khthe - Technische Universiteit Eindhoven

alexandria.tue.nl

khthe - Technische Universiteit Eindhoven

samenwerkingsorgaan kht-the

ONDERZOEKSPLAN

voor

SAMENWERKINGSPROJECTEN

tussen de

KATHOLIEKE HOGESCHOOL TILBURG

en de

TECHNISCHE HOGESCHOOL EINDHOVEN

1985

khthe


lnhoud

I Inleiding

II Nieuw ingediende en lopende

Samenwerkingsprojecten

Ill Verloop en voortgang der projecten

IV Middelenperspectieven 1985-1989

V Verdere aanzet voor een onderzoeksbeleid

voor Samenwerkingsprojecten KHT-THE

Bijlage: beoordelingscriteria

Pagina

1

2

24

26

28

30


I. Inleiding

1

In de laatste Meerjarenafspraken tussen het Ministerie van Onderwijs

en Wetenschappen en de hogescholen, betreffende de periode

1980-1985, is vastgelegd dat een gemeenschappelijke researchpool

KHT-THE wordt gerealiseerd. De destijds gemaakte afspraken zijn in

bet in juni en juli 1984 door de respectieve hoge- scholen gevoerde

bilaterale overleg met bet Ministerie opnieuw bevestigd voor de

komende jaren. Voor de projecten in bet kader van deze pool is bij

deze gelegenheden vastgelegd dat telkenjare een, voor 1 januari

aan de Minister aan te bieden, Onderzoeksplan wordt vastgesteld.

Van meet af aan, in 1980, hebben de hogescholen deze taak gedelegeerd

aan het Samenwerkingsorgaan KHT-THE. In bet Onderzoeksplan

worden steeds de actuele en toekomstige ontwikkelingen van de

gezamenlijke KHT-THE researchpool gepresenteerd. De verantwoording

over deze projecten vindt telkens achteraf plaats middels de

respectieve wetenschappelijke verslagen van de Katholieke Hogeschool

Tilburg en de Technische Hogeschool Eindhoven.

Het fonds voor de gezamenlijke KHT-THE researchpool zal in 1985

I 1 miljoen beslaan, waarmee 22 projecten met ieder een personeelsplaats

worden geeffectueerd. De in 1983 gestelde ondergrens van 10

projecten is daarmee zeer ruim overschreden.

Voor de beoordeling van bet grate aantal concurrerende projectvoorstellen

hebben de van aanvang af geldende criteria opnieuwe bruikbare

selectiegronden geboden. Hierbij staan de wetenschappelijke

relevantie, de maatschappelijke betekenis en de kwaliteit van bet

project voorop. Het grate aantal projecten maakt bet tevens mogelijk

om bet revolving-fund-karakter van de pool - er is slechts

sprake van de tijdelijke ondersteuning van projecten ter initiering

en stimulering van de samenwerking tussen de hogescholen - duidelijker

tot uitdrukking te laten komen. Ook bet toenemend aantal

thans tot afronding komende projecten illustreert dat.

Nog steeds is er sprake van een groeiend aantal vakgroepen dat

deelneemt in gezamenlijke projecten dan wel daartoe aanvragen

indient. Hierbij is bet streven om zoveel mogelijk alle afdelingen

en faculteiten bij deze samenwerking te betrekken. Daarnaast wordt

deze uitbreiding van het aantal bij projecten betrokkenen tevens

nagestreefd vanwege de in de praktijk geconstateerde gunstige

neveneffecten van via een project op onderzoeksgebied geentameerde

samenwerking. In dit kader moet gedacht worden aan afstemming van

onderwijsprogramma's en onderzoeksactiviteiten, begeleiding van

stagiairs, afstudeerders en promovendi, colloquia enzovoorts.

Het Samenwerkingsorgaan KHT-THE is van oordeel dat dit Onderzoeksplan

1985 een goed overzicht biedt van de voorgenomen besteding der

middelen voor Samenwerkingsprojecten KHT-THE, alsmede van de

perspectieven voor de toekomst.


