CLAIRLIEU - Canons Regular Blog
CLAIRLIEU - Canons Regular Blog
CLAIRLIEU - Canons Regular Blog
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
<strong>CLAIRLIEU</strong><br />
I ijl >S( ! IRIP ! GEWJj.1 i AAN DE<br />
ES( .! [I El )ENIS ! >H< KRU1SHERJ-N<br />
INHOUI)<br />
: ' IB ! 'uli.wring van d< IIUI<br />
van i • ■ H:. Krujs (] p<br />
A. lHX:i UN<br />
1 cs C idisicrs en ricaixlk/ : Ic.s Pfi Iren et de C'li.mnv . p.<br />
DR. G.Q. REIJN1<br />
ige opmcrkn n ; urgirKj de Kruisbroedfis )'-<br />
■■. JAN SSL N & DR. A. RAMAEKERS (h<br />
Ki'uishecr dr. I leiiiicus van Liesiiom 11889-1948)<br />
II. Vv. JECODTKA<br />
Grabstatten in der Ki ,s kind. .<br />
KRONIHK<br />
56ste<br />
ft G A<br />
! 9 ') N<br />
<strong>CLAIRLIEU</strong> - MAAS.<br />
p. I 1 t<br />
p. 135
<strong>CLAIRLIEU</strong><br />
TIJDSCHRIFT GEWIJD AAN DE<br />
GESCHIEDENIS DER KRUISHEREN<br />
56ste<br />
JAARGAN G<br />
19 9 8<br />
<strong>CLAIRLIEU</strong> — MAASEIK
DE ROMEINSE BEVOOGDING EN DE<br />
ACTUALISERING VAN DE CONSTITUTIES VAN<br />
DE ORDE VAN HET H.KRUIS, 1902 - 1925<br />
De herstructurering van de oude orden in de negentiende eeuw<br />
kon slechts gebeuren dankzij de tussenkomst van de Romeinse<br />
instanties, die er de gewoonte aan overhielden om naar eigen<br />
goeddunken tussenbeide te komen. Vaak schreven zij voor wat het<br />
generaal kapittel van een orde mocht verwezenlijken en wat het<br />
niet mocht doen. Dat werd zozeer de gewoonte, dat in de twintigste<br />
eeuw de hervorming van het kerkelijk recht, ook wat het<br />
recht van de religieuzen betreft, gewoon van bovenaf werd opgelegd.<br />
Eerst nadat de nieuwe codex juris reeds was afgekondigd,<br />
werd aan de orden en congregaties gevraagd, om hun regels en<br />
constituties te herzien. Dit betekende alleen maar, dat zij ze moes-<br />
ten aanpassen aan de nieuwe normen, die alle vroegere of afwijkende<br />
privileges hadden opgeruimd. Aldus geschiedde tussen<br />
1920 en 1930. De meeste kapittels aanvaardden voor de vorm<br />
alles wat hun van hogerhand werd beduid.<br />
R. Hostie constateerde dat, gezien dergelijk klimaat, de generale<br />
kapittels zo goed als geen gebruik maakten van hun opperste<br />
wetgevende macht om te zorgen dat hun regel werd aangepast aan<br />
de interne veranderingen sedert de negentiende eeuw. Zij schikten<br />
zich naar de richtlijnen uit Rome en kweten zich van andere taken.<br />
Zij kozen oversten, richtten provincies op, begonnen nieuwe mis<br />
sies en bevorderden allerlei werkzaamheden. Zij vaardigden zelfs<br />
maatregelen uit om de trouw aan de regel te waarborgen en herhaalden<br />
telkens weer dat men de regel moest onderhouden, volhardend<br />
en trouw.
4 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
De generale oversten volgden dezelfde gedragslijn. Voor een<br />
groot deel van hun tijd werden zij in beslag genomen door de verspreide<br />
en steeds groeiende menigte onderdanen, activiteiten en<br />
werkterreinen. In hun brieven en tijdens hun bezoeken brachten<br />
zij telkens in herinnering, dat de regel onverkort moest worden<br />
onderhouden volgens de gesanctionneerde modaliteiten en<br />
gebruiken. Kortweg, de organisatorische structuren die in de<br />
negentiende eeuw waren opgezet om vernieuwing en aanpassing te<br />
bevorderen, gingen hoe langer hoe meer dienen om deze tegen te<br />
houden1.<br />
Tegelijk met de aanpassing van de regel en de constituties aan<br />
de nieuwe codex juris, vroeg Rome ook een sterkere beklemtoning<br />
van de specificiteit van iedere orde en congregatie. Haast iedereen<br />
was immers bezig met dezelfde of soortgelijke projecten en toch<br />
moesten er verschilpunten worden aangetroffen. Dat kon alleen<br />
gebeuren door de eigen spiritualiteit sterk in de verf te zetten. De<br />
opnieuw verankerde spiritualiteit greep terug naar de regel, de<br />
constituties en de geschiedenis van het eigen instituut, maar...<br />
bleef steeds ondergeschikt aan het juridische aspect van het kloos-<br />
terleven.<br />
Het samengaan van kerkelijk recht, regel en constituties werd<br />
door E. Bergh s.j. als volgt verwoord: "Daar de kloosterlingen zijn<br />
samengesteld uit ziel en lichaam en zij bij definitie in gemeenschap<br />
leven voor een bijzondere dienst aan het mystiek lichaam van<br />
Christus, is het onvermijdelijk dat zij voorwerp zijn van een eigen<br />
wetgeving Het is zelfi nodig te zeggen de zij, meer dan de andere gelovigen,<br />
nood hebben aan waarborgen van een particuliere juridische<br />
orde, om gericht en voortgestuwd te worden op een moeilijke weg De<br />
gehoorzaamheid aan de kerkelijke wet is ook voor hen een manier om<br />
hun effectieve liefde voor Christus te betonen. Hem immers zoeken en<br />
vinden zij in degehele wetgeving van de Kerk, die door Hem als meesteres<br />
tot heiligheid werd ingesteld" Het bestaan van een recht voor<br />
religieuzen als een speciale afdeling van het kerkelijk recht vond,<br />
1 R. HOSTIE Leven en dood van de religieuzx instituten. 1972, p.265
DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
steeds volgens Bergh, zijn rechtvaardiging in de natuur van het<br />
object, met name het voorbeeld van de heiligen en de betreurenswaardige,<br />
periodieke toestanden van decadentie in de regeltucht2.<br />
Volgens het nieuwe kerkelijk recht was de paus de hoogste overste<br />
van alle religieuzen. Hij zou een beroep mogen doen op de<br />
gelofte van gehoorzaamheid om een persoonlijk bevel te geven aan<br />
om het even welke kloosterling. Via de Congregatie van de religi<br />
euzen bereikte de paus de individuen en de instituten. De kruisheren<br />
waren een exempte orde. Daarom waren zij slechts aan de<br />
plaatselijk ordinarius onderworpen in de gevallen die door het<br />
recht uitdrukkelijk werden bepaald. Zo bijvoorbeeld kon er zonder<br />
toestemming van de bisschop geen nieuw exempt huis in zijn<br />
diocees worden opgericht. Zo ook waren de exempte kloosterlingen<br />
voor hun apostolische bediening bij de gelovigen onderwor<br />
pen aan de plaatselijke ordinarius, die hen jurisdictie tot biecht<br />
horen en de macht tot preken verleende. Alle wettig verkozen<br />
oversten bezaten de dominatieve macht. Zij bestuurden de indivi<br />
duen en de kloostergemeenschappen.<br />
De Kerk onderscheidde voortaan verschillende stadia in de vorming<br />
van de kloosterlingen. Een postulaat van ten minste zes<br />
maanden werd opgelegd aan de lekenbroeders. Het noviciaat was<br />
pas geldig, wanneer het na het vijftiende levensjaar werd begonnen<br />
en minstens een vol en ononderbroken jaar duurde in een huis,<br />
dat daarvoor werd ingericht. Omdat het noviciaat een tijd was van<br />
geestelijke vorming sloot het de uiterlijke bezigheden en de profa<br />
ne studies uit. De novicen moesten leven onder de doorlopende<br />
leiding van een bevoegd magister. De professie, de aflegging van<br />
de publieke geloften, was belangrijk omdat zij de religieuzen tot<br />
een eigen klasse van personen in de Kerk deed behoren. De ondervinding<br />
had geleerd dat definitieve verbintenissen niet vroegtijdig<br />
moesten worden aangegaan. Daarom legde het recht de tijdelijke<br />
geloften op gedurende een periode van ten minste drie jaar vooraleer<br />
de eeuwige geloften geldig konden worden afgelegd. Een reli-<br />
2 E. BERGH, Kerkelijk Recht en Kloosterleven. in: Dc Religieuzen in Gods Kerk. 1964,<br />
pp.258 - 259
6 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
gieus met plechtige geloften, die zich onttrok aan het gezag van<br />
zijn oversten, werd juridisch als een afvallige beschouwd, waardoor<br />
hij zich de excommunicatie op de hals dreigde te halen.<br />
In principe mochten de constituties van de kruisheren niet<br />
indruisen tegen de algemene bepalingen van het kerkelijk recht.<br />
Toch kon de H.Stoel bij wijze van voorrecht een beschikking<br />
goedkeuren die inging tegen het nieuwe kerkelijk recht. Het algemeen<br />
kerkelijk recht liet ook de vrijheid in een aantal belangrijke<br />
kwesties, waarop de constituties een speciale betekenis kregen. We<br />
denken bijvoorbeeld aan de duur van het ambt van de hogere<br />
oversten en aan de financiele bevoegdheden van de verschillende<br />
religieuze personen.<br />
Uit allerlei gesprekken in de jaren zestig in de Nederlandse<br />
Provincie van de Orde van het H.Kruis bleek, dat voor vele kruis<br />
heren de constituties met hun monastieke inslag onaangepast<br />
waren aan het werkelijke leven van actief apostolaat. Nochtans had<br />
Hollmann in 1925 een ernstige inspanning geleverd met het oog<br />
op de haalbaarheid van de vita mixta. Een andere kwestie, waarover<br />
geen eensgezindheid bestond, hield nauw verband met de<br />
keuze van het intreden: waarom trad men in bij de kruisheren,<br />
koos men voor een bepaalde groep van mensen, die bereid waren<br />
samen een christelijk leven te leiden in de modus vivendi van de<br />
maagdelijkheid, of koos men voor een instituut dat een objectieve<br />
meerwaarde in zich droeg welke men zich alleen eigen kon maken<br />
volgens de vaste wetten van inpassen en aanpassen? Een derde<br />
vraag richtte zich naar de betrokkenheid van de religieuzen op de<br />
wereld: was de orde in haar activiteiten (gebed, apostolaat) voldoende<br />
dienstbaar aan kerk en wereld en stelde zij haar gemeenschappelijk<br />
bezit juist en voldoende ter beschikking van de eigen<br />
leden en van de overige medemensen? Een vierde vraag richtte<br />
zich naar de persoonlijke motieven bij het kiezen voor het kloosterleven:<br />
was er een uitgesproken verlangen naar persoonlijke heiligheid,<br />
werden geloften afgelegd om zich radicaal aan God te<br />
geven en zich geheel in zijn dienst in te zetten? Of speelden er<br />
andere motieven, bijvoorbeeld het verlangen ergens thuis te zijn,
DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
deel uit te maken van een gemeenschap? Op al deze vragen zocht<br />
men vanaf de jaren zestig een ander antwoord dan de vorige generatie,<br />
die van magister-generaal Hollmann had gegeven. Want ook<br />
zijn generatie had geprobeerd de constituties een meer eigentijds<br />
gelaat te geven om op die manier voor meer zuurstof te zorgen en<br />
de toekomst van de orde veilig te stellen3.<br />
De vernieuwde belangstelling voor de constituties onder<br />
Hollmann was niet alleen noodzakelijk in het licht van het nieuwe<br />
kerkelijk recht, maar ook omdat de orde vanaf 1910 weer participeerde<br />
in de overzeese missionering. Volgens J.W. Rausch had<br />
de eerste generatie missionarissen in Minnesota moeite met de<br />
invulling van het begrip reguliere kanunnik. Heel wat missiona<br />
rissen waren zeer goede parochiepriesters, maar schoten tekort in<br />
de opbouw van het kloosterleven. Anders gezegd: aanvankelijk<br />
lukte de vita mixta niet goed in Minnesota4.<br />
Niet alleen in Amerika, maar ook in Europa waren er kruisheren,<br />
die de precieze draagwijdte van de constituties uit het oog<br />
hadden verloren. L. van Hout verwoordde in 1905, wat bij vele<br />
confraters clerici leefde, namelijk dat zij eerst priester waren en<br />
daarna pas religieus5. De prior van Hannut, M. Konings, schreef<br />
op 27 januari 1905 aan de magister-generaal: "(...) reeds zoolangin<br />
het klooster en nog niet vooruitgegaan. (...)" 6. Anderen, Gerbrandus<br />
Schuurmans bijvoorbeeld, verdiepten zich daarentegen in de Regel<br />
van Sint-Augustinus7.<br />
Later, toen hij Kongo-missionaris was, suggereerde M. Konings<br />
zelfs dat het onderscheid tussen orde en congregatie voor de kruis-<br />
3 L.G.A. VAN NOORT, Opkomst en neergang van de Nederlandse provincie van de<br />
Kruisheren. Twintigjaar op zoek naar religieuze identiteit (1957 - 1977). Provincialaat<br />
Kruisheren Nijmegen, 1992, pp.56 - 59 en 67<br />
4 J.W. RAUSCH, The Crosier Story. A History ofthe Crosier Fathers in the United States.<br />
Onamia, Minnesota, 1960, pp.125 - 127<br />
5 Arch.Generalaat, 0014.1.44 - 45<br />
6 Arch.Generalaat, 0016.1.97<br />
7 In het kloosterarchief van Diest worden een bundel conferenties op de regel<br />
bewaard. Het handschrift, waarin ze werden opeetekend, is dat van G. Schuurmans<br />
Arch.Diest, 06.7.5
8 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
heren eigenlijk niet belangrijk was 8. Voor Rome en voor het<br />
definitorium was dat nochtans wel het geval. Het maakte immers<br />
een wezenlijk verschil uit of de kruisheren tot een orde behoorden,<br />
die wel of niet exempt was, of tot een congregatie van pauselijk of<br />
bisschoppelijk recht. Daarom handhaafde Hollmann in de nieuwe<br />
constituties van 1925 in de titel de aanduiding "Broeders van de<br />
Orde van het H.Kruis", waarmee gesteld werd dat het religieuze<br />
element in de vita mixta het eerste doel was van de orde (eredienst,<br />
koorofficie, persoonlijk gebed), waaraan echter het apostolaat buiten<br />
het klooster onmiddellijk werd gekoppeld (parochiele zorg,<br />
onderwijs).<br />
Magister-generaal Manders had een tweesporenbeleid ontwikkeld<br />
met betrekking tot de plaatselijke religieuze gemeenschappen. Onder<br />
zijn opvolger, Henricus Hollmann zorgde dit voor extra kopbrekens.<br />
Het contemplatieve aspect in de vita mixta in de conventen van Sint-<br />
Agatha en Diestsprak een aantal kruisheren dermate aan, datzij van<br />
geen overplaatsing naar Uden, Maaseik, Hannut ofde overzeese missie<br />
wilden weten. Anderzijds hadden de kruisheren van Maaseik en<br />
van Uden, die hun leven inrichtten infunctie van de actieve dimensie<br />
van het religieus apostolaat, en ook de conjraters van de nieuwe<br />
stichtingen onder Hollmann, het niet gemakkelijk bij de opbouw van<br />
de vita communis. Velen wisten van geen hout pijlen te maken wanneer<br />
zij de constituties van de orde wilden laten samenvallen met hun<br />
werk binnen en buiten het klooster. Hollmann besefte dan ook, dat de<br />
orde behoefte had aan meer eigentijdse constituties. Omdat de orde<br />
een groot deel van haar autonomie verloren had, moest in deze materie<br />
rekening worden gehouden met de wensen van de Romeinse instanties,<br />
met de traditie van de orde en met het engagement van de kruis-<br />
heren in dienst van de Kerk.<br />
8 Arch. Generalaat, 0026.1.36
DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
1. De Romeinse bevoogding van de Orde van het H.Kruis onder<br />
het generalaat van Henricus Hollmann, 1899 - 1927<br />
Tijdens het generalaat van Henricus Hollmann verdubbelde de<br />
orde in aantal leden. Tevens werden nieuwe kloosters gesticht. De<br />
kruisheren hadden nu ook een convent in Hannut (1904), Rome<br />
(1920), Rotterdam (1922) en Zoeterwoude (1925). Vanaf 1910<br />
startten zij opnieuw met de missionering in de Verenigde Staten<br />
en in 1920 openden zij missieposten in Belgisch-Kongo. Tenslotte<br />
slaagde Hollmann er kort voor zijn dood in toelating te bekomen<br />
om te missioneren op Java.<br />
Gelijkopgaand met deze uitbreiding groeide het besef dat de<br />
oude structuur van de orde moest aangepast worden. De tijdsgeest<br />
speelde de kruisheren in de kaart. De grote orden gingen allemaal<br />
immers op het einde van de vorige eeuw over tot centralisatie en<br />
tot het openen van een huis in Rome. Een kardinaal speelde voortaan<br />
beschermheer bij de H.Stoel, zodat de banden met de paus<br />
nauwer werden aangehaald.<br />
Op het definitoriaal kapittel van 14 en 15 april 1912 werd<br />
besloten een verzoekschrift tot de kardinaal-staatssecretaris Merry<br />
del Val te richten, om van paus Pius X een beschermheer van de<br />
orde te verkrijgen. Dit verzoek werd niet beantwoord. Het defini<br />
toriaal kapittel van 30 en 31 maart 1913 besloot het verzoek te<br />
hernieuwen 9. Magister-generaal Hollmann had echter de bijeenkomst<br />
van dit kapittel niet afgewacht. Op het einde van 1912<br />
schreef hij een vertrouwelijke brief naarj. Drehmans, de secretaris<br />
van de in 1911 tot kardinaal verheven redemptorist Wilhelmus<br />
Marinus van Rossum. Op 2 januari 1913 dankte Drehmans voor<br />
deze brief en verstrekte enkele inlichtingen. Hollmann hoefde er<br />
zich niet ongerust over te maken, dat de orde veel plichten zou<br />
hebben tegenover haar toekomstige protector. Dat zij een<br />
beschermheer had, zou de orde vooral voordelen opleveren. "(...)<br />
9 Arch. Generalaat, 006.1., z.p.
10 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
Daarom zal het goed zijn U in alle moeielijkheden hetzij inwendige<br />
hetzij uitwendige met den H.Stoel, de Bisschoppen ofanderen tot zijn<br />
Eminentie te wenden om zijn raad en steun te verkrijgen. Verder is het<br />
de protector, die de petities aan den H.Stoel stuurt en indient. De<br />
Protector moet vooral den band tusschen de Orde en Rome nauwer<br />
aanhalen en daarom moet er een innig verkeer bestaan tusschen het<br />
bestuur der Orde en den Protector. In ein woord het is de taak van<br />
den Protector de Orde te help en en totgrooteren bloei te brengen en de<br />
zaak der Orde hem daarin te helpen en te steunen (...)" 10.<br />
In datzelfde jaar bracht van Rossum zijn eerste bezoek als kardinaal<br />
aan Nederland. In de huiskroniek van Uden tekende<br />
Linnebank op: "21 Juli (1913) Prior van Mil is met Hoogw. Heer<br />
naar den Bosch gegaan op audientie bij Z.Em. Kardinaal v.Rossum.<br />
In particuliere audientie. De Em. was zeer vermoeid; hij had anderhalfuur<br />
de H.Kommunie moeten uitreiken. Zeer minzaam onderhield<br />
hij zich met Hoogw. Heer, die verscheiden zaken vroeg voor de<br />
Orde. Z.Em, zeide dat Hoogw. Heer hem maar schrijven moest in<br />
Rome. 23 Juli - woensdag. Kardinaal v. Rossum komt door Uden. Op<br />
zijn reis van Velp (Redemptoristinnen) naar 's Bosch. In twee auto's.<br />
Prior en Heren en studenten stonden bij de doortocht aan de Kapel.<br />
Zodra de Kardinaal bij v. Geffen was, begonnen de studenten op de<br />
harmonie (Aan U, Koning der eeuwen te blazen. Tot aller verwondering<br />
Het de Kardinaal stoppen. De Prior ging naar 'tportier, maakte<br />
het open, vroeg de zegen voor Heren en studenten. Kardinaal zei min<br />
zaam: 'Ja, als de muziek is uitgespeeld. 'Die kreeg een wenk, hieldstil;<br />
de Kardinaal keerde zich halfuit de auto, om zich goed te laten zien<br />
en zegende driemaal de studenten en de Kruisheren. Daarna gafhij<br />
de Prior de hand; deze kuste de ring en de Kardinaal toette weer verder.(..Jx\<br />
Tijdens de audientie in Den Bosch vroeg Hollmann of de kar<br />
dinaal protector van de orde wilde worden12. Omdat dit echter<br />
10 Arch. Generalaau 0011.3.1<br />
11 Arch. Uden, Huiskroniek III (1913 - 1915), pp.2 - 3<br />
12 zie: Kruistriomf, jg.12, 1932 - 1933, p.66<br />
Over van Rossum zie ook Biografisch Woordenboek van Nederland, dl.II, 1985,<br />
pp.474 . 475
DE ROMEINSE BEVOOGDING 11<br />
eerst in Rome moest worden gevraagd, schreef Hollmann op 27<br />
oktober 1913 naar kardinaal Merry del Val. Op 15 november<br />
1913 werd Wilhelmus van Rossum inderdaad benoemd tot pro<br />
tector van de orde13. Dat deze benoeming in zo'n korte tijd<br />
geschiedde, dankten de kruisheren aan de generale procurator van<br />
de norbertijnen, dr. Nouwens, die in Rome verbleef. Deze was<br />
persoonlijk naar het Vaticaan gegaan om het protectorschap te<br />
regelen met de kardinaal en de Congregatie van de Regulieren14.<br />
Op 1 december 1913 stuurde de nieuwe protector een brief<br />
naar de magister-generaal, waarin hij de orde een mooie toekomst<br />
toewenste na de donkere periode die ze beleefd had. Tegelijk wees<br />
hij op de waarde van de spiritualiteit van het Kruis15. Van Rossum<br />
vatte dit protectorschap niet als een loutere formaliteit op, ook al<br />
was hij in Rome een belangrijke prelaat geworden met veel<br />
invloedrijke taken en functies. Toen hij op 27 november 1911 tot<br />
kardinaal benoemd werd, maakte dat grote indruk op de<br />
Nederlandse katholieken, die lange tijd geen kardinaal meer onder<br />
hun geestelijken hadden gehad en in deze benoeming de erken-<br />
ning zagen en een beloning voor hun kerkelijke trouw. Van<br />
Rossum bereidde de encycliek Spiritus Paraclitus voor, die in 1920<br />
verscheen en een sterke stimulans betekende voor de katholieke<br />
exegese. Op 12 maart 1918 werd hij tot prefect van de<br />
Congregatie de Propaganda Fide benoemd en op Pinksteren 1918<br />
tot bisschop gewijd. Als prefect van de Propaganda Fide werd hij<br />
wereldberoemd. Hij was de strateeg achter de missiepausen<br />
Benedictus XV en Pius XI. Door hem geinspireerd verschenen de<br />
beroemde missie-encyclieken Maximum Mud (1919) en Rerum<br />
Ecclesiae (1926). Ook de kruisheren danken aan zijn initiatief, dat<br />
de orde vanaf 1920 de missionering als een van haar voornaamste<br />
vormen van apostolaat ging beschouwen.<br />
13 Arch.Genemlaau 009.56; Arch.K.MSK., V.B.10<br />
14 Arch.Generalaat, 009.56, brief van dr. Nouwens aan H. Hollmann. Rome, 15<br />
november 1913<br />
15 Arch.Generalaat, 009.56, brief van kardinaal van Rossum aan H. Hollmann.Rome,<br />
1 december 1913
12 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
Volgens een voorschrift van het nieuw kerkelijk recht (canon<br />
517, par.l) moest iedere pauselijk goedgekeurde mannenorde een<br />
procurator generaal in Rome bezitten, om de belangen van zijn<br />
orde bij de H.Stoel te behartigen. Tevoren had de procurator gene<br />
raal van de norbertijnen, dr. Nouwens, deze taak met de zijne<br />
gecombineerd. De nieuwe bepaling liet echter een dergelijke<br />
oplossing niet meer toe. In november 1920 werd A. van Asseldonk<br />
door het definitorium tot procurator generaal benoemd. Een jaar<br />
later werd een huis op de Via di Monte Tarpeo in gebruik genomen,<br />
dat tevoren als procuur van de norbertijnen dienst had<br />
gedaan16. De woning van de procurator generaal was tevens<br />
bedoeld als verblijfplaats voor de studenten van de orde aan de<br />
kerkelijke universiteiten. Bovendien kon de magister-generaal er<br />
tijdens zijn ambtelijke bezoeken hoge gasten behoorlijk ontvangen.<br />
Van Asseldonk kreeg er al spoedig het gezelschap van P.<br />
Rutten, die sinds 1920 zijn studie in het kerkelijk recht in Rome<br />
voltooide. Voor de huishouding kwam broeder Lucas Maas, hierin<br />
in 1923 opgevolgd door broeder Piet van Doren. In 1924<br />
kwam als tweede helper broeder Paulus van den Boogaard. Vanaf<br />
1923 verbleven er ook verschillende fraters uit Sint-Agatha en<br />
Diest, die aan de universiteit gingen studeren.<br />
Tijdens het twaalfdaagse bezoek, dat Hollmann in januari 1924<br />
aan Rome bracht, behoorden kardinaal van Rossum, Mgr. Heylen<br />
(bisschop van Namen), Mgr. H. Noots (procurator van de witheren)<br />
en Mgr. B. Eras (procurator van de Nederlandse bisdommen)<br />
tot de gasten, die hij aan tafel mocht nodigen op de procuur. Zijn<br />
oude vriend L. Theissling, de generaal van de dominicanen, kwam<br />
hem reeds de eerste morgen verwelkomen. Tevens werden<br />
16 Dit huis was eigendom van de Franse norbertijnenabdij van Frigolet. Op 1 novem<br />
ber 1921 was Hollmann aanwezig bij de overdracht ervan. J. SCHEERDER, Henricus<br />
Martinus Franciscus Hollmann tweeenvijftigste magister generaal der orde van het H.Kruis<br />
1853 - 1927. in: Clairlieu, jg.23 - 24, 1965 - 1966, p. 191; zie ook: Zegepraal des<br />
Kruises, jg.2, 1922 - 1923, p. 125<br />
Over de aankoop op afbetaling en de zoektocht naar geld schreef Hollmann op 9<br />
februari 1921 aan Van Asseldonk. Arch.Proc.Generalis, 07.21<br />
A. Van Asseldonk kreeg op 21 november 1921 van de Congregatie van de Reeulieren<br />
verlof om een lening van 40.000 gulden aan te gaan om in Rome een huis te kunnen<br />
kopen. Arch.Proc.Generalis, 016.4
DE ROMEINSE BEVOOGDING 13<br />
Hollmann en Van Asseldonk op audientie ontvangen door de<br />
paus, die vijfentwintig minuten tijd had om te luisteren naar<br />
informatie over de orde. Hollmann schreef over zijn bezoek aan<br />
Rome: "Het doel van mijn rets naar Rome was voornamelijk het<br />
bespreken van de zaken onzer H.Orde met ZH. de Paus, met onzen<br />
Beschermheer Kard. van Rossum, en met den Prefect der Religieusen<br />
Kard. Laurenti en verder vooral ook het aanknoopen ofnauwer verbinden<br />
van ons met anderen grootheden in Rome en het sluiten van<br />
relaties met hen. Dit konde nu officieel het beste geschieden met het<br />
officieelopenen van de Procure.(..J\ Ook in het voorjaar van 1925<br />
verbleef Hollmann ongeveer veertien dagen in de procuur te<br />
Rome17.<br />
2. Ontstaansgeschiedenis van de nieuwe constituties van de<br />
Orde van het H.Kruis<br />
De redacteur van de Zegepraaldes Kruises vergeleek in 1923 het<br />
beleid van Henricus Hollmann met dat van Henricus Van den<br />
Wijmelenberg. "(...) Toen Mgr. Hollmann verheven werd tot (t<br />
generalaat, kwam hij aan het hoofd te staan eener Orde, waarin nog<br />
altijd op een tastbare wijze nawerkten de zware slagen, haar toegebracht<br />
door de Fransche revolutie en een onrechtvaardige Hollandsche<br />
wetgeving (...)" Hollmann had volgens hem de fundamenten van<br />
de orde, die door Van den Wijmelenberg werden gelegd, uitgebouwd.<br />
Tussen Van den Wijmelenberg en Hollmann waren er heel<br />
wat punten van overeenkomst:<br />
1. Van den Wijmelenberg begon de opmars van de orde met de stichting<br />
van een nieuw klooster in Belgie (Diest). Hollmann deed hetzelfde<br />
(klooster en college in Hannut).<br />
2. Onder Van den Wijmelenberg wijdde de orde zich gedeeltelijk aan de<br />
missie (Curacao, Wisconsin). Onder Hollmann geschiedde hetzelfde<br />
(Minnesota, Belgisch-Kongo).<br />
17 Arch.Generalaat, 004.26-27
14 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
3. Van den Wijmelenberg verplaatste in 1855 zijn residentie naar Sint-<br />
Agatha, waar men bezig was met de verbouwing van een van de kloostervleugels.<br />
Tijdens het generalaat van Hollmann werd Sint-Agatha weer de<br />
residentie van de generaal. Onder zijn bestuur werd een vleugel van het<br />
klooster geheel verbouwd18.<br />
Op het eerste gezicht is men geneigd het expose uit De<br />
Zegepraal des Kruises bij te treden. Hollmann opende immers vijf<br />
nieuwe huizen, renoveerde de bestaande kloosters, stuurde confraters<br />
naar twee overzeese missies en zag hoe het aantal leden van de<br />
orde tijdens zijn generalaat verdubbelde 19. Dat was ook het argu<br />
ment in het feestnummer van de Echo van het Land van Cuijk20y<br />
dat in 1925 de periode van Hollmann vergeleek met de beginjaren<br />
van Van den Wijmelenberg: "Men kan in het algemeen zeggen,<br />
dat de Orde gedurende de jaren van zijn bestuur een bloei vertoont,<br />
die zij slechts in de eerste tijden van haar bestaan gekend heeft. Gelijk<br />
toen met korte tusschenpoozen het eene huis na het andere verreesy zoo<br />
waren de jaren van Mgr. Hollmanris bestuur getuigen van verschillende<br />
stichtingen in binnen- en buitenland, die de een na de andere<br />
opkwamen.(...), waarbij men bedenken moety dat de orde, al is haar<br />
getalsterkte ook tijdens zijn bestuur bijna verdubbeld, toch nog altijd<br />
klein is te noemen. (...)"<br />
De magister-generaal vond alvast van zichzelf, dat hij een ander<br />
beleid voerde dan Van den Wijmelenberg. Op 3 maart 1919<br />
schreef hij aan procurator-generaal Van Asseldonk "(...) temeer<br />
daar met de nieuwe uitbreiding in Amerika en Rotterdam het noodige<br />
personeel zoude ontbreken. U zegt er zijn in onze kloosters velen,<br />
die te gemakkelijk leven, te weinig werk hebben. Ik kan dit voor een<br />
gedeelte onderschrijven, maar die het meeste klagen, zijn dikwijls<br />
degenen die het minste willen doeh en als men hun werk aanbiedt<br />
allerlei uitvluchten vinden om aan het werk te ontkomen. En die<br />
gaarne zouden willen, zij zijn meestal degenen die men in ander werk<br />
moet bezigen. (...) Er is een tweede zaak, waar een overste op moet let-<br />
18 Een zilveren jubelfeest. in: Zegepraal des Kruises, jg.3, 1923 - 1924, pp.121 - 125<br />
19 Arch.Generalaat, 004.23 (p. 11)<br />
20 Arch. Generalaat, 004.23
DE ROMEINSE BEVOOGDING 15<br />
ten. Toen in 1848 de orde weer begon te bekomen, hebben ze helaas!<br />
wat hard van stapel geloopen: zij wilden maar uitbreiding (Diest-<br />
Maeseijck-Amerika en Diest en Maeseijck college) en die uitbreiding<br />
is geschied voor er krachten genoeg waren. En wat was het gevolg De<br />
kloosters werden vermeerderd, de opleiding en de studie derjongeren<br />
moest er onder lijden en in 1870 zat men zonder novicen en zonder<br />
opleiding en zonder geregelde studien. Zoodra ik konde spreken, heb<br />
ik als novicenmeester en Prior te Sint Agatha getracht de studien op te<br />
bouwen en hetgeregeld noviciaat en studietijd doen onderhouden. En<br />
nog streefik daarna en het is daaromy dat ik U en cfr. van Lieshout<br />
en cfr.Rutten heb uitgezonden om de noodige kennissen te vergaderen,<br />
ten einde des te beter de studien te kunnen bevorderen.<br />
Langzamerhand wilde ik uitbreiden en stichtte Hannut, begon met<br />
Amerika omdat ik dacht: dit kunnen onze krachten dragen. Nu heefi<br />
de oorlog St.Agatha opgevuld met jonge priesters die wel is waar te<br />
weinig werk haddeny maar toch als... (onleesbaar) goed stonden om<br />
ah de oorlog gedaan was Belgie toe te gaan en Amerika te gaan helpen<br />
en Rotterdam zoo mogelijk als een nieuwe tak te gaan verlevendigen.<br />
Dit alles kan nu beginnen en zal met Gods hulp begonnen worden.<br />
Doch mijn visitatie in Belgie heeft mij bewezen, dat er vele zijn<br />
onder onze confratersy die voor missiewerk geen lust hebben, en niets<br />
liever zouden doen dan een klein beetje werk en voor de rest veel te<br />
weinig geest van opoffering hebben. Dezulken durfik niet naar de<br />
missien te zenden en kan ik zelfi niet in andere flinke werkzaamhedenplaatsen.<br />
(...)"2l.<br />
Dezelfde visie op Van den Wijmelenberg treffen we aan in het<br />
boek van J.W. Rausch.Deze Amerikaanse kruisheer wees er daarenboven<br />
op, dat Hollmann bij zijn tijdgenoten niet op dezelfde<br />
bewondering kon rekenen als Van den Wijmelenberg en ook niet<br />
dezelfde charismatische uitstraling bezat. Wel was hij succesrijk in<br />
alles wat hij aanpakte22.<br />
21 Arch.Proc.Genemlis, 07.2<br />
22 J.W. RAUSCH, The Crosier Story. A History ofthe Crosier Fathers in the United States,<br />
pp.107-113
16 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
Wat betreft de hervorming van de statuten van de orde ging<br />
Hollmann in ieder geval subtieler te werk dan zijn voorganger, en<br />
boekte een beter resultaat. Van den Wijmelenberg trof tussen<br />
1852 en 1855 een aantal maatregelen ter hervorming van de orde<br />
die groot tumult veroorzaakten en voor jarenlang intern gekibbel<br />
garant stonden. Hollmann van zijn kant nam rustig de tijd om te<br />
studeren en te overleggen. Men zou haast denken, dat de nieuwe<br />
statuten er kwamen wegens de nieuwe codex van het kerkelijk<br />
recht. Die indruk wordt bevestigd, wanneer men leest wat<br />
Hollmann op 19 januari 1919 aan Van Asseldonk schreef: "(...) Ik<br />
heb nog veelarbeidte doen en reeds ga ik mijn 67ste tegemoet. Nu zit<br />
ik te blokken op de hervorming van statuten in verband met de nieuwen<br />
Codex en met hetformuleeren van geheel nieuwe statuten (d.i. de<br />
oude grondslag maar weglaten wat in onbruik is, bijvoegen wat nuttig<br />
is en allesgeschoeid op den nieuwen Codex. (...)"23.<br />
Er was echter meer aan de hand. Nadat Hollmann in 1901<br />
opnieuw prior van Sint-Agatha werd gekozen, drongen een aantal<br />
kruisheren aan op meer eigentijdse constituties. Hun leider was<br />
Badoux24. Het generaal kapittel van 1902 schoof de ganse problematiek<br />
nog even voor zich uit. Op de generate kapittels van 1905<br />
en 1908 werd het echter wenselijk geacht om wijzigingen in de<br />
statuten aan te brengen. In 1908 werd besloten om de magistergeneraal<br />
een nieuwe redactie te laten opstellen, in samenspraak<br />
met een herzieningscommissie, waartoe o.a. Badoux behoorde.<br />
Aan deze commissie werden twee vragen gesteld: wat moet er<br />
gebeuren met de uitgave van 1865 van de Regel van Sint-<br />
Agustinus, die uitgeput is en moeten er herziene of geheel nieuwe<br />
statuten komen?25 Nog in 1908 vroeg Hollmann aan de<br />
Congregatie van de Religieuzen toestemming om de constituties<br />
23 Arch.Proc. Generalis, 07.1<br />
24 Hollmann zag de bui hangen en schreef op 29 maart 1902 aan Honhon: " Alhier<br />
zijn gekozen: Van Dinter en Konings; te Uden Badoux en Van Hout, te Maeseijck Dietvors<br />
en Bouman. Ik denk» dat Konings en Badoux in het Capittel nog wel eens hun staart zullen<br />
roerenl" Arch.Diest, 06.25.214<br />
25 Dit concept droeg als titel: " Constitutiones noviter conceptae." Cuijck, s.d.<br />
In het exemplaar van de vroegere statuten, dat eigendom was van Badoux werd tamelijk<br />
veel geschrapt. Arch.Clairlieu, Dossier Ramaekers, 04.2, brief van M. Colson aan A.<br />
Ramaekers, 11 mei 1956
DE ROMEINSE BEVOOGDING 17<br />
van de orde te wijzigen. Op 30 juli 1909 kreeg hij daartoe de vereiste<br />
toelating26. Tijdens het volgende generaal kapittel, in 1911,<br />
legde Hollmann een concept voor.<br />
Op 10 april 1907 kantte Honhon, de prior van het convent van<br />
Diest, zich tegen een te ingrijpende verandering van de constituties.<br />
De tekst van de statuten van 1248 wilde hij absoluut bewaren:<br />
"(...)De Dominikanen hebben den tekst der oude statuten wel<br />
degelijk behouden. (...)". Over het verwijderen van de latere toevoegingen,<br />
die in strijd waren met canonieke voorschriften, was<br />
hij akkoord. "(...)Ik ben bereid eene verandering in de oude statuten<br />
te maken op het punt van priorkeuze, verplaatsing binnen de provincie<br />
en vasten (behoudens goedkeuring van datprinciep te Rome).(...)<br />
Laten wij goed in het oog houden. De oorspronkelijke werken der orde<br />
zijn ascese, koordienst, studie enpreeken. Onderwijs later bijgekomen<br />
is niet met het eerste strijdig en kan het vasten remplaceeren"<br />
Honhon wees erop, dat de observantie verslapt was in de orde en<br />
dat de wereldse gerichtheid groot was: "Schaffen wij het oude af,<br />
dan zalhet nieuwe nietgewoon worden door de lasten omdatzij niets<br />
doen, noch door de observantie omdat zij er niet in geoefend en opveleidzijn.<br />
(...)-■- >27<br />
* J n<br />
De concept-statuten van 1911 hadden duidelijk inspiratie<br />
gezocht bij de kapucijnen. Dezen waren erin geslaagd de strenge<br />
kloosterlijke observantie te verenigen met een grote apostolische<br />
activiteit, de kruisheren tot nu toe niet. Misschien speelde de beleving<br />
van het armoede-ideaal ook een rol in het zoeken naar inspi<br />
ratie bij de kapucijnen. In de eerste decade van de twintigste eeuw<br />
namen de bedelactiviteiten bij de kruisheren weer toe. Terzelfdertijd<br />
werd op de generale kapittels grote zorg besteed aan de bepalingen<br />
over het onderhouden van de gelofte van armoede, die overigens<br />
lange tijd als de belangrijkste van de drie geloften werd<br />
bestempeld. De toename van de bedelactiviteiten hield verband<br />
met de verfraaiing van de kerk in Maaseik, het op termijn gaan in<br />
26 Arch.KMSK, V.A.2 (6-7), p.135; Arch.KMSK, V.C.1(52).3; Arch.Uden, Kast 1,<br />
Doos 1, bundel 2A, Brief van de magister-generaal, 21 april 1910<br />
27 Arch.Genemlaat, 0014.1.75
18 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
Uden voor de bouw van het nieuwe klooster en de speurtocht naar<br />
geld voor de stichting in Hannut. Sint-Agatha genoot van alle<br />
kloosters nog de meeste inkomsten uit jaargetijden28. Toch belandde<br />
ook dit klooster in een financieel minder comfortabele<br />
positie. Bij de wet van 16 juli 1907, de zogenaamde tiendwet, werden<br />
alle tienden in Nederland immers opgeheven met ingang van<br />
1 januari 190929.<br />
De statuten van de kruisheren waren echter geinspireerd op de<br />
constituties van de dominicanen, die in tegenstelling tot de kruis<br />
heren een uitgesproken studieorde geworden waren. De reactie<br />
van het generaal kapittel van 1911 op de door Hollmann voorgestelde<br />
statutenwijziging was niet onverdeeld gunstig. Men besloot<br />
dat de magister-generaal zijn huiswerk moest overdoen30.<br />
Toen de nieuwe codex van het kerkelijk recht werd ingevoerd,<br />
vroeg Hollmann inlichtingen aan kardinaal van Rossum over de<br />
repercussies voor de kruisheren. Deze kon Hollmann informatie<br />
uit de eerste hand verstrekken. Sinds 15 april 1904 was hij immers<br />
een theologisch medewerker en lid van de commissie voor de codificatie<br />
van het kerkelijk recht, hetgeen hij bleef tot aan de afkon-<br />
diging van het nieuwe kerkelijk wetboek in 1917. Samengevat<br />
kwam de informatie van de kardinaal hierop neer:<br />
1. Het was niet nodig een generaal kapittel samen te roepen om het nieu<br />
we kerkelijk recht in werking te laten treden. "(...) Om echter willekeurige<br />
28 Een overzicht van de fundatiemissen onder het prioraat van Hollmann wordt<br />
bewaard in het archiefvan Sint-Agatha, nieuw archief, niet geinventariseerd, doos fundaties<br />
etc., bundel fundaties 1870 - 1910<br />
29 De wetgeving op de afschaffing van de tienden en de repercussies ervan op Sint-<br />
Agatha kan men eedeeltelijk afleiden uit enkele bundels over afkoop van het tiendrecht,<br />
die bewaard worden in het archiefvan Sint-Agatha, nieuw archief, niet geinventariseerd,<br />
doos fundaties etc. In het kader van ons onderzoek hebben wij het niet nodig geacht<br />
deze bundels uit te spitten. Ze hebben o.m. betrekking op de afkoop in 1908 van het<br />
tiendrecht door Johannes van den Heuij, Johannes Broekmans en Martinus Caspers in<br />
Sint-Agatha en van Jacobus Kuijpers in Oeffelt. Een ander dossier, uit 1905, behandelt<br />
de afkoop van de pacht in natura door de familie Thijssen.<br />
30 Volgens Scheerder was prior Honhon e'e'n van de tegenstanders van deze conceptstatuten.<br />
J. SCHEERDER, Henricus Martinus Franciscus Hollmann tweeenvijftigste magister<br />
generaal der orde van het H.Kruis 1853 - 1927, Clairlieu 1965-66, p.167
DE ROMEINSE BEVOOGDING 19<br />
en verkeerde uitleggingen te voorkomen, ware het goed dat U aan alle kloosters<br />
mededeelde welke veranderingen en nieuwe bepalingen de Codex in ver~<br />
band met den Regel uwer H. Orde brengt. (...)"<br />
2. De magister-generaal werd verkozen ad vitam en zo zou het blijven.<br />
Het statuut van de kruisheren m.b.t. de wijze van verkiezen van prioren<br />
verviel, omdat het strijdig was met de bepaling van het nieuwe kerkelijk<br />
recht. "(...) Uheeft volkomen gelijk ten opzichte van de wenschelijkheiddat<br />
er een prior zij te S.Agatha. Dit is ook in den geest der Kerk, zooals blijkt uit<br />
de normae. (...)" . In Sint-Agatha zou er dus best een nieuwe prior gekozen<br />
werden. In de overige huizen, waar de prioren voor de duur van tien<br />
jaar gekozen waren, mochten zij eerst hun ambtstermijn uitdienen.<br />
Daarna waren zij herkiesbaar in een ander huis. Wie twee keer drie jaar<br />
prior was geweest, mocht enkel met goedkeuring van Rome aan een derde<br />
termijn beginnen.<br />
3. De conciliarii hoefden niet te wonen in hetzelfde huis als de magistergeneraal.<br />
Bovendien mochten zij andere ambten vervullen. Ook de generale<br />
econoom mocht andere ambten bekleden. "(...) Zijn officie is niet aan<br />
tijdgebonden en met reden. Wantzulke menschen welke dat ambtgoedkunnen<br />
vervullen, zijn zeldzaam. Ofichoon het natuurlijk noodzakelijk is dat de<br />
Procurator Gen. tot de Orde zelfbehoore is dat niet noodig Was dr. Nouwens<br />
niet uw Procurator?" Na de dood van J. De Vlam in 1906 had Hollmann<br />
het ambt van procurator-generaal zelf waargenomen. Op het generaal<br />
kapittel van 1919 werd J. Goumans, novicenmeester in Sint-Agatha, tot<br />
procurator-generaal benoemd31.<br />
4. Het noviciaat werd geregeld in can. 539 en 574. Clerici moesten een<br />
jaar noviciaat maken, dan volgden de tijdelijke geloften voor drie jaar en<br />
vervolgens de solemnele geloften. De conversen maakten eerst een postulaat<br />
van een half tot een volledig jaar, dan een jaar noviciaat, vervolgens<br />
tijdelijke geloften voor drie jaar en tenslotte na drie of vier jaar solemne<br />
le geloften. Novicen en geprofesten moesten gescheiden van elkaar leven.<br />
5. In het vervolg moest de aanvaarding van novicen, in overeenstemming<br />
met canon 543, gebeuren door de magister-generaal en zijn raad, de vier<br />
definitoren32.<br />
In 1919, na de bestudering van het nieuwe kerkelijk recht<br />
schreef Hollmann aan de prior en de confraters van Uden om hen<br />
31 Arch.Genemlaat, 002.46<br />
32 Arch. Generalaat, 0011.3.2
20 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
te wijzen op een aantal nieuwe bepalingen. Zijn aantekeningen<br />
hebben wij in bijlage weergegeven33.<br />
Op 3 maart 1919 schreef Hollmann aan Van Asseldonk, dat hij<br />
met betrekking tot de nieuwe statuten dubbel werk had verricht.<br />
In de vroegere statuten had hij in de oude tekst de verschillende<br />
canons ingelast, die voor de religieuzen veranderd waren sedert<br />
1868. Vervolgens had hij, "omdat er zoveelepunten in onze statuten<br />
waren, die in onbruik zijn geraakt en zoovele anderen wijziging<br />
noodig maakten pro opportunitate temporum, een geheel nieuw con<br />
cept van onze statuten gemaakty waarin ik zooveel mogelijk het oude<br />
heb behouden en het nieuw voorgeschreven jus hebt ingelascht en vele<br />
zaken, die mijns inziens noodig waren bijgevoegd. (...)"34. Toen hij<br />
echter de nieuwe versie van de statuten ter lezing aan het generaal<br />
kapittel van 1919 wilde voorleggen, werd dit door Honhon weggewuifd<br />
met het verzoek ze ter goedkeuring naar Rome op te sturen.<br />
Later, op 14 juni 1922, schreef Hollmann hierover aan Van<br />
Asseldonk: " Toen de laatste keer in het kapittel de Statuten behandeld<br />
werden, had men geen geduld om de voorlezing daarvan afte<br />
wachten en nadat ik op een avond de Statuten - eenige kapitteb - had<br />
voorgelezen, kwam men den volgenden avond mij zeggen, daarmee<br />
niet door te gaan. Men was van meening dat de hoofdzaak goed was<br />
en zeide toen algemeen, laat Rome maar zeggen hoe ze het hebben<br />
willen; als er iets niet goed is, zal Rome wel schrappen."35<br />
Hollmann stuurde het ontwerp van de nieuwe statuten op 1<br />
September 1919 naar kardinaal Van Rossum in Rome: "(...) Ukan<br />
aan zijne Eminentie zeggen, dat ik alleen heb laten vervallen, wat in<br />
onbruik sedert lange is geraakt en wat met de tegenwoordige tijden<br />
niet meer overeen te brengen of opnieuw in te voeren is. Ik heb<br />
getracht de geestelijke oefeningen meer vast te leggen en door alle confraters<br />
te samen te doen uitvoeren of verrichten. Ik heb overal de ori-<br />
33 Arch.Uden, Kast 1, Bundel 2-A, niet genummerd<br />
34 Arch.Proc.Generalis, 07.2<br />
35 Arch.Generalaat, 0011 /A; Arch.Generalaat, 002.46<br />
Tijdens dit generaal kapittel werd ook de toekomstige rol van het definitorium<br />
besproken.
