Aanpak van agressie en geweld in internationaal perspectief

osha.europa.eu

Aanpak van agressie en geweld in internationaal perspectief

Aanpak van agressie en geweld

in internationaal perspectief

Quickscan naar aard, omvang en

beleid in vier landen

Eindrapport

Een onderzoek in opdracht van het Ministerie van

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Annejet Kerckhaert

Lennart de Ruig

Projectnummer: B3771

Zoetermeer, 15 december 2010


De verantwoordelijkheid voor de inhoud berust bij Research voor Beleid. Het gebruik van

cijfers en/of teksten als toelichting of ondersteuning in artikelen, scripties en boeken is

toegestaan mits de bron duidelijk wordt vermeld. Vermenigvuldigen en/of openbaarmaking

in welke vorm ook, alsmede opslag in een retrieval system, is uitsluitend toegestaan na

schriftelijke toestemming van Research voor Beleid. Research voor Beleid aanvaardt geen

aansprakelijkheid voor drukfouten en/of andere onvolkomenheden.

2


Voorwoord

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en het Ministerie

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) hebben Research voor Beleid een in-

ternationaal vergelijkend onderzoek laten uitvoeren naar agressie en geweld tegen

werknemers met een publieke taak. Dit rapport doet verslag van de onderzoeksresul-

taten.

Het onderzoek is begeleid door een begeleidingscommissie bestaande uit Claudia Artz

(Ministerie van BZK), Robbert Bakker (Ministerie van BZK), Paul van der Gaag

(Ministerie van SZW), Rozemarijn de Man (Ministerie van BZK), Adri Stet (Ministerie

van BZK) en Rex van der Sluys (Ministerie van SZW). Wij willen de begeleidings-

commissie bedanken voor haar deskundige inbreng. Ook gaat een woord van dank uit

naar Gerben Korthouwer (Ministerie van VWS), Peter Peerdeman (CAOP/Veiligezorg),

Michael Hoppe (Ministerie van OCW) en Guy Hermans (Kennisplatform Verkeer en

Vervoer) die een eerdere versie van dit rapport van commentaar hebben voorzien.

De literatuurstudie en interviews die de basis vormen van het onderzoek zijn uitge-

voerd door Alice Johansson, Annejet Kerckhaert, Patrick van Wersch en Judith

Zweers. Annejet Kerckhaert en ondergetekende verzorgden de rapportage.

Lennart de Ruig

Projectleider

3


Inhoudsopgave

Managementsamenvatting 7

1 Inleiding 17

1.1 Achtergrond van het onderzoek 17

1.2 Doelstelling en onderzoeksvragen 18

1.3 Onderzoeksverantwoording 20

1.4 Leeswijzer 23

2 Agressie en geweld: problematiek en cijfers 25

2.1 Inleiding 25

2.2 Gehanteerde definities 25

2.3 Beschikbare gegevens over incidenten 28

2.4 Aandacht voor het onderwerp in de verschillende landen 35

2.5 Deelconclusie: Nederland in vergelijkend perspectief 37

3 Beleid tegen agressie en geweld 39

3.1 Inleiding 39

3.2 Internationaal kader 39

3.3 Arbostelsels 41

3.4 Nederland in vergelijkend perspectief 50

4 Onderwijs 53

4.1 Inleiding 53

4.2 Nederland 53

4.3 Duitsland 55

4.4 Zweden 58

4.5 Verenigd Koninkrijk 60

4.6 Deelconclusie: Nederland in vergelijkend perspectief 62

5 Openbaar Vervoer 63

5.1 Inleiding 63

5.2 Nederland 63

5.3 Duitsland 66

5.4 Zweden 67

5.5 Verenigd Koninkrijk 73

5.6 Deelconclusie: Nederland in vergelijkend perspectief 76

6 Gezondheidszorg 77

6.1 Nederland 77

6.2 Duitsland 80

6.3 Zweden 82

6.4 Verenigd Koninkrijk 83

6.5 Deelconclusie: Nederland in vergelijkend perspectief 86

5


7 Nederland in vergelijkend perspectief 89

6

7.1 Inleiding 89

7.2 Belangrijkste verschillen tussen landen 89

7.3 Verklaringen voor verschillen 94

7.4 Aanbevelingen 102


Managementsamenvatting

Achtergrond van het onderzoek

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en het Ministerie van

Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) hebben een internationaal vergelijkend onder-

zoek laten uitvoeren naar agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak.

Het onderzoek, dat te bestempelen is als een quickscan, moet inzicht geven in de mate

waarin agressie en geweld in andere westerse landen voorkomt. Door gebrek aan vergelijk-

bare cijfers is de nadruk komen te liggen op het in kaart brengen van het beleid tegen

agressie en geweld. Daarnaast moet het onderzoek inzicht geven in omstandigheden en

maatregelen die bijdragen aan een vermindering van het aantal incidenten van agressie en

geweld.

Het onderzoek behandelt een groot aantal vragen. Deze vragen zijn omwille van de lees-

baarheid van deze samenvatting geclusterd in de volgende vijf thema’s:

aard, omvang en definities van agressie en geweld;

beleid tegen agressie en geweld;

kenmerkende en opvallende maatregelen, projecten en praktijken in sectoren;

vergelijking van Nederland met andere landen;

aanbevelingen.

Voordat we de resultaten van het onderzoek behandelen, komt eerst de methode van on-

derzoek aan bod.

Methode van onderzoek

Het onderzoek bestond uit een beperkt aantal onderzoeksactiviteiten en is in een betrekke-

lijk korte tijdsperiode uitgevoerd: de dataverzameling heeft grotendeels plaatsgevonden in

de periode eind juni 2010 tot begin augustus 2010. Daarmee is het onderzoek te karakteri-

seren als een quickscan. Het doel is niet een uitputtend antwoord te geven op de onder-

zoeksvragen, maar een beeld te schetsen van de essentie van de problematiek van agressie

en geweld en het beleid op dit vlak.

Bij de opzet van het onderzoek is geprobeerd de doorlooptijd zo kort mogelijk te houden

zonder te veel aan kwaliteit in te boeten. Daarom is vooral gebruik gemaakt van bestaande

informatie en is getracht zo snel mogelijk door te dringen tot de belangrijkste kenmerken

van de problematiek en het beleid. Onderzoeksactiviteiten waren een literatuur- en bron-

nenstudie en interviews met in totaal 27 nationale en sectorale experts.

In het onderzoek wordt Nederland vergeleken met Duitsland, Zweden en het Verenigd Ko-

ninkrijk. Het aantal te vergelijken landen is beperkt tot vier, zodat er binnen de relatief

korte uitvoeringsperiode van het onderzoek voldoende informatie gevonden kon worden.

7


Het onderzoek is verder afgebakend tot de sectoren onderwijs, gezondheidszorg en open-

baar vervoer en ook is nationaal en (waar aanwezig) regionaal beleid bestudeerd.

Aard, omvang en definities

Agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak staan in Nederland sterk in de

belangstelling van politiek en media. We hebben geen aanwijzingen gevonden dat dit in

Duitsland, Zweden of het Verenigd Koninkrijk in dezelfde mate het geval is. Er is in de on-

derzochte landen, behalve Nederland, geen definitie gevonden die beleidsmakers of weten-

schappers hanteren voor agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak.

Bovendien is Nederland het enige land dat in de monitor Veilige Publieke Taak een over-

zicht geeft van de omvang en aard van dit type agressie en geweld. De andere landen voe-

ren weliswaar surveys uit onder werknemers op basis waarvan een beeld is te geven van

agressie en geweld op het werk door derden, maar een uitsplitsing naar beroepsgroep of

publieke sector is daarbij niet mogelijk. Het ontbreken van bruikbaar cijfermateriaal en de-

finities heeft ertoe geleid dat het onderzoek waar nodig verbreed is tot alle werknemers in

plaats van werknemers met een publieke taak.

Een ruw beeld van de mate waarin agressie en geweld in de onderzochte landen voorkomt,

is te geven op basis van de European Working Conditions Survey (EWCS), waarvan de laat-

ste meting heeft plaatsgevonden in 2005. Het blijkt dat het percentage incidenten in het

Verenigd Koninkrijk het hoogst ligt (7,3% in de twaalf maanden voorafgaand aan het

EWCS-onderzoek), gevolgd door Nederland (6,6%) en Duitsland (4,3%). In Zweden lijkt

agressie en geweld door derden op het werk het minst voor te komen (3,3%). Wetenschap-

pers plaatsen echter kanttekeningen bij de vergelijkbaarheid van de cijfers uit de EWCS,

dus de cijfers moeten met extra voorzichtigheid geïnterpreteerd worden.

Landelijk beleid

Beleidskader: arbo- en sociale zekerheidsstelsels

Agressie en geweld op het werk zijn te beschouwen als arbeidsrisico’s. In alle landen is in

nationale wetgeving vastgelegd dat de werkgever zijn werknemers moet beschermen tegen

arbeidsrisico’s. De nationale wetgeving is afgeleid van de Europese ‘Kaderrichtlijn veiligheid

en gezondheid van werknemers op het werk’ (89/391/EEG). Dit betekent dat maatregelen

tegen agressie en geweld in alle landen vooral geplaatst dienen te worden binnen het kader

van het arbostelsel.

Agressie en geweld kunnen niet alleen in het kader van arbostelsels worden geplaatst,

maar ook in het kader van sociale zekerheidsstelsels. Agressie en geweld zijn immers te

beschouwen als bedrijfsongevallen die kunnen leiden tot ziekte en arbeidsongeschiktheid.

Alle onderzochte landen kennen regelingen voor uitkering bij ziekte en arbeidsongeschikt-

heid, maar de invulling van deze regelingen verschilt sterk per land. Het valt buiten het be-

stek van dit onderzoek om deze regelingen en de verschillen daartussen uitgebreid te ana-

8


lyseren. Wel hebben we gekeken wie het financiele risico draagt voor bedrijfsongevallen

(zoals agressie en geweld) en wie verantwoordelijk is voor de preventie daarvan.

Nederland is het enige onderzochte land waarin psychosociale arbeidsbelasting, waaronder

agressie en geweld valt, expliciet als arbeidsrisico in de Arbowet wordt benoemd. Duitsland

en het Verenigd Koninkrijk kennen deze verwijzing niet. Zweden neemt een bijzondere po-

sitie in, omdat het land zeer concrete voorschriften kent voor preventie van agressie en

geweld. Deze voorschriften dienen in het kader van de nationale arbowet te worden uitge-

voerd.

De inrichting van het arbostelsel verschilt sterk per land. In alle landen is het equivalent

voor het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid primair verantwoordelijk voor

het arbostelsel, maar de rol van andere actoren verschilt. In Nederland en Zweden spelen

de individuele werkgever en werknemers, ondersteund door sociale partners, een centrale

rol bij de invulling en uitvoering van arbobeleid. In Zweden en het Verenigd Koninkrijk zijn

er in veel sterkere mate dan in Nederland nationale autoriteiten betrokken bij de invulling

van het arbobeleid (bijvoorbeeld doordat zij gedetailleerde voorschriften opstellen). Duits-

land is het enige land waar ongevallenverzekeraars een belangrijke taak vervullen in het

arbostelsel.

Ook wat betreft toezicht en handhaving zijn er duidelijke verschillen tussen de landen. De

Arbeidsinspectie in Nederland ziet primair toe op de naleving van arbeidswetgeving en

heeft daarnaast een voorlichtende taak. In de andere landen zijn de handhavende taken

(deels) uitbesteed aan regionale overheden (Duitsland, Verenigd Koninkrijk) en/of verzeke-

raars (Duitsland) of heeft het handhavende orgaan ook een rol bij de uitwerking van wet-

geving in concrete voorschriften (Zweden, Verenigd Koninkrijk).

Werkgevers worden in alle onderzochte landen vooral door de arbeidsinspecties geprikkeld

om zich aan de wet te houden. De arbeidsinspecties kunnen daarbij instrumenten inzetten

als waarschuwingen, maar ook boetes. Alleen in het Verenigd Koninkrijk is er voor gekozen

een speciale wet in te voeren om een organisatie te kunnen vervolgen voor doodslag als

deze heeft nagelaten de werknemer te beschermen (Corporate Manslaughter and Homicide

Act 2007).

Duitsland is het enige land waar werkgevers in het kader van de verplichte wettelijke be-

drijfsongevallen- en beroepsziektenverzekering door ongevallenverzekeraars financieel

worden geprikkeld om hun arbobeleid op orde te houden. Dit komt doordat er in Duitsland

een duidelijke koppeling is gemaakt tussen de wettelijke verzekering tegen loonderving als

gevolg van bedrijfsongevallen en de preventie van die bedrijfsongevallen door middel van

arbobeleid. In Nederland hebben werkgevers in de wetgeving inzake arbo, ziekteverzuim en

arbeidsongeschiktheid de ruimte gekregen om zélf te kiezen voor een (verzuim)verzekeraar

of arbodienst die een bonus/malusregeling voor premies hanteert. In de andere landen

hebben we geen vergelijkbare arrangementen gevonden.

Kenmerkend voor alle landen is dat de nadruk ligt op handhaving van de wet en daarnaast

het geven van voorlichting, zoals:

het verzamelen en verspreiden van (schriftelijke) informatie over agressie en geweld;

het maken van toolkits en het geven van tips aan werkgevers en werknemers;

9


het benoemen van goede praktijken;

het organiseren van seminars, workshops et cetera.

Beleidskader: overige wet- en regelgeving

Agressie en geweld op het werk hoeven niet alleen binnen het kader van arbobeleid bestre-

den te worden. Ook strafrechtelijke instrumenten kunnen in bepaalde gevallen wenselijk

zijn. Kenmerkend is dat het thema agressie en geweld op het werk in alle onderzochte lan-

den in de eerste plaats als een arbothema wordt gezien. De invalshoek van het beleid is

daardoor vooral het beschermen van werknemers en het bestraffen van werkgevers die de

wet niet naleven, in plaats van het bestraffen en vervolgen van daders.

Nederland is het enige land waarin vanuit het programma ‘Veilige Publieke Taak’ duidelijke

aanbevelingen worden gedaan aan werkgevers om daders ook strafrechtelijk te vervolgen.

Bovendien stemt het Ministerie van BZK binnen dit programma met politie en Justitie af dat

daders ook daadwerkelijk vervolgd worden en hogere straffen krijgen. Duitsland en het

Verenigd Koninkrijk kennen wetten waarmee daders van agressie en geweld in bepaalde

gevallen vervolgd zouden kunnen worden en slachtoffers beschermd zouden kunnen wor-

den, maar die wetten lijken niet bedoeld voor agressie en geweld op het werk. Het gaat

namelijk om wetten die burgers beschermen tegen stalking en een wet die defensieperso-

neel beschermt tegen aanvallen van burgers. Bovendien hebben we geen aanwijzingen ge-

vonden dat deze wetten regelmatig worden ingezet met het oog op preventie van agressie

en geweld.

Nederland neemt binnen de onderzochte landen dus een unieke positie in. Alleen in

Nederland staat agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak sterk in de

belangstelling en is er een nationaal programma gericht op deze problematiek. Alleen in

Nederland wordt het gebruik van strafrechtelijke instrumenten in dit kader gestimuleerd.

Bovendien zien we alleen in Nederland dat speciale beloningen en subsidies in het vooruit-

zicht worden gesteld voor organisaties. In de andere landen zijn er wel maatregelen gericht

op risicosectoren en -beroepen, maar de term ‘werknemers met een publieke taak’ wordt

daarbij niet gehanteerd. Ook ontbreekt het in de andere landen aan een speciaal op agres-

sie gericht nationaal programma.

Deze situatie zou in de komende jaren misschien kunnen veranderen. Gedurende het on-

derzoek hebben de Europese sociale partners overeenstemming bereikt over richtlijnen om

geweld door derden te voorkomen in de sectoren zorg, onderwijs, overheid (lokaal en regi-

onaal), handel en beveiliging. Bovendien voert de EU momenteel onderzoek uit naar agres-

sie en geweld op het werk. Tot slot is in Duitsland sinds kort een publiek debat gestart over

het treffen van speciale maatregelen tegen agressie en geweld in de (semi-)publieke sec-

tor.

10


Sectoren

Tijdens het onderzoek zijn de sectoren onderwijs, openbaar vervoer en gezondheidszorg

nader bestudeerd. Daarbij is gekeken naar kenmerkende en opvallende maatregelen, pro-

jecten en praktijken.

Onderwijs

Het thema agressie en geweld in het onderwijs leeft volgens de geraadpleegde experts

vooral in Nederland en Duitsland, met als verschil dat de Duitse aandacht voornamelijk ge-

richt is op het voorkomen van dodelijke schietpartijen op scholen. Een ander belangrijk

verschil tussen de vier onderzochte landen is het niveau waarop beleid wordt gemaakt. In

Nederland en Zweden geven sociale partners, ondersteund door centrale overheden, vorm

aan het beleid tegen agressie en geweld. In Duitsland spelen regionale partijen een belang-

rijke rol, terwijl er in het Verenigd Koninkrijk juist een nationale autoriteit betrokken is bij

de beleidsontwikkeling.

Kijkend naar maatregelen, projecten en praktijken, valt op dat er in Nederland vaak ge-

sproken wordt over ‘sociale veiligheid’ of ‘veiligheidsbeleid’ en geprobeerd wordt om dit in

te bedden in de reguliere activiteiten van scholen. Aanbevolen wordt dat scholen normen

opstellen, incidenten registreren, afspreken op welke wijze gereageerd dient te worden op

de dader en onderwijspersoneel trainen. In Duitsland hebben projecten in reactie op dode-

lijke schietpartijen een sterk preventief karakter. Er wordt vooral ingezet op samenwerking

tussen scholen en andere maatschappelijke organisaties om vroegtijdig te kunnen signale-

ren welke leerlingen een potentieel gevaar vormen. Ook is in Duitsland veel aandacht voor

het stimuleren van de dialoog tussen leraren, ouders en leerlingen. Het type incidenten in

een land is dus mede bepalend voor de invalshoek van het beleid tegen agressie en geweld.

De Zweedse benadering lijkt meer dan in Nederland gericht te zijn op het bereiken van een

organisatieverandering in de school. Om agressie en geweld op school te voorkomen dient

bijvoorbeeld duidelijk te zijn wie binnen de organisatie verantwoordelijk is en op welk mo-

ment. Er wordt dan ook veel aandacht besteed aan competentieontwikkeling en communi-

catietraining bij leraren. Daarnaast zet Zweden in op preventie door een persoonlijk bege-

leider aan te wijzen aan leerlingen die problemen veroorzaken in de klas. In het Verenigd

Koninkrijk zijn weinig concrete maatregelen gevonden om agressie en geweld op scholen

tegen te gaan, afgezien van de landelijk vastgestelde norm dat scholen een duidelijk sta-

tement zouden moeten uitdragen dat agressie en geweld niet toelaatbaar is. Agressie en

geweld lijken in het Verenigd Koninkrijk momenteel vooral een lokaal (Londens) probleem.

Op enbaar vervoer

In Nederland en Zweden is er relatief veel beleidsmatige aandacht voor agressie en geweld

in het openbaar vervoer en worden er veel maatregelen getroffen en projecten opgestart.

In Duitsland en het Verenigd Koninkrijk lijkt de thematiek minder sterk in de belangstelling

te staan. We hebben in deze landen in ieder geval veel minder maatregelen en projecten

aangetroffen.

11


Opvallend is dat in alle onderzochte landen vooral lokale vervoersmaatschappijen projecten

en maatregelen ontwikkelen en dat die vooral bedoeld zijn om de veiligheid van chauffeurs

te vergroten. De betrokken actoren bij het beleid en de getroffen maatregelen verschillen

echter. In Nederland zijn de belangrijkste actoren de individuele vervoersmaatschappijen

en op landelijk niveau de (tijdelijk) coördinator van de politie voor geweld in het openbaar

vervoer. In Duitsland spelen naast de individuele vervoersmaatschappijen ook lokale over-

heden en ongevallenverzekeraars een belangrijke rol. In Zweden zijn zowel de landelijke

overheid als sociale partners, individuele maatschappijen en lokale overheden betrokken.

In het Verenigd Koninkrijk zijn het Ministerie van transport en individuele maatschappijen

de belangrijkste actoren.

Kijkend naar de aard van de maatregelen, valt op dat agressie en geweld in Nederland vaak

geplaatst wordt onder de noemer sociale veiligheid. Vervoersbedrijven besteden ruime aan-

dacht aan sociale veiligheid waarbij ze verschillende maatregelen nemen, zoals cameratoe-

zicht in bussen, trams en metro’s, het inzetten van een speciaal team service en veiligheid

en het ontwikkelen van professionele nazorg. Zowel in Duitsland als in Zweden lijkt de aan-

dacht meer uit te gaan naar het trainen van buschauffeurs zodat zij kunnen omgaan met

agressie en geweld. In Zweden is bijvoorbeeld een grootschalige conflicttraining opgezet

waaraan 500 medewerkers werkzaam in de bus- en tramsector meedoen. Duitse buschauf-

feurs worden getraind door middel van een vierdaags seminar.

Net als in de onderwijssector valt ook hier op dat de projecten in Duitsland en Zweden ge-

richt zijn op het samenwerken met andere organisaties. Vooral scholen worden hierbij be-

trokken. In beide landen worden scouts op bussen ingezet om conflicten in de bus te voor-

komen. In Zweden is het project ‘Lugna Gatan’ (‘stille straat’) erg succesvol gebleken. Het

heeft de sociale cohesie in buurten versterkt, omdat de relatie tussen (probleem)jongeren

en autoriteiten in de wijk verbeterd werd. Daarnaast heeft dit project een positief nevenef-

fect, omdat jongeren die als scout voor dit project in bussen werkten aan een baan gehol-

pen werden.

Gezondheidszorg

In alle onderzochte landen zien experts agressie en geweld tegen medewerkers in de zorg-

sector als een probleem. Daarnaast wordt in alle landen verwacht dat er een onderregistra-

tie van het probleem is, omdat medewerkers een zorgverlenende rol aannemen en kunnen

denken dat agressief gedrag iets is wat bij het vak hoort. Mede hierdoor worden incidenten

niet altijd gemeld.

Van de vier onderzochte landen zijn in het Verenigd Koninkrijk de meeste projecten en

maatregelen gevonden om agressie en geweld tegen medewerkers in de gezondheidszorg

te voorkomen. Ook in Nederland is er relatief veel beleidsmatige aandacht voor de proble-

matiek. Dat lijkt in veel mindere mate te gelden voor Duitsland en Zweden, waar we weinig

projecten en maatregelen hebben aangetroffen. Bovendien bevat de Duitse en Zweedse

aanpak geen elementen die nieuw zijn voor Nederland; de nadruk ligt op het informeren en

trainen van personeel. De Nederlandse aanpak lijkt in vergelijking daarmee veel grondiger.

Het project Veiligezorg bijvoorbeeld bestrijkt alle facetten van het beleid, van preventie tot

nazorg en sluit nauw aan bij de acht maatregelen van Veilige Publieke Taak.

12


In Nederland en Zweden spelen sociale partners een cruciale rol bij het beleid tegen agres-

sie en geweld. In Duitsland lijken individuele zorginstellingen en verzekeraars de belang-

rijkste actoren. Anders dan in de andere landen is er in het Verenigd Koninkrijk één lande-

lijk orgaan belast met het ontwikkelen en controleren van veiligheidsbeleid in zorginstellin-

gen. Alle zorginstellingen in het Verenigd Koninkrijk zijn verplicht een veiligheidsmanager

in dienst te hebben. Net als Nederland kent dit land een juridisch adviescentrum: instellin-

gen kunnen hier terecht met vragen over de wijze waarop zij moeten handelen om daders

te sanctioneren. Ten slotte bestaan er in het Verenigd Koninkrijk verschillende initiatieven

gericht op professionals die alleen werken. Door bijvoorbeeld speciale alarmsystemen en

een ‘early warning systeem’ bij mogelijk risicovolle huisbezoeken kan deze groep beter toe-

gerust worden in risicovolle situaties.

Nederland in vergelijkend perspectief

Het Nederlandse beleid met betrekking tot agressie en geweld tegen publieke functionaris-

sen springt er in positieve zin uit. Alleen in Nederland is er:

Een verbijzondering gemaakt naar agressie en geweld tegen werknemers met publieke

taken.

Een programma opgesteld met als doel te komen tot een situatie waarin werknemers

met een publieke taak hun werk veilig en respectvol kunnen uitoefenen.

Een programmaorganisatie opgezet (Veilige Publieke Taak) met duidelijke targets (15

procentpunt daling tussen 2007 en 2011).

Beleid om het vervolgen van daders te vergemakkelijken en straffen te verhogen.

Sprake van financiële stimulering door middel van subsidies voor werkgevers die agres-

sie en geweld aanpakken.

Een speciaal programma door de Arbeidsinspectie ontwikkeld (‘Agressie en geweld tegen

werknemers in publieke functies’) waarin inspectie- en voorlichtingsactiviteiten worden

gecombineerd.

Betrouwbaar cijfermateriaal over het voorkomen van agressie en geweld.

In vergelijking met de andere onderzochte landen ‘ontbreken’ er ook bepaalde zaken in het

Nederlandse beleid. Deze hangen echter grotendeels samen met politieke keuzes voor de

wijze waarop het arbostelsel ingericht is:

De Nederlandse Arbowet laat relatief veel ruimte aan werkgevers, werknemers en sociale

partners om invulling te geven aan het arbobeleid. In de andere landen worden er meer

voorschriften op nationaal niveau ontwikkeld. Voor het thema agressie en geweld in de

(semi-)publieke sector is in Nederland echter een uitzondering gemaakt. De Arbeidsin-

spectie verplicht werkgevers met een publieke taak om de maatregelen te implemente-

ren uit de flyer ‘Agressie en geweld, waar let de Arbeidsinspectie op?’.

Er zijn geen speciale prikkels in de vorm van verplichte premieverlaging of verhoging

voor werkgevers om gewenst gedrag af te dwingen, zoals wel in Duitsland. In Nederland

krijgen werkgevers in de sociale wetgeving (Arbowet, Wet verlenging loondoorbetaling

bij ziekte, WIA) de ruimte om zelf een verzekeraar en/of arbodienst te kiezen die derge-

lijke prikkels hanteert.

13


In de wet- en regelgeving is geen formele rol toebedeeld aan lokale en regionale over-

heden bij de implementatie, invulling of handhaving van arbobeleid, tenzij in de rol van

werkgever.

Een preventieve, integrale benadering van agressie en geweld waarbij wordt aange-

stuurd op gedragsverandering bij daders en samenwerking met andere (hulpverlenen-

den) organisaties lijkt in Nederland in vergelijking met de andere onderzochte landen

weinig voor te komen. Een uitzondering zijn de Veiligheidshuizen.

Ten slotte zijn er enkele overeenkomsten tussen de onderzochte landen:

De nationale uitwerking van de Europese kaderrichtlijnen arbeidsomstandigheden is het

belangrijkste kader om agressie en geweld op het werk te voorkomen en bestrijden.

De werkgever is primair verantwoordelijk voor de gezondheid en veiligheid van werkne-

mers.

Handhaving is een van de belangrijkste beleidsinstrumenten om naleving van wetten en

regels af te dwingen.

Daarnaast kiezen landen voor ‘zachte’ beleidsinstrumentenin de vorm van communi-

catie en informatie – om agressie en geweld te voorkomen.

Geen van de onderzochte landen lijkt de optimale mix van prikkels te hebben gevonden

om werkgevers te aan te sporen een effectief anti-agressiebeleid te voeren. Het lijkt er-

op dat landen kiezen voor handhaving, informatie en communicatie, zonder na te gaan

of dat ook de sterkste prikkels zijn voor werkgevers.

Aanbevelingen

Het onderzoek dient inzicht te geven in omstandigheden en maatregelen die bijdragen aan

een vermindering van het aantal incidenten van agressie en geweld tegen werknemers met

een publieke taak. Hierbij maken we onderscheid tussen omstandigheden en maatregelen

op landelijk niveau en op het niveau van individuele werkgevers.

Landelijk beleid

Op basis van de quickscan is het niet goed mogelijk omstandigheden en maatregelen te be-

noemen die op nationaal niveau kunnen bijdragen aan een vermindering van het aantal in-

cidenten van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak. Hiervoor zijn

verschillende redenen. De belangrijkste reden is dat Nederland met het programma Veilige

Publieke Taak in allerlei opzichten voorop loopt als het gaat om de preventie van agressie

en geweld op nationaal niveau. Het beleid in Duitsland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk

levert dan ook weinig leerpunten op voor Nederland.

Een andere reden is dat er tussen de onderzochte landen weliswaar duidelijke verschillen te

zien zijn in de arbostelsels, maar er geen aanwijzingen zijn gevonden dat het ene arbostel-

sel effectiever is in het voorkomen van agressie en geweld dan het andere. Het ontbreekt

aan bruikbare evaluaties die inzicht geven in de effectiviteit van beleid tegen agressie en

geweld op het werk. Bovendien zijn elementen van het buitenlandse beleid niet gemakkelijk

over te nemen in Nederland. De keuze voor de arbostelsels hangt immers samen met poli-

14


tieke keuzes voor de inrichting van het gehele stelsel van sociale verzekeringen en sociale

bescherming. Het beleid tegen agressie en geweld is met andere woorden padafhankelijk.

Op basis van de literatuur zijn wel enkele aanknopingspunten te geven voor landelijk be-

leid. Er aanwijzigen dat sociaal-culturele verschillen sterk bepalend zijn voor de mate van

agressie en geweld. Sociologen zoals Gabriël van den Brink en Bas van Stokkum wijzen er

op dat Nederlanders waarden als zelfrealisatie, zelfexpressie en een individualistische in-

stelling hoog in het vaandel hebben staan. De keerzijde daarvan is dat deze houding van ‘je

door niemand iets in de weg laten liggen’ snel leidt tot agressiviteit. Hiervoor zijn ook em-

pirische bewijzen te vinden in de vier onderzochte landen. Er lijkt een behoorlijk sterk ver-

band te bestaan tussen de mate van individualisme en incidenten van agressie en geweld.

Dat wil niet zeggen dat er een één-op-één relatie is tussen individualisme en agressie en

geweld. Wel is het zo dat de houding van burgers een factor van betekenis is. Eenvoudig

gesteld: werknemers in landen met individualistisch ingestelde burgers zoals Nederland

hebben iets vaker te maken hebben met agressie en geweld door burgers.

Dit pleit voor een aanpak die inzet op gedragsverandering bij (potentiële) daders. Tot nu

toe is preventie in Nederland immers vooral gericht op het voorkomen dat de omstandighe-

den tot agressie leiden en niet op het verminderen van de neiging tot agressiviteit bij bur-

gers in de hoedanigheid van klant, patiënt, reiziger of leerling. Vooral in Zweden hebben we

projecten aangetroffen die inzetten op gedragsverandering. Gedragsverandering kan wor-

den gestimuleerd in kleinschalige regionale of sectorale projecten, maar kan ook de vorm

aannemen van een grootschaliger ‘beschavingsoffensief’ gericht op normherstel bij alle

burgers. Dat zal overigens wel een lange adem vergen.

Een ander aanknopingspunt voor landelijk beleid is te vinden in de Europese enquête naar

nieuwe en opkomende arbeidsrisico’s (ESENER) uit 2009. Uit deze enquête blijkt dat Neder-

landse werkgevers, ondanks de forse beleidsmatige aandacht voor de thematiek, nog be-

trekkelijk weinig lijken te doen aan het voorkomen van agressie en geweld in vergelijking

met werkgevers uit andere onderzochte landen. In Zweden en het Verenigd Koninkrijk staat

het thema in ieder geval veel hoger op de agenda van werkgevers. Er zijn geen duidelijke

aanwijzingen gevonden waarom Nederland hierop slechter scoort dan de andere onderzoch-

te landen. Nader onderzoek is nodig naar de redenen waarom arbobeleid op ondernemings-

niveau soms niet van de grond komt en welke prikkels hierbij mogelijk behulpzaam zijn.

Mogelijk zijn sterkere financiële incentives voor werkgevers behulpzaam of dienen werkne-

mers geactiveerd te worden om agressiebeleid op de agenda te zetten.

Werkgevers

De voorsprong van het Nederlandse beleid gericht op het voorkomen en bestrijden van

agressie en geweld leidt ertoe dat de projecten en maatregelen in de andere onderzochte

landen ook weinig unieke leerpunten voor werkgevers bevatten. Veel van de aanbevelingen

en succes- en faalfactoren zijn al benoemd in handreikingen van het programma Veilige

Publieke Taak, sectorale arbocatalogi of studies van de ILO en WHO. Ook relevant is de

15


studie ‘Tussen agressiebeleid en -praktijk’ waarin aanbevelingen worden gegeven hoe be-

leid is door te vertalen naar concrete handelingen op de werkvloer. 1

Hieronder worden de belangrijkste leerpunten uit de onderzochte projecten genoemd in de

sectoren onderwijs, gezondheidszorg en openbaar vervoer:

Het is van groot belang dat technische veiligheidssystemen zoals alarmknoppen, camerasystemen

en preventieve maatregelen zoals het afschaffen van contant geld in bussen

eerst goed in de praktijk en op hun effectiviteit worden getest. Het komt namelijk re-

gelmatig voor dat dit soort maatregelen en systemen tot meer onduidelijkheid en irrita-

tie leiden.

Het maken van afspraken met hulpverlenende instanties zoals politie, onderwijs, jeugdzorg

en maatschappelijk werk over doorverwijzing van (potentiële) daders en samen-

werking bij incidenten is in veel projecten een succesfactor.

Projecten gericht op gedragsverandering bij (potentiële) daders laten in het buitenland

hoopvolle resultaten zien. In Nederland kennen wij bijvoorbeeld ook een vergelijkbare

aanpak in Veiligheidshuizen.

Het is cruciaal dat werkgevers en leidinggevenden hun eindverantwoordelijk nemen voor

het voorkomen van agressie en geweld en intensief betrokken zijn bij het beleid.

In sommige sectoren en beroepen is het eerst nodig een machocultuur of taboe op

agressie en geweld te doorbreken voordat begonnen kan worden met preventie van inci-

denten.

Er worden in sommige projecten goede ervaringen opgedaan met werknemers die optreden

als ambassadeur/voorlichter en informatie over het voorkomen van agressie en ge-

weld verspreiden onder andere werknemers.

Het inzetten van voormalige probleemjongeren als bewaker/veiligheidshosts kan meerwaarde

hebben, zeker omdat deze jongeren zich goed kunnen inleven in de belevings-

wereld van (potentiële) daders.

De overall indruk die de onderzoeksresultaten wekken, is dat werkgevers en werknemers

met een publieke taak in Nederland voldoende instrumentarium hebben om agressie en

geweld aan te pakken. Het lijkt daarom weinig zinvol om op zoek te gaan naar nieuwe

structuren, verantwoordelijkheidsverdelingen, regels of voorschriften. Het is nu zaak om

individuele werkgevers en werknemers te stimuleren het bestaande instrumentarium nog

beter te gebruiken.

1 Kemper, R. en L. de Ruig, Tussen agressiebeleid en praktijk. Aanpak van agressie en geweld in de publieke

sector. Onderzoek in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Research voor

Beleid (2009).