2

II Nieuw ingediende en lopende Samenwerkingsprojecten KHT-THE

A.Ingediende projecten

In 1984 werd van half februari tot half mei de jaarlijkse aanvraagronde

gehouden. Om de aanvragers meer tijd te bieden werd de

indientermijn met een maand verlengd. Tevens konden hierbij de

daarvoor in aanmerking komende verlengingsaanvragen worden ingediend.

Al deze projecten zijn beoordeeld en van advies voorzien

door de speciaal hiervoor, sinds 1977, ingestelde Vaste Commissie

Beoordeling Samenwerkingsprojecten KHT-THE. Deze commissie heeft de

volgende samenstelling.

prof.dr. S.T.M. Ackermans

prof.dr.ir. M.F.Th. Bax

dr.R.J. de Groof

prof.dr. B.C. van Houten

prof.mr. A.K. Koekkoek

prof.dr. Ph.C. Stouthard

drs. P. Gerlach

(THE, plv. voorzitter)

(THE)

(KHT)

(THE)

(KHT)

(KHT, voorzitter)

(SO, secretaris)

Op voQrstel van deze commissie werd eind juni door het Samenwerkingsorgaan

KHT-THE besloten om per hogeschool ook een plaatsvervangend

lid te benoemen teneinde steeds zo goed mogelijk verzekerd

te zijn van beoordelingen in voltallige commissiesamenstelling. Als

zodanig werden benoemd:

prof.dr. A.J.A.G. Extra

prof.dr. P.M. Bagchus

(KHT)

(THE)

De behandeling en beoordeling van alle ingediende projectaanvragen

geschiedt zoals altijd aan de hand van de door de respectieve

hogeschoolraden goedgekeurde procedures, criteria en indieningsvoorwaarden.

De criteria zijn hierbij opgenomen als bijlage.

In de aanvraagronde 1984 werden, met inbegrip van 7 verlengingsaanvragen,

20 projectaanvragen ingediend.

Bet betreft de volgende projecten:

- Verwerking van koper in ontwikkelingslanden (verlenging);

-Analyse van het beslissen op meerdere niveaus (verlenging);

- Rechterlijke en bestuurlijke organisatie van de heerlijkheid

Ravenstein, t 1200-1795, met de daarbij behorende historische

geografie (verlenging);

- De machinenijverheid in Nederland tot 1914;

- Toegepaste econometrie, in het bijzonder: rantsoenering en nietlineaire

budgetbeperkingen bij arbeidsaanbod en consumentengedrag;

- Simulatiemodellen met zeer vee! parameters: antwerp en analyse;

- Ret bepalen van correlaties tussen EOG en EEG signalen, t.b.v.

een correctiemethode voor oogbewegingsartefacten in het EEG

(verlenging);

- Behaaglijkheid van het binnenmilieu in werksituaties (verlenging);

- Clienteneffect in een dynamisch model van de onderneming

(verlenging);

- Neuromagnetische metingen;

- Substitutie van productiefactoren uitgaande van technische

productiefuncties;


4

- Het leren van psycho-motorische vaardigheden in het lager technisch

onderwijs (verlenging);

- De rol van taal en cultuur in internationale technisch-commerciele

onderhandelingen (verlenging);

- Interactief leren van begrippen in een tweede taal (verlenging);

- Substitutie van productiefactoren uitgaande van technische productiefuncties;

- Rantsoenering en niet-lineaire budgetbeperkingen bij arbeidsaanbod

en consumentengedrag;

-De machinenijverheid in Nederland tot 1914 (vooronderzoek);

- Overdracht van bamboetechnologie naar derde wereld landen (vooronderzoek).

Op 28 november 1984 besloot het Samenwerkingsorgaan KHT-THE op

advies van de Vaste Commissie Beoordeling Samenwerkingsproj ecten

KHT-THE tot verlenging van de projecten 'Regeltechniek en keuzegedrag'

en 'Interactief leren ven begrippen in een tweede taal' met

respectievelijk een half jaar en een heel jaar waarin zij zullen

worden afgerond. Voor een periode van in principe twee jaar werd

verlengd het project 'Het leren van psycho-motorische vaardigheden

in het lager technische onderwijs'. Voor een periode van een jaar,

en daarna nog eens met twee jaar te verlengen, werden middelen

toegewezen voor de projecten 'Halfautomatische tekstanalyse' en 'De

rol van taal en cultuur in internationale technisch-commerciele

onderhandelingen'.

