29.07.2013 Views

Artikel Huisarts Nu

Artikel Huisarts Nu

Artikel Huisarts Nu

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

Het diagnosticeren van hartfalen in de huisartsenpraktijk is<br />

verre van eenvoudig. Overduidelijke gevallen laten geen twijfel,<br />

maar van zodra het klinisch beeld iets minder duidelijk<br />

wordt, is het voor de huisarts niet meer mogelijk om de diagnose<br />

met zekerheid te stellen. Nochtans heeft het al dan niet<br />

stellen van de juiste diagnose belangrijke consequenties voor<br />

de patiënt. Aan de hand van een casus gaan de auteurs dieper<br />

in op de problemen die zich stellen bij de diagnostiek van hartfalen.<br />

De cruciale vraag hierbij is: hoe kunnen we als huisarts<br />

het aantal onjuiste diagnoses tot een minimum beperken?<br />

Door de toenemende vergrijzing van de bevolking krijgt de<br />

huisarts in zijn praktijk steeds meer te<br />

maken met hartfalen. Deze diagnose correct<br />

stellen is echter niet altijd eenvou- ??<br />

dig. Dit komt door de atypische presentatie<br />

van klachten op oudere leeftijd en<br />

de vaak aanwezige comorbiditeit.<br />

Nochtans heeft het al dan niet stellen<br />

van de juiste diagnose belangrijke consequenties<br />

voor de patiënt. Het miskennen<br />

van de diagnose hartfalen kan de<br />

prognose in belangrijke mate ondermijnen.<br />

Overdiagnostiek leidt dan weer tot<br />

overbehandeling en vooral onnodige ongerustheid,<br />

hetgeen de levenskwaliteit<br />

van de patiënt kan aantasten.<br />

Hoe kunnen we als huisarts het aantal onjuiste diagnoses<br />

tot een minimum beperken? Dit artikel gaat, aan de hand<br />

van een casus, dieper in op de problemen die zich stellen bij<br />

de diagnostiek van hartfalen.<br />

C a s u s<br />

Op maandagochtend komt Robert op consultatie. Robert<br />

is een kranige 76-jarige man. Als HIBO in een plattelandspraktijk<br />

in Noord-Nederland ken ik hem vooral omdat<br />

ik hem vaak door het dorp zie fietsen.<br />

Robert maakt zich duidelijk zorgen. Al meer dan een jaar<br />

heeft hij regelmatig last van een benauwd gevoel op de<br />

borst. De klachten treden vooral op wanneer hij bergop<br />

H U I S A R T S & P R A K T I J K<br />

H A R T F A L E N I N D E H U I S A R T S E N P R A K T I J K<br />

Faalt de diagnostiek?<br />

A. COURTENS, W. SMOLDERS, D. VAN DUPPEN<br />

of tegen de wind in moet fietsen. Omdat hij dan meer lucht<br />

nodig heeft, denkt hij ergens een vernauwing op de luchtpijp<br />

te hebben.<br />

Het verhaal doet me in eerste instantie denken aan angina<br />

pectoris. Bij navraag gaat het inderdaad om een drukkende<br />

pijn, eerder dan om benauwdheid. De pijn straalt niet<br />

uit, is retrosternaal gelokaliseerd en treedt altijd op bij matige<br />

inspanning. Als Robert dan rustig verder fietst, zakt<br />

de pijn vanzelf weer weg. Hij kan echter niet zeggen hoe<br />

frequent dit gebeurt. De laatste tijd komt het in elk geval<br />

niet vaker voor. In rust of ‘s nachts zijn er geen klachten.<br />

Ik vraag Robert waarom hij precies nu op raadpleging<br />

komt. Aanvankelijk dacht hij last te<br />

hebben van slijmen op de borst die<br />

maar niet wilden loskomen. De klachten<br />

bleven echter terugkomen, terwijl<br />

hij eigenlijk nooit slijmen kon ophoesten.<br />

Daarom vermoedt hij dat er<br />