16


1 Inleiding

1.1 Achtergrond van het onderzoek

Werknemers in Nederland met een publieke taak 1 worden bij de uitvoering van hun functie

regelmatig geconfronteerd met agressie en geweld, zoals verbaal geweld, fysiek geweld en

intimidatie. Uit een in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijks-

relaties (BZK) uitgevoerd onderzoek blijkt dat zes op de tien publieke functionarissen in

2009 te maken had met ongewenst gedrag door burgers of klanten. 2 Dat is ongeveer even

veel als in 2007. 3

Het kabinet vindt agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak niet accep-

tabel. Agressie en geweld berokkenen veel leed en letsel bij werknemers, vormen een be-

dreiging voor de integere uitvoering van publieke taken en leiden tot aantasting van het

functioneren van het openbare bestuur, de rechtsstaat en het gezag. 4 Ook burgers onder-

vinden direct of indirect last van agressie en geweld, bijvoorbeeld door ongewild getuige te

zijn van een geweldsincident.

Dit is reden geweest voor het kabinet om te starten met het programma ‘Veilige Publieke

Taak’ (VPT), dat loopt van 2007 tot 2011. Doel van het programma is een blijvend herstel

van het veilig en respectvol uitvoeren van de publieke taak. Dit moet leiden tot een ver-

mindering van agressie en geweld met vijftien procent in 2011.

Uit Europees onderzoek blijkt dat agressie en geweld in Nederland veel voorkomt in verge-

lijking met andere Europese landen. 5 Dit is het uitgangspunt geweest voor de Ministeries

van Binnenlandse Zaken (BZK) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om een verge-

lijkend onderzoek te laten uitvoeren naar agressie en geweld in een aantal Europese lan-

den. Concreet hebben de ministeries behoefte aan relevante en vergelijkbare cijfers over

het vóórkomen van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak. Ook wen-

sen de ministeries inzicht in de beleidsvoering in deze landen, waarbij er nader wordt inge-

gaan op een aantal sectoren. Ten slotte willen de ministeries leren van deze studie, men wil

aanbevelingen en goede praktijkvoorbeelden.

1 Hieronder verstaan we werknemers die taken uitvoeren die onder de verantwoordelijkheid van de overheid

vallen, zoals politie, ambulancepersoneel, onderwijzers, medewerkers van gemeentelijke diensten, buschauffeurs

en conducteurs, stadswachten, enzovoorts.

2 Jacobs, M. Jans, M. Roman, B. - Aard en omvang van ongewenst gedrag tegen werknemers met een publie-

ke taak, een vervolgonderzoek. (2009)

3 Het onderzoek gaat in op ongewenst gedrag i.p.v. agressie en geweld. Verderop in dit voorstel bakenen we

de begrippen en definities van dit onderzoek af. Sikkema, C, M. Abraham en S. Flight, Ongewenst gedrag besproken.

Ongewenst gedrag tegen werknemers met een publieke taak. (2007)

4 Programma Veilige Publieke Taak 2007-2011.

5 Parent-Thirion, A. (e.a.), Fourth European Working Conditions Survey, Eurofond (2005).

17


1.2 Doelstelling en onderzoeksvragen

Doelstelling

De doelstelling van dit onderzoek is tweeledig. Allereerst is dit onderzoek erop gericht om

de feitelijke situatie in een aantal westerse landen te achterhalen. Ten tweede is het onder-

zoek bedoeld om te leren van de buitenlandse aanpak van agressie en geweld tegen werk-

nemers met een publieke taak. Het onderzoek dient daarom tot aanbevelingen te leiden die

moeten bijdragen aan het bereiken van de kabinetsdoelstelling: de vermindering van

slachtoffers van agressie en geweld met 15% in 2011 ten opzichte van 2007.

Deze twee doelstellingen zijn als volgt geformuleerd:

Doelstellingen

1. Meer inzicht krijgen in welke mate agressie en geweld tegen werknemers met een

Onderzoeksvragen

Het onderzoek richt zich op agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak in

Nederland, Duitsland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. Per land worden de sectoren on-

derwijs, zorg en openbaar vervoer onderzocht. Per land wordt er ingegaan op de onder-

staande vragen.

Aard, omvang en definities van agressie en geweld

1. Wat is het aantal incidenten van agressie en geweld tegen werknemers met een publie-

ke taak (voor zover beschikbaar)?

2. Welke definities worden per land voor agressie en geweld gebruikt?

3. Op welke wijze worden incidenten gemeld en geregistreerd?

4. Zijn er trends waarneembaar met betrekking tot agressie en geweld?

Beleid tegen agressie en geweld

Nationaal, regionaal en lokaal beleid

5. Wat is de beleidsvoering bij het tegengaan van agressie en geweld tegen werknemers

met een publieke taak?

6. Wat zijn per land de kenmerkende beleidsstructuren, zoals verschillen in de mate van

publiekprivate samenwerking, het verzekeringssysteem1, de financieringsstructuren,

het gebruik van convenanten tussen werkgevers en werknemers, de wijze van toezicht

en handhaving, etc.

7. Welke actoren (zowel publiek als privaat) zijn actief bij het terugdringen van agressie

en geweld tegen werknemers met een publieke taak?

8. Hoe zijn de verantwoordelijkheden tussen overheden op landelijk, regionaal en lokaal

niveau verdeeld?

1 Bij de bestudering van de verzekeringssystemen gaan we nadrukkelijk in op het Duitse verzekeringssysteem.

18

publieke taak in andere westerse landen voorkomt.

2. Het achterhalen van omstandigheden (kritieke factoren) en maatregelen (kansrij-

ke interventies) die bijdragen aan vermindering van het aantal incidenten van

agressie en geweld.


9. Hoe zijn de verantwoordelijkheden tussen overheden, werkgevers en werknemers ver-

deeld?

10. Welke rol spelen deze actoren in het terugdringen van agressie en geweld?

11. Is er vanuit de landelijke, regionale en of lokale overheden beleid dat is gericht op het

tegengaan van agressie en geweld?

12. In hoeverre wordt er vanuit de nationale overheid extra stimulans en ondersteuning

gegeven aan werkgevers om actief werk te maken van het terugdringen van het aantal

incidenten van agressie en geweld?

Sectoraal beleid: onderwijs, openbaar vervoer, gezondheidszorg

13. Is er beleid vanuit de sectoren, zoals de werkgeversorganisaties, vakbonden op het te-

gengaan van agressie en geweld?

14. Is er beleid binnen organisaties, zoals ziekenhuizen, vervoersbedrijven en onderwijsin-

stellingen, gericht op het tegengaan van agressie en geweld?

15. Welke (formele, informele/maatschappelijke) verantwoordelijkheid hebben werknemers

bij het voorkomen en terugdringen van agressie en geweld door externen?

16. Welke maatregelen nemen werkgevers met publieke taken om agressie en geweld tegen

hun werknemers tegen te gaan?

wat houden deze maatregelen in?

Wat is de aard van de maatregelen?

Zijn deze maatregelen gericht op preventie of repressie?

Wat is er bekend over de resultaten van deze maatregelen?

Vergelijkende en verdiepende analyse

17. Hoe is het Nederlandse beleid tegen agressie en geweld te karakteriseren ten opzichte

van het beleid in andere landen?

18. Welke verschillende beleidsarrangementen zijn er te onderscheiden?

19. Welke verschillen in wet- en regelgeving (zoals arbo-wetgeving) zijn er en welke uit-

werkingen heeft dit?

20. Wat is de invloed van deze verschillen in beleidsarrangementen en wet- en regelgeving?

21. Welke sociaal-economische en culturele factoren kunnen verschillen tussen de landen

verklaren?

22. Hoe staat Nederland er in internationaal perspectief voor op het gebied bestrijding van

agressie en geweld? Wat gaat goed, wat gaat minder goed?

Aanbevelingen

23. Wat zijn de best-practices in de bestudeerde landen van beleidsinterventies tegen

agressie en geweld?

24. In hoeverre kan de overheid invloed uitoefenen op de aspecten/zaken die een verkla-

ring zijn voor de gevonden verschillen in het aantal incidenten?

19


1.3 Onderzoeksverantwoording

1.3.1 Methodologie

Het onderzoek bestond uit een beperkt aantal onderzoeksactiviteiten en is in een betrekke-

lijk korte tijdsperiode uitgevoerd (de dataverzameling heeft grotendeels plaatsgevonden in

de periode eind juni 2010 tot begin augustus 2010). Daarmee is het onderzoek te karakte-

riseren als een quickscan. Kenmerkend voor een quickscan is dat de diepgang en volledig-

heid van de gevonden informatie voor een deel afhankelijk zijn van de doorlooptijd van het

onderzoek. Het onderzoek geeft daardoor geen uitputtend overzicht van (beleid tegen)

agressie en geweld in de vier onderzochte landen, maar schetst een beeld van de essentie

van de problematiek en het beleid.

Bij de opzet van de quickscan is geprobeerd de doorlooptijd van het onderzoek zo kort mo-

gelijk te houden zonder te veel aan kwaliteit in te boeten. Daarom is vooral gebruik ge-

maakt van bestaande informatie en is getracht zo snel mogelijk door te dringen tot de be-

langrijkste kenmerken van de problematiek en het beleid. Onderzoeksactiviteiten waren

een literatuur- en bronnenstudie en expertinterviews.

Voor de literatuur- en bronnenstudie is gebruik gemaakt van internetsearches, het raadple-

gen van bibliotheken en het vragen naar literatuurtips aan de experts. Ook zijn literatuur-

lijsten bestudeerd om op het spoor te komen van (andere) bronnen en rapporten. In de bij-

lage is een overzicht opgenomen van de geraadpleegde literatuur en bronnen.

In ieder land is contact gezocht met experts op nationaal niveau en experts in de drie on-

derzochte sectoren. In Nederland zijn de expertinterviews op sectoraal niveau achterwege

gelaten. Het conceptrapport is wel voorgelegd aan Nederlandse experts in de drie sectoren

en het commentaar is verwerkt. Aanvankelijk was het de bedoeling per land twee inter-

views op nationaal niveau uit te voeren en zes interviews op sectoraal niveau (twee per

sector). Deze verdeling bleek echter niet haalbaar. In sommige landen bleek er op natio-

naal niveau en/of in (sommige) sectoren te weinig kennis aanwezig van de thematiek. In

het Verenigd Koninkrijk bleken enkele experts gedurende lange tijd met vakantie. In dit

soort gevallen is aan de respondenten gevraagd om andere experts voor te dragen of is de

literatuurstudie uitgebreid.

Zowel de literatuur- en bronnenstudie als de expertinterviews waren gericht op de volgende

kernthema’s:

aard en omvang van agressie en geweld (tegen publieke functionarissen);

beleidsstructuren, beleidskaders, actoren en verantwoordelijkheidsverdeling op natio-

naal, regionaal/lokaal en sectoraal niveau;

opvallende en kenmerkende maatregelen, projecten en praktijken.

20


1.3.2 Keuze van landen

Het aantal te vergelijken landen is beperkt tot vier, zodat er binnen de relatief korte uit-

voeringsperiode van het onderzoek per land voldoende informatie gevonden kon worden.

De keuze voor twee landen stond vooraf vast: Nederland en Duitsland. Nederland omdat de

Nederlandse situatie wordt vergeleken met die in andere landen en Duitsland omdat het

Ministerie van BZK geïnteresseerd is in rol van Duitse ongevallenverzekeraars bij de pre-

ventie van agressie en geweld.

Het Ministerie van BZK stelde als eis aan de andere twee te onderzoeken landen dat die zo-

veel als mogelijk op Nederland dienen te lijken. Op basis hiervan is de selectie van te ver-

gelijken landen beperkt tot West-Europese landen, omdat de historische ontwikkeling en

politieke, economische, sociale en culturele situatie van deze landen lijkt op die van

Nederland. Bij de selectie van landen is daarnaast door de onderzoekers als eis gesteld dat

agressie en geweld door derden op het werk een belangrijke kwestie moeten zijn, hetzij

doordat de mate van agressie en geweld op een vergelijkbaar (hoog) niveau als in

Nederland ligt, hetzij doordat agressie en geweld beleidsmatige en/of media-aandacht krij-

gen. Deze eis vergroot immers de kans dat het onderzoek relevante informatie oplevert.

Teneinde een beeld te krijgen van de omvang van agressie en geweld is de European Wor-

king Conditions Survey (EWCS) uit 2005 bestudeerd. Ook zijn internetsearches uitgevoerd

om een indruk te krijgen van de mate waarin agressie en geweld beleidsmatig en in de me-

dia in de belangstelling staan. Dit leidde tot een keuze voor het Verenigd Koninkrijk en

Zweden. Op grond van de EWCS-data is het Verenigd Koninkrijk interessant vergelijkings-

materiaal, omdat de omvang van agressie en geweld op het werk door derden op een ver-

gelijkbaar niveau ligt als Nederland. Dit suggereert dat de problematiek vergelijkbaar is.

Bovendien waren er voorafgaand aan het onderzoek aanwijzingen dat agressie en geweld in

de gezondheidszorg in de belangstelling staan. In Zweden is de omvang van agressie en

geweld op het werk door derden – uitgaande van de EWCS-data uit 2005 – veel lager dan

in Nederland. Maar uit Zweedse media bleek dat er recent een debat is opgelaaid over

agressie en geweld in de publieke sector.

1.3.3 Veran twoording landenvergelijking

Elke landenvergelijkende studie heeft beperkingen. Dat geldt zeker als het onderwerp

agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak betreft. Agressie en geweld

en de maatregelen die overheden, werkgevers en werknemers ertegen nemen, zijn name-

lijk nooit helemaal los te zien van de sociale, economische, politieke en culturele context.

Bij het vergelijken van de onderzochte landen op de aard en omvang van en het beleid te-

gen agressie en geweld blijven er, ondanks een zorgvuldige selectie van landen, altijd ‘on-

verklaarbare’ verschillen over die zijn toe te schrijven aan die context.

Een tweede beperking van een landenvergelijkende studie houdt verband met de beschrij-

ving op hoofdlijnen die nodig is om de vergelijking uitvoerbaar en leesbaar te houden. Een

beschrijving op hoofdlijnen leidt ertoe dat abstracte structuren en systemen, zoals arbo-

stelsels of verantwoordelijkheidsverdelingen, in verband worden gebracht met outcomeva-

riabelen, zoals de omvang van agressie en geweld. Het is onvermijdelijk dat daarbij belang-

rijke, maar als gevolg van de onderzoeksmethode ‘onzichtbare’ details en werkzame me-

21


chanismen in de uitvoeringspraktijk over het hoofd worden gezien. Die lacune maakt het

soms lastig om tot plausibele verklaringen te komen voor verschillen tussen landen.

Een derde beperking van een landenvergelijkende studie – als deze wordt uitgevoerd aan

de hand van een literatuur- en bronnenstudie – is dat de omvang, kwaliteit en vergelijk-

baarheid van de verzamelde informatie niet is te sturen. De mate waarin de onderzoeks-

vragen zijn te beantwoorden is dus afhankelijk van de informatie die de onderzochte landen

zelf produceren.

Ondanks deze beperkingen heeft een landenvergelijkende studie als belangrijk voordeel dat

het Nederlandse beleid in perspectief te plaatsen is. Buitenlandse beleidsinitiatieven en

goede praktijken kunnen bovendien een inspiratie vormen voor Nederlands beleid. Het is

deze reflectieve en inspirerende functie die landenvergelijkingen dan ook vaak een start-

punt laten zijn voor nieuw beleid.

1.3.4 Keuze van sectoren

Het onderzoek is afgebakend tot de sectoren onderwijs, zorg en openbaar vervoer. Werk-

nemers in deze sectoren hebben te maken met het algemene publiek in verschillende

hoedanigheden (leerlingen, patiënten, reizigers). De sectoren zijn waar mogelijk iets nader

afgebakend tot bepaalde beroepsgroepen of deelsectoren waarin de kans op agressie en

geweld door derden groter is. Daarbij is voor de vergelijkbaarheid uitgegaan van de situatie

in het buitenland. Ter illustratie: agressie en geweld tegen ambulancepersoneel wordt in

Nederland als een groot probleem gezien, maar volgens de buitenlandse experts die zijn

geraadpleegd speelt dit bijna niet in Duitsland, Zweden of het Verenigd Koninkrijk. Dit leid-

de tot volgende nadere afbakening:

Onderwijs: voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs

Zorg: werknemers met verplegende en verzorgende beroepen.

Openbaar vervoer: publiek transport in de steden (buschauffeurs en tram- en metrobestuurders).

1.3.5 Definitie van ag ressie en geweld

In het onderzoek is aanvankelijk aangesloten bij de definitie die in het programma VPT

wordt gehanteerd: “Het welbewust verbaal uiten, gebruiken van fysieke kracht of macht,

dan wel het dreigen daarmee, gericht tegen een werknemer, onder omstandigheden die

rechtstreeks verband houden met het verrichten van de publieke taak, wat resulteert of

waarschijnlijk zal resulteren in een gevoel van bedreiging, materiële schade, letsel, psychi-

sche schade of de dood.”

Kijkend naar bovengenoemde definitie gaat het dus om omstandigheden die rechtstreeks

verband houden met de uitoefening van de publieke taak. Ook werkgerelateerde voorvallen

in de privé situatie vallen hieronder. Agressie en geweld van medewerkers onderling en

pesten worden niet in dit onderzoek meegenomen. De uitingsvormen van agressie en ge-

22


weld kunnen verschillen. In de programma Veilige Publieke Taak worden de volgende vor-

men van ‘ongewenst gedrag’ onderscheiden 1 :

Verbaal geweld Fysiek geweld Discriminatie Seksuele intimida-

schreeuwen

schelden

vernederen

treiteren

pesten

vals beschuldigen

duwen, trekken

slaan

vastgrijpen

schoppen

gooien met voor-

werpen

vernielen van

voorwerpen

fysiek hinderen

spugen

diefstal van ei-

gendommen

verwonden

roofoverval

naar huidskleur

naar sekse

naar leeftijd

naar geloofsover-

tuiging

naar seksuele ge-

aardheid of voor-

keur

tie

seksueel getinte

opmerkingen

seksueel getinte

blikken

nafluiten

exhibitionisme

aanranding

seksueel getinte

email of sms

seksuele chanta-

ge

hijgers

verkrachting

seksuele handtas-

telijkheden

Overige intimidatie

dreigen

bedreigen

onder druk zetten

bedreigende ge-

baren maken

chanteren

bekladden

dreigbrief of

email

gezinsleden be-

dreigen

stalken

achtervolgen

bommelding

wapengebruik

De definities van agressie en geweld kunnen per land verschillen. Daarom beschrijft het

volgende hoofdstuk de gebruikte definities en de verschillen. Omdat uit het onderzoek is

gebleken dat Nederland het enige land is waarin werknemers met een publieke taak als

aparte doelgroep worden onderscheiden, is de definitie van het onderzoek waar nodig ver-

breed naar ‘alle werknemers’.

1.4 Leeswijzer

Het volgende hoofdstuk beschrijft de aard en omvang van agressie en geweld tegen werk-

nemers met een publieke taak in de vier onderzochte landen. Daarbij komt aan bod welke

gegevens beschikbaar zijn en welke definities gehanteerd worden. Ook gaat het hoofdstuk

per land in op de perceptie van de problematiek van agressie en geweld. Daarnaast wordt

de kwaliteit van de beschikbare gegevens over agressie en geweld beoordeeld. Aan het slot

van het hoofdstuk wordt de Nederlandse situatie vergeleken met die in de andere onder-

zochte landen.

Het derde hoofdstuk behandelt het beleid tegen agressie en geweld tegen werknemers met

een publieke taak in de vier landen. Per land wordt ingegaan op de betrokken actoren, de

verantwoordelijkheidsverdeling en de uitwerking daarvan in wet- en regelgeving. Als er

speciale programma’s, instrumenten of financieringsstromen zijn voor een veilige publieke

taak worden die beschreven. Het hoofdstuk sluit af met een vergelijking tussen Nederland

en de andere landen.

1 Handreiking agressie en geweld. Programma Veilige Publieke Taak 2010.

23


De hoofdstukken vier tot en met zes gaan respectievelijk in op de sectoren onderwijs,

openbaar vervoer en gezondheidszorg. Ieder hoofdstuk beschrijft per land wat het sectoraal

beleid op hoofdlijnen inhoudt en welke aandacht er in de sector is voor agressie en geweld.

Daarnaast wordt er per land en sector een aantal interessante maatregelen en/of projecten

besproken. Ieder hoofdstuk bevat een vergelijking tussen Nederland en de andere landen

op hoofdlijnen.

Het zevende hoofdstuk bevat de belangrijkste conclusies over Nederland in vergelijkend

perspectief. De Nederlandse situatie wordt gekarakteriseerd ten opzichte van die in de an-

dere landen en de belangrijkste verschillen worden zoveel mogelijk verklaard. Ook geeft dit

hoofdstuk enkele aanbevelingen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen aanbevelingen

gericht op nationaal beleid en aanbevelingen gericht op werkgevers.

24


2 Agressie en geweld: problematiek en cijfers

2.1 Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de aard en omvang van agressie en geweld door derden tegen

werknemers met een publieke taak in de vier onderzochte landen. De volgende onder-

zoeksvragen staan in dit hoofdstuk centraal:

Welke definities worden per land voor agressie en geweld gebruikt?

Wat is het aantal incidenten van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke

taak (voor zover beschikbaar)?

Zijn er trends waarneembaar met betrekking tot agressie en geweld?

Op welke wijze worden incidenten gemeld en geregistreerd?

2.2 Gehanteerde definities

Het onderwerp geweld op het werk krijgt aandacht in Europa en daarbuiten. In 1997 ver-

scheen een handboek van de Europese Commissie voor het voorkomen van geweld op het

werk. De definitie van geweld die hierbij gehanteerd werd is de volgende:

‘Incidenten waarbij personen worden misbruikt, bedreigd of aangevallen in omstandighe-

den in relatie tot hun werk, waarbij impliciet of expliciet hun veiligheid, gezondheid of ge-

moedstoestand in gevaar komt 1 .

Binnen deze definitie wordt het onderscheid gemaakt tussen fysiek en psychologisch ge-

weld. Fysiek geweld resulteert in fysieke beschadiging en psychologisch geweld in mentale

of psychologische beschadiging. Sinds 1997 is deze definitie niet meer aangepast.

De International Labour Organization (ILO), de wereldorganisatie voor arbeidsomstandig-

heden, maakt een verder onderscheid in intern en extern geweld op het werk. Intern ge-

weld behelst incidenten tussen collega’s onderling of tussen werknemers en leidinggeven-

den. Bij extern geweld gaat het om incidenten tussen werknemers (of leidinggeven-

den/managers) en een andere persoon aanwezig op het werk 2 .

Verder besteedt de ILO aandacht aan het voorkomen van agressie en geweld specifiek voor

werknemers in de ‘service sector’. Onder service sector wordt verstaan de sector waarin

dienstverlenende werkzaamheden worden uitgevoerd. Het gaat om niet-materiële diensten

1 Wynne R.N., Clarkin, N., Cox, T. and Griffiths, A., Guidance on the prevention of violence at work,

European Commission, DG-V, Office for Official Publications of the European Communities,

Luxembourg, 1997.

2 In: International Labour Organization (2004). Workplace violence in services sectors and measures to combat

this phenomenon, ILO code of practice. Geneva.

25


aan individuen zoals gezondheidszorg, onderwijs, bescherming (bijvoorbeeld politie), finan-

ciën, etc. Onder de service sector vallen werknemers met een publieke taak, maar ook

werknemers werkzaam in de commerciële dienstverlening.

De internationale definitie voor agressie en geweld op het werk gehanteerd door de ILO is

specifiek gemaakt naar:

Type geweld (fysiek, mentaal);

Aanstichter van het geweld (intern: door collega’s, leidinggevenden, extern: door derden).

Groep werknemers dat groot risico loopt (werknemers in de service sector).

Onderstaande paragrafen beschrijven per land welke definities gehanteerd worden voor

agressie en geweld op het werk en in het bijzonder voor agressie en geweld door derden

tegen werknemers met een publieke taak.

2.2.1 Ned erland

In Nederland is het ‘Programma Veilige Publieke Taak’ (VPT) opgericht om agressie en ge-

weld tegen werknemers met een publieke taak terug te dringen. Het gaat hier om agressie

en geweld gepleegd door externen (zoals klanten, patiënten of omstanders) en niet om in-

cidenten van agressie en geweld tussen collega’s of leidinggevenden.

Het programma Veilige Publieke Taak hanteert de volgende definitie van agressie en ge-

weld 1 :

“Het welbewust verbaal uiten, gebruiken van fysieke kracht of macht, dan wel het dreigen

daarmee, gericht tegen een werknemer, onder omstandigheden die rechtstreeks verband

houden met het verrichten van de publieke taak, wat resulteert of waarschijnlijk zal resul-

teren in een gevoel van bedreiging, materiële schade, letsel, psychische schade of de

dood.”

Daarnaast onderscheidt VPT vijf uitingsvormen van agressie en geweld:

Verbaal geweld (schreeuwen, schelden, vernederen, pesten, et cetera)

Fysiek geweld (duwen, slaan, schoppen, spugen, verwonden, et cetera)

Seksuele intimidatie (nafluiten, aanranding, verkrachting, et cetera)

Intimidatie (bedreigen, stalken, chanteren, et cetera)

Discriminatie (met betrekking tot sekse, huidskleur, geloof et cetera)

Hierna bespreken we de definitie in de drie landen. We sluiten de paragraaf af met een

vergelijking van de definities.

1 Handreiking agressie en geweld, Programma Veilige Publieke Taak (februari 2010).

26


2.2.2 Duitsland

In Duitsland bestaat geen landelijk beleid of programma gericht op het aanpakken van

agressie en geweld door derden tegen werknemers met een publieke taak. Het bestaan van

agressie en geweld op het werk wordt in Duitsland beschouwd als een arbeidsrisico waar-

voor de werkgever maatregelen dient te nemen.

De Duitse arbeidsinspectie (‘Amt für Arbeitsschutz’) maakt een onderscheid in geweld door

derden en geweld tussen werknemers onderling als twee te onderscheiden arbeidsrisico’s 1 .

De definitie van geweld door derden is: geweld door buitenstaanders (geen collega’s) tegen

de werknemer, in samenhang met zijn beroep, waarbij de veiligheid en de gezondheid van

de werknemer in gevaar wordt gebracht, door:

zware belediging;

bedreiging;

ontvoering;

lichamelijke verwonding.

2.2.3 Zweden

In Zweden bestaat geen landelijk beleid of programma gericht op het aanpakken van

agressie en geweld door derden tegen werknemers met een publieke taak. Een onderdeel

van het Zweedse Ministerie van Sociale Zaken is de Arbetsmiljöverket (AV). Dit orgaan

werkt de arbowet uit in richtlijnen en stelt eisen en standaarden vast. In deze richtlijnen

gaat zij uit van een brede definitie van agressie en geweld: “alles van moord tot bedreigin-

gen gepleegd of geuit in een werksituatie”. Uit een interview met een medewerker van de

Arbetsmiljöverket blijkt dat zij intern wel een tweedeling hanteert in bedreigingen en ge-

weld tegen werknemers gepleegd door derden en bedreigingen en geweld tussen werkne-

mers onderling.

2.2.4 Verenigd Koninkrijk

In het Verenigd Koninkrijk stelt de Health and Safety Executive (HSE) richtlijnen voor ge-

zond en veilig werken. De definitie die zij hanteren voor agressie en geweld op het werk is

de definitie van de Europese commissie:

‘Incidenten waarbij personen worden misbruikt, bedreigd of aangevallen in omstandigheden

in relatie tot hun werk, waarbij impliciet of expliciet hun veiligheid, gezondheid of ge-

moedstoestand in gevaar komt.

Een verder onderscheid wordt gemaakt tussen verbaal geweld of bedreiging en fysiek ge-

weld of bedreiging.

De HSE benoemt dat geweld op het werk onderling tussen collega’s plaats kan vinden of

tussen werknemer en een derde zoals cliënten, passagiers, leerlingen of klanten.

1 Informatie op de site van de Arbeitsschutzgesetz onder het kopje ‘Gewalt am Arbeidsplatz’.

27


2.2.5 Vergelijkend overzicht

Wanneer we de definities van de verschillende landen bekijken is het interessant te kijken

naar een aantal kenmerken van deze definities, namelijk:

1. of deze gespecificeerd is naar type geweld;

2. of deze gespecificeerd is naar aanstichter;

3. of deze gespecificeerd is naar werknemers met een publieke taak.

Onderstaande tabel geeft per land aan of de gehanteerde definitie deze kenmerken heeft.

Tabel 2.1 Kenmerken van definities per land

Land Gespecificeerd

28

type geweld?

Gespecificeerd aan-

stichter?

Gespecificeerd

werknemers met

een publieke

taak?

Nederland X X X

Duitsland X X

Zweden X X

Verenigd Koninkrijk X X

Uit tabel 2.1 blijkt dat alle landen definities van geweld op het werk hanteren waarbij ge-

specificeerd wordt naar type geweld (verbaal/fysiek) en naar aanstichter van het geweld

(collega’s/derden). Alleen in Nederland wordt de verdere specificering gemaakt naar geweld

op het werk tegen werknemers met een publieke taak.

2.3 Beschikbare gegevens over incidenten

Op nationaal en Europees niveau worden gegevens verzameld over agressie en geweld op

het werk, maar op verschillende manieren, met verschillende doelstellingen en een ver-

schillende mate van precisie. Sommige landen kennen een registratiesysteem bij verzeke-

raars en/of sociale zekerheidsinstellingen voor ernstige gevallen. Daarnaast kunnen gege-

vens voorhanden zijn uit landelijke surveys gebaseerd op enquêtes onder werknemers

(zelfrapportage).

Om iets te zeggen over het aantal incidenten van agressie en geweld door derden dat

werknemers met een publieke taak in een land meemaken is het interessant de gerappor-

teerde incidenten te herleiden tot:

werknemers met publieke taken;

aanstichter van het geweld (intern of extern);

type incident (fysiek, verbaal, intimidatie, discriminatie).


Om een overzicht te krijgen van het aantal incidenten in de verschillende landen zijn Euro-

pese cijfers beschikbaar afkomstig van de European Working Conditions Survey 1 .

2.3.1 Europ ese cijfers

European Working Conditions Survey

De European Working Conditions Survey wordt periodiek gehouden onder werknemers in de

Europese lidstaten. In 1995 gebeurde dit voor het eerst. De enquête bevat vragen over

werkomstandigheden waaronder ook vragen over het voorkomen van agressie en geweld

door derden. De survey is tot nog toe viermaal gehouden. De laatste twee metingen zijn

van 2000 en 2005. Momenteel is men bezig met de survey van 2010.

Onderstaande figuur presenteert de resultaten van de survey uit 2000 en 2005 voor de vier

landen.

Figuur 2.1 Percentage werknemers dat in de laatste 12 maanden slachtoffer is geweest

10%

9%

8%

7%

6%

5%

4%

3%

2%

1%

0%

8%

Bron: EWCS 2000, 2005

van geweld door derden

7%

Het land waar agressie en geweld door derden het vaakst voorkomt is Groot Brittannië, ge-

volgd door Nederland. Bij beide landen zien we dat het aantal incidenten afgenomen is tus-

sen 2000 en 2005. In Duitsland rapporteren minder werknemers incidenten van agressie en

geweld op het werk door derden. Wel zien we een stijging in het percentage over de jaren.

Van de vier landen lijkt agressie op het werk in 2005 het minst voor te komen in Zweden.

1 Fourth European Working Conditions Survey, European Foundation for the Improvement of Living and Wor-

king Conditions, Dublin (2007).

3%

4%

9%

7%

4% 4%

Nederland Duitsland Groot-Brittannië Zweden EU-15

2000 2005

3%

5%

29


Uit de EWCS 2005 blijkt dat in de gehele EU (een uitsplitsing naar de vier onderzochte lan-

den ontbreekt) in de volgende sectoren relatief veel agressie en geweld tegen werknemers

voorkomt: gezondheidszorg, onderwijs, openbaar bestuur en veiligheid, transport en com-

municatie.

Methodologische bezwaren

De EWCS is afgenomen onder werknemers werkzaam in alle beroepsgroepen. Werknemers

met een publieke taak worden dus niet als aparte doelgroep onderscheiden in dit onder-

zoek. Dit herbergt het risico dat er onvoldoende waarnemingen zijn onder werknemers met

een publieke taak om representatieve uitspraken te kunnen doen over de mate van agres-

sie en geweld tegen werknemers met een publieke taak. In een onderzoek van het Coronel

Instituut voor Arbeid en Gezondheid naar de gevolgen van arbeidsrisico’s op gezondheid en

arbeidsparticipatie wordt een aantal methodologische bezwaren genoemd aan de European

Working Conditions Survey:

Doordat begrippen als ‘agressie’, ‘gewelden ‘misbruik’ vertaald moeten worden, kan

het zo zijn dat deze niet in elk land op dezelfde wijze geïnterpreteerd worden.

Manier van dataverzameling in de verschillende landen is verschillend verlopen.

De awareness van het onderwerp agressie en geweld op het werk verschilt tussen landen.

Dit heeft gevolgen voor de wijze waarop respondenten vragen hierover beantwoor-

den.

De cijfer zoals gepresenteerd in figuur 2.1 dienen dus met enige voorzichtigheid geïnterpre-

teerd te worden.

ESENER

Het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk voert de Europese be-

drijvenenquête naar nieuwe en opkomende arbeidsrisico’s (ESENER) uit 1 . Deze enquête is

ontwikkeld met steun van regeringen en sociale partners op Europees niveau. In het voor-

jaar van 2009 werden enquêtes afgenomen bij in totaal 28.649 managers en 7.226 arbo-

functionarissen/ werknemersvertegenwoordigers veiligheid en gezondheid op het werk in de

27 EU landen, Kroatië, Turkije, Zwitserland en Noorwegen. In de enquête is gevraagd of er

procedures zijn voor de aanpak van pesten of intimidatie, en werkgerelateerd geweld.

De figuur op de volgende pagina laat de uitkomsten voor Nederland, Duitsland, het

Verenigd Koninkrijk en Zweden zien.

1 Europese bedrijvenenquete naar nieuwe en opkomende risico’s (ESENER), Europees Agentschap voor veilig-

heid en gezondheid op het werk. Samenvatting resultaten (2009).

30


Figuur 2.2 Percentage werkgevers dat procedures kent voor de aanpak van geweld op

90%

80%

70%

60%

50%

40%

30%

20%

10%

0%

Bron: ESENER, 2009.

het werk en pesten/intimidatie op het werk

38%

Bovenstaande figuur maakt duidelijk dat in het Verenigd Koninkrijk en in Zweden de mees-

te bedrijven procedures kennen om geweld op het werk aan te pakken en om pes-

ten/intimidatie op het werk te bestrijden. In Nederland ligt dit percentage, met rond de

50% voor pesten en intimidatie en rond de 40% voor geweld op het werk, lager. Duitsland

scoort het laagst op deze vraag. In Duitsland hebben slechts één op de tien bedrijven pro-

cedures om geweld op het werk aan te pakken. 18% van de bedrijven in Duitsland kennen

procedures om pesten/intimidatie tegen te gaan.

Deze cijfers op Europees niveau geven een eerste inzicht in het voorkomen van agressie en

geweld bij werknemers. Op nationaal niveau zijn eveneens cijfers over aantallen incidenten

voorhanden. Deze kunnen een meer verdiepend inzicht geven in de omvang van en aan-

dacht voor het probleem op nationaal niveau. Hieronder volgt een beschrijving van deze

nationale cijfers.