DE ROMEINSE BEVOOGDING 21<br />
ginele statuten trachten te behouden, waar dit konde en de nieuwe<br />
voorschriften van hetjus alleen ingevoegd terplaatse waar het behoorde.<br />
Ik zalzoodra ik kan aan zijn Eminentie een schrijven richten met<br />
een toelichting over de statuten zooals zij nu gevormd zijn. Eindelijk<br />
kan U zijn Eminentie zeggen, dat op het Generaal Kapittel deze sta<br />
tuten met algemeene stemmen zijn goedgekeurd, zonder een enkele<br />
uitzondering (..,)"36.<br />
In het voorjaar van 1920 reisde Hollmann naar Rome en bracht<br />
een bezoek aan de kardinaal protector van de orde. Daarbij werd<br />
hij vergezeld door A. Van Asseldonk en P. Rutten. Onderweg<br />
deelde Hollman mee, dat hij van plan was om de procurator gene<br />
raal van de norbertijnen voor te stellen als agent om de belangen<br />
van de kruisheren in Rome te behartigen. Van Asseldonk reageerde<br />
afwijzend. Hij suggereerde Honhon, die een representatieve<br />
figuur was en vloeiend Frans sprak, te delegeren. Hollmann interpelleerde<br />
daarop Van Rossum, die Van Asseldonk aanbeval. Deze<br />
laatste werd in oktober 1920 als zodanig benoemd, met als eerste<br />
opdracht het verdedigen van de statuten bij de Congregatie37. Op<br />
14 december 1920 schreef Van Asseldonk aan Hollmann, dat van<br />
een getypte versie van de ontwerp-statuten twaalf exemplaren aan<br />
de Congregatie bezorgd moesten worden38.<br />
Inmiddels wenste Hollmann het generaal kapittel in de voorbereiding<br />
van de statuten te betrekken om een reactie zoals in 1853<br />
te voorkomen. De nieuwe statuten, die Van den Wijmelenberg<br />
toen had geconcipieerd, werden door zijn omgeving immers afgewezen,<br />
met als gevolg organisatorische moeilijkheden in de volgende<br />
decennia39. Daarom keek Hollmann uit naar de standpunten<br />
van de capitulares over een aantal onderwerpen, die hij eerst<br />
schriftelijk met Van Asseldonk, die in Rome was, besprak, zodat<br />
deze laatste ze ook kon voorleggen aan de consultor van de<br />
36 Arch.Procuria Genemlis, 07.3<br />
37 J. Scheerder, Henricus Martinus Franciscus Hollmann tweeenvijfiigste magister<br />
generaal der orde van het H.Kruis 1853 - 1927. in: Clairlieu. jg.23 - 24, 1965 - 1966,<br />
p. 168<br />
38 Arch.Clairlieu, Dossier A Ramaekers, 04.2<br />
39 Brief van Hollmann aan Van Asseldonk, 30 april 1922, Arch.Generalaat, 0011.1/A
22 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
Congregatie van de Regulieren. Op 21 januari 1921 schreef<br />
Hollmann naar de Congregatie over de tekst van de nieuwe constituties40.<br />
Op 21 mei 1922 werden de concept-statuten door de<br />
Congregatie van de Religieuzen teruggezonden, met de vraag om<br />
de tekst op een aantal plaatsen te verbeteren en alles weg te laten<br />
wat tot het algemeen kerkelijk recht behoorde en geen betrekking<br />
had op het eigen karakter van de orde. Belangrijke veranderingen<br />
moesten in ieder geval aangebracht worden op twee punten:<br />
1. de keuze en herkeuze van de prioren<br />
2. de centralisatie van het bestuur en de aanwezigheid van alle definitoren<br />
in het huis van de magister-generaal: " Wat betreft het aanwezigzijn van de<br />
vier Definitoren in het huis waar de Generaal is, daar is veel in onze kleine<br />
Orde op tegen. Men is dan gedwongen, omdat de Definitoren niet herkiesbaar<br />
zijn, soms om het kleine aantal van personen in dit huis, minder geschikte<br />
personen als Definitoren te kiezen - ofmen moetze kiezen uit andere huizen,<br />
die dan naar Sint-Agatha zouden moeten verhuizen, waar zij dikwijls niets<br />
kunnen uitrichten (...). Er is dus maar een oplossing mogelijk, en dat is dunkt<br />
mi] deze, dat de definitores uit alle huizen kunnen gekozen worden, doch<br />
daar infunctie blijven en hetzij schriftelijk hun votum deliberativum ofconsultivum<br />
kunnen uitbrengen bij veelvoudig voorkomende gevallen ofvoordie<br />
gevallen de communi consilio voor elk der Definitoren tin of meer personen<br />
kiezen, die in spoedeischende gevallen voor hen hun votum kunnen uitbren<br />
gen en moeten gehoord worden. Onze Orde is te klein en te ver uitgestrekt. Te<br />
klein, niemand kan bijna uit zijn post worden weggenomen zonder groote<br />
schade, niemand kan zonder groote schade meestal naar het huis van den<br />
Generaal verplaatst worden, niemand kan telkens voor dergelijke zaken als<br />
aanneming en professie telkens een verre reis maken, zoals bij voorbeeld van<br />
Diest, Maeseijck en Hannut naar Sint-Agatha. Overleg en overdenk die zaak<br />
eens met den Consultor der Congregatie. (...)"41.<br />
Hollmann overlegde over de kwestie van het definitorium ook<br />
met Gerardus Van Mil. Op 31 mei 1922 schreef deze naar Rome,<br />
dat Van Assendonk zich de gedroomde centralisatie maar uit het<br />
hoofd moest zetten: "Maar die definitoren bijeen is voor ons onuitvoerbaar.<br />
Vinddaar iets op, want wij hebben voor StAgatha geen lui,<br />
die daar werken kunnen. Geloofmij: we zijn zoo doodarm aan actie-<br />
40 Arch.Proc.generalis, 016.1<br />
41 Brief van Hollmann aan Van Asseldonk, s.d., Arch.Generalaat, 0011.1/A
DE ROMEINSE BEVOOGDING 23<br />
ve Confraters, dat deze verplaatsing van een of twee goede, geschikte<br />
heeren naar StAgatha een huis of college zowat kan stop zetten. Ik<br />
kan dat bewijzen."A1<br />
Op basis van de nieuwe Codex zouden de definitoren voortaan<br />
ook herverkiesbaar zijn. Bij de kruisheren was dit tot dan toe niet<br />
gebruikelijk: "(...) Waarop het gebruik steunt, dat bij ons de Def<br />
Cap. Generalis niet herkiesbaar zijn, terwijl er niets van in de<br />
Statuten gevonden wordty begrijp ik niet. Ik meende dat het in de<br />
Statuten stond, doch ik vind niets. (...)"43<br />
Omdat er enkele moeilijkheden gerezen waren bij de goedkeuring<br />
van de statuten in Rome, aangezien Rome in sommige punten<br />
een terugkeer verlangde naar de statuten van 1248 en 1660,<br />
zag Hollmann zich genoodzaakt het volgende generaal kapittel te<br />
verdagen tot beloken Pasen 1923: "(...) Den 4 October vertrek ik<br />
naar Rome om daar nader te onderzoeken wat de wil en het verlangen<br />
der Congregatie van de Religieusen is, daarna zal ik de noodig<br />
gebleken wijzigingen aanbrengen en hoop dan bij het Capitulum<br />
Generale in 1923 de definitieve statuten met de capitulares te bespreken<br />
en daarna de definitieve goedkeuring van Rome te verkrijgen.<br />
De duur van het prioraat, de herverkiezing van prioren en van<br />
definitoren en het eventueel samenwonen van magister-generaal<br />
en definitoren werden besproken op het generaal kapittel van<br />
1923. Tevens werd beslist dat Sint-Agatha als oudste huis van de<br />
orde, het voornaamste huis en de residentie van de magister-gene<br />
raal bleef. Het was echter niet wenselijk, dat de magister-generaal<br />
42 Arch. Genemlaat, 0011.1 /A<br />
In deze brief geeft Van Mil ook aan, waarom Hollmann prior Honhon niet al te veel<br />
betrekt in deze voorbereiding: "(...) Denk eraan, geliefde Confrater, ik zit te redeneeren en<br />
ik zeg U, als Ugeen plus minus voorloopig concept als goedgekeurd in spe meebrenp voor de<br />
definitorenkeuze, dan begint het kapittel te haperen, en Honhon te redeneeren en komen we<br />
in drie dagen met waarschijnlijkheden en groote verveling niet verder. U kent mij, voorzie<br />
hetgeval. (...) "<br />
43 Brief van Hollmann aan Van Asseldonk, 12 juni 1922, Arch.Generalaat, 0011.1 /A<br />
"Arch.Uden, Kast 1, doos 1, Bundel 2A, brief van magister-generaal Hollmann aan<br />
de confraters van Uden, 29 September 1922
24 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
ook de prior van Sint-Agatha zou aanwijzen en benoemen. Ook<br />
werd uitdrukkelijk gesteld dat de huizen niet zelfstandig waren en<br />
dat de prior localis zich in het bestuur kon laten bijstaan door vier<br />
conciliarii in plaats van door het hele conventskapittel. Aan een<br />
afzonderlijke commissie van vijf leden uit het kapittel werd de<br />
nieuwe redactie opgedragen. Nadat deze nieuwe versie van de statuten<br />
aan de Congregatie werd voorgelegd en haar goedkeuring<br />
werd bekomen, gaf de Congregatie bevel om een buitengewoon<br />
generaal kapittel samen te roepen om de wijzigingen sinds het<br />
kapittel van 1923 te affirmeren45. Bovendien adviseerde de<br />
Congregatie om het oorspronkelijke karakter van de constituties<br />
zoveel mogelijk te bewaren. Hetzelfde advies gaf Kardinaal Van<br />
Rossum.<br />
Het buitengewoon generaal kapittel kwam samen in augustus<br />
1924, bracht opnieuw wijzigingen aan, omdat de commissie niet<br />
tijdig klaar gekomen was en daardoor niet alles behandeld had,<br />
waarna de statuten voor de definitieve goedkeuring naar Rome<br />
werden opgestuurd. Deze statuten werden op 4 augustus 1925<br />
door Pius XI goedgekeurd.<br />
Op 30 oktober 1925 drukte Hollmann in een brief aan Van<br />
Asseldonk zijn vreugde uit, dat de nieuwe statuten werden goed<br />
gekeurd. Elf dagen later schreef hij: "(...) doch meer dan duizend<br />
exemplaren liet ik niet drukken en binden. Dus U weet nu mijn idee.<br />
Laat die verwijzingen naar de oude Statuten weg, en neem alleen het<br />
officieel exemplaar als voorbeeld. Ik zalzoo spoedig ik wat op rust ben<br />
met mijn epistola dedicatoria beginnen, maar heb slechts een lichaam<br />
en een ziel.(...)". Nauwelijks een dag later schreef hij: "Ziehier een<br />
epistola dedicatoria, welke grootendeels een overschrijven is van de<br />
Epistola dedicatoria van Hoogwst. Heer Van den Wijmelenberg<br />
Mocht U de meening zijn toegedaan, dat een ander geheel en al origineel<br />
gemaakt moest worden: ik voor mij kan er geen betere produceren<br />
dan die van Hoogwst. Heer Van den Wijmelenberg. (...)" Twee<br />
45 Brief van Van Asseldonk aan Hollmann, 27 februari 1924. Arch.Clairlieu, Dossier<br />
A. Ramaekers, 04.2; Arch.Generalaat, 0038.4
DE ROMEINSE BEVOOGDING 25<br />
dagen later stuurde Hollmann toch een ander specimen op. "(...)<br />
Meent UHE dat de idees hierin vervat beter zijn, dan kan U ze in<br />
dragelijk Latijn omzetten, en dan verder het andere wat in de eerste<br />
epistola staat aangegeveny bijvoegen. (...)"4G. Aan de Regel en de con-<br />
stituties liet hij nu een inleiding voorafgaan over de ontstaansge-<br />
schiedenis en het waarom van de nieuwe constituties.<br />
Het had uiteindelijk zes jaar geduurd eer de constituties van de<br />
kruisheren aan de nieuwe Codex waren aangepast. Vanaf<br />
Pinksteren 1926 kregen ze kracht van wet. Hollmann had getracht<br />
beleefbare statuten te concipieren. Wat de indeling betreft verliet<br />
men de oude weg en maakte een eerste distinctie over de algemene<br />
verplichtingen, een tweede over de ambten en een derde over<br />
het bestuur. Nieuwe hoofdstukken werden toegevoegd, zoals de<br />
cultu privato, de recreationibus en de votis. Nieuw waren ook de<br />
hoofdstukken over de aanneming tot de professie, over de wij-<br />
dingen, de studies en de wegzending. Andere hoofdstukken wer<br />
den weggelaten, omdat ze verouderd waren. Bijvoorbeeld de minu-<br />
tione en de rasura. Tenslotte werden verschillende hoofdstukken<br />
gesplitst, omdat de indeling van de statuten nu geheel anders<br />
3. Betekenis en inhoud van de nieuwe statuten<br />
3.1. De eigen aard van de orde<br />
Door het weglaten van verouderde voorschriften over mandatum<br />
en almutium vielen enkele kenmerkende bepalingen van de<br />
eigen aard van de orde uit. Door verplaatsing van het nummer<br />
46 Arch. Generalaat, 0011.1 /A<br />
47 A. RAMAEKERS, Geest en inhoud van de constituties der Kruisheren. in: Inhoud en<br />
waarde van regel en constituties der Kruisheren. Lichtland, Diest, 1957, p.84<br />
In de volgende generale kapittels werden de nieuwe statuten op verschillende punten<br />
gewijzigd. Hier en daar behoefden ze immers aanvullingen, interpretaties en veranderingen<br />
omdat tegenstrijdigheden aan het licht kwamen.
26 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
over de toewijding van de kerken, behield dit alleen zijn waarde<br />
voor de Kruiscultus. Liturgische voorschriften over buigen of<br />
knielen bij woorden als sanguis Christi vonden in het Caeremoniale<br />
geen plaats meer. De commemoratio exspirationis verdween evenals<br />
de Annuntiatio bij de priorale feesten, hoewel Goede Vrijdag werd<br />
bijgevoegd. In de plaats kwam naast de vermelding van het vasten<br />
op vrijdag ter ere van Christus' kruis en lijden (nr.4l) en het<br />
opleggen van de kruisweg bij de suffragia mortuorum (nr.31), het<br />
finis specialis van de orde (nr.25), nl. de roeping van de kruisheren<br />
om niet alleen door individuele meditatie en beschouwing, maar<br />
ook door woord en voorbeeld in anderen de devotie tot het Lijden<br />
en Kruis van Christus te doen toenemen.<br />
We hebben er reeds op gewezen, maar toch willen we het nog<br />
eens herhalen: volgens J.W. Rausch wisten de kruisheren van Sint-<br />
Agatha in het begin van de twintigste eeuw niet meer wat het betekende<br />
reguliere kanunnik te zijn. Zodoende ontstonden er problemen<br />
toen zij missioneerden in Amerika. Pas in 1955 heeft men,<br />
onmiddellijk na de proloog, duidelijk de eigen aard van de orde<br />
willen vastleggen48.<br />
3.2. De leidende gedachten in het gemeenschapsleven<br />
3.2.1. Het gebedsleven<br />
Het koorofficie was verplicht in alle huizen, waar tenminste vier<br />
geprofeste kruisheren leefden (nr.14). Al was er door de brevier-<br />
48 Voor de reguliere kanunniken van het H.Kruis moesten de kloostergeloften betekenen:<br />
het aanvaarden van het canonikale leven, doordrongen van het Kruis. Deze twee<br />
elementen behelsden het oorspronkelijke ideaal van de eerste kruisbroeders. Verder uitgewerkt<br />
bevatten ze een samenleving in broederlijke liefde volgens de Regel van<br />
Augustinus, vervolgens een liturgisch gebedsleven gekoppeld aan het apostolaat in dienst<br />
van de Kerk (actie en contemplatie) en tenslotte het aankweken van een bijzondere lief<br />
de tot de Gekruisigde, met de nadruk op het genade brengende Kruis als teken van<br />
vreugde. De kruisheren moesten het gemeenschapsleven beleven als kanunniken en als<br />
kruisheren. Ze moesten leven als kanunniken, zodat per se de nadruk lag op het litur<br />
gisch gebedsleven. Leven als kruisheren betekende dat het accent niet alleen lag op de<br />
verering van het kruis, maar ook op het mysterium vivificae crucis (niet alleen het kruishout,<br />
maar vooral het kruisoffer, de persoon van de gekruisigde, overwinnende Christus,<br />
de lessen die het kruis preekt en de vruchten die daaruit voortkomen).
DE ROMEINSE BEVOOGDING 27<br />
hervorming van 191149 reeds een aanmerkelijke verlichting gekomen,<br />
toch was het niet te verwonderen dat men in 1925 tot een<br />
ernstige omwerking van de gebedsbepalingen kwam. Het hoofdstuk<br />
de officiis divinis werd in twee gedeelten gesplitst. Nauw aansluitend<br />
bij de vroegere tekst werd in het eerste gesproken over het<br />
koorofficie volgens het Romeins brevier, waarbij het circa horam<br />
quartam voor de metten gesupprimeerd werd en de mogelijkheid<br />
van anticiperen werd voorzien. De litanie van O.-L.-Vrouw en<br />
haec est praeclarum vas bleven met het officie verbonden (nr.17),<br />
terwijl de geestelijke lezing en meditatie (nr.19) bij de cultus privatus<br />
kwamen. Verder was er een verminderen van het aantal priorale<br />
feesten en het zeer uitdrukkelijk voorzien van dispensatie in<br />
het koorgebed voor degenen die belet waren of de leeftijd van vijfenzestig<br />
jaar bereikt hadden (nr.16). Voor de broeders werd aan de<br />
praktijk van de Onze Vaders vastgehouden (nr.15). Zij waren niet<br />
gebonden aan het koor, noch aan het breviergebed. Toch moesten<br />
zij aanwezig zijn tijdens de metten en de lauden, de eucharistieviering<br />
en overige plechtigheden, voor zover zij vrij waren van<br />
huiswerk.<br />
Een tweede gedeelte handelde onder de titel de cultu privato<br />
(nrs.18 t/m 25) over dagelijkse mis en communie (nr.24), medita<br />
tie en geestelijke lezing (nr.19), gewetensonderzoek, bezoek aan<br />
het H.Sacrament en rozenhoedje. Dit laatste en een gewetenson<br />
derzoek moesten in communi plaats hebben (nr.19). Verdere voorschriften<br />
gingen over de wekelijkse biecht (nr.21), de maandelijke<br />
recollectie (nr.22) en de jaarlijkse retraite van minstens zes dagen<br />
(nr.23). De geregelde dodenofficies en psalmipoenitentiales en gra<br />
duates waren reeds vroeger in onbruik geraakt, evenals het mandatum<br />
en werden nu geschrapt. De lezing onder de maaltijden werd<br />
uitdrukkelijk geformuleerd50.<br />
49 Door de brevierhervorming van 1913 viel het Mariaofficie weg, hoewel het als privaatgebed<br />
van de novicen nog lang in gebruik bleef.<br />
50 A. RAMAEKERS, Geest en inhoud van de constitutes der Kruisheren. in: Inhoud en<br />
waarde van regel en constituties der Kruisheren. Lichtland, Diest, 1957, pp.99 - 100
28 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
Een aantal gebeden voor overledenen waren verplicht. Vanaf het<br />
feest van de H.Dyonisius tot aan de advent werden de getijden van<br />
de overledenen gebeden, hetzij in het koor, hetzij privatim. De<br />
lekenbroeders moesten drie rozenkransen bidden. Verder was<br />
iedereen verplicht tot drie missen voor de overledenen. Deze bepa<br />
lingen golden eveneens wanneer een confrater uit hetzelfde huis<br />
overleed. Bovendien werd dan een rozenkrans in gemeenschap<br />
gebeden op de dagen tussen het overlijden en de begrafenis<br />
(nr.31). Bij het overlijden van de magister-generaal werd hetzelfde<br />
scenario van gebeden gevolgd (nr.32). Voor ieder overleden con<br />
frater moest elkeen een mis opdragen of bijwonen, de getijden van<br />
de overledenen bidden, afzonderlijk of in het koor, gezamenlijk<br />
een rozenkrans en de kruisweg bidden. In geval van overlijden van<br />
een bloedverwant(e) van een confrater moest het klooster een mis<br />
opdragen (nr.33). Het jaargetijde van vaders en moeders moest<br />
geschieden op de derde dag na O.-L.-Vrouw Lichtmis, het jaarge<br />
tijde voor de weldoeners en vrienden op de derde dag voor O.-L.-<br />
Vrouw geboorte en het jaargetijde van de confraters daags na het<br />
feest van de H.Dyonisius (nr.34). Na de dood van een confrater<br />
moest de kloostergemeenschap een maand lang bidden "Miserere"<br />
en "De Profundis" met "Pater Noster, A porta inferi\ aangevuld<br />
met eigen gebeden (nr.35). De namen van overleden confraters<br />
werden onmiddellijk na hun afsterven in het martyrologium opgetekend<br />
(nr.36).<br />
3.2.2. Leven van onthechting en boete<br />
De statuten van 1868 keerden voor de armoede en boetepraktijken<br />
terug naar de strengheid van 1248, hoewel niemand eraan<br />
kon denken zich aan dit alles te houden. De voorschriften over<br />
vasten, collatie, aderlating en kruin, over de slaapzaal en het<br />
gekleed slapen, over de maten voor klooster- en kerkenbouw wer<br />
den onveranderd uit de eerste statuten overgenomen. Wei werd bij<br />
de kleding naast de oorspronkelijke bepalingen ook melding<br />
gemaakt van cingel en bonnet, mozetta en collaar, terwijl het verbod<br />
van linnen onderkleding weggelaten werd.<br />
De statuten van 1925 waren reeler. Uit het oorspronkelijke<br />
korte hoofdstuk de professione was een afzonderlijk hoofdstuk
DE ROMEINSE BEVOOGDING 29<br />
gegroeid over de geloften, waarvan de bepalingen nauw bij de<br />
Codex aansloten. Na enkele principes van algemeen recht (nrs.94<br />
- 97), voorwaarden voor aanneming en geldigheid van de professie<br />
en over de efFecten van de solemnele geloften, werden elk van<br />
de drie vota behandeld.<br />
De nummers over gehoorzaamheid (nrs.105 - 107) toonden<br />
aan wanneer men vi voti of vi virtutis obedientiae gebonden werd.<br />
Ze gaven voor de oversten een aanmaning tot voorzichtigheid in<br />
het geven van praecepta formalia of ordinationes en voor de onderdanen<br />
een oproep tot eerbied voor de oversten.<br />
Enkele nummers (103 en 104) behandelden de gelofte van zuiverheid,<br />
gaven de draagwijdte van de gelofte aan en gaven een<br />
algemene aanmaning tot voorzichtigheid mee. Bij de culpae stonden<br />
over gehoorzaamheid en zuiverheid de vroegste bepalingen<br />
van de constituties, hoewel de straffen veel minder geworden<br />
waren.<br />
Voor de armoede (nrs.37 t/m 56) schreef men, aanleunend bij<br />
de oude formulering, eenvoudige huizen voor, stevig gebouwd<br />
maar zonder luxe. De kleding werd beschreven naar de werkelijk<br />
bestaande gewoonten, waarbij gewezen werd op het handhaven<br />
van de tradities aangaande stof en vorm. Bepalingen over het<br />
gekleed slapen werden weggelaten. Andere bepalingen, zoals<br />
administratie van goederen, maken van schulden enz. werden in<br />
het hoofdstuk de votis (nrs.98 - 102) bij elkaar geplaatst, terwijl<br />
ook de in strenge termen opgestelde plichten van de visitator inzake<br />
armoede letterlijk bewaard bleven. De vroegere bepalingen die<br />
zeer nadrukkelijk op bestaande misbruiken wezen, alsook de zware<br />
straffen tegen het peculium werden weggelaten. Dit laatste bleef<br />
verboden, "ak een dodelijke ziekte van de gelofte van armoede"<br />
(nr.102).<br />
De voorschriften over vasten en onthouding droegen, vergeleken<br />
bij de moderne congregaties, nog sterk het kenmerk van de<br />
vroegere strengheid. Vanaf Pasen tot KruisverhefFing (14 septem-
30 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
ber) moest op alle vrijdagen worden gevast (nr.37). Vanaf<br />
Kruisverheffing tot aan de vasten moest er gevast worden op<br />
woensdag, vrijdag en zaterdag en tijdens de eigenlijke vasten<br />
moest er permanent gevast worden, behalve op zondag (nr.39).<br />
Feesten zorgden voor enige compensatie (nr.40). De prioren<br />
mochten dispensatie geven, doch liefst niet op vrijdag, omdat dan<br />
het lijden van Christus herdacht werd (nr.4l). Het hele jaar door<br />
zou er een kleine coUatie gehouden worden op vrijdag en zaterdag<br />
(nr.42). Op reis was men niet gebonden aan de vastenregels van<br />
het klooster, wel aan die van de Kerk (nr.43). Buiten de vastenda-<br />
gen kreeg men dagelijks twee warme maaltijden (nr.44).<br />
Aan het groot silentium werd streng de hand gehouden (nr.84).<br />
Voor het klein silentium werden gemakkelijk uitzonderingen toe-<br />
gestaan, terwijl drie maal per dag een ruime recreatie voorzien<br />
werd. Het silentium gold binnen het slot, op de kamers, in de<br />
kerk en in de sacristie. Ook aan tafel moest men het stilzwijgen<br />
bewaren (nr.48). Een van de scholastici of priesters las dan een<br />
gedeelte uit de H.Schrift voor, behalve op vrijdag en zaterdag,<br />
wanneer voorgelezen werd uit de Regel en de Constituties (nr.49).<br />
Tijdens het avondeten moest uit ascetische geschriften worden<br />
voorgelezen. Vreemdelingen mochten in geen geval in de refter<br />
worden toegelaten (nr.50). Zij zouden ontvangen worden in het<br />
gastenkwartier. Niemand mocht zonder verlof praten met vreem<br />
delingen, die op bezoek kwamen. Daarom moest de portier het<br />
bezoek van vreemdelingen eerst melden aan de prior, die daarna<br />
kon oordelen of deze of gene confrater naar de spreekkamer mocht<br />
komen (nr.85).<br />
De hoofdstukken over rasura en minutio bleven achterwege, ter<br />
wijl een enkel nummer de tonsuur, sicut religiosus decet, voor-<br />
schreef en een speciale zorg voor de haartooi alsook de pruik ver-<br />
bood (nr.72). Eenvoud en nederigheid waren ook in de kleding<br />
geboden. Niemand mocht meer dan vier habijten hebben (nr.64).<br />
Overigens moest ieder op dezelfde manier gekleed gaan (nrs.65<br />
t/m 68). Een vertrekin het klooster moest dienen voor het bewa<br />
ren en herstellen van kledij. Een van de conventualen moest er als<br />
verantwoordelijke over worden aangesteld (nr.70).
DE ROMEINSE BEVOOGDING 31<br />
Iedere conventuaal-clericus had recht op een eigen kamer<br />
(nr.73), die hij zelf moest onderhouden (nr.74). Een slot op de<br />
deur van de kamer of van een kast, waarvan de prior geen reservesleutel<br />
had, was verboden (nr.75). De prior moest regelmatig de<br />
kamers bezoeken, "en de confraters zijn dan krachtens de Statuten<br />
gehouden, hem alles, wat ten hunnen gebruike is, te laten zien, opdat<br />
hijy naar eigen goeddunken, wat te veel is, weg kan nemen, en wat er<br />
nog nodig is, aan kan vullen" (nr.76). Zomaar door het klooster<br />
dwalen op uren, waarop men verwacht werd op zijn kamer te zijn,<br />
was verboden (nr.78). Zonder verlof van de prior mocht men de<br />
kamers van confraters niet betreden (nr.79). Behalve om te slapen,<br />
diende de persoonlijke kamer om te studeren, te mediteren en te<br />
bidden (nr.79). Slapen mocht men op strozakken en kapokmatrassen<br />
en ook mocht men vederen hoofdkussens gebruiken<br />
(nr.71).<br />
Het hoofdstuk over de recreatie willen we nog even toelichten,<br />
omdat het bepalingen bevatte, die ontleend waren aan de con<br />
cepts tatuten van 1853:<br />
nr.60: Elke maand kregen de confraters een hele dag ontspanning,<br />
te bepalen door de prior.<br />
nr.6l: Op de weekdagen kregen de confraters na het middagen<br />
het avondmaal een vol uur recreatie en gedurende een half<br />
uur bij de ckoffie\ Op zon- en feestdagen mocht de recreatie<br />
langer duren, maar nooit ten koste van de kerkelijke diensten.<br />
nr.62: Tijdens de recreatie moesten de confraters zich bezighouden<br />
met gepaste ontspanning in het klooster, zonder de<br />
studie te laten varen en met zorg voor het gebed. Iedereen<br />
moest altijd in de recreatie aanwezig zijn en de broederlijke<br />
liefde ijverig beoefenen.<br />
Extra aandacht moest er geschonken worden aan de zieken en<br />
de ouden van dagen (nrs.57 t/m 59). Daarom moest elk klooster<br />
een ziekenkamer hebben. De verpleging van de zieken en bejaarde<br />
confraters moest gebeuren door een confrater, die daartoe door<br />
de prior werd aangesteld (nr.59 en 337).
32 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
3.2.3. Leven van werkzaamheid in dienst van de Kerk<br />
Toen de orde na 1840 praktisch een vita mixta leidde, probeerde<br />
Van den Wijmelenberg een aangepaste wetgeving op te stellen.<br />
Het concept, dat hij in 1853 vervaardigde, werd echter verworpen.<br />
In 1868 keerde men terug naar de bepalingen van 1248 en 1660.<br />
Daardoor beperkten de statuten zich tot enkele bepalingen van<br />
vroeger over de apostolische werkzaamheden, behalve het exceptis<br />
missionibus transmarinis waar het over de professie voor heel de<br />
orde ging en een voorschrift over de jurisdictie van de biechtva-<br />
ders.<br />
De statuten van 1925 wezen op de prediking van het Kruis<br />
(nr.25) en op de assistentie in de parochies (nrs.93 en 305). Het<br />
opnemen van enkele canons bracht vanzelf parochiewerk en colle<br />
ges ter sprake (nrs.171 en 309), terwijl ook aan de benoeming van<br />
de leraars op het college een nummer gewijd werd. Hoewel toen<br />
reeds het missiewerk in de orde hoog in aanzien stond, werd er<br />
alleen in het voorbijgaan gesproken over dtfratribus mittendis ad<br />
missiones (nr.429) en werden bij de vertegenwoordigers op het<br />
generaal kapittel de missionarissen niet vermeld. Naast de hoofdstukken<br />
over de ambten bevatten deze statuten een afeonderlijk<br />
hoofdstuk over de verschillende bedieningen binnen het klooster<br />
(D.II.c.5), dus over vormen van onrechtstreekse dienst aan de<br />
Kerk. Onder onrechtstreekse dienst aan de Kerk verstond men alle<br />
werkzaamheden die door confraters, zowel clerici als laici werden<br />
verricht. De activiteiten van de oversten in het bestuur van de<br />
orde, provincie of communiteit, die van de procurator in het zorgen<br />
voor het tijdelijke, de verschillende werkzaamheden binnen<br />
het klooster verricht, zoals die van een sacrista, een gastenmeester,<br />
een ziekenhelper of een bibliothecaris, die van de broeders als portier,<br />
in de tuin, de keuken, of waar dan ook, al deze activiteiten<br />
stonden in dienst van het rechtstreekse apostolaat, waarvoor ze een<br />
onmisbare voorwaarde vormden.
3.3. De voorbereiding op het kruisherenleven<br />
DE ROMEINSE BEVOOGDING 33<br />
In de statutenuitgave van 1925 werd voor het eerst een apart<br />
hoofdstuk gewijd aan de studie, terwijl ook de recipiendis van aanschijn<br />
veranderde. De statuten van 1660 en 1868 bevatten maatregelen<br />
tegen het aannemen van onnuttige personen, tegen het<br />
weigeren van geschikte kandidaten en tegen het aannemen zonder<br />
toestemming van de generaal. Nu veranderde dit hoofdstuk de<br />
recipiendis van aanschijn, gezien de erin opgenomen canons en de<br />
verplaatsing van de ceremonie van de kleding naar het<br />
Caeremoniale. De statuten van 1925 bevatten een hoofdstuk over<br />
het aannemen van novicen (nrs.108 t/m 120), een ander over het<br />
toelaten tot de professie (nrs.121 t/m 124). Drie andere hoofdstukken<br />
over de opleidingsjaren werden hieraan toegevoegd, evenals<br />
dat over de studies, ongeveer uit de Codex overgenomen.<br />
3.4. De bescherming van het kruisherenleven<br />
De statuten van 1868 bevatten de straffen met inbegrip van de<br />
middeleeuwse straffen van de vroegere statutenuitgaven, hoewel ze<br />
niet meer van toepassing waren. In 1925 was een hervorming van<br />
al deze hoofdstukken allernoodzakelijkst. Het kerkelijk wetboek,<br />
waarin het strafrecht een der meest ingewikkelde gedeelten is, was<br />
nauwelijks verschenen en de terminologie nog onvoldoende gei'nterpreteerd.<br />
De leves (nrs.180 t/m 206) en graves culpae (nrs.208<br />
t/m 225) konden nagenoeg onveranderd blijven. Alleen liet men<br />
de geseling en het vasten op water en brood weg51. Bij de graviores<br />
culpae (nrs.226 t/m 239) moesten niet alleen de straffen aanzienlijk<br />
worden gemilderd en van hun middeleeuwse omkadering<br />
ontdaan, maar ook moest men rekening houden met de straffen<br />
die het algemeen recht reeds voor zulke misdrijven oplegde.<br />
Dezelfde bemerking gold de zeerzware overtredingen (nrs. 240 t/m<br />
51 Aanvankelijk had Hollmann vele veranderingen aangebracht in het statuut de levi<br />
culpa. Van Asseldonk had daar echter grote kritiek op, omdat volgens hem alle negligenties<br />
nu allemaal leves culpae werden. Brief van H. Hollmann aan A. Van Asseldonk,<br />
12 juni 1922. Arch.Generalaat, 0011.1/A
34 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
242). De redenen van wegzendingen na de tijdelijke professie<br />
(nrs.150 t/m 152) en na de plechtige geloften (nrs.153 t/m 166)<br />
werden opgesomd. Exclaustratie (na de tijdelijke geloften) en<br />
secularisatie (na de eeuwige geloften) werden geregeld in een drietal<br />
artikelen (nrs.147 t/m 150), conform de bepalingen van het<br />
algemene religieuzenrecht. Men combineerde straffen van alge-<br />
meen recht en ordesrecht, maakte van de apostatis nu de apostatis<br />
et fugitivis (nrs.243 t/m 251) en voegde er een afzonderlijke<br />
gedeelte de poenis in ordine aan toe (nrs.252 t/m 259). In de pro-<br />
loog plaatste Hollmann enkele algemene regels.<br />
Door onjuiste interpratie van verschillende termen, zoals poena<br />
latae sententiae, poena inflicta, poena ab homine en a jure, kwam<br />
men tot bepalingen die het begrijpen van het geheel onmogelijk<br />
maakten. Het plaatsen van sommige delicten bij de gravior culpa,<br />
andere bij de poenae en weer andere elders doorheen de statuten<br />
verspreid, maakten het geheel onoverzichtelijk52.<br />
4. Verwantschap met de concept-statuten van 1853<br />
De nieuwe statuten kregen als titel: " Constitutiones Codici Iuris<br />
conformatae cum caeremoniali FE Ordinis SS. Crucis" Roma,<br />
1925. Tot aan de uitgave van 1925 hielden de constituties van de<br />
kruisheren zich strict aan het bestuurspatroon dat eigen was aan<br />
52 Voorbeelden hiervan waren de nrs.7 en 254. We citeren ze in vertaling:<br />
nr.7: " Straffen van Excommunicatie, Suspensie ofInterdict, die vanzelf worden opgelopen,<br />
moeten stechts dan als vanzelf opgelopen worden beschouwd, ab zij in het Kerkelijk<br />
Recht als zodanig staan vermeld.<br />
nr.254: " Bepaalde straffen, aaneegeven door het eigen recht van onze orde, loopt<br />
men niet op, dan na uitspraak of altnans verklaring van de overste, ook al heten zij vanzelf-opgelopen.<br />
Ditzelfde moet men verstaan voor de straffen, waarbij vanzelf een vermindering<br />
wordt opgelopen, als zij een openbare tenuitvoerlegging inhouden en zwaar<br />
zijn, ook als zij een zelfbeschuldiging inhouden en zwaar zijn, ook als zii een zelfbeschuldiging<br />
of schande meebrengen. Deze laatste worden in onze orde eeacnt niet opge<br />
lopen te zijn, tenminste als zij zwaar zijn en niet door het recht, doch "ab homine' te<br />
zijn, tenzij door mandaat, met aanwending van twee getuigen, of ook in het Kapittel, of<br />
buiten het Kapittel bij exploit op schrift. '
DE ROMEINSE BEVOOGDING 35<br />
een orde van reguliere kanunniken: de basis is het huis met zijn<br />
kerk en het convent met zijn prior en de bovenbouw zijn de priorgeneraal<br />
en het definitorium. In de constituties van 1925 is dit<br />
bestuurspatroon volledig omgekeerd en vertoont het een treffende<br />
overeenkomst met de ontwerp-statuten van 1853, die door Van<br />
den Wijmelenberg werden opgesteld en in 1859 door het generaal<br />
kapittel werden afgewezen.<br />
1925 Distinctio II De officiis 1853 1660 (1868)<br />
cap.1,1 De officio Magistri Generalis cap.l cap.3<br />
cap.1,2 De Definitorio Generali cap.2 cap.4<br />
cap.1,3 De Procuratore Generali — —<br />
cap.2 De officio Prioris localis cap.6 cap.2<br />
cap.3 De Subpriore cap.6 cap.2<br />
cap.4 De Procuratore cap.6 cap.2<br />
cap.5 De ceteris officiis —<br />
cap.6 De Magistro novitiorum —<br />
cap.7 De instructione novitiorum<br />
cap.8 De Conversis cap. 12 cap. 5<br />
1925 Distinctio III De gubernio ordinis 1853 1660 (1868)<br />
cap.l De domibus concedendi et construendis cap.5 cap.l<br />
cap.2 De electione canonica<br />
cap.3 De electione Magistri Generalis<br />
et Definitorium cap. 1+4 cap.3-4<br />
cap.4 De electione Prioris localis cap.6 cap.2<br />
cap.5 De Capitulo Generali cap.2 cap.6<br />
cap.6 De Capitulo Visitationis cap.3 cap.7<br />
cap.7 De Capitulo culparum et de<br />
Capitulo conventuali cap.7 cap.5<br />
De constituties van 1925 gingen wat betreft de hierarchische ordening<br />
een stap verder dan het concept van 1853. Dat was bijvoorbeeld<br />
te merken in de omschrijving van de bevoegdheden van de visitatoren53:<br />
de magister-generaal was krachtens zijn functie de eerst<br />
aangewezen visitator.<br />
53 In het overzicht werd onder dist.IIa bij cap.1,1, De officio Magistri Generalis een<br />
artikel ingeyoegd over de visitatoren (nr.266). Daarin stond dat de maeister-generaal<br />
iedere drie jaar zelf visitatie moest houden of een ander daartoe moest afvaardieen. De<br />
overige jaren moest de visitatie gebeuren door visitatoren, die op het generaal kapittel<br />
werden gekozen. In het overzicht van 1660/1868 sloot dit artikel aan op het hoofdstuk<br />
6, De capitulo Generali. De visitatores werden immers aangesteld door het generaal kapit-
36 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
In het concept van 1921 werd een volledig hoofdstuk over een<br />
provinciaal bestuur ingelast, dat echter niet opgenomen werd in<br />
de definitief goedgekeurde tekst. In een ongedateerde brief van<br />
magister-generaal Hollmann aan Van Asseldonk, vermoedelijk uit<br />
1922, lezen wij : "(...) Als de Orde grooter wordt en er drie provincies<br />
kunnen gevormd worden> zoude eene verdeeling wenschelijk zijn.<br />
Dan komen er drie provinciaals voor de drie provincies ofmeer naar<br />
gelang de Orde zich uitbreidt, en zouden de Statuten daaromtrent nu<br />
reeds wellicht voorwaardelijk kunnen goedgekeurd worden en behou-<br />
den blijven. Zoolang de Orde bestaat uit huizen, blijfi de Generaal in<br />
dat geval ah hoofd over alles staan. Wordt de Orde verdeeld in provincieSy<br />
dan komt er een curia te Rome namelijk de Generaal, de vier<br />
DefinitoreSy de Procurator Generalis en de Oeconomicus Generalis<br />
alien te Rome, en in elke provincie een provinciaal met zijn vier<br />
Definitoren. Laat ze in dien zin de Statuten die geconcipieerd zijn,<br />
tuijzigen. (...)"54.<br />
Mocht er nog enige twijfel bestaan over de autonomie van de<br />
plaatselijke huizen, dan werd ze in de constituties van 1925 helemaal<br />
weggenomen. De 'prior conventualis heette voortaan defini<br />
tief 'prior localis een benaming, die in de ontwerpen en zeker in<br />
het beleid van Van den Wijmelenberg manifest aanwezig was<br />
geweest om het overwicht van de £prior generalis', voortaan magister<br />
generalis genoemd, uit te drukken.<br />
tel, waaraan zij verslae moesten uitbrengen. In de concept-statuten van 1853 werd dit<br />
verband bewaard. In dist.IIIa, cap.5 van 1925, De capitulo Generally werden de visitatoren<br />
slechts terloops vernoemd in nr.422. Er werd niets gezegd over hun verkiezing noch<br />
over het verslag van hun visitaties. G. SCHEERDER, De prior conventualis in de orde van<br />
het Heilig Kruis. Roma, 1992, Cruciferana nr.33, p.52<br />
54 Arch. Generalaat, 001.1 /A
DE ROMEINSE BEVOOGDING 37<br />
BIJLAGE: Bepalingen over de religieuzen volgens de nieuwe<br />
codex van het kerkelijk recht, opgetekend door magister-gene-<br />
raal Hollmann in 1919<br />
De nu volgende aantekeningen van H. Hollmann presenteren wij in translatie...<br />
canon 489: Regels en constituties, die niet in strijd zijn met de verordeningen<br />
van het nieuwe recht, blijven van kracht. De andere vervallen.<br />
canon 499: De religieuzen zijn gehoorzaamheid verschuldigd aan de paus, ook<br />
krachtens de gelofte van gehoorzaamheid.<br />
canon 501: Oversten en kapittels hebben de macht om hun onderdanen te<br />
besturen en in de orde, waarin priesters zijn, hebben de oversten<br />
rechtsmacht, zowel voor het gerechtshof van de kerk als voor het<br />
geweten.<br />
canon 502: De generale overste van de orde heeft macht over alle provincies,<br />
huizen en leden van de orde. Deze macht moet hij uitoefenen vol<br />
gens de voorschriften van Regels en Statuten. De plaatselijke over<br />
sten hebben dezelfde macht over de personen, die binnen hun<br />
rechtsgebied vallen.<br />
canon 505: De hogere oversten (generaal en provinciaals) worden voor een<br />
bepaalde tijd aangesteld, tenminste wanneer zij volgens de consti<br />
tuties niet ad vitam worden aangesteld. De plaatselijke oversten<br />
mogen niet worden aangesteld voor een tijd langer dan drie jaren.<br />
Is deze tijd verstreken, dan kunnen zij opnieuw voor drie jaar her-<br />
kozen worden, als de statuten dat toelaten, doch na deze volgende<br />
drie jaren kunnen zij niet onmiddellijk opnieuw voor hetzelfde<br />
huis gekozen worden.<br />
canon 507: Bij de keuze moeten de voorschriften van het kerkelijk recht vanaf<br />
canon 160 tot 182 onderhouden worden, tegelijk met alle statuten,<br />
die daarmee niet in strijd zijn. Stemmen ronselen voor zichzelf of<br />
voor anderen mag niet. In het geval de prior niet herkiesbaar is en<br />
het toch wenselijk is dat hij aanblijft, kan in Rome gevraagd wor<br />
den om een verlenging van de ambtsduur met drie jaar.<br />
canon 509: Minstens eens per maand moeten de broeders catechetisch onder-<br />
richt krijgen.
38 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
canon 510: Iedere vijf jaar moet de generale overste verslag uitbrengen in<br />
Rome over de toestand van de orde.<br />
canon 511: De visitatie moet volgens de statuten door de algemene overste<br />
gehouden worden of door een afgevaardigde van deze overste.<br />
canon 513: De visitator kan aan iedereen uitleg over de toestand van het huis<br />
vragen. Als men niet akkoord gaat met de voorschriften van de visi<br />
tator, mag men in beroep gaan bij een hogere instantie. In afwachting<br />
van de uitspraak moet men echter wel de voorschriften van de<br />
visitator nakomen.<br />
canon 514: Elke overste mag aan alle onderhorigen en zelfs aan leken die in<br />
zijn klooster wonen en onder zijn bestuur vallen, de laatste sacra-<br />
menten toedienen.<br />
canon 515: Eretitels, die met de religieuze staat niet overeenstemmen, mag<br />
canon 516 - 517:<br />
canon 518 - 519:<br />
men niet dragen. Wel mag men de titel dragen van waardigheden,<br />
die men in de orde bekleed heeft, bijvoorbeeld oud-prior. Ook de<br />
titel van doctor is geoorloofd, mits men deze titel rechtmatig heeft<br />
verworven.<br />
Volgens de statuten hebben de generale en provinciale oversten<br />
hun raad. Ook de prior localis heeft zijn raad. De generale overste<br />
moet ook een econoom of procurator hebben, die onder zijn toe-<br />
zicht de geldelijke zaken van de orde behartigt. De prior localis<br />
moet eveneens een procurator hebben voor de tijdelijke zaken. Om<br />
dringende redenen kan de prior localis zelf dit ambt bekleden. De<br />
procurator generalis moet in Rome de zaken van de orde behartigen.<br />
In elk huis moet de prior verschillende biechtvaders benoemen. De<br />
plaatselijke overste kan de biecht van zijn onderdanen wel horen,<br />
maar zonder ernstige reden mag hij hier geen gewoonte van<br />
maken. De prior mag niemand dwingen bij hem te biechten.<br />
Ofschoon het volgens de statuten op sommige tijden verplicht<br />
wordt om bij de vastgestelde confessarii te biechten, mag een religi-<br />
eus voor andere momenten zelf een biechtvader kiezen, die door de<br />
bisschop werd goedgekeurd.<br />
canon 530: Geen enkele overste mag zijn onderdanen aansporen om hem hun<br />
gewetenstoestand te openbaren.
canon 532 t/m 537:<br />
DE ROMEINSE BEVOOGDING 39<br />
De kloostergoederen moeten bestuurd worden volgens de statuten<br />
en volgens de voorschriften van het kerkelijk recht.<br />
canon 538: De broeders moeten bij hun intrede een postulaat van zes maanden<br />
maken voor zij aan het noviciaat kunnen beginnen. De generaal<br />
kan, indien nodig, deze periode verlengen.<br />
canon 540 - 541:<br />
Een retraite van acht voile dagen moet aan het noviciaat voorafgaan<br />
en als de generale overste dit nodig acht moet de kandidaat ook<br />
biechten.<br />
canon 543: De aanvaarding tot het noviciaat, tot de kleine en de solemnele<br />
professie komt toe aan de generale overste en zijn raad.<br />
canon 553 - 566:<br />
Het noviciaat duurt een vol jaar. Ten vroegste een dag na het beeindigen<br />
van dat jaar mag de novice zijn professie doen.<br />
canon 567: voorrechten van een novitius<br />
canon 568 - 571:<br />
canon 572 - 573:<br />
Aan wie en hoe moet de novitius tijdens het novitiaat het bestuur<br />
zijner goederen opdragen?<br />
Vereisten v66r de professie<br />
canon 574: Aan de solemnele eeuwigdurende gelofte moet een tijdelijke pro<br />
fessie voor drie jaar voorafgaan.<br />
canon 578: Welke voorrechten hebben zij, die de tijdelijke geloften hebben<br />
afgelegd?<br />
canon 579 - 580:<br />
canon 581 - 586:<br />
Welke gevolgen en uitwerking heeft de tijdelijke gelofte?<br />
Hoe moet de tijdelijk geprofeste afstand doen van het eigendom<br />
der goederen, die hij bezit, en wanneer?<br />
canon 587: Welke studies moeten gevolgd worden?