Als nieuwe projecten voor 1985 zijn toegewezen de projecten

'Substitutie van productiefactoren uitgaande van technische productiefuncties'

en 'Rantsoenering en niet-lineaire budgetbeperkingen

bij arbeidsaanbod en consumentengedrag'. Als vooronderzoek voor

de duur van een jaar werd toegewezen het project 'De machinenijverheid

in Nederland tot 1914'. Tot slot werd het eerder, in de

voorjaarronde, toegewezen project 'Overdracht van bamboetechnologie

naar derde wereld landen' alsnog van hoofdonderzoek omgezet in een

vooronderzoek voor een half jaar, nadat gebleken was dat aan het

voorbehoud ten aanzien van de voor dit project benodigde aanzienlijke

externe financiering niet kon worden voldaan op basis van

deze projectformulering.


B. Lopende Samenwerkingsprojecten KHT-THE

5

Bij de afsluiting van dit plan bedroeg bet aantal lopende Samenwerkingsprojecten

KHT-THE vijftien; per 1 januari 1985 starten drie

nieuwe projecten, terwijl in genoemd jaar nog eens vier nieuwe projecten

een aanvang zullen nemen met hun onderzoeksactiviteiten. Het gaat om de

volgende projecten, waaraan telkens een (gedeeltelijke) personeelsplaats

is toegekend en doorgaans ook een bedrag overige lasten.

1. Verwerking van koper in ontwikkelingslanden

projectomschrijving:

Ontwikkelingslanden die een bepaalde grondstof in grote hoeveelheden

exporteren, hebben er baat bij wanneer verwerkte in plaats

van ruwe grondstoffen kunnen worden geexporteerd. Dit geldt ook

voor koper. De meeste koperexporterende ontwikkelingslanden (Zambia,

Zaire, Peru, Chili enz.) exporteren nu al op grote schaal

geraffineerd koper in plaats van uitsluitend de ruwere grondstoffen

als bet zgn. koperconcentraat of bet blisterkoper. In bet recente

verleden is in de ontwikkelingslanden de verdere verwerking van

koper in snel tempo gegroeid. De exporten van halffabrikaten op

basis van koper of koperlegeringen zijn echter nog van beperkte

omvang. Het is dit stadium van de koperverwerking waarop bet

onderzoek zich concentreert, waarbij bet primaire doe! is te

onderzoeken of en zo ja welke halffabrikaten op economisch verantwoorde

wijze in ontwikkelingslanden geproduceerd kunnen worden.

Hierbij wordt bijzondere aandacht geschonken aan de mogelijkheden

van export naar regionale en verder afgelegen markten. Gedacht

wordt aan producten als buizen, staven, profielen, platen en draden

uit zowel koper als koperlegeringen (messing).

Om de concrete mogelijkheden in ontwikkelingslanden te onderzoeken

is een onderzoek gepland van ongeveer tweemaal 6 maanden in Zambia

en Peru. Dit als noodzakelijke aanvulling op het onderzoek van de

productieprocessen in bedrijven in Nederland, Belgie en West-Duitsland.

looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen:

projectleiders:

additionele middelen:

2. Analyse van bet beslissen bij meerdere niveaus

1 september 1983 - 1 september 1987

ir. A.M.H. Sannen

Vakgroep Technische Productiesystemen

(Afdeling der Bedrijfskunde - THE)

en de Vakgroep Economie van Ontwikkelingslanden

(Faculteit der Economische

Wetenschappen- KHT).

ir. A. van de Ven (THE)

dr. J. Vingerhoets (KHT)

1984/1985 I 4.000,--

projectomschrijving:

Het onderzoek richt zich op een specifiek onderdeel van de beslissingstheorie,

namelijk de modelmatige analyse van bet beslissen bij

meerdere nivaus. Daarbij kan men denken aan:

1) de analyse van het delegeren (hoe en onder welke voorwaarden kan

de topleiding delegeren aan bet hoogste uitvoerend orgaan);

2) de analyse van bet coordineren van activiteiten, en

3) de analyse van het verdelen van gezamenlijke middelen door de

directie over de activiteiten in b.v. de divisies.


