Inhoud 65-78 HW Singor Africa Romana: een overzicht 79 ... - Tresoar

images.tresoar.nl

Inhoud 65-78 HW Singor Africa Romana: een overzicht 79 ... - Tresoar

Inhoud

65-78 H.W. Singor Africa Romana: een overzicht

79-89 Liselot Vandamme Het Punische Carthago

90-98 Fik Meijer De moeizame oorlog tegen Jugurtha

99-107 Dorothy Pikhaus Romanisering in de praktijk. Het voorbeeld

van Mactaris

108-117 Angélique Notermans Noord-Afrikaanse vloermozaiëken

118-127 Vincent Hunink Seminumida et Semigaetulus. Apuleius,

latinist uit Africa

128-137 Jan N. Bremmer Het martelaarschap van Perpetua en Felicitas

138-148 Alexander Evers Cyprianus van Carthago

149-158 Hans van Reisen Tweespalt om christelijke identiteit: donatisten

en katholieken in Noord-Afrika

159-166 Pieter W. van der Horst Egyptische woestijnvaders in de late Oudheid

167-175 Allard Schröder De dichter Palladas en de troebelen van zijn tijd

176-187 Wim Verbaal Dichter bij de Vandalen: Blossius Æmilius

Dracontius

190-198 Josine H. Blok Kwam Athene uit Afrika? De Black Athena-

affaire opnieuw gepeild

Woord vooraf

In zijn rede tot het Europese parlement op 17 november 2004 verwees de Zuid-

Afrikaanse president Thabo Mbeki naar woorden van Plinius de Oude: ex Africa semper

aliquid novi ('uit Afrika altijd iets nieuws'). Het zijn woorden die vaker geciteerd worden

en die de meeste lezers van Hermeneus bekend in de oren zullen klinken. Maar of

iedereen ook weet dat het citaat niet letterlijk zo in de Naturalis Historia van Plinius te

vinden is? En dat Plinius de woorden bezigt in een passage over het paringsgedrag

van leeuwen? En dat al bij de oude Grieken het 'altijd brengt Afrika iets nieuws'

spreekwoordelijk was?

Men mag aannemen dat Plinius zijn constatering dat ‘Afrika altijd iets nieuws

brengt’ (semper aliquid novi Africam adferre, 8-16.42) aan Aristoteles heeft ontleend. In

het Grieks vinden we de woorden voor het eerst in diens Historia Animalium (p.606b

Bekker; vgl. De generatione animalium 746b). De context is dezelfde als bij Plinius:

leeuwen in Afrika paren maar raak, niet alleen met soortgenoten, maar ook met bij-

voorbeeld luipaarden, en daar komen rare kinderen van. Zowel Aristoteles als Plinius

beklemtonen het spreekwoordelijk karakter van het gezegde. Het verbaast dan ook

niet dat we de uitspraak ook tegenkomen in de verzameling ‘Spreekwoorden’ van de

grammaticus Zenobius (Proverbia 2.51).Maar er is een verschil. Vergeleken met de

versie van Aristoteles is die van Zenobius één woord langer, waardoor zij een extra

dimensie krijgt: ‘altijd brengt Afrika nieuw onheil’. Zo wordt meestal ook het op zich-

zelf neutrale ex Afica semper aliquid novi opgevat en tegen die opvatting verzette

president Mbeki zich in Straatsburg.

Deze aflevering van Hermeneus wil de lezer geen onheil, maar veel interessant

nieuws uit Afrika brengen. De redactie heeft ernaar gestreefd een gevarieerd nummer

samen te stellen met aandacht voor dichters en redenaars, woestijnvaders en bisschop-

pen, veldheren en martelaressen, donatisten en katholieken, steenhouwers en mozaïek-

leggers. Natuurlijk kon niet alles behandeld worden. De nadruk ligt op dat deel van

Afrika dat eens het grondgebied van Carthago was geweest, maar dat in 146 v.Chr. de

Romeinse provincie Africa werd. HENK SINGOR geeft een overzicht van de geschiedenis

van dit gebied vanaf het einde van de Derde Punische Oorlog tot de komst van Arabische

veroveraars in de 7de eeuw n.Chr. LISELOT VANDAMME voert ons mee naar het Carthago

van vóór 146, waarvan sporen bewaard zijn gebleven, ook al hebben de Romeinen de


stad aan het eind van de Derde Punische Oorlog grondig verwoest. FIK MEIJER behandelt

de strijd van Rome met Jugurtha, koning van het aan de provincie Africa grenzende

Numidië, een strijd, die zes jaar heeft geduurd (112-106 v.Chr.).

De verovering van Noord-Afrika door de Romeinen heeft geleid tot vergaande

romanisering van het gebied. DOROTHY PIKHAUS laat aan het voorbeeld van de stad

Mactaris zien hoe dit proces in de praktijk gestalte kreeg. Ook het artikel van ANGÉLIQUE

NOTERMANS behandelt een aspect van die romaniserng. Zij behandelt de ontwikkeling

van de mozaïekkunst in dit gebied, terwijl VINCENT HUNINK laat zien dat Noord-Afrika

een bloeiend literair leven kende en in de persoon van Apuleius van Madaura een van

de grote namen op het gebied der Latijnse letterkunde heeft voortgebracht.

Behalve Africa pagana komt ook Africa christiana aan bod. Afrika was een van de gebieden

waar het christendom al vroeg wortel schoot, schrijft JAN BREMMER in de openingszin van

zijn aan het martelaarschap van Perpetua en Felicitas gewijde bijdrage. SANDER EVERS

belicht de figuur van Cyprianus, bisschop van Carthago en een van de grootste christelijke

schrijvers uit Noord-Afrika, terwijl HANS VAN REISEN in zijn artikel over donatisten en

katholieken inzicht geeft in een van de vele twisten van christenen onderling.

Met het artikel van Van Reisen zijn we in de late Oudheid aangeland. Ook drie andere

bijdragen spelen zich af in deze periode. WIM VERBAAL laat ons kennis maken met

Dracontius, een Romeins dichter die schreef toen in Noord-Afrika Vandalen het

voor het zeggen hadden en wiens verzen hem op gevangenschap kwamen te staan.

Een andere, in het Grieks schrijvende dichter speelt de hoofdrol in het stuk van ALLARD

SCHRÖDER over Palladas en de troebelen van zijn tijd. Met Palladas zijn we terecht-

gekomen in het sinds keizer Augustus tot het Romeinse rijk behorende Egypte, waar

ook de door PIETER VAN DER HORST ten tonele gevoerde woestijnvaders vandaan

kwamen en waar, als we de Amerikaanse geleerde Bernal zouden mogen geloven - quod non,

zoals JOSINE BLOK betoogt -, de klassieke beschaving eigenlijk haar wortels had.

De verschillende bijdragen van dit nummer laten slechts een fractie zien van de rijk-

dom die het antieke Afrika te bieden heeft. Ook een themanummer heeft nu eenmaal

een beperkte omvang. Onze dank gaat uit naar alle auteurs, die ons op zo gevarieerde

wijze hebben laten delen in hun kennis van dit fascinerende continent.

De redactiecommissie,

Henk van Gessel

Thea L. Heres

Hans Teitler


H.W. SINGOR

Africa Romana: een overzicht

De geschiedenis van Romeins Noord-Afrika begint formeel in 146 v.Chr. Toen

maakten de Romeinen een einde aan het bestaan van Carthago als zelfstandige

Punische (lees: Phoenicische) macht. Bij de aanblik van de brandende stad en

de stoeten van gevangenen zou de overwinnaar, Scipio Aemilianus, in tranen zijn uit-

gebarsten: niet uit medelijden met de Carthagers, maar om het lot dat in zijn stoïsche

wereldbeschouwing ook Rome zelf eens zou moeten treffen. Maar die ondergang lag

in 146 v.Chr. nog ver weg: pas in 439 n.Chr. zou Romeins Carthago opnieuw in andere

handen overgaan met de komst van de Vandalen. Een kleine eeuw later werd het

Romeinse, of liever: het Byzantijnse gezag er weer hersteld, om pas tegen het einde

van de 7de eeuw voorgoed plaats te maken voor de Arabische veroveraars en daarmee

voor een in vele opzichten andere wereld dan die van de klassieke oudheid.

Het Carthago dat in 146 v.Chr. ten onder ging was een welvarende en in belang-

rijke mate al gehelleniseerde stad zonder politieke macht, want sinds de capitulatie

van 201 v.Chr. volkomen in de schaduw van Rome. Gesticht rond 800 v.Chr. door

kolonisten uit Tyrus was Carthago in de 6de eeuw v.Chr. uitgegroeid. tot de belangrijk-

ste van een reeks Phoenicische vestigingen op de Noord-Afrikaanse kust en tot de

gevaarlijkste concurrent van de Griekse nederzettingen op Sicilië. In de 5de en 4de

eeuw ondernam het met enige regelmaat grootschalige campagnes tegen de Griekse

steden van het eiland, die steeds op het laatst stuk liepen op de Griekse tegenstand. In

dezelfde tijd veranderde Carthago zelf van een handelsnederzetting in een stad met

een belangrijk territorium en een aanzienlijke machtsuitbreiding op kosten van de

inheemse bevolking.

De verovering van de moederstad Tyrus door de Babylonische koning Nebukad-

nezar in 574 v.Chr. had een nieuwe stroom migranten naar Noord-Afrika gebracht en

de stoot gegeven tot de ontwikkeling van een rijke land- en tuinbouw in het ommeland

van Carthago, het huidige Noord-Tunesië. De lokale bevolking werd deels naar de

minder vruchtbare gebieden verdreven, deels tot een vorm van horige arbeid op de

Punische landgoederen gedwongen. Boomgaarden (olijven, vijgen, dadelpalmen,

granaatappelen) en de productie van wijn en honing naast de verbouw van graan ken-

merkten deze agrarische economie die tot de meest ontwikkelde van die tijd behoorde.

De schrijver Mago produceerde (in de 3de eeuw) een werk in 28 boeken over deze

gemengde landbouw dat later van grote invloed zou zijn op Griekse en Latijnse verhan-

delingen over de ideale organisatie van een groot landbouwbedrijf. Tegelijk ontplooide

de Carthaagse scheepvaart zich westwaarts over ongehoorde afstanden, op zoek naar

nieuwe markten en om Griekse concurrenten voor te zijn: Hanno ondernam ergens

in de 5de eeuw een verkenningstocht langs de kust van West-Afrika minstens tot

Guinee, een zekere Himilco bereikte in dezelfde tijd langs de kusten van Spanje en

Gallië het tinproducerende Cornwall. Tot het einde van de 3de eeuw v.Chr. wist

Carthago het uiterste westen van de Middellandse Zee rond de Straat van Gibraltar en

de Atlantische wateren voor mededingers praktisch gesloten te houden.

De val van Carthago

Kort voor 300 v.Chr. bereikte de strijd tussen Carthago en de Grieken van Sicilië een

dramatisch hoogtepunt onder Agathokles van Syracuse die met een expeditieleger van

310 tot 307 de omgeving van Carthago plunderde en de stad zelf bedreigde. Om het gevaar

af te wenden werden honderden kleine kinderen van Carthaagse notabelen in het


openbaar gewurgd en verbrand, waarna hun as werd bijgezet in speciale urnen in het Tofet-

heiligdom van Baäl en Tanit. Die Punische goden bleven Carthago voorlopig nog trouw en

de stad overleefde de aanval. Dat alles stond een beginnende hellenisering van Carthago

niet in de weg. De Griekse godinnen van het graan, Moeder en Dochter, werden al in de 4de

eeuw in Noord-Afrika vereerd en zouden als de Cereres tot ver in de keizertijd verering

blijven ontvangen. Griekse (hellenistische) militaire technologie deed in Carthago haar

intrede; munten werden geslagen naar Grieks voorbeeld, kleding en sieraden, vooral voor

vrouwen, volgden Griekse modes; de Griekse taal tenslotte vond in Carthago in de 3de en

2de eeuw v.Chr. ijverige bewonderaars, zo zelfs dat Griekssprekende Carthagers in

Athene en elders aanzien verwierven om hun retorische en geleerde gaven.

Tegelijk vond een zekere 'punisering' van Berberse stammen in de omgeving plaats,

vooral naar het westen toe. Koninkrijkjes ontstonden in de 3de eeuw in Mauretanië en

Numidië tussen de noordelijke uitlopers van het Atlas- en Auresgebergte en de zee,

waar de elites Punische namen gingen dragen en Punische goden vereerden. Aan de

andere kant van de bergen en verder naar het oosten leidden Libische stammen als de

Gaetuli, de Nasamones en de Garamantes een nomadisch bestaan, tegelijk profiterend

van de opbloeiende handel per karavaan door de Sahara (toen minder uitgedroogd dan

tegenwoordig) tot Senegal en andere delen van zwart Afrika toe. Voor Carthago waren

de Berbers en Libiërs belangrijk als leveranciers van huursoldaten, als handelaren in

slaven en exotische waren, maar soms ook gevaarlijk als nomadische invallers in hun

rijke landbouwgebieden.

Carthago was veruit de belangrijkste van een reeks Phoenicische vestigingen in

Noord-Afrika. Andere steden, zoals Utica, dat nauwelijks jonger was dan Carthago, of

het zuidelijker gelegen Hadrumetum, moesten sinds de 5de eeuw v.Chr. de Carthaagse

hegemonie erkennen. Dat gold ook voor de drie steden Sabratha, Oea en Lepcis (beter

bekend als Leptis Magna) op de kust van het huidige Libië. Pas na 201 v.Chr. werden

deze steden van Carthago losgemaakt en onderdeel van een nieuw koninkrijk

Numidië onder Massinissa, dat het Carthaagse gebied in het westen, zuiden en oosten

omvatte met Cirta als hoofdstad. Zo was de politieke toestand in dit gebied door de

grote oorlog van Hannibal tegen Rome drastisch veranderd. Niet alleen waren alle

aspiraties in de richting van een Carthaags rijk in Spanje op niets uitgelopen, maar

ook aan de hegemoniale positie van de stad in Noord-Afrika zelf was door de Romeinen

een einde gemaakt. Rome had zich de onbetwistbare suprematie in de westelijke

Middellandse Zee verschaft en het zou niet lang meer duren voordat het ook het

restant van de Carthaagse macht in een vlaag van paranoia in het jaar 146 v.Chr. weg

zou vagen.

De ruïnes van Carthago werden door de Romeinen plechtig vervloekt en met zout

bestrooid, de rest van het Carthaagse gebied tot een provincie gemaakt (Africa met Utica

als hoofdstad), terwijl verscheidene andere Punische steden, zoals Hadrumetum en

de Libische Tripolis, door de overwinnaar als 'vrij' werden erkend. Numidië met Cirta

als belangrijkste stad bleef een onafhankelijk koninkrijk, dat weliswaar zijn macht

over de Tripolis verloor, maar onder Massinissa en diens opvolgers een verdergaande

‘punisering’ van zijn Berberse elite onderging. De oorspronkelijk nomadische bevolking

werd sedentair en steden als Cirta en Hippo (het Hippo Regius van de Numidische

koningen) ervoeren ook helleniserende invloeden. Tegelijk vestigden zich er grote

aantallen handelaren en avonturiers uit Italië als een eerste en niet geplande kolonisatie

die de basis zou vormen voor de latere romanisering.

Uitbreiding van de Romeinse heerschappij

Het territorium van het verwoeste Carthago werd in 146 v.Chr. tot Romeins staatsland


gemaakt en deels aan rijke Romeinen in privé-eigendom verkocht, deels aan anderen in

pacht uitgegeven. Zij genoten de inkomsten van hun bezittingen in absentia en lieten

de bewerking van de gronden over aan onderpachters of aan rentmeesters die op hun

slaven toezicht hielden. Van een geregelde kolonisatie was in de eerste jaren nog geen

sprake. Maar in 122 v.Chr. stelde de volkstribuun Caius Gracchus voor om de stad

Carthago opnieuw te bevolken als Romeinse kolonie. De politieke crisis in Rome,

waarvan de tribuun zelf het volgende jaar het slachtoffer zou worden, verhinderde de

uitvoering van deze plannen, al lijkt het wel zeker dat Italische kolonisten, met name

Etruriërs, zich toch op verscheidene plaatsen in het ‘gepuniseerde’ en sedentaire gebied

tussen Utica en Hadrumetum gevestigd hebben. Een jaar of vijftien later kon Marius, de

populaire overwinnaar in de oorlog tegen Jugurtha, op vermoedelijk grote schaal veteranen

(waaronder ook Berberse Gaetuli die hem met hun ruiterij gediend hadden en als beloning

het burgerrecht ontvingen) in dezelfde agrarische zones als kolonisten vestigen. Er is geen

Noord-Afrikaanse stad met zekerheid als kolonie van Marius bekend, maar op verschillende

plaatsen werd nog in de keizertijd naar hem als ‘stichter’ of weldoener verwezen, terwijl het

cognomen Marius in Noord-Afrika wijd verbreid raakte. Deze door de Populares bedreven

vormen van kolonisatie verhinderden overigens niet dat grote stukken landbouwgrond hier

in handen bleven van Optimates-famllies in Rome, evenmin dat er in Noord-Afrika zelf

lokale elites opkwamen van kolonistenfamilies die zich door onderlinge huwelijken en

bondgenootschappen tot regionale netwerken vertakten die tot ver in de keizertijd in vele

steden de politieke suprematie zouden behouden.

De kolonisatie van Noord-Afrika vanuit Italië vanaf 146 v.Chr. was mede zo aan-

trekkelijk, omdat het gebied bij de val van Carthago tamelijk 'leeg' moet zijn geweest.

Duizenden inwoners van Carthago waren gedood of als slaven meegevoerd, enkele

duizenden moeten ook de wijk genomen hebben naar het binnenland, met name naar

het stadje Maktar. Voor het hele agrarische gebied van het huidige Noord-Tunesië

samen met een klein deel van Oost-Algerije mag men het inwonertal op minder dan

één miljoen schatten. Daar was zeker voor meer mensen plaats, terwijl de overgang

van nomadisme naar een sedentaire levenswijze bij de Numidiërs in de kuststrook

van ongeveer honderd kilometer breedte tussen de Middellandse Zee en het gebergte een

verdere uitbreiding van het landbouwgebied westwaarts beloofde. Het was Julius Caesar

die op grote schaal nieuwe immigranten in Noord-Afrika toeliet: veteranen, arme

burgers uit Italië, vrijgelatenen, ook geromaniseerde Puniërs en Libiërs of Berbers.

Het agrarische gebied, dicht bezet met een menigte aan dorpen en dorpjes (waarvan

er vele tot steden en stadjes zouden uitgroeien) werd vooral vanuit het ommeland van Ë

Carthago, dat in 46 v.Chr. officieel als Romeinse stad hersticht werd, naar het zuiden

uitgebreid tot ver in de dalen van het Auresgebergte. Numidië, waarvan de ruiterij de

partij van Pompeius gesteund had, verloor een groot deel van zijn gebied in het westen

aan Mauretanië, terwijl het oostelijk deel rond Utica tot een provincie Africa Nova

gevormd werd (in onderscheid tot het Africa Vetus rond de nieuwe provinciehoofdstad

Carthago). Onder Augustus werd het Romeinse element in de bevolking verder versterkt

door de vestiging van Italiërs (vaak veteranen) in Carthago en in Africa Nova, terwijl

de romanisering (en gedeeltelijke punisering) van de Berberbevolking aan de kust tot

Mauretanië in dezelfde tijd sterk op gang kwam.

Het was ook Augustus die de provincie-indeling herzag en Africa Nova en Africa

Vetus weer als één provincie Africa in het jaar 27 v.Chr. officieel aan de senaat 'terug-

gaf', een provincie die sindsdien door een proconsul vanuit Carthago (vandaar: Africa

Proconsularis) bestuurd zou worden. Eén legioen, legio III Augusta met haar auxilia,

moest voortaan de militaire bescherming van het gebied verzekeren. Het was het

enige legioen in de militaire organisatie van het beginnende keizerrijk dat niet direct


onder de princeps zelf, maar onder de senatoriale stadhouder viel. Het was sinds 30

v.Chr. gelegerd in Ammaedara (Haidra), maar Caligula zou de legaat losmaken van de

senatoriale proconsul in Carthago. Als een semi-stadhouder, direct ondergeschikt aan

de keizer, bestuurde de legioenscommandant voortaan het oosten van het oude

Numidië. Verder naar het westen, waar Augustus ook een reeks veteranenkolonies

stichtte, was Mauretanië in 25 v.Chr. door hem als koninkrijk aan de jonge en geleerde

Juba II als cliënt-koning geschonken, die er de stad Volubilis tot zijn residentie en tot

een centrum van hellenistische en romaniserende invloed maakte. Maar ook hier zou

Caligula het systeem van Augustus ingrijpend herzien door in het jaar 40 de laatste

Mauretanische koning te laten vermoorden en de kuststrook tot twee nieuwe provincies

Mauretanië te maken: Mauretania Caesariensis met Caesarea (het oude Punische Iol,

nu Cherchel, door Juba II tot een Romeinse stad hersticht) en Mauretania Tingitana

met Tingis (het huidige Tanger, een oorspronkelijk Punische en onder Augustus gero-

maniseerde stad) als zetels van de nieuwe keizerlijke stadhouders.

Zo was Noord-Afrika in het begin van onze jaartelling een lappendeken van pro-

vincies, een nominaal onafhankelijke staat (tot het jaar 40), van steden met verschil-

lende statuten: 'vrij en autonoom' (zoals die van de Tripolis), Romeinse of Latijnse

coloniae of municipia, 'inheemse' (Punische of Punisch-Berberse) steden (en dorpen) en

van geheel of gedeeltelijk nomadiserende stammen aan de zuidgrenzen. De bevolking

was een amalgaam van afstammelingen van Puniërs, van 'gepuniseerde' Libiërs en

Berbers, van Italische immigranten, vrijgelatenen uit het oostelijk Middellandse

Zeegebied en veteranen van III Augusta uit Gallië en Spanje. De talrijke kolonies van

Caesar en Augustus hadden de bevolking, vooral in Proconsularis, aanzienlijk doen

toenemen, tot voor heel Noord-Afrika aan het einde van de 1ste eeuw ruwweg vijf

miljoen. Maar sinds Augustus waren daar niet veel immigranten meer bijgekomen:

de recrutering van de troepen in de Noord-Afrikaanse provincies vond in toenemende

mate plaats onder de omwonende bevolking - waar veteranen en hun nakomelingen

weer een belangrijk deel van uitmaakten. Tegelijk zijn er aanwijzingen voor een ware

vermenging van bevolkingsgroepen; tussen Italische kolonisten en 'inheemse' boer-

tjes en pachters bestonden geen grote sociaal-economische en vermoedelijk ook geen

al te grote culturele verschillen; voor de stedelijke elites van Carthago en de talrijke

kleinere steden gold hetzelfde.

Landbouw en verstedelijking

In de organisatie van de landbouw en het landbezit in Noord-Afrika trad in de 1ste eeuw

een belangrijke verandering op. Het in 46 v.Chr. door Rome genaaste akkerland, dat

door de overwinnaar vooral gezien werd als graanleverancier voor de hoofdstad, was

enerzijds in handen gekomen van een grote groep Romeinse kolonisten en een klein

aantal Romeinse aristocratische grootgrondbezitters en anderzijds in pacht gegeven

aan of zelfs in het bezit gekomen van inheemse of uitheemse grondbezitters. Terwijl

de concentraties van Romeinse kolonisten geleidelijk een meer stedelijk karakter kre-

gen, kwam er in de 'inheemse' steden en dorpen een proces van assimilatie aan het

Romeinse stedelijk leven op gang. Het voor landbouw bestemde gebied werd op die

manier vanuit talrijke steden, stadjes en dorpen geëxploiteerd. Tegelijk groeide het

keizerlijk grondbezit in Noord-Afrika tot enorme omvang. Onder Augustus waren vele

bezittingen van de Optimates aan de keizer vervallen; onder Nero werden de laatste

zes particuliere domini, die gezamenlijk ongeveer de helft (!) van het oorspronkelijke

staatsland in Proconsularis in bezit hadden, geëxecuteerd en hun domeinen door de

keizer in beslag genomen. Sindsdien moeten de keizerlijke domeinen het grootste

deel van de agrarische gronden van Noord-Afrika omvat hebben. Ze werden in talrijke


percelen verdeeld en aan coloni in pacht gegeven

Van het begin af aan was de verzekering van een geregelde export van graan

naar Rome een belangrijk oogmerk van de Romeinse politiek geweest. Nero bepaalde

zelfs dat de hoofdstad 2/3 van haar graanimport voortaan uit Noord-Afrika moest

betrekken. De Romeinse behoefte aan graan had in de tijd na 146 v.Chr. het karakter

van de Noord-Afrikaanse landbouw sterk beïnvloed: akkers vervingen op vele plaatsen

de wijnstokken en de olijf, en vruchtbomen, waarover Mago zo uitvoerig geschreven

had. Maar de gestage uitbreiding van het sedentaire gebied maakte later in de 1ste

eeuw een omkering van die trend en daarmee een terugkeer naar de ideale mix van

graan, olijfbomen, fruitteelt en wijngaarden mogelijk. De olijfolie zou vanaf de 2de

eeuw de ruggengraat vormen van de economische opbloei die toen in de Noord-

Afrikaanse provincies begon.

Intussen manifesteerde zich ook een andere ontwikkeling in de voortgaande

verstedelijking van de Noord-Afrikaanse provincies: bestaande steden kregen de status

van Romeinse coloniae zonder dat er van een immigratie van nieuwe kolonisten sprake

was. Toen onder de Flavii het legioen uit Ammaedara naar het westelijker Theveste

werd verplaatst, werd zijn oude standplaats, bevolkt door veteranen, tot colonia Ammae-

dara Emerita verheven. Een paar andere steden, waar ook veteranen van het legioen

gevestigd waren, zoals de geboorteplaats van Apuleius, Madaura, werden in die jaren

ook tot Romeinse coloniae bevorderd. Onder Trajanus werd legio III Augusta opnieuw

naar het westen verplaatst, nu naar Lambaesis, waarbij de oude standplaats Theveste

vermoedelijk weer een Romeinse colonia werd, evenals het nieuw gestichte Thamugadi

(Timgad), dat door veteranen van het legioen bevolkt werd. De bevolking van de gero-

maniseerde steden leverde voortaan de meeste rekruten voor dit legioen, dat daardoor

in de loop van de 1ste en 2de eeuw steeds meer een eigen, Noord-Afrikaans karakter

kreeg. Vestiging van kolonisten van buiten Noord-Afrika kwam hier vanaf de tijd van

Hadrianus niet meer voor. Wel nam het aantal coloniae gestaag toe, maar dit was louter

een interne ontwikkeling, toe te schrijven aan een voortschrijdende romanisering die

de elites van de verschillende steden ertoe bracht de status van een 'echt Romeinse'

stad na te streven. Het oude Numidische Hippo Regius was de eerste stad die zo

onder de Flavii tot colonia bevorderd werd; Hadrumetum en Leptis Magna moeten

spoedig gevolgd zijn; Hadrianus verleende deze status aan Utica en onder meer aan

Bulla Regia en Zama Regia, eveneens oude Numidische residenties. Daarna stokte

het proces enigszins; onder Antoninus Pius is geen nieuwe colonia bekend, onder

Marcus verwierf Maktar die status. Septimius Severus en Caracalla voltooiden deze

ontwikkeling door alle steden die die status nog niet bezaten officieel tot coloniae te

verheffen.

De uitbreiding van het landbouwgebied in de 1ste en 2de eeuw naar het westen

is vermoedelijk de achtergrond van voortdurend terugkerende revolten van nomadische

of half-nomadische Berberstammen, met name in de Mauretanische provincies. We

horen van opstanden onder Vespasianus, onder Hadrianus, en van een ernstige rebellie

acht jaar lang onder Antoninus Pius (142-150). Ook onder Marcus Aurelius was het

soms onrustig. Tijdens Commodus en Septimius Severus leken de moeilijkheden

afgenomen, werd het sedentaire gebied vanuit Proconsularis verder dan ooit naar het

zuiden uitgebreid en ontvingen verscheidene steden de begeerde status van coloniae.

Daarmee werd een nieuwe periode, de bloeitijd van Romeins Noord-Afrika, ingeluid.

Romanisering

Tegen het einde van de 2de eeuw was ook het Punische element in de Noord-Afrikaanse

cultuur voor het overgrote deel verdwenen. In de 1ste eeuw en ten dele nog in de 2de


waren er in verscheidene steden nog suffeten als jaarlijkse magistraten, werden er nog

Punische inscripties geplaatst en beleefden Punische culten zelfs een zekere revival.

Met name in een stad als Maktar (waarheen een deel van de Carthaagse bevolking in

149/6 v.Chr. was uitgeweken) bestond een gecompliceerd Punisch pantheon. Dit

omvatte Hoter Miskar als hemelgod, Tanit als maangodin, Melqart als een met Hercules

geïdentificeerde gestalte, Shadrapa als god van de wijn, en Ba'al Hammon, die ook hier

een tofet bezat: een heilig terrein in een ravijn buiten de stad bestemd voor de offers,

hun bijzetting in asurnen, en de oprichting van wij-stèles door vrome dedicanten.

Mensenoffers waren door het Romeinse gezag verboden en een speciaal ritueel moest

nu dierenoffers cultisch aan de oude mensenoffers gelijkstellen. Vermoedelijk zijn op clan-

destiene wijze kinderoffers toch nog wel eens gebracht; Tertullianus vertelt dat een

stadhouder van Proconsularis niet lang voor zijn tijd nog priesters had laten execute-

ren die kinderoffers gebracht hadden, en de christelijke schrijver meent zelfs dat ze

ook in zijn eigen tijd nog af en toe in het geheim plaats vonden. Intussen waren de

Punische heiligdommen in elk geval in hun uiterlijk sinds de tijd van Hadrianus

grondig geromaniseerd en in hun riten en priesterschappen ook steeds meer op

Romeinse leest geschoeid. De oude Punische namen maakten plaats voor hun Romeinse

'equivalenten: Liber of Bacchus voor Shadrapa, Caelestis voor Tanit, Hercules voor

Melqart, Saturnus voor Ba'al Hammon. De keizercultus had ook in Noord-Afrika een

vruchtbare bodem gevonden en was sinds de Flavii in de steden goed op gang gekomen

met plaatselijke flamines voor de dienst van een groeiend aantal divi. Een flamen -

sinds Trajanus een sacerdos - Augusti provinciae Africae had periodiek een oppertoezicht

op die cultus en de bijbehorende festiviteiten, een eervolle en prestigieuze functie die

bij de provinciale aristocraten gezocht was. Vermoedelijk stimuleerde de betrokkenheid

van de provinciale elite bij de keizercultus ook de verdere romanisering van de eerder

genoemde Punische culten.

Zo maakte Noord-Afrika sinds het begin van de 2de eeuw steeds duidelijker deel

uit van de geromaniseerde wereld van het imperium. Dat mag ook blijken uit de entree

van verschillende Noord-Afrikaners in de militaire, politieke en culturele elite van het

rijk. Lusius Quietus maakte onder Trajanus met zijn Mauretanische ruiters in de

Dacische en Parthische oorlogen een bliksemcarrière tot hij een van de machtigste

mannen van het rijk was (en om die reden als te gevaarlijk door Hadrianus uit de weg

werd geruimd). Vertegenwoordigers van de provinciale elites uit Noord-Afrika ver-

wierven nu ook senatoriale rang, onder hen de familie van de latere keizer Septimius

Severus. Quintus Aemilius Laetus bracht het in 192 tot praefect van de praetorianen

in Rome (en droeg daar de verantwoordelijkheid voor de moorden op Commodus en

Pertinax). In die tijd leken Noord-Afrikanen wel de Romeinse politiek te beheersen.

Septimius Severus, afkomstig uit Leptis Magna, versloeg zijn mededinger Clodius

Albinus, die uit Hadrumetum stamde, en werd de eerste Afrikaanse keizer (zijn familie

was ongetwijfeld van gemengd Italisch-Punische afstamming). Onder Severus werd

zijn plaatsgenoot Plautianus tot praefectus praetorio benoemd; Papinianus, die vanaf

203 die functie bekleedde, was mogelijk ook uit Noord-Afrika afkomstig. In de eerste

helft van de 2de eeuw waren verder ook intellectuelen uit de Afrikaanse provincies op

de voorgrond getreden: de jurist Salvius Julianus (vermoedelijk, maar niet zeker, uit

Hadrumetum), de retor en leermeester van Marcus Aurelius Fronto (uit Cirta), en de

schrijver Apuleius van Madaura.

De bloeitijd van Romeins Noord-Afrika

De provincies in Noord-Afrika beleefden van ruwweg het midden van de 2de eeuw tot

ver in de 4de over het geheel genomen een periode van economische voorspoed; het


hoogtepunt daarvan lijkt in de eerste helft van de 3de eeuw gevallen te zijn. Heel

Romeins Noord-Afrika bereikte toen vermoedelijk een inwonertal van rond de zes

miljoen. De ruggengraat van deze bloei was als altijd de landbouw. Daarbij ging het

deels om de productie van graan - op zijn beurt weer ten dele voor Rome zelf bestemd -

deels om die van olijfolie. De export daarvan nam in de late 2de en de 3de eeuw een

hoge vlucht. Het werk op het land werd voor een waarschijnlijk gering deel verricht

door de landbezitters zelf, waar het om kleine, zelfstandige boeren ging; de omvang

van deze groep is nauwelijks te schatten, maar was vrijwel zeker kleiner dan die van

de coloni of pachters, die het grootste deel bewerkt moeten hebben. Van vrije boeren-

knechten in loondienst horen we alleen in geval van seizoenarbeid, wanneer bijvoor-

beeld kleine boeren hun inkomen aanvullen door als maaiers in groepen van het ene

landgoed naar het andere te trekken. De coloni pachtten hun land van particuliere

bezitters of van keizerlijke conductores: grootpachters die stukken van de keizerlijke

domeinen pachtten, daarvan als regel een deel rechtstreeks exploiteerden, maar het

grootste deel weer aan coloni in onderpacht gaven.

De export van olijfolie ging vergezeld van een uitvoer van Noord-Afrikaanse

keramiek: zowel eenvoudige amforen voor de opslag van olie en andere goederen, als

van een verfijnder soort aardewerk, als eierschaal zo dun, dat als luxe artikel verkocht

werd. Veel andere exportartikelen had Noord-Afrika overigens niet: men kan hier nog

het beroemde roze marmer van Simitthus noemen; verder producten van de karavaan-

handel door de Sahara: ivoor, goud, soms zwarte slaven, exotische dieren. Ook Numidië

en Mauretanië zelf hadden nog in de vroege keizertijd leeuwen en olifanten, maar de

uitgebreide jacht op deze dieren voor hun bestemming in de amfitheaters van het rijk

leidde in de latere keizertijd in elk geval tot het uitsterven van de Noord-Afrikaanse

olifant (een kleinere ondersoort van de Afrikaanse). Ten behoeve van de export werden

in de akkerbouwgebieden en in de havens, die van Carthago in de eerste plaats, graan-

silo's aangelegd. Tegelijk groeide het wegennet in Noord-Afrika tot grote omvang uit.

Een kustweg van Tingis (Tanger) tot Leptis Magna en later doorgetrokken tot Cyrene

was onder Nerva aangelegd; een daaraan parallel lopende weg liep zuidelijk van de

bergen over Lambaesis naar Theveste; talrijke kruisende wegen zorgden voor noord-

zuid-verbindingen. Het hele landbouwareaal was onder de Severi verder dan ooit naar

het zuiden uitgebreid. Terrassenbouw en de aanleg van cisternen en aquaducten op

allerlei plaatsen die in de loop van de Middeleeuwen weer aan de woestijn zijn prijs-

gegeven, getuigen daar nog van.

De coloni woonden in de regel bijeen in dorpen (casae, vici, castella), soms in ver-

spreide boerenhoeven of hier en daar in de steden. Particuliere landbezitters hadden

vrijwel altijd hun domus in de stad. Noord-Afrika, en met name Proconsularis, raakte in

de loop van de keizertijd buitengewoon verstedelijkt. Op grond van lijsten van aan

concilies deelnemende bisschoppen, die in de 3de eeuw beginnen, mag men voor

Proconsularis in de 3de en 4de eeuw een 200, voor heel Noord-Afrika zo'n 500 steden

en stadjes aannemen. Het huidige Tunesië wemelt van de Romeinse ruïnes en stede-

lijke restanten. De inwonertallen van al die stadjes waren overigens betrekkelijk laag:

ongeveer 5.000 was een normale omvang; steden van 15.000 of meer moeten zeldzaam

geweest zijn, al telde Carthago vermoedelijk tenminste 100.000 inwoners.

In de geromaniseerde steden waren de burgers ingedeeld in curiae: meestal tien

tot twaalf in getal en dienend ter registratie van de burgers, maar ook als gezelligheids-

en begrafenisverenigingen met een vermoedelijk enigszins elitair karakter. Alle curiae

tezamen vormden de volksvergadering die onder meer uit een beperkt aantal vermo-

gende kandidaten de jaarlijkse magistraten koos. Tot het einde van de 4de eeuw veel

langer dan elders in het rijk, functioneerden deze stedelijke instellingen. Het feitelijk


estuur was in handen van de ordo (ook wel de decuriones of, in de 4de eeuw, de curiales

genoemd), in de regel een honderdtal personen, waaronder ereleden (patroni van de

stad) en oud-magistraten de belangrijksten waren. De jaarlijks gekozen beambten

(een quaestor voor de stadskas, een aedilis voor de publieke werken, vier of twee burge-

meesters) betaalden niet alleen een belangrijke som om hun functie te mogen aan-

vaarden, maar werden ook geacht uit eigen middelen allerlei vormen van 'weldoen'

aan hun medeburgers te bekostigen. Om de vijf jaar hadden de burgemeesters ook de

functie van censors die de inning van de belasting voor de centrale regering regelden

en daarvoor zelf borg stonden: een eervolle, maar financieel gevaarlijke taak. Waar

steden in financiële moeilijkheden raakten verschenen keizerlijke curatores (meest

senatoren die soms verscheidene steden onder hun hoede hadden), die in de loop van

de 3de en 4de eeuw steeds meer invloed op het bestuur uitoefenden. Een belangrijk

personage was tenslotte ook de flamen van de keizercultus.

Een bloeiend verenigingswezen lijkt de steden in Noord-Afrika gekenmerkt te

hebben. Behalve de al genoemde curiae waren daar de collegia iuvenum of iuventutes:

verenigingen van jongemannen, vermoedelijk uit de wat betere kringen, die minstens

een jaar militaire training ondergingen en verder als gezelligheidsverenigingen annex

militie- of politiemacht fungeerden. Het waren de iuvenes van de stad Thysdrus die in

238 de bejaarde proconsul Gordianus I kortstondig aan de keizerlijke waardigheid

hielpen, totdat hun militie door de troepen van legio III Augusta vernietigend verslagen

werd. Andere clubs kan men zien in de 'fanclubs' van dierenvechters en andere helden

van het amfitheater, die een rol vervulden die wel enigszins leek op die van de circus-

facties in andere delen van het rijk.

Het christendom

De romanisering drukte onmiskenbaar haar stempel op de aanblik van menige stad.

Een rechthoekig forum, vaak zeer groot en omgeven door zuilengalerijen, domineerde

vrijwel elk centrum. Behalve de vergaderzaal van de ordo, lagen er meestal een paar

tempels in de buurt; voorts een Capitolium, waar de goden van het Romeinse Capitool

vereerd werden, en één of meer tempels voor de keizerlijke divi. Eke colonia bezat een

beeld van de Romeinse Wolvin met de Tweeling. Standbeelden van keizers, stadhouders,

stadspatronen en weldoeners waren in en rond elk forum te vinden. Een monumentale

triomfboog sierde niet zelden de hoofdingang. Badhuizen, amfitheaters, gymnasia

maakten verder deel uit de publieke ruimte. Het amfitheater van Thysdrus (nu El Djem)

bood plaats aan 30.000 personen. Sommige steden genoten kortstondig speciale keizer-

lijke gunsten die zich uitten in pronkbouwwerken.

Als een nieuw verschijnsel dook in de tweede helft van de 2de eeuw in Noord-

Afrika ook het christendom op. Het is een verleidelijke veronderstelling dat de romani-

sering van de oude Punische en Punisch-Berberse culten in handen van de stedelijke

elites hiertoe belangrijk heeft bijgedragen. In elk geval zijn er onder de eerste hier

bekende christenen - de martelaren van Scilli uit 180 - enkelen met Punische of

Berberse namen. Of het christendom, dat hier kennelijk snelle voortgang maakte in

de vroege 3de eeuw, ook iets van 'de geest' van de oude religies heeft overgenomen -

men denkt dan aan de verheerlijking van het martelaarschap en aan een zekere rigo-

ristische en puriteinse houding - blijft uiteindelijk speculatief. Zeker is dat rond het

midden van die eeuw het christendom in bijna de helft van de Noord-Afrikaanse steden

met een door een bisschop geleide gemeente vertegenwoordigd was. Belangrijke namen

in de geschiedenis van de vroege kerk zijn aan deze streek gebonden: Tertullianus,

Minucius Felix, Cyprianus in de eerste helft van de 3de eeuw; Arnobius en Lactantius

in de vroege 4de; de grote Augustinus later in de 4de en de vroege 5de eeuw.


In de 4de eeuw verbreidde het christendom, na Constantijns keuze voor deze

religie, zich sterk, zoals overal in het rijk. Toch bleven vermoedelijk de stedelijke elites

hier, zoals de senatoriale elite in Rome zelf, tot ongeveer het einde van die eeuw in meer

of mindere mate vasthouden aan de pagane culten. Opvallend is de welstand van vele

vertegenwoordigers van die elite; uit de 4de eeuw stammen de meeste mozaïeken die de

vloeren van hun domus en villae sierden met voorstellingen van gladiatorengevechten,

gevechten van en met wilde dieren en, typisch voor Noord-Afrika, scènes van het leven

op hun landgoederen. Tegelijk beleefde dat platteland in de 4de eeuw een periode van

crises. Invallende nomaden vanuit het zuiden - mogelijk in samenhang met een droger

wordende Sahara - opstanden van Berbers, zoals de rebellieën van Firmus (372-375)

en zijn broer Gildo (397-398). De schismatieke Donatisten vonden bij hen een zekere

steun. Ook de Circumcelliones, rondtrekkende bendes, beriepen zich vaak op die puri-

teins-rigoristische kerk. Soms kwamen zij in bloedige botsing met het gezag, maar de

achtergronden van hun optreden (anti-Romeinse, anti-katholieke, 'anti-kapitalistische'

motieven?) zijn niet volstrekt duidelijk. In de 5de eeuw is hun beweging verlopen en

begint ook, na de synode van Carthago in 411, de onderdrukking van de Donatistische

kerk door het keizerlijke gezag en toegejuicht door Augustinus. Zo bevond Noord-

Afrika zich in een onrustige fase, die met de geleidelijke ontbinding van het rijk in

het westen vanaf 406 niet veel goeds voor de toekomst leek te voorspellen.