toch ergens een vernauwing op die luchtpijp<br />

zit. Hij was vroeger een verstokt roker<br />

en je weet maar nooit!<br />

Ik besluit dieper in gaan op zijn klachten.<br />

Echt kortademig is Robert niet, tenzij<br />

hij wat harder op de trappers gaat<br />

duwen. Er is geen nachtelijke dyspnoe<br />

en ook hoesten gebeurt eerder sporadisch.<br />

Met roken is hij blijkbaar al meer<br />

dan vijfentwintig jaar gestopt. Hij is niet vermagerd, integendeel.<br />

Verdere exploratie van de cardiovasculaire risicofactoren<br />

brengt weinig bijzonderheden aan het licht. In<br />

het verleden waren er geen noemenswaardige cardiopulmonale<br />

problemen. Hij heeft geen hypertensie, geen verhoogd<br />

cholesterol, noch diabetes. Hij gebruikt momenteel<br />

geen medicatie. Wel heeft hij de laatste tijd vaker last van<br />

gezwollen voeten.<br />

Klinisch onderzoek en diagnose<br />

Gezien Roberts vraag concentreer ik mij bij het klinisch<br />

onderzoek in eerste instantie op de auscultatie van de longen.<br />

Er is bilateraal gedaald vesiculair ademgeruis, maar<br />

geen ronchi of basale crepitaties. Er is geen drukpijn op de<br />

<strong>Huisarts</strong> <strong>Nu</strong> oktober 2003; 32(8) 409


Argumenten uit anamnese en klinisch onderzoek<br />

Welke argumenten uit anamnese en klinisch onderzoek<br />

vergroten of verkleinen nu bij onze patiënt de kans op hartfalen?<br />

In onze casus was het in eerste instantie het bilateraal pitting<br />

oedeem dat de arts aan de mogelijkheid van hartfalen<br />

deed denken. Hoe sterk is nu het argument ‘enkeloedeem’<br />

bij het aantonen van hartfalen? Onderzoek naar de waarde<br />

van symptomen en klinische bevindingen bij het vaststellen<br />

van hartfalen is schaars en niet eenduidig 10 . Een<br />

antwoord op onze vraag vinden we terug in een studie van<br />

Harlan et al. bij patiënten met coronair lijden en hartfalen 11 .<br />

Tabel 1 vermeldt de belangrijkste bevindingen uit dit onderzoek.<br />

Zo heeft volgens de tabel ‘enkeloedeem’ een sensitiviteit<br />

van 10 % en een specificiteit van 93 %. Hoe kunnen<br />

we dit vertalen naar onze patiënt? De begrippen sensitiviteit<br />

en specificiteit zijn afkomstig uit de epidemiologie.<br />

Vanuit diagnostisch standpunt zijn ze echter minder relevant.<br />

Interessanter in gebruik is ‘de kracht van een argument’<br />

of de likelihood ratio: deze geeft aan in welke mate<br />

een ziekte aannemelijker (aantonende kracht) of minder<br />

aannemelijk (ontkennende kracht) wordt na het vinden<br />

van een bepaald argument 7 . De aantonende kracht van het<br />

argument ‘enkeloedeem’ bij de diagnose van hartfalen kan<br />

worden berekend met behulp van de volgende formule:<br />

Aantonende kracht =<br />

sensitiviteit (%)<br />

100 - specificiteit (%)<br />

Deze bedraagt hier 10/(100-93) of 1,43. Dit betekent dat<br />

enkeloedeem ongeveer anderhalve keer meer voorkomt<br />

bij mensen met hartfalen dan bij mensen zonder. Het werken<br />

met de aantonende kracht heeft als voordeel dat op<br />

een vrij eenvoudige manier de nakans kan worden berekend<br />

met volgende formule:<br />

Voorkans<br />

(uitgedrukt in<br />

odds)<br />

De voorkans op hartfalen bedroeg bij onze patiënt 20 %.<br />

Omgerekend naar odds ratio betekent dit 20 kansen (wél<br />

hartfalen) tegen 80 kansen (géén hartfalen). Hierdoor wordt<br />

