraakt, en haar, daar door, een ongeluk

toegebragt had,

VIII.

Beter weinig en goed.

Jan leert zoo veel als andren zes;

Hy vraagt altyd de grootfte les;

Nog zegt men, dat by kwalyk doet;

Waaroi»? hy kent ze nimmer goed.

Öf hy al veel en flordig leert,

Al is hy vlytig, 't is verkeerd.

Be gezondheid de grootfte fcbat.

Willem leeft in overvloed,

Want zyn Vader heeft vermoogen;

Hy wordt pragtig opgetoogen,

Schoon het hem veel nadeel doet.

Altyd ziet hy even bleek-;

Altyd hoort men 't knaapje klaagen;

Zelden kan hem iets bebaagen,

Want zyn maagje is van zyn ftreek.

Toen ik laatst eens by hem fiond,

Dagt ik z.ou ik u benyden?

Gy


I. AFDEELIN.G. 47

Gy moet, voor uw fmullen, tyden,

Eu ik ben altyd gezond.

* I X.

Moeder. Pauline doet je oogen eens toe,

en doe ze niet weer open, voor dat ik 't je zeg.

—— (Pauline doet de oogen toe,) goed zoo.

*— Denk nu eens om Hanna. Is 't nu

niet net als of je Hanna zaagt?

Pauline. Ja Mama.

M. Maar is 't ook als of je Hanna,

in je voet, zaagt?

P. (Laccbende;) wel neen Mama,

M. Is 't dan als of je ze, in je hand,

zaagt?

P. Neen Mama, ook al niet,

M. Maar is 't niet, als of je ze voor

je, of in je hoofd zaagt?

P. Ja Mama, zoo is 't ook.

M. Wel nu Pauline, wanneer het zoo

is, als of je Hanna voor je zaagt, terwylzy

'er even wel niet is, dan denk je om Hanna,dan

heb]zhttdenkbeeld, of'beeltenis van Hanna,

in je Hoofd. Doe nu de oogen weer

open. —

Maar Paulinc,zoo als je daar nu om Hanna,

gsdagt hebt, zoo kun je ook om broêrtje den*

ken,


48 L AFDEELING.

ken, ofomzuije, ofomdepop, cfomden

tuin, of om 'thuis van Groot-Mama, en dan

is het telkens net als of je broertje,ofzusje,of

de pop, of't huis van Groot-Mama, voorje

zaagt; niet waar?

P. Ja Mama zoo is 't ook. Maar Mama

moet ik daar dan de oogen om toe doen,

om aan Hanna, of broêrtje tekunnen denken?

M. Neen Pauline, dat hoeft niet, dat

heb ik je nu maar laaten doen, om dat het je

dan zoo veelte fierkerfchynt, net als of je de

dingen, waar om je denkt 3 voor je zaagt; en

dal je dus beeterzoudt opmerken, wat 'er eigentlykgefchiedt,wanneer

men denkt. Maar

je denkt anders eveneens, al heb je je oogen

open. Denk nu eens om broertje; dat kun je

immers doen, zonder de oogen toe te houden.

P. Ja Mama.

M. En denk nu eens om de tafel, beneeden

, in den eetzaal, Weetje me nu niet net

zoo wel te zeggen, hoe zy'er uit ziet, alsof

je ze voorje zaagt ? Is zy zwart, of wit ?

P. Neen Mama zy is bruin.

M. En is zy rond of vierkant?

P. Zyis rord Mama.

M. Zie je nu weh Om datje nu, om de

ta-


I. AFDEELING. 49

tafel denkt, weet je me net even goed te zeg

gen,hoe zy 'er uit ziet }als of je ze voorje zaagt.

- P. Dat is waar Mama.

M. En zoo is het altyd, als je ergens

om denkt.

X.

Een klein meisje, Kaatje genaamd, had de

kwaade gewoonte aangenoomen, van alles,

wat zy zag en hoorde, aan een ieder te gaan

over vertellen. En vooral wanneer zy wist,

dat men 'tgaarne wilde geheim houden, dan

brandde 't haar, zoo als men zegt, op de

tong, en zy had geen rust, voor dat zy'taan

een half dozyn haarer fpeelmakkertjes of bekenden

had verhaalt. Het ergfte nog was,

dat zy al 't kwaad, 't welk zy van anderen

hoorde zeggen,'al wist zy ook nietzeekerof

het waar was, of niet, aan al wie't maar hooren

wilde, bekend maakte; zonder daar by te

bedenken, hoe veel ongelyk zy daar door

kondoen,aan de menfchen, van wienzy dat

bekend maakte; en hoe veele onaangenaamheeden

zy hun, daar door, kon op den hals

haaien.

Doordeeze kwaade gewoonte, werdtKaatje

wel haast de plaag van alle de lieden, daar

C zy


5ö L AFDEELING.

zy mede omging; wylzy, overal, waarzy

kwam, door haar babbelen en over vertellenmisnoegdheid

, twist en tweedragt verwekte.

Zeer dikwils raakte twee van haare fpeelmakkertjes,

of zelfs twee lieden van meer

jaaren, famenaan'tkyven, over het kwaad,

dat Kaatje van den eenen aan den anderen verteld

had. En wanneer zydan, na lang kyven,

onderzogten, waar'tpraatje vandaan

kwam , dan was 't van juffrouw Kaatje afkomftig.

Zoo ras men deeze fout, by haar, ontdekt

had, wilde niemand meer met haar te doen

hebben; wyl een ieder bang was, door haar

gebabbel, met zyne befte vrienden, aan't

krakeelen te raaken. Niemand had haar lief,

niemand zogt haar gezelfchap. Men fcbuwde

ze in teegendeel, zoo veel men kon , als

een ge vaarlyk meisje. Overal waar zy kwam,

floot men de deur vóórhaar toe, of liet zeggen,

dat men belet had. En wanneer zy haare

fpeelmakkertjes, byhaar, nooide, kreeg

zy meeftendeels een weigerend antwoord.

Gelukkig evenwel begon zy nu te voelen,

hoefchaadlylf deeze kwaade gewoonte, voor

haar zeiven, was *, en daarom nam zy-wel

erns-


I. AFDEELING. 51

eindig voor, zig te beeteren; maar zy had

veel moeite,om dit goede voorneemen ter uitvoer

te brengen, Wanneer men zig eens aangewend

beeft , zoo alles over te babbelen ,

valt het zwygen zeer moeilyk. De zaak is

'er uit, eer men 'er om denkt. En al begint

men ook van andere dingen te praaten, dan

de geenen, die men zwygen moe 1

-, laat men

zig evenwel, onder 't praaten, 'er weer langfaamer

hand toe brengen, enzegr,eer men'er

om denkt, al het geen men voorgenomen had

te zwygen.

Kaatje moest dus geduurig op haare hoede

zyn. Zy moest 'er geduurig om denken, dat

zy dit of dat niet moest zeggen, en geduurig

oppasfen, dat zy zig geen woord ontvallen

liet, voor dat zy wel had overdagt, of zy 't

zonder zwarigheid zeggen kon. Dit

maakte haar nu ftilzwygende ,• en even daar

aan begon men te merken, dat zy zig van haare

kwaade gewoonte begon te ontdoen. Want

indien zy, even als te vooren,aan'tpraaten

gebleeven was, zou 't haaronmooglykzyn

geweest, genoeg op haare woorden te letten,

om nooit iets te zeggen , dan 't geen zy wel

zeggen mogt.

C a Ha»-


52 I. AFDEELING.

Haare Ouders begonnen nu haare fpeelmakkertjes

, een voor een, weer over te haaien

, om by haar te komen, wy! zy hun verzeekeren

konden, dat zy 't nu beeter zou

maaken, vermidszynuftilz'Wygendeen, in

't fpreeken, bedagtzaam geworden was. Het

duurdeevenwel nog zeer lang, eer zy't algemeen

vertrouwen, onder haare fpeelmakkertjes,

herwonnen had. Zeer lang nog bleef

men befchroomd, om haar een geheim te openbaaren;

en mistrouwde haar ook nog lang,

in 't geen zy van anderen eens vertelde,al was

*toök iets goeds.

Ten laatiten nogthans gelukte het haar de

kwaade gedagte;die men van haar had ,t'eene-

. maal uit te wisfehen en toen was 'er geen

menfeh, die de agterblap en babbelary zoo

zeer haatteen fchuwde, alsKaatje;wyl zy 'er

alle de kwaade gevolgen , zoo lang en zoo

fterk, byhaarzelvtn, van ondervonden had.

* X I.

Pauline. Mama wie blaast 'er nu tog

zoo, dat 'er zoo veel wind is?

Moeder. Niemand.

P. Wel hoe is 'er dan zoo veel wind,

Mama? Waar komt die wind dan van daan,

sis 'er niemand blaast?


L A F D E E L I N G * 53

M Dat kan ik je nog niet uitleggen Pauline

, je.weet dat'er nog veel is, datje nog niet

begrypen kunt; maar indien je wel wilt opZet-

Un, op't geen ik je van-tyd tot tyd leer,dan zul

je ook hoe langer hoe meer dingen kunnen begrypen;

en dan 'zal ik je ook kunnen uitleggen,waar

de wind-van daaa komt, als't waait.

P. Maar Mama , wat is dat opletten?

! M. Als Mama iets zegt, en Pauline naar

niets anders ziet cf hoort, en ook op niets anders

denkt, maar wel luiftert, naar 't geen

Mama zegt, en daar alleen om denkt,en zig

daar alleen meê beezig houdt ,dan let Pauline,

op 't geen Mama haar zegt - y dan is Pauline oplettend,

En dan kan zy ook eerst regt begrypen

en onthouden 't geen Mama haar leeren

wil.

Maar wanneer Pauline niet oplet, wanneer

zy naar iets anders hoort,of ziet, of om wat

anders denkt, en zig dus met wat anders bee­

zig houdt, dan hoort zy maar half't geenMa-

ma teegen haar zegt, en dan kan zy 't niet regt

begrypen, en nog veel minder onthouden. En

dan is 't ook onnut, dat Mama met haar

fpreéktjwant daar zy 't dan tog niet begrypr,of

het. ten minften terftond weer vergeet,,is 't

C 3 '

n e t


54 I. AFDEELING.

net als of Mama haar niets gezegthad. En

dan ware 't immers even goed gezweegen ?

P. Dat is waar Mama.

M. Maar weet je hoe men dat nog

meer hiet, als men wel oplet?

P. Neen Mama.

ikf.Dat hiet men ook aandagtigzyn.—Wees

dan altoos wel opleitend,en wel aandagtig ,

dan zul je gaauvv en gemaklyk leeren; in plaats

dat wanneer je niet oplet, en niet aandagtig

bent, dan kun je ook weinig vorderen. Men

moet je dan tienmaal het zelfde zeggen,

daar anders eens genoeg is.

Ook begryp je wel, Pauline, datdatzeer

laftig voor Mama zou zyn; en datje de moeite,

die zy neemt, om je te onderwyzen,

flegt zoudt beloonen, indien je haar nog aoo

veel meer moeite gaaft.j

P. Dat is ook waar Mama,

M. Ik zou'er ook gaauvv voorbedanken ,

en tëegen je zeggen, Juffrouw, zoo veel

moeite te neemen voorniets, dat lust my niet.

Wil jy niet opletten, blyf dan onkundig; 't

zal my fpyten, maar, 'tistogeigentlyk jou

zaak,"en jy zult 'er zelPt meest by verliezen,

P. Ik beloof je Mama, ik zal wel opletten

en wel aandagtig zyn. M»


Z A F D E E L I N G . 55

M. Wel dan zal 't my ook een vermaak

zyn, om je alle dag meer te leeren en te onderwyzen;

en dan zullen je vader en ik ons verheugen,

over de vorderingen, die je daag.

lykfch maaken zult Ook moet ik zeggen,dat ik

reeds vry wel voldaan ben , over[de oplettendheid

mlaandagt, die je tot nu toe reeds hebt

getoond; en dus moetje maar zoo voorgaan.

X I I.

Frans en zyn broedet Willem verzogten,op

zeekeren avond, van hun Vader, verlof,om

in den tuin te moogen gaan fpeelen; by ftondt

het hun toe, doch onder voorwaarde, dat zy

niet buiten den tuin zouden gaan-.

Zy gingen dusheen,en ipeelden 'er eenigen

tydin, en waarenzeervrolyk en vergenoegd-

Maar eindelyk zag Frans de agterdfeur van den

tuin open ftaan , en zei teegen zyn broeder;

kom jongen! willen wy eens in deeze bosfehen

gaan wandelen, daar is het zoo plaiflerig. —

Maar, antwoordde Willem, Papa heeft ons

immers verboden, buiten den tuin te gaan. —

O! hernam Frans, hy wou zeeker maar zeg

gen, dat wy niet, buiten't hek, voor op

ftraat, zouden gaan loopen , want dat weetje

verbiedt hy ons altyd: maar hieragterindïe

C 4 bos-


56 ï. AFDEELING.

bosfcben kunnen wy immers geen kwaad

Papa zei rog in den tuin blyven, zei Willem

weer; — maar wy kunnen 'er aanftonds weer

inkomen,• en dus liet hy zigoverhaalen

Ja, Ja antwoordde Frans, aanftonds komen

wy weer ,• en zoo gingen zy 't bofch in.

Zy liepen 'er braaf in herom, en verwyderden

zig hoe langer hoe meer van den tuin,zonder

op het te rug tekeerendenken,totdatzy

eindelyk zagen, dat het donker werdt.

Toen wilde zy weer naar huis, maar geen van

beiden kon den weg vinden; en zy zagen nu

te laat, dat zy geheel verdoold waren. Daarop

begonnen zy eerst bitter te fchreien en "te

klagen ; achj hadden wy tog maar naar Vader

geluifterd ! en waren in den tuin geblee»

ven! — Dat komt 'er nu van! — Waar zullen

wy nu van nagt blyven ? —• En wat zal Vader

zeggen, als hyons niet ziet t'huis komen? —

Maar alle deezeklagteu konden niets helpen.

Eindelyk, na nog lang te hebben rond gezworven,

begonnen zy te fchreeuwen, zoo

hard zy konden, op hoop dat iemand hen hooren

en weêrteregt brengen zou. Maar ook

dit zou te vergeefsch zyn geweest, indienzy

tig nu niet, by een gioot geluk, digterby

hui s


L . A F D E E L I N G . 57

huis bevonden hadden, dan zy zelfs wiften.

De Vader, die in den tuin was gegaan, om

hen op te zoeken; en daarna,de agterdeur open

vindende, in het bofch wasgetreeden,hoorde

hunne flem, ging'eropaf, enbragtzet'hnis.

Ziejenuwel, zei hy teegen hun, onderweeg,

zoo gaat het, als men geen agt flaat, op't geen

de ouders zeggen. Ik wist wel, dat je buiten

den tuin gaande, verdwaalenzoudt, en daarom

beval ik je'er in te blyven. —Nu durf ik je,

op een ander tyd, niet weer alleen in den tutu

laaten gaan', omdat ik niet .weet, of je mygehoorzaamen

zult,en 'er in blyven, of niet'

De Jongens Honden befchaamd te kyken,

hadden niets in te brengen, en 't duurde zeer

lang, eer zy weer verlof kreegen, om alleen,

in den tuin, te gaan.

Tweejongens liepen, om eenen appel, dien

zy van verre zagen liggen. Die 'er 't eerst by

is, zeiden zy teegen elkander, zal hem geheel

hebben. Dan kryg ik hem vast,zei

Frits, want ik loop harder dan jy. Ook

was hy.onder dit zeggen, zyn makker reeds

eenige flappen vooruit.

Maar wat gebeurde'er? TerwyJhy alleen

C5 °P


53 £ AFDEELING. .

op 't hardloopen bedagt,en het hoofd vooruit

fleekende, uit al zyn magt liep, zonder voor

zyne voeten te zien, ftruikelde| hy overeen

fteen, dien hy niet gemerkt had, en viel op

zyn neus. Dit gaf aan zyn makker tyd,om

voor uit te komen. En wie kreeg den appel

nu? Niet die 't hardst kon loopen, maardie

onder 't hard loopen, tog voorzigtig, voor zig,

keek, om te zien waar hy liep. —— Y ver is

alleen niet goed , hy moet door voorzigtigheid

bcfiierd worden.

* XII L

Pauline. Kyk Mama! dat is een mooi

voogeltje, dat daar ligt te flaapen.

Moeder. Dat vogeltje flaapt niet, Pauline.

De vogeltjes gaan nooit zoo uitgeftrekt,

op den grond , liggen, om te flaapen; maar

als zy flaapen willen , gaan zy op hunne pootjes

zitten, en houden 't kopje, onder den

Vlerk, bedekt.

P. Wat doet dat vogeltje dan Mama?

M. Gaa het maar eens opraapen, dan

zal ik 't je zeggen.

P, Maar Mama, als ik 'er by kom,

zal 't vogeltje immers wakker worden en

weg vliegen.


I AFDEELING. 59

M, Dat heeft geen nood; het vogeltje zal

niet wakker worden, en ook niet wegvliegen

, gaa jy 'er maar gerust naar toe.

P. (Zygaat 'er naar toe, en raapt het op.~)

Ei zie Mamal hoe 't kopje hangt,, en hoe de

oogjes gedooten zyn.

M. Voel eens, het beeflje is nog warm ;

en zie, ik kan zyne pootjes, en zyne

vlerkjes nog beweegen,

P, Ja Mama, maar waarom hangt het

kopje zoo ? En waarom vliegt het vogeltje •

niet weg.

M. Heugt je wel Pauline, hoe ik je voorleeden

zei, dat de vogeltjes en alle de heeften

leevendig zyn, om dat zy zig zelf beweegen

kunnen, en zien, en hooren, en voelen ;

maar dat Panlines pop niet leevendig is, om

dat die niets van dat alleskan doen ?

P. Ja Mama.

M. Wel nu, dit vogeltje is ook leevendig

.geweest, dat heeft zig ook kunnen zelf beweegen

, en 't heeft kunnen zien, en hooren,,

en voelen, net zoo als alle de overige vogeltjes.

Maar nu is het niet meer leevendig, mr

kan het niet meer zig zelf beweegen, nu kan 1

het ook niet meer zien, of hooren, of voelen,

C 6 Zt'v


6o I. AFDEELING.

Zie maar eens, ik zal het, met eenelpeld,

prikken.

P. O Mama! je zult het arme beestje

zeer doen.

M. Ik zal het beestje net zoo min zeer doen,

Pauline, als of ik dien boom,ofjepop, naet

eenefpeld, prikte, Zie maar eens Zy prikt

bet op verfcbeide plaatfen , met defpeld,) Zie,

het vogeltje verroert zig niet, het voelt niet,

dat ik het prik, net zoo min als je pop het voelen

zou; zie je wel?

P. Ja Mama, dat is waar, het vogeltje

blyft even feil, hoe komt dat ?

M. Indien dat vogeltje nu nog leevendig

was, en ik prikte het, zoo als ik nu doe ; of

je klapte maar in de handen; of je floegt'er,

met je neusdoek, naar; dan zou het dat prikken

voelen, of het zou den neusdoek zien,

of't klappen in de handen hooren , en aan-

Itonds weg vliegen. Of indien ik het, gelyk

nu, vasthield, dan zou het ten minften aan

't fpartelen gaan om weg te vliegen. Maar

Iaat ik het nu prikken, zoo veel ik wil; of klapt

zooveel je wilt, in je handen; of flaat 'er zoo

veel naar, met je neusdoek,als je wilt,- het vogeltje

zal 'er niets van wee ten; het kan n u niets

meer


ï, AFDEELING. 6>i

meerzien, of hooren, of voelen.

P. Wanneer zal 't dat dan weer kun­

nen doen?

M. Nooit weer. Als een vogeltje eens

ophoudt leevendig te zyn, dan wordt het

nooit wêer leevendig. Het zal nu nooit weer

zingen, of eeten, of drinken, ofmet.de andere

vogeltjes rond vliegen. Het zal ook nooit

geen pyn meer hebben . al wou je't nog zoo

trekken, of prikken, of Haan; enje kunt het

nooit weer bang maaken, al wou je't nog zoo

veel jaagen?

P. Maar Mama, wat fcheelt dat Vogelt­

je dan, dat het niets meer van dat alles kan

doen ?

M, Dat Vogeltje is dood.

P. Wat is dat Mama, dood?

M. Ik zal zien Pauline, of ik je dat kan

uitleggen. — Je ziet wel,dat dit Vogeltje'er

nu nog netzoo uit ziet, als een leevendig vogeltje.

Het heeft zyn kopje, zyn bekje, zyne

pootjes, zyne vlerkjes, en alles nog net

als een ander vogeltje. En zie,zyne pootjes,

en zyne vlerkjes, en zyn kopje zyn niet ftyf,

zy kunnen nog net bewoogen worden, als

toen 't vogeltje leevendig was. Maar het

C 7 vo-.


•êz I. A F D E E L I N Gï

vogeltje zelf kan ze nu niet meerbeweegen ;

want anders zou hy zyne pootjes en vlerkjes

ten minften weg trekken , als ik 'er in prikte.

P. Dat is waar Mama..

M. Nu begryp je wel Pauline, dar 'er

derhalven , in 't lichaam van een leevendig

vogeltje, iets zyn moet, dat'er niet meer, in

't lichaam van dit doode vogeltje is. Ën wel

zoo iets, 't welk maakt, dat een leevendig vogeltje

zig zelf beweegen kan, daar dit doode

vogeltje zig niet meer zelf kan beweegen.

P. Ja Mama, men zoutogzeggen, dat

* er zoo iets zyn moet.

M, Wel nu Pauline, dat geen, 't welk

?

er in een leevendig vogeltje is, en maakt,,

dathetzig zelf beweegen kan , en dat het kan

voelen, en hooren, en zien, &c dat noemt

men de ziel van 't vogeltje. En zoo lang die

zfe/,in het lichaam van 't vogeltje is, zoolang

is ook het vogeltje leevendig, en kan zig zelf

beweegen, en zien, en voelen. Maarzoo

ras de ziel.uk het lichaam van 't vogeltje gaat,

dan flerft het vogeltje, en dan is het dood, en

dan kan het niet meer zien, of voelen, of zig

zelf beweegen.

P, Maar Mamajezegt,datdezfcZuithet'

lich-


L A F D E E L I N G . f53,

lichaam van 't vogeltje gaat, waar gaat de ziel

van 't vogeltje dan naar toe ?

M. Dat weet ik niet Pauline. Alleen kan

ik zien , dat zy niet, meer in't lichaam van *fc

vogeltje is, wyl 't vogeltje zig niet meer zelf

beweegen, en ook niet meer voelen, of zien

kan. — Zie maar eens, ik zal 't oogje open

houden. Kom'ernu,metjehand, maarby.

Indien 't vogeltje nu nog leevendig was, dan

zou 'tje handgaauwzien, enaan'tfpartelen

gaan, om weg te vlieren; maar nu het dood

is, nu merkt hel 'er niets meer van, of fchoon

't oog nog heel, en gaaf, en naar je toegekeerd

is. • Ja zelfs kan men 'er een kaars

by houden, zoo datje zelf zult zien, datzy

in't oogje fchynen zal, en tog zal't vogeltje'er

niets van merken. Er moet dus, in 't lichaam

van 't vogeltje, toen het nog leefde, iets

zyn geweest, dat door de oogjes zag, maar

dat 'er nu niet meer in is, en'èr dus nu ook

niet meer door zien kan.

P, Dat is waar Mama.

M Weetje hoe je dat begrypen moet?

P. Neen Mama.

JW. Net zoo als of jy, in eene kamer, voor

'topen venfter Houdt, en in den tainkeekt.

Zoo


64 I> A F D E E L I N GJ

Zoojang je, in die kamer, voor't v'eniter,ftaat

en de blinden niet toe zyn,kun je 'er door heen

zien, in den tuin. Als je de biinden toedoet,

dan kun je 'er niet meer door heen, in den

tuin ,zien,en dan is't net als of't-vogehje zyne

oogjes toe deedt, want dan kan 't ook niets

zien. Maar al blyven de blinden open » .indien

jy onderttibfchen van 'tvenfter af, en uit de

kamer gaat, kun je dan wel meer door 't venster

zien?

P. Neen Mama , als ik niet voor 't

venfterüaa, of niet in de kamer ben, kanik

zeeker ook niet door 't venfter zien.

M. Wel even zoo is 't met de ziel van't

vogeltje ook. Zoo lang deziel,in 't lichaam

van 't vogeltje is, ziet zy, door de oogen,

die in 't hoofd van 't vogeltje zyn, even als

Pauline, door de venfters van de kamer, alles

wat 'er buiten omgaat. Maar zoo ras de

ziel van 't vogeltje, uit het,lichaaro,is, dan

helpt het even weinig, dat de oogen open zyn,

als 't helpen kan, dat de venfters open ftaan ,

wanneer je niet meer in de kamer bent. De

oogen, net zoo als de venfters, zyn wel

open, maar daar is niets meer, dat'er door

heen kykt.

' P t


I. AFDEELING. 65

P. Ja Mama. dat is wel waar; maar als

ik weer in de kamer kom , dan kan Ik tog ook

weer door de venfters zien.

M. Dat kun je ook. En zoo zou de ziel

van 't vogeltje ook weer, door de oogen, kunnen

zien, indien zy weer in 't lichaampje

kwam , voor dat 'er iets aan bedorven was.

Maar dit is 't onderfcheid. Jy kunt weer in

de kamer komen, wanneer je wilt. Maar

wanneer de ziel van een vogeltje eens uit zyn

lichaampje is, dan komt zy 'er nooit weer in;

en daarom kan een dood vogeltje nooit weer

zien, en word nooit weer leevendig.

P. Blyft het lichaampje van dat vogeltje

daar dan altyd zoo liggen Mama?

M. Dat blyft daar zoo lang, zonder beweeging,

liggen , tot dat het begint te Hinken,

en dan verrot en vergaat het geheel en

al, en valt weg tot ftof; of daar komen wurmen

, uit den grond , die het op eeten.

P. Arm vogeltje! dat is naar 1

M, Och neen Pauline! dat is nietnaar,

want daar voelt het vogeltje niets van. Je

hebt het ftrak zelfgezien , toen ik het, met

defpeld, prikte. Wanneer het vogeltje eens

dood en de ziel'er uit is,-dan kan het vogeit*


€6 % AFDEELING.

geitje even weinig voelen, of de wurmen zyn

Jichaampje op eeten, dan het ftrak voelen kon,

dat ik het prikte. ——Zie,daar ligt nog een ander

lichaampje van een vogeltje, dat al langer

dood is geweest. Ik zal het, met den ftok j

eens omkeeren; —Zie,daar zitten 'er de wurmen

al in, en zyn al beezig met het op te eeten.

P. Ja Mama daar zie ik ze. —— Maar Mama

het ftinkt zoo.

M. ja wy zullen'ervan daan gaan; het

is niet aangenaam te zien , en nog minder te

ruiken. Het vogeltje ondertusfchen heeft 'er

in't minst geen hinder van, Dat voelt het nu

even weinig, als een appel of een peer het

voelt, wanneerzy afgevallen is, endoorde

wurmen, of ryp geworden zynde, door ons

opgegeeten wordt.

P. Maar Mama,als 't vogeltje leevendig

was, en de wurmen aten het dan op, zou dat

dan 't vogeltje niet braaf zeer doen?

M. Jadatzou'tzeeker. Maar dan zou't

vogeltje 'er ook weloppasfen,datde wurmen

het niet op aten; het zou weg vliegen, of't

20U zelfde wurmen opeeten. Want een leevendig

vogeltje fe veel fterkerdan een wurm.

Maar wanneer het vogeltje dood-is, dan kan

het


I. AFDEELING. 67

het niets meer doen, en dan kan het ook niets

meer voelen. Dan heeft het nergens meer

weet van; zoo min als de fteen, die 'er naast

ligt. En dus is het, voor 't vogeltje, net het

zelfde, of zyn dood lichaampje, door de

wurmen, opgegeeten wordt, of niet. Maar

de wurmen ondertusfchen vaaren 'er wel van..

Daar is 't eene lekkere kost voor, net als voor

ons, een haas, ofeenpatrys.

X 1 V.

Vader. Wel Pieter, heb je de les afge-

fchreeven, die ik je te fchryven gaf, eer ik

uit ging?

Pieter. Neen Papa, Tante is hier geweest,

ön die heeft het my belet,

V. Jou onbefchaamde jongen! daar kom

Je immers weer, met eene leugen, voorden

dag. Ik heb je Tante daar zoo ontmoet. Zyis

maar een oogenblik hier geweest, en zy vondt

je fpeelende , in den tuin, Is dat niet zoo?

P. [Rood wordende.) Ja Papa ——

V. En in dat oogenblik, dat je Tante

hier geweest is, heb je haar nog een historietje

van je zusje op de mouw gefpeld, daar

geen woord waar aan is. Dat weetje immers

zelf wei, p


6Q I. A F D E E L I N Q

P. (Zeer verleegen.') Ja Papa -L-

Indien je wist Pieter, h je veel nadeel

je je zeiven doet, door die kwaade gewoonte,

van de lieden zoo wat voor te liegen, je zoudt

niet weeten, hoe je gaauw genoeg al je best

zoudt doen, om die leelyke gewoonte af te

wennen. — Om 'erje maar eens een voorbeeld

van te geeven j hier even buiten de ftad woonde

een jongen, die dezelfde kwaade gewoonte

had, alsjy, en geduurig, uit gekheid en vermaak,

de lieden allerlei hiftorietjes kwam

voorvertellen, aan de meeften van welken

geen woord waar was. Maar dit duurde ook

niet lang, of hy raakte voor een leugenaar bekenden

niemand maakte" eenigen den minften

meer, op 't geen hy zeide. — Eens gebeurde

ftaat het,dat hy langs 't water liep fpeelen,met

een wagentje eneengdije, dat zyn Vader

hemgegeeven had, en daar hy zeer veel van

hieldt. Maar by ongeluk viel het geitje, door

dien hy verkeerd aan de tuigen trok, met het

wagentje en al;, van den fteilen kant, in't

water. Daar hy 't nu niet redden kon ', liep

hy, naar'teerfle huis, dat'er, in de buurt

Gondt, en.waar in een fchoenmaker woonde,

en vertelde hem'tongeval van zyn geitje, en

vet-


L AFDEELING. 69

verz :gt hem, om hem te komen heipen.

Maar de fchoenmaker zeiJa, ja, je hebt ons

al zoo veele hiftorietjes, op de mouw, gefpeld;

ik zal, om jou praatjes, van myn

werk niet afgaan. De jongen verzeekerde

hem wel, dat het nu tog waar was. Maar de

fchoenmaker zei, dat heb je me al zoo dikwils

verzeekerd, van andere vertelfeltjes, die tog

niet waar bevonden zyn,dat ik geen Raat meer

op je maaken kan. Zoo gaa jy maar juu's

weegs,en laat my aan myn werk. —Van den

fchoenmaaker ging de jongen naar een ander

huis, maarwerdt'er, op dezelfde wyze, afgeweezen

; en even dus ook aan een derde.

Toen begon hy bitter te huilen , enyerzogt

om hulp aan al wie hem ontmoette. Eindelyk

voiidt hy een man, die hem niet kende,

en die dus niets van zyne kwaade gewoonte

wist; deeze ging, met hem mee, om hem te

helpen; maar toen zy aan 't water kwamen,

was het te laat. Het geitje, onder 't wagentje,

in de war geraakt, was al verdronken

en dood.

P. Hoe kwam dat Papa?

y. De eenigfte dieren,die in 't water kunnen

leeven, zya de visfchen; maar alle de overi-


?o l AFDEELING.

rige dieren, die buiten'twa! er leeven, kunnen

niet lang onder water blyven liggen , zonder

re ftei ven, en dan zyn zy dood, en kunnen

niet meer geholpen worden. En zoo was

het nu met hét geitje ook, dat was nu ook al

•dood; in plaats dat het nog gemaklyk was te

redden geweest , indien de fchoenmaker geloof

aan 't verhaal van den jongen had geflagen,

en terlfond met hem mee gegaan was.

Maar nu was de jongen zyn geitje kwyt; en't

was zyne kwaade gewoonte van altyd te liegen

, die daar oorzaak van was -— ündertusfchen

was dit voorval even wel een geluk voor

hem. Want hy zag'er uit, hoe nadeelighet

is,een leugenaar te zyn; en hy pafle,i;i 't ver-

Volg , zoo wel op al zyn zeggen, dat hy niet

meer loog; en toen floegende menfchen ook

weer geloof aan 't geen hy zeide. — Nu zie je

hier uit Pieter, in welke ongeleegenheeden

een kind zig reeds,door 'tliegen,brengen kan.

Maar indien je die zelfde kwaade gewoonte

behieldt, wanneer je grooter zult geworden

zyn, dan zou je'er neg veel erger van vaaren.

Wil ik je daar ook eens een vooibeeld van

verh aaien.

P. Als 't je belieft Papa.

V.


I. AFDEELING. 71

V. Ik heb liiereenyds een boer gekend,

die ook de gewoonte had, van zig dik wils,

met een leugentje, te behelpen, Die boer ml

was aan zeeker Heer duizend gulden fchuldig,

die hy al meer dan eens had oh geftelt, aan hem

te betaalen;ter wyl de Heer ondertusicht n wel

wist,dat 'er nog meer lieden waaren, daar die

boer geld aan lchuldig was; en dat wel zoo

veel, dat hy geen ge'd genoeg, indewaareld

had,om'hen allen te betaalen.ZoodagtdieHeer

eindelyk , by hem zeiven , ik moet hier voorzigtig

zyn, en maaken,datik in de voorbaat

ben, om myn geld te krygen: want hy wist

wel, dat in zulk een geval, als'er meerfchuldenzyn,

dan goed, hy die eerst komt, eerst

maant, en ook 'teerst zyn geld krygt; terwyl

die geenen daar en teegen , die agter*an komen

, als 'er niets meer overfchiet, moeten

toekyken , en hun geld kwyt zyn. Nu was

die Heer niet ryk genoeg, om zoo duizend

gulden te kunnen verliezen. Hy ging derhalven,

naar de plaats, daar de boer woonde,

om al't goed van dien boer te laaten verkoopen,

ten einde zig, daar door,betaaling te bezorgen

, indien hy die, op geene andere wyze,

krygen kon. De Boer vtrzogt hen wel zeer,

dat


%% I. AFDEELING.

dat hy hem zyn goed tog zou laaten. Ik heb,

zeide hy,gifteren een brief van myn broeder

gekreegen, waar op ik duizend guldens ontfangenkan,

en dien ik, deezen morgen, aan

den fchipper meegegeevenheb, om ze voor

my te gaan ontfangen; en met die duizend guldens

zal ik je betaalen. — En wanneer zal dat

zyn? zei de Heen—Over veertien dagen, antwoordde

de Boer, want dan eerst komt de

fchipper weer Zoo lang kan ik niet wagten,

hervatte de Heer, want dan zouden je

andere fchnldenaars opkomen, en inde voorbaat

zyn; en dan was ik myn geld kwyt, indien

je hiftorie van den brief eens nietwaar

was. Nu weetje vriend, dat je je al meer dan

eens, met een leugentje, beholpen hebt, om

je te redden. Ik kan dus nier weeten, of je

me ook nu niet weer wat voorjokt, en misfchien

van je broer, geen enkelen duit te ontfangen

hebt. Ik verzeeker je, myn Heer,

zei de Boer, dat het waar is ,"en dat ik,deezen

morgen , in teegenwoordigheid van myn

buuiman Jan Hendrikze, dien je wel kent,

den brief aan den fchipper gegeevenhebt.——

Wel, antwoordde de Heer, indien je buurman

Jan Hendrikze zegt, dat het waar is, dan

zal


I. AFDEELING. 73

zal ik liet gelooven, en je uitftel geeven;want je

buurman is een braaf man, die zig met geene

leugens ophoudt : dus indien hy't bevestigt,

danis*twel;waarisby? — Ja myn Heer,hy is,

te gelyk met den (fchipper, vertrokken, en

komt ook eerst over veertien dagen weer. —

Man het fpyt my, zei de Heer daar opj, dan

kan ik je niet helpen, maar je goed moet 'er

aan; wantje andere fchuldenaars kunnen nu al

weeten, dat ik je goed heb willen laaten verkoopen;

en als zy my nu voorkwamen, en je

kreegt je duizend gulden niet, dan was ik 't

myne kwyt.

Nu moet je weeten, dat het wel waar was,

dat de boer, binnen veertien dagen, duizend

gulden, uit handen van zyn broeder ontfangen

moest. Doch daar de Heer niet wee ten

kon,of 't waar was, of niet, wyl 'er op 't zeggen

van iemand, diezigzoodikwilsmet leugens

had beholpen , geen ftaat te maaken was,

moest het goed van den boer 'er aan. Het

werdt verkogt; en toen de overige fchuldenaars

dat vernamen, kwamen zy allen te gelyk

om, hun geld, en de boer moest hun geeven

alles wat hy in de waareld had. Dus raakte

hy, om zyn liegen, alles wat hy had kwyt,

D en


74 L AFDEELING.

en moest als daghuurder, byzynen buurman,

gaan arbeiden; daar hy te vooren,op zyn eigen

goed gewoond had, en zelf daghuurders gehouden

had, om voor hem tè werken.

P, Toen moest het hem zeeker fpy ten,dat

hy zoo dik wils geloogen had; wendde hy 't

zig toen niet af?

V. Dat gaat, voorlieden van jaaren, zoo gemaklyk

niet. Jonge lieden, en vooral kinderen,

kunnen zig nog ai gemaklyk ietsafvvennen ,

indien zy'ermaarop letten willen. Maar als

men zeer lang eenegewdonte gehad heeft, en

'er oud by geworden is , dan wordt zy eindelyk

zoo fterk, dat men 'er zig haast niet van

kan ontdoen. —— Daarom Pieter, haast jy je

tog, met die kwaade gewoonte af te leeren,

nu je nog jong bent; want als je 'er lang mee

wngt, zal 't je onmooglyk zyn, en dan kun je

'er voor al je leeven ongelukkig door worden.

— Pieter nam nu wel voor, zig te beeteren,

en het gelukte hem ook nog by tyds.

X V.

Jacob* Papa, wat doet die man daar

op zyn land, en wat zyn dat voor hoopen,

die 'er op liggen?

Vaier. Dat is mest, die de Pjoer, op zyn

land, brengt. J-


I. AFDEELING. 75

J. Maar Papa wat is dat mest ?

V. Dat is de drek van dieren, a!s osfen,koeien,

febaapen , paarden, met flroo gemengd.

En waarom brengt die man dat, op

zyn land?

V. Om Je dat uit te leggen , moet ik je

eerst iets meer van de groeijing der planten

zeggen, dan je tot nog toe weet. Het

kooren en de andere planten, die op de velden

groeien, trekken, tot hun voedfel, door middel

hunner wortels, niet alleen water, uit den

grond; maar ook veelerlei fyne en vette deeltjes,

die met de aarde en 't water gemengd zyn,

en van de welken ik je, in 't;vervo1g, wel eens

een nadere uitleg geeven zal.

3> En waarom nu niet Papa?

V. Om dat je 'er nog niet veel van zoudt

begrypen. Wanneer men nu, verfcheide

jaaren agter een, kooren en andere giaanen

of planten, op een ftuk veld&laat groeien,

dan trekken die graanen of planten zoo veel

van die fyne en vette deeltjes, tot hun voedfel,

uit den grond , dat die grond mager wordt?

en de graanen'er, in't vervolg, geen voedfel

genoeg uit zou Jen kunnen trekken. Om nu

dit gebrek te herftellen, bezaaid men een en

D 2 't


76 I. AFDEELING.

•t zelfde fiuk grond.maar vier, vyf, of zes jaaren,

agtereen, naar maaten de grond, uit zig

zelven,min of meer vet en vrugtbaaris;en daar

na laat men het een geheel jaar liggen,zonder

'er iets optezaaien,opdathetland,omzoote

fpreeken, ruften zou, en tyd hebben , om uit

den reegen en de lugt, weer nieuwe fyne en

vette deeltjes te trekken,zonder dat die'er weer

terftond, door eenige daar op groeiende graanen

of anderen planten, worden uitgehaald.

J. Zyn'er dan zoo veel zulke fyne en vette

deeltjes in de lugt?

V, Ja zeer veel. Wanneer je reegen water

proeft, zul je vinden, datj'er een klein fmaakje

aan is; en dat komt van de fyne deeltjes,die

de reegen, in 't nedervallen, uit de lugtaffpoelt,

en met zig neemt. Maar wanneer

dat watereenigen tyd, door de aarde, en

vooral door 't zand geloopen heeft, en dan

weer, onder uit den grond opgepompt wordt.

( wanneer men 't pompwater noemt,) dan

heeft het dien fmaak verboren, om dat het,

onder 't loopen door den grond, die fyne

deeltjes, in de aarde en het zand heeft laaten

zitten. — Maar om nu nog meer zulke fyne

en vette deeltjes, in den grond, te brengen,

ftrooit


I. AFDEELING. 7 ?

ftrooit men 'er, zoo als je 't nudeezen boer

ziet doen, mest over heen, om dat men gemerkt

heeft, dat 'er in de mest, zeer veel zulke

fyne en vette deeltjes zyn; en dat de graanen

en andere planten veel beeter groeien , op

een land,daar men zodanige mestopgebragt

heeft, dan op een ander.

J. En blyft die mest dan daar maar zoo op

't land liggen ?

V. Neen.dan zouden de befte en fynfte

deeltjes gaauw, door zonnefchyn, winden

reegen , vervliegen of afgefpoeld worden.

Daarom, terftond na dat men de mest op't

land gebragt heeft,ploegtmenhet,zoo als ik je

ftrak zal uitleggen, om, ten einde de mest onder

in den grond te brengen, en wel te mengen,

met de aarde. Ook roeit men, door

dit ploegen, het onkruid uit, het welk anders,

zoo wel als 't graan, zeer veel van die fyne

en vette deeltjes van de mest weer terftond y

uit den grond,zou trekken, en ze dus voor't

kooren, dat men 'er geduurende de volgende

jaaren op zaaien wil, doen verboren gaan.

Men draagt derhalven wel zorg, van geduurende

het jaar, dat men een ftuk grond mest

en onbezaaid laat liggen, of zoo als men 't

D 3 noemt,


?3 I. AFDEELING.

noemt, xomervaagt oïbraakt, zoo weinigonkruid

als mooglyk is,op't zelva over te laaten.

En wanneer men daar, geduurende dat jaar,

wel zorg voor gedraagen heeft, en men heeft

den grond wel gemest, en wel gezuiverd,dan

is die weer vrugtbaar,en dan kan men'erweer^

vier, vyf,of zes jaaren lang, goede vrugten op

teelen. Doch daartoe is dan nog veel arbeid

nodig. Wil ik je dien nu ook eens uitleggen ?

J. Als 't je belieft Papa.

V. Indien men den grond lietliggen,zonder

dien om te ploegen, of om te fpitten, dan

zou de oppervlakte, door 't fiil liggen en

door den reegen,hard en vast worden, en met

gras en allerlei onkruid begroeien. En indien

men dan,op zulk een harden en begroeiden

grond,zaaien, dat is kooren graantjes ftrooien

wilde,zou de wind dezelven weg waaien, of

de vogels zouden ze op eeten ; en die geenen,

die nog blee ven liggen, zouden hunne dunne,

teere worteltjes, niet gemaklyk genoeg, in

dien vallen grond,kunnen fchieten; of zo zy

dat nog al deeden, zouden zy,by 't opkomen»

door 't onkruid worden verflikt. Om nu dit

alles voor te komen, ploegt men den grond

twee of driemaal om, alvoorens dien te bezaai'.


I A F D E E L I N G . 79

zaaienpPt geen den grond nog beeter berei.l,

men fpit hem om, zoo als je't wel in den tuin

gezien hebt. Door dit ploegen en fpitten,

wordt vooreerst het onkruid uitgeroeid , en

onder in den grond gedolven, daar't verrot, en

dus de fyne vette deeltjes, die het, by't opgroeien

, uit den grond getrokken had, aan

denzelven weder geeft. — Ten tweede wordt

de grond,door't ploegen en fpitten,gebrooken

en los gemaakt, zoo dat de fyne worteltjes van

de planten'er gemaklyk in kunnen fehieten,

om'eroveral'tvoedfel uit te haaien, dat'er in

zit.— Eindelyk worden de kluiten, door zoo

losjes op malkander te liggen, des te beeter

aan den invloed van zonnefchyn, lugt en r«e=

gen bloorgefteld, en kunnen'er dus ook des te

meer fyne en vette deeltjes uit trekken. Hoe

meer derhalven de grond geroerd, en geploegd,

enomgefpit wordt, hoe beeter het gemeenlyk

is, voor 't geen men'er op zaaien wit.

J, Zal die boer dan deezen geheelen akker

ook zoo omfpitten?

V. Neen;,dBt zou te lang tyd, ofte veel

menfchen, en dus te veel onkoften vereifchen.

Warmoefiers en tuiniers, die maar kleine ftukken

gronds,voor hunne groenten en vrugten,

. aio D 4 »°-


80 I. AFDEELING.

nodig hebben, kunnen dat doen, en zouden

ook, by gebrek van ruimte, met den ploeg,niet

wel te regt komen;terwyl daar en boven hunne

groenten, op een enkel omgeploegden grond,

zoo wel niet zouden groeien. Maar indien

deeze boer, die zulke groote velden,tnet kooren,

te bezaaien beeft, alle die velden wilde

gaan omfpitten, dan kreeg hy nooit gedaan.

Ook groeit het kooren wel genoeg, op een

omgeploegden grond. En nu kan hy alleen,

met een of twee koppel paarden,iri eenen dag,

meer land omleggen, met den ploeg, dan tien

menfchen, metdefpade.

J. Maar Papa, ik wou wel eens weeten,

hoe men den grond ploegt ?

V. Zie hier ligt een ploeg, daar kan ik 't

je al eenigzins aan uitleggen; maar nadeihand

moetje 't zelf gaan zien. — Aan deeze zwengel-houten

, die je, daar voor aan den balk of

boom van den ploeg,ziet zitten, fpant men

twee of meer paarden, naar dat de grond

zwaar is , om den ploeg voort te trekken. Onder

aan dien balk, zie je eerst een fcherp rad

van yzer, of in andere ploegen een mes , 't

welk met den punt naar beneeden, de fneede

naar voren, en ook een weinig naar vooren

om*


I. A F D E E L I N G . 8!

omgekromd ftaat 5om de aarde los te maaken ,

en de wortels door tefnyden. Agterdit

mes komt het ploegyzer of kouter, dat veel

grooter en breeder is, een,weinig fchuins

ftaat, wat hol uitgeboogen is, en met een

punt naar vooren ftaat. Het zelve gooit de

aarde, na dat zy eerst, door 't rad of't mes,losgemaakt

is, om, en maakt daar door, onder 't

geduurig voortgaan van den ploeg, eene voo«

re, of uitgeholde ileuf, in den grond, zoo

als je'er hier eene begonnen ziet. —• Agtcr

aan den ploeg is een ffeel,met een handvat, of.

wel twee armen, daar de boer den ploeg mee

beftiert, Ook zyn 'er aan fommige ploegen

twee wielen,waar van 't eene, dat omtrent

eens zoo groot is als 't andere, m de diepte

van de voore loopt; terwyl het kleinfte, boven

over de omgefmeete kluiten heen gaat, en

dus de ploeg regt houdt, — Maar zie, ginder

komt een boer naar ons toe, diemetploegen

beezigis. Daar kun je *t nu zelf aan zien. Let

maar eens op, hoe zyne paarden den ploeg, in

eene regte linie, voorttrekken,en hoe 't plaegr

yzer de aarde geduurig omgooit, endusee*

ne nieuwe voorelegt, langs de geenen, diereeds

te voeren gemaakt waren, En.zooz3l

D 5 3si


Cs l A F D E E L I N G .

die boer mi voortgaan, tot dat hy aan dit einde

van zynen akker gekomen zy. Als hydaar

is, dan zalhy met zyn ploeg omkeeren, en,

een weinig verder, opzy, eene nieuwe voore

beginnen, naar 't gindfche einde vat) zynen

akker gaande, daar by nu van daan komt. En

zoo zal hy geduurig heen en weer gaan , tot

dat hy al den grond, zyne n geheelen akker over,

zal omgeploegd hebben.

J. En zal by 'er dan in kunnen zaaien Papa?

V. Neen,hy moet den geheelen akker eerst

twee of driemaal overploegen. En als hy dat

gedaan heeft, dan liggen de kluiten wel los ,

maar dan zyn zy nog te groot, en het zaad zou

'er, met deszelfs fyne worteltjes, nog niet

wel door kunnen. Daarom neemt hy dan eene

egge, dat is een vierkant werktuig, uit

veifcheide kleine balkjes famengefteld, die

allen,met lange fcherpe tanden ,bezet zynj en

die laathy over de kluiten heen trekken, om

ze verder te breeken, en het land gelyk te maaken

, en dan is het eerst goed,om te worden

bezaaid.

J. En hoe bezaaid hy 't dan?

V. Dan maakt hy zig een grooten doek,

omtrent in de gedaante van een zak, voor't

lyf,


I A F D E E L I N G . 83

Ivf, vast; en daar doet hy van't bette kooren

in, en dan gaat hy, meteenen gereegclden

tred, over zyn land heen en weer. Ënbycl«

ken tweeden tred, dien hy doet, neemt hy

wat van dat kooren,in,de hand, en werpt her,

incenhalvcnbooj;, voor hem heen, zoo dat

'er omtrent overal evenveel valle. Enalshy

dus zynen geheelen akker bezaaid , dat is,

met korreltjes kooren beftrooid heeft, dan

haalthy'er de egge nog eens over, om daar

door wat aarde,over die korreltjes te brengen,

cn ze dus te bedekken; teneinde de wind ze

niet wegwaaien , of de vogels ze niet opeetciv

zouden. Eindelyk,als dit alles wel gedaan is,,

dan kan het kooren goed groeien, midshet,

op zynen tyd j reegen en zonnefchyn hebbe.

3=.En komt dan-datkooren gaauw opPapa?

V. Het duurt ten minften niet lang, of

'er beginnen mooie groene blaadjes, omtrent

van degedaantavandievan'tgras, voor den

dag te koomen, en dan ftaat een veld,met zulk

jong kooren bedekt, zeer mooi. Maar dan

groeit'er gemeenlyk ook onkruid tusfehen beiden

, vooral van die roode en blaauwe bloemetjes,,

die je wel onder 't kooren hebt zien

ftaan. Daarom, als men heel goed kooren wil

D6 heb-


84 L AFDEELING.

hebben, moet men'er al dat onkruid laaten uitwieden,net

zoo als wy't in den tuin uitwieden.

J. Wel kost dat niet veel moeite Papa,

op zulk een groot veld?

V. Ja,en veel geld ook,want men moet daar

toe, geduurende eenige dagen of weeken,

naar maaien 't veld groot is , een vry groot

getal daglooners huuren. Maar dat geld krygt

men dubbel weer, door 't meerder kooren,dat

'er dan ook op gröeit.

J. Papa, ik wou wel eens zien zaaien?

V. Dat kan ik je nu niet wyzen. Het is

nu zomer, en men zaait maar in twee tyden

van 't jaar; te weeten, of in 't najaar, wanneer

het kooren,nog voor den winter, opkomt,

den geheelen winter door blyft ftaan, en dan,

in 't begin of't midden van den zomer,zyue airen

fchiet; of vroeg in't voorjaar, wanneer't

ook binnen kort opkomt, maarevenwel wat

laater dan 'tandere zyneairenfchiet, omdat

het zoo veel laater gezaaid is. Het eerfte hiet

men winter-kooren, en dat ishetzwaarfte,

dat is te zeggen, daar komt het meefte en befte

graan vanjom dat het zoo veel langer tyd heeft

gehad, om braaf wortels in den grond te fchieten.

Het audere hiet men zomerkooreu, en

dat


I AFDEELING. ^5

datisligter,' dat is te zeggen, daar komt min­

der graan van.

J. Wel Papa, dan zou ik altyd winter-

kooren zaaien.