51%

9%

18%

Nederland Duitsland Verenigd Koninkrijk Zweden

71%

80%

Geweld op het werk Pesten/intimidatie

61%

71%

31


2.3.2 Nationale cijfers

Nederland

In het kader van het programma Veilige Publieke Taak heeft het Ministerie van BZK in 2007

en in 2009 een meting laten verrichten naar de aard en omvang van ongewenst gedrag te-

gen werknemers met een publieke taak 1 . De meting bestond uit survey-onderzoek onder

werknemers in allerlei (semi-) publieke sectoren. In 2007 deden 4.253 respondenten mee

en in 2009 5.194. De vragen zijn gespecificeerd naar type geweldsincident. De vraagstel-

ling was in beide jaren gelijk, waardoor het mogelijk is de resultaten tussen de jaren te

vergelijken en trends vast te stellen.

De gegevens afkomstig uit de monitor zijn te herleiden naar werknemers met een publieke

taak. Daarnaast is specifiek gevraagd naar geweld door derden en naar verschillende typen

van geweld (fysiek, verbaal, intimidatie, discriminatie).

De volgende figuur geeft een beeld van de kerncijfers uit 2007 en 2009.

Figuur 2.3 Percentage dat in de laatste 12 maanden te maken had met ongewenst ge-

32

Totaal

Verbaal geweld

Overige intimidatie

Fysiek geweld

Discriminatie

Seksuele intimidatie

Bron: IVA, 2009

drag door externen, uitgesplitst naar soort schending

10%

11%

16%

15%

18%

22%

21%

23%

0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70%

2007 2009

Uit figuur 2.3 blijkt dat in 2009 65% van de respondenten te maken heeft gehad met

agressie en geweld op het werk. Hoewel dit percentage hoog te noemen is, moet tevens

1 Eerste meting uitgevoerd door DSP-groep in 2007. Tweede meting uitgevoerd door IVA Beleidsonderzoek &

Advies in 2009.

62%

61%

65%

66%


worden geconstateerd dat er geen sprake is van een significante toename in 2009 ten op-

zichte van het eikjaar 2007. Het meest voorkomende type geweld is in beide jaren verbaal

geweld. Er is een licht dalende trend in fysiek geweld waar te nemen, en een lichte toena-

me van intimidatie.

De resultaten per beroepssector laten zien dat treinpersoneel en gerechtsdeurwaarders het

meest te maken hebben met agressie en geweld: 97% respectievelijk 96% van de respon-

denten uit deze beroepsgroepen geven in 2009 aan de laatste twaalf maanden te maken te

hebben gehad met ongewenst gedrag door externen. Deze beroepsgroepen worden gevolgd

door het gevangeniswezen (94%), de Jeugdzorg (88%) en ambulancepersoneel (83%).

Daarnaast rapporteren werknemers bij het UWV in 2009 significant vaker dan in 2007 te

maken te hebben gehad met ongewenst gedrag (61% in 2007 versus 79% in 2009).

Andere landen

Surveys onder werknemers zijn adequaat om inzicht te krijgen in aard en omvang van

agressie en geweld door derden tegen werknemers met een publieke taak, mits de gerap-

porteerde incidenten te herleiden zijn naar:

werknemers met een publieke taak;

aanstichter van het geweld (intern of extern);

type incident (fysiek, verbaal, intimidatie, discriminatie).

Alleen in Nederland bestaat een survey die deze precisering mogelijk maakt. De surveys in

Zweden en het Verenigd Koninkrijk maken deze uitsplitsingen niet. In Zweden gaat het om

het Swedish Work Environment Survey onder werknemers die uitgevoerd wordt door de

Arbetsmiljöverket. In deze survey wordt geen onderscheid gemaakt tussen geweld door col-

lega’s en geweld door derden. Ook zijn de gegevens uit deze survey niet representatief

naar beroepssector.

In het Verenigd Koninkrijk bestaan twee surveys waar vragen aan bod komen over agressie

en geweld op het werk, namelijk de British Crime Survey (BCS) en de Fit3 Employee Sur-

vey (Fit for work, fit for life, fit for tomorrow).

Het British Crime Survey wordt jaarlijks gehouden onder huishoudens in het Verenigd

Koninkrijk. Voor de meest recente editie (2008/2009) gaat het om interviews met 42.000

huishoudens. De vragen gaan over ervaringen met criminaliteit waarbij gevraagd wordt

naar de locatie van het incident. Eén vraag is of de persoon die met geweld of bedreiging te

maken heeft gehad op het werk was toen dit gebeurde. De vragenlijst bevat geen specifie-

ke vragen over werkgerelateerde agressie. Bovendien is de vraag naar het beroep van de

respondent niet specifiek genoeg gesteld waardoor het niet mogelijk is om de resultaten

voor werknemers met een publieke taak apart te beschrijven 1 .

In de Fit3 Employee Survey zijn meer dan 9.000 werknemers ondervraagd over hun werk-

omstandigheden. Er is een aantal vragen gesteld over agressie en geweld op het werk.

1 Een respondent die aangeeft werkzaam te zijn binnen de sector veiligheidsdiensten kan zowel een politieamb-

tenaar als een private beveiliger zijn.

33


Hierbij is niet expliciet gevraagd of het incident veroorzaakt werd door derden of door ie-

mand op het werk. In de Fit3 Employee Survey is wel gevraagd of het een bekende was die

agressief was. Al lijkt het meer voor de hand liggend dat een bekende een collega of lei-

dinggevende is, kan toch niet worden uitgesloten dat een bekende een ‘derde persoon’ is

zoals een klant of passagier.

Ook de Fit3 Employee Survey is de vraag naar het beroep van de respondent niet specifiek

genoeg gesteld waardoor het niet mogelijk is om de resultaten voor werknemers met een

publieke taak apart te beschrijven 1 .

Duitsland kent geen survey onder werknemers in de publieke sector over agressie en ge-

weld. In Duitsland is de werkgever verplicht ernstige gevallen van fysiek geweld door te

geven aan de ongevallenverzekeraar. Dit geldt ook voor werkgevers in het Verenigd

Koninkrijk. Het gaat dan om die gevallen die ertoe leiden dat de werknemer minimaal drie

dagen niet in staat is zijn normale werkzaamheden uit te voeren. Ook minder zware geval-

len van geweld op het werk mogen doorgegeven worden, maar de werkgever is daartoe

niet verplicht. De Duitse koepelorganisatie van ongevallenverzekeraars (DGUV) verzamelt

de meldingen van alle verzekeraars en beheert de database van deze meldingen. Uit een

gesprek met een beleidsmedewerker van de DGUV is gebleken dat de oorzaken van de

meldingen niet altijd eenduidig geregistreerd worden. Een ordening van incidenten naar

oorzaak en aanstichter (intern dan wel extern) is niet mogelijk.

De statistieken van de DGUV leveren geen overzicht van aard en omvang van agressie en

geweld tegen publieke functionarissen in Duitsland, omdat oorzaak van het incident niet al-

tijd geregistreerd wordt en de statistieken alleen gaan over ernstige incidenten. Bovendien

is onbekend of alle meldingen van alle werkgevers uit de publieke sector uiteindelijk gere-

gistreerd worden bij de DGUV. De kans op onderrapportage van het werkelijk aantal inci-

denten is groot.

2.3.3 Vergelijkend overzicht

Om de aard en omvang van agressie en geweld te vergelijken tussen de verschillende lan-

den zouden we nationale databronnen per land kunnen bekijken en deze met elkaar verge-

lijken. In elke nationale databron dienen de gerapporteerde incidenten te herleiden zijn

naar:

werknemers met een publieke taak;

aanstichter van het geweld (intern of extern);

type incident (fysiek, verbaal, intimidatie, discriminatie).

Onderstaande tabel laat in de eerste kolom de verschillende nationale databronnen zien. In

de volgende drie kolommen is te zien in hoeverre de incidenten specifiek genoeg te herlei-

den zijn.

1 Enkele globale uitkomsten van de survey: 16% heeft in de laatste drie maanden te maken gehad met agres-

sie op het werk. 87% van deze groep rapporteert dat het om verbaal geweld ging. 66% van deze groep kende

de persoon die gewelddadig naar hen was.

34


Tabel 2.4 Kwaliteit van de verschillende databronnen.

Databron Te herleiden naar werk-

nemers met een publieke

taak?

Te herleiden naar

aanstichter?

Intern of door

derden?

Te herleiden naar

type incident?

Fysiek, verbaal, in-

timidatie,discrimi- 35

natie?

Monitor VPT (Nederland) X X X

Survey Arbetsmiljöverket

(Zweden)

- - X

BCS (Verenigd Koninkrijk) - - -

Fit3 (Verenigd Koninkrijk) - - X

Meldingen aan verzekeraars

(Duitsland)

- - -

Van alle nationale databronnen levert alleen de monitor VPT een overzicht van aard en om-

vang van agressie en geweld tegen publieke functionarissen. Bovendien zijn alleen op basis

van de monitor VPT uitsplitsingen mogelijk naar intern geweld dan wel geweld door derden.

Het vergelijken van nationale databronnen is niet mogelijk als we uitspraken willen doen

over hoe vaak agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak voorkomt in de

verschillende landen. Alleen Europese cijfers lijken ons een vergelijkend beeld te geven van

aard en omvang van agressie en geweld tegen werknemers in de vier landen.

2.4 Aandacht voor het onderwerp in de verschillende landen

Cijfers die een toename in agressie en geweld op het werk laten zien, moeten met enige

voorzichtigheid benaderd worden. Een toename in de cijfers hoeft immers niet alleen te

duiden op een daadwerkelijke toename van agressie en geweld op het werk, maar kan

evenzeer te maken hebben met een toegenomen aandacht voor het onderwerp en een hier-

aan gekoppelde toename in meldingsbereidheid. Ook kan sprake zijn van een verbreding

van definities waardoor bijvoorbeeld niet alleen fysiek geweld, maar ook verbaal geweld in

de cijfers gaat meetellen.

Tegelijkertijd moet ervan uit worden gegaan dat het aantal gerapporteerde incidenten in

bepaalde sectoren (politie, veiligheidspersoneel, medisch- en ander gezondheidszorgperso-

neel) weliswaar al relatief hoog is, maar in werkelijkheid waarschijnlijk nóg hoger is. Juist

in deze sectoren zijn werknemers zich ervan bewust dat zij te maken kunnen krijgen met

agressie en geweld, waardoor zij juist minder geneigd zouden zijn dergelijke voorvallen te

rapporteren. 1

In deze paragraaf komt de maatschappelijke aandacht voor het thema agressie en geweld

op het werk in de verschillende landen aan bod. We baseren ons hierbij op de gesprekken

die we voerden met de experts in de verschillende landen.

1 Felipe Estrada, Anders Nilsson, Sofia Wikman. The increase in work-related violence. An analysis based on

Swedish victim surveys. Nordisk Tidsskrift for Kriminalvidenskab. 94: 56–73. EWCO (2007).


2.4.1 Ned erland

In de media in Nederland is veel aandacht voor incidenten in het openbaar vervoer (trein-

en buspersoneel) en met ambulancepersoneel. In de periode 2007 - 2009 heeft het onder-

werp ook in de politiek veel aandacht gekregen en zijn er veelvuldig kamervragen over ge-

steld. De discussie in Nederland concentreert zich op terugkoppeling richting daders en een

stevige justitiële aanpak.

Campagnes als ‘Handen af van onze helpers’ dragen bij aan de bewustwording van het pro-

bleem. De meldingsbereidheid kan hierdoor toenemen wat zich doorvertaalt in het aantal

gerapporteerde incidenten.

2.4.2 Duitsland

In Duitsland hebben recente schietincidenten op scholen (‘Amokläufe’) politiek veel aan-

dacht gekregen. Ook is recentelijk een discussie ontstaan over de strafmaat voor geweld-

daden tegen politie en brandweer. Ten slotte is er een tendens onder verzekeraars werk-

nemers/werkgevers aan te moedigen om ook werkgerelateerde ongevallen te melden die

leiden tot klachten van psychische aard.

2.4.3 Zweden

Een aantal incidenten van geweld en bedreigingen in het openbaar vervoer heeft eraan bij-

gedragen dat het onderwerp meer aandacht kreeg in de media. Ook krijgt het onderwerp in

de politiek meer aandacht, omdat vakbonden het initiatief hebben genomen om agressie en

geweld door derden op de agenda te zetten.

2.4.4 Verenigd Koninkrijk

Het thema agressie en geweld wordt in het Verenigd Koninkrijk gezien als een belangrijk

sociaal probleem voor de gehele samenleving. De centrale autoriteit op het gebied van ar-

beidsomstandigheden, de HSE, heeft het beperken van agressie en geweld op het werk, en

dan met name in de gezondheidssector en in de beveiliging, geprioriteerd als één van de

belangrijkste onderwerpen in het arbeidsomstandighedenbeleid.

2.4.5 Vergelijkend overzicht

In alle onderzochte landen is de laatste jaren in de politiek en media veel aandacht geweest

voor het thema agressie en geweld op het werk. In het Verenigd Koninkrijk lijkt de aan-

dacht met name uit te gaan naar de zorgsector en de beveiliging, terwijl in Nederland en

Zweden de publieke focus meer ligt bij geweld in het openbaar vervoer. In Duitsland zijn

het ongevallenverzekeraars die zich sterker gaan richten op maatregelen en procedures om

agressie en geweld op het werk en daarmee ongevallen en verzuim te voorkomen.

36


2.5 Deelconclusie: Nederland in vergelijkend perspectief

Een vergelijking tussen de vier landen leert ons dat Nederland het enige land is dat een

specifieke definitie hanteert voor agressie en geweld door derden tegen werknemers met

een publieke taak. Bovendien geeft de monitor Veilig Publieke Taak een overzicht van om-

vang en aard van dit type agressie. In andere landen is een dergelijke dataset niet voor-

handen. De European Working Conditions Survey geeft een globaal inzicht in het voorko-

men van agressie en geweld op het werk in de vier landen. Hieruit blijkt dat in het Verenigd

Koninkrijk het aantal incidenten het hoogst ligt, gevolgd door Nederland en Duitsland. Van

de vier landen lijkt agressie op het werk het minst voor te komen in Zweden. Afgezien van

Duitsland zien we tussen 2000 en 2005 een enigszins dalende trend in het aantal inciden-

ten in alle landen.

Verder blijkt uit de EWCS 2005 dat in de drie landen, globaal gezien, dezelfde sectoren een

relatief hoog risico hebben op agressie en geweld tegen werknemers: gezondheidszorg,

openbaar vervoer en de veiligheidssectoren.

Cijfers van de Europese bedrijvenenquête naar nieuwe en opkomende arbeidsrisico’s

(ESENER) laten zien dat in Nederland 50% van de bedrijven procedures kent voor pesten

en intimidatie en rond de 40% procedures voor geweld op het werk. In Zweden en in het

Verenigd Koninkrijk ligt dit percentage aanzienlijk hoger en in Duitsland aanzienlijk lager.

37


3 Beleid tegen agressie en geweld

3.1 Inleiding

Dit hoofdstuk behandelt het beleid tegen agressie en geweld (tegen werknemers met een

publieke taak) in de vier landen. Per land gaan we in op de betrokken actoren op natio-

naal/regionaal en sectoraalniveau, de verantwoordelijkheidsverdeling en de uitwerking

daarvan in wet- en regelgeving. Indien er speciale programma’s of instrumenten zijn voor

een veilige publieke taak, dan worden die in dit hoofdstuk beschreven. De specifieke be-

leidsvoering in de drie onderzochte sectoren komt in de volgende hoofdstukken aan bod.

De volgende onderzoeksvragen staan in dit hoofdstuk centraal:

Wat is de beleidsvoering bij het tegengaan van agressie en geweld tegen werknemers

met een publieke taak?

Wat zijn per land de kenmerkende beleidsstructuren, zoals verschillen in de mate van

publiekprivate samenwerking, het verzekeringssysteem 1 , de financieringsstructuren, het

gebruik van convenanten tussen werkgevers en werknemers, de wijze van toezicht en

handhaving, etc?

Welke actoren (zowel publiek als privaat) zijn actief bij het terugdringen van agressie en

geweld tegen werknemers met een publieke taak?

Hoe zijn de verantwoordelijkheden tussen overheden op landelijk, regionaal en lokaal ni-

veau verdeeld?

Welke rol spelen deze actoren in het terugdringen van agressie en geweld?

Is er vanuit de landelijke, regionale en of lokale overheden beleid dat is gericht op het

tegengaan van agressie en geweld?

3.2 Internationaal kader

De internationale aandacht voor agressie en geweld op het werk is in de afgelopen jaren

toegenomen. Dit uit zich in allerlei (beleids)wetenschappelijk onderzoek. Geweld, intimida-

tie en discriminatie zijn sinds 2000 een specifiek thema in de vijfjaarlijkse European Wor-

king Conditions Survey. Ook de International Labour Organization (ILO) en de European

Foundation for the Improvement of Living and Working Conditions hebben verscheidene

studies op dit terrein uitgevoerd. 2 In 2010 voert het ‘Europees Agentschap voor Veiligheid

en Gezondheid op het Werk’ een onderzoek uit in de 27 Europese lidstaten naar het beleid

omtrent geweld en intimidatie op het werk 3 .

1 Bij de bestudering van de verzekeringssystemen gaan we nadrukkelijk in op het Duitse verzekeringssysteem.

2 International Labour Office, Violence at work (2006), Workplace violence in service sectors (2003). European

Foundation for the Improvlement of Living and Working Conditions, Preventing violence and harassment in

the workplace (2003).

3 Europese bedrijvenenquete naar nieuwe en opkomende risico’s (ESENER), Europees Agentschap voor veilig-

heid en gezondheid op het werk. Samenvatting resultaten (2009).

39


Naast de wetenschappelijke aandacht is er ook internationale politieke en beleidsmatige

aandacht voor agressie en geweld op het werk. Organisaties als de Europese Commissie, de

Europese sociale partners, de ILO en de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) hebben in

verschillende documenten hun zorgen geuit over de problematiek en bijgedragen aan het

ontwikkelen, verzamelen en verspreiden van kennis, richtlijnen en best practices. Een re-

cent en vermeldenswaardig initiatief is de Raamovereenkomst over intimidatie en geweld

op het werk die de Europese sociale partners in 2007 hebben gesloten. Het doel van deze

raamovereenkomst is het doen toenemen van het besef en begrip van de problematiek bij

werkgevers, werknemers en hun vertegenwoordigers en het geven van handvatten voor het

omgaan met intimidatie en geweld. 1 Nog recenter zijn de richtlijnen die de Europese sociale

partners in september 2010 hebben ondertekend. 2 Deze richtlijnen pogen agressie door

derden te bestrijden in de sectoren zorg, onderwijs, overheid (lokaal en regionaal), handel

en beveiliging.

Een complicerende factor bij het onderzoeken en voorkomen van agressie en geweld op het

werk is dat het begrip internationaal niet eenduidig wordt geïnterpreteerd. Het vorige

hoofdstuk heeft laten zien dat er verschillende definities in omloop zijn. Hierdoor wordt de

problematiek binnen verschillende contexten geplaatst. Soms ligt de nadruk op pesten,

soms op discriminatie, op seksuele intimidatie, op fysiek geweld of op psychologische inti-

midatie. Pas in de laatste jaren wordt er ook een duidelijk onderscheid gemaakt in agressie

en geweld door derden (‘third party violence’) en agressie en geweld tussen collega’s on-

derling (‘bullying’). In geen van de internationale definities of onderzoeken wordt agressie

en geweld tegen publieke functionarissen als apart thema behandeld.

Op de eerder genoemde richtlijnen van de Europese sociale partners na is er geen interna-

tionale afspraak of richtlijn voor het bestrijden van agressie en geweld door derden op het

werk. Er is wel een Europese richtlijn die indirect betrekking heeft op agressie en geweld

door derden en dat is de "Kaderrichtlijn veiligheid en gezondheid van werknemers op het

werk" uit 1989 (89/391/EEG). Deze richtlijn is te beschouwen als een soort Arbowet op

Europees niveau. Alle Europese lidstaten dienen de voorschrifen uit deze richtlijn over te

nemen in de nationale wetgeving. Een van de belangrijkste voorschriften is dat werkgevers

arbeidsrisico’s moeten identificeren, voorkomen en verminderen. Hoewel hierin geen ver-

wijzing is opgenomen naar het arbeidsrisico agressie en geweld, plaatsen de meeste

Europese lidstaten het bestrijden van agressie en geweld op het werk wel binnen het kader

van arbeidsomstandigheden(wet- en regelgeving). Om het beleid tegen agressie en geweld

op het werk in de juiste context te plaatsen, is het dus eerst van belang het arbostelsel te

beschrijven in de vier onderzochte landen.

1 European Social Dialogue, Framework Agreement on Harassment and Violence at Work, 26 april 2007.

2 Zie: http://ec.europa.eu/social/main.jsp?langId=nl&catId=89&newsId=896&furthe

40


3.3 Arbostelsels

Agressie en geweld op het werk is een vorm van psychosociale arbeidsbelasting. Psychoso-

ciale arbeidsbelasting is een arbeidsrisico waar de werkgever zijn werknemers tegen moet

beschermen. Dat de werkgever deze bescherming moet bieden is in nationale wetgeving

vastgelegd.

Agressie en geweld kunnen niet alleen in het kader van arbostelsels worden geplaatst,

maar ook in het kader van sociale zekerheidsstelsels. Agressie en geweld zijn immers te

beschouwen als bedrijfsongevallen die kunnen leiden tot ziekte en arbeidsongeschiktheid.

Alle onderzochte landen kennen regelingen voor uitkering bij ziekte en arbeidsongeschikt-

heid, maar de invulling van deze regelingen verschilt sterk per land. De verschillen hebben

betrekking op wie het financiële risico draagt voor loonderving als gevolg van bedrijfsonge-

vallen, welke actoren verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de uitkeringen, welke ac-

toren voor de verzekering van de risico's en wie verantwoordelijk is voor het nemen pre-

ventieve maatregelen.

Het valt buiten het bestek van dit onderzoek om de complexe en diverse aspecten van deze

regelingen uitgebreid te beschrijven en vergelijken. Aangezien het Ministerie van BZK geïn-

teresseerd is in de rol van Duitse ongevallenverzekeraars bij de preventie van agressie en

geweld, gaan we wel op zoek naar de counterparts in de andere onderzochte landen. Daar-

naast beschrijven we in deze paragraaf per land hoe het arbeidsrisico agressie en geweld

vorm krijgt in nationale wetgeving. Daarbij beschrijven we welke actoren verantwoordelijk

zijn voor het uitvoeren en handhaven van deze wetten en welke bepalingen hieruit voort-

vloeien voor werkgevers. Per land besteden we eveneens aandacht aan de wijze waarop

werkgevers zich verzekeren tegen arbeidsongevallen.

3.3.1 Ned erland

In Nederland zijn werkgever en werknemer primair verantwoordelijk voor het arbobeleid

binnen een bedrijf. Zij maken afspraken over de arbeidsomstandigheden en worden daarbij

gesteund door sociale partners. Ook kan de werkgever een arbodienst inhuren. Sociale

partners voeren onderling overleg en kunnen hun afspraken vastleggen in een ‘arbocatalo-

gus’: een verzameling maatregelen en oplossingen voor arbeidsomstandigheden waaruit

werkgevers en werknemers binnen een branche of sector een keuze kunnen maken. De

arbocatalogus bevat verschillende manieren waarop aan de regels kan worden voldaan. De

afspraken tussen de sociale partners hoeven niet in een arbocatalogus vastgelegd te wor-

den. Ze kunnen ook vastgelegd worden in een collectieve overeenkomst.

De genoemde actoren opereren binnen de kaders van de Arbowet, waarin doelvoorschriften

en grenswaarden zijn vastgelegd. De Arbowet is een implementatie van de Europese kader-

richtlijnen arbeidsomstandigheden. In de Arbowet is een aantal doelvoorschriften genoemd

waaraan de werkgever in elk geval dient te voldoen:

Inventarisatie van de risico’s voor gezondheid en veiligheid van de werknemers;

Opstellen van een plan van aanpak ter vermindering van de risico’s en evaluatie hiervan;

Voorlichting aan en onderricht van de werknemers over risico’s en beleid;

Melding en registratie van ongevallen en beroepsziekten (registratie is verplicht bij zie-

41


kenhuisopname);

Het beleid continu aanpassen aan veranderende omstandigeden en opgedane ervarin-

gen.

Bij ziekte, en dus ook bij ziekte als gevolg van agressie en geweld, moeten werkgevers in

Nederland hun werknemers twee jaar lang 70% van het laatste loon doorbetalen. De werk-

gever kan zich hiervoor verzekeren. Er zijn verzekeraars die verzekeringspakketten aanbie-

den waarin een bonus/malusregeling is opgenomen in de premie: na een jaar met veel

ziekteverzuim c.q. ongevallen stijgt de premie, na een jaar met weinig ziekteverzuim c.q.

ongevallen daalt de premie. Ook zijn er verzekeraars die de ziekengeldverzekering combi-

neren met arbodienstverlening en op die manier extra prikkels voor werkgevers inbouwen

om arbeidsongevallen te voorkomen.

Als agressie en geweld leidt tot arbeidsongeschiktheid stroomt de werknemer door naar een

collectieve werknemersverzekering (de WIA). De WIA is een verzekering die – in tegenstel-

ling tot regelingen in veel andere landen – alle risico’s afdekt die tot arbeidsongeschiktheid

leiden (‘risque social’) en dus niet alleen het risico van bedrijfsongevallen dekt (‘risque

professionel’).

Toezicht/inspectie

De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de naleving van de Arbowet. Daarbij kan de Arbeids-

inspectie lichte middelen inzetten zoals een waarschuwing of zware middelen, zoals het stil-

leggen van het werk of het opleggen van een bestuurlijke boete.

Het onderstaande schema bevat de belangrijkste actoren in het Nederlandse Arbostelsel.

Figuur 3.1 Belangrijkste actoren in het Nederlandse Arbostelsel

42


3.3.2 Duitsland

In Duitsland wordt het thema arbeidsomstandigheden breed opgevat. Het begrip omvat het

voorkomen van werkgerelateerde ongevallen, ziekten en risico’s, maar ook maatregelen om

werk prettiger te organiseren, bescherming van kwetsbare werknemers (jongeren, zwange-

re vrouwen) en regulering van arbeidstijden.

Net als in Nederland is de werkgever primair verantwoordelijk voor de veiligheid en de ge-

zondheid van de werknemers op de werkplek. 1 Uit de Duitse arbeidsomstandighedenwet

(Arbeitsschutzgesetz, 1996) volgen een aantal verplichtingen voor de werkgever. Hij is

verplicht om de noodzakelijke maatregelen met betrekking tot arbeidsbescherming te ne-

men, rekening houdend met de omstandigheden die de veiligheid en de gezondheid van de

werknemers tijdens de uitvoering van hun werk beïnvloeden. De werkgever dient de doel-

treffendheid van de maatregelen te controleren en zich desnoods aan veranderingen van de

omstandigheden aan te passen. Zo is hij onder andere verplicht om een verbetering van de

veiligheid en van de bescherming van de gezondheid van de werkgevers na te streven. Om

hem daarbij te ondersteunen, dient de werkgever veiligheidsspecialisten en bedrijfsartsen

aan te stellen, die hem bij problemen met de veiligheid op het werk advies kunnen geven.

Typerend voor Duitsland is dat de federale structuur van de staat ook tot uiting komt in het

arbostelsel. Een belangrijke centrale actor in het stelsel is het Ministerie van Arbeid en

Sociale Zaken (Duitse afkorting: BMAS), dat de wetten maakt en eindverantwoordelijk is

voor het stelsel. Het BMAS wordt ondersteund door de experts van het Bundesanstalt für

Arbeitsschutz und Arbeitsmedizin (BAuA). De deelstaten spelen daarnaast een belangrijke

rol. Zij worden samen met onder andere de vakbonden en werkgeversorganisaties bij de

besluitvorming betrokken rondom wetten en verordeningen die betrekking hebben op de

veiligheid en de gezondheid op de werkplek. Ook dienen de deelstaten de naleving van

voorschriften die in de deelstaat van kracht zijn te controleren. Daartoe heeft elke deel-

staat een eigen Arbeitsschutzaufsicht (Controle van de Veiligheid op het Werk) ingericht.

Naast de door de federale staat ingerichte arbeidsbescherming bestaat er ook een arbeids-

bescherming die door de wettelijke ongevallenverzekeringsmaatschappijen (Unfallversiche-

rungsträger - UVT’s) wordt georganiseerd. UVT’s zijn:

de Gewerbliche Berufsgenossenschaften (algemene beroepsverenigingen);

de Landwirtschaftliche Berufsgenossenschaften (agrarische beroepsverenigingen);

de openbare Unfallversicherungsträger (ongevallenverzekeringsmaatschappijen).

Anders dan in Nederland moeten alle werkgevers zich verplicht bij een beroepsongevallen-

verzekeraar aansluiten. Dit hangt samen met het feit dat Duitsland geen algemene arbeids-

ongeschiktheidsverzekering kent voor werknemers zoals Nederland (risque social), maar

alleen een ongevallen- en beroepsziektenverzekering (risque professionel). De ongevallen-

verzekeraar keert uit na bedrijfsongevallen of beroepsziekten. De verzekering betaalt bij-

voorbeeld de medische behandeling die de werknemer moet ondergaan, de re-

integratiekosten voor de werknemer, het verlies van inkomen en financiële bijstand voor

eventuele afhankelijke familieleden. Ook eventuele schadeclaims als gevolg van bedrijfson-

1 Paragraaf ontleend aan: Broeck, V. de (e.a.), Onderzoek arbo-informatiestructuur in westerse landen,

Prevent 2006.

43


gevallen worden door deze verzekering, en dus door alle werkgevers van een bepaalde sec-

tor samen, uitgekeerd.

De ongevallenverzekeraars spelen dus een belangrijke rol in het Duitse arbostelsel. Deze

verzekeraars hebben ondere andere als taak om met alle geschikte middelen arbeidsonge-

vallen, beroepsziekten en werkgerelateerde gezondheidsrisico’s te vermijden en voor een

effectieve Eerste Hulp te zorgen. Om deze taken te kunnen vervullen, worden op vergade-

ringen van vertegenwoordigers van de UVT’s voorschriften ter vermijding van ongevallen

(UVV’s - Unfallsverhütungsvorschriften) aangenomen, die door het het Ministerie van Ar-

beid en Sociale Zaken moeten worden goedgekeurd.

Kenmerkend voor het Duitse stelsel is het bonus/malussysteem van premieheffing dat veel

ongevallenverzekeraars hanteren. Werkgevers worden in een premiegroep ingedeeld en

kunnen op basis van de gedeclareerde kosten een bonus (terugbetaling van de premie) of

malus (naheffing) tot 50 procent van de betaalde premie krijgen. Sommige ongevallenver-

zekeraars passen alleen bonussen toe en sommigen alleen malussen. Naast het bo-

nus/malussysteem is er nog een prikkel om te investeren in gezonde en veilige arbeidsom-

standigheden, doordat een deel van de kosten van investeringen kan worden gedeclareerd

bij de verzekeraar, of de verzekeraar de investeringen kan subsidiëren.

Niet alle Duitse ongevallenverzekeraars hanteren dezelfde criteria bij het indelen van werk-

gevers in premiegroepen. Het zou interessant zijn hier meer inzicht in te krijgen, omdat we

dan meer te weten kunnen komen over de eisen die verzekeraars aan werkgevers stellen.

Dit vergt echter een grondige studie van het hele Duitse verzekeringssysteem waarvoor de

tijd binnen deze onderzoeksperiode ontbrak. Wat we wel kunnen concluderen op basis van

de gevonden informatie over het Duitse verzekeringssysteem is dat de ongevallenverzeke-

raars in Duitsland een belangrijke speler zijn bij het prikkelen van werkgevers om hun

arbobeleid op orde te houden.

Toezicht/inspectie

De controle van de naleving van de voorschriften ter vermijding van ongevallen (de UVV’s)

gebeurt door de inspectie van de betreffende ongevallenverzekeringsmaatschappij (UVT),

die verder ook als taak hebben om advies te verlenen aan zowel werkgevers als de werk-

nemers.

Om dubbel werk bij de controle op de arbeidsbescherming door de federale staat en de

wettelijke ongevallenverzekeringsmaatschappijen te vermijden, zijn de bevoegde overhe-

den van de deelstaten en de UVT’s in Duitsland verplicht om nauw samen te werken en er-

varingen uit te wisselen. Ze spelen elkaar wederzijds informatie door over de uitgevoerde

bedrijfsbezoeken en de belangrijkste resultaten daarvan. In diverse comités wordt informa-

tie doorgegeven, worden activiteiten gecoördineerd en worden beslissingen genomen over

samenwerkingen.

Alle actoren binnen het Duitse Arbostelsel opereren binnen het kader van de volgende fede-

rale wetten:

"Arbeitsschutzgesetz" (Arbeidsomstandighedenwet, 1996)

"Arbeitssicherheitsgesetz", waarin de rollen en verantwoordelijkheden van de vakkrach-

ten voor arbeidszekerheid zijn beschreven, zoals bedrijfsartsen en veiligheidsspecialis-

44


ten.

"Siebte Buch Sozialgesetzbuch" (Zevende deel van het sociaal recht, 1996), waarin de

rol en verantwoordelijkheden van de ongevallenverzekeraars zijn beschreven.

De volgende figuur schetst het Duitse arbostelsel op hoofdlijnen.

Figuur 3.2 Belangrijkste actoren in het arbostelsel van Duitsland

3.3.3 Zweden

Net als in de andere landen is in Zweden de werkgever primair verantwoordelijk voor de

veiligheid en de gezondheid van de werknemers op de werkplek.

De wettelijke kaders hiervoor zijn vastgelegd binnen de Zweedse arbowet ‘arbetsmiljo-

lagen, AML’ (1977). In deze wet staat dat werkgevers verplicht zijn om te zorgen voor een

veilige en gezonde werkomgeving. Ook staat in de wet dat werkgevers en werknemers sa-

men een veilige en gezonde werkomgeving moeten creëren. Het gaat dan om zowel techni-

sche en fysieke aspecten van de werkplek als om organisationele en sociale aspecten van

het werk.

Een onderdeel van het Zweedse Ministerie van Arbeid (Arbetsmarknadsdepartementet) is

de Arbetsmiljöverket (AV). Dit orgaan werkt de arbowet uit in richtlijnen en stelt eisen en

standaarden vast waar een veilige en gezonde werkomgeving aan dient te voldoen. De AV

werkt autonoom van de centrale overheid. De richtlijnen en eisen van de AV zijn opgeno-

men in een statuair boek. Deze richtlijnen zijn vergelijkbaar met de Nederlandse doelvoor-

45


schriften uit de Arbowet. Een voorbeeld van een dergelijke richtlijn is dat bedrijven van vijf

of meer werknemers altijd een veiligheidsmedewerker moeten hebben. Enkele andere voor-

beelden:

Zorgdragen voor continue aandacht voor arbeidsomstandighedenbeleid in de organisatie;

Het mogelijk maken dat werknemers mee kunnen onderhandelen over hun arbeidsom-

standigheden;

Het arbeidsomstandighedenbeleid documenteren en toegankelijk maken voor alle werk-

nemers;

Inventariseren en inschatten van arbeidsrisico’s en dit documenteren;

Altijd onderzoeken wat de oorzaak is voor een bedrijfsongeval en daar direct naar han-

delen (maatregelen nemen om het ongeval in de toekomst te voorkomen);

Een jaarrapport maken over het aantal bedrijfsongevallen naar oorzaak;

Het arbeidsomstandighedenbeleid van de eigen organisatie jaarlijks evalueren;

Ook over het arbeidsrisico agressie en geweld op het werk heeft de AV globale richtlijnen

opgesteld:

Voor werknemers die het risico lopen blootgesteld te worden aan geweld, moeten passende

veiligheidsmaatregelen worden getroffen en moet passende training en ondersteuning wor-

den geboden.

