Stad op scherp - Gemeente Groningen

gemeente.groningen.nl

Stad op scherp - Gemeente Groningen

Stad op scherp | VUUR

Uitgave van de gemeente Groningen, dienst RO/EZ | mei 2006

stad op scherp | VUUR mei 2006

Stad op scherp

VUUR


‘Een stad met toekomstperspectief is

continu op haar hoede, steeds startklaar

voor een sprint, wil op andere momenten

weer op adem komen, weer kansen

creëren en aanvallen!’

Voorwoord

De stad is nooit af. Wij hebben een dagtaak

aan het nadenken over de toekomst

van Groningen. Wat speelt zich af binnen

onze grenzen? Wat gebeurt er om ons

heen? Welke trends en ontwikkelingen

komen er op ons af? Welke kansen kunnen

we benutten? En welke rol speelt de

overheid daarbij?

Gericht groeien, bereikbaar blijven en

nieuwe, duurzame werkgelegenheid naar

de stad halen; het kan op vele manieren.

Onder het motto ‘Stad op Scherp’ zijn

medewerkers van vooral de dienst RO/EZ

uitgedaagd om nieuwe ideeën aan te

dragen. Op weg naar - mogelijkerwijs -

een nieuw structuurplan voor Groningen

is dit gedachtengoed geordend in negen

essays.

Dat levert tien interessante, inspirerende

en vooral prikkelende verhalen op die

mijn gedachten over de toekomst van

Groningen weer een flink stuk hebben

aangescherpt. In dit tijdschrift worden

de messen geslepen voor een volgende

ronde in antwoord op de vraag hoe we

deze stad sterker, sociaal en duurzaam

kunnen maken en houden.

Ik verheug me op het debat!

Jacq. Wallage

Burgemeester van Groningen


Inhoudsopgave

2 Inleiding- Groningen staat op scherp

4 Groningen als Europese Hoofdstad | René Boomkens

12 Authentieke belevenissen | Pieter van der Werf, MPD Export

20 Zes speerpunten voor stadsvisie | Rob van Vliet, gemeente Groningen

22 Essay Stad en Ommeland | BVR

34 Een stad van 600.000 mensen | Rik Herngreen

46 De stadsalchemist | Wies Sanders, Urban Unlimited

54 Verdieping | Nieuwe Garde met Addendum

74 De overheid als ecologische tuinman | Interview met Thuur Caris

76 Stad op scherp: sociaalfunctionele netwerken | Arnold Reijndorp, Ivan Nio

82 Open land open geest: KIP | De Zolder

86 Groningen in een platte wereld | Alfred Kazemier, gemeente Groningen

94 De stad heeft permanent zorg en onderhoud nodig | Interview met Arie Wink


De stad is in beweging, want de mensen veranderen. Hun activiteiten veranderen.

Niet langer is de stad hun omniversum, eerder doet zich het omgekeerde voor. De stad is vertrekpunt voor

wereldwijde contacten met uiteenlopende doelen. Activiteiten die zich telkens op wisselende schaalniveaus

voordoen. Kleding uit Amerika, de kruidige keuken uit India, een zakenpartner in Australië, de oppas om de

hoek, de gewenste school in de wijk, kennis van het web en de topuniversiteit, een operatie in Duitsland.

Veel kriskras bewegingen, op het eerste oog ad hoc. Aan de andere kant de trage stad, de vertrouwde stad,

de neiging te broeden, wachten tot er iets gebeurt. Traditie, geschiedenis, organisch groeien, dat

Groningen staat

op scherp

| 3

mei 2006 stad op scherp

geeft eigenheid en kleur aan gebieden.

Beweging brengt dynamiek. Woonwensen bijvoorbeeld veranderen sneller dan voorheen en ze

worden diverser dan we gewend waren. Immers, niet alleen de trends vanuit de eigen stad, het eigen

land, de eigen cultuur komen binnenwaaien. Ook heel andere, van ver komende ideeën rollen bij ieder over

de mat. Wat vandaag in is, is morgen alweer uit. Gebouwen schrijven we af over een periode van 30 jaar,

terwijl de kans sterk toeneemt dat het gebouw na een aantal jaren al niet meer past bij zijn functie - en

dus vraagt om verbouw, transformatie. Stadsontwikkeling gaat niet over één nacht ijs, maar is doorgaans

een kwestie van lange adem.

De dienst RO/EZ van de gemeente

Groningen speurt naar kwesties die

de toekomst van de stad maken. We

dagen onszelf, de politiek en de stad

uit, met ons de agenda voor Groningen

te maken, de thema’s te bediscussiëren.

Scherp, alert, gefocussed, gedreven. Het

zou een mooi resultaat zijn als de discussie

uitmondt in een gezamenlijk pact

voor de stad, waaraan ieder vanuit zijn

eigen verantwoordelijkheid meebouwt.

Juist mondiale, deels ongrijpbare ontwikkelingen

en meer lokale, soms weer

tragere transformaties vragen om kennis

van zaken, om sturen of faciliteren op

het goede moment, om het bewaken van

het evenwicht. Ja, de boel bij mekaar

houden. De Groningse stad van de toekomst

is gegrondvest op een stevig verleden

en flexibel genoeg om dynamische

mensen aan te trekken en te binden.

Is Groningen klaar voor de toekomst?

Kan het ruimte bieden aan snelle,

voortdurend andere netwerken, relaties?

En kan het tegelijk ook ruimte blijven

bieden aan wat trager verloopt, standvastiger

en meer lokatiegebonden is?

En waar liggen dan de kansen en waar

zitten de valkuilen?

Een pasklaar antwoord is er niet. Een

stad met toekomstperspectief is continu

op haar hoede, steeds startklaar voor

een sprint, wil op andere momenten

weer op adem komen, weer kansen

creëren en aanvallen!

Daarom moeten we weten wat er speelt

en moeten anderen van ons weten wat

we kunnen en van plan zijn. Dus debatteren

over de issues van de toekomst, in

gesprek over wat ‘wij’ en wat ‘zij’ doen

en wat we van elkaar kunnen verwachten,

hoe we elkaar kunnen helpen bij het

pakken van kansen. We moeten daarom

met elkaar in gesprek gaan en blijven en

op gezette tijden afspraken maken over

hoe we gezamenlijk resultaten kunnen

boeken. Met Stad op Scherp geven we

vorm aan dat proces.

Stad op scherp: ideeënrijk

We willen een impuls aan het gesprek

geven. Daarom zijn we op zoek gegaan

naar de thema’s die de stad raken in

de toekomst. Een eerste stap in de

zoektocht naar de toekomstige ‘draken

en juweeltjes’ hebben we gezet binnen

onze eigen organisatie. Slechts enkele

externen hebben hun visie op onze

uitnodiging gegeven. Het nieuwe college

van Groningen beslist hoe we dit proces

straks verbreden naar anderen in de

Groningse samenleving.

Werken aan de stad is voor velen van

RO/EZ dagelijkse kost. Kennis van de

stad is dan ook rijkelijk aanwezig. De

dienst RO/EZ van de gemeente Groningen

heeft zichzelf de afgelopen maanden

op scherp gezet. Verschillende afdelingen

en idividuen hebben soms behoorlijk

wat vrije uren gestoken in het nadenken

over de stad. We prikkelden ze daarbij

door langs de afdelingen te gaan

en iedereen te vragen vooral mee te

doen. In de dienst hingen gedurende de

‘broedweken’ Loesje-achtige posters die

voorbijgangers tot nadenken dwongen.

64 ideeën voor de stad waren het resul-

taat. Rijp en groen, abstract en concreet,

vanuit heel verschillende invalshoeken.

Alle ideeën hebben betrekking op de

toekomst van de stad. Ze bevatten signalen

en eerste stappen naar uitwerking.

Die ideeën hebben we gebundeld in een

boekwerk.

Een deskundige jury heeft uit deze

bulk van ideeën een vijftal thema’s

gedestilleerd, die uitgewerkt zijn in

essays door zogenaamde recht- en

dwarsdenkers, oftewel deskundigen

en slimme geesten uit heel andere

vakgebieden met een eigen kijk. De

essays zijn opgenomen in dit tijdschrift

en hebben als doel de politiek, externe

partners, de dienst RO/EZ en een aantal

betrokken deskundigen te prikkelen, aan

te zetten tot nadenken over die thema’s.

Op 24 mei 2006 organiseren we over

de thema’s uit dit tijdschrift een eerste

debat, met als titel VUUR.

De essayisten stoken het vuurtje op over

de rol van de overheid die niet langer

aan functionele planning doet, maar

kansen ‘spot’ en de andere partijen bijeenbrengt.

De overheid die de stad als

een soort van marktplaats in de etalage

zet. De ene steller houdt een sterk pleidooi

voor specialisatie binnen een stevig

netwerk, terwijl de ander daar tegenoverzet

dat de ‘maat’ van Groningen juist

vraagt om generalisatie, een stad waar

alles te vinden is. Of kiezen we voor een

schaalsprong en worden we Europese

regiohoofdstad?

Dat is nog maar een kleine greep uit

het gedachtegoed in dit schrift.

Lees en vorm uw gedachten.

Spreek ze uit, bijvoorbeeld

op 24 mei, maar ook

daarna. Bouw mee aan

pakketten, afspraken,

visies voor de stad.

Olympisch vuur?

24 mei is de start van een doorgaande

dialoog over de ruimtelijke ontwikkeling

van de stad. We ontsteken het vuur

en houden de fakkel daarna brandend.

Hopelijk doen we dat niet alleen als

overheid. We gaan ervan uit dat ook

anderen hout op het vuur gooien, omdat

ook zij er belang bij hebben het gesprek

gaande te houden.

24 mei staat in het teken van de thema’s

waar we de afgelopen tijd aan gewerkt

hebben. Het is het eerste moment

waarop het kersverse nieuwe college

van onze stad te maken krijgt met Stad

op scherp. De bestuurders krijgen van

ons een aantal thema’s aangereikt die

wij en anderen als richtingbepalend

zien voor de toekomst van de stad.

Het is aan de politiek aan te geven hoe

we verder gaan. Het is denkbaar dat

we nog verder speuren naar andere

thema’s, samen met anderen, thema’s

die we nu nog onvoldoende in het vizier

hebben, maar het kan ook zijn dat we

de huidige thema’s verder uitwerken

in een nieuwe structuurvisie voor de

stad. Hoe die visie er uit gaat zien is

nog zeer de vraag. Misschien vraagt het

ene thema wel om gericht overheidsingrijpen

via een beheerprogramma,

terwijl een ander thema om een totaal

andere aanpak vraagt. Bijvoorbeeld het

verbinden van netwerken binnen de stad

met als doel het opschudden van het

culturele programma. Of dat allemaal in

één visie is onder te brengen moeten

we nog bezien. Misschien worden het

visies op onderdelen, richten we ons op

dynamische allianties, tijdelijke fusies op

bepaalde doelen, gooien we het op vele

akkoordjes. De resultaten van het debat

zullen daarin richtinggevend zijn. Laat

het debat beginnen!


Vooraf: over regiohoofdsteden en de creatieve klasse.

In dit essay wil ik trachten een schets te geven van de toekomstige culturele rol en betekenis van

de stad Groningen als een regionaal centrum van cultuur en bedrijvigheid. Ik introduceer daartoe

de notie ‘Europese regiohoofdstad’. Daarmee wil ik twee aspecten van de culturele rol en betekenis

van steden als Groningen bij elkaar brengen: 1) de aloude functie van regiohoofdsteden, zoals

Groningen voor het Noorden, Maastricht voor het Zuiden en Arnhem-Nijmegen voor het Oosten van

het land, en 2) het meer recente gegeven van een toename van het grensoverschrijdend cultureel

en sociaal-economisch verkeer, zowel als effect van de Europese eenwording als van globalisering

van economie en cultuur en internationalisering van de kennis- en informatiecultuur.

Groningen als

europese

regiohoofdstad

Regiohoofdsteden (niet per se identiek

aan provinciehoofdsteden) onderscheiden

zich van kleinere en middelgrote

steden in het algemeen doordat zij

doorgaans over het volledige palet aan

stedelijke functies en daarmee een soort

metropolen-in-het-klein zijn. Dat geldt

eens te meer wanneer deze steden relatief

geïsoleerd liggen, zoals het geval is

met Groningen. Ligt een stad als Maastricht

in de onmiddellijke nabijheid van

Aken, Heerlen en Luik, en verdelen Nijmegen

en Arnhem de regionale culturele

functies onder elkaar, daar ligt Groningen

in een regio waar weinig concurrenten

op het terrein van de stedelijke cultuur

te duchten zijn. Anders dan datzelfde

Maastricht heeft Groningen totnogtoe

weinig tot niet ingespeeld op de geleidelijke

internationalisering en grensoverschrijdende

kanten van culturele praktijken,

die zich voor een deel uiten in een

groeiende culturele en sociaal-economische

uitwisseling in regio’s die diverse

landsgrenzen overschrijden. Groningen

zou een belangrijke rol kunnen spelen

als culturele magneet en kenniscentrum

in Noordwest Europa, samen met steden

als Oldenburg, Bremen en Kopenhagen.

Maar in feite richt Groningen zich nog

altijd op (haar relatie met) de Randstad.

De Randstad (de deltametropool Amsterdam-Den

Haag-Rotterdam-Utrecht) is

echter zonder concurrentie het culturele

en economische hart van Nederland én

daarbovenop een ‘global city’ of ‘global

urban region’ in een netwerk van mondiale

stedelijke centra op het gebied van

(financiële) handel, technologie, kennis-

en informatie-uitwisseling en politiek.

Als Nederlandse stad heeft Groningen

vanzelfsprekend van alles te maken met

de Randstad, als potentiële Europese regiohoofdstad

veel minder. Dat betekent

onder andere dat Groningen niet zou

moeten proberen om een soort volwaardig

noordelijk alternatief voor de Randstad

te ontwikkelen, maar dat de stad

zich nadrukkelijker dan tot nog toe moet

gaan verdiepen in wat het betekent om

een Europese regiohoofdstad te zijn.

| 5

mei 2006 stad op scherp

door: René Boomkens

Alvorens dat begrip nader in te vullen

moeten nog drie algemene voorbereidende

opmerkingen worden gemaakt. De

laatste jaren is het begrip ‘the creative

class’ van de Amerikaanse socioloog Richard

Florida enorm populair en invloedrijk

geworden onder lokale bestuurders

en stadsplanners a . Florida wees met die

term op het vaak onderschatte belang

van de aanwezigheid van een ‘creatieve

klasse’ van kunstenaars, bohémiens

en intellectuelen voor de economische

toekomst en de culturele dynamiek van

steden. Het belang van Florida’s inbreng

in de discussies over stedelijke ontwikkeling

bestond er echter vooral in dat hij

de gebruikelijke verhouding tussen economie

en cultuur omkeerde. Het liberale

en sociaal-democratische cliché luidde al

sinds de negentiende eeuw dat economie

de basis is, en cultuur niet meer dan

franje. Dat is ook nog steeds de grondslag

van het beleid van de opeenvolgende

nationale regeringen alhier. Florida

wees erop dat economische dynamiek en

ontwikkeling van steden in belangrijke

mate afhangen van de aanwezigheid van

creatief, experimenteel potentieel in een

stad. Wethouders van zelfs de kleinste

steden gingen vervolgens op zoek naar

loslopende kunstenaars in hun binnensteden

in de hoop op wat meer dynamiek...

maar dat bedoelde Florida niet.

De aanwezigheid van een ‘creative class’

hangt zelf weer af van twee zaken: allereerst

van een gunstig, d.i. open, tolerant

en pluralistisch cultureel klimaat in de

stad, en daarnaast van de aanwezigheid

van een aantal culturele voorzieningen

zoals bibliotheken, theaters, cafés

boekhandels, filmhuizen en bioscopen,

kenniscentra als universiteiten en academies,

musea, archieven, e.d. èn van

voldoende vraag naar creatieve culturele

input van de kant van het bedrijfsleven,

de horeca, het onderwijs, en allerlei wijk-

en buurtorganisaties. Kortom: waar Florida

op wijst is niet het belang van een

al dan niet aanwezige groep creatievelingen,

maar op het belang van een vruchtbaar

cultureel klimaat, van een culturele

‘ondergrond’ voor de sociaal-economi-

Groningen zou een belangrijke rol

kunnen spelen als culturele magneet en

kenniscentrum in Noordwest Europa,

samen met steden als Oldenburg,

Bremen en Kopenhagen’


‘Als regiohoofdstad zou Groningen zich actiever

moeten bemoeien met haar eigen regio.

Die regio zou wel eens kunnen uitgroeien tot

één van de meest aantrekkelijke woongebieden

sche dynamiek van een stad. Die culturele

ondergrond beperkt zich kortom niet

tot die kleine kern van creatieve en artistieke

innovatoren, maar omvat het hele

culturele leven in de breedste zin van

het woord: we hebben het dan over het

festival Noorderlicht, maar evenzeer over

de buurtcultuur in Corpus den Hoorn of

Beijum, over zowel de belangrijke rol

van de RuG of Academie Minerva voor

de stad als over de betekenis van het

nieuwe voetbalstadion de Euroborg als

factor in de stedelijke ontwikkeling.

Overigens geldt de ‘culturele factor’ ook

omgekeerd, d.w.z. in negatieve zin: het

ontbreken van culturele creativiteit en

actieve participatie aan de cultuur van

een stad is een vaak onderschatte negatieve

factor die het sociale welbevinden,

de sociale cohesie en weerbaarheid van

(groepen) stedelingen beïnvloedt. Zeer

recent verscheen over dit onderwerp het

boek ‘Culturele contrasten’ van Gabriël

van den Brink e.a., waarin de culturele

factor in processen van sociale cohesie,

integratie en participatie in het stedelijk

leven centraal staat b .

Een tweede voorbereidende opmerking

betreft een ander modieus begrip, dat

van de netwerkstad, vaak nog aangevuld

met de notie poly- of multicentraliteit.

Onder invloed van de spraakmakende

studie ‘The Information Age’ van Manuel

Castells c is in het denken over stedelijke

ontwikkeling het begrip netwerk erg

populair geworden, zozeer zelfs dat al

| 7

mei 2006 stad op scherp

van Nederland’

weer meerdere jaren geleden de notie

‘netwerkstad’ doordrong in rapporten

van de WRR. Castells zelf spreekt niet

over netwerksteden, wel over de netwerksamenleving

als een samenleving

die in toenemende mate bijeen wordt

gehouden door het wereldwijze netwerk

van informatiestromen. Informatie is

productiefactor nummer één geworden,

waardoor knooppunten in het informatienetwerk

cruciale economische functies

vervullen. Die knooppunten vallen ruimtelijk

nogal eens samen met (grotere)

steden, waarvan de belangrijkste door

de econome Saskia Sassen zijn omschreven

als global cities d . Groningen is, zoals

gezegd, geen ‘global city’, maar vervult

wel degelijk een knooppuntfunctie als

(potentieel Europese) regiohoofdstad.

Volgens sommige auteurs, waaronder

die van de WRR, zou de netwerklogica

ook gevolgen hebben voor de ruimtelijke

make-up van steden: de aloude gecentreerde

stad zou plaatsmaken voor een

stad met meerdere (deel)centra. In sommige

plannen en ideeën voor de toekomst

van Groningen duiken dergelijke

ideeën ook op. Vaak wordt dan verwezen

naar ontwikkelingen als rondom

de zogeheten Zuidas van Amsterdam,

waar een tweede of derde stadscentrum

tot ontwikkeling zou komen. Helemaal

onjuist zijn deze suggesties niet, maar

of ze ook opgaan voor relatief kleine

steden als Groningen is zeer de vraag.

Wat aan Groningen nu juist opvalt is de

relatief stabiele verdichtingfunctie van de

binnenstad. Wellicht is er sprake van een

groeiende economische druk door ontwikkelingen

in de periferie (IKEA, e.d.),

in sociaal-cultureel opzicht concentreren

de meeste activiteiten zich toch nog in

de binnenstad. Kortom: ook met noties

als netwerkstad en polycentriciteit moet

voorzichtig worden omgesprongen.

Tot slot: ook invloedrijk en populair is

de zogeheten bedrijfsmatige benadering

van de stad en de stedelijke cultuur,

gekoppeld aan de gedachte dat steden

in een (vaak bovennationale) concurrentieverhouding

ten opzichte van elkaar

staan. Dit idee stamt van de invloedrijke

Amerikaanse planologe Jane Jacobs, die

er in de jaren tachtig een boek aan wijdde

e . Deze benadering gaf aanleiding tot

een nieuwe politiek van city marketing,

van het naarstig zoeken naar ‘unique selling

points’ van steden, en tenslotte tot

een veranderde verhouding tussen stadsbesturen

en hun burgers: de laatsten

werden nu vooral als klanten gezien,

of als ‘werknemers’ in de succesvolle

onderneming die ‘stad’ heet. Ook grote

overheids- en semi-overheidsinstellingen,

zoals universiteiten en hogescholen,

trof een vergelijkbaar lot. Deze bedrijfsmatige

benadering van steden en grote

instituties heeft begin jaren negentig

zeer zeker geleid tot een nieuw stedelijk

élan, en heeft ook het denken over en

het creatief ingrijpen in de stad gestimuleerd.

Maar juist door deze ‘economisering’

van het denken over gemeentepolitiek

en stadsontwikkeling, zoals Kor Grit

het noemde f , werd eind jaren negentig

plotsklaps duidelijk hoe cruciaal de ‘culturele

factor’ was: in de bedrijfsmatige

herstructurering van gemeentes en grote

overheidsinstellingen bleek de ‘bedrijfscultuur’

een factor van belang te zijn, in

negatieve (hinder) zowel als positieve

(stimulans) betekenis. Bovendien bleek

diezelfde ‘economisering’ in sommige

gevallen juist negatief uit te werken op

diezelfde bedrijfscultuur. Voordelen van

de bedrijfsmatige aanpak waren vaak

een toename van efficiency en vooral

een bevordering van een pragmatische

attitude, gericht op goed beheer en onderhoud

(iets dat bijvoorbeeld typerend

bleek voor de gemeente Tilburg die als

één van de eerste steden de gemeentelijke

organisatie op bedrijfsmatige leest

schoeide) g . Maar ‘economisering’ leidde

vaak ook tot het oproepen van concurrentieverhoudingen

waar die helemaal

niet bestonden of vruchtbaar waren

(zoals bijvoorbeeld tussen universiteiten,

maar ook tussen de meeste steden) en

tot het reduceren van actieve burgers tot

afhankelijke cliënten. Tenslotte leidde

het in veel gevallen tot het oproepen

van de schijnwerkelijkheid van ranglijsten

en rangordes tussen steden of

onderwijsinstellingen die weinig tot geen

recht deden of doen aan de werkelijke

kwaliteiten van die steden of onderwijsinstellingen.

Met de kanttekeningen over de ‘creative

class’, de netwerkstad en de ‘bedrijfsmatige

stad’ in het achterhoofd is het

nu mogelijk meer licht te werpen op de

stad Groningen als mogelijke Europese

regiohoofdstad.

De regiohoofdstad en de regio

In diverse plannen in de bundel ‘Stad op

scherp’ wordt terecht het beeld opgeroepen

van de stad Groningen als een fenomeen

dat zijn eigen grenzen te buiten

gaat. Het beeld wordt opgeroepen van

een havenstad, van een stad met een

strand (Schiermonnikoog) en van een

stad die overloopt in haar ‘natuurlijke’

omgeving. Zulke beelden sluiten aan bij

een belangrijke culturele continuïteit van

Groningen als een traditioneel regionaal

centrum. Maar de opgeroepen beelden

zijn stuk voor stuk projecties vanuit de

stad zelf gemaakt, terwijl de beweging

juist andersom zou moeten worden

gemaakt: de voornaamste vraag is immers

wat de stad Groningen straks kan

betekenen voor een radicaal veranderde

regio. Want dat die regio verandert, staat

buiten kijf. Traditionele agrarische en

industriële functies zijn weggevallen of

zullen binnen korte tijd wegvallen, de

glorieuze toekomst voor de haven van

Delfzijl bleef uit. De werkloosheid in de

regio is hoger dan in de rest van Nederland.

De stad heeft zich met plannen als

Meerstad en de Blauwe Stad al nadrukkelijk

met delen van de regio bemoeid,

maar die plannen beperken zich nog

voornamelijk tot het ontwikkelen van

interessante varianten op het concept

van de stedelijke ontwikkeling. Hoe de

(rest van de) regio zich verder kan en zal

ontwikkelen valt buiten het bestek van

zulke planvorming. Als regiohoofdstad

zou Groningen zich actiever moeten bemoeien

met haar eigen regio. Die regio

zou wel eens kunnen uitgroeien tot één

van de meest aantrekkelijke woongebieden

van Nederland (en wellicht Noord-

Duitsland). Een gebied met een combinatie

van recreatief of toeristisch agrarisch

bedrijf, beheer van cultureel erfgoed,

ecologische ontwikkeling, kleinschalige

bedrijvigheid, bijzondere recreatieve gebieden,

en met belangrijke woonfuncties

voor met name ouderen, die op zoek

zijn naar rust en ruimte. Het gaat daarbij

voor een deel om ouderen die zich actief

bemoeien met hun eigen omgeving

en de culturele functies daarvan. Zij

zijn niet slechts bewoners van het ommeland,

maar maken ook actief gebruik

van de Groningse stadscultuur. Deze

actieve ouderen die uit heel Nederland

(en voor een deel uit Duitsland) komen

willen expliciet niet wonen in het soort

‘ouderenwijken’ die nu op de tekentafels

van sommige planners en ontwikkelaars

liggen, maar trekken zich terug op het

platteland in het Noorden om vervolgens

weer actief te worden in hun directe

leefomgeving. Dit is geen loze voorspelling,

maar ligt in het verlengde van ontwikkelingen

die zich ook nu al rondom

de stad afspelen. Groningen en Drenthe


als battleground voor actieve oudere

niet-actieven geen natte droom van

projectontwikkelaars, wel een mogelijke

uitkomst van toekomstige demografische

ontwikkelingen.

Avant-gardes en cultuurmijders

Over nu naar de stedelijke cultuur zelf.

Cruciaal voor willekeurig welke stad

is momenteel het doorbreken van de

onvruchtbare tegenstelling tussen hoge

en lage cultuur, tussen vernieuwing en

continuïteit, tussen elites en populaire

cultuur, of tussen de uitdaging van de

marges en de kalme charme van de

middelmaat. Overal roepen bestuurders

en managers om meer creativiteit, meer

waardering voor topkwaliteit, topinstituten,

en meer competitie, prestige en

| 9

mei 2006 stad op scherp

prestatiedrang. We zitten nu nog middenin

de naweeën van deze uitwassen

van de neoliberale frenzy, die halverwege

de jaren tachtig op gang kwam,

maar die intussen een beetje begint uit

te woeden. Een stad als Groningen heeft

zich altijd nogal verre gehouden van

die neoliberale cultuur en kan in die zin

voortbouwen op een betrekkelijk stabiele

continuïteit van een meer republikeinse

traditie van actief of participatief

burgerschap. Die traditie kent twee polen,

enerzijds een grote ruimte voor onvoorspelbaar,

experimenteel cultureel en

politiek avant-gardisme, anderzijds een

ruime aandacht voor de ‘alledaagse cultuur’,

als de cultuur van wat het Sociaal

Cultureel Planbureau de ‘cultuurmijders’

noemt. Cultuurmijders zijn al die (vaak

lagergeschoolde) mensen en groepen

die geen belangstelling hebben voor het

‘officiële’ cultuuraanbod op het gebied

van theater, dans, muziek, beeldende

kunsten, e.d., groepen die echter via

radio en televisie en via buurtvoorzieningen,

cafés en verenigingen wel degelijk

een ‘eigen’ cultureel leven kennen. Tot

de jaren zestig en zeventig van de vorige

eeuw waren de avant-gardisten en de

cultuurmijders radicaal gescheiden sociaal-culturele

groepen, maar juist dankzij

de opkomst van de popcultuur zijn beide

culturele uitersten dichter bij elkaar gekomen.

Groningen kent met Vera en met

Noorderslag/Eurosonic een belangrijke

traditie van cultureel avant-gardisme en

culturele rafelrandjes die tegelijk over

loopt in de cultuur van de ‘cultuurmijders’,

die niet alleen bestaat uit groepen

die ‘passief’ zijn, zoals altijd werd aangenomen,

maar vooral uit groepen die zich

vooral verre houden van de officiële,

gesubsidieerde kunst- en cultuursector.

Hier ontstaan nieuwe mixtures van radio

2, radio 3 en Kink-FM culturen, die voor

bestuurders en officiële cultuurdragers

nagenoeg onzichtbaar zijn. Voor Eurosonic

(dat in feite in cultureel opzicht belangrijker

is dan Noorderslag, omdat het

zich over de hele stad uitstrekt en zich

vooral richt op nieuwe ontwikkelingen

in de Europese popcultuur) geldt bovendien

dat Groningen zich met dit festival

aanbiedt als een podium voor internationale

culturele experimenten en als een

podium voor onvoorspelbaar amusement

en ‘fun’.

Belangrijker nog is de status van Vera.

‘dankzij de opkomst van de

popcultuur zijn

culturele uitersten dichter

bij elkaar gekomen’

Hier geen ‘cultuurmijders’, maar alleen

marginalen en nieuwe wilden. Vera is

een cultureel laboratorium van internationaal

formaat, een ‘aanrader’ in avantgardistische

en marginale popkringen,

zowel bij artiesten als bij het publiek.

Als er ergens sprake is van Groningen

als netwerkstad, dan is Vera een cruciaal

knooppunt in dat mondiale netwerk.

Het andere uiterste, maar net zo

‘bottom-up’ als Vera, is de cultuur van

de ‘gewone stadjer’. Elke serieuze en

gezonde cultuurpolitiek begint met de

vraag “wat gaat er gebeuren met de

Oosterparkbuurt na de sluiting van het

stadion?” en niet met de vraag “wat gaat

de Euroborg voor Groningen betekenen?”

Die laatste vraag dient ook gesteld te

worden, want wie op dit moment ronddwaalt

in de omgeving van het nieuwe

stadion krijgt meteen het gevoel op de

maan te zijn beland, wat toch niet de

bedoeling zal zijn geweest. Maar belangrijker

is de kwestie van de continuïteit

van stedelijke wijk- en buurtculturen

die anders dan vele modieuze theoretici

beweren, in het geheel niet totaal

zijn verdwenen. De mobiliteit is zeker

toegenomen, mensen leven een groter

deel van hun leven buiten hun directe

woonomgeving, maar de verschillen in

mobiliteit blijven groot en het verlangen

naar of de behoefte aan een vertrouwde,

herkenbare omgeving blijft voor velen

recht overeind. Je kunt de ‘individualisering’

beschrijven als een onvermijdelijk

proces, als een vorm van emancipatie,

maar ook als een dubbelzinnig en ongemakkelijk

gebeuren. Dat laatste lijkt voor

veel stedelingen de alledaagse realiteit,

als een mengeling van verlangens naar

onafhankelijkheid en naar geborgenheid.

Politiek en bestuur hebben geen greep

op dit soort processen, maar zouden er

ten dele wel vorm aan kunnen geven,

zonder zich al te zeer met die processen

zelf te bemoeien. Het stimuleren van de

lokale cultuur van buurten of wijken zonder

er op paternalistische wijze in in te

grijpen zou meer gebruik kunnen maken

van het concept van het buurtplatform,

begrepen als een strikt bottom-up, niet

aan het gemeentelijk bestuur verbonden

vorm van lokale culturele uitwisseling h .

Concepties als het buurtplatform staan

in het teken van een verzwakking van

de invloed van de centrale machten op

gemeentelijk niveau en zijn om die reden

vermoedelijk bij stadsbestuurders

niet meteen populair. Maar het zijn wel

mogelijke hulpmiddelen bij het stimuleren

van een meer actief burgerschap. Dat

actieve burgerschap heeft alleen overlevingskansen

wanneer er een stedelijke

publieke ruimte van betekenis over blijft,

een ruimte van algemeen belang met

zeer diverse functies en betekenissen.

Kortom: lokale, buurtgerichte initiatieven

zijn alleen haalbaar wanneer er een meer

algemene, overkoepelende oriëntatie op

een levensvatbare en creatieve stadscultuur

mee is verbonden. Achterlopers en


voorlopers hebben wat aan elkaar, anders

dan de culturele elite altijd meende.

Groningen zou juist op dit cruciale

culturele knooppunt een belangrijke rol

kunnen spelen, juist op grond van haar

culturele traditie.

De Europese

regiohoofdstad

Groningen is een potentiële Europese

regiohoofdstad. Wat betekent dat? Om te

beginnen is het van belang vast te stellen

dat het hier niet gaat om een zaak

van ‘marketing’, om een kwestie van

een handige positionering van de stad

Groningen op de internationale markt

van intrigerende en aantrekkelijke stedelijke

centra. Die positionering is zeker

nodig, maar ze kan slechts succesvol

zijn indien Groningen op dit vlak ook

werkelijk iets te bieden heeft. Het moge

duidelijk zijn dat Groningen een dergelijke

kwaliteit alleen kan waarmaken in

samenwerking met andere stedelijke

centra, en vooral niet in een concurrerend

en competitief streven de enige

‘toplocatie’ in de internationale regio te

worden. Een dergelijke competitie was

op nationaal niveau een wassen neus:

Groningen heeft geen serieuze concurrenten.

Assen is te klein, Leeuwarden

mist het complete pakket van culturele

instituties, kortom: Groningen is met

recht regionale hoofdstad. Maar is dat

ook op transnationaal niveau waar te

maken? Gezien de economische problematiek

van de regio lijkt een transnationale

oriëntatie minimaal een interessante

optie. Bestuurskundigen hanteren reeds

de notie van de zogeheten ‘Euregio’s’

om te wijzen op grensoverschrijdend

economisch en cultureel verkeer binnen

bepaalde regio’s. In de meeste gevallen

blijven dat tekentafelvoorbeelden en is

van werkelijke uitwisseling nauwelijks

sprake. Dat lijkt momenteel ook voor

Groningen te gelden. De verbindingen

met Noord-Duitsland (de bus naar Oldenburg

en de overstap in Nieuweschans

naar Leer) stellen weinig voor, Duitsers

bezoeken wel vrij massaal de Groningse

markt, maar van cultureel contact lijkt

weinig sprake, afgezien wellicht van het

regionale succes van een Drentse popgroep

als Skik in Noord-Duitsland enkele

jaren terug. De RUG kent een traditie van

samenwerking met de universiteiten van

Oldenburg en Bremen, maar die is zwak

en afhankelijk van toevallige personele

contacten. Hier lijkt nog een hoop ontwikkelingswerk

verricht te moeten worden,

maar ik denk dat er volop gemeenschappelijkheden

aan weerszijde van de

nationale grens te vinden zijn die het

de moeite waard maken Groningen een

belangrijke rol te laten spelen als culturele

factor en magneet van het Noorden.

Het is van belang zich te verdiepen in

voorbeelden uit andere regio’s. Ik wees

al op de verdergaande regionale samenwerking

tussen Aken, Luik en Maastricht.

Een ander voorbeeld zou de rol van een

stad als Düsseldorf kunnen zijn als ‘toeristische’

attractie voor Nederlanders die

haar voor de kerstmarkt bezoeken. Ook

op universitair niveau kan naar verdergaande

uitwisseling worden gestreefd.

De universiteit Maastricht trekt bijvoor-

beeld honderden Duitse en Belgische

studenten met haar nieuwe opleiding Europese

studies. Ook de RUG heeft enkele

speciale programma’s voor buitenlandse

studenten, maar heeft geen bijzondere

aantrekkingskracht voor studenten uit de

nabijgelegen Duitse regio. Andere mogelijkheden

zijn het gezamenlijk met enkele

Duitse steden organiseren van culturele

festivals, het uitnodigen van orkesten

of theatergroepen van over de grens, het

stimuleren van schoolreizen of uitwisseling

tussen Duitse en Nederlandse lagere

of middelbare scholen. Hier moet vooral

niet top-down worden gewerkt; juist

kleinschalige, bottom-up uitwisselingen,

contacten en stimuleringsprogramma’s

zouden de betekenis van Groningen als

meer dan alleen een Noord-Nederlandse

stad kunnen bevorderen en zichtbaar

maken. Ook het faciliteren of subsidieren

van wetenschappelijk onderzoek

(geografisch, economisch, cultuursociologisch)

naar tendensen en ontwikkelingen

op regionaal niveau, inclusief de potenties

van grensoverschrijdende uitwisselingen

kan indirect stimulerend werken,

wat ook geldt voor historisch onderzoek

naar regionale geschiedenis, cultureel

erfgoed, lokale architectuur, e.d.

Het stadshart

Eén van de belangrijkste stabiele waarden

van een middelgrote regiohoofdstad

als Groningen is die van een dynamisch

10| 11

mei 2006 stad op scherp

stadshart met een veelheid aan functies,

met name ook op cultureel terrein. De

combinatie van een uitgebreide en diverse

detailhandel, een even gevarieerde

horeca, markten, een veelheid aan culturele

instellingen als theaters, muziekpodia,

bioscopen, musea, bibliotheken,

universitaire en hogeschoolinstellingen,

en een actieve studentencultuur, plus

een reeks redelijk populaire culturele

festivals verspreid over het jaar, maken

van de binnenstad van Groningen een

betrekkelijk uniek stadshart in Nederland.

Weinig vergelijkbare Nederlandse

steden (bijvoorbeeld Arnhem, Eindhoven,

Nijmegen, Den Bosch of Tilburg) kennen

een dergelijke rijkdom en diversiteit

aan culturele instellingen en activiteiten.

Groningen kent ondanks de niet

onaanzienlijke werkloosheid bovendien

geen oude stadswijken met een extreme

sociale problematiek op het gebied van

armoede, integratie of sociaal isolement.

De uitstraling van het stadshart naar de

rest van de stad lijkt in veel opzichten

uiterst positief. Of ontwikkelingen in de

periferie (nieuwe, verderaf gelegen stadswijken

als Meerstad; nieuwe winkelgebieden,

het gebied rond de Euroborg,

et cetera) de dynamiek van het stadscentrum

op termijn zullen ondermijnen,

valt moeilijk te zeggen. Wel is duidelijk

dat die ontwikkelingen minder drastisch

zullen zijn dan wat zich heeft afgespeeld

in de Randstad met gigantische nieuwe

woongebieden als de Leidsche Rijn en

andere VINEX-lokaties in o.a. Den Haag,

Breda, en elders. Ook de opkomst van

nieuwe, alternatieve stadscentra zoals

Zuid-Oost en de Zuidas in Amsterdam of

Alexanderpolder in Rotterdam lijken aan

Groningen voorbij te gaan. Dat gegeven

maakt het makkelijker om nog nadrukkelijker

voor een sterke culturele functie

van het stadshart te opteren. De plannen

voor de Grote Markt en het gebied achter

de Oostwand kunnen hier van groot

belang zijn. In het verlengde van eerdere

opmerkingen over de cultuurmijders en

de avant-gardisten zou ook de culturele

rol van het stadscentrum als publiek

podium voor allen meer aandacht verdienen.

Dat is des te dringender daar

waar alom wordt erkend dat sociale

cohesie en weerbaarheid meer dan ooit

afhangt van culturele participatie; als de

stad erin slaagt om die participatie op

het niveau van de afzonderlijke buurten

te bevorderen, dan dient dat ook in

het publieke domein van het stadscentrum

tot uitdrukking te komen.