Het einde van Romeins Noord-Afrika

In 429 staken de Vandalen uit Spanje naar Afrika over; in 439 hadden zij Carthago

zelf bezet. De landgoederen van vele aristocraten en zeker van diegenen die buiten

Noord-Afrika in Italië woonden, kwamen in Vandaalse handen. De keizer in Ravenna

verloor zijn Afikaanse belastinginkomsten en Rome zijn gratis graan. De export uit

Noord-Afrika verminderde drastisch, ook al door de verarming van andere provincies

die vroeger als afzetmarkten hadden gediend. Dit alles bracht een economische neer-

gang te weeg, die nog versterkt werd door nieuwe Berberinvallen, ditmaal uit de bergen

van de Atlas en de Rif. Het Romeinse Noord-Afrika beleefde zijn ernstigste crisis: hele

steden, zoals Lambaesis, waren door de Berbers in de as gelegd; de verbindingen met

de rest van de Romeinse en Romeins-Germaanse wereld waren grotendeels verbroken;

de Vandaalse machthebbers als Arianen bovendien vervreemd van hun katholieke en

donatistische onderdanen.

In de 6de eeuw leidde de reconquista-politiek van Justinianus tot de herovering

van Noord-Afrika door Belisarius (533), maar de Byzantijnse heerschappij bracht

hoogstens een korte opleving op enkele plaatsen. De hoognodige bouw van vesting-

werken werd dikwijls met antiek bouwmateriaal uitgevoerd en versnelde zo de

omwenteling in het stedelijk leven die in de loop van de 4de eeuw begonnen was:

tempels waren gesloten of kregen een profane bestemming, standbeelden waren

omvergehaald, allerlei gebouwen afgebroken. Dit werd nu in versterkte mate voortgezet.

Het Byzantijnse regime maakte zich bovendien niet populair door een verzwaarde

belastingdruk, terwijl het niet in staat bleek nieuwe Berberinvallen te voorkomen. Het

vertrek van Heraclius, de exarch van Carthago, in 610 met zijn vloot naar Constanti-

nopel verzwakte bovendien de militaire positie van de Afrikaanse provincies. In 642

bereikten de Arabische veroveraars via Egypte Cyrenaica; vijf jaar later begonnen hun

invallen in Romeins Noord-Afrika. In 659 stichtte Oqba Ibn Nafi de nieuwe stad

Kairouan, even ten zuidwesten van het huidige Tunis, waar de grote moskee met

antieke zuilen opgetrokken werd. In 698 trokken de Arabische veroveraars Carthago

binnen en begon een nieuw tijdperk. De Romeins-christelijke bevolking werd door de

veroveraars geduld, maar een constante discriminatie zou ervoor zorgen dat na enkele


eeuwen het christendom praktisch verdwenen was. Tegelijk nam de steppe- en

woestijnvorming toe. In de eerste eeuwen van de Arabische heerschappij werd het

patroon van intensieve landbouw in combinatie met een hoge graad van verstedelijking

nog enigszins in stand gehouden. Vanaf de 10de eeuw namen woestijnvorming en

een zekere 'bedoeïnisering' van de maatschappij echter sterk toe: de band met het

antieke Noord-Afrika werd toen voorgoed verbroken.

Korte bibliografie

T.D. BARNES, Tertullian. A historical and literarry study (Oxford 1971).

P. BROWN , Augustine of Hippo: a biography (Berkeley 2000; eerste druk 1967).

W.H.C. FREND, The Donatist Church (Oxford 1952).

J.-M. LASSÈRE, Ubique Populus. Peuplement et mouvements de population dans l’Afrique

romaine de la chute de Carthage à la fin de la dynastie des Sévères (146 a.C.-235 p.C.)

(Paris 1977).

C. LEPELLEY, Les cités de l'Afrique romaine au Bas-Empire, 2 dl. (Paris 1979-1981).

C. LEPELLEY, Aspects de l'Afrique romaine. Les cités, la vie rurale, le christianisme

(Bari 2001).

E. L. MANTON, Roman North Africa (London 1988).

F. VAN DER MEER, Augustinus de zielzorger (Utrecht 1973).

H.-G. PFLAUM, Afique romaine (Paris 1978).

G.-C. PICARD, La civilisation de l'Afrique romaine (Paris 1990 2 ).


LISELOT VANDAMME

Het Punische Carthago

Het Punische Carthago is één van de meest tot de verbeelding sprekende steden

uit de Oudheid. De stad werd door de Romeinen in 46 v.Chr. na drie jaren

van belegering met de grond gelijk gemaakt en zou pas meer dan een eeuw

later opnieuw worden gesticht als de Colonia Iulia Concordia Carthago. Hoe zag dat

Punische Carthago er echter uit? Om daar een genuanceerd antwoord op te krijgen,

zijn we aan de ene kant aangewezen op de bewaarde Griekse en Romeinse bronnen,

maar nog veel meer op de archeologische gegevens die de afgelopen jaren verzameld

werden in talrijke opgravingen.

De stichting van Carthago

Carthago werd volgens de legende in 814 v.Chr. opgericht als een Phoenicische kolonie

in het westen van het Middellandse-Zeegebied. De nieuwe stad kreeg de naam Qart

hadasht, wat zoveel betekent als 'nieuwe stad', en was een stichting vanuit Tyrus. Zij

vond plaats in het kader van een kolonisatiegolf die uitging van de Phoenicische steden

op de kust van het huidige Libanon. In de literaire traditie wordt de stichting van

Carthago gekoppeld aan Elissa of Dido, zuster van Pygmalion, de koning van Tyrus.

De legende, die vooral gekend is dankzij Vergilius, vertelt dat Dido na de moord op

haar echtgenoot Iarbas door haar broer samen met een aantal vooraanstaande burgers

wegvluchtte uit haar moederland. Na halt gehouden te hebben op Cyprus zetten ze

koers naar het westelijke Middellandse-Zeegebied en gingen aan land op de kust van

het huidige Tunesië om daar een nieuwe stad te stichten. Deze lag halfweg de grote

Phoenicische handelsroute tussen de Levantkust en de 'Zuilen van Herakles' (de hui-

dige Straat van Gibraltar). Er bestaat voor Carthago dus een stichtingsmythe, net zoals

de meeste Griekse kolonies die kenden.

Het territorium van de nieuwe stad was voldoende groot voor een omvangrijke

bevolking en het werd beveiligd door natuurlijke, geografische elementen. Carthago

had namelijk toegang tot een vruchtbaar binnenland en was begunstigd met een

natuurlijke haven. De ligging van de archaïsche haven is overigens omstreden.

Mogelijk moet deze in het zuiden gereconstrueerd worden en ten westen van de tofet.

Het betrof (nog) geen grootse aanleg, maar waarschijnlijk slechts een strand in de

zuidelijke lagune waar de schepen aan land konden getrokken worden.

Conflicten

De komst van dit nieuwe volk in het westelijke deel van het Middellandse-Zeegebied en

de ontplooiing van de stad tot een bloeiende handelsmetropool verliepen niet zomaar.

Al gauw ontstond er een hele reeks conflicten tussen de Puniërs en de Grieken, die

beiden in de 7de eeuw v.Chr. een aantal kolonies hadden gesticht en een machtige

positie hadden verworven op zee. Zo beheersten de Puniërs grofweg het westelijk deel

van de Middellandse Zee, inclusief Sardinië, Corsica, de Spaanse kust en de westkust

van Sicilië. De Grieken daarentegen vestigden zich op de overige kusten van Sicilië en

op het vasteland van Italië, met een enkele vooruitgeschoven post zoals Massilia (Marseille)

aan de Rhônemonding.

De onenigheden tussen de twee zouden een hoogtepunt bereiken op Sicilië. Toen

de conflicten met de Grieken op het einde van de 4de eeuw v.Chr. eindelijk beslecht

werden, begon een nieuwe macht een bedreiging te vormen voor Carthago: Rome. Na

een reeks verdragen tussen de twee steden koelde hun ‘vriendschap’ duidelijk


af tijdens de 3de eeuw. Dit kwam vooral omdat Rome zich steeds meer ontwikkelde tot

een wereldmacht; hierdoor nam het wantrouwen tussen beide grootmachten toe en uiteindelijk

leidde dit tot de Eerste Punische oorlog (264-241 v.Chr.).

De Punische Oorlogen

Het verloop van de 'Punische' oorlogen is ons voornamelijk bekend dankzij een aantal

klassieke auteurs, die vanuit het standpunt van de overwinnaar schreven. Hoe de Carthagers

zelf de confrontaties met Rome ervoeren, is helaas onbekend. De uitgebreide Punische

literatuur is immers vrijwel volledig verloren gegaan: de papyri zijn met de stad in rook

opgegaan, ofwel zijn ze nadien verdwenen. Het enige wat wij over hebben, zijn duizenden

inscripties. Zij bieden gestandaardiseerde teksten van funeraire en openbare aard.

Tijdens de Eerste Punische Oorlog slaagden de Romeinen er in om Sicilië aan

Carthago te onttrekken. Bovendien werden de Carthagers verplicht de eilanden gele-

gen tussen Sicilië en Italië op te geven en een schadevergoeding te betalen. Door de

economische crisis waarin Carthago na de oorlog verkeerde, kon het zijn huurlingen

niet betalen en die kwamen vervolgens in opstand. Bovendien ontstond een bloedige

oorlog van opstandige handelaars en een uitgebuite inheemse bevolking, de Libiërs,

tegen de Carthaagse overheid. De Romeinen benutten deze kans om Sardinië in te

nemen. Uiteindelijk slaagde de Carthaagse strateeg Hamilcar Barca erin om de rust te

herstellen.

Hamilcar trok daarop samen met zijn zoon Hannibal naar Spanje, vooral om

nieuwe inkomsten te verkrijgen uit de zilvermijnen daar. In 219 v.Chr. gaf Hannibal de

Romeinen echter een casus belli door een stad aan de Spaanse oostkust die bondgenoot

was van Rome in te nemen. Het resultaat was een tweede conflict tussen de twee

grootmachten, dat bijna twintig jaar zou duren.

De laatste en beslissende jaren van die Tweede Punische Oorlog werden uitge-

vochten in Afrika zelf. Uiteindelijk werd Hannibal in 202 v.Chr. verslagen bij Zama

door Publius Cornelius Scipio ‘Africanus’. Het vredesverdrag hield voor Carthago zware

voorwaarden in: Carthago behield enkel zijn Afrikaans territorium. Bovendien moch-

ten de Carthagers geen oorlog voeren zonder de toestemming van de Romeinse senaat.

De stad verloor dus Spanje, moest verder ook afstand doen van haar vloot (behalve tien

schepen) en olifanten, gijzelaars geven, en een zeer zware schadevergoeding betalen.

De vijftig jaar van vrede na de Tweede Punische Oorlog maakte de stad desondanks een

ware bloeiperiode door die archeologisch duidelijk geattesteerd is.

Opgravingen

De eerste grootschalige, wetenschappelijke onderzoekingen in Carthago begonnen in

1972, toen de Tunesische regering en de UNESCO een internationale campagne lan-

ceerden ter behoud van de antieke stad. De opgravingen leidden tot een enorme

kennistoename van zowel de Punische als de Romeinse stad. Vooral voor het

beeld van het hellenistische Carthago bleken deze opgravingen van groot belang.

Uit de archeologische bevindingen blijkt dat Carthago in de 4de-2de eeuw v.Chr.

uitgroeide tot een grote stad met een toppunt van bloei in de laatste vijftig jaar van

zijn bestaan. Dit gegeven stemt overeen met de beschrijving van Carthago na de

Tweede Punische Oorlog door Appianos in zijn Romeinse geschiedenis (VIII, X.67).

Daaruit blijkt dat het beeld dat de stad na de nederlaag in verval zou zijn geraakt, dus

helemaal niet opgaat dit wordt ook door verschillende recente opgravingen bevestigd.

Zo ontstonden in deze periode de grote militaire en handelshavens die vandaag nog

zichtbaar zijn in het landschap. Het betreft twee kunstmatig aangelegde structuren:

enerzijds de ronde lagune die in de laat-Punische periode functioneerde als militaire


haven met in het midden het Admiraalseiland, en anderzijds de rechthoekige handels-

haven. Het centrale eiland van de militaire haven beschikte over scheepsloodsen voor

maximaal 190 triremen, een aantal dat nauw aansluit bij de 220 schepen die door

Appianos (VIII, XIV.96) vermeld worden bij zijn beschrijving van de Punische havens:

'De havens liepen in elkaar over en hadden een gemeenschappelijke ingang vanuit de

zee, die ruim 70 voet breed was en die men kon afsluiten met ijzeren kettingen. De

eerste haven was bestemd voor handelsschepen en daar lag ook veelsoortig scheepstuig

opgestapeld. In de tweede haven bevond zich een eiland dat net als de haven was

omgeven door grote kades. Deze kades waren volgebouwd met scheepswerven, voor

een gezamenlijke capaciteit tot 220 schepen. Bij de scheepswerven bevonden zich

bovendien magazijnen voor de uitrusting van triremen. Twee Ionische zullen stonden

voor elk dok, zodat zowel de haven als het eiland één ononderbroken zuilengang leken.

Op het eiland stond het huis van de admiraal.'

De woonwijken

Rond 200 v.Chr. begon men op de hellingen van de Byrsaheuvel met de aanleg van een

woonwijk (met de moderne naam Hannibalkwartier). Tijdens de vroegste periode van de

stad bevond zich hier een necropool. Na een inactiviteit van twee à drie eeuwen en vóór de

oprichting van het Hannibalkwartier bevonden zich op deze plaats metallurgische ateliers.

Er zijn sporen teruggevonden van ijzergieters: een grote hoeveelheid slakken, een reeks

aardewerken blaaspijpen en fragmenten van verschillende mineralen. De ateliers waren in

gebruik van het einde van de 4de eeuw v.Chr. tot het einde van de 3de eeuw v.Chr.

De woonwijk bestond uit meerdere huizenblokken, begrensd door rechte straten.

Deze waren gemiddeld 6 à 7 meter breed - een gebruikelijke breedte voor de hoofdstraten

in antieke grote steden. Het plaveisel bestond uit aangestampte aarde. Het niveau ervan

moest regelmatig hernieuwd worden. Op verschillende plaatsen werden treden en trappen

teruggevonden die het aanwezige hoogteverschil overbrugden. De huizen komen op een

aantal punten overeen met voorbeelden van huizen elders in de mediterrane wereld in die

periode. Zo treffen we er onder andere een peristyliumhuis met een centrale binnenhof aan;

ook de architectuurdecoratie vertoont een zelfde invloed. Vooral de Ionische zuilen,

het stucwerk dat marmerplaten nabootst en de talloze motieven zoals palmetten, eierlijsten,

tandlijsten en rozetten doen Grieks aan. Daar het oppervlak van de huizen vrij klein was in

verhouding tot het aantal cisternes, veronderstelt men dat de huizen minstens één

bovenverdieping hadden. Appianos heeft het in zijn werk weliswaar over zes verdiepin-

gen, maar een dergelijke hoogte is onwaarschijnlijk: de dikte van de muren laat het niet toe.

Ook langs de huidige Avenue de la République (nabij de zee en ten noorden van de

Decumanus Maximus) werd door een team van Duitse archeologen onder leiding van F.

Rakob een reeks huizen ontdekt. Het opgravingsterrein maakt sinds 1984 deel uit

van het 'archeologisch park' van Carthago en staat bekend onder de naam Magoonkwartier.

Deze wijk bestond al in de 5de eeuw v.Chr. Tijdens de 2de eeuw werden de kleine huizen

uit de voorgaande periode uitgebreid tot luxueuze woningen met stucdecoratie die marmeren

platen imiteerde. Ieder huis bezat tevens meerdere ondergrondse cisternes bekleed met een

waterdichte laag van hydraulische mortel. De grote huizen hadden een smalle gang die als

ingang fungeerde en leidde naar de eigenlijke woning, waar de verschillende kamers

gegroepeerd waren rond een centrale hof met een zuilengalerij.

De Hamburgse opgravingen

In het voorjaar van 1986 begon de Universiteit van Hamburg een opgraving op het kruispunt

van de Romeinse Decumanus Maximus en de noord-zuid lopende Cardo X. Het was een plek

met braakliggende terreinen, gelegen tussen de huidige Avenue Habib Bourguiba en het


lokale treintracé, waar de antieke Punische stad over een groot oppervlak van ongeveer

500 m 2 onderzocht kon worden. Het hoofddoel was een diachroon beeld te verkrijgen

van de Punische nederzetting op dit grondgebied. De nadruk van het onderzoek lag dan

ook voornamelijk op de stratigrafie.

In het onderzochte gebied kwamen onder de nivelleringslagen uit de vroege keizer-

tijd resten van meerdere structuren en straten aan het licht die tijdens verschillende

fasen sinds de archaïsche periode waren aangelegd. Hun ontwikkeling kon grotendeels

gevolgd worden tot aan de vernieling van de stad in 146 v.Chr. Eén huis - huis 1 - lag

geheel binnen de grenzen van het opgravingsterrein en werd min of meer volledig

gedocumenteerd. In totaal zijn er voor dit huis zeven verschillende bouwfasen onder-

scheiden, beginnend in ca. 740 v.Chr. en lopend tot de 2de-eeuwse verwoesting.

Sedert 1993 worden op het opgravingsterrein van de Hamburgse Universiteit

restauratiewerken uitgevoerd (onder leiding van J .M. Klessing), zodat ook deze

Punische resten - net als het Magoonkwartier aan de kust en het Hannibalkwartier op

de Byrsaheuvel - in het 'Parc archéologique de Carthage' geïntegreerd kunnen worden

en derhalve toegankelijk zijn voor het publiek.

De heiligdommen

Naast de havenstructuren, het Hannibalkwartier en het Magoonkwartier werden

nog op tal van andere plaatsen resten ontdekt die wijzen op het grootsteedse karak-

ter van Carthago in de 2de eeuw v.Chr. Een mooi voorbeeld is het Punische heiligdom

ten zuiden van de moderne laan Ibn Chabâat, tussen de Romeinse Cardines

(hoofdstraten) XI en XIII. Men ontdekte er fragmenten van een monumentale archi-

tectuur, onder meer kapitelen en gecanneleerde zuilfragmenten, bekleed met stuc.

Opvallend was de vondst van meer dan 5000 zegelafdrukken (Egyptische,

Egyptiserende, Etruskische, Punische en Griekse) die dienden om papyrusdocumen-

ten te verzegelen. Een hele reeks andere objecten zoals votiefbeeldjes en thymiatena

(wierookbranders) toont nogmaals aan dat Carthago voorspoed en weelde kende in zijn

laatste Punische periode. Over het gebruik van de tempel is niets naders bekend. Er

bestaat wel een reconstructie van het gebouw dat reeds rond 500 v.Chr. opge-

richt werd en tijdens de hellenistische periode heringericht.

Een tweede mogelijke ‘heiligdom’ is de Chapelle Carton, waarvan het belangrijk-

ste onderdeel de baldakijn was die het cultusbeeld omkaderde.

De tofet

De tofet, het religieuze domein van Tanit en Ba'al Hammon, dat nog geen 100 m ten

westen van de handelshaven ligt, is een door een muur omringd openluchtterrein,

waardoor het van andere plaatsen in de stad werd afgezonderd. Het domein werd bij

toeval ontdekt in 1921 door twee amateur-archeologen en sindsdien is de begraafplaats

van duizenden Carthaagse kinderen door verschillende teams onderzocht.

De meest recente opgravingen werden uitgevoerd van 1975 tot 1979 door een

Amerikaans team in het kader van de internationale reddingscampagne. Zij onder-

scheidden negen niveaus van ongeveer 750 tot 146 v.Chr., die kunnen ondergebracht

worden in drie perioden: Tanit I (ca. 750-600 v.Chr.), Tanit II (ca. 600-300 v.Chr) en

Tanit III (ca. 300-146 v.Chr., fase 9).

Fase 9, de laatste dus, is hier vooral van belang. Zoals elders in Carthago werden

echter ook in de tofet nivelleringsacties uitgevoerd, waarbij de bovenste Tanit III-peri-

ode helemaal ondersteboven werd gehaald. Honderden stèles uit deze jongste fase

werden weggehaald om als vulmateriaal gebruikt te worden elders in de stad. Bijgevolg

bleef er maar weinig uit het laatste niveau van de tofet in situ bewaard. Toch kunnen


de urnen en gedenktekens die sommige graven markeerden van elkaar onderscheiden

worden. Tot de 4de eeuw v.C. waren het gewoonlijk cippi uit zandsteen, in een laatste

fase vaak bedekt met beschilderde kalkpleister; vanaf de 4de eeuw v.Chr. krijgt men

vooral kalkstenen stèles. De vroegste stèles zijn eerder vierkant, maar die uit Tanit III

zijn breed en plat en akroteria flankeren de gevelpunt.

Over de functie van de tofet is al heel wat inkt gevloeid. Sommigen zien de plaats

nog altijd veeleer als grafveld voor kinderen, maar de meeste geleerden gaan ervan uit

dat de tofet een plaats was waar ook kinderen geofferd werden als inlossing van een

gelofte. Deze praktijk vond met name plaats in de 4 de -3de eeuw v.Chr., toen Carthago

een bloeiende stad was met een groot aantal inwoners. Gelijksoortige openluchtheilig-

dommen zijn aangetroffen in andere delen van Tunesië, zoals in Hadrumetum, in

Motya op Sicilië, in Tharros, Sulcis, Monte Sirai, Nora en Bithia op Sardinië. Hier

werden naast urnen eveneens stenen votiefstèles gevonden, net zoals in Carthago. De

tofet was met andere woorden een kenmerkend element voor de hele Punische wereld.

De necropolen

De tot nu toe blootgelegde graven uit de 3de en 2de eeuw bevinden zich tussen de

Byrsaheuvel en de heuvel van het Odeon, het plateau van Bordj-Djedid en de heuvel

naast Sainte-Monique. Enkel de laatste zijn goed gepubliceerd en leverden voldoende

materiaal op om iets meer te weten te komen over de Punische graven uit deze periode.

Zowel inhumatie als crematie kwam gedurende de hele geschiedenis van Punisch

Carthago voor. De crematiegraven uit de laatste fase van de stad waren zeer arm en

bevatten hooguit één enkele vaas. De invoering van het crematiegebruik in Carthago

gebeurde waarschijnlijk onder Griekse invloed. Deze begrafeniswijze kende vooral

een groot succes tijdens de hellenistische periode, toen ook op andere vlakken een

duidelijke ‘vergrieksing’ merkbaar was.

De 'vergrieksing' blijkt ook duidelijk uit de grafinhouden die een aantal Griekse

importstukken en lokale objecten met Griekse kenmerken bevatten, zoals Griekse

lampen, handvatten van Rhodische amforen, reukvaten in de vorm van een vrouwen-

hoofd, maskers die silenen of saters uitbeelden, bronzen oinochoai en zwartgevernist

aardewerk. In het grafveld van de heuvel nabij Sainte-Monique, dat in gebruik was in

de laatste jaren van de 5de eeuw tot en met de inname van Carthago, bevatten 85 op

de 167 graven die gedetailleerd beschreven werden minstens één Grieks voorwerp.

Het einde van de Punische stad

Na een hevige strijd in de straten gedurende zes dagen werd Carthago in 46 v.Chr. in-

genomen en verwoest. Een grote hoeveelheid inwoners liet het leven - anderen werden

als slaven meegevoerd. De grond van Carthago werd vervloekt en zijn territorium

werd ager publicus van Rome.

Van deze verwoesting zijn allerlei archeologische sporen teruggevonden: brand-

lagen, vuursporen op stenen en vloeren, verkoolde balken, wapens, doden op de laatste

Punische bewoningslaag, slingerkogels van Romeinen en Carthagers, vernielde

gebouwen - dit ondanks de grote nivelleringsacties van een eeuw later bij de inrichting

van de Colonia Iulia Concordia Carthago onder Augustus. Bij de inrichting van de

Romeinse kolonie bleef trouwens een aantal elementen uit het Punische Carthago

bewaard, zoals de rechthoekige woonwijken en rechte straten, en de Punische havens

die in licht gewijzigde vorm werden overgenomen. Ondanks de volledige vernietiging

van Carthago bleef de Punische beschaving onder Romeinse heerschappij toch nog

vele eeuwen voortleven in Afrika.


Korte bibliografie

M.E. AUBET, The Phoenicians and the West: politics, colonies, and trade (Cambridge 1993).

A. ENNABLI (ed.), Pour sauver Carthage. Exploration et conservation de la cité punique,

romaine et byzantine (Paris-Tunis 1992).

M.H. FANTAR, Carthage. The Punic City (Tunis 1998).

S. LANCEL (ed.), Byrsa I. Rapports préliminaires des fouilles (1974-1976). Mission Archéo-

logique française à Carthage (Roma 1979).

S. LANCEL (ed.), Byrsa II. Rapports préliminaires des fouilles (1977-1978): niveaux et

vestiges puniques. Mission Archéologique française à Carthage (Roma 1982).

S. LANCEL, Carthage (Tunis 1992).

J.-P. MOREL, Vie et Mort dans la Carthage Punique (Tunis 1999).

H.G. NIEMEYER, Karthago, Stadt der Phönizier am Mittelmeer, Antike Welt 21.2 (1990)

89-105.

F. RAKOB (ed.), Die deutschen Ausgrabungen in Karthago I (Mainz am Rhein 1991).

F. RAKOB (ed.), Die deutschen Ausgrabungen in Karthago II (Mainz am Rhein 1997).

F. RAKOB (ed.), Die deutschen Ausgrabungen in Karthago III (Mainz am Rhein 1999).

L.E. STAGER, Phoenicisch Karthago. De handelshaven en de tofet, Phoenix 28.2 (1982)

84-113.


FIK MEIJER

De moeizame oorlog tegen Jugurtha

Tijdens de opgang naar de wereldheerschappij heeft Rome heel wat dappere

tegenstanders ontmoet. Sommige konden snel worden uitgeschakeld, andere

pas na een lange strijd. De herinnering aan de meeste vijanden is vervaagd, ze

zijn weggezakt in de geschiedenis. Slechts weinige zijn aan de vergetelheid ontkomen.

De bekendste tegenstander was ongetwijfeld Hannibal. Zelfs mensen die nauwelijks

op de hoogte zijn van de Romeinse geschiedenis kennen zijn naam, wat gezien zijn

fenomenale prestaties allerminst verbazingwekkend is. Zijn heroïsche tocht over de

Alpen spreekt nog altijd tot de verbeelding. Zestien jaar, van 218-202 v.Chr., voerde

hij oorlog tegen de Romeinen. Maar hoewel hij hen in de eerste twee jaren van de

oorlog aan de rand van de afgrond bracht, moest hij het uiteindelijk afleggen tegen de

Romeinse oorlogsmachine. De Romeinen wisten zich van de nederlagen te herstellen,

gingen in de tegenaanval en verdreven hem uit Italië. Ze joegen Hannibal na tot in

zijn geboorteland en versloegen hem in 202 v.Chr. definitief bij Zama. Maar de angst

voor hem was zo groot dat ze hem na de overgave van Carthago als een wild dier

opjoegen, totdat hij in 183 v.Chr. geen andere uitweg meer zag dan zelfmoord te plegen.

Een eeuw later werden de Romeinen opnieuw geconfronteerd met een Afrikaanse

vijand, niet iemand van het kaliber Hannibal, wel een tegenstander van formaat. Zes

jaar lang, van 112 tot 106 v.Chr., heeft hij het Rome lastig gemaakt. Dat was niet alleen

zijn verdienste, de Romeinen boden hem de ruimte om al zijn registers open te trekken.

Zijn naam is Jugurtha, de koning van Numidië, dat grensde aan wat eens het grond-

gebied van Carthago, maar sinds 146 v.Chr. de Romeinse provincie Africa was. Het

moet voor de Romeinen een ontluisterende ervaring zijn geweest dat juist een vorst uit

dat land zich tegen hen keerde, omdat zij met de Numidiërs vriendschapsbanden

onderhielden die teruggingen tot 202 v.Chr. Toen had hun koning Massinissa vlak vóór

de strijd bij Zama met zijn ruiterij Hannibal in de steek gelaten en was overgelopen

naar de Romeinen. In de volgende decennia was hij een grote steun geworden en had

hen rijkelijk voorzien van graan, troepen en olifanten. Op zijn beurt wist hij dat hij bij

conflicten met de Carthagers kon rekenen op militaire bijstand van hen. Toen hij in

151 v.Chr. op 92-jange leeftijd stierf en de heerschappij op zijn zoon Micipsa overging,

veranderde er niet veel. Ook hij stond aan de kant van de Romeinen en leverde leger-

eenheden voor de belegering van Carthago in 146 v.Chr. Zijn sympathie reikte verder

dan troepenhulp in de regio. Hij stuurde zelfs olifanten en een aanzienlijk leger naar

Spanje om Scipio Aemilianus bij te staan in zijn strijd tegen de opstandige Numantiërs.

De missie naar Numantia werd een groot succes en de leider van de Numidische

hulptroepen, Jugurtha, werd alom geprezen om zijn militaire kwaliteiten, zijn moed en

zijn loyaliteit aan de Romeinse zaak. Niemand kon vermoeden dat juist hij het de

Romeinen later lastig zou maken. Het liep echter anders dan de Romeinen en Micipsa

hadden gedacht. De problemen begonnen toen de Numidische koning in 118 v.Chr. op

zijn sterfbed zijn rijk verdeelde onder zijn beide zoons Hiempsal en Adherbil, én zijn

neef Jugurtha. Het plan was op voorhand tot mislukken gedoemd, omdat Jugurtha niet

alleen ouder was dan zijn beide neven, maar ook anders in elkaar zat. De zoons van

Micipsa waren bescheiden, ingetogen en met hun beschouwelijke instelling goed toege-

rust voor een gezamenlijk bestuur, terwijl de dominante Jugurtha, een voortreffelijk

militair en een charismatisch man, vanaf het begin zijn zinnen had gezet op de alleen-

heerschappij. Met zijn natuurlijke charme verwierf hij een grote aanhang onder de

Numidische bevolking. Zijn beide jonge neven waren geen partij voor hem. Hiempsal


viel hem al snel in handen en bracht het er niet levend vanaf, Adherbal wist het vege lijf

slechts te redden door zijn heil te zoeken bij de Romeinen en hen te betrekken in een

langdurig conflict dat de zwakten van de Romeinse maatschappij pijnlijk blootlegde.

Sallustius de verslaglegger

De oorlog in Numidië is uitgebreid beschreven door de geschiedschrijver Gaius

Sallustius Crispus (86-35 v.Chr.). Hij leek voorbestemd voor een glanzende politieke

loopbaan. In 55 v.Chr. werd hij quaestor en in 52 v.Chr. volkstribuun, maar twee jaar

later stagneerde zijn carrière toen hij door de censors uit de senaat werd gezet.

Tijdens de burgeroorlog tussen Caesar en Pompeius koos hij de zijde van Caesar, die

hem opnieuw quaestor maakte en hem daarmee ook zijn lidmaatschap van de senaat

teruggaf. Een jaar later liep zijn imago ernstige schade op. Als gouverneur van de pro-

vincie Africa Nova maakte hij zich aan ernstige malversaties schuldig. Latere auteurs

spreken over enorme uitbuitingen van de lokale bevolking. In een smaadschrift tegen

Sallustius, waarvan ooit gedacht werd dat het door Cicero was geschreven, lezen we:

'Hij plunderde de provincie zo leeg dat onze bondgenoten zelfs in tijden van oorlog

nooit iets ergers hebben doorstaan of te duchten hebben gehad dan wat ze nu in

vredestijd allemaal hebben moeten verduren tijdens zijn gouverneurschap.' Om aan

een gerechtelijke procedure te ontkomen zou hij voor een bedrag van één miljoen

tweehonderdduizend sestertiën een regeling hebben getroffen met Caesar. Ze zouden

er beiden beter van zijn geworden. Sallustius zou met de winsten het fraaie landgoed

aan de rand van Rome tussen de heuvels Pincius en Quirinalis, dat bekend zou worden

onder de naam 'de tuinen van Sallustius', hebben gekocht.

Of Sallustius de beslissing om uit de politiek te stappen spontaan heeft genomen

of omdat Caesar in 44 v.Chr. werd vermoord, is onzeker. Zeker is alleen dat hij zich

de laatste negen jaar van zijn leven volledig heeft gewijd aan de geschiedschrijving. Hij

schreef drie grote werken. Van de Historiën is slechte een klein gedeelte overgebleven:

vier redevoeringen, twee brieven en een verhandeling over normen en waarden. De

grootste bekendheid geniet zijn geschrift De samenzweringvan Catilina. De hoofd-

persoon is een Romeinse senator uit een oud patricisch geslacht die in 63 v.Chr. eerst

een radicaal hervormingsprogramma lanceerde en vervolgens Rome op zijn grond-

vesten deed trillen met de dreiging van gewelddadige acties. De ‘coup’ werd onderdrukt

door de consul Cicero, die enkele jaren later in zijn vier Catilinarische redevoeringen

verslag deed van zijn belevenissen.

Enkele jaren later ging Sallustius nog verder terug in de tijd en schreef De oorlog

tegen Jugurtha. De redenen waarom hij zich op dit onderwerp stortte beschrijft hij zelf

bondig:

'lk ga de oorlog beschrijven die het Romeinse volk heeft gevoerd tegen Jugurtha, de

koning van de Numidiërs. Dat doe ik ten eerste omdat de oorlog groot en grimmig was

en een wisselend verloop kende, en voorts omdat toen voor het eerst is opgetreden

tegen de arrogantie van de adel.' (Sallustius, De oorlog tegen Jugurtha 5, 1; vertaling

Vincent Hunink)

De arrogantie van de adel was na de verwoesting van Carthago in 46 v.Chr.

duidelijk aan de dag getreden. De vrees voor Carthago had senaat en volk van Rome

lange tijd verenigd, maar nu de grote rivaal was weggevallen traden de tegengestelde

belangen aan de dag. De leden van de senatoriale elite namen het niet meer zo nauw

met de traditionele mores en hadden vooral oog voor hun eigen politieke en economi-

sche belangen. Persoonlijke macht en rijkdom werden de belangrijkste drijfveren.

Sallustius schrijft erover:


‘Angst voor de vijand hield de goede eigenschappen van de gemeenschap op peil. Maar

zodra die vrees uit het hart verdween, drongen daar de aandoeningen binnen waarmee

voorspoed gepaard gaat: losbandigheid en arrogantie. Zo bleek de bij tegenspoed zo

gewenste vrede, eenmaal verkregen, zelfs barser en bitterder. Want de adel begon zijn

status te misbruiken en het volk zijn vrijheid. Diefstal, roverij en plundering werden

schering en inslag. Zo werd alles over twee kampen verdeeld. De Republiek, die tevoren

zorgde voor verbondenheid, raakte erdoor verscheurd.

Nochtans vormde de adel de belangrijkste kliek: de kracht van het volk was

ongebundeld en versnipperd, waardoor het geen vuist kon maken. Slechts een kleine

groep besliste over alle militaire en binnenlandse zaken. Diezelfde mensen beschikten

over de schatkist, de provincies en de magistraatschappen, over roem en triomftochten.

Het volk ging gebukt onder krijgsdienst en armoede. De oorlogsbuit werd geheel

weggekaapt door de generaals en een kleine groep anderen. Intussen werden ouders

of kleine kinderen van soldaten, als zij toevallig naast machtige heren woonden, ver-

dreven van hun terrein. Tegelijk met de macht deed aldus een ongeremde, mateloze

inhaligheid haar intrede; alles werd erdoor bezoedeld en verwoest, voor niets had zij

achting of ontzag, totdat zij uiteindelijk zichzelf te gronde richtte. Want toen onder de

adel eenmaal mensen opstonden die ware roem stelden boven onrechtvaardige macht,

raakte de staat in beroering: burgertwist kwam opzetten als een aardverschuiving.’

(Sallustius, De oorlog tegen Jugurtha 41, 3-10)

Corruptie en intriges

Het uiteengroeien van de Romeinse samenleving heeft er volgens Sallustius sterk toe

bijgedragen dat het conflict met Jugurtha, dat op een oorlog zou uitlopen, een ander

verloop kreeg dan op grond van de militaire prestaties van de Romeinen in het verleden

verwacht mocht worden. Het lag voor de hand dat de Romeinse senaat in het conflict

tussen de beide troonpretendenten ondubbelzinnig partij zou kiezen voor de verdreven

Adherbal en alles in het werk zou stellen om Jugurtha tot de orde te roepen. Maar een

groot aantal politici bleek vatbaar voor corruptie, en die ondeugd werd door Jugurtha

meesterlijk uitgebuit. Wat de naar Rome uitgeweken Adherbal ook aan argumenten

tegen zijn rivaal naar voren bracht, het mocht allemaal niet baten. Bij de tweedeling van

het rijk kreeg Jugurtha het vruchtbaarste deel van Numidië, maar dat was hem niet

genoeg; zijn ambities reikten verder, naar het bestuur van het hele koninkrijk. Hij ging

de oorlog aan met Adherbal, die zich in de stad Cirta had verschanst, maar niet opge-

wassen was tegen een lange belegering. Op voorwaarde dat zijn leven zou worden

gespaard, gaf hij zich tenslotte over. Maar voor Jugurtha telden afspraken niet. Op zijn

bevel werd Adherbal gefolterd en omgebracht. Toen ook een aantal in de stad

woonachtige kooplieden uit Italië werd gedood, leek de maat voor de Romeinen vol. Ze

stuurden een leger naar Numidië om met Jugurtha af te rekenen. Maar de comman-

danten van de legers die tegen hem werden uitgezonden, bleken niet bestand tegen

de steekpenningen waarmee de koning hen bewerkte.

Het Romeinse volk begon zich nu met de kwestie te bemoeien en eiste dat

Jugurtha in Rome verantwoording voor zijn daden zou afleggen en de namen zou

noemen van de Romeinse ambtsdragers van wie hij steun had ontvangen. De

Numidische vorst kreeg een vrijgeleide en kwam naar Rome. Maar zelfs hier, in het

hol van de leeuw; was hij de situatie meester. Hij kocht de volkstribuun Gaius Baebius

om en wist zo te bereiken dat hij zich niet in het openbaar hoefde te verdedigen. Maar

zijn brutaliteit ging nog verder. In Italië verbleef op dat moment ook een neef van hem,

Massiva, die door velen, Romeinen en Numidiërs, werd gezien als een voortreffelijk

alternatief voor de onberekenbare Jugurtha. Zeker bij de Romeinen, die dachten via


hem stabiliteit in de regio te kunnen brengen. Maar nog voordat Massiva echt actief

kon worden, werd hij door een handlanger van Jugurtha uit de weg geruimd. De

moordenaar werd door kompanen van Jugurtha stilletjes Italië uitgesmokkeld. Iedere

hoop op een redelijk compromis was nu de bodem ingeslagen. Van de senaat kreeg

Jugurtha het bevel Rome te verlaten. Eenmaal buiten de stad zou hij volgens Sallustius

de woorden hebben gesproken: 'Stad te koop, klaar voor de ondergang! Alleen nog

een koper!' (Sallustius, De oorlog tegen Jugurtha 35, 10)

Intussen sleepte het conflict zich voort. In feite stonden de Romeinen voor een

onmogelijke opgave, want Numidië was een cliëntstaat van Rome, geen provincie.

Een deel van de senaat koos voor een diplomatieke oplossing, anderen wensten een

voortzetting van het militaire ingrijpen om definitief een einde te maken aan de streken

van Jugurtha. De haviken wonnen en de oorlogsinspanningen werden opgevoerd. Maar

de acties die bevelhebber Aulus Postumius Albinus in Numidië ondernam haalden

niets uit. Albinus was de verpersoonlijking van de nieuwe tijdgeest en zijn zucht naar

rijkdom maakte hem kwetsbaar. Omdat ook zijn soldaten corrupt waren, kon Jugurtha

zijn spelletje spelen en Romeinse officieren en soldaten met steekpenningen bewerken.

Een nachtelijke overval op zijn kamp, gevolgd door de plundering daarvan, dwong

Albinus tot een vernederende vrede:

'De volgende dag had Jugurtha een ontmoeting met Aulus. Daarin zei hij dat hij hem

weliswaar met leger en al in een wurggreep van honger en wapens had, maar er toch

ook menselijke waarden op nahield. Als Aulus dus een verdrag wilde sluiten, zou hij

alle mannen laten gaan, na hen onder het juk te hebben laten lopen. Verder diende

Aulus dan binnen tien dagen Numidië te verlaten. Dit waren zware en ronduit ver-

nederende voorwaarden, maar het alternatief was een wisse dood. Zo sloot men vrede

zoals het de koning had beliefd.' (Sallustius, De oorlog tegen Jugurtha 38, 9-10)

Het bericht van het smadelijke verdrag sloeg in Rome in als een bom. Consul Spurius

Albinus, de broer van de verslagen Aulus Albinus, probeerde te redden wat er te redden

viel. Binnen een paar dagen vertrok hij naar Africa om met het daar aanwezige leger de

strijd tegen Jugurtha te hervatten, maar toen hij zag hoezeer het moreel van de soldaten

was verzwakt, hoe losbandigheid en uitspattingen hun tol hadden geëist, moest hij van

krijgshandelingen afzien. Zijn expeditie liep uit op een mislukking. Te lang hadden de

soldaten zich aan de discipline onttrokken en in hun omzwervingen akkers verwoest.

Ze hadden het buitgemaakte vee en de oogsten verkocht aan handelaren of geruild

voor kruiken wijn en luxe artikelen. De kans dat de Romeinen met dit gedegenereerde

leger Jugurtha zouden kunnen uitschakelen leek ver weg.

Ommekeer

Er waren in Rome nog genoeg invloedrijke personen die openlijk verkondigden dat

de schande van de vernedering door een 'woestijnvorst', die in hun ogen weinig voor-

stelde, gewroken moest worden. De ongelukkig verlopen gevechtshandelingen in

Africa en Numidië beschouwden zij als een pijnlijk incident, maar ook niet meer dan

dat. Een van hen was Quintus Caecilius Metellus, de consul van het jaar 109 v.Chr.

Direct bij zijn aantreden liet hij zien dat de decadentie en hang naar luxe in het leger

wel degelijk bestreden konden worden. Jugurtha kwam er al snel achter dat Metellus

een bevelhebber was die niet ontvankelijk was voor steekpenningen en die aan officie-

ren en soldaten die dat wel waren de zwaarste bestraffingen in het vooruitzicht stelde.