3.

6

Enkele specifieke thema's in dit verband zijn:

- decentralisatie

- verdeling van middelen via budget en/of verrekenprijzen

- informatie-uitwisseling tussen de betrokken niveaus

- inbouw van prikkels (winstdeling) bij delegatie

- decompositiemodellen

- hierarchische planning en besturing.

De algemene probleemstelling zal worden toegespitst op een

integraal bedrijfsmodel.

looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen:

projectleiders:

additionele middelen:

Rechterlijke

Ravenstein,

geografie

en bestuurlijke

±1200-1795, met

1 september 1982 - 1 september

1986

ir. B.R. Meijboom

Vakgroep Kansrekening, Statistiek,

OR en Systeemtheorie (Onderafdeling

der Wiskunde en Informatica), Vakgroep

BISA en de Vakgroep Organisatiekunde

(Afdeling der Bedrij f skunde,

alle drie van de THE), Vakgroep

Informatica (Faculteit Economische

Wetenschappen), Vakgroep Algemene

en Bedrijfseconometrie (Subfaculteit

Econometrie, heiden van de

KHT)

prof.dr. J.F. Benders (THE)

prof.dr. P.A. Verheyen (KHT)

1984/1985 I 1.600,--

organisatie

de daarbij

van de

behorende

heerlijkheid

historische

projectomschrijving:

Reeds geruime tijd bestaat er in Noord-Brabant een streven om te

komen tot een goede vastlegging in kaarten van de oude rechterlijke

en bestuurlijke gebieden. In dit kader is inmiddels een algemeen

beschrijvend onderzoek voltooid, over de bovenbedoelde organisatie

in een aantal grensgebieden van de Meierij van 's-Hertogenbosch,

aan de rand van het hertogdom Brabant. Hieruit is gebleken dat er

met name over het Land van Ravenstein veel onduidelijkheid blijft,

omdat er wel vee! gegevens beschikbaar zijn, doch een studie

ontbreekt waarin deze in hun samenhang worden bekeken. In het

inmiddels gestarte project met betrekking tot de heerlijkheid

Ravenstein wordt nader ingegaan op de rechterlijke en bestuurlijke

organisatievan dit gebied. De ontwikkelingen hierin worden in kaart

gebracht. Tevenswordt in kaarten aangegeven hoe de positie van

Ravenstein was temidden van de overige grensgebieden. Om de door

het onderzoek aangereikte gegevens cartografisch juist te vertalen,

is deskundigheid op dit terrein, zoals aan de Technische Hogeschool

Eindhoven aanwezig, noodzakelijk.

looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen:

projectleiders:

additionele middelen:

1 september 1983 - 1 september 1985

mevr.mr. G.F. van der Ree-Scholtens

5/10 werktijd

Vakgroep Rechtsgeschiedenis (Juridische

Faculteit - KHT) en de Vakgroep

Architectuur en Stedebouw (Afdeling

der Bouwkunde - THE)

prof.mr. J.P.A. Coopmans (KHT)

W.F.M. van Bokhoven Arch. HBO (THE)

1984/1985 I 12.000,--


7

4. Simulatiemodellen met zeer veel parameters: antwerp en analyse

projectomschrijving: Simulatie is een numerieke techniek voor het

oplossen van ingewikkelde wiskundige modellen. Derhalve vereist

deze techniek een integratie van wiskunde, statistiek en informatica.

Veel onderzoek is al verricht naar de benodigde simulatie-programmatuur;

de kern van ons onderzoek is echter statistisch.

