IV De dialectische benadering
IV De dialectische benadering
IV De dialectische benadering
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
<strong>IV</strong><br />
<strong>De</strong> <strong>dialectische</strong> <strong>benadering</strong><br />
1 Een <strong>dialectische</strong> <strong>benadering</strong> van kennis<br />
1.1 Inleiding<br />
<strong>De</strong> werken van G.W.F. Hegel (1770-1831) worden over het algemeen<br />
tamelijk obscuur gevonden. <strong>De</strong> complexiteit en circulariteit van zijn<br />
filosofische systeem is daar niet eens de belangrijkste oorzaak voor:<br />
centraal in dit systeem staat de opvatting dat onze kennis zich<br />
gedraagt als een zelf-ontwikkeling van begrip en dat die verloopt<br />
zoals onze ervaring verloopt: dynamisch, dialectisch. Keer op keer<br />
herhaalt Hegel posities die al aan bod zijn gekomen, maar steeds<br />
weer vanuit andere (hogere) gezichtshoeken. Het centrale thema<br />
van Hegels filosofie is de voortgang van de geschiedenis, opgevat als<br />
de voortgang van het menselijk denken. Hegel verwijst vaak naar<br />
eerdere filosofen, die hij beschouwt als leveranciers van interessante<br />
denkfouten, en als noodzakelijke stadia in een zich ontwikkelend<br />
denkproces, dat niet afdoende begrepen kan worden zonder kennis<br />
van die stadia.<br />
We hebben gezien hoe Kant de mogelijkheid van synthetische a<br />
priori waarheden heeft onderzocht. Om te verklaren hoe dergelijke<br />
waarheden gekend kunnen worden, betoogde Kant dat de menselijke<br />
geest zich niet in een volkomen passieve relatie tot zijn objecten<br />
bevindt, maar daar zelf de vormen voor aandraagt. Maar dan ook<br />
alleen de vormen: er blijven altijd nog 'Dinge an sich' over als een<br />
onkenbare (maar niet ondenkbare) rest. Net als Kant is ook Hegel<br />
geïnteresseerd in noodzakelijke waarheden, maar hij beschouwt die<br />
als historische waarheden. Hegel is het met Kant eens dat noodzakelijke<br />
waarheden door de geest gevormd moeten zijn, maar hij verwerpt<br />
de aanname van onkenbare 'Dinge an sich': zulke dingen zijn<br />
© Rob van Gerwen, 1992
Kennis in schoonheid<br />
niet intelligibel. Dit brengt hem tot de optie dat al het bestaande<br />
doordrongen moet zijn van geest.<br />
Volgens Hegel is onze kennis pas echt waar als ze af is, d.w.z. als<br />
ze een compleet systeem vormt (dat ook zichzelf tot onderwerp is).<br />
Zoals Hegel het in het voorwoord van de Phänomenologie des Geistes<br />
(1807) stelt: 'das Wahre ist das Ganze'. 1 <strong>De</strong>ze waarheid is echter<br />
tevens het zich ontwikkelende begrip van de werkelijkheid. Ze is<br />
daarom niet alleen object, maar ook subject van het denken. Dit<br />
complete systeem correspondeert niet met de werkelijkheid, het is de<br />
werkelijkheid in ontwikkeling.<br />
1.2 Kennis als subject<br />
1.2.1 Het denkende subject<br />
Volgens Hegel is de menselijke geest een goed model om het universum<br />
als geheel te begrijpen. 2 Het subject is volgens Hegel meer dan<br />
een verzameling vermogens waarvan het denken er een zou zijn.<br />
<strong>De</strong>nken staat centraal. Ieder begrip of voorstelling heeft naast een<br />
empirisch aspect ook een denk-aspect. Een suikerklontje bij voorbeeld<br />
heeft verschillende zintuiglijk waarneembare eigenschappen,<br />
maar 'dat het samenhangt' is een gedachte die in onze voorstelling<br />
ervan besloten ligt, en die niet zintuiglijk waargenomen kan<br />
worden. 3 Nu mogen we niet aannemen dat de gedachten die onze<br />
voorstellingen doortrekken ons zonder meer 'ter beschikking staan'.<br />
Wat zijn wij immers zonder die gedachtenvormen? Ik kan niet<br />
achter mijn denken terugtreden als een instantie die nog algemener<br />
is, als iets wat gebruik maakt van dit denken, omdat dit denken zelf<br />
het meest algemeen is. 4 <strong>De</strong>nken bestaat niet uit toestanden die ik<br />
'heb' of activiteiten die ik 'onderneem': mijn denken is identiek aan<br />
mijzelf. Ook Kant stelde dat het subject, de transcendentale apperceptie,<br />
het meest algemene is. Het is een lege notie, omdat het<br />
slechts transcendentaal 'bestaat', niet empirisch. Maar Hegel maakt<br />
hiertegen het bezwaar dat het ego níet leeg is maar juist identiek is<br />
aan de gedachten die het vervullen en de ontwikkeling die zich<br />
daarbinnen afspeelt.<br />
Het zuivere ego valt weliswaar samen met zuiver denken maar<br />
dat wil nog niet zeggen dat alle mensen ook dezelfde concepten<br />
gebruiken. Dit komt omdat niet iedereen zich in dezelfde mate van<br />
88
<strong>De</strong> <strong>dialectische</strong> <strong>benadering</strong><br />
zichzelf bewust is. Hier is sprake van verschillende gradaties: er zijn<br />
nogal wat stadia te doorlopen voordat iemand volledig zelfbewust<br />
is. 5 <strong>De</strong> wereld vanuit je eigen idiosyncratische opvattingen en gevoelens<br />
beschouwen, levert slechts een beeld op vanuit jouw perspectief.<br />
Om enige mate van objectiviteit te bereiken moet je dan<br />
ook van je eigen standpunt proberen af te zien. Nu heb je voor werkelijke<br />
objectiviteit geen perspectiefloze blik nodig (zoiets is ook onhaalbaar),<br />
maar toch is een verwerking van meerdere perspectieven<br />
wel vereist. Misschien bestaat er evenwel een objectiviteit die nog<br />
meer waar is dan een dergelijke intersubjectieve: mensen kunnen er<br />
toch massaal naast zitten? Wel, volgens Hegel is dit niet het geval.<br />
Hij koppelt de mate van objectiviteit, van waarheid van het denken<br />
aan de mate waarin van specificiteiten van het perspectief van de<br />
waarnemer wordt geabstraheerd. Het denken moet zich in zijn<br />
voorwerp verliezen, zich erin verdiepen. Door zo van allerlei oppervlakte-specificiteiten<br />
te abstraheren geeft het denken de essentie<br />
van de dingen weer. Niet alleen de mens, ook de wereld is redelijk. 6<br />
1.2.2 Onmiddellijke waarneming en het ware<br />
Als we ons bewust zijn van een mentale toestand, betekent dit dat<br />
onze onmiddellijke gewaarwording al bepaald is door gedachten, zélf<br />
is die onmiddellijke gewaarwording nl. volstrekt onbepaald. Wat<br />
zich onmiddellijk in ons hoofd afspeelt is geen voorwerp van bewustzijn;<br />
dat is het pas als het begrepen, geordend wordt. <strong>De</strong>scartes en<br />
de empiristen zagen dit anders: volgens hen behelsde dat wat zich<br />
onmiddellijk aan ons voordoet voldoende zekerheid om er het denken<br />
op te baseren. Dit is dan ook precies Hegels kritiek op de epistemologie<br />
van zijn voorgangers: onmiddellijke mentale toestanden<br />
hebben volgens Hegel nog geen inhoud en kunnen daarom geen fundament<br />
voor onze kennis vormen; ze worden pas door ons kennen<br />
bepaald. <strong>De</strong> geest begint weliswaar altijd bij een besef van zijn hier<br />
en nu, maar realiseert zich al snel door een algemenere context omgeven<br />
te zijn. Daarom moet hij uit zijn naïeve isolement treden. Het<br />
gaat dan niet meer om zintuiglijke zekerheid, maar om waarneming,<br />
waarneming van dingen die eigenschappen bijeenhouden.<br />
Ook hierbij blijft de geest evenwel niet stilstaan maar gaat zoeken<br />
naar algemeenheden, regelmatigheden, wetmatigheden: nu werkt<br />
vooral het verstand. Het verstand ontdekt echter tevens dat deze<br />
wetten zijn eigen wetten zijn (Kant) en keert met dit besef tot zich-<br />
89
Kennis in schoonheid<br />
zelf terug. Met andere woorden, eerst is de geest subjectief: ze is in<br />
zichzelf besloten, beperkt tot een idiosyncratisch perspectief: het<br />
hier en nu. Vervolgens objectiveert ze zich in de buitenwereld en ten<br />
laatste beseft ze hoe ze zodoende zichzelf ontwikkelt en wordt ze<br />
zelfbewust. <strong>De</strong>ze <strong>dialectische</strong> ontwikkeling kunnen we op allerlei<br />
niveaus en tijdstippen terugvinden: in een enkele ervaring, in de<br />
ontwikkeling van een mensenleven, maar evenzeer in de<br />
geschiedenis van een volk en in het universum als geheel.<br />