Daar moet ruimte zijn voor de

experimenteerlust van avant-gardisten

en de culturele elites (één

elite bestaat niet meer), maar

ook voor de cultuur van de ‘cultuurmijders’.

Dat zal de grootste

opgave op cultureel gebied zijn,

en dat geldt niet alleen voor de

problematiek van minderheden en

migranten, maar juist ook voor de

cultuur van ‘autochtone’ stedelingen.

(Endnotes)

a Richard Florida, The rise of the creative class. Basic Books, New York 2002.

b Gabriël van den Brink, Culturele contrasten. Het verhaal van de migranten in

Rotterdam. Bert Bakker, Amsterdam 2006.

c Manuel Castells, The Information Age. The Rise of the Network Society. Blackwell,

Malden/Oxford 1996.

d Saskia Sassen, The Global City. New York, London, Tokyo. Princeton University

Press, Princeton 1991.

e Jane Jacobs, Cities and the Wealth of Nations. Vintage, New York 1985.

f Kor Grit, Economisering als probleem: een studie naar de bedrijfsmatige stad en

de ondernemende universiteit. Van Gorcum, Assen 2000.

g Zie hierover: Arnold Reijndorp & Ivan Nio, Het stedelijk theater. Ruimtelijk beleid

en openbare ruimte. Thoth, Bussum 1996.

h Zie over buurtplatforms: René Gabriëls, De betekenis van een buurtplatform voor

de kwaliteit van leven. Een onderzoek naar het Buurtoverleg Boschstraatkwartier

Oost, Maastricht 2005.


‘Wie heeft er bij Cathay Pacific of

bij de vliegtuigbouwer besloten Groningen

op deze kaart te laten verschijnen?

En belangrijker, waarom juist deze stad

met die voor buitenlanders soms

onuitspreekbare naam?’

1 | 13

mei 2006 stad op scherp

door: Pieter van der Werf

Vliegend vanuit China naar Nederland met Cathay

Pacific zie je op de landkaart op het tv-schermpje in de stoel voor je Europa

steeds dichterbij komen. Op een gegeven moment wordt ingezoomd op een

vlekje, Nederland, dan is het nog een paar honderd mijl naar Schiphol. Op het

kaartje van Nederland zie je slechts vier plaatsnamen: Amsterdam, want daar

landt het vliegtuig straks; Rotterdam, grote havenstad; Nijmegen, mooie stad;

en Groningen..., Groningen?

Authentieke

Belevenissen

Wie heeft er bij Cathay Pacific of bij de

vliegtuigbouwer besloten Groningen op

deze kaart te laten verschijnen? En

belangrijker, waarom juist deze stad

met die voor buitenlanders soms onuitspreekbare

naam?

Een heel banale en legitieme reden

waarom Groningen op die kaart in dat

vliegtuig staat is omdat er gewoon

ruimte over is. En daar schuilt kracht.

Het woord Groningen past precies in de

leegte van het noorden van het land -

zelfs tot over de landgrens, dus in Duitsland-,

want Groningen is hier de enige

stad van betekenis. Als dan een centrale

vraag is ‘ wat is de kracht, het onderscheidende

en het typisch Groningse?’,

dan is mijn antwoord juist dat: de unieke

geïsoleerde positie van de stad. We

zijn een eiland met alles erop en eraan.

Ik vind dat het typisch Groningse.

De vergelijking met een eiland gaat

verder op als je kijkt naar de stromen

die zich bewegen om, over en op dat

eiland. Kijk naar het hoge aantal studenten

dat dagelijks in de stad verkeert:

op de bevolking gerekend bijna een

kwart. Ruim de helft ervan woont ook

nog eens in de stad zelf. Deze groep

zorgt voor de continue eb- en vloedbewegingen

die de dynamiek van de stad

verder benadrukken: ieder jaar duizenden

nieuwe studenten, ieder jaar duizenden

afgestudeerden.

Ondertussen, in Groningen zelf, denkt

niemand aan degene die naar dat tvschermpje

in dat vliegtuig zit te kijken.

In Groningen namelijk wordt op dit moment

gewerkt, groots gedacht, gewoond,

geliefd en gepland: authenthieke belevenissen.

En meer natuurlijk, veel meer,

zo’n opsomming is nooit compleet, nooit

af – zoals een stad nooit af is.

Dat een stad niet af is komt door verschillende

factoren en invloeden, zowel

interne als externe. Plotseling zou er

bijvoorbeeld een nieuwe baby-boom

kunnen plaatsvinden zodat huizen te

klein blijken en er meer moet worden

bijgebouwd: nog een Meerstad? Of het

culturele klimaat in andere steden of

landen blijkt toch veel lekkerder dan in

*


‘Ondertussen, in Groningen zelf, denkt

niemand aan degene die naar dat tv-schermpje

in dat vliegtuig zit te kijken. In Groningen

namelijk wordt op dit moment gewerkt, groots

gedacht, gewoond, geliefd en gepland’

1 | 15

mei 2006 stad op scherp

Groningen, dus alle creatieven besluiten

na rijp beraad uiteindelijk tegelijk te vertrekken:

weg makers, dag creatieve stad.

Maar op invloeden wordt ingespeeld,

en dat vol enthousiasme, passie en overtuiging.

Iedereen bemoeit zich met de

stad. De betrokkenheid van de bewoners,

ondernemers en voorbijgangers, en

van de door de bewoners aangewezen

bestuurders met de stad blijkt groot.

Want alleen op deze manier heeft het

culturele klimaat zich de afgelopen 25

jaar zo kunnen ontwikkelen.

Groningen zette zichzelf op de kaart.

Had tot de invoering van het fameuze

VCP – Verkeers Circulatie Plan – niemand

nog van Groningen gehoord, met de

bouw van het nieuwe Groninger Museum

was daar ineens zeer brede nationale

en internationale belangstelling. De

verschillende grootschalige culturele

architectuurprojecten - Super & Popular,

A Star is Born, Blue Moon - droegen bij

aan het flitsende imago van de stad. De

stad belandde in de bladen (zo gebeurt

het dat een krant als de New York Times

publiceert over het Wall House, en zo

gebeurt het dat het NRC Handelsblad

schrijft over congressen als The Architecture

of Hospitals). En we bouwen samen

door.

00

Groningen kent nu een ongekend rijk

en hoogwaardig aanbod aan culturele

voorzieningen, activiteiten en evenementen.

Zeker gezien het aantal inwoners,

maar weer logisch gezien de centrumfunctie.

De stad bevindt zich op een

natuurlijk kruispunt van wegen, is van

oudsher havenstad, heeft supersnelle

ICT-verbindingen, heeft een luchthaven,

kent hoogwaardige bedrijvigheid.

Groningen huist de grootste werkgever

van Noord-Nederland, het UMCG. Het is

een universiteitsstad met ruim 40.000

studenten – eb en vloed.

In 2020 wonen er 200.000 mensen in

Groningen.

Groningen blijkt zich ook nog eens te

beschouwen als een ‘creative city’, en

terecht, want dat is ze. Daarbij heeft

zich de gedachte in diverse hoofden

genesteld dat deze ‘cc’ mede de

toekomst van de stad is. Echter, een ‘cc’

dwing je niet af, je faciliteert haar hoogstens.

En dat is wat Groningen kan, doet

en moet blijven doen. Meer liefst, svp.

Actief. Hoe? Niet meer praten, doen!

stens. En dat is wat Groningen kan, doet

en moet blijven doen. Meer liefst, svp.

Actief. Hoe? Niet meer praten, doen!

015 en verder

Ik kwam er snel achter dat Groningen

slechts een schrikbarend klein aantal

echte authentieke culturele belevenissen

kent... ik doe een greep: Noord

Nederlands Toneel, Galili Dance, Grand

Theatre, Sign. Punt.

Voor mij geldt dat dit generatoren zijn

van belevenissen die zoet smaken omdat

ze hier vandaan komen, of mede

hier gemaakt worden.

Vier, niet meer? Jawel, zeker een paar

meer, maar niet veel meer. Want niemand

houdt vol dat het hebben van

louter bijvoorbeeld de Stadsschouwburg

en/of de Oosterpoort voldoende is om

een authentieke belevenis te genereren.

Nee, het gaat om de mensen die gaan

over de inhoud: de programmeurs, de

curatoren, de directeuren, de leiders,

de kunstenaars.

En daarmee kom ik direct bij de kern

van dit betoog, want de meest belangrijke

aspecten van het bijzondere en het

authentieke en het mooie van Groningen

zijn de mensen. Immers, zonder mensen

geen belevenis. Zonder mensen geen

stad.*

*Zo blijft het gelukkig onvoorspelbaar

waar over

twintig jaar onderdelen van

het culturele programma

zich afspelen, want mensen

komen en gaan. Vanzelfsprekend

zijn daar wel de

kernvoorzieningen waar de

gemeente beleid op maakt.

Daarnaast betoog ik een

nieuw centrum voor de kunsten

te beginnen, en dan

vooral niet te bang!

Dit is het intrappen van de verschrikkelijke

open deur, maar het kan niet

vaak genoeg gezegd: mensen maken

de inhoud. En zonder inhoud geen belevenis.

Zonder inhoud geen betekenis.

Voldoende of onvoldoende?

Dus, is het voldoende voor een stad om

grote theaterproducties in te kopen als

aan de andere kant niet genoeg wordt

geïnvesteerd in theateropleidingen? Is

het voldoende om grote tentoonstellingen

van vergane Russen in te kopen

als niet genoeg wordt gezorgd voor de

mensen die we opleiden aan de kunstacademie?

En is het voldoende dat drie

dagen lang Zweedse en Duitse bands De

Oosterpoort en de stad bevolken als we

niet (blijven) zorgen voor een continue

stroom van muziek uit Groningen?

Het MKB van de kunsten

Let wel, ik ben juist voor grote theaterproducties,

vergane Russen en Zweedse

en Duitse popbands: ook authentieke

belevenissen! Maar ik argumenteer dat

het middenveld van de cultuur in de

stad - zeg het MKB van de kunst - door

Groningen gewoon vergeten wordt.

Want het is vele malen makkelijker een

investering direct terug te halen uit een

product waarvan men van tevoren weet

dat dat gaat scoren, dan dat tijd, liefde,

aandacht, vertrouwen en energie gestoken

wordt in mensen waarvan je niet

weet ‘of ze gaan opleveren’. In die zin is

Groningen te weinig ondernemend, want

ondernemen is ook risico durven nemen

op cultureel gebied. In de economie

wordt het vaak gezegd: het MKB is de

motor van de economie. Ik zie de analogie

in de kunsten.

Middenveld

Ik ben nog steeds dolblij met de

cultuur van nu in Groningen*, en de

economische spin-off die dat heeft opgeleverd

en nog steeds oplevert. Het

verder onder de aandacht brengen van

de stad Groningen en het verkopen van

de stad Groningen aan de rest van de

wereld gaat de stad en provincie goed

af dankzij Marketing Groningen.


*

* Persoonlijk ben ik zeer

gecharmeerd van de stad

Groningen (mooiste stad

van Nederland). Ik woon

hier nu 23 jaar maar

waarschijnlijk is dit toch

mijn laatste jaar. Dit heeft

een persoonlijke reden en

mijn vak houdt in dat ik

niet aan de locatie Groningen

ben gebonden. Ik blijf

om verschillende redenen

echter altijd terugkomen.

Waarom? Om het Groninger

Museum. Om alles met

‘noorder’ of ‘noord’ in het

woord, dus Noorderslag,

Noorderlicht, Noorderzon,

Noorderrondrit, Noorderbreedte,

Noord-Nederlands

Orkest, Noordelijk Dans-

gezelschap Galili Dance

enz. enz. Om de grootste

kleinstedelijke discussie die

Groningen al jaren in de

ban houdt, het praten over

hoe het nu moet met de

Grote Markt... (let toch eens

op wat er in de tussentijd

in alle wijken gebeurt!). Om

zeer hoogwaardige culturele

voorzieningen als - en ik

noem er nu maar één - het

Wall House. Om het UMCG.

Laat je die allemaal weg,

dan heb je al een flink deel

van dat typisch Groningse

verloren. Maar nogmaals,

het zijn de mensen en de

mensen alleen die die activiteiten

en instellingen inhoud

en betekenis geven.

Er moet wel wat te verkopen blijven en

daarom is er een taak voor ‘de leiders’ in

de stad hier op in te spelen, en ik geef

nu aan waar vooral op te letten. Voor

het gemak haal ik deze opmerking aan

uit de studie ‘Market Matters’:

…recently re-stated emphasis on placing

the individual artist at the centre of

all its activities, for if the art market is

encouraged to expand and prosper then

this must be to the benefit of the artists

who, after all, make the whole process

possible...

1 | 17

mei 2006 stad op scherp

Dit betekent dat de komende tijd meer

aandacht en vertrouwen uit moet gaan

naar de makers, zeer zeker ook de individuelen.

Dit zijn de mensen die nu

studeren aan onze creatieve opleidingen:

kunstacademie, academie voor popcultuur,

conservatorium, Frank Mohr Instituut.

Zorg goed voor ze!

Concreet moet dit betekenen dat er voor

deze makers ruim voldoende faciliteiten

beschikbaar gemaakt worden om zich

verder te ontplooien en ervoor te zorgen

dat zij hier blijven... Een niet zo moeilijke

stap in deze is het eindelijk samenbrengen

van alle kunstvakopleidingen

op één locatie.

En deze kern van creativiteit zou kunnen

samensmelten met andere groepen

makers. Stel, die van de exacte(re)

wetenschappen, en dan met name de

medische. Twee grote groepen studenten,

verschillende achtergronden.

Synergie? Jazeker! Juist dan en op dat

moment in je leven. Een fysiek-logische

lokatie zou het gebied net benoorden

het UMCG kunnen zijn, het CiBoGa-gebied.

Hier vindt dan verweving plaats op

een campus waar ook gewoond wordt,

want ook eindelijk maakt de universiteit

het mogelijk dat studenten én wonen én

studeren.

En hier wordt verder vermaakt en de

ruimte gegeven op nieuwe podia voor

dat culturele MKB, want eindelijk staat

er de ‘middenzaal’ (à la Paradiso of

Melkweg – vergelijk en vergeet direct),

ook voor bands die Groningen anders

nooit aandoen. Want Vera is te klein en

De Oosterpoort te groot. Dan zou het

weer kunnen gaan gonzen en bruisen,

dan loop je op goed geluk eens van het

Forum via het Martinikerkhof naar die

nieuwe campus en weet je dat het daar

gebeurt, ook daar valt het te beleven.

Voorhoede

Op deze manier ontwikkelt de compacte,

frisse, ruime, groene en rustige stad in

een lekker tempo. Maar er moet nog

iets extra’s gebeuren in de voorhoede,

zeg maar aan de absolute top van het

culturele speelveld. Ik mis de ‘superster’,

dus ik zeg: we kopen een ‘superster’.

Om aansprekend te blijven en als voorbeeld

te dienen voor iedereen, ik bedoel

de wereld, en dus weer in de bladen te

verschijnen, krijgt Groningen eindelijk

zijn kunsthal. Een nieuwe plek voor

creativiteit, en tegelijk een nieuwe plek

voor grotere concerten, nieuwe hotelfuncties,

nieuwe congresplekken, de

marketing van de stad.

Deze is gevestigd in - en ik loop vooruit

maar het is onvermijdelijk - een voormalige

suikerfabriek aan de rand van Groningen.

Naam: Sweet.*

* Ik liet mijn oog vallen

op een suikerfabriek in het

westen van de stad. Want

mede door het wegvallen

van subsidies voor een in

wezen waardeloos product,

kan de kunst in plaats komen

van de suikerbiet (door

velen beschouwd als typisch

Gronings). En ik noem

het Sweet. Sweet is een

plek die complementair is

aan het Groninger Museum,

en zelfs daar bovenuit stijgt,

want een nog meer internationale

uitstraling heeft. Het

laat installatiekunst zien te

vergelijken met de Unliverseries

in Tate Modern. Het

toont het allernieuwste op

het gebied van de kunsten

en is het meest vooruitstrevende

centrum van kunsten

‘Ik mis de ‘superster’,

dus ik zeg: we kopen

een ‘superster’

*

in Europa (er wordt namelijk

niet teveel gewerkt met

commissies..). Het is het

hoofdkwartier van de Europese

culturele hoofdstad,

want met Sweet wordt ook

die ambitie waargemaakt.

Met Sweet is er voldoende

ruimte voor alle net afgestudeerde

kunstenaars:

hup. een jaar lang een gratis

(!) atelier. In Sweet is de

gemeente een actieve partij:

de gemeente gaat commercieel

en zorgt voor internationale

afzet van Groningse

kunstenaars. Er wordt

gewerkt met het Gronings

Fonds voor de Beeldende

Kunsten, Vormgeving en

Bouwkunst. Sweet vervangt

De Oosterpoort. In Sweet

wordt gewoond. Kijk als

voorbeeld naar de voormalige

suikerfabriek in Halfweg

(Soeters). Sweet is de

sterke magneet waarom

mensen hier blijven komen

en de stad extra levensvatbaar

en bruisend blijkt.

Het idee Sweet zal in eerste instantie

dienen als generator/motor van culturele

vernieuwing in deze stad. Eenmaal

gevestigd biedt Sweet kansen voor de

stad en regio die geen ander initiatief

*

of instelling kan bieden. Sweet zal een

kunstcentrum zijn zonder collectie. Sweet

laat absolute hedendaagse topkunst

zien, maakt absolute topkunst mogelijk,

en biedt volop kansen voor lokale en

opkomende kunstenaars om met, voor

en door elkaar te leren en te exposeren.

Sweet zet aan tot denken, tot weer andere

en weer meer nieuwe vormen van

samenwerking.

Als opmaat naar Sweet, maar zeker

omdat we hier te maken hebben met

een authentieke belevenis van de eerste

orde, stel ik voor het volgende topevenement

op architectuurgebied en de kunsten,

als opvolger van A Star is Born en

Blue Moon, Artificial Sweets te noemen.

En oh ja, waarom Sweet? Kijk eens wat

Tate St. Ives en Baltic hebben betekend

voor de regeneratie van hun omgevingen,

respectievelijk Cornwall en Gateshead/Newcastle.

Super G

Dan dit. Er gaat iets boven Groningen:

ik stel voor de naam ‘Groningen’ te vervangen

door ‘Super G’.

Het aannemen van een nieuwe naam

voor de stad? Waarom zou je? Ik zeg

‘waarom niet?’ In het verleden heetten

‘wij’ toch ook Cruoninga, Groeninga en

Groningae. Waarom zijn die namen vervangen?

Sommigen roepen Grunn, en


‘Dan dit. Er gaat iets boven

Groningen: ik stel voor

de naam ‘Groningen’ te

vervangen door Super G’

Grunn zal het blijven zolang zij leven.

Kinderen zullen in 2015 zeggen: “Ik ben

geboren in Super G, Europa”.

Door dit te doen zal er in ieder geval

aandacht zijn van de hele wereld, dat

willen we toch? En een stad die zijn

naam verandert? In deze tijd? Super G

zet zich weer en letterlijk op de kaart.

Een nieuwe naam, een volgende start,

nieuw elan.

Super G: het collectief van mensen.

Super G: snelwegen, luchtwegen, spoorbanen,

trambanen, fietspaden, maglev,

kolibri, wandelpaden, kabelbanen.

Super G: waar gewoond en gewerkt

wordt.

Super G: dat opdrachten geeft.

Super G: dat exporteert en importeert.

Super G: cultuuromgeving en - in ouderwetse

termen - culturele hoofdstad.

Samengevat

Super G maakt zich op voor beweeglijke tijden. Super G zal bestaande voorzieningen

blijven onderhouden. En met onderhoud wordt ook snoei en kappen van en in be-

staande voorzieningen bedoeld.

Super G stimuleert en investeert in het cultureel producerend vermogen van de stad,

het MKB van de kunsten. Dit om het culturele handelstekort om te buigen in een handelsoverschot:

van importerende stad wordt Super G een cultureel exportcentrum.

Tegelijkertijd wordt hoog ingezet op manifestaties en evenementen met het gewicht

van wereld-expo’s: mensen van naam en faam stromen naar Super G en in hun kielzog

miljoenen (vul hier nu zelf in: ‘anderen’ en/of ‘euro’s’).

Super G zet een nieuw centrum voor moderne kunst op, Sweet. Dit centrum is de nieuwe

motor om artistieke economische bedrijvigheid een forse en frisse impuls te geven.

Tot slot

En, gaat het volgende gebeuren?: het natuurlijke ‘dagelijkse’ verzorgingsgebied van

SuperG zal in Nederland de regio bestrijken tot aan Amersfoort en over de Duitse grens

tot en met Bremen. Een logische stap richting oost en noord wordt verder gezet; de

aansluiting met de vijf noordelijke Duitse deelstaten wordt intenser middels de aanleg

van de magneetbaan Groningen - Bremen - Hamburg - Berlijn - Warschau (luchthaven

Schiphol zal helaas later aangesloten worden wegens de treuzelende houding van de

Nederlandse overheid), en via knooppunt Hamburg kan eenvoudig op een noord-zuidverbinding

worden overgestapt.

Ik denk het wel.

Als ik in 2030 opstijg van vliegveld Super G (bij Lelystad) met China Airways richting

Shanghai, zie ik beneden me Super G, met vreemd flitsend licht vanaf de lokatie van

Sweet: vast en zeker een of ander kunstproject.

1 | 19

mei 2006 stad op scherp

*

Mijn bijzondere dank gaat uit naar de volgende personen.

Zonder hen had ik dit essay niet op deze manier kunnen samenstellen:

Jenny Chung kunstenaar / beleidsmaker gemeente Assen

Monique Damen accountmanager reclamebureau La Compagnie

Femke Eerland zakelijk leider Noorderzon festival

Sipke Feenstra grafisch ontwerper / eigenaar Ontwerpstra

Frans Jaspers politicus / bestuurder UMCG

Esther S Plomp tekenaar van Lassa / conceptueel kunstenaar

David Stroband kunsthistoricus / adviseur SKOR

Robert van der Tol componist / musicus

Frans Visser creatief directeur reclamebureau Thalen\Baseline

Aanbevolen literatuur en bronnen / further reading

Caves, Richard E. Creative Industries: contracts between art and commerce

Jensen, Rolf The Dream Society

Roberts, Kevin Lovemarks

Mirza, Munira Culture Vultures

Nordström & Ridderstralle Funky Business

Nordström & Ridderstralle Karaoke Capatalism, Management for Mankind

Langeveld, H.M. Kunst op termijn

Buck, Louisa Market Matters

NRC Handelsblad, Het Financieele Dagblad, The Guardian, Wallpaper

Sweet

Groninger Museum

Wall House NNT Galili Dance

NNO Sign Noorderslag Eurosonic

Noorderzonfestival Noorderlicht NP3

Centrum Beeldende Kunst Pudding(fabriek)

Citadel Groverpop

Super

G

Makers

Archieven

Santelli Bibliotheek Muziekschool

Buurthuis Amateurkunst

Lokaal Podium Breiclub Winkelcentrum

Peuterspeelzaal Buurtvereniging

Huis Keuken School Tuin

*

Goede links

- Copenhagen Institure for Future Studies:

www.cifs.dk/en/

- Copenhagen Institute for Future Studies-

Future Orientation:

www.cifs.dk/en/tidsskrift.asp

- Copenhagen Business School - Centre

for Art & Leadership:

http://uk.cbs.dk/content/view/full/6553

- Kaos Pilots:

www.kaospilot.dk

- Center for Cities - researchcentrum

Groot-Brittannië:

www.ippr.org.uk/centreforcities

- Policy Exchange - denktank Groot-

Brittannië:

www.policyexchange.org.uk

- Fast Company:

http://fastcompany.com/homepage/index.html

- Fast Company - interview met R. Florida:

www.fastcompany.com/articles/2005/11/

fastcities_florida.html

- Tate St. Ives - uitbreidingsplannen:

www.tate.org.uk/stives/building/

futuredevelopment

- Baltic Mill - Gateshead:

www.balticmill.com

- Art & Architecture Journal:

www.artandarchitecturejournal.com

- Regeneratieproject Preston City UK:

www.incertainplaces.org


De “Stad op Scherp” levert ons een reeks boeiende essays over de

ontwikkelingspotenties van Groningen. Over de stad in internationaal perspectief,

over Europese regiohoofdstad, over de Noordelijke Ontwikkelingsas, over stad en

ommeland, over de grenzeloze stad en over poly-nuclei. Inspirerende teksten over de

creatieve klasse, culturele identiteit, city of talent, kennisstad, innovaties, ICT,

Zes speerpunten

voor Stadsvisie

0| 1

mei 2006 stad op scherp

internationale vestigingsmilieus.

Bijna alle essays benadrukken de kwaliteiten van de stad op het gebied van kennis,

cultuur en creativiteit. Ze schetsen onze mogelijkheden om mee te surfen op de hype

van creative cities zoals verwoord door o.a. Richard Florida.

door: Rob van Vliet

Conclusie: Groningen staat er goed voor,

volop mogelijkheden en kansen om de

stad tot grote hoogte te ontwikkelen.

Met al deze mooie berichten op een rij

hoeven we alleen nog maar een plan

te maken om de kansen die we hebben

ook daadwerkelijk te grijpen. Maar

voordat we nu vol euforie doordenderen

naar de volgende planfase, even terug.

Worden de problemen waar Groningen

mee te maken heeft op deze manier ook

werkelijk opgelost? Waar doen we het

ook alweer voor? Even terugschakelen

dus naar de opgave, de probleemstelling.

Voor welke problemen zien we

ons gesteld:

• We zijn een arme stad, relatief veel

mensen hebben geen werk en moeten

rondkomen van een uitkering; door gebrek

aan perspectief bij een deel van

de bevolking is sprake van een twee-

deling in de stedelijke samenleving.

Dat uit zich in scholingsachterstand, gezondheid

en verslavingsproblematiek,

opvoedingsproblemen, criminaliteit e.d.

• De kwaliteit van het woon- en leefmilieu

in veel wijken is onder de maat

(dat wil zeggen onder onze westerse

maat); ondanks een forse wijkvernieuwingsinzet

zijn er altijd nog enkele

duizenden slechte woningen (te klein,

gehorig, verzakt, verrot, koud). In veel

wijken is sprake van overlast, onveiligheid,

milieuproblematiek (lawaai,

stank).

• De stedelijke bereikbaarheid staat

onder druk: de files worden langer, op

de ringwegen loopt het verkeer vast,

het stedelijk wegennet slibt vol en het

stedelijk openbaar vervoer kan tijdens

de spits het vervoersaanbod maar

moeizaam verwerken.

Met andere woorden: naast de vele

kansen kent Groningen ook veel problemen.

Kansen en problemen vragen om

integrale oplossingen, die bepalen de

speerpunten voor de nieuwe stadsvisie.

Ik kom tot de volgende selectie van zes

speerpunten.

De internationale stad:

City of Talent

Groningen wil een internationale stad

zijn. Schakel op de Noordelijke Ontwikkelingsas

tussen de Randstad enerzijds

en Noord-Duitsland en Scandinavië

anderzijds. Groningen heeft in potentie

veel mogelijkheden om internationaal

opererende bedrijven en instellingen aan

zich te binden. Energy Valley, Lofar, life

sciences/biotechnologie, ICT scoren goed

en de vele kennisinstellingen (RUG, HHG,

UMCG) bieden een goede basis voor

nieuwe ontwikkelingen. Van groot belang

is dat die internationale positie wordt

ondersteund met goede internationale

verbindingen. De auto-infrastructuur

en de ICT-infrastructuur zijn redelijk op

orde, wat ontbreekt is een goede spoorverbinding

(en goede aansluiting op het

luchtnet). Daarnaast zullen we in of bij

de stad aandacht moeten besteden aan

het realiseren van vestigingsmilieus voor

bedrijven met een internationale allure.

De ontwikkelingszone Zernike - UMCG -

binnenstad/Europapark - Gasunie - Martiniziekenhuis

is de kenniszone bij uitstek,

die moet centraal staan in ruimtelijke

structuur van de stad.

Sexy City

Het imago van de stad op het gebied

van cultuur, kennis en creativiteit is

goed, mede dankzij het Groninger

Museum, de bijzondere architectuur en

de vele evenementen. Ter ondersteuning

van dit imago zullen we moeten blijven

investeren in culturele en sportieve

evenementen die publiek en aandacht

trekken. Bovendien biedt het Forum aan

de Grote Markt een uitgelezen kans om

Groningen op de kaart te zetten: wat het

Centre Pompidou is voor Parijs, kan het

Forum voor Groningen worden.

De grenzeloze stad

De Regio Groningen-Assen staat op

de kaart als (inter)nationaal stedelijk

netwerk. Maar onze regio is groter, we

moeten sterkere verbindingen aan gaan

met het Hoogeland, Uithuizen en Delfzijl,

Oost-Groningen en Westerkwartier-Drachten.

Het is voor alle partijen aantrekkelijk

de banden aan te halen en te kijken

hoe we elkaar kunnen aanvullen en

ondersteunen.

De dynamische stad

Groningen is een voortdurend veranderende

stad. Enerzijds komt dat door

ingrijpen van gemeente, corporaties of

ontwikkelaars, de wijkvernieuwing is

daar een mooi voorbeeld van. Maar anderzijds

verandert de stad ook spontaan

en ongepland. Die dynamiek moeten we

koesteren en de ruimte geven.

Het scherpe onderscheid tussen

woon- en werkgebieden zal steeds

meer vervagen. In woonwijken wordt

steeds meer gewerkt en oorspronkelijke

bedrijventerreinen transformeren zich

naar stadsdelen met winkels, voorzieningen

en woningen. Binnen de grenzen

van de milieunormen moeten we het

ontwikkelen van veelzijdige stadswijken

stimuleren. Het is zelfs de vraag of we

in de toekomst nog specifieke bedrijventerreinen

moeten aanleggen of dat we

in principe uitgaan van een gemengde

ontwikkeling: meer variatie, meer flexibiliteit,

meer stedelijkheid.

De sociale stad

Ook voor het fysieke structuurplan is

dit een belangrijk thema. Met fysieke

maatregelen kunnen we zorgen voor

een aantrekkelijke en veilige woon- en

leefomgeving voor alle bewoners van de

stad. We kunnen zorgen voor voldoende

voorzieningen en voor goede woningen,

al moeten we bij de wijkvernieuwing

wel letten op de betaalbaarheid van de

nieuwbouw. Door menging van betaalbare

bestaande bouw en duurdere nieuwbouw

zorgen we er tevens voor dat rijk

en arm niet apart in hun eigen wijken

komen te wonen. Duidelijk is overigens

dat er heel wat meer moet gebeuren dan

fysieke maatregelen alleen om mensen

te helpen, aan werk, aan voldoende inkomen,

aan een veilige woonomgeving,

aan een gezond leven.

De bereikbare stad

Dagelijks komen zo’n 160.000 mensen

vanuit de regio naar de stad, om te werken,

te winkelen, te studeren, voorzieningen

te bezoeken. Door de groeiende

pendel verloopt de dagelijkse reis naar

en van de stad steeds minder soepel.

Onze centrale economische positie komt

daarmee onder druk te staan. We zullen

moeten investeren in het verbeteren van

de bereikbaarheid, zowel per auto, per

fiets, als per openbaar vervoer.

Groningen wil een

internationale

stad zijn’


Groningen is een agenda voor het nieuwe structuurplan aan het

samenstellen. Om hiertoe te komen heeft de gemeente zichzelf op scherp

gezet met een interne ideeënprijsvraag. Hieruit zijn 5 thema’s gedestilleerd,

die verder worden uitgewerkt. Elk thema wordt door een rechtdenker en

een dwarsdenker uitgewerkt. Als rechtdenker op het thema Groningen en

Essay Stad

en Ommeland

Groningen kenmerkt zich door de kwaliteit en diversiteit die er is door het contrast

tussen de stad Groningen en het ommeland. De provincie Groningen wordt ook wel

stad en ommeland genoemd. De stad Groningen is de ‘enige’ stad in het Noorden.

Het ommeland is volgens de Dikke van Dale: de landstreek die zich om de stad

Groningen uitstrekt, omvattende de drie kwartieren van Hunsingo, Fivelingo en het

Westerkwartier.

Dit essay is opgebouwd rond drie invalshoeken op de stad en het ommeland.

De invalshoeken zijn:

1. politiek-bestuurlijke machtsverhouding

2. (inter)nationale context

3. stedelijke structuren

De invalshoeken zijn uitgewerkt en doorgedacht voor Groningen en het ommeland.

Vervolgens zijn ze terugvertaald naar de agenda van het structuurplan.

We hebben ons niet strikt gehouden aan de definitie van het ommeland uit de Dikke

van Dale. We hebben het ommeland ruimer gedefinieerd als de regio om Groningen.

| 3

mei 2006 stad op scherp

door: Hilde Blank, Maya Savelkoul en Judith van Hees STATEMENT

De cultuur-historische betekenis

van stad en ommeland

bestaat niet meer. De

politiek-bestuurlijke machtsverhouding

is zo versnipperd,

dat de stad en het

Ommeland zullen we doordenken in de lijn zoals die is

uitgezet in ‘Buitengewoond’.

ommeland fysiek niet meer

is terug te zien. Hierdoor is

voor het structuurplan niet

langer vast te houden aan

het concept compacte stad

met een weids ommeland,

maar moet de versnippering

van het ommeland worden

geaccepteerd.


Stad steeds meer macht

over de ommelanden

Groningen is ontstaan als Drents dorp

op een uitloper van de Hondsrug. De

ommelanden waren Hunsingo, Fivelingo

en het Westerkwartier. Tussen de stad en

de ommelanden waren grote tegenstellingen.

Deze kwamen voort uit de

natuurlijke gesteldheid en de Saksisch/

Drentse achtergrond van Groningen en

de Friese achtergrond van de ommelanden.

De stad groeide in de 13e eeuw

uit tot een sterke handelsstad. Om

haar centrumpositie voor handel veilig

te stellen, was de stad het stapelrecht

voorbehouden. Dit wil zeggen dat alle

goederen die in stad en de ommelanden

werden geproduceerd, in de stad

moesten worden verhandeld. Daarnaast

was de stad de plek voor de hogere

rechtspraak voor stad en ommelanden.

De macht van de stad op het ommeland

werd steeds groter doordat de stad

in diverse delen van de ommelanden

optrad als landsheer, grondbezitter,

vervener, aanlegger (van bijvoorbeeld

Stadskanaal) en inpolderaar. Hierdoor

kon de stad bepalen wat er in grote delen

van het ommeland (fysiek) gebeurde.

Macht stad en ommeland

verdeeld over overheden

Tijdens de tachtigjarige oorlog werden

de stad en de ommelanden gezamenlijk

een gewest van de Republiek der

Verenigde Nederlanden. Het gewest,

maar ook de stad en de ommelanden

hielden grote zelfstandigheid. Tijdens

de Franse bezetting werd het gewest

ondergeschikt aan het centrale gezag. Na

de Franse bezetting werd het gewest de

provincie Groningen. De provincie werd

onderverdeeld in gemeenten. Hiermee

verviel het bestuur en de macht van de

ommelanden. Daarnaast verdween ook

het bestuur van de stad Groningen over

de gebieden buiten de gemeentegrenzen

van de stad. De stad bleef wel tot ver

in de vorige eeuw eigenaar van grote

delen van Oldambt, Westerwolde en de

Veenkoloniën.

| 5

mei 2006 stad op scherp

Fysieke invulling van de

overheid traditioneel: sectoraal

De fysieke invulling van het beleid lag

voornamelijk bij de gemeenten. De

rijksoverheid en de provincie stelde een

beleid in hoofdlijnen op. De gemeenten

bouwden elk voor de functies wonen,

werken en voorzieningen. Deze woningen,

bedrijventerreinen, kantoren en

voorzieningen werden conform het rijksbeleid

als uitbreiding aan de bestaande

kernen ‘geplakt’. De hogere overheden

legden vervolgens waar nodig infrastructuur

aan. De aanleg van water en groen

lag bij de waterschappen, staatsbosbeheer,

natuurmonumenten, etc.

Fysieke invulling van de

overheid nu: integraal

De stad Groningen is de motor van het

Noorden, maar kan dit niet zonder het

ommeland/ de regio. Wat er in Groningen

gebeurt, heeft gevolgen voor het ommeland

en vise versa. Omdat de regio zich

hiervan bewust is, bundelen de overheden

hun krachten en stelden plannen op

zoals de regiovisie Groningen-Assen, de

Blauwe Stad en Kolibri. Plannen zoals

de regiovisie en de blauwe stad zijn niet

langer sectorale plannen, maar integrale

plannen.

Toenemende macht van

de marktpartijen

Naast de overheid geven marktpartijen

steeds meer invulling aan de fysieke

verschijning.

Fysieke invulling van de marktpartijen

traditioneel: kwantiteit

Private partijen/ marktpartijen/ ontwikkelaars

willen snel ontwikkelen en veel

geld verdienen. Zij zochten de krenten

uit de pap. In de jaren 90 gebeurde dit

in de kantorenmarkt, maar ook met de

bouw van vooral dure vrije sectorwoningen.

Fysieke invulling van de

marktpartijen nu: kwaliteit

Momenteel willen marktpartijen nog

steeds ontwikkelen en geld verdienen.

Echter zij zien in dat kwaliteiten steeds

belangrijker worden, zeker in een economisch

mindere tijd. Dit betekent dat

ze combinaties maken, zoals wonen en

natuurontwikkeling, golfterreinen etc.


Toekomstige (fysieke) invulling bij een versnipperde macht

De macht zal in de toekomst versnipperd blijven. De overheden onderling, de overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties

zullen moeten samenwerken. Concreet betekent dit:

1. de rijksoverheid en de provincie(s)

stellen de hoofdstructuur vast: in overleg

met anderen: groen- en waterstructuur,

infrastructuur, intensiveringszones voor

economische ontwikkelingen, etc. Deze

structuur stuurt de toekomstige ontwikkelingen

en zorgt voor een basiskwaliteit,

daarnaast is de structuur flexibel en

kan de veranderingen in de loop van de

tijd aan.

. de provincie(s) maatschappelijke

organisaties en de gemeente(n) ontwikkelen

samen met marktpartijen integrale

onderdelen binnen de hoofdstructuur.

Binnen deze onderdelen bevindt zich

zoet en zuur. Voorbeeld is de Blauwe

Stad, waar de overheden samen met

marktpartijen natuur, wonen en waterberging

ontwikkelen.

| 7

mei 2006 stad op scherp

3. de gemeente(n) ontwikkelen de

onrendabele onderdelen van maatschappelijk

nut, zoals voorzieningen,

herstructurering en natuur, eventueel

in samenwerking met andere instanties

zoals staatsbosbeheer, waterschap en

corporaties.

STATEMENT

Door de internationalisering

en de bijbehorende

(inter)nationale dynamiek

zal Groningen zich moeten

specialiseren. Hierbij treedt

onvermijdelijk een schaalsprong

op en ontstaat

een ‘Groot-Groningen’. Het

ommeland en de stad zijn

hierbij ruimtelijk-functioneel

onlosmakelijk met elkaar

verbonden: een groot achterland

ondersteunt de pit

Groningen.

‘Er gaat niets boven Groningen

Deze slogan verwoordt het beeld van

Groningen voor veel Nederlands letterlijk.

Groningen is ver weg en een eindpunt.

Binnen de contouren van Nederland

ligt Groningen ook perifeer, zeker ten

opzichte van de Randstad.