V. Ja maar 't winter kooren loopt dikwils

gevaar, van door den feilen vorst dood te vriezen

, en dit gevaar weegt 'Het voordeel weer

eenigzins op. Ook zou het de landen te veel

uit putten en vermageren, wanneer men'er

altyd winter kooren op zaaide. Want

juist om dat het winter kooren zwaarer graan

geeft, moet het ook meer voedfel, meer vette

en fyne deeltjes, uit den grond trekken.

J. Maar Papa moet men,na't wieden,niets

meer aan 't kooren doen?

V. Neen; na dat men 't gewied heeft,

doet men 'er niets meer aan , maar laat het fül

ftaan, en door reegen en zonnefchyn van zelve

ryp worden; want daar toe, kunnende

menfchen verder niets doen. Maar als't ryp

is, dan fnydt men 't af, brengt het in de fchuur,

en do; fcht het,zoo als ik je al eens heb gezegd»

J. Ja Papa, dat heugt wy wel.

y. Uitditallesnukunjegeno'egzien,hoe

veel arbeid de boeren verrigten moeten, om

ons kooren te bezorgen. En evenwel heb ik

D 7 Je


öd 1; 'AF0EELIN G.|

je nu nog''niet alles gezegd, wat die

goede lieden al te doen hebben. Want, be-

halven hunne koorenvelden, moeten zy ook

nogeenige weiden hebben,voor hunne osfen,

en koeien , of fchaapen, waar van zy den

drek, tot mest, op hunne landen, gebrui­

ken, Wantdedrekvande paarden, die zy

voor den ploeg fpannen, is daar toe alleen niet

genoeg. En deeze weiden moeten ook fchoon

gehouden , en fonuyds eens gemest worden;

en het vee moet wel worden opgepast, Ook

hebben de boeren gemeenlyk nog eenen

boomgaard, met vrugtboomen, en een moes­

tuintje , daar zy wat groenten in bouwen, voor

hun daaglyks gebruik. En zoo komen zy aan

den kost. , En wanneer't alles wel gaat, .en

zy zelfs naarftig en vlytig zyn, dan kunnen

zy 'er gemeenlyk nog wat geld by winnen,zoo

dat men fomtyds boeren vindt,die zeer wel

gefield, en zelfs ryk zyn. En dat is zeer goed;

want daar zy zoo veel moeten arbeiden, mo­

gen zy 'er ook wel wat by winnen, dat hun

wegens, al dien arbeid beloond.

• Dat is wel waar Papa.

Vt Daarom zie ik ook altyd gaarne een

wel geftelden boer, om dat het my altoos't

grootst


L A F D E E L I N G . 87

grootst genoegen geeft, wanneer ik zie, dat

het iemand, die braaf werkt, en zig daar door

aan allen nut.ig maakt, wel gaat»

XVI.

De Gezondheid.

Gezondheid is een groote fchat.

Om vergenoegd te leeven,

Offchoön ik grooten rykdom had,

Wat voordeel zou het geeven,

Zo ik, doorknaagd van angst- en pyn,

My zeiven tot een last moest zyn.

Maar zou ik dan myn Vaders raad

Niet yverig betragten?

En gulzigheid en overdaad

Niet myden en veragten?

Die nooit genoeg heeft voor zyn mond,

Leeft zelden vrolyk en gezond*

De Verdraagzaamheid.

Broer gy moet den Meefter klaagen,

Dat de ftoute Flip u floeg;

Eer ik zulk een leed verdroeg

Zou ik liever alles wagen.

Zou hy ftrafloos heenen gaan?

Neen \ de Meefter moet hem flaan.

Kees*


33 L AFDEELING.

Keesje zei, dat doe ik niet;

Als nu Flip eens ftraf moest lyderr,

Zou dat my van fmart bevryden?

Wraakzugt geeft ons maar verdriet;

'K zou, indien hy wierd geflaagen,

Voor hem nog verfchooning vragen.

En dat hy 't niet weer durv' waagen,

Daar zal ik wel zorg voor draagen.

XVII.

Moeder. Pauline, voorleeden hebben wy

gezien,' dat je meer bent danjePop, wyljy

je zelf beweegen kunt, en hooren, en zien,

en voelen, &c. en dat je pop dat alles niet kan;

heugt je dat nog wel ?

Pauline. Ja wel Mama.

M. Maar heugt je ook wel, dat wy teevens

zagen, dat de poes, en de hond, en 't fchaapje,

en alle de beeften, zig zoo wel zelf kunnen

beweegen, en zoo wel kunnen hooren ,

en zien, en voelen als jy ?

P. Ja Mama, dat heugt my wel.

M. Maar is 'er dan nu wel eenig onderfcbeid,

tusfchen de beeften en ons ? is Pauline

niet net het zelfde als de poes ?

P, Wel foei Mama 1 Ik beu tog evenwel

geheel wat anders dan de poes.

AF.


I. AFDEELING. 89

M. Wel wat kun je dan doen, dat de poes

niet doen kan?

P. Wel Mama ik kan — ik kan myne pop

aankleeden, en dat kan de poes tog niet doen ;

en ik kan de kleêren van depopmooi,netjes,

in myn Kabiuet,wegfchikken. »—— En lieve

Mama! Ik kan immers met je praaten, zoo

als ik nu doe , °en dat kan de poes immers ook

al niet,

M. Datis waar Pauline, de poes kan niet

praaten. Maar heugt je nietPauline,dat wy

eens buiten gegeeten hebben , by je neef Z.

en dat daar eene Papegaai was , die wel praaten

kon,, en die geduurig zei, kopjekraauwen,

en wie klopt daar, en diergelyke dingen

meer?

P. Ja Mama, maar m'gt Z. heef; myook

gezegd, dat die papegaai maar zeer weinig

woorden fpreeken kon, die zy hem geleerd

had, door ze hem zeer dikvvils voor te zeggen;

en dat hy altoos die zelfde woorden fprak,

en altoos dezelfde antwoorden gaf, wat men

hem ook vragen mogt, om dat hy niets anders

wist, en ook weinig of niets verfiond, van ai

wat men teegen hem zeide.

Mi Dat is ook zoo. Op twee of drie dingen


90 l AFDEELING.

gen na, daar men hem aan gewend heeft, net

zoo als men 't hondje heeft gewend te komen,

als men zyn naam roept, verftaat de papegaai

niets van alles wat men.teegen hem (preekt, en

weet ook niet,of'tgeen hy antwoordver op te

paskomtof niet. Maar Pauline verftaat alles

wat men teegen haar fpreekt, en eer zy antwoordt

, bedenkt en overlegt zy wat zy'erop

antwoorden moet; en wanneer Pauline dat

wel bedagt heeft, dan antwoord zy ook wel

van pas, en dan zegt men,datzy vetflandig

geantwoord heeft, en dat zy ook verftand

heeft, De Papegaai daarenteegen zegt altoos

maar zyne vyf, of zes fpeukjes op, of die te

pas komen, of niet.

P, Ja Mama dat zei nigt Z. ook.

M. En daarom zegt men, dat de Papegaai

geen verftand heeft; en even zoo is 't met de

overige beeften ook. Maar de menfehen hebben

verftand, om dat die begrypen 't geen men

teegen hun zegt, en ook weeten wat zy'er

op moeten antwoorden. En hoe beeter iemandalles,

wat men teegen hem zegt , begrypt,

e»hoe beeter by weet wat hy 'erop

doen en antwoorden moet, des te meerverftandheefthyook.

Dit


I. AFDEELING. 91

Dit is derhalven 't groote onderfcheid, tus»

fchen jou en de poes, en in 't algemeen, tusfchen

de menfchen en de beeften, dat de menfchen

verftand hebben, en met verftand fpreeken

kunnen, daar de beeften zulks niet kunnen

doen.

P. Dat is waar Mama,ik heb ook wel eens

teegen de poes willen praaten; maar Hanna

lachtemyuit, enzei, wel klein maloolje! wat

leg je tog teegen de poes te praaten ? die kan je

immers niet verftaan, en nog veel minder

antwoorden.

M. Dat is ook zoo. Als je roept Pietje,

Pietje, Pietje, dan verftaat de poes je wel,

en dan begryptzy wel,dat je ze roept, en

denkt datje baar wat melk,ofzoo iets geeven

wilt; en daarom komt ze dan ook terftond

aanloopen, en fteektden ftaartomhoog, en

komt je ftreelen teegen je lyf. om wat melk

te hebben. En als je zegt vtort kat ! dan verftaat

zy ook wel, datje ze weg wilt jaagen,

en loopt ook heen; maar dat is 't ook al;meer

kan zy niet verftaan, wat je ook teegen haar

praaten moogt. En op diergelyk eene wyze

is 'took,met de overige beeften,geleegen; in

plaats dat de menfchen alles verftaan, wat men

tee*


92 I. AFDEELING.

teegen hun zegt, en ook van allerlei dingen

wel en van pas kunnen fpreeken. En daarom

hebben de menfchen eigentlyk alleen verftand.

Maar wat dunkt je nu Pauline? Wy hebben

voorleeden gevonden, dat de vogeltjes zielen

hebben, die maaken,dat zy leevendig zyn ,

en zig zelf kunnen beweegen, en zien , en

hooren, en voelen; zouden nu de menfchen,

Pauline, en Zusje, en Papa, en Mama, ook

wel zielen hebben, of niet ?

P. Wel Mama ik weet niet, ik heb ze

nooit gezien ?

M. Ja ik ook niet. Maar Pauline, zie eens

daar ginder naar dat gordyn ?

P. O Mama, daar ftaanzeeker Broertje en

Zusje agter, met Hanna, kiekeboe te fpeelen.

M. Wel Pauline hoe weet je dat, ik zie

ze tog niet?

P. Ja Mama, ikziezeookwelniet;maar

ik zie tog dat zy 'er agter moeten ftaan, wyl ik

't gordyn net zoo beweegen zie, als zy doen,

Wanneer zy kiekeboe lpeelen.

M. Daar heb je gelyk inye ziet broertje en

zusje wel niet, maar aan de beweeging van 't

gordyn kun je tog weeten, dat zy 'er agter

Haan.


I. AFDEELING. 93

fiaan, Nu is 't net even eens met onze zielen

ook. Ik heb noch jou ziel, noch de myne ooit

gezien, maar ik zie datje leeft, enjelichaam

zelf beweegt; en voor leeden hebben wy, in

»t voorbeeld van 't vogeltje,gezien, dat een

lichaam zig niet van zelve beweegen kan.wanneer

'er geen ziel in is, die het zoo beweegt;

en daarom kan ik nu, uit de beweeging van je

lichaam, weeten,dat 'er ook,in je lichaam,eene

ziel zyn moet, die het beweegt, alishet,dat

ik,die ziel zelve niet zie; even als jy nu weet,

dat broertje en zusje agter het gordyn ftaan,

als is het,dat je ze niet ziet; om datje het gordyn

tog net zoo ziet beweegen, als broertje

eii zusje het gewoon zyn te doen, wanneer

zy kiekeboe fpeelen met Hanna.

P. Maar Mama dat is tog aardig, heb ik

ook eene ziel ? Wat is myne ziel dan ?

M. JaPauline,datkanikjenietzeggen,dat

weet ik zelf niet. Ik weet alleen maar, dat zy

geheel iets anders moet zyn, dan het lichaam.

Want een lichaam, als'er geen ziel in is, kan

zig in 't geheel niet zelf beweegen ; zoo als je

in 't doode vogeltje gezien hebt. Maar een

ziel kan zig wel beweegen, ja kan ook het

lichaam beweegen, net zoo als zy wil. En

dus


94 I. AFDEELING.

dus moet de ziel ook geheel iets anders dan 't

lichaam zyn; wyl 't geen de eene kan doen

of niet doen, zoo verfchillend, ja zco vlak

teegen gefield is van 't geen de andere kan

doenofniet. Een leevendig vogeltje, daar de

ziel n 5g in is, kan vliegen, en gaan zitten, en

eeten, en drinken, en zingen , en noen al

wat het wil. Maar het doode vogeltje, daar

de ziel niet meer in is, dat kan niets doen, en

blyft daar zonder beweeging liggen, zoo als

je voorleeden zaagt.

P. Ja Mama, dat is waar.

M. En was het, met het gevoel, niet even

eens , als met de beweeging ?

P. Ja Mama,jekondt het doode vogeltje,

met een fpeld, prikken, zonder dat het 't

voelde, of ergens van wist.

M. Zoo is't ook. En dat kwam alles daar

van daan, dat de ziel 'er niet meer in was. Het

lichaam, op zig zelven,kan dus niets voelen,

noch ergens weet van hebben. Het is eigentlyk

de ziel, dïe 5 voelt en weet heeft vanalies,wat'er

rondom haar om gaat.

Maar heugt je nog wel Pauline , dat je gifteren

het hondje van je Oom zaagt dood liggen,

net zoo als voorleeden 't vogeltje ?

P.


1. AFDEELING. 95

P, Ja Mama, dat is waar; het hondje lag

daar zoo, met de oogjes toe, en de pootjes

uitge (trekt, net zoo als het vogeltje. En Oom

zei ^dathethemzeerfpeet, wantdathynu,

met zyn hondje, niet meer zou kunnen gaan

warrelen, offpeelen.

M. Neen dat kon hyóok niet,want het hondje

kon zig in 't geheel niet meer beweegen,om

dat het rfo»iwas,dat is te zeggen,om dat de ziel

'er uitwas. .— En heb je ook wel te gelyk op»

geraerkr,dat de kleine Jacob het hondje nog

fiep, Rozettel Rozettel om dat het by hem

zou komen?

P. Ja Mama. maar't kon niet komen.

M.Neenjen 't kon niet meer verftaan, dat

men't riep. Zoo lang het hondje leefde, en

de ziel'er nog in was, kon het zyn naam hooren

noemen, en begreep dan ook wel, dat

men 't riep; daarom kwam het dan terfiond

kwispelftaartende aanlopen, wy] het dagt,dat

het wat eeten zou krygen, of meê gaan wandelen

, of uit vriendfchap wat worden geftreeld.

Maar nu het dood is, hu de ziel'er uit is, nu

kan 't zyn naam niet meer hooren ,

noch ook verftaan, dat men het roept, of

denken dat men \ iets geeven, of vriendfchap

»• doen


oeT I. AFDEELING.

doen wil. Het was derhalven ook de ziel, die

aan 't hondje het weinige verftand gaf, dat't

zelve had. — En even zoo is het, met de ziel

van de menfchen, ook; die geeft ook aan de

menfchen het zoo veelgrooterwr/fond, dat

zy,boven de beeften, hebben. Zonder je ziel

zou je noch hooren, nochverftaan kunnen,

wat ik teegen je zei; noch ook be denken,wa.t je

my zoudt moeten antwoorden. Want op zig

zeiven kan ook't menfchlyk lichaam niets.Zonder

de ziel, zou een menfchlyk lichaam daar even

onbeweeglyk blyven liggen, als't lichaampje

van 't vogeltje, of dat van Rozette. Het is

de Ziel,die het lichaam leevendig maakt en beweegt,

die door't lichaam voelt, door de oogen

ziet,door de ooren hoort, door den neus ruikt,

door den mond /maakt; en het is ook de Ziel

die denkt, en die verftaat en begrypt het geen

'er gezegd wordt; en die overlegt wat'er op

moet gedaan ofgeantwoord worden; en dus

is't ook de Ziel, die eigentlyk verftand heeft.

Maar weetje Pauline, hoe men de Zielen

van de menfchen nog meer noemt ?

P. Neen Mama.

M. Die noemt men ook Geellen,ea daarom

zegt men, dat de Menjch uit twee deelen

befiaat, De Ziel of Geest,en 't Lichaam,


IJL AFDEELING.

XVIII.

Bladz, 97

"p^ader. .Wat heb je daar Jacob ? Waar fpeel

je daar meê ?

Jacob. Het zyn twee nieuwe piftoolen,die

daar zoo, voor Papa, zyn t'huis gekomen, en

die ik van de tafel nam,om ze eens te bekyken»

V• Myn lieve Jacob, je moet nooit geene

piftoolen, fnaphaanen, ofeenig geweer aaniaaken,

of 'er mee fpeelen. Dat is geen

lpeelgoed, voorkinderen. En al wie'ernog

niet meê weet om te gaan, of'er on voorzigtig

meê omgaat, kan een groot ongeluk krygen.

Daar zal ik je zoo ftrak eens een voorbeeld van

verhaalen ,• maar eerst moet ik 'er je zelfde

uitwerking van laaten zien. — ( Hy krygt den

kruidhooren en eenige kogelstuit de kast, en

laadt het Pijlool. ) Zie Jacob, dat is kruid,

daar doet men wat van, in 't piftool, en ook

een weinigje op de pan, en dan laat men zulk

een kogeltje, op 'tpitlool, loopen, en dan

is het gelaaden. Nu zal ik 't venfter open

doen, en fchieten , op den plank, die daar

teegen den muur ftaat. (Hyjchiet het

pijlool «ƒ. )G?.a nu eens, in den tuin, en bezie

E die


II. AFDEELING. 09

V. Ja, en net zoo zou 't 'er doorgaan.

Kinderen,die met het geweer nog niet weeten

om te gaan, moeten derhalven nooit eenig

geweer aanraaken. En zelfs als men ouder

is, moet men nooit met geweeren fpeeln, 'oï

kortswylen, om dat men'er zoo ligt een ongeluk

mee krygen kan.

J. Zal Papa my ook leeren, hoe men 'er

meê moet omgaat ?

V. Ja wel; ik zal Je eerst leeren, hoe men,

met piftoolen en fnaphaanen, naar het wit

fchiet, dat is , naar een ft uk papier teegen een

boom vastgemaakt, of naar eene ronde, witte

of zwarte vlak of kring, op eene plank,

gefchilderd, om net te leeren raaken, waar

men wil. En daar na zal ik je leeren patry zen

en haazen fchieten; en dan kun je,met Papa,

op de jagt, gaan, en ook eens wat t'huis

brengen.

J. O ja Papa, als't je belieft.

V, Maar eer ik je, op de jagt, meê neem,

moet ik weeten, of je voorzigtig genoeg, met

de geweeren, omgaat; want anders kon je

my of anderen, die met je joegen,zeer ligt

een groot ongeluk toebrengen.

J, O neen Papa! ik za! wei voorzigtig

E a zyn


IOO II. AFDEELING.

zyn. — Maar Papa, je had me beloofd, datje

me iets vertellen zoudt.

' V. Dat zal ik nu ook doen, om je te

toonen, hoe onvoorzigtig't is, metgewee.

ren, tefpeelen.

Wanneer men op verre reizen uitgaat,komt

men wel eens op plaatfen, daar flegte menfchen

zyn, die je je geld en't goed, datje by

je hebt, willen afneemen; en wanneer je 't

niet goedwillig geeven wilt. je (laan, enje't

met geweld afneemen; en die menfchen hiet

men ftruikroovers.

J. Wel foei Papa, dan zyn flegte menfchen,

V. Ja dat zyn het tog. — Maar om 'er zig

nu teegen te verdeedigen, neemt men zulk

een koppel piftoolen meö. En wanneer de

ftruikroovers je dan aanranden, om je je geld,

met geweld,af te neemen; dan fchiet men 'er

fnfch op los, en dan fchiet men hun een arm

of een been aan ftuk, en dan moeten zy je wel

met rust laaten. En zoo reist men dan weer

veilig voort.

J. Ja maar dan zyn die menfchen hunnen

arm of been tog kwyt.

F. Dat zyn zy tog, maar dat is hun eigen

fchuld;


% AFDEELING. 101

fchuld J, waarom laaten zy je niet met rust

voortieizea? Waarom willen zy je (laan , d"

kwaad doen, om je je geld en goed af te neemen.

Zy verdienen het dan wel; en el!; moet

zig zei ven verdeedigen,

J. Dat is ook waar Papa.

V. Maar nu gebeurde het eens, dat een

Heer, die twee zoons had, Willem en Christiaan

genaamd, op reis willende gaan, zyne

piftoolen klaar maakte, en ze op zyne tafel

neêrlei, terwylhyuitging, naariemand,die

hem op dat oogenblik liet verzoeken, hem ,

voor zyn vertrek, nog eens te komen fprèeken.

Meer dan eens had die Heer aan zyne

zoons verbooden, ooit zyne piftoolen, of

eenig geweer in't algerneen,aan te raaken, en

hy veitrouwde, op hunne gehoorzaamheid,

dat zy't ook niet zouden doen. Maar eenigen

tyd nadat hy uit was, kwamen de twee jongens,

in de kamer, en zagen de piftoolen,op

tafel, liggen. —— Kom Chriftiaan.' zei Willem,

laat ons eens foldaatje fpeelen, en met

een nam hy 't eene piftool, en gaf't andere

aan zyn broeder.— Neen, zei Chriftiaan, je

weet immers wel, dat Vader't ons verboden

heeft, en ons gewaarfchuwt, dat men 'er

E 3 zeer


io2 II. AFDEELING.

zeer ligt een groot ongeluk meê kan krygen,

wanneer zy gelaaden zyn. *m*i O geen nood.'

hervatte Willem, Papa laadt zyne piftoolen

altyd zoo laat als hy kan. Ik zie't hem gemeenlyk

eerst doen, wanneer't paard reeds, voor

de deur, is. — Ja maar antwoordde Chriftiaan

weer, je weet dat Papa eerst van ogtend

vroeg wou vertrekken. CHet paard was in

de daad ook reeds voor geweest, en daarophad

de Vader de piftoolen gelaaden.) Ja, ja zei

Willem, maar 't paard werdt weer af befteld,

toen de boedfchap van dien Heer kwam; dat

heb ik zelf aan Jan hooren zeggen. Ik verzeeker

je dus wel, dat de piftoolen niet gelaaden

zyn. En kyk 1 Ik weet ook al hoe men met

piftoolen moet omgaan , dat heeft Janmy geleerd.

Ziel ik kan den haan fpannen. Zie

maar eens, hoe gemaklyk ik dat doe. — Met

een fpande hy dehaanen der beide piftoolen,

en liet ze zoo ftaan. — Kom,nu aan 't exerceeren,

zei hy; als ik vuur zeg, dan moetje,

met je vinger, teegen dat yzertje drukken,dan

gaat het piftool af, en dan komt 'er vuur uit

den fteen, o dat is zoo aardigi —— Wel dat

wou ik ook wel eenszien zei Chriftiaan. ——

Dat zulje zoo aanftonds,hervatte Willem,maar

wy


II. AFDEELING. 103

wy moeten liet te gelyk doen , en teegen over

malkander gaan flaan, dan kunje't vuur van

alle bei de fteenen te gelyk zien.

Zy gingen nu teegen elkander over flaan, en

Willem zou Commandeeren Geef agt,

zei by teegen Chriitiaan , preiënteerje

geweer, leg aan, geef vuur;

met een gingen de twee pi(toolen,die werklyk

gelaaden waren, af, en beide de jongens vielen.opden

grond, terwyl het bloed hun langs

de kleêren liep. Willem had de kogel, in den

arm, gekreegen, en die had hem den arm gebrooken.

Chriftiaan had, op 't gezigt van

't vuur, het hoofd omgedraaid, en op dat oogenblik

nam de kogel een geheel ftuk van zyn

neus weg.

Daar lagen zy nu te fchreeuwen en te kermen

, en beklaagden hunne onvoorzigtigheid

en ongehoorzaamheid zeer, maar 't kwam te

laat. Op het geluid der twee fchooten,

kwam-de moeder toegeloopen, en je kunt ligt

begrypen , hoe vreeslyk die ongelukkige

vrouw was aangedaan, toen zy daar haare beide

eenigfte zoons zag, in hun bloed,gewertejd

liggen. Van fchrik viel zy zelf flaauw

naast hun neer. En voor dat zy nog was by-

E 4 Pr


io4 II. AFDEELING.

gekomen, kwam de vader t'hu is, en zag daar

zyne beide zoonen gekwetst, en zyne vrouw

flaauw voor zyne voeten.

J. O Papa dat was naar, nooit fpeel ik

meer me f

piftoolen.

V. Men bragt tér/fond alle hulp toe, en

de moeder kwam eindelyk weer by. Maar

zy riep en kermde fteeds, om haare zoous,die

m door een Chirurgyn, verbonden werden.

Met'er tyd genazen zynogwei, maar het

was met veel moeite, en na 't uitftaan van veel

fmert. Zelfs moest men Willem zynen

geheelen arm afzetten , zoo dat hy, voor 't

overige van zyn leeven, maar eenen arm had.

En Chriftiaan behieldt,voor altoos, een groot

lidteeken, aan den neus, dat hem verfchriklykleelyk

fiondt.

X I X.

Vader. Jacob, wil ik je eens uitleggen ,

waar de 'rivieren van daan komen ?.

Jaóób- O ja Papa, als 't je belieft.

V; Jk'heb je wel eens meergefprooken

van landen, daar zeer hooge bergen, datis

zeer groote en hooge hoopen van zand, aarde

cn fteen zyn, waar van 'er fommigen zelfs

zoo hoog zyn, dat zy tot boven de wolken

«itfleekenjdatheugtjenogwel ? J,


II. AFDEELING. 105

J. Ja wel Papa.

V. Nu, op die bergen reegent het, in

den zomer, en fneeuwt liet, inden winter,

net zoo als hier; en opdiegeenen, diehooger

dan de wolken zyn , daar dryven de wolken

, teegen de fteile kruinen aan, en blyven

dan, tusfchen die kruinen,hargen. En dan

trek; het vogt van de wolk in de aarde, ot (laat

aan teegen de fteenen,even als je adem teegen

't glas; en dan loopt dat water, met ftraalen

af, naar beneeden, of vriest vast teegen de

fteenen. Want boven, op de toppen van die

bergen, is het, naar 't getuigenis der geenen,

die 'er op geweest zyn, zeer koud; ja zelfs

zoo koud, dat 'er altyd, winter en zomer,

fneeuw en ys op ligt, en'er maar, in'tallerheetst

van den zomer, een gedeelte van ontdooit,

terwyl 't overige daar op blyft liggen.

J. Wel Papa, dat moet aardig ftaan, y s

en fneeuw midden in den zomer.

V. Jadatdoet hetook. Wanneer je beneeden

in de vlakte bent,of in de valeien, dat is in

delaagten , die tusfchen de bergen in zyn,en

je vindt het daar brandend heet,eh ziet'er alles

met bladen en bloemen bedekt, dan zie je teevens,heel

hoogop den berg, fneeuw en ys b'g-

E 5 £en.


io6 lh AFDEELING.

gen. En als je 'er naar toe klimt, dan vind

je 't daar zoo koud, dat je niet weet, hoe je

je genoeg, met jasfen en warme kleêren,

dekken zult.

J. Wel daar ging ik dan altyd naartoe,

als ik 't te warm had.

V. Ja maar je hebt lang werk,om'er te komen,

om dat het zeer hoog is. •— Doch om

weer tot het water te komen. Dat geen 't

welk,door den reegen en de wolken, op de

bergen,gebragt wordt,en ook dat geen,*t welk

van'tysen den fneeuw, boven op de toppen

ontdooit, trekt in het zand en in de aarde,

overal waar het zand of aarde, boven op den

berg,ontmoet; en daar het op rotfen, dat is op

zeer groote fteenen valt, loopt het, langs de

fchuins af hellende kanten, van die fteenen

af; of dringt,doordefpleeten, die't hier en

daar, in dezelven vindt; en komt dan weer

in de aarde of in't zand, dat onder die fpleeten

ligt; en zoo loopt een gedeelte, inftroomen,

langs de fteilte van de bergen af,totbenecden

toe, in de valeien of daalen;terwyl het

ovei igc,dat in de aarde of 't zand getrokken is,

?

er zoo lang,al laager en laager,doorheen zakt,

lot dat het eindelyk eene laag of bedding van

fleen


II. AF D EE LING. 107

fteen of harde klei ontmoet, daar't niet door

heenen kan.

J. Papa wat is dat een laag of bedding?

J'. Wanneer je eene meenigte vellen papier,

van verfcheide kleuren, op eenen hoop, zodanig

op malkanderen lcgt,datjeb.v.eersteenige

vellen blaauw papier geheel onder legt, en dan

daar op eenige vellen wit papier, op deezen

weereenige vellen rood papier, en zoo vervolgens;

dan zegtmen,dat jejepapier,bylaagen,

ge'egdhebt .— Of indien ik de plaats, van't

eene einde tot het andere, met vafteklei liet

beleggen; en dat ik dan,op die klei, een deel

zand, of losfe (teentjes, ftel eens, tot een

voet hoogjftrooide, dan weer,op'tzand,een

deel aarde, en dat ik eindelyk dat alles met

groene zoodeu bedekte, dan zou men zeggen

, dat ik de plaats, met beddingen van klei,

zand, fleentjes, aarde, en zooden belegt

had. - En dan zou de plaats, in 't k!ein,omtrent

zoo gefield zyn , als de bergen in 't groot.

J. Zyn die dau ook met zulke bed­

dingen?

V. Ja,als men in de bergen graaft, dan

ziet men,dat zy gemeenlyk beftaan uit verfcheide

laagen van fieen , klei, zand, aar-

E 6 de,


ioS II. AFDEELING.

de, &c. die allen boven op malkanderen lig­

gen, net zoo als de laagen papier, of de bed­

dingen op de plaats, daar ik je zoo even van

fpafc: Behalven alleen, dat zy niet zoo glad

en vlak liggen, maarin allerlei bogten en kron­

kels , dan eens naar boven, dan weer naar

beneeden , over malkanderen heen loopen.

Ook is de dikte van elke laag zeerongelyk; en

dan ligt 'er eens eene van 't eenefoort j dan

wee| eene van 't andere, bovenop , en dit

verwisfeld op allerlei wyzen. Wanneer nu

liet vvater,door de bovenfte beddingen van

aarde, losfefteentjes, ofzand , doorgezakt

zynde, gekomen is tot op eene laag van vafie

klei, of fteen, dan kan het niet verder,regt-

ftreeks naar beneeden, zakken; doch daar de

beddingen, gelyk ik je reeds gezegd heb,

fchuins, en met kronkels en bogten, over el­

kander liggen, zakt hetwater,langsdie afhel-

lingen , door de beddingen van zand of aarde,

die'er boven opliggen, heen,naar den buiten­

kant van den berg toe, zoo lang, tot dat het,in

dien kant, ergens eene opening vinde,of'erzig

eene maake; en dan komt het,uit die opening,

vloeien, of op borrelen,zo zy in de laagte ligt;

en maakt dus bet eerfte begin van eene beek o!"

ftroom.


II. AFDEELING. 109

ftroom, die vervolgens, langs de fteile kanten

van den berg,afioopr;of door de laagten en valeien,

tusfchen de bergen heenen vliedt, naar

deeerftevlakte, die'erby ligt.

J. En waar blyft die beek, of ftroom dan?

/^.Daar'er gemeenlyk verfcheide zulke beeken

of ftroomen, uit een en den zelfden berg,

en ook uit de nabygeleegen bergen, hunnen

oorfprong neemen, ontmoeten die beeken en

ftroomen eikanderen wel haast, loopen in

malkaar, en maaken dus eene grooterebeek

of ftroom uit. Die geenen, die, zoo als ik

jeftrak zei, van de fteenetoppen afflortten ,

voegen'er zig ook by; het water, dat, door

den reegen ,'op de vlakten, aan den voet der

bergen'geleegen, uitgeftort wordt, zakt'er

al mede naar toe; en uit de vereeniging van

dit alles ontftaan de Rivieren, die duseigentlyk

niet anders dan groote beeken en ftroomen

zyn, uit de vereeniging van verfcheide

kleinere beeken en ftroomen ontftaan.

J. En waar blyven die rivieren Papa?

V. Die loopen dan al verder en verder,

doordelaager (treekenenvlakten,door; zoo

dat zy verfcheide zeer uitgeftrekte landen,

ibmtyds wel ter lengte van verfcheide honi;

y derd


IIO II. AFDEELING.

derd uuren gaans, altoos en heen wederflirj.

gerende, door kruisfen. lin zulks tot zoo

lang,dat zy eenige andere rivier ontmoeten ,

daar zy zig dan weer mee vereenigen,, en in

eenen ftroom, alverderen verder voortloopen,

tot in de zee toe; daar zy hun water

eindelyk in uitftorten, en het dus wederbrengen,

tot de plaats van waar het gekomen is.

J. Hoe Papa, komt het water van de rivieren

dan eerst uit de Zee?

V. Ten minften voor 't grootfte gedeelte;

en dat kun je ook zelf reeds opmaaken,uit het

geen ik je, in ons gefprek , over de zee, gezegd

heb. Daaglyks ryzen 'er dampen, uit

de zee, opjdeeze dampen verzamelen zig in

wolken; die wolken dry ven,over zee en land,

naar alle kanten, heen, en vallen, voor een

gedeelte,in reegen, fneeuw, en mist.onder

weg,needer; het overfchot dryft naar de bergen

toe, en hort daar zyn water iusgelyks

in reegen, fneeuw of milten uit; dit water

loopt'weei in beeken en ftreomen, van de

bergen af; deeze beeken en ftroomen maaken,

door hunne vereeniging,de rivieren uit; en de

rivieren brengen hun water wederom in de

zee; ea zoo gaat dat al daaglyks voort. Daag-

lyks


II. AFDEELING. in

lyks waesfemt 'er water, uit zee, op, dat,

gelyk ik je gezegt heb, onder't opwaasfemen,

zoet wordt ; en daaglyks brengen de rivieren

dat zoet geworden water te rug, inde

zee, daar 't zig dan weer met het zout water

vermengd , en zout werdt. En dit alles

maakt,dat de zee nog leeger noch voller, noch

zoeter noch zouter wordt, wyl de rivieren 'er

telkens weer net zoo veel zoet water in brengen

, als 'er door de uitwaasfeming uit gaat.

J. Maar Papa my dunkt,als dat zee water

zoo geduurig zoet gemaakt wordt, en 'er ook

zoet weer in komt, dan moest de geheele zee

eindelyk zoet worden.

V. Dan heb je vergeeten hoe het komt,dat

dat zee-water,by't opwaasfemen,zoet wordt.

Dit gefchiedt alleen daar door, dat het zout,

het welk 'er mee gemengd is, in de zee te rug

blyft. Maar dat zout,in de zee te rug bly vende

, terwyl een gedeelte van 't water der zee

weg dampt,zou het overige water van de zee,

daar door,des te zouter moeten worden j indien

de rivieren zulks niet beletten, door'er

weer geduurig zoet water in te brengen, in

plaats van't geen'er daaglyks uit dampt. De

geheele hoeveelheid vanzout,die'erindezee

is,


112 II. AFDEELING.

is, blyft dus dezelfde, want daar gaat geen

zout uit, en daarkomt geen zout in, 'cis alleen

water dat 'eruit en in gaat. De geheele

hoeveelheid van water blyft ook dezelfde ,

want daar gaat wel daaglyks, door de uitwaasfeming,water

uit, maar daar komt ook

daaglyks, door de rivieren,weer even veel

waterin. En dus blyft alles volmaakt in den

zelfden Haat.

J. Dat is waar Papa.

V. Maar Jacob wil ik je nu eens zeggen,

hoe men de plaats hiet, daar 'teerfte water

van eene beek, ftroom ,of rivier, uit de zyde

van een berg,komt vlieten, of uit den grond

eener valei opborrelen ?

J. Als 't je belieft Papa.

V. Die hiet men de bron of'oorfprong van

de beek, ftroom, of rivier. En de holte,die

het water ih den grond maakt, en waarin het,

tot aan eene andere rivier, of tot aan de zee,

in voort ftroomt, hiet men het bed der rivierj

en de plaats,daar zy haar water, in eene andere

rivier, of in de zee, uitfiort, biet men de

mond van de rivier. Deeze beken, ftroomen

, en rivieren' nu zyn ons van de allergrootfte

nuttigheid. Want zy brengen aan

alle


II. AFDEELING. 113

alle de plaatfen, daar zy langs vloeien, het

water, 'twelk je weet, dat wy zoo zeer no­

dig hebben. Zy houden de landen, daarzy

door vloeien, vogtig en vrugtbaar. Men kan

'er, naar maaten zy groot of klein, diep of

ondiep zyn, met grooter of kleiner vaartui­

gen , fehuitjes en fchcepen op vaaren; en dus

op de gemaklykfte en minst kostbaare wyze,

van de eene plaats naar de andere, reizen, of

goederen overbrengen. Eindelyk men vindt

'er eene meenigte van vislchen in, als fuoek ,

karper, baars, braasfem, vooren,zalm,welke

laatfte eèn gede'elteyan zyn tyd,in zee,een ge­

deelte in dc rivieren doorbrengt, en verfcheide

andere lootten meer , die allen zeer lekker

zyn, en eene goede vervulling, voor onze

talels, geeven.— En terwyl de beeken en ri­

vieren ons zoo nuttig zyn, geeven zyook

een grooten cieraad aan de landen, daar zy

door-loopen. Want niets is f taaier, dan van

eene hoogte, eene rivier,ofeenigebeekjes,

door een fraai landfehap, te zien heenen ilin-

geren. Het is]dus,in allenopzigten, goeden

aangenaam, dat 'er beeken en rivieren zyn.

J. Ja dat is wel waar Papa, een beekje geeft

zulk eene aangenaame koelte,als men 'er's zo­

mers,


H4 H- AFDEELING.

mers, in de fchaduw van de hoornen, lan^s

wandelt.

V Dat doet het tog, en dan is een mooi

wel belommerd beekje, de aangenaatnfie en

verkwikJykfie plaats, die men vinden kan.

X X.

Vader. Jacob 1 Jacob I fcbielyk daar

van daan, naar den anderen kant van den

firaat toe I

Jacob. Maar waarom,Papa?

V. Ei! met je waarom, fchielyk maar

naar ••« —

J. Ai! Ai\ Papa, wat is dat?

V. Wel ja wat;is dat ? Dat is eene goeie

kies water, diejêomjeoorenkrygt, en wel

rerdiend hebt. Altyd moetje weeten waarom,

al is'er geen tyd, om'tje te zeggen, Ik

zag >el,dat men daar beezig was met de gla.

zen te wasfchen, en dat je zoo't water, op

jelyf,zoudtkrygen;en daarom riep ik je toe,

van fchielyk,naar den anderen kant der firaat,

te loopen. Maar jonker wysneus moet altyd

weeten waarom, en nu druipt hy als een waterhond.

3' Ja Papa ik wist niet,—»

V. Ja alsje't geweeren had, danliadik't

je


II. AFDEELING- 115

je niet hoeven te zeggen. Dit zal je nu, hoop

ik, leeren, als ik je zeg , fchielykjongen!

doe dit of dat! — eerst te doen,en dan te vraagen-,

want nu zie je, dat het fomtyds te laat

wordt, als kinderen eerst Willen weeten waarom,

en dan doen.

" y. (Zig afdroogende;) Ja Papa, ik zal

beeter oppasfen, in 't vervolg; ik zal niet

weer eerst vraagen waarom?

V. Dat hoop ik. Jekomt'er nu gelukkig

af, maar't kon wel eens erger afloopen. Wil

ik je eens vertellen, wat 'er gebeurde aan een

jongen, Hendrik genaamd, die ook altoos

eerst reede vroeg, en dan gehoorzaamde,

maar'er zoo wel niet afkwam, alsjy?

J. Als 't je belieft Papa.

V. Op een morgen liep hy fpeelen, op

ftraat.En terwyl zyn Vader,voor't open venster,

fiondt, kwam hydigtby een huis, daar

men beezig was, iets aan te vermaaken , en

daai eengrootenhoopenfteenen voorlag. Op

deezen hoop liep Hendrik op en neer, en

fprong'er af, en merkte niet, dat men'er nog

meer fteenen, van boven van 't huis, op neer

gooide. Zyn Vader, die dat wel zag,riep hem

toej fchielyk Hendrik 1 daarvandaan! ——

Maat


V* II. AFDEELING*

Maar Hendrik vroeg ook, waarom Papa ? En

eer zyn Vader hem kon antwoorden, gooide

men een grooten fieen van boven neer, die

Hendrik op de beenen viel, en zyn eene

been brak Nu wist Hendrik wel, waarom

zyn Vader hem geroepen had; maar't was

tèj Iaat, hy was zyn been kwyt. Eerst leedt

hy'er, verfcheide weeken lang, dezwaarfte

pynenaan; en daarnaa kon hy 't nooit weer

gebruiken, maar moest, op krukken, gaan.

En toen had hy tydengeleegenheid,om zig

wel te overtuigen, hoe onvoorzigtighetis,

altoos eerst te vraagen waarom? eerden gehoorzaamt.

Hy droeg ook wel zorg van 'tniet

weer te doen; en dat maakte, dat hy nu geene

andere ongelukken meer kreeg; maar 't

kon hem tog 't gebruik van zyn been niet weder

geeven. Zo jy nu'r zelfde leert, döor't

water, datje daar zoo om de ooren gekreegen •

hebt, dan ben je 'er gelukkig aan; maar zo je

weer eerst vraagt waarom, dan kun je 'er wel

eens, net zoo als Hendrik, en misfehien nog

veel erger byvaaren.

7. Neen Papa, ik beloof je, ik zal 'er wel

oppasfen; rk zal eerst doen, en dan vraagen.

V Dat zal zeer wel gedaan zyn; en dan

zal


II. AFDEELING. 117

zal men 'tje ooli gaarne zeggen , als men kan.

En wanneer men 't niet kan, dan zal men je

dat zeggen, en dan moet je 'er geduld meê

neemen; ten minften, zo je niet liever, door

ongehoorzaam zyn, een ongeluk krygen wilt.

J, Neen, neen, Papa! Ik mogt ook

eens, al myn leeven,op krukken,moeten gaan,

en dat is al te erg.

* X X I.

Moeder. Pauline heugt je nog, dat ik je

voorleeden gezegt heb, watdenkenis?

Pauline. Ja wel Mama. — Als Hanna

niet in de kamer is, en dat ik Hanna niet zie,

dan kan ik tog aan Hanna denken , en dan is 't

net als of ik Hanna voormy zag.

Af. Zeerwel. Nu is 'tje ziel, die dat

vermogen heeft, van zoo te kunnen denken,

en zig de dingen zoo te kunnen voordellen,

of, zoo als men 't hiet,verbeelden.

P. Maar Mama wat is vermoogen ? dat

verftaa ik niet.

M. Als ik teegen Pauline zeg, haal my

die ftoofeens, die daar ftaat .en draag ze hier

naar toe, en zet ze by my neer, kan Pauline

dat dan doen ?

P. Ja wel Mama, zeer gemaklyk.

M,


W II. AFDEELING.

M. Wel nu, dan heeft Pauline de kragt

of het vermoogm, van die ftoof te kunnen

draagen, en hier brengen, en by my neer zetten.

Maar indien ik nu eens teegen je zei

Pauline haal me het ledikant eens hier, daar

Papa en Mama in flaapen, zou je dat ook

kunnen doen.

P. Wel neen Mama, dat is veel te groot,

dat kan ik niet draagen.

M. Welnu, dan zou ik zeggen, Pauline

heeft wel óekragt en het vernoegen, om die

ftoof te bunnen draagen, maar dat groote ledikant

te draagen, gaatPaulines kragt of vertnoogen

te boven.

P. Dat doet het ook Mama, dat kan Pauline

niet doen.

M. Het vermoogen is derhalven,de bekwaamheid

of kragt om iets te kunnen doen.

En daarom zeide ik, dat je ziel het vermoogen

heeft, van te kunnen denken, en zig de

dingen, die zy niet ziet, te kunnen voorjlellen

en verbeelden ,net als of zy z e zag.— Zie eens

hier Panline, ik zal deeze kleine laade eens

opendoen; wat ligt daar in ?

P. Een mooi wit lint Mama, metroode

ftreepen, en lieve kleine bloemetjes, tusfchen

deftreepenin, o dat is mooi! M


II. AFDEELING. 119

M. Wel nu, doe nu je oogen eens toe.

Kun je je nu niet nog zeerwel voorftellen, wat

'erindelaadelag?

P, O ja Mama, een wit lint, metroode

ftreepen, en 't is net als of ik die kleine mooie

bloemetjes nog voor myzag.

M, Ja, en nuziejedat lintvoor je, om­

trent net zoo, als of je eene pop, die agter

je flondt, en die je dus zelve niet zien kondt,

in eenen fpiegel zaagt. Want dan zie je ei-

gentlyk de pop zelve niet, net zoo min als nu

bet lint, maar de afbeelding van de pop, in

den fpiegel. Probeer maar eens; doeje oo­

gen eens open; ik zal je pop, hier, op deeze

tafel, agter je zetten. Kunjenu depopzel-

ve wel zien, als je zoo Ü. aan blyft?

P. Neen Mama.

M. Maar zie, nu zal ik eens een fpiegel

voorje zetten; kyk daar nu eens in.

P. Ja daar zie ik de pop nu heelwel.

M. Ten minften je ziet óe afbeelding van

de pop, in den fpiegel.—Nu, in dit opzigt, is

't omtrent even zoo, alsjeftrak, de afbeel­

ding van dat witte lint, met roode ftreepjes en

bloemetjes, in je hoofd zaagt.

P. Mama, is'er dan een fpiegel, in myn

hoofd, daar ik dat lint in zien kan? M,


i2o II. AFDEELING.

v M. Neen Pauline, een fpiegel is'er riet

in je hoofd; en daar in ligt nu het veifchiJ.

In den fpiegel kun je geene andere dingen

afgebeeld zien, dan diegeenen, die men\r

werklyk voor houdt. Wil je je zeiven in den

fpiegel zien, dan moet je'er eerst voorgaan

liaan. Wil je 'er je pop in zien , dan moet ie

'er je pop eerst voor zetten. L dat niet zoo ?

P. Ja wel Mama, dat is zoo.

M. Maarjezielkanzigjinjehoofd, zeer

wel de af beedingen van zulke dingen voordellen

, die niet voor je ftaan, ja die noch by,

noch omtrent je zyn. 13. v. wat hangt'erin

je kamer, teegen den muur, tusfchen 't venster

en't ledikant ?

P. O dat weet ik wel Mama, daar hangt

Mama's portrait,en dat van P Gauline, met een

icosje, in de hand,

M. Nu,die portraiten kun je jeimmers

net zoowel voordellen, als firak het lint»

P. Ja wel Mama.

M. En tog zyn die portraiten niet voorje,

maar in eene ander kamer. En wat hong

'er gifieren , by Grst;t-Mama , aan dien

boom, daar wy zoo lang by fionden te

praaten ?

P,


II. AFDEELING. 121

P. Daar horigen mooie perzikken aan,

die haast ryp waren.

M. En hoe zagen 'er die perzikken uit ?

P. Die waren wit, maar zy begonnen al

mooie roode koontjes te krygen.

M, Zie je nu wel, Pauline , dat het, ten

deezen aanzien, met je ziel, geheel anders

is, dan met den fpiegel ? De fpiegel kan niets

afbeelden, dan 't geen 'er voor ftaat; maar

je ziel kan zig afbeelden en voorttellen alles

wat zy wil, hoe ver 't ook van je van daan

zyn moge.

P. Dat is waar Mama.

M. Weet je nu, hoe men dat wraooge»

van de ziel, van zig zoo de dingen te kunnen

mor {lellen en verbeelden, noemt?

P. Neen Mama,

M. Dat noemt men de Verbeelding!*

kragt.

M. Pauline, weet je me wel te zeggen,

watje gifteren, by Groot-Mama, gedaan

hebt?

P. O ja Mama, daar hebben wy, in dat

mooie wagentje gereeden, het bofch door,

naar de kippetjes, en de duifjes, en de eendjes,

F en


1=2 IL A F D E E L I N G .

en die hebben wy wat eeten gegeeven.

M. En weet je nog watje voorleede week,

by Groot-Mama, gedaan hebt, toen je Oom

cn Tante'er ook aten

P. Ja wel Mama, toen zyn wy, op *t

water,in 't fchuitje, gaan vaaren, o! dat was

zoo plaifierig.

M. Wel,dat heb je alles wel onthouden.

Zie je nu , dat je ziel ook dekragten\vermoogen

heeft» van zig te kunnen voordellen,

alles wat je, eenigen tyd geleeden, gedaan

hebt; en alles wat 'er,eenigen tyd geleeden,

gebeurd is. Wat gebeurde 'er, b. v. toen

wy in 't fchuitje voeren, en onder die brug

door gingen?

P. Toen viel 'ereen katrol, daar 't zeil

meê wordt vastgemaakt, in'twater; en daar

zogten Papa, en Oom, en Neef zeer lang naar.

Maar zy konden de katrol niet vinden. En toen

moeden wy weer naar huis, om dat zy't zeil

niet weer konden opnaaien.

M. Dathebjezeer wel onthouden. De

kragt nu,of het verm»ge»,die je ziel heeft,om

zig zoo, wanneer zy wil, de dingen te kunnen

voordellen, die eenigen tyd geleeden ge.'

beurd zyn, noemt men het geheugen,

Maar


H. AFDEELING. lag

Maar, Pauline, weetjenuopk nog alles

wat'er gifteren, by Groot-Mama, aantalel'

gezegd werdt? Heugt jeb.v. wat Tante vim

haar kleinen jongen vertelde ?

P. Neen Mama, dat weet ik niet meer.

M. Je waart 'er tog by, toen Tante het

vertelde; en je hebt het wel gehoord, want

je hebt 'er om gelachen,

P. Dat kan wel zyn Mama, maarikweet

het tog nu niet meer.

M. Wel,als'erzooietsis, datjeeensgeweeten

hebt, maar dat je nu niet meer weet,

dan zegt men, datje 't hebt vergeeten. Maar

wil ik nu eens zien, of ik het je weer kan te

binnen brengen?

P. Als 't je belieft Mama.

M. Zei Tante niet, dat de kleine jongen,

met zyn Vader, was gaan wandelen, in 't

bofch, en dat hy de vogeltjes naliep ? Denk

'er maar eens ter deegenop; wat gebeurde

'er toen?

P. Toen — Toen—O ja Mama ! nu weet

ik het al. Om dat hy niet zag waar hy liep,

rolde hy van boven neer, in eene floot, perdons!

in de modder. En toen zag hy'er van

't hoofd, tot de voeten, zoo zwart uit als inkt-

F 3

M,


i=4 & AFDEELING.

M. Zie je wel, nu weet je 't weer. Nu

heb ik het je weer te binnen gebragt, of zoo

als men zegt, ik heb het je herinnert,ten minsten

ik heb je geholpen, om het je weer zelf te

herinneren,

X X I I .

Sophie was een zeer goedhartig kind, da t

nooit iemand, zelfs geen dier, kwaad deedt,

en wien 't altyd fpeet, wanneer men ook maar

een vliegje , zonder noodzaak, doodde.

Eens, met haare oppafter, over firaat wandelende,

zagzyeen klein hondje, dat, door

eenige jongens, meteen touw, naar degragt

gefleept werdt,om 't,in 'twater, tefmyten

en daar te verdrinken. Het hon-dje was niet

mooi, en daaren boven geheel beflikt en bemorst,-

maar dit belette niet, datSophiehet,

uit enkelmedelyden, wildekoopen , omdat

zy zag, hoe het,doordejongens,misl;aodeld

werdt. Zy boodt hun derhalven een paar

fchellingen, voor't hondjen, aan; en de jongens

waren zeer gereed, om 't 'er voor te geeven

. De oppafter van Sophie zei wel,teegen

haar; wat zul je tog aan dat hondjen hebben,

het iszooleelyk? Maar zy antwoordde; dat

is wel waar, 't isnïetmcoi, maar 't is ongeluk-


II. AFDEELING. 125

lukkig; en indien ik het nu verlaat, dan zal 'er

misfchien niemand medclyden meê hebben.

Zoo kogt zy 't hondjen van de jongens, liet

het fchoon afwasfchen,, en nam het onder haaren

arm meê naar huis. Het arme diei tje likte

haare handen, den geheelen weg over.van

vreugde, dat het zig nu niet meer zoo aan een

touw zag vQorifleepeu. T'huis gekomen

lachte men Sophie wel een weinig uit, met

den koop Van haar leelyk hondjen; maar dit

belette niet, dat zy 't behieldt, en't wel op-pafte,

en 't op haare kamer, op een kosfentje

, by den fchoorfleeu liet flaapen.