40 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
canon 588: Tijdens de studiejaren staan de religieuzen onder de leiding van de<br />
prefect, die dezelfde bevoegdheden moet hebben van een novicen-<br />
meester.<br />
canon 590: Na het beeindigden van de studies moeten de jonge priesters vijf<br />
jaar lang elk jaar een examen afleggen over de opgelegde leerstof.<br />
canon 591: Elke maand moet in ieder huis een conferentie gehouden worden,<br />
die door alle theologanten en alien die hun studies voltooid heb<br />
ben, bijgewoond moet worden.De religieuzen zijn verplicht alles te<br />
ohderhouden wat voor de geestelijken in het algemeen is voorge-<br />
schreven van canon 124 - 142, tenzij het tegenovergestelde duide-<br />
lijk uit de woorden blijkt.<br />
canon 593: De religieuzen moeten alle geloften trouw onderhouden, leven vol-<br />
gens regel en constituties en streven naar volmaaktheid.<br />
canon 594: § 1. Het gemeenschappelijk leven moet, vooral wat voedsel, kle-<br />
ding en huisraad betreft, door alien onderhouden worden. § 2. Alle<br />
geld of geldwaarden, die door de overste of de onderdanen worden<br />
verkregen, moeten bij het geld van het huis, van de provincie of<br />
van de orde in de algemene brandkast worden opgeborgen. § 3. De<br />
religieuze armoede moet overal doorwerken.<br />
canon 595: De oversten moeten ervoor zorgen, dat alle relgieuzen<br />
1. een jaarlijkse retraite houden.<br />
2. dagelijks de H.Mis bijwonen en zich op het innerlijk gebed<br />
toeleggen en op alle andere godsdienstige oefeningen.<br />
3. minstens een keer per week biechten. Zij moeten ook de dage-<br />
lijkse communie bevorderen.<br />
canon 596: De religieuzen moeten het habijt dragen. Er kunnen gewichtige<br />
redenen zijn om dit niet te doen. Daarover zal geoordeeld worden<br />
door de generale, provinciale of plaatselijke overste.<br />
canon 597: In het klooster is het pauselijk slot van kracht. Onder het slot vallen<br />
het gehele bewoonde huis, de tuin, wijngaard, boomgaard of<br />
moestuin, voor zover ze binnen de kloostermuren liggen. Behoren<br />
niet tot het slot: de kerk en de aangrenzende sacristie, de gastenka-<br />
mer of spreekkamer. Waar het slot verplicht is, moet duidelijk wor<br />
den aangegeven en voor iedereen zichtbaar zijn. De generale en<br />
provinciale oversten kunnen om gegronde redenen de clausura wij-<br />
zigen of andere grenzen vastleggen.
DE ROMEINSE BEVOOGDING 41<br />
canon 2342: Wie de clausura schendt of toelaat dat ze geschonden wordt, bij-<br />
voorbeeld door vrouwen in het klooster toe te laten, loopt de pau-<br />
selijke excommunicatie op. Uitzondering wordt gemaakt voor een<br />
regerende vorstin, de vrouw van een regerende vorst en hun gevolg<br />
(canon 598 §2).<br />
canon 606: De oversten moeten ervoor zorgen dat de voorschrifren van de con-<br />
stituties omtrent het uitgaan van confraters of het ontvangen van<br />
bezoek nauwkeurig worden onderhouden. Zij kunnen geen ver-<br />
gunning geven aan hun onderdanen om buiten het klooster te<br />
leven, tenzij voor een korte periode. Een verblijf buiten het kloos<br />
ter voor een half jaar of langer kunnen zij niet geven, tenzij voor<br />
hogere studies en dan nog alleen met goedkeuring van de H.Stoel.<br />
canon 610: In elk huis, waar ten minste vier religieuzen zijn, die geschikt zijn<br />
en niet op dat ogenblik wettig verhinderd zijn, moet dagelijks het<br />
officie gehouden worden op de wijze, zoals de constituties voorschrijven.<br />
Dagelijks moet ook een H.Mis gecelebreerd worden, die<br />
met het goddelijk officie overeenstemt. De solemneel geprofeste,<br />
die niet aanwezig was in het koor, moet het officie privaat bidden.<br />
canon 611: Alle briefwisseling met de H.Stoel, de Pauselijke Legaat, de<br />
Kardinaal Protector, de Generaal, de Provinciaal, de prior (als hij<br />
afwezig is) en de bisschop mag gebeuren zonder toestemming te<br />
vragen van de eigen overste.<br />
canon 612: Als de bisschop klokkengelui, gebeden of solemniteiten voor het<br />
bisdom voorschrijft, zijn ook de religieuzen verplicht daarin te<br />
gehoorzamen.<br />
SAMENVATTING<br />
dr. Roger JANSSEN o.s.c.<br />
Magister-generaal Henricus Hollmann kwam tijdens zijn ambtsperiode stilaan tot de<br />
ontdekking dat de orde behoefte had aan nieuwe constituties. Vele kruisheren wisten<br />
immers van geen hout pijlen te maken wanneer zij de constituties van de orde wilden<br />
laten samenvallen met hun werk binnen en buiten het klooster. Omdat de orde een<br />
groot deel van haar autonomie verloren had, moest in deze materie rekening worden<br />
gehouden met de wensen van de Romeinse instanties, met de traditie van de orde en met<br />
het engagement van de kruisheren in dienst van de Kerk.
42 DE ROMEINSE BEVOOGDING<br />
De nieuwe statuten, die vanaf Pinksteren 1926 kracht van wet kregen, wezen op de<br />
prediking van het Kruis in dienst van de Kerk, op de assistentie in de parochies en op<br />
net apostolaat in de colleges. Hoewel toen reeds het missiewerk hoog in aanzien stond,<br />
werd er alleen in het voorbijgaan over gesproken. Wat betreft de hierarchische structuur<br />
van de orde gingen zij een stap verder dan het concept van Van den Wijmelenberg uit<br />
1853, dat eertijds verworpen werd door het generaal kapittel. Het gebedsleven werd<br />
beklemtoond, met betrekking tot de armoede werden de voorschriften realistischer en<br />
een hele reeks bepalingen reeelden het interne leven in het klooster op een wijze, die aangepast<br />
was aan de geplogenheden van het eerste kwart van de twintigste eeuw.<br />
ZUSAMMENFASSUNG<br />
Generalmagister Henricus Hollmann (1899-1927) kam wahrend seiner Amtszeit<br />
allmahlich zur Erkenntnis, dafi der Orden neue Konstitutionen brauchte. Viele<br />
Kreuzherren waren namlich nicht mehr in der Lage, ihre tagliche Arbeit innerhalb und<br />
aufterhalb des Klosters mit den Konstitutionen in Einklang zu bringen.<br />
Da der Orden einen Teil seiner Autonomie verloren hatte, mufite bei einer Anderung<br />
seiner Konstitutionen den Wiinschen der romischen Instanzen, aber auch den<br />
Traditionen des Ordens sowie dem Engagement der Mitbruder im Dienst der Kirche<br />
Rechnung getragen werden.<br />
Die neuen, an das neue Kirchenrecht (1917) angepaEten Konstitutionen wurden ab<br />
Pfingsten 1926 verpflichtend gestellt. Sie hoben starker die Kreuzesspiritualitat, den<br />
Schulapostolat und die Aushilfe in der Pfarrseelsorge hervor.<br />
Obwohl 1926 schon auf die Missionsarbeit grofien Wert gelegt wurde, findet man sie<br />
in den Konstitutionen nur beilaufig erwahnt.<br />
Was die hierarchische Struktur des Ordens betrifrt, gingen die neuen Konstitutionen<br />
einen Schritt weiter als das Konzept von Van den Wijmelenberg aus dem Jahr 1853, das<br />
damals vom Generalkapitel abgelehnt wurde.<br />
Das Gebetsleben wurde starker betont, die Bestimmungen im Hinblick auf das<br />
Armutsgeliibde wurden realistischer, eine Reihe von Vorschriften regelte das interne<br />
Leben im Kloster auf eine Weise, wie es dem religiosen Klima des ersten Viertels des 20.<br />
Jahrhunderts entsprach.<br />
RESUMfi<br />
Durant son generalat, le Maitre-Ge'neral Henri Hollmann decouvrit progressivement<br />
que l'ordre avait besoin de nouvelles constitutions. En effet, beaucoup de croisiers ne<br />
savaient sur quoi s'appuyer lorsqu'il s'agissait de faire coincider les constitutions de l'ord<br />
re avec leurs activites a l'interieur et a l'exterieur du couvent. Parce que l'ordre avait<br />
perdu une grande partie de son autonomie on devait pour cette question tenir compte<br />
des vceux des instances romaines, de la tradition de l'ordre et de l'engagement des croi<br />
siers au service de l'Eglise.<br />
Les nouveaux statuts qui depuis Pentecotes 1926 avaient force de loi attiraient l'attention<br />
sur la predication de la croix, l'assistance dans les paroisses et l'apostolat dans les<br />
colleges. Quoiqu'a l'e'poque on appre'ciait hautement l'oeuvre missionnaire, on n'en parlait<br />
qu'occasionnellement. Quant a la structure hie'rarchique de l'ordre, on fit un pas en<br />
avant dans la conception de Van de Wijmelenberg de 1853 qui jadis fut rejet.ee par le
DE ROMEINSE BEVOOGDING 43<br />
chapitre general. On souligna la vie de priere, on rendit plus realistes les preceptes concernant<br />
la pauvrete et une se'rie de determinations reglerent la vie intirieure des couvents<br />
aux ne'cessites de la vie du premier quart du 20° siecle.<br />
SUMMARY<br />
During his term on office, Henricus Hollmann, master general, gradually became<br />
aware of the order's need for new constitutions. Many Crosiers experienced great diffi<br />
culties combining the order's constitutions with their work inside and outside the<br />
monastery. Since the order had lost a great deal of its autonomy, the wishes of the<br />
Roman authorities had to be taken into consideration together with the order's tradition<br />
as well as the commitment and concern of the Crosiers in the service of the Church.<br />
The new statutes, which had been made obligatory since Pentecost 1926, included<br />
the preaching of the Cross in the service of the Church, assistance in the various<br />
parishes and pastoral work in the colleges. Although the mission work was already held<br />
in high esteem at that moment, it was only casually mentioned. As to the order's<br />
hierarchic structure, those statutes expanded the concept of Van den Wijmelenberg in<br />
1853, which was formerly rejected by the General Chapter. Prayerlife was emphasized<br />
and the precepts concerning poverty became more realistic ; furthermore the rules that<br />
were laid down for life inside the monastery, were adapted to the habits and customs of<br />
the first quarter of the 20th century.
LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
LES PRIEURES DE CONDREN ET DE CHAUNY<br />
Avant-Propos<br />
Si l'existence de l'Ordre des Croisiers ainsi que son histoire sont<br />
actuellement ignorees de la plupart des Fran^ais, malgre le louable<br />
souci de certaines villes ou localites, fieres de leur passe et cherchant<br />
a le faire connaitre, nous constatons qu'a travers les publica<br />
tions de l'Ordre, vivant et actif aux quatre coins du monde (sauf<br />
en France), l'histoire des prieures fran
46 LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
L'Abbe Albert DURAND (1923-1985) a publie deux ouvrages<br />
tres documentes:<br />
- "Les Croisiers au Maine: le Prieure de Saint-Ursin & Lignieres-la-<br />
Doucelle (Mayenne)", dans "<strong>CLAIRLIEU</strong>" de 1964, n° 22, en 91<br />
pages (p. 3 a 90, avec illustrations),<br />
- "Les Croisiers en Normandie: le Prieure Sainte-Croix de Caen",<br />
dans "<strong>CLAIRLIEU</strong>" de 1967, n° 25, en 156 pages (3 a 147, avec<br />
illustrations).<br />
Andre BOCHIN et les croisiers Theo van den ELSEN (1916-<br />
1994) et Clement BRASSEUR ont collabore pour une premiere<br />
etude sur "LES CROISIERS A BUZANCAIS", publiee dans<br />
"<strong>CLAIRLIEU</strong>" de 1989, n° 47, en 49 pages (p. 101 a 146, avec<br />
illustrations).<br />
Le Dr. J. Michael HAYDEN est Tauteur d'un article intitule<br />
"Le Prieure de l'Hopital de Saint-Georges de Tredias" (c'est-k-dire<br />
deTremeur), paru dans "<strong>CLAIRLIEU</strong>" de 1990-1991, n° 48-49,<br />
en 16 pages (p. 93 a 106, avec illustrations), ecrit en anglais.<br />
Le Dr. J. Michael HAYDEN a aussi ecrit deux autres etudes:<br />
- Tune sur les croisiers de Paris, intitule "From inspiration to<br />
mediocrity: the early modern crosiers of Paris", mais elle ne constitue<br />
pas une veritable monographic du couvent de la Bretonnerie,<br />
- l'autre sur les croisiers fran^ais aux XVIIe et XVIIIe siecles, avec<br />
une irrempla^able liste de 289 religieux de differents couvents, a<br />
laquelle nous nous referons souvent pour la recherche de Phistoi-<br />
re de chaque communaute1.<br />
A cette cadence, il faudrait encore un siecle pour realiser la col<br />
lection complete des monographies des prieures de France dont<br />
1 DuDr. J.-M. Hayden:<br />
- dans "<strong>CLAIRLIEU</strong>", annee 1987, n° 45 (p. 31 a 52, avec illustrations), "From<br />
inspiration to mediocrity...",<br />
- dans "<strong>CLAIRLIEU</strong>", ann^e 1969, n° 27 (p. 3 a 45), "The French Crosiers in the<br />
seventeenth and eighteenth centuries".
LES CROISIERS EN PICARDIE 47<br />
nous reproduisons ci-apres la liste dans l'ordre chronologique de<br />
leur fondation avec indication de l'extinction:<br />
1. 1248-1789 TOULOUSE, Saint-Orens (deux sites successifs)<br />
2. 1258-1790 PARIS, Sainte-Croix de la Bretonnerie<br />
3. Avant 1275-1789 CAEN (Calvados)<br />
4. 1280-1486 CONDREN, Saint-Eloi (Aisne)<br />
5.1286-1789 CARIGNAN (anciennement YVOY), Sainte-Gertrude<br />
(Ardennes)<br />
6. 1292 - avant 1596 BANET (Pas-de-Calais?), localisation inconnue<br />
7. 1302-1770 LIGNIERES-ORGERES (precedemment Lignieresla-Doucelle),<br />
Saint-Ursin (Mayenne)<br />
8. 1343-1770? LAINES-AUX-BOIS (Aube)<br />
9. 1342-1789? SALIGNAC (devenu Salignac-Eyvigues), Dordogne<br />
10.1346-1789 TREMEUR (souvent confondu, a tort, avec TRE-<br />
DIAS), Saint-Georges (Cotes-d'Armor)<br />
11. 1391-1789 VARENNES-SUR-ALLIER (Allier)<br />
12. 1418-1783 BUZANCAIS (Indre)<br />
13. 1474-1792 LANNOY (Nord)<br />
14. 1486-1789 CHAUNY (Aisne), par transfert de CONDREN<br />
15. 1490-1534 WATENY (Nord?), localisation inconnue<br />
16. 1493-1790 SEICHES-SUR-LE-LOIR (Maine-et-Loire),<br />
Le Verger-Sainte-Croix<br />
17. 1672-1789 ? VERTEILLAC (Dordogne) \<br />
Le regrette Abbe Albert DURAND, a qui nous devons d'avoir<br />
ete initie a l'histoire des Croisiers des 1970, avait l'intention de<br />
poursuivre la redaction de monographies si bien inauguree avec les<br />
prieures de SAINT-URSIN et de CAEN. On ne sait a quel stade<br />
il etait parvenu, car ses notes et travaux preparatoires ont disparu.<br />
A son exemple, depuis une dizaine d'annees, nous avons entrepris<br />
de rechercher sur place ce qui peut subsister de quinze prieu<br />
res fran?ais, ceux de BANET et de WATENY n'ayant pas encore<br />
pu etre localises. Nous nous sommes rendu dans dix-huit depots<br />
d'archives publiques a travers la France, pour y effectuer des<br />
recherches personnelles avec un succes inegal. Faute de temps,<br />
2 Nous faisons des reserves sur 1'exactitude des annees indique'es. II existe peu de<br />
documents sur les fondations. On pourrait admettre que les fermetures correspondent<br />
avec le depart effectif du dernier religieux, mais l'incertitude est de regie la egalement.
48 LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
nous nous sommes presentement bornd au reperage des vestiges<br />
eventuels, a la localisation geographique ainsi qu'k l'histoire<br />
gen^rale de chaque prieure, et & l'elaboration des listes des religieux<br />
qui y ont reside. Nous avons a peine effleure l'^tude du temporel<br />
(dons et fondations, biens et revenus) qui n^cessite un depouillement<br />
systematique des archives notariales car les livres de<br />
comptes, les cartulaires ou les terriers sont rares ou inexistants.<br />
Nos plus recentes recherches nous ont conduit aux Archives<br />
D^partementales de l'Aisne, a LAON, pour travailler sur les docu<br />
ments relatifs aux prieures de CONDREN et de CHAUNY. C'est<br />
ce qui nous permet d'aborder maintenant a l'histoire de ces deux<br />
communautes voisines qui n en font qu'une seule puisqu'il s'est agi<br />
d'un transfert du premier site au second. Conscient de rinsuffisante<br />
moisson de documents, nous ne pretendons realiser ici<br />
qu'une ebauche facilitant les recherches ulterieures.<br />
* *<br />
*
Situation de Chauny et de Condren par rapport a Saint-Quentin<br />
(extrait de la Carte Michelin n° 236 de 1991, ^chelle 1/200.000).
ifJep-BeJne 24<br />
N^o/iMarei<br />
Neuville-*0/s*ev<br />
Beine Qenlis<br />
Situation de Faillouel et de Condren par rapport a Chauny (extrait agrandi de la carte Michelin 236 de 1991).
LES CROISIERS EN PICARDIE 51<br />
LE PRIEURE SAINT-ELOI de CONDREN<br />
Sources et Bibliographic<br />
Quelques tres breves indications nous sont fournies par<br />
Cornelius Rudolphus HERMANS, auteur des "ANNALES" de<br />
rORDRE de SAINTE-CROIX3: le couvent Saint-Eloi de<br />
CONDREN fut fonde en 1280 au diocese de Noyon et il fut<br />
transfere a CHAUNY, dependance du duche d'Orleans, en 1487.<br />
L'abbe J. TURPIN, dans "CHAUNY et ses environs"4, dit que<br />
"CONDREN avait un prieure des religieux de Sainte-Croix; CHAUNY<br />
le lui enleva comme le reste en 1486. Le couvent fut attire a CHAUNY<br />
par Marie de Cleves qui merita par ses bienfaits de laisser son nom a une<br />
rue de CHAUNY".<br />
Maximilien MELLEVILLE, auteur d'une "Histoire de la ville<br />
de CHAUNY"5, precise quune communaute<br />
"fondle a FAILLOUEL6 en 1182, par Jean, seigneur du lieu, pour quel<br />
ques freres Croise's, en memoire sans doute d'un voyage accompli par lui<br />
dans la Terre-Sainte "avait dte transfe're'e" environ cent ans apres, a<br />
Condren, par Agnes de Faillouel, arriere-petite-fille du fondateur. Ce flit<br />
Louis d'Orleans qui songea a retirer les religieux Croises de Condren pour<br />
les mettre a Chauny, ou sa mere, Marie de Cleves, desireuse de finir ses<br />
jours dans cette ville, avait fait construire pour eux une
52 LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
Nous observerons que l'annee 1182 donnee par MELLEVILLE<br />
pour la fondation de Faillouel est anterieure d'une trentaine d'annees<br />
a la fondation de l'Ordre des Croisiers (vers 1210-1211, sans<br />
certitude) et que, dans l'absence de sources historiques comme il<br />
etait d'usage a 1'epoque de MELLEVILLE, les circonstances de<br />
l'installation des Croisiers - et non pas des Croises - a Faillouel meriteraient<br />
d'etre ^claircies, sinon verifiees.<br />
Le bulletin municipal "HISTORIQUE de CONDREN", que<br />
M. Gerald NABERES, maire de cette commune, nous a aimablement<br />
offert lors d'un recent entretien, donne quelques renseignements<br />
supplementaires sans toutefois fournir les sources:<br />
"Le couvent prieural de freres croises de Sainte-Croix, e'tabli au XIIe siecle<br />
a FAILLOUEL, flit transe're a CONDREN en mai 1277 et y demeura<br />
jusqu'en i486, epoque a laquelle il rut de'finitivement transfere a CHAU-<br />
NY.<br />
En 1825, les chanoines de Sainte-Croix obtinrent de Guy des Prez, eveque<br />
de Noyon, l'autorisation de constuire une e'glise a CONDREN.<br />
Ces religieux, connus ensuite sous le nom de chanoines reguliers7 de<br />
Sainte-Croix de Tordre de Saint-Augustin, de'pendaient de Sainte-Croix<br />
de la Bretonnerie de Paris ou re'sidait le Provincial.<br />
... Les armoiries du couvent de Sainte-Croix etaient d'azur, a la croix d'or,<br />
rexu seme de fleurs de lys d'argent".<br />
"L'ancienne dglise de Condren devait etre le bas cote droit de l'dglise du<br />
couvent de Sainte-Croix qui semble ainsi avoir dur^ 600 ans, jusqu'a la<br />
destruction par les Allemands en 1917; situee au bord de 1'Oise, elle dtait<br />
completement entouree par le cimetiere communal. Orient^ d'ouest en<br />
est, l'edifice de style roman comprenait un clocher porche et un chevet<br />
carrd caracte'ristique de beaucoup d'anciennes e'glises du Laonnois".<br />
Cette compilation de documents, pour interessante qu'elle soit,<br />
gagnerait k s'enrichir de recoupements avec des documents originaux<br />
qui existent peut-etre encore dans les archives et que nous<br />
nous emploierons a decouvrir.<br />
7 Au lieu de "chanoines rigulieri\ le texte dit "chanoines religieux". Nous avons rectifie.
la Jonctikre<br />
SQUARE CLO5<br />
SAINTE-CROIX ,<br />
lesAulnes<br />
Pyl. et Bne<br />
In<br />
a Grande \<br />
pomp<br />
*»» . -<br />
Mont<br />
Extrait agrandi de la carte de l'lnstitut Ge'ographique National au 1/25.000.<br />
N° 2610 Quest - Paris 1992 - Edition 3.
Extrait du plan cadastral de Condren (Aisne) - Anne'e 1828.
Extrait reduit du plan cadastral de Condren (XXe siecle). Le "square Clos Sainte-Croix"<br />
(et non pas "square Claude Sainte-Croix") se trouve dans la pointe, au dela de la rocade.
M. Gerard Naberes, maire de Condren (Aisne), au milieu du square Clos S" Croix.<br />
Photographies Andre Bochin (24 juin 1998).
Situation Geographique<br />
LES CROISIERS EN PICARDIE 57<br />
CONDREN, commune situee a cinq kilometres a Test de<br />
CHAUNY et a vingt-et-un kilometres & vol d'oiseau et a Test de<br />
NOYON, siege d'un ancien eveche, s'etire de part et d'autre de la<br />
route departementale D.53 qui utilise le trac£ de la Chaussee<br />
Brunehaut, laquelle se superpose a Pantique voie romaine rectiligne<br />
reliant Saint-Quentin (au nord) a Soissons (au sud).<br />
C'est precisement le long de cet itineraire que subsiste "Le<br />
CLOS SAINTE-CROIX" clairement delimite sur le plan cadastral<br />
de 18288. II etait constitue par l'ensemble des parcelles n° 237 a<br />
266 qui se repartissaient sur 420 metres de longueur du nord au<br />
sud et couvraient environ 4 hectares. Les confins sont designes<br />
sous les noms de:<br />
- La Grande Hautois a Test et au nord,<br />
- Au-dessus de la Ruelle Galand v „<br />
-L'Aiguillon alouest'<br />
- Champ Mai.. ote a l'ouest et au sud,<br />
- Derriere La Montois au sud-est.<br />
Le cadastre du XXe siecle, recemment revise, comporte toujours<br />
la meme denomination "CLOS SAINTE-CROIX" (section A.1).<br />
Malgre les regroupements de parcelles et la modification de la plupart<br />
d'entre elles, il est aise de comparer leur configuration generale<br />
sur les deux generations cadastrales.<br />
Toutefois, Textremite septentrionale a et£ isol^e par le talus en<br />
remblai de la rocade qui relie desormais la route departementale<br />
D.I a la route nationale 44 (Saint-Quentin-Laon) en evitant par<br />
le sud les zones urbaines de Tergnier a La F&re.<br />
Cette partie isolee, c'est-a-dire la parcelle 99 bordee au nord par<br />
le chemin des Sarts, forme un triangle isocele de 1000 metres car-<br />
8 Section A, 2eme feuille.
58 LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
res environ. La municipalite de CONDREN a eu l'heureuse idee<br />
de 1'amenager en "espace vert" pour maintenir le souvenir de cette<br />
zone jadis humide et propice au pacage. Elle y a installe une charrue<br />
du type "Brabant double", chere aux agriculteurs du premier<br />
tiers du XXe siecle, pour accentuer le caractere rural du site.<br />
Mais surtout, tres attachee au maintien du souvenir, la munici<br />
palite a donne au terrain le nom de "SQUARE CLOS Ste<br />
CROIX" que le dessinateur du cadastre a libelle curieusement<br />
"Square Claude Sainte-Croix", en inventant un personnage vraiment<br />
inattendu!<br />
Nous avons vu que Tancienne eglise de CONDREN "devait<br />
etre le bas cote droit de Teglise du couvent de Sainte-Croix, situee<br />
au bord de l'Oise", c'est-a-dire a environ un kilometre au sud du<br />
"Clos Sainte-Croix". Si cette localisation etait attestee, les batiments<br />
conventuels auraient ete situes aupres de Teglise et le "Clos<br />
Sainte-Croix" n'aurait eu qu'une vocation rurale.<br />
Cinq siecles se sont ecoules depuis le depart des croisiers pour<br />
Chauny et de nombreuses guerres ont ravage les lieux. Les vestiges<br />
eventuels ont tous disparu. Seules, les archives peuvent encore<br />
enrichir nos maigres connaissances.<br />
Liste des religieux<br />
A defaut de documents anterieurs a 1410, la principale source<br />
reside dans Pindispensable ouvrage qui rassemble "Les Definitions<br />
des Chapitres Generaux de 1'Ordre de Sainte-Croix"9. Les comptes<br />
rendus indiquent notamment les affectations des religieux dans<br />
les divers prieures ou leur nomination dans des nouvelles fonctions.<br />
Us comportent aussi la liste des defunts dont le deces est survenu<br />
depuis le precedent chapitre general10.<br />
9 A. Van de Pasch, "Definities der Generate Kapittels van de Orde van het H. Kruis<br />
1410-1786", Bruxelles, Palais des Academies, rue Ducale 1, 1969, XIII + 630 pages.<br />
10 Le tableau indique l'annee de reunion du Chapitre General. La date des dexes se<br />
situe done anterieurement, sachant que la periodicite des reunions a ete variable et que<br />
certains comptes rendus peuvent faire defaut.
LES CROISIERS EN PICARDIE 59<br />
Cette tres riche documentation est completee par les renseigne-<br />
ments figurant dans les articles de "<strong>CLAIRLIEU</strong>".<br />
Nume'ro Nume'ro Annee du<br />
d'ordre de page des Chapitre<br />
Definitions General<br />
1 - XIIIes. Jean de HARGNY, prieur de CONDREN<br />
'"Clairlieu" 1972, p. 86). II aurait fonde le<br />
couvent de Tournai en 1294.<br />
2 60 1430 Henricus OLDENKERKEN (Hinricus de<br />
ALDEKIRCHEN), du couvent de Nigrapalus,<br />
Schwarzenbroich (Allemagne), resi<br />
dera cette annee a CONDREN.<br />
3 63 1432 Arnoldus de VENLO (Pays-Bas), du couvent<br />
de CONDREN, residera au couvent de<br />
Paris.<br />
4 63 1432 Alardus, du couvent de Paris, residera a celui de<br />
CONDREN<br />
4bis<br />
5<br />
6<br />
67<br />
67<br />
67<br />
1435<br />
1435<br />
1435<br />
Alardus, de CONDREN...<br />
Petrus,de CONDREN...<br />
Arnoldus TURNOUT,<br />
du couvent de Namur.<br />
Lors du Chapitre General<br />
de 1437 (p. 70), il sera<br />
envoye au couvent de<br />
Tournai (Belgique).<br />
resideront au<br />
couvent de<br />
CONDREN<br />
jusqu'au rappel<br />
par le prieur<br />
du couvent<br />
de Namur.<br />
7 69 1436 Johannes RUNEN, du couvent de Sainte-<br />
Agathe, Cuick (Pays-Bas), envoye a<br />
Zwertzenbroch par le Chapitre General de<br />
1423 (page 47), puis a Namur par celui de<br />
1428 (p. 56), est assigne a CONDREN.<br />
II ira a Maastricht par ordre du Chapitre de<br />
1437. Son deces est connu lors du Chapitre<br />
de 1443 (p. 81).<br />
8 70 1437 Thomas, frere convers de CONDREN, reside<br />
ra "in Altonemore" (couvent de Hohenbusch,<br />
Allemagne).<br />
8.1 72 1438 II residera a Tournai jusqu'au rappel du Prieur<br />
General.<br />
8.2 75 1440 II est maintenu a Tournai.<br />
8.3 77 1441 II est de nouveau maintenu a Tournai.
60 LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
8.4 89 1448 II r&idera & Sceydam (couvent de Schiedam,<br />
Pays-Bas, fonde depuis cinq ans).<br />
9 108 1458 Bertrandus GYNET, pretre du prieur* de<br />
Buzan^ais (Indre), residera au couvent de<br />
CONDREN. Son deces est cite lors des<br />
Chapitres Ge'niraux de 1469 (p. 134) et de<br />
1474 (p. 144).<br />
10 109 1459 Cornelius, pretre du couvent de Bentlage<br />
(Allemagne), residera a CONDREN a la<br />
disposition du prieur de Tournai11.<br />
10.1 117 1462 II residera au couvent de Paris.<br />
11 109 1459 Vincentius, pretre du couvent de Namur, resi<br />
dera a CONDREN a la disposition du pri<br />
eur de Tournai.<br />
12 117 1462 Richardus (Richard MARESQ), pretre du cou<br />
vent de Caen, est envoye* par son prieur,<br />
avec un ou des compagnons, comme recteur<br />
du couvent de CONDREN. A Caen, il<br />
avait 6te sous-prieur en 1431 et simple reli<br />
gieux en 143812. Le Chapitre Ge'ne'ral de<br />
1453 (p. 98) 1'envoya a Tournai pour se preparer<br />
a sa tache de reTormateur, Vy maintint<br />
en 1454 (p. 101), en 1455 (p. 102) et en<br />
1456 (p. 104), le renvoya a Caen en 1461<br />
(p. 114) pour en reformer le couvent, avec<br />
les fonctions de sous-prieur.<br />
II est envoye au prieure' de Buzancais en<br />
1470 (p. 136), avec deux compagnons,<br />
pour le reformer. II sera encore simple reli<br />
gieux a Caen en 147712. Son deces est<br />
connu lors du Chapitre General de 1478 (p.<br />
154).<br />
13 166 1484 Johannes, prieur de CONDREN, est decide.<br />
14 169 1485 Nicolaus DOCH, du couvent de Paris, r&idera<br />
a CONDREN.<br />
A partir de i486, les Definitions des Chapitres Generaux ne<br />
citeront plus de religieux du couvent de Condren, ce qui confirme<br />
le transfert de la communaute a Chauny.<br />
11 Cornelius est aussi cite* dans "<strong>CLAIRLIEU</strong>", ann&s 1962-1963, page 139, note<br />
n° 122.<br />
12 Voir "<strong>CLAIRLIEU</strong>", annexe 1967, page 43, et annee 1989, pages 131-132.
LE PRIEURE DE CHAUNY<br />
Sources et Bibliographic<br />
LES CROISIERS EN PICARDIE 61<br />
Nous retrouvons pour Chauny les memes ouvrages que pour<br />
Condren, avec quelques adjonctions.<br />
L'abbe Jules CARON, dans une "Histoire populaire de CHAU<br />
NY et de ses environs", au chapitre des rues et places publiques,<br />
cite l'impasse Sainte-Croix qui s'ouvre sur la rue des Cailloux en<br />
disant que<br />
"La maison-mere des Dames de la Croix de Chauny s'est mise dans cette<br />
impasse depuis la Revolution; elle e'tait situe'e primitivement sur la place de<br />
rhotel-de-ville, a l'entre'e de la rue Neuve-Saint-Martin; puis dans<br />
l'Abbayette; l'emplacement actuel du couvent et du pensionnat des<br />
Dames de la Croix fut occupe', jusqu'en 1790, par les fibres Croisds, ou<br />
religieux de Sainte-Croix, appeles a Chauny, en 1485, par la pieuse princesse<br />
Marie de Cleves13".<br />
Maximilien MELLEVTLLE, dans le "Dictionnaire Historique<br />
du Departement de l'Aisne"14, se borne a citer qua Chauny<br />
"une petite communaute' defreres croisis s'etablit ... en i486",<br />
et il publie une gravure anonyme representant une vue generate de<br />
Chauny en 1610. Alliant l'exactitude k une grande fantaisie,<br />
comme cela se faisait a l'epoque, cette vue comporte, pres des<br />
remparts, l'eglise des croisiers avec son abside demi-circulaire et sa<br />
fleche centrale.<br />
L. CAPAUMONT, dans la "Notice historique sur la ville de<br />
Chauny"15, donne une petite indication sur Marie de Cloves:<br />
13 "Histoire populaire de CHAUNY et de ses environs" par TAbbe* Jules CARON,<br />
curd d'Autreville. A Visbecq, libraire-editeur, Chauny, place de l'H6tel-de-Ville 1878<br />
pages 30-31.<br />
14 "Dictionnaire Historiaue du De'partement de l'Aisne" par Maximilien MELLE-<br />
VILLE, Office d'Edition du Livre d'Histoire, Paris, 1996, Edition complete et<br />
annotde de l'ddition de 1865, d'apres l'ddition originale de 1857, dont les deux tomes<br />
ont ixi rdunis en un volume.<br />
15 "Notice Historique sur la Ville de Chauny, suivie d'un traiti sur les mesures loca<br />
les, nouvelles et anciennes" par L. CAPAUMONT, secretaire de la mairie. Imprimerie<br />
Soulas-Amoudry, libraire, Noyon, 1840, 116 pages (Tome I, page 225).
62 LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
"Charles, due d'Orl^ans ... a sa sortie de captivite en 1440 ... dpousa<br />
Marie de Cleves, fille d'Adolphe Ier et niece du due de Bourgogne, qui<br />
fut dame de Chauny par douaire; le sdjour de cette ville plaisait beaucoup<br />
a cette dame; elle prit la resolution de s'y e'tablir et y mourut en 1487; on<br />
ne dit pas qu'elle y fut inhumee".<br />
Maximilien MELLEVILLE, dans son "Histoire de la ville de<br />
Chauny55, poursuit la citation que nous avons donnee au chapi-<br />
tre de Condren:<br />
"Bien que places sous la protection du due et de la duchesse d'Orleans,<br />
l'etablissement (des croisiers) a Chauny ne se fit pas sans difficult^. Le<br />
cure du lieu craignant de se voir enlever, par ces nouveaux venus, une partie<br />
des offrandes et des oblations des fideles, leur suscita mille obstacles.<br />
Cela les mit dans la necessity de composer avec lui. Us s'engagerent a lui<br />
payer chaque anne*e une rente de 20 sous, a presenter tous les ans, le jour<br />
de la Chandeleur avant la messe, au prieur de Notre-Dame, un cierge de<br />
cire blanche pesant une livre, et a assister aux processions ge'nerales.<br />
Moyennant ces concessions, ils furent autorise's a se fixer a Chauny, a avoir<br />
des troncs dans leur e'glise et a recevoir les offrandes des fideles. En 1772,<br />
ces religieux etaient encore au nombre de cinq, et possedaient 2.500 livres<br />
de revenus".<br />
MELLEVILLE publie de nouveau "La vue de la ville de<br />
Chauny" mais il la date de 1604.<br />
Le Bulletin de la Societe Academique de Chauny de l'annee<br />
1890 fournit quelques precisions sur les proprietes des croisiers<br />
adjugees au titre des biens nationaux. Nous y reviendrons plus<br />
loin.<br />
Enfin, les Archives Departementales de TAisne permettent de<br />
trouver de nombreux renseignements dans les series B, H et Q.<br />
Nous n avons pas encore pu les exploiter completement, de meme<br />
que nous n avons pas entrepris de depouiller les registres de controle<br />
des actes notaries et sous-seings prives dont le bureau de<br />
Chauny, a lui seul, ne comporte pas moins de 123 registres en serie<br />
C(n° 1852 a 1974).
Identification<br />
LES CROISIERS EN PICARDIE 63<br />
II convient d'eliminer l'erreur - plusieurs fois rencontre - de la<br />
confusion de CHAUNY avec CHAULNES, toutes deux cites de<br />
Picardie. Le pr&ieux "INDEX" publie en 195316 rattache douze<br />
fois a Chaulnes les citations d'HERMANS. Dans ses "ANNA<br />
LES..."17, nous trouvons notamment<br />
"CALNIACUM ... est oppidulum Picardiae, dioecesis Noviomensis, tres<br />
distans leucas Perona ...",<br />
c'est-a-dire Chaulnes (ou Chauny?) est une petite place-forte distante<br />
de trois lieues de Peronne, soit environ douze kilometres. Or,<br />
a vol d'oiseau, Chaulnes est a 16 km de Peronne tandis que<br />
Chauny en est eloign^ de 40 km.<br />
Etymologiquement, "La Grande Encyclopedic"18 attribue CAL<br />
NIACUM a Chauny, alors que Chaulnes d^coulerait de Calnoe,<br />
Ceuloe, Cenlula ou Chaula. Au demeurant, les toponymes les plus<br />
frequemment employes par HERMANS sont Calniacensis,<br />
Calneacensis, Channyacensis et Channyensis, termes qui sont sans<br />
ambiguite.<br />
16 L'INDEX renvoie aux "ANNALES ..." d'HERMANS:<br />
- pour CHAULNES aux pages suivantes ou nous trouvons<br />
- Tome I (1) 18 Charny, 150 Calniacensi et Calniacum, 151 Channyensis,<br />
Scannii, Chaunii, Calniacum, Calniacensem.<br />
- Tome I (2) 88 Calniaci,<br />
- Tome II 191 et 196 Calniacensis, 199 Samnii, Scannii,<br />
- Tome III 88 et 91 Calneacensi, 93 et 139 Calneacensis, 226 Calniacensis.<br />
- pour CHAUNYaux pages suivantes ou nous trouvons<br />
- Tome II 192 Channyacensem, 195 Channyensis.<br />
17 "ANNALES ..." d'HERMANS, Tome I (1) page 150<br />
18 "LA GRANDE ENCYCLOPEDIE", Paris, Lamirault et Cie, e"diteurs, Paris, 61<br />
rue de Rennes, Imprimerie Arrault, Tours, pages 957 et 966 (tome 10).
Vue (jcocrale de Chauny en 1610.<br />
Extrait du "Dictionnaire Historique du Departement de l'Aisne" par Maximilien Melleville.<br />
L'eglise du Prieure Sainte-Croix est au centre.<br />
n<br />
B
CHAUNY<br />
Au centre de Chauny, l'enclos rectangulaire de l'ancien prieurd Sainte-Croix est indique'<br />
par une fleche.<br />
Extrait agrandi de la Carte de l'lnstitut Ge'ographique National au 1/25.000 N° 2510 Est.
La ville de Chauny au XVIIIe siede.<br />
Le couvent des religieux de Sainte-Croix est install* dans un angle de la ville fortifiee, a proximit*<br />
d'un Element dtfensif qui porte le nom de "Bastion Ste-Croix", pointe* vers le Nord-fcst.
CHAUNY<br />
PLAN
PLAN<br />
CHAUNY
70 LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
Situation geographique<br />
Lorsque, d^muni de toute information sur la localite, nous<br />
avons eu pour la premiere fois Toccasion de faire une hake a<br />
CHAUNY en 1989, nous n'avons trouve personne qui fut en mesure<br />
de nous renseigner sur Templacement du Prieure Sainte-<br />
Croix. Nous avons craint que la Premiere Guerre Mondiale en ait<br />
definitivement efface toute trace lors de la destruction systematique<br />
opdree par les Allemands en 1917.<br />
Huit annees plus tard, revenant a Chauny, muni du plan de la<br />
ville au XVIIIe siede consulte dans l'ouvrage de TURPIN4 et<br />
apres en avoir reporte le contour des remparts sur un plan recent,<br />
nous avons constate sur place que, malgr^ les destructions dues a<br />
la Revolution et aux guerres, l'emplacement du prieure Sainte-<br />
Croix avait subsiste dans sa delimination parcellaire peripherique,<br />
avec exactitude, depuis plus de 250 ans.<br />
Grace aux deux extraits des plans cadastraux aimablement fournis<br />
par M. Pascal HIRSON, geometre-expert a Chauny, nous<br />
avons pu comparer revolution de la repartition du terrain en<br />
diverses parcelles au XVIIIe, XIXe et XXe siecles.<br />
L'enclos du prieure affecte un rectangle assez regulier mesurant<br />
environ 130 metres de longueur et 40 metres de largeur. II couvrait<br />
done approximativement un demi-hectare.<br />
II etait situe dans Tangle septentrional de la ceinture des rem<br />
parts qui entouraient Chauny. II donnait son nom au "Bastion<br />
Sainte-Croix" pointe vers le nord-est. A Test se trouvait le bastion<br />
du Pissot, isole par un foss^ en eau franchi par le pont du Pissot<br />
lui-meme verrouille par la porte du meme nom.<br />
Au nord et a Test, le mur de cloture du prieure etait longe par<br />
le large chemin de ronde, appele ult^rieurement "Les Promena<br />
des". Tres elargi et les remparts ayant ete arases, il domine le grand
LES CROISIERS EN PICARDIE 71<br />
jardin public qui occupe les fosses asseches. Le long du mur orien<br />
tal de l'enclos du prieure, l'allde plantee d'arbres porte actuellement<br />
le nom d'Allee des Veuves, probablement a cause de la proximite<br />
du monument commemorant les morts de la Deuxieme<br />
Guerre Mondiale, construit rue de la Paix.<br />
Au sud, le couvent avait un acces sur la rue d'Orleans qui evo-<br />
quait l'epoque ou le due d'Orleans etait, entre autres fiefs, seigneur<br />
de Chauny. C'est l'actuelle rue de la Paix.<br />
A l'ouest, la rue Sainte-Croix bordait le couvent sur une lon<br />
gueur de 80 metres environ et debouchait au sud a l'endroit oil la<br />
rue des Cailloux se poursuit par la rue d'Orleans. Ce n'^tait,<br />
comme de nos jours, qu'une voie sans issue qui fut appelee "Cul<br />
de sac de la Vigilance" sous la Revolution, est nommee "Cul de sac<br />
Sainte-Croix" sur le plan cadastral du XIXe siecle, et "Rue Sainte-<br />
Croix" sur celui du XXe siecle.<br />
Presque dans l'axe de cette impasse, en traversant la rue de la<br />
Paix, on trouve la tr&s courte rue de Cleves. Nous savons, par<br />
MELLEVILLE19, que Marie de Cleves, duchesse d'Orleans, fit<br />
construire le prieure de Chauny. Rappelons que Marie de Cleves,<br />
princesse de la maison de La Marck, nee le 9 septembere 1426,<br />
decedee a Chauny en 1487, etait la fille d'Adolphe IV, due de<br />
Cl&ves, et de Marie de Bourgogne. Elle etait la petite-fille de<br />
Charles le Temeraire, 4eme due de Bourgogne. Elle se maria en<br />
1440 avec Charles ler, due d'Orleans, le poete, dont elle etait la<br />
troisieme femme. Cette union scella definitivement la fin de la<br />
lutte des Armagnacs et des Bourguignons, marquee notamment<br />
par le traite de Buzan^ais signe le 14 novembre 1412. Mere du roi<br />
de France Louis XII, Marie de Cleves se remaria en 1480 avec un<br />
jeune gentilhomme artesien, Jean de Rabodanges, seigneur de<br />
Boncourt. Consideree comme l'une des femmes les plus distinguees<br />
de son temps, Marie de Cleves avait de grandes qualites<br />
' Cf. supra dans le chapitre "Sources et bibliographic" pour le prieure de Condren.
72 LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
intellectuelles et morales, une profonde pi^te, un cuke pour les<br />
arts, qu'elle prot^gea, et meme un trbs reel talent po&ique20.<br />
Le plan du XVIIIe siecle ne fournit pas Vindication sur Ternplacement<br />
de 1'eglise, ni sur celui des batiments monastiques.<br />
Nous ne trouvons qu'une maigre Enumeration de ces lieux dans le<br />
proc&s-verbal de visite et d'estimation de Sainte-Croix de Chauny,<br />
datE des 14, 15 et 17 Janvier 1791, et etabli par Jacques NICO<br />
LAS dit "Cravatte", maitre mafon et entrepreneur de batiments,<br />
expert nomme par le Directoire du District de Chauny:<br />
^glise<br />
cloitre<br />
maison (monast£re)<br />
batiment<br />
grange<br />
dcurie et remise<br />
mur de cloture (et terrains batis et non batis,<br />
mesurant 100,5 verges)<br />
maison occupe'e par la dame MANGIN,<br />
petit fournil et appenti, jardin (6 verges)<br />
maison occupee par le nomme PREVOST,<br />
compagnon vitrier, batie en bois<br />
(10 pieds largeur sur 17 longueur)<br />
1<br />
1<br />
664 livres<br />
128 livres<br />
059 livres<br />
339 livres<br />
224 livres<br />
54 livres<br />
2 200 livres<br />
1 600 livres<br />
100 livres<br />
Total: 7 368 livres21.<br />
Le prieure Sainte-Croix, declare bien national, fut vendu par<br />
adjudication le 5 avril 1791. Le proc&s-verbal nous indique qu'il y<br />
avait un "belvedair" au bout du jardin (?), et que l'dglise ainsi que<br />
la chapelle de la Vierge devaient etre demolies22.<br />
Nous n'avons pas encore pu consulter les matrices cadastrales<br />
pour relever l'identit^ des propri&aires qui ont succede aux adju-<br />
20 "LA GRANDE ENCYCLOPEDIE", op.cit., Tome 11, page 667, et le "GRAND<br />
DICTIONNAIRE ENCYCLOPEDIQUE LAROUSSE", 1982, Tome III, page 2308.<br />
21 Archives Ddpartementales de 1'Aisne, LAON, Q.423/116.<br />
22 A.D. Aisne, registre Q.433, prods-verbal n° 171. II fait l'objet d'un chapitre spe<br />
cial (cf. infra). Le bulletin municipal "HISTORIQUE de CONDREN" indique "... la<br />
construction d'un couvent et d'une dglise ditruits h la Revolution".