Nederland perifeer in Europa

Door de sterke integratie van de Europese

nationale economieën, wordt de

Nederlandse economie steeds afhankelijker

van de Europese Unie. Binnen de

EU ligt Nederland perifeer. Voor onze

handels- en kenniseconomie is goede

aanhaking in de Europese (infrastructurele)

netwerken van levensbelang.

Het is belangrijk hierbij niet op een of

enkele (infrastructurele) verbindingen in

te zetten, maar om ze allemaal goed te

organiseren, omdat elke verbinding een

onderscheidend profiel heeft en daarmee

een bijdrage levert aan de compleetheid

van de Nederlandse economie.


Groningen als schakel in de

noordelijke ontwikkelingsas

Groningen vormt voor Nederland een

logische schakel bij de aanhaking aan

het Europese netwerk. De noordelijke

ontwikkelingsas kenmerkt zich door:

de verbinding tussen de zeehavens,

luchthavens, design, R&D en kennis,

ICT, mobiele communicatie, milieutechnologie,

energie, life sciences en welfare

technologie, biotech, agrobusiness, etc.

| 9

mei 2006 stad op scherp

Groningen als knooppunt

in Nederland

Voor Nederland en het Noorden bieden

de A6/A7-as en de A28-as een kans

om op het internationale netwerk aan

te sluiten. Door de kruising van deze

twee assen in Groningen en de doorgaande

verbinding van de Randstad naar

Duitsland, is Groningen geen eindpunt

meer, maar een doorgaande route. De

verstedelijking zal zich langs deze assen

bundelen.

Nieuwe dynamische invloed

Groningen

Met de betere internationale verbindingen

(A6/A7- as en A28-as) komt

het Noorden in de dynamiek van de

Randstad, maar ook in de dynamiek van

Bremen-Hamburg te liggen (binnen daily

urban system). Daarnaast zorgt de verbeterde

bereikbaarheid tussen de noordelijke

(kern) regio’s voor meer dynamiek.

Groningen specialistische

netwerkstad

Door de schaalvergroting, de internationalisering

en de betere netwerkverbindingen

neemt de concurrentie tussen

steden toe. Om te overleven en mee te

groeien is het noodzakelijk in te zetten

op de kwaliteiten van Groningen, met de

nadruk op kennis en cultuur. De stad en

het ommeland specialiseren zich en worden

een samenhangend netwerk. Waarbij

Groningen de pit is in een netwerk

van satellieten. Het nieuwe ommeland

worden dan de delen die niet direct

van belang zijn voor de (inter)nationale

specialisering van Groningen.


van kwaliteiten van de zee en de wadden.

stedelijke ontwikkeling aan de kust kan de bestaande

structuur van Groningen verfrissen door het toevoegen

De Case Study “Buitengewoond” is een opstap naar

een meer kwaliteitsgerichte benadering van de stad. De

3. Stedelijke structuren

STATEMENT

Door ruimtevragende opgaven

te koppelen aan stedelijke

processen en stedelijke

structuren versterkt het de

aantrekkelijkheid en identiteit

van de stad Groningen.

Op deze manier kan

het structuurplan werken

als ordenend principe voor

nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

1. Inleiding

De verandering in de machtsverhoudingen

en de schaalvergroting van de economie,

zoals besproken in hoofdstuk 1 en 2,

heeft tot gevolg dat de stad met andere

(nieuwe) partners en processen te maken

krijgt. In dit nieuwe speelveld wordt identiteit

een steeds belangrijker middel om

alle betrokkenen te overtuigen. Vanuit het

landschap worden verschillende middelen

aangereikt zoals ecologische verbindingszones

of nationale landschappen waaraan

een nieuwe ontwikkeling zijn identiteit

kan ontlenen. Vanuit de stad kunnen ook

randvoorwaarden worden aangegeven,

maar de instrumenten en middelen hiertoe

zijn voor de stad nog niet uitgewerkt.

Het zoeken naar een identiteit voor de

stad is hierdoor beperkt en groeit al snel

uit tot concurrentie met ontwikkelingen

in de regio.

30| 31

mei 2006 stad op scherp

Parken

Linten

Kreken

Meren

Aangezien het niet duidelijk is hoe

nieuwe ontwikkelingen de stedelijke

structuur kunnen versterken, blijft men

vasthouden aan het zo compact mogelijk

houden van de stad. Nieuwe ontwikkelingen

vinden plaats aan de randen van

de stad waar het open landschap net

even iets opgeschoven wordt. Zo verkleurt

een eerst nog onbebouwd vlekje

of wordt een bebouwde uitschieter in

het landschap iets opgedikt. Vanuit de

stad bezien is het effect van het aanplakken

aan de randen desastreus; de

identiteit van de stad versnippert en de

ruimtelijke structuur valt uiteen.

De Stad staat nu op scherp vanwege de

fragmentatie van de stedelijke structuur

waardoor de intrinsieke kwaliteiten

langzaam uit de stad verdwijnen. De

stad staat nu voor de keuze om verder

te gaan op de oude weg en een verdere

marginalisatie van de kwaliteiten of

ervoor te kiezen nieuwe stedelijke middelen

en instrumenten te ontwikkelen

die de stedelijke structuren en intrinsieke

kwaliteiten versterken. Een stad is

opgebouwd uit verschillende stedelijke

structuren en stedelijke processen. De

stedelijke structuren zijn opgebouwd uit

verschillende lagen zoals lanen, parken

en linten maar ook stations en snelwegen.

De stedelijke processen omvatten

alle bewegingen of activiteiten in de

stad en vormen eigenlijk het “gebruik”.

. Intrinsieke kwaliteiten

De intrinsieke kwaliteiten van een stad

worden onder andere gevormd door

de openbare ruimte, nabijheid, traditie,

menging, cultuurhistorie, verscheidenheid.

Deze kwaliteiten ontstaan door een

samenspel van verschillende stedelijke

structuren en stedelijke processen.

Dit samenspel leidt tot een kwalitatief

hoogwaardige omgevingskwaliteit

en eenduidige identiteit van de stad,

waarvan de stad als geheel profiteert.

De inbedding van een nieuw stedelijk

proces is complex. Om het nieuwe proces

op een juiste manier aan de stad te

koppelen, moet eerst een beeld gevormd

worden van stedelijke processen die mogelijk

van invloed zijn en van de schaal

en maat van de ontwikkeling zodat dit

nieuwe proces op de juiste stedelijke

structuur aangehaakt kan worden.

3 Stedelijke processen

De stedelijke processen worden gevormd

door het “gebruik” van de stad. De

complexiteit van de stedelijke processen

neemt toe naarmate de stad op meerdere

schaalniveaus betekenis krijgt. Het

anticiperen op nieuwe ontwikkelingen

is moeilijk vanwege de veranderende

maatschappelijke ontwikkelingen. Wel

kan de stad sturen op de verbinding met

bestaande en gerelateerde stedelijke

processen.

De stadsvorm en gebruik van de stad

zijn steeds minder met elkaar verbonden.

Het gevaar is dat nieuwe projecten

incidenteel in de stad komen te

liggen en geen bijdrage leveren aan de

identiteit. Tegelijkertijd groeit ook de

mate van specialisatie in de stad. De

lokale stedelijke processen spelen een

belangrijke rol om de aantrekkelijkheid

van de stad te waarborgen. Aangezien

Groningen ontwikkelingen op dit niveau

het beste kan sturen, dienen nieuwe

ontwikkelingen allereerst gekoppeld te

worden aan de lokale processen. Lokale

stedelijke processen zoals wonen, winkelen,

werken en leren vormen de kern

van de stad en dienen de synergie met

de andere stedelijke processen zoals

toerisme, (inter-) nationale bedrijvigheid

of grootschalige woningbouwontwikkeling

te reguleren. Nieuwe ontwikkelingen

langs bijvoorbeeld de snelweg hebben

pas een meerwaarde voor de stad

wanneer zij aan de lokale stedelijke


Bereik van spoorwegen in de stad Bereik van de kanalen in de stad Bereik van de snelwegen in de stad

processen worden gekoppeld. Op deze

wijze wordt isolatie van zowel de nieuwe

ontwikkelingen als de lokale processen

voorkomen en functioneert de stad als

een geheel.

Stedelijke structuren

De stad is opgebouwd uit een groot aantal

structuren met verschillende eigenschappen.

Iedere ruimtelijke structuur

heeft een bepaalde schaal en maat, kent

regels en uitzonderingen en is verknoopt

met andere structuren. De synergie tussen

de verschillende stedelijke structuren

bepaalt de kwaliteit van de stad.

In Groningen zou bijvoorbeeld de

verknoping van de kanalen en de

snelwegen de toegankelijkheid kunnen

vergroten omdat deze structuren elkaar

aanvullen. De kanalen vervullen een

rol op het lokale schaalniveau en zijn

van oudsher goed aangesloten op het

centrum en de lokale netwerken.

Snelwegen vervullen een rol op de

schaal van de regio en voor-zien daarmee

in de bereikbaarheid van de stad

als geheel. Een verknoping van deze netwerken

zou voor beide netwerken een

kwaliteitsimpuls betekenen. De kanalen

kunnen verder ontwikkeld worden als

verbinding tussen snelweg en binnenstad

en de snelwegen kunnen via de

aansluiting op de kanalen profiteren van

een bijzondere, kwalitatieve aansluiting

op de lagere schaalniveaus.

3 | 33

mei 2006 stad op scherp

Case Study

Stad aan het wad

Wanneer de recreatieve druk gekoppeld

wordt aan de groene kwaliteiten rondom

de stad is het belangrijk om de kwaliteiten

van het landschap met de stad te

verbinden. De structuren die het grootste

bereik hebben op de directe omgeving

van de stad zijn de lokale structuren

zoals de kreken en linten. De betekenis

voor de stad van deze structuren kan

versterkt worden door ze te verknopen

met de stedelijke structuren. Als voorbeeld

wordt het Reitdiepdal als groene

structuur versterkt met een recreatief

programma. Vervolgens wordt dit geheel

aangesloten op verschillende stedelijke

structuren. De continuïteit van het Reitdiep

is nu nog onvoldoende aanwezig

waardoor de verbindende functie tussen

het Paterwoldermeer en de Wadden nog

onvoldoende benut kan worden. Door

de structuur op een aantal punten de

verankeren aan de stad en de stedelijke

processen wordt de landschappelijke

structuur benadrukt en daarmee continuiteit

versterkt.

De stad krijgt een nieuwe groene rand

waar wijkstructuren verknoopt kunnen

worden met het recreatieve programma.

De integratie van de recreatieve structuur

aan de rand van de stad geeft de

bestaande wijken een nieuwe kwaliteitsimpuls.

Op één speciale plek is het

mogelijk het Reitdiep met een aantal

belangrijke stedelijke structuren te ver-

knopen. De nabijheid van het centrum

en het station, de aanwezigheid van

een oud industrieterrein en het Hoendiep

kunnen het Reitdiep hier een duidelijk

gezicht geven naar de stad en de regio.

De koppeling van de recreatieve ontwikkeling

heeft door deze verknoping een

meerwaarde en betekenis voor de gehele

stad.

Case Study

Stad in de regio

De recreatieve druk kan ook worden

ingezet om de regionale positie van

het centrum te versterken. In dat geval

wordt een plek gezocht waar een nieuw

zwaartepunt (op een regionale structuur)

aan het centrum kan worden toegevoegd.

Op de bijgaande tekening is een

kleine exercitie gedaan. Deze exercitie

laat zien dat de stations het oude centrum,

met de Grote Markt als middenpunt,

als het ware omkaderen.

De intrinsieke kwaliteiten van het centrum

worden gevormd door een aantal

stedelijke structuren zoals de watergangen,

het oude bolwerk en het netwerk

van pleinen en stegen. Deze intrinsieke

kwaliteiten kunnen vernieuwd en uitgebreid

worden door aan de oostzijde van

het centrum, op de kop van de kanalensprong,

een nieuw zwaartepunt toe te

voegen. Dit zwaartepunt zou een nieuwe

openbare ruimte kunnen zijn dat de

grootschalige kwaliteiten van de kanalen

als nieuwe kwaliteit van de stad intro-

duceert. De kanalen hebben een sterk

regionale functie en een groot bereik in

de stad; zij verbinden de nieuwe

wijken en groene wiggen aan de oostzijde

van de stad. Door de grootschalige

kwaliteiten van de kanalen aan de

binnenstad toe te voegen, wordt een

nieuwe dimensie van regionale schaal

aan de binnenstad gekoppeld en wordt

tegelijkertijd het centrum opgerekt.


Inleidende beschouwing

Magneetzweeftrein of niet, Groningen is en blijft een stad in de periferie. De zuigkracht van de Noordwesteuro-

pese economische en culturele hotspots (Randstad, Zandstad, KAN / Ruhrgebied etc.) is groot en zal toenemen

naarmate de actieradius van mensen groter wordt; naarmate men er in en rond die hotspots in slaagt de ook

daar nog volop aanwezige kwaliteiten op het gebied van rust, ruimte, groen en karakter (oriëntatie, herken-

baarheid, hechtingsmogelijkheden gelaagdheid, identiteit) beter te benutten voor verpozing en voor het schep-

pen van een gedifferentieerd aanbod aan woonomgevingen; naarmate mensen meer werk- en opdrachtgevers

naast en na elkaar hebben; naarmate binnen één leefeenheid meer personen werken; naarmate mensen meer

behoefte krijgen om aan de hectiek van een globaliserende economie deel te nemen vanuit een vaste, aantrek-

kelijke uitvalsbasis / woonomgeving; en naarmate de aanwezigheid van een goed bestand aan werk- en opdracht-

nemers meer een vestigingsfactor voor bedrijven wordt. Bij globalisering hoort contractie, en dat zal nog eens

versterkt worden door de te verwachten bevolkingskrimp, die overigens nog wel eens heel wat groter zou

kunnen uitvallen dan CBS en RPB nu voorzien. Wie bewust in Groningen gaat of blijft wonen en werken neemt

de evidente en onontkoombare nadelen daarvan op de koop toe, en dat doet hij omdat er kwaliteiten tegenover

door: Rik Herngreen

Voor een kleine groep zal dat unieke gelegen

zijn in de eigen verschijningsvorm

van Stad en Ommeland. Maar voor de

meesten zal het bijzondere toch vooral

moeten liggen in kwaliteiten die het culturele

en economische klimaat betreffen.

Wat dat betreft heeft Groningen enkele

troeven in handen, die vooral perspectieven

bieden voor een bloeiende creative

class met bijbehorende kenniseconomie.

Richard Florida constateerde in “the

rise of the creative class” dat bloei van

innovatie- en kenniseconomieën meestal

gelijk op gaat met bloei van de bovenste

segmenten van kunst, wetenschap

en cultuur (en van de homoscene). De

sprong is dan gauw gemaakt: als je die

bovenste segmenten (en de homoscene)

maar stevig bevordert, dan komt het

vanzelf wel goed met die innovatie- en

kenniseconomie. Menige beleidsmaker

en adviseur heeft Florida’s rise (en flight)

van de creative class op die manier

opgepakt, het is zelfs een beetje een

hype geworden. Dat doet denken aan de

cargo cults van Oceanië: als je je maar

omgeeft met (iets dat lijkt op) de uiterlijke

verschijnselen van een gewenste

toestand (in Oceanië was dat de veronderstelde

gelukzalige rijkdom der westerlingen),

dan treedt die toestand vanzelf

wel in. Maar de bloei van die bovenste

segmenten van kunst en cultuur is in

belangrijke mate emergent - ze is alleen

mogelijk als het “onderin” gist en kolkt,

als het barst van de mensen die gretig

en met open zinnen deelnemen aan

een levende, pluralistische cultuur van

eigenzinnige mensen die bij elkaar niet

alleen zoeken wat ze van plan waren

te vinden maar vooral ook wat ze niet

verwacht hadden, wat op ideeën brengt.

Het overgrote deel van de deelnemers

aan die levende cultuur zal de top nooit

3 | 35

mei 2006 stad op scherp

staan die elders niet te realiseren zijn.

Een stad van

600.000 mensen

bereiken, maar die top moet wel kunnen

wortelen in die bruisende wereld, die

hogedrukpan van probeersels, halve

mislukkingen, kleine successen en serendipiteiten.

En dat substraat kan op zijn

beurt alleen bestaan bij de gratie van

een heleboel mensen die in geen enkel

opzicht tot de creative class behoren (al

hebben ze er vaak wel schik in). Zonder

dat alles is de top veroordeeld tot steriele

eenzelvigheid, tot het ophouden van

de nuffige schijn die autoriteiten met

cultuurpretenties graag voor het wezen

van De Cultuur houden. De culturele en

(kennis-)economische top is niet de top

van een institutionele ijsberg, maar die

van een vulkaan. Het gaat, zoals Richard

Florida ook betoogt, om een klimaat van

tolerantie en pluralisme, waarin mensen

met totaal verschillende achtergronden,

inkomensposities, behoeften en boodschappen

zich welkom en thuis kunnen

voelen en, gericht of terloops, van elkaar

kunnen leren en genieten. Daar hoort

ook bij dat ze elkaar gemakkelijk kunnen

treffen, dat ze elkaar haast moéten treffen

als ze in de stad zijn (zelfs internetpioniers

gaan overal ter wereld fysiek

zo dicht mogelijk bij elkaar zitten), maar

‘Magneetzweeftrein of niet, Groningen

is en blijft een stad in de periferie’


ook dat ze zich kunnen terugtrekken uit

het gewoel, opdat ze er des te beter

aan kunnen deelnemen. En er hoort bij

dat zowel hoge als lage en onzekere

inkomens (een cruciaal deel van de

creative class) kunnen beschikken over

de woon- en werkruimte die bij ze past,

in de stedelijke en landelijke omgevingen

waar ze graag zijn. Alleen met zo’n

klimaat kan een Groninger innovatie- en

kenniseconomie de zuigkracht van de

centrale vuurhaarden weerstaan.

Juist op dit punt biedt Groningen

unieke mogelijkheden. Groningen is

namelijk tot in de wijde omgeving de

enige niet-netwerkstad. Om dat te

kunnen appreciëren moeten we ons

goed realiseren wie een stad tot stad

maken. Dat zijn alle mensen die van

de stad gebruik maken: niet alleen de

bewoners (in Groningen ruim 180.000),

maar ook en vooral degenen die naar

de stad toe komen om er te werken,

te winkelen, zich te verpozen, deel te

nemen aan het culturele leven. Groningen

is dé stad, dé ontmoetingsplaats

van pakweg 600.000 mensen. Juist door

hun verscheidenheid aan achtergronden,

inkomensposities, woonvoorkeuren en

stedelijke belangstelling maken zij de

Stad tot broedplaats en smeltkroes. In

dat opzicht is Groningen in het voordeel

ten opzichte netwerksteden als Randstad,

Zandstad en KAN. Wie daar woont

moet voor uiteenlopende behoeften en

activiteiten steeds meer zappen tussen

de zich steeds meer specialiserende /

thematiserende deelsteden. Dat gaat

ten koste van het onverwachte, verrassende

en confronterende dat eigen is

aan elke echte openbare ruimte en aan

elke broedplaats van levende cultuur.

Zowel in de Randstad als in Groningen

kan je vinden waar je naar op zoek gaat

(maar in Groningen hoef je er niet voor

te reizen), maar in Groningen vind je dan

ook nog eens van alles dat je helemaal

niet zocht maar waarvan je blij bent dat

je het gevonden hebt.

Bijzonder is ook dat de stedelijke

activiteit van die 600.000 mensen zich

afspeelt op niet meer dan een paar vierkante

kilometers, en dat van daaruit het

landelijk gebied in al zijn verscheidenheid

altijd vlakbij is (al is het nu nog erg

slecht toegankelijk.

Deze bijzondere kwaliteiten moeten wor-

den uitgespeeld. Maar dan kan alleen

als het daarnaast met de kwaliteiten die

elders ook aanwezig of realiseerbaar zijn

(rust, ruimte, groen, karakter, betaalbaarheid

en nog zo het een en ander) ook in

Groningen dik in orde is.

Hoe kunnen we het vuurtje onder de culturele

hogedrukpan Groningen brandend

houden en nog eens flink opstoken,

zodat Groningen ook kan bloeien als

concurrerende innovatie- en kenniseconomie?

In deel 2 van dit document

wordt een aantal voorstellen gedaan en

uitvoerig beargumenteerd. Ze gaan bijna

allemaal over de relatie tussen Stad en

Ommelanden, want dat was de opdracht.

Voorstellen en argumenten

1. Aanvulling van het Akkoord van Groningen.

Vijfde speerpunt: kennisstad op

het gebied van de kennis van kennissteden.

Het Akkoord van Groningen (maart

2005) stelt versterking en profilering

van de Stad als knooppunt van innovatie,

kennisontwikkeling en creativiteit

centraal. Terecht, want Groningen is er al

goed in en de op deze terreinen actieven

(plus degenen die daar weer van kunnen

leven) zijn ongeveer de enigen voor wie

de voordelen van wonen en werken in

Stad en Ommelanden per saldo groter

kunnen zijn dan die van wonen en werken

in en rond de metropolitane knooppunten.

Maar daarvoor is meer nodig

dan inzetten op alleen de speerpunten

die in het Akkoord genoemd zijn. Van

fundamenteel belang is ook de kwaliteit

van het algehele leefklimaat (voor

wonen, werken, verpozen, hechten). Dat

klimaat moet tenminste de volgende

karakteristieken hebben:

• In Groningen bloeit een grote verscheidenheid

aan innovatieve, kennisontwikkelende

en creatieve activiteiten op

veel meer terreinen dan kan worden

overzien vanuit (laat staan gedekt)

door gericht speerpuntenbeleid. Dit

betreft niet alleen de breedte van de

creatieve beroepsgroepen, maar ook de

vrijetijdsproductie van levende cultuur.

Onderdeel van die levende cultuur is

de actieve betrokkenheid van burgers

bij de publieke zaak.

• Al die activiteiten kunnen gemakkelijk

interacteren, met elkaar en met de

3 | 37

mei 2006 stad op scherp

speerpuntactiviteiten. Niet alleen gepland,

maar ook terloops, via contacten

zonder vooropgezet doel. Groningen

is niet alleen knooppunt, maar ook

broedplaats en reactorvat, hogedrukpan.

Daar is een kritische massa voor

nodig. Om dat te bereiken is geografische

concentratie van professionele,

culturele en politieke activiteiten nodig

(niet per se van wonen). Even nodig

is dat de via de speerpunten gericht

nagestreefde eminentie op een aantal

terreinen breed ingebed is in de stimulerende

context van de levende cultuur

als geheel, die veel meer mensen

omvat dan alleen de allerbesten op het

gebied van die speerpunten.

• De creative class als geheel, de

grote groep van tijdens het werk of in

vrije tijd meest actieve producenten

van levende cultuur, is op zijn beurt

deelnemer aan een rijkgeschakeerde

stedelijke samenleving waarin een ontspannen,

tolerant en cultureel divers

klimaat heerst. Dat werkt alleen als de

inclusiviteit van het stedelijk klimaat

van Stad en Ommelanden zich uitstrekt

over alle lagen van de samenleving,

van de creatieve elite die via de speerpunten

de kar moet gaan trekken tot

en met de groepen waarvoor zelfredzaamheid

nooit tot het vanzelfsprekende

repertoire zal behoren.

• De beschikbare woningen en woon-,

werk-, ontmoetings- en recreatie-omgevingen

in Stad en Ommelanden passen

bij de individuele en collectieve leefwijzen

van de betrokkenen, leefwijzen

die juist bij de primaire doelgroepen

waar het hier over gaat zeer verschillend

en ook nog eens veranderlijk zijn.

Bovendien zijn deze verschillen in leefwijzen

lang niet één op één verbonden

met verschillen in professionele en

creatieve oriëntatie. Dat op te vangen

betekent niet alleen een grote diversificatie

van het aanbod (zie ook hierna),

maar ook ruime mogelijkheden voor

personen en groepen om de woon- en

leefomgeving naar de eigen hand te

zetten.

• In het geval van Groningen komt daar

vanwege de perifere ligging nog iets

bij: het leefklimaat moet niet alleen

in alle opzichten goed zijn (dat moet

het ook zijn, maar dat kunnen ze in

en rond de metropolitane knooppunten

minstens net zo goed bereiken 1 ),

het moet ook en vooral specifiek zijn,

anders dan waar dan ook en elders

moeilijk te kopiëren. Een zichzelf

versterkende combinatie van generieke

voortreffelijkheid én uniciteit van het

kennis- én leefklimaat moet voor velen

voldoende redenen opleveren om

Groningen te verkiezen boven plekken

die naar generieke maatstaven eigenlijk

meer voor de hand liggen.

Kortom: voor het welslagen van het

Akkoord van Groningen is een voor de

creative class aantrekkelijk en stimulerend,

maar ook nog eens uniek algemeen

leefklimaat in Stad en Ommelanden

onmisbaar. Met inzetten op alleen

de speerpunten en de culturele sector

komen we er niet. Het Akkoord van Groningen

is in dit opzicht nog te mager.

Het algemene leefklimaat (zowel generiek

als specifiek / uniek) is in belangrijke

mate afhankelijk van ruimtelijke

condities. Die betreffen niet alleen de

Stad, maar ook de Ommelanden en

de ruimtelijke relaties tussen Stad en

Ommelanden. In het verlengde van het

Akkoord van Groningen zou daarom

moeten worden ingezet op versterking

van de in dit opzicht relevante generieke

en unieke ruimtelijke kwaliteiten van

Stad en Ommelanden 2 . De hierna volgende

punten bevatten daarvoor enkele

inhoudelijke, procesmatige en bestuurlijke

suggesties.

Maar er hoort nog iets bij: een vijfde

‘Hoe kunnen we het vuurtje

onder de culturele hogedrukpan

Groningen brandend houden en

nog eens flink opstoken, zodat

Groningen ook kan bloeien

als concurrerende innovatie- en

speerpunt. Naast de clusters energie, ict,

life sciences en nanotechnologie is er

behoefte aan een cluster, aan te duiden

als “succes- en faalfactoren voor de

ontwikkeling van centra van innovatie,

kennis en creativiteit”. Groningen moet,

niet in de laatste plaats ter wille van zijn

eigen succes, de kennisstad worden op

het gebied van de ruimtelijke, sociale,

culturele en economische factoren die

van belang zijn voor de ontwikkeling van

kennissteden, steden die in belangrijke

mate drijven op de creative class die

er werkt en samenkomt en die daar en

in de omringende landelijke gebieden

woont en zich verpoost. Dus Groningen

in een soort metapositie ten opzichte

van andere kennis- en innovatiecentra.

Groningen als kennisstad op het gebied

van de kennis van kennissteden. Een

wezenlijk onderdeel daarvan is de kennis

van (mogelijke) transformaties in de

landelijke gebieden rond de steden zelf.

Belangrijke aanknopingspunten daarvoor

bieden het initiatief van de Hanzehogeschool

tot stichting van een lectoraat

Ruimtelijke Transformaties (faculteit

bouwkunde) en de voorbereiding van

een open onderzoeksprogramma betreffende

het “nieuwe platteland” vanuit het

Lectoraat Plattelandsontwikkeling van

Van Hall / Larenstein.

Om één en ander te realiseren is toetreding

van de Provincie tot het Akkoord

van Groningen van groot belang.

kenniseconomie?’

. Het Ommelander panopticum

Op (liefst) het Martinikerkhof wordt

onder een betredings- en slijtbestendige

doorzichtige laag een electronisch

scherm aangebracht, in de vorm van

Stad en Ommelanden op schaal 1:1.000,

dus met een doorsnee van pakweg 70 a

90 meter (orde: 10 a 100 gigapixels). Op

dit scherm zijn kaarten projecteerbaar,

zowel apart als gecombineerd. Standaard

bijvoorbeeld een kaart a la Nolli 3 . Gebouwen

hoger dan bijvoorbeeld 50 meter

worden in driedimensionale weergave

op dezelfde schaal op de kaart gezet

(Martinitoren 9,7 cm, Gasunie 8,7 cm) of

holografisch geprojecteerd.

NOOT:

1 Het Noorden rekent zich

te gemakkelijk rijk met

generieke kwaliteiten als

rust, ruimte, weidsheid natuur

en landschap. Bij een

beetje slimme herschikking

en vooral ontsluiting van de

ruimte is er tot diep in de

Rand- en de Zandstad, en

zeker in de gebieden daar

vlak omheen, meer dan genoeg

rust, weidsheid natuur

en landschap om tegemoet

te komen aan de behoeften

van het overgrote deel

van de mensen die daaraan

belang hechten.

2 Dit komt niet voort uit

een soort deterministisch


maakbaarheidsgeloof. Het

gaat om het scheppen van

ruimtelijke condities die

ruim baan maken en stimulerend

zijn voor individuele

en culturele processen die

per definitie niet ontwerpbaar

of voorspelbaar zijn,

en die ook weer hun (niet

ontwerpbare en niet voorspelbare)

ruimtelijke expressie

zullen vinden. Het gaat

om ontwerpen voor het

niet ontwerpbare, voor de

levende cultuur die zich per

definitie onttrekt aan definieerbare

en reproduceerbare

programma’s.

3 Giambattista Nolli maakte

in 1748 een kaart van

Rome, waarop alle openbaar

toegankelijke ruimte

wit was (ongeacht of het

ging op openlucht of overdekt),

alle niet-openbare

open ruimte grijs, en de

rest zwart.

In de achtkantige kroon van de Martinitoren

worden acht (zoom-)webcams

aangebracht, die de Ommelanden tot

aan de horizon (op ruim 30 km) in

beeld brengen. De beelden worden op

plekken in de naaste omgeving van de

kaart weergegeven op schermen, evenals

beelden van plekken in de Ommelanden

waar “iets gebeurt” of waarmee men iets

van plan is. Op de kaart zelf wordt de

horizon van de webcams gemarkeerd met

een cirkel, op ongeveer 30 meter van de

(verkleinde versie van de) Martinitoren.

Het zenuwcentrum en brandpunt van

het vijfde kenniscluster (zie punt 1)

wordt hier gesitueerd. De Ommelander

gemeenten krijgen de beschikking over

een eigen lokaliteit in de onmiddellijke

omgeving 4 .

Presentaties van en discussies over

ontwerp- en planvormingsprocessen voor

plekken in Stad en Ommelanden vinden

plaats op en rond dit Ommelander

Panopticum (binnen en buiten). Bevorderd

wordt dat ter plaatse ook ontwerpactiviteiten

plaatsvinden, zo mogelijk

meerdere tegelijk. Ten behoeve daarvan

kunnen op de kaart tijdelijke constructies

geplaatst worden (tenten, werk-

plekken) ter plaatse van de betrokken

projecten. Prioriteit krijgt het ontwerp

van een provinciale structuurvisie (plus

provinciale amvb) op grond van wro2.

Wellicht kan dit de grondslag leggen

voor een bundeling van de activiteiten

van Stad, Ommelander gemeenten,

Provincie, Waterschappen en DLG op het

gebied van visievorming en ontwerp (en

survey). Zo’n bundeling kan een creatief

tegenwicht bieden tegen lokaal en sectocratisch

particularisme, tegen het gebrek

aan voor deze taken toegeruste professionals

bij kleinere gemeenten 5 , tegen de

daarmee verbonden neiging van kleine

gemeenten om overheidskerntaken op

dit gebied over te laten aan commerciële

adviesbureaus, en tegen juridificering

van beleidsvorming en toetsing

Het Ommelander Panopticum en zijn

directe omgeving functioneren tevens als

informatiecentrum en vertrekpunt voor

verkenningen van Stad en Ommeland,

voor burgers en bezoekers.

NOOT:

4 De met het Ommelander

Panopticum tastbaar

gemaakte eenheid van /

kruisbestuiving tussen Stad

en Ommelanden heeft overigens

oude papieren. De

geschiedenis is vaak beschreven

in termen van een

oude en steeds weerkerende

rivaliteit en strijd tussen

3 | 39

mei 2006 stad op scherp

“de Stad” en “het Ommeland”.

Maar als je iets beter

kijkt zie je dat die strijd

altijd ook een strijd binnen

de Stad was: onderliggende

facties binnen de Stad verbonden

zich met bovenliggende

in het Ommeland, en

omgekeerd, en wie vandaag

boven lag kon die positie

morgen kwijt zijn.

Illustratief is ook De Ploeg.

Overal in Europa stichtten

groepen kunstenaars die

zich met het landschap bezig

hielden kunstenaarskolonies

ver buiten de steden

(Bergen, Laren, Skagen,

Worpswede, St. Martens

Lathem, Barbizon, Worpswede),

maar het hart van De

Ploeg klopte in de Stad.

5 Ten Boer heeft wat dit

betreft het goede voorbeeld

gegeven door delen van zijn

ambtelijke taken uit te besteden

bij het apparaat van

de gemeente Groningen.

3. Inhoudelijke bouwstenen voor

een ruimtelijke ontwikkelingsvisie

3.1. De Stad als het enige echte centrum

De ontwikkeling van andere plaatsen

dan de Stad als centra die op het niveau

van de hele regio een belangrijke rol

spelen in de productie (en, als afgeleide

daarvan, de consumptie) van cultuur,

kennis en innovatie, wordt niet ondersteund.

Groningen afficheert zich nadrukkelijk

als Nederlands enige grote stad

die geen onderdeel is van een gespreid

netwerk van steden en activiteitencentra

met eigen specialisaties en accenten

waar men doelgericht naartoe gaat, maar

die het hele netwerk in zich draagt, het

samenbalt op een relatief geringe oppervlakte.

Waar de binnen- en buitenstedelijke

knooppunten in de meeste

stedelijke netwerken steeds meer naar

specialisatie / thematisering neigen, daar

is de centrale stad van de Ommelanden

op het niveau van de Stad als geheel

juist ongethematiseerd. Wie zich (in de

Stad) van de ene naar de andere gespecialiseerde

/ gethematiseerde plek in het

netwerk begeeft kom je van alles tegen

(gespecialiseerd én ongethematiseerd),

waaronder veel waarop je niet speciaal

uit was maar dat juist daardoor bijdraagt

aan de ervaring van de Stad als creative

city. Veel van het stedelijk leven bestaat

immers niet uit functioneel, rationeel

doelgericht gedrag, maar gebeurt zomaar

(in het Gronings: “om toch” ) 6 en schept

juist daardoor het klimaal voor nieuwe

avonturen.

Zo beschouwd moeten we Groningen

niet in de eerste plaats zien als een

gemeente met 180.000 inwoners op

pakweg 80 km2, maar vooral als het

enige, alles bij elkaar hooguit 25km 2

grote centrum / marktplaats / agora

van een stedelijk weefsel met 500.000

inwoners op pakweg 3.000 km 2 7 . De

Stadjers, dat zijn de 500.000 mensen

uit de catchment area van de Stad, de

mensen uit Stad en Ommelanden die

de Stad gebruiken voor alles wat met

hoogstedelijke concentratie verbonden

is. En binnen die hooguit 25 km 2 gebeurt

dan weer verreweg het meeste in een

kerngebied van hooguit 5 km 2 .

Het accent ligt op het gebruik van de

centrale stad door die 500.000 mensen.

Hoe gedifferentieerder het aanbod aan

woonmogelijkheden en woonomgevingen

(van hoogstedelijk tot afgelegen

landelijk), hoe gedifferentieerder ook de

bevolking die de Stad gebruikt, en hoe

rijker cultuur en economie in de Stad.

Daarvoor moet in de Stad wel ruimte

overblijven (niet te veel meer inbreiden)

en moet vanuit de Stad het landelijk

gebied dichtbij en snel en gemakkelijk te

bereiken blijven, en andersom. Eventuele

nieuwe stadsuitbreidingen worden dan

ook gerealiseerd bij satellieten als Zuidhorn,

Winsum, Bedum en Ten Boer.

Voor eén specialisatie met belangrijke

innovatieve potenties ligt de Stad

verkeerd, namelijk de specialisatie op

alles wat te maken heeft met kust- en

zeegebonden logistiek, industrie, ecologie

en recreatie. Toch heeft ook die

cluster belang bij de nabijheid van en de

(doelgerichte én toevallige) uitwisseling

met de creatieve, kennisintensieve en

innovatieve activiteiten die in de Stad

geconcentreerd zijn, en omgekeerd. Er

is dan ook alle reden om het gebied

Delfzijl / Eemshaven zowel qua verbindingssnelheid

als qua bestuur zo dicht

mogelijk op de centrale Stad te binden,

zo niet als onderdeel daarvan te beschouwen.

Daarbij helpt een verbeterde,

tussenstoploze treinverbinding (zie ook

onder het kopje “naar zee!”) en een

opwaardering van de N360.

NOOT:

6 Het zou overigens de

moeite waard zijn te onderzoeken

in hoeverre de

Groningse centraliteit ook

nu al gepaard gaat met

ander gedrag dan het, met

voorbijgaan aan de niet-

thematische aspecten van

het stedelijk leven, gerichte

netwerkshoppen of -zappen

zoals dat bijvoorbeeld door

Ivan Nio wordt beschreven

als kenmerkend voor eigentijdse

steden.

7 Door deze samenballing

van netwerken en daarmee

van een enorme verscheidenheid

aan activiteiten op

alle creatieve en culturele

gebieden op één plek kan

Groningen zich duidelijk

profileren ten opzichte van

in de Randstad geëntameerde

initiatieven om te

komen tot een nieuw kenniscentrum

van internationale

statuur. Daar wordt,

naar Amerikaans voorbeeld,

ingezet op een riant in het

groen gelegen luxueuze

campus van onbekrompen

maat, waar het dagelijks

leven zich overwegend voltrekt

tussen de gevestigde

internationale toppers en de

aanstormende toptalenten

onder elkaar. Voor bredere

deelname aan en beleving

van levende cultuur en voor

algemene stedelijke genoegens

moeten de bewoners

maar naar de omliggende

steden. Het is zeer de vraag


of een dergelijk apartheidsarrangement

voor alle leden

van de creative class wel

zo aantrekkelijk is. Groningen

kan het alternatief zijn:

een plek die juist inzet op

de innovatieve kracht van

meervoudige intellectuele

en culturele mestizering,

waar mensen met totaal

verschillende achtergronden

en bezigheden elkaar als

vanzelf tegenkomen, en elkaar

met open zinnen kunnen

ervaren en op nieuwe

ideeën brengen. Terwijl ze

daarnaast toch, als ze dat

willen, heel goed kunnen

wonen in een even riante

setting als de toekomstige

bewoners van het nog te

stichten Randstedelijke reservaat

voor eggheads.

3.2. Het Ommelander Netwerkpark voor

wonen, werken en verpozen, deel 1:

verbeter het Ommeland, begin bij jezelf

Verspreid over de ongeveer 1.500 ha

Ommeland die binnen de gemeentegrenzen

liggen worden woon-en werkclusters

(buurtschappen) ontwikkeld, de meeste

op bestaande (vrijkomende) of verdwenen

boerenerven, en verder op plekken

waar nieuwe woon- en werkruimte

kwaliteit kan toevoegen, zoals bijvoorbeeld

verspreid dicht langs de bestaande

stadsrand. Deze buurtschappen worden,

samen met het trage netwerk (voet- en

fietspaden plus groen en blauw) waarin

ze worden opgenomen, ontwikkeld tot

een netwerkpark 8 met hoge en zeer

gedifferentieerde residentiële, landschappelijke,

cultuurhistorische, ecologische

en bijgevolg ook recreatieve potenties

en kwaliteiten, en met een veel grotere

draagkracht voor nieuwe (ook onverwachte)

ontwikkelingen dan het landschap

zoals het er nu bij ligt. Dit Ommelander

Netwerkpark moet de velden voor agrarische

exploitatie fijnmazig gaan dooraderen.