<strong>De</strong>ze dialectiek laat zich niet in een eenduidig schema vangen<br />
(these, antithese, synthese), maar volgt de beweging van de ervaring.<br />
Kennis nu, is niet alleen het resultaat van zo'n ontwikkeling,<br />
maar houdt tevens die ontwikkeling zelf in. We moeten het ware<br />
daarom niet alleen als substantie (als onderwerp) opvatten, maar<br />
ook als subject. (PG 23). Het ware is nl. slechts werkelijk voor zover<br />
het de beweging van het zichzelfponeren ofwel de bemiddeling van<br />
het andersworden van zichzelf is. Als subject brengt de geest een<br />
oppositie met het hier en nu (een 'buiten zichzelf') teweeg, en tevens<br />
een herstel op een hoger plan, dankzij reflectie. <strong>De</strong> geest vindt zichzelf<br />
terug in het anderszijn van het externe. Dat laatste – die reflectie<br />
– is het ware. Het ware is dus geen oorspronkelijke eenheid noch<br />
het onmiddellijke zelf. Het ware is het afgeronde geheel, maar dit<br />
geheel is niets dan een essentie die zich in zijn eigen ontwikkeling<br />
realiseert (in de beide betekenissen van dat woord). (PG 24). Het<br />
lijkt misschien onzinnig om het absolute als proces en resultaat van<br />
zo'n <strong>dialectische</strong> ontwikkeling op te vatten, maar dat is het niet: als<br />
je met een woord een zin wilt maken, dan moet dit in zijn andersheid<br />
overgaan, bemiddeld worden door de andere woorden in de<br />
zin. 7 <strong>De</strong> samenhang van de betreffende zin is dan niets anders dan<br />
het proces en de uitkomst van de betekenis-bewegingen van de<br />
woorden waaruit hij bestaat. In een propositie is er sprake van een<br />
conflict tussen de vorm van de zin en de eenheid van de begrippen<br />
die er deel van uitmaken. (PG 59). Subject en predikaat zouden<br />
identiek zijn, 8 maar dat je dit in een oordeel moet uitdrukken komt<br />
omdat ze dat dus eigenlijk niet zijn. Een zin drukt geen statische<br />
waarheid uit. Wat waar is aan een propositie is de ontwikkeling die<br />
de begrippen erin doormaken. Wetenschappelijk inzicht bestaat in<br />
en door deze 'arbeid van het begrip'. (PG 65).<br />
90
<strong>De</strong> <strong>dialectische</strong> <strong>benadering</strong><br />
1.2.3 Zelfontwikkeling van begrip<br />
Hegels fenomenologie van de geest gaat over het worden van de wetenschap.<br />
Ze begint met het onmiddellijke geestloze weten van het<br />
zintuiglijke bewustzijn. <strong>De</strong> overgang naar het eigenlijke weten is<br />
een bewerkelijk proces, want wat jou als bekend voorkomt nodigt<br />
niet bepaald uit tot onderzoek. Wat bekend is wordt volgens Hegel<br />
niet echt gekend. Als je een bepaalde voorstelling wilt analyseren,<br />
moet je dan ook eerst die vertrouwdheid opheffen. Onze intuïties<br />
zijn gebaseerd op vele overwegingen, maar die moeten we ons eerst<br />
bewust maken. We moeten het vertrouwde vervreemden: het beschouwen<br />
alsof het ons vreemd voorkomt, het 'onwerkelijk' maken,<br />
het a.h.w. ontkennen, 'negeren'. Pas dan komt ons inzicht in beweging<br />
en kan het zich ontwikkelen. (PG 35). Het negatieve in deze<br />
beweging naar het absolute weten is niet iets onwaars. Wie dat<br />
denkt meent dat 'waar' en 'onwaar' statische toestanden zijn, en is<br />
dogmatisch. Er bestaan wel statische waarheden, zoals die over<br />
bepaalde eenvoudige geometrische verhoudingen, of het geboortejaar<br />
van Caesar, maar die zijn van een andere soort dan filosofische<br />
waarheden. (PG 41).<br />
<strong>De</strong> verwerkelijking van deze beweging van het weten (van de<br />
wetenschap) behoort tot de logica, want die is niets anders dan het<br />
opbouwen van het geheel vanuit zijn zuivere wezen. Het gaat er hier<br />
niet om, om door het opstellen van tegenspraken noodzakelijke<br />
waarheden te achterhalen, zoals rationalisten en empiristen dat<br />
deden. <strong>De</strong> waarheid moet zich vanuit het eigen leven van het begrip<br />
ontwikkelen. (PG 47). Wie wetenschap wil bedrijven moet de 'inspanning<br />
van het begrip' op zich nemen. (PG 56).<br />
Een dergelijk wetenschappelijk begrijpen is heel iets anders dan<br />
redeneren. Voor het begrijpende denken is het negatieve gerelateerd<br />
aan de inhoud en wel als diens immanente beweging. Voor het<br />
begrijpen is het begrip zelf wordend voorwerp én subject. Het<br />
subject is hierbij dus geen statisch punt dat losstaat van zijn<br />
gedachten en deze als instrumenten kan gebruiken, maar het is het<br />
zich bewegende en zijn bepalingen weer in zich terugnemende<br />
begrip. Redeneren daarentegen overschrijdt de grenzen van het<br />
bestaande en is daarom in een absolute zin negatief: het zegt hoe<br />
dingen niet zijn. Het gaat uit van een op zichzelfstaand subject dat<br />
zijn gedachten als voor handen instrumenten hanteert.<br />
91
1.3 Kennis als systeem<br />
Kennis in schoonheid<br />
1.3.1 Kritiek op de epistemologie<br />
Het lijkt een natuurlijke zaak in de filosofie om je, voordat je je met<br />
je onderwerp (nl. het ware weten) gaat bezighouden, te verdiepen in<br />
de manier waarop je dat gaat doen. Er bestaan nl. verschillende<br />
kenwijzen en je moet natuurlijk de meest geschikte zien te kiezen.<br />
Je kunt echter niet op voorhand uitmaken welke dat is: je kunt niet<br />
beginnen zonder al te veronderstellen wat je op het punt staat om te<br />
gaan onderzoeken. (PG 68). Volgens Hegel zijn hier drie problemen<br />
mee verbonden. 1. Om te weten of een bepaalde bewering waar is,<br />
zouden we over een test (een criterium) moeten beschikken. Maar<br />
die test moet dan wel betrouwbaar zijn: ze moet er alle juiste beweringen<br />
uitlichten en alle onware ontmaskeren. Maar hoe kunnen we<br />
erachter komen of ze dat is? Daarvoor zouden we een test moeten<br />
hebben die dit onafhankelijk van de eerste test uitmaakt, etc. Dit<br />
probleem leidt tot scepticisme. 2. Voor alles wat ik voor waar houd<br />
moet ik een reden hebben. Of zo'n reden moet op zichzelf<br />
aangenomen worden, en dan is het een premisse, een aanname, of er<br />
is een andere reden nodig voor haar acceptatie, en die reden heeft<br />
dan ook weer een reden nodig, net zolang tot we ook hier op een premisse<br />
stuiten die we bereid zijn zonder bewijs aan te nemen. Maar<br />
premissen brengen het probleem met zich mee dat er voor hun aanname<br />
net zoveel redenen voor als tegen spreken, en dat geen van die<br />
redenen beslissend is. Ook niet de evidentie van de zintuiglijke<br />
gegevens, zoals we al zagen. Premissen vormen natuurlijk een<br />
wankele fundering voor onze kennis. 3. Het derde probleem m.b.t.<br />
kennis is dat haar objecten van een geheel andere aard zijn dan de<br />
mentale toestanden die we kennis noemen. Wie zegt dat die toestanden,<br />
mijn voorstellingen etc., op de juiste manier naar de objecten<br />
refereren? Ze zijn tenslotte het produkt van een of andere wisselwerking<br />
tussen mijn geest en die objecten en zijn dus voor een<br />
belangrijk deel van de geaardheid van mijn geest afhankelijk.<br />
In het epistemologisch project is verondersteld dat het kennen<br />
een soort werktuig is en dat er een onderscheid bestaat tussen ons<br />
kennen en absolute waarheid. Maar volgens Hegel is waarheid<br />
alleen waarlijk kennen wanneer ze van het standpunt van de afgeronde<br />
totaliteit van het denken uitgaat. Ons kennen maakt dus deel<br />
uit van het absolute. Als je stelt dat het kennen het absolute niet<br />
92
<strong>De</strong> <strong>dialectische</strong> <strong>benadering</strong><br />
kan vatten mag je er niet vanuit gaan dat het andere waarheden<br />
(die van de zintuigen) wel zou kunnen vatten. (PG 70).<br />
Hegel vindt het stellen van epistemologische vragen dan ook een<br />
foute onderneming. Je kunt de stelling dat ons kennen begrensd is<br />
volgens Hegel niet alleen nooit rechtvaardigen, je kunt hem zelfs<br />
niet coherent doen: want het veronderstelt dat je dát wel<br />