De gevechtshandelingen kregen een ander karakter. Niet meer de Numidiërs maar de

Romeinen hadden de regie in handen. De kansen keerden. Wat Jugurtha ook pro-

beerde, hij werd langzaam in het defensief gedrongen. Zijn persoonlijke dapperheid


en de moed van zijn soldaten wogen niet op tegen de kracht van de vers aangevoerde

Romeinse legioenen die weer de oude Romeinse gevechtsmentaliteit uitstraalden.

Stukje bij beetje boekte Metellus vooruitgang. Jugurtha moest steeds meer terrein

prijsgeven en verloor zijn burchten Sicca, Zama, Regia en Vaga, maar hij wist wel uit

handen van de Romeinen te blijven. Zo bleef het tweejarige commando van Metellus

in Numidië zonder de zo vurig verlangde afronding. De bekroning van de oorlog met

een schitterende overwinning en een triomftocht in Rome, waarin de gevangen

Jugurtha aan het volk kon worden getoond, waren niet voor hem weggelegd. Zijn

teleurstelling werd nog groter toen zijn adjudant Gaius Marius, die onder zijn gezag

had getoond over uitstekende leiderskwaliteiten te beschikken, zich in de strijd voor

het consulaat van 107 v.Chr. mengde. Marius was een ridder (eques), dat wil zeggen dat

hij behoorde tot dat deel van de elite waarvoor het bekleden van ambten en het zitting

hebben in de senaat niet de regel was, zodat hij naar het oordeel van Metellus niet

voor de hoogste positie in aanmerking kwam. Die opstelling maakte Marius razend.

Zijn verkiezingscampagne kreeg een grimmig karakter.

Eenmaal consul geworden nam hij snel het commando van Metellus over. Zijn

optreden was glansrijk hij nam enkele steden in en wist Jugurtha steeds meer te

isoleren. Pogingen om hem door verraad in handen te krijgen hadden geen resultaat.

Een samenzwering tegen Jugurtha mislukte. Maar de angst zat er bij hem goed in:

'Sindsdien had Jugurtha dag en nacht geen rust meer. Geen plaats, geen mens, geen

moment vertrouwde hij nog. Zijn eigen burgers duchtte hij evenzeer als de vijand.

Steeds keek hij rond, schrok bij het minste geluid. 's Nachts rustte hij nu hier, dan

daar, dikwijls in strijd met zijn koninklijke waardigheid. Soms schrok hij dan wakker

en greep met veel misbaar naar zijn wapens. Zo was hij buiten zichzelf van angst,

gelijk een waanzinnige.' (Sallustius, De oorlog tegen Jugurtha 72, 2)

Toch was Jugurtha's rol nog niet helemaal uitgespeeld. Met steun van zijn schoonvader

Bocchus, de koning van Mauretanië, hoopte hij het verloren terrein terug te winnen

en de Romeinen te verdrijven. Maar het liep anders. De Romeinen versloegen hem

en Jugurtha nam de wijk naar Mauretanië. Daar werd de man die met omkopingen

en listen zolang overeind was gebleven door een list van zijn schoonvader aan de

Romeinen uitgeleverd. Hij werd overgedragen aan Marius en op transport gezet naar

Rome. Alvorens een eerloze dood te sterven werd hij in de grote triomftocht van Marius

als een bezienswaardigheid aan het Romeinse volk getoond. Met hem verdween een

vijand die het de Romeinen moeilijker had gemaakt dan ze op grond van de marginale

positie van zijn rijk ooit gedacht zullen hebben.

Opvallend is dat de Romeinen niet overgingen tot de annexatie van Numidië. Ze

stelden zich tevreden met een goede regeling, die een beetje doet denken aan de eerder

voorgestelde tweedeling van het rijk tussen Jugurtha en Adherbal. Het oostelijk deel

van het koninkrijk bleef onder het gezag van de dynastie van Micipsa, de rest kwam in

het bezit van koning Bocchus van Mauretanië. Heel lang bleef deze situatie bestaan.

Klaarblijkelijk vonden de Romeinen dat van het verdeelde Numidië geen gevaar te

duchten was en richtten ze hun aandacht op gebieden die meer gevaar uitstraalden.

Het zou nog zestig jaar duren alvorens Caesar de Numidiërs strafte voor hun steun aan

zijn politieke tegenstander Pompeius en hun land inrichtte als provincie Africa Nova.

Lessen van de oorlog

De oorlog in Numidië stelde niet zoveel voor in verhouding tot de grote oorlogen tegen

Carthago. Als Sallustius er geen monografie aan had gewijd, zou het conflict met

Jugurtha waarschijnlijk als een voetnoot in de geschiedenisboeken terecht zijn gekomen.


Nu is de strijd tegen de Numidiërs symbolisch geworden voor de teloorgang van de

oude Romeinse waarden, voor de machtsstrijd binnen de adel en de verzwakking van

het leger als gevolg van corruptie. De man die deze problemen goed heeft doorzien is

de tweede hoofdpersoon van het verhaal: Marius. Prachtig beschrijft Sallustius hoe hij

in zijn vroege carrière de handicap van een - in de ogen van de ambtsadel - lage

afkomst compenseerde met oude Romeinse deugden als ijver, degelijkheid, militaire

kennis, geestkracht en bescheidenheid; hij stond boven lust en rijkdom en was alleen

gretig naar roem. Zijn grootste bijdrage aan de instandhouding van het Romeinse

militaire apparaat was dat hij doorzag dat de Romeinse legers geen schim meer waren

van de troepen die Rome groot gemaakt hadden en dat grootschalige hervormingen

nodig waren om in de toekomst over voldoende rekruten te kunnen beschikken.

Het aantal beschikbare legioensoldaten liep drastisch terug, omdat steeds meer

rekruten niet meer aan de vermogenseis voldeden. Marius' wetsvoorstel om het bezits-

criterium voor de burgersoldaten helemaal los te laten betekende een enorme verrui-

ming van het aantal inzetbare rekruten. Zijn oplossing was geen radicale breuk met

het verleden, maar de laatste fase in een proces dat al enige tijd gaande was. Al eerder

hadden magistraten verlagingen van het bezitscriterium voorgesteld. Maar waar die

maatregelen hadden gefaald omdat ze niet ver genoeg gingen, was Marius' volledige

afschaffing van de vermogenseis een succes. Proletariërs, mannen dus van wie het

enige vermogen bestond uit hun proles, hun ‘kindertal’, konden nu worden opgeroepen.

Ze vertrouwden volledig op hun generaal en verwachtten van hem dat hij er alles aan

zou doen om hun een behoorlijk aandeel in de buit te geven en na afloop van hun

diensttijd een stukje land. Na het afzwaaien van deze soldaten bleef de band bestaan.

De generaal kon de veteranen gebruiken als een pressiemiddel om zijn politieke

ambities kracht bij te zetten, en de soldaten waren zich ervan bewust dat ze door de

dreiging die van hen uitging de politiek een andere wending konden geven. De

machtsstrijd tussen rivaliserende politici zou voortaan niet alleen met woorden maar

ook met wapens worden gevoerd.

Hoe fraai Sallustius de oorlog tegen Jugartha ook heeft beschreven, aan het einde

van zijn verhaal blijft de lezer zitten met de vraag of de schrijver wel helemaal eerlijk

is geweest tegenover de Romeinse aristocratie, of hij zich niet te veel heeft laten leiden

door zijn pessimisme en door zijn besef van de menselijke tekortkomingen. Is het

wel fair om de gevoeligheid voor corruptie bij de senatoren als de voornaamste reden

te noemen waarom de senaat zo onbeholpen reageerde op Jugurtha's provocaties? Is

Sallustius in zijn gedrevenheid om het verlies van de oude Romeinse deugden te

beschrijven niet te ver gegaan en heeft hij het belang van de oorlog tegen Jugurtha

niet overdreven? Het is niet eenvoudig op deze vragen een bevredigend antwoord te

geven. Over deze oorlog zijn nauwelijks andere teksten voorhanden, waardoor we

Sallustius' weergave van de aarzelende reactie van de senaat op Jugurtha's machts-

politiek niet kunnen controleren. Wel blijkt uit de spaarzame andere bronnen dat

voor de Romeinse machtshebbers de kwestie 'Numidië' geen hoge prioriteit had.

Numidië was niet meer dan een kleine staat waarvan geen gevaar uitging voor het rijk

in zijn geheel en waarheen dus niet direct een grote troepenmacht gestuurd hoefde te

worden. Anders lag dat met de noordzijde van het rijk, waar ongeveer in dezelfde tijd

Germaanse stammen als de Cimbren en Teutonen de Romeinen enkele gevoelige

nederlagen hadden toegebracht. Zo bezien is het minder verwonderlijk dat de

Romeinen pas na lange aarzeling besloten om Jugurtha serieus aan te pakken.

Korte bibliografie

De opgenomen vertalingen zijn genomen uit Sallustius. Rome in verval. De samenzwering


van Catilina en de oorlog tegen Jugurtha, vertaald door VINCENT HUNINK en ingeleid

door Fik Meijer (Amsterdam 1999).

A. GOLDSWORTHY, In the Name of Rome. The Men who won the Roman Empire (London

2003).

W.V. HARRIS, War and Imperialism in Republican Rome 327-70 B.C. (Oxford 1979).

F. MEIJER, Macht zonder grenzen. Rome en zijn imperium (Amsterdam 2005).

D. SHOTTER, Rome and her Empire (London 2003).


DOROTHY PIKHAUS

Romanisering in de praktijk Het voorbeeld van Mactaris

Hoewel het Punische rijk in 146 v.Chr. in Romeinse handen viel, kwamen de

Mauretanische gebieden pas in 40 n.Chr. onder Romeins bewind, bijna twee

eeuwen na Carthago. De gehele Maghreb werd vanaf de tijd van Caesar tot

aan die van Trajanus intensief gekoloniseerd: veel kolonies (coloniae deductae), bevolkt

met veteranen en Italische immigranten die Romeins burger waren, werden er vooral

gedurende de hele 1ste eeuw n.Chr. gesticht. Deze Romeinse kolonies functioneerden

zoals de steden in Italië, die op hun beurt weer kopieën waren van dé stad bij uitstek,

Rome.

Zo werd Noord-Afrika geromaniseerd. Maar romanisering impliceert ook dat de

inheemse bevolking de instellingen en het cultuurpatroon van de veroveraar overneemt.

Er is meer nodig dan alleen verovering en kolonisering, processen die de inheemse

bevolking noodgedwongen onderging. Wanneer de centrale overheid een Romeinse

kolonie in het inheemse milieu inplantte, had ze daarvoor sociale, economische of

militaire redenen; romanisering was wel de laatste van haar zorgen. Immers, op het

lokale vlak liet Rome liefst zoveel mogelijk over aan de inheemse bevolking.

Wanneer echter van een inheemse stad het verzoek uitging om een Romeins

statuut aan te nemen, weerspiegelde dit verzoek een voorafgaande romanisering. Als

de inheemse stad promoveerde tot een Romeinse stad (municipium of colonia), dan

betekende dit dat het Latijn de bestuurstaal werd, dat de magistraten de Romeinse

bestuursvormen overnamen en dat de stadskern van een aantal openbare gebouwen in

Romeinse stijl werd voorzien. Een inheemse stad kon alleen een dergelijk verzoek aan

de keizer richten als een aantal families rijk genoeg en geromaniseerd genoeg was om

dit programma te realiseren. Ook kregen de inwoners van de stad en haar territorium

burgerrecht, doorgaans niet het volle Romeinse burgerrecht, maar ze werden 'burgers

naar Latijns recht' (cives Latini). Ze mochten een Romeinse naam dragen, hun privé-

zaken naar Romeins recht regelen en een magistratuur bekleden op lokaal niveau. Wie

een dergelijk ambt had bekleed, kreeg na zijn ambtstermijn het volledige Romeinse

burgerrecht en werd civis Romanus. De familie kon in de volgende generaties het lokale

niveau overstijgen, dingen naar een civiele functie of naar een officierspost op rijks-

niveau en zo tot de rijkselite gaan behoren. Hier ging het verzoek om verandering, om

romanisering, uit van de lokale elite, die ook als eerste baat had bij dit proces. Wellicht

is dit een van de meest originele aspecten van het Imperium Romanum: romanisering

opende voor de inheemse elite, die burgerrecht, grondbezit en Grieks-Romeinse cultuur

combineerde, kansen op een carrière die tevoren niet denkbaar was.

Onze enige bronnen op lokaal niveau zijn de vele inscripties op gebouwen, op

de sokkels van standbeelden, op wijgeschenken aan de goden en vooral op graven. Uit

Noord-Afrika zijn meer dan 60.000 Latijnse opschriften gepubliceerd. Daarnaast

beschikken we over een veel geringer aantal opschriften in het Punisch, die tot in het

midden van de 2de eeuw n.Chr. doorlopen. Het merendeel van alle opschriften bestaat

uit korte, vaak stereotiepe grafinscripties, die soms informatie verschaffen over het

bestuur van de stad of over de monumenten die gebouwd werden. Het taalgebruik in

deze grafinscripties en vooral de vermelde eigennamen zijn goede indicatoren van

romanisering. Over taalgebruik en eigennamen in de kleine stad Mactaris handelt

deze bijdrage.

Mactaris


Mactaris, thans Maktar, op ongeveer 150 km. ten zuidwesten van Tunis en op 70 km van

El Kef, bezit een klein, maar welgeordend museum met een imposante verzameling

opschriften, zo’n 700 in totaal, in drie talen: het Libisch, het Punisch en het Latijn.

Veertien Libische inscripties dateren uit de 2de-1ste eeuw v.Chr., de periode waarin

Mactaris tot het Numidische Rijk van Massinissa behoorde. Er bleven 130 Punische

opschriften bewaard en 580 teksten in het Latijn, waarvan 220 christelijke inscripties.

Mactaris werd waarschijnlijk in de 3de eeuw v.Chr. door de Carthagers gesticht

en fungeerde als hoofdplaats van een Punisch district Thusca, dat een zestigtal dorpen

omvatte. Na de val van Carthago werden stad en district geannexeerd door Massinissa.

In 46 v.Chr. werd Mactaris door de Romeinen ingelijfd in de provincie Africa Nova.

Toch bleef Mactaris een Punisch-Numidische stad tot aan de regering van Trajanus,

ruim 150 jaar na de opname in het Romeinse Rijk.

De stad werd geen intensieve kolonisering opgelegd, zodat de bevolkingssamen-

stelling na 46 v.Chr. niet plots en ingrijpend veranderde. In de loop van de 1ste eeuw

n.Chr. duiken de eerste Romeinse burgers in Mactaris op. Ze kwamen vrijwillig en

hun aanwezigheid veranderde niets aan de taal of de bestuursvorm van de stad. Een

minderheid kwam uit Italië (25%), maar de grote meerderheid uit andere steden in

Noord-Afrika, zoals de nabije veteranenkolonie Assuras of het verre Cirta (Constantine).

Het waren dus ‘Neoromeinen’ en dit verklaart wellicht waarom ze zich moeiteloos

konden aanpassen aan het inheemse milieu.

De nieuwe Romeinse burgers kozen een grafmonument in de lokale ateliers die

stèles in Punisch-Numidische stijl produceerden. Er waren twee types in gebruik: stèles

met een driehoekig fronton en stèles met een afgerond fronton, een vorm geïmporteerd

uit Italië. Op al deze stèles staat de dode op dezelfde wijze in een nis afgebeeld: rechtop,

met ovaal gezicht en grote amandelvormige ogen, in dezelfde kledij en in dezelfde

houding. Nieuw is de korte inscriptie in het Latijn. De namen zijn zeer

informatief. De naam van een Romeins burger bevatte drie basiselementen; een voor-

naam (praenomen) die steeds is afgekort, een familienaam (nomen gentile of gentilicium)

en een bijnaam of beter een individuele naam (cognomen). Aangezien er slechts

zeventien voornamen in gebruik waren, was de echte individuele naam het cognomen:

met deze naam werd een persoon in de keizertijd aangesproken in de dagelijkse

omgang.

Essentieel is de familienaam: die is voorbehouden aan Romeinse burgers. M(arcus)

Aufidius Rogatus (CIL 8, 23 441) maakte gebruik van een stèle in Punisch-Numidische stijl,

maar hij geeft aan dat hij als Romeins burger drie namen draagt: een voornaam M(arcus),

een familienaam Aufidius en een cognomen Rogatus. Zo deed ook C(aius) Iulius Celer,

die in het driehoekige fronton van zijn stèle twee van de meest karakteristieke symbolen uit

de Punische religie behield, de maansikkel (symbool van Tanit-Caelestis) en de zonne- schijf

(symbool voor Baal Hammon-Saturnus). Opmerkelijk is dat de inwoners van Mactaris die

nog geen Romeins burgerrecht bezitten op hun beurt Latijnse opschriften gaan plaatsen. Een

mooi voorbeeld is de stèle met afgeronde top van Satura, dochter van Florus (CIL 8, 11

867): ze mag nog geen Romeinse familienaam dragen, maar zij en ook haar vader hebben

al een Latijns cognomen gekozen.

Contemporain met deze grafschriften is de oudste publieke inscriptie in het Latijn:

het betreft de ledenlijst van de Iuventus, een college van weerbare mannen die een stedelijke

militie vormden. In 88 n.Chr. liet deze vereniging uit eigen middelen een basilica en twee

graanschuren bouwen. Op de bovendrempel stond te lezen: 'De Iuventus van de stad

Mactaris, vereerders van Mars Augustus, liet op eigen kosten maar op publieke grond een

basilica en twee graanschuren bouwen; toezichthouders op de werken waren Saturninus,


zoon van Arisim en Fortunatus, zoon van Lulhim.' Daarna volgt de complete lijst van 65

schenkers, te beginnen met de voorzitters: Saturninus zoon van Laptha en Fortunatus,

zoon van Chunin. De namenlijst klinkt exotisch: Rogatus, zoon van Addun, Fortunatus,

zoon van Arsaces, Silvanus, zoon van Muzthumbal, Bassilec, zoon van Zruma.

Latijnse individuele namen (cognomina) komen voor - ze maken iets minder dan de

helft van alle namen uit -, maar geen enkel lid van deze stedelijke militie draagt een

Romeinse familienaam. Geen enkele schenker is dus op dit moment een Romeins burger.

Toch begint het gebruik door te dringen een Latijnse individuele naam aan te nemen en een

inscriptie in het Latijn op te stellen. Immers, tot dan toe werd in officiële inscripties

uitsluitend het Punisch gebruikt. Zo werd in het midden van de 1ste eeuw een tempel

gebouwd voor de Punische god Hoter Miskar, door een associatie die in het Punische

opschrift mizrah wordt genoemd en 32 leden telt. Geen van hen bezit het Romeinse burger-

recht. In de vroege 2de eeuw werd de tempel gerestaureerd: ook dan is het opschrift in het

Punisch en gebruiken de negentien leden die de kosten deelden Punische namen.

Deze bouwopschriften illustreren dat Romeins burgerrecht nog zeldzaam was,

zelfs in de gegoede klasse. Toch waren er al voldoende Romeinse burgers om een

vereniging te stichten, de conventus civium Romanorum. Dit college van Romeinse burgers

bekostigde samen met de inheemse stad een bouwwerk, dat werd opgedragen aan de keizer,

Nerva of Trajanus. Het fragmentarische opschrift staat in grote letters op een afgebroken

fries, zodat de functie van het gebouw niet meer te achterhalen valt: misschien was het een

tempel voor de keizercultus?

Colonia Aelia Aurelia Mactaris

Mactaris bezat een forum uit de Numidische tijd: het was een groot geplaveid plein,

zonder portieken, waarop in het midden waarschijnlijk een monumentale fontein stond.

In 116 n.Chr. krijgt de stad er een nieuw forum bij, in Romeinse stijl, met een

triomfboog, die volgens het Latijnse opschrift door de provinciegouverneur A(ulus)

Caecilius Faustinus werd opgedragen aan keizer Trajanus, maar die bekostigd werd door

de stadsraad (CIL 8, 11789). In dezelfde periode kregen verschillende families uit de

inheemse aristocratie individueel het volledige Romeinse burgerrecht en namen dus

een Romeinse familienaam aan, zoals de Plautii en de Sextii. Drie generaties later

werden hun afstammelingen opgenomen in de ridderstand (ordo equester) en behoorden

ze dus tot de rijksaristocratie.

In de loop van de 2de eeuw verschijnen, naast reeds geattesteerde Romeinse

familienamen, steeds meer nieuwe familienamen in de grafinscripties: de Minthonii,

Mamurii, Albicii en Granii zijn eerste-generatie Romeinse burgers die een zeldzame

familienaam kozen. Andere ‘Neoromeinen’ kozen een familienaam die verspreid was

in heel Noord-Afrika: de Annonii, Fabii, Lucilii en Porcii.

Deze langzaam voortschrijdende romanisering valt af te lezen uit twee Latijnse

bouwinscripties. Onder Hadrianus werd het heiligdom van een nog onbekende

Punische god niet alleen grondig gerestaureerd, maar ook opnieuw ingewijd als een

tempel voor Apollo. Onder de 42 namen van de schenkers zitten zowel Punische als

Latijnse individuele namen, zonder familienaam. Eén schenker, Q(uintus) Pomponius,

draagt een Romeinse voornaam en familienaam, terwijl anderen die nog geen Romeins

burger zijn het Romeinse namensysteem bewust imiteren.

Zo liet C(aius) Satur Patricii zijn individuele naam Satur voorafgaan door een

Romeinse voornaam C(aius) en voegt daaraan Patricii, 'zoon van Patricius' toe. Een

Romeinse familienaam bezat hij weliswaar niet, maar de handige combinatie van

Romeinse en Punische tradities leverde hem wel drie namen op, net als een Romeins

burger. Eén generatie later, in de jaren 160-170, wijdde een groep ondernemers in de


wolnijverheid, het corpus fullonum (de gilde van de volders) een zuil aan de god Liber

Pater (CIL 8, 23 399): hun 24 namen staan in de zuil gebeiteld en allen, op drie na,

dragen een correcte Romeinse naam. Hier klinkt de namenlijst erg vertrouwd: C(aius)

Iulius Saturninus, L(ucius) Lucilius Musicus, M(arcus) Pomponius Primulius.

De nieuwe mentaliteit weerspiegelt zich ook in de grafmonumenten uit deze

tijd. Onder Hadrianus gaven de lokale ateliers de productie van stèles in Punisch-

Numidische stijl definitief op: ze schakelden over op stèles in Romeinse stijl, al dan

niet versierd met bloemenkransen. Een afbeelding toont de oudste stèle van dit nieuwe

type, versierd met guirlandes, dat door een rijke en geromaniseerde klant werd besteld.

In de nis staat een echtpaar in Romeinse kledij. De man draagt het haar zoals de keizers

Lucius Verus en Commodus, zijn echtgenote is gekapt zoals Faustina, de vrouw van

Marcus Aurelius en de moeder van Commodus. Hierdoor kan men het grafmonument

dateren rond 175.

Het monument draagt geen opschrift, maar wel een typisch Romeinse versiering,

een reusachtige bloemenkrans. Dergelijke guirlandes komen niet voor op Punische

grafmonumenten. Ze verwijzen naar een typisch Romeins feest, de Rosalia, de dag waarop

de graven met echte bloemen werden getooid. Twee decennia later nam de stad uiteindelijk

een Romeins statuut aan: onder keizer Commodus werd ze Colonia Aelia Aurelia Mactaris

(190-192 n.Chr.). Een inheemse stad werd doorgaans eerst municipium. Mactaris echter

kreeg het prestigieuze statuut van colonia zonder dat er kolonisten naar de stad werden

gestuurd.

De maaier van Maktar

In de 3de eeuw kende Mactaris een maximale uitbreiding en welvaart; de elite is grondig

geromaniseerd. De grafmonumenten en opschriften van deze inheemse bourgeoisie getuigen

van rijkdom en cultuur. Onder de Severi worden de stèles definitief vervangen door grote,

versierde altaren. Representatie voor deze altaren is het grafmonument van Licinia Victorilla

en Q(uintus) Licinius Efficax: de vorm is nieuw maar niet de stijl waarin het echtpaar zich liet

portretteren en evenmin de bloemenkransen op de zijkanten van het altaar. De Licinii

behoorden tot de oude en toonaangevende families van de stad: hun voorouders, Romeinse

burgers uit de kolonie Assuras, vestigden zich in Mactaris in de late 1ste eeuw n.Chr.

Een tweede innovatie verdient aandacht: voor het eerst komen op de grote altaren

en op de façades van monumentale mausolea inscripties in verzen voor. Hiermee

sluiten de inwoners van Mactaris aan bij een lange traditie die in Italië was ontstaan en

die elders in Noord-Afrika al veel vroeger werd nagevolgd. De epigrafie van Mactaris

is een vijftiental gedichten rijk geen enkel epigram is voor de 3de eeuw geattesteerd,

maar ze reiken wel tot diep in de 6de eeuw en zijn dus zowel van christelijke als van

niet-christelijke families afkomstig. Dit geringe aantal geeft aan hoe hoog de moeilijk-

heidsgraad van een Latijns gedicht lag, zelfs in een colonia. De verzen zijn geen

meesterwerken, maar ze bevatten echo’s van Vergilius, Tibullus en Ovidius en zelfs

van Lucanus. Zo getuigen ze van de literaire scholing en belangstelling van deze

Romano-Afrikaanse families.

Het meest bekende grafepigram uit Mactaris dateert uit de jaren 260-270 en behoort toe

aan een man uit een nieuwe familie. Het staat op een groot altaar, dat bovenaan is

afgebroken, zodat zijn naam verloren ging. Hij staat bekend als ‘de maaier van Maktar’.

De naam van zijn vrouw Caeselia Namina is wel bewaard en ook die van een van zijn

verwanten, C(aius) Mulceius Maximus, misschien zijn zoon. Beide familienamen zijn

nieuw in de epigrafie van de stad. Namina is bovendien een inheemse naam, een

verkorte vorm van het Punische Namphamina (CIL 8, 11824).


Het gedicht telt veertien vrij correcte disticha met reminiscenties aan Vergilius

(Aeneis 4, 550) en Tibullus' eerste elegie (1, 13 en 25). Kort samengevat zegt de 'maaier'

dat hij afstamt van een arme familie en dat zijn vader een onbeduidend man was, die

geen domus, geen stadsherenhuis en geen census (vermogen) bezat. Moeten we begrijpen

dat de familie geen eigen grond bezat en dat ze dus pachters waren op een van de vele

keizerlijke of privédomeinen? Of bezat de vader wel degelijk eigen gronden, maar nog

niet het minimumvermogen om tot de selecte groep van raadsleden en hun families

te behoren? In het licht van de carrière van zijn zoon lijkt de laatste hypothese het

meest waarschijnlijk.

Zelf heeft de maaier aanvankelijk het rurale milieu niet verlaten: hij leefde slechts

om zijn velden te bewerken (ruri mea, vixi colendo). Twaalf jaar is hij opgetrokken met

een groep seizoenarbeiders: eerst oogstte hij zijn eigen velden, daarna trok hij naar de

arua Iovis, misschien de berg van Iupiter, de Djebel Zaghouan bij Carthago. Maar hij

is veel verder gegaan: zijn troep trok elk seizoen naar Cirta (Constantine), zo’n 250 km

ten noordoosten van Mactaris. Waarschijnlijk was de maaier een soort aannemer van

landbouwwerken:

'Tweemaal zes seizoenen heb ik onder de brandende zon gemaaid en door mijn werk

ben ik 'ductor' van de troep geworden. Elf jaar lang heb ik de schare der maaiers geleid:

onze handen hebben de velden van Numidië geoogst'(v. 11-14).

Ductor (leider) is een algemene term, terwijl het meer precieze conductor, een aannemer

van loonwerken, wellicht beter de realiteit dekt.

De maaier verwierf een comfortabel huis in de stad en een grote villa op het

platteland. Tenslotte werd hij gecoöpteerd in de stadsraad: hij regelde de herziening

van de ledenlijst van de raad, net als de censor te Rome. Hij vergaarde dus niet alleen het

minimumvermogen dat vereist was voor een raadslid, maar ook een fortuin waarmee

hij zijn stand kon ophouden. Naast het geld voor herenhuis en buitengoed waren aan-

zienlijke bedragen nodig om schenkingen aan de stad te doen: geld- en voedsel-

bedelingen, gladiatorenspelen of gebouwen.

Op het familiegraf moest ook de kunstzinnige en literaire ontwikkeling van de

familie tot uiting komen. Het gedicht moest niet alleen de sociale promotie van deze

'nouveaux riches' publiek maken, maar vooral hun culturele integratie in de elite van

haar stad. Maar in welke taal sprak de maaier met zijn falcifera turma, zijn zeisdragende

schare, tijdens hun lange seizoenwerkzaamheden? Als we Apuleius' getuigenis over de

Sicinii uit Oea (Apologia, 98) ernstig nemen, dan is er maar één antwoord mogelijk:

Punisch.

Korte bibliografie

CIL 8 = Corpus Inscriptionum Latinarum. Vol. VIII: Inscriptiones Africae Latinae

(Berolini, 1881-1959).

J. HUSKINSON (ed.), Experiencing Rome. Culture, Identity and Power in the Roman

Empire (London/New York 2000).

A. M’CHAREK, Aspects de l'évolution démographique et sociale à Mactaris aux IIe et IIIe

siècles ap.J.C. (Tunis 1983).

G.C. PICARD, Civitas Mactaritana, Karthago 8 (1957) 3-165.

G.C. PICARD, H. LE BONNIEC & J. MALLON, Le cippe de Beccut, Antiquités africaines 4

(1970) 125-64.

G.C. PICARD, La civilisation de l’Afrique romaine (Paris 1990 2 ).

D. PIKHAUS, Répertoire des inscriptions latines versifées de l'Afrique romaine (Ier-VIe siè-

cles) (Bruxelles-Brussel 1994).

D. PIKHAUS, Littérature latine et bourgeoisie municipale: l’epigramme funéraire du


moissonneur (CLE 1238 : CIL VIII 11824), in: C. SAERENS/R. DE SMET (eds.), Studia

varia Bruxellensia (Leuven 1987) 81-94.

De Maaier van Maktar

Mijn wieg stond in een hut van arme ouders,

geen kapitaal, geen personeel te zien.

Sindsdien bleef ik mijn boerengrond verzorgen,

mijn akker kreeg nooit rust, ik evenmin.

Wanneer het jaargetij de oogst deed rijpen

was ik de eerste maaier van het graan

en als de boeren rijenlang met zeisen het

land doortrokken tot aan Cirtae toe, ging

ik vooraan, ik was de voorste maaier,

rijenvol schoven liet ik achter mij.

Twaalf oogsten onder felle zonnestralen

heb ik gemaaid; toen werd ik opperman

en leidde elf jaar lang de maaiersploegen;

mijn mannen snoeiden elk Numidisch veld.

Mijn werk, mijn leven met bescheiden eisen

werden beloond: zij gaven mij een huis,

ik werd de heer des huizes van een villa

en wie daar woont, komt nimmer iets te kort.

Ook bracht het leven mij een bloem van gunsten:

ik werd verkozen tot de hoogste stand,

zat in de tempel op een erezetel

en kwam van keuterboer in 't censorambt.

Zoons kreeg ik en ik mocht hen op zien groeien,

evenals kleinzoons, waar ik veel van hield.

Door goed te leven had ik mooie jaren,

geen boze tong, die daar een smet op werpt.

Leert, mensenlief, te leven zonder zonden;

wie blaamloos leeft, verdient dat hij zo sterft.

Vertaling: Marietje d Hane- Scheltema,

Hermeneus 55/3 (juli/augustus 1983) 222.

5

10

15

20

25


ANGÉLIQUE NOTERMANS*

Vloermozaïeken in Africa

De tentoonstelling De gebroeders Van Limburg, Nijmeegse meesters aan het Franse

hof 1400-1416 in Museum Het Valkhof te Nijmegen trok in 2005 zeer veel

bezoekers. Het centrum van de expositie was het getijdenboek Les belles heures,

een handschrift dat de drie Nijmeegse broers voor hun opdrachtgever, Jean hertog

van Berry, illustreerden met miniaturistische scènes van bijbelverhalen en jaargetijden.

De toeschouwers waren onder de indruk bij het zien van het rijke en luxueuze leven

van de Bourgondische adel, zoals zich dat in en om paleisachtige villa's in de verschil-

lende seizoenen afspeelde.

In het Bardo Museum in Tunis is ook zo’n gedetailleerde weergave van het leven

van de rijken te zien - zij het duizendjaar ouder dan het werk van de gebroeders Van

Limburg. Het betreft een grote veelkleurige mozaïekvloer van zo’n 5,65 bij 4,50 m. en

daterend uit ca. 350-400 n.Chr. die gevonden is in een stadsvilla in Carthago.

Onze blik wordt meteen getrokken naar het grote huis dat in het midden is afgebeeld

- zeker geen stadshuis, maar een villa op het land. Het gebouw heeft twee versterkte

hoektorens, zoals we die wel vaker van landgoederen uit het Romeinse rijk kennen.

Boven de grote centrale poort loopt over de hele lengte van de voorgevel een loggia met

elegante arcaden; misschien suggereert het wit dat de zuilen en bogen van kostbaar

marmer waren. Achter de façade zijn de koepels van het privé-badhuis zichtbaar en

naast een rechthoekig gebouw lijkt een dadelpalm op te rijzen uit een binnentuin.

Ook de bewoners en hun activiteiten in de verschillende seizoenen worden voor-

gesteld. Midden boven het landhuis leunt de domina, de vrouw des huizes, in elegante

houding op een bank. Vier bomen, misschien cypressen, zorgen voor enige schaduw

en met een waaier wuift zij zich koelte toe. Het is duidelijk heel warm, want zij draagt

een bijna doorzichtige japon die één schouder bloot laat. Van rechts brengt een dienares

haar op de arm een lam - teken van het voorjaar. Naast haar zit een herder onder een

boom, zijn schapen en bokken zijn zichtbaar, en op de achtergrond staat een korenveld

in volle rijping - het is hier hartje zomer. Van links brengt een andere vrouw haar een

mand met olijven; naast haar schudden kinderen olijven uit een boom. Dit is duidelijk

een tafereel uit het late najaar of de winter, een indruk die nog versterkt wordt door

een dikgeklede man die helemaal links een paar eenden komt brengen.

In de middenzone arriveert links van de villa een rijk geklede ruiter - ongetwijfeld

de dominus - begeleid door een bediende die een visnet op de rug draagt. Rechts ver-

trekken twee mannen voor een jachtpartij; zij zijn voorzien van netten en speren en

worden vergezeld door twee honden.

Links beneden is nogmaals de domina afgebeeld: nu staat zij elegant tegen een

zuiltje geleund. Haar oorhangers en diadeem zijn duidelijk zichtbaar en een dienares

geeft haar uit een juwelenkistje een halssnoer aan. Van links brengt een man haar

een mand met rozen- symbolen van de zomer. Rechts beneden zien we de heer des

huizes terug; hij zit nu, draagt een toga en rust met zijn voeten op een bankje. Van

rechts komt een man vruchten aandragen; van links biedt een ander een boekrol aan,

waarop staat te lezen IV(lius) DOM(inus), dominus Julius.

Op dit mozaïek uit zijn stadshuis te Carthago zien we dus hoe Julius (buiten)

woont, hoe rijk hij is en wat op zijn landgoed zoal zijn bezigheden zijn. Dergelijke

kijkjes op het leven en de activiteiten van de rijke burgerij zijn kenmerkend voor veel

mozaïekvloeren in Noord-Afrika.


Stad en land

Vrijwel alle Noord-Afrikaanse mozaïeken zijn ontdekt in stadsvilla's, openbare gebou-

wen en badcomplexen, dus steeds in een stedelijke context. Dat is opvallend, want er

moet in Noord-Afrika een groot aantal landgoederen zijn geweest, getuige de scènes

op het dominus Iulius-mozaïek en op vele andere: de daarop geëtaleerde rijkdom van

de bewoners in aanmerking genomen kunnen we ons moeilijk voorstellen dat de

afgebeelde landhuizen niet zelf ook over zulke fraaie vloeren beschikten. Moderne

onderzoekers (zoals Ling, 1998) veronderstellen wel dat de oorzaak ligt in het ontbreken

van systematisch archeologisch onderzoek buiten de steden. De zeer rijke oogst aan

huizen met mozaïekvloeren uit de steden overtreft aan de andere kant in aantal alles

wat we van elders uit het Romeinse rijk kennen. Ook hebben de huizen meer kamers

met een mozaïekvloer dan elders. Het is duidelijk dat het bezit van mozaïekvloeren

iets was waar je in een stedelijke life-style niet buiten kon. Daarom zijn die vloeren ook

zo'n belangrijke informatiebron betreffende de smaak en de liefhebberijen van de

stedelingen.

Ontwikkeling

Africa kwam pas laat, tegen 100 n.Chr., in het bezit van echte mozaïekvloeren - onder

de noemer Africa worden hier drie provincies bijeengenomen: Africa Proconsularis

(ongeveer het huidige Tunesië en Tripolitania), Numidia (Oost-Algerije) en Mauretania

(West-Algerije en Marokko). Wél zijn er al rijke en veelkleurige vloeren bekend

uit hellenistisch Egypte (3de-1ste eeuw v.Chr.), zoals een portret van Berenike II, de

vrouw van koning Ptolemaeus III Euergetes (kort na 250 v.Chr.). Dit koninginnenpor-

tret is gemaakt door de beroemde kunstenaar Sophilos, die het ook mocht signeren, en

is gelegd in uiterst kleine steentjes, opus vermiculatum. Deze techniek kennen we ook

uit Pompeii. Zij is bijvoorbeeld toegepast bij het maken van het mozaïek met de beroemde

slag tussen Alexander en Darius (Archeologisch Museum Napels). Beide vloeren zijn

kopieën van schilderijen.

Aan de andere kant zijn ook oudere, 'Punische' vloeren bekend, uitgevoerd in

een mengsel van kalk en gebroken aardewerk. De vloer werd dan versierd met losse,

onregelmatig gevormde stukjes marmer of glas in geometrische patronen. Strikt

genomen zijn dit geen mozaïekvloeren, omdat ze niet zijn samengesteld uit allemaal

steentjes van nagenoeg gelijke grootte.

De eerste voorbeelden van echte mozaïekvloeren komen eind 1ste eeuw n.Chr.

uit Utica. Het zijn zwart-wit mozaïeken, gemaakt door Italische mozaïekleggers, en

ze vertonen grote overeenkomsten met de vloerdecoratie die op dat moment in Italië

populair was. In Africa ging de smaak echter al gauw uit naar veelkleurigheid, terwijl

in Italië (Rome, Ostia, Tivoli) zwart-wit nog ruim een eeuw in de mode zou blijven.

Wat de oorzaak hiervan is? Heel eenvoudig, in Noord-Afrika waren steengroeven die

prachtig kleurenmateriaal leverden - uit de groeven van Chemtou (Tunesië) kwam

bijvoorbeeld het van dieprood tot warmgeel geschakeerde giallo antico (marmor numi-

dicum), dat enorm populair werd in het hele rijk. De marmersoort Africano kwam ove-

rigens, ietwat verwarrend, uit de omgeving van Smyrna in West-Turkije.

Het polychrome mozaïek bleef in vele onderwerpen tot in de 5de eeuw gevraagd

in Africa. In de 3de eeuw en later, toen de rest van het Romeinse rijk al begon af te

brokkelen, genoot Africa van een stabiele welvaart en rijkdom, die haar uitdrukking

onder andere vond in de opdracht tot het ontwerpen van fraaie vloeren. De meeste en

fraaiste exemplaren komen uit Africa Proconsularis.

Ateliers


In de 2de eeuw n.Chr. vormden zich in Noord-Afrika lokale ateliers (officinae)

van mozaïekleggers. Anders dan men zou verwachten, zijn ateliers bij opgravingen niet of

nauwelijks te traceren. Een verklaring hiervoor is mogelijk dat mozaïekvloeren vaak ter

plaatse werden vervaardigd, bij de opdrachtgever aan huis. Een atelier was misschien in de

eerste plaats een opslagplaats voor gereedschappen en materialen. Een mozaïek in het

Bardo Museum in Tunis toont een architect en bouwers; links in de middelste zone is

mogelijk een mozaïeklegger aan het werk.

Uit inscripties kennen we een aantal ateliers, zoals dat van een zekere Nicentius,

via de inscriptie ex of(f)icina Nicenti in een huis in Thuburbo Maius (Tunesië). Op een vloer

in een badgebouw in Sidi Bou Ali lezen we de volgende teksten: [s]abinianus senurianus

pingit et p a imentav t ('Sabinianus Senurianus heeft het ontwerp gemaakt en het

[mozaïek] gelegd') en sine pictore sabiniani e manu ('zonder ontwerper, van de hand van

Sabinianus'). Er bestond natuurlijk een bepaalde werkverdeling bij de vervaardiging van

mozaïeken: eerst maakte een specialist (pictor) een ontwerp en vervolgens werd dat

omgezet in mozaïek. De ontwerpfase sloeg Sabinius blijkbaar (trots) over.

Specialisatie

De Afrikaanse ateliers ontwikkelden al snel eigen kenmerken, die hen van Italische

en andere scholen onderscheidden. Zo werden de figuren in registers geplaatst of juist

vrij over het vloeroppervlak verspreid. De figuren staan op een strook grond of zijn

afgebeeld tegen een neutrale, vaak witte, achtergrond. Als er al een landschap wordt

weergegeven, dan gebeurt dit schematisch door middel van grondlijnen met struiken en

rotsen.

Specialisatie trad ook op. Timgad in Numidia (Algerije) was een belangrijk cen-

trum voor bloemmozaïeken. Deze techniek vereiste grote verfijning en de ontwerpen

waren veelgevraagd- en ongetwijfeld zeer kostbaar. Ranken van wijn, acanthus en

soms laurier werden op geraffineerde wijze doorweven met bloemknoppen en vorm-

den zo een elegant bloemen- en rankenpatroon. Binnen zo’n rankenpatroon

doken soms figuren op: bustes, dieren, vogels, maskers.

Ook andere centra kenden een specialisme. In El Djem bijvoorbeeld ontwierpen

de ateliers dichtgeweven netwerken van wijnranken die groeien uit enorme elegante

tuinvazen. Niet onverwacht verschijnt hierin als figuur vaak Bacchus; in een 3de-eeuwse

vloer wordt hij omringd door druivenoogstende eroten.

Variatie in onderwerpen

Natuurlijk zijn er de traditionele mythologische thema's, die vaak worden herhaald en

op een stereotiepe manier worden uitgebeeld, zoals de muzen, Neptunus en Bacchus.

