DOOR. S O H I LDPAX>~R

resources21.kb.nl

DOOR. S O H I LDPAX>~R

DOOR.

SOHI LDPAX>~R


ROEMEENSCHE VOLKSBALLADEN

Ingeleid en vertaald

door

MARIUS VALKHOFF

SCHILDPADREEKS

Derde Tiental

No. 5


Aan de nagedachtenis van Johan B.


INLEIDING

De 18e eeuw en het begin der 19e is een tijdperk van

vreemde overheersing geweest voor de Donau-vorstendommen

Moldavië en Walachije. Afhankelijk van de Verheven Porte

sinds de Turken hun invloed over de Balkan hadden uitge­

breid, moesten de Roemenen zich van 1714 tot 1821 toe zelfs

een stel uitheemse bestuurders met hun trawanten laten wel­

gevallen. Deze Fanarioten, zo genoemd naar een door hen

bewoonde wijk van Constantinopel (de Fanar), waren ver-

turkste of turksgezinde Grieken. De Turken bedienden zich

van de Fanarioten, omdat deze als Balkanbewoners en Grieks-

Katholieken (Orthodoxen) beter de bevolking aankonden dan

zij zelve.

Deze eeuw van onderdrukking, die beëindigd werd door de

nationale revolutie van 1821 onder Toedor Vladimirescoe, is

de Roemenen als een zwarte bladzijde van hun geschiedenis

bijgebleven. Toch waren de Fanarioten betere organisatoren en

zelfs beschaafdere lieden dan de Roemenen. Zij minachtten

echter dit boeren- en herdersvolk dat zich niet wilde laten

vergrieksen, en beschouwden het slechts als voorwerp van hun

willekeur. De bojaren, de Roemeense edellieden, hadden geen

andere keus dan mee te huilen met de wolven in het bos of

wel zich buiten de maatschappij te plaatsen en haidoek of

rover te worden. De boeren stonden voor een soortgelijke keus:

zij konden zich laten verdrukken of wel dienstnemen in de

bende van den een of anderen haidoek. Geen wonder dat het

beroep van rover toenmaals populair geweest is; zozeer zelfs

dat het een opbloei der Roemeense volksliteratuur heeft teweeg­

gebracht.

„Door zijn grimmige strijdlust, zijn vrijgevigheid jegens de

armen, zijn ironische of geestige woorden, zijn schoonheid en

zijn succes bij de vrouwen, zijn bestraffing van de uitheemse

bestuurders die het land rechteloos en op hun gemak uit­

persten, door dat alles heeft de haidoek een eigen cyclus in

5


het leven geroepen, de laatste in de ontwikkeling der Roemeense

ballade" (N. Iorga).

Hier vindt de lezer nu een zevental Roemeense roversballaden

vertaald in blanke verzen, waarbij zoveel mogelijk het oor­

spronkelijke rythme (trocheeën en zeven- of achtlettergrepige

verzen) bewaard is. Het Roemeense volksvers is wel vrijer dan

het onze; het heeft twee of drie hoofdaccenten, doet meestal

trocheeïsch aan, maar begint ook wel eens met een jambe.

We hopen in ieder geval een indruk te hebben gegeven van

deze dichtkunst.

Dit gelde ook voor de inhoud. De balladen spreken voor

zich zelf; ze zijn elk afzonderlijk ontstaan in de bewonderende

geest van een volksdichter, die niet nauw onderscheidde tussen

sociale misdadigheid en politieke activiteit. Hij vereert Toensoel

den struikrover evengoed als Groeja den vrijheidsheld. Wij

zullen dat een 18en eeuwsen Balkanboer niet kwalijk nemen!

De vertaler heeft al jaren met het plan rondgelopen enige

specimina van de Roemeense volkspoëzie te verdietsen. Hij is

dan ook gelukkig met deze eerste gelegenheid en verwijst den

wetenschappelijk geïnteresseerden lezer voor verdere bijzonder­

heden naar zijn lezing Une fleur exotique: la poésie roumaine,

versehen in „Neophilologus", jaargang XXVIII.


TOENSOEL

De mare gaat alom door 't land:

Een dief genaamd de Kale (Toens)

Is schuilgegaan in 't wilde bos

Met slechts zes makkers in getal.

Onkreuk'bare pandoeren schaar 1 ,

Gevreesde gasten van het woud,

Verborgen achter struik en hout.

Wie hen ontmoet beklaagt zich diep,

Want waar men dat het minst verwacht

Daar staat men eensklaps voor het hoofd.

Hij klopt U vriend'lijk op de rug:

„Vanwaar komt gij, mijn brave man?

Uit wat voor dorp, uit welke stad?