de formule:<br />

Voorkans<br />

20<br />

80<br />

x Aantonende kracht =<br />

x<br />

x<br />

Aantonende kracht<br />

10 %<br />

(100-93 %)<br />

=<br />

=<br />

Nakans<br />

(uitgedrukt in<br />

odds)<br />

Nakans<br />

2<br />

5,6<br />

HUISARTS & P r a k t i j k<br />

Zet men nu de nakans (2 kansen wél hartfalen, tegen 5,6<br />

kansen geen hartfalen) terug om van odds ratio naar waarschijnlijkheid<br />

in procenten, dan heeft men een nakans<br />

van 2 kansen op 2 + 5,6 of 26,3 % 7 . Het vaststellen van<br />

bilateraal pitting oedeem verhoogt bij Robert dus de kans<br />

op hartfalen van 20 naar 26,3 %. Een bescheiden winst.<br />

Perifeer oedeem is bij bejaarden immers meestal een gevolg<br />

van veneuze insufficiëntie, minder vaak een gevolg<br />

van hartfalen 10 .<br />

Afwezige argumenten<br />

Zijn er bij Robert nog andere argumenten die aan hartfalen<br />

doen denken? Keren we terug naar tabel 1, dan bemerken<br />

we ook een aantal argumenten die in onze casus<br />

niet aanwezig zijn. Zo is er niet echt sprake van paroxysmale<br />

nachtelijke dyspnoe of dyspnoe bij normale inspanning,<br />

en werden bij klinisch onderzoek geen derde<br />

harttoon, crepitaties of tachycardie vastgesteld. Ook deze<br />

argumenten hebben hun belang! Net zoals de aantonende<br />

kracht kan worden berekend, kan men ook de ontkennende<br />

kracht van argumenten gaan berekenen. Dit gebeurt<br />

met de formule:<br />

Ontkennende kracht =<br />

100 - sensitiviteit (%)<br />

specificiteit (%)<br />

Door, net als bij de aantonende kracht, de voorkans (in<br />

odds) met de ontkennende kracht (OK) te vermenigvuldigen,<br />

bekomt men de nakans (in odds) 7 . Passen we dit<br />

toe op onze patiënt voor de argumenten ‘dyspnoe’, ‘nachtelijke<br />

dyspnoe’, ‘tachycardie’, ‘basale crepitaties’ en ‘derde<br />

harttoon’, dan geeft dit de volgende mathematische<br />

berekening:<br />

Voorkans OK dyspnoe<br />

26,3<br />

73,7<br />

0,34<br />

0,53<br />

OK nacht.<br />

dyspn.<br />

0,67<br />

0,76<br />

OK<br />

tachyc.<br />

0,93<br />

0,99<br />

OK<br />

crep.<br />

0,87<br />

0,91<br />

OK 3de<br />

toon<br />

0,69<br />

0,95<br />

x x x x x =<br />

Nakrans<br />

3,34<br />

24,93<br />

Omrekening van odds ratio naar waarschijnlijkheid in procenten<br />

levert dan een nakans op van 3,34 kansen (3,34 +<br />

24,93) of 11,8 %. Na inachtneming van de voornaamste<br />

argumenten uit anamnese en klinisch onderzoek, is bij<br />

Robert de kans op hartfalen dus 11,8 %. Dit is nog steeds<br />

ver van onze uitsluitingsdrempel van 1 %.<br />

Nog belangrijker is echter de boodschap dat het voor de<br />

huisarts niet altijd eenvoudig is om op basis van anamnese<br />

en klinisch onderzoek de diagnose hartfalen te stellen.<br />

<strong>Huisarts</strong> <strong>Nu</strong> oktober 2003; 32(8) 411


Verschillende onderzoeken in de eerste lijn bevestigen dit.<br />

Slechts 30 % van de door de huisarts als hartfalen gediagnosticeerde<br />

patiënten blijken uiteindelijk ook hartfalen<br />

te hebben 12 . De reden van dit ontmoedigend resultaat vinden<br />

we terug in tabel 1: geen enkel klinisch argument is<br />

immers voldoende krachtig om een belangrijke stap voorwaarts<br />

te zetten in het diagnostisch proces. Behalve in overduidelijke<br />

gevallen, zullen we daarom een beroep moeten<br />

