Vriendschap onder schutters - Groniek

groniek.eldoc.ub.rug.nl

Vriendschap onder schutters - Groniek

VRIENDSCHAP ONDER SCHUTIERS

Paul Knevel

Het zat de Leidse schullel" Jan van der Meyninge niet mee, op die avond in

september in het jaar 1604. Het was allemaal begonnen toen hij rond negen uur

bij het stadhuis aankwam, om zich aan te melden voor de nachtwacht. Daar trof

hij twee bekenden aan: zijn overbuurman Abraham van Slooten en de vroegere

rotmeester Jacob Willemsz. van Kerck. In plaats van het gebruikelijke gesprekje

over koetjes en kalfjes, waren beiden begonnen hem uit te schelden. Aan

schutters die hierop nieuwsgierig kwamen toestromen vertelden Van Slooten en

Van Kerck ondertussen de "vilendichste, onbehoorlickste, ende schandelickste"

verhalen over Van der Meyninge. En daar waren zij niet meer mee opgehouden,

ook niet nadat het slachtoffer met zijn rot in het stadhuis was geroepen.

Toen Van der Meyninge daarna met zijn rotgezellen naar het wachthuis bij

de Koepoort wilde" vertrekken, hadden zij hem ten slotte, hangende uit een

venster van het stadhuis, toegeroepen dat hij "een crayer, een seven stuuvers

man, ende een rabbaut" was.

Eenmaal bij de Koepoort aangekomen was nog altijd geen einde gekomen

aan de lijdensweg van Van der Meyninge. Nu was het de beurt aan zijn

rotgezellen om hem te bespotten. Aan één stuk door maakten zij Van der

Meyninge uit voor "crayer", "rabbaut" en "schelm", en beschuldigden zij hem er

bovendien van zijn ouders uit huis te hebben verjaagd. Hij was het, zo lieten zij

hem weten, dan ook niet waard als schutter te dienen, en al helemaal niet in

hun rot. Dat hij toch in hun rot was geplaatst kon slechts één reden hebben: hij

had de kapitein van de compagnie omgekocht met enkele ossen. Maar, liet één

van de rotgezellen de rotmeester weten, "wy sullen hem quyt wesen, off daer

suilen voor seecker slaegen om gaen, want het es een schelm, ende wy en

begeeren met hem geensints te waecken".

Later op de avond mengden ook de schutters van de ronde zich in de ruzie.

Bij binnenkomst in het wachthuis zouden zij hebben geroepen: "dit Rodt stinckt,

gae mannen wy moeten hier sien wat wy doen, want in dit Rodt es een Crayer,

een seven stuvers man, wy moeten hier voor wachten [...l". Voor Van der

Meyninge was de maat nu vol. Even overwoog hij een mes te trekken en van

zich af te slaan, maar de gedachte aan God, en aan vrouwen kinderen, hield

hem daar naar eigen zeggen van af. Wel verliet hij gedesillusioneerd het wachthuis.

Een paar dagen later wendde diezelfde Van de Meyninge zich met een

uitvoerig verzoekschrift tot de krijgsraad. Hij vroeg de schuttersofficieren daarin

57


Knevel

eenighe middelen te vinden ten eynde iek van alle dese schandelycke, injurieuse quellagien

ende onbehoorliekheyden soude mogen werden entlast, want voorwaer mijn gagie

ende soldye te c1eyne es, dat iek myn eer, naem ende faem, in dusdanigher vougen soude

moeten verliesen, dwelcke iek meerder aehte dan alle het goet vande werelt, want ten es

ganselycken geen eunste yemant zyn eer te benemen, maer tes cunst (yemant zyn eer

benomen zynde) deselve hem weder te geven.!

Dat laatste was nu precies wat hij van de krijgsraad verwachtte. De schuttersofficieren

grepen inderdaad in en veroordeelden enkele van de betrokken

schutters tot vier gulden boete (en keurde daarmee hun gedrag en scheldwoorden

nadrukkelijk af). Overmatig drankgebruik, zo oordeelde de krijgsraad, had

een belangrijke rol gespeeld in de ruzie. Eén van de betrokken schutters had

zelfs verklaard die avond zo dronken te zijn geweest dat hij zich daardoor niets

meer van de gebeurtenissen wist te herinneren. Daarmee was de zaak voor de

schuttersofficieren afgesloten. 2

Door dit incident verkeren we even in de wereld van de zeventiende-eeuwse

HoUandse schutters. Het is een typische mannenwereld, waarin stoere praatjes,

ruzies en reputaties een belangrijke rol spelen. Maar hoe zat het eigenlijk met

de vriendschappelijke banden tussen schutters?