Hebt gij Uw vrijbrief bij de hand,

Opdat ik U geen haartje krenk?

Dat zweer ik U op mijn pistool!

Zo niet, geef vlug Uw buidel dan,

Reeds met de helft ben ik tevreen!

Ja zelfs een kwijtschrift reik ik U,

Dat ik U niets meer schuldig blijv'.

Als ik maar lang genoeg hier leef,

Gewis dat ik U nog betaal.

Maar mocht de dood mij eer verslaan,

Zo zij de Heer met U begaan!"

Helaas, die arme, goede rover,

Welk droevig lot heeft hem getroffen:

Zijn Noodlot heeft hem achterhaald

En met de dood werd hij betaald!

7


ZJIANOE

Hebt ge wel gehoord van een haidoek 8 ?

t' Is d'Olteniër Zjianoe,

Kapitein onder de rovers,

Die het bergwoud stout doorkruist,

Met twaalf wakkere pandoeren 3 ,

Vreemd gedost in lange mantels

En in wijde boerenbroeken.

Hij neemt schapen van de herders,

Hij neemt hengsten van de weiders,

Onbetaald en zonder geld!

In de pass' en holle wegen

Loert hij op den rijken koopman,

Den bojaar 4 ontrooft hij alles,

Niets wordt dien ook maar gelaten!

Allen vluchten voor den rover,

Allen klagen hem ten hove,

Bij den vorst, prins Caradzja 5 .

Caradzja nu lichtt' een leger,

Voerde dit het bergwoud in.

Maar Zjianoe, die begreep

Wat er voor hem op het spel stond,

Trok zich t'rug op 't dal der Olt.

Doch het regend' in de bergen

En de Olt was wild gezwollen.

„Veerman, veerman, beste kerel,

Trek je pontje vluks te voorschijn,

Vaar mij naar de overkant,

Samen met mijn dapper rijpaard.

Breng je pontje in het water,

Of ik schiet je in je corpus;

Wees mijn vriend, of anders krijg je

Door je kromme rug een kogel!"

Maar de veerman keek bedachtzaam

En zocht toen voorzichtig dekking

8


Snel nam Zjanoe zijn besluit,

Voorwaarts wierp hij zich in 't water,

Op zijn paard, dat moeizaam zwom.

Vechtend met de woeste vloed

Sprak Zjianoe tot zijn ros:

„Beter dan als dwaas te vragen

Om een pont voor burgermensen,

Met jou in de stroom gestort,

Want jij bent een kind der Olt!

Beter dan beleefd te wezen,

Rover zijn en onbezorgd!

Kom, mijn bruintje, houd de kop op,

Sidder niet, nog één, twee slagen,

En we rijden naar Slatina.

Daar weet ik een goede herberg

Waar we beiden kunnen rusten."

Toen hij bij de herberg kwam,

Wat aanschouwde de haidoek?

Vriend de waard lag vastgebonden,

Werd door dienders uitgevraagd.

„Kom, mijn bruintje, houd maar moed,

Nu de berg' in, naar de toppen

Waar de eenzaamheid ons schermt."

't Paardje ijlde wat het kon,

Doch de dienders haalden 't in,

Vatten Zjanoe bij zijn mantel,

Brachten hem voor Caradzja.

Ach, die brave, wakk're held,

Laas, eilaas, wee d'arme man:

Onverwijld werd hij geoordeeld,

Zwaar geketend weggevoerd,

In een zoutmijn neergesmeten,

Om zijn leven daar te eind'gen.

9


CORBAC

In zijn kerker zit Corbac,

Drie jaar lang gespeend van zon,

In de stad Constantinopel,

Ter gevang'nis sultan Moerad's.

Stadig zucht en klaagt hij, turend

Nu eens naar de verre wolken,

Wolken door de wind gejaagd,

Die de aard' met regen drenken,

Dan weer naar der kranen schaar,

Die de zon tracht te bereiken.

Eensklaps merkt hij bij een wolk

't Zwarte stipje van een raaf

Die daarboven al maar krast

En steeds met de vleugels klapt.

„Heidaar, riep Corbac hem toe,

Waarom heb ik niet mijn buks,

Raafke, dat ik drink jouw bloed,

Jij die aldoor vliegt en krast?!

Zou je me soms zo beklagen?

Ofwel wil je mij bespotten?