onbegrensd kunt inzien. Kant kwam al tot de conclusie dat we<br />
slechts verschijnselen kennen en niet de dingen zelf, omdat we nl.<br />
de fundamentele structuur van de objecten van ons kennen, bij<br />
voorbeeld de causale ordening van de natuur, a priori kunnen kennen.<br />
Omdat we geen a priori kennis kunnen hebben van iets wat<br />
verschilt van onszelf, moet deze kennis wel door ons kenapparaat<br />
gevormd zijn, en is ze dus in laatste analyse kennis over onszelf.<br />
Hegel accepteert evenwel Kants scherpe distinctie tussen a priori en<br />
empirisch niet. Volgens hem is onze kennis van de natuur beide:<br />
eerst is ze ontdekt door de empirische wetenschappen en vervolgens<br />
is ze door filosofen van zuiver denken afgeleid. Volgens Hegel<br />
betekent dit niet dat daarom onze kennis uitsluitend over<br />
verschijnselen gaat; sterker nog: hoe meer ze met deze a priori<br />
structuur in overeenstemming is hoe objectiever ze is. Volgens<br />
Hegel is de wereld geest, wat betekent dat met zijn filosofie, waarin<br />
het denken (de geest) immers tot dit zelfbewustzijn is geraakt, het<br />
project van het denken niet alleen afgerond, maar tevens<br />
gelegitimeerd is.<br />
1.3.2 Het systeem als een cirkel<br />
Maar zulke argumenten zijn niet nodig voor Hegel om te concluderen<br />
dat wij niet in staat zijn grenzen aan ons kennen toe te schrijven.<br />
Alleen al zijn problematisering van aannames voldoet om aan<br />
te geven dat geen enkel intern kenmerk voldoende is om dergelijke<br />
grenzen te bewijzen. Een kenproject moet altijd ergens beginnen: je<br />
moet dingen aannemen: bij voorbeeld dat woorden iets betekenen en<br />
dat ze samenhangen, dat sommige proposities waar zijn en sommige<br />
argumentaties correct. Welnu, zulke aannames zou je zoveel mogelijk<br />
moeten elimineren, maar hoe doe je dat? In een axiomatisch<br />
systeem beperk je de aannames tot enkele axioma's, postulaten en<br />
redeneerregels. Wanneer we zodoende expliciet de stappen tonen die<br />
we in ons denken zetten, is het gevaar van vergissing zo klein mogelijk.<br />
Maar voor Hegel is dit niet genoeg. Er bestaat niet slechts een<br />
93
Kennis in schoonheid<br />
enkele correcte volgorde van afleiding: twee verschillende afleidingssystemen<br />
kunnen beide even correct zijn. Bovendien heb je in een<br />
axiomatisch systeem de ondefinieerbare elementen weliswaar<br />
zoveel mogelijk in zicht gebracht, maar geëlimineerd zijn ze nog<br />
altijd niet, en wie zegt dat juist deze axioma's de juiste zijn?<br />
Hegel wil dit probleem van het begin oplossen door het systeem<br />
als een cirkel op te vatten. We kunnen oneindigheid vergelijken met<br />
een rechte lijn, maar evenzeer met een cirkel: aan geen van beide<br />
komt een einde, maar de beweging van de cirkel kunnen we volledig<br />
overzien, die van een rechte lijn niet. Circulaire oneindigheid is<br />
wezenlijk anders dan lineaire. 9 Hegels systeem van de wetenschap<br />
eindigt met een overzicht van de voorafgaande reeks, dat gepaard<br />
gaat met een verklaring van de methode waarmee die reeks gegenereerd<br />
is. In de Phänomenologie des Geistes bij voorbeeld gaat Hegel<br />
uit van het onderscheid tussen een 'wij' (lezer en auteur) en de vormen<br />
van het bewustzijn waar het boek over gaat. Naarmate het<br />
boek voortgaat zien we allerlei fasen en facetten van het bewustzijn<br />
aan ons voorbijtrekken, o.a. in zijn relaties met andere bewustzijnsvormen<br />
die dit bewustzijn zelf niet kan overzien. Aan het eind van<br />
dit werk heeft deze opeenvolging van bewustzijnstoestanden een<br />
zodanige ontwikkeling doorlopen dat het bewustzijn op het standpunt<br />
is komen te staan waarin het al de beschreven fasen en toestanden<br />
kan overzien. In dit zelfbewustzijn is de geest weer tot zichzelf<br />
teruggekeerd en is het denkproject afgerond.<br />
1.4 Verwerkelijking van de geest<br />
1.4.1 Objectieve en absolute geest<br />
Tot nog toe is in dit hoofdstuk (het standpunt van) de filosofie beschreven.<br />
Voordat evenwel de geest deze hoogste verwerkelijking<br />
bereikt, moet ze eerst een aantal stadia doorlopen hebben. Ze moet<br />
zich objectiveren in vormen van menselijk samenleven, en ook hierin<br />
doorloopt ze een <strong>dialectische</strong> ontwikkeling. Naarmate deze ontwikkeling<br />
van de 'objectieve geest' vordert komt de geest ook meer<br />
en meer tot zelfbewustzijn. Hegel noemt dit laatste zelfbewustzijn<br />
'absolute geest', omdat de geest hier weer bij zichzelf terugkeert,<br />
maar nu tegelijk zijn hele ontwikkeling overziet. Van deze absolute<br />
94
<strong>De</strong> <strong>dialectische</strong> <strong>benadering</strong><br />
geest bestaan er drie stadia: kunst, religie en als culminatiepunt, de<br />
filosofie.<br />
<strong>De</strong> staat, d.w.z. de organisatie van de samenleving waarbij een<br />
beperkte regering zorg draagt voor de ontwikkeling van een geheel<br />
volk, is van alle manieren waarop volkeren hun zelfbegrip hebben<br />
veruiterlijkt, de beste. Het is de hoogste realisering van de 'geobjectiveerde'<br />
geest. Hier moeten we even bij stilstaan. Handelingen en<br />
praktijken kunnen we opvatten als uitdrukkingen van bepaalde<br />
ideeën die niet op dezelfde manier in concepten uitgedrukt kunnen<br />
worden. Zo kunnen we de praktijk van besluitvorming via het stemmen<br />
beschouwen als een uitdrukking van bepaalde ideeën omtrent<br />
het individuele en de verhouding daarvan tot de gemeenschap. <strong>De</strong>ze<br />
praktijk van het stemmen kunnen we dus begrijpen als een vorm<br />
van bewustzijn (hoewel geen expliciete) van onszelf als individuen in<br />
een gemeenschap. Ze is evenwel geen voorstelling, geen representatie<br />
van wat dan ook, ze geeft nergens een afbeelding van, maar is<br />
zelf een realisering van onze inzichten in hoe we onze samenleving<br />
redelijk kunnen besturen.<br />
<strong>De</strong> staat is echter niet de absoluut hoogste verwerkelijking van de<br />
geest, want die bestaat in diens zelfbewustzijn. Om tot zelfbewustzijn<br />
te komen heeft de geest media nodig waarin zulke zelf-reflectie<br />
uitgedrukt kan worden. <strong>De</strong> staat als een in de geschiedenis van de<br />
menselijke ontwikkeling gerealiseerde objectieve ontwikkeling is<br />
hiervoor niet geschikt, omdat het een buiten zichzelf treden van het<br />
geestelijke plan in instituties en praktijken impliceert. Maar ook in<br />
een andere zin moet de ware verwerkelijking van de geest de staat<br />
achter zich laten; staten zijn immers altijd de uitdrukking van een<br />
specifieke historische en culturele toestand, en de zich uiteindelijk<br />
volledig realiserende geest moet hier boven staan. <strong>De</strong> absolute geest<br />
is een bewustzijn van het geheel, dus van alle volkeren en staten,<br />
van de gehele werkelijkheid. Dit betekent evenwel niet dat de geest<br />
pas tot zelfbewustzijn kan komen ná de totstandkoming van de<br />
staat. Beider ontwikkelingen maken dezelfde stadia door en zijn in<br />
grote mate met elkaar verstrengeld. Europa moest bij voorbeeld<br />
eerst de Reformatie doormaken voordat het tot de realisering van de<br />
staat kon komen.<br />
95
Kennis in schoonheid<br />
1.4.2 Kunst, religie en filosofie<br />
<strong>De</strong> absolute, zelfbewuste, geest heeft drie niveaus. Het enige volledig<br />
adequate zelfbegrip van geest is ingebed in het zuivere conceptuele<br />
denken van de filosofie, dat volledig transparant is. Op weg<br />
hier naar toe maken mensen echter vaak gebruik van onheldere<br />
religieuze voorstellingen. Hierbij denkt de mens niet conceptueel<br />
over God, maar in beelden. Omdat dit echter een onduidelijk medium<br />
is, komt men zo niet tot heldere inzichten omtrent Gods<br />
relatie met de werkelijkheid. Dit komt omdat beelden twee niveaus<br />
van betekenis hebben: een oppervlakkig niveau en het<br />
dieperliggende eigenlijke betekenisniveau. Omdat beide<br />
betekenisniveaus andere eigenschappen hebben, kan men hiermee<br />