doen op aanvullende diagnostiek om hartfalen met voldoende<br />

zekerheid aan te tonen of uit te sluiten 5 .<br />

Aanvullend onderzoek<br />

Over welke aanvullende onderzoeken<br />

beschikt de huisarts? Een ECG of een<br />

RX-thorax lijken een logische eerste stap.<br />

Welk onderzoek geniet de voorkeur? De<br />

Improvement-studie onderzocht in vijftien<br />

Europese landen de aanpak van<br />

huisartsen bij een vermoeden van hartfalen.<br />

Hieruit blijkt dat 94 % van de<br />

Belgische huisartsen bij de diagnostiek<br />

van hartfalen gebruikmaakt van een<br />

ECG, terwijl 85 % een RX-thorax aanvraagt.<br />

In Nederland zijn deze cijfers respectievelijk<br />

58 en 74 % 13 . Heel wat<br />

Nederlandse huisartsen zijn immers niet vertrouwd met<br />

het afnemen van een ECG in de eigen praktijk en verwijzen<br />

hiervoor door naar de cardioloog of het huisartsenlaboratorium.<br />

412 <strong>Huisarts</strong> <strong>Nu</strong> oktober 2003; 32(8)<br />

HUISARTS & P r a k t i j k<br />

Sens.(%) Spec.(%) VW+ (*) AK OK<br />

Anamnese<br />

Dyspnoe 66 52 23 % 1,37 0,65<br />

Orthopnoe 21 81 25 % 1,11 0,97<br />

Nachtelijke dyspnoe 33 76 26 % 1,37 0,88<br />

Lichamelijk onderzoek<br />

Hartritme >100/min 7 99 6 % 7 0,94<br />

Basale crepitaties 13 91 27 % 1,44 0,96<br />

Derde harttoon 31 95 61 % 6,2 0,73<br />

Enkeloedeem 10 93 26 % 1,43 0,97<br />

RX-Thorax<br />

Cardiothoracale index > 0,5 62 67 32 % 1,88 0,57<br />

(*) = positief voorspellende waarde uitgaande van een voorkans op hartfalen van 20 %<br />

Tabel 1: Sensitiviteit, specificiteit en positief voorspellende waarde (VW+) van klachten en onderzoeksbevindingen bij hartfalen 11 . De aantonende kracht<br />

(AK) en ontkennende kracht (OK) werden op basis van deze gegevens berekend.<br />

??<br />

Omdat in het geval van Robert geen ECG-toestel in de<br />

praktijk voorhanden was en hij sneller kon worden doorgestuurd<br />

voor een RX-thorax dan voor een ECG, werd in<br />

eerste instantie geopteerd voor een RX- thorax. Een thoraxfoto<br />

kan zinvol zijn om cardiomegalie (cardiothoracale<br />

index >0,5) of longcongestie te detecteren. Dit bewijst op<br />

zich geen hartfalen. Uit tabel 1 valt af te leiden dat een vergrote<br />

cardiothoracale index een sensitiviteit van 62 % en<br />

een specificiteit van 67 % heeft. Een thoraxfoto met afwijkingen<br />

draagt bijgevolg bij tot de diagnose, maar is onvoldoende<br />

om de diagnose te bevestigen. Een normale<br />

longfoto sluit hartfalen niet uit 5,14 .<br />

Bij een ECG ligt dit enigszins anders.<br />

Afwijkingen op het ECG zoals linkerventrikelhypertrofie,<br />

tekenen van ischemisch<br />

hartlijden, ritmestoornissen,<br />

intraventriculaire geleidingsstoornissen<br />

of aspecifieke repolarisatiestoornissen<br />

komen vaak voor bij hartfalen.<br />

De sensitiviteit van een afwijkend ECG<br />

in het voorspellen van linkerventrikeldisfunctie<br />

is hoog (89 %). De specificiteit<br />

is rentegen laag (46 %) 15 . Dit betekent<br />

dat slechts één patiënt op tien<br />

met linkerventrikeldisfunctie een normaal<br />

ECG heeft. Een normaal ECG is dus een vrij goede<br />

uitsluiter. Een abnormaal ECG heeft voor het stellen van<br />

de diagnose hartfalen een beperkte waarde, maar kan wel<br />

aanwijzingen geven over de etiologie 5,14,15 .