Moog' je dan je bek verliezen,

Vallen uit je scherpe klauwen,

Dat je niets meer aan kunt vatten

NauwTijks had hij hem gehoord,

Of de raaf schoot uit de wolk,

Voor het venster dook hij neer,

Sprak daarop in raventaal:

„O Corbac, mijn beste vriend,

Waarom mij zo boos vervloekt,

Want ik ben op zoek naar jou,

Al drie jareri, onverpoosd,

Sinds je in je kerker zit

Moedertje heeft mij bevolen

Dat ik rustloos uit zou vliegen

10


Op des waaiwinds brede rugge,

Rond de wijdheid van de aarde,

Om haar dierb'ren zoon te zoeken,

En te weten of je leeft nog."

„Mooi, mijn raafke, als het zo is,

Zal ik jou niet meer vervloeken,

Doch met tranen je verzoeken

Dat je uitvoert mijn begeren,

En me vluks brengt in je snavel

Vijf bos sterke zijdestrengen

Van mijn moeder uit haar huiske,

En het traliebrekend staalkruid 6

Uit de ruige tovergaarde."

Ijlings vloog de raaf de lucht in;

Eerst leek hij nog aan de hemel

Op een duif die ver verzwindt,

Toep nog slechts op enen kogel;

Eind'lijk aan de horizon

Was vervaagd de zwarte stip.

Voor het eind des tweeden daags

Is de raaf weer t'ruggekeerd.

In zijn snavel brengt hij aan

Vijf bos sterke zijdestrengen

En het traliebrekend staalkruid

Uit de ruige tovergaarde.

„Heisa ho, mijn flinke raaf,

Als de Lieve God bepaalt

Dat ik vrijkom uit 't gevang,

Zweer ik dat we vriendschap sluiten

En 'k je eigenhandig voed,

Niet met vlees van vogelen

Maar met vlees van heidenen,

Niet met bloed van vogelen

Maar met bloed van heidenen!"

Corbac heeft zijn tijd benut:

Uit de zij spon hij een touw,

11


Maakte 't aan een tralie vast.

Toen de scheem'ring was gevallen,

Raakte met het staalkruid hij

D' ijz'ren tralies lichtkens aan:

Als door vuurgloed smolten zij

En slechts ene bleef bewaard,

Waar het touw aan was geknoopt.

Corbac heeft zijn tijd benut:

Achtzaam kijkt hij om zich heen,

Vast grijpt hij het lange touw,

Daarlangs glijdt hij naar beneen,

Tot hij neerstaat op de grond.

Toen verdween hij in de nacht,

Sprekend tot zijn vriend, den raaf:

„Raaf, o raafke, beste broer,

Vlieg uit naar mijn moeder droef,

Zeg haar dat ik ben ontsnapt

Uit het duist're kerkerhol,

Dat van nu af aan ik maak,

Voor de Turken als een sieraad,

Uit een koord een schone halsband,

En ze ophang aan hun galgen!"

12


BOEZJOR

Groene blaadjes van de dolik!

Boezjor is te veld' getrokken,

I

Vecht en rooft, maar doodt geen sterv'ling;

Rijkaards slaat hij vast in boeien,

Eist hun schatten op als losgeld

En hun fijne linnen kleed'ren.

Plots springt hij te voorschijn, zeggend:

„Welkom, vreemd'ling, voeg U bij ons!

Komt, mjjn dapp'ren, volgt mij allen,

Want ik weet in 't woud de paden,

Weet er troepen vette rammen,

Weet er held're koele bronnen,

Weet er mooie, teed're vrouwtjes,

Weet ook beurzen vol ropijen!"

Hier aan d' oever der rivier

Wannen lieve meiskes graan;

Boezjor nadert en aanschouwt ze,

Vat een tweetal bij heur middel.

Ginds bergopwaarts bij de bron

Wassen eenzaam meiskes wol;

Boezjor ziet ze, neemt heur hand,

En vergeten is de wol.

Nu eens hier dan ginds in 't dal

Klinkt een droeve, zoete stem.

't Is de stem van een jong meiske^;

Boezjor kust haar en nu zwijgt ze.

Bij de wellen van het beekje

Plukken zoete meiskes linzen;

Boezjor is er, kust ze vurig,

Zij verliezen dra heur hoofdje...

13


n

Groene blaadjes van de dolik!

Te Focsjani aan de grens

Staat een wat gebogen hutje,

Door het dichte bos beschermd.

Daar rust Boezjor bij Anitza;

't Schone weeuwtje, vrij van zin,

Schenkt hem wijn met grote kannen,

Maakt hem dronken door haar kus.

„Anicoetza, mijn geliefde,

Wild bruist in mij mijn verlangen,

Mijn verlangen naar de bloeme,

Bloeme van je rode lippen!"

„Sjtefanica Boezjorasj,

Die bloem wil ik jou wel geven:

Neem en neem mijn rode mond,

Maar drink niet meer uit de kanne,

Want de dienders zijn niet ver."