geen transparante referentie bereiken. Als beelden al niet ronduit<br />
misleidend zijn, moeten we er vaak geheimzinnigheden in toestaan,<br />
momenten die meerdere interpretaties toelaten.<br />
Zo verschijnt de zondeval ons in eerste instantie als een verhaal<br />
over een man en een vrouw die een appel eten van de boom der kennis,<br />
etc. <strong>De</strong> diepere betekenis is evenwel dat de mens zich in zijn<br />
eindigheid verre moet houden van de absolute geest, en dat de erkenning<br />
van de eindigheid van de mens zijn zondeval noodzakelijk<br />
maakt. <strong>De</strong>ze diepere waarheid kan evenwel pas waarlijk geformuleerd<br />
worden, wanneer je de beschikking hebt over de filosofische<br />
concepten 'eindig', 'oneindig', 'universeel', 'particulier', enz. Zolang<br />
mensen nog niet zover zijn, moeten ze een ruwer medium hanteren,<br />
nl. de vertelling. Het primaire betekenisniveau hiervan neemt echter<br />
helaas de vorm van het handelen van concrete individuen aan,<br />
als gevolg waarvan het inzicht dus in eerste instantie niet zijn<br />
wezenlijk universele gedaante heeft. Het religieuze voorstellen<br />
moeten we dus als minder adequaat lager plaatsen dan het filosofische<br />
denken. Maar het voorstellen is daarom nog niet het laagste<br />
niveau, want het heeft nog altijd enig verband met ideeën, ook al<br />
worden die dan in een niet zo erg adequaat medium tot uitdrukking<br />
gebracht.<br />
Een niveau – nog lager dan de religie, is de kunst, waar beelden<br />
niet langer verwijzen naar gedachten, maar waarin deze uitsluitend<br />
als zintuiglijke vormen bestaan. <strong>De</strong>ze opvatting doortrekt Hegels<br />
onderscheid van kunst tegenover religie en filosofie. <strong>De</strong>ze laatste<br />
twee zijn nl. ieder op hun eigen manier wel representaties van iets –<br />
religie d.m.v. afbeeldingen, filosofie d.m.v. concepten. Hiertegenover<br />
zegt het kunstwerk niets: de boodschap of het inzicht is gelegen in<br />
96
<strong>De</strong> <strong>dialectische</strong> <strong>benadering</strong><br />
hetgeen we er in zien en iedere beschrijving van zijn inhoud doet dit<br />
tekort en is voortdurend aan tegenspraak en herformuleringen<br />
onderhevig. In de filosofie wordt het bedoelde door concepten uitgedrukt,<br />
die rechtstreeks (ze zijn immers transparant) verwijzen naar<br />
de gedachten, terwijl in kunstwerken het bewustzijn in een extern<br />
zintuiglijk object belichaamd is en er niet naar verwijst. Kunst kan<br />
wel gebruikt worden om iets voor te stellen (bij voorbeeld binnen de<br />
religie), maar in zijn eigenlijke, hoogste gedaante is ze slechts een<br />
wezenlijke manier voor de waarheid om zich te tonen (te presenteren,<br />
niet te representeren). Bij een filosofische beschrijving kunnen<br />
we de woorden waarmee naar het begrip wordt verwezen gevoeglijk<br />
vergeten. Van het kunstwerk blijft er evenwel niets over wanneer<br />
we dat weglaten met behulp waarvan de mededeling gedaan is: het<br />
absolute zelfbewustzijn dat door een kunstwerk wordt<br />
gepresenteerd is één met het betreffende werk. <strong>De</strong> religieuze voorstelling<br />
ligt tussen deze twee extremen in, omdat ze net als de filosofische<br />
beschrijving probeert het absolute weer te geven, maar<br />
hierbij afbeeldingen gebruikt (net als kunst).<br />
2 Een <strong>dialectische</strong> <strong>benadering</strong> van esthetica<br />
2.1 Inleiding<br />
Is Hegel met deze notie teruggekeerd tot het idee dat kunst mimesis,<br />
imitatie van de werkelijkheid is? Zeker niet, hij heeft zich wel<br />
degelijk rekenschap gegeven van Kants Kritik der Urteilskraft. Ook<br />
Hegel vat schoonheid op als veroorzaakt door het samenkomen van<br />
het zintuiglijke en het ideële; ook hij ziet het kunstwerk als iets wat<br />
een doelmatigheid bezit, die niet aan externe doelen gerelateerd kan<br />
worden; evenmin acht hij het mogelijk om een conceptuele definitie<br />
van een kunstwerk te geven. Maar volgens Hegel is kunst wel het<br />
voertuig van een visie op de werkelijkheid. Hiermee is Hegel evenwel<br />
niet tot het rationalisme teruggekeerd: voor hem is kunst een<br />
vorm van bewustzijn van het idee en niet een representatie ervan.<br />
Kunst laat aspecten van dingen weg, bij voorbeeld de tijdsdimensie<br />
in schilderkunst, ze is dus geenszins een mimetische slaaf van<br />
hetgeen ze uitbeeldt. Ze beeldt ook eigenlijk niet af, maar reduceert<br />
de zintuiglijke aspecten om de noodzaak van de geest zichtbaar te<br />
97
Kennis in schoonheid<br />
maken: ieder kunstwerk is zo door een innerlijk zelfdoel geordend:<br />
alle delen ervan bestaan er voor de gehele boodschap. <strong>De</strong>ze boodschap<br />
ligt niet ergens voorbij het kunstwerk (dat daar dan naar verwijst),<br />
maar in het kunstwerk. Net als een levend wezen kent het<br />
kunstwerk een inwendige doelmatigheid, maar deze is in een kunstwerk<br />
slechts de manifestatie van een idee en is per se niet op een<br />
uitwendig doel gericht. Het hele zintuiglijke bestaan van het kunstwerk<br />
is er alleen maar op gericht dit idee, deze interne doelmatigheid<br />
te tonen, ze dient nergens anders toe. Kunst is inderdaad belangeloos,<br />
het zintuiglijke in kunst is geen object van enig verlangen.<br />
Omdat kunst een presentatie van een idee is en geen representatie<br />
en daardoor de helderheid van de hogere vormen van de absolute<br />
geest mist, kunnen we kunstwerken ook nooit exact definiëren. <strong>De</strong><br />
kunstenaar kan nooit even duidelijk zijn over de middelen die hij<br />
gehanteerd heeft, als de filosoof over zijn woorden. <strong>De</strong>ze onmogelijkheid<br />
is essentieel voor de schone kunst. Een kunstwerk dat<br />
alleen maar iets wil zeggen wat eigenlijk al duidelijk is, voldoet<br />
volgens Hegel niet aan het doel van kunst. Voor gedachten die we<br />
conceptueel helder kunnen beschrijven, is de kunstvorm overbodig.<br />
Omdat in kunstwerken ons bewustzijn zich nog in externe zintuiglijke<br />
vormen moet meedelen, d.w.z. omdat het nog extern aan<br />
zichzelf is, behoeft het nog een verdere ontwikkeling in expliciete<br />
conceptuele beschrijvingen. Door deze opvatting lijkt Hegel toch<br />
weer in het kamp van de rationalisten terecht te komen. Maar in<br />
tegenstelling tot Leibniz acht Hegel het kunstwerk geen verwarde<br />
representatie die weggereduceerd dient te worden, maar een<br />
bewustzijnsvorm die in het geheel niet representatief is. Het kunstwerk<br />
is geen vorm van referentie naar, maar een belichaming van<br />
zijn onderwerp, zijn idee. Het is het schijnen van het idee zelf. Het<br />
kunstwerk moet dan ook niet op zijn vermeende correspondentie beoordeeld<br />
worden. Het heeft geen zin je af te vragen of het zijn onderwerp<br />
wel correct weergeeft. Zelfs de oorspronkelijke vage ervaring<br />
die de kunstenaar in zijn werk opnieuw heeft proberen op te wekken,<br />
is onvergelijkbaar met de vorm die zij in het kunstwerk heeft<br />
gekregen.<br />
98
2.2 <strong>De</strong> discipline esthetica<br />
2.2.1 Filosofie van de kunst<br />
<strong>De</strong> <strong>dialectische</strong> <strong>benadering</strong><br />
Volgens Hegel is de term 'esthetica' eigenlijk niet geëigend, en zou je<br />
over filosofie van de kunst moeten spreken. Dan wordt nl. vanaf het<br />
begin duidelijk dat het niet uitsluitend om het zintuiglijke gaat,<br />
maar bovenal over een produkt van de menselijke geest en tevens<br />
wordt zo het natuurschone uitgesloten. Dit is geen willekeurige<br />
afgrenzing van het onderwerp (en dus een aanname): het kunstschone<br />
staat nu eenmaal hoger, omdat het aan de geest ontsproten is.<br />
(VA 14). Maar 'hoger' zegt nog niet veel, want dan lijkt het alsof<br />
kunst en natuur vergelijkbare grootheden zijn en alleen maar kwantitatief<br />
(en dus uiterlijk) verschillen. Het hogere van de kunst is<br />
echter evenmin relatief, want alleen de geest is het ware en alles<br />
omvattende en kunst is pas waarlijk mooi voor zover ze deel heeft<br />
aan de geest. Natuurschoonheid vormt hiervan een afspiegeling,<br />
meer niet. Niet voor niets is nog niemand op het idee gekomen om<br />
een wetenschap van de natuurschoonheden op te zetten, zoals die<br />
bij voorbeeld wel bestaat van het geneeskrachtige nut van planten.<br />
Voor ons is de natuur te onbepaald; wij ontberen hier de criteria<br />
voor schoonheid.<br />
Hegel vraagt zich echter expliciet af of een filosofie van de kunst<br />
wel bestaansrecht heeft. Is zij een wetenschappelijke behandeling<br />
waardig? Zoiets onserieus als kunstschoonheid (en het genoegen<br />
daaraan) serieus benaderen lijkt misplaatst. Daar komt bij dat<br />
kunst overbodig lijkt, een luxe-artikel: voor onze praktische doelen<br />
levert ze weinig op. Bovendien bedient ze zich van schijn en illusie:<br />
dan zal ze ons toch zeker geen waarheid kunnen leveren? Kunst<br />
lijkt dus een wetenschappelijke behandeling niet waardig, omdat zij<br />
hiervoor te speels is. Ten tweede is het nog maar de vraag of ze wel<br />
voor zo'n behandeling geschikt is. Schoonheid is volgens Hegel voor<br />
de zintuiglijkheid gemaakt en behoeft daarom andere media dan het<br />
denken. Bovendien genieten we juist van de vrijheid in de produktie,<br />
en wordt de kunstenaar geroemd vanwege zijn fantasie. <strong>De</strong>ze vrijheid<br />
en fantasie maken ieder volledig inzicht natuurlijk onmogelijk.<br />
<strong>De</strong> wetenschap echter is er juist op uit van al dergelijke bijzonderheden<br />
te abstraheren; dat is ook precies de reden waarom onze<br />
verbeeldingskracht buiten haar bereik valt.<br />
99
Kennis in schoonheid<br />
Welnu, Hegel acht de kunst wel waardig om wetenschappelijk onderzocht<br />
te worden. Volgens hem heeft kunst meer met de wetenschap<br />
gemeen dan we denken. Zo zal de wetenschap, als ze haar<br />
eigen doelen wil verwerkelijken, zich van iedere dienstbaarheid<br />
moeten losmaken. Dat nu is precies wat er bij de kunst gebeurt: net<br />
als religie en filosofie moet kunst in vrijheid de diepste belangen van<br />
de mens, de alomvattende waarheden van het bewustzijn tot uitdrukking<br />
brengen. Kunst moet niet willen behagen. Ze drukt het<br />
hoogste slechts op een specifieke manier uit, nl. zintuiglijk. Schone<br />
kunst is een verzoenend tussenstadium tussen de uiterlijke vergankelijke<br />
natuur en de zuivere gedachten. Is kunst dan niet onwaardig<br />
vanwege haar illusoire karakter? Nee, 'schijn' is essentieel voor 'inzicht':<br />
waarheid moet verschijnen, moet vóór een geest bestaan. Dus<br />
schijn als zodanig kan het bezwaar niet zijn. Daarenboven moet je<br />
de schijn van de kunst volgens Hegel ook niet als illusie zien. Wij<br />
zijn geneigd de waargenomen werkelijkheid meer substantie toe te<br />
dichten dan de kunst, maar daar klopt niets van: juist de empirische<br />
onmiddellijkheid is illusoir. (VA 53). We moeten, zoals we al zagen,<br />
voorbij de onmiddellijkheid van de gewaarwording en ook voorbij de<br />
uiterlijke objecten, om de ware werkelijkheid te vinden.<br />
In kunstwerken verschijnt daarenboven een uit geest geboren<br />
werkelijkheid, en dat is een goede zaak. <strong>De</strong> kunst toont ons essenties.<br />
Vergeleken met de waarheid van de filosofie en de religie komt<br />
de kunst natuurlijk wel lager uit. In kunst worden essentiële inzichten<br />
immers zintuiglijk geobjectiveerd: juist vanwege deze vorm is ze<br />
in haar inhoud beperkt. Om inhoud van kunst te zijn moet een gedachte<br />
zodanig gevormd zijn dat ze zich in het zintuiglijke kan<br />
uiten.<br />
<strong>De</strong> Griekse goden waren hiervoor wel geschikt, maar de christelijke<br />
waarheidsopvatting gaat dieper, en hieraan kan het zintuiglijke<br />
niet langer adequaat uitdrukking geven. Volgens Hegel is ons huidige<br />
verlichte leven bewust en redelijk geworden en is het noodzakelijk<br />
om algemene gezichtspunten vast te leggen om met behulp<br />
daarvan het bijzondere te regelen. Ziedaar het belang van rechten,<br />
wetten, en instituties. Voor interesse in en produktie van kunst is<br />
evenwel een levendigheid nodig die niet door algemene regels<br />
bestierd wordt, maar die als één met het gemoed wordt ervaren.<br />
Kunst fungeert daarom voor ons niet langer als medium voor kennisoverdracht,<br />
wat des te meer reden is om er goed (d.w.z. wetenschappelijk)<br />
over na te denken. <strong>De</strong> kunst is een produkt van de zelfbewuste<br />
geest; ze bestaat niet uit wilde willekeur. In kunst ver-<br />
100
<strong>De</strong> <strong>dialectische</strong> <strong>benadering</strong><br />
vreemdt het denken zichzelf in het uitwendige maar dat doet ze<br />
zodanig dat het werk niet tegenover het geestelijke komt te staan,<br />
maar dit impliceert. <strong>De</strong> geest legt zowel haar inhoud als haar<br />
vormen duidelijke grenzen op: door een bepaalde inhoud is meteen<br />
ook de bijbehorende vorm bepaald. Het denken over kunst houdt<br />
een terug-herkenning in van het denken zelf zoals het in dit andere<br />
belichaamd is. (VA 28). Kunst is een wetenschappelijke <strong>benadering</strong><br />
waardig en ze is er ook geschikt voor.<br />
2.2.2 Wetenschappelijke <strong>benadering</strong>swijzen van de kunst<br />
Er bestaan verschillende mogelijke wetenschappelijke <strong>benadering</strong>en<br />
van de kunst. <strong>De</strong> kunstgeschiedenis is een empirische <strong>benadering</strong><br />
die erin bestaat een zo goed en volledig mogelijk overzicht te krijgen<br />
van de verschillende soorten, genres en stijlen van kunst en hun<br />
ontwikkelingen. (Dit veronderstelt overigens ook een rijke verbeeldingskracht<br />
om de diverse kunstvormen met elkaar te kunnen<br />
vergelijken). <strong>De</strong> algemene gezichtspunten die binnen de kunstgeschiedenis<br />
worden aangehangen, moeten geëxpliciteerd worden<br />
en veralgemeend tot kunsttheorieën. Bij Aristoteles, Horatius,<br />
Longinus etc. waren dit soort theorieën echter vooral bedoeld als<br />
voorschriften en regels voor de voortbrenging van kunstwerken en<br />
om de smaak te vormen. Zulke theorieën zijn evenwel te beperkt<br />
van opzet en uitwerking om diep inzicht in het geestelijke van kunst<br />
teweeg te brengen. Omwille van een dieper begrip van de kunsten<br />
van alle tijden en volkeren (waarvoor sinds de romantiek veel aandacht<br />
is ontstaan) moeten we volgens Hegel het wezen van kunst en<br />
schoonheid opnieuw bepalen, maar nu grondiger dan in de voorafgaande<br />
kunsttheorieën gebeurde. Die theorieën beschouwt Hegel<br />
als verouderd.<br />
We moeten in de filosofie van de kunst uitgaan van het idee. In<br />
het filosofische begrip van het schone moet de metafysische algemeenheid<br />
van het idee verenigd worden met de concrete bijzonderheid<br />
van zijn zintuiglijke gestalte in het kunstwerk. Tegen schoonheid<br />
is regelmatig ingebracht dat het strikt subjectief is en daarom<br />
niet noodzakelijk met het object samenhangt. Volgens Hegel laat<br />
zich een dergelijke noodzakelijkheid echter pas vaststellen, wanneer<br />
we inzicht in het begrip van het schone hebben; dááruit moet de<br />
concrete schoonheid van een kunstwerk afgeleid kunnen worden.<br />
Maar omdat we waarlijk inzicht in dit begrip pas kunnen hebben<br />
101
Kennis in schoonheid<br />
wanneer het systeem van het weten afgerond is, neemt Hegel een<br />
kritiek van reeds bestaande opvattingen als startpunt. (VA 43).<br />
2.2.3 Alledaagse voorstellingen van de kunst<br />
1. Het kunstwerk opvatten als een produkt van menselijk activiteit,<br />
heeft menigeen ertoe gebracht creativiteit te beschouwen als iets<br />
wat nagevolgd en aangeleerd kan worden. (VA 44). Het is precies<br />
deze opvatting die tot de reeds gewraakte kunsttheorieën heeft geleid.<br />
Volgens Hegel kan dit slechts formeel regelmatige en mechanische<br />
produkten tot gevolg hebben; alleen voor het voortbrengen<br />