Simulatiemodellen hebben vaak veel (bijv. 100) parameters. Wij

nemen aan dat een betrekkelijk klein aantal (bijv. 10) parameters

werkelijk belangrijk is. Het opsporen van deze kritische parameters

is ons doel. Door een wetenschappelijk verantwoorde keuze van de

combinaties van parameterwaarden (proef-opzet, experimental design)

en door een juiste analyse(regressie-analyse, enz.) kunnen wij toch

de volgende doelen bereiken:

a. Validering van het simulatiemodel; zie bijvoorbeeld Schatzoff en

Tilmann (1975);

b. Gevoeligheidsanalyse (incl. 'What-if') en optimalisatie; zie

bijvoorbeeld Kumar en Davidson (1980).

looptijd:

aan te stellen:

deelnemende vakgroepen:

projectleiders:

additionele middelen:

4 jaren

1 medewerker

Vakgroep Informatiesystemen en

Accountancy (Faculteit der Economische

Wetenschappen KHT) en de

Vakgroep Operationele Research en

Statistiek (Afdeling der Bedrijfskunde

- THE)

prof.dr. J.P.C. Kleijnen (KHT)

prof.dr. P.C. Sander (THE)

1984/1985 f 500,--

5. Het bepalen van correlaties tussen EOG en EEG signalen, t.b.v. een

correctiemethode voor oogbewegingsartefacten in het EEG

projectomschrijving:

Bij het uitvoeren van EEG experimenten vormen artefac ten t. g. v.

oogbewegingen en knipperingen een probleem. De bron van deze

artefacten is de dipool van de oogbol, waarvan het veld verandert

bij oogbewegingen en knipperingen. Dit kan in het electro-oculogram

(EOG) worden geregistreerd. De schedel en het onderliggend weefsel

geleiden die veranderingen, zodat ze bij registratie van EEG

signalen gemeten worden. Bij de verwerking van veel EEG experimenten

worden die gedeelten van het EEG, waarin oogbewegingen

voorkomen, niet geanalyseerd. Dit leidt o.a. tot veel verlies van

data. Het is gewenst dat er een methode ontwikkeld wordt om op die

observaties, waarin oogbewegingen voorkomen, een correctie uit te

voeren. In verband hiermee is, in het kader van een afstudeeropdracht

aan de KHT, door een afstudeerder van de THE betreffende het

verwijderen van deze artefacten een eerste onderzoek gedaan.

Hierbij zijn enkele vragen gerezen, o.a. omtrent het verband tussen

het EOG en het artefact in het EEG, waarvan meestal wordt aangenomen,

dat het lineair is. Dit project beoogt duidelijkheid te

krijgen over de overdracht tussen EOG- en EEG-afleidingen d.m. v.

experimenten, waarbij proefpersonen voorgeschreven oogbewegingen

uitvoeren.


looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen:

projectleiders:

additionele middelen:

8

1 september 1983 - 1 september 1988

ir. M.M.C. van den Berg-Lenssen

8/10 werktijd

Vakgroep Medische Electrotechniek

(Afdeling der Electrotechniek - THE)

en de Vakgroep Fysiologie en Fysiologische

Psychologie (Subfaculteit

der Psychologie - KHT)

prof.dr.ir. J.E.W. Beneken (THE)

prof.dr. C.H.M. Brunia (KHT)

1984/1985 nihil

6. Behaaglijkheid van het binnenmilieu in werksituaties

projectomschrijving:

Deze aanvraag betreft multidisciplinair onderzoek naar de behaaglijkheid

van het binnenmilieu in niet-extreme werksituaties. De

vraag wordt gesteld in hoeverre resultaten uit laboratoriumonderzoek

en computermodellen ook toepasbaar zijn in relHe werksituaties.

Daarom wordt onderzocht binnen welke fysische condities, met

hun eventuele onderlinge invloeden, het gebied ligt waar men

behaaglijk de opgedragen taak optimaal kan vervullen. Behalve de

behaaglijkheid wordt daarom ook de prestatie gemeten. De experimenten

worden gedaan in het AKV-laboratorium aan de Technische

Hogeschool Eindhoven. Er zijn een drietal series experimenten

gepland met respectievelijk een kortdurig en een langdurig verblijf

in het laboratorium. Dit project wordt ondernomen door twee vakgroepen:

- Voor de Vakgroep FAGO van de Afdeling der Bouwkunde (THE) is het

project van belang, omdat men behoefte heeft aan weegmethoden,

gebaseerd op de menselijke factor, opdat in het bouwkundig

ontwerp op concrete wijze prioriteiten aan de voorwaarden kunnen

worden gesteld.