De populariteit van Neptunus heeft ongetwijfeld te maken met het belang van de zee-

handel voor de welvaart van Noord-Afrika. Uit de Tunesische kustplaats Sousse is een

triomferende Neptunus afkomstig. Voor een gebied dat een bloeiende wijn-

productie had, is Bacchus eveneens een begrijpelijke keuze. Natuurlijk bepaalt de

functie van een vertrek deels de keuze van een thema. In badgebouwen komen vaak

zeescènes voor. Dionysische voorstellingen kan men eerder verwachten in eetvertrek-

ken, bijvoorbeeld in de eetzaal van het Huis van de Dionysische processie te El Diem.

Ook ver van het culturele centrum van Africa komen we Bacchische mozaïeken

tegen, zoals in een woonhuis in Volubilis in Mauretania Tingitana (Marokko).

Ondanks de vrije grote stenen die de mozaïeklegger gebruikte, wist hij knap de nuances

in Bacchus' gelaatsuitdrukking weer te geven.

Veel vloeren hebben onderwerpen geïnspireerd door het dagelijks leven, zoals

de jacht of het leven op het land. Andere illustreren een bepaalde interesse


van de opdrachtgever en hierbij zijn scènes uit het amfitheater en de circus populair.

De opdrachtgevers speelden ongetwijfeld een actieve rol bij de introductie van deze

nieuwe thema's, die vanaf eind 2de eeuw n.Chr. in privéhuizen voorkwamen. Het

duurde toen nog ruim honderd jaar voor deze scènes tot het standaardrepertoire

behoorden en ook in openbare gebouwen aangetroffen werden.

Amfitheaters

Amfitheaters waren er volop in Africa: er zijn er acht teruggevonden, van Algerije (3)

en Tunesië (3) tot ver in Libië (2). Rijke weldoeners financierden één of meer onder-

delen van de voorstellingen in deze amfitheaters en lieten zich daarop graag voor-

staan - ook in de vloer van hun eigen huis.

Zo’n weldoener, een zekere Magerius, is in woord en beeld te zien op een vloer

uit Smirat (Tunesië). Bijzonder is het perspectief want het imiteert de blikrichting van

de toeschouwers op de tribunes naar de uitgebeelde dieren en mensen; Magerius en

enkele anderen staan voor ons dus ‘op de kop’. Bij de vier panters en de vier

gladiatoren is hun naam vermeld (bijvoorbeeld 'Victor' en 'Bullarius') en rechtsboven

staat in feestelijke, sportieve kleding Magerius zelf. Links en rechts van een lange

centrale inscriptie zien we Diana, met zegetak, en Bacchus, met een offerschaaltje.

Tussen de twee registers van de centrale tekst staat een jonge priester die op een enorme

zilveren schaal vier zakken met geld draagt voor de vechters.

Een van de boeiendste scènes uit een amfitheater biedt wel een vloer uit een

villa in Zliten (Libië), waar we de onderdelen van de voorstelling in vier registers uit-

gebeeld zien. Bovenaan is de meest bijzondere scène te zien, namelijk de

muzikale omlijsting van de voorstelling, waarin drie mannen blaasinstrumenten

bespelen en een vrouw een orgeltje. In de tweede plaats zijn gladtatorengevechten uit-

gebeeld; in het derde register zien we links hoe twee veroordeelden door (vermoedelijk)

panters worden aangevallen. De rest van het derde register en het vierde laten gevechten

zien met en tussen wilde dieren.

Circusspelen

Immens populair waren in de late oudheid ook de circusspelen (paardenraces), niet het

minst vanwege de zware weddenschappen die erbij werden afgesloten. Traditioneel stre-

den wagens uit vier teams (factiones) om de eer: Blauwen, Groenen, Roden en Witten.

Ondanks de populariteit van de rensport komen circi veel minder voor dan amfitheaters.

Waar we de laatste in veel provinciesteden in het rijk aantreffen, vinden we renbanen uit-

sluitend in grote (rijks)hoofdsteden als Rome, Milaan, Constantinopel. Niet verwonder-

lijk dus dat in Africa slechts twee renbanen zijn teruggevonden, in de hoofdsteden

Carthago en Leptis Magna (Lybië). Mozaïekvloeren, bijvoorbeeld uit Carthago, laten

graag de winnende menner en zijn sponsor zien, al dan niet vergezeld van hun paarden.

Afsluiting

Op een aantal vloeren uit Africa komt een catalogus van allerlei wilde, exotische dieren

voor (struisvogels, beren, panters) en we zien jachtpartijen om de beesten voor de amfithe-

aters te vangen. Dit soort voorstellingen komen we vanaf de 2de eeuw n.Chr. ook op mo-

zaïekvloeren van villa's elders in het Romeinse rijk tegen, van Piazza Armerina (Sicilie) tot

Antiochië en van Mérida (Spanje) tot Nennig (bij Trier). Opdrachtgevers van dergelijke

vloeren wisten dat zij deel uitmaakten van de geromaniseerde rijke bovenlaag in het rijk.

In Africa was verder het bezit van stoeterijen voor het fokken van renpaarden

vaak een liefhebberij van die bovenlaag. In hun mozaïekopdrachten laten zij de grote

landgoederen waar zij deze hobbies uitleefden graag zien, evenals hun vrouw, elegant


gekleed en met sieraden, hun vele dienaren en de akkers en wijngaarden om hun huis.

Zelf verschijnen ze als heer en meester, zittend bij hun landgoed, als ridder te paard of

als sponsor bij de spelen. In Africa krijgen zij speciaal een eigen gezicht doordat zij

namen krijgen om zo hun status vast te houden - voor altijd vastgelegd in mozaïek.

*) Met dank aan Thea L. Heres die de definitieve tekst van dit artikel en de bijbehoren-

de afbeeldingen heeft verzorgd.

Korte bibliografie

M. DONDERER, Die Mozaisten der Antike und ihre wirtschaftliche und soziale Stellung:

eine Quellenstudie (Erlangen 1989).

K. DUNBABIN, The Mosaics of Roman North Africa (Oxford 1978).

K. DUNBABIN, Mosaics of the Greek and Roman World (Cambridge 1999).

I. FOUCHER, Inventaire des mosaïques, Feuille no. 57 de l'atlas archéologique: Sousse

(Tunis 1960).

S. GSELL, Les mosaïques de l'Algérie (Paris 1901).

R LING, Ancient Mosaics (London 1998).

M. YACOUB, Splendeurs des mosaïques de Tunisie (Tunis 1995).


VINCENT HUNINK

Seminumida et Semigaetulus Apuleius, latinist uit Africa

De Romeinse letterkunde had de stad Rome als haar natuurlijke centrum, maar

lang niet alle grote auteurs zijn er geboren en getogen. In de 1ste eeuw n.Chr.

was vooral Spanje een belangrijke voedingsbodem voor Rome's literaire

talenten: de filosoof Seneca, de dichters Lucanus en Martialis en zelfs de invloedrijke

leraar Quintilianus waren Spanjaarden. Met de opkomst van het westerse christendom

zou deze focus verschuiven naar de provincie Africa. Daar verschenen de eerste christe-

lijke teksten in het Latijn, zo tegen het eind van de 2de eeuw. Een lange reeks van

christelijke auteurs had zijn wortels in Romeins Africa, te beginnen met Tertullianus

(ca. 200). Grote schrijvers als Cyprianus, Arnobius en Lactantius bouwden de traditie

uit, en de climax wordt wel gevormd door de markante figuur van Augustinus.

Maar de bloei van de Latijnse letterkunde in Africa kende ook een paar voorlopers

bij wie van christelijke sympathieën nog geen sprake is. De grote namen hier zijn die

van Fronto, de beminde leermeester van keizer Marcus Aurelius, en bovenal die van

Apuleius (ca. 125-eind 2de eeuw), de gevierde redenaar, rondtrekkende sofist, filosoof

en schrijver uit Madauros, tegenwoordig vooral bekend om zijn roman De gouden ezel

(Metamorfosen).

Plattelandsruzie

Apuleius' Afrikaanse herkomst is geen zaak waarover we in het duister tasten. De

auteur gaat zelf namelijk vrij uitvoerig in op zijn persoonlijke geschiedenis. Dat deed

hij in het kader van een lange redevoering uit 158, waarin we een beeld krijgen van

het leven in Romeins Africa.

In deze Apologie of Verdedigingsrede wegens magie legt Apuleius omstandig en

op retorische wijze verantwoording af voor zijn leven en werk, om zo een aanklacht

van magische praktijken te kunnen weerleggen. Hij was ervan beschuldigd dat hij als

zwerver en armoedzaaier tijdens een verblijf in Oea (het huidige Tripoli in Lybië) had

aangepapt met de steenrijke, oude weduwe Pudentilla en haar met onwettige middelen

zover had gekregen dat ze met hem trouwde. De verschillen tussen Apuleius en

Pudentilla waren zo groot dat men 'toverij' minstens kon aanhalen als een aannemelijke

verklaring voor hun onwaarschijnlijke relatie.

Een meer romantische visie zou hier misschien spreken over ‘zegen van boven’

of 'liefde die alle grenzen overwint' , maar daar kwam men in de oudheid niet snel

mee voor de dag. Wie de ongeveer honderd pagina's van Apuleius' redevoering leest

kan zich niet aan de indruk onttrekken dat in zijn geval noch magie noch romantische

liefde de doorslag gaf. De hoofdrol is ongetwijfeld gespeeld door economische en

financiële motieven.

Dat geldt minstens voor Apuleius zelf die als berooide geleerde en avonturier

het kapitaal van Pudentilla goed zal hebben kunnen gebruiken. Over zijn vrouw

spreekt hij op zijn best met achting en op zijn slechtst in nogal denigrerende bewoor-

dingen: zij, een oude en niet meer knappe vrouw, nam het initiatief om met hem, de

beroemde jonge redenaar, te trouwen en hij heeft zich er na aanvankelijk verzet en

tegenstribbelen toch maar toe gezet, vooral op verzoek van Pudentilla s oudste zoon.

Ook voor de aanklagers, Pudentilla's jongste zoon en enige van zijn vrienden, zullen

economische motieven doorslaggevend zijn geweest: het familiekapitaal dreigde hun

uit handen te glippen, nu Pudentilla eenmaal was hertrouwd.

Apuleius' roemruchte proces over ‘magie’ lijkt in de kern niet meer te zijn dan


een lokaal conflict over land en goederen. Tussen de regels van de Apologie door staat

er voor historici het een en ander te lezen over het alledaagse leven in Romeins Africa.

Zoveel bronnen daarvoor zijn er niet, en zo worden de schaarse details die Apuleius

loslaat al snel tot relevante bronnen van informatie. Natuurlijk dienen al die details in

de eerste plaats retorische doelen voor de spreker, die zijn zaak bepleit en zijn uit-

geschreven tekst publiceert voor de hele wereld. Maar met de nodige voorzichtigheid

is ook een historische lezing van de Apologie mogelijk.

De algemene indruk van de provincie Africa die men in de tekst krijgt is die van

een rijk en gevarieerd gebied met zowel grootgrondbezitters als kleine boeren, met

levendige havens en steden, met een bloeiende handel en veel verkeer en contacten,

vooral ook met Rome en Alexandrië: Africa als dynamisch en ontwikkeld gebied, Africa

als vanzelfsprekend onderdeel van de Romeinse culturele wereld. De 2de eeuw staat in

het algemeen bekend als een periode van welvaart en stabiliteit in grote delen van het

Romeinse Rijk. Inderdaad vertoont ook het Africa van Apuleius nauwelijks enig spoor

van geweld en oorlog. Het leven voor het individu is er natuurlijk niet zonder dreigingen

en conflicten, maar over de hele linie rijst een tamelijk zonnig beeld van de provincie

op. Apuleius zegt het in de Apologie niet met zoveel woorden, maar hij lijkt ook echt

trots op zijn land.

Marginaal gebied

Die trots belijdt hij in ieder geval ten aanzien van het gebied van zijn afkomst. Het

gaat daarbij om een relatief achtergebleven streek, zeker in vergelijking met een

havenstad als Oea of de hoofdstad Carthago. Apuleius was namelijk geboren in

Madauros (het huidige M'Daourouch in oostelijk Algerije). Dat was iets waar zijn

tegenstanders in het proces laatdunkende opmerkingen over hadden gemaakt. Hij voelt

zich dan ook genoodzaakt erop in te gaan.

Dan nu nog iets over mijn geboorteplaats. Jullie hebben aan de hand van mijn eigen

geschriften betoogd dat die gelegen is op de grens van Numidië en Gaetulië. Ik heb me

inderdaad in een openbare voordracht in aanwezigheid van de illustere heer Lollianus

Avitus een 'half-Numidiër' en 'half-Gaetuliër' genoemd. Ik kan helaas niet inzien wat

daar zo genant aan is. Schaamde Cyrus de Grote zich soms omdat hij door zijn gemeng-

de afkomst half-Mediër en half-Pers was?! Je moet niet kijken naar waar iemand is

geboren, maar naar zijn geestelijk toebehoren, niet overwegen in welke gewesten,

maar met wat voor geweten hij zijn leven is gaan leiden. (...)

Ik heb dit allemaal niet aangevoerd omdat ik me voor mijn geboorteplaats

schaam, zelfs als we nog de stad van Syphax waren. In werkelijkheid zijn we na diens

nederlaag door een gunst van het Romeinse volk onder gezag van koning Masinissa

gekomen. Toen is de stad hersticht via de vestiging van Romeinse veteranen, en

sindsdien is onze stad een schitterende kolonie. Mijn vader heeft er aan het einde van

een volledige ambtelijke loopbaan de functie van Tweeman. bekleed, en gold als de

belangrijkste man van de stad. Sinds ik aan de debatten in het senaatsgebouw deel-

neem, tracht ik voor hem volstrekt niet onder te doen en zijn prestige in de staat te

bewaren, met, naar ik hoop, gelijke roem en erkenning.

Waarom breng ik dit dan naar voren? Om te bereiken dat jij, Aemilianus, voor-

taan minder kwaad op me bent. Misschien kun je me nu eerder vergiffenis ervoor

schenken, dat ik, uit onachtzaamheid, per ongeluk niet jouw Zarath, dat bolwerk van

cultuur, heb uitgekozen om in geboren te worden. (Apologie 24).

Apuleius was zich ongetwijfeld bewust van de niet al te glorierijke status van zijn

geboortegrond. Maar als volleerd redenaar maakt hij van de nood een deugd en tooit


zich met zelfgemaakte geuzennamen als Seminumida en Semigaetulus. Die tweede

naam is overigens schromelijk overdreven, want Gaetulië lag veel zuidelijker dan

Madauros.

Spreekt hier de trots van een man die zijn achterstandsgebied nog eens extra

benadrukt? Het is wel opvallend dat de naam Madauros in heel de redevoering van

Apuleius niet voorkomt, zelfs niet in de passage over zijn geboorteplaats. Daaruit zou

toch ook weer een zekere schaamte kunnen spreken. In ieder geval laat Apuleius zich

kennen als een eerzaam burger die het opneemt voor zijn stad met haar geschiede-

nis, en voor zijn familie. Volgens beproefd recept kiest hij ten slotte de aanval en slaat

de aanklagers met hún afkomst om de oren. Ze komen uit een klein, achterlijk dorp en

dus, zo is de implicatie, hebben ze de grote redenaar niets te verwijten. En tussendoor

viel al het bekende retorische argument dat afkomst er helemaal niet toe doet, maar

dat alleen karakter en ontwikkeling tellen.

In deze passage lijkt al met al een mengeling te lezen van schaamte en trots, van

bescheidenheid en assertiviteit, van oprechte overtuigingen en retorische inkleuring.

Het is lastig om er één ondubbelzinnige boodschap uit te halen.

Provincietrots

Toch overheerst in Apuleius' houding tegenover Africa waarschijnlijk het positieve,

zeker wanneer hij zich als vertegenwoordiger van heel de provincie kan manifesteren.

Dat doet hij in verschillende andere redevoeringen, waarvan drieëntwintig fragmen-

ten bewaard zijn in de bloemlezing Florida. Was de Apologie een redevoering in het

juridische genre, de Florida laat voorbeelden zien van ceremoniële retorica: redevoe-

ringen die zijn uitgesproken naar aanleiding van een bepaalde gelegenheid, om een

persoon, zaak of situatie te bekritiseren of te prijzen. Apuleius treedt hier doorgaans

op voor een massaal publiek, in een theater of amfitheater, en geeft er staaltjes van

zijn geleerdheid en sprekerstalenten ten beste.

In enkele fragmenten is hij zelfs de officiële spreker die namens de hele provincie

een Romeins magistraat mag verwelkomen of uitgeleide doen. Dat levert teksten op

met een hoge graad aan voorspelbaarheid: de zittende of scheidende proconsul is uiter-

aard de beste van allemaal, een wonder van deugd, wijsheid en integriteit, die in zijn

zorg voor de noden van de provincie welvaart en welzijn heeft gebracht. Zo wordt bij-

voorbeeld Severianus, proconsul in 162-163, als volgt stroop om de mond gesmeerd:

Wie zou immers niet van u willen leren welk evenwicht vereist is, om die typische

eigenschappen van u te verwerven: charme bij ernst, zachtheid bij principes, kalmte bij

volharding, mildheid bij kracht. Geen proconsul van de provincie Africa is ooit, voor

zover ik weet, meer geëerd en minder gevreesd. In geen enkel ambtsjaar behalve het uwe

is ter beteugeling van misdaad eergevoel van meer effect geweest dan angst. Niemand

anders dan u heeft, bij gelijke macht, vaker voordeel verleend, minder vaak schrik aan-

gejaagd; en niemand heeft een zoon meegebracht die in deugd zozeer zijns gelijke is.

Zodoende heeft geen enkele proconsul langer in Carthago vertoefd. Want zelfs

in de tijd dat u op tournee was door de provincie en Honorinus in ons midden bleef,

was uw afwezigheid ons niet zozeer een gemis, als wel uw terugkeer ons groot verlan-

gen. Hij bezit als zoon de eerlijkheid van zijn vader, als jongeman de bezonnenheid

van een oudere, als legaat het gezag van een oud-consul. Werkelijk al uw goede eigen-

schappen brengt hij tot uitdrukking en vertoont hij weer. Het zou warempel meer

bewondering wekken dat die lof verworven is door zo’n jonge man dan door u - ware

het niet dat ú hem die heeft gegeven!

En konden we ons maar voorgoed daarin verheugen! Wat hebben we toch aan al

die wisselingen van proconsuls? Aan die korte jaren, aan die langsflitsende maanden?


Ach, de dagen van de goede mensen gaan zo snel! De tijden van de beste leiders vliegen

zo vlug voorbij! Wij, de hele provincie, Severianus, missen u nu al (Florida 9, 35-39)

De lof is in onze ogen overdreven, maar we moeten misschien niet teveel naar de in-

houd kijken. Wat telt is vooral de hele communicatieve situatie: Apuleius, de beroemde

spreker, die zich zonder aarzelen kan stellen naast grote denkers en literatoren (eerder

in Florida 9 vergeleek hij zich met de 5de-eeuwse Griekse sofist Hippias), verwoordt

namens de hele provincie zijn dank en complimenten. Dat is voor hem niet iets ver-

nederends maar eerder het tegendeel.

De complimenten zijn op zichzelf obligaat in zo’n afscheidsspeech, maar doordat

een spreker van naam en faam ze uitspreekt krijgen ze een speciaal cachet. Iets van

Apuleius' grote roem straalt uit over de hele speech en daarmee indirect over iedereen

namens wie hij spreekt, en zelfs de aangesprokene magistraat krijgt er iets van mee.

Dankzij Apuleius' cultuur en eruditie hoeft de provincie Africa dus niet in alle onder-

danigheid een kruiperig speechje te houden, maar lijkt zij als het ware vrijwillig, van-

uit eigen grootheid, een welgemeend compliment te maken. Zo kan deze rede, in

essentie niet meer dan een 'verplicht nummer', de Afrikaanse trots en het Afrikaanse

zelfbewustzijn heel wel hebben versterkt.

Natuurlijk laat Apuleius niet na zijn publiek complimenten te geven en te sterken

in het gevoel er in de Grieks-Romeinse wereld helemaal bij te horen. Zo opent een

ander fragment uit de Florida als volg:

U bent in zo groten getale hier gekomen om te luisteren, dat ik eerder Carthago moet

feliciteren met zoveel vrienden van de cultuur, dan mijzelf moet excuseren dat ik als

filosoof bereid ben hier het woord te voeren. De uitgestrektheid van de stad verklaart

het grote publiek, en de uitgebreidheid van het publiek bepaalt de keuze van de plaats.

Daarvan afgezien moet je in zo’n gehoor als dit niet kijken naar de vloer met zijn

marmerformatie, het toneel met zijn plankencombinatie of het decor met zijn zuilen-

decoratie; en ook niet naar de uitspringing van het afdak, de glanzing van de cassettes

of de ronding van de banken. Je moet er ook niet op letten dat hier anders een komiek

grollen uitkraamt, een blijspelacteur spreuken uitroept, een tragediespeler weeklachten

uitstort, een koorddanser kunsten uithaalt, een goochelaar trucjes uitspeelt, een pan-

tomimist noties uitbeeldt, of welke performers er nog meer hun kunnen aan het volk

vertonen. Dat moet je allemaal overslaan. Je moet alleen maar hiernaar kijken: waar-

voor komt het publiek, en waarmee komt de spreker? (Florida 18, 1-5).

De indruk ontstaat van een gigantisch, luxueus uitgevoerd theater, waar men massaal

is toegestroomd om 'de filosoof'Apuleius te beluisteren. Vooral de beschrijving van

het theater en alles wat er zoal aan optredens te zien is functioneert indirect als een

groot compliment aan het adres van de Carthagers en wekt de suggestie dat we hier

niet in een marginale provincie zitten maar in het hart van het Romeinse Rijk.

In een van de laatste fragmenten gooit de spreker er nog een schepje bovenop.

Nadat hij eerst zijn eigen literaire talenten en veelzijdigheid heeft aangeprezen eindigt

hij met een uitbundige lofprijzing van Carthago.

Wat levert nu meer of stelliger lof op dan het verheerlijken van Carthago? U allen, in

heel deze stad, bent uiterst ontwikkeld; bij u wordt elke vorm van kennis door kinderen

geleerd, door mannen getoond en door ouderen onderwezen. Carthago, eerbied-

waardige onderwijzeres van onze hele provincie! Carthago, hemelse Muze van Africa!

Carthago, Camena van alwie de toga draagt! (Florida 20, 9-10)

Karthago Africae Musa caelestis, Karthago Camena togatorum- dankzij zulke fraaie


formuleringen zal het publiek zich sterk bevestigd hebben gevoeld in zijn status. Die

bevestiging heeft overigens wel iets van een paradox in zich. Enerzijds benadrukt

Apuleius in zijn redevoeringen de lokale, Afrikaanse elementen, alleen al door het

noemen van namen als Africa en Carthago, maar dat ‘Afrikaanse gevoel’ wordt vervol-

gens duidelijk gekaderd binnen de Grieks-Romeinse cultuur.

Zijn Apologie en Florida leveren een lange rij aan namen en citaten op van

beroemdheden uit de geschiedenis en literatuur van Griekenland en Rome. Homerus

en Sofokles, Hippias en Protagoras, Alexander de Grote en Cato, cynici, stoïcijnen en

Platonisten, Cicero, Catullus, Vergilius en nog vele anderen; ze worden aangehaald

als beroemde voorgangers van een cultuur waarmee Apuleius zich direct en zonder

voorbehoud verbonden weet en waarin hij zijn publiek laat delen. Afrikaans bewust-

zijn leidt dus niet tot een verheerlijking van barbaarse voorgangers of een stimulans

tot het spreken van Punisch (een taal waarover Apuleius zich zelfs laatdunkend uitlaat

in Apologie 98), maar integendeel tot gretige en trotse toeëigening van het waardevolste

van de mainstream cultuur van de oudheid. Africa wordt opgenomen in de vaart der

volkeren!

Afrikaans Latijn?

De cultuurtaal voor Apuleius is onmiskenbaar het Latijn. Maar het moet gezegd: hij

doet er wel iets bijzonders mee. Onder zijn handen verandert de taal van een wat

plechtstatig en soms stroef en ambtelijk geworden geheel in een wonder van expressi-

viteit. Nieuwe, zelfverzonnen woorden prijken er naast uit oude boeken opgediepte

archaïsmen. Stijlfiguren en spectaculaire zinsconstructies buitelen er over elkaar heen,

allemaal overgoten met dikke lagen rijm-, ritme- en klankeffecten. Het is moeilijk om

in het Nederlands een equivalent te vinden voor wat in Apuleius' Latijn gebeurt, maar

men zou kunnen denken aan de vroegste teksten van Hafid Bouazza, misschien niet

toevallig een Nederlandse schrijver van Noord-Afrikaanse afkomst. Zou het kunnen

dat juist non-native speakers als stilisten uiteindelijk veel origineler en inventiever dur-

ven zijn dan anderen?

Bij wijze van voorbeeld laat ik hier het eerste fragment van de Florida integraal

volgen. Wie het hardop leest, krijgt een aardige indruk van ritme, klank en kleur van

het Apuleiaanse Latijn.

Ut ferme religiosis viantium moris est, cum aliqui lucus aut aliqui locus sanctus in via

oblatus est, votum postulare, pomum adponere, paulisper adsidere: ita mihi ingresso

sanctissimam istam civitatem, quanquam oppido festinem, praefanda venia et habenda

oratio et inhibenda properatio est. Neque enim iustius religiosam moram viatori obiecerit

aut ara floribus redimita, aut spelunca frondibus inumbrata aut quercus cornibus onerata

aut fagus pellibus coronata, vel enim colliculus sepimine consecratus vel truncus dolamine

effigiatus vel cespes libamine umigatus vel lapis unguine delibutus. Parva haec quippe et

quanquam paucis percontantibus adorata, tamen ignorantibus transcursa..

‘Zoals vrome reizigers gewoonlijk, wanneer ze onderweg een woud of een oude,

gewijde plaats ontwaren, een wens uitspreken, wat fruit offreren en kort pauzeren -

zo moet ik na aankomst in deze eerbiedwaardige stad, ondanks mijn jachtigheid, uw

aandacht vragen, een toespraak houden, haastige spoed inhouden. Want het is niet met

evenveel recht dat een reiziger vroom oponthoud oploopt bij een altaar met bloemen

bedekt of een grot door bladeren befloerst of een eik met horens bezaaid of een beuk

met vellen omkranst; of voorts een heuveltje door een omheining afgebakend, een

stronk met een afbeelding vormgegeven, een plag door plengingen natgeworden of

een steen met balsem ingestreken. Dat zijn namelijk geringe dingen: een klein aantal


mensen informeert er wel naar en vereert ze, maar wie er geen weet van heeft, pas-

seert ze.’ (Florida 1)

Het overdadige, bijna onlatijnse Latijn van Apuleius staat overigens niet helemaal op

zichzelf . Ook bij andere Latijnse auteurs uit Africa, zoals Fronto en Tertullianus, zijn

vergelijkbare fenomenen te zien. Dit heeft in de vorige eeuw geleid tot de suggestie

dat Africa een eigen literaire variant van het Latijn kende. Men sprak hierbij wel van

Africitas. Tegenwoordig gelooft niemand meer aan dit concept, al was het maar omdat

Africa ook tal van auteurs heeft voortgebracht die keurig klassiek getint Latijn schreven,

zoals bijvoorbeeld te zien is in het werk van Cyprianus. Van een oorzakelijk verband

tussen expressief overdadig Latijn en een Afrikaanse volksaard is dus geen sprake.

Eerder zijn de overeenkomsten tussen Afrikaanse Latijnse auteurs te verklaren uit de

periode waarin zij schreven. In de 2de en 3de eeuw had men nu eenmaal een wat rui-

mere opvatting over wat er in literair Latijn wenselijk was dan in de periode daarvoor.

Een verhaal zonder Africa

Wie Apuleius in zijn redevoeringen heeft leren kennen als een fiere representant van

zijn provincie Africa zal ook vol verwachting grijpen naar de grote roman De gouden

ezel (Metamofosen). Maar vreemd genoeg speelt Africa hoegenaamd geen rol in dat

verhaal. De hoofdpersoon, Lucius, is afkomstig uit Korinthe en als hij mede door

eigen schuld is veranderd in een ezel, beleeft hij tal van avonturen in Griekenland.

Aan het slot van de roman, wanneer hij zijn mensengestalte heeft hervonden, reist hij

naar Rome, waar hij enige tijd werkt als advocaat. In de roman komt de naam Africa

niet eenmaal voor, terwijl de naam van Carthago slechts een enkele keer valt, en wel

temidden van andere namen in een gebed aan Juno (6, 4).

Er is nog altijd discussie onder de geleerden over de tijd waarin Apuleius de

roman componeerde en over de vraag welk publiek hij op het oog had. De meeste

geleerden kunnen zich wel vinden in een relatief late datering, in elk geval na Apologie

en Florida, dus ongeveer het laatste kwart van de 2de eeuw. Maar het beoogde publiek

blijft een groot vraagteken. Schreef Apuleius voor de literaire smaakmakers in Rome

om zijn naam voorgoed en internationaal in de Latijnse letteren te vestigen? Dat zou

kunnen verklaren waarom hij het marginale Africa geheel terzijde laat en zijn verhaal

laat spelen in de aloude centra van klassieke cultuur. Of bracht hij juist voor zijn mede-

Afrikanen het in oorsprong Griekse verhaal over in het Latijn en liet hij alles met

opzet spelen in een soort Grieks-Romeinse mengwereld, waarin men zich juist op

gepaste afstand, in Africa, zou kunnen spiegelen, net zoals dat gebeurde in de retorische

teksten van de Florida? Ook zo zou de roman zich uitstekend laten verklaren.

Het enige houvast lijkt hier te bestaan in de cruciale rol van de Egyptische godin

Isis, die Lucius aan het slot van de roman redt en tot haar priester maakt. Komt alle

heil voor de Grieks-Romeinse cultuur dan toch, haast ongemerkt, uit Africa? Het is

een fascinerende gedachte: Apuleius die de oude godsdienst uit Africa presenteert als

redding van de antieke wereld, misschien wel als een alternatief voor het opkomende

christendom. Helaas kan Egypte niet zonder meer gelden als Africa, al ligt het in het-

zelfde continent. Bovendien worden de laatste jaren vraagtekens gezet bij de ernst

waarmee de Isis-religie in de roman ten tonele wordt gevoerd. Wordt de goedgelovige

Lucius niet eerder bespot en bedrogen door de Isis-priesters, en valt daarmee het

zogenaamde religieuze alternatief niet volkomen in het water?

Het zijn lastige vragen waarop een definitief antwoord niet mogelijk is. Vaststaat

in ieder geval dat Romeins Africa in Apuleius een van zijn beste en beroemdste schrij-

vers heeft gevonden. Al bij leven werd hij geëerd met standbeelden in Carthago


(getuige Florida 16) en ook na zijn dood bleef zijn roem groot. Zo maakt Augustinus

gewag van een standbeeld van Apuleius in Oea en is er in Apuleius' geboorteplaats

Madauros een sokkel gevonden waarop een beeld heeft gestaan van een philosophus

Platonicus, een titel waarvoor maar één kandidaat denkbaar is.

Apuleius bleef dus minstens lokaal bekend als persoon en schrijver maar ook

zijn literaire werk bleef in omloop en vond in Africa telkens weer nieuwe lezers. Dat

blijkt uit diverse plaatsen in het werk van Augustinus. Tegenwoordig is Apuleius'

positie als schrijver nauwelijks meer betwist zeker met zijn verrassend moderne

roman behoort hij tot de wereldliteratuur.

Korte bibliografie

De geciteerde vertalingen zijn van de hand van de auteur van dit artikel. Ze zijn uitge-

geven in drie afzonderlijke boeken: Apuleius, Toverkunsten, pleidooi na een aanklacht

wegens magische praktijken, (Amsterdam 1992); Apuleius, Pronkpassagen & Demonen

(Amsterdam 1994); Apuleius, De Gouden ezel (Metamorfosen) (Amsterdam 2003). De

twee eerstgenoemde vertalingen zijn inmiddels niet meer via de boekhandel leverbaar;

de teksten staan online ter beschikking via www.vincenthunink.nl (s.v. onderzoek,

vertalingen).

S.J. HARRISON, Apuleius, A Latin Sophist (Oxford 2000).

B. HIJMANS, Apuleius orator: “Pro se de Magia” and "Florida", in Aufstieg und

Niedergang der Römischen Welt 2,34,2 (1994) 1708-84.

V. HUNINK, The persona in Apuleius' Florida, in: MAAIKE ZIMMERMAN, RUDI VAN

DER PAARDT (eds.), Metamorphic reflections. Essays presented to Ben Hijmans at his 75th

birthday (Leuven 2004) 175-87, met name 182-5.

C. G. SCHLAM, The Metamorphoses of Apuleius, on making an ass of oneself (Chapel Hill/

London 1992).

G. SANDY, The Greek world of Apuleius. Apuleius & the Second Sophistic (Leiden 1997).


JAN N. BREMMER

Het martelaarschap van Perpetua en Felicitas

Eerste christelijke martelaren

Afrika was een van de gebieden waar het christendom al vroeg wortel schoot.

Dat lijkt de onvermijdelijke conclusie uit het feit dat rond het jaar 200 n.Chr.

de kerk in Afrika al wijd en zijd verbreid was. Tertullianus suggereert zelfs dat de

christenen regelmatig de meerderheid vormden in de steden en zeker in Carthago.

Ook als we met de gebruikelijke overdrijving in dit soort gevallen rekenen, lijkt het

christendom zich al relatief vroeg in Afrika grote aanhang verworven te hebben.

Helaas kunnen we over de periode voor 200 nauwelijks iets met zekerheid zeggen.

Echte historische informatie begint pas rond 180, als we horen van het verhoor en de

executie in Carthago van een klein groepje christenen uit het naburige stadje

Scilli(um?). Het waren Speratus, Nartzalus, Cittinus, Donata, Secunda en Vestia. De

namen zijn grotendeels Latijn en wijzen niet op een hoge sociale afkomst, maar het

inheemse Nartzalus laat zien dat ook niet-Romeinse lagen van de Afrikaanse bevolking

zich tot het christendom voelden aangetrokken. Waarschijnlijk waren ze niet de

vroegste martelaren, want Augustinus noemt in een van zijn brieven (16.17) een zekere

Namphamo, uit Madaura, als de allereerste Afrikaanse martelaar. Net als Nartzalus

draagt ook deze een Punische naam.

De eerste christelijke martelaren krijgen pas een gezicht door de beroemde

Passio sanctarum Perpetuae et Felicitatis (hierna Passio), misschien wel de beroemdste

christelijke martelaarsacte. De acte vertelt de gevangenschap en executie van een

groep jonge catechumenen, onder wie Perpetua de meest vooraanstaande plaats

inneemt, en hun leermeester Saturus op 7 maart 203. Het is echter niet een verslag

aus einem Guss. De kern wordt gevormd door het dagboek dat Perpetua bijgehouden

had van haar gevangenschap en visioenen (de hoofdstukken 3-10); daarnaast hebben

we een visioen van haar leermeester Saturus (11-13). Het begin (1-2) en het einde

(14-21) zijn van de hand van een onbekende redacteur, die de verschillende stukken bij

elkaar heeft gebracht. Voor de tijd van deze redactie hebben we een belangrijke

aanwijzing in de tekst. Perpetua vertelt ons naar aanleiding van een visioen betreffende

haar broertje Deinocrates: 'Ik bad elke dag voor hem totdat we verhuisden naar de

militaire gevangenis; we zouden deelnemen aan de militaire gladiatorenspelen. Het was

toen de verjaardag van Caesar Geta' (natale tunc Getae Caesaris: 7.9). De tijdsbepaling

lijkt bijna zeker een latere invoeging te zijn van de redacteur, maar moet in elk geval

plaats hebben gevonden voor 26 december 211. Toen werd Geta vermoord door zijn

broer Caracalla, die vervolgens de naam van Geta systematisch overal liet verwijderen.

De damnatio memoriae vormt de terminus ante quem voor onze acte, waarvan de datum

verder wordt bevestigd door het feit dat rond 210 Tertullianus in zijn De anima (55.4)

verwijst naar de Passio.

Martelaarsacten waren niet een vaststaand genre. De historisch geachte verslagen

van de christelijke executies zijn door generaties geleerden kritisch bekeken en ten-

slotte is er een groep overgebleven die Acta martyrum heet. De term is ontleend aan

de protocollen (acta) van de rechtszaken die tegen de christenen waren gevoerd en die

in openbare archieven toegankelijk waren. Een aantal martelaarsacten laat die gerech-

telijke achtergrond nog zien, maar in andere is dat niet of veel minder het geval. In de

Passio wordt bijvoorbeeld een groot deel ingenomen door de visioenen van Perpetua

en veel minder door verslagen van haar verhoor. Het is misschien beter te spreken

van martelaarsliteratuur. Die term laat ook goed zien dat we in alle gevallen te maken


hebben met een bewuste compositie die, zelfs wanneer deze teruggrijpt op protocollen,

toch een bepaalde bedoeling heeft met de tekst en deze literair vorm geeft.

Dat laatste is heel duidelijk in de Passio. Het is klaarblijkelijk de bedoeling van de

redacteur dat dit martelaarsverslag in de gemeenten wordt (voor)gelezen met dezelfde

autoriteit als de bijbelse geschriften. In het bijzonder de prophetiae en visiones novae (1.5)

zijn voor de redacteur belangrijk en het is dan ook niet te verwonderen dat hij zich bij

zijn selectie van de dagboeken van Perpetua en haar geestelijk leidsman Saturus juist

daarop heeft gericht.

Was de redacteur zelf ook ooggetuige van de executie van de martelaren? Dat lijkt

niet onaannemelijk gezien de levendigheid van zijn verslag, maar zekerheid is er ook

niet, want die levendigheid kan ook een bewijs van literaire vaardigheid zijn. Zoals

gewoon was in de antieke historiografie, geeft de redacteur de indruk dat hij als het

ware naast de martelaren stond en elk woord en elke handeling van hen kon optekenen.

Dat was vast niet het geval en een zekere literaire verbeelding moeten we op de koop

toe nemen, zoals we straks nog zullen zien.

We raken nu een lastig probleem. Naast de Passio is er ook een sterk verkorte

Latijnse versie in twee nauw verwante tekstfamilies, de zogenoemde Acta, die populair

waren in de Middeleeuwen, getuige het grote aantal, soms vroege, handschriften. 1

Deze Acta dateren uit de 4de eeuw en komen enkele malen overeen met de 12de-

eeuwse Griekse vertaling, die slechts in één handschrift is overgeleverd, maar waarvan

de waarde lang te laag is ingeschat. Het lijkt er op dat de Acta en de Griekse vertaling

soms teruggaan op een betere overlevering dan de huidige tekst van de Passio. Het

bestaan van de Griekse versie heeft geleid tot een lange strijd over de originele taal

van het verslag. In de afgelopen jaren lijkt het pleit beslist te zijn in het voordeel van

de prioriteit van de Latijnse versie, maar de precieze verhouding tussen de Latijnse en

Griekse, en tussen uitgebreide en verkorte versies blijft onderwerp van onderzoek.

Felicitas

Van de hoofdpersonen van de Passio gaat meestal alle aandacht van moderne geleerden

uit naar Perpetua. Dat is begrijpelijk. In de confrontaties met haar vader en in haar

visioenen komt ze naar voren als een zeer uitgesproken persoonlijkheid. Gegeven het

unieke karakter van Perpetua's dagboek en visioenen, is het geen wonder dat er in de

laatste decennia een vloed van literatuur over haar is verschenen, vaak uit feministische

hoek. Dat geldt aanmerkelijk minder voor Perpetua's leermeester Saturus en nog veel

minder voor Felicitas, de tweede hoofdfiguur van de titel. Zij blijft in bijna alle studies

volledig onderbelicht en ik wil daarom in deze bijdrage de schijnwerper op haar richten.

Wat was dit voor een vrouw, wat bewoog haar en hoe onderging zij haar martelaar-

schap? Laten we bij het begin beginnen. Nadat de redacteur van de Passio de aanleiding

voor zijn geschrift heeft neergezet, gaat hij verder in een uiterst sobere stijl, die nogal

in contrast staat met de retoriek van zijn inleiding:

'Er werden jeugdige catechumenen gearresteerd in Thuburbo Minus, namelijk

Revocatus en Felicitas, eius conserva, Saturninus en Secundulus. Onder hen was ook

Vibia Perpetua, afkomstig uit een aanzienlijke familie, die een uitstekende opleiding

had gehad en in alle eer en deugd was gehuwd.' (2.1)

Het verslag valt dus in medias res. De redacteur vond het blijkbaar niet belangrijk te ver-

melden, waarom en wanneer er een vervolging plaats vond, wat de aanleiding ertoe was

of wie een aanklacht had ingediend. Hij begint gelijk met de arrestatie. Daarbij vermeldt

hij twee interessante details. Ten eerste, dat de arrestatie plaats vond in Thuburbo

Minus, een Romeinse colonia die in 35 v.Chr. zo’n 45 kilometer ten westen van Carthago


was gesticht voor de veteranen van het achtste legioen. Maar dit wil natuurlijk niet nood-

zakelijkerwijs zeggen dat de martelaren daar ook allemaal vandaan kwamen. Het twee-

de interessante aspect is de jeugdige leeftijd van de gearresteerde catechumenen. Hun

leermeester Saturus was blijkbaar niet aanwezig bij de bijeenkomst en had zich later uit

eigen beweging aangegeven (4.5), maar hij wordt iuvenis (Acta I.4.5) genoemd en was

dus eveneens niet al te oud. De weinige gegevens die we hebben over deze vervolging

onder keizer Septimius Severus (193-211) lijken erop te wijzen dat juist catechumenen

en hun leermeesters het doelwit van de vervolgingen waren. Blijkbaar was het christen-

dom nogal succesvol bij jongeren en wilde de overheid dat tegengaan.

De groep bestond waarschijnlijk niet uit sociaal erg vooraanstaande figuren.