De schutterij: een leerschool in voor burgerlijke omgang

Schutterijen waren nadrukkelijk aanwezig in het zeventiende-eeuwse stedelijke

leven, en dat niet alleen door hun representatieve doelengebouwen en imposante

groepsportretten. 3 Als burgerwachten omspanden zij de gehele weerbare

bevolking, dat wil zeggen diegenen tussen de achttien en zestig jaar die een

zelfstandige huishouding voerden en in staat waren een wapenrusting te

bekostigen. Dat was de theorie. In de praktijk wisten verschillende groepen ­

waaronder doopsgezinden, regenlen en aUerlei personen die een ambtelijke of

dienstverlenende functie vervulden - vrijstelling te verwerven, al dan niet tegen

betaling van een speciale belasting, het zogenaamde contribuantgeld. De kern

van de schutters bestond zo uit vertegenwoordigers van de middenklassen:

timmerlieden, smeden, bakkers, maar ook kunstschilders, notarissen en apothekers.

Zij stonden onder het bevel van een hiërarchisch georganiseerd officierskorps.

Van deze officieren genoten vooral de hoofdofficieren - de kapiteins,

luitenants en vaandrigs - het nodige aanzien. Zij waren dan ook afkomstig uit

de politieke elite of de welgestelde burgerij, en alleen al door hun kostbare

kleding, gekleurde sjerpen en kunstig gedecoreerde stokwapens duidelijk

herkenbaar. In een samenleving die volgens buitenlandse reizigers vooral opviel

door haar sobere aankleding, waren de schuttersofficieren opvaUende verschij-

1 GA Leiden, Archief van de schutterij, inv. nr. 168.

2 GA Leiden, Archief van de schutterij, res. krijgsraad, 28 september 1604.

3 Het volgende is gebaseerd op P. Knevel, Burgers in hel geweer. De schutterijen in Holland,

1550-1700 (Hilversum 1994).

58


Vriendschap onder schutters

Nicolaes Jacobsz. van der Heek, Oude Schul/erij van Alkmaar in een landschap (1613).

Stedelijk Museum Alkmaar.

ningen. Hun groepsportretten leggen daar nog altijd getuigenis van af.

Het dienen in de schutterij was in de Hollandse steden een 'burgerplicht',

waaraan men zich slechts met toestemming van hoofdofficieren en stadsbestuurders,

en tegen betaling van extra belasting kon onttrekken. Eenmaal als schutter

beëdigd, was men gehoorzaamheid aan zijn meerderen verschuldigd, gehouden

een wapenrusting aan te schaffen en deze naar behoren te onderhouden, en

verplicht verschillende militaire en politiële taken te vervullen, waarvan de

telkens terugkerende nachtwacht de meest bekende is. Al deze taken waren tot

in de kleinste details gereglementeerd. Wie de schuttersordonnanties doorleest

wordt niet zozeer getroffen door wat de schutters allemaal moeten, als wel door

wat zij allemaal niet mogen. Van schutters werd 'eerzaam' gedrag verwacht: de

schutter moest eerlijk met zijn medeschutters omgaan, waardigheid betonen en

zijn affecten beheersen, en zich dus niet overgeven aan vechtpartijen, beledigingen

en braspartijen.

In schilderijen en geschriften werd de schutterij gepresenteerd als een

embleem van de vereende burgerij. Het traditionele ideaal van broederschap,

dat vooral in de laatmiddeleeuwse schuttersgilden (de voorgangers van de

zeventiende-eeuwse schutterijen) een belangrijke rol had gespeeld, was dan ook

nog altijd niet vergeten. Alkmaarse schutters werden bijvoorbeeld in de zeventiende

eeuw nog immer aangesproken als schutsbroeders. En niemand, zo staat

in hun ordonnantie uit 1650 te lezen, "sal een ander Schutte-broeder vileinlijcken

toe-sprecken het zy met vloecken ofte sweeren, het welck Godt ende den

59


Knevel

menschen mishaeghelijck is".4 In de Haagse schuttersordonnanties is eenzelfde

nadruk op het in stand houden van de onderlinge broederschap waarneembaar.

Een schuttersordonnantie uit 1715 bepaalde dat "wanneer de gelitsbroeders bij

malkander zullen zijn [...] zij gehouden zijn in onderlinge eenighyt te wesen".