- Voor de vakgroep Functieleer en Technopsychologie van de Subfaculteit

Psychologie (KHT) is het project van belang vanuit

zowel methodologisch oogpunt, als vanwege de uitbreiding van de

kennis van het menselijk gedrag met betrekking tot de onderhavige

fysische variabelen.

Het project sluit aan bij cursussen van beide vakgroepen.

looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen:

projectleiders:

additionele middelen:

1 augustus 1981 - 1 augustus 1985

drs. A.E.G.M. Pas

Vakgroep Fysische aspecten van de

gebouwde omgeving (Afdeling der

Bouwkunde THE) en de Vakgroep

Functieleer en Techno-psychologie

(Subfaculteit der Psychologie - KHT)

ir. P.J. Venemans (KHT)

dr.ir. J.T.H. Lammers (THE)

1984/1985 nihil


9

7. Clienteneffect in een dynamisch model van de onderneming

projectomschrijving:

De klassieke groeitheorie veronderstelt dat de groei van een

onderneming een gelijkmatig beeld vertoont (constante groeivoeten).

In de zeventiger jaren zijn groeimodellen ontwikkeld, waarbij niet

!anger sprake is van een gelijkmatige ontwikkeling, maar van een

opeenvolging van verschillende paden, alle gekenmerkt door een

andere financiele structuur, groeitempo en/of dividendpolitiek.

Uit de statische modellen is de invloed van de belasting bekend op

de beleggingskeuze van een vermogenverschaffer: elk bedrijf kent

zijn vermogenverschaffers (client).

In het onderzoek worden bovenstaande ontwikkelingen gecombineerd en

zal worden nagegaan hoe vermogenverschaffers met verschillende

marginale inkomstenbelastingtarieven zich tijdens de groeifasen van

de onderneming gedragen. Getracht wordt de dynamische wisselwerking

tussen aandeelhouder en onderneming nader te analyseren. Hierbij

wordt gebruik gemaakt van wiskundige optimalisatietechnieken, zoals

Optimal Control Theory.

looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen:

projectleiders:

additionele middelen:

8. Neuromagnetische metingen

1 juli 1982 1 juli 1986

drs. G.J. van Schijndel

Vakgroep Algemene en bedrijfseconometrie

(Subfaculteit der Econometrie -

KHT) en de Vakgroep Kansrekening,

Statistiek, OR en Systeemtheorie

(Onderafdeling der Wiskunde en

Informatica - THE)

prof.dr. P.A. Verheyen (KHT)

dr.ir. J. de Jong (THE)

1984/1985 I 2.000,--

projectomschrijving:

In de hersenen vinden processen plaats die gepaard gaan met electrische

activiteiten tengevolge waarvan er flgnetische velden

optreden die buiten het hoofd van de orde 10- T zijn. Met zeer

geavanceerde apparatuur (o.a. SQUID) kunnen deze magnetische velden

worden gemeten (magneto-encephalogram= MEG). Uit MEG's kan betere

informatie over dieper in de hersenen gelegen activiteiten worden

verkregen dan uit EEG's (electroencephalogram). Een combinatie van

MEG met EEG is veelbelovend voor diverse aspecten van het hersenonderzoek.

Apparatuur voor het maken van MEG's is aangeschaft door de vakgroep

van de THE, in de loop van dit jaar zal een volledige meetopstelling

(inclusief verwerkingsapparatuur) gereedkomen; deze zal bij

het IPO geinstalleerd worden. Apparatuur voor het maken van EEG's

wordt beschikbaar gesteld door de vakgroep van de KHT. Ervaring met

MEG's is vanuit de THE vakgroep opgedaan met een opstelling van de

TH-Twente waar momenteel onderdelen van de eigen (THE)-apparatuur

worden beproefd en toegepast bij experimenten waarbij externe

stimuli (licht, geluid, gevoelsprikkels) worden gebruikt en de

daarop volgende magnetische velden (zgn. evoked fields) worden

geregistreerd. Ervaring met EEG's is in de KHT-vakgroep aanwezig.