dáárvan heb je nl. niets concreets nodig, en kun je je tot voorschriften<br />
beperken. In het artistieke gebied hebben we echter met inhoudsvolle<br />
dingen te maken. Kunstzinnige produktie is dan ook<br />
geen formele bezigheid, maar een geestelijke activiteit, en geen<br />
enkele regel kan hiervoor afdoende zijn. Men is daarom gaan<br />
denken dat kunst opgevat moet worden als het produkt juist van<br />
een uitermate begaafde activiteit (dus geen algemeen gangbare). <strong>De</strong><br />
kunstenaar moet zich volledig losmaken van algemene regels en<br />
wetten om tot zijn resultaten te komen. Zelfs bewuste reflecties zouden<br />
uit den boze zijn: genie moet instinctief produceren. Dat creativiteit<br />
een aangeboren natuurvermogen is klopt wel tot op zekere<br />
hoogte, maar dat betekent niet dat ieder bewustzijn hiervoor nadelig<br />
is. Volgens Hegel moet de kunstenaar nl. wel degelijk nadenken<br />
over de eigenschappen van het uiterlijke materiaal en over de manier<br />
waarop hij zich daarin uitdrukt. (VA 46). Bovendien moet hij de<br />
diepten van het menselijk gemoed uitdrukken, en dat veronderstelt<br />
grondige studie. (Dit verschilt natuurlijk wel per kunstvorm). Het<br />
kunstwerk onderscheidt zich zo van de verschijnselen van de<br />
natuur. Het is aan zijn opervlakte dood, maar het bevat wel leven in<br />
de diepte. Het is dan ook niet zijn uiterlijkheid die het kunstwerk<br />
mooi maakt, maar zijn geestelijke diepgang. Om deze reden staat<br />
het ook hoger dan elk natuurprodukt. Een landschapsschilderij is<br />
van een hogere orde dan het landschap zelf.<br />
<strong>De</strong> mens voldoet overigens ook aan een behoefte door kunst te<br />
produceren. Hij wijzigt de werkelijkheid om er de effecten van zijn<br />
eigen activiteit in te bewonderen, zoals wanneer we een steen in het<br />
water gooien en naar de kringen kijken. (VA 51). Hij bevredigt zijn<br />
behoefte aan geestelijke vrijheid door innerlijk zijn voor-zichzelf-zijn<br />
een vorm te geven, en dit vervolgens te veruiterlijken. <strong>De</strong>ze vrije<br />
102
<strong>De</strong> <strong>dialectische</strong> <strong>benadering</strong><br />
redelijkheid is oorsprong van al het handelen en denken, dus ook<br />
van de kunst.<br />
2. Een andere opvatting van het kunstwerk ziet dit als iets wat<br />
voor de zintuigen en het gemoed van de mens bedoeld is. Maar zoals<br />
we al zagen is dat wat strikt aan het zintuiglijke beantwoordt<br />
(d.w.z. los van het denken) abstract en onbepaald. Men kan zich<br />
beter met de zaak zelf bezig houden, met het kunstwerk, en niet met<br />
dergelijke subjectieve affecten. Nadat men inzag dat een kunstwerk<br />
geen gevoelens in het algemeen moet voortbrengen, maar schoonheid,<br />
ging men ertoe over een speciaal zintuig hiervoor te identificeren:<br />
de smaak. Theorieën hierover kenmerkten zich evenwel door<br />
vaagheid, bij ontstentenis van een criterium voor deze smaak. Voor<br />
de 'man met smaak' is daarom de 'kenner' in de plaats gekomen. We<br />
hebben al gezien dat het kennerschap (van de kunsthistoricus) iets<br />
positiefs is, omdat het inzicht en vergelijkingen mogelijk maakt.<br />
Maar het is niet voldoende: de kenner kan nl. blijven steken bij<br />
historische, technische, uiterlijke aspecten, zonder enig besef te<br />
hebben van de ware aard van een kunstwerk. Sommige kenners<br />
vinden dit juist een goede <strong>benadering</strong>: zij geloven heilig in een<br />
kunstwetenschap die alleen met positieve feiten omgaat. Hegel ziet<br />
dat anders.<br />
Volgens Hegel presenteert het kunstwerk zich inderdaad aan onze<br />
zintuigen net als andere dingen, maar bestaat het ook voor onze<br />
geest: die moet erdoor beïnvloed en bevredigd worden. <strong>De</strong> concrete<br />
gedaante van het kunstwerk – dus niet de algemene – interesseert<br />
ons evenzeer, dit evenwel niet ter bevrediging van een of andere<br />
begeerte. In het kunstwerk is het zintuiglijke nadrukkelijk aanwezig,<br />
daarmee onderscheidt het zich weer van de gedachte. (VA 60).<br />
Het zintuiglijke van het kunstwerk is echter niet onmiddellijk zoals<br />
dat van de natuurdingen, maar slechts als schijn: het is al ideëel.<br />
3. Aan welk doel komt de mens bij het produceren van kunstwerken<br />
tegemoet? Gaat het hier om het principe van nabootsing van de<br />
natuur: hoe beter nagebootst des te meer bevrediging? Hegel brengt<br />
een aantal argumenten tegen deze opvatting naar voren. In het<br />
principe van nabootsing ligt slechts een formeel doel besloten: de inhoud<br />
kan van alles zijn, want er bestaat geen noodzakelijk verband<br />
tussen deze inhoud en de uiteindelijke vorm van het werk. Je kunt<br />
je ook afvragen of het geen overbodige moeite is om iets te herhalen<br />
wat al bekend is. Bovendien zal de natuur het altijd beter doen dan<br />
wij. (VA 66). Nabootsing heeft ook al niets met schoonheid te maken:<br />
het gaat ons immers bij kunst niet om de kwaliteit van het object<br />
103
Kennis in schoonheid<br />
dat afgebeeld wordt (zijn schoonheid). In plaats daarvan moeten we<br />
ons nu afvragen of de gelijkenis wel groot genoeg is: correctheid is<br />
nu het criterium i.p.v. schoonheid. Bovendien gaat deze opvatting<br />
dat kunst moet nabootsen niet voor alle kunsten op. Poëzie en architectuur<br />
bij voorbeeld bootsen niets na. Het doel van kunst moet dus<br />
wel iets anders zijn.<br />
Waar gaat het ons met de kunst dan om? Moet ze soms gemoedsstemmingen<br />
bij de beschouwer opwekken, zodat die gevoeld en aanschouwd<br />
kunnen worden? Dat zou nl. zowel tot een verrijking van<br />
ons innerlijk leven leiden als van de wijzen waarop wij het innerlijk<br />
leven buiten ons waarnemen. <strong>De</strong>ze taak is echter nog formeler dan<br />
de eerste: het kunstwerk is hierbij helemaal een lege huls voor om<br />
het even welke inhoud: als het maar gevoelens opwekt; een louter<br />
subjectief criterium. Toch is dit inderdaad een doel voor de kunst. Ze<br />
moet ons in allerlei tegengestelde toestanden brengen. Maar dat<br />
moet ze dan wel doen omwille van een of ander hoger doel, zoals het<br />
temperen van de wildheid van onze begeerten. (VA 73). Ze doet dit<br />
door gevoelens voorstelbaar te maken: nu beschouwt de mens zijn<br />
driften i.p.v. erdoor meegesleept te worden. Dat gebeurt bij voorbeeld<br />
ook – maar dan op een onmiddellijke manier – door te huilen,<br />
of door gecondoleerd te worden: ook zo reflecteert men over zijn<br />
eigen verdriet. Het is barbaars om – romantisch – één te willen zijn<br />
met de (eigen) natuur. <strong>De</strong> kunst lost deze onmiddellijke eenheid<br />
juist op en tilt de mens daardoor boven deze natuurtoestand uit.<br />
Naast de tempering heeft men ook de zuivering van de hartstochten<br />
(morele opvoeding) tot het doel van het kunstwerk gerekend. Kunst<br />
moet dan zijn didactische inhoud wel impliciet meevoeren; want<br />
draagt het deze expliciet aan de oppervlakte, dan is de zintuiglijke<br />
gestalte opnieuw slechts overbodige franje, een leeg omhulsel. (VA<br />
77). Vorm en inhoud moeten met elkaar vergroeid verschijnen. Wat<br />
deze morele opvoeding betreft, merkt Hegel evenwel op dat het<br />
weliswaar verkeerd zou zijn wanneer een kunstwerk het immorele<br />
aanprijst, maar dat dit nog niet betekent dat kunst ook daadwerkelijk<br />
tot morele opvoeding bijdraagt. Zoiets is nl. een kwestie van<br />
interpretatie, en is dus een zaak van degene die de moraal uit het<br />
kunstwerk afleidt. Je kunt immers veel kanten op met kunstwerken.<br />
<strong>De</strong> leer van de morele verbetering waartegen Hegel zich hier<br />
verzet, gaat echter nog verder: ze eist van alle kunstwerken dát ze<br />
datgene verbeelden wat moreel goed is: men kan immers zijn onderwerpen<br />
kiezen … Volgens Hegel kunnen morele stellingen echter<br />
nooit aan mensen opgelegd worden, maar moeten mensen deze uit<br />
104
<strong>De</strong> <strong>dialectische</strong> <strong>benadering</strong><br />
hun eigen redelijkheid afleiden. Een dergelijke functie van kunst<br />
zou dus evenzeer tegen de moraal ingaan als tegen de eigenheid van<br />
de kunst. Kunst heeft slechts tot taak een uitbeelding te zijn van de<br />
verzoening van het zintuiglijke en het ideële.<br />
2.3 Kunst als presentatie van het idee<br />
2.3.1 Idee en begrip<br />
Het gaat in schone kunst om het idee, d.w.z. om het begrip voor<br />
zover dat in de werkelijkheid een wezenlijk individuele gestalte<br />
heeft gekregen. Maar begrip en werkelijkheid (objectiviteit) neutraliseren<br />
elkaar hierbij niet: begrip overheerst in deze eenheid, omdat<br />
het nl. in zichzelf al deze eenheid bezit. Het begrip onderscheidt zich<br />
van het idee doordat zijn verbijzondering abstract en algemeen is.<br />
Wie bij voorbeeld het begrip 'blauw' kent, heeft iets abstracts in<br />
gedachten, waarvan hij weet wanneer en op welke objecten hij het<br />
moet toepassen. Zo'n begrip is slechts gedacht, het is subjectief,<br />
d.w.z. in zichzelf besloten. Zodra het geobjectiveerd is, zijn zijn vooreerst<br />
nog slechts gedachte betekenissen (momenten) gescheiden<br />
gerealiseerd. Die momenten ontlenen hun betekenis aan momenten<br />
van andere begrippen, vandaar dat volgens Hegel deze betekenismomenten<br />
'bemiddeld' zijn. (VA 150). Een idee nu, is tegelijk de subjectieve<br />
eenheid van het begrip én de objectiviteit daarvan: d.w.z. een<br />
objectivering van het begrip waarin dit zich nog wel tot zichzelf verhoudt,<br />
dus geen vreemde uiterlijke objectiviteit. Wie een idee heeft<br />
van 'blauw' heeft meer dan een begrip; hij heeft tegelijk een beeld<br />
van het begrip, een objectivering die alle bijbehorende bepalingen<br />
inhoudt. Schone kunst nu is alleen díe precieze uitbeelding die bij<br />
een specifiek idee hoort. (VA 157).<br />
Wanneer nu het bewustzijn van het zintuiglijk geobjectiveerde<br />
begrip tegelijk met deze ideële eenheid ook de zintuiglijke gestalte<br />
onmiddellijk ervaart, is het kunstwerk mooi. Gebreken van kunstwerken<br />
komen niet alleen voort uit subjectieve onvolkomenheden<br />
van de kunstenaar, maar ook uit gebrekkige inhouden: denk aan de<br />
rare vormcombinaties ('onwaarheid' volgens Hegel) van de<br />
Egyptische sfinxen, enz. In dergelijke kunstwerken komt tot uiting<br />
dat de gedachten zelf nog slecht bepaald zijn. Want hoe bepaalder<br />
een idee is des te meer is ook zijn verschijningswijze bepaald: het<br />
105
Kennis in schoonheid<br />
abstracte idee heeft zijn verschijning nog als iets uiterlijks, maar<br />
het concrete idee is één met zijn verschijning, en is op deze manier<br />
pas echt waarachtig, ze is het ideaal. Het verstand is niet in staat<br />
schoonheid te begrijpen omdat het zaken gescheiden opvat: realiteit<br />
als losstaand van idealiteit, het zintuiglijke los van het begrip, het<br />
objectieve als iets anders dan het subjectieve, enz. Het kan de<br />
essentiële eenheid van schijn en idee niet vatten.<br />
2.3.2 Interne doelmatigheid<br />
Wanneer het oog de 'spiegel van de ziel' is, zou je het kunstwerk<br />
kunnen opvatten als een oneindige hoeveelheid ogen: ieder aspect<br />
ervan drukt de ziel uit, de samenhang van het werk. <strong>De</strong> 'ziel' van<br />
een kunstwerk is zijn idee, zijn waarheid. <strong>De</strong>ze bestaat niet in zijn<br />
overeenstemming met iets uiterlijks (nabootsing van de natuur),<br />
maar in een overeenstemming met zijn eigen innerlijk, dat al in<br />
zichzelf coherent is en zich daardoor in het uiterlijke werk kan uitdrukken.<br />
Het kunstwerk is doel op zich, 'Selbstzweck' (VA 155). In<br />
het kunstwerk worden allerlei uiterlijkheden die er voor deze innerlijke<br />
harmonie niet toe doen opzij gezet: door deze zuivering brengt<br />
het het ideaal te voorschijn. (VA 206). Vgl. de vrome uitdrukking<br />
van moederliefde op de Madonna's van Rafael: je zou kunnen zeggen<br />
dat iedere vrouw een dergelijke ziel moet hebben, maar dat niet<br />
iedere vrouwelijke fysiognomie ze op deze manier vermag uit te<br />
drukken. Hierin ligt de aard van het ideaal van de kunst: een reductie<br />
van al het uiterlijke tot het innerlijk dat er door uitgedrukt<br />
wordt.<br />
Het is zodoende een innerlijk zelfdoel dat het kunstwerk ordent:<br />
alle delen ervan bestaan er voor de gehele boodschap. Het hele<br />
bestaan van het kunstwerk is erop gericht dit idee, deze interne<br />
doelmatigheid te tonen, ze dient nergens anders toe. Het waarnemen<br />
van een dergelijke interne noodzakelijkheid nu ontroert ons;<br />
we noemen het mooi. Omdat het zintuiglijke hier alleen dient om<br />
deze doelmatigheid, dit idee te tonen, zonder aan enig extern doel<br />
tegemoet te komen, hebben wij er ook geen belang bij: kunst is<br />
inderdaad belangeloos.<br />
Naast hetgeen het kunstwerk representeert (voorstelt), presenteert<br />
het eigenlijk iets anders. In een roman bij voorbeeld, worden<br />
door het verhaal dat erin verteld wordt, altijd bepaalde overtuigingen<br />
meeverteld. <strong>De</strong>ze worden meestal nergens expliciet verwoord,<br />
106
<strong>De</strong> <strong>dialectische</strong> <strong>benadering</strong><br />
maar zullen wel in het begrip dat de lezer tijdens het lezen van het<br />
verhaal zal krijgen, worden meegenomen. <strong>De</strong> gebeurtenissen die in<br />
Oorlog en Vrede door Tolstoi verhaald worden, impliceren de<br />
gedachte dat de geschiedenis niet door grote mannen gemaakt<br />
wordt, maar dat die ook hen overvalt. Het is het verhaal, de voorstelling<br />
van het boek, dat dit idee presenteert.<br />
Voor het op elkaar afstemmen van de redelijke inhoud en de reële<br />
gestalte heeft de kunstenaar een wakker verstand en diepgang van<br />
gemoed nodig. Wie denkt dat de kunstenaar niet weet wat hij doet,<br />
zit ernaast. <strong>De</strong> ware inspiratie wordt ontstoken door een of andere<br />
bepaalde inhoud, die de fantasie aanzet hem in iets uiterlijks weer<br />
te geven. Maar hoe komt zo'n inhoud bij de kunstenaar terecht?<br />
Wel, het enige wat hiervoor vereist is is dat de kunstenaar in zijn<br />
onderwerp geïnteresseerd is, en dit tot zich wil laten spreken. Wat<br />
ís dan inspiratie? Niets dan het zich door het voorwerp laten meeslepen,<br />
vervullen; in het voorwerp tegenwoordig te zijn en niet<br />
rusten totdat het in een uiterlijke gestalte weergegeven is. Een<br />
dergelijke kunstzinnige produktie heeft volgens Hegel objectiviteit.<br />
Maar dat houdt meer in dan het op ons afkomen van een inhoud in<br />
het een of ander materiaal. <strong>De</strong> kunstenaar moet zowel de alledaagse<br />
inhoud als de alledaagse verschijningswijze wegstrepen om er de<br />
redelijkheid van uit te kunnen beelden.<br />
2.3.3 <strong>De</strong> geschiedenis van de kunst en haar vormen<br />
Zoals zijn hele theorie is ook Hegels opvatting over de kunstgeschiedenis<br />
teleologisch. Zoals we al zagen, is de kunst als geheel een<br />
inadequaat stadium van bewustwording van de geest, te vervangen<br />
door religie en beter nog, door filosofie. We kunnen ook binnen de<br />
geschiedenis van de kunst een <strong>dialectische</strong> ontwikkeling waarnemen.<br />
Voorop staat de functie van de kunst: het presenteren van<br />
ideeën. Zo onderscheidt Hegel drie periodes. In de Griekse beschaving<br />
komt de kunst voor het eerst en voor het laatst tot een hoogtepunt<br />
van adequaatheid. In deze periode wordt het idee nl. voor het<br />
eerst adequaat gepresenteerd en is er nog geen representatie voorhanden<br />
die méér afdoende is. <strong>De</strong> Grieken zien in dat het menselijk<br />
lichaam over het algemeen de meest adequate zintuiglijk waarneembare<br />
vorm van het idee is, en wel omdat de mens zelf al geest<br />
is. Ook de goden worden door de Grieken in de vorm van mensen<br />
begrepen. Hegel noemt dit de klassieke kunstvorm.<br />
107
Kennis in schoonheid<br />
Voordien, in bepaalde andere culturen, worstelen de mensen nog<br />