Een ieder moest zich dan "wagtende van schelden of godtslastelijke woorden te

spreken op de boete die bij meerderhijt van stemme daar op gestelt sal werden".5

De verantwoordelijke schuttersofficieren en stadsbestuurders probeerden

het ideaal van onderlinge saamhorigheid niet alleen met gedragsregels af te

dwingen, maar konden tevens terugvallen op traditionele schuttersgebruiken vol

rituelen, waarvan de onderlinge schietwedstrijden en gezamenlijke maaltijden

wel de bekendste zijn. Schielwedslrijden zijn nauw verbonden met de geschiedenis

van de schutterijen. Schullers hebben er zelfs hun naam aan te danken. Een

scut of scutter, zoals een lid van het middeleeuwse schuttersgilde werd genoemd,

is iemand die schiet of zich in he-t schieten bekwaamd. 6 Die schietoefeningen

hadden in de vijftiende en zestiende eeuw verschillende vormen gehad, maar de

belangrijkste was ongetwijfeld het papegaaischieten geweest. Ieder jaar weer,

rond Pinksteren, hadden de schutsbroeders op een houten vogel geschoten die

op een staak of molenwiek bevestigd was. Degene die de vogel er als eerste

afschoot werd tot koning van het gilde uitgeroepen en genoot een jaar lang

verschillende voorrechten. Het papegaaischieten werd doorgaans besloten met

een overvloedig banket, waarbij pijpers, tromslagers en speellieden de muziek

verzorgden en rederijkers soms een gelegenheidsstuk opvoerden, vol toesfelingen

op de levenswandel en karaktertrekken van de nieuwe schutterskoning.

Na de omvorming van de schuttersgilden in burgerwachten aan het einde

van de zestiende eeuw was de wapenrusting van de schutters aanzienlijk

gemoderniseerd en hadden wapenoefeningen het karakter gekregen van

militaire exercities, inclusief speciaal aangestelde drilmeesters en instructieboeken

als Jacob de Gheyns Wapellhandelinghe, dat ook in het Staatse leger werd

gebruikt en gold als het meest moderne handboek. Maar het oefenen met

traditionele wapens als de hand- en voetboog of handbus was daarmee nog niet

verdwenen. Zo bevatte de Alkmaarse schuttersordonnantie uit 1650 nog altijd

enkele artikelen over het jaarlijkse papegaaischieten. Veel was er, afgaande op

deze artikelen, in de organisatie van dit evenement niet veranderd. Het papegaaischieten

was nog allijd een kleurrijk evenement vol tradities. De winnaar

mocht zich net als vroeger schullerskoning noemen en genoot in die hoedanig-

4 'Ordonnantie voor de Schutterye t'AJcmaer', in: Handvesten [...] der stadt Enchuysen

(Enkhuizen 1667) 70-75, art. 38.

5 GA Den Haag, Oud-archief, inv. nr. 5531.

6 M. Carasso-Kok, 'Der stede scut. De schuttersgilden in de Hollandse steden tot het einde

der zestiende eeuw', in: idem, J. Levy-van Halm ed., Schutters in Holland. Kracht en

zenuwen van de stad, tentoonstellingscatalogus. Frans Halsmuseum, Haarlem (Zwolle/Haarlem

1988) 16-35, aldaar 20.

7 Knevel, Burgers in hee geweer, 39-44.

60


Vriendschap onder sclmtters

heid vrijheid van accijns. Een jaar lang had hij bovendien zitting in de krijgsraad.

Schieten gold in de zeventiende eeuw als een beschaafde vorm van vermaak.

Onderlinge schietwedstrijden verbroederen, zo luidde nog steeds de algemene

opvatting. Zij waren dan ook niet het alleenrecht van schutters. In verschillende

Hollandse steden stond het schieten met handbussen en bogen los van de

schutterij en ontwikkelden zich uit de gemeenschappelijke schietoefeningen

nieuwe gezelschappen, veelal Broederschap, Confrerie of Schuttersorde genaamd.

De Amsterdamse Schutterij van de Edele Kruisboog was zo'n gezelschap.

In de zomer van 1648 organiseerde zij een groots schietspel dat open

stond voor "alle Keysers, Koningen, Hopmans, Dekens, Geswoorens, ende alle

andere eerbare Mannen, wie zij zijn, die gaerne metten edelen Kruys-boghe

schieten". Het wedstrijdreglement was volledig gebaseerd op dat van zestiendeeeuwse

schietwedstrijden. 8

Naast schieten was het gezamenlijk eten en drinken een andere belangrijk

ritueel in het gezelschapsleven van de schutters. Hollanders, zo stond in ieder

verslag van een buitenlandse bezoeker weer te lezen, hielden van veel en vet

eten en een goed glas. Er ging geen gelegenheid voorbij zonder omvangrijke

maaltijd; en ieder gezellig samenzijn ging gepaard met het nuttigen van grote

hoeveelheden bier of wijn. Dronkenschap was dan ook het meest gehoorde

excuus voor moedwil en ongeregeldheden. Schutters lieten zich hierin niet

onbetuigd. Vol afschuw beschreef Conrad Busken Huet in Het land van

Rembrondt de overvloedige feestdis op de befaamde Schuttersmaaltijd van

Bartholomeus van der Helst:

Bekend is op den schuttersmaaltijd van Van der Helst het beeld van den liefhebber die

ter eere van den Münsterschen vrede eene goede kluif met de handen aan den mond

brengt. Men verkeert in eene wereld van lieden wier troniën glimmen van het vet; wier

buiken gespannen Slaan als trommels. Ieder oogenblik verwacht men dat zij hunnen

broeken op een kier zullen zellen.9

Afgaande op de jaarlijkse schuttersfeesten is het beeld van de "onooglijke

overdaad" van het schuuersleven niet geheel onjuist. "0 porei!" (0 varkens!),

verzuchtte de Utrechtse humanist Aernout van Buchell in 1591 bï het aanschouwen

van de brassende en vechtende Alkmaarse schutters. l En een

Engelse reiziger was in 1634 al even geschokt door een Dordts schuttersfeest.

"Ik geloof dat er amper een nuchter persoon onder hen was, noch dat het er

veilig was voor een nuchter persoon, zo schreeuwden en zongen, brulden,

8 Ibidem, 292-297.

9 C. Busken Huet, Het lalld van Rembrandt. Studiën over de Noordnederlandsche beschaving

in de zeventiende eeuw (2 delen; Haarlem 1882-1884) IJ, 261.

10 A. van Buchell, Diarium, G. Brom en LA. van Langeraad ed. (WHG, derde serie, nr. 21;

Amsterdam 1907) 279-280.

61


Knevel

sprongen en dansten ze".l1 Geen wonder dat de verantwoordelijke officieren

en stadsbestuurders dergelijke feesten door middel van gedragsregels aan

banden probeerden te leggen. In 1633 bepaalde de Haarlemse krijgsraad

bijvoorbeeld dat de schuttersfeesten nog slechts vier dagen (sic!) mochten

duren, en dat vrouwen en kinderen voortaan niet langer welkom waren. Hun

aanwezigheid had in de jaren daarvoor namelijk alleen maar voor onrust en

"groote onnuttelijcke verslindinge van Spijs en Drank" gezorgd. 12 In Alkmaar

bepaalde men in 1650 nadrukkelijk dat "soo wie hem vuyl maeckt van overvloedelijck

eeten of drincken, soo dat hy overgeeft op 't Stadthuys ofte Doelen, ofte

op de trappen van dien" veroordeeld zou worden tot een geldboete. Twee jaar

later volgde daar nog een boete op het vernielen van glazen op.B

Maar ondanks alle overvloed en rumoer pretendeerden deze bijeenkomsten

meer te zijn dan ordinaire braspartijen. Door de strakke reglementering

onderscheidden de schuttersfeesten zich van het 'dronken drinken' in de

herbergen. De vrolijke bijeenkomsten van de schutters stonden officieel in het

teken van onderlinge vriendschap en eendracht - en werden om die reden ook

getolereerd. Het gezamenlijk eten en drinken diende als symbool van gemeenschapszin

en had zo voor de leden van de groep een integrerende en deftniërende

functie. Het onderscheidde 'wij' van 'zij'. De schuttersfeesten waren ook

zeker geen 'nieuwerwetse' uitvindingen van zeventiende-eeuwse veelvraten, maar

ontleend aan een traditie die volgens sommige geleerden zelfs terugging tot de

openluchtfeesten van de Batavieren, de mythische voorouders van de Hollanders.

14

Het schuttersleven was zo op verschillende niveau's in de ban van eendracht,

vrede en vriendschap. Of dat in de praktijk ook te merken viel? Wie

verschillende krijgsraadboek doorbladert, kan gemakkelijk menen van niet. Uit

de in deze krijgsraadboeken vermelde klachten laat zich zonder veel moeite een

treurigstemmende bloemlezing samenstellen van onderlinge tweedracht,

voortkomend uit moedwil en misverstand. Vooral de nachtwacht was een bron

van onrust. De wachthuizen vormden kennelijk een ideaal toneel voor de

'erehandel'. Reputaties konden tijdens de gezamenlijke wachten, wanneer de

rotgezellen (die meestal elkaars buurtgenoten waren) urenlang bij elkaar zaten,

gemakkelijk worden gemaakt en gebroken. En daarbij ging het niet altijd even

zachtzinnig toe, getuige de vele in de krijgsraadboeken aangetekende vecht- en

scheldpartijen. Dergelijke ruzies waren niet vrijblijvend, zoals de lotgevallen van

de schutter Jan van der Meyninge (waarmee dit artikel begon) illustreerden. In

een samenleving waarin eer een essentieel onderdeel was van iemands 'maatschappelijke

kapitaal', betekende aantasting daarvan een ernstige zaak, die niet

11 S. Schama, Overvloed en onbeilagen. De Nederlandse cultuur in de Gouden Eeuw (Amsterdam

1988) 198.