LES CROISIERS EN PICARDIE 73<br />
dicataires de 1791. Nous pourrions y trouver l'annee lors de<br />
laquelle les Dames de la Croix, dont nous a parle l'abbe Caron23,<br />
ont fait Pacquisition des lieux.<br />
L'oeuvre du graveur A. Benoit, reproduite dans la belle publica<br />
tion sur les "Rues et Places d'hier k aujourd'hui" (M&noire du<br />
Chaunois) dont M. Rene GERARD est l'auteur24, montre une vue<br />
cavaliere du "Pensionnat des Religieuses de la Croix" qui peut etre<br />
attribute a la fin du XIXe siecle. Cette institution etait exactement<br />
installee a l'emplacement du prieure Sainte-Croix. La preuve en<br />
est apportee par trois documents:<br />
- une photographie aerienne de Chauny, anterieure k 1917, dont<br />
nous ne possedons qu'une photocopie tr&s sombre que nous avons<br />
du renoncer a reproduire,<br />
- une carte postale representant "Les Promenades" au debut du<br />
XXe siecle, oil Ton apergoit le chevet de la chapelle du pensionnat,<br />
- une reproduction d'une photographie de cette chapelle partiellement<br />
d^molie (contemporaine de la Premiere Guerre Mondiale,<br />
supposee responsable de la demolition); la magonnerie, faite de<br />
briques, semble apporter la preuve qu'il s'agissait d'une construc<br />
tion du XIXe siecle25; l'eglise initiate des croisiers (XVe siecle)<br />
aurait done effectivement disparu lors de la Revolution.<br />
Exception faite des fondations du mur d'enceinte, il apparait<br />
que rien ne subsiste desormais du prieure Sainte-Croix de Chauny.<br />
De nos jours, son emplacement est occupe par:<br />
- deux immeubles d'habitation aux numeros 4 et 6 rue de la Paix,<br />
- le magasin "Art et Lumiere" au numero 8 de cette rue,<br />
- deux demeures racemes, avec jardin bois£, aux numeros 6 et 8 de<br />
l'impasse (et non pas de la rue) Sainte-Croix.<br />
23 Abte CARON, cf. supra, note 13.<br />
24 Rend GERARD, president de la Socie'te' Acade'mique d'Histoire, d'Arche'ologie,<br />
des Arts et des Lettres de Chauny, demeurant 15 rue du Village, 02300 COMMEN-<br />
CHON. Bulletin imprime' par Dupuis S.A., 02700 Tergnier, 1995, page 27.<br />
25 Les trois documents nous ont 6t6 aimablement offerts par M. Rend GERARD que<br />
nous tenons a remercier de son aide prdcieuse.
PENSIONNAT DES RELIGIEUSES DE LA CROIX<br />
Memoire du chaunois rues et places 27.<br />
1
Vue des "Promenades", ancien chemin de ronde des remparts, en direction du "Bastion Sainte-Croix".<br />
Le couvent des Croisisers etait a gauche. Entre les arbres, on aper^oit le chevet de l'eglise des Religieuses de la Croix.<br />
La carte postale peut etre datee du debut du XX' siecle.<br />
—<br />
pa<br />
n<br />
o<br />
73<br />
z<br />
-a<br />
n<br />
g<br />
pn
L'eglise des Religieuses de la Croix, a Chauny.<br />
Cette vue semble avoir ete prise apres 1917, annee de la destruction systematique de la ville par 1'armee allemande.
Le temporel du prieure<br />
LES CROISIERS EN PICARDIE 77<br />
Nous ne le connaissons actuellement que d'une fafon fragmentaire.<br />
Dans Tattente de nos futures recherches, nous nous bornons<br />
provisoirement a quelques indications relevees aux Archives<br />
Departementales de PAisne.<br />
1. Le 16 novembre 1696, un parchemin de Gabriel SOUAILLE,<br />
conseiller du roy, president lieutenant ge'ne'ral au baillage de Chauny et<br />
prevost roial dudit lieu<br />
...concerne un bail consenti par Louis Nicolas de VERVIN,<br />
chevalier seigneur de Saint-Ay, a Me Simon de CHAGNES,<br />
conseiller du roy, lieutenant en la maitrise particuliere des Eaux et Forets<br />
de Chauny, d'une maison a Chauny<br />
en lisiere de la ruelle qui conduit aux religieux de Ste-Croix<br />
(Sous-serie 41.J.27, 2eme piece).<br />
2. Le 6 mai 1776: ... "M. de CREIL, ancien capitaine lieutenant<br />
des grenadiers a cheval du roy" avait compte acquerir le convent<br />
de Ste-Croix "pour en faire des ecuries et autres logements pour<br />
la compagnie qu'il commandait", projets qui n'ont pas pu<br />
s'executer (Sous-serie 41 J.27, 6eme pi£ce).<br />
3. Vente des biens nationaux. "ABBAYE" (sic) de Sainte-Croix:<br />
Le couvent de Sainte-Croix de Chauny, batiments, cours, jardins<br />
en dependant, ensemble deux petites maisons faisant<br />
face a la rue d'Orleans, ont ete vendus pour le prix total de<br />
13.200 livres.<br />
Acquereurs:<br />
- HEBERT Jean-Baptiste, pour 4 321 livres<br />
- DUVANET (lire DUVERNET) Gaspard,<br />
pour 2 879 livres<br />
- DEMANGEOT Jean-Baptiste, pour 6 000 livres<br />
61 seders 1/2 de terre (I4ha 87a 68ca) en 34<br />
pieces, savoir:
78 LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
- 21 setiers (5ha 8a) en 11 pieces, sur le terri-<br />
toire de Chauny,<br />
- 26 setiers (6ha 29a) en 11 pieces, au terroir<br />
d'Abbecourt,<br />
- 18 setiers 3/4 (4ha 53a 42ca) en 10 pieces,<br />
au terroir d'Ognes,<br />
- 3 setiers (72a 57ca) en 2 pieces, au terroir<br />
de Neuflieux, vendus a DEBRY Jean-<br />
Baptiste, laboureur a Abbecourt, et RADET<br />
Charles, laboureur a Chauny, moyennant 17 100 livres.<br />
Une piece de terre de 3 quarterons (18 ares) et un<br />
setier neuf verges (28 ares 38 centiares) en 2<br />
pieces, a Commenchon, vendues a DUPONT<br />
pour 155 livres.<br />
Trois macaudees de terre (lha 39a 60ca) au<br />
Bailly, terroir de Chauny, vendues a GRE-<br />
NIER Jean-Charles, jardinier a Chauny, pour 1 000 livres.<br />
Un marche de 9 setiers 7 verges 1/2 de terre (2ha<br />
22a) et 2 setiers 8 verges (52a lOca) de pres,<br />
vendus a Veuve Felix MARECHAL, pour 910 livres.<br />
Ces elements ont ete publies dans le Bulletin de la Societe<br />
Academique de Chauny (Tome IV, 1890, pages 223-224) qui pre<br />
cise qu'ils proviennent de "diverses notes recueillies par M. l'abbe<br />
CARON" (Archives Departementales de l'Aisne, 8° R 10/4).<br />
Nous n avons pas pu expliquer comment les 61 setiers 1/2 de terre<br />
vendus a DEBRY et RADET deviennent 68 setiers lorsqu'ils sont<br />
repartis en quatre lots!<br />
4. Vente des biens nationaux. "COUVENT des Religieux<br />
SAINTE-CROIXde Chauny':<br />
- Deux setiers 6 verges (51a 17ca) de terre, situes<br />
a la montagne de Commenchon, lieudit La<br />
Bourgogne, plantes de deux rangees de ceri-<br />
siers au nombre de 64 et d'un noyer, vendus a
LES CROISIERS EN PICARDIE 79<br />
MARECHAL Jean-Louis et Antoine, laboureurs<br />
a Commenchon, pour 1 000 livres.<br />
- Deux autres setiers 2 verges (49a 3lea) de terre,<br />
au meme lieudit, plantes de 9 cerisiers et de<br />
cinq mauvais pommiers, vendus a Jules<br />
GUERIN, commis au district, pour<br />
- 18 verges (8a 37ca) de terre, plantees d'un pom-<br />
1 550 livres.<br />
mier, situees proche la Ruelle Epinocque, vendues<br />
moyennant 2 400 livres.<br />
- 15 verges (6a 98ca) de terre, plantees de deux<br />
pommiers et d'un cerisier, situees ruelle<br />
d'Abbecourt, lieudit Le Grand Trou, vendues<br />
a GODARD, meunier a Commenchon, pour<br />
2 075 livres.<br />
La source est identique a celle du paragraphe 3 (pages 235-236).<br />
5. Vente de biens nationaux. Adjudication du 22 mars 1971<br />
(registre Q.433, proces-verbal n° 123, Chauny):<br />
Un marche de terre contenant 46 setiers 40 ver<br />
ges (environ 11 hectares), six faulx et demie de<br />
prez, au terroir de CONDREN, et onze faulx un<br />
quart de prez au terroir d'AMIGNI, afferme par<br />
les anciens religieux de Sainte-Croix de CHAUNY<br />
a Sebastien et Quentin LEFEVRE dudit<br />
CONDREN (par acte passe devant Me FRAN-<br />
QUET, notaire a CHAUNY, le ler mars 1788),<br />
a ete adjuge apres un seizieme feu a Andre<br />
SAUTERRE, procureur demeurant a CHAU<br />
NY, moyennant 20.900 livres.<br />
Andre SAUTERRE, juge de paix du canton rural de Chauny,<br />
agissait au profit et au nom de Charles Francois Florent<br />
GOUILLART (ou GOUILLIART), ecuyer, conseiller du Roy,<br />
son Procureur au Bureau des Finances de la Generalite de<br />
Soissons, ancien maire de la ville de SOISSONS, y demeurant.
80 LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
Source: minutes du notaire RABEUF, A.D. Aisne, 136.E.7,<br />
27 mai 1788 (en ce qui concerne les titres et fonctions en<br />
vigueur avant 1789).<br />
6. Vente de biens nationaux. Adjudication du 10 aout 1791<br />
(registre Q.438, proces-verbal n° 516, Chauny):<br />
Jean-Louis GOURNAY, jardinier a Chauny, par acte du 14<br />
decembre 1786, a afferm^ 3 morceaux de terre appeles Le<br />
Champ des Croises, situes au bailly terroir de Chauny, et en a<br />
6t6 adjudicataire le 22 mars 1791 (registre Q.433, proc&s-verbal<br />
n° 119) pour 1.350 livres. Pour defaut d'avoir paye les<br />
12 % de cette somme, une nouvelle adjudication a ete prononc^e<br />
au profit de Jean-Charles GRENIER, moyennant<br />
1.000 livres, par Jacques Cabart MAUPERTUIS et Pierre<br />
TOURNEUR, vice-president et membre du Directoire du<br />
District de Chauny.<br />
7. Cr^ance du prieure. Charles BIGAULT, laboureur a<br />
Abbecourt, ofifre de rembourser huit livres de rente "qu'il doit<br />
a la nation" pour 3 minots de terre a Abbecourt, appartenant<br />
a Vabbaye de Ste-Croix de Chauny (sic). Elle sera liquids a 160<br />
livres, montant fixe par le receveur de la r^gie nationale a<br />
Chauny (Q.417/109).<br />
8. Cr^ance du prieure. Le citoyen NATIER, jardinier a<br />
Senicourt, faubourg de Chauny, doit 5 livres 12 sols 6 deniers<br />
de surcens aux religieux de Sainte-Croix. Cette dette sera<br />
liquidee a 112 livres 10 sols (Q. 418/26 A).<br />
9. Dette du prieure. Claude LECONTE, boucher, reclame 187<br />
livres 13 sols pour la fourniture de viande du 5 avril au 16<br />
novembre 1790. II devra "se pourvoir" devant les religieux<br />
(Registre des deliberations du District de Chauny, 5eme<br />
Comite, seance du 3 mars 1791 Q.411/18).
La vente du prieure<br />
LES CROISIERS EN PICARDIE 81<br />
L'adjudication du prieure Sainte-Croix de Chauny, prononcee<br />
le 5 avril 1791 par LEVEQUE, vice-president, TOURNEUR,<br />
DESPREZ et DECROIX, membres du Directoire du District de<br />
Chauny, commissaires en cette partie, accompagn^s du procureursyndic<br />
(registre Q.433, proces-verbal n° 171), presente un interet<br />
particulier a cause des observations qui suivent le proces-verbal.<br />
En voici done la transcription:<br />
"Et le neuf avril mil sept cent quatre vingt onze, apres-midi, s'est pre'sente'<br />
au secretariat du District de Chauny M. Constant Jean-Baptiste Louis<br />
HEBERT, me particulier de la maitrise des eaux et forests de Chauny, y<br />
dem(euran)t, lequel a de'dare' que l'adjudication faite a son profit le cinq<br />
de ce mois, du couvent Stc Croix de cette ville et dependances, moyennant<br />
la somme de treize mille deux cents livres est tant pour lui que pour Mrs<br />
Jean-Baptiste DEMANGEOT, prieur de la ci-devant abbaye de Genlis, y<br />
demeurant, et Gaspard Content DUVERNET, religieux du ci-devant cou<br />
vent de Ste Croix dudit Chauny, lesquels, presents, ont accepti et s'obligent<br />
solidairement enver ledit sieur HEBERT de payer ladite somme de<br />
treize mille deux cents livres dans les termes et proportions fixe's par ladi<br />
te adjudication, et de satisfaire sous la meme solidite aux autres clauses,<br />
charges et conditions d'icelle. En consequence, lesdits Srs HEBERT,<br />
DEMANGEOT et DUVERNET desirant diviser entre eux lesdits biens<br />
sont convenus de ce qui suit. Savoir:<br />
- Que ledit S. DEMANGEOT aura pour sa part et portion la maison de<br />
Ste Croix, a prendre depuis le batiment qui est contre la basse-cour et tout<br />
le terrein du coti du midi qui se trouvera compris dans l'enceinte que formera<br />
un mur que lesdits Srs DEMANGEOT et HEBERT conviennent<br />
de faire sur les fondations et en continuant celui qui est existant actuellement<br />
et s^pare le jardin d'en-haut d'avec les autres petits jardins attenants<br />
la cour, et le jardin d'en-bas, et ledit mur se prolongera ensuivant celui<br />
actuellement existant jusqu'a la petite descente proche le mur du rempart<br />
ou il sera egalement, et a l'allignement du mur ci-dessus, etabli un mur<br />
par suite. Pour raison de quoi ledit S. DEMANGEOT payera du prix<br />
principal de ladite adjudication la somme de six mille livres.<br />
- Que M. HEBERT aura pour sa part et portion la basse-cour en en tier<br />
avec les granges et ecurie y etant, toute la portion de jardin, depuis le mur<br />
ci-dessus de'signe' qui sera bati entre le S. DEMANGEOT et lui, la terrasse<br />
e*tant au bout dudit jardin proche le rempart, le Belvedair et le ter<br />
rein et murs de cloture compris dans cette portion, de plus YEglise et
82 ' LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
sacristie, sauf remplacement cede a M. DEMANGEOT, apres leur demo<br />
lition et la Chapelle de la Vierge dont remplacement est cede a M.<br />
DUVERNET \ et enfin ledit sieur HEBERT aura la petite maison, sise rue<br />
d'Orteans, louee au No(tair)e PREVOT et tenante a celle occupee par la<br />
D(am)e MANGIN. Pour raison de quoi M. HEBERT payera dudit prix<br />
principal la somme de quatre mille trois cent vingt et une livres.<br />
- Et enfin que M. DUVERNET aura pour sa part et portion la maison sise<br />
rue d'Orleans, occupe'e par ladite Dame MANGIN, la cour, jardin en<br />
dependant, et remplacement de la Chapelle de la Vierge, apres sa demoli<br />
tion^ et il sera construit un mur mitoyen sur Pallignement de celui qui<br />
existe actuellement a cote de ladite chapelle, et qui separe le jardin de ladi<br />
te maison, de celui qui appartiendra a M. DEMANGEOT, laquelle cons<br />
truction sera fake aux frais et depens de ce dernier, et cependant ledit S.<br />
DUVERNET s'oblige de payer audit S. DEMANGEOT dans un an<br />
d'hui une somme de cent cinquante livres pour tenir lieu de sa moitie<br />
dans les frais dudit mur sans que les parties puissent a cet £gard exercer<br />
aucune autre repetition Tune contre l'autre. Pour raison de quoi ledit S.<br />
DUVERNET payera dudit prix principal la somme de deux mille huit<br />
cent soixante dix-neuf livres.<br />
- Tout ce que dessus a 6t6 consenti et accepte par lesdits S(ieu)rs<br />
HEBERT, DEMANGEOT et DUVERNET, sans cependant que lesdites<br />
clauses puissent deroger a la solidite ci-dessus stipulee.<br />
- Et ont lesdits S(ieu)rs susnommes signe* avec nous, secretaire de ce dis<br />
trict, Fan et jour susdits.<br />
Ont signe: HEBERT f. DEMANGEOT, prieur<br />
Enregistd a Chauny le 18 avril 1791<br />
Recu quinze sols<br />
Contant DUVERNET TOURNEUR<br />
DESPREZ LEVEQUE DECROIX<br />
Signed BOURGES (?)"<br />
(vice-president)<br />
Ce texte montre que l'eglise du prieure Sainte-Croix de Chauny,<br />
ainsi que la chapelle de la Vierge dont nous apprenons ainsi Pexis-<br />
tence, conservees jusqu'alors, etaient vouees a la demolition.<br />
Comment HEBERT, devenu proprietaire de l'^glise, aurait-il pu la<br />
conserver, sinon pour un usage profane qui aurait conduit a main-<br />
tenir Pedifice hors d'eau et Paurait peut-etre sauve comme Pa ete<br />
Teglise du prieure Sainte-Croix de Buzan
LES CROISIERS EN PICARDIE 83<br />
DUVERNET, pour autant qu'il ait conserve un attachement sen<br />
timental a son couvent, aurait-il pu entretenir la chapelle de la<br />
Vierge alors que les biens et revenus etaient supprimes par la vente<br />
des biens nationaux?<br />
II apparait done comme certain qu'eglise et chapelle n'ont pas<br />
echappe a la destruction et qu'elles ont du servir de carriere, les<br />
materiaux ainsi recup^res ayant pu etre utilises pour edifier le mur<br />
de separation des lots des acquereurs, ou vendus comme cela s'est<br />
souvent produit. On sait aussi qu'a l'epoque, on etait tres loin de<br />
celle oil Ton prit enfin de l'interet pour la conservation du patrimoine<br />
architectural historique.<br />
Dans la tourmente revolutionnaire, nos religieux<br />
DEMANGEOT et DUVERNET ont-ils pu resider paisiblement<br />
dans leur propriete ? Nous ne sommes renseignes que pour le pre<br />
mier. En effet, par le registre des seances de la Societe Populaire de<br />
CHAUNY26, nous savons que le tribunal revolutionnaire de<br />
LAON condamna comme fanatique et envoya dans les prisons<br />
d'Argenlieu:<br />
"5°. DEMANGEOT J.-B., de Chauny, 53 ans, celibataire; avant la<br />
Revolution, prieur de l'abbaye des Pre'montre's reformes de GENLIS27;<br />
aujourd'hui sans profession ni revenu; caractere couvert; opinions fanati-<br />
ques. Le Comite observe au Comite de suret^ gendrale que, lors de l'ap-<br />
position des scelles sur les effets de DEMANGEOT, il s'est trouve une<br />
quantite considerable d'ornements et de linges d'e'glise, pour 3.000 livres<br />
environ et un calice avec sa patene que sa soeur et sa niece ont dit aux<br />
membres du Comiti charges de l'apposition des scelles, etre vendus<br />
depuis quelque temps. Le citoyen DEMANGEOT est encore denonce au<br />
Comite par la Societe Populaire pour avoir assiste a des conciliabules<br />
tenus a l'Hopital chez les Soeurs, avec des pretres inconstitutionnels; le<br />
Comite informe sur cette denonciation et en rendra compte au Comite<br />
de surete generale"28.<br />
26 In "BULLETIN de la SOCIETE ACADEMIQUE de CHAUNY", Tome 4, 1890<br />
(A.D.Aisne8°R10/4).<br />
27 Abbaye (ruinee) de GENLIS, ancienne commune de GENLIS devenue<br />
VILLEQUIER-AUMONT, situe'e a 5 km au nord de Chauny.<br />
28 Cf. note 26, op.cit., pages 61-62.
84 LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
Qu'est devenu DEMANGEOT apres son incarceration ? A-t-il<br />
sauve sa tete? Quant & Gaspard Constant DUVERNET, a-t-il ete<br />
assermente? Combien de temps a-t-il pu subsister a Chauny? Est-<br />
il retourne au couvent de Liege ou il avait ete ordonne pretre ? Ce<br />
sont autant de questions auxquelles il devrait etre possible d'ap-<br />
porter des reponses grace aux archives.<br />
Liste des religieux<br />
Comme pour le prieure de CONDREN dont la liste de reli<br />
gieux sera suivie de celle des religieux de CHAUNY, nous utilise-<br />
rons les Definitions des Chapitres Generaux et la revue "CLAIR-<br />
LIEU" comme principales sources. Nous ferons aussi reference a<br />
la liste ^tablie par le Dr. J-Michael HAYDEN signale dans notre<br />
avant-propos et que nous avons completee par une numerotation<br />
de 1 a 289 pour faciliter les recherches.<br />
Num^ro Num^ro de Anne'e du<br />
d'ordre pages des Chapitre<br />
Definitions Gdn^ral<br />
15 175 1487 Gherhardus LOSET, du couvent de Tournai,<br />
re'sidera dans le nouveau couvent de<br />
Chauny.<br />
16 185 1490 Cornelius GOES, du couvent "La Vallee des<br />
Lis" a Falkenhagen en Westphalie (Alle-<br />
magne), re'sidera au couvent de Chauny<br />
comme conventuel.<br />
17 185 1490 Godfridus BOMMEL, pretre du couvent<br />
d'Asperen (Pays-Bas), re'sidera a Chauny.<br />
18 186 1490 Johannes BRUGIS (Jean de Bruges), prieur de<br />
Chauny, et trois conventuels du meme cou<br />
vent sont de'ce'de's.<br />
17bis 188 1491 Gotfridus (Godefroid) BUMMEL retournera<br />
a Asperen, son couvent.
LES CROISIERS EN PICARDIE 85<br />
19 188 1491 Arnoldus BUSCODUCENSIS (Arnold de<br />
Bois-le-Duc, ou Hertogenbosch, Pays-Bas)<br />
restera au couvent de Chauny.<br />
20 188 1491 Martinus CADOMENSIS (Martin, du cou<br />
vent de Caen) re'sidera au couvent de<br />
Chauny.<br />
21 188 1491 Nicolaus donatus AQUENSIS (Nicolas, frere<br />
donne* du couvent d'Aix-la-Chapelle) re'si<br />
dera au couvent de Chauny.<br />
22 190 1492 Michael RUSSEL, du couvent de Caen, resi-<br />
dera au couvent de Chauny comme con-<br />
ventuel.<br />
23 193 1493 Glinus (Guilhain?), du couvent de Chauny,<br />
residera au couvent de Namur jusqu'au rap-<br />
pel du Reverend Pere General.<br />
24 193 1493 Natalis (Noel), du couvent de Chauny, y<br />
reviendra.<br />
25 201 1495 Lambertus CAMPIS, frere donne* du couvent<br />
Marie de la Paix (Marienfriede, au duche de<br />
Cleves, Allemagne), re'sidera au couvent de<br />
Chauny.<br />
15bis 202 1495 Gerhardus (LOSET ?), de Chauny, est d6c6d6.<br />
26 202 1495 Petrus, de Chauny, est decede. S'agirait-il de<br />
Petrus qui etait a Condren en 1435, soixan-<br />
te ans plus tot ?<br />
27 204 1496 Johannes de WARENIS (Jean, du couvent de<br />
Varennes-sur-Allier), restera au couvent de<br />
Chauny jusqu'a son rappel par le R^ Pere<br />
General.<br />
28 208 1497 Petrus WESENPELCER, pretre et procureur<br />
du couvent de Chauny, est decede\<br />
29 214 1499 Johannes BACE est de'charge' de l'office de<br />
sous-prieur du couvent de Chauny, et il est<br />
nomine* aux memes fonctions au couvent de<br />
Tournai.<br />
30 214 1499 Jacobus de HERMES est de'charge' des mainte-<br />
nant de roffice de sous-prieur de Tournai,<br />
et il est nomme' aux memes fonctions a<br />
Chauny.
86 LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
31 215 1499 Johannes ROSA (Jean ROSE ou de ROSE), du<br />
couvent de Buzan^ais, residera a Chauny<br />
jusqu'au rappel du R^ Pere General.<br />
31.1 221 1501 Johannes de ROSE est incorpore au couvent<br />
de Chauny.<br />
31.2 232 1504 Johannes de ROSA est nomme prieur a<br />
Buzanc^is.<br />
31.3 251 1511 Johannes de ROSA re'sidera au couvent de<br />
Tournai.<br />
31.4 269 1519 Johannes de ROSA, pretre de Buzancais, est<br />
de-cede.<br />
32 221 1501 Matheus Parisiensis (Matthieu, clerc du cou<br />
vent de Paris) residera au couvent de<br />
Chauny jusqu'au rappel du chapitre gene<br />
ral.<br />
33 221 1501 Johannes SCENESCALLI (Jean SENE-<br />
CHAL), du couvent de Chauny, residera au<br />
prieure Saint-Georges de Tre'meur comme<br />
sous-prieur.<br />
34 223 1501 Petrus CALNIACENSIS (Pierre, pretre de<br />
Chauny) est decede\<br />
35 227 1502 Hubertus CALNIACENSIS (Hubert, du cou<br />
vent de Chauny) est decede.<br />
36 232 1504 Johannes GRAND, du couvent de Paris, reste-<br />
ra au couvent de Chauny jusqu'au rappel du<br />
Rd Pere Ge'ne'ral.<br />
37 241 1507 Jacobus SENESCALLI (Jacques SENE-<br />
CHAL), du couvent de Chauny, est decede\<br />
38 244 1508 Augustinus CONDRENSIS (Augustin de<br />
Condren) re'sidera au prieure du Verger-<br />
Sainte-Croix, a Seiches-sur-le-Loir.<br />
39 244 1508 Henricus COSFELDIE, sous-prieur a Aix-la-<br />
Chapelle, est nomme' sous-prieur a Chauny<br />
ou le prieur et les freres devront le respecter<br />
ou lui obe'ir selon la coutume de l'Ordre,<br />
sous peine de faute grave.<br />
40 262 1515 Paulus CALNIACENSIS (Paul, pretre de<br />
Chauny) est dece'de'.
LES CROISIERS EN PICARDIE 87<br />
24bis 269 1519 Natalis, prieur du couvent de Chauny, est<br />
decede.<br />
41 276 1522 Almerus, pretre du couvent de Chauny, est<br />
de'ce'de.<br />
42 277 1523 Johannes GROIT (ou GROTE), du couvent<br />
de Paris, residera au couvent de Chauny.<br />
43 278 1523 Amandus CALNIACENSIS (Amand, pretre<br />
de Chauny) est decede.<br />
44 281 1524 Bonaventura, pretre du couvent de Chauny,<br />
est decede.<br />
45 293 1529 Jacobus HARDEMONT (a identifier a<br />
Nicolaus HOUDMAN?), du couvent de<br />
Chauny, residera a Tournai jusqu'au rappel<br />
du Rd Pere (General).<br />
46 299 1531 Petrus CHADONIENSIS (Pierre, du couvent<br />
de Chauny), sous-prieur, est decede.<br />
47 301 1532 Jacobus DOLLEMART (ou DANDERMIT,<br />
ou DANTERMENT?), conventuel de<br />
Chauny, avec le consentement du prieur et<br />
des freres de ce couvent, est incorpore au<br />
couvent de Tournai avec la permission du<br />
prieur et des freres de ce monastere.<br />
48 302 1532 Helenus, pretre du couvent de Chauny, est<br />
decide.<br />
49 310 1535 Lambertus DIONENSIS (Lambert, du cou<br />
vent de DINANT ?) est nomme sous-prieur<br />
au couvent de Chauny ("conventus<br />
Schauny") dont le prieur et les freres<br />
devront se corriger honnetement et faire<br />
preuve de charite\<br />
50 329 1541 Petrus CALNIACENSIS (du couvent de<br />
Chauny) est decede.<br />
51 341 1546 Andreas BIBILLACE, anciennement sous-<br />
prieur du couvent de Chauny, est decede.<br />
52 341 1546 Thomas de LARUSH ("hoc est de RUPE"),<br />
pretre du couvent de Chauny, est dece'de'.<br />
53 343 1547 Johannes BIBLOCT (ou BYLLOCK), pretre<br />
et ancien du couvent de Chauny, est<br />
dece'de.
88 LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
54 345 1548 Johannes FRAMEI est redonn
LES CROISIERS EN PICARDIE 89<br />
67 445 1624 Lucianus du FRAYER, prieur de Chauny et de<br />
Paris, ancien provincial (HERMANS, III,<br />
page 139) est de'cede depuis le dernier cha-<br />
pitre.<br />
68 - - Vers 1642, Michel GLORIS, du couvent de<br />
Paris, oppose* aux tentatives de la<br />
Congregation de Sainte-Genevieve d'englober<br />
le prieure de ia Bretonnerie, et apres un<br />
emprisonnement a 1'abbaye de Sainte-<br />
Genevieve-du-Mont (a Paris), fiit assigne au<br />
couvent de Chauny ou il vecut 18 mois. II<br />
y trouva "un" prieur mentalement des^quilibre',<br />
incapable de reagir contre le de'reglement<br />
de la vie conventuelle. C'etait a ce<br />
point qu'un religieux entretenait de coupables<br />
relations avec une femme de mauvaise<br />
vie. Ne tolerant pas ce comportement,<br />
Michel GLORIS prit l'initiatieve de faire<br />
irruption dans la chambre du religieux, au<br />
cours d'une nuit, et d'en chasser "la putain<br />
par les cheveux hors du couvent". Le<br />
confrere me'content resolut de se venger et<br />
abreuva des soldats de la garnison de la ville<br />
pour en obtenir qu'ils assassinassent Michel<br />
GLORIS. Mais Mme de SOREL, informee<br />
du complot, en avertit l'interesse', lui preta<br />
de l'argent, lui fit "bailler les chevaux de<br />
poste et ouvrir a mynuict les portes de la<br />
ville pour sauver sa vie et arriver a Paris"30.<br />
30 Analyse d'un cahier de 20 pages manuscrites, ine'dit, conserve aux ARCHIVES<br />
NATIONALES, Paris, L. 767 n° 160. Bien que ce document soit anonyme, nous pensons<br />
qu'il peut etre attribue' a Michel GLORIS dont le re'cit des aventures - quelque peu<br />
surprenantes - comporte de nombreuses precisions (dates, noms de personnes et de<br />
lieux) que nous avons pu verifier. Nous estimons, par consequent, qu'il est fiable.<br />
Sous reserve de verification, Louise de SOREL serait l'e'pouse de Louis de Sorel, sei<br />
gneur d'UGNY (a 6 km au NNO de Chauny), re'fiigie a Chauny, decide le 7 fevrier<br />
1652 (selon l'lnventaire Sommaire des Archives Communales de la Ville de Chauny,<br />
anterieures a 1790, par J. SOUCHON, archiviste de'partemental honoraire, Laon,<br />
Imprimerie de l'Aisne, 89 rue des Ecoles, 1926, page 136). Mais un autre Louis de<br />
SOREL (fils du pre'ce'dent ?) a ete' inhume le 5 septembre 1654 dans Viglise de Sainte-<br />
Croix: il etait mort la veille a Pe'ronne, des suites d'une blessure re
90 LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
Gloris est present a Paris en mai 1646.<br />
Envoye au prieure Saint-Georges de<br />
Tremeur ou il de'couvre l'activite de faux-<br />
monnayage du prieur, il est de nouveau<br />
menace, se refugie dans l'abbaye benedicti-<br />
ne voisine de Languedias ("Beaulieu"), est<br />
renvoye au couvent de Paris. Pris dans un<br />
guet-apens en se rendant a l'office matinal,<br />
il est injustement incarce're au prieure de<br />
Saint-Martin-des-Champs (actuellement le<br />
Conservatoire des Arts et Metiers, a Paris)<br />
du 15 fevrier 1647 au 25 fevrier 1648. II est<br />
alors force* de se rendre au prieure Sainte-<br />
Croix de Buzancais ou il arrive le 5 mars<br />
1648. II en repart pour Paris et decide de<br />
gagner Caen ou il tente de se faire rendre<br />
justice des sevices qu'il a subis de la part du<br />
provincial Antoine OUDIN. Sur le conseil<br />
du prieur du couvent de Paris, il prend pen<br />
sion au College des Bons-Enfants, chez les<br />
Peres de la Mission, a Paris. Le 27 aout<br />
1649, lui est signifie'e une obedience emanant<br />
du General de l'Ordre des Croisiers et<br />
l'envoyant en Allemagne. Mais GLORIS<br />
fait appel au Pape dont un rescrit designe les<br />
eveques de Paris, Chartres et Senlis pour<br />
statuer sur son sort. La suite de cette rocam-<br />
Mme de SOREL devait disposer d'une certaine autorite' pour fournir des chevaux de<br />
poste a Michel GLORIS et lui faire ouvrir les portes de la ville de Chauny a minuit.<br />
L' abbe TURPIN (cf. note 4, op.cit., page 22) nous dit "... une lettre royale de 1625<br />
ordonna qu'il y aurait pour chaque porte deux clefs dont l'une serait entre les mains du<br />
maire et l'autre en celles du sergent-major", puis "Ferme'es en temps de guerre de 8 heures<br />
du soir a 5 ou 6 heures du matin, suivant la saison, les portes ne pouvaient s'ouvrir<br />
qu'au moyen des deux clefs". De son cote\ L. CAPAUMONT (cf. note 15, op.cit., pages<br />
43 et 45), nous donne:<br />
- les noms des maires elus de Chauny<br />
94eme Andrd DEMORY, 1634, 1635, 1636, 1640, 1641, 1642,<br />
95eme Hilaire DUBOIS, 1639,<br />
96eme Claude TAVERNIER, 1643, 1644, 1645,<br />
- les noms des gouverneurs de la ville de Chauny<br />
21 erne Hercule de ROHAN, due de Montbazon, pair de France, eut pour lieutenant<br />
le vicomte de Sessieres en 1635,<br />
22eme Antoine de Silly, comte de Rochefort,<br />
23eme Jean Dupassage, seigneur de Sinchenny (Sinceny) en 1676.
LES CROISIERS EN PICARDIE 91<br />
bolesque aventure nous echappe, mais nous<br />
poursuivons nos recherches...31.<br />
69 - - Avant 1644, Nicolas de HANEFFE, originaire<br />
de la maison-mere de Huy, fut prieur du<br />
couvent de Toulouse, puis de Chauny.<br />
Devenu prieur de Tournai, il devint le<br />
40eme maitre general de l'Ordre des<br />
Croisiersdel564a 167732.<br />
70 477 1652 Gabriel FANGET (ou TANGET), ancien<br />
prieur de Chauny, sous-prieur du couvent<br />
de Paris, est decede33.<br />
71 477 1652 Louis de la HAYE, prieur de Chauny, est<br />
decede34.<br />
72 477 1652 Jacques RAGENAU, prieur de Paris, ancien<br />
prieur du Verger-Sainte-Croix et de<br />
Chauny, ancien provincial de France, est<br />
decede'33.<br />
73 - - Frere ADELINE, croisier, fut pourvu, en<br />
1669, du Prieure-cure de Notre Dame de<br />
Chauny35. II fut done en rapport avec ses<br />
confreres du couvent de Sainte-Croix.<br />
Numero Annee de Page de<br />
dordre "<strong>CLAIRLIEU</strong>" "<strong>CLAIRLIEU</strong>"<br />
74 1967 79, 84 a 91 Le 18 novembre 1672, Jean-Claude PATU<br />
1969 19 est present a Chauny lors du compte<br />
1989 141 d'echeance de Mme Anne du Chauvin (?),<br />
veuve de Louis de VERVIN36. Claude<br />
PAUCQUIER, prieur du couvent de Caen,<br />
avait re^u la profession de Jean-Claude<br />
PATU le ler septembre 1664. II fut prieur a<br />
Caen de 1679 a 1683, sera present a<br />
31 Cf. "Clairlieu", annee 1969 (page 31) et ann^e 1989 (page 140).<br />
32 Sur Nicolas de HANEFFE, voir "Clairlieu", anne'e 1960, pages 42 et suivantes.<br />
33 Cf. HERMANS (op.cit., supra, note 3), III, page 226 (Fanget et Rageneau).<br />
34 Cf. HERMANS, III, page 226, et "Clairlieu", annee 1955, pages 91-92.<br />
35 Cf. HERMANS, III, page 746.<br />
36 A.D. Aisne, 41J.27 (Patu, Bourlour, Boulard, Dubois et Gigot).
92 LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
Buzancais en 1698, redeviendra prieur a<br />
Caen de 1698 a 1702 oil il ddcedera le 21<br />
mars 1702, a 1'age de 54 ans37.<br />
75 - - Le 18 novembre 1672, Jean BOURLOUR est<br />
present a Chauny36.<br />
76 - -f Le 18 novembre 1672, Claude BOULARD (?)<br />
est present a Chauny36.<br />
77 1967 85et86 Le 18 novembre 1672, Louis DUBOIS<br />
1969 10 et 44 (orthographie Louis DU BOUR), pretre et<br />
prieur, est present a Chauny36. N6 en 1633,<br />
profts en 1655, ordonne en 1658, il e*tait<br />
present au couvent de Paris en 1658 et<br />
1659; il y etait greffier en 1660 et 1661; il<br />
y est present en 1663, 1665, 1666, 1668 et<br />
1671. II est prieur du couvent de Chauny<br />
en 1682; cette anneVla, il accompagne,<br />
comme assesseur, Pierre DAGNEAUX,<br />
bachelier en the'ologie, prieur de Sainte-<br />
Croix de Paris, definiteur, vicaire general et<br />
provincial de TOrdre en France, lors de la<br />
visite canonique du couvent de Caen. On le<br />
retrouve en 1691, 1692 et 1694 a Paris ou<br />
il decede le 24 aout a Tage de 61 ans. On lui<br />
fit graver une inscription funeraire publie'e<br />
par Emile Rauni
LES CROISIERS EN PICARDIE 93<br />
79 1969 12, 44 Henri LE SERGENT, ne" en 1658, profes en<br />
1677, ordonne en 1682, est present en<br />
1692, 1697-1698, 1702 et 1703 a Paris<br />
comme maitre des novices. II fut prieur a<br />
Chauny. En 1710, il be*neficiait du prieure'-<br />
cure Saint-Simeon. II mourut le 14 mars<br />
1711, et on lui fit graver une inscription<br />
funeraire publiee par Emile Raunie40.<br />
80 1967 96, 102 Francois du SAUSSON est prieur de Chauny<br />
1969 25, 44 en 1693. II devient sous-prieur a Caen en<br />
1702-1703 sous le priorat de Jacques-Henri<br />
CONTET41.<br />
81 1967 91,92,94, Pierre DURAND, fils d'un bourgeois de<br />
96 et 100 Caen, y fit sa profession le 26 avril 1685.<br />
1969 19 Sujet indiscipline, il fut transfer^ a Chauny<br />
en 1693 avec une pension annuelle de 200<br />
livres. Le 9 septembre 1694, le Provincial<br />
Jean-Francois RUFFIN le nomme prieur a<br />
Verteillac, mais il ne parvient pas a en delo-<br />
ger Pierre VERDUC, titulaire de la fonc-<br />
tion. De passage a Caen en mai 1702, il se<br />
querelle avec le frere GOT de la ROZltRE<br />
auquel il rend les coups qu'il a recus; Us sont<br />
tous deux sanctionnes le 5 juin. Assagi sans<br />
doute, Pierre DURAND est prieur perpe'-<br />
tuel a Buzancais en 173342.<br />
82 1967 102 Nicolas-Francois DE PERTHUY, religieux de<br />
1969 23et40 Chauny, devient prieur a Caen en 1703<br />
mais donne sa demission au bout de six<br />
mois43.<br />
83 1969 13, 44 Charles-Jean LARDIN, ne en L964, fit profes<br />
sion le 10 mai 1711. Sa dot etait de 8.000<br />
livres. II e'tait prieur du couvent de Chauny<br />
en 1720. II re^ut le benefice des prieures-<br />
cures Saint-Pierre de Beaumont (1732) et<br />
40 Emile RAUNlfi, op.cit., Tome III, page 460. Liste HAYDEN n°72. A.N. Paris<br />
L. 767 n° 169 (dossier disciplinaire de Gabriel LE COEUR).<br />
41 Liste HAYDEN n° 282.<br />
42 Liste HAYDEN n° 175, Archives Departementales de la Dordogne (B. 220, piece<br />
n° 19, rapport du 23 septembre 1694) et de l'lndre (8. J.10, 24 mars 1733).<br />
43 Liste HAYDEN n° 258.
94 LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
Saint-Simeon (1733). II est devenu membre<br />
de l'Ordre de Cluny (1741) 4\<br />
84 1969 14, 42, 44 Jean-Baptiste LEFEVRE (ou LEFEBVRE), ne<br />
en 1715, fit profession le 25 mai 1735. Sa<br />
dot etait de 11.450 livres. Prieur de Chauny<br />
de 1741 a 1755, il s'en va apres une longue<br />
querelle avec les freres BISSON, L'ORAN-<br />
GERIE et DEVAUX. II reside a Paris en<br />
1758, 1769 et 1770; il y est procureur en<br />
1779; il est a Paris en 1783 et il y est de<br />
nouveau procureur en 1785. Toujours a<br />
Paris en 1786, il est doyen du couvent et<br />
procureur le 12 Janvier 1791, date du<br />
proces-verbal de l'inventaire general du cou<br />
vent et d'apposition des scelles45.<br />
85 1969 14 (note 65) BISSON est religieux a Chauny en 1755.<br />
86 1969 23 Charles DEVAUX est religieux a Chauny en<br />
1754-1755, puis prieur du couvent de<br />
Salignacen 175846.<br />
87 1969 15,44 Jean-Eusebe-Quentin LORANGfcRE, n
LES CROISIERS EN PICARDIE 95<br />
fut ordonne pretre le 22 decembre 1770 a<br />
Liege. II etait a Chauny en 1791 et a acquis<br />
une partie du couvent lors de l'adjudication<br />
des biens nationaux, ainsi que nous l'avons<br />
relate plus haut49.<br />
Nous soulignons que la liste qui precede est certainement tres<br />
incomplete. Nous esperons que la poursuite de nos recherches,<br />
notamment au XVIIIe siecle avec le depouillement des archives<br />
notariales, nous permettra de combler quelques lacunes.<br />
Nos lecteurs auront remarque que, comme cela se passe dans<br />
toute institution humaine, la vie monastique a Chauny a connu<br />
des manquements a l'observance des regies conventuelles. Nous<br />
tenons a souligner qu'il faut s'abstenir de generaliser ce qui a ete<br />
exceptionnel. En effet, lorsque tout se passe bien dans un prieure,<br />
personne n'eprouve le besoin de l'ecrire et il n'en reste pas de<br />
traces. Par contre, inversement, les dereglements sont la source de<br />
constats, de proces-verbaux, de sanctions, de proces, de rappels au<br />
bon ordre, etc., et ce sont les seuls documents qui franchissent les<br />
siecles. Verba volant, scripta manent: les paroles s'envolent, les<br />
ecrits restent... et i\s font le bonheur des historiens.<br />
Andre BOCHIN<br />
49 Andre DEBLON, "Les Croisiers ordonnes a Liege aux 17eme et 18eme siecles", in<br />
"Clairlieu", annee 1975, page 67. A.D. Aisne Q.433/171.
96 LES CROISIERS EN PICARDIE<br />
SAMENVATTING<br />
De Kruisheren vieren dit jaar het 750-jarig jubileum van de Pauselijke goedkeuring<br />
van de eerste Statuten (1248-1998).<br />
Vanaf de begintijd kwamen stichtingen tot stand in Frankrijk, Engeland, Duitsland<br />
en de Nederlanden.<br />
De auteur woont in Buzancais. Daar staat de laatste kruisherenkerk binnen het huidige<br />
Frankrijk. De heer Bochin is voorzitter van een stichting tot restauratie en bescherming<br />
van deze kerk. In 1985 kon de Historische Kring van Buzancais deze kerk aankopen<br />
en werden de eerste restauratie-werken aangevat.<br />
Met een ware hartstocht is de heer Bochin al jaren bezig met de geschiedenis van de<br />
Kruisheren ... speciaal de Franse kloosters boeien hem ... Uit archieven en historische<br />
documenten neemt de traditie aan dat er misschien een 17-tal Franse stichtingen geweest<br />
zijn ... Hij is die plaatsen allemaal zelf gaan bezoeken en heeft er contact gezocht met<br />
de archivarissen en autoriteiten ter plaatse.<br />
Dit artikel handelt over 2 stichtingen in Noord-Frankrijk, in Picardie: Condren<br />
vanaf 1280 ... een stichting die verhuisde naar Chauny in i486 en daar stand hield tot<br />
aan de Franse Revolutie ... 1789.<br />
Met tekst en illustratie slaagt hij erin "Le Clos Sainte-Croix" in het huidige Condren<br />
te localiseren en te omschrijven. Praktisch alle sporen ter plaatse zijn verdwenen.<br />
Voor Chauny kon hij meer documentatie vinden. Ook hier is van de gebouwen niets<br />
meer over gebleven. Alles werd geconfiskeerd door de Franse Revolutie, in 1791 in drie<br />
delen verkocht aan nieuwe eigenaars en afgebroken.<br />
Met veel opzoekwerk is hij erin geslaagd lijsten samen te stellen van de Kruisheren<br />
die in Condren en Chauny in de loop der eeuwen geleefd hebben. Heel veel studie zal<br />
nog nodig zijn om meer details te vernemen over de geschiedenis van deze kloosters ...<br />
Dit artikel wil een eerste aanzet zijn tot verdere opzoekingen.<br />
ZUSAMMENFASSUNG<br />
C. BRASSEUR<br />
Kurz nach der papstlichen Bestatigung des Ordens (1248) wurden Niederlassungen<br />
gegriindet in Frankreich, England, den Niederlanden und Deutschland.<br />
Herr. A. Bochin, der Verfasser dieses Artikels, hat sich voor allem eingesetzt far die<br />
Restaurierung der Kirche des ehemaligen Kreuzherrenklosters in Buzanc,ais (1418-1783)<br />
in Frankreich (De'p. de l'lndre). Dariiber wurde in Clairlieu 1995, p. 86-100 berichtet.<br />
In diesem Beitrag befafit er sich mit dem Kloster in Condren (1280-1486) in Picardie<br />
(N.-W. Frankreich), das spater nach Chauny (1486-1791) verlegt wurde.<br />
In Condren sind praktisch alle Spuren des ehemaligen Klosters verschwunden. Es<br />
gelang dem Verfasser jedoch "Le Clos Sainte-Croix" zu lokalisieren.<br />
Auch in Chauny ist vom Klostergebaiide nichts mehr iibrig geblieben. Aber dariiber<br />
ist in den Archiven mehr Dokumentationsmaterial vorhanden. Wahrend der<br />
Franzozischen Revolution wurde das Kloster beschlagnahmt, verkauft und spater abgerissen.<br />
Anhand der Archivalien hat Herr Bochin Namenslisten von Kreuzherren zusammengestellt,<br />
die in Condren, bzw. Chauny in Laufe der Jahrhunderte gelebt haben.<br />
Diese Arbeit ist ein erster Ansatz zu weiteren Nachforschungen.<br />
G. Reijners.
SUMMARY<br />
LES CROISIERS EN PICARDIE 97<br />
This year the Crosiers celebrate the 750th jubilee of the papal approval of the First<br />
Statutes (1248).<br />
From the beginning, foundations were started in France, Belgium, Germany,<br />
England and the Netherlands.<br />
The author lives in Buzancais, where the last Crosier church in present-day France<br />
can be found. Mr. Bochin is the president of a foundation to restore and protect this<br />
church. In 1985 the Historical Circle of Buzancais managed to buy this church so that<br />
the renovating could get started.<br />
The enthousiastic Mr. Bochin has taken a keen interest in the history of the<br />
Crosiers... especially the French monasteries have fascinated him... From archives and<br />
historical documents he assumes that there might have been some 17 French founda<br />
tions ...<br />
He personally went to visit all these sites, where he tried to contact the archivist and<br />
local authorities.<br />
This article deals with 2 foundations in Northern France, in Picardy, Condren from<br />
1280... a foundation which moved to Chauny in i486, where it persisted until the<br />
French Revolution ... 1789.<br />
With this text and the accompanying illustrations he has succeeded in locating and<br />
describing «Le Clos Sainte-Croix» in present-day Condren. Locally, nearly all traces have<br />
disappeared.<br />
As to Chauny, he managed to acquire more documentation. Of the buildings not<br />
hing has remained there, either. Everything was confiscated by the French Revolution;<br />
in 1793 it was sold - in 3 parts - to new owners and demolished.<br />
Through his extensive research work he was able to draw up lists of the Crosiers who<br />
had lived in Condren and Chauny for centuries. A lot more research will be needed to<br />
gather more details about the history of these monasteries... This article aims at giving<br />
the initial impetus for such further research work.<br />
M.Broens.