De betrokken boeren kunnen zowel

een belangrijke rol spelen bij het bieden

van woonmogelijkheden (het “vierde

gewas”) als bij inrichting, beheer en

exploitatie van het trage netwerk en de

tussenliggende velden 9 . In totaal zou het

(op gemeentelijk grondgebied) kunnen

gaan om pakweg 80 buurtschappen, al

naar plek en context variërend tussen 5

en 50 woningen (gemiddeld pakweg 15),

ofwel zo’n 1.200 woningen en woon/werkeenheden

in alle prijsklassen. Het mogen

realiseren van woon- en werkruimte

wordt gekoppeld aan de storting van een

bepaald percentage van de OZB-waarde

in een fonds voor ontwikkeling en beheer

van het Ommelander Netwerkpark. De

(zeer uiteenlopende) stedebouwkundige

en architectonische typologieën zijn

zowel toegesneden op de fysisch- en historisch-geografische

antecedenten als op

de veranderende geografische, sociale,

culturele en economische context waarin

ze tot stand komen. Aanleidingen voor de

ontwikkeling van nieuwe typologieën zijn

onder meer de relaties tussen het wonen

enerzijds en anderzijds de wateropgave

(buffering en retentie), de infrastructuuropgave

(het snelle en het trage netwerk),

de mentale stedelijkheid van het nieuwe

buiten wonen, het belang van het trage

netwerk voor bewoners én bezoekers,

en de zeer uiteenlopende behoeften wat

betreft sociale homogeniteit / heterogeniteit,

plaatstrouw, leeftijdsopbouw, prijsniveaus,

woon-werkcombinaties, private

/ collectieve / openbare ruimte en ligging

in / ten opzichte van het trage netwerk.

Aangemoedigd wordt dat de oude traditie

van het contextbewust ontwikkelen of

importeren van in Stad en Ommelanden

niet eerder vertoonde typologieën bewust

wordt opgepakt. Hier ligt een grote ontwerpopgave

10 .

0| 1

mei 2006 stad op scherp

Uitgaande van een netwerkpark met een

maaswijdte van ongeveer 300 meter

(ommetjes van een kwartier) wordt op

die 1.500 ha een netwerklengte gerealiseerd

van 100 km 11 . Daarvan ligt er naar

schatting al ongeveer 20 (boerderijtoeritten,

perceelsontsluitingen, schouwpaden,

fiets- en voetpaden, stille plattelandswegen).

Uitgaande van eenvoudige

halfverharde paden, bermen met een

variabele breedte van gemiddeld 5 meter

aan weerzijden en met pluksgewijze

beplanting, en een spaarzame aanleg

van kunstwerken (bruggen, duikers), zal

de realisatie van zo’n netwerkpark zo’n

€ 3,5 miljoen kosten (orde van grootte).

Dat is, omgeslagen over 1.200 woningen,

zo’n € 3.000 per woning. Het beheer

kan grofweg worden gesteld op 10% van

de aanlegkosten per jaar, te kapitaliseren

op zo’n € 5 miljoen. Totaal dus pakweg

€ 8,5 miljoen, of € 7.000 per woning.

De meerwaarde van zulke woningen ten

opzichte van vergelijkbare woningen in

een minder idyllische setting, ligt in de

orde van 15% Wanneer de helft van dit

private voordeel wordt afgeroomd om

publieke ambities te realiseren (het Ommelander

Netwerkpark), dan blijft er na

aftrek van wat nodig is voor realisering

van dit deel van het netwerk nog heel

wat over voor delen van het Ommelander

Netwerkpark die niet kunnen worden

gefinancierd vanuit de plaatselijke

investeringsdynamiek (zie het volgende

blokje).

‘De herontdekking van voet,

pedaal en hoef begint

grote vormen aan te nemen’

NOOT:

8 De term “park” slaat hier

niet op een door van veel

opgaande beplantingen

gedomineerde openbare

ruimte, maar op een relatief

fijnmazige en herbergzame

openbare dooradering van

het agrarische productielandschap,

waarbij aard

en omvang van struwelen

op opgaande beplantingen

wordt afgestemd op de

landschappelijke context en

op het te faciliteren gebruik.

9 Als het land in handen

van boeren / omgevingsondernemers

blijft wordt ook

tegenwicht geboden tegen

de al te gemakkelijk als

gegeven of zelfs als opgave

geaccepteerde transformatie

van het platteland van

productie- naar consumptielandschap.

Toegegeven, in

de Ommelanden is bewoning

door een op de stad

georiënteerde bevolking in

demografisch, economisch,

sociaal en cultureel opzicht

al geruime tijd belangrijker

dan de agrarische productiefunctie,

en dat stelt eisen

aan de inrichting van het

gebied, zoals de realisering

van het Ommelander

Netwerkpark. Maar bij het

nagestreefde profiel van

Stad en Ommelanden past

niet een landschap waarin

het comsumptieve element

overheerst. Geen landschap

als decor, maar juist een

landschap waar een stoere,

innovatieve bedrijvigheid op

de velden en het recreatieve

gebruik van het netwerk

tegen elkaar aan schuren.

In het openbare netwerk is

het goed toeven en verpozen

,mede omdat je vanuit

dat netwerk voortdurend

geconfronteerd word met

het eigenzinnige en vaak

vernieuwende ondernemerschap

van boeren (des te

eigenzinniger en vernieuwender

naarmate niet pri-

mair agrarische inkomsten

dat beter mogelijk maken).

10 Er is ook om een andere

reden alle aanleiding

voor: ook de Ommelanden

worden op het moment

overspoeld door een zondvloed

van onoverdachte

reproducties van aan het

verleden ontleende morfologische

typologieën, waarbij

nauwelijks relaties bestaan

met de fysieke, culturele en

economische verschijnselen

waaruit het ontstaan van

die typologieën verklaard

kan worden. Enkele trieste

voorbeelden: plannen voor

nieuwe “wierden” in gebieden

met een hoogste

waterpeil ver onder maaiveld,

“wierdenherstel” met

baggerslib (ten koste van

de zichtbaarheid van de

ontwikkelingsgeschiedenis),

“nieuwe borgen” (inclusief

de mattenklopperstructuur).

11 De herontdekking van

voet, pedaal en hoef begint

grote vormen aan te nemen.

Wat de hoef betreft levert

dat nog een belangrijke

opgave op: de verpaarding

van het landelijk gebied (op

dit moment 400.000 paarden

in Nederland, maar het

aantal groeit snel) levert tot

nu toe veel landschappelijk

kwaliteitsverlies op, vooral

dicht bij de steden. Maar

kunnen de specifieke ruimtelijke

eisen en mogelijkheden

van de paardenhouderij

ook worden gebruikt om

het landschap juist te versterken?

3.3. Het Ommelander Netwerkpark voor

wonen, werken en verpozen, deel 2:

de rest van het Ommeland

In schillen van maximaal een kilometer

rondom de peri-urbane stadssatellieten

(zoals Zuidhorn, Bedum, Winsum, Ten

Boer) wordt de investeringsdynamiek in

dezelfde banen geleid als rond de Stad,

met dezelfde maaswijdte van het trage

netwerk. Dat geldt ook voor de kleinere

dorpen, maar daar kan de fijnmazigheid

beperkt blijven tot een veel dunnere

schil. Ook buiten deze goed ontsloten

schillen rond de bebouwde kommen,

dus in de buitengebieden op enige

afstand van Stad, satellieten en dorpen,

wordt het ontstaan van een gedeeltelijk

bewoond traag netwerk gefaciliteerd,

maar daar kan de maaswijdte groter zijn

(tot bijvoorbeeld een kilometer) en de

beplantingsdichtheid (nog) lager 12 . Ook

ligt het daar minder in de rede om op

vrijkomende erven complete buurtschappen

te realiseren. Het zal daar in het

algemeen gaan om slechts enkele woningen

per erf.

Bijzondere mogelijkheden bieden heel

wat van de talloze (vaak verkommerde)

dorpsrandbosjes en lukraak over de

Ommelander restruimten uitgestrooide

ruilverkavelingsbosjes. Die kunnen

een nieuwe toekomst krijgen door er

woonplekken in uit te kappen (wonen in

volgroeid groen).

De vraag naar “buiten wonen” zal met

name bij de kleine dorpen en in de meer

verwijderde buitengebieden vermoedelijk

geringer zijn dan nodig zou zijn om ook

daar het voor zowel de bewoners als

voor de recreatieve bezoekers en voor

de wervende kracht van Groningen als

vestigingsgebied gewenste Ommelander

Netwerkpark tot stand te brengen.

Mede daarom vindt de afroming van de

meerwaarde van de huizen in de clusters

waarvoor wél een markt is plaats


door middel van een fonds waarmee

de totstandkoming van het Ommelander

Netwerkpark als geheel bevorderd

wordt. Ruw geschat is daarvoor in totaal

ongeveer € 150 miljoen nodig (inrichting

en gekapitaliseerd beheer, schatting “op

de achterkant van een sigarendoosje” 13 ).

Dit lijkt redelijk in overeenstemming

met het uitgangspunt dat rond de helft

van de situatieve meerwaarde van de

te realiseren woningen ten goede zou

moeten komen aan de verwezenlijking

van publieke ambities.

NOOT:

12 Overigens moeten we

ook weer niet al te bang

zijn voor nieuwe opgaande

beplantingen die, aan de

Ommelanden ook een zekere

herbergzaamheid kunnen

toevoegen, zelfs zonder

afbreuk te doen aan de

weidse vergezichten. Tenslotte

waren de Ommelanden

vroeger zeer veel rijker

aan lusthoven (bij borgen

en herenboerderijen) en

andere erfbeplantingen dan

nu het geval is, terwijl het

publiek dat gebruik maakt

van de verpozing die parken,

bossen en lanen te

bieden hebben intussen

verveelvoudigd is.

13 Uitgangspunt is daarbij

onder meer dat, vooral in

het meer wijdmazige deel

van het netwerk, een groot

deel van de benodigde

infrastructuur er eigenlijk al

ligt, in de vorm van boerderij-

en kaveltoegangswegen,

schouwpaden, kaden

en dijken etc., alsook een

enkel toeristisch-recreatief

fietspad. De noodzakelijke

ingrepen beperken zich tot

de openstelling van die infrastructuur,

het maken van

kortsluitingen, en het aanpassen

van de inrichting ten

behoeve van breder gebruik

dan alleen door boeren en

waterschapsfunctionarissen.

3.4. Goedkoop en duur wonen en werken

De door onnodige schaarste veroorzaakte

opwaartse druk op de onroerend

goed prijzen, die het sterkst is in de binnenstad

en bij landelijk wonen 14 , wordt

opgeheven door volledig tegemoet te

komen aan de (overigens kwantitatief

vrij bescheiden) behoefte. Aantrekkelijke

mogelijkheden voor wonen, werken en

woonwerkcombinaties worden binnen

het bereik gebracht van mensen met

lagere, onzekere, onregelmatige of op en

neer gaande inkomens door bij de transformatie

van bestaande (onder meer

agrarische en bedrijfs-)volumes en bij

nieuwbouw gedeeltelijk in te zetten op

goedkope bouwwijzen 15 . Hiermee wordt

in en rond de Stad een voor het totale

leef- en werkklimaat essentieel deel van

de creative class gefaciliteerd.

Ook voor het meer tot zeer koopkrachti-

ge deel van de markt worden onbekrompen

mogelijkheden geboden om naar

behoefte te bouwen, onder de voorwaarden

als geschetst bij de behandeling van

het Ommelander Netwerkpark.

Dat is om twee redenen nodig:

Stad en Ommelanden kunnen de innovatieve,

kennisdragende en creatieve

elite (in de vijf speerpuntclusters)

alleen aan zich binden als voorzien

wordt in zeer goede woon- en werkmogelijkheden

in de hogere prijsklassen.

Daarbij gaat het over het ontwikkelen

of faciliteren van een grote variatie aan

stedebouwkundige en architectonische

typologieën.

• Zoals de verblijfskwaliteit van het onderliggend

wegennet alleen kan worden

bevorderd wanneer het bovenliggende,

snelle netwerk prima functioneert, zo

kan het financieel minder succesvolle

of onzekere deel van de creative class

alleen voldoende (en voldoende ruime)

woon- en werkplekken en -erven

vinden wanneer de kapitaalkrachtigen

volop aan hun trekken komen. Sinds

de jaren zeventig van de twintigste

eeuw is met name in de (kleine dorpen

in de) periferie van de Ommelanden

de bevolkingssamenstelling zeer

heterogeen geworden, met name door

vestiging van mensen uit deze groepen,

die vaak veel leef- en werkruimte nodig

hebben maar weinig kunnen betalen.

Voor hen, en voor autochtone bewoners

van de streek, zijn de vestigings-

| 3

mei 2006 stad op scherp

mogelijkheden onder druk komen

te staan doordat dicht bij de Stad

relatief weinig huizen op grote kavels

in aantrekkelijke woonlandschappen

beschikbaar zijn voor mensen met

hogere of meer constante inkomens.

Die wijken uit naar grote kavels in de

periferie (ook een eenvoudige behuizing

met wat bijgebouwtjes is prima

om te toveren in een riante woonstee).

Dit leidt tot prijsopdrijving, waardoor

deze kavels en behuizingen niet meer

beschikbaar zijn voor de lagere en

onzekere inkomens. Op den duur verliest

het gebied dan het pionierende,

risicodragende en artistieke deel van

de creative class. Over blijven welgestelde

nieuwkomers (op grote kavels)

en kansarme autochtonen (alleen nog

in op kleine kavels, dus ook zonder de

vroegere aanvullende mogelijkheden

van het eigen erf).

NOOT:

14 Landelijk wonen: wonen

in buitengebied en in / aan

dorpen die op den duur

niet zullen kunnen functioneren

als regionaal verzorgingscentrum

voor tenminste

10.000 tot 15.000

mensen . De grootste spanning

tussen behoefte en

aanbod lijkt aan de orde in

buitengebieden en in / aan

kleinere dorpen.

15 Het afstudeerproject (AvB

Rotterdam) van de architecten

Sandra en Yvonne Weeber

heeft bijvoorbeeld laten

zien dat met prefab-elementen

uit de agrarische sfeer

architectonisch fantastische

woningen kunnen worden

gerealiseerd vanaf ongeveer

70.000 euro (exclusief

grondkosten)(135 m2).

3.5. De- en refunctionalisering van de

openbare ruimte in Stad en Ommelanden

Echte openbare ruimte is ruimte waar

niet alleen doelgerichte verplaatsingen

mogelijk zijn, maar ook allerlei vormen

van verblijfsgedrag: willekeurige verplaatsingen

(“ Brownse bewegingen”) te voet

en per fiets, ontmoetingen, verpozing,

kinderspel, kijken naar het menselijk bedrijf,

kijken naar openbare en particuliere

gebouwen en erven. De logica van de

sectocratische verkokering heeft ervoor

gezorgd dat sectorale programma’s in

veel openbare ruimte zo dominant zijn

geworden, dat er qua gebruiks- en belevingsmogelijkheden

geen sprake meer

is van vrije verblijfsruimte, maar van

sectorale territoria. Het meest opvallend

is dat bij de cultuurvijandige kolonisatie,

volgens een al te autonome technischverkeerskundige

logica, van veel verblijfsruimte

in de Stad (vooral buiten de

Binnenstad) en in de Ommelanden door

gemotoriseerd verkeer. Volgens diezelfde

logica zijn, vooral in de tweede helft van

de twintigste eeuw, in de Ommelanden

bovendien enkele duizenden kilometers

aan voorheen vrij toegankelijke,

maar nu verkeerskundig “ overbodige”

netwerken van paden, wegen, kaden etc.

verwijderd, afgesloten of onderbroken.

Daarmee zijn ook grote delen van het

landschap en van de daarin aanwezige

natuur- en cultuurfenomenen, aan het

publieke oog onttrokken. Maar ook andere

sectoren en (commerciële) gebruiksvormen

hebben afbreuk gedaan aan

het algemene verblijfskarakter van de

openbare ruimte. De roep om defunctionalisering

van de openbare ruimte wordt

de laatste tijd dan ook steeds sterker, in

Europa en zelfs in de Verenigde Staten.

Het “herstel” van de netwerken van vrije

verblijfsruimten is van groot belang voor

de aantrekkelijkheid en het maatschappelijk

functioneren van Stad en Om-

melanden. De Binnenstad laat wat dat

betreft weinig te wensen over, maar met

de kwaliteit van de langzame verbindingen

tussen Binnenstad en buitengebied

is het haast even treurig gesteld als met

het netwerk in het buitengebied zelf 16 ,

vooral wat betreft de eerste anderhalve

kilometer rond de diepenring. Hier ligt

een ontwerpopgave van formaat, die des

te interessanter is omdat het niet zal

gaan om een letterlijk terugrestaureren

van verdwenen structuren, maar om een

nieuwe verknoping, voortbouwend op

wat er nog ligt, geïnspireerd op wat er

gelegen heeft, maar vooral passend bij

de huidige en te verwachten omgevingskarakteristieken

en gebruiksbehoeften.

En des te belangrijker omdat de wederzijdse

doordringing van Stad en Ommelanden

één van de belangrijke Groninger

identiteitsdragers moet zijn.

Hoewel de openbare verblijfsruimte in

Stad en Ommelanden bevrijd moet worden

van de overheersing door sectorale

programma’s (het verkeer voorop), moet

er wel van alles te zien en te beleven

zijn, met name ook meer dan de waarneming

van en ontmoeting met andere

gebruikers van de openbare verblijfsruimte.

Voor een deel kan dat doordat de openbare

verblijfsruimte mede functioneert

als venster op haar belendingen (die zowel

privaat kunnen zijn als van publieksectorale

aard), hetgeen dan weer een

opgave oplevert die er vanuit gaat dat

de openbare ruimte weliswaar door zijn

belendingen moet worden overheerst,

maar dat de naar de openbare ruimte

toegewende zijde van die belendingen

ook niet moet worden bepaald door

de logica van de openbare ruimte zelf,

als waren ze daarvan onderdeel. Het

gaat dan dus om de vormgeving van de

vensters.

Maar even belangrijk is wat er in de

openbare verblijfsruimte zelf is en

gebeurt. Een onnadrukkelijke bijmenging

van sectorale programma’s kan wonderen

doen. Veel van die programma’s zijn

gewoonlijk ondergebracht in aparte (en

door hun eenzijdigheid vaak erg saaie)

sectorterritoria, onder andere voor natuur

en waterbeheersing. Maar het netwerk

van algemene verblijfsruimten kan,

mits ruim bemeten en met zorg ingericht,

als terloops een belangrijk deel van de

betreffende programma’s accommoderen.

Bijvoorbeeld: een met open plekken,

struwelen en houtopstanden doorregen

openbaar netwerk van paden, gras en

water is dan wel geen natuurreservaat,

maar er zit wel driekwart van de natuurlijke

rijkdom die er zou zitten als het dat

wel was. Of: een in wisselende mate onder

water staande openbare ruimte met

wat hogere en lagere plekken en met

een afwisseling van zandige, venige en

kleiige plekken is dan wel geen specialistische

voorziening voor waterafvoer en

–buffering, maar is (in tegenstelling tot

zo’n voorziening) wel in staat om zonder

problemen meer dan de maatgevende

neerslag op te vangen en een grote

natuurlijke rijkdom te herbergen. Dat

mes snijdt aan verschillende kanten: de

verblijfsruimte zelf wordt er interessanter

van 17 , de eenzijdig-sectorale ruimtebehoefte

wordt kleiner en de specialisti-

sche sectorale territoria die altijd óók

nodig zullen blijven krijgen de kans zich

te ontwikkelen tot spectaculaire hoogstandjes

van ecologische, hydrologische

en andersoortige engineering.

NOOT:

16 Wat het buitengebied

betreft: zie ze passages

over het Ommelander Netwerkpark.

17 Dat kan op veel plekken

ook gelden voor toelating

van motorvoertuigen in de

openbare verblijfsruimte.

Als die zo wordt ingericht

dat motorvoertuigen er “als

gast” welkom zijn, maar er

onmogelijk de macht kunnen

overnemen van voetgangers,

fietsers en spelende

kinderen, dan kunnen

ze een bijdrage leveren aan

de levendigheid van de

verblijfsruimte en aan het

comfort van de gebruikers

van Stad en Ommelanden.

3.6. Traag én snel

Veel mensen uit de creative class willen

graag wonen in een mooie, rustige, goed

doorkruis- en verkenbare landelijke (of

juist binnenstedelijke) omgeving die veel

aanknopingspunten geeft voor mentale

toeëigening, voor hechting. Een veilige

haven en uitvalsbasis van waaruit je

de wereld aan en in kan. Tegelijk willen


die mensen in no time daar kunnen zijn

waar het allemaal gebeurt, zowel electronisch

als face-to-face. Als het ware met

de voordeur aan de (electronische en

fysieke) snelweg en met de achterdeur

aan de trage systemen van landschap,

buurt en buren. Een kennisstad moet dat

bieden: breedband tot in alle hoeken

van de Ommelanden, uitstekende radiale

verbindingen van de Ommelanden naar

de Stad, zowel per auto als per openbaar

vervoer, en uitstekende verbindingen

voor (niet dagelijkse) reizen naar

en van de rest van de Nederland en de

wereld. Het opwaarderen van de snelle

verbindingen, met name de radiale tussen

Stad en Ommelanden, moet worden

verzoend met de trage, gelaagde en met

historie geladen systemen die de Ommelanden

dooraderen (het Ommelander

Netwerkpark). Dat betekent onder meer:

• Niet voortdurend de oude tracés opdikken,

maar nieuwe wegen durven maken

en oude tracé’s drastisch terugschalen;

• De verkeerskundige opwaardering van

het bovenliggende systeem gebruiken

om het onderliggende systeem juist op

te waarderen als verblijfsruimte;

• Transferia tussen particulier vervoer ten

plattelande en openbaar (stads)vervoer

worden niet automatisch gerealiseerd

in de stadsrand (waar de, recreatief en

qua woonomgeving, meest belangrijke

overgangen en overgangspotenties

liggen tussen bebouwde kom en buitengebied),

maar liever in residentiële

stadssatellieten als Zuidhorn, Winsum,

Bedum en Ten Boer. Deze transferia

worden extra aantrekkelijk gemaakt

door combinatie met voorzieningenclusters

/ winkelcentra: wie in de Ommelanden

woont neemt werkend of anderszins

deel aan het centrale stadsleven,

reist dan snel en comfortabel naar het

transferium waar zijn auto staan, doet

daar in één moeite door zijn dagelijkse

inkopen en reist per automobiel huiswaarts.

Dat is goed voor de stad(srand)

en voor de betreffende satellieten.

3.7. Stad- en Ommewater

Er circuleren allerlei voorstellen om het

regionale watersysteem zo om te bouwen

dat Stad en Ommelanden bestand

gemaakt worden tegen de onstuitbare

klimaatverandering (met name een

veranderd neerslagregime en zeespiegelrijzing)

en tegen de op termijn even onvermijdelijke

afkoppeling van Noord-Nederland

van het IJsselmeer-infuus, en dat

ecosystemen van water en oevers zich

voluit kunnen ontplooien. Die voorstellen

zijn overwegend ontwikkeld vanuit

sectorale (technisch-waterhuishoudkundige,

–ecologische en -agronomische)

probleemstellingen. Als het meezit zijn

er vervolgens andere sectorale programma’s

(recreatie, wonen) en meer culturele

en esthetische overwegingen aan

toegevoegd. Het is nu tijd voor water- en

landontwerpen die juist als hoofdthema

hebben dat de Stad veel zichtbaarder

en vooral joyeuzer en spannender in het

(natuurlijke, historisch-geografische en

hedendaags-culturele) regionale watersysteem

(van Drents Plateau tot Waddenzee)

moet worden verankerd, waarbij

elke plek zowel plek is als zichtbaar

onderdeel van veel grotere geografische

en dynamische systemen. Bij zo’n

aanpak wordt eerst bezien hoe zo’n door

bovensectorale overwegingen ingegeven

water- en landontwerp eruit zou

zien (ook sectorale waterstaatkundige

werken kunnen daaraan een bijdrage

leveren), vervolgens wordt onderzocht

in hoeverre dit gewenste resultaat de

sectorale opgaven aan kan en tenslotte

wordt zonodig voorzien in aanpassingen

en aanvullende technische maatregelen.

Merkwaardigerwijs kan dat zelfs voor de

oplossing van de technische en economische

sectorproblemen uiteindelijk meer

opleveren dan een primair probleemgestuurd

ontwerp.

3.8. Naar zee!

De Stad krijgt betere verbindingen met

de zee: een “traag” en een “snel” strand

(Schiermonnikoog en Borkum) en een

boulevard (Delfzijl). Op het strand van

Schiermonnikoog ben je vanuit de Stad

als vanouds in ongeveer 3 uur (bus,

boot en over het eiland), maar er gaat

ook weer een boot door het Reitdiep

en over het Lauwersmeer, die er tot

aan de veersteiger op Schier 4 a 5 uur

over doet. Is Schier voor onthaasten en

nadenken, Borkum dient voor het standaard-strandvertier.

Tussen de Stad en

Borkum ligt Delfzijl, waarvan de zeekant

volwaardige kustgenoegens biedt (zie

ook 3.7.): een riante boulevard (mét

| 5

mei 2006 stad op scherp

wandelpier) die het ontbreken van zand

bijna zou doen vergeten 18 , uitgebreide

mogelijkheden voor algemene en gethematiseerde

verpozing in en buiten het

seizoen, en een qua verblijf aangenaam

aan zee gelegen stations- en veerplein

vanwaar, na een tussenstoploze treinreis

uit de Stad (reisduur een half uur, daarnaast

kunnen ook snelle bussen worden

ingezet) per veerboot of catamaran kan

worden doorgevaren naar Borkum 19 ,

zodat men vanuit de Stad net binnen

de 2 uur op het strand kan zijn (als

men niet na dat halve uur treinen liever

gewoon in Delfzijl blijft), en uitgebreide

wandelmogelijkheden zowel langs de

architectonische wonderen van het gerevitaliseerde

Delfzijl als door de stilte van

natuur en landschap langs de Eems en

in het recreatief voortreffelijk te ontsluiten

en landschappelijk en ecologisch te

optimaliseren achterland aan de noord-

en westkant van Delfzijl.

NOOT: 18 Wat vooral niet

moet: handhaving of uitbreiding

van het huidige kunstmatige

zandstrandje, dat,

hoezeer ook opgeleukt, psychologisch

vooral het gevoel

zal versterken dat Delfzijl als

badplaats zijns gelijke niet

heeft omdat het aan zee

overal elders beter is.

19 De verbinding Eemshaven

– Borkum wordt in deze

benadering opgeheven.

3.9. Toerisme: Stad en Ommelanden

hoeven niet opgeleukt

Dé grote toeristische attractie van Stad

en Ommelanden is de leefwereld van

de bewoners: de fantastische leefomgeving,

het stimulerende leefklimaat, de

culturele, vermaaks- en sportvoorzieningen,

het fraaie en uiterst toegankelijke

landschap en het leven zelf. Speciaal

voor het toerisme zijn maar twee dingen

nodig: bekendheid en verblijfsaccommodaties.

Wat dit laatste betreft wordt

vooral ingezet (faciliterend en stimulerend)

op kleine verblijfsaccommodaties

die kunnen functioneren als bron van

neveninkomsten voor mensen met kleine

en onzekere hoofdinkomens (zoals

kunstenaars, pionierende ondernemers,

boeren). Samenhang, efficiency en kwaliteitsgaranties

kunnen worden bevorderd

door de verspreide accommodaties van

vele logiesverstrekkers in een aantal

opzichten te laten functioneren als één

hotel.

Gesegregeerde toeristische attracties

/ kant en klaar aangereikte ervaringen

speciaal voor toeristen / gedisneyficeerde

identiteiten worden niet ondersteund.

Ze passen niet bij het productieve

/ creatieve imago van de Stad en

bovendien is de lol er voor de meeste

bezoekers gauw af: de eerste keer biedt

een nieuwe ervaring, de tweede voegt

daar weinig aan toe. Stad en Ommelanden

moeten het hebben van bezoekers

die steeds terugkomen omdat ze toen ze

de vorige keer vertrokken nog van alles

niet gezien of gedaan hadden (zelf),

en omdat er ook steeds van alles bij

komt. Zulke bezoekers haken af als ze

worden behandeld als onderdelen van

een vooropgezette product-marktcombinatie.

Om dezelfde reden worden er

geen speciale toeristische fietspaden

en gespecialiseerde recreatiegebieden

meer aangelegd. De op de bewoners zelf

gerichte inrichting van de Stad en het

Ommelander Netwerkpark bieden meer

dan genoeg en veel authentieker verpozingsmogelijkheden.

. Bestuurlijk arrangementen

De provincie maakt, in nauw overleg met

alle gemeenten, gebruik van de in WRO2

geboden mogelijkheid tot opstelling van

een ruimtelijke structuurvisie (met het

karakter van een ontwikkelingsvisie)

en een daarop gebaseerde amvb, een

en ander voorzover nodig om recht te

doen aan geografische samenhangen

en belangen die Stad en Ommelanden

samen betreffen en het lokale belang

overstijgen 20 . Er wordt (in principe in

gemeentelijke bestemmingsplannen,

maar zonodig per amvb) een algeheel

verbod ingesteld op ruimtelijk relevante

investeringen in Stad en Ommeland 21 .

Van dit verbod wordt alleen ontheffing

gegeven wanneer bij de voorbereiding

bepaalde processtappen doorlopen zijn 22

en wanneer de investering direct en / of

via overheveling van middelen bijdraagt

aan de verwerkelijking van de ruimtelijke

kwaliteitsambities van de provinciale en

gemeentelijke ruimtelijke ontwikkelingsvisies.

Het bestuurlijk oordeel over de

wenselijkheid of toelaatbaarheid van een

investering wordt voorbereid in daartoe

inhoudelijk geëquipeerde gremia, die,

via een proces van intersubjectieve

oordeelsvorming, in staat zijn bijdragen

aan ruimtelijke kwaliteit gezaghebbend

te beoordelen vanuit een breed kwaliteitsbegrip

met ruime aandacht voor

elementen die niet te vangen zijn in van

te voren gekwantificeerde of anderszins

“geobjectiveerde” criteria. Structuurvisie

en AMvB worden overwegend gerealiseerd

via een ingroei-strategie: de

meeste ruimtelijk relevante investeringen

worden niet door de overheid geëntameerd,

maar er wordt voor gezorgd dat

private investeringsinitiatieven op zo’n

manier “landen” dat ze, wanneer ze zich

voordoen, “vanzelf” bijdragen aan de

in de ontwikkelingsvisie neergelegde

publieke ambities. Eigen uitvoeringsplanning

van de overheid wordt beperkt tot

enkele grote publieke interventies (het

Ommelander Panopticum, de aanpassing

van de grote dragers van het watersysteem)

en hier en daar tot groene en

infrastructurele voorinvesteringen om de

gewenste occupatie- en landschapsontwikkelingsprocessen

een zetje te geven.

De totstandkoming van structuurvisie

en AMvB vindt plaats op en rond het

OmmelanderPanopticum. De Ommelanden

(bestuur en bevolking) worden,

eveneens op en rond het Ommelander

Panopticum, intensief betrokken bij ontwikkelingen

in de Stad, en omgekeerd.

NOOT: 20 Zie punt 3 voor

inhoudelijke bouwstenen

voor het Ommelander deel

van de structuurvisie.

21 Behoudens een algemene

vrijstelling voor nader

te bepalen interventies in

nader aan te wijzen gebieden.

22 Te weten: de adspirantinvesteerder

moet zich hebben

verdiept in de fysieke

en maatschappelijke antecedenten

en context van

plek en programma en in

de structuurvisie, hij moet

overlegd hebben met de andere

gebruikers van plek en

omgeving, hij moet verantwoorden

hoe zijn initiatief

zich tot een en ander verhoudt

en het ontwerp moet

zijn geautoriseerd door een

gekwalificeerd ontwerper.


| 7

mei 2006 stad op scherp

‘Het kon gewoonweg niet anders dan dat

het industriële tijdperk zou eindigen

simpelweg omdat het zichzelf niet meer

kon uitstaan’

door: Wies Sanders

Functiescheiding en het modernisme in het algemeen zijn onlosmakelijk

verbonden met het industriële tijdperk. Het scheiden van wonen, werken en recreëren was een pla-

nologische vondst om de overlast van de productieprocessen buiten de invloedssfeer van woon-

buurten en recreatie te houden. Dit bleek uitermate doeltreffend: er was immers meer dan genoeg

ruimte om de gescheiden sferen te realiseren, ook de vestigingsplaatsfactoren van industrieën

waren anders dan die van woongebieden en de nieuw opkomende automobiliteit verbond de geschei-

den locaties op effectieve wijze. Het veroorzaakte wellicht ook een status quo van een continu

wederzijds verlangen: naar de rauwe dynamiek van geld verdienen in de fabriek enerzijds en naar de

zondagsrust van het geld kostende wonen en recreëren anderzijds.

De stadsalchemist

Elixers voor het

goud van de stad

Die tijd ligt echter voor het grootste deel

achter ons. Veel industrieen blijken

simpelweg te hebben geparasiteerd; er

rest een erfenis aan verontreinigingen,

uitgeputte natuurlijke bronnen en murw

gemaakte human resources. Het kon

gewoonweg niet anders dan dat het

industriële tijdperk zou eindigen simpelweg

omdat het zichzelf niet meer kon

uitstaan. In die onuitstaanbaarheid is geleidelijk

een nieuw tijdperk gegroeid, die

van de netwerksamenleving waarin een

andere relatie tot productie en omgeving

wordt aangegaan. Mondialisering, verdienstelijking

en de daarmee samenhangende

de-ïndustrialisering en schaalvergroting

hebben o.a. in Noordwest Europa

geleid tot ingrijpende veranderingen die

nog lang niet uitgekristalliseerd zijn. De

aloude fabrieksstad is - als een bedrijf

nog niet gecasht en/of failliet is - in verschillende

onderdelen uiteengevallen. De

netwerksamenleving met alle mogelijke

reële en virtuele mobiliteit heeft het nu

eenmaal mogelijk gemaakt om bedrijfs-

processen nog veel verder, mondiaal,

uiteen te leggen, en ieder deel dáár te

lokaliseren waar het voor dat onderdeel

het meest optimale is.* Waar wat precies

terecht komt en voor hoe lang is misschien

nog onbekend of instabiel, maar

zeker is dat de starre categorie-indeling

naar aard van de bedrijvigheid (lees:

hindercategorie) een achterhaalde en

onwerkbare indeling is voor regio’s die

zich omvormen van productie naar kennisproductie.

1

* Dat proces is thans volop

gaande en leidt bijvoorbeeld

tot ge-outsourced

distributiebedrijven die

op grootschalige en goed

bereikbare distributieterreinen

worden gevestigd,

waar de producten worden

verscheept die in lage lonen

landen worden gefabriceerd,

die door middel van een

bestelling uit de verspreid


‘Zowel het idee

van

functiescheiding

als van

functiemenging

moet

overboord

gezet worden’

liggende salesoffices worden

geregisseerd, die vervolgens

worden gemanaged

door een ver weg gelegen

prestigieuze hoofdkantoor

in een monumentaal stadsdeel,

hetgeen weer relatief

dicht bij het lommerrijke

kenniscentrum ligt, waar

overigens intensief aan cosourcing

wordt gedaan met

voormalige concurrenten.

En alhoewel het wellicht

niet onmiddellijk ruimtelijk

herkenbaar is, het één is

wel degelijk met het ander

verbonden, niet meer in de

vorm van een complete fabrieksstad,

maar in de vorm

van een productienetwerk,

waarvan misschien nog

enkele delen op een aloude

fabriekslocatie zijn achtergebleven.

De aloude industriële verticale kolom,

waarin alles in één samenhangende productielijn

tot stand kwam is dus aan het

verdwijnen en versplinteren over allerlei

losse onderdelen die in een - al dan

niet virtueel - netwerk samenhangen.

Waarschijnlijk zullen die oude relaties

uiteindelijk verzwakken. Er ontstaan

voorzichtig geheel nieuwe verbanden

of clusters tussen voorheen geschei-

| 9

mei 2006 stad op scherp

den sectoren, verrassend of toevallig,

maar vaak ook doelbewust om nieuwe

markten en nieuwe schaalniveaus aan te

boren. 2 Hier komt bij ruimtelijk planners

het wensbeeld van levendige functiemenging

op, een beeld dat is gebaseerd

op de ambachtelijke koopstad van

eeuwen terug. Maar zowel het idee van

functiescheiding als van functiemenging

moet overboord gezet worden. Functiemenging

was sterk gekoppeld aan een

relatief lokaal en geïsoleerd stadsmodel

in een toeleverende regio: ‘the city is my

globe’. Thans leven we echter in een binnenstebuitenmodel

‘the global city’. 3 En

dat kent een ander stadsconcept.

De centrale vraag van dit essay gaat

daarom niet over welke functies - en

waar - met elkaar gemengd zouden

moeten worden om een levendige en

werkbare stad te brouwen, maar welke

belangwekkende nieuwe relaties kunnen

of moeten ontstaan tussen voorheen

gescheiden werelden en sectoren.

Voor een economisch sterke stad in de

netwerksamenleving gaat het dus niet

om het mengen van functies, maar om

het verbinden van activiteiten. In dat

verbinden zitten de onzichtbare processen

om het ‘goud van de stad’ te maken.

Hiernavolgend wordt uiteengezet hoe de

stad thans wordt gerecycled, welke typische

Groningse clusters kunnen worden

onderscheiden, dat er wel degelijk iets

boven Groningen blijkt te gaan en hoe

de Groningse ruimte kan bijdragen aan

het leggen van nieuwe verbanden.

Stadsrecycling

In Groningen en elders is duidelijk

zichtbaar dat dienstverlenende bedrijven,

en zeker de creatieve bedrijven, een

plek zoeken buiten de reguliere nieuwe

bedrijventerreinen en binnentreden

in het voormalige domein van andere

sectoren zoals recreatie, industrie en wonen.

Creatieve bedrijven bevinden zich

in de hippe voormalige Puddingfabriek

of een oud zwembad, atelierwoningen

worden op minuscule plekken in de stad

gebouwd en ictbedrijven, stations of

hotels maken uiterst veelzijdige werkplekken

in gebouwen. Recent onderzoek

van de gemeente Groningen toont aan

dat gemiddeld in 1 van de 10 woningen

in kersverse nieuwbouwwijken als

Piccardthof of Reitdiep een bedrijf is

Footprint van economische clusters in de stad Groningen ontleend aan het Economic Development

Board Rotterdam 2005

gevestigd. Dat zijn niet de wijkgeoriënteerde

schoonheidssalons of de mensen

die het werk mee naar huis nemen, maar

hoogwaardige regionale dienstverleners

die de woning als startersplek of permanente

uitvalsplek hebben gekozen. 4

Ook bedrijventerreinen als Ulgersmaweg

en het Damsterdiep bieden ruimte

aan nieuwe soorten ondernemingen en

starters die gebruik maken van de verouderde

bedrijfsgebouwen. Dit experimenteerveld

is overal in den lande actief

simpelweg omdat het niet langer wordt

tegengehouden door functiescheiding of

sectorindeling. De activiteiten veroorzaken

meestal geen enkele andere hinder

dan hier en daar een verkeersbeweging.