Perpetua springt er in de beschrijving wat dat betreft zó uit dat het contrast met de

andere catechumenen bijna pijnlijk is. Maar wat betekent dat eius conserva, waarmee

Felicitas wordt gekarakteriseerd? De Griekse vertaling spreekt van syndouloi en maakt

daarmee Revocatus en Felicitas slaven in hetzelfde huis. De Acta (I.1.1) noemen haar

soror eius en maken haar dus een zuster van Revocatus , maar deze noemen ook twee

broers bij de gearresteerden en lijken dus de groep zo hecht mogelijk te hebben willen

maken. Een andere richting is onze landgenoot Bastiaensen ingeslagen. Hij wijst er

in zijn commentaar (zie de bibliografie) op dat Tertullianus christelijke echtgenoten

regelmatig conservus en conserva noemde: 'medeslaaf(-avin)' in Christus en verwijst

bijvoorbeeld naar diens Ad uxorem waarin hij zijn vrouw toespreekt als dilectissima

mihi in Domino conserva (I.1.1). Dat is waar, maat er staat bij 'in de Heer', zodat er

geen ruimte voor misverstand is en ook in de andere gevallen maakt de christelijke

context de bedoeling glashelder. Dat is in onze passage niet het geval. Wel suggereert

de tekst een nauwe band tussen de twee, maar verder reikt onze informatie niet. Ook

haar naam geeft geen verdere indicatie. Felicitas was een gewone Romeinse vrouwen-

naam, die niet noodzakelijkerwijs als een verwijzing naar een onvrije status door de

lezer zou zijn geïnterpreteerd. 2 Omdat de redacteur verder geen informatie geeft over

de andere catechumenen, maar meteen overgaat op het uitvoerig citeren van Perpetua’s

dagboek, mogen we concluderen dat hij niet bijster geïnteresseerd was in Felicitas'

afkomst en ondervraging.

Verhoor

Anders dan de Passio hebben de Acta wel een verslag van de ondervraging van de

groep van Felicitas. Brent Shaw heeft de suggestie gedaan dat de auteur van de Acta

dit verslag uit zijn duim had gezogen, 3 maar hij heeft voor deze suggestie geen enkel

argument. Uit niets blijkt ook dat de auteur veel van dit soort verslagen bij de hand

had. Integendeel, Augustinus (Sermo 315.1) klaagt zelfs dat er slechts weinig goede,

dat wil zeggen niet-Donatistische, martelaarsteksten waren om in de dienst voor te

lezen. Het lijkt veel waarschijnlijker dat onze Acta teruggaan op een versie van de

Passio die de ondervraging nog wel had. Dat moet vóór ongeveer 400 zijn geweest,

want de vermeldingen van Perpetua en Felicitas in preken van die tijd gaan terug op

de Passio. 4 De huidige tekst van de Passio, daarentegen, is de versie van een redacteur

die alleen in visioenen en het martelaarschap zelf was geïnteresseerd. Daarom heeft

hij de ondervragingen eruit gelaten en zijn verslag van de arrestatie lijkt dan ook een

abrupte verkorting van een bestaande langere tekst te zijn. Voor onze kennis van

Felicitas blijven dus de Acta van betekenis.

De Acta, vertellen dat de jonge vrouwen gescheiden werden ondervraagd van de

mannen. Shaw ziet dit als een 'notable invention' van de auteur, maar Perpetua en Felici-

tas werden bij hun executie ook gescheiden van de mannen behandeld en het officiële

vonnis van de al genoemde martelaren van Scilli(um) noemt eerst de mannen en dan pas


de vrouwen. Gegeven onze schaarse informatie over dit soort verhoren lijkt niets te wij-

zen op een bedenksel van de auteur van de Acta, die Felicitas' verhoor als volgt beschrijft:

'De proconsul zei tot Felicitas: 'Hoe heet je?'. Zij antwoordde: 'Felicitas'. De proconsul

zei: 'Heb je een man?' Felicitas antwoordde: ‘Ik heb er een maar ik veracht hem nu’. De

proconsul zei: 'Waar is hij?' Felicitas antwoordde: 'Hij is hier niet'. De proconsul zei:

‘Wat is zijn status?’ Felicitas antwoordde: 'Plebejer'. De proconsul zei: 'Heb je ouders?'

Felicitas antwoordde: 'Nee. Revocatus echter is mijn broer. In werkelijkheid kan ik geen

betere ouders hebben dan deze hier'. De proconsul zei: 'Heb medelijden met jezelf,

meisje (puella), en offer opdat je in leven blijft. Vooral omdat ik zie dat je een kindje in je

buik hebt.' Felicitas antwoordde: 'Ik ben Christin, en mij is voorgeschreven dit alles te

verachten vanwege God.' De proconsul zei: 'Beraad je, want ik heb medelijden met je.'

Felicitas antwoordde: 'Doe wat u wilt. U kunt mij toch niet overhalen.' (Acta I.5.2-8)

De dialoog is zakelijk genoteerd en dat was de stijl van de Romeinse overheid, zoals

ook blijkt uit de acte van de martelaren van Scilli(um). De dialoog laat zien dat de pro-

consul er niet op uit was Felicitas te laten executeren. Latere tijden stelden de Romeinse

gouverneurs graag als bloeddorstig voor en ook dat is een argument tegen een al te late

datering van deze passage. In werkelijkheid zien we geregeld in de martelaarsacten

dat de Romeinse bestuurders niet graag onmiddellijk tot executie overgingen, maar

liever de christenen enige tijd voor reflectie boden.

Het verhoor geeft ook uitsluitsel over Felicitas' huwelijk. Haar man had als plebe-

jer geen hoge status, maar hij was wel vrij en had het blijkbaar aangelegd met een sla-

vin. De proconsul noemt Felicitas 'meisje' en dat wijst op een jeugdige leeftijd.

Waarschijnlijk was ze nog maar pas begonnen samen te wonen en was ze zwanger van

haar eerste kind. Maar zij had haar man al verlaten, omdat deze haar, zo mogen we aan-

nemen, niet gevolgd had in haar religieuze keuze. Zo'n breuk tussen man en vrouw of

tussen broers en zusters of zoals bij Perpetua, tussen ouder en kind, moet regelmatig

zijn voorgekomen en zal niet bijgedragen hebben tot de populariteit van het christen-

dom. Felicitas' opmerking over de band met haar mede-christenen, die haar dierbaarder

zijn dan haar ouders, laat zien dat zij zich thuis moet hebben gevoeld bij haar nieuwe

godsdienst. We zullen de opkomst van het christendom nooit begrijpen, als we niet ook

rekening houden met dit soort gevoelens bij de nieuwe gelovigen. Van ‘zo’n warm

gevoel van binnen’ horen we namelijk bij de andere godsdiensten in die tijd niet.

Veroordeling

De proconsul gaf ook een mogelijkheid aan om vrij te komen. Als ze zou offeren, dan

zou ze blijven leven. De tekst zegt niet tot wie, maar aan Saturus vraagt hij ‘aan de

goden’ te offeren (Acta I.4.1). Volgens de Passio werd Perpetua gevraagd om 'voor het

heil van de keizers' (6.3) te offeren, dus niet aan de goden zelf . Deze werden pas het

object van het offer tijdens de vervolgingen van Decius (250) en het is niet onmogelijk

dat de auteur van de Acta hier de meer subtiele formule van Perpetua heeft gesimpli-

ficeerd. In elk geval wees Felicitas deze ontsnappingsmogelijkheid af om zo niet aan

de goden zelf te offeren en antwoordde zij de proconsul met de standaardbekentenis

van de christenen, ‘Ik ben een christin’. Daarmee waren de kaarten geschud. Zelfs zijn

invoelende opmerking over haar zwangerschap kon Felicitas niet van gedachten doen

veranderen. Daarop veroordeelde hij haar om met de anderen voor de wilde dieren te

worden geworpen, maar wel na klappen in haar gezicht (Acta I.7.1).

Hoe het verder met Felicitas' zwangerschap verliep, wordt ons in detail verteld

in de Passio. Dan blijkt ook dat Felicitas het nodige voor haar geloof over had:

‘Wat betreft Felicitas, ook deze heeft de genade van de Heer op de volgende wijze ver-

kregen. Omdat zij reeds in de achtste maand van haar zwangerschap was (want zij


was al zwanger bij haar arrestatie), was ze zeer bevreesd dat, nu de dag van de spelen

aanstaande was, haar martelaarschap wegens haar zwangerschap zou worden uitge-

steld: het is namelijk bij de wet verboden zwangere vrouwen te executeren. In dat

geval zou zij haar heilig en onschuldig bloed later te midden van anderen, namelijk

gewone misdadigers, vergieten. Maar ook haar medemartelaren waren ernstig

bedroefd uit vrees dat zij zo’n goede deelgenote als het ware als een eenzame metge-

zellin op de weg naar dezelfde hoop moesten achterlaten. Verenigd in een gemeen-

schappelijke klacht stortten ze twee dagen voor de spelen een gebed uit tot de Heer.

Terstond na het gebed zetten de weeën in. En toen ze bij het persen pijn leed doordat

een geboorte bij acht maanden van nature moeilijk is, zei een van de dienaren van de

poortbewakers (cataractarii) tot haar: 'Als je nu al zo’n pijn lijdt, wat zul je dan doen

als je voor de wilde dieren wordt geworpen, die jij geringschatte toen je weigerde te

offeren?' Zij antwoordde hem: 'Nu lijd ik zelf hetgeen ik lijd. Dan echter zal er een

ander in mij zijn die voor mij zal lijden, omdat ook ik voor hem zal lijden.'

Vervolgens heeft zij een meisje ter wereld gebracht, dat een zuster (van de gemeente)

als haar eigen dochter heeft opgevoed (educavit: 15).

Het was niet alleen bij de Atheners en de Egyptenaren, maar ook bij de Romeinen

wettelijk geregeld dat men een zwangere niet mocht executeren. Alles wijst er op dat

de groep, inclusief Felicitas, vast besloten was om voor het geloof de dood in te gaan

en daarom baden ze ook gezamenlijk voor een geboorte. Tegelijkertijd wilden haar

medemartelaren niet dat Felicitas met gewone misdadigers zou sterven: daarvoor was

haar bloed te 'heilig en onschuldig'. We zien hier ook iets van het christelijke zelf-

bewustzijn, dat bij Perpetua bijna ontoelaatbare vormen aanneemt.

Hun gebed werd 'onmiddellijk' (15.5) verhoord. Dat God (of een god) zonder

dralen een gebed verhoort, hoorde bij de beschrijvingen van wonderen in de oudheid. Zo

vinden we in het Nieuwe Testament dat een melaatse aan Jezus om vergeving vroeg en

‘onmiddellijk’ van zijn melaatsheid werd gereinigd (Matteüs 8.3). En als Jezus tegen een

lamme zegt 'Sta op, neem uw bed mee en ga naar huis', dan staat de man ‘onmiddellijk’

op (Lukas 5.25). Het wonder is nog groter, omdat, zoals de tekst zegt, 'een geboorte bij

acht maanden van nature moeilijk is'. De beroemde medicus Hippocrates had al een trak-

taatje gepubliceerd over achtmaandskinderen, Peri oktamênôn, en er was blijkbaar in

‘gynaecologische kringen’ een debat gaande of dat soort kinderen het wel zou halen. In

het geval van Felicitas verliep de geboorte blijkbaar ook niet zonder complicaties.

In de gevangenis

Haar lijden trok de aandacht van een gevangenisdienaar. Romeinse gevangenissen waren

verdeeld in twee delen. Het eerste deel was de zogenaamde carcer inferior, die donker,

heet en overvol was. Perpetua, die natuurlijk niets gewend was, zegt dat ze 'zo'n duister-

nis' nooit eerder had gezien en er bang van was geworden (3.5). Pas nadat de bewakers

waren omgekocht, mocht ze elke dag een paar uur naar het betere deel van de gevangenis

(3.7). Dat binnenste deel was afgesloten met een ijzeren deur, de cataracta, die bewaakt

werd door de cataractarii, die op hun beurt blijkbaar het echt vuile werk overlieten aan

hun dienaren. Een van hen probeerde haar alsnog te overreden. Felicitas' antwoord dat ze

zelf niet zal lijden is bijzonder interessant, omdat het laat zien dat de martelaren hun lij-

den op een zeer specifieke wijze interpreteerden en daarmee dragelijk maakten. Ze

meenden namelijk dat God of Jezus zelf in of voor hen zou lijden. We komen deze

gedachte al tegen in het Martyrium Polycarpi (2.2). De vroege christenen hadden blijkbaar

een band met God, waarvan de intieme aard voor ons nu meestal moeilijk voorstelbaar is.

Met zo’n groot geloof kan de moeilijke geboorte niet onoverkomelijk geweest zijn.


Haar dochtertje werd, zo vertelt de redacteur, opgevoed door een zuster van de

gemeente (15.7). Het Latijnse educavit wijst erop dat de redacteur pas enige jaren na

de gebeurtenissen zijn relaas op schrift stelde. Hij zal dus de Passio waarschijnlijk

tegen het einde van het eerste decennium van de 3de eeuw hebben geschreven.

Toen het moment van de executie daar was, marcheerden de martelaren opgewekt

de arena binnen, de mannen voorop, gevolgd door Perpetua en Felicitas, die blij was

‘dat ze de bevalling overleefd had, zodat ze tegen de wilde dieren kon vechten: van

bloed tot bloed, van vroedvrouw naar retiarius, om zich na de bevalling te wassen met

een tweede doop’ (18.3). De epigrammatische stijl van deze woorden doet vermoeden

dat de redacteur graag Tertullianus las die daarin een meester was. Het bloed bij de

geboorte wordt een enkele maal door Romeinse auteurs genoemd. De vroedvrouw

gebruikte lappen om dat af te vegen en de placenta in te wikkelen. De retiarius was de

laagste rang onder de gladiatoren; hij was belast met het afmaken van de slachtoffers

die de dieren hadden overleefd: elke lezer wist wat hij zich bij deze woorden moest

voorstellen. Maar ook Felicitas' dood wordt weer religieus geduid, net als haar beval-

ling, en wel als een tweede doop. We zien zo het martelaarschap door de christelijke

bril en niet als het volksvermaak dat het voor vele Carthagers moet zijn geweest.

Terechtstelling

Dat laatste perspectief komt tot uiting in de manier waarop de twee vrouwen werden

verkleed voor hun executie. Volgens de redacteur had de Duivel een uiterst vervaarlijke

koe ‘tegen de gewoonte in’ gereed gemaakt. Door de vele Afrikaanse mozaïeken zijn

we uitstekend ingelicht over de dieren die daar in de arena optraden: koeien komen op

deze voorstellingen nooit voor, maar stieren wel. Vervolgens werden Perpetua en

Felicitas in netten gewikkeld, waardoor de koe gemakkelijker greep op ze zou krijgen:

ook de martelares Blandina uit Lyon werd zo door een stier gegrepen en in de lucht

geslingerd en verschillende afbeeldingen laten ons veroordeelden zien die met vast-

gebonden handen door stieren de lucht zijn ingeslingerd.

Dit schouwspel was het publiek blijkbaar teveel en ‘er ging een huivering door

het volk bij het zien van de jonge vrouwen, van wie de één aantrekkelijk was en de

ander net was bevallen, zodat de melk nog uit haar borsten droop’ (20.2). Nadat ze

zich hadden omgekleed in loshangende kleren werd Perpetua door de koe op de

horens genomen en viel op haar zij. De redacteur vermeldt dat ze vervolgens haar

gescheurde kleed recht trok om haar dijen te bedekken en een speld vroeg om haar

loshangende haren weer vast te maken. 'Toen stond ze weer op, ging naar Felicitas

toe, omdat ze zag dat deze neergestort was, gaf haar een hand en richtte haar op.

Beiden stonden nu samen overeind. Na deze overwinning op de hardvochtigheid van

het volk, zijn ze teruggeleid naar de Poort des Levens' (20.6-7) . Dat is ook het laatste

dat we horen van Felicitas in de Passio. Als in een western loopt ze het beeld uit: door

de Poort waardoor de overwinnaars de arena verlieten.

De scène is op het eerste gezicht indrukwekkend. Het probleem is echter dat er

een duidelijk literair voorbeeld is. In zijn Hecuba laat Euripides de Trojaanse konings-

dochter Polyxena haar uiterste best doen haar schaamte te verbergen als ze, dodelijk

getroffen door Pyrrhus, neerzijgt: ‘verbergend wat voor mannelijke ogen verborgen

moest worden’ (568-70). Het motief sprak Ovidius aan, want in zijn Metamorphosen

(13.479-80) laat hij Polyxena haar dijen bedekken als ze door de Grieken geofferd

wordt en in zijn Fasti (2.833-4) laat hij Lucretia hetzelfde gebaar maken. Plinius

kende het motief ook, want in zijn Brieven (4.11.9) citeert Cornelia, een door keizer

Domitianus (81-96) veroordeelde Vestaalse maagd, dezelfde verzen van Euripides

over Polyxena. Een vroege tweede-eeuwse dichter van epigrammen, Pollianus, heeft


in de Griekse Anthologie (16.150) een gedicht nagelaten op een bronzen beeld van

Polyxena door de 5de-eeuwse beeldhouwer Polyclitus, die haar blijkbaar met hetzelfde

gebaar had afgebeeld. Zelfs de kerkvader Clemens van Alexandrië citeert in zijn

Stromata (2.144.1) nog dezelfde verzen van Euripides. De scène was dus zeer bekend

en zeker vertrouwd aan de duidelijk literair geschoolde redacteur. Ook het terugleiden

naar de Poort des Levens is opvallend, omdat het laatste visoen van Perpetua (10.13),

waarin ze de Duivel heeft overwonnen, eveneens zo eindigt.

Het ongewone van een koe en de imitatio van Polyxena, wier gebaar nog over-

troffen wordt door Perpetua zelfs een speld voor haar haren te laten vragen, wijzen in

de richting van een literaire inventie van deze scène. 6 Die indruk wordt nog versterkt

doordat, net als Polyxena in de Hecuba (567), ook Perpetua zich dapper opstelt tegen-

over haar moordenaar, maar ook hier weer Polyxena in de dood overtreft. Net als bij

Polyxena wordt haar de keel afgesneden, maar ze leidt daarbij wel zelf de hand van de

gladiator naar zijn doel (21.9).

De auteur liet zich bij zijn beschrijving leiden door twee ontwikkelingen van

zijn tijd. De eerste is dat de literatuur van de keizertijd - Romeins, Grieks en joods -

een grote belangstelling had voor fysiek lijden en het vermogen dat te doorstaan. 7 We

zien deze tendens in de Griekse en christelijke roman, zoals in de apocriefe

Handelingen van Paulus en Thecla, maar ook bij een filosoof als Seneca en een kerk-

vader als Tertullianus die een geheel geschrift wijdde aan de patientia. Het lijkt de

bedoeling van de auteur van de Passio om met zijn gedetailleerd relaas van het man/

vrouwmoedig lijden van de martelaren ook indruk te maken op de pagane lezer. Er

valt de moderne lezer nog iets op. De auteur is wel heel happig op het gedetailleerd

beschrijven van de martelingen en hun erotische kant. Ook dat past bij zijn tijd. Sinds

de 2de eeuw laten de Romeinse en Griekse kunst en literatuur, vooral de roman, een

toenemende fascinatie met gruwelen en erotiek zien. 8 Deze aesthetics of horror wordt

door onze auteur gecombineerd met 'emoporno' om de belangstelling van zijn lezers

te prikkelen. Beide aspecten, volharding en gruwelen, komen samen in het martelaar-

schap en de auteur van de Passio heeft daarvan bekwaam gebruik gemaakt.

De indruk van literaire opsmuk, zo niet fictie, wordt ook bevestigd door de Acta,

die veel meer matter of fact zijn in de beschrijving van de executie van de martelaren

en daardoor ook veel geloofwaardiger. Volgens dit verslag werden de martelaren de

arena ingeleid met de handen op de rug gebonden. Perpetua en haar leermeester

Saturus werden verslonden door leeuwen, Saturninus werd mishandeld door beren

maar vervolgens met een zwaard doorstoken, en Revocatus en Felicitas werden

gedood door luipaarden (Acta I 9.3-4). Alle drie de diersoorten zijn bekend van de

Afrikaanse mozaïeken. Ook het detail van de beren is ongetwijfeld authentiek. De

Passio laat Saturus zeggen dat hij de beer verafschuwde en hoopte op een beet van

een luipaard (19.4). Op een Afrikaans mozaïek hebben beren de tekenende namen

Crudelis, ‘Wreedaard’, en Homicida, 'Moordenaar'. De dood door luipaarden was waar-

schijnlijk nog het meest te verkiezen, omdat deze het snelst hun slachtoffer doodden.

Helaas horen we niets van Felicitas' begrafenis. Latere Christenen vergaten haar

echter niet. Volgens de laat 5de-eeuwse bisschop Victor van Vita (Historia persecutionis

1.3.9) lag ze samen met Perpetua begraven in de basilica maiorum van Carthago. Daar

is inderdaad een inscriptie gevonden met de namen van haar en haar medemartelaren. 9

In hoeverre dit ook de plaats was van haar oorspronkelijke begrafenis is echter niet

overgeleverd. 10

De triomftocht van het christendom in het Romeinse Rijk is ons in grote lijnen

bekend. Het is echter zeldzaam dat we een beeld krijgen van de mannen en vrouwen

die in deze godsdienst een nieuw leven zagen en zelfs bereid waren daarvoor te ster-


ven. De Passio en de Acta laten zo een uniek licht vallen op jonge Afrikaanse vrouwen.

Een van hen, Felicitas, hebben we uitgebreider besproken. Daarmee zagen we hoe er

in een kleine groep van mensen met een sterk geloof een dynamiek kan ontstaan die het

eigen leven van geen waarde meer acht. De moderne lezer kan zich moeilijk ont-

trekken aan een zekere gelijkenis met de gebeurtenissen van vandaag, van Amsterdam

tot Bagdad. De studie van de oude martelaren kan in dit opzicht nog het nodige leren. 11

Bibliografie

Voor de meest recente edities zie A.A.R BASTIAENSEN et al., Atti e passioni dei martiri

(Milano 1987), met het commentaar van Bastiaensen op pp. 412-52, en J. AMAT, Passion

de Perpétue et de Félicité suivi des Actes (Paris 1996), die ook een tekst van de Acta geeft,

die bij Bastiaensen ontbreken. Voor mijn vertalingen gebruik ik J. BREMMER en J. DEN

BOEFT, Martelaren van de oude kerk (Kampen 1988) 55-23, hoewel soms in licht aange-

paste vorm. Verder heb ik mijn eerdere studies van deze martelaarsacte gebruikt.

R BRAUN, "Honeste cadere". Un topos d’hagiographie antique, Bulletin du Centre de

Romanistique et de Latinité Tardive (Nice) 1 (1983) 1-12.

J.N. BREMMER, Perpetua and Her Diary: Authenticity, Family and Visions, in: W. AME-

LING (ed.), Märtyrer und Märtyrerakten (Stuttgart 2002) 77-120.

J.N. BREMMER, The Vision of Saturus in the Passio Perpetuae, in: F. GARCÍA MARTÍNEZ

en G. LUTTIKHUIZEN (eds.), Jerusalem, Alexandria, Rome. Studies in ancient cultural

interaction in honour of A. Hilhorst (Leiden 2003) 55-73.

J.N. BREMMER, The Motivation of Martyrs: Perpetua and the Palestinians, in: B.

LUCHESI en K. VON STUCKRAD (eds.), Religton im kulturellen Diskurs. Festschrif für

Hans G. Kippenberg zu seinem 65. Geburtstag (Berlin-New York 2004) 535-54.

F. DOLBEAU, Augustin et la prédication en Afrique. Recherches sur divers sermons

authentiques, apocryphes ou anonyms (Paris 2005) 337-54, 6330-1 ('Un sermon inédit

d'origine africaine pour la fête des Saintes Perpétue et Félicité', 1995 1 ).

R VON DEN HOFF, Horror and amazement: Colossal mythological statue groups and

the new rhetoric of images in late second and early third century Rome, in: B. BORG

(ed.), Paideia; The World of the Second Sophistic (Berlin-New York 2004) 105--29.

J. PERKINS, The Suffering Self (London-New York 1995).

E. REBILLARD, Religion et sépulture. L’Église, les vivants et les morts dans l'Antiquité

tardive (Paris 2003).

B. SHAW, The Passion of Perpetua, in: R. OSBORNE (red.), Studies in Ancient Greek and

Roman Society (Cambridge 2004) 286-325 (= Past & Present 139, 1993, 3-45 met een

'Postscript 2003').

B. SHAW, Body/Power/Identity: Passions of the Martyrs, Journal of Early Christian

Studies 4 (1996) 269-312.

H. SOLIN, Spes, in: J. VAAHTERA en R VAINIO (eds.) Utriusque linguae peritus: studia in

honorem Toivo Viljamaa (Turku 1997) 1-9.

W. TABBERNEE, Montanist Inscriptions and Testimonia (Macon 1997).

A.M. YASIN, Funerary Monuments and Collective Identity: From Roman Family to

Christian Community, The Art Bulletin 87 (2005) 433-57.

Noten

1 Ik gebruik telkens 'I' om redactie A van de Acta aan te duiden.

2 Solin (1997) 3-4.

3 Shaw (2004).

4 Dolbeau (2005).

5 L. Robert, Hellenica 8 (Paris 1950) 58 e.v.


6 Dat is de overtuigende conclusie van Braun (1983).

7 Zie de belangrijke studies van Perkins (1995) en Shaw (1996).

8 Von den Hoff (2004).

9 Voor deze en andere inscripties met (mogelijkerwijs) Felicitas'naam zie Tabbernee

(1997) 105-17.

10 Voor het probleem van de vroeg-christelijke begrafenis zie nu Rebillard (2003) en

Yasin (2005).

11 Voor correcties en commentaar dank ik graag Jitse Dijkstra, Carolien Hilhorst-

Böink, Peter van Minnen en, in het bijzonder, Ton Hilhorst.


SANDER EVERS

Cyprianus van Carthago: bisschop, martelaar... Afer!

De metropool Carthago bracht in de eerste helft van de 3de eeuw n.Chr. een van

de grootste christelijke schrijvers uit Noord-Afrika voort, Cyprianus, die in 248

tot bisschop van Carthago werd gekozen. Hij bleef het hoofd van de christelijke

gemeenschap aldaar en de spirituele leider van de Kerk in Noord-Afrika tot aan zijn

marteldood in het jaar 258. Hoe bekend hij als bisschop, kerkvader en martelaar ook

is geworden, als persoon blijft hij grotendeels een mysterie - in ieder geval tot het

moment van zijn bekering tot het christendom.

Noch zijn afkomst en familie, noch bijzonderheden over zijn vroegere leven

worden ergens specifiek vermeld. Pontius, diaken van de Kerk van Carthago onder

Cyprianus en zijn eerste biograaf, besloot zijn Vita Cypriani pas te beginnen met de

'hemelse geboorte' van Cyprianus, het moment waarop hij zijn nieuwe geloof verwierf.

Pontius was er op uit verslag te doen van wat hij zelf had meegemaakt en wat hij had

gehoord van oudere getuigen (2, 1; 2,3).

Ondanks de vele onduidelijkheden betreffende zijn leven is Cyprianus een van

de belangrijkste bronnen voor de geschiedenis van de Kerk en de steden in Romeins

Afrika gedurende de eerste helft van de 3de eeuw.

Leven en bekering

Aanwijzingen en veronderstellingen over Cyprianus' eerste levensjaren ontleent men

aan zijn eigen geschriften, zowel zijn brieven als traktaten. Maar enige informatie

komt ook van elders. Cyprianus moet rond het jaar 200 zijn geboren, waarschijnlijk

in Carthago zelf, in een lokale en welgestelde familie. De veronderstelling dat de

familie betrekkelijk welvarend moet zijn geweest, is af te leiden uit het feit dat

Cyprianus zijn bezittingen in Carthago, inclusief een aantal horti (tuinen), verkocht

omwille van de armen, nadat hij zich had bekeerd tot het christendom (Pontius,2,7;

15, 1; Cyprianus, Epistulae, 81, 1, 1).

Cyprianus' familie behoorde wellicht tot de curiale klasse van de stad, dat wil

zeggen, tot de groep waaruit de leden van de stedelijke raad (curia) voortkwamen.

Cyprianus moet een traditionele opvoeding en opleiding genoten hebben en als retor

werkzaam zijn geweest. Pontius noemt alleen het feit dat hij zich had gewijd aan

seculiere studies (2, 2), Hiëronymus, ruim honderd jaar later, benadrukt Cyprianus'

Afrikaanse afkomst (hij noemt hem Cyprianus Afer) en verwijst naar zijn retorische

carrière door te zeggen dat hij als spreker de nodige roem had verworven en retorica had

onderwezen (De viris illustribus 67). Lactantius (Divinae institutiones 5, 1) en Cassiodorus

(Institutiones divinarum et saecularium litterarum 19) uiten zich in dezelfde zin.

Cyprianus zelf is weinig mededeelzaam. Slechts enkele zinnen in zijn Ad

Donatum, geschreven kort na zijn bekering, verwijzen naar een mogelijke eerdere

carrière als redenaar. Zo vertelt hij hoe hij en zijn goede vriend Donatus op een goede

dag in het najaar door prachtige tuinen wandelden, gedurende een periode waarin de

scholen hun deuren gesloten hielden en hoe hij van deze onderbrekingen genoot (1, 2).

Dit kan wijzen op activiteiten in het retorische onderwijs.

Vermoedelijk was Cyprianus van middelbare leeftijd op het moment van zijn

bekering. Caecilianus, een presbyter, bracht hem van ‘de dwalingen van de wereld tot de

erkenning van de ene, ware God’ (Pontius, 4, 1). Pontius beschrijft Cyprianus' bekering

als een kort en opmerkelijk proces: niet lang nadat zijn 'tweede geboorte' hem in het

licht van God had gevoerd, en nadat hij de Heilige Schrift had gelezen en bestudeerd,


had hij de volledige duisternis overwonnen. Hoewel hij nog maar net de weg van het

geloof was ingeslagen, bereikte Cyprianus in zijn vroomheid al gauw een zekere staat

van perfectie (Pontius, 2, 5-7). Cyprianus zelf geeft in zijn Ad Donatum de volgende

verklaring voor zijn bekering (het traktaat werd geschreven kort na zijn doop tijdens

het Paasfeest van 246). De bekering was het gevolg van zijn desillusie in de heidense

wereld. De mensen in die wereld gaven alleen om aards genot: sociale status, grote

banketten, spelen en voorstellingen, mooie kleding - het was een wereld vol verleidin-

gen, trots, wraak, wreedheden, ambitie en lust.

Carrière

Cyprianus maakte ongebruikelijk snel carrière in de Kerk. Het is redelijk om te ver-

onderstellen dat hij kort na zijn doop diaken werd en kort daarna tot presbyter werd

gewijd (Pontius, 3, 3). In 248 trof hij op een goede morgen een grote samenkomst van

gelovigen aan, die zich buiten zijn huis had verzameld. De menigte riep hem op om

de vacante bisschopszetel van Carthago te bekleden. Cyprianus werd door velen nog

als een novice beschouwd, waardoor er ook bezwaren bestonden tegen een eventuele

wijding. Maar door massale steun onder het kerkvolk werd hij, twee jaar nadat hij

christen was geworden, tot bisschop gekozen en gewijd (Pontius, 5, 2).

Niet lang daarna, in de herfst of winter van het jaar 249, vaardigde keizer Decius

(249-251) een edict uit, waarin alle burgers van het Romeinse rijk werd opgedragen

om te offeren tot de traditionele goden. De lokale magistraten hadden tot taak om toe

te zien op de gang van zaken en een officieel document af te geven, waarin verklaard

werd dat een persoon ten overstaan van de autoriteiten de offerhandelingen had vol-

trokken. Vervolging was een praktisch gevolg van het keizerlijk besluit. In vele delen

van het rijk werden christenen gevangen gezet, gemarteld en zelfs terechtgesteld.

Cyprianus dook onder tot het eind van de vervolgingen in het jaar 251, maar hij bleef

zijn gemeente via brieven besturen.

In de nasleep van de vervolgingen werd de Kerk in Carthago geteisterd door een

reeks strubbelingen, net als zoveel christelijke gemeenschappen verspreid in het

Romeinse rijk. Na de dood van Decius bevond Cyprianus zich in de moeilijke positie

om de kwestie van de lapsi (de ‘afvalligen’, die hadden toegegeven aan de druk van de

vervolgingen en hun geloof hadden afgezworen, maar nu weer wilden terugkeren)

binnen de Kerk in Afrika aan te pakken en zo mogelijk op te lossen. De Kerk van

Rome werd in die tijd ook verdeeld door het schisma van Novatianus - iets wat ook de

gelovigen in Afrika trof. Cyprianus diende alle registers open te trekken om de een-

heid onder zijn episcopaat te verdedigen en zeker te stellen. Hij moest niet alleen een

duidelijk onderscheid maken tussen heidenen en christenen, maar ook tussen de ver-

schillende groepen binnen de Kerk. Hij kweet zich van deze taak met verve, zoals

blijkt uit zijn vaak op polemische toon geschreven brieven en traktaten.

Martelaarschap

In augustus 257 vaardigde keizer Valerianus (253-260) een nieuw decreet uit, dat

deze keer vooral was gericht tegen de leden van de hogere geestelijkheid. Hun werd

opgedragen te offeren tot de Romeinse goden. Als zij weigerden, werden zij verbannen.

Bovendien werd het alle leden van hun gemeente verboden, op straffe van de dood,

samenkomsten te organiseren en begraafplaatsen te bezoeken. In Carthago moest

Cyprianus voor de proconsul (stadhouder) van de provincie Africa, Aspasius Paternus,

verschijnen. Hij werd verbannen naar Curubis, een stad gelegen op zo’n 75 kilometer

van Carthago. Hier werd de bisschop regelmatig door een groot aantal van zijn aristo-

cratische vrienden van vroeger bezocht - een gegeven dat de veronderstelling dat


Cyprianus van gegoede komaf moet zijn geweest, bevestigt.

In augustus van het daaropvolgende jaar werd een tweede edict uitgevaardigd.

Hierin werd de onmiddellijke executie bevolen van bisschoppen, priesters en diakens.

De hogere lagen van het lekenvolk werden ook direct getroffen. Christelijke senatoren,

equites en hoge functionarissen raakten hun titels en posities kwijt. Zij werden ver-

bannen of veroordeeld tot dwangarbeid. Tegelijkertijd werden hun bezittingen gecon-

fisqueerd. In sommige gevallen werden ze ter dood veroordeeld.

In 258 liet Galerius Maximus, die Paternus als proconsul was opgevolgd, Cyprianus

uit zijn ballingsoord terugkeren naar Carthago. Op 14 september 258 werd het vonnis

over hem uitgesproken en onmiddellijk voltrokken. Cyprianus werd naar een open plek

in de bossen gebracht. Een grote groep christenen was hem gevolgd en was aanwezig

toen het vonnis werd voltrokken. Met één slag van het zwaard eindigde het aardse leven

van Cyprianus van Carthago (Pontius, 15-18; Acta Proconsularia Sancti Cypriani, 5-6).

Ad Donatum

Cyprianus' literaire activiteiten waren nauw verbonden met de tijd en de wereld waarin

hij leefde. Zijn brieven en traktaten zijn geschreven voor specifieke gelegenheden en

dienden grotendeels praktische doeleinden. De brieven behandelen bijzondere, actuele

problemen binnen de Kerk in Noord-Afrika en ook de theologische traktaten reageren

op situaties van het moment. Ze dienden ertoe om de gelovigen te onderrichten. Alle

werken hebben een historische en sociale context en verschaffen een heldere kijk op

de wereld van zijn tijd. Daardoor vormen zij een belangrijke bron, niet alleen voor de

geschiedenis van de Kerk, maar ook voor het leven in de steden van Romeins Afrika

in de 3de eeuw in het algemeen.

Het feit dat Cyprianus vóór zijn bekering retor was geweest, komt duidelijk naar

voren in zijn geschriften, die bol staan van literaire referenties. Dit maakt dat men ze

niet uitsluitend moet lezen als een weergave van de realiteit van het dagelijks leven.

Cyprianus' apologetische geschriften, zoals zijn Ad Donatum en de Ad Demetrianum,

bevatten diverse interpretatieve niveaus. Het is goed mogelijk dat ze zijn opgesteld

met de intentie om hoger opgeleide heidenen te suggereren dat het christelijk geloof

feitelijk niet veel verschilde van wat men reeds wist via de klassieke traditie. Voor

christenen zullen de geschriften veelal een bevestiging zijn geweest van hun bekering

tot de nieuwe religie. Tegelijkertijd waren deze teksten echter ook herkenbaar vanuit

het leven van alledag.

Aan het begin van zijn Ad Donatum kondigt Cyprianus aan dat hij geen wel-

luidende zinnen en gecultiveerde retorica zal gebruiken, maar eenvoudige woorden,

om de waarheid van Gods genade op ongepolijste wijze te verkondigen. Op zichzelf is

dit al een conventionele retorische formule. Zo zit zijn werk vol literaire en retorische

middelen. De Ad Donatum heeft de vorm van een dialoog. De inleiding, waarin

Cyprianus en zijn vriend Donatus al pratende wandelen door prachtige tuinen, doet

denken aan de dialogen van Cicero . Er zijn sporen van Vergilius’ Georgica, van Livius,

Tacitus en Apuleius , maar vooral ook van Seneca. Daarnaast vertoont het traktaat

grote gelijkenissen met de eerste hoofdstukken van de Octavius van Minucius Felix

Bovendien heeft het geheel conceptueel en expressief veel weg van Tertullianus’

Apologeticum en De spectaculis.

Op het eerste gezicht lijkt Ad Donatum haast een retorische oefening. Maar de

maatschappelijke en historische relevantie komt naar voren, als Cyprianus Donatus de

wereld toont alsof ze op de top van een hoge berg staan. Zij zien de chaos en de verwar-

ring die er op aarde heersen. De wegen zijn onveilig, piraten bevaren de zeeën en oorlo-

gen bedekken de aarde met bloed. Wanneer er op grote schaal wordt gemoord in naam


van de keizer en het rijk, spreekt men van een grote deugd en brengen dergelijke slach-

tingen beloningen en de hoogste eer (Ad Donatum, 6). Hoewel Cyprianus hier literaire

modellen gebruikt en in sterke mate op Seneca bouwt, mag ook een historisch bewust-

zijn aan zijn kant worden verondersteld. Afrika had ook zijn deel gehad in het bloedver-

gieten en de wanorde die de decennia na de dood van Alexander Severus (235) bepaalden.

Zo'n tien jaar voordat Cyprianus zijn Ad Donatum schreef was de provincie Africa

Proconsularis getuige van de opstand tegen Keizer Maximinus Thrax (235-238).

Gedurende de volgende vijftig jaar werd het Romeinse rijk geteisterd door oorlogen, bar-

baarse invallen, burgeroorlogen, usurpaties, economische problemen en natuurrampen.

Afrika werd minder getroffen dan andere delen van het rijk. Toch wist iemand als

Cyprianus wat zich in de wereld om hem heen afspeelde. De christelijke schrijvers van

de 3de eeuw waren zich bewust van de problemen van hun tijd, wat zeker niet verwon-

derlijk is. Zij- en misschien wel juist zij -waren geinteresseerd in de gebeurtenissen

om hen heen, omdat deze hun ideeën over God en de wereld leken te onderstrepen.

Ad Donatum is in wezen een apologie voor Cyprianus’ eigen bekering en doop.

Het is een uiting van zijn teleurstelling in de seculiere wereld waarin hij zelf een

belangrijke rol had gespeeld en een bevestiging van zijn nieuwe geloof. Maar het is

ook een apologie voor het christendom. Cyprianus schetst een beeld van de pagane

maatschappij en overal toont hij de pagane mens, die zich volgens hem alleen maar

wijdt aan het kwaad in de wereld. Een dergelijk beeld zal in twee richtingen hebben

gewerkt. Het was Cyprianus eraan gelegen om aan te tonen dat niet de Kerk, maar de

maatschappij zelf de oorzaak was van alle problemen. Bovendien was er een notie van

'missie'- de wens om meer dwalende zielen te bekeren. De 'nieuwe'christelijke religie

moest worden verdedigd tegen beschuldigingen vanuit pagane kringen.

Ad Demetrianum

In zijn Ad Donatum stelt Cyprianus dat het Romeinse rijk een wereld vol tekortkomingen

was en alle tekenen van een interne crisis in zich had. Die overtuiging komt nog duide-

lijker naar voren in een aantal latere traktaten. In De Mortalitate en in Ad Fortunatum

schetst de bisschop van Carthago een duidelijk beeld van de situatie in het rijk; hij

beschrijft de pest van 252 en de vervolgingen in 257. Ad Demetrianum dateert uit 252

en is geschreven na de dood van keizer Decius, tijdens de pest die ook Carthago trof.

Het is een verweer op de beschuldigingen van ene Demetrianus, die de christenen

verantwoordelijk hield voor de recente rampen, omdat zij de traditionele goden niet

de nodige eer betuigden. Ad Demetrianum is waarschijnlijk één van de meest krachtige

en originele geschriften van Cyprianus, ook al zijn er (opnieuw) tal van sporen te vinden

van klassieke auteurs, alsook Tertullianus en Minucius Felix.

Ad Demetrianum is geschreven in de periode direct na de vervolgingen van Decius.

Gevoelens jegens de christenen liepen nog steeds hoog op. Maar, zoals Cyprianus stelt, de

problemen in de wereld werden niet veroorzaakt door het feit dat de christenen weigerden

de traditionele goden te aanbidden, maar door het natuurlijke verouderingsproces waaraan

ook de aarde onderworpen was. Alles zou immers in verval geraken door het verstrijken van

de tijd, net als een oude man - de sterken worden zwakker, de groten kleiner en uiteindelijk

moet alles tot een einde komen.

De mens wilde God niet dienen, maar verlangde zelf door zijn slaaf bediend te

worden, zoals het slechts een god waardig was, ondanks het feit dat meester en dienaar

hetzelfde lot in dit leven deelden: beiden werden geboren en beiden zouden sterven,

beiden kenden een lichamelijk bestaan, met een gelijke ziel. In plaats van over anderen

te oordelen zou Demetrianus eerst zichzelf in ogenschouw moeten nemen. Want de

wereld werd geteisterd door de zonde en morele tekortkomingen van de heidenen.


En dat was het nog niet: Demetrianus en de zijnen verzuimden niet alleen God

te aanbidden, maar wekten ook Zijn toorn door diegenen te vervolgen die Hem wel

vereerden. Cyprianus riep Demetrianus op om de onwetendheid te stoppen en om uit

het duister in het licht te treden. Want waarom zou hij zichzelf vernederen en voor

valse goden buigen en knielen voor idiote beelden gemaakt van klei? God had de mens

geschapen, rechtop en met een verheven statuur, met de blik gericht naar de hemel.

De mens moest zijn ogen richten op God. Bekering was de enige weg die voor verlos-

sing kon zorgen uit de ellende waarin de wereld zich bevond.