Na dat zy haar hondjen drie of vier mamden

had gehad, gebeurde het op eenennagt,

terwyl zy reeds in diepen flaap was, dat het

hondjen eensklaps, op haarbed,fprong, en

begon te janken en te blaften ; en'er weer af,

en weer op fprong, en nog fterker blafte, zoo

lang tot dat zy eindelyk wakker werdt. Zoo als

zy de oogen open deedt.zag zy een groot licht

in de kamer, en fchielyk door degordyneu

kykende,werdt zy,niet zonder grooten fchrifc,

gewaar, dat haare mat in brand ftondt, en

de vlam reeds tot het kusfentje van 't hondjen

gekomen was, en'er het beestjeafgejaagd had.

F 3 - Een


i25 II. A F D E E LI N G.

Een klein koeltje , eer men 't vuur bezorgd

had, ongemerkt van den haard gerold, had

de mataangefiooken.

Sophie fprong nu fchielyk 't bed uit; maakte

haare oppafter, die even zoo vast iliep

als zy,wakker; en deeze geen water genoeg

by de hand hebbende, om'er den brand meê

te blusfehen, fineet 'ergaanw dekusfensen

deekens van 't bed op, en verflikte dus nog

gelukkig de vlam, op 't oogenblik dat dezelve

"eene groote houte kast zou hebben aangeflooken,

en dus de geheele kamer, en 'tgeheele

huis, in 't, uiterfle gevaar,gebragt. Sophie

zag nu, • dat zy en haare opparfler het grootfte

ongeluk zouden gekreegen hebben,indien 't

hondjen haar niet nog by tyds had wakker

gemaakt. Ook werdt het diertje nu,by't ge«

heele huisgezin, in groote waarde gehouden;

wyl door middel van 't zelve, zulk een groot

ongeluk voorgekomen was. Men was zeer

bly, datzyhet'gekogthad. En men zag nu,

dat ook zeifs de beeflen ons wel eens beloonen

kunnen, voor het goede, datwy hun doen.

* XXIII.

Moeder. Pauline weet je me nog te zeggen,

wat verftand is; ik heb 't je voorleeden uitgelegd?Pau-


II. AFDEELING. 127

Pauline. Ja Mama 'tis Vis

JaMama, ik kan'tje zoo niet zeggen , maar

ik weet bet tog wel. Ik heb verftand, en de

beeften niet.

M. Datiswaar,dathebik|'eookgezegl. .

Maar om je nu te herinneren,wat meneigentlyk,

iooi verftand, meent, zal ik je zeggen ,

dat je verftand toond, wanneer je welbegrypr,

het geen ik je zeg, en'er ook van pas op antwoordt-

En even zoo toon je ook verftand,

wanneer je,in elke geleegenheid, waar in je je

bevindt, wel weet te overleggen,wat je doen

moet. Wil ik je daar eens een voorbeeld van

geeven ?

P, Als'tje belieft Mama.

M. Onder ftel eens, datje op firaat wik

gaan wandelen. Om dat nu te kunnen doen,

moetje eerst op de ftraatzyn, niet waar ?

P. JaMama, dat is zeeker.

M. Dus moetje dan eerst beginnen, met

te overleggen, hoe je doen moet, om op ftraa c

te komen.

P. Dat is ook waar Mama.

M. Wel, wy zitten nu vlak by een venster

, dat open ftaat en op de ftraat uitziet; en

door dat venfter kan men, als men wil, ook

F 4 °?


128 IL AFDEELING.

op ftraat komen. Zie maar eens, ik zal 'er

dat balletje papier uit gooien. — Kyk,daar

is 't al op de firaat. - Door «t venfrer kan men

derhalven op firaat komen, en dat wel zeer

. fchielyk.

P. Dat is waar Mama.

Mi Maar behalven deeze weg, is'ernog

. eene andere. Vlak by de deur van de kamer

is eene trap, die gaat naar bcneeden, inde

' gang, en van daar kunje , door de deur van

t huis, ook op firaat komen. Welke van

deeze twee weegen is nu de befte?

P. Wel Mama, ik kan immers uit dat

ven fier niet komen?

M. Je zoudt 'er juist wel uit kunnen komen

, of Mama zou'er je, net gelyk dat bal.

letje papier, wel uitgooien kunnen ; en dan

zou je zeeker veel fchielyker op firaat zyn,

dan indien je 'er,langs de trappen en den gang,

naar toe gingt.

P. Maar Mama, dan zon ik immers vallen,

indien je me zoo uit het ven fier gooide?

M. Dat zou je zeeker; en je zoudt zelfs

waarfchynlyk armen en beenen breeken; en

dan zou je wel op firaat zyn, maar je zoudt

'cr niet op kunnen gaan wandelen; ja zelfs

zon


II. AFDEELING. 129

zou je,in geen zes weeken,weer een voet verzetten

kunnen. — Wat dunkt je derhalven ,

wat isnubeeter; door het venfter zeer fchielyk

op ftraat te komen, en je armen enbeenen

te breeken;of'er,langs de trappen en door den

gang, wat langsaamer naar toe te gaan, en

dan je armen en beenen heel te houden 2

P. Wel Mama, dat fpreekt immers van

zelve; beeter langs de trap; want als ik my ne

armen en beenen brak, dat zou'erbedroefd

uitzien,

JV1. Daar heb je gelyk in,dat zou het tog,—

Maar weet je wat wy nuondertusfchen gedaan

hebben ?

P. Neen Mama.

M. Wy hebben nu ons verftand gebruikt,

om te onderzoeken,wathet befte middel was,

om op ftraat te komen; het venlter uit te fpringen;

of de trappen afte gaan; en wy hebbes

gevonden, dat het laatfte het befte was. —-r

Wil ik je nu eens zeggen, hoe wy 'er toe gekc»men

zyn, om dat te vinden ?

P. Als't je belieft Mama.

' M. Wy hebben eerst nagegaan, welke ra

de voordeden, en welken de nadeden waren,

van elk deezer twee weegen , om , op ftraat.,

F 5

t e


i30 II. AFDEELING.

te komen,' het venfter, en de trap. Endaar

by hebben wy gevonden, dat het voordeel van

't venffer was, dat men daar doorfchielyker

op ftraat kwam; maar daar teegen het nadeel,

dat men 'er armen en beenen by brak. Het

nadeel daar en teegen van de trap was, dat

wy wat langer onder weg zouden zyn; en het

voordeel, dat wy onze armen en beenen zouden

heel houden. Is't niet zoo?

P. Ja wel Mama.

M. Na dat wy dus deeze voordeden en

deeze nadeelen gevonden hadden, hebben wy

die, met eikanderen, wgefeefo», en gezegd ;

wat is nu beeter, wat fchielyker op ftraat te

zyn, en onze armen en beenen te breeken;

of wat langer, onderweg, te blyven, en

onze armen en beenen heel te houden? ——»

En .uit deeze vergelyking, hebben wy dit beiluit

of oordeel opgemaakt; dat het beeter was,

wat langer onder weg te zyn;. en dat wy dus,

niet door 't venfter, maar langs de trappen,

naar ftraat moeten gaan. Is dat niet zoo ?

P, Ja wel Mama.

M. Wel nu, als men zoo het voor en teegen

van eene zaak nagaat, overweegt, en

faamen vergelykt, om 'er uit te oor deelen, wat

het


II. A F D E E L I N G . 131

Jiet befte is, dan redeneert men; en het wfiand,

wanneer men het dus gebruikt, wordt

de K^egenaamt. Wil ïkje 'er nog eens

een ander voorbeeld van geeven ?

P. Als 'tje belieft Mama.

M. Je weet wel, dat de menfchen fpreeken

kunnen, en dat wy voorleeden, byNigtZ.

baare twee papegaaien ook hebben hooren

fpreeken ?

P. Ja wel Mama.

M. Ondertlel nu eens, dat wy te Z.

voor de gefloote deur van de eetzaal ftonden r

en dat wy in de eetzaal hoorden fpreeken ; hoe

denk je dat wy dan zouden moeten doen „

om,zonder in de kamer te gaan, te kunnen

weeten,of het de papegaaien waren, die famen

fpraaken, dan wel of het twee menfchen waren

, twee meiden by voorbeeld ?

P. Wel Mama, zouden wy dat aan de

item niet kunnen hooren?

M. Ken je dan de ftemmen van alle de

myden van NigtZ. ?

P. Neen Mama ik heb ze nooit hooren

fpreeken.

M. Ik ook niet; en daar by heb ik wel gehoord

, dat die papegaaien de ftemmen van de

F 6 . knegrs


132 II. AFDEELING.

knegts zeer wel kunnen namaaken; weshalven

't zeerwel zou kunnen zyn, datzy ook

wel de ftemmen van de meiden zouden

kunnen namaaken.

P. Dat is waar Mama.

M. Uit de ftemmen zouden wy't derhalven

nier wel weeten kunnen. Maar war

zouden wy dan moeten doen , om 'er agter te

koomen? Altoos onderfteld dat wy de deur

niet konden open doen ?

P. In de daad Mama, dat weet ik nier.

M. Wel als wy dan eens luifterden, naar

't geen zy zeiden ? — Je weet wel dat de Papegaaien

maar weinige woorden zeggen

kunnen ?

P. JaMama, dat is waar.

M. Wel nu, indien wy dan wel toeluisterden,

naar 'tgeen 'er in die kamer gezegd

werdt, en wy hoorden al geduurig; wie klopt

daar ? en kopje kraanwen; enpapegaaitje Re

jaal; en dan al weer van voorenafaan, wie

klopt daar? wie zouden wy dan denken, dat

daar famen aan 't praaten waren ?

P. Wel de papegaaien Mama.

M. Dat is ook zoo. Want die woorden

kunnen de papegaaien zeggen, en die zeggen

zy


«II. AFDEELING. 133

zy ook geduurig. En daarby zouden wy wel

begrypen, dat de meiden zig daar niet famea

zouden gaan zitten vermaaken, met teegen

malkander te roepen, Papegaaitje Rojaal,

en kopje kraauvoen, enz. Want dan zouden

zy wel mal gelyken.

P. (Lachende,') Dat zouden zy tog Mama.

M. Maar indien wy nu hoorden zeggen ;

Hanna heb je die ftoelen al geboend ? — Neen

Betje, maar geef'my den boender, dan zal ik

'er aan gaan. — Den Boender heb ik zelf nog

nodig, want ik ben aan de taf el beezig; en dier*

gelyke dingen meer, die 't fchoonmaaken betreffen

; wie zouden wy dan denken, dat wy,

in de kamer, hoorden fpreeken.

P. Wel de meiden Mama,

M. Dat zouden wy ook. En daar toe

zouden wy wederom ons verjland, of zoo

als men 't in dit geval noemt, onze Reede ge-

feruikt, en dus geredeneerd, en getordeeld

hebben.Want wy zouden famen hebben

vergeleeken', dat geen, 't welk de papegaaien

gemeenlyk zeggen,met dat geen, 't welk de

meiden wel eens, onder't fchoonmaaken,teegen

malkander zeggen ; en daar uit zouden wy

hebben geoordeeld, of het de Papegaaien,dau

F 7 wel


134 II. AFDEEL ING.

wel de meiden waren, die wy daar, inde kamer

, famen hoorden fpreeken.

X X I V .

Atiftus ging eens, met zyne twee kinderen,

Thomas en Erailie, in 't veld wandelen. De

kinderen, die een einde weegs voor uit liepen,

troffen een leeuwrikaan, dewelke zyn vleugeltje

gebrooken hebbende , niet weg vliegen

kon. Zy joegen 't arme diertje zoo lang na ,

tot dat zy 't gevangen hadden. Maar naauw.

lykswas hun dit gelukt, ofzy begonnen famen

aan 't krakeelen, wie den leeuwrik hebben

zou; daar elk beweerde, dat hy hem't eerst

gezien en gevangen had. De Vader, op dit

krakeelen aankomende, wilde 'er een einde

van maaken, doorat vogeltje weer in vryheid

teftellen. — 01 dat zou ik ook gaarne zelf

doen, myn lieve Papa,zei Emilie teegen hem,

maar zie eens,tarmediertjeheeftzyn vleugel

gebrooken, en daar 't dus niet vliegen kan,

zal het tog eenige kat, of ander roofdier, in

handen,vallen, — Dat is wel waar,myn lieve

kind, antwoordde Anftus, ik wist niet dat het

diertje niet vliegen ken. Maar hoe zal ik het

dan uitmaaken, aan wien van je beiden het

moet toekomen, daar ik niet gezien heb, wie

'thet eerst gevangen heeft? Ik


1T. AFDEELING. 135

Ik! ik! riep Thomas, ik liep het vooruit,

en keerde het. ——Jamaar, zeiEmilie, ik

kreeg het eerst beet. -— Het ontfnapte je log

weer, viel haar Thomas in, en toen heb ik

het gegreepen, en ik gaf't jou maar eens, om

het te bckyken, — Nu, nu, zei de Vader ,

zoo komt 'er nooit een einde van. Maar Thomas,

wat wiljy met den leeuwrik doen, indien

ik hem jou geef P — Ik Papa? zei Thomas

, wel 't geen men met een leeuwrik doet;

ik zal hem den kop in drukken, zoo als ik 't

voorleeden , op 't vinketouw,zag doen; en

dan zal ik hem braaden en op eeten, dat zal

een leker beetje zyn l — Foei 't arme diertjelzei

Emiliejen drukte het teegen haaren boezem

; Neen Papa > geef het dan liever aan my,

of laat het anders maar vry loopen. Krygt

het eene kat, dan is 't 'er tog niet vee! erger

aan, dan wanneer Thomas het den kop indrukt

; en wie weet hoe lang 't ondertusfchen

nog vry zal gaan. — Maar, vervolgde Aristus,

indien ik't jou nu geef, wat zul jy 'er

dan meê doen ?—Ik, myn lieve Papa, antwoordde

Emilie, het kopje van 't vogeltje

ftreelende, ik zal 't in een kooitje zetten, en

daar zal ik 't alle dag wel bezorgen ,'met eeten,

en


IJ6 & AFDEELING.

en drinken, en eene verfchegraszoode; en

dan zal 't arme diertje zoo lief voor my zingen;

en dan kan Thomas zelf'er nog verfcheide jaaren

plailier van hebben; daar ik in teegendeel

aan zyn lekker beetje niets heb, en 't ook voor

hem, in een oogenblik, zal op zyn; en wat

heeft hy 'er dan aan ? dan is 't vogeltje dood,

en dan kan by't nooit weer hooren zingen.

Weljefpreektals een boek, myne lieve

Emilie.' zei de Vader; je bent een goede voorfpraak

,voor de vogeltjes; en 't zou ook waarlyk

jammer zyn, dat jy 't niet behieldt, wyl

je *er een zoo veel beeter gebruik van wilt

maaken, dan Thomas. Je toont dat je wel

weet te beoordeelen, welke vermaaken de

beften en 't meette waardig zyn ; en ik ben

vooral bly te zien, dat je liever 't leeven van

een onnozel vogeltje, 't welk je by toeval, in

handen viel, wilt fpaaren, dan je, gelyk

Thomas, een lekker beetje bezorgen.

Emilie behieldt derhalven't vogeltje, droeg

'ergoede zorg voor, en toen Thomas 't lieve

diertje, den geheelen dag lang, en's anderendaags

weer, en de volgende dagen weer,zoo

mooi hoorde zingen, moest hy zelf bekennen,

datby zeer dwaaslyk zou gedaan hebben, van

'tte


II. AFDEELING. 137

't te dooden en 'top te eeten; wyl hy 'er nu

zelf veel meer en veel langer plailier van had.

X X V .

Vader. Jacob, ik heb je wel eens gezegd ,

dat men 'tbier van graanen brouwt; wil ik je

nu eens uitleggen , hoe veel weik'er vereifcht

wordt, om zulk een gemeenen en eenvoudtgeu

drank, als'tbieris, te bereiden?

Jacob. Als'tje belieft Papa.

V. Gemeenlyk neemt men'er gerst toe,

de korreltjes naamlyk, wanneer zyuirgedorfchen

en fchoongemaakt zyn. Somtydsook

eenige andete gramen, zoo als ik je reeds heb

gezegd. Deeze korreltjes laat men eerst in

water weeken, dat zy een weinig zwellen,

en wanneer men denkt, dat zy genoeg gezwollen

en met water doortrokken zyn, dan

ftrooit men ze,op een zolder, om'erdevogtigheid,

die 'er buiten op zit, wat te laaten

afwaasfemen. Als 'er die genoeg afgewaasfemtisjdan

legt men ze weer op een hoop,en

dan doet het vogt, dat binnen in de korreltjes

is gebleeven, dezelven uitfpruiten; dat is hunne

ftengetjes en worteltjes fchieten , net als of

men ze in den grond gezaaid had; zoo dat de

geheele klomp dan, met ftengetjes en worteltjes,


138 II. A FD.EEL ING.

jes, vast in een gegroeit is. Wanneer men

denkt dat de ftengetjes en worteltjes genoeg

gefchooten zyn, (want zy moeten niet al te

lang wordcn,)dan Haat men de klomp weer uit

een, enlaatzeweeruroogen, in eene warme

lugt, of op een Reit, om den verderen groei

teegen te houden.

J. Papa wat is dat, cen£«xj?

V. Dat is de opening van een fchoorfteen,

daar men geduurig een flerk vuur in ftookt, en

boven dewelke, men een roofter gemaakt

heeft,dien men,methorden,of een haire kleed,

overdekt; om daar 't graan op te leggen, en 't

zoo,door de warmte van 't vuur, te laaten uitdroogen.—Als

bet genoeg gedroogd is, laat

men 'er grof meel van maaien, dat men moutmeel

noemden dat,in eene kuip of tobbe, met

zeer veel heet water,gemengd wordt. Doch

by deeze menging moet men oppasfen , dat

het water wel heet, maar niet kookendezy,

wyl "t anders het mommeel te veel zou verbranden;

om 't welke nog meer te beletten ,

men het geduurig omroert. Wanneer 't

moutmeel dus eenen nagtover, in 't water,

heeft geftaan; doet men het, in een grooten

keetel, dien men een brtuwkeettl noemt; en

in


II. AFDEELING. 139

in' denwelken men 't braaf laar kooken, om

daar door al de kragt van't meel, in't water,

te doen overgaan ; altoos weer geduurig

omroerende, om 't kookfel niet te doen aanbranden.

J. Wat is dat aanbranden, Papa?

V. Men heeft van verfcheide dingen op'

gemerkt, dat zy,wanneer men ze,ineen pot

of keetel,met water kookt of ftooft, en zy raaken

ergens den bodem of kant van den pot of

keetel aan, en blyven daar te lang op flil leggen,

zy alsdan bruin of zwart worden,net zoo

al.s de fchil van eenen appel, dien men op eenen

heeten plaat te braaden legt; en als dat

gebeurt, dan krygen'erdie dingen een telyken

fmaak van, en dan noemt men ze aangebrand.

Maar wanneer men, door geduurig omroeren,

maakt, dat zy altoos in beweeging blyven

, dan kunnen zy nergens lang genoeg, op

eene plaats van den pot of keetel,bly ven liggen

, om te kunnen aanbranden ; en dat is de

reede waar om men het moutmeel, in 't water,

zoo geduurig omroert, terwyl het kcokt.

Wanneer 't lang genoeg gekookt heeft,

fchept men't moutmeel, met het water, uit

den brouwkeetel, endoethet,ineenekuip,die

pen


140 II. A F D E E L I N G .

men dè loskuip noemt, en die van onderen een

gat heeft, waar onder men een bak plaatst,

om 'er het nat, dat men 'eruit den brouwkeetel

in gedaan heeft, wanneer men 't verder

zal bereid hebben, in te laaten loopen. Maar

om nu te maaken, dat men het water aileen in

den bak kryge, zonder het dik van 't meel,

(dat in het bier niet komen moet, wyl'tdan.

een pap en geen drank zou worden,) bedekt

men den geheelen bodem van de loskuip, met

eene laag ftroo, daar 't water, net als door

eene zeefdoor heen ziepelt, eer het door het

gat, in den bak,koome; terwyl al het dik van

't meel, boven op het ftroo liggen blyft.

Maar eer men't nat dus, uit de loskuip, in

den bak laat loopen, neemt men 'er wat van,

en mengt het inden brouwkeetel, met zoo

veel hop, als men nodig oordeelt. (

J. Papa wat is hop?

V. Dat is eene zeekere[plant, die langs

den grond en de heggen opkruipt, even als de

klimop. Van deeze plant neemt men de

vrugten, die zeer veel kragt hebben , en laat

die,in den brouwkeetel, met een gedeelte van

het nar,kooken,om 'er die kragt uit te trekken.

En als zy daar toe lang genoeg gekookt hebben,


II. AFDEELING. 141

ben, giet men ze,met het nat, in de loskuip,

by het overige, en laat het 'er eenigen tyd in

ftaan. Als men dan denkt dal de kragt van de

hop genoeg, onder 't geheele brouwfel, gemengd

is, laat men 't water, uit de loskuip,

door't ftroo en't gat,doorziepelen, in den bak,

die 'er onder ftaat; en dan blyven de hop en 't

dik van'tmeel, boven op'tftroo,liggen; en

't watevlaaral de kragt van't moutmeel en van

de hop dan ingetrokken is, komt alleen in

den bak.

3. En is dat dan bier Papa?

V. Ja maar dan is 't nog niet goed,om te

drinken : want dan zyn'er nog veele fcherpe

deeltjes in, die het bier zouden ongezond

maaken, en die 'er uit moeten.

3' En hoe doet men, om 'er die uit te

krygen?

V. Die moeten 'ervan zelve uitgiften.

3. Wat is dat Papa giften?

V, Wanneer eenig vogt, daar zulke fcherpe

deeltjes in zyn , van zelve, of door iets,

dat men 'er by gooit, in beweeging raakt, net

als of't ging kooken, dan zwelt het, door deeze

beweeging,op, loopt over,uit het vat ,daar

't in ftaat, ea werpt daar by van zelve, alle

die


II. AFDEELING.

die fcherpe deeltjes uit, en dat hiet men giften.

En zoo gist het bier ook, en werpt ook zyne

fcherpe deeltjes uit; en die vangt men op, en

dat hiet men gist. Toen ik je heb uitgelegd,

hoe men't brood bakt, heb ik je gezegd, dat

men zulk gist gebruikt, om het deeg te

doen ryzeu?

J. Dat is waar Papa.

V. Om nu het bier, destegaauvveraan't

giften te helpen, giet men het,uit de bak, onder

de loskuip,in [koelvaten of gistkuipen,

over, en doet 'er wat gist van 't voorige brouwfel

by. Daar na dekt men die gistkuipen losjes

toe, met planken of met eene deeken, en

laat ze zoo ftaan, tot dat het vogt begint te

giften; en zoo als het dat doet, giet men't,

in fchoone tonnen,over, daar bakken onder

ftaan, om 'tgist, dat is de fcherpe (lof, die

'er,by 't giften, uit overloopt, op te; vangen.

— Wanneer de eerfte gilling gedaan is, en *t

opzwellen en overloopen van 't vogt ophoudt,

dan zakt het bier,in de ton , wat lager,

dan het'er eerst in ftondt, om dat 'er, ge'

lyk ik zoo even zeide, onder't giften, wat is

uitgeloopen. En dan vult men de ton weer op,

en laat het nog eens giften. En alb het niet

meer


II. AFDEELING. 143

meer gist, dan maakt men de ton toe, laatze

veertien dagen ftaan, en dan is 't bier goed,

om te gebruiken. —— Zou je nu wel gedagt

hebben, dat 'er zoo veel werk toe hoorde,

om bier te maaken ?

J. Neen ik zeeker niet Papa.

V. En zoo zyn 'er nog veele dingen , die

je zeer eenvoudig fehynen, en daar tog zeer

veel werk en zorg toé wordt vereifcht.

X X V I .

De Broederliefde,

Klaas kreeg een peertje van zyn Moeder,

Straks fneed hy daar een hal ven af; '

En zogt vol vreugd zyn lieven broeder,

Dien hy het halve peertje gaf.

Zm ik, fprak die, uw goed op eeten?

Neen, lieve Klaas; dat doe ik niet.

Heb gy, was 't antwoord, dan vergeeten

Wat ons de Broeder-pligt gebiedt?

Neem aan! — Gy zult me droevig maaken;

Al heb ik weinig, 'k heb te veel

Voor my alleen, niets kan my fmaaken,

Ten zy ik 't met myn broeder deel.

Noo


Ï44 II. AFDEELING.

NOG EENS

is gevaarlyk.

Jan zag op ftraat twee groote fteenen,

En fprong 'er op en af, fchoon 't hem Papa

verbood;

Nog eens maar, riep de knaap, nog eensmaar',

't heeft geen nood

Hy fprong nog eens, en brak zyn beenen.

» * r *

Die, teegen goeden raad, zig zelfs nog eens

durft wagen,

Moet veeltyds daL nog eens beklagen.

* x x v i r.

Pauline. Mama,nu heb ik al myn fpeelgoed

netjes weggefchikt, zoo als je't me gezegd

had, en nu ligt'er niets meer te ilingeren,

wat zal ik nu doen ?

Moeder. Nu kun je, in je tuintje, gaan werken

; — of je zoudt ook kunnen gaan fpeelen,

met je mooie pop; wat doe je liefst ?

P. Wel Mama, ik geloof, dat ik liever,

met de pop zal fpeelen.

M. Maar heb je wel feedert lang, in je

tuintje, gewerkt. Deezen morgen ging ik

'er voorby, en mydagt dat'er-meer onkruid

dan bloemen in ftondt, en de bloemen lieten


II. AFDEELING. 145

't hoofd ook 200 hangen. Heb je ze wel

feedert eenige dagen begooten ?

P, Neen Mama.

M. Met deeze droogte en hitte zouden

zy zeer ligt kunnen verdorren. Was bet

derhal ven niet beeter, datje wat gingt werken

, in je tuintje, om 'er het onkruid uit te

trekken, en het'braaf te begieten ?

P. Ja Mama. Maar ik heb tog

groote lust, om nu, met myne mooie pop,

te fpeelen.

M. Dat kun je ook wel doen. Maar bedenk

eerst eens, wat 'er voor en teegen is. Zo

je je tuintje mi zoo laat liggen, en het niet begiet,

dan zullen je bloemen morgen nrg

meer verlept en uitgedroogd zyn, dan nu. '

En morgen vroeg gaan wy naar buiten, naar

Groot-Mama, zoo dat je morgen geen tyd

zult hebben, om'er iets aan te doen. Maar

zo je bloemen nu nog twee dagen , zonder

water, blyven, dan kunnen zy overmorgen

wel zoo geheel verdord zyn, dat zy misfchien

niet weer zullen bykomen. En dan zal

je tuintje wel zes weeken lang, zonder bloemen,ftaan;

tot dat de najaars bloemen aankomen.

Want je weet wel wat Pat. a gezegd

G heeft;


146 II. AFDEELING.

Leeft; dat ieder, voor zyn eigen goed ;

, moet

zorgen; en dat die zyn tuintje verwaarloost,

Lii zyne bloemen laat verdorren, 'er geene

anderen, in de plaats krygt.

P. Dat is ook waar Mama.

Af. Wel wat is dan beeter, nu met je

1 op te gaan fpeelen, daar je op dit oogenblik

meer lust toe hebt, en zes weeken lang niets

dan onkruid in je tuintje te zien; of het fpeelen,

met je pop, dat je tog alledag doen

kunt , nu liever wat uit te Hellen, en in je

tuintje te. gaan werken, en dan overmorgen,

sis wy van Groot-Mama te rug komen, je

tuintje fchoon, en je bloemen opgelooken en

fleurig te vinden, zoo dat je'er dan nog lang

plaifier van hebben kunt?

P. Wel Mama't zou dan tog beeter zyn,

geloof ik, dat ik nu maar in myne tuintje ging

werken.

Af. Wel dat geloof ik ook.

P. Kom aan, ik zal 'er aanftonds naar

toe gaan.

Af. Daar zul je zeer wel aan doen. —

Maar Pauline wagt nog een oogenblik, ik

moet jc eerst eens doen opmerken, wat wy

nu weer gedaan hebben. Let daar eens

wel op.

p

'


n. AFDEELING. 147

P. Ais 't je belieft Mama.

M. Hebben wy niet weer omtrent net

zoo gedaan , als voorleeden , met het venster

en de trap? Hebben wy niet bet voor

en teegen van 't fpeelen met de pop, en 't

werken in 't tuintje, nagegaan en famen vergeleeken

, om daar uit op te maaken en te

oordeelen, welk van beiden bet befte was;

en dus, zoo als ik 't voorleeden noemde,

geredeneerd ?

P. Dat is wair Mama, maar ik had het

niet eens gemerkt.

M. Ja dat wil ik wel gelooven, je bent

nog niet gewoon, daar zoo op te letten. —

Maar wat heb je nu gedaan, na dat wy gevonden

hadden, dat het beeter voorje zyn

zou, in je tuintje te gaan werken, danmetje

pop te 'fpeelen ? Heb je toen niet zelf, tusfchen

die twee,ge£ooze« en gezegd; het zou

tog beeter zyn, dat ik in myn tuintje ging

werken, en daarom zal ik dat ook terftond

gaan doen? En heb je je dus niet zelf

tot het gaan werken in je tuintje lepaald^

want ik heb je vry gelaaten, om te doen,

wat je wondt ?

P. Dat is waar Mama, dat heb ik tog.

Ga M.


i 43 II. AFDEELING.

Af. Wel nu,eigenflykis 't wederom je

ziel, die dat gedaan heeft. Hetis je ziel, die

dus heeft gekozen, en zig bepaald, om liever

in je tuintje te gaan werken, wyl zy door

onze redeneering gevonden had , dat dat

beeter was. En dit vermoogen van je ziel,

om zoo tusfchen twee dingen te kunnen

kiezen, en zig tot een van beiden te kun­

nen bepaalen, naar dat zy 't goedt vindt,

noemt men de Wil. — En wanneer je ergens

kist toe hebt, zoo als ftrak om te fpeelen

met je pop, dan hiet men dat ook,iets te

bi%teren , of begeerte te hebben tot iets. —

En wanneer die begeerte zeer fterk wordt;

of wanneer je je moeilyk maakt, om dat

je ze niet kunt voldoen, en niet kunt kry-

gen 't geen waar naar je verlangt; of ook

wanneer je je moeilyk maakt en boos wordt,

om dat men je iets aandoet, dar je onaange­

naam is, dan hiet men dat eene drift.~—

Heugt je nog hoe driftig en boos de kleine

Henriette zig gifleren maakte, om dat Han­

na haar niet meê naar beneeden wou nee-

men, wyl zyde beide handen vol met goed

had, dat zy terflond moest naar beneeden

draagen? En heultje wel, hoe zyfchreeuw-

de,


II. AFDEELING. 149

de, en met de voetjes ftampte, en welk een

leeh/fc-gezigt zy trok ?

P. Ja wel Mama, zy zag 'er toen ganfch

niet mooi uit.

M. Dat doet men zelden, wanneer men

zig zoo aan zyne drift laat gaan. — Maar

heugt je ook hoe zy, met de handen, op de

tafel floeg, en een geheel-kopje met warme

water en melk, over haar lyf, kreeg; en'er

haar armpje braaf aan brandde ?

P. Ja,en toen fcbreeuwde de armeHenriette

nog erger.

M. En zoo gaat het meeftentyds, wanneer

men zig , aan zyne drift laat gaan. Dan

weet en ziet men niet wat men doet; en dan

doet men zig zeiven of anderen zeer ligt

kwaad. Daarom beklaagde Mama Henriette

ook ui 't geheel niet, maar zei, dat het zeer

goed was, dat zy zig zoo had gebrand, om

haar te leeren, van zig, op een ander tyd,

zoo boos niet te maaken , wanneer men haar

haar kleine zinnetje niet wil geeven. En dat

mag Pauline ook wel onthouden; zal zy ?

P. ja wel Mama.

M. Kom geef my dan een zoen, en gaa

nu in je tuintje werken.

G 3 M


150 II. AFDEELING.

M, Wel Pauline, is je tuintje nu goed

in order?

P. O ja Mama! ik bidt je, kom het nu

eens zien; nu ziet het'er heel anders uit. Nu

is al het onkruid weg, en ik heb het verfcheide

maaien braaf nat begooten.

M, Wel kom aan dan; zoo zie ik het liever

, dan zoo als 't van den m orgen was. (Zy

gaan naar den tuin.) Zoo Pauline, nu gelykt

het 'er beeter naar. Zie maar eens, de

bloemen ftaan al veel frisfcher, 'tisalsofzy

leeds begonnen op te luiken. Benjenuniet

bly, dat je liever, in je tuintje, hebt gewerkt,

dan met jepopgefpeeld?

P. O ja Mama, want myn tuintje zou zeeker

zyn bedorven geweest. Ik had 'er al haast

geen plaifier meer in; en nu, nu ftaat het

zoo mooi.

M. Dat doet het ook. En ik ben bly, dat

je liever hebt willen doen, dat geene, waar

van je, ook nog in 't vervolg, eenig nut kondt

hebben, dan dat geene, waar toe je, op dat

oogenblik, wel meer lusthad, maar waar je,

voor 't vervolg niets aan zoudt gehad hebben.

Zie je nu waar't werken, op zyn tyd, goed

voor is? P,


II. AFDEELING. 151

P. Ja Mama, nu is 't een plaificr, om

myn tuintje te zien.

M' En om je daar over te belooncn, dat

je liever aan iets nuttigs bent gaan werkcn.dan

je lust tot fpeelen in te volgen, zal ik je tuint­

je nu nog eens wat mooier opfchikken.

P, O dat is goed Mama! en hoe dat myne

Vieve Mama?

M. Met deezen mooien roozeboom, die

daarin deezen pot ftaat. Zieje,daar zyn ver-

fcheide knoppen aan, en dat zullen alle móóie

groote roozen worden. —— Roep Dirk maar

eens, wy zullen hem zeggen van daar een gat

te maaken, daar al dat onkruid geftaan heelt,

en daar zullen wy nu dien roozeboom, met

pot en al, in de plaats zenen; dat zal heel an­

ders (laan , dan al dat onkruid.

P. O dat is goed mynelieveMama.' Ik loop

fchielyk heen. (Zy roept Dirk, diedenroo-

zeboom, in haar tuintje ,zet.)

Af. VVel wat zeg je nu, hoe ftaat die roo­

zeboom daar nu, midden in je tuintje ?

P. (Huppelende en fpringende;) O lie­

ve Mama.' dat ftaat allerliefst! daar ben ik

bly meê!

Af. Wel dat is my lief, — Maar Pauline

G 4 *«


152 II. AFDEELING.

wat voel je wel byje zeiven, wanneer je zoo

bly bent; voel je niet daar, Qzy wyst «p haar

hart;) als of'er iets was, datje zeer aangenaam

fireelde ?

P. Ja wel Mama, maar ik weet niet wat

het is.

M. Dat komt 'er ook niet op aan, en ik

kan je zelf niet wel uitleggen wat het is. Maar

voel je dat zelfde niet altoos, wanneer men je

iets zegt, datje zeer aangenaam is?

P. Ja wel Mama.

M. Na dat hiet men eene aangenaarac

aandoening.—En als je iets hoort, datje on-,

aangenaam is , dat je fpyt en veel moeite doet,

gelyk b. v. gilleren, toen wy niet konden

naar buiten gaan, daar je je zoo veel plaifier •

beloofd had, om dat Groot-Mama belet had

gekreegen; voelde je toen ook niet daar, als

of'er iets was, datje beklemd maakte, en dat

je zeer onaangenaam was?

P. Ja wel Mama.

M. Nu dat hiet men eene onaangenaame

aandoening.

X X V I I I .

Moeder. Pauline wanneer je, met je pop

fpeelt, gebeurd hetje dan niet wel eens, dat

je


II. AFDEELING. 153,

je teegen haar Ipreekt,. even als of't een kind»

eene juffrouw, of eene meid ware, en even

als of zy hooren en verftaan kon ? t

Pauline. Ja Mama,

M. En doe je niet zelfs dikwils even als of

zyje antwoordde, en ongehoorzaan was aan

't geen je zegt ? En kom je ons dan niet wel

eens vertellen; — Mama, de pop fchreeuwt

zoo, zy wil niet zoet zyn. watikhaarzeg', of

wel; de pop is nu weer zoet, zy belooft, dat

zy niet meer Jchreeuwen zal, enz. offchoon

je tog zeer wel weet, dat de pop noch hooren,

noch verftaan, noch zoet of ftout zyn, nocrt

fchreeuwen of iets beloovenkan?

P. Ja Mama, maar 't is ook maar om te

fpeelen, dat ik dat zeg.

M. Dat weet ik wel; ook fpeelen wy dart

wel eens zelfs meê, en zeggen teegen de pop.

Je moet zoet zyn pop, je moet niet meer

fchreeuwen, want dat verveelt je Mama; en

die zou je in dén hoek zetten, indien je dat las­

tig fchreeuwen niet woudt laaten. Of wel;

Pop, je moet nooit koppig weezen, je moet al­

tyd gehoorzaam zyn, als een zoet kind, en

niet gaanfiaanpruilen, en de lip laaten han.~

gen, enz. Nu begryp je ligt, dat wy ook

G 5 ..... w«l


f*4 II. AFDEELING,

wel weeten, dat de pop niets van dit alles

hooren, of verftaan, of doen kan.

P. Dat is zeeker Marna. Maar je doet

dat dan ook om met my te fpeelen ?

Af. Dat is ook zoo. Maar wy hebben 'er

evenwel teevens, ook nog iets anders meê

in 't oog; weetje wat?

P. Neen Mama.

Af. Wy willen je daar door al fpeelende lecren,wat

jy öoen,en wat jy laaten moet. W T

ant

als wy teegen de pop zeggen, pep, je meet

niet fchreeuwen, want dat verveelt je Mama,

en die zou je in den hoek zetten, dan zul je daar

by ook wel eens, in je zeiven, denken; Ik

moet ook niet fchreeuwen, want dat zou myn

Mama ook verveelen, en die zou my dan

ook wel eens in den hoek kunnen zetten.

P, Dat is waar Mama.

Af. En als wy teegen de poes zeggen;

poes, je moet niet boos worden, en je moet niet

krabben, alsmenmetje/peelt, aldeetmenje

by ongeluk al eens zeer; want dan zou men

niet meer, met jefpeelen willen, maar je als

eeneftoute, onvriendlyke poes laaten loopen,

fcfe. dan weetje ook we!,c!at de poes dat even

weinig verftaan kan, a!s de pop het andere.

P.


II. AFDEELING. U5

P. Ja, dat begryp ik wel Mama.

M. Maar waarom denk je dat wy dat

dan aan de poes zeggen?

P. Wel Mama, misfcbienook weer, om

my te leeren, dat ilrniet moet boos worden,

en niet moet krabben of knypen , of (laan,,

wanneer men my, onder 't fpeelen, by ongeluk

eens zeer doet; wyl men dan ook met

my niet meer zou willen fpeelen.

JU. Dat heb je wel gevat. En indien het

dan eens gebeurde, dat de poes het evenwe ï

deedt,envvy vertelden je naderhand, dat het

de- poes fpeet, en dat de poes excuus verzogr,

en dat zy beloofde het nooit te zullen weerdoen;

dan zouden wy je dat ook niet vertellen

, om dat de poes dat in de daad zou gedaan

hebben, wantje weet wel dat zy dat niet kan

doen, maar al wederom, om joa te leeren,,

watjy, in zulk een geval, doen moet %

P. Dat begryp ik wel Mama.

M. Maar om nu de kinderen, op deeze

zelfde wyze, al fpeelende te leeren, watzy

doen of laaten moeten, verhaalt men bun

fomtyds, dat deeze of geene dieren dit of dat

gedaan hebben, en 'er zoo ofzoobygevaaren

zyn. En dit doet men ook, niet om cfe

G & kin-


J56 II- AFDEELING-

kinderen te doen gelooven, dat die dieren

dat in de daad zouden hebben gedaan , wyl

'er meeftentyds dingen onder zyn , die men

wel weet,dat de dieren niet kunnen doen;

maar alleen , om 'er de kinderen uit te doen

zien, wat wel, en wat kwalyk gedaan is; en

wat 'er gemeenlyk de gevolgen van zyn, wan­

neer men 't eene of 't andere doet. En om

hun dat des te beeter te leeren, en te doen

zien, rigt men die vernaaien altyd zoo in, dat,

in dezelven, aandedierenjuistdatgeen, of

ten minften iets diergelyks overkomt, als aan

kinderen en menfchen in de daad overkomen

zou,indien zy net zoo handelden, als men van

de dieren verhaalt,dat zy gehandeld hebben. ~

Zulk een verhaal nu noemt men eene Fabel;

wil ik je 'er eens een voorbeeld van geeven ?

P. Als 't je belieft Mama.

M. Maar om je de Fabel, die ik je ver-

haaien wil, wel te doen begrypen , moetikje

eerst zeggen, dat 'er, hier zeer verre van

daan, landen zyn, daar men, in de bos»

fchen, wilde dieren ontmoet, als Leeuwen,

Tygers, Luipaarden, Beeren , Wolven,en

diergelyken meer.

P. O ja Mama, die heb ik wel eens,in

myne printjes gezien. M.


II. AFDEELING. 157

M. Dat. heb. je ook, en zy zyn Qpk,in 't

groot, nel zoo gemaakt, als zy daar, in je

prenten, in 't.klein, afgebeeld ftaan. Deeze

dieren nü eeten de andere dieren , die zy

meefter kunnen worden, op; en daarom hiet

men ze roofdieren, of verfcheurende dieren.

Zelfs vallen zy wel groote dieren , als paarden

en osfen, aan, fchoon zy zelfs meeftentyds

veel kleiner zyn.

P. Maar Mama, hoe kunnen zy ze dan

meefter worden?

M. Om dat zy, fchoon veel kleiner, evenwel

veel fterker en veel gaauwer zyn, en daar

by zoo veel moed hebben, dat zy geen gevaar

ontzien. Om nu te doen zien, hoe

veel voordeel, diegeenen, die dezwakften

zyn,zig kunnen bezorgen , door zig eendragt.

]yk,teegen die geenen, die fterker zyn,te vereenigen

; en hoe goedhet derhalven voor hun

is, altoos in eendragt met malkanderen te

leeven, verhaalt men de volgende Fabel.

De twist der Osfen.

In een der landen, daar men roofdieren,in

de bosfchen, vindt, bevonden zig eens verfcheide

osfen, in eene wei. In den beginne

leefden zy in volkomen eendragt famen, en

G 7 ftoo-


158 II. AFDEELING.

Honden elkanderenjn allerlei geleegenheeden,

getrouwlyk by. Ook durfde geen roofdier

hen aanranden. Want, zoo ras zy zulk een

dier van verre zagen aankomen , liepen zy

terftond allen naar malkanderen toe , en

plaarftenzig, ineenen ronden kring, met de

koppen naar buiten, geree d om het roofdier,

met hunne hoornen,te ontfangen en af te flaan;

zoo dat geen hunner ooit van agteren aangevallen,

en dus overweldigt worden kon, wyl

de kring van alle zyden gellooten bleef.

Zoo lang deeze eensgezindheid en bereidheid

tot malkanders hulp duurde, leefden zy

veilig en gerust. Maar eindelyk raakten zy,

over eenige kleinigheid, aan 't kyven; en daar

geen hunner't, voor den anderen,op wou geeven

, en erkennen dat hy ongelyk had, (want

esfen zyn raagtig koppig als zy beginnen;)

zeiden zy elkander vaar wel, gingen elk zyn's

weegs, en bekommerden 'er zig niet meer

over, om eikanderen, in degeleegenheid ,by

te (laan.

Maar dit gedrag bekwam hun wel haast

zeer (legt. Want wanneer 'er nu een roof.

dier aankwam, liepen zy niet meer naar elkanderen

toe,om, zoo als naar gewoonte,een

ion-


II. AFDEELING. 159

ronden kring te liaan, en zig allen te tarnen

te verdeedigen, maar elk verliet zyn makker »

in 't gevaar, en liet hem , door de roofdieren ,

verfcheuren; want een os alleen kan zig,

teegen de roofdieren, niet verdeedigen. En

in weinig dagen werden'er verfcheide osfen,

op deeze wyze , verfcheurd.

Indien nu de overigen, door dit voorbeeld y

nog maar wyzer geworden waren, en zig

weer hadden vereenigt, dan zouden zy 'er

ten minften 't leeven nog hebben afgebragt.

Maar in plaats van dat,raakten zy nog heviger

in twist, dan te vooren. De een verweet

aan den anderen, dat hy de eenigfte oorzaak

van alle die ongelukken was. Deeze verwyten

vermeerderden 't gekyf; zy verwyderden

zig hoe langer hoe meer van elkaar; en werden

ook allen, gelyk 'tnatuurlykteverwagten

was, de een voor, de andere na, door

de roofdieren, opgegeeten, zoo dat'er eindelyk

geen een van overbleef; maar zy allen,

om hun koppig gekyf, om't leeven raakten.

Zie daar nu Pauline, wat men eene Fabel

noemt. Zoo als ik je dit voorval nu verhaald

heb, begryp-je wel, dat het nooit gebeurd


Ï6O II. AFDEELING.

is, en ook nooit gebeuren kan. Want osfen

kunnen niet fpreeken, en dus kunnen zy ook

niet famen kyven, of eikanderen verwyten

doen.

P. Dat is waar Mama.

M. Maar 't geen 'er waar in is , is dit. r.

Dat 'er roofdieren zyn, die de osfen aanvallen*

om ze op te eeten. 2. Dat verfcheide osfen

zig,in een kring, met de hoornen naar buiten,

plaatfende, zig zeer wel teegen de roofdieren

verdeedig en kunnen. En eindelyk, dat wanneer

de osfen malkanderen,op deeze of diergelyke

eene wyze,niet helpen, zy zig teegen de

roofdieren niet verdeedigen kunnen. Maar

dat osfen ooit famen aan 't kyven zouden raaken

; en dat zy,daar door, zodanig op eikanderen

zouden verbitterd worden, dat zy eikanderen

, teegen de roofdieren , niet zouden

willen helpen, wanneer die op hen afkwamen

, dat is niet waar. Zoo iets heeft

men wel eens onder de menfchen, maar nooir,

onder de osfèn, gezien.

P. Hoe Mama gebeurt dat onder de menfchen

wel?

M. Ja myne lieve Pauline, je zulr met 'er

tyd zien, ( en je zoudt het teegenwoordig

reeds


tl AFDEELING. 161

reeds zien, indien je oud en gevorderd genoeg

waart, om het te kunnen opmerken ; ) dat de

menfchen maar al tedikwils zoo dwaas zyn ,

dat zy eikanderen, in 't gevaar, verhaten en

niet helpen willen, wanneer zy op eikanderen

verbitterd zyn; fchoon zy daar allen

even veel by verliezen; maar de osfen zyn

nooit zoo dwaas.

P. Maar Mama, je hebt my immers gezegd

, dat de menfchen meer verftand hebben,

dan de beeften ?

M. Dat is wel waar Pauline; maar ongelukkig

gebruiken de menfchen niet altoos

al het verftand, dat zy hebben; voor

al wanneer zy zig, door hunne driften, door

tooren, haat, of wraakzugt, b. v. laaten '

vervoeren. Maar van de dieren kan men zelden

anders merken, of zy gebruiken altoos al

- het verftand, waar meê zybegaaftzyn; en

dit is de oorzaak, dat men de menfchen fomtyds

dwaazer ziet handelen, dan de beeften

zeiven.

P. Maar Mama, dat is tog wonderlyk,

dat kan ik niet begrypen ?

M. Ja Pauline, ik zou 't ook niet begrypen

en kwalyk gelooven kunnen, indien

ik


iö2 II. AFDEELING.

ik 'er niet daaglykfch voorbeelden van zag.

En even daar uit kun je opmaaken, boe nadeelig

en fchaadlyk het is,'zig zoo aan zyne

driften te laaten gaan,\vyl men zig, daar door,

erger dan de beeften maakt.

Maar Pauline, je herinnert je wel, dat men

deeze Fabel,zoo als ik je gezegd heb, verhaalt,

om te doen zien,hoevoordeelighet, byzonder

voor de zwakften , is, altoos, in eendragt

en bereidvaardigheid tot wederzydfehe hulp,

met eikanderen, te leeven. En dit toont het

voorbeeld deezer osfen ten allerklaarsts; wyl

zy allen veilig en onverlet bleeven,zoo lang zy »

in eendragt,metelkanderen,leefden ; maar in

teegendeel allen werden verfcheurd, zoo ras

zy in twist geraakt, eikanderen geene hulp

meer bewyzen wilden. En even zoo zouden

ook de menfchen vaaren, indien zy malkanderen

niet wilden behulpzaam zyn, en wanneer

zy worden aangerand , de handen eendragtig

in een liaan, om eikanderen te verdeedigen.

Het voorbeeld deezer osfen is dus

zeergefchiktjom ons dit te leeren; en daarom

heeft men er dit foort van verhaal, of Fabel

van opgefteid.

M.


II. AFDEELING. 163

M. Pauline, je weet nu wat eene Fabel

is. Wil ik je nu eens zeggen, hoe veelcrlei

foort van verhaalen 'er zyn ?

P. Als'tje belieft Mama.

M. Drieërlei. DeHiftorieoftgefcMedverbaal.

waar in men iets verhaal, 't welk

men wel weet, dat waarlyk net zoo gebeurd

is, als men't verhaal. 2. De vertelling, in

dewelke men iets verhaalt, dat zeer ligt zoo

had kunnen gebeuren , fchoon men niet weet,

of het ooit waarlyk zoo gebeurd zy. 3. De-

Fabelen de welke men iets verhaalt, 't welk

men wel weet, dat nooit zoo is gebeurd, en

ook nooit zoo heeft kunnen gebeuren,

P. Maar Mama, mag ik eens vraagen ,

als men zoo iets verhaalt, 't welk men wel

weet, dat nooit zoo gebeurd is, of nooit zoo

gebeuren kon , liegt men dan niet ? Want

dat is dan immers niet waar.

M. Indien men zoo iets verhaalde, en 'er

by zeide, dat het waarlyk zoo gebeurd was,

fchoon men wel wist,dat het niet zoo was gebeurd,

dan zou men zeekerlyk liegen. Maar

wanneer men 't geeft voor 't geene het is,wanneer

men zegt, ik verhaal dat, niet om je te

zeg-


164 II. AFDEELING.

ze

Sgen, dat het waarlyk zoo gebeurd zy,maar

alleen , als eene vertelling }of eene Fabel,daar

je iets goeds uit leeren kunt; dan liegt men

niet,en dan bedriegt men ook niemand; want

dan waarfchuwt men te vooren, waar 't voor

te houden is, en zegt 'er by,wat 'er waar in is,

en wat niet.

Dus kun je je b. v. herinneren, hoe ik je,

by 't leezen van ons voorig deeltje , en ook

reeds van 't fpelleboekje, meer dan eens.'gezegd

heb, dat de verhaalen,die daar in (tonden,

b, v. dat van den jongen met het roodborstje;

dat van Pietje deun met den koek,

dat van Alexander, die dwong om mee naar

buiten te gaan en in den hoek gezet werdt,dat

van Arend en Willem, die altoos fnoeptenéVc.

vertellingen waren , dat is verhaalen van

voorvallen , die niet in de daad zoo waren gebeurd

, maar die ik of anderen verzonnen hadden,om

je te leeren,wat de gevolgen zyn,wanneer

men van alles fuoept,wanneer men dwingt

&c. op datjyjevoorfhoepen, dwingen &c.

zoudt leeren wagten.door uit die voorbeelden

tezien,hoekwalykmen'er by vaart. En om

'er je dat mette meergrond uit te leeren, zyn

die vertellingen juist zoo ingerigt, als de zaa-

ken.


II, AFDEELING. 165

ben waarlyk alle dag en met allerlei kinderen

gebeuren. Dus, by voorbeeld,weet ik niet,

of'er ooit twee jongens zyn geweest, Arend

en Willem genaamd, die juist zoo als ik'tje

daar verhaalt heb , en met alle die omfiandig»

heeden, hebben gefnoept, en daarna juist,op

die wyze,ziek geworden zyn. Maar dit weet

ik wel, dat'er daaglykfch kindéren zyn , die

op eene diergelyke wyze fnoepen , en die 'er

ook op eene diergelyke wyze van vaaren en

ziek worden. En dus dat indien je zoo

woudt doen, als ik je vertelde dat Arend en

Willem gedaan hebben, jy 'er dan ook zoo

ziek van worden zoudt; en dit is voor de les

van niet te fnoepen genoeg.