Maar daarmee is de ruimtelijke ordening

nog niet verlost van modernistische en

megalomane planningsmechanismen.

Vele potentiële activiteiten worden

namelijk nu weer sterk belemmerd door

generiek beleid van brand-en bouwveiligheid,

belastingregels, arbo-wetgeving,

Europese milieuwetgeving of externe

veiligheid en worden mentaal belemmerd

door achterhaalde ontwikkelideeën of

opportunistische grondpolitiek. Alleen

op plekken waar deze belemmeringen

worden opgeheven of ontzien, ontstaan

thans dergelijke initiatieven. Dat

bv. meerdere creatieve bedrijven zich

bevinden in een karaktervol bedrijfsverzamelpand,

al dan niet met podium,

wil echter nog niet zeggen dat daarmee

een economische clustering, ruimtelijke

samenhang of functionele complementariteit

is bewerkstelligd: daarvoor is meer

nodig. Alvorens hierop in te gaan, moet

echter eerst worden aangegeven waarom

het van belang zou zijn om nieuwe relaties

aan te gaan rond bedrijfsactiviteiten.

Groningse clusters

In een wereld waarin bedrijfsactiviteiten

allerlei nieuwe plekken vinden, wordt

het steeds belangrijker de waarde van

de locatie, de waarde van het netwerk

en die van een economisch cluster

te kennen en te ontwikkelen. Waren

voorheen de fabrieken sterk gelokaliseerd

bij de grondstoffen (suikerbieten,

stro, tabak, aardappelen, aardgas etc.)

gecombineerd met de transportwijzen

van kanaal, spoorweg en later snelweg

en de beschikbare werkkrachten, thans

zijn die vestigingsfactoren relatief minder

belangrijk geworden. De competitie

speelt zich bovendien steeds vaker af

op een hoger schaalniveau en is daarom

alleen al veel scherper geworden. Niet

alleen zijn zachte factoren als een goed

woonmilieu voor hoger opgeleiden

belangrijk geworden, ook de regionale

embeddedness 5 van bedrijven speelt

een grote rol. Dit is de mate waarin

een bedrijf is ingebed in een sociaal

culturele interactie tussen bedrijven. Het

betreft dus niet een fysiek-geografische

gebondenheid, maar een economischrelationele

gebondenheid. In de scherpe

competitie is het des te belangrijker om


snelle hypes te doorzien, en nuchter

te kijken naar de unique selling points

van Groningen als vestigingsplaats. In

een korte workshop en uit het Akkoord

van Groningen 6 zijn enkele punten naar

voren gekomen die in een schema zijn te

zetten als de footprint van economische

clusters 7 van de stad Groningen.

Deze footprint tracht in een eerste

aanzet vier mogelijk sterke, scheppende

clusters naar schaalniveau in te delen.

De clusters zijn onderscheidende thema’s

die in zichzelf echter een hele wereld

herbergen: hoger en lager opgeleid,

grote en kleine bedrijven, innovatief

en toeleverend, publiek en privaat of

stokoude en gloednieuwe spelers. Het is

een eerste schets van een analyse van

de sterke, unieke factoren van Groningen

en bijbehorende sterke actoren.

Energie is een belangrijk cluster, ont-

staan uit de gaswinning, maar thans

uitgroeiend tot een kenniscluster dat

internationaal een strategische positie in

kan nemen in de olie- en gasleidingen

en nationaal onderscheidend is in innovativiteit.

In de workshop bleek echter

de bekendheid van die innovatie nog

niet zo groot te zijn, noch de verbinding

met andere sectoren. Wel is in de regio

een sterke basis van toeleverende en

onderhoudende dienstverlening.

Bestuur en infra is hier een sterke tak

van sport, mede door de bewust geplande

concentratie in Noord Nederland

van besturen en de hardware van de

ICT-netwerken. In de ontwikkeling van

overheidsdecentralisatie, privatisering en

deregulering is hier een cultuuromslag

te verwachten, met een bijbehorende

potentiële bewustwording van de eigen

kracht van Groningen, bevrijd van

Haagse subsidies of zweefbanen.

De Kennisontwikkeling, voortvloeiend

uit de universiteit en andere clusters

richt zich op bv. nanotechnologie en met

name de medische technologie, onderzoeksvelden

die ook een warme belangstelling

uit het buitenland. Het kent

echter vooral ook een brede regionale

voet, met voor die zeer specifieke vakgebieden

een internationale uitstraling.

Cultuur en media is een Groningse cultuur,

waarin het relatief isolement ten

opzichte van de Randstad leidt tot een

eigenwijze visie, ruimte voor experimenten

en een sterke waardering voor een

Noord Nederlandse leefstijl. Groningen is

een bewuste keus en internationaal zijn

er enkele evenementen en attracties die

in hoog aanzien staan.

Groningen en wat er boven gaat

Juist die bewuste - vaak meer een

culturele dan economische - keus voor

de stad Groningen, die door de ligging

alleen al een zekere exclusiviteit kent,

is aanleiding genoeg om definitief voor

karakter en kwaliteit te kiezen boven

kwantiteit en Haagse ruilpolitiek. Alhoewel

de meeste clusters zijn ontstaan uit

aardgasbaten en rijksoverheidsbesluiten

uit het verleden, kan gesteld worden dat

vanaf nu de eigenzinnigheid van Groningen

bewezen èn benut moet worden.

Dan zou uitsluitend gezocht worden naar

activiteiten die de bestaande kwaliteiten

ten goede komen om die vervolgens

te stimuleren. Dat gaat overigens niet

over een elitaire, culturele keuze voor

alleen topinkomens en topmilieus, het is

hier bedoeld als een bewuste, gerichte

keuze op alle culturele en economische

niveaus. Van belang is het om die

kwaliteiten en economische clusters dan

samen met de belangrijke stakeholders

in de regio te zoeken, te bepalen en

vervolgens te bevragen op een wenselijk

ambitieniveau, schaalniveau en noodzakelijke

relaties met sterke clusters

elders. Daarvoor hier ook een allereerste

aanzet.

Waar het in ieder geval om gaat is dat

het schaalniveau waarin men thans veelal

opereert (regionaal of nationaal) in de

toekomst wordt gelegitimeerd door die

zaken die de regio op mondiaal niveau

onderscheidend maken. Een biomedisch

cluster is immers op dit moment in Leiden,

Maastricht, Utrecht en Groningen in

ontwikkeling. Bezien zal moeten worden

op welke vlakken beter een concurrentie

en op welke vlakken beter een samenwerking

of specialisatie aan de orde is.

Sommige van de voornoemde Groningse

clusters blijken dan wellicht op een

geheel ander schaalniveau dan dat van

Groningen of Noord Nederland te moeten

worden aangepakt. Zo zou in ieder geval

het Akkoord van Groningen verbreed

kunnen worden met het bedrijfsleven en

culturele vertegenwoordigers, zodat in

ieder geval de partners elkaar kunnen

vinden om gezamenlijk de lijnen uit te

50| 51

mei 2006 stad op scherp

zetten.

De Groningse ruimte

De vraag is hoe deze economische

clusters zich in de ruimte van de stad

manifesteren of beter: welke bijdrage

een project of ruimtelijke drager kan

bijdragen aan clustervorming? Het blijkt

dan lastig om er achter te komen of een

locatie of project voldoet aan particuliere

wensen van ondernemers en huishoudens.

Als individuele bedrijven en

huishoudens worden bevraagd dan blijkt

dat de vestigingsmogelijkheden zo groot

zijn geworden, dat interne motieven een

grotere rol zijn gaan spelen. Dan spelen

soms wel vijftig relevante vestigingsfactoren

een rol (EHQ Cisco in Amsterdam).

Denk daarbij ook aan de meer ‘zachte’

factoren als een aangename woonomgeving

voor medici van de R&Dsectie

van Crucell in Leiden, een internationale

school voor Chinezen voor de kinderen

van werknemers op het EHQ van Cosco

in Rotterdam) of een hip modemilieu

voor de winkel van Walter van Beiren-

donck in Antwerpen. De vestigingsfactoren

kunnen daar bovenop nog eens

binnen een paar jaar veranderen, dan

wel kunnen verhuisplannen uitgesteld

worden en kunnen ze verschillen van

bedrijf tot bedrijf, ook al zijn ze werkzaam

in dezelfde tak van sport (zo zit

Talpa HQ in Hilversum maar Viacom HQ

in Amsterdam Zuid Oost). 8

Groningse marktmeester

In dat dynamische en complexe veld

is het van belang om niet weer naar

nieuwe uitleglocaties te zoeken, alsof

het alleen maar gaat om het bieden van

fysieke ruimte. Belangrijker is het om de

specifieke kwaliteiten van het stedelijk

gebied en alle locaties beter in kaart te

brengen en vervolgens de pijlen te richten

op het laten ontmoeten en verbinden

van actoren rond bepaalde doelen.

Een bescheiden voorbeeld is daarbij de

atlas binnenwijkse bedrijventerreinen

van de gemeente Tilburg, waarbij omgevingswaarden,

economische waarden

alsmede regelgeving helder toegankelijk

‘Een Groningse cultuur, waarin het relatief

isolement ten opzichte van de Randstad leidt

tot een eigenwijze visie, ruimte voor

experimenten en een sterke waardering voor

een Noord Nederlandse leefstijl’


zijn. Helaas gaat het hier echter alleen

om bestaande locaties en klassieke bedrijventerreinen,

niet om woongebieden,

transformatiegebieden, culturele kenmerken,

noch om mede zoekende bedrijven.

Het is echter interessant om te bedenken

hoe deze interactie kan worden vormgegeven

rondom een thema, cluster,

vraagstelling of project. Indien een

structuurplan zich zou plooien naar een

soort Google, Marktplaats of Funda voor

de stad, zouden dergelijke interacties

veel gerichter of vaker tot stand kunnen

komen en zou sneller zichtbaar zijn wat

er voor nodig is om gewenste interacties

te stimuleren. De gemeente functioneert

dan simpelweg als marktmeester. Het is

een proces waarin locaties vooralsnog

alleen bestaan uit een zeer uitgebreide

database van bijzondere factoren en

waarin stakeholders zoeken naar noodzakelijke

of verrassende verbanden. Hier

volgen enige mogelijke verrassende verbanden

die gestimuleerd zouden kunnen

worden. Website van http://atlas.tilburg.

nl/bedrijventerreinen/

Het Zernike-netwerk

Het Zerniketerrein is thans het ICT- en

kennisterrein in ontwikkeling. Zoals bij

soortgelijke terreinontwikkelingen in

Delft, Eindhoven, Leiden en Enschede

is gekozen voor een campusmodel op

een groot terrein dat geïsoleerd ligt van

de stad. Alle steden behalve Eindhoven

kampen met dezelfde problemen: een

gebrek aan een start-aantrekkelijkheid,

beperkende regels rondom kernfysica

of biotechnische laboratoria, een nog

relatief zwak gefundeerd cluster en

een sterke ruimtelijke sturing van de

overheid. Groningers houden bovendien

sterk vast aan een oriëntatie op

de binnenstad, met name ook voor de

sociaalculturele activiteiten. Het versterken

van het kenniscluster betekent hier

dan ook het verbinden van het geïsoleerde

terrein met de sterke waarden

en kenmerken van Groningen en de

Groningse cultuur. Daarin kan het terrein

of het aanbod zich gaan onderscheiden

van de overige terreinen in Nederland.

Dat kan door fysieke maatregelen, zoals

een bijzonder eigen treinstel op de

Kolibri, maar misschien eerder door de

supercomputer Stella en Lofar als internationale

attractie en culturele magneet

te promoten. Mogelijk zit hier ook een

verband met het energiecluster en de

culturele bedrijvigheid. Het kenniscluster

zit bovendien niet alleen op Zernikeborg

of rond het stadscentrum. Om een Gronings

kenniskarakter te creëren zouden

ook bijzondere Zernike kennislandgoederen

in het ommeland (of buitenland)

kunnen worden opgezet, bijzondere

typen kenniswoningen in woonwijken,

een kennishal waar innovaties worden

uitgewisseld of merchandising wordt

geprofessionaliseerd, mits hierin een

sterke eenduidige lijn en samenhang

in is gebracht. Op deze wijze is er niet

5 | 53

mei 2006 stad op scherp

‘Juist in woongebieden is sinds de jaren 70 een

structurele opschoning aan het plaatsvinden:

hinderbedrijven en benzinestations

zijn weggesaneerd’

zozeer sprake van functiemenging, maar

van nieuwe verbanden die het cluster op

Groningse wijze versterken.

Stadsevolutie

De oude bedrijventerreinen langs de

kanalen bieden hoogstwaarschijnlijk veel

kansen voor (door)startende bedrijven

in de dienstverlening of ondersteunende

kleinschalige producties. Bedrijvigheid,

hoe rommelig ook, is van essentieel belang

voor de stad en veel bedrijven zijn

afhankelijk van goedkope ruimten. In

plaats van het Damsterdiep uitsluitend

als potentieel binnenstedelijk plangebied

- voor met name wonen - te zien is een

langzame transformatie met versterking

van bedrijvigheid als motor voor

stedelijkheid te overwegen. Wonen zal

dan waarschijnlijk alleen voor specifieke

doelgroepen geschikt zijn, groepen die

sterk verbonden zijn aan een bepaald

type bedrijvigheid. De nabijheid van het

stadscentrum is een evident voordeel,

maar niet noodzakelijk de enige orientatie.

Het water kan bv. een nieuwe

- functionele, logistieke en regionaal

dragende - rol krijgen. In een actorgerichte

benadering 9 is de aanwezigheid

van bestaande bedrijven van essentieel

belang voor clustervorming of wederzijdse

complementariteit. Ikea, gevestigd

op het Eemskanaalgebied zou dan bv.

mee kunnen werken aan een inrichting

en thematisering van het woon-werkgebied.

Zoiets ligt in de reguliere planning

niet voor de hand, maar zou bij een

actorgerichte benadering tot enerzijds

een verrassend nieuw milieu of cluster

kunnen leiden en anderzijds tot een sterkere

lokalisering van Ikea.

Activiteitenclusters

En tenslotte de woonwijken. Enerzijds

vindt dus hier in feite de meeste bedrijvigheid

plaats (zeker 50% van het aantal

bedrijven zit in de woonwijken, echter

waarschijnlijk slechts rond 10-20% van

de werkgelegenheid), anderzijds lijken

woonmilieus steeds gevoeliger te zijn

voor hinderfuncties. Juist in woongebieden

is sinds de jaren 70 een structurele

opschoning aan het plaatsvinden:

hinderbedrijven en benzinestations zijn

weggesaneerd, kleinschalige detailhandel

is over de kop gegaan, ambachtelijke

beroepen, kerken en buurthuizen zijn

zo goed als verdwenen en scholen zijn

gefuseerd tot gemeenschappen. Om de

huisvrede te beschermen zijn woningen

beveiligd en geïsoleerd, waarbinnen een

volledig geoutilleerde uitrusting zorgdraagt

voor het virtuele contact met de

buitenwereld. Iedere parkeerplaats en

ieder stukje groen, de enige twee zaken

die er nog toe doen in de publieke

woonomgeving wordt met hand en tand

verdedigd. Maar ondanks deze extreme

uitkleding van het woonmilieu, blijken

de mensen binnen de woningen een

grotere differentiatie te kennen: immigranten,

ouderen, jongeren, alleenstaanden

en gebroken gezinnen zijn allemaal

nieuwkomers in een veld dat voorheen

door het traditionele gezin werd

gedomineerd. Per buurt of wijk kunnen

de mogelijkheden van activiteiten

voor doelgroepen of leefstijlen worden

gekarteerd ten einde ze ten volle te

benutten. In feite op dezelfde wijze als

het voornoemde Google, Funda of Marktplaats

kunnen dan activiteiten worden

geclusterd. In hoeverre is het demografisch,

fysiek, logistiek en economisch

profiel van een buurt dan geschikt voor

bv. een specifieke vorm van verzorging

(bv. alternatieve zorg, ouderenactiviteiten

of buitengewoon onderwijs) en

ondernemerschap (bv. een cluster van

naaiateliers, food-detailhandel of een

packingstation bij een Kolibrihalte). Op

basis van die profielen kan een wijk/

plek meer of minder geschikt zijn voor

bepaalde activiteiten van economische

clusters of voor bepaalde huishoudens.

De vraag was welke nieuwe combinaties

in de stad Groningen kunnen ontstaan.

In principe zijn eindeloos veel functiecombinaties

en ook veel verbindingen

tussen clusters mogelijk. Het pleidooi

van dit essay is niet om doelbewust

een bepaalde mengvorm of een gedifferentieerd

gebied te duiden. Gepleit

wordt om de geschetste clusters beter

te duiden, verbindingen te maken en om

vervolgens het ruimtelijk beleid samen

met mogelijke stakeholders daarin zeer

precies en consequent te laten faciliteren.

Daartoe zal ook enige ontschotting

nodig zijn binnen de gemeente zodat die

met de buitenwereld nieuwe verbanden

aan kan gaan.

versie 2.1 8-3-2006

In het kader van Stad op Scherp

2005-2006

Voetnoten

1 zie bv. Global Shift: Reshaping the

Global Economic Map in the 21st Century,

4th edition Peter Dicken 2003;

London

2 Een voorbeeld is Heerlijkheid Heuvelland,

nieuwe markten voor toerisme

in het Limburgs Heuvelland, Urban

Unlimited 2005

3 zie Marshall McLuhan’ s Global Village

in The Gutenberg Galaxy, 1962

4 Enquete EZ ‘Wie werken er in de

nieuwe wijken? en Werken aan huis

in van Starkenborgh en Reitdiep (en

Zilvermeer) 2005

5 zie bv. Ann Markusen ‘Sticky Places in

Slippery Space’ in Economic Geography

1999

6 Het akkoord van Groningen, Groningen,

knooppunt van kennis, 2004

7 Economic Board of Development Rotterdam

Economische visie en analyse

2004

8 Studie naar de internationale concurrentie

van de mainports Rotterdamse

haven en Schiphol luchthaven, uitgevoerd

in opdracht van Connekt en in

samenwerking met Stratagem, 2005-

2006.

9 Voorbij de stad en voorbij het plan,

Boumalezing Luuk Boelens 2005


IF EVERYTHING SEEMS UNDER CONTROL,

YOU’RE NOT GOING FAST ENOUGH

5 | 55

mei 2006 stad op scherp

- Mario Andretti


Over Nieuwe Garde

Nieuwe Garde is een netwerk voor jonge creatieven.

Waarbij we onder jong verstaan “jong van geest”

en onder creatief “iedereen die denkt en maakt

tegelijk”. In 2004 werd de stichting opgericht door

drie jonge creatieven uit Groningen. Inmiddels is

er, naast de afdeling Groningen, een zelfstandig

bestuur in Rotterdam actief. In anderhalf jaar tijd

groeide het aantal leden tot ruim 1800.

Manifest Nieuwe Garde

Een creatief persoon combineert in onze ogen

scheppend vermogen met een open houding. Deze

eigenschappen komen samen in het vermogen van

deze persoon om nieuwe betekenisvolle verbanden

te maken. We willen in het netwerk van deze creatieven

optreden als katalysator en dat netwerk

tastbaar maken voor de creatieven zelf en zichtbaar

voor de samenleving als geheel. Waarom?

Dat vertellen we u graag.

1. Het tastbaar maken van het netwerk in uiteenlopende

projecten biedt creatieven de kans zich

te spiegelen aan andere creatieven. Uitgangspunt

hierbij is het doorgeven en uitbreiden van kennis en

vaardigheden. Nu ontmoeten creatieven elkaar incidenteel

en voornamelijk binnen hun disciplinaire

kaders. NG vindt dat naast de disciplinaire verschillen,

creatieven veel overeenkomsten kennen. Juist

de combinatie van verschillen en overeenkomsten

biedt een inspirerend spanningsveld. NG wil daar

speelruimte voor creëren. De noodzaak voor deze

speelruimte komt in de twee volgende punten naar

voren.

2. Het tastbaar maken van het netwerk geeft de mogelijkheid

elkaar te ontmoeten onder een bredere

definitie dan gebruikelijk is. Onze (post-)moderne

samenleving kent vele ambivalente fenomenen.

Het inhoud geven aan een authentieke identiteit is

daar een van. Dit fenomeen geeft ons enerzijds de

vrijheid om zelf keuzes te maken betreffende het

vormen van onze identiteit. Anderzijds schept het

ruimte voor een gefragmenteerde persoonlijkheid.

5 | 57

mei 2006 stad op scherp

We worden tegenwoordig op velerlei manieren aangesproken

maar nooit herkennen we in de aangeboden

informatie onszelf als geheel. NG is van

mening dat er behoefte is aan overkoepelende

verhalen en tegelijkertijd een authentieke identiteit.

Bij NG is men niet alleen man, vrouw, student,

kunstenaar, Nederlander of consument. Bij NG is

iemand alles tegelijkertijd, verbonden door een

specifiek verhaal: Creativiteit.

3. Het concretiseren van het netwerk geeft ruimte

aan creativiteit. Creativiteit is in onze ogen een

noodzakelijke voorwaarde voor een leefbare en

flexibele samenleving. In haar projecten wil NG

risicovolle speelruimte creëren, vrij van de gebruikelijke

politieke, sociale en economische belangen.

Door het wegnemen van bijvoorbeeld commerciële

belangen wordt deze ruimte aanzienlijk vergroot.

Het creëren van zo’n speelruimte wil niet zeggen dat

deze vrijblijvend is. Volgens NG is een voorwaarde

voor relevante creativiteit dat zij niet vrijblijvend is.

Wil Creativiteit van betekenis zijn voor betrokkenen

dan is het nodig de grenzen van de speelruimte te

kennen.

Een project waarin deze drie aspecten nadrukkelijk

naar voren zijn gekomen is acht-uur overwerken

voor een goed doel. Creatieven uit heel Nederland

hebben teams gevormd en zijn aan de slag

gegaan met een concrete vraag van een bestaand

“Goed Doel”. De speelruimte werd daarbij duidelijk

aangegeven: “Zorg - met uiteenlopende onbekende

creatieven - in acht uur voor een uitvoerbaar concept

ten behoeve van het betreffende goede doel”.

Acht-uur overwerken en andere georganiseerde

projecten illustreren dat door het risicovol ruimte

geven aan creativiteit de betrokkenheid en verantwoordelijkheid

van de deelnemers vergroot wordt.

NG heeft inmiddels een vertrouwen in de capaciteit

van haar netwerk. Dit vertrouwen heeft zich onder

meer vertaald in de organisatiestructuur van NG.

Het bestuur van NG initieert, geeft richting en fungeert

als aanspreekpunt. Daarnaast zijn zelfstandige

werkgroepen actief, zowel tijdelijk als permanent.

Zo kan voor ieder nieuw project een specifieke

werkgroep worden samengesteld. De inhoud en

vorm van een project wordt bepaald door de personen

in de betreffende werkgroep. Hierdoor krijgen

de werkgroepen ruimte voor hun eigen dynamiek.

Het verhaal van Creativiteit wordt dus geschreven

door haar betrokkenen.

Voorwoord

Wie heeft dat bedacht? Om Nieuwe Garde te vragen

“verdieping” te geven aan een thema dat leeft bij de

dienst RO/EZ van de gemeente Groningen. Nieuwe

Garde is een club die bekend staat om haar frisse

ideeën, maar ook om een afkeer van stroperigheid

en projecten die te lang duren.

Tot grote vreugde van het bestuur moest dit project

echter “gisteren af” en was de informatie fuzzy

genoeg om creatieven mee te prikkelen, maar niet

zo vaag dat we er geen kant mee op kunnen.

[ adem in ] Verdieping zoeken op een thema,

gedistilleerduiteenaantalideeëndieontstaanwaren

uit de wens om de dienst RO/EZ op scherp te zetten.

Dat was de bedoeling van onze denktank. [ adem uit ]

Bestaand uit een aantal scherpe denkers uit het

bestuur en het netwerk van Nieuwe Garde. Die haddenwedanookwelnodig,wantzoalsuitbovenstaand

zinnetje te lezen is, was de opdracht abstract en

complex. Vijf concrete vragen moesten ons houvast

geven. Na het nodige debat rond de vragen zijn we

op een helder gezamenlijk standpunt uitgekomen.

Maar we nemen wel graag van deze gelegenheid

gebruik om de lezer te waarschuwen:

1. Nieuwe Garde heeft altijd beweerd “bewust naïef”

te zijn. Dat laat de deur open voor een heleboel zaken

die je anders al snel weg zou wuiven: “te moeilijk”,

“dat heb ik nog nooit eerder gedaan”, “dat is vast

al eens gedaan”. Die naïeviteit kent voor zichzelf

sprekende voor- en nadelen. Een voordeel is dat we

geen uitdaging te groot vinden (hoogstens te langzaam,

te voor de hand liggend of oninteressant).

Een nadeel is dat we ons er niet eerst van vergewissen

dat we alles weten wat er te weten valt van het

onderwerp. Dat werkt ontwapenend en dat komt

ons goed uit.

2.Demeestedeelnemersaandedenktankdieoverdit

onderwerp hebben meegesproken, zijn aanhangers

van de “verlichte alleenheerser”. Democratie

vertraagd onnodig en zorgt er primair voor dat de

personen die op een zeker moment aan de macht

zijn, het grootste gedeelte van hun tijd spenderen

aan het consolideren van die positie. Wij spreken

dan ook niet in termen van “de politiek moet dit”,

“de wethouder zou zus” en “de koningin moet zo”.

Wij spreken in oplossingen. Wie ze wil gaan uitvoeren

zal ons worst zijn.

3. Om nog een stapje verder te gaan: Nieuwe Garde

houdt zich het liefst verre van politiek. Wij merken

dat echte groei en vooruitgang voortkomt uit de

intrinsieke motivatie van een individu. De schaakstukken

die verzet worden in de top van het bedrijfsleven

en in de overheid omzeilen wij normaliter door

direct met het individu om tafel te gaan zitten die

iets voor elkaar wil krijgen. Wij zijn er dan ook van

overtuigd dat er helemaal niets met onze adviezen

zal gebeuren, tenzij een individu ze te lezen krijgt

die er A) heil in ziet en B) persoonlijk gemotiveerd is

om verandering te veroorzaken.

Laat overigens niet het beeld ontstaan dat wij zelf

geen heil zien in deze exercitie. Het denktankteam

heeft de discussie ervaren als een zeer inspirerende

en zinvolle bezigheid. En aangezien wij bewust naïef

zijn, geloven wij ook dat er met onze bevindingen

zeker een aantal mensen positief geprikkeld zullen

worden. Is het niet door onze kijk op de problematiek,

dan hopelijk wel door onze manier van denken.


Vragen met handvat

De vijf vragen

Nieuwe Garde is met vijf vragen van start gegaan.

Geformuleerd door RO/EZ om ons een handvat te

geven in de materie:

1. Herkennen jullie de trend waarbij gebieden steeds

meer verkleuren van monofunctioneel naar multifunctioneel?

2. Herkennen jullie de trend dat steden zich steeds

meer ontwikkelen in netwerkverband?

3. Welke nieuwe combinatiemogelijkheden van

functies leveren bovenstaande trends op?

4. Op welke lokaties doen de trends zich het sterkst

voor en welke kansen en bedreidingen ontstaan

daarmee?

5. Waar moet de gemeentelijke overheid verschillen

bevorderen en waar initiëren en afremmen?

Flexibiliteit en vrijheid

Wij hebben in ons korte bestaan al de nodige flexibiliteit

van de gemeente Groningen en haar politiek

nodig gehad. Met wisselend succes. Wij kunnen

onmogelijk de vergelijking met andere gemeenten

trekken en daar een waarde oordeel over vellen,

maar ten opzichte van het bedrijfsleven is het

verschil in flexibiliteit wel erg groot. Onze eerste

reactie op de vraagstelling was dan ook: wij willen

graag onze adviezen kwijt over de manier waarop

de gemeente zich op zou kunnen stellen in

“de creatieve stad” om verder te groeien. Maar in

bovenstaande vraagstelling kunnen we dat advies

onmogelijk kwijt. RO/EZ en Nieuwe Garde spreken

wellicht dezelfde taal, maar delen geen hobby’s.

Ondanks dat we het beide vaak hebben over de

creatieve stad en wat we daarmee zouden moeten

doen of juist laten.

5 | 59

mei 2006 stad op scherp

Antwoorden

Om dichterbij elkaar te komen, hebben we besloten

niet simpelweg onze kant van het verhaal te vertellen,

maar eerst antwoord op de vragen te verzinnen

en daarmee langzaam maar zeker naar elkaar toe te

komen.

Herkennen jullie de trend waarbij gebieden

steeds meer verkleuren van monofunctioneel

naar multifunctioneel?

Als we heel erg eerlijk moeten zijn: nee. Als we naar

het Europapark kijken bijvoorbeeld, zien we wel

woningen én kantoorruimte én een voetbalstadion,

maar zonder echte onderlinge relatie. Je kunt dus

theoretisch wel spreken van multifunctioneel, maar

elk type gebruiker van het gebied, maakt slechts

op één of wellicht twee manieren gebruik van het

gebied. Daar zien wij dus geen trendbreuk in. Het

Zernike complex kent een vermenging tussen de

wetenschap en het bedrijfsleven, maar niet vanuit

een plotselinge fusie tussen de twee. Maar vanuit

de wens van de Universiteit om zich zakelijker te

ontwikkelen. Voor het reguliere bedrijfsleven is de

functiemenging dus nauwelijks relevant. Daarnaast

is de Universiteit al eeuwen aanwezig in de binnenstad

van Groningen waar elke mogelijke functie te

vinden is. Andermaal geen trendbreuk.

In het idee “Polygroningen” wordt gerekend met

bolletjes die aan elkaar verbonden worden. Waarbij

de bolletjes centra kunnen worden van onder andere

wetenschap, onderwijs, handel of een combinatie

daarvan en de draden die de bolletjes verbinden

kunnen groeien doordat ze een groot aantal reizigers

te verwerken krijgen.

Polygroningen zou echter volgens ons niet moeten

gaan over “wat” en “waar”, maar over “wie”. Wie

heeft er belangen in de polycentrische stad? En

welke eigenschappen maken een stad eigenlijk

polycentrisch? Een groot aantal op elkaar lijkende

centra (zoals ook gesuggereerd in “Verkleuren of

verschieten”) biedt weinig voordelen voor de inwoners

van een stad, anders dan dat er altijd wel “een

centrum” bij ze in de buurt is. Gebieden met een

centrum dat een sterk eigen karakter heeft, werken

echter wel.

Groningen kent natuurlijk al een aantal wijken

met een centrum dat een sterk eigen karakter kent.

De Oosterpoort bijvoorbeeld is een stadse

wijk met een levendig karakter. Zelfvoorzienend

als het gaat om faciliteiten en toch strak tegen

het centrum aan. Helpman kent dezelfde situatie.

In steden als Amsterdam of Parijs bevinden

zich ook talloze “centra” die voor het ene type be-

woner relevanter is dan voor de ander. Oud-Zuid

biedtalleswathaarbewonersnodighebben.Winkels,

galeries en restaurants. Terwijl Amsterdam-Oost

met bijvoorbeeld de Dappermarkt zijn eigen charme

kent. Relevant voor de bewoners van de buurt, maar

ook voor de stad als geheel. Het geeft culturele

rijkdom aan een stad. Geeft een buurt de mogelijkheid

een eigen identiteit te ontwikkelen, los van

“het centrum waar alles om draait”. Een polycentrische

stad zorgt ervoor dat je verrast kan worden

in je eigen omgeving en er iets te ontdekken blijft.

Essentieel voor een creatieve stad.

Het succesvol ontwikkelen van “een centrum” of

deze nou monofunctioneel of multifunctioneel is,

zou volgens ons veel meer moeten gaan om de leefstijlen

van individuen, dan grote koepelbegrippen

als “medische wetenschap”.

Verderop komen we terug op de noodzaak te dereguleren,

te laten groeien en ontstaan en te

ontplannen. Waar denk je immers zelf het geluk

eerder te zullen vinden? Almere of Amsterdam?

Herkennen jullie de trend dat steden zich

steeds meer ontwikkelen in netwerkverband?

Dit klinkt ons als Chinees in de oren. Niet zozeer

omdat we niet begrijpen wat er staat, maar omdat

er begrippen na elkaar gebruikt worden die dermate

abstract zijn, dat ze de relatie tot de werkelijkheid

op een haar na kwijt zijn. Voor zover steden zich

ontwikkelen -en niet slechts het lijdend voorwerp

van haar bewoners zijn- doen ze dat zeker niet in

netwerkverband.

Ménsen gaan relaties aan. De vertegenwoordigers

van steden kunnen hoogstens afspraken vastleggen.

De ontwikkeling van netwerken is in een versnelling

terechtgekomen door een aantal factoren:

a) De vergrootte fysieke mobiliteit van mensen.

b) De veelheid en diversiteit aan communicatiemiddelen

die we tot onze beschikking hebben.

c) De relatieve groei van de waarde van sociaal

kapitaal.

Individuen profiteren daardoor van een grote

slagkracht als het gaat om bijvoorbeeld zakendoen

of het wonen op een plek waar ze (nog)

niet bekend zijn. Een netwerk brengt in zichzelf

kennis en opent deuren, maar biedt daarnaast

toegang tot een schier oneindige voorraad extra

kennis en toegang. Dat geeft een stad dus geen concurrentievoordeel.

Het netwerk maakt het individu

immers mobieler en minder afhankelijk van zijn vestigingsplaats.

De vertegenwoordigers van een stad

hoeven dan ook niet een netwerkstad te ontwik-

kelen. Dat gaat vanzelf. Maar het faciliteren van

netwerkende bewoners zou wel bovenaan de

prioriteitenlijst kunnen staan. En dan gaat het niet

primair om een glasvezelkabel of een zweeftrein,

maar om een stad die zich in hetzelfde tempo blijft

ontwikkelen als haar bewoners. Waar bijvoorbeeld

online dienst-verlening van de gemeente geen

grote verdienste is, maar een voor de hand liggende

service.

Welke nieuwe combinatiemogelijkheden

van functies leveren bovenstaande trends

op?

Op welke lokaties doen de trends zich het

sterkst voor en welke kansen en bedreidingen

ontstaan daarmee?

Waar moet de gemeentelijke overheid verschillen

bevorderen en waar initiëren en

afremmen?

Aangezien wij genoemde trends niet als zodanig

herkennen, kunnen we moeilijk nieuwe combinatiemogelijkheden

verzinnen of de plekken waar ze zich

voordoen beschrijven.

De overstap

Van Nieuwe Garde-antwoorden op RO/EZ vragen,

gaan we nu naar Nieuwe Garde-antwoorden

op Nieuwe Garde-vragen. Want over flexibiliteit is

hiermee niet alles gezegd.


Spelregels van de

creatieve stad

Nieuwe Garde heeft zich ten doel gesteld het

klimaat voor jonge creatieven te verbeteren en het

begrip “de creatieve stad” en de hype eromheen

komt ons dan ook niet altijd slecht uit. Waar wij

minder gelukkig mee zijn; de eindeloze discussies,

THERE ARE NO SHORTCUTS

TO ANY PLACE WORTH GOING

vergaderingen en congressen, die allemaal uitgaan

van iets waar we jarenlang de japanners om

verguisd hebben en tegenwoordig de chinezen:

“reverse engineering”. Iets dat succesvol is, uit

elkaar pluizen, goed bestuderen en namaken.

Richard Florida beschreef San Francisco als een

creatieve stad. Voor iedereen voordeel, want zo

werd uitgerekend, niet alleen is een creatieve stad

leefbaarder dan een gewone stad. Nee,

een creatieve stad is ook welvarender. Kenniswerkers

verdienen namelijk aanzienlijk meer dan

zij die elke dag een trucje herhalen. En zo vielen

de beleidsmakers over elkaar heen in de haast om

zo snel mogelijk van hun stad een creatieve stad te

maken. Ieder z’n eigen San Francisco. Als we maar

homo’s en bohémiens hebben. Als we de kunstenaars

maar met de bedrijven in contact brengen

en gekke dingen laten doen. Dan zal ook onze stad

floreren en als creatieve stad te boek staan.

Eén essentieel ingrediënt ontbreekt echter in die

werkwijze: creativiteit zelf. Creativiteit wordt gevoedt

door de omgeving: de prikkels die zij biedt,

maar ook de randvoorwaarden die ze kan opleggen.

Een centrale ligging kan creativiteit in de hand

werken, maar een perifere ligging kan creativiteit

noodzakelijk maken. Het San Francisco-model is niet

per definitie toe te passen op elke stad ter wereld.

Zo ontdekte ook Richard Florida, toen hij de studio’s

van Peter Jackson in Nieuw-Zeeland bezocht had.

0| 1

mei 2006 stad op scherp

De mensen die daar werkten gaven aan dat ze helemaal

gek zouden worden als ze in Los Angeles,

Tokyo of New York aan het werk zouden moeten.

De rust die de natuur hen daar bood en het inspirerende

gezelschap van zoveel andere creatieven was

voor hen de reden om daar te gaan wonen.

De zoektocht zou zich dan ook niet zozeer moeten

richten op “de” creatieve stad, maar op de moderne

mens en wat die in Groningen kan vinden. Bezwaar

in die aanpak is echter dat de prestige uit het begrip

“de creatieve stad” verdwijnt als het niet meer

gaat om “een mooiere wereld voor ons allemaal”,

maar om een realistische kijk op een leefbaardere

stad Groningen. De gedrevenheid moet dan komen

uit de mensen die daarmee aan de slag gaan zelf. In

tegenstelling tot de rode lap die ons voorgehouden

wordt onder de noemer “creatieve stad”.

- Beverly Sills

Begripsverwarring

Hopende het begrip “creatieve stad” een juiste plek

te hebben gegeven, nemen we nu de centrale begrippen

“vrijheid” en “flexibiliteit” onder de loep.

Vrijheid is feitelijk een politiek begrip in deze situatie.

In hoeverre reguleer je iets? In hoeverre laat je

iets gaan? Als je 100 jonge creatieven vraagt wat ze

daarvan vinden, zul je 100 verschillende antwoorden

krijgen. Daar branden wij ons dan ook niet aan. De

deelnemers aan deze denktank kunnen niet gezien

worden als “de vertegenwoordigers van het netwerk

nieuwe garde”.

Flexibiliteit daarentegen is een kernbegrip als

het gaat om creativiteit an sich. Creativiteit

wordt geprikkeld door grenzen en beperkingen.

Iets wat in eerste instantie onmogelijk lijkt, is met

de juiste drive de aanleiding om creatief aan de slag

te gaan. “Kunnen we het passend krijgen door het

om te draaien?” “Als we die voorwaarde nu eens aan

kunnen passen?” “Zouden we het niet kunnen combineren

met?” Dat zijn de vragen die gesteld worden

als een probleem met creativiteit opgelost moet

worden. En om te kunnen puzzelen met oplossingen

heb je flexibiliteit van geest nodig, maar ook

van middelen. Daarin ligt niet alleen op uitvoerend

niveau een uitdaging voor RO/EZ, maar ook in

het veranderen van het zelfbeeld van de dienst. En

dat zelfbeeld wordt gevormd door de individuele

medewerker.