ENIGE OPMERKINGEN OVER DE LITURGIE<br />
BIJ DE KRUISBROEDERS<br />
Bij het schrijven van dit artikel stond mij als doel voor ogen: op<br />
enige aspecten van de Liturgie bij de Kruisbroeders in de vijftiende<br />
en zestiende eeuw de aandacht te vestigen, die mijns inziens<br />
verhelderend kunnen werken bij het bepalen van hun identiteit.<br />
Bovendien is het zevenhonderdvijftig jaar geleden, dat Paus<br />
Innocentius IV. de orde van het Heilig Kruis officieel goedkeurde.<br />
Ook kregen de Kruisbroeders in datzelfde jaar de goedkeuring<br />
van hun constituties, die zij voor het grootste deel aan die van de<br />
Dominicanen ontleenden. De constituties der Dominicanen hebben<br />
vele ordes tot model gediend1.<br />
Niet alleen voor hun constituties maar ook voor hun Liturgie<br />
zijn de Kruisbroeders bij de Dominicanen te rade gegaan.<br />
In het jaar 1247 hadden de Kruisbroeders bij Innocentius IV.<br />
een verzoek ingediend om de constituties en de Liturgie van de<br />
Dominicanen te mogen overnemen. Deze aanvrage bezitten we<br />
niet meer. Maar in de brief van Innocentius IV aan de deken en<br />
het kapittel van Luik, gedateerd 21 Mei 12472, en in zijn latere<br />
brief aan de elect-bisschop van Luik Hendrik van Gelder van 23<br />
Oktober 12483 is de inhoud van de aanvrage van de Kruisbroeders<br />
weergegeven. Wei is er in de weergave van de inhoud een klein verschil:<br />
in de brief aan de deken en het kapittel van Luik is sprake<br />
van de overname van "het goddelijk Officie en de constituties" van<br />
de Dominicanen, in de brief aan de elect bisschop van Luik is een<br />
1 Vgl. A.H.Thomas, De oudste constituties van de Dominicanen, Leuven 1965<br />
(Bibliotheque de la Revue d'Histoire Ecdesiastique, fasc. 42), p. XIII.<br />
2 Tekst bij H. van Rooijen, De oorsprong van de orde der Kruisbroeders of<br />
Kruisheren. De geschiedbronnen, Clairlieu 1961, p. 199, overgenomen uit het Vaticaans<br />
archief Reg. Innoc. IV, an. IV, nr. 710, fol. 392V.<br />
3 A.w., p. 205. De tekst is overgenomen uit Hs. 25 D 11, lv+2r, berustend in het groot<br />
seminarie te Luik.
100 OPMERKINGEN OVER DE LITURGIE BIJ DE KRUISBROEDERS<br />
beperking toegevoegd: "sommige regelingen" (quaedam institu-<br />
tiones) van de Dominicanen.<br />
Wei staat in beide documenten uitdrukkelijk vermeld dat de<br />
Kruisbroeders een andere ordeskledij wensten te dragen als de<br />
Dominicanen en dat ze in tegenstelling met hen goederen voor de<br />
gemeenschap wilden aannemen, als gelovigen hun schenkingen<br />
wilden doen.<br />
Hendrik van Gelder voerde de opdracht van paus Innocentius<br />
IV. uit en stelde een nader onderzoek bij de Kruisbroeders in. Hij<br />
had van de paus de volmacht gekregen om naar bevind van zaken<br />
te handelen. Op 31 December 1248 gaf hij zijn goedkeuring4. Uit<br />
het opgemaakte document blijkt dat er nog geen volledig uitgeschreven<br />
tekst van de constituties van de Kruisbroeders voorhanden<br />
was5. De goedkeuring gaat uit van de tekst van de<br />
Dominicanen. Wei worden in het document de titels van de<br />
hoofdstukken van de eerste en tweede distinctie (der constituties)<br />
vermeld, zoals de Kruisbroeders die wilden overnemen.<br />
Bij vergelijking met de titels van de hoofdstukken, die we kennen<br />
uit de uitgave van de oudste constituties der Kruisbroeders<br />
door A. van de Pasch 6, blijkt dat in de oorkonde van 31 Decem<br />
ber 1248 de titels van twee hoofdstukken der tweede distinctie<br />
ontbreken, namelijk die over de keuze van de Prior Generaal en<br />
die over de cellen 7. Deze hoofdstukken zijn klaarblijkelijk een<br />
latere toevoeging.<br />
Vooral in de eerste distinctie sluit de tekst der constituties nauw<br />
aan bij die van de Dominicanen in de redactie van Raymundus<br />
van Pennafort van 12418. In de tweede distinctie zijn een aantal<br />
hoofdstukken, die betrekking hebben op generale en provinciate<br />
kapittelbijeenkomsten en over keuzes die daar plaatsvinden, niet<br />
4 Vgl. H. van Rooijen, Oorsprong... p. 205-207. Van Rooijen heeft de tekst van dit<br />
document ontleend aan het afschrift in Hs. 25 D 11, fol. 2r-3r.<br />
5 A.w. p. 206 "... visisque constitutionibus fratrum praedicatorum, per quas specialiter<br />
affectatis regulari... ad usum vestrum, prout promisistis, in eodem libro compilantur,<br />
qui liber institutionum seu statutorum nuncupatur..."<br />
6 De tekst van de constituties van de Kruisheren van 1248, Brussel 1952.<br />
7 Vgl. H. van Rooijen, Oorsprong..., p. 88-89.<br />
8 Vgl. R. Creytens, Les constitutions des Freres Precheurs dans la redaction de saint<br />
Raymond de Pennafort (1241), in Archivum Fratrum Praedicatorum, deel XVIII, 1948,<br />
p. 5-48.
OPMERKINGEN OVER DE LITURGIE BIJ DE KRUISBROEDERS 101<br />
opgenomen. Ook het hoofdstuk "De praedicatoribus" is weggelaten<br />
evenals het hoofdstuk "De studentibus", waarvan we sommige<br />
bepalingen terugvinden in het later ingevoegde hoofdstuk "De<br />
cellis".<br />
Ons interesseren vooral de verschilpunten in de tekst der constituties<br />
bij Dominicanen en Kruisbroeders.<br />
Het eerste wat opvalt, is de scherp geformuleerde doelstelling in<br />
het voorwoord van de constituties (Quoniam ex praecepto<br />
Regulae...) bij de Dominicanen. Daar luidt de tekst: "De overste<br />
(praelatus) heeft in zijn convent de volmacht de broeders dispensatie<br />
te verlenen, als hij in bepaalde gevallen meent dat dit goed is,<br />
vooral in die zaken, die een belemmering vormen voor de studie,<br />
de prediking of het zieleheil. Want onze Orde is van het begin af<br />
aan vooral gesticht voor de prediking en het zieleheil, en onze stu<br />
die moet vooral tot doel hebben, dat wij van nut kunnen zijn voor<br />
de zielen van de naasten"9.<br />
Deze duidelijke doelstelling hebben de Kruisbroeders niet overgenomen.<br />
Waarom niet, dat wordt nergens gezegd. Wei zijn er ons<br />
inziens aanduidingen, die in een bepaalde richting wijzen.<br />
Een van de belangrijkste vinden we in een passus uit het eerste<br />
hoofdstuk van de eerste distinctie, dat handelt over de dienst<br />
(Liturgie) in de Kerk (De officio ecclesiae). Deze passus luidt alsvolgt:<br />
bij de Kruisbroeders: "Alle getijden moeten in de kerk langzaam<br />
(tractim) en met godsvrucht gebeden worden, zodat in het<br />
midden van het vers het rhythme en een rust in acht genomen<br />
worden, door de lettergrepen voor de rust en aan het einde van het<br />
vers wat langer aan te houden'l0.<br />
Hoewel ook deze tekst gedeeltelijk aan die van de Dominicanen<br />
ontleend is, is toch het verschil opmerkelijk. In de constituties van<br />
de Dominicanen lezen we: "Alle getijden moeten kort en bondig<br />
9 Latijnse tekst, ontleend aan van de Pasch, a.w. p. 43, voetnoot 7: "Ad hoc tamen<br />
in conventu suo praelatus dispensandi cum fratribus habeat potestatem, cum sibi aliquando<br />
videbitur expedire in iis praecipue, quae studium vel praedicationem vel animarum<br />
fructum videbuntur impeaire, cum ordo noster speciafiter ob praedicationem et<br />
animarum salutem ab initio noscatur institutus fuisse, et studium nostrum ad hoc<br />
debeat principaliter intendere, ut proximorum animabus possimus utiles esse."<br />
10 Latijnse tekst, ontleend aan van de Pasch, a.w., p.46: "Horae omnes in ecclesia<br />
tractim et cum devotione dicantur, ita quod in medio versus metrum cum pausa servetur,<br />
protrahendo vocem in pausa et in fine versus."
102 OPMERKINGEN OVER DE LITURGIE BIJ DE KRUISBROEDERS<br />
zo gebeden worden, dat de godsvrucht van de broeders niet verloren<br />
gaat, van de andere kant de studie er geenszins onder lijdt. We<br />
bepalen dat dit z6 moet geschieden, dat in het midden van het vers<br />
het rhythme en een rust in acht genomen worden, zonder echter<br />
de lettergreep te verlengen v66r de rust of aan het einde van het<br />
vers, maar zoals gezegd moet het vers een kort en bondig einde<br />
hebben"11.<br />
Dit duidelijk verschil in de wijze van "koreren" samen met het<br />
niet overnemen van de doelstelling van de Dominicanen, maakt in<br />
elk geval duidelijk dat de Kruisbroeders meer tijd aan hun koorgebed<br />
wilden besteden. Hun koorgebed moest rust uitstralen. In<br />
elk geval wijst dit in een meer comtemplatieve richting. In die<br />
richting wijst ook het feit dat het hoofdstuk "De predicatoribus"<br />
niet overgenomen is.<br />
Aan het einde van het eerste hoofdstuk "De officiis ecclesiae"<br />
hebben de Kruisbroeders een eigen bepaling toegevoegd :<br />
"Eveneens willen wij dat al onze kerken aan het Heilig Kruis toe-<br />
gewijd worden"12.<br />
Na het hervormingskapittel van 1410 werd deze bepaling op<br />
het generaal kapittel van 1417 onder verwijzing naar de oudste<br />
constituties nogmaals benadrukt13. Op de betekenis van deze toewijding<br />
heeft A. Ramaekers in een artikel over "De Kruisheren-<br />
orde als ordo canonicus"14 gewezen. Deze bepaling is niet alleen<br />
belangrijk om de inhoud: de toewijding van alle kerken aan het<br />
H. Kruis, maar ook vanwege de plaats in de constituties waar deze<br />
11 De Latijnse tekst, ontleend aan van de Pasch, a.w. p. 46, voetnoot 2, luidt: "Horae<br />
omnes in ecclesia breviter et succincte talker dicantur, ne fratres devotionem amittant,<br />
et eorum studium minime impediatur. Quod ita dicimus esse faciendum, ut in medio<br />
versus metrum cum pausa servetur, non protrahendo vocem in pausa vel in fine versus,<br />
sed sicut dictum est breviter et succincte terminetur."<br />
12 Latijnse tekst bij A. van de Pasch, a.w. p. 47: "Item omnes ecclesias nostras in<br />
honore sanctae Crucis volumus consecrari."<br />
13 A. van de Pasch, Definities der generate kapittels van de Orde van het H. Kruis<br />
1410-1786, Brussel 1969, p. 35.<br />
Deze definities zijn de voornaamste bron voor de volgende opmerkingen in dit arti<br />
kel. We verwijzen ernaar met "Definities", jaar van het generaal kapittel en bladzijde van<br />
deze uitgave.<br />
14 In de bundel: "Rond inhoud en beleving van de spiritualiteit der Orde van het H.<br />
Kruis", Diest 1955, p. 47-94, vooral p. 77.
OPMERKINGEN OVER DE LITURGIE BIJ DE KRUISBROEDERS 103<br />
bepaling vermeld wordt, namelijk in het hoofdstuk "De officiis<br />
ecclesiae". Door deze toewijding werd namelijk heel de Liturgie,<br />
die door de Kruisbroeders in hun kerken gevierd werd, een hulde<br />
aan het Kruis en de Gekruisigde.<br />
Op nog een ander punt zou ik in dit verband de aandacht willen<br />
vestigen: op het belang van de kloosterkerk voor de Liturgie<br />
van de Kruisbroeders. Hun Liturgie was geen min of meer private<br />
aangelegenheid, die in een huiskapel of gebedsruimte plaatsvond,<br />
maar ze was een openlijke hulde aan God in hun openbare kloos<br />
terkerk, toegankelijk voor anderen. Zij zongen God lof, maar het<br />
was tevens hun dienst (officium) voor de mensen. Dit gold voor<br />
hun koorgebed, dit gold ook voor hun Conventsmis. Hoe belangrijk<br />
hun kloosterkerk voor de Kruisbroeders was, wil ik aan de<br />
hand van een paar concrete voorbeelden verduidelijken.<br />
Toen de Kruisbroeders hun eerste stichting in Duitsland bij<br />
Wuppertal (1298) begonnen, zijn ze aanvankelijk bij de bestaande<br />
kerk op "Steinhaus" gaan wonen. Omdat het daar echter niet<br />
Kreuzherrenkirche "St. Maria Magdalena"<br />
Spatgotisch mit Barock-Rokoko-Ausstattung<br />
Wuppertal-Beyenburg
104 OPMERKINGEN OVER DE LITURGIE BIJ DE KRUISBROEDERS<br />
rustig genoeg was, hebben ze in het begin van de I4e eeuw op de<br />
"Beyenberg" een nieuw klooster met een ruime kerk voor hun<br />
Liturgie gebouwd. Deze kerk, die later vergroot werd, is tot aan de<br />
saecularisatie (1804) kloosterkerk gebleven. Eerst sindsdien werd<br />
de kloosterkerk met haar prachtig koorgestoelte als parochiekerk<br />
gebruikt15.<br />
Ook het klooster van Briiggen (bij Venlo), gesticht in 1484,<br />
beschikte over een grote kloosterkerk met een fraai koorgestoelte.<br />
Ook hier werd eerst na de saecularisatie (1802) de kloosterkerk<br />
parochiekerk16.<br />
Het klooster en de kerk van de Kruisbroeders in Falkenhagen,<br />
gesticht in 1443, brandde in 1479 af. Al in 1483 was het koorgedeelte<br />
van de kerk in zoverre hersteld, dat het na inwijding voor de<br />
koordienst in gebruik genomen kon worden. Het herstel van de<br />
gehele kerk was pas voltooid in 149717.<br />
Interessant is ook de bouwgeschiedenis van het klooster<br />
Bentlage (bij Rheine). De stichting gaat terug op het jaar 1437. In<br />
dat jaar hebben de Kruisbroeders zich gevestigd bij een bestaande<br />
kapel ter ere van de H. Gertrudis van Nivelles. Hun eerste noodbehuizing<br />
was armoedig. Bovendien was de beginperiode moeilijk,<br />
o.a. door grote financiele moeilijkheden18.<br />
Deze moeilijkheden zijn uitvoerig beschreven in het "Chroni-<br />
con Bentlacense"19, dat ons bewaard gebleven is. Eerst onder prior<br />
Everhardus van Orsoy (1457-1483), de latere prior-generaal der<br />
Orde, kon met de bouw van het klooster begonnen worden. De<br />
Kruisbroeders zelf bouwden eerst de kapittelzaal en de sacristie.<br />
Daarna begonnen ze aan de bouw van de laat-gotische klooster<br />
kerk met koor, negen altaren en een doxaal met twaalf apostelbeelden<br />
von Heinrich Brabender, waarvan er nog enkele bewaard<br />
15 Vgl. D. Wasserfuhr, Kreuzherrenkloster Steinhaus zu Beyenburg 1298-1998, in<br />
Clairlieu 1997, p. 79-81.<br />
16 Vgl. R. Haafi, Die Kreuzherren in den Rheinlanden, Bonn 1932, p. 182.<br />
17 Vgl. H.-U. Weifi, Die Kreuzherren in Westfalen, Clairlieu 1962-1963, p. 99.<br />
18 Vgl. H.-U. Weifi, a.w., p. 121-131.<br />
19 Door H. Biild, stadsarcnivaris van Rheine in het Duits vertaald en uitgegeven in:<br />
Rheine a.d. Ems. Chroniken und Augenzeugenberichte 1430-1950, Rheine 1977,<br />
p. 15-56, vooral p. 46-49.
OPMERKJNGEN OVER DE UTURGIE BIJ DE KRUISBROEDERS 105<br />
zijn. De bouw van de kerk werd in 1484 voltooid20. De bouw van<br />
een kerk voor de Liturgie was hun eerste zorg. Hun eigen behuizing<br />
kwam pas op de tweede plaats. Klooster en kerk van<br />
Bentlage21 stonden model voor de kloosterbouw van ter Apel,<br />
waar de kloosterkerk nog bewaard is.<br />
Als verdere getuigen van hun zorg voor een waardige Liturgie<br />
kunnen we nog verwijzen naar de kloosterkerk van St. Agatha bij<br />
Cuyk met zijn prachtig neogotisch koorgestoelte, dat bij een<br />
brand in 1944 verloren gegaan is, alsook naar het fraaie barokke<br />
interieur van de kloosterkerk van Kolen-Kerniel (Belgie).<br />
Ze zijn alle stille getuigen van de waarde, die de Kruisbroeders<br />
aan de viering van hun Liturgie gehecht hebben.<br />
HET KOORGESTOELTE.<br />
Koorgestoelte in Kruisherenkerk te St.-Agatha geplaatst onder<br />
Mgr. van de Wijmelenberg en verbrand in 1944.<br />
20 Vgl. H.-U. Wcifi, a.w., p. 140.<br />
21 Vgl. B. Seifen, Die Baugeschichte des spatgotischen KreuzherrenkJosters Bentlage,<br />
Greven 1994.
106 OPMERKINGEN OVER DE LITURGIE BIJ DE KRUISBROEDERS<br />
Vestigen we nu onze aandacht op de Liturgie zelf en de eigen<br />
accenten, die de Kruisbroeders gelegd hebben. Beginnen we met<br />
de Kruiscultus.<br />
Die eigen accenten worden voor ons eerst grijpbaar sinds de<br />
Ordeshervorming van 1410, omdat eerst van dat jaar af de beslui-<br />
ten van de generale kapittels bewaard gebleven zijn.<br />
Al in het hervormingskapittel van 1410 werd het Kruisofficie<br />
op de vrijdagen voorgeschreven en tot in bijzonderheden gere-<br />
geld22.<br />
In 1411 werd bepaald dat het feest Kruisverheffing met een oc-<br />
taaf moest gevierd worden 23.<br />
In 1485 volgde de bepaling dat op beide Kruisfeesten, Kruisvinding<br />
en Kruisverheffing, een processie, waarschijnlijk in de<br />
kruisgang van het klooster, gehouden moest worden24. Daardoor<br />
kreeg de viering van deze beide feestdagen — ze hadden al de<br />
hoogste rang: totum duplex — een nog grotere luister. Op zondag<br />
"Cantate" (vierde zondag na Pasen) begon het jaarlijkse kapittel,<br />
dat gewoonlijk drie dagen duurde. Als Kruisvinding onmiddellijk<br />
v66r of na het kapittel viel, werd het kapittel zo verschoven, dat<br />
Kruisvinding in de kapitteldagen viel, zodat de kapittelvaders het<br />
feest gezamenlijk konden vieren 25.<br />
Op de weekdagen waarop geen feest viel, konden er in de<br />
Laudes en de Vespers drie "memoriae" (commemoraties) aan het<br />
officie toegevoegd worden, en wel: ter ere van het H. Kruis, ter<br />
ere van de Maagd Maria en ter ere van de H. Augustinus 26. Die<br />
van het H. Kruis kwam op de eerste plaats.<br />
Deze memoria ter ere van de Moeder Gods brengt ons op de<br />
Mariaverering bij de Kruisbroeders 27. In iedere Orde heeft Maria<br />
een eigen plaats, in het persoonlijke en gemeenschappelijke religieuze<br />
leven. Bij de Kruisbroeders vond dit gemeenschappelijke een<br />
bijzondere uitdrukking in de Liturgie.<br />
22 Definities 1410, p. 27.<br />
Vgl. G. Reijners, Het Kruisofficie in de loop der eeuwen, Clairlieu 1996, p. 107-148.<br />
23 Definities 1411, p. 28; vgl. Definities 1456, p. 103.<br />
24 Definities 1485, p. 168; vgl. Definities 1505, p. 235.<br />
25 Vgl. Definities 1487, p. 174 en Definities 1553, p. 354.<br />
26 Definities 1417, p. 35.<br />
27 Vgl. Marienlexikon, St. Ottilien 1988w. s.v. Kreuzherren (G. Reijners).
OPMERKINGEN OVER DE LITURGIE BIJ DE KRUISBROEDERS 107<br />
Van het begin af aan werd Maria uitdrukkelijk in de professieformule<br />
genoemd evenals bij de Dominicanen 28.<br />
In 1424 bepaalde het generaal kapittel dat het Maria-officie in<br />
het koor gebeden moest worden, en wel voor de andere getijden<br />
en na de Completen 29. In 1606 voegde het kapittel er aan toe, dat<br />
men het ook privaat moest bidden met de motivering: "Wij willen<br />
in niets tekort doen aan de dienst ter ere van Maria, onze bijzondere<br />
patrones 30.<br />
Al in 1496 blijkt het feest "Conceptio B.M.V." op 8 December<br />
in de liturgische kalender te zijn opgenomen 31.<br />
In 1505 werd bepaald dat het feest "Compassio Mariae" op vrijdag<br />
na Beloken Pasen in de Orde als totum duplex gevierd moest<br />
worden 32.<br />
In 1588 vinden we in de Definities de bepaling dat de<br />
Kruisbroeders op de zaterdagen na de conventsmis geknield v66r<br />
het hoogaltaar de antiphoon "Haec est praeclarum vas" met vers<br />
en oratie moesten zingen voor de noden van de Kerk en de Orde33.<br />
In de uitgave van de constituties van 1660 blijkt dit gebruik te zijn<br />
uitgebreid tot alle dagen van de week 34.<br />
Het generaal kapittel van 1627 — het was tijdens de dertigjarige<br />
en tachtigjarige oorlog — bepaalde dat de litantie van Maria<br />
dagelijks in aansluiting aan de Completen gebeden moest worden<br />
voor de noden van de Kerk en de Orde 35.<br />
Ook Augustinus, de regelvader van alle reguliere kanunniken<br />
stond bij de Kruisbroeders hoog in ere, zoals o.a. blijkt uit de vele<br />
werken van Augustinus, die in hun kloosterbibliotheken zijn afgeschreven.<br />
Daarentegen blijft het bevreemdend dat Theodorus van<br />
28 Vgl. A. van de Pasch, Tekst constituties 1248, p. 67.<br />
29 Definities 1424, p. 48.<br />
30 Definities 1606, p. 429: "Nihil enim B. Mariae specialis patronae nostrae servitio<br />
detractum volumus."<br />
31 Definities 1496, p. 203.<br />
32 Definities 1505, pp. 234/5.<br />
33 Definities 1588, p. 416.<br />
34 Vgl. de uitgave van de constituties van 1660 in C.R. Hermans, Annales canonicorum<br />
regularium sancti Augustini, Ordinis sanctae Crucis, s Hertogenbosch 1858, Band<br />
3, p. 264, sub 7.<br />
35 Definities 1627, p. 448.
108 OPMERKINGEN OVER DE LITURGIE BIJ DE KRUISBROEDERS<br />
Celles in de Definities nergens genoemd wordt. De eerste vermelding<br />
van hem vinden wij in het werk van Russelius in 163536.<br />
Augustinus' feestdag (28 Augustus) werd in de Orde, zover wij<br />
weten, van het begin af aan als totum duplex gevierd.<br />
Op het kapittel van 1421 werd bepaald dat ook zijn "translatio"<br />
op 11 Oktober als duplex gevierd moest worden37 en in 1620 werd<br />
het feest van zijn bekering (conversio) in de Orde ingevoerd38.<br />
Naast de Regelvader Augustinus werden ook die heiligen bij-<br />
zonder vereerd, die door de traditie in verbinding met het Kruis<br />
van Christus gebracht werden. Als eerste is de heilige Helena, de<br />
moeder van keizer Constantijn, te noemen, van wie het historisch<br />
zeker is dat zij omstreeks 325 in Jerusalem geweest is.<br />
In Jerusalem zou keizerin Helena het kruis van Christus opge-<br />
graven hebben. Deze zeer oude overlevering, die al uit het einde<br />
van de vierde eeuw stamt39, was in de late Middeleeuwen alge-<br />
meen verbreid, onder andere door de "Legenda aurea" van Jacobus<br />
de Voragine40. Met behulp van Quiriacus, later bisschop van<br />
Jerusalem, zou Helena het kruis van Christus gevonden hebben.<br />
Quiriacus kreeg van Helena de opdracht met twaalf gezellen de<br />
kostbare reliek van het H. Kruis in Jerusalem te bewaken en te ver-<br />
eren.<br />
Dat de Middeleeuwse Kruisbroeders in deze groep de oorsprong<br />
van hun Orde zagen, blijkt duidelijk uit de oudste oorsprongsverhalen<br />
van de Orde uit de veertiende en vijftiende<br />
eeuw41.<br />
Zo is het begrijpelijk dat de Kruisbroeders Helena (Crucis<br />
inventrix) als de voornaamste patrones van hun Orde vereerden.<br />
36 Chronicon Cruciferorum, Keulen 1635; fotomechanische herdruk Diest 1964,<br />
p. 32-48.<br />
37 Definities 1421, p. 42.<br />
38 Definities 1620, p. 439. In de definitie wordt 9 Mei aangegeven. In J. Hentges,<br />
The Crosier Calendar. Its content and development, Clairlieu 52, 1994, p. 3-226, staat<br />
op p. 184 5 Mei, in het brevier van 1727 15 Mei.<br />
39Vgl. J.W. Drijvers, Helena Augusta, the mother of Constantine the Great and the<br />
legend of the finding of the True Cross, Leiden 1992.<br />
40 Duitse vertaling van R. Benz, Heidelberg 198410, p. 349-358.<br />
41 Het gedicht "Ad colendum mente pura", H. v. Rooijen, Oorsprong, p. 215-218 en<br />
het tractaat "In honore summi Regis", a.w., p. 218-223.
OPMERKINGEN OVER DE LITURGIE BIJ DE KRUISBROEDERS 109<br />
In de Definities van 1417 werd haar feest op 18 Augustus in rang<br />
tot totum duplex verhoogd42.<br />
Ook Quiriacus, de legendarische stichter van de Orde te<br />
Jerusalem, werd in deze verering betrokken. In de Definities van<br />
1483 vinden wij zijn feest op 4 Mei, daags na Kruisvinding, met<br />
de rang van duplex vermeld43.<br />
In 1489 werd zijn naam in de Allerheiligenlitanie opgenomen44.<br />
In 1590 verhoogde het kapittel de rang van zijn feest tot totum<br />
duplex, omdat hij een der patronen van de Orde was : "ob hono-<br />
rem Ordinis, cuius patronus est"45. Op het generaal kapittel van<br />
1600 werden vier heiligen als bijzondere patronen van de Orde<br />
vermeld: Augustinus, Quiriacus, Helena en Odilia46.<br />
Ook andere heiligen van wie de liefde tot het Kruis en de<br />
Gekruisigde door de traditie bekend was, werden door de<br />
Kruisbroeders vereerd.<br />
Zo Maria Magdalena, die met Maria, de moeder van Jezus, en<br />
Johannes bij het Kruis stond (Joh 19,25), aan wie Jezus na zijn<br />
verrijzenis verscheen en opdroeg, het goede nieuws van zijn verrijzenis<br />
aan de apostelen te melden (Joh 20, 11-18). Het generaal<br />
kapittel van 1507 verhoogde de rang van haar feest tot totum<br />
duplex47.<br />
Ook het feest van de apostel Andreas (30 November), wiens<br />
Kruisliefde ons uit de Acta Andreae bekend is48 en die zelf ook<br />
gekruisigd is, werd vanaf 1494 als totum duplex in de Orde<br />
gevierd49.<br />
Tot de heiligen, die bij de Kruisbroeders een bijzondere verering<br />
genoten, behoort ook de heilige Odilia. Haar verering begint eerst<br />
42 Definities 1417, p. 35.<br />
43 Definities 1483, p. 161.<br />
44 Definities 1489, p. 181.<br />
45 Definities 1590, p. 420.<br />
46 Definities 1600, p. 425.<br />
47 Definities 1507, p. 240.<br />
48 Vgl. M. Bonnet, Acta Apostolorum Apocrypha II, 1, Leipzig 1898; Passio Andreae<br />
c. 10, p. 24-25. Russelius blijkt deze passio Andreae te kennen en citeert daaruit een<br />
gedeelte in zijn "Chronicon", p. 7-8.<br />
49 Definities 1494, p. 196.
110 OPMERKINGEN OVER DE LITURGIE BIJ DE KRUISBROEDERS<br />
in 1287 na het overbrengen van haar relieken van Keulen naar<br />
Huy, waar deze een ereplaats kregen in de kerk van het hoofdklooster.<br />
In de Definities van 1419 wordt het feest "translatio<br />
Odiliae" als duplex vermeld50. J. Hentges vermoedt dat de rang<br />
van het feest in 1419 simplex was in plaats van duplex, omdat het<br />
feest in de Definities van 1470 nogmaals als duplex vermeld<br />
wordt51. Hij wordt in zijn mening gesteund door het handschrift<br />
van de Definities uit Detmold (Dtm), dat de rang van het feest in<br />
1419 als simplex aangeeft:52.<br />
Wei wordt in 1423 bevestigd dat het feest van de "Elfduizend<br />
Maagden" op 21 Oktober als to turn duplex gevierd moet worden,<br />
zoals allang gebruikelijk is : "sicut dudum servatum est"53.<br />
In 1532 wordt ook de rang van het Odiliafeest tot totum duplex<br />
verhoogd. De visitatoren krijgen de opdracht de eigen Odiliasequentie<br />
mee te nemen naar de verschillende kloosters 54.<br />
In 1600 wordt Odilia, zoals we gezien hebben, als een van de<br />
voornaamste patronen van de Orde beschouwd. Geleidelijk aan<br />
heeft: ze Helena van haar voorrangspositie verdrongen.<br />
In 1464 is in de Definities voor de eerste maal sprake van zogenaamde<br />
priorale feesten, waarop de prior in het koor voorging en<br />
de conventsmis celebreerde55. Dat was het geval op alle totum<br />
duplex feesten. De subprioren waren celebrant op alle duplex feesten<br />
die algemeen gevierd werden, de hebdomadarius op alle andere<br />
dagen. De oudste Kruisbroeders moesten de lezingen in de<br />
Metten nemen: "propter solemnitatem festorum". Ook de priora<br />
le en subpriorale "waardering" van deze feesten vindt zijn verklaring<br />
in de grotere luister, waarmee de Kruisbroeders deze feesten<br />
wilden vieren.<br />
In 1648 trad een wijziging in, vermoedelijk vanwege het steeds<br />
grotere aantal totum duplex en duplex feesten. De "pater reverendus"<br />
in Huy zal voorgaan op alle feesten van de Orde die een<br />
50 Definities 1419, p. 38.<br />
51 Vgl. Definities 1470, p. 136.<br />
52 Vgl. J. Hentees, a.w., p. 169.<br />
53 Definities 1423, p.45.<br />
54 Definities 1532, p. 301.<br />
55 Definities 1464, p. 122.
OPMERKINGEN OVER DE LITURGIE BIJ DE KRUISBROEDERS 111<br />
plechtig octaaf hebben, alsook tijdens het triduum sacrum, de overige<br />
prioren op de genoemde dagen, bovendien op alle totum<br />
duplex dagen die ook buiten de Orde als zodanig gevierd worden.<br />
Op alle andere totum duplex feesten zal de subprior voorgaan in<br />
de Liturgie, op de duplex feesten de hebdomadarius56.<br />
Deze bepaling werd in de uitgave van de constituties van 1660<br />
overgenomen met de aanvulling, dat op de priorale feesten de<br />
"seniores fratres" de lezingen in de Metten zouden overnemen en<br />
zouden assisteren in de Conventsmis57.<br />
In de Definities van 1727 werd een lijst van alle priorale en sub-<br />
priorale feesten opgenomen58.<br />
Wat ons bij het aandachtig doorlezen van de Definities der<br />
Generale Kapittels telkens weer opvalt, is de grote zorg van de<br />
kapittelvaders voor een waardige viering van de Liturgie.<br />
Regelingen die de Liturgie in hun kloosterkerk betreffen, vormen<br />
inderdaad het hoofdbestanddeel van alle bepalingen in de periode<br />
1410-1786. Daaruit kunnen we concluderen: de verzorging van<br />
de Liturgie was de eerste en voornaamste taak van de Kruis-<br />
broeders.<br />
De Liturgie bepaalde ook het rhythme van de dag; zij bood de<br />
Kruisbroeders het voedsel voor hun geestelijk leven.<br />
Ook het zogenaamde officium capituli59, de gebeden voor en na<br />
tafel en de collatio v66r de Completen kunnen als "para-liturgi-<br />
sche" plechtigheden beschouwd worden.<br />
Ook is duidelijk uit de Definities, dat de leiding van de Orde<br />
alles er aan gelegen was, dat de eenheid in de Liturgie bewaard<br />
bleef60. De visitatoren hadden de opdracht bij hun bezoeken aan<br />
de kloosters daarop toe te zien.<br />
56 Definities 1648, p. 470.<br />
57 Vgl. Annales III, p. 264, sub 9.<br />
58 Definities 1727, p. 525.<br />
59 Vgl. E. Overgaauw, Het officium capituli en de kapittelboeken van de Kruisheren,<br />
Clairlieu 1987, p. 53-87. Op p. 67-87 wordt een lijst van nog bewaarde kapittelboeken<br />
met inhoudsopgave gegeven.<br />
60 Vgl. o.a. Definities 1450, p. 92; 1457, p. 105-106; 1464, p. 122; 1469, p. 133-<br />
134; 1502, p. 224; 1627, p. 447.
112 OPMERKINGEN OVER DE LITURGIE BIJ DE KRUISBROEDERS<br />
Een laatste opmerking van meer algemene aard: de Kruisbroeders<br />
zijn zich ook in hun Liturgie altijd van hun verbondenheid<br />
met de Dominicanen bewust gebleven61.<br />
In 1469 lezen we in de Definities de bepaling dat ieder convent<br />
het psalterium, het hymnarium en de litanieen in overeenstemming<br />
moet brengen wat betreft tekst en muziek met het exemplaar<br />
dat afgeschreven is van het oorspronkelijke handschrift van de<br />
Dominicanen in Parijs, en dat dit exemplaar aan ieder klooster<br />
moet worden doorgegeven. Dit beroemde handschrift in het<br />
Dominicanenklooster St. Jacques in Parijs werd in de jaren 1254-<br />
1257 geschreven op last van de Generaal der Dominicanen<br />
Humbert van Romans om de eenheid in de Liturgie te verzekeren.<br />
Het gold als "prototypus liturgiae Dominicanae". Sinds de Franse<br />
Revolutie bevindt het zich in het archief van het Generalaat der<br />
Domicanen in Rome63. Het bevat de tekst van veertien liturgische<br />
boeken.<br />
In 1495 wordt in de Definities vermeld, dat de Kruisbroeders<br />
de Liturgie van het feest Transfiguratio op 6 Augustus (totum<br />
duplex) van de Dominicanen moeten overnemen64.<br />
In 1583 wordt bepaald dat het brevier van de Orde herzien<br />
moet worden naar de gewijzigde en door de Paus goedgekeurde<br />
uitgave van het brevier van de Dominicanen, want met deze Orde<br />
hebben wij altijd en ook nu nog een grote overeenstemming in de<br />
Liturgie gehad: "cui ordini semper fuimus et sumus conformes in<br />
divinis"65.<br />
In 1620 wordt nogmaals op eenheid in de Liturgie aangedrongen<br />
en daarbij verwezen naar het brevier en het missaal van de<br />
Dominicanen, die in de zin van het Romeinse brevier en missaal<br />
verbeterd zijn66.<br />
61 Vgl. J. Hentges, a.w., vooral hoofdstuk 2.1-2.3, The Liturgy of the Crosiers, p. 31-<br />
62 Definities 1469, p. 133.<br />
63 Vgl. E. Overgaauw, a.w., p. 55.<br />
64 Definities 1495, p. 199.<br />
65 Definities 1583, p. 399.<br />
66 Definities 1620, p. 439.
OPMERKINGEN OVER DE LITURGIE BIJ DE KRUISBROEDERS 113<br />
Zo zien we dat de Kruisbroeders zich hun verwantschap met de<br />
Dominicanen in de Liturgie bewust waren, een verwantschap, die<br />
teruggaat tot het jaar 1248.<br />
SAMENVATTING<br />
Dr. Gerard Q. REIJNERS o.s.c.<br />
In dit artikel wijst de schrijver allereerst op de verschilpunten in de constituties van<br />
de Kruisbroeders met die van de Dominicanen, die de Kruisbroeders in 1248 grotendeels<br />
overgenomen hebben. Ook hun Liturgie gaat terug op die van de Dominicanen,<br />
maar daar profileerde zich het eigen karakter steeds sterker, hoewel de Kruisbroeders in<br />
de 15e en I6e eeuw zich hun verbondenheid met de Dominicanen bewust bleven.<br />
SUMMARY<br />
In this article the author first and foremost draws attention to the differences between<br />
the constitutions of the Crosiers and the Dominicans, which the Crosiers largely adop<br />
ted in 1248. Also their liturgy reached back to the Dominicans, though the distinctive<br />
features were more and more stressed. However, in the 15th and the 16 centuries, the<br />
Crosiers were well aware of this feeling of solidarity with the Dominicans.<br />
RfiSUMfi<br />
Dans cet article, Pauteur s'attache specialement aux differences des constitutions des<br />
Freres de la croix d'avec celles des dominicains que les croisiers avaient reprises en grande<br />
partie en 1248. La liturgie aussi retourne a celle des dominicains quoique se profile<br />
toujours plus nettement le caractere propre alors que les croisiers des 15e et 16e siecles<br />
srestaient conscients de leurs attaches aux dominicains.<br />
ZUSAMMENFASSUNG<br />
In diesem Beitrag betont der Verfasser die eigenen Akzente, die die Kreuzbruder setzten,<br />
als sie im Jahr 1248 von den Dominikanern deren Konstitutionen iibernahmen.<br />
Auch die Liturgie der Kreuzbruder geht zuriick auf die der Dominikaner, obwohl der<br />
eigene Charakter sich im. 15. und 16. Jh. immer starker abzeichnete. Dennoch blieben<br />
die Kreuzbruder sich ihrer Verbundenheit mit den Dominikanern in ihrer Liturgie<br />
bewulst.
KRUISHEER DR. HENRICUS VAN LIESHOUT<br />
(1889- 1948)<br />
Vijftig jaar geleden, op 14 September 1948, overleed Henricus<br />
van Lieshout in de abdij van Kolen/Kerniel na een langdurige en<br />
pijnlijke ziekte.<br />
Henricus Petrus Paulus van Lieshout werd geboren in Uden op<br />
29 juni 1889, als zoon van landbouwer Cornelis van Lieshout<br />
(19.11.1836- 16.03.1902) en Gertruda van Goos (11.10.1855 -<br />
I
116 KRUISHEER DR. HENRICUS VAN LIESHOUT (1889-1948)<br />
31.03.1918). Hij had een broer, Antonius Maria (geboren op 31<br />
mei 1892) en Hep lagere school in Uden van 1895 tot 1901. Van<br />
1903 tot 1909 studeerde hij aan het priestercollege van de kruisheren<br />
in Uden. De laatste jaren was hij er lid van de door Herman<br />
Linnebankin 1905 opgerichte Academie Albrecht Rodenbach. Van<br />
Linnebank ging toen op het college in Uden een grote vormende<br />
invloed uit] die ook van Lieshout ondervonden heeft, zoals bleek<br />
in de levensschets die hij later van Linnebank publiceerde. Daarin<br />
schreef hij: " Veel zijn we aan Linnebank verschuldigd, en daarom<br />
kunnen we den hemel slechts danken dat hij juist dezen priester ah<br />
leraar in dien tijd op onzen levensweg heeft gevoerd. Hij heeft ons leeren<br />
besejfen, reeds op jeugdigen leeftijd, de waarde en den adel, gelegen<br />
in een intellectueel leven. Hij deed ons inzien, reeds jong, dat wij<br />
ah toekomstige geestelijken V werk van den geest op de eerste plaats<br />
hadden te stellen, dat ct geestelijk dienstwerk en daarmee ook de studie<br />
onze voornaamste bezigheid moest worden en dat heel de rest, ah<br />
minder belangrijk en van veel geringer waarde, steeds op den achtergrond<br />
blijven moest. **<br />
Van Lieshout was een neef van kruisheer Martinus van Dijk3,<br />
die hem uitvoerig feliciteerde bij zijn intrede in Sint - Agatha op<br />
1 Voor meer informatie over Hermanus Hubertus Linnebank (1875 - 1927) zie<br />
D. Snijders, Herman Linnebank 1875 - 1927. Zijn werk als Criticus en Vlamingenvriend.<br />
in: Katholieke Vlaamse Hogeschooluitbreiding, jg.46, nr.6, 1952, 80p.; Idem, Bij een verjaardag:<br />
Kruisheer Herman Linnebank (1875 - 1927). Over een Limburgspastoorke en een<br />
Nedenands Vlamingenvriend. in: De TijdspiegeU jg.7, nr.10, december 1952, pp. 253 -<br />
255; M. Brouns, Linnebank Herman Hubert, in: Nationaal Biografisch Woordenboek,<br />
dl.III, 1968, kol. 502 - 506; L. HEERE, Meneer Linnebank. in: Udense klanken, nr.98,<br />
1962, pp. 942 - 946; L. Van Noort, Henricus van Lieshout (1889 - 1948). Een<br />
Brabanderin de polder, in: Bulletin provincie sint augustinus nr.2, februari 1995, pp.18 -<br />
27; L. Van Hour, Levensschets van Diesterse Kruishereny manuscript, pp. 104 - 195,<br />
kloosterarchief Diest, 016.2<br />
2 H. Van LIESHOUT, Pater Linnebank o.s. cr. in: Kruistriomf, je.7', 1927 -1928, p. 326<br />
3 Martinus van Dijk werd geboren in Vorstenbosch op 19 december 1863 als zoon<br />
van Jan van Diik en Johanna van Lieshout. Hij volgde de humaniora in Uden (1877 -<br />
1882) en aan de Latijnse school in Gemert (1882 - 1883) en trad vervolgens op 7 mei<br />
1883 in te Sint - Agatha. Hij legde tijdelijke geloften af in Sint - Agatha op 8 mei 1884<br />
en solemnele geloften in Sint - Agatha op 8 mei 1887. De priesterwijding ontving hij in<br />
de kathedraal van Sint - Jan in Den Bosch op 26 mei 1888. Van 18 juli 1888 tot en met<br />
24 September 1895 was hij conventueel van Uden en leraar aan het Kruisherencollege.<br />
Daarna verhuisde hij naar Diest, waar hij conventueel werd tot aan zijn dood op 16 mei<br />