Wachtkamerkans<br />

20%<br />

AK * perifeer oedeem<br />

26,3%<br />

OK ** (dyspnoe, nachtelijke dyspnoe,<br />

tachycardie, crepitaties, derde harttoon<br />

11,8%<br />

RX-thorax<br />

Sens.: 62%<br />

Spec.: 67% 11<br />

cardiomegalie geen cardiomegalie<br />

20,1%<br />

ECG<br />

afwijkend normaal<br />

Sens.: 89%<br />

Spec.: 46% 15<br />

HUISARTS & P r a k t i j k<br />

29,3% 5,7% 11,0%<br />

1,8%<br />

7,0%<br />

ECG<br />

afwijkend normaal<br />

* AK: aantonende kracht; ** OK: ontkennende kracht<br />

Figuur 1: Kans op hartfalen bij Robert bij achtereenvolgens een RX-thorax en een ECG, vertrekkende van een voorkans van 20 %. De uitsluitingsdrempel<br />

werd in deze casus gelegd rond de 1 %.<br />

<strong>Huisarts</strong> <strong>Nu</strong> oktober 2003; 32(8) 413


Juiste keuze?<br />

Was een RX-thorax in deze casus dan een goede keuze?<br />

Zoals al eerder vermeld, proberen we bij Robert in de eerste<br />

plaats hartfalen uit te sluiten. We willen dus zo weinig<br />

mogelijk vals-negatieven, oftewel een zo hoog mogelijke<br />

sensitiviteit. Een ECG was bijgevolg een betere eerste keuze<br />

geweest.<br />

Wanneer ik Robert de volgende dag met de thoraxfoto op<br />

de praktijk terugzie, blijkt er toch sprake te zijn van cardiomegalie.<br />

Omdat dit een extra, maar onvoldoende argument<br />

is om hartfalen aan te tonen, besluit ik om Robert<br />

door te verwijzen voor echocardiografie.<br />

Stel nu dat de RX-thorax normaal was geweest, was hartfalen<br />

dan voldoende uitgesloten? In figuur 1 berekenen we<br />

bij Robert de kans op hartfalen wanneer achtereenvolgens<br />

een RX-thorax en een ECG waren gebeurd. Een normale<br />

RX had de kans doen dalen naar 7 %, op zich nog onvoldoende<br />

om hartfalen uit te sluiten. Een bijkomend normaal<br />

ECG had de kans verder kunnen verlagen naar 1,8 %.<br />

Vermoeden van hartfalen<br />

op basis van symptomen en<br />

klinische tekenen<br />

Hartziekte aantonen<br />

door [EKG én RX-thorax],<br />

óf natriuretische peptides<br />

Onderzoek<br />

afwijkend<br />

414 <strong>Huisarts</strong> <strong>Nu</strong> oktober 2003; 32(8)<br />

Beeldvorming door echocardiografie<br />

(of <strong>Nu</strong>cleaire angiografie of NMR)<br />

Onderzoek<br />

afwijkend<br />

Aantonen van oorzaak, ernst en<br />

uitlokkende factoren van hartfalen,<br />

+ bepalen van het type cardiale disfunctie<br />

Kies behandeling<br />

Onderzoek<br />

normaal<br />

Onderzoek<br />

normaal<br />

Figuur 2: Diagnose van hartfalen volgens de European Society of Cardiology 5.<br />