Daarmee permitteren we ons een kleine zijstraat:

Nieuwe Garde draait vóór alles op de intrinsieke

motivatie van de deelnemers. Als een individu echt

graag wil groeien als bijvoorbeeld fotograaf, kan hij

binnen het netwerk van Nieuwe Garde met die drive

iets concreets ondernemen. Daar is een beetje lef

voor nodig, maar vooral het gevoel dat de wereld

niet instort als het mislukt. Die voorwaarde wordt

altijd gewaarborgd in onze projecten, waardoor er

opmerkelijk meer van de grond komt, dan in een

omgeving waarbij een mislukking verlies van aanzien

tot gevolg heeft. Creativiteit gedeidt alleen als

er ruimte is om stappen te maken en misstappen

horen daarbij. Schep dus de ruimte om onderuit te

gaan, en biedt een reden om te experimenteren.


10

Groningen als

cr34t13v3 st4d

Groningen wordt door alle deelnemers aan onze

denktank positief gewaardeerd. Dat heeft te maken

met vooroordelen en gewenning, maar ook met een

aantal unieke voordelen die onze stad kent. Het is

groot genoeg om nieuwe plekken te ontdekken of

nieuwe mensen te leren kennen. Maar klein genoeg

om niet te verdwijnen in de schaal van de stad. Het

ligt centraal voor de Noordelijke provincies en heeft

daarom een keur aan podia, uitgaansgelegenheiden

en winkels, maar ligt decentraal genoeg om ook van

de rust van het Noorden te kunnen genieten. De

grote studentenpopulatie zorgt voor een levendige

binnenstad, maar is niet zo groot dat we het idee

hebben allemaal op een campus te wonen.

Groningen is in onze ogen een prachtige stad om

te wonen. Juist omdat het geen Amsterdam is en

zeker geen San Francisco. In de benadering van dit

vraagstukhoudenwedanookrekeningmetdeunieke

kenmerken van de stad Groningen.

We komen dan ook graag terug op een aantal zaken

dieeerdergenoemdzijn.De“dorpenindestad”,zoals

Helpman en de Oosterpoort zijn historisch ontstaan

en gegroeid en hebben beide een eigen atmosfeer

die een enorme toevoeging betekent voor het

leefklimaat in de stad.

En eigenlijk komen we daarmee direct op onze

eerste stellingname als het gaat om vrijheid en

flexibiliteit.

Laat het toeval toe

De aantrekkingskracht van een stad zit hem in zijn

onvoorspelbaarheid en grilligheid. En om dat in deze

moderne tijden van controle en efficiency in beleid

toe te laten moet je lef tonen. Moderne technieken

zorgen ervoor dat we elke ondergrond kunnen

knechten, elke straat recht kunnen trekken als we

dat willen. Maar willen we dat?

Nu zijn we wellicht bewust naïef, maar we zijn niet

achterlijk. “Money makes the world go round”, Daar

kom je ook als RO/EZ niet onderuit. Maar als de

dienst haar rol niet alleen interpreteert als verkeers-

| 3

mei 2006 stad op scherp

agent op het gebied van ruimtelijke ordening,

maar ook als voorvechter van een spannende

stad, biedt dat mogelijkheden. Hier komen we in

het volgende hoofdstuk op terug. Met de overtuiging

dat Groningen inspirerend en aantrekkelijk

moet zijn, heeft RO/EZ de mogelijkheid

om een speler te zijn in het groeien van de creatieve

stad. Maar alleen als je ervan overtuigd bent, dat

die gedachte niet “maakbaar” is. Een gebied heeft

tijd nodig om organisch te groeien*. Organisch

betekent dat je dus ook niet weet wat er precies uit

gaat komen. Dat je los moet laten op het einddoel

te sturen, maar het proces moet gaan begeleiden.

Daarin ligt echte flexibiliteit en vrijheid.

Gebieden in de stad worden dan niet meer ontwikkeld,

maar laat je zichzélf ontwikkelen. Zoals het

ORKZ (Oude RKZ in Helpman) uitgegroeid is van een

krakersnest, tot een goed gereguleerde kolonie van

kunstenaars en studenten. Geen prestige-object,

geen troffee voor een beleidsmaker, maar wel een

relevante toevoeging aan de diversiteit in de stad.

In de wereld van het tuinieren is het een tijd goeie

sier geweest om op zoek te gaan naar “ecologisch

evenwicht”. Flora en fauna werden dan zo bij elkaar

geschikt dat het onkruid niet de bloemen verstikte,

de bomen niet zoveel schaduw gaven dat er niets

meer onder wilde groeien, maar alles zich uiteindelijk

zelf moest kunnen redden. Dat vereist geduld,

lef en uithoudingsvermogen.

>Laatduslegeplekkenoverindestadwaarietsnieuws

kan ontstaan.

>

>

>

> Onderneem grote activiteiten op minder voor de

hand liggende plekken.

> Denk op het niveau van de gebruiker van een

bepaald gebied.

> Nodig mensen uit die geen enkel belang hebben in

een project om er eens kritisch naar te kijken.

> Start een “ondergrondse” binnen de dienst RO/EZ

waarbij de voorvechters van de inspirerende stad

elkaar in het geheim ontmoeten.

* Zie ook de film “Being There”

11

De multifunctionele

dienst

Michael Jackson zong al eens: “I’m starting with

the man in the mirror. I’m asking him to change

his ways”. Nu nemen wij over het algemeen niet al

te veel aan van iemand die een colafontein in de

tuin heeft en een aap als huisdier. Maar van de nodige

zelfreflectie zijn wij niet vies. Een beter milieu

begint immers ook bij jezelf.

RO/EZ als inspirator

Als je iemand opdracht geeft een huis voor je te

bouwen zal het noodzakelijk zijn om aan te geven

wat niet kan. Er zitten nu eenmaal limieten aan het

budget dat je te spenderen hebt em de hoeveelheid

tuin die je over wilt houden. Als je echter iemand op

pad stuurt met alleen de restricties en niet een mooi

einddoel voor ogen, krijg je hoogstwaarschijnlijk

de meest voor de hand liggende woning. Als je echter

gehoopt had op een inspirerende plek om te wonen,

dan had je toch echt specifieker moeten zijn. RO/EZ

heeft als taak afspraken te handhaven, beleid op te

stellen en te toetsen of alles volgens die afspraken

en dat beleid gerealiseerd wordt. Wij zouden graag

zien dat RO/EZ zijn taak ook op een wat abstracter

niveau interpreteerde. Zoals hiervoor ook al gesuggereerd

is: formuleer een persoonlijke missie

en gebruik niet alleen je formele macht als dienst.

Maar ook je invloed. Werken bij RO/EZ hoeft geen

schaken te zijn wat ons betreft. Als er individuen bij

de dienst begaan zijn met de stad en haar groei als

inspirerende plek voor al haar inwoners willen cultiveren,

dan is aan RO/EZ ook de taak als inspirator te

dienen. Het voortouw te nemen in gesprekken met

ontwikkelaars. Hen te laten zien wat er te vinden is

in de stad en gevoel te geven voor de markt hier, zodat

ze een bedrijventerrein ontwikkelen die past bij

de unieke cultuur hier en niet hun masterplan voor

Almere copy-pasten.

Voordat we nu iedereen het hoofd op hol brengen;

twee dingen. Allereerst we spreken hier van een

platform X. Een ultiem doel dat je voor ogen moet

houden om het eerstvolgende doel vast te kunnen

stellen en gemakkelijker te bereiken. Wij suggereren

niet de dienst RO/EZ te kunnen heruitvinden. Maar

we willen graag handreikingen doen om het vuur

aan te wakkeren van hen die ambities voor de stad

hebben. En daarbij geldt dat iedereen in de dienst

moet kijken naar zijn eigen positie. De invloed die hij

uitoefent en de mogelijkheden die hij kan scheppen.

Vervolgens is het aan de top van de dienst om

ambitie te belonen.

Ten tweede ruiken wij het gevaar voor doelloos

brainstormen en “leuke ideeën verzinnen”.

Pas daar voor op: zonder bezieling geen zinvolle

creativiteit. Beperkingen leveren interessante mogelijkheden

voor creativiteit, maar alleen de intrinsiek

gemotiveerden halen daar iets uit. Beloon dat en de

creatieve stad ontwikkelt zich ook binnen je eigen

dienst.

Valkuilen genoeg, maar als de neuzen dezelfde kant

op gaan kan RO/EZ meer zijn dan een “dienst” alleen.

Wij dagen jullie bij deze uit.

Humor in de planning

Statige rapporten en urenlange seminars. Ze komen

niet alleen voor in de wereld van de overheid. In het

bedrijfsleven worden ook bakken met geld verdiend

met inefficiente manieren van communiceren. Wij

raden jullie het volgende aan als je flexibiliteit in de

dienst wilt: schrijf het zo bondig mogelijk op. Geef

mensen strafwerk die memo’s schrijven van meer

dan één A4tje. Schep ruimte voor ideeën door het

papierwerk te beperken. Gebruik humor om je punt

te maken, dat blijft hangen. Werk efficiënt door je

altijd af te vragen waarom je doet wat je doet. Communiceer

efficiënt door je af te vragen waarom een

ander doet wat hij doet.

Het prestige de deur uit

Wij begrijpen prima dat er gescoord moet worden.

Projecten met uitstraling leveren de stad publiciteit

op en de bedenker prestige. En gezien er elke

vier jaar weer gekozen moet worden voor nieuwe

volksvertegenwoordiging is er altijd de druk van de

stemmende mens en dus aanleiding om goed zichtbare

projecten te draaien. Helaas maakt juist dat

principe van begrippen als “de creatieve stad” een

lege huls. Werk aan oplossingen waar je achter staat

en roep het van de daken als het af is. Dat levert

meer respect en meer voldoening op.


12

Epiloog

“Bewust naïef”, we zijn er mee begonnen en sluiten

er ook graag mee af. De meeste moeders van

de deelnemers aan deze denktank zouden ons maar

brutale vlegels vinden, dat we een stuk als dit durven

opsturen naar de gemeente. “Wie we wel niet denken

dat we zijn?”.

Zonder iets af te willen doen aan wat we hiervoor

geschreven hebben: de deelnemers aan deze denktank

zijn van een generatie die niet zoveel boodschap

heeft aan titels of posities. In het korte

bestaan van Nieuwe Garde hebben we in ieder

geval één wijze les geleerd: het gaat er niet om hoe

belangrijk de persoon met wie je spreekt is, maar

wat hij/zij graag wil en hoe graag hij/zij dat voor

elkaar wil krijgen.

We gaan dan ook met alle plezier een traject als dit

in waarbij we de taal niet spreken, de geschiedenis

niet kennen en de context negeren. Wij hopen een

kijkje te hebben gegeven in de keuken van Nieuwe

Garde en daarmee in de wereld van de jonge

creatief. En we hopen jullie een aantal handreikingen

te hebben gedaan om in jullie verdere

aanpak van de creatieve stad spijkers met koppen

te kunnen slaan.

Overigens zijn wij altijd bereid om daarin een rol te

spelen. Zowel in onze eigen activiteiten als in samenwerkingsverbanden.

De creatieve confrontatie die

we samen met de gemeente organiseerden was een

groot succes en illustreerde avant la lettre goed wat

we in dit schrijven ook proberen over te brengen.

We horen dus ook graag weer van jullie.

| 5

mei 2006 stad op scherp


TO BECOME A CHAMPION,

FIGHT ONE MORE ROUND.

| 7

mei 2006 stad op scherp

- James Corbett

Waarom een

addendum?

In recordtempo wist de denktank van Nieuwe Garde

met een stuk te komen over vrijheid en flexibiliteit.

Niet door letterlijk antwoorden op vragen te verzinnen,

maar door op zoek te gaan naar de verschillen

in onze kijk op het begrip “creatieve stad” en die van

de dienst RO/EZ.

Uiteraard kwamen daar geen pasklare concepten uit

voor projecten. Waar een verandering van denkwijze

plaatsvindt, ontstaan er in onze ogen vanzelf nieuwe

antwoorden op bekende vragen.

Of wedervragen. Zoals in dit geval. De volgende

vragen, kregen wij als reactie op ons stuk.

Jullie beschrijven dat mensen in netwerken bewegen

en niet steden. Natuurlijk, dat is ook altijd onze

leidraad. In onze stedelijke planning gaan wij altijd

uit van de mensen die in de stad wonen, werken,

recreëren etc. We maken geen modellen of plannen

‘pur sang’. Die plannen moeten juist het gedrag

van de mensen faciliteren, en soms wil je mensen

via plannen verleiden ander gedrag te vertonen (bijvoorbeeld

uit de auto en op de fiets of met het OV).

Bij een netwerkstad moet je ook meer denken aan

de denk- en belevingsschaal.

Jullie herkennen de trend van functieverkleuring

niet. Als voorbeeld noemen jullie het Europapark,

waar meerdere functies een gebied delen maar

waar de onderlinge relaties nagenoeg afwezig zijn.

Wij denken ook dat toekomstige planning veel meer

vanuit relaties tot stand moet komen. En dat er dan

sprake is van echte functiemenging. De vraag is dan

hoe die relaties in zo’n gebied tot stand komen en

wie het voortouw daarbij heeft.

Het is jammer dat jullie verhaal zo theoretisch

blijft. En dat jullie onze vragen niet vertaald hebben

naar jullie eigen constatering. Want als het dan de

mensen zijn die de nieuwe trends veroorzaken dan

hadden we verwacht dat jullie zouden aangeven

welke nieuwe relaties (kunnen) ontstaan. Wat hebben

mensen nodig voor het leggen van die relaties?

Alleen een mobiel, of ontmoetingsplekken, of

gratis openbaar vervoer? Misschien zijn die relaties

niet locatiegebonden, maar dan willen we graag

weten waarom niet en hoe we dan (fysiek) die relaties

zouden kunnen ondersteunen. In het einde van

het stuk geven jullie wel aan dat de overheid zou

moeten faciliteren, maar niet hoe en waar. Hoe kunnen

we in de praktijk individuele motivaties opsporen,

bijeenbrengen. Waar liggen kansen? en wat is

onze rol daarbij?

Deel 2 van het stuk beschrijft Groningen als creatieve

stad. Alhoewel we er niet om gevraagd

hebben levert het stuk ons een aantal aardige gedachten

op. De definitie van creativiteit is een open

deur. We vinden wel dat de stad het tempo van de

mensen zou moeten bijhouden, zoals jullie zeggen.

De vraag is dan hoe? Waar lopen we achter, waar

moeten we tempo maken? Dat onvoorspelbaarheid

een rol moet blijven spelen erkennen we. Gebieden

moeten organisch groeien, zodat ze een eigen identiteit

kunnen opbouwen. Kunnen jullie aangeven

waar kansen liggen? Welke gebieden worden nu te

monotoon? Zien jullie mogelijkheden om daar het

roer om te gooien en hoe?

Creativiteit ontstaat door grenzen stellen, beperkingen

opleggen en door cross-over activiteiten. Een

tolerante omgeving kan ook bijdragen aan een zogenaamd

creatief milieu. Vraag is hoe cross-over

relaties tot stand komen, wie daarbij een rol spelen,

waar dat gebeurt. Jullie zitten in het veld, en hebben

vast een idee hierover.

Welke lege plekken moeten we bewaren? Welke

grote activiteiten kunnen we organiseren op welke

(niet voor de hand liggende) plekken? Het gaat hier

niet om een uitputtende uitwerking, maar om jullie

stellingen toe te lichten met voorbeelden.

Jullie geven ons een aantal tips om creatiever te

worden. Het idee van ‘de persoonlijke missie’ spreekt

wel aan. Zo ook jullie gedachten over RO/EZ als

inspirator. Einddoelen loslaten en ontwikkelen, of

doelen bereiken door anderen te verleiden, kan een

effectieve omschakeling in ons werk zijn.

Het eerste stuk dat wij afleverden zien wij als een

uiteenzetting van onze denkwijze en manier van

werken. De antwoorden op deze vragen zien wij

als een verzoek om inhoudelijke ideeën die vanuit

deze denk- en werkwijze tot stand komen. Vandaar

dat wij ervoor gekozen hebben, deze middels een

addendum aan het originele stuk toe te voegen en

niet tot één stuk samen te voegen.


Netwerksteden

Jullie beschrijven dat mensen in netwerken bewegen

en niet steden. Natuurlijk, dat is ook altijd onze

leidraad. In onze stedelijke planning gaan wij altijd

uit van de mensen die in de stad wonen, werken,

recreëren etc. We maken geen modellen of plannen

‘pur sang’. Die plannen moeten juist het gedrag

van de mensen faciliteren, en soms wil je mensen

via plannen verleiden ander gedrag te vertonen

(bijvoorbeeld uit de auto en op de fiets of met het

OV). Bij een netwerkstad moet je ook meer denken

aan de denk- en belevingsschaal.

Natuurlijk hebben ook wij begrepen dat netwerksteden

niet gezien worden als steden die netwerken.

Met de “denk= en belevingsschaal” die jullie hier

noemen, wordt echter wel gesuggereerd dat er een

relatie is tussen de netwerkende mensen in een

stad en de stad zelf. Onze mening is dat ze juist

haaks tegenover elkaar staan. Op het moment dat

het netwerk van een individuele inwoner van een

stad groeit, zal de relatie met zijn stad op de langere

termijn steeds minder belangrijk voor hem worden.

Een uitbreidend netwerk, zal altijd ook geografisch

grotere afstanden overbruggen. De eigen stad wordt

dan niet meer dan een uitvalsbasis. Hiermee hopen

we begripsverwarring te voorkomen. Het begrip

netwerkstad is in deze context eerder verwarrend,

dan zinvol.

Overigens kan het grenzenloos netwerken van de

inwoners van een stad natuurlijk wel degelijk grote

voordelen opleveren. Het kan een fysieke locatie

belangrijk maken als hub voor “netwerktransacties”.

Maar in hoeverre kun je daar plannen voor verzinnen?

Het gaat dan namelijk om een vrij indirecte invloed

op individuen die niet in alle gevallen evenveel baat

hebben bij groei van hun woonplaats als netwerklocatie.

Daarom lijkt het ons zinloos om ideeën te verzinnen

die de “netwerkstad” doen groeien. Bekijk je het op

menselijk niveau, dan zijn er natuurlijk ontelbaar veel

incentives te verzinnen die mensen helpen bij het

netwerken of netwerkers naar Groningen doen komen.

Maar die zullen zo verschillen per individu, dat

| 9

mei 2006 stad op scherp

je daar bijna onmogelijk invloed op kunt uitoefenen

middels een plan voor iedereen. En daarmee komen

we weer uit op onze overtuiging dat je niet moet

regelen of plannen, maar ontregelen en faciliteren.

Geef ruimte voor mensen met ambitieuze ideeën.

Dat zijn namelijk de netwerkers. Nodig ze niet uit

om je eigen spel te spelen, maar vraag ze wat zij

willen en onder welke voorwaarden. Dan komen

dingen van de grond. Vruchtbare grond maak je niet

door alles aan te harken en te verdelen in tuintjes

van 3 bij 6. Daar is voor de echt ondernemende ziel

geen uitdaging aan. Schuif alle volkstuintjes aan de

kant met een bulldozer en zet iemand onderaan de

berg die je over hebt gehouden.

Functieverkleuring

Jullie herkennen de trend van functieverkleuring

niet. Als voorbeeld noemen jullie het Europapark,

waar meerdere functies een gebied delen maar

waar de onderlinge relaties nagenoeg afwezig zijn.

Wij denken ook dat toekomstige planning veel meer

vanuit relaties tot stand moet komen. En dat er dan

sprake is van echte functiemenging. De vraag is dan

hoe die relaties in zo’n gebied tot stand komen en

wie het voortouw daarbij heeft.

Eigenlijk had dit antwoord ook op de vorige vraag

geformuleerd kunnen worden. Want beide vragen

suggereren een grotere vraag.

Hoe breng ik verandering tot stand? En dat is geen

kleintje. Volgens Malcolm Gladwell, auteur van “The

Tipping Point” (ISBN: 0316316962) suggereert dat er

drie “spelers” van belang zijn bij grote veranderingen

in gedrag: connectors, salesmen en mavens. Connectors

brengen mensen met anderen in contact

omdat ze breed geïnteresseerd zijn en sociaal,

salesmen zijn er goed in anderen te overtuigen van

hun ideeën en mavens zijn “informatiemakelaars”.

Mensen die veel weten van uiteenlopende zaken.

Deze mensen brengen individueel, maar zeker in

combinatie met elkaar verandering teweeg. Pas als

een aantal mensen geloven in een idee, komt het op

gang. Als tussen deze mensen connectors, mavens

en salesmen zitten, kan het gaan lopen. Tot het een

kritiek punt bereikt: the Tipping Point.

Het gaat te ver om nu de hele werking van het principe

uit te leggen, maar we willen iedereen binnen

RO/EZ zeker aanraden om dit boek aan te schaffen

en te gaan lezen. Het liefst gelijktijdig, zodat er over

gesproken wordt.

http://www.gladwell.com/tippingpoint/

What is The Tipping

Point about?

It’s a book about change. In

particular, it’s a book that

presents a new way of

understanding why change so

often happens as quickly and

as unexpectedly as it does.

For example, why did crime

drop so dramatically in New

York City in the mid-1990’s?

How does a novel written by

an unknown author end up as

national bestseller? Why do

teens smoke in greater and

greater numbers, when every

single person in the

country knows that cigarettes

kill? Why is word-of-mouth

so powerful? What makes TV

shows like Sesame Street so

good at teaching kids how to

read? I think the answer to all

those questions is the same.

It’s that ideas and

behavior and messages and

products sometimes behave

just like outbreaks of infectious

disease. They are social

epidemics. The Tipping Point

is an examination of the social

epidemics that surround us.

- Malcolm Gladwell


Wat gaat RO/EZ

ondertussen doen?

Het is jammer dat jullie verhaal zo theoretisch

blijft. En dat jullie onze vragen niet vertaald hebben

naar jullie eigen constatering. Want als het dan de

mensen zijn die de nieuwe trends veroorzaken dan

hadden we verwacht dat jullie zouden aangeven

welke nieuwe relaties (kunnen) ontstaan.

Wat hebben mensen nodig voor het leggen van die

relaties? Alleen een mobiel, of ontmoetingsplekken,

of gratis openbaar vervoer?

Laten we de vraag herformuleren. Waar hebben

mensen baat bij?

Eénduidigheid. Overzicht. Transparantie. In onze

relatie met de stad is het belangrijk dat we weten

waar we terecht kunnen voor informatie, diensten

en producten die we nodig hebben om te overleven

als ondernemers/creatieven/mensen. Dat geldt

zowel voor contacten met de overheid als met toeleveranciers

of klanten. En het gaat daarbij niet

alleen om “waar”, maar ook om “waarom”. Leer ons

“de gemeente” kennen als een instituut waar je

terecht kan met je plannen. Simpelweg omdat het

speerpunt is om “open te staan voor ideeën”. En als

dat niet zo is, verzin dan een ander speerpunt, maar

wees duidelijk dat het niet tegelijk vlees en vis kan

zijn. “Cojones” daar zitten we op te wachten.

En als er eenmaal duidelijkheid, transparantie en

overzicht is, hebben we chaos nodig. Uitdaging,

vermaak, sfeer. Om tot nieuwe dingen te komen heb

je naast gereedschappen ook inspiratie nodig. Het

is echter maar zeer de vraag of je die twee zaken

als overheid allebei wilt bieden. Enerzijds omdat

het twee petten zijn die bijna niet door dezelfde

organisatie gedragen kunnen worden. Anderzijds

omdat (zoals in ons eerste stuk uitgelegd) de

overheid zich in een belangenveld begeeft waarin

creativiteit bijna onmogelijk zijn plek kan vinden.

70| 71

mei 2006 stad op scherp

Misschien zijn die relaties niet locatiegebonden,

maar dan willen we graag weten waarom niet en

hoe we dan (fysiek) die relaties zouden kunnen

ondersteunen.

In het einde van het stuk geven jullie wel aan dat

de overheid zou moeten faciliteren, maar niet hoe

en waar. Hoe kunnen we in de praktijk individuele

motivaties opsporen, bijeenbrengen. Waar liggen

kansen? en wat is onze rol daarbij?

Het antwoord op deze vraag is vrij eenvoudig:

die relaties zijn niet locatiegebonden omdat de

creatieve klasse ontzettend mobiel is, altijd en

overal bereikbaar en daar ook een zekere trots in

vindt. Jezelf binden aan een plaats wordt gezien als

ouderwets. Lange tijd voor dezelfde baas werken

als achteruitgang. Beweging is een voorwaarde om

vooruit te komen.

Wil je fysiek die relaties ondersteunen, dan kun je

als stad faciliteren in het gevoel van mobiliteit. Door

mensen voor 1 euro met de stadsbus te laten rijden

en dat duidelijk te communiceren. Door mensen met

hun mobiele telefoon hun parkeerkaartje te laten

betalen. Als ze trots zijn op hun stad, voelen ze zich

er thuis, “verkopen” ze hun stad aan hun netwerk en

gebruiken ze hem met plezier als uitvalsbasis.

Het belangrijkste uitgangspunt lijkt ons ook hier:

faciliteren. De creatieve stad en creatieve klasse

groeien uit zichzelf wel. Maak het hen makkelijk,

geef hen het gevoel dat er iets broeit, ook bij jullie.

Losse flodders

Deel 2 van het stuk beschrijft Groningen als

creatieve stad. Alhoewel we er niet om gevraagd

hebben levert het stuk ons een aantal aardige

gedachten op. De definitie van creativiteit is een

open deur.

In onze beleving hebben we geen definitie van

creativiteit gegeven en zal deze nooit een open

deur kunnen zijn, gezien creativiteit een ontzettend

ambigu begrip is.

We vinden wel dat de stad het tempo van de mensen

zou moeten bijhouden, zoals jullie zeggen. De vraag

is dan hoe? Waar lopen we achter, waar moeten we

tempo maken?

Wij hebben in ons stuk aangegeven dat je daarin

eigenlijk niet goed geoutileerd bent als overheid. Er

wordt gesproken in meerjaren plannen en dan is elk

plan altijd een gok en koffiedikkijkerij.

De enige oplossing die daarvoor te verzinnen is,

is een herstructurering van de manier waarop er

beslissingen genomen worden. Daarbij bijvoorbeeld

ook accepteren dat er af en toe fouten gemaakt

worden om risico nemen wat te pushen binnen de

afdeling.

Het feit dat mensen “afrekenbaar moeten zijn”

volgens een kwantificeerbare methode draagt ertoe

bij dat er geen creatief klimaat kan ontstaan binnen

de dienst. Een uitstapje als Blue Moon is dan ook

alleen haalbaar omdat het om “kunst” gaat en dit

onmogelijk te kwantificeren is. (Alhoewel er desondanks

natuurlijk toch nog de nodige kritiek op is

gekomen.)

Overigens vinden wij een goed voorbeeld van hoe

het wel moet ook in jullie eigen portfolio: de intense

stad. Een goeie manier om de dienst transparant te

maken. Voornamelijk doordat ook de afwegingen

die gemaakt worden bij de ontwikkeling van een

gebied inzichtelijk werden voor de burger,

Dat onvoorspelbaarheid een rol moet blijven spelen

erkennen we. Gebieden moeten organisch groeien,

zodat ze een eigen identiteit kunnen opbouwen.

Kunnen jullie aangeven waar kansen liggen?

Welke gebieden worden nu te monotoon? Zien jullie

mogelijkheden om daar het roer om te gooien en

hoe?

“Waar” is voor ons een onmogelijk te beantwoorden

vraag. Het enige antwoord dat we daarop kunnen

geven is dat de wijken met de meeste problemen,

het meeste baat zullen hebben bij ontwikkeling. Dat

dus ook de meest efficiënte manier om met fondsen

om te gaan is, om een plek uit te kiezen waar een

boel moet gebeuren.

Op het moment dat daar creatieve activiteit

of ondernemerschap gestimuleerd worden,

hebben de bewoners het idee dat ze deel uitmaken

van de stad. Dat ze trots kunnen zijn op

hun wijk. Goedkope werkruimte voor startende

bedrijven, freelancers en kunstenaars met een

clausule voor tegenprestaties (buurtactiviteit

organiseren, etc) is een gedachtengang waar wij

wel voor voelen. Ook het project in Rotterdam dat

we eerder genoemd hebben, waarbij huizen casco

verkocht worden met een “opknapclausule” zien we

als een vindingrijke manier om sociale verandering

te veroorzaken die ten gunste komt van de leefbaarheid

en de tolerantie in een buurt.

Creativiteit ontstaat door grenzen stellen, beperkingen

opleggen en door cross-over activiteiten. Een

tolerante omgeving kan ook bijdragen aan een zogenaamd

creatief milieu. Vraag is hoe cross-over

relaties tot stand komen, wie daarbij een rol spelen,

waar dat gebeurt. Jullie zitten in het veld, en hebben

vast een idee hierover.

Om heel eerlijk te zijn denken we dat de verantwoordelijkheid

hiervoor ligt bij clubs als VNO-NCW,

de Kamer van Koophandel en ook bij ons. Als RO/EZ

daarin een actieve rol wil spelen, lijkt het ons verstandig

deze clubs voor je aan het werk te zetten.

Regelmatig om tafel met deze spelers en uitvogelen

waar de belangen liggen, om vervolgens een

gezamenlijke strategie te formuleren, lijkt ons een

voorwaarde.

Cross-over relaties komen zelden uit zichzelf tot

stand. Het is dus aan de verschillende netwerken

om in aanraking te komen met andere netwerken.


9

Welke lege plekken moeten we bewaren? Welke

grote activiteiten kunnen we organiseren op welke

(niet voor de hand liggende) plekken? Het gaat hier

niet om een uitputtende uitwerking, maar om jullie

stellingen toe te lichten met voorbeelden.

Wij geloven dus niet dat het nu heeft voor RO/EZ om

na te denken over “grote activiteiten op niet voor de

hand liggende plekken”. Laat dat initiatief ontstaan

bij spelers in het veld die daarin een belang hebben

en dus ook de bezieling kunnen geven die nodig is

om zoiets tot een succes te maken.

De waterleidingfabriek was een goeie lege plek

die bewaard gebleven had kunnen worden als plek

waar “Groningen Gist”. Waar onder bepaalde voorwaarden

zonder huur zaken georganiseerd hadden

kunnen worden.

Jullie geven ons een aantal tips om creatiever te

worden. Het idee van ‘de persoonlijke missie’ spreekt

wel aan. Zo ook jullie gedachten over RO/EZ als

inspirator. Einddoelen loslaten en ontwikkelen, of

doelen bereiken door anderen te verleiden, kan een

effectieve omschakeling in ons werk zijn.

Wij hopen dan ook dat dit opgepikt wordt binnen de

dienst en RO/EZ zich ontwikkelt als een facilitator

van de groei van onze creatieve stad.

7 | 73

mei 2006 stad op scherp

13

Met dank aan

Eelco Roffel

Gabriël de Graauw

Jan-Willem Vrieling

Lykle de Vries

Paul Arden

Peter-Michiel Schaap

Reinout Tiekstra

Rutger Middendorp

Thijs Wijnants

Willy Alberti

Vragen of opmerkingen?

rutger@nieuwegarde.nl

Meer informatie over Nieuwe Garde?

www.nieuwegarde.nl

127 pagina’s inspiratie voor 8 euro?

“It’s not how good you are,

it’s how good you want to be” - Paul Arden

Opmaak

Gemengd Bedrijf - www.gemengdbedrijf.nl


door: Anneke Miedema

De overheid

als ecologische

tuinman

“Beleidsmakers en planners zijn vaak

tabula-rasa denkers. Denken en bouwen

voor de eeuwigheid, vanuit een soort

nulpunt. Als mindset een blanco stuk

papier is niet juist en heeft weinig met

de werkelijkheid te maken. Een gebruikt

stuk papier, een krant of een luchtfoto

komen daar dichter bij in de buurt.

Niet afbreken en opnieuw beginnen,

maar voortborduren op wat er al is,

nieuwe combinaties maken. Inzetten op

interactie, met bestaande situaties, met

mensen.

De overheid zou zichzelf kunnen zien als

ecologische tuinman: ieder plantje liefdevol

bekijken, veel mesten en schoffelen.

Pas ingrijpen als iets gaat woekeren en

andere dingen dreigt te verstikken.”

Thuur Caris zat in de jury, die voor

Stad op Scherp uit de 65 ideeën de

meest aansprekende en kansrijke moest

selecteren. Een opgave die nauwelijks

strookt met de opvattingen van Caris.

“Waarom kiezen, waarom een rangorde

aanbrengen? Op de vraag aan de Google-oprichters

over hoeveel speerpunten

hun bedrijf kent, antwoordden zij:

7 | 75

mei 2006 stad op scherp

Een verlaten hofje ergens in het Zuiderpark. Stukken muur,

een poortje, hier en daar zijn de ramen en deuren nog zichtbaar in de

brokstukken. Heesters, bloemen en bomen krijgen alle ruimte en worden

liefderijk verzorgd door een buurtbewoner. Thuur Caris, artistiek

leider van Pavlov Medialab en teamleider aan de Academie voor Popcultuur

in Leeuwarden, gebruikt dit bijzondere stukje Groningen als rode draad in

zijn betoog. Als metafoor voor een bestuursmentaliteit,

die geënt is op evolutie.

minimaal zo’n 1000! Dat spreekt mij aan.

Alles zoveel mogelijk proberen te doen,

discontinuïteit accepteren, uitersten met

elkaar verenigen. Uitgesproken keuzes

maken strookt niet met deze tijd.

In de popcultuur zie je duidelijk dat verzuiling

heeft plaatsgemaakt voor vergruizing.

De wereld als global village zorgt

voor fragmentatie. Voor alles is een plek.

En niet alleen fysiek. Je bent nu niet

meer of atheïst of een gelovige die naar

de kerk gaat. Er zijn vele tussenvormen

mogelijk. Kijk maar eens naar de grote

hoeveelheid zwevende kiezers! Mensen

verbinden zich niet meer zo makkelijk

aan één partij. Jongeren zijn hier aan

gewend, zijn vloeibaar. Zij voelen zich

thuis in een gefragmenteerde, discontinue

wereld.

Dat er hele volksstammen jongeren uitlopen

om de nieuwe paus te zien, heeft

weinig met religie te maken. De kerken

zitten immers niet vol. Het is meer het

samenbindende, de gebeurtenis, het

entertainment. De Paus als DJ Tiësto.”

Bij de vernieuwing van het Structuurplan,

bij de beantwoording van de vraag

waar de stad op in moet zetten voor de

connecties gemaakt kunnen worden’

‘De overheid moet zorgen voor een

voedingsbodem waarin

toekomst, moet de overheid zich volgens

Caris richten op het thema connectiviteit

en op gemeenschappelijke gebeurtenissen.

“De overheid moet zorgen voor een voedingsbodem

waarin connecties gemaakt

kunnen worden. Zorgen dat er verbindingen

gemaakt kunnen worden. Met het

verleden, met de toekomst, maar ook

met je buren bijvoorbeeld. En vooral

– zoals het een ecologische tuinman betaamt

– dingen die boven het maaiveld

gaan uitsteken lekker laten groeien en

zelfs wat extra water geven. En als het

nodig is, ondersteunen met een stokje.

Ideologieën zijn verdwenen. Wat mensen

nu met elkaar verbindt zijn gemeenschappelijke

gebeurtenissen. De overheid

zou deze gebeurtenissen moeten

stimuleren. Dat kan door de organisatie

van festivals en door ruimten en gebouwen

te creëren waar kruisverbanden tot

stand kunnen komen. Kijk naar de Puddingfabriek,

waar Pavlov in gevestigd is.

Maar ook zoiets als het Groninger Forum

achter de oostwand van de Grote Markt

kan daar een belangrijke rol in spelen.

Als het maar niet te plompverloren wordt

neergezet.”


‘De stad Groningen

heeft een sterke traditie

als compacte stad’

7 | 77

mei 2006 stad op scherp

In het kader van het project ‘Stad op scherp’ reflecteert de

gemeente Groningen op de toekomst van de stad. Aan ons is gevraagd om

het thema sociaalfunctionele netwerken nader uit te werken en te be-

schrijven wat de betekenis van dit thema is voor de stad. De dynamiek op

verschillende plekken in het netwerk en met name ook binnen de wijkver-

nieuwing geven smaak en kleur aan de stad Groningen. Hoe om te gaan met

deze verschillen in dynamiek bij de aanpak van zogenaamde achterstands-

wijken? Kan een verheviging van verschillen bijdragen aan de ‘sense of

Stad op scherp:

sociaalfunctionele

door: Ivan Nio en Arnold Reijndorp

In de uitwerking van het thema leggen

wij ons toe op het ontwikkelen van een

methode om de ‘sense of place’ van een

gebied, een deel van de stad op het

spoor te komen. Daarbij laten we ons

leiden door methoden die elders al zijn

toegepast, door onszelf (‘Atlas van de

Culturele Ecologie van Rotterdam’, ‘Atlas

van de Attracties van Amsterdam-West’)

en anderen (zoals de Visie Coolhaveneiland-Rotterdam

van Miranda Reitsma en

de KAN-atlas van Urban Unlimited). Onze

ambitie is daarbij niet om voor Groningen

meteen een atlas te maken. We hebben

geprobeerd een ‘gereedschapskistje’

samen te stellen waarmee we gebieden

binnen het netwerk van Groningen en

ommelanden op verschillende manieren

kunnen laten oplichten. Het gereedschapskistje

bestaat vooralsnog uit twee

kaarten. Bij deze kaarten staat ook nog

niet de precisie, maar vooral de methode,

een specifieke manier van kijken

place’ van gebieden in de stad?

voorop. De gereedschapskist kan door

de gemeente uitgebreid worden met

andere kaarten.

netwerken

De stad Groningen heeft een sterke

traditie als compacte stad. De opgave

is hoe de stad zich de komende tijd zal

verhouden tot haar interne dynamiek

(deels als gevolg van de wijkvernieuwing,

deels door autonome ontwikkelingen)

en maatschappelijke en ruimtelijke

ontwikkelingen waardoor de stad

meer en meer deel uitmaakt van een

netwerkstad op regionale schaal. Dat

laatste betekent dat de twee vertrouwde

schaalniveaus in de ruimtelijke ordening

van enerzijds wijk en anderzijds de stad

steeds meer doorkruist worden door

nieuwe functionele en sociaal-culturele

verbanden op hogere schaalniveaus. De

stad als netwerk wordt in de recente

actualisaties van het structuurplan vooral

fysiek ruimtelijk opgevat in de vorm van

corridors. Belangrijke vraag is op welke

manieren de netwerken in de stad nog

meer benaderd kunnen worden dan als

stedenbouwkundige hoofdstructuur. De

uitwerking van het thema sociaal-functionele

netwerken is een eerste poging om

die vraag te beantwoorden. Sociaalfunctionele

netwerken zijn daarin op twee

manieren uitgewerkt: ten eerste vanuit

het concept van de netwerkstad (de positie

van plekken) en ten tweede vanuit

de idee van de netwerksamenleving (de

positie van groepen).

De kaarten brengen een omkering van

het perspectief op de netwerken die de

stad Groningen en haar ommeland structureren

in beeld. Niet de fysiekruimtelijke

structuur staat, maar de sociale en

culturele verbanden. De kaarten maken

op basis van niet-traditionele variabelen

spontane ontwikkelingen en nieuwe verbanden

op verschillende schaalniveaus

zichtbaar. Ze tonen zo eveneens de

verschillen in sociaal-culturele dynamiek

tussen delen van de stad.