1928. Naar verluidt had hij een "beklante biechtstoel".
KRUISHEER DR. HENRICUS VAN LIESHOUT (1889-1948) 117<br />
11 September 1909. Na zijn noviciaat in Sint - Agatha, studeerde<br />
Henricus wijsbegeerte in Diest van oktober 1910 tot 1912. Over<br />
die twee jaren zijn we iets beter ingelicht dankzij enkele schrijfboekjes<br />
van die jaren, getiteld Van den Oogst des Levens, waarin hij<br />
een verslag neerschreef over een mooie wandeling, een fraai kunstwerk,<br />
een jeugdideaal, boeken die hij las en dies meer.<br />
Buitengewone dingen staan er niet in, maar toch leren die vluchtig<br />
opgetekende notas ons de jonge kruisheer een beetje beter kennen.<br />
We vinden daar reeds de kleine trekken terug, die heel zijn<br />
leven nadrukkelijk aanwezig zouden blijven: grote ijver voor de<br />
studie, liefde voor de filosofie, bewondering voor Sint - Thomas<br />
van Aquino en voor de H. Augustinus, idem voor Vondel en tenslotte<br />
zijn voorkeur voor de psalmen. Vele van zijn confraters zou<br />
den later verstomd staan hoeveel psalmen hij van buiten kende,<br />
hoe diep hij er de zin van doorgrondde, hoe hij ervan genieten kon<br />
en hoe vaak hij ze bad tijdens zijn laatste levensdagen.<br />
Van oktober 1912 tot 1915 studeerde hij theologie in Sint -<br />
Agatha. De tonsuur en de kleine wijdingen werden hem toegediend<br />
in Sint - Agatha door magister - generaal Hollmann. Op 14<br />
September 1913 legde hij solemnele professie af in Sint - Agatha.<br />
In december van hetzelfde jaar werd hij in Den Bosch subdiaken<br />
gewijd door mgr. W. Van de Ven. Een half jaar later, op 6 juni<br />
1914 ontving hij het diaconaat. Mgr. A.E Diepen wijdde hem<br />
priester op 29 mei 1915 in Den Bosch. Na deze wijding studeer<br />
de hij tot 1920 aan de universiteit van Freiburg in Zwitserland,<br />
waar hij in januari 1921 summa cum laude het doctoraat behaalde<br />
in de theologie. Zijn proefschrift handelde over de deugdenleer bij<br />
Plotinus. Het verscheen in 1926 met als titel: "La theorie plotinienne<br />
de la vertu. Essai sur k genhe d'un article de la Somme<br />
Theologique de Saint - Thomas', Daarin toonde hij aan hoe de<br />
deugdenleer van Plotinus door de eeuwen heen te volgen is en eindelijk<br />
in een artikel van de Summa van Thomas van Aquino een<br />
plaats vindt4.<br />
4 Een zeer vleiende bespreking door dr. Silvester Coenen o.f.m. in Studia Catholica,<br />
III, 1927, pp. 136 - 137, prees de auteur om de wetenschappelijke speurzin en het onuitputtelijk<br />
geduld waarmee hij stap voor stap de sporen volgde, die Plotinus' deugdenleer
118 KRUISHEER DR. HENRICUS VAN LIESHOUT (1889-1948)<br />
In december 1915 verscheen van zijn hand een artikel over<br />
Petrus Canisius in de katholieke krant De Maasbode. Gedurende<br />
de volgende twee jaren ontpopte hij zich tot een ijverige corre<br />
spondent met bijdragen o.a. over de Zwitserse neutraliteit, het<br />
werk ten behoeve van vluchtelingen, de katholieke actie en de<br />
schoolstrijd in Zwitserland. Op 12 augustus 1917 kreeg hij van de<br />
bisschop van 's- Hertogenbosch voor drie jaar verlof om verboden<br />
boeken te lezen. Bovendien kreeg hij gedurende vele jaren jurisdictiebrieven<br />
in de bisdommen Den Bosch, Haarlem, Luik en<br />
Mechelen.<br />
Vanaf 1920 doceerde van Lieshout wijsbegeerte in Sint - Agatha<br />
en vanaf 1926 tot 1931 in Zoeterwoude. Bij zijn aankomst in<br />
1926 in Zoeterwoude startte hij samen met rector G.<br />
Klaverweijden5 en A. Emond6 het philosophicum op.Wat hijzelf<br />
door de eeuwen heen achterliet: niet slechts een uiteenzetting van Plotinus' theorie,<br />
maar tevens een historische commentaar van een artikel van St. - Thomas en een groot<br />
gedeelte van de geschiedenis der ethiek volgens genetische methode.<br />
5 Gerardus Jacobus Klaverwijden werd geboren in Alkmaar op 24 juli 1880 als zoon<br />
van Petrus Joannes Klaverweijden en Elisabeth Maria van den Bos. Hij studeerde in het<br />
priestercollege te Uden en trad in te Sint - Agatha in September 1901. Op 18 September<br />
1902 legde hij tijdelijke professie af en drie jaar later volgden de eeuwige geloften. Hij<br />
werd priester gewijd in Namen op 22 december 1906. Hij was conventuaal en leraar in<br />
Maaseik van 22 September 190o tot September 1912.. Van September 1912 tot 1918<br />
werd hij leraar in Hannut. In 1918 werd hij prior en directeur van het college gekozen<br />
in Maaseik. Hij bleef overste van Maaseik tot 1925. In juni 1925 werd hij benoemd voor<br />
Rotterdam. Datzelfde jaar verhuisde hij naar Uden, waar hij subprior werd tot 1926. In<br />
dat jaar werd hij benoemd voor Zoeterwoude, waar hij conventuaal bleef tot aan zijn<br />
dood op 22 juni 1971. Hij was rector van Zoeterwoude van 1926 tot 1936 en subprior<br />
van 1936 tot 1956. In 1924 werd hii definitor.<br />
6 Aloysius Antonius Emond wera geboren in Schiedam op 2 oktober 1883 als zoon<br />
van Everard Antonius Emond en Christina Hoebben. Hij volgde de humaniora in het<br />
priestercollege van de kruisheren in Uden. Hij werd aangenomen in de Orde van het H.<br />
Kruis in Sint - Agatha op 11 September 1904 en drie dagen later ingekleed. Zijn eezondheidstoestand<br />
was niet al te best. Op 14 September 1905 werd hij tijdelijk geprofest. Hij<br />
studeerde filosofie in Diest van oktober 1905 tot 1907 en theoloeie in Sint - Agatha van<br />
oktober 1907 tot 1910. Op 4 oktober 1908 legde hij solemnele professie ah In Den<br />
Bosch werd hij priester gewijd op 21 mei 1910. Hij werd professor in de kerkgeschiedenis<br />
in Sint - Agatha van oktober 1914 tot 1926 en in Zoeterwoude van augustus 1926<br />
tot aan zijn dood. Hij bezat een grote belangstelling voor het Jansenisme. Hij overleed<br />
plots op 11 april 1931 en werd vier dagen later in Sint - Agatha begraven. Hij schreef<br />
Korte bijdragen in Kruistriomf. Van zijn hand zijn ook de volgende publicaties:<br />
- De voormalige missie der EE. Kruisheeren in Wisconsin, in: De Zegepraal des Kruises,<br />
1922 - 1923, pp. 123 - 135, 159 - 164, 185 - 189, 205 - 210<br />
- Een Kruisheer missionaris op het eiland Saba. in: De Zegepaal des Kruises, 1923 -<br />
1924, pp. 86 - 89, 108- 114
KRUISHEER DR. HENRICUS VAN LIESHOUT (1889-1948) 119<br />
getuigde van Linnebank, deelden vele oud-studenten later over<br />
hem mee, wanneer ze beweerden van hem de ware liefde voor<br />
wetenschap en intellectueel leven geleerd te hebben. Naast het<br />
voorbereiden en doceren van zijn lessen in de wijsbegeerte publiceerde<br />
hij in deze periode veel als medewerker van verschillende<br />
dagbladen en tijdschriften, o.a. in De Maasbode, De Tijd, De<br />
Nieuwe Eeuw, De Leidsche Courant, Studia Catholica en het<br />
Thomistisch Tijdschrifi. Vanaf Goede Vrijdag 1927 voorzag hij de<br />
Leidsche Courant bij gelegenheid van grote feestdagen van<br />
beschouwingen en overwegingen. En in de jaren 1931 en 1932<br />
werkte hij mee aan de rubriek "Uit de Katholieke Wereld" in Hooger<br />
Leven.<br />
In 1921 werd van Lieshout benoemd tot hoofdredacteur van<br />
het missietijdschrift Kruistriomf. Bijna tien jaar lang probeerde hij<br />
aan dit tijdschrift een eigen gezicht te geven. Zelf schreef hij een<br />
groot aantal bijdragen. In September 1930 gaf hij ontslag, enerzijds<br />
omdat hij door zijn vele andere bezigheden onvoldoende tijd<br />
voor het blad overhad, anderzijds omdat hij door de missieprocurator,<br />
die eigenmachtig mee de inhoud van het blad bepaalde, voor<br />
de voeten werd gelopen. Op 4 oktober 1930 werd zijn ontslag<br />
aanvaard7.<br />
Van zijn verdere publicaties vragen er twee onze bijzondere aandacht.<br />
Ze werden geschreven in 1930 bij het vijftiende eeuwfeest<br />
- De Mariacultus in de Orde van het H. Kruis. in: Ons Geestelijk Erfi jg.l, 1927,<br />
pp. 49 - 55<br />
- Henricus Van den Wijmelenberg, 49ste Generaal der Orde van het H. Kruis, Cuijk,<br />
1931, 43p.<br />
- Kruisheeren Missionarissen in de Nederlanden, Cuijk, 1932, 64p.<br />
7 Bij zijn afscheid werd zijn werk met veel waardering gememoreerd. "Lezend en bijhoudend<br />
alles wat er iedere maand op het gebied van missieliteratuur verscheen, was hij<br />
eryan overtuigddat de missieliteratuur een machtig middel is om iets te leeren aangaande de<br />
uitbreiding van Gods rijk onder andersdenkenden en heidenen. En zelfstreefde hij ernaar om<br />
aan de lezers van Kruistriomfelke maand een boekje aan te bieden, dat men niet alleen kocht<br />
om de goede zaak te steunen, maar ook om eenige ware missiekennis op te doen. Met dit doel<br />
voor oogen heeft hij niet gevreesd vele voor hem zo kostbare uren te besteden aan een goedverzorgden<br />
tekst, aan welgekozen fotos en aan een groot getal eigen artikelen. Want als wij de<br />
verschenenjaargangen eens doorbladeren, dan vinden wij, daar weer onderteekend, dan weer<br />
eens anoniem, een groot aantal artiekelen van zijnen hand, waarvan nog altijd het lezen en<br />
herlezen een genot is om den ordelijken opzet, degelijken inhoud en keurigen stijU\<br />
Bij een apcheid. in: Kruistriomf jg.10, 1930 - 1931, pp.129 - 131
120 KRUISHEER DR. HENRICUS VAN LIESHOUT (1889-1948)<br />
van St. - Augustinus. Het eerste draagt als titel Augustinus en de<br />
Ouden over de Deugd8. Van Lieshout grijpt hier terug op een<br />
gedeelte van de stof, die hij reeds in het kort in zijn doctoraatsscriptie<br />
behandelde, maar nu verder uitwerkt, met name hoe<br />
Augustinus in zijn opvattingen op de deugd tegenover de Ouden<br />
stond: Socrates, Plato, de Stoicijnen, Philo, Plotinus en<br />
Aristoteles. Al kon Augustinus hun theorieen niet overnemen<br />
omdat ze vanwege hun te intellectualistisch karakter strijdig waren<br />
met de geest van het Christendom, toch heeft hij er tal van elementen<br />
uit overgenomen. Van Lieshout gaat na hoe dit in<br />
Augustinus' werken tot uiting komt.<br />
. Het tweede artikel Wegen van waarheid bij Augustinus9 behandelt<br />
de kennisleer van Augustinus en verzamelt, vermits<br />
Augustinus nergens een volledig tractaat hierover schreef, wat er in<br />
zijn werken over het menselijk kennen te vinden is. Hiermee<br />
belicht hij dan langs welke weg Augustinus de zekerheid in het<br />
kennen van de waarheid begrondt, hoe hij zich de zinnelijke waarneming<br />
denkt en hoe hij over het verstandelijke kennen oordeelt.<br />
Deze studie werd geprezen als een "uitstekend artikel dat van veel<br />
fijn begrip getuigt"10.<br />
In die tijd geraakte van Lieshout geboeid door de psychologie<br />
van het kind. In Leiden en Zoeterwoude gaf hij er verschillende<br />
spreekbeurten over. Ook hield hij een conferentie over De<br />
Wijsbegeerte en haar plaats in de Christelijke Beschaving voor universiteitsstudenten<br />
te Leiden. Verder hield hij twee reeksen voordrachten<br />
over apologetische onderwerpen en over de Jongerenbeweging11.<br />
In Zoeterwoude en in Tilburg sprak hij in 1926 in zes<br />
voordrachten over Waarom belijdik het Roomse Geloof? In 1929 en<br />
8 Verschenen in het augustusnummer van het Thomistisch Tijdschrift, 1930, pp. 717<br />
-751<br />
9 In Studia Catholics 1930, pp. 253 - 288<br />
10 DeMorgen, 19.03.1934<br />
11 De Jongerenbeweging was een stroming van ionge katholieke schrijvers en dichters<br />
die zich soms heftig verzetten tegen de gevestigcle sociale en kerkelijke orde. Illustere<br />
voorgangers waren b.v. Anton van Duinkerken, Henri en Gerard Briining, Albert Kuyle,<br />
die voor die tijd gewaagde stellingen innamen.
KRUISHEER DR. HENRICUS VAN LIESHOUT (1889-1948) 121<br />
1930 volgden twee reeksen wetenschappelijke voordrachten voor<br />
niet - katholieken in het auditorium van de universiteit van Leiden<br />
over Geloofen Psyche en Mystiek en Wetenschap 12. Door deze laatste<br />
reeks voordrachten kwam van Lieshout nog meer in aanraking<br />
met het Jongerenprobleem. Het thema "natuur en bovennatuur",<br />
dat hij in deze reeks voordrachten nog tamelijk algemeen behandelde,<br />
is hij in latere voordrachten gaan toepassen op de<br />
Jongerenbeweging. Dit was de aanleiding van zijn latere publicatie<br />
van Onze Onevenwichtige Jongeren, die in de pers een zeer luide<br />
weerklank vond en voorwerp werd zowel van de scherpste en<br />
meest sarcastische kritiek als van de meest lovende en vleiende<br />
bespreking.<br />
Voor zover is na te gaan, was hij begonnen met een voordracht<br />
over Dejongeren in NederlandVoor de Vereniging van hoofden der<br />
R.K. Bijzondere Scholen te Haarlem, waar hij sprak over Natuur<br />
en Bovennatuur bij dejongeren (23 juni 1930). Hierop volgde een<br />
reeks van zes radiocauserieen voor de KRO over De Zucht naar<br />
Vergeestelijking bij het opkomend geslacht. De eerste causerie vond<br />
plaats op 10 augustus 1930. Veel luisteraars schreven om nadere<br />
uitleg, om de tekst van de voordrachten te bekomen en om soortgelijke<br />
voordrachten op andere plaatsen. Zo kwam het dat van<br />
Lieshout hetzelfde probleem behandelde in Tilburg en in<br />
Nijmegen voor de studenten en wellicht nog elders. Hij publiceerde<br />
een artikelenreeks over De Zucht naar Vergeestelijking buiten<br />
de Kerk en had plannen om dit onderwerp, zowel binnen als bui<br />
ten de Kerk en speciaal in de Jongerenbeweging, uit te werken en<br />
als boek te publiceren. Had hij dit in 1931 kunnen doen, wellicht<br />
zou zijn werk dan heel anders ontvangen zijn, omdat het probleem<br />
juist toen in de voile belangstelling stond en de beweging toen wel<br />
het feist en scherpst was in haar uitingen. De Jongeren vormden<br />
nog een eenheid, een aaneengesloten front. Later, in 1933 - 1934,<br />
zocht men tevergeefs het elan van enkele jaren terug en de felle<br />
groepsovertuiging, zodat sommigen reeds beweerden dat de<br />
12 Zie besprekingen en een kort verslag in De Maasbode, 1929, 19 oktober, 2 november,<br />
15 en 19 november; 1930, 31 januari, 14 en 28 februari, 14 maart.
122 KRUISHEER DR. HENRICUS VAN LIESHOUT (1889-1948)<br />
Beweging doodgebloed was13. Waarom heeft van Lieshout zijn<br />
boek Onze Onevenwichtige Jongeren niet eerder uitgegeven14?<br />
Zijn verplaatsing naar Belgie in de lente van 1931 is hier wellicht<br />
de oorzaak van. Feit is dat het boek pas gedrukt werd op het<br />
einde van 1933 en begin 1934 op de markt kwam. Het lokte een<br />
storm van protest en verontwaardiging uit. Ieder tijdschrift of<br />
krant schonk er aandacht aan in over het algemeen weinig lovende<br />
bewoordingen aan het adres van de schrijver. Van de kant der<br />
Jongeren spuwde men natuurlijk vuur en vlam, in eerste instantie<br />
omwille van de onsympathieke titel, die overigens niet door de<br />
auteur gekozen werd, maar hem door de uitgever werd opgedrongen.<br />
Kritiek kwam er verder natuurlijk op de inhoud, speciaal op<br />
het tweede gedeelte van het boek15. Men verweet van Lieshout, dat<br />
13 H. Van ROOIJEN, De Mentaliteit der Jongeren. in: Bouwen, jg.2, 1933, p.49<br />
14 Zie enkele kritieken op Onze Onevenwichtige Jongeren (Tilburg, 1933):<br />
B. VERHOEVEN, Evenwicht op het slappe koord. in: Bouwen, jg.3, 1934, pp. 56-58;<br />
A. Van Duinkerken, Om het Evenwicht. in: De Tijd, 14 februari 1934; J.M., Een<br />
StukjeBoekhouding. in: DeMaasbode, 24 februari 1934; N.N., DeEvenwichtigeJongere.<br />
in: De Maasbode, 6 maart 1934; N.N., Over Onevenwichtigen. in: Nieuwe Tilburgsche<br />
Couranty 16 en 17 april 1934; Van Oldenburg Ermke Schrik niet, wijzijn het!in: De<br />
Morgen, 19 maart 1934; N.G., in: Het Schild, XV, 1934, p. 517; N.N., Evenwicht. in:<br />
De Gemeenschap, maart 1934; N.N., Het Wezenlijke en het Bijkomstige. in: De Zuid -<br />
Limburger, 22 maart 1934; Th. V.D.K., in: De Katholieke Vrouw, 28 april 1934;<br />
E. RUSSE, Zijn de Jongeren Onevenwichtig? in: De Residentiebode, 12 april 1934; N.N.,<br />
in: Ons Liturgisch Tijdschrift, XIX, 1933 - 1934, p. 224; N.N., Doemsdag over de Jeugd.<br />
in: Boekengids, 1934, pp.137 - 139; G.D., Rond onze Onevenwichtige Jeugd. in: De<br />
Katholieke School, 1934, pp. 86 - 87.<br />
15 Volgens de inleiding wilde van Lieshout een karakteristiek geven van de katholieke<br />
jongeren in Nederland en aantonen dat over sommige geloofsgenoten een zucht naar<br />
vergeestelijking, een streven naar verinnerlijking en vernieuwing gekomen was. Om dit<br />
streven beter te kunnen overzien plaatste van Lieshout het naast enkele andere stromingen,<br />
die niet van katholieke oorsprong waren.<br />
Eerst eing hij het streven naar spiritualiteit en relieiositeit na in en buiten de Kerk:<br />
"in de orde der idee" bij de hedendaagse wetenschap, de reactie tegen de materialistische<br />
opvattingen van een vroeger geslacnt; "in de orde der daad" in de beweging rond<br />
Krishnamurthi, in het religieuze socialisme en het Italiaanse fascisme. Binnen de Kerk<br />
stipte hij dit streven even aan in Frankrijk (speciaal Leon Bloy) en bij de "Vrienden van<br />
Israel". Vervolgens richtte hij zich naar de Nederlandse taalgemeenschap en vernoemde<br />
Heemvaart, Ruusbroeckbroeders, enkele periodieken (vooral Roeping en De<br />
Gemeenschap) en het Verbond der Katholieke Jongeren. Daarna oordeelde hij dat het<br />
streven naar spiritualiteit bij de jongeren gaaf was naar het wezenlijke, maar met vele<br />
tekorten in het bijkomstige en met miskenning van de juiste verhouding tussen gevoel<br />
en verstand, natuur en bovennatuur.<br />
Van Lieshout paste vervolgens op een onsympathieke en kleinerende manier op de<br />
jongeren toe wat Frater Rombouts in zijn Psychologie schreef over de rijpende jeugd:<br />
"Kind en geen kind", gewichtig doen en zich een air geven, koude drukte om niets;
KRUISHEER DR. HENRICUS VAN LIESHOUT (1889-1948) 123<br />
hij niet voldoende onderscheid maakte en nagenoeg al zijn argumenten<br />
putte uit De Gemeenschap, en dan nog alleen van 1930 en<br />
1931, en uit De Paal, een tijdschrift van enkele extremisten dat<br />
slechts heel kort bestaan had. In feite was dit een ernstig en<br />
gegrond verwijt. Het boek, dat de indruk wekte een overzicht en<br />
een beoordeling te releveren van de Jongerenbeweging, beantwoordde<br />
niet aan de gestelde verwachtingen. Van de beweging<br />
werd een eenzijdig en onvolledig beeld opgehangen. Kortom, als<br />
analyse van de Jongerenbeweging in Nederland was het boek een<br />
mislukking..<br />
Op 24 november 1931 werd van Lieshout onverwacht overgeplaatst<br />
naar Diest, naar later bleek omdat er beschuldigingen werden<br />
geuit dat hij homofiele betrekkingen zou gehad hebben. In<br />
Zoeterwoude werd hij vervangen door Henricus van Rooijen16.<br />
Na zijn verplaatsing naar Diest werd van Lieshout een tijdje medewerker<br />
van Hooger Leven en publiceerde in 1933 de hierboven<br />
genoemde lijvige studie over de Jongerenbeweging in Nederland.<br />
In 1931 en 1932 was hij rector van de Zusters van Tilburg in<br />
Tessenderlo en vanaf 1932 tot aan zijn dood was hij rector van de<br />
bernardinessen in Kolen/Kerniel. Tevens werd hij leraar Klassieke<br />
Talen en Nederlands in Tongeren bij de Zusters van Maria. Verder<br />
hield hij recollecties voor het mannenverbond van Katholieke<br />
Actie, hoorde biecht bij de Zusters en de Broeders in Borgloon en<br />
preekte bij diverse gelegenheden.<br />
"idealist en grof zinnelijk", ketteren teeen oppervlakkigheid, hardvochtig en overgevoelig,<br />
onverschillig en om liefde bedelend, vermetel en laf, leeuw en schaap, het tekort aan<br />
liefde en eerbied voor elkaar en voor de ouderen, maar daar tegenover uiterst gevoelig<br />
voor zichzelf en tenslotte bij een tekort aan ervaring een geest van kritiek en opstandigheid.<br />
Van Lieshout illustreerde al die gebreken met voorbeelden en aanhalingen uit het<br />
werk der Jongeren en besloot: de Jongeren hebben gelijk voor zover ze over de hele lijn<br />
streven naar een consequente doorvoering en beleving van het geloof; ze hebben ongelijk<br />
in de manier waarop ze dit nastreven. Het ontbreekt hen namelijk aan zelfbeheersing,<br />
liefde en waarheidszin.<br />
16 Voor meer informatie over Henricus Leo Maria van Rooijen (1902 - 1987) zie<br />
G.Q. REIJNDERS, De Ordeshistoricus Dr. Henri van Rooijen o.s.c. in: Clairlieu, jg.46,<br />
1988, pp. 13 - 22; R. JANSSEN, Bibliografie dr. H. van Rooijen (1902 - 19871 in:<br />
Clairlieu, feA7, 1989, pp. 177-186
124 KRUISHEER DR. HENRICUS VAN LIESHOUT (1889-1948)<br />
Al wat van Lieshout tot dan toe publiceerde was, zijn korte<br />
krantenartikelen en zijn bijdragen in Kruistriomf niet meegerekend,<br />
ofwel van theologische en filosofische aard, ofwel over de<br />
geestelijke stromingen van de laatste decennia in en buiten de<br />
Kerk. Van nu af schreef hij niets meer van die aard. Al bleef hij de<br />
jongeren met veel belangstelling observeren, toch heeft hij er nooit<br />
meer over geschreven. Tegelijk beeindigde hij ook zijn wetenschappelijke<br />
publicaties op theologisch en filosofisch terrein. In de<br />
volgende jaren ging zijn belangstelling heel sterk uit naar de<br />
geschiedenis. Misschien dat zijn verblijf in het klooster van Kolen<br />
hem daartoe de stoot gaf. Dit klooster was een voormalig kruisherenklooster,<br />
dat voor wat de gebouwen betreft, de Franse<br />
Revolutie schitterend overleefd had. Het bevatte enkele kunstschatten,<br />
waaronder het koor met de Sint - Odiliacyclus en de<br />
rijke sacristie met de schilderingen van de Luikse kunstschilder<br />
Aubee17. Daarbij berustten in de parochie Kerniel enkele overblijfselen<br />
van de kruisheren, waaronder het oude schrijn met de<br />
relieken van de H. Odilia, de patrones van de kruisheren.<br />
Voor de kunstschatten van het klooster van Kolen heeft van<br />
Lieshout heel veel gedaan. Van verschillende eiken beelden liet hij<br />
vernis of verf afhalen, de credens naast het altaar liet hij restaureren,<br />
voor de kerk vond hij in Maaseik een aangename biechtstoel,<br />
schilderijen, die als oud vuil op zolder lagen, liet hij schoonmaken<br />
en herstellen... Hij ging de herkomst na van alles: de geschiedenis<br />
van het klooster, de historie van het reliekschrijn van Kerniel met<br />
de erin vervatte relieken en documenten, de historie van de vele<br />
Lutgardisherinneringen, die zich in het klooster bevonden. Alles<br />
wat oud en mooi was verzamelde hij, zodat zijn huis naast het<br />
klooster na jaren een echt museum werd. Ook de geschiedenis van<br />
de streek interesseerde hem, de geschiedenis van de zusters en van<br />
al hun heiligen, speciaal de H. Lutgardis18. Zo kreeg hij stilaan in<br />
de streek de naam van "oudheidkundige". Zijn vele pastorale acti-<br />
17 Over de kruisheren en Aube'e zie: Martin Aube'e Schilder in het Land van Loon.<br />
Werkgroep Martin Aube'e, V.T.B.- V.A.B., Kerniel, 1996, 54p., ill.<br />
18 Zie ook dr. A. RAMAEKERS, Oudheidkundige Dr. H. VAN LIESHOUT, kruisheer. in:<br />
Het Oude Land van Loon, Hasselt, 1949
KRUISHEER DR. HENRICUS VAN LIESHOUT (1889-1948) 125<br />
viteiten en ook het leraarsambt dat veel van hem vergde, stond een<br />
intensief historisch veldwerk natuurlijk in de weg. De vele mappen<br />
met aantekeningen over de merkwaardigheden van Kolen,<br />
over de geschiedenis van het klooster, over het klooster<br />
Nonnenmielen, over de heiligen van de Cistercienzerinnen raakten<br />
bedolven onder stapels proefwerken, vertalingen van klassieken,<br />
preken en conferenties. Van Lieshout heeft dan ook slechts<br />
weinig gepubliceerd, voor zover bekend enkel een artikel over het<br />
klooster Kolen in de Zondagsvriend ( 1935, pp. 930 - 931), een<br />
reeks bijdragen Lutgardisherinneringen in het klooster Kolen in<br />
Gudrun (1934 - 1936) en het werk Rondhet reliekschrijn van Sint<br />
Odilia (Verzamelde Opstellen, XI, 1, Hasselt, 1935).<br />
In de reeks van zes bijdragen in Gudrun beschreef van Lieshout,<br />
na een korte inleiding over de geschiedenis van het klooster, hoe<br />
de verschillende kunstschatten van het klooster in het bezit van de<br />
zusters gekomen waren, waarbij hij dan tevens de oorsprong en de<br />
lotgevallen ervan optekende19. Behalve de beschrijving van de<br />
kloosterschatten en vele bijzonderheden over hun oorsprong en<br />
geschiedenis, bevatte deze studie ook interessante bijzonderheden<br />
over de stichteres van het klooster Kolen, Dame Maximilienne,<br />
een zuster van de opgeheven abdij van Woutersbrakel, die in 1822<br />
het klooster kocht, en over enkele van haar relaties, juffrouw<br />
Paridaens, Nic. Jos. Minsart, een monnik van de opgeheven abdij<br />
van Boneffe, en vrouwe Regine de Musiel, de laatste zuster van het<br />
opgeheven Nonnenmielen. Naar aanleiding hiervan ontving hij<br />
een interessante brief van de jezuiet pater B. Spaapen, lid van het<br />
19 1. De kunstschatten afkomstig van de kruisheren, houtwerk en schilderingen van<br />
kerk en sacristie, eikenhouten Christoffel en Ecce - Homo<br />
2. De oude, meestal liturgische boeken, afkomstig van benedictinessen - en cistercienzerskloosters<br />
3. Andere kostbaarheden en schilderijen: een kruisbeeld uit de abdij van<br />
Woutersbrakel, een schilderij van Ida van Leuven door Joos Stevaert, een schilderii van<br />
de H. Lutgardis, toegeschreven aan de Meester van Diepenbeek, een schilderwerk "de<br />
familieboom der H. Humbelina", kerkbenodigheden, eikenhouten meubelen, serviezen,<br />
tafelzilver, oude ingelijste prenten en schilderijen, allemaal afkomstig van het klooster<br />
Nonnenmielen.<br />
4. De koorstoel van de H. Luteart, eveneens afkomstig van Nonnenmielen<br />
5. Een handschrift van een oud Vlaams rijmwerk, dat net leven verhaalde van de H.<br />
Lutgardis en van Christina de Wbnderbare.
126 KRU1SHEER DR. HENR1CUS VAN LIESHOUT (1889-1948)<br />
Ruusbroecgenootschap (Antwerpen, 22 februari 1946), die werkte<br />
aan een bijdrage voor Ons Geestelijk Erf'over de H. Lutgardis en<br />
die vroeg naar mogelijk nog andere literaire bronnen.<br />
In Rond het reliekschrijn van Sint Odilia behandelde van<br />
Lieshout alles wat met dit merkwaardige en kostbare schrijn verband<br />
houdt. Na een inleiding over de verschillende reliekschrijnen<br />
in Kerniel, over de literatuur rond het schrijn en de legende van de<br />
H. Odilia, werden de documenten met hun zegels tot in de puntjes<br />
bestudeerd en nagegaan wat ze juist over de gebeurtenissen met<br />
de relieken te vermelden hebben. De lotgevallen van het schrijn<br />
werden vanaf 1292 zo nauwkeurig mogelijk onderzocht, de<br />
beschilderingen beschreven, de legende en beschildering aan<br />
elkaar getoetst en het ontstaan van de legende in haar verschillen<br />
de onderdelen geschetst. Van Lieshout trachtte het historische van<br />
het legendarische te onderscheiden en uit te maken in hoeverre de<br />
schilderingen de bestaande legende weergeven en omgekeerd in<br />
hoeverre zij de legende beinvloed hebben.<br />
:<br />
Diest - Kruisherenkerk.<br />
SINTE-ODILIA-SCHRIJN.<br />
Reconstructie door kunstschilder Koos VAN DER HORST jr. (A° 1951):<br />
gemaakt naar 't oude schrijn van Kerniel (A0 1292)
KRUISHEER DR. HENRICUS VAN LIESHOUT (1889-1948) 127<br />
Beide historische publicaties waren degelijk gefundeerde stu<br />
dies. Een nadeel was wel dat van Lieshout gemakkelijk afdwaalde<br />
en tal van gegevens verstrekte, die met het eigenlijke onderwerp<br />
niet veel te maken hadden.<br />
Aan het schrijven van de geschiedenis van het oude kruisherenklooster<br />
van Kolen is van Lieshout nooit toegekomen, hoewel er<br />
van de kant van de orde herhaaldelijk op werd aangedrongen.<br />
Door zijn kennis van de details van het klooster en van de streek<br />
zou hij er nochtans wellicht toe in staat geweest zijn.<br />
Men kan zich hier afvragen: was van Lieshout een Lutgart-<br />
kenner? In bredere kringen ging hij hier zeker voor door, wat ten<br />
dele zijn verklaring vindt in het feit, dat hij vele groepen van<br />
Vlaamse meisjes rondleidde in Kolen om hun de oude kunst-<br />
schatten, waaronder de Lutgardisherinneringen uit te leggen. Hij<br />
woonde verschillende vieringen in verband met St.- Lutgart bij,<br />
zoals het vijfentwintigjarig bestaan van de St - Lutgartkring in het<br />
H. Graf teTurnhout (1936), het vijfentwintig jarig bestaan van de<br />
St. - Lutgartschool te Antwerpen (1936) en de eeuwfeestherden-<br />
king in die school in 1946. In Tongeren hield hij bij deze herden-<br />
king op 18 juni 1946 de feestrede. Tevens stimuleerde hij de uitgave<br />
van het boek van Emiel van der Straeten, Lutgart Herderin<br />
van het Vlaamse Volk, in 1947, waarvoor hij de inleiding schreef.<br />
Of hij zich met de studie van St. Lutgart verder nog speciaal heeft<br />
bezig gehouden, is uit zijn nagelaten papieren niet op te maken.<br />
Heeft van Lieshout ervoor geijverd om andere werken van de<br />
schilder Aubee, van elders in de streek, naar Kolen te krijgen? Alles<br />
wat er van Martin Aubee aan schilderijen in Kolen en omgeving<br />
aanwezig was, vanaf de Odilia - cyclus tot en met later ontdekte<br />
fragmenten, evenals het leven van Aubee, beschreef hij in zijn boek<br />
over Odilia. Op 21 September ontving hij bericht van pastoor J.<br />
Vandebroek van Beverst, dat te Hasselt een apotheker Le Beau<br />
twee schilderijen van Aubee bezat: een "Geseling van Christus",<br />
afkomstig uit Luik, te koop aan 3000 Fr. en een "Boodschap",<br />
afkomstig uit Vlaanderen, te koop aan 7000 Fr. Omdat de apo-
128 KRUISHEER DR. HENRICUS VAN LIESHOUT (1889-1948)<br />
theker een kasteeltje "Haagsmeer" bezat onder Gors-Opleeuw -<br />
vlak bij Kerniel-, zou van Lieshout daar het gemakkelijkst informeren.<br />
Er is evenwel geen enkele aanwijzing dat hij ooit pogingen<br />
hiertoe ondernomen heeft.<br />
Na al het werk dat hij gedurende bijna vijftien jaar voor het<br />
klooster gedaan had, was het voor van Lieshout een pijnlijke slag<br />
toen hij op 12 december 1944 plots voor een half verwoest kloos<br />
ter stond. Een vliegende bom viel die dag op vijftig meter afstand<br />
van de kerk en het klooster in de aangrenzende boomgaard. Het<br />
noviciaatsgebouw was totaal verwoest, het klooster als het ware<br />
helemaal verwrongen en gescheurd, de kerk lag er zonder dak, alle<br />
glasramen ingedrukt, de helft van de Sinte- Odiliacyclus met tientallen<br />
scherven en splinters geschonden en doorkorven. De sacristie<br />
bleef gespaard. Maar alles zat onder stof en vuil. Zonder echter<br />
de moed er bij te verliezen leidde de rector aanstonds de opruimings-<br />
en herstellingswerken. Samen met de zusters sloofde hij<br />
zich maandenlang af om alles weer in zijn oude glorie te herstellen.<br />
Maar daar dient men bij te bedenken, dat het in die tijd nog<br />
zeer moeilijk was de nodige bouwmaterialen te vinden, zonder dan<br />
nog te spreken van de vereiste fondsen. Pas in de zomer van 1945<br />
kon er aan de kerk 'n voorlopige dakbekleding worden aangebracht<br />
in goudronpapier.<br />
Voor zJn laatste ziekte heeft hij gelukkig kunnen zien, dat Kolen<br />
weer het vroegere uitzicht had teruggekregen en op 2 mei 1947<br />
voelde hij zich zeer voldaan over het feit, dat de Koninklijke<br />
Commissie voor Monumenten en Landschappen het oude kloos<br />
ter als monument gerangschikt had om zijn architectonische, oudheidkundige<br />
en geschiedkundige waarde. Zelf had hij het verslag<br />
hiervoor opgesteld.<br />
Op 14 September 1948, feest van Kruisverheffing, overleed van<br />
Lieshout, uitgeteerd door een vorm van kanker, die hem reeds lang<br />
hinderde, maar in 1948 in alle hevigheid uitbrak om van de sterke<br />
man in een mum van tijd een levend geraamte te maken. Dr.<br />
Van Lieshout was een geachte en beminde persoonlijkheid in de
KRUISHEER DR. HENRICUS VAN LIESHOUT (1889-1948) 129<br />
streek van Borgloon, die een grote aantrekkingskracht uitoefende<br />
op al wie met hem omging. Dit verklaart de grote toeloop op zijn<br />
begrafenis in Kolen en in de dienst, die enkele dagen later in de<br />
parochiekerk van Kerniel opgedragen werd. Zijn goede vriend, de<br />
pastoor van Kerniel, die hem gedurende zijn lange ziekte, dagelijks<br />
bezocht, vertelde bij zijn doodsbed ontroerd, dat hij van Lieshout<br />
nooit tevergeefs om een dienst verzocht had. Enkele maanden na<br />
zijn dood vergaderden de leden van het Mannenverbond voor<br />
Katholieke Aktie, waarvan hij de steeds klaar staande raadgever<br />
was geweest en waarvoor hij vele recollecties had gepreekt, nog<br />
eens te Kolen waarbij de deken van Borgloon een herdenkingsrede<br />
hield. Van Mgr. Kerkhofs hadden zij de toelating gekregen om<br />
op het graf van van Lieshout, gelegen binnen het slot van het<br />
klooster, te gaan bidden. Geen priester, verklaarde volksvertegen-<br />
woordiger Roppe van Tongeren bij die gelegenheid, heeft ooit<br />
zulke indruk op mij gemaakt als dr. van Lieshout.<br />
Dr. van Lieshout was een geleerd priester, minnaar van al het<br />
schone, kenner van kunst en historie, maar ook was hij een man<br />
die steeds even eenvoudig, dienstvaardig en belangstellend was<br />
voor eenieder. Het gedachtenisprentje, dat opgesteld werd door<br />
kruisheer M. Vinken, stelde: "Dr. H. Van Lieshout was een goede<br />
confrater, een geleerd en ijverig priester (...). Zijn scherp verstand<br />
drong diep door in het wezen der dingeny en in klare taal deelde hij<br />
zijn kennis mee in lessen en predikaties. Voor vele priesters, kloosterlingen<br />
en voormannen van de Katholieke Aktie was hij een gezocht<br />
raadsman. (...)".<br />
Bibliografie van dr. Henricus van Lieshout<br />
1915<br />
Het feest van den Zaligen Petrus Canisius.(Canisiusviering te Freiburg), in De Maasbode,<br />
31.12.1915.<br />
1916<br />
Treinen der ellende: het overbrengen der Fransche Bevolking. in: De Maasbode, 31. 1. 1916.<br />
Een merkwaardige lezing over Nederlandsche Kunst. in: De Maasbode, 2.2.1916<br />
Relletjes te Lausanne, in: De Maasbode, 4.2.1916
130 KRUISHEER DR. HENRICUS VAN LIESHOUT (1889-1948)<br />
De "Mission Catholique Suisse". in: De Maasbode, 26.2.1916<br />
De Zwitsersche Neutraliteit. in: De Maasbode, 5.3.1916<br />
West - Zwitserland verontwaardigd; opstootje te Freiburg, in: De Maasbode, 7.3.1916<br />
Uit den grooten Raad van Bern, in: De Maasbode, 17.4.1916<br />
Missiewerk in Zwitserland. in: De Maasbode, 24.6.1916<br />
1917<br />
Schoolstrijd in Zwitserland. in: De Maasbode, 1.1.1917 en 2.1.1917<br />
Het Vondelmuseum. in: De Maasbode, 3.11.1917<br />
Alma Mater Friburgensis. in: De Maasbode, 21.11.1917<br />
1918<br />
Alma Mater Friburgensis II. in: De Maasbode, 18.2.1918<br />
De Zwitsersche Neutraliteit. in: De Maasbode, 3.3.1918<br />
Twee boeken over Litauen. in: De Maasbode, 2.8.1918<br />
1921<br />
TerInleiding. in: Kruistriomf, I, 1921 - 1922, pp.1 - 2<br />
DeKruisherenmissie in Neder - Uele. in: Kruistriomf, I, 1921 - 1922, pp.4 - 12<br />
Missieverslag. in: Kruistriomf, I, 1921 - 1922, pp.130 - 131<br />
1922<br />
Z.H. Paus BenedictusXV. in: Kruistriomf, pp.152 - 157<br />
Van verre en nabij. in: Kruistriomf, pp.236 - 238<br />
Verandering. in: Kruistriomf, pp.249 - 251<br />
Het eeuwfeest der Propaganda, in: Kruistriomf, pp.263 - 276 (eveneens in De Zegepraal<br />
desKruises, jg.l, 1921 - 1922, pp.217 - 220)<br />
Bij het ingaan van den tweeden jaargang. in: Kruistriomf, jg.II, pp.3 - 6<br />
Twaalf- en - een - half - jarig bestaan onzer Amerikaansche Missie. in: Kruistriomf, II,<br />
pp.129- 134<br />
Een verlies. in: Kruistriomf, jg.II, pp. 321 - 324<br />
1924<br />
ZaligNieuwjaar. in: Kruistriomf, jg.III, 1923 - 1924, pp.161 - 163<br />
Pastoor van Schijndel. in: Kruistriomf, III, pp.164 - 167<br />
Ons nieuw college te Uden. in: Kruistriomf, III, pp. 167 - 172<br />
Een zilveren]ubili. in: Kruistriomf, III, pp.193 - 197<br />
Twee missiedagen. in: Kruistriomf, III, pp.293 - 296<br />
De rozen der eeuwigheid. in: Kruistriomf, jg.4, 1924 - 1925, pp.65 - 69<br />
Allerheiligen - Allerzielen. in: Kruistriomf, jg.4, pp.97 - 101<br />
Naar ct heiligKerstfeest. in: Kruistriomf, jg.4, pp.129 - 133<br />
1925<br />
Missielectuur en ... Zalig Nieuwjaar. in: Kruistriomf, jg.4, pp.161 - 171<br />
Sijntje de Wever. in: Kruistriomf, jg.5, 1925 - 1926, pp.7 - 10<br />
1926<br />
Bij het wentelen der jaren. in: Kruistriomf,)^, 1925 - 1926, pp.161 - 163
KRUISHEER DR. HENRICUS VAN LIESHOUT (1889-1948) 131<br />
Verrijzenis. in \Kruistriomf, jg.5, pp.259 - 261<br />
Mgr. Joannes Mattheus Konings, eerste apostolische Prefect van Bondo. in: Kruistriomf<br />
jg.VI, 1926 - 1927, pp.3 - 5<br />
Bezijden van Leiden naar Zoeterwouden. in: Kruistriomf, jg.VI, pp.97 - 101<br />
La Thiorie Plotinienne de la Vertu, Essai sur la Ginhe d'un article de la Somme Theologique<br />
de Saint Thomas. Freiburg, 1926, reeks Studia Freiburgensia, X - 204p. (uitgave van het<br />
proefschrift, verdedigd in 1921)<br />
Godsdienstige artikeltjes in het Sint - Jozefiblad<br />
1927<br />
Maria Adelheid van Luxemburg, in: Kruistriomf, jg.VI, pp. 255 - 256<br />
In memoriam H. Linnebank. in: Kruistriomf jg.VI, pp.321 - 324<br />
Van 1927 tot 1931 godsdienstige artikelen in De Leidsche Courant<br />
1928<br />
Pater Linnebank. in: Kruistriomf jg. VII, 1927 - 1928, pp.289 - 298 en 321 - 332<br />
Naar Tuindorp - Vreewijk, Rotterdam, in: Kruistriomf jg.VII, pp.354 - 360<br />
1930<br />
Augustinus en de Ouden over de Deugd. in: Thomistisch tijdschrift voor Katholiek<br />
Cultuurleven, jg.l, 1930, pp. 717 - 751<br />
Wegen van WaarheidbijAugustinus. in: Studia Catholica, 1930, pp. 253 - 288<br />
Middeleeuwen en Renaissance, een onjuiste opvatting. in: De Maasbode, 8 en 9 december<br />
1930 (polemiek naar aanleiding van een reeks artikelen van K. Lautenschutz over<br />
Erasmus in Het Schild)<br />
Dezuchtnaar vergeestelijking buiten de Kerk. in: De Gemeenschap, 1930, pp. 97-98, 121<br />
- 122, 145 - 146, 169 - 170, 193 - 194, 217 - 218, 241 - 242, 265 - 266, 289 - 290<br />
In Hooger Leven, 1930, 1931 en 1932 publiceerde hij een dental artikels die vroeger<br />
reeds verschenen in Kruistriomf.<br />
Ook werkte hij mee aan De Tijd en De Nieuwe Eeuw.<br />
1933<br />
Onze onevenwichtige Jongeren. Tilburg, 1933, 295 p.<br />
1935<br />
Lutgardisherinneringen in het klooster Kolen. in: Gudrun, Orgaan van den Vlaamschen<br />
Landsbond voor Roomsch - Katholieke Vrouwen en Meisjes, jg.l6 (1934 - 1935), pp. 201 -<br />
204, 242 - 248; jg.17, 1935 - 1936, pp.5 - 13, 44 - 50, 89 - 91, 115 - 123<br />
Rond het Reliekschrijn van Sint - Odilia. in: Verzamelde Opstellen, Hasselt, 11, 1935,<br />
159p.<br />
Het klooster van Kolen. in: De Zondagsvriend, 22.9.1935, pp. 930 - 931<br />
1947<br />
Voorwoord. in: E. VAN DER STRAETEN, Lutgart, Herderin van 't Vlaamsch Volk.<br />
Leuven, 1947, pp. 5 - 8<br />
dr. Roger Janssen & dr. Andre Ramaekers (+)
132 KRUISHEER DR. HENRICUS VAN LIESHOUT (1889-1948)<br />
SAMENVATTING<br />
Dr. Henricus van Lieshout (1889 - 1948) was een veelziidig geleerde. Aanvankelijk<br />
legde hii zich vooral toe op de thomistische wijsbegeerte en de theologie, waarin hij overigens<br />
doctoreerde. Hij was een briljant lesgever aan de kruisherenstudenten in Sint -<br />
Agatha en in Zoeterwoude. Ook publiceerde hij in zijn jonge jaren veel in kranten en<br />
tijdschriften, waaronder Kruistriomf, waarvan hij de eerste hoofdredacteur was. Een<br />
breuk in zijn leven en werk ontstond toen hij zich ging bezighouden met de Nederlandse<br />
Jongerenbeweging en er een boek over schreef dat een storm van kritiek uitlokte. In<br />
1931 werd hij benoemd voor het kruisherenklooster van Diest. Als rector bij de zusters<br />
bernardinessen in Kolen verwierf hij faam als oudheidkundige. Hij stierf aan de gevolgen<br />
van een slepende kanker.<br />
SUMMARY<br />
Dr. Henricus van Lieshout (1889-1948) was a versatile scholar. First he applied him<br />
self to the Thomistic philosophy and also to theology, in which he took his doctor s deg<br />
ree. He was a brilliant teacher for the students of the Crosiers in Sint-Agatha and in<br />
Zoeterwoude. In addition, he published a lot of articles in newspapers and magazines,<br />
among which "Kruistriomf", of which he became the first editor-in-chief. A real split<br />
both in his life and in his work was caused by his involvement in the Dutch<br />
"Jongerenbeweging" (Youth Movement), about which he wrote a book that raised a<br />
storm of criticism. In 1931 he got an appointment in the monastery in Diest. Later, as<br />
rector in the convent of the Sisters of Saint Bernard (Cistercians) in Kolen, he became<br />
famous as an archaeologist. A languishing cancer ended his life.<br />
RfiSUMfi<br />
Henri van Lieshout, Dr. (1889-1948) fut un erudit aux multiples facettes. Au debut<br />
il se consacra surtout a la philosophie thomiste et a la the'ologie, ou il acquit son doctorat.<br />
II fut un enseignant eminent pour les etudiants croisiers a Saint-Agathe et a<br />
Zoeterwoude. Dans ses jeunes annees il publia beaucoup dans la presse et les revues<br />
parmi lesquelles "Kruistriomf" dont il fut le premier redacteur en chef. Il connut un<br />
dechirement dans sa vie et dans son ceuvre lorsqu'il s'occupa du "Mouvement de la jeunesse<br />
ne'erlandaise" sur lequel il e'crivit un livre qui de'chaina une tempete de critiques.<br />
En 1931 il fut nomme au couvent croisier de Diest. En tant que recteur des sceurs bernardines<br />
de Kolen il se fit un nom comme specialists pour les archives. II mourut des<br />
suites d'une longue maladie (cancer).<br />
ZUSAMMENFASSUNG<br />
Dr. Henricus van Lieshout (1889-1948) war ein vielseitiger Gelehrter. Zunachst<br />
hatte er sich vor allem auf die thomistische Philosophie verlegt wie auch auf die katholische<br />
Theologie, in der er auch promovierte. In den Bildungshausern St. Agatha und
KRUISHEER DR. HENRICUS VAN LIESHOUT (1889-1948) 133<br />
Zoeterwoude in den Niederlanden war er ein hervorraeender Dozent. Er veroffentlichte<br />
in den zwanziger Jahren dieses Jahrhunderts viele Beitrage in Zeitungen und<br />
Zeitschriften, u.a. in "Kruistriomf", einer ordenseigenen Zeitschrift, deren erster<br />
Chefredakteur er war.<br />
Als er die "Nederlandse Jongerenbewegine", einen Kreis von Schriftstellern, in seinem<br />
Buch "Onze onevenwichtige Jqngeren" kritisierte, erhob sich ein heftiger Protest.<br />
Dies fiihrte zu einer grundlegenden Anderung in seinem Leben. Im Jahr 1931 wurde er<br />
in das Diester Kreuznerrenkloster (Belgien) versetzt.<br />
Spater hat er sich als Rektor des Zisterzienserinnenklosters in Kolen/Kerniel<br />
(Belgien) intensiv mit der Geschichte des beriihmten Odiliaschreins aus 1292 befafit. Er<br />
starb 1948 an den Folgen eines Krebsleidens.