„Of ze komen deert mij niet;

Met mijn zwaard in myn bereik

En mijn liefste die mü mint

Vrees ik zelfs den duivel niet!"

Nog was liefdesstond niet over,

Of de dienders zijn gekomen.

Vechten deed Boezjor en vechten,

Doch hrj is hun niet ontkomen.

III

Groene blaadjes van de dolik!

Daar wordt me Boezjor vervoerd

En vertoond als een wild dier.

In 't gevang wordt hij gesloten,

Zonder wapens zonder zon.

14


Ach, mijn bos, mijn groene blaad'ren,

Wat zijt gij des zomers prachtig,

's Winters echter valt en rot gy.

Zo verging het ook Boezjor,

Neer ligt hij, geveld ter aarde.

IV

Groene blaadjes van de dolik!

Daar werd me Boezjor geoordeeld;

Rechters ondervroegen hem,

Of hij velen had gedood

Op zijn tochten door het land.

Maar Boezjor sloeg vroom een kruis

En naar waarheid zeide hun:

„Nooit versloeg een Kristen ik,

Doch veel rijkaards schudd' ik uit."

„Biecht op, jij Sjtefan Boezjor,

Waar borg jij 't geroofde goed,

Dat je later had verbrast?"

„In het dichtste van het woud

Borg ik wat mijn have werd,

Om den arm' ermee te helpen,

Dat hij oss' en koeien kope!"

V

Groene blaadjes van de dolik!

Boezjor klimt op het schavot,

Diep beklaagd door d'arme mensen.

Dat is niet de troon der vorsten,

Maar de trieste trap der dieven,

't Duister pad der vale doden.

15


GROEJA DE GEVREESDE

Op de hoogvlakte des Dnjesters,

Aan de voeten van de hemel,

Bij de beek genaamd Jalpoec,

Waar draakvrouwen kind'ren baarden,

Heksen samen sabbat vierden,

En leeuwinnen water dronken,

Staan nu rijen legertenten.

Grote tenten, kleine tenten,

Middenin een paviljoen,

Groot en rond, en schoon genaaid

Uit oranje wandtapijten,

Vastgezet met zilv'ren pennen:

't Lijkt een gulden keizerstent.

Wie mag daar wel binnen huizen?

Wie geeft daaruit zijn bevelen?

't Is de khan 7 Girai de Oude,

Met zijn kromzwaard aan de zijde;

Veel Tartaren hem omringen,

Met hun kleine, scheve ogen.

Allen zitten neergehurkt.

Slechts daarbuiten voor de tenthang,

Rechtop bij de dodeneik,

Vast gekneveld en geketend

Als een boos stuk galgenaas,

Groeja de Gevreesde staat,

Een Roemeense rover die zich

Heeft verstout den khan te trotsen.

Twee Tartaren slijpen 't hout

Waaraan men hem vast zal rijgen;

Onderwijl wordt hij gemarteld.

Maar de held zingt onverstoorbaar,

Als zat hij ten feestdis aan;

Trekt een opgewekt gezicht,

Als woond' hij een bruiloft bij!

16


Vrouwen van soldaten als wel

Van Tartaarse kapiteins

Stromen voor de hoofdtent samen,

Roepen allen tot heur heer:

„Wee ons, lacie, wijze vorst!

Geef toch Groeja snel zijn straf,

Als een balsem voor ons leed.

Want sinds hij haidoek werd en zich

Plund'rend wierp op Bessarabië,

Hoeveel mannen kostt' hij ons niet,

Hoeveel vrouwen hij verweeuwde,

Hoeveel meisjes hij onteerde!

Half het land ligt hier verwoest

En de Krim zelfs heeft geleden."

Girai dc vergrijsde khan

Trekt het kromzwaard van zijn zijde.

Met zijn schorre heidenstem

Zegt hij Groeja den Gevreesde:

„Komaan, Groeja, grote held,

Daar U toch geen g'nade wacht,

Antwoord vrijuit, zonder dralen:

Hebt ge veel van ons geveld?"

„Welaan, heer en oude khan,

Laat het kromzwaard aan Uw zijde:

Ik ben zoon van een Roemeen,

Dus een heiden vrees ik niet!

Met of zonder Uw genade

Zal ik U oprecht vertellen:

Sedert ik haidoek werd en mij

Plund'rend wierp op Bessarabië,

Vele mannen nam ik 't leven,

Vele vrouwen ik verweeuwde,

Vele meisjes ik onteerde;

Half het land heb ik verwoest

En de Krim zelfs heeft geleden!