12 Nieuwe ordOJlnalllie van de scillitterije der stadt Haerlem (Haarlem 1633) art. 47-49.

13 'Ordonnantie voor de Schulterye t'Alcmaer', 75; GA Alkmaar, res. vroedschap, 10 juni

1652.

14 Knevel, Burgers in het geweer, 300-303.

62


AJlcdaagsc vriendschappen.

Vriendschap onder schuners

Op basis van het voorafgaande kan gemakkelijk de indruk ontstaan dat vriendschap

onder schutters een van bovenaf opgelegd ideaal is, en dat de daarbij

behorende rituelen vooral dienden om de maatschappelijke status quo te

handhaven. Met de moderne idee van vriendschap heeft dit alles weinig uit te

staan. Toch is dit nog niet het gehele verhaal.

In 1654 karakteriseerde de schrijver van het geschrift de Af-scheyds-woorrien

van kapitein Van der Croos het schuttersleven als een combinatie van militaire

deugden en gezelligheid. In deze (mogelijk fictieve) afscheidsrede ("op-geöffert

aen sijnen Luytenant ende syn Rots-gesellen") memoreerde deze Haagse

kapitein niet alleen glorieuze wapenfeiten als de expedities naar Heusden en

Geertruidenberg, toen iedere schutter "als een moedigh Soldaet nae eer en

glory trachte", maar herinnerde hij zijn manschappen ook aan de vele glazen

wijn die men in het doelengebouw had genuttigd en de gezamenlijke maaltijden

vol vrolijkheid en scherts. 21 Lidmaatschap van de schutterij betekende dus niet

alleen maar verplichtingen, maar ook gelegenheid tot vrijetijdsbesteding en

recreatie ver weg van huis en werk. Dat gold zelfs voor de gehate waakdiensten,

want in de praktijk werden de nachtelijke uren in de wachthuizen toch vooral

gedood met het gezamenlijk drinken en vertellen van stoere verhalen. Over de

inhoud van die verhalen weten we niets, maar de schutterij was een typische

mannenwereld, zodat de gespreksstof zich wel laat raden. Schuine moppen

waren er in ieder geval genoeg. En als men er zelf geen meer wist, kon men

altijd nog te rade gaan bij de in de schuttersalmanakken opgenomen "Kluchtige

Slaep-Verdryver voor de Wakende Rot-gezels", een verzameling van pikante en

dubbelzinnige anekdotes en rijmpjes over domme boeren, sluwe oplichters en

wellustige vrouwen. Door het handzame formaat kon men deze boekjes

gemakkelijk bij zich steken. Ook het taalgebruik van de schutters zal wel niet

altijd even beschaafd zijn geweest, zo valt althans op te maken uit de herhaalde

bepalingen tegen het 'onder de gordel' spreken tijdens de gezamenlijke bijeenkomsten.

Maar ook serieuze onderwerpen als de laatste regentenruzie, de positie van

de stadhouder, de internationale situatie en de godsdienstgeschillen kwamen ter

sprake. Informatie hierover konden de schutters halen uit de pamfletten die

zo'n opvallende rol speelden in de politieke cultuur van de Republiek. Pamfletten

waren er in allerlei soorten en maten, van omvangrijke verhandelingen

doorspekt met Latijnse citaten en geleerde verwijzingen tot ordinaire eenbladige

scheldkannonades die aan de deuren van publieke gebouwen werden aangeplakt

of op de straathoeken uitgedeeld. De meeste geschriften waren echter bedoeld

voor 'de gemeente', de groep tussen de bovenlaag van regenten en onderlaag

21 A. vander CI'OOS Af-scheyds-woorden, verrijckl met des Graven-haegsche schutters eertijtu/en,

opgeóffert aen sijnen LlIylenallt Bartholomeus van Duynen, ende sijn rots-gesel/en,

resorterende onder 't Oranje Vaendel (Knu!!el 7599; 's-Gravenhage 1654).

65

More magazines by this user
Similar magazines