HUISARTS & P r a k t i j k<br />

Hiermee was onze uitsluitingsdrempel bereikt. Een afwijkend<br />

ECG had de kans opnieuw op 11 % gebracht, met verwijzing<br />

tot gevolg.<br />

De belangrijkste conclusie uit figuur 1 is dat een normale<br />

RX-thorax én ECG bij Robert voldoende waren geweest om<br />

hartfalen uit te sluiten en bijgevolg te starten met een ßblokker.<br />

Een afwijkende RX-thorax of een abnormaal ECG<br />

was daarentegen voldoende om onze patiënt door te verwijzen<br />

voor echocardiografie. De conclusie uit onze berekeningen<br />

stemt volledig overeen met de in 2001 gepubliceerde<br />

richtlijnen van de ‘European Society of Cardiology’<br />

5 . Figuur 2 vat deze richtlijnen in een stappenplan samen.<br />

Ook hier zijn een normaal ECG én RX-thorax<br />

voldoende om de diagnose hartfalen te herzien, terwijl een<br />

afwijkend onderzoek aanvullende diagnostiek door de cardioloog<br />

noodzakelijk maakt. Naast het objectief vaststellen<br />

van de diagnose hartfalen, onderstrepen deze richtlijnen<br />

ook het belang van het opsporen van de oorzaak van de<br />

pompdisfunctie en de uitlokkende factoren.<br />

Hartfalen weinig waarschijnlijk<br />

Hartziekte aantonen<br />

door [EKG én RX-thorax],<br />

óf natriuretische peptides


Nieuwe diagnostische middelen<br />

Omdat de diagnose hartfalen in de eerste lijn zo moeilijk<br />

te stellen is, ging men de afgelopen jaren op zoek naar nieuwe<br />

diagnostische hulpmiddelen. Met de ontdekking van<br />

de natriuretische peptiden is dit onderzoek in een stroomversnelling<br />

geraakt. Natriuretische peptiden zijn biologisch<br />

actieve stoffen die bij verhoogde intracardiale druk vrijkomen<br />

uit de hartventrikels. Vooral de serumbepaling van het<br />

N-terminal pro Brain Natriuretic Peptide (NT-proBNP)<br />

blijkt een eenvoudig en betrouwbaar diagnostisch hulpmiddel<br />

te zijn bij onbehandeld hartfalen. In Brits epidemiologisch<br />

onderzoek leverde de test, bij een serumspiegel<br />

van 36 pmol/liter als drempel, binnen de algemene bevolking<br />

een sensitiviteit op van 100 % en een specificiteit van<br />

70 % 16 . De test profileert zich dus in de eerste plaats als een<br />

betrouwbare uitsluiter bij vermoeden van hartfalen (zie ook<br />

figuur 2) 5 . Dit maakt deze test bijzonder geschikt voor de<br />

eerste lijn. Een normale testuitslag maakt het verwijzen<br />

voor een duurdere echocardiografie overbodig; bij een afwijkende<br />

waarde kan alsnog worden verwezen 5 . Momenteel<br />

is de test in België wel commercieel beschikbaar, maar terugbetaling<br />

is nog niet voorzien. Ook moet men rekening<br />

houden met een groot tijdsinterval tussen het afnemen van<br />

de test en de bekendmaking van de resultaten. Bovendien<br />

is verder onderzoek naar de bruikbaarheid ervan in de dagelijkse<br />

praktijk volop aan de gang. Het zal dus nog wel<br />

even duren vooraleer de huisarts deze test aan zijn diagnostisch<br />

arsenaal kan toevoegen.<br />

B e s l u i t<br />

Wat leert ons deze casus? Het diagnosticeren van hartfalen<br />

is verre van eenvoudig. Overduidelijke gevallen laten<br />

geen twijfel, maar van zodra het klinisch beeld iets minder<br />

duidelijk wordt, is het voor de huisarts niet meer mogelijk<br />

om de diagnose met zekerheid te stellen. In die gevallen kan<br />

hij/zij in eerste instantie aanvullend onderzoek gebruiken<br />

om hartfalen uit te sluiten. Een ECG is op dat moment de<br />

meest logische eerste stap, eventueel aangevuld met een<br />

RX-thorax. Zijn beide onderzoeken negatief, dan berusten<br />

de klachten hoogstwaarschijnlijk niet op hartfalen. Is één<br />

van beide onderzoeken afwijkend, dan verwijst men beter<br />

door voor aanvullend (echocardiografisch) onderzoek.<br />

Veel wordt verwacht van de bepaling van het NT-proBNP.<br />

Verder onderzoek zal moeten bevestigen of deze eenvoudige<br />