Toen 'k de Dnjester overschreed,

17


Sloeg 'k een brug van ginds naar hier,

Licht Uw goed'ren te vervoeren;

Om op onze boerenkarren

Uwe kind'ren mee te nemen,

Eed'le kind'r' en arme slaven.

Welaan, heer en oude khan,

Laat het kromzwaard aan Uw zijde,

Dood mij niet gelijk een heiden,

Geef de dood eens kristens mij:

Biechten wild' ik tot een pope 8 ,

Zorgen voor mijn zieleheil

Met een vrome kristenpope,

Die het psalter zingt in 't klooster.

Want ik voel mij vreeslijk schuldig,

Diep bezwaard door grote zonden:

Ik hoereerde met Uw zuster,

Verder schaakte ik Uw dochter,

En versloeg nog Uwen broeder,

Die mijn vijand was geworden,

'n Fiere held, een leeuw gelijkend!"

Girai de vergrijsde khan

Laat het blinkend kromzwaard zinken;

Met zijn scherpe stem gelast hij

Vijf Tartaarse kapiteins

En een vijftig van zijn krijgers

Groeja weg te brengen naar het

Klooster boven in de bergen.

De Tartaren braken op,

Sleepten Groeja met zich mede

Naar den vromen kristenpope,

'n Heilige met mensenaanschijn,

Die het psalter zingt in 't klooster.

Groeja knielt ontboeid ter neder,

Kijkt aandachtig om zich heen,

Slaat twee kruizen en ontdekt dan

'n Grote bijl die vluks hij grijpt:

18


„God zij mij genadig", roept hij,

Werpt zich op de schaar Tartaren,

Lijk een stormvlaag eensklaps neervalt

In een akker rijpend koren.

„Heb erbarmen", schreeuwen allen,

Maar de held spaart er geen enkel.

Om zich heen kijkt hij aandachtig,

Keert dan ijlings t'rug naar 't kamp,

Zoekt er de Tartarenstal.

Wat speurt hij daar bij een kribbe?

Een Arabisch ros dat springt,

Een vierjarig paardje is het.

Groeja grijpt het bij de manen,

Zonder moeite smijt hij 't neer:

Zo'n paard heeft hij heus niet nodig!

Doch daar achter in de stal

Staat 'n moorkop, wel gevormd,

Die de zon nog niet aanschouwde

Sinds zijn moeder hem gebaard heeft.

Groeja zag hem en trad toe,

Sloeg zijn hand hem in de manen,

Doch kon hem geen duimbreed wrikken:

Zo'n paard was het dat hij zocht!

Dus nam hij hem mee naar buiten,

Zadelde hem welberaden,

Zadelde 'm en tuigde 'm op,

Kuste hem op beide ogen,

Wierp ten slotte bp zijn rug zich.

Driemaal maakte 't ros een luchtsprong,

Dat het zijn berijder duizelt.

Plots verschijnt daarop de khan

Voor den ingang van zijn tent,

Bij den ouden dodeneik.

Dra de khan den held ontwaart,

Hij zucht diep en spreekt tot hem:

„Ach, mijn Groeja, koene held,

19


Heb toch meelü met een kryger:

Neem mü'n ros, verkoop het niet!

Neen, verkoop het noch Hongaren,

Noch aan Turken of Litauers,

Een Litauer is een valsaard,

Maar geef het desnoods Roemenen;

Dat zijn meestal brave meesters,

Goedgeefs en met warme hand,

Warm van hart ook en zachtmoedig.

Krijgt zo een mijn moorkop, wel hij

Rijdt er op ter bruiloft zeker;

Ook ten oorlog zal hij trekken

En dan zie 'k mijn liev'ling weder,

Als wrj met elkander kampen.

Wellicht kan ik hem nog vangen

Of misschien terug hem kopen,

Driemaal zijn gewicht in goud,

Venetiaanse goudducaten!"

Groeja lachtte bij deez' woorden

En terwijl hij óm zich wendde,

„Komaan", sprak hij, oude khan,

Weet ge niet dat een Roemeen

Thans Uw lieveling berijdt?

Een Roemeen is als een broer

Voor een dierbaar, vurig ros!

Maar wat anders; luister eens:

Als ge paarden nog bezit

En ge hebt nog wakk're ruiters,

Stuur ze uit dan altezamen;

Paarden om mij na te jagen,

Ruiters om mjj te belagen.

Geef bevel hun mij te volgen,

In te halen, te verslaan,

Op deez' wijde, verre velden!"

Girai gaf het sein ten strijde,

De Tartaren stroomden uit

20


Over heel de brede vlakte,

Die met varkensgras begroeid was.

De Tartaren, rij na rij,

Zich verloren in het gras;

Dan slechts één bij één in vaart

Achterna den dollen moor.