Net als in Nederland is er in het Zweedse arbostelsel een belangrijke rol weggelegd voor

sectorale sociale partners. In de Zweedse arbowet staat namelijk dat werkgevers en werk-

nemers samen een veilige en gezonde werkomgeving moeten creëren. Sociale partners ma-

ken het arbobeleid voor de verschillende sectoren.

Bij ziekte, en dus ook bij ziekte als gevolg van agressie en geweld, moeten werkgevers in

Zweden hun werknemers 14 dagen het loon doorbetalen. Daarna stroomt de werknemer

door naar een collectieve werknemersverzekering. Het geld voor deze verzekering komt,

net als in Nederland, van geld dat alle werknemers en werkgevers in Zweden aan sociale

premies afdragen. Werkgevers hoeven immers zelf geen hoge kosten te maken, omdat na

14 dagen het loon van de werknemer al betaald wordt uit een collectieve uitkering. Het lijkt

er dus op dat het Zweedse stelsel relatief weinig financiële prikkels bevat voor werkgevers

om ziekte tegen te gaan.

Net als Duitsland heeft Zweden ook een bedrijfsongevallen- en beroepsziektenverzekering.

Als bewezen wordt dat een ‘verwonding’ werkgerelateerd is, ontvangt de werknemer een

uitkering die gefinancierd wordt uit sociale premies.

Toezicht/inspectie

Inspecteurs van de Arbetsmiljöverket (AV) controleren individuele werkgevers aan de hand

van hun richtlijnen opgenomen in het statuair boek. De inspecteurs zijn georganiseerd in

tien locaties over het land. Elke locatie volgt en monitort een aantal sectoren. Op basis van

deze monitors kan de Work Environment Authority zien welke nieuwe maatregelen voor

welke specifieke sector nodig zijn.

De volgende figuur schetst het Zweedse arbostelsel op hoofdlijnen.

46


Figuur 3.3 Belangrijkste actoren in het arbostelsel van Zweden

3.3.4 Verenigd Koninkrijk

Net als in de andere landen is in het Verenigd Koninkrijk de werkgever primair verantwoor-

delijk voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op de werkplek.

Het arbostelsel van het Verenigd Koninkrijk vertoont enige overeenkomsten met het

Zweedse stelsel. Net als in Zweden is er een centrale autoriteit die toeziet op de naleving

van wetgeving, maar tevens regels en richtlijnen maakt en werkgevers adviseert over ge-

zond en veilig werken: de Health and Safety Commission (HSC) en de Health and Safety

Executive (HSE), respectievelijk de commissie en het uitvoerend orgaan voor gezondheid

en veiligheid op het werk. De taken en verantwoordelijkheden van deze organen zijn be-

schreven in de Health and Safety at Work Act uit 1974, de Britse Arbowet. Verscheidene

Secretaries of State moeten zich aan het parlement verantwoorden over arbeidsomstandig-

heden en de taken van de HSC en de HSE daarbij.

De voornaamste taak van de Health and Safety Executive is het maken van regels om de

gezondheid, veiligheid en het welzijn van werkenden en van het publiek te verzekeren. Dit

houdt in het voorstellen van nieuwe wetten en normen, het verrichten van onderzoek, het

verstrekken van informatie en advies en het controleren van explosieve en andere gevaar-

lijke stoffen.

Kaders voor beleid en maatregelen die werkgevers moeten nemen worden door de Health

and Safety Executive gemaakt. Deze worden vervolgens doorvertaald naar beleid op sec-

torniveau. Dit beleid wordt gemaakt door de sociale partners van de verschillende sectoren

in samenspraak met de Health and Safety Executive.

In geval van ziekte, en dus ook bij ziekte als gevolg van agressie en geweld, zijn werkne-

mers verplicht verzekerd tegen loonderving. Zij ontvangen dan gedurende 52 weken een

uitkering die wordt betaald uit premies die werkgevers hebben opgebracht. Daarnaast kent

het Verenigd Koninkrijk een verplichte sociale verzekering tegen bedrijfsongevallen en be-

roepsziekten.

47


Toezicht/inspectie

De Health and Safety Executive heeft eigen specifieke wettelijke verantwoordelijkheden,

met name voor de handhaving van de wetten inzake gezondheid en veiligheid. Daartoe kan

HSE waarschuwingen geven, werkgevers vervolgen (waarbij de rechtbank de hoogte van de

straf/boete bepaald) en in het zwaarste geval de werkgever strafrechtelijk vervolgen voor

dood door schuld of moord onder de Corporate Manslaughter and Corporate Homicide Act

uit 2007.

Naast de HSC/E spelen ook de lokale overheden een belangrijke rol in het arbostelsel. De

lokale overheden hebben wettelijke verantwoordelijkheden wat de handhaving van de wet

inzake gezondheid en veiligheid op sommige terreinen betreft. Zij zijn vooral in de sectoren

distributie, kleinhandel, kantoor, vrije tijd en maaltijdverstrekking actief. HSE werkt voor

de handhaving van de regels nauw met de lokale overheden samen, door toedoen van het

HSE/Local Authorities Enforcement Liaison Committee (Raad van toezicht op de handhaving

HSE/Lokale overheden).

De volgende figuur geeft een vereenvoudigd beeld van de hoofdlijnen van het arbostelsel.

Figuur 3.4 Arbostelsel Verenigd Koninkrijk

Health and Safety Executive

48

Secretaries of State

HSW 1974

Health and Safety

Commission

Werkgever en werknemer

Lokale overheden

HSE/Local Authorities

Enforcement Liason

Committee (HELA)


3.3.5 Vergelijkend overzicht

Hieronder staat een vergelijkend overzicht van de belangrijkste kenmerken en actoren in

de vier onderzochte landen.

Land Kenmerken arbostelsel Belangrijkste actoren (naast werkgever)

Nederland

Duitsland

Zweden

Verenigd

Koninkrijk

Grote rol voor sociale partners op

landelijk en sectoraal niveau bij ont-

wikkelen van beleid. Centrale over-

heid is verantwoordelijk voor het ar-

bostelsel, arbeidsinspectie voor hand-

having.

Duaal systeem:

zowel verantwoordelijke overheids-

diensten op deelstaatniveau als onge-

vallenverzekeraars zijn belast met

beheer risico’s

Centrale overheid schept wettelijke

richtlijnen. Deze worden uitgewerkt

door de Arbetsmiljöverket. De AV

werkt autonoom van de centrale

overheid. Op basis van richtlijnen van

de AV stellen Sociale Partners regels

op voor de specifieke sectoren. Toe-

zicht op richtlijnen door Arbeidsin-

spectie, onderdeel van de AV. Ar-

beidsinspectie werkt sterk sectoraal.

Centrale rol voor één overheidsin-

stantie: health and safety commission

(de commissie) en de health and

safety executive (HSE) (uitvoerend

orgaan) Beleidskaders worden

gemaakt door landelijk georganiseer-

de Sociale Partners samen met de

(HSE). Concreet beleid en maatrege-

len gemaakt op sectorniveau. Inspec-

tie door HSE en lokale overheden.

Centrale overheid

Landelijke sociale partners

Sectorale sociale partners

Arbeidsinspectie (onderdeel centrale over-

heid)

Centrale overheid en deelstaten

Ongevallenverzekeraars (verenigd in de koe-

pel DGUV)

Inspectie door deelstaten en ongevallenver-

zekeraars.

Centrale overheid:

Arbetsmarknadsdepartementet

Arbeidsinspectie: Arbetsmiljöverket

Sectorale sociale partners

Centrale overheid

Lokale overheid

Sectorale sociale partners

Inspectie door centrale overheid én lokale

overheden

Uit het overzicht blijkt dat er overeenkomsten en verschillen zijn tussen de arbostelsels van

de verschillende landen. Net als in Nederland worden in Zweden op nationaal niveau doel-

voorschriften opgesteld die door sociale partners voor verschillende sectoren nader worden

uitgewerkt in maatregelen. In het Verenigd Koninkrijk is een sterkere rol weggelegd voor

de centrale overheid. In dit land is er een duidelijke taak voor de centrale overheid bij het

vormgeven van arbobeleid voor sectoren. Het Duitse systeem onderscheidt zich van de an-

dere arbosystemen doordat overheidsorganen op deelstaatniveau beleid ontwikkelen en

doordat ongevallenverzekeraars een grote rol hebben in het formuleren van maatregelen en

de toezicht hierop.

49


3.4 Nederland in vergelijkend perspectief

3.4.1 Agressie en geweld binnen het arbostelsel

In alle landen is de nationale uitwerking van de Europese kaderrichtlijnen arbeidsomstan-

digheden het belangrijkste kader om agressie en geweld op het werk te voorkomen en be-

strijden. Aangezien alle arbowetgeving gebaseerd is op Europese richtlijnen, is de verdeling

van taken en verantwoordelijkheden tussen overheid, werkgevers en werknemers in alle

landen op hoofdlijnen vergelijkbaar. Hoewel de verplichtingen voor de belangrijkste partijen

in alle landen op elkaar lijken, is de organisatie van het arbostelsel zeer verschillend. In

Nederland en Zweden is de invulling en uitvoering van het arbobeleid in sterke mate uitbe-

steed aan individuele werkgevers die daarbij ondersteund kunnen worden door sectorale

sociale partners. De nationale regelgeving bevat weinig tot geen concrete middelvoorschrif-

ten omdat er gekozen is voor het benoemen van doelen in de wet. Sociale partners kunnen

zelf middelvoorschriften opstellen in een arbocatalogus.

In de andere onderzochte landen is de rol van sociale partners en individuele werkgevers

bij de invulling van het arbobeleid minder nadrukkelijk. Ook worden er in de andere landen

meer voorschriften op nationaal niveau geproduceerd. Duitsland is het enige land waar on-

gevallenverzekeraars een belangrijke taak vervullen in het arbostelsel en verantwoordelijk

zijn voor preventie van arbeidsongevallen. Daarnaast spelen in alle landen behalve Neder-

land de lokale overheden in meerdere of mindere mate een rol bij de handhaving van het

arbobeleid. Wat betreft toezicht en handhaving zijn deze taken in sommige landen (deels)

uitbesteed aan lagere overheden (Duitsland, Verenigd Koninkrijk) of aan verzekeraars

(Duitsland), of heeft het handhavende orgaan ook een rol bij de uitwerking van wetgeving

in concrete voorschriften (Zweden, Verenigd Koninkrijk).

Werkgevers worden in alle landen met name door de arbeidsinspecties geprikkeld om zich

aan de wet te houden. Zij kunnen daarbij instrumenten inzetten als waarschuwingen, maar

ook boetes. Alleen in het Verenigd Koninkrijk is er een speciale wet ingevoerd om een on-

derneming te vervolgen voor doodslag als deze heeft nagelaten de werknemer te bescher-

men. Alleen in het Duitse stelsel is een verplichte koppeling gemaakt tussen de verzekering

tegen loonderving door bedrijfsongevallen en beroepsziekten aan de ene kant en preventie

van bedrijfsongevallen en beroepsziekten aan de andere kant.

3.4.2 Bestrijding van ag ressie en geweld met andere instrumenten

Agressie en geweld op het werk hoeven niet alleen binnen het kader van de Arbowet be-

streden te worden. Ook strafrechtelijke instrumenten kunnen in bepaalde gevallen wense-

lijk zijn. Kenmerkend is dat het thema agressie en geweld op het werk in alle onderzochte

landen in de eerste plaats als een arbothema wordt gezien. De invalshoek van het beleid is

daardoor vooral het beschermen van werknemers en het bestraffen van werkgevers in

plaats van het bestraffen en vervolgen van daders. Nederland is het enige land waarin van-

uit het programma Veilige Publieke Taak duidelijke aanbevelingen worden gedaan aan

werkgevers om daders ook strafrechtelijk te vervolgen. Nederland neemt binnen de onder-

zochte landen dus een unieke positie in. Alleen in Nederland staat agressie en geweld tegen

werknemers met een publieke taak sterk in de belangstelling en is er een nationaal pro-

50


gramma gericht op deze problematiek. In de andere landen worden werknemers met een

publieke taak niet als aparte doelgroep onderscheiden.

Bij het beleid zijn veel verschillende actoren betrokken. In Zweden en het Verenigd Konink-

rijk zijn de arboexpertise en -toezichtcentra HSE en AV verantwoordelijk voor de ontwikke-

ling van het beleid. Sociale partners hebben daarbij op bestuurlijk niveau inspraak. In

Duitsland zijn er, door de tweeledige en gedecentraliseerde arbostructuur, zeer veel partij-

en betrokken bij agressie en geweld op het werk. Zo nemen bijna alle relevante stakehol-

ders deel aan het project INQA. DGUV, de koepelorganisatie van de ongevallenverzekeraars

verzamelt informatie en organiseert regionale seminars. Ongevallenverzekeraars van enke-

le risicosectoren houden zich ook bezig met agressie en geweld op het werk. Tot slot zijn er

regionale ongevallenverzekeraars, steden en deelstaten die sporadisch en/of kleinschalige

maatregelen nemen. Er lijkt geen sprake te zijn van duidelijke afstemming tussen alle ini-

tiatieven en de versnippering maakt het buitengewoon lastig om een helder beeld te krij-

gen.

3.4.3 Evaluatie van beleid

In geen van de onderzochte landen is een evaluatie aangetroffen van het beleid ter voor-

koming van agressie en geweld op het werk. Het is daardoor niet mogelijk om een duidelij-

ke relatie te leggen tussen de beleidsstructuren en -instrumenten in de landen enerzijds en

de effecten (vermindering van incidenten) anderzijds. Het onderzoek dat wordt uitgevoerd

naar agressie en geweld op het werk concentreert zich op de aard en omvang van inciden-

ten, inspecties van werkgevers en succes- en faalfactoren op projectniveau.

Land

Landelijke

strategie veilige

publieke

taak?

Zo nee, landelijke

strategie

tegen agressie

en geweld?

landelijke projecten

Nederland Ja

Belegd bij Ministerie

BZK

Programma Veilige Publieke Taak (2007-2011)

Duitsland Nee Nee Uit samenwerkingsverbanden tussen overheid, deelstaten

en ongevallenverzekeraars kunnen specifieke

projecten voortvloeien.

Zweden

Verenigd

Koninkrijk

Nee Ja

Belegd bij SFA

Nee

Ja

Belegd bij HSE

Werkt wetgeving uit in regelingen (waaronder een

regeling over agressie en geweld op het werk) en

geeft advies over implementatie. Kan op basis van

trends besluiten tot het nemen van specifieke maatregelen.

Per 2010 extra mandaat om bedreiging/geweld op

werk te voorkomen. Projecten:

in kaart brengen van belangrijkste risicosectoren

herziening van de regeling “violence and threats

in the workplace, AFS 1993:2”

internettraining en kennisplatform op het internet

seminar met externe onderzoekers.

Is eveneens verantwoordelijk voor uitwerking van de

wetgeving in specifieke regelingen.

Publicatie Violence at work: A guide for employers.

51


4 Onderwijs

4.1 Inleiding

Dit hoofdstuk gaat per land in op het beleid en maatregelen rondom agressie en geweld te-

gen werknemers in de onderwijssector. Per land staat kort beschreven welke actoren in de

onderwijssector beleid maken op het gebied van agressie en geweld. Verder is beschreven

in hoeverre er binnen deze sector specifieke aandacht is voor het thema. Vervolgens wordt

een aantal interessante projecten besproken. Volledigheid is hierbij niet mogelijk; vooral

opvallende en voor Nederlands beleid interessante initiatieven komen aan bod.

4.2 Nederland

4.2.1 Sectoraal beleid en aand acht voor ag ressie en geweld

Sectoraal beleid

In de onderwijssector speelt het thema agressie en geweld vooral in het voortgezet en

middelbaar onderwijs. Beleid rondom dit thema wordt dan ook gemaakt door de branche-

organisaties en vakbonden van deze onderwijstypen. Voor het voortgezet onderwijs gaat

het om de VO Raad. Bij de VO Raad zijn 334 schoolbesturen en 600 scholen aangesloten.

Voor het middelbaar onderwijs is de MBO Raad de brancheorganisatie. Bij de MBO Raad zijn

alle zeventig onderwijsinstellingen in de MBO sector aangesloten. De vakbonden voor on-

derwijspersoneel zijn de Algemene onderwijsbond (Aob) en CNV Onderwijs.

De VO Raad en de MBO Raad hebben beiden, in samenspraak met de vakbonden, een arbo-

catalogus ontwikkeld waar veiligheidsnormen in zijn opgesteld. Deze normen gaan over

schoolveiligheidsbeleid, incidentenregistratie, instructie en training, klachtenregeling, na-

zorg, toezicht, voorlichting en informatie aan leerlingen en ouders.

Aandacht voor het thema

Beide branche-organisaties brengen geregeld monitors uit over sociale veiligheid op scho-

len. Hierin is aandacht voor agressie en geweld tegen onderwijspersoneel. De VO Raad con-

cludeerde in de meest recente monitor (2007) 1 dat 36% van het onderwijspersoneel de

laatste 12 maanden te maken heeft gehad met schelden. Daarnaast concluderen de onder-

zoekers dat gewelddadige incidenten op scholen verregaande consequenties hebben voor

het voortbestaan van scholen. De MBO Raad brengt tweejaarlijks de ‘Monitor Sociale Veilig-

heid’ uit 2 . In 2002 gebeurde dit voor het eerst. Deze monitor geeft zowel een inzicht in de

ervaren sociale veiligheid van leerlingen en van personeel. Daarnaast bevat het rapport een

hoofdstuk over beleid. In de meest recente monitor (2008) concludeerde de MBO raad dat

7,2% van de medewerkers in het schooljaar 2007-2008 in één van de semesters slachtoffer

is geweest van pesten, discriminatie, bedreiging, lichamelijk geweld en/of seksuele discri-

minatie. Van deze vormen komt pesten en discriminatie het vaakst voor. In de enquête is

1 Kessel, van, N. (ITS Nijmegen) en Sikkes, R. (Aob). De goede naam van de school, vier jaar later. Tweede

agressie en geweldsenquête onder onderwijspersoneel.

2 Deze is te raadplegen op de site van de MBO Raad.

53


gevraagd naar type aanstichter van het geweld waarbij onderscheid gemaakt werd naar

deelnemer (leerling/cursist), collega of leidinggevende. Voor 80% van de respondenten die

aangeven slachtoffer te zijn geweest geldt dat deelnemers de agressor waren. Bij 16% van

de slachtoffers speelt een collega een rol en bij 8% een leidinggevende 1 .

4.2.2 Maatregelen en projecten

Landelijk

Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft, op basis van het pro-

gramma Veilige Publieke Taak van het Ministerie van BZK, het programma Veilige Publieke

Taak Onderwijs ontwikkeld. Met dit programma wil het ministerie bewerkstelligen dat scho-

len een zorgvuldig preventiebeleid opstellen en een effectieve reactie geven op incidenten.

Belangrijk onderdeel van dit programma is een campagne agressie tegen onderwijsperso-

neel. De campagne bestaat uit het uitdragen van acht normen hoe om te gaan met agres-

sie. Doel is om deze normen in arbocatalogi op te nemen.

School moet gangbare normen vaststellen, uitleggen en actief uitdragen.

Meld incidenten direct (zorg voor klimaat waarin melden normaal is).

Registreer, analyseer en evalueer incidenten: op deze wijze kan van elkaar worden ge-

leerd en beleid worden aangepast.

Doe aangifte van ernstige incidenten: dit bevordert het veiligheidsgevoel (van leerlingen

en personeel). Maak structurele afspraken over de afwikkeling met politie en justitie.

Probeer schade te verhalen op de dader en/de opvoeders. Pedagogisch kan het zinvol

zijn de dader te laten werken aan vergoeding van schade (financieel en geestelijk) en

herstel van de relatie

Wees duidelijk naar de dader van een incident: normen moeten steeds opnieuw worden

genoemd en uitgelegd.

Zorg voor opleiding en training van medewerkers zodat zij leren hoe incidenten kunnen

worden voorkomen of beheerst (tijdig signaleren, investeren in relatie, op juiste wijze

reageren).

Zorg voor goede nazorg en neem dit op in protocollen (zoals gesprekken met schoollei-

ding, psychosociale nazorg, externe begeleiding, supervisie).

Deze normen worden uitgedragen door vijf adviseurs bewustwording van de campagne. Zij

bezoeken het schoolbestuur en bespreken op welke wijze de normen gecommuniceerd en

geborgd kunnen worden. De normen moeten op schoolniveau uitgewerkt worden in een vei-

ligheidsplan. De adviseurs spreken met de school over hoe om te gaan met veiligheids-

kwesties. Bewustwording speelt hierin een belangrijke rol. Het creëren van een veilige

schoolomgeving gaat niet alleen over preventiemaatregelen zoals cameratoezicht, maar

gaat over normen hoe leerlingen, docenten en ouders met elkaar omgaan. Ook andere

maatregelen, zoals initiatieven om pesten tegen te gaan zorgen voor een veilige schoolom-

geving. De adviseurs vragen aandacht voor al deze thema’s waarbij de rode draad ‘respect

voor elkaar’ is.

Ook heeft het Ministerie van OCW het ‘Centrum School en Veiligheid’ opgericht. Dit centrum

verzamelt en verspreidt informatie en deskundigheid op het gebied van schoolveiligheid en

1 Neuvel, J. (2009). Monitor Sociale Veilgheid in de mbo-sector 2008. Deel 2: Personeel. MBO Raad.

54


adviseert schoolleiders, leraren/docenten, mentoren, leerlingbegeleiders, vertrouwens-

/contactpersonen, onderwijsondersteunend personeel, et cetera. Het maakt daarbij bijvoor-

beeld gebruik van de factsheet ‘preventie van agressie tegen onderwijspersoneel, ontwik-

keld door het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk 1 .

Om in kaart te kunnen brengen welke incidenten zich voordoen op scholen wil het

Ministerie van OCW scholen in het basis-, voortgezet- en middelbaar onderwijs verplichten

om incidenten te registreren. Middels pilots is bij diverse scholen onderzocht hoe deze regi-

stratie vormgegeven kan worden. Belangrijk punt hierbij is het vaststellen van definities

voor verschillende typen incidenten. De verwachting is dat de verplichte incidentenregistra-

tie per 1 augustus 2011 ingaat 2 . Beter inzicht in aard en omvang van incidenten zorgt er-

voor dat scholen gerichter veiligheidsbeleid kunnen opstellen, aldus het ministerie.

De MBO Raad kent het ‘Platform Veiligheid’. Hierin worden projecten en maatregelen ont-

wikkeld om de sociale veiligheid in het MBO te verbeteren. Eén van deze projecten is het

project ‘hard of hart’. Dit is een serie samenhangende gedragstrainingsprogramma's voor

medewerkers en studenten over sociale veiligheid. De trainingen laten zien hoe het eigen

gedrag kan bijdragen aan een sociaal veilig schoolklimaat. Eveneens houdt het Platform

Veiligheid zich bezig met het ontwikkelen van een Pestprotocol. De VO Raad ziet vooral toe

op het verspreiden van goede praktijken van veiligheidsbeleid tussen scholen. Onderdeel

van het project ‘Vensters voor Verantwoording’ is dat scholen informatie over hun veilig-

heidsbeleid met elkaar delen. Daarnaast kan de VO Raad Kwaliteitsteams Veiligheid van het

Nederlands Jeugdinstituut inzetten om scholen te ondersteunen.

Land Sectoraal beleid: onderwijs

Nederland

Beleid vastgesteld door branche-organisaties en vakbonden in een arbocatalogus. Zowel

landelijke als sectorale projecten. De projecten zijn vooral gericht op het faciliteren van

scholen om eigen veiligheidsbeleid te maken en om bewustwording onder scholen te

vergroten.

Projecten:

4.3 Duitsland

Sectoraal beleid

Programma Veilige Publieke Taak Onderwijs;

Centrum School en Veiligheid;

Verplichte incidentenregistratie

MBO Raad: Platform Veiligheid

De ongevallenverzekeraars binnen de onderwijssector zijn de belangrijkste actoren bij het

maken van beleid. Zoals eerder is geconstateerd, zijn de ongevallenverzekeraars in

Duitsland regionaal – op het niveau van de deelstaten - georganiseerd. Zodoende worden

er dus maatregelen en projecten opgezet voor scholen in één bepaalde regio/deelstaat.

1 Factsheet Preventie van agressie tegen school- en onderwijspersoneel, ISSN 1681-2158 (2003).

2 Het wetsvoorstel ligt nu voor advisering bij de Raad van State.

55


Automatisch zijn dan ook andere partijen uit die deelstaat sterk betrokken bij dit beleid,

zoals politie, welzijnswerk, jeugdzorg, et cetera.

Aandacht voor het thema

De aandacht voor agressie en geweld op scholen is in Duitsland sterk toegenomen na een

dodelijke schietpartij op een school in Erfurt in 2002. Een 19-jarige oud-leerling van de

school schoot 13 leerkrachten en 2 studenten dood. Dit voorval leidde tot een toegenomen

gevoel van onveiligheid op scholen. Er was sprake van bedreigingen van leerlingen (verbaal

of op het internet). Deze sfeer deed de meldingsbereidheid sterk toenemen. Er werd vaker

beroep gedaan op advies van schoolpsychologen, ook op scholen waar voorheen weinig of

geen gewelddaden werden gemeld. Sindsdien zijn veel initiatieven ontplooid die zich richten

op het vroegtijdig herkennen van doelgericht geweld op school en preventie hiervan. In

2009 heeft zich een schietincident voorgedaan op een school in Winnenden. Een oud-

leerling van de school schoot 10 scholieren en 3 leraressen dood.

Het debat over veiligheid op scholen wordt in Duitsland gevoerd vanuit de gedachte dat

plotseling zwaar gewelddadig gedrag (‘Amoklauf’) van studenten voorkomen moet worden.

4.3.1 Maatregelen en projecten

Landelijk

Het Duitse Ministerie van Sociale Zaken en de koepelorganisatie van ongevallenverzeke-

raars hebben in 2009 een reizende tentoonstelling georganiseerd (‘Gewalt an Schulen’). De

tentoonstelling reist door het land en is te zien op scholen, in musea, op congressen, in

gemeenschapscentra en op jongerendagen. Doel is het onderwerp te agenderen en preven-

tiemogelijkheden voor zowel onderwijzend personeel als leerlingen te tonen.

Regionaal/Deelstaatniveau

Op regionaal niveau zijn verschillende projecten ontwikkeld. Hieronder staat een aantal

projecten dat voor Nederland beleidsmatig mogelijk interessant is.

Project AGGAS

AGGAS staat voor Arbeitsgruppe Gewalt an Schulen. Het project is in 1996 opgezet in de

regio Lahn-Dill. Het betreft een samenwerking tussen verschillende regionale partijen. Het

project richt zich op de 102 scholen uit de regio. Er zijn twee redenen te noemen waarom

het project destijds gestart is:

signalen van schooldirecteuren het gevoel te hebben er met hun probleem van school-

geweld alleen voor te staan;

stroomlijnen van versnippering in de aanpak (veel organisaties pakten elk een deel van

het probleem aan zonder dat hierover onderling gecommuniceerd en samengewerkt

werd).

Kern van het project is een combinatie van preventieve en repressieve maatregelen.

Repressieve maatregelen bestaan uit snelle interventies ter plaatse en directe communica-

tie met de jeugdgezondheidsdienst, schoolautoriteiten en de rechtbanken. Preventieve

maatregelen zijn gebaseerd op samenwerking tussen verschillende instanties en instituten,

zoals kerken, (school)psychologen, maatschappelijk werkers, adviesraden voor buitenland-

se leerlingen en instanties die gericht zijn op kinderen en jeugd. Het programma omvat

56


verder school- en lesprojecten (bijvoorbeeld gesprekken), ouderavondgesprekken, het op-

zetten en onderhouden van een dialoog tussen leraren, studenten en hun ouders, een hulp-

lijn, en regelmatig contact (minimaal maandelijks) tussen de schoolleiding en leraren.

Het project wordt gecoördineerd door het Polizeipräsidium Mittelhessen Kriminaldirektion

Giessen en de Regionale Criminaliteitsinspectie Giessen. Zij zijn onder meer verantwoorde-

lijk voor:

het opzetten van een trouble line voor jongeren om in contact te komen met de politie

adviseren van leraren en ouders, soms door middel van rondetafelgesprekken.

Het project is destijds gestart in Giessen, en heeft zich ook naar andere plaatsen uitge-

breid.

Het project is in 2004 geëvalueerd. 1 Hieruit kwam naar voren dat zowel leraren als leerlin-

gen AGGAS zien als een belangrijke steun: 45% van de leraren en 55% van de leerlingen

geeft aan dat tijdens het programma agressief en gewelddadig gedrag op school was afge-

nomen. Een meerderheid van leerlingen, leraren en ouders waren van mening dat AGGAS

over het algemeen heeft geleid tot een afname van gewelddadig gedrag.

Succes- en faalfactoren liggen met name in het aspect van samenwerking. Zo helpt AGGAS

om pedagogisch werk te scheiden van politiewerk- en onderzoek. In onzekere gevallen

moeten zaken anoniem worden kunnen beschreven en moet gezamenlijk kunnen worden

opgetreden. Ouders moeten snel worden geïnformeerd als er duidelijkheid is over een mo-

gelijk gevaar van een van de leerlingen. Het centrale idee hierbij is: haal verdachten uit de

anonimiteit, isoleer ze van andere leerlingen, en probeer ze bewuster te maken van de ei-

gen toekomst.

Project in Berlijn

In Berlijn is een pakket aan maatregelen genomen om geweld op scholen tegen te gaan.

Deze bestaan uit de volgende elementen:

Actualiseren van noodplannen doelgericht geweld (in samenwerking met politie).

Training van alle schoolleidingen over preventie van doelgericht geweld (samenwerking

tussen schooltoezicht, schoolpsychologen en politie).

Advisering aan scholen door schoolpsychologen om vroegtijdig signalen op te vangen en

(potentiële) daders te sanctioneren en re-integreren.

Aanbrengen van alarmeringssystemen op scholen, waaronder het aanbrengen van luid-

sprekers bij alle nieuwbouw en renovatie (samenwerking tussen regio’s en politie).

Project in Baden-Württemberg

Door de regering van Baden-Württemberg is in 2009 een netwerk van experts opgericht,

bestaande uit academici, politici en ouders van slachtoffers, om lessen te trekken uit het

schietincident bij Winnenden en een eerder schietincident in Wendlingen. Dit heeft geleid

tot een uitgebreid document voor scholen dat handelingsperspectieven biedt op het terrein

van preventie, interventie, slachtofferhulp en omgang met de media.

1 Lenzer, C. (2004): Die Wirksamkeit des Wetzlarer Konzepts mit Trouble Line und AGGAS.

57


Land Sectoraal beleid: onderwijs

Duitsland

58

Beleid door regionale ongevallenverzekeraars. Projecten op landelijk niveau en regionaal

niveau. De projecten zijn vooral gericht op het zo vroeg mogelijk signaleren van moge-

lijk ontspoorde jongeren.

Projecten:

4.4 Zweden

Reizende tentoonstelling ‘Gewalt an Schülen’.

Regionaal project: project AGGAS (regio Lahn-Dill)

Lokaal project: project in Berlijn

Lokaal project: project in Baden-Württemberg

4.4.1 Sectoraal beleid en aand acht voor ag ressie en geweld

Sectoraal beleid

De sociale partners uit de publieke sector zijn de belangrijkste actoren bij het ontwikkelen

van beleid voor de onderwijssector in Zweden. Een groot project dat deze nationale sociale

partners hebben ontwikkeld gericht op het voorkomen van agressie en geweld door derden

tegen werknemers in de publieke sector is het ‘AFA Prevention project’. Dit project is ge-

richt op alle werknemers in de publieke sector van Zweden. Het project bestaat uit een on-

derzoek in de periode van 2009-2011 naar agressie en geweld door derden op het werk en

zes deelprojecten, waarvan een aantal gericht op het onderwijs. Net als in Duitsland zijn

deze projecten regionaal georiënteerd. Het zijn projecten waar scholen in een regio cen-

traal staan en waarbij ook aandacht is voor alle maatschappelijke organisaties en instanties

om die school heen.

Aandacht voor het thema

Het thema agressie en geweld leeft volgens de geraadpleegde experts niet heel sterk in de

onderwijssector in Zweden.

4.4.2 Maatregelen en projecten

Landelijk

Op landelijk niveau worden geen projecten geïnitieerd gericht op scholen.

Regionaal

Op regionaal niveau zijn verschillende projecten ontwikkeld. Hieronder staat een aantal

projecten dat voor Nederland mogelijk beleidsmatig interessant is. Dit zijn deelprojecten

van het AFA Prevention Project.


AFA project op een school in gemeente Nynashamn

Het doel van dit project is de dagelijkse routines in de werkpraktijk te verbeteren zodat

agressie en geweld op school beter kan worden tegengegaan. Het uitgangspunt is dat pre-

ventie van agressie en geweld het beste vormgegeven kan worden door een goede organi-

satiestructuur met heldere taakverdelingen en verantwoordelijkheden van de vele verschil-

lende actoren. Het gaat hierbij niet alleen om schoolpersoneel, maar ook om andere be-

trokken instanties om de school heen, zoals maatschappelijk werk, jeugdzorg, etc. Niet al-

leen moet het project duidelijkheid geven over verantwoordelijkheden van verschillende ac-

toren, maar ook om borging hiervan op de langere termijn.

Het project bevindt zich nog in de voorbereidingsfase. Een aantal maatregelen dat geno-

men zal worden, betreft:

ontwikkeling van concrete plannen voor aanpassing van de organisatie;

ontwikkeling van een organisatieschema waarin rollen en verantwoordelijkheden van

verschillend personeel en andere stakeholders inzichtelijk worden;

de identiteit van de school vaststellen en deze continu voor het voetlicht brengen (wat

zijn de normen, waarden en regels), bijvoorbeeld door voortdurend samen met het on-

derwijzend personeel na te gaan op welke wijze gewerkt kan worden aan een omgeving

die deze identiteit in acht neemt en houdt;

continue communicatietraining voor leraren met als doel te leren op welke wijze conflic-

ten kunnen worden voorkomen;

continue competentieontwikkeling voor leraren met als doel leren om te gaan met stu-

denten die speciale zorg en aandacht behoeven.

Het project moet zich gaandeweg, vanuit de school, verder ontwikkelen. Niet alleen het

management, maar ook het personeel moet zich ‘eigenaar’ van het project voelen. Daar-

naast is het belangrijk ook de ouders volledig bij het project te betrekken.