Bij de interpretatie van de meetresultaten is de inbreng van zowel

fysische als van neurofysiologische en -anatomische zijde onontbeerlijk.

De bestaande samenwerking zal in projectvorm gecontinueerd

worden.


looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen:

projectleiders:

additionele middelen:

9. Wiskundige economie

10

1 januari 1985 - 1 januari 1987

ir. W.J.J. Kouijzer

Vakgroep Fysiologie en Fysiologische

Psychologie (Subfaculteit der Psychologie

- KHT) en de Vakgroep Analyse van

Fysische Meetmethoden (Afdeling der

Technische Natuurkunde - THE)

prof.dr. C.H.M. Brunia (KHT)

dr.ir. C.H. Massen (THE)

1985/1986 I 22.000,--

projectomschrijving:

Met dit project wordt beoogd ondersteuning te geven aan de nieuwe

leerstoel wiskundige economie in Eindhoven. Deze buitengewone leerstoel

wordt in dubbelaanstelling bezet door prof.dr. P.H.M. Ruys,

gewoon hoogleraar aan de KHT. Gezien het initierende karakter van

deze nu voor het eerst beproefde vorm van samenwerking bij onderwijs

heeft het samenwerkingsorgaan meegewerkt aan de noodzakelijke

ondersteuning via de aanstelling van een wetenschappelijk medewerker

in Eindhoven. Deze medewerker zorgt, samen met de hoogleraar,

voor de colleges micro-economie voor wiskundigen en informatici, de

colleges economie en wiskundige economie in de doctoraal fase voor

wiskundigen, alsmede stage- en eventueel afstudeerbegeleiding.

Daarnaast wordt onderzoek verricht. Na afloop van de vier jaar zal

een en ander in een duurzaam kader door de THE worden voortgezet.

looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen:

projectleider:

additionele middelen:

16 september 1982 - 16 september 1986

drs. C.A.A.M. Withagen

Vakgroep Economie (Onderafdeling

Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen

van de THE) en de Vakgroep

Algemene en Bedrijfseconometrie

(Subfaculteit der Econometrie - KHT)

prof.dr. P.H.M. Ruys (KHT-THE)

1984/1985 I 3.300,--

10. Identificatie van communicatieve functies in informatiedialogen

projectomschrijving:

Teneinde inzicht te krijgen in de mechanismen die ten grondslag

liggen aan het systematisch voeren van een informatiedialoog wordt

een onderzoek verricht naar de factoren die bijdragen tot het

bepalen van de I!Ommunicatieve functies van de uitingen in zulke

dialogen. Wat betreft de te onderscheiden communicatieve functies

wordt als uitgangspunt genomen een werkhypothese die is voortgekomen

uit eerder onderzoek in de groep Cognitie & Communicatie van

het IPO en in het werkverband Taal & Informatica van de KHT Subfaculteit

Letteren.


11

Volgens deze hypothese worden de uitingen in een informatiedialoog

qua functie opgedeeld in twee klassen: die welke informatie-overdracht

ten doe! hebben en die welke dienen tot het sturen en

bewaken van de dialoog. Binnen elk van deze klassen worden ruim 20

functies onderscheiden. In het project wordt reeds verzameld

dialoogmateriaal getranscribeerd als sequenties communicatieve

handelingen met nauwgezette registratie van informatieoverdracht,

verloop van de communicatie, en vormkenmerken van de uitingen.