Voort en voort jaagde het ros;

Nu eens sprong hij als een haas,

Dan weer hold' hij als een brak,

Hinnekend van puur genot.

Lacie, gij Tartaarse heid'nen,

Uwen dag hebt gij verloren.

Plots wendt Groeja nu de teugel,

Werpt zich in de schaar vervolgens,

Lijk een stormvlaag eensklaps neervalt

Op een akker rijpend koren;

Op zijn razendsnelle moorkop

Vangt hij stuk voor stuk de ruiters,

Maait ze weg in wilde vlucht,

Velt ze neder als bij garven,

Eeuwig warend hen voor ziekte,

Geldzorgen of ander euvel!

Vogelschrikkers lijken zij nu

Door een rukwind neergesmeten.

Groeja zet zijn thuisreis voort,

Daagt weer in Moldavië op.

Lijk de groeizaam-hete zon,

Geeft hij warmt' en vruchtbaarheid;

Immers wel doet hij alom,

Let slechts op het zieleheil:

Kerstenen en dopen gaat hij,

Peetoom zijn voor petekind'ren,

't Jongske krijgt een monter veulen,

't Meisk' ontvangt een jonge merrie,

Boerendochters huwt hy uit

Zonder zorg voor den Tartaar.

21


Kloosters richt hij alom op,

Toevluchtsoorden in de krijg.

Met zijn moorzwart, moedig paard

Sluit hij trouw bloedbroederschap:

Een Roemeen is als een broer

Voor een dierbaar, vurig ros!

22


VILCAN

Aan de monding van de Sireth,

Tijdens vasten van Sint Pieter,

Zie, daar vaart m' een kaïk 9 aan,

Lang van vorm en wel verguld,

Met groen laken rond omhangen.

Wie zou daar wel mede reizen?

Soliman dë aga 10 is het,

Met zijn vijftig janitsaren u ,

Elk hun kromzwaard in de gordel.

Zachtkens glijdt hij door het water,

Van de Donau in de Sireth,

Dwars over ondiepe plekken,

En bij voorkeur langs den oever,

Zoekend den haidoek Vilcan,

Dapp'ren vijand van den aga.

Kijk, daar nadert men de walkant,

Juist waar drie Moldaafse meiskes,

Bloempjes uit de Donauwaarden,

Snappend, lachend linnen bleken.

„Goeden dag, gij drietal meisjes,

Weest zo vriend'lijk en vertelt ons

Waar Vilcan de kapitein is.

Als gë ons de waarheid meedeelt,

Mogen bloem' in U ontluiken:

Bekjes als van alpenrozen

En met lieve kinderogen!

Alles zal U goed gelukken,

't Linnen zal zo helder bleken,

Als een vel geschept papier

Of de bloesem der jasmijn.

Maar vertelt g' ons niet de waarheid,

Zo moog' hartstocht U verteren,

Alles zal U slecht mislukken,

't Linnen zal niet willen bleken,

23


Grauwen zal het in de zon,

Schimra'len zal het in de wind."

Doch de drie Moldaafse meiskes,

Bloempjes uit de Donauwaarden,

Maakten snel zich uit de voeten,

Riepen toen zo hard ze konden:

„Komt maar hitr en hoort van ons

Over onzen lieven held,

Dien geen Turk nog overwon!"

Somber legden aan de Turken,

Sprongen op de groene oever,

Speurd' en zochten tot ze vonden

Bladerrijk een groene wilg,

Buigend naar een koele bron.

Bij de knotwilg hurkt' een oudje

Met drie kaftans om haar henen,

Wassend uit het bloed van vlekken,

Kloppend ze met steen' in 't water.

In de schaduw van de boom,

Ligt een wakk're haidoek,

't Is de vlugge valk Vilcan!

Onbezorgd ligt hij en slaapt.

Want hij heeft een goede wacht:

Bij zijn hoofdeind staat een Griek,

Drie pistolen aan zijn riem,

Pandelasj, zijn oude knecht,

Door zijn meester steeds verwend.

Soliman dë aga nadert

En spreekt tot den valsen dienaar:

„Kom, Pandele, wil je geld?

Nietsdoen kun je twee jaar lang:

Boei Vilcan slechts, lever ons hem,

Want de sultan laat hem zoeken."

Gretig zei d' ontrouwe Griek:

„Geef me 't geld en 'k zal wel zien!"

Soliman verheugde zich,

24


Telde 't loon hem in de schoot:

Dertien beurzen goudducaten,

Zeven beurzen vol ropijen,

En nog drie met zilverlingen.

Wat deed toen de knecht Pandele?