MaarPauline,wil ik je nu nog eens eene ver­

telling verhaalen.waar uitje, even als uit de

Fabel van de osfen, zult kunnen zien, hoe

goed het is, dat de menfchen malkanderen

helpen?

P. Als 't je belieft Mama, /

M. Daar toe verhaalt men 't volgende

voorval.

De Blindeman en de lamme jongen.

Een man, die blind was geworden, dat

is, die,dooreeuigtoeval,zyn gezigt verlcoren


166 II. AFDEELING.

renhad, eneenjongen, die,uiteenezwaare

ziekte, eene lammigheid, in de beenen, had

gehonden , ontmoetten elkanderen , by 't

vallen van den avond, op eenenweg, niet

ver van de Had af.—Ach ik ongelukkige! riep

de blindeman uit,dat myn arm hondjen nu juist

van daag zyn pootje bezeeren moest ,en ik my

tog genoodzaakt zien, om,zonder het trouwe

diertje, uit te gaan. Nu weetikden weg niet

meer,en hoe zal ik nu weer, inde fta.i,komenI

Naauwlyks had hy dit gezegd, of hy hoorde

eene andere ftem; Achik ongelukkige

! met hoe veel moeite heb ik my, op myne

krukken, tot hier toe voortgefleept, en nu

kan ik niet verderJNu moet ik hier,den gehee«

len nagt,aan den weg blyvea liggen! —— Wie

ben je s zei de blindeman, die daar zoo

klaagt? Ik ben een arme jongen, was

't antwoord, die lam aan de beenen ben, en

niet verder voort kan , en dus niet in de ffad

zal kunnen komen. — Kun je den weg zien,

vroeg de blindeman weer ? -—Ja kon ik hem

zoo wel begaan, als ik hem zien kan, antwoordde

de jongen , dan zou ik algaauw, in

de flad, zyn,—je bent gelukkig, zei de blindeman,

datje den weg zienkunt; kon ik hem

zoo


II. AFDEELING. 167

zoo wel zien, als ik 'er over gaan kan, dan

zoude ik ook ras in de ftad, en by myn arme

trouwe hondjen zyn. — Wel hervatte de jongen,

daar was mooglyk iets op; joufcheelt

liet aan de oogen, maar je hebt goede beenen;

my fcheelt het aan de beenen, maar ik heb

goede oogen; leen my nu jou beenen, en ik

zal je myne oogen leenen, en dan zyn wy

beiden klaar. — Wel hoe dat? vroeg de blindeman-Ik

ben nog klyn en nietzwaar,antwooidde

de jongen, en jy lcbynt my goede fterke

fchotideren,tchebben. — Dat gaat wel aan,zei

de blinde. — Wel, vervolgde de jongen,neera

my dani :>p je rug;ik zal jou den weg zeggen,e!n

jy zult 'er my over draagen,en zoo doende zullen

wy beiden zeer gaauw in de ftad zyn,want

ik zie ze al van hier. —- Zie je ze van hier, zei

de blindeman,met eene zugt,wat ben je gelukkig!

Ik heb ze in geene twintig jaaren gezien.

Maar laat ons geen tyd verzuimen; je vond is

wel bedagt. W T

aarbenje? kruip maar naar

my toe; — zoo daar heb ik je al. — I n een oogenblik

was de jongen, met zyne krukken ,

op de fchouders van den blindeman,geplaatst;

cn daar zy nu , met hun beiden , twee goede

oogen en twee goede beencn'hadden, waren

zy


IT53 II. AFDEELING.

zy, in minder dan een quartier uurs, aan de

poort der ftad, ündertusfchen zei de blindeman;

dat gaat goed over den weg, wanneer

men een paar goede oogen boven zig heeft,

die de beenen bellieren. — Ja dat gaat tog

goed, antwoordde de lamme jongen, wanneer

men een paar goede beenen onder zig

heeft, die de oogen draagen.

Op deeze wyze, waren deeze twee gebrekkige

lieden, doorJwederzydfchehu1p,beiden

gered. Daar zy beiden, den ganfchen nagt,

aan den weg hadden moeten blyven liggen ,

indien zy eikanderen niet hadden willen

helpen. — En even zooPauline,gaathetmet

alle menfchen. De eene heeft gemeenlyk iets,

dat den anderen ontbreekt. De een kan iets,

dat de andere niet kan. Indien zy nu elk anderen

, met het geen zy hebben of kunnen, wederzyds

byftaan, dan zyn zy allen geholpen

; maar indien zy dat niet wilden doen,

dan zouden zy allen, in 't eene of't andere,

gebrek lyden, — Je weet, de kleermaker kan

geen koren bouwen, en de boer kan geene

kleêren maaken. Indien nu de boer alleen

voor zig zeiven wilde kooren bouwen,

dan zou hy zonder kleêren zitten , want

dan


II. AFDEELING. 169

dan had hy niets, daar hy kleêren voor krygen

kon.En indiendekleermaakeralieen,voorzig

zei ven,wilde kleêren maaken,dan zat hy zonder

kooren ,! en dus ook zonder brood. Maar

wanneer zy voor eikanderen werken,dan heb •

ben zy beiden en kleêren en brood,en zyn beiden

geholpen.En zoo is't met alles, en met alle

menfchen.

Wat nu't verhaal zelve van den blindeman

en den lammen jongen betreft, je begrypt ligt

Pauline , dat dit voorval , zoo als ik

'tje daar verhaalt heb, zeer gemaklyk heeft

kunnen gebeuren , offchoon ik niet weet, of

't ooit daadlyk zoo gebeurd zy. En daarom

is dit verhaal nu geene Fabel, wyl 'er niets onmooglyks

in is; en ook geen gefchiedverhaal

of Hijlorie,wyl ik niet weet, of't ooit daadlyk

zoo gebeurd zy. — Indien ik,op den weg

zynde, zulk een blindeman en zulk een lammenjongen

had ontmoet; indien ik ze zoo had

zien doen, en ze zoo had hooren fpreeken,

als ik'tje daar verteld heb, en ik kwam het je

dan vernaaien , dan zou myn verhaal een gefchiedverbaal

of Hijlorié zyn; en ik zou 't je

ook als waarlyk gebeurd opgeeven, daar ik't je

nu maar verbaal,als iets,dat wel gebeuren kan,

maar nrisfchien nooit gebeurd is, en 't daar*

H om


i7o ff AFDEELING.

om eene vertelling noem.Om nu,in alle deeze

foorten van verhaalen, niet te liegen, moet

men, in de Hiftorie of't gefchiedverhaal, de

zaak juist zoo verhaalen, als zy waarlyk ge­

beurd is,zonder'er iets by te doen.|En de Ver­

telling en Fabel alleen uitgeeven, voor 't geen

"zy zyn; té weeten enkele , leerzaame en ver»

maaklyke verzinfels, maar geene waare ge-

beurtenisfen.

X X I X .

J-acob. Papaj'e hebt me voorleeden eens

uitgelegd, hoe men zout maakt; maar nu

zyn 'er nog verfcheide andere dingen, die wy

daaglyks gebruiken , en waar van ik ook

wel gaarne wilde weeten , waar zy vandaan

komen,en hoe men ze maakt?

Vader. Daar heb je gelyk in , 't is altyd

goed oplettendeen opmerkzaam te zyn , op

de dingen, die men daaglyks onder 't oog

heeft, en geduurig gebruikt; en 't is eene

zeer pryslyke nieuwsgierigheid, te willen

weeten, waar men ze van daan heeft, en hoe

men'er aan komt. —• Maar welke dingen zyn

't nu, daar je dat van weeten woudt ?

J. O Papa, daar zyn 'er zeer veel,en om'er

geen van te vergeeten, heb ik ze hier alle.i, op

een papiertje, opgefchree ven. V.


II. AFDEELING. 171

V. Wel laat'tmy eens zien;—zoo,dat is eene

geheele lysi; — en't zyn al aardige haanepootjes,

dieje'er op gekrabbeld hebt. Maar

men kan'er tog uitkomen,e n dat is voor a Is nog

genoeg, met'er tyd zal't beeter gaan.—Daar is

je lystje weerom;wy zullen'tvolgen, zeg my

maar wat 'er eerst opftaar.

J. Het eerfte is, Tbee. Wat ïs dat tog eigent-

Jyk Papa, 't zyn zulke raare gekronkelde (tukjes

, ik weet niet wat ik 'er van maaken zal ?

V. Maarlet'ereensop, als zy getrokken

zyn; dan zul je gemaklyk kunnen zien, dat

het blaadjes, of nukken van blaadjes zyn.

Deze blaadjes nu groeien aan een foort van

boomen, die, tot verfchilleude hoogten, opwasfen;

en na dat men ze'er voorzigtig,een

voor een,afgeplukt heeft,worden zy verfcheide

maaien, op heet gemaakte fchootels ; gedroogd

en gevreeven, en tusfchen beiden

weer telkens, met waaiers,gekoeld. Onder

dit droogen worden zy hard; en door 't vryven

krygen zy die gekronkelde gedaante, die

je 'er aan ziet, en die je belet heeft,om 't voor

blaadjes van boomen aan te zien. Wanneer

zy nu droog en hard genoegzyn, dan doet

men ze,in kistjes, om ze overal naar toe te

H a ver-


172 II. A F D E E L I N G .

verzenden; en dan gebruikt men ze,zoo als je

weer,getrokl


II. AFDEELING. 173

V. De Juiker wordt van een foort van riet

gemaakt, dat wel agt of tien voeten hoog

wast. Men breekt de fteelen van dat rieten

eenen moolen, tusfchen twee ronde fteenen,

die over malkanderen rollen , en perst 'er dus

het vogt uit. Daar na kookt men dat vogt,in

groote keetels, wanneer het tot een foort van

ftroop wordt. En van dit ftroop maakt men,

door verfcheide bereidingen , telangomjenu

uit te leggen ,,verfcheidefoorten vanfuiker,

die *t eene fchooner,witter en zuiverer dan 't

andere zyn, naar maaten men ze min of meer

heeft bewerkt, Wat volgt nu ?

J. Chocolade.

V.De Chocolade wordt gemaakt van Cacao,

met fuiker, en eenige andere kruideryen ver­

mengd, alsVanille, Kantel, Kruinagel &c.

J. Maar wat is dat allemaal Papa, dat ken

k ook al niet ?

V. De Cacao zyn de zaadjes, of pitjes,

die men in een tbort van concommer of me­

loen 'vindt, welke aan een kleine heerfter

groeit. —— De Vanille is een peultje , daar

men een ftroopagtig fap, en kleine zwarte

pitj'es ofzaadj'es van een zeer aangenaame geur

in vindt; het groeit aan eene plant, die, zoo

H 3 als


174 II. AFDEELING.

als de klim op, langs de hooge boomen, op

wast. — DeKaneel is de bast van eenen boom,

dien men de Kaneelbtom noemt, —— En de

Kruinagel is de bloemknop van een anderen

boom , dien men den Nagelboom hiet. —

Wat heb je nunogmeeropjelyst?

5 f

. Peeper.

V. De Peeper is 't zaad van eene plant,

die wederom,alsdeklimop,langs andere boomen,

opgroeit. Er kooraen trosfen aan,die

wel een voet lang zyn, en eerst bloemen, en

daar na vrugten draagen. Als'er die vrugten aan

zyn , dan gelykt de tros veel, naar

een dunnen druiventros, met zeer kléine

druifjes 'er aan. De vrugties zelfs zyn eerst

groen, daarna zwartagtig, en worden eindelyk,

onder't droogen, geheel zwart. —w

Nu geloof ik volgen, op je lyst, de Foely

en deNootemuscaat, nietwaar?

% Ja Papa.

V. De Nootemuscaat is een foort van

noot, die aan den muscaatboom wast, en

even gelyk onze nooten, in een bolfter,zit.

Deeze bolfter fplyt zig van zelve open, en dan

vindt men eerst, tusfchen den bolfter en den

noot, de £üeZ;y,als een foort vanuitgefneede

mid-


IL AFDEELING. 175

1ni.ld2Ifchorsj.e- zitten, en daar na den noot

zeiven. De Kaneel, deKruinagels,.d>

Peeper, de Foely, en de Nootemuscaat zyn

't geen men gemeenlyk Kruid of Speceryen

noemt. Zy zyn allen zeer heet van fmaak,

en ook niet gezond,als men'er veel van eet.

Hoe men ze onder't eeten gebruikt, deFoe-

ly en Kaneel aan Rukjes gebrooken, depce-

pergeftampt, de nootemuscaat geraspt, en

de kruinagels geheel, kun je daaglyks aan ta­

fel zien. Heb je nu nog iets?

J. Ja Papa Katoen en Azyn.

V. Dat zyn tog twee dingen, die niet

veel gemeens met malkanderen hebben. ——

Het Katoen groeit aan drieërlei foort van boo­

men, die van 't eerde foort kruipen, alseci

wyng"aard,Iangs den grondjdie van het tweede

groeien , in de gedaante van een flruik ; en

die van het derde fchieten zoo hoog op als

onze eikeboomen. Alle drie brengen zy eerst

mooie bloemen voort, en daar na eene vrugt^

zoo groot als eene noot, en van buiten zwart.

Wanneer die vrugt ryp is, fplyt zy zig van

zelve open, en clan ziet men'er een foort van

witte draaden in zitten, die eigtlyk't katoen

zyn. Met een molentje doet men 'er dat ka­

li 4 toen


176 II. AFDEELING.

toen uitvalleren fpint 'cr dan draaden van,om

'er gaaren van te maaken, of floffen van te

wee ven. —De Azyn is de eenigfte van alle

deeze dingen, die, ten minftengedeeltlyk,

hier te lande t'huis hoort. Want men maakt

azyn, door wynofbier te gieten, in een tonnetje

, daar reeds azyn in geweest is, en dat

tonnetje dan te zetten ,op eene warme plaats;

wanneer de wyn of't bier zuur wordt, en dan

is 't eene wyn-azyn, en 't andere bier-azyn.—

Maar Jacob 't verwonderd my, datje niet nog

twee of drie dingen opgeteekend hebt, daar

je tog wel van houdt.

J. Welken dan Papa?

V. Koek, Banket en Suikergoed. Weet

je waar dat alles van gemaakt wordt ? s

J. Neen Papa.

V. De Koek, als Zoetekoek, Peperkoek,

leeraantjes 6fe. wordt gebakken van meel,

rset honig, of met fuiker of ftroop, gemengd.

Waar by men dan geconfyte oranjefchillen,

of citroenfchillen, of kaneel,ofkruinagels,

of andere kruideryen doet,naar den fmaak,

dien men aan den koek geeven wil.

Het Banket wordt gebakken vangefloote

amandelen, met fuiker, booter en eieren;

en


II. A F D E E L I N G . 177

en dan verder, met de eene of andere kruide-

ryen,fmaaklyk gemaakt. -

Eindelyk het Suikergoed wordt gemaakt

van fuiker, fomtyds met wat meel gemengd ,

en daar men wyders, citroen,oforanje-water,

of iets diergelyks by doet, om'erfmaakaaa

te geeven.

* X X X.

Pauline. Mama wat zyn dat voor ftukjes

hout, die daar liggen?

Moeder. Dat zyn de (tukken van een poppe-

doeltje, die ik daar op tafel neer gelegd had.

Maar de knegt, de tafel willende weg zetten,

heeft zeeker niet gezien, dat 'er iets op lag,eu

zoo heeft hy het blad neergeflaagen, entoen

zyn alle die dukken, daar zoo onder malkan­

der, opdengrond,gerold.

P. En is het doelt[e toen gebrooken ?

M. Neen het doeltje was nog niet in een

gezet. Ik had dieidukken daar op tafel ge*

Jegd, om ze drak,metje,inmalkander,te zei­

ten , en je dus te wyzeu, hoe men dat doet»

Maar de knegt heeft ze 'erlaaten afvallen; en

nu liggen zy daarnogin de war, net zoo als

zy|Jaar,by toeval^ malkander gerold zyn.—

Zie, daar heb je de zitting, endaar liggen r

er

H 5 cea


i?8 II. AFDEELING.

een paar fporten op, en hier komt 'er een poot

uitfteeken. Je kunt 'er, zoo als men zegt»

kop noch Haart aan vinden. En dat is altyd

200, wanneer de dingen dus,by enkel toeval,

op elkaar gevallen of gefmeeten worden; dan

liggen zy altyd zoo in de war. In plaats dat

als men iets ergens, by voordagU neêrlegt,

om het weêrom te vinden en te gebruiken,

men het dan, in eene zeekere erier,fchikt zoo

als ik je geleerd heb,met je fpeelgoed, en met

het goed van je pop te doen (*),

P. O ja Mama! zoo als ik bet goed van

myne pop, in myn Cabinet,wegfchik, elk

flukje op zyne plaats.

M. Net zoo. Maar wil ik nu ook

deeze (lukken van 't ftoeltje eens,in eene zeekere

order,fchikken?Dan zullen wy best kunnen

zien, of 'er alles is,wat tot een ftoeltje

behoort.

P. Als 't je belieft Mama.

M. Kyk dan, eerst zal ik de zitting, in't

midden , leggen; en nu , aan weerskanten

der zitting, eerst de twee lange pooten, hier

aan den regter kant een, en daar aan den

linkerkant ook een, 1

en dan de twee korte

O Verg. i D. p. 70, 71.


II. AFDEELING. 179

pooten, insgelvks een aan ieder kant. Verder

zal ik, naast de pooten , aanweerszy, vier

van die ronde fpotteu leggen ; kyk, hier vier,

en daar vier; en eindelyk, wederom aan ieder

kant, twee van die platte rugiporten, hier

twee, en daar twee, ——• Zie, zoo—'Nu

zyn alle die (lukken, in eene zeekereorde,

geiegd. Van de zitting is 'er maar een (luk ,

daarom leg ik datin 't midden. Van de an­

dere ftukken zyn 'er verfcheide, en daar van

leg ik aan ieder kant van \ de zitting even

veel» Hier een lange poot, daar een lange

poot; hier een korte poot, daar een kor­

te poot; —— hier vier ronde fporten , daar

vier ronde fporten, enz. Ook heb ik van de

pooten en fporten delangfte (tukken,iift raid­

den , de kortften aan de einden gelegd. Dit

hiet men nu de ftukken,in onf


iSo II. AFDEELING.

P. Welja Mama, nu kan ik ten minften wel

zien, dat het de ftukken van een ftoeltje zyn*

M. Maar flrak, toen alles, in de war,en onder

malkaar lag, zoo als't by geyaJ,daar op een

gerold was, toen kon je'er niet uitkomen; toen

wist je niet wat je 'er van maaken moest.

P. Dat is waar Mama.

M. En nu kun je ook, zoo als ik je llrak

aei, terftond zien, o Per alle de ftukken zyn,

die tot een ftoeltje behooren. Zie maar eens.

Eene zitting, twee lange poten, twee korte

pooten, vier en vier,dat is agt ronde fporten ,

en vier rugfporten; dat is, in een oogenblik

nagezien; en dat is al wat tot zulk een ftoeltje

behoort. Maar ftrak kon je niet weeten,of het

'er alles was, of je moest het alles een voor

een gaan uitzoeken, en tellen,

P. Dat is ook zoo Mama, dit is veel ge.

niaklyker.

M. En dit is het onderfcheid, dat'er, in

deezen opzigte,is, tusfchen de dingen,die, by

geval, zyn by een gekomen,en die geenen,die

men, met vvordagt , by een gebragt en

gefchikt heeft. De eerften zyn in de war, de

tweeden zyn in order*

M


II. AFDEELING. i&i

JH.MaarPauline nu moet je nog eens ergens

op ietten. — De ftukken van dit ftoeltje liggen

nu wel, in order, maar maaken zy nu nog wel

een ftoeltje uit, dat je gebruiken kunt ? Kun je

'er,by voorbeeldde pop wel op laaten zitten?

P. Neen Mama, dat kan ik niet, 't is nog

geen ftoeltje ; 't ligt alles daar nog maar naast

malkander, op tafel; de ftoel ftaat nog niet

op zyne pooten.

M. Dat is ook zoo; die ftukken zyn wel,

in eene zeekere order, gefchikt; maar zy

zyn nog niet zoo gefchikt, dat men 'er 't gebruik

van kan maaken, daar een ftoel toe dienen

moet. ——• Wil ik ze nu eens zoo fchikken,

als zy moeten zyn, om tot een ftoeltje

te kunnen dienen ?

P. Als 't je belieft Mama.

M. {Het ftoeltje in malkaar zettende.)

Zie, als ik nu aan ieder hoek van de zitting

een poot zet, de korten voor, en de langen,

dat is die met de rugftukken,agter, en dat ik

dan de ronde fporten,twee aanitwee, tusfchen

de pooten in; en de platte fporten, allen boven

malkander, tusfchen de rugftukken in,

fteek, dan zyn alle die ftukken ook, in eene

H 7 zee-


jtfta II. A F D E E L I N G .

zeekere orrfer,gefchikt, zie je de zitting weer

in't midden; aun elke hoek van de zitting een

pont; voor, agter, en aan elke zy van

den doel, twès ronde fporten, tusfchen de

pooten in; en tusfchen de twee rugdukken,

alle de platte lporten,boven malkaar; dat is nu

cok , in eene zeekere order, zie je wel?

P. fa wel Mama.

M. Maar daar en b wen is 'r alles nu ook

zoo gefchikt, dat het een doeltje uitmaak t,en

dat het, tot het gelruik,kan dienen, waar toe

een ftoeltje dienen moet. Zie maar eens; dc

pooten maaken, dat de zitting zoo hoog ftaat,

als zyn weezen moet, om 'erordentlyk op te

kunnen zitten; d e ronde fporten maaken, dat

de pooten vast en freevig (laan; en de platte

fporten,tusfchen de rugdukken,maaken, dat

je 'er de pop teegen kunt laaten leunen,zoo dat

zy niet agter over valle. Zie maar eens, zet ze

'er nu maar eens in. Nu heeft het doeltje alles

wat het hehben moet. Nu is het volmaakt.

P. Ja Mama nu is het een goed doeltje.

JW.Ja, nu zyn alle de dukken van het doeltje

zoo gefchikt, als zy weezen moeten, om het te

kunnen gebruiken. En als iets zoo gefchikt of

gemaakt is,dat het goed en bekwaam is,om ergens


II. AFDEELING. i&g

gens toe te kunnen worden gebruikt» dan zegt

men,dat het met wysheid is gemaakt; en zoo ia

dit ftoeltje nu ook. — —

Maar Pauline, indien ik nu eens, in plaats

van dien eenen poot, 'er een anderen aan zette

, die ,van onderen, veel laag tv dan alle de overigen

was , zou het ftoeltje dan wel kunnen

ftaan? —— Zie, ik zal 'er deeze opgerolde

kaart eens , met een touwtje, onder aen vast

maaken. Indien deeze poot nu zoo lang was,

zou het ftoeltje dan wel ge* d zy; i ?

P. Neen Mama,kyk maar eens, nu kan

't niet ftaan , nu rolt het altyd om.

M. Dat is ook zoo; en indien het ftoeltje.

zoo gemaakt was, dan zou het niet deugen,

tot het gebruik, daar het toe dienen moet; en

dan zou men zeggen , dat het niet met wysheid,

maar in teegendeel op eene zeer onverltandige

wyze was gemaakt. ——• En indien

'er,hier van agteren, nog een groot ftuk hout

teegen aangelpykert was, dat nergens toe

diende, dan zou men zeggen, dat dat ftuk daar

onnut en ovortollig was.En zou het wel wys en

yerftundig zyn, daar zulk een ftuk hout teegen

aan tefpykeren, zonder te weeten waarom?

P. Wel neen Mama, my dunkt dat zou

niet verftandig zyn. M,


184 II. AFDEELING.

JW.Dat zou 't ook niet. — Je kunt dan nu begrypen,

dat een ftoel, eene tafel, of wat je

ook noemen wilt, om met wysMd te zyn gemaakt,

juist alles hebben moet, wat'er aan

noodig is, om het bekwaam te maaken, tot

het gebruik, daar het toe dienen moet, en

Ook niets meer. — Zie nu, of je dit wel begrypen

en onthouden kunt, dan, zal ik'er je

t'avond, in de wandeling , nog eenige voorbeelden

van doen zien.

P. Als 'tje belieft Mama.

M. Pauline , zie je dat huisje wel ,

dat daar, tot een puinhoop ,vervallen is?

P. O ja Mama, dat ziet 'er bedroefd uit,

M. Dat doet het tog. — Kyk,daar liggen

de fteenen, en de balken, en de planken, en

de pannen, en de venfters allemaal onder een,

zoo als zy.van tyd tot tyd, van zelve op malkaar

neer gerold zyn. — Is daar nu wel iets

in order,

P. Neen Mama, dat ligt daar net zoo, als

de ftukjes van het ftoeltje . voor dat Mama ze

in order gefchikt had.

M, Dat is ook zoo. En kunnen die balken,

en die venfters, en diepannen,zoo als


II. A F D E E L I N G . 185

zy daar nu liggen, wel ergens toe dienen?

P. Dat geloof ik niet Mama.

M. Daar heb je ook gelyk in, zy liggen

daar, op dien hoop, zoo,dat zy nergens toe

dienen kunnen, zoo lang zydaar,op dezelfde

wyze,blyven liggen; en daarom is'er, in dien

hoop, ook geene wyze fchikking te bemerken.

— Maar zie nu eens dat huisje, dat'er

naast ftaat, dat ziet'er geheel anders uit.

P. Dat is waar Mama, dat is veel mooier.

M. En dat kan ook ergens toe dienen. Zie

maar eens, daar zyn nu alle de fteenen zeer

netjes op malkanderen gefchikt, en met kalk

aan malkanderen vastgemaakt, zoo dat zy eene

fteevige regt op ftaandemuuruitmaaken.

En laat ons nü eens in 'c huisje gaan. Zie,

daar boven zyn de balken allemaal naast malkaar,en

op gelyke afllanden van malkander,

over de muuren heen gelegd; zoo dat 'er planken

boven op konden gefpykerd worden, om

'er eene zolder van te maaken. En die zolder,

met de vier muuren, daarzy op rust, en

de fteene vloer, daar wyop ftaan, maaken

een goed kamertje uit,daar meu warmpjes en

droog in kan woonen. Want al reegende het

nu nog zoo fterk, en al woei de wind nog zoo

koud


i86 II. A F D E E L I N G .

koud,wy zouden'erhier niets van voelen,mids

wy maar deuren en venfters digr toe hielden;

P. Dat is waar Mama,.'t is wel een goed

kamertje.

M. Ook zyn hier nu de fteenen , en de balken,

en de planken, met wysheid gefchikt; wyl

zy zoo op malkanderen gelegt en vast gemaakt

zyn , dat zy een kamertje uitmaaken,

datzeer goed en bekwaam is , tot het gebruik,

waar toe een kamertje dienen moet; naamlyk,

om 'erin te kunnen woonen. En dus kun je

nu ook weer hier uit zien, wat eene .wyze

fchikking is; zulk eene naamlyk, waar by alles

zoo gefchikt is, als 't nodig is, om eene

zaak daadlyk te doen dienen, tot het gebruik,

waar toe zy dienen moet. Je heugt wel dat

ik je, deezen morgen, 't zelfde van den ftoel

gezegd heb?

P. Ja wel Mama,

M. Maar kun je nu niet ook wel begrypen,.

Pauline, dat de (leenen, en de balken, en de

planken, van diengindfchen puinhoop ,zeer

wel van zelve, zoo als zy daar liggen, op malkanderen

kunnen gerold zyn? Dan viel 'er eens

een fteen af, en dan eens eene balk, en dan

weer een plank,ofeenepan,en zoo als zy vielen*


II. AFDEELING. 187

Ien ,bleeven zy liggen, en liggen ook nog zoo.

P, Dat is waar Mama, 't ligt ook zoo alles

door malkander, zoo als je me gezegd heb,

dat het altoos ligt, als iets, by geval,onder malkaar

gerold is.

Af. Maar zou je ook wel denken, dat die

fteenen, e» die balken, en die planken, zoo

als je ze hier in dit huis gefchikt ziet, zigvan

zelve, juist zoo hebben kunnen komen op

en neevens malkaar fchikken, als bet nodig

was, om 'er eene kamer van te maaken ,'.daar

men in woonen kon?

P. Wel neen Mama, de fteenen kunnen

zig immers niet beweegen,

M Zy kunnen tog wel op malkander rollen.

P. Ja Mama — dat geloof ik wel, als zy

v all c n. — Maar zy kunnen immers niet op

malkander klimmen.

Af. Dat kunnen zy ook niet. Je kunt derhalvcn

wel begrypen, dat 'er menfchen moeten

geweestjzyn, die die fteenen , en die balken

, zoo op malkanderen gefchikt hebben.

P. W 7

el ja Mama, dat doen immers de

metfelaars en de timmerlui ?

Af. Dat doen zy ook. Enzoodikwüs

als je iets ziet, dat daar niet zoo raaar,in eene»

ver-


i88 II. AFDEELING.

verwarden hoop, on der malkaar 1 igt,maar dat

wel in order is, en dat je met wysheid gefchikt

vindt,zoo dat het,door die fchikking,tot eenig

gebruik is bekwaam gemaakt;dan kun je altyd

vast befluiten, dat 'er iemand moet geweest

zyn, die dat zoo heeft gefchikt,

en dat wel iemand,die zelf met voysheidbegaaft

was, want anders zou hy niet met wyiheid

hebben kunnen werken. Is 't niet zoo ?

P. Dat is zeeker Mama.

M. Indien je eenige potjes, met natte

verf, op een fchoon vel papier liet vallen, zou

dat wel eene fchildery uitmaaken ?

P. Wel neen Mama , dat zouden maas

vlakken zyn. Dat heb ik voorleeden, by Nigtje

Befje gezien; die had eenigefchelpenmet

verw, en terwylzy, metfchilderen,beezig

was, kwam haar broertje, en iliet aan de

tafel, en deedt alle de fchelpen, op een ftoel,

vallen, daar Nigtje haare papieren op gelegd

had, en toen waren alle die papieren gevlakt

en bedorven.

M. Maar eene fchildery maakte 't niet uit»

en daarom kun je je altoos verzeekerd houden,

wanneer je eene fchildery ziet, dat die kleuren,

daar niet zoo van zelve, by malkaar gevloeid


II. AFDEELING. 189

vloeid of gekroopen zyn, maar dat 'er een

fchilder moet zyn geweest-, die die fchildery

heeft gemaakt.

P. Ja dat is zeeker Mama.

M. En even zoo is het, met een wagen,die

gemaakt is, om 'er in te ryden; en meteen

fchip, dat gemaakt is, om'er in te vaaren; en

met-alles waar van je kunt zien, dathet,met

voordagt, toteeniggebruik,vervaardigt, en

daar toe ook werklyk bekwaan gemaakt is. —

De geenen nu, die zoo iets-maaken, en het

zoo maaken, dat het in de daad goed en bekwaam

is,tot het gebruik,waar toe zy't wilden

fchikken, worden wyze werklieden, of wyze

werkmeejler sgtrmmd.Om dat zy toonen, dat

zy verftand en wysheid hebben, en die beiden

ook daadlyk gebruiken; wyl zy werken, met

oogmerk,ova iets goeds,iets nuttigs te maaken,

dat ergens toe dienen kan, een huis b. v. om

in tewoonen, een wagen, om in te ryden;

een fchip, om in te vaaren &c. en dat zy ook

by de uitvoering doen zien, dat zy zeer wel

weeten, hoe elk dier zaaken, ten dien einde

moet worden gemaakt, en wat het daar toe

al hebben moet.—Je weet wel dat Groot-Mamama,

aan 't einde van haar bukenplaats,een

zomerhuisje heeft? P*


*$o II. A F D E E L I N G .

P. 'JaMama.

Af. Weetje waar toe zy dat daar heeft laaten

zetten ?

P. Welja Mama,om'er in te gaan zitten.

M. Ja, en om 'er in te gaan fchuilen,

teegen den reegen, als het eens fterk begon

te reegenen, op een oogenb)k,dat zy aan

't einde van haare plaats was, en dus niet zou

kunnen t'huis komen, zonder braaf nat te

worden.

P. Ja, dat hebben wy eergifteren ook nog

gedaan. Toen kreegen wy eene brave reegenbui,

op'tlyf; maar gelukkig waren wy vlak by

't zomerhuisje, en daar kroopen wy in.

M, En daar zat je toen warm en droog, om

dat het huisje van goede planken getimmerd

is, en met goede pannen is gedekt, daar de

reegen niet door kan. Maar indien iemand nu,

aan 't einde van zyne plaats, een kaartehuisje

zette.om 'er integaanfchuilen, zou dat ook

wys zyn; al maakte hy't al eens groot genoeg,

om 'erin te kunnen zitten.

P. Wel neen Mama,zulk een huisje zou

gaauw omver leggen, als't'erop begon te

reegenen. Want als mynekaarten maareven

nat worden, dan willen zy niet meer ffaan,en

dan valt myn huisje in duigen. M


II. A F D E E LING. 191

M. En zoo zou 't met het kaarte zomerhuisje

ook gaan. En daarom zou de geen,die

't gemaakt had, niet'-ryr zyn, wyl hy zyn

huisje zoo zou hebben gemaakt, dat het niet

kon dienen, tot het geen,waartoehy'thad

willen maaken.

En desgelyks, indien ik een huis, zoo als

dit, daar wy nu in zyn, bouwde; en in plaats

van de deuren en venftersvoor,ofagter, of

op zy, in de muuren,te plaatfen, zoo als zy

hier in. dit huis zyn, ik de deur eens, boven in't

dak, en de venfters hier, onder onze voeten,

in den fteenen vloer,ging leggen; terwyl ik

alle demimren rondom wel digt maakte, zou

dat wy) gedaan zyn...

P. Wel neen Mama, hoe kwamen wy

dan in huis?

M. En hoe zouden wy 'er licht in krygen ?

De venfters worden gemaakt, om licht in de

kamers te geeven, en daarom zet men ze,in de

buitenfte muuren, zoo dat het licht'er vlak

op valt, en 'er door inde kamers kan koomen.

En wanneer zy zoo zyn geplaatst,dan kunnen

zy dienen, tot het gebruik, waar toe zy moeten

dienen ; en dan zyn zy ook met wysbeii

geplaatst. Maar indien ik ze in den vloer lei,

dan


loa II. AF D E;E LING.

dan zou 'er geen licht in kunnen koomen, en

dus zouden zy nietkunnendienen.tot het gebruikbaar

toe zy dienen moeten; weshalven

zy daar dan ook niet,met wysheid,zouden geplaatst

zyn, En met de deur zou 't even eens

zyn. Diezou,h?dien zy,boven in't dak,geplaatst

was, niet wel kunnen dienen, om in

huis'te komen; en dus zou zy niet voldoen

aan!'t«ogmer£,waar toe men deuren maakt,

P. Mama wat is dat oogmerk ?

" M. Alles wat men gaarne had, of gebeuren

zag,en waar voor men iets doet,om het te verkrygen,of

te doen gebeuren,is het oogmerk dat

men zig voorftelt; en alles wat men doet, om

het te verkrygen, of te doen gebeuren, is het

middel dat men 'er toe aanwendt.B. v. Ik ben

koud en wilde my gaarne warmen, en maak

daar toe eengoed vuur.Dan is mynoogmcrk my

te warmen; en't7rótóe/datik'ertoegebruik,

het maaken van een goed vuur.— En even dus

is hier een ingang, in een huis, of in eene kamerve

hebben, die men niet altoos behoeft

open te laaten,het oogmerk, en eene deur, die

men open doen en fluiten kan, het middel.

Licht in de kamers te hebben is 't togmerk, en

venflers zyn de middslef^waaï doormen dat

oogmerk bereikt.


III. A F D E E L I N G .

X X X I .

De Onbedagtzaambeid. .

Z-Ae. Keesje! deeze doode mug

Vloog nog zoo even bly en vlug,

Maar 't is, door onbedagtfaamheid,

Dat hy nu dood, op tafel leit.

Eladz. 193

Hy had in 't kaarslicht zulk een zin,

En vloog 'er onvoorzigtig in,

Nu ligt hy daar; maar 't is te laat;

Er is voor 't mugje nu geen. raad.

Hy werdt bedroogen door den fcbyn,

O! laat ons dit tot leering zyn,

Dat eer men iets gewigtigs doet,

Men zig wat lang bedenken moet j

Een uur van onbedagtfaamheid

Kan maaken dat men weeken fchreit.

X X X I I .

Vader. Jacob, wil ik je eens uitleggen,

hoe veel werk 'er vereifcht wordt, om van de

wol, die op het lyf van de fchaapjes groeit,

zulk laaken te maaken, als dat geen/waarvan

onze kleêren gemaakt zyn ?

I


i


HL AFDEELING. 195

Om ze dan wat zagter en handzaamer te maaken,

wordt 'er wat olie, of eenige andere

vetagüge ftof by gedaan.En als dat gefcbied

is, dan wordt de wol gekaard ^ dat is, men

neemt twee plankjes, die met leer overtrokken

en met korte, aan de punt eenigzins

cmgebooge,yzerdraadjes, op de wys van een

hekel of borftel, bezet zyn. Een deezer

plankjes maakt men,op een bankje,vast, of

houdt het op de knie ; en dan legt men 'er een

vlokje wol op, en ftrykt daar, met het andere

plankje, dat even eens met yzerdraaden

bezet, en daarenboven met een handvat voorzien

is, over heen, om de wol dus als uit te

kammen, en uit de war te krygen.— Dit werk

nu, gelyk mede het pluizen, kan door

kleine kinderen van vyf of zes jaaren ,

gefchieden,.

Wanneer de wol dus wel uit de war is gehaald

, wordt zy , op. eene fptnnewiel,

zooalsje'erwel gezien hebt, tot draaden, gefponnen,

en dit kunnen kinderen van vyf of

zes jaar ook al doen. Ook gefchiedt dit, even

als 't pluizen &c. veel door vrouwen, en dit

is een van de groote voordeden, van de Laakenfabritk^M

'er, in een arm huishouden,

I 2 geen


196 III. AFDEELING.

geen vrouw of kind, mids maar boven de vier

of vyf jaaren zynde, behoeft leeg te

zitten; maar zy allen,by die fabriek.aan 't

werk kunnen komen, om mee den kost te

helpen verdienen, en dus hunne ouderen aan

een goed beftaan te helpen. En dit is zeeker-

Jyk eene groote verligting, voor die ouders;

indien zy maar hunne kinderen vroeg genoeg,

in de eene of andere deezer bewerkingen, willen

laaten onderwyzen, en dus vroeg tot

naarftigheid gewennen.

J. Wel Papa doen dat dan alle de ouders

niet?

V. Er zyn 'er Jacob, die dit, uit eene

onbegryphyke luiheid en onagtzaamheid ,

verzuimen. En dit is zeeker wel onbegryplyk.wyl

zy zig, door dit verzuim,

van de hulp dier kinderen berooven, in

het winnen van den kost, daar zy zelfs

zoo zwaar voor moeten arbeiden, en 'er

ook dan nog dikwils tog maar zeer fober aan

komen. Terwyl de kinderen daar door

aan luiheid gewennen; onkuudig blyven

in iets, waar meê zy in 't vervolg altoos

, warneer zy geen ander weik hadden,

den kost zouden kunnen yerdienen; en dus,

een


III. AFDEELING. 197

een groot gedeelte van hun leeven, in armoede

en gebrek, moeten doorbrengen.

J. Wel dat dunkt my Papa, is tog dwaas

gehandeld.

V. Dat is het zeeker, en die menfchen

lyden 'er zelf» het meest by. — Maar om nu,

tot onze wol, weêr te keeren; wanneer dezelve

tot draadeH gefponnen is, windt of

haspelt men die draaden tot ftrengen. Daar

na worden die geenen deezer ftrengen, die

tot de ketting of fcheering moeten dienen,

gelymd, dat is gehaald door warm water,

daar ly m, of eenige andere kleeverige ftof in

gefmolten is, om den draad fterker te maaken;

en dus gelymd zynde worden zy weer gedroog.

De andere draaden, die tot den injlag

dienen moeten,worden op klosjes gewonden,

om die in de weevers/poelen te leggen , en dit

laatfte gefchiedt ook weer door kinderen.

J. Maar Papa, ik verftaa dat altemaal

niet, ketting, fcheering, injlag, weeversfpoelen,

wat is dat ?

F. Ja omjedatregtttitteleggen, diende

ik wel een weefgetouw by de hand te hebben,

om 'tjetewyzen. Ook zal ik je by de eerfte

geleegenheid eens, by een weever, brengen,

I 3 om


io8 m AFDEELING.

om 't je te laaten zien. Ondertusfchen zal ik

je nu maar zeggen, dat men, om van de wol-

Ie draaden laaken te weeven, eerst een groot

getal deezer draaden, die zeer lang zyn,en die

men de ketting offcheering noemt, naast

malkanderen fpant, op een groot werktuig,

dat een weefgetouw genaemd wordt, en zoo

gemaakt is, dat de man of weever, die 'er

voor zit,door,metzyn voet, op twee ftokken

te trappen, daar touwen aan vast zitten, de

eene helft dier lange draaden naar boven, en

de andere helft naar beneden brengen kan, 't

Werft hy ook geduurig beurtelings doet. On­

dertusfchen neemt hy zyn weversfpoel, dat

is een bakje, omtrent als een fchuitje gemaakt,

en waar in een klosje, op 't welke men een

wollen draad gewonden heeft, zoodanig vast

gemaakt is, dat het kan draaien ,om den draad

te laaten Telneten; en wanneer hy dan de eene

helft zyner kettingdraaden naar boven, en

de andere helft naar beneeden gebragt heeft,

dan fchiet hy 'er, door zyn weversfpoel, tus­

fchen de beide helften der kettingdraaden, van

denregternaardenlinker hand, heentefchui-

ven, den wollen draad, die op'tklosje zit, en

den infijg genaamd wordt, tusfchen beiden

• door*


III. AFDEELING. 199

door; en (laat dien vervolgens , doormiddel

van een ibort van groote kam,daar alle de kettingdraaden

door heen gaan, teegen de vorige

draaden van injlag,\ai,t en gelyk aan. — Dit

gedaan zynde, brengt hy de eerfte helft der

kettingdraaden, die eerst naar boven (tonden,

nu naar beneeden en de andere helft naar boven,

en vat dus zyn inlkvgdraad, tusfchen die

twee helften der kettingdraaden in. Vervolgens

fchiet hy 'er een tweeden inflagsdraad,

van de linker naar de regtcrhand , tusfchen

door; (laat dien weer, met de kam, teegen den

vorigen draad, vast en gelyk aan; en gaat zoo

geduurig voort, den inflagsdraad telkens

vlegtsgewyze tusfchen de twee helften der

kettingdraaden in vattende, zoo als je'tin grol

linnen, en nog duidclyker in een zeeker foort

van grof gaas, vooral wanneer je'tuitrafelt,

duidelyk zien kunt.

J. Maar Papa,ik begryp tog nog niet wel,

hoe die draaden daar zoo vlegtsgewyze tu 1fchen

in komen?

V. Ik zal zien,ofik 't je nog wat klaarder

uitleggen kan.By een weefgetouw, zou je't

aanftonds zien;maar daar wy datnunietbyde

hand hebben,zal ik'er een ander middel toe ge

I 4 brui-


2oo III. AFDEELING.

bruiken. Hou eens'deeze zes dunne fpitsgaarden,

op eene ry, tusfchen je middelde en je

voorde vinger in, en hou ze op zulk een affland,

dat ze tusfchen de zes tanden van deeze

kam heen kunnen,—(Jacob neemt ze, op de

gezegde wyze, tusfchen zyne vingers.) Zoo,

zeer wel. Dat verbeelden nu de kettingdraaden,en

dit is de kam van den weever.Nu zal ik

drie van deeze gaarden, om den anderen een,

en dus de eerfte, derde en vyfde, by de toppen

vatten, en die toppen naar boven brengen.—

Zie, zoo. — Nu heb ik hier een touwjaan eene

naald, in plaats van een weeversfpoel,vastgemaakt,

die fleek ik nu, van de regter naar

de linker hand, tusfchen de gaarden, door»

Daar na neem ik myn kam, en druk daar mede

dat touw, dat den injlagsdaaadvetbeeldt,

teegen je vingers aan. — Dit gedaan zynde

laat ik de drie gaarden, die nu naar boven

ftonden, los, en breng de drie anderen , te

weeten de derde, vierde en zesde, naar boven.

Daar na fteek ik'erhettouw, van de

linker naar de regter zyde, tusfchen beiden

door, druk het met de kam teegen'tvoorige

aan, en gaa zoo beurtlings,van de eene kant,

naar den anderen, voort. — En als ikdateeni-


III. AFDEELING. 201

ge keeren gedaan heb, kun je zien, dat dat

touw, net zoo tusfchen de fpitsgaarden in

gevlogtenis, als je hier, in't grof linnen, of

het gaas, de draaden in een gevlogten ziet.

J. Dat is waar Papa.

V. Dit kan je derhalven eenig denkbeeld

van 't weevengeeven. — Maar nu moet ik je

zeggen, wat men al verder,methetlaaken,

doet. Als men'er,op deeze wyze, een geheel

ftuk vau afgeweeven heeft, dan ziet'er

dat ftuk nog geheel anders uit, dan het

Iaaken dat wy draagen.

J. Hoe dan Papa?

V, Het ftuk is dan veel breeder , dan

wanneer je'tin den winkel ziet. •—En 't is

ook zoo dunenyl, dat je'er haast door heen

zien kunt, en 't bykans meer,naar zeer fyn

dwylgoed, dan naar laaken gelykt.

3. COpzynrokwyzende.) Dat is aardig

Papa, is dat laaken dan ook zoo geweest?

V. ja net zoo.

j. Maar hoe heeft men't dan zoo gekreg»

gen, als't nu is?

V. Daar hoort nog veel werk toe. Wanneer

't ftuk afgeweeven is, dan wordt het

genopt; dat is men hangt het op,teegen den

I 5 dag


cos III. AFDEELING.

dag; en dan komt 'er een vrouw, met een

n yptangeije, en die trekt 'er alle de knoopen,

en de ftrootjes of andere vuiligheeden, die 'er

onder 't weeven zyn ingekomen, uit; waar

door zy fomtyds,vooraldoor't uittrekken van

een knoop," geheele gaatjes in't laaken maakt.

J. Wel bederft dat het laaken niet ?

V. Neen,dat komt, door de volgende

bewerking,weer te regt. Wanneer het ftuk

genopt is, legt men het, in eene bak met water,

waar onder men een foort van aarde

mengt, vollersaarde genaamd, die deeze

zonderlinge eigenfchap heeft, dat zy het laaken,

terwyl het,door zwaare balken,welken,

door een moolen, in beweeging gebragt worden

, geduurig gedampt en omgekeerd wordt,

zoodanig doet inkrimpen, dat het wel een

derde van zyne breette verliest, en onder dat

inkrimpen, zoo digt en wollig wordt, als je

't nu ziet»

J. Maar Papa, dat is aardig! En hoe doet

die aarde dat?

V. Ja dat weet ik je zelfnietuitte leggen,

fchoon ik *t wel eens heb zien doen, — Deeze

bewerking ondertusfchen wordt vollen gemaand.

Als nu het laaken wel gevold en

weet


III. AFDEELING. 203

weer uitgefpoeld is ,dan wordt het geraawwi*

J. Wat is dat Papa ?

V. Om het laaken te raawwen, neemt

men kaarde bollen, welken een foort van distels

zyn, met fterke en aan 't einde een weinig,

omgebooge punten ; en daar maakt men'er

verfcheiden van digi naast elkander vast, op

een houten kruis, zoo dat het als een foort

.van [platte fchuurborftel vertoone; en daar

ftrykt men dan zeer fterk meê, over het ftuk

laaken heen, om het wollige, dat 'er nu,door

't vollen,op gekomen is, gelyk,en glad, en

naar eenen kant over te haaien. Wanneer

dat gedaan is, zit'er de wol nog wat te

ruw op ; daarom wordt zy 'erdan.meteene

groote fchaar, wel glad, maar nietteffeik,

afgefchooren. — Als dit gedaan is,wordt het

laaken aan't ftuk geverfd, met de kleur, die

men 'er aan geeven wil; ten minften indien

de wol, daar 't van gemaakt is, niet reeds,

voor dat ze tot draaden gefponnen werdt, geverfd

was, gelyk men ook wel doet.

J. En hoe wordt dat laaken geverfd ?

V. Daar toe legt men 't geheele ftuk, (_ of

anders de wol, eer zy gefponnen wordt;.) ia

groote keetels, waar in men water, en de-

16 nor


co4 III. AFDEELING,

ro.iige verfltoffen gedaan heeft; en dan wordt

dat alles, op een zeer heet vuur, eenigen tyd

famen gekookt.

Laatst van allen , wordt het ftuk, in groo»

te zwaare persfen,gekgd, met gladde bordpapieren,

tusfchen ieder plooi, in,om het glad

te pers/en en *er den glans optekrygen; en

dan is het laaken eerst klaar, om naar den

winkel te gaan,en te kunnen verkogt engedraagen

worden.

Nu zieje Jacob,wat'eral toe hoort, om laaken

te maaken. En uit de wyze, waarop

het beweïkt wordt, kun je afneemen, van

hoe veel nut dit handwerk zy. Niet alleen

om dat het ons zulk eene goede, mooie, ge-

'maklyke en warme ftof, tot kleeding, bezorgd.

Maar ook, om dat het zulk een groot

getal van menfchen, en de iheeften nog met

vrouwen en kinderen , aan 't werk, en daar

door aan den kost helpt. Want behalven

de geenen, die de wol van'c vel/cheeren,en naderhand

, tusfchen de overige bewerkingen

in, verfcheide keeren wasjchtn en /poelen,

en met verfcheidenerlei vette en andere Itolfen

bereiden', komen 'er Pluizen, Vlaakers,

Kaarders, Spinners, Winders, Weevers,

Nop.


III. AFDEELING. É05

floppers, Vollers, Rnauwers, Scheerders,

Ververs, en eindelyk Persfers, aan te pas.

Zoo dat .'er naauwlyks eenig handwerk te

noemen is, dat aan zoo veele menfchen den

kost geeft.

X X X I I I .

Op zeekeren avond,kwam een jong heertje,

ia een Chais, zeer hard en onvoorzigtig,

over een hobbeligen,gepuinden weg , naar

de ftad ryden. Hy had nog wel tyds genoeg,

maar uit driftigheid, en by gebrek van goed

overleg, was hy bang, dat hy de poort van

de ftad, die 's avonds,op een zeekei uur, geflooten

wordt, reeds zou toe vinden, en

dus niet in de ftad kunnen komen. Terwyl

hy daar nu zoo hard en zeer digtlangseene

floot heen reedt, ontmoette hy een oud man,

die zelf een wagenmaaker zynde, wel wist,

hoe men met rytuigen moet omgaan. Zeg

eens Vriend! riep't Heertje hem toe, kan ik

nog by tyds aan de ftad zyn , om binnen

te koornen? — O ja zeer gemaklyk, myn

Heer, antwoordde de Wagemaaker, mids

datje maarwat langzaam rydt, —Jeuoude

gek! hervatte *tHeertje, daarop,'zalik'er,

met hard ryden,niet altyd nog eer,dan met

I ? lang-


»or5 III. AFDEELING.

langfaam ryden,zyn ? —Dat zullen vvyzien,

antwoordde de VVagemaaker, engingzyn's

weegs. —

Ondertusfchen lei ons jonkertje de zweep,

over de paarden, en liet ze nog eens zoo hard

doordraaven, Maar naaawlyks was hy twintig

flappen verder gekomen, of, — bons, zei

't wiel, en ftiet teegen een grooten fteen aan.