AFA project in gemeente Nybro

Een ander deelproject van AFA wordt uitgevoerd in de gemeente Nybro. Het wordt uitge-

voerd op scholen en in instellingen voor ouderenzorg. Ook dit project bevindt zich nog in de

voorbereidende fase. Desondanks is een aantal maatregelen inmiddels al genomen:

deskundigen in o.a. de psychologie en publieke gezondheidszorg hebben trainingen ver-

zorgd en lezingen gehouden aan de projectdeelnemers (schoolleiding en stafmedewer-

kers van instellingen voor ouderenzorg). Hierbij werd de TIP-methode van Sara Ross ge-

hanteerd (‘The Integral Process for working on complex issues’).

diverse werkgroepen zijn opgezet, zowel op gemeentelijk niveau als op het niveau van

de werkplek.

door middel van de TIP-methode zijn problemen geïdentificeerd en geprioriteerd. Op ba-

sis hiervan zijn doelen en te ondernemen activiteiten geformuleerd.

een nieuw rapportagesysteem is ingevoerd: een eenvoudig papier met ja/nee-vragen dat

alle werknemers bij zich dienen te dragen, zodat ze dit onmiddellijk bij een incident in

kunnen vullen.

De eerste resultaten van het project zijn al zichtbaar. Het aantal meldingen van incidenten

is gestegen. Dit zou te maken kunnen hebben met een verhoogd bewustzijn en een een-

59


voudiger rapportagesysteem. De voorlopige lessen die getrokken kunnen worden zijn de

volgende:

maak gebruik van expertise van deskundigen, zoals TIP methode;

er is geen eenvoudige, standaardoplossing: het is een lange-termijn verandering in sys-

temen, houding, organisatie en benadering van elkaar (doorgaand leerproces);

het is belangrijk alle betrokkenen bij het proces te betrekken.

AFA Project Lugna Gatan

Een ander deelproject van AFA is ‘Lugna Gatan’ en wordt uitgevoerd in Stockholm,

Göthenborg en Malmö. Het betreft een project dat hosts inzet op scholen. Deze hosts zijn

jongeren tussen de 20 en 30 jaar die in het verleden sociale problemen hebben gehad. De

hosts werken aan verbetering van het sociaal klimaat, steunen studenten en werken aan

conflicthantering op school. Gedurende het project zijn diverse hosts meerdere taken op

zich gaan nemen, zoals het bieden van onderwijsondersteuning aan individuele leerlingen

en het organiseren van activiteiten met lokale sportclubs in de buurt.

Dit project is een uitbreiding van een project dat oorspronkelijk geïnitieerd is om agressie

en geweld in het openbaar vervoer aan te pakken. We bespreken dit project in meer detail

in het volgende hoofdstuk.

Land Sectoraal beleid: onderwijs

Zweden

60

Beleid door landelijke sociale partners van de publieke sector. Deelprojecten van het

landelijke AFA Prevention project gericht op agressie en geweld op scholen. Projecten

worden op regionaal niveau uitgevoerd.

Projecten:

AFA Project op school in gemeente Nynashmann

AFA Project op school in gemeente Nybro

AFA Project Lugna Gatan

4.5 Verenigd Koninkrijk

4.5.1 Sectoraal beleid en aand acht voor ag ressie en geweld

Sectoraal beleid

In het Verenigd Koninkrijk wordt arbeidsomstandighedenbeleid voor de schoolsector ge-

maakt door de onderwijsafdeling van de Health and Safety Executive. Dit is de HSE Educa-

tion Service Advisory Committee (ESAC). Net als Nederland kent het Verenigd Koninkrijk

een onderwijsinspectie. Deze inspectiedienst (‘Ofsted’) bezoekt scholen en controleert of ze

aan het beleid van de ESAC voldoen 1 .

1 Meer informatie over Ofsted is te vinden op www.ofsted.gov.uk.


Op de site van het Ministerie van Onderwijs van het Verenigd Koninkrijk wordt aandacht

gegeven aan het thema schoolveiligheid. Op de site wordt doorverwezen naar adviezen en

richtlijnen opgesteld door het ESAC. Verder wordt een handleiding aangeboden voor het

screenen van leerlingen op wapenbezit en het evacueren van leerlingen in geval van geweld

op school.

Aandacht voor agressie en geweld

Agressie en geweld op scholen, gericht tegen werknemers, wordt in het Verenigd Koninkrijk

algemeen als een probleem erkend, hoewel verschillen tussen individuele scholen op dit

terrein groot kunnen zijn. In maart 1996 vond in de Schotse plaats Dunblane een schietin-

cident plaats. Op een basisschool schoot een man 15 kinderen en één lerares dood. De wa-

penwet werd toen aangepast. Het dragen van wapens of revolvers werd verboden. Volgens

de contactpersoon van HSE die tijdens het onderzoek is geraadpleegd zijn er recentelijk

geen projecten geweest die gericht waren op agressie en geweld tegen werknemers in het

onderwijs. Wel vormen steekincidenten tussen leerlingen onderling een grote zorg. Op de

site van het Ministerie van Onderwijs vonden we een handleiding voor het screenen van

leerlingen op wapenbezit. Aandacht voor het thema agressie en geweld gaat in het Vere-

nigd Koninkrijk dus vooral om het voorkomen van wapenbezit op scholen.

4.5.2 Maatregelen en projecten

Landelijk

Op landelijk niveau heeft de ESAC een aantal adviezen en publicaties uitgebracht over

agressie en geweld.

ESAC: advies over een statement of intentieverklaring over agressie en geweld

De ESAC heeft het bestuur en de schoolleiding van scholen geadviseerd een duidelijke sta-

tement of intentieverklaring te maken die laat zien dat agressie en geweld in het onderwijs

serieus wordt genomen, dat er iets aan wordt gedaan, en van het ondersteunend personeel

(dat de grootste risico’s loopt) te vragen mee te werken aan het minimaliseren van de risi-

co’s. Een dergelijke intentieverklaring kan het volgende bevatten:

committering maatregelen te nemen om risico’s te minimaliseren;

steunbetuiging aan mensen die te maken hebben gehad met agressie en geweld (ook

verbaal);

stimuleren van werknemers en leerlingen om meldingsprocedures te volgen, en verzeke-

ring dat melding niet wordt gezien als een ‘fout’ of ‘mislukking’;

verzekering dat alle meldingen worden onderzocht en opgevolgd;

aanbod van ondersteuning, bijvoorbeeld door beschikbaar stellen van juridisch advies;

committering daders van agressie en geweld tegen personeel schriftelijk te waarschuwen

dat juridische stappen genomen kunnen worden;

committering periodiek (minimaal jaarlijks) de genomen maatregelen te zullen herzien,

indien nodig.

ESAC: publicatie over geweld in het onderwijs

De ESAC heeft een publicatie gemaakt over geweld in het onderwijs. Deze dateert echter

van 1997 en is sterk verouderd. Er zijn geen plannen voor herziening van deze publicatie.

61


Regionaal

In het tijdsbestek van dit onderzoek zijn geen lokale of regionale initiatieven gevonden ge-

richt op het voorkomen van agressie en geweld tegen werknemers op scholen.

Land Sectoraal beleid: onderwijs

Verenigd

Koninkrijk

62

Beleid door de onderwijsafdeling van de HSE. Dit orgaan heeft een aantal projecten op-

gezet met als belangrijkste doel het adviseren van scholen hoe agressie en geweld te

voorkomen.

Projecten:

ESAC: advies over een statement of intentieverklaring over agressie en geweld.

ESAC: publicatie over geweld in het onderwijs.

4.6 Deelconclusie: Nederland in vergelijkend perspectief

Een belangrijk verschil tussen Nederland en de andere onderzochte landen is dat beleids-

maatregelen in Nederland door sociale partners worden geformuleerd. Afspraken hierover

kunnen vastgelegd zijn in Arbocatalogi. Ook kunnen afspraken hierover in de Tweede ka-

mer behandeld en vastgelegd worden (bijvoorbeeld in het geval van de incidentenregistra-

tie). Zweden heeft, in tegenstelling tot Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, een soortge-

lijke beleidsaanpak. Ook in dit land zijn het de sociale partners die verantwoordelijk zijn

voor het vormgeven van beleid rondom arbeidsomstandigheden.

Ten tweede zijn er opvallende verschillen tussen de landen als wordt gekeken naar het type

projecten. In Nederland zijn aanbevelingen voor veiligheidsnormen voor scholen opgesteld.

Deze zijn gericht op een integrale aanpak van het probleem. Normen gaan over de registra-

tie van incidenten, de wijze waarop gereageerd dient te worden naar de dader, het stellen

van een duidelijke definitie van onacceptabel gedrag en het belang van training voor on-

derwijspersoneel. In Duitsland en Zweden hebben projecten meer een preventief karakter

en wordt sterk ingezet op samenwerking tussen scholen en andere maatschappelijke orga-

nisaties. Ook gaat in Duitsland meer dan in Nederland aandacht uit naar het voorkomen

van ernstige geweldsincidenten. Dit heeft te maken met het feit dat Duitsland meer dan

Nederland te maken heeft gehad met schietincidenten op scholen. De Zweedse benadering

lijkt meer dan in Nederland gericht te zijn op het bereiken van een organisatieverandering

in de school. Om agressie en geweld op school te voorkomen dient bijvoorbeeld duidelijk te

zijn wie binnen de organisatie verantwoordelijk is en op welk moment. Er wordt dan ook

veel aandacht besteed aan competentieontwikkeling en communicatietraining bij leraren.

Daarnaast zet Zweden in op preventie door een persoonlijk begeleider aan te wijzen aan

leerlingen die problemen veroorzaken in de klas. In het Verenigd Koninkrijk zijn weinig

concrete maatregelen gevonden om agressie en geweld op scholen tegen te gaan, afgezien

van de landelijk vastgestelde norm dat scholen een duidelijk statement zouden moeten uit-

dragen dat agressie en geweld niet toelaatbaar is en het aanscherpen van de Wapenwet.


5 Openbaar Vervoer

5.1 Inleiding

In dit hoofdstuk staat het openbaar vervoer centraal. Net als het vorige hoofdstuk komen

beleid en maatregelen in de vier landen aan bod. Werken in het openbaar vervoer brengt

specifieke risico’s met zich mee en vraagt dus om een specifieke aanpak. Zo werkt de

(bus)chauffeur of conducteur meestal alleen, is er geld aanwezig in bussen, is er sprake

van ticketcontrole, avond- en nachtdiensten, rijdt het openbaar vervoer door gebieden met

een hoge criminaliteit en kunnen passagiers onder invloed zijn van alcohol of drugs.

5.2 Nederland

5.2.1 Sectoraal beleid en aand acht voor ag ressie en geweld

Sectoraal beleid

Nederland kent geen alomvattende branchevereniging van ondernemingen in het collectief

personenvervoer. Veel streekvervoermaatschappijen zijn lid van het door hen zelf opgerich-

te FMN (Federatie Mobiliteitsbedrijven Nederland). De bedrijven in het beroepspersonen-

vervoer NS (Nederlandse Spoorwegen), GVB (Gemeentelijk Vervoersbedrijf), RET

(Rotterdams openbaar vervoer), en de HTM (Haagse Tram Maatschappij) zijn buitengewoon

lid van de KNV (Koninklijk Nederlands Vervoer: de werkgeversvereniging voor het beroeps-

personenvervoer). De grootste vakbond voor werknemers in het busvervoer is FNV Bond-

genoten. Maatregelen om agressie en geweld in het openbaar vervoer tegen te gaan wor-

den door FNV Bondgenoten geagendeerd. Openbaar Vervoerbedrijven nemen maatregelen

om hun personeel tegen ongewenst gedrag te beschermen. De Arbeidsinspectie controleert

of vervoersbedrijven zich aan de richtlijnen uit de Arbowet houden.

Aandacht voor het thema

Sinds geruime tijd is er maatschappelijk en politiek veel aandacht voor agressie en geweld

in het busvervoer 1 . Van de chauffeurs en controleurs in het stads- en streekvervoer heeft

één op de tien in 2008 te maken gehad met geweld. Het gaat daarbij om vormen van ge-

weld zoals duwen (61%), slaan (48%), een worsteling (32%), stompen (30%) of schoppen

(15%). Bestrijding van sociale onveiligheid in het openbaar vervoer heeft dan ook hoge

prioriteit bij OV-bedrijven en overheden 2 .

Uit de personeelsmonitor 2008 blijkt dat de gemiddelde beoordeling van de veiligheid door

het personeel in het busvervoer met een 6,3 licht is afgenomen en gelijk is aan het gemid-

1 Brief van het ministerie van BZK aan de Tweede Kamer, agressie tegen buschauffeurs, kenmerk 2009-147179

2 IVA Beleidsonderzoek en Advies, 2009. 1-meting agressie en geweld.

63


delde over verschillende vormen van openbaar vervoer 1 . Met name de buschauffeurs in het

streekvervoer beoordelen de veiligheid in 2008 lager dan in 2006.

5.2.2 Maatregelen en projecten

Landelijk

Coördinator geweld in het openbaar vervoer

Om het geweld in het openbaar vervoer tegen te gaan, is in februari 2009, op verzoek van

de OV-sector, bij de politie en voor tijdelijk een landelijke coördinator geweld in het open-

baar vervoer aangesteld. Deze contactfunctionaris moet ervoor zorgen dat incidenten beter

geregistreerd worden en dat de communicatie tussen de politie en vervoerders beter ge-

stroomlijnd wordt.

Hiervoor komt een aanspreekpunt waar gemeentelijke en regionale vervoerders terecht

kunnen voor informatie over het doen van aangifte bij geweld in het openbaar vervoer. In

vier regio’s worden door de landelijk coördinator projecten gestart om bijvoorbeeld ste-

wards en agenten in te zetten op risicovolle buslijnen. Tevens is voorgesteld om passagiers

die in het openbaar vervoer herhaaldelijk geweld gebruiken, te registreren in een landelijke

databank.

Handreiking sociale veiligheid in het openbaar vervoer

Er worden al veel verschillende maatregelen genomen op het gebied van sociale veiligheid

in het openbaar vervoer in Nederland 2 :

Menselijk toezicht: door bijvoorbeeld vaste toezichthouders of vliegende brigades.

Cameratoezicht.

‘Slimme en eenvoudige maatregelen’: zoals het afsluiten van het achterste gedeelte van

een voertuig of surveillances.

Beheerst instapregime.

Voorlichting: op scholen en buurthuizen.

Stimuleren van registratie van incidenten.

‘Schoon en heel’: zorgen voor schone voertuigen en haltes.

Verschillende OV bedrijven hebben projecten opgestart om agressie en geweld tegen me-

dewerkers te voorkomen. Hieronder komen in het kort twee van dergelijke projecten aan

bod.

GVB: Masterplan Veiligheid

GVB is het grootste bedrijf voor openbaar vervoer (bus, tram en metro) in Amsterdam.

Sinds 1999 staat de veiligheid van medewerkers sterk in de belangrijkstelling. Een belang-

rijk bron is het ‘Masterplan Veiligheid’. De aanleiding voor het Masterplan Veiligheid was de

1 Kennisplatform Verkeer en Vervoer, 2009. Sociale Veiligheid van het personeel in het stads- en streekver-

voer. Personeelsmonitor 2008.

2 Centrum Vernieuwing Openbaar Vervoer. Handreiking sociale veiligheid en concessieverlening in het stads- ee

streekvervoer, 2003.

64


grote onrust over de onveiligheid in het openbaar vervoer, terwijl er slechts beperkt feite-

lijk inzicht was in die mate van onveiligheid. In het kort bestaat het Masterplan Veiligheid

uit de volgende onderdelen:

oprichting organisatorisch onderdeel Service en Veiligheid (veiligheid reizigers en perso-

neel en service aan reizigers);

camera’s in alle bussen en trams;

observatie- en communicatiecentrum van waaruit met ruim 700 camera’s pro-actief

wordt gesurveilleerd op metrostations en –haltes;

gestructureerd opvang en nazorgmodel met functieafhankelijke opleidingen.

GVB werd met het Masterplan Veiligheid door het Ministerie van BZK genomineerd als één

van de drie beste werkgevers voor de aanpak van agressie en geweld. Het Masterplan was

de start van een integrale aanpak van de agressie, het geweld en de onveiligheidsgevoe-

lens van zowel personeel als reizigers. Het heeft geleid tot een enorme afname van het

aantal incidenten en verbetering van de veiligheidsgevoelens van personeel en reizigers 1 .

GVU: sociale veiligheid in en om de bussen

Het Gemeentelijk Vervoersbedrijf Utrecht (GVU) heeft in de afgelopen jaren, samen met het

Bestuur Regio Utrecht, een uitgebreid veiligheidsbeleid opgezet. Zo zijn alle bussen voor-

zien van veiligheidscamera's, worden buschauffeurs preventief getraind op omgang met

agressie en geweld en is er een collegiaal opvangteam. Verder zijn er goede afspraken met

de politie en justitie, waardoor een lik op stuk-aanpak mogelijk is en er ook gezamenlijk

acties worden ondernomen om overlast in de bussen te voorkomen. Een nieuw onderdeel

van het veiligheidsbeleid van het GVU is een initiatief om jongeren inzicht te geven hoe

overlast door werknemers in het openbaar vervoer wordt ervaren 2 .

Land Sectoraal beleid: openbaar vervoer

Nederland

Beleid vastgesteld door branche-organisaties en vakbonden. Zowel landelijke als secto-

rale projecten.

Projecten:

Coördinator geweld in het openbaar vervoer;

Handreiking sociale veiligheid in het openbaar vervoer;

GVB: Matsterplan Veiligheid;

GVU: sociale veiligheid in en om de bussen.

1 Jaarverslag GVB (2009).

2 Informatie op internetsite van de GVU en van de veilige publieke taak.

65


5.3 Duitsland

5.3.1 Sectoraal beleid en aand acht voor ag ressie en geweld

Sectoraal beleid

De ongevallenverzekeraars binnen de sector van het openbaar vervoer zijn de belangrijkste

actoren bij het maken van beleid. De belangrijkste verzekeraar is de VBG. Ook vanuit het

Duitse Ministerie van Binnenlandse Zaken gaat aandacht uit naar het verbeteren van de

veiligheid in het openbaar vervoer.

Aandacht voor het thema

Ook in Duitsland is sinds een aantal jaren veel aandacht voor agressie en geweld tegen

buschauffeurs. Een aantal incidenten in het openbaar vervoer heeft de aandacht voor het

thema doen toenemen. Zo is in januari 2009 een buschauffeur door twee jongens van twin-

tig jaar dusdanig mishandeld dat ziekenhuisopname noodzakelijk was. De chauffeur had de

jongens verboden met hun bierflesjes de bus te betreden. Daarnaast zijn een paar ernstige

incidenten voorgevallen in de metro in grote steden. In München werd Dominik Brunner

doodgeschopt door een groep jongeren nadat hij geprobeerd had te voorkomen dat enkele

passagiers bestolen werden.

5.3.2 Maatregelen en projecten

Landelijk

In 2009 heeft de aanpak van agressie en geweld in het openbaar vervoer de bijzondere

aandacht gehad van de minister van Binnenlandse Zaken. Er zijn diverse preventiemaatre-

gelen genomen, waarvan de meeste van technische aard zijn (videobewaking, alarm,

scherm plaatsen). Er zijn ook organisatorische maatregelen (samenwerking met scholen en

politie bijvoorbeeld) en meer persoonlijk maatregelen, gericht op voorlichting en training,

genomen. Organisatorische en persoonlijke maatregelen spelen een steeds belangrijkere

rol. Aan de ene kant moet het personeel voorgelicht en getraind worden, maar aan de an-

dere kant moeten de passagiers ook hun gedrag aanpassen. Hiertoe wordt er steeds vaker

de samenwerking gezocht met scholen, politie en andere organisaties (bijvoorbeeld Schü-

lerscouts), is er aandacht voor nazorg en het uitwisselen van ervaringen tussen collega’s. 1

Hieronder volgt de beschrijving van een project dat vooral gericht is op het trainen van het

personeel.

Ongevallenverzekeraar VBG: Preventie van geweld door derden

VBG heeft al enige jaren een project lopen in samenwerking met het Institut für Arbeits-

schutz der Deutschen Gesetzlichen Unfallversicherung (IFA). Kern van het project is een

vierdaags seminar ter opleiding van Moderatoren, die vervolgens weer de opgedane kennis

delen met de collega’s binnen het eigen bedrijf. Ten grondslag aan de scholing ligt de zo-

genaamde 3D-aanpak die zowel het ontstaan van de conflictsituatie, het conflict zelf, als

ook de beheersing ervan omvat:

Davor: voorkomen van conflictsituaties

1 http://www.vbg.de/oepnv_bahnen/zh/bgi5039/3.htm

66


Darin: beheersen van stresssituaties, deëscaleren, communicatie en lichaamshouding/taal

Danach: beheersen van dreigende situaties.

Regionaal

Er is één interessant project gevonden dat gericht is op het inzetten van scouts op bussen.

Dit is een regionaal project geïnitieerd door de vrijwilligerscentrale van één stad in een re-

gio.

Regionale busmaatschappij en maatschappelijke organisaties: scouts op bussen

In de Duitse regio Göttingen waren problemen in schoolbussen. Leerlingen maakten ruzies

die soms escaleerden. De vrijwilligerscentrale van één van de steden uit de regio heeft toen

het initiatief genomen een project op te zetten om hier iets aan te doen. Samen met de

busmaatschappij dat het schoolbusvervoer verzorgt in de regio en allerlei andere maat-

schappelijke organisaties - centrum voor cultuur, politie, medewerkers van scholencentra

uit de regio – is het project ‘schülerscouts’ opgericht. Het project is begin 2009 gestart.

Twaalf leerlingen van middelbare scholen uit de regio zijn door medewerkers van de politie

opgeleid tot scouts. Deze leerlingen kregen een driedaagse training om conflicten in

schoolbussen te de-escaleren. Na deze training kwamen alle scouts samen in een bijeen-

komst waar ook de chauffeurs aanwezig waren, zodat ook hun ervaringen en behoeften ge-

hoord werden.

Land Sectoraal beleid: openbaar vervoer

Duitsland

Beleid vastgesteld door ongevallenverzekeraars binnen de sector waarvan VBG de be-

langrijkste is. Ook het Ministerie van Binnenlandse Zaken maakt beleid. Projecten wor-

den zowel op landelijk als op regionaal niveau uitgevoerd.

Projecten:

5.4 Zweden

Landelijke aanpak van agressie en geweld: technische, organisatorische en persoonlij-

ke maatregelen;

VBG: Preventie van geweld door derden;

Regionale busmaatschappij en maatschappelijke organisaties: scouts op bussen.

5.4.1 Sectoraal beleid en aand acht voor ag ressie en geweld

Sectoraal beleid

Verantwoordelijk zijn het landelijke Arbetsmiljöverket (AV) en de nationale sociale partners

van de publieke sector. Het AV heeft ook een Inspectie-afdeling die initiatieven initieert om

de veiligheid in het openbaar vervoer te verbeteren. De landelijke initiatieven worden op

lokaal of regionaal niveau uitgevoerd. Het busvervoer in Zweden is regionaal georgani-

seerd. Binnen één regio kunnen verschillende busmaatschappijen actief zijn. Elke busmaat-

schappij voert het beleid van de landelijke partijen uit. Toezicht op de landelijke beleidsre-

gels gebeurt door de openbaar vervoerafdeling van de inspectiedienst van het AV.

67


Aandacht voor het thema

Agressie en geweld tegen personeel en reizigers in het openbaar vervoer is een groeiend

probleem, ook in Zweden. Uit onderzoek uit 2006 van twee werkgeversorganisaties in het

openbaar vervoer blijkt dat 30% van hun leden (de vervoersbedrijven) te maken hebben

gehad met agressie en geweld door passagiers en dat 1 op de 10 chauffeurs bloot heeft ge-

staan aan geweld.

Verschillende oorzaken voor het ontstaan van agressie en geweld tegen werknemers in het

openbaar vervoer in Zweden worden genoemd, zoals het moeten omgaan met contant geld,

passagiers die onder invloed zijn van drank of drugs en vandalisme. In de grotere steden in

Zweden zijn incidenten voorgevallen waar omstanders stenen gooiden naar bussen waar-

door het verkeer ontregeld raakte.

5.4.2 Maatregelen en projecten

Landelijk

Op landelijk niveau is het de openbaar vervoerafdeling van de inspectiedienst van het AV

dat landelijk beleid controleert en pijlers uitzet voor veiligheidsbeleid binnen openbaar ver-

voerbedrijven. Daarnaast ontwikkelen de sociale partners van de publieke sector ook

agressie en geweld projecten voor het openbaar vervoer.

AV: Risico-analyse

In de periode 2004-2006 heeft het AV een model ontwikkeld om risico’s op agressie en ge-

weld in het openbaar vervoer te beoordelen. In 2007 heeft het AV in het kader van een in-

spectieproject aan alle aanbieders van openbaar vervoer gevraagd een beoordeling uit te

voeren van de werkomstandigheden waar ook gevraagd werd naar het bestaan van risico’s

op agressie en geweld. Dit werd in 2008 opgevolgd door een tweede inspectieronde in de

publieke transportsector. Tevens initieerde het AV een aantal bijeenkomsten tussen ver-

schillende partijen en actoren om mogelijke maatregelen te bediscussiëren. Deze bijeen-

komsten vonden op lokaal en regionaal niveau plaats.

De activiteiten van het AV hebben geleid tot het nemen van maatregelen om de veiligheid

te verbeteren. In de meeste gevallen betroffen de maatregelen het opstellen van een plan

voor cash management. Voorbeelden hiervan zijn:

het afschaffen van speciale nachttarieven;

meer alternatieve locaties voor ticketverkoop;

ticketautomaten;

ticketverkoop via SMS;

mogelijkheden voor het heropladen van tickets via het internet.

AFA Project Conflicthantering voor buschauffeurs

Het AFA Prevention project is een project ontwikkeld door de sociale partners van de pu-

blieke sector en is gericht op het voorkomen van agressie en geweld door derden tegen

werknemers in de publieke sector. Onderdeel van de publieke sector is het openbaar ver-

voer. Om agressie en geweld tegen werknemers in het openbaar vervoer te voorkomen

heeft AFA binnen het Prevention project een project ontwikkeld gericht op bus- en tram-

chauffeurs. Doel van dit project is 500 medewerkers in de bus en tramsector te trainen in

68


conflicthantering. Deze groep getrainden krijgen een uitgebreid pakket mee om zelf trai-

ningen te kunnen verzorgen aan collega’s, inclusief suggesties voor discussie en een dvd

met filmscenario’s. Er is een terugkomdag na drie maanden waar ervaringen kunnen wor-

den uitgewisseld. Uiteindelijk moeten op deze wijze 6000 chauffeurs worden getraind. Op

deze wijze wordt geen afhankelijkheid gecreëerd van een extern trainingsinstituut.

Het project wordt dit najaar geëvalueerd. Tot dusverre zijn de berichten positief: de mees-

ten hebben inderdaad andere werknemers binnen de eigen maatschappij getraind. Wel

blijkt het lastig tijd te vinden om de trainingen te volgen. In sommige steden is er een te-

kort aan chauffeurs.

Regionaal/lokaal

Daarnaast worden, veelal binnen samenwerkingsverbanden tussen verschillende koepelor-

ganisaties van vervoersbedrijven en actoren op regionaal niveau (beleidsmakers van de re-

gio, regionale veiligheidsdiensten, maatschappelijk werk, koepelorganisatie van scholen,

etc.) projecten ontwikkeld. Hieronder volgt een aantal interessante projecten.

Samenwerkingsprojecten, geïnitieerd door de SLFT en de BR

Twee koepelorganisatie voor vervoersbedrijven - de Svensk Kollektivtrafik (SLTF) en de

Svenska Bussbranschens Riksförbund (BR) - hebben een gezamenlijk project opgezet om

het lokale en regionale publieke transport veiliger te maken. Het project is ontwikkeld in

overleg met de volgende actoren op regionaal niveau: aanbieders van openbaar vervoer,

onderwijsinstituten, politie en andere veiligheidsdiensten, juridische autoriteiten, handha-

vers, verzekeringsmaatschappijen, beleidsmakers, etc.

In een eerste projectfase zijn beleidsuitgangspunten ontwikkeld op het gebied van veilig-

heid waar alle aanbieders van openbaar vervoer aan dienen te voldoen. In een tweede pro-

jectfase wordt gewerkt aan een programma met beleidsdoelen en actiepunten. Hierbinnen

worden drie aandachtsvelden onderscheiden, waaronder het aandachtsveld ‘personeel en

werkomstandigheden’. De beleidsdoelen zijn inmiddels ontwikkeld en vastgelegd in een do-

cument. De volgende specifieke beleidsdoelen zijn geformuleerd:

Chauffeurs die risico lopen op diefstal of geweld dienen niet over cash te beschikken.

Alle voertuigen die op risicovolle plaatsen/lijnen rijden, moeten voorzien zijn van video-

bewaking.

Er moet een nationaal meldingssysteem worden ingesteld.

De busmaatschappij dient ervoor te zorgen dat personeel een leidinggevende en een

medewerker van politie, brandweer of ambulance gedurende het werk kan bereiken.

Hiertoe moet een handsfree radiocommunicatiesysteem worden geïnstalleerd en moeten

voertuigen op risicovolle plaatsen worden voorzien van alarmknoppen (panic alarm).

Personeel moet worden getraind in gebruik van de alarmknoppen.

Binnen het kader van dit programma is tevens een meldsysteem voor incidenten via het in-

ternet ontwikkeld.

Dit project zit nu in de fase van het ontwikkelen van concrete maatregelen. De SLFT en BR

hebben gezocht naar succesvolle initiatieven waar lokale openbaar vervoersbedrijven nu al

aan deelnemen. Hieronder volgt een beschrijving van deze projecten.

69


AFA Project Lugna Gatan: Metro in de grote steden

Het AFA Prevention project is een project ontwikkeld door de sociale partners van de pu-

blieke sector en is gericht op het voorkomen van agressie en geweld door derden tegen

werknemers in de publieke sector. Een deelproject hiervan is het project ‘Lugna Gatan’.

Lugna Gatan betekent ‘stille straat’.

Het project loopt in Stockholm, Göthenborg en Malmö. Metrobedrijven in de drie steden

doen mee aan dit project. De kern van het project bestaat uit de inzet van hosts die afkom-

stig zijn uit de wijken waar veel probleemjongeren vandaan komen. De hosts kennen de

jeugdcultuur en de buurt, kennen de behoeften van de jongeren. Ze worden geaccepteerd

en vertrouwd door de jongeren en kunnen hierdoor hun gedrag beïnvloeden. De hosts fun-

geren min of meer als rolmodel voor de jongeren. Ze zijn tussen de 20 en 30 jaar oud, en

worden in dienst genomen van het project op basis van hun afkomst, ervaring en persoon-

lijkheid. Een nevendoel van het project is werkgelegenheid creëren. De sollicitatieprocedure

voor de baan als host is informeel; formele kennis en diploma’s zijn niet nodig. Sociale pro-

blemen in het verleden, die nu niet meer spelen, zijn een voordeel.

De hosts zijn aanwezig in en rond de metro. Ze leggen contact met de jongeren en interve-

niëren wanneer dat nodig is. Ze ontmoeten de jongeren en brengen ze normen en principes

bij, zoals het tonen van respect voor de ander, bínnen de context van de jeugdcultuur. Ook

proberen de hosts de visies van de jongeren op autoriteiten en patriarchale genderrollen te

beïnvloeden. Het doel is dus niet alleen te interveniëren als dat nodig is, maar ook de jon-

geren leren beter voor zichzelf op te komen. De hosts worden ondersteund door de perso-

neelsgroep en de projectmanager, én door een specifieke supervisor in Stockholm.

Het project heeft zich op een aantal plaatsen inmiddels uitgebreid naar andere terreinen.

Ook enkele scholen werken nu met hosts (zie vorig hoofdstuk). De hosts werken niet alleen

in en bij de metro, of op scholen, maar ook in de wijken zelf. Zij creëren netwerken van

jongeren waarmee ze samen werken om de veiligheid in de wijk te verbeteren, vandalisme

tegen te gaan en conflicten op te lossen. Er worden activiteiten georganiseerd, zoals trai-

ningen, studiebezoeken, kampen, sport en wandelingen door de wijk. Dit laatste is mede

bedoeld als een vorm van sociale controle. De hosts gaan naar die plekken waarvan ze we-

ten dat er vaak problemen zijn. In hiertoe aangewezen gebouwen en sportaccommodaties

in de buurten worden activiteiten georganiseerd die de jongeren alternatieven bieden voor

het op straat rondhangen.

Lugna Gatan werkt samen met vertegenwoordigers van scholen, sociale instanties, politie

en andere professionals die in de buurt actief zijn. Op hoger niveau vinden overleggen

plaats tussen de verschillende instanties, waarin individuele casussen kunnen worden be-

sproken. De hosts van Lugna Gatan komen bij mensen thuis en kunnen individuele jonge-

ren met specifieke behoeften tijdig signaleren. Ze vormen ook een link tussen scholen en

de buurt: leerlingen van scholen worden ingezet voor het lopen van buurtrondes, en de

hosts kennen soms bijvoorbeeld de ouders van leerlingen met problemen.

Via dit project hebben inmiddels honderden jonge werklozen training en werk gekregen.

Daarnaast zijn honderden jonge vrijwilligers actief in lokale groepen. Ongeveer 50 scholen

zijn via het project gesteund in het verbeteren van het schoolklimaat en ongeveer 100 jon-

ge criminelen hebben ondersteuning gekregen.

70


In Malmö is het project zeer succesvol gebleken en speelt Lugan Gatan inmiddels een be-

langrijke rol in de stad. In Gothenburg loopt het project tot dusverre minder succesvol. Dit

kan te maken hebben met het feit dat het project in Gothenburg niet door de gemeente zelf

geïnitieerd is, terwijl in Malmö het juist de gemeente was die het initiatief nam om het pro-

ject te starten. In Gothenburg ontbreekt het daarom aan politieke steun voor het project.

Belangrijke succesfactoren:

Met name het werk van de hosts op scholen wordt zeer positief geëvalueerd: de school-

leiding ervaart duidelijk een verbeterde psychosociale omgeving voor de studenten. De

studenten zelf ervaren eveneens een veiligere omgeving. Zij voelen zich door de aanwe-

zigheid en de gesprekken met de hosts meer ‘gezienen hebben hierdoor een sterker

gevoel ontwikkeld dat zij ertoe doen. Belangrijk hierbij is dat de hosts hun eigen buurt

en cultuur vertegenwoordigen en ook buiten schooluren om benaderbaar zijn. De hosts

hebben bovendien zelf hun leven beter op orde gekregen, onder meer door hun baan als

host. Hiermee vormen ze tegelijkertijd een rolmodel voor andere jongeren.

De experimentele methode, waarin niet alles van te voren is ‘dichtgetimmerd’ en al

doende geleerd kan worden.

De holistische preventieve aanpak door de combinatie van verschillende methoden

(hosts bij de metro, hosts in scholen, buurtwerk, samenwerking met professionele in-

stanties en lokale autoriteiten).

De samenwerking tussen instanties en bewoners zelf, waardoor het project aan legitimi-

teit en politieke steun wint.

De activiteiten en plaatsen in de buurt waar activiteiten georganiseerd worden, zijn es-

sentieel in het bieden van alternatieven aan jongeren voor het op straat rondhangen. Ze

kunnen er sociale contacten opdoen, activiteiten uitoefenen, maar ook kunnen ze er hulp

bij hun huiswerk krijgen en met hosts praten over normen en waarden.