Hij begaf zich naar zijn meester,

Bond hem met diens zijden gordel,

Die gevlochten was als touwwerk,

Knoopte kruislings vast hem d' armen,

Leverde hem aan de Turken.

Aan de kant van de rivier,

Ligt Vilcan ter aarde neer,

Lijk een wijdgetaktë eik,

Door de storm omvergegooid.

Rond hem zitten welgewapend

Zijn bewakers en zijn beulen.

Beurt om beurt stelt elk der Turken

Een afgrijslijk oordeel voor:

D' ene wil hem levend hangen,

D' ander aan een paal hem rijgen,

D' ene is voor vierendelen,

D' ander voor compleet verbranden.

Maar Pandele weet wat beters

En geeft allen deze raad:

„In de thans verlaten molen,

Die mijn meester heeft gebouwd,

Ligt een mooie molensteen,

Die nog nimmer heeft gediend.

't Is een waardig ornament

Om een boef zijn hals te sieren

Op zijn reis de Sireth in!"

„Prachtig", riep het koor der Turken,

Haalden snel de molensteen,

Bonden die den armen held om,

Smeten bei in de rivier.

25


't Water opende en sloot zich,

Sloot zich zoals op een graf

Toevalt zwart de muil der aarde.

Toen vertrok de schare Turken

In de richting van Galatz,

Achterlatend op het water

Kringen die steeds groter werden,

Wielingen die dra verdwenen.

De haidoek zinkt naar de bodem,

Vat toch moed en met zijn tanden

Bijt hij stuk zijn sterke gordel,

Maakt daardoor zijn rechterhand vrij,

Zet zich af met beide voeten

En duikt op aan 't watervlak.

Moeizaam zwom hij, half gestikt,

En aldus beklaagde hij zich:

„Wee mij ongelukkige!

Komt niet spoedig een opdagen,

Om mij bijstand te verlenen,

Zo zie ik voor 't laatst het daglicht!"

Ei, ei, wie dient daar van antwoord?

't Is een zoete vrouwenstem:

„Houd nog moed, o dapp're held,

Want ik snel U ras te hulp!"

Trots gevaar van Turk of draaikolk,

Gooit een koene meid een boot los,

Roeit met alle kracht de stroom in,

Redt Vilcan, die haast verdrinkt.

In zijn armen nam de held haar

En sprak teder tot zijn redster:

„Moge je gelukkig worden,

Want jij bent mij uitverkoren,

O beminde als het zonlicht!

Keer nu naar je huiske weder,

Maak gereed je bruiloftskleren,

Wacht mij dan met vree in 't harte.

26


Kom ik t'rug als overwinnaar,

Zo verloven wij ons samen,

Samen bouwen wij een woonstee,

Leiden een volzalig leven!"

Onze leeuw ging naar de marktplaats,

Zocht daar eerst zijn moeder op.

't Oude vrouwtje weende bitter

En sprak smartlijk tot haar zoon:

„Jongen, ben je heus wel levend,

Zeg het moeder dat ze 't weet.

Anders zal ik je bejamm'ren,

Wikkelen jë in een lijkwa,

Spreiden uit de dodenloper 12 ."

„Moeder, weeklaag niet om mij,

Wikkel niet mij in een lijkwa,

Maar geef mij wat oude vodden,

Want ik wil een beed'laar worden."

't Oudje deed zoals hij vroeg,

Kleedde 'm als een beed'laar aan.

Hij nam afscheid, ging zijns weegs.

Alle kroegen zocht hij door,

D' ene voor dë and're na,

Tot hij in de tiende kwam;

Als een stormwind viel hij binnen,

Zag Pandele in een hoek;

De verrade lag en rustte,

Snoevend over zijn bedrijven,

Drinkend weg zijn felle zonden.'

„Blijdschap en geluk wens ik U.

Allen die hier rijkdom hebben,

Dat zij mij daarin doen delen.

Komaan, kapitein Pandele,

Gij die nu een rijkaard zijt,

Schenk een heller mij als aalmoes,

Want de honger kwelt me vreeslijk,

Doet me bijna dubbel slaan!"

27


„Och wat, arme vreemde sloeber,

'k Kan je honger toch niet stillen,

'k Ben mijn geld al grootdeels kwijt,

Schandlijk werd ik afgezet

Voor dit slagzwaard dat je ziet,

Scherp van snee, verguld van greep."

„Geef het hier eens, o mijn zoon,

Dat met zorg ik het bekijke

En naar waarheid U vertell',

Of ge werklijk zijt bedrogen."

Dronken gaf de Griek het slagzwaard,

Maar Vilcan toen hij het had,

Rood beliepen zijne ogen

En met rauwe stem hij sprak:

„Ha, vervloekt, jij hoerenkind,

Die mijn leven hebt verkocht!