met een visie op het absolute als iets verhevens en voorbij het grijpbare,<br />
waarvoor dus geen adequate zintuiglijke vormen gevonden kan<br />
worden, wat tot gevolg heeft dat men de geest slechts door middel<br />
van symbolen kan suggereren, bij voorbeeld in de vorm van dierenfiguren.<br />
En omdat ze er steeds mee geconfronteerd worden dat de<br />
gekozen vormen niet lijken op de ideeën die ze daarmee proberen te<br />
symboliseren, verminken ze die vormen. Hegel beschouwt deze<br />
symbolische kunstvorm als typisch voor de Oriëntaalse religies<br />
(maar hij denkt hierbij voornamelijk aan de Egyptische, zoals de<br />
sfinx van Gizeh). Hun strijd om tot een visie op de geest te geraken<br />
is nog volledig ongereflecteerd. Ze beschouwen hun kunstwerken<br />
nog als pogingen om ongrijpbare transcendente krachten mee te<br />
symboliseren, maar wat ze hierbij niet beseffen is, dat ze daarmee<br />
eigenlijk naar een visie op de geest reiken. Kunst is immers een<br />
medium van het zelfbewustzijn van de geest; hierin reflecteren we<br />
over onze opvattingen over ons eigen bestaan.<br />
Na dit symbolische beginstadium ontstaat dan in de Griekse<br />
cultuur een 'kunst-religie'. Nu wordt voor het eerst een adequate<br />
presentatie van het absolute als geest gevonden. Er is hier niet van<br />
een louter formele relatie sprake, maar men heeft in de natuur naar<br />
vormen gezocht die vanzelf het uiterlijk van het idee hebben en men<br />
vindt die in de menselijke gestalten. Het menselijk lichaam geldt<br />
als werkelijkheid en natuurgestalte van de geest. Maar deze geest<br />
moet wel zodanig zijn dat ze in de menselijke gestalte uitgedrukt<br />
kan worden; ze is daarom bepaald als menselijk en particulier, niet<br />
als absolute en totale geest zonder meer. Niet voor niets hangen de<br />
Grieken een veelgodendom aan. Dit is meteen ook de tekortkoming<br />
van de klassieke kunstvorm. Na het oude Griekenland beschouwen<br />
religies de kunst daarom niet langer als het juiste medium. 10<br />
Het universele reflectieve subject reikt nu naar een hogere notie<br />
van de ene absolute God als verenigd met de mens, in Christus. Typisch<br />
genoeg is dit een <strong>dialectische</strong> eenheid die beweegt via opstanding,<br />
hemelvaart en terugkeer in de gedaante van de heilige geest.<br />
<strong>De</strong>ze <strong>dialectische</strong> eenheid kan niet afdoende verbeeld worden, wat<br />
nog wel kon met de onmiddellijke eenheid van de goden met bepaalde<br />
mensengestalten in het oude Griekenland. Vandaar dat de absolute<br />
religie, het christendom, geen 'kunst-religie' is. <strong>De</strong> rol die kunst<br />
hierbij eventueel kan spelen moet ondergeschikt blijven aan discursieve<br />
uitdrukkingen. Opnieuw wordt kunst nu symbolisch, omdat<br />
het opnieuw niet adequaat is aan de concepten, maar dit keer weet<br />
108
<strong>De</strong> <strong>dialectische</strong> <strong>benadering</strong><br />
men dat ook. Kunst is nu verlost van de noodzaak om het absolute<br />
te representeren (aangezien het discursieve medium hier beter in<br />
slaagt), en is dus vrij om zichzelf aan de avonturen van de fantasie<br />
over te geven. <strong>De</strong> fase van kunst die met het christendom samengaat,<br />
na de symbolische en de klassieke de derde periode in de geschiedenis<br />
van de kunst, noemt Hegel de romantische. <strong>De</strong>ze drie<br />
kunstvormen behelzen het streven naar, het bereiken en het overstijgen<br />
van het ware idee van schoonheid. (VA 114).<br />
<strong>De</strong>ze ontwikkeling van de kunst door de geschiedenis heen kan<br />
ook aan de diverse kunsten geïllustreerd worden. Architectuur correspondeert<br />
met de periode van de symbolische kunst, omdat ook<br />
hier niets wordt voorgesteld, maar er hoogstens een symbolische<br />
relatie wordt onderhouden. <strong>De</strong> tempel is slechts een plaats voor<br />
God. Met de opkomst van de tempelbouw ontstaat meteen ook de<br />
noodzaak van representaties van de goden, hetgeen leidt tot de centrale<br />
rol die de sculptuur bij de Grieken speelt. Geschikter voor de<br />
romantische kunstvorm zijn schilderkunst, muziek en literatuur.<br />
Bij deze kunsten krijgt de geestelijke betekenis steeds meer<br />
overwicht op het zintuiglijk materiaal en komen beide ook tot<br />
grotere innigheid dan in sculptuur en architectuur mogelijk is. (VA<br />
120). Schilderkunst heeft betrekking op het zichtbare in zijn<br />
abstractie, ontdaan van ruimtelijkheid, gereduceerd tot kleurverhoudingen.<br />
Muziek behelst een verdere verbijzondering: ook de<br />
dimensies van het platte vlak worden nu verlaten. <strong>De</strong> meest geestelijke<br />
verwerkelijking van de romantische kunstvorm is de poëzie. Zij<br />
onderwerpt het zintuiglijke volledig aan de geest en zijn voorstellingen.<br />
Omdat dit geestelijke element gemeenschappelijk is aan<br />
alle kunsten is volgens Hegel de poëzie de hoogste van alle kunsten.<br />
3 Kennis in schoonheid<br />
<strong>De</strong> grootste verdienste van Hegels esthetica is erin gelegen dat de<br />
filosofie van de kunst een systematische plaats in de filosofie krijgt<br />
toebedeeld en als filosofische discipline wordt gelegitimeerd. Dit<br />
doet Hegel evenwel door 'schoonheid' te verbinden aan de<br />
verschijning in het kunstwerk van een visie op de werkelijkheid.<br />
Volgens Hegel bestaan er dan ook absolute criteria in het<br />
esthetische domein, aangezien het esthetische dienstbaar is aan de<br />
totale zelfbewustwording van de geest. Dankzij deze opvatting is<br />
109
Kennis in schoonheid<br />
Hegel in staat een veelvoud aan bestaande kunstwerken en -soorten<br />
te classificeren. Hiertoe heeft Hegel evenwel moeten breken met<br />
Hume's inzicht dat verschillende mensen altijd verschillende<br />
esthetische oordelen t.a.v. dezelfde objecten zullen vellen en dat<br />
onze kennis en onze smaakoordelen zich contingent tot elkaar<br />
verhouden.<br />
<strong>De</strong> kunst kan volgens Hegel vergeleken worden met de filosofie<br />
voor zover dit allebei bewustzijnsvormen zijn. Het idee concretiseert<br />
zich in het concrete kunstwerk, in de stijl van een periode of in de<br />
specifieke kunstsoort. Aan deze speculatieve inhoudsesthetica zijn<br />
evenwel twee problemen verbonden. Ten eerste belichaamt het<br />
kunstwerk een stadium van bewustzijn van de geest, maar is het<br />
belang van deze geest al buiten de kunst om gegeven. Om Hegels<br />
esthetica te kunnen accepteren, moeten we zijn filosofie opvatten –<br />
zoals hijzelf dat doet – als de culminatie van een eeuwenoude ontwikkeling.<br />
Bij Hegel is het standpunt dat het denken afgerond is en<br />
tot absoluut zelfbewustzijn is gekomen nl. beslissend voor het gegeven<br />
dat kunst helemaal geen functie meer vervult. Nu is de opvatting<br />
dat het beeldende medium van de kunst geen ken-functie meer<br />
heeft zeker plausibel, gegeven de grotere adequaatheid van onze<br />
discursieve media. Maar zijn we ooit gerechtigd te menen dat het<br />
denken afgerond en afgesloten is? M.a.w. de doem die Hegel over de<br />
kunst uitspreekt gaat een stap te ver.<br />
Ten tweede is de opvatting van 'het idee' als een drager van bewustzijn<br />
problematisch. Onmogelijk kan worden uitgemaakt of een<br />
idee in een bepaald kunstwerk correct wordt gepresenteerd: vorm en<br />
inhoud zijn hier immers één? Hegel laat al te gemakkelijk de inhoud<br />
van een kunstwerk prevaleren boven de vorm. Als Kants typering<br />
van het idee van een kunstwerk als 'een voorstelling die veel te denken<br />
geeft maar niet in een beschrijving gevat kan worden' correct is,<br />
heeft kunst een veel minder inhoudelijke taak ook al werkt ze met<br />
inhouden. Ze dient dan wezenlijk ter relativering van onze ken-activiteiten<br />
en niet als een overbodig stadium van zelfbewustzijn. Kunst<br />
behoudt dan een kritische functie nadat haar cognitieve is opgeheven.<br />
110