Door den fchok floeg de Chais om, en daar

lag ons jonkertje nu, in de floot, midden in

de modder,tefpartelen , :

,;en fchreeuwde, uit

al zyn magt, om hulp. Zoo als de oude Wagenmaaker

dat hoorde, liephy 'er weer naar

toe, hielp 't Heertje, uit de modder, en

rigtte de Chais weer op, daar gelukkig nog

niets aan gebrooken was; wyl de paarden,die

reeds zeer moei waren, terftond waren blyven

flaan. ïeevens vroeg de oude man zeer

vriendlyk aan 't Heertje, of 't zig niet bezeerd

had ? — Maar dat had ook geen letfel gekreegen,

dan alleen, dat het door nat en, tot over

de ooren toe, befiikt was.

Nu zie je wel, zei de Wagenmaker, dat

je van avond niet meer , in de ftad, kunt

komen; want zoo nat en beflikt, als je nu

bent, kun je, in deeze kou, niet weer op

de


III. AFDEELING. 207

de open Chais gaan zitten, dat zou je ziek

maaken; ('t Heertje ftondt onderwyl te bibberen,

alseenfchoothondje,datuitde wafchtob

komt.) maar myn huis is hier vlakby,

en dat is tot je dienst. Kom maar met my meê,

ik zal je drooge kleêren geeven , onderwyl dat

wyjou kleêren weer fchoon maaken endroogen;

en dan kun je morgen ogtend ,op je gemak

, naar de ftad ryden.

Er was nu niets anders op , dan ditvriendlyk

aanbod aan te neemen. Dus ging ons

jonkertje, met den ouden man,meê, naar

zyn huis toe, daar by zeer wel ontfangen en

zeer wel bezorgd werdt, en 'er ook dien nagt,

bleef flaapen.

's Anderendaags 's morgens reedt hy weg;

en toen hy van den Wagenmaaker affcheid

nam, zei hy teegen hem; myn goede vriend t

wat zal ik je nu geeven, of wat zal ik doen , «

om je te bedanken ,voor alle de hulp en vriendlykheid,

diejeme beweezen hebt? —Niets

anders,antwoordde de oude man, dan dat je

my en myn 's gelyken nooit weeroude gekken

noemt; en dat je ook,in 't vervolg,wat

beeter, naar goeden raad,gelieft te lmfteren,

want daar zul je je zelf wel by vinden. — En

hier


2o8 III. AFDEELING.

hier meê reedt ons Heertje, zoo befchaamd,

over zyn eigen onverftand, als verleegen,over

de vriendlyk en befcheidenheid van den goeden

ouden man, weg. Terwyl hy nu teevens

ook geleerd had , dat men in de daad met

langfaam ryden, dikwils veel verder dan met

bard ryden komt.

* X X X I V .

Pauline. Mama, ik wou nu zoo gaarne

de bloemen gaan planten, die je me gilleren

gegeeven hebt, om in myn tuintje te zetten.

Moeder. Wel nu doe dat maar; daar is

het nu deregte tyd toe,

P. JaMama, maar de tuinman zegt, dat

myn tuintje eerst wat moet worden omgefpit.

M. Wel daar heeft hy ook gelyk in, verzoek

hem dan, dat hy dat doe.

P. Dat heb ik al gedaan Mama, maar hy

heeft nu nog geen tyd; en toen heb ik hem

verzogt, dat hy my zyn fchup maar wilde

geeven, c an zou ik 't zelf doen; maar hy wou

niét; hy zei, ik moest daar toe eerst meer

kragt hebben,

Jlf. Dat is ook waar; je moet eerst grooterzyn,

om dat te kunnen doen.


III. AFDEELING. 209

P, Zal ik dan ook meer kragt hebben Mama,

als ik grooter zyn zal ?

M. Wel ja,je ziet immers, dat wy meer'

kragt hebben dan jy. En jy zelf hebt ook al

meer kragt dan je zusje Henriette ; en Henriette

heeft weer meer kragt, dan je kleine zusje

Elize.

P. Dat is waar Mama,

M. Zie maar eens, jy kunt dien grooten

ftoel wel verfchui ven, kun je niet ?

P. O ja Mama, zeer gemaklyk.

M. Maar zusje Henriette zou dat niet

kunnen doen, en de kleine Elize nog minder.

— Maar kun je dien zelfden ftoel ook

wel opligten?

P. Neen Mama, dat kan ik niet.

M. Maar ik kan 't zeer gemaklyk; en ik

kan deeze tafel ook wel opligten, en ik kan

dat tonnetje met turf opligten, datjy niet

eens verfchuiven kunt. Probeer maar eens.

P. Neen Mama, dat kan ik niet.

M. Ik heb dus veel meer kragt dan jy, of in

andere woorden,ik ben fterker dan jy;net zoo

als'jy meer kragt hebt dan Henriette. En zoo

wordt men al hoe langer hoe fterker, en krygt

hoe langer hoe meer kragt, naar maaien men

groo»


aio III. AFDEELING.

grooter wordt, en kan dus ook hoe langer

hoe meer doen,— En als verfcheide menfchen

famen werken, dan kunnen zy nog meer

doen; om dat zy dan alle hunnekragtenfamen

vereenigen, en dus met hun allen zoo

veel meer kragt hebben, dan elk alleen. By

voorbeeld. Een metfelaar, als hy'er de nodige

werktuigen toe heeft, is fterkgenoeg,

om deezen geheelen mutirom ver te gooien ,

en 'er ook weer een anderen, in de plaars ,

te bouwen. Maar als hy nog eenige andere

metfelaars en timmerlieden by hem heeft, dan

zyn zy met hun allen fterk genoeg, omdat

•geheele huis om ver te haaien, en 'er weer een

ander, in de plaats, te bouwen. En indien

'er honderd metfelaars en timmerlieden

by malkander waaren, en malkander hielpen,

dan konden zy den tooren van de groote kerk

wel om ver haaien, en 'er weer een anderen,

in de plaats, bouwen, Eneindelyk,indienzy

eenige duizend in getal waaren, dan zouden

zy fterk genoeg zyn, om eene geheele ftad af

te breeken, en 'er ook weer eene andere te

bouwen, in de plaats. Zoo fterk zyn de menfchen

, en zoo veel kragt hebben zy , wanneer

zy malkander helpen en famen weiken.

Maar


III. AFDEELING. 211

Maar Pauline,uit dit alles en uit hetgeen ik

je te vooren gezegd heb,weetje nu genoeg,wat

het is kragt te hebben, en wat het woord krag*

beteekent. Maar weet je ook wat het woord

tnagt beduidt?

P. Neen Mama , dat weet ik niet.

Af. Wanneer je gaarne had, dat Dirk iets,

voorje, haalde, dan kun je't hem wel verzoeken

, en dan doet hy 't ook, indien by 'er

tyd en lust toe heeft. Maar indien hy 'er nu

eens geen lust toe had, zou jy 't hem dan wel

kunnen gebieden, en hem zeggen, dathy't

evenwel moest doen?

P. Wel ja Mama, my dunkt ik zou hem

dat wel kunnen z°ggen.

Af. ja maar zou hy 't dan ook doen , om

dat jy 't hem geboodt; al was het, dat hy'et

anders geen lust of tyd toe had?

P. Wel dat weet ik juist niet Mama»"

Af. Heeft hy 't je nooit eens geweigerd

?

Af. Welja Mama,hy heeft het my wel eens

geweigerd, en my gezegd, ik heb wat anders

te doen, of ik doe dat niet.

M. En wat deed jy dan?

P. Ja Mama, dan moest ik wel geduld

ceemen. Af»


aia III. AFDEELING.

M. Dat moest je ook; want als je hem

evenwel nog gezegd had, je moet het tog

doen, Dirk;of je had het hem niet zeervriendlyk

verzogt, maar gezegd; je zult dit of dat

doenlik wil 't hebben. — Dan zou by je zeeker

hebben geantwoord , ik doe het evenwel niet,

wantjy hebt my niet te beveelen; — en dan

zou je immers al weer geduld hebben moeten

neemen.

P. Dat is waar Mama.

M. Maar als ik of Papa hem zeggen, dat

hy iets doen of haaien moet, dan moet hy het

doen, of hy 'er lust toe heeft of niet. En weet

je waarom?

P. Neen Mama.

M. Om dat hy onze knegt is, en dat hy

zig, zoo als ik 'tje al eens heb uitgelegd , aan

ons heeft verhuurd, om ons te dienen , en te

doen alles wat wy hem zeggen zouden. En

daarom moet hy ook, zoo lang als hy by ons

verhuurd blyft, doen wat wy hem zeggen ;

wy kunnen hem gebieden, en hy moet ons

gehoorzaamen, of in anderewoorden, wy

hebben magt over hem. Maar jy hebt geen

magt, over hem; want als jy hem iets gebiedt

, dan hoeft hy niet te gehoorzaamen, zo

hy


III. AFDEELING. öi|

hy niet wil; om dat hy zig aan jou niet ver­

huurd heeft,

Maar Pauline, heb je je Oom deCaptein,

met zyne compagnie ruiters, wel eens zien

exerceeren?

P. ja wel Mama,

• M. Heb je toen nier gezien, dat die rui­

ters alles deeden , wat je Oom hun zei.

Als hy riep, marfch! dan gingen zy voort;

enalsbyriepMï! dan hielden zy ftil; en als

hy zei regts zwenktu\ dan keerden zy zig

om, naar den regterkant; en als hy zei lin ks

zwenkt u\ dan keerden zy zig om, naar den

linker kant; en zoo deeden zy alles wat hy

hun geboodt of commandeerde. Hy kon hun

beveelen wat hy wou, en zy moeiten hem ge­

hoorzaamen. Zoo veel magt heeft een Cap-

tein, over zyne ruiters.

P. En waarom heeft hy zoo veel magt,

over die ruiters?

M- Je begrypt wel Pauline, dat het niet

is, om dat hy ftetker zy , en meer kragt

hebbe , dan alle die ruiters famen.

P. Neen Mama , dat geloof ik wel.

M, Dat is 't ook niet; maar toen die rui­

ters zig als ruiters hebben laaten aanneemen,

(daar


214 UI- AFDEELING.

(daar zy geld voor krygen, zoo als ik 't je, op

een ander tyd, wel eens uitleggen zal O toen

hebben zy belooft, alles te zullen doen, wat

hun Captein hunzoubeveelen; en de eerfte

die dat nu niet zou willen doen, die zou'er

overgeftraft worden.En datmaakt-dat jeOom

de Captein, zoo veel magt over hen heeft.

Maar wanneer 'er nu Hen of twaalf zulke

Compagnien ruiters, met hunne Capteins

&c. by malkanderen zyn, dan maakt dat een

Regiment uit; en dan is'er een man, die de

Collonel hiet, en daar moeten alle die Compagnien,

de Capteins zoo welalsde.'ruiters,

aan gehoorzaamen.

P. En waarom dat?

M. Al wederom, om dat zy het beloofd

hebben, en 'er ook over zouden worden gefiraft,

indien zy 't,teegen hunne belofte aan ,

niet wilden doen. Maar nu zie je wel, dat die

Collonel nog meer magt heeft, dan je Oom

de Captein; wyl hy aan alle die Compagnien

beveelen geeven kan, en je Oom hem ook

zelf moet gehoorzaamen.

P. Ja Mama,dan heeft die Collonel tog

nog meer magt.

M. En als 'er tien, twaaf, twintig, ja

al


III. AFDEELING. ai 5

al was't honderd regimenten by elkaar zyn,

't welk men dan een Leeger noemt, dan is 'er

één Generaal, die over dat gaufche leeger het

bevel heeft. En alles wat die déne Generaal

gebiedt, dat moeten alle de overigen , ruiters

, Capteins en Collonels doen. Zoo dat

zulk een Generaal dikwils magt heeft, om

over vyftig duizend , ja over honderd duizend

menfchen te gebieden.En die vyftig, of honderd

duizend menfchen moeten dan doen, alles

wat die ééne Generaal hun gebiedt. Heeft

zulk een Generaal dan nu niet zeer veel magt?

P, Ja wel Mama,En hebbenalle die menfchen

dat dan ook beloofd?

M. Ja die hebben 't allen beloofd; en de

eerfte die 't niet doet,wordt geftraft, en daarom

doen zy 't allemaal.

P. Maar Pauline, nu zal ik je nog eens

een ander voorbeeld van magt geeven. Je

heugt wel hoe ik je gezegd heb, dat het jc

ziel is,die je lichaam beweegt?

P. Ja wel Mama.

M. En als je iets doen wilt, dan is 't eigentlykje

ziel,diedatwil, wantdeuuz'Ziseigentlyk

een vermóogen van de ziel. Een dood

vogeltje kan niet meer willen vliegen, om dat

zyn


2i6 III. AFDEELING.

zyn ziel, die eigentlyk in hem wil, niet meer

in 't lichaampje is; maar een leevendig vogeltje

kan wel willen vliegen, en dan vliegt

het ook.

P. Ja Mama dat is waar.

M, Wel nu, zoo ras nu als jy, of eigentlyk

je ziel, weeten wilt, b. v. wat 'er by 't

venfter omgaat, of'wie het is, die de deur

van de kamer open doet; draaien zig je oogen

dan niet aanftonds naar het venfter of de

deur toeP

P. Ja Mama, dat doen zy ook.

M. En zoo gaauw als je by je zelve denkt,

nu wil ik opflaan,om naar den tuin te gaan, en

je wilt het in de daad, beweegen zig je beenen

dan niet aanftonds zoo, datje opftaat en naar

den tuin gaat?

P. Ja Mama,

M. Zoo veel magt heeft je ziel over je

lichaam, dat alles wat je ziel wil, dat doet je

lichaam aanftonds. En zoo is't met my en met

alle menfchen ook, Ziemaareens, nu wil ik

myne hand opligten, aanftonds ligt zig myne

hand op. Nu wil ik myn voet voor uit zetten,

aanftonds gaat myn voet- voor uit. Zoo

veel magt heeft de ziel over het lichaam,

en


HE AFDEELING. 217

en zoo fchielyk moet dat lichaam aan de ziel

gehoorzaamen.

P. Maar Mama, hoe komt dat ? Heeft het

lichaam ook beloofd ; — maar neen, dat kan

immers niet zyn.

M. Wel neen , dat begryp je zelf wel.

Zie maar eens , kan je hand je wel iets

belooven?

P. Wel neen Mama. Maar hoe komt

het dan, dat het lichaam zoo moet gehoorzaamen

, en dat de ziel die magt 0 /er 't lichaam

heeft?

M. Ja dat weet ik zelf niet. Ik zie maar alleen,by

ondervinding,dat het lichaam zoo gemaakt

is, dat het alles^moetdoen, wat de ziel

wiLMaar hoe dat komt,en hoe dat toegaat,dar.

kan niemand je uitleggen, want dat weet niemand.

Maar des niet te min zie je, zoo wel ais

wy,dat het zoo is,en datje ziel volkomen magt

over je.lichaam heeft. Je kunt het zoo dikwils

probeeren, als je maar zelf w ilt»

P. Dat is waar Mama.

M. En dat is ook genoeg. Dit verder te

willen onderzoeken zou onnut zyn, wantje

zoudt'er tog nooit agter komen.

Maar ondertusfchen kun je nu,uit dit alles,

K ge-


2i8 III. A F D E E L I N G .

genoeg begrypen,wat het woord magt beteekent;

en wat het zeggen wil, magt te hebben,

— Wanneer de een maar te willen en te gebieden

heeft, en de ander moet gehoorzamen,

dan heeft de eene magt ovet den anderen, En

in 't algemeen, wanneer iemand maar iets te

willen en te gebieden heeft, om te maaken,

dat het gefchitde , dan heeft zoo iemand

magt. •«

En nu kun je ook genoeg begrypen, welk

or.dcrfcheid 'er,tusfchen de woorden kragt en

magt, is. — Want kragt hebben is in ftaat te

zyn, om iets zelf te kunnen doen en uitvoeren.

— En magt hebben is in ftaat te zyn, om,

t'oor zyn enkelen wil of bevel, door een

ander, iets te kunnen doen, of uitvoeren,

X X X V ,

Vader. ]e weetjacob, dat de menfeh meer

dan de beeften is, om dat de menfeh meer

verftand, of om eigentlyk te fpreeken een geheel

ander verftand heeft, dan de beeften.

Want de menfeh kan redeneeren, en dat kunnen

de beeften niet doen ; zoo als ik 'tjeal

eens gezegd heb.

Jacob* Dat is waar Papa, dat herinner ik

my wel.

F.


III. AFDEELING. 'tffc

V. Zelfs kunnen de beeften in 't geheel

niet famen fpreeken, ten minften niet, op die

wyze, als wy het doen.

J. Kunnen zy 't dan, op eene andere

wyze, Papa ?

V Ja , in een zeekeren zin. Zy kunnen

geene woorden gebruiken, zoo als wy; en

ook geene gefprekken famen houden, om elkanderen

te onderwyzen , zoo als wy nu

doen. Maar 'er zyn tog fommige dingen,

die zy, door 't maaken van zeeker geluid,

aan malkanderen kunnen te kennen geeven.

B, v. Heb je niet wel eens opgemerkt, dat

wanneer de Haan, in 't kippen hok, een flukje

brood of een wurmpje vindt, hy alsdan een

zeeker byzonder geluid maakt, dnzeeronderfcheiden

is van zyn gewoon geluid, en

waar door hy de kippen roept?

J. Dat is waar Papa, en dan koomen zy

ook aanftonds aanloopen,

V. Dus hebben zy wel begreepen, wat

de Haan , door't maaken van dat geluid, zeggen

wou. En zoo als zy by hem zyn, neemt

hy 't ftukje brood of 't wurmpje op, en gooit

het voor hun neer, om 't hun te geeven;want

daar toe was het, dat hy ze riep. —-

Ka En


220 III. AFDEELING.

En als'er eens eene vreemde kat, in'tkippenhok,komt

fluipen', dan maakt hy weer een

geheel ander geluid. En dat doet hy dan,

zoo om de kat te drygen en bang te maaken,

als om de kippen te waarfchouwen; die dan

ook terftond op {hunne hoede zyn.

J. Dat is waar Papa , dat heb ik ook wel

eens gezien.

V, En even zoo is 't,met de andere dieren,

ook; die hebben ook zeekere geluiden, waar

door zy elkaar het eene of andere kunnen te

kennen geeven , en eikanderen, voor eenig

gevaar of anderzins,waarfchuwen. —Je kent

de Marmotten wel, daar de jongens, opde

kermis, meê rond loopen, om ze te laaten

dansfen?

J. Ja wel Papa.

V. Wel, die beestjes leeven meest, op

de bergen, onder den grond, daar zy zig holen

weeten te graven, in de welken zy famen

woonen. Als zy 'er nu eens buiten komen,

om lugt te fcheppen, of om wat gras af te

plukken, waarvan zy altoos eenen grooten

voorraad, in hunne hooien, opdoen; dan

gaat een van hen, op eenen hoogen top, zitten,

om rond te kyken, of'er ook iemand

aan-.


III. AFDEELING. aai

aankomt, die ze zou willen ftooren of opvangen;

ofwel een roofvogel, die 'er eenigen

van zou willen opeeten. En zooi as de gee*

i:e,die dus, voor de overigen, de wagt houdt,

een menfeh of een vogel ontdekt, begint

hy zeer hard te fluiten, en dan vlugten alle de

overigen marmotten fchielyk, in hun hol; terwyl

de geen, die op de wagt ftond, hen

volgt, en 'er 't laatst van allen inkruipt.

jf. He Papa dat is wel aardig»

V. Dat is het tog. En ie ziet 'er uit, dat

de beeften , fchoon zy het verftand der menfchen

niet hebben, egter, daar'tnoodigis,

genoeg overleg gebruiken en eikanderen ook

genoeg verftaan kunnen. — Ook zou ik je nog

eene meenigte andere voorbeelden kunnen

bybrengen van hun vernuft en kunst, om

in hunne behoeften te voorzien.

J. Wel Papa daar zou ik wel nieuwsgierig

naar zyn.

V. Ik zal 'er je dan eenigen van verhaalen.

—Je weet reeds hoekunftig defpinnekoppen

zig een net ofwebbe weeten te maaken

, om 'er de vliegen in te vangen, die zy

anders nooit zouden kunnen krygen, wylzy

geene vleugels hebbe»,om ze na te zetten.

K 3 Je


£22 III. AFDEELING.

—Je hebt ook wel eens gezien, hoenetjesen

fraai de byen zes-hoekige holletjes van wafch

weeten te maaken, en die met honig te vullen

, om zig een voorraad van fpyzen, teegen

den winter te verzamelen. — En even zoo

verflaat elk dier eenebyzondere kunst, om

Ban den kost te koomen;zig zeiven te redden,

of te verdeedigen, teegen de geenen, die

hen willen aanvallen; of ook wel om anderen

te vangen.

De Mierenleeuw b. v. een klein beestje,

dat zig meest met mieren, voedt, maakr,in 't

Josfe zand, een kleinen kuil, indegedaante

van eenen tregter en gaat zig, onder in den

punt diens tregters , in het zand, verfchuilen ,

zoo dat zyn kopje 'er maar even uitkomt.

Wanneer'er dan eene mier, op den rand van

dien kui!, komt loopen, dan rolt zy van de

fteilteaf, naar't holletje toe, daar de Mierenleeuwzit,

en die krygtze dan gevangen. Of

zo zy al weer naar boven zoekt te klimmen,

dan neemt hy wat zand, op twee hoorentjes,

die hy voor aan 't hoofd heeft, enfmyt dat

de mier op'tlyf, zco dat zy weer naarbeneeden

rolt, en hy ze dan tog gevangen krygen

en opeeten kan.—Indien nu dit beestje 'er

dee-


III. AFDEELING. 223

deezen kunstgreep niet op had, dan zou het

nooit geene mieren kunnen vangen, want zy

loopen veel harder dan hy. •

Aan den zeekant zyn'er verfcheide vogels,

als Meeuwen en anderen, die om de vifchjes,

waar van zy meest leeven, uit het water :e

vangen, geduurig boven 't water heen en weer

vliegen,om te zien, of zy een vifchje, in 't Wa>

ter,ontdekken kunnen. En als zy'er een zien,

dan weeten zy,op hunne wiekjes, op eene

en dezelfde plaats.te blyven hangen, o:n te

wagten , tot dat het vifchje boven komt. En

zoo als zy zien, dat zy'er by kunnen , dan

laaten zy 'er zig eensklaps, als een fteen, op

nedervallen, fteeken den kop even in't water

, baaien 'er het vifchje uit, en vliegen terftond

weer op , en 'er meê heen.

Maar nu is'er,op fommige van die plaatfen,

nog een ander,grooter voogel, een foort van

Arend, die ook vifch eet; maar die zig niet,

zoo als de meeuwen, durft wagen ,'om zig,

op't water.te laaten nedervallen. Deeze past

geduurig op, om tezien,ofzulkeene voogel

een vifchje gevangen heeft; en zoo als hy

dat ziet, zet hy dien vogel terftond agter na ,

en maakt bem zoo bang, Idathy.onder t vlng-

K 4 ten


224 Hl. AFDEELING.

ten, het vifchje laat vallen. Daarop fchiet de

Arend dan terftond toe, en weet het vifchje,in

den val, eer't nog in't water komt, op te van»

gen. En alshy'czoogegreepen heeft, dan

byt hy bet den kop aan ftuk, omhettedooden,

en gooit het in de lugt, op zulkeenewyze,

dat het hem, met den kop naar benee

den, in den bek valle.

3. En waarom doe hy dat Papa?

V. Op dat,by het doornikken, de fcherpe

vinnen van't vifchje, langs'tlyf zouden geftreeken

blyven, en 't vifchjedusgemaklyk,

door de keel, naar beneeden, in den maag,gleien

kunnen. Deedt hy dat niet, en wilde hy 't

vifchje, met denftaarteerst, infiikken, dan

zouden, onder'tneergleien,|de vinnen fluiten

en hem in den keel fteeken. Het eerst dat wy

visfchen, zalikjeeenswyzen, hoede vinnen

opgaan zitten, als men ze verkeerd ftrykt, en

hoe zy in reegendeel vlak gaan zitten, als men

ze regt ftrykt, — Ondertusfchen kan ik't je aan

de veer van deeze pen wel uitleggen. Kyk maar

eens; als ik die petï, met de fchacht het eerfte,

door de vingers trek, dan blyven alle de veertjes

geftreeken, eh de pen glydt gemaklyk door.

Maar als ik'ze anders om, door de vingers, wil

laa»


11L A F D E E L I N G . 225

laaten gaan,dan (luiten alle de veertjes en gaan

regt op zitten, Zie maar eens.(ify doet het hem

voor.)

Dat is waar Papa.

V. Nu, zoo gaat het', met de vinnen der

vifchjes, even eens. Ook zyn 'er meer andere

vogels,die deeze voorzigtigheid gebruiken. De

Ojevaars b. v.doen'teven eens. Ik heb het zelf

zeer dikwils aan een ojevaar zien doen, op eene

buitenplaats, daar men'er een gekortwiekt

en tam gewend had, om de flakken,de mollen,

en't andere ongedierteop te eeten, en'er de;

plaats dus van te zuiveren. Wanneer men aam

dien ojevaar een leevendig vifchje toefmeer,,

gaf hy't eersteen pik, met den bek,inden middengraat,

op dat het niet meer zou kunnen,

fpartelen; en dan fmeet hy 't vifchje in de Iugt„

vong het weer,met den kop naar beneeden,iii,

zyn bek, en (likte het zoo in eens door.

J. O Papa! dat wou ik ook wel eens zien..,.

V. Wel als wy eens ergens komen, daar

eeu tamme ojevaarjs,dan zal ik je't wel eenslaaten

zien. — Maar nu zal ik je nog eenige anderekunstgreepen

van dieren vertellen.

J, Als 't je belieft Papa.

V. De Reebok wordt gevangen, met be-

K

5 huljp


226' III. AFDEELING.

hulp van honden, die op den grond ruiken

kunnen,waai by geloopen heeft; en die hem

dus, al is hy zeer verre buiten't gezigt, op

den voet flap, weeten te volgen, zoo lang,

tot dat zy hem eindelyk innaaien en vangen.

Als nu zulk een Reebok begint te merken, dat

de honden harder loopen dan hy, endatzy

hem dus "zouden innaaien, dan neemihyeen

tyd waar, dat hy hun nog buiten 't gezigt is,

maar dat hy ze misfchien al hoort aankoomen ,

en dan loopt hy niet meer, zoo als te vooren,

regt uit, om ze door hard loopen te 011 ivlug-

ten; maar hy looptin teegendeeleenigeoo-

genblikken heen en weer, zoo dat hy zyne

voetflappen onder malkanderen verwart,

op dat de honden niet meer zouden kunnen

ruiken,waarheenen die voetflappen flrekken;

en als hy dat genoeg gedaan heeft, dan doet hy

eensklaps een grooten fprong, midden uit alle'

die vostftappen uit, en op zy van zyn vorigen

loop af, naar eene plaats,'daar hy nog in't ge­

heel niet geweest is; en daar dus ook geene

voetflappen van hem naar toe gaan, wyl hy'er

nu.dooréénen fprong, gekomen is. Daar Ver­

bergt hy zig dan , en laat de honden voorby

hem heen loopen; en dan weeten de honden

niet,waar zy hem verder zullen zoeken. De


III. AFDEELING. 227

De Wolven hebben 'er weer een ander

kunstje op, om andere beeften te vangen.

Ten dien einde gaan zy famen uit, eti terwyl

de wolf een dier agter najaagt," gaat de wolvin

zig ergensjby een fmal pad, daar de wolf

het dier naar tce jaagt, verbergen,om het dus,

ki 't voorby leopen,te vangen.

Maar de verflandigfie enkunftigftevannlle

de beeften zyn de Olifanten. Schoon zy

de grootften en fterkften van alle de bee -

ten zyn, kan men ze egterzoo tam maaken,

dat een kind ze kan bellieren; en dan kan men

hun allerei kunstjes leeren. B. v. met hunnen

langen fnuit, daar,voor aan, een foort

van klein vingertje zit, kunnen zy niet alleen

èi kleinfte dingen, als een ftuivertje, of eene

fpeld opraapen; maar weeten ook de kurk

van eene fles aftetrekken, en 't water dat'er

in is, te gieten,in hunnen mond, dien zy onder

den fnuit hebben.

J. He Papa dat wilde ik wel eens zien,.

V. Ik heb 't zelfeens zien doen aan een en

Olifand, dien men, op de kermis,vertoonde,.

Zo 'er weer eens een komt, zullen wy hem,

famen gaan zien.

% Als'tje belieft Papa».

K 6 m.


HL AFDEELING. 229

doen. Maas v< anneer men hun eerst kwaad

doet, of wanneer men ze bedriegt, dan worden

zy vreeslyk boos; en dan weeren zy zig,

op allerlei wyzen, door geweld of list,te wreeken.

— Zoo gebeurde bet eens, dat iemand,

by eenen Olifant zynde, verfcheide keeren

deedt, als of hy hem eenig eeten, in den mond,

wilde gooien. De Olifant gaapte'er telkens

naar, maar dan gaf de man ham niets. Dit

maakte den Olifant zoo kwaad, dat hy,met

zynen fnuit, den man twee ribben in'tlyf aan

fluk floeg, en hem daar na onder de voeten

trapte. — Op eene andere keer, wilde een

fchilder, eenen Olifant uitteekenen, in de

houding, van zynen mond open, en den

fnuit naar boven te houden. Om hem nu

telkens, in diehouding,tekrygen, fmeetde

knegt van den fchilder hem fomtyds eene

vrugr ofietsindenmond; maar meeftentyds

deedt hy maar,als of hy'er iets in fmy ten wou,

en fmeet 'er in daad niets in. Dit begon dan

Olifant welras te verveelen, en net als of hy

geraaden had, dat het was, om hem, in die

houding,tekunnen uitteekenen, dat men hem

dus bedroog, wreekte hy zig niet,op den

knegt, maar nam zyn fnuit vol water, en

K 7 ftort-


230 III. AFDEELING.

ftortte dar- op 't papier van denfchilderuft ;

waar door de teekening bedorven , en de Oli­

fant van 't geplaag afwas.

x x x v r.

De Hond en de Kat.

Fabel.

Een hondje zag een katje fnoepen,

Terftond begon Fidel te roepen;

Gy fteelt, foei poesje, dat's niet goed.

Neen zei het katje, 't is geen fteelen;

Ei proef eens ; 'k wil het met u deelen;.

Fidel het kluifje fmaakt zoo zo« t

De hond ftond flil, in plaats van kyven „

Begon hy, met zyn neus, te vryven

Aan 't lekker kluifje, rook en at;

En wyl de fmaak hem kon behaagen,

Wierd hy nog, binnen weinig dagen,

Veel erger fnoeper dan de kat.

Een Kind, dat met een Cameraat,

Die kwaad doet, op en neder gaat,.

Heeft alle ramp en fmart te vreezen.

Offchoon 't in'teerst dat k waad beflrydt,.

Het wendt 'er aan, en door den tyd.

Zal 't erger dan. zyn fpeelnoot weezen.

Moe-


III. AFDEELING. «31

* X X X V I I .

Moeder. Pauline , van daag , komt je

Oom J. hier eeten.

Pauline. O dat is goed Mama! dat is zoo

een goeie Oom.

M. En waarom bietje hem zulk een goeden

Oom?

P. Wel Mama, om dathy altyd doet het

geen wy hem verzoeken, en ons altyd zoekt

plaifier te doen,

M. Dat heb je heel wel; iemand, die

een ander zoekt plaifier te doen, dien hiet

men goed. Je weet wel , hoe 'er in jc

vaarsje ftaat?

O Mamaatjen is zoo goéd 1

!

Alles wil zy geeven.

Dat is te zeggen; om dat Mamaatje altoos

gereed is,om aan haare kindertjes te geeven,alles

wat hun plaifier doet, (wanneer zy teevens

weet dat het hun geen kwaad kan doen,)

daarom is zy goed. — En indien je iemand

zaagt, die vier of vyf arme lieden, voor zyne

deur, zag {taan, en aan den eenen een

ftuk brood, aan den anderen een flefch bier,

aan den derden een paar fchoenen, of wat

geld, en zo© aan elk wat gaf, zou je dan ook

niet


£3* Hl. A F D E E L T . N^LV

niet zeggen, dat dat een goed man was?

P. Ja wel Mama, want hyzou, die arme

lui ook zoeken plaifier te doen.

M. Dat zou het tog; en wel door hun

zoo iets te geeven, dat hun niet alleen plaifier

doet, maar dat hun ook goeddoet, wyl zy

't volfirekt nodig hebben. —

Jy hebt nu reeds zoo veel fpeelgoed, indien

ik'er je nu nog eene pop by gaf, dan zou

Mc je daardoor zeeker wel plaifier doen, maar.

je zoudt die,pop tog juist niet nodig hebben ;

je zoudt het ook wel zonder die pop (tellen

kunnen,

P. Dat is waar Mama, ik heb 'er al een.

ffuk of drie.

M. Maar die menfchen kunnen het zonder

brood niet (tellen, of zonder geld, om

'er brood voor te kcopen. Zoo iemand nu ,,

die gaarne aan anderen iets geeft, dat zy nodig

hebben, of hun op den duur gelukkig maaken

kan, noemt men tigem\yk


III. A F D E E L I N G . 233

om die naamen, met regt,te verdienen, moet

men aan anderen zoeken goed en plaifier te

doen, hun by v. iets geeven, of iets voor

hun verrigten, niet om 'er weer iets anders

voor in plaats te krygen, maar alleen, om

dat men anderen gaarne vrolyk en gelukkig

ziet, en daar zyn eigen vermaak in vindt.

Indien b. v. je zusje een befchuitje heeft,

en jy een appel, maar jy woudt het befchuitje

liever dan den appel hebben, en je geeft je

appel aan je zusje, alleen om datzyjou haar

befchuitje zou geeven ; dan getf je haar dien

appel, niet uit goedwilligheid en om haar

plaifier, te doen, maar, eigentlyk gefproken,

alleen om je zeiven plaifier te doen adoor

't befchuitje in plaats van den appel te krygen.

Dat begryp je wel ?

P. Ja wel Mama. Maar indien ik haar

mynen appel voor niet gaf, zonder haar befchuitje

in de plaats te neemen , zou ik dan

niet goed zyn.

M. Ja, indien je gezien had, dat zy grooten

lust had, om je appel te hebben, en dat

zulks haar groot plaifier zou doen, en je gaaft

haarden appel dan, alleen om haar dat plaifier

te doen , dan zou ik zeggen, dat je je daar

door


£34 ni. AFDEELING.

door betoond hió,goeden goedgemlligte zyn,

Maar indien je haar den appelnu eensge-

geeven had, alleen op hoop, dat ik je, ter be­

looning , weer iets anders in de plaats zou

geeven, 't welk je nog liever had; of ook

wel,op hoop, dat de een of andere je"er braaf

©ver zou pryzen , dan zou je *t weer niet ge­

daan hebben , uit goedwilligheid en om je

zusje plaifier te doen , maar eigentlykomje

zei ven een nog grooter plaifier te bezorgen ,

door de belooning, die je zoudt hoopen van

my, of de lof en prys, die je zoudt denken

van een ander te zullen krygen. — Om der-

halven de» naam van goed te verdienen,

moetje anderen goed of plaifier doen , alleen

om het vermaak en het genoegen,dat je'er zelf

in vindt, anderen gelukkig, vergenoegden

vrolyk te zien, Wil ik je daar eens een voor­

beeld van verhaalen?

P. Als'tje belieft Mama.

ilf. Er was eens een ryk man, die door

een vreemd land reisde, zeer verre afgelee-

gen,van de plaats, daar hy woonde. Nadat

land eenigen tyd te hebben doorgereisd.kwam

hy eindelyk aan eeneafgeleegeplaats, daar

hy een gehugtje vondt, door arme lieden be­

woond,.


III. AFDEELING, 235

woond, die rondom het zelve wat kooren

bouwden, en eenigen koeijen weidden. Om

nu dat kooren, beneevens de melk en booter,

die zy van hunne koeijen kreegen, ( zoo verre

zy die zelfs niet gebruikten, ) te kunnen

verkoopen , moeften zy noodwendig, naar

eene kleine ftad gaan, die'er een paar uuren

van daan geleegen was, en daar zy dan, voor

't geld, dat zy voor hun kooren en hunne

melk en ' booter , kreegen, huisraad en

kleêren kogten, en werktuigen, om 't land te

bebouwen, en alles wat zy verder nodig hadden.

Maarzy konden ,naardie ftad, niet koomen,

zonder eene zeer breede beek over te

gaan, die tusfchen'de ftad en hun gehugt je in

vloeide; zoo dat zy altoos, met hun goed ,

door het water moeften loopen; en wanneer

het maar een korten tyd fterk gereegend had ,

dan zwol de beek zoo hoog op, datzy'er

in 't geheel niet over konden; en hieldt de reegen

aan , dan moeften zy dikwils zeer lang

wagten, eer zy in't geheel naar de ftad konden

komen. Gelyk je nu wel begrypen kunt, viel

dit deezen goede lieden, zeer moeilyk, enzy

hadden gaarne eene brug, over de beek, gehad

; maar zy waren niet ryk genoeg,om eene

zoo


a 36 III. AFDEELING,

zoo groote brug te kunnen laaten bouwen, als

'er vereifcht wordt, om die beek, altoos.of't

gereegend had of niet, te kunnen overkomen;

want zulk eene brug kost zeer veel geld.

Onze ryke man , door dit gehugtje wandelende,

raakte met de inwooners aan de

praat; en na dat zy hem, van hunnen toeftand

onderrigt hadden, en hem gezegd, hoe moeilyk

het, voor hun, was, akoos, doordat

water,te moeten gaan, en fomtyds weeken

lang, in hun gehugtje, geheel opgeflooteu

te zitten, zonder naar de flad te kunnen komen,

om 'er te koopen, 't geen zy nodig

hadden ; dagt die man, by hem zei ven; kom,

ik wil die menfchen eens plaifier doen, en ze

voor altoos uit de verleegenheid helpem Ik

ben zeer ryk; en wat kan ik beeter, met myn

geld, doen, dan 'er my 't genoegen voor te

bezorgen, van andere menfchen gelukkig te

maaken? Ik zal, voer die goede lieden, eene'groote,(lerke

brug van fleen,overdie beek,

laaten leggen; en dan hoeven zy niet weer,

door 't water,te loopen, noch, in hun gehugtje

, opgeilooten te zitten, als het braaf gereegend

heeft. Zy zullen dan een veel beeter

cu aangenaamer befiaan hebben,dan nu; en

daar


III. AFDEELING. 23?

daar zullen zy zeer bly om zyn, enikzal't

genoegen hebben, van te weeten', dat ik ze

verblyd en gelukkig gemaakt heb; terwylde

onkoften van die brug my ondertusfchen ook

niet verarmen, of in 't naauw brengen zullen.

— !y befloot derhalven,tot het maaken van

de brug, ging naar de ftad, en liet daar eenige

metfelaars by hem koomen. Deezen nam

hy, naar 't gehugtje,meê; vroeg aan de lieden

waar zy de brug liefst hebben wilden; en toen

zy hem eene bekwaame plaats aangeweezen

hadden, liet hy daar eene goede fterke brug ,

over de beek,metfelen , en bleef'er zelf by,

tot dat zy geheel af &en in goeden ftaat was.

Nu behoef ik je niet te zeggen, ofdeinwooners

van dat gehugtje bly waren, dat zy

nu niet meer,door't vvater,behoefden te gaan,

en ook altyd hun goed, in de ftad, konden

gaan vei koopen, wanneer zy wilden , en'er

weer voor in de plaats haaien , alles wat zy

nodig hadden; en hoe zy dien goedhnrtigen

man 'er voor bedankten , dathy die brug voor

hun gelegd had. Hy van zyn kant vondt

'er ook het grootfte genoegen en 't grootfte

vermaak in, dat hy die menfchen zoo bly en

zoo gelukkig zag. En na dat hy nog eenige

da-


£ 33 III. A F D E E L I N G .

dagen,met huu,had doorgebiagt, ging hy,

naar zyn eigen land, om nooit weer te komen;

want het was te verre af, om die

teis, zonder groote noodzaak, meer dan

eens te doen. — Was dat nu niet regt een

goedhartig man?

P. Ja wel Mama.

M, En waarom?

P. Om dat hy die brug had laaten maaken ,

alleen om die menfchen plaifier te doen.

M. Dat heb je regt. — Voor hem zei ven

had hy niets aan die brug, behalven alleen 't

genoegen,van de inwooners dier plaats plaifier

te doen en gelukkig te rr.aaken; en daarom

toonde hy, door ze te laaten maaken,

dathy,metregt, een ineldaadig, goedhartig

man bieten mogt. Indien hy zeifin datgehugtje

had gewoond, en hy had de brug laaten

maaken, om'er zelf alleen over te gaan,

dan zou hy, daar door, geene de minftegoeiwilligheid

hebben getoond.W 7

ant dan zou by

't gedaan hebben,tot zyn eigen gemak alleen,

om niet door 't water te hoeven gaan. — En

indien hy wel aan de andere lieden had verguiid,om

over zyne brug te mogen gaan,maar

hy had 'er geld veor genomen, dan zouden

die


III. AFDEELING. 239

die andere lieden ook wel gemak van zyne

brug hebben gehad ; maar hy zou hun dat

gemak tog niet vergund hebben, uit goed­

willigheid , maar alleen, uit eigen belang, om

'er geld voor te krygen. — Nu in teegendeel

had niets van dit alles plaats. Hy wis t dat hy

nooit weer in dat land zou komen, en dus

ook nooit weer zelf over die brug gaan zou;en

hy liet 'er zig,door de lieden, die ze gebruiken

zouden, niets voor geeven. Het was der-

halven , uit zuivere goedwilligheid alleen, dat

hy die brug liet maaken, daar hy zelf niets

aan had.

P. Hy had 'er evenwel ook iets aan Ma­

ma; want je hebt me firak gezegd, dat het

hem zoo veel plaifier deedt.

M. Dat is ook zoo; maar't was alleen't

plailier van anderen bly en gelukkig te zien.

En daar in veel plaifier en genoegen te vinden,

is juist het geen men noemt goedwillig en

goedhartig te zyn.

Ook had hy 'er in de daad nog lang plaifier

van. Wantiederkeer, als het, geduurende

zyne reis, en naderhand, toen hy weer 't

huis gekomen was, reegenagtig weêr werdt,

vooral wanneer 't wat lang duurde, dagthy

by


2 4o III. AFDEELING.

by hem zeiven; Indien de lieden van dat gehugtje

nu ook zulk weêr hebben, en ik had

die brug voor hen niet laaten leggen, dan zouden

zy nu weör,in|hun gehiutje,opgellooten

zitten; en zy zouden misfchien gebrek lyden,

om dat zy niet zouden kunnen naar de ftad

gaan, om daar hun goed te verkoopen, en

in de plaats te haaien 't geen zy nodig hebben.

Maar nu kunnen zy.over die brug,altyd even

gemaklyk, naar de ftad, komen; en nu zullen

zy ook nog wel eens aan my denken , terwyl

zy die brug over gaan, en bly zyn dat ik

eens, in hun gehugtje,geweest, !

ben.— En

als hy daar aan dagt, dan was hyaltoos vro»

lyk en wel vergenoegd.

X X X V I I I .

Vader. Mietje, wil ik je eens iets moois

vertellen, van een klein meisje, dat ik daar

zoo llrak ontmoet heb ?

Mietje. Als'tje belieft Papa.

V. Terwyl ik daar zoo van de kermis

t'huis kwam, zag ik, op den hoek van de

gragr, een klein, arm, maar tog zindelyk

gekleed meisje, dat eene flefch, in de eene

hand droeg, en al huilende heen en weer liep ,

om iets, op den grond, te zoeken, Nadat

ik


III. AFDEELING. 241

ik'er een oogenblik, met medelyden, naar

had ftaan kyken, en zag dat zy niet kon vinden

't geen zyzogt, vroeg ik haar, of zy iets

vei looreu had, en waarom zy zoo huilde? —

Ach! antwoordde zy,myn Heer, myne ouders

hebben my uitgezonden , om voor een

dubbeltje olie te gaan haaien, en ik heb het

dubbeltje verlooren. — Erg genoeg! zeide

ik, terwyük, in myn zak, tastte; waarom

heb je ook niet beeter opgepast ? — Ja dat is

wel waar myn Heer, hervatte zy, ik heb zeeker

kwalyk gedaan. Daar ftondt hier, voor

dat hoekhuis, een man, met eene lier,te fpeelen

, en twee kindertjes danften 'er by; -en

terwyl ik daar naar keek, veTgatik, dat ik

iets in de hand had, en liet myn dubbeltje

vallen. Nu zal ik wel geftraft worden, als

ikt'huiskom; maardatisnog'tminfte. Myne

arme ouders moeten zoo zuur arbeiden

voor hun geld, en nu heb ik 't hun doen verliezen.

Met een begon zy weer bitter te

fchreien, en te zoeken, of zy 't nog vinden

mogt.

Ik was bly te zien, dat dat goede meisje

meer fpyt had, over de moeite,die haare onagtfaamheid

aan haare ouders kollen zou,

L dan


III. AFDEELING.

danoverdefiraf, diezy zelf zou ondergaan;

en gaf haar een dubbeltje,in plaats van 't geen

zy verlooren had. Met arme kind fprong op

van vreugde, en bedankte my zeer vriendlyk;

en ik gingmyn'sweegs. — Maarnaauwlyks

was ik een endje de gragt op gegaan, of ik

hoorde my iemand naroepen, myn Heerlmyn

goeden myn Heer! — Ik keek om • en zag

het zelfde meisje, datmy naliep, en met de

baud wenkte; ikftond derhal ven ftil, om ze

in' te wagten, entoen zebymywas, zeide

ik teegen haar; — wat is't meisje? ik hoop

immers niet, dat je je dubbeltje weer verlooren

hebt; dat zou nu evenwelal te onagtzaam

z y n > _ o neen my Heer! antwoordde zy my,

neen zeeker niet: Maar zoo als je weggegaan

waart, zogt ik nog eens,naar myn dubbeltje,

dat ik verlooren had, en ik vondt het weer;

en daar is nu, — (terwylzy met een de hand

naar mytoe ftrekte;) daar is nu het dubbeltje

weer, datje me gegeevenhad, om dat ik't

myne had verlooren; ik dank je nogwelhon.

derdmaal vóór je goedheid.—Wel myn goede

meisje! zeide ik, datishupfch van je ;—•

maar hou jy myn dubbeltje ook maar, en daar

zyn 'er nog twee fchellingen by, om datje

zoo


Hl. AFDEELING. 24.3

zoo hupfch gehandeld hebt. — Maar myn

Heer, zei zë, zeer verwonderd, en, ter wyl

zy nog draalde, de twee fchellingen aan te

neemen, ik heb immers niets gedaan, dan't

geen ik doen moest. Je had my dat dubbeltje

immers maar gegeeven, om dat ik't myne

verlooren had; maar nu ik 'tmyne weer heb

gevonden, wist ik niet, ofjemy't uwe wel

zoudt willen Jaaten houden. 1 — Dat heb je

regt, meisje lief! zeide ik, en je deedt zeer wel

van't my te komen vraagen ; maar't is juist

om dat je wel gedaan hebt, en datje gedaan

hebt het geen je moest doen, dat je goedkeuringen

ook deeze kleine beloomng verdient.

Wees altoos zoo hupfch, en dan zal 'tje wel

gaan. — Met een Hopte ik haar de twee fchellingen

in de hand. Zy nam ze nu aan; — O

dank je wel duizend maal, my n Heer! zei ze,

wat zullen myne arme ouders wel zeggen, als

ik hun zoo veel geld t'huis breng ? Naau wlyk s

kunnen zy teegenwoordig zooveel, in twee

geheele dagen, winnen; want myn Vader is

wat zieklyk,feedert eenigen tyd: O wat zullen

zy nu bly zyn! Waarlyk dagt

ik by my zeiven , niet blyder tog dan

ik nu ben, dat ik zulk een hupfch kind heb

L a ont-


-44 ÏÜ- AFDEELING.

ontmoet, en aan hetzelve eenig goed heb kunnen

dóen. — Maar ik moettogweeten,waar

dat kind t'huis hoort. — Ik riep ze derhalven

nog eens weerom, en vroeg haar haarer ouderen

naam, en waar zy woonen; zy zeide 't

my beiden , en nu moeten wy zeeersrdaags

eens gaan zien : want het zullen zeeker brave

ouders zyn , die zulk een hupfch meisje

van hun kind gemaakt hebben.

JU. O ja Papa als'tje belieft. Ik wilde

dat hupfche meisje ook wel eens zien.

/v. Wel dat isgced, wy zullen'er mor­

den famen naar toe gaan.

* X X X I X .

Moeder. Pauline weetje nog waar je pop

vandaan gekomen is?

pauline. Wel ja Mama, die heb ie immers

gekogt van dien man, op de kermis,

in die kraam, daar zoo veel mooi fpeelgoed

was.

M. Maar waar ha.1 die man ze van daan

gekreegen?

p. Hy zei, dat hy ze zelf gemaakt had.

M. Moest die pop dan door iemand gemaakt

zyn? En kon zy niet daar zoo maar

van zelve zyn vcor den dag gekomen,

zon-:


III. AFDEELING. 245

zonder dat 'er iemand was,die ze maakte?

P. Wel Mama, waar zou zy dan van

daan gekomen zyn ; 'er groeien immers

geene poppen?

M. Neen,dat doen 'erook niet. Endaar

de pop daarenboven zoo gemaakt is , dat je

zeer wel kunt zien,dat zy,m;t voordagt,is gemaakt,

om een kindje te verbeelden, daar

een kind mee fpeelen kan, moet 'er ongetwyffeld,

naar't geen wy,in't xxx gefprekje,

gezien bebben,iemand geweest zyn, die ze,

met voordagt , tot dat gebruik gemaakt

heeft.

P. Dat is waar Mama.

M. Maar is 't nu niet even eens geleegen,

met alles wat wy hebben, en ergens toe gebruiken

kunnen? Papa's kleed, by voorbeeld,

dat daar ligt, is dat ook niet,dooriemand,gemaakt

?

P. Welja Mama; dat heeft de kleermaaker

immers gemaakt,

M. Dat is ook zoo. En dit huis; en dat

Kabinet; en die wollekousfen, die daar liggen

, en die allen tot zeekere gebruiken gemaakt

zyn, en'er ook toe dienen kunnen. Wat

denk je daar van?

L 3 P.


246 IU. AFDEELING.

P. Wel Mama, de metfelaars en de timmerlieden

hebben immers dit huis gebouwd;

en dat Kabinet heeft de fchrynwerker gemaakt

; en die kousfen heeft Mama zelf

gebreidt.

Af. Dat heb je alles zeer wel. Wy hebben

niets , dat tot eenig gebruik kan dienen,

of het is, door iemand, tot dat ge^

bruik, gemaakt.

Maar Pauline, kunnen de menfchen dat

alles zoo maaken, zonder iets te hebben, daar

zy 't van maaken ? Die kousfen,by voorbeeld?

P. Wel neen Mama, je hebt my immers

gezegd, dat men eerst wol moet hebben, om

'er draaden van te fpinnen, eer men kousfen

breiden kan.

Af. Regt zoo; en 't Kabinet?

P. Het Kabinet is van hout gemaakt.

Af. Maar kunnen de menfchen ook wol

en hout maaken ?

P. Neen Mama, je hebt my gezegd, dat

de wol, op 't lyf van de fchaapen, en 't hout,

aan de boomen, groeien moet.

Af. Maar de fchaapen en de boomen nu,

waar komen die van daan?

P. Wel Mama, de fchaapen krygen immers


III. AFDEELING. 247

mers lammetjes , en die lammetjes worden

weer fchaapen, Is 't niet zoo?

M Ja wel, zoo is het. En de boomen

?

P. O, dat weet ik wel, die groeien van

zaadjes.

M. Dat heb je ook wel. Maar waar komen

die zaadjes van daan ?

P. Wel die zyn immers eerst weer aan andere

boomen gegroeid ?

M. Datzyn zy ook. De eikeboom b.v.

die daar voor de deur ftaat, die is uit eenen

eikel gegroeid; en die eikel is weer eerst ge

groeid, aau eenen anderen eikenboom, die 'er

voor den geenen, die daar aan de deur ftaat,

geweest is, — Maar die voorige eikeboom ,

was zelf ook weer, uit eenen eikel, opgewasfen;

en die eikel was ook al weer eerst gegroeid

aan eenen anderen eikeboom , die'er

nog vroeger, dan die beide voorigen,geweest

was; en zoo klimt dat al geduurig, van den

eenen eikeboom tot den anderen, op.

Maar Pauline, zou je nu niet denken, dat

'er tog eens een eerfte eikebuom moet geweest

zyn, daar dat alles mee begonnen is, endaar

de allereerfte eikels aan gegroeid zyn, die 'er

L 4 ooit


a43 III. AFDEELING.

o oit zyn geweest?—Want Iaat die eikeboom,

tfie daar nu ftaat, de honderfte, of de duizendfte,

of de honderd duizendfte zyn, altoos

tog moet 'er eene eerfte zyn geweest, van

den welken men dat getal moet beginnen te

tellen. Je kunt immers geen tien ruitertjes, op

eene ry, voor malkaar, op tafel, zetten,of daar

moet 'er een eerfte zyn,daar de ry mee begint.

P, Dat is waar Mama.

M. EnalsMamaeenkettingkje van kaarte

ringen of fchakeltjes voor je maakt, dan

kan zy immers geen tien, of twintig, of meer,

(zoo je wilt,) van die ringetjes of fchakeltjes

aan malkander hangen , om'er een kettingkje

van te maaken, of zy moet eerst,met een eerste

fchakeltje,beginnen, daar zy het tweede

aan vast maakt, en aan het tweede het derde,

en aan 't derde het vierde, en zoo vervolgens

, tot zoo veel toe,als zy 'er aan hangen

wil, of je maar bedenken kunt.

M. Dat is waar Mama. Ik weet niet hoe

je anders doen zoudt.

P. Ik kan ook niet anders doen. -=- Maar

ev en zoo nu is het met de eikeboomen. Laat

deeze eikeboom,die daar voor de deur ftaat,

de zoo veelfte weezen als je wilt, altoos moet

'er


III. AFDEELING. 249

'er een eerfte eikeboum zyn geweest, daar de

eerfte eikel aan gegroeid is; van dien eerften

eikel is de tweede eikeboom gewasfen; aan

die tweede eikeboom zyn vervolgens weer

eikels gegroeid; en uit die eikels weer andere

eikeboomen; en ZQO vervolgens,tot iru toe;

even als aan myn eerfte fehakeltje het tweede

hangt, en aan 't tweede het derde, en zoo

voort, tot welk getal je wilt.—fien eerfte eikeboom,

en een eerfte eikel moeten'er dus

noodwendig zyn geweest.

P. Dat moest 'er tog Mama; — Maar

Mama,waar is die eerfle eikeboom dan van

daan gekomen; zyn 'er dan eens menfchen

geweest, die eikeboomen maaken konden ?

M. Neen Pauline, zulke menfchen zyn

'er nooit geweest; en tog moet de eerfte eike -

boom,door iemand,gemaakt zyn. Wantje'

kunt zeer wel aan de eikeboomen zien , dat zy

met voordagt zyn gemaakt,om blaaden voort

te i,«n 2 0 1 1. riia. tot voedfel van den boom,,

vogt.uit delugt, influrpen, ....

zomer, tot fchaduw dienen;en vrugten.eweio

naamlyk , waar uit weer nieuwe eikeboomen

groeien, en die,door verfcheide dieren,gegeeten

worden; en hout,dat tot een ftam groeit,,

& m

L 5


a$o III. AFDEELING,

om de takken en blaaden te draagen, en

dat ook zeer goed is om te timmeren. Weshalven

'er noodwendig iemand zyn moet, die

dat alles, met voordagt, tot die verfcheidenc

gebruiken, gemaakt heeft.

P. Dat is waar Mama.

lf. En de fchaapen , die zyn ook zoo gemaakt,

dat men zeer wel zien kan, dat alles

wat aan hen is, met voordagt, is gemaakt,om,

tot verfcheidenerlei gebruik, te dienen; hunne

oogen b, v. om te zien; hunne ooren, om te

hooren; hunnen mond,om te eeten; hunne

beenen, om op te gaan; hunne wol, om ze

warm te houden, en ons naderhand van kleeding

te verzorgen. —Maar deeze fchaapen nu

komen, wederom zoo als de boomen, voort,

van andere fchaapen, die 'er eerst geweest

zyn; en deezen weer van anderen, die 'er nog

vroeger zyn geweest; en zoo weer tot het allereerftefcbaap

toe, dat 'er ooit geweestis,!en

van 't welke alle Aekhwp"-*">'° r

"»"y">

afkom 0-

- -ju,even als alle de eikeboomen af-

*omftig zyn van den allereerften eikenboom.

•—En met de koeien, en de paarden,en alle

de overige dieren is 't ook al eveneens; 'er

moeten ook eens eerfte paarden, en eerfte

koei-


III. AFDEELING. 251

koeien, en eerfte dieren van allerlei foort zyn

geweest. En alle deeze verfcheidene foorten

van dieren zyn ook al,met voordagt,gemaakt;

dus moeten de eerden van elk foort ook, door

iemand,gemaakt zyn; offchoon geen menfeh

ze maaken kan, of ze immer heeft kuutien

maaken.

P. Maar wie heeft ze dan gemaakt Mama?

M. Eer ik je dat zeg, moet ik je nog herinneren,

dat'er, behalven dedingen,die wy.

nu opgenoemd hebben, nog veele anderen

zyn, dewelken allen bekwaam en gefchikt

zyn,om tot verfcheidene gebruiken te kunnen

dienen, en die dus met voordagt zyn gemaakt,

fchoon geen menfeh ze gemaakt heeft. —Je

herinnerde immers wel, dat'er verfcheide zulke

dingen zyn , die de menfchen gebruiken „

fchoon zy ze zelf niet maaken kunnen ?

P. O ja Mama, daar heb je me meer dan

eens van gefprooken, de aarde b, v, daar men

deenen van maakt, en de biezen daar men

matten van vlegt,

M. Maar kom eens, met my»aan \ vendeir

daan , daar zul je nog veel meer van die dingen

zien. Hier in den tuin, b. v* en gindeir

op 't veld, wat daat daar al 9

Ld ft


252 III. AFDüELING

P, O Mama! hier ftaan de bloemen,diewy

van't voorjaar famen, op debedden,gezaaid en

geplant hebben.

M. En wat ftaat 'er in den boomgaard

?

P. Daar Maan allerlei vrugtboo men , dfe

ons lekkere peeren en lekkere appelen geeven,

daar wyzoo veel van houden.

M, En ginder, op 't veld, heb je 't kooren,

daar ons brood van gebakken wordt. En, in

de wei,zie je de koeien loopen die ons melk

en booter geeven. En in 't bofch Haan de boomen

, die ons hout geeven, om 'er ons 's winters

by te warmen. Nu kunnen wy de bloemen

wel plukken, om 'er aan te ruiken, en

de vrugten , om ze op te eeten; en wy kunnen

het kooren wel laaten fnyden, om'er brood

van te bakken; en de koeien melken , om

die melk te drinken en 'er boorer van re maaken

; en de boomen omflaan , om ze tot brandhout

te hakken ; maar wy kunnen noch bloemen,

noch vrugten, noch kooren, noch

koeien, noch boomen maaken.

Maar Pauline, als het waait,en als het reegent,

dan weetje wel,dat dat geene menfchen

doen?

P


III. AFDEELING. 253

P. Dat is waar Mama, dat heb je me wel

eens gezegd; wy kunnen by de wolken niet;

en geen menfeh kan ook zoo hard blaazen,a!s

de wind waait; dat heb ik zelf ook wel begreepen,

na dat ik je voorleeden gevraagd had,

waar de wind van daan kwam, en wie 'er

zoo blies.

M. Dat heb je wel bedagt .' — En je weet

wel.dat het de zon is, die ons het licht geeft,

'twelkjenii zo helder, op den tuin en over

develden,zietfchynen,- en de warmte, die je

nu, hier voor't venfter, voelt.

P. Ja wel Mama.

M. En heugt je,hoe mooigifleren de maan

en de Herren fcheenen, toen wy naar huis

kwamen ?

P. O ja Mama, het was een allerliefften

avondbond.

M. Dat was het tog. Maar wat dunkt je

nu Pauline. De zon,die dient om ons licht

en warmte te geeven, en de planten te doen

groeien,en, door haare warmte,de dampen op

te trekken, welken tot wolken famen getrokken

, ons den reegen geeven; en de maan en

de Herren, die 's nagtszoo mooi helderfchynen,

eneveuali de zon,zooreegelmaatig,

L 7 al-


£54 UI. AFDEELING.

'alledag, op en ondergaan; zouden die allen

niet ook, met voordagt,zyn gemaakt, om tot

alle die verfchillende gebruiken te dienenjdaar

zy 'er tog zoo bekwaam en zoo wel gefchikt

toe zyn?

P. Wel ja Mama, dat zou ik tog

denken.

M. Maar zou je ook denken , dat de menfchen

die zon, en die maan, en alle die Herren

hebben kunnen maaken ?

P. Wel neen Mama, dat geloof ik niet,

hoe zouden zy dat doen , en hoe kwamen zy

'er by; of zyn 'er ook bergen, die zoo hoog

zyn, als de zon of maan ?

M. Neen Pauline die zyn 'er niet. —

Geen menfeh heeft ooit, by de zon, of de

maan, of de fterren,kunnen komen. En de

menfchen hebben ook even weinig de zon, de

maan en de Herren kunnen maaken, als zy de

eerfle dieren, of de eerfle boomen gemaakt

hebben. •

P. Wie heeft die dan gemaakt Mama?

' °M. Dat zal ik je morgen zeggen, wanneer

wy onze gewooneogtend-wandeling,in den

tuin,zullen doen. Overweegondertusfehen

wel 't geen ik je nu gezegd heb, en denk 'er

van


III. AFDEELING. 255

van daag dikwils om ,ten einde het je morgen

te kunnen herinneren.

Moeder. Pauline, ik heb je gifteren doen

zien, hoe veel 'ér is^dat wy niet maaken kunnen,

en dat ons tog,tot veelerlei gebruiken,

dient'; en ook met voordagt gemaakt is, om

ons, tot die gebruiken ,te dienen.Wil ik je nu

ook eens doen epmerken,hoe veel 'er daaglyks,

voor ons, gefchiedt, dat ons van zeer

veel nut is , en daar wy zelfs evenwel

niets aan ;doen , en ook niets aan doen

kunnen ?

Pauline. Als 't je belieft Mama.

M. Ondertusfcheii dat wy gerust,op on

ze bedden,liggen te flaapen, geeven de maan

en de fterren hun licht, zonder dat 'er eenig

menfeh is, die dat licht heeft aangeflooken ;

en de daauw ftort zyn verfrifchend vogt,over

deplanten,uit, om ze te verfrifchen, zonder

dat eenig menfeh den daauw voortbrengen

kan ; en eer wy wakker worden, is de

zon reeds weer opgeftaan,om ons een nieuwen

dag te geeven. — Ondertusfchen dat wy

ftil,in onze kamers,zitten, reegent het daar

buiten, om de planten voedfel te geeven; of

het


a$6 III. AFDEELING.

het wordt weer helder en warm weder, om

ze,na den reegen, des te fterker te doen groeien;

en dan ryzen'er ook weer nieuwe dampen

op , om ons nieuwe reegenvlagen te bereiden.

— In den winter vriest het,om alie de oude

planten., die niet meer deugen, geheel te

doen vergaan, en dus plaats voor de nieuwen

te maaken; en in 't voorjaar dooit het weer,

en 't wordt zoel eu warm, om die nieuwe

planten, met alle hunne mooie bloemen en

bladen, te doen voor den dag komen.— In den

zomer wast het kooren , op de velden ; en de

vrugten groeien aan de boomen; en de koeien

»terwyl zy in de wei grazen, krygen melk,

en de fchaapen krygen wol. En dat alles gefchiedt,voor

ons-; datallesisdaar, tot ons gebruik;

ja dat alles gefchiedt zoo,en is zoo gemaakt,

datmenduidelyk zien kan, dat het,

met voordagt,gemaakt is., en met voordagt

te weeg gebragt wordt, tot ons nut,en om tot

ons gebruik te kunnen dienen. En evenwel is

'er geen menfeh, noch is 'er ooit eenig menfeh

geweest, dieiets van dat alles maaken, ofte

weeg brengen kon. Het moet derhal ven, door

een ander, voor ons,gemaakt zyn;en dooreen

ander, voor ons, worden teweeg gebragt,

wyl dat alles, zonder ons, gefchiedt. P..


III. AFDEELING. 25?

P. Maar lieve Mama, wie is het dan tog,

die dat alles zoo,voor ons,gemaakt heeft,

en dat alles zoo,voor ons,teweeg brengt.

M. QHaar by de handvattende,') Myne

lieve Pauline!—myn lieve kind! Den geenen,

die dat alles, voor ons, gemaakt heeft, die

dat alles, voor ons, teweegbrengt en doet,

dien noemen wy GOD. — Aanfchouw

myn lieve kind! aanfchouw alles, wat hier

rondom je ftaat; al dat fraaie, al dat goede ,

alle die bloemen,die je zoo gaarne ziet; alle die

vrugten,diejezoo gaarne eet, en die ook zoo

gezond voorje zyn; alle die fchoone velden,

daar het kooren op wast; alle de weiden,daar

de koeien op grazen; die zon, die ons daaglyks

licht en warmte geeft; dien mooitn

blaauvven Hemel, die zig, boven onze hoofden,

uitbreiir, en daar de wolken in dry ven;

dat alles myn lieve kind! dat alles, en nog veel

meer heeft GOD gemaakt; dat heeft hy, voor

ons, gemaakt; op dat wy het,tot ons nut,

zouden gebruiken; opdatwy het,metvreugde,

zouden genieten; en dat wydus, in't

midden van zoo veele fchoone en goede wel»

daaden, gelukkig, bly en vergenoegd zouden

leeven, en overvloedig roorzien zyn van

al-


»58 III. AFDEELING.

aiies wat ons nodig, van alles wat ons nuttig,

en van alles wat ons aangenaam zyn kan.

Is dat nu niet weldaadig en goed van GOD.dat

hy dat gedaan heeft ?

P. Ja wel myne lieve Mama. —Maai-wie is

dan God?

M. GOD,myn lieve kind ! is zoo ver, zoo

oneindig ver,boven ons en alle onze begrippen,

verheeven, dat ik je geene befchry ving

van hem geeven kan,noch ook hem ergens by

vergelyken. Alles, alles fchiet oneind ig verre

te kort. — Maar,daarhy ondertusfchen al

dit fchoone en al dit goede gemaakt,daarhy

't, voor ons, gemaakt heeft,op dat wy, in't

midden zyner weldaaden, een gelukkig en

aangenaam leeven zouden lyden, kun je, daar

uit, zeer ligt afneemen, dat hy, gelyk ik je

zoo even zeide, zeer goed en zeer weldaadig

moet zyn. — Ook is hy zeer goed, en zeer

weldaadig, en heeft ons allen zeer lief, en

toont ons aan allen daaglyks zyne liefde,

door 't aanhoudend fchenken dier weldaaden.

Maar wat dunkt je nu Pauline, moeten wy

hem dan ook niet liefhebben, daar hy ons zoo

liefheeft, en ons daaglyks zoo veel goed

doet? p„


III. AFDEELING. 259

P. Dat moeten wy zeeker Mama.

M. Heb je my lief, myne lieve Pauline ;

heb je je Vaderlief?

P. (Zig in hair moeders armen werpende.

) Ach myn lieve Mama! je weet immers

wel, dat ik je beiden zoo liefheb!

M. (Haar omhelzende.) Ja dat weet ik

myn lieve kind 1 dat weet ik. Maar waarom

heb je ons zoo lief? Is'tnietom dat wy altoos

zorg voor je draagen, altoos vriendlyk omtrent

je zyn, altoos zoeken, zoo veel wy maar

kunnen, je plaifiefte doen, en je altoos geeven,

alles wat wy weeten, dat goed voorje is;

met een woord, om dat wyje léf hebben s c:

je die liefde geduurig, in ons gedrag, betoonen;

is 't niet daarom, dat je ons ook lief hebt ?

P. Ja wel myne lieveMama.' daaromis

het zeeker, want dat doet my zulk een

plaifier.

M. Wel nu, myn lieve kind! GOD heeft

je nog oneindig meer lief, dan wyje ooit kunnen

liefhebben. God zorgt oneindigmeer

voor je, dan wy ooit voorje kunnen zorgen.

God geeft je oneindig meer,dan wyje kunnen

geeven. Ja 't is God alleen, die ons in ftaat

fielt, om je iets te kunnen geeven; wyl hy het

fes


s6o III. AFDEELING.

is, die alles, wat wyje geeven, eerst voor ons

gemaakt heeft. Ja wy zelfs, myn lieve kind!

je Vader, ik, die je zoo zeer bemind, ook

ons heeft GOD aan je gegeeven; ook wy zyn

werken van zyne magt.

P. Heeft God dan u en Papa gemaakt?

M. Je weet Pauline, hoe wy gifleren zeiden,

dat de boomen en de fchaapen zyn voortgekomen

, en dat 'er eens eerfle boomen en

eerfte fchaapen zyn geweest, van de welken

alle de overige boomen en fchaapen, die 'er

ooit geweest zyn of nog zyn, af koms*

tig zyn.

P. Ja Mama.

M. Wel nu,even zoo is het,met de menfchen,ook.

Jy bent af komftig van ons, die je

ouders zyn; en wy zyn,op dezelfde wyze,

van onze ouders af komftig j en die wederom

van de hunnen. En zoo kan men, van ouders

tot ouders,opklimmen, tot de allereerfle ouders

, of,in andere woorden,tot de alleerfle

menfchen toe, die 'er ooit geweest zyn, en

van de welk en alle de overige menfchen,die'er

immerwaren, ofnogzyn, hunnenafkomst

trekken; even als alle de eikeboomen, van

den eerften eikeboomjen alle de fchaapen,van

het eerfte fchaap, P.


III. AFDEELING. 261

P. Maar Mama, wie heeft dan die eerfte

menfchen gemaakt (*)?

(*) Ik geloof niet,dat ooi t eenig kind vraagen

zal, of de eerfte menfchen zig zeiven niet kon­

den maaken. Dit denkbeeld heelt iets zoo ftry-

digs en onbeftaanbaars in zig, dat ik veeleer

den ken zou, dat een kiad,aan't welke men iets

diergelyks zou willen wy.s maaken, daarop zou

antwoorden,niet te kunnen begrypen,of zig ee­

nig denkbeeld vormen, hoe iets, zig zei ven

maaken zou. Indien het tog eens gebeurde,

dat aan eenig kind zulk eene vraag in't hoofd

gevallen, of liever gebragt was, zou men 't vol-

gende,of iets diergelyks antwoorden kunnen.—

Toen je jongde broertje'er nog niet was, kon

hy toen wel iets doen? kon hy toen wel fchreeu­

wen , of iets krygen, of iets weg fmyten, of

eenige andere zaak doen, wat je maar verzin­

nen wilt? Het kind zal zeekerlyk zeggea

van neen.—Wel.even dus was het, met de eerfte

menfchen,ook. Toen zy nog niet gemaakt wa­

ren, toen waren zy 'er nog in 't geheel niet; en

toen zy in 't geheel niet waren, konden zy ook

niets doen; en dus konden zy ook niet zig zei­

ven m aaken, want dat is tog wel iets doen.

Dat


2Ó2 III. AFDEELING.

M. Die heeft GOD gemankt, myn lieve

kind ! even als hy de eerfte fchaapen, en de

eerfte dieren van allerlei foort, en de eerfte

boomen , en de eerfte bloemen gemaakt heeft.

En even als hy ook de zon heeft gemaakt,die,

Dat de menfchen, nietby geval kondenont-

ftaan, blykt/genoeg, uit het geen, in'tdertigfte

gefprekje.gezegd is.Het is de|dingen,die by ge­

val ontftaan, eigen, dat men 'er verwarring en

gebrek aan reegelmaatigheid inontdekke, en

dat men 'er geen vooruitzigt,op eenig gebruik

of nuttigheid, in befpeuren konne. Daar aan is

het, dat men de werken van't geval, van alle an­

deren onderkent;dit is hun onderfcheidend ken.

merk. Overal in teegendeel, waar men ziet, dat

iets, met regelmaatigheid, met voordagt en o-

verleg, metwysheid envooruitzigt, op zeekere

nuttigheid en zekere gebruiken,gemaakt is,kan

men zeeker zyn, dat zulks is gemaakt,door ie­

mand , die voordagt, wysheid, vooruitzigt

oeftenen en dit alles overleggen kon. Hoeda­

nig nu is de menfeh ? — Befchouw flegts de lee-

den zynes lichaams.tot zoo, veele verfcheidene

en meenigvuldige gebruiken,gefchikt: en geen

kind zelf zal hier m twyfel ftaan.


III. AFDEELING. 263

door haare warmte,de planten doet groeien;

en de maan,en de fterren , en deezen mooien

blaauvven hemel, daar de wolken in dry ven;

en deeze velden,die zoo fraai,met graanen,

weiden en bosfchen,overdekt zyn, en daar hy

de menfchen in wilde laaten woonen, zoo

als zy nu ook doen. — En om dat hy dus de

eerfte menfchen heeft gemaakt, daar wy allen

van af komftigzyn> daarom ishyonzer

aller VADER; en wy zyn zyne kinderen, die

hy lief heeft , en daar hy zorg'voor draagt;

en voor wien hy al dit fchoone en al dit goede,

't welk ons omringd, gemaakt heeft; en het

juist zoo heeft gemaakt,als het weezen moest,

om goed voor ons te zyn, om ons regt veel

genoegen te kunnen bezorgen , en ons leeven

niet alleen te onderhouden, maar ook te veraangenaamen.

— Is dit nu niet een regt weldaadig

en goedertieren GOD, een regt teeder

en beminlyk VADER? Enzouje hem niet

lief hebben, daar hy je zoo veel liefde heeft

bitoond.

P. Ja wel Mama, ik wou maar dat ik hem

zeggenkon, hoe lief ik hem heb.

M. We! da: kun je hem wel zeggen,

Pauline.

P.


264 HL AFDEELING.

P. O! hoe dan Mama? Waar is hy dan?

W il je my naar hem toe brengen, dan zal ik 't

hem zeggen.

Af. Daar toe hoef ik je nergens naar toe te

brengen, myn lieve kind! GOD is hier en

overal.

P. Is God hier Mama? Wel ik zie hem

evenwel niet.

Af. Je weet Pauline, datje eene ziel hebt,

en dat ik ook eene ziel heb ?

P. Ja Mama.

M. Entervvylwynuhierzyn, is jou ziel

ook hier, en de myne ook.

P. Dat is zeeker Mama.

Af. Maar kun je nu jou ziel, of de myne

wel zien?

P. Neen Mama, dat kan ik niet.

Af. En evenwel, Ichoon je ze niet ziet, ja ze

nooit zien kunt, zyn zy tog beiden hier. In

dit opzigt nu, is he*, met God,even als met onze

ziel. Hy is hier, al is het datje hem niet zien

kunt. En hy hoort, of ten minften weet

alles,wat ik teegen jou, en jy teegen my zegt.

P. Als ik dan teegen je zeg,Mama ,^dai

ik hem liefheb, hoort hy dat dan ook ?

Af. Ja wel Pauline.'

P.


IIL A F D E E L I N G . 2Ó5

P. Wel dan zal hy 't ook wel hooren, als

ik 't teegen hem zeiven zeg?

• M. Dat zal hy ook, myne lieve Pauline.

— Kom derhalven, wy zullen 't hem famen

zeggen. — Maar val eerst, met my,voor hem,

op de knien neder, om te toonen, dat wy

hem, die onzer aller VADER is, met dc

grootfte eerbied, willen aanfpreeken. (Zy

knielen neder.) Zoo,—zeg hem nu, wat je op

Je hart hebt.

P. O'Goedertieren GOD' ik heb u zoo

lief! wyl gy my myn lieve Papa, en myne

lieve Mama, en alle die vrugten, en alle die

bloemen, en al dat mooie en goede hier,

gegeeven hebt ! Ik wilde,dat ik u kon zeggen,

hoe lief ik u heb!

M. QHaar omhelzende.) Zeer wel myn lie •

vekind! — Enikdankuook,OmynGOD!

O Gy, onzer aller goedertierene VADER!

dat gy ons,alsuwe kinderen, zoo teeder bemind

, en zoo weldaadig bezorgd, en op deeze

fchoone aarde geplaatst, en met zoo veele

goederen omringd hebt! Maar voor al dank

ik u, op dit oogenblik, dat gy my dit lieve

kind hebt gegeeven ; en dat gy my hebt in

ftaat gefield, om het,met u, en met uwe lief-

M de


266 III. AFDEELING.

de, en met uwe weldaaden,bekend te maaken.

O! wil tog de eerfte aandoeningen van

wcdcriiefde, die het gevoeit, de eerfte betuigingen

van dankbaatheid, die het u aanbiedt,

goedgunftig aanneemen l Wees gy deszelfs

Vader! Laat hetufteedsbeminnen, en laat

het fteeds het gelukkig voorwerp uwer gunst,

uwer zorg, uwer tcedere liefde zyn! — ( Zy

cmhelst Pauline nog eens, en ftaat met baar

op.) GOD beveftige deeze wenfchen van

myn hart, aanu, myn lieve kind!

P. Heeft GOD ons nu gehoord Mama ?

M. Ja zeeker heeft hy ons gehoord,Pauline;

want hy hoort alles. En heb je je ook

niet buitengemeen aangedaan en vergenoegd

gevonden, onderwyl dat je GOD dus, voor

'teerst van je leeven,aanfpraakt,enhem zeide,

hoe lief je hem hebt?

P. Ja wel Mama, ik voelde my,—ik kan

niet zeggen hoe.

M, En ik,myn lieve kind J ik voelde eene

vruegd, een genoegen, eeneblydfehap, in

myn hart, die ik je niet befchryven kan, en

waar by niets te vergelyken is. Deeze blydfchap

nu, dit genoegen heeft GO D,in onze

harten,gelegd , om ons tetoonen, dat wanneer


III. AFDEELING. a6 7

neer wy tot hem fpreeken,en hem zeggen,hoe

lief wy hem hebben, en hoe dankbaar wy, we­

gens alle zyne weldaaden,zyn, hy ons alsdan

hoort; en dat de betuigingen onzer liefde en

dankbaarheid hem aangenaam zyn; eu dat

hy ze , even als een tederminnend Vaderde

liefde betuigingen van zyn kind, goedgun-

ftig wil aanneemen en beantwoorden (*).

X L.

Mietje, een arm wiedftertje, zat eens, op

(*) Wil men 't bewys van Gods aanwe fe­

eën , in weinig woorden.bevatten. Zie hiet

een voorbeeld.

Alles wat je rondom je ziet en ooit zien

kunt, wordt alles famen genomen de Wmreld

genaamd.

Wanneer je een horhgie ziet, dan weet

je, dat 'er een horhgiemaaker zyn moet, die

het gemaakt heeft.

Wanneer je de Waareld ziet, dan weet je,

dat'er een MAAKER vandeJF««r


£68 III. AFDEELING.

een vroegen morgen, aan den weg, meteen

potje vol melk en een ftuk roggenbrood, dat

zynu, voorhaarenontbyt, wotigaanopee.

ten, eerzy, by haaren baas, op den akker,

aan 't werk ging. Terwyl zy daar zat, reedt

een flaager, meteen kar vol lammeren,voor-

.by en hieldt vlak by haarffil. Hy nam een

lammetje, dat onder indekargeleegenhad,

bekeek het, fmeet het van de kar af, om dat

hy zeeker dagt dat het dood was, en riep

teegen't meisje; — daar wil jy't krengetje,

dan kun je 't krygen.

Mietje ftondt op,om 't arme lammetje eens

te gaan bekyken; en terwyl zy 't met medelyden

aanzag, bemeiktezy, dat het nog eenige

beweeging maakte, 't oogje halfopen

deedt, en een klein flaauw geluid gaf, net als

of't de moeder roepen wilde. T erftond liep

't goedhartige Mietje, naar haar potje met

melk toe; ik zal zien, zei ze, of 't arme

diertje ook dorst of honger heeft, en indien ik

't nog redden kon, o 1 wat zou dat plaifierig

zyn;dan zou ik't altyd by my houden en't wel

oppasfen. Want de ir an heeft my tog gezegd,

dat ik't krygen kon; cn ik ken hem niet, en

kan hem niet meer beroepen,of in haaien,

om


III. AFDEELING. 269

om hem te zeggen,dat het lammetje nog leeft,

• ündertusfehen was zy weer, by'tlammetje,gekoomen

, en goot,met veel moeite, eert

weinigje melk , in deszelfs mond. Zoo als

't arme diertje wat van de melk ingeflokt had ,

begon het zig,hoe langer hoe meer,te beweegen,

en gaf ook meer geluid. Mietje ging

dus voort,met het te laaven; en daar't lammetje

alleen van dorst verfmagtwas, deedt

zy 't wel haast geheel weer by komen. Nu

was Mietjes vreugd onbefchryflyk, Zy nam

het diertje in haare armen op, en bragt het

nog fchielyk, eer zy naar haar werk ging, by

haare moeder, t'huis,

Ook droeg zy 'er, in 't vervolg, de grootfte

zorg voor, en deelde haar fober kostje, met

het arme beestje, tot dat hét groot genoeg

was, om gras te kunnen eeten. Zyhieldt

'er zoo veel van, dat zy't voor geene geheele

kudde fchaapen zou hebben geruild. En 't

lammetje was ook zoo dankbaar, dat hethaar

over al volgde en altoos gezelfchap hieldt; en

als zy 'er van af moest gaan , dan fchreeuwde

hethaarna, net zoo als de lammetjes, om de

moeder fchreeuwen.

Met 'er tyd voer zy 'er ook wel van, en haar

M 3 lam-


27o HL AFDEELING.

lammetje beloonde baar ryklyk, voor de moei-

ie,diezy voor't zelvegenoomen, en de zorg,'

die zy 'er voor gedraagen had. Want het

groeide wel, en werdt een fchaap, en wierp

lammetjes, die ook groot werden, en ook

weer lammetjes wierpen; en zoo kreeg Miet­

je, binnen eenige jaaren,eene geheele kudde

fchaapen, daar zy de melk van dronk, en de

wol van verkogt, en 'er dus,met 'er tyd, een

goed beflaan uitkreeg. Dus ging het Mietje

wel, om dat zy medclyden, met het aime

lammetje,had gehad, en'er een gedeelte van

haar eigen eeten en drinken aan had gegeeven,

om het by't leeven te houden. En toen Miet­

je groot was, werdzy eenewelgeftelde her­

derin ; daar zy misfchien altoos een arm wied-

ftertje zou gebleevenzyn, indien zy dat lam-

met niet gered en wel bezorgd had.

X L I (*).

Op een morgen, terwyl Ariffus aan den

entbyt zat, kwam een der bruikers zyner lan-

deryen, hem den jaarlykfchen landpagt betaa­

len. Er lagen reeds verfcheide hoopenjaal-

(*) Deeze vertelling heb ik reedSi ilïdsn

Sorger, mee gedeeld; zie No. 53.


III. AFDEELING. ari

ders-, op de tafel, gefchikt, toen zyne oudfte

jongen binnen trad. De glans en fraaie

ftempel van een nieuwen daalder ftak hem ras

in 't;oog. Hy bekeek denzelven, meteen

zeeker ©og van begeerte, 'r welk aan zynen

Vader, zonder vraagen , zytie gedagte genoeg

te kennen gaf. Ariftus nam het ftuk in

de hand , en 't zelve van weerskanten aan den

jongen toonende, zeide hy tegen hem; dit

ftuk is zeeker fraai, en men kan zig wel een

oogenblik vermaaken, met te aanfchouwen ,

hoe fchoon het blinkt, en welke mooie figuurtjes

'er op ingedrukt ftaan: maar dat is

evenwel ook ras gezien, en als men "er een

gezien heeft, dan kent men ze allen van buiten.

Zie eens, daar zyn'er nog meer, zy

gelyken allen volftrekt naar elkaar. — Dat is

waar zei Jacob (zoo was des jongens naam, )

na dat by ze famen vergeleeken had. — En,

vervolgde de Vader, dit mooi is'er ook wel

haast af. Bezie deezen daalder maar eens;

die is reeds dof van glans, de ftempel is by na

geheel uitgefleeten , en 'er is niets fraais meer

aan te zien. — Dat is waar,zei Jacob, deeze

is juist niet mooi. — Dit ftuk op zig zei ven genoomen,

hervatte Ariflus, kan onsderhal-

M 4 ven


272 III. A F D E E L I N G .

ven weinig of geen vermaak bezorgen; en

zoo lang wy 't houden, weet ik niet,dat wy

'er eenig merklyk nut uit trekken kunnen.

Laat ons eens zien, wat wy 'er al meê zouden

kunnen doen. —Je zoudt'er meê kunnen rollen

over den^grond; of'er meê, op de tafel,

werpen, om 'er een anderen meê te raaken,

— En wy? — wy zouden hem kunnen gebruiken,

als een gewigt, op de fchaal; of hem

in de mouw van je moeders japon naaien, om

ze glad naar beneeden te doen hangen. Dat

is omtrent al, en wil zeeker niet veel zeggen.

Met een (tukje lood, dat de vyftigfte part van

dien daalder niet waardis, kunnen wy dit alles

even goed, of nog veel beeter doen. —

Maar wil ik je nu eens zeggen Jacob, wat wy

'er al meê doen kunnen, indien wy hem, uit

onze handen willen laaten gaan, en aan een

anderovergeeven.—-Als'tje belieftPapa, zei

Jacob ; kan men 'er dan meer meê doen, met

hem weg te geeven, dan met hem te houden?

—- Dat zul je maar eens zien, antwoordde de

Vader. — Willen wy ons,b. v. het vermaak

bezorgen, van iets fraais te zien ? Dan behoeven

wy onzen daalder maar aan een prenten*

verkooper te geeven, die zal'er ons eene prent

VOO?


III. AFDEELING. 273

voor in de plaats geeven , zoo mooi,als'er een,

in je moeders kamer, hangt. En die prent zullen

wy twintig maaien en meer, met fteeds

nieuw en fteeds even groot vermaak, kunnen

befchouwen; en 'er dus meenig aangenaam

oogenblik mee doorbrengen , dat onszeeker

oneindig meer plaifier zal doen,dan of wy^egeduurende

dien zelfden tyd ,, onzen daalder

gingen zitten bekyken. — Of indien wy dien

daalder aan een tuinman willen geeven , dan

zal die 'er ons een mooien jongen boom voor

verkoopen, dewelke, in onzen tuin, verplant,

ons veele jaaren agter een, eene koeken

verkwikkende fchaduw zal geeven. Ew

dat kan zeeker onze daalder zelf niet doen..—

Neen dat geloof ik wei, zei Jacob. •— Maar,.

vervolgde zyn Vader, willen wy onzeu daalder

gebruiken, tot iets, dat wy nog meer dam

prenten,of koele fchaduw nodig hebben; dam

kunnen wy hem aan den bakker, of aan dein

flager geeven, en die zullen 'er ons, verfcheide

dagen agter een, brood,of vleefch voor bezorgen

, zoo veel als wy, in ons huishouden,,

nodig hebben; en dus kunnen wy,verfcheidedagen,,

voor onzen daalder den kost hebben..

— Wy kunnen 'er ook een zakaardappelerfi

M &


«74 UI. A F D E E L ING.

voor koopen, waar van een arm huishouden,

een goed gedeelte van den ftrengen wintertyd,

beftaanzal. — Wy kunnen'er een heilzaam

geneesmiddel voorkopen, 't welk een

ziek huisvader, die in verfcheide weeken, met

heeft kunnen werken, en dus gebrek moest

lyden, misfebien, in korten tyd,zal geneezen,

en dus weer in ftaat ftellen, om voor

hem en zyne kinderen , den kost te winnen.

— Wy kunnen 'er een goed boek voor kocpen^daar

wyrneenig aangenaam uur mee kunnen

doorbrengen, en'ereenemeenigtegoede

onderwyzingen uil haaien. — Zie dan eens

myn lieve Jacob 1 uit hoe veele aangenaatne

en nuttige dingen wy de keuze hebben, indien

wy onzen daalder, uit onze handen geeven

en befteeden willen; en hoe veel nut wy'er

meê kunnen doen,hoe veel vermaak wy'er ons

voor kunnen bezorgen, indien wy hem wel

befteeden! — En nog heb ik je niets gezegd

van een der befte wyzen, waar opwyhem

gebruiken kunnen. —- En welke is die dan,Papa?

vroegjacob. — Wykunnen'er, hervatte

Ariftus, een arm behoeftig menfeh, dat

tot werken geheel onbekwaam is, en geen

middel heeft, om aan den kost te koomen,

voor


lil. AFDEELING, 275,

voor vcele dagen meê gelukkig maaken. Wy

kunnen traanen van vreugde en dankbaarheid,,

over zyne verbleekte wangen, doen vloeien,.

En welk een innig genoegen zouden wy

zelfs, op dit gezigt, niet fmaaken ? Hoe zouden

wy ons verheugen , dien armen man zoo

verblyd en gelukkig te zien. — O.' viel Jacob'

zyn Vader bier in de reede, ik wou wel dat

'er hier zulk een arm man, by de hand,ware^

ik zou zoo bly zyn, van hem zoo verheugt te

zien ! En Papa, je zoudthïm daar toe immerswel

een daalder geeven willen ? — Ja wel zei~

de Ariftus, zeer gaarne. Wy zullen een*

gaan zien,of wy'er ergens een vinden kunnen».

Na dat Ariftus bet overige geld geborgen

had, nam hy een daalder,en ging met zyra

zoontje op Ilraat wandelen. Zy waren niet

ver gekomen, of zy ontmoetten eene arme'

vrouw, die eenen ezel, voor haar heenen,,

dreef, Het dier wasmet twee manden belaaden,

in elk van welken een klein kindje zat,,

met oude vedleete lompen bedekt, doch, te

midden onder deeze toeftel der armoede, den

voorby gangeren fvriendlyk en vrolyk toe lachende

, als nog te jong zynde, om eenigens

weet te kunnen hebben, van hunnen armoe-

M 6 di r


G.

dertuses,

en

V* ffil,

rilde hy

:r twee

droeg,

wamen

TOUW ,

;leund,

>ewys,.

: vrouw

gelaat,

jefheid.

i eenige

!— De

haareem

ging.

aanJa-

; te gee-

>deoujygaan-

:ts voor

laat onvreug-

De

: dank-


III. AFDEELING. 277

baarheid waren niette befchryven; zy deedt

aan Jacob en zynen Vader,door haare kindertjes,

kushandjes toewerpen, en 't oudfte begon

eenige woordjes van danzegging uit te fta?

meren.

Wel myn lieve kind, zeideAriflus, teegen

zynen zoon, zyn wy nu niet gelukkig?

Genieten wy nu niet, voor onzen daalder.,

de aangenaamtte, de zuiverde vreugd? —

Q! antwoordde Jacob,. met eene afgebrooke

fiem, ik was nimmer zoo bly, —ik voel iets»

dat my inwendig (treek, — dat my hier in de

borst drukt , — dat my wel zou doen vveenen;

, en tog aangenaam is.'veel aangenaamer zelfs,

dan ofik nog zoo hartlyk lachte; — nimmer

voelde ik ietsdergelyks/ —Je verheugt me,

myn lieve jongen.', zei Ariltus, hem in zyne

armen drukkende; 't zyn de aandoeningen der

weldaadigheid, het genoegen, 't welk eene

•goede daad, in ons verwekt, die je^dus ontroeren.

Je verblydt je, om dat je de arme

vrouw , die zoo even 't hoofd zoo bedrukt

en mismoedig liet neder hangen, nu, met eenen

glimlach van vreugde en genoegen , ziet

voorttreeden; je verblydt je,om dat je die arme

M 7 kin-


2.78 III. AFDEELING.

kindertjes, die hun ongeluk nog niet kunnen

voelen , en nog niets, tot hunne eige hulp,

doen , nu, voor verfcheide dagen,van fpys

verzorgd h ebt; je voelt, met een innig flreelend

genoegen , dat wy wel hebben gedaan j

en je kunt je ook niet zonder vermaak , die

andere arme vrouw herinneren, die, in 't

voorbygaan. zoo veel medelyden, voor die

twee kindertjes , toonde , en den bellen

wenfch, Gods zeegen, dat is zyne gunst,

zyne weldaaden en belooningen, over ons

affmeekte,met zoo veelhart!ykheid,alsofwy

aan haar zeiven hadden gegeeven. 't geen wy

aan de arme moeder gaven. O dat is waar.'

viel Jacob zyn Vader in dereede, die goede

oude vrouw ! Maar Papa, was zyook

niet arm ? zou zyook niet wel een daaldernodig

hebben? Mag ikhaar agter naloo.

pen? —— Je zult,myn lieve Papa! immers

ook nog c

wel iets, vóórhaar, overhebben?

——Dat zoude ik zeeker, antwoordde Aris*

tus.; wie zou niet wel iets geeven willen aan

eene vrouw, die, fchoon zelf gebrek lydende,

egter, voor andere arme lieden, zoo veel

medelyden en goedwilligheid toonde ? Maar

myn


UI. AFDEELING. 27-9

myn lieve kind! weetje wel eens, of zy'er mee

gediend zou zyn? 't Is niet dan in den allennterften

nood, dat een arm menfeh , -'t welk

wel denkt, tot het befluit kan komen, om

langs ftraat te gaan bedelen, of aalmoesfen te

ontfangen. Zoo lang men maar eenigzinskan,

zoekt men zyn eigen brood te eeten. En

voor de geenen,voor wien daar geene mooglykbeid

meer toe overfchiet, zyn 'er lieden

aangefteld, die men armbezorgers noemt,

om dat zy voor zulke arme menfchen zorgen,

en hun brood en kleêren geeven,voor niet, of

geld om het te koopen; en daar toegeevenalle

de lieden, die niet zelf arm zyn, van tyd

tot tyd eenig geld ; en dan is het veel beeter,

dat arme menfchen, die niet meer aan dea

kost kunnen komen, zig by die lieden aangeeven,

dan dat zy langs ftraat loopen bedelen.

—— De vrouw met de twee kindertjes

was waarfchynlyk eene vreemde, die hier

maar doortrekt, en dus, op dit oogenblik,

niets kon doen, om den kost meê te winnen ;

en ook niet wist, waarzy kon geholpen worden;

en daarom vroeg zy wat, aan de eerfte,

die haar ontmoette. Maar de oude vrouw,

die


sSo III. AFDEELING.

die voorby ging, vroeg ons niets; en daar­

om weeren wy niet, ofzywel geneegenis,

om zoo op firaat aalmoesfen te ontfangen»

Zy zou het kwalyk kunnen neemen, indien

wy haar toonden, dat wy dat van haar dag.

ten; en dat wy haare edele goedwilligheid,

die in de daad met geen geld te betaalen is-,

met een aalmoes wilden beloonen. Wy

moeten haar evenwel niet uit het oog verlie­

zen. Ik zal naar haaien toefiand laaten hoo­

ren , en indien zy in de daad onze hulp nodig

heeft, en 'er gebruik van wil maaken, zullen

wy zulke goedhartige lieden niet zonder by-

fiand laeten. — Overweeg ondertusfcheu

-wel, myn lieve kind! welk een groot genoe­

gen wyons, door middel van ons geld,kun-

Hen. bezorgen; en hoe veel nut wy 'er meê

kunnen doen, indien wy 't wel befteeden;

en leer daar uit, dat wy het niet aan beuze­

lingen moeten verfpillen ; wyl wy ons daar

door zelfs, in de onmooglykheid, zouden

brengen, van 'er ons veel grooter en vveezend-

lyker vermaaken mee te bezorgen, wanneer

'er zig de geleegenheid toe opdeedt. Hoe

zeer zou het ons nietfpyten, die geleegen*

hee.--


III. AFDEELING. 281

heeden te moeten laaten voorby gaan, en dat

vermaak niet te kunnen genieten, om dat wy

ons geld, tevooren, önbedagtlyken,zonder

'er eenige geevenreedige vrugt van te trekken,

zouden hebben verkwist?

Onder dit gefprek, kwam Ariftus, met

zyn zoon, weeder t'huis. — Zie daar,

zei hy teegen zynen jongen , daar zyn

twee tdaalders voor jou. Over veertien

dagen zul je me zeggen , wat je 'er meê

gedaan hebt. — O, ik zal ze wel gebruiken

! zei Jacob, ilak ze in zyn zak, en

huppelde, vol vreugde, naar de ontbyt

tafel, om zyn boteram te krygen.

X L I I.

Winterzang.

'K zie de geele bladers vallen,

Met den zomer is 't gedaan:

En 't gehuil van fneeuw en regen,

Kondigt ons den winter aan.

Ach! hoe tiillen my de leedeu,

'K loop, naar 't hoekjen van den haart;

Vader zegt; in zulk een koude

Dient 'er hout noch turf gefpaard.

O


z3z III. AFDEELING.

O wy hebben zoo veel voorraad

Voor den fchralen winter tyd;

Daar men my, met warme kleêren,

Voor den ftrengen vorst bevrydt.

Winter-peeren, kool en appels,

Boter, vleefch, en wat niet al,

Ligt 'er reeds in onze kelder,

Dat ons lekker fmaaken zal.

Mogt ik nu maar dankbaar weezen,

Over myn gelukkig lot!

Ja ik wil gehoorzaam leeven;

Eu u danken, goede God!

Ja ik wil geduurig denken,

Als de koude my verdriet,

Ach! hoe meenig duizend menfchen

Hebben zoo veel voorraad niet.

Ja ik wil dan wat befpaaren,

En wat van myn overvloed

Aan een arrem kindje geeven,

Dat van honger fchreien moet.

X L I I I.

Philippine was de oudfte van drie kinderen

, en had reeds zeven of agt jaaren

bereikt, terwyl de twee overigen nog zeer

jong.


III. AFDEELING. 283

jong waren. Haare Moeder, die zelf't

jongfte kind zoogde, kon maar ééne meid

houden, en had daar by de handen vol

werk in huis. Philippine moest derhalven

al zoo wat meê helpen, om haar broertje

en haar zusje optepasfen; en als zy in den

tuin Waren, dan moest zy haar broertje, in

een klein, zeer ligt wagentje,ryden ; terwyl

de meid haar zusje op den arm droeg, of'er

meê in huis beezig was.

Nu had haare moeder haar wel , op t

allerfterkfte, aanbevoolen, van 't wagentje

niet altoos, met dezelfde hand, voort te

trekken, maar fteeds om beurten, dan de

regter, dm de linker hand te gebruiken,

of wel de handen op den rug te houden,

en zoo 't wagentje te trekken, met beide

handen te gelyk, dat nog wel 't befte was.

——. Pas wel op myn lieve Philippine, zei de

Moeder , teegen haar; ik kan niet altoos

by je zyn , om op je te pasfen; maar je

moet het geen ik je zeg, net zoo wel in

agt neemen, wanneer ik 'er niet by ben,

als wanneer ik 'er by ben. Wees gewaar»

fchuwt! De ongehoorzaamheid, al wordt zy

niet


284 III. AFDEELING.

niet ontdekr, brengt haare eige'ftraf meê.

Indien je niet doet het geen ik je zeg,

maar altoos dezelfde hand gebruikt, om 't

wagentje voort te trekken , dan kun je

zeer ligt fcheef worden , en dan zou 'er

misfchien geen helpen meer aan zyn. Wees

dan tog voorzigtigj en neemt 't geen ik je

zeg wel in agt.

Philippine beloofde dat zy het doen zou.,

Maar zy had reeds de kwade gewoonte

aangenoomen, van alles met de regterhand

te doen, en de linker hand haast niet te

gebruiken; behalvemalleen, in die oogen'

blikken, wanHeer haare moeder 'er by was

en 'er oppafte. En zoo deedt zy nu ook.

Zoo ras zy alleen was, trok zy 't wagentje

altyd, met de regter hand, voort; wyl

zulks haar, door de gewoonte; reeds gemaklyker

geworden was ; zonder zig aan

de waarfchouwingen van haare moeder te

ftooren.

Zy voer 'er ook net zoo van, als haare

moeder 't haar voorzegt had. Op zeekeren

morgen, dat haar moeder haar zelf

't keursJyf toereeg, wyl de meid iets an-

ders,


III. AFDEELING. 253

ders te doen had , zei zy teegen haar;

wat zie ik Philippine? je bent reeds

geheel fcheef gegroeid l Heb je ook onge­

hoorzaam geweest aan 't geen ik je be-

voolen had ? Heb je 't wagentje- wel om

beurt, met de twee handen, getrokken?—•

Philippine werdt rood, en moest bekennen

van neen. — Daar heb je 't nu , zei de

moeder, zeer bedroefd; net zoo als ik 't

je gezegd heb , ben je fcheef geworden,

en wat nu gedaan ?

Ondertusfchen werden de Docler en

Chirurgyn geraadpleegd , en na dat zy 't

naauwkeurig bezigtigd hadden, wiften zy

geen anderen raad te geeven, dan Philip­

pine een yzer keurslyf aan te trekken ;

fchoon zy tog niet durfden belooven, dat

het helpen zou. Het yzer keurslyf werdf

derhalven gemaakt, en Philippine moest

'er aan, om het te draagen , hoe zeer zy

'er teegen op zag. Het deedt haar ook

veel pyn en ongemak aan ; en als zy 'er

aaivhaare moeder, of iemand anders over

klaagde , kreeg zy geen anderen troost

noch antwoord, dan dit; het fpyt ons heel

zeer


236 lil. AFD°EELING.

zeer, maar die niet luifleren wil, moet

voelen. Indien Philippine hai believen te

hooren , naar 't geen Mama haar zoo

dikwils gezegd beeft, dan zou zy nu al'.e

die pyn en ongemakken niet behoeven uit'

te Jlaan; maar nu moet men zien, of men

't zoo nog kan te regt brengen.

Het hielp evenwel niets; 't yzer keurs»

lyf kon Philippine niet weer regt maaken;

maar zy werdt een klein, fcheef, gebochelt

meisje, dat haare ongehoorliiamheid, haar

ganfche leeven lang , beweenen moest.

Ook waarfchuwde zy naderhand alle ongehoorzaame

kinderen, op 't allerernlh'gfle,

en zei; Ach lieve kindertjes! vveest uwen

ouderen tog gehoorzaam J Je weet niet

hoe zeer je je zeiven benadeelt , wanmeer

je naar hunnen goeden raad niet lui»

ftert. Spiegeltje aan my. Ik zou nu geen

klein, fcheef, gebochelt meisje zyn, indien

ik, naar de goede raad en debeveelen van

myne lieve Mama , beeter grluifferd

had. Maar nu ik 'er niet naar geluifierd

heb, nu moet ik al myn leeven fcheef en

gebocheld blyven.

Wat


III. AFDEELING.

Wat dunkt je nu Pauline? was datnLt

droevig , dat Philippine, naar haare moeder,

niet geluifterd had; en dat zy nu zoo, al

haar leeven lang, klein, fcheef en gebocheld

blyven moest?

P. Ja wel Mama; dat was tog droevig.

M. En daar by deedt het ook nog aan

haare gezondheid kwaad.—Denk dan tog

dikwils om Philippine, myn lieve kind! Je

hebt,feedert eenigen tyd, de kwaade gewoonte

aangenoomen, van je,over de regter

zy, geheel fcheef te houden, wanneer

je wandelt, of door de kamer loopt. Indien

je dat nu blyft] doen, dan zal 't je misfchien,net

zoo als Philippine gaan, Daarom

wees tog voorzigtig! en let 'er wel op,

wanneer Papa, of Mama, of Hanna, of

iemand anders je zeggen, van je regt te houden,

wanneer je gaat, en doe het tog.

Want anders zou je 'er naderhand, net als

Philippine,]bedroefd om zyn , en 'er om

huilen, wanneer het -te laat was. En dan

zou dat alles niets helpen, maar je zoudt

al je leeven fcheef blyven moeten,

P.


ï88 III. AFDEELING.