Tijdens een workshop op 29 maart jl.

is met medewerkers van verschillende

afdelingen van de gemeente Groningen

gewerkt aan het verder brengen van het

thema. De eerste resultaten zijn tijdens

dezelfde dag voorgelegd aan een groep

reflectanten. Het heeft geleid tot een gereedschapskistje

dat vooralsnog bestaat

uit twee kaarten.


‘Op bepaalde terreinen van het dagelijkse leven

treedt echter domeinvorming op, in het

bijzonder op scholen en bij vrijetijdsvoorzieningen’

Groepen en schaalniveaus

De sociaalfunctionele netwerken zijn op

twee manieren in kaart gebracht. Ten

eerste via schalen. Daarbij gaat het om

de positie van plekken in de netwerkstad.

Ten tweede via groepen. Daarbij

gaat het om het in kaart brengen van de

leefwerelden van de groepen.

Kaart I: Schalen en plekken

Voor de workshop is ervoor gekozen om

vier gebieden in de gemeente Groningen

in kaart te brengen. Aan elke zijde

van de stad Groningen is een gebied

uitgekozen: Oosterpoort, Lewenborg,

Paddepoel en Corpus den Hoorn. De vier

gebieden zijn zoveel mogelijk met de

aangrenzende (landschappelijke) omgeving

in kaart gebracht. Een groot aantal

gebieden in de stad viel door deze beperking

buiten de workshop, waaronder

de binnenstad.

Het onderwerp van deze kaart is op

welke schalen een bepaalde plek

(voorziening of openbare ruimte) van

betekenis is: lokaal, stedelijk, regionaal,

nationaal of mondiaal. Sommige plekken

zijn alleen op buurtniveau voor de

bewoners van belang, andere plekken

trekken ook bezoekers van elders. Sommige

zijn op buurtniveau van betekenis,

maar staan ook (inter)nationaal op

de kaart. Deze kaart is gemaakt door

voor de vier geselecteerde gebieden de

plekken en voorzieningen te inventariseren

die van bovenlokale betekenis

7 | 79

mei 2006 stad op scherp

zijn. Dat is gebeurd aan de hand van

de thema’s winkelen, naar school gaan,

zorg, uitgaan, fietsen/wandelen, sporten,

werken. Geïnventariseerd zijn plekken

waar ook mensen van buiten de buurt

op af komen.

Een conclusie uit deze inventarisatie is

dat er buiten de binnenstad een groot

aantal plekken zijn met een bovenlokale

betekenis. Het zijn plekken waar stedelijk

leven zich soms autonoom heeft ontwikkeld.

Dat kan zowel zitten in relatief

kleinschalige voorzieningen als een café

of een school als meer grootschalige

voorzieningen als een ziekenhuis of een

recreatieve landschappelijke openbare

ruimte. In die bovenlokale betekenissen

zitten grote verschillen. Er zijn ook een

aantal subcentra aan het ontstaan zoals

Paddepoel, Europapark en in de toekomst

Meerstad. 1 Groningen ontwikkelt

zich tot polinucleaire stad. Wat betreft

bovenlokale voorzieningen hebben we

in Groningen ook te maken met een

gefragmenteerde werkelijkheid. Daarbij

doet zich de vraag voor welke relatie die

verschillende bovenlokale voorzieningen

onderhouden met elkaar en welke relatie

deze voorzieningen hebben met de buurt

of wijk waarin ze zijn gevestigd. Liggen

ze als fremdkörper in een wijk of bepalen

ze juist het karakter van een plek?

In welke gevallen dient een bovenlokale

voorziening of een subcentrum een

volwaardig of juist een meer specifiek

karakter te krijgen?

NOOT:

1 Zie over subcentra in Groningen ook

het themanummer van Stedebouw &

Ruimtelijk Ordening nr.1/2006, p. 40-47.

Een begin van een antwoord op deze

vraag is te geven door de bovenlokale

voorzieningen en openbare ruimten te

onderscheiden op hun publieke of juist

parochiale betekenis. Publieke domeinen

zijn van betekenis voor verschillende

groepen en voor iedereen toegankelijk.

Parochiale domeinen zijn op bepaalde

groepen toegesneden. Sommige plekken

en voorzieningen hebben een sterk

publiek karakter, zoals de invalsroutes

met detailhandel, de fietsroutes naar het

ommeland van de stad, ziekenhuizen en

sportvoorzieningen als Kardinge, evenals

sommige winkelcentra zoals Paddepoel.

Ze vormen het domein van verschillende

groepen tegelijk. Op bepaalde terreinen

van het dagelijkse leven treedt echter

domeinvorming op, in het bijzonder op

scholen en bij vrijetijdsvoorzieningen.

Bovenlokale voorzieningen kunnen een

meer parochiaal karakter hebben zoals

in het geval van café’s, restaurants,

buurthuizen, clubs, sportverenigingen en

scholen. Ook zorgvoorzieningen hebben

een parochiaal karakter. Maar ook openbare

ruimten en winkelcentra kunnen

op bepaalde momenten van de week

of de dag van grote betekenis zijn voor

specifieke groepen, zoals het Noorderplantsoen

in het weekend voor ‘nieuwe

stedelingen’ of het winkelcentrum Paddepoel

overdag voor oudere bewoners

en bezoekers van buiten de stad.

Elk gebied in de stad Groningen beschikt

over bovenlokale voorzieningen. De

voor- en naoorlogse wijken nemen

verschillende posities in qua voorzieningen

en openbare ruimten. Oosterpoort

is een uitloper van de binnenstad en

door de kleinschalige voorzieningen

waaronder relatief veel café’s en restaurants

een stadswijk die ook bezoekers

van buiten aantrekt. Paddepoel en het

(inter)nationaal opererende universiteitscomplex

Zernike lijken twee gescheiden

werelden te vormen. Toch overlappen

beide werelden elkaar in het winkelcentrum

en op de routes door de wijk.

Ook de fietsroutes naar het ommeland

voeren langs de wijk. Hierdoor is in

deze noordwest scheg sprake van een

menging van voorzieningen met een

parochiaal karakter (zorgboulevard,

scholen) en voorzieningen die voor

verschillende groepen van betekenis zijn.

Lewenborg heeft een minder publiek

karakter, met uitzondering van Kardinge

en de groene scheg. De bovenlokale

routes lopen langs Lewenborg en de

route naar het ommeland is nog niet

zo betekenisvol als in de andere delen

van Groningen. Corpus den Hoorn heeft

een aantal bovenlokale voorzieningen,

zoals een ziekenhuis en de Hoornse

Plas met publieke oever. Terwijl deze

voorzieningen bezoekers van buiten trekken,

oriënteren de bewoners zelf zich in

sterke mate op de winkelvoorzieningen

in andere delen van Groningen-Zuid. De

kruispunten van verschillende sociale

netwerken vormen de plekken met een

publiek karakter evenals de plekken

waar diverse parochiale domeinen in

elkaars nabijheid verkeren. De naoorlogse

wijken hebben in dit opzicht niet

minder mogelijkheden dan een vooroorlogse

wijk als Oosterpoort. Paddepoel

beschikt over een goede positie door de

verschillende bovenlokale voorzieningen,

evenals Corpus den Hoorn. In Lewenborg

bieden de groene scheg, het ommeland

en het sport- en vrijetijdscluster kansen.

Vraag is hoe vanuit de (potentiële) betekenis

van plekken met een bovenlokale

betekenis tot een nieuwe samenhang te

komen. In elk geval dient de specifieke

betekenis van een plek als uitgangspunt

te worden genomen.

Kaart : Leefwerelden van groepen

Parallel aan de schalen zijn de ‘leefwerelden’

van groepen in kaart gebracht.

Groepen definiëren wij naar leefstijl of

levenswijze. Die leefwerelden worden

gestructureerd door sociale netwerken en

manifesteren zich op bepaalde plekken in

de stad door een voorkeur voor bepaalde

wijken, woningen, voorzieningen en het

gebruik van de openbare ruimte. De

leefwereld van een groep kan zich grotendeels

afspelen in een buurt, maar ook

verspreid over tal van plekken in de stad.

Tijdens de workshop zijn de leefwerel-


den van drie groepen bepaald: studenten,

nieuwe stedelijke gezinnen en

oorspronkelijke Groningers. Na terugkoppeling

met de groep reflectanten is

een vierde groep op de agenda gezet:

de sociaal-mobielen oftewel de ‘gestegen’

Groningers. Hierdoor is een matrix

ontstaan met vier groepen die zich ten

opzichte van elkaar onderscheiden op

basis van hun economisch en cultureel

kapitaal. Studenten en oorspronkelijke

Groningers beschikken doorgaans over

weinig economisch kapitaal, in ieder

geval in verhouding met de twee andere

groepen. Studenten en nieuwe stedelijke

gezinnen beschikken in vergelijking

met de twee andere groepen over meer

cultureel kapitaal. Sociaal-mobielen en

stedelijke gezinnen behoren beide tot

de middenklasse, waarbij de ene groep

zich onderscheidt als economische en de

andere als culturele middenklasse. Wat

de woonvoorkeuren betreft zijn de sociaal-mobielen

georiënteerd op een meer

suburbane en de stedelijke gezinnen op

een meer stedelijke omgeving. De ruimtebeleving

van elke groep verschilt. De

stad begint of eindigt voor elke groep

ook op verschillende plekken.

Wat valt nu op? De wereld van de

studenten valt voor een belangrijk deel

samen met de binnenstad. Deze groep

lijkt het hier wel voor elkaar te hebben.

De binnenstad is hun domein. Nabijheid

speelt in hun leven een belangrijke rol.

0| 1

mei 2006 stad op scherp

Uiteraard zijn er plekken in de binnenstad

waar alle groepen samenkomen,

zoals de Grote Markt en de Vismarkt en

de belangrijke winkelstraten en publieke

voorzieningen. Maar de andere groepen

zijn hier in de eerste plaats op bezoek.

In hun dagelijks leven lijken ze zich toch

overwegend te oriënteren op andere

delen van de stad. Voor de stedelijke

gezinnen die in verschillende soorten

buurten wonen (van vernieuwingsbuurten

als Oosterpark tot buitenwijken als

De Held) is de stad een fragmentarisch

geheel. Deze stedelijke gezinnen leven in

een verbrokkelde wereld die de gehele

stad lijkt te omvatten. De door hen

gebruikte voorzieningen hoeven niet in

de eigen woonbuurt te liggen. Ze nemen

ook niet zomaar genoegen met de meest

nabijgelegen voorzieningen zoals scholen.

Ze zijn selectief en kieskeurig en zijn

op zoek naar kwaliteiten of sferen waar

ze zich in herkennen. Die versplinterde

wereld van halen en brengen, van het

afstruinen van betekenisvolle plekken

kan ook onhandig zijn vanwege de beperkte

tijdsbudgetten. Deze groep mist

in de eigen buurt specifieke voorzieningen

waardoor ze een aantal zaken

beter kunnen combineren en zich beter

thuis kunnen voelen. Bij de planning van

voorzieningen lijkt er weinig aandacht te

zijn voor de eisen van deze groep.

Leven de stedelijke gezinnen gefragmenteerd,

de wereld van de oorspronkelijke

Groningers raakt steeds meer

versplinterd. In sommige wijken is het

een afkalvende wereld door het vertrek

van oorspronkelijke bewoners en de

komst van nieuwe groepen zoals de

stedelijke gezinnen. Uit het promotieonderzoek

van Emmelkamp naar het

tijdruimtelijk gedrag van kinderen in en

rond Groningen blijken kinderen van

ouders uit deze lagere sociaal-economische

klassen buitenshuis relatief meer

vrijheid te krijgen dan andere kinderen.

Dat komt niet doordat hun ouders zich

geen zorgen maken, maar doordat deze

ouders nauwelijks differentiëren tussen

verschillende soorten ruimten. 2 Vandaar

dat nabijheid een sterkere rol speelt in

het dagelijkse leven van oorspronkelijke

Groningers dan bij stedelijke gezinnen.

In de vernieuwingswijken zoals de

Oosterparkbuurt en Vinkhuizen waar

een grote dynamiek plaatsvindt, hebben

sommige oorspronkelijke Groningers

hebben. De binnenstad is hun domein’

Deze groep lijkt het hier wel voor elkaar te

belangrijk deel samen met de binnenstad.

‘De wereld van de studenten valt voor een

een ‘afwachtende’ houding tegenover

de nieuwe stedelingen. Wellicht wordt

dat ook versterkt door het mijdingsgedrag

van de nieuwe stedelingen als het

gaat om scholen en buurthuizen. De

nieuwe Vensterscholen vormen nog niet

de knooppunten van de verschillende

groepen. De stedelijke gezinnen brengen

hun kinderen veelal naar andere scholen.

De verschillende leefwerelden bestaan

naast elkaar.

De vierde groep is die van de sociaalmobielen

die ook in ruimtelijk opzicht

mobiel blijken. Het maakt deze groep

niet zoveel uit waar ze wonen. Dat kan

een buitenwijk van de stad Groningen

zijn of en suburbane randgemeente. Hun

voorkeur gaat uit naar een suburbaan

woonmilieu, maar wel in de nabijheid

van de stad. Hun leefwereld is in

principe groter dan die van de stedelijke

gezinnen. Deze groep heeft veel keuze-

mogelijkheden. Een groot aantal van hen

zit in Groningen op de wip. Hun doorslaggevende

keuze zou wel eens kunnen

worden bepaald door de kwaliteit van

specifieke voorzieningen als een school.

Vraag is hoe men deze groep bindt aan

de stad Groningen.

NOOT:

2 Renske Emmelkamp, Een veilig avontuur.

Alledaagse plaatsen en vrijetijdsbesteding

in de verhalen van jongeren en

ouders. Amsterdam 2004.

Enkele conclusies

De kaarten die de workshop hebben

opgeleverd zijn nog niet compleet. Ze

zijn vooral illustratief voor een bepaalde

manier van kijken. De kaarten kunnen

aangevuld worden en daarmee ook de

gereedschapskist. Aan de kaarten zijn

bepaalde conclusies te koppelen. Met

name door de kaarten op elkaar te

leggen en met elkaar te vergelijken. De

conclusies kunnen zowel relevant zijn

voor herstructureringswijken als voor de

uitbreidingsgebieden.

Het thema van de sociaalfunctionele

netwerken doet zich voor op verschillende

schaalniveaus. Wat dat betreft

zijn er twee belangrijke opgaven ten

aanzien van de relatie tussen netwerksamenleving

en netwerkstad. Ten eerste

blijkt Groningen een meerkernige stad te

worden. Hoe dient dat verder fysiekruim-

telijk vorm te worden gegeven (middels

samenhangende corridors tussen bijvoorbeeld

de binnenstad en Meerstad of

juist via andere, meer gefragmenteerde

concepten die uitgaan van de specifieke

betekenis van plekken in Groningen en

haar ommeland). Daarnaast speelt de

opgave hoe die bovenlokale voorzieningen

en met name de subcentra meer

betekenis te laten krijgen voor verschillende

groepen. Kortom: hoe Groningen

te profileren als policentrische stad?

Een tweede belangrijke vraag is hoe de

verschillende groepen in de stad Groningen

beter bediend kunnen worden.

Er blijkt een spanning te bestaan tussen

allerlei voorzieningen en de verschillende

groepen. Studenten lijken de minste problemen

te ervaren met hun leefwereld.

Bij stedelijke gezinnen en de sociaal-mobielen

ligt dat anders. Misschien is het

meegeven van een duidelijk profiel aan

wijken niet de juiste strategie om deze

groepen beter te bedienen. Verschillende

groepen leven per wijk naast elkaar en

door elkaar heen. Afhankelijk van de

dynamiek van uitdijende en inkrimpende

werelden zou een dergelijk wijk toegerust

kunnen worden voor verschillende

groepen. Vraag is dan vooral hoe voorzieningen

een meer gemengd gebruik

kunnen krijgen. Daarbij speelt ook de

kwestie van schaal.

In de workshop zijn twee kaarten

gemaakt. Om de sociaalfunctionele

netwerken scherper in beeld te krijgen is

de gereedschapskist uit te breiden met

meer kaarten. Zoals een nachtkaart, een

basisvoorzieningenkaart van onderwijs,

een kaart van de alledaagse openbare

ruimten in de buurten, een routekaart,

de leerlingenstromen, etc. Daarnaast zou

de gereedschapskist ook kaarten moeten

bevatten op een regionale schaal met

de dorpskernen, zeker met het oog op

de positionering van het subcentrum

in Meerstad. Een ander vervolg dat aan

deze exercitie gegeven kan worden

bestaat uit het nader bekijken hoe specifieke

herstructureringswijken of uitbreidingsgebieden

versterkt kunnen worden

vanuit een netwerkperspectief.


Een belangrijk Een uitgangspunt belangrijk uitgangspunt voor de KIP voor de KIP Globaal valt de Globaal KIP in valt tweeën de KIP te verdelen: in tweeën te verdelen: stand komen. stand Het schema komen. gaat Het uit schema van een gaat uit van Tschumipaviljoen een Tschumipaviljoen en het podium en van het De podium van De

is dat ze zich is richt dat op ze bestaande zich richt op initiatieven bestaande initiatieven enerzijds de denktank enerzijds en de denktank het kenniscentrum, en het kenniscentrum, mogelijke vorm mogelijke op een bepaald vorm op moment, een bepaald moment, Solà-Morales niet Solà-Morales intensiever niet gebruikt intensiever kunnen gebruikt kunnen


en projecten. Ze richt zich op het bestaande anderzijds het podium en het laboratorium. maar de KIP zal langzaam groeien, zichzelf worden? De vraag wordt in behandeling


en projecten. Ze richt zich op het bestaande anderzijds het podium en het laboratorium. maar de KIP zal langzaam groeien, zichzelf worden? De vraag wordt in behandeling








creatieve vermogen creatieve in vermogen de stad en in probeert de stad de en probeert De netwerken de De van netwerken de denktank van de en denktank het en het van binnenuit van moeten binnenuit ontwikkelen moeten en ontwikkelen en genomen door genomen de denktank, door de maar denktank, deze maar deze

potentie van initiatieven potentie van en initiatieven projecten en volledig projecten volledig kenniscentrum kenniscentrum bestaan uit probleemoplossers

bestaan uit probleemoplossers verbeteren en verbeteren steeds nieuwe en steeds en onvoorziene nieuwe en onvoorziene besluit een netwerk besluit van een netwerk specialisten van op specialisten op




te benutten. Daarbij wordt er vanuit gegaan















en specialisten die met een grote hoeveelheid vormen aannemen. De denktank zou daarom het gebied van culturele planning in te












te benutten. Daarbij wordt er vanuit gegaan en specialisten die met een grote hoeveelheid vormen aannemen. De denktank zou daarom het gebied van culturele

planning

in Katalysator

te Katalysator

dat de KIP als dat organisatie de KIP als uitsluitend organisatie een uitsluitend een kennis en expertise kennis een en expertise goede basis een vormen goede basis vormen een overkoepelende een overkoepelende en coördinerende en coördinerende rol schakelen. rol De schakelen. specialisten De organiseren

specialisten organiseren

faciliterende faciliterende en stimulerende en stimulerende rol speelt. rol speelt. voor de KIP. De voor denktank de KIP. De kan denktank op aanvraag kan op aanvraag kunnen spelen kunnen in het spelen functioneren in het functioneren van van daarop een openbare daarop een workshop openbare waaruit workshop waaruit


De KIP moet een netwerk, een ontmoetingsplek, in een besloten omgeving vragen en

de KIP, zowel met het oog op ontwikkeling blijkt dat een programmeringbedrijfje


De KIP moet een netwerk, een ontmoetingsplek, in een besloten omgeving vragen en

de KIP, zowel met het oog op ontwikkeling blijkt dat een programmeringbedrijfje van van Initiatieven

Initiatieven











































een prikbord een en platform prikbord zijn. en platform Het moet zijn. Het moet problemen oplossen. problemen Naar oplossen. aanleiding Naar van aanleiding van en beheer als en op beheer de continuïteit als op de van continuïteit de van de uit de Puddingfabriek uit de Puddingfabriek in samenwerking in samenwerking




een plek zijn een waar plek ideeën zijn uitgewisseld waar ideeën of uitgewisseld of de actualiteit de van actualiteit een vraag van of probleem een vraag of probleem KIP. Daarmee KIP. zou Daarmee de denktank zou ook de denktank een ook een met Minerva met en het Minerva Conservatorium en het Conservatorium aan aan

aangescherpt aangescherpt worden, met name worden, omdat met name omdat kunnen daarbij kunnen thema’s daarbij verder thema’s uitgediept verder uitgediept belangrijke aanjager belangrijke en opstarter aanjager van en opstarter de KIP van de hetzelfde KIP onderwerp hetzelfde werkt. onderwerp Hieruit werkt. ontstaat Hieruit ontstaat en Projecten

hun initiatiefnemers met elkaar in contact worden of vraagstukken worden behandeld, kunnen zijn. De denktank zou in het hart een samenwerkingsverband waarbij een en Projecten –







































KIP –







































KIP

hun initiatiefnemers met elkaar in contact worden of vraagstukken worden behandeld, kunnen zijn. De denktank zou in het hart een samenwerkingsverband waarbij een


willen én kunnen komen.

bijvoorbeeld in de vorm van congressen.

een structuur moeten garanderen die de KIP oplossing wordt gezocht voor de paviljoenen













willen én kunnen komen.

bijvoorbeeld in de vorm van congressen.

een structuur moeten garanderen die de KIP oplossing wordt gezocht voor de paviljoenen














Een belangrijke gedachte hierbij is

Het kenniscentrum is meer openbaar

(zeker in de beginfase) coördineert, zonder en waarbij voor studenten van Minerva en


Een belangrijke gedachte hierbij is

Het kenniscentrum is meer openbaar

(zeker in de beginfase) coördineert, zonder en waarbij voor studenten van Minerva en

dat er niet altijd dat nieuwe er niet altijd ideeën nieuwe gecreëerd ideeën gecreëerd van karakter van en moet karakter een plek en moet zijn een waar plek zijn waar daarbij zelf een daarbij defi nitieve zelf een of defi vaste nitieve vorm of aan vaste vorm het aan Conservatorium het Conservatorium onder andere onder andere

hoeven te worden, hoeven omdat te worden, er een omdat grote er een grote gemakkelijk kennis gemakkelijk en informatie kennis en gezocht, informatie gezocht, te nemen. De te samenstelling nemen. De samenstelling en omvang van en omvang de van mogelijkheid de mogelijkheid wordt gecreëerd wordt om gecreëerd in om in

hoeveelheid (misschien hoeveelheid onzichtbare) (misschien onzichtbare) ideeën ideeën opgevraagd of opgevraagd gewonnen of kan gewonnen worden. Een kan worden. Een de denktank moeten de denktank zich blijven moeten kunnen zich blijven kunnen de programmering de programmering opgenomen te opgenomen worden. te worden.



en initiatieven en aanwezig initiatieven is. Bovendien aanwezig is. is Bovendien (virtuele) is databank (virtuele) kan databank voorzien kan in de voorzien in de ontwikkelen. ontwikkelen.

Ook zou er bijvoorbeeld Ook zou er op bijvoorbeeld het KIP- op het KIP-

de KIP van mening de KIP dat van er mening een rijke dat traditie er een rijke traditie uitwisseling van uitwisseling informatie van en informatie de ontsluiting en de ontsluiting Het opstarttraject Het opstarttraject moet gepaard moet gaan gepaard gaan podium een vraag podium kunnen een vraag komen kunnen van een komen van een

van initiatieven van bestaat initiatieven en dat bestaat het culturele en dat het culturele van andere informatiestromen. van andere informatiestromen. Hierbij moet Hierbij met moet de zichtbaarheid met de zichtbaarheid van de KIP op van een de KIP op een theatervormgever. theatervormgever. De vormgever De is vormgever bezig met is bezig met

erfgoed dat in erfgoed de afgelopen dat in de jaren afgelopen in de stad jaren in de ook stad informatie ook aan informatie de databank aan toegevoegd

de databank toegevoegd aantrekkelijke aantrekkelijke en publieke locatie en publieke in de stad. locatie in de een stad. systeem voor een systeem een groot voor mobiel een groot decor mobiel dat decor dat


is gerealiseerd, is gerealiseerd, niet onmiddellijk niet door onmiddellijk nieuwe door nieuwe kunnen worden, kunnen zodat worden, ze kan zodat groeien ze of kan groeien of De KIP moet vanaf De KIP het moet begin vanaf attractief het begin zijn attractief gemakkelijk zijn vervoerd gemakkelijk moet vervoerd kunnen moet worden. kunnen worden.


ideeën en/of projecten ideeën en/of afgeserveerd projecten afgeserveerd hoeft te hoeft krimpen te naar krimpen gelang de naar actuele gelang behoefte. de actuele behoefte. en uitlokken en tot uitlokken deelname. tot Daarbij deelname. zou vanuit Daarbij zou De vanuit theatervormgever De theatervormgever vraagt zich af vraagt of er al zich af of er al

worden. Waarom worden. wordt Waarom het Tschumipaviljoen

wordt het Tschumipaviljoen Het podium en Het het podium laboratorium en het laboratorium richten richten de denktank een de denktank ‘secretariaat’ een ‘secretariaat’ ingesteld ingesteld eens iets dergelijks eens iets is gemaakt dergelijks en is of gemaakt ze in en of ze in


of de videobusstop niet intensiever

zich meer op de ideeën, initiatieven en

kunnen worden die het openbare karakter contact kan komen met iemand die kennis

of de videobusstop niet intensiever

zich meer op de ideeën, initiatieven en

kunnen worden die het openbare karakter contact kan komen met iemand die kennis

gebruikt? Is dat gebruikt? niet opmerkelijk Is dat niet in opmerkelijk een in een projecten en projecten moeten een en omgeving moeten een creëren omgeving creëren en de toegankelijkheid en de toegankelijkheid benadrukt. Tevens benadrukt. zou Tevens van zou zaken heeft. van Via zaken het heeft. prikbord Via het van prikbord de KIP van de KIP


stad met verscheidene stad met verscheidene kunstopleidingen? kunstopleidingen? waarin deze aan waarin anderen deze aan voorgelegd, anderen samen voorgelegd, samen de start vergezeld de start moeten vergezeld worden moeten van een worden van komt een ze in contact komt ze met in een contact klusjesman met een die klusjesman die

Deze plekken Deze zíjn bijzonder plekken zíjn en belangrijk bijzonder en belangrijk ontwikkeld of ontwikkeld verder uitgewerkt of verder kunnen uitgewerkt kunnen publiciteitsstunt. publiciteitsstunt. De KIP kan alleen De KIP bestaan kan alleen bestaan voor huishoudbeurzen voor huishoudbeurzen inpaksystemen inpaksystemen heeft

heeft


en moeten dat en blíjven. moeten De dat Katalysator blíjven. De van Katalysator van worden. De netwerken worden. De bestaan netwerken uit de bestaan uit de van bekendheid. van Een bekendheid. opstartmanifestatie Een opstartmanifestatie of ontworpen of en ontworpen uitgevoerd. en De uitgevoerd. klusjesman De klusjesman

Initiatieven en Initiatieven Projecten en wil Projecten de mogelijkheid wil de mogelijkheid initiatiefnemers initiatiefnemers en ideeontwikkelaars en ideeontwikkelaars zelf, –festival zelf, zou de –festival aandacht zou kunnen de aandacht vestigen kunnen vestigen heeft het technisch heeft het inzicht technisch dat benodigd inzicht dat benodigd

bieden om verschillende bieden om verschillende en vaak naast en vaak naast die in een ‘open die source’-achtige in een ‘open source’-achtige omgeving omgeving en de eerste initiatieven en de eerste of initiatieven projecten moeten of projecten moeten is; in een aantal is; in werksessies een aantal in werksessies het KIP- in het KIP-


elkaar bestaande, creatieve werelden

gezamenlijk hun creatieve vermogens

lanceren. In de beginfase moet de denktank atelier wordt het decor door de vormgever


elkaar bestaande, creatieve werelden

gezamenlijk hun creatieve vermogens

lanceren. In de beginfase moet de denktank atelier wordt het decor door de vormgever

bijeen te brengen. bijeen te brengen.

kunnen en willen kunnen inzetten. en willen Hiervoor inzetten. kunnen Hiervoor kunnen het voortouw het nemen voortouw bij het nemen organiseren bij het van organiseren en van klusjesman en verder klusjesman ontwikkeld verder zodat ontwikkeld het zodat het

in het laboratorium in het laboratorium op aanvraag of op in aanvraag het of in het debatten, workshops, debatten, lezingen, workshops, prijsvragen lezingen, prijsvragen daadwerkelijk daadwerkelijk gebouwd kan gebouwd worden. kan worden.











KIP


KIP








De KIP zou in De eerste KIP zou instantie in eerste in vier instantie in vier openbaar workshops openbaar worden workshops georganiseerd worden georganiseerd etc. De denktank etc. De zou denktank op verschillende zou op verschillende Een derde voorbeeld Een derde zou voorbeeld kunnen zijn zou dat kunnen zijn dat


onderdelen uiteengezet onderdelen kunnen uiteengezet worden: kunnen een worden: of ateliers een worden of ateliers opgezet. worden Ook zou opgezet. aan de Ook zou aan fronten de activiteiten fronten en activiteiten bekendheid en bekendheid een bewoner/uitvinder een bewoner/uitvinder denkt een oplossing denkt een oplossing

denktank, een denktank, kenniscentrum, een kenniscentrum, een podium een podium hand van symposia hand van kennis symposia en ervaring kennis bijeen en ervaring moeten bijeen genereren. moeten Zonder genereren. bekendheid Zonder en bekendheid gevonden en te hebben gevonden om te hondenpoep hebben om in hondenpoep de in de

en een laboratorium. en een laboratorium. Voor deze onderdelen Voor deze onderdelen gebracht en uitgewisseld gebracht en kunnen uitgewisseld worden. kunnen worden. gedifferentieerd gedifferentieerd uiterlijk is er uiterlijk geen KIP. is er geen KIP. openbare ruimte openbare te voorkomen. ruimte te De voorkomen. bewoner De bewoner

is in een schema is in inzichtelijk een schema gemaakt inzichtelijk wat gemaakt wat

Hoewel de gemeente Hoewel de in de gemeente beginfase in de beginfase vraagt zich af vraagt of zijn zich idee af tot of een zijn product idee tot is een product is


daarvan de input, daarvan het netwerk, de input, de het vorm, netwerk, de de vorm, de Hoewel bij de KIP de potentie aan

een voorname rol zou kunnen spelen,

uit te werken en legt het voor aan de KIP.

Hoewel bij de KIP de potentie aan

een voorname rol zou kunnen spelen,

uit te werken en legt het voor aan de KIP.


belangen en de belangen resultaten en de zijn. resultaten Er wordt zijn. Er wordt creativiteit centraal staat, zal de motor

moet voorkomen worden dat de KIP een

In de KIP neemt het netwerk van specialisten

creativiteit centraal staat, zal de motor

moet voorkomen worden dat de KIP een

In de KIP neemt het netwerk van specialisten













nadrukkelijk nadrukkelijk op gewezen dat op het gewezen schema dat het schema uiteindelijk draaiende uiteindelijk worden draaiende gehouden worden gehouden gemeentelijk gemeentelijk initiatief wordt. initiatief De KIP wordt. bestaat De KIP bestaat de vraag in behandeling de vraag in en behandeling onderzoekt en onder onderzoekt onder

geen eindmodel geen is. eindmodel De vier onderdelen is. De vier onderdelen door de initiatiefnemers, door de initiatiefnemers, specialisten en specialisten en en ontwikkelt en zich ontwikkelt bij de gratie zich van bij de meerdere gratie van meerdere andere of de uitvinding andere of de van uitvinding de bewoner van de bewoner

vormen geen vormen defi nitieve geen KIP, defi maar nitieve zijn KIP, maar zijn probleemoplossers. probleemoplossers. Zij moeten belang Zij moeten hebben belang hebben en zeer uiteenlopende en zeer uiteenlopende partijen. Vanaf partijen. het Vanaf het niet al gepatenteerd niet al gepatenteerd is, of dat er juist is, of patent dat er juist patent


de eerste aanzet de eerste om de aanzet doelstellingen om de doelstellingen van van bij het bestaan bij van het KIP bestaan en bij van het KIP leveren en bij van het leveren begin van moet de begin KIP een moet gezamenlijk de KIP een initiatief gezamenlijk initiatief aangevraagd aangevraagd kan en moet worden. kan en moet Ook wordt worden. Ook wordt

de KIP te realiseren. de KIP te realiseren.

een eigen bijdrage een eigen hieraan. bijdrage Deze hieraan. belangen Deze belangen zijn van grote zijn en van kleine, grote publieke en kleine, en private publieke en private in het Laboratorium in het Laboratorium getest of de uitvinding getest of de uitvinding


Daarbij geldt Daarbij in het algemeen geldt in het dat algemeen de dat de kunnen uiteenlopend kunnen uiteenlopend van aard zijn, van maar aard zijn, maar partijen.

ideeën, initiatieven ideeën, en initiatieven projecten en zelf projecten de motor zelf de komen motor in het komen schema in deels het schema overeen. deels Elk overeen. Elk

partijen.

daadwerkelijk daadwerkelijk te realiseren te is. realiseren is.

Als hieruit blijkt Als dat hieruit het product blijkt dat daadwerkelijk

het product daadwerkelijk





moeten zijn. De moeten KIP moet zijn. de De mogelijkheid

KIP moet de mogelijkheid KIP-onderdeel KIP-onderdeel kent het maatschappelijk

kent het maatschappelijk De veelzijdigheid De veelzijdigheid en differentiatie en differentiatie is

is gerealiseerd zou gerealiseerd kunnen worden, zou kunnen ontstaat worden, ontstaat

faciliteren om faciliteren ideeën verder om ideeën te ontwikkelen verder te ontwikkelen belang om kennis belang te om verspreiden kennis te of verspreiden ideeën te of ideeën een te belangrijk een uitgangspunt belangrijk uitgangspunt van de KIP. van de KIP. een nieuwe input een nieuwe voor het input podium voor en het podium en

en om met behulp en om van met anderen behulp van problemen anderen problemen ontwikkelen. ontwikkelen. Belangrijke overeenkomstige

Belangrijke overeenkomstige Ze moet een kruisbestuiving Ze moet een kruisbestuiving mogelijk maken mogelijk maken probeert de uitvinder probeert in de contact uitvinder te komen in contact te komen




op te lossen. De op KIP te lossen. zou daarvoor De KIP zou dé plek daarvoor dé plek belangen zijn belangen daarnaast zijn het daarnaast uitbreiden het van uitbreiden van ideeën, initiatieven, van ideeën, projecten, initiatieven, vragen, projecten, vragen, met mensen met die geïnteresseerd mensen die geïnteresseerd zijn mee


zijn mee


moeten zijn. De moeten input zijn. zoals De die input in het zoals schema die in het schema contacten, het contacten, verruimen het van verruimen je blikveld van je blikveld problemen en problemen oplossingen. en Zoals oplossingen. uit het Zoals uit het te werken aan te de werken uitwerking aan de van uitwerking zijn idee. van zijn idee.


staat, is daarbij staat, van is levensbelang

daarbij van levensbelang en het opdoen en van het kennis opdoen en van ervaring. kennis en ervaring. schema blijkt schema kan de output blijkt kan vele de vormen output vele vormen In samenwerking In samenwerking met commerciële met commerciële en en




en kan variëren en kan van variëren het voorleggen van het van voorleggen van Het belang om Het een belang aandeel om te een hebben aandeel in te hebben in aannemen. Deze aannemen. varieert Deze van de varieert oplossing van de oplossing creatieve partijen creatieve en de partijen overheid en wordt de overheid wordt

een vraag, idee of probleem, de zoektocht

de denktank en het kenniscentrum kan zijn van een probleem, een plan van aanpak voor een prototype ontwikkeld.

een vraag, idee of probleem, de zoektocht

de denktank en het kenniscentrum kan zijn van een probleem, een plan van aanpak voor een prototype ontwikkeld.

naar informatie naar en informatie kennis, tot en het kennis, tot het het uitwisselen het van uitwisselen informatie van of informatie het onder of het onder de verdere ontwikkeling de verdere ontwikkeling of uitwerking of van uitwerking van





gezamenlijk willen gezamenlijk uitwerken willen of uitwerken verder of verder de aandacht brengen de aandacht en toegankelijk brengen en maken toegankelijk maken een idee, het contact een idee, met het de contact juiste met persoon, de juiste persoon, Zo wil de KIP Zo een wil bijdrage de KIP leveren een bijdrage aan leveren aan

brengen van brengen initiatieven van en initiatieven projecten. en projecten. van specialistische van specialistische kennis en expertise. kennis en Het expertise. tot Het een advies tot of een aanzet advies tot een of aanzet onderzoek. tot een onderzoek. de stimulering de en stimulering het gebruik en van het het gebruik van het


Omdat het van Omdat belang het is van dat belang de KIP hierbij is dat de KIP belang hierbij in het belang podium in en het het podium laboratorium en het laboratorium Ze kan bestaan Ze uit kan informatie, bestaan uit de informatie, signalering de signalering creatieve potentieel creatieve van potentieel Groningen. van Met Groningen. de

Met de


altijd open blijft altijd staan open voor blijft onvoorziene staan voor onvoorziene kan zijn dat eigen kan zijn ideeën dat eigen met behulp ideeën van met behulp van van een trend, van een een nieuw trend, en een onvoorzien nieuw en onvoorzien vervlechting vervlechting van overheid, van bedrijfsleven, overheid, bedrijfsleven,


(bottom-up) ontwikkelingen, (bottom-up) ontwikkelingen, bestaan de bestaan de specialistische specialistische kennis en expertise kennis van en expertise van contact of nieuwe contact bedrijvigheid, of nieuwe bedrijvigheid, maar er maar er cultuur en maatschappij cultuur en maatschappij probeert de KIP probeert de KIP

verschillende verschillende onderdelen uit onderdelen verschillende uit verschillende anderen verder anderen ontwikkeld verder kunnen ontwikkeld worden. kunnen worden. kan ook output kan ontstaan ook output die een ontstaan nieuwe die een nieuwe een omgeving een te creëren, omgeving waarin te creëren, de kennis- waarin de kennisnetwerken

en netwerken maken ze en gebruik maken van ze gebruik van Daarnaast is Daarnaast het van belang is het dat van de belang netwerken dat de netwerken input genereert, input die genereert, een plan op die een een hoger plan op een hoger en creativiteitsvermogens en creativiteitsvermogens van de stad zo van de stad zo



verschillende verschillende werkvormen. werkvormen.

en de koppeling en de van koppeling ideeën en van initiatieven ideeën en initiatieven niveau trekt met niveau nieuwe trekt vragen, met nieuwe nieuwe vragen, nieuwe volledig mogelijk volledig benut mogelijk kunnen benut worden. kunnen worden.