bloedtest inderdaad de ideale test is om hartfalen in<br />

de huisartsenpraktijk uit te sluiten.<br />

HUISARTS & P r a k t i j k<br />

AUTEURS<br />

A. Courtens is als huisarts verbonden aan het wijkgezondheidscentrum De<br />

Sleep te Gent;<br />

W. Smolders is werkzaam als cardioloog in het Algemeen Centrum Ziekenhuis<br />

Antwerpen, campus Sint-Erasmus te Borgerhout (Antwerpen);<br />

D. Van Duppen is huisarts en praktijkopleider in de groepspraktijk ‘Geneeskunde<br />

voor het Volk’ te Deurne (Antwerpen).<br />

L i t e r a t u u r<br />

1 1. Rutten FA, Bohnen AM, Hufman P, et al. NHG-standaard angina pectoris.<br />

In: Thomas S, Geijer RMM, Van der Laan JR, Wiersma TJ (reds).<br />

NHG-standaarden voor de huisarts II. Utrecht: Bunge, 1996:65-72.<br />

2 Black ER, Bordley DR, Tape TG, Panzer RJ. Diagnostic strategies for common<br />

medical problems [2nd edition]. Philadelphia: ACP Publishing,<br />

1999:47-60.<br />

3 Van Weert HCPM, Bär FWHM, Grundmeijer HGLM. Pijn op de borst.<br />

<strong>Huisarts</strong> Wet 2002;45:259-64.<br />

4 Missault L, Bauwens F, Van Veldhuisen DJ. Het gebruik van bètablokkers<br />

bij licht tot ernstig chronisch hartfalen. Tijdschr Geneesk 2002;58:98-104.<br />

5 Task Force for the Diagnosis and Treatment of Chronic Heart Failure,<br />

European Society of Cardiology. Guidelines for the diagnosis and treatment<br />

of chronic heart failure. Eur Heart J 2001;22:1527-60.<br />

6 Scanlon PJ, Faxon DP, Audet AM, et al. ACC/AHA guidelines for coronary<br />

angiography. A report of the American College of Cardiology/American<br />

Heart Association Task Force on Practice Guidelines (Committee on<br />

Coronary Angiography). J Am Coll Cardiol 1999;33:1756-824.<br />

7 Van den Ende J, Derese A, Debaene L et al. Dossier medische besliskunde.<br />

Een nieuw accent in de Vlaamse huisartsengeneeskunde. <strong>Huisarts</strong> <strong>Nu</strong><br />

1996;9:281-344.<br />

8 Davies MK, Hobbs FDR, Davis RC, et al. Prevalence of left-ventricular<br />

systolic dysfunction and heart failure in the Echocardiographic Heart or<br />

England Screening study: a population based study. Lancet 2001;358:<br />

439-44.<br />

9 Davis RC, Hobbs FDR, Kenkre JE, et al. Prevalence of left ventricular systolic<br />

dysfunction and heart failure in high risk patients: community based<br />

epidemiological study. BMJ 2002;325:1156.<br />

10 Grundmeijer HGLM, Meeter KA, Hoes AW, Mosterd A. De diagnostiek van<br />

chronisch hartfalen in de huisartspraktijk. <strong>Huisarts</strong> Wet 1996;39:3-11.<br />

11 Harlan WR, Oberman A, Grimm R, Rosati RA. Chronic congestive heart<br />

failure in coronary artery disease: clinical criteria. Ann Intern Med 1977;<br />

86:133-8.<br />

12 Hobbs FDR, Davis CR, Lip GYH. Heart failure in general practice. Clinical<br />

Review. ABC of heart failure. BMJ 2000;320:626-9.<br />

13 Cleland JG, Cohen-Solal A, Aguilar JC, et al. Management of heart failure<br />

in primary care (the improvement of heart failure programme): an international<br />

survey. Lancet 2002;360:1631-9.<br />

14 Khunti K, Baker R, Grimshaw G. Diagnosis of patients with chronic heart<br />

failure in primary care: usefulness of history, examination, and investigations.<br />

Br J Gen Pract 2000;50:50-4.<br />

15 Houghton AR, Sparrow NJ, Toms E, Cowley AJ. Should general practitioners<br />

use the electrocardiogram to select patients with suspected heart<br />

failure for echocardiography? Int J Cardiol 1997;62:31-6.<br />

16 Hobbs FDR, Davis RC, Roalfe AK, et al. Reliability of N-terminal pro-brain<br />

natriuretic peptide assay in diagnosis of heart failure: cohort study in representative<br />

and high risk community populations. BMJ 2002;324:1498.<br />

DIT ARTIKEL WERD BEKROOND MET DE TWEEDE PRIJS CASUÏSTIEK IN DE HUISARTSENPRAKTIJK 2002.<br />

<strong>Huisarts</strong> <strong>Nu</strong> oktober 2003; 32(8) 415

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!