P. O myne lieve Mama! dat zou my

fpyten, lk' beloof je, ik zal wel oppassen.

M. Wel doet dat, en denk 'er ook om ,

wanneer je wandelt en door de kamer loopt,

terwyl 'er niemand by is, die het zien en

je waarfchuwen kan. Want het was, om

dat Philippine dit niet gedaan had, dat zy

zoo fcheef, en gebochelt, en ongezond

werdt.


IV. AFDEELING.

* X L I V.

Bladz. 289

jfjj/Jfcoeder- Pauline, je hebt wel gezien, dat

je Papa en ik, 's middags, eer wy

gaan eeten, de handen famen vouwen, de

oogen toe doen, en zoo, 't hoofd wat voor

over bukkende, eenige oogenbllikken, fiil

blyven zitten.

Pauline, Ja Mama , en ik heb je ook

wel eens gevraagd, waarom je dat deedt;

maar je zei me altoos , je kondt me dat

nog niet uitleggen.

M. Dat kon ik toen ook nog niet wel doen.

Pauline, je zoudt 'er niets ^an begreepen heb.

ben; maarnuje weet,dat God alles, wat ons

omringd, gemaakt heeft; dat hy de eerfle

planten en de eerfte dieren heeft gemaakt,

waaruit alledegeenen, die wy thans hebben

en daaglyks gebruiken , voortgekoomcn

zyn; nu kan ik je zeggen, wat wy doen ,

wanneer _wy zoo eenige oogenblikken flil

zitten.

P. Wel wat doe je dan Mama ?

M. Dan fpreeken wy God aan,myn lieve

kind ; of,zoo als men't,met een ander woord,

noemt, wy bidden, N p.


-co IV. AFDEELING.

P, En wat zeg je dan teegen Güc\

Mama ?

M.Dan bedanken wy hem,voor alle de fpyzen,

die wy op onze tafel hebben, en die wy

eigentiyk, uit zyne hand, hebben ontfangen,

Want indien hy 't eerfte kooren niet had gemaakt

, daar al 't kooren, dat wy nu hebben,

van afkomt; en indien hy niet nog alle jaaren

kocren,op onze velden,lietgroeien, endaar

toe reegen en zonnefchyn gaf, op zynen tyd,

dan zonden wy geen brood hebben. En op

die zelfde wyze zyn wy ook de groenten, en

cle vrugten , en het vleefch van de osfen, en

dè fchaapen, en de hoenderen, en de andere

beeflen, diewy eeten, aan hem verfchuldigd;

wyl hy't ook is, die de eerfte groenten,

de eerfte vrugtboomen, de eerfte beesten,

daar dat alles van afkomt, gemaakt heeft.

Is het derhal ven ook nietbillyk, dat wyhem,

voor alle die dingen, danken, eer wy ze gaan

genieten? — Wat doe je, als ik je eene

peer geef?

P. Dan zeg ik, dank je, lieve Mama l

M. Wel even dus zeggen wy ook dank

aan God, voor alhet goede, dat hy voor ons

gemaakt heeft, En even alsjy'erby voegt;

Uty*


IV. AFDEELING. 291

lieve Mamal even dus betuigen wy dan

ook aan God, dat wy hem hartlyklief hebben,

om de liefde, die hyons, in'tfchenken

van zoo veele goederen,betoont.— Maar

daar jy nu, met ons,in 't genot van alle die

goederen,deelt, moet jy ook even dankbaar

omtrent God zyn, en hem eveneens beminnen,

als wy. Want, zoo als ik'tje reeds gezegd

heb, alles wat wy hebben, alles wat

wy je geeven, komt van hem. Wy zouden je

geene peeren, geen brood, geen vleefcb

kunnen geeven, indien God niet de eerfte

peereboomen, het eerflekooren,en de eerfle

dieren gemaakt had, en nog jaarlyks groeien

en voortkomen deedt, en ons dus in ftaat flelde

, om je dat alles te gee /en. Je begrypt

derhal ven wel, dat het in de daad aan hem is,

datje dit alles, in de eerfle plaats, verfchuldigd

bent; en ook aan hem, dat je 'er, in de

eerfte plaats, dankbaar voor moet zyn.

P. Dat is waar Mama.

M. Maar nu is'er nog iets, datwy, by

die zelfde geleegenheid, aan God zeggen ;

en dat het eigentlyke bidden is, wyï 't een

verzoek behelst.

P. En wat dan Mama?

Na M.


292 IV. AFDEELING.

M. Kun je niet wel begrypen Pauline,

tlat God, die het kooren en de vrugten gemaakt

heeft, en ze zoo heeft gemaakt, dat

het eerfte ons eene voedzaame, en de anderen

eene lekkere en verfrischende fpyze geeven,

ook wel maaken kan, dat zy ons in de

daad wel bekoomen ; dat is,dat zy ons in de

daad tot een goed en verkwikkend voedfel

verflrekken; of ook in teegendeel, (indien hy

zulks wilde,) dat zy onskwalyk bekwamen;

dat is, dat zy ons geen goed, gezond en

verkwikkend voedfel gaven. Want de voedzaame

en verkwikkende kragt, die hy 'er zelf

aan gegeeven heeft, die zou hy 'er immers

ook wel, indien hy wilde, uit kunnen weg

neemen; net zoo als ik je weer afneemen kan,

het geen ik je eerst gegeeven heb.

u m e a m

P. Dat z°

^ e

^aad ze

og en

J

Mama.

M. Wel daarom verzoeken, of bidden wy

God dan, dat hy ons zyne gaven, diewynu

gereed ftaan te gaan genieten, tot gezondheid

en een goed verkwikkend voedfe!,verftrekken

doe; en 'er dus, gelyk men het met één woord

noemt, zynen zeegen over geeve.

P. Mama, mag ik je wel iets vraagen?

M.


IV. AFDEELING. 293

M. Ja wel, myn lieve kind !

P. Gilleren heb ik God met je aangefprooken

Mama; zou ik dat nu ook 's middags niet

met je meê kunnen doen?

, M. Ja wel, myne lieve Pauline! dat kun je

nu zeer wel meê doen, en je zult'er ook zeer

wel aan doen. Want nu je weet, datje alle

de fpyzen, die je gebruikt, ja alles wat je

hebt, aan God verrchuldigd bent, nu zou je

zeer ondankbaar handelen, indien je hem daar

geene erkentenis voor betoonde.—Maar wat

zul je dan nu tot God zeggen, eer je van den

middag gaat eeten ?

P. WelMama,dan zal ik aan God zeggen,

dat ik hem daar voor dank, dat hy alle die fpyzen,

voor ons, gemaakt heeft, en dat hy

ons zoo lief heeft; en ik zal hem zeggen, dat

ik hem ook zeer lief heb.

M. Daar zul je zeer wel aan doen, myn

lieve kind! Maar zeg'erdanooknogby ,dat

je hem bidt, ook zynen zeegen, over die

jpyzen, te willen geeven , op dat zy je in de

daad tot gezondheid en een goed voedfel

ftrekken mogen.

P. Dat is goed Mama, dat zal ik 'erby

zeggen,

N 3 M.


*94 IV. AFDEELING,

M. En even eens kun je ook 's morgens

doen, als je ópftaat, en dan al dat goede,

en al dat fchoone, weêr rondom je vindt, dat

-God voor ons gemaakt heeft; daar kun je hem

dan ook voor danken, en'erhemjehartlyke

liefde voor betuigen.

P. Ja wei Mama, dat zal ik gaarne

doen.

M. En desgelyks ook 's avonds, eer je naar

bed gaatjkunjehem wederom danken, voor

si het goede, dat je op dien dag genooten

hebt, en dat tog alles oorfpronklyk, uit zyne

hand, komt.

P. Dat is ook goed Mama, dat zal ik ook

doen. —Maar Mama, mag ik je nu nog wel

iets vraagen? — Waarom hou je je handen

famen en je oogen toe, wanneer je teegen

God fpreekt?

M. Dat doen wy, op dat niets ons

fiooren zou , in onzen aandagi , op 't

geen wy teegen God zeggen; en, om die

zelfde reede , moet jy het ook doen, als

je bidden wilt.

P. Zeer wel Mama, dat zal ik doen. —

Maar zal ik dan nu,als'tjebelieft, van den

middag, met Papa en Mama, meê bidden.

M.


IV. AFDEELING. z 9S

M. . Ja wel Pauline, en dan moetje maar

doen even a's wy.

P. Zeer wel Mama; — Maar ik zou haast

iets vergeeten, Mama, je zegt, je {preekt,

tegen God, als je zoo,met je handen gevouwen

en de oogen geflooten, zit, ik hoor je

even wel nooit iets zeggen.

M. Dat komt daar van daan, Pauline, dat

wy dan zagtjes, by ons zeiven, fpreeken't

geen wy teegen God zeggen willen.

P. Maar Mama,hoe kan God dat dan hoeren,

alsje zoo zagtjes fpreekt?

M. Net even gemaklyk als of wy hard

fpraaken.

P. Maar Mama, dat kan ik tog niet be -

grypen.

M. Dat geloof ik wel, Pauline; en je

zult het nog minder begrypen kunnen, wanneer

ik je zeg, dat God niet alleen hoort, of

liever weet, alles wat wy zagtjes fpreeken,

maar dat hy ook weet alles wat wy denken.

. M aar Mama, hoe kan God onze gedagten

weeten?

M, Ik begryp wel Paaiine, datje dat verwonderlyk

voorkomt; maar 't is evenwel zoo.

En 't is net als veele andere dingen, die je ook •

N 4 nie-


ap5 IV. AFDEELING.

niet begrypen kunt,en die geen menfeh je kan

uitleggen. In 't vervolg zal ik je verfcheide

bewyzen geeven, dat het tog zoo is ; nu zal

ik je maar eens eene vraag doen. Wanneer

je zelf een huisje van kaarten gemaakt hebt,

weetje dan niet net alles wat 'er in is ?

P- Ja wel Mama.

M. Endraagjeook niet zorg, van het zoo

te maaken, dat als 'er eens iets in was, 't

welk niet meer naar je zin was, jy het dan

zoudt kunnen verhelpen, zo je woudt ?

P. Ja wel Mama.

M. En Papa's horlogie, denk je niet, dat

de horlogiemaaker dat zoo gemaakt heeft,

dat hy wel weet ,alles wat 'er van binnen in is;

en ook wel weeten kan alles wat 'er in omgaat

; op dat,wanneer 't eens niet naar zynen

zin mogtgaan, hy't zou kunnen verhelpen,

zoo ras hy wou?

P. Wel ja Mama, dat geloof ik wel;

voorleeden zei Papa ook, dat zyn horlogie

niet welging, en dathy niet wist, waar 't aan

fcheelde, maar dat hy 't naar den horlogiemaaker

zou zenden, en dat die wel aanftonds zien

zou, waar'taan haperde, en ook weer maaken,

dat het goed ging.

M.


.IV. AFDEELING. ktf

M, Wel Pauline, met God is het even

eens, Hy heeft de menfchen zoo gemaakt,

dat hy weet.alles wat zy doen, en zeggen,en

denken, ja alles wat 'er in hun biunenfte omgaat;

op dar,wanneerzyiets doen of denken

wilden, dat hem niet goed dagt,hun te laaten

doen of denken , hy 't hun als dan zou kunnen

beletten, indien hy wilde. Indien God de

menfchen anders gemaakt had, dan zouden

zyzig, voe-rhem,kunnen verbergen, en dan

zou hy geen meefter meer zyn, over't geen hy

zelf heeft gemaakt. Nu. begryp je wel, dat

God daar wel voorzal gezorgd hebben ; even

als de horlogiemaaker wel zorg draagt, dat

'er geen radje of fpilletje, in zyn horlogie.,

is, waar van hy niet weeten kan, hoe 't gaat,,

en waar 't aan hapert, wanneer 't niet wel

gaat; en'er dan ook by komen, wanneer hy

wil, om het te verhelpen..

Enditisiets, Pauline, datje wel onthouden

, en daar je altoos wel om denken moet..

God hoort, en ziet, en weetalles, wat wy

zeggen en doen, ja alles wat 'er in onze geheimftcgedagten

omgaat. en voor hem kunnen

wy niets verbergen. Draag derhalvem

wel zorg,van nooit iets te doen.of te denken;,

N 5. dat


298 IV. AFDEELING.

dat God, die onzer aller Vader is; dien wy als

zodanig, boven alles, beminnen en eerbiedigen

moeten ; en die ons ook zoo lief

beeft, en zoo veel goed doet, zou kunnen

mishagen. Byzonder moetje daar op denken,

eer je , van middag, bidt, zoo als

wy doen.

P. O.' daar zal ik wel op denken Mama.

Maar Mama, zal ik dan nu ook maar

zagtjes fpreeken, wanneer ik bidt, zoo als

Papa en Mama ook doen.

M. Ja wel Pauline , zeg maar zagtjes,

by je zeiven, 'tgeenjetezeggenhebt. Daar

na kun je 't my weer over zeggen , en dan zal

ik je zeggen , of't zoo welis geweest of niet.

P. Als 't je belieft, lieve Mama.' dat is

goed! — Ik wou niet gaarne iets tegen God

zeggen, datmet wel zyn zou.

M. Daar moet je ook wel oppasfen;

want dit zou zeer oneerbiedig zyn, en God

zeer mishagen ; en zoo doende, zou je zeer

kwalyk aan zyne liefde en weldaaden beantwoorden.

Indien je derhal ven maar 't minste

in twyfel bent, vraag bet my dan liever

eerst, dan zal ik je zeggen, hoe 't behoort.

P.


tV. AFDEELING. 299

P. Als 'tje belieft lieve Mama l dat is zeer

goed, dat zal ik doen.

X L V.

Eene moeder had drie dogters, diereed's

oud genoeg waren, om hunne eige zaaken te

leeren bellieren. Zy waren genaamd Juftine ,

Sophie, en Charlotte. Methet begin van 't

jaar,lei hunne moeder hun,aan elk,eeue vatte,,

jaarlykfche fom toe, die hun alle drie maanden

zou worden betaald, ten einde daar uit

te koopen, alles wat zy,voor hunne kjeêren'

en opfchik, nodig hadden, en 'er ook haare

andere daaglykfche uitgaven van vermaak

uit te doen. Nog moeiten zy 'er elk een derde

van de huur van hunne kamenier uit betaalen

, en aan't einde van elk jaar, moeften zy

aan hunne moeder reekenfchap doen.

Juftine droeg zorg, dat zy,alle half jaar

haar derde deel van de huur der kamenier,,

juist op den vervaldag, voldeedt. Ook betaalde

zy terftond alles wat zy,in de winkels „

kogt. En wanneer zy , by ongeluk, iemand:

eenige fchade toebragt, was zy aanftonds gereed

om het te vergoeden. — Eensb. v.ging:

zy, met haare zufters, naar eene mode-winkel

, daar men allerlei opfchik,voor. de dames.

N & wc£-


goo IV. AFDEELING.

verkoopt; en had daardeonvoorzigtigheid,

van een intkooker, over een ftuk kant, om te

gooien, 't welk 'er geheel en al door bedorven

werdt. Terftond liet zy 't geheele ftuk

nfmeeten ; 't is niet meer danregtenbillyk,

zei ze, teegen de koopvrouw, dat ik je die

fchade vergoede; en met een betaalde zy den

vollen prys van 't ftuk, even als of zy 't had

willen kopen, en nam 't ook zoo,als het was,

meê, of'er nog iets goeds aan zyn mogt.

Charlotte bekeek alles, kogt verfcheide

mutfen, halsdoeken, linten, &c. maar betaalde

niets; en zei, teegen de koopvrouw,

dat zy 'thaar, op een ander tyd, zou betaalen

; 't geen deeze zig ook liet welgevallen ,

denkende, dat het binnen kort gefchieden

zou; —maar'er kwam niet van.

Sophie kogt dien dag niets,fchoon zy daags

te vooren had voorgenoomen, eene muts te

koopen; die zyook wel noodig had. t'Huis

gekomen zynde, vroegen haare zufters haar,

waarom zy die muts niatgekogt had V — Ik

hebgedagt, zei ze, dat ik myne oude muts

nog wel wat draagen, en'erondertusfchen,

van eenig gaas en lint, dat ik nog heb,zelf eene

nieuwe maaken kan, en dus dat geld uitfpaa-

ren.


IV. AFDEELING. 3aï

ren.—Oho,zusje lief! zeiCharlotte,. je geld

fpaaren! zou je ook, by geval, wat aan den

deunen kant beginnen over te hellen, en

aan 't potten gaan? — NeenCharlotte, dat

niet, autvvoordde Sophie; maar, deezen morgen,vond

ik onze naaifter zeer bedroefden

toen ik haar vroeg,wat 'er aan fcheelde, zei

ze my, dat haare moeder ziek en zeer arm

was, en dat zy zelf geen geld genoeg winnen

kon, om haare moeder van al het nodige te

voorzien; terwyl zy ook moeite had, om iemand

te vinden, die haar kon oppasfen. Daarop

gaf ik haar 't geld , dat ik voor myne m uts

beftemd had, en zei teegen haar; daar, breng

dat aan je moeder, engaa, voor van daag,

maar naar huis, omhaaroptepasfen. Mamais

naar buiten gegaan, anders zou ik 't haar

vraagen. Maar zy jzal het tog niet kwalyk

neemen, en'tnoodzaaklykfte, dat'eraan't

linnen te verhellenis, dat zal ik voorje doen.

— De goede naaifter zou my wel de handen

hebben gekust van vreugde. —— Ik vroeg

haar, wat haare moeder nog verder nodig

had; en zy zeide het my; maar 'er is meer

geld toe nodig,danik kan bybrengen.Daarom

verhaal ik het je nu, myne lieve zulters, wyl

N 7 ik


302 IV. AFDEELING,

ik van daag, in den winkel, gezien heb, dat

Jufiines beurs, na dat zy de kanten had betaald,

nog zeer wel voorzien was, en dat ik

dus hoop, dat zy ook wel wat,voor de moeder

van onze naaifter, zal willen doen.

Het fpy t my zeer ,antwoordde Juftine,maai.*

als men niemand wil laaten wagten, naar de

betaaüng van 't geen men by hem koopt, dan

heeft men zelf zyn geld wel noodig. Ook

gaat de moeder van de naaifter my niet aan;

ik ken ze niet, en ik weetniet, dat zy ooit

iets voor my gedaan heeft; dus ik haar ook

niets verfehuldigd ben, —*— Sophie zweeg

ftil. —— Stroef genoeg van je gedagt, Juffrouw

Juftine.' zei Charlotte; maar indien

jy die a r

me vrouw niet helpen wilt, dan zal

ik zehelpen.—Daar myne lieve Sophie, het

fpytme,dat ik je een oogenblik van gierigheid

verdagt gehouden heb, en ik vraag je *er excuus

over; (met een gaf zy haar een zoen;)

daar heb je drie ducaaten, geef die aan de

naaifter, voor haare moeder. —— Dank je

wel, myne goedhartige Charlotte! zei Sophie,

haar ook omhelzende; maar is'tniet

meer, dan je geeven kunt, zonder je zeiven

in verleegenheid te brengen ? — O dat zal zig

wel


IV. AFDEELING. 3^3

wel fchikken! zei Charlotte, dat is niets.

Op het einde van't jaar,kwam de kamenier

dezer drie Juffrouwen,by demoeder,klaagen,

dat Charlotte haarde verfchuldigde huur niet

had betaald. Verfcheide kooplieden kwamen

ook , en zeiden , dat de twee oudfte juffrouwen

hun altoos alles prompt betaald hadden,

maar dat de jongfte hun nog meer dan de helft

fchufdig was, van 't seenzy by hen gekogt

had. De moeder voldeedt het eene en 't anderr,

en liet vervolgenshaare dogterskomen,

omhaarreekenfchap van den ontfang en uitgaafvan

't geheele jaar te doen.

Juftine , zei de Moeder , teegen haare

oudfte dogter, laatmy nueenszien, hoe je

't van't jaar gemaakt hebt.—O! zeer wel antwoordde

Juftine; zie daar Mama, hier is

myn reekenboek, je zult 'er alles op vinden

aangeteekend, wat ik uitgegeeven heb, en

ik heb nog een fommetje over Met een lei

zy 't boek, voor haare moeder,open. De

moeder zag alles na, en vondt alles in order.

Maar Juftine zei ze, ik zie, datje uitgaaf

van je ontfang afgetrokken zynde, 'er nog

dertig gulden overfchieten, heb je die nog alle

dertig? '-JaMama,antwoorddeJuftine,

op


304 IV. AFDEELING.

op twee of drie gulden na, die ik, van tyd tot

tyd, aan den armen gegeeven heb. — Hoe!

zei de moeder, aan liefde giften, vooreen'

geheel jaar, maar twee of drie gulden, en

zeven en twintig gulden over. O Mama

viel Charlotte haar in de reede, jeznlt van my

wel anders voldaan zyn. Jk heb geen duit

over, en ik heb meer dan de helft van myn

geld aan arme en behoeftige menfchen gegeeven.

Ik gaf aan al wie my maar vroeg, zoo

lang alsik geld in de zak had, want dat is zoo

plaifierig! — Dat is het zeeker, zei demoeder,

mids men het van zyn eigen geld geeve.

— Wel zei Charlotte, het was immers ook

van myn eigen geld; wantje had het myimmeis

gegeeven. —

Moeder. Dat had ik ook Charlotte ,• maar

waar toe had ik het je gegeeven ? Heugt je

niet, dat ik 'er je dat by gezegd heb ?

Charlotte. Ja wel Mama i om een derde

van de huur van onze kamenier te betaalen;

en om de kleêren, en den opfchik te koopen,

die ik nodig had.

M. Zeer wel ; maar heb je 'er dat alles

ook van betaald ?

C. Neen Mama, niet alles.

M,


IV. AFDEELING. 305

M. Heb je de Kamenier betaald?

C. Neen Mama.

M. Enhebjeallede Kooplieden betaald,

daar je iets van gekogt hebt ?

C. Neen Mama, niet allen.

M. Wel, je was tog dehüuraanje kamenier,

en 't geld van de gekogte kleêren aan de

kooplieden fchuldig; maar in plaats van hun

dat geld te geeven, heb je 't aan den armen

gegeeven. Het is dus eigentlyk het geld van

de kamenier en van de kooplieden, datje aan

den armen gegeeven hebt. — Dat is nu niet

weldaadig zyn, dat is onregtvaardig zyn.

Want je onthoudt den eenen, wat hem toekomt

, om het aan den anderen te geeven. En

je doedt deneenen kwaad, om den anderen

goed te doen. * Hoe komen die menfchen

nu aan hun geld ?

C. O Mama 1 ik zal ze nu,toekomende jaar,

betaalen.

M, Ja maar Charlotte, toekomende jaar,

zul je weer eene nieuwe huur aan de Kamenier

verfchuldigd zyn, en je zult ook weer andere

kleêren en opfchik nodig hebben. Nu

isdefom, dieikjejaarlyksgeef, niet groot

genoeg, om 'er alle de noodwendigheeden

van


3o6 IV. AFDEELING.

van een geheel jaar, met nog meer dan de

helft van die van 't vorige jaar, C want ik meen

te kunnen raaden,. datje wel zoo veel ten agteren

bent ,)te betaalen. Dus doende, zou je

altyd ten minfien een halfjaar ten agteren blyven

, en de kamenier en de kooplieden zouden

hun geld moeten blyven misfen, en dat zou

nietbillyk zyn.

C. Dat is wel waar Mama. Maar hoe zal

ik dan nu doen ?

M. Voor dit maal heb ik je, uit de verleegenheid,

gered, Charlotte, en alles voor

je betaald, —.

C. O dank je wel, lieve Mama.' (Zyküst

haar moeders hand.)

M. Maar ik verbied je nu ,Van voortaan

iets te koopen, zonder het terftond te betaalen;

en ook iets, hoe gering 't zyn moge ,

aan een arm menfeh te geeven, zonder 't my

eerst te vraagen; tot dat je geleerd zult hebben,

hoe veel je geeven kunt.

Nu jou beurt, Sophie, vervolgde de Moe,

der. Sophie lei haar boek open, en de Moe*

der zag, met genoegen, dat zy alles afbetaald

, en ook van tyd tot tyd, zoo veel haar

inkomen toeliet, wat aan arme en behoeftige

meru


IV. AFDEELING. 307

menfchen gegeeven had;terwyl teevens haare

uitgaaf niet meer dan haaren ontfang bedroeg.

— Zoo is het goed,zei de Moeder, zig tot

haare dogters wendende ; zoo moet men altoos

doen. Eerst betaalen 't geen men fchuldigis;

dan den armen by liaan; en om dat te

kunnen doen, zyne huishouding en uitgaven

zoodanig inrigten , dat men een gedeelte van

zyn geld,tot liefde gaven, befteeden konne,

zonder zig i n fchulden te fteeken. Dat is de

regtekunst, myne lieve kinderen ! dieikjé

leeren wilde. Sophie heeft ze gevonden, en

daarom Ju(h'ne,geef jy haar 't geld, dat je over

hebt, want zy zal 'er het belle gebruik

van weeten re maaken. Jy hebt maar half

aan myn oogmerk voldaan. Regtvaardig zyn,

en een ieder't zyne geeven,is wel het eerfte,

dat wy doen moeten; maar het is alleen niet

genoeg. Wy moeten ook weldaadig zyn ,

ofwytoonen dat wy geen goed hart hebben.

En ik hoop,dat ik daar omtrent, op het einde

van 't volgende jaar, beeter van je voldaan zal

zyn. Want het is een flegt menfeh, die geen

vermaak fchept, in zynen medemenfchwel

te doen, Jy Charlotte bent welliefdaadig,

maar daar en leegen niet regtvaardig geweest;

P.


3o8 IV. AFDEELING

en dat is ook niet wel. Je moetderhaiven

beiden van Sophie leeren, hoe je, te gelyker

tyd, regtvaardig en weldaadig zyn kimt.

X L V I.

'k. Vond daar even dit papiertjen,

'k Hoop dat ik het leezen ken:

Boven ftaat 'erop gefchreeven;

Hoe!

DE VERGENOEGDE MAN.

Kom kinders zet u by my neer,

'k Zal u een liedjen geeven.

De vergenoegdheid is veel meer

Dan fchatten in dit leeven.

Al heb ik weinig, 'k heb genoeg;

Zou ik een man benyden,

Die altoos mooie kleêren droeg,

Maar zwaare pyn moest lyden?

Het werken houdt my ffeeds gezond

En vlug van lyf en leden,

'k Wordt wakker in den morgen ftond

Verkwikt en wel te vreeden.

De


IV. AFDEELING. 309

De honger, dien ik zelden mis,

Doet my veel graager eeten;

Dan of ik aan een Konings difch

Was dag aan dag gezeeten.

'k Heb dikwils water uit den bron

Met meerder finaak gedronken,

Dan ooit de wyn my geeven kon,

By beekets in gefchonken.

Eu is de dag voorby gegaan,

Zie ik den avond ryzen,

Dan hef ik eens een lied/en aan,

Om mynen God te pryzen.

Nu lieve kinders, leeft als ik,

Verblydt u in Gods zeegen!

Zeg dankend, ieder oogenblik,

Wat heb ik veel gekreegen!

* *


Welk een lief en aartig Iiedjen!

Hoe behaagt en treft het my.

Mogt ik leeren zoo te leeven,

Vergenoegde man! als gy.

Paw


Sio. IV. AFDEELING.

* X L V I I.

Pauline. Mama,je hebt my voorleeden

gezegd, dat God alles gemaakt heeft, wat

wy rondom ons zien, maar dat je my geen befchry

ving van God zeiven geeven kondt; en

ik wou evenwel zoo gaarne weeten , wie,of

wat,God eigentlykis; ik heb 'er feedert zoo

dikwils om gedagt.

Moeder. Ja,myne lieve Pauline, het is zoo

als ik je voorleeden zeide; God is zoo verre,

boven ons en alles wat ons bekend is, verheeven,

dat ik je geene befchry ving of uitleg van

God, zoo als van andere dingen.geeven kanj

ja zelfialle vergelykingenfchieten hier oneindig

verre tekort.—Maar wil ik je eens zeggen,

wat, onder alles wat ons bekend is, nog de

meefte gelykvormigheid en overeenkomst,

met God, heeft?

• P. O ja Mama, als 't je belieft.

M. Dat is onze ziel,ofde Geest, diein

ons is en ons leevendig maakt. Je heugt immers

wel,dat ik je gezegd heb, dat men de

zielen der menfchen, ook Geejlen noemt ?

P. Ja wel Mama.

M. En dat wy meer dan de beeflen zyn,

door dien wy y of eigentlyk door dien onze

zie-


IV. AFDEELING. 311

zielen, meer verftand dan de beeften hebben;

weshalven onze zielen ook veel volmaakter

en verheevener, dan die der beeften zyn ?

P. Dat is waar Mama.

M. Wel nu, myne 1'eve Pauline, God

is ook een Geest*, maar nog oneindig volmaakter

en verheevener, dan de menfchlyke

geeften, of onze zielen zyn; die hyook

zelfgemaakt heeft. — Daarby heeft God wel

dezelfde vermoogens van verftand en wil,als

onze ziel; maar in een oneindig hooger en

volmaakter trap; gelyk ten klaarften blykt,

uit alles wat hy gemaakt heeft. Want daar is

geenmenfchjin de waareld, die verftand genoeg

beeft, om maar te kunnen nagaan en

begrypen, hoe 't geringde bloemetje is gemaakt

, en wel zoo gemaakt, dat 'er van zelve

zaadjes in groeien, uit dewelken, in 't

volgende jaar, weer diergelyke bloemetjes

voortfpruiten. En daar geen menfeh dit begrypen

kan, kan hy 't nog veel minder namaaken.

Maar hoe oneindig veel meer verftand

en wysheid moet God dan niet bezitten, die

alle de bloemen, alle de planten, allede dieren

gemaakt heeft; ja die de lugt, de zon,

dema2n, defterren, en alles watje ziet, en

, ook


3ia IV. AFDEELING.

ook de menfchen zeiven heeft gemaakt? En

hoe oneindig verheevener en volmaakter moet

hy dan niet zyn , dan wy?

P. Dat is waar Mama, dat moet hy tog.

M. Daarenboven, je weet, dat het onze

ziel is , die ons lichaam leevendig maakt,

en in beweeging en werking brengt ?

P. Ja Mama, dat heugt my nog wel, dat

je me dat hebt uitgelegd.

M, Wel nu, 't is God, die aan onze zielen

zeiven die kragt van leevendigmaaking, beweeging

en werking heeft gegeeven. Jahy

is het, die alles wat 'er is, in leeven, beweeging

en werking heeft gebragt, en'er nog in

houdt.—Hyis het, by voorbeeld, die gemaakt

heeft, dat de zon en de maan eens

hebben begonnen op en onder te gaan; en die

ook nog maakt, dat zy zulks blyven doen.

Hy is het,die het water, de lugt, en het vuur,

(het welk de warmte geeft;) zoo gemaakt

heeft, dat het water, zoo dra,en zoo lang'er

maar eenige warmte by is, geftadig, indampen,

in de lugt, opvliegt, zig tot wolken

verzameld, over onze hoofden heenen dryft,

en dan weer, in reegen, nedervalt, om de

boomen en planten, die verre van 't water

af


IV. AFDEELING. 313

af Haan, te komen verkwikken en voedfel geeven

; en hy is het ook, die maakt, dat dit alles

zoo blyft voortgaan, en ons bemtlings

reegen en droogte geeft. God moet dus niet

alleen oneindig meer verfland , maar ook oneindig

meer kragt van leeven en werking hebben,dan

onze ziel, die aan niets, buiten ons

lichaam,eenig leeven en eenige kragt van werken

geeven kan (*).

P. Dat moet hy zeeker Mama.

M. Wyders is 'er, onder meer anderen ,

ook nog dit onderfcheid , tusfchen Goden

onzen Geest of ziel, dat onze ziel een lichaam

heeft, aan 't welke zy verbonden is, en waar

in zy, om zoo te fpreeken woont, evenals

wy in dit huis woonen.

P. Kan de ziel dan ook uit het lichaam

gaan, zoo als wy uit dit huisgaan, en 'er weer

in komen?

M. Neen Pauline, daaromtrent heeft'er

(*) Wy kunnen eigentlyk aan niets de

kragt van werking geeven , maar alleen de

werkings kragt, die wy, in de dingen, vinden,

op verfcheide'nerlei wyzen, aanwenden*

O


£i 4 IV. AFDEELING.

bier weereen groot onderfcheid, plaats. Onze

ziel blyft in haare wooning, en die gaat

overal met haar meê ,• maar ons huis kan niet

met ons meê gaan, en daarom moeten wy

'er uitgaan, als wy ergens anders weezen

willen.

Maar daar onze ziel nu zulk een lichaam

heeft, in 't welke zy woont en opgeflooten

is, heeft God, in teegendeel,in 't geheel geen

lichaam. Hy is eene enkele,zuivere Geest,zonder

lichaam; die, noch in eenig lichaam,

n och ergens anders in opgeflooten is, cf ooit

kan opgeflooten worden ; maar die de geheele

waareld als,tot zyne woonplaats,heeft, en

de geheele waareld vervult.- En het is, omdat

God geen geen lichaam heeft, datje hem

niet zien kunt, en je ook geene verbeelding

van hem maaken; even weinig als je jou ziel,

of de myne kunt zien , of je eenige verbeelding

maaken, wat zy eigeutlyk zyn ;

alhoewel je, uit hunne werkingen, zeerwel

weet,dat zy'erzyn.

Maar Pauline,weet j e wat je vanGod weeten

kunt; en met volle zeekerheidweeten?

P. Wel wat dan Mama?

M, Dat hy zeer goed, zeer wys, en zeer

mag-


IV. AFDEELING. 315

magtigis; en ons zeer liefheeft; endeteederile

zorg,voor ons, draagt. En dat kun je

vveeten, uit alles wat hy voor ons gemaakt, •

en gedaan heeft, en ook nog daaglyfch voor

ons doet. Gedeeltlyk heb ik je dit reeds getoond,

en 't overige zal ik je van tyd tot tyd

uitleggen, wanneer wy weer eens, over God,

zullen fpreeken.

P. Als 't je belieft Mama, En zal dat

haast zyn?

M. Jawel, Alledag, zo je wilt.

P. O ja zeer gaarne Mama. Want ik

hoor je zoo gaarne van God fpreeken, en ik

denk ook zoo gaarne om God. — My dunkt,

het is net, als of ik om Papa of Mama dogt; —

en het doet my ook het zelfde plaifier.

M. Wel, daar ben ik zeer bly om, myn

lieve kind! God is ook in de daad je Vader,

en onzer aller Vader, gelyk ik je reeds heb

gezegd; en hy zorgt, voor ons allen , even,

ja oneindig beeter, dan wy voor jou zorgen.

Ook ken ik,voor my,geen grooter genoegen,

dan met iemand te fpreeken, over die

goedertierenen en liefderyken God, die ons

allen zoo veel goed doet, en zoo veele liefde

bewyst, en dien ik ook zoo teederliefheb.

O 2 Myn


3 ieT IV. AFDEELING.

Myn hart gaat open , als ik aan hem denk; en

ik ben zoo vrolyk en zoo wel te vreeden, als

ik van hem fpreek, en van al het goede,'t welk

wy geduurig van hem ontfangen, dat dat myne

a'angenaamfte oogenblikken zyn. Hy tog

is onze befte Vriend, onze teederstbezorgde

Vader. En 't is zulk een genoegen te denken,

dat wy eenen vriend hebben;die zoo goed, en

zoo wys, en zoo magtig is; die zoo wel weet

wat ons goed isjdie zoo veel vermoogen heeft,

om 't ons te fchenken;en die het ons ook,weegens

zyne liefde t'onswaards, zoo gaarne

fchenken wil. Ook is het zeer aangenaam,

hem, daarvoor, onze dankbaarheid en onze

wederliefde te betuigen. O myn lieve kind!

wat zyn wy gelukkig,dat wy zulk eenGod en

Vader hebben ! En wat ben ik bly , dat je

hem nu ook kent, zoo wel als ik; en ook weet,

hoe veel goed by ons doet; en'er hem ook

voor danken en beminnen kunt. Ik kan je niet

zeggen, hoe ik naar dien tyd verlangd heb.

P. Ik ben'er ook bly cm Mama,—Ik hou

zoo veel van Papa, — en 't is nu net als of ik

'er twee had.

M. Datishetookindedaad. Maar God

is ver're , oneindig verre je befte Vader. Want

hy


IV. AFDEELING. 317

hy heef; veel meer voor je gedaan , en je veel

meer gegeeven, dan je Papa je ooit geeven ,

cf voorje doen kan. Ja 200 als je reeds weer,

hy heeft je je Papa zeiven gegeeven. — Ook

noemen wy hem, wanneer wy teegen hem

fpreeken, dat is wanneer wy hem aanbidden,

Onze Vadtr; en zoo kun fe hem nn ook noemen

, wanneer je hem aanbidt, of van hem

fpreekt, Maar dan zyn wy gewoon, hem

onzen Hemelfchen Vader te noemen.

P. En waarom dat Mama?

M. Om dat hy niet, gelyk je Papa, maar

alleen hier op aarde is, maar dat hy ook boven

in den Hemel, ja overal in de geheele

waareld is. Daarom moetje hem je He meifche

Vader noemen , om hem te onderfcheiden

van je Papa, die je hier op aarde hebt.

X L V I I I.

Eene eige wyze jonge vlieg zat, met haare

moeder, teegen den muur van eenen fchoorfteen,

niet ver van een groote keetel, daar

karne melk in gek ookt werdt—De oude vlieg,

voor een oogenblik, elders heen willende,

zei teegen haar dogtertje; kind! blyftogftil,

op deeze p!aats,zitten, tot dat ik wederkom e.

— En waarom ? vroeg 't eige wyze dogtertje,

O 3 dat


318 IV. AFDEELING.

dat niet veel van gehoorzaamen wist. —Daar­

om, antwoordde de Moeder, wyl ik vrees,

datje te digt, by dien kookenden afgrond,

(zy meende den keetel met kernemelk,)komen

zoudt. — En waarom mag ik daar niet te digt

by komen? vroeg't vliegje weer. — Wel om

dat je 'er zoudt in vallen en verdrinken, was

't antwoord. —— Maar waarom tog zou ik 'er

invallen? hervatte ons wysneusje alweer;

want als eigewyze kinderen eens aan 't vraa­

gen van waarom komen, dan is 'er geen einde

aan, 1 Ja waarom ,kan ik je niet zeggen,zei

de moeder; ik weet'er zelf de regte oorzaak

niet van. Maar geloof myne ondervinding ;

zoo dikwils als ik hier eene vlieg, boven dee­

zen kookenden afgrond,hebzien vliegen, heb

ik ook altoos gezien, dat zy 'er eensklaps in

viel, en'er nooit weer uit kwam; en daar uit

heb ik beflooten, dat het niet goed moet zyn,

boven zulk eenen kookenden afgrond,te vlie»

gen; gelyk ik het dan ook nooitgewaagt heb;

en je nu,op hetallerernftige,verbtede,het,ge-

duurende myne afweezigheid,te doen,—•

Daarop vloog de oude vlieg weg.

De jonge vlieg antwoordde nu wel niets

meer; maar zyfchorte'tneusje op, endagt

by


IV. AFDEELING; 319

byhaar zelve; — Kom, kom, die oude

v lai zyn ook altoos zoo bevreesd ! En waarom

zou ik nu 't vermaak nietneemen, vaneers

even, boven dien kokenden afgrond, been

en weer te vliegen , om eens regt te zien,wat

'er tog 'm is ? Net als of ik geene vleugels had,

en niet wys genoeg was, om 'er terftond van

daan te gaan, zo 't 'er eens niet mogt deugen!

— Wat je me der hal ven ook van je ondervinding

moogt voorpraaten, Mamaatje.' dat gaat

'er op los, en over den kookenden afgrond

heen! Ik wou wel eens zien, wie'er my in

zou trekken!

Zoo gezegd ,zoo gedaan. — Maar naauwlyks

was zy, tot midden boven denkookenden

ketel, gekomen, of de opfleigendc

heete damp beving haar, en deedt haar, in

den kookenden keetel, nedertuimelen ; terwyl

zy maar even tyd had,om,met eene zwakke

ftem, uit te roepen; ongelukkig de kinderen,

die zig wyzer, dan bejaarde lieden,

agten!

X L I X.

Mieder. Charlotte, wie heb je daar zoo

even boven, byje, gehad ?

Charlotte. Mama, het was de Schoenmaa-

O 4 ke-j


320 IV. AFDEELING.

ker, die my de maat van een paar nieuwe

fcboenen kwam neemen.

M, De Schoenroaaker? Wel my dunkt,

dat ik dien, al een kwartier geleeden, heb

zien aanbellen.

C. - Ja Mama, dat is waar; maar ik heb

ham wat laaten wagten,

M. Hoe! Heb je dien goeden man zoo

lang laaten wagten? Heugt je dan niet meer,

wat Tante gifteren, teegen je nig'je, zei; toen

zy haaren keurslyfmaaker, zonder veel reede,

had weg geftuurt, en hem van daag laaten

weder komen?

C Ja Mama, zy zei; men moet de lieden

, die met de handen den kost winnen,

en daar den geheelen dag voor werken

moeten, van hun werk niet afhouden,

want dat is zoo veel geld, dat men hun

verliezen doet.

M. Dat zei ze ook. En zy voegde 'er

nogby, dat die handwerkslieden, die gelyk

de fchoenmaakers, keurslyfmakers &c. den

ha! ven dag, de ftad moeten rond loopen, om,

by den eenen,de maat te komen neemen; den

anderen iets te komen aanpasfen; enbyden

derden te komen hooren, wat men hem beftellen


IV. AF DEELING, 521

Jen wil, door dit loopen, reeds zoo veel tyd

verliezen, dat men hnn vooral niet meer tydverzuim

veroorzaaken moet. — Indien men

bun, vervolgde zy, voor dat tyd-vcrzirim betaalde,

dan kon't nog aangaan. Maar dat doet

men niet, En hoe zal die arme man het dan

aanvangen, om zig dien tyd weer vergoed te

krygen ? Er blyft voor'hem niets anders over,

dan dat hy fchielyker werke, en je (legter goed

leevere, dat hem minder kost, fchoon hy je

'er den zelfden prys voor doe betaalen; om

daar door te rug te krygen, 't geen men hem,

door 't geduurig laaten wagten en loopen, ver.

liezen doet. Want aan 't einde van den dag

moet hy tog zyn kost gewonnen hebben. Wy

ten minden moeten'1 hem niet hebben belet»

C. Dat is waar Mama, maar ik heb 'er niet.

om gedagt,

üi.Ja dat is degewoone uitvlugt; maar die

betaald den goeden man zyn tyd niet; en mem

moet altoos denken, om t geen men doet.

— Maar wat was nu de gewigtige reede ,

waarom je dien goeden man zoolang moest

laaten wagten?

Cï Mama, ik had de juffertjes, hier uit

de buurt, by me, en. wy waren beeaig mer

O 5 és


322 IV. AFDEELING.

de kleêren van myne groote pop te vermaa*

ken,en hadden de geheele tafel vol; ——

M. En daar kon je, by geene mooglykbeid,

van af! De Schoenmaaker, die met zyn

werk, den kost moet winnen, kon wel een

kwartier langer van zyn werk af blyven,en eeten

dan zoo veel te minder,niet waar? Maar jy

kondt geen oogenblik van je poppe-goed af.

Daar zou ook indedaad te veel aan zyn verlooren

geweest! — Wel fchaam je je niet

Charlotte? — En wat zei de fchoenmaker,

toen je hem eindelyk liet boven komen ?

C. Wel Mama, hy verzogt my, dat ik

hem niet weer zoo zou laaten wagten.

M. Daar had hy wel gelyk in; en,in Zyne

plaats, zou ik 'er nog by gevoegd hebben; —

Juffrouwtje, weetje wel hoe verre de groote

markt, daar ik woon,hier van daan is? Probeer

eens, van te voet, naar myn huis toe, te komen

, om je de maat van een paar fchoenen te

laaten neemen;dan zal ik je ook eens zeggen;

ik heb geen tyd, wagt een kwartiertje,of kom

nioigen weer; en dan zullen wyzien, hoe

je dat zal aanftaan. En evenwel zul jy 'er

dan nog maar wat fpeelen en wandelen meê

verzuimen , en datkuuje, den geheelen dag

door,


IV, AFDEELING. 323

door, naar je genoegen doen. Maar ik, wanneer

je my Iaat wagten, ik verlies den tyd,dien

ik nodig heb, om 't geld te winnen, daar ik

myn brood voor koopen moet. En wanneer

jy, en nog eenige andere juffertjes, zoo als-

}y, my elk een kwaitier uur laat wagten, oif

eenige reizen heen en weer loopen, dan beu

ik myn halven dag kwyt, Dau kan ik maar

half zoo veel verdienen , als ik nodig heb,omt

morgen, voor my,en myne vrouw en myne;

vyf arme kinderen , eeten en drinken te koopen,

om onzen honger en dorst te flillei?».

En zal ik dan morgen, met myne Vrouw, en

myne kinderen, die t'huis, met ongeduld 9

op my zitten te wagten, honger en dorst moeten

lyden, om dat de eene Juffrouw moest

fpeelen,en het de andere niet geleegen kwam?

— Indien dat weer gebeurd juffrouw, en myne

arme kinderen fchreeuwen van den honger „

en ik heb geen brood, om hun te geeven; dar*

zal ik je myne kinderen brengen, en zeggen -

teegen jejdaar juffrouw! geef jy hun nu broods

wantjy en je makkertjes hebt hunnen Vader

belet, den kost voor hun te winnen. —

C. O myne lieve Mama! niets meer!

nieismeer 1 dat ik je bidden mag. —— Ik hadl

O 6 ben


3^4 IV. AFDEELING.

liet zoo nietbedagt. •—Ik zal 'tnooitweer

doen.

M. Wel dat hoop ik ook, datje'tnooit

weer zult doen. Het zou 'er nog eer door

konnen, dat je eens iemand wagten liet, die

jou niet nodig heeft, en die met zyn tyd kan

doen, wat hy wil, en denzei ven niet nodig

heeft, om'er zyn kost mee te winnen. Want

ïndien't zulk een menfeh verveelt, dan zal hy

weggaan, enjelaaten zitten. En daar hy tog

zyn tyd,grootendeels,aan dingen befteedt,die

niet volftrekt nodig zyn, kanhyzigzyntydverzuim

nogeenigzinsgetrooften. Maar die

geenen, die met hunne handen den kost moeten

winnen , wien ieder oogenblik daar toe

dierbaar is, en wien je geen oogenblik kunt

doen verliezen, zonder hnn of hunne arme

kinders, een ftukje brood, uit den mond,

te neemen, laat die tog nimmer wagten;

want hunne tyd is oneindig meer waard dan

de jouwe, dien je tog voor 't grootfte gedeelte

verfpeeld.

* L.

Moeder. Pauline, indien iemand je eens

in eene kamer bragt, dien hy voorje had laaten

gereed maaken, en je vondtdaarin, een

bed


IV. AFDEELING. 325

bed,om in te flaapen; ftoelen,om op te zitten;

tafeltjes, om voor te gaan zitten werken of

fpeelen; eenen baard, met een goed vuur,

beneevens een goeden voorraad van turf en

hout, om je te warmen; eene kast,raet allerlei

mooi fpeelgoed en allerlei kleêren, om

je mee te vermaaken en je te kleeden; en

eindelyk ook nog eene andere kast, vol eeten

en drinken, en allerlei lekkers; en dieman,

na dat hy ie in die kamer gebragt had, zei

teegen je; daar myn lieve kind! dat alles is

voor jou, daar kun je nu zoo veel van gebruiken,als

je nodig hebt, en je zoo veel mee vermaaken

, als je wilt ;]en dat hy dat alles deedt,

zonder 'er, voor hem zelven,iets van te gebruiken

, of zonder dat jy of iemand 'er

hem iets voorgaaft, zou je dan niet vin den,

dat die man zeer goed, en weldaadig, en

vriendlyk was ?

Pauline. Ja wel Mama,

M. Heugt je nog, dat ik je heb uitgelegd,

wanneer iemand eigentlyk den naam van goed

verdient ?

P. Ja wel Mama, wanneer hy anderen

gaarne goed en plaifier doet.

M. Zeerwel. Wanneer hy aan anderen iets

O 7 geeft,


3*


IV. AFDEELING. ga?

veel goed gedaan , en veele weldaaden

beweezen heeft , en dat hy , in dit opzigt,

meer dan eenig menfeh, den naam

van goed verdient.

P. Ja wel Mama.

M. Maar zie je nu, dat God iets van die

vrugten, van die graanen, en van al dar

goede, dat ons omringd, voor hem zeiven

gebruikt?

P. Neen Mama.

M. OfzouGod ditalles,voor ons,gedaan

en gemaakt hebben, op dat wy cok vveer,van

onzen kant, iets voor hem zouden maaken,

en hem ook weer eenig goed zouden doen?

— Kun jy God wel eenig goed doen?

P. Neen Mama, dat ik weet niet. Ik

zou hem anders gaarne geeven alles wat ik

had, indien ik wist, dat hy 't gaarne hebben

wilde.

M. Dat is zeer wel van je gedagt, myn

lieve kind! Maar wy kunnen aan God niets

geeven, noch hem eenig goeddoen; want

wy hebben niets, dan 't geen hy zelf ons

heeft gegeeven; en jebegryptook wel, dat

God, die zoo veel, voor ons, gemaakt heeft,

ook wel,voorzig zelven,zou kunnen maaken,

ah.


323 ÏV. A F D E E L I N G.

alles wat hy hebben wiJde, zonder dat hy

ons daar toe nodig had. '

P. Dat is waar Mama.

M. 't Is derhal ven niet, om 'er, voor hen»

zei ven, iets uit te haaien, of op dat wy hem

weeder, van onzen kant,eemg goed zouden

doen, dat God dit alles,voor ons, gemaakt

heeft. Maar weetje waarom God dat alles

voor ons heefr gemaakt?

P. Neen Mama.

M. Voor dat de zon, de hemel, de aarde

, de menfchen, ja de geheele waareld,

met alles watje rondom je ziet, 'er nog waaren

, was


IV. AFDEELING. 32?

ningen verderen, enhnuneoogenvervrolyken

zullen;en met dierpn,die hun,in hun w erk

zullen helpen , en daar zy naderhand

het vleefch van zullen kunnen eeten, en zig

met het vel en de wol kleeden; en ik zal eene

zon maaken, om dat alles te befchynen en te

verwarmen ; en water om het te laaven en te

doen groeien; en zoo zullen die menfchen ,

op de aardc,vinden alles wat zy zuilen nodig

hebben; alles wat hun leeven niet alleen zal

kunnen onderhouden, maar ook veraangenaamen.

En dan zullen zy vrolyk, en wel

te vreeden , en gelukkig zyn, op den aardbodem

, dien ik voor hen zal hebben gemaakt.

En dan zal ik my, over hun geluk,verblyden;

en ik zal 'er myn genoegen en welbehagen in

vinden, hen zoo gelukkig te zien, en hen

zoo gelukkig te hebben gemaakt.

Dit nu deedt God ook werklyk, myn lieve

kind! Hy maakte de eerfte menfchen, daar

wy allen van af komftig ?yn; en deeze aarde,

met alles wat 'er op is; en den hemel, met

de zon, de maan, en de fterren, die'er in

fchynen. En toen vonden de menfchen zig

gelukkig, en zy verheugden zig, datGod hen

gemaakt en hun zoo veel goeds beweezen

had;


33° IV. AFDEELING.

had;, en daar in vondt Go.1 zelf wederom

zyn genoegen en zyne vreugd. — Even als

de man, waar van ik je voorleeden vertelde,

dat hy eene brug, voorde arme inwocners

van 't kleine gehugtje, gemaakt had;

zig verblydde , wanneer hy dagt, dat die

goede menfchen nu gelukkiger waren , dan

voor dat hy by hun gekomen was. — Is het

derhalven dan niet waar, dat God, in allen

opzigten , verdiend goed en weldaadig

te worden genaamd, wyl hy zoo veel voor

ons gedaan en gemaakt heeft, alleen om

de vreugd en 't genoegen te hebben, van

ons gelukkig te zien ? Want dat weet je

is eigentlyk goed zyn.