In deze combinatie van bijbelse, christelijke en pagane literaire referenties weer-

legde Cyprianus de beschuldigingen van Demetrianus; ook sterkte hij de christenen in

hun geloof. Hoewel apologetisch en retorisch van karakter, kan de Ad Demetrianum wor-

den beschouwd als een belangrijke bron van informatie over de periode waarin het trak-

taat ontstond. Cyprianus drukte zijn bezorgdheid uit omtrent de situatie in het Romeinse

rijk, zoals hij dat ook had gedaan in zijn Ad Donatum. Er is echter één wezenlijk ver-

schil. Cyprianus geloofde dit keer dat de ineenstorting van het Romeinse rijk op handen

was. Het was juist deze overtuiging, waardoor de christenen zo geïnteresseerd waren in

contemporaine gebeurtenissen. Immers, die gebeurtenissen onderstreepten hun geloof

en hun ideeën over God en de wereld. Deze christelijke visie op de problemen waarmee

het Romeinse rijk te kampen had, verschilde niet veel van het pagane gedachtegoed. Het

samenvallen van barbaarse invasies, burgeroorlogen, economische malaise, en natuur-

rampen zorgde ervoor dat velen in de Romeinse maatschappij ervan overtuigd waren

dat zij leefden in een periode van ernstige transformatie, die kon leiden tot een totale

ineenstorting van het rijk. Deze ideeën werden in opvallend gelijke termen verwoord.

Bekend en onbekend

Men heeft vaak gesuggereerd dat het literaire karakter van de werken van Cyprianus te

maken had met het feit dat hij nog maar kort tevoren tot het christendom was bekeerd.

Maar de klassieke referenties in Ad Donatum, Ad Demetrianum en andere traktaten zijn

niet zomaar sporen van zijn eerdere bestaan. Het is verkeerd om te redeneren dat Cypria-

nus niet in staat was om zich van de pagane cultuur los te maken en dat alleen daar-

om de literaire invloeden merkbaar zijn. De retoriek is een doelgerichte manier om

het publiek te overtuigen. Daarbij is een zekere relatie met de realiteit evenzeer van

belang. De teksten waren niet uitsluitend literair. Door het gebruik van levende meta-

foren, creëerde Cyprianus een herkenbare reflectie van de wereld om zich heen.

Door zijn afkeer van de pagane wereld met bekende retorische middelen over te

brengen, maakte Cyprianus de betrekkelijk 'nieuwe en onbekende' ideeën van het

christendom beter toegankelijk. Ze leken gelijk aan de traditionele waarden en normen,

zoals die bijvoorbeeld in de Stoïsche filosofie en in de Latijnse satire tot uiting kwamen.

Christelijke gevoeligheden jegens de pagane wereld kwamen zo over als herkenbaar,

redelijk en geruststellend. In plaats van tegenstrijdig te zijn, leken christelijke over-

tuigingen juist te corresponderen met traditionele opvattingen. Klassiek-pagane en

christelijke vormen van expressie waren grotendeels gelijk aan elkaar.

Bovendien, klassieke referenties toonden niet alleen aan dat Cyprianus een goed-

opgeleid persoon was, maar impliceerden ook dat het christelijk geloof geschikt was

voor de intelligentia, en voor Romeinse burgers van stand, niet alleen voor de armen

en kanslozen. Uitingen van de literaire, retorische en filosofische traditie hadden een

veel grotere aantrekkingskracht dan het preken van hel en verdoemenis.

Korte bibliografie

C. ALFÖLDY, Der heilige Cyprian und die Krise des römischen Reiches. Die Bedeutung


Cyprians für die Darstellung seiner Zeit, Historia 22 (1973) 479-501.

C. ALFÖLDY, The crisis of the third century as seen by contemporaries, Greek, Roman

and Byzantine Studies 15 (1974) 89-111.

J.P. BURNS, Cyprian the Bishop (London 2002).

AVERIL CAMERON, Christianity and the Rhetoric of Empire (Berkeley 1991).

R. KASTER, Guardians of Language: the Grammarian and Society in Late Antiquity

(Berkeley 1988).

H. KOCH, Cyprianische Untersuchungen (Bonn 1926).

J. MOLTHAGEN, Der römische Staat und die Christen im zweiten und dritten Jahrhundert

(Göttingen 1970).

P. MONCEAUX, L’histoire littéraire de l'Afrique chrétienne: d'onrigine jusqu'à l'invasion

arabe, 7 vols. (Paris 1902-1923).

S.F.R. PRICE, Latin Christian apologetics: Minucius Felix, Tertullian, and Cyprian, in:

M. EDWARDS, M. GOODMAN, and S. PRICE, (eds.), Apologetics in the Roman Empire.

Pagans, Jews, and Christians (Oxford 1999) 105-29.

A. QUACQUARELLI, La retorica antica al bivio. L’Ad Nigrinum e l'Ad Donatum di

Cipriano (Roma 1956).

J. QUASTEN, Patrology, 4. vols. (Utrecht, Antwerpen & Westminster, Madison 1950-1986).

M.M. SAGE, Cyprian (Cambridge Mass. 1975).

R. SELINGER,The Mid-Third Century Persecutions of Decius and Valerian (Frankfurt-am-

Main 2002).


HANS VAN REISEN

Tweespalt om christelijke identiteit : donatisten en katholieken in Noord-Afrika

In het jaar 391 ging Augustinus (354-430) vanuit zijn woonplaats Thagaste op

bezoek bij een bevriend staatsambtenaar in Hippo Regius. De tocht vanuit het

binnenland naar de havenstad aan de Middellandse Zee omvatte zo’n 75 kilometer.

De man in kwestie had belangstelling getoond voor Augustinus' vorm van gemeen-

schapsleven in dienst aan God en stuurde aan op een persoonlijke ontmoeting met de

befaamde servus dei uit het Noord-Afrikaanse binnenland. Augustinus op zijn beurt

bleek daartoe van harte bereid. Bovendien was hij voor zijn leefgemeenschap op zoek

naar een nieuwe vestigingsplaats. Het verblijf in Hippo liep evenwel anders dan ver-

wacht.

Tijdens een viering klaagde bisschop Valerius bij de gelovigen zijn nood over

spanningen met andere christenen en over problemen bij de uitoefening van zijn

pastorale taken. De aanwezigen schoven terstond de bezoeker uit Thagaste naar voren

en lieten hem ter plaatse tot priester wijden. Het verloop van de gebeurtenissen is ons

overgeleverd door Augustinus zelf (Sermo 355,2) en enkele jaren erna door zijn vriend en

huisgenoot Possidius, tevens zijn latere collega-bisschop van Calama en zijn biograaf

(Vita Sancti Augustini 3-5).

Hun indrukken over de toenmalige spanningen tussen de verschillende christe-

lijke groeperingen in Hippo worden tot op vandaag bevestigd door archeologische

opgravingen. De ruïnes van Hippo - bij het huidige Annaba in het noordoosten van

Algerije - zijn in beperkte mate voor publiek toegankelijk. Van de katholieke basilica

resteren funderingen, vloerfragmenten, muurdelen en wat zuilbases. Al rondlopend

kun je je een goede voorstelling maken van de vriendelijke afmetingen (ca. 40 x 16

meter met een middenschip van 8 en twee zijbeuken van elk 4 meter breed). Op

nauwelijks een steenworp afstand liggen de overblijfselen van een grotere christelijke

basiliek. Deze zijn voor het publiek gesloten en worden steeds meer overwoekerd

door distels, stugge grassoorten en stekelige struiken. Het gaat hier om de kerk van

de donatisten. In 391 vormden zij in Hippo Regius blijkbaar een meerderheid, gezien

de afmetingen van hun kerkgebouw en de verzuchtingen van bisschop Valerius. Over

de schermutselingen tussen donatistische en katholieke christenen in Noord-Afrika

gaat deze bijdrage.

Het probleem van de bronnen

De opgravingen in Hippo vormen een weerspiegeling van de historische bronnen.

Het valt niet mee je toegang te verschaffen tot de gedachtewereld van de donatisten.

Hun sporen zijn in de loop der eeuwen goeddeels uitgewist, hun bronnen voor het

merendeel vernietigd. Wel zijn er enkele donatistische martelaarsakten behouden en

een paar van hun eigen concilieverslagen uit het einde van de 4de eeuw. Opvattingen

van donatistische auteurs moeten vooral worden gereconstrueerd uit fragmentarische

citaten en verwijzingen in geschriften van katholieke tijdgenoten. Dat geldt bijvoor-

beeld voor Tyconius. Diens richtlijnen voor bijbelinterpretatie uit zijn Liber regularum

zijn deels terug te vinden in Augustinus' De doctrina christiana (3,30-37). Maar soms

treft men van donatisten ook integrale geschriften aan bij katholieke schrijvers.

Optatus van Mileve behandelde in zijn Libri VII contro Parmenianum donatistam stap

voor stap het betoog van zijn donatistische tegenstander. En ook van Augustinus zijn

enkele soortgelijke geschriften bewaard. Verder zijn donatistische opvattingen af te

leiden uit juridische processtukken, grafschriften en archeologische vondsten. Het


onnenmateriaal van de donatisten zelf weegt echter niet op tegen wat in katholieke

kringen over hen is overgeleverd. Dat kent nogal wat sombere literaire kleuren. Een

objectief historisch overzicht is daarom niet gemakkelijk te schilderen.

Reacties op Romeinse christenvervolging

De oorsprong van deze christelijke tweespalt plaatst men meestal in 303. In februari

van dat jaar werd onder keizer Diocletianus voor de laatste keer een edict tegen

christenen uitgevaardigd: zij moesten de Romeinse keizer nu officieel als een god

gaan vereren, alle kerkelijke bezittingen laten registreren en bovendien hun heilige

boeken ter vernietiging afstaan. Natuurlijk werd er verschillend gereageerd. Sommige

christelijke voorgangers boden manmoedig verzet, al dan niet ondergronds; maar er

waren ook bisschoppen die uit angst voor vervolgingen min of meer aan het decreet

gehoorzaamden.

Twee jaar later deed Diocletianus afstand van de troon en werd het edict her-

roepen. Het christelijk geloof werd opnieuw door de Romeinse overheid getolereerd,

maar als gevolg hiervan ontstonden er nu spanningen tussen christenen onderling.

De groep die de politieke druk had weerstaan, beschuldigde de andere van collaboratie

met de heidense overheid en beschouwde de zwakke broeders als traditores, uitleveraars

(van heilige boeken en liturgische voorwerpen) en verraders (van het geloof).

In Carthago bleef het conflict onder bisschop Mensurius aanvankelijk aardig

binnen de perken. Maar toen in 309 zijn diaken Caecilianus tot opvolger werd gekozen,

groeide er onenigheid, omdat een van de bisschoppen die aan de wijdingsplechtigheid

had deelgenomen als traditor bekend stond. Tegenstanders van Caecilianus vonden

steun bij de primaat van Numidië. In het jaar daarop belegde deze Secundus van

Tigisi met zeventig bondgenoten een synode in Carthago. De deelnemers verklaarden

de wijding van Caecilianus ongeldig en benoemden in zijn plaats Maiorinus.

Vanzelfsprekend hield Caecilianus met zijn aanhangers vast aan zijn eigen bisschops-

verkiezing en -wijding. Daarmee was de kerkscheuring een feit, vooral toen

Maiorinus enkele jaren later overleed en rond 312 werd opgevolgd door Donatus van

Casae Nigrae. Die bleef in Carthago aartsbisschop tot 347.

Romeinse steun aan christenen: escalatie

Aan deze bisschop Donatus ontleenden de donatisten later hun naam. Die hadden zij

natuurlijk niet zelf verzonnen, want naar hun eigen mening vertegenwoordigden zij het

ware christelijke geloof. De tweespalt in de tweede stad van het Romeinse rijk werd een

groot probleem, toen Constantijn keizer van Rome werd en zich in 312 tot het katholieke -

dat wil zeggen algemeen verbreide - christendom bekeerde. Het jaar daarop werd in het

zogenaamde edict van Milaan aan het christendom een gelijkwaardige positie toe-

gekend en spoedig erna zelfs een bevoorrechte plaats. Keizerlijke initiatieven om het

conflict te helpen oplossen hadden geen succes.

Nog in hetzelfde jaar 313 werd een synode in Rome belegd en een jaar later diende

een hoger beroep in Arles. Beide vergaderingen liepen weliswaar uit op een steunbetuiging

aan bisschop Caecilianus, maar afgekondigde keizerlijke maatregelen tegen de kringen

rondom Donatus hadden in de jaren erna niet het beoogde effect. Integendeel, zij droegen bij

aan verdere escalatie. Slachtoffers van disciplinaire regelingen versterkten het

martelaarsimago van de donatisten: zij zagen zichzelf nu als vervolgden door de Romeinse

overheid omwille van het ware geloof. De keizerlijke instructies bleken evenmin afdoende,

omdat aan de noord- en oostkant van de Middellandse Zee een andere onenigheid, namelijk

die tussen katholieke en ariaanse christenen, steeds grotere aandacht verlangde. Gevolg van

een en ander was dat


de kerk van Donatus grote groepen Afrikanen aan zich wist te binden, die zich afzetten

tegen Rome als middelpunt van politieke en religieuze macht. Daarmee ontstond een soort

nationalistische beweging, die vanaf ongeveer 340 nog verder groeide door zogeheten

circumcelliones, rondzwervende rovers, die in groepsverband buiten de steden handel en

verkeer wisten te ontregelen, hun strijd met gewapend geweld kracht bijzetten en zo ook

een bedreiging vormden voor de Romeinse bestuursmacht.

Na de dood van Constantijn in 337 volgde zijn zoon Constans hem in het westen

als keizer op. In 347 zocht deze naar nieuwe mogelijkheden om de godsdienstige een-

heid in Noord-Afrika te herstellen. Daartoe zond hij twee ambtenaren uit, Macarius

en Paulus. Zij werden echter op verschillende plaatsen zo vijandig bejegend door

donatistische vertegenwoordigers, dat zij om steun van Romeinse legers verzochten

en zo de donatisten fel lieten onderdrukken en vervolgen. De acties leverden in de

loop van de jaren vanzelfsprekend nieuwe slachtoffers op, die in donatistische kringen

de martelaarskroon kregen toegedicht. Daarvan zijn ons enkele documenten bewaard

gebleven.

De repressie had wel tot gevolg dat vele donatistische bisschoppen hun stad als

balling moesten verlaten. Ook Donatus werd tijdens deze jaren van vervolging uit

Carthago verdreven. Hij stierf in 355 in ballingschap. Tot zijn opvolger werd

Parmenianus gekozen, die de bisschopszetel in Carthago pas ruim zeven jaar later in

bezit kon nemen. Dat was weer het directe gevolg van een keizerlijke opvolging in

Rome. In 361 had Julianus daar de troon bestegen. Tijdens zijn korte heerschappij

(361-363) maakte hij per edict snel een einde aan allerlei christelijke privileges. Dat

bezorgde hem later zijn bijnaam apostata, de afvallige. Heidense tempels, feesten en

offers werden weer in ere hersteld, de als kerken ingerichte huizen werden gesecula-

riseerd en verbannen bisschoppen teruggeroepen om tweedracht onder christenen te

zaaien. Na zo’n vijftien jaar onderdrukking en vervolging waren donatistische wraak-

acties dan ook niet van de lucht.

De antichristelijke maatregelen werden onder Julianus' opvolger alweer herroe-

pen, maar sorteerden niet meer het gewenste effect. De kerk van de donatisten bleek

in ongeveer een halve eeuw stevig geworteld langs de Noord-Afrikaanse kust van het

Romeinse rijk. Weliswaar werd in de decennia erna door de opeenvolgende Romeinse

keizers decreet na decreet tegen allerlei ketterijen afgekondigd, maar daarin voelden

de donatisten zich onder leiding van hun aartsbisschop Parmenianus steeds minder

aangesproken: zij waren immers geen ketters en bezaten onderhand net zo n

omvangrijke hiërarchie als de katholieke tegenhangers.

Christelijke identiteit

Onder het lange episcopaat van Parmenianus verdiepten zich ook de inhoudelijke

kanten van het conflict. In 364 publiceerde hij een geschrift waarin hij verantwoording

aflegde van zijn geloofsopvattingen. Dat geschrift is niet bewaard gebleven, maar de

inhoud valt globaal te reconstrueren uit de werken van Optatus van Mileve.

Op een indirecte manier wordt daarin duidelijk hoeveel donatisten en katholieken

in hun geloofsleven met elkaar gemeenschappelijk hadden. Zij deelden hetzelfde

geloof in Jezus Christus, kenden geen onenigheid over de gezaghebbende boeken van

Oude en Nieuwe Testament, kenden dezelfde kerkelijke ambten en sacramenten en

vierden op dezelfde data dezelfde liturgische feesten.

Bovenstaand historisch overzicht laat zien dat het conflict in het begin vooral

geworteld was in moeilijkheden rond integere kerkelijke ambtsuitoefening onder een

veranderlijke Romeinse overheid. Donatisten eisten van hun voorgangers volledige

onafhankelijkheid van wereldlijk gezag en wisten in de loop van de jaren niet goed


aad met christelijke Romeinse keizers, die niet schroomden zich met theologische en

kerkelijke debatten bezig te houden om de eenheid in het rijk te vergroten. Donatisten

stond een kerk voor ogen zonder relaties met wereldlijke overheden, zuiver in de

christelijke leer en in het bijzonder streng voor ambtsdragers. Zij beriepen zich daarbij

op de grote voorgangers van de Noord-Afrikaanse kerken, zoals Tertullianus (ca. 160ca.

220) en de martelaar Cyprianus (ca. 205-258). De kerk- en ambtsopvatting hadden

gevolgen voor de visie op de sacramentenbediening: elk sacrament dat niet

door een onberispelijke ambtsdrager werd toegediend, was ongeldig. Dat had bijvoor-

beeld tot gevolg dat donatistische bekeerlingen opnieuw moesten worden gedoopt.

Bij die kerkelijke verschillen kwamen - aldus nogal wat geschiedkundigen - in

de loop van de 4de eeuw tegenstellingen van sociaal-politieke aard. De donatisten

vertegenwoordigden vooral de arme, onderdrukte, agrarische plattelandsbevolking

van Punische of Berberse oorsprong; de katholieken zouden voornamelijk bestaan uit

rijke mensen van de stad, gesteund door het Romeinse keizerlijke gezag, de groot-

grondbezitters, het leger en door vele contacten overzee.

Donatistische auteurs als Parmenianus werkten het idee van kerkelijke zuiverheid

nog verder uit en gingen zichzelf in hun bisschopsfunctie zien als bron of bemiddelaar

daarvan. Door onberispelijke ambtsdragers bij de bediening van de sacramenten

konden gelovigen erop vertrouwen dat de geloofsgemeenschap ongeschonden bleef.

Gelovigen werd bovendien op het hart gedrukt om hun reinheid te bewaren door

sacramentele vieringen te mijden waarin Romeinse collaborateurs voorgingen. De

opvattingen van de donatisten stuitten op steeds meer tegenstand. De documenten

uit Carthago kregen na verloop van tijd stevige reacties.

Donatistische afsplitsingen en katholieke reacties

De opvolging van Parmenianus verliep niet gemakkelijk. Met moeite werd in 391

Primianus tot nieuwe bisschop gekozen. Twee jaar later werd deze echter veroordeeld

door een synode, elders bijeengeroepen op initiatief van zijn diaken Maximianus die

nota bene een jaar eerder door diezelfde Primianus was geschorst. Op dezelfde synode

benoemden de honderd participanten de initiatiefnemer zelf tot bisschop van Carthago.

Zo was in 393 dus een nieuwe kerkscheuring ontstaan, nu bij de donatisten. Het jaar

daarop kwamen ruim driehonderd bisschoppen bijeen, vooral uit Mauretanië en

Numidië. Zij veroordeelden op hun beurt weer Maximianus en de twaalf bisschoppen

die hem tot bisschop hadden gewijd. In die schermutselingen ontstonden nu dus ook

steeds meer kerkelijke tegenstellingen tussen de afzonderlijke Noord-Afrikaanse regio's.

Aan katholieke zijde werd in Carthago rond 390 de diaken Aurelius tot aarts-

bisschop gewijd. Met steun van Augustinus voerde hij bij de katholieken de jaarlijkse

gedachtenisviering van Cyprianus op 14 september in en ontnam daarmee de dona-

tisten de mogelijkheid om zich exclusief op deze markante martelaar uit de eigen stad

te beroepen. Groot gezag verwierf Aurelius zich als voorzitter van de jaarlijkse concilies

in Carthago. De traditie van het katholieke overleg in Noord-Afrika was overigens zo’n

250 kilometer naar het westen, in Hippo Regius, gestart. Op dat concilie in Hippo -

vooral bekend geraakt omdat daar het proces van de bijbelse canonisatie werd afge-

rond - namen de deelnemers ook een belangrijk kerkordelijk besluit: elke donatist

mocht zich met behoud van zijn kerkelijk ambt bij de katholieken aansluiten, op

voorwaarde dat hij zijn volgelingen niet opnieuw zou dopen. Het besluit werd in de

jaren erna op verschillende andere concilies bekrachtigd.

Uit dezelfde jaren dateert ook Augustinus vroegste geschrift over de donatisten. Hij

dichtte de Psalmus contra partem Donati om de katholieke gelovigen in Hippo in eenvou-

dige bewoordingen in te lichten over de spanningen met de christelijke buren. Voor wat


etreft de vorm lijkt Augustinus hier beïnvloed door Parmenianus, die in de decennia

ervoor als bisschop ook psalmen dichtte voor de donatistengemeenschap in Carthago. In

de psalm gebruikt Augustinus een verzorgde literaire vorm, maar deinst er niet voor

terug om volkse stijlmiddelen in te zetten. Stijl en inhoud van het conciliebesluit in

Hippo enerzijds en de psalm van Augustinus anderzijds kleuren de katholieke middelen

die werden aangewend om de spanningen met de naaste buren te helpen oplossen.

Mag het opmerkelijk heten dat Augustinus vervolgens jarenlang niets meer

publiceerde dat direct met de donatisten te maken had? In 395 werd hij tot bisschop

gewijd en in het jaar erna volgde hij Valerius op.

Pas vier jaar later publiceerde hij drie boeken waarin hij inging op een brief van

Parmenianus aan Tyconius (Contra epistulam Parmeniani libri III). In het eerste boek

zette Augustinus de in zijn ogen grote onrechtvaardigheden uiteen van Parmenianus'

aanhangers jegens katholieke gelovigen en liet hij zien hoe christelijke vorsten krach-

tens hun ambt en recht pressie mogen uitoefenen op ketters en scheurmakers. In het

tweede en derde boek werden de bijbelse argumenten van de donatisten respectievelijk

beschreven en weerlegd. In hetzelfde jaar kwamen ook zeven boeken over de doop tot

stand (De baptismo libri VII). In het eerste boek werkte Augustinus het inzicht uit dat

voor de katholieke kerk het doopsel, door ketters en scheurmakers toegediend, geldig

blijft. De overige boeken zijn allemaal gewijd aan verschillende doopkwesties die

samenhangen met het gezag van Cyprianus.

In de vijf jaren erna werkte Augustinus aan een repliek op een lange brief van

Petilianus (Contra litteras Petiliani libri tres). Petilianus was een donatistische bisschop

van Cirta en richtte zich in zijn brief tot de geestelijken van zijn eigen bisdom.

Augustinus kreeg de brief in twee delen toegespeeld. Zijn reactie bleef onder andere

van belang, omdat hij daar in dialoogvorm punt voor punt inging op de brief en aldus

ook inzicht gaf in Petilianus' eigen betoog.

Tussen overleg en dwang

Tijdens de werkzaamheden aan deze repliek nam ook voor Augustinus zelf de per-

soonlijke dreiging toe. In 403 ontkwam hij ternauwernood aan overvallen door cir-

cumcelliones. Op 1 januari 404 verzuchtte hij tijdens zijn waarschijnlijk langste preek

in Carthago: ‘De donatisten haten ons, en als zij de kans krijgen laten zij ons ver-

moorden door de circumcelliones. Maar dankzij de hulp van de barmhartige Heer

zijn wij daaraan ontkomen’ (Sermo 198,45). Zijn vriend Possidius raakte echter door een

hinderlaag op een van zijn tochten naar Calama wel in grote problemen (vergelijk

Augustinus, Epistula 105,2-3 en Possidius, Vita Sancti Augustini 12).

Zulke incidenten vormden voor enkele andere slachtoffers aanleiding rechtstreeks

verhaal te gaan halen bij keizer Honorius (395-423). Deze vaardigde daarom in 405

tegen de donatisten nieuwe edicten uit. Ambtenaren in Noord-Afrika kregen opdracht

streng op de naleving ervan toe te zien.

Een jaar later waren het weer de donatisten die verhaal gingen halen. In 406

togen enkele donatistische vertegenwoordigers naar Ravenna om beroep aan te tekenen

en verzachtende maatregelen afgekondigd te krijgen. In afwachting daarvan schreef

Augustinus een brief aan de donatistische bisschop Januarius. Daarin verwoordde hij

de hachelijke situatie waarin donatisten en katholieken terecht waren gekomen:

‘Jullie beweren wel vervolging te lijden, maar wonen intussen wel rustig onder de

zogenaamde vreselijke wetten van katholieke keizers op jullie eigen bezittingen en

die van anderen, terwijl wij van jullie ongehoorde rampen hebben te verduren. Jullie

beweren wel vervolging te lijden, maar wij worden door jullie gewapende manschappen

neergeknuppeld en afgeslacht. Jullie beweren wel vervolging te lijden, maat onze hui-


zen worden door jullie manschappen leeggeplunderd en verwoest. Jullie beweren wel

vervolging te lijden, maar onze ogen worden door jullie troepen met kalk en azijn ver-

blind’ (Epistula 88,8).

Van de jaren erna is ons van Augustinus naast brieven en preken nog een reeks

geschriften bewaard gebleven, waarin de moeilijkheden met de donatisten uitdrukke-

lijk aan de orde komen. In totaal hebben de twaalf werken een gezamenlijke omvang

die bijna tweemaal zo groot is als die van zijn Belijdenissen. Daarnaast hebben we weet

van nog eens acht soortgelijke documenten die verloren zijn gegaan. Stijl en opzet van

de geschriften zijn zeer verschillend. In de vertrouwde omgang met eigen gelovigen

kan Augustinus soms polemisch stelling nemen tegen donatistische opvattingen. In

de rechtstreekse correspondentie met donatistische vertegenwoordigers of politieke

machthebbers blijft hij in het algemeen hoffelijk en beleefd.

Ondertussen sleepten de schermutselingen in Noord-Afrika zich voort, totdat

katholieke vertegenwoordigers het in 410 van keizer Honorius gedaan kregen om in

Carthago een officieel proces tegen de donatisten te laten plaatsvinden. Als keizerlijke

vertegenwoordiger werd de tribuun Marcellinus aangewezen, beslist geen objectieve

buitenstaander maar een goede vriend en vertrouweling van Augustinus. Hij zou de

vergadering voorzitten en het eindoordeel uitspreken. Driemaal zouden de donatisten

worden opgeroepen. Als ze niet zouden opdagen, was dat een bewijs dat ze hun zaak

als verloren beschouwden. Zo werden ze gedwongen om te komen.

Romeins oordeel en beteugeling van het conflict

De bijeenkomsten vonden uiteindelijk plaats tussen 1 en 8 juni 411in de thermen van

Gargilius. Ter voorbereiding hield Augustinus nog een zachtmoedige preek voor

katholieke gelovigen vol aansporingen tot geduld en verdraagzaamheid (Sermo 355,4).

Aan de donatisten werden opmerkelijk verzoeningsgerichte voorstellen gedaan. Zo

zouden de katholieke bisschoppen hun ambt neerleggen, wanneer het proces gunstig

zou aflopen voor de donatisten. In het andere geval mochten donatistische bisschoppen

hun ambt behouden op voet van gelijkheid met de katholieke. Als de geloofsgemeen-

schap met het laatste niet akkoord was, zouden beiden moeten aftreden, waarna een

bisschopsverkiezing kon plaatsvinden; in het andere geval zouden beide bisschoppen de

hele christelijke gemeente om beurten voorgaan, totdat na overlijden er vanzelf één

wettige bisschop zou overblijven (Epistula 128,2-3). De voorstellen werden afgewezen.

Aan de bijeenkomst namen 279 donatistische en 286 katholieke bisschoppen

deel. De notulen van de beraadslagingen zijn bewaard gebleven (Gesta conlationis

Carthaginiensis anno 411, evenals een samenvatting van Augustinus). Opvallend is de

hoeveelheid tijd die werd besteed aan de formele kanten van het proces en de versla-

gen. Toen de inhoudelijke punten eenmaal konden worden bediscussieerd, was

Marcellinus snel tot een oordeel in staat. Zoals verwacht volgde een uitspraak ten

gunste van de katholieke eenheid.

Het werd donatisten verboden samen te komen, hun kerkgebouwen en goede-

ren moesten aan de katholieke kerk worden afgestaan en ook hun overige bezittingen

werden in beslag genomen, zolang de circumcelliones steun bleven ontvangen. Na een

donatistisch beroep verzwaarde keizer Honorius in 412 de sancties zelfs in een nieuw

edict. In de jaren erna bracht de toepassing van de edicten een grote slag toe aan de

donatisten. Langzamerhand vielen zij verder uiteen, al verdwenen zij nog lang niet

helemaal. Sommige bisschoppen waren tot verzoening bereid, andere gingen onder-

gronds. Van Augustinus zijn ons uit deze periode nog verschillende geschriften bekend,

waaruit blijkt dat donatistische aanhangers in sommige regio’s hun eigen gang konden

blijven gaan. Dat had stellig ook te maken met het feit dat het katholieke keizerlijke


gezag hier al begon af te takelen door de invallen van de Vandalen. Deze vestigden

hier in 436 een nieuw koninkrijk onder leiding van Geiserik. De Vandalen golden als

fanatieke ariaanse christenen. Het feit dat zij daar aan de macht kwamen, ontnam de

prioriteit aan het conflict tussen katholieken en donatisten.

De aanwezigheid van donatisten in Noord-Afrika blijft historisch minstens te

staven tot aan de opkomst van de islam in de 7de eeuw. De twee basilieken in Hippo

Regius treft dan een gemeenschappelijk lot. Zij worden aan zon, wind en regen prijs-

gegeven en raken overwoekerd door distels, stugge grassoorten en stekelige struiken.

Korte bibliografie

V.J.CHR. HUNINK, Augustinus: Psalm tegen de donatisten (Budel 2005).

S. LANCEL-J.S. ALEXANDER, Donatistae, in: C. MAYER (ed.), Augustinus-Lexikon

(Basel 1986 2 ) 6o6-38.

J.L. MAIER, Le dossier du donatisme: 1 Des origines à la mort de Constance II (303-363)

(Berlin 1987); 2. De Julien l'Apostat à saint Jean Damascène (361-750) (Berlin 1989).

R.A. MARKUS, Donatus, Donatism, in: A.D. FITZGERALD O.S.A. (ed.), Augustine

through the Ages: an Encyclopedia (Gran Rapids-Cambridge 1999) 284-7.

F. VAN DER MEER, Augustinus de zielzorger: een studie over de praktijk van een kerkvader

(Utrecht-Brussel 1947).

P. MONCEAUX, Histoire littéraire de l'Afrique chrétienne depuis les origines jusqu'à

l'invasion arabe (Bruxelles 1996 2 ): tome 4: Le donatismne (Paris 1912) tome 5: Saint Optat et

les premiers écrivains donatistes (Paris 1920); tome 6: Littérature donatiste au temps de saint

Augustin (Paris 1922); tome 7: Saint Augustin et le donatisme (Paris 1923).

H. vAN REISEN, Met Augustinus aan de slag: hulpboek voor de studie van Augustinus

(Eindhoven 2002).

A. SIZOO, Augustinus: leven en werken (Kampen 1957).


PIETER W. VAN DER HORST

Egyptische woestijnvaders in de late oudheid

In de decennia rond het jaar 300 van onze jaartelling voltrok zich een bijzonder

proces in het zich toen nog ontwikkelende christendom. In die periode besloot

een groot aantal mannen - en later ook een klein aantal vrouwen - uit alle lagen

van de bevolking in Egypte (en ook in Syrië) zich in de woestijn terug te trekken om ver

van de bewoonde wereld een leven van zeer strenge ascese te leiden. Zij waren ervan

overtuigd dat de overwinning op al hun begeerten een absolute eis van het christelijk

geloof was. In de mening dat die overwinning niet bereikt kon worden als zij in de

wereld voortdurend aan allerlei verzoekingen zouden worden blootgesteld, trokken deze

christenen zich uit die wereld terug (vandaar de aanduiding 'anachoreten,' zij die zich

terugtrekken). Zij gingen als eenzame kluizenaars in grotten en graven in de woestijn

leven (vandaar de aanduiding '(h)eremieten', zij die in eenzaamheid leven) in de hoop

en de verwachting dat een strikt ascetische levenswijze, gericht op zelfonthechting en

versterving van het eigen lichaam en gewijd aan gebed, lofzangen contemplatie, hen

tot een volkomen overwinning op hun boze begeerten zou brengen. De begeerten die

overwonnen moesten worden waren van drieërlei aard: begeerte naar sex, naar voedsel

en drank, en naar roem en status. Deze vormden naar hun mening de grootste val-

kuilen voor de mens op weg naar God. Met Paulus waren deze woestijnmonniken

van mening dat het leven in het geloof een wedloop was. Om die tot een goed einde te

brengen, mocht men geen enkel middel onbenut laten. Hun ideaal was het leven als

een engel (bios angelikos), niet alleen volkomen onthecht raken aan al het aardse,

lichamelijke en materiële, maar ook - en daardoor - reeds in dit leven een voorsmaak

krijgen van het leven in het hiernamaals.

Oorsprong

Waar kwam deze nieuwe vorm van geloofsbeleving vandaan? In monastieke kringen

kon en kan men vaak horen dat die door de Bijbel geïnspireerd werd. Dat antwoord is

historisch gesproken maar ten dele correct. Ook op dit punt kan men binnen de Bijbel

sterk uiteenlopende geluiden horen. Zo is er bijvoorbeeld, wanneer het om sexuele

onthouding gaat, een sterk contrast tussen enerzijds Genesis 1:28, het allereerste gebod

in de Bijbel, waar God tot de mens zegt dat hij/zij zich moet vermenigvuldigen en

talrijk worden, en anderzijds de opmerking van de apostel Paulus dat het goed zou

zijn als iedereen net als hij ongetrouwd zou blijven en een celibatair leven zou leiden

(1 Korinthiërs 7:25-35). De eerstgenoemde Bijbeltekst heeft ervoor gezorgd dat in het

jodendom sexuele ascese zich nooit sterk heeft kunnen ontwikkelen (op enkele uit-

zonderingen na) en dat daar het vormen van een gezin altijd als een heilige plicht

werd beschouwd. De tweede tekst heeft christenen aangemoedigd te streven naar een

celibatair leven. Maar deze ene passage uit Paulus is niet de enige bron voor het

vroegchristelijke ascetische monnikendom. Er is meer aan de hand.

Johannes de Doper, die door veel woestijnvaders dikwijls als een groot voorbeeld

wordt gezien, verbleef in de woestijn, droeg een jas van kamelenhaar, leefde van

sprinkhanen en wilde honing, en schreef zijn leerlingen frequent vasten voor. Jezus

contrasteerde zichzelf op dit punt met zijn voorganger (zie Matteüs 11:18-19 = Lukas

7:33-34), want hij kende zulke regels niet. Desalniettemin leerde ook hij dat gebonden-

heid aan materiële goederen of familie iemand van Gods koninkrijk kon afhouden.

Als Jood erkende hij het huwelijk als een instelling van God, maar tegelijkertijd was

het duidelijk dat hij zichzelf daardoor niet genoodzaakt zag te trouwen. Dit leek te


impliceren dat een totale toewijding aan de zaak van God toch afzien van het huwelijk

kan vergen. Paulus lijkt in dit opzicht niet zover van Jezus af te staan. Toch gaat Paulus

verder dan Jezus, wanneer hij expliciet zegt dat het beter is voor een man maar hele-

maar geen vrouw aan te raken (1Korinthiërs 7:1). Kort gezegd: in Jezus' visie is het

huwelijk nog goed, maar voor Paulus is het ongetrouwd-zijn al veel beter.

Het is niet moeilijk zich voor te stellen dat ascetische tendenzen in bepaalde

christelijke kringen, waarin de figuur van Johannes de Doper tot de verbeelding sprak

en waarin selectieve uitspraken van Jezus en Paulus zeer ernstig werden genomen, een

extra stimulans en ondersteuning kregen vanuit Grieks-filosofisch gedachtengoed. Ook

daarin manifesteerden zich in toenemende mate ascetische tendenzen, met name in

het latere Platonisme. De ontmoeting van het christelijk geloof met de Griekse filosofie

begon al in de tweede helft van de 2de eeuw. In de vier volgende eeuwen leidde dit tot

een cultuursynthese die de kerk tot op de dag van vandaag als erfenis meedraagt. Het

christelijke ideaal van een ascetisch monnikenbestaan was in zijn uitgewerkte vorm

zeer waarschijnlijk een synthese van bepaalde elementen uit het Nieuwe Testament

en ascetische tendenzen in de Griekse cultuur.

Maar hoe komt het dan dat we nu uitgerekend in de niet door Griekse filosofie

beïnvloede kringen van het Egyptisch platteland de eerste anachoretische heremieten

aantreffen? Dat heeft te maken met het feit dat 'anachorese' (in de zin van vluchten

naar de woestijn) al vóór die tijd in Egypte een bekend sociaal verschijnsel was. Vele

boeren op het platteland konden namelijk vaak de zeer zware belastingen die hun door

de Romeinen werden opgelegd niet opbrengen en deden dan aan ‘belastingontduiking’

door zich in de woestijn te verschuilen. Men moet bedenken dat op deze manier 'ana-

chorese' in Egypte de bijklank kreeg van sociaal protest en dus een aldaar in inheemse

kring geaccepteerde vorm van verzet of protest tegen gangbare situaties werd. Enige

kennis van het Nieuwe Testament in combinatie met een gevoel van onbehagen over

de gang van zaken in de kerk kon dan gemakkelijk tot deze vorm van ‘protest tegen

de wereldgelijkvormigheid’ van de kerk leiden. Pas later (maar niet veel later) gingen

daarin ook in Egypte invloeden vanuit de Griekse filosofie mede een rol spelen.

Antonius en Pachomius

Al in de laatste decennia van de 3de eeuw hadden enkele individuele Egyptische christe-

nen zich her en der in kluizenaarscellen afgezonderd, maar de echte bloeiperiode van

de 'desert fathers' komt toch pas in de loop van de 4de eeuw, als de christenvervolgingen

tot het verleden zijn gaan behoren en er bij velen onvrede over de vervlakking van het

christelijk leven ontstaat. Dat is de eeuw waarin de beroemde Egyptische woestijnheilige

Antonius (vereeuwigd door Athanasius) zeer velen inspireert tot het heremitische

anachoretendom. Het is tevens de periode waarin de Koptische monnik Pachomius een

van de belangrijkste grondleggers wordt van het zogenaamde cenobitisme, dat wil

zeggen van de 'gezamenlijke leefwijze,' namelijk van groepen monniken (en spoedig

ook nonnen) in kloosters. Onafhankelijk van deze ontwikkelingen in Egypte, maar wel

analoog daaraan, treft men in dezelfde periode ook soortgelijke bewegingen in Syrië

aan, waar bijvoorbeeld Julianus Saba het prototype van de anachoretische kluizenaar

werd. De ontwikkelingen bleven in beide landen overigens niet parallel lopen, want

het in Egypte ontwikkelde cenobitisme sloeg in Syrië veel minder aan, het sedentaire

('honkvaste') leven van de Egyptische monniken stond in contrast met de reislust van

de vaak rondtrekkende Syrische monniken. Vooral de excessen in de extreme ascese

van de Syrische monniken en hun soms bizarre leefwijzen lokten, met name in de

5de eeuw, veel kritiek uit van hun Egyptische broeders. Van de hier genoemde Antonius,

Pachomius, Julianus, maar ook van vele andere pioniers (denk aan de eerste Syrische


pilaarheilige, Symeon Stylites), zijn sterk hagiografische levensbeschrijvingen uit de

4de en 5de eeuw over, dat wil zeggen biografieën waarin de grote bewondering voor

en het gelovige enthousiasme over het strict ascetische leven van de heiligen en soms

ook de vrome overdrijving en fantasie de vormgeving en inhoud van deze geschriften

in hoge mate bepaald hebben.

Toerisme

Als in de loop van de tweede helft van de 4de eeuw deze nieuwe vorm van christelijke

levensstijl meer bekendheid begint te krijgen, komt er ook een soort 'woestijnheiligen-

toerisme' op gang in de vorm van pelgrimages van andere gelovigen naar de vaak veraf

gelegen oorden aan de rand van de Egyptische woestijn waar de monniken in absolute

eenzaamheid leefden, en tevens naar sommige beroemde kloosters in die woestijn.

Bekende bezoekers waren de christelijke auteurs Rufinus, Evagrius Ponticus,

Hiëronymus, Palladius en Johannes Cassianus. Ook groepen monniken uit kloosters

in Palestina en Syrië kwamen daar op bezoek om kennis te nemen van de 'geestelijke

wapenfeiten' van hun strenge geloofsgenoten, om van hen ascetische lessen in het

uitroeien van de hartstochten te krijgen, om te leren hoe spirituele perfectie bereikt

kon worden, en om daarbij ook hun treffende uitspraken op te schrijven. Diverse door

bezoekers opgetekende bloemlezingen van zulke uitspraken zijn ons overgeleverd,

namelijk de collecties van de zogenaamde Apophthegmata Patrum. Aan deze vorm van

pelgrimage danken we het ontstaan van de Historia monachorum in Aegypto

(Geschiedenis van [of: onderzoek naar] de monniken in Egypte).