Net als de onderdelen Net als de moeten onderdelen de netwerken moeten de netwerken een procesversnellend een procesversnellend effect hebben. effect hebben. samenwerkingsverbanden, samenwerkingsverbanden, nieuwe inzichten. nieuwe inzichten. Deze potentie Deze laat zich potentie niet laat verzinnen, zich niet laat verzinnen, laat


en werkvormen en werkvormen niet als defi nitief niet gelezen als defi nitief gelezen Bijzondere aandacht Bijzondere verdient aandacht de verdient de Zo kan er bijvoorbeeld Zo kan er een bijvoorbeeld vraag aan een de vraag aan de zich niet creëren. zich niet Ze is creëren. al aanwezig, Ze is duidt al aanwezig, op duidt op






















































































worden en moeten ze in omvang, aantal

eerste aanzet tot het realiseren van de

dienst RO/EZ worden gesteld, die uiteindelijk een mogelijkheid, ze laat zich ontdekken! © De Zolder

worden en moeten ze in omvang, aantal

eerste aanzet tot het realiseren van de

dienst RO/EZ worden gesteld, die uiteindelijk een mogelijkheid, ze laat zich ontdekken! © De Zolder


en structuur en fl exibel structuur en gemakkelijk fl exibel en kunnen gemakkelijk kunnen doelstellingen doelstellingen van de KIP. De van KIP de kan KIP. De KIP kan wordt doorgeschoven wordt doorgeschoven naar de KIP: zouden naar de KIP: zouden




Bureau Ritsema – MD landschapsarchitecten

evolueren. evolueren.

niet onmiddellijk niet en onmiddellijk ineens volledig en ineens tot volledig tot de videobusstop de videobusstop van Koolhaas, van het

Bureau Ritsema – MD landschapsarchitecten

Koolhaas, het

| 3

mei 2006 stad op scherp

Katalysator van van Initiatieven en Projecten en Projecten - K

Open Open land land open open geest geest

= inhoud = - inhoud plaats - vorm plaats - vorm

= inhoud = - inhoud plaats - vorm plaats - vorm

– pvanb – pvanb architecten architecten – SOFA – – SOFA met – Hugomatic met Hugomatic

Op een vaste Op plek een vaste vormen plek vertegenwoordigers vormen vertegenwoordigers van van


Input:

• Een besloten omgeving waar vragen,

ideeën of problemen voorgelegd

kunnen worden;

( • De denktank fungeert tevens als

opstartcoördinator van KIP.)


Input:

• Een openbare omgeving waar gericht

kennis en informatie gewonnen

kan worden.


Input:

• Een openbare (open source)

omgeving waarin initiatieven

en projecten gezamenlijk verder

ontwikkeld kunnen worden.


Input:

• Een creatieve omgeving waar aan de

hand van verschillende werkvormen

specifieke initiatieven en/of

projecten bij elkaar gebracht en

verder ontwikkeld kunnen worden.

Het netwerk:

• Een netwerk van probleemoplossers

uit verschillende sectoren en

vakgebieden, die o.a. in technisch,

financieel, organisatorisch en

maatschappelijk opzicht aan

oplossingen kunnen bijdragen.

Het netwerk:

• Een netwerk van specialisten

uit verschillende sectoren en

vakgebieden, die verschillende

informatie- en kennisstructuren

inzichtelijk kunnen maken.

Het netwerk:

• Een netwerk van

vertegenwoordigers van initiatieven

en projecten, die gezamenlijk

projecten verder willen ontwikkelen.

Het netwerk:

• Een ‘netwerk’ van de aanwezige

netwerken van KIP, die op

uiteenlopende wijze gecombineerd

en verrijkt kunnen worden.

| mei 2006 stad op scherp

Vorm:

• (Reguliere) besloten bijeenkomsten

waarin schriftelijk of mondeling

ingebrachte vragen of problemen

opgelost en/of verder geholpen

kunnen worden;

• Oplossingen kunnen schriftelijk of

mondeling worden toegelicht en/of

doorverwezen worden naar andere

KIP-onderdelen;

• Congressen waarop een bepaalde

thema’s of vraagstukken uitgediept

kunnen worden.

Vorm:

• Een vraaggerichte en semi openbare

internetdatabase waar kennis

en informatie opgevraagd of juist

toegevoegd en toegankelijk gemaakt

kan worden;

• Openbare spreekuren waarbij op

afspraak informatie en/of kennis van

specialisten gewonnen kan worden;

• Vraaggerichte coaching waarbij op

uitnodiging specifieke informatie en/

of kennis van specialisten gewonnen

en ingezet kan worden;

• Lezingen.

Vorm:

• Een internet (open source) prikbord

en fysiek prikbord waar ideeën,

initiatieven en projecten

uitgewisseld, gecombineerd,

uitgewerkt en verder ontwikkeld

kunnen worden;

• Een open podium en

ontmoetingsplek waar naar gelang

de vraag ideeën, initiatieven en

projecten gepresenteerd kunnen

worden.

Vorm:

• Vraaggerichte en/of openbare

workshops waaraan op inschrijving

of vrij deelgenomen kan worden;

• Openbare ateliers waar initiatieven

en projecten gecombineerd,

uitgewerkt en getest kunnen worden;

• Symposia die verschillende

manieren van werken bijeen

brengen en verder kunnen uitdiepen.

Het belang:

• Maatschappelijk;

• Het uitbreiden van contacten

(netwerk)

• Het verruimen van je blikveld;

• Ervaring en aanzien

(curriculum vitae);

• Het onder de aandacht bengen

van eigen ideeën, initiatieven

en projecten.

Het belang:

• Maatschappelijk;

• Het uitwisselen en opdoen van

kennis en informatie;

• Het uitbreiden van contacten

(netwerk)

• Het onder de aandacht brengen van

specalistische kennis en expertise;

• Het verruimen van je blikveld;

• Ervaring en aanzien

(curriculum vitae);

• Het onder de aandacht bengen van

eigen ideeën, initiatieven en

projecten.

Het belang:

• Maatschappelijk;

• De mogelijkheid om ideeën,

initiatieven en projecten verder

te ontwikkelen

• Procesversnellend;

• Het uitbreiden van contacten

(netwerk);

• Het verruimen van je blikveld;

• Ervaring en aanzien

(curriculum vitae).

Het belang:

• Maatschappelijk

• Het uitwisselen van initiatieven en

projecten en werkwijzen;

• Procesversnellend;

• Het uitbreiden van contacten

(netwerk);

• Het delen van specalistische kennis

en expertise;

• Het verruimen van je blikveld;

• Ervaring;

• De mogelijkheid om eigen ideeën,

initiatieven en projecten verder

te ontwikkelen.

Output:

• De oplossing van een probleem of

vraagstuk;

• Een plan van aanpak voor het verder

ontwikkelen van een initiatief of project;

• Het contact met de juiste personen;

• Een advies of de aanzet tot een

onderzoek;

• De signalering van een trend;

• Een nieuwe kip-input, bijvoorbeeld door

bij een oplossing of plan van aanpak

gebruik te maken van het netwerk van

specialisten of de organisatie van

een workshop.

Output:

• Kennis en informatie;

• Het contact met de juiste personen;

• Een nieuwe KIP-input, bijvoorbeeld

door het organiseren van een

symposium dat kennis en informatie

naar aanleiding van een bepaalde

vraag bijeen brengt en verder

uitdiept.

Output:

• De verdere ontwikkeling/uitwerking

van ideeën, initiatieven en projecten;

• De oplossing van een probleem of

vraagstuk;

• Een plan van aanpak of werkvorm

voor initiatieven en projecten;

• Nieuwe bedrijvigheid;

• Nieuwe contacten.

Output:

• De oplossing van een probleem of

vraagstuk;

• Een plan van aanpak of werkvorm

voor initiatieven en projecten;

• Het contact met de juiste personen;

• Een nieuwe KIP-input, bijvoorbeeld

door het ontstaan van een nieuw

samenwerkingsverband, dat een

nieuw initiatief ontwikkelt waarbij

de hulp wordt ingeroepen van

de Denktank.

Voorbeeld:

• Aan de dienst RO/EZ wordt een

vraag gesteld, die uiteindelijk wordt

voorgelegd aan KIP: zouden

de videobusstop van Rem Koolhaas

en het Tschumipaviljoen niet

intesiever gebruikt kunnen worden?

Voorbeeld:

• Een theaterontwerper is bezig met

het ontwikkelen van een systeem

voor een groot mobiel podium dat

gemakkelijk te vervoeren moet zijn:

is er al eens iets dergelijks gemaakt

of zou KIP contact kunnen leggen

met mensen die technisch inzicht

hebben en kunnen helpen bij de

uitwerking van het ontwerp?

Voorbeeld

Een bewoner/uitvinder denkt een

oplossing gevonden te hebben

om hondenpoep in de openbare

ruimte te voorkomen: hoe kan dit

idee verder ontwikkeld worden of

in combinatie met andere ideeën

tot een werkbaar initiatief worden

uitgewerkt?


door: Alfred Kazemier

Stel jezelf het volgende voor. Na een bezoekje aan

de IKEA rij je nog even langs de McDonalds aan het Sontplein. Je bestelt

vanuit de auto een hamburger, een cola en een Happy Meal. Een stem in

keurig Nederlands bevestigt de order en bij het uitgifteloket vijftig meter

verderop staat de bestelling klaar. Je betaalt en rijdt tevreden verder.

Groningen in een

platte wereld;

de rol van de

overheid

In een paar minuten tijd heeft deze bestelling

via een satellietverbinding een

lange weg afgelegd naar een callcenter

in India, is daar verwerkt en vervolgens

digitaal doorgegeven aan de keuken in

Groningen. Foutmarge: nihil. Service:

subliem. Klantentevredenheid: optimaal.

Toekomstmuziek? Integendeel. In de

Verenigde Staten groeit dit concept uit

tot een beproefde formule. Bijklussende

Indiase topstudenten leren in ijltempo

de Engelse taal met een vlekkeloos Engels,

Amerikaans of Canadees accent.

De klanten van de vele telefonische

servicecentra van de multinationals in

deze landen worden nietsvermoedend

en zonder hapering bediend vanuit India.

Dat kan ook hier, in Nederland. De

opkomst van razendsnelle informatie- en

communicatietechnieken heeft de wereldwijde

organisatie en productie van

| 7

mei 2006 stad op scherp

kennis en dienstverlening fundamenteel

op zijn kop gezet.

Deze platte wereld is een onstuitbaar

fenomeen, door Thomas Friedman fraai

beschreven en verklaard in het boek

‘The world is flat’. Zijn verhaal is duizelingwekkend

en beangstigend tegelijk.

Terwijl we ons in Groningen het hoofd

breken over groeimodellen, aansluiting

op de internationale kenniseconomie,

Energy Valley, scenario’s voor de bereikbaarheid

en de vraagstukken rondom de

verdeling van werk, zorg, ruimte, onderwijs

en veiligheid, verandert de wereld

om ons heen in een razend tempo.

Het is een tijd van uitersten waarin alle

naoorlogse verworvenheden ter discussie

zijn komen te staan en geen houvast

meer bieden voor de toekomst. Wie zich

het ene moment tot het uiterste inspant

om werkzoekenden uit de kaartenbak-

ken te helpen, wordt daaropvolgend

ingehaald door nieuwe wetten en regels.

Successen uit het verleden geven geen

enkele garantie meer op welk rendement

dan ook. Terwijl we onze naoorlogse

wijken met pijn en moeite voorzien van

broodnodige opknapbeurten – een proces

van lange adem – duwt het kabinet

ons in drie jaar tijd de sociale herstructurering

van de gehele samenleving door

de strot. Weinigen kunnen het tempo

volgen, laat staan de gevolgen overzien.

De bijstand, de kinderopvang, de zorg,

de nutsvoorzieningen; alles gaat op de

schop. Wie het weet mag het zeggen!

Eigen verantwoordelijkheid als antwoord

op individualisering en ontzuiling. Marktwerking

en deregulering als remedie tegen

regelzucht en bureaucratie. De vrije

jongens versus de verzorgingsstaat…

‘Het is een tijd van uitersten

waarin alle naoorlogse

verworvenheden ter discussie zijn

komen te staan en geen houvast

meer bieden voor de toekomst’


‘De zoektocht naar individuele vrijheid

en zelfverwezenlijking is van alle tijden’

Effectieve allianties

Het is een hele klus om als lokale overheid

het hoofd koel te houden in dit

overspannen tijdsgewricht, laat staan

een beetje koersvast te blijven. De spoeling

uit Brussel is met de toetreding van

nieuwe lidstaten aanzienlijk verdund.

Toezeggingen uit Den Haag verdampen

voor onze ogen en afspraken met voorgaande

kabinetten blijken lege hulzen.

Onder deze druk dreigt de Noordelijke

samenwerking te verkruimelen tot geruzie

over compensatiemaatregelen. Toch

laten we ons niet van de wijs brengen

en blijven we in Groningen onze eigen

weg kiezen. De Intense Stad, het Akkoord

van Groningen, Kolibri, het nieuwe

Lokaal Akkoord, de ontwikkelingsplanologie

van Meerstad, het Groninger

Forum: het zijn stuk voor stuk haakjes

aan dezelfde kapstok. Steeds meer zijn

we op onszelf aangewezen en op onze

lokale en regionale partners. We kunnen

niet zonder hen: de woningbouwcorporaties,

de ontwikkelaars, de ondernemers

en de andere overheden in ons verzorgingsgebied.

Een voorbeeld: Naarmate we de stadsgrenzen

naderen zullen we meer en

beter moeten gaan samenwerken met

onze buurgemeenten. Groningen is nu

eenmaal de grote, oudere broer van

wie het handelen met argusogen wordt

gevolgd. We zijn de meetlat waaraan

buurgemeenten, regio en provincie zich

| 9

mei 2006 stad op scherp

spiegelen. Met gevoel voor deze verhoudingen

en respect voor elkaars eigenaardigheden

zijn we een veelbelovend experiment

gestart met Ten Boer. En zonder

kleine ‘broer’ Slochteren komt Meerstad

niet van de grond. We kunnen niet om

Tynaarlo heen en Haren heeft de ambitie

om het komende decennium noordwaarts

te groeien. We halen nu al het huisvuil

op in Baflo en Zoutkamp en bestrijden

rampen tot aan de provinciegrenzen.

Een platte wereld kent geen regionale obstakels

en provinciale rivaliteit. Een herbezinning

op de huidige samenwerkingsverbanden

is broodnodig. We moeten

onze partners koesteren en vertrouwen,

de relaties met de regio intensiveren en

ons tegelijkertijd bewust zijn van het feit

dat exclusiviteit een keerzijde heeft. Effectieve

allianties delen de risico’s en leggen

ze niet eenzijdig bij de overheid neer.

Ontwikkelaars of woningbouwcorporaties

die hun maatschappelijke of sociale

verantwoordelijkheid ontduiken, hebben

voortaan heel wat uit te leggen.

Economische potentie

We koesteren onze stedelijkheid. De

stedelijke kwaliteit van Groningen is

ontstaan doordat deze stad van oudsher

knooppunt en verzamelplaats is van

handel, bestuur, rechtspraak, onderwijs

en medische zorg. Met een Provinciehuis,

een rechtbank, twee ziekenhuizen,

een Kamer van Koophandel en een

Groningen City Club. Stuk voor stuk partners

die ons kritisch volgen en scherp

houden. Partners die wij op onze beurt

mogen aanspreken op hun verantwoordelijkheden.

De Universiteit en Hanzehogeschool van

Groningen zijn mededragers van ons

imago. Toch gebiedt de eerlijkheid te

zeggen dat we nog steeds te boek staan

als een studentenstad en (nog) niet als

universiteitsstad. Het verschil is subtiel.

Een studentenstad is een plek waar je

onbekommerd en onbezorgd volwassen

kunt worden. Dat je er tegelijkertijd

ongekend veel kwalitatief hoogwaardige

opleidingen kunt volgen wordt steeds

belangrijker, maar geeft niet de doorslag.

Jaarlijks studeren er meer dan 40.000

studenten in deze stad; zij zijn de cultuurdragers

van de unieke sfeer die dag

in dag uit in de binnenstad heerst. Wie

op een doordeweekse dag door Enschede

wandelt, merkt onmiddellijk het verschil

tussen een campus in de weilanden

en een binnenstad als campus.

Het is niet eenvoudig om van studentenstad

oftewel stedelijk opleidingsinstituut

uit te groeien tot een internationaal kenniscentrum.

Het siert ons dat we de ambitie

hebben om die stap te maken maar

voorlopig is de realiteit dat universiteit

en hogeschool er maar mondjesmaat in

slagen om starters, incubators en andere

innovatieve geesten te verleiden tot

aanverwante bedrijvigheid in Groningen.

Het handhaven van de kwaliteit van de

opleidingen, de onderlinge afstemming

en de aansluiting op de internationale

onderwijsmarkt bezorgen de opleidingscentra

al hoofdbrekens genoeg. Het uitbuiten

van de economische potentie van

briljante geesten blijft - op een nationale

en internationale schaal - onontgonnen

gebied. De hoop is gevestigd op Groningen

als kennisstad maar ons profiel is te

weinig onderscheidend om ons nationaal

te profileren laat staan internationaal.

Zelfs met de veelbelovende kruisbestuiving

tussen de kapitaalkrachtige dragers

van Energy Valley en onze opleidings- en

onderzoeksinstituten blijft het, als we

niet oppassen, piekeren in de Delta.

Op cultureel en creatief gebied heeft Groningen

zich al bewezen en de stad heeft

een reputatie met landelijke uitstraling.

Maar ook daar bieden successen uit het

verleden geen garanties. Meer en meer

tekent zich af dat nieuw succes staat of

valt met de programmering en niet met

spraakmakende gebouwen. Opzienbarende

manifestaties, jaarlijks of minder

regelmatig, scoren nu eenmaal beter bij

het publiek en in de vakpers dan het

reguliere onderhoud van gebouwen en

gezelschappen. Met de komst van het

Groninger Forum zetten we wederom

een culturele, commerciële en architectonische

trekpleister in de steigers.

Maar een progressief, creatief en gedurfd

imago bevestig je niet met een gebouw.

Dat doe je met de programmering. In

afwachting van het Forum – dat pas in

2012 gereed zal zijn – is het zaak om

met een terugkerende manifestatie of

festival ons imago in stand te houden.

Dat we onze parels (Groninger Museum,

Noorderslag, Noorderzon) moeten blijven

koesteren, spreekt voor zich.

Cultuur en creativiteit zijn niet alleen

instrumenten voor onze citymarketing.

Richard Florida toont in ‘The rise of the

creative class’ aan dat de aanwezigheid

van een creatieve sector een randvoorwaarde

is voor economische dynamiek.

Het succes van Windows en Google zit

‘m niet in wat een paar nerds uitdokteren

achter hun computers. De kracht

zit in het vermogen van mensen in hun

nabijheid die de simpele ideeën om

kunnen zetten in prijswinnende concurrerende

concepten en deze wereldwijd

kunnen vermarkten. Deze processen

beginnen altijd ergens bij iemand in een

garage, op zolder, in een loods of een

versleten bedrijfspand. De overheid kan

dergelijke creativiteit betrekkelijk eenvoudig

stimuleren en faciliteren. Niet met

wetten, regels en verordeningen maar

door creatieve ‘rommelruimte’ mogelijk

te maken waar innovatie, creatie en productie

elkaar ontmoeten, besnuffelen en

wie weet tot grootse dingen komen. Dat

moet hier toch ook kunnen? In broedplaatsen

aan het Boterdiep.

Het domein van de overheid

De afgelopen decennia is Groningen uitgegroeid

tot een multiculturele stad zonder

de problemen van de Randstad of

andere wereldsteden te kopiëren. Voor

een deel is dat een autonoom proces.

Op een of andere manier blijven we van

de extremen van segregatie verstoken.

Onze wijkvernieuwingsoperaties zijn ook

een vorm van tijdig ingrijpen. Voorkomen

blijft nu eenmaal beter dan genezen.

Wie zich verdiept in de dichtheid van de

schotelantennes in Groningen komt snel

tot de conclusie dat het uitblijven van

een Zuiderzeelijn ook positieve nevenef-


‘Het plotselinge verlangen naar

een tijd waarin alles beter was,

naar de tijd van vastigheid

fecten heeft: de psychologische drempels

naar het Noorden worden zelfs niet

door Al Jazeera geslecht!

De Groningse tweedeling is niet gebaseerd

op huidskleur, taalverschillen of

godsdienst maar is autochtoon. Weliswaar

doen we het steeds beter in de

lijstjes, maar de stille armoede bestaat

nog steeds. Het aantal bijstandsgerechtigden

en de werkloosheid dalen,

het gemiddelde inkomen stijgt en het

economisch groeipotentieel scoort hoog

maar desondanks staat een grote groep

mensen blijvend buitenspel. We zien het

als een kerntaak voor de overheid om te

blijven investeren in het vergroten van

kansen voor deze mensen. Kansen die

ze meer dan vroeger zelf zullen moeten

aangrijpen, maar nooit zonder dat wij ze

bieden.

Het klassieke domein van de over-

en gemeenschapszin, is in

zekere zin valse nostalgie’

90| 91

mei 2006 stad op scherp

heid staat ter discussie. Onmiskenbaar

vinden daarin verschuivingen plaats,

sterk beïnvloed door de flirt met aloude

normen, waarden en verworvenheden.

Maar de nostalgische vlucht naar een

tijd en wereld waarin alles om ons heen

vertrouwd, herbergzaam, knus en gezellig

was, leidt af van de werkelijkheid.

Welbeschouwd is de MP3-speler van

vandaag niet veel meer dan de walkman

twintig jaar geleden of de transistorradio

in de jaren vijftig. De scooter is een

doorontwikkelde bromfiets. Hangjongeren

zijn de nozems van toen een blowtje

nog een sjekkie heette. En destijds werd

er niet massaal gegolfd maar hadden

tennis en hockey een duur imago. De

zoektocht naar individuele vrijheid en

zelfverwezenlijking is van alle tijden.

Het plotselinge verlangen naar een tijd

waarin alles beter was, naar de tijd van

vastigheid en gemeenschapszin, is in

zekere zin valse nostalgie. De ontzuiling

gold decennia lang als een bevrijding

maar is omgeslagen in een hang naar

nieuwe zekerheden en bindende factoren.

Het succes van het boek ‘Knielen op

een bed violen’ van Jan Siebelink bevestigt

onze gepreoccupeerdheid met de

jaren waarin alles rook naar spruitjes en

draadjesvlees. Maar willen we werkelijk

weer dat het wordt zoals toen?

Dat toenemende welvaart tot grotere

zelfstandigheid en individualisme leidt,

werd altijd gezien als bevestiging van

de emancipatie van complete volksdelen

en niet – zoals nu – als de grootste bedreiging

voor onze nationale identiteit.

Begrippen als de zorgzame samenleving,

de solidariteitsgedachte en het noaberschap

waren jarenlang besmet. Individuen

willen vrijheid en vooral zo weinig

mogelijk overheidsbemoeienis. Steeds

minder mensen laten zich aanspreken of

mobiliseren op collectieve doelen of het

moet al een inzamelingsactie voor een

noodlijdend gebied zijn. Dit alles slaat

plotseling om als er bij onszelf een ramp

gebeurt. Dan priemt de vinger naar de

overheid en klinkt direct de roep om correctie,

daadkracht en optreden.

Bram Peper noemde dit verschijnsel aan

het einde van de vorige eeuw de paradox

van de overheid. Terwijl de overheid

krampachtig probeert de bemoeienis te

beperken tot een minimum, roept de

mondige, individuele en kritische burger

om stevig overheidsoptreden als er

rampen gebeuren. De overheid moet zich

zo min mogelijk met de werking van de

vrije markt bemoeien maar is en blijft

eindverantwoordelijk als het mis gaat.

De vrije markt zijn gang laten gaan, is

niet voor elk beleidsterrein de oplossing.

Want die markt laat het afweten

zodra er geen geld kan worden verdiend.

De overheid heeft een aantal klassieke

kerntaken. Infrastrcutuur en bereikbaarheid,

openbare orde en veiligheid, de

collectieve, preventieve gezondheidszorg,

ruimtelijke ordening en het onderwijs;

een maatschappij zonder overheidsbemoeienis

is ondenkbaar. Want als het

fout gaat, wil niemand een ondernemende

overheid die zich heeft beperkt

tot kerntaken en vrij spel heeft gegeven

aan de markt. Dan willen we een

overheid die er voor zorgt dat er geen

vuurwerkloodsen ontploffen, dat er geen

chloortreinen meer rijden, dat de grote

rivieren niet meer overstromen en dat er

camera’s hangen in de uitgaansgebieden.

Dan moet de overheid zorgen dat er voldoende

leraren voor de klas staan, dat

er geen kinderen worden vermoord en er

genoeg vrijwilligers zijn.

De pragmatische overheid

De Duitse socioloog Ulrich Beck heeft

deze maatschappelijke paradox verklaard.

We leven volgen hem in een

risicomaatschappij – “eine Risikogesellschaft”.

De economische groei heeft

ervoor gezorgd dat mensen hun eigen

– dus beïnvloedbare – risico’s creëren.

Daarmee is het leven in de risicomaatschappij

onzekerder geworden. Milieueffecten

en het gebrek aan ruimte, de

keerzijde van economische groei en consumptie,

leiden tot rampen. En de overheid

is verantwoordelijk voor het noodlot

en tegenspoed! Kortom: we hebben

onszelf en de maatschappij in een situatie

gebracht waarin elke (natuur)ramp

de overheid in diskrediet brengt.

Beck heeft er ook een oplossing voor.

Hij pleit voor een pragmatische overheid,

een overheid die niet langer vooruitkijkt

maar zich richt op bezinning in een politiek

klimaat waarin het mogelijk is om

van fouten te leren. Een overheid die in

de openbaarheid belangen en risico’s

afweegt. Een overheid die dilemma’s niet

verdoezelt maar erkent. Kortom: Een

betrouwbare overheid die vertrouwen

wekt en daardoor gezaghebbend wordt.

Een overheid die maatschappelijke verantwoordelijkheid

neemt!

Maar oh ironie, ondertussen lijken politici

als enige nog bedreven te zijn in het

schoonvegen van hun stoepje. De focus

van de burger is volledig verschoven van

de stoep naar de achtertuin. Van actor in

de eigen leefomgeving is de burger lijdend

voorwerp geworden in een wereld

waarin alles hem overkomt. Natuurlijk

maakt de overheid fouten net als ieder

ander. En het is onmogelijk om iedereen

tevreden te stellen als het algemeen

belang in het geding is. Toch verwacht

de burger van de overheid dezelfde

handelingssnelheid, garantieregelingen

en aansprakelijkheidsclausules waarmee

organisaties als Overtoom of Wehkamp

hun klanten bedienen. De dienstverle-

ning van de overheid wordt beoordeeld

volgens de commerciële standaard. De

rechtsbescherming ontwikkelt zich tot

vluchtheuvel voor elke burger die zijn

zin niet krijgt. Van wederkerigheid geen

spoor. De oude dame die ons onlangs

vroeg waarom de stadsgids niet begint

met een pagina waarop de tien plichten

van de Stadjer staan, is een zeldzame

verschijning.

Het is aan de overheid om de schijnwerpers

te verplaatsen van ons falen en om

te buigen naar het sluimerende beroep

op ons organiserend vermogen. We

moeten op zoek naar nieuwe effectieve

manieren om verantwoordelijkheden te

delen met burgers en onze partners.

Nieuw perspectief

Onze ervaringen met de wijkvernieuwing

bieden diverse aanknopingspunten. Nu

we na bijna tien jaar de balans opmaken,

blijkt dat we er steeds beter in

slagen wijken en hun bewoners nieuw

perspectief te bieden door middel van

gerichte ingrepen. Het is zoals gezegd

een kwestie van de lange adem. Wijkvernieuwing

brengt in de eerste plaats verandering,

die niet meteen wordt opgevat

als een verbetering. Pas als er zichtbaar

en tastbaar veranderingen optreden en

inwoners merken en beleven dat hun

wijk of buurt verbetert, schieten de leefbaarheidindicatoren

omhoog.

Met wijkvernieuwing slagen we er in elk


‘We willen onverminderd veel, maar we

beseffen dat we niet alles zelf kunnen en zeker niet

alles tegelijk’

geval in om de sociale samenstelling van

wijken te veranderen. Er komen nieuwe,

andere bewoners bij. Of we daarmee ook

de sociale samenhang van een wijk versterken,

blijft de vraag. Het gebrek aan

onderlinge menselijke betrokkenheid is

niet zomaar te repareren door ingrepen

van de overheid. We kunnen ervoor zorgen

dat iedere wijk weer een buurtagent

krijgt, maar de echte veranderingen moeten

uit mensen zelf komen. De eerste

tekenen zijn positief. Wijkvernieuwing,

aandacht voor de leefomgeving, investeringen

in beheer en onderhoud en

een groter veiligheidsgevoel lijken een

belangrijke sleutel te zijn tot een verbeterde

waardering van en betrokkenheid

bij de dagelijkse leefomgeving. Het mes

snijdt daardoor aan twee kanten. Wijken

worden weer aantrekkelijk en leefbaar

en wijkbewoners mogen weer hopen op

een nieuwe en betere toekomst. In het

nieuwe Lokaal Akkoord streven we er

naar om de verantwoordelijkheid voor

de brede, sociale aanpak van de wijkvernieuwing

te delen met de corporaties.

Het ziet er naar uit dat dit gaat lukken.

Het is niet langer vanzelfsprekend dat

alleen de gemeente verantwoordelijk is

voor het beheer van de openbare ruimte.

Bij de inrichting van wijkvernieuwingswijken

hebben we al een eerste stap

gezet. Als gemeente zorgen we voor de

hoofdstructuren, de corporaties richten

de directe woonomgeving in. De vol-

gende stap is dat we het beheer van die

openbare ruimte samen verdelen of – zoals

bij binnenterreinen of gezamenlijke

stukjes groen– overdragen aan groepen

bewoners. Zodra er nieuwe coalities

ontstaan rondom gezamenlijke belangen

is de verdeling van verantwoordelijkheden

bespreekbaar. Met ondernemers zijn

we al zover. Bedrijven zijn gebaat bij

een bedrijventerrein met een verzorgd

uiterlijk. Dat uiterlijk houdt niet op bij

de erfgrens maar gaat over de uitstraling

van een totaal gebied. Het parkmanagement

is daar een antwoord op. Dichter

bij huis hebben de ondernemers in de

Oosterstraat elkaar, de milieudienst en

de politie gevonden in de gezamenlijke

bestrijding van graffiti.

Selectief en effectief

De nieuwe rol van de overheid tekent

zich af. We willen onverminderd veel,

maar we beseffen dat we niet alles

zelf kunnen en zeker niet alles tegelijk.

We zullen meer verbindingen moeten

zoeken en meer moeten samenwerken,

zowel intern als extern, met heldere

afspraken over prioriteiten, verantwoordelijkheden.

Dat moet op alle niveau’s.

Met Brussel, Den Haag, de provincie, de

regio, het SNN, de G4 van het Noorden,

Rijkswaterstaat, de Waterschappen en

buurgemeenten. Maar ook in het Akkoord

van Groningen, met corporaties en

projectontwikkelaars, met ondernemers,

branche- en bedrijvenverenigingen. En

9 | 93

mei 2006 stad op scherp

met buurten, wijken, straten en burgers.

Ieder vraagstuk kent zijn eigen netwerk

van belanghebbenden. Het is van groot

belang op de juiste plek in deze netwerken

te zitten. Een effectieve overheid

zit aan alle tafels tegelijk. Om beleid te

ontwikkelen en beslissingen te nemen.

De stad Groningen is geen autonoom

verschijnsel; de stad bestaat bij de gratie

van de bewoners en bezoekers en begint

pas bij de gemeentegrenzen. Dagelijks

bezoeken 80.000 mensen die hier niet

wonen de stad om te studeren, te werken

of te winkelen of uit te gaan. Die

bezoekers- en transportstromen zijn de

levensaders van onze stad. Iedereen verwacht

van de overheid dat we maximaal

blijven sturen op dit klassieke domein:

infastructuur, bereikbaarheid en parkeren.

Een nieuw structuurplan gaat over de

gemeentegrenzen heen. Veel ligt al vast

en klaar. Een nieuw structuurplan is een

aanscherping van de Regiovisie Groningen

Assen 2030, een uitwerking van

onze ambities als nationaal stedelijk netwerk

en een verkenning van de ruimte

die er nog is. Die ruimte is zeer beperkt.

Alleen de verplaatsing van de suikerverwerkende

industrie of de aanleg van de

zuidtangent kunnen de kaart van Groningen

nog dramatisch wijzigen. Maar de

plaatsen waar we minder streng en strikt

kunnen zijn, nemen zienderogen af.

Een nieuw structuurplan is ook nodig

omdat we zelf steeds minder grondposities

hebben. Zo’n plan dwingt ons tot een

herbezinning op de rol van de overheid.

We zullen gewoon meer over moeten

laten aan anderen; aan burgers, marktpartijen,

corporaties en zelfs aan zorgverzekeraars.

We zullen hun plannen met

respect op hun waarde moeten beoordelen.

Accepteren dat we zelf niet langer het

bord volschrijven maar steeds meer moeten

luisteren naar de inbreng van onze

partners. De Intense Stad was een mooie

oefening in het uitlokken van initiatieven

en concrete projecten door middel van

een programma van uitgangspunten.

We kunnen het niet allemaal zelf. En we

verwachten meer van het particuliere

initiatief op domeinen waar burgers onze

rol juist vanzelfsprekend vinden. Want

als wij de plantsoenen niet meer onderhouden,

wie doet het dan? We moeten

selectiever te werk gaan, omdat we niet

alles kunnen (betalen) én moeten zorgen

voor een evenwichtige verdeling van

onze inzet over de stad. Dat vraagt om

een nieuwe definiëring van het basisniveau

aan zorg, beheer, veiligheid en

leefbaarheid waar burgers op moeten

kunnen rekenen. Daarmee leggen we

ons vast op een ondergrens, een basiskwaliteit

waar iedereen op kan rekenen.

Daarbovenop moet de overheid snel en

flexibel in kunnen grijpen en op kunnen

treden op plaatsen en terreinen waar we

onze concurrentiepositie kunnen versterken

of waar er knelpunten zijn.

Het gaat hier dus nadrukkelijk niet om

het ‘terugtreden’ als gemeentelijke overheid.

Het gaat om een gedifferentieerde

aanpak: waar moeten/willen we juist

hetzelfde blijven doen of misschien zelfs

meer en waar kunnen we het af met

een tandje lager? Met de verkoop van

het SIG verdwijnt bijvoorbeeld niet de

behoefte aan een eigen ontwikkelbedrijf.

Want wanneer de markt het laat afweten

zullen we zelf moeten sturen. Daarvoor

gelden naast politieke relevantie twee

belangrijke criteria: (a) is het probleem

beïnvloedbaar door de gemeente en (b)

hoe kunnen we met de beschikbare middelen

over het geheel gezien het beste

maatschappelijk rendement bereiken?

Dat vraagt om goede analyses en scherpe

en strategische keuzes. Meer focus,

minder versnippering. En wat we doen,

doen we goed. Selectief en effectief.


We laten

de stad niet los

9 | 95

mei 2006 stad op scherp

door: Anneke Miedema

Stad op Scherp. Een mogelijke vernieuwing van het structuurplan.

Nadenken, filosoferen en dromen over de harde kant van de stad, de

ruimtelijke ordening. Is structuur, een structuurplan, de wat abstractere

blik op de stad, wel van deze tijd? Is het nodig dat een overheid die niet

zozeer terugtreedt als wel selectiever wordt, zich er nog mee bemoeit?

Arie Wink, algemeen directeur van de dienst Ruimtelijke Ordening/

Economische Zaken en nauw betrokken bij Stad op Scherp, vindt van wel..

“Met het totstandkomen van het structuurplan

van 1986 had ik veel te maken.

De toenmalige wethouder stuurde ons

naar Schiermonnikoog en we mochten

niet eerder terugkomen voordat we in

gewone mensentaal hadden geformuleerd

waar we met de stad naar toe

wilden. Dat was nodig. Het ging slecht

met de stad. Economisch laag tij, hoge

werkeloosheid, de huizenprijzen kelderden.

Het was echt zaak om goed in

beeld te krijgen waar we op in moesten

zetten, waar de potenties van de stad

lagen. Een structuurplan heeft zin, daar

ben ik van overtuigd. Het woord zegt het

al: een structuurplan structureert. Bij de

gratie van die structuur gebeuren er dingen.

Zij schept condities, stelt grenzen.

De samenleving gaat voor een deel natuurlijk

gewoon haar eigen gang. Dat is

ook goed. Maar het ontslaat je niet van

de plicht om voortdurend na te denken

over de stad en de consequenties van je

beleid onder ogen te zien. Als je bijvoorbeeld

graag wilt dat grote functies als

een ziekenhuis, een universiteit en een

rechtbank niet naar de periferie verdwijnen

maar in de stad blijven omdat je

er van overtuigd bent dat dat de stad

levendiger en aantrekkelijker maakt

en je krijgt dat voor elkaar, dan heeft

dat gevolgen voor je bereikbaarheid.

Dat vraagt om een adequaat openbaar

vervoersysteem en is een tramverbinding

een goed antwoord. Anders verstikt de

compacte stad.

Als je nadenkt over de positie van

Nederland, de positie van Groningen en

de verbinding met Noord-Europa moet

je goed analyseren wat de kracht van

Groningen is. En deze kracht koesteren.

Daar heeft de overheid een uitgesproken

rol in en dat verwacht iedereen ook van

de overheid, volgens mij.”

“De stad is naast structuur ook een

organisme. En je moet op beide inzetten.

Niet alles dichtorganiseren. Verschillen in

gebieden in de stad toestaan. Rommelgebiedjes

en laboratoria omarmen. Zeker

niet iets doen dat concurrerend is met

dat wat waardevol is. Maar verloedering

is uit den boze. Dan moet je als overheid

toch proberen dat te keren.

Dus die selectieve overheid, waar nu

veel over gesproken wordt, ik vraag me

af of ons dat gegeven is. Als het mis

gaat kijkt iedereen toch weer naar diezelfde

overheid. Kijk naar de binnenstad.

Veel gepraat, veel georganiseerd, actief

aan gewerkt. En nu dus aan de oostzijde

van de Grote Markt. Een deel van de binnenstad

dat onbenut blijft en ligt te verkommeren.

De markt, de ontwikkelaars

zien er geen brood in, willen het niet

hebben. Dus doen we het zelf. Ik ben

ervan overtuigd dat de stad permanent

zorg en onderhoud nodig heeft.”

“Om de vernieuwing van het structuurplan

op deze Stad op Scherp-manier aan

te pakken, vind ik uitermate creatief.

Het is een feest dat zoveel mensen

bereid zijn erover na te denken, ideeën

aanleveren. Het is goed om op zo’n drie

niveaus over de stad na te denken: als

structuur, als organisme, als beweging.

Want de stad heeft niet alleen een

harde, fysieke kant. Het economische en

sociale zijn net zo belangrijk.

We moeten echt met de poten op de

grond komen. Stad op Scherp moet landen.

Uit de essays in dit tijdschrift blijkt,

dat het veel verder gaat dan onze core

business, de fysieke kant.

We moeten een slag naar breder maken,

andere lagen aanboren. Dat betekent

innig contact zoeken met andere gemeentelijke

diensten, met andere grote

spelers in de stad. Dat is een taak van

de gemeentelijke overheid én van de

stad zelf”.


©

9 | mei 2006 stad op scherp

colofon

Dit is een publicatie in het kader van het proces Stad op Scherp,

gemeente Groningen, dienst RO/EZ, afdeling beleidsontwikkeling, mei 2006.

Kernteam Stad op Scherp: Martin van Wijck, Laurens Huis in ‘t Veld,

Marjan van der Weij, Anneke Miedema, Tabitha Maätoke

Projectteam Stad op Scherp: Kernteam + Erwin Tollenaar, Marieke Zwaving,

Tjerk Ruimschotel, Fokke van der Veer

Redactie: Marjan van der Weij, Gerard Tolner, Anneke Miedema

More magazines by this user
Similar magazines