Er zijn ook knelpunten geconstateerd:

Evaluatoren zetten kanttekeningen bij met name het buurtwerk. Hier ligt, in tegenstel-

ling tot het werk bij de metro en op scholen, een minder uitgewerkte methode aan ten

grondslag. Anderen zien hierin juist een belangrijke kracht van het project. Volgens hen

is juist de flexibiliteit, die een tegenwicht biedt aan de strakker georganiseerde gemeen-

telijke instanties, belangrijk voor het slagen van het project. Duidelijk is in ieder geval

dat cultureel-organisatorische verschillen de legitimiteit van het project Lugna Gatan

soms zwaar op de proef stellen.

De basis van vertrouwen binnen het werk van Lugna Gatan staat soms op gespannen

voet met verplichtingen om bepaalde incidenten te rapporteren aan instanties. Heldere

afspraken hierover ontbreken. In sommige werkgroepen is hiervoor de oplossing gevon-

den dat de hosts duidelijk maken aan jongeren dat ze bepaalde incidenten wel moeten

melden in overleg met instanties, maar dat de insteek van deze instanties het zoeken

van oplossingen is, en niet het nemen van repressieve maatregelen.

In Gothenburg heeft het project te maken met kritiek in de media, van de politie en an-

dere lokale projecten die zich op jongeren richten. Er lijkt sprake te zijn van een zekere

ideologische strijd met verschillende meningen over de aard van de problemen en de

wijze waarop ze aangepakt moeten worden. Bestaande organisaties richten zich liever op

71


een goede samenwerking tussen professionele instanties. Deze verschillen betekenen

echter ook dat partijen uit beide richtingen om dezelfde middelen moeten strijden. Ook

is het project in Gothenburg geïnitieerd door een metromaatschappij, en niet vanuit de

gemeente zelf. Hierdoor heeft het project meer moeite gehad zich in de gemeente te

vestigen. Afspraken over samenwerking met instanties moeten één voor één worden

gemaakt en hebben vaak een relatief korte duur. In Malmö is Lugna Gatan gestart vanuit

de gemeente, waardoor het inmiddels tot een zeer bekende samenwerkingspartner is

gegroeid voor allerlei soorten organisaties.

Coöperation group: busmaatschappijen in de regio Skane

In 2002 is een werkgroep opgezet bestaande uit de drie grootste busmaatschappijen in de

regio Skane en een politiek afgevaardigde van de regio. De taak van de werkgroep was het

ontwikkelen van maatregelen om de veiligheid van buschauffeurs te vergroten. In het bij-

zonder ging het om maatregelen om overvallen en agressief gedrag tegen buschauffeurs te

voorkomen. Overvallen werden in verband gebracht met de aanwezigheid van contant geld

in bussen. En bij agressief gedrag ging het om het gooien van stenen naar de bussen in

sommige wijken. Hiervoor dienden maatregelen te worden bedacht. Deze zijn inmiddels be-

dacht en worden momenteel door de verschillende maatschappijen geïmplementeerd:

laat chauffeurs zo min mogelijk met cash te maken hebben;

registreer en hou gegevens bij over alle type bedreigingen;

test de effecten van bewakingscamera’s op sommige buslijnen;

start een project om het probleem van stenengooiers in een bepaalde buurt tegen te

gaan;

verwijder struikgewas en verbeter verlichting bij onveilige haltes;

introduceer ‘veiligheidshosts’ op sommige lijnen;

doorgaande training aan chauffeurs over omgang met dreiging en geweld;

verhoog controle en sanctioneer daders.

Busproject: busmaatschappijen in de regio Umea

In de winter van 2001 is een werkgroep opgericht van de twee busmaatschappijen in de

regio Umea. Samen met maatschappelijke instellingen van de regio (scholen, organisaties

voor maatschappelijk ondersteuning, sociale diensten, etc.) heeft de werkgroep maatrege-

len bedacht om het reizen per bus in bepaalde wijken veiliger te maken. Belangrijkste

maatregel is het inzetten van vertegenwoordigers van twee sportverenigingen die op be-

paalde tijden meereizen in bussen om een veiliger en rustiger sfeer te creëren. Deze sport-

verenigingen zijn gevestigd in overlastgevende wijken. De sportverenigingen ontvangen

hier subsidie voor. De vertegenwoordigers van de twee sportverenigingen gaan tijdens de

ritten in gesprek met mogelijk overlastgevende jongeren. Het project is na afloop geëvalu-

eerd. De volgende positieve effecten zijn toen vastgesteld:

het werd rustiger in de bussen. De politie is niet één keer opgeroepen door buschauf-

feurs in de winter van 2001, terwijl dit in eerdere winters wel het geval was;

buschauffeurs voelden zich veiliger in de bus;

minder vandalisme;

het contact tussen jongeren en vertegenwoordigers van de sportverenigingen werd door

beide groepen positief beoordeeld.

72


Bus project: busmaatschappijen gemeente Örebro

De busmaatschappij in de gemeente Örebro heeft maatregelen bedacht om de aanwezig-

heid van contant geld in bussen te minimaliseren. De aanwezigheid van contant geld zou

een aanleiding kunnen zijn voor overvallen. In de bussen van Örebro kunnen reizigers na

20.00 uur geen tickets meer kopen in de bus. In de avonduren is er geen cash meer aan-

wezig in de bussen. Reizigers kunnen dan alleen gebruik maken van trajectabonnementen

en vooruitbetaalde tickets. Er zijn enkele ticketapparaten om abonnementen op te laden of

speciale avond- en nachtkaartjes te kopen.

Sinds het afschaffen van cash verkoop in bussen is het aantal conflicten toegenomen omdat

passagiers geïrriteerd waren vanwege het niet aan kunnen schaffen van een kaartje. Reizi-

gers vinden het belangrijk in de bus een kaartje te kunnen kopen, en willen, zeker ’s

avonds, de mogelijkheid hebben dit bij de chauffeur te doen. Het is voor de reiziger ook

een soort ‘introductie’ bij het instappen. Er is op dat moment contact met de chauffeur en

dit vergroot het veiligheidsgevoel bij reizigers. Ticketverkoop in de bus is dan in zekere zin

ook een manier om het veiligheidsgevoel bij reizigers te vergroten.

Een zekere vorm van contant betalen lijkt voor reizigers dus wel. Een groot risico doet zich

voor wanneer de chauffeur het geld van de kassa naar zijn tas moet verplaatsen wanneer

hij de bus in- of uitgaat.

Land Sectoraal beleid: openbaar vervoer

Zweden

Beleid vastgesteld zowel op landelijk niveau door het AV als op sectorniveau door de na-

tionale Sociale Partners van de publieke sector. Ook de Inspectie-afdeling neem initia-

tieven om de veiligheid in het openbaar vervoer te verbeteren. Projecten worden zowel

op landelijk als op regionaal niveau uitgevoerd.

Projecten:

AV: Risico-analyse;

AFA: Conflicthantering voor buschauffeurs;

Samenwerkingsproject door twee koepelorganisaties voor vervoersbedrijven;

AFA: Lugna Gatan;

Coöperation Group: busmaatschappijen in de regio Skane;

Bus project: busmaatschappijen in de regio Umea;

Bus project: busmaatschappijen gemeente örebro.

5.5 Verenigd Koninkrijk

5.5.1 Sectoraal beleid en aand acht voor ag ressie en geweld

Sectoraal beleid

De verantwoordelijkheid voor veiligheid in de publieke transportsector ligt bij het Ministerie

van transport (‘Department for Transport’). Dit ministerie heeft algemeen beleid geformu-

leerd ten aanzien van agressie en geweld tegen personeel in het openbaar vervoer. Bus-

maatschappijen vertalen dit beleid in concrete projecten. Omdat busmaatschappijen lokaal

of regionaal opereren worden deze projecten ook op dit niveau uitgevoerd.

73


Aandacht voor het thema

In het Verenigd Koninkrijk krijgt het thema agressie en geweld tegen werknemers in het

openbaar vervoer weinig aandacht. Op de internetsite van het Ministerie van transport is

bijvoorbeeld geen informatie te vinden over de omvang van het probleem. Het gebrek aan

aandacht hoeft niet te betekenen dat het probleem minder groot is dan in de andere lan-

den. Een reden zou kunnen zijn dat vakbonden in het Verenigd Koninkrijk minder invloed

hebben op beleid en daarom minder de media opzoeken om hun stem te laten horen.

5.5.2 Maatregelen en projecten

Landelijk

Het Ministerie van transport neemt verschillende maatregelen om de veiligheid in het open-

baar vervoer te verbeteren.

Ministerie van transport: verordening voor gedragsregels in het openbaar vervoer

Het Ministerie van transport heeft in een verordening (‘de Public Services Vehicles Regula-

tions’) vastgesteld dat chauffeurs, conducteurs en inspecteurs de mogelijkheid hebben om

– onder nader genoemde voorwaarden - een passagier die zich tegen de gedragsregels in

gedraagt, te verwijderen.

Ministerie van transport: beleidsregels voor openbaar vervoer organisaties over het omgaan

met agressie en geweld

Het Ministerie van transport heeft de volgende beleidsregels opgesteld:

Werkgevers hanteren een zero tolerance beleid ten aanzien van geweld op het werk;

Busmaatschappijen maken duidelijk aan zowel het personeel als aan de passagiers dat

agressieve en gewelddadige passagiers zullen worden vervolgd.

Busmaatschappijen zijn wettelijk verplicht veiligheid op het werk te bevorderen en per-

soneel te trainen in het beperken van de risico’s.

Personeel dient geen onnodige risico’s te nemen en moet zich houden aan de veilig-

heidsprocedures van de werkgever. Alle incidenten van fysiek en verbaal geweld moeten

worden gemeld aan de werkgever.

Ontwerpers van bussen dienen risico’s op geweld en vandalisme via hun ontwerpen te

minimaliseren, en bij de aanschaf van nieuwe voertuigen dient de beheerder hier reke-

ning mee te houden.

Op lokaal niveau dienen politie, reclassering, gezondheidszorgautoriteiten, vrijwilligers,

burgers en transportaanbieders samen te komen in Crime and disorder reduction part-

nerships (CDRPs). Deze samenwerkingsverbanden hebben tot doel lokale strategieën te

ontwikkelen om criminaliteit en oproer tegen te gaan.

Ministerie van transport: adviesgids voor hoe om te gaan met agressie en geweld

Ook heeft het Ministerie van transport een adviesgids uitgegeven voor busmaatschappijen.

De gids bevat allerlei maatregelen op het niveau van preventie, beperking en afhandeling

die busondernemers en buspersoneel kunnen nemen om beter om te kunnen gaan met

agressie en geweld in het openbaar vervoer. Ook is hier een quick reference guide te vin-

den die in een zevental stappen aangeeft hoe te handelen bij incidenten.

74


Regionaal

Hieronder staat één mogelijk interessant project dat uitgevoerd wordt door een busmaat-

schappij.

First Leeds: aanpak agressie en geweld busmaatschappij

First Leeds is een busmaatschappij die op dit moment bezig is met de uitvoering van een

driejarig programma om agressie en geweld in het openbaar vervoer tegen te gaan.

Om de risico’s te minimaliseren, worden de volgende maatregelen genomen:

Training van alle chauffeurs, gericht op het behoud van zelf-controle bij incidenten,

communicatiestrategieën bij incidenten, klantbejegening en hoe om te gaan met cash

geld in de bus.

Samenwerking met de politie.

Melding van incidenten (onderscheid naar de oorzaak van het incident en het type inci-

dent). Bij verbale incidenten hoeft dit onderscheid niet gemaakt te worden.

Bevestiging van alarmknoppen die, wanneer ingedrukt, een mechanische stem laten ho-

ren: “This vehicle is under attack, dial 999”.

Alle nieuwe bussen worden voorzien van schermen tussen chauffeur en passagiers.

Alle bussen worden voorzien van een radio, waarmee de chauffeur direct contact kan

leggen met het busstation, vanwaar berichten naar alle chauffeurs kunnen worden ge-

stuurd.

Ultrakleine digitale camera’s (CCTV) worden geplaatst in een beperkt aantal bussen. De-

ze camera’s maken 24-uurs-opnamen en vervangen camera’s met bandjes, omdat deze

nog wel eens onbetrouwbaar bleken. De opnamen kunnen worden gebruikt in geval van

vervolging.

De busmaatschappij onderzoekt mogelijkheden de ramen aan de chauffeurszijde te voor-

zien van een extra veiligheidslaag.

Chauffeurs die tijdens hun werk te maken krijgen met geweld buiten hun schuld om,

hebben recht op tot 6 maanden volledig salaris.

De eerste resultaten laten zien dat een aantal maatregelen minder succesvol is. Zo blijken

chauffeurs liever geen gebruik te maken van de alarmknoppen omdat ze vaak tot paniek

onder de reizigers zorgen. De beveiligingsschermen tussen chauffeur en publiek beveiligen

slechts in beperkte mate, omdat de ruimte van de chauffeur nooit volledig is afgesloten

(vanwege ticketverkoop, vanwege zichtbeperking). De radio’s worden vaak pas gebruikt

nadat het incident heeft plaats gevonden, zodat snelle hulp lastig wordt. Ten slotte werkt

de regeling voor uitkering bij ziekte voor sommige chauffeurs belemmerend: ze blijven lan-

ger thuiszitten dan nodig.

75


Land Sectoraal beleid: openbaar vervoer

Verenigd

Koninkrijk

76

Beleid vastgesteld door het Ministerie van Transport. Vervoersbedrijven vertalen het be-

leid naar concrete projecten. Projecten zowel op landelijk als regionaal niveau.

Projecten:

Ministerie van Transport: verordening voor gedragsregels in het openbaar vervoer;

Ministerie van Transport: beleidsregels voor openbaar vervoer organisaties over het

omgaan met agressie en geweld;

Ministerie van Transport: adviesgids over hoe om te gaan met agressie en geweld;

Regionaal project: First Leeds aanpak agressie en geweld busmaatschappij.

5.6 Deelconclusie: Nederland in vergelijkend perspectief

In alle landen is er veel aandacht voor agressie en geweld in het openbaar vervoer. Vooral

busmaatschappijen hebben de laatste tijd veel projecten ontwikkeld om de veiligheid van

chauffeurs te verbeteren. Een vergelijking tussen de initiatieven uit de vier landen laat zien

dat Nederland het enige land is dat bij de politie een tijdelijke coördinator geweld kent in

het openbaar vervoer. Verder is de Nederlandse aanpak grondig te noemen. Bedrijven als

de GVU en GVB besteden ruim aandacht aan sociale veiligheid waarbij ze verschillende

maatregelen nemen, zoals cameratoezicht in bussen, het inzetten van een speciaal team

service en veiligheid en het ontwikkelen van professionele nazorg. Overigens is in grote

steden in trams en metro’s eveneens cameratoezicht aanwezig.

Zowel in Duitsland als in Zweden is te zien dat meer aandacht uitgaat naar het opleiden

van buschauffeurs. In Zweden is een grootschalige conflicttraining opgezet waar 500 me-

dewerkers werkzaam in de bus- en tramsector aan meedoen. Duitse buschauffeurs worden

getraind middels een vierdaags seminar.

Net als in de onderwijssector valt ook hier op dat de projecten in Duitsland en Zweden ge-

richt zijn op het samenwerken met andere organisaties. Vooral scholen zijn hierbij in beide

landen erg belangrijk. In beide landen worden scouts op bussen ingezet om conflicten in de

bus te voorkomen. In Zweden is het project ‘lugna gatan’ erg succesvol gebleken. Het heeft

de sociale cohesie in buurten versterkt omdat relaties tussen jongeren en autoriteiten in de

wijk verbeterd werden. Daarnaast heeft dit project een positief neveneffect, omdat jonge-

ren die als scout voor dit projecten werkten aan een baan geholpen werden.


6 Gezondheidszorg

Dit hoofdstuk schetst de hoofdlijnen van het beleid en een selectie van maatregelen om

agressie en geweld tegen werknemers met een verzorgend en/of verplegend beroep te

voorkomen. Deze beroepsgroep is in veel verschillende sectoren van de gezondheidszorg te

vinden. We geven in dit hoofdstuk geen uitputtend beeld van beleid en maatregelen binnen

al deze sectoren. We gaan uit van succesvolle initiatieven en maatregelen die in het tijds-

bestek van dit onderzoek bestudeerd zijn. In elke paragraaf komt aan bod welke actoren

van belang zijn voor het opstellen van beleid en richtlijnen voor werknemers met een ver-

zorgend en/of verplegend beroep.

6.1 Nederland

6.1.1 Sectoraal beleid en aand acht voor ag ressie en geweld

Sectoraal beleid

Veel werknemers met een verzorgend en/of verplegend beroep zijn in Nederland verenigd

via de branches Welzijn en Maatschappelijk Dienstverlening, Jeugdzorg en Kinderopvang.

De sociale partners binnen deze branches hebben het FCB Dienstverlenen in Arbeidsmarkt-

vraagstukken opgericht. Het FCB ontwikkelt onder andere producten om werknemers bin-

nen de branches gezond en veilig te laten werken. Deze producten zijn ondergebracht in

drie Arbocatalogi:

1) Arbocatalogus Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening;

2) Arbocatalogus Jeugdzorg;

3) Arbocatalogus Kinderopvang.

In deze Arbocatalogi wordt veel aandacht besteed aan het thema agressie. De calatogi be-

vatten praktijkregels die organisaties dienen toe te passen om aan de doelvoorschriften uit

de Arbowet te voldoen. Ook staat per praktijkregel informatie genoemd om de aanpak van

agressie en veiligheid te optimaliseren. Voorbeelden zijn agressieprotocollen, handboeken

en praktijkgidsen.

Ook zijn op het niveau van de drie branches cao’s gesloten tussen de sociale partners. Eén

van de cao afspraken is dat de werkgever met instemming van de OR of de Personeelsver-

tegenwoordiging een gedragscode vaststelt, gericht op het voorkomen binnen de instelling

van ongewenst gedrag (agressie, racisme, seksuele intimidatie, leeftijdsdiscriminatie).

Werkgevers- en werknemersorganisaties in de ziekenhuisbranche hebben de Stichting

Arbeidsmarkt Ziekenhuizen opgericht (StAZ). De StAZ staat voor het verbeteren van het

functioneren van de ziekenhuisbranche. Ook de StAZ heeft een arbocatalogus ontwikkeld

om arbeidsrisico’s binnen ziekenhuizen, revalidatiecentra en aanverwante organisaties, te

herkennen en aan te pakken. Eén van deze risico’s is agressie en geweld. In de catalogus

staat een aantal oplossingen genoemd. Hier wordt ook verwezen naar het project ‘Veilige-

zorg’ (zie volgende paragraaf).

77


De brancheorganisaties en vakbonden die in de branche van verpleeg- en verzorgings-

huizen en thuiszorgorganisaties actief zijn hebben de arbocatalogus VVT opgesteld. In de

Arbocatalogus staan de belangrijkste arbeidsrisico’s genoemd met daarbij gezonde en veili-

ge oplossingen. Eén arbothema is psychosociale arbeidsbelasting. Agressie en geweld op

het werk is daar een onderdeel van. De verschillende instellingen in deze sector moeten be-

leid voeren dat gericht is op het beschermen van werknemers tegen agressie, geweld, sek-

suele intimidatie, pesten en discriminatie. Dit kan gedaan worden aan de hand van een risi-

co-inventarisatie en evaluatie (RI&E). De te nemen maatregelen om de risico’s te beperken

moeten vastgelegd worden, bijvoorbeeld in een plan van aanpak. De Arbeidsinspectie ziet

toe op het naleven hiervan.

Aandacht voor het thema

In Nederland is voor agressie op het werk in de gezondheidszorg veel aandacht. Medewer-

kers in de zorgsector krijgen in vergelijking met andere beroepsgroepen vaker met intimi-

datie door derden te maken. Resultaten van de Nationale Enquête Arbeids-omstandigheden

uit 2006 laten een zorgelijk beeld zien: waar 47% van de verpleegkundigen en verzorgen-

den aangeeft de laatste twaalf maanden slachtoffer te zijn geweest van intimidatie geldt dit

voor 20% van alle andere beroepsgroepen in Nederland 1 .

Volgens een geraadpleegde expert op dit gebied is de bewustwording van het probleem on-

der medewerkers in ziekenhuizen en GGZ-instellingen de laatste jaren gestegen. Als reden

is genoemd dat vanuit politiek en pers meer aandacht is voor de problematiek rondom

agressie en geweld. Dit heeft zich ook doorvertaald in beleidsmatige veranderingen binnen

ziekenhuisinstellingen. Ook onder leidinggevenden is de bewustwording toegenomen, waar-

door het probleem steeds vaker op de werkvloer benoemd wordt.

6.1.2 Maatregelen en projecten

Om de problematiek van agressie en geweld terug te dringen worden verschillende maatre-

gelen en projecten voor de sector uitgevoerd. De focus in dit hoofdstuk ligt op projecten en

maatregelen voor werknemers werkzaam in ziekenhuizen. In de tijdsspanne van dit onder-

zoek is hierbij één landelijk project gevonden, het project Veiligezorg. Dit project wordt

hieronder nader toegelicht.

Project Veiligezorg 2

Het project Veiligezorg is ontwikkeld door het Westfries Gasthuis en is sinds 2001 landelijk

uitgerold. Het project is ondergebracht bij de Stichting Arbeidsmarkt Ziekenhuizen (StAZ)

en wordt uitgevoerd door het kennis- en dienstencentrum op het terrein van de arbeids-

markt en arbeidsverhoudingen in het publieke domein (caop). Het project behelst een be-

leidsmatig model voor beheersing van agressieproblematiek in de zorg en heeft een bot-

tom-up karakter; medewerkers worden onder andere intensief betrokken bij het bedenken

van maatregelen. De opzet van het project sluit nauw aan bij de acht maatregelen voor ef-

1 TNO (2008): het grote gevaar van de zorg: overzicht van arbeidsrisico’s van en maatregelen voor verpleeg-

kundigen en verzorgenden.

2 www.veiligezorg.nl.

78


fectief veiligheidsbeleid zoals uitgedragen door het programma Veilige Publieke Taak. De

acht maatregelen komen duidelijk terug in de zeven fasen van de aanpak Veiligzorg:

Fase 1: Voorbereiding

Fase 2: Probleemanalyse

Fase 3: Beleidsontwikkeling

Fase 4: Convenant

Fase 5: Implementatie

Fase 6: Verbreding

Fase 7: Verankering.

Deze fasen zijn opgenomen in het Handboek Veiligezorg. Het Handboek stelt zorginstellin-

gen in staat om samen met het personeel en andere betrokkenen op een systematische

manier te werken aan het terugdringen van agressie-incidenten en de gevolgen daarvan.

Het handboek is te downloaden op de internetsite van het project.

Sinds 2002 zijn ervaringen van deelnemende ziekenhuizen de basis geweest voor verdere

verbeteringen van het project.

Ziekenhuizen kunnen gratis deelnemen aan Veiligezorg. Het aantal ziekenhuizen dat daad-

werkelijk deelneemt, is niet bekend. De expert waarmee gesproken is over dit project

schatte het totaal aantal deelnemende ziekenhuizen op 80.

Veiligezorg kan gezien worden als een richtlijn voor het opstellen van veiligheidsbeleid in

ziekenhuizen. In de richtlijn zijn voorbeelden opgenomen van protocollen voor het vergro-

ten van de sociale veiligheid van instellingen. Daarbij wordt het OBE-principe gehanteerd:

het treffen van organisatorische, bouwkundige en elektronische maatregelen. Opgemerkt

dient te worden dat het hier om een richtlijn gaat en het aan de instelling zelf voor maat-

werk te zorgen, zodat de maatregelen zijn toegesneden op de specifieke situatie.

Ook is er binnen het project aandacht voor het creëren van draagvlak voor het beleid bij

betrokken instanties. Het gaat dan om instanties als de politie, gemeenten en het Openbaar

Ministerie. Op de website van Veiligezorg is het mogelijk goede praktijken te bekijken. De-

ze kunnen inspiratie vormen voor het veiligheidsbeleid van de eigen instelling. Verder is er

een helpdesk en een nieuwsbrief.

In 2009 is een mailing uitgezet onder 65 projectleiders van dit project. Hieruit blijkt dat het

gevoel van veiligheid bij ziekenhuismedewerkers is toegenomen na de start van het pro-

ject. Het lijkt er dus op dat de aanpak van agressie in ziekenhuizen door Veiligezorg effec-

tief is.

Het Projectteam Veiligezorg streeft ernaar om te komen tot een uniform meldsysteem voor

incidenten van agressie en geweld tegen personeel. Hiervoor probeert men de gegevens te

gebruiken uit het Veiligheidsmanagementsysteem (VMS), dat vanaf 1 januari 2011 verplicht

wordt gesteld in alle ziekenhuizen, en te koppelen aan het (inmiddels niet meer actieve)

Ziekenhuis Incident Registratiesysteem (ZIR). Hierdoor moet zicht ontstaan op de omvang

van de problematiek rondom agressie en geweld tegen ziekenhuismedewerkers.

79


Land Sectoraal beleid: gezondheidszorg

Nederland

80

Beleid vastgesteld door branche-organisaties en vakbonden in een arbocatalogus.

Projecten:

Project Veiligezorg

6.2 Duitsland

6.2.1 Sectoraal beleid en aand acht voor ag ressie en geweld

Sectoraal beleid

Ook in de zorg zijn het de ongevallenverzekeraars die projecten initiëren gericht op het

omgaan met agressie en geweld. Omdat deze verzekeraars regionaal werken, worden pro-

jecten regionaal uitgevoerd.

Aandacht voor het thema

Volgens de experts waarmee gesproken is concentreert de aandacht voor agressie en ge-

weld in de gezondheidszorg in Duitsland zich op agressie en geweld tegen personeel in ver-

pleeghuizen voor ouderen en psychiatrische inrichtingen. De setting is dus anders dan in

Nederland. Onderzoek laat zien dat een vierde van het personeel in verpleeghuizen en een

vijfde van het personeel in psychiatrische inrichtingen structureel te maken heeft met

agressie en geweld 1 . Uit een steekproefonderzoek van de grootste ongevallenverzekeraar

voor zorginstellingen (BGW) blijkt dat 84% van de medewerkers in verpleeghuizen wel eens

te maken heeft gehad met fysiek geweld en 90% met verbaal geweld.

Cijfers over het voorkomen van agressie en geweld tegen werknemers in ziekenhuizen zijn

gedurende de onderzoeksperiode niet gevonden.

Uit de gesprekken met experts in Duitsland is het beeld ontstaan dat er een taboe rust op

(het melden van) agressie en geweld tegen verplegend personeel in de zorg. De experts

spraken de zorg uit dat een groot deel van de gevallen niet gemeld wordt, waardoor het

probleem waarschijnlijk groter is dan nu naar buiten komt in media of politiek.

6.2.2 Maatregelen en projecten

Hieronder worden een paar maatregelen uitgelicht die door Duitse experts genoemd zijn als

succesvolle initiatieven om agressie en geweld in de zorg tegen te gaan. We presenteren

één regionaal initiatief en één lokaal project.

1 Simon, M./ Tackenberg, P./ Hasselhorn, H.-M./ Kümmerling, A./ Büscher, A./ Müller, B.H.: Auswertung der

ersten Befragung der NEXT-Studie in Deutschland. Universität Wuppertal 2005.


Regionale verzekeraar: training om met agressiviteit om te gaan

Een regionale verzekeraar biedt een training aan ziekenhuizen met psychiatrische afdelin-

gen in de regio Hessen aan. Ongeveer driekwart van de ziekenhuizen in Hessen neemt deel

aan de training. Deelnemers aan het programma zijn 11 centra voor sociale psychiatrie,

1 psychiatrische kliniek met 24 deelondernemingen en 9 psychiatrische klinieken voor acute

hulpverlening binnen ziekenhuizen. De opleiding bestaat uit een startseminar (2 dagen),

een training (6 dagen) en een opfriscursus met uitwisseling van ervaringen (3 dagen). De

training wordt met een certificaat bevestigd. De contactpersoon van de regionale verzeke-

raar ondersteunt hoofdzakelijk in de beginfase. Ziekenhuizen bepalen zelf de wijze waarop

de training in de organisatie wordt uitgevoerd. Het management wordt zodoende betrokken

bij de training. Per instelling worden twee cursisten opgeleid tot trainer om de training bin-

nen de eigen instelling te verspreiden.

Deze training loopt sinds 2003 en wordt jaarlijks gegeven. De ervaringen zijn positief. De

belangrijkste succesfactoren zijn:

Het betrekken van het management bij de training: de verantwoordelijkheid voor imple-

mentatie wordt nadrukkelijk neergelegd bij het management van de instellingen;

De cursisten hebben verschillende beroepen (verpleegsters, artsen en psychologen). Dit

biedt de mogelijkheid om ervaringen uit te wisselen, problemen bespreekbaar te maken

en van elkaar te leren;

De cursisten die uiteindelijk als trainer binnen de eigen instelling aan de slag gaan zor-

gen daadwerkelijk voor verspreiding van de nieuw ontwikkelde trainingsmethode.

Lokaal project: preventiemaatregelen binnen een kliniek.

Uit een gesprek met een arts in een grote kliniek in Düsseldorf is gebleken dat op de werk-

plek preventiemaatregelen worden genomen.

Primaire preventie: creëren van een veilige werkplek met noodomroepsysteem;

Preventie door middel van informatie en scholing: seminars om mensen gevoeliger te

maken voor het thema, personeelsbijeenkomsten en informatiekranten verspreiden;

Secundaire preventie: registratie van incidenten, nazorg na incident (eerst hulp, psycho-

logische hulp).

Land Sectoraal beleid: gezondheidszorg

Duitsland

Beleid door regionale ongevallenverzekeraars. Op landelijk niveau zijn geen projecten

gevonden. Training door regionale verzekeraar. Het onderwerp richt zich grotendeels op

agressie en geweld in de psychiatrie en verpleeghuizen voor ouderen.

Project:

Regionaal project van ongevallenverzekeraar in Hessen.

Lokaal project: preventiemaatregelen binnen een kliniek.

81


6.3 Zweden

6.3.1 Sectoraal beleid en aand acht voor ag ressie en geweld

Sectoraal beleid

De landelijke sociale partners van de publieke sector maken het arbeidsomstandighedenbe-

leid voor de gezondheidszorg. Een project dat zij momenteel organiseren is het project AFA

Prevention. Dit project is gericht op alle werknemers in de publieke sector van Zweden die

werkzaam zijn in de 290 gemeenten of 18 provincies van Zweden. Bepaalde onderdelen van

de gezondheidszorg zijn in Zweden onderdeel van de publieke sector. Dit is het geval bij

ouderenzorg, psychiatrische zorg, familiezorg en ziekenhuizen. Daarom heeft het AFA pro-

ject ook betrekking op medewerkers in de gezondheidszorg. Verder geeft de Swedish Work

Authority advies aan werkgevers in de gezondheidszorg. Het gaat hier wel om meer alge-

meen advies over arbeidsomstandigheden. Het creëren van een veilige werkomgeving is

daar onderdeel van.

Aandacht voor het thema

Agressie en geweld in de zorgsector wordt in Zweden beschouwd als een probleem waar-

voor niet makkelijk maatregelen kunnen worden genomen. In een interview is erop gewe-

zen dat het in de gezondheidszorg lastig is een duidelijke lijn te trekken tussen acceptabel

en onacceptabel gewelddadig gedrag. Bepaalde vormen van gedrag kunnen immers bij

iemands ziektebeeld horen. Tegelijkertijd kan dit grijze gebied er tevens toe leiden dat per-

soneel er sneller vanuit gaat dat gewelddadig gedrag bij het werk hoort, waardoor veel in-

cidenten niet worden gemeld.

Ook kan in bepaalde deelsectoren, zoals de ambulancesector, een machocultuur heersen

waarbinnen collega’s van elkaar verwachten om te kunnen gaan met moeilijke situaties en

niet over gevoelens praten. Dit kan leiden tot onderrapportage en tot een zekere terughou-

dendheid om het probleem aan de orde te stellen. Overigens begint dit in Zweden nu te

veranderen. De belangrijkste reden hiervoor is dat ambulancepersoneel voorheen bestond

uit brandweerpersoneel, terwijl dit nu meer door verplegend personeel wordt gedaan waar-

bij de ‘machocultuur’ minder vanzelfsprekend is.

Gedurende de onderzoeksperiode zijn geen cijfers gevonden van het aantal incidenten van

agressie en geweld tegen werknemers werkzaam in de gezondheidszorg.

6.3.2 Maatregelen en projecten

Landelijk

AFA Prevention Project

In kader van het AFA Prevention Project worden projecten uitgevoerd om personeel in de

ouderenzorg, psychiatrische zorg, familiezorg en in ziekenhuizen te ondersteunen door

middel van informatie en training.

82


Regionaal

Gedurende de onderzoeksperiode hebben wij geen specifieke maatregelen of projectmatige

initiatieven op regionaal/lokaal niveau in de gezondheidszorg in Zweden aangetroffen.

Land Sectoraal beleid: gezondheidszorg

Zweden

Beleid door landelijke sociale partners van de publieke sector.

Geen aparte maatregelen binnen de sector. De sector kan gebruik maken van advies en

training die aangeboden worden aan alle sectoren (vanuit Arbetsmiljöverket (AV)), en de

landelijke Sociale Partners van de publieke sector (AFA Prevention Project).

Project:

- (geen project gevonden)

6.4 Verenigd Koninkrijk

6.4.1 Sectoraal beleid en aand acht voor ag ressie en geweld

Sectoraal beleid

In het Verenigd Koninkrijk is één landelijk orgaan, de National Health Service (NHS), belast

met veiligheid in zorginstellingen (met name ziekenhuizen). De NHS is verantwoordelijk

voor het veiligheidsmanagement in zorginstellingen en werkt hierin nauw samen met de

HSE (de centrale autoriteit die toeziet op de naleving van wetgeving, en regels en richtlij-

nen opstelt en werkgevers adviseert over gezond en veilig werken).

In de wet is opgenomen dat politie en bepaalde leden van ziekenhuisstaf de mogelijkheid

hebben personen die verdacht worden van overlast en verstoring van het ziekenhuisterrein

te verwijderen. Dit biedt de mogelijkheid om direct handelend op te treden tegen versto-

rend gedrag, als intimidatie, vloeken of verhindering van werkzaamheden van het perso-

neel, zonder eerst de politie in te hoeven schakelen. Daarnaast maakt Schotse wetgeving

het strafbaar om een hulpverlener die eerste hulp of noodhulp verleent, of iemand die hier-

in assisteert, te verhinderen de taken uit te voeren.

Aandacht voor het thema

Agressie en geweld door derden heeft veel aandacht en prioriteit. Er is inmiddels een uitge-

breide landelijke structuur opgezet met specialisten in veiligheidsmanagement. Deze advi-

seren veiligheidsspecialisten van de verschillende instellingen. Ook is er een meldingssys-

teem opgezet voor fysieke en niet-fysieke geweldincidenten (operationeel sinds april 2010).

83


6.4.2 Maatregelen en projecten

Landelijk: Beleidsmaatregelen NHS

De omgang met geweld tegen het personeel heeft hoge prioriteit, en volgt inmiddels een

tweesporenbeleid: preventie van incidenten en maatregelen tegen daders van geweld.