Ja, nu ben je toch bedrogen,

En niet door den wapenkoopman,

Maar door wien het zwaard je gaf!

Zo, jij giftige ven-ader,

Ongelovig stuk ellend'ling,

Zeg, wat had ik jou misdaan,

Dat je mij den Turk verkocht?

Heb je soms niet goed gegeten

Bij me, of niet goed gedronken?

Gaf ik je niet beste kleren,

En een paard om te berijden?!

JU wou mij laten vermoorden,

God heeft echter dit verhoed

En mij voor de dood gewaard,

Om je prijs jou te betalen!"

Toen heeft hij den Griek gevat

En hem met het zwaard onthoofd.

't Lichaam sleept' hij met zich mede,

Zonder pope, zonder lijkmis,

Naar de leuning van een brug,

28


Lichtte 't op en smeet het weg.

Daarop keerd' hij t'rug ter stede,

Wandelde de straten door,

Zoveel Turken hij ontmoette,

Zoveel heid'nen hakt' hij neer.

Welgemoed trok hij dan dorpwaarts

En ging vrolijk bruiloft vieren

Met het lief Moldaafse meiske,

Bloempje uit de Donauwaarden,

Smachtend in haar trouwe liefde,

Dat in bruidsdos thuis hem wachtte.

Aldus luidd' een oude zang,

Nog wel twee zou ik er weten;

Zijt ge lustig van gemoed,

Zo zal ik zë U vertellen.

29


ROVERS-DOINA 13

„Vertel eens op, mijn beste maat,

Vergeef mijn onbescheidenheid,

Hoe duivels jij wel eig'lijk leeft,

Terwijl je 's zomers fleurig rust

En 's winters ook geen koren dorst?"

„Ziehier mijn antwoord, goede vriend,

't Had ook een oorvijg kunnen zijn,

Maar weet dan dat in 't voorjaar ik

Mijn bundel pak en bergwaarts trek,

Daar waar de schapen talrijk zijn:

Een schaapskooi int'resseert mij zeer!

Vandaar volg ik de snelle Olt

Naar een Hongaarse stoeterij.

'k Bid God om regen en om zon,

Slaapwekkend weder voor de fok:

De stoeters domm'len heerlijk in

En paarden heb ik bij de vleet.

Eenzelvig als ik altijd ben,

Kies ik alleen een halve stal,

En dan, mijn waarde, 'r snel vandoor,

Met paard en al, als waar' 'k een spook

Ter markt verschijn ik weer als mens,

Vooral waar men het best betaalt.

Een merrie, weet je, met een jong,

Doet soms wel vijfhonderd florijn.

Maar merries van Moldavisch ras

Betalen hun gewicht in goud!

Dan, vriendlief, komt een schoon besluit:

Anitza haar vriendinnenkring.

Zolang mijn beurs nog vorm vertoont,

Is haar gastvrijheid onbeperkt.

Geen ogenblik blijft onbenut:

Wij stoeien onder 't lommer eerst,

Verpozen dra op 't blaad'renbed,

30


Nauw wetend of een mond ik kus

Dan wel een wijnkraan ik beroer!

Nog hoor 'k het gulpen van de wijn,

Nog 't giechelen der liefkes wild,

Als ik niet weet meer wat ik zoen!"

31


VERKLARINGEN

1. Schaar afgedankte soldaten, rovers.

2. Zie inleiding.

3. Zie Toensoel.

4. Roemeense landedelman.

5. Vorst van Walachije (1812—1818).

6. De Roemenen geloofden in een toverplant die de kracht

had tralies te doen smelten.

7. Tartarenvorst.

8. Grieks-Katholiek priester.

9. Grote Turkse roeiboot.

10. Officier.

11. Keurcorps voetknechten.

12. Het is een Roemeens volksgebruik lopers te leggen op de

weg van het huis naar het kerkhof, als bruggen voor

den dode.

13. De doina is een korter en meer lyrisch gedicht dan de

ballade.

32


INHOUD

INLEIDING 5

I. TOENSOEL 7

II. ZJIANOE 8

HI. CORBAC 10

IV. BOEZJOR 13

V. GROEJA DE GEVREESDE 16

VI. VILCAN 23

VII. ROVERS-DOINA 30

VERKLARINGEN 32


COLOPHON

Deze Roemeensche Volksballaden ingeleid en vertaald

door Marius Valkhoff werden gezet uit de

Bodoni en in Mei 1944 gedrukt in

een oplage, uitsluitend bestemd

voor vrienden en verwanten

van vertaler en

uitgever

More magazines by this user
Similar magazines