Einleitung<br />
GRABSTATTEN IN DER<br />
KREUZHERRENKIRCHE DttSSELDORF<br />
"... Die Kreuzbriider erfreuten sich grofiter Beliebtheit und des<br />
Schutzes der weltlichen und geistlichen Behorden".<br />
So schreibt 1645 Aegidius Gelenius in seinem beruhmten Werk<br />
£De admiranda magnitudine Coloniae'.<br />
Anno 1592:<br />
"Kreuzherren in Diisseldorf"<br />
Kreuzherren von Diisseldorf im Leichenzug des Herzogs "Wilhelms des Reichen" 1592<br />
Originale im stadtischen Museum Kleve.<br />
Stich von: Franz HOGENBERG
136 GRABSTATTEN IN DER KREUZHERRENKIRCHE DOSSELDORF<br />
Und das, was Aegidius Gelenius 1645 iiber die Kolner Kreuzbriider<br />
vermerkt, das gait auch fiir die Kreuzbriider in Diisseldorf<br />
bis zur Aufhebung ihres Konventes im Jahre 1802.<br />
Mit besonderer Vorliebe hatten in Diisseldorf biirgerliche und<br />
adelige Familien sich die Kirche der Kreuzherren als Begrabnisstatte<br />
erwahlt. So war denn auch der Fufiboden der Kirche mit<br />
Grabplatten vollig bedeckt.<br />
Durch die schreckliche Uberschwemmung des Jahres 1784 war<br />
es dringend notwendig geworden, den Bodenbelag der Kreuzherrenkirche<br />
ganzlich zu erneuern, aufierdem brachten diverse<br />
bauliche Veranderungen und Grabpliinderungen durch russische<br />
Truppen (in den Jahren 1809 bis 1813) es mit sich, dafi der jahrhundertealte<br />
Glanz und Zauber der Kirche fiir immer verloren<br />
ging.<br />
Als 1819 die Klosterkirche der Kreuzherren zu profanen<br />
Zwecken genutzt werden sollte, wurden die noch dort befindlichen<br />
Leichen auf den jetzigen Stadtfriedhof iiberfiihrt, wo sie vor<br />
dem Hochkreuz ihre endgiiltige Ruhestatte fanden.<br />
So liefien sich bei den Kreuzherren zu Diisseldorf zur letzten<br />
Ruhe betten:<br />
Johann von Blumenthal:<br />
Johann v. Blumenthal, geboren vor 1500, gestorben nach<br />
1546.<br />
Er war jiilichscher Geheimrat, Amtmann zu Wassenberg (17<br />
km siidlich von Briiggen). Vielleicht lernte er an diesem Ort die<br />
Kreuzherren kennen, die dort ihr Kloster besafien.<br />
Aufierdem war er noch Amtmann zu Liilsdorf (rechtsrheinisch,<br />
siidlich von Koln).<br />
Johann v. Blumenthal diente seinem Herzog Johann III. von<br />
Jiilich-Kleve-Berg (1516-1539) als Gesandter beim Kaiser Karl V.<br />
und als solcher erschien er auf dem Reichstag zu Worms im Jahre<br />
152 1.<br />
Vermahlt hatte sich Johann v. Blumenthal mit:
GRABSTATTEN IN DER KREUZHERRENKIRCHE DOSSELDORF 137<br />
Elisabeth v. Gruithausen<br />
Sie war die Tochter des Arnold v. Gruithausen und der Bertha<br />
v. Inden.<br />
Zu Brachelen (zwischen Hiickelhoven und Linnich) entstand<br />
"Haus BlumenthaT als Stammsitz der gleichnamigen Familie.<br />
Wappen: Die 'Blumenthals' fuhrten in goldenem Felde eine rote<br />
Nelke am griinen Stiel, welche aus einem Tale zwischen zwei grunen<br />
Bergen hervorwachst.<br />
Auf dem Helm: ein schwarzer Bock mit goldenen Hornern, der<br />
die Nelke im Maule halt.<br />
Robert (Rabode, Rabod, Rabold) von Plettenberg:<br />
Robert v. Plettenberg, Erb-Landmarschall des Herzogtums<br />
Jiilich (1519-1532), Hofmeister, Rat und Amtmann zu Heimbach<br />
(zwischen Nideggen und Schleiden gelegen), Herr zu Eller.<br />
Im Jahre 1544 wird er noch in einigen Urkunden als lebend<br />
erwahnt.<br />
Robert v. Plettenberg entstammte einer Familie, die unbestritten<br />
die bedeutendste des Kolnischen Westfalenlandes gewesen ist.<br />
Fast jede Generation derselben ist wichtig fur die Landesgeschichte.<br />
In seiner Zeit war Robert v. Plettenberg ein friiher Industrieller:<br />
um 15 3 0 hatte er mit herzoglicher Genehmigung eine<br />
Eisenhutte in Olef (in der Eifel) erbauen lassen.<br />
Verheiratet war Robert mit: Margarethe v. Eynenberg, (Erbin<br />
zu Landscron und Drimborn).<br />
Sie brachte 15 2 3 auch den Rittersitz Eller an ihren Gatten, zu<br />
dessen erheblichem Vermogen sie durch die Heirat noch beitrug.<br />
Margarethe v. Eynenberg war die Tocher des Conen (Cuno) v.<br />
Eynenberg und der Margaretha v. Nesselrode.<br />
Wappen: Die Familie v. Plettenberg fiihrte einen rechteckig gold<br />
und blau geteilten Schild.<br />
Dietrich von der Horst und Elisabeth vom Haus:<br />
Dietrich v.d. Horst, Herr des Rittersitzes zum Haus' bei<br />
Ratingen, bergischer Hofmeister, Geheimrat, Amtmann zu Diis-
138 GRABSTATTEN IN DER KREUZHERRENKIRCHE DOSSELDORF<br />
seldorf und Angermund, Lehrer und Erzieher des -spateren- Her-<br />
zogs Johann Wilhelm v. Jiilich-Kleve-Berg.<br />
Dietrich v.d. Horst wurde im Jahre 1521 als dritter Sohn des<br />
Johann v.d. Horst, Herr zu Horst, und der Margaretha vom Haus,<br />
Erbin zu Miillingenhoven (auch Miidlinghoven) geboren.<br />
In -erster- Ehe vermahlte er sich 1554 mit Elisabeth vom Haus,<br />
Erbin des Rittersitzes mm Haus'.<br />
Sie war eine Cousine 'dritten Grades' von ihm.<br />
Als wichtige Personlichkeit im Herzogtum, erschien Dietrich<br />
v.d.Horst auch 1562 auf dem "Wahltag" des Kaisers Maximilian<br />
II. in Frankfurt am Main.<br />
Am 16. September 1589 verstarb Dietrich ganz plotzlich und<br />
unerwartet in Diisseldorf.<br />
In weiser Voraussicht verheimlichte man zunachst diese<br />
Nachricht dem Jungherzog Johann Wilhelm und hielt ihn fur<br />
einige Zeit von Diisseldorf fern.<br />
Als er dann dennoch davon erfuhr, weil sich das Fortbleiben des<br />
vertrauten und hochverehrten Erziehers auf Dauer nicht entschuldigen<br />
liefi, verschlechterte sich sein ohnehin labiler Zustand (der<br />
Jungherzog litt unter Schwermut und starkerwerdendem<br />
Schwachsinn) abermals rapide.<br />
Auch nach dem Tode ihres Familienoberhauptes, spielten die<br />
Von der Horst' noch lange eine einflufireiche Rolle am Hof zu<br />
Diisseldorf.<br />
Wappen: Die Familie v.d. Horst fiihrte ein Wappen in Silber<br />
mit fhnf blauen Balken, iiber alles hin ein rechts steigender, roter,<br />
goldgekronter, einschwanziger Lowe. Auf dem Helme: der Lowe<br />
aus der Krone wachsend zwischen zwei silbernen mit ftinf blauen<br />
Balken belegten Fliigeln; Decken: blau-silbern.<br />
Elisabeth vom und zum Haus<br />
Im ehemaligen Amte Angermund, im Herzogtum Berg, liegt<br />
bei Ratingen der Rittersitz "zum Haus".<br />
Don wurde Elisabeth vom Haus um 1534 als Tochter des<br />
Johann IV. Vom Haus' und der Sophia v. Wittenhorst geboren.<br />
Am 8. Mai des Jahres 1554 heiratete Elisabeth ihrenVetter dritten<br />
Grades £Dietrich von der Horst'. Aus dieser Ehe sind zehn
grabstAtten in der kreuzherrenkirche dOsseldorf i 39<br />
Kinder bekannt, darunter acht Sohne, von denen aber nur zwei<br />
heirateten.<br />
So kam der Rittersitz 'zum Haus' durch diese Heirat an Dietrich<br />
v.d. Horst.<br />
Im Juni 1576 starb Elisabeth vom Haus und wurde bei den<br />
Kreuzbriidern zu Diisseldorf beigesetzt.<br />
Als im September 1589 ihr Ehemann Dietrich v.d. Horst in<br />
Diisseldorf verstarb, wurde sein Leichnam neben dem seiner Frau,<br />
"in einem Grab", bei den Kreuzbriidern zu Diisseldorf bestattet1.<br />
Mit der bisherigen Tradition brechend, wahlte Elisabeth nicht<br />
die "Erbbegrabnisstatte" ihrer Familie in der Pfarrkirche 'St. Peter<br />
und Paul' in Ratingen zu ihrem letzten Ruheplatz, obschon das<br />
'Erbbegrabnisrecht' weiter bestehen blieb.<br />
Nach dem Tode der Elisabeth vom Haus, der letzten<br />
Angehorigen der 'Ratinger Linie', verlor der Rittersitz in Ratingen<br />
schnell an Bedeutung fiir die Familie Von der Horst5, die nur noch<br />
zeitweise diese alte Burg bewohnte.<br />
In Diisseldorf am herzoglichen Hof spielte sich nun hauptsachlich<br />
das Leben des Dietrich v.d. Horst und seiner Familie ab.<br />
Wappen: Das Wappen derer Vom und zum Haus': in rotem<br />
Felde ein silberner Querbalken iiber den dreirechts-schrage<br />
Sparren (Leisten) liegen, auf dem Helme: ein Hut mit -drei- roten<br />
Federn.<br />
1 In der Redinghovenschen-Sammlung in Munchen, Band. 24, S. 169 ff, findet sich<br />
iiber das Grab der Elisabeth vom Haus folgende Aufzeichnung:<br />
"An der Wand (in der Kreuzherrenkirche) nach der Strafie, auf einer kupfernen Platte<br />
geschrieben oder vielmehr eingegossen:<br />
Tumulus nobilis et egregiae matronae Elisabeth ab Huis, generosi ac praestantis viri<br />
Theodori ab Horst, illustrissimi Principis Juliae etc. Consiliarii et Principis junioris aulae<br />
Praefecti, Satrapae in Diisseldorf et Angermondt etc. uxoris."<br />
(Grabmal der vornehmen und edlen Gattin Elisabeth vom Haus, des edlen und vortrefflichen<br />
Dietrich v.d. Horst, des Rates des Herzogs von Julich usw. ... und des<br />
Amtmannes von Diisseldorf und Aneermund Ehegattin).<br />
In den dann folgenden -zweiundzwanzig- lateinischen Versen wird Elisabeth vom<br />
Haus u.a. als giitige Helferin der Armen geschildert. Dietrich v.d. Horst ist hier 1589<br />
beigesetzt worden.
140 GRABSTATTEN IN DER KREUZHERRENKIRCHE DOSSELDORF<br />
Erasmus Freiherr von der Horst<br />
Erasmus Freiherr von der Horst, Dom-Dechant zu Speyer und<br />
Trier, wurde geboren als Sohn des Henderich v.d. Horst, ehemali-<br />
ger Kanonikus zu Speyer, Herr 'Zum Haus' und Herr zu Bell,<br />
Kriegskommissar und Amtmann zu Mettmann, und der Agnes<br />
Schall v. Bell, Erbin zu Bell.<br />
Seinen Vornamen erhielt Erasmus v.d. Horst nach seinem<br />
Grofivater -miitterlicherseits-: Erasmus Schall v. Bell.<br />
Im Jahre 1650 starb Erasmus v.d. Horst; und wie einst seine<br />
Grofieltern -vaterlicherseits-: Dietrich v.d. Horst und Elisabeth<br />
Vom und zum Haus', fand auch er seine letzte Ruhestatte bei den<br />
Kreuzbriidern zu Dtisseldorf.<br />
Christian Freiherr von der Horst<br />
Christian Freiherr von der Horst, Domherr zu Speyer und Trier,<br />
Herr 'Zum Haus', Herr zu Milsen und Mileforst, war der zweite<br />
Sohn des: Johann v.d. Horst, Herr zu Milsen, kaiserlicher<br />
Generalmajor, Gouverneur zu Heidelberg, und der Felicitas v.<br />
Warendorp, Erbin zu Milsen.<br />
1654 schenkte Christian seinem -alteren- Bruder Jobst<br />
Diedrich v.d. Horst, pfalz-neuburgischer Kammerherr, das Haus<br />
Nr. -13- auf der 'Altestadtstr.' in Diisseldorf als "Donatio inter<br />
vivos". Dieses Haus gehorte seit 1632 zum Familienbesitz derer<br />
Von der Horst'.<br />
1663 iibernahm Christian v.d. Horst die Vormundschaft iiber<br />
die drei Kinder seines Bruders Jobst Diedrich.<br />
Christian Freiherr v.d. Horst starb im Jahre 1673 und wurde<br />
wie sein Onkel Erasmus (ein jlingerer Bruder seines Vaters) in<br />
Diisseldorf bei den Kreuzbriidern bestattet.<br />
Jakoba Herzogin von Jiilich - Kleve - Berg, geborene Markgrafin<br />
von Baden<br />
Jakobaa (auch: Jakobe) Markgrafin von Baden wurde am 16.<br />
Januar 1558 als Tochter des Markgrafen Philibert v. Baden-Baden<br />
und der Mechthild v. Wittelsbach (sie war die Tochter des Herzog
grabstAtten in der kreuzherrenkirche dOsseldorf 141<br />
Wilhelm IV. v. Bayern) im cNeuen SchloE' zu Baden-Baden gebo-<br />
ren.<br />
Jakobaa war, nachdem sie in ihrem -zehnten- Lebensjahre die<br />
Mutter und im -zwolften- Jahr den Vater, Markgraf Philibert (er<br />
war am 3. Oktober 1569 auf dem Schlachtfeld gefallen), verloren<br />
hatte, an den Hof des Herzogs Albrecht v. Bayern, ihres Onkels<br />
und Vormundes, geschickt worden.<br />
Dort in der liebevollen Obhut ihrer Grofimutter -miitterlicher-<br />
seits- sollte sie und ihre drei jiingeren Geschwister behiitet auf-<br />
wachsen und erzogen werden.<br />
Herzog Ernst, der zweite Sohn Albrechts v. Bayern (ein Vetter<br />
der verwaisten Jakobaa), seit dem 23. Mai 1583 Kurfiirst v. Koln,<br />
hatte die Heirat von Jakobaa mit Johann Wilhelm, dem Jung-<br />
herzog van Julich-Kleve-Berg, der einem der reichsten und ange-<br />
sehendsten Fiirstenhauser Deutschlands entstammte, zuerst in<br />
Anregung gebracht.<br />
Am 18. September 1584 wurde der Heiratsvertrag in<br />
Diisseldorf unterzeichnet, und am. 16. Juli 1585 fand dort die<br />
Trauung statt.<br />
Die Hochzeit (die sogenannte cJiilicher Hochzeit') wurde mit<br />
einer, selbst fur jene an verschwenderischen Luxus gewohnten<br />
Zeit, ungewohnlichen Pracht gefeiert. Fiirsten und Adelige von<br />
nah und fern, selbst ein aufierordentlicher Gesandter des Kaisers,<br />
sowie der Statthalter der Niederlande, Herzog Alexander v. Parma,<br />
waren zu den Feierlichkeiten erschienen.<br />
Acht Tage lang war Diisseldorf Schauplatz der Festlichkeiten,<br />
von Banketten und glanzvollen Turnieren.<br />
Nach den prachtvollen Hochzeitstagen fand sich Jakobaa an<br />
einen Fiirstenhof versetzt, der ihr kalt und fremd entgegentrat.<br />
Die Reserviertheit Herzog Wilhelm des Reichen, um nicht zu<br />
sagen: seine ablehnende Haltung seiner Schwiegertochter Jakobaa<br />
gegentiber, liefien auf beiden Seiten keine verwandtschaftlichen<br />
Gefiihle aufkommen. Hinzu kam, dafi Jakobaa, die ihrem Gatten<br />
geistig bei weitem uberlegen war, sehr bald merkte, dafi man gar<br />
nicht daran dachte, sie und ihren Gemahl an Regierungsgeschaf-<br />
ten teilnehmen zu lassen.
142 grabstAtten in der kreuzherrenkirche dOsseldorf<br />
as<br />
Herzogin Jakobe v. Jiilich-Kleve-Berg (1558-97)<br />
Stich van Crispin de Passe (1610) in Dusseldorfer Stadtmuseum.
grabstAtten in der kreuzherrenkirche dOsseldorf 143<br />
Und schon bald zeigten sich bei Johann Wilhelm, dem<br />
Jungherzog, erste Anzeichen der spateren furchtbaren Geistes-<br />
krankheit (Johann Willhelm war von Seiten beider Eltern her<br />
erblich belastet).<br />
Jakobaa, die als energisch und lebensfroh bezeichnet wird,<br />
wurde so immer mehr in die Isolation gedrangt.<br />
Aber sie wollte unbedingt an der Regierung des Herzogtums<br />
beteiligt sein, taktierte aber nun so ungeschickt, dafi sie es<br />
schliefilich mit alien Parteien verdarb (mit den Erzkonservativen<br />
und den Protestanten).<br />
Auch der kranke Herzog Johann Wilhelm I. von Jiilich-Kleve-<br />
Berg entfremdete sich in dieser Zeit immer mehr seiner dominie-<br />
renden und lebenslustigen Gemahlin.<br />
Daher empfand Jakobaa grofte Freude und auch grofie Ge-<br />
nugtuung, als ihr Papst Sixtus V. am. 9. Mai 1587 in Diisseldorf<br />
durch seinen Geheimen Kammerer und Legaten, Monsignore<br />
Antonio Caraccioli, die beriihmte 'Goldene Tugendrose' iiberreichen<br />
liefi2.<br />
Doch auch ihre Feinde ruhten nicht. Im Laufe des Jahres 1595<br />
wurde Jakobaa unter der Anklage 'ehewidriger Beziehungen' (diese<br />
Anklage konnte aber nicht erhartet werden) inhaftiert.<br />
Diese haftahnliche Uberwachung sollte bis zu ihrem plotzlichen<br />
Tode andauern. Sogar ihre vertrautesten Diener und Kammerfrauen<br />
liefi man ebenfalls gefangen nehmen.<br />
Am 3. September 1597, friihmorgens, fand man die Herzogin<br />
Jakobaa, noch nicht vierzig Jahre alt, tot in ihrem Bette, nachdem<br />
sie sich am Abend zuvor gesund niedergelegt hatte.<br />
Ob sie ermordet wurde, wofiir Indizien sprechen, wird endgiiltig<br />
nicht mehr geklart werden konnen.<br />
Jakobaa von Baden wurde ohne jeden hofischen Prunk und<br />
ohne jedes Zeremoniell am 9. September 1597 in der<br />
Diisseldorfer Kreuzherrenkirche beigesetzt, so schmucklos (das<br />
2 Die "Goldene Tugendrose": In einer jeweils am 4. Fastensonntag 'Laetare' stattfindenden<br />
Prozession trug der Papst als Schmuck ein Rosenbouquet mit sich.<br />
Ein besonders schones Exemplar der Blumen iiberreichte er alljahrlich, nach<br />
Abschlufi der Feierlichkeiten, einer durch vorbildliche Lebensweise oder eine uberragende<br />
Tat sich auszeichnenden Person.
144 GRABSTATTEN IN DER KREUZHERRENKIRCHE D0SSELDORF<br />
Grab Jakobaas blieb noch kurze Zeit mit einem billigen<br />
Leichentuch bedeckt, das mit einem weifien Kreuz und an vier<br />
anderen Stellen, - auf der Fiirstin Herkunft weisend - auch noch<br />
mit dem badischen Wappen geschmiickt war), dafi ihr Grab in<br />
Vergessenheit geriet.<br />
Jakobe ruhte an dem Ort ihrer ersten Beisetzung, der Kreuz-<br />
herrenkirche, 221 Jahre, bis sie 1819 exhumiert und im Marz<br />
1820 doch noch an der ihr gebiihrenden Statte ihrer Familie, der<br />
Gruft in St. Lambertus zu Diisseldorf beigesetzt wurde.<br />
Arnold von Haes:<br />
Arnold von Haes, Herr zu Tiirnich (15 km siidwestlich von<br />
Koln gelegen) war ein Sohn des Hermann v. Haes und der<br />
Wilhelma v. Wachtendonck und Germenseel.<br />
Am 2. Oktober des Jahres 1591 verschied er als letzter seines<br />
Stammes, da seine Ehe kinderlos geblieben war.<br />
Verheiratet war er mit: Agnes Ketteler von Nesselrode, die ihn<br />
iiberlebte.<br />
Im Jahre 1585 nahmen Arnold v. Haes und seine Frau Agnes an<br />
der sogenannten "Jlilicher Hochzeit", der Hochzeit von Jungherzog<br />
Johann Wilhelm von Jiilich-Kleve-Berg mit der Markgrafin<br />
Jakobaa von Baden, teil.<br />
Bei diesem, mit grofiem Pomp gefeierten Hochzeitsfest, trat<br />
Arnold v. Haes als sehr erfolgreicher Turnierreiter auf. Er war wohl<br />
zu seiner Zeit einer der turniererfahrendsten und erfolgreichsten<br />
Turnierkampfer am Niederrhein.<br />
Das Geschlecht derer "v. Haes" hatte seinen Stammsitz zu Tiir<br />
nich, war aber auch in Bockelsum, Vrechen, Bell, Hull, Conradsheim<br />
und Sollbriiggen begiitert.<br />
Sie besafien das "Erbkammereramt" des Erzstiftes Koln.<br />
Wappen: Das Familienwappen der v. Haes ist ein sogenanntes<br />
'sprechendes5: namlich ein rechtsspringender Hase im roten Felde.<br />
Der Hase ist auf dem Helm sitzend wiederholt.
GRABSTATTEN IN DER KREUZHERRENKIRCHE DOSSELDORF 145<br />
Gabriel Mattencloet (-cloet, -doit):<br />
Gabriel Mattencloet, Licentiat und Rat, erblickte 1585 in<br />
Diisseldorf das Licht der Welt.<br />
Am 12. Januar 1656 starb er in seiner Geburtsstadt im Alter<br />
von 70 Jahren.<br />
Seit 1632 wohnten er und Hildegerus Mattencloet (sehr wahr-<br />
scheinlich sein jlingerer Bruder) auf der Ratinger Str. als Besitzer<br />
der Hauser Nr. 12 und Nr. 10 (also direkt nebeneinander).<br />
Die in Diisseldorf sehr angesehene Familie Mattencloet gehor-<br />
te zum Diisseldorfer Stadtpatriziat und stellte im Laufe der Zeit<br />
der Regierung von Jiilich-Berg oftmals tiichtige Staatsdiener (z.B.:<br />
Joachim Mattencloit; 1671 war er Richter des Amtes Angermund,<br />
und Bernhard Mattencloet, der von 1626 bis 1643 Kellner des<br />
Amtes Angermund war).<br />
Hildegerus Mattencloet (-cloet, -doit, -clot):<br />
Hildegerus Mattencloet, Dr. juris utriusque; er wurde in Diis<br />
seldorf 1589 geboren und starb auch dort 1634 in seinem Hause,<br />
Ratinger Str. Nr. 10, ganz in der Nahe des ehemaligen Kreuzher-<br />
renklosters.<br />
Johann von Winkelhausen (auch 'Winckelhausen'):<br />
Johann v. Winkelhausen, Herr zu Mirlo, Domscholaster zu<br />
Paderborn, Propst zu Budorf wurde nach 1585 als Sohn des<br />
Johann und der Anna v. Ketteler zu Calcum geboren.<br />
Er starb am 3. Dezember 1633.<br />
Seine jiingere Schwester Guda v. Winkelhausen (1591-1638)<br />
stand dem Konvent "Maria im Kapitolio" in Koln und dem<br />
Konvent in Gerresheim als Abtissin vor.<br />
Das alte Geschlecht derer von Winkelhausen ist nach dem<br />
Stammsitz 'Winkelhausen (nicht weit von Diisseldorf bei Hom-<br />
berg) benannt.<br />
Der Rittersitz 'Winkelhausen' wird bereits im 12. Jahrhundert<br />
erwahnt.
146 GRABSTATTEN IN DER KREUZHERRENKIRCHE DOSSELDORF<br />
Wappen: Die Familie fuhrte als Wappen ein schwarzes Teerkranzeisen<br />
(ein altes Beleuchtungswerkzeug) schrag nach rechts im<br />
silbernen Felde.<br />
Als Helmzier: zwei Adlerfliigel, einer schwarz, der andere silbern,<br />
zwischen beiden wird der Wappenschild wiederholt.<br />
Andreas Therlaen, genannt von Lennep und<br />
Anna Maria de Bruyn, genannt Blankenforst:<br />
Andreas Therlaen genannt v. Lennep, iuris utriusque dr., pfalzneuburgischer<br />
Rat und Hofgerichtskommissar in Dusseldorf,<br />
wurde 1597 in Koln als Sohn des Kolner Senators Peter Therlaen,<br />
genannt v. Lennep und der Catharina v. Gail (mit dem Zusatz:<br />
auf der Herzogstr.) geboren.<br />
Andreas Therlaen entstammte -vaterlicherseits- einer alten und<br />
begiiterten Kolner Patrizierfamilie.<br />
Auch -mutterlicherseits- konnte Andreas Therlaen auf eine<br />
aufiergewohnliche Ahnenreihe zuriickblicken.<br />
Denn die Familie v. Gail war eine von denjenigen Kolner<br />
Patrizierfamilien, welche durch die Wissenschaft eine "Achtung<br />
gebietende Stellung einzunehmen wufiten, und indem sie der<br />
Welt wichtige Dienste leisteten, mit Recht eine grofie Beriihmt-<br />
heit erlangt haben".<br />
Der Grofivater von Andreas Therlaen, Andreas von Gail, wurde<br />
als der grofite Jurist seiner Zeit bezeichnet und stand schon im<br />
ersten Mannesalter als Kanzler unmittelbar neben dem Kaiser Karl<br />
V., der ihn besonders ehrte.<br />
Andreas Therlaen gen. v. Lennep heiratete: Anna Maria de<br />
Bruyn gen. Blankenforst.<br />
Sie war die Tochter des Adrian de Bruyn genannt Blankenforst3<br />
und der Gertrud v. Cronenberg.<br />
Im Jahre 1677 starb Andreas Therlaen genannt v. Lennep hoch-<br />
betagt.<br />
Er und seine Gattin wurden bei den Kreuzherren in Diisseldorf<br />
beigesetzt.<br />
5 Sieh: 'Clairlieu, 54. Jg. 1996, S. 101, Adrian de Bruyn.
GRABSTATTEN IN DER KREUZHERRENKIRCHE DUSSELDORF 147<br />
Wappen: Die Kolner Patrizierfamilie Therlaen genannt v.<br />
Lennep, fuhrten anfanglich in goldenem Felde einen blauen Balken,<br />
unten von einer blauen, oben von einer roten Rose beseitet.<br />
Spater erhielten sie ein Wappen vom Papst: quergeteilt, unten:<br />
-silber-, oben: in -rot- ein goldenes Petri- und Andreaskreuz.<br />
Johann Bertram Freiherr von Scheidt -genannt- Weschpfennig<br />
auch Wespennink:<br />
Johann Bertram Freiherr von Scheidt genannt Weschpfennig,<br />
Herr zu Heltorp, Broel, Sauerbach und Rotzekoven, wurde im<br />
Jahre 1581 als zweiter Sohn des Wilhelm v. Scheidt genannt<br />
Weschpfennig (Amtmann zu Solingen und einer der Flihrer der<br />
Protestanten im bergischen Land) und der Maria v. Troistorf gebo-<br />
ren.<br />
Am 4. Juni 1662 starb er -81-jahrig.<br />
Verheiratet war Johann Bertram mit Maria v. Tengnagel, die<br />
ihm zwei Tochter gebar.<br />
Die alte Familie Von Scheidt' (vom Scheide) genannt Wesch<br />
pfennig, stammte aus dem Amte Blankenberg, von dem Hofe<br />
"zum Scheidt" bei Herrenbrol, einem ehemaligen Rittersitz.<br />
Johann Bertram v. Scheidt war einer der bedeutendsten Manner<br />
am Diisseldorfer Hofe. Schon seine Titel: Geheimer Rat, bergischer<br />
Marschall, Kammerer, Oberhofmeister und Amtmann zu<br />
Angermund und Landsberg, verraten seine einfluftreiche und<br />
wirksame Tatigkeit in der Zeit der Religionswirren.<br />
Freiherr v. Scheidt genannt Weschpfennig erwarb sich grofie<br />
Verdienste um die Stadt Diisseldorf. Seinen personlichen Bemiihungen<br />
bei der Infantin Isabella und bei den Generalstaaten war<br />
es zu danken, daf? die Stadt Dusseldorf und das bergische Land in<br />
den vierziger Jahren des 17. Jh. von spanischer Garnison befreit<br />
blieb.<br />
Wappen: Die Familie Von Scheidt genannt Weschpfennig"<br />
fiihrte ein durch seine Farbung auffallendes Wappen: Der Schild<br />
ist -dreimal- in die Quere geteilt: von Silber, Gold und Schwarz;<br />
im silbernen Raume -drei- runde blaue Spiegel mit goldener<br />
Einfassung, in einer Reihe nebeneinander.
148 GRABSTATTEN IN DER KREUZHERRENKIRCHE DOSSELDORF<br />
Konrad Gumprecht Freiherr von Aldenbriick genannt Velbriick<br />
Konrad Gumprecht Freiherr von Velbriick, Herr zu Graven,<br />
Lanquit und Mauel, wurde im Jahre 1624 als Sohn des Amtmanns<br />
von Bornefeld Gerhard von Velbriick und der Agnes v. Boddelenberg<br />
genannt Kessel auf 'Haus Mauel5 geboren.<br />
1673 starb er.<br />
Konrad Gumprecht war pfalz-neuburgischer Geheimrat, Kammerer,<br />
Generalmajor und Amtmann zu Windeck (an der Sieg).<br />
Aufierdem diente er seinem Herrn Philipp Wilhelm von Pfalz-<br />
Neuburg: 1659 als pfalz-neuburgischer Gesandter in Mainz, 1665<br />
als pfalz-neuburgischer Gesandter in Preussen und 1667 als Ge<br />
sandter von Jiilich-Berg am schwedischen Hof.<br />
Die Familie v. Aldenbriick genannt Velbriick war eine alte bergische<br />
Adelsfamilie, urspriinglich aber ein Rittergeschlecht aus<br />
Koln.<br />
Im furchtbaren Pestjahr 1634 verlor Junker Konrad Gumprecht<br />
seine Eltern und -acht-! seiner Geschwister. Von den -zehn-<br />
Kindern seiner Eltern iiberlebten nur Konrad Gumprecht und<br />
seine jiingere Schwester Gisela.<br />
Vor 1649 vermahlte er sich mit:<br />
Maria Agnes von der Reven<br />
Sie war die Tochter des Dietrich von der Reven und der<br />
Elisabeth von Galen, Erbin zu Vorst.<br />
Zwei Sohne gingen aus dieser Ehe hervor.<br />
Von den beiden Sohnen ihres Enkels Maximilian Heinrich von<br />
Velbriick (1674-1737), wurde der -jungere- Franz Karl (1719-<br />
1784), im Jahre 1772 Furstbischof (1772-1784) von Luttich.<br />
Wappen: Der Schild zeigt einen blauen Querbalken in goldenen<br />
Feld.<br />
Johann Gottfried Freiherr von Redinghoven und Maria Theresia<br />
von Jansen (auch: von Jaentzen):<br />
Johann Gottfried v. Redinghoven, Freiherr, jiilich-bergischer<br />
Geheimrat und Religionskommissar am Diisseldorfer Ho£ Herr<br />
zu Miillersdorf, Erzelbach und Werstein, Herr des Gutes Unter-<br />
Erzelbach (Pfarrei Boslar) war der Sohn des Johann Gottfried von
GRABSTATTEN IN DER KREUZHERRENKIRCHE DOSSELDORF 149<br />
Redinghoven4 und der Marie Elisabeth von Neuhof genannt Ley<br />
zu Bulgenau.<br />
Am 14. Marz 1712 wurde er von Kaiser Karl VI in den Reichsfreiherrenstand<br />
erhoben.<br />
Johann Gottfried von Redinghoven vermahlte sich mit:<br />
Maria Theresia von Jansen zu Erzelbach und Millendorf.<br />
Sie war die Tochter des jiilich-bergischen Vize-Kanzlers Jakob<br />
von Jansen und der Maria Johanna von Kaldenberg.<br />
Maria Theresia von Jansen starb am 27.Mai 1714 und wurde in<br />
der Klosterkirche der Kreuzherren zu Diisseldorf beigesetzt.<br />
Johann Gottfried v. Redinghoven starb fast genau zehn Jahre<br />
spater: am 5. April 1724 in Diisseldorf.<br />
Wappen: Im goldenen Schilde eine schwarze Spitze, begleitet<br />
von zwei schwarzen Seerosenblattern; auf dem gekronten Helme<br />
zwischen offenem, abwechselnd von Gold und Schwarz geteiltem<br />
Doppelfluge, ein goldenes Frauenhaupt, belegt mit zwei gezierten<br />
Querbalken; die Decken von Gold und Schwarz, als Schildhalter<br />
zwei naturfarbige Pfauenvogel.<br />
Johann Friedrich II. von Schaesberg und Maria Anna Katharina<br />
Wolff-Metternich zur Gracht:<br />
Johann Friedrich II. Freiherr v. Schaesberg (seit 1706:<br />
Reichsgraf) wurde um das Jahr 1663/64 in Schlofi Krickenbeck<br />
(zwischen Maas und Niers, ostlich von Venlo) als Sohn des<br />
Wolfgang Wilhelm Freiherr von Schaesberg und der Maria<br />
Florentina von Eynatten zu Lichtenberg geboren.<br />
Die Eltern des Johann Friedrich waren von streng katholischer<br />
Gesinnung. Verbindungen zu Kirchen und Klostern, die in der<br />
Familie von Schaesberg-Eynatten schon lange bestanden, wurden<br />
immer noch erweitert und intensiviert; durch Stiftungen z.B.<br />
schlofi man sich u.a. in die 'Gebetsgemeinschaft' der Diilkener<br />
Kreuzherren ein.<br />
Der junge Freiherr Johann Friedrich von Schaesberg ging in<br />
Roermond zur Schule, wo das Niederlandische seine Mutter-<br />
4 Johann Gottfried von Redinghoven, der Vater des gleichnamigen Sohnes, war ein<br />
ausgezeichneter Geschichtsforscher und hat fur die Regionalgeschichte des Niederrheins<br />
nicht weniger als -78- Folianten wertvollster Materialien hinterlassen.
150 GRABSTATTEN IN DER KREUZHERRENKIRCHE DUSSELDORF<br />
sprache wurde, das er auch in seiner Dusseldorfer Zeit nicht abgestreift<br />
hat.<br />
1688 vermahlte er sich in -erster- Ehe mit dem Freifraulein<br />
Maria Mechtildis von Scholler;<br />
sie war die letzte Erbin des 'Hauses Scholler" (zwischen Mettmann<br />
und Elberfeld gelegen).<br />
Maria Mechtildis v. Scholler starb am 3. November 1708.<br />
Jan Frans van Douven:<br />
"Johann Friedrich Graf v. Schaesberg" (1693)
GRABSTATTEN IN DER KREUZHERRENKIRCHE DOSSELDORF 151<br />
Seine -zweite- Ehe, geschlossen im Jahre 1718, mit Maria Anna<br />
Katharina Wolff-Metternich zur Gracht, verwitweter Freifrau von<br />
Elmpt-Burgau, war nur von kurzer Dauer.<br />
Die Grafin von Schaesberg ging ihrem Manne 1722 schon im<br />
Tode voraus.<br />
Maria Anna Katharina v. Schaesberg diente der Kurfurstin<br />
Anna Maria Luisa (der letzten Medicaerin) als Oberhofmeisterin<br />
am Diisseldorfer Hofe.<br />
Am Diisseldorfer Hof erklomm Johann Friedrich von Schaes<br />
berg als Favorit des Kurfursten Johann Wilhelm von der Pfalz<br />
("Jan Willem") rasch die Karriereleiter:<br />
1694: bestellte ihn der Kurflirst zum Amtmann in Blankenberg.<br />
1695: Ernennung zum Hofkammerprasidenten, am 9. Dezember<br />
des selben Jahres Ernennung zum 'Geheimen Rat'.<br />
1703: Berufung zum Prasidenten der £Geheimen Kriegskommission'.<br />
1706: Erhebung in den -erblichen Reichsgrafenstand- durch<br />
Kaiser Joseph I. am 9. September.<br />
Seinen cKarrieregipfel erreichte von Schaesberg am 23. Septem<br />
ber 1715, als ihn der Kurfiirst, der sich enttauscht und krank vom<br />
politischen Leben zuriickzog, zum Statthalter von Jiilich-Berg<br />
ernannte.<br />
Auch die Kurfurstin-Witwe Anna Maria Luisa, eine geborene<br />
Medici, pflegte auch spater, von Florenz aus, noch die enge<br />
Verbindung zu der Familie von Schaesberg, die uber ein reines<br />
Dienstverhaltnis hinaus ging.<br />
Johann Friedrich II. Reichsgraf von Schaesberg starb am 18.<br />
August 1723 enttauscht und verbittert und wurde mit grofiem<br />
Pomp bei den Kreuzherren in Diisseldorf beigesetzt5.<br />
Wappen: Die julich-sche Dynastenfamilie von Schaesberg fiihrte<br />
in silbernem Felde -drei- rote Kugeln und daruber einen blau-<br />
5 siehe: Leo Peters: "Die Begrabnisse der Oberhofmeisterin Grafin von Schaesberg, geb.<br />
Wolff-Metternich und ihres Mannes, des jiilich-bergischen Statthalters in Dusseldorf, 1722<br />
und 1723".<br />
in: Diisseldorfer Jahrbuch (Beitrage zur Geschichte des Niederrheins) 60. Band,<br />
Dusseldorf 1986, S. 64-77.
152 GRABSTATTEN IN DER KREUZHERRENKIRCHE DOSSELDORF<br />
en Turnierkragen. Das Wappen ist spater im 2. und 3. Felde mit<br />
einem roten Hirschgeweih von -vier- Enden in Gold vermehrt.<br />
Auf dem Helme steht ein Pfauenschweif.<br />
Elias Monarque und Barbara Meuss:<br />
Im Jahre 1712 erwarben Elias Monarque und Barbara Meuss<br />
das Haus Nr. 12 auf der damaligen Hunsriickenstr. in Diisseldorf<br />
und richteten es zu einem Gasthof ein, der schnell sehr beriihmt<br />
wurde.<br />
"Dieser Gasthof cHof zum (sic) Holland' war lange Jahre hindurch.der<br />
feudalste Gasthof der Stadt Diisseldorf: ... worin die<br />
sich vor und nach bey hiesiger Hofstatt Einfindenden auswartigen<br />
Ministri und Standespersonen bequemlich verpfleget werden kon-<br />
nen .<br />
Auch Konigen diente der 'Hof zum Holland' wahrend ihres<br />
Aufenthaltes in Diisseldorf als Wohnung.<br />
1738 wurde Elias Monarque Alt-Rat5 der Stadt Diisseldorf und<br />
spater auch Biirgermeister dieser Stadt.<br />
Elias Monarque starb am 9. Marz 1743.<br />
Verheiratet war er mit Barbara Meuss, die am 3. Februar 1744<br />
in Diisseldorf verstarb, und wie ihr Ehemann bei den Kreuzherren<br />
beigesetzt wurde.<br />
Quellen- Verzeichnis :<br />
Heinz-Wilhelm JEGODTKA<br />
Clemen, Paul und Renard, Edmund, "Die Kunstdenkmdler des Kreises Euskirchen",<br />
Dusseldorf 1900<br />
Dahm, August, "Die Dusseldorfer Altstadt", Dusseldorf 1963<br />
Dusseldorfer Jahrbuch, Band 60, Dusseldorf 1986<br />
Fahne, Anton, "Geschichte der Kolnischen, Jiilichschen und Bergischen Geschlechter", Koln<br />
Bd.I(1848), KolnBd. 11(1853)<br />
Ferber, H., "Historische Wanderung durch eine alte Stadt", Dusseldorf, 1889
grabstAtten in der kreuzherrenkirche dCsseldorf i 53<br />
Germes, Jakob, "Die Ratinger Edelherren und ihre Burg - Geschichte der Wasserburg 'Zum<br />
Haus"'<br />
Haass, R., "Die Kreuzherren in den Rheinlanden" Bonn 1932. S. 116-131<br />
Hashagen, J., Narr, K., Rees, W, und Strutz, E. "Bergische Geschichte", Remscheid-<br />
Lennep 1958<br />
Herzog, Harald, "Burgen und Schlosser" (Geschichte und Typologie der Adelssitze im<br />
Kreise Euskirchen"), Koln 1989<br />
Hinrichs, Fritz, "Eine Burg und drei adelige Hduser", Koln und Opladen 1965<br />
Isenburg, Prinz von, Wilhelm Karl: "Stammtafeln zur Geschichte der Europdischen<br />
Staaten", Bd. I: Die deutschen Staateri, Marburg 1953<br />
Kaiser, Gert, "Krickenbeck - Biographie eines niederrheinischen Schlosses", Diisseldorf 1991<br />
von Mehring, F.E., "Geschichte der Burgen, Rittergiiter, Abteien und Kloster in den<br />
Rheinlanden, -12- Hefte, Koln 1833-1844;<br />
Muschka, Wilhelm, "Opfergang einer Frau - ein Lebensbild der Herzogin Jakobe u Ju'lich-<br />
Kleve und Berg. Baden-Baden 1987<br />
Neubecker, O., "Grofies 'Wappen-Bilder-Lexikori der burgerlichen Geschlechter in<br />
Deutschland, Osterreich und der Schweiz", Augsburg 1992<br />
Niederau, Kurt, "Beitrdge zur Solinger Geschichte (Anker und Schert), Bd.5, Duisburg<br />
1983<br />
Ott, Hans, "Rheinische Wasserburgen" (Geschichte, Formen und Funktionen), Wiirzburg<br />
1984<br />
Redlich, Otto, "Mulheim an der Ruhr" (Seine Geschichte von den Anfangen bis zum<br />
Ubergangan PreuGen 1815), Mulheim 1939<br />
Schmitz, Heinz, "Angermunder Land und Leute" (Zur Geschichte des Amtes und der<br />
Burgermeisterei Angermund), Bd. I und Bd. II, Diisseldorf 1979<br />
Schonneshofer, Bernhard, "Geschichte des Bergischen Landes", Elberfeld 1895<br />
Vestische Zeitschrift (Zeitschrift der Vereine fur Orts- und Heimatkunde im Vest Recklinghausen),<br />
herausgegeben von Werner Burghardt, Band: -86/87-, Recklinghausen<br />
1987/1988<br />
Wisplinghoff, Erich, "Diisseldorf - Geschichte von den Ursprungen bis ins 20. Jh.", Band I,<br />
Dusseldorfl988.
154 GRABSTATTEN IN DER KREUZHERRENKIRCHE DOSSELDORF<br />
SAMENVATTING<br />
Zoals eertijds in Keulen (zie Clairlieu 1996, pp. 99-106) werd ook de Kruisherenkerk<br />
van Diisseldorf tot begraafplaats uitgekozen door heel wat burgerliike en adellijke fami<br />
lies. Een zware overstroming in 1784 maakte dringende herstelwerken aan vloer en kerk<br />
noodzakelijk. Grafplunderingen door Russische soldaten (1809-1813) brachten nieuwe<br />
verwoestine. Toen in 1819 de Kerk voor profane doeleinden gebruikt ging worden, zijn<br />
de laatste doden overgebracht naar het stedelijk kerkhof.<br />
SUMMARY<br />
Just like in Cologne (see Clairlieu 1996 pp. 99-106) the Church of the Crosiers in<br />
Diisseldorf became the favourite burial ground for many a bourgois or noble family.<br />
Because of the severe flooding in 1784 the floor and the church needed urgent repairs.<br />
Looting of the tombs by marauding Russian soldiers (1809-1813) caused even more<br />
destruction. When it was decided in 1819 that the church would be destined for secu<br />
lar ends, the remaining dead were taken to the city cemetery.<br />
RfiSUMfi<br />
Comme autrefois a Cologne (voir Clairlieu 1996, pp. 99-106) l'e'glise des croisiers de<br />
Diisseldorf fut choisie comme lieu de sepulture par bon nombre de families bourgeoises<br />
et nobles. En 1784 une grave inondation rendit urgente la restauration du pavement et<br />
du batiment. De nouvelles devastations furent accomplies par des soldats russes (1809-<br />
1813) qui violerent les tombes. Lorsqu'en 1819 l'^glise fut destinee a des usages profa<br />
nes, on inhuma les derniers defunts au cimetiere de la ville.
KRONIEK<br />
VERSLAG <strong>CLAIRLIEU</strong>VERGADERING 1998<br />
Op woensdag 6 mei hield de Historische Kring "Clairlieu" jaarvergadering -<br />
eigenlijk gepland voor 15 april - traditioneel in het gastvrije klooster der<br />
Kruisheren te Maaseik.<br />
Aanwezig waren: Clem Brasseur, voorzitter, en de leden: K. Cools, R. Janssen,<br />
G. Reijners en P. Winkelmolen.<br />
Afiuezig met verontschuldiging: W. Slangen, H. Douma en Jo Corstjens.<br />
Drs. Fr. Zonnenberg (Nijmegen) was ook voor de vergadering uitgenodigd. De<br />
voorzitter heette alien van harte welkom, in het bijzonder Drs. Frans<br />
Zonnenberg, directeur van de stichting "Sint Aegten", die ook tot de Clairlieukring<br />
toetreden wilde, hetgeen door alle leden ten zeerste begroet werd.<br />
De volgende agendapunten werden besproken:<br />
Verslagjaarvergadering 1997> Dit was al aan de leden kort na de jaarvergadering<br />
1997 ter aanvulling en correctie toegezonden en reeds opgenomen in de kroniek<br />
van jaargang 1997 van Clairlieu. Tijdens deze vergadering kwamen er van<br />
de kant van de leden geen verdere opmerkingen.<br />
Financieel verslag boekjaar 1997. Dit verslag was de leden tegelijk met de uitnodiging<br />
voor de vergadering toegezonden en werd ten vergadering door de<br />
pennningmeester P. Winkelmolen toegelicht. Het blijkt dat de financiele basis<br />
gezond is. Dank zij de financiele steun van het Generalaat en de Provincies van<br />
de Orde kan Clairlieu zo fraai uitgegeven worden.<br />
Wei is het goed dat zowel in Nederland als in Belgie meerdere personen tekenbevoegdheid<br />
bezitten.<br />
Een lijst van nog voorradige jaargangen en andere uitgaven van Kruisheren, die<br />
nog verkrijgbaar zijn, zal bij de verzending van jaargang 1998 worden ingeslo-<br />
ten.<br />
De voorzitter dankt P. Winkelmolen voor zijn nauwkeurig en spaarzaam beheer<br />
van de financien.