Daarnaast heeft de NHS maatregelen genomen om instellingen goed toe te kunnen rusten

bij hun beleid gericht op het voorkomen van agressie en geweld.

een nationaal meldsysteem voor incidenten (zowel fysiek als niet-fysiek geweld) dat

zicht biedt op trends en patronen op basis waarvan preventieve maatregelen kunnen

worden genomen. Het SIRS meldingssysteem functioneert per april 2010.

alle NHS-instellingen dienen op bestuursniveau een veiligheidsmanager te benoemen,

die verantwoordelijk is voor het veiligheidsmanagement (zoals het faciliteren van een

veilige werkcultuur, bewustwording onder personeel, aanmoediging tot melding van inci-

denten, onderzoeken van incidenten, afhandeling richting daders, nazorg voor slachtof-

fers, etc)

opzetten van een netwerk van goed opgeleide en professioneel geaccrediteerde lokale

veiligheidsspecialisten. Zij worden ingezet op lokaal niveau en zijn verantwoordelijk voor

de implementatie van beleid, richtlijnen en advies van het NHS op lokaal niveau. Ook

zijn zij verantwoordelijk voor onderzoek van incidenten en melding van incidenten aan

NHS.

opzetten van een juridisch adviescentrum dat instellingen advies verstrekt over sanctio-

nering van daders.

Werkgroep NHS Employers

Binnen de NHS bestaat de afdeling NHS Employers. Deze afdeling heeft samen met enkele

werkgeversorganisaties een werkgroep opgericht om veiligheid in de gezondheidszorg te

bevorderen.

Het beleid van de NHS is in een aantal concrete programma’s uitgewerkt. Hieronder volgt

een aantal van dergelijke programma’s.

“Passport Scheme”: ontwikkelen van eenduidige structuur van maatregelen (NHS)

Voluit heet het project: All Wales NHS Violence and Aggression Training Passport and In-

formation Scheme. Kern van het project is een eenduidige structuur op te zetten voor:

training op het terrein van agressie en geweld binnen de NHS in Wales;

het documenteren van effectieve managementmaatregelen om agressie en geweld tegen

te gaan.

Deelnemers aan het project zijn werkzaam in zorginstellingen in Wales. Een voordeel van

een eenduidige structuur is dat minder opfristrainingen nodig zijn. Personeel dat van baan

veranderd, gaat vaak werken bij een andere instelling binnen de NHS. Wanneer de trai-

ningsstructuur overal hetzelfde is, is dat geen probleem. Uiteindelijk zal de structuur in alle

NHS-instellingen van het Verenigd Koninkrijk ingevoerd gaan worden.

84


Het project is ontwikkeld door de All Wales NHS Steering Group for the Management of Vio-

lence and Aggression, een team met afgevaardigden van verschillende partijen, variërend

van de NHS en lokale autoriteiten tot zorgopleidingen.

Op de werkplek is het de bedoeling dat managers het passport scheme dagelijks monitoren,

door hun personeel vragen te stellen over hun werk en na te gaan of zij zich gedragen con-

form de managementrichtlijnen, en door na te gaan of op een effectieve wijze wordt omge-

gaan met incidenten.

Kraamverzorgers: risico op agressie en geweld beperken wanneer zij alleen werken (NHS)

Kraamverzorgers voeren geregeld huisbezoeken uit en geven cursussen voor ouders in kli-

nieken en gezondheidscentra in de avonduren en op zaterdagen, wanneer minder personeel

aanwezig is. Zij komen geregeld in arme wijken, ook in de avond en nacht, en in gezinnen

waar sprake is van middelengebruik en huiselijk geweld. Ook reizen zij naar afgelegen ge-

bieden.

Het project bestaat uit de volgende elementen:

Training en informatieverstrekking aan verloskundigen over signalering van, en omgang

met (dreigend) geweld.

Verstrekken van informatie en richtlijnen over huisbezoeken.

Verstrekken van meldingsformulieren aan verloskundigen en hen aansporen incidenten

te melden, ook kleine incidenten, zodat problemen en patronen goed in kaart kunnen

worden gebracht, ten behoeve van het nemen van goede maatregelen.

Early warning system: potentiële probleemwijken en probleemcliënten worden geregi-

streerd, zodat tijdig besloten kan worden tot het afleggen van een huisbezoek door twee

personen.

Gebruik van mobiele telefoons die ingelogd zijn op een centraal netwerk. Via berichten

laat de kraamverzorger weten wanneer ze waar is en hoe lang ze er blijft. Als een

kraamverzorger langer op een adres blijft dan aangegeven en niet op de juiste tijd in-

checkt, ontvangt de kraamverzorger een bericht, dat beantwoord moet worden met OK

indien er geen problemen zijn. Indien dit niet gebeurt, wordt een escalatieprocedure in

werking gesteld waarbij de kraamverzorger om de paar minuten wordt gebeld. Bij uit-

blijvend contact wordt de politie gealarmeerd. De mobiele telefoons zijn tevens voorzien

van een alarmknop.

Andere apparaten kunnen beschikbaar worden gesteld, zoals CCTV en alarmknoppen.

Tijden van cursussen zijn aangepast: cursussen worden alleen gegeven als een huis-

meester aanwezig is.

Niet alle elementen blijken even goed te werken. Het mobiele telefoonsysteem lijkt niet op-

timaal te werken. Kraamverzorgers hebben soms de indruk dat het systeem veeleer door

het management als een controlemiddel wordt gebruikt dan als een veiligheidsinstrument.

Sommige kraamverzorgers gebruiken het systeem niet of vergeten in te loggen. Het verstu-

ren van tekstberichten neemt tijd in beslag en kan gevaar opleveren bij het autorijden. De

alarmberichten die worden verstuurd als de kraamverzorgers meer tijd neemt bij een cliënt,

wordt nogal eens als verstorend ervaren. Kraamverzorgers zijn niet altijd in de gelegenheid

snel te reageren, bijvoorbeeld wanneer een bevalling aan de gang is.

85


Alarmsysteem voor professionals die alleen werken (NHS)

Dit project betreft een alarmservice voor professionals die alleen werken. Deze professional

draagt een apparaatje bij zich met een alarmknop die, wanneer ingedrukt, direct contact

maakt met een alarmcentrum. De gebruiker kan via het apparaatje van tevoren contactge-

gevens inspreken, zodat voor het alarmcentrum duidelijk is waar de persoon zich bevindt

wanneer het alarm afgaat. Dit bericht wordt bij een alarm afgeluisterd.

Er wordt een inschatting gemaakt van de ernst van de situatie en op basis daarvan wordt

besloten welke nooddiensten worden ingeschakeld (bijvoorbeeld politie waarschuwen, col-

lega’s en supervisoren) en het incident wordt op een juiste wijze geregistreerd, zodat dit

gebruikt kan worden voor het nemen van eventuele juridische stappen.

De gebruiker van het alarm wordt eerst getraind in het juiste gebruik ervan.

Het alarmsysteem wordt sinds 2009 geleidelijk, per regio in gevoerd. Het project moet nog

worden geëvalueerd. De berichten van de gebruikers zijn tot dusverre positief.

Land Sectoraal beleid: gezondheidszorg

Verenigd

Koninkrijk

86

De National Health Service (NHS) is verantwoordelijk voor het veiligheidsmanagement in

de sector. Agressie en geweld door derden heeft veel aandacht en prioriteit. Er is inmid-

dels een uitgebreide landelijke structuur opgezet met specialisten in veiligheidsmanage-

ment. Deze adviseren veiligheidsspecialisten van de verschillende instellingen. Ook is er

een meldingssysteem opgezet voor fysieke en niet-fysieke geweldincidenten (operatio-

neel sinds april 2010).

Er zijn tal van maatregelen genomen, waaronder onderstaande projecten.

Projecten:

“Passport scheme”: ontwikkelen van eenduidige structuur voor maatregelen

Kraamverzorgers: risico op agressie en geweld beperken als zij alleen werken

Alarm systeem voor professionals die alleen werken

6.5 Deelconclusie: Nederland in vergelijkend perspectief

De experts in alle onderzochte landen zien agressie en geweld tegen medewerkers in de

zorgsector als een probleem. Daarnaast geven experts aan dat de meldingsbereidheid niet

altijd hoog is, omdat medewerkers een zorgverlenende rol aannemen en kunnen denken

dat agressief gedrag iets is wat bij het vak hoort. Statistieken zullen volgens hen daarom

vaak een onderrapportage laten zien van het werkelijk aantal incidenten.

De brancheorganisaties van de ziekenhuisinstellingen in Nederland hebben een beleidsma-

tig model ontwikkeld voor ziekenhuizen om agressiebeleid vorm te geven. Dit project Veili-

gezorg bestrijkt alle facetten van het beleid, van preventie tot nazorg en sluit nauw aan bij

de acht normen van de Veilige Publieke Taak. In vergelijking met Nederland ligt de aan-

dacht in Duitsland meer bij het trainen van personeel in de zorgsector.


Van de vier onderzochte landen zijn in het Verenigd Koninkrijk de meeste projecten gevon-

den om agressie en geweld tegen medewerkers in de gezondheidszorg te voorkomen. An-

ders dan in de andere landen is er in het Verenigd Koninkrijk één landelijk orgaan belast

met het ontwikkelen en controleren van veiligheidsbeleid in zorginstellingen. Alle zorgin-

stellingen in het Verenigd Koninkrijk zijn verplicht een veiligheidsmanager in dienst te heb-

ben. Bovendien kent dit land een juridisch adviescentrum: instellingen kunnen hier terecht

met vragen over de wijze waarop zij moeten handelen om daders te sanctioneren. Ten slot-

te bestaan er in het Verenigd Koninkrijk verschillende initiatieven gericht op professionals

die alleen werken. Door bijvoorbeeld speciale alarmsystemen en een ‘early warning sys-

teem’ bij mogelijk risicovolle huisbezoeken kan deze groep beter toegerust worden in risi-

covolle situaties.

87


7 Nederland in vergelijkend perspectief

7.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de belangrijkste verschillen tussen Nederland en de andere onder-

zochte landen beschreven (§7.2) en verklaard (§7.3). Daarmee is dit hoofdstuk te be-

schouwen als een conclusie. Het hoofdstuk sluit af met enkele aanbevelingen (§7.4). De

volgende onderzoeksvragen worden in dit hoofdstuk beantwoord:

Hoe is het Nederlandse beleid tegen agressie en geweld te karakteriseren ten opzichte

van het beleid in andere landen?

Welke verschillende beleidsarrangementen zijn er te onderscheiden?

Welke verschillen in wet- en regelgeving (zoals arbo-wetgeving) zijn er en welke uitwer-

kingen heeft dit?

Wat is de invloed van deze verschillen in beleidsarrangementen en wet- en regelgeving?

Welke sociaal-economische en culturele factoren kunnen verschillen tussen de landen

verklaren?

Hoe staat Nederland er in internationaal perspectief voor op het gebied bestrijding van

agressie en geweld? Wat gaat goed, wat gaat minder goed?

Wat zijn de best-practices in de bestudeerde landen van beleidsinterventies tegen agres-

sie en geweld?

In hoeverre kan de overheid invloed uitoefenen op de aspecten/zaken die een verklaring

zijn voor de gevonden verschillen in het aantal incidenten?

7.2 Belangrijkste verschillen tussen landen

7.2.1 Aard en omvang

Een vergelijking tussen de vier landen leert dat Nederland het enige land is dat een speci-

fieke definitie hanteert voor agressie en geweld door derden tegen werknemers met een

publieke taak. Bovendien geeft de monitor Veilige Publieke Taak een overzicht van de om-

vang en aard van dit type agressie. In andere landen is een dergelijke dataset niet voor-

handen. De European Working Conditions Survey (EWCS) van 2005 geeft een globaal in-

zicht in het voorkomen van agressie en geweld op het werk in de vier landen. Hieruit blijkt

dat in het Verenigd Koninkrijk het aantal incidenten het hoogst ligt, gevolgd door Nederland

en Duitsland. Van de vier landen lijkt agressie op het werk het minst voor te komen in

Zweden. Afgezien van Duitsland zien we tussen 2000 en 2005 een enigszins dalende trend

in het aantal incidenten in alle landen. Wetenschappers plaatsen echter kanttekeningen bij

de vergelijkbaarheid van de cijfers uit de EWCS, dus de cijfers moeten met enige voorzich-

tigheid geïnterpreteerd worden.

Uit de EWCS 2005 blijkt dat in de gehele EU (een uitsplitsing naar de vier onderzochte lan-

den ontbreekt) in de volgende sectoren relatief veel agressie en geweld tegen werknemers

89


voorkomt: gezondheidszorg, onderwijs, openbaar bestuur en veiligheid, transport en com-

municatie.

7.2.2 Beleid

Arbobeleid

In alle landen is de nationale uitwerking van de Europese kaderrichtlijnen arbeidsomstan-

digheden het belangrijkste kader om agressie en geweld op het werk te voorkomen en be-

strijden. Nederland is het enige onderzochte land waarin psychosociale arbeidsbelasting,

waaronder agressie en geweld valt, expliciet als arbeidsrisico in de Arbowet wordt be-

noemd. Duitsland en het Verenigd Koninkrijk kennen deze verwijzing niet. Zweden neemt

een bijzondere positie in omdat het voorkomen van agressie en geweld op een zeer concre-

te manier is uitgewerkt in voorschriften die in het kader van de nationale Arbowet moeten

worden uitgevoerd.

Aangezien alle arbowetgeving gebaseerd is op Europese richtlijnen, is de verdeling van ta-

ken en verantwoordelijkheden tussen overheid, werkgevers en werknemers in alle landen

op hoofdlijnen vergelijkbaar. De nationale overheid is verantwoordelijk voor het arbostelsel

en de arbowetgeving. De werkgever is verplicht te zorgen voor de veiligheid en gezondheid

van werknemers inzake alle met het werk verbonden aspecten. Ook moeten werknemers in

alle landen worden geraadpleegd en het recht worden gegeven om deel te nemen aan de

behandeling van vraagstukken die betrekking hebben op de veiligheid en de gezondheid op

het werk. Werknemers zijn in alle landen verplicht zorg te dragen voor hun eigen veiligheid

en gezondheid en dienen zich daarbij te houden aan instructies van de werkgever.

Hoewel de verplichtingen voor de belangrijkste partijen in alle landen op elkaar lijken, is de

organisatie van het arbostelsel zeer verschillend. In Nederland regelt de Arbowet dat de in-

vulling en uitvoering van het arbobeleid een eerste verantwoordelijkheid is van individuele

werkgevers die daarbij ondersteund kunnen worden door sectorale sociale partners. De na-

tionale regelgeving bevat weinig tot geen concrete middelvoorschriften, omdat er gekozen

is voor het benoemen van doelen in de wet. Sociale partners kunnen zelf middelvoorschrif-

ten opstellen in een arbocatalogus.

In de andere onderzochte landen lijkt de rol van nationale autoriteiten nadrukkelijker en

worden er meer voorschriften op nationaal niveau geproduceerd. In Zweden en het Vere-

nigd Koninkrijk is een nationale autoriteit in het leven geroepen die wetgeving uitwerkt in

concrete voorschriften en voorlichting geeft en de naleving van de wet controleert. Duits-

land is het enige land waar ongevallenverzekeraars een belangrijke taak vervullen in het

arbostelsel en verantwoordelijk zijn voor preventie van arbeidsongevallen.

Wat betreft toezicht en handhaving zijn er duidelijke verschillen tussen de landen. De Ar-

beidsinspectie in Nederland ziet primair toe op de naleving van arbeidswetgeving en heeft

daarnaast een voorlichtende taak. In de andere landen zijn de handhavende taken (deels)

uitbesteed aan lagere overheden (Duitsland, Verenigd Koninkrijk) of verzekeraars (Duits-

land) of heeft het handhavende orgaan ook een rol bij de uitwerking van wetgeving in con-

crete voorschriften (Zweden, Verenigd Koninkrijk).

Werkgevers worden in alle landen met name door de arbeidsinspecties geprikkeld om zich

aan de wet te houden. De arbeidsinspecties kunnen daarbij instrumenten inzetten als waar-

90


schuwingen, maar ook boetes. Alleen in het Verenigd Koninkrijk is er een speciale wet in-

gevoerd om een onderneming te vervolgen voor doodslag als deze heeft nagelaten de

werknemer te beschermen. Duitsland is het enige land waar werkgevers door middel van

verplichte premieverlaging of -verhoging worden geprikkeld om hun arbobeleid op orde te

houden. In Nederland krijgen werkgevers de ruimte om zelf te kiezen voor verzekeraars

en/of arbodiensten die dit soort prikkels hanteren.

Andere beleidsinstrumenten

Agressie en geweld op het werk hoeven niet alleen binnen het kader van de Arbowet be-

streden te worden. Ook strafrechtelijke instrumenten kunnen in bepaalde gevallen wense-

lijk zijn. Kenmerkend is dat het thema agressie en geweld op het werk in alle onderzochte

landen in de eerste plaats als een arbothema wordt gezien. De invalshoek van het beleid is

daardoor vooral het beschermen van werknemers en het bestraffen van werkgevers die de

wet niet naleven, in plaats van het bestraffen en vervolgen van daders.

Nederland is het enige land waarin vanuit het programma Veilige Publieke Taak duidelijke

aanbevelingen worden gedaan aan werkgevers om daders ook strafrechtelijk te vervolgen.

Bovendien stemt het Ministerie van BZK binnen dit programma met politie en Justitie af dat

daders ook daadwerkelijk vervolgd worden en hogere straffen krijgen. In de andere onder-

zochte landen zijn er weliswaar andere wetten dan de Arbowet waarmee daders van agres-

sie en geweld vervolgd kunnen worden en slachtoffers beschermd kunnen worden, maar er

zijn geen aanwijzingen gevonden dat die wetten daarvoor regelmatig worden ingezet. In

Duitsland is momenteel een discussie gaande over het verhogen van de straffen voor da-

ders van agressie en geweld in het openbaar vervoer.

Nederland neemt binnen de onderzochte landen een unieke positie in. Alleen in Nederland

staat agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak sterk in de belangstel-

ling en is er een nationaal programma gericht op deze problematiek. In de andere landen

wordt er geen verbijzondering gemaakt naar werknemers met een publieke taak. Wel zijn

er maatregelen gericht op risicosectoren en -beroepen waaronder de zorg, het onderwijs en

het openbaar vervoer, maar de term ‘werknemers met een publieke taak’, ‘ambtenaren’ of

‘overheidspersoneel’ wordt daarbij niet gehanteerd. In Duitsland wordt sinds kort nage-

dacht over speciale maatregelen tegen agressie en geweld in de (semi-)publieke sector als

geheel.

Kenmerkend voor het beleid tegen agressie en geweld op het werk is dat de nadruk ligt op

handhaving van de wet en daarnaast het geven van voorlichting, zoals:

het verzamelen en verbreiden van (schriftelijke) informatie over agressie en geweld;

het maken van toolkits en het geven van tips aan werkgevers en werknemers;

het benoemen van goede praktijken;

het organiseren van seminars, workshops et cetera.

Er worden geen nieuwe wettelijke verplichtingen bedacht waaraan werkgevers, werknemers

of overheden zich moeten houden en er worden op landelijk niveau ook geen speciale belo-

ningen in het vooruitzicht gesteld voor organisaties die een succesvolle aanpak hebben.

Een uitzondering hierop is de Veilige Publieke Taak AWARD in Nederland.

91


Bij het beleid zijn veel verschillende actoren betrokken. In Zweden en het Verenigd Konink-

rijk zijn de arboexpertise en -toezichtcentra HSE en AV verantwoordelijk voor de ontwikke-

ling van het beleid. Sociale partners hebben daarbij op bestuurlijk niveau inspraak. In

Duitsland zijn er, door de tweeledige en gedecentraliseerde arbostructuur, zeer veel partij-

en betrokken bij agressie en geweld op het werk. Zo nemen bijna alle relevante stakehol-

ders deel aan het project INQA. DGUV, de koepelorganisatie van de ongevallenverzekeraars

verzamelt informatie en organiseert regionale seminars. Ongevallenverzekeraars van enke-

le risicosectoren houden zich ook bezig met agressie en geweld op het werk. Tot slot zijn er

regionale ongevallenverzekeraars, steden en deelstaten die sporadisch en/of kleinschalige

maatregelen nemen. Er lijkt geen sprake te zijn van duidelijke afstemming tussen alle initi-

atieven en de versnippering maakt het buitengewoon lastig om een helder beeld te krijgen.

Evaluatie van beleid

In geen van de onderzochte landen is een evaluatie aangetroffen van het beleid ter voor-

koming van agressie en geweld op het werk bij werknemers met een publieke taak. Het is

daardoor niet mogelijk om een duidelijke relatie te leggen tussen de beleidsstructuren en -

instrumenten in de landen enerzijds en de effecten (vermindering van incidenten) ander-

zijds. Het onderzoek dat in de landen wordt uitgevoerd naar agressie en geweld op het

werk concentreert zich op de aard en omvang van incidenten, inspecties van werkgevers en

succes- en faalfactoren op projectniveau.

7.2.3 Maatregelen en projecten

In alle onderzochte landen wordt agressie en geweld in de onderzochte sectoren onderwijs,

openbaar vervoer en gezondheidszorg als een probleem gezien. In Nederland is er in alle

genoemde sectoren een compleet pakket aan maatregelen ontwikkeld en zijn de sociale

partners in iedere sector actief betrokken. In Duitsland zijn er in het onderwijs relatief veel

regionale projecten, in Zweden ligt de nadruk op het openbaar vervoer en spelen sociale

partners een grote rol. In het Verenigd Koninkrijk zijn de meeste maatregelen en projecten

gericht op de gezondheidszorg en zijn vooral centrale autoriteiten daarbij betrokken.

Typerend voor de Nederlandse maatregelen en projecten is een brede insteek: werkgevers

stellen een sociaal veiligheidsbeleid op dat de complete beleidscyclus omvat: van voorko-

men tot beperken, afhandelen en evalueren. In het Verenigd Koninkrijk worden werkgevers

en werknemers vooral gefaciliteerd door centrale autoriteiten. Met name in Zweden en

Duitsland wordt gekozen voor een meer preventieve aanpak gericht op gedragsverandering

bij daders waarbij wordt samengewerkt met andere instanties. Deze aanpak lijkt erg suc-

cesvol.

Hoewel training van werknemers in Nederland vaak onderdeel uitmaakt van agressiebeleid

zijn er alleen in Zweden en Duitsland grondige en grootschalige trainingsprojecten voor

werknemers gevonden. Een verschil tussen Nederland en Zweden is dat in Zweden de na-

druk ligt op het bereiken van een organisatieverandering om alle betrokkenen toe te rusten

met agressie en geweld om te gaan. Dat lijkt een kansrijk initiatief, omdat agressiebeleid

zelden volledig is ingebed in de reguliere werkprocessen en het reguliere personeelsbeleid.

Een laatste verschil tussen Nederland en de andere onderzochte landen is dat er in de an-

dere landen veel belangstelling is voor bescherming van werknemers die alleen werken.

92


Slechts weinig van de onderzochte maatregelen en projecten zijn geëvalueerd. Uit de aan-

getroffen evaluaties is een aantal lessen te trekken. Deze lessen worden beschreven in pa-

ragraaf 7.4.

7.2.4 Karak terisering Nederlands beleid

In de voorgaande paragrafen is gebleken dat er duidelijke verschillen zijn tussen de vier

onderzochte landen. Het Nederlandse beleid met betrekking tot agressie en geweld tegen

publieke functionarissen springt er in positieve zin uit. Alleen in Nederland is er:

Een verbijzondering gemaakt naar agressie en geweld tegen werknemers met publieke

taken.

Een programma opgesteld met als doel te komen tot een situatie waarin werknemers

met een publieke taak hun werk veilig en respectvol kunnen uitoefenen.

Een programmaorganisatie opgezet (Veilige Publieke Taak) met duidelijke targets

(15 procentpunt daling tussen 2007 en 2011).

Beleid om het vervolgen van daders te vergemakkelijken en straffen te verhogen.

Sprake van financiële stimulering door middel van subsidies voor werkgevers die agres-

sie en geweld aanpakken.

Een speciaal programma door de Arbeidsinspectie ontwikkeld (‘Agressie en geweld tegen

werknemers in publieke functies’) waarin inspectie- en voorlichtingsactiviteiten worden

gecombineerd.

Betrouwbaar cijfermateriaal over het voorkomen van agressie en geweld.

In vergelijking met de andere onderzochte landen ‘ontbreken’ er ook bepaalde zaken in het

Nederlandse beleid. Deze hangen echter grotendeels samen met politieke keuzes voor de

wijze waarop het arbostelsel ingericht is:

De Nederlandse Arbowet laat relatief veel ruimte aan werkgevers, werknemers en sociale

partners om invulling te geven aan het arbobeleid. In de andere landen worden er meer

voorschriften op nationaal niveau ontwikkeld. Voor het thema agressie en geweld is in

Nederland echter een uitzondering gemaakt. De Arbeidsinspectie verplicht werkgevers

met een publieke taak om de maatregelen te implementeren in de flyer ‘Agressie en ge-

weld, waar let de Arbeidsinspectie op?’.

Er zijn geen speciale prikkels in de vorm van verplichte premieverlaging of verhoging

voor werkgevers om gewenst gedrag af te dwingen, zoals wel in Duitsland. In Nederland

krijgen werkgevers in de sociale wetgeving (Arbowet, Wet verlenging loondoorbetaling

bij ziekte, WIA) de ruimte om zelf een verzekeraar en/of arbodienst te kiezen die derge-

lijke prikkels hanteert.

In de wet- en regelgeving is geen formele rol toebedeeld aan lokale en regionale over-

heden bij de implementatie, invulling of handhaving van arbobeleid, tenzij in de rol van

werkgever.

Een preventieve, integrale benadering van agressie en geweld waarbij wordt aange-

stuurd op gedragsverandering bij daders en samenwerking met andere (hulpverlenen-

den) organisaties komt in Nederland weinig voor.

Ten slotte zijn er enkele overeenkomsten tussen de onderzochte landen:

93


De nationale uitwerking van de Europese kaderrichtlijnen arbeidsomstandigheden is het

belangrijkste kader om agressie en geweld op het werk te voorkomen en bestrijden.

De werkgever is primair verantwoordelijk voor de gezondheid en veiligheid van werkne-

mers.

Handhaving is een van de belangrijkste beleidsinstrumenten om naleving van wetten en

regels af te dwingen.

Daarnaast kiezen dat alle landen voor ‘zachte’ beleidsinstrumentenin de vorm van

communicatie en informatie – om agressie en geweld te voorkomen.

Geen van de onderzochte landen lijkt de optimale mix van prikkels te hebben gevonden

om werkgevers te aan te sporen een effectief anti-agressiebeleid te voeren. Het lijkt er-

op dat landen kiezen voor handhaving, informatie en communicatie, zonder na te gaan

of dat ook de sterkste prikkels zijn voor werkgevers.

7.3 Verklaringen voor verschillen

Tussen de onderzochte landen zijn drie typen verschillen die zouden kunnen worden ver-

klaard:

Verschillen in de omvang van agressie en geweld.

Verschillen in beleidskeuzes.

Verschillen in de wijze waarop werkgevers worden geprikkeld.

7.3.1 Omvang van agressie en geweld

Verschillen in de omvang van agressie en geweld zijn buitengewoon lastig te verklaren. Zo-

als eerder is beschreven, ontbreekt het aan betrouwbare en vergelijkbare cijfers over het

aantal incidenten. Als er wel goede cijfers beschikbaar zouden zijn, dan zijn er veel moge-

lijke verklaringen voor verschillen:

Misschien worden burgers in het ene land eerder agressief dan in het andere? (Sociaal-

culturele verschillen)

Misschien zijn werknemers zich in het ene land meer bewust van agressie en geweld?

(Awareness)

Misschien is het overheidsbeleid in het ene land effectiever dan in het andere? (Effectivi-

teit beleid)

Misschien doen werkgevers in het ene land meer tegen agressie en geweld dan in het

andere? (Arbobeleid op ondernemingsniveau)

Over twee van de genoemde verklaringen zijn geen gegevens beschikbaar: awareness en

de effectiviteit van overheidsbeleid. Dat komt doordat de wetenschappelijke en beleidsma-

tige aandacht voor agressie en geweld op het werk recent is en er zodoende weinig onder-

zoeken en evaluaties zijn uitgevoerd. Over sociaal-culturele verschillen tussen landen en

het arbobeleid op ondernemingsniveau zijn meer gegevens beschikbaar. Deze gegevens

zijn te gebruiken om enkele hypothetische verklaringen te geven.

Als eerste sociaal-culturele verschillen. Volgens de cultuursocioloog Gabriël van den Brink

zijn burgers in Nederland en andere westerse landen vanaf de jaren zestig van de twintig-

94


ste eeuw meer bewegingsvrijheid gaan opeisen. Ze legden zich niet langer bij het gezag

van de autoriteiten neer, bevrijdden zich van opgelegde rolpatronen en normen, wilden zelf

bepalen op welke manier zij hun leven zouden inrichten, kwamen meer nadrukkelijk voor

hun persoonlijke belangen op, brachten hun eigen mening luid en duidelijk tot uitdrukking

en legden in het onderlinge verkeer grote nadruk op respect en zelfstandigheid. 1 Burgers

willen onder alle omstandigheden als persoon gerespecteerd worden en voelen zich ge-

krenkt als iemand dat niet doet. In een recent boek poneert de socioloog Bas van Stokkum

ongeveer dezelfde stelling. 2

Door een meer ontwikkeld gevoel van eigenwaarde neemt ook de neiging tot agressie toe. 3

Agressiviteit en assertiviteit liggen immers heel dicht bij elkaar. Mensen die geweld plegen

voelen zich veelal superieur. Ze jagen in de eerste plaats hun eigen belangen of verlangens

na en laten zich door niemand iets in de weg leggen. Opmerkingen van anderen of hun

daadwerkelijk verzet roept dan ook onevenredig grote woede op. Hoe pregnanter het ge-

voel van eigenwaarde is, des te eerder spat de zeepbel uit elkaar.

Voor deze ontwikkeling zijn ook empirische bewijzen te vinden in de vier onderzochte lan-

den. De door Geert Hofstede ontwikkelde indicator voor de mate waarin burgers in een land

indivualistisch zijn ingesteld is in verband te brengen met het percentage werknemers dat

op het werk te maken heeft gehad met agressie en geweld door derden. Door deze analyse

uit te voeren op de vier onderzochte landen én op andere West-Europese landen, is te zien

welk verband er is tussen individualisme en de omvang van agressie en geweld. In de vol-

gende figuur is het resultaat van deze analyse te zien.

1 Brink, G. van den, “Geweld als maatschappelijk probleem”, in: Schuyt, K. en G. van den Brink (red.), Publiek

geweld, 2003.

2 Stokkum, B. van, Wat een hufter! Ergernis, lichtgeraaktheid en maatschappelijke verruwing, 2010.

3 Paragraaf gebaseerd op Brink, G. van den, “Agressief gedrag bij jongeren: over de betekenis van een feno-

meen”, in: Streven. Cultureel maatschappelijk maandblad, september 2002.

95


Figuur 7.1 Werknemers (%) die te maken hebben gehad met agressie en geweld door

100

90

80

70

60

50

40

30

20

10

96

Oostenrijk

Griekenland

derden (x-as), afgezet tegen de Individualism (IDV) indicator (y-as)

Zweden

Zwitserland

Duitsland

Spanje

Portugal

Belgie

Ierland

Noorwegen

Nederland

Verenigd Koninkrijk

Frankrijk

Finland

0

2,0% 3,0% 4,0% 5,0% 6,0% 7,0% 8,0%

Bron: ECWS 2005, www.geert-hofstede.com

Er lijkt een redelijk verband te bestaan tussen de mate van individualisme en incidenten

van agressie en geweld. Een analyse laat zien dat de correlatie tussen de twee variabelen

(uitgedrukt met R 2 ) 0,39 is op een schaal van 0 tot 1. Dit betekent niet dat individualisme

agressie ‘veroorzaakt’ of dat individualisme de belangrijkste verklarende factor is voor

agressie. Wel is op basis hiervan voorzichtig de hypothese te formuleren dat werknemers in

landen met individualistisch ingestelde burgers iets vaker te maken hebben met agressie en

geweld door burgers.

Een andere verklaringsgrond voor de omvang van agressie en geweld is de mate waarin

werkgevers actief arbobeleid voeren. Een goed arbobeleid op ondernemingsniveau dat

wordt gedragen door werknemers wordt beschouwd een cruciale schakel bij de preventie

van agressie en geweld. Gegevens hierover zijn beschikbaar in de Europese enquête over

nieuwe en opkomende arbeidsrisico’s (ESENER).

Als eerste is in de onderstaande figuur de omvang van agressie en geweld tegen werkne-

mers door derden (in %) afgezet tegen het percentage werkgevers dat agressie en geweld

een ‘major concern’ vindt. Hierdoor zijn vier kwadranten ontstaan. Opgemerkt moet worden

dat deze kwadranten slechts in beperkte mate van elkaar verschillen. Wanneer gesproken

wordt over ‘een grote zorg’ of ‘veel voorkomen’, gaat het om relatieve verschillen.

Agressie en geweld vormen een grote zorg en komen veel voor.

Agressie en geweld vormen een grote zorg, maar komen weinig voor.

Agressie en geweld vormen een kleine zorg en komen weinig voor.

Agressie en geweld vormen een kleine zorg, maar komen veel voor.


Figuur 7.2 Werknemers (%) die te maken hebben gehad met agressie en geweld door

18,00%

16,00%

14,00%

12,00%

10,00%

8,00%

6,00%

4,00%

2,00%

derden (x-as), afgezet tegen % werkgevers dat agressie en geweld een

major concern vindt (y-as)

Zweden

Duitsland

Nederland

Verenigd Koninkrijk

0,00%

2,0% 3,0% 4,0% 5,0% 6,0% 7,0% 8,0%

Bron: ECWS 2005, ESENER 2009

Agressie en geweld zijn grote

zorg, maar komen weinig voor

Agressie en geweld zijn kleine

zorg en komen weinig voor

Agressie en geweld zijn grote

zorg en komen veel voor

Agressie en geweld zijn kleine

zorg, maar komen veel voor

De vier onderzochte landen vallen exact in de vier kwadranten. In Nederland zijn agressie

en geweld een relatief kleine zorg voor werkgevers, maar hebben relatief veel werknemers

te maken met incidenten. Dat is een opvallende uitkomst gezien de sterke beleidsmatige

aandacht op nationaal niveau. In Duitsland geldt precies de omgekeerde situatie: agressie

en geweld vormen een grote zorg, maar komen relatief weinig voor. In het Verenigd

Koninkrijk vormen agressie en geweld een grote zorg voor werkgevers en hebben veel

werknemers te maken met incidenten.

Ook het percentage werkgevers dat beleid tegen agressie en geweld heeft ontwikkeld, is af

te zetten tegen de omvang van agressie en geweld tegen werknemers door derden (in %).

De aldus ontstane kwadranten zijn:

Agressie en geweld komen veel voor en veel werkgevers hebben beleid ontwikkeld.

Agressie en geweld komen veel voor, maar weinig werkgevers hebben beleid ontwikkeld.

Agressie en geweld komen weinig voor en weinig werkgevers hebben beleid ontwikkeld.

Agressie en geweld komen weinig voor, maar veel werkgevers hebben beleid ontwikkeld.

Opgemerkt moet worden dat deze kwadranten slechts in beperkte mate van elkaar verschil-

len. Wanneer gesproken wordt over ‘een grote zorg’ of ‘veel voorkomen’, gaat het om rela-

tieve verschillen.