Historia monachorum in Aegypto

De Historia monachorum in Aegypto is geschreven door een ons verder onbekende

monnik van een door Rufinus gesticht klooster op de Olijfberg bij Jeruzalem. De

monnik maakte in 394/5 n.Chr. met een groepje van zes medebroeders een reis naar

de kluizenaars en kloosters in de Egyptische woestijn om van hen te leren wat het

ware monnik-zijn inhoudt. Dit anonieme reisverslag is alleen al daarom zo belangrijk

omdat het een van de allereerste beschrijvingen van deze vroege vorm van monachisme

is - andere vroege beschrijvingen, bijvoorbeeld die door Palladius in zijn Historia

Lausiaca (over Egypte) of door Theodoretus in zijn Historia religiosa (over Syrië), zijn

van later datum, hoewel nog wel uit de eerste helft van de 5de eeuw (respectievelijk

ca. 420 en ca. 445). Het invloedrijke Leven van Antonius door bisschop Athanasius is

natuurlijk ouder, uit ca. 357/58, maar dat beschrijft uiteraard slechts het leven van één

man. Daar moet nog bij gezegd worden dat geschriften als die van Theodoretus en

Athanasius werken van intellectuele theologen zijn. Dat geldt voor Palladius' Historia

Lausiaca veel minder, en voor de anonieme Historia monachorum in Aegypto al helemaal

niet. In het laatstgenoemde document hebben we namelijk te maken met een volks

geschrift, en wel volks in tweeërlei zin: ten eerste is het duidelijk niet door een geleerde

geschreven maar door een man uit het volk (het Grieks van deze monnik is dan ook

zeer eenvoudig); ten tweede is het een zeer populair geschrift geworden, hetgeen niet

alleen blijkt uit de grote hoeveelheid handschriften waarin het is overgeleverd, maar

ook uit het gegeven dat het al heel spoedig in diverse andere talen vertaald is, te beginnen

met de zeer invloedrijke Latijnse vertaling door Rufinus, maar daarna ook vertalingen in

onder andere het Syrisch, Koptisch, Armeens en Georgisch. Het geschrift voorzag duide-

lijk in een grote geestelijke behoefte bij eenvoudige gelovigen, en als zodanig biedt het

ons een venster op de volkse spiritualiteit onder christenen in de late oudheid.

Het Griekse verslag beschrijft de reis van het zevental vanaf het moment dat men

van Lykopolis in Midden-Egypte in noordelijke richting begon te trekken; de reis eindigt


ij Diolcus in de noordelijke Nijldelta aan de kust van de Middellandse Zee. Waarom

een verslag van pelgrims die uit Palestina komen niet in het noorden maar in Midden-

Egypte begint, is een raadsel waarvoor een bevredigende verklaring nog steeds niet

gevonden is. Hoe dat ook zij, het was in ieder geval geen gemakkelijke tocht. De

auteur geeft zelf op verschillende plaatsen aan dat zij vaak onder barre omstandigheden

hebben moeten reizen en bivakkeren. Aan het eind van zijn boek kan hij het niet

nalaten een catalogus te geven van maar liefst acht situaties waarin ze in levensgevaar

hebben verkeerd. Maar, zoals hij ook zegt (I, 19), alle gevaren en ontberingen werden

ruimschoots goedgemaakt door het grote ‘nut voor hun ziel’ dat de reis hun heeft

opgeleverd. De ontmoetingen en gesprekken met de vele monniken, hier kleurrijk

beschreven, hebben hen gesticht en in hun geloof gesterkt. Immers zij ontmoetten

mensen van wie zij geloofden dat 'terwille van hen de wereld nog bestaat en dankzij

hen het menselijk leven door God in stand wordt gehouden en geëerd' (Proloog 9).

Ook al hebben de woestijn-monniken zelf wellicht anders over hun eigen rol gedacht,

voor onze auteur was het bezoek aan de Egyptische woestijn, ondanks alle ontberin-

gen, een grootse geestelijke ervaring geweest waarvoor hij aan het begin en aan het

eind van zijn werk God oprecht dank betuigt.

Bronnen

De anonieme auteur presenteert zijn geschrift als een ooggetuigeverslag. Toch heeft

bronnenkritisch onderzoek aangetoond dat hij uiteenlopende schriftelijke bronnen

heeft gebruikt bij de compositie van het werk. Die bronnen heeft hij niet altijd volledig

weten te harmoniseren en soms heeft hij ze zelfs evident misverstaan. Zo wordt over

het aantal deelnemers aan de tocht nu eens als zeven, dan weer als drie personen

gesproken, en soms wordt een verhaal alleen in de eerste persoon enkelvoud verteld.

Men kan dit proberen te verklaren door aan te nemen dat het groepje van zeven zich

af en toe opsplitste in nog kleinere reisgezelschappen of zelfs eenlingen. Het is echter

waarschijnlijker, ook gezien andere duidelijke indicaties van gebruik van bestaande

bronnen (bijvoorbeeld woordgebruik), dat de auteur naast zijn eigen ervaringen en die

van zijn medebroeders ook nog andere, reeds bestaande en dus oudere reisverslagen

van pelgrimages naar Egypte in zijn beschrijving heeft geïncorporeerd. De belevenissen

die de auteur beschrijft vormen dus maar zeer ten dele een ooggetuigeverslag. Wellicht

dat het gebruik van schriftelijke bronnen ook kan verklaren waarom het verslag begint

in het midden in plaats van in het noorden van Egypte. Overigens zij hier terzijde

opgemerkt dat het niet onwaarschijnlijk is dat ook in het stadium van de tekstover-

levering (de vijf eeuwen tussen het ontstaan van ons geschrift en de oudste Griekse

manuscripten ervan) er door kopiisten nog allerlei toevoegingen en verfraaiingen zijn

gecreëerd, zoals zo vaak gebeurde met werken die vooral stichting ten doel hebben.

Competitie

Een zeer opvallende trek in veel van de verhalen is de competitie in de ascese. Ook al

wordt nederigheid hoog aangeprezen, tegelijkertijd wordt er diverse keren melding van

gemaakt dat de monniken om het hardst probeerden de beste reputatie van allen te

hebben als het ging om ascese of het verrichten van wonderen; ja er is sprake van een

regelrechte 'rivaliteit in deugdzaamheid'. Dit doet ons vreemd aan, maar past geheel

in de antieke mentaliteit die zeer hechtte aan het element van competitie. Het willen

uitblinken, de beste van allen willen zijn, was een in brede kring geaccepteerd ver-

schijnsel, en geen christelijke vermaning tot deemoedigheid of nederigheid vermocht

daaraan iets te veranderen. Het christelijke ideaal van bescheidenheid of de-minste-

willen-zijn werd hier al te krachtig tegengewerkt door het antieke ideaal onverbloemd


trots te zijn op de eigen grote prestaties. Ook andere aspecten zullen ons vreemd of

zelfs bizar aandoen: de extreme ascese, die zich bijvoorbeeld daarin uitte dat sommige

oude monniken sinds hun jeugd nooit meer een vrouw hadden gezien omdat ze dat

niet wilden (of durfden), dat anderen 's nachts vrijwel niet of slechts zeer korte tijd

sliepen, dat sommigen trachtten in leven te blijven door als voedsel alleen maar eens

per week het brood van de eucharistie tot zich te nemen, dat anderen hun hele leven

met één enkele gescheurde lap als kleding genoegen namen. Verder lezen we nog

onwaarschijnlijker verhalen over krokodillen die zich als veerpont over de Nijl laten

gebruiken door een monnik, over een meisje dat door magie in een merrie verandert

en door een monnik weer wordt 'ont-toverd,' over fabelachtig grote en lekkere vruchten

die de monniken uit het (hemelse!) paradijs meebrengen, over tal van genezings- en

natuurwonderen verricht door de monniken, over de voortdurende (preoccupatie met)

bedreigingen en aanvallen door demonen, en ook over de hen kwellende erotische

visioenen. Het is fascinerend te horen welke bizarre verhalen over de heroïsche strijd

tegen de eigen passies en ook over het falen of ten onder gaan in die strijd hier worden

verteld.

Demonen

Vanuit godsdienstpsychologisch standpunt is het erg interessant te zien dat in deze

ascetische kringen de eigen passies en begeerten naar buiten worden geprojecteerd: het

zijn demonen die deze begeerten inspireren. In tal van levensbeschrijvingen ziet men

dat in feite alles draait om de strijd tegen de demonen. Deze demonen komen van

buitenaf, want de duivel heeft ze gezonden. De kracht van hun eigen begeerten werd

door deze asceten als zo overweldigend ervaren dat zij die naar typisch antieke gewoonte

benoemden als iets dat hun door een bovennatuurlijke (goddelijke of demonische)

macht werd aangedaan. Op de achtergrond speelt hier niet alleen dat de antieke mens

nog geen inzicht in de roerselen van de menselijke ziel had die wij dankzij de moderne

psychologie hebben, maat tevens de vrij algemeen antieke gedachte dat datgene wat

sterker is dan een mens van goddelijke of demonische, in ieder geval bovennatuurlijke

oorsprong is. Dit naar buiten projecteren van de eigen hartstochten was geen vlucht voor

de eigen verantwoordelijkheid, integendeel, de monnik moest nu juist de demonische

macht die deze begeerten bij hem opriep zien te verslaan, weliswaar met Christus' hulp,

maar dat betekende toch in de praktijk niets anders dan dat men zelf moest zien hoe

men van die brandende begeerten afkwam. Dat kon alleen door nog strengere ascese

en gebed.

Begeerten

Zoals reeds gezegd, het zien van, laat staan het omgaan met vrouwen werd door de

woestijnvaders als buitengewoon gevaarlijk beschouwd. Vrouwen wekten demonische

begeerten op die vaak al te lang bleven branden. Toen een van de woestijnvaders, die

zeer gepreoccupeerd was met gedachten over het plegen van ontucht, gevraagd werd

of hij dan met vrouwen contact had, zei hij: Nee, maar het zijn de herinneringen aan

hen, beelden van vrouwen uit mijn verre verleden, die mij kwellen en waar ik vanaf

moet zien te komen!

Men kan zich moeilijk voorstellen welke zware kwellingen deze woestijnvaders

hebben doorgemaakt in hun soms wanhopige strijd tegen hun natuurlijke, maar door

hen als satanisch beschouwde, verlangens en begeerten. Verhalen over nederlagen zijn

er dan ook te over. Ook van Maria de Egyptische, die haar bestaan als hoer in Alexandrië

opgaf om de rest van haar leven in volstrekte eenzaamheid door de woestijn rond de

Dode Zee te gaan zwerven, wordt verteld dat ze toch altijd gekweld bleef worden door


sexuele begeerten en het verlangen weer 'hoerenliedjes' te gaan zingen. Deze demo-

nische inspiraties werden door haar met alles wat haar ter beschikking stond bestreden:

vasten, gebed, boetedoening.

Kloosters

Het monachisme was een lang leven beschoren, immers, tot op de dag van vandaag

zijn er kloosters. Maar de vorm waarin het monachisme - letterlijk: het ‘eenling’zijn-

begon, het eenzame leven in de woestijn, werd langzaam in de loop van enkele eeuwen

overvleugeld en verdrongen door de toch iets leefbaarder vorm van het gemeenschap-

pelijke leven in een klooster. Dit leven was niet alleen draaglijker, maar had ook het

voordeel dat men elkaar tot steun kon zijn in moeilijke perioden. Men moest wel erg

sterk zijn het eenzame leven onder barre omstandigheden in de woestijn vol te houden.

Palladius, de auteur van een van de belangrijkste vroege geschiedenissen van het

monachisme, vertelt dat hij, afkomstig uit Klein-Azië, drie jaar geprobeerd heeft als

kluizenaar in de woestijn van Egypte te leven, maar hij hield het niet vol. Hij was ten-

slotte zo verzwakt dat hij zijn pogingen moest opgeven. Met grote sympathie vertelt

hij dan ook dat de Egyptische kluizenaar Pachomius het eerste klooster bij Tabennisi

stichtte (rond 320) en dat de orderegel die hij daarvoor schreef zodanig was dat ook de

zwakkeren die het monastieke levensideaal wilden nastreven, daartoe in staat werden

gesteld. Een leefgemeenschap met gevarieerde vormen van onthouding en graden

van strengheid in de ascese bood die mogelijkheid. Vanaf de 6de eeuw werd het

kloosterleven de dominante vorm van ascetisch leven in het christendom. Maar dat

heeft nooit tot een geheel verdwijnen van het eenzame kluizenaarswezen geleid.

Eenlingen die zich in totale afzondering van alles en iedereen opsloten om zich aan

gebed en contemplatie te wijden zijn er altijd gebleven.

Bibliografie

G.J.M. BARTELINK, De bloeiende woestijn. De wereld van het vroege monachisme

(Baarn 1993).

P. BROWN, The Body and Society. Men, Women and Sexual Renunciation in Early

Christianity (New York-London 1988).

D.J. CHITTY, The Desert a City. An Introduction to the Study of Egyptian and Palestinian

Monasticism under the Christian Empire (Oxford 1966).

A.-J. FESTUGIÈRE, Historia monachorum in Aegypto. Edition critique du texte grec et

traduction annotée (Brussel 1971).

K.S. FRANK, Mönche im frühchristlichen Ägypten [Duitse vertaling van de Historia

monachorum in Aegypto] (Düsseldorf 1967).

K.S. FRANK (ed.), Askese und Mönchtum in der alten Kirche (Darmstadt 1975); bevat een

zeer uitvoerige bibliografie.

J.E. GOEHRING, Ascetics, Society, and the Desert. Studies in Early Egyptian Monasticism

(Harrisbury 1999).

G. GOULD, The Desert Fathers on Monastic Community (Oxford 1993).

W. HARMLESS, Desert Christians. An Introduction to the Literature of Earty Monasticism

(Oxford 2004).

K. HEUSSI, Der Ursprung des Mönchtums (Tübingen 1936).

P.W. VAN DER HORST, Woestijn, begeerte en geloof. Het leven van de eerste monniken in

Egypte. Historia monachorum in Aegypto (ca. 400 n.Chr.) vertaald en toegelicht

(Kampen 1995).

P.W. VAN DER HORST, De woestijnvaders. Levensverhalen van kluizenaars uit het vroege

christendom (Amsterdam 1998).


The Lives of the Desert Fathers, translated by NORMAN RUSSELL [Engelse vertaling van

de Historia monachorum in Aegypto]. (London-Oxford 1981).

L. REGNAULT, The Day-to-Day Life of the Desert Fathers in Fourth-Century Egypt

(Petersham 1999).

R. REITZENSTEIN, Historia monachorum und Historia Lausiaca. Eine Studie zur

Geschichte des Mönchtums und der früchristlichen Begriffe Gnostiker und Pneumatiker

(Göttingen 1916).

L. SWAN, The Forgotten Desert Mothers. Sayings, Lives, and Stones of Early Christian

Women (New York 2001).

Vaderspreuken,vertaald door CHR. WAGENAAR, 5 delen (Monastieke Cahiers 10-14)

(Bonheiden 1987-1990) [Nederlandse vertaling van een groot aantal der zogenaamde

apophthegmata patrum, de uitspraken van de woestijnvaders].


ALLARD SCHRÖDER

De dichter Palladas en de troebelen van zijn tijd

Als we Eunapius' Vitae philosophorum ac sophistarum (4de eeuw n.Chr.) mogen

geloven 'waren de Egyptenaren van nature bezeten van poëzie'. 1 Het is goed te

weten dat hij daarbij de Griekse of vergriekste bevolking op het oog had; voor

de andere bewoners van Egypte, zoals de Kopten en de joden, had hij geen belangstel-

ling. We kunnen er vanuit gaan dat hij zijn opmerking niet uit zijn duim heeft gezogen.

Waarom zou hij ook, het was immers gemakkelijk te controleren of het waar was wat

hij beweerde. Voor ons, zestienhonderd jaar later, gaat dat wat moeilijker. Seculiere

laatantieke literaire teksten zijn voor ons een schaars goed. Het weinige dat mummies

en de woestijn aan fragmenten hebben opgeleverd, is een aselecte steekproef waarin

de Egyptenaren zijn oververtegenwoordigd. Ook is een aantal teksten via de 'normale'

overlevering bewaard gebleven, maar ook deze steekproef is aselect, omdat ze de smaak

van latere generaties weerspiegelt. Wanneer we het over de laatantieke poëzie in Egypte

hebben, betreft het een vrij willekeurig samenraapsel van teksten, waaruit met geen

enkele zekerheid valt op te maken hoe het poëtisch landschap er in de late oudheid

bij heeft gelegen. De meeste genres zijn wel vertegenwoordigd, dus ook het epigram,

zij het dat één auteur, Palladas van Alexandrië, daarvan het leeuwendeel voor zijn

rekening neemt.

De kerstening van het Romeinse Rijk en de gevolgen

In het begin van de 4de eeuw was volgens de berekeningen van de godsdienstsocioloog

Rodney Stark 2 ongeveer 10% van de bevolking van het Romeinse Rijk christen. Dat

aantal zou in de vijftig jaar daarop snel stijgen tot 56%, waarna de groei iets terug-

loopt. Hoewel op Starks sociologische model wel iets valt af te dingen, geeft het toch

een goed beeld van de snelle aanwas van het christendom in de tweede helft van de

4de eeuw. Het verbaast daarom niet dat de samenleving geleidelijk van karakter begon

te veranderen, hetgeen in alle geledingen merkbaar werd. Waar het burgerlijk bestuur

zwak was en niet in de samenleving wortelde, zoals in het lang door Romeinse

ambtenaren bestuurde Alexandrië, vulde de kerk als zelfbenoemde woordvoerder van

de samenleving geleidelijk dat vacuüm op, een proces dat niet zonder conflicten zou

verlopen.

Heidenen, christenen van verschillende leerstellige opvattingen, joden, mani-

cheeërs en andere gelovigen leefden in Alexandrië op het persoonlijke vlak in een

betrekkelijke harmonie samen. Niet iedereen kon daarvoor waardering opbrengen.

Vooral van christelijke zijde wilde men om kerkpolitieke redenen de kerstening van

Alexandrië, die achterbleef bij andere steden, impulsen geven. Dat gebeurde niet

altijd zachtzinnig. Wanneer de ene geloofsgemeenschap zich door provocaties van een

andere beledigd achtte, braken er bloedige rellen uit, die meer dan eens georkestreerd

leken.

De grammaticus Palladas

Dit was de wereld waarin de Alexandrijn Palladas rond 335 werd geboren en omstreeks

410 - of iets later? - is overleden. Na zijn tijdgenoot Gregorius van Nazianzus is hij

met 156 epigrammen het best vertegenwoordigd in de Anthologia Graeca, de bekende,

uit Byzantijnse tijd stammende bloemlezing van Griekse gedichten. Het nageslacht

heeft niet altijd even vriendelijk over hem geoordeeld. Meestal voerde men daarvoor

formele gronden aan, vergetend dat Palladas in tegenstelling tot veel van zijn voor-


gangers niet alleen wilde amuseren of ontroeren of pronken met zijn kennis van het

klassieke Grieks en de literaire traditie, maar zijn tijdgenoten vooral wilde laten zien

hoe hij de nieuwe tijd ervoer.

Palladas was een grammaticus, een aanduiding die gewoonlijk met 'school-

meester' wordt vertaald, maar nauwkeuriger kan worden omschreven als 'leraar bij

het voortgezet onderwijs'. Het is een positie die zeker enige status had, al haalde die

het niet bij die van de retor, die met een hoogleraar bij ons te vergelijken was. Toch

ging Palladas wel met retoren om zoals blijkt uit het volgende epigram:

'Ik was bij je uitgenodigd, retor, en al liet ik verstek gaan,

dank voor de eer, onze vriendschap heeft 't geen kwaad gedaan.

Al speelt eten natuurlijk geen rol voor de geest,

vereerd zijn is wel altijd zijn lievelingskost geweest.' (9.176)

Uit een ander epigram blijkt dat Palladas getrouwd was en kinderen had. Hij had ook

een slaaf waaruit men kan opmaken dat hij niet geheel onbemiddeld was. Toch heeft

hij zich vaak beklaagd over zijn geldgebrek; er moet dus een fase in zijn leven zijn

geweest dat het hem minder goed is gegaan. Dateren die klachten uit zijn latere

jaren, of moeten we ze aan het begin van zijn carrière plaatsen? Het eerste lijkt het

waarschijnlijkst, omdat de andere epigrammen nog onbezorgd amusant zijn en weinig

onbehagen en ernst laten zien. Wel ontbreken dan al de charmante tafereeltjes, de

grafschriften en de ondeugende liefdesgedichten, zoals we die uit de 3de tot 1ste eeuw

v.Chr. kennen. Palladas' epigrammen gaan over het leven als leraar - die door hem

wordt beschreven als iemand ‘die het bij Serapis [heeft] verbruid’ - en over de last van

het dagelijks bestaan. Praalhanzen, praatjesmakers en politici moeten zijn scherpe

pen vrezen.

'Door het leraarsleven werd Achilles'woede

de oorzaak van de armoede

die mijn bestaan is gaan verzieken.

O was ik maar met de Grieken

aan die befaamde wrok vergaan,

voor ik jammerlijk van honger stikte

en crepeerde aan dat leraarsbestaan!

Omdat Agamemnon Briseïs pikte

en Paris Helena had geschaakt,

ben ik aan de bedelstaf geraakt.' (9.169)

De vrouw moet het herhaaldelijk ontgelden.

'De vrouw is de grootste aller plagen,

al weet ze ons twee keer te behagen:

bij de eerste keer en bij de laatste eer.' (11.381)

Godsdiensttwisten

Het vermoedelijk latere werk is ernstiger van toon en inhoud. Het heeft Palladas een

naam als aartspessimist opgeleverd. Nu had hij aanleiding genoeg om zich zorgen te

maken. Nadat de vervolgingen van de christenen waren gestaakt, konden die hun

ambities gemakkelijker ontplooien. De grootste vijand van de christenen was evenwel

niet het heidendom, dat nauwelijks enige organisatie kende, maar de eigen verdeeld-


heid. In Alexandrië woedde in het tweede en derde kwart van de 4de eeuw strijd tussen

de orthodoxen en de arianen; de laatsten werden in die tijd door het keizerlijk hof

gesteund. Het arianisme, dat onder meer leerde dat de Zoon, hoewel voor de tijd

geschapen, geen ware god was en niet gelijk aan de Vader, was in Alexandrië ontstaan.

De naamgever ervan, Arius, was priester geweest van de eerbiedwaardige Baucalis-

parochie 3 in het noordwesten van de stad. De orthodoxen verdedigden onder andere

de eenheid van de Vader met de Zoon, benadrukkend dat beiden van hetzelfde wezen

waren.

Het is opvallend dat een niet-christen als Palladas partij kiest voor de orthodoxen

in een affaire waarin de hoge bestuursambtenaar Gessius ergens rond 378, waarschijn-

lijk wegens het - verboden - raadplegen van wichelaars, ter verantwoording werd

geroepen. Ongetwijfeld hebben bij Gessius' vervolging ook politieke motieven een rol

gespeeld. De man werd waarschijnlijk gefolterd en daarna ter dood gebracht; het regime

van keizer Valens (364-378) had wat dat betreft een naam hoog te houden.

Palladas is een en al leedvermaak. Gessius wordt in het hiernamaals opgewacht

door Baucalus (= Arius)

'Toen Baucalus de pas gestorven Gessius zag, meer hinkepoot

dan ooit, stelde hij deze vraag:

'O Gessius, wat is u wedervaren om zo bloot

en onverzorgd begraven in Hades' huis af te dalen?'

Prompt antwoordde Gessius onder luid geklaag:

'Baucalus, ook ambitie moet je met de dood betalen.' (7.686)

Het 'ook' in de laatste versregel staat daar niet voor niets. Het is een toespeling op de

dood van Arius. Die zou op de wc tijdens een nachtelijke stoelgang in tweeën zijn

gescheurd. Volgens sommigen, onder wie de christelijke scherpslijper Epiphanius,

bisschop van Salamis, was Judas Iskariot op deze wijze aan zijn eind gekomen. 4

Palladas had in een eerder epigram Gessius al gehoond dat hij niet in staat was op

dezelfde wijze een eind aan zijn leven te maken - ‘Gessius? Die had niet eens fut om

te schijten’. (7.683)

Vanwaar Palladas' afkeer van Arius en zijn meelopers? In 357 hield Georgius van

Cappadocië als bisschop van Alexandrië zijn intocht in de stad. Als ariaan genoot hij

de bescherming van het toenmalige bestuur. Hij was niet alleen impopulair bij de

orthodoxen, die de in ballingschap gestuurde Athanasius als bisschop erkenden, maar

ook gehaat bij de heidenen, omdat hij een bijzondere ijver aan de dag legde wanneer

het erom ging tempels te ontmantelen en cultusvoorwerpen te ontheiligen.

Palladas wijdde een aantal epigrammen aan deze activiteiten. Bijvoorbeeld dit

over een omvergehaald Heraklesbeeld:

'Verbaasd zag ik op een driesprong, ooit aanbeden door ons

maar nu omvergehaald, de zoon van Zeus in brons.

Ontzet zei ik 'Beschermer, in drie nachten verwekt,

onoverwinnelijke, waarom ligt gij zo ter aarde uitgestrekt?'

's Nachts kwam grinnikend de god bij me staan:

‘Als god heb ik al geleerd met mijn tijd mee te gaan.' (9.441)

Toen Julianus in 361 keizer werd en de arianen niet langer de keizerlijke gunst genoten,

sloegen orthodoxen en heidenen de handen in elkaar om met Georgius af te rekenen.

De bisschop werd gelyncht en zijn stoffelijk overschot op een kameel door de stad


gereden. Uiteindelijk werd het verbrand om te voorkomen dat het een voorwerp voor

devotie zou worden.

Onzekere tijden

Christenen en heidenen stonden dus niet altijd onverzoenlijk tegenover elkaar zoals

de geestdrijvers van de christelijke propaganda graag berichten. In het dagelijks leven

speelden geloofsverschillen amper een rol. Toch waren het om allerlei andere redenen

onzekere tijden.

'Wanneer ik met menselijke rede de wereld bezie,

de zinloze grilligheid van het bestaan,

de absurde streken van een onbetrouwbaar Lot,

hoe het arme sloebers rijk maakt

en rijken aan de bedelstaf brengt,

dan duizelt het me van verbijstering.

Ik haat dit alles omdat ik het niet kan doorgronden.

Hoe word ik een Lot de baas

dat uit het naamloze opduikt in het leven

en zich gedraagt als een vrouw die te koop is?' (10.96)

Nieuwe elites kregen het in de samenleving voor het zeggen. Palladas raakte in een

ontslagkwestie verstrikt en zocht- hoewel geen christen of sympathisant - steun bij

bisschop Theophilus, de 'man van god'.

'Ik verkoop mijn Callimachus, mijn Pindarus en elke vervoeging

der taalkunst waardoor ik me toch al lang bij de armoe vervoeg.

Dorotheus zond me een godvergeten brief, zonder wroeging,

waarin hij me gevoeglijk als vervoeger ontsloeg.

Steun jij me dan ten minste, man van god, laat niet toe

dat ik me in het vervolg moet verbuigen uit armoe.' (9.175)

Onder keizer Theodosius werd in 388 de heidense geloofspraktijk verder beknot. In

391 werd de illustere tempel van Serapis, het Serapeum, door toedoen van eerder

genoemde Theophilus verwoest. Daarbij had hij wel de hulp van het leger nodig, omdat

de heidenen de tempel fel verdedigden. Er vielen talrijke doden. In het zwart geklede

monniken uit de kloosters rond de stad beheersten nu het straatbeeld. De bisschop

beschikte over een knokploeg van meer dan vijfhonderd lekenbroeders, parabalani,

om zijn ambities kracht bij te zetten.

Uit de epigrammen van Palladas spreekt een gevoel van ontheemdheid in deze

wereld.

'IJl is de lucht die de neus voor ons inademt.

Alle schepselen die het stralend licht van de zon

in de ogen hebben geeft hij het bestaan.

Werktuigen zijn we, door de inblazing van een schepper

met leven bezield, maar een hand is al genoeg

om dat beetje adem te smoren en je ziel weg te roven voor Hades.

Daarom zijn we niets, al koesteren we nog zo onze trots,

wij, die ons in leven moeten houden

met zo weinig als een ademtocht.' (10.75)


En:

En:

'Met z'n allen worden we gehoed en vetgemest voor de dood,

als een drom zwijnen voor de slachtbank. Zomaar.' (10.85)

'Zijn wij hellenen niet al dood

en is nu in onze hoogste nood ons leven schijn?

Of zou deze droom dan toch het leven zijn -

we zijn er immers nog -maar is ons leven dood?' (10.82)

Het woord ‘hellenen’ betekent hier zoveel als ‘heidenen’.

Machtsstrijd in Alexandrië

Gezien de aard van enkele van zijn epigrammen, kunnen we aannemen dat Palladas

zich in de periferie van de intellectuele wereld van Alexandrië heeft bewogen. Ook

hier mengden zich heiden en christen zonder vooroordeel. Hoewel de filosofenschool

nog grotendeels heidens was, bevonden zich onder het gehoor ook christenen. Of

Palladas inderdaad de intellectuele kopstukken van Alexandrië, zoals Theon, Hypatia,

Hierocles of Synesius heeft gekend is onzeker, maar hij was wel vertrouwd met hun

denken.

'Het lichaam is de ziel een kwelling,

haar dood, lot, last, haar pijniging,

haar oppermachtige kerker, foltering.

Maar als ze zich dan uit het lichaam bevrijdt,

als uit ketenen van de dood,

kan ze wegvluchten naar een onsterfelijke god.' (10.88)

Na de val van het Serapeum bleef de sfeer in de stad grimmig. Het zwakke bestuur

dreigde overvleugeld te worden door bisschop Theophilus. Maar ook hij moest erva-

ren dat de stem van de straat soms verder droeg dan de zijne. In 400 moest hij bak-

zeil halen, toen in een internkerkelijke kwestie de heidenen zich aan de zijde van zijn

christelijke tegenstanders schaarden. In 412 werd hij na een weinig verheffende ver-

kiezingscampagne opgevolgd door zijn neef (en latere heilige) Cyrillus, volgens de

historicus Bury 'an ecclestiastical tyrant of the most repulsive type'. 5 Zijn machtsstrijd met

de stadsprefect Orestes was verantwoordelijk voor het hetzerige klimaat in de stad,

dat in 415 zijn dieptepunt bereikte in het lynchen van de filosofe Hypatia door een stel

christen-ijveraars onder leiding van een zekere 'Peter de Lezer'. In datzelfde jaar braken

ook georganiseerde pogroms uit tegen de joden in de stad. Het centrale gezag in

Constantinopel greep uiteindelijk in en de knokploeg van de bisschop werd - tijdelijk -

aan banden gelegd.

Palladas was toen al een oude man die vrede met de dood had.

'Elke dag bij het verdwijnen van de nacht

worden wij opnieuw geboren,

niets hebben we nog van een vroeger bestaan,

wat we gisteren nog deden is ons vreemd nu.

Vandaag beginnen we met de rest van ons leven.


En:

Ten slotte:

Zeg daarom niet, oudje, dat je er al zoveel jaar hebt opzitten,

want wat voorbij is, heb je vandaag niet meer.' (10.79)

'lk beklaag hen niet meer die het heerlijk licht

van de dag hebben verlaten.

Wel hen die met het vooruitzicht

moeten leven het leven nog te laten.' (11.282)

‘Moeizaam, grijs van ouderdom, schrijdt de tijd voort

ja, hij sluipt voorbij en steelt de mensen het woord van de lippen

en zelf onzichtbaar onttrekt hij zichtbaren aan het zicht

en brengt wie nog onzichtbaar is aan het licht.

O slot van het leven, dat voor de mens nooit zeker is.

Dag in dag uit, immer stevent hij af op eeuwige duisternis.’ (9.499)

Korte bibliografie

De nummers onder de gedichten en citaten verwijzen naar het betreffende boek en

het volgnummer in de Anthologia Graeca.

C. HAAS, Alexandria in Late Antiquity (Baltimore 1997).

J. HAHN, Gewalt und religiöser Konflikt (Berlin 2004).

Palladas, Epigrammen. Vertaald en van aantekeningen voorzien door ALLARD SCHRÖDER

(Groningen 1998).

F.R. TROMBLEY, Hellenic Religion & Christianisation c. 370-529 (Leiden 1993).

Noten

1 Eunapius, Vitae philosophorum ac sophistarum, 493.

2 Rodney Stark, The rise of Christianity (San Francisco 1997) 7.

3 De kerk van Baucalis was de oudste van de stad. De apostel Marcus lag er begraven

en de bisschop van Alexandrië werd er gewijd.

4 Epiphanius, Adversus haereses, II 68, 6.

5 J.B. Bury, History of the later Roman empire (New York 1958, repr.) I 216.


WIM VERBAAL

Dichter bij de Vandalen: Blossius Æmilius Dracontius

Wat mag er zijn omgegaan in Horatius' geest toen hij rond 41 v.Chr. de

onheilspellende verzen van zijn zestiende epode dichtte?

'Wij zijn Romes dood, vervloekt onzalig broedsel.

De beesten geven wij haar grond weer prijs.

As stuift om barbaren, zegepralend. Galmend

klinkt van een paard de hoefslag in de Stad.

Romulus' gebeente, nu beschut voor winden

en zon, ligt achteloos - helaas! - verstrooid.'

(Horatius, Epode 16, 9-14) 1

Was het slechts een jeugdige hang naar overdrijving om indruk te maken? Of verleen-

den de stuiptrekkingen van de Republiek aan de jonge dichter echt een dergelijk apo-

calyptisch visioen, waar barbaarse ruiters door de platgebrande en leeggelopen Urbs

trekken, waar het hart van het wereldrijk onder de zware voetstappen opstuift als as,

de marmeren façaden nog slechts echo’s huisvesten en de gekoesterde relikwieën van

Romes stichter vertrappeld in het stof liggen? Moderne lezers van deze verzen wor-

den onvermijdelijk herinnerd aan de plunderingen waaraan Rome zoveel eeuwen

later daadwerkelijk ten prooi zou vallen. Voor ons zijn Horatius' verzen inderdaad

visionair.

Alleen stond er voor de inwoners van Rome ten tijde van de plunderingen geen

uitweg open zoals Horatius deze later in zijn gedicht schildert: de vrijwillige vlucht

naar een ver en onbesmet eiland. Weliswaar slaagde in 410 een beperkte groep erin

zich op het eiland Igilium (Giglio) in veiligheid te brengen, maar van een massale en

blijvende exodus was geen sprake. Nu wist Alarik zijn Visigoten nog redelijk in de

hand te houden, zodat de schade achteraf gezien beperkt bleef, in materieel opzicht

althans.

Anders was het in 455 toen Geiserik zich met zijn Vandalen en Berbers over

Rome uitstortte. Drie jaar voordien waren de Hunnen van Attila tot op enkele mijlen

genaderd, maar om een of andere reden leek het 'de gesel Gods' niet opportuun de

Stad zelf in te nemen. Volgens de legende zou paus Leo I hem op andere gedachten

hebben gebracht. Geiserik had duidelijk minder scrupules. Hij stak over vanuit

Carthago en zonder enig verweer te ontmoeten trok hij Rome binnen. Wel zwoer hij,

net als Alarik vóór hem, de burgers te sparen, maar of zijn horden zich hier veel aan

gelegen lieten liggen, mag betwijfeld worden. Per slot van rekening hadden de Vandalen

nooit zoals de Visigoten, al was het in naam, onder Romeins oppergezag gestaan. Na

veertien dagen regelrechte brandschatting trok de meute zich, beladen met de rijk-

dommen van de Stad en horden gevangenen voor zich uitdrijvend, naar Afrika terug.

Bittere ironie van de geschiedenis! Zeshonderd jaar nadat Scipio Africanus de

jongere de schatten van Carthago in triomf naar het Capitool had gevoerd, zag Rome

nu zijn eigen rijkdom in Ostia ingeladen worden om de paleizen van Geiserik en

zijn hoofdmannen in Carthago op te sieren.

En toch, wat een schrijnend verschil! Carthago viel om plaats te ruimen voor

Rome, op het punt een wereldrijk te vestigen dat de eeuwen zou trotseren en tot op

heden vorm te geven aan de idee 'Europa'. Romes val voor de Vandalen liet weinig

meer na dan de smet van hun naam, die synoniem is geworden met het reinste


arbarisme.

Vandalen in Afrika

De Vandalen hadden zich meester gemaakt van de rijkste provincie in het vroegere

staatsbestel. Zij wisten hun heerschappij uit te breiden over heel Noord-Afrika tot de

grens met Egypte, over Sardinië, Corsica, de Balearen en het westen van Sicilië. Hun

vloot beheerste de Middellandse Zee en teisterde de kusten van Italië en Griekenland.

Geiserik zelf was de eerste Germaanse vorst die in 442 als soeverein heerser op

Romeinse bodem werd erkend door Valentinianus III, Theodosius' laatste erfgenaam.

De weg leek open voor een bewind dat in duurzaamheid en uitstraling kon wedijveren

met dat van de Ostrogoten in Italië of van de Visigoten in Spanje en dat zeker dat van

de Franken zou overschaduwen.

Al deze verwachtingen bleken ijdel. Honderd jaar na de oversteek naar Afrika

werd het Vandaalse rijk door de Byzantijnse generaal Belisarius in opdracht van kei-

zer Justinianus van de kaart geveegd zonder het geringste spoor na te laten. Wie op

zoek gaat naar getuigenissen van deze episode in de geschiedenis, komt met lege

handen terug. Geen literatuur, geen architectuur, geen fresco's noch sculpturen: wat

Germaans-decoratieve elementen of gebruiksvoorwerpen, meer niet!

Een reden voor deze armzalige erfenis moet gezocht worden in de minderheids-

positie die de Vandalen in de rijke en dichtbevolkte provincie innamen. Misschien

kan deze ook de slechte roep van hun bewind verklaren. Om hun gezag te handhaven

schijnen zij niet altijd voor bloedige repressies te zijn teruggeschrokken.

Victor, bisschop van Vita en auteur van een kroniek over de Vandaalse periode,

weidt breed uit over de barbaarse verschrikkingen die de Germaanse veroveraars om

zich heen zaaiden.

'Zij troffen [na hun oversteek uit Spanje in 429] een vreedzame en rustige provincie

aan. De pracht van dit bloeiende land viel ten prooi aan hun goddeloze horden die

alles plunderden, ontvolkten, uitroeiden met brand en moord. Zelfs de boomgaarden

spaarden zij niet om te voorkomen dat ze na hun doortocht nog voedsel konden bie-

den aan wie zich in grotten, ravijnen of welke schuilplaats dan ook in veiligheid had

gebracht. Telkens weer zweepte deze zelfde wreedheid hen op, zodat geen enkele

plaats gespaard bleef voor hun besmetting.'

(Victor van Vita, Geschiedenis van de vervolging in de provincie Africa I.3)

Vandalen en Romeinen

Toch gaan er tegenwoordig stemmen op om dit sombere beeld te nuanceren. Het alle-

daagse leven lijkt inderdaad grotendeels ongestoord verder te zijn gegaan. Weliswaar

moest de katholieke Kerk haar voorrangspositie afstaan aan haar Ariaanse rivale,

maar zeker in de grote centra veranderde het bestaan van de Romeinse inwoners niet

wezenlijk. De nieuwe bewindhebbers lijken zich zelfs al te snel en met misschien al

te veel overgave aan het rijke leven in de Afrikaanse provincie te hebben overgegeven.

‘Hoog verheft het bosrijke Arricia zich:

Diana velt er kuis haar dienstbaar wild.

Groen omgorden wouden de vallei van Tempe.

Molorchus ziet Nemea's dichte bos.

Maar de toren die hier reikt tot aan de hemel

bereidt haar eigenaar al dit plezier:

alle wouden tooien haar in al hun schoonheid


en alle pracht is op een plaats bijeen.’

Zo bezingt de dichter Luxorius het viridarium of de binnentuinen in de villa van de

Vandaal Fridamal (Anthologia Latina, 299, 1-8).

De Vandalen leerden niet alleen de materiële geneugten smaken. Zij zochten

blijkbaar ook intellectuele voldoening in de rijke tradities van de scholen te Carthago.

Een tijdgenoot van Luxorius en als dichter veel beroemder drukt het als volgt uit:

'Orpheus de dichter zou - zo leren oude boeken -

gezongen hebben zacht met stem en snaar en plectrum,

omgeven door de bomen, bergen, koude beken.

Het roofdier volgde hem, de tamme kudde volgde:

de een de ander door zijn snarenspel betoverd.

Toen was het beest niet wreed, toen was het vee niet bang meer,

de tijger traag, het hert kordaat, de beer genadig.

Het lam liep naast de wolf, het ree liep tussen leeuwen,

de haas wist zich niet langer prooi van woeste brakken.

De scheppende natuur misgunde hun de vrede,

maar met zijn citherspel bracht Orpheus hen tezamen.

Vereerde vader, meester, zo moet u bezongen,

die naar Carthago de verjaagde studies haalde,

bij wie Romeinen met barbaren komen leren.

Ook wij zijn onder hen en steeds verbijsterd,

gevangen, meester, door de tover van uw woorden.'

(Dracontius, Romulea I, 1-1 6)

De wilde beesten en de tamme kudde die allebei hun eigen aanleg vergeten door de

magische charme van een schoolmeester: een treffend beeld voor de gevoelens van de

Afrikaanse Romein tegenover de in zijn ogen ongecultiveerde Vandaal naast hem,

maar ook tegenover de gedweeë angst van zijn eigen landgenoten. Blossius Æmilius

Dracontius heeft met deze verzen eer willen brengen aan zijn leraar, de grammaticus

Felicianus, maar tegelijkertijd doet zijn gelijkstelling van de Vandalen met de wilde

roofdieren en van zijn landgenoten met de makke schapen wat ongemakkelijk aan.

Wat zal er gebeuren, v/wanneer de tover van de woorden is uitgewerkt?

Een klassiek Romein onder Vandalen

Over het leven van Dracontius is zo goed als niets bekend. Alle informatie moet uit

zijn eigen werk worden afgeleid. 2 Hij lijkt van senatoriale afkomst en was blijkbaar

een tijdlang juridisch werkzaam te Carthago, waarschijnlijk zijn geboortestad. Zijn

roem dankt hij aan zijn gedichten en terecht geldt hij als de grootste dichter uit deze

allerlaatste periode van de Oudheid.

Bovenstaande verzen openen een verzameling van tien gedichten die bekend is

geraakt onder de naam Romulea. Dracontius lijkt hier in eerste instantie schoolpoëzie

ondergebracht te hebben: twee lofdichten op zijn leraar, twee epithalamia of huwelijks-

dichten (die echter veel later in zijn leven geschreven lijken), drie typisch retorische

gedichten (de jammerklacht van Hercules wanneer hij de koppen van de hydra weer

ziet aangroeien, een juridisch dispuut, Achilles' overwegingen of hij Hektors lijk

moet teruggeven), drie kleine epen of epyllia (Hylas, de schaking van Helena, Medea).

Al deze werken geven een indruk van de continuïteit in het onderwijs onder de

Vandalen, maar echt fascinerend zijn ze niet te noemen.


Dracontius scoort beter met een ander, grootser opgezet epyllion: de Orestis tra-

goedia, dat in 974 hexameters het hele verhaal van de Orestie vertelt. Hierbij valt de

fijne psychologie op waarmee hij sommige karakters weet te treffen, vooral de

persoonlijkheid van Klytaimnestra. Dracontius toont overigens ook in zijn andere

gedichten een fascinatie voor de 'slechte' vrouw. Alhoewel, 'slecht': wanneer

Agamemnon geveld is, legt hij Klytaimnestra de volgende toespraak tot de bewoners

van Argos (want hier situeert Dracontius de mythe) in de mond:

'Voortaan beloof ik rust. Verwacht nu stille kalmte

en vreedzaam tijdverdrijf. Geen strijdbazuin mag breken

de nachtelijke droom. Geen strijdkreet treft de oren:

geniet weer van de slaap wanneer de dag voorbij is.

Sluit weg de wrede wapens, maak van zwaarden ploegen,

span met de pees de benen armen van uw bogen

alleen om wild of snelle vogels neer te halen.

Gun aan de ouden onder u een goede maaltijd

en onderricht verheugd de zonen van uw zonen.

Laat ziekte nog alleen een reden zijn tot sterven.

Laat ons van de natuur, terwijl de jaren heengaan,

de dood verwachten zonder wonden in ons lichaam,

door wapens aangebracht. Wij mogen voortaan hopen

op heel het dodenritueel, een graf in vlammen,

een blijvend monument bereid voor onze resten.'

(Dracontius, De tragedie van Orestes, 394-408)

In de ogen van Dracontius is niet zozeer Klytaimnestra de misdadigster als wel

Aigisthos, die hij als een baarlijke duivel afschildert. Zodra de wraak door Orestes is

voltrokken, zal nog steeds een deel van de bevolking rouwen om de gestorven vorstin.

Haar droom van vrede - 'Beloofde ik de Grieken dan geen eeuwen vrede?' (vs. 701) -

werd door haar eigen zoon vernietigd.

Deze eigenzinnige omgang met de traditie verleent aan Dracontius' gedichten

een heel eigen charme en menselijkheid. Is het te ver gezocht om in Klytaimnestra' s

belofte een droom te lezen van de jonge Romein met het oog op de geteisterde wereld

die hem omgaf? De Vandalen mochten zich dan nog door de welvaart en de culturele

verlokkingen van Carthago laten verdoven, elk moment kon toch weer de ware aard

van het roofdier doorbreken. Ook Dracontius ontkwam hier niet aan.

Een christen onder Vandalen

Dracontius moet het gewaagd hebben een lofdlicht te schrijven op een buitenlandse

vorst. Ging het om de keizer in Constantinopel? De oude keizercultus werd nochtans

niet onderbroken onder het Vandaalse bewind. Richtte Dracontius zich misschien tot

Theoderik de Grote, met wie de Vandaalse vorsten een haat-liefde-verhouding onder-

hielden? Het is evenmin duidelijk of dit gedicht een ernstiger inhoud had dan zijn

overige werken. In elk geval vielen zijn verzen in slechte aarde bij Gunthamundus,

koning van 484 tot 496. De dichter belandde met zijn hele familie achter de tralies en

kwam pas vele jaren later vrij onder de meer verlichte vorst Thrasamundus (496-523).

Tijdens deze gevangenschap schreef Dracontius de werken waarmee hij terecht

aanspraak op onsterfelijkheid kan maken. Om te beginnen richtte hij een lang smeek-

gedicht aan Gunthamundus om zijn schuld te belijden. In deze Satisfactio roept hij de

vorst op om naar het voorbeeld van God, de opperste koning, ook zelf barmhartigheid


te tonen.

Zijn verzoek om genade klinkt echter nergens deemoedig, gebroken, jammerlijk.

Dracontius is veeleer de leraar die weliswaar geslagen is, maar niet verslagen. Hij

houdt de Vandaal de vroegere keizers voor ogen die zich steeds genadig opstelden,

herinnert de vorst aan de tijdelijkheid en vergankelijkheid van zijn eigen aardse

bestaan, verwijst ook naar Geiserik die een geletterde Vandaal omwille van zijn eruditie

vergiffenis schonk en besluit dan met een even kort als treffend beeld:

'Als een ruiter uit het zadel dreigt te vallen,

omdat zijn paard gaat bokken in galop,

roept hij met zijn zweep het dier weer tot de orde,

maar snijdt hij toch niet voet en benen af!'

( Dracontius, Satisfactio, 313-316)

Naast deze smeekbede moet Dracontius in zijn gevangenis ook de drie boeken Tot lof

en eer van God (De laudibus Dei) hebben voltooid. Traditioneel wordt het werk tot de

bijbelse epiek gerekend, maar dit geeft een volstrekt verkeerd beeld van de inhoud.

Dracontius vertelt hierin namelijk geen echt verhaal. Wel zijn er verhalende passages

(over de schepping van de wereld en de zondeval, over Christus' lijden, dood en ver-

rijzenis, over bijbelse en antieke helden), maar deze lijken bijna louter illustratief te

zijn. Een veel belangrijker aandeel nemen de hymnische en lyrische passages in.

Steeds staat hierbij Gods goedheid en barmhartigheid centraal, zodat het hele werk

op een spiegel begint te lijken die de dichter ophoudt voor de Vandaalse heerser. Het

verwondert dan ook niet dat hij aan het slot opnieuw zijn schuld belijdt en om genade

vraagt.

Toch is het gedicht veel meer dan een gelegenheidswerk, waarmee de dichter zijn

vrijlating hoopte te verkrijgen. Daarvoor blijkt Dracontius te tegendraads. In het tweede

boek last hij zelfs een aanval in tegen de Ariaanse dwaalleer, niet bepaald de beste tac-

tiek om de Vandaal gunstig te stemmen. Zijn verzoek om genade aan het slot is overi-

gens niet tot de vorst gericht, alsof hij daar al niet meer op hoopte, maar tot God.

De Laudes nemen vooral de vorm van een persoonlijke schuldbelijdenis van de

dichter als mens aan, waarbij zijn aanklacht zich in eerste instantie richt tegen het

mensdom zelf dat het natuurlijke evenwicht binnen de schepping verstoort.

'En schaamt de mens zich niet? Ons treft het schuldig vonnis!

De dieren zijn rechtvaardig: dat is onze schande?

Beseft een slang soms wat ze doet? Maar wij! Onzalig

gebroed! Wij lachen om het recht met onze daden

en weten dit! - 'Wie niet de wet kent, krijgt genade.

Hierdoor wordt elk van ons misschien wel vrijgesproken.' -

Ja, slangen zoekt men in het gras dat zij niet bijten

en in woestijnen jagen wij op woeste leeuwen,

zodat zij niet het land van boer en vee beroven.

Een jager volgt de ever, spant voor hem zijn netten,

zorgt dat de wijnstok niet verwoest wordt door zijn tanden.

Goed, sterven mag het hert: zijn merg brengt ons genezing.

Maar wat heeft ons de haas gedaan, de geit, de hinde?

Beveelt ook de geneeskunst soms om hen te jagen,

te strikken of met woeste meute af te maken?

Wat heeft de vis misdaan? Waaraan zijn vogels schuldig?


Wij trekken door de zee, wij trekken door de luchten

om vogels neer te halen die geen straf verdienen.'

(Dracontius, Laudes II, 271-288)

Waarna Dracontius het oude epische motief ophaalt over de grenzeloze hebzucht van

de mens die hem de zee opdrijft om zelfs hier oorlog te voeren, die mensen elkaar

naar het leven doet staan en zelfs kinderen niet spaart voor hun ouders. Kortom: 'Een

grote ramp, de mens!' (II, 360) en heel de schepping boet hieronder:

'Waar hebben wild of vee of vogels ooit gezondigd?

Wat is de schuld van hemel, aarde, zee en sterren?

Waar faalden ooit de koude maan of zonnestralen?

Wanneer vermaanden zij de mensen niet door tekens?

De droom verraadt toch telkens weer wat er zal komen

en waarschuwt voor wat vaststaat in de loop der jaren.

En wat de mens kwaadwillig zwijgt, wordt uitgeroepen

door wild, door vee, door vis, door paard en schaap en vogel.'

(Dracontius, Laudes I, 52-59)

Bij C.W. Mönnich, de enige die in het Nederlands taalgebied enige aandacht aan

Dracontius besteed heeft, riepen deze verzen het beeld op van onze moderne wereld

met haar milieuvervuiling. En inderdaad, ook vandaag zijn wij nog heel ver van de

kinderlijke onschuld waarin Dracontius het eerste mensenpaar schildert tijdens zijn

ontdekkingstocht door het paradijs:

'Zij liepen door de bloemen, blij om alle rozen,

om heel die geurige oogst en door de groene wouden,

eenvoudig als het vee of als de wilde dieren.

Hun leden waren naakt, hun harten vrij van schaamte.

Zat aan hun lichaam iets dat niet gezien mocht worden?

Wie leerde hun hoe men zich eerzaam moest gedragen?

Hun ogen, vingers of geslacht: het was hun eender.

Steeds namen zij elkaar vol liefde in de armen.

Zij bloosden niet, al rechtte zich de bron van schaamte.

Zij wisten immers niet dat iets hun was verboden.

Terecht, want alles was voor hun gebruik geschapen,

op één boom na zijn vruchten werden hen geweigerd.'

(Dracontius, Laudes I, 437-448)

Verloren onschuld in een verloren paradijs! Hoe sterk werkt dit beeld voor Dracontius

in zijn gevangenschap. De dichter blijft niets anders over dan over zulke vrijheid te

dromen en de hoop uit te spreken ooit die verre vreugde zelf weer te mogen smaken.

Maar die vervulling kan hij maar van één kant verwachten:

'Het is genoeg het bevend hart tot God te richten

en onder tranen hem vol eerbied te verzoeken:

"Geef mij mijzelf terug, gezond van geest en lichaam,

geef mij geluk en lange dagen in mijn leven,

geef mij een kroost dat goed is, talrijk en welvarend,

houd na mijn dood het ander leven vrij van pijnen.


Laat zuiver zijn mijn geest, onschuldig en rechtvaardig

en laat mijn ziel, eenmaal gelouterd, vredig rusten.

Laat bij uw oordeel, God, toch ook triomf mijn deel zijn,

zodat ik ga door bloemengeur en groene hoven,

door eeuwig bosland en door steden zonder smarten,

waar mij geen kwaad meer plagen kan, ik u mag danken,

rechtvaardig bij rechtvaardigen en rein bij reinen."'

( Dracontius, Laudes III, 743-752)

Korte bibliografie

F.M. CLOVER, Carthage and the Vandals, in: Excavations at Carthage 1978, VII (Ann

Arbor 1982) 1-22.

C.W. MÖNNICH, Koningsvanen (Baarn 1990).

M. ROSENBLUM, Luxorius. A Latin poet among the Vandals (New York/London 1961).

Noten

1 De vertalingen van alle fragmenten in dit artikel zijn van de hand van de auteur zelf.

2 De gedichten van Dracontius zijn uitgegeven in de Monumenta Germaniae Historica,

Auctorum Antiquissimorum t. XIV.

Recent verschenen vier delen in de Budé-reeks met een Franse vertaling (1985-1996).

In dezelfde reeks is ook het werk van Victor de Vita toegankelijk (2002). In het

Nederlands is bij mijn weten nog nooit enig vers van hem vertaald. Enkele prozafrag-

menten zijn te vinden in Mönnich 1990. Deze auteur is ook de enige die aandacht

geeft aan de dichter, waarbij hij zich beperkt tot de Laudes.

Over de auteurs van de artikelen

PROF. DR. JOSINE H. BLOK studeerde geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen

en is sinds 2001 hoogleraar Oude Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Haar

publicaties hebben vooral betrekking op de cultuurgeschiedenis van het antieke Griekenland

en op aspecten van de negentiende eeuw, met name de beoefening van de klassieke studies

in die periode.

PROF. DR. JAN N. BREMMER is hoogleraar bij de faculteit der Godgeleerdheid van de

Rijksuniversiteit Groningen. In het collegejaar 2006-2007 is hij Inaugural Villa Professor

at the Getty Institute in Los Angeles.

DR. SANDER EVERS is universitair docent aan het Instituto Patristico Augustinianum en

aan het Loyola University of Chicago Rome Center, beide te Rome. Hij is gepromoveerd

aan de University of Oxford. Een handelseditie van zijn proefschrift, Church, Cities and

People, A study of the plebs in the Church and Cities of Roman Africa in Late Antiquity,

zal dit jaar verschijnen.

PROF. DR. PIETER W. VAN DER HORST is classicus en werkzaam aan de Theologische

Faculteit van de Universiteit Utrecht als hoogleraar in het Nieuwe Testament, het vroege

jodendom en het hellenisme. Hij is lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van

Wetenschappen.

DR. VINCENT HUNINK is universitair docent Latijn en oudchristelijk Latijn aan de


Radboud Universiteit Nijmegen, en redactielid van Hermeneus. Hij publiceert regelmatig

vertalingen van antieke teksten, onlangs onder meer Leren sterven (brieven van Seneca)

(2004) en de Regel van Augustinus (2005). [www.vincenthunink.nl]

PROF. DR. FIK MEIJER is hoogleraar Oude Geschiedenis aan de Universiteit van

Amsterdam. In 2005 ontving hij de publieksprijs van OIKOS, het samenwerkingsverband

van onderzoekers op het gebied van de Klassieke Studies in Nederland.

DRS. ANGÉLIQUE M.H.M. NOTERMANS is lerares klassieke talen in Nijmegen. Zij legt

momenteel de laatste hand aan haar proefschrift over Romeinse mozaïeken met inscripties.

PROF. DR. DOROTHY PIKHAUS is hoofddocent aan de Universiteit Gent en aan de Vrije

Universiteit Brussel waar zij Latijnse Epigrafie en Latijnse schrijvers doceert. Haar

belangstelling gaat vooral uit naar Latijnse epigrafische poëzie en naar cultuurspreiding

en romanisering in het Romeinse Rijk.

DRS. HANS VAN REISEN is theoloog. Vanaf de oprichting van het Augusteins Instituut

te Eindhoven in 1989 is hij daar werkzaam als studiesecretaris.

ALLARD SCHRÖDER is auteur van romans, essays en drama. Publiceerde onder meer de

romans Raaf (1995), Grover (1999), Favonius (2005) en de verhalenbundel Het pak van

Kleindienst (1996). Voor de roman De Hydrograaf ontving hij de AKO-literatuurprijs

2002. Hij vertaalde de epigrammen van Palladas (1998) en samen met Just Schadd de

elegieën van Maximianus (1987).

DR. HENK W. SINGOR is universitair docent aan de Rijksuniversiteit Leiden, verbonden

aan de sectie Oude Geschiedenis.

LISELOT VANDAMME, LIC., studeerde Grieks en Latijnse Taal- en Letterkunde aan de

Universiteit Gent en behaalde eveneens haar diploma als archeologe. Haar scriptie handelde

over de Griekse invloed in het hellenistisch Carthago. Momenteel is ze als leerkracht

actief in het onderwijs.

PROF. DR. WIM VERBAAL is hoogleraar in de Latijnse taal- en letterkunde, Universiteit

Gent, Vakgroep Latijn en Grieks, en redactielid van Hermeneus.


JOSINE H. BLOK

Kwam Athene uit Afrika? De Black Athena-affaire opnieuw gepeild

Een kleine twintig jaar geleden publiceerde Martin Bernal het eerste deel van een

studie die vier delen zou moeten omvatten, maar tot nu toe tot twee beperkt is

gebleven: Black Athena, The Afroasiatic Roots of Classical Civilization, deel 1: The

Fabrication of Ancient Greece, 1785-1985, gevolgd door deel 2: The Archaeological and

Documentary Evidence. Bernal is sinoloog en doceert politieke wetenschappen aan

Cornell University, Ithaca, niet ver van New York. Met Black Athena begaf hij zich op

een voor hem geheel nieuw terrein. In zijn studie stelde de auteur dat de fundamenten

van de antiek-Griekse cultuur waren gelegd door de Egyptenaren en dat de wortels

van de Griekse wereld dus in Afrika lagen.

Direct na het verschijnen van deel 1 ontstond een enorme opschudding, die

door de publicatie van deel 2 alleen maar heviger werd. De meerderheid van classici,

oudhistorici en Egyptologen die zich in de zaak verdiepten, reageerde verontwaardigd,

andere groepen binnen en buiten de universiteiten waren enthousiast. Het sterkst

speelde de controverse zich af in de Verenigde Staten, maar ook in West-Europa kreeg

de zaak de aandacht die hij verdiende. Het gebruik van de verleden tijd suggereert dat

de kwestie inmiddels passé is en inderdaad lijkt de grootste opwinding nu wel voorbij

te zijn. 1 De thesen van Black Athena raken echter de kern van de vraag hoe feiten en

interpretaties, politiek en wetenschap zich tot elkaar verhouden, een vraag die nog

even actueel is als twintig jaar geleden en dat ook moet blijven. Allereerst is hier een

beknopte bespreking op zijn plaats, evenals een keuze uit de reacties. Daarna wil ik

wat uitvoeriger ingaan op de politieke en theoretische vraagstukken die in de affaire

zo hel belicht zijn.

Waarover gaat Black Athena?

De twee delen verdedigen een aantal samenhangende stellingen over de bronnen van

de antiek-Griekse cultuur en de beoordeling daarvan door de klassieke wetenschap-

pen in de laatste tweehonderd jaar. De basis van de Griekse cultuur zou zijn gelegd in

de midden- en late Bronstijd door de Egyptenaren, die in die periode lang en intensief

in Griekenland aanwezig zouden zijn geweest, alsmede - in mindere mate - door de

inbreng van Phoeniciërs in dezelfde tijd en in de daarop volgende periode. In de klas-

sieke tijd waren de Grieken zich van deze herkomst van hun cultuur volkomen bewust,

zij het met de onvermijdelijke beperkingen in hun historische kennis. Duidelijke

voorbeelden hiervan zijn Herodotus, die in boek II van de Historiën de oorsprong van

de belangrijkste Griekse culten in Egypte legt, en de introductie van het schrift uit

Phoenicië, naar wijd en zijd verspreid idee door de Phoenicische held Cadmus. Deze

Griekse visie op de eigen oorsprong noemt Bernal het Antieke Model. Dankzij de lang-

durige invloed van de antieke geschriften bleef het Antieke Model ook na de Oudheid

het beeld van het verleden bepalen - men had ook geen reden om dit model te herzien.

Zo blijkt uit de bestudering van de Egyptische en Griekse oudheden tijdens de

Verlichting dat in die periode beide culturen als onlosmakelijk met elkaar verbonden

werden beschouwd.

Maar aan het eind van de 18de eeuw kwam het Antieke Model onder vuur te liggen;

binnen enkele decennia werd het vervangen door een ander model. De opkomende

Romantiek zag niet de verwevenheid van alle culturen als een groot goed, maar zocht

naar de authentieke oorsprong van iedere cultuur op zichzelf. Binnen deze verscheiden-

heid van culturen zou er bovendien sprake zijn van een hiërarchie: sommige culturen


waren duidelijk beter (hoger, mooier, rijker, dieper) dan andere. Zo raakten de culturen

van de Oudheid eerst los van elkaar en vervolgens werden ze cultureel-raciaal gerang-

schikt. De oude Grieken behoorden nu meer bij West-Europa dan bij het oostelijke

Middellandse-Zeebekken en vormden de hoogste cultuur van de mensheid. Egypte zelf

werd benaderd als een land met een cultuur die meer bij het Middellandse-Zeegebied

hoorde dan bij het zwarte Afrika. De invloed van Egypte op de Griekse wereld werd

desondanks gebagatelliseerd of geheel ontkend. Beïnvloeding van de Griekse cultuur

vanuit het semitische Oosten of zelfs het zwarte Zuiden was ondenkbaar geworden.

Dit perspectief op de antieke Griekse cultuur, dat in de 19de eeuw en het grootste deel

van de 20ste eeuw dominant zou blijven, noemt Bernal hel Arische Model. 2

Op dit punt is het van belang te wijzen op Bernals visie op wetenschappelijke

veranderingen. Het is normaal en wenselijk, stelt hij, dat wetenschappelijke stand-

punten veranderen op grond van nieuw onderzoek en nieuwe vragen. Dat geldt zeker

voor veel omvattende maar onvermijdelijk simplificerende visies op het geheel zoals

met de term ‘model’ worden bedoeld. Zulke veranderingen noemt hij ‘interne veran-

deringen’. Voorbeelden daarvan zijn resultaten van opgravingen, nieuwe linguïstische

theorieën of de ontcijfering van oude schriften.

Maar er zijn ook ‘externe veranderingen’, die samenhangen met de veranderin-

gen in de ideologie van de maatschappij waarbinnen de wetenschap wordt beoefend.

Een cruciaal voorbeeld betreft het uiteenvallen van het Antieke Model. Dit was, aldus

Bernal, niet het gevolg van de ontcijfering van het hiëroglyfenschrift in 1822 en de

daaruit voortvloeiende veranderingen in historische kennis (intern), maar van de

Romantiek en het daaraan inherente racisme die de studie van de Oudheid zouden

hebben beïnvloed (extern). Black Athena laat, aldus Bernal, deze oneigenlijke invloed

achter zich en schetst met behulp van de interne vernieuwingen een Herzien Antiek

Model. Dit model weet de invloed van Egypte en Phoenicië op de Griekse wereld naar

waarde te schatten en brengt de inmiddels wetenschappelijk vereiste correcties aan op

het Antieke Model. Soms kan, meent Bernal, de interventie van een leek een bijzonder

effect sorteren in de wetenschap. Juist een leek is vrij van de onuitgesproken conventies

die gelden binnen een discipline en kan daarom volledig nieuwe perspectieven openen.

Bernal is zelf zo’n leek.

De bloei van het Antieke Model, de vernietiging daarvan door de creatie van het

Arische Model en zijn toepassing in de op racisme geënte Altertumswissenschaft vormen

de thema's van deel 1. In deel 2 verdedigt Bernal het Herziene Antieke Model vooral op

grond van etymologische relaties tussen Griekse woorden en namen en Egyptische of

Westsemitische vormen daarvan en op grond van historiserende interpretaties van

Griekse mythen, enigszins aangevuld met archeologisch materiaal. Een spraakmakend

voorbeeld van deze argumentatie is de naam van de godin Athena, die van de

Egyptische godin Neith zou zijn afgeleid - vandaar de titel van het boek. De volgende

delen zouden uitvoerig ingaan op de linguïstische argumenten, maar het debat over

de eerste twee delen heeft inmiddels zoveel aandacht van de auteur opgeëist dat van

die publicaties niets is gekomen.

Hoe werd Black Athena ontvangen?

Laten we eerst de positieve reacties bekijken. De stellingen pasten volkomen in het

gedachtegoed van culturele dekolonisatie, dat in de jaren tachtig van de 20ste eeuw

zowel binnen als buiten de universiteiten opgang maakte. Black Athena legt het primaat

van de Griekse en daarmee de westerse cultuur bij die gebieden die volgens Bernal

altijd als marginaal en inferieur waren beschouwd in de studie van de Oudheid - het

Nabije Oosten en bovenal Afrika. Velen die meenden dat de geschiedenis al te zeer


het verhaal van dode, blanke mannen was geweest, vonden in Black Athena een zeer

geleerd, scherpzinnig en voortreffelijk geschreven betoog dat een ingrijpend andere

visie op de cultuurgeschiedenis en de westerse historiografie verdedigde. Niet alleen

in landen die zelf vroeger kolonies waren geweest (in vele universiteiten in de zoge-

naamde Derde Wereld staat het op de verplichte leeslijsten) werd Black Athena met

open armen ontvangen, maar ook in kritische academische kringen in het Westen.

Het sterkst was de reactie onder niet-blanke studenten (en sommige docenten)

in de Verenigde Staten. De radicale groepen onder hen zochten hun inspiratie in het

Afrocentrisme. Deze, al uit het Interbellum daterende, gedachte dat de bron van alle

cultuur in zwart Afrika zou hebben gelegen en dat iedere twijfel daaraan een teken is

van racisme, was opnieuw in zwang geraakt bij radicale zwarte groepen in de Verenigde

Staten. Black Athena sloot daar tamelijk probleemloos bij aan, vooral ook door de titel

die Bernal op suggestie van zijn uitgever had gekozen. In het positieve kamp, kortom,

liepen de meningen uiteen van instemming met de politiek-wetenschappelijke stelling-

name van Black Athena zonder volledige aanvaarding van alles wat Bernal beweert, tot

aan het andere uiterste van een op Afrocentrisme gebaseerd politiek programma.

Negatieve reacties overheersten in de kringen van professionele deskundigen op

het gebied van de Oudheid - niet alleen van classici en oudhistorici, maar ook van

Egyptologen, Indo-Europeanisten en Assyriologen. Het belangrijkste element van de

kritiek was zakelijk: wie werkelijk verstand had van een van de talloze terreinen waarop

Bernal zich had begeven, zag dat zijn argumenten geheel of gedeeltelijk onjuist waren,

het materiaal eenzijdig belicht, citaten uit hun verband gehaald. Maar ook in het kriti-

sche kamp was de variëteit aan standpunten groot. Aan de ene kant mobiliseerden

Mary Lefkowitz en haar collega Guy Maclean Rogers, beiden werkzaam aan Wellesley

College bij Boston, een massale tegenaanval onder de titel Not Out of Africa. Hun

motivatie bestond in hoge mate uit de behoefte de Griekse cultuur te verdedigen

tegen de bewering dat deze niet meer zou zijn dan een derivaat, in dit geval van Afrika.

Aan het andere uiterste bevonden zich vakgenoten die zich wel herkenden in

Bernals kritiek op de beperkingen van de klassieke wetenschappen, maar met zijn

argumenten geen genoegen konden nemen. Voor allen in het kritische kamp was het

niet te verteren dat onder de vlag van wetenschapskritiek en vernieuwing zoveel onjuiste

beweringen als nieuwe feiten aan de wereld werden gepresenteerd en daar gretig

werden aanvaard. Sterker nog, wie de uiteenzettingen in Black Athena bekritiseerde

liep - zeker in de Verenigde Staten - groot risico voor racist te worden uitgemaakt. Ook

al werd de strijd gevoerd over feiten en hun interpretaties, de felheid van de respons

in de klassieke vakwereld was mede het gevolg van verontwaardiging: Bernal had van

het vak een onherkenbaar grove karikatuur gemaakt en de integriteit van bepaalde

wetenschappelijke standpunten vérgaand in twijfel getrokken.

Geen van beide partijen schuwde het debat. Vele malen werden congressen van

classici, oudhistorici en verwante wetenschappen aan Black Athena, gewijd, waar ook

Bernal werd uitgenodigd. In Nederland organiseerde de Afrikanist Wim van Binsbergen

in juni 1996 een congres met Bernal en enkele Nederlandse voor- en tegenstanders.

Hier vochten bijvoorbeeld de Egyptoloog Arno Egberts Bernals duiding van de connectie

tussen Athena en Neith aan en ikzelf de hierboven genoemde interpretatie van de

omslag van het Antieke naar het Arische Model. Omgekeerd maakte Bernal altijd aan-

spraak op zijn academische recht van weerwoord bij iedere kritische publicatie. Dit

hielp niet. Op welke feitelijke punten Bernals interpretaties ook werden weerlegd, hij

bleef volhouden dat zijn stellingen in hun algemeenheid juist waren. De voor de hand

liggende observatie, dat Bernal de situatie omkeert - Griekenland (Europa) nu een

kolonie van Afrika, in plaats van blank racisme nu zwart racisme, opnieuw invloed


van externe ideologieën, maar ditmaal een heftig antiwesterse optiek - en zich dus

schuldig maakt aan dezelfde praktijken als waarvan hij zijn tegenstanders beticht,

hielp evenmin.

Weinig professionele classici en oudhistorici zullen heden ten dage willen ont-

kennen dat de beschavingen van het Midden-Oosten de Griekse wereld hebben beïn-

vloed. Nu dit standpunt vanzelfsprekend is geworden, valt op hoezeer in de tweede

helft van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw het tegendeel het geval was en de

vakwereld overwegend leed aan een Eurocentrische bijziendheid. Hierin heeft Bernal

zeker gelijk, maar het is te simpel om deze beperkingen uitsluitend aan racisme toe

te schrijven. In de laatste dertig jaar heeft de relatie tussen de vroege Griekse cultuur

en het Midden-Oosten weer volop aandacht gekregen, mede dankzij geleerden van

het formaat van Walter Burkert en Martin West. 3

Toch blijft het bij nadere beschouwing lastig om deze invloed werkelijk te trace-

ren, om vast te stellen wat zich precies heeft afgespeeld, waar en hoe, en wat onder

invloed kan worden verstaan. Het is dus al moeilijk om de vinger nauwkeurig te leg-

gen op de uitwisseling van Griekenland met het Midden-Oosten - en dan hebben we

het over het gebied dat zo met het blote oog de meeste mogelijkheden biedt. Wat te

doen in het geval van Egypte, of breder, Afrika, waarvoor de aanwijzingen beperkt zijn?

En let wel: in Black Athena, maakt Bernal aanspraak op veel méér dan wederzijdse

invloed door, bijvoorbeeld, handelscontacten. Egypte zou werkelijk de grondslagen

hebben gelegd van de Griekse cultuur door langdurige, dominante aanwezigheid in

Griekenland zelf. Gaat het Burkert en West om religieuze verhalen, afbeeldingen,

dichtkunst en kunstvoorwerpen, elementen die zich lijken te lenen voor relatief mak-

kelijke overname, Bernal ziet ook de meest markante creaties zoals de Griekse filosofie

als uiteindelijk gebouwd op een Egyptisch fundament.

In elk geval was het niet de bewering op zichzelf dat Griekenland invloed zou

hebben ondergaan vanuit Afrika of het Midden-Oosten, die de gemoederen zo hoog

deed oplaaien. De kern van het debat ging over de vraag wat wetenschapsbeoefening

kan zijn, met name om de verhouding tussen politiek en subjectieve dan wel objectie-

ve kennis. Black Athena ontleent zijn kracht én zijn zwakte aan een aantal in elkaar

grijpende ideeën over deze verhouding. Enkele punten die al even zijn aangestipt

verdienen in dit verband meer aandacht.

Hoe verhoudt wetenschap zich tot politiek?

In de wetenschapsbeoefening is altijd sprake van een maatschappelijke component,

zowel in de belevingswereld van de individuele onderzoeker als in de vragen die

worden gesteld en de richting waarin antwoorden worden gezocht. Wetenschap is dus

zelfstandig (kent per definitie haar eigen regels) maar is ook ingebed in de sociale

omgeving. De vraag is nu hoever de invloed van die sociale omgeving reikt en wat de

zelfstandigheid van de discipline is. Wetenschappelijke zelfstandigheid houdt in dat de

onderzoeksresultaten boven de gebondenheid aan de onmiddellijke sociale omgeving

uitstijgen, met andere woorden universeel geldig en relevant zijn. Daarin ligt de

betekenis van de wetenschap voor de samenleving waarin deze wordt beoefend: de

wetenschap vormt een brug tussen kennis die gedragen wordt door een beperkte

kring en universele kennis.

De huidige wetenschapsbeoefening is grotendeels in het Westen (Europa,

Noord-Amerika) ontstaan. Wat is daarmee de status van het wetenschappelijk den-

ken? Zijn de gangbare wetenschappelijke aanspraken op universele geldigheid beter

gefundeerd dan vormen van kennis die elders zijn gecreëerd en die het wereldbeeld

van die locaties weerspiegelen? Of is de westerse wetenschap alleen succesvoller dank


zij eeuwen van politieke macht? Het antwoord van Black Athena is duidelijk de huidige

wetenschappelijke visie op de antieke wereld is het resultaat van politieke macht. Het

waren immers de externe invloeden van Romantiek en kolonialisme die verantwoorde-

lijk waren voor het Arische Model, aldus Bernal. Wetenschappelijke methoden die

volgens Bernal intern (zelfstandig, universeel geldig) ontwikkeld zijn, moeten worden

gebruikt om de externe effecten van de vroegere ideologie te niet te doen. Dan ontstaat

er een nieuw (gezuiverd) wetenschappelijk (universeel geldig) beeld.

Het begrip van universele geldigheid kwam in de jaren '70 en '80 van de 20ste

eeuw breed onder vuur te liggen. Vele westerse intellectuelen constateerden dat de

wetenschap vooral het wereldbeeld van blanke, westerse mannen tot universeel model

had verheven. Aangezien volledige objectiviteit niet mogelijk is, zou het beter en eer-

lijker (en dus: wetenschappelijker) zijnde sociale herkomst van kennis niet alleen te

erkennen, maar zelfs als uitgangspunt te nemen. Allen die zich van het universele

mensbeeld voelden buitengesloten, zouden een eigen wetenschap mogen en zelfs

moeten ontwikkelen, die uitdrukkelijk de eigen identiteit tot doel en middel had.

In de Black Athena-affaire speelde de eigen stem van Afrika als cultuurgebied en

van zwarte groepen in de Verenigde Staten een hoofdrol. Aan de Amerikaanse univer-

siteiten werden in deze jaren programma's ontwikkeld op basis van ethniciteit en er

werden heftige debatten gevoerd over de politieke betekenis van wetenschappelijke

kennis. In deze stemming groeide de zogenaamde politieke correctheid: wie twijfelde

aan de antwoorden, die als alternatief voor de traditionele modellen werden aangebo-

den, stelde zich bloot aan scherpe, morele veroordeling. De meningen liepen sterk

uiteen over de vraag of de wetenschapsbeoefening op basis van identiteit tijdelijk zou

moeten zijn, met als doel het veranderen van de bestaande wetenschap, of dat het

alternatieve, eigen standpunt de bestaande wetenschap zou moeten vervangen.

Het Afrocentrisme staat het laatste voor en is ook, omgekeerd, vanuit het

gezichtspunt van de gangbare wetenschap daarmee op geen enkele manier te verenigen.

In deze kwestie neemt Black Athena, een ambiguë positie in en gematigden in beide

kampen hebben betreurd dat Bernal niet duidelijker afstand heeft genomen van het

Afrocentrisme. Echte Afrocentristen daarentegen zagen hem als een exponent van

een joods complot, dat wereldwijd erop uit zou zijn om zwarten naar de achtergrond

te dringen, en maakten hem op zijn beurt voor racist uit. 4 Bernal zelf heeft in zijn

polemieken doorgaans een dubbelzinnig standpunt ingenomen. Deze dubbelzinnig-

heid is mijns inziens geen toeval, maar hangt samen met de manier waarop Bernal

wetenschappelijke argumenten hanteert.

Welke rol spelen wetenschappelijke argumenten?

De thesen en de argumentatie van Black Athena zijn kenmerkend voor een zogenaamd

speculatief systeem: een omvattende theorie die enorme historische ontwikkelingen

vanuit een heel specifiek standpunt beziet en geselecteerde gegevens vanuit dit stand-

punt verklaart. In zulke systemen wordt een bepaalde visie op de wereld eerst verengd

tot een absoluut uitgangspunt en vervolgens wordt de wereld opnieuw vanuit dit

absolute idee geïnterpreteerd. Herziening van de geschiedenis is een belangrijk,

soms zelfs essentieel onderdeel van deze systemen. De bekendste voorbeelden zijn

het Marxisme en verschillende religieuze visies (jodendom, christendom, islam),

maar veel -ismen hebben vroeg of laat zo’n radicale variant gekend.

Kenmerkend is dat weerlegging van argumenten geen effect sorteert. In een

gewoon wetenschappelijk debat betekent weerlegging dat de hypothese komt te ver-

vallen. Bij een speculatief systeem is dat niet het geval. Het absolute uitgangspunt

bevindt zich immers buiten het terrein waarop de discussie over gegevens en argu-


menten plaatsvindt. Daarom laten speculatieve systemen geen ruimte voor gematigde

standpunten: men dient of god of de duivel, een tussenweg is er niet. Bernal wil zich

met de wetenschap verstaan (interne methoden), en houdt dus één voet in het weten-

schappelijke kamp. Maar zijn uitgangspunt is absoluut en bevindt zich buiten het

wetenschappelijke domein. Er is dan ook geen wezenlijk verschil, hooguit een opti-

sche afstand tussen zijn standpunt en het Afrocentrisme. Dat blijkt zowel in Black

Athena als in Bernals antwoorden op kritiek: de Romantiek is per definitie racistisch,

wie de interactie tussen Egypte en de Griekse wereld gering acht wordt door koloniale

vooroordelen gedreven, enzovoorts.

In de vérgaande relativering van het gangbare geschiedbeeld sloot Bernal boven-

dien aan bij een invloedrijke stroming in de cultuurwetenschappen in de jaren '80. In

deze opvatting wegen de taal, de denkwijze en de woorden waarin argumenten zijn

gegoten, zwaarder in de interpretatie van de werkelijkheid dan de gegevens waarop

dat betoog betrekking heeft. Ook deze stroming kwam voort uit de overtuiging dat

objectieve waarheid niet bestaat en dat de werkelijkheid alleen kenbaar is voor zover

deze in (tijd- en plaatsgebonden) woorden wordt beschreven. Wat feiten zijn en welke

rol ze in het betoog spelen, werd opnieuw voorwerp van stevige discussie; in beginsel

biedt deze, op de taal gerichte benadering ruimte aan allerlei gedachte-experimenten.

Het canonieke tegenargument, waarmee de wetenschappelijke én politiek-morele grens

van deze visie wordt aangegeven, betreft ontkenning van de Holocaust: de Holocaust

is een feit dat onder geen wetenschappelijk beding anders mag worden voorgesteld

dan het in werkelijkheid was. Maar binnen die grens is er veel mogelijk.

Bernal heeft vanaf het begin uitdrukkelijk een beroep gedaan op de ruimte die

deze kentheoretische stroming had geschapen. Met zijn visie bood hij een wetenschap-

pelijk denkbaar alternatief voor de gangbare opvattingen en maakte hij aanspraak op

zijn onbetwistbaar recht de feiten anders te interpreteren. Hiermee eiste hij zijn plaats

op binnen het wetenschappelijk terrein. Maar zodra er grondige kritiek kwam, trok hij

zich terug op zijn politiek-morele stellingname. Dan betwistte hij zijn tegenstanders het

recht op hún wetenschappelijke visie die hij steevast, binnen zijn systeem, herleidde

tot een politiek immoreel standpunt (racisme). Met deze argumenten ad hominem

plaatste hij zich buiten de wetenschappelijke spelregels, om vervolgens het hele terrein

voor zichzelf op te eisen: hij, Bernal, vertegenwoordigt de 'gezuiverde' wetenschap,

critici doen niets anders dan blind de 19de-eeuwse vooroordelen herhalen. Zij moeten

zelf het terrein verlaten.

Kwam Athene uit Afrika?

Als de vraag 'Kwam Athene uit Afrika?' zou worden voorgelegd aan beide partijen,

zou het antwoord eenvoudig zijn. Bernal zou natuurlijk ja zeggen, de meeste klassieke

wetenschappers nee. Maar zo’n eenvoudig meningsverschil zou niet de enorme

opwinding van de affaire verklaren. De these en de titel van het boek zochten de con-

frontatie, van Afrika met de Griekse wereld en Europa, van Bernal met de klassieke

wetenschappen. De heftigheid van de confrontatie kwam voort uit diepgaande onenig-

heid over de spelregels van het wetenschappelijk debat en over de relatie tussen politiek

en wetenschap. Beide partijen noemden hun eigen bezigheden wetenschap en die

van de ander politiek. Maar ze noemden ook hun eigen bezigheden goede politiek,

namelijk verspreiding van juiste kennis, en die van de ander slechte politiek, namelijk

vooringenomenheid vanuit een politiek kwalijk standpunt. In beide gevallen ging - en

gaat - het om opvattingen, waarden en normen die iedere intellectueel ten diepste

voelt en waar het hele wetenschappelijke leven om draait.

Bernal wist alle wetenschappelijke ruimte te benutten, die de debatten van die


jaren hadden gecreëerd. Wanneer hij desondanks in een bepaalde kwestie bakzeil

dreigde te halen, trok hij zich terug op zijn standpunt buiten de wetenschappelijke

discussie: ook al was het besproken argument onjuist, toch had hij gelijk. Dit was

uiteraard tergend voor de oppositie, maar vooral illustratief voor zijn houding in het

algemeen . Graag citeerde hij een anonieme recensent: Bernal has the alarming habit of

being right for the wrong reasons. 5 Of deze uitspraak ooit geldig is - daarover kan men

twisten. Maar zeker is dat in de wetenschap deze uitspraak niet waar kan zijn: je kan

alleen gelijk hebben op grond van juiste redenen. Dat is nu precies wat wetenschap

tot wetenschap maakt.

Korte bibliografie

M. BERNAL, Black Athena, The Afroasiatic Roots of Classical Civilization, deel 1 The

Fabrication of Ancient Greece, 1785-1985 (London/ New Brunswick 1987); deel 2: The

Archaeological and Documentary Evidence (London/ New Brunswick 1991).

M. BERNAL, Response to Josine Blok, in: W. VAN BINSBERGEN (red.), Black Athena:

Ten Years After [Talanta 28-29, 1996-1997) 209-18.

M. BERNAL, Black Athena writes back. Martin Bernal responds to his critics (Durham/

London 2001).

W. VAN BINSBERGEN (red.), Black Athena: Ten Years After (speciaal nummer van

Talanta, 28-29, 1996-1997).

M. LEFKOWITZ, Not Out of Africa. How Afrocentrism became an excuse to teach myth as

history (New York 1996).

M. LEFKOWITZ en G. MACLEAN ROGERS (red.), Black Athena Revisited (Chapel Hill/

London 1996).

M. MYEROWITZ LEVINE, The marginalization of Martin Bernal, Classical Philology 98

(1998) 345-63.

Noten

1 Op dit moment is een Google-zoekopdracht naar Black Athena nog steeds goed

voor zo’n 20.000 hits - het debat is bepaald nog niet voorbij. Een selectie van de

meest invloedrijke en interessante bijdragen treft men aan in de bibliografie.

2 Bernal gebruikt de term Arisch uiteraard met opzet. Zo noemt hij ook de ontwik-

kelingen in het vak Oude Geschiedenis, die zijns inziens een einde maakten aan de

gedachte van Egyptische of Phoenicische invloed op Griekenland, The final solution of

the Phoenician problem, 1885-1945.

3 W. Burkert, Die orientalisierende Epoche in der griechischen Religion und Literatur

(Heidelberg 1984), vertaald als The orientalizing revolution: Near Eastern influence on

Greek culture in the archaic age, (Cambridge, Ma./ London 1992); M.L. West, The east

face of Helicon: West Asiatic elements in Greek poetry and myth (Oxford 1997).

4 Martin Bernal is van joodse afkomst en niet ‘zwart’. Het feit dat dit gegeven belangrijk

kon worden in de ogen van beide partijen (bijvoorbeeld verbazing over zijn pro-

Afrikaanse inzet, of wantrouwen over zijn loyaliteit aan het Afrikaanse standpunt)

tekent de blikvernauwing die het denken op grond van identiteit kan veroorzaken.

5 Bernal (1996-1997) 218.

More magazines by this user