P. Dat is waar Mama. En dan verdiend

God tog wel den naam van goed.

M. En verdient God dan ook niet

wel, dar wy hem,om al dat goede, dat hy

ons gedaan heeft, liefhebben?

P* Ja wel Mama.

M. En dat wy ook, voor hem, doen

alles wat wy kunnen?

P. Ja wel Mama. Maar Mama,

ik dagt dat wy. niets, voor hem, konden

doen. Wat kunnen wy dan, voor hem,

doenï M u


IV. AFDEELING. S 3 i

M. Voor hem zeiven kunnen wy niets

doen. Wy kunnen hem niets geeven ,

nóch ook iets voor hem verrigten , waar

uit hy zelf eenig 't minfte voordeel zou

kunnen trekken. Maar c !

én zaak evenwel

kannen wy voor hem doen.

P. En wat is dat, lieve Mama, Ik wou

'c zoo gaarne weeten 1 Ik zou zoo bly

zyn, ook iets voor God te kunnen doen,

die zoo veel, voor ons, gedaanl heeft!

M, Ik heb je gezegd , Pauline, dat

God ons gemaakt heeft, en ons zoo veel

goed heeft gefchonken, alleen om ons gelukkig

te maaken , wyl hy 'er zyn welbehagen

in vindt» ons gelukkig te zien;

en hoe gelukkiger hy ons ziet, hoe meer

genoegen hy 'er in fchept.

P. Ja Mama.

M. Wel nu, tot het bereiken van dit

goedertieren en liefdefyk oogmerk kunnen

wy medewerken ; wanneer wy naamlyk,

door een goed gebruik van 't geen hy ons

gefchonken hêeft, en door een Weldaadig en'

vriendlyk gedrag , omtrent alle de geenen,

met wien wy leeven, ons zeiven en ande»

ren, op deezen aardboden, dien God voor


332 IV. AFDEELIN G.

ons gemaakt heeft, om 'er ons gelukkig

op re zien, ook in de daad gelukkig maaken.

——. Dit myne lieve Paulinè is

alles wat wy voor God kunnen doen, ons

zdven en anderen gelukkig te maaken. Dit

is de befte blyft van dankbaarheid , die wy

hem kunnen geeven. En is dit niet wederom

een nieuw bewys van zyne goedheid

en liefde, dat hy niets anders, dan

alleen dit,van ons vordert?—En daartoe

kunnen wy immers ook ligt ons best doen J

Ja het zoa immers dwaas zyn, dit niet

te willen doen ; wyl wy daar zelfs het

meest by zouden verliezen.

P. Dat is wel waar Mama.

M. Wel, gebruik dan al het goede, 't

welk God ons, op deeze aarde, gefchonken

heeft, zoo, dat het je alleen goed,en

nimmer kwaad doe. En gedraag je, omtrent

anderen , altyd zoo, dat je hun,in

alles , zoo veel goed en zoo veel plaifier

doet , als je mooglyk is ; en ze zoo gelukkig

maakt, als je maar immer kunt ;

maar ze in teegendeel nimmer bedroefd of

ongelukkig maakt. Van alles wat je ooit kunt

doen, is dit aan^God het aangenaamfte.1

Ben


IV. AFDEELING. 333

Ben je niet bly, wanneer ik je vriendinnet­

je Claartje, daar je zoo veel van houdt, eenig

plaifier bezorg , en 2e daar door verbly en ge­

lukkig maak ? En is 't dan niet even eens,

als of ik dat plaifier aan je zelve gedaan

had?

P. Jawel Mama; en dan hou ik ook zoo

veel van je! —• Ik heb je wel altyd lief,Mama!

dat weet je wel ,• maar dan voel ik het zoo

fterk, dat ik je lief heb.

M» Wel nu myne lieve Pauline! God is

de Vriend van alle menfchen. Hy ziet gaarne

alle menfchen gelukkig, en daarom .wanneer

je aan eenig menfch,wie 't ook zyn mag ,eenig

goed en plaifier doet, en het zelve gelukkig

maakt, dan doe je iets, dat Gode boven alles

aangenaam is. Zyn grootst genoegen, zyn

grootfte welbehagen tog is, anderen gelukkig

te zien. En uit dien hoofde kun je niets bee«

ters voor hem doen, dan daar toe meede

te werken, zoo veel in je gering vermoo-

gen is.

P. Maar Mama, God, die zoo veel kan

doen, kan die dan de menfchen niet zelf zoo

gelukkig maaken, als hy wil?

jli. Ja wel Pauline, dat kan hy wel. Maar

hy


334 IV. AFDEELING.

hy ziet gaarne, dat de menfchen even zoo

denken en gezind zyn, als hy zelf. Datzy,

-even als hy, hun welbehagen, hunne vreug­

de en genoegen vinden , in anderen gelukkig

te maaken, en daar toe alles te doen, wat in

hun vermogen is. En daarom Is het, dat hy 'r,

in veele opzigten althans, aan de men fchen

zeiven overlaat, om malkanderen gelukkig te

maaken,gelyk hy 'er hen toe in ftaat gefteld,en

hun daar toe, door zyne gefchenken, alle de

middelen in handen gegeeven heeft; tenein­

de zy zig aan die edele, aandieaanbiddelyke

neiging, van andren wel te doen zouden ge­

wennen; en dezelve, door ze geduurig uit te

ocffenen, en door geduurig het genoegen te

fmaaken, 't welk die uitoeffening verzelt, al

meer en meer, in hunne harten, te verflerken.

Het verkrygen,uitoeflenen en verflerken dee­

zer neiging is derhalven het befte middel,om

jeGodeaangenaam te maaken; enzelfs,zoo

verre het aan een zwak menfeh kan gegeeven

zyn, eenige gelykvormigheid met hem te ver-

krygen. Zie dan van hoe veele waarde ons

deeze neiging zyn moet: en met boe veel

zorg wy dezelve, in onzen boezem, moeten

koefieren!

De


IV. AFDEELING. 335

L U

De Heer van Walburg, met zyne drie kinderen

, buiten gekomen zynde, gaf aan elk

hunner vier ducaaten, onder voorwaarde,

dat;zy ze voel zouden befteeden ; en hem ook ,

even voor hunne te rug reis, naar de ftad,

reekenfchap geeven, van 't geen zy 'er meê

zoudea hebben gedaan.

Deeze tyd gekomen zynde, riep hy eerst

zynen oudften zoon Filip, en vroeg hem,

wat hy met zyn geld gedaan had ? — O Papa 1

antwoordde Filip, je zult wel voldaan over

my zyn; ikhadnogiets, van't geen je me,

voor eenigen tyd , in de ftad, gegeeven hebt,

en daar heb ik my, den geheelen zomer, mee

beholpen , en de vier ducaaten, — wagt maar

eens Papa; — met een liep hy,naar zyn laatafeltje,

dat in de kamer daar naast ftondt, floot

eene lade open, en haalde 'er een papiertje

uit, daar de vier ducaaten,z eer netjes,in gevouwen

waren. Zie eens Papa l zeide hy,

ben ik nu geen goed huishouder geweest ?

Daar zyn ze nog alle vier; ik heb 'er geen

duitje van verteerd J — Met een drukte hy

zyne vier ducaaten, tusfchen zyne vingers,

als of hy bang was, dat zy hem nunogontfnap-


336 IV. A F D E E L I N G .

fnappen zouden; en keek ze, met genoegen,

men zou haast gezegd hebben, metteedirheid

, aan. — De Vader fchudde het

hoofd, en zei; hou ze nog maar wat by je,

flrak zal ik je zeggen, wat ik van je fraaie

fpraarzaamheid denk.

Nu kwam Lodewyk binnen. — En wat heb

jy, met je geld, gedaan? vroeg de Vader

O Papa! zei Lodewyk ik heb 'er my eens

fchoon voor gedivei teerd. Zoo als ik de vier

ducaaten ontfangen had, dagt ik, daar moet

ik nu eens regt plaifier voorhebben. Zooiiet

ik, den eerften zondag den beften, de geheele

fom 5in dubbeltjes, Huivers en duiten,

wisfelen. O ik had 'er eene geheele zak vol

van! Daar mee ging ik, naar de plaats, waar

de jongens van 't dorp fpeelen, niet ver van

ons hek, en ftrooide eenige handen vol van

dat kleine geld, onderhen uit. Toen had je

*t eens moeten zien Papa! 01 dat was een

leeven! Zy vielen allen te gelyk op 't geld ,

als de kippen op de gerst; en (lieten malkaar,

envog'.en, en rolden over malkaar heen; en

zoo als zy daar nogmcebeczig waren, riep

ik;hter jongens! —en ftrooide weer eene hand

vol, naar eenen anderen kant uit; toen allen

weer


IV. A F D E E L I N G . 337

weer fchielyk, naar dien kant,gev!oogenen

daar begon het oude leeventje van vooren af

aan.. O Papa ik heb nooit zoo gelachen/ —

Maar nu kwam het befte tog nog eerst aan.

Het fchreeuwen, raazen en vegten van die

jongens bragt het halve dorp op de been.

Sommigen flonden'er byte lachen, net zoo

als ik; maar de anderen, die hunne kinderen,

onder de jongens,hadden, gingen 'er naar

toe, om elk de zynen by de lurven te vatten ,

en floegen 'er onder, in 't honderd, om ze te

fcheiden. En toen dat eindelyk gelukt was ,

namen zy ze meê naar huis, de een met zyn

befte pakje gefcheurd, de andere,van de ooien

tot de voeten toe, met flik bemorst; en ondertusfchen

hadden de ouders nu hun beurt; en

klopten en keeven de jongens, dat het raasde;

terwyl ik hun ondertusfchen van verre nog

wat dubbeltjes wees, daar zy telkens naar om

keeken, en die hen zoo fchoorvoetende

naar huis deeden gaan,dat de ouders ze voortfleepen

moeflen. Ook hieldt dit het kyveu

en 't kloppen aan den gang; totdatikmyop

'tlaatfle tog moest weg pakken ; want eenige

van de ouders begonden op my te fcheiden,

en ik was bang, dat ik het te kwaad krygen

P mogt,


333 IV. AFDEELING

mogt. Daarom liep ik fchielyk, binnen't hek,

lloothettoe, bleef 'er agter ftaan kyken, en

toen lachte ik ze weer op myn geraak uit.—

O Papa! ik heb van myn leeven zoo veel plaifier

niet gehad/—Datfpyt my heel zeer, zei

de Vader; en ik zal'er je, in teegenwoordigheid

van alle dieouders,eens braaf over door

haaien, en je zult hun allen excuus verzoeken.

— Maar nu verder.

Caroline werdt nu binnen geroepen. Wat

heb jy met je geld, gedaan ? vroeg de Vader.

— Caroline werdt verleegen; Papa,zei ze,

je hebt my bevoolen, alles zonder onderfcheid

op te fchryven; 'er zyn anders eenige

dingen onder, waarvan je me gezegd hebt,

dat men nooit fpreeken moet, als men ze gedaan

heeft, en — Ja dat is wel waar, zeide

Vader, maar hier is 'teenonderfcheid. Je

weet, dat alles op te fchryven onze aflpraak

was; en ik heb je die vier ducaaten juist gegeeven

, om te zien, wat je 'era! meê doen

zoudt. Je moet me derhalven nu alles zeggen ;

ook dat geen, waar van je anders beeter niet

fpreeken zoudt.

W 7

el Papa,zei Karoline, hier is dan'tree*

lenboekje, dat ik gemaakt heb, om'er alles

in


IV. AFDEELING. 339

in op te teekenen ,• zoo als je me wel eens hebt

geweezen, datje ook doet. Zie Papa, hier,

op de linker zy van dat blaadje,(laan de vier

ducaaten, boven aan, in ontfang. En hier,

op de regter zy van 't volgende blaadje,

heb ik daaglyks den uitgaaf, teegen over

den ontfang,gefchreeven. ——— Zeer wel,

zei de Vader, dat is ten minften al een

teeken , dat je je zaaken met overleg gedaan,

en ze in goede orde gehouden hebt.

Nu eens gezien wat die uitgaaf al in houdt;

lees maar op.

K. ijuny. Voor twee boekjes fz-;-:

V, Zeer wel; maar wat waren 't voor

boekjes ?

K. Het aangenaam Schoolboek, en de

Fabelen van Gellert.

V. Wel uitgekoozen, Wat verder?

K, 10 Juny, Twee raquetten en een

jpaar volans — (om met myne broertjes

te fpeelen, als wy niet kunnen gaan wandelen)

. i , f 3 10-:

V. Daar heb ik' ook niets teegen; dat

is een goed. fpel. Tiet geeft eene goece

beweeging, en leert teevens handig en

oplettend zyn.

Pa K.


340 IV. AFDEELING.

K. 26 Juny. Aan den Chirurgyn van

*t Dorp . . . • 3' • • :

V. Maar myn lieve kind I wat had jy,

met den Chirurgyn van het Dorp,te doen ?

K. Papa , eenigen tyd te vooren was

ik gaan wandelen, naar de hoeve van Jan

Pietersze, en daar zag ik een timmermansknegt,

dien men naar huis droeg, wylhy

't ongeluk had gehad, van te vallen en

zig zwaar te bezeeren aan het been. Nu

klaagde de arme jongen zoo, dat hy geen

geld had, om zig te laaten geneezen en

teevens aan den kost te komen, daar hy

nu zoo lang zou buiten ftaat zyn, om

zyn gewoon werk te doen. Zoo beloofde

ik hem, dat ik den Chirurgyn zou betaalen

; en dat heb ik gedaan; en de Chirurgyn

heeft zyne reekening ook niet te

hoog gefield; want het heeft lang geduurt.

V. Zeer wel myne lieve Karoline, je

bent eene braave meid!

K, 1 July. Van een marskramer ge»

kogt tien ellen lint, tot drie Huivers de

el, maakt • ; • ƒ 1-10-:

Nog


IV. AFDEELING. 341

Nog van den zelfden een zyde halsdoek

. . . •

6 July. Aan Schoolgeld en boekjes

. , . 4-12-:

V. En voor wie was dat fchoolgeld ?

K. Papa, eens, op een dag, dat ik op

het bankje, by de kom,zat te leezen , ftond

ik op, om de vifchjes wat brood te geeven ,

en liet myn boek op de bank leggen. Een

oogenblik daar na kwamen de meisjes van een

onzer arbeiders voorby, en keeken en bla>

derden in myn boekje. Ik vroeg hun , of zy

't ook leezen konden?— Neen juffrouwtje,

zei de oudfte , met eene bedroefde tronie, dat

kunnen wy niet. — VVef vroeg ik, laat je

Vader je dan niet fchool gaan? — Neen Juffrouwtje,

antwoordde zy weer, dat kan Vader

niet bybrengen. — Zo ging ik naar haaren

Vader toe, die daar niet verre van daan flondt

te harken, en vroeg hem , waarom hy zyne

kinderen niet fchool liet gaan ? — Ach myne

lieve Juffrouw! zei de goede man, dat fpyt

my genoeg,maar 't fchool gaan kost hier geld,

en ik heb myne arme vrouw t'iiuis, die feedert

twee maanden ziek ligt, en niets verdienen

kan, en nu heb ik moeite, dat ik zoo vee!,

I' 3 ' by


342 IV. AFDEELING.

by malkaar, kryg, dat ik brood voor my en

myne arme fchaapen heb,en aan myue vrouw

bezorgen kan, alles wat zy nodig heeft; maar

myne kinderen fchool te zenden, daar kan ik

niet om denken. Zy helpen ook nog zoo wat

hier en daar wieden op den dag,en daar verdienen

zy ook nog zoo fomtyds een ftuivertje

mee. — Wel, dat isgoed,zeide ik,dat moeten

zy bly ven doen, want zy moeten vroeg leeren

werken, en arbeidfaam zyn voor den kost.

Maar ik zal by den fchoolmeefter gaan,en hem

verzoeken , dathyze , in't avondfchool, neeme;

en ik zal't geld voorje betaalen, dan kunnen

zyteevens ook nog wat leeren. — O dat

ioa goed zyn, myne lieve Juffrouw! zeide

man. — Ook waren de meisjes'er bly om,en

bedankten my zeer hartlyk. Ik ging derhalven

naar den fchoolmeefter toe, betaalde hem drie

maanden voor uit, en kogt,voor de meisjes,de

boekjes, die zy nodig hadden. — Allerheftig

zei de Vader; hoe nu verder?

K. 20 Jtily, 4 landfchapjes , (om op

myn kamer, teegen den muur, te hangen.)

. .' . ƒ a-4-J

V. Dat is ook goed, dat kan je te pas komen

, wyl je nu al redelyk begint te teekenen;

en


IV AFDEELING. 343

en 't is ook een goede opfchik voor je kamer,

het vervroiykt het gezigt.

K. 6 Auguftus. Voor een bord, ( dat

de[arme Jan gebrooken had, en hy je niet

durfde zeggen) . . 1 -: •:

V. Ik ben evenwel niet gewoon , daar

zoo hard om te kyven.

Kt Neen Papa, dat zeide ik hem ook.

Maar in zyn voorigen dienst, kreeg hy zoo

bedroefd kyven, om 't minfte dat hy brak, dat

de fchnk 'er nog in zat, en hy nu geheel van

zyn Huk was. Ik zei derhalven,teegenhem ;

wees maar gerustjan, ik zal'er een ander in

de plaats koopen; en dan zal niemand het

weeten.En toen washyzoob!y,alsofikhem

eene geheele beurs, met goud, gegeeven had.

Nu, nu, myne lieve Karoline! zei de Vader,ik

hoef niet verder te hooren. Omhels

my, je bent eene braave dogter, en je weet

regt, hoe men zyn geld befteeden moet. Voortaan

hoefje 'er my geen reekenfchapmeer van

te geeven; ik zie dat ik het je vertrouwen kan.

Daar op liet hy zyne twee jongens binnen

komen, wees hun, hoe wel hunne zufter

haar geld hefteed had, en zei vervolgens teegen

hen, —Jy Filip, geef je vier ducaaten

P 4 aan


344 IV. AFDEELING.

aan Karoline, want zy zyn jou tog onnut.

Je kunt net zoo goed vier kopere penninkjes,

of vier witte fteentjes, in een papiertje gerold

, in je laatafeltje weg leggen; het eene

zal daar net zoo veel goed als't andere doen.

— En jy Lodewyk, je weet niet wat geld is,

nog wat het waardig is. Een kwaad gebruik

van 't geld te maaken, is nog erger dan't in't

geheel niet te gebruiken. Het geld, dat je,

onder de jongens van het dorp,heb uitgefirooid,

heeft hun meer kwaad dan goed gedaan

; wyl zy veel meer aan hunne kleêren

bedorven hebben , dan 't geen je hun gaaft,

waard was j en zy ook nog braaf klop toe hebben

gekreegen. En dat je daar zoo veele plaifier

in gehad hebt, dat fpyt my nog 't meest

van allen, wyl het toont, datje niet goedhartig

bent. Voortaan,wanneer ik je weer

eens geld geef, verbiede ik je van 'er het minste

van uit te geeven, voor datje 'erje zusje

Karoline over geraadpleegthebt. En dit zal

duuren zoo lang,tot datje verftandiggenoeg

zult geworden zyn, om zelf te weeten, hoe

je 't moet gebruiken. Maarheb je aljegeld

aan de jongens op eens gegeeven ?

Lodewyk. Neen Papa.

V.


IV. AFDEELING. 34S

V. En hoe veel heb je over gehouden ?

L Vier fefthalven Papa.

V. En wat heb je daar meê gedaan?

L. Daar heb ik lekkers voor gekogt.

V. Ei, ei, zou dat by geval ook geweest

zyn, even voor datje zoo ziek geworden

bent?

L. Ja Papa.

V. Dan is 't zeeker van dat lekkers, dar jé

ziek bent geworden ?

L. "Wel ik geloof ja Papa.

V. En heb je gifleren niet een ducaat van,

je Oom gekreegen ?

L. Ja Papa.

V. Zeer goed; wagt dan maar een oogen*

blik, dat komt nog regt van pas. — Meteen

ging de Vader een papier, uit zyn bureau,haalèn,

en 't zelve aan Lodewyk overgevende;zie

daar, jongenheer, zeihy teegen hem, daar

heb je een reekening van dèn Chirurgyn, van

twee gulden, die 't gekost heeft om je te doen

geneezen; die kun jy nu van je ducaat betaalen.

Want heb jy plaifier gehad in je ziek temaaken,

dan kun je ook weer de koften van

je geneezing draagen. 't fs niet billyk dat ik,,

die je zoo dik wil gewaarfchuwdheb,.teegen 't

P 5 , ftroa_


346 IV. AFDEELING.

fhoepen, het ongenoegen hebben zou,van je

ziekte zien, en dan nog voor je zou moeten

betaalen toe. Dat is te veel gevergt. Het betaalen

is jou zaak, wy! 't joufchnld is, datje ziek

geworden bent. Ook hebjy 'er 't plaifier vaa

fnoepen voor gehad, en ik niet; dus kun jy

dat afmaaken, met den Chirurgyn. Ik bemoei

'er me niet meê, Wanneer je by ongeluk

ziek wordt, dan zal ik 't betaalen. Maar

heb jy plaifier om je zelf ziek te maaken, dan

moet jy ook draagen alles wat'er van komt.

Lodewyk ftondt bedroefd tekyken, maar

hy moest geduld neemen, endoen, wat zyn

Vader zei.

LI l

De Godsdienftigheii.

' Als in de lieve lente

De bloemen 't veld verfieren,

Dan pluk ik roozeknopjes,

Viooltjes, Maagdeliefjes,

Citroenkruid en Seringen,

Dan zal ik kransjes vlegten,

En draagen die ter eere,

Van God, die my het leeven,

Es


IV. AFDEELING. 347

En bloempjes beeft gefchonken.

Dan zing ik: Hemel Koning t

Gy doet viooltjes groeien,

Met roosjes, Maagdeliefjes,

Citroenkruid en Seringen,

Met duizend , duizend bloemen;

Om uwe magt en liefde

Aan Kinderen te toonen

Hoe mooi ftaat my dit kransjen 1

Ach laat my niet vergeeten

Dat gy het hebt doen groeien*

LI I L

Jacob. Papa waar wordt de zy van gemaakt?

Vader. Die wordt gefponnen, dooreen

worm, welken men diesweeger» den zy*

"jüorm noemt.

J. Dat is aardig Papa; hoe kan dan een

worm fpinnen?

P. Je hebt wel eens gezien, hoe de rupzen

zig aan een dun draadje , van de boomenj,

laaten nedervallen?

J. Ja Papa,

V* Weet je hoe de rupfen, dien draad

maaken, of, zoo als men *t noemt, fpinnen?

P 6 %


348 IV. AFDEELING.

J. Neen Papa.

V. Zy hebben, digt by den mond, een

of meer openingetjes, daar zy een foort van

lymig vogt door laaten loopen, hetwelk,

zoo ras het uit die openingetjes komt, terftond

opdroogt en taai wordt, en dus zulk

een draadje maakt, daar de rups lan kan hangen

, en dat zy ook zoo lang kan maaken,als

zy wil, door maar wat meer vogt, uit de openingetjes,te

laaten loopen.— Op deeze wyze

nu is het ook, dat de zy wurmen hunne

draaden fpinnen.

y. En is de zy dan altemaal gemaakf van

zulke draadjes; waar meê de zy wurmen zig 5

van de boomen, hebben laaten vallen ?

V. Neen, daar zou men te veel moeite voor

moeten neemen, om alle die draadjes te verzamelen.

Maar wanneer de zywurm groot

is, dan ondergaat hy eene zeer zonderlinge

verandering. Want dan wordt hy een uiltje

of kapelletje,

y. O Papa datwou ik wel eens zienhoe

gefchiedt dat tog ?

V. Dat kan ik jeweleenswyzen, want

alle de rupfen zyn, in 't zelfde geval. Die

veranderen ook allemaal in uiltjes of kapelletjes.


IV. AFDEELING. 349

jes. En alle die kapelletjes , dieje.inden

zomer, in den tuin, ziet vliegen, zyn allemaal

eerst rupfen of wurpjes geweest. En

zoo gaat het met de vliegen , en zeer veel aadere

infeclen ook,

J. Ei Papa, dat is tog aardig, dat had ik

nooit gedagt.

V. Ja dat geloof ik wel; men moet het

zien, om 'er zig eenig denkbeeld van te kunnen

maaken. En om 't je ook daadlyk te doen

zien, zullen wy eens eene rups, onder een

glas, of in een doosje met gaatjes zetten, en

geeven hem de bladen, die hy lust. En als

hy dan oud genoeg is, dan zul je zien, hoe

't met die verandering toegaat, Ondertusfchen

zal ik je tragten uit te leggen, hoe zulks by

den zywurm gefchiedt; en met alle de overige

rupfen &c. gaat het omtrent even eens.

Wanneer de zywurm groot genoeg is, wil

hy niet meer eeten!, maar gaat ergens, in een

hoekje,zitten ; of men doet hem,in een papiere

peperhuis, en daarbegint hy dan eerst,boven

in de opening, eenige losfe draaden, heen

en weer en over dwars, over malkandèren, te

fpinnen , die hy allen teegen de kanten van

'tpeperhuis vast maakt.

P7 %


350 IV. AFDEELING.

J. En hoe maakt hy ze daar tegen

vast ?

V. Als het vogt,daar hy die draaden van

maakt, nat is, dan is het zeer kleverig; en dus

maakt het zig van zelve, tegen de kanten van't

peperhuis, vast, als de wurm, eer hy den

draad maakt, het druppeltje, dat, uit de openingetjes,

onder den mond, komt, maar eerst

teegen 'r papier aan drukt, en dan den kop

wegtrekt, om [het door dat trekken tot een

draad te maaken, — Met deeze draaden nu

fluit hy eerst de opening toe. Daarna fpint hy

diergelyke draaden, naar alle kanten,om zig

heen, net als een netje of zakje, daar hy zig,

rnetdepooten,in vast kan houden. En wanneer

hy dat gedaan heeft,en hy nu in zyn nestje

op zyn gemak zit, begint hyeenmooien

langen draad te Apinnen, waar mee hy zig zeiven

omwindt, en dien zoo lang en zoo digt,

naar alle kanten, om zigheenenfpint, dat

het eindelyk', als een foort van vast eier fehaal_

tje maakt, waarin hy warmpjes en digt beflooten

zit; zoo dat men hem niet meer zien kan;

en 'er ook geen vegt of kou, byhem, kan

komen.

Wanneer de zywurm dit foort van eierfchaal-


IV. AFDEELING. 351

fchaaltje af heeft, en't binnenfte gedeelte van

*t zelve, met een lymig vogt,zeer vast en

flevig heeft gemaakt, dan trekt hy zyn vel

uit, en wordt een bruin popje, dat 'er wel

wat als een gebakerd kindje uitziet. En

indien je zulk een popje zaagt liggen, zou je

zeeker denken, dat het dood was. Maar wanneer

men *t even aanraakt, en zeer zagtjes

drukt, dan ziet men,dat het eenige beweeging

maakt, en dus leeft. In deezen ftaat blyft

het diertje eenige dagen liggen, en onderwyl

groeit of vormt 'er zig een kapelletje in; en

wanneer dat tot volmaaktheid is gekomen,

dan maakt het eene opening, boven in het vel

van 't popje, en komt 'er uit voorden dag,

en vliegt weg. En dan blyft het gefponne

tonnetje, met het vel van 't popje en dat van

den zywurm 'er in, daar liggen, wyl het voor

den zywurm, die nu een kapelletje geworden

is , uitgedient heeft. Kort daar na begint

het kapelletje eitjes te leggen, daar in't volgende

jaar weer jonge zy wurmen uit voor den

dag komen; maar dit laatfte gefchiedt niet

voor den tyd,dat de moerbeie-boomen,hunne

blaadjes krygen.

J. En waarom dat Papa ?


352 IV. AFDEELING.

•V. Om dat de zy wurmen niets anders dan

moerbeie-bladen eeten, en zy dezelven dus

nodig hebben, zoo ras zy uit het eitje komen.


Van dat oogenblik af, tot den tyd toe, dat

zy gaan fpinnen , verwisfelen zy wel driemaal

van vel. Datis te zeggen, dat zy uit hun eigen

vel uitkruipen, het met hunne agterfte

pooten van zig afftooten, en dan,, met een

nieuw vel, voor den dag komen. Onder al

dit vervellen nu, groeit de zywurm, en veranderd

geheel van gedaante. Want uit het

eitje komende, is het een zeer klein zwart

wurmpje, met een gitzwart blinkend kopje;

maar daarna wordt het wel zoo groot, als je

grootfte vinger ; en 't lichaam, en zelfs de

fcop, worden eerst afchgraauwagtig wit, en

daarna fchier geheel wit.

Maar nu moetikje eens zeggen, wat men

met de zyde doet..

J. Als 'tje belieft Papa.

V. Om die te kunnen gebruiken, moet

men niet wagten, totdat het kapelletje, uit

het tonnetje, kruipt; want om'er uit te kruipen,

maakt het 'er een gat in, en breekt en bederft

dus alle de draaden. Daarom neemt men

de


IV. AFDEELING. 353

de tonnetjes,waar van men de zyde wil gebruiken,

eenigen tyd voor dat de kapelletjes 'eruit

moeten komen, en legt ze,in laauwwater,

op dat de draad watlosweeke; en dan zoekt

men de einden van dien draad ; en als men 't

goede eind gevonden heeft, maakt men dat

aan een haspeltje vast; endoordathaspeltje

dan rond te draaien, kan men dien draad

afwinden, net zoo als men een kluwen gaaren

afwinden zou, indien men 'er weer een ftreng

van wou maaken. Maar om dat de draad,

zoo als de wurm hem fpint, zeer dun is, neemt

men verfcheide van die draaden te gelyk, en

voegt ze famen, om ze by malkanderen te

winden; en zoo doende maakt men'er draadenvan,

die de weevers kunnen gebruiken,

om 'er allerlei zyde ftofFen van te weeven.

L I V.

De goede les.

Jantje lief J al wat ge ziet;

Wat tot voeding van ons leeven

En verkwikking is gegeeven,

Hebben wy van God om niet.

Als


354. IV. AFDEELING.

Als ge dan aan tafel zit

Moet gy nimmermeer vergeeten,

Dat gy, eer geraakt aan 't eeten,

God eerst om een zegen bidt.

Gebed voor den eeten.

Niemand is zoo goed als gy

Groote God.' Gy zorgt voor my,

Als een Vader, alle dagen:

'K zie nu weer myn fpys gereed,

'K ben gezond, ik drink en eet.

Leer my, naar uw welbehagen,

Als een dankbaar kind, o Heer.'

Uwe milde gaven pryzen ,

Regt gebruiken, tot uwe eer,

En in al myn doen bewyzen,

Dat ik u, met hart en tzin,

Als myn befte Vader min.

Dankzegging nu den eéten.

(*) Wyze Schepper! al het goed,

CO Wanneer God iets maakt, hiet men

het


IV. AFDEELING. 355

Komt van ö in overvloed:

Voedzel, dekzel voor het leeven.

Menig kindje fchreit in nood,

Beedlende om een ftukje brood;

My hebt gy zoo veel gegeeven:

Wat is myn geluk dan groot l

'K dank u, voor den nieuwen zeegen ,

Uit uw' milde hand verkreegen:

'K ben verzadigd en verkwikt,

O! wie zou niet dankbaar weezen,

En u niet gehoorzaam vreezen,

Heer.' die alles wys befchikt?

Steeds zy uwe naam gepreezen!

* L V,

Moeder. Pauline, heugt je nog, wanneer

iets kan gezegd worden, met wysheid te zya

gemaakt?

Pauline. Ja Mama, wanneer 't zoo gemaakt

is, dat men 't ergens toe gebruiken kan.

M. Zeev wel. Wanneer iemand eenig

het fcheppen, om eenereede, die ik jein'tvervolg

uitleggen zal. Dus zegt men,God heeft

de waareld, en alles vnfeT'misgefcheapen^CTX

i»y is de Maaker, of'Jthetfcr der waareld.


556* IV. AFDEELING, 1

ding met voordagt gemaakt heeft, om het tot

eenig gebruik te doen dienen; en hy'tzelve

dan ookteevenszoo heeft gemaakt, dat het

'er daadlyk toe dienen kan , en dat het alles

heeft, wat daar toe nodig is; dan mag men

zeggen, dat hy het roet wysheid gemaakt

heeft, en dat hy ook,met regt, den naam

van een wys werkmeefter mag draagen.

Maar willen wy nu eens zien, Pauline,

hoe de dingen, die God voor ons gemaakt

heeft, ingerigt en vervaardigd zyn ?

P. Als 't je belieft Mama.

M. Laat ons dan maar eens het eerfte, dat

wy aantreffen; deezen kersfenboom, daar wy

nu vlak by zitten, ten voorbeeld neemen. Is

die kersfeboom gemaakt,om tot eenig gebruik

te dienen ?

P. Wel ik geloof ja Mama, om 'er

vrugten van te eeten.

M. Dat is ook zoo; God heeft de kersfeboomen

gemaakt, om dat zy vrugten zouden

draagen, en wy ons, in de eerfte hitte van

den zomer, met het lekker en verkoelend

vogt, dat'erin zit, zouden kunnen verkwikken.—Maar

is 'er nu niet nog een tweede ge-,

bruik, waar toe elke kersfeboom, op zyn

beurt, ook dienen moet? P.


IV. A F D E E L I N G . 357

P. Ik weetniet Mama, welk dan?

M. Je weet wel,dat de kersfeboomen,

even gelyk alle de andere boomen en planten

, oud worden, en eindelyk geheel verdorren

, en geen vrugten meer draagen

kunnen.

P. Dat is waar Mama, zoo heb ik 'er

den tuinman voorleeden een zien uitreeijen,

om dat hy te oud was, en geen vrugtmeer

droeg. — En hy zei,hy zou'er weer een jongen,

in de plaats, planten.

M. En waar krygt men de jonge kersfeboomen

van daan?

P. Wel Mama, heb je my niet gezegd,dat

men,om jonge keisfeboomente krygen, eerst

zaadjes hebben moet, die men , in den grond,

kan liggen.

M, Jawel, dat heb je wel onthouden,—•

En waar moeten die zaadjes van daan

komen ?

P. Wel die moeten aan de kersfeboomen

groeien.

M. Dat is ook zoo. En dit is de r halven

het dubbel gebruik, waar toe de kersfeboo»

men dienen moeten, 1 ons lekkere vrugten te

geeven ,• a zaaden te draagen, daar men weer

jon»


353 IV. AFDEELING.

jonge kersfeboomen van krygen kan; om in

plaats der ouden te zetten,en dus altyd vrugtdragende

kersfebomen te hebben.

Maar willen wy nu eens zien, of de kersfeboomen

in de daad tot dat dubbel gebruik

dienen; en ofzy alles hebben, wat'ernodig

is, om ze daar toe te doen dienen? .,

P. Als 't je belieft Mama.

M. Dat de kersfeboomen in de daad alle

jaar lekkere vrugten dragen, dat zie je alle jaar,

aan de kersfen,die'eraan groeien,en'er ook nu

nog aan hangen. Maar wat is het zaad van de

kersfeboomen?

P. Wel dat zyndekersfe-lteenenMama.

M. Dat is ook zoo. En waar groeien

die aan?

P. Wel in de kersfen Mama.

M. De kersfeboomen draagen derhalven

niet alleen vrugten, of kersfen,maar ook zaad,

daar men weer jonge kersfeboomen van krygen

kan. En dus dienen zy in de daad, tot de

twee gebruiken, daar zy toe gemaakt zyn;ons

met eene lekkere vrugt te verkwikken ,en't getal

der kersfenboomen, zoo veel men wil, te

vermeenigvuldigen, om'er altoos jongen, in

plaats van de ouden, te kunnen krygen.

P.


IV. AFDEELING. 359

P. Dat is waar Mama, '

M, Maar willen wy nu eens zien, hoe

dat alles in zyn werk gaat; om daar uit te kun»

nen 001 deelen, of de kersfeboomen, en alles

wat 'er toe hoort, ook met met voordagt,en 0verleg,

zyn gemaakt, en,met alles wat zy nodig

hadden, voorzien, om tot dat dubbel gebruik

te kunnen dienen.

P. Als 't je belieft Mama.

M. Daar toe zullen wy den kersfeboom nu

eens, van't eerfte begin zynergroeijing af aan,

nagaan. Luifter dan wel toe, en ilaa 'er

wel agt op.

P. Ja wel Mama, dat zal ik doen.

M. Het eerfte dat men doet, om een kersfeboom

te krygen, is een kersfefteentje, in

den grond, te leggen. Wanneer dat (teentje

daar nu, eenigen tyd, ingeleegenheeft,

dan zwelt het, en gaat epen, en 'er komt

een klein worteltje uit,dat in den grondfchiet,

en een klein fpruiije, met kleine blaadjes, dat

naar boven, uit den grond, opgaat.

Indien men het worteltje, en ook de zy»

worteltjes, die 'er vervolgens aan komen,

aan ftukjes fnydt,en ze, met een vergrootglas,

befchouwt, dan vindt men, dat zy geheel en

al


360 IV. AFDEELING.

albeftaan, uit zeer fyne en dunne holle pypjes

of buisjes , die aan 't uiterfte puntje open

zyn, en,door die openingetjes., hetvogt,uit

de aarde,opzuigen, zoo dat liet eerst tot boven

in de worteltjes, en daar na tot in het

fpruitje opklimt.

Van die vogt groeit het fpruirje , en wordt

alle dag wat grooter; en naar maaten het grooter

wordt, komen 'er meer en meer blaadjes

en takjes aan, en 't fpruitje zelf wordt een

Hammetje, dat die takjes draagt. — Beiden

nu het ftammetje en de takjes, opengefneeden

en van binnen met bet vergrootglas

befchouwd zynde, worden bevou-

0 den insgelyks te beftaan, uit kleine holle buisjes

, waar in het vogt, uit de wortels, opklimt,

en door de takken en fteeltjes der bladen, tot

in de bladen zeiven doordringt; en ondertusfehen

, het geheele boompje tot voedfel

verftrekt,

In de bladen, hebben deeze buisjes openingetjes,

waar door het overfchot van't vogt, na

dat'er de plant zyn voedfel uit getrokken heefr,

en dat vogt dus niet meer deugt, uitwaasfemt

en in de lugt weg vliegt—En bovendien hebben

deeze zelfde bladen ook openingetjes,,

o waar


IV. AFDEELING. 361

waar door zy, het vogt uit de lugt, en 't

water van den reegen, en de flraalen van

de zon, infiurpen of inzuigen ; en dat allés

dringt mede in 't plantje in, en firekt tot voedfel

aan het zelve, en doet het hoe langer hoe

meer groeien. Het middelde flengetje , 't

welk, in den beginne, zagt en buigzaam was,

wordt hard en fteevig; en de takjes worden

taai en fterk genoeg, om eene geheele last van

vrugten te kunnen draagen.

Wanneer het'boompje zoo ver gevorderd

is, komen 'er eerst witte bloemetjes aan; aan

dewelken van onderen een groen knopje, of

bolletje zit, daar de blaadjes van de bloem

op vast zitten. Daarna vallen die blaadjes van

't bloemetje wel af; maar 't groene knopje

blyft aan zyn fteeltje zitten. En dat knopje

wordt eerst grooter en zagter, en daarna verandert

het van kleuren wordtroodagtig, en

zwelt tot eene kers op, die dan een zagte roode

bast heeft, en vol lekker lap zit, en goed

is om te eeten.

Maar ondertusfchen dat die kers zoo gegroeid

is, is 'er, in 't midden der zelve, een

fteentje gegroeid, het welk zoo gemaakt is,

dat wanneer men 'tin den grond legt,'er, op

Q de


3*5a IV. A F D E E L IN G.

de wyze, die ik je daar zoo even heb uitgelegd

, weer eene andere jonge kersfeboom uit

voortfpruiten kan. En alle jaar draagt elke

kersfeboom eene meenigte van zulke kersfen,

met zulke fteenen of zaadjes 'er in; zoo dat

eer eene kersfeboom oud wordt en verdort,

men 'er al weer een geheel bofch met jonge

kersfeboomen van in de plaats heeft kunnen

hebben, indien men alle de fteentjes heeft

willen planten, die 'er aan gegroeid zyn. En

ondertusfchen hebben eene meenigte menfchen

zig kunnen verkwikken, met het fap

der kersfen, daar die fteentjes in gegroeid waren.

— Is het derhalven niet waar, dat de

kersfeboomen niet alleen zeer wel dienen, tot

het dubbel gebruik, waar toe zy gemaakt zyn;

maar ook dat zy daar toe,met voordagt en zeer

veel overleg, zyn gemaakt, en van alles

voorzien, wat zy daar toe nodig hadden;

en dat zy dus.met veel wysheid,zyn gemaakt;

als mede dat God, die ze dus gemaakt heeft,

met volle regt,verdient, een zeer wys Werkmeefterte

worden genaamd?

P. Ja wel, Mama, is dat waar.

M. En nu heb je nog maar een enkel {tukje

befci.ouwd van 't geen God voor ons gemaakt


IV. AFDEELING. 363

maakt heeft. In al 't overige zul je even vee!

wysheid ontdekken ; vooral zoo je de dieren,

en wel byzonder ons eigen lichaam befchou

wt,en daar by na^aat,watGod ons al gegeeven

heeft, om alle die dingen te kunnen

doen en verr:gten,die nodig zyn,tot het geene,'

waar toeGod ons heeft beftemd. Dus,by voorbeeld

, gaf hy ons oogen om te kunnen zien ;

ooren om te kunnen hooren; eene mond met

tanden, om te kunnen eeten ; eene tong en

lippen, om te kunnen fpreeken; handen om

allerlei werk te kunnen verrigten; voeten om

te kunnen gaan,- enz. En indien je kondt

zien en nagaan, hoe dat alles van binnen gemaakt

is, om tot alle die verfchillende gebruiken

te kunnen dienen, en alle die werkingen

te kunnen verrigten, dan zou je geheel verwonderd

en verbaasd ftaan, en volkomen erkennen,

dat God eene wysheid bezit, zoo

groot, dat wy 'er ons zeiven geen denkbeeld

van maaken kunnen.

P. O Mama l dat wou ik alles wel

eens zien.

M, Met'er tyd zal men'er je ten minflen

een gedeelte van uitleggen, maar nu zou het

je begrip nog ai te verre te boven gaan.

Q * Laat


364 IV. AFDEELING.

Laat ons liever maar eens in 't algemeen na­

gaan , hoe wel deeze aarde, "deeze velden die

wy bewoonen, gefchikt zyn tot een veiblyf,

waarop wy alles zouden kunnen vinden, wat

wy nodig hadden, om ons leeven niet alleen,

door fpys en drank, te onderhouden; maar

ook om het, door eeneverfcheidenlieidvan

genotten envermaaken, te veraangenaamen;

en dus, op deeze aarde, naar Gods goedertie­

ren en liefderyk oogmerk, gelukkig en wel

vei genoegd te kunnen leeven.

De grond zelve voor eerst, dien wy betree­

den, en die, doorgaans ten min Hen, vast en

fteerig genoeg is, om 'er onze wooniugen,

ja de zwaarfie gebouwen, in volle zeekêrheid,

op te kunnen veltigenjsgemaakt van aarde,

die tevens als ze deeze fteevigheid heeft, tog

ook losjes genoeg' op een ligt , dat

'er de wortelen der planten en boomen gemak­

lyk, naar alle zyden, kunnen in en door drin­

gen; ten einde dus de vogtigheid, waar meê

dezelve overal doortrokken is, te gaan opzoe­

ken, en inzuigen, om 'er hun voedfel uit te

trekken, en 'er het geurig fap hunner vrugten,

eu't voedzaam meel hunner zaden en graanen

uit te bereiden.

Maas


IV. AFDEELING. 365

Maar om nu de daartoe vereifchte vogtig-

heid,in den grond,te onderhouden , is dezel­

ve, alom doorfneeden, met beeken, ftroo­

men en wateren, een gedeelte van welker

vogt, van alle zyden, in de aarde in trekken ze

dus vogtig houdt. Dan daar 'er altoos nog

plaatfen overblyven, die te verre van deeze

beeken, ftroomen en wateren af geleegen

zyn, om'doordezelven,opdie wyze,te kun­

nen worden bevogtigd; en' daar ook deeze

beeken en ftroomen zelfs ras zouden opdroo-

gen, indien zy geen geduurigen nieuwen toe­

voer van water kreegen, zyn, gelyk ik je

reeds suitgelegd heb, de lugt, het water, en 't

vuur der zonneftraalen zoo gemaakt, dat 'er,

niet alleen uit die beeken en ftroomen, maar

ook vooral, uit de groote zee, dewelke van

alle zyden onze aarde omringd, geduurig ee­

ne meenigte dampen opryzen, welken,boven

in de lugt, tot wolken, by een vergaderd,eu

door de winden voortgedreeven,hun water, in

vrugtbaarmakende reegenvlagen, dan over

deeze, dan over geene velden,uitftorten, en

dus elk derzelven,op zyn tyd,bevogtigen;

terwyl het oveifchot deezer wolken en dam­

pen, naar de bergen dryfr, endaardebron.

Q 3 wel-


Z66 IV. AFDEELING.

weilen der beeken en ftroomen, van eenen

genoegzaamcn voorraad van water voorziet.

Het loof, de kruiden, de graanen, de

vrugten en planten van allerlei aart, die,

door deeze fchikking, voortgebragt worden,

zyn zoo gemaakt, dat zy de beeften en ons tot

voedfel, en ons menfchen in'tbyzonder,tot

kleeding, huisvefting, verwarming, en duizend

andere nuttige en nodige gebruiken dienen

kunnen. Terwyl de bevallige meenigte

derbioemen onze wooningen verciert, onze

• oogen verrukt, en duizend balfemgeuren in

de lugt verfpreidtjde zon dit alles,met zynen

blyden draal, befchynt; deHemel 'er zyn zagt

blinkend gewelf over uitfpant; en menfchen

en beeden zig verheugen , in 't ruim genot

deezer zoo overvloedige, 200 nuttige,en zoo

fchoone gefchen ken, die zig,van zei ven, alle

dag en alle jaar,voor hen,vernieuwen en vermeenigvuldigen.

— Wiejnyne lieve Pauliael

wie ziet nu niet, daar hy dit alles befchouwt,

dat het alles met wysheid is gemaakt? En det

die God, die dat alles, tot zoo veele en zoo

meenigvuldige gebruiken,voor ons, gemaakt

heeft, en het zoo gemaakt, dat het ook daadlyk,

tot die gebruiken, zoowel dienen kan,


IV. AFDEELING. 367

een wys werkmeefter is; ja dat liy zoo veel

wysheid, als goedertierenheid en weldadigheid

bezitten moet ?

P. Ja Mama dat moet hy zeeker.

M. En nu heb je nog maar een klein gedeelte

van zyne werken, en dat nog maar zeer

oppervlakkig,en zeer gebrekkig befchouwd.

Hoe meer je ze allen, in hunne byzonderheeden

en in hunnen famenhang, zult nagaan ,

hoemeer je, over zyne Goederfierenheid,en

over zyne wysheid,zult verwonderd ftaan,en

je verh2ugen,dat je zulk een wys en goedertieren

Vader hebt, die je daaglyks zoo veel goed

bewyst, en altoos in ftaat blyft, om je nog

zoo veel meer goed te bewyzsn. — Kom dan,

myn lieve kind! val, metmy, voor hem neder,

en zeg met my; — O! onze God, onze

Hemelfche Vader ! hoe uitmuntend , hoe

voortreflyk zyn alle de werken,die gy gemaakt

hebt! Hoe groot is de wysheid, hoe groot is

de goedertierenheid en liefde, die gy ons, in

dezelven, hebt betoond ! Wy ftaan van verwondering

verbaasd, van dankbaarheid en

liefde opgetoogen. Wy kunnen u alle de aandoeningen

van ons hart niet uitdrukken,- maar

gy ziet de aandoeningen van ous hart, olaa-

Q 4. tea


363 IV. AFDEELING.

ten dezelven u aangenaam zyn! En hou ons

fteeds in uwe wyze,- in uwegoedertierene en

Vaderlyke befcherming.

L V I.

Op een ichoonen zomer avond, ging de

kleine Adolf, metzyn Vader,in 'tvekl, tusfchen

de kooren akkers wandelen, en kwam

by eenen akker, die niet wel gewied zynde ,

vol roode klaproozen en blaauwe koorenbloemetjes

ftondt. Door de fchoone kleuren getrcffen,riep

Adolf uit, vol vreugde; O Papa!

wat ftaat dat mooi! zoo een geheel veld vol

mooie bloemen! Wat is het jammer,dat de

boer 'er dat geele onkruid tusfchen in laat wasfen;

kwam. my de akker toe, ik trok 't 'er alles

uit.

ZoujePzeide Vader. Indien alle de boeren

zoo dagten, dan waren wy'er bedroefd

aan. Dat geen, 't welk jy 't geele onkruid

noemt, is het kooren, waar van men brood

bakt, en dat onstdus van 't allergrootftenut

is. Maardiebloemen,dieje zoo fraai vindt,

dienen byna nergens toe, en beletten maar het

kooren te groeien, Indien het dus myn akker

geweest ware, zou ik ze'er allen zorgvuldig

hebben laaten uittrekken. Want het zyn die

bloe-


IV. AFDEELING. 3%

bloemen, die 't onkruid zyn ; maar het kooren

is eene zeer nuttige plant, die de boer

daar, met veel zorg en arbeid, gezaaid heeft ;

om 'er brood van te bakken, en 'er geld voor

te krygen, 't welk hy geen van beiden , van

die b!oemen,maaken of krygen kan.—Leer

derhalven hier uit, myn lieve Jongen l datje

de dingen nier, naar den uitwendigenfiaaierr

fchyn , moet beoordeelen en waardeeren;

maar dat je eerst moet nagaan, tot welk gebruik

zy dienen kunnen , werk nut of welk

genoegen zy ons kunnen bezorgen. — En ook

omtrent de menfchen,moet je dus te werk

gaan. Want meenig een, die kostlyk gekleed

is, en eene fraaie venooning maakt, is niet

half zoo goed, en verdient niet half zoo veel

agting, als meenig ander, die,onder een gering

voorkoomen , voor den dag treedt..

Oerdeel derhalven de menfchen op *t uiterlyi

ke niet; maar denk datveeltydsdiegeenen,

die de fraaiue en fchitterendfte vertooning

maaken, juist als de bloemetjes in 't kooren

zyn.

Jonker fnelvoet, die groote lust had om.

te gaanreizen, datisverreafgeleegeneplaat-

Q 5 fèra


370 IV. AFDEELING.

feu en landen te gaan bezien, begaf zig,met

zynen leidsman,op weg. Naauwlyks waren

zy aan eene vreemde plaats gekomen , of onze

reiziger vroeg reeds; waar gaan wy nu verder

heen? Enby gaf zig nimmer tyd, om 't

fraaie en meikwaardige van de plaats, daar

hy was, te gaan bezigtigen; telkens maar

verlangende, weer aan eene nieuwe plaats

te komen.

Zyn leidsman raadde hem wel iTerk aan,

dat hy zig wat langer, op iedere plaats,zou opheuden;

wyl hy anders niets zien,en niets leeren

zou, en dus geen nut van zyne reizen

trekken. Maar deeze raad was vergeeffch ;

jonker fnelsoet wilde al immer voort; en lei

zyne geheele reis, op dezelfde wyze,af; zoo

dat hy 'er,in 't einde,niets anders aan had,dan

dat hy eene meenigte van plaatfen, net als een

trekvogel, was doorgevlogen.

Maar'hy had ook ras oorzaak van berouw.

Want t'huis gekomen zynde , was een ieder

nieuwsgierig om hem te zien , en met hem te

fpeeken; en een ieder vroeg hem,wat hy op

zyne reizen al gezien had. Doch daar ftondt

jonker fnelvoet nuverleegcn,en befchaamd,

en wist niets te zeggen, dan alleen, dat hy

die


IV. AFDEELING. 371

die en die ileeden, vliegend had doorgereisd.

Maar wat 'er