97


Figuur 7.3 Werknemers (%) die te maken hebben gehad met agressie en geweld door

80,0%

70,0%

60,0%

50,0%

40,0%

30,0%

20,0%

10,0%

0,0%

98

derden (x-as), afgezet tegen % werkgevers dat beleid heeft tegen agressie

en geweld (y-as)

Zweden

Duitsland

Nederland

Verenigd Koninkrijk

2,0% 3,0% 4,0% 5,0% 6,0% 7,0% 8,0%

Bron: EWCS 2005, ESENER 2010

De vier onderzochte landen vallen ongeveer in de vier kwadranten. Opvallend is opnieuw de

positie van Nederland. Relatief weinig werkgevers hebben beleid tegen agressie en geweld

ontwikkeld, gegeven het grote percentage werknemers dat daarmee te maken heeft. Het

Verenigd Koninkrijk is koploper wat betreft het percentage werkgevers dat anti-agressie-

beleid heeft. In Duitsland staat het thema in de kinderschoenen: geweld komt weinig voor

en weinig werkgevers hebben beleid ontwikkeld. De cijfers over Zweden corresponderen

met het beleidsmatige beeld: agressie en geweld komen niet veel voor, maar vormen be-

leidsmatig wel een thema: veel werkgevers hebben beleid ontwikkeld.

In de laatste figuur is de aanwezigheid van anti-agressiebeleid afgezet tegen het percenta-

ge werkgevers dat agressie en geweld een grote zorg vindt. Dit leidt tot de volgende kwa-

dranten:

Agressie en geweld vormen een grote zorg en veel werkgevers hebben procedures ont-

wikkeld

Agressie en geweld vormen een grote zorg, maar weinig werkgevers hebben procedures

ontwikkeld.

Agressie en geweld vormen een kleine zorg en weinig werkgevers hebben procedures

ontwikkeld.

Agressie en geweld vormen een kleine zorg, maar veel werkgevers hebben procedures

ontwikkeld.


Ook hierbij geldt dat deze kwadranten slechts in beperkte mate van elkaar verschillen.

Wanneer gesproken wordt over ‘een grote zorg’ of ‘veel voorkomen’, gaat het om relatieve

verschillen tussen de vier onderzochte landen.

Figuur 7.4 % werkgevers dat agressie en geweld een 'major concern' vindt (x-as), af-

80%

70%

60%

50%

40%

30%

20%

10%

gezet tegen % werkgevers dat beleid heeft tegen agressie en geweld (y-as)

Zweden

Nederland

Verenigd Koninkrijk

Duitsland

0%

0% 2% 4% 6% 8% 10% 12% 14% 16% 18%

Bron: ESENER 2009

Opnieuw vallen de landen redelijk goed in de vier kwadranten en opnieuw is de positie van

Nederland opvallend. Nederlandse werkgevers vinden agressie en geweld relatief gezien

geen grote zorg en hebben relatief weinig procedures ontwikkeld tegen agressie en geweld.

Op basis van de bovenstaande figuren is te concluderen dat sociaal-culturele verschillen, in

het bijzonder individualisme, tot op zekere hoogte een verklaring vormen voor de omvang

van agressie en geweld in de vier onderzochte landen. De aandacht en het beleid van

werkgevers met betrekking tot agressie en geweld correspondeert veel minder met de om-

vang van agressie en geweld. Wel nemen de landen steeds ongeveer dezelfde positie in.

Over Nederland valt te concluderen dat er ondanks de forse nationale aandacht voor de

thematiek, betrekkelijk weinig werkgevers daarin lijken mee te gaan.

99


7.3.2 Beleidskeuzes

Uit het onderzoek blijkt dat de vier onderzochte landen verschillende keuzes maken voor de

invulling van het arbostelsel en het beleid tegen agressie en geweld. Het vergt veel uitput-

tender landenstudies om alle mogelijke verklaringen voor verschillen zorgvuldig de revue te

laten passeren. Hier zijn slechts enkele hypotheses op te stellen.

Waarschijnlijk de belangrijkste verklaring voor verschillen is ‘padafhankelijkheid’. Dit begrip

uit de politicologie duidt op de beperkte keuzemogelijkheden die landen hebben als zij

eenmaal een bepaalde weg zijn ingeslagen. Met andere woorden: in het verleden gemaakte

keuzes beperken de ruimte voor toekomstige beleidswijzigingen. In Duitsland is bijvoor-

beeld te zien dat beleid tegen agressie en geweld zeer versnipperd is omdat het arbostelsel

zeer veel actoren kent op verschillende niveaus. In Zweden en het Verenigd Koninkrijk is

ervoor gekozen om een centrale autoriteit in te stellen die verantwoordelijk is voor hand-

having, informatie en richtlijnen met betrekking tot arbeidsomstandigheden. Te zien is dan

ook dat deze instanties grotendeels verantwoordelijk zijn voor het thema agressie en ge-

weld. In Nederland ging vermindering van de regeldruk in de Arbowet (van middel- naar

doelvoorschriften) samen met een grotere autonomie voor sectoren bij de vormgeving van

het arbobeleid. Voor het Ministerie van BZK beidt dit dan ook ruimte als regievoerder van

de publieke sector invulling te geven aan het beleid tegen agressie en geweld in delen van

de publieke sector.

Een andere belangrijke verklaring voor de beleidskeuzes is de maatschappelijke aandacht

voor agressie en geweld en in het kielzog daarvan de politieke aandacht. Hoewel er in alle

onderzochte landen maatschappelijke aandacht is voor de thematiek, lijkt die aandacht in

geen van de landen behalve Nederland zo lang te zijn aangehouden en zo intensief te zijn

geweest. Vanaf het jaar 2000, met een piek in de jaren 2005-2009, zijn er zeer regelmatig

in de media berichten geweest over werknemers met een publieke taak die bij de uitoefe-

ning van hun beroep zijn aangevallen, bedreigd et cetera. Bovendien heeft deze aandacht

alleen in het Nederlandse politieke klimaat van die jaren tot een roep om ingrijpen geleid.

Deze specifiek Nederlandse context heeft mede geleid tot het programma Veilige Publieke

Taak. In de andere onderzochte landen gaat de aandacht veel meer uit naar specifieke sec-

toren (Verenigd Koninkrijk: gezondheidszorg; Duitsland: schietincidenten in het onderwijs)

of is de maatschappelijke en politieke aandacht vrij recent (Zweden).

7.3.3 Prikkels werkgevers

Werkgevers kunnen verschillende redenen hebben om aandacht te besteden aan gezond en

veilig werken. Landen kunnen werkgevers hierbij op verschillende manieren prikkelen.

Idealiter sluiten stimuleren de prikkels de aandacht voor gezond en veilig werken.

Inzicht hierin is te verkrijgen op basis van de Europese enquête over nieuwe en opkomende

arbeidsrisico’s uit 2009. Hierin werd werkgevers gevraagd naar de redenen om aandacht te

besteden aan de veiligheid en gezondheid van werknemers. De volgende figuur toont per

reden de scores van de vier onderzochte landen.

100


Figuur 7.5 Redenen voor werkgevers om aandacht te besteden aan de veiligheid en

100%

90%

80%

70%

60%

50%

40%

30%

20%

10%

0%

Wettelijke verplichtingen

Bron: ESENER 2009

gezondheid van werknemers

Vraag van personeel

Personeelsbehoud/verzuim

Economische redenen

Vereisten van klanten/imago

Nederland Duitsland Zweden Verenigd Koninkrijk

Druk arbeidsinspectie

Uit de figuur blijkt dat wettelijke verplichtingen in alle landen een van de belangrijkste re-

denen is voor werkgevers om arbobeleid op de agenda te zetten. Tegelijkertijd blijkt dat

druk van de arbeidsinspectie relatief weinig genoemd wordt als reden, behalve in Duitsland.

In Nederland wordt druk vanuit de Arbeidsinspectie het minst genoemd van alle landen. Dit

hangt mogelijk samen met het beleid van de Arbeidsinspectie om in het kader van de nieu-

we Arbowet vooral druk uit te oefenen op brancheorganisaties en sociale partners om bin-

nen de sector brancherichtlijnen (zoals arbocatalogi) voor werkgevers te ontwikkelen ter

bestrijding van agressie en geweld.

Werkgevers noemen vaak dat veiligheid en gezondheid op verzoek van werkne-

mers(vertegenwoordigers) op de agenda is gekomen. Dit geldt vooral voor Zweden en

Nederland en in veel mindere mate voor het Verenigd Koninkrijk. Een mogelijke verklaring

hiervoor is dat de organisatiegraad van werknemers in Scandinavische en Noordwest-

Europese landen hoger ligt dan in Angelsaksische landen. Dit is echter geen prikkel waarop

overheden bewust sturen. Het is denkbaar om als overheid werknemers, al dan niet via

vakbonden, te activeren het thema agressie en geweld op de agenda van werkgevers te

zetten.

In Nederland en Zweden is het voorkomen van verloop en verzuim van werknemers een

zeer belangrijke reden om aandacht te besteden aan veiligheid en gezondheid op de werk-

vloer. Dat is voor Nederland verklaarbaar, omdat 1) werkgevers grotendeels verantwoorde-

lijk zijn gemaakt voor loondoorbetaling tijdens ziekte en 2) er in veel sectoren personele

knelpunten zijn (geweest). Dit zijn dus belangrijke prikkels om iets aan arbobeleid te doen.

Duitsland en het Verenigd Koninkrijk nemen een uitzonderlijke positie in, omdat er wel

101


prikkels zijn om het verzuim van werknemers tegen te gaan, maar dit geen belangrijke re-

den is om arbobeleid op de agenda te zetten. Het vergt een nadere studie van het beleid

ter voorkoming van verzuim en verloop in de landen om deze verschillen goed te verklaren.

Economische motieven spelen in alle landen een vrij kleine rol. Duitsland en Zweden scoren

iets hoger dan de andere landen. In Duitsland spelen hierbij de financiële prikkels in het

premiestelsel van ongevallenverzekeraars mogelijk een rol. Deze uitkomsten lijken te sug-

gereren dat er ruimte is om meer in te spelen op economische motieven om de veiligheid

en gezondheid van werknemers te vergroten.

7.4 Aanbevelingen

7.4.1 Leerpunten voor nationaal beleid

Nederland loopt met het programma VPT in allerlei opzichten voorop als het gaat om de

preventie van agressie en geweld op nationaal niveau. Het beleid in Duitsland, Zweden en

het Verenigd Koninkrijk levert dan ook weinig leerpunten op voor Nederland. Tussen de

landen zijn weliswaar duidelijke verschillen te zien in de arbostelsels, maar er zijn geen

aanwijzingen gevonden dat het ene arbostelsel effectiever is in het voorkomen van agressie

en geweld dan het andere. Bovendien hangt de keuze voor de arbostelsels samen met poli-

tieke keuzes voor de inrichting van het gehele stelsel van sociale verzekeringen en sociale

bescherming en zijn wijzigingen dus niet gemakkelijk door te voeren.

Een opvallende uitkomst van het onderzoek is dat Nederlandse werkgevers, ondanks de

forse nationale aandacht voor de thematiek, nog betrekkelijk weinig lijken te doen aan het

voorkomen van agressie en geweld in vergelijking met de andere onderzochte landen. 1 In

Zweden en het Verenigd Koninkrijk staat het thema in ieder geval veel hoger op de agenda

van werkgevers. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen gevonden waarom Nederland hierop

relatief slecht scoort. Mogelijk bevat het Nederlandse arbobeleid te weinig prikkels voor

werkgevers om daadwerkelijk maatregelen te nemen tegen agressie en geweld. Omdat dit

niet zeker is, gaat het te ver om nieuwe prikkels in het beleid aan te bevelen. Wel is nader

onderzoek nodig naar de redenen waarom arbobeleid op ondernemingsniveau soms niet

van de grond komt en welke prikkels hierbij mogelijk behulpzaam zijn. Aanknopingspunten

hiervoor zijn:

Sterkere financiële incentives voor werkgevers ontwikkelen

Toerusten en stimuleren van werknemers om agressiebeleid op de kaart te zetten.

Een ander leerpunt voor nationaal beleid op basis van de ervaringen in Zweden is het inzet-

ten op gedragsverandering bij (potentiële) daders. Tot nu toe is preventie immers vooral

gericht op het voorkomen van de kans dat de omstandigheden tot agressie leiden en niet

op het verminderen van de neiging tot agressiviteit bij burgers in de hoedanigheid van

klant, patiënt, reiziger of leerling. Gedragsverandering kan worden gestimuleerd in klein-

1 Zie de figuren in paragraaf 7.3.1 die gebaseerd zijn op onderzoek van ESENER uit 2009.

102


schalige regionale of sectorale projecten, maar kan ook de vorm aannemen van een groot-

schaliger ‘beschavingsoffensief’ gericht op normherstel bij alle burgers.

7.4.2 Leerpunten voor werkgevers

De voorsprong van het Nederlandse beleid gericht op het voorkomen en bestrijden van

agressie en geweld leidt ertoe dat de projecten en maatregelen in de andere onderzochte

landen ook weinig unieke leerpunten voor werkgevers bevatten. Veel van de aanbevelingen

en succes- en faalfactoren zijn al benoemd in handreikingen van het programma Veilige

Publieke Taak, sectorale arbocatalogi of studies van de ILO en WHO. Ook relevant is de

studie ‘Tussen agressiebeleid en -praktijk’ waarin aanbevelingen worden gegeven hoe be-

leid is door te vertalen naar concrete handelingen op de werkvloer. 1 Hieronder worden de

belangrijkste leerpunten uit de onderzochte projecten genoemd in de sector onderwijs, ge-

zondheidszorg en openbaar vervoer:

Het is van groot belang dat technische veiligheidssystemen zoals alarmknoppen, camerasystemen

en preventieve maatregelen zoals het afschaffen van contant geld in bussen

eerst goed in de praktijk en op hun effectiviteit worden getest. Het komt namelijk re-

gelmatig voor dat dit soort maatregelen en systemen tot meer onduidelijkheid en irrita-

tie leiden.

Het maken van afspraken met hulpverlenende instanties zoals politie, onderwijs, jeugd-

zorg en maatschappelijk werk over doorverwijzing van (potentiële) daders en samen-

werking bij incidenten is in veel projecten een succesfactor.

Projecten gericht op gedragsverandering bij (potentiële) daders laten in het buitenland

hoopvolle resultaten zien. In Nederland kennen wij bijvoorbeeld ook een vergelijkbare

aanpak in Veiligheidshuizen.

Het is cruciaal dat werkgevers en leidinggevenden hun eindverantwoordelijk nemen voor

het voorkomen van agressie en geweld en intensief betrokken zijn bij het beleid.

In sommige sectoren en beroepen is het eerst nodig een machocultuur of taboe op

agressie en geweld te doorbreken voordat begonnen kan worden met preventie van inci-

denten.

Er worden in sommige projecten goede ervaringen opgedaan met werknemers die optreden

als ambassadeur/voorlichter en informatie over het voorkomen van agressie en ge-

weld verspreiden onder andere werknemers.

Het inzetten van voormalige probleemjongeren als bewaker/veiligheidshosts kan meerwaarde

hebben, zeker omdat deze jongeren zich goed kunnen inleven in de belevings-

wereld van (potentiële) daders.

De overall indruk die de onderzoeksresultaten wekken, is dat werkgevers en werknemers

met een publieke taak in Nederland voldoende instrumentarium hebben om agressie en

geweld aan te pakken. Het lijkt daarom weinig zinvol om op zoek te gaan naar nieuwe

structuren, verantwoordelijkheidsverdelingen, regels of voorschriften. Het is nu zaak om

individuele werkgevers en werknemers te stimuleren het bestaande instrumentarium nog

beter te gebruiken.

1 Kemper, R. en L. de Ruig, Tussen agressiebeleid en praktijk. Aanpak van agressie en geweld in de publieke

sector. Onderzoek in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Research voor

Beleid (2009).

103


104


Literatuur en bronnen

Geraadpleegde literatuur en documenten

AFA forsakring, Allvarliga arbetsskador och langvarig sjukfranvaro 2010 (2010).

AFA Forsakring, Informationsbroschyr om preventionsprojektet Hot och vald.

Arbetsmijoverket, Vald och hot pa jobbet – kartlagg riskerna (2002).

Arbetsmiljoverket, Ansvar och befogenheter i arbetsmiljon, ADI 379.

Arbetsmiljoverket, Arbetsmiljöstatistik Rapport 2010:3. The Work Environment 2009.

Sveriges officiella statisti (2010).

Arbetsmiljoverket, Statistik om hot och vald i skolan (2008).

Arbetsmiljoverket, Systematiskt arbetsmiljoarbete. Arbetsmiljoverkets foreskrifter om

systematiskt arbetsmiljoarbete och allmanna rad om tillampningen av foreskrifterna. AFS

2001:1. (2001).

Arbetsmiljoverket, Vald och hot inom omsorg och skola (2002).

Arbetsmiljoverket, Vald och hot inom sjukvarden (2006).

Baier, D., C. Pfeiffer, S. Rabold, J. Simonson, C. Kappes, Kinder und Jugendliche in Deut-

schland: Gewalterfahrungen, Integration, Medienkonsum. Zweiter Bericht zum gemeinsa-

men Forschungsprojekt des Bunderministeriums Des Innern und des KFM. Kriminologisches

Forschungsinstitut Niedersachsen e.V. (KFN), Hannover (2010).

BG Bahnen, Arbeitsunfälle durch Übergriffe Dritter. Berufsgenossenschaft der Straßen-,

U-Bahnen und Eisenbahnen, Hamburg (2003).

BGW, Gefährdungsbeurteilung in der Pflege. Berufsgenossenschaft für Gesundheitsdienst

und Wohlfahrtspflege – BGW, Hamburg (2006).

Brief van het Ministerie van BZK aan de Tweede Kamer, agressie tegen buschauffeurs,

kenmerk 2009-147179 (2009).

Brink, G. van den, “Agressief gedrag bij jongeren: over de betekenis van een fenomeen”,

in: Streven. Cultureel maatschappelijk maandblad, september 2002 (2002).

Brink, G. van den, “Geweld als maatschappelijk probleem”, in: Schuyt, K. en G. van den

Brink (red.), Publiek geweld (2003).

105


Broeck, V. de (e.a.), Onderzoek arbo-informatiestructuur in westerse landen, Prevent

(2006).

Bundesanstalt für Arbeitsschutz und Arbeitsmedizin. Research and Knowledge for a Safe

and Healthy World of Work (2010).

Bundesverband der Unfallkassen. Sicherheit in der Schule Aufgaben der Schulleiterinnen

und Schulleiter, Sicherheitsbeauftragten und Lehrkräfte. München (2003).

Centrum Vernieuwing Openbaar Vervoer. Handreiking sociale veiligheid en concessieverle-

ning in het stads- en streekvervoer (2003).

Chappel, D. en V. Di Martino, Violence at Work, International Labour Organization (2006).

Europese Commissie, Community strategy 2007-2012 on health and safety at work.

Brussels: COM(2007) 62 final (2007).

Dekker, H., R. Tap, en J. Mevissen, Eindrapportage arboplusconvenant UMC’s en Academi-

sche Ziekenhuizen, Den Haag. Ministerie van SZW (2007).

Department for Transport, Protecting bus and coach crews - a practical guide for bus and

coach operators and staff (2003).

Department for Transport, Protecting Bus and Coach Crews. A quick reference guide for bus

and coach staff (2003).

Department of Health Counter Fraud and Security Management, Secretary of State Direc-

tions on work to tackle violence against staff and professionals who work in or provide ser-

vices to the NHS. 20 November 2003 (2003).

Deutsche Gesetzliche Unfallversicherung, Arbeitsbelastungen und Bedrohungen am Arbeits-

platz (2009).

Di Martino, V., H. Hoel en C.L. Cooper, Preventing violence and harassment in the workpla-

ce, Eurofound (2003).

Douwes, M., S. van den Heuvel en H. Sonneveld, Het grote gevaar van de zorg: overzicht

van arbeidsrisico’s van en maatregelen voor verpleegkundigen en verzorgenden. TNO

(2008).

Erb, R., Präventionsmaßnahmen gegen Übergriffe Dritter in Verkehrsunternehmen. 2. Fach-

symposium „Umgang mit Gewalt am Arbeitsplatz“ am 14.10.2009 in Berlin (2009).

Estrada F., A. Nilsson en S. Wikman. ‘The increase in work-related violence. An analysis

based on Swedish victim surveys’. Nordisk Tidsskrift for Kriminalvidenskab. 94: 56–73.

EWCO (2007).

106


Europese Commisse, Improving quality and productivity at work (2007).

European Social Dialogue, Framework Agreement on Harassment and Violence at Work,

26 april 2007 (2007).

Europees Agentschap voor Veiligheid en Gezondheid op het werk, Factsheet Preventie van

agressie tegen school- en onderwijspersoneel (2003).

Europese bedrijvenenquête naar nieuwe en opkomende risico’s (ESENER), Europees Agent-

schap voor veiligheid en gezondheid op het werk. Samenvatting resultaten (2009).

Eurostat, Results from the Labour Force Survey 2007 ad hoc module on accidents at work

and work-related health problems. Statistics in focus 63/2009 (2009).

Franz, S., A. Zeh, A. Schablon, S. Kuhnert, A. Nienhaus, Aggression and violence against

health care workers in Germany - a cross sectional retrospective survey. BMC Health

Services Research: 10 (51) (2010).

Franz, S., A. Zeh, A. Schablon, S. Kuhnert, A. Nienhaus, Gewalt und Aggression gegenüber

Beschäftigten in Pflege- und Betreuungsberufen. Berufsgenossenschaft für Gesundheits-

dienst und Wohlfahrtspflege – BGW, Hamburg (2009).

GVB, Jaarverslag (2009).

Harris, J., ‘The protection from Harassment Act 1997: an evaluation of its use and effecti-

veness’. In: Research Findings No. 130 (2000). Home Office Research, Development and

Statistics Directorate.

Health and Security Executive, Violence at work. A guide for Employers (2006).

Hirschberg, K.-R. von, A. Zeh, B. Kähler, Gewalt und Aggression in der Pflege. Ein Kurzü-

berblick. Berufsgenossenschaft für Gesundheitsdienst und Wohlfahrtspflege – BGW, Ham-

burg (2009).

International Labour Organization. Workplace violence in services sectors and measures to

combat this phenomenon, ILO code of practice. Geneva. (2004)

Jacobs, M., M. Jans, B. Roman, Aard en omvang van ongewenst gedrag tegen werknemers

met een publieke taak, een vervolgonderzoek. (2009).

Kemper, R. en L. de Ruig, Tussen agressiebeleid en praktijk. Aanpak van agressie en ge-

weld in de publieke sector. Onderzoek in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en

Werkgelegenheid. Research voor Beleid (2009).

Kennisplatform Verkeer en Vervoer, Sociale Veiligheid van het personeel in het stads- en

streekvervoer. Personeelsmonitor 2008 (2009).

107


Kliegel, M. M. Zeintl, D. Windemuth. Maßnahmen zur Prävention von Gewalt an Schulen:

Bestandsaufnahme von Programmen im deutschsprachigen Raum. BGAG-Report 1/2009.

Deutsche Gesetzliche Unfallversicherung e.V. (DGUV), Berlin (2009).

L. Lißner, A. Reihlen, H. Höcker, J. Elo-Schäfer, A. Stautz, Comparative analysis of national

strategies for safety and health at work. Dortmund/Berlin/Dresden (2010).

Landesregierung Baden-Württemberg. KONSEQUENZEN AUS DEM AMOKLAUF IN WINNEN-

DEN UND WENDLINGEN AM 11. MÄRZ 2009 (2010).

Lararforbundet, Att hantera hot och vald. 2008-05 (2008).

Lararnas riksforbund, Ansvar och roller enligt AML (2003).

Lenzer, C., Die Wirksamkeit des Wetzlarer Konzepts mit Trouble Line und AGGAS (2004).

Motion 2008/09:A317 Vald och hot i arbetslivet. Motion till riksdagen.

Motion 2009/10:A213 Vald och hot i arbetslivet. Motion till riksdagen.

NHS Counter Fraud and Security Management Service, A professional Approach to Mana-

ging Security in the NHS (2003).

NHS Security Management Service, A framework for reporting and deling with non-physical

assaults against NHS staff and professional. Non Physical Assault Explanatory Notes.

NHS Security Management Service, Lone Worker Protection Services. Frequently Asked

Questions.

NHS Security Management Service, Tackling violence against staff. Explanatory notes for

reporting procedures introduced by Secretary of State Directions in November 2003.

SMS/VASV2/03/07/02 (2003).

NHS Security Managment Service, Working Together- the Way Forward. Tackling violence

against those working in NHS primary care or community health care services (2003).

NHS Wales, All Wales NHS Violence and Aggression Training Passport and Information

Scheme.

Ohlund, T., P. Gundel, M. Klaus, The social capital of the neighbourhood- an assessment of

the Quiet street project in Gothenburg and Malmo. Department of Social Work. Stockholm

University, (2009).

Parent-Thirion, A. (e.a.), Fourth European Working Conditions Survey, Eurofond (2005).

Prevent Arbetsmiljo i samverkan Svenskst Naringsliv, Konflikttipsaren for bussforare,

LO och PTK (2010).

108


Programma Veilige Publieke Taak 2007-2011 (2007).

Programma Veilige Publieke Taak, Handreiking agressie en geweld (2010).

Regeringsbeslut 14. 2009-04-02, A2009/1174/ARM. Uppdrag att genomfora en kunskaps-

och informationssatsning for att framja jamstalldhet och motverka hot och vald i arbetsli-

vet.

Sa kan du som politiker hanterna arbetsmiljofragor. Systematiskt arbetsmiljoarbete – ett

bra verktyg for politiskt valda i kommun och landsting. Arbetsmiljoverket (2003).

Senatsverwaltung für Bildung, Wissenschaft und Forschung, Gewaltprävention an Berliner

Schulen Schuljahr 2008/2009. Berlin (2009).

Sikkema, C, M. Abraham en S. Flight, Ongewenst gedrag besproken. Ongewenst gedrag te-

gen werknemers met een publieke taak. (2007).

Simon, M., P. Tackenberg, H.-M. Hasselhorn, A.Kümmerling, A. Büscher, B.H, Müller, Aus-

wertung der ersten Befragung der NEXT-Studie in Deutschland. Universität Wuppertal

(2005).

Stokkum, B. van, Wat een hufter! Ergernis, lichtgeraaktheid en maatschappelijke verruwing

(2010).

Strandberg, U., U. Norrby, D. Melander, C. Brink. Vald och hot i kollektiv trafiken. Etapp 1

av Arbetsmiljoverkets sarskilda tillsynsinsats riktad till kollektivtrafiken. 2008:2 (2008).

Strandberg, U., U. Norrby, D. Melander, C. Brink. Vald och hot i kollektiv trafiken. Etapp 1

av Arbetsmiljoverkets sarskilda tillsynsinsats riktad till kollektivtrafiken. 2008:2. (2008)

Svenska Lokaltrafikforeningen SLTF och Bussbranchens riksforbund BR, Personalens forut-

sattningar att skapa en trygg och saker kollektivtrafik. Program for en trygg och saker

kollektivtrafik (2005).

Svenska Lokaltrafikforeningen SLTF, Hot och vald i kollektivtrafiken – exempel pa arbete

for att minska riskerna (2006).

Systematiskt arbetsmiljoarbete. Arbetsmiljoverkets foreskrifter om andring i Arbetsmil-

joverket foreskrifter (AFS 2001:1) om systematiskt arbetsmiljoarbete. AFS 2003:4 (2003).

The National Audit Office, A safer place to work. Protecting NHS Hospital and Ambulance

Staff from Violence and Aggression. Report by the Comptroller and Audit General HC 527

Session 2002-2003 (2003).

Trades Union Congress, Preventing Workplace Harassment and Violence. Joint guidance im-

plementing a European social partner agreement

109


Vald och hot i arbetsmiljon. Arbetarkungorelsens kungorelse med foreskrifter om atgarder

mot vald och hot i arbetsmiljon samt allmanna rad om tillampningen av foreskrifterna.

Arbetarskyddsstyrelsens forfattningssamling. AFS 1993:2 (1993).

VBG, Sicherheitsreport 1/2010. Hamburg (2010).

VBG, Sicherheitsreport 2/2009. Hamburg (2009).

VBG, Sicherheitsreport 2/2010. Hamburg (2010).

Verdugo, R. en A. Vere, Workplace violence in service sectors with implications for the edu-

cation sector: Issues, solutions and resources, International Labour Organization (2003).

Violence and aggression to school employees. Guidance for Governing Bodies and Headtea-

chers (2010).

Weißgerber, B. en K. Ritter-Lempp, INQA trauma prävention - Informationsbrief des The-

matischen Initiativkreises (2008).

Wynne R., N., N. Clarkin, T. Cox, en A. Griffiths, Guidance on the prevention of violence at

work, European Commission, DG-V, Office for Official Publications of the European Commu-

nities, Luxembourg (1997).

Zarola, A. en P. Leather. Violence and aggression management training for trainers and

managers. A national evaluation of the training provision in healthcare settings. Prepared

by the University of Nottingham for the Health and Safety Executive. RESEARCH REPORT

440 (2006).

Geraadpleegde websites

arbeitsblaetter.stangl-taller.at/KOMMUNIKATION/Mobbing.shtml

ec.europa.eu/social/main.jsp?langId=nl&catId=89&newsId=896&furthe

fairplayer.de/fpcms/index.php

lasi.osha.de/

oh-forum.themenplattform.com/121634.0/

osha.europa.eu/nl/oshnetwork/focal-points/germany

osha.europa.eu/en/practical-solutions

osha.europa.eu/sub/esener/en

www.epsu.org/a/4519

110


www.aerzte-oegd.de/kontakt/kontakt.html

www.afaforsakring.se/

www.arbeit-und-gesundheit.de/webcom/show_article.php/_c-530/_nr-2/i.html

www.arbeit-und-gesundheit.de/webcom/show_article.php/_c-588/_nr-2/i.html

www.av.se/

www.basi.de/webcom/show_article.php/_c-401/_nr-4/_lkm-371/i.html

www.bgwonline.de/internet/generator/Inhalt/OnlineInhalt/Medientypen/Presseinformation/

2009/PI__4__2009__Deeskalationstrainer,property=pdfDownload.pdf

www.bussbranschen.se/

www.cpt-uk.org/index.php?fuseaction=home.main

www.destatis.de/jetspeed/portal/cms/Sites/destatis/Internet/EN/Content/Publikationen/ST

ATmagazin/LabourMarket/2009__09/2009__09Health,templateId=renderPrint.psml#Link4

www.dguv.de/content/prevention/index.jsp

www.dguv.de/iag/de/index.jsp#

www.dguv.de/inhalt/medien/bestellung/documents/psych_stoerung.pdf

www.dguv.de/inhalt/praevention/aktionen/abba_projekt/weiter_info/index.jsp

www.dguv.de/inhalt/praevention/fachaus_fachgruppen/fa_fg_sige.pdf

www.dguv.de/inhalt/praevention/themen_a_z/gewalt/index.jsp

www.eurofound.europa.eu/ewco/surveys/ewcs2005/results.htm

www.eurofound.europa.eu/ewco/3wc/3wcindex.htm

www.fas.forskning.se

www.fryshuset.se/lugnagatan

www.gda-portal.de/cln_134/gdaportal/de/Downloads/Downloads.html

www.geert-hofstede.com

www.gewaltfreie-schule.com/allgemein.html

111


www.gvu.nl

www.hse.gov.uk/violence/hslcasestudies/first.htm

www.komba.de/page.php?pid=628&from_pid=2&cat_id=&nid=750

www.kommunal.se

www.lararforbundet.se/

www.lr.se/

www.lugnagatan.se

www.newstix.de/index.php?session=&site=personality&startentry=0&entmsg=true&mid=12

858

www.nhs.uk

www.nhsbsa.nhs.uk

www.nhsemployers.org/Healthyworkplaces/Pages/Home-Healthy.aspx

www.nybro.se

www.ofsted.gov.uk

www.pac-programm.de/pac-programm/index.php

www.regeringen.se

www.reliancesecurity.co.uk/rss/reliance-protect/

www.safeworkers.co.uk/LoneWorkersPersonalSafety.html

www.seko.se/

www.sicherheit.info/si/cms.nsf/si.ArticlesByDocID/1105062?Open

www.skl.se

www.suntliv.nu/hotochvald

www.tagesspiegel.de/berlin/polizei-justiz/feindbild-uniform/1848434.html

www.teachernet.gov.uk/wholeschool/healthandsafety/schoolsecurity/

www.transportgruppen.se/

112


www.uitp.org/

www.unfallkasse-berlin.de/content/rubrik/36

www.unfallkasse-nrw.de/fileadmin/server/download/PDF_Container/WS%204%20-

%20Gewalt%20in%20der%20Pflege.pdf

www.unfallkassenrw.de/index.php?id=113&no_cache=1&tx_ttnews%5BbackPid%5D=9&tx_

ttnews%5Btt_news%5D=258&cHash=4d34d0a24d51062398996a0bd1bae425

www.vbg.de/oepnv_bahnen/zh/bgi5039/3.htm

www.vbg.de/wbt/gewaltpraevention/daten/html/100.htm

www.who.int/violence_injury_prevention/violence/activities/workplace/documents/en/index

.html

www.worker-participation.eu/National-Industrial-Relations/Countries/Germany

www.workplaceharassment.org.uk/

www.sktf.se/

www.vardforbundet.se/

Geïnterviewde personen

Nederland

Cecile Godefroy, Centrum School en Veiligheid

Jeanne van Grunsven, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Guy Hermans, Kennisplatform Verkeer en Vervoer (KPVV)

Michael Hoppe, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Terry Lamboo, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Peter Peerdeman, Veilige Zorg, onderdeel van Stichting Arbeidsmarkt Ziektenhuizen

(StAZ), CAOP

Marieke Weemaes, MBO Raad

113


Duitsland

Rainer Cohrs, Stadtwerke München GmbH - Unternehmensbereich Verkehr (SWM)

Rainer Erb, Unfallversicherung VBG

Gernot Kraemer, Unfalkasse Hessen

Beate Neyen, Bundesministeriums für Arbeit und Soziales

Christian Otto, Deeskalationstrainer

Christoph Matthias Paridon, Deutsche Gesetzliche Unfallversicherung (DGUV)

Ria Uhle, Senatsverwaltung für Bildung, Wissenschaft und Forschung

Barbara Weißgerber, Bundesanstalt für Arbeitsschutz und Arbeitsmedizin

Udo Weitzel, Polizeipräsidium Mittelhessen

Annett Zeh, Berufsgenossenschaft fur Gesundheidsdienst und Wohlfartspflege

Zweden

Anna Björkdahl, Project leader Conflict management, Health Care Provision. Stockholm

County Council SLSO

Ned Carter, Administrator Working Environment and company health questions, Swedens

Municipalities and Regional

Elisabeth Hammar, Project leader prevention project ambulance care

Johnny Heren, Project leader prevention project School

Anders Jegemar Project leader, Prevention project school and health care

Annika Nilsson, AFA Insurance

Ulf Strandberg, Swedish Working Environment Authority

Charlotte Wikholm, Prevent

Verenigd Koninkrijk

Daniel Hutley, Health and Security Executive

Susan Frith, Deputy Head of NHS Security Management Service, NHSSMS

114


Research voor Beleid

Bredewater 26

Postbus 602

2700 MG Zoetermeer

tel: 079 322 22 22

fax: 079 322 22 12

e-mail: info@research.nl

www.research.nl

115

More magazines by this user
Similar magazines