156 KRONIEK<br />
Jaargang 1998 Clairlieu. Ter beschikking staan:<br />
* een artikel van R. Janssen over "De Romeinse bevoogding en actualisering<br />
van de Constituties van 1902-1925"<br />
* een artikel van H.-W. Jegotka met genealogische gegevens over de personen,<br />
die in de Kruisherenkerk te Diisseldorf begraven zijn.<br />
* een artikel van G. Reijners met "Opmerkingen over de Liturgie bij de<br />
Kruisbroeders".<br />
* R. Janssen: een herdenkingsartikel over Dr. Henricus van Lieshout o.s.c.<br />
* A. Bochin, Het Kruisherenklooster te Condren/Chauny (Frankrijk).<br />
Voor de "Kroniek" zijn al enige bijdragen ingeleverd, andere zijn toegezegd.<br />
OSC-Actualia<br />
* Op 19 September a.s. wordt in Hannut en Huy feestelijk het feit herdacht<br />
dat 750 jaar geleden de Orde officieel door paus Innocentius IV werd goedgekeurd.<br />
Roger Janssen zal naar aanleiding hiervan een korte geschiedenis<br />
van de Orde van het H. Kruis publiceren, die vooral bedoeld is voor de<br />
opleiding en daarom ook in meerdere talen zal verschijnen.<br />
* Pater Winkelmolen zal nogmaals op kprte termijn met professor Persoons,<br />
directeur van het Rijksarchief in Belgie, contact opnemen over de publicatie<br />
van het personeelsbestand van de Kruisherenorde sinds 1840. Het<br />
Rijksarchief had 1996 aangeboden deze publicatie te financieren. Het materiaal<br />
is practisch verzameld. Frans Zonnenberg ziet waarschijnlijk een mogelijkheid<br />
om de gegevens van het personeelsbestand "persklaar" te maken.<br />
* Tot behoud van het cultuurgoed der Kruisheren in Europa is de stichting<br />
"Sint Aegten" in het leven geroepen. Frans Zonnenberg, de directeur van<br />
deze stichting, zal in de kroniek van 1998 de lezers van Clairlieu daarover<br />
informeren.<br />
* Piet Winkelmolen deelde mee, dat in de catalogus van de stadsbibliotheek<br />
van Maastricht uit het jaar 1888 de heer A.J. Flament een beschrijving geefr<br />
van een antiphonarium, dat uit een Kruisherenklooster afkomstig is en toen<br />
in het bezit was van H.M. Hobo te Maastricht, die nog meerdere liturgische<br />
handschriften in zijn bezit zou hebben. Frans Zonnenberg zal de opsporing<br />
van deze handschriften op zich nemen.<br />
* Ook Leo van Noort is bezig met een geschiedenis van de Orde van 1248 tot<br />
nu toe.<br />
* In Beyenburg wordt de feestelijke herdenking van het zevende eeuwfeest<br />
van de stichting van het eerste Kruisherenklooster in Duitsland op 20 Sep<br />
tember a.s. afgesloten met een pontificale H. Mis, te celebreren door<br />
Joachim Kardinaal Meisner.<br />
Jaargang 1999<br />
* R. Janssen zegt een artikel toe over "Het prioraat in de Orde na de Franse<br />
Revolutie".<br />
* H.W. Jegodtka is bezig met een geschiedenis van het klooster in Duisburg,<br />
gesticht in 1499, als aanvulling op de gegevens van Robert Haafi.
KRONIEK 157<br />
Nieuwe voorzitter<br />
Clem Brasseur stelde om gezondheidsredenen zijn fiinctie als voorzitter ter<br />
beschikking. Hij blijft echter tot medewerking in de redactie en bij de "lay out"<br />
van Clairlieu bereid. Met instemming van de aanwezige leden zal Roger Janssen<br />
het voorzitterschap van de Stichting overnemen. Pater Brasseur heeft met grote<br />
zorg en accuratesse de uitgave van ons tijdschrift in de jaren 1987 tot 1998 ver-<br />
zorgd. Daarvoor zij hem oprecht gedankt!<br />
Varia<br />
G. Reijners uitte de wens om een aanvulling op de indices op Clairlieu vanaf<br />
1983.<br />
Om 17.30 sloot de voorzitter de vergadering en stelde als datum voor de volgende<br />
jaarvergadering vast: woensdag 7 april 1999 vanaf 14.30, wederom in<br />
Maaseik.<br />
G.R.<br />
OPRICHTING VAN DE STICHTING SINT AEGTEN - Op 21 april 1998<br />
is — na veel voorwerk door Prior F. Bull van Amersfoort — de Stichting Sint<br />
Aegten officieel opgericht. Tijdens het kapittel van de Nederlandse Provincie<br />
van 10-14 mei 1998 kreeg de oprichting van de Stichting de instemming en<br />
goedkeuring, hetgeen eerder ook al was geschied tijdens het halfjaarlijks overleg<br />
van het Generaal Bestuur.<br />
Vinculum Crucigerorum, XVI, 3, mei 1998 bericht hierover:<br />
"Het klooster van St. Agatha staat symbool voor geheel de Orde. Het feit dat<br />
het generaal bestuur hier vergaderde was een welkome hulp om de vraag vanwege<br />
de Stichting Sint Aegten om ondersteuning, positief te beantwoorden.<br />
Vooral de gedetailleerde documenten en de aanwezigheid van de confraters<br />
Frans Bull en Frans Zonnenberg bij de bespreking ervan waren doorslaggevend.<br />
De Stichting Sint Aegten is een project van de Orde. Zij stelt zich tot doel zorg<br />
te dragen voor het behoud en het beheer van het cultuur- en kunsthistorisch<br />
patrimonium van onze Orde. Het generaal bestuur onderschrijft deze doelstelling.<br />
In dienst van de hele Orde dient ook de studie van de Ordesgeschiedenis<br />
en van onze spiritualiteit en de ijver voor een voortgaande verdieping van het<br />
kruisherenleven als een belangrijke doelstelling van de Stichting Sint Aegten<br />
vooropgesteld te worden. Gesuggereerd werd het internationaal karakter van de<br />
Stichting te doen weerspiegelen, bijvoorbeeld in de leden van de Road van<br />
Advies. De magister generaal en de provinciaal van de Nederlandse provincie<br />
zullen de kwestie van de financiele ondersteuning van deze Stichting door de<br />
Orde nader onderzoeken."
158 KRONIEK<br />
De Stichting bestaat uit een Raad van Advies, waarvan de meerderheid<br />
bestaat uit kruisheren, een Bestuur, waarvan de meerderheid eveneens wordt<br />
gevormd door kruisheren, en een directeur, kruisheer. Verder maken een vijftal<br />
commissies, bestaande uit deskundigen van diverse disciplines, deel uit van de<br />
Stichting; zo is er de Commissie Archief/Bibliotheek, de Commissie Pretiosa,<br />
de Tuincommissie, een Bouwcommissie en een Commissie Financieel Beleid,<br />
tezamen 33 personen.<br />
De Stichting heeft tot doel om het geestelijk en cultuurhistorisch erfgoed<br />
van de Orde der Kruisheren te behouden en te beheren, in het klooster St.<br />
Agatha. Vervolgens, om de verzamelde bibliotheken en kunsthistorische collecties<br />
van St. Agatha, Uden en Amersfoort te ontsluiten en toegankelijk te maken<br />
voor een breed publiek, dat geinteresseerd is in de spiritualiteit en de traditie<br />
van de Kruisheren de eeuwen door.<br />
De Stichting tracht haar doel te verwezenlijken via een gefaseerd beleidsplan,<br />
waarin de diverse commissies — in voortdurende afstemming op elkaar — hun<br />
activiteiten ontwikkelen en uitvoeren. Zij gaat daarbij uit van een integrale aanpak,<br />
waarbij de pretiosa, archieven/bibliotheken, gebouwen, en kloostertuin<br />
gelijktijdig in de activiteiten worden opgenomen; de cultuur- en kunsthistori<br />
sche aspecten van elk der genoemde onderdelen staan daarbij in het middelpunt<br />
van de aandacht. Spiritualiteit en Ordestraditie van de Kruisheren zullen op<br />
deze wijze tot hun recht komen, en op de juiste wijze tot uitdrukking worden<br />
gebracht en bewaard voor de toekomst.<br />
Inmiddels zijn er al een aantal werkzaamheden in deze rich ting afgerond,<br />
momenteel in uitvoering, en in voorbereiding. Een deskundig opgeleide bibliothecaresse<br />
bereidt de catalogisering van de bibliotheek voor volgens het internationaal<br />
toegankelijk PICA-systeem; bouwkundige aanpassingen t.b.v. beveiliging<br />
en passieve conservering van archief en bibliotheek zijn momenteel in<br />
uitvoering; eerste besprekingen met Deloitte & Touche International BV, spe-<br />
cialisten inzake het verzorgen van subsidie-aanvragen bij de Europese<br />
Commissie in Brussel, hebben intussen plaatsgevonden; dit laatste in nauwe<br />
samenwerking met Museum Klooster Ter Apel en Kloster Schlof? Bentlage.<br />
E ZONNENBERG O.S.C.<br />
750 JAAR CONSTITUTIES VAN DE ORDE - Bij gelegenheid van de her-<br />
denking van 750 jaar constituties van de Orde van het H. Kruis schreef confrater<br />
Roger Janssen in opdracht van het generaal bestuur van de orde een merkwaardige<br />
synthese van "Vijf breuklijnen van traditie en vernieuwing in de Orde<br />
van hetH. Kruis, 1248-1998". Graag citeren wij een fragment uit het 'ten geleide'<br />
van dit voor de orde en voor de geschiedenis van de kruisheren belangrijke<br />
boek, dat naar verluidt, een vertaling zal krijgen in de voornaamste wereldtalen.
We laten Janssen even aan het woord:<br />
KRONIEK 159<br />
"In feite passeerden en overleefden de kruisheren in de loop van de eeuwen<br />
vijf breuklijnen:<br />
1. Zoals geweten ondergaan de meeste religieuze instituten tweehonderd jaar<br />
na hun stichting een ernstige vertrouwenscrisis. Een groot aantal instituten<br />
overleven deze crisis niet. De kruisheren hebben deze inzinking als gevolg van<br />
ouderdom echter glansrijk overwonnen in de loop van de 15e eeuw.<br />
2. Er wordt soms beweerd dat de I6e en 17e eeuw een breuk veroorzaakten<br />
in de geschiedenis van de orde. Uiteraard heeft men het dan over de opheffing<br />
van de kruisherenkloosters in de gereformeerde landen. Ook wordt gewezen op<br />
de andere vorm van Kruisverering en op de gewijzigde kijk op het samenspel<br />
van actie en contemplatie, waarbij de contemplatie naar het achterplan werd<br />
gedrongen.<br />
3. Politisten, die zich bezighouden met de problemen van het bestuur over<br />
mensen, wijzen er al geruime tijd op dat de absolutistische 17e eeuw de mees<br />
te orden ongunstig heeft beinvloed. De pogingen van de generale oversten om<br />
hun regulier instituut te centraliseren en met autoriteit te besturen vielen in de<br />
Eeuw van de Verlichting immers niet in goede aarde. De meeste religieuze insti<br />
tuten waren niet krachtig genoeg om weerstand te bieden aan de secularisatie-<br />
golf. De kruisheren waren dat evenmin. Officieel stierf de orde tijdens de Franse<br />
Revolutie wel niet uit, maar haar einde was nooit veraf.<br />
4. De orde van het H. Kruis herrees na 1840 in een andere gedaante. Er was<br />
sprake van restauratie, maar ook van vernieuwing en transformatie. De herop-<br />
leving verliep moeizaam, o.m. omdat een aantal ingetredenen geen oog had<br />
voor de tijdstroom, voor het gewijzigd algemeen klimaat en voor de toenemen-<br />
de greep van Rome op het religieus leven. Vijftig jaar na de nieuwe start van<br />
1840 begon de waarschijnlijk grootste bloeiperiode van de orde. Deze bloei<br />
duurde tot de jaren zestig van de twintigste eeuw en bevatte alle ingredienten<br />
van het rijke Roomse leven: een jeugdig enthousiasme, een massa intredingen,<br />
een vruchtbaar apostolaat in parochies en scholen en last but not least bloeien-<br />
de overzeese missies.<br />
5. Sedert enkele decennia ondergaat de orde in het noordelijk halfrond een<br />
andere evolutie dan in het zuidelijk halfrond. Allerlei thema's over spiritualiteit<br />
en inculturatie beroerden sindsdien de geesten. Intussen wordt het steeds dui-<br />
delijker dat de orde in Europa en Noord-Amerika in nood verkeert, terwijl zij<br />
bloeit in het zuidelijk halfrond. Voor de zoveelste keer in hun bestaan moeten<br />
de kruisheren een antwoord zoeken op de volgende vragen: wat is religieus zijn<br />
vandaag?; wat moet behouden blijven uit de traditie van de orde en wat niet?;<br />
op welke wijze kunnen de kruisheren overgaan tot inculturatie ?<br />
Deze publicatie beantwoordt aan een nood. Niettegenstaande het feit dat er<br />
al zeer veel bijdragen verschenen zijn over de geschiedenis van de orde, is er geen<br />
studie voorhanden die de problematiek van het leven en het werk (lees: van het<br />
overleven en het zoeken naar nieuw werk) van de kruisheren globaal belicht.<br />
Het is bovendien, dunkt mij, de plicht van de Europese kruisheren om de con-
160 KRONIEK<br />
fraters in de overige werelddelen vertrouwd te maken met de traditie van de<br />
orde. Door de assimilatie van het verleden zullen de toekomstige kruisheren<br />
waar ook ter wereld altijd een beetje verwant blijven aan die eerste reguliere<br />
kanunniken die verbleven in de buurt van Hoei."<br />
Cl. Brasseur, o.s.c.<br />
BENTLAGE - Am 2. November 1997 ubergab der Lionsclub Rheine dem<br />
Museum "Kloster Bentlage" das Gemalde eines Kreuzherrn aus dem 18.<br />
Jahrhundert. Dieses Portrat war von dem Lionsclub fur das Museum angekauft.<br />
Der Grund dieses Ankaufs war, dafi es sich aller Wahrscheinlichkeit nach um<br />
einen Kreuzherrn handelte geburtig aus Rheine, namlich Heinrich Helmich.<br />
Im Taufregister von St. Dionysius in Rheine ist sein Name mit Henricus<br />
Hermanus Helmich unter dem 27. Juli 1692 verzeichnet. Im Alter von 26<br />
Jahren (1718) legte er in Bentlage seine Profefi ab, wurde Priester geweiht und<br />
starb in Bentlage am 16. Marz 1734 im Alter von 41 Jahren (vgl. H.-U. Weifi,<br />
Die Kreuzherren in Westfalen, Clairlieu 1963, S. 215).<br />
Das Gemalde stammt aus niederlandischem Privatbesitz. Die Vorfahren der<br />
Besitzerin hatten enge Beziehungen zur Stadt Rheine. Das Gemalde ist anderen<br />
Kreuzherrenportraits aus dem 18. Jh. ahnlich. Es zeigt keine hervorgehobenen<br />
individuellen Gesichtsziige. Die Kappe (Schultermantelchen mit Kapuze) ist<br />
vorn noch geschlossen, aber schon langer als in friiheren Zeiten. Auffallend ist<br />
auch der leinene Stehkragen.<br />
Im 18. Jahrhundert ging die Uniformitat in der Ordenstracht verloren. Eine<br />
Studie der aus diesem Jahrhundert stammenden Kreuzherrenportraits ware<br />
aufschlufireich.<br />
G.R.<br />
BENTLAGE - Neuerwerbung Museum "Kloster Bentlage".<br />
Es handelt sich hier um ein Ziborium mit acht hervorragenden goldenen<br />
Reliefs auf dem Fufi und acht vierfarbigen, emaillierten Plattchen aus Gold auf<br />
dem Knauf. Nach dem Urteil von Dr. G. Jaszai, Lei ter der Abteilung<br />
"Mittelalter" in Westfalischen Landesmuseum fur Kunst und Kultur zu<br />
Minister, stamme diese Reliefs und Plattchen aus der Zeit um 1320-1330.<br />
Diese Reliefs stellen vier Bilder aus dem Alten Testament und vier aus dem<br />
Neuen Testament dar, teilweise Gegenstiicke:
KRONIEK 161<br />
* Der Tisch mit Schraubroten im Tempel - Die wunderbare Brotvermehrung<br />
* Das Quellenwunder in der Wiiste - Der Lanzenstich in die Seite Jesu am<br />
Kreuz<br />
* Das Opfer Melchisedechs - Das Brotbrechen Jesu mit dem Enmausjiingern<br />
* Die Kundschafter mit der Traube aus dem Gelobten Land - Die Grablegung<br />
Jesu.<br />
Die acht emaillierten Vierpasse auf dem Knauf stellen Symbole des Todes<br />
und der Auferstehung Christi dar.<br />
Dieses Ziborium, das aus dem Kloster Bentlage stammt, wurde vermutlich<br />
bei der Griindung (1437) vom Mutterkloster Koln geschenkt.<br />
Bei der Auflosung des Klosters (1803) ist das Ziborium in die Pfarrkirche St.<br />
Dionysius zu Rheine gekommen. Da ist es von einem fachkundigen<br />
Goldschmied restauriert worden. Via die St. Antoniuskirche gelangte es in die<br />
Marienkirche zu Rheine. Dessen Pfarrer Wilhelm Trappe, ein Historiker und<br />
Freund der Kreuzherren, hat schon auf dieses Ziborium aufmerksam gemacht.<br />
Sein Nachfolger, Giinter Hillebrandt, iibergab das wertvolle Ziborium als<br />
Dauerleihgabe dem Museum "Kloster Bentlage".<br />
Gerard REIJNERS o.s.c.<br />
DUSSELDORF - Elisabeth HEMFORT, Illuminierte Kreuzherrenhandschriften<br />
aus Dusseldorf. Beobachtungen zur Stilkonvention monastischer<br />
Buchausstattungen im ausgehenden 15. Jahrhundert am Niederrhein, in<br />
WESTFALEN, Hefte fur Geschichte, Kunst und Volkskunde, Band 73. 1995,<br />
S. 187-211, Aschendorf, Minister in Westfalen.<br />
Frau Hemfort hat einige, herausgeschnittene Seiten aus spatmittelalterlichen<br />
Chorbuchern, die jetzt im westfalischen Landesmuseum in Miinster verwahrt<br />
werden (KdZ 2814 WKV, KdZ 2815 WKV und KdZ 2816 WKV), mit an<br />
Sicherheit grenzender Wahrscheinlichkeit dem Skriptorium des Kreuzherrenklosters<br />
in Dusseldorf zuschreiben konnen. Dazu hat sie diese Einzelblatter, die<br />
wahrscheinlich aus ein und demselben Kodex stammen, mit Choralbiichern aus<br />
dem Bestand des Diisseldorfer Konvents verglichen, die sich jetzt in der<br />
Handschriften-Abteilung der Diisseldorfer Universitats- und Landesbibliothek<br />
befinden. Dabei war vor allem die Ahnlichkeit mit Hs. D 16 (Antiphonar) und<br />
Hs. D. 30 (Graduale) frappant.<br />
Aufgrund einer Analyse des Buchschmucks, vor allem der Randverzierung,<br />
der Ahnlichkeit in der Form der Buchstaben und der Choralmusik-Notation<br />
kommt sie zu diesem Ergebnis.<br />
Gleichzeitig bietet sie uns viele Einzelheiten iiber den Stil und die<br />
Werkmethode des Diisseldorfer Skriptoriums in der Zeit von 1480-1506. Das<br />
Kloster mufi damals iiber ein effizientes Skriptorium und einheitliche Stilregeln
162 KRONIEK<br />
verfiigt haben. Zeitweilig sind dort bekannte Skriptoren und Illuminatoren wie<br />
Henricus de Werdenborch und Lambertus Bruynkens von Xanten tatig gewe-<br />
sen.<br />
Auch konnte sie im Buchschmuck Ahnlichkeit mit alteren Windesheimer<br />
Handschriften aus Koln und Gaesdonck feststellen, was die Vermutung einer<br />
Beeinfliissung seitens der Devotio moderna nahelegt.<br />
Diese Studie ist mit grofier Sachkenntnis geschrieben und reich illustriert<br />
mit sehr schonen, teilweise farbigen Aufnahmen der besprochenen Einzelblatter<br />
und zum Vergleich herangezogener Handschriften. Einige historische<br />
Ungenauigkeiten (auf S. 196, 199, 204 und 210) tun dieser Sache keinen<br />
Abbruch.<br />
Voller Erwartung sehen wir weiteren Verdffentlichungen von Frau Hemfort<br />
entgegen.<br />
Dr. Ger. Q. REIJNERS o.s.c.<br />
GRATHEM - Grathem is een dorp in het midden van de nederlandse provin-<br />
cie Limburg. In 1996 werd er een gedenkboek uitgegeven bij gelegenheid van<br />
het 750 jaar bestaan van de parochie van de heilige Severinus en de heilige<br />
Agatha. Vijf historici hebben aan dit gedenkboek gewerkt en vertellen, elk op<br />
zijn eigen manier, een stuk dorpsgeschiedenis waarin de kerk een belangrijke rol<br />
heeft gespeeld.<br />
Het gedenkboek begint met de geschiedenis over het ontstaan van Grathem<br />
in de Romeinse tijd. Getuigen uit die tijd zijn de vele vondsten die er bij opgra-<br />
vingen gedaan zijn. Het oudste document waarin de naam Grathem opduikt<br />
dateert uit het jaar 1116. Dan gaat het verhaal verder over de kerstening van de<br />
bevolking in het Maasdal, de organisatie van het kerkelijk leven en de bevoor-<br />
rechte positie van dit dorp tussen 1500 en 1794. Het eerste deel sluit af met de<br />
verdrukking in de Franse tijd (1794-1814) en de opleving in de negentiende en<br />
twintigste eeuw.<br />
In het tweede deel worden we ruimschoots ingewijd in de bouw van het<br />
kerkgebouw met zijn massieve Romaanse toren en zijn rijkdom aan beelden,<br />
verdere kerkschatten en kerkzilver.<br />
Het derde deel handelt in hoofdzaak over de parochiepriesters in Grathem<br />
vanaf 1478 tot heden en over hun werkzaamheden in de parochie. Dit deel<br />
wordt afgesloten met een lijst van priesters en religieuzen, die in Grathem gebo-<br />
ren zijn vanaf 1700. Van elk worden biografische bijzonderheden vermeld.<br />
In de lijst van de parochiepriesters worden ook twee kruisheren vermeld. Op<br />
13 januari 1952 kreegjan dejager vanuit Neeritter zijn benoeming tot kapelaan
KRONIEK 163<br />
in Grathem. Uitvoerig vertelt hij over zijn kapelaanstijd tot 1 januari 1959.<br />
Zeven jaar lang heeft hij lief en leed gedeeld met zijn parochianen. De Jager<br />
werd op 1 januari 1959 opgevolgd door zijn ordebroeder Jo Zijerveld. Deze<br />
werd er tevens benoemd tot rector van het Mariaklooster. Het gedenkboek vermeldt<br />
dat hij zeer waardevol werk in de parochie verricht heeft. Hij stierf er<br />
plotseling op 22 augustus 1971. Wij mogen niet nalaten de parochie van<br />
Grathem geluk te wensen met de uitgave van dit gedenkboek 'Ter kerke in<br />
Grathem'. Kosten en moeite zijn niet gespaard om in dit gedenkboek de<br />
geschiedenis van Grathem voor het nageslacht vast te leggen. De samenstellers<br />
verdienen alle lof. Het werk is uitgegeven in groot formaat en verlucht met meer<br />
dan 200 foto's en kaarten van personen en parochiegebeurtenissen. Het boek<br />
telt221 bladzijden.<br />
P.W.<br />
HOHENBUSCH - Im "Heimatskalender der Kreises Heinsberg 1998", S. 42-<br />
58 veroffentlichte Dr. Michael Schmitz (Erkelenz) einen lesenswerten Aufsatz<br />
iiber die Klosterbibliothek vom Kreuzherrenkloster "Hohenbusch (Altum<br />
Nemus). Ein Teil der Handschriften und Inkunabeln ist noch erhalten in der<br />
Diozesanbibliothek zu Koln (Maternushaus). Dr. Schmitz beschrankt sich auf<br />
diese noch vorhandenen Handschriften (36 Bande; oft sind Werke von verschiedenen<br />
Autoren in einen Band zusammengeheftet) sowie auf die 40<br />
Inkunabeln. Einige der Handschriften sind auf Pergament, die meisten aber auf<br />
Papier geschrieben. Sie stammen fast alle aus dem 15. Jh. und sind in lateinischer<br />
Sprache.<br />
Mit Recht meint Dr. Schmitz, dafi das Kloster Hohenbusch iiber ein<br />
Skriptorium verfiigte, wie auch die Kloster in Koln, Dusseldorf und<br />
Marienfrede, von deren Skriptorien uns noch viele Handschriften erhalten sind.<br />
Nach der Ordensreform von 1410 waren viele Kreuzbriider als Abschreiber,<br />
Illuminator oder Rubrikator von Handschriften tatig. Die abgeschriebenen<br />
Werke in Hohenbusch befassen sich mit theologischen, asketischen oder pastoralen<br />
Themen; auch humanistische Literatur ist vertreten. Auch hier zeigt<br />
sich das iibliche Bild: die Kreuzbriider lieGen sich in ihrer Spiritualitat von<br />
unterschiedlichen Stromungen beeinflussen: von den Zisterziensern, den<br />
Dominikanern, Franziskanern, Viktorinen sowie von der Devotio moderna.<br />
Abschlieftend fiigt Dr. Schmitz eine wertvolle alphabetische Liste der<br />
Autoren und deren Werke in den Handschriften und Inkunabeln hinzu.<br />
Dr. Ger. Q. REIJNERS o.s.c.
164 KRONIEK<br />
HOORN - In 1996 verscheen als nummer 2 van de Hoornse Historische Reeks<br />
het boek 'Uit de schemer van Hoorns verleden', geschreven door drs. J. van der<br />
Knaap en L. Veerkamp. Het handelt over de vroegste geschiedenis van de stad<br />
Hoorn: 1300-1536. Vele jaren hebben beide schrijvers aan dit boek gewerkt.<br />
Vele archieven werden door hen geraadpleegd en het ene handschrift na het<br />
andere werd door hen ontdekt. In het British Museum te Londen ontdekte dhr.<br />
Veerkamp een uitgebreide geschiedenis over de stad Hoorn tot het jaar 1521.<br />
Door dit handschrift ontstond bij hen een nieuwe kijk op de bekende Kroniek<br />
van Theodorus Velius.<br />
Bij de beschrijving van de verschillende kloosters in Hoorn neemt ook het<br />
Hoornse Kruisherenklooster 'PietersdaT een plaats in. Het klooster heeft er 110<br />
jaren bestaan. Dat de observantie in het Hoornse klooster niet slecht is geweest,<br />
blijkt wel uit het feit dat drie van de Hoornse kloosterlingen het brachten tot<br />
magister-generaal van de Orde: Nicolaas van Haarlem, Antonius Fresen en<br />
Gerbrandus van Sneek.<br />
Het boek is geschreven in een prettig leesbare verteltrant en rijkelijk voorzien<br />
van aantekeningen en noten en bevat vele zwart-wit en kleurenfoto's.<br />
Het werk is uitgebracht op groot formaat van 21 x 29,7 cm en gedrukt op<br />
135 grams halfmat M.C. van Grafisch Papier en telt 304 bladzijden. Wij zijn<br />
blij met de uitgave van dit werk over Hoorn. Ons past een woord van dank en<br />
felicitatie aan beide schrijvers. Spijtig is dat dhr. L. Veerkamp kort voor de uit<br />
gave en presentatie plotseling is overleden (14 december 1995).<br />
Misschien mogen v i van dhr. Van der Knaap nog eens een uitgebreide<br />
geschiedenis van het Hoornse Kruisherenklooster verwachten.<br />
P.W.<br />
MAASEIK - Raymond Driessen leverde in Limburgy jg. 5, 1996, afl. 2, pp. 65-<br />
80, een boeiende bijdrage Over de tienden in Heppeneert (17de-18de eeuw).<br />
Omdat de kerkelijke diensten in die eeuwen aan de kruisheren van Maaseik<br />
werden toevertrouwd, kan de analyse van Driessen zeker bijdragen tot een bete-<br />
re kennis van de financiele situatie van de kruisheren in de 17e en 18e eeuw.<br />
In De Maaseikenaar, jg. 29, 1998, afl. 2, schreef Raymond Driessen op biz.<br />
101-105 "Over de inkomsten van depastorie van Heppeneert: een inventaris door<br />
Pastoor Coopmans (1793)". Driessen toont aan dat een zelfstandige parochie<br />
Heppeneert lange tijd tot de onmogelijkheden behoorde, omdat de pastoor er<br />
onvoldoende inkomsten had. In de 17e eeuw bijvoorbeeld had hij een inkomen<br />
dat gelijk stond met e'en vierde van dat van zijn confrater in Ophoven. In de<br />
18e eeuw was de financiele situatie echter veel beter, zoals blijkt uit de aanteke-
KRONIEK 165<br />
ningen van Petrus Arnoldus Coopmans. Op 16 augustus 1792 werd hij pastoor<br />
van een parochie waarvan de administratie te wensen overliet. Coopmans zette<br />
zich na een korte aanloopperiode aan het werk en stelde een inventaris op, die<br />
Driessen publiceert. Coopmans heeft de administratie van zijn parochie bijgehouden<br />
tot 1797, dus ook nadat de kruisheren uit hun klooster in Maaseik ver-<br />
dreven werden.<br />
Roger JANSSEN o.s.c.<br />
MAASEIK - Toen de kruisbroeders in Maaseik de St.-Jacobskapel overnamen<br />
van de plaatselijke broederschap van St.-Jacob kregen zij van de deken van het<br />
kapittel van Aldeneik het begrafenisrecht voor de kloosterlingen, hun familieleden,<br />
weldoeners, knechten en geregelde kostgangers. Jan Poukens beschrijft in<br />
De Maaseikenaan jg. 29, 1998, afl. 2, pp. 93-95, het testament van Lucia<br />
Simons, dienstmaagd bij de familie Verschuyl, die in de kruisherenkerk begraven<br />
wenste te worden. Hendrik Verschuyl en kruisheer Augustinus Matthiae<br />
waren op 15 november 1672 als getuigen aanwezig bij het opstellen van dit tes<br />
tament.<br />
Roger JANSSEN o.s.c.<br />
MAASEIK - In De Maaseikenaan jg. 28, 1997, afl. 3, p. 106 bespreekt<br />
Raymond Driessen in een korte bijdrage, getiteld De bruidschat van de kruishe<br />
ren, de overeenkomst van 6 September 1648 tussen het kruisherenconvent van<br />
Maaseik en de Maaseikse jongeling Lambrecht Voss, die op die dag professie<br />
deed, waarbij een dote van 1000 gulden contant moest neergeteld worden.<br />
Lambrecht en zijn beide broeders Heyn en Jacob Voss brachten daartoe een<br />
schuldvordering van 800 gulden bij, op 16 februari 1633 afgesloten op panden<br />
van Jan Scheepers en Jan Jaecken van Meeswijk. Voor de resterende 200 gulden<br />
zorgde hun stiefvader Herman Jacobs. De drie broers waren namelijk de<br />
gemeenschappelijke bezitters van een "moeshof" in de Pelserstraat. Deze tuin<br />
werd nu verkocht voor 200 gulden aan Herman Jacobs. Lambrecht Voss functioneerde<br />
binnen het klooster als sacrista. Hij overleed in 1695.<br />
Roger JANSSEN, o.s.c.
166 KRONIEK<br />
MAASEIK - In twee lezenswaardige en wetenschappelijk gefundeerde bijdragen<br />
in De Maaseikenaar beschrijft Roger Janssen de beginjaren van het kruisherenconvent<br />
na de terugkeer naar Maaseik in 1855. De eerste bijdrage draagt als titel<br />
De terugkeer van de kruisheren naar Maaseik in 1855: een samenspraak van res<br />
tauratie en herstichting (jg.28, 1997, afl. 3, pp. 122-128). De tweede bijdrage is<br />
getiteld: Aanpassingsproblemen van de kruisheren in de eerstejaren na de terugkeer<br />
naar Maaseik 1855-1860 (jg. 29, 1998, afl. 1, pp. 24-30). Janssen ordent hier<br />
niet alleen bekende gegevens, maar levert ook nieuwe informatie. Van belang<br />
lijkt ons echter de thesis die hij uitwerkt, dat de kruisheren bij hun terugkeer in<br />
1855 de draad van 1797 gewoon dachten op te nemen, alsof er niets veranderd<br />
was. Een dergelijke restauratie, ondervonden zij al heel vlug, kon niet. Vandaar<br />
de aanpassingsproblemen die het convent ondervond in de eerste jaren na de<br />
terugkeer.<br />
Cl. BRASSEUR o.s.c.<br />
MAASEIK- In januari 1998 verscheen het Liber Amicorum Tony van Wijck<br />
(Maaseik/Sittard, Stichting Charles Beltjens, dl. 53, 164 p.). Confrater Roger<br />
Janssen leverde op biz. 87-92 een bijdrage voor dit album over Het<br />
Kruisherenklooster van Maaseik 1476-1797. Daarin belicht hij kort en bondig,<br />
eeuw per eeuw de betekenis van de kruisheren voor de stad Maaseik. Dit artikel<br />
vormt een mooie samenvatting van hetgeen wij weten over het Maaseikse<br />
convent. De informatie, die hij verstrekt over de laatste kruisheren van de 18e<br />
eeuw vormt een interessante aanvulling op hetgeen M. Colson in het eeuwfeestboek<br />
van 1955 schreef over de kruisheren tijdens de Franse Revolutie en<br />
hun lotgevallen na de uitdrijving.<br />
Cl. BRASSEUR, o.s.c.<br />
MAASEIK - Zoals bekend probeerde de eerste prior van het Maaseikse kruis<br />
herenklooster na de Franse Revolutie, C.W.A. De Bruijn eerst in Bree het voormalige<br />
augustijnenklooster te verwerven. Dit klooster, dat in 1657-1659 werd<br />
gebouwd, had voor de Franse Revolutie grote diensten bewezen aan de Breese<br />
bevolking. De augustijnen hadden er in de Latijnse school kosteloos les gegeven
KRONIEK 167<br />
aan jongens van Bree en omgeving. In 1797 werden de kloostergebouwen<br />
geconfisceerd en de kloosterlingen uitgedreven. Jarenlang bleven de gebouwen<br />
zonder definitieve bestemming. De rijkswachtkazerne werd erin ondergebracht.<br />
In 1820 opende het gemeentebestuur in de gedeeltelijk leegstaande gebouwen<br />
een lagere school. Het verdwijnen van de Latijnse school zat de Breese bevolking<br />
echter decennia lang hoog. In 1857 drongen zij er bij de bisschop van Luik<br />
op aan om in het voormalige Augustijnenklooster een college te mogen openen.<br />
Aan deze aanvraag en aan de reactie van de bisschop wijdde Jo Corstjens een<br />
korte bijdrage in Het Ezendropke, haljjaarlijks tijdschrift van de geschied- en<br />
heemkundige kring Groot-Bree, mei 1997, pp. 45-50, met als titel: Het voorma<br />
lige Breese augustijnenklooster in de 19de eeuw.<br />
Corstjens spreekt van een brief die Henricus Van den Wijmelenberg begin<br />
maart 1855 schreef aan het Breese gemeentebestuur. De magister-generaal<br />
wilde in Bree op dezelfde wijze handelen als tien jaar voorheen in Diest, met<br />
name het augustijnenklooster aankopen en een college openen. Tijdens de zit-<br />
ting van 30 maart 1855 juichten de gemeenteraadsleden dit plan unaniem toe.<br />
Er was echter een probleem: de kloostergebouwen waren eigendom van het<br />
rijk. Aan de verkoop, die 50.000 BEF moest opleveren, werd de voorwaarde<br />
gekoppeld dat de gemeente zou zorgen voor een nieuw onderkomen voor de<br />
rijkswacht en voor de lagere school. Van den Wijmelenberg stuurde nu De<br />
Bruijn naar Bree om het complex te inspecteren en met de burgerlijke overheid<br />
te onderhandelen. Toen hij in Bree aankwam bezocht De Bruijn ook de pastoor-deken<br />
Tessens om het standpunt van de kerkelijke overheid te kennen.<br />
Tessens toonde zich duidelijk gekant tegen de komst van de kruisheren.<br />
Overigens had hij geen hoge dunk van de magister-generaal, "zeggende dat hij<br />
een man van niets was, die zich met de herbergen en herbergsklap ophield (hetwelk<br />
men in Holland kroeg noemd) omdat hij uit eene herberg voortkwam en veel meer<br />
andere hevige woorden" (notulen gemeenteraad, 28.06.1855).<br />
De kruisheren lieten daarna hun oog vallen op Maaseik. Op 12 juni 1855<br />
bekwamen zij van Mgr. de Montpellier de toestemming om in de Eikerstede<br />
een klooster te stichten, op voorwaarde dat zij een college zouden openen. In<br />
Bree was dit nieuws nog niet doorgedrongen. De gemeenteraad besliste er op<br />
21 juni 1855 om de besprekingen met de kruisheren opnieuw aan te vatten. De<br />
raadsleden Broeren en Vandermeulen werden naar Uden gezonden om te<br />
onderhandelen met de magister-generaal. Zij werden er van de botte houding<br />
van deken Tessens op de hoogte gebracht. Tevens vernamen zij dat de kruishe<br />
ren in Maaseik zowel door de burgerlijke als door de kerkelijke overheid welkom<br />
geheten werden en dat zij daarom hun plannen met betrekking tot Bree<br />
inruilden voor Maaseik. Op 28 juni 1855 kwam de Breese gemeenteraad in<br />
spoedvergadering bijeen. Er werd openlijk beweerd "dat de fout van het groot<br />
verlies dat de gemeente van Bree komt te ondergaan aen den heer deken van Bree<br />
komt te worden toegeschreven. "<br />
Roger JANSSEN, o.s.c.
168 KRONIEK<br />
MAASEIK - Bij gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het internaat van<br />
de kruisheren in Maaseik verscheen een leuk boekje van de hand van M.<br />
Henckens, R. Janssen o.s.c, A. Levenstond en J. Muermans. Het draagt als<br />
titel: "Intern bij de kruisheren moetjegeweest zijn... lOOjaar internaat op het col<br />
lege van het Heilig Kruis in Maaseik 1897-1997" (Maaseik, mei 1998, 132 p.,<br />
ill.). Dit boekje werpt een indringende blik op het opvoedingsproject van de<br />
kruisheren gedurende de voorbije eeuw. Inderdaad, naast een kort historisch<br />
overzicht van de werkzaamheden van de kruisheren, vernemen we meer over de<br />
godsdienstige uitstraling, de sociale vorming, de pedagogische en didactische<br />
hulpmiddelen, de infrastructuur, het leven buiten de klaslokalen en het contact<br />
met de ouders.<br />
De samenstellers hebben via een originele opzet een fris boekje afgeleverd.<br />
Zij nemen als vertrekbasis het vijftig jarig bestaan van het internaat. Vanuit dit<br />
punt blikken zij terug en vooruit: hoe was het na vijftig jaar, hoe was het in het<br />
begin en hoe gaat het er nu aan toe ? Het samenspel van toen en nu levert ver-<br />
rassende resultaten op. Vooral blijkt, dat de kruisheren een grote continuiteit<br />
hebben gelegd in hun opvoedingsproject en dat zij er telkens weer in geslaagd<br />
zijn de werkvormen en de doelstellingen van hun project te vernieuwen, aan te<br />
passen aan nieuwe tijden en dito maatschappelijke ontwikkelingen.<br />
Een paar minpuntjes moeten toch vermeld worden. De talrijke foto's, die in<br />
dit boekje werden opgenomen, blijven spijtig genoeg beperkt tot de recente tijd.<br />
Tevens missen wij een lijst van de internen die bij de kruisheren gestudeerd heb<br />
ben. Deze twee minpuntjes nemen niet weg, dat de samenstellers een prettig<br />
boekje hebben geschreven, dat menig oud-intern plezier zal doen.<br />
Cl. BRASSEUR o.s.c.<br />
MAASTRICHT. - Enige tijd geleden troffen we tussen oude papieren een sterk<br />
vergeeld gestencild blad aan van de volgende inhoud:<br />
ANTIPHONARIUM op perkament afkomstig van het Kruisheerenklooster te<br />
Maastricht, met de volgende miniaturen, gedeeltelijk beschreven in den catalo-<br />
gus der stads-bibliotheek van Maastricht door A.J. Flament, dl. I, pag. 20 der<br />
geschiedkundige inleiding. (1988).<br />
Pag. 1 In den letter A: de verrijzenis van Christus: Een Engel wentelt den<br />
steen af, twee soldaten voor het graf in slaap, een er achter op den rand van het<br />
graf leunend. In het verschiet landschap met kerken. Fraai ornamentwerk in de<br />
randen, met voorstellingen van menschen, leeuwen, steltvogels, bladeren enz.<br />
Rijk in goud en kleuren.<br />
Pag. 74 In de letter M: Wapen van Gelderland onder de heerschappij van<br />
het Huis Egmond, in den rechterrand 'Gelre'. In kleuren.
KRONIEK 169<br />
Pag. 94 In de letter D : eene afbeelding van een kruisheer, kenbaar aan het<br />
kruis, dat op het kleed is aangebracht. Met inkt.<br />
Pag. 118 In de letter S: Ladder van Jakob. Twee Engelen klimmen opwaarts,<br />
boven de ladder Gods aanschijn: landschap in het verschiet. Rijk van kleur.<br />
Pag 129 In de letter F: Rijk van goud, met ingegrift ornamentwerk: Een bisschop<br />
met een zwaard in de linker- en krukvormig kruis T in de rechterhand.<br />
In het verschiet een landschap. Randornament met voorstellingen van kinderen<br />
met trompet, orgel, mandoline en harp en van dieren als: arend, haas, leeuw. In<br />
goud en kleuren.<br />
Pag 136 In de letter G: De heilige Helena, patrones der kruisheeren, met de<br />
Duitsche keizerskroon op het hoofd, in de rechterhand het kruis, in de linker<br />
een scepter. Met goud en kleuren. (Bij het officie van Kruisvinding 3 mei).<br />
Pag. 330 In de letter E: Rijk met goud afgezet: de Salvator mundi. Als randwerk<br />
in den buitenrand en van onderen de volgende apostelen: Petrus met sleutel<br />
en boek; Paulus met zwaard en boek; Joannes met kelk waarin een adder in<br />
de linkerhand; Jacobus de meerdere met knots en boek; Jacobus de mindere<br />
met boek en zwaard; Andreas met boek en St Andrieskruis; een apostel met<br />
boek en speer (St. Thomas?) met onderschrift 'St. Bartholomew' wat kennelijk<br />
op den daaronder staanden apostel — zonder onderschrift — met scalpel en<br />
boek voorgesteld, betrekking heeft; Matthias met boek en hellebaard ; Simon<br />
met zaag en boek; Judas (Thaddeus) met winkelhaak en boek en Philippus met<br />
boek en kruis.<br />
Pag. 395 De Paaschmaaltijd der Joden. In de letter E, gevormd door twee<br />
figuren als: links een man met blauw kleed, rechts een man met tulband (hooge<br />
priester), in het midden een tafel waarop de kop van een lam en brooden. In<br />
goud en kleuren.<br />
Het boek bevat verder meer dan een 200 tal initialen met versierselen, voorstellende<br />
phantastische dieren- en mensenkoppen, telt 426 bladzijden en heeft<br />
een hoogte van 53, bij een breedte van 38 cm.<br />
Op het einde leest men 'In vigilia pentecostes missa finita consummata sunt<br />
ista per me f. S.V. ano 1517 die 30 May.<br />
Dit handschrift en nog een 6 tal liturgische Mss in fol. op papier o.a. een graduale,<br />
zijn in bezit van den Heer H.M. Hoho te Maastricht.<br />
Tot zover het gestencilde papier. Het bovenstaande stelt ons vanzelf voor<br />
enkele vragen. Allereerst wie is f. S.V. ? In een conventualenlijst van Maastricht<br />
vinden we een S.V., nl. fr. Sanderus van Venlo waarvan het generaal kapittel van<br />
1509 zegt dat hij van Venlo teruggaat naar zijn eigen convent te Maastricht. Het<br />
generaal kapittel van 1520 vermeldt hem onder de overledenen. Verder interesseert<br />
ons natuurlijk de vraag waar dit antiphonarium zich momenteel bevindt.<br />
Is het nog in particuliere handen of is het terecht gekomen op een of andere<br />
universiteits- of koninklijke bibliotheek? Misschien zijn er lezers van 'Clairlieu'<br />
die ons op weg kunnen helpen. Wij zijn er u dankbaar voor.<br />
P.W.
170 KRONIEK<br />
SCHIEDAM - GJ.L SCHEERDER, De Kruisbroeders van Schiedam 1443-<br />
1591, Rotterdam 1997. Pater Gerard Scheerder, een broer van Jan Scheerder,<br />
ons bekend door zijn publicaties over de Magisters Generaal der Orde uit de<br />
vorige en deze eeuw, heeft in eigen beheer een studie over de Kruisbroeders van<br />
Schiedam uitgegeven.<br />
Bij het schrijven van deze studie kon hij gebruik maken van artikelen van Dr.<br />
AJ. van de Ven. Deze had namelijk in 1921 in de pastorie van de Oud-<br />
Katholieke kerk in Delft een gedeelte van het archief van het<br />
Kruisbroedersklooster in Schiedam teruggevonden. De tekst van de gevonden<br />
documenten publiceerde hij in de "Bijdragen voor de geschiedenis van het<br />
Bisdom Haarlem" 1925-1926.<br />
Een tweede bron was een artikel van pater G.A. Meijer O.P. uit 1896, even-<br />
eens opgenomen in de genoemde "Bijdragen", getiteld: "Kerkelijk Schiedam<br />
v66r de Hervorming".<br />
Een derde en belangrijke bron vormden de "Definities der Generale<br />
Kapittels van de Orde van het Heilig Kruis 1410-1796", door Dr. A. van de<br />
Pasch in 1969 uitgegeven.<br />
Verdere gegevens werden ontleend aan het Stedelijk Archief van Schiedam.<br />
Met deze al met al toch nog zeer onvolledige gegevens heeft Gerard<br />
Scheerder op populaire wijze een goed leesbaar boek geschreven over de niet zo<br />
lange geschiedenis van dit betrekkelijk kleine convent. De beginperiode was erg<br />
moeilijk, vooral door de tegenwerking van de pastoor van Schiedam, alsook<br />
door gebrek aan geld en door vele sterfgevallen onder de Kruisbroeders. In de<br />
zestiende eeuw deed zich de invloed van de Hervorming geleidelijk aan sterker<br />
gevoelen, in 1572 werd het klooster door de Geuzen verwoest. Alleen de naam<br />
"Broersvest" herinnert nu nog in Schiedam aan de Kruisbroeders.<br />
Ondanks alle achting voor het werk van pater Scheerder zou ik toch graag<br />
enige opmerkingen willen maken:<br />
Over het geestelijke leven in het klooster zelf had ik graag wat meer gelezen.<br />
De Ordeshervorming van 1410 was er toch vooral op gericht het religieuze<br />
leven in de kloosters zelf te hervormen. De pastorale werkzaamheid van de<br />
Schiedamse Kruisbroeders wordt eenzijdig benadrukt (zie p. 5, p. 40, p. 42).<br />
Toch wijst Paus Eugenius IV in zijn breve van 1443 uitdrukkelijk op de<br />
Liturgie in hun kloosterkerk: "... quotidie in illo (sc. Monasterio) Altissimo lau-<br />
des extollantur (p. 98) en : "... eo devotius, quo quietius Altissimo valeant<br />
famulari" (p. 100).<br />
Dat de Kruisbroeders als convent na 1572 in Schiedam gebleven zijn,<br />
betwijfel ik. De schrijver beroept zich daarop, dat bij het doodsbericht van de<br />
laatste Prior van Schiedam in 1591, Bernardus van Hasselt, in de "Definities"<br />
vermeld wordt: "Prior Schidamensis" (Def. 1591, p. 421).<br />
Het kan goed zijn, dat hij met behoud van titel in een ander klooster der<br />
Orde een toevlucht gevonden heeft. Maar ook als hij in Schiedam gebleven is,<br />
zegt dit nog niets over het voortbestaan van het convent.
KRONIEK 171<br />
Overigens blijft het bevreemdend, dat in de "Definities" van de opheffing<br />
van geen enkel der Noord-Nederlandse kloosters, zoals Asperen, Goes en<br />
Hoorn gewag gemaakt wordt.<br />
Gerard Scheerder heeft zich in het historische Schiedamse milieu goed ingeleefd.<br />
Afgezien van de vele herhalingen is zijn verhaal vlot geschreven. De voornaamste<br />
bronnen zijn als Bijlagen toegevoegd. Het boek is ook fraai uitgegeven.<br />
G.R.
Dr. i<br />
TP.C, a<br />
VAN Df.<br />
"<strong>CLAIRLIEU</strong>"<br />
d aan de<br />
/ 16500 B<br />
■ (Ja/r/icif<br />
■'short<br />
H.W. JEi h<br />
Km ■■-' ()bc<br />
/' WlNlfEU<br />
rM • ' 'a n U \rrwrsfboft<br />
(... /'/C