Nieuw te verzamelen gesproken dialoogmateriaal wordt geanalyseerd

m.b.v. op het !PO ontwikkelde computermethoden ter bepaling van

mogelijk relevante prosodische kenmerken. Gestreefd wordt naar bet

opstellen van een model van de bepaling van communicatieve functies

van uitingen in informatiedialogen en de operationalisering en

toetsing van dit model d.m.v. computerimplementatie. Het project

beoogt inzicht te verschaffen in het v66rkomen en herkennen van

communicatieve handelingen in informatiedialogen, zowel in gesproken

vorm als in beeldschermvorm, en draagt op langere termijn bij

tot de fundamentele kennis die nodig is voor bet antwerp van

'intelligente' dialoogsystemen.

looptijd:

aangesteld:

deelnemend werkverband/

instituut

projectleiders:

additioncle middelen:

1 januari 1985 - 1 januari 1989

ir. R.J. Beun

Werkverband Taal en Informatica

(Subfaculteit Letteren - KHT)

en het Instituut voor Perceptie

Onderzoek (IPO) - THE.

prof.dr. H.C. Bunt (KHT)

prof.dr. H. Bouma (THE)

1984/1985 I 2.500,--

11. Overdracht van bamboetechnologie naar derde wereld landen (vooronderzoek)

projectomschrijving:

De afgelopen jaren hebben universiteiten en hogescholen in Nederland

een aanzienlijke hoeveelheid technologische kennis opgebouwd

die, voor zover valt na te gaan, ten goede kan komen aan mensen in

de derde wereld. De effectieve verspreiding van dergelijke kennis

blijkt vaakt zeer moeizaam te verlopen. Het potentiiHe rendement

van technisch ontwikkelings-relevant onderzoek wordt hierdoor sterk

verminderd. Bij de overdracht van technologische kennis spelen

allerlei individuele en sociaal-psychologische factoren een rol.

Bij de presentatie van informatie wordt vaak van Westerse conventies

gebruik gemaakt, zoals perspectief in tekeningen, die voor de

belanghebbenden niet zijn te volgen. Er wordt ook te weinig rckening

gehouden met sociaal-culturele factoren. Via politieke autoriteiten

verspreide kennis kan bijvoorbeeld worden genegeerd als er

een locale technologische elite bestaat die per traditie alle vernieuwing

moet beoordelen.

Het onderwerp van dit project is de verspreiding van binnen de THE

ontwikkelde kennis over de constructie van bamboe overkappingen.

Een drietal strategieen voor disseminatie zal worden ontwikkeld en

toegepast. Hiervoor zal gebruik worden gemaakt van aan de KHT

bestaande ervaring in cross-cultureel psychologisch onderzoek. De

effectiviteit van de drie benaderingen zal worden geevalueerd.


looptijd:

aan te stellen:

deelnemende vakgroepen:

projectleiders:

additionele middelen:

12

6 maanden

dra. M.M. Zonneveld

Vakgroep Ontwikkelings Psychologie,

Vakgroep Persoonlijkheidsleer en

Psychodiagnostiek (belden van de

Subfaculteit der Psychologie - KHT)

en de Vakgroep Constructie (Afdeling

der Bouwkunde - THE) Beleidscommissie

voor Internationale Ontwikkelingssamenwerking

CICA - THE

prof.dr. J.M. van Meel (KHT)

dr.ir. J.J.A. Janssen (THE)

nihil

12. Interactief leren van begrippen in een tweede taal

projectomschrijving:

Teneinde inzicht te verkrijgen in beslissingsprocessen van leerlingen

wordt een interactief leersysteem ontwikkeld, dat deze processen

zichtbaar kan maken. Het systeem dient, behalve als leermiddel,

in eerste instantie als onderzoekshulpmiddel, later te

ontwikkelen als hulpmiddel voor docenten waarmee zij interne differentiaties

practisch kunnen realiseren, Het onderzoek richt zich

op bet leren van begrippen in context in een tweede taal door middelbare

scholieren. Na een ontwikkelingsfase van een jaar, waarin

wordt samengewerkt met vakdeskundigen en didactic!, volgen twee

exploratieve experimenten. Daarin wordt onderzocht op welke wijze

leerlingen gebruik maken van de keuzemogelijkheden die de leermachine

biedt. In een eerste experiment wordt met behulp van een

groep deskundigen een aantal interactieve aanbiedingswijzