CLAIRLIEU - Canons Regular Blog
CLAIRLIEU - Canons Regular Blog
CLAIRLIEU - Canons Regular Blog
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
<strong>CLAIRLIEU</strong><br />
TIJDSCHRIFT GEWIJD AAN DE<br />
GESCHIEDENIS DER KRUISHEREN<br />
ZESENTWINTIGSTE<br />
1968<br />
J A A R G A N G<br />
Aflevering 1 & 2<br />
JLICHTLAND - DIEST
<strong>CLAIRLIEU</strong><br />
TIJDSCHRIFT GEWIJD AAN DE<br />
GESCHIEDENIS DER KRUISHEREN<br />
ZESENTWINTIGSTE<br />
1968<br />
JAARGANG<br />
Aflevering 1 & 2<br />
LICHTLAND - DIEST
STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
DER KRUISBROEDERS<br />
IN DE VIJFTIENDE EEUW<br />
door<br />
Dr. P. VAN DEN BOSCH<br />
Kruisbeer
WOORD VOORAF<br />
Nu deze STUDIBN als dissertatie worden aangeboden, gaan<br />
mijn gedachten uit naar wijlen professor Dr. J. F. Niermeyer,<br />
in leven hoogleraar in de middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit<br />
van Amsterdam, die op 12 december 1965 overleed. Hij<br />
immers was het die als eerste instemde met de keuze van het onderwerp<br />
en daarna voortdurend met nauwlettende zorg en belangstelling<br />
het onderzoek volgde, aanmoedigde en met waardevolle<br />
adviezen ondersteunde. Daar professor Niermeyer zelf een proefschrift<br />
verdedigd had waarin op grond van Luikse en Maastrichtse<br />
oorkonden een bijdrage geleverd werd tot de geschiedenis van<br />
burgerij en geestelijkheid in het Maasgebied tot in de dertiende<br />
eeuw, liet zich zijn belangstelling voor een nauw met de geschie<br />
denis van het Luikse verbonden geestelijke orde gemakkelijk verklaren.<br />
Enkele artikelen van zijn hand gaven bovendien blijk van<br />
zijn interesse voor het middeleeuwse kloosterleven.<br />
Prof. Niermeyer heeft dit onderzoek niet ten einde toe mogen<br />
begeleiden. Dankbaar voor het vele dat deze grote en veelzijdige<br />
geleerde mij geschonken heeft, blijf ik hem in diepe erkentelijkheid<br />
gedenken.
INHOUD<br />
Een tvoord vooraf ........ 5<br />
Bronnen en Literatuur 7<br />
Inleiding ......... 17<br />
I : Het begin van de hervorming in 1410 ... 30<br />
II: De observantie-beweging ..... 45<br />
III: De observantie in de voor 1410 gestichte kloosters 66<br />
IV : De stichtingen na 1410 105<br />
V: De Kruisbroeders en de zielzorg . . . . 124<br />
VI: De bibliotheken van de Kruisbroeders . . . 130<br />
VII: De Kruisbroeders en de Moderne Devoten . . 153<br />
Samenvatting, 163 - Resume, 167 - Zusammenjassung, 172<br />
- Summary, 111<br />
Bijlagen 183<br />
ILLUSTRATIES<br />
Orde van het H. Kruis, 1410 %<br />
Orde van het H. Kruis, 1410-1499 128<br />
Hs. Luik, Un. Bibl. 35 C, fol. 35 r" 48<br />
Hs. Luik, Un. Bibl. 35 C, fol. 4 r° 64<br />
Hs. Luik, Un. Bibl. 35 C, fol. 95 r° 160<br />
Hs. Luik, Un. Bibl. 102 D, fol. 112 r° 176
A. BRONNEN<br />
BRONNEN EN LITERATUUR<br />
De belangrijkste bron is het werk van A. van de Pasch, Definities der<br />
generate kapittels van de orde van het Heilig Kruis, 1410-1786. Dit<br />
werk is sinds enkele jaren persklaar en zal worden uitgegeven door de<br />
Koninklijke Commissie voor Geschiedenis in Belgie. Het manuscript<br />
is voor ieder te raadplegen bij voornoemde commissie te Brussel en<br />
bij de bewerker (Kreuzherrenkloster, Liebfrauental, (5466) Ehrenstein<br />
bei Neustadt, Deutschland). Voor hun bereidwilligheid het<br />
manuscript voor ieder ter raadpleging beschikbaar te stellen, wordt<br />
zowel Prof. Dr. F. Vercauteren, secretaris der commissie, als de<br />
bewerker hier hartelijk dank betuigd.<br />
Acta Capituli Windeshemensis, Ada van de Kapittelvergaderingen der<br />
Congregate van Windesheim, uitgegeven en van aantekeningen voorfcien<br />
door S. van der Woude, 's-Gravenhage 1953 (Kerkhistorische<br />
studien behorende bij het Nederlands Archief voor Kerkgeschie-<br />
denis, 6).<br />
E. Bacha, Catalogue des actes de ]ean de Baviere, 1390-1417, Liege 1898.<br />
, La chronique liegoise de 1402, Bruxelles 1900 (Comm. Roy. Hist).<br />
S. Balau-E. Fairon, Chroniques liegeoises, 2 vol., Bruxelles 1913-1931<br />
(Comm. Roy. Hist).<br />
St. Bormans-E. Schoolmeesters-E. Poncelet, Cartulaire de I'&glise Saint-<br />
Lambert a Liege, 6 vol., Bruxelles 1893-1933 (Comm. Roy. Hist).<br />
R. Brandts, Inventar des Archivs der Pfarrkirche St. Antonius in Wickrath,<br />
Diisseldorf 1957 (Landschaftsverband Rheinland, Inventare<br />
Nichtstaatlicher Archive, 4).<br />
G. Brom, Bullarium Trajectense Romanorum Pontijicum Diplomata ...<br />
in veterem episcopatum Trajectensem destinata, 2 vol., 's-Gravenhage<br />
1891-1896.<br />
D. D. Brouwers, Privileges aux Croisiers par le magistrat de Dinant en<br />
1491, in Namurcum, 12 (1935), p. 17-21.<br />
L. Bruggeman, Het archief van het klooster van Sint Agatha bij Kuik, in:<br />
Verslag van 's-Rijks oude archieven, Den Haag, 37 (1914).
BRONNEN EN LITERATUUR 9<br />
J. Busch, Des Augustinesprobstes Joh. Busch Chronicon Windeshemense<br />
und Liber de rejormatione monasteriorum, herausg. K. Grubbe, Halle<br />
1886 (Geschichtsquellen der Prov. Sachsen, 19).<br />
G. Chastellain, Chroniques des dues de Bourgogne, 1404-1474, 5 vol.,<br />
ed., H. Kervijn de Lettenhove, Bruxelles 1863.<br />
L. Devillers, Cartulaire des comtes de Hainaut, t. Ill, Bruxelles 1886.<br />
F. Discry, Notice historique et nouvel inventaire des archives de la ville<br />
Huy, Huy 1962 (gestencilde uitgave).<br />
E. DE Dynter, Chronicon des dues de Brabant, 3 vol., ed. P. F. X. de<br />
Ram, Bruxelles 1854-1860 (Comm. Roy. Hist).<br />
E. Fairon, Regestes de la cite de Liege, 4 vol., Liege 1933-1939.<br />
, Chartes confisquees aux bonnes villes du pays de Liege et du cotnte<br />
de Looz apres la bataille d'Othee, 1408, Bruxelles 1937 (Comm.<br />
Roy-Hist.).<br />
Het Frensweger Handschrijt betrefjende de geschiedenis van de Moderne<br />
Devotie, uitgegeven door W. Jappe Alberts-A. L. Hulshoff, Gro-<br />
ningen 1958 (Werken van het Hist. Genootschap, 3e serie, nr. 82).<br />
Het Frensweger Handschrijt, uitgegeven door A. J. Bemolt van Loghum<br />
Slaterus, in zijn boek Het Klooster Frenswegen, Arnhem 1938.<br />
C. J. Gonnet-R. D. Baart de la Faille, Inventaris van het archief der<br />
stad Hoorn, Haarlem 1918.<br />
H. DE Gruijter, Constitutionum Hexapla, Zoeterwoude 1951.<br />
J. Habets, De archieven van het kapittel der hoogadellijke (vorstelijke)<br />
rijksabdij Thorn, 2 din., Den Haag 1889-1899.<br />
L. Heere, Inventaris van het archief van het Kruisherenklooster te Maas-<br />
eik, 1961 (in handschrift berustend in het archief van de orde der<br />
Kruisheren te Leuven).<br />
C. R. Hermans, Annales canonicorum regularium S. Augustini ordinis<br />
Sanctae Crucis, 3 vol., Silvaeducis 1858, en Index, Diest 1953.<br />
Itineraires de Philippe le Hardi et de ]ean sans Peur, dues de Bourgogne,<br />
1363-1419, d'apres les comptes de depenses de leur Hotel recueillis<br />
et mis en ordre par E. Petit, Paris 1887.<br />
Jacobus Traiecti alias de Voecht, Narratio de inchoatione domus cleri-<br />
corum in Zwollis. Met akten en bescheiden betreffende dit fraterhuis,<br />
uitgegeven door M. Schoengen, Amsterdam 1908 (Werken van het<br />
Hist. Genootschap, 3e serie, nr. 13).<br />
A. Miraeus-F. Foppens, Opera Diplomatica, 4 vol., Louvain-Bruxelles<br />
1723-1748.<br />
Enguerrand de Monstrelet, Chronique, 1400-1444, 6 torn., ed. L.<br />
Douet d'Arcq, Paris 1857-1862 (Soc. de l'Hist. de France).<br />
Oorkonden van de Broeders van het Getwene Leven, uitgegeven en vertaald<br />
door J. H. Hofman, in Archiej voor de geschiedenis van het aartsbisdom<br />
Utrecht, 2 (1875), p. 272-275.
10 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
A. van DE Pasch, Definities der generate kapittels van de orde van het<br />
Heilig Kruis, 1410-1786 (manuscript).<br />
, De tekst van de constitutes der Kruisheren van 1248, in Hand. Kon.<br />
Comm. Gesch. Brussel, 111 (1952), p. 1-96.<br />
Rekeningen van het bisdom Utrecht, 1378-1373, Eerste deel, uitgegeven<br />
door K. Heeringa, Utrecht 1926 (Werken van het Hist. Genootschap,<br />
3e serie, nr. 50).<br />
L. Reypens, Kleine Dietsche teksten in een handschrift uit Clairlieu, in<br />
Ons Geestelijk Erf, 19 (1945), p. 226-232.<br />
G. F. Sandberg, Archivalia van het klooster der Kruisbroeders te Schie<br />
dam, 1442-1554 (getypte inventaris, Den Haag, Alg. Rijksarchief,<br />
1960-1961).<br />
Jean de Stavelot, Chronique, 1388-1449, ed. A. Borgnet, Bruxelles<br />
1861 (Comm. Roy. Hist.).<br />
J. de Theux de Montjardin, Le chapitre de Saint-Lambert a Liege, 4<br />
torn., Bruxelles 1871-1872.<br />
Thomas Hemerken a Kempis, Opera omnia, 8 Bde., herausg. M. J. Pohl,<br />
Freiburg i.Breisgau 1910-1922.<br />
Die Urkunden Kaiser Sigmunds, Band I 1410-1424, von W. Altman,<br />
Innsbruck 1896 (Regesta Imperii XI).<br />
B. LITERATUUR<br />
J. Acquoy, Het klooster te Windesheim en zijn invloed, 3 din., Utrecht<br />
1875-1880.<br />
J. H. Aerts, Boekencatalogus uit de 15e eeuw van het Kruisherenklooster<br />
te Hoei, in Ons Geestelijk Erf, 23 (1949), p. 335-338.<br />
W. Jappe Alberts, Zur Historiographie der Devotio moderna und ihrer<br />
Erforschung, in Westfalische Forschungen, 11 (1958), p. 5-67.<br />
A. van Asseldonk, Het brevier van de Kruisheren, in Clairlieu, 2 (1944),<br />
p. 7-144.<br />
, Handschriften van Kruisheren, in Clairlieu, 14 (1956), p. 65-87.<br />
, Franciscus Vaes van longeren, in Clairlieu, 15-16 (1957-1958).<br />
, De Odilia-preek van 1439, in Clairlieu, 17 (1959), p. 26-52.<br />
G. van Asseldonk, De Nederlanden en het Westers Schisma tot 1398,<br />
Utrecht 1955.<br />
St. Axters, Geschiedenis van de vroomheid in de Nederlanden, 4 din.,<br />
Antwerpen 1950-1960.<br />
E. Barnikol, Studien zur Geschichte der Bruder vom gemeinsamen Leben,<br />
Tubingen 1917 (Erganzungsheft zur Zeitschrift fur Theologie und<br />
Kirche).<br />
J. Bartier, Bourgondie's indringen in het prinsbisdom Luik, in Algemene<br />
Geschiedenis der Nederlanden, deel 3, Utrecht etc. 1951, p. 299-302.
BRONNEN EN LITERATUUR 11<br />
E. Beck, The order of the Holy Cross (Crutched Friars) in England, in<br />
Transactions of the royal historical society, 3 s. 7 (1913), p. 191-208.<br />
U. Berliere, Monasticon Beige, torn. I : Province de Namur et de Hainaut,<br />
2 livr. Maredsous-Liege 19612, torn. II : Province de Liege, 3 livr.<br />
Maredsous-Liege, livr. 1, 2, 19622, livr. 3, 1955.<br />
Bibliotheca Manuscripta Fratrum Ord. S. Crucis, I en II, Sint-Agatha 1951<br />
(gestencilde uitgave).<br />
F. van de Borne, De observantie-beweging en het ontstaan der provincie<br />
Germania Inferior, in Collectanea Franciscana Neerlandica, II (1931),<br />
p. 133-236.<br />
, Geert Groote en de moderne devot'ie in de geschiedenis van het<br />
Middeleeuwse kloosterwezen, in Studia Catholica, 16 (1940), p. 397-<br />
414 ; 17 (1941), p. 120-133, 197-209 ; 18 (1942), p. 19-20, 203-224.<br />
J. van den Bosch, Le convent des Croisiers de Lannoy 1474-1792, in<br />
Clairlieu, 13 (1955), p. 3-43.<br />
, De „cultus crucis" in de Kruisherenorde, in Rond inhoud en beleving<br />
van de spiritualiteit der orde van het Heilig Kruis, Diest 1955, p.<br />
101-124.<br />
R. van Bract, De Blijde Inkomst van de hertogen van Brabant Johanna<br />
en Wenceslas, Leuven 1956 (Standen en Landen, 13).<br />
D. A. Brinkerink, Biographieen van beroemde mannen uit de Deventerkring,<br />
in Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht,<br />
27 (1901), p. 400-423 ; 28 (1902), p. 1-37, 225-276, 321-343 ;<br />
19 (1903), p. 1-39.<br />
A. Buchet, Le prieure des Croisiers de Brandenbourg a Raeren, 1477-<br />
1784, Verviers 1948.<br />
J. Bulloch, The Crutched Friars, in Records of the Scottish church history<br />
society, X (1949), p. 89-106.<br />
F. Cayre, Patrologie et histoire de la Theologie, 3 tomes, Paris 1944-1945.<br />
M. Colson, Het Kruisherenklooster te Maaseik tijdens de Franse Revolutie,<br />
in De Kruisheren te Maaseik, 1476-1797, 1855-1955, Maaseik<br />
1955, p. 141-214.<br />
, De eigendommen der Kruisheren van Maaseik onder en na de Franse<br />
Revolutie (1797-1855), in Het Oude Land van Loon, 11 (1956),<br />
p. 121-160.<br />
L. H. Cottineau, Repertoire Topo-Bibliographique des Abbayes et Prieu-<br />
res, 2 vol., Macon 1935-1937.<br />
C. van Dal, Rond ,,Vestis Nuptialis", in Clairlieu, 11 (1953), p. 3-29.<br />
, De Kruisheren in de geschiedenis, Diest 1956.<br />
, Cistercienzer-literatuur op de Kruisherenboekerijen, in Ctteaux in de<br />
Nederlanden, 7 (1956), p. 291-294.<br />
F. Danhaive, Les Croisiers de Namur, in Le Guetteur Wallon, 8 (1931),<br />
p. 25-28.<br />
J. Daris, Histoire du diocese et de la principaute de Liege pendant le<br />
XVe siecle, Liege 1887.
12 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
E. Delaruelle-E. R. Labande-P. Ourliac, UBglise au temps du Grand<br />
Schisme et de la crise conciliate, 1378-1449, Paris 1962 (A. Fuche-<br />
V. Martin, Histoire de l'Eglise depuis les origines jusqu'a nos<br />
jours, 14).<br />
S. Drost, Geschiedkundig overzicht van het Kruisherenklooster te Hoorn,<br />
in Geschiedkundige Bladen, 2 (1906), p. 177-190.<br />
A. Durand, Le prieure de Saint Ursin a Lignieres-la-Doucelle, in Clairlieu,<br />
22 (1964), p. 3-90.<br />
, Les Croisiers en Normandie, Le prieure Sainte-Croix de Caen, in<br />
Clairlieu, 25 (1967).<br />
, Les Croisiers en Bretagne, Le prieure de Saint Georges (manuscript).<br />
E. Fontaine, Les Croisiers de Liege en face de la Suppression, in Clairlieu,<br />
7 (1949), p. 14-39.<br />
, Mgr. Jacques Dubois et la fin du prieure de Carignan, in Clairlieuf<br />
8 (1950), p. 49-66.<br />
- -, La fin de Clair-lieu, in Clairlieu, 9 (1951), p. 6-42.<br />
J. Francino, Geschiedenis van de Orde der Kruisheren, Utrecht 1948<br />
(Batavia Sacra 3).<br />
O. Gatzweiler, Die Liturgischen Handschriften des Aachener Munsterstifts,<br />
Miinster 1926.<br />
L. Genicot, L'Economie rurale Namuroise au Bas Moyen Age, t. II Les<br />
Hommes-La noblesse, Louvain I960.<br />
A. Grosche, Geschichte des Klosters Glindfeld, Bigge-Ruhr 1957.<br />
R. Haass, Die Kreuzherren in den Rheinlanden, Bonn 1932 (Rheinisches<br />
Archiv Veroffentlichungen des Instituts fiir geschichtliche Landeskunde<br />
der Rheinlande an der Universitat Bonn, 23).<br />
, Spatmittelalterliche Rejormbestrebungen im niederldndisch-niederrheinischen<br />
Raum und der Kreuzherrenorde, in Annalen des Hist. Vereins<br />
f. d. Niederrhein, 144-145 (1946-1947), p. 44-62.<br />
, Devotio moderna in der Stadt Koln im 15. und 16. ]ahrhundert, in<br />
Veroffentlichungen des Kolnischen Geschichtsvereins, 25 (I960), p.<br />
133-154.<br />
H. P. A. van Hasselt, Geschiedenis van het klooster der Kruisheren te<br />
Maastricht, in Publ. de la Soc. hist, et arch, dans le Limbourg, 39<br />
(1903), p. 1-137.<br />
, Geschiedenis van het klooster der Kruisheren te Wickrath, in Geschiedkundige<br />
Bladen, 2 (1906), p. 17-37.<br />
J. M. Hayden, The croisiers in England and France, in Clairlieu, 22<br />
(1964), p. 91-110.<br />
L. Heere, Het Roermondse Kruisherenklooster, in Publ. de la Soc. hist.<br />
et arch, dans le Limbourg, 11 (1941), p. 6-28.<br />
, Uit de Librije van Sint Pietersdal te Hoorn, in Clairlieu, 9 (1951),<br />
p. 75-79.<br />
, Het Kruisherenklooster te Maaseik voor de Franse Revolutie, in De<br />
Kruisheren te Maaseik, 1476-1797, 1855-1955, Maaseik 1955, p.<br />
9-77.
BRONNEN EN LITERATUUR 13<br />
, Het Kruisherenklooster te Venlo, in Publ. de la soc. hist, et arch.<br />
dans le Limbourg, 92-93 (1956-1957), p. 235-368 ; 94-95 (1958-<br />
1959), p. 209-300.<br />
O. Hendriks, Gerardus Geldenhouwer Noviomagus, in Studia Catholica,<br />
31 (1956), p. 128-149, 176-196.<br />
P. J. ter Horst, Ter Apel en Zandberg, in Archief Aartsbisdom Utrecht,<br />
2 (1875), p. 321-335.<br />
J. Huyben, De verspreiding der Nederlandse spiritualiteit in het buitenland<br />
en in de 14e en 15e eeuw, in Ons Geestelijk Erf, 24 (1930), p.<br />
168-182.<br />
, ]an van Schoonhoven, leerling van de Zalige ]an van Ruysbroec, in<br />
Ons Geestelijk Erf, 6 (1932), p. 282-303.<br />
L. Indestege, Bij het 700-jarig bestaan van de orde van het Heilig Kruis,<br />
in Het Oude Land van Loon, 16 (1961), p. 201-219.<br />
A. G. Jongkees, Staat en kerk in Holland en Zeeland onder de Bourgondische<br />
hertogen, 1425-1477, Groningen 1942.<br />
H. Keussen, Die Matrikel der Universitat Koln, 1389-1559, 3 Bde., Bonn<br />
1928-1931.<br />
E. Kittel, Das Kreuzherrenkloster Falkenhagen, in Dona Westfalica Georg<br />
Schruber zum 80. Geburtstage, Minister 1963, p. 137-166.<br />
D. Knowles, The religious Orders in England, 3 vols., Cambridge 1959.<br />
G. Kurth, La cite de Liege au moyen age, 3 vol., Bruxelles 1910.<br />
A. Lallemant, La lutte des Etats de Liege contre la maison de Bourgogne,<br />
1390-1492, Bruxelles z.j.<br />
J. Leclercq, Initiation aux auteurs monastiques du Moyen Age, Paris<br />
1957.<br />
, Aux sources de la spiritualite occidentale, Paris 1964.<br />
, Temoins de la spiritualite occidentale, Paris 1965.<br />
J. Lejeune, Liege et son pays. Naissance d'une patrie (XIHe-XIVe siecles),<br />
Liege 1948.<br />
W. Lourdeaux-E. Persoons, De statuten van de Windesheimse Mannenkloosters<br />
in handschrift en druk, in Archief voor de geschiedenis van<br />
de Katholieke Kerk in Nederland, 6 (1964), p. 180-224.<br />
Les manuscrits des Croisiers de Huy, Liege et Cuyk au XVe siecle, Expo<br />
sition-Catalogue, Liege 1951 (waarin artikelen van A. van de Pasch -<br />
J. Stiennon - M. Lavoye).<br />
K. O. Meinsma, Middeleeuwsche bibliotheken, Zutphen 1903.<br />
K. Menne, Deutsche und Niederlandische Handschriften, 2 Bde., Koln<br />
1931 (Mitteilungen aus dem Stadtarehiv von Koln).<br />
G. Meyer, Een Hollandse kloosterhervorming in de 15e eeuw, in De Katholiek,<br />
146 (1914), p. 113-150.<br />
A. Minder, La rivalite Orleans-Bourgogne dans la principaute de Liege,<br />
Venders 1954.<br />
E. de Mqreau, Histoire de V&glise en Belgique, 5 tomes, Bruxelles 19452-<br />
1952.<br />
, UOrigine des Croisiers Beiges, in Clairlieu, 3 (1945), p. 7-12.
14 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Th. Paas, Die Pfarre St. Maria-Lyskirchen zu Koln in ihrer geschichtlichen<br />
Entwicklung, Koln 1932.<br />
A. van DE Pasch, De Codex Pontis Coeli en de Codex Coloniensis, in<br />
Clairlieu, 6 (1948), p. 66-78.<br />
, Ret Kruisherenklooster te Glindfeld, in Clairlieu, 10 (1952), p.<br />
41-53.<br />
, Het klooster Clairlieu te Hoei en zijn prioren-generaal, 1210-1796,<br />
in Clairlieu, 17 (1959), p. 65-112 ; 18 (I960), p. 13-70.<br />
R. A. S. Piccardt, Bijzonderheden uit de geschiedenis der stad Goes,<br />
Goes 1865.<br />
E. Poncelet, Les vicaires generaux et les scelleurs de Veveche de Liege,<br />
in Bulletin de la soc. d'Art et d'hist. du diocese de Liege, 29 (1938),<br />
p. 2-81 ; 30 (1939), p. 1-62.<br />
R. R. Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen, 2 dl.,<br />
Utrecht-Antwerpen 1947.<br />
, De Moderne devotie Geert Groote en zijn stichtingen, Amsterdam.<br />
19502.<br />
, Een religieuse beweging in de I]sselvallei, in Academiedagen van de<br />
Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, 3 (1950),<br />
p. 164-181.<br />
, De oorsprong der Kruisbroeders in Nederland, in Archief voor de<br />
geschiedenis van de Katholieke Kerk in Nederland, 5 (1963), p.<br />
243-253.<br />
A. Ramaekers, De privileges der Kruisherenorde vanaf haar ontstaan tot<br />
aan het concilie van Trente, in Clairlieu, 1 (1943), p. 9-82.<br />
, De Kruisheren als Ordo canonicus, in Rond inhoud en beleving van<br />
de spiritualiteit der orde van het Heilig Kruis, Diest 1955, p. 47-100.<br />
J. S. Renier, Histoire d'Andrimont lez Verviers et de I'ancienne commune<br />
des Croisiers y annexee, Verviers 1886.<br />
E. Richardson, Geschichte der FamHie Merode, 2 Bde., Prag 1877.<br />
Th. van Riemsdijk, Tresorie en kanselarij van de Graven van Holland en<br />
Zeeland uit het Henegouwsche en Beijersche huis, 's-Gravenhage<br />
1908.<br />
B. Rottgen, Bruggen und Born im Schwalmtal, Kempen-Rhein 1934.<br />
L. J. Rogier, Geschiedenis van het Katholicisme in Noord-Nederland in<br />
de zestiende en zeventiende eeuw, 2 dl., Amsterdam 1947.<br />
H. van Rooijen, De oorsprong van de Orde der Kruisheren of Kruis<br />
broeders. De Geschiedbronnen, Diest 1961.<br />
, Les origines des Croisiers, in Bulletin de la soc. d}art et d'hist. du<br />
diocese de Liege, 42 (1961), p. 87-113.<br />
, Kruisheren, in Liturgisch Woordenboek, dl. 2, Roermond-Maaseik<br />
1958-1967, kol. 1397-1405.<br />
A. G. Roos, Het enig overgebleven boek in het klooster Ter Apel, in<br />
Het Boek, 2 (1915), p. 33-34.<br />
J. de Rooy, Gerard Zerbolt van Zutphen, dl. I, Leven en Werken, Nijme-<br />
gen 1936 (niet verder verschenen).
BRONNEN EN LITERATUUR 15<br />
H. Russelius, Chronicon Cruciferorum sive synopsis memorabilium Sacri<br />
et Canonki Ordinis Sanctae Cruets, Coloniae 1635 (fotomechanische<br />
herdruk, Diest 1964).<br />
M. Schoengen, De oorkonden uit het archief van het Fraterhuis te Zwolle^<br />
in Nederlandsch Archievenblad, 15 (1906-1907), p. 12-42.<br />
, Monasticon Batavum, 3 dl., Amsterdam 1941-1942 met Supplement<br />
door D. de Kok.<br />
E. Schoolmeesters, Notice concernant un manuscrit de Vancienne abbaye<br />
de Saint Jacques a Liege, relatif au schisme de Thierry de Perwez,<br />
1406-1408, in Compte rendu des seances de la comm. roy. d'hist. ou<br />
recueil de ses bulletins, 4e serie, 5 (188), p. 6-63.<br />
A. F. Schuitema, Het klooster Ter Apel, Groningen 1966.<br />
J. Schwarz, Bedeutung und Wesenart, Entstehung und Schicksale des<br />
Kreuzbruderklosters Schwarzenbroich, in Beilage zum amtlichen<br />
Schullblat fur den Regierungsbezirk Aachen, Aachen (1955), p. 25-32..<br />
E. L. Strubbe-L. Voet, De chronologie van de middeleeuwen en de moderne<br />
tijden in de Nederlanden, Antwerpen-Amsterdam I960.<br />
J. Theele, Aus der Bibliothek des Kolner Kreuzbruderklosters, in Mittelalterliche<br />
Handschriften, Festschr. fur M. Degering, Koln 1926,,<br />
p. 253-263.<br />
C. UyTTENBROECK, Le droit penitentiel des Religieux de Boniface VIII a<br />
Sixte IV, Gembloux 1925.<br />
F. Vandenbroucke, Nouveaux milieux, nouveaux problemes du XHe au<br />
XVIe siecle, in J. Leclercq, F. Vandenbroucke-L. Bouyer, La<br />
spirituality du Moyen Age, Paris 1961 (Histoire de la spiritualite-<br />
chretienne, t. 2), 2me partie, p. 275-646.<br />
, Culte liturgique et priere intime dans la monachisme au moyen age,<br />
in La Maison Dieu, 69 (1962), p. 56-66.<br />
A. J. van de Ven, Het Kruisbroedersconvent te Schiedam, in Bijdragen<br />
voor de gesch. van het bisdom Haarlem, 43 (1925), p. 368-422.<br />
, Een Arnhemse studiebeurs, in Gelre, Bijdragen en Mededelingen, 30<br />
(1927), p. 51-55.<br />
T. J. van DE Ven, Dr. C. R. Hermans, Leven en iverk van de pionier van<br />
de Noordbrabantse geschiedschrijving in de 19e eeuw, in Brabantia,.<br />
1 (1958), p. 183-206, 211-234.<br />
L. Verschueren-G. Ibelings, Jerusalem, Venray 1938.<br />
L. Verschubren, Handschriften, afkomstig uit het klooster Jerusalem te-<br />
Venray, in Publ. de la Soc. hist, et arch, dans le Limbourg, 85 (1949),.<br />
p. 693-730.<br />
M. Vinken, De spiritualiteit der Kruisheren, Antwerpen 1954.<br />
, Croisiers, in Dictionnaire d}histoire et de geographie ecclesiastiquesr<br />
torn. 13, kol. 1042-1062.<br />
C. van DE Wansum, Het ontstaan en de geschiedenis van de Broederschap*<br />
van het Gemene Leven tot 1400, Leuven 1958.
16 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
H. U. Weiss, Die Kreuzherren in Westjalen, (Inaugural-Dissertation zur<br />
Erlangen des Doktorgrades der Philosophischen Fakultat der West-<br />
falischen Wilhelms Universitat zu Miinster, Westfalen 1958), uit-<br />
gegeven in Clairlieu, 20-21 (1962-1963).<br />
L. Wilmotte, Notice historique sur le couvent des Croisiers de Huy,<br />
Huy z.j.<br />
J. M. van Winter, Ministerialiteit en Ridderschap in Gelre en Zutphen,<br />
Groningen 1962.<br />
M. van Woerkum, Florentius Radewijns; Leven, geschriften, persoonlijkheid<br />
en ideeen, in Ons Geestelijk Erf 23 (1949), p. 337-364.<br />
E. Ypma, Het generaal kapittel van Sion, zijn oorsprong, ontwikkeling en<br />
tnrichting, Nijmegen-Utrecht 1949.
INLEIDING<br />
De oorsprong van de Nederlands-Belgische orde van het Heilig<br />
Kruis of de orde van de Kruisbroeders of Kruisheren is in de loop<br />
van de eeuwen een voorwerp van bestudering geweest voor leden<br />
en ook niet-leden van deze orde. De resultaten hiervan wijken van<br />
elkaar af en zijn niet ten voile bevredigend. In de vijftiende en<br />
zestiende eeuw beschouwden enkele onbekend gebleven historici uit<br />
de orde de heilige Helena, de moeder van Constantijn de Grote,<br />
als stichteres, anderen stelden het begin pas in de dertiende eeuw<br />
en schreven de stichting toe aan vijf clerici uit het land van Luik.<br />
In 1635 noemde de Kruisbroeder Henricus Russelius in zijn<br />
Chronkon cruciferorum she synopsis memorabilium sacri et canonici<br />
ordinis sanctae cruets als stichter Theodorus (Theodoricus,<br />
Diederik) van Celles. Deze zou in 1209 afstand gedaan hebben van<br />
een canonikaat, dat hij in 1191 te Luik verkregen had, en zich met<br />
enige gezellen gevestigd hebben in Hoei nabij een kapel, toegewijd<br />
aan de heilige Theobaldus, om daar te leven volgens de regel van<br />
de heilige Augustinus. Zij vormden de kern, waaruit de orde gegroeid<br />
zou zijn. Een hedendaags historicus, H. van Rooijen, zoekt<br />
het ontstaan van de orde niet in Hoei, maar in Seilles (Seyl) aan<br />
de Maas, twaalf kilometer ten zuiden van Hoei, en vraagt zich af<br />
of de naam van de stichter niet Theodorus van Seilles was in plaats<br />
van Theodorus van Celles \<br />
Tot op heden ontbreekt een document, dat het eerste ontstaan<br />
van de orde ontsluiert en het zal ook aan de historici uit het verleden,<br />
gezien hun uiteenlopende verhalen, niet ter beschikking<br />
gestaan hebben.<br />
H. VAN Rooijen, De oorsprong van de orde der Kruisbroeders of Kruisheren.<br />
De Geschiedbronnen, Diest 1961 ; eveneens gepubliceerd in het tijdschrift Clairlieu,<br />
19 (1961). Van Rooijen vermeldt hier de tot nu toe bekende oorsprongsverhalen<br />
en geeft tevens een uitvoerige literatuurlijst. Zie ook H. van Rooijen, Les origines<br />
des Croisiers, in Bulletin de la Societe d'art et d'histoire du diocese de Liege. 42<br />
(1961), p. 87-113.
18 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Stellig is de oorsprong van de orde te zoeken in de eerste helft<br />
van de dertiende eeuw. Immers, de documenten, die de fundering<br />
voor de geschiedenis van de orde van het Heilig Kruis vormen,<br />
dateren uit de jaren 1247 tot 1254. Zij zijn niet in origineel bewaard,<br />
maar in afschrift in cartularia. Het zijn enige pauselijke<br />
oorkonden, die gericht zijn aan de bisschoppen van Luik en Lincoln<br />
betreffende de Kruisbroeders in hun diocesen, namelijk in Clams<br />
Locus - volgens Van Rooijen Seilles, volgens anderen Hoei -, in<br />
Namen en Whaplode2. Deze oorkonden duiden aan, dat de Kruis<br />
broeders reeds circa 1247-1254 nederzettingen hadden in de Zuidelijke<br />
Nederlanden en Engeland, en dat derhalve hun orde, de tijd<br />
die voor verspreiding nodig was in aanmerking genomen, zeker een<br />
aantal jaren voor 1247 was gesticht.<br />
De voornaamste oorkonde is die van paus Innocentius IV, gedateerd<br />
1 oktober 1248 en gericht aan de Prior Sancte Crucis de Claro<br />
Loco 3. Het is de oorkonde, die de pauselijke kanselarij gebruikte<br />
voor het verlenen van privileges aan de Benedictijnen, Augustijnen<br />
en Praemonstratensers. De orde werd hierin een Ordo canonicus<br />
genoemd, qui secundum Deum et beati Augustini regulam in eadem<br />
ecclesia institutus esse dignoscitur. In latere pauselijke en bisschop-<br />
pelijke oorkonden werd de orde als zodanig betiteld : ordo sancti<br />
Augustini canonicorum regularium cum cruce of ordo sanctae crucis<br />
canonicorum regularium sub regula Sancti Augustini.<br />
De levenswijze, waartoe de eerste Kruisbroeders zich zeer aange-<br />
trokken voelden, was derhalve die van de Reguliere Kanunniken.<br />
Deze levenswijze kenmerkte zich vooral door de zorg voor de litur-<br />
gische eredienst, de stabilitas loci d.w.z. binding aan een bepaalde<br />
kerk, en de vita apostolica d.w.z. gemeenschappelijke eigendom en<br />
zielzorg \<br />
Eind oktober van hetzelfde jaar 1248 volgde een opdracht van<br />
paus Innocentius IV aan de bisschop van Lincoln en de elect van<br />
Luik de statuten, die de Kruisbroeders in hun diocesen voor zich<br />
hadden opgesteld om hun gekozen levenswijze meer in bijzonder-<br />
2 Van Rooijen, De oorsprong van de orde, p. 197-210 : hier wordt naar vroegere<br />
uitgaven verwezen. Whaplode ligt in Lincolnshire.<br />
3 A. Potthast, Regesta Pontificum Romanorum, vol. I, Berlin 1875, nr. 13036.<br />
4 A. Ramaekers, De Kruisherenorde als ,,Ordo Canonicus", in Rond inhoud en<br />
beleving van de spiritualiteit der orde van het Heilig Kruis, Diest 1955, p. 47-100.<br />
Ramaekers verwijst hier naar de oorkonden, waarin de orde werd betiteld als ordo<br />
canonicus en omschrijft de inhoud van het kanonieke ideaal.
INLEIDING 19<br />
heden in te richten, te onderzoeken en, indien het nuttig bleek,<br />
goed te keuren. Alleen van de elect van Luik is bekend, dat hij op<br />
31 december 1248 aan de pauselijke opdracht gehoor gaf. Deze<br />
statuten waren, zoals de paus mededeelde, ontleend aan die van de<br />
Dominicanen, die aanvankelijk eveneens de levenswijze van de<br />
Reguliere Kanunniken gekozen hadden5. A. van de Pasch kon<br />
met behulp van kopieen uit de vijftiende en zestiende eeuw een<br />
uitgave van deze statuten bewerken 6.<br />
Na de eredienst, het gemeenschappelijk leven, de kleding en de<br />
opname van nieuwe leden in de orde, werd in deze statuten het<br />
bestuur van de orde geregeld. Aan het hoofd van elk klooster stond<br />
een prior, en aan het hoofd van de orde een prior-generaal. De<br />
prior van Hoei heeft tot aan de Franse Revolutie deze laatste functie<br />
vervuld. Deze prior-generaal werd in het bestuur van de orde bijgestaan<br />
door vier raadsheren, definitoren genaamd. Zij werden<br />
gekozen door een generaal-kapittel, een jaarlijkse vergadering van<br />
de prioren van alle kloosters. Dezen mochten vergezeld zijn van een<br />
of twee medebroeders overeenkomstig de grootte van hun kloosters.<br />
Het generale kapittel had tot taak de belangen van de orde te<br />
bespreken en naar gelang het nodig was besluiten uit te vaardigen.<br />
Het had zelfs de macht de statuten te veranderen. Hiervoor was<br />
noodzakelijk, dat drie achtereenvolgende generale kapittels zich<br />
voor verandering hadden uitgesproken 7. De prior-generaal en zijn<br />
definitoren formuleerden de besluiten en de statutenveranderingen.<br />
Een prior werd voor het leven gekozen door de leden van het<br />
klooster en door de prior-generaal of zijn vertegenwoordiger bevestigd.<br />
Sedert de vijftiende eeuw legde de prior-generaal bij de<br />
stichting van een klooster het bestuur hiervan veelal eerst in handen<br />
van een rector, totdat het klooster een zelfstandige status kon voeren.<br />
De prior stelde de consilio sentorum een supprior aan, die hem<br />
in het bestuur diende bij te staan. Al de kloosters behoorden jaarlijks<br />
gevisiteerd te worden, hetzij door de prior-generaal, die hiertoe<br />
om de drie jaar verplicht was, hetzij door visitatoren. Aanvankelijk<br />
dienden de prioren de van hun klooster uit gestichte kloosters te<br />
6 Van Rooijen, De oorsprong van de orde, p. 204-407.<br />
• A. van de Pasch, De tekst van de constitutes der Kruisheren van 1248, in<br />
Hand. Kon. Comm. Gesch. te Brussel, 117 (1952), p. 1-96.<br />
Twee achtereenvolgende kapittels moesten zich voor een verandering uitspreken<br />
(ordinatio, confirmatio). Op het derde kapittel konden dan de definitoren de<br />
verandering tot een definitio (bepaling) maken.
20 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
visiteren, sedert de vijftiende eeuw werden de visitatoren ieder jaar<br />
opnieuw door het generate kapittel benoemd8.<br />
Deze organisatie van het bestuur van de orde wijst er eens te<br />
meer op, dat de orde in 1248 reeds verspreid was en zich niet<br />
beperkte tot twee of drie kloosters.<br />
De orde van het Heilig Kruis ontving na 1248 nog talrijke privi<br />
leges. A. Ramaekers heeft er een onderzoek naar ingesteld en ze<br />
toegelicht9. Het meest opvallende privilege is dat uit het jaar 1318.<br />
Paus Johannes XXII bevestigde niet alleen de vroeger verkregen<br />
privileges, maar breidde deze uit. Hij gaf de leden van de orde<br />
^erlof te preken en biecht te horen en stond ook toe om eenmaal<br />
per jaar in elke parochie en kerk aalmoezen te vragen10. Menig<br />
historicus heeft hieruit de conclusie getrokken, dat de prior-generaal<br />
deze rechten had aangevraagd, omdat de Kruisbroeders zich meer<br />
op de zielzorg wensten toe te leggen, zoals de bedelmonniken, die<br />
deze rechten sinds hun stichting bezaten. Deze privileges van 1318<br />
kunnen inderdaad voor de orde geheel nieuw zijn, ze kunnen echter<br />
ook bevestiging zijn van een praktijk, die sinds lang in de orde<br />
gevestigd was. Juist omdat de eerste Kruisbroeders bij het ontwer-<br />
pen van hun statuten zich baseerden op die van de Dominicanen en<br />
de levenswijze van de Reguliere Kanunniken kozen, ligt het voor<br />
de hand, dat zij verlangden te preken en biecht te horen. Bepaalde<br />
instanties zouden circa 1318 deze praktijk betwist kunnen hebben.<br />
Dit is heel goed mogelijk. Immers de pausen Bonifatius VIII, 1294-<br />
1303, en Clemens V, 1305-1314, hebben de rechten van de klooster-<br />
lingen betreffende het preken, biechthoren en begraven beperkt.<br />
Het gevolg was, dat kloosterorden zich op oude privileges gingen<br />
beroepen xl. Ook de orde van het Heilig Kruis kon om die reden<br />
gemeend hebben zich bij monde van de prior-generaal tot de paus<br />
te moeten wenden.<br />
s Van de Pasch, De tekst van de constitutes, p. 78-91.<br />
9 A. Ramaekers, De privileges der Kruisherenorde vanaf haar ontstaan tot aan<br />
het concilie van Trente, in Clairlieu, 1 (1943), p. 9-82.<br />
10 Ramaekers, a.w., p. 45-55.<br />
11 A. Potthast, Regesta Pontificum Romanorum, nr. 24913. G. Brom, Bullarium<br />
Trajectense, vol. 1, 's-Gravenhage 1891, nr. 940. Zie ook A. Ramaekers, De privi<br />
leges der Kruisherenorde, p. 47 en C. Uyttenbroeck, Le droit penitentiel des<br />
Religieux de Boniface VIII a Sixte IV, Gembloux 1925, p. 4-8.
INLEIDING 21<br />
Intussen had de orde zich meer verspreid over West-Europa r\ In<br />
het gebied van het huidige Belgie waren behalve te Hoei en Namen,<br />
ook kloosters gesticht te La Chantoire (Verviers), Luik, Doornik,<br />
Suxy ; in Frankrijk te Toulouse, Parijs, Condren, Caen en Saint<br />
Ursin ; in Engeland behalve te Whaplode, ook zeker te Londen ;<br />
in het tegenwoordige Nederland te Asperen 13.<br />
Het is niet duidelijk op wat voor werkzaamheden de Kruisbroeders<br />
in deze kloosters zich naast hun koorgebed toelegden. Het is<br />
wel opmerkelijk, dat zij zich meestal vestigden midden in de steden,<br />
een praktijk, die gebruikelijk was bij monniken, die zich op de<br />
zielzorg wensten toe te leggen. Saint Ursin lag in een nu nog uitgestrekt<br />
bos in het departement Mayenne, maar hier namen de<br />
Kruisbroeders de verpleging van zieken nabij een geneeskrachtige<br />
bron op zich.<br />
Kruisbroeders uit de zestiende en zeventiende eeuw maakten in<br />
hun lijsten van kloosters melding van verscheidene steden en dorpen,<br />
waar de Kruisbroeders zich gevestigd hadden 14, o.a. in Enge<br />
land. Zij wisten echter niets over hun ontstaan en hun ondergang.<br />
In de loop van de veertiende eeuw blijken meer Kruisbroederkloosters<br />
verdwenen te zijn dan gegrondvest.<br />
Voor het begin van de vijftiende eeuw is het aantal kloosters<br />
nauwkeuriger te bepalen, namelijk in Belgie Hoei, Luik, Namen,<br />
Suxy, Virton en Doornik, in Nederland Asperen, Sint Agatha en<br />
Venlo, in Duitsland Beyenburg, Keulen, Hohenbusch, Schwarzenbroich<br />
en Aken. Het aantal kloosters in Frankrijk is slechts bij<br />
benadering te bepalen : Parijs, Toulouse, Caen, Saint Ursin, Saint<br />
Georges, Buzangais, Salignac, Varennes-sur-AUier, Condren, Carignan<br />
(eertijds Ivoix) en waarschijnlijk ook Laines-aux-Bois en<br />
Watten. Hoeveel kloosters er in Engeland waren is nauwelijks vast<br />
te stellen 15.<br />
12 Voor de ligging van plaatsen, waar de Kruisbroeders zich gevestigd hebben kan<br />
men de in dit boek zich bevindende kaarten raadplegen.<br />
13 Voor een kort en verantwoord overzicht zie A. van de Pasch, Het klooster<br />
Clairlieu te Hoei en zijn prioren-generaal, 1210-1796, in Clairlieu, 17 (1959) D<br />
65-112 ; 18 (1960), p. 13-70.<br />
14 Russelius laat een lijst aan zijn Chronicon voorafgaan ; P. Halloix, De omni<br />
bus rebus concernentibus ordinem fratrum Sanctae Cruets, een handschrift uit 1596<br />
bewaard in de kloosterbibliotheek te Sint Agatha bij Cuyk.<br />
15 J. M. Hayden, The Crosiers in England and France, in Clairlieu, 22 (1964)<br />
p. 91-110.
22 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
De vijftiende eeuw is een nieuwe bloeiperiode voor de orde<br />
geworden. Er werden op zijn minst zeven en dertig nieuwe kloosters<br />
gesticht, echter bijna alleen in Belgie, Nederland en Duitsland.<br />
Daarna kwam een omkeer. Tengevolge van de hervorming in En-<br />
geland en de Noordelijke Nederlanden werden de kloosters aldaar<br />
opgeheven, en tevens enkele kloosters in Westfalen en het Rijnland.<br />
In de zeventiende eeuw, onder het bestuur van prior-generaal<br />
Renerus Augustinus Neerius, 1619-1648, ontstonden wederom be-<br />
nauwende verwikkelingen. Deze prior-generaal moest het hoofd<br />
bieden aan pogingen van sommige kloosters in het Rijnland en in<br />
het Nederlandse taalgebied om meer onafhankelijk van de prior-<br />
generaal en het generate kapittel te worden. Hij zag zich genood-<br />
zaakt toe te staan, dat er provinciate kapittels werden gehouden,<br />
hoewel hij er zelf gereserveerd tegenover stond 16. Een tweede ver-<br />
wikkeling kwam van de kant van kardinaal de la Rochefoucauld,<br />
die in 1622 in Frankrijk een nieuwe kloostergemeenschap had ge<br />
sticht, namelijk La congregation de Sainte Genevieve, en in 1641<br />
poogde de kloosters van de orde van het Heilig Kruis in Frankrijk<br />
bij genoemde congregation in te lijven. De Franse Kruisbroeders<br />
boden weerstand en hebben hun onafhankelijkheid kunnen bewaren<br />
door een beroep op de ouderdom van hun orde. Ze voerden het<br />
ontstaan van de orde terug tot de tijd van paus Cletus, 76-91 (?) 17.<br />
In deze tijd van aanvallen op de eenheid van de orde, zowel van<br />
binnenuit als van buitenaf, schreef de reeds genoemde Kruisbroeder<br />
Henricus Russelius zijn Chronicon crucijerorum. In zijn Epistola<br />
dedicatoria deelde hij mede, dat hij twintig jaar aan zijn Chronicon<br />
gewerkt had, meer dan driehonderd auteurs had gelezen, de Hoeise<br />
archieven en alle handschriften, die binnen zijn bereik waren, door-<br />
zocht had. Zijn boek is echter geen chronologisch overzicht van de<br />
voornaamste gebeurtenissen uit het verleden van de orde, zoals<br />
Russelius in de titel aangaf, maar veeleer een geschiedenis van de<br />
prioren-generaal, van wie hij achtereenvolgens de werkzaamheden<br />
verhaalde. Het schijnt vooral zijn bedoeling geweest te zijn de<br />
prioren-generaal in het verleden van de orde de hoofdrol te laten<br />
14 Van de Pasch, Het klooster Clairlieu, in Clairlieu, 18 (I960), p. 39-41.<br />
17 Caen, Arch, du Calvados D 582.
INLEIDING 23<br />
spelen. Vanwege de pogingen van de Duitse en Nederlandse kloos<br />
ters meer onafhankelijk van Hoei te worden, kon dit wel eens met<br />
voorbedachten rade gebeurd zijn. Door bovendien de pauselijke en<br />
bisschoppelijke oorkonden en brieven in extenso op te nemen heeft<br />
Russelius waarschijnlijk aan de tegenstanders van de orde de bewijzen<br />
van haar ouderdom en authenticiteit willen leveren18.<br />
Tijdens het bestuur van prior-generaal Renerus Augustinus<br />
Neerius vestigden de Kruisbroeders zich in Uden, een dorp in het<br />
land van Ravenstein, en in Wegberg, een dorp in het Rijnland,<br />
resp. in 1636 en 1639.<br />
De zwaarste slagen kreeg de orde te verduren tengevolge van de<br />
Franse Revolutie en het bestuur van Napoleon. Alle kloosters in<br />
Frankrijk, de Zuidelijke Nederlanden en het Rijnland werden opgeheven.<br />
Slechts twee kloosters, namelijk te Uden en Sint Agatha<br />
in het land van Cuijk bleven voortbestaan. Zij konden hun bestaan<br />
rekken tot 1840. In dat jaar gaf koning Willem II hun verlof<br />
novicen aan te nemen. Sindsdien is de orde weer opgebloeid en<br />
heeft zij zich in en buiten Europa verspreid, namelijk in Nederland,<br />
Belgie, Duitsland, waar de Kruisbroeders in twee oude kloosters<br />
terugkeerden, Oostenrijk, de Verenigde Staten van Amerika, Brazilie,<br />
Indonesia en Congo (Kinsjasa).<br />
Reeds in de eerste jaren van deze opleving voelden de Kruis<br />
broeders behoefte aan een historisch overzicht van het wel en wee<br />
van de orde in het verleden. De prior-generaal, Henricus van den<br />
Wijmelenberg, die tevens prior van Sint Agatha was, gaf aan C. R.<br />
Hermans, rector van het gymnasium te 's-Hertogenbosch, opdracht<br />
de geschiedenis van de orde te schrijven. Na jaren van studie en<br />
onderzoek publiceerde deze zijn Annales Canonkorum <strong>Regular</strong>ium<br />
S. Augustint, Ordinis S. Cruets. Hij gaf in drie delen de tekst van<br />
vele nog bewaarde historische bescheiden uit: oorkonden van kerkelijke<br />
en wereldlijke hoogwaardigheidsbekleders, besluiten van de<br />
generale kapittels, talrijke notities uit geschiedwerken, enz. Al deze<br />
u Chronicon Cruciferorum she synopsis memorabilium Sacri et Canonici Ordinis<br />
Sanctae Cruets, auctore R.P.F. Henrico Russelio, Priore Succiacensi Ord. Sanctae<br />
Crucis. Coloniae apud Henricus Kraft 1635. In 1964 werd te Diest een fotomechanische<br />
reproductie uitgegeven. Zie ook Van Rooijen, De oorspronz van de orde,<br />
p. 172-193.
24 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
bescheiden had hij gegroepeerd rondom een heruitgave van de<br />
kroniek van Henricus Russelius19.<br />
Het duurde tot 1932 voordat er weer een uitgebreide studie over<br />
de geschiedenis van de Kruisbroederorde verscheen, namelijk een<br />
dissertatie van R. Haass, getiteld : Die Kreuzherren in den Rheinlanden20.<br />
Sinds die tijd verschenen verscheidene boeken en artike-<br />
len 21. Van 2eer grote betekenis was de uitgave van het tijdschrift<br />
Clairlieu sinds 1943 22. Dit tijdschrift is geheel gewijd aan de<br />
geschiedenis van de orde.<br />
Ondanks deze grote activiteit waren er belangrijke perioden in<br />
de geschiedenis van de orde, die nog steeds niet een voorwerp van<br />
nadere bestudering waren. De voornaamste daarvan is de vijftiende<br />
eeuw. Het jaar 1410 is door Henricus Russelius reeds als een mijl-<br />
paal aangemerkt. In dit jaar vond in de orde een hervorming<br />
(reformatio) plaats, zoals Russelius schreef. Onomwonden vertelde<br />
deze zeventiende eeuwse Kruisbroeder, hoe in de jaren voor 1410<br />
de leden van de orde schromelijk te kort schoten : ,,Ze liepen maar<br />
rond door de steden, dorpen en door alle lokalen van het klooster<br />
om overal met niet-kloosterlingen gesprekken te voeren en ook<br />
in hun woningen flink te drinken ; zelden kwamen zij naar de kerk<br />
of trokken zij zich terug in hun kloostervertrekken." Hij verhaalde<br />
dan verder, hoe deze hervorming verwerkelijkt werd. Een Kruis<br />
broeder uit Venlo, Johannes van Merode en zijn broer Arnoldus,<br />
die kanunnik en sigillifer te Luik was, wisten de toenmalige prior-<br />
generaal Johannes d'Avins, 1396-1410, te bewegen het generale<br />
kapittel bijeen te roepen. De dag voordat het een aanvang nam,<br />
19 C. R. Hermans, Annales canonicorum regularium S. Augustini Ordinis S.<br />
Cruets, vol. Mil, Silvaeducis 1858. In 1953 werd te Diest een Index op deze drie<br />
delen uitgegeven. Hermans heeft vele pauselijke documenten overgenomen uit de<br />
Codex Poniis Coeli, afkomstig van het klooster te Briiggen in het Rijnland en nu<br />
aanwezig in het archief van het klooster Sint Agatha. Na de Tweede Wereldoorlog<br />
is te Diisseldorf een Codex van het klooster te Keulen ontdekt. Zie hiervoor<br />
A. van DE Pasch, De Codex Pontis Coeli en de Codex Coloniensis, in Clairlieu,<br />
6 (1948), p. 66-78. Voor de betekenis van C. R. Hermans zie T. J. VAN DE Ven,<br />
Dr. C. R. Hermans, Leven en werk van de pionier van de Noordbrabantse geschiedschrijving<br />
in de 19e eeuw, in Brabantia, 7 (1958), p. 183-206, 211-234.<br />
20 R. Haass, Die Kreuzherren in den Rheinlanden, Bonn 1932 (Rheinisches<br />
Archiv. Veroffentlichungen des Instituts fiir geschichtliche Landeskunde der Rheinlande<br />
an der Universitat Bonn, 23).<br />
21 Zie hiervoor de literatuurlijst.<br />
22 Uitgegeven te Diest.
INLEIDING 25<br />
werd Johannes d'Avins overgehaald ontheffing van zijn ambt te<br />
vragen. Daarna werd in aanwezigheid van de elect-bisschop van<br />
Luik, Jan van Beieren, en enkele andere wereldlijke heren een<br />
nieuwe prior-generaal gekozen : Libertus Janssen van Bommel.<br />
Onder diens leiding nam het generale kapittel de hervorming van<br />
de orde ter hand. Spoedig daarna visiteerde de prior-generaal de<br />
kloosters langs de Maas. Op zijn terugreis naar Hoei stierf hij. Zijn<br />
opvolgers zetten zijn werk voort. Johannes van Merten, prior-<br />
generaal 1411-1415, riep de hulp in van de paus van Pisa, Johan<br />
nes XXIII, en Helmicus Amoris van Zutphen, prior-generaal<br />
1415-1433, hervormde de kloosters in het Rijnland en stak de zee<br />
over naar Engeland voor hetzelfde doel23.<br />
Henricus Russelius is zich bewust geweest van de grote betekenis<br />
van het jaar 1410 voor de geschiedenis van de orde en na hem<br />
hebben alle historici, die haar nader bestudeerden, deze zienswijze<br />
gedeeld. Zij hebben echter ook een diepere analyse van deze her<br />
vorming beproefd 24. Zij plaatsten haar tegen de achtergrond van<br />
de observantie-bewegingen, welke gedurende de vijftiende eeuw<br />
in bijna alle kloosterorden ontstaan zijn en die in Noord-West-<br />
Europa gevoed en bei'nvloed werden door de Moderne Devotie.<br />
Toch blijven er nog een aantal belangrijke vragen over. Volgens<br />
Russelius was het generale kapittel van 1410, m.a.w. de jaarlijkse:<br />
vergadering van al de prioren en hun socii, bereid de initiatiefnemer<br />
Johannes van Merode te volgen en bij te staan. Enkele jaren later<br />
echter riep de prior-generaal Johannes van Merten de hulp van de<br />
paus in. Blijkbaar liep de hervorming niet zo vlot. Waren al de<br />
prioren wel aanwezig op het generale kapittel van 1410 ? De<br />
prioren-generaal hebben de taak op zich genomen de kloosters te<br />
visiteren en te hervormen. Maar welke kloosters dienden hervormd<br />
te worden en op welke wijze hebben de prioren-generaal getracht<br />
dit te bereiken ? De eerste leden van de orde hadden de levenswijze:<br />
23 Russelius, Chronicon, p. 88 e.v.<br />
24 R. R. Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen, deel II,<br />
Utrecht-Antwerpen 1947, p. 174. E. de Moreau, Histoire de l'£glise en Belgique,<br />
tome IV, Bruxelles 1949, p. 310. R. Haass, Die Kreuzherren in den Rheinlanden,<br />
p. 11-18. J. Francino, Geschiedenis van de Orde der Kruisheren, Utrecht 1948,<br />
p. 50-56 (Batavia Sacra 3). A. Ramaekers, De privileges der Kruisherenorde, p.<br />
20-23. C. van Dal, De Kruisheren in de geschiedenis, Diest 1956, p. 18-28. J. M..<br />
Hayden, The croisiers in England and France, in Clairlieu, 22 (1964), p. 91-110.
26 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
van de Reguliere Kanunniken aanvaard. Een van de kenmerken<br />
hiervan was het gemeenschappelijk leven. Hoe dachten hun volge-<br />
lingen van de vijftiende eeuw over het liturgisch leven, de stabilitas<br />
loci, de zielzorg ? Zij legden zich in het bijzonder toe op de kopieer-<br />
kunst. Een groot aantal handschriften is bewaard gebleven. Hieruit<br />
zou men kunnen besluiten, dat zij b.v. het streven naar zielzorg<br />
hebben prijsgegeven en zich hebben teruggetrokken in hun kloos<br />
ters. Russelius noemde het overal-rond-lopen de grootste fout van<br />
de Kruisbroeders voor 1410. In hoeverre faalden deze Kruisbroe-<br />
ders ? Ten slotte, gezien het vroege begin van de hervorming, kan<br />
de vraag gesteld worden of die hervorming werkelijk onder de<br />
invloed van de Moderne Devoten stond.<br />
Op al deze vragen is nog geen antwoord gegeven en het is dus<br />
zeker de moeite waard deze vijftiende eeuwse hervorming van de<br />
orde te bestuderen en te beschrijven.<br />
Voor zo'n samenvattende studie is het nodig, dat reeds van ieder<br />
klooster de geschiedenis is geschreven. Haass deed dit voor de<br />
kloosters in het Rijnland, Weiss voor die in Westfalen 25. Er is een<br />
geschiedenis van de kloosters te Venlo, te Maaseik en Roermond<br />
van de hand van L. Heere26. Durand legde zich toe op de geschie<br />
denis van enkele kloosters in Frankrijk o.a. Saint Ursin 27, Caen en<br />
Saint Georges 28. Betreffende de overige kloosters in Nederland,<br />
Belgie, Frankrijk en Engeland zijn hier en daar artikelen te vinden,<br />
meestal alleen over het ontstaan of over de ondergang van een<br />
klooster29. Het is dus in ieder geval mogelijk voor veel kloosters<br />
een geschiedkundig overzicht te maken. Buiten de historische be-<br />
25 H. U. Weiss, Die Kreuzherren in Westjalen (Inaugural-Dissertation der Westfalischen<br />
Wilhelms Universitat zu Munster, Westfalen 1958). Deze dissertatie is<br />
uitgegeven in Clairlieu, 20-21 (1962-1963).<br />
28 L. Heere, Het Kruisherenklooster te Venlo, in Publ. de la Soc. hist, et arch.<br />
Jans le Limbourg, 92-93 (1956-1957), p. 235-368 ; 94-95 (1958-1959), p. 209-300 ;<br />
L. Heere, Het Roermondse Kruisherenklooster, in Publ. de la Soc. hist, et arch,<br />
dans le Limbourg, 11 (1941), p. 6-28 ; L. Heere, Het Kruisherenklooster te<br />
Maaseik voor de Pranse Revolutie, in De Kruisheren te Maaseik, 1476-1797, 1855-<br />
1955, Maaseik 1955, p. 9-77.<br />
" A. Durand, Le prieure de Saint Ursin a Lignieres-la-Doucelle, in Clairlieu,<br />
22 (1964), p. 3-90.<br />
28 A. Durand, Les Croisiers en Normandie. Le Prieure Sainte-Croix de Caen,<br />
in Clairlieu, 25 (1967). A. Durand, Les Croisiers en Bretagne. Le Prieure de<br />
.Saint Georges (manuscript).<br />
29 Zie hiervoor de literatuurlijst.
INLEIDING 27<br />
scheiden, die Hermans verzamelde en uitgaf, bestaat er nog veel<br />
archief-materiaal van oude Kruisbroederkloosters 30.<br />
De genoemde kloostermonografieen leveren wat de observance<br />
en de spiritualiteit betreft niet voldoende materiaal. Om inzicht te<br />
krijgen in de observance van deze kloosters hebben de auteurs<br />
ervan niet voldoende kunnen teruggrijpen op documenten van de<br />
kloosters zelf, maar hebben geput uit bronnen, die op de orde in<br />
haar geheel betrekking hadden, zoals de kroniek van Russelius en<br />
de definities van de generale kapittels, echter op een zo incidentele<br />
en summiere wijze, dat dit materiaal een uitvoeriger en systemati-<br />
scher bewerking vereist. Ook deze studien zullen derhalve wat de<br />
observantie betreft voornamelijk steunen op deze algemene bronnen,<br />
met een sterke voorkeur voor de definities van de generale kapittels<br />
en met veel voorbehoud voor de kroniek 81.<br />
Hermans heeft deze definities reeds uitgegeven, echter niet vol-<br />
ledig. Dank zij het speurwerk van A. v. d. Pasch zijn zij thans in<br />
hun geheel te bestuderen 32. Hij diepte ze op uit de archieven van<br />
Keulen, Diisseldorf, Berlijn, Detmold en Sint Agatha. Deze defini<br />
ties bestonden bijna ieder jaar uit drie delen : bepalingen betref-<br />
fende de levenswijze van de Kruisbroeders in het algemeen, voor-<br />
schriften omtrent de eredienst in het bijzonder, en tenslotte de<br />
namen van de definitoren, visitatoren en van de Kruisbroeders, die<br />
verplaatst werden met of zonder bijvoeging van de reden voor de<br />
Terplaatsing.<br />
Dat juist de liturgie ieder jaar opnieuw de bijzondere aandacht<br />
van de kapittelvaders had, wijst er op, dat dit onderdeel van de<br />
levenswijze van Reguliere Kanunniken hun ter harte ging. Dit is<br />
aan de historici van de orde niet ontgaan. In 1944 publiceerde<br />
A. v. Asseldonk Het Brevier van de Kruisheren 33 en in 1954 M.<br />
30 Vele documenten zijn reeds opgenomen in APHOSC (Archivum photographicum<br />
historicum ordinis sanctae cruets). In dit archief wordt een verzameling van<br />
verspreide documenten, die betrekking hebben op de geschiedenis van de orde op<br />
Leicaformaat bewaard. Het bevindt zich in het Kruisherenklooster te Amersfoort.<br />
31 Op pag. 22 wezen wij al op de tendens van de kroniek, vandaar ons voorbe<br />
houd ; toch zal in deze studien het verhaal van Russelius, vooral aan de hand van<br />
de definities van de generale kapittels voor de tijd waarover ons onderzoek zich<br />
uitstrekt verschillende malen (zie o.a. pag. 101) de toets der kritiek blijken te<br />
kunnen doorstaan.<br />
32 A. van de Pasch, Definities der generale kapittels van de orde van het Heilig<br />
Kruis, 1410-1786. Zie pag. 7.<br />
83 A. Van Asseldonk, Het brevier van de Kruisheren, in Clairlieu, 2 (1944),<br />
p. 7-144.
28 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Vinken De spiritualiteit der Kruzsheren34. Het leek daarom niet<br />
nodig er in deze studien uitvoerig op terug te komen.<br />
Wei is een onderzoek ingesteld naar de handschriften, die afkomstig<br />
zijn van de Kruisbroederkloosters en die bewaard worden<br />
in diverse bibliotheken. De kopieerarbeid van de vijftiende-eeuwse<br />
Kruisbroeders staat zeker in verband met hun streven naar hervor-<br />
ming. Bovendien kent men de mensen uit hun bibliotheken.<br />
Het ligt niet in de bedoeling nu al een synthese te bereiken.<br />
Veeleer wordt op het reeds verrichte werk voortgebouwd en door<br />
gebruikmaking van andere methodes wordt getracht bij te dragen<br />
tot de kennis van de geschiedenis van de orde uit de vijftiende<br />
eeuw.<br />
Daar deze eeuw de bloeiperiode van de orde was, zal een aanmerkelijk<br />
uitgebreider kennis hiervan het inzicht in de geschiedenis<br />
van de Kruisbroederorde in haar geheel verruimen, en zeker ook in<br />
de periode, die aan de vijftiende eeuw voorafging. Niet alleen verkeren<br />
de historici in onzekerheid omtrent de tijd en plaats van het<br />
ontstaan van de orde en omtrent de stichter of de stichters, maar<br />
ook verschillen zij met elkaar van mening, wanneer zij de orde<br />
trachten te karakteriseren. Haass ziet b.v. in de orde een ontwikkeling<br />
van een orde van bedelmonniken naar een orde van Reguliere<br />
Kanunniken, maar Ramaekers verzet zich hiertegen, verwijst<br />
naar de oorkonden, waarin de orde werd betiteld als ordo canonicus<br />
en ontvouwt aan de hand van de kenmerken uit de levenswijze van<br />
de Reguliere Kanunniken, hoe de Kruisbroeders in de loop der<br />
tijden inderdaad als zodanig leefden35. Wil men echter tot een<br />
karakterisering van de Orde van het Heilig Kruis komen, dan zal<br />
men vooral moeten uitgaan van idealen, die de Kruisbroeders zich<br />
zelf gesteld hebben, en de werkzaamheden, die zij hebben verricht.<br />
Daarvoor zijn echter bronnen nodig. In tegenstelling tot de tijd van<br />
voor 1410 worden de bronnen uit de tijd na 1410 talrijker. Weten<br />
we voor de tijd van 1410 alleen, dat de Kruisbroeders de levens-<br />
34 M. Vinken, Croisiers, in Dictionnaire d'Histoire et de Geographie Ecclesiastiques,<br />
torn. 13, kol. 1042-1062. Zie ook H. van Rooijen, Kruisheren, in Liturgisch<br />
Woordenboek, dl. 2, Roermond-Maaseik 1958-1967, kol. 1397-1405. J. van den<br />
Bosch, De ,,cultus cruets" in de Kruisherenorde, in Rond inhoud en beleving van<br />
de spiritualiteit der orde van het Heilig Kruis, Diest 1955, p. 101-124.<br />
35 Ramaekers, De Kruisherenorde als ,,Ordo Canonicus, p. 47-100 ; R. Haass,<br />
Spdtmittelalterliche Reformbestrebungen im niederlandisch-niederrheinischen Raum<br />
und der Kreuzherrenorde, in Annalen der Hist. Vereins f. d. Niederrhein, 144-145<br />
(1946-1947), p. 44-62.
INLEIDING 29<br />
wijze van de Reguliere Kanunniken gekozen hadden, omtrent de<br />
tijd daarna is het duidelijk, hoe zij dit leven ingericht hebben, welke<br />
idealen omtrent het kloosterleven zij zich zelf stelden, wat voor<br />
vormen van ascese zij beoefenden, welke vormen van zielzorg zij<br />
zich kozen of opgedragen kregen, hoe de betrekkingen waren tussen<br />
het hoofdklooster te Hoei en de overige kloosters. Met deze kennis<br />
zal men tot een karakterisering van de orde gedurende de vijftiende<br />
eeuw kunnen komen. Daar echter in deze eeuw de Kruisbroeders<br />
naar een hervorming van hun orde streefden, is het wellicht mogelijk<br />
met de verworven kennis ook de tijd voor 1410 te belichten en<br />
de idealen van de eerste Kruisbroeders te peilen. Die kennis zal<br />
eveneens een basis kunnen vormen voor het onderzoek van het wel<br />
en wee van de Kruisbroederorde na de vijftiende eeuw. Wanneer<br />
dit boek alzo tot een verruiming van inzicht in de geschiedenis van<br />
de Kruisbroederorde bijdraagt, zal een van zijn bedoelingen vervuld<br />
zijn.<br />
De leden van de orde werden in het verleden Fratres Sanctae<br />
Cruets, Crucesignati, Cruciferi, Crucigeri genoemd en in de Noor-<br />
delijke Nederlanden ,,Cruysbroers" en pas sinds de achttiende<br />
eeuw Kruisheren. In deze studien, die voornamelijk handelen over<br />
de vijftiende eeuw, houden wij ons aan de benaming Kruisbroeders,<br />
die in die tijd de gebruikelijke was.
Hoofdstuk I<br />
HET BEGIN VAN DE HERVORMING IN 1410<br />
De enige geschiedschrijver, die betreffende het begin van de<br />
hervorming in bijzonderheden afdaalde, was, zoals reeds in de<br />
Inleiding is geschreven, de Kruisbroeder Russelius in zijn Chrontcon<br />
Cruciferorum. Hij gaf het volgende verhaal. Johannes van Merode,<br />
de procurator van het Kruisbroederklooster te Venlo, was naar Luik<br />
gereisd om daar de belangen van zijn klooster te behartigen. Tijdens<br />
zijn verblijf in Luik bezocht hij zijn broer Arnoldus van Merode,<br />
die in deze stad kanunnik was en sigillifer (zegelbewaarder) van<br />
de elect-bisschop. Gedurende dit bezoek bemerkte Arnoldus, dat<br />
zijn broer erg bedroefd was en vroeg naar de oorzaak hiervan.<br />
Johannes antwoordde, dat wel enige ledematen van zijn orde ge-<br />
zond waren, maar dat het hoofd ziek was. Indien echter het hoofd<br />
genas, dan zouden ook de overige ledematen zich gemakkelijk her-<br />
stellen. Arnoldus begreep zijn broer en zette zich in voor de her<br />
vorming van de orde. Hij kon de prior van Hoei Johannes d'Avins,<br />
tevens prior-generaal van de orde, er toe overhalen weer een gene-<br />
raal-kapittel bijeen te roepen. De bijeenkomst werd vastgesteld op<br />
1 juli 1410. Op de laatste dag van de maand juni kwamen dan ook<br />
de kapittelvaders uit Duitsland, Frankrijk, Engeland en de Neder-<br />
landen te Hoei bijeen. Nog op deze dag deed Johannes d'Avins,<br />
na raadpleging van zijn vrienden en bewogen door Arnoldus van<br />
Merode, nu officiaal van het bisdom Luik genoemd, en nog vele<br />
andere wijze en verstandige mannen, maar vooral op aandringen<br />
van de kapittelvaders, geheel vrijwillig afstand van zijn prioraat.<br />
De dag daarna, dus op 1 juli 1410, werd Libertus Janssen van<br />
Bommel eenstemmig tot prior van Hoei en tot prior-generaal van<br />
de orde van het Heilig Kruis gekozen. Bij de keuze en ook bij de<br />
Heilige Mis, die aan de keuze voorafging, waren tegenwoordig<br />
Jan van Beieren, de elect-bisschop van Luik, de hertog van Bour-
DE HERVORMING IN 1410 31<br />
gondie, de graaf van Marre, de prins van Oranje, de graven van<br />
Holland en Namen, en vele andere geestelijke en wereldlijke heren.<br />
Tot zover het verhaal van Russelius \<br />
Russelius vermeldde niet de bronnen voor zijn gegevens. Het is<br />
daarom nodig hiernaar een onderzoek in te stellen en te trachten<br />
zijn verhaal te verifieren en te verduidelijken. Er is echter maar<br />
een bron, die gegevens verschaft over het gebeuren van 1410,<br />
namelijk de besluiten van het generale kapittel, dat op 1 juli 1410<br />
bijeengekomen was onder de leiding van de nieuw-gekozen priorgeneraal.<br />
De definitoren hadden deze opgesteld. Zij richtten zich<br />
tot alle prioren en Kruisbroeders van de gehele orde en meldden,<br />
dat Johannes d'Avins als prior van Hoei en als prior-generaal was<br />
afgetreden. Hij was hiertoe overgegaan, omdat hij inzag, dat hij<br />
geestelijk en lichamelijk niet meer opgewassen was tegen zijn verantwoordelijke<br />
taak. Voordat hij deze gewichtige beslissing nam,.<br />
had hij nog zijn vrienden en andere ervaren mannen geraadpleegd.<br />
De definitoren maakten verder bekend, dat de conventualen van het<br />
klooster te Hoei Libertus Janssen van Bommel tot hun prior hadden<br />
gekozen en dat het generale kapittel de nieuwe prior van Hoei tot<br />
zijn voorzitter en tot prior-generaal van de gehele orde had aanvaard.<br />
Libertus Janssen van Bommel had aanvankelijk wel geweigerd<br />
dit ambt op zich te nemen, maar had zich er toe laten overhalen<br />
door de vele aanwezige hoge geestelijke en wereldlijke heren.<br />
De definitoren spoorden nu alle Kruisbroeders aan, de nieuwe<br />
prior-generaal te gehoorzamen en eerbied te bewijzen.<br />
Behalve het bericht van de bestuurswisseling te Hoei bevatten<br />
deze besluiten nog een maatregel, waaruit duidelijk blijkt, waarom<br />
de kapittelvaders ten voile instemden met het aftreden van Johannes<br />
d'Avins. Zij hoopten een hervorming in de orde door te voeren.<br />
De definitoren schreven, dat zij, en met hen de nieuwe priorgeneraal<br />
en alle aanwezige Kruisbroeders, het betreurden, dat er in<br />
de orde zoveel misstanden heersten. Om hieraan een einde te maken<br />
herriepen zij nu alle tot dan toe genomen besluiten, daar het aantal<br />
te groot was en vele bovendien in strijd met het kerkelijk recht en<br />
het monastieke leven waren.<br />
1 Russelius, Chronicon Cruciferorum, p. 88-91 ; Hermans, Annales, I, p. 93-94..
32 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Aldus de besluiten van het generale kapittel van 1410 2.<br />
Het verhaal van Russelius en de besluiten van het generale kapit<br />
tel van 1410 stemmen hierin met elkaar overeen, dat op 1 juli 1410,<br />
de dag, waarop de keuze van Libertus Janssen van Bommel tot<br />
prior van Hoei en tot prior-generaal plaats vond en waarop het<br />
generale kapittel weer werd gehouden, de eerste stap naar een<br />
hervorming van het kloosterleven bij de Kruisbroeders is gezet.<br />
Gedurende de gehele vijftiende eeuw werd door hen 1410 als het<br />
beginjaar van de hervorming erkend. Aan de namen van nieuw-<br />
gekozen prioren-generaal werd in de eeuw daarna altijd toege-<br />
voegd : N., secundus (tertius, quartus) ab ordinis reformatione3.<br />
In 1498 b.v. beloofde het generale kapittel aan de kloosters een<br />
exemplaar van de statuten toe te zenden, waarin de nieuwe maat-<br />
regelen en statuten, die waren afgekondigd sinds de hervorming,<br />
namelijk vanaf 1410, opgenomen waren4.<br />
Twee onderdelen van het verhaal van Russelius en van de be<br />
sluiten van het generale kapittel vragen echter om opheldering.<br />
Vooreerst de keuze van de nieuwe prior-generaal. Russelius schreef,<br />
dat Libertus Janssen van Bommel werd gekozen tot prior van Hoei<br />
en tot prior-generaal. Deze keuze formuleerden de definitoren ge-<br />
heel anders : het convent van Hoei koos op canonieke wijze Libertus<br />
2 Primo igitur omnium attendentes, quod statuta nostra, ut multitudo eorum<br />
vitetur, precipiunt, quatenus pad et tranquillitati totius ordinis provideatur, de<br />
consilio requisite et obtento, atque consensu omnium patrum seu priorum in eodem<br />
nostro generali capitulo consistentium, omnes diffinitiones quascumque et quandocumque<br />
compositas, quarum non videtur numerus, revocamus, cassamus, annihilamus,<br />
revocatas, cassatas, annihilatas denuntiamus : cupientes et volentes, quantum in<br />
nobis est, obsistere, ut sub pallio bonorum mala non fulciantur, nimirum cum in<br />
nonnullis huiusmodi diffinitionibus reperimus, quo spiritu vel instinctu non omnino<br />
ignorantes, multa contra jura et sacros canones, nostram professam regulam, nostri<br />
sacri ordinis sepe dicti confirmata sancte sedis apostolice auctoritate statuta, nee<br />
non regularem atque monasticam vitam composita et diffinita revocantes et remittentes<br />
nos sane ad dicta nostra tarn sublimiter, ut dictum est, confirmata statuta, et<br />
precipue regulam omni discretione et moderamine luculentam, secundum quam<br />
vovimus promisimus et juravimus vivere et vitam nostram omni posse dirigere;<br />
que quoque pauciora et potiora, leviora et utiliora atque lucidiora, omnibus sane<br />
et sancte consideratis noscuntur esse. Van de Pasch, Definities, anno 1410 ;<br />
Hermans, Annales, II, p. 204-205.<br />
3 Van de Pasch, Het klooster Clairlieu, in Clairlieu, 17 (1959), p. 86.<br />
4 Van de Pasch, Definities, anno 1498 ; Hermans, Annales, II, p. 442. In 1464<br />
beval het generale kapittel aan de kloosters de bepalingen, sinds 1410 uitgevaardigd,<br />
aan de statuten toe te voegen en op bepaalde tijden te laten voorlezen. Van de<br />
Pasch, Definities, anno 1464 ; Hermans, Annales, II, p, 297.
DE HERVORMING IN 1410 33<br />
Janssen van Bommel tot zijn prior en daarna heeft het generate<br />
kapittel hem als prior-generaal van de gehele orde aanvaard5.<br />
Volgens de statuten van 1248 hadden de conventualen van Hoei<br />
het recht hun eigen prior te kiezen en deze prior was tevens priorgeneraal<br />
van de gehele orde. Dat zij ook in 1410 van dit recht<br />
gebruik maakten, gaven de definitoren duidelijk aan. Het merkwaardige<br />
is echter, dat zij hieraan toevoegden, dat het generate<br />
kapittel de nieuwe prior van Hoei aanvaardde als prior-generaal<br />
van de orde. De statuten van 1248 bepaalden omtrent een dergelijke<br />
macht van het generale kapittel niets. Mogelijk is, dat de<br />
generale kapittels na 1248 de bevestiging van de prior-generaal aan<br />
zich hebben getrokken, doch alle bepalingen, die na 1248 zijn genomen,<br />
werden op het generale kapittel van 1410 geannuleerd.<br />
Maar juist de vernietiging van die besluiten geeft te verstaan, dat<br />
het generale kapittel het bestuur van de orde meer aan zich wenste<br />
te trekken. Daarom is de aanvaarding van de nieuwe prior van<br />
Hoei tot prior-generaal zeer waarschijnlijk zo te interpreteren, dat<br />
de kapittelvaders verlangden, juist met het oog op een hervorming<br />
van de orde, het laatste woord te hebben inzake de leiding van de<br />
orde, echter niet voor altijd, maar alleen voor deze keer, gezien<br />
ook het ongewone aftreden van de regerende prior-generaal.<br />
Het tweede onderdeel, dat verduidelijking vraagt, is de medewerking<br />
van mensen buiten de orde. De definitoren schreven, dat<br />
Libertus Janssen van Bommel zich door de vele aanwezige hoge<br />
geestelijke en wereldlijke heren liet overhalen het ambt van priorgeneraal<br />
op zich te nemen. Russelius doet het meer voorkomen,<br />
alsof Arnoldus van Merode de grote stuwer en medewerker was,<br />
terwijl de hoge heren - hij noemde de voornaamsten - slechts door<br />
hun aanwezigheid de keuze opluisterden 6.<br />
Waarin bestond nu die medewerking van Arnoldus van Merode<br />
en de genoemde en niet-genoemde hoge geestelijke en wereldlijke<br />
heren ? Haass beweerde, dat de orde van de Kruisbroeders zich<br />
5 Et convocation conventuali canonica et collatione facta, communi consensu et<br />
concordia, omnium vigorem et vocem in electione prioris generalis habentium,<br />
nullo penitus contradicente, sed omnibus similiter consentientibus et eligentibus<br />
venerabilem et dilectum patrem et confratrem nostrum F. Lubertum Joannis, ipsum<br />
suscepit capitulum in nostrum et totius sacri ordinis priorem generalem et gubernatorem.<br />
Van de Pasch, Definities, anno 1410 ; Hermans, Annales, II, p. 204-205.<br />
Van de Pasch, Definities, anno 1410 ; Hermans, Annales, II, p. 204-205.
34 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
zelf hervormde, m.a.w. dat er geen inmenging van kerkelijke en<br />
wereldlijke overheid is geweest7. Kloosters werden echter gedurende<br />
de vijftiende eeuw veelal tot observantie gebracht met behulp<br />
van die overheid. Het is daarom goed op de mededelingen van<br />
Russelius en de definitoren wat nader in te gaan.<br />
De definitoren deelden niets mee over de bijstand, die volgens<br />
Russelius Arnoldus van Merode had verleend. Toch is zeker, dat<br />
hij de goedwillende Kruisbroeders, zoals zijn broer Johannes, zijn<br />
steun heeft geschonken. Een jaar na zijn dood in 1445 eiste het<br />
generale kapittel, dat zijn naam in het Liber defunctorum werd<br />
ingeschreven, omdat hij de primordialis cooperator reformationis<br />
nostri ordinis was geweest8. De reden, waarom Arnoldus van Me<br />
rode zo spontaan zijn hulp aanbood, is ook verklaarbaar. Niet<br />
alleen omdat zijn broer Johannes er om vroeg, maar ook omdat hij<br />
lid van het geslacht Merode was. Dit geslacht was zeer bevriend met<br />
de orde van de Kruisbroeders. Een van de voorouders van Arnoldus,<br />
namelijk Werner IV, heer van Merode en van Andrimont, stichtte<br />
in 1340 het Kruisbroederklooster Schwarzenbroich9. Ook zijn<br />
ouders, Richard I van Merode, een kleinzoon van bovengenoemde<br />
Werner IV, en Margaretha van Wesemael, begunstigden dit klooster<br />
rijkelijk. Arnoldus volgde zijn ouders hierin na10. In de beslui-<br />
ten van na 1410 werd nog tweemaal een Petrus van Merode<br />
genoemd. De eerste maal in 1428, waar vermeld werd, dat deze<br />
Petrus van Merode kanunnik van S. Severinus te Keulen was en<br />
aan de orde driehonderd Rijnse guldens had gegeven om de onkosten<br />
van het generale kapittel te dekken ". De tweede maal in<br />
1456. Het generale kapittel droeg toen aan de visitatoren op in<br />
ieder convent te onderzoeken of de naam van Petrus van Merode<br />
wel in het Liber defunctorum was ingeschreven12. Petrus van<br />
7 Haass, Die Kreuzberren, p. 11.<br />
8 Van de Pasch, Definities, anno 1446 ; Hermans, Annales, II, p. 255.<br />
9 Haass, Die Kreuzberren, p. 92. Misschien heeft Werner IV van Merode de<br />
Kruisbroeders leren kennen in Andrimont. Volgens Van Rooijen, De oorsprong<br />
van de orde, p. 70-71, was er in de dertiende eeuw in Andrimont een Kruis<br />
broederklooster. Thans ligt er nog een gehucht met de naam Croisiers. Andrimont<br />
ligt ten oosten van Luik. Zie J. S. Renier, Histoire d'Andrimont lez Verviers et de<br />
Vancienne commune des Croisiers y annexee, Verviers 1886.<br />
10 Haass, Die Kreuzberren, p. 93-96.<br />
11 Van de Pasch, Definities, anno 1428 ; Hermans, Annales, II, p. 282.<br />
12 Quatenus faciant diligentem inquisitionem in libris memoriam singulorum<br />
conventuum super inscriptione memorie pro animabus domini Petri de Merodi ...<br />
et parentum suorum, singulis annis circa festum sancti Philippi et Jacobi faciende^
DE HERVORMING IN 1410 35<br />
Merode was een neef van Arnoldus, namelijk een zoon van diens<br />
broer Petrus 13.<br />
Arnoldus van Merode nu had circa 1410 een positie, die hem<br />
in staat stelde zijn plannen uit te voeren. Hij was in 1410 inderdaad<br />
zegelbewaarder van de elect-bisschop Jan van Beieren 14. De zegelbewaarder<br />
was tevens de geheime raadsheer van de bisschop en<br />
had daardoor in het bisdom een zeer grote invloed 15. Hij zal prior-<br />
generaal Johannes d'Avins spoedig tot het inzicht gebracht hebben,<br />
dat het bijeenroepen van een generaal kapittel dringend was en zijn<br />
aftreden gewenst.<br />
Was het nu ook door zijn toedoen, dat er op de dag van het<br />
generale kapittel zoveel hoge geestelijke en wereldlijke heren<br />
in het Kruisbroederklooster te Hoei aanwezig waren ? Het is<br />
mogelijk, dat op het einde van de maand juni 1410 Jan van Beieren,<br />
elect-bisschop16, Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondie17, de<br />
ratione pii subsidii pro expensis generalis capituli collati. Van de Pasch, Dejinities,<br />
anno 1456 ; Hermans, Annales, II, p. 282.<br />
13 Voor het geslacht van Merode, zie E. Richardson, Geschichte der Familie<br />
Merode, 2 Bde., Prag 1877. Van Merode was een oud en aanzienlijk Keuls ministerialengeslacht,<br />
dus niet edelvrij ; de familie van Merode is in 1472 door de keizer<br />
in de adelstand verheven, aldus J. M. van Winter, Ministerialiteit en Ridderschap<br />
in Gelre en Zutphen, Groningen 1962, p. 178, noot 25 ; zie ook J. Habets, De<br />
archieven van het kapittel der hoogadellijke (vorstelijke) rijksabdij Thorn, 2 dl.,<br />
Den Haag 1889-1899. In het depot van het algemeen rijksarchief te Brussel bevinden<br />
zich documenten betreffende Arnoldus en Johannes van Merode. Bij onderzoek<br />
hiervan bleek er geen te zijn met betrekking tot de Kruisbroeders. De archiefstukken<br />
waren alle afkomstig van het kasteel Westerlo in Belgie. Petrus van Merode<br />
is zeer waarschijnlijk de vertaler van Le pelegrinage de vie humaine, geschreven<br />
door Guillaume de Deguiville. De Duitse tekst luidt Die Pilgerfahrt des traumenden<br />
Monches. De vertaling werd gekopieerd door de Kruisbroeder Johannes Dursten<br />
uit het klooster te Keulen. Zie : Dentsche und Niederldndische Handschriften, bearbeitet<br />
von Karl Menne, in Mitteilungen aus dem Stadtarchiv von Kbln, Koln<br />
1931, p. 41-42. Verder : H. A. A. Damave, Die Sprache der Pilgerfahrt des traumenden<br />
Monches, Haarlem 1964.<br />
14 Arnoldus van Merode was kanunnik van het kapittel van Sint Lambertus te<br />
Luik, zie J. de Theux de Montjardin, Le chapitre de Saint Lambert a Liege,<br />
t 2, Bruxelles 1871, p. 151 ; J. Daris, Histoire du diocese et de la principaute de<br />
Liege pendant le XVe siecle, Liege 1887, p. 112.<br />
15 E. Poncelet, Les vicaires generaux et les scelleurs de I'eveche de Liege, in<br />
Bulletin de la societe d'art et d'histoire du diocese de Liege, 29 (1938), p. 2-81 ;<br />
30 (1939), p. 1-62 ; voor Arnoldus van Merode, ibidem, 29 (1938), p. 46.<br />
16 Voor het bestuur van de elect-bisschop Jan van Beieren zie: J. Bartier,<br />
Bourgondie's indringen in het prinsbisdom Luik, in Algemene Geschiedenis der<br />
Nederlanden, deel 3, Utrecht 1951, p. 299-302 ; G. Kurth, La cite de Liege, t. Ill,<br />
Liege 1910, p. 3-86 ; Biographie Nationale, t. 10, kol. 327-336.<br />
17 Overzicht van bronnen en literatuur, in Alg. Geschiedenis der Nederlanden,<br />
deel 3, p. 447-448. E. Strubbe-L. Voet, De chronologie van de middeleeuwen en<br />
de moderne tijden in de Nederlanden, Antwerpen-Amsterdam I960, p. 396.
36 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
graaf van Marre18, Jean van Chalon, prins van Oranje19, Wil-<br />
lem II, graaf van Namen20, en Willem VI, graaf van Henegouwen,<br />
Holland en Zeeland21 om bepaalde redenen, die we niet kennen,<br />
op het kasteel van Hoei, een van de residenties van Jan van<br />
Beieren, verbleven22. Arnoldus van Merode kon hun gevraagd<br />
hebben naar het Kruisbroederklooster, vlakbij het kasteel, te gaan.<br />
Maar waarom was hun aanwezigheid zo gewenst ? Zagen zij zo<br />
graag een hervorming in een kloosterorde 23 ?<br />
Om welke reden het grote aantal hoge geestelijke en wereldlijke<br />
heren zich dan ook naar het Kruisbroederklooster begeven had, dat<br />
bezoek zal alleen maar verklaard kunnen worden, wanneer een<br />
andere vraag is beantwoord: of de prior van Hoei omstreeks 1410<br />
in het Luikse gebied een invloedrijke positie innam ?<br />
Russelius noch de andere Kruisbroeders, die het leven van de<br />
prioren-generaal beschreven 24, hebben ooit melding gemaakt van<br />
een vooraanstaande positie, die de prioren van Hoei in het land<br />
18 Een blijkbaar onbekende familie ; zij is niet te vinden in de Biographie Ratio<br />
nale. In E. de Dynter, Chronicon des dues de Brabant, ed. P. F. X. de Ram,<br />
t. Ill, Bruxelles 1854 (Comm. Roy. Hist.), p. 383 is er sprake van een ,,comitissa<br />
de Marre, tune domina de Duffel et de Ghele" ; op p. 816 ,,la contesse de Merre<br />
adont dame de Duffel et de Ghele". Duffel en Gheel liggen ten noorden van<br />
Leuven.<br />
18 Jean de Chalon was prins van Oranje circa 1408. Zie : S. Balau-E. Fairon,<br />
Chroniques liegeoises, Bruxelles 1913-1931 (Comm. Roy. Hist.), t. I, p. 189 ; t. II,<br />
Index.<br />
20 Biogr. Nat., t. 8, kol. 487 ; Strubbe-Voet, Chronologie, p. 387.<br />
21 Biogr. Nat., t. 8, kol. 484-487 ; Strubbe-Voet, Chronologie, p. 367 en 371 ;<br />
Overzicht van bronnen en literatuur, in Alg. Geschiedenis der Nederlanden, deei 3,<br />
p. 442-444.<br />
22 Het verblijf van de vorsten is niet op te maken uit: E. Bacha, Catalogue des<br />
actes de Jean de Baviere, 1390-1417, Liege 1898 ; Itineraires de Philippe le Hard/<br />
et de Jean sans Peur, dues de Bourgogne, 1363-1419, d'apres les comptes de depenses<br />
de leur H6tel recueillis et mis en ordre par Ernest Petit, Paris 1887 ; Georges<br />
Chastellain, Chroniques des dues de Bourgogne, 5 vols., ed. H. Kervijn de<br />
Lettenhove, Bruxelles 1863 ; Th. van Riemsdijk, Tresorie en kanselarij van de<br />
Graven van Holland en Zeeland uit het Henegouwsche en Beijersche Huis, 's-Grahage<br />
1908 ; L. Devillers, Cartulaire des eomtes de Hainaut, t. Ill, Bruxelles 1886.<br />
Hoewel het verblijf van de vorsten niet vermeld wordt, het wordt ook niet uit-<br />
gesloten.<br />
23 In 1405 keurde Jan van Beieren de disciplinaire maatregelen, die door de<br />
visitatoren van het prioraat van Oignies waren genomen, goed. In 1415 belastte Jan<br />
van Beieren de abt van S. Jacques te Luik en Lambert de Stache, prior van Bertree,<br />
de abdij van Florennes te hervormen, zie E. Bacha, Catalogue des actes de Jean<br />
de Baviere, resp. 1405 en 1415. De graaf van Namen, Willem II, werkte in zijn<br />
graafschap voor de hervorming van de Cisterciensers, zie : De Moreau, Hist, de<br />
l'£glise en Belg., t. IV, p. 306-307.<br />
24 Van de Pasch, Het klooster Clairlieu, in Clairlieu, 17 (1959), p. 65 vlg.
DE HERVORMING IN 1410 37<br />
van Luik of elders bekleedden. Alleen van Johannes de Mannaville,<br />
prior-generaal van 1355 tot 1358, is bekend, dat hij het vertrouwen<br />
had van Jan de Goede, koning van Frankrijk 25.<br />
Dit heeft tot gevolg gehad, dat men nooit veel aandacht besteedde<br />
aan de aanwezigheid van de hoge heren.<br />
Wanneer men echter op de hoogte is van de geschiedenis van<br />
Frankrijk en van het land van Luik circa 1410, zal het opgevallen<br />
zijn, dat de door Russelius genoemde elect-bisschop van Luik, de<br />
hertog van Bourgondie, de graaf van Namen, de graaf van Henegouwen,<br />
Holland en Zeeland, de prins van Oranje in die tijd een<br />
hechte alliantie vormden. Zij waren in 1408 de overwinnaars in<br />
de slag bij Othee. Door deze overwinning kwam er voorlopig een<br />
einde aan de twisten tussen de elect-bisschop Jan van Beieren en<br />
de stad Luik in verbond met andere steden o.a. Hoei. In 1399 waren<br />
de moeilijkheden begonnen. In dat jaar riep de stad Luik de andere<br />
steden van het bisschoppelijke gebied bijeen om te beraadslagen<br />
over een voorstel van een gezantschap, dat gestuurd was door de<br />
koning van Frankrijk, de hertog van Bourgondie, de hertogin van<br />
Brabant en de graaf van Namen. Het voorstel hield in om, evenals<br />
de koning van Frankrijk, de gehoorzaamheid aan de paus van<br />
Rome, Bonifatius IX, geheel op te zeggen en zich ten opzichte van<br />
de beide pausen neutraal te houden, totdat de eenheid in de kerk<br />
zou zijn hersteld. Zowel de bisschop en het kapittel van Luik als<br />
de stad Luik hadden zich in 1379 aan de kant van de paus van<br />
Rome geschaard. Op 11 juni 1399 aanvaardden de steden van het<br />
land van Luik het voorstel van de Franse koning. Ook de elect en<br />
de geestelijkheid volgden. Velen zullen in deze subtractio obedientiae<br />
wel een middel gezien hebben de pausen te dwingen voor de<br />
hereniging van de kerk te werken. De stad Luik had echter voor de<br />
subtractio een politieke reden. De stad streefde ernaar vrij te zijn,<br />
autonoom ten opzichte van de bisschop en het kapittel en verlangde<br />
de hegemonie te verkrijgen over het land van Luik. Bij de komst<br />
van het Franse gezantschap was de elect-bisschop in Friesland op<br />
expeditie en het was erg aanlokkelijk buiten de bisschop om een<br />
verbond van vriendschap te sluiten met Frankrijk. Na zijn thuiskomst<br />
heeft Jan van Beieren zich wel verzet tegen de subtractio,<br />
25 Van de Pasch, a.w., 17 (1959), p. 107.
38 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
maar tenslotte moest hij zich er bij neerleggen, wilde hij niet in<br />
onmin komen met de stad Luik.<br />
Doch Jan van Beieren wenste onafhankelijk van de Luikse<br />
stadsmagistraat te regeren. In 1405 keerde hij terug tot de obedientie<br />
van de paus van Rome, Innocentius VII. Verontwaardigd<br />
over deze politiek kwam de stad en het land van Luik het volgend<br />
jaar in opstand. De elect-bisschop vluchtte naar Maastricht. De<br />
steden kwamen 26 September 1406 bijeen en riepen Hendrik van<br />
Perwez tot momber en diens zoon Diederik tot bisschop uit. Bijna<br />
alle kanunniken zochten elders een onderkomen, maar werden ver-<br />
vangen door aanhangers van Perwez. Aanvankelijk hielden de op-<br />
standelingen nog vast aan de subtractio, maar spoedig wendden zij<br />
zich tot de paus van Avignon. Jan van Beieren kreeg echter hulp<br />
van zijn familie : de hertog van Bourgondie, Jan zonder Vrees, en<br />
de graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland, Willem VI.<br />
Op 23 September 1408 stonden de partijen tegenover elkaar bij<br />
Othee. De Luikse steden leden een verpletterende nederlaag. Vele<br />
doden bleven op het slagveld achter. Ook Hendrik en Diederik<br />
van Perwez. Verschrikkelijk waren de vergeldingsmaatregelen<br />
van Jan zonder Vrees en Jan van Beieren, sindsdien dikwijls ,Jan<br />
zonder Genade" genoemd. Zowel geestelijken als leken vielen hier-<br />
aan ten offer26.<br />
Hoewel het conflict tot het gebied van de politiek behoorde,<br />
werd de kerkelijke kwestie erin betrokken. De Avignon-paus<br />
Benedictus XIII benoemde de elect Diederik van Perwez tot bis<br />
schop van Luik ; zijn tegenstander te Rome paus Gregorius XII<br />
verleende zijn zegen en aflaten aan de helpers van Jan van Beieren.<br />
Toch werd na de slag bij Othee de obedientie van de paus van<br />
Rome in het land van Luik niet hersteld. Onder invloed van Frank-<br />
rijk en de hertog van Bourgondie werd de subtractio obedientiae<br />
opnieuw uitgeroepen 2T. Dit veranderde weer na het concilie van<br />
Pisa, 1409. Toen koos het Beierse huis onder invloed van Jan<br />
26 A. Lallemant, La lutte des Etats de Liege contre la maison de Bourgogne,<br />
1390-1492, Bruxelles z.j., p. 34-56 ; A. Minder, La rivalite Orleans-Bourgogne<br />
dans la Principaute de Liege, Verviers 1954 ; J. Bartier, in Alg. Geschiedenis der<br />
Nederlanden, dl. 3, p. 299-302 ; G. Kurth, La cite de Liege, t. 3, p. 3-71 ;<br />
J. Daris, Histoire du diocese, p. 57-108.<br />
27 G. van Asseldonk, De Nederlanden en het Westers Schisma tot 1398, Utrecht<br />
1955, p. 39-63.
DE HERVORMING IN 1410 39<br />
zonder Vrees voor paus Alexander V, ook wel de paus van Pisa<br />
genoemd 28.<br />
Deze vorsten, die 20 onbarmhartig de Luikse steden straften<br />
- de steden dienden hun aloude privileges in te leveren -, waren<br />
aanwezig bij de priorswisseling te Hoei in 1410. Daarom is het wel<br />
gerechtvaardigd zich af te vragen, of er tussen de slag bij Othee<br />
en de priorswisseling te Hoei in 1410 enig verband bestond.<br />
De meerderheid van de reguliere clems had zich aan de kant<br />
van Perwez geschaard, hoewel min of meer ertoe gedwongen 29.<br />
Jan van Beieren had van paus Gregorius XII, ondanks de subtractio,<br />
volmacht gekregen de geestelijken, die aan de opstand hadden meegedaan,<br />
uit hun beneficies te ontzetten 30. In de bronnen voor de<br />
geschiedenis van het bisdom Luik, zoals oorkonden en kronieken,<br />
vindt men geen enkel gegeven, waaruit besloten kan worden, dat<br />
Johannes d'Avins uit zijn ambt van prior-generaal is ontzet of tot<br />
de genoemde geestelijken behoorde of aan de kant van Perwez<br />
stond. In de bronnen voor de geschiedenis van de Kruisbroeders<br />
kan men echter wel een gegeven vinden, dat in ieder geval wijst<br />
op een verband tussen het begin van de hervorming bij de Kruis<br />
broeders en de slag bij Othee.<br />
In het Landesarchiv van Detmold bevindt zich namelijk een afschrift<br />
van de besluiten van de generale kapittels, dat afkomstig is<br />
van het Kruisbroederklooster te Falkenhagen. Aan het begin van<br />
de besluiten van het jaar 1452 leest men het volgende: Hier volgt<br />
het eerste besluit van de prior-generaal Georgius van Brueggen.<br />
Hij is op 16 januari 1452 door de broeders van het convent te Hoei<br />
eensgezind tot prior en generaal gekozen, en hij is vanaf de her<br />
vorming van de orde en vanaf de slag bij Othee de vijfde hervormer<br />
van onze orde31.<br />
2S A. G. Jongkees, Staat en Kerk in Holland en Zeeland onder de Bourgondische<br />
hertogen, 1423-1477, Groningen 1942, p. 26.<br />
29 Van Asseldonk, De Nederlanden, p. 63.<br />
E. Bacha, Catalogue des actes de Jean de Baviere, nr. 108.<br />
31 Hie sequitur prima diffinitio Reverendi patris nostri generalis fratris Georgii<br />
de Brugen, qui fuit in anno videlicet 1452 16 die mensis Januarii, hoc est in die<br />
Anthonii confessoris a fratribus conventus videlicet Hoyensis unanimiter et concorditer<br />
in priorem et generalem electus, et fuit predictus pater ab ordinis reformatione<br />
et a strage Leodiensi facta aput villagium Othei quintus nostri ordinis reformator.<br />
Van de Pasch, Definities, anno 1451 b.
40 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Hieruit moet men wel een verband tussen het begin van de<br />
hervorming, namelijk de priorswisseling te Hoei in 1410 en de<br />
slag bij Othee opmaken.<br />
Stond de prior-generaal Johannes d'Avins dan toch in relatie met<br />
de heer van Perwez of met de magistraat van de stad Hoei of met<br />
die van de stad Luik ? Wie waren de vrienden, die Johannes<br />
d'Avins wenste te raadplegen over zijn wel of niet aftreden ?<br />
Zoals reeds is opgemerkt zijn voor de tijd van het schisma van<br />
Perwez geen gegevens te vinden, die op een dergelijke betrekking<br />
wijzen. Echter voor de jaren, dat Petrus Pincharius prior van Hoei<br />
was, 1363-1382 32, vindt men goede contacten tussen de prior van<br />
Hoei, de heer van Perwez en het stadsbestuur van Luik.<br />
In 1367 gaf Petrus Pincharius aan Johannes van Roermond, een<br />
Kruisbroeder uit het klooster te Asperen, opdracht om met Diederik<br />
van Horn, heer van Perwez, en zijn echtenote Catharina Berthout<br />
te onderhandelen over de stichting van een Kruisbroederklooster<br />
nabij Cuijk. Hier wilden Diederik van Horn, toen voogd over het<br />
land van Cuijk, en zijn echtgenote een kapel, toegewijd aan Sint<br />
Agatha, aan de zorgen van de Kruisbroeders toevertrouwen. Petrus<br />
Pincharius schreef in zijn opdrachtbrief, dat hij verheugd was deze<br />
kapel te mogen aanvaarden uit hun handen. Hun voorouders im-<br />
mers hadden al zoveel gedaan voor de orde van de Kruisbroeders.<br />
Hij hoopte, dat er altijd een goede verstandhouding zou blijven<br />
tussen hun families en de Kruisbroeders 33.<br />
Diederik van Horn, heer van Perwez, was de zoon van Wil-<br />
lem VI, heer van Altena en Horn, 1333-1343, en diens tweede<br />
vrouw Else van Kleef34. Hij was in 1356 een van de aanzienlijkste<br />
heren van het hertogdom Brabant35. Catharina Berthout was de<br />
dochter van Hendrik van Berthout en Margaretha van Wesemael36.<br />
Wie van Diederiks voorouders Petrus Pincharius op het oog had,<br />
32 Van de Pasch, Het klooster Clairlieu, in Clairlieu, 17 (1959), p. 109-111 ;<br />
C. van Dal, Rond ,,Vestis nuptialis", in Clairlieu, 11 (1953), p. 3-29.<br />
33 Hermans, Annales, II, p. 118-120 ; het origineel bevindt zich in het archief<br />
van het klooster Sint Agatha bij Cuyk.<br />
34 S. Balau-E. Fairon, Chroniques liegeoises, t. II, table IV.<br />
88 R. van Bragt, De Blijde inkomst van de hertogen van Brabant Johanna en<br />
Wenceslas, Leuven 1956 (Standen en Landen, deel 13), p. 39-41.<br />
38 Van Bragt, a.w., p. 41. Zij was zeer zeker een verwante van de moeder van<br />
Arnoldus en Johannes van Merode, die eveneens Margaretha van Wesemael heette.
DE HERVORMING IN 1410 41<br />
behoeft hier niet ter sprake te komen. Wei kan er op gewezen worden,<br />
dat een van zijn zoons, namelijk Hendrik van Perwez, in de<br />
jaren 1406-1408 momber van Luik was. Het is nu mogelijk, dat de<br />
verstandhouding tussen de toenmalige prior-generaal van Hoei,<br />
Johannes d'Avins en Hendrik van Perwez nog altijd goed was.<br />
Meer dan een veronderstelling kan het echter niet zijn.<br />
Zo is het ook gesteld met de betrekkingen tussen de prior van<br />
Hoei en de stad Luik. Voor de jaren 1378 en 1379 kan men die<br />
aanwijzen. In 1378 zocht de magistraat van Luik zich te ontdoen<br />
van de elect-bisschop Eustache Persand, omdat hij een verdrag met<br />
de hertog van Brabant had gesloten zonder de stad hierin te kennen.<br />
De stad kon hiertoe gemakkelijk overgaan, omdat Persand zijn bevestiging<br />
had verkregen van de paus van Avignon, Clemens VII.<br />
De paus van Rome, Urbanus VI, had de bisschop van Utrecht,<br />
Arnoud van Horn, tot bisschop van Luik benoemd. Naar deze<br />
Arnoud van Horn zond nu de stad een gezantschap, waarvan ook<br />
Hendrik van Perwez deel uitmaakte, om hem over te halen de<br />
benoeming te aanvaarden en naar Luik te komen 37. Op dezelfde<br />
dag, dat het gezantschap van de stad Luik te Utrecht vertoefde,<br />
was ook de prior van Hoei op bezoek bij de bisschop van Utrecht.<br />
,,Des Vridaghes na Sinte Katherinendach had mijn heer ten eten<br />
de heer van Apcoude ende de prijoer van Hoye", zo schreef de<br />
rentmeester van de bisschop38.<br />
Arnoud van Horn was een broer van Diederik van Perwez en<br />
een oom van Hendrik van Perwez39. Gezien de goede verstand<br />
houding tussen de prior van Hoei en de familie van Perwez, kan<br />
de stad Petrus Pincharius gevraagd hebben, voor de magistraat een<br />
goed woord te doen bij de bisschop van Utrecht.<br />
De reis van de prior naar Utrecht kan nog anders geinterpreteerd<br />
worden, namelijk zo dat hij als een van de vertrouwensmannen<br />
van de stad Luik daartoe aangezocht is. Immers het jaar daarop<br />
vertrok hij naar Frankfort, ook namens het stadsbestuur van Luik.<br />
Keizer Wenceslaus had de bisschop, het kapittel van Luik en ook<br />
31 Van Asseldonk, De Nederlanden, p. 21.<br />
38 Rekeningen van het bisdom Utrecht, uitgegeven door K. Heeringa, Utrecht<br />
1926 (Werken van het Hist. Genootschap, 3e serie, nr. 50), dl. 1, eerste stuk, p. 64,<br />
39 S. Balau-E. Fairon, Chroniques liegeoises, t. II, table IV.
42 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
het stadsbestuur verzocht gezanten te sturen naar Frankfort om<br />
een overeenkomst te bereiken in de moeilijke kwestie van het Wes<br />
ters schisma. Het stadsbestuur zond de prior van Hoei. Deze kreeg<br />
een brief mee, waarin de heren van het stadsbestuur zich veront-<br />
schuldigden, dat zij niet een van hun burgers stuurden. Als reden<br />
gaven zij op, dat de weg vanwege rovers niet veilig was 40.<br />
Deze opdrachten zijn raadselachtig. De prior van Hoei, Petrus<br />
Pincharius, was niet afkomstig uit Luik noch uit het land van Luik,<br />
maar was geboren in Caen 41. Zocht de magistraat van Luik een<br />
geestelijke, waarom richtte zij zich dan niet tot een geestelijke uit<br />
de stad zelf of tot een abt van een van de grote abdijen in het land<br />
van Luik ? Petrus Pincharius staat bij zijn biografen bekend als<br />
een vroom man, die zijn beste krachten gaf aan het bestuur van de<br />
orde om het verval van het kloosterleven tegen te gaan. Van een<br />
politieke werkzaamheid werd nooit gerept. Russelius verhaalt, dat<br />
Johannes d'Avins in 1393 door middel van geld en vrienden het<br />
prioraat van Hoei verkreeg42. Van hem zou men kunnen verwach-<br />
ten, dat hij zich op politiek terrein zou bewogen hebben en dat hij<br />
zich tijdens het schisma van Perwez aan de kant van de Luikse of<br />
Hoeise stadsmagistraat had geschaard. Het blijft echter weer een<br />
veronderstelling.<br />
Misschien heeft Johannes d'Avins zich pas verzet tegen de elect-<br />
bisschop en zijn bondgenoten, toen zij voor de paus van Pisa kozen.<br />
De elect zal dit verzet niet geduld hebben. Johannes van Merten,<br />
die Libertus Janssen van Bommel reeds in 1411 als prior van Hoei<br />
en als prior-generaal opvolgde, stond aan de kant van de paus van<br />
Pisa en van de elect-bisschop. Hij deed namelijk in 1413 een beroep<br />
op deze paus om hem te helpen bij zijn hervormingspogingen43.<br />
Zijn opvolger Helmicus Amoris van Zutphen is eind december<br />
1416 weer in Luik geweest. Toen verkreeg hij van keizer Sigismund<br />
een beschermingsbrief voor het Kruisbroederklooster te Hoei en<br />
40 E. Bacha, La chronique liegeoise de 1402, Bruxelles 1900 (Com. Roy. Hist.),<br />
p. 382.<br />
41 C. van Dal, Rond ,,Vestis Nuplialis", in Clairlieu, 11 (1953), p. 3-29 ; A.<br />
Durand, Le prieure Sainte-Croix de Caen, in Clairlieu, 25 (1967), p. 22-27.<br />
42 Russelius, Chronkon, p. 87 : Hermans, Annales, I, p. 88.<br />
43 Hermans, Annales, II, p. 209-211. Hermans geeft hierbij de volgende aantekening<br />
: apographum authenticum in bibliotheca universitatis Leodiensis.
DE HERVORMING IN 1410 43<br />
voor alle andere kloosters van de orde44. Keizer Sigismund was op<br />
zijn terugtocht uit Engeland, waar hij getracht had te bemiddelen<br />
tussen de koningen van Engeland en Frankrijk, over Luik gereisd<br />
om de stad voor zich te winnen. In 1415 had hij de Luikse privi<br />
leges bekrachtigd en na zijn vertrek uit Luik vernietigde hij het<br />
vonnis van Rijsel, waarbij de overwinnaars van Othee de stad hadden<br />
gedwongen haar charters aan hen uit te leveren 43. Had de<br />
magistraat van Luik bij gelegenheid van het bezoek van de keizer<br />
aan de stad de prior van Hoei uitgenodigd aanwezig te zijn en<br />
had deze prior, denkende aan het jaar 1410, bescherming van keizer<br />
Sigismund gevraagd tegen een al te grote druk van het Bourgon-<br />
dische en Beierse huis ? Geen enkel klooster in het land van Luik<br />
verkreeg zo'n beschermingsbrief.<br />
Misschien zal wel nooit worden achterhaald, waarom de hoge<br />
geestelijke en wereldlijke heren op 1 juli 1410 in het Kruisbroederklooster<br />
te Hoei aanwezig waren. Doch wanneer in de volgende<br />
hoofdstukken getracht wordt aan te geven, waarin nu eigenlijk de<br />
hervorming van de Kruisbroeders in de vijftiende eeuw bestond en<br />
hoe die hervorming zich uitbreidde over de kloosters van de orde,<br />
zal blijken, dat het aantal Kruisbroeders, dat in 1410 een hervor<br />
ming van de orde beoogde, niet zo groot kan geweest zijn. Russelius<br />
schreef wel, dat op 30 juni 1410 de prioren en hun socii uit al de<br />
kloosters van Frankrijk, Engeland, Duitsland en de Nederlanden<br />
in Hoei aankwamen om tegenwoordig te zijn op het generale kapit-<br />
tel46, maar men mag dit terecht betwijfelen.<br />
Voor de afzetting van Johannes d'Avins hadden zij hulp nodig.<br />
Zij hebben geweten, dat in Luik de wet was verzet. Kunnen zij<br />
niet Johannes van Merode aangespoord hebben naar zijn broer, die<br />
nu een van de invloedrijke personen in het bisdom Luik was en de<br />
44 W. Altman, Die Urkunden Kaiser Sigmunds, I, Inssbruck 1896, nr. 2019.<br />
Altman dateerde de oorkonde in 1416. Hermans, Annales, II, p. 215-218, geeft<br />
ook de tekst weer ; de datering is hier duidelijk 1417 ; zo ook Miraeus-Foppens,<br />
Opera DipL, IV, nr. 284. Van Rooijen, Oorsprong, p. 105 en 159, ziet in deze<br />
beschermingsbrief een keizerlijke bevestiging van het klooster te Hoei als centrum<br />
van de orde. Dit is zo. De keizer geeft echter geen beslissing in de vraag of Hoei<br />
vanouds het centrum was, maar hij schenkt de prior van Hoei steun in de moeilijkheden,<br />
die sinds 1410 ontstonden omtrent hetzelfde vraagstuk. Van Rooijen vraagt<br />
zich niet af, waarom de prior van Hoei zich juist tot keizer Sigismund wendde.<br />
45 G. Kurth, La cite de Liege, t. Ill, p. 85 ; J. Bartier in Alg. Geschiedenis<br />
der Nederlanden, deel 3, p. 301-302.<br />
4' Russelius, Chronicon, p. 90 ; Hermans, Annales, I, p. 94.
44 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Kruisbroeders zeer genegen, te gaan en zijn hulp voor de observante<br />
kloosterlingen te vragen ? Temeer, daar zij misschien wisten,<br />
dat Johannes d'Avins geen persona grata meer was bij Jan van<br />
Beieren en zijn bondgenoten.<br />
Het is een hypothese, die echter een verklaring biedt voor het<br />
duidelijk verband dat er in het Detmoldse handschrift wordt gelegd<br />
tussen de priorswisseling te Hoei, het begin van de hervorming,<br />
en de slag bij Othee.
Hoofdstuk II<br />
DE OBSERVANTIE-BEWEGING<br />
Bij de bestuurswisseling van 1410 en bij de annulering van alle<br />
besluiten, die voor dit jaar uitgevaardigd waren, hebben de hervormingsgezinde<br />
Kruisbroeders zich zeker een bepaald doel voor<br />
ogen gesteld en dat deden de Kruisbroeders, die in hun voetstappen<br />
traden en hun werk voortzetten, eveneens. Wensten zij een herstel<br />
van oude tradities en oude instellingen en verlangden zij een terugkeer<br />
naar de levenswijze van de eerste Kruisbroeders uit de dertiende<br />
eeuw of waren zij er op uit het karakter van de orde te veranderen<br />
en een gehele omkeer in de levenswijze van de Kruisbroeders<br />
te bewerken ?<br />
Om deze vragen te beantwoorden moet men de bronnen bestuderen,<br />
die inlichten over het verval bij de Kruisbroeders van voor<br />
1410, en over de idealen, welke na die datum de orde beheersten.<br />
Deze bronnen zijn : de wetgeving in de orde, de pauselijke bullen,<br />
de kronieken van de kloosters, de visitatie-besluiten, alsook preken<br />
en geschriften, die eveneens waardevolle gegevens kunnen verschaffen<br />
over het toenmalige orde-leven.<br />
De voorkeur zal in dit hoofdstuk worden gegeven aan de wet<br />
geving als eerste en voornaamste bron. Omdat zij van het bestuur<br />
van de orde uitging, is zij een officiele bron. Deze wetgeving omvat<br />
de statuten van 1248, goedgekeurd door paus Innocentius IV, de<br />
statutenwijzigingen en eveneens de besluiten van de generale<br />
kapittels. Niet de gehele wetgeving is behouden. Het generale<br />
kapittel van 1410 vernietigde, zoals eerder is vermeld, alle besluiten<br />
van voorafgaande kapittels. De statuten van 1248 behield het echter.<br />
Het generale kapittel van 1410 beval de Kruisbroeders te leven<br />
volgens de oude statuten \ Bovendien is de tekst van deze statuten<br />
Atque in ceteris observanciis regule et statutorum nostrorum antiquorum uniformes<br />
vos habeatis, quia sic precipimur vivere. Van de Pasch, Definities, anno 1410.<br />
Zie ook Hoofdstuk I, noot 2.
46 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
in enkele vijftiende eeuwse handschriften bewaard gebleven \ Na<br />
1410 hebben de generale kapittels er zorg voor gedragen, dat hun<br />
bepalingen in alle kloosters werden opgetekend, zodat deze goed<br />
bewaard zijn gebleven. Zo legden de generale kapittels in 1466 en<br />
1498 de kloosters op de statuten aan de hand van de nieuwe bepa<br />
lingen sinds 1410 te herzien. Hierdoor ontstonden twee statuten<br />
collecties 3.<br />
Voor een betere kennis van de observantie-beweging gedurende<br />
de vijftiende eeuw kunnen vooral de besluiten van de generale<br />
kapittels na 1410 als basis en uitgangspunt worden gebruikt, eveneens<br />
de twee genoemde statutencollecties. Een vergelijking met de<br />
statuten van 1248 zal verhelderend werken, daar de kapittelvaders<br />
van 1410 deze statuten zeer zeker met voorbedachten rade niet<br />
hebben vernietigd. Worden de besluiten van na 1410 nog bevestigd<br />
of aangevuld door andere bronnen b.v. pauselijke bullen, die ook<br />
tot de wetgeving behoorden, dan zullen ze zeker benut worden.<br />
Behalve dat de wetgeving een officiele bron is, werd hierin dik-<br />
wijls uitgedrukt, welke idealen omtrent het kloosterleven in de<br />
loop van de eeuwen leefden bij de leiding van de orde. Zo zullen<br />
de besluiten van de generale kapittels na 1410 duidelijk maken, in<br />
hoeverre het kloosterleven bij de Kruisbroeders in verval was geraakt<br />
en vervolgens wat de bestuurders van de orde gedurende de<br />
vijftiende eeuw verstonden onder een observant kloosterleven.<br />
Het zuiver ideale kloosterleven zal men echter niet omschreven<br />
vinden, noch een doel, dat karakteristiek voor de orde is. Zoals het<br />
meermalen in de middeleeuwen gebeurde, vaardigde men slechts<br />
wetten uit of nam men besluiten, wanneer men het nodig achtte of<br />
wanneer een geval van twist of twijfel om voorziening vroeg. Ver-<br />
diept men zich in de wetten en besluiten van de generale kapittels<br />
uit de vijftiende eeuw, dan zal men slechts enkele facetten van het<br />
kloosterleven belicht zien, namelijk die, waarin de Kruisbroeders<br />
te kort schoten en verbetering behoefden. Men moet er voor oppas-<br />
sen, als een statuut van 1248 niet herhaald wordt, te concluderen,<br />
dat een dergelijk voorschrift niet meer van kracht was of uit de<br />
tijd werd geacht, of als een statuut van 1248 vele malen naar voren<br />
2 Van de Pasch, De tekst van de constitutes der Kruisheren van 1248, in<br />
Hand. Kon. Comm. Gesch. Brussel, 111 (1952), p. 1-96.<br />
3 Hermans, Annales, II, p. 305-319 en p. 452-455.
DE OBSERVANTIE-BEWEGING 47<br />
wordt gebracht, dat men in dit statuut zijn grootste heil dacht te<br />
vinden. Werd een bevel of besluit herhaald, dan kan dit gebeurd<br />
zijn, omdat het ideaal niet bereikt was en men er steeds aan herin-<br />
nerd moest worden. Ook de Kruisbroeders uit de vijftiende eeuw<br />
waren mensen.<br />
De bestudering van alle besluiten, die sinds 1410 genomen wer-<br />
den, biedt nog dit voordeel, dat een mogelijke ontwikkeling of<br />
verandering in de zienswijze van de leiding van de orde gesigna-<br />
leerd kan worden. Hierbij zullen de statutencollecties van 1466 en<br />
1498 van veel nut kunnen zijn. Een teruggaan naar de oude tradities<br />
was wel idealistisch, maar was het mogelijk in de vijftiende eeuw<br />
te leven volgens leefregels, die in de dertiende eeuw waren opge-<br />
steld ? De generale kapittels zullen na het negatieve besluit van<br />
1410 in de jaren daarna toch aanvullende bepalingen of besluiten<br />
gemaakt moeten hebben, die aan nieuwe verlangens beantwoord-<br />
den. Immers, niet alleen normeert de wetgeving het leven, maar<br />
het leven normeert ook de wetgeving. Zo de generale kapittels<br />
geen ontwikkeling of aanpassing wensten, dan dienden zij de statu-<br />
ten van 1248 nader te verklaren.<br />
De eerste en tevens geslaagde actie van de hervormingsgezinde<br />
Kruisbroeders was de bestuurswisseling van het jaar 1410. In het<br />
verhaal van Russelius hierover voorspelde Johannes van Merode,<br />
dat, wanneer het hoofd genas, de overige ledematen zich gemak-<br />
kelijk zouden herstellen, m.a.w. stond een bekwame en observante<br />
prior-generaal aan het hoofd van de orde, dan zouden de leden<br />
gemakkelijker tot de observance komen.<br />
De hervormingsgezinde Kruisbroeders verlangden daarom dat de<br />
hervorming van hun orde van boven af zou beginnen. Toch was<br />
het niet hun enige zorg, dat de orde een observante prior-generaal<br />
aan het hoofd zou verkrijgen. Het verhaal van Russelius over de<br />
bestuurswisseling in 1410 wekt de indruk, dat Arnoldus van Merode<br />
de prior-generaal Johannes d'Avins moest overhalen het generale<br />
kapittel weer bijeen te roepen. Voor een keuze of een afzetting van<br />
een prior-generaal was de bijeenroeping van het generale kapittel<br />
niet noodzakelijk. De leden van het convent van Hoei hadden het<br />
recht hun eigen prior te kiezen en hun prior was prior-generaal.
48 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
De statuten van 1248 schreven voor, dat het generate kapittel<br />
ieder jaar moest plaats vinden \ Of de generate kapittels voor 1410<br />
ieder jaar bijeenkwamen, is niet vast te stellen. Volgens de stich-<br />
tingsbrieven van het klooster te Venlo is er in 1399 een generaalkapittel<br />
gehouden5. Wei is zeker, dat in het midden van de<br />
veertiende eeuw door de prior-generaal het kapittel bijeen werd<br />
geroepen, maar de opkomst van de prioren liet te wensen over. De<br />
prior-generaal riep de hulp van paus Innocentius VI in en deze paus<br />
schreef in 1356 aan alle prioren voor, dat zij naar het generate<br />
kapittel dienden te gaan 6.<br />
De prior van Hoei had in 1356 de tijd niet mee en zijn opvolgers,<br />
indien zij van hetzelfde gevoelen waren, evenmin. De Honderd-<br />
jarige oorlog, 1337-1453, en het Westers Schisma, 1378-1417,<br />
maakten het contact met het centrum van de orde zeer moeilijk.<br />
Franse Kruisbroeders hielden prior-generaal Petrus Pincharius,<br />
1364-1382, voor schismatiek, omdat hij voor de paus van Rome<br />
koos 7.<br />
De twijfel of voor 1410 het generate kapittel wel altijd bijeenkwam,<br />
wordt in het bijzonder nog versterkt door het feit, dat na<br />
1410 in ieder geval niet overal in de orde een bereidheid aanwezig<br />
was om naar het generate kapittel te komen. Dit blijkt maar al te<br />
duidelijk uit een schrijven van paus Johannes XXIII van Pisa.<br />
Prior-generaal Johannes van Merten had een beroep op hem gedaan.<br />
Johannes XXIII richtte zich op 19 mei 1413 tot de dekens van<br />
Kamerijk en Luik en tot de officiaal van de Keulse kerkelijke<br />
rechtbank. Hij gaf hun de opdracht de prior-generaal bij te staan<br />
in zijn streven naar hervorming. Zij mochten, wanneer de klooster-<br />
lingen zich bleven verzetten, hen niet alleen straffen met de kerke<br />
lijke censuur, maar ook konden zij de hulp van de wereldlijke macht<br />
inroepen. De deken van Luik, Egidius de Venalmont, maakte op<br />
27 juli 1413 de inhoud van de pauselijke brief bekend. De officiaal<br />
van Keulen, Christianus van Erpel, trad, hoewel later, krachtiger<br />
op. In een brief van 17 november 1413 aan de prioraten, gaf hij<br />
onder bedreiging van kerkelijke straffen de prioren en hun onder-<br />
danen het bevel zich binnen zes dagen te onderwerpen aan de prior-<br />
4 Van de Pasch, Tekst van de constitutes, p. 86-91.<br />
5 Hermans, Annales, II, p. 180 en p. 467-468.<br />
9 Hermans, Annales, II, p. 117-118.<br />
T Van de Pasch, Het klooster Clairl'teu, in Clairlieu, 17 (1959), p. 110.
comtttfco<br />
linttmurfuiBnouatf<br />
pfujficur rfha mmisimii<br />
uifrtia 11 o(hu: im o I an 19 eft<br />
rr^ue epidmuu>iioaui<br />
(inmto rpdtocit it nomine -<br />
t>fDm aunue fmnrnratis ft<br />
iimQttiec5a iiviSUtltQ apdf<br />
flouribii$au$:5)ta8pawtoto<br />
ImmeOio^letrw Dyir^tn „<br />
De versieringskunst van Johannes Hoenreman,<br />
Kruisbroeder te Luik, 1425-1449, afkomstig uit Amersfoort.<br />
Lectionarium, Universiteitsbibliotheek van Luik,<br />
Handschrift 35 C, fol. 85 ro.
DE OBSERVANTIE-BEWEGING 49<br />
generaal en wanneer het generale kapittel werd gehouden, daaraan<br />
deel te nemen. Ook richtte hij zich tot de aartsbisschoppen, bisschoppen<br />
en vele andere prelaten en wees hen erop, dat zij in het<br />
vervolg dienden af te zien van elke steun of raad aan opstandige<br />
Kruisbroeders 8.<br />
Niet echter op alle kerkelijke waardigheidsbekleders werd een<br />
beroep gedaan, maar slechts op die van de bisdommen Keulen,<br />
Trier, Luik, Utrecht en Kamerijk. Dat de officiaal van Keulen zich<br />
in zijn aansporingen niet beperkte tot zijn bisdom, zal wel gebeurd<br />
zijn op eigen initiatief. Paus Johannes XXIII bepaalde zich tot<br />
slechts drie bisdommen : Luik, Keulen en Kamerijk. Dat is opvallend.<br />
De Kruisbroederkloosters waren toch ook nog over Frankrijk<br />
en Engeland verspreid. Een verklaring hiervoor is misschien, dat<br />
de paus niet zo zeker was, dat in Frankrijk en Engeland zijn bevel<br />
zou worden opgevolgd, omdat men hier aarzelde hem te erkennen CJ.<br />
Het is b.v. niet bekend of de deken van Kamerijk enige poging in<br />
het werk gesteld heeft om de prior-generaal te helpen. In de periode<br />
tussen het concilie van Pisa, 1409-1410, en het concilie van Con-<br />
stanz, 1414-1418, was de verwarring groot. Er waren immers drie<br />
pausen. Onwillige prioren en kloosterlingen zullen het bevelschrift,<br />
in laatste instantie afkomstig van de paus van Pisa, naast zich<br />
neergelegd hebben. Het is ook mogelijk, dat de prior-generaal, in-<br />
ziende dat door de kerkelijke en politieke omstandigheden een<br />
voortdurend contact met de kloosters in het gebied van de Franse<br />
en Engelse koningen voorlopig niet te onderhouden was, allereerst<br />
de kloosters, die in bovengenoemde bisdommen lagen, onder zijn<br />
gehoorzaamheid trachtte te brengen.<br />
In 1432 drong paus Eugenius IV er nogmaals op aan, dat de<br />
prioren regelmatig d.i. ieder jaar naar het generale kapittel zouden<br />
gaan 10. Dertig jaar later, in 1464, vaardigde het generale kapittel<br />
het bevel uit, dat de prioren van de kloosters Saint Ursin en Saint<br />
3 Voor het schrijven van paus Johannes XXIII zie Ramaekers, Privileges, p. 66-<br />
67. De teksten van de brieven van de deken van Luik en de officiaal van Keulen<br />
bij Hermans, Annales, II, p. 536 en 545.<br />
9 E. Delaruelle-E. R. Labande-P. Ourliac, L'Eglise au temps du Grand<br />
Schisme et de la crise conciliate, 1378-1449, Paris 1962 (Histoire de l'JSglise depuis<br />
les origines jusqu'a nos jours, fondee par A. Fliche-V. Martin, dirigee par J. B.<br />
DUROSELLE-E. JARRY, t. 14), p. 147-154.<br />
10 Hermans, Annales, II, p. 228-232.
50 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Georges ieder jaar naar het generale kapittel dienden te komen of<br />
anders de prior van Caen als hun vertegenwoordiger moesten af-<br />
vaardigen. Deze prior zou op de hoogte moeten gesteld worden<br />
van de geestelijke en materiele toestand van beide kloosters. Op het<br />
kapittel zou hij dan namens de beide prioren spreken. In datzelfde<br />
jaar kregen de kloosters van Varennes-sur-Allier en Buzangais een<br />
zelfde vermaning. Ook deze kloosters kon de prior van Caen ver-<br />
tegenwoordigenai.<br />
Dergelijke besluiten en vooral de pauselijke inmengingen laten<br />
duidelijk zien, dat de hervormingsgezinde Kruisbroeders ernaar<br />
streefden, dat niet alleen ieder jaar te Hoei het generale kapittel<br />
bijeen kwam, maar dat ook zoveel mogelijk kloosters hun afgevaar-<br />
digden stuurden. Dat blijkt o.a. eveneens uit de dankbaarheid,<br />
waarmede zij een grote som geld van enkele leden van de familie<br />
van Merode aanvaardden. Dit geld werd speciaal gegeven om de<br />
kosten van het generale kapittel te bestrijden 12.<br />
Dit streven was niet nieuw. Reeds is de bul van paus Innocen-<br />
tius VI vermeld. Zij kan geinterpreteerd worden als een uiteinde-<br />
lijke erkenning van de prior van Hoei als prior-generaal13, maar<br />
kan ook gezien worden als een vroege poging, van Rome uit, de<br />
verloren eenheid weer te herstellen. Kloosters van Reguliere Kanun<br />
niken stonden voor 1400 veelal op zich zelf en na 1400 werd door<br />
de kerkelijke overheid getracht deze kloosters te verenigen tot een<br />
congregatie of te doen aansluiten bij een reeds bestaande. Zo sloten<br />
vele kloosters van Reguliere Kanunniken zich aan bij de congregatie<br />
van Windesheim14. Ook de Kruisbroeders, die immers Reguliere<br />
Kanunniken waren, kunnen zich zelfstandig gevoeld hebben en de<br />
leiding van de orde kan dit soms getolereerd hebben.<br />
De Honderdjarige oorlog en het Westers Schisma hebben de<br />
uitvoering van de bul van paus Innocentius VI zeer zeker belem-<br />
merd. Kunnen de Kruisbroeders in 1410, het jaar waarin vele chris-<br />
tenen meenden, dat door de keuze van de paus van Pisa de eenheid<br />
van de kerk hersteld zou worden, niet eveneens van oordeel geweest<br />
zijn, dat nu de tijd rijp was een nieuwe poging te wagen de orde<br />
11 Van de Pasch, Dejinities, anno 1464.<br />
12 Hermans, Anndes, II, p. 215 en 254.<br />
13 Van Rooijen, De oorsprong, p. 113.<br />
14 Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeutven, deel II, p. 97.
DE OBSERVANTIE-BEWEGING 51<br />
weer tot eenheid te brengen ? Een jaarlijkse bijeenkomst van het<br />
generale kapittel was daarvoor een onmisbare voorwaarde.<br />
De Kruisbroeders beoogden deze eenheid. Immers reeds in 1410<br />
bevalen zij een uniformiteit van regel en statuten aan 15. Twee jaar<br />
daarna werd betreffende de besluiten van het generale kapittel<br />
voorgeschreven, dat deze in ieder klooster dienden te worden opgetekend,<br />
opdat iedere kloosterling zou weten, waaraan hij zich te<br />
houden had 16. In 1414 volgde weer een dringende oproep aan alle<br />
prioren er naar te streven, dat zij en hun medebroeders zich hervormden<br />
in voedsel en kleding, in leven en gesprek ,,volgens de<br />
regel van de Heilige Augustinus en onze statuten" 1?. In een andere<br />
vorm verscheen hetzelfde besluit in 1419 : alwie uit minachting en<br />
koppigheid weigerde de regel en statuten na te komen en zich er<br />
tegen verzette, verloor elk stemrecht in de orde18.<br />
In de eerste tien jaren na de bestuurswisseling van 1410 heeft<br />
het generale kapittel naar uniformiteit van regel en statuten gestreefd.<br />
Ook daarna ziet men nog herhaaldelijk, hoe het bij het<br />
uitvaardigen van besluiten terugviel op de statuten 19.<br />
Die uniformiteit bleek er in 1410 niet meer te zijn, ofwel doordat<br />
de kloosters teveel op zelfstandigheid uit waren met het gevolg een<br />
niet meer naleven of een afwijkend beleven van de regel en de<br />
statuten, ofwel doordat de kloosters het niet meer konden opbrengen<br />
volgens de regel en de statuten te leven met het gevolg een<br />
verliezen van contact met het moederhuis of het centrum van de<br />
orde.<br />
Het generale kapittel herleefde, het was voor dit bestuursorgaan<br />
zelf een levensvoorwaarde de uniformiteit van regel en statuten te<br />
13 Zie noot 1 van dit hoofdstuk.<br />
16 Van de Pasch, Definities, anno 1412 ; Hermans, Annales, II, p. 208.<br />
" Item obsecramus et in Domino requirimus omnes priores, districte eis mandantes,<br />
ut propter Deum et sacri ordinis nostri reformationem necessariam et animarum<br />
suarum salutem, se cum sibi commissis fratribus, quibus merito preesse, et vita et<br />
authoritate, deinde et observantia regularis discipline monasticeque vite, quam<br />
vovimus et juravimus, continenter observare, secundum regulam S. Augustini et<br />
constitutiones nostras, reformare et confirmare in victu et vestitu, in vita et conversatione<br />
studeant; atque omni posse indilate a sibi minime competentibus negotiis,<br />
presertim a damnabili proprietate expedire procurent. Van de Pasch, Dejinities,<br />
anno 1414 ; Hermans, Annales, II, p. 208.<br />
18 Van de Pasch, Definities, anno 1419 ; Hermans, Annales, II, p. 212.<br />
19 Van de Pasch, Dejinities, annis 1420, 1425, 1441 ; Hermans, Annales, II,<br />
p. 213, 214, 253.
52 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
herstellen. Geen enkel besluit of maatregel zou enige indruk maken<br />
of geeerbiedigd worden, wanneer het generale kapittel zich niet<br />
kon beroepen op een algemeen erkende en door de paus goed-<br />
gekeurde regel en statuten.<br />
Aan dit zelfde streven naar uniformiteit werd ook vastgehouden<br />
in de tweede helft van de vijftiende eeuw. Zo bevalen de kapittelvaders<br />
in 1464, dat de bepalingen van de generale kapittels, die<br />
vanaf de tijd van de hervorming tot dan toe uitgevaardigd en in de<br />
statuten opgenomen waren, door alien op dezelfde wijze moesten<br />
nagekomen en in het dagelijkse kapittel voorgelezen worden20.<br />
De prioren van Luik, Keulen en Parijs kregen de opdracht te<br />
zorgen voor een standaardtekst van de statuten, waaraan dus de<br />
bepalingen, sinds 1410 uitgevaardigd, zouden zijn toegevoegd21.<br />
In 1465 werd medegedeeld, dat de visitatoren aan ieder klooster<br />
zo'n exemplaar zouden overhandigen en ieder convent werd verplicht<br />
dit exemplaar in zijn geheel over te schrijven of een eigen<br />
exemplaar te verbeteren 22.<br />
Nog enkele malen na het jaar 1465 werd het bevel tot unifor<br />
miteit herhaald23.<br />
Met uitzondering van het jaar 1415 zijn er uit elk jaar van de<br />
vijftiende eeuw besluiten van de generale kapittels overgeleverd.<br />
Het generale kapittel van de orde van de Kruisbroeders kwam na<br />
1410 weer ieder jaar bijeen. Maar beperkte het doel, dat de hervor-<br />
mingsgezinde Kruisbroeders beoogden, zich tot het herstel van<br />
de eenheid in de orde en de uniformiteit van de regel en statuten ?<br />
20 Ordinamus, quod diffinitiones capitulorum generalium a tempore reformationis<br />
usque in presens confirmatas, in unum ad instar statutorum aliorum, secundum<br />
distinctiones capitulorum positas, jam pronunciatas uniformiter ab omnibus observari,<br />
et in capitulo quotidiano post finem statutorum legi, diffinimus et ordinamus.<br />
Van de Pasch, Definities, anno 1464 ; Hermans, Annales, II, p. 297.<br />
21 Van de Pasch, Definities, anno 1464 ; Hermans, Annales, II, p. 297 ; zie<br />
noot 18.<br />
" Van de Pasch, Definities, anno 1465 ; Hermans, Annales, II, p. 298.<br />
28 Item statuta nova a tempore reformationis, que fuit facta anno 1410, usque<br />
ad annum 1464 simul collecta et ab illo anno usque in presentem annum diligenti<br />
studio simul in capitulis consonantibus conscripta et coadunata, transmittimus singulis<br />
conventibus in ordine et modo, et de verbo ad verbum premissis novis statutis<br />
ascribenda et in capitulo, prout complementum statutorum dictorum requirit,<br />
inserenda, exhortantur omnes et singulos, ut per omnia et in omnibus ceterorum<br />
statutorum vim et efficaciam sortiantur et in capitulis quotidianis. Van de Pasch,<br />
Definities, anno 1498 ; zie ook annis 1469, 1491. Hermans, Annales, II, p. 299,<br />
388, 441.
DE OBSERVANTIE-BEWEGING 53<br />
Een aandachtige bestudering van de besluiten na 1410 laat duide-<br />
lijk 2ien, wat er nog aan idealen bij hen leefde, en onthult, in<br />
hoeverre de Kruisbroeders daarin te kort schoten. Er zijn heel wat<br />
facetten van het kloosterleven, waarnaar de aandacht van de kapit-<br />
telvaders uitging, maar vooral vier ervan waren het voortdurend<br />
voorwerp van hun beraadslagingen en hun besluiten.<br />
Het lijkt nuttig deze vier facetten hier al op te sommen :<br />
1. een herstel van het gemeenschappelijk lev en ofwel een betere<br />
beleving van de gelofte van armoede.<br />
2. een stipt onderhouden van de vasten- en onthoudingswet.<br />
3. het in acht nemen van het stilzwijgen in het klooster.<br />
4. het dragen van de voorgeschreven kloosterkleding.<br />
Vooreerst: het herstel van het gemeenschappelijk leven ofwel<br />
een betere beleving van de gelofte van armoede.<br />
Om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien waren de Kruis<br />
broeders er onder meer op uit landerijen te verwerven, een gebrui-<br />
kelijke bezitsvorming in de middeleeuwen. Deze landerijen werden<br />
door de Kruisbroeders zelf bewerkt of verpacht. Het was zelfs zo,<br />
dat in een stad of dorp geen klooster werd gesticht, indien niet<br />
reeds van te voren landerijen waren toegezegd door hen, die om<br />
een Kruisbroederklooster hadden verzocht. De landerijen en de<br />
inkomsten hiervan waren gemeenschappelijk eigendom van het<br />
klooster. Het beheer kwam toe aan de prior, die echter voor dit<br />
materiele werk een procurator, eveneens een Kruisbroeder uit zijn<br />
klooster, kon aanstellen.<br />
Reeds in de eerste jaren van het ontstaan van de orde had paus<br />
Innocentius IV het bezit van de Kruisbroeders bekrachtigd en hun<br />
toegestaan goederen in bezit te nemen en te behouden (1248).<br />
Tegelijkertijd schonk de paus hun verscheidene privileges, o.a. een<br />
tiendenprivilege. Krachtens dit privilege behoefden de Kruisbroe<br />
ders geen tienden aan pastoor of bisschop te betalen van braakland,<br />
wanneer zij dit land met eigen krachten gingen bebouwen of op<br />
eigen kosten lieten bebouwen. Van de andere privileges, die door<br />
de pausen in de dertiende en veertiende eeuw aan de Kruisbroeders<br />
werden verleend, moet hier in het bijzonder vermeld worden het<br />
bedelprivilege, dat paus Johannes XXII schonk in het jaar 1318.<br />
Dit privilege hield in, dat de Kruisbroeders eens per jaar in de
54 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
parochies en kerken mochten rondgaan om aalmoezen te verzame-<br />
len. De bisschoppen en de pastoors mochten zich hiertegen niet<br />
verzetten. Er was de Kruisbroeders wat betreft de steden of dorpen<br />
of kerken geen beperking opgelegd ; hun bedelgebieden of ook wel<br />
termijnen genoemd strekten zich zeer ver uit. Het recht om die<br />
uitgestrektheid te bepalen kwam geheel toe aan de prior van het<br />
klooster24.<br />
Zowel nu het beheer van het gemeenschappelijk eigendom door<br />
de prior of zijn procurator als het op termijn gaan van de Kruis<br />
broeders bleken een gevaar te bevatten voor het niet naleven van<br />
de gelofte van armoede.<br />
Na 1410 werd door het generale kapittel geeist, dat de prioren<br />
en procuratoren tenminste eenmaal per jaar verslag uitbrachten over<br />
de inkomsten en uitgaven van het klooster aan alle conventualen25.<br />
Op zijn minst wijst dit bevel erop, dat de prioren of procuratoren<br />
verzuimden de conventualen in te lichten over de materiele toe-<br />
stand van het klooster. Gezien het feit, dat ook in kloosters van<br />
andere orden de prioren of procuratoren wel eens wat te vrij omgin-<br />
gen met het gemeenschappelijk eigendom van het klooster ten eigen<br />
bate26, mag uit het besluit van het generale kapittel, dat reeds in<br />
1411 werd uitgevaardigd, toch wel geconcludeerd worden, dat dit<br />
ook bij de prioren en procuratoren van de Kruisbroederkloosters<br />
het geval was.<br />
Het generale kapittel herhaalde voortdurend, dat de prioren ver-<br />
plicht waren aan de medeleden van het generale kapittel en aan<br />
de visitatoren van hun kloosters de materiele toestand open te leggen<br />
27. Dit besluit behoeft nog niet gezien te worden als een con-<br />
trole over eventueel wanbeheer, maar het generale kapittel wenste<br />
op de hoogte te zijn o.a. om een jaarlijkse bijdrage van de kloosters<br />
aan het generale kapittel en ook eveneens een jaarlijkse vergoeding<br />
van de kloosters aan hun visitatoren te kunnen bepalen28.<br />
Over het gedrag van de Kruisbroeders, die op termijn gingen,<br />
verstrekten de kapittelvaders geen concrete gegevens. Maar in 1414<br />
21 Ramaekers, De privileges, p. 72-81.<br />
20 Van de Pasch, Definities, anno 1411 ; Hermans, Annales, II, p. 207.<br />
M Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen, deel 1, p. 325-360.<br />
* Van de Pasch, Definities, annis 1412, 1461, 1492 ; Hermans, Annales, II,<br />
p. 207, 290, 389.<br />
38 Van de Pasch, Definities, annis 1416, 1496 ; Hermans, Annales, II, p. 211,<br />
439.
DE OBSERVANTIE-BEWEGING 55<br />
bevalen zij de prioren en de supprioren, op straffe van ontheffing<br />
uit hun ambt, Kruisbroeders, die zich onreligieus gedroegen, binnen<br />
de kloostermuren te houden. Dit besluit wijst erop, dat de kapittelvaders<br />
zich ergerden over het gedrag van de terminarii en over de<br />
nonchalance van de prioren en supprioren dergelijke Kruisbroeders<br />
uit te laten gaan. Zij gaven door hun gedrag niet alleen aanstoot<br />
naar buiten en oefenden na hun terugkomst een nadelige invloed<br />
in het klooster uit, maar zij behielden van het verkregene iets voor<br />
sichzelf alleen 29.<br />
De prioren en supprioren blijken inderdaad voor verbetering<br />
gezorgd te hebben. Pas in 1458 kwam het generale kapittel terug<br />
op het gedrag van de terminarii. In dit jaar werd besloten, dat<br />
niemand mocht worden aangewezen om te gaan bedelen, tenzij met<br />
een speciale toestemming van het generale kapittel30. Reeds eerder,<br />
namelijk in 1436, had het generale kapittel voor het klooster Beyenburg<br />
terminarii aangewezen 31. In 1492 werd het besluit van 1458<br />
nog eens herhaald 32.<br />
Heeft de orde van het H. Kruis echte proprietarii gekend, name<br />
lijk kloosterlingen, die prebenden of enige landerijen bezaten en<br />
beheerden ten eigen bate, kloosterlingen, die voor hun eigen levens-<br />
onderhoud zorgden en zich geheel terugtrokken uit het gemeen-<br />
schappelijk leven ?<br />
29 Item quia dolentes percepimus quod nonnulli fratres nostri ordinis vanitati<br />
■dediti et in scandalum ordinis, plurimorum intuentium destructionem et suarum<br />
animarum damnationem, indebite, irreligiose et inhoneste in conversatione sua se<br />
gerunt, vestes sibi minime competentes induentes, in calceis, caligis, tunicis, subtunicis,<br />
bursis, togis et caputiis, ad modum vanorum et secularium adolescentulorum<br />
et juvenum, quod turpe valde et indecens est, intra et extra suas domus et septa<br />
earum exeuntes, fabulantes, comedentes, bibentes, et alias cum hominibus secularibus<br />
conversantes ; ideo omnes priores et suppriores exhortamur in Domino, et<br />
requirimus, eis districte in virtute sancte obedientie precipientes, et sub poena destitutionis<br />
suorum officiorum et honorum, ut de cetero suorum fratmm sibi commissoxum<br />
facta, gesta et mores diligentius considerent et examinent, atque debite<br />
corrigant et emendent, ne talia amplius fieri percipiantur ; precipientes nihilominus<br />
.sub poena et districtione, quod si qui, quod absit, obedire recusaverint et rebelles<br />
reperti fuerint, se a dictis et in dictis deordinationibus et inordinatis conversationibus<br />
et gestibus irreligiosis non emendando, tales ex tune exire ad terminos nullatenus<br />
permittantur, quod etiam nos eis omnino interdicimus, donee debite se correxerint<br />
et emendaverint. Van de Pasch, Definities, anno 1414, zie ook : anno 1436 ;<br />
Hermans, Annales, II, p. 208.<br />
30 Van de Pasch, Definities, anno 1458 ; Hermans, Annales, II, p. 282.<br />
31 Van de Pasch, Definities, anno 1436.<br />
n Van de Pasch, Definities, anno 1492 ; Hermans, Annales, II, p. 389.
56 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Er zijn na 1410 geen besluiten, die een dergelijk misbruik in de<br />
Kruisbroederkloosters doen veronderstellen. Novicen zullen bij hun<br />
intrede in het klooster goederen of geld hebben meegebracht en er<br />
zullen ook kloosterlingen zijn geweest, die van hun ouders of<br />
familieleden dergelijke geschenken ontvingen, maar dat zij die<br />
goederen aan het gemeenschappelijk beheer van de prior of procu<br />
rator onttrokken en voor zich zelf behielden of er zelf over beschik-<br />
ten, is toch niet veel voorgekomen. Alleen de Kruisbroeders te<br />
Aken werd in 1423 bevolen goederen, roerende en onroerende, aan<br />
hun prior over te geven 33. Wei werd de Kruisbroeders verlof ge-<br />
geven om bezittingen van andere mensen met toestemming van de<br />
prior te bewaren, waarschijnlijk kostbaarheden, want 2e dienden op<br />
een veilige plaats opgeborgen te worden 34.<br />
In de tweede plaats : het stipt onderhouden van de vasten- en<br />
onthoudingswet.<br />
Wanneer kloosterlingen de gelofte van armoede niet meer<br />
beleven en over geld en goederen beschikken, kan dit tot gevolg<br />
hebben, dat zij ook andere statuten van hun orde overtreden. Het<br />
is heel menselijk, dat dan allereerst de voorschriften omtrent spijs<br />
en drank niet meer onderhouden worden. De statuten van 1248<br />
schreven voor, dat aan de Kruisbroeders vanaf Pasen tot aan het<br />
feest van Kruisverheffing, 14 September, met uitzondering van de<br />
kruisdagen, de vrijdagen en enkele vigilie-dagen, twee (warme)<br />
maaltijden verstrekt dienden te worden en vanaf 14 September tot<br />
Pasen maar een maaltijd, uitgezonderd op de zondagen. Op de<br />
dagen, dat de statuten een maaltijd voorschreven, was er in de<br />
avond een collatie, waarbij zij iets te drinken kregen. In de advent,<br />
de veertigdaagse vasten, de quatertemperdagen en enkele vigilie-<br />
dagen mochten de Kruisbroeders enkel een ,,quadragesimalis cibus"<br />
gebruiken 35. Waarschijnlijk onthielden zij zich dan ook van zui-<br />
velproducten. Zij zullen zich in 1248 aangepast hebben aan de<br />
regels van de monastieke orden omtrent de onthouding en het<br />
vasten.<br />
Zonder hier de motieven voor deze strenge vasten en onthouding<br />
nader te bezien, is het wel begrijpelijk, dat het de kloosterlingen,<br />
33 Van de Pasch, Definities, anno 1423.<br />
34 Van de Pasch, a.tv., annis 1446, 1487 ; Hermans, Amiales, II, p. 419.<br />
33 Van de Pasch, De tekst van de constituties, p. 51-56.
DE OBSERVANTIE-BEWEGING 57<br />
die op termijn waren geweest en in het klooster terugkeerden, veel<br />
moeite kostte zich te onderwerpen aan die straffe leefregels omtrent<br />
vasten en onthouding. Daar zij buiten het klooster, om de mensen<br />
geen overlast te bezorgen, de maaltijden mochten gebruiken, die<br />
hun voorgezet werden 36, zal het hun wel gelukt zijn de minder<br />
geschikte prioren over te halen het niet zo nauw te nemen met de<br />
statuten van 1248 omtrent vasten en onthouding.<br />
Dat circa 1410 in de Kruisbroederkloosters de strenge voorschriften<br />
betreffende de maaltijden niet meer werden onderhouden, blijkt<br />
uit het reeds genoemde besluit van 1414 37. Er waren Kruisbroeders,<br />
die buiten het klooster gingen eten en drinken. Ook omtrent dit<br />
punt eisten de observante Kruisbroeders een hervorming.<br />
In 1418 verklaarden zij echter, dat op het hoogfeest van Pasen<br />
en op de dinsdagen en donderdagen de Kruisbroeders vlees moch<br />
ten eten, echter niet gedurende Septuagesima, d.w.z. de voorvasten,<br />
en gedurende de advent38.<br />
Dit besluit hield een verzachting van de statuten in en een tegemoetkoming<br />
aan hen, die meenden vanwege hun gezondheid er niet<br />
buiten te kunnen. Deze verzachting kan ook een gevolg zijn van<br />
de Nederlandse en Duitse leiding in de orde sinds 1410. In Noord-<br />
Europa gebruikt men meestal krachtiger voedsel dan in het Zuiden.<br />
Over het algemeen is de praktijk omtrent het vasten en de ont<br />
houding na 1410 milder geworden. De prioren konden hun onderdanen<br />
dispenseren. Het generale kapittel beperkte zich er op toe<br />
te zien, dat de prioren geen misbruik van hun recht maakten. Ze<br />
mochten b.v. niet te gemakkelijk in de vasten op vrijdagen dispen<br />
seren 39. In 1441 meenden de kapittelvaders, dat de gewoonte van<br />
dispenseren te veel was toegenomen en schreven voor, dat dispensatie<br />
slechts zelden gegeven kon worden. Indien er echter kloosterlingen<br />
waren, voor wie de vasten naar hun gevoelen te zwaar was,<br />
dan behoorden zij voor zich zelf alleen dispensatie aan de prior te<br />
vragen 40.<br />
In de derde plaats : het in acht nemen van het stilzwijgen in het<br />
klooster.<br />
3fl Van de Pasch, a.w., p. 54.<br />
37 Zie noot 29 van dit hoofdstuk.<br />
38 Van de Pasch, Dejinities, anno 1418 ; Hermans, Annales, II, p. 212.<br />
39 Van de Pasch, Dejinities, anno 1434.<br />
40 Van de Pasch, a.w., anno 1441 ; Hermans, Annales, II, p. 253.
58 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Tegelijk met het overtreden van de vasten- en onthoudingswet<br />
was nog een ander misbruik ingeslopen, namelijk het verbreken van<br />
het stilzwijgen. De statuten van 1248 schreven het stilzwijgen voor<br />
in de meeste afdelingen van het klooster, speciaal in de refter41,<br />
waar de Kruisbroeders te zamen kwamen om te eten. Dat de refter<br />
werd genoemd, is wel omdat daar juist de verleiding tot spreken<br />
en converseren groot was. De Kruisbroeders hebben in de veertien-<br />
de eeuw die verleiding niet kunnen weerstaan. Juist tegen het ver<br />
breken van het stilzwijgen tijdens de maaltijd ageerden de kapittel-<br />
vaders.<br />
Doch ook betreffende dit punt kwam na 1410 een mildere<br />
opvatting. Het werd de prioren toegestaan verlof tot spreken te<br />
geven42. Maar hoe verder de vijftiende eeuw vorderde, des te<br />
minder mild of des te strenger werden de bepalingen van het generale<br />
kapittel. In 1417 mochten b.v. de kloosterlingen, die een ader-<br />
lating hadden moeten ondergaan, enkele dagen in de gastenkamer<br />
of het ziekenverblijf eten en aldaar spreken 43. Maar later werd dit<br />
verboden44.<br />
Bovengenoemde ontwikkeling blijkt uit besluiten van de generale<br />
kapittels, die onder voorzitterschap stonden van prior-generaal<br />
Nicolaas van Haarlem, die erg ijverde voor het in acht nemen van<br />
het stilzwijgen, omdat hij van mening was, dat juist het niet-onderhouden<br />
van dit voorschrift verslapping in het kloosterleven<br />
bracht45. Er werd besloten alle tot dan toe genomen maatregelen<br />
betreffende het stilzwijgen aan tafel te annuleren, daar zij met<br />
elkaar in strijd waren en de kloosterlijke discipline verslapten. Te<br />
41 Van de Pasch, De tekst van de constitutes, p. 61-62.<br />
42 Constituimus, quod fratres in mensa loquentes intus et extra, de licentia petita<br />
et obtenta priorum seu senioris, priore absente, legere debent septem psalmos<br />
poenitentiales. Si autem absque licentia predicta locuti fuerint, poenitentiam teneant,<br />
que habetur in statutis de potatione aque. Dicto modo habeant se priores simul<br />
comedentes, de licentia senioris prioris inter eos. Van de Pasch, Definities, anno<br />
1416 ; Hermans, Annales, II, p. 211.<br />
43 Item de silencio exceptis infirmis discumbentibus, declaramus ut minuti tribus<br />
diebus primis utantur gratia infirmorum de silencio. Van de Pasch, Definities,<br />
anno 1417.<br />
44 Item sollerter attendentes, quod post tria essentialia, nihil adeo necessarium<br />
est viris religiosis quam silentium, sine quo, teste scriptura, omnis vana est religio,<br />
quod non servari quasi in consuetudine dicitur apud quosdam plures, idcirco<br />
volumus et ordinamus, quod fratres nostri de cetero silentium secundum statuta<br />
teneant, non obstante licentia generali, hue usque in ordine permissa, quam et<br />
nunc cassamus, nam merito perdit gratiam concessam, qui ea abutitur, ut dicit<br />
xegula juris. Van de Pasch, Definities, anno 1441 ; Hermans, Annales, II, p. 253.<br />
45 Van de Pasch, Het klooster Clairlieu, in Clairlieu, 18 (1959), p. 23.
DE OBSERVANTIE-BEWEGING 59<br />
alien tijde was men gehouden aan de voorschriften over het lezen<br />
en het stilzwijgen aan tafel, ook in de tijd van aderlatingen. De<br />
generale kapittels hadden eerder aan hen, die een aderlating hadden<br />
moeten ondergaan, dezelfde vrijstelling als aan de zieken gegeven,<br />
namelijk buiten de refter te eten, maar deze gunst werd ingetrok-<br />
ken. Wei werd geduld, dat gasten en anderen, die met verlof van<br />
de superior in het gastenverblijf aten, tijdens de maaltijd spraken46.<br />
Ten slotte het streven naar het dragen van het voorgeschreven<br />
kloosterhabijt.<br />
Reeds in 1410 werd bepaald, dat de kleur van het scapulier grijs<br />
zou zijn47. Maar de kwestie was veeleer, dat er Kruisbroeders wa-<br />
ren, die zich, aldus een besluit van 1414 48, in hun kleding onreli-<br />
gieus gedroegen. Zij kleedden zich als wereldlijke personen of als<br />
seculiere priesters of hadden zich een habijt laten aansnijden, dat<br />
van achteren lang afhing en mooi plooiend viel. Nog op het einde<br />
van de vijftiende eeuw werd uitvoerig in de besluiten van de gene-<br />
rale kapittels de vorm van het habijt voorgeschreven, een aandui-<br />
ding, dat er in deze tijd nog Kruisbroeders war en, die zich lieten<br />
* Item ordinamus et volumus, quod silentium secundum primitiva statuta in<br />
conventibus in mensa observetur, a quo silentio neminem volumus eximi, nisi<br />
infirmos et minutos et hospites, qui si loqui voluerint de licentia obtenta, cum<br />
poena assignata loquantur. Van de Pasch, Dejinities, anno 1476. Item quia sepius<br />
ante nos ordinationes de silentio in mensa facte sunt, que inter se quandoque disso<br />
nant, et quibus rigor discipline monastice laxatur, idcirco omnibus ordinationibus preteritis<br />
de silentio huiusmodi generalium capitulorum cassatis et annullatis, diffinimus<br />
et statuimus et interpretando declaramus, quod omni tempore disciplinam refectorii<br />
in legendo et silendo conventus in mensa teneat, etiam in minutionum temporibus ;<br />
nam quod minuti nostri extra refectorium commedant, absque gravi discipline<br />
detrimento fieri non potest, unde illam diffinitionem generalium capitulorum :<br />
minuti tribus diebus primis utantur gratia infirmorum, cassamus, revocamus et<br />
annihilamus, cum in nostris statutis a sede apostolica confirmatis, de hoc nulla<br />
fiat mentio, et intolerabilis discipline dissolutio ex huiusmodi gratie abusu oriatur ;<br />
quod autem fratres hospites seu alii quandoque de licentia superioris in domo<br />
hospitum commedere licentiati, in mensa de licentia majoris inter eos, sub poena<br />
septem psalmorum loquantur, prout hactenus consueverunt, toleramus. Van de<br />
Pasch, Dejinities, anno 1478 ; Hermans, Annales, II, p. 372. Minuere : aderlaten,<br />
zie J. F. Niermeyer, Mediae Latinhatis Lexicon minus, Leiden 1954 e.v., s.v.<br />
minuere.<br />
4T Item illud curiosum seu curiositatis occasione leve et tenue dubium de diffinitione<br />
grisei colons, declarat generale capitulum, quod sicut etiam ydiotissimi laici<br />
ne dicamus doctissimi clerici sciunt et dicunt, color est non artificialis vel intinctus<br />
sed naturalis de nigra et alba lana ovium mixtus. Exhortamur igitur vos in domino<br />
et obsecramus, charissimi, ut scapularia talis coloris de cetero deferatis. Van DE<br />
Pasch, Dejinities, anno 1410.<br />
48 Zie pag. 51 noot 17 en pag. 55 noot 29.
60 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
beinvloeden door de drang van hun tijdgenoten naar luxe en<br />
overdaad49.<br />
Dit waren de vier facetten van het kloosterleven, die in de besluiten<br />
na 1410 een bijzondere nadruk kregen. Natuurlijk werd ook<br />
op andere punten tekort geschoten.<br />
Wat betreft de gelofte van castitas, in de hele vijftiende eeuw,<br />
namelijk van 1410 tot en met 1499 werden slechts enkele besluiten<br />
genomen die betrekking hadden op deze gelofte, besluiten, die<br />
slechts voorzorgsmaatregelen genoemd kunnen worden50. Dus<br />
evenmin als bij andere orden is bij de Kruisbroeders het verval van<br />
het kloosterleven in het overtreden van de gelofte van de castitas<br />
te zoeken.<br />
De besluiten van de generate kapittels laten niet alleen de tekorten<br />
zien, ze tonen ook de aanwezige idealen en de middelen door<br />
de kapittelvaders aangewend om ze door te voeren. In 1411 werd<br />
o.a. bepaald, dat de prioren verplicht waren ieder jaar hun ambt<br />
neer te leggen in handen van het generate kapittel51. Dit besluit<br />
werd nog eens herhaald in 1440 52. In de statuten van 1248 is van<br />
een dergelijke verplichting geen sprake53. Het generate kapittel<br />
vergrootte derhalve hierdoor zijn eigen macht. Was het de bedoe-<br />
Item diffinimus et districte prohibemus, ne qui fratrum nostri ordinis de cetero<br />
deferant togas aut caputia intus vel extra, ad modum secularium personarum sive<br />
secularium presbyterorum, sed sint contenti habitu ordinis nostri, scilicet cappis,<br />
scapularibus, tunicis et aliis vestibus licitis et honestis, quibus in statutis nostris<br />
nobis uti permittitur et conceditur. Van de Pasch, Definities, anno 1420.<br />
Item cum secundum regulam non debet esse notabilis habitus noster, nee vestibus<br />
affectemus placere sed moribus, prohibemus districte in virtute sancte obedientie<br />
omnibus prioribus et fratribus, ne quis fieri sibi faciat caudatas tunicas cum manicis<br />
plicatis et latis in anteriori parte ad instar irreformatorum religiosorum, cum<br />
secundum statuta sufficiat, ut circa cavillam pedum descendant, et si que sit<br />
adhibenda plica, volumus tamen ut latitudinem duorum digitorum non excedat et<br />
quod manice fiant cum scissura in anteriori parte. Et precipimus omnibus prioribus<br />
sub poena privationis suorum officiorum ut infra mensem, postquam ad conventus<br />
proprios redierint vel ipsis innotuerint, studeant suas et suorum fratrum tunicas<br />
secundum modum prescriptum reformare. Van de Pasch, Definities, anno 1498 ;<br />
Hermans, Annales, II, p. 213 en 441.<br />
80 Van de Pasch, Definities, annis 1434, 1476 ; Hermans, Annales, II, p. 252,<br />
372.<br />
51 Diffinimus et constituimus, quod quilibet Prior in visitatione suae domus per<br />
generalem vel suum vicarium, et in generali capitulo semper debet petere misericordiam<br />
et absolvi ab onere sibi impenso. Van de Pasch, Definities, anno 1411 ;<br />
Hermans, Annales, II, p. 207.<br />
52 Van de Pasch, Definities, anno 1440.<br />
53 Van de Pasch, De tekst van de constitutes, in Hand. Kon. Comm. Gesch.,<br />
Ill (1952), p. 86-91.
DE OBSERVANTIE-BEWEGING 61<br />
ling onwillige en ongeschikte prioren te kunnen vervangen ? Indien<br />
immers de prior niet meewerkte aan het tot standbrengen van de<br />
observantie in zijn klooster, zou iedere maatregel van het generate<br />
kapittel tevergeefs genomen zijn. Uit de besluiten van de generale<br />
kapittels valt niet op te maken of er inderdaad prioren zijn afgezet.<br />
Wanneer zij hun ambt ieder jaar neerlegden, was dit niet nodig.<br />
Wei zijn er prioren benoemd. Zeker is het bijvoorbeeld, dat in 1458<br />
Petrus Pickart uit het klooster te Parijs tot prior van het klooster<br />
te Toulouse 54 en in 1460 Johannes van Grave, afkomstig uit het<br />
klooster te Namen, te Caen zijn aangesteld S5, waarschijnlijk ook<br />
Edmundus van Dinther uit het klooster te Sint Agatha, en Henricus<br />
van Nijmegen uit het klooster te Luik, respectievelijk in 1421 te<br />
Schwarzenbroich en in 1427 te Parijs 56. In Maastricht werden de<br />
gehele vijftiende eeuw prioren aangesteld57 en in Bentlage tot<br />
146058. De leden van een convent hadden volgens de statuten van<br />
1248 het recht hun eigen prior te kiezen. Pas wanneer het convent<br />
na een maand geen overeenstemming kon bereiken, mocht de prior-<br />
generaal of zijn vertegenwoordiger ingrijpen en iemand als prior<br />
installeren59.<br />
31 Van de Pasch, Dejinnies, anno 1458.<br />
55 Van de Pasch, a.w., anno 1460.<br />
56 Van de Pasch, a.w., annis 1421, 1428. Henricus van Nijmegen werd in 1427<br />
door het generale kapittel verplaatst naar Parijs ; in 1428 wordt hij door het<br />
generale kapittel tot definitor gekozen en dan prior van Parijs genoemd (zie Van DE<br />
Pasch, Definities, annis 1427 en 1428). De aanstelling van Edmundus van Dinther<br />
is niet zo duidelijk. Hij was in de jaren 1413 en 1416 definitor en was toen prior<br />
van Sint Agatha. In 1421 was een Edmundus, prior van Schwarzenbroich, definitor.<br />
Daar het generale kapittel nog al eens dezelfde personen tot definitoren koos,<br />
mogen we er toe besluiten, dat de Edmundus, die in 1413, 1416 en 1421 tot<br />
definitor werd gekozen, dezelfde persoon was. Een lijst van prioren van Sint Agatha<br />
uit het jaar 1648 vermeldt, dat Edmundus in 1416 was gestorven, maar noemt hem<br />
ook als stichter van het klooster te Kolen nabij Kerniel (Hermans, Annales I (2),<br />
p. 68). De stichting vond echter plaats in de dertiger jaren. Wilhelmus Wijnants,<br />
die eveneens een lijst samenstelde en gestorven is in 1810, schreef, dat Edmundus<br />
onverwacht gestorven is in 1421 (Hermans, Annales, II, p. 126). Uit andere bronnen<br />
weten wij, dat Edmundus van Dinther inderdaad de stichter van het klooster<br />
te Kolen en in de dertiger jaren conventuaal van Sint Agatha was (Van Asseldonk,<br />
Franciscus Vaes van Tongeren, in Clairlieu, 15-16 (1957-1958), p. 18, noot 3,<br />
p. 20, noot 10). De kroniekschrijvers van Sint Agatha hebben zich niet op de hoogte<br />
gesteld van de gewoonte van de generale kapittels in de vijftiende eeuw om dezelfde<br />
Kruisbroeders als definitor te kiezen en eveneens niet van het stichtingsjaar van<br />
het klooster Kolen, maar zij hebben wel kunnen constateren, dat Edmundus van<br />
Dinther na 1421 niet meer in Sint Agatha verbleef en hebben gemeend, dat hij<br />
gestorven was.<br />
5T Zie hoofdstuk IV, p. 108.<br />
53 Zie hoofdstuk IV, p. 119.<br />
r3 Van de Pasch, De tekst van de constituties, p. 79-80.
62 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Herhaaldelijk werd door het generale kapittel ook het ambt van<br />
supprior vergeven 60. Een supprior had de zorg voor het geestelijk<br />
leven in een klooster ; hij had o.a. de opleiding van de novicen en<br />
jonge kruisbroeders in handen61. Het is daarom te begrijpen, dat<br />
het generale kapittel er op toezag, dat een observante kloosterling<br />
supprior van een klooster zou zijn. Volgens de statuten van 1248<br />
mocht een prior zijn eigen supprior aanwijzen na advies van de<br />
seniores ingewonnen te hebben 62. Maar na 1410 heeft het generale<br />
kapittel zich dit recht vaak toegeeigend. Wanneer deze machtsuit-<br />
breiding is begonnen, is niet op te maken uit de besluiten, wel staat<br />
zij vermeld in de statutencollectie van het jaar 146663.<br />
Dat prioren en supprioren werden aangesteld kwam niet ieder<br />
jaar voor. Gewone kloosterlingen werden zeer veel verplaatst, al<br />
was het soms slechts een tijdelijke verplaatsing64. De kloosterlingen<br />
bleven behoren tot het klooster, waar ze waren ingetreden. Wan<br />
neer in een klooster de observance van de regel en statuten niet<br />
naar de zin van het generale kapittel of van hun vertegenwoor-<br />
digers, de visitatoren, onderhouden werd, was het gewoon, dat drie<br />
of vier niet-observante kloosterlingen naar een observant klooster<br />
werden verplaatst en drie of vier observante kloosterlingen uit een<br />
ander klooster naar het tot observantie te brengen klooster werden<br />
gezonden, waar zij alle rechten van een conventuaal kregen, zoals<br />
het recht om mee te stemmen bij een prior-keuze. Er zijn klooster<br />
lingen geweest, die gezorgd hebben voor de verbetering van de<br />
observantie in diverse kloosters, maar er waren er ook die uit straf<br />
ieder jaar in een ander klooster terechtkwamen 65. Kloosterlingen,<br />
die zich niet thuis voelden in een niet-observant klooster, mochten<br />
verlof vragen naar een observant klooster te vertrekken66.<br />
Behalve door middel van verplaatsing kon het generale kapittel<br />
de Kruisbroeders, die zich verzetten, straffen door hun ieder stem-<br />
recht te ontnemen en door opsluiting in de kloostergevangenis. In<br />
1421 bepaalde het generale kapittel, dat ieder klooster over een<br />
80 Zie hoofdstuk III, b.v. Doornik en Caen resp. p. 80 en 95.<br />
81 Van de Pasch, De tekst van de constitutes, p. 80.<br />
82 Van de Pasch, a.w., p. 80.<br />
68 Hermans, Annales, II, p. 315-316.<br />
84 Bij de bespreking van de kloosters in de hoofdstukken III en IV worden<br />
hiervan voorbeelden gegeven.<br />
65 Ook hiervan worden voorbeelden gegeven.<br />
68 Van de Pasch, Dejinities, anno 1418 ; Hermans, Annales, II, p. 212.
DE OBSERVANTIE-BEWEGING 63<br />
gevangenis diende te beschikken. In 1446 werd dit bevel nog eens<br />
herhaald 67. Paus Martinus V had de prior-generaal in 1424 tot deze<br />
vorm van straf verlof gegeven 68. Toch werd deze straf maar zelden<br />
toegepast, althans door het generate kapittel. Of de plaatselijke<br />
prioren eerder tot deze straf overgingen, is niet meer na te gaan.<br />
Een ander middel om misbruiken tegen te gaan was te voorkomen<br />
dat voor het klooster ongeschikte personen intraden. Reeds<br />
de statuten van 1248 schreven voor, dat geen enkele prior van een<br />
klooster iemand mocht opnemen zonder speciaal verlof van de<br />
prior-generaal69.<br />
Nu was de tweede helft van de veertiende eeuw een tijd van<br />
weinig roepingen tot het kloosterleven in het algemeen 70. De Kruis<br />
broeders zullen daarvan de gevolgen ondervonden hebben. Zelfs in<br />
de vijftiende eeuw, een bloeiperiode van de orde, was het aantal<br />
kloosterlingen in de Kruisbroederkloosters niet groot. Waarschijnlijk<br />
telde ieder klooster maar tien a twaalf geprofeste leden 7\<br />
De besluiten van het generate kapittel onthullen, dat Kruisbroeders<br />
wel eens tijdelijk verplaatst werden om prioren van andere kloos<br />
ters te helpen 72.<br />
Bij een vermindering van het aantal kloosterlingen bij gebrek<br />
aan roepingen, bestond het gevaar, dat de prioren, om hun klooster<br />
in stand te houden, personen opnamen, die minder geschikt waren<br />
voor het kloosterleven. Het generate kapittel heeft de prioren in<br />
1419 aan het statuut van 1248 moeten herinneren 73. Juist misschien<br />
omdat het aantal kloosterlingen in de meeste Kruisbroederkloosters<br />
niet groot was, bleven tot in de tweede helft van de vijftiende eeuw<br />
vele prioren zich schuldig maken aan het aannemen van ongeschikte<br />
personen. Onomwonden getuigde het generate kapittel van 1467 :<br />
vele prioren en kloosters laten minder geschikte en onontwikkelde<br />
67 Van de Pasch, Definities, annis 1421, 1446 ; Hermans, Annales, II, p. 213<br />
en 254.<br />
68 Van de Pasch, Het klooster Clairlieu, in Clairlieu, 18 (1959), p. 16; Her<br />
mans, Annales, II, p. 219-220.<br />
•9 Van de Pasch, De tekst van de constitutes, p. 64.<br />
70 Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen, deel I, p. 325-360.<br />
71 Zie de hoofdstukken III en IV.<br />
72 Zie hoofdstuk IV, Goes, p. 107.<br />
73 Van de Pasch, Definities, anno 1419 ; Hermans, Annales, II, p. 212.
64 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
personen tot het aannemen van het kloosterkleed en tot het afleggen<br />
van de geloften toe74.<br />
Om zijn doel te bereiken trad het generale kapittel in de loop<br />
van de vijftiende eeuw krachtig op en ging zelfs zijn oorspronke-<br />
lijke bevoegdheden te buiten. De zorg voor de observance in de<br />
kloosters was allereerst een taak van de prioren en zo het generale<br />
kapittel ingreep, zal dit veelal niet gebeurd zijn zonder een verzoek<br />
van de prioren zelf. Door al die besluiten en maatregelen verwierf<br />
het generale kapittel zich in het leven van de Kruisbroeders meer<br />
en meer een centrale plaats.<br />
Bij die besluiten, verplaatsingen en benoemingen speelden de<br />
visitatoren een zeer belangrijke rol. Meestal waren zij prioren, die<br />
in opdracht van het generale kapittel of van de prior-generaal jaar-<br />
lijks de kloosters bezochten. Ieder jaar werden vijf of zes kapittel<br />
vaders hiervoor aangewezen. Niet alleen omdat zij de kloosters<br />
visiteerden en zo op de hoogte waren van de geestelijke en materiele<br />
toestand van een klooster, hadden zij een grote invloed, maar ook<br />
door de rechten, die hun werden gegeven, als zij als visitator op reis<br />
gingen ; zij mochten medebroeders naar een ander klooster sturen<br />
of besluiten nemen ; zij traden als visitatoren in de rechten van het<br />
generale kapittel of in die van de prior-generaal75.<br />
Nog meer dan de visitatoren hadden de prioren-generaal een<br />
aandeel in het hervormingswerk van de generale kapittels. Zij wa<br />
ren de voorzitters en formuleerden uiteindelijk samen met hun<br />
definitoren de besluiten, terwijl de kapittelvaders alleen adviserende<br />
stem bezaten. Ieder jaar opnieuw visiteerden zij persoonlijk een<br />
aantal kloosters. Zij waren het ook die een beroep deden op de<br />
pausen. Meer dan wie ook waren zij de grote promotoren van de<br />
hervorming. Bijna alle in de vijftiende eeuw gekozen prioren-gene<br />
raal waren voor hun uitverkiezing vele jaren definitor of visitator<br />
geweest en hadden reeds in die functies zich voor de uitbreiding<br />
van de hervorming zeer verdienstelijk gemaakt.<br />
74 Item ex quo multi priores et conventus recipiunt aliquos minus idoneos et<br />
litteratos ad habitum et professionem ordinis nostri, ordinamus, quod habita licentia<br />
a patre nostro generali iuxta tenorem statutorum, nullus de cetero investiatur, nisi<br />
patri nostro generali, vel visitatoribus presentetur. Van de Pasch, Definities, anno<br />
1467 ; Hermans, Annales, II, p. 298.<br />
75 Van de Pasch, Dejinities, anno 1421.
*<br />
ap'qJtoltrriD fio ,<br />
op«i micOiaiH ct tiiOuanuir amta<br />
liinsrfioir ui Dit l)oiteftcaiii(julf<br />
mil*. Noil iu notnrfianomlm&rr<br />
tunim mbilibtis rri<br />
rn$mcontninoiir.frc<br />
nuiMaottr .nd) mDiiinii Dnm il)r<br />
De versieringskunst van Johannes Hoenreman,<br />
Kruisbroeder te Luik, 1425-1449, afkomstig uit Amersfoort.<br />
Lectionarium, Universiteitsbibliotheek van Luik,<br />
Handschrift 35C, fol.4r.
DE OBSERVANTIE-BEWEGING 65<br />
De methode van hervorming, die bij de Kruisbroeders werd gevolgd,<br />
verschilde van die bij andere oudere orden en geleek veel<br />
op de methode, die nieuwere orden toepasten. Bij enkele oudere<br />
orden nam niet de leiding het initiatief voor het streven naar meer<br />
observantie van de regel en statuten. Veeleer waren het hier bepaalde<br />
kloosters, die zich hervormden. Het gevolg was bijna altijd een<br />
splitsing of een afscheiding in de orde. De splitsing was voor enkele<br />
orden tijdelijk, voor andere was de scheiding blijvend. Bij de Kruis<br />
broeders nam juist het bestuur van de orde dit initiatief. Het gevolg<br />
was, dat de hervorming zich van uit enkele kloosters met als cen<br />
trum het hoofdklooster te Hoei over Europa verspreidde en steeds<br />
meer kloosters, soms min of meer door de leiding van de orde<br />
gedwongen, zich bij dit centrum aansloten. Misschien zou het ook<br />
bij de Kruisbroeders tot een afscheiding gekomen zijn, indien de<br />
hervorming van boven af niet zo vroeg was doorgezet. Er zal nog<br />
getracht worden deze geografische uitbreiding van de hervorming<br />
te beschrijven.<br />
Het was echter geen machtswellust van het generale kapittel,<br />
maar een middel, een voorwaarde voor de bevordering van de ob<br />
servantie in de orde, voor een betere beleving van het kloosterideaal.<br />
Nieuwe kloosterverenigingen, zoals b.v. de congregatie van Windesheim<br />
en het Kapittel van Sion, die respectievelijk zijn ontstaan<br />
in 1387 76 en 1418 77, werden van het begin af geleid door een<br />
krachtig centraal bestuur in de hoop hierdoor de observantie te<br />
bewaren.<br />
De twee genoemde methoden vindt men in deze tijd in de gehele<br />
kerk. Er was een groep christenen, die het Westers Schisma wenste<br />
op te lossen door eerst een hervorming van de christenen te bewerken<br />
en zo te komen tot een hervorming van de kerk zelf, terwijl<br />
een andere groep er op uit was eerst de eenheid van de kerk te<br />
herstellen en vast overtuigd was, dat de hervorming van de leden<br />
dan niet op zich zou laten wachten.<br />
Het bestuur van de orde van het Heilig Kruis koos voor de tweede<br />
methode.<br />
Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen, deel I, p. 345-354.<br />
" E. Ypma, Het generaal kapittel van Sion, zijn oorsprong, ontwikkeling en<br />
inrickting, Nijmegen-Utrecht 1949.
Hoofdstuk III<br />
DE OBSERVANTIE IN DE VOOR 1410<br />
GESTICHTE KLOOSTERS<br />
De hervormingsgezinde Kruisbroeders van 1410 streefden naar<br />
een jaarlijks generaal kapittel, naar uniformiteit van regel en statu-<br />
ten en naar een betere beleving van het gemeenschappelijk leven.<br />
Maar van welke Kruisbroeders of van welke kloosters is deze observantie-beweging<br />
uitgegaan en welke kloosterlingen of welke<br />
kloosters waren in 1410 in gebreke en dienden voor de observantie<br />
gewonnen te worden ?<br />
Het antwoord op deze vragen is niet zo eenvoudig te geven,<br />
vooral omdat er ons geen kronieken of visitatie-verslagen, die in-<br />
lichten over het leven in de Kruisbroederkloosters, ter beschikking<br />
staan. De enige bron, die men kan raadplegen, wordt wedeiom<br />
gevormd door het geheel van besluiten, dat na 1410 door de gene-<br />
rale kapittels is uitgevaardigd.<br />
De prioren-generaal en hun definitoren vingen jaarlijks hun be<br />
sluiten aan met kennisgeving van hun namen en hun functies in<br />
de orde en zij besloten met de benoeming van de visitatoren en de<br />
verplaatsing van hun medebroeders. Voor de visitatoren voegden<br />
zij er nogal eens een speciale opdracht aan toe, b.v. de hervorming<br />
van een klooster, dat met name vermeld werd, en voor de Kruis<br />
broeders, die verplaatst werden, de reden hiervan, b.v. om te helpen<br />
een klooster te hervormen of zelf in een ander klooster de obser<br />
vantie te leren.<br />
Hieruit is het volgende te concluderen :<br />
1. Wanneer een prior van een klooster gekozen is tot definitor<br />
of benoemd is tot visitator, dan was deze prior jaarlijks op het<br />
generale kapittel aanwezig en mag men wel aannemen, dat hij een<br />
goede overste was en zijn onderdanen de juiste beleving van de<br />
kloosterstatuten voorhield.
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS 67<br />
2. Stelde het generale kapittel een prior in een klooster aan, dan<br />
was de Kruisbroeder, die eerst aan het hoofd stond, niet genegen<br />
naar het generale kapittel te komen, of hij schoot tekort in zijn<br />
taak zijn onderdanen de observantie voor te houden. Het generale<br />
kapittel verwachtte dit wel van de aangestelde prior.<br />
3. Verplaatste het generale kapittel Kruisbroeders met de opdracht<br />
de observantie of de discipline elders te leren of in tegenstelling<br />
hiermee elders te bevorderen, dan is het duidelijk, wie<br />
faalden in de ogen van het generale kapittel of van hun prioren<br />
en wie zich onderscheidden in de observantie \<br />
4. Wanneer zelden of nooit een kloosterling uit een bepaald con<br />
vent gestraft werd door het generale kapittel en de leden van dit<br />
convent steeds opnieuw opdrachten kregen de observantie in andere<br />
kloosters te herstellen of nieuwe kloosters te stichten, dan mag men<br />
van een observant leven in dit klooster spreken. Werden er dikwijls<br />
kloosterlingen gestraft, dan mag men vermoeden, dat er aan de<br />
observantie wat mankeerde. Wanneer echter Kruisbroeders uit bepaalde<br />
kloosters geen opdrachten verkregen, mag men niet besluiten,<br />
dat het kloosterleven aldaar niet goed beleefd werd. De oorzaak<br />
kan gezocht worden in een te klein aantal kloosterlingen, waarvan<br />
niemand gemist kon worden.<br />
Hier volgen enkele voorbeelden van de opdrachten, zoals de generale kapittels<br />
die formuleerden :<br />
1422 : frater Petrus Dide donatus in S. Agatha per presentem annum stabit in<br />
Nigra Palude (Schwarzenbroich) pro reformatione ibidem.<br />
1423 : fratres Michael domus Namurcensis, Symon domus Hoyensis, Wilhelmus<br />
Wych domus Venlenensis et Arnoldus Kiilenborch domus Coloniensis stabunt<br />
in domo Aquensi per annum sequentem pro reformatione eiusdem domus.<br />
Item Fr. Johannes de Zutphania, videlicet Amoris, domus Namurcensis<br />
stabit in domo Leodiensi pro reformacione eiusdem domus per annum<br />
sequentem.<br />
1427 : Item pro reformatione domus Parisiensis stabunt isto anno fr Henricus de<br />
Novimagio, conventualis Leodiensis, et fr Lambertus Namurcensis, sive iste,<br />
sive alii, ad ordinacionem prioris generalis absque contradictione alicuius.<br />
1464 : Item fr Johannes Marijn conventus Cadomensis stabit in conventu Asperensi<br />
pro instructione disciplinae.<br />
De verplaatste Kruisbroeders moesten binnen acht dagen in hun nieuw klooster<br />
zijn ; ze mochten echter niet vertrekken, voordat de prior van hun eigen klooster<br />
was terug gekeerd van het generale kapittel, aldus besluiten van 1423 en 1434.<br />
Item precepimus in virtute sancte obedientie et sub poena suspensionis a divinis,<br />
ut omnes fratres diffiniti et missi se expediant et intra 8 dies, insinuationem eis<br />
de hujusmodi missione sibi factam immediate sequentes, se transferant in conventus,<br />
ad quos destinati sunt. Van de Pasch, Definities, anno 1423.<br />
Item prohibemus districte sub poena gravis culpe, quod fratres diffiniti non<br />
recedant a domibus ad quas fuerint diffiniti, donee priores redierint a capitulo.<br />
Van de Pasch, Dejinities, anno 1434.
68 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
5. Wordt de naam van een klooster genoemd, dan is er zeker<br />
enig contact tussen het generale kapittel en dat klooster geweest;<br />
komt een naam van een klooster nimmer voor, dan is er reden tot<br />
twijfel of dit klooster enig contact met het generale kapittel heeft<br />
gezocht. In beide gevallen is het niet zeker of de kloosterlingen wel<br />
of niet afkerig van de pogingen van de generale kapittels waren. Uit<br />
de besluiten van de generale kapittels valt niet op te maken, of het<br />
contact met een klooster tot stand kwam door inmenging van de<br />
geestelijke en wereldlijke overheid ofwel door de invloed hetzij<br />
van de hervormingsgezinde Kruisbroeders hetzij van de prior-<br />
generaal en de visitatoren. In andere bronnen zijn zeer weinig ge-<br />
gevens over dergelijke inmengingen of invloeden voorhanden.<br />
Gebruikmakend van bovengenoemde conclusies zal in de volgen-<br />
de paginal gepoogd worden antwoord te geven op de in het begin<br />
van dit hoofdstuk gestelde vragen, namelijk van welke Kruisbroe<br />
ders of van welke kloosters de observantie-beweging uitging en<br />
welke kloosterlingen of welke kloosters in 1410 in gebreke waren<br />
en voor de observance gewonnen dienden te worden.<br />
BELGIE<br />
Hoei2<br />
De Hoeise Kruisbroeders kozen in 1410 een observant klooster-<br />
ling, Libertus Janssen van Bommel, tot prior-generaal en gaven alzo<br />
de eerste stoot tot de hervorming in de gehele orde. De klooster<br />
lingen, die naar een hervorming van de orde verlangden, waren<br />
blijkbaar in de meerderheid. Uit de keuze van Johannes van Merten,<br />
definitor en prior van Asperen, twee jaar later, en uit die van<br />
Helmicus Amoris van Zutphen, vijf jaar later, blijkt, dat die gezind-<br />
heid niet veranderd was. Beide prioren-generaal waren voorstanders<br />
van de hervorming van de orde. Tijdens hun bestuur vooral werden<br />
2 A. van DE Pasch, Het klooster Clairlieu te Hoei en zijn prioren-generaal,<br />
1210-1796, in Clairlieu, 17 (1959), p. 65-112 ; 18 (I960), p. 13-70. A. van DE<br />
Pasch, Monastere des Croisiers a Huy, in Monasticon Beige, t. II Province de<br />
Liege, p. 405-413. L. H. Cottineau, Repertoire Topo-Bibliographique des abbayes<br />
et prieures, Macon 1935-1937, I, kol. 1439 (zie de bespreking van Cottineau door<br />
L. Heere in Clairlieu, 8 (1950), p. 82) ; L. Wilmotte, Notice historique sur le<br />
couvent des Croisiers de Huy, Huy z.j. Het archief van het kiooster te Hoei is<br />
tijdens de Franse Revolutie verloren gegaan.
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS 69<br />
de in het vorige hoofdstuk genoemde hervormingsmaatregelen uitgevaardigd.<br />
Voor de kapittelvaders van 1410 was het zeer gunstig,<br />
dat geestverwanten van hen in het klooster te Hoei in de meerderheid<br />
waren op het ogenblik, dat Johannes d'Avins zijn waardigheid<br />
van prior-generaal neerlegde.<br />
Het generale kapittel verplaatste in 1412 zonder enige reden op<br />
te geven enkele Kruisbroeders uit de noordelijke kloosters te<br />
Asperen, Sint Agatha en Venlo tijdelijk naar Hoei. Men heeft deze<br />
maatregel geinterpreteerd alsof de bedoeling hiervan was, dat deze<br />
Kruisbroeders de observantie te Hoei zouden brengen 3. De meerderheid<br />
van de conventualen van Hoei was echter de observantie<br />
toegedaan. Moesten zij dan te Hoei de observantie bestuderen en<br />
overbrengen naar hun eigen kloosters ? Deze kloosters behoefden<br />
echter, zoals blijken zal, geen hervorming, en de Kruisbroeders, die<br />
overgeplaatst werden, zoals Gerardus van Goch uit Sint Agatha,<br />
verkregen van het generale kapittel verantwoordelijke opdrachten.<br />
Daarom kan de maatregel van 1412 slechts geinterpreteerd worden<br />
als een uiting van de ijver van het generale kapittel om in Hoei die<br />
goede gezindheid te bewaren en te bevorderen. Die zorg voor het<br />
klooster is tevens op te maken uit een verbod van het generale<br />
kapittel van 1418 aan de overige kloosters om niet meer de supprior<br />
of de procurator van Hoei tot prior van hun convent te<br />
kiezen 4. In de eerste maanden van dat jaar was de supprior van<br />
'Hoei, Gerardus van Goch, naar Luik geroepen om de functie van<br />
prior aldaar op zich te nemen 6. Het verbod is tevens een aanwijzing,<br />
dat de kloosters hun candidaten voor het prioraat graag<br />
in Hoei zochten. Wellicht heeft het generale kapittel zich gericht<br />
naar voorbeelden van andere kloosterorden en van het klooster te<br />
Hoei een model-klooster willen maken. Het bestuur van de Dominicanerorde<br />
eiste in 1390 voor iedere provincie van de orde een<br />
modelklooster en de Moderne Devoten stichtten het klooster te<br />
Windesheim als model voor alle kloosters6. Het klooster in Hoei<br />
3 Van de Pasch, Definhies, anno 1412 ; Van de Pasch, Het klooster Clairlieu,<br />
in Clatrlteu, 18 (I960), p. 14.<br />
* Van de Pasch, Definities, anno 1418 ; Hermans, Annales, II, p. 212.<br />
Van de Pasch, a.w., anno 1418. Op het generale kapittel, gehouden op de<br />
vierde zondag na Pasen, was hij reeds prior te Luik.<br />
6 G. Meyer, Een Hollandse kloosterhervorming in de vijjtiende eeuw, in De<br />
Katholiek, 146 (1914), p. 114. Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen,<br />
dl. I, p. 345.
70 - STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
verkreeg de moeilijke taak de overige Boosters voor te gaan en ten<br />
voorbeeld te zijn.<br />
De zorg voor dit klooster is zeker beloond. Gedurende de gehele<br />
vijftiende eeuw kozen de conventualen van Hoei goede priorengeneraal.<br />
Zij wensten een voortzetting van het streven naar obser<br />
vantie niet alleen in hun eigen klooster, maar ook in heel de orde.<br />
Deze goodwill was vanzelfsprekend weer te danken aan het beleid<br />
van de prioren-generaal. Er was wederkerige invloed.<br />
Behalve de prioren-generaal zelf hebben ook de supprioren van<br />
Hoei een grote rol vervuld in het bewaren van de observantie te<br />
Hoei en hebben zij mede de koers aldaar bepaald. De priorengeneraal<br />
waren dikwijls op visitatie-reis. Op de schouders van de<br />
supprioren rustte dan niet alleen de leiding over de jonge klooster-<br />
lingen, maar ook het bestuur van heel het klooster. Dat zij zich<br />
goed van hun taak gekweten hebben, blijkt uit de belangrijke<br />
functies, welke voortdurend door de generale kapittels aan hen<br />
werden toevertrouwd. Een lijst van de namen van enkele supprioren<br />
en hun opdrachten is reeds voldoende om hun bijdrage aan de<br />
hervorming in de orde ook buiten Hoei aan te duiden.<br />
Gerardus van Goch was zeker van 1415-1418 supprior van Hoei.<br />
Misschien bekleedde hij deze functie al eerder, maar het eerste<br />
gegeven hieromtrent is uit 1416. In dit jaar werd hij gekozen tot<br />
definitor. Bij zijn naam stond vermeld, dat hij supprior van Hoei<br />
was7. Toen hij in 1418 voor de derde maal tot definitor werd<br />
gekozen, was hij reeds prior van Luik. Deze waardigheid behield<br />
hij tot 1434 8. Twee jaar later werd hij in de definitorenlijst procu<br />
rator van Hohenbusch genoemd9. In dit klooster stierf hij in 1454.<br />
Althans, het generale kapittel plaatste zijn naam op de dodenlijst<br />
van dat jaar met de vermelding, dat hij niet alleen prior van Luik<br />
was geweest, maar ook nog prior van Watten10. Wanneer hij de<br />
leiding van dit klooster had, kan niet worden vastgesteldxl. Gerar<br />
dus van Goch was oorspronkelijk conventuaal van Sint Agatha ;<br />
T Van de Pasch, Dejinities, anno 1416.<br />
8 Van de Pasch, a.w., annis 1418, 1434.<br />
9 Van de Pasch, a.w., anno 1436.<br />
10 Van de Pasch, a.w., anno 1454.<br />
11 Er is tot nu toe zeer weinig bekend van het klooster te Watten.
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS 71<br />
hij was een van de Kruisbroeders, die in 1412 naar Hoei werden<br />
verplaatst12. Meermalen werd hij tot definitor gekozen13.<br />
Johannes, supprior en definitor in 1418 14.<br />
Reinerus, supprior van 1419 tot 1424. In al deze jaren was hij<br />
definitor 15 ; in 1427 was hij weer definitor en blijkt hij procurator<br />
te Hoei te zijn 16. Van 1440 tot 1447 verbleef hij te Doornik ter<br />
bevordering van de observance aldaar17.<br />
Gisbertus, supprior van 1425 tot 1432. In 1430-1431 was hij<br />
vicaris-generaal tijdens het verblijf van de prior-generaal in Engeland<br />
; in 1433 was hij prior van Hohenbusch en bleef deze functie<br />
bekleden tot aan zijn dood in 1438 18.<br />
Simon de Palude was supprior in 1430-1431, toen Gisbertus<br />
vicaris-generaal was ; tevens werd hij in dat jaar tot definitor ge<br />
kozen 19. In 1423 verbleef hij in Aken om het klooster aldaar te<br />
hervormen 20.<br />
Thomas van Helmond was circa 1443 supprior 21; in 1446 werd<br />
hij benoemd tot supprior te Doornik, waar hij verbleef tot 1450 22.<br />
Ook andere Kruisbroeders uit Hoei werkten mee aan de hervorming<br />
elders, o.a. Henricus van Oirschot die in 1423 naar Schwarzenbroich<br />
werd gezonden. In 1430 nam prior-generaal Helmicus<br />
Amoris hem met nog vier andere Hoeise Kruisbroeders mee op zijn<br />
visitatie-reis naar Engeland 23. Henricus van Keulen trok in 1437<br />
naar Doornik, in 1447 en 1452 naar Maastricht en in 1450 naar<br />
Suxy 24. Henricus van Benthem verbleef in 1437 ook te Doornik ;<br />
later werd hij prior te Carignan. In de dodenlijst van 1469 werd hij<br />
als zodanig gememoreerd 25. Georgius van Brueggen was procurator<br />
12 Van de Pasch, Definities, anno 1416.<br />
13 Van de Pasch, a.w., annis 1416, 1417, 1418, 1420, 1424, 1427, 1430, 1432,<br />
1434, 1436.<br />
14 Van de Pasch, a.w., anno 1418.<br />
Van de Pasch, a.w., annis 1419-1424.<br />
19 Van de Pasch, a.w. anno 1427.<br />
1T Van de Pasch, a.w., annis 1440, 1441 en 1447.<br />
18 Van de Pasch, a.w. annis 1425, 1431, 1433, 1438.<br />
19 Van de Pasch, a.w. anno 1430.<br />
20 Van de Pasch, a.w. anno 1423.<br />
21 Van de Pasch, a.w, anno 1443.<br />
22 Van 'mi de *-»n Pasch, x .no^n, a.w.<br />
c*.u/.} annis ctlllUS 1446-1450.<br />
LH^O-It JU.<br />
23 Van de Pasch, Dejinities, annis 1423, 1430; Hermans, Annales, I (1), p.<br />
99 ; Russelius, Chronkon, p. 102-103.<br />
24 Van de Pasch, a.w.} annis 1437, 1446-1450, 1452.<br />
25 Van de Pasch, a.w. annis 1437, 1469.
72 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
van Hoei circa 1440-1443, prior van Hohenbusch van 1445 tot<br />
1452. In het laatste jaar werd hij gekozen tot prior-generaal en<br />
keerde hij naar Hoei terug26.<br />
In de tweede helft van de vijftiende eeuw zullen nog Hoeise<br />
Kruisbroeders worden uitgezonden naar de steden Toulouse en<br />
Varennes in Frankrijk en naar Engeland27.<br />
Het tegenovergestelde, namelijk, de komst van minder-observante<br />
kloosterlingen naar Hoei kwam ook voor. Kloosterlingen uit Aken,<br />
Suxy, Maastricht en Parijs kregen bevel een of twee jaar in Hoei<br />
de kloosterdiscipline te leren28.<br />
In de vijftiende eeuw, een periode, waarin het herstel van de<br />
observance in de kloosters maar zeer langzaam vorderde - ook bij<br />
de Kruisbroeders, gezien de zich maar steeds herhalende maatre-<br />
gelen -, zullen onder de Kruisbroeders van Hoei zo nu en dan<br />
minder observante kloosterlingen geweest zijn. Russelius verhaalt,<br />
dat onder het bestuur van prior-generaal Henricus van Nijmegen,<br />
1433-1451, enkele Hoeise Kruisbroeders het klooster verlieten. De<br />
reden was, dat zij binnen 35 dagen onder de gastenkamers een<br />
kelder moesten aanleggen en daarna nog de refter voor het generale<br />
kapittel vergroten29.<br />
Het verzet van kloosterlingen tegen het observantie-streven en<br />
tegen de hervormingsmaatregelen is vooral op te maken uit de soms<br />
harde straffen van het generale kapittel. Gedurende de vijftiende<br />
eeuw werd echter maar zelden aan een kloosterling van Hoei een<br />
straf opgelegd. Dit wil toch wel wat zeggen.<br />
Van de Kruisbroeders, die het klooster te Hoei gedurende de<br />
vijftiende eeuw bewoonden, waren er velen uit de Noordelijke<br />
Nederlanden afkomstig, doch voor het merendeel zijn zij geboren<br />
in de steden van de westelijke territoria.<br />
Namen30<br />
De eerste vraag, die voor het klooster te Namen gesteld moet<br />
28 Van de Pasch, a.w., annis 1445, 1446, 1449-1452 ; Hermans, Annales, II,<br />
p. 90.<br />
27 Van de Pasch, a.w., annis 1456, 1470, 1482, 1485-1488.<br />
28 Van de Pasch, a.w., annis 1423, 1430, 1431, 1447.<br />
20 Russelius, Chronicon, p. 109-110.<br />
30 U. Berliere, Les Croisiers de Namur, in Monasticon Beige, t. I, province de<br />
Namur, p. 150-152, 189-190, 462, 490 ; F. Danhaive, Les Croisiers de Namur, in.<br />
Le Guetteur Wallon, 8 (1931), p. 25-28.
7L / v<br />
• Condren ^. • g I ^<br />
Yvoy (Carig^anlifV°i". /
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS 73<br />
worden is deze : stond er circa 1410 een prior aan het hoofd, die de<br />
observantie toegedaan was en bereid is geweest om naar het gene-<br />
rale kapittel te Hoei te gaan ?<br />
Op deze vraag is niet met zekerheid te antwoorden. Er is geen<br />
enkel gegeven omtrent een observantie-streven te Namen voor<br />
1413. In de besluiten van het generale kapittel van dat jaar werd<br />
als prior van Namen en tevens als definitor genoemd Helmicus<br />
Amoris van Zutphen 31. Twee jaar later, in 1415, zou hij Johannes<br />
van Merten als prior-generaal opvolgen. Gedurende zijn lang<br />
bestuur, 1415-1433, heeft hij al zijn krachten ingespannen zoveel<br />
mogelijk kloosters terug te brengen tot de observantie. Als prior<br />
van Namen zal Helmicus Amoris getracht hebben de goede geest<br />
te bev/aren en te bevorderen. Daarom zal hij door de kapittelvaders<br />
tot definitor en daarna door het convent van Hoei tot prior-generaal<br />
zijn gekozen.<br />
Een goede geest moet er wel in Namen geheerst hebben. Immers,<br />
dat Helmicus Amoris na 1410 door het generale kapittel zou zijn<br />
aangesteld, is onaannemelijk, daar het generale kapittel voor 1413<br />
nog niet zo machtig was en nog niet de steun van kerkelijke hoog-<br />
waadigheidsbekleders genoot. De conventualen van Namen zullen<br />
hem dus wel gekozen hebben, zodat we tot een observante geest<br />
mogen concluderen. Maar in welk jaar werd Helmicus Amoris<br />
gekozen, voor of na 1410 ? Vervulde hij reeds in 1410 de functie<br />
van prior, dan behoorde hij tot de prioren, die zo krachtig de obser<br />
vantie in de orde trachtten te herstellen. Voor Namen trekt dat<br />
bijzonder de aandacht, omdat Johannes d'Avins, de aftredende<br />
prior-generaal van 1410, daar tot 1396 prior geweest is, en tot op<br />
dat moment de observantie zeker niet bevorderd heeft32. Werd Hel<br />
micus Amoris pas na 1410 gekozen, dan is het toch zeker, dat het<br />
klooster te Namen tot de eerste kloosters behoorde, die zich voor<br />
de observantie-beweging hebben ingezet.<br />
De keuze van Helmicus Amoris tot prior is des te opvallender<br />
vanwege het milieu, waaruit hij voortkwam. Hij was namelijk een<br />
oudere broer van een van de beroemde auteurs en grote promotoren<br />
van de Moderne Devotie, Gerard Zerbolt van Zutphen. In de<br />
bibliotheek van het Kruisbroederklooster te Keulen bevond zich het<br />
31 Van de Pasch, Dejinities, anno 1413.<br />
32 Van de Pasch, Het klooster Clairlieu, in Clairlieu, 17 (1959), p. 112.
74 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
bekende werk van Thomas a Kempis, waarin hij de levens van de<br />
eerste Moderne Devoten beschreef. Het handschrift berust thans te<br />
Keulen. Aan de biografie van Gerard Zerbolt van Zutphen heeft<br />
een Kruisbroeder uit Keulen het volgende bijschrift toegevoegd :<br />
Deze Gerardus was een jongere broer van onze eerbiedwaardige<br />
vader Helmicus Amoris, prior te Hoei33.<br />
Een andere broer, Johannes, was ook Kruisbroeder en conventuaal<br />
van Namen.<br />
Russelius noch de overige Kruisbroeders, die ooit een lijst van<br />
prioren-generaal vervaardigden 34, hebben Helmicus Amoris aangeduid<br />
met de naam Zerbolt. Wei is er een charter uit 1424 bekend,<br />
waarin Helmicus Amoris, toen prior-generaal, en acht conventualen<br />
van Hoei verklaarden een som geld te hebben ontvangen van<br />
Stouwe Minne alias Zerboldes, waarvoor een jaarlijkse rente aan<br />
haar betaald moest worden, zolang zij leefde, en na haar dood aan<br />
de conventen, waar Helmicus en Johannes zouden verblijven35.<br />
In de biografieen van Gerard Zerbolt van Zutphen, die niet lang<br />
na zijn dood in 1398 zijn geschreven 36 en in de moderne werken<br />
over hem37, wordt geen melding gemaakt van de bloedverwant-<br />
schap tussen Gerardus, Helmicus en Johannes. Voor de geschiedenis<br />
van de Kruisbroeders uit de vijftiende eeuw is het echter wel<br />
degelijk van belang te weten, uit welk milieu een van hun beste<br />
prioren-generaal is voortgekomen. Helmicus was van goeden huize.<br />
Zijn vader was waarschijnlijk schepen van de stad Zutphen. Evenals<br />
zijn broer Gerardus zal hij reeds eerder zijn zoon Helmicus naar<br />
Zwolle en Deventer hebben gezonden om daar aan de beroemde<br />
scholen onderwijs te genieten. Misschien trok Helmicus naar het<br />
buitenland om zijn kennis aan een of andere universiteit te verrijken<br />
38. Van zijn broer Gerardus werd geschreven, dat hij onge-<br />
33 Frater fuit iste M. Gerardus junior Venerabilis Patris nostri Helmici Amoris,<br />
prior Hoyensis. Hist. Stadtarchiv von Koln, GB4, 134 fol 165 v. ; zie ook Thomae<br />
a Kempis, Opera omnia, ed. M. J. Pohl, Freiburg i. Breisgau 1910-1922, Bd. VII,<br />
p. 275, 588 en 532.<br />
34 Zie voor literatuur : Van de Pasch, Het klooster Clairlieu, in Clairlieu, 17<br />
(1959), p. 83-85.<br />
35 Van de Pasch, a.w., 18 (I960), p. 16.<br />
36 J. de Rooij, Gerard Zerbolt van Zutphen, dl. I, Leven en werken, Nijmegen<br />
1936, p. 6-16.<br />
31 De Rooij, a.w., literatuurlijst.<br />
38 H. Keussen, Die Matrikel der Universitat Koln, 1389-1339, 3 Bde., Bonn<br />
1928-1931. Helmicus wordt hierin niet genoemd ; het is mogelijk dat hij voor 1389<br />
in Keulen heeft gestudeerd.
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS 75<br />
twijfeld de meest geleerde onder de eerste Broeders van het Gemene<br />
Leven was. Hij bleek goed thuis te zijn in de pauselijke decreten,<br />
rechtsverzamelingen en de juridische commentaren van de canonisten.<br />
Onder de Broeders was hij als bibliothecaris een van de grote<br />
voorstanders van het verzamelen en kopieren van boeken39. Gerardus<br />
heeft zeker aan een van de Europese universiteiten gestudeerd<br />
en Helmicus zal hiertoe ook wel de gelegenheid gehad hebben. Ook<br />
Helmicus was goed thuis in de genoemde wetenschappen gezien een<br />
getuigenis van hem voor de Broeders van het Gemene Leven in<br />
142440.<br />
Helmicus moet reeds voor 1410 bij de Kruisbroeders zijn inge-<br />
treden. Zou hij zich immers na 1410 bij de orde hebben aangesloten,<br />
dan kon hij in 1413 geen prior van Namen zijn. Dit houdt echter<br />
in, dat het Kruisbroederklooster, waarheen hij zich begaf, bij hem<br />
als observant bekend stond. Het is niet overgeleverd, in welk<br />
klooster Helmicus intrad. Hem werd misschien door de Broeders<br />
van het Gemene Leven of door de rector van Zwolle, Jan Cele,<br />
aangeraden naar de Kruisbroeders te gaan 4\<br />
Na zijn keuze tot prior-generaal in 1415 zal Helmicus Amoris<br />
uit Namen vertrokken zijn met de hoop in Namen medewerking te<br />
ontvangen voor de plannen, waarmee hij zijn ambt aanvaardde.<br />
Tussen 1420 en 1430 zijn dan ook Kruisbroeders van en naar Na<br />
men verplaatst, hetzij om in Namen de discipline te leren, hetzij<br />
om die in een ander klooster in te voeren 42. Bij het herstel van de<br />
observantie elders onderscheidden zich Johannes Amoris, de broer<br />
van Helmicus en Gerardus, en Johannes van Grave. De eerste kreeg<br />
in 1423 opdracht naar het klooster te Luik te gaan. Hij verbleef<br />
daar drie jaar. Enkele jaren later vertrok hij naar Goes. Op ver-<br />
gevorderde leeftijd werd hij nog benoemd tot supprior van Door-<br />
nik43. De tweede, Johannes van Grave, werd in 1425 gezonden<br />
naar Aken. Hij bleef daar tot 1426. Het jaar daarop hielp hij de<br />
prior-generaal te Hoei, waar waarschijnlijk te weinig conventualen<br />
waren. Van 1438 tot 1452 was hij prior van Namen, meerdere<br />
:i9 De Rooij, Gerard Zerbolt, dl. I, p. 24-39 ; C. van de Wansum, Het ontstaan<br />
en de geschiedenis van de Broederschap van het Gemene Leven tot 1400, Leuven<br />
1958, p. 116 e.v.<br />
40 Zie hoofdstuk VII.<br />
41 Zie hoofdstuk VII.<br />
42 Van de Pasch, Definities, annis 1422, 1430.<br />
43 Van de Pasch, a.w., annis 1423, 1425, 1429, 1443.
76 STUDIMN OVER DE OBSERVANTIE<br />
malen definitor en visitator. In hoge ouderdom werd hij nog in<br />
1460 door het generale kapittel aangesteld tot prior te Caen, waar<br />
hij na een jaar overleed44.<br />
Ook naar andere Franse kloosters o.a. naar Parijs en Condren<br />
werden Kruisbroeders uit Namen gezonden 45.<br />
Toch zijn er in Namen circa 1428 moeilijkheden ontstaan. In dit<br />
jaar kreeg de prior-generaal van het generale kapittel de opdracht<br />
in het bijzonder het klooster te Namen te visiteren en hij ontving<br />
de volmacht de Kruisbroeders van dit huis te benoemen naar eigen<br />
goeddunken46. Daar slechts eenmaal een Kruisbroeder uit Namen<br />
wegens wangedrag is weggehaald en in de jaren 1427 en 1428 de<br />
Kruisbroeder Lambertus uit Namen naar Parijs werd gezonden om<br />
daar de observantie te brengen en de Kruisbroeder Johannes Kok<br />
uit Sint Agatha naar Namen om daar de observantie te leren, is de<br />
oorzaak van de moeilijkheden niet te zoeken in het wel of niet<br />
opvolgen van de hervormingsmaatregelen in Namen, maar waarschijnlijk<br />
hierin, dat de Kruisbroeders van Namen ontevreden<br />
waren over de benoemingen van de generale kapittels. Sinds 1423<br />
werden bijna ieder jaar zelfs twee of drie Kruisbroeders uit Namen<br />
naar elders gezonden en twee of drie naar Namen toe47.<br />
Tussen 1420 en 1438 werden prioren uit Namen maar zelden tot<br />
definitor gekozen. Die van na 1438 waren zeer dikwijls definitor<br />
en vooral ook visitator. Onder hen bevonden zich drie Noord-<br />
Nederlanders : Johannes van Grave, Simon van Zeeland en Johan<br />
nes van Sittard 48.<br />
De Kruisbroeders van Namen hebben een groot aandeel gehad<br />
in de stichting van het klooster te Maastricht in 1438. Michael van<br />
Testelt werd daar eerst rector en later prior. Deze Kruisbroeder was<br />
een alom bekend prediker 49. Een Kruisbroeder uit Namen, Johan<br />
nes Wert werd benoemd tot rector in Osterberg (1432) 50. Een<br />
ander, Wilhelmus Trappart, die eens visitator van Parijs en Tou<br />
louse was, werd in 1467 de eerste prior van Franeker51.<br />
44 Van de Pasch, a.w., annis 1425-1427, 1438, 1441, 1443, 1445, 1448, 1449,<br />
1450, 1452, 1460 en 1461.<br />
45 Van de Pasch, a.w., annis 1427-1428, 1435.<br />
46 Van de Pasch, a.w., anno 1428.<br />
47 Van de Pasch, a.w., annis 1423-1428.<br />
48 Van de Pasch, a.w., annis 1438-1499.<br />
49 Zie hoofdstuk V.<br />
50 Van de Pasch, Definities, anno 1432 ; zie hoofdstuk IV.<br />
" Van de Pasch, a.w., anno 1467.
Luik52<br />
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS 77<br />
De besluiten van de generale kapittels wekken de indruk, dat<br />
de Kruisbroeders van Luik voor 1425 geen aanhangers van de<br />
observantie waren. In 1421 moest de prior-generaal op verzoek van<br />
het generale kapittel van dat jaar het klooster te Luik voorzien van<br />
Hoeise Kruisbroeders53 en tot 1425 werden herhaaldelijk Kruis<br />
broeders uit Luik door het generale kapittel gestraft of voor een a<br />
twee jaar verplaatst om elders de observantie te leren 54. Johannes<br />
Amoris alias Zerbolt uit Namen nam voor een paar jaar zijn intrek<br />
in het klooster te Luik, op bevel van het generale kapittel55.<br />
Na 1425 blijken de Luikse Kruisbroeders zich echter omgevormd<br />
te hebben tot voorvechters van de observantie, waarschijnlijk dank<br />
zij hun prior Gerardus van Goch, de vroegere supprior van Hoei,<br />
die zich zeer verdienstelijk heeft gemaakt voor de observantiebeweging<br />
in de orde van de Kruisbroeders 56. De besluiten van de<br />
generale kapittels laten niet doorschemeren of Gerardus van Goch<br />
aangesteld is tot prior ofwel door het convent te Luik is gekozen.<br />
Gezien het misnoegen, dat het leven van enkele Kruisbroeders uit<br />
de bisschopsstad bij het generale kapittel opwekte, zou men kunnen<br />
denken aan een aanstelling. In het jaar echter, dat Gerardus van<br />
Goch prior in Luik werd, schreef het generale kapittel voor, dat<br />
de Kruisbroeders in het vervolg niet meer de supprior of de procu<br />
rator van Hoei tot prior mochten kiezen. Dit verbod kan alleen<br />
maar uitgevaardigd zijn naar aanleiding van een keuze, namelijk<br />
die van Gerardus van Goch. Een keuze houdt echter in, dat de<br />
meerderheid te Luik in 1418 voor de observantie was en om deze<br />
te bevorderen een beroep deed op een van de leidende personen in<br />
de orde. De voorganger van Gerardus van Goch was in 1417<br />
definitor 57, wat in ieder geval er op wijst, dat het klooster met de<br />
prior niet afwijzend stond tegenover het streven van de generale<br />
kapittels. Waarom deelden deze kapittels dan tussen 1420 en 1425<br />
zulke strenge straffen uit aan verscheidene Luikse Kruisbroeders en<br />
32 Van de Pasch, Monastere des Croisiers a Liege, in Monasticon Beige, t. II,<br />
Province de Liege, p. 415-422.<br />
53 Van de Pasch, Dejinnies, anno 1421.<br />
34 Van de Pasch, a.w., annis 1420-1425.<br />
sr> Van de Pasch, a.w., annis 1423, 1425.<br />
56 Zie dit hoofdstuk p. 70.<br />
v Van de Pasch, Definities, anno 1417.
78 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
waarom moest Johannes Amoris naar Luik ? De verklaring hiervoor<br />
moet wel zijn, dat Gerardus van Goch erop heeft aangedrongen.<br />
Gerardus van Goch heeft resultaten bereikt en zijn klooster ge-<br />
noot in de stad Luik de faam observant te zijn. Het intreden van<br />
Henricus van Nijmegen brengt dit duidelijk aan het licht. Henricus<br />
van Nijmegen was pastoor van de Sint Martinuskerk te Luik en<br />
was om zijn liefdadigheid voor de armen en door zijn welsprekend-<br />
heid bij de Luikenaren zeer bemind 58. Deze pastoor zou er niet<br />
aan gedacht hebben zijn verdere leven in de orde van de Kruis-<br />
broeders door te brengen, wanneer hij er niet van verzekerd was<br />
in te treden in een orde, die naar observantie streefde. Dat Henricus<br />
van Nijmegen een voorstander van hervorming van het klooster-<br />
leven was, blijkt uit de zware opdracht, die het generate kapittel<br />
van 1427 - hij had zich dus al enkele jaren daarvoor bij de Kruis-<br />
broeders van Luik aangesloten - aan hem gaf, namelijk naar<br />
Frankrijk te gaan om het klooster te Parijs voor de observantie te<br />
winnen 59. Het is wel zeker, dat hij tevens tot prior van het convent<br />
te Parijs werd aangesteld. De besluiten van het generate kapittel<br />
van 1427 onthullen dit wel niet, maar een jaar later, in 1428, was<br />
Henricus definitor en werd toen betiteld als prior van Parijs60.<br />
Bovendien zullen de Parijse Kruisbroeders deze Noord-Nederlan-<br />
der, nog pas enkele jaren lid van de orde, niet gekend hebben.<br />
Door zijn persoonlijkheid en zijn hervormingsactiviteit maakte<br />
hij zich ook in de orde bemind en zo koos het klooster te Hoei hem<br />
in 1433 tot prior-generaal61.<br />
Henricus van Nijmegen was wel de eerste Luikse Kruisbroeder,<br />
die medewerkte aan de verbreiding van de observantie in de orde.<br />
Na hem volgden andere Luikse prior en en conventualen. Wilhelmus<br />
van Zutphen, de opvolger van Gerardus van Goch als prior van<br />
Luik, werd in 1442 aangesteld tot prior van Kolen, welke functie<br />
hij behield tot 1452. Vier jaar later werd hij benoemd tot visitator<br />
van de Engelse kloosters. In 1462 was hij nog op deze belangrijke<br />
post62. Een volgende prior van Luik, Jacobus Stoeff, werd herhaal-<br />
58 Van de Pasch, Het klooster Clairlieu, in Clairlieu, 18 (I960), p. 18 e.v. ;<br />
Hermans, Annales, I (1), p. 104.<br />
59 Van de Pasch, Definities, anno 1417.<br />
*° Van de Pasch, a.w., anno 1428.<br />
91 Van de Pasch, Het klooster Clairlieu, in Clairlieu, 18 (I960), p. 18.<br />
•2 Van de Pasch, Definities, annis 1456, 1462 ; Hermans, Annales, II, p. 291 ;<br />
ibidem, III, p. 700.
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS 79<br />
delijk tot definitor en visitator gekozen. In 1454 legde hij zijn<br />
functie neer, maar werd aangesteld als supprior63. Al spoedig<br />
ondernam hij een verre reis naar het zuiden van Frankrijk, omdat<br />
hij tot prior van Toulouse was aangesteld met de bedoeling aldaar<br />
en in het klooster te Salignac de observantie te brengen. Hij stierf<br />
te Toulouse in 1465 64. De prior, die Jacobus Stoeff in 1454 was<br />
opgevolgd, Peregrinus van Kampen, was vele jaren definitor en<br />
tijdens zijn prioraat ieder jaar visitator, totdat hij in 1463 tot prior-<br />
generaal gekozen werd65.<br />
Behalve de prioren hebben ook gewone Luikse conventual en de<br />
helpende hand geboden bij de hervorming van de kloosters te Parijs,<br />
Doornik en Toulouse en tevens bij de oprichting van nieuwe kloos<br />
ters te Schiedam, Franeker, Maastricht en Kolen66.<br />
Onder de prioren en leden van het convent te Luik waren veel<br />
Noord-Nederlanders, veelal afkomstig uit Oostnederlandse steden.<br />
Doornik 67<br />
Russelius verhaalt, dat Henricus van Nijmegen na zijn keuze tot<br />
prior-generaal in 1433 de door zijn voorganger Helmicus Amoris<br />
van Zutphen begonnen hervorming van het convent te Doornik<br />
heeft voltooid. Helmicus zou de hulp hebben ingeroepen van de<br />
bisschop van de stad68. Russelius heeft zich inzake de bisschop<br />
vergist. Het Kruisbroederklooster was gebouwd ten oosten van de<br />
Schelde. Dit gebied behoorde tot het bisdom Kamerijk 69. Zo het<br />
bericht van Russelius aangaande de hulp op waarheid berust, dan.<br />
heeft Johannes van Gavere, bisschop van Kamerijk, de prior-gene<br />
raal gesteund 70.<br />
Bij vergelijking van dit bericht met de besluiten van de generale<br />
kapittels blijkt er inderdaad voor 1435 geen contact bestaan te<br />
hebben tussen het generale kapittel en het klooster te Doornik.<br />
03 A. J. van de Ven, Een Arnhemse studiebeurs, in Gelre, Bijdragen en mededelingen,<br />
30 (1927), p. 51-53.<br />
64 Van de Pasch, Definities, annis 1459, 1465.<br />
65 Van de Pasch, Het klooster Clairlieu, in Clairlieu, 18 (I960), p. 21-22.<br />
06 Van de Pasch, Dejinities, annis 1428, 1432, 1441, 1445, 1458, 1467.<br />
07 Cottjneau, Repertoire Topo-Bibliographique, kol. 3187. U. Berliere, Monasticon<br />
Beige, t. I, Province de Namur et Hainaut, p. 460-463, 488.<br />
88 Russelius, Chronicon, p. 105.<br />
69 Aldus de fundatie-brief, vermeld in Hermans, Annales, I (1), p. 57.<br />
70 Strubbe-Voet, Chronologie, p. 266.
80 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Nooit werd de prior tot definitor gekozen, noch werden Kruis<br />
broeders van of naar Doornik verplaatst. Pas in het jaar 1435 werd<br />
Doornik voor het eerst genoemd ; op de dodenlijst van dit jaar<br />
stonden de namen van enkele Kruisbroeders uit Doornik71. In de<br />
jaren daarna, vooral van 1437 tot 1441, werden vier a vijf Kruis<br />
broeders uit andere kloosters o.a. uit Hoei, Schwarzenbroich, Con-<br />
dren en Namen naar Doornik gezonden met de opdracht het kloos-<br />
ter aldaar te hervormen 72. Later werd het zelfs door het generale<br />
kapittel noodzakelijk geacht om in Doornik supprioren te benoemen<br />
en zij kozen hiervoor bij voorkeur de supprioren van Hoei uit73.<br />
Dit zal wel gebeurd zijn op verzoek van de prior van Doornik,<br />
Johannes Hoenreman, die tussen 1440 en 1463 herhaaldelijk defi<br />
nitor was 74. Het is moeilijk antwoord te geven op de vraag, die<br />
van zelf opkomt, namelijk, of deze prior is aangesteld dan wel<br />
gekozen. De besluiten van de generale kapittels vermelden de aan<br />
stelling niet, noch werd zijn naam ooit genoemd buiten de defini-<br />
torenlijst. Als Johannes Hoenreman eerst in een ander klooster was<br />
geweest, zou men zijn aanstelling wel mogen veronderstellen, omdat<br />
de generale kapittels uit die tijd dit bij uitstek als een middel tot<br />
hervorming gebruikten. Een naamgenoot van Johannes Hoenreman<br />
hoorde in Luik thuis, maar deze was in de jaren 1444-1446 procu<br />
rator te Hoei75.<br />
Dat de observance te Doornik toch werd hersteld blijkt niet<br />
alleen hieruit, dat de prioren van Doornik, o.a. de genoemde Johan<br />
nes Hoenreman, meermalen tot definitoren werden gekozen en tot<br />
visitatoren van de kloosters in Frankrijk werden aangesteld 76, maar<br />
vervolgens ook uit het feit, dat de Kruisbroeders uit Doornik het<br />
herstel van de observance in diverse kloosters van Frankrijk ver-<br />
zorgden zoals te Caen, Toulouse, Varennes-sur-Allier en Buzan-<br />
u Van de Pasch, Definities, anno 1435.<br />
n Van de Pasch, a.w., annis 1437-1441.<br />
78 Zie dit hoofdstuk p. 71.<br />
74 Van de Pasch, Definities, annis 1440, 1448, 1452, 1455, 1457, 1459, 1461,<br />
1463.<br />
75 U. Berliere, Monasticon Beige, t. II, Province de Liege, p. 417.<br />
78 Van de Pasch, Definities, annis 1448, 1450, 1451, 1453, 1457, 1461, 1463.<br />
77 Van de Pasch, a.w., annis 1453, 1462-1466, 1476, 1477, 1479.
Suxy en Virton<br />
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS si<br />
Nog twee kloosters bevonden zich in Belgie, namelijk Suxy en<br />
Virton. Cottineau deelt mede, dat deze kloosters afhankelijk waren<br />
van Hoei78. Dit komt overeen met het kleine aantal kloosterlingen,<br />
dat in deze kloosters was. Te Suxy was in 1494 maar een kloosterling79<br />
en te Virton in 1530 eveneens een kloosterling80. Dit is niet<br />
zo verwonderlijk. Het klooster te Virton werd in 1341 gesticht<br />
onder voorwaarde, dat er maar twee Kruisbroeders behoefden te<br />
zijn8l.<br />
Het contact met Hoei zullen deze kloosters niet verbroken hebben,<br />
hoewel het toch kon voorkomen, dat de kloosterlingen aldaar<br />
niet observant leefden zoals blijkt uit een besluit van 1430 ; een<br />
Kruisbroeder uit Suxy werd gestraft met een verblijf in de kloostergevangenis<br />
te Hoei82.<br />
DUITSLAND<br />
Beyenburg83<br />
Het klooster te Beyenburg heeft zich het langst van de Kruisbroederkloosters<br />
in het Rijnland onttrokken aan de leiding van het<br />
generate kapittel. Van de prior, die circa 1400 dit klooster bestuurde,<br />
Peter von Kettwich, gestorven in 1405, is overgeleverd, dat hij<br />
door prior-generaal Nicolaus Diex le Cresse, 1393-1396, benoemd<br />
was tot provinciaal van de Rijnlandse kloosters en dat hij in deze<br />
functie de prior-generaal aanraadde de Kruisbroeders toe te staan<br />
over hun persoonlijke inkomsten te beschikken 84. Begrijpelijk dat<br />
onder zo'n prior de observance te Beyenburg verloren ging en de<br />
gelofte van armoede niet werd nageleefd.<br />
Johannes van Merode, een van de Kruisbroeders, die in 1410 de<br />
bestuurswisseling te Hoei bewerkte en die zich daarna ook voor de<br />
73 Voor Suxy en Virton : Cottineau, Repertoire Topo-Bibliographique, resp. kol.<br />
3106 en 3407. Beide plaatsen liggen in de provincie Luxemburg.<br />
79 Hermans, Annales, II, p. 192.<br />
30 Hermans, a.w., II, p. 197.<br />
81 Hermans, a.w., I (1), p. 70.<br />
S2 Van de Pasch, Definities, anno 1430.<br />
83 Haass, Die Kreuzherren, p. 42 e.v. ; Beyenburg ligt aan de rivier de Wupper.<br />
u Haass, Die Kreuzherren, p. 45.
82 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
verspreiding van de hervorming verdienstelijk maakte, heeft in<br />
1418 of 1419 pogingen in het werk gesteld ook het klooster Beyenburg<br />
voor de observantie te winnen. Van het generale kapittel had<br />
hij daarvoor uitgebreide volmachten verkregen85. De prior van<br />
Beyenburg zal daarna zeker naar het generale kapittel zijn gegaan.<br />
In 1431 werd Johannes, prior van Beyenburg, tot definitor gekozen<br />
86. Toch blijkt uit de besluiten van de generale kapittels uit de<br />
dertiger jaren van de vijftiende eeuw maar al te zeer, dat de obser<br />
vantie te Beyenburg in die tijd nog ver te zoeken was.<br />
In 1431 kregen twee Kruisbroeders uit Keulen bevel naar Bey enburg<br />
te gaan om de kloosterlingen daar op de rechte weg te helpen<br />
87. Zij hadden geen of weinig succes. Daarom traden de priorgeneraal<br />
en de definitoren in 1436 wat harder op en bepaalden<br />
voor het klooster te Beyenburg, dat slechts drie Kruisbroeders van<br />
dat klooster - zij werden met name genoemd - op termijn mochten<br />
gaan. Bij hun thuiskomst dienden zij volledig verslag van hun inkomsten<br />
te geven en zij mochten niets voor zich zelf behouden. De<br />
overige Kruisbroeders moesten thuis blijven, en zich toeleggen op<br />
het onderhouden van de statuten en besluiten van de generale<br />
kapittels en hun nieuwe prior in alles gehoorzamen. Verzetten<br />
zij zich, dan kon de prior van Beyenburg tezamen met de prior<br />
van Keulen de weerspannigen naar observante huizen verplaatsen<br />
en observante kloosterlingen naar Beyenburg88.<br />
Deze drastische maatregelen hebben blijkbaar wel geholpen.<br />
Hierna werden slechts enkele Kruisbroeders uit Beyenburg gestraft89.<br />
Toch heeft het klooster te Beyenburg in de orde gedurende<br />
de vijftiende eeuw geen opvallende plaats ingenomen. Zelden werd<br />
de prior tot definitor gekozen en geen enkele Kruisbroeder uit<br />
Beyenburg heeft aandeel gehad in de verspreiding van de obser<br />
vantie. Alleen in 1438 hebben zij onderhandelingen aangeknoopt<br />
voor de oprichting van een nieuw klooster te Diisseldorf90.<br />
Het klooster te Beyenburg telde in de tweede helft van de vijf<br />
tiende eeuw bovendien maar weinig kloosterlingen binnen zijn<br />
85 Van de Pasch, Definities, annis 1418-1419.<br />
86 Van de Pasch, a.w., anno 1431.<br />
87 Van de Pasch, a.w.t anno 1431.<br />
s8 Van de Pasch, a.w., anno 1436.<br />
89 Van de Pasch, a.w. annis 1443, 1447, 1449, 1453, 1457.<br />
90 Van de Pasch, a.w.. anno 1438.
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS 83<br />
muren. Sinds het jaar 1457, waarin acht van hen stierven 91, had<br />
men er zelfs een tekort aan kloosterlingen, want na dit jaar werden<br />
voortdurend kloosterlingen naar Beyenburg gezonden en nooit<br />
iemand van Beyenburg naar elders.<br />
Hohenbusch92<br />
Het klooster Hohenbusch was het rijkste Kruisbroederklooster<br />
in het Rijnland93. Daarom zou men kunnen veronderstellen, dat in<br />
dit klooster, zoals in vele kloosters op het platteland, de armoede<br />
niet meer onderhouden werd en als gevolg hiervan, dat ook de<br />
observantie was verloren gegaan. Het is echter moeilijk uit te maken<br />
of dit inderdaad ook het geval is geweest. In de twintiger jaren<br />
van de vijftiende eeuw stond Hohenbusch zeker in contact met het<br />
generate kapittel. In 1425 werd prior Gerardus van Hohenbusch<br />
definitor 94. Het zal wel niet de eerste keer voor hem geweest zijn,<br />
dat hij naar het generate kapittel was gekomen. In de jaren twintig<br />
werden ook Kruisbroeders uit Hohenbusch verplaatst95; het is niet<br />
duidelijk om welke reden. Er is omtrent Hohenbusch geen enkel<br />
besluit uitgevaardigd, waarbij ondubbelzinnig tot uiting kwam, hoe<br />
het gesteld was met het kloosterleven aldaar. Wel trekt het de<br />
aandacht, dat na 1430 conventualen van Hoei belangrijke functies<br />
in Hohenbusch bekleedden, namelijk, Gijsbertus, eerst supprior van<br />
Hoei, was prior te Hohenbusch van circa 1433 tot 1438, Gerardus<br />
van Goch, eerst supprior te Hoei, was procurator te Hohenbusch,<br />
Georgius van Brueggen, eerst procurator te Hoei, was prior te<br />
Hohenbusch van 1445 tot 1452. Pleit dit voor het klooster Hohen<br />
busch of werden zij aangesteld ? Zou vooral het procuratorschap<br />
van Gerardus van Goch er niet op kunnen wijzen, dat het niet in<br />
orde was met het beheer van de goederen in Hohenbusch ?<br />
Zowel de genoemde Hoeise Kruisbroeders als Leonardus van<br />
Koemertten, prior van Hohenbusch tussen 1479 en 1494, waren<br />
dikwijls definitor en zij hadden een leidende rol in de orde86.<br />
91 Van de Pasch, a.w., anno 1458.<br />
, r U^f\P!e Kreuzherre"> P. 59 ; Cottineau, Repertoire Topo-Bibliographique,<br />
kol. 1424. Hohenbusch ligt ten noorden van Aken.<br />
Haass, Die Kreuzherren, p. 59.<br />
94 Van de Pasch, Dejinities, anno 1425.<br />
95 Van de Pasch, a.w., annis 1420-1430.<br />
94 Van de Pasch, a.w., annis 1470-1494.
84 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Conventualen van dit klooster begaven zich in 1460 naar Caen<br />
volgens de wil van het generale kapittel97. Enkele jaren daarvoor,<br />
in 1456, vergezelde een Kruisbroeder uit Hohenbusch de vicarisgeneraal<br />
Wilhelmus van Zutphen op diens visitatiereis naar<br />
Engeland98.<br />
Keulen"<br />
Haass legde in zijn dissertatie de nadruk op de talrijke goederen,<br />
.die aan het klooster te Keulen na 1420 werden geschonken, niet<br />
alleen in de nabijheid van Keulen, maar zelfs in het hertogdom<br />
Gelre en het hertogdom Kleef. Voor Haass was dit een bewijs voor<br />
de observante geest in het klooster te Keulen. Hij wees verder op<br />
de keuze van twee Keulse Kruisbroeders tot prior-generaal, Theodoricus<br />
van Hall en Nicolaas van Haarlem, beide Noord-Nederlanders,<br />
en op de medewerking van de Keulse Kruisbroeders bij de<br />
stichtingen van nieuwe kloosters o.a. Osterberg, Emmerik, Helenenberg<br />
en Pedernach 10°. Voor aanvulling van deze gegevens kunnen<br />
weer de besluiten van de generale kapittels dienen : ook voor de<br />
oprichting van de nieuwe kloosters te Bentlage en Falkenhagen<br />
werd een beroep gedaan op de Keulse Kruisbroeders 10\ Bijna alle<br />
prioren van Keulen werden meerdere malen tot definitor gekozen<br />
102. Een enkele keer werden Keulse Kruisbroeders ook gevraagd<br />
om de observantie te bevorderen in een ander klooster.<br />
Al deze gegevens zouden haast tot de veronderstelling kunnen<br />
leiden, dat in Keulen circa 1410 de observantie niet zo slecht was.<br />
Toch schreef Russelius, dat prior-generaal Helmicus Amoris het<br />
klooster in 1420 moest hervormen 103. Het bevel van de officiaal<br />
van Keulen, Christianus van Erpel, in 1413 heeft voor het Kruisbroederklooster<br />
van Keulen geen onmiddellijke gevolgen gehad.<br />
Het bericht van Russelius berust op waarheid : Johannes van Merode<br />
kreeg in 1418 van het generale kapittel volmachten voor het<br />
97 Van de Pasch, a.w., annis 1460-1461.<br />
98 Van de Pasch, a.w., anno 1456.<br />
99 Haass, Die Kreuzherren, p. 71 e.v. ; R. Haass, Devotio moderna in der Stadt<br />
Koln im 13. und 16. Jahrbundert, in Verdjjentlichungen des Kolniscben Geschichtsvereins,<br />
25 (I960), p. 133-154.<br />
100 Haass, a.w., p. 146.<br />
101 Van de Pasch, Dejinities, annis 1437-1441, 1443-1445.<br />
102 Van de Pasch, a.w., annis 1420-1499.<br />
103 Russelius, Chronicon, p. 102.
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS 35<br />
klooster te Keulen 104 en nog in de twintiger jaren werden vijf a zes<br />
Kruisbroeders uit Keulen gestraft wegens verzet tegen hun prior 10r>.<br />
Men laat de verschillende gegevens het beste tot hun recht ko-<br />
men, wanneer men aanneemt, dat de observantie in het Kruisbroederklooster<br />
te Keulen van 1410 tot 1421 te wensen overliet, maar<br />
dat de observantie daarna door afgevaardigden van het generale<br />
kapittel is ingevoerd 106. In 1419 werd de prior van Keulen, Everardus,<br />
tot definitor gekozen en onder zijn leiding zal dan het herstel<br />
van de observantie begonnen zijn.<br />
Schwarzenbroich107<br />
Terwijl het generale kapittel vooral pas na 1420, onder het be-<br />
stuur van prior-generaal Helmicus Amoris, er toe overging door<br />
middel van tijdelijke verplaatsingen de observantie te verbeteren in<br />
de kloosters, kregen reeds in 1412 de twee jongste Kruisbroeders<br />
uit het klooster Schwarzenbroich het bevel zich naar de Nederlanden<br />
te begeven en tijdelijk hun intrek te nemen in de kloosters<br />
Asperen, Sint Agatha en Venlo 108. Misschien is dit vroege optreden<br />
wel te danken aan de bemoeiingen met de hervorming door de<br />
Merodes. Deze familie had belangstelling voor de gehele orde, maar<br />
toch in het bijzonder voor het klooster Schwarzenbroich, dat zij zelf<br />
gesticht had 109. Het zal haar aan het hart gegaan zijn, dat Kruis<br />
broeders van dit klooster niet meer observant waren. De vroege<br />
pogingen brachten geen succes. In 1421 werd de prior van Sint<br />
Agatha, Edmundus van Dinther, door het generale kapittel aangesteld<br />
tot prior van het klooster Schwarzenbroich. Deze prior was<br />
als definitor een van de naaste medewerkers van prior-generaal<br />
Helmicus Amoris 110. In zijn functie van prior en met behulp van<br />
andere Kruisbroeders o.a. uit Sint Agatha, Hoei en Venlo U1 is het<br />
Edmundus van Dinther gelukt de observantie te herstellen. Er zijn<br />
104 Van de Pasch, Dejinities, anno 1418.<br />
103 Van de Pasch, a.w., annis 1422-1427.<br />
10* Van de Pasch, a.w., anno 1419.<br />
107 Haass, Die Kreuzherren, p. 92 ; J. Schwarz, Bedeutung und Wesenan, Entstehung<br />
und Schicksale des Kreuzbriiderklosters Schwarzenbroich, Beilage zum Amtlichen<br />
Schullblat fur den Regierungsbezirk Aachen, 1955, p. 25-32. Schwarzenbroich<br />
Jag ten oosten van Aken.<br />
Van de Pasch, Dejinities, anno 1412.<br />
100 Het klooster lag vlakbij het stamslot van de familie de Merode.<br />
110 Van de Pasch, Dejinities, annis 1413, 1416, 1421, 1423.<br />
111 Van de Pasch, a.w., annis 1421-1426.
86 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
hiervoor althans enkele aanwijzingen. De kloosterlingen kozen in<br />
1434 Helmicus Amoris, na zijn aftreden als prior-generaal en een<br />
kort verblijf te Asperen, tot hun prior112. Dat ook de armoede in<br />
dit toch rijke klooster beleefd werd, blijkt uit het verhaal over het<br />
in- en uittreden van Jonker Johannes van Moirschusen, broeder of<br />
donaat. Hij had al zijn goederen aan het klooster geschonken. Na<br />
enige tijd wenste hij deze goederen zelf te beheren en ervan te<br />
profiteren. De overheid vond dit niet goed. Johannes trad uit en<br />
kon zijn goederen weer in bezit nemen11S.<br />
In de jaren 1439-1440 hielpen de Kruisbroeders van Schwarzen-<br />
broich de observantie te Doornik herstellen114. Zij werden niet<br />
gevraagd voor bijstand bij de oprichting van de nieuwe kloosters in<br />
het Rijnland en Westfalen. Er werden meer kloosterlingen naar<br />
Schwarzenbroich gezonden dan van Schwarzenbroich naar elders115.<br />
Het klooster zal derhalve een tekort aan kloosterlingen gehad<br />
hebben.<br />
Aken116<br />
Het klooster te Aken was een van de kloosters, waar de obser<br />
vantie verloren was gegaan. In 1421 kregen Edmundus van Dinther,<br />
toen reeds prior van Schwarzenbroich, en Johannes van Merode,<br />
procurator van Venlo, van de gezamenlijke kapittelvaders de opdracht<br />
naar Aken te gaan om dit klooster te visiteren. Zij hebben<br />
waarschijnlijk een nieuwe prior aangesteld, namelijk Wilhelmus van<br />
Schiedam en verder over het kloosterleven te Aken verslag uit-<br />
gebracht117. Het is duidelijk, dat de Kruisbroeders van Aken vooral<br />
de gelofte van armoede overtraden. Immers, in 1423, werd hun<br />
bevolen alle roerende en onroerende goederen aan hun prior<br />
Wilhelmus over te geven118. Hierdoor weet men, dat in Aken<br />
Kruisbroeders eigen goederen bezaten. In 1423 werden nog vier<br />
Kruisbroeders uit andere kloosters o.a. weer uit Hoei, en uit<br />
Namen, Sint Agatha en Venlo, naar Aken gestuurd om de obser-<br />
112 Haass, Die Kreuzherren, p. 96.<br />
ltt Haass, a.w., p. 97.<br />
114 Van de Pasch, Definities, annis 1439-1440.<br />
113 Van de Pasch, a.w., annis 1450-1455.<br />
118 Haass, Die Kreuzherren, p. 106.<br />
m Hermans, Annales, II, p. 213 ; Haass, Die Kreuzherren, p. 107.<br />
118 Van de Pasch, Definities, anno 1423.
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS 87<br />
Tantie in dit klooster te brengen en enkele Kruisbroeders o.a. de<br />
oudste uit dit klooster, werden tijdelijk uit Aken weggehaald om<br />
de observantie elders te leren o.a. te Hoei en Sint Agatha119.<br />
Na 1430 werd slechts een enkele maal een Kruisbroeder uit Aken<br />
door het generale kapittel gestraft. De prioren van Aken zullen hun<br />
onderdanen op het goede pad hebben kunnen houden.<br />
De Kruisbroeders stonden gedurende de vijftiende eeuw bij de<br />
bevolking van Aken en omgeving in hoog aanzien, gezien de vele<br />
schenkingen aan het klooster 120.<br />
Merkwaardig is wel, dat ook op de lijst van prioren te Aken veel<br />
namen van Noord-Nederlanders voorkomen, speciaal uit de Hollandse<br />
steden, zoals Schiedam en Delft121. De Kruisbroeders, afkomstig<br />
uit Schiedam, mochten in 1443 in die stad hun medewerking<br />
verlenen bij de stichting van een Kruisbroederklooster122.<br />
Het klooster van Aken telde in de tweede helft van de vijftiende<br />
eeuw kloosterlingen te over. Naar alle kanten werden zij uitgezonden,<br />
hetzij om in een tekort te voorzien zowel in oude als in<br />
nieuwe kloosters, hetzij om bij herstel van observantie de plaatselijke<br />
prior te steunen, o.a. te Parijs 123.<br />
NEDERLAND<br />
Asperen124<br />
Wanneer men de lijst van de definitoren uit de vijftiende eeuw<br />
nagaat, zal men kunnen constateren, dat bijna om het jaar de prior<br />
van Asperen tot definitor werd gekozen125. De prior van Asperen<br />
was derhalve gedurende deze eeuw een invloedrijk man in de orde.<br />
Reeds in 1411 werd prior Johannes van Merten definitor, wat er<br />
wel op wijst, dat hij de hervorming was toegedaan. In 1412, na de<br />
dood van Libertus Janssen van Bommel, werd Johannes van Merten<br />
zelfc prior-generaal126. Hij deed als prior-generaal een beroep op<br />
w Van de Pasch, a.w., annis 1423-1428.<br />
~ Haass, Die Kreuzherren, p. 107.<br />
Hermans, Annales, II, p. 157.<br />
Van de Pasch, Dejinhies, anno 1443.<br />
Van de Pasch, a.w., annis 1450-1455.<br />
M. Schoengen, Monasticon Batavum, deel II, Amsterdam, 1941, p. 26.<br />
— Van de Pasch, Definities, annis 1410-1499.<br />
128 Van de Pasch, Het klooster Clairlieu, in Clahlieu 18 (I960), p. 14-15.
88 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
de paus van Pisa, Johannes XXIII, om aldus de kerkelijke macht in<br />
te schakelen bij zijn streven de onwillige prioren aan zich en aan het<br />
generate kapittel te onderwerpen. Hieruit blijkt duidelijk, dat hij tot<br />
de hervormingsgezinde prioren van 1410 behoorde. Daarom moet<br />
men aannemen, dat in 1410 in Asperen geen verslapping heerste.<br />
De opvolgers van Johannes, alien op hun beurt definitor, gingen<br />
voort in dezelfde geest.<br />
Omstreeks 1370 moet de sfeer in het Asperense klooster goed<br />
geweest zijn. Enkele jaren daarvoor had Diederik van Horn, heer<br />
van Perwez, de Kruisbroeders van Asperen gevraagd of het voor<br />
hen mogelijk was de zorg van een kapel, toegewijd aan Sint Agatha,<br />
enkele kilometers ten zuiden van Cuijk aan de Maas, op zich te<br />
nemen en aldaar een klooster te stichten127. Het pleitte voor As<br />
peren, dat Diederik van Horn zich tot hen wendde. Immers in de<br />
tweede helft van de veertiende eeuw werden in de Nederlanden en<br />
in West-Europa weinig kloosters gesticht. Een van de redenen hier-<br />
van was de verslapping in de kloosters. Alleen de hoge adel richtte<br />
hier en daar een klooster op en had daarbij de voorkeur voor de<br />
strenge kloosterorden b.v. de Karthuizers. Ook Diederik behoorde<br />
tot de hoge adel128.<br />
In 1433, toen Helmicus Amoris, de prior-generaal, die de bevor-<br />
dering van de observantie zo snel wilde doorzetten, zijn ambt neer-<br />
legde, koos hij Asperen als het klooster, waar hij zijn verdere leven<br />
zou doorbrengen 129.<br />
Toch hebben de kloosterlingen van Asperen zelden van het gene-<br />
rale kapittel opdracht gekregen de observantie in andere kloosters<br />
te bewerken of te bestendigen. In 1412 werd Nicolaus van Roer-<br />
mond naar Hoei geroepen om de goede mentaliteit aldaar te ver-<br />
sterken130. Daarna kwam verplaatsing uit Asperen slechts een<br />
enkele keer voor. Wei werden veel niet-observante kloosterlingen<br />
naar Asperen toegestuurd om er de observantie te leren. Het aantal<br />
Kruisbroeders zal er niet groot geweest zijn.<br />
127 Zie hoofdstuk II, p. 48.<br />
128 Zie hoofdstuk I, p. 40.<br />
129 Van de Pasch, Het klooster Clairlieu, in Clairlieu 18 (I960), p.<br />
130 Van de Pasch, Definities, anno 1412 ; zie ook p. 69.
Sint Agatha 131<br />
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS 89<br />
Zoals reeds is vermeld, werd het klooster te Sint Agatha gesticht<br />
vanuit Asperen op verzoek van Diederik van Horn, heer van Per-<br />
wez. De Kruisbroeders van Asperen zullen de goede mentaliteit, die<br />
in hun klooster heerste, overgedragen hebben op hun dochterkloos-<br />
ter. Een onverdacht vroege getuige voor de goede geest te Sint<br />
Agatha is een zekere Willem van Doernen, die in 1375 aan het<br />
nieuwe klooster goederen schonk en in zijn schenkingsacte liet<br />
optekenen, dat hij zich verheugde over het heilzame werk, dat de<br />
Kruisbroeders van Sint Agatha verrichtten, en over het voorbeeldig<br />
leven, dat zij leidden 132. Voor 1410 werd het klooster nog begun-<br />
stigd met een schenking van Reinoud IV, hertog van Gelre en<br />
Gulik, graaf van Zutphen en sinds 1399 heer van het land van<br />
Cuijk133. Nog meer dan deze schenkingen openbaart de stichting<br />
van een nieuw klooster te Venlo de aard van het kloosterleven van<br />
Sint Agatha. De brief immers van 26 juni 1399, waardoor de<br />
magistraat van Venlo instemde met de oprichting van een nieuw<br />
Kruisbroederklooster in haar stad, was gericht aan Libertus Janssen.<br />
van Bommel, prior van Sint Agatha134, de Kruisbroeder, die de<br />
kapittelvaders van 1410 tot prior-generaal kozen en van wie zij de<br />
hervorming in de orde verwachtten. De kloosterlingen in Sint<br />
Agatha werden dus tot 1399 - prior Libertus vertrok zelf in dat<br />
jaar naar Venlo - door een Kruisbroeder geleid, die een vurig voor-<br />
stander van een observant kloosterleven was en deze prior zal zeker<br />
zijn stempel op het convent van Sint Agatha gedrukt hebben. Een<br />
bevestiging hiervan is in feite weer de genoemde goedkeuringsbrief<br />
van de magistraat van Venlo. Dat zij in deze tijd van achteruitgang<br />
van het kloosterleven in het algemeen geen bezwaren opperde<br />
tegen de stichting van een nieuw klooster, en tenvolle medewerkte,<br />
pleitte voor de Kruisbroeders, maar toch in het bijzonder voor die<br />
van Sint Agatha, daar zij de eer kregen de grondslag te leggen voor<br />
het nieuwe convent.<br />
Volgens Russelius was Libertus Janssen van Bommel, toen hij in<br />
1410 tot prior-generaal werd uitverkoren, weer prior in Sint Aga-<br />
131 Schoengen, Monasticon Batavum, deel II, p. 8.<br />
132 Hermans, Annales, II, p. 164 en 185.<br />
133 Hermans, a.w., II, p. 180.<br />
334 Hermans, a.w., II, p. 177.
90 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
tha 135. De Kruisbroeders aldaar hadden hem opnieuw gekozen.<br />
Lang van te voren lean dit niet geschied zijn. In juni 1409 was<br />
Jan Kuyl prior van Sint Agatha136. Een ander bericht van Russelius,<br />
dat Libertus na zijn keuze enkele Kruisbroeders uit Sint Agatha<br />
naar Hoei ontbood 137, komt niet overeen met de besluiten van de<br />
generale kapittels. Pas in 1412 werd de Kruisbroeder Gerardus van<br />
Goch naar Hoei verplaatst138. Toen was Libertus Janssen reeds<br />
overleden en als prior-generaal opgevolgd door de prior van<br />
Asperen.<br />
Hoe deze Gerardus van Goch na zijn vertrek uit Sint Agatha in<br />
de orde op de voorgrond trad, is reeds medegedeeld. Ook de werk-<br />
zaamheid van Edmundus van Dinther, die ongeveer van 1413-1421<br />
prior van Sint Agatha was, is al belicht. De laatste bracht in 1438<br />
de stichting van een nieuw klooster te Kerniel in Belgie tot stand<br />
in samenwerking met een andere conventuaal van Sint Agatha,<br />
Petrus Did 139. Deze laatste maakte zich voor de hervorming ver-<br />
dienstelijk te Aken en Schwarzenbroich 140. Aan de voorafgaande<br />
namen moet die van Johannes Runen toegevoegd worden voor zijn<br />
bijstand aan Edmundus van Dinther in Schwarzenbroich en aan<br />
Michael van Testelt, de eerste rector van Maastricht 14\<br />
Hiermee is het aandeel van Sint Agatha aan de uitbreiding van de<br />
hervorming in de orde aangegeven. De prioren van dit klooster<br />
waren lang niet zo invloedrijk als die van Asperen, die geregeld<br />
definitor waren. Zo nu en dan werd een Kruisbroeder uit Sint<br />
Agatha voor een jaar naar een nieuw klooster in de Nederlanden<br />
overgeplaatst. Nooit zijn zij naar Frankrijk of Engeland uitgezon-<br />
den, op een uitzondering na: in 1496 namelijk moest de prior van<br />
Sint Agatha een broederkok aan het klooster te Londen verschaf-<br />
fen 142. Een enkele keer kwam een Kruisbroeder van elders de ob-<br />
133 Russelius, Chronkon, p. 91.<br />
1:18 L. BRUGGEMAN, Het archief van bet klooster van Sint Agatha bij Kuik, in<br />
Verslag van 's-Rijks oude archieven 37 (1914), nrs. 35-36. Alle archiefstukken zijn<br />
-eigendomsbewijzen. Zij berusten thans in het Rijksarchief te 's-Hertogenbosch.<br />
137 Russelius, Chronicon, p. 93.<br />
138 Van de Pasch, Definties, anno 1412.<br />
139 A. van Asseldonk, Franciscus van Tongeren, in Clairlieu, 15-16 (1957-<br />
1958), p. 17 e.v.<br />
140 Van de Pasch, Definities, annis 1422, 1425.<br />
141 Van de Pasch, a.w., annis 1422, 1437.<br />
li2 Item committimus priori sante Agathe quatenus provideat conventui Londoniojrum<br />
in Anglia de uno bono coco. Van de Pasch, Definhies, anno 1496.
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS 91<br />
servantie in Sint Agatha leren. Deze was er immers uitstekend.<br />
Slechts eenmaal is een kloosterling door het generate kapittel ge-<br />
straft143.<br />
Het aantal kloosterlingen was normaal. In 1462 telde het klooster<br />
twaalf Kruisbroeders144.<br />
In de loop van de vijftiende eeuw hebben hoog-adellijke heren<br />
en vrouwen het klooster begunstigd : Elisabeth van Kleef145, Ca-<br />
tharina van Bourbon 146, Maria van Bourgondie147, keizer Maximi-<br />
, 148<br />
liaan en zijn zoon Philips de Schone<br />
Venlo149<br />
Aan het hoofd van het klooster te Venlo stonden tussen de jaren<br />
1399-1417 twee Kruisbroeders, die beide sterke voorvechters van<br />
het herstel van de observantie in de orde van de Kruisbroeders<br />
waren, namelijk Libertus Janssen van Bommel en Johannes van<br />
Merode. Beide zijn reeds meermalen ter sprake gebracht. De eerste<br />
als prior van Sint Agatha, als stichter van het klooster te Venlo en<br />
als de prior-generaal van 1410. De tweede als de Kruisbroeder, die<br />
in 1410 zijn broer Arnoldus van Merode ervan overtuigde, dat deze<br />
zich moest inzetten voor de orde van de Kruisbroeders door te<br />
bewerken, dat de onbekwame prior-generaal Johannes d'Avins zou<br />
aftreden en door een andere meer observante kloosterling als prior-<br />
generaal zou vervangen worden.<br />
Hun verlangen naar observantie alleen al garandeert, dat zij<br />
tijdens hun prioraat zich hiervoor beijverd hebben. Libertus Janssen<br />
van Bommel kreeg niet lang de gelegenheid zijn krachten in te<br />
spannen voor het herstel van de observantie in heel de orde, want<br />
hij stierf al in 1411. Aan Johannes van Merode was dit wel gegeven.<br />
Op de volmachten, die hij verwierf in 1418-1419 ten aanzien van<br />
143 Van de Pasch, a.w., annis 1463-1464.<br />
144 Hermans, Annales, II, p. 105 en 291.<br />
145 Hermans, a.w,, II, p. 206.<br />
144 Zie hiervoor Clairlieu, 10 (1952), p. 80-81 ; 11 (1953), p. 45.<br />
14T De tekst van deze schenking is niet bewaard gebleven ; Maria van Bourgondie<br />
werd te Sint Agatha op 27 maart herdacht als weldoenster.<br />
148 Hermans, Annales, II, p. 412.<br />
149 Schoengen, Monasticon Batavum, deel II, p. 195. L. Heere, Het Kruisherenklooster<br />
te Venlo, in Publ. de la soc. hist, et arch, dans le Limbourg, 92-93 (1956-<br />
1957), p. 235-368; 94-95 (1958-1959), p. 209-300.
92 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
de kloosters te Keulen en Beyenburg is reeds gewezen 15°. Tezamen<br />
met Edmundus van Dinther trok hij naar Aken 151. Vier jaar lang,<br />
1425-1428, verbleef hij in Roermond, waar de Kruisbroeders een<br />
nieuw werkterrein vonden, om daar het kloosterleven stevig te<br />
grondvesten 152. Als prior en later als procurator van Venlo was hij<br />
tussen 1410 en 1433 om het jaar definitor en herhaaldelijk visita<br />
tor 153.<br />
Zijn opvolgers als prior behielden de invloedrijke plaats, die<br />
Johannes van Merode zich verworven had. Nog meer dan de<br />
prioren van Asperen werden zij tot definitor gekozen en als visitator<br />
aangesteld154.<br />
Ofschoon het klooster te Venlo in de vijftiende eeuw gemiddeld<br />
tien of elf kloosterlingen telde155, klopte het generale kapittel de<br />
gehele eeuw door er bij hen aan voor hulp aan een ander klooster.<br />
Van de vier Kruisbroeders, die in 1412 naar Hoei werden ont-<br />
boden, waren er twee uit Venlo 156. In de twintiger jaren trokken<br />
Kruisbroeders uit Venlo vooral naar Aken, Schwarzenbroich en<br />
Roermond157. Toen de overheid van de stad Goes als voorwaarde<br />
voor de stichting van een Kruisbroederklooster aldaar stelde, dat<br />
de prior-generaal alleen observante kloosterlingen zou benoemen,<br />
werden weer twee Kruisbroeders uit Venlo gekozen 158. Ook aan de<br />
nieuwe kloosters te Diilken en Wickrath in het Rijnland en te<br />
Franeker werden twee mensen afgestaan159. Slechts eenmaal werd<br />
een Kruisbroeder uit Venlo gevraagd voor het herstel van de ob-<br />
servantie in de Engelse kloosters, namelijk Hermannus Piddel.<br />
Prior-generaal Helmicus Amoris nam hem mee in 1429160. Naar<br />
Frankrijk begaf zich in 1460 Johannes Cornutti om enkele jaren<br />
130 Zie pag. 81 en 84.<br />
151 Van de Pasch, Definities, anno 1422.<br />
152 Van de Pasch, a.w., annis 1425-1428.<br />
153 Van de Pasch, a.w., annis 1413-1433.<br />
154 Van de Pasch, a.w., annis 1410-1499.<br />
1M Heere, Het Kruisherenklooster te Venlo, in Publ. de la soc. hist, et arch.<br />
dans le Limbourg, 92-93 (1956-1957), p. 270.<br />
13a Van de Pasch, Dejinities, anno 1412.<br />
157 Van de Pasch, a.w., annis 1420-1430.<br />
158 Zie hoofdstuk IV, Goes, p. 107.<br />
150 Van de Pasch, Definities, voor Diilken annis 1482-1484, voor Wickrath anno<br />
1495, voor Franeker anno 1467.<br />
160 Van de Pasch, a.w., anno 1428.
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS 93<br />
in het klooster te Parijs te verblijven, daar enkele Parijse Kruis<br />
broeders zich te Toulouse bevonden lfll.<br />
FRANKRIJK<br />
In de voorafgaande bladzijden is er sprake geweest van de vol-<br />
gende kloosters in Frankrijk : Parijs, Toulouse, Condren, Varennes-<br />
sur-Allier, Buzangais, Carignan (Ivoix), Caen, Saint Ursin, Saint<br />
Georges en Watten, steeds in verband met Belgische, Duitse of<br />
Nederlandse kloosters en de uitbreiding van de observantie in de<br />
vijftiende eeuw. Enige kijk op de houding van de Franse Kruis<br />
broeders met betrekking tot de hervorming van 1410 werd daarmee<br />
niet verkregen. Mogelijk kan een herordening van de besluiten,<br />
die voor ieder klooster in Frankrijk op de generate kapittels geno-<br />
men werden, hier nieuw licht brengen.<br />
Reeds in 1414 en 1417 werd de prior van het klooster te Ca<br />
rignan 162, Wilhelmus, tot definitor gekozen en bijna ieder jaar<br />
daarna werden Kruisbroeders van en naar Carignan verplaatst. Dit<br />
klooster stond derhalve gedurende de vijftiende eeuw in voort-<br />
durend contact met Hoei en het generale kapittel. Evenals de<br />
kloosters te Virton en te Suxy werd het in afhankelijkheid van<br />
Hoei gesticht. Er was een klein hospitium, bedoeld voor rondtrek-<br />
kende armen en pelgrims, waar slechts enkele Kruisbroeders een<br />
werkterrein vonden 163.<br />
In de eerste helft van de vijftiende eeuw werden bijna alleen<br />
Kruisbroeders naar en niet vanuit Carignan verplaatst164. Zij waren<br />
niet afkomstig van Hoei, maar van de Nederlandse of Rijnlandse<br />
kloosters. Dit wekt de indruk, dat het klooster te Carignan nog<br />
steeds zijn oude status had behouden. In de tweede helft kwam<br />
hierin verandering. Kloosterlingen uit Carignan kregen de opdracht<br />
zich naar Parijs en andere Franse kloosters en zelfs naar Londen<br />
181 Van de Pasch, a.w., anno 1460.<br />
162 Carignan ligt in het departement Ardennes.<br />
163 Hermans, Annales I (1), p. 70; E. Fontaine, Mgr. Jacques Dubois et la<br />
fin du prieure de Carignan, in Clairlieu, 8 (1950), p. 49.<br />
m Van de Pasch, Definities, annis 1430, 1443, 1447, 1448, 1450-1460.
94 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
te begeven. Het klooster blijkt in deze tijd meer dan twee klooster-<br />
lingen te tellen165.<br />
Het volgende klooster, dat na Carignan in de besluiten van de<br />
generate kapittels vermeld wordt, is dat van Parijs. In 1426 werd<br />
namelijk de prior van Parijs, Wilhelmus, tot definitor gekozen166.<br />
De keuze bewijst, dat het in 1426 niet de eerste maal was, dat hij<br />
bij de vergadering van de kapittelvaders aanwezig was, en dat hij<br />
het gezag van het generale kapittel en tevens de hervorming aan-<br />
vaardde. Het jaar daarop echter, in 1427, zond het generale kapittel<br />
de Kruisbroeder Henricus van Nijmegen uit het klooster te Luik<br />
en nog enkele andere Kruisbroeders o.a. uit de kloosters te Keulen,<br />
Luik en Namen naar Parijs om het klooster aldaar te hervormen.<br />
Henricus van Nijmegen werd aangesteld tot prior en in 1428 was<br />
hij krachtens deze functie op het generale kapittel aanwezig167.<br />
Had prior Wilhelmus hierom gevraagd of was ook hij aangesteld,<br />
maar niet bij machte geweest zijn opdracht uit te voeren ? Wat er<br />
ook in 1427 voorgevallen is, zeker is dat in deze tijd het herstel<br />
van de observance te Parijs begonnen is. Dit komt overeen met de<br />
mededeling van Russelius, dat prior-generaal Helmicus Amoris het<br />
klooster van Parijs hervormde168. Wat gebeurd was bij de weer-<br />
spannige kloosters in het Rijnland, vond ook hier plaats : Parijse<br />
Kruisbroeders werd tijdelijk een verblijf toegewezen in een van de<br />
kloosters in het noorden o.a. te Luik, Namen en Hoei169. De prio-<br />
ren van Parijs zullen hierna op de voorgrond treden vooral als<br />
visitatoren van de Franse kloosters, veelal samen met de prioren<br />
van Doornik, en in deze functie zullen zij met medewerking van<br />
hun eigen onderdanen de hervorming van deze kloosters ter hand<br />
nemen.<br />
Na Parijs volgde het klooster te Condren. In 1428 besliste het<br />
generale kapittel, dat het bestuur van dit klooster geheel en al aan<br />
de zorgen van de prior van Parijs werd toevertrouwd 17°. Dit kloos-<br />
165 Van de Pasch, a.w.f annis 1462-1465, 1467.<br />
1W Van de Pasch, a.w., anno 1426.<br />
167 Van de Pasch, a.w., anno 1427.<br />
168 Russelius, Chronicon, p. 102.<br />
189 Van de Pasch, Definities, annis 1427-1430.<br />
370 Van de Pasch, a.w., anno 1428. Condren ligt in het departement Aisne.
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS 95<br />
ter moet maar een kleine nederzetting van Kruisbroeders geweest<br />
zijn. Op het einde van de eeuw ging het op in een nieuw Kruis-<br />
broederklooster te Chauny171. Gezien het besluit van 1428 zal het<br />
klooster te Condren een stichting geweest zijn van de Parijse Kruis<br />
broeders.<br />
Een van de kloosters, die vanuit Parijs tot de observantie terug-<br />
gebracht diende te worden, was het klooster te Caen. Tussen 1430<br />
en 1460 werden Parijse Kruisbroeders naar Caen gezonden en<br />
Kruisbroeders uit Caen verplaatst naar in het noorden gelegen<br />
kloosters o.a. naar Aken, Luik en Doornik172. De pogingen van de<br />
prioren van Parijs en Doornik blijken zonder voldoende resultaat<br />
gebleven te zijn. In 1460 namelijk heeft het generale kapittel zelf<br />
zeer sterk ingegrepen. Het benoemde toen in Caen een prior en<br />
een supprior, resp. Johannes van Grave, afkomstig uit het klooster<br />
te Namen, en Henricus van Wezel, afkomstig uit het klooster te<br />
Marienfrede. Aan hen voegde het enkele Kruisbroeders uit Hohenbusch<br />
en een uit Roermond toe. Allen kregen de opdracht te zorgen<br />
voor de hervorming van het klooster te Caen 173. Opvallend is het<br />
dat het generale kapittel voor de hervorming van het klooster te<br />
Caen nu een beroep deed op Kruisbroeders van het noorden. Mis-<br />
schien heeft het niet eerder de kans gehad dit middel bij uitstek,<br />
namelijk het zenden van observante kloosterlingen naar een niet-<br />
observant klooster te gebruiken, b.v. wegens verzet van de Franse<br />
Kruisbroeders of wegens de Honderjarige oorlog. Tot 1466 werden<br />
de benoemingen van de kloosterlingen uit het noorden verlengd 174.<br />
Enkele jaren na de ingreep te Caen kwamen de twee kloosters,<br />
gelegen in de buurt van Caen, aan de beurt, namelijk Saint Ursin<br />
en Saint Georges175, en eveneens twee kloosters, meer in centraal<br />
171 Hermans, Annales, I (1), p. 151.<br />
172 Van de Pasch, Dejinities, annis 1430, 1445-1447, 1451-1457.<br />
173 Van de Pasch, a.w., anno 1460.<br />
174 Van de Pasch, a.tv., annis 1461-1466.<br />
175 A. Durand, he prieure de Saint Ursin, in Clairlieu, 22 (1964), p. 3-90;<br />
Cottineau, Repertoire Topo-Bibliograpbique, kol. 2911. Saint Ursin ligt in het<br />
departement Mayenne, nabij Lignieres-la-Doucelle. Voor Saint Georges : Cottineau,<br />
Repertoire Topo-Bibliographique, kol. 2701 en A. Durand, Les Croisiers en Bretagne:<br />
he prieure de Saint Georges (manuscript). Saint Georges ligt in het departe<br />
ment C6tes du Nord.
96 STUDISN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Frankrijk, Varennes-sur-Allter en Buzangais176. Het bevel van het<br />
generate kapittel uit het jaar 1464, dat de prioren van deze kloosters<br />
ieder jaar naar Hoei dienden te kdmen of tenminste de prior van<br />
Caen als hun vertegenwoordiger moesten afvaardigen, is reeds ver-<br />
meld. Deze prior zou op de hoogte gesteld moeten worden van de<br />
geestelijke en materiele toestand van de kloosters177. Op het kapittel<br />
zou hij namens de prioren spreken. De prior van Caen was in de<br />
zestiger jaren nog al eens visitator. Uit dit bevel blijkt tevens, dat<br />
het generate kapittel het voile vertrouwen had in de prior van Caen.<br />
Tegelijk met het bevel aan de prioren werden naar deze kloosters<br />
Kruisbroeders zowel uit Caen als uit het noorden verplaatst. In<br />
1482 en 1483 trokken nog Kruisbroeders uit Hoei en Namen naar<br />
Buzangais, in 1485 werd Johannes van Tongerloo uit Hoei sup-<br />
prior in Varennes-sur-Allier en in 1496 werden daar zelfs Kruis<br />
broeders uit Sneek en Asperen benoemd178.<br />
Zuidelijker lagen de kloosters Toulouse en Salignac179. Het<br />
tweede klooster behoorde bij Toulouse. Herhaaldelijk blijkt, dat de<br />
prior van Toulouse zeggenschap over dit klooster heeft180. De<br />
mines van de gebouwen van dit klooster doen echter veronderstel-<br />
len, dat dit klooster toch niet zo'n kleine nederzetting was als b.v.<br />
Virton en Suxy. De prior van Parijs had op zijn visitatiereis door<br />
Frankrijk in het jaar 1457 getracht het klooster te Toulouse voor<br />
de observantie te winnen. Hij benoemde Kruisbroeders uit zijn eigen<br />
klooster te Toulouse. Een van hen werd prior, een ander supprior.<br />
In 1458 confirmeerde het generate kapittel deze handelwijze 18\<br />
Maar ook in Toulouse zagen de Franse Kruisbroeders geen kans de<br />
wens van het generate kapittel te vervullen. Enkele jaren later, in<br />
1461, werden Kruisbroeders uit de noorderlijke kloosters o.a. uit<br />
Keulen, Asperen en Diisseldorf gevraagd en Jacobus Stoeff uit het<br />
klooster te Luik werd als prior gei'nstalleerd182. Toen Jacobus Stoeff<br />
116 Cottineau, Repertoire Topo-Bibliographique, kol. 3298. Varennes-sur-Allier<br />
ligt in het departement Allier. Voor Buzangais: Cottineau, Repertoire Topo-<br />
Bibliographique, kol. 542. Buzangais ligt in het departement Indre.<br />
1TT Van de Pasch, Definities, anno 1464.<br />
178 Van de Pasch, a.w., annis 1464, 1483-1486, 1496.<br />
179 Cottineau, Repertoire Topo-Bibliographique, kol. 3182 en 2935. Salignac ligt<br />
in het departement Dordogne.<br />
lso Van de Pasch, Definities, annis 1463, 1482.<br />
181 Van de Pasch, a.w., anno 1458.<br />
132 Van de Pasch, a.w., annis 1461-1464.
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS 97<br />
gestorven was, werd opnieuw een Kruisbroeder uit Parijs prior te<br />
Toulouse183. De Kruisbroeders uit het noorden konden het in<br />
Toulouse niet lang uithouden. In de eerste vijftien jaren na 1461<br />
werden telkens andere Kruisbroeders voor Toulouse benoemd184.<br />
Tenslotte twee kloosters, die in het huidige Frankrijk lagen,<br />
namelijk Laines-aux-Bois en Watten 185. Zelden komen de namen<br />
van deze kloosters voor in de besluiten van de generale kapittels.<br />
Volgens Cottineau was Laines-aux-Bois afhankelijk van het klooster<br />
te Parijs. Watten was misschien een nederzetting van de Kruis<br />
broeders van Doornik. Gerardus van Goch is dtfar prior geweest186.<br />
Laines-aux-Bois zal tegelijk met Parijs, en Watten tegelijk met<br />
Doornik zich bij het generale kapittel hebben aangesloten.<br />
De prioren van de kloosters te Carignan, Parijs en Condren<br />
blijken reeds in de eerste helft van de vijftiende eeuw naar het<br />
generale kapittel te Hoei gekomen te zijn. De prioren van de overige<br />
kloosters waren hiertoe blijkbaar niet bereid. De strijd tussen<br />
de Franse en Engelse koningen kan hen belet hebben de verre reis<br />
naar Hoei te ondernemen. Daar de Engelsen en de Bourgondiers<br />
tot 1436 Parijs en het noorden van Frankrijk bezet hidden, was<br />
het contact voor de noordelijke kloosters eenvoudiger.<br />
Toch blijft de vraag staan, waarom na 1460, toen de oorlog in<br />
Frankrijk voorbij was en het land meer rust kende, de generale<br />
kapittels juist Kruisbroeders uit het Noorden naar de Franse<br />
kloosters verplaatsten. Voor die datum werd de hulp ingeroepen<br />
van de Kruisbroeders uit de kloosters van Noord-Frankrijk, waarom<br />
niet na 1460 ?<br />
De Franse Kruisbroeders kunnen zich verzet hebben tegen het<br />
generale kapittel om twee redenen : het kan zijn, dat zij niets voelden<br />
voor de eenheid en de uniformiteit, waarnaar de generale<br />
kapittels sinds 1410 streefden, het kan ook zijn, dat zij geen afstand<br />
wilden doen van het beheer van eigen goederen. Door het onderzoek<br />
van A. Durand is aan het licht gekomen, dat de Kruisbroeders<br />
*8:l Van de Pasch, a.w., anno 1464.<br />
ik VA DE Pasch> a-w-> annis 1461-1466 ; 1470, 1475, 1483-1485.<br />
Laines-aux-Bois ligt in het departement Aube ; zie hiervoor Cottineau Rtpertotre<br />
Topo-Biblwgraphique, kol. 1540. Watten wordt niet in Cottineau genoemd.<br />
38 Van de Pasch, Definities, anno 1454
98 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
van Caen in het begin van de vijftiende eeuw arm waren en niet<br />
in staat behoorlijk voor hun levensonderhoud te zorgen, zodat de<br />
stad Caen van koning Karel VI tot tweemaal toe opdracht kreeg<br />
een geldsom te geven. Het stadsbestuur bleef in gebreke, omdat<br />
het zelf niet over voldoende geldmiddelen beschikte. Toch groeide<br />
in de eerste helft van de vijftiende eeuw het aantal kloosterlingen<br />
in Caen en stond het klooster in aanzien bij de bevolking van de<br />
stad, zoals blijkt uit het aantal schenkingen van die zijde187.<br />
Men mag wel veronderstellen, dat in Caen de Kruisbroeders<br />
trouw gebleven zijn aan hun gemeenschappelijk leven. Alleen in<br />
rijke kloosters treft men gedurende de veertiende en vijftiende eeuw<br />
kloosterlingen aan, die eigen goederen beheerden en zich aan het<br />
gemeenschappelijk leven onttrokken en zelden in arme kloosters.<br />
Bijna alle Kruisbroederkloosters in Frankrijk waren in arme streken<br />
gevestigd en zullen niet rijk geweest zijn. Daarom zal het verzet<br />
van de Franse Kruisbroeders niet ontstaan zijn uit afkeer van de<br />
eisen van de generale kapittels betreffende het gemeenschappelijke<br />
leven.<br />
Daarentegen doet een ander gegeven vermoeden, dat zij niet<br />
voelden voor de eenheid, waarnaar de generale kapittels streefden.<br />
Na 1480 werd het bestuur over alle Franse kloosters toevertrouwd<br />
aan een prior-provinciaal. Deze functie werd nu eens vervuld door<br />
de prior van Parijs, dan weer door de prior van Caen of die van<br />
het in 1474 opgerichte klooster te Lannoy188. Juist in die tijd poog-<br />
de de Franse koning alle kloosters in Frankrijk onder gezag van<br />
Franse geestelijken zelf te stellen 189. De generale kapittels zijn wel-<br />
licht tot het benoemen van een prior-provinciaal overgegaan op<br />
verzoek van de Franse kapittelvaders om verwikkelingen te ont-<br />
wijken, maar in 1492 eiste het generale kapittel van dat jaar nog-<br />
maals, dat alle prioren uit Frankrijk naar Hoei zouden komen 190.<br />
De moeilijkheden bleven niet uit. In 1520 scheidde Michael Mulotr<br />
prior van Parijs, met steun van de bisschop van zijn stad, zijn<br />
1ST A. Durand, Les Croisiers en Normandie : he prieure Sainte-Croix de Caen,<br />
in Clairlieu, 25 (1967).<br />
lt8 Van de Pasch, Dejinhies, annis 1481-1484.<br />
189 Meyer, Een Hollandse kloosterhervorming, in De Katholiek, 146 (1914), p.<br />
141.<br />
195 Van de Pasch, Dejinhies, anno 1492.
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS 99<br />
klooster af van de orde191. De overige kloosters volgden deze<br />
prior niet.<br />
De Franse Kruisbroeders zullen vooral afkerig geweest zijn van<br />
het streven naar eenheid, temeer omdat een jaarlijkse gang naar<br />
Hoei in hun ogen inhield, dat zij zich schikten naar de wensen van<br />
Nederlandse en Duitse Kruisbroeders. Zij zullen bevreesd geweest<br />
zijn voor een Nederlands-Duits overwicht. Immers, sinds 1410<br />
werden door de loop der omstandigheden en door het wegblijven<br />
van de Franse Kruisbroeders, iets, dat uit de besluiten van de<br />
generale kapittels blijkt, voornamelijk Nederlandse en Duitse Kruis<br />
broeders in de leiding van de orde gekozen.<br />
Voor het bestuur van de orde bleef de eenheid, belichaamd in<br />
het jaarlijkse generale kapittel, een eerste doel. Men mag hierin de<br />
reden zien, waarom de generale kapittels na 1460 Nederlandse en<br />
Duitse Kruisbroeders, sinds 1410 in die richting opgevoed, in de<br />
Franse kloosters plaatsten.<br />
ENGELAND192<br />
Zolang er nog geen monografieen over alle Franse kloosters<br />
verschenen zijn, zal het moeilijk zijn iets te weten te komen omtrent<br />
de observantie in de Franse kloosters. Te veel moet men nu nog<br />
uitgaan van de besluiten, die de generale kapittels hebben uitgevaardigd,<br />
zonder dat men weet, hoe de reacties op deze besluiten<br />
in de desbetreffende kloosters waren.<br />
Eenzelfde bezwaar zou men kunnen inbrengen tegen een poging<br />
de hervorming van de Kruisbroederkloosters in Engeland gedurende<br />
de vijftiende eeuw te bestuderen. Met de gegevens voor de Engelse<br />
kloosters is het nog slechter gesteld. Men weet b.v. nog niet of de<br />
kloosters, die ooit als Kruisbroederkloosters werden opgegeven, wel<br />
behoord hebben tot de orde van het Heilig Kruis, die haar centrum<br />
!n DE Pasch' Het klooster Clairlieu, in Clairlieu, 18 (i960), p. 28<br />
E. Beck, The order of the Holy Cross (Crutched Friars) in England, in<br />
Transactions of the royal historical society, 3 series, 7, London 1913, p. 191-208 ;<br />
J. Bulloch, The Crutched Friars, in Records of the Scottish church history society,<br />
10 (1949), p. 89-106; D. Knowles, The religious Orders in England, vol. 1,<br />
Cambridge 1959, p. 203. Knowles vermeldt nog enkele artikelen. J. M. Hayden,<br />
The Croisiers in England and France, in Clairlieu, 22 (1964), p. 91-110. Voorai<br />
deze laatste auteur heeft een uitgebreide literatuur over de Kruisheren in Engeland<br />
verzameld.
100 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
in Hoei had. De titels ,,Crossed Friars", ,,Crutched Friars" of<br />
,,Order of the Holy Cross" werden in Engeland aan kloosterlingen<br />
van meer dan een orde gegeven193.<br />
Leveren nu de besluiten van de generate kapittels uit de vijftiende<br />
eeuw enige nieuwe gegevens op omtrent de Engelse kloosters en<br />
speciaal omtrent de observantie-beweging gedurende deze eeuw ?<br />
Het antwoord is ook nu weer negatief. De besluiten vertellen wel,<br />
dat de prior-generaal en zijn kapittel tot driemaal toe pogingen in<br />
het werk hebben gesteld de Engelse kloosters voor de observantie<br />
te winnen. Van 1428 tot 1431 verbleef prior-generaal Helmicus<br />
Amoris zelf in Engeland. Enige Kruisbroeders vergezelden hem194.<br />
De tweede poging werd ondernomen in de jaren 1454 tot 1466,<br />
eerst onder leiding van Wilhelmus van Zutphen uit Luik en later<br />
van Henricus van Wezel uit Marienfrede, beiden in de functie van<br />
vicaris-generalis. Ook nu werden hun een aantal Kruisbroeders als<br />
helpers toegewezen195. De derde poging kwam op het einde van de<br />
eeuw in de jaren 1489 tot 1497. In 1489 kregen Goswinus van<br />
Nijmegen, prior van Watten, en Johannes van Essen uit Marien<br />
frede opdracht als visitatoren de Kruisbroeders in Engeland o.a.<br />
te Londen, de kloosterdiscipline te leren. In 1494-95 werden vier<br />
Kruisbroeders voor Londen benoemd. Zij moesten zich naar Goes<br />
begeven en vandaaruit naar Londen afreizen196.<br />
Ook kan men nog enige namen van Engelse Kruisbroeders aantreffen<br />
in de besluiten, omdat zij gestraft werden met een tijdelijk<br />
verblijf in de kloosters te Luik, Sint Agatha of elders197. Dit biedt<br />
echter geen nieuws. Immers Russelius deelde deze pogingen reeds<br />
mede en was soms zelfs uitvoeriger. Zo noemde hij de namen van<br />
vijf Kruisbroeders, die prior-generaal Helmicus Amoris vergezel<br />
den 198, de besluiten geven er maar twee op. Betreffende de tweede<br />
poging was zijn mededeling erg summier. Prior-generaal Georgius<br />
van Brueggen, 1452-1458, had veel moeite met de hervorming in<br />
Engeland199. Russelius wist ook van de derde poging en hij kon<br />
m Beck, The order of the Holy Cross in England, p. 191 e.v.<br />
1M Zie pag. 71.<br />
193 Van de Pasch, a.w., annis 1454-1456, 1466.<br />
198 Van de Pasch, a.w., annis 1494, 1495, 1497 ; Hermans, Annales, II, p. 387.<br />
197 Van de Pasch, a.w., annis 1431, 1435-1436, 1441, 1456.<br />
198 Russelius, Chronicon, p. 102-103.<br />
199 Russelius, a.w., p. 113.
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS 101<br />
mededelen, dat prior-generaal Everardus van Orsoy, de prior van<br />
Hoorn, Gisbertus van Sneek, tot vicaris-generaal van Engeland aanstelde<br />
en de prior van Nijenwerve, Cornelis Gerbrandus, de Keulse<br />
Kruisbroeder Christianus, de Hoeise Kruisbroeder Lucas van Mechelen<br />
als metgezellen. Christianus werd tot prior van Londen<br />
aangesteld 20°.<br />
Al wijken de gegevens uit de besluiten van de generate kapittels<br />
enigszins af van de berichten van Russelius, het blijkt toch, dat de<br />
zeventiende-eeuwse kroniekschrijver goed was ingelicht. Daarom<br />
moet ook wel degelijk waarde gehecht worden aan zijn overige<br />
berichten. Russelius doet namelijk betreffende de hervorming van<br />
de Kruisbroeders in Engeland nog zeer opvallende mededelingen :<br />
prior-generaal Petrus Pincharius, 1364-1382, en prior-generaal<br />
Ferricus van der Putte, 1382-1393, hebben reeds geprobeerd met<br />
behulp van de bisschop van Londen de discipline in de Engelse<br />
kloosters te herstellen 20\ Dit verhaal van Russelius wijst enerzijds<br />
op het verval van het kloosterleven in de Engelse Kruisbroederkloosters<br />
voor 1410, maar anderzijds op zeer vroege acties het<br />
kloosterleven aldaar te verbeteren 202.<br />
Er zijn helaas geen bronnen aanwezig, waarmede de mededelin<br />
gen van Russelius over de tijd voor 1410 geverifieerd kunnen wor<br />
den. Uit de verscheidene pogingen om de kloosters in Engeland tot<br />
een observant leven te brengen mag wel opgemaakt worden, dat<br />
deze tot 1500 zonder resultaat zijn gebleven. Nooit was een prior<br />
uit Engeland definitor en tot nu toe is geen enkel teken van observantie<br />
in de geest van de kapittelvaders van 1410 te bespeuren.<br />
Ten slotte, slechts de volgende Engelse kloosters werden in de<br />
besluiten van de generate kapittels genoemd : Londen, Donnington,<br />
Bergham (Barham, St. Margaret) en Welnetham (St. Thomas) 208.<br />
200 Russelius, a.w.f p. 132.<br />
201 Russelius, a.w., p. 81 en 85.<br />
202 Russelius, a.w., p. 82. Prior-generaal Petrus Pincharius zou overigens niet<br />
alleen getracht hebben het verval in de Engelse kloosters tegen te gaan, maar ook<br />
in de Franse. Van koning Karel V van Frankrijk zou hij gedaan gekregen hebben,<br />
dat de Kruisbroeders, die uit angst voor zijn hervormingsmaatregelen uit de<br />
kloosters vluchtten, door de wereldlijke arm werden gevangen gezet.<br />
208 Van de Pasch, Definities, annis 1431, 1456, 1465, 1495, 1497. Van Rooijen,<br />
De oorsprong, p. 92, n. 14, schrijft, dat slechts vijf kloosters een langer bestaan<br />
hadden. Behalve de genoemde kloosters geeft hij nog een vijfde, namelijk te<br />
Colchester. De naam van dit klooster komt niet voor in de besluiten van de generate<br />
kapittels tussen 1410-1499.
102 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Conclusies<br />
De observantie-beweging in de orde van het Heilig Kruis gedu-<br />
rende de vijftiende eeuw was, naar het zich laat aanzien, een bewe-<br />
ging, die uitging van enkele Zuid- en Noordnederlandse kloosters,<br />
namelijk Hoei, Suxy, Virton, Asperen, Sint Agatha en Venlo,<br />
wellicht ook Luik, Namen en Carignan. De afgevaardigden van<br />
deze kloosters namen in 1410 de eerste besluiten, die tot een her?<br />
vorming zouden moeten leiden. De Rijnlandse kloosters werden<br />
eerst gewonnen dank zij de actie door de officiaal van Keulen,<br />
Christianus van Erpel, in 1413 gevoerd, en dank zij de inmenging<br />
van de visitatoren, die door het generale kapittel waren afgevaar-<br />
digd. De kloosters te Aken en Doornik sloten zich resp. in 1421<br />
en 1435 aan.<br />
Deze conclusies worden bevestigd door een besluit van het gene-<br />
rale kapittel uit het jaar 1422. Er werd bepaald hoeveel geld de<br />
kloosters dienden te geven aan de visitatoren bij hun jaarlijks be-<br />
zoek. De volgende kloosters werden genoemd: Namen, Luik,<br />
Schwarzenbroich, Roermond, Venlo, Sint Agatha, Asperen, Keulen,<br />
Beyenburg en Hohenbusch 204. De kloosters zullen het vastgestelde<br />
bedrag niet aanvaard hebben, indien hun prioren niet in het overleg<br />
betrokken waren geweest. De namen van de Franse en Engelse<br />
steden of dorpen, waar zich Kruisbroederkloosters bevonden, en<br />
bovendien Aken en Doornik ontbreken. Dat waren juist de kloos<br />
ters, die voor 1422 nog niet voor de hervorming gewonnen waren,<br />
zoals de besluiten uit de volgende jaren aangaven. Dat de plaatsen<br />
Suxy, Virton en Carignan niet genoemd werden, vindt zijn verkla-<br />
ring in de afhankelijkheid van de kloosters aldaar van Hoei. De<br />
nieuwe stichting te Roermond werd reeds in de lijst opgenomen.<br />
In 1422 hadden zich 13 kloosters aangesloten bij het generale<br />
kapittel van Hoei.<br />
Een dergelijke lijst is te vinden in de besluiten van het generale<br />
kapittel van 1441. In dit jaar verdeelde het generale kapittel de<br />
kloosters in drie groepen :<br />
204 Van de Pasch, Dejinities, anno 1422 ; Hermans, Annales, II, p. 214.
VOOR 1410 GESTICHTE KLOOSTERS 105<br />
1. Hoei, Namen, Luik, Doornik, Goes en Kerniel (Kolen).<br />
2. Maastricht, Roermond, Venlo, Hohenbusch, Sint Agatha,<br />
Asperen.<br />
3. Aken, Schwarzenbroich, Keulen, Beyenburg, Osterberg,<br />
Bentlage.<br />
De bedoeling van deze verdeling was, dat de prior-generaal elk<br />
jaar een groep visiteerde en de twee andere groepen overliet aan<br />
de visitatoren van het generate kapittel205. Hier werden in vergelijking<br />
met de lijst van 1422 behalve de nieuwe kloosters : Goes,<br />
Maastricht, Kolen, Osterberg en Bentlage, nog twee oudere - voor<br />
1410 gestichte - kloosters genoemd, namelijk Doornik en Aken.<br />
Deze conventen waren intussen voor de observantie gewonnen. In<br />
deze lijst ontbreken de namen Parijs en Condren. Toch waren de<br />
kloosters aldaar voor de hervorming gewonnen. De verklaring<br />
hiervoor is waarschijnlijk deze : de eerste groep omvatte de kloos<br />
ters in het huidige Belgie, plus Goes, de tweede groep de kloosters<br />
langs de Maas ten noorden van Luik, de derde de kloosters in het<br />
Rijnland en Westfalen. De kloosters te Parijs en Condren pasten<br />
niet in een van deze drie groepen, daar zij te ver weg lagen. Eerst<br />
sinds 1439 werden voor Frankrijk twee visitatoren aangesteld 206.<br />
Het bestuur van Condren was in 1428 geheel aan de zorgen van de<br />
prior van Parijs toevertrouwd. Vandaar dat Condren nooit voor een<br />
vergoeding aan de visitatoren werd aangeslagen. De prior van Parijs<br />
zal de reis en de verdere onkosten hebben moeten betalen.<br />
Een derde lijst volgde in 1466 en vermeldde de namen Parijs en<br />
Caen 20T. Enkele jaren daarvoor had het generale kapittel een prior<br />
en een supprior in Caen benoemd. De namen van Zuid-Franse<br />
kloosters ontbreken nog. Daar het generale kapittel in 1492 het<br />
verzoek herhaalde, dat alle prioren naar Hoei zouden komen, bleven<br />
de prioren van deze kloosters vermoedelijk thuis 208. Op geen enkele<br />
lijst staan de namen van de kloosters in Engeland, een reden temeer<br />
om te veronderstellen, dat de pogingen van de prioren-generaal en<br />
van de generale kapittels geen succes hadden.<br />
Van de Pasch, a.u>., anno 1441.<br />
20«<br />
Van de Pasch, a.w., annis 1448, 1453, 1457-1460.<br />
201 Hermans, Annales, II, p. 317.<br />
** In 1482 was<br />
Annales, I (1), p.<br />
de prior<br />
138.<br />
van Toulouse op het generale kapittel, zie Hermans
104 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Naast de prioren-generaal hebben vooral de prioren van Venlo,.<br />
Asperen, Keulen, Namen, Luik, Aken en Hohenbusch een invloed-<br />
rijke rol gespeeld. Kruisbroeders uit de kloosters te Hoei, Namen,<br />
Venlo en Luik en naderhand ook uit Aken hebben gewerkt voor<br />
het herstel van de observantie in het Rijnland, Frankrijk en Bnge-<br />
land. De kloosterlingen van Sint Agatha vooral in het begin, tussen<br />
1410 en 1440, en dan alleen in het Rijnland en de Zuidelijke Neder-<br />
landen ; de kloosterlingen van Venlo en Keulen werkten vooral<br />
mee bij de oprichting van nieuwe kloosters ; die van Doornik wer-<br />
den na 1450 uitgestuurd naar de Franse kloosters ; het klooster<br />
Hohenbusch stond kloosterlingen af voor Frankrijk en Engeland.<br />
De Kruisbroeders van Parijs trachtten de overige Franse kloosters<br />
te bewerken, echter zonder succes. Vooral vier kloosters ontvingen<br />
voortdurend niet-observante Kruisbroeders van elders om hen de<br />
vereiste kloosterdiscipline te leren, namelijk Hoei, Luik, Namen en<br />
Asperen. Opgemerkt moet worden, dat in de kloosters, die het<br />
meest hebben bijgedragen tot de verspreiding van de observantie-<br />
geest, veel Noord-Nederlanders woonden.
Hoofdstuk IV<br />
DE STICHTINGEN NA 1410<br />
De observantie-beweging bracht - 20 schreef Post - een nieuw<br />
leven in de orde van de Kruisheren, hetgeen zich openbaarde in<br />
talrijke stichtingen in het Rijnland en in de Nederlanden\ In een<br />
studie over de observantie-beweging gedurende de vijftiende eeuw<br />
behoren de stichtingen uit die tijd besproken te worden. Alle nieuwe<br />
kloosters in de landen, waar de Kruisbroeders voor 1410 gevestigd<br />
waren, de Nederlanden, Frankrijk, Engeland en het Rijnland, moeten<br />
behandeld worden, en als zij naar een voor hen nieuw gebied<br />
gingen, moet dat vermeld worden. De dichtheid van de kloosterstichtingen<br />
kan een bewijs zijn voor het aanwezig zijn van een<br />
observantie-beweging. Het initiatief tot de oprichting van een<br />
klooster werd genomen op het platteland door een adellijke heer<br />
of dame, in de stad door de geestelijkheid of door de burgers. Deze<br />
stichters verwachtten van zo'n klooster heil voor hun ziel en zaligheid<br />
en eisten er derhalve een observante geest. In veel steden sloeg<br />
ook het stadsbestuur er acht op. Na 1400 zag het meestal om<br />
economische redenen, vaak liever niet dan wel de komst van nieuwe<br />
kloosterlingen. Deze zouden voor zich teveel bezittingen kunnen<br />
verwerven of zich kunnen toeleggen op een of ander ambacht, het<br />
geen nadelig zou kunnen zijn voor de burgers van de stad. Bij<br />
observante kloosterlingen leek het gevaar hiervoor niet zo groot,<br />
omdat zij niet op overvloed van werelds goed uit waren. Daarom<br />
liet zo'n stadsbestuur slechts observante kloosterlingen toe.<br />
Voor deze studie is het verder van belang te weten of de nieuwe<br />
kloosters tot bloeiende gemeenschappen zijn uitgegroeid, of de<br />
priors leidende personen in de orde waren, of de kloosterlingen<br />
van het centraal bestuur opdrachten verkregen hun kloosterleven<br />
Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen, deel II, p. 174.
106 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
uit te dragen naar elders hetzij voor het herstel van de observantie,<br />
hetzij om een nieuwe stichting te beginnen en op welke activiteiten<br />
de Kruisbroeders zich toelegden. Deze vragen zullen beantwoord<br />
worden, vooral voor de kloosters, die in de eerste helft van de<br />
vijftiende eeuw ontstaan zijn.<br />
NEDERLAND<br />
Het eerste klooster, dat na 1410 in Nederland werd gesticht was<br />
dat van Roermond in het jaar 1422 2. De meesters van de broeder-<br />
schap van Sint Cornelis aldaar hadden de Kruisbroeders gevraagd<br />
de bediening van hun kapel op zich te nemen. De reeds meermalen<br />
genoemde Johannes van Merode werd opgedragen tezamen met<br />
nog enige Kruisbroeders uit het klooster te Venlo de oprichting te<br />
verwezenlijken 3. Dat Johannes van Merode van het begin af aan<br />
in Roermond de observantie invoerde, is aan geen twijfel onder-<br />
hevig, aangezien hij in 1410 het initiatief tot de hervorming van de<br />
orde nam. Zijn werk werd voortgezet door Nicolaus Lentzen, die<br />
zeker reeds voor 1431 prior was. In dat jaar werd hij voor de eerste<br />
maal tot definitor gekozen. Tot 1464 werd hem deze functie bijna<br />
om het jaar toevertrouwd en tot aan zijn dood in 1471 bleef hij<br />
prior \ Juist in de tijd, dat het generale kapittel zich zo krachtig<br />
wijdde aan de hervorming in de orde, was hij een centrale figuur.<br />
Onder zijn leiding beleefde het klooster te Roermond een bloei-<br />
periode. De kloosterlingen waren gezien bij de mensen in en buiten<br />
de stad Roermond, die talrijke goederen aan het klooster vermaak-<br />
ten 5. Tot in de zestiende eeuw stond het klooster nog als observant<br />
bekend6. Het aantal kloosterlingen was gemiddeld zeventien7.<br />
Gebrek aan plaats belette mogelijk de komst van niet-observante<br />
kloosterlingen ; er zijn er in het klooster te Roermond geen ge-<br />
plaatst. Slechts een kloosterling kreeg een belangrijke opdracht te<br />
vervullen, namelijk Johannes van Susteren. Hij was een van de<br />
2 Schoengen, Monasticon Batavum, deel II, p. 157. L. Heere, Het Roermondse<br />
Kruisherenklooster, in Publ. de la soc. hist, et arch, dans le Limbourg, 57 (1941),<br />
j>. 6-28.<br />
3 Van de Pasch, Definities, annis 1422-1430.<br />
4 Van de Pasch, a.w., annis 1431-1464, 1471.<br />
5 Heere, Het Roermondse Kruisherenklooster, p. 9.<br />
• Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen, deel II, p. 174.<br />
T Heere, Het Roermondse Kruisherenklooster, p. 9.
STICHTINGEN NA 1410 107<br />
Kruisbroeders, die de observantie in het klooster te Caen moesten<br />
invoeren. Hij verbleef aldaar van 1463 tot 14668. De prior van<br />
Roermond kreeg in 1448 tot taak toezicht te houden op het nieuwe<br />
klooster Marienfrede 9.<br />
De tweede stad, waar de Kruisbroeders zich vestigden, was Goes<br />
in 142910. De stichtingsbrieven getuigen van het streven naar<br />
observance in de orde onder leiding van prior-generaal Helmicus<br />
Amoris van Zutphen en tevens van de zorg van het stadsbestuur<br />
van Goes, dat alleen observante kloosterlingen zich in zijn stads-<br />
gebied zouden vestigen. De prior-generaal beloofde plechtig, dat<br />
alleen maar kloosterlingen, die uitblonken in observantie, voor Goes<br />
in aanmerking zouden komen. Wanneer er bovendien in de toe-<br />
komst Kruisbroeders zouden verblijven, die niet meer leefden vol-<br />
gens de regel van Augustinus en de statuten van hun orde, dan zou<br />
een visitator van de orde hen zo snel mogelijk terecht wijzen. Bleven<br />
zij zich verzetten, dan was de prior van Goes verplicht de hulp<br />
van de wereldlijke arm in te roepen. Gebeurde dit niet, dan kon<br />
de magistraat alle privileges, die zij in 1429 aan de Kruisbroeders<br />
wenste te verlenen, intrekken, totdat de observantie was hersteld.<br />
Toen de magistraat deze schriftelijke belofte in handen had, gaf zij<br />
toestemming voor de stichting en verleende de beloofde privi<br />
leges 11.<br />
Als eerste kloosterlingen zond prior-generaal Helmicus Amoris<br />
zijn broer Johannes, die reeds zijn sporen in de orde had verdiend,<br />
en nog twee Kruisbroeders uit het klooster te Venlo 12.<br />
Het klooster te Goes is gedurende de vijftiende eeuw in de orde<br />
niet zo belangrijk geweest. Het aantal roepingen zal niet toereikend<br />
zijn geweest en blijkbaar had men te kampen met gebrek aan pries-<br />
ters. Circa 1450 stond de prior van Roermond een priester af13. De<br />
Kruisbroeders uit Goes hebben dan ook niet meegewerkt aan de her-<br />
vormingspogingen in Frankrijk en Engeland. Wei hielpen zij bij de<br />
oprichting van het klooster te Schiedam. Enkele Kruisbroeders<br />
8 Van de Pasch, Dejinities, annis 1463-1466.<br />
9 Van de Pasch, a.w., anno 1448.<br />
10 Schoengen, Monasticon Batavum, deel II, p. 69.<br />
11 Hermans, Annales, II, p. 222-226. Hermans verwijst naar het Groot Privilegieboek<br />
der stad Goes, Ms. fol. 31 en 51 ; zie bijlage 6.<br />
12 Van de Pasch, Definities, anno 1430.<br />
13 Van de Pasch, a.w., anno 1451.
108 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
waren afkomstig uit Schiedam en hadden, zodra zij hoorden van de<br />
plannen van de orde in hun geboorteplaats een klooster te beginnen,<br />
gevraagd hiervoor in aanmerking te komen. Dit werd hun toegestaan14.<br />
Op het einde van de eeuw hebben de kloosterlingen van<br />
Goes toch nog een waardige bijdrage aan de orde kunnen leveren<br />
in de persoon van hun prior, Cornelis van Clotingen. Hij werd na<br />
i486 dikwijls tot definitor gekozen en in 1496 werd hij overgeplaatst<br />
naar Hoei om daar de jonge Kruisbroeders te onderrichten.<br />
Zijn theologische lessen werden door vele seculiere en reguliere<br />
geestelijken gevolgd. In het najaar van 1500 verkozen de Kruis<br />
broeders van Hoei hem tot prior-generaal15.<br />
Tien jaar na Goes, in 1438, volgde een klooster te Maastricht16.<br />
Het was weer in een stad aan de Maas. Het is mogelijk, dat de<br />
Kruisbroeders gaarne binnen Maastricht trokken om het contact<br />
tussen de kloosters in de steden langs de Maas onderling en met<br />
het klooster te Hoei te versterken.<br />
Het klooster te Maastricht is in de vijftiende eeuw nog niet tot<br />
een volwaardig klooster uitgegroeid. Immers, het generale kapittel<br />
vertrouwde aan de conventualen van Maastricht niet het recht toe<br />
hun eigen prior te kiezen. Gedurende de gehele eeuw zijn prioren,<br />
meestal Kruisbroeders uit andere kloosters, door het bestuur van<br />
de orde aangesteld17.<br />
Vanuit dit klooster zijn geen Kruisbroeders uitgestuurd naar<br />
Engeland, Frankrijk of naar elders. Pas in 1495 vertrok er een,<br />
genaamd Johannes, naar Londen. Wei namen de kloosterlingen<br />
van Maastricht niet-observante Kruisbroeders op18.<br />
De vierde nederzetting in de Noordelijke Nederlanden na 1410<br />
was te Schiedam in 1443 19. De stichters van dit klooster waren<br />
Daniel Jansz van Matenesse en Goeswijn Miechielszoon, beiden ver-<br />
scheidene jaren baljuw van Schiedam. De pastoor had zich verzet<br />
14 Van de Pasch, a.w., annis 1444-1452.<br />
15 Van de Pasch, Het klooster Clairlieu, in Clairlieu, 18 (I960), p. 26-27.<br />
M Schoengen, Monasticon Batavum, deel II, p. 119.<br />
17 H. P. A. van Hasselt, Geschiedenis van het klooster der Kruisheren te<br />
Maastricht, in Publ. de la soc. hist, et arch, dans le Limbourg, 39 (1903), p. 42-43.<br />
18 Van de Pasch, Dejinities, annis 1439, 1464, 1465.<br />
19 Schoengen, Monasticon Batavum, deel II, p. 169. G. F. Sandberg, Archivalia<br />
van het klooster der Kruisbroeders te Schiedam, 1442-1554. Inventaris berustend<br />
in het Algemeen Rijksarchief te Den Haag.
STICHTINGEN NA 1410 109<br />
tegen de komst van de Kruisbroeders. Paus Eugenius IV besliste in<br />
hun voordeel20.<br />
In het klooster te Aken zijn Schiedammers prior geweest en ook<br />
te Goes waren enigen uit die stad ingetreden 21. Daar hieruit blijkt,<br />
dat de orde zich te Schiedam reeds naam had verworven, zal het<br />
generale kapittel er misschien op gerekend hebben, dat spoedig<br />
candidaten voor het kloosterleven uit de stad zelf en omgeving zich<br />
zouden melden. Die verwachting van het generale kapittel werd<br />
waarschijnlijk niet vervuld. De Kruisbroeders, benoemd voor de<br />
oprichting, verbleven er zeer lang, wat geen gebruik in de orde<br />
was22. Met de pastoor bleven er moeilijkheden, vooral aangaande<br />
de werkzaamheid van de Kruisbroeders, zoals preken, biechthoren<br />
en begraven. In 1481 kwamen de pastoor en de Kruisbroeders tot<br />
een minnelijke schikking, waarbij o.a. bepaald werd, dat de Kruis<br />
broeders in hun kerk mochten biechthoren en vrij preken, uitgezonderd<br />
op tijden, dat er in de parochiekerk gepreekt werd. Iedere<br />
parochiaan mocht in de kerk van de Kruisbroeders begraven worden.<br />
De aan de pastoor toekomende portio canonica werd in een<br />
bepaalde geldsom vastgelegd 23.<br />
Opmerkelijk is, dat na 1470 nog verscheidene conventualen van<br />
Schiedam door het generale kapittel werden gestraft24. De prioren<br />
noch hun onderdanen stonden het bestuur van de orde terzijde bij<br />
de oprichting van een nieuw klooster of herstel van de observantie.<br />
Pas in 1496 werd prior Balduinus tot definitor gekozen 2B. Maar de<br />
huidige gegevens volstaan niet om over de werkelijke toestand van<br />
het klooster een oordeel te vellen.<br />
Wei was er een bloeiend kloosterleven in Hoorn 26. Hier had<br />
een meerderheid van Tertianen van Sint Franciscus op advies van<br />
de geestelijkheid van Hoorn in 1461 de prior van het Kruisbroeder-<br />
20 A. J. Van de Ven, Het Kruisbroedersconvent te Schiedam, in Bijdragen voor<br />
de geschiedenis van het bisdom Haarlem, 43 (1925). p. 368-422.<br />
21 Van de Pasch, Dejinnies, annis 1444-1452.<br />
22 Van de Pasch, a.w., annis 1444-1450.<br />
23 Van de Ven, Het Kruisbroedersconvent te Schiedam, p. 371.<br />
u Van de Pasch, Definities, annis 1473-1476.<br />
* Van de Pasch, a.w., anno 1496.<br />
28 Schoengen, Monasticon Batavum, dl. II, p. 100 ; C. J. Gonnet-R. D. Baart<br />
de la Faille, Inventaris van het archief der stad Hoorn, Haarlem 1918, p. 99,<br />
nr. 792 ; Cartularium van het Kruisbroedersklooster St. Pietersdal, aangelegd omstreeks<br />
1476, bijgehouden tot 1560.
110 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
klooster te Osterberg in Westfalen, Theodoricus van Warburg, ver-<br />
zocht om opgenomen te mogen worden in zijn orde27. Het generale<br />
kapittel nam het klooster op in de orde in 1462. Als prior werd<br />
aangesteld Nicolaas van Haarlem, een Kruisbroeder uit het klooster<br />
te Keulen 28.<br />
Deze eerste prior en ook de derde, Gisbertus van Sneek, werden<br />
resp. in 1473 en 1494 tot prior-generaal gekozen29. Voor hun ver-<br />
kiezing hadden beiden reeds een belangrijke plaats in de orde.<br />
Gisbertus van Sneek was naar Engeland gezonden 30, terwijl Nico<br />
laas van Haarlem verscheidene malen visitator en definitor was<br />
geweest31. De kapittels zouden deze twee prioren niet tot zulke<br />
belangrijke functies geroepen hebben, indien zij beiden niet in hun<br />
klooster te Hoorn een goede geest hadden aangekweekt. Dat b.v.<br />
geen enkele Kruisbroeder uit Hoorn werd gestraft, is kennelijk<br />
hiervan een gevolg geweest.<br />
De Kruisbroeders van Hoorn hebben aan de oprichting van de<br />
kloosters te Maaseik, Nijenwerve en Wickrath hun krachten<br />
gegeven 32.<br />
Binnen vijf jaar werden nog vier kloosters in Nederland opge-<br />
richt, namelijk te Sneek in 1464-65 33, te Ter Apel in 1465 34, te<br />
Franeker in 1467 35 en te 's-Uertogenbosch in 1468 36.<br />
Het ontstaan van een Kruisbroederklooster te Sneek was wederom<br />
te danken aan het verzoek van Tertianen om in de orde te worden<br />
opgenomen37. In 's-Hertogenbosch vroegen Bogarden om hetzelf-<br />
de38. Het oude klooster Ter Apel werd door Jacobus Wyltinge,<br />
27 Gonnet-Baart de la Faille, a.w., Regestenlijst nrs. 661, 668, 671-673.<br />
28 Schoengen, Monasticon Batavum, dl. II, p. 100.<br />
29 Van de Pasch, Het klooster Clairlieu, in Clairlieu, 18 (I960), p. 22-24 en<br />
25-26.<br />
30 Zie pag. 101.<br />
31 Van de Pasch, a.w., p. 22.<br />
32 Van de Pasch, Definities, annis 1482, 1483, 1497.<br />
33 Schoengen, Monasticon Batavum, deel II, p. 176.<br />
34 Schoengen, a.w., p. 21. Het Cartularium van dit klooster bevindt zich in het<br />
Rijksarchief in Groningen, Ter Apel, inventaris nr. 1.<br />
35 Schoengen, Monasticon Batavum, deel II, p. 64.<br />
3* Schoengen, a.w., II, p. 92.<br />
37 Gonnet-Baart de la Faille, Inventaris van het archief der stad Hoorn,<br />
Regestenlijst nr. 787 ; Paus Paulus II bevestigt, op verzoek van de prioren der<br />
Kruisbroedersconventen in Hoirne en Sneke, hun overgang van de Derde Orde tot<br />
die der Kruisbroeders (Cartularium van het Kruisbroederklooster p. 4 v°-5 v° ; niet<br />
vermeld bij Brom, Archivalia in 1talie).<br />
38 Schoengen, Monasticon Batavum, deel II, p. 92.
STICHTINGEN NA 1410 111<br />
pastoor te Garrelsweer, aan de Kruisbroeders geschonken 39. De<br />
priester Syardus Wetkens was de stichter van Franeker. Hij had<br />
gehoord van de observantie onder de Kruisbroeders en eiste in de<br />
stichtingsbrief, dat de prior-generaal dan ook observante kloosterlingen<br />
naar Franeker zou sturen. Bleven ze niet observant, dan<br />
verloren zij het recht op geldelijke uitkering van de goederen, die<br />
Syardus had geschonken, totdat zij zich weer toelegden op de strikte<br />
nakoming van hun statuten 40.<br />
Geen van deze vier kloosters heeft zich nog voor 1499 20 kunnen<br />
ontwikkelen, dat het een betekenisvolle plaats in de orde verkreeg.<br />
Het generale kapittel zag er op toe, dat de observantie werd<br />
bewaard. In 1471 zond het vier oud-Bogarden uit 's-Hertogenbosch<br />
naar andere kloosters om er de observantie van de Kruisbroeders<br />
te leren 41. Voor Franeker bestemde het vijf a zes observante Kruis<br />
broeders o.a. Wilhelmus Trappart uit Namen als prior en Lambertus<br />
van Grave uit Sint Agatha als supprior 42. De prior van het<br />
klooster te Bentlage in Westfalen kreeg de opdracht het nieuwe<br />
huis te Ter Apel te bevolken. Als eerste prior werd daar Hendrik<br />
van de Berge aangesteld 43. In 1493 veroorzaakte een terminarius<br />
in Sneek moeilijkheden. Het generale kapittel greep in en benoemde<br />
een Kruisbroeder uit Ter Apel tot terminarius van Sneek 44.<br />
Na 1470 volgden nog vier nieuwe stichtingen : Woudrichem in<br />
1474 45, Ntjenwerve op Walcheren in 148146, Scharmer in Fivelgo<br />
in 1489 4T en Sint Annaland op Tholen in 1499 48.<br />
In Scharmer boden Johannes Rengers van den Poste en zijn echtgenote<br />
Agnes Rengers van den Laere de Kruisbroeders het patronaatsrecht<br />
over de kerk van Scharmer aan en schonken zij nog een<br />
30 Schoengen, a.w., deel II, p. 21.<br />
40 Hermans, Annales, II, p. 360-364. Hermans verwijst naar G. F. Thoe<br />
Schwartzenberg, Groot Placaat en Charterboek van Vriesland, deel I, Leeuwarden<br />
1768, p. 620. De fundatiebrief van het klooster te Franeker is hier overgenomen<br />
uit het Privilegeboek der stad Franeker, fol. 5 v°.<br />
41 Van de Pasch, Definities, anno 1471.<br />
42 Van de Pasch, a.w., anno 1467.<br />
43 Van de Pasch, a.w., anno 1465. P. J. ter Horst, Ter Apel en Zandberg, in<br />
Archief van bei Aartsbisdom Utrecht, 2 (1875), p. 321-335. A. T. Schuitema.<br />
Meijer, Het klooster Ter Apel, Groningen 1966.<br />
44 Van de Pasch, Dejmities, anno 1493.<br />
45 Schoengen, Monasticon Batavum, deel II, p. 210.<br />
48 Schoengen, a.w., II, p. 137.<br />
47 Schoengen, a.w., II, p. 168.<br />
48 Schoengen, a.w., II, p. 15.
112 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
pastorie en tevens de zorg voor de kapel in Lutteke Harkstede. De<br />
prior-generaal beloofde goede kloosterlingen te sturen en gaf aan<br />
de prior van Bentlage bevel enkele van zijn onderdanen af te<br />
staan49. Voor de andere drie kloosters zijn de motieven en de<br />
omstandigheden van de stichting zeer duister.<br />
Na 1420 werden in het huidige Nederland dertien kloosters ge-<br />
sticht, waarvan negen na 1460. Ook in andere plaatsen, zoals<br />
Avezaath bij Tiel, werd de Kruisbroeders gevraagd zich te komen<br />
vestigen. Het generale kapittel vaardigde prioren naar deze plaatsen<br />
af om zich op de hoogte te stellen, maar dezen zullen daar onvol-<br />
doende mogelijkheid voor een klooster gezien hebben 50.<br />
Uit de vermeerdering van het aantal kloosters, namelijk van drie<br />
tot zestien, blijkt wel, dat de orde in de vijftiende eeuw over grote<br />
expansiekracht beschikte. Dit wijst op observantie. Deze wordt<br />
trouwens ook door de fundatiebrieven gestaafd. Al zijn de gegevens<br />
over de kloosters in Nederland schaars, de besluiten van de gene-<br />
rale kapittels geven te verstaan, dat gedurende de vijftiende eeuw<br />
al deze nieuwe kloosters nog zorgenkinderen waren. Slechts de<br />
kloosters van Roermond en Hoorn kwamen tot volwassenheid.<br />
HET RIJNLAND<br />
In 1410 telden de Kruisbroeders in het Rijnland vijf kloosters,<br />
op het einde van de vijftiende eeuw zestien. Er waren dus elf nieuwe<br />
bijgekomen. Hiervan zijn er twee voor 1470 gesticht en negen<br />
tussen 1470 en 1499.<br />
Diisseldorf51 was de eerste plaats, waar zij zich na 1410 vestig-<br />
den. Hertog Gerard van Gulik-Berg schonk hun in 1443 de kapel<br />
van Onze Lieve Vrouw en het hospitaal, dat aan deze kapel ver-<br />
bonden was. Het lag in zijn bedoeling, dat de Kruisbroeders zich<br />
zouden toeleggen op de zielzorg in zijn nieuwe hoofdstad, namelijk<br />
op ziekenverpleging, preken en biechthoren. De hertog kende hen<br />
van Beyenburg. Daar was hun reeds eerder de zielzorg toever-<br />
trouwd. Waarschijnlijk heeft hij zich tot de prior van dit klooster<br />
49 Hermans, Annales, II, p. 425-428.<br />
50 Van de Pasch, Definities, annis 1468, 1475, 1485.<br />
51 Haass, Die Kreuzherren, p. 116.
STICHTINGEN NA 1410 113<br />
gewend. Deze prior immers kreeg in 1438 van het generale kapittel<br />
het verzoek met de hertog te onderhandelen over de komst van de<br />
Kruisbroeders te Diisseldorf 52.<br />
Kloosterlingen uit Dusseldorf zijn uitgezonden naar Toulouse,<br />
Londen en Caen 33.<br />
Een tweede nieuwe nederzetting in het Rijnland werd het klooster<br />
Marienfrede nabij Ringenberg54. Het werd gesticht in 1444, dus<br />
een jaar na het klooster te Dusseldorf. De beginjaren van dit kloos<br />
ter laten zien, dat het de Kruisbroeders in de veertiger jaren nog<br />
moeilijk viel in te gaan op aanbiedingen voor een kloosterstichting.<br />
De Augustijner-Koorheren uit Schoonhoven hadden de grondslag<br />
gelegd voor dit klooster in 1439. Zij waren echter niet in staat hier<br />
te blijven en verzochten de prior van het nog te noemen nieuwe<br />
klooster te Osterberg hun gebouwen over te nemen. Deze prior<br />
gaf het verzoek door aan het generale kapittel en zal tevens hebben<br />
medegedeeld, dat hij en zijn kloosterlingen niet bij machte waren<br />
de overname op zich te nemen. Een Kruisbroeder uit Sint Agatha,<br />
Johannes Hovetman, werd ermee belast. Hij werd de eerste prior<br />
of rector en hij sloot met de pastoor van Dingden, in welke parochie<br />
het klooster Marienfrede lag, een overeenkomst, waarin erkend<br />
werd, dat de Kruisbroeders het recht hadden om te preken, biecht<br />
te horen en te begraven. Toch verliep de stichting niet naar wens.<br />
In 1448 deed het generale kapittel een beroep op de prior van<br />
Roermond om toe te zien op Marienfrede 55.<br />
Evenmin als Dusseldorf trad Marienfrede op de voorgrond in de<br />
orde. Slechts enkele malen werden zijn prioren definitor 5G. Conventualen<br />
van Marienfrede kregen, evenals die van Dusseldorf, opdrachten<br />
hun kloosterleven naar elders uit te dragen o.a. werd<br />
Henricus van Wezel supprior in Caen, 1460, en in 1466 werd hij<br />
benoemd tot vicaris-generaal van Frankrijk, Normandie en Engeland<br />
57. Een tweede Kruisbroeder uit Marienfrede, Arnoldus, ver-<br />
52 Van de Pasch, Dejintties, anno 1438.<br />
" Van de Pasch, a.w., annis 1461, 1463, 1464-1466.<br />
" Haass, Die Kreuzherren, p. 142. Marienfrede ligt in de gemeente Ringenberg.<br />
* Van de Pasch, Definities, anno 1448.<br />
* Van de Pasch, a.w.t annis 1453, 1456, 1458.<br />
51 Van de Pasch, a.w., annis 1460, 1466.
114 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
bleef jarenlang in Caen58. Andere conventualen hielpen bij het<br />
stichten van nieuwe kloosters 59.<br />
In 1477 boden Aegidius van Brandenburg en zijn vrouw Margaretha<br />
van Sombref de Kruisbroeders hun bezit aan. Dit Brandenburg<br />
was een leen van het Marien-stift te Aken. Het duurde even, voor-<br />
dat een overeenkomst met de pastoor van Walhorn tot stand<br />
kwam 60. Zo werd pas in 1484 dit nieuwe klooster in de orde opge-<br />
nomen. Een Kruisbroeder uit Sneek, Bernardus Dulman, werd tot<br />
supprior benoemd 61.<br />
In dezelfde tijd was ook de vestiging in Emmerik geregeld 62. De<br />
Kruisbroeders waren geen vreemden in deze stad. Het klooster van<br />
Asperen bezat daar reeds lang een termijnhuis. In 1478 had het<br />
kapittel van de Sint Martinuskerk zich accoord verklaard met het<br />
verzoek van hertog Jan van Kleef en de stad Emmerik met betrek-<br />
king tot de oprichting van een Kruisbroederklooster. De goedkeu-<br />
ring van de bisschop van Utrecht, David van Bourgondie, volgde<br />
in 1482. De verdere uitbouw van het termijnhuis tot klooster werd<br />
toevertrouwd aan de Kruisbroeders van Keulen63.<br />
De inwoners van Diilken64 vroegen in 1479 om Kruisbroeders.<br />
Het generale kapittel gaf de prior van Venlo - Diilken ligt niet<br />
ver van deze stad - opdracht de mogelijkheid voor een stichting te<br />
onderzoeken. Het resultaat was gunstig en in 1480 werd het nieuwe<br />
klooster in de orde opgenomen. De eerste prior Andreas Leidecker<br />
werd meermalen definitor 65.<br />
In Briiggen66, dichtbij Diilken, werd in 1479 een klooster<br />
gesticht door bemiddeling van graaf Vinzenz van Mors en Saar-<br />
58 Van de Pasch, a.w., annis 1461-1465.<br />
50 Van de Pasch, a.w., anno 1485.<br />
60 Haass, Die Kreuzherren, p. 166 ; A. Buchet, Le prieure de Brandenbourg a<br />
Raeren, 1477-1784, Verviers 1948.<br />
61 Van de Pasch, Definities, anno 1487.<br />
62 Haass, Die Kreuzherren, p. 155.<br />
63 Van de Pasch, Definities, anno 1483.<br />
64 Haass, Die Kreuzherren, p. 148.<br />
65 Van de Pasch, Definities, annis 1484, i486, 1488.<br />
66 Haass, Die Kreuzherren, p. 170 ; B. Rottgen, Bruggen und Born im Schwalmtal,<br />
Kempen-Rhein 1934, p. 219-279.
STICHTINGEN NA 1410 115<br />
werden. Het is niet bekend, wie als eerste rector werd aangesteld.<br />
Kruisbroeders uit Hoorn en Asperen, die geboortig waren uit Goch<br />
en Kalkar, trokken er heen 67. De parochiekerk te Born samen met<br />
de Sint Catharina-vicarie werd in 1484 aan de zorg van het klooster<br />
toevertrouwd.<br />
Ook voor het bisdom Trier werden de Kruisbroeders uitgenodigd.<br />
De kanselier van de aartsbisschop, Johannes van Baden, verzocht<br />
hun in 1485 de zorg voor een vervallen hospitaal in de nabijheid<br />
van Trier op zich te nemen. Het generale kapittel ging op dit<br />
aanbod in. De Kruisbroeders van Keulen gingen er heen68, en<br />
noemden dit nieuwe klooster Helenenberg naar de heilige Helena,<br />
die de Kruisbroeders in het bijzonder vereerden 69. In 1491 werd de<br />
parochie te Meckel, ten noorden van Helenenberg, en de kapel te<br />
Enslingen aan de Kruisbroeders van Helenenberg overgedragen.<br />
Eveneens beschikten de Kruisbroeders gunstig op het verzoek van<br />
Bertram van Nesselrode, die in i486 hun hulp inriep voor de zielzorg<br />
van de bewoners van het kasteel Ehrenstein10. Johannes<br />
Herynck, een Kruisbroeder uit Schwarzenbroich, werd de eerste<br />
prior. Niet alleen de parochie Ehrenstein, maar ook de kerk en een<br />
hospitaal te Oetgenbach werden onder de hoede van de Kruisbroe<br />
ders geplaatst.<br />
De Kruisbroeders van Hohenbusch namen in 1490 de oprichting<br />
van een klooster te Wickrath 71 op zich. Ook hier werd de parochie<br />
kerk aan het klooster toevertrouwd.<br />
Op het einde van de eeuw volgden nog twee kloosters, namelijk<br />
te Pedemach in 1498 72 en Duisburg in 1499 73. Te Pedernach weer<br />
67 Van de Pasch, Definities, annis 1485, 1493.<br />
2 Van de Pasch, a.w., anno 1490.<br />
M Haass, Die Kreuzherren, p. 193 ; Cottineau, Repertoire Topo-Bibliographique,<br />
kol. 1398. Helenenberg ligt ten noorden van Trier.<br />
7° Haass, Die Kreuzherren, p. 183 ; Ehrenstein ligt nabij Neustadt a. Wied<br />
Haass, Die Kreuzherren, p. 202 ; H. P. A. van Hasselt, Geschiedenis van<br />
het klooster der Kruisheren te Wickrath, in Geschiedkundige Bladen, 2 (1906),<br />
p. 17-37. Inventar des Archivs der Pfarrkirche St. Antonius in Wickrath, bearbeitet<br />
von R. Brandts, Diisseldorf 1957 (Landschaftsverband Rheinland, Inventare Nichtstaatlicher<br />
Archive 4).<br />
72 Haass, Die Kreuzherren, p. 215.<br />
73 Haass, a.w., p. 218.
116 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
op verzoek van Johannes van Baden, intussen aartsbisschop van<br />
Trier geworden. De Kruisbroeders zullen te Helenenberg naar wens<br />
het hospitaal verzorgd hebben. Want ook in Pedernach zouden zij<br />
zich op een soortgelijk werk moeten toeleggen. Heinrich van Hiils,<br />
een Kruisbroeder uit Keulen, werd de eerste prior. In Duisburg<br />
vroegen Tertianen om opname in de orde. Dit verzoek werd inge-<br />
willigd.<br />
Binnen dertig jaar brachten de Kruisbroeders negen nieuwe stich-<br />
tingen tot stand in het Rijnland. Wei een bewijs van de vitaliteit<br />
van de orde en de goede naam, die de orde in dit gebied verworven<br />
had.<br />
WESTFALEN<br />
De orde van het Heilig Kruis heeft zich in Westfalen pas na 1410<br />
kunnen vestigen. Op het einde van de vijftiende eeuw was echter<br />
het aantal nederzettingen in dit gebied nog niet groot. Slechts naar<br />
vijf plaatsen trokken de Kruisbroeders, namelijk naar Osterberg<br />
nabij Osnabriick, Bentlage nabij Rheine, Falkenhagen tussen Hoxter<br />
en Pyrmont, Hohnscheid nabij Freienhagen, en tenslotte naar Glind-<br />
feld nabij Medebach. Het waren geen belangrijke plaatsen, waar<br />
zij hun kloosters bouwden en veel moeilijkheden moesten zij doorstaan,<br />
maar zij vormden kloostergemeenschappen, die voor de orde<br />
en voor de Christenen uit de omtrek en wijde omgeving van beslis-<br />
sende betekenis zijn geweest.<br />
Dat de orde haar eerste klooster in Westfalen kon vestigen, was<br />
te danken aan de Broeders van het Gemene Leven. De laatsten<br />
bewoonden nabij Osnabriick een klein landgoed, Osterberg ge-<br />
naamd 74. In 1427 voelden zij zich niet meer in staat daar te blijven.<br />
In dat jaar immers gaven zij aan de Kruisbroeders, vermoedeiijk<br />
door bemiddeling van de prior van Keulen, te kennen het landgoed<br />
aan hen te willen overdoen, opdat de Kruisbroeders daar een kloos<br />
ter zouden stichten. Het generate kapittel van de Kruisbroeders<br />
aanvaardde dit aanbod en graaf Otto van Tecklenburg, tot wiens<br />
gebied het landgoed behoorde, keurde de overdracht goed. De prior<br />
van Keulen moest enkele Kruisbroeders zenden om de nodige voor-<br />
74 Weiss, Die Kreuzherren, p. 69 en 210.
STICHTINGEN NA 1410 117<br />
bereidingen te treffen 75. In 1432 stelde het generale kapittel Johan<br />
nes Wert, een Kruisbroeder uit Namen, tot rector van het nieuwe<br />
klooster aan. Enige jaren later werd hij prior 76.<br />
Ofschoon hij met moeilijkheden te kampen had, droeg hij er<br />
2org voor, dat van het begin af de kloosterlingen de statuten van<br />
de orde naleefden 77. Een onverdacht getuige hiervoor is Hendrik<br />
Loder, die als de voortreffelijkste prior van Frenswegen staat aangeschreven<br />
en de titel van Apostel van Westfalen kreeg78. Hij werd<br />
geboren op het slot Loder nabij Osnabruck, trad in te Windesheim,<br />
maar de kloosterlingen van Frenswegen verkozen hem in 1421 tot<br />
hun prior. Hij vervulde deze functie tot aan zijn dood in 1439.<br />
Van deze prior en niet van Hendrik van Ahaus 79, de rector van de<br />
fraterheren te Munster, ging het initiatief uit het landgoed Osterberg<br />
aan de Kruisbroeders over te doen. Volgens de kroniek van<br />
Windesheim wist Hendrik Loder zijn vader van de ijdelheden van<br />
de wereld te bekeren en bracht hem naar Osterberg, naar het kloos<br />
ter van de hervormde Kruisbroeders 80. Het handschrift van Frens<br />
wegen geeft hetzelfde verhaal:<br />
,,Dese prior Henricus als hy sine vleischeliken vader enen olden<br />
borchman van sinen huse ende veste Loeder ghenoemt, by der stat<br />
Osenburg gheleghen, van den ydelheiden der werlt bekiert hadde,<br />
bracht hyene in een crucebrueders cloester wal reformiert daer by<br />
gheleghen, waer hy langhe tijt in oetmoedicheit Gode diende om<br />
sijnre sielen salicheit, daer hy oec nae den eynde sijns levens salichlike<br />
rustede" 81.<br />
Het klooster Osterberg moet wel te goeder naam en faam bekend<br />
gestaan hebben, niet alleen in Westfalen, maar ook in de Neder-<br />
78 Van de Pasch, Dejinities, anno 1428.<br />
*' Van de Pasch, Definities, anno 1432 ; Weiss, Die Kreuzherren, p. 212<br />
118 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
landen. £r verbleven immers daar kloosterlingen, die afkomstig<br />
waren uit Oldenzaal, Deventer, Zutphen en Utrecht82. De Tertianen<br />
te Hoorn en Sneek richtten zich voor opname in de orde tot de<br />
prior van Osterberg, Theodoricus van Warburg83. De Augustijner-<br />
Koorheren uit Marienfrede verzochten hun klooster over te ne-<br />
men84.<br />
Binnen de orde traden de prioren van Osterberg op de voorgrond.<br />
De zo juist genoemde Theodoricus van Warburg was verschillende<br />
malen definitor. Ook zijn opvolgers, Albertus van der Hamme en<br />
Johannes van Bechem, werden voor deze functie uitgekozen85. Het<br />
was zeker aan hun leiding te danken, dat niemand van hun onderdanen<br />
door het generate kapittel berispt werd. Zij zullen bij de<br />
kapittelvaders hun onderdanen aangeprezen hebben als kloosterlin<br />
gen, die geschikt waren een nieuw klooster door de eerste moeilijke<br />
jaren heen te helpen of lang bestaande kloosters weer tot observantie<br />
te brengen. Zo vertrokken Kruisbroeders uit Osterberg naar<br />
Bentlage, Maaseik, Sneek, Brandenburg en Nijenwerve86. Een van<br />
hen, Christianus genaamd, vergezelde de vicaris-generaal Wilhelmus<br />
van Zutphen in 1456 naar Engeland87. De prioren van Oster<br />
berg werden eveneens gevraagd kloosterlingen buiten hun eigen<br />
orde te hervormen, zoals de zusters te Herzebrock en Osnabriick88.<br />
Het tweede klooster in Westfalen was Bentlage89. In 1437 droeg<br />
de bisschop van Munster, Heinrich van Mors, de Sint Gertrudiskapel<br />
aldaar over aan de Kruisbroeders. De prior van Keulen,<br />
Johannes Terborch, moest zijn ambt neerleggen en werd in dezelfde<br />
functie benoemd te Bentlage90. Ondanks zijn waardevol werk voor<br />
de orde in Keulen en elders, heeft hij toch geen goede basis voor<br />
het kloosterleven in Bentlage kunnen leggen. Hij stak het klooster<br />
in grote schulden en was niet bij machte ze te betalen. Het generate<br />
kapittel zette hem af. Zo verging het ook zijn opvolgers. Tot 1457<br />
82 Weiss, Die Kreuzherren, p. 77.<br />
8S Zie pag. 109-110.<br />
84 Weiss, a.w., p. 78.<br />
85 Van de Pasch, Dejinities, annis 1460-1465 ; Weiss, a.tv., p. 210.<br />
M Van de Pasch, a.w., annis 1480, 1481, 1485, 1487.<br />
8T Van de Pasch, a.w., anno 1456.<br />
88 Weiss, Die Kreuzherren, p. 78.<br />
89 Weiss, a.w., p. 117 en 230.<br />
90 Van de Pasch, Dejinities, anno 1438.
STICHTINGEN NA 1410 119<br />
duurde de malaise. In dat jaar werd Everardus Kirskorff van Orsoy<br />
prior. Hij bleef dit ambt waarnemen tot aan zijn verkiezing tot<br />
prior-generaal in 148291. Tijdens dit vijfentwintigjarig prioraat<br />
heeft hij vele malen als definitor en visitator de orde gediend92.<br />
Zijn grootste verdienste was, dat hij het klooster Bentlage tot het<br />
meest vitale Kruisbroederklooster van Westfalen heeft gevormd en<br />
tot een van de belangrijkste in de orde. Hij werd hierin bijgestaan<br />
door zijn supprior Johannes Bussche, die hem in 1482 als prior<br />
opvolgde en ook dezelfde functies in de orde - met uitzondering<br />
van het prioraat-generaal - waarnam 93.<br />
Johannes Bussche is op aanraden van de Fraterheren van Minister<br />
ingetreden. Everardus van Orsoy was een leerling van de Broeders<br />
van Deventer. Tegelijk met enkele anderen was hij in 1450 te Bent<br />
lage Kruisbroeder geworden. Zij blijken alien hun opleiding te<br />
Deventer te hebben genoten. Vermoedelijk is de prior van Bentlage<br />
of een van zijn onderdanen naar deze stad gereisd om zijn nood<br />
te klagen en kreeg hij een aantal leerlingen mee. Een van hen,<br />
waarschijnlijk een wat oudere man, Nicolaas van Alkmaar, zou<br />
aanstonds tot prior zijn aangesteld. Deze daad bleek een vergissing<br />
van het generale kapittel. In 1453 werd hij afgezet94. Te zamen<br />
met prior Everardus van Orsoy hebben al deze oud-leerlingen van<br />
Deventer gewerkt voor de bloei van Bentlage en hebben zij hun<br />
beste krachten gegeven aan de orde. Henricus van de Berge werd<br />
onder prior-generaal Theodoricus van Hall, 1458-1463, vicarisgeneraal<br />
in Frankrijk, in 1464 vertrok hij naar Ter Apel en werd<br />
de eerste prior van dit klooster 95. Henricus van Tiel stak in 1493<br />
de zee over om in Londen het ambt van prior op zich te nemen 96.<br />
Gerardus van Horn (Hoorn ?) vergezelde Henricus van de Berge<br />
naar Ter Apel97.<br />
Het aantal kloosterlingen was te Bentlage zeer groot. Weiss geeft<br />
voor 1484 het getal veertig en voor 1490 vijftig °8. Zo'n aantal was<br />
91 Van de Pasch, Het klooster Clairlteu, in Clairlien, 18 (I960), p. 24-25.<br />
92 Van de Pasch, Definities, annis 1464-1482.<br />
n Van de Pasch, a.w.t annis 1490-1498.<br />
94 Weiss, Die Kreuzherren, p. 129.<br />
95 Weiss, a.w., p. 129 en 135.<br />
* Weiss, a.w., p. 129 en 139.<br />
9T Weiss, a.w., p. 135.<br />
"8 Weiss, a.w., p. 140.
120 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
zeer uitzonderlijk. Bijna alle Kruisbroederkloosters telden niet meer<br />
dan twaalf leden. Misschien heeft hij de donaten, die eigenlijk geen<br />
Kruisbroeders waren, meegeteld.<br />
In ieder geval stond Bentlage voor alle nieuwe stichtingen kloosterlingen<br />
af ".<br />
Ook buiten de orde waren Kruisbroeders van Bentlage werkzaam<br />
voor de hervorming van het kloosterleven 10°.<br />
De drie andere kloosters waren in de vijftiende eeuw nog niet<br />
van zo'n grote betekenis. Reeds voordat de Kruisbroeders naar<br />
Bentlage trokken, waren hun in 1432 door graaf Bernd der Alte<br />
zu Lippe en zijn broer Simon, de latere bisschop van Paderborn,<br />
de gebouwen van een uitgestorven Cistercienserinnenklooster tussen<br />
Hoxter en Pyrmont geschonken. Waarschijnlijk zagen zij geen<br />
mogelijkheid hiervan gebruik te maken. Pas in 1443 keurde het<br />
generale kapittel goed, dat de Kruisbroeders van Keulen de gebou<br />
wen van het oude klooster betrokken. Dit klooster droeg de naam<br />
Falkenhagen 10\<br />
Het groeide voor 1499 niet zo uit als Osterberg en Bentlage.<br />
Wei bevolkte men vanuit Falkenhagen een klooster te Hohnscheid102,<br />
waarin eerst Augustinessen geleefd hadden en dat daarna<br />
door graaf Walram van Waldeck, zijn zonen en zijn neef Otto aan<br />
de Kruisbroeders werd aangeboden. Henricus van Bocholt, prior<br />
van Falkenhagen van 1459 tot 1495, nam deel aan de leiding van<br />
de orde. Na 1470 was hij zeker tienmaal definitor 103. In Falken<br />
hagen werden Kruisbroeders gestraft, iets dat in Bentlage en Oster<br />
berg niet voorviel104.<br />
Evenals de prioren van de twee andere kloosters hervormde de<br />
prior van Falkenhagen enkele Augustinessenkloosters 105.<br />
In 1499 werd een vijfde klooster in Westfalen gesticht, namelijk<br />
00 Van de Pasch, Definities, annis 1450-1455 ; Weiss, a.w., p. 134-139.<br />
100 Weiss, Die Kreuzherren, p. 44.<br />
101 Weiss, a.w., p. 91 en 219 ; E. Kittel, Das Kreuzherrenkloster Falkenhagen,<br />
Dona Westfalica Georg Schriiber zum 80 Geburstage, Munster 1963, p. 137-166.<br />
102 Weiss, Die Kreuzherren, p. 166 en 287.<br />
1(3 Van de Pasch, Definities, annis 1470-1475.<br />
Van de Pasch, a.w., anno 1496.<br />
Weiss, Die Kreuzherren, p. 44.
STICHTINGEN NA 1410 121<br />
te Glindjeld106. Ook hier namen de Kruisbroeders een oud-Augus-<br />
tinessenklooster over, aangeboden door aartsbisschop Hermann van<br />
Keulen. Vanaf de aanvang was de parochie te Medebach aan het<br />
klooster verbonden.<br />
Zowel Hohnscheid als Glindfeld waren voor 1499 nog niet tot<br />
volwaardige kloosters uitgegroeid.<br />
BELGIE<br />
De orde van de Kruisbroeders breidde zich in de Zuidelijke<br />
Nederlanden ofwel in het huidige Belgie niet 20 uit als in Nederland<br />
en het Rijnland. Slechts drie kloosters, namelijk te Kolen<br />
(Kerniel), te Maaseik en te Dinant - de twee laatste steden liggen<br />
weer aan de Maas -, en een studiehuis te Leuven werden gesticht<br />
Met uitzondering van Leuven lagen de drie kloosters alle in het<br />
bisdom Luik.<br />
Het was in 1430, dat Maria van Colen, de weduwe van Johannes<br />
van Mettecoven, de Kruisbroeders landgoederen in haar gebied<br />
schonk. Ook de bouw van klooster en kerk zou zij voor haar reke-<br />
ning nemen. Het generate kapittel ging op haar aanbod in en vroeg<br />
de Kruisbroeders van Sint Agatha de grondslag voor dit nieuwe<br />
klooster te leggen. Doch verzet van de pastoor van Borgloon had<br />
tot gevolg, dat zij weer vertrokken. In 1438 konden zij terugkomen<br />
en met goedvinden van de pastoor begonnen zij opnieuw, hoewel<br />
niet op hetzelfde landgoed, maar in het gehucht Kolen (Ker<br />
niel) 107.<br />
In tegenstelling tot de meeste nieuwe kloosters bleven de prioren<br />
van Kolen nooit lang in functie 108. Wat de oorzaak hiervan was,<br />
is niet duidelijk. Enkele Kruisbroeders werden wat te dikwijls ver-<br />
plaatst en de vraag of in dit klooster de observance heerste, komt<br />
vanzelf op. De gegevens zijn echter te vaag om een oordeel te<br />
vellen. In 1456 werd de parochie van Kolen aan het klooster toe-<br />
gewezen 109.<br />
106 Weiss, a.w., p. 177 en 291. A. van de Pasch, Het Kruisherenklooster te<br />
Glindjeld, in Clairlieu, 10 (1952), p. 41-53 ; A. Grosche, Geschichte des Klosters<br />
Glindfeld, Bigge-Ruhr 1957.<br />
107 Van Asskldonk, Vranciscus Vaes, in Clairlieu, 15-16 (1957-1958), p. 18-20 ;,<br />
Cottineau, Repertoire Topo-Bibliographique, kol. 843.<br />
108 Hermans, Annales, III, p. 692-714.<br />
19 Van Asseldonk, Franciscus Vaes, p. 21.
122 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
De kloosters in Maaseik no en Dinant1U werden veel later ge-<br />
sticht, resp. in 1476 en 1490, beide op verzoek van de inwoners van<br />
deze plaatsen.<br />
Voor het studiehuis te Leuven werd de grondslag gelegd in<br />
1491 112. Philip Nicolai de Hondt of Volgoia stelde in zijn testa<br />
ment enkele van zijn huizen te Leuven ter beschikking van de Kruis-<br />
broeders, die aan de universiteit studeerden. In 1498 aanvaardde<br />
het generale kapittel dit legaat.<br />
FRANKRIJK en ENGELAND<br />
Uit de besluiten van de generale kapittels tussen 1410 en 1499<br />
is niet te concluderen, dat er ook maar een nieuwe stichting in<br />
Engeland tot stand is gekomen. In Frankrijk zijn er drie nieuwe<br />
kloosters bijgekomen, namelijk te Lannoy in 1474 113, Chauny in<br />
1487 114 en Verger in 1490 115. In Lannoy, gelegen in het bisdom<br />
Kamerijk en niet ver van Doornik, bood Jean, heer van Lannoy,<br />
een kerk en huis aan. In 1498 werd de prior van dit klooster pro-<br />
vinciaal van Frankrijk116. Het klooster te Chauny, in het diocees<br />
van Noyon en vlakbij Condren, dankte zijn oorsprong aan Maria<br />
van Kleef, de gemalin van Lodewijk, hertog van Orleans, die in<br />
1498 koning van Frankrijk werd. Zijn gemalin Maria was reeds in<br />
1488 gestorven 117. Door wiens bemiddeling de Kruisbroeders in<br />
Verger terecht zijn gekomen, is nog vaag. De prior van Asperen<br />
stond in 1495 enkele van zijn onderdanen aan dit nieuwe klooster<br />
af 118.<br />
110 L. Heere, Het Kruisherenklooster te Maaseik voor de Franse Revolutie, in<br />
De Kruisheren te Maaseik, 1476-1797, 1833-1953, Maaseik 1955, p. 9-77 ; Inventaris<br />
van het archief van het Kruisherenklooster te Maaseik, bewerkt door L. Heere,<br />
1961 (manuscript, berustend in het archief van de orde der Kruisheren te Leuven).<br />
111 U. Berliere, Monasticon Beige, t. I, Province de Namur, p. 148-150, 188-<br />
189 ; D. D. Brouwers, Privileges aux Croisiers par le magistrat de Dinant en<br />
1491, in Namurcum 12 (1935), p. 17-21.<br />
112 Hermans, Annales, I (1), p. 156. Het Collegium van de orde van het Heilig<br />
Kruis wordt vermeld in Analectes pour servir a I'histoire ecclesiastique de la Belgique,<br />
23 (1892), p. 212-219.<br />
113 Cottineau, Repertoire Topo-Bibliographique, kol. 1557 ; J. VAN den Bosch,<br />
Le couvent des Croisiers de Lannoy, 1474-1792, in Clairlieu, 13 (1955), p. 23 e.v.<br />
114 Van de Pasch, Definities, anno 1487 ; Hermans, Annales, II, p. 195.<br />
115 Cottineau, Repertoire Topo-Bibliographique, kol. 3336.<br />
118 Van de Pasch, Definities, anno 1498.<br />
117 Van de Pasch, a.w., anno 1487.<br />
118 Van de Pasch, a.w., anno 1495.
STICHTINGEN NA 1410 123<br />
Aan het begin van dit hoofdstuk is opgemerkt, dat de dichtheid<br />
van de kloosterstichtingen een bewijs is voor het aanwezig-zijn van<br />
een observantie-beweging, in het bijzonder gedurende de vijftiende<br />
eeuw, waarin men meer dan anders om observante kloosterlingen<br />
vroeg. De nieuwe stichtingen van de Kruisbroeders na 1410 in de<br />
Nederlanden, in het Rijnland en in Westfalen, geven derhalve<br />
duidelijk aan, dat de orde aldaar als observant bekend stond. Men<br />
mag echter daar niet tegenover stellen, dat, wanneer geen nieuwe<br />
kloosters in een bepaald gebied werden gesticht, de orde daar niet<br />
tot observantie is gekomen. Niet overal had men behoefte aan<br />
kloosters. Opmerkelijk is wel, dat b.v. in Engeland, waar de hervormingsgezinde<br />
Kruisbroeders weinig succes hadden, geen enkel<br />
nieuw klooster is gesticht. Hetzelfde kan gezegd worden van Frankrijk.<br />
Pas toen het generate kapittel invloed in Frankrijk kreeg,<br />
ontstonden nieuwe kloosters.
Hoofdstuk V<br />
DE KRUISBROEDERS EN DE ZIELZORG<br />
De levenswijze van de eerste Kruisbroeders werd die van de<br />
Reguliere Kanunniken. Hierin speelde de cura animarum, de<br />
zielzorg, ongetwijfeld een rol. Hebben ook de Kruisbroeders van<br />
de vijftiende eeuw zich daarmee bezig gehouden ? De beschikbare<br />
bronnen geven hier niet voldoende uitsluitsel, maar naast de studies<br />
van Haass, Weiss en Durand zijn er toch nog tal van documenten,<br />
die daarover inlichten.<br />
De zielzorg nam niet zelden de vorm aan van zorg voor zieken,<br />
armen en pelgrims.<br />
Vanaf de stichting tot de ondergang van hun klooster hebben<br />
de Kruisbroeders van Saint Ursin twee ziekenhuizen onder hun<br />
hoede gehad, een te Saint Ursin zelf, waar zij hun kapel boven<br />
een bron met geneeskrachtig water bouwden, en een in het enkele<br />
kilometers vandaar gelegen dorp Couptrain, waar nog altijd een<br />
stenen kruis de herinnering oproept aan de weldaden van de Kruis<br />
broeders van Saint Ursin \ Eveneens bij een soortgelijke bron be-<br />
vond zich het klooster Saint Georges nabij Tredias in Bretagne. De<br />
Kruisbroeders werden aldaar de ,,freres de l'hopital de Tredias"<br />
genoemd 2. Te Suxy en te Virton waren hospitia ingericht, eveneens<br />
voor zieken, armen en trekkende pelgrims 3. De Kruisbroeders van<br />
Schwarzenbroich bedienden van uit hun klooster een hospitaal te<br />
Geich en ontvingen in hun kloostergebouwen de talrijke pelgrims,<br />
die op weg naar Aken waren 4. In 1443 riep hertog Gerard van<br />
Gulik-Berg de Kruisbroeders naar Diisseldorf en verzocht hun de<br />
1 A. Durand, Le prieure de Saint Ursin, in Clairlieu, 22 (1964), p. 16-19.<br />
2 Saint Brieuc, Archives des Cotes-du-Nord, serie H : Dossiers Saint Georges de<br />
Tredias, 1345, Octobre.<br />
3 Hermans, Annales, I (1), p. 70.<br />
4 Haass, Die Kreuzherren, p. 96-97.
DE ZIELZORG 125<br />
ziekenverpleging in een hospitaal op zich te nemen 5. Te Helenen-<br />
berg was het hospitaal slecht verzorgd. De aartsbisschop van Trier<br />
deed een beroep op de Kruisbroeders, die het hospitaal in 1485<br />
overnamen en aanzienlijk uitbreidden 6. Een jaar daarna volgde het<br />
hospitaal te Oetgenbach, nabij Ehrenstein en in 1493 wederom op<br />
verzoek van de aartsbisschop van Trier, trokken de Kruisbroeders<br />
naar een hospitaal te Pedernach 7. In het Groningse plaatsje Ter<br />
Apel verzorgden de Kruisbroeders een doorgangshuis voor rond-<br />
trekkende armen8.<br />
Het verzoek van geestelijke en wereldlijke heren aan Kruisbroe<br />
ders hospitalen onder hun hoede te nemen, duidt erop, dat deze<br />
kloosterlingen goed aangeschreven stonden vanwege hun trouw<br />
vervullen van dergelijke werkzaamheden. Wellicht zullen bij nadere<br />
bestudering van de geschiedenis van de kloosters in Engeland,<br />
Frankrijk en Nederland meer voorbeelden te geven zijn.<br />
Een tweede vorm van zielzorg was het parochiewerk. Het bestond<br />
voornamelijk uit het celebreren van de H. Mis, de toediening van<br />
de sacramenten, preken en begraven.<br />
Er zijn kloosters geweest, waarvan de kerk of kapel tot parochie-<br />
kerk werd verheven, er waren er ook, waaraan bepaalde bestaande<br />
parochies en derhalve parochiekerken werden toegewezen. Zo was<br />
de kloosterkerk van Beyenburg tevens parochiekerk9. Vanuit het<br />
klooster Schwarzenbroich werd de parochie te Mariaweiler be-<br />
diend 10. Te Scharmer was de kloosterkerk parochiekerk, maar de<br />
kloosterlingen hadden daarbij de zorg voor een kapel te Lutteke<br />
Harkstede u. Enkele jaren na hun vestiging in Briiggen namen de<br />
Kruisbroeders van dit klooster de parochie te Born over12. Hetzelf-<br />
de geval deed zich voor in Helenenberg ; de parochie te Meckel<br />
werd in 1491 aan het klooster overgedragen13. De Kruisbroeders<br />
van Ehrenstein bedienden verschillende parochies o.a. Ehrenstein<br />
3 Haass, a.w., p. 116.<br />
6 Haass, a.w., p. 193.<br />
7 Haass, a.w., p. 183, 215.<br />
8 Schuitema Meyer, Het Klooster Ter Apel, p. 24 e.v.<br />
9 Haass, Die Kreuzherren, p. 49.<br />
10 Haass, a.w., p. 96-97.<br />
11 Hermans, Annales, II, p. 425-428. '.<br />
12 Haass, Die Kreuzherren, p. 170 e.v.<br />
13 Haass, a.w., p. 193 e.v.
126 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
zelf en Oetgenbach 14. Aan deze opgave kunnen nog toegevoegd<br />
worden de kloosters te Wickrath, Glindfeld en Kolen, alle drie<br />
belast met parochiewerk15.<br />
Ook in hun kloosterkapellen, die niet tot parochiekerk werden<br />
verheven, oefenden de Kruisbroeders zielzorg uit, en tevens in<br />
kapellen, die niet op hun grondgebied lagen, maar die zij op ver-<br />
zoek van broederschappen of geestelijken vanuit de kloosters be-<br />
dienden b.v. te Roermond, Diisseldorf, Lannoy, Helenenberg en<br />
Keulen16. De zielzorg hier was beperkt tot het celebreren van de<br />
H. Mis, het preken, biechthoren en begraven. Pauselijke privileges<br />
hadden de Kruisbroeders dit toegestaan.<br />
Bijzonder opvallend is, dat gedurende de vijftiende eeuw de<br />
kapellen van bijna alle kloosters werden vergroot, zeer zeker omdat<br />
de toeloop van de bevolking dit eiste.<br />
Moeilijkheden bleven niet uit. Ze ontstonden b.v. in 1462 tussen<br />
de Kruisbroeders van Sint Agatha en de pastoor van Cuijk over het<br />
preken en begraven. Landwegen uit het zuiden, het westen en oosten<br />
kruisten de Maas in de buurt van dit klooster, hetgeen een toeloop<br />
van mensen uit de onmiddellijke en meer verwijderde omgeving<br />
veroorzaakte. De moeilijkheden werden in der minne geschikt17.<br />
Te Schiedam rekten de strubbelingen tussen de Kruisbroeders en de<br />
pastoor zich veertig jaar lang. Uit de minnelijke schikking in 1481<br />
blijkt, dat de oorzaken van de moeilijkheden wederom lagen in<br />
het preken, biechthoren en begraven door de Kruisbroeders in hun<br />
kapel18.<br />
Bij de pastoors ging het in geval van zo'n minnelijke schikking<br />
steeds om geldelijke schadeloosstelling voor het verlies, dat zij<br />
14 Haass, a.w., p. 183 e.v.<br />
16 Voor Wickrath : Haass, Die Kreuzherren, p. 202 ; voor Glindfeld : Weiss,<br />
Die Kreuzherren, p. 179 e.v. ; voor Kolen : Asseldonk, Franciscus Vaes, in Clairlieu,<br />
15-16 (1957-1958), p. 21.<br />
18 Voor Roermond : L. Heere, Het Roermondse Kruisherenklooster, in Publ. de<br />
la soc. hist, et arch, dans le Limbourg, 11 (1941), p. 6 e.v.; voor Diisseldorf:<br />
Haass, Die Kreuzherren, p. 116 ; voor Lannoy : Van den Bosch, Le couvent des<br />
croisiers, in Clairlieu, 13 (1955), p. 23 e.v.; voor Helenenberg: HAASS, Die<br />
Kreuzherren, p. 193 e.v. ; voor Keulen : Haass, a.w., p. 71 e.v.<br />
17 Hermans, Annales, II, p. 105 en 291. Zie ook Christiaan Sgroten's Kaarten<br />
van de Nederlanden, in reproductie uitgegeven onder auspicien van het Koninklijk<br />
Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, met een inleiding van S. J. Fockema<br />
Ankreae en B. van 't Hoff, Leiden 1961, kaart 14 b.<br />
18 Van de Ven, Het Kruisbroedersconvent te Schiedam, in Bijdragen voor de<br />
gesch. van het bisd. Haarlem, 43 (1925), p. 371. Zie hiervoor p. 109.
DE ZIELZORG 127<br />
leden : men mag er wel uit concluderen, dat de Kruisbroeders, daar<br />
zij zelfs bereid waren de pastoors financieel tegemoet te komen,<br />
het preken en biechthoren als een geeigende taak beschouwden.<br />
Zodra de Kruisbroeders zich in een plaats gevestigd hadden, onder-<br />
nam hun rector of prior stappen om tot een overeenkomst met de<br />
pastoor te komen, wat soms even duurde, b.v. te Brandenburg en<br />
Kolen 19.<br />
Vanuit hun kerken of kapellen leidden de Kruisbroeders hier en<br />
daar broederschappen zoals b.v. te Goes een broederschap van het<br />
Heilig Kruis en te Roermond een broederschap van Sint Cornelis 20.<br />
Een volgende werkzaamheid van de Kruisbroeders was de zielzorg<br />
voor vrouwelijke religieuzen. De Kruisbroeders van Luik<br />
namen de geestelijke leiding van zusters in Luik en Peer op zich 21,<br />
de Kruisbroeders van Sint Agatha van de Kanunnikessen van de<br />
priorij te Venray 22, de Kruisbroeders van Hoorn van zusters in<br />
Westerblokker, die zelfs onder het gezag van het generale kapittel<br />
stonden 23. Voor de hervorming van zusterkloosters werd hun hulp<br />
ingeroepen, o.a. die van de prioren van Bentlage en Falkenhagen<br />
voor enkele Augustinessenkloosters 24.<br />
Tot de zielzorg van de Kruisbroeders behoorde tenslotte ook de<br />
geestelijke leiding, die zij gaven aan de donaten, namelijk priesters<br />
en niet-kloosterlingen, die zich in dienst stelden van het klooster en<br />
in levenswijze zich zoveel mogelijk aanpasten aan het kloosterleven<br />
van de Kruisbroeders en daardoor alle geestelijke voordelen van<br />
het klooster, waar zij verbleven, en van de orde verwierven 25.<br />
De generale kapittels hebben zich nooit tegen enige vorm van<br />
zielzorg verzet. Alleen eisten zij, dat de kerken, de kapellen of<br />
19 Voor Brandenburg : Haass, Die Kreuzherren, p. 116 ; voor Kolen : Asseldonk,<br />
Franciscus Vaes, in Clairlieu, 15-16 (1957-1958), p. 18-21.<br />
20 R. A. S. Piccardt, Bijzonderheden uit de geschiedenis der stad Goes, Goes<br />
1865, p. 146 ; voor Roermond : Heere, Het Roermondse Kruisherenklooster, in<br />
Publ. de la soc. hist, et arch, dans le Limb., 11 (1941), p. 6 e.v.<br />
21 Zie hiervoor Clairlieu, 9 (1951), p. 46.<br />
22 L. VERSCHEUREN-G. Ibelings, Jerusalem, Venray 1938, p. 40 e.v.<br />
23 S. Drost, Geschiedkundig overzicht van het Kruisherenklooster te Hoorn, in<br />
Geschiedkundige Bladen, 2 (1906), p. 177-190.<br />
24 Weiss, Die Kreuzherren, p. 44.<br />
25 Hermans, Annales, II, p. 237-240 en 241-251.
128 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
altaren, die de Kruisbroeders bedienden, geincorporeerd moesten<br />
zijn bij de orde, d.w.z. dat deze kerken, kapellen en altaren over-<br />
gedragen werden aan de orde, zodat deze de bedienaren kon aan-<br />
stellen en over de inkomsten kon beschikken. Ook de hervormings-<br />
gezinde Kruisbroeders van 1410 wensten geen einde te maken aan<br />
de zielzorg, wel waren zij er op tegen, dat de Kruisbroeders buiten<br />
hun kloosters resideerden. De verleiding om zich te onttrekken aan<br />
het gemeenschappelijk leven achtten zij dan te groot Vandaar hun<br />
voorschrift in 1412, dat geen enkele Kruisbroeder onder welk voor-<br />
wendsel dan ook voortaan een kerk, kapel of altaar bediende om<br />
voor zich buiten het klooster een woonplaats te zoeken, tenzij deze<br />
geincorporeerd waren aan de orde2e.<br />
Reypens heeft uit de inhoud van een handschrift uit Hoei afge-<br />
leid, dat de schrijver - een Kruisbroeder uit Hoei - een goed ziel-<br />
zorger en predikant was27. Deze Kruisbroeder is waarschijnlijk<br />
niemand anders dan de reeds genoemde Gerardus van Goch, sup-<br />
prior van Hoei circa 1416-1418. Hij was een van de prominente<br />
reformatoren van de orde na 1410.<br />
De generate kapittels zonden Kruisbroeders uit om te gaan pre-<br />
diken. Verscheidenen van hen waren befaamde predikanten 28, b.v.<br />
Michael van Testelt en Henricus van Keulen, beiden prioren te<br />
Maastricht, resp. 1434-1458 en 1476-1483. De generale kapittels<br />
beslisten eveneens of er zou worden ingegaan op aanbiedingen voor<br />
het stichten van nieuwe kloosters. De prioren van de kloosters zal<br />
door geestelijke en wereldlijke heren of door stadsmagistraten ver-<br />
zocht zijn een klooster van hun orde nabij een kapel, kasteel of in<br />
een stad op te richten en zij zullen dit verzoek doorgegeven hebben<br />
aan en het ondersteund hebben in het generale kapittel. Vrijwel<br />
steeds kregen eerst twee prioren of visitatoren de opdracht ter<br />
plaatse te gaan kijken en de mogelijkheden van een stichting te<br />
onderzoeken29. Het waren tenslotte de generale kapittels, die de<br />
nieuwe kloosters incorporeerden en die om de nieuwe nederzettin-<br />
28 Item prohibemus, quod nullus ex nostris suppositis quocumque pretextu de<br />
cetero ecclesiae, capellae vel altari deserviat, aliquam residentiam in eisdem vel pro<br />
eisdem extra conventum faciendo, nisi fuerint nobis incorporata. Van de Pasch,<br />
Dejinities, anno 1412 ; Hermans, Annales, II, p. 207.<br />
27 L. Reypens, Kleine Dietsche Teksten in een handschrift uit Ciairlieu, in<br />
Ons Geestelijk Erf, 19 (1945), p. 226-232.<br />
28 Van Hasselt, Geschiedenis van het klooster der Kruisheren te Maastricht, in<br />
Publ. de la soc. hist, et arch, dans le Limbourg, 39 (1903), p. 42-43.<br />
29 Van de Pasch, Definities, annis 1468, 1475, 1485.
DE ZIELZORG 129<br />
gen op gang te brengen juist Kruisbroeders benoemden, die afkomstig<br />
waren uit kloosters, die zich minder aan zielzorg wijdden, zoals<br />
de kloosters te Keulen, te Sneek, Hoorn en Asperen.<br />
In het bijzonder incorporeerden de generate kapittels parochies<br />
en hospitalen in het Rijnland. In de Noordelijke Nederlanden, waar<br />
in diezelfde tijd een nog groter aantal kloosters werd opgericht,<br />
werd alleen in Scharmer een parochie aanvaard. Voelden de Duitse<br />
Kruisbroeders meer voor de zielzorg ? De kwestie van oprichting<br />
van een nieuw klooster of aanvaarding van een parochie of hospitaal<br />
was echter niet een aangelegenheid van de Duitse Kruisbroe<br />
ders alleen, maar speciaal van de generale kapittels, die de uiteindelijke<br />
goedkeuring gaven. De verklaring voor de incorporatie van<br />
een groter aantal parochies en hospitalen in het Rijnland is, dat de<br />
geestelijke en wereldlijke overheid aldaar nu eenmaal meer paro<br />
chies en hospitalen aanboden dan de overheid in de Noordelijke<br />
Nederlanden, en zij wist, dat de Kruisbroeders, zoveel als in hun<br />
vermogen lag, hierop ingingen. De incorporatie van parochies en<br />
hospitalen bracht, hoewel dit in de laatste dertig jaren van de<br />
vijftiende eeuw herhaaldelijk gebeurde, geen omkeer in de levenswijze<br />
van de Kruisbroeders. Immers, reeds voor 1410 waren aan<br />
de Zuidnederlandse en Franse kloosters hospitalen verbonden en<br />
aan de Duitse kloosters parochies. De Kruisbroeders aanvaardden<br />
de zielzorg dus niet in afwijking van hun vroegere levenswijze,<br />
integendeel zij stemde er volledig mee overeen.
Hoofdstuk VI<br />
DE BIBLIOTHEKEN VAN DE KRUISBROEDERS<br />
De talrijke handschriften, die de Kruisbroeders van de vijftiende<br />
eeuw hebben nagelaten, geven de historicus dieper inzicht in hun<br />
geestelijk leven, hun spiritualiteit, in tegenstelling met de bepalingen<br />
van de generale kapittels, die overwegend inlichten over leiding<br />
en tucht in de orde. Het kopieren van handschriften betekende im-<br />
mers kennelijk een verrijking van hun geestelijk leven. Het is echter<br />
voor een historicus geen eenvoudige taak deze overvloedige oogst<br />
binnen te halen. Toch zal hij de hand aan het werk moeten slaan,<br />
wil hij de Kruisbroeders van de vijftiende eeuw niet te kort doen.<br />
De handschriften zijn thans verspreid over enkele bibliotheken<br />
en archieven, vooral in Belgie en Duitsland. De grootste verzame-<br />
lingen worden in de volgende instellingen bewaard. Te Luik in de<br />
Universiteitsbibliotheek 136 handschriften van het klooster te Hoei<br />
en 119 handschriften van het klooster te Luik1 ; in de bibliotheek<br />
van het Groot-Seminarie te Luik 89 handschriften van het klooster<br />
te Hoei en 45 handschriften van het klooster te Luik 2. Te Keulen<br />
in het Historisches Archiv der Stadt Koln 189 handschriften van<br />
het klooster te Keulen 3 ; in de bibliotheek van het Groot-Seminarie<br />
werden voor de Tweede Wereldoorlog 40 handschriften van het<br />
klooster Hohenbusch bewaard4. Thans is er een aantal hiervan<br />
verdwenen. Te Dusseldorf in de Landes-und-Stadt-Bibliothek 105<br />
handschriften van het klooster te Dusseldorf en 80 handschriften<br />
van het klooster te Marienfrede 5.<br />
Kleinere aantallen vindt men te Darmstadt, Hessische Landesund<br />
Hochschulbibliothek, namelijk 13 handschriften, afkomstig van<br />
1 Afgekort: LUB.<br />
2 Afgekort: LSB.<br />
3 Afgekort : KHA.<br />
4 Afgekort: KSB.<br />
5 Afgekort : DLSB.
DE BIBLIOTHEKEN 131<br />
het klooster te Schwarzenbroich 6, en te Brussel in de Koninklijke<br />
Bibliotheek handschriften, afkomstig van de kloosters te Hoei,<br />
Namen, Keulen en Doornik 7. Behalve reeds bekende handschriften,<br />
hier en daar reeds opgespoord, zullen wellicht in de toekomst nog<br />
andere vijftiende eeuwse handschriften, afkomstig van Kruisbroederkloosters<br />
ontdekt worden.<br />
Het kopieren was een werkzaamheid, waarvoor ernst, opoffering<br />
en toewijding vereist waren. Deze arbeid zagen de middeleeuwse<br />
monniken als een vorm van ascese, een middel tegen het niets-doen,<br />
want dat was des duivels oorkussen, en een middel bij uitstek tot<br />
inspiratie voor hun eigen levenswijze.<br />
In de reeds verschenen publikaties over de handschriften van de<br />
Kruisbroeders werd terecht vastgesteld, dat de ijverige beoefening<br />
van de kopieerkunst door de Kruisbroeders van de vijftiende eeuw<br />
de goede geest in hun kloosters onthult en dat de handschriften<br />
unieke getuigen zijn van hun streven naar observantie 8.<br />
Dat de kopieerkunst voor de Kruisbroeders een authentiek monastieke<br />
vorm van ascese was, die zij bewust wensten te continueren,<br />
blijkt uit een handschrift, door Keulse Kruisbroeders in het midden<br />
van de vijftiende eeuw vervaardigd. In een colophon vertolkten zij<br />
niet alleen hun eigen gedachten omtrent deze aloude vorm van<br />
ascese, maar ook die van de Kruisbroeders van een generatie voor<br />
hen. Zij vertelden het volgende : Omdat de heilige geleerde Paus<br />
Leo en de bisschoppen Maximus en Fulgentius in hun preken en<br />
6 Afgekort: Darm.<br />
7 Afgekort: BKB.<br />
8 J. H. Aerts, Boekencatalogus uit de 15e eeuw van het Kruisberenklooster te<br />
Hoei, in Ons Geestelijk Erf, 23 (1949), p. 335-338 ; A. van Asseldonk, Vranciscus<br />
Vaes van Tongeren, in Clairlieu, 15-16 (1957-1958) ; A. van Asseldonk, Hand<br />
schriften van Kruisheren, in Clairlieu, 14 (1956), p. 65-87; C. van Dal, Cistercienzer-literatuur<br />
op de Kruisheren-boekerijen, in Citeaux in de Nederlanden, 1<br />
(1956), p. 291-294; L. Heere, Het Kruisherenklooster te Venlo, in Publ. de la<br />
soc. hist, et arch, dans le Limbourg, 92-93 (1956-1957), p. 235-368 ; 94-95 (1958-<br />
1959), p. 209-300 ; L. Heere, Uit de Librije van Sint Pietersdal te Hoorn, in<br />
Clairlieu, 9 (1951), p. 75-79 ; L. Indestege, Bij het 700-jarig bestaan van de<br />
Orde van het Heilig Kruis, in Het Oude Land van Loon, 16 (1961), p. 201-219 ;<br />
A. van DE Pasch, Het klooster Clairlieu, in Clairlieu, 17 (1959), p. 68-78; Les<br />
manuscrits des Croisiers de Huy, Liege et Cuyk au XVe siecle, Exposition-Catalogue,<br />
Liege, 1951, par A. van de Pasch-J. Stiennon-M. Lavoye ; A. G. Roos, Het<br />
enig overgebleven boek in het klooster Ter Apel, in Het Boek, 2 (1915), p. 33 e.v. ;<br />
J. Theele, Aus der Bibliothek des Kolner Kreuzbruderklosters, in Mittelalterliche<br />
Handschriften, Festschrift fur H. Degerin, Koln 1926, p. 253-263 ; Bibliotheca<br />
Manuscripta Ord. S. Crucis, I en II, Sint-Agatha 1951.
132 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
de eerbiedwaardige priester Beda in zijn homilieen voorhielden, dat<br />
het rijk der hemelen niet beloofd is aan hen, die luieren of hun<br />
tijd in ledigheid doorbrengen, maar wel aan hen, die bidden en<br />
werken, hebben onze broeders, waarvan de meesten zijn gestorven,<br />
maar van wie enkelen nog in leven zijn, zich getrouw toegelegd op<br />
de handenarbeid, niet alleen bij de bouw van ons nieuwe klooster,<br />
enkele jaren geleden, maar ook door het overschrijven van boeken<br />
voor het koor en de libraria, vooreerst om bovengenoemde reden<br />
en tevens om een goed voorbeeld te geven aan de Kruisbroeders<br />
van de toekomst, opdat dezen hen zouden navolgen. De toenmalige<br />
prioren hadden hun opgelegd hun eigen namen aan het einde van<br />
de boeken, die zij afgeschreven hadden, neer te zetten, niet uit<br />
ijdele glorie maar ter aanmoediging van de broeders in de toekomst.<br />
Velen hadden aan dit verzoek voldaan. Echter niet alle Kruisbroe<br />
ders waren scriptores of waren met het kopieerwerk doorgegaan,<br />
want sommigen waren prioren, anderen supprioren, weer anderen<br />
procuratoren, sacristae (kosters), cellarii (opzichters van de voorraadkelders),<br />
notatores (schrijvers van kerkelijke muziek), pymicatores<br />
(zij, die met puimsteen huiden of perkament glad wrijven)<br />
of vervulden een functie, die hen verhinderde te kopieren.<br />
De Keulse Kruisbroeders vervolgden hun aantekening met enige<br />
mededelingen over zichzelf. In het jaar 1448 hadden zij een aanvang<br />
gemaakt met het handschrift en het in drie jaar voltooid. Verschillende<br />
Kruisbroeders hadden eraan meegewerkt en hun namen luidden<br />
: Nycolaus, Wilhelmus, Henricus, Daniel, alle vier leden van<br />
het klooster te Keulen, Henricus en Godfridus, novicen in hetzelfde<br />
klooster. Ook zij hebben zich aan het schrijven gezet voor de toekomstige<br />
Kruisbroeders, opdat dezen zich zouden schamen, indien<br />
zij hun werk niet voortzetten. Vele Kruisbroeders waren hen in het<br />
schrijven voorgegaan. Er waren er die negen of acht grote volumina<br />
voltooid hadden, sommigen minder, namelijk zes, vijf of drie grote<br />
volumina, zowel voor het koor als voor de libraria, anderen hadden<br />
gerubriceerd of de handschriften versierd. De librarius was nooit<br />
van deze arbeid vrijgesteld, hoewel hij in feite minder schrijven<br />
zou. Tot zover de mededeling van de Keulse Kruisbroeders 9.<br />
Uit deze opmerkelijke notitie van de Keulse Kruisbroeders komt<br />
enerzijds bijzonder sterk hun waardering voor het kopieren als vorm<br />
9 KHA GBf 181, fol. 216.
DE BIBLIOTHEKEN 133<br />
van ascese tot uiting. Anderzijds echter laat deze tekst ook nog eens<br />
duidelijk zien, dat het kopieren niet de enige werkzaamheid was,<br />
waar de Kruisbroeders zich op toelegden. Een aantal Kruisbroeders<br />
hield zich vanwege andere taken daar niet mee bezig. Wat die taken<br />
konden inhouden is reeds in het vorige hoofdstuk weergegeven :<br />
ziekenverpleging, parochiewerk en prediking.<br />
In de bepalingen van de generale kapittels gedurende de vijftiende<br />
eeuw werd niets voorgeschreven omtrent het kopieren of<br />
verzamelen van handschriften, terwijl de Karthuizers of de Victorijnen<br />
of de Broeders van het Gemene Leven nauwkeurige adviezen<br />
ontvingen10. Als de Kruisbroeders aan de arbeid van het kopieren<br />
de voorkeur gegeven hadden, dan zou de leiding van de orde er<br />
meer op aangedrongen hebben. Maar dit stilzwijgen kan betekenen,<br />
dat het kopieren naar het oordeel van de leiding der orde genoegzaam<br />
beoefend werd en geen bijzondere aansporing behoefde. Men<br />
mag er ook wel uit besluiten, dat de Kruisbroeders het van belang<br />
geacht hebben, dat de prioren, supprioren, procuratoren enz. de<br />
hun toegedachte taak met zorg vervulden. Maar wanneer een Kruisbroeder<br />
geen bepaalde opdracht of functie te vervullen had, dan<br />
werd van hem verlangd, dat hij de librarius in het kopieerwerk<br />
terzijde stond.<br />
In kloosters, waar de kloosterlingen zich niet toelegden op zieken<br />
verpleging of parochiewerk, hebben de bibliotheken meer hand<br />
schriften omvat dan in kloosters, waar de Kruisbroeders wel zulke<br />
werkzaamheden verrichtten.<br />
Hoewel het kopieren werd aangeprezen als een middel om het<br />
rijk der hemelen te verwerven, is het over duidelijk, dat de Kruis<br />
broeders reeds hier op aarde de vruchten ervan trachtten te plukken.<br />
Zij verlangden prachtig versierde boeken voor de eredienst en het<br />
koorgebed, zij streefden eveneens naar de vorming van een bibliotheek,<br />
die steeds uitgebreid diende te worden en tevens efficient<br />
en bruikbaar moest zijn. Immers zij besteedden uiterste zorg aan<br />
de catalogisering van hun boeken, de indices hiervan en de nummering<br />
van de folio's, en ten slotte aan een verantwoord citeren<br />
van auteurs. Soms wist een Kruisbroeder niet, van welke auteur een<br />
10 K. O. Meinsma, Middeleeuwsche bibliotheken, Zutphen 1903 ; L. Verschue-<br />
REN, Handschriften afkomstig uit het klooster Jerusalem te Venray, in Publ. de la<br />
soc. hist, et arch, dans le Limbourg, 85 (1949), p. 693-730.
134 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
citaat stamde, dan verzocht hij de lezer het in margine er bij te<br />
schrijven, indien hij het wel wistu.<br />
Men mag aannemen, dat de Kruisbroeders hun bibliotheek ingericht<br />
hebben in een apart vertrek. Gegevens hierover zijn er echter<br />
weinig. Evenmin is het bekend, of het scriptorium een geheel met<br />
de bibliotheek uitmaakte of zich in een afzonderlijk vertrek bevond.<br />
Ieder klooster zal naar de mogelijkheden en de behoeften te werk<br />
gegaan zijn. In Keulen was een ligatura, een bindkamer. Hier vlakbij<br />
in een kleine tuin had Rodolphus van Grave voor zich zelf een<br />
kluis gebouwd om ongestoord te kunnen schrijven12.<br />
In de kerk of kapel en sacristie werden eveneens handschriften<br />
bewaard, namelijk die welke bestemd waren voor de eredienst<br />
Hoogstwaarschijnlijk beschikten de prioren en rectoren in hun<br />
cellen over enkele handschriften. In handschriften van Hoei, Luik<br />
en Keulen treft men regelmatig de kanttekening aan ex parte con-<br />
fratris nostri, met toevoeging van de naam, doorgaans van een over-<br />
leden prior of rector.<br />
Uit het Keulse colophon blijkt de liefde van de Kruisbroeders<br />
voor de kopieer-arbeid : hun voorkeur bij het kopieren wordt duidelijk<br />
als men de grotere collecties handschriften, die nog aanwezig<br />
zijn, o.a. die van Hoei, Luik, Keulen, Marienfrede en Diisseldorf,<br />
nader naar de inhoud onderzoekt. Men raakt zelfs vertrouwd met<br />
hun voorliefde voor bepaalde auteurs en bepaalde lectuur13.<br />
11 J. Theele, Aus der Bibliothek des Kolner Kreuzbriiderklosters, in Mittelalterliche<br />
Handschriften, Festschrift fur H. Degerin, Koln 1926, p. 253-263.<br />
12 KHA GB4 218.<br />
1S De handschriften worden beschreven in de catalogi van de genoemde bibliotheken<br />
en archieven. Voor de inhoud van de boeken en tractaten, die in de catalogi<br />
opgesomd worden, zijn vooral de volgende auteurs geraadpleegd : F. Cayre, Patrologie<br />
et histoire de la Theologie, 3 tomes, Paris 1944-1945 ; St. Axters, Geschiedenis<br />
van de vroomheid in de Nederlanden, 4 delen, Antwerpen 1950-1960. Ook<br />
het tijdschrift Ons Geestelijk Erf, gewijd aan de studie der Nederlandse vroomheid<br />
vanaf de bekering tot circa 1750, orgaan van de Ruusbroec-Vereniging, is yoortdurend<br />
nagezien. Een overzicht van de door de kloosterlingen gedurende de Middeleeuwen<br />
geschreven en gebruikte boeken gaven vooral de volgende auteurs :^ F.<br />
Vandenbroucke, Nouveaux milieux, nouveaux problemes du XIIe au XVIe siecle,<br />
in J. Leclercq-F. Vandenbroucke-L. Boyer, La spirituality du Moyen Age,<br />
Paris 1961 {Histoire de la spiritualite chretienne, t. 2), 2me partie,, p. 275-646;<br />
J. Leclercq, Initiation aux auteurs monastiques du Moyen Age, Paris 1957 ;<br />
J. Leclercq, Temoins de la spiritualite occidentale, Paris 1965 ; J. Leclercq,<br />
Aux sources de la spiritualite occidentale, Paris 1964. Om een inzicht te<br />
verkrijgen van de boeken en traktaten, die de Kruisbroeders van de vijftiende<br />
eeuw overschreven en gebruikten, is vooral de werkwijze van de laatst genoemde<br />
auteurs overgenomen. Daar echter alleen van de kloosters te Hoei, Luik en Keulen
DE BIBLIOTHEKEN 135<br />
Reeds bij een eerste verkenning wordt het duidelijk, dat de<br />
Kruisbroeders er prijs op stelden over de tekst van de Bijbel te<br />
beschikken. Zij schreven hem in zijn geheel over en menig keer<br />
een of meer boeken afzonderlijk 14. Ook voor Lectionaria - verzamelingen<br />
van perikopen uit epistels en evangelien zowel voor de<br />
zon- als de feestdagen -, blijkt hun voorkeur, stellig ten behoeve<br />
van de eredienst en de prediking15.<br />
Welke boeken uit de Bijbel de Kruisbroeders in het bijzonder<br />
aantrokken, is op te maken uit de commentaren en expositiones.<br />
Voor de vijftiende eeuw is er een groot aantal op de boeken van<br />
het Oude Testament geschreven, maar de Kruisbroeders kozen bijna<br />
uitsluitend die op het Boek van de Psalmen, het Hooglied en de<br />
Boeken van de Profeten. Op het Boek van de Psalmen o.a. van de<br />
kerkvaders Hieronymus en Augustinus, en van de latere schrijvers<br />
Richard van Sint Victor, Ludolfus van Saksen, Petrus van Floreffe<br />
en Johannes Gerson16. Op het Hooglied o.a. van Hieronymus,<br />
Robertus van Tombelaine (pseudo-Gregorius Magnus), Beda Venerabilis,<br />
Bernard van Clairvaux en Richard van Sint Victor17. Op de<br />
Boeken van de Profeten o.a. van Hieronymus en Richard van Sint<br />
Victor 18.<br />
veel handschriften zijn bewaard en in minder aantal van de kloosters te Dusseldorf<br />
en Marienfrede, is voornamelijk aan deze collecties aandacht besteed en zal in de<br />
noten veelal alleen naar de bewaarplaatsen van deze handschriften verwezen worden.<br />
14 Hoei : LUB 119, 196, 295 - - Luik : BKB 10514, LSB 6m9 Keulen :<br />
KHA GBf 116, GBf 67, GB4 113, GB4 147, BKB 47 - - Marienfrede: Berlin,<br />
Offentliche Wissenschaftliche Bibliothek, Kat. V, 246 - - Dusseldorf : DLSB a 7<br />
Hohenbusch : KSB 53 Schwarzenbroich : Darm. 356.<br />
15 Hoei : LSB 6g24, LUB 295, 262 - - Luik : LUB 221, LSB 6m4, LUB 35 - -<br />
Keulen : KHA GB4 211 - - Marienfrede : DLSB c 2 - - Hohenbusch : KSB 84, 49.<br />
18 Hieronymus: Luik : LUB 113 Dusseldorf : DLSB B 91.<br />
Augustinus: Hoei : LUB 47, 131, 139 - - Namen : BKB 1086.<br />
Richard van Sint Victor: Hoei: LUB 358, 191, LSB 6N4 Marienfrede:<br />
DLSB B 30a - - Dusseldorf : DLSB B 21, 171.<br />
Ludolfus van Saksen : Hoei : LSB 6H20, 6H28, 6F6 - - Keulen : KHA GBf 7<br />
- - Hohenbusch : KSB 54.<br />
Onbekende auteurs: Hoei : BKB 2241, LSB 6Gl, 6G24 Luik : LUB 102,<br />
LSB 6N13 - - Marienfrede : DLSB D 31 - - Hohenbusch : KSB 147.<br />
11 Hieronymus : Hoei : LUB 88.<br />
Robertus van To?nbelaine: Luik : LSB 6H5 - - Schwarzenbroich : Darm. 533.<br />
Beda: Luik: LUB 155.<br />
Bernardus: Luik: LUB 219 Keulen: KHA GB8 144 Dusseldorf:<br />
DLSB B 41 - - Marienfrede : DLSB b 30, Berlin, Off. Wiss. Bibl., Kat. V. 768.<br />
Richard van Sint Victor: Hoei : LUB 358 - - Luik : LUB 339 Marienfrede :<br />
DLSB B 30 a - - Dusseldorf : DLSB B 10.<br />
18 Hieronymus: Luik : LUB 128, 340 - - Dusseldorf : DLSB 88, 89.<br />
Richard van Sint Victor: Hoei : LUB 135 Luik : LSB 6F20 Dusseldorf •<br />
DLSB B 21 - - Keulen : KHA GBf 11.
136 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Het aantal commentaren op het Nieuwe Testament had een<br />
grotere omvang en was voor ieder deel gelijk. Ten aanzien van de<br />
commentatoren evenwel maakten de Kruisbroeders een keuze :<br />
naast Augustinus en Hieronymus waren het vooral Johannes<br />
Chrysostomos en de eerbiedwaardige Beda, die zij hoogschatten.<br />
Zo'n commentator was eveneens de Franciscaan Nicolaas van Lyra.<br />
Van zijn commentaren ontbreken er slechts weinig in de Kruis-<br />
broederlibraria19.<br />
Naast de Bijbel waren de geschriften van de kerkvaders voor de<br />
Kruisbroeders een belangrijke bron voor hun geestelijk leven, zoals<br />
al blijkt uit de genoemde commentaren. Er bestond echter kennelijk<br />
een voorkeur voor bepaalde kerkvaders en voor bepaalde geschrif<br />
ten.<br />
Van de Oosterse kerkvaders is reeds Johannes Chrysostomos met<br />
zijn commentaren op het Nieuwe Testament genoemd; zijn De<br />
sacerdotio seu Liber dialogorum werd vaak gekopieerd20. Dit was<br />
ook het geval met enkele geschriften van de volgende kerkvaders :<br />
Athanasius, Vita beati Antonii21; Ephraem, Admonitiones22; Basi-<br />
lius, Admonitio ad monachos; uit de regel van Basilius excerpten<br />
onder de titel De vita solitaria en De laude cellae 23; Eusebius van<br />
Emese, Homiliae ad monachos24; Johannes Climacus, Scala para-<br />
disi25. Van Origenes, in aanzien bij de Benedictijnen en de Cister-<br />
ciensers, werd slechts in Keulen, Marienfrede en Dusseldorf een<br />
enkele homilie gekopieerd. Van Dionysius de Areopagiet, regel-<br />
10 Augustinus: Hoei : LUB 46, 125 Luik : LUB 38, 48, 117 Keulen :<br />
KHA GB4 225 - - Diisseldorf : DLSB B 9.<br />
Hieronymus: Luik: LUB 155 Marienfrede: DLSB A 11 Diisseldorf:<br />
DLSB B 90.<br />
Johannes Chrysostomos: Hoei: LUB 124, 193, 197 Luik: LUB 151, 149,<br />
247 Dusseldorf : DLSB B 59, B 60 Marienfrede : DLSB B 58.<br />
Beda: Luik : LUB 73, 247 - - Keulen : KHA GB4 147, GBf 68 - - Marien<br />
frede : DLSB B 22, B 21.<br />
Nicolaas van Lyra: Hoei : LSB 6N7 Luik: LUB 204 Dusseldorf:<br />
DLSB B 100 Keulen : KHA GBf 67, GB4 41. Nicolaas van Lyra was als<br />
commentator van het Oude Testament zeer geliefd o.a. in Luik : LUB 148, 75, 216,<br />
355, 332, 217, 330, in Hohenbusch : KSB 39.<br />
20 Hoei : LSB 6F9 - - Luik : LUB 193 - - Keulen : KHA GB4 102 - - Diissel<br />
dorf : DLSB B 164.<br />
21 Hoei : LUB 84 - - Luik : LUB 115.<br />
22 Hoei : LSB 6M12 - - Keulen KHA GB4 21.<br />
23 Hoei : LUB 50 - - Keulen : KHA GB4 153, GB4 21, 166 - - Luik : LSB 6L18.<br />
24 Hoei : LUB 239 - - Luik : LSB 6H4 - - Keulen : KHA GB4 20.<br />
25 Hoei : LUB 50, 99 Luik : LUB 1 Schwarzenbroich : Darm. 347.
DE BIBLIOTHEKEN 137<br />
matig geraadpleegd door de scholastici, hebben we geen exemplaar<br />
gevonden in de bibliotheken van de Kruisbroeders.<br />
De Latijnse kerkvaders waren sterker vertegenwoordigd. Boven-<br />
aan stond Augustinus. Doch ook hier keuze. Slechts de Kruisbroe<br />
ders van Luik schonken aandacht aan zijn polemische geschriften,,<br />
maar niet voor het laatste kwart van de vijftiende eeuw. Te Hoei<br />
heeft men wel eens een exegetisch werk afgeschreven. Het waren<br />
echter de volgende boeken, die de Kruisbroeders van belang achtten<br />
: Confessiones2Q, Retractiones 27, De vera religione 28, De fide<br />
et symbolo 29, De Trinitate 30, Enchiridion 81, De doctrina christia-<br />
na82, De beata vita33, Soliloquia s\ Zijn preken werden nog hoger<br />
aangeslagen ; in Hoei b.v. bevatten zeker 16 handschriften een<br />
uitgebreide collectie hiervan85.<br />
De tweede Latijnse en voor de middeleeuwers nu en dan oosterse<br />
kerkvader, Hieronymus, was in de ogen van de Kruisbroeders een<br />
belangrijk geestelijk leidsman, maar ze werden niet zozeer door<br />
zijn werken als wel door zijn persoon en zijn leven geboeid. Het<br />
was voor hen niet genoeg, dat men in een van hun handschriften<br />
kon lezen over de Magnificentiae, de Miracula of over de dood<br />
van Hieronymus. Heel de eeuw door waren er Kruisbroeders, die<br />
steeds opnieuw het verhaal over zijn leven en dood aan hun mede-<br />
broeders wensten voor te houden. Nu eens was voor hen Cyrillus<br />
van Alexandria de auteur van dit verhaal, dan weer Eusebius, of<br />
een andere kerkvader. Dikwijls lieten zij de naam van de auteur<br />
weg36.<br />
De geschriften van Hieronymus zelf waren blijkbaar minder<br />
belangrijk. In Hoei schreef Walterus van Nijmegen veel van zijn<br />
2a Luik : LUB 115 - - Keulen : KHA GB8 149 - - Dusseldorf : DLSB B 10 - -<br />
Schwarzenbroich : Darm. 348.<br />
27 Luik : LUB 114 - - Dusseldorf : DLSB B 12 - - Schwarzenbroich : Darm. 348<br />
- - Namen : BKB 1127.<br />
28 Hoei : LUB 135, LSB 6H2 - - Luik : LUB 115.<br />
29 Luik : LUB 132, 48 - *- Keulen : KHA GB4 134 - - Luik : LUB 114.<br />
80 Dusseldorf : DLSB B 15 - - Luik : LUB 132 - - Keulen : KHA GB4 134.<br />
31 Hoei : LUB 84 - - Luik : LUB 115 - - Marienfrede : DLSB B 13 - - Dussel<br />
dorf : DLSB B 22.<br />
32 Hoei : LSB 6G8 - - Luik : LUB 157 - - Dusseldorf : DLSB B 12.<br />
38 Hoei : LUB 46-- Luik : LUB 48 - - Keulen : KHA GB4 41.<br />
34 Hoei : LUB 40bis - - Keulen : KHA GB4 164.<br />
30 Hoei : LUB 133, 235, 360, 380, 40bis, 46, 50, 112, 110, 115, 117, LSB 6F9,<br />
6F24, 6G19, 6H6, 6Gl.<br />
M Hoei: LSB 6H3, 6F19 - - Luik : LSB 6H8, 6L19 - - Keulen : KHA GB4 85,<br />
174, 84, 178, GB8 54 - - Dusseldorf : DLSB B 68 - - Marienfrede : DLSB C 12.
138 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
brieven over o.a. de correspondentie tussen Augustinus en Hiero-<br />
nymus, waarschijnlijk vanwege de inlichtingen over het leven van<br />
de laatste37. Uitgezonderd de reeds genoemde commentaren op<br />
bepaalde boeken van het Oude Testament, ontbreken veelal de<br />
exegetische werken. Te Luik en Diisseldorf werden er enkele<br />
gekopieerd na 1495. Een brief van Hieronymus was vooral geliefde<br />
lectuur, namelijk de Epistola ad Nepotianum de vita clericorum ef<br />
monachorum 38.<br />
Het onderzoek naar de geschriften van de overige kerkvaders<br />
geeft een soortgelijk resultaat. Van Gregorius de Grote waren<br />
vooral zijn Moralia super Job en zijn Regula pastoralis bekend. Zij<br />
werden gekopieerd te Hoei, Luik, Hohenbusch en Marienfrede. De<br />
laatste twee kloosters beschikten over zijn Dialogen 39. Pas tegen<br />
het einde van de vijftiende eeuw kregen de Kruisbroeders van Hoei<br />
en Namen belangstelling voor zijn brieven. Opvallend is, dat de<br />
Kruisbroeders van Keulen en Diisseldorf weinig waardering koes-<br />
terden voor deze kerkvader, die gedurende de Middeleeuwen een<br />
van de geliefde auteurs was.<br />
De in deze periode eveneens invloedrijke kerkvader Ambrosius,<br />
was in de ogen van de Kruisbroeders geen man van gezag. Van zijn<br />
exegetische werken werd een enkel overgeschreven. Alleen te Diis<br />
seldorf, maar pas tegen het einde van de vijftiende eeuw, werd aan<br />
zijn geschriften betreffende de moraal en de dogmatiek en aan zijn<br />
brieven meer waarde gehecht40.<br />
In tegenstelling tot de genoemde kerkvaders waren Cassianus en<br />
Caesarius van Aries mannen van autoriteit. Van de eerste, de<br />
adviseur voor de kloosterlingen in West-Europa, bevond zich het<br />
tractaat De institutes coenobiorum et de octo principalium vitiorum<br />
remediis in de Kruisbroederbibliotheken en van de tweede de<br />
Exhortatio ad monachos41.<br />
a7 Hoei: LUB 3, 156.<br />
38 Hoei : LSB 6M14, 6H19, LUB 3 - - Luik : LUB 258 - - Keulen : KHA GB4<br />
161.<br />
39 Hoei : LUB 120, 121, 147, LSB 6N8 - - Luik : LUB 2, 122, 123, 152, LSB<br />
6M9 - - Hohenbusch : KSB 51, 19 Schwarzenbroich : Darm. 533 Marien<br />
frede : DLSB C 12, B 207.<br />
40 Dusseldorf : DLSB B2 en 6.<br />
41 Hoei : LUB 50 - - Luik : LUB 151 - - Marienfrede : DLSB B 53 - - Diissel<br />
DLSB B 55 - - Keulen : KHA GB4 182.
DE BIBLIOTHEKEN 139<br />
De voorkeur van de vijftiende-eeuwse Kruisbroeders voor Augus-<br />
tinus valt sterk in het oog. Zijn theologische werken golden bij<br />
hen, zoals trouwens overal elders, als de handboeken bij uitstek.<br />
Het feit, dat zij de heilige bisschop als hun geestelijke vader be-<br />
schouwden, had hier ongetwijfeld grote invloed. Wanneer zij een<br />
van zijn geschriften voltooiden, voegden zij er altijd aan toe sancti<br />
Augusttni patris nostri.<br />
De keuze, die zij maakten uit de geschriften van de overige kerkvaders,<br />
was gebaseerd op het verlangen geestelijk voedsel voor hun<br />
monastiek leven te verwerven. Zij zochten naar hetgeen de kerk-<br />
vaders leerden over ontstaan en inrichting van het kloosterleven.<br />
Tot de polemische geschriften van de kerkvaders, noch tot hun<br />
wetenschappelijke verhandelingen op het gebied van de schriftverklaring<br />
of dogmatiek voelden de Kruisbroeders zich aangetrokken.<br />
Zij hadden iets gemeen met de Benedictijnen en de Cisterciensers<br />
van voor 1200. Deze kloosterlingen waren eveneens afkerig van<br />
polemische geschriften en zuiver wetenschappelijke verhandelingen.<br />
Ook zij neigden meer naar de commentaren op het Boek van de<br />
Psalmen, het Hooglied en de Boeken van de Profeten. In zoverre<br />
zetten de Kruisbroeders een monastieke traditie voort. Toch volg-<br />
den zij deze monniken niet in alle opzichten na. Zij hebben in<br />
mindere mate gesteund op de kerkvaders. Voor de oudere mon<br />
niken was Origenes een geliefd auteur. Bij de Kruisbroeders was<br />
dit niet het geval. Zij leefden enkele eeuwen later, en het zou<br />
vreemd zijn wanneer zij zich nog steeds voor dezelfde geschriften<br />
zouden geinteresseerd hebben. In die tussentijd zagen immers tal-<br />
rijke boeken het licht. De auteurs van deze boeken bouwden ofwel<br />
voort op de Bijbel en de kerkvaders, de zogenaamde monastieke<br />
methode, ofwel zij sloegen nieuwe wegen in, door de Bijbel en de<br />
kerkvaders naar het tweede plan te schuiven en de voorkeur te<br />
geven aan de scholastieke methode, waar het accent viel op het<br />
verstand en de dialectiek. In de veertiende eeuw echter brachten de<br />
scholastieken door hun excessen zichzelf en hun werk in diskrediet,<br />
anderen zochten toen als reactie hierop hun heil in de speculatieve<br />
mystiek ofwel in de zuivere ascese. De Kruisbroeders van de vijf-<br />
tiende eeuw stonden derhalve voor een uitgebreide en moeilijke<br />
keuze.
140 STUDIBN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Naast de kerkvaders namen de auteurs uit de diverse klooster-<br />
orden een voorname plaats in, zoals Benedictijnen, Cisterciensers,<br />
Karthuizers, Victorijnen, Dominicanen en Franciscanen.<br />
De meest voorkomende auteurs zijn de volgende:<br />
1. Benedictijnen<br />
Benedictus, de Regula of excerpten hieruit42; Beda Venerabilis,<br />
Explicatio Apocalypsis, Expositio super septem epistolas canonicas,<br />
Expositio super Acta Apostolorum, Homiliae43; Petrus Damianus,<br />
Epistola ad Blancam comitissam de morte et circumstantiis eius,<br />
hetzij in zijn geheel, hetzij excerpten hieruit44; Honorius van<br />
Autun, Elucidarius, De cognitione verae vitae45; Smaragdus, Dyadema<br />
monachorum 46; Anselmus, Monologium, Prosologion, Cur<br />
Deus homo, Meditationes, De similitudinibus, De pace et concor-<br />
diaA\<br />
2. Cisterciensers48<br />
Conradus van Ebernach, Exordium magnum ordinis Cisterciensis49;<br />
Willem van St. Thierry, Epistola ad fratres de monte Dei50 ;<br />
Bernard van Clairvaux, De gradibus humilitatis51, De gratia et<br />
libero arbitrio 52, De praecepto et dispensatione5S, De conscientia 5\<br />
42 Luik : LSB 6G28, 6L18 - - Keulen : KHA GBf 90 - - Dusseldorf : DLSB<br />
B 68.<br />
43 Luik : LUB 73 - - Keulen : KHA GB4 147, GBf 20, 68 - - Marienfrede :<br />
DLSB B 73 - - Dusseldorf : DLSB B 22.<br />
44 Hoei: LSB 6F19, 6N19 Marienfrede : DLSB B 84 Dusseldorf :<br />
DLSB B 164.<br />
45 Keulen : KHA GB4 171, 194, 145, GBf 112 - - Hohenbusch : KSB 80<br />
Dusseldorf : DLSB B 22, 138.<br />
48 Hoei : LSB 6H13 - - Luik : LUB 157 - - Keulen : KHA GB8 132 - - Dus<br />
seldorf : DLSB B 64.<br />
47 Hoei : LSB 6G22, 6H19, 6M28 - - Luik : LSB 6H17 - - Keulen : KHA GBf<br />
155 Dusseldorf : DLSB B 90 - - Marienfrede : DLSB B 70 Hohenbusch :<br />
KSB 80.<br />
48 Zie in het bijzonder C. van Dal, Cistercienzer-Literatuur op Kruisheren-<br />
Boekerijen, in Citeaux in de Nederlanden, 1 (1956), p. 291-294.<br />
49 Hoei: LUB 227 - - Luik : LUB 200 - - Keulen : KHA GBf 77 - - Dussel<br />
dorf : DLSB C 41 - - Marienfrede : DLSB C 93.<br />
00 Luik : LSB 6G8 Hoei : LSB 6M15, 6G8 Hohenbusch : KSB 42.<br />
51 Hoei : LSB 6N7 - - Luik : LSB 6L18 - - Hohenbusch : KSB 75 - - Dussel<br />
dorf : DLSB B 10.<br />
52 Luik : LSB 6N1 - - Dusseldorf : DLSB B 155 Marienfrede : DLSB B 183.<br />
58 Hoei: LSB 6N8, LUB 84 - - Dusseldorf : DLSB B 10.<br />
54 Hoei : LSB 6F19 - - Keulen : KHA GB4, 21, GB8 96 - - Hohenbusch : KSB<br />
80 - - Marienfrede : DLSB B 129.
DE BIBLIOTHEKEN 141<br />
Stimulus amoris55, Arboris contemplationis56, De bonestate vitae57,<br />
Meditationes58, De professione monachorum 59, De verecundia adolescentium<br />
60, Speculum monachorum ei. Het aantal geschriften van<br />
Bernard van Clairvaux, dat de Kruisbroeders overschreven, evenaart<br />
het aantal van Augustinus. Zijn preken waren zeer geliefd. De ge-<br />
noemde traktaten blijken echter niet alle van de hand van Bernard<br />
van Clairvaux te zijn. Hoogstwaarschijnlijk was dit de Kruisbroe<br />
ders van de vijftiende eeuw niet bekend.<br />
Te Marienfrede en te Diisseldorf werden weinig traktaten van<br />
Cistercienser auteurs overgeschreven. Daarentegen te Hoei, Luik en<br />
Keulen des te meer, o.a. Caesarius van Heisterbach, Guerricus van<br />
Igny, Gerardus de Rivo, Gerardus van Luik, Johannes Soccus enz.<br />
3. Karthuizers<br />
Ludolf van Saksen, Vita Christi62; Jacob van Gruitrode, Specu<br />
lum praelatorum, subditorum, sacerdotum, secularium et huius<br />
mundi amatorum 63; Hendrik Egher van Kalkar, Speculum peccatorum<br />
ofwel Excitatorium monachale64, De exordio et de cursu<br />
ordinis Carthusiensis 65; Dionysius van Leeuwen (de Karthuizer),<br />
Exhortatorium novitiorum. Tegenover het groot aantal traktaten,<br />
dat Dionysius schreef, doet het aantal, voorkomend in de Kruisbroederlibraria,<br />
zeer pover aan 66. Meer dan elders werden te Luik<br />
en Keulen Karthuizer auteurs gekopieerd ; te Luik o.a. Hendrik<br />
van Hessen (alias van Altendorf), Bartholomew van Maastricht,<br />
Henricus Brunonis de Pyro, Adrianus Monet, Henricus van Coesfeld,<br />
Gerrit van Schiedam ; te Keulen : Oswald de Cordis, Bartho-<br />
55 (apocrief ?) Keulen : KHA GB4 174, GB8 96, 99.<br />
34 Keulen : KHA GB8 61, 87, 99.<br />
5T (apocrief ?) Hoei : BKB 2241 - - Beyenburg : KHA GB8 62 - - Marienfrede :<br />
DLSB B 153.<br />
58 Hoei : LSB 6L17 - - Luik : LSB 6Ml7b - - Keulen : KHA GB4 194, GB8<br />
195 Hohenbusch : KSB 88, 75.<br />
59 Keulen : KHA GB4 106, GB8 99.<br />
60 Hoei : LSB 6M15 - - Keulen : KHA GB4 94, GB8 100.<br />
61 Hoei : LSB 6N8, 6F19, 6G13, 6H10, BKB 2241 - - Keulen : KHA GB4 54,<br />
GB8 41, 55, 61, 195.<br />
82 Hoei : LUB 94, 108, 229, LSB 6M6 - - Keulen : KHA GB4 242, 54, 156, 166.<br />
w Hoei : BKB 2241, LSB 6H2 - - Luik : LSB 6F16 - - Keulen : KHA GB4<br />
155, 196 Diisseldorf : DLSB B 159.<br />
84 Hoei : LSB 6L17 Keulen : KHA GB8 77, GB4 100, 54 Beyenburg:<br />
KHA GB8 62 - - Hohenbusch : KSB 75 - - Doornik : BKB 1635.<br />
65 Luik : LSB 6G28 - - Keulen : KHA GB8 61, 76.<br />
99 Hoei : LUB 358, LSB 6N4, 6N16.
142 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
lomeus van Maastricht, Johannes van Brunswijk, Henricus van<br />
Kemenade, Theodorus Bollinck. Dit kan samenhahgen met het feit,<br />
dat in Luik en Keulen beroemde Karthuizerkloosters gevestigd<br />
war en.<br />
4. Victorijnen<br />
Richard van Sint Victor, De exterminatione mali et promotione<br />
boni67, De statu interioris hominis post lapsus68, De eruditione<br />
interioris hominis69, Benjamin minor et maior70; Hugo van Sint<br />
Victor, Emditio didascalica 7\ De operibus trium dierum 72, De in-<br />
stitutione novitiorum 73, Expositio in regulam B. Augustini74, De<br />
modo orandi75, Soliloquium de arrha animae 76, De laude carita-<br />
tis77. Daarnaast nog talrijke andere, die niet 20 bekend zijn of die<br />
op zijn naam gezet zijn.<br />
5. Dominicanen<br />
Albertus de Grote : behalve enkele philosophische werken wer-<br />
den vooral de volgende traktaten gekopieerd : De sacramento Eu-<br />
charistiae - De sacrificio missae 78, Paradisus animae 79, De adhae-<br />
rendo Deo 80, De laudibus B. Mariae Virginis81. De laatste drie<br />
traktaten zijn waarschijnlijk apocrief. Thomas van Aquino, Summa<br />
Theologica, geheel of gedeeltelijk 82, Super sententias Petri Lorn-<br />
87 Hoei : LUB 135 - - Luik : LSB 6F20.<br />
M Hoei : LUB 135, 358 - - Luik : LSB 6F20 - - Keulen : KHA GBf 11.<br />
69 Hoei : LUB 135 - - Luik : LSB 6F20 - - Keulen : KHA GBf 11 - - Dusseldorf<br />
: DLSB B 21.<br />
70 Hoei : LUB 135, 358 - - Keulen : KHA GBf 11.<br />
71 Luik : LUB 106 - - Keulen : KHA GBf 90 - - Dusseldorf : DLSB B 71.<br />
72 Keulen : KHA GB4 164 - - Marienfrede : DLSB B 73 - - Dusseldorf : DLSB<br />
B 71.<br />
73 Hoei : LSB 6F19, 6F24 - - Keulen : KHA GB4 156, GB8 150 .<br />
74 Keulen : KHA GB4 134, GB8 195 - - Marienfrede : DLSB B 70.<br />
75 Luik : LUB 106, LSB 6F8, 6N18.<br />
76 Hoei: LSB 6N2, 6H9 - - Luik : LSB 6Ml7b - - Keulen : KHA GB8 61 - -<br />
Marienfrede : DLSB B 75 - - Hohenbusch : KSB 16.<br />
77 Luik : LUB 106 - - Hohenbusch : KSB 75.<br />
78 Hoei : LUB 154 - - Keulen : KHA GB4 248 - - Dusseldorf : DLSB B 177.<br />
79 Hoei : LSB 6F22 - - Keulen : KHA GB4 85 - - Doornik : BKB 1635.<br />
80 Hoei : LSB 6M14 - - Keulen : KHA GB4 218 - - Dusseldorf : DLSB B2a<br />
- - Doornik : BKB 1635.<br />
81 Hoei : LUB 154 - - Dusseldorf : DLSB B 2a.<br />
82 Hoei : LUB 124, LSB 6G3 - - Luik : LUB 195 - - Keulen : KHA GBf 105,<br />
203 - - Dusseldorf : DLSB B 136 - - Namen : BKB 1590.
DE BIBLIOTHEKEN 143<br />
bardi, De corpore Christ/84, De divinis moribus85, De articulis<br />
fidei et de Sacramento ecclesiae86, De beatitudine aeternitatis87, De<br />
symbolo 88, De modo confitendi89, De veritate90. Vooral te Keulen<br />
en te Diisseldorf stond Thomas van Aquino in hoge ere. Dit hangt<br />
misschien samen met de richting van de Keulse universiteit, die<br />
steeds de via antiqua van Thomas van Aquino volgde. In de handschriften<br />
van het klooster Marienfrede werd slechts een enkel werk<br />
van Thomas van Aquino bewaard. Raymundus van Pennafort, Liber<br />
de officiis fratrum ordinis Praedicatorum 91; Humbertus van Ro<br />
mans, Super constitutiones et regulam divi Augustini commenta-<br />
ria92, De tribus essentialibus votis religionis93; Guilelmus Paraldus<br />
(Guillaume Peyraut), Summa de virtutibus et de vitiis 94, Liber eruditionis<br />
religiosorum 95 ; Jacobus de Voragine, Sermones 96; Hugo<br />
van Saint Cher, Speculum Ecclesiae97 ; Thomas van Cantimpre,<br />
Liber de apibus of Bonum universale (speciaal hieruit Miraculum<br />
de Udone 98) ; Johannes Nider, De reformatione status cenobitici,<br />
De conscientia, Manuale confessorum " ; Vincentius Ferrerius, De<br />
vita spiritual! 10°; Bartholomeus Pisani, Summa de casibus101 ; Jaco-<br />
83 Hoei : LUB 146, 143 - - Luik : LUB 144, 145 - - Hohenbusch : KSB 226.<br />
" Luik : LUB 263 - - Keulen : KHA GBf 178 - - Hohenbusch : KSB 74.<br />
85 Keulen KHA GBf 196 Dusseldorf : DLSB B 180 Keulen : KHA<br />
GB8 94.<br />
89 Keulen KHA GB4 142 - - Marienfrede : DLSB B 75 - - Dusseldorf : DLSB<br />
B 168, 180.<br />
87 Keulen KHA GB4 182, GBf 180 - - Dusseldorf : DLSB B 180.<br />
;8 Keulen KHA GBf 130 - - Dusseldorf : DLSB B 180.<br />
80 Keulen KHA GB4 194, 154, GB8 116 - - Dusseldorf: DLSB B 60.<br />
90 Keulen KHA GBf 150 - - Dusseldorf : DLSB B 137.<br />
91 Hoei : LSB 6G6 - - Luik : LUB 273 - - Keulen : KHA GB4 106.<br />
92 Hoei : LUB 129, LSB 6M7 - ~ Luik : LUB 130 - - Keulen : KHA GB4 225<br />
- - Dusseldorf : DLSB C 29.<br />
93 Luik : LUB 130 - - Keulen : KHA GBf 155, GB4 153, GB8 144 - - Marien<br />
frede : DLSB B 70.<br />
04 Hohenbusch : KSB 12, 15, 58 - - Keulen : KHA GBf 124.<br />
95 Keulen : KHA W4 - ~ Hohenbusch : KSB 42 - - Luik : LUB 338.<br />
06 Hoei : LUB 159 - - Luik : LUB 87, 96 - - Hohenbusch : KSB 83 - - Keulen :<br />
GBf 86 - - Marienfrede : DLSB B 139, Berlin, Off. Wiss. Bibl., Kat. V 768.<br />
97 Luik : LSB 6K4 - - Dusseldorf : DLSB B 194 - - Keulen : KHA GB4 248.<br />
98 Hoei : LSB 6F23 - - Luik : LSB 6G28 - - Keulen : KHA GB8 126, 62, 76,<br />
GBf 86 - - Marienfrede : DLSB B 139, Berlin, Off. Wiss. Bibl., Kat. V. 768.<br />
00 Hoei : LSB 6F2, 6G22 Luik : LSB 6G25 - - Keulen : KHA GBf 67,<br />
GB4 156 Marienfrede : DLSB B 104, B 163 Hohenbusch : KSB 67 - -<br />
Doornik : BKB 2171.<br />
100 Hoei : LUB 358, 6G22, 6N4 - - Keulen : KHA GB8 94.<br />
101 Marienfrede : DLSB B 107 - - Dusseldorf : DLSB B 107b - - Hohenbusch ::<br />
KSB 56.
144 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
bus van Lausanne, Sermones de sanctis W2; Nicolaus Trivet, Exposi-<br />
tio super regulam Beati Augustini108; Johannes Utenhove, De statu<br />
feligioso 1
DE BIBLIOTHEKEN !45<br />
gekopieerd 113. Wat betreft de overige Franciscaanse auteurs weken<br />
de Kruisbroeders in hun belangstelling van elkaar af. De Sermones<br />
van Bernardinus van Siena vindt men in Luik en Keulen 114. De<br />
veel verspreide werken van David van Augsburg, namelijk De exterioris<br />
et interioris hominis compositione en De septem processibus<br />
religiosi status werden alleen te Hoei en Keulen afgeschreven 115,<br />
en van Conradus van Saksen Speculum Beatae Mariae Virginis te<br />
Hoei, Luik en Marienfrede116. Henricus van Erp was eveneens<br />
bekend. Te Hoei stond zijn Scala amoris} te Keulen een gedeelte<br />
hieruit In dit klooster en in dat van Namen schreef men enkele<br />
van zijn preken over 117. Opmerkelijk is, dat de Kruisbroeders van<br />
Luik meermalen het omstreden traktaat Arbor vitae crucifixae van<br />
Hubertinus van Casale, hetzij in zijn geheel, hetzij gedeeltelijk<br />
overschreven118. Tenslotte bevonden zich te Keulen enkele geschriften<br />
van Johannes Guallensis, namelijk Ordinarium vitae religiosae<br />
en Manipulus florum 119.<br />
7. Augustijnen<br />
Jordanus van Saksen, De vitis fratrum eius ordinis libri IV120,<br />
Sermones et Postillae in evangelia dominicales, Sermones de<br />
sanctis 122, Postillationes in librum psalmorum 123; Jacobus van Vitry,<br />
Vita B. Mariae Oignies124, De arte praedicandi125; Hermanus van<br />
Schildesche, Speculum sacerdotum 126; Hugo van Fouilly, De claustro<br />
animae 127. De geschriften van Hermanus van Schildesche wer<br />
den voornamelijk in de Rijnlandse kloosters overgeschreven.<br />
- F°-? ■' xLcSn 5i1? ~ " Keulen : KHA GB4 154 - " Hohenbusch : KSB 74.<br />
1H Luik : LSB 6H8 - - Keulen : KHA GB4 34.<br />
GB8 ?9? : LSB 6Fl9' 6G13> 6N2' 6N8> BKB 2Ul ~ ~ Keulen ' KHA GB4 245'<br />
2 S°d ! Tc^ L^ 6i^2 i' 6Nl° " " Lik Luik : LSB 6M 6M9 " ~ Marienfrede : DLSB B 39.<br />
n8 V? If? 6K? " " Keukn : KHA GB4 118' GB8 89 " " Namen • BKB 1086.<br />
18 Luik : LUB 236, 356, LSB 6G20, 6L18, 6Nl.<br />
^1 ?°? : LUB 190 " - Keulen : KHA GB4 152, 164, 152, GBf 168.<br />
m J-^ : ^FB l91 ~ ~ Keulen : KHA GBf 112 " " Beyenburg : DLSB C 30.<br />
Luik: LUB 211 - - Keulen : KHA GB4 168 - - Marienfrede : DLSB B 94a.<br />
~ Keulen : KHA GB4 159 ; GB4 94b - - Marienfrede : DLSB B 94b<br />
1- Keulen : KHA GB4 72a, 72b, 78.<br />
124 Hoei: LUB 135.<br />
125 Keulen : KHA GBf 181, GB4 70.<br />
06<br />
127 Hoei: LSB 6M12 - - Hohenbusch : KSB 70 - - Marienfrede : DLSB B 70<br />
- - Dusseldorf : DLSB B 71.
!46 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
8. Groenendaal<br />
Voor de alombekende schrijver en mysticus van Groenendaal,.<br />
Johannes Ruusbroec, hadden de Kruisbroeders geen speciale voorliefde,<br />
waarschijnlijk het tegendeel. Slechts in Luik en in Keulen<br />
werden enkele kleine werkjes en een gedeelte uit Van den XII<br />
dogheden overgeschreven. Het laatste werk blijkt niet van Ruus<br />
broec te zijn 128. Meer gewaardeerd waren de geschriften van een<br />
van zijn leerlingen, Johannes van Schoonhoven. Diens Epistolae de<br />
passione D. N. Jesu Christi werden meermalen te Hoei, Luik en<br />
Keulen gekopieerd129.<br />
9. De Moderne Devoten<br />
Geert Grote, Contra focaristas130 en een groot aantal brieven131;:<br />
Gerard Zerbolt van Zutphen, De spiritualibus ascensionibus132, De<br />
reformatione virium animae, Scriptum pro quodam inordinate<br />
gradus ecclesiasticos et praedicationis officium affectante134. Het<br />
eerst genoemde werk van deze auteur kwam voor te Hoei, Luik,<br />
Marienfrede en Keulen (zelfs zeven maal), het tweede in Hoei<br />
(drie maal) en in Keulen. Thomas van Kempen, De imitatione<br />
Christi135, Dialogus novitiorum136, Libellus de disciplina claustralium<br />
137, Soliloquium animae138, Alphabeticum monachi139. Deze<br />
128 Luik : LSB 6M20, 6N17 - - Keulen : KHA GB4 153, GB8 53, 55. Voor het<br />
traktaat Van den XII dogheden, zie St. Axters, Geschiedenis van de vroomheid in<br />
de Nederlanden, dl. 2, p. 331-339.<br />
129 Hoei : LSB 6G8, 6L17 - - Luik : LSB 6G28 - - Keulen : KHA GB8 110,<br />
149, GB4 242.<br />
130 Hoei : LSB 6B17 - - Luik : LUB 263, 299, LSB 6G21, 6G28 - - Hohenbusch :<br />
KSB 80 - - Diisseldorf : DLSB B 180 - - Marienfrede : DLSB B 83.<br />
131 Hoei : LSB 6B17, 6L17, 6M17, 6F9 - - Luik : LUB 263, 299, 191, LSB<br />
6L18, 6M13 - - Keulen : KHA GBf 75, GB8 96, 126, 55, 60 - - Marienfrede :<br />
DLSB B83.<br />
132 Hoei : LSB 6M22 - - Luik : LSB 6M10 - - Keulen : KHA GB8 61, 83, 113,<br />
145, 155, 195 - - Marienfrede : DLSB B 129.<br />
133 Hoei : LSB 6G13, 6L17, 6N8 - - Luik : LSB 6M13 - - Keulen : HKA GB8<br />
155 - - Marienfrede : DLSB B 163.<br />
134 Hoei : LSB 6B17, 6H3, 6G13 - - Keulen : KHA GBf 196.<br />
135 Hoei : LSB 6F9, 6M21, 6M12 - - Luik : LSB 6G4, 6N18 Keulen : KHA<br />
GB8 40, 41, 116, 126, 122 - - Beyenburg : KHA GB8 62 - - Dusseldorf : DLSB<br />
B 171.<br />
138 Hoei : LSB 6H12 - - Luik : LSB 6L23 - - Keulen : KHA GB4 134.<br />
137 Hoei : LSB 6K21,27 - - Luik : LSB 6M17.<br />
138 Hoei : LSB 6M21 Keulen : KHA GB8 40.<br />
139 Hoei : BKB 2241 - - Keulen : KHA GB8 58, 249.
DE BIBLIOTHEKEN l47<br />
traktaten werden voornamelijk te Hoei, Luik en Keulen gekopieerd<br />
en vrijwel niet in Marienfrede en Dusseldorf.<br />
10. Seculiere geestelijkheid en leken<br />
Boethius, De consolatione philosophiae ; Isidorus van Sevilla<br />
Synonymorum libri ; Johannes Gerson, Opus tripartitum, de<br />
decent preceptis, de confessione, de scientia mortis. Voor de<br />
Kruisbroeders was Johannes Gerson een man van gezag. Niet alleen<br />
werd bovengenoemd werk in enkele kloosters twee tot driemaal<br />
overgeschreven, maar men treft nog andere werken van hem aan<br />
o.a.Jractatus pro devotis simplicibus "3, De pusillanimitate "* De<br />
laude scnptomm "5. In Keulen alleen al bevonden zich ongeveer<br />
25 traktaten van Johannes Gerson in de bibliotheek. Petrus d'Ailly,<br />
Prefatio super septem psalmos poenitentiales146; Petrus van Blois'<br />
Compendium super Job , Epistolae "8; Henricus van Langenstein^<br />
De dtscretione spirhuum u\ De horis canonicis150, Epistola pads1W<br />
Speculum animae 152. De laatste auteur was alleen in de Rijnlandse<br />
kloosters bekend. Johannes Buridan (van Bethune), Quaestiones<br />
super Ubros Aristotelis163. Johannes Buridan werd alleen te Hoei<br />
bestudeerd. Zijn Quaestiones waren kennelijk de handboeken.<br />
Naar aanleiding van de keuze, die de Kruisbroeders maakten uit<br />
de commentaren op de H. Schrift en uit de geschriften van de<br />
GBf 12 " ~<br />
53 : KHA GB4 54 - - Marien-<br />
Luik : LUB 263, LSB 6F8, 6N17 - - Keulen : KHA GBf 90, GB8 84 - -<br />
ti * ^LSB/^0" Ho/lsB^. ^ ^ * ^<br />
2 Hoei: LUB 338 - - Keulen : KHA GBf 90.<br />
u. lmk} l LI£j2a63 " Keulen : KHA GB4 1Q0 - - Dusseldorf : DLSB B 64<br />
Keulen : KHA GB4 215 - - Hohenbusch : KSB 73<br />
- Hoei- LSR fflir ~ MfeefreTdc^ DLSB B *> Be^n R°Se 768'<br />
148 2 ' a* f^19 ~ " Lulk : LSB 6G21 " - Keulen : KHA GBf 72.<br />
S/BTsf<br />
146 Keulen : KHA GB4 124, 154, GBf 72<br />
150 Keulen : KHA GB4 154, 155, 174<br />
^Keulen: KHA GBf 72 - - Hohenbusch: KSB 80 - - Dusseldorf: DLSB<br />
152 Keulen : KHA GB4 124, GBf 72.<br />
158 Hoei: LUB 114, 116, 44, LSB 6N12.
l48 STUDISN OVER DE OBSERVANTIE<br />
kerkvaders is betoogd, dat zij de traditie van de oude monniken<br />
orden voortzetten, hoewel niet in alle opzichten. Het onderzoek<br />
naar de voorkeur van de Kruisbroeders ten aanzien van de Libri,<br />
die het iicht zagen sinds de vaders, bevestigt en versterkt deze<br />
mening. Immers, het blijkt, dat juist de auteurs, die de monniken<br />
van de oudere orden de weg gewezen hebben, bij de Kruisbroeders<br />
eveneens hoog stonden aangeschreven. Onder al de genoemde au<br />
teurs namen zij een belangrijke plaats in, Bernard van Clairvaux<br />
in het bijzonder, die tegenover het intellectualisme van zijn dagen<br />
trouw aan de bijbel en de vaders bleef en een voorvechter van het<br />
traditionele monastieke leven was.<br />
Het was niet alleen die trouw aan de bijbel en de kerkvaders,<br />
die de Kruisbroeders in de oudere monnikenorden bewonderden, het<br />
was voorzeker ook hun eerbied voor het monastieke leven, hun<br />
ontzag en hoogachting voor de sacramenten en meer speciaal voor<br />
de biecht, de eucharistie en het priesterschap. Het was vervolgens<br />
ook hun gehechtheid aan bepaalde literaire genres : de brieven, de<br />
hagiographie, de sermones en de florilegia.<br />
De eerbied van de Kruisbroeders voor het kloosterleven is te<br />
bespeuren in de talrijke traktaten hierover. Het valt op, dat zij er<br />
op uit waren niet alleen van hun eigen orde, maar ook van ieder<br />
andere orde de oorsprong te leren kennen, het leven, de regel en<br />
de brieven van de stichters, de stichting en uitgroei van de orde,<br />
de inrichting van het kloosterleven, de levensbeschrijvingen van de<br />
eerste navolgers van de stichters. De commentaren op de regel van<br />
hun vader Augustinus kopieerden de Kruisbroeders steeds opnieuw.<br />
Naast deze oorsprongsverhalen zijn in de handschriften van Hoei<br />
ca. 60 traktaten over het kloosterleven te vinden, in die van Luik<br />
ca. 30 en in die van Keulen ca. 60. De auteurs van deze traktaten<br />
werden niet geregeld met naam vermeld.<br />
Van hun geloof in de sacramenten, de biecht, de eucharistie en<br />
het priesterschap getuigt eveneens het aantal traktaten, dat de<br />
Kruisbroeders in hun handschriften opnamen : over de biecht te<br />
Hoei ca. 19, te Luik ca. 17, te Keulen ca. 20 ; over de eucharistie<br />
en het priesterschap te Hoei ca. 20, te Luik ca. 12 en te Keulen<br />
ca. 33.<br />
De literaire genres, waarnaar de voorkeur van de Benedictijnen<br />
en de Cisterciensers uitging, waren bij de Kruisbroeders zeer geliefd.
DE BIBLJOTHEKEN 149<br />
In hun handschriften treft men voortdurend een aantal brieven<br />
aan, o.a. van Petrus Damianus, Anselmus, Hildegardis, Eusebius,<br />
Cyrillus, Cyprianus, Ambrosius, Hieronymus, Augustinus, Johannes<br />
van Limoges, Willem van Sint Thierry, Bernard van Clairvaux,<br />
Johannes van Schoonhoven, Petrus van Blois, Petrus Alfonsi, Henricus<br />
van Langenstein, Geert Grote, Johannes Brugman.' Vele<br />
andere auteurs zijn aan deze lijst van namen nog toe te voegen.<br />
Maar het is toch vooral de preekvorm, die de Kruisbroeders aansprak.<br />
Talrijk zijn de collecties preken, die zij kopieerden, o.a. van<br />
de kerkvaders Johannes Chrysostomos, Johannes Climacus, Beda,<br />
Augustinus; van de Cisterciensers: Caesarius van Heisterbach,<br />
Guerricus van Igny, Nicolaus van Clairvaux, Johannes Soccus ; van<br />
de Karthuizers : Hendrik van Coesfeld, Johannes Herolt, Henricus<br />
van Hessen, Theodorus Bollick ; van de Dominicanen : Albertus<br />
Magnus, Antonius van Parma, Jacobus van Lausanne, Jacobus de<br />
Voragine; van de Augustijnen : Jacobus van Vitry, Jordanus van<br />
Saksen ; verder nog van Hugo van Sint Victor, Johannes Gerson,<br />
Bernardinus van Siena, Conradus van Saksen en Henricus van Erp.<br />
Daarnaast zijn er een aantal collecties, waarvan de Kruisbroeders<br />
de auteurs niet vermeldden. Al deze preken zullen zij ten dienste<br />
van hun eigen prediking gebruikt hebben.<br />
Hagiographieen verzamelden zij in mindere mate; een ruim<br />
aantal betrof de stichters van de kloosterorden en kloosterlingen.<br />
Maar het samenstellen of overnemen van Florilegia en Auctoritates,<br />
verzamelingen van citaten uit de geschriften van kerkvaders, heiligen<br />
en geleerden, was voor de Kruisbroeders een geliefkoosde<br />
bezigheid. Onder diverse titels komen zij voor : Florilegia Sancti<br />
Augustini, Auctoritates patrum, Auctoritates sanctorum hominuni,<br />
Auctoritates diversorum doctorum, Manipulus curatorum, Excerpta<br />
patribus enz. enz. Eens te meer duidt dit aan in welke auteurs de<br />
Kruisbroeders mannen van autoriteit zagen. De Florilegia of Flores<br />
Sancti Augustini treft men herhaaldelijk aan.<br />
Uit het feit, dat de Kruisbroeders van de vijftiende eeuw de<br />
Benedictijnen en de Cisterciensers van voor 1200 in hun keuze van<br />
bronnen, onderwerpen en literaire genres navolgden, is ten dele<br />
verklaarbaar, waarom zij zich zo aangetrokken voelden tot de ge<br />
schriften van Richard en Hugo van Sint Victor. Deze twee auteurs<br />
continueerden de monastieke traditie en bleven voortbouwen op
150 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Augustinus, Bernard van Clairvaux, Isidorus van Sevilla en Rabanus<br />
Maurus, auteurs, die in het leven van de Kruisbroeders een belang-<br />
rijke plaats innamen.<br />
De tweede reden, waarom de Kruisbroeders gaarne de traktaten<br />
van de Victorijnen lazen, was wel dat deze auteurs zich evenals<br />
Bernard van Clairvaux bleven verzetten tegen de intellectualistische<br />
methode o.a. van Abelardus en Petrus Lombardus. Deze laatste<br />
twee auteurs waren zo goed als niet vertegenwoordigd in de Kruis-<br />
broederlibraria. De Kruisbroeders van de vijftiende eeuw waren<br />
afkerig van ieder intellectualisme. Reeds is er op gewezen, dat zij<br />
geen polemische brieven van de kerkvaders kopieerden ; tegenover<br />
de Quaestiones, de Disputationes en de Quodlibeta van de laat-<br />
scholastieken stonden zij even afwijzend. Pas op het einde van de<br />
vijftiende eeuw, toen de prior-generaal Nicolaas van Haarlem<br />
er voor ging ijveren, dat de Kruisbroeders meer aan de universiteiten<br />
studeerden, legden dezen zich er op toe dergelijke werken te<br />
kopieren en te bestuderen.<br />
Zij stonden in hun afkeer van het intellectualisme niet alleen.<br />
De Moderne Devoten en seculiere priesters zoals Petrus d'Ailly en<br />
Johannes Gerson waren op het einde van de veertiende eeuw de-<br />
zelfde opvatting toegedaan. Het was een reactie tegen de laatscholastieken,<br />
die gedurende de veertiende eeuw door allerlei<br />
excessen hun theologie in diskrediet brachten. De reactie was echter<br />
niet identiek. Zowel de Moderne Devoten als de genoemde secu<br />
liere priesters keerden terug tot de bijbel en de kerkvaders als de<br />
eerste bronnen voor hun geestelijk leven, maar de laatsten inspireer-<br />
den zich ook op Richard en Hugo van Sint Victor en de grote<br />
scholastieken, Albertus de Grote en Thomas van Aquino.<br />
De inspiratie-bronnen van de Kruisbroeders kwamen overeen met<br />
die van Petrus d'Ailly en Johannes Gerson. Evenals deze auteurs<br />
hadden de Kruisbroeders niet alleen een voorkeur voor de vaders,<br />
maar ook voor de Victorijnen en de grote scholastieken, en vanzelf-<br />
sprekend eveneens voor de twee genoemde seculiere auteurs en in<br />
het bijzonder voor Johannes Gerson. Hun inspiratie-bronnen waren<br />
van uitgebreider omvang dan die van de Moderne Devoten. De<br />
Victorijnen b.v. vonden geen weerklank bij de Moderne Devoten.<br />
Met de seculiere auteurs Petrus d'Ailly en Johannes Gerson en<br />
eveneens met de Moderne Devoten stemden de Kruisbroeders over-
DE BIBLIOTHEKEN 151<br />
€en in hun afkeer van de mystiek. Uitgezonderd enkele hoofdstukken<br />
uit het Horologium van Suso, werden de traktaten van de<br />
Duitse mystieken niet door de Kruisbroeders gekopieerd, ook niet<br />
in de Rijnlandse kloosters, waar zij toch zeker op de hoogte waren<br />
van het bestaan van de geschriften van deze auteurs. Evenzo was<br />
het gesteld met de werken van Johannes Ruusbroec ; slechts enkele<br />
hoofdstukken namen de Kruisbroeders over, ofschoon deze mysticus<br />
toch zeker geen onbekende in de Zuidnederlandse kloosters was.<br />
De afkeer van de mystiek is waarschijnlijk ook een verklaring,<br />
waarom in de verzamelingen van handschriften, afkomstig van de<br />
Kruisbroederkloosters, het traktaat Vestis Nuptialis, van de hand<br />
van de Kruisbroeder Petrus Pincharius, 1364-1382, ontbreekt. Er<br />
bestaat slechts een gedrukte editie uit het jaar 1639. Men kan moeilijk<br />
veronderstellen, dat de Kruisbroeders na 1639 de geschreven<br />
teksten hebben vernietigd. Andere boeken zijn eveneens in druk<br />
verschenen en toch niet vernietigd. Indien de Kruisbroeders zich in<br />
de vijftiende eeuw aangetrokken voelden door zijn speculatieve<br />
beschouwingen, hadden zij niet nagelaten dit traktaat meermalen<br />
te kopieren. De boeken of traktaten, die niet aanwezig zijn in bibliotheken,<br />
spreken dikwijls een even duidelijke taal als die wel<br />
aanwezig zijn.<br />
Zo brengen de handschriften van de Kruisbroeders voldoende<br />
aan het licht, dat deze kloosterlingen een afkeer hadden van<br />
het intellectualisme en de mystiek van de veertiende eeuw en zich<br />
meer wensten te bezinnen op een sacramenteel-ascetisch leven. Er<br />
waren niet alleen traktaten over de biecht en de eucharistie in de<br />
handschriften opgenomen, maar ook traktaten over alle sacramenten<br />
te zamen. Een groot deel van de geschriften, die in de voorafgaande<br />
bladzijden zijn opgenoemd, is ascetisch van aard. Hieraan<br />
kunnen een aantal anonieme traktaten van hetzelfde gehalte toegevoegd<br />
worden. De onderwerpen hiervan waren : de deugden,<br />
zoals het geduld, de nederigheid ; het geweten ; de ondeugden ; de<br />
tien geboden ; de kunst om te sterven ; de uitersten van de mens,<br />
de vlucht uit de wereld, het Onze Vader, het koorgebed, het lijden<br />
van Jezus Christus en Maria. Het zijn de onderwerpen, waarvan de<br />
geestelijke schrijvers gedurende de vijftiende eeuw, dikwijls uit<br />
wantrouwen tegen het intellectualisme en de mystiek, zonder ophouden<br />
alle aspecten belichtten. De Kruisbroeders stonden, wie de
152 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
auteurs ook waren, onder invloed van deze vijftiende-eeuwse waar-<br />
dering van de ascese. Zij waren mensen van hun tijd.<br />
Er waren echter geestelijke auteurs, zoals Johannes Gerson, die<br />
voor de beoefening van de ascese het kloosterleven niet meer de<br />
meest geschikte staat van leven achtten. Hoewel onder hun invloed<br />
staande, kozen de Kruisbroeders toch voor de kloosterlijke staat.<br />
Zij hebben vanaf het begin van de vijftiende eeuw in deze levens-<br />
staat willen volharden. De bepalingen of definities van hun generale<br />
kapittels stellen dit duidelijk in het licht, doch ook hun libraria<br />
getuigen van hun liefde voor het kloosterleven en de monastieke<br />
traditie.
Hoofdstuk VII<br />
DE KRUISBROEDERS EN DE MODERNE DEVOTEN<br />
Bijna iedere historicus, die de observantie-beweging binnen de<br />
orde van de Kruisbroeders gedurende de vijftiende eeuw heeft vermeld,<br />
schreef deze toe aan de invloed, die uitging van de Moderne<br />
Devoten, de Broeders van het Gemene Leven en de Reguliere<br />
Kanunniken van Windesheim. In 1906 schreef Schoengen, dat de<br />
invloed van de fraterschool te Deventer in ieder archief van Nederland<br />
en het Rijnland viel aan te tonen. De verklaring hiervoor vonJ<br />
hij in de toeleg van de Broeders de jongelui, die in hun huizen werden<br />
opgevoed, in observante kloosters onder te brengen. Volgens<br />
Johannes Busch, aldus Schoengen, waren het vooral de kloosters<br />
van de Reguliere Kanunniken, Benedictijnen (de congregatie van<br />
Bursfeld), Karthuizers, Kruisbroeders en Cisterciensers, die door<br />
kwekelingen van de Broeders werden bevolkt. ,,Betrekkelijk de<br />
Kmisheren met hun hoofdklooster te Huy bij Luik wil ik nog even<br />
aanstippen, dat hunne kostbare bibliotheek op de meest frappante<br />
wijze de waarheid van het bericht van Johannus Busch bevestigt.<br />
De colophons van talrijke boeken wijzen Noord-Nederlanders als<br />
schrijvers en tevens als leerlingen der school van Deventer aan." *<br />
Niet alleen Johannes Busch, maar ook Thomas van Kempen<br />
heeft het toetreden van leerlingen uit Zwolle bij de Kruisbroeders<br />
vermeld in zijn biografie van de beroemde rector van Zwolle, Jan<br />
Cele, gestorven in 1417. ,,Welke orde, beroemd door leven en naam,<br />
heeft niet uit zijn leerlingen kloosterlingen gehad. Vooral echter<br />
de Regiilieren met de Kruisbroeders en Cisterciensers verkregen uit.<br />
zijn leerlingen niet weinig leraren voor hun orde ; enkelen van hen<br />
J M Schoengen, De oorkonden uit het archief van het Fraterhuis te Zwolle, in.<br />
Nederlandsch Archievenblad, 15 (1906-1907), p. 33.
154 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
werden vanwege hun deugdzaamheid tot oversten van de kloosters<br />
en tot rectoren van de kerken benoemd" 2.<br />
Nu stelden de Broeders van het Gemene Leven met hun opvoeding<br />
en onderwijs zich tot doel jongens op te leiden voor het priesterschap.<br />
Niet alleen naar de kloosters van de Kruisbroeders, maar<br />
ook naar die van andere orden zonden zij hun leerlingen.<br />
Van de kant van de Kruisbroeders is er echter een bijzondere<br />
bevestiging hiervan. Op 24 September 1424 schreef hun prior-generaal<br />
Helmicus Amoris een getuigenis over de levenswijze in de<br />
huizen van de Broeders. Hieraan voegde hij het volgende toe :<br />
,,En daar niet alleen ik maar ook zeer veel van mijn medebroeders<br />
reeds sedert lang bekend zijn met het deugdzame en prijzenswaardige<br />
leven in sommige huizen van die staat en inrichting, bijzonder<br />
in het klerkenhuis te Widenbach binnen Keulen, in het Heer-<br />
Florishuis te Deventer en het klerkenhuis te Zwolle in het bisdom<br />
Utrecht, leg ik deze getuigenis van de waarheid af, ... Aan zeer<br />
vele kloosters van onze orde, waar men met Gods genade in de<br />
onderhouding van de observantie aan de dienst van de Heer zich<br />
toewijdt, werden uit genoemde huizen voortdurend personen van<br />
goede wil geleverd, die van genoemde priesters en geestelijken de<br />
eerste stoot tot een beter leven hebben ontvangen ; daarom wil ik<br />
bij alle Christenen hen aanbevelen en wens van harte, dat zij lang<br />
mogen stand houden en God de Heer in vrede dienen." 3<br />
Een bijzonder contact was er tussen de Kruisbroeders te Keulen<br />
en de Broeders van het Gemene Leven. Fraterheren uit Osnabriick<br />
schonken tussen 1430 en 1445 diverse zelf gekopieerde handschrif-<br />
ten aan de Kruisbroeders van Keulen4. Enkele scriptores onder de<br />
Keulse Kruisbroeders vermeldden van zichzelf, dat zij leerlingen<br />
war en van de Deventerse of Zwolse school5. Het war en ook de<br />
Keulse Kruisbroeders, die in Osterberg het huis van de Broeders<br />
van het Gemene Leven overnamen om daar een klooster te stichten<br />
G. Het is best mogelijk, dat dit contact ontstaan is in Keulen<br />
2 Thomae Hemerken a Kempis, Opera omnia, 8 Bde., herausg. van M. J. Pohl,<br />
Freiburg i.Breisgau 1910-1922. Bd. 7, p. 510.<br />
3 Oorkonden van de Broeders van het Gemene Leven, uitg. en vertaald door J. H.<br />
Hofman, in Archief voor de geschiedenis van het Aartsb'tsdom Utrecht, 2 (1875),<br />
p. 272-275.<br />
4 R. Haass, Devotio moderna in der Stadt Koln im 15. und 16. Jahrhundert, in<br />
Veroffentlichungen des Kolnischen Geschichtsvereins, 25 (I960), p. 146.<br />
5 Zie Clairlieu, 11 (1953), p. 38, n. 12.<br />
4 Haass, Die Kreuzherren, p. 78 ; Van de Pasch, Definities, anno 1428.
DE MODERNE DEVOTEN 155<br />
zelf, waar de Broeders van het Gemene Leven ook een huis hadden<br />
en in Keulen vroegere medeleerlingen van Zwolle en Deventer<br />
ontmoet hebben. Dit Keulse huis werd als eerste genoemd in de<br />
getuigenis, die Helmicus Amoris in 1424 aflegde ten gunste van de<br />
Broeders. Juist de Keulse Broeders kunnen vanwege de goede relatie<br />
de prior-generaal om een getuigenis verzocht hebben.<br />
Haass veronderstelde, dat Helmicus Amoris de Broeders van het<br />
Gemene Leven te Keulen heeft leren kennen tijdens een visitatie<br />
aan het Kruisbroederklooster aldaar. Het is hem ontgaan, dat de<br />
betrekkingen tussen Helmicus Amoris en de eerste Broeders van het<br />
Gemene Leven zeer nauw waren, namelijk dat Helmicus Amoris<br />
een oudere broer van Gerard Zerbolt van Zutphen was. En het is<br />
best mogelijk, dat Helmicus Amoris in het Kruisbroederklooster te<br />
Keulen is ingetreden. Immers, het oudst gedateerde handschrift van<br />
Gerard Zerbolt, De spiritualibus ascensionibus, stamt van het<br />
Kruisbroederklooster te Keulen, uit het jaar 1400, twee jaar na<br />
de dood van de schrijver7. Bovendien geven twee Keulse handschriften<br />
de naam Helmicus, eenmaal als scriptor, de andere maal<br />
als auteur 8. Er was geen tweede Kruisbroeder met de voornaam<br />
Helmicus.<br />
In Bentlage traden circa 1445 vijf of zes of misschien meer leerlingen<br />
van de Broeders van Deventer in 9. De later zo beroemde<br />
humanist Gerardus Geldenhouwer Noviomagus werd als jongeman<br />
door de Broeders van Deventer aangeraden in te treden bij de<br />
Kruisbroeders van Asperen. Vandaar werd hij naar Leuven gezonden<br />
om zijn studies verder te voltooien 10.<br />
Te Hoei waren zeker twee leerlingen uit Deventer, namelijk<br />
Heynricus Jansz. van Haemstede en Hermannus van Arnhem11.<br />
Daar te Hoei meestal meer Kruisbroeders woonden, die afkomstig<br />
waren uit de steden van Westelijk Noord-Nederland, zal de opmer-<br />
T Van Rooy, Gerard Zerbolt, p. 277 en 291.<br />
8 In een handschrift te Keulen (Hist. Arch. GB4 168) geven twee scriptores hun<br />
naam, namelijk: Johannes Zelandrinus, senex, eens kapelaan in Lyskirchen, en<br />
Helmicus, zijn opvolger, die het handschrift voltooide. Geen van beide namen komt<br />
voor in : Th. Paas, Die Pfarre St. Maria-Lyskirchen zu Koln in ihrer geschichtlichen<br />
Entwtcklung, Koln 1932, noch in de archiefstukken van het Hist. Archiv des<br />
Erzbistums Koln. In een handschrift te Keulen (Hist. Arch. GBf 69) wordt een<br />
Helmicus als samensteller van een Expositio in proverbia Salomonis genoemd<br />
Weiss, Die Kreuzherren, p. 129.<br />
10 O. Hendriks, Gerardus Geldenhouwer Noviomagus, in Studia Catholica 31<br />
156 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
king van Schoengen veeleer van toepassing zijn op de Kruisbroeders<br />
van Luik, daar dezen over het algemeen geboren zijn in Oostneder-<br />
landse steden.<br />
In de bibliotheken van de Kruisbroederkloosters stonden nog al<br />
wat traktaten, samengesteld door de Moderne Devoten, o.a. die van<br />
Gerard Zerbolt van Zutphen, de handboeken bij uitstek van de<br />
Moderne Devoten. De hervormingsgezinde Kruisbroeders kwamen<br />
veelal uit het invloedsgebied van deze Moderne Devoten : Noord-<br />
en Zuid-Nederland, het Rijnland en Westfalen en zelfs uit steden,<br />
waar de Broeders van het Gemene Leven zich gevestigd hadden.<br />
De mogelijkheid voor de Broeders van het Gemene Leven om<br />
invloed uit te oefenen en voor de Kruisbroeders om die te onder-<br />
gaan was dus zeer ruim. Mag nu hieruit geconcludeerd worden, dat<br />
die invloed er ook geweest is ? Men mag alleen van zo'n invloed<br />
spreken, wanneer de personen uit de huizen van de Broeders van<br />
het Gemene Leven en hun leerlingen ook hun idealen en hun<br />
levenswijze overbrachten op de Kruisbroeders.<br />
Er zijn echter vooreerst wezenlijke verschillen aan te tonen in<br />
de levenswijze van de Broeders van het Gemene Leven en die van<br />
de Kruisbroeders. Voor de laatsten lag het hoogtepunt van hun<br />
geestelijk leven in het gezamenlijk bidden van het officium divi-<br />
num. De verzorging van de liturgie was hun eerste taak. De beslui-<br />
ten van bijna elk kapittel uit de vijftiende eeuw leggen hiervan<br />
getuigenis af. Bij Geerte Grote en zijn volgelingen kwam de liturgie<br />
op de tweede plaats, hoewel zij deze toch niet geheel verwaar-<br />
loosden 12.<br />
De Moderne Devoten gaven de voorkeur aan een leven van af-<br />
zondering ; voortdurend werd hun voorgehouden zich uit de wereld<br />
terug te trekken. De Kruisbroeders werkten buiten hun kloosters in<br />
parochies en ziekenhuizen, die gei'ncorporeerd waren, ook in het<br />
begin van de vijftiende eeuw. Nooit namen de generate kapittels<br />
hiertegen een afwijzende houding aan, ofschoon juist in de vijf<br />
tiende eeuw de kapittelvaders niet terugdeinsden voor harde maat-<br />
regelen, als zij meenden, dat de Kruisbroeders zich voor iets in-<br />
spanden, dat in strijd was met hun opvattingen van het klooster-<br />
leven.<br />
12 F. Vandenbroucke, Cube liturgique et priere intime dans le monach'tsme au<br />
moyen age, in La Maison Dieu, 69 (1962), p. 56-66.
DE MODERNE DEVOTEN 157<br />
De Kruisbroeders kenden niet de methode van de Broeders van<br />
het Gemene Leven om het ascetisch leven onder elkaar te bevorderen<br />
en te bewaren door stichtelijke gesprekken en door het<br />
schrijven en lezen van biografieen van hun geestelijke vaders.<br />
Tussen de vele handschriften uit de vroegere Kruisbroederkloosters<br />
is geen enkele biografie van een Kruisbroeder, zelfs niet van hun<br />
stichter of stichters.<br />
Het kopieren van boeken door de Kruisbroeders kan wel geactiveerd<br />
zijn door de komst van personen en leerlingen uit de huizen<br />
van de Broeders van het Gemene Leven. Het werd echter niet overgenomen,<br />
daar de Kruisbroeders zich reeds vroeger met deze arbeid<br />
bezig hielden. Stiennon heeft opgemerkt, dat de Kruisbroeders van<br />
Hoei in de allereerste jaren van de vijftiende eeuw keurig kopieerden<br />
13. Van een lange traditie spraken ook de Keulse Kruisbroeders<br />
uit het jaar 1448.<br />
Wat de boeken en traktaten betreft, die de Moderne Devoten<br />
en de Kruisbroeders kopieerden, er is reeds op gewezen, dat beiden<br />
afkerig waren van het intellectualisme van de laat-scholastiek en<br />
tevens van de mystiek, en dat beiden zich meer wensten te bezinnen<br />
op een sacramenteel-ascetisch leven. Maar de inspiratie-bronnen<br />
weken van elkaar af. Zij waren voor de Kruisbroeders van uitgebreider<br />
omvang en zij kwamen veel meer overeen met die van de<br />
seculiere priesters als Petrus d'Ailly en Johannes Gerson.<br />
Evenals de kloosterlingen van andere orden, ondergingen de<br />
Kruisbroeders invloed van de Moderne Devoten. Maar het veroorzaakte<br />
bij de Kruisbroeders geen mentaliteitsverandering. De Kruis<br />
broeders stonden voor de spiritualiteit van de Moderne Devoten<br />
open, omdat zij overeenkwam met die van henzelf, doch traktaten<br />
van Dominicanen of Franciscanen met dezelfde inhoud schreven zij<br />
eveneens over.<br />
Bovendien zijn de personen uit de huizen van de Broeders van<br />
het Gemene Leven niet bij de Kruisbroeders ingetreden om hun<br />
eigen levenswijze aan deze kloosterlingen over te brengen, maar<br />
omdat zij door het observante kloosterleven van de Kruisbroeders<br />
werden aangetrokken en bij hen de verwezenlijking van hun ideaal<br />
zagen.<br />
1:1 Les manuscrits des Croisiers de Huy, Liege et Cuyk au XVe siecle, Exposition-<br />
Catalogue, par A. van de Pasch-J. Stiennon-M. Lavoye, Liege 1951.
158 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Prior-generaal Helmicus Amoris schreef in 1424, dat velen voor<br />
dat jaar waren ingetreden, dus in de tijd, dat de Broeders van het<br />
Gemene Leven nog voor hun bestaan moesten vechten. Dit is op-<br />
merkelijk, want pas later zullen de Broeders het vooral als een van<br />
hun taken beschouwen, jongens voor te bereiden tot de intrede in<br />
het klooster. Prior-generaal Helmicus vermeldde ook, dat niet<br />
alleen hij maar velen van zijn medebroeders reeds sedert lang be-<br />
kend waren met het deugdzame en prijzenswaardige leven in som-<br />
mige huizen van de Broeders. Uit de bloedverwantschap met<br />
Gerard Zerbolt van Zutphen is misschien te verklaren, waarom<br />
Helmicus Amoris een getuigenis aflegde over de levenswijze in de<br />
huizen van de Broeders. Deze Broeders kunnen een beroep op hem<br />
gedaan hebben, omdat Helmicus een oudere broer van Gerard<br />
Zerbolt was en zo'n hoog ambt bekleedde. Barnikol schreef, dat<br />
de prior-generaal deze getuigenis aflegde, omdat de Kruisbroeders<br />
het als hun hoofdtaak beschouwden ketters op te sporen en te<br />
bekeren 14. Indien zij zich ooit hierop toegelegd hebben, voor de<br />
tijd na 1400 is hier geen enkel gegeven voor. De reden voor het<br />
verzoek van de Broeders van het Gemene Leven kan echter - aan-<br />
gezien de raad om bij de Kruisbroeders in te treden gericht was tot<br />
huisgenoten, Helmicus schreef niet over leerlingen
DE MODERNE DEVOTEN 159<br />
Jan van Hattem aan Hoei, waar hij van de Kruisbroeders relieken<br />
voor Deventer meekreeg16, onderstrepen dit nogmaals.<br />
Wat betreft de tweede tak van de Moderne Devoten, namelijk<br />
het kapittel van Windesheim, geen enkel Kruisbroederklooster is<br />
hervormd door een Kanunnik van Windesheim. De actie van dit<br />
klooster om alle kloosters van Reguliere Kanunniken te hervormen<br />
begon pas na 1410 17.<br />
Terstond in het jaar 1410 streefde het generale kapittel van de<br />
Kruisbroeders naar uniformiteit van regel en statuten, het generale<br />
kapittel van Windesheim kwam pas hiertoe in de dertiger jaren<br />
van de vijftiende eeuw18. In 1439 was ditzelfde kapittel van plan<br />
in Rome te verzoeken of het voor hun donaten, namelijk priesters<br />
en leken, die geen kloosterling wensten te zijn, maar toch hun leven<br />
wilden doorbrengen in de kloosters van de Reguliere Kanunniken<br />
van Windesheim, dezelfde statuten zou mogen gebruiken als de<br />
Kruisbroeders voor hun donaten hadden verkregen 19. De Reguliere<br />
Kanunniken van Windesheim zijn voor hun levenswijze eerder te<br />
rade gegaan bij de Kruisbroeders dan andersom.<br />
De Moderne Devoten hebben niet de observantie-beweging in het<br />
leven geroepen. Acquoy heeft alle geestelijke opleving in de vijftiende<br />
eeuw aan Geert Grote en diens volgelingen toegeschreven 20.<br />
Hij hechtte echter teveel waarde aan het getuigenis van Johannes<br />
Busch, die zichzelf en zijn medebroeders als de belangrijkste her-<br />
vormers zag21. Buiten de Noordelijke Nederlanden bestond sinds<br />
geruime tijd een streven naar hervorming van het kloosterleven en<br />
19 G. Dumbar, Reipublicae Daventriensis ab actis, Analecta seu Vetera aliquot<br />
scripta inedita, Deventer 1719, p. 182.<br />
17 Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen, deel I, p. 339.<br />
18 W. Lourdeaux-E. Persoons, De statuten van de Windesheimse Mannenkloosters<br />
in handschrift en druk, in Archief voor de geschiedenis van de Katholieke Kerk<br />
in Nederland, 6 (1964), p. 180-224.<br />
19 Acta capituli Windeshemensis, Acta van de kapittelvergaderingen der congregatie<br />
van Windesheim, uitgegeven door S. van der Woude, 's-Gravenhage 1953<br />
(Kerkhistorische Studien behorende bij het Nederl. Archief voor Kerkgeschiedenis,<br />
dl. 6), p. 35.<br />
20 J. Acquoy, Het klooster te Windesheim en zijn invloed, 3 dl., Utrecht 1875-<br />
1880.<br />
21 F. van de Borne, Geert Groote en de moderne devotie in de geschiedenis vanhet<br />
middeleeuwse kloosterwezen, in Studia Catholica, 16 (1940), p. 397-402.
160 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
bereikte eerder successen in het buitenland dan in de Nederlan-<br />
den 22. De Noord-Nederlanders stonden, toen eenmaal dit streven<br />
ook in Nederland algemeen werd, er voor open en hebben zich er<br />
bijzonder voor ingespannen. In de Zuidelijke Nederlanden waren<br />
anderen Geert Grote reeds voorgegaan in de bestrijding van mis-<br />
standen onder de geestelijkheid 23.<br />
In de orde van het Heilig Kruis is de gedachte aan meer observantie<br />
in het kloosterleven reeds in de tweede helft van de veer-<br />
tiende eeuw opgekomen. Russelius verhaalde, dat de prioren-<br />
generaal Petrus Pincharius en Ferricus van der Putte, resp. gestor-<br />
ven in 1382 en 1393, hun beste krachten gaven voor de hervorming<br />
van de Franse en Engelse kloosters. De Franse Kruisbroeders<br />
beschouwden Petrus Pincharius als schismatiek, daar hij voor de<br />
paus van Rome was 24. De eenheid in de orde was blijkbaar verloren<br />
gegaan en Petrus Pincharius zal getracht hebben die te herstellen.<br />
Het is zeer wel mogelijk, dat de zojuist genoemde prioren-<br />
generaal de hervormingsgezinde prioren-generaal, die na 1410<br />
werkzaam waren, gevormd hebben. Van Libertus Janssen van Bom-<br />
mel en Johannes van Merten mag dit met reden verondersteld<br />
worden, want zij zullen in 1410 niet zo jong meer geweest zijn ; ze<br />
stierven respectievelijk in 1411 en 1415. Hoe oud Helmicus Amoris<br />
omstreeks 1410 was, valt ongeveer te berekenen. Van zijn jongere<br />
broer Gerard weten we immers, dat hij 31 jaar oud was, toen hij in<br />
1398 stierf. Helmicus is dus geboren voor 1367, het geboortejaar<br />
van Gerard25, en was in 1410 dus zeker 45 jaar. Wanneer we<br />
veronderstellen, dat hij als jongeman is ingetreden, zal dit gebeurd<br />
zijn omstreeks 1385. Helmicus Amoris heeft dan de prior-generaal<br />
Ferricus van der Putte in elk geval gekend.<br />
De besluiten, die de generale kapittels van de Kruisbroeders<br />
namen, waren niet vreemd of op zichzelf staand in de ogen van<br />
kloosterlingen, die op het einde van de veertiende en het begin van<br />
de vijftiende eeuw naar hervorming van hun leven streefden. De<br />
leden van enkele Cistercienserabdijen in Friesland besloten circa<br />
1410 te gaan leven volgens de oude tradities en oude instellingen<br />
22 Van de Borne, a.w., 18 (1942), p. 213.<br />
23 Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen, deel I, p. 339.<br />
24 Russelius vergiste zich. Hij staafde zijn bewering met een verwijzing naar een<br />
brief van koning Karel uit 1372. Het schisma begon pas in 1378.<br />
25 Van Rooy, Gerard Zerbolt, p. 24 en 41.
De stiehtingen<br />
tussen<br />
1410-1499
to
DE MODERNE DEVOTEN l6l<br />
van hun orde26. De Benedictijner congregatie van Bursfeld verlangde<br />
naar uniformiteit van regel en statuten27.<br />
Het streven van de generale kapittels om een college te vormen<br />
dat meer dan voor 1410 het beleid van de orde bepaalde, kan voortgekomen<br />
zijn uit eigentijdse opvattingen over het bestuur van orde<br />
en kerk. Onder de prioren van de Kruisbroederkloosters, die bereid<br />
waren om naar het generale kapittel te gaan, zullen er verscheidenen<br />
geweest zijn, die voorstanders waren van de zg. ,,Conciliaire theorie",<br />
die circa 1410 veel gepropageerd werd o.a. door de reeds<br />
dikwijls genoemde seculiere priesters Petrus d'Ailly en Johannes<br />
Gerson. In de besluiten van 1410 staat heel duidelijk, dat de kapittelvaders<br />
de prior van Hoei aanvaardden als prior-generaal De<br />
prioren zullen geeist hebben, dat de prior-generaal aan de vergadering<br />
van prioren en afgevaardigden van de kloosters van<br />
zijn beleid verantwoording aflegde en steeds samenwerkte met het<br />
generale kapittel.<br />
In het streven en leven van de Kruisbroeders van de vijftiende<br />
eeuw zijn allerlei invloeden te bespeuren, niet uitsluitend die van<br />
de Moderne Devoten. De mogelijkheid hiertoe lag in de levenswijze<br />
van de Kruisbroeders zelf, namelijk die van Reguliere Kanunniken,<br />
die zich voor de moeilijke opgave plaatsten, zowel het kloosterlijke<br />
als het pastorale leven met elkaar te verenigen.<br />
P. 360.
SAMENVATTING<br />
De observantie-beweging in de orde van het Heilig Kruis gedu-<br />
rende de vijftiende eeuw nam een aanvang in de zomer van het<br />
jaar 1410. Op 30 juni legde de niet voor zijn taak berekende priorgeneraal<br />
Johannes d'Avins zijn ambt neer. In zijn plaats koos het<br />
Hoeise convent op 1 juli Libertus Janssen van Bommel. Op dezelfde<br />
dag kwam in dit klooster het generale kapittel van de orde bij een.<br />
Dit kapittel aanvaardde de nieuwe prior-generaal en herriep alle<br />
besluiten van vroegere generale kapittels, omdat zij op veel punten<br />
afweken van het kerkelijk recht en de statuten van de orde. Vooral<br />
uit deze herroeping blijkt, dat de kapittelvaders instemden met de<br />
bestuurswisseling in het klooster te Hoei en wel hierop zullen<br />
hebben aangedrongen.<br />
Een inmenging van de wereldlijke overheid o.a. van de elect-<br />
bisschop van Luik, Jan van Beieren, van hertog Jan zonder Vrees<br />
en de met hen in die tijd verbonden wereldlijke heren kon nog<br />
niet duidelijk geverifieerd worden. Hebben zij ingegrepen, dan was<br />
dit een zeer vroege interventie van de Bourgondische hertogen.<br />
Hertog Philips de Goede, de opvolger van Jan zonder Vrees, was<br />
bijzonder geinteresseerd bij de observantie-bewegingen in de kloos-<br />
ters, hoewel om politieke redenen.<br />
Een bemoeienis van de kerkelijke overheid is er zeker geweest.<br />
Prior-generaal Johannes van Merten, de opvolger van Libertus<br />
Janssen van Bommel, heeft niet lang na 1410 de hulp ingeroepen<br />
van de paus van Pisa, Johannes XXIII. Deze gaf de officiaal van<br />
Keulen en de dekens van Kamerijk en Luik opdracht de prior-<br />
generaal bij te staan in zijn streven de orde tot observantie terug te<br />
brengen. Zeker is het, dat de officiaal van Keulen en de deken van<br />
Luik hieraan gehoor gaven. Of ook de deken van Kamerijk zijn<br />
macht heeft gebruikt is niet bekend. Of de prioren van de Kruis-
SAMENVATTING 163<br />
broederkloosters zich juist ten gevolge van hun interventie aan de<br />
kant van de hervormingsgezinde Kruisbroeders hebben geschaard,<br />
is ook niet bekend. De bisschop van Kamerijk heeft naderhand<br />
zijn hulp verleend voor de hervorming van het klooster te Doornik.<br />
Hoewel in het begin de kerkelijke en misschien ook de wereldlijke<br />
overheid de helpende hand heeft geboden, was het toch vooral<br />
het bestuur van de orde, waarvan de observantie-beweging in de<br />
orde uitging. Een groot aandeel in dit bestuur had het generate<br />
kapittel, dat meer dan voor 1410 het beleid van de orde bepaalde.<br />
Het kwam ieder jaar te Hoei bijeen, trad krachtig op en ging zelfs<br />
oorspronkelijke bevoegdheden te buiten.<br />
Behalve naar uniformiteit van regel en statuten, een levensvoorwaarde<br />
voor het generate kapittel zelf, ging het streven van dit<br />
bestuurscollege uit naar :<br />
1. een herstel van het gemeenschappelijk leven ofwel een betere<br />
beleving van de gelofte van armoede.<br />
2. een stipt onderhouden van de vasten- en onthoudingswet.<br />
3. het in acht nemen van het stilzwijgen in het klooster.<br />
4. het dragen van de voorgeschreven kloosterkleding.<br />
Dit trachtte het generate kapittel te bereiken door zoveel mogelijk<br />
de hulp van de prioren en supprioren van de verschillende kloosters<br />
in te schakelen en de intrede van voor het kloosterleven ongeschikte<br />
personen te voorkomen.<br />
In andere kloosterorden was omtrent 1410 eveneens een obser<br />
vantie-beweging begonnen, namelijk in Italie, Frankrijk en het<br />
Duitse Rijk en deze drong in de Nederlanden pas goed door tegen<br />
het midden van de vijftiende eeuw. In vergelijking met de overige<br />
Nederlandse kloosters hebben de Kruisbroederkloosters zich derhalve<br />
al vroeg voor de observance uitgesproken. Er waren zelfs<br />
kloosters, die geen verval gekend hebben. In vergelijking met de<br />
andere orden, met uitzondering van de Karthuizers, die geen her<br />
vorming nodig hadden, was de orde van het Heilig Kruis een van<br />
de eerste, waar de observantie-beweging van boven af werd geleid.<br />
Het bestuur van de orde nam bijna onmiddellijk zelf het initiatief,<br />
wat bij andere orden meestal niet het geval was.<br />
Op het generate kapittel van 1410 zijn zeer waarschijnlijk alleen<br />
de prioren van Hoei, Asperen, Sint Agatha, Venlo, Suxy, Carignan,<br />
Virton, Namen en Luik aanwezig geweest. Het merendeel van deze
164 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
prioren en van hun socii zal zich voor een hervorming van de orde<br />
hebben verklaard.<br />
Na 1410 had de geografische uitbreiding van de hervorming<br />
als volgt plaats : tussen 1410 en 1430 waren alle Zuid- en Noordnederlandse<br />
kloosters, met uitzondering van dat van Doornik, en<br />
alle Rijnlandse, met uitzondering van Beyenburg, geheel tot het<br />
observante leven teruggebracht. Dit spoedig verloop is deels toe te<br />
schrijven aan de bijval van de Kruisbroeders in de kloosters zelf,<br />
deels aan het krachtig optreden van het generale kapittel en zijn<br />
visitatoren. Het had tot gevolg, dat men weldra de Kruisbroeders<br />
vroeg nieuwe kloosters te stichten. Voor 1445 waren ook de kloos<br />
ters te Doornik, Beyenburg en enkele Franse kloosters zoals Parijs<br />
voor de observance gewonnen. Na 1450 troffen de generale kapittels<br />
krachtige maatregelen om de overige Franse kloosters onder<br />
hun gezag te brengen. In Engeland werden diverse pogingen ondernomen,<br />
waarschijnlijk zonder succes. De hervorming duurde zo de<br />
gehele vijftiende eeuw door.<br />
Kruisbroederkloosters, die veel voor de verbreiding van de her<br />
vorming hebben bijgedragen - de haarden van de observantiebeweging<br />
- waren aanvankelijk Hoei, Namen, Asperen, Sint Agatha<br />
en Venlo, naderhand ook Luik, Keulen, Aken en van de nieuwe<br />
stichtingen Osterberg en Bentlage. Onder de kloosterlingen van<br />
deze conventen bevonden zich veel Noord-Nederlanders. In de<br />
hervorming van andere kloosterorden hebben eveneens Noord-<br />
Nederlanders invloed gehad o.a. in de orde van de Dominicanen.<br />
Na 1460 kwam de orde van de Kruisbroeders tot grote bloei en<br />
evenaarde de grote orden in aantal nieuwe stichtingen, echter alleen<br />
in de Nederlanden en het Rijnland.<br />
Na 1410 waren de prioren-generaal en de definitoren afkomstig<br />
uit de Nederlandse kloosters, vooral uit Venlo en Asperen, en uit<br />
de Rijnlandse en Westfaalse kloosters. Voor 1410 kwamen de<br />
prioren-generaal vrijwel alle voort uit het Franstalig gebied. De<br />
namen van de definitoren van v66r 1410 zijn niet overgeleverd.<br />
De levenswijze van de Kruisbroeders uit de vijftiende eeuw was<br />
die van de Reguliere Kanunniken. Wat betreft het eerste kenmerk<br />
van deze levenswijze : de zorg voor de liturgische eredienst, gaven<br />
de generale kapittels de gehele vijftiende eeuw door bijna ieder<br />
jaar voorschriften voor het eerbiedig vervullen van de liturgische
SAMENVATTING 165<br />
ceremonies en voor het vieren van oude en nieuwe feesten. Deze<br />
zorg voor de eredienst blijkt ook uit de prachtige liturgische boeken,<br />
die bewaard zijn gebleven. Hier moet alleen aan toegevoegd<br />
worden, dat de Kruisbroeders in hun liturgie een diepe verering<br />
voor het Heilig Kruis manifesteerden.<br />
Wat betreft het tweede kenmerk, de stabilitas loci, de binding<br />
aan een bepaalde kerk of klooster, ook deze bleef bewaard. Verplaatsingen<br />
kwamen wel bijna ieder jaar voor, maar toch bleef voor<br />
de Kruisbroeders de band met het ,,domus nativa", het klooster,<br />
waar ze ingetreden waren, bestaan. Na vele omzwervingen door<br />
Europa keerden de verplaatste Kruisbroeders weer terug in hun<br />
eigen klooster. Op de jaarlijkse lijst van overleden Kruisbroeders<br />
vergat het generale kapittel nooit het ,,domus nativa" van de gestorvenen<br />
er bij te vermelden. Juist omdat het generale kapittel de<br />
mogelijkheid bezat de Kruisbroeders tijdelijk te verplaatsen, kon<br />
het de kloosters, die gebrek aan leden hadden, helpen en kon het<br />
nieuwe stichtingen op gang brengen. Die mogelijkheid bracht de<br />
orde tot nieuwe bloei.<br />
Wat betreft de vita apostolica, d.w.z. het gemeenschappelijk<br />
eigendom en de zielzorg : de Kruisbroeders hebben het gemeen<br />
schappelijk eigendom, waar dit in hun kloosters niet meer was,<br />
hersteld en zij bleven zich toeleggen op de zielzorg in diverse<br />
vormen.<br />
Hoofdzaak was toch voor hen het kloosterleven. De gehele vijftiende<br />
eeuw door hebben zij zich hierop bezonnen en bleven zij<br />
daaraan vasthouden. Hun bibliotheken getuigen hiervan.<br />
Deze tonen voldoende aan, dat de Kruisbroeders van de vijftiende<br />
eeuw inspiratie voor hun kloosterleven niet zochten in het leven<br />
en werken van de Moderne Devoten, maar veeleer in het leven<br />
en werken van de oude monniksorden. Hun levenswijze was anders<br />
dan die van de Moderne Devoten.<br />
Ten slotte nog een opmerking. Russelius was de eerste Kruisbroeder,<br />
die in 1635 de naam van de stichter van de orde meedeelde,<br />
Theodoricus van Celles (of misschien Seilles). Wanneer men<br />
zou willen onderzoeken, of deze naam reeds vroeger bekend was -<br />
Russelius heeft zich wellicht kunnen baseren op oudere gegevens -,<br />
dan zou de periode van na 1410 de eerst aangewezen tijd zijn om<br />
daarvoor de nodige gegevens te verschaffen. Maar men zoekt in de
166 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
besluiten van de generale kapittels na 1410 tevergeefs naar de<br />
naam van de stichter van de orde.<br />
Zonder nu hierover te willen uitweiden, lijkt het ons weinig<br />
aannemelijk, dat de namen en gegevens van de stichter of stichters<br />
na 1410 reeds volkomen uit de herinnering van de Kruisbroeders<br />
verdwenen waren.<br />
Toch valt wel een reden te noemen, waarom de naam van de<br />
stichter of stichters na 1410 niet genoemd wordt. Vanaf het<br />
ontstaan van hun orde hebben de Kruisbroeders zich genoemd :<br />
Fratres Sanctae Cruets, Ordinis Sancti Augustini, Broeders van het<br />
Heilig Kruis, van de orde van de Heilige Augustinus. Met name<br />
in de vijftiende eeuw was de aandacht meer dan op enig andere<br />
kerkvader op Augustinus gericht. Vooral zijn kloosterregel had<br />
grote aantrekkingskracht, zoals in alle tijden van kloosterhervormingen.<br />
Ook bij de Kruisbroeders was de belangstelling voor deze<br />
kerkvader zeer sterk, hetgeen vooral blijkt uit het zeer groot aantal<br />
werken van zijn hand, die de Kruisbroeders gedurende de vijftiende<br />
eeuw hebben gekopieerd. Achter zijn naam voegden zij altijd toe :<br />
patris nostri, van onze vader. Men kan niet aan de indruk ontkomen,<br />
dat de Kruisbroeders van de vijftiende eeuw allereerst wilden leven<br />
uit de geest van Augustinus en daarom hem met deze titel als hun<br />
geestelijke vader eerden. Wel kon het zo gebeuren, dat de naam<br />
van de stichter op de achtergrond geraakte. De Kruisbroeders immers<br />
beschouwden zich op de eerste plaats als kloosterlingen, die<br />
leefden volgens de regel van Augustinus. Zij voelden zich voor<br />
alles volgelingen van deze heilige, als broeders van het Heilig<br />
Kruis, van de orde van Augustinus.
RESUME<br />
Le mouvement d'observance dans l'ordre de la Sainte-Croix, au<br />
cours du quinzieme siecle, se manifesta pour la premiere fois dans<br />
l'ete de l'annee 1410. Le 30 juin de cette annee le prieur-general<br />
Jean d'Avins, inferieur a sa tache, se demit de ses fonctions. Le<br />
premier juillet Libert Janssen de Bommel fut elu comme prieurgeneral<br />
par le couvent de Huy. Ce jour meme s'assembla a Huy le<br />
chapitre general de l'ordre. II accepta l'election du nouveau prieurgeneral<br />
et revoqua toutes les decisions des chapitres generaux anterieurs,<br />
parce qu'elles deviaient frequemment du droit canonique et<br />
des statuts de l'ordre. Comme il resulte surtout de cette revocation,<br />
les peres du chapitre adheraient au changement du gouvernement<br />
dans le couvent de Huy et ils l'auront certainement reclame.<br />
Une intervention de la part de Tautorite seculiere, entre autres,<br />
de l'elu de Liege, Jean de Baviere, du due Jean sans Peur<br />
et des seigneurs seculiers lies avec eux a cette epoque-la, ne se laisse<br />
pas nettement verifier. Suppose qu'ils soient intervenus, e'etait alors<br />
une intervention tres precoce des dues de Bourgogne. Le due Phi<br />
lippe le Bon, successeur de Jean sans Peur, avait des interets speciaux<br />
aux mouvements d'observance dans les monasteres, bien que<br />
pour des raisons politiques.<br />
II y a eu sans aucun doute des demarches de la part de Tautorite<br />
ecclesiastique. Le prieur-general Jean de Merten, successeur de<br />
Libert Janssen de Bommel, n'a pas manque d'invoquer, peu apres<br />
1410, le secours du pape de Pise, Jean XXIII. Celui-ci chargea<br />
l'official de Cologne et les doyens de Cambrai et de Liege d'assister<br />
le prieur-general dans ses efforts pour ramener Tordre a l'observance.<br />
II est sur que l'official de Cologne et le doyen de Liege ont defere<br />
a ce desir. On ne sait pas si le doyen de Cambrai a egalement use<br />
de son pouvoir. On ne sait pas non plus si les prieurs des couvents
168 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
de l'ordre se sont ranges du cote des croisiers reformateurs, precise-<br />
ment a la suite de 1'intervention nommee ci-dessus. L'eveque de<br />
Cambrai a prete plus tard son secours a la reforme du couvent de<br />
Tournai.<br />
Quoique, au debut, l'autorite ecclesiastique et peut-etre aussi<br />
l'autorite seculiere aient prete leur secours, c'etait avant tout du<br />
gouvernement de l'ordre que le mouvement d'observance est sorti.<br />
Le chapitre general jouait un role important dans ce gouvernement,<br />
en fixant plus qu'avant 1410 la ligne de conduite de l'ordre. II se<br />
reunissait chaque annee a Huy, prenait des mesures energiques et<br />
depassait meme ses pouvoirs originaux.<br />
A cote de l'uniformite de la regie et des statuts, condition vitale<br />
du chapitre general lui-meme, il cherchait:<br />
1. la restauration de la vie commune ou bien une meilleure pratique<br />
du voeu de pauvrete;<br />
2. l'observation rigoureuse de la loi d'abstinence et de jeune ;<br />
3. l'observation du silence dans le monastere ;<br />
4. le port de 1'habit religieux prescrit.<br />
Cest ce que le chapitre general cherchait a atteindre en integrant<br />
autant que possible le secours des prieurs et des sousprieurs des<br />
couvents et en empechant l'entree de personnes inaptes a la vie<br />
religieuse.<br />
Dans d'autres ordres religieux s'etait manifeste vers 1410 un<br />
mouvement d'observance tel, par ex. en Italie, en France et en<br />
Allemagne ; mais dans les Pays-Bas ce mouvement ne fit son entree<br />
definitive que vers le milieu du quinzieme siecle. En comparaison<br />
avec les autres monasteres neerlandais les couvents des Croisiers<br />
se sont done distingues de bonne heure dans le mouvement<br />
d'observance. II y avait meme des couvents qui n'ont pas ete atteints<br />
par la decadence. En comparaison aussi avec les autres ordres, a<br />
l'exception des Chartreux qui n'avaient pas besoin de reforme,<br />
l'ordre de la Sainte-Croix se trouvait parmi les premiers ou le<br />
mouvement d'observance etait mene par le gouvernement meme de<br />
l'ordre. Ce gouvernement prenait presque immediatement l'initia-<br />
tive, ce qui le plus souvent n'etait pas le cas pour les autres ordres.<br />
Tres probablement seuls les prieurs de Huy, d'Asperen, de Sainte-<br />
Agathe, de Venlo, de Suxy, de Carignan, de Virton, de Namur et<br />
de Liege ont assiste au chapitre general de 1410. La plupart de ces
RfiSUMfi 169<br />
prieurs et de leurs socii se seront declares pour une reforme de<br />
l'ordre.<br />
Apres 1410 l'expansion geographique de la reforme s'etait ac-<br />
complie comme suit: entre 1410 et 1430 tous les monasteres des<br />
Pays-Bas meridionaux et septentrionaux (a Texception de celui de<br />
Tournai) et de ceux de la Rhenanie (excepte celui de Beyen-<br />
bourg) furent ramenes a l'observance. II faut attribuer ce succes a<br />
Taccueil favorable des Croisiers eux-memes dans ces couvents, en<br />
partie aussi a Intervention energique du chapitre general et des<br />
visiteurs. Cela eut comme resultat qu'on priait bientot les Croi<br />
siers de fonder de nouveaux monasteres. Avant 1445 les couvents<br />
de Tournai, de Beyenbourg et quelques couvents franfais, parmi<br />
lesquels celui de Paris, furent aussi acquis a l'observance. Apres<br />
1450 les chapitres generaux prirent des mesures rigoureuses afin<br />
de mener les autres couvents frangais sous leur autorite. En Angleterre<br />
plusieurs efforts furent entrepris, probablement sans succes.<br />
La reforme se poursuivit ainsi pendant tout le quinzieme siecle.<br />
Parmi les monasteres des Croisiers qui ont beaucoup contribue<br />
a la propagation de la reforme - les foyers du mouvement d'observance<br />
- figuraient au commencement ceux de Huy, de Namur, d'As-<br />
peren, de Sainte-Agathe et de Venlo ; plus tard aussi ceux de Liege,<br />
de Cologne, d'Aix-la-Chapelle et les fondations nouvelles d^ster-<br />
berg et de Bentlage. Parmi les religieux de ces couvents figuraient<br />
beaucoup de Neerlandais du Nord. Dans d'autres ordres religieux<br />
ce sont aussi des Neerlandais du Nord qui ont influence la reforme,<br />
p.ex., dans l'ordre des Dominicains.<br />
Apres 1460 l'ordre des Croisiers etait en plein epanouissement et<br />
pouvait se mesurer, dans le nombre des fondations nouvelles, avec<br />
les grands ordres ; seulement il faut restreindre cet epanouissement<br />
aux Pays-Bas et a la Rhenanie.<br />
Apres 1410 les prieurs-generaux et les definiteurs etaient originaires<br />
des couvents neerlandais, surtout de ceux de Venlo et d'As-<br />
peren, des couvents rhenans et westphaliens. Avant 1410 presque<br />
tous les prieurs-generaux etaient originaires du territoire de langue<br />
francaise. Les noms des definiteurs de cette epoque ne nous sont pas<br />
connus.<br />
Le genre de vie des Croisiers du quinzieme siecle etait celui des<br />
Chanoines Reguliers. Quant au premier caractere de cette vie, le
170 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
soin du culte liturgique, les chapitres generaux donnaient presque<br />
chaque annee des preceptes pour l'accomplissement pieux des cere<br />
monies liturgiques et pour la celebration des fetes anciennes et<br />
nouvelles.<br />
Ce soin du culte liturgique s'observe aussi dans les magnifi-<br />
ques manuels liturgiques, conserves jusqu'a nos jours. Seulement il<br />
convient d'ajouter que les Croisiers manifestaient dans leur liturgie<br />
une veneration profonde pour la sainte Croix.<br />
Quant au deuxieme caractere de leur fagon de vivre, la stabilitas<br />
loci, l'attachement a une eglise ou un couvent fixe, ils la gar-<br />
daient aussi. Bien sur, il y avait presque chaque annee des deplace-<br />
ments de Croisiers d'un couvent a un autre, mais pour eux le lien<br />
avec la ,,domus nativa", le couvent ou ils avaient fait leur premiere<br />
entree en religion, n'etait pas rompu. Apres maints deplacements a<br />
travers l'Europe les Croisiers retournaient dans leur couvent d'origi-<br />
ne. Sur les listes annuelles des Croisiers defunts le chapitre general<br />
n'oubliait jamais d'indiquer leur domus nativa. Comme le chapitre<br />
general avait precisement la possibility de transferer pour un certain<br />
temps les membres de l'ordre, il pouvait secourir les couvents qui<br />
manquaient de religieux et il pouvait etablir des fondations<br />
nouvelles. Cette possibility faisait prosperer l'ordre.<br />
Quant a la vita apostolica, c'est a dire, la propriete commune<br />
et la charge d'ames, les Croisiers ont restaure la propriete commune<br />
dans leurs couvents et ils se sont appliques a la charge d'ames dans<br />
des formes diverses.<br />
Pour eux la vie religieuse etait essentielle. Durant tout le quin-<br />
zieme siecle ils y ont reflechi et ils ne l'ont pas lachee. Leurs biblio-<br />
theques en portent temoignage. Celles-ci montrent suffisamment<br />
que les Croisiers du quinzieme siecle n'ont pas cherche l'inspiration<br />
pour leur vie religieuse dans la vie et les oeuvres de la Devotion<br />
Moderne, mais plutot dans la vie et les oeuvres des vieux ordres<br />
monacaux. Leur maniere de vivre differait considerablement de<br />
celle des adeptes de la Devotion Moderne.<br />
Pour en finir une observation s'impose. C'est Russelius qui en<br />
1635, comme premier Croisier, fait mention du nom du fondateur de<br />
l'ordre, Theodoricus (Thierry) de Celles (ou bien Seilles). Si Ton<br />
veut examiner si ce nom etait deja connu auparavant, - Russelius<br />
aura pu se fonder sur des donnees anterieures -, alors les annees
RfiSUMfi 171<br />
d'apres 1410 seraient la periode indiquee pour fournir les donnees<br />
necessaires. Mais c'est en vain que Ton cherche dans les decisions des<br />
chapitres generaux d'apres 1410, le nom du fondateur de l'ordre.<br />
Sans vouloir nous arreter longtemps sur ce sujet, il nous semble peu<br />
probable que le nom du fondateur (ou des fondateurs) et les don<br />
nees sur sa (leur) vie aient completement disparu de la memoire<br />
des Croisiers, immediatement apres 1410. II ne serait tout de meme<br />
pas impossible de supposer pourquoi le nom du fondateur ou des<br />
fondateurs n'est pas cite apres 1410. Des l'origine les Croisiers se<br />
sont nommes : Fratres Sanctae Crucis, Ordinis Sancti August'tni: Fre-<br />
res de la Sainte-Croix, de Vordre de saint Augustin, Principalement<br />
au quinzieme siecle l'attention etait portee sur Augustin, beaucoup<br />
plus que sur les autres peres de TEglise. C'est surtout la regie mona-<br />
cale de saint Augustin qui avait une grande force attractive sur Tes-<br />
prit de ceux qui poursuivaient la reforme de la vie religieuse, a quel-<br />
qu'epoque que ce fut. Dans les couvents des Croisiers Tinteret pour<br />
ce pere de TEglise etait considerable, ce qui se manifeste par le<br />
grand nombre des oeuvres de saint Augustin copiees par les Croisiers<br />
du quinzieme siecle. Us ajoutaient toujours au nom de saint Augus<br />
tin : patris nostri, de notre pere. II est indeniable que les Croisiers<br />
du quinzieme siecle aient voulu vivre tout d'abord de l'esprit d'Au<br />
gustin ; et, en Thonorant comme leur pere spirituel, ils lui ont donne<br />
le titre de : notre pere. Ainsi il est bien possible que le nom du<br />
fondateur soit reste dans l'ombre. Puisque les Croisiers se conside-<br />
raient en premier lieu comme des religieux vivant d'apres la Regie<br />
d'Augustin. Ils se sentaient avant tout les disciples de ce saint, les<br />
freres de Sainte-Croix, de Tordre d'Augustin.
ZUSAMMENFASSUNG<br />
Die Observanzbewegung in dem Orden vom Heiligen Kreuz<br />
wahrend des fiinfzehnten Jahrhunderts begann in dem Sommer des<br />
Jahres 1410. Am 30. Juni legte der seiner Aufgabe nicht gewachsene<br />
Generalprior Johannes d'Avins sein Amt nieder. An seiner Stelle<br />
wahlte das Konvent von Huy am 1. Juli Libertus Janssen van Bom-<br />
mel. An demselben Tag trat in diesem Kloster das Generalkapitel<br />
des Ordens zusammen. Dieses Kapitel erkannte den neuen General-<br />
prior an und widerrief samtliche friiheren Generalkapitelbeschliisse,<br />
da diese sich in vielen Punkten von dem kanonischen Recht und<br />
den Ordensstatuten unterschieden. Besonders aus diesem Widerruf<br />
geht hervor, dass die Kapitelvater mit dem Wechsel in der Huyer<br />
Klosterleitung einstimmten und dessen Notwendigkeit betont haben<br />
diirften.<br />
Ob die weltlichen Behorden u.a. der Fiirstbischof von Luttich,<br />
Johann von Bayern, der Herzog Johann der Unerschrockene, und<br />
die mit ihnen damals verbundenen weltlichen Herren sich in diese<br />
Angelegenheit gemischt haben, konnte noch nicht deutlich nach-<br />
gewiesen werden. Wenn sie eingegriffen haben, so war dies eine<br />
sehr friihe Intervention der burgundischen Herzoge. Der Herzog<br />
Philipp der Giitige, der Nachfolger Johanns des Unerschrockenen,<br />
hatte an den Observanzbewegungen in den Klostern, wenn auch<br />
aus politischen Griinden, ein sehr grosses Interesse.<br />
Eine Einmischung der kirchlichen Obrigkeit hat es sicher gege-<br />
ben. Der Generalprior Johann von Merten, der Nachfolger von<br />
Libertus Janssen van Bommel, hat kurz nach 1410 den Papst von<br />
Pisa, Johann XXIII., um Hilfe gebeten. Dieser erteilte dem Offizial<br />
von Koln und den Dechanten von Cambrai und Liittich den Auf-<br />
trag, den Generalprior bei seinem Bestreben den Orden zur Obser-<br />
vanz zuriickzubringen zu unterstiitzen. Soviel steht fest, dass der<br />
Kolner Offizial und der Lutticher Dechant dieser Bitte gefolgt ha-
ZUSAMMENFASSUNG 173<br />
ben. Ob auch der Dechant von Cambrai seine Macht angewandt hat,<br />
ist nicht bekannt. Ob die Prioren der Kreuzbriiderkloster sich gerade<br />
infolge ihrer Intervention auf die Seite der reformgesinnten Kreuzbriider<br />
gestellt haben, entzieht sich ebenfalls unserer Kenntnis. Der<br />
Bischof von Cambrai hat nachher zu der Klosterreform wesentlich<br />
beigetragen.<br />
Wenn auch anfangs die kirchlichen und vielleicht auch die weltlichen<br />
Behorden die Observanzbewegung gefordert haben, so ging<br />
sie doch vor allem von der Ordensleitung aus. Einen grossen Antell<br />
an dieser Leitung hatte das Generalkapitel, das mehr als vor 1410<br />
die Organisation des Ordens bestimmte. Es trat jedes Jahr in Huy<br />
zusammen, ging energisch vor und iiberschritt sogar urspriingliche<br />
Befugnisse. Dieses Verwaltungskorper strebte nicht nur nach einheitlichen<br />
Regeln und Statuten, eine Lebensbedingung- fur das<br />
Generalkapitel selber, sondern auch nach :<br />
1. einer Wiederherstellung des gemeinschaftlichen Lebens oder<br />
aber einem gewissenhaften Befolgen des Armutsgeliibdes.<br />
2. einem piinktlichen Befolgen der Fasten- und Abstinenzvor-<br />
schriften.<br />
3. dem Beobachten des Stillschweigens im Kloster.<br />
4. dem Tragen der vorgeschriebenen Klosterkleidung.<br />
Das Generalkapitel versuchte dies zu erreichen, indem es die<br />
Prioren und Subprioren der verschiedenen Kloster soviel wie<br />
moglich um Hilfe anrief und zu verhindern suchte, dass Personen<br />
in das Kloster eintreten sollten, die sich dafiir nicht eigneten.<br />
In anderen Klosterorden hatte um 1410 gleichfalls eine Obser<br />
vanzbewegung eingesetzt, namlich in Italien, Frankreich und dem<br />
Deutschen Reich, und diese drang gegen die Mitte des fiiinfzehnten<br />
Jahrhunderts erst endgiiltig bis in die Niederlande vor. Im Vergleich<br />
zu den iibrigen niederlandischen Klostern haben die Kreuz<br />
briiderkloster sich daher schon fniihzeitig fur die Observanz ausgesprochen.<br />
Es gab sogar Kloster, die keinen Niedergang gekannt<br />
haben. Mit Ausnahme von den Kartausern, die keiner Reform bedurften,<br />
war der Orden vom Heiligen Kreuz im Vergleich zu den<br />
anderen Orden einer der ersten, bei denen die Observanzbewegung<br />
hohern Orts geleitet wurde. Die Ordensleitung selbst ergriff fast<br />
unmittelbar die Initiative, ein bei den anderen Orden meistens<br />
ungewohnlicher Vorgang.
174 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Bei dem Generalkapitel des Jahres 1410 waren aller Wahrschein-<br />
lichkeit nach nur die Prioren von Huy, Asperen, St. Agatha, Venlo,<br />
Suxy, Carignan, Namur und Luttich anwesend. Der grossere Teil<br />
der Prioren und ihrer socii mag sich fur eine Ordensreform erklart<br />
haben.<br />
Nach 1410 erfolgte die geographische Verbreitung der Reform<br />
folgendermassen : zwischen 1410 und 1430 waren alle siid- und<br />
nordniederlandischen Kloster, das Kloster von Tournai ausgenom-<br />
men, und alle rheinlandischen ausser Beyenburg vollig zu der ob-<br />
servanten Lebensfiihrung zuriickgebracht. Dieser schnelle Verlauf<br />
ist teilweise dem Beifall der Kreuzbniider in den Klostern selbst,<br />
teilweise dem energischen Vorgehen des Generalkapitels und seiner<br />
Visitatoren zuzuschreiben. Die Folge war, dass man alsbald die<br />
Kreuzbriider bat, neue Kloster zu stiften. Vor 1445 waren auch die<br />
Kloster zu Tournai, Beyenburg und einige franzosische Kloster wie<br />
Paris fur die Observanz gewonnen. Nach 1450 trafen die General<br />
kapitel kraftige Massnahmen, die iibrigen franzosischen Kloster in<br />
ihre Gewalt zu bekommen. In England wurden mehrere Versuche<br />
unternommen, die wahrscheinlich erfolglos blieben. Die Reform<br />
dauerte so das ganze funfzehnte Jahrhundert hindurch.<br />
Die Kreuzbriiderkloster, die zur Verbreitung der Reform wesent-<br />
lich beigetragen haben - die Brennpunkte der Observanzbewegung<br />
- waren anfangs Huy, Namur, Asperen, St. Agatha und Venlo,<br />
spater auch Luttich, Koln, Aachen und von den neuen Stiftungen<br />
Osterberg und Bentlage. Unter den Klosterinsassen dieser Konvente<br />
befanden sich viele Nordniederlander. Bei der Reform anderer<br />
Klosterorden u.a. des Dominikanerordens haben ebenfalls Nord<br />
niederlander Einfluss gehabt. Nach 1460 gelangte der Orden der<br />
Kreuzbriider zu hoher BKite und kam in der Anzahl neuer Stiftun<br />
gen, allerdings nur in den Niederlanden und im Rheinland, den<br />
grossen Orden gleich.<br />
Nach 1410 stammten die Generalprioren und die Definitoren aus<br />
den niederlandischen Klostern, besonders aus Venlo und Asperen,<br />
und aus den rheinlandischen und westfalischen Klostern. Vor 1410<br />
waren die Generalprioren fast alle aus dem franzosischen Sprach-<br />
gebiet gebiirtig. Die Namen der Definitoren vor dem Jahre 1410<br />
sind nicht iiberliefert worden.
2USAMMENFASSUNG 175<br />
Die Lebensfiiihrung der Kreuzbriider des funfzehnten Jahrhun<br />
derts war die der <strong>Regular</strong>kanoniker. Im Hinblick auf das erste Merkmal<br />
dieser Lebensfuhrung, die Sorge fur den liturgischen Ehrendienst,<br />
machten die Generalkapitel das ganze fiinfzehnte Jahrhundert<br />
hindurch fast jahrlich Vorschriften zu der andachtigen Erfullung<br />
der liturgischen Zeremonien und zu der Feier alter und<br />
neuer Feste. Dass man auf den liturgischen Ehrendienst viel Sorgfalt<br />
verwandte, wird deutlich aus den prachtvollen Biichern, die<br />
gut erhalten sind. Es muss nur noch hinzugefugt werden, dass die<br />
Kreuzbriider in der Liturgie eine tiefe Verehrung fur das Heilige<br />
Kreuz bekundeten.<br />
Auch das zweite Merkmal, die stabilitas loci, die Bindung an<br />
eine bestimmte Kirche oder ein Kloster, blieb bestehen. Es kamen<br />
zwar fast jahrlich Versetzungen vor, das Band aber mit dem ,,domus<br />
nativa", dem Kloster, in das sie eingetreten waren, blieb fur<br />
die Kreuzbriider bestehen. Nach vielen Wanderungen durch Europa<br />
kehrten die versetzten Kreuzbriider wieder in ihr eigenes Kloster<br />
zuriick. Das Generalkapittel vergass niemals in die Jahresliste verstorbener<br />
Kreuzbriider das ,,domus nativa" einzutragen. Gerade<br />
weil das Generalkapittel die Macht besass, die Kreuzbriider zeitweilig<br />
zu versetzen, konnte es den Klostern, denen es an Mitgliedern<br />
mangelte, helfen und neue Stiftungen in Gang bringen.<br />
Durch diese Moglichkeit gelangte der Orden zu neuer Bliite.<br />
In Sachen der vita apostolica, d.h. des gemeinsamen Besitzes<br />
und der Seelsorge, haben die Kreuzbriider den gemeinsamen Besitz,<br />
wo dies in ihren Klostern nicht mehr bestand, wiederhergestellt<br />
und sich weiterhin der Seelsorge in vielerlei Gestalt gewidmet.<br />
Hauptsache war ihnen jedoch das Klosterleben. Das ganze fiinfzehnte<br />
Jahrhundert hindurch haben sie sich darauf besonnen und<br />
immer wieder daran festgehalten. Ihre Bibliotheken zeugen davon.<br />
Sie sind ein schlagender Beweis dafiir, dass die Kreuzbriider des<br />
funfzehnten Jahrhunderts die Inspiration fur ihr Klosterleben nicht<br />
in dem Leben und Arbeiten der Modernen Devoten suchten, sondern<br />
vielmehr in dem Leben und Arbeiten der alten Monchsorden.<br />
Ihre Lebensfuhrung war anders als die der Modernen Devoten.<br />
Noch eine Schlussbemerkung. Russelius war der erste Kreuzbruder,<br />
der im Jahre 1635 den Namen des Ordensgriinders, Theodoricus<br />
von Celles (oder vielleicht Seilles) erwahnte. Wenn man
176 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
untersuchen mochte, ob dieser Name schon fniiher bekannt war<br />
- Russelius diirfte sich auf altere Angaben gestiitzt haben - so<br />
ware die Periode nach 1410 der geeignetste Zeitabschnitt, sich die<br />
dazu erforderlichen Angaben zu verschaffen. Man wird aber in den<br />
Beschliissen des Generalkapitels nach 1410 vergebens nach dem<br />
Namen des Ordensgriinders suchen. Ohne uns iiber dieses Problem<br />
ausfiuhrlich zu verbreiten, scheint es uns wenig glaubwiirdig, dass<br />
die Namen und die Personalien des Griinders oder der Griinder<br />
nach 1410 schon vollig aus der Erinnerung der Kreuzbriider ge-<br />
schwunden waren. Dennoch ist wohl ein Grund anzugeben, weshalb<br />
die Namen des Stifters oder der Stifter nach 1410 nicht erwahnt<br />
werden. Seit der Entstehung ihres Ordens haben sich die Kreuz<br />
briider genannt: Fratres Sanctae Cruets, Ordinis Sancti Augustini,<br />
Bruder vom Heiligen Kreuz, vom Orden des Heligen Augustin.<br />
Namentlich im fiinfzehnten Jahrhundert war auf Augustinus mehr<br />
als auf irgendeinen anderen Kirchenvater die Aufmerksamkeit ge-<br />
richtet. Besonders seine Klosterregel iibte, wie in alien Zeiten der<br />
Klosterreformen, eine starke Anziehungskraft aus. Audi bei den<br />
Kreuzbriidern war das Interesse fur diesen Kirchenvater sehr stark ;<br />
das geht vor allem hervor aus der grossen Zahl der von ihm ver-<br />
fassten Werke, die die Kreuzbriider wahrend des fiinfzehnten Jahr-<br />
hunderts kopiert haben. Seinem Namen fiigten sie immer bei :<br />
patris nostri, unseres Vaters. Man kann sich des Eindrucks nicht<br />
erwehren, dass die Kreuzbriider der fiinfzehnten Jahrhunderts in<br />
erster Linie im Geiste des Augustin leben wollten und ihn daher<br />
mit diesem Titel als ihren geistlichen Vater ehrten. So konnte es<br />
wohl geschehen, dass der Name des Griinders in den Hintergrund<br />
geriet. Betrachteten die Kreuzbriider sich doch an erster Stelle als<br />
Klosterbriider, die nach der Augustinerregel lebten. Sie fiihlten sich<br />
vor allem die Junger dieses Heiligen, als Bruder vom Heiligen<br />
Kreuz, vom Orden des Augustin.
De versieringskunst van Johannes Hoenreman,<br />
Kruisbroeder te Luik, 1425-1449, afkomstig uit Amersfoort.<br />
Commentaar op de psalmen, Universiteitsbibliotheek van Luik,<br />
Handschrift 102 D, fol.H2ro.<br />
„ .
SUMMARY<br />
The movement of the observance in the Order of the Holy Cross<br />
in the 15th century first began in the summer of the year 1410.<br />
It was on the 30th of June that Jean d'Avins, Prior General,<br />
resigned his office as being inadequate to his charge. Libertus<br />
Janssen of Bommel was chosen as his successor by the Huy monas<br />
tery on the first of July. That same day and in the same monastery,<br />
the General Chapter of the Order began its deliberations. The<br />
Chapter accepted the election of the new Prior General and<br />
formally revoked all decisions of all former General Chapters,<br />
considering them as incompatible in many instances with Church<br />
law and the Constitutions of the Order. It is abundantly clear from<br />
this action that the Chapter Fathers fully concurred with the change<br />
of government in the monastery of Huy ; indeed, they acclaimed it.<br />
The question of the intervention of secular authority - e.g., of<br />
John of Bavaria, Bishop-elect of Liege, Duke John the Fearless<br />
and the secular lords associated with them at the time - cannot<br />
now be decided with clear evidence. If they were involved, it would<br />
mark a very early intervention by the Dukes of Burgundy. Duke<br />
Phillip the Good, successor to John the Fearless, was indeed<br />
interested in the movement of the observance in the monastic world,<br />
albeit for political motives.<br />
Intervention on the part of Church authorities is however certain.<br />
Prior General John of Merten, successor to Libertus Janssen of<br />
Bommel, requested the help of John XXIII, the Pope at Pisa, who<br />
gave the officialis of Cologne and the Deans of Cambrai and Liege<br />
the charge of supporting the Prior General in his efforts to restore<br />
the observance to the Order. It is certain that the officialis of<br />
Cologne and the Dean of Liege fulfilled this order. Whether the<br />
Dean of Cambrai also brought his power to bear upon the issue is<br />
not known. Nor is it known whether the priors of the monasteries
178 STUDlMN OVER DE OBSERVANTIE<br />
of the Order rallied to the side of the reformers as a direct result<br />
of these interventions. The Bishop of Cambrai later assisted the<br />
reformation of the monastery of Tournai.<br />
Although ecclesiastical and perhaps also secular authority had a<br />
hand in the beginning of the reform movement, it was nevertheless<br />
the government of the Order which provided the principal source<br />
for the movement of the observance. The General Chapter fulfilled<br />
a principal role here, determining the direction of the Order to a<br />
greater extent than it did before 1410. The Chapter met yearly in<br />
Huy, took vigorous action, and in fact exceeded its original com<br />
petence.<br />
In addition to insisting on uniformity with regard to the Rule<br />
and Constitutions, a vital condition for the Chapter itself, the<br />
Chapter strove to effect the following reforms:<br />
1. The restoration of common life or a stricter practice of the<br />
vow of poverty ;<br />
2. the rigorous observance of the laws of fast and abstinence ;<br />
3. the observance of silence in the monasteries ;<br />
4. the wearing of the prescribed religious habit.<br />
The Chapter sought to attain these ends through the support of<br />
the priors and subpriors of the various houses, as much as this was<br />
possible, and by preventing persons unfit for religious life from<br />
entering into the Order.<br />
Other religious Orders also experienced movements towards<br />
stricter observance beginning around 1410 as, for instance, was the<br />
case in Italy, France, and in the German Empire. The movement,<br />
however, did not take hold in the Netherlands until the middle of<br />
the 15th century. Compared to other Dutch monasteries, the<br />
Brothers of the Holy Cross initiated the reform quite early. There<br />
were even some monasteries untouched by the period of decline.<br />
In comparison with other Orders and excepting the Carthusians,<br />
who had no need of reform, the Order of the Holy Cross was one<br />
of the first to see the reform movement directed by the superiors<br />
of the Order themselves, who took the initiative from the first.<br />
This was often not the case with other Orders.<br />
In the General Chapter of 1410, most probably only the priors<br />
of Huy, Asperen, Saint Agatha, Venlo, Suxy, Carignan, Virton,,
SUMMARY 179<br />
Namur, and Liege were present. The majority of these priors and<br />
their socii would then have opted in favor of the reform.<br />
After 1410 the reform met with the following geographical<br />
expansion. Between 1410 and 1430 all the monasteries of South and<br />
North Netherlands (with the sole exception of Tournai) and all<br />
Rhineland monasteries (except Beyenburg) were brought into the<br />
observance. This rapid progress is to be credited partly to the<br />
endorsement of the Brothers of the Cross themselves and partly<br />
to the vigorous action undertaken by the General Chapter and<br />
its visitors. One happy result of this was that the Brothers of the<br />
Cross were soon asked to found new monasteries. The monasteries<br />
in Tournai, Beyenburg, and some French monasteries, Paris among<br />
them, were won to the observance before 1445. After 1450 the<br />
General Chapters took strenuous measures to bring the remaining<br />
French monasteries under their authority. Various efforts were<br />
undertaken in England but remained probably without success. In<br />
this way the reform continued through all of the 15th century.<br />
The monasteries of the Brothers of the Cross which contributed<br />
mightily to the expansion of the reform - the nucleus of the move<br />
ment - were, at first, Huy, Namur, Asperen, Saint Agatha, and<br />
Venlo ; they were later joined by Liege, Cologne, Aachen, and the<br />
new foundations of Osterberg and Bentlage. There were many<br />
members in these monasteries from the North Netherlands. North<br />
Netherlander similarly enjoyed much influence in the reform<br />
movements of other Orders, one example being the Dominicans.<br />
The Order of the Brothers of the Cross reached a summit in the<br />
years following 1460, rivaling the great Orders in the number of<br />
new foundations, nowever only in the Netherlands and in the<br />
Rhineland.<br />
After 1410 the Prior Generals and the Definitors were chosen<br />
from conventuals of Dutch monasteries, especially Venlo and As<br />
peren, and from monasteries in the Rhineland and in Westphalia.<br />
Before 1410 almost all Prior Generals came from French-speaking<br />
regions; the names of the definitors who served before 1410 have<br />
not been handed down to us.<br />
The Brothers of the Cross in the 15th century followed the form<br />
of life of <strong>Canons</strong> <strong>Regular</strong>. The first characteristic of this form of<br />
life, a concern for liturgical worship, was well implemented
180 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
throughout the whole of the 15th century by the General Chapters,<br />
which, year after year, prescribed norms for the devout performance<br />
of liturgical ceremonies and for the celebration of feasts old and<br />
new. This concern for liturgical worship is evident also in the litur<br />
gical manuals which have been preserved. One can add that the<br />
Brothers of the Cross evidenced a deep veneration for the Holy<br />
Cross in their liturgy.<br />
The second characteristic, stabilitas loci, permanent affiliation to<br />
a particular church or monastery, was also maintained. Even though<br />
transfers were made almost every year, the bond with one's domus<br />
nativa (the monastery where one had entered the Order) remained<br />
in vigor. After fulfilling assignments in various parts of Europe,<br />
the Brothers of the Cross would return to the monastery which was<br />
their own. In yearly lists of deceased Brothers, the General Chapter<br />
never omitted mention of their domus nativa. Because the General<br />
Chapter possessed the right to transfer Brothers for a time, it was<br />
able to help those monasteries which lacked members and to inau<br />
gurate new foundations. This possibility was instrumental in the<br />
expansion of the Order.<br />
As regards the vita apostolica - possession in common and the<br />
care of souls - the Brothers of the Cross restored the practice of<br />
common possession in the monasteries where it had fallen into<br />
abandon and they gave themselves to the care of souls in various<br />
ways.<br />
But the essential for them was religious life itself. This was a<br />
constant theme of reflection in the 15th century and they remained<br />
steadfast in its practice. Their libraries bear witness to this. They<br />
show convincingly that the Brothers of the Cross did not seek<br />
inspiration for their religious life in the life and work of the devotio<br />
modema but rather in the life and work of the ancient monastic<br />
Orders. Their form of life was indeed quite different from that of<br />
the devotio modema.<br />
One final note. Russelius, in 1635, was the first Crosier to<br />
mention the name of the founder of the Order. Theodoricus of<br />
Celles (or perhaps Seilles). If one would wish to investigate<br />
whether this name was known earlier - Russelius could have based<br />
his account on earlier sources - the years following 1410 would be<br />
the first available period to furnish that data. But one looks in
SUMMARY 181<br />
vain in the capitular documents after 1410 for the name of the<br />
founder of the Order. Without entering into a long digression<br />
here, we can nonetheless say that it seems hardly plausible to us<br />
that the name of the founder (or founders) and the basic data of<br />
his (their) life would have already completely vanished from the<br />
memory of the Brothers of the Cross in the years following 1410.<br />
One reason however can be adduced for the failure to mention the<br />
name of the founder(s) after 1410. From the very first, the Brothers<br />
called themselves Fratres Sanctae Cruets, Ordinis Sancti Augustim,<br />
i.e., the Brothers of the Holy Cross of the Order of Saint Augustine.<br />
Now, in the 15th century far greater attention was paid to saint<br />
Augustine than to any other Church Father. In particular his mo<br />
nastic Rule exercised a great attraction, as indeed it has in all<br />
periods of monastic reform. There was a strong interest in Saint<br />
Augustine among the Brothers of the Cross as well, as is evident<br />
from the great number of his works copied by the Brothers of<br />
the Cross in the 15th century. They inevitably added to his name<br />
the words patris nostri, i.e., our father. One cannot escape the im<br />
pression that the Brothers of the Cross of the 15th century sought<br />
above all to live in the spirit of Augustine and accordingly to honor<br />
him through the title of their spiritual father. It could certainly<br />
have happened that the name of the founder fell into obscurity,<br />
for the Brothers of the Cross considered themselves primarily reli<br />
gious who lived according to the Rule of Augustine. They were<br />
conscious above all of being disciples of this saint, of being brothers<br />
of the Holy Cross of the Order of Augustine.
Bijlage 1 *<br />
BIJLAGEN<br />
Diffinitiones capituli generalis anno 1410<br />
Diffinitores capituli generalis fratrum S. Crucis, ordinis S. Augustini, in<br />
nostra principali domo Hoyensi, Leodiensis dioecesis, anno 1410, primo<br />
die mensis Julii, universis prioribus et fratribus totius ordinis prelibati, in<br />
Christo sincere nobis dilectis salutem, et in virtute Crucis ejusdem triumphalis,<br />
cuius signo insigniti sumus, in verae religionis vita reformari et<br />
proficere.<br />
Vestrae universitati et in Christo dilectae fraternitati notum facimus per<br />
presentes, quod frater Joannes Avins, prior pro tune generalis, salubriter<br />
considerans et attendens sui corporis et anime infirmitatem, et allegans ex<br />
hinc insufficientiam ad sui oneris comportandam gravitatem, libere et<br />
publice (habito sane suorum amicorum et discretorum consilio) renuntiavit<br />
suo generali prioratui et omni dignitati, dictum prioratum concernenti,<br />
resignans ipsum coram toto nostro dicto generali capitulo in manus nostras.<br />
Nos quidem gratias eidem agentes et ad idem vos omnes pie exhortantes<br />
de suis laboribus et bono exemplo, quod reliquit nobis, in tarn humili et<br />
benigna renunciatione sua. Et convocatione conventuali canonica et collatione<br />
facta, communi consensu et concordia, omnium vigorem et vocem<br />
in electione prioris generalis habentium, nullo penitus contradicente, sed<br />
omnibus similiter consentientibus et eligentibus, venerabilem et dilectum<br />
patrem et confratrem nostrum Lubertum Joannis, ipsum suscepit capitulum<br />
in nostrum et totius sacri ordinis priorem generalem et gubernatorem,<br />
multum itaque renitentem et totis viribus reluctantem, sed omnium tandem<br />
nostrum precipueque venerabilium et reverendorum patrum et dominorum<br />
diversarum et magnarum dignitatum, ordinum et graduum ibidem existentium,<br />
prece et instinctibus, difficulter consentientem. Exhortantes vos in<br />
1 Naar de nog niet uitgegeven bronneneditie van A. van de Pasch, Definities<br />
der generate kapittels van de orde van het Heilig Kruis, 1410-1786, volgen hier<br />
vijf definities.
184 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Domino, districteque precipimus vobis omnibus et singulis in virtute sancte<br />
obedientie, quatenus eidem priori nostro generali electo et confirmato per<br />
reverendum dominum nostrum, dominum Joannem de Bavaria, electum<br />
Leodiensem et confirmatum, obedientiam, debitam reverentiam et honorem<br />
exhibeatis, ut de merito sancte et humilis obediente, (qua maior est quam<br />
victime,) dignos fructus eternorum premii gaudiorum cernere valeatis.<br />
Ceterum dolentes et attendentes dolendam nostri ordinis difformatio-<br />
nem, precipue, proh dolor, in capite et consequenter nimirum in membris<br />
maximeque principalioribus, desiderio et affectu moti et provocati, decrevi-<br />
mus et dignum atque valde necessarium duximus aliquid saltern reforma-<br />
tionis apponere juxta nostre possibilitatis vigorem, una cum venerabili<br />
priore nostro generali, et capituli generalis authoritate, nee non consilio<br />
omnium patrum et fratrum inibi existentium.<br />
Primo igitur omnium attendentes, quod statuta nostra, ut multitudo<br />
eorum vitetur, precipiunt, quatenus paci et tranquillitati totius ordinis<br />
provideatur, de consilio requisito et obtento, atque consensu omnium<br />
patrum seu priorum in eodem nostro generali capitulo consistentium, omnes<br />
diffinitiones quascumque et quandocumque compositas, quarum non vide-<br />
tur numerus, revocamus, cassamus, annihilamus, revocatas, cassatas, annihi-<br />
latas denuntiamus : cupientes et volentes, quantum in nobis est, obsistere,<br />
ut sub pallio bonorum mala non fulciantur, nimirum cum in nonnullis<br />
hujusmodi diffinitionibus reperimus, quo spiritu vel instinctu non omnino<br />
ignorantes, multa contra jura et sacros canones, nostram professam regulam,<br />
nostri sacri ordinis sepe dicti confirmata sancte sedis apostolice auctoritate<br />
statuta, nee non regularem atque monasticam vitam composita et diffinita<br />
revocantes et remittentes nos sane ad dicta nostra tarn sublimiter, ut dictum<br />
est, confirmata statuta, et precipue regulam omni discretione et moderamine<br />
luculentam, secundum quam vovimus promisimus et juravimus vivere et<br />
vitam nostram omni posse dirigere ; que quoque pauciora et potiora, leviora<br />
et utiliora atque lucidiora, omnibus sane et sancte consideratis noscuntur<br />
esse.<br />
Item illud curiosum seu curiositatis occasione leve et tenue dubium de<br />
diffinitione grisei coloris, declarat generale capitulum, quod sicut etiam<br />
ydiotissimi laici ne dicamus doctissimi clerici sciunt et dicunt, color est non<br />
artificialis vel intinctus, sed naturalis de nigra et alba lana ovium mixtus.<br />
Exhortamur igitur vos in domino et obsecramus, charissimi, ut scapularia<br />
talis colons de cetero deferatis ; atque in ceteris observances regule et<br />
statutorum nostrorum antiquorum uniformes vos habeatis, quia sic precipi-<br />
mur vivere. Intendentes absque dubio contrarium contemptibiliter facientes<br />
ad id arcius, cum oportunitas se obtulerit cum consiliis et auxiliis oportunis<br />
reducere.
BIJLAGEN 185<br />
Item quia festum Sacramenti, quod noviter ab ecdesia institutum est, quod<br />
quia semper in quinta feria post festum Trinitatis celebrari consuevit, in<br />
qua fieri solet missa seu collecta de Sancto Spiritu secundum ordinarium<br />
nostrum ; et quia nulla hora vel momento carere valemus nee huius defensionis<br />
auxilio, nee iilius redemptionis misterio, dignum duximus ut utrumque<br />
celebrare crebrius et invocare non cessemus. Ordinavit itaque capitu<br />
lum id fieri de Sacramento in quinta feria quod de Spiritu Sancto fieri<br />
solebat, nisi quod gloria in excelsis cantetur sicut infra octavam, excepto<br />
adventu et LXX ; et de Sancto Spiritu fiat in quarta feria, quod fiebat in<br />
quinta, servato modo in utroque communis ordinarii. Item ordinavit et<br />
diffinivit capitulum, quod idem modus servetur tam in missa quam in horis<br />
feria sexta de sancta Cruce, qui in sabato de beata Virgine, cum nota et<br />
cantu semiduplicis festi in missa et ad horas ; antiphona ad magnificat<br />
feria quinta de sancta cruce O crux splendidior; ad matutinas invitatorium<br />
de exaltatione eiusdem ; super psalmos et responsoria sicut in inventione ;<br />
ad laudes antiphona videlicet O magnum, ad benedictus et ad horas sicut<br />
in exaltatione. Item in sabbatis et quandocumque de beata Virgine agitur,<br />
dicetur versus Maria mater gratiae penultimus in hymnis eiusdem metrL<br />
Item festum beati Antonii abbatis et paths monachorum erit simplex.<br />
Item capitulum generale de cetero celebrabitur singulis annis in octave<br />
sancti Johannis Baptiste, que erit prima dies ipsius capituli.<br />
Datum die ut supra sub signis diffinitorum.<br />
Bijlage 2<br />
Diffinitiones capituli generalis anno 1414<br />
In nomine Domini Amen. He sunt diffinitiones facte et ordinate per<br />
nos Johannem de Merten, priorem generalem, et Godefridum Asperensem,,<br />
Helmicum Namurcensem, Wilhelmum Yvodiensem et Johannem Venlensem,<br />
domorum priores et diffinitores generalis capituli fratrum sancte<br />
Crucis ordinis S. Augustini in crastino octave Johannis Baptiste et duobus<br />
diebus sequentibus.<br />
Item primo de consilio et beneplacito omnium patrum priorum et fratrum<br />
procuratorum conventuum ibidem existentium rationibus efficacious<br />
inducti, capitulum nostrum generale transtulimus et transferimus in<br />
dominicam quartern post pascha videlicet cantate, ordinantes et decernentes,<br />
quod de cetero in dicta dominica et duobus continue diebus sequentibus<br />
celebrabitur singulis annis, prout quondam in crastino exaltationis sancte<br />
Crucis et post hactenus crastino octave Johannis Baptiste solitum fuerat
186 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
celebrari ; et quod omnes in sabbato ante dictam dominicam, qui debent et<br />
mittuntur, convenire debebunt.<br />
Item omnia diffinita et ordinata capitulo ultimate celebrato, scilicet<br />
anni preteriti decimi tertii, permittimus et decernimus manere in suis<br />
terminis usque ad futurum capitulum generale, nihil exprobantes nee<br />
delentes in eis. De nota en cantu invitatoriorum et huiusmodi exceptis<br />
illis que ibidem ad morum et monastice vite correctionem et emendacionem<br />
ordinata fuerunt, que quidem approbamus et rata ac grata decernimus.<br />
Item quia dolentes percepimus quod nonnulli fratres nostri ordinis<br />
vanitati dediti et in scandalum ordinis, plurimorum intuentium destructio-<br />
nem, et suarum animarum damnationem, indebite, irreligiose et inhoneste,<br />
in conversatione sua se gerunt, vestes sibi minime competentes induentes,<br />
in calceis, caligis, tunicis, subtunicis, bursis, togis et caputiis, ad modum<br />
vanorum et secularium adolescentulorum et juvenum, quod turpe valde et<br />
indecens est, intra et extra suas domus et septa earum exeuntes, fabulantes,<br />
comedentes, bibentes, et alias cum hominibus secularibus conversantes ;<br />
ideo omnes priores et suppriores exhortamur in Domino, et requirimus,<br />
eis districte in virtute sancte obedientie precipientes, et sub poena destitu-<br />
tionis suorum officiorum et honorum, ut de cetero suorum fratrum sibi<br />
commissorum facta, gesta et mores diligentius considerent et examinent,<br />
atque debite corrigent et emendent, ne talia amplius fieri percipiantur ;<br />
precipientes nihilominus sub poena et districtione, quod si qui, quod absit,<br />
oibedire recusaverint et rebelles reperti fuerint se a dictis et in dictis<br />
deordinationibus et inordinatis conversationibus et gestibus irreligiosis<br />
non emendando, tales ex tune exire ad terminos nullatenus permittantur,<br />
quod etiam nos eis omnino interdicimus, donee debite se correxerint et<br />
emendaverint.<br />
Item obsecramus et in Domino requirimus omnes priores, districte eis<br />
mandantes, ut propter Deum et sacri ordinis nostri reformationem neces-<br />
sariam et animarum suarum salutem, se cum sibi commissis fratribus,<br />
quibus merito preesse, et vita et authoritate, deinde et observantia regularis<br />
discipline, monasticeque vite quam vovimus et juravimus, continenter<br />
observare, secundum regulam S. Augustini et constitutions nostras, refor-<br />
mare et confirmare in victu et vestitu, in vita et conversatione studeant;<br />
atque omni posse indilate a sibi minime competentibus negotiis, presertim<br />
a damnabili proprietate expedire procurent.<br />
Item prohibemus et declaramus secundum canones, quod nullus frater<br />
potest alicujus confessionem recipere vel alicui confiteri, nisi de licentia<br />
speciali sui prioris localis, nisi suppriori, si fuerit, vel quern prior vicarium<br />
suum constituent, nisi in articulo mortis vel necessitatis.
Bijlage 3<br />
Diffinitiones capituli generalis anno 1419<br />
BIJLAGEN 187<br />
In nomine Domini Amen. He sunt diffinitiones facte et ordinate per<br />
nos fratrem Helmicum priorem Hoyensem et fratres Everhardum Colpnien-<br />
sem, Godfridum Asperensem, Reynerum suppriorem Hoyensem et Johannem<br />
de Merode Venlensem, diffinitores generalis capituli fratrum sancte<br />
crucis ordinis beati Augustini anno 1419 die 16 mensis maii, que fuit<br />
feria tertia post dominicam, qua cantatur in ecclesia cantate, Huy in eodem<br />
generali capitulo.<br />
Primo omnia diffinita in preteriti anni capitulo approbamus et laudamus<br />
prefer dispensationem et deposicionem jejuniorum a festo exaltationis<br />
sancte crucis usque ad pascha in simplicibus et majoribus festis, quod<br />
reprobamus et deponimus.<br />
Item ibidem approbata confirmamus.<br />
Item ordinamus quod de divisione apostolorum fiet festum duplex ;<br />
item de sancto Barnabo simplex ; item de translatione sancte Odilie duplex<br />
et celebretur decimoquinto kalendas Augusti, quamquam accidebat sexto<br />
nonas Julii. Item festum sancte Margarete celebretur decimotertio kalendas<br />
Augusti. Item de sancta Martha fiet festum trium lectionum et dicatur<br />
ad vesperas hymnus Huius obtentu etc, ad matutinum tria ultima responso-<br />
ria cetera de una virgine. Item diffinimus et ordinamus quod in feriis<br />
quintis et sextis fiet memoria de sancta Cruce et de beata Virgine in vesperis<br />
et matutinis in duplicibus festis, si in eis eveniant. Item diffinimus et<br />
ordinamus quod de sanctis virginibus Lucia, Agnes, Agatha et Cecilia et<br />
de sancto Clemente fiant festa semiduplicia, et dicantur super psalmos ad<br />
primas vesperas antiphone, que dici consueverunt in festis trium lectionum<br />
de una virgine et de uno martyre in matutinis super psalmos ; responsoria<br />
autem in primis vesperis de sancta Agnete omnipotens adoranda, de sancta<br />
Agatha beata Agatha, de sancte Cecilia Dum aurora, de sancto vero Cle<br />
mente Orante sancto Clemente. Item quando missa fit de Spiritu Sancto<br />
in septuaginta dicatur introitus Dum sanctificatus fuero, offertorium Emit-<br />
te, communio ultimo jestivitatis, cetera omnia ut in alio tempore.<br />
Item in missa de sancta Cruce in septuaginta dicatur tractus Laudate<br />
Dominum omnes etc, et prefacio qui salutem humani generis dicatur sem<br />
per quando missa fit de sancta Cruce. Item benedicamus quod cantari solet<br />
in missis simplicium festorum, in adventu Domini et LXX cantatur in<br />
vesperis et matutinis festorum simplicium et semiduplicium extra tempus<br />
paschale et de sancta cruce feria quinta et sexta et sabato de beata virgine in<br />
eisdem horis.
188 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Item precipimus omnibus prioribus sub pena privationis suorum officio-<br />
rum ipso facto, ne de cetero aliquo modo domos aut conventus sibi<br />
commissos obligare presumant aliquibus perpetuis missis, seu aliis quibus-<br />
cumque servitiis, seu obligationibus intus et extra, sine speciali licentia<br />
generalis capituli.<br />
Item diffinimus et ordinamus, quod quicumque regulam et constitutiones<br />
nostras per contemptum et contumaciam servare recusaverint, et contra eas<br />
rebellaverint, vocem in ordine, nisi in sua accusatione, omnino non habeant.<br />
Item precipimus districte in virtute sancte obedientie omnibus prioribus<br />
et fratribus nostri ordinis, ne aliquem in suum conventum recipiant sine<br />
speciali prioris Hoyensis licentia petita et obtenta, juxta constitutiones nos<br />
tras, et si quis receptus fuerit, ad professionem non admittatur sine eadem<br />
licentia ; et si quis secus fecerit, quod absit, si prior est privationem sui<br />
officii, si alius, amissionem suae vocis, se noverit ipso facto incurrisse.<br />
Item diffinimus quod in singulis domibus, ubi copia fratrum est, prior<br />
constituat procuratorem eodem modo sicut subpriorem, cum consilio<br />
fratrum seniorum.<br />
Idem omnis sacerdos nostri ordinis legat decem missas pro defunctis,<br />
unam de sancta Trinitate, unam de Sancto Spiritu, unam de sancta Cruce<br />
et unam de beata Virgine pro vivis benefactoribus nostris et nobis com-<br />
missis, clericus quinque psalteria, conversus septuagenta pater noster et<br />
ave Maria.<br />
Item prior Hoyensis commissit vices suas fratri Johanni de Merode in<br />
domo Coloniensi et Nigra paludis et in Ruremunda secundum formam et<br />
tenorem littere, quam eidem dederat anno precedent! in eadem domo<br />
Coloniensi usque ad revocationem suam.<br />
Bijlage 4<br />
Diffinitiones capituli generalis anno 1434<br />
In nomine Domini Amen. Hec sunt acta, diffinita et ordinata per nos<br />
fratres Henricum generalem, Nicolaum Asperensem, Gerardum Leodien-<br />
sem, Johannem Coloniensem, priores et Johannem de Merode, procuratorem<br />
Venlensem, diffinitores capituli generalis ordinis fratrum sancte Crucis<br />
in domo Hoyensi more solito celebrati sub anno Domini 1434 dominica<br />
cantate, que erat die Marci evangeliste et duobus diebus sequentibus.<br />
In primis diffinimus et ordinamus, quod in omnibus domibus nostris<br />
in dominica cantate debet cantari missa immediate post primam de Spiritu<br />
Sancto sub modo semiduplicis festi pro capitulo generali cum collecta :<br />
pretende Domine, jamulis tuts dexteram celestis auxilii etc non addendo
BIJLAGEN 189<br />
ibi famulabus et concede quesumus omnipotens Deus, ut intercessio etc.<br />
Item diffinimus et ordinamus, quod rasura fieri poterit de quindena in<br />
quidenam, barbam autem ad octo dies propter reverentiam Sacramenti.<br />
Item declaramus, quod preciosa legi debet post primam secundum statuta<br />
ante tertiam. Item declaramus, quod prior faciat officium in duplicibus et<br />
supra dumtaxat in missa, matutinis et vesperis. Item declaramus et decernimus,<br />
quod caveant priores et eorum socii, qui ad capitulum generale<br />
veniunt, ne circuitionibus, aut sermonibus clamerosis aut inordinatis,<br />
quietem et disciplinam fratrum Hoyensium inquietent, sed magis salva<br />
charitate fraterna visitationis et allocutionis, studeant orationi et sacre<br />
lectioni missarumque celebrationi operas dare, ut cunctis, sicut decet,<br />
exemplum religionis et discipline prebeant, precipue ante primam et post<br />
completorium, que a conventu in oratorio persolvantur, quieti et devotioni<br />
intendere studeant, quantum eis a negotio capituli vacuum fuerit.<br />
Item prohibemus districte sub poena gravi culpa, quod fratres diffiniti<br />
non recedant a domibus ad quas fuerint diffiniti, donee priores redierint a<br />
capitulo. Item caveat unusquisque ne mulieri nudam manum porrigat.<br />
Item volumus, quod priores non faciliter dispensent super jejuniis in sextis<br />
feriis maxime post festum exaltationis sancte Crucis ; si vero interventu<br />
alicuius vel aliquorum venerabilium contigerit largam gratiam ministrare ;<br />
benedictio mense et gratiarum actio, sicut in coenis consuetum est fieri,<br />
legantur. Item receptores hospitum in principio mense et in fine gratia<br />
edificationis legant hospitibus aliquam lectionem. Item declaramus, quod<br />
in Coena Domini ad missam dicatur ad tertium Agnus Dei miserere nobis.<br />
Item in diebus minualibus post matutinas ante primam et post comple<br />
torium silentium observetur sicut alio tempore.<br />
Item pater noster generalis et fr Johannes Scoll Venlensis visitabunt.<br />
Item pro benefactoribus tarn vivis quam defunctis leget quilibet sacerdos<br />
tres missas de sanctissima Trinitate, tres de Sancto Spiritu, tres de sancta<br />
Cruce, tres de Domina, tres de requiem, clericus psalterium, conversus<br />
trecenta pater noster, donatus trecenta.<br />
Hoc anno obierunt fr Arnoldus Bruen presbyter conventus Cadomensis,<br />
Stephanus Parisiensis, Lutgerus Asperensis.<br />
Bijlage 5<br />
Diffinitiones capituli generalis anno 1495<br />
In nomine Domini Amen. Hec sunt diffinita et ordinata in capitulo nostro<br />
generali per nos fratres Gerbrandum generalem, Andream Venlensem,<br />
Johannem montis Orientis, Jacobum Asperensem, Johannem Parisiensem,
190 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
conventuum priores et diffinitores capituli generalis ordinis fratrum sancte<br />
Crucis anno domini 1495 die 17 maii et duobus sequentibus.<br />
In primis illas duas diffinitiones approbatas, quod cum aliqui fratrum<br />
poenitentiam formidantes suorum demeritorum etc. et quod obtento con-<br />
sensu reverendi patris nostri generalis et majoris partis capituli etc. cum<br />
ceteris clausulis annis preteritis appositis confirmamus.<br />
Item diffinicio anno preterito ordinata pro conformitate absolucionis<br />
sacramentalis quod premisso misereatur vestri etc ; et quod cantatur prefacio<br />
de sancta Trinitate in festis omnium sanctorum, dedications ecclesie et<br />
sancti Augustini episcopi. Et quod in quolibet conventu sit circator etc.<br />
Et ne de cetero aliquis patrum vel fratrum aliquam prolem de fonte<br />
audeat levare etc. Et quod octava resurrectionis dominice sit festum duplex<br />
et quod in primis vesperis cantetur responsorium etc. Et quod festum<br />
sancti Andree sit totum duplex. Et loco sequencie Deus in tua virtute<br />
cantetur sequencia Psallat voce votis amet approbamus.<br />
Item diffinimus et ordinamus, quod festum transfigurationis domini<br />
celebretur totumduplex sexta augusti cum officio predicatorum exhibendo.<br />
Item diffinimus et ordinamus, quod ob reverentiam priorum, quorum vices<br />
suppriores gerere dinoscuntur, quod in absencia prioris supprior conventus<br />
dicet confiteor, fidelium, adjutorium, et dabit benedictionem post comple-<br />
torium. Item diffinimus et districte precipiendo mandamus cunctis priori-<br />
bus in virtute sancte obedientie, et cunctis fratribus sub poena privationis<br />
voce ipso facto, ne quavis occasione soUicitent apud fundatores conventuum<br />
nostrorum cujuscumque dignitatis, status aut preeminentie fuerint, transmitti<br />
aut revocari aliquem fratrem ordinis proprie vel alterius conventus, ad<br />
conventum eorum vel ad alium quemcumque locum, impetrando sibi<br />
litteras recommendatitias ad reverendum patrem nostrum generalem ; sed<br />
volumus quatenus primitivus accessum et consilium desuper, simul et<br />
colloquium cum reverendo patre nostro generali habeatur, antequam ali<br />
quem fundatorum accedant.<br />
Item cum secundum statuta nostra suppriores et procuratores de consilio,<br />
licet non de consensu seniorum instituendi sint, diffinimus et declaramus,<br />
quod per hoc non excluditur reverendi patris nostri generalis et capituli<br />
generalis authoritas, vel visitatorum quin evidenti utilitate aut necessitate<br />
domus aut ordinis exigente desuper, per ipsos provided conventui aut<br />
conventibus possit. Item diffinimus et ordinamus, quod fratres emissi pro<br />
erectione aut manutenentia alterius conventus, ut sint sicut conventuales et<br />
quod tales debent vestiri in illo conventu ad quem sic mittuntur, juxta<br />
qualitatem vestitus ipsorum quando emittuntur et recipiuntur. Item diffini<br />
mus et ordinamus, quatenus conventus, quem reverendus pater noster<br />
generalis visitaverit, soluto salario et stipendio visitationis juxta prius
BIJLAGEN 191<br />
ordinata, deliberabit reverendum patrem nostrum generalem decenter cum<br />
suis comitibus ad viciniorem conventum nostri ordinis, providendo sibi<br />
juxta distantiam locorum et conventuum ad discretionem reverendi patris<br />
nostri generalis.<br />
Item diffinimus er declaramus ilium articulum statutorum nostrorum, in<br />
rubrica, de capitulo generali positum : ne quis revelet secretum aut dissen-<br />
tionem fratrum extraneis, sub certis poenis ibidem positis, quod ille articu-<br />
lus non solum intelligi debet de secreto aut disentione fratrum capituli<br />
generalis, sed etiam conventualis. Item diffinimus et ordinamus, quod in<br />
festo dedicationis conventuum ordinis debet fieri processio et cantari in<br />
processione pro primo responsorio In dedicatione temp It; pro secundo<br />
Benedic domine domum, pro tercio Terribilis est locus iste et ad introitum<br />
ecclesie cantetur antiphona Zachee cum versiculo Domum tuam Domine et<br />
cum collecta diei. Item diffinimus et ordinamus, quod nulla grangia extra<br />
domum situata colatur per fratrem ordinis nisi de consensu capituli gene<br />
ralis. Item fr Baltazar conventus Hoeyensis, fr Johannes Trajectensis,<br />
Nicolaus Namurcensis, fr Hinricus Quaet St Agathe stabunt in conventu<br />
nostro Lundonie usque ad revocacionem reverendi patris nostri generalis<br />
ut conventuales et fr Sosfredus donatus Hornensis stabit ibidem similiter<br />
ut cocus et erunt astricti in virtute obedientie et in remissionem omnium<br />
peccatorum suorum comparere in conventu nostri Gossensi in profesto<br />
Pentecostes et ibi providebitur eis et respondebitur eis de cunctis eis<br />
necessariis ad profidscendum Lundonia. Item fratres diffiniti in Erenstein<br />
stabunt et permanebunt ibidem, usque ad revocacionem reverendi patris<br />
nostri generalis. Item prior Asperensis providebit conventum nostrum in<br />
Viridario de personis necessariis ibidem. Item committimus curam conven<br />
tus in Wycrode priori Venlensi ad providendum ibidem de duobus fratri-<br />
bus. Item fr Mychael Namurcensis visis presentibus sit supportatus a<br />
supprioratu conventus nostri in Viridario et stabit in conventu nostro in<br />
Warennis ut conventualis et de ceteris ibidem locandis providebit prior<br />
Alnetensis, vicarius reverendi patris nostri generalis per Franciam pro<br />
tempore. Item fr Johannes de Warennis stabit in conventu nostro Calnia-<br />
censi per annum. Item presentibus cunctis nobis subjectis precipue per<br />
Franciam notificamus quatenus venerabilem priorem Alnetensem consti-<br />
tuimus creamus ordinamus et facimus nostrum vicarium per regnum Francie<br />
ut conventibus de fratribus ipsis necessariis provideat et cuncta disponat.<br />
Item fratres conventuales Altinemoris pro nunc fratres in Wyckrode stantes<br />
redibunt ad proprium conventum. Item fr Wylhelmus Asperensis con<br />
ventus Snekensis stabit in conventu Hornensi usque ad revocacionem<br />
reverendi patris generalis. Item fr Wylhelmus Grevesant conventus Sneken<br />
sis stabit in conventu Worcummensi usque ad revocacionem reverendi
192 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
patris generalis. Item fr Cornelius Worcumiensis stabit in conventu Snekensi<br />
usque ad revocacionem generalis. Item fr Andreas Icorus et Martinus<br />
montis Sancte Helene Leodiensis conventus redibunt ad proprium conven<br />
tum et pater generalis providebit Dyonensibus de fratribus ipsis necessariis.<br />
Item fr Conradus Atfeder conventus vallis sancti Anthonii stabit in con<br />
ventu Namurcensi per annum. Item fr Hinricus de Wardenburch stabit in<br />
conventu Watenensi ut supprior et ceteri ibidem diffiniti permanebunt<br />
ibidem usque ad revocacionem reverendi patris generalis. Item prior Colo-<br />
niensis providebit conventui montis sancte Helene de suppriore et de<br />
fratribus ibidem necessariis. Item precipimus in virtute obedientie et sub<br />
poena carceris fratri Johanni Mechlinie Namurcensi quatenus visis et<br />
auditis presentibus indilate revertatur ad conventum suum Namurcensem.<br />
Item Lubertus Clivis Marie pacis stabit in Brandenborch. Item Lambertus<br />
Campis donatus Marie pacis stabit in conventu Calniacensi per annum.<br />
Item Martinus Lodowicus de Martianco stabit in conventu Tolezano usque<br />
ad revocacionem patris generalis et precipimus sibi in virtute obedientie<br />
quatenus cum sociis et fratribus sibi per priorem Alnetensem vicarium<br />
Francie assignandis indilate recte tramite procedat et transeat ad Tolozanum<br />
conventum.<br />
Obierunt hoc anno venerabiles patres fr Hinricus Bocoldie prior primus<br />
Vallis liliorum, fr Jacobus in Erensteyn, fr Johannes Yvodiensis, Petrus<br />
Maich de Goes Hornensis, Johannes Petri Schermer, conventuum priores.<br />
Theodericus Altinemoris, Jacobus Tornacensis conventuum suppriores,<br />
Hinricus Hornensis, Petrus de Faberca Tornacensis, Egbertus Renis in<br />
Schermer, conventuum procuratores, Egidius Tornacensis, Mychael Bun-<br />
dein, Egidius Mantzal Tornacenses, fr Tylmannus Duren Altinemoris,<br />
Petrus Germanus ibidem, Theodericus in Schermer, et Jacobus Anden,<br />
Gerhardus Mechlinie in Brandenborch, fr Gerhardus vallis sancti Anthonii,<br />
fr Mychael Tholozani, Gysbertus Asperensis, Walterus montis Orientis,<br />
Wylhelmus Schedamensis, Hinricus Tinctoris Dulckensis, Gerhardus Cal-<br />
niacensis, Petrus ibidem, Wylhelmus de Colonia Leodiensis, Symon Hor<br />
nensis, Jacobus Venlensis, Symon Nove lucis, Hermanus ibidem, Damasus<br />
Hornensis, Arnoldus Dulkensis, Petrus Salviacensis, et Andreas Asperensis.<br />
Tylmannus Altinemoris, Wylhelmus in Schermer, donati. fr Gerhardus<br />
Salniacensis clericus, Arnoldus conventus Tholozani, Wylhelmus ibidem,<br />
Laurencius Tornacensis novicii. Gerhardus Tornacensis, Johannes de Susato<br />
Coloniensis, Henricus Clivis Marie pacis, Petrus Altinemoris, Petrus<br />
Buscoducensis, conversi. Gerhardus Asperensis, Johannes Bentlagensis,<br />
Lambertus montis sancte Helene, Anthonius Altinemoris, Cornelius, Hin<br />
ricus, Johannes ibidem, Hermannus in Schermer, Ullitus ibidem, Johannes
BIJLAGEN 193<br />
Coloniensis, Wesselus conventus Ste Agathe, Johannes Ruden Coloniensis,<br />
Hinricus Bentlagensis, Johannes, Hinricus, Hermanus ibidem.<br />
Item hoc anno visitabunt priores Nigre paludis et Coloniensis conventus<br />
Aquensem, Brandenborch, Nigre paludis, Altinemoris, Wyckrode, montis<br />
sancte Helene, Dulkensem et Erensteyn. De ceteris conventibus visitandis<br />
providebit reverendus pater noster generalis per se vel per alium.<br />
Item pro participantibus et benefactoribus ordinis nostri tarn vivis et<br />
defunctis tres missas etc.<br />
In quorum omnium et singulorum etc reverendi patris nostri generalis<br />
et venerabilium patrum diffinitorum duximus premissa communiri etc.<br />
Bijlage 6<br />
Privileges door het stadsbestuur van Goes aan de Kruisbroeders<br />
verleend.<br />
STADSARCHIEF GOES ~ voorlopige inventaris n. 38<br />
Groot-privilegieboek van de stad Goes, fol. 31 f° en V°, 17e eeuws<br />
handschrift.<br />
Inden name der Heyliger dryevuldicheyt, Wij Burgemeesteren, Schepenen<br />
ende Raeden der Steden vander Goes in Zuijtbevelandt, doen condt<br />
ende kennelyck alien Luyden want wij om Zalicheyt onser siele ende alle<br />
goede menschen overdraghen syn met den eerwaerdighen vader den<br />
generael der ordenen van den heylighen cruijce ende prior des Convents<br />
van Hoeyen dat een clooster gesticht ende begonnen is te maecken binnen<br />
der Stede vander Goes, inder eeren Godts Sinte Marien ende den heylighen<br />
cruyce, om den dienst Godts ende des heylighen cruijs inder selver Stede<br />
vander Goes te meerderen ende in troost ende Lavenisse onser sonden<br />
ende om dat zalighe werck te volbringen, den voors. Clooster geven ende<br />
consenteren voor ons ende onse nacomelingen ende vander Stede weghen<br />
tot eeuwighen daghen geduijrende previlegien giften ende vrijheden inder<br />
manieren als hier nae geschreven staet behoudelyck altoos alsulcke voorwaerden<br />
ende lofftoghten als die generael ende diffiniteurs vander selver<br />
ordenen mit haeren generalen capittele tot Hoeyen voors. onser voors.<br />
Stede vander Goes besegelt hebben eeuwelijck geduijrende, Inden eersten<br />
consenteren wij ende nemen de cruijcebroeren die nu ter Goes inden<br />
clooster syn off dier namels in comen sullen eeuwelyck duijrende voor ons<br />
ende onsen nacomelingen in onsen bescherme ende in al onser Stede<br />
Rechten hantvesten ende vryheden ende sullen altoos vry wesen van alien<br />
oncoste schattingen pontgelden accysen tollen oncoste ende laste die de
194 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Stede voors. nu schuldich is ende nu dagelycx hebben off die sy namels<br />
gecrygen opsetten maken off gecrygen moghen off hebben moesten hoe<br />
dat geschien mochte in eenigerwys, behoudelyck is dat sy der Stede molen<br />
versoecken dat sy dan moulter geven sullen van heuren coren te malen<br />
gelyck anderen der Stede poirteren voors., ende behoudelyck dat sy geenen<br />
wyn off bier off geenerhande dranck buijten heuren convente in geenrewys<br />
vercoopen en sullen, Item consenteren wy den voors. convente dat sy<br />
hantieren zullen moghen alle ambochten binnen heuren convente die hem<br />
noot derfftich sullen syn tot haere behouff sonder enich wederseggen<br />
van ons vanden ambochten binnen der Stede voors. off van onsen nacomelinghen,<br />
voort consenteren wy hen dat sy coopen moghen binnen<br />
der Stede ambochte vander Goes voors. tot vyftich gemeten landts toe<br />
ende niet daerboven ten waer by oirlove vanden Bailliu den Burgemeesteren<br />
ende Schepenen vander Goes dan inder tyt wesende, ende mit deser<br />
weldaet ende alien puncten voors. ende vryheden ons ende onsen nacomelingen<br />
ende der selver Steden vander Goes anroerende soo begeeren wy in<br />
heur eeuwige gedenckenisse te wesen gelyck dat daer toe behoort, ende<br />
alle dingen sonder argelist daer in te soucken off te vinden, om dat dit<br />
waer is zoo hebben wy Bailliu Burgemeesteren Schepenen ende Raeden der<br />
Stede vander Goes voors. by gemeenen consente ende over een dragen<br />
desen brieff besegelt mitter Stede segele vander Goes voors. hier an<br />
gehanghen Gegeven int jaer ons heeren duijsent vier hondert ende dertich<br />
opden derden dach in October.
Abcoude, Nederland, prov. Utrecht.<br />
Heer van —, 4l.<br />
Abelardus, auteur, 150.<br />
Acquoy (J.), auteur, 159.<br />
Adrianus Monet, auteur, 141.<br />
Aegidius van Brandenburg, 114.<br />
Agnes Rengers van den Laere, ill.<br />
Aken, stad, Duitsland. Kruisbroeders,<br />
21, 56, 67, 71, 72, 75, 86-87, 90, 92,<br />
95, 102, 103, 104, 109, 164, 193 ; zie<br />
00k WlLHELMUS VAN SCHIEDAM ;<br />
Marienstift, 114.<br />
Albertus de Grote, auteur, 142, 144,<br />
149, 150.<br />
Albertus van der Hamme, OSC, Osterberg,<br />
118.<br />
Alexander V, paus, 39.<br />
Altena, Nederland, prov. Noordbrabant,<br />
zie Willem VI.<br />
Ambrosius, auteur, 138, 149.<br />
Andreas, OSC, Venlo, 189.<br />
Andreas Icorus, OSC, Helenenberg,<br />
192.<br />
Andreas Leidecker, OSC, Diilken, 114.<br />
Andrimont, Belgie, prov. Luik, 34 ; zie<br />
ook La Chantoire.<br />
Anselmus, auteur, 140, 149.<br />
Anthonius, OSC, Hohenbusch, 192.<br />
Antonius van Parma, auteur, 149.<br />
Arnoldus, OSC, Dulken, 192 ; —,<br />
OSC, Marienfrede, 113 ; —, OSC,<br />
Toulouse, 192.<br />
Arnoldus Bruen, OSC, Caen, 189.<br />
Arnoldus Kulenborch, OSC, Keulen,<br />
67.<br />
Arnoud van Horn, bisschop van<br />
Utrecht, 41.<br />
Arnoldus van Merode, kanunnik,<br />
Luik, 24, 30, 33, 34, 36, 47, 91.<br />
Asbach, Duitsland, Kreis Neuwied, zie<br />
EHRtfNSTEIN.<br />
Asperen, Nederland, prov. Zuidholland.<br />
Kruisbroeders, 21, 40, 67, 68, 69, 85-<br />
86, 87-88, 89, 90, 92, 96, 102, 103,<br />
104, 114, 115, 122, 129, 155, 163,<br />
164, 189, 191, 192, zie ook Gerardus<br />
Geldenhouwer Noviomagus, Ger-<br />
REGISTER<br />
1 Afkorting : OSC = Kruisbroeder, Kruisheer.<br />
hardus, gljsbertus, godefridus,<br />
Jacobus, Johannes van Merten,<br />
Johannes van Roermond, Lutgerus,<br />
nlcolaas van roermond,<br />
NlGOLAAS, WlLHELMUS.<br />
Athanasius, auteur, 136.<br />
Augustinessen, 127 ; klooster te Glindfeld,<br />
121.<br />
Augustijnen, kloosterorde, 18, 145,<br />
149; koorheren, 113, 118, zie ook<br />
SCHOONHOVEN.<br />
Augustinus, auteur, 17, 18, 50, 107,<br />
135, 136, 137, 138, 139, 141, 148,<br />
149, 150, 166, 186.<br />
Avezaath, Nederland, prov. Gelderland,<br />
112.<br />
Balduinus, OSC, Schiedam, 109.<br />
Baltazar, OSC, Hoei, 191.<br />
Barham, zie Bergham.<br />
Barnikol (E.), auteur, 158.<br />
Bartholomew Pisani, auteur, 143.<br />
Bartholomeus van Maastricht, au<br />
teur, 141.<br />
Basilius, auteur, 136.<br />
Beda Venerabilis, auteur, 132, 135,<br />
136, 140, 149.<br />
Belgie, koninkrijk, 22, 23, 26, 81, 103,<br />
121-122.<br />
Benedictijnen, kloosterorde, 18, 136,<br />
139, 140, 148, 149, 153, 161, zie ook<br />
BURSFELD.<br />
Benedictus, auteur, 140.<br />
Benedictus XIII, paus, 38.<br />
Bentlage, Duitsland, Kreis Steinfurt.<br />
Kruisbroeders, 61, 84, 103, 111, 112,<br />
116, 118-120, 127, 164, zie ook<br />
everardus klrskorff van orsoy,<br />
Gerardus van Horn, Henricus,<br />
Henricus van de Bergh, Henricus<br />
van Tiel, Hermannus, Johannes,<br />
Johannes Bussche.<br />
Bergham, Barham, Engeland. Kruis<br />
broeders, zie Saint-Margaret.<br />
Berlijn, stad, Duitsland, 27, 130-152.<br />
Bernard van Clairvaux, auteur, 135,<br />
140, 141, 148, 149, 150.
196 STUDIfiN OVER DE OBSERVANCE<br />
Bernardinus van Siena, auteur, 145,<br />
149.<br />
Bernardus Dulman, OSC, Sneek, 114.<br />
Bernd der Alte zu Lippe, 120.<br />
Bertram van Nesselrode, 115.<br />
Bertree, Belgie, prov. Luik, 36.<br />
Beyenburg, Duitsland, Kreis Wuppertal.<br />
Kruisbroeders, 21, 81-82, 92, 102,<br />
103, 112, 125, 164, 193 ; zie ook<br />
Johannes, Peter von Kettwich.<br />
Boethius, auteur, 147.<br />
Bogaarden, kloosterorde, 110.<br />
Bonaventura, auteur, 144.<br />
Bonifatius VIII, paus, 20.<br />
Bonifatius IX, paus, 37.<br />
Borgloon, Belgie, prov. Limburg, 121.<br />
Born, Duitsland, Kreis Kempen-Krefeld,<br />
115, 125.<br />
Bourgondie, hertogdom. Hertogen, 30,<br />
35, 37, 38, 43, 91, 97, 162 ; zie ook<br />
Jan zonder Vrees, Maria van<br />
Bourgondie, Philips de Goede,<br />
Philips de Schone.<br />
Brabant, hertogdom. Hertogin, 37, 40,<br />
41.<br />
Brandenburg, Duitsland, Stadtkreis Aken<br />
(vroeger gemeente Raeren), zie<br />
Aegidius van Brandenburg ; Kruis<br />
broeders, 118, 127, 192, 193 ; zie ook<br />
Gerhardus van Mechelen, Jaco<br />
bus Anden.<br />
Brazilie, republiek, 23.<br />
Broeders van het Gemene leven, 75,<br />
116, 119, 133, 153-161, zie ook Dirk<br />
van Herxen, Geert Grote, Jan<br />
van Hattem, Gerard Zerbolt,<br />
Rudolf Dier van Muiden.<br />
Bruggen, Duitsland, Kreis Kempen-Kre<br />
feld. Kruisbroeders, 24, 114, 125.<br />
Brussel, Belgie, prov. Brabant. Koninklijke<br />
Bibliotheek, 130-152 ; klooster,<br />
zie Groenendael.<br />
Bursfeld, bij Gottingen. Benedictijnen,<br />
153, 161.<br />
Buzancais, Frankrijk, dep. Indre. Kruis<br />
broeders, 21, 50, 80, 93, 96.<br />
Caen, Frankrijk, dep. Calvados. Kruis<br />
broeders, 21, 42, 50, 61, 62, 80, 93,<br />
95, 96, 98, 103, 107, 113, 114, 189,<br />
zie ook Arnoldus Bruen, Johannes<br />
Marijn.<br />
Caesarius van Arles, auteur, 138.<br />
Caesarius van Heisterbach, auteur,<br />
141, 149.<br />
Carignan, Frankrijk, dep. Ardennes.<br />
Kruisbroeders, 21, 71, 93, 102, 163,<br />
192, zie ook Henricus van Benthem,<br />
Johannes, Wilhelmus.<br />
Cassianus, auteur, 138.<br />
Catharina Berthout, 40.<br />
Catharina van Bourbon, 91.<br />
Chantoire (La), zie La Chantoire.<br />
Chauny, Frankrijk, dep. Aisne. Kruis<br />
broeders, 94, 122, 191, 192, zie ook<br />
Gerhardus, Petrus.<br />
Christianus, OSC, Keulen, 101 ; —,<br />
OSC, Osterberg, 118.<br />
Christianus van Erpel, officiaal van<br />
Keulen, 48, 84, 102, 162.<br />
Cistercienserinnen, kloosterorde, 120.<br />
Cisterciensers, kloosterorde, 36, 136,<br />
139, 140, 148, 149, 153, 160.<br />
Clarus Locus, bij Hoei of Seilles.<br />
Kruisbroeders, 18.<br />
Clemens V, paus, 20.<br />
Clemens VII, paus, 41.<br />
Cletus, paus, 22.<br />
Colchester, Engeland. Kruisbroeders,<br />
101.<br />
Condren, Frankrijk, dep. Aisne. Kruis<br />
broeders, 21, 76, 80, 93, 94-95, 103,<br />
122.<br />
Congo (Kinsjasa), republiek, 23.<br />
Conradus Atfeder, OSC, Schwarzenbroich,<br />
192.<br />
Conradus van Ebernach, auteur, 140.<br />
Conradus van Saksen, auteur, 145,<br />
149.<br />
Constantijn de Grote, keizer, 17.<br />
Constanz, stad, Duitsland. Concilie,<br />
49.<br />
Cornelis Gerbrandus, OSC, Nijenwer-<br />
ve, 101.<br />
Cornelis van Clotingen, OSC, Goes,<br />
108.<br />
Cornelius, OSC, Hohenbusch, 192 ;<br />
—, OSC, Woudrichem, 192.<br />
Couptrain, Frankrijk, dep. Mayenne,<br />
124.<br />
Cuijk, Nederland, prov. Noordbrabant,<br />
23, 40, 88, 89, 126. Kruisbroeders, zie<br />
Sint-Agatha.<br />
Cyprianus, auteur, 149.<br />
Cyrillus van Alexandrie, auteur,<br />
137, 149.<br />
Damasus, OSC, Hoorn, 192.<br />
Daniel, OSC, Keulen, 132.<br />
Daniel Jansz van Matenesse, 108.<br />
Darmstadt, stad, Duitsland. Hess. Landes<br />
und Hochsch. Bibl., 130.<br />
David van Augsburg, auteur, 145.
David van Bourgondie, bisschop van<br />
Utrecht, 114.<br />
Delft, Nederland, prov. Zuidholland,<br />
87.<br />
Detmold, Duitsland, Kreis Detmold,<br />
27, 34, 44.<br />
Deventer, Nederland, prov. Overyssel,<br />
74, 118; kloosters : Fraterschool, 153<br />
en Heer Florishuis, 154.<br />
D'Horn, Duitsland, Kreis Duren, zie<br />
SCHWARZENBROICH.<br />
Diederik van Horn, heer van Perwez,<br />
38, 40, 41, 88, 89, zie ook Perwez.<br />
Diederik van Perwez, zie Diederik<br />
van Horn.<br />
Dinant, Belgie, prov. Namen. Kruisbroeders,<br />
121, 122, 192.<br />
Dingden, Duitsland, Kreis Borken,<br />
113, zie ook Marienfrede.<br />
Dionysius de Areopagiet, auteur, 136.<br />
Dionysius van Leeuwen, auteur, 141.<br />
Dirk van Herxen, broeder van het Gemene<br />
Leven, 158.<br />
Dominicanen, kloosterorde, 19, 20, 69,<br />
140, 142, 149, 164.<br />
Doornik, Belgie, prov. Henegouwen.<br />
Kruisbroeders, 21, 62, 71, 75, 79, 80,<br />
86, 94, 95, 97, 102, 103, 122, 131,<br />
164, 192, zie ook Egidius, Egidius<br />
Mantzal, Gerhardus, Jacobus, Jo<br />
hannes HOENREMAN, LAURENTIUS,<br />
Michael Bundein, Petrus de Fa-<br />
BERCA.<br />
Doveren, Duitsland, Kreis Erkelenz, zie<br />
HOHENBUSCH.<br />
Donnington, Engeland. Kruisbroeders,<br />
101.<br />
DiiLKEN, Duitsland, Kreis Kempen-Krefeld.<br />
Kruisbroeders, 92, 114, 192, 193,<br />
zie ook Andreas Leidecker, Arnoldus,<br />
Henricus Tinctoris.<br />
Dusseldorf, Duitsland, Kreis Dusseldorf.<br />
Kruisbroeders, 27, 82, 96, 112,<br />
124, 126, 130-152 ; Landes- und Stadt-<br />
Bibliothek, 130.<br />
Duisburg, Duitsland, Kreis Duisburg.<br />
Kruisbroeders, 115.<br />
Duitsland, republiek, 22, 23, 30, 43,<br />
163.<br />
Durand (A.), auteur, 26, 97.<br />
Edmundus van Dinter, OSC, Sint-<br />
Agatha, 61, 85, 86, 90, 92.<br />
Egbertus Renis, OSC, Scharmer, 192.<br />
Egidius, OSC, Doornik, 192.<br />
Egidius Mantzal, OSC, Doornik, 192.<br />
Egidius van Venalmont, deken van<br />
Luik, 48.<br />
REGISTER 197<br />
Ehrenstein, bij Asbach. Kruisbroeders,<br />
115, 125, 191, 192, 193, zie ook Jaco<br />
bus ; hospitaal, zie Oetgenbach.<br />
Elisabeth van Kleef, 91.<br />
Else van Kleef, 40.<br />
Emmerik, Duitsland, Kreis Rees. Kapittel<br />
van St. Martinus, 414 ; Kruisbroe<br />
ders, 84, 114.<br />
Engeland, koninkrijk, 18, 21, 25, 26,<br />
30, 43, 71, 72, 78, 90, 99-101, 104,<br />
105, 107, 108, 110, 113, 122, 123,<br />
125.<br />
Enslingen, Duitsland, Kreis Trier. Kapel,<br />
115.<br />
Ephraem, auteur, 136.<br />
Eugenius IV, paus, 49, 109.<br />
Eusebius, auteur, 137, 149.<br />
Eusebius van Emese, auteur, 136.<br />
Eustache Persand, elect-bisschop van<br />
Luik, 41.<br />
EVERARDUS KlRSKORFF VAN ORSOY,<br />
OSC, prior-generaal, 101, 119.<br />
Everardus, OSC, Keulen, 85, 187.<br />
Falkenhagen, Duitsland, Kreis Det<br />
mold. Kruisbroeders, 39, 84, 116, 120,<br />
127, zie ook Henricus van Bocholt.<br />
Ferricus van der Putte, OSC, priorgeneraal,<br />
101, 160.<br />
Fivelgo, streek in Friesland, 111.<br />
Florennes, Belgie, prov. Namen, 36.<br />
Franciscanen, kloosterorde, 140, 144.<br />
Franciscus van Assisi, heilige, 144.<br />
Franeker, Nederland, prov. Friesland.<br />
Kruisbroeders, 76, 79, 92, 110, 111.<br />
Frankfort, stad, Duitsland, 41.<br />
Frankrijk, republiek, 26, 30, 37-38,<br />
43, 49, 72, 78, 79, 80, 90, 92, 93-99,<br />
104, 105, 107, 108, 113, 122, 123,<br />
125, 163, 191, 192 ; koningen, zie<br />
Jan de Goede, Karel V, Karel VI,<br />
Lodewijk XII.<br />
Fraterheren, zie Deventer, Mun-<br />
ster.<br />
Freienhagen, Duitsland, Kreis der<br />
Twiste, 116.<br />
Frenswegen, bij Nordhorn, klooster van<br />
Windesheim, 117, zie ook Hendrik<br />
Loder.<br />
Friesland, prov. in Nederland, 37, 160,<br />
zie ook Fivelgo.<br />
Fulgentius, bisschop, 131.<br />
Garrelsweer, Nederland, prov. Groningen,<br />
111 ; pastoor, zie Jacobus Wijl-<br />
tingen.<br />
Geert Grote, broeder van het Gemene<br />
Leven, auteur, 146, 149, 156, 159,<br />
160.
198 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Geich, Duitsland, Kreis Diiren, 124.<br />
Gelre, hertogdom, 84; hertog, zie<br />
Reinoud IV.<br />
Georgius van Brueggen, OSC, priorgeneraal,<br />
39, 71, 83, 100.<br />
Gerard, hertog van Gulik-Berg, 112,<br />
124.<br />
Gerard Zerbolt van Zutphen, auteur,<br />
73, 74, 75, 146, 155, 156, 158,<br />
160.<br />
Gerardus, OSC, Hohenbusch, 83.<br />
Gerardus de Rivo, auteur, 1.41.<br />
Gerardus Geldenhouwer Noviomagus,<br />
OSC, Asperen, 155.<br />
Gerardus van Goch, OSC, Sint-Agatha,<br />
69, 70, 77, 78, 83, 90, 97, 128,<br />
188.<br />
Gerardus van Horn, OSC, Bentlage,<br />
119.<br />
Gerardus van Luik, auteur, 141.<br />
Gerbrandus van Sneek, OSC, priorgeneraal,<br />
189.<br />
Gerhardus, OSC, Asperen, 192 ; —,<br />
OSC, Chauny, 192 ; —, OSC, Doornik,<br />
192 ; —, OSC, Salignac, 192 ;<br />
—, OSC, Schwarzenbroich, 192.<br />
Gerhardus van Mechelen, OSC,<br />
Brandenburg, 192.<br />
Gerrit van Schiedam, auteur, 141.<br />
Gijsbertus, OSC, Asperen, 192 ; —,<br />
OSC, Hoei, 71, 83.<br />
Gisbertus van Sneek, OSC, Hoorn,<br />
101, 110.<br />
Glindfeld, Duitsland, Kreis Brilon.<br />
Kloosters : Kruisbroeders, 116, 121,<br />
126, zie ook Augustinessen.<br />
Goch, Duitsland, Kreis Kleve, 115.<br />
Godefridus, OSC, Asperen, 185, 187 ;<br />
—, OSC, Keulen, 132.<br />
Goes, Nederland, prov. Zeeland. Kruis<br />
broeders, 75, 92, 100, 103, 107-108,<br />
127, 191, 193, zie ook Cornelis van<br />
Clotingen, Johannes Amoris.<br />
goeswijn mlchielszoon, 108.<br />
Goettingen, Duitsland, Kreis Gottingen,<br />
zie Bursfeld.<br />
Goswinus van Nijmegen, OSC, Wat-<br />
ten, 100.<br />
Gregorius de Grote, paus, auteur,<br />
135, 138.<br />
Gregorius XII, paus, 38, 39-<br />
Groenendael, klooster bij Brussel,<br />
146.<br />
Groot-Britannie, zie Engeland.<br />
Guerricus van Igny, auteur, 141, 149-<br />
Guilelmus Paraldus, auteur, 143.<br />
Gulik, hertogdom. Hertog, zie Reinoud<br />
IV.<br />
Haass (R.), auteur, 24, 155.<br />
Heere (L.), auteur, 26.<br />
Heinrich van Huls, OSC, Keulen,<br />
116.<br />
Heinrich van Mors, bisschop van Mun-<br />
ster, 118.<br />
Helena, heilige, 17.<br />
Helenenberg, bij Welschbillig, Kruis<br />
broeders, 84, 115-116, 125, 126, 192,<br />
193, zie ook Andreas Icorus, Lam-<br />
BERTUS, MARTINUS.<br />
Helmicus Amoris van Zutphen, Helmkus<br />
Zerbolt, OSC, prior-generaal,<br />
25, 42, 67, 68, 71, 73-75, 79, 84, 85-<br />
86, 88, 92, 94, 100, 107, 154, 155,<br />
158, 160, 185, 187.<br />
Helmicus Zerbolt, zie Helmicus Amo<br />
ris.<br />
Hendrik Loder, prior, Frenswegen, 117.<br />
Hendrik Egher van Kalkar, auteur,<br />
141.<br />
Hendrik van Ahaus, rector, Fraterheren<br />
in Minister, 117.<br />
Hendrik van Berthout, 40.<br />
Hendrik van Perwez, 38, 40, 41, zie<br />
ook Perwez.<br />
Henricus, OSC, Bentlage, 193; —,<br />
OSC, Hohenbusch, 192 ; —, OSC,<br />
Hoorn, 192 ; —, OSC, Keulen, 71,<br />
132.<br />
Henricus Brunonis de Pyro, auteur,<br />
141.<br />
Henricus Quaet, OSC, Sint-Agatha,<br />
191.<br />
Henricus Suso, auteur, 144, 151.<br />
Henricus Tinctoris, OSC, Diilken,<br />
192.<br />
Henricus van Altendorf, zie Henricus<br />
van Hessen.<br />
Henricus van Benthem, OSC, Hoei,<br />
71.<br />
Henricus van Bocholt, OSC, Falkenhagen,<br />
120.<br />
Henricus van Coesfeld, auteur, 141,<br />
149.<br />
Henricus van de Bergh, OSC, Bentla<br />
ge, 111, 119.<br />
Henricus van Erp, auteur, 145, 149-<br />
Henricus van Hessen, van Altendorf,<br />
auteur, 141, 149.<br />
Henricus van Kemenade, auteur, 142.<br />
Henricus van Keulen, OSC, Maas<br />
tricht, 128.<br />
Henricus van Kleef, OSC, Marienfrede,<br />
192.
Henricus van Langestein, auteur,<br />
147, 149.<br />
Henricus van Nijmegen, OSC, priorgeneraal,<br />
61, 67, 72, 78, 79, 94, 188.<br />
Henricus van Oirschot, OSC, Hoei<br />
71.<br />
Henricus van Tiel, OSC, Bentlage,<br />
119.<br />
Henricus van Wardenburch, OSC,<br />
Watten, 192.<br />
Henricus van Wezel, OSC, Marienfrede,<br />
95, 100, 113.<br />
Hermann, aartsbisschop van Keulen<br />
121.<br />
Hermannus, OSC, Bentlage, 193 ; —,<br />
OSC, Scharmer, 192; —, OSC, Ter<br />
Apel, 192.<br />
Hermannus Piddel, OSC, Venlo, 92.<br />
Hermannus van Arnhem, auteur, 155.<br />
Hermans (C. R.), auteur, 23, 24, 27.<br />
Hermanus van Schildesche, auteur,<br />
145.<br />
Hertogenbosch ('s), zie 's-Hertogen-<br />
BOSCH.<br />
Herzebrock, Duitsland, Kreis Wiedenbriick,<br />
118.<br />
Heynricus Jansz. van Haemstede,<br />
OSC, Hoei, 155.<br />
Hieronymus, auteur, 135, 136, 137,<br />
138, 149.<br />
Hildegardis, auteur, 149.<br />
Hoei, Belgie, prov. Luik. Kruisbroeders,<br />
17, 18, 19, 21, 22, 23, 25, 29, 30,<br />
31, 32, 33, 35, 36, 37, 39, 40, 41,<br />
42-44, 47, 48, 50, 65, 68, 69, 70, 71,<br />
72, 75, 77, 78, 80, 81, 83, 85, 86-87,<br />
88, 90, 93, 94, 96, 97, 98, 102, 103-<br />
104, 108, 128, 130-152, 155, 162, 163,<br />
164, 183, 187, zie ook Clarus Locus,<br />
Baltazar, Ferricus van der Putte,<br />
Georgius van Brueggen, Gerardus<br />
VAN GOCH, GlSBERTUS, HELMICUS<br />
Amoris, Henricus van Benthem,<br />
Henricus van Nijmegen, Henricus<br />
van Oirschot, Heynricus Jansz.<br />
van Haemstede, Johannes, Johan<br />
nes d'Avins, Johannes van Merten,<br />
Johannes van Tongerloo,<br />
LlBERTUS JANSSEN VAN BOMMEL,<br />
Lucas van Mechelen, Neerius,<br />
NlCOLAAS DlEX LE CRESSE, NlCOlaas<br />
van Haarlem, Peregrinus<br />
van Kampen, Petrus Pincharius,<br />
Reinerus, Simon, Simon de Palude,<br />
Theodoricus van Hall, Theodorus<br />
van Celles, Thomas van Helmond.<br />
Hohenbusch, bij Doveren, Kruisbroe<br />
REGISTER<br />
199<br />
ders, 21, 70, 71, 72, 83-84, 95, 102,<br />
103-104, 115, 130-152, 191, 192,<br />
193, zie ook Anthonius, Cornelius,<br />
Georgius van Brueggen, Gerardus,<br />
Gerardus van Goch, Henricus,<br />
Johannes, Leonardus van Koe-<br />
MERTTEN, PETRUS, THEODORICUS, Pe-<br />
TRUS GERMANUS.<br />
Hohnscheid, Duitsland, Kreis der Twiste.<br />
Kruisbroeders, 116, 120.<br />
Holland, graafschap. Graaf, zie Willem<br />
VI.<br />
Honorius van Autun, auteur, 140.<br />
Hoorn, Nederland, prov. Noordholland.<br />
Kruisbroeders, 109-110, 115, 118, 127,<br />
129, 191, 192, zie ook Damasus,<br />
glsbertus van sneek, henricus,<br />
nlcolaas van haarlem, petrus<br />
Maich van Goes, Sosfredus, Simon.<br />
Hoexter, Duitsland, Kreis Hoxter, 116,<br />
120.<br />
Hubertinus van Casale, auteur, 145.<br />
Hugo van Fouilly, auteur, 145.<br />
Hugo van St. Cher, auteur, 143.<br />
Hugo van St. Victor, auteur, 142,<br />
149, 150.<br />
Humbertus van Romans, auteur, 143.<br />
Indonesia, republiek, 23.<br />
Innocentius IV, paus, 18, 45, 53.<br />
Innocentius VI, paus, 48, 50.<br />
Innocentius VII, paus, 38.<br />
Isidorus van Sevilla, auteur, 147, 150.<br />
Ivoix, zie Carignan.<br />
Jacobus, OSC, Asperen, 189 ; —, OSC,<br />
Doornik, 192 ; —, OSC, Ehrenstein,<br />
192 ; —, OSC, Venlo, 192.<br />
Jacobus Anden, OSC, Brandenburg,<br />
192.<br />
Jacobus Stoeff, OSC, Namen, 78, 79,<br />
96.<br />
Jacobus Wijltinge, pastoor, Garrelsweer,<br />
110.<br />
Jacobus van Gruitrode, auteur, 141.<br />
Jacobus van Lausanne, auteur, 144,<br />
149.<br />
Jacobus van Vitry, auteur, 145, 149.<br />
Jacobus van Voragine, auteur, 143,<br />
149.<br />
Jan Cele, rector, Zwolle, 75, 153.<br />
Jan de Goede, koning van Frankrijk,<br />
37.<br />
Jan Kuyl, OSC, Sint-Agatha, 90.<br />
Jan van Hattem, broeder van het Gemene<br />
leven, 159.<br />
Jan, hertog van Kleef, 114.
200 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Jan van Beieren, elect-bisschop van<br />
Luik, 25, 30, 35, 37-39, 162, 183.<br />
Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondie,<br />
35, 37, 38, 162.<br />
Jan van Chalon, prins van Oranje,<br />
31, 36, 37.<br />
Jean, heer van Lannoy, 122.<br />
Johannes XXII, paus, 20, 53.<br />
Johannes XXIII, paus van Pisa, 48,<br />
49, 88, 162.<br />
Johannes, OSC, Bentlage, 192; —,<br />
OSC, Beyenburg, 82 ; —, OSC, Carignan,<br />
192 ; —, OSC, Hoei, 71 ; —,<br />
OSC, Hohenbusch, 192 ; —, OSC,<br />
Keulen, 185, 188, 192, 193 ; —, OSC,<br />
Maastricht, 191 ; —, OSC, Osterberg,<br />
189 ; —, OSC, Parijs, 189 ; —, OSC,<br />
Roermond, 108 ; —, OSC, Varennessur-Allier,<br />
191.<br />
Johannes Amoris van Zutphen,<br />
Joannes Zerbolt, OSC, Luik, 67, 74,<br />
77, 78, 107.<br />
Johannes Brugman, auteur, 149.<br />
Johannes Buridan, van Bethune, au<br />
teur, 147.<br />
Johannes Busch, auteur, 153, 159.<br />
Johannes Bussche, OSC, Bentlage,<br />
119.<br />
Johannes Chrysostomos, auteur, 135,<br />
149.<br />
Johannes Climacus, auteur, 136, 149.<br />
Johannes Cornutti, OSC, Venlo, 92.<br />
Johannes de Mannaville, OSC, priorgeneraal,<br />
37.<br />
Johannes d'Avins, OSC, prior-generaal,<br />
24, 25, 30, 31, 35, 39-40, 42-44, 47,<br />
69, 73, 91, 162, 183.<br />
Johannes de Susato, OSC, Keulen,<br />
192.<br />
Johannes Gerson, auteur, 135, 147,<br />
149, 150, 151, 157, 161.<br />
Johannes Guallensis, auteur, 145.<br />
Johannes Herolt, auteur, 149.<br />
Johannes Herynck, OSC, Schwarzenbroich,<br />
115.<br />
Johannes Hoenreman, OSC, Doornik,<br />
80 ; —, OSC, Luik, 80.<br />
Johannes Hovetman, OSC, Sint-Agatha,<br />
113.<br />
Johannes Kok, OSC, Sint-Agatha, 76.<br />
Johannes Maryn, OSC, Caen, 67.<br />
Johannes Nider, auteur, 143.<br />
Johannes Petri, OSC, Scharmer, 192.<br />
Johannes Rengers van den Poste,<br />
111.<br />
Johannes Ruden, OSC, Keulen, 193.<br />
Johannes Ruusbroec, auteur, 146, 151.<br />
Johannes Scoll., OSC, Venlo, 189.<br />
Johannes Soccus, auteur, 141, 149.<br />
Johannes Terborch, OSC, Keulen,<br />
118.<br />
Johannes Utenhove, auteur, 144.<br />
Johannes van Baden, aartsbisschop<br />
van Trier, 115, 116.<br />
Johannes van Bechem, OSC, Oster<br />
berg, 118.<br />
Johannes van Bethune, zie Johannes<br />
Buridan.<br />
Johannes van Brunswijk, auteur,<br />
142.<br />
Johannes van Essen, OSC, Marienfrede,<br />
100.<br />
Johannes van Gavere, bisschop van<br />
Kamerijk, 79.<br />
Johannes Runen, OSC, Sint-Agatha,<br />
90.<br />
Johannes van Grave, OSC, Namen,<br />
61, 75, 76, 95.<br />
Johannes van Limoges, auteur, 149.<br />
Johannes van Mechelen, OSC, Na<br />
men, 192.<br />
Johannes van Merode, OSC, Venlo,<br />
24, 25, 30, 34, 43, 47, 81, 84, 86,<br />
91, 92, 106, 187-188.<br />
Johannes van Merten, OSC, priorgeneraal,<br />
25, 42, 48, 68, 73, 87, 160,<br />
162, 183.<br />
Johannes van Mettecoven, 121.<br />
Johannes van Moirschusen, OSC,<br />
Schwarzenbroich, 86.<br />
Johannes van Roermond, OSC, Asperen,<br />
40.<br />
Johannes van Schoonhoven, auteur,<br />
146, 149.<br />
Johannes van Sittard, OSC, Namen,<br />
76.<br />
Johannes van Susteren, OSC, Roer<br />
mond, 106.<br />
Johannes van Tongerloo, OSC, Hoei,<br />
96.<br />
Johannes van Zeeland, OSC, Keulen,<br />
155.<br />
Johannes Wert, OSC, Namen, 76,<br />
117.<br />
Johannes Zerbolt, zie Johannes Amoris.<br />
Jordanus van Saksen, auteur, 145,<br />
149.<br />
Kalkar, Duitsland, Kreis Kleve, 115.<br />
Kamerijk, Frankrijk, dep. Nord. Bisdom,<br />
48, 49, 79, 122, 162, 163 ; bis<br />
schop, zie Johannes van Gavere.<br />
Kapittel van Sion, kloosterorde, 65.<br />
Karel V, koning van Frankrijk, 101.
Karel VI, koning van Frankrijk, 98.<br />
Karthuizers, kloosterorde, 88, 133,<br />
140, 141, 142, 149, 153, 163.<br />
Kerniel, Belgie, prov. Limburg, zie<br />
KOLEN.<br />
Keulen, stad, Duitsland. Aartsbisschop,<br />
zie Hermann ; bisdom, 49 ; grootseminarie,<br />
130 ; Historisches Archiv,<br />
130 ; kanunniken, zie Petrus van<br />
Merode ; Kruisbroeders, 21, 24, 27,<br />
34, 48, 52, 73, 82, 84-85, 92, 94, 96,<br />
102, 103-104, 110, 114, 115, 116,<br />
118, 126, 130-152, 154, 158, 164,<br />
188, 192, 193, zie ook Arnoldus<br />
ktjlenborch, christianus,<br />
Daniel, Everardus, Godefridus,<br />
Heinrich van Huls, Helmicus<br />
Amoris, Henricus, Johannes, Jo<br />
hannes de Susato, Johannes Ruden,<br />
Johannes Terborch, Johan<br />
nes van Zeeland, Nicolaus, Nicolaas<br />
van Haarlem, Rodolphus<br />
van Greve, Theodoricus van Hall,<br />
WlLHELMUS.<br />
Kleef, hertogdom, 84 ; hertog, zie Jan.<br />
Kolen, bij Kerniel, Kruisbroeders, 78-<br />
79, 103, 121, 126, 127, zie ook Ed-<br />
MUNDUS VAN DlNTHER.<br />
Kruisbroeders, kloosterorde, passim, zie<br />
ook Martinus Lodowicus ; kloosters,<br />
zie Aken, Asperen, Beyenburg,<br />
Bentlage, Brandenburg, Bruggen,<br />
Buzancais, Caen, Carignan, Chauny,<br />
Colchester, Condren, Dinant,<br />
donnington, doornik, dulken,<br />
dijsseldorf, duisburg, ehrenstein,<br />
Emmerik, Falkenhagen, Franeker,<br />
Glindfeld, Goes, Helenenberg,<br />
h6hnscheid, hohenbusch, hoorn,<br />
Hoei, Keulen, Kolen, La Chantoire,<br />
Laines-aux-Bois, Lannoy,<br />
Leuven, Londen, Luik, Maaseik,<br />
Maastricht, Marienfrede, Namen,<br />
osterberg, parijs, pedernach,<br />
Roermond, Saint-Georges, Saint-<br />
Margaret, Saint-Thomas, Saint-<br />
Ursin, Salignac, Scharmer, Schie<br />
dam, SCHWARZENBROICH, SEILLES,<br />
Sint-Agatha, Sint-Ann aland, 's-<br />
Hertogenbosch, Sneek, Suxy, Ter<br />
Apel, Toulouse, Uden, Varennessur-Allier,<br />
Venlo, Virton, Watten,<br />
Wegberg, Welnetham, Whaplode,<br />
wlckrath, woudrichem.<br />
La Chantoire, bij Andrimont, Kruis<br />
broeders, 21.<br />
REGISTER 201<br />
Laines-aux-Bois, Frankrijk, dep. Aube.<br />
Kruisbroeders, 21, 97.<br />
Lambertus, OSC, Helenenberg, 192 ;<br />
—, OSC, Namen, 67, 76.<br />
Lambertus van Grave, OSC, Sint-<br />
Agatha, 111.<br />
Lannoy, Frankrijk, dep. Nord, zie<br />
Jean ; Kruisbroeders, 98, 122, 126,<br />
191, 192.<br />
Laurentius, OSC, Doornik, 192.<br />
Leo, paus, 131.<br />
Leonardus van Koemertten, OSC,<br />
Hohenbusch, 83.<br />
Leuven, Belgie, prov. Brabant. Kruis<br />
broeders, 121-122.<br />
LlBERTUS JANSSEN VAN BOMMEL, OSC,<br />
prior-generaal, 25, 30, 31-33, 42, 68,<br />
87, 89-90, 91, 160, 162, 183.<br />
LiGNiERES-LA-DoucELLE, Frankrijk, dep.<br />
Mayenne, zie Saint-Ursin.<br />
Lincoln, Engeland. Bisdom, 18.<br />
Lodewijk XII, koning van Frankrijk,<br />
122.<br />
Londen, stad, Engeland. Kruisbroeders,<br />
21, 90, 93, 100, 101, 108, 113, 119,<br />
191.<br />
Lubertus van Kleef, OSC, Marien<br />
frede, 192.<br />
Lucas van Mechelen, OSC, Hoei, 101.<br />
Ludolfus van Saksen, auteur, 135,<br />
141.<br />
Luik, Belgie, prov. Luik, 17, 30, 37, 38,<br />
40, 41, 42, 43 ; bisdom, 17, 18, 19,<br />
24, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 121, zie<br />
ook Eustache Persand, Jan van<br />
Beieren ; Groot-Seminarie, 130 ; ka<br />
nunniken, zie Arnoldus van Mero<br />
de, Egidius van Venalmont ; Kruis<br />
broeders, 21, 34, 48, 52, 61, 67, 69,<br />
70, 75, 77-79, 94, 95, 96, 100, 102,<br />
103-104, 127, 130-152, 163, 164, 192,<br />
zie ook Gerardus van Goch, Hen<br />
ricus VAN NlJMEGEN, JOHANNES<br />
Amoris, Johannes Hoenreman, Peregrinus<br />
van kampen, wllhelmus<br />
van Keulen, Wilhelmus van<br />
Zutphen ; Sint-Martinuskerk, 78 ;<br />
Universiteitsbibliotheek, 130.<br />
Lutgerus, OSC, Asperen, 189.<br />
Lutteke Harkstede, Nederland, prov.<br />
Groningen, 112, 125.<br />
Maaseik, Belgie, prov. Limburg. Kruis<br />
broeders, 26, 110, 118, 121-122.<br />
Maastricht, Nederland, prov. Limburg.<br />
Kruisbroeders, 61, 71, 72, 76, 79, 103,
202 STUDIEN OVER DE OBSERVANTIE<br />
108, zie ook Henricus van Keulen,<br />
Johannes.<br />
Maria van Bourgondie, 91.<br />
Maria van Colen, 121.<br />
Maria van Kleef, 122.<br />
Mariaweiler, Duitsland, Kreis Duren,<br />
125.<br />
Marienfrede, bij Dingden, Kruisbroe<br />
ders, 107, 113, 130-152, 192, zie ook<br />
Arnoldus, Henricus van Kleef,<br />
Henricus van Wezel, Johannes<br />
van Essen, Lubertus van Kleef.<br />
Margaretha van Sombref, 114.<br />
Margaretha van Wesemael, 34, 40.<br />
Marre (graaf van), 31, 36.<br />
Martinus V, paus, 63.<br />
Martinus, OSC, Helenenberg, 192.<br />
Martinus Lodowicus de Martianco,<br />
OSC, 192.<br />
Mayenne, departement, Frankrijk, 21.<br />
Maximiliaan, keizer, 91.<br />
Maximus, bisschop, 131.<br />
Meckel, Duitsland, Kreis Bitburg, 115,<br />
125.<br />
Medebach, Duitsland, Kreis Brilon,<br />
116, 121.<br />
Merode (de), familie, 34, 50, 85, zie<br />
ook Arnoldus, Johannes, Petrus,<br />
Richard I, Werner IV.<br />
Michael, OSC, Namen, 67, 191; —,<br />
OSC, Toulouse, 192.<br />
Michael Bundein, OSC, Doornik, 192.<br />
Michael Mulot, OSC, Parijs, 98.<br />
Michael van Testelt, OSC, Namen,<br />
76, 90, 128.<br />
Moderne Devoten, 25, 26, 69, 146,<br />
150, 153-161, 165.<br />
Munster, stad, Duitsland, 118 ; bis<br />
schop, zie Heinrich van Mors ;<br />
klooster: fraterheren, 119, zie ook<br />
Hendrik van Ahaus.<br />
Namen, graafschap. Graaf, zie Wil-<br />
LEM II.<br />
Namen, Belgie, prov. Namen. Kruisbroeders,<br />
18, 21, 72-76, 80, 86, 94,<br />
96, 102, 103-104, 130-152, 163, 164,<br />
192, zie ook Helmicus Amork, Jaco<br />
bus Stoeff, Johannes Amoris,<br />
Johannes d'Avins, Johannes Wert,<br />
Johannes van Grave, Johannes<br />
van Mechelen, Johannes van Sit-<br />
TARD, LAMBERTUS, MICHAEL, Mlchael<br />
van testelt, nlcolaas,<br />
Simon van Zeeland, Wilhelmus<br />
Trappart.<br />
Napoleon I, keizer, 23.<br />
Nederland, koninkrijk, 22, 26, 30, 43,<br />
49, 105, 106, 121, 123, 125, 129, 153 ;<br />
koning, zie Willem II.<br />
Neerius (Renerus Augustinus), OSC,<br />
prior-generaal, 22, 23.<br />
Nicolaas Diex le Cresse, OSC, priorgeneraal,<br />
81.<br />
Nicolaas Lentzen, OSC, Venlo, 106.<br />
Nicolaas Trivet, auteur, 144.<br />
Nicolaas van Alkmaar, auteur, 119.<br />
Nicolaas van Clairvaux, auteur, 149.<br />
Nicolaas van Haarlem, OSC, priorgeneraal,<br />
58, 84, 110, 150.<br />
Nicolaas van Lyra, auteur, 136, 144.<br />
Nicolaas van Roermond, OSC, Aspe-<br />
ren, 88.<br />
Nicolaus, OSC, Asperen, 188; —,<br />
OSC, Keulen, 132 ; —, OSC, Namen,<br />
191.<br />
Nijenwerve, Nederland, prov. Zeeland,<br />
110, 111, 118, zie ook Cornelis<br />
Gerbrandus.<br />
Nordhorn, Duitsland, Kreis Grafschaft<br />
Bentheim, zie Frenswegen.<br />
Normandie, hertogdom, 113.<br />
Noyon, Frankrijk, dep. Oise. Bisdom,<br />
122.<br />
Oetgenbach, hospitaal bij Ehrenstein,<br />
115, 125, 126.<br />
Oignies, Belgie, prov. Namen, 36.<br />
Oldenzaal, Nederland, prov. Overyssel,<br />
118.<br />
Oostenrijk, republiek, 23.<br />
Oranje, prinsdom. Prins, zie Jean van<br />
Chalon.<br />
Origenes, auteur, 136, 139.<br />
Osnabruck, Duitsland, Kreis Osnabriick,<br />
116, 117, 118.<br />
Osterberg, Duitsland, Kreis Osnabruck.<br />
Kruisbroeders, 76, 84, 103, 110, 113,<br />
116-118, 120, 154, 164, 189, 192, zie<br />
ook Albertus v. d. Hamme, Christianus,<br />
Johannes, Johannes van<br />
Bechem, Theodorus van Warbach,<br />
Walterus.<br />
Oswald de Cordis, auteur, 141.<br />
Othee, Belgie, prov. Luik. Slag bij<br />
Othee, 37-40, 43-44.<br />
Otto van Tecklenburg, 116.<br />
Otto van Waldeck, 120.<br />
Paderborn, Duitsland, Kreis Paderborn.<br />
Bisschop, zie Simon.<br />
Parijs, stad, Frankrijk. Kruisbroeders,<br />
21, 52, 61, 67, 72, 76, 78, 79, 87,<br />
93, 96, 97, 103, 164, 189, zie ook<br />
Johannes, Michael Mulot, Petrus<br />
PlCKART, STEPHANUS, WlLHELMUS.
Pedernach, Duitsland, Kreis St. Goar.<br />
Kruisbroeders, 84, 115-116, 125.<br />
Peer, Belgie, prov. Limburg. Zusters,<br />
127.<br />
Peregrinus van Kampen, OSC, priorgeneraal,<br />
79.<br />
Perwez, Belgie, prov. Brabant. Heer van<br />
—, 38-42, 88, zie ook Djederik van<br />
Horn, Diederik van Perwez.<br />
Peter von Kettwich, OSC, Beyenburg,<br />
81.<br />
Petrus, OSC, Chauny, 192 ; —, OSC,<br />
Hohenbusch, 192 ; —, OSC, 's-Hertogenbosch,<br />
192.<br />
Petrus d'Ailly, auteur, 147, 150, 157,<br />
161.<br />
Petrus Alfonsi, auteur, 149.<br />
Petrus Damianus, auteur, 140, 149.<br />
Petrus de Faberca, OSC, Doornik,<br />
192.<br />
Petrus Did, OSC, Sint-Agatha, 67, 90.<br />
Petrus Germanus, OSC, Hohenbusch,<br />
192.<br />
Petrus Lombardus, auteur, 150.<br />
Petrus Maich van Goes, OSC, Hoorn,<br />
192.<br />
Petrus Pickart, OSC, Parijs, 61.<br />
Petrus Pincharius, OSC, prior-gen eraal,<br />
40-42, 48, 101, 151, 160.<br />
Petrus van Blois, auteur, 147, 149.<br />
Petrus van Floreffe, auteur, 135.<br />
Petrus van Merode, kanunnik, Keulen,<br />
34, 35.<br />
Philip Nicolai de Hondt, Volgoia,<br />
122.<br />
Philips de Goede, hertog van Bourgondie,<br />
162.<br />
Philips de Schone, hertog van Bourgondie,<br />
91.<br />
Pisa, stad, Italie. Concilie, 38, 42, 48-<br />
50 ; paus, zie Johannes XXIII.<br />
Post (R. R.), auteur, 105.<br />
Praemonstratensers, kloosterorde, 18.<br />
Pyrmont, Duitsland, Kreis Hameln-<br />
Pyrmont, 116, 120.<br />
Rabanus Maurus, auteur, 150.<br />
Raeren, Belgie, prov. Luik, zie Bran<br />
denburg.<br />
Ravenstein, Nederland, prov. Noordbrabant,<br />
23.<br />
Raymundus van Pennafort, auteur,<br />
143.<br />
Reguliere Kanunniken, 19, 20, 26,<br />
27, 28, 29, 50, 124, 153, 159, 161,<br />
164.<br />
Reinerus, OSC, Hoei, 71, 187.<br />
REGISTER 203<br />
Reinoud IV, hertog van Gelre en Gulik,<br />
89.<br />
Rengers, familie, zie Agnes en Johan<br />
nes.<br />
Reypens (L.), auteur, 128.<br />
Rheine, Duitsland, Kreis Steinfurt, 116.<br />
Richard I van Merode, 34.<br />
Richard van St. Victor, auteur, 135,<br />
142, 149, 150.<br />
Rijnland, streek, Duitsland, 22, 23, 24,<br />
25, 26, 86, 92, 94, 103, 105, 112,<br />
116, 121, 123, 129, 153, 156, 164.<br />
Rijsel, Frankrijk, dep. Nord, 43.<br />
Ringenberg, Duitsland, Kreis Rees, 113.<br />
ROBERTUS VAN TOMB ELAINE, auteur,<br />
135.<br />
Rochefoucauld (de la), kardinaal,<br />
22.<br />
Rodolphus van Grave, OSC, Keulen,<br />
134.<br />
Roermond, Nederland, prov. Limburg.<br />
Broederschap van Sint Cornells, 106 ;<br />
Kruisbroeders, 26, 92, 95, 102, 103,<br />
106-107, 113, 126, 127, 188, zie ook<br />
Johannes, Johannes van Merode,<br />
Johannes van Susteren.<br />
Rooyen (H. van), auteur, 17.<br />
Rudolf Dier van Muiden, broeder<br />
van het Gemene leven, 158.<br />
Russelius (Henricus), OSC, Suxy, 17,<br />
22, 23, 24, 25, 26, 27, 30, 31-34, 36,<br />
43, 47, 72, 74, 79, 84, 89-90, 94, 100,<br />
101, 160, 165.<br />
Saint-Georges, bij Tremeur, Kruisbroe<br />
ders, 21, 26, 49, 93, 95, 124.<br />
Saint-Ursin, bij Ligni&res-la-Doucelle,<br />
Kruisbroeders, 21, 26, 49, 93, 95,<br />
124.<br />
Saint-Margaret, Kruisbroeders te Bergham,<br />
101.<br />
Saint-Thomas, Kruisbroeders te Welnetham,<br />
101.<br />
Salignac, Frankrijk, dep. Dordogne.<br />
Kruisbroeders, 21, 79, 96, 192, zie<br />
ook Gerhardus.<br />
Scharmer, Nederland, prov. Groningen.<br />
Kruisbroeders, 111, 125, 129, 192, zie<br />
ook Egbertus Renis, Hermannus,<br />
Johannes Petri, Theodoricus, Tyl-<br />
MANNUS DUREN, WlLHELMUS, UlLI-<br />
TUS.<br />
Schiedam, Nederland, prov. Zuidholland.<br />
Kruisbroeders, 79, 87, 107, 108-<br />
109, 126, 192, zie ook Balduinus,<br />
WlLHELMUS.<br />
Schoengen (M.), auteur, 153, 156.
204 STUDIfiN OVER DE OBSERVANTIE<br />
Schoonhoven, Nederland, prov. Zuidholland.<br />
Augustijnerkoorheren, 113.<br />
Schwarzenbroich, bij D'Horn, Kruis<br />
broeders, 21, 34, 61, 67, 71, 80, 85-86,<br />
90, 92, 102, 124, 125, 131, 188, 192,<br />
193, zie ook Conradus Atfeder,<br />
Edmundus van Dinther, Gerhardus,<br />
Johannes Herynck, Johannes<br />
Kok, Johannes van Moirschusen.<br />
Seilles, Seyl, Belgie, prov. Luik.<br />
Kruisbroeders, 17, 18, zie ook Clarus<br />
Locus, Theodorus van Celles.<br />
Seyl, zie Seilles.<br />
's-Hertogenbosch, Nederland, prov.<br />
Noordbrabant. Kruisbroeders, 23, 110-<br />
111, 192, zie ook Petrus.<br />
Sigismund, keizer, 42, 43.<br />
Simon, bisschop van Paderborn, 120.<br />
Sint-Agatha, bij Cuyk, Kruisbroeders,<br />
21, 23, 24, 27, 40, 61, 69, 70, 76,<br />
85, 86-87, 88, 89-91, 100, 102, 103,<br />
113, 121, 126, 127, 163, 164, 191,<br />
193, zie ook Edmundus van Din<br />
ther, Gerardus van Goch, Henricus<br />
Quaet, Johannes Hovetman,<br />
Johannes Runen, Lambertus van<br />
Grave, Libertus Janssen v. Bommel,<br />
Petrus Did, Wesselius, Wij-<br />
MELENBERG (H. V. d.).<br />
Simon, OSC, Hoei, 67 ; —, OSC, Ter<br />
Apel, 192.<br />
Simon de Palude, OSC, Hoei, 71.<br />
Simon van Zeeland, OSC, Namen,<br />
76.<br />
Sint Annaland, Nederland, prov. Zeeland.<br />
Kruisbroeders, 111.<br />
Smaragdus, auteur, 140.<br />
Sneek, Nederland, prov. Friesland.<br />
Kruisbroeders, 96, 110-111, 118-119,<br />
129, 191, 192, zie ook Bernardus<br />
DULMAN, WlLHELMUS GREVESANT.<br />
Sosfredus, OSC, Hoorn, 191.<br />
Stephanus, OSC, Parijs, 189.<br />
Stiennon (J.), auteur, 157.<br />
Stouwe Minne, Zerbolt, 74.<br />
Suxy, Belgie, prov. Luxemburg. Kruis<br />
broeders, 21, 23, 71, 72, 81, 93, 96,<br />
102, 124, 163, zie ook Russelius.<br />
Syardus Watkens, priester, 111.<br />
Ter Apel, Nederland, prov. Groningen.<br />
Kruisbroeders, 110-111, 119, 125,<br />
192, zie ook Henricus van de<br />
Bergh, Hermannus, Simon.<br />
Tertianen van St. Franciscus, kloosterorde,<br />
109, 110, 116, 118.<br />
Theobaldus, heilige, 17.<br />
Theodoricus, OSC, Hohenbusch, 192 ;<br />
—, OSC, Scharmer, 192.<br />
Theodoricus van Hall, OSC, priorgen<br />
eraal, 84, 119.<br />
Theodoricus van Warburg, OSC,<br />
Osterberg, 110, 118.<br />
Theodorus Bollinck, auteur, 142,<br />
149.<br />
Theodorus van Celles, OSC, Seilles<br />
en Hoei, 17, 165.<br />
Tholen, eiland, Nederland, prov. Zeeland,<br />
111.<br />
Thomas van Aquino, auteur, 142, 143,<br />
144, 150.<br />
Thomas van Cantimpre, auteur, 143.<br />
Thomas van Helmond, OSC, Hoei, 71.<br />
Thomas van Kempen, auteur, 74, 146,<br />
153.<br />
Toulouse, Frankrijk, dep. Haute-Garonne.<br />
Kruisbroeders, 21, 61, 72, 79, 80,<br />
93, 96, 113, 192, zie ook Arnoldus,<br />
Michael, Wilhelmus.<br />
Tremeur, Frankrijk, dep. C6tes-du-<br />
Nord, zie Saint-Georges.<br />
Trier, stad, Duitsland. Aartsbisschop,<br />
zie Johannes van Baden ; bisdom,<br />
49, 115, 125.<br />
Tylmannus Duren, OSC, Scharmer,<br />
192.<br />
Uden, Nederland, prov. Noordbrabant.<br />
Kruisbroeders, 23.<br />
Ullitus, OSC, Scharmer, 192.<br />
Urbanus VI, paus, 41.<br />
Utrecht, Nederland, prov. Utrecht. Bis<br />
dom, 41, 49, 118, zie ook David van<br />
Bourgondie.<br />
Varennes-sur-Allier, Frankrkijk, dep.<br />
Allier. Kruisbroeders, 21, 50, 72, 80,<br />
93, 96, 191, zie ook Johannes.<br />
Venlo, Nederland, prov. Limburg.<br />
Kruisbroeders, 21, 26, 30, 48, 69, 85,<br />
86, 89, 91-93, 102, 103-104, 106,<br />
107, 163, 164, 191, 192, zie ook<br />
Andreas, Hermannus Piddel, Jaco<br />
bus, Johannes Cornutti, Johannes<br />
Scoll., Johannes van Merode,<br />
NlCOLAAS LENTZEN, WlLHELMUS<br />
Wyck.<br />
Verenigde Staten van Amerika, republiek,<br />
23.<br />
Venray, Nederland, prov. Limburg. Kanunnikessen,<br />
127.<br />
Verger, Frankrijk, dep. Maine-et-Loire,<br />
122, 191.<br />
Verviers, Belgie, prov. Luik, 21.
Victorijnen, kloosterorde, 133, 140,<br />
142, 150.<br />
Vincentius van Beauvais, auteur, 144.<br />
Vincentius Ferrerius, auteur, 143.<br />
Vinken (M.), auteur, 27.<br />
VlNZENZ VAN MoRS EN SAARBRUCKEN,<br />
114.<br />
Virton, Belgie, prov. Luxemburg.<br />
Kruisbroeders, 21, 81, 93, 96, 102,<br />
124, 163.<br />
Volgoia, zie Philip Nicolai.<br />
Walhorn, Belgie, prov. Luik, 114.<br />
Walram van Waldeck, 120.<br />
Walterus, OSC, Osterberg, 192.<br />
Walterus van Nijmegen, OSC, Hoei<br />
137.<br />
Watten, Frankrijk, noord-westen. Kruis<br />
broeders, 21, 70, 93, 97, 192, zie ook<br />
Gerardus van Goch, Goswinus<br />
van Nijmegen, Henricus van War-<br />
denburch.<br />
Wegberg, Duitsland, Kreis Erkelenz.<br />
Kruisbroeders, 23.<br />
Weiss (H. U.), auteur, 119.<br />
Welnetham, Engeland, zie Saint-<br />
Thomas.<br />
Welschbillig, Duitsland, Kreis Trier,<br />
zie Helenenberg.<br />
Wenceslaus, keizer, 41.<br />
Werner IV van Merode, 34.<br />
Wesselius, OSC, Sint-Agatha, 193.<br />
Westerblokker, Nederland, prov.<br />
Noordholland. Zusters, 127.<br />
Westfalen, streek, Duitsland, 22, 26,<br />
86, 103, 110, 111, 116, 117, 123, 156,<br />
164.<br />
Whaplode, Engeland. Kruisbroeders<br />
18, 21.<br />
Wickrath, Duitsland, Kreis Erkelenz.<br />
Kruisbroeders, 92, 110, 115, 126, 191<br />
193.<br />
REGISTER 205<br />
Wijmelenberg (Henricus van den),<br />
OSC, magister-generaal, 23.<br />
Wilhelmus, OSC, Asperen, 191 ; —,<br />
OSC, Carignan, 93, 105 ; —, OSC,<br />
Keulen, 132 ; —, OSC, Parijs, 94 ;<br />
—, OSC, Scharmer, 192 ; —, OSC,<br />
Schiedam, 192 ; —, OSC, Toulouse<br />
192.<br />
Wilhelmus Grevesant, OSC, Sneek,<br />
191.<br />
Wilhelmus Trappart, OSC, Namen,<br />
76, 111.<br />
Wilhelmus van Keulen, OSC, Luik,<br />
192.<br />
Wilhelmus van Schiedam, OSC, Aken,<br />
86.<br />
Wilhelmus van Zutphen, OSC, Luik,<br />
78, 84, 100, 118.<br />
Wilhelmus Wyck, OSC, Venlo, 67.<br />
Willem II, graaf van Namen, 31, 37.<br />
Willem II, koning van Nederland, 23.<br />
Willem VI, graaf van Holland, 31, 36-<br />
38.<br />
Willem VI, heer van Altena, 40.<br />
Willem van Doernen, 89.<br />
Willem van St. Thierry, auteur, 140<br />
149.<br />
Windesheim, Nederland, prov. Overyssel.<br />
Congregatie van —, 50, 65, 69,<br />
117, 153, 159, zie ook Frenswegen.<br />
Woudrichem, Nederland, prov. Noordbrabant.<br />
Kruisbroeders, 111, 191, 192,<br />
zie ook Cornelius.<br />
Zerbolt, familie, zie Gerard Zerbolt,<br />
Helmicus Amoris, Johannes Amoris,<br />
Stouwe Minne.<br />
Zutphen, Nederland, prov. Gelderland,<br />
74, 118.<br />
Zwolle, Nederland, prov. Overijssel,<br />
74, 153, 154; school, zie ook Jan<br />
Cele.
ADRES ><br />
Dr. P. VAN OHN BOSCH<br />
<strong>CLAIRLIEU</strong><br />
Dr. A'. A. RAM RAMAEKERS, O.S.C.<br />
15<br />
II. :<br />
let run ■. ■ \ ■ ■<br />
Pel in<br />
GESCHIEDKUNDIGE KRING<br />
<strong>CLAIRLIEU</strong><br />
[gie :<br />
postrekening 122$<br />
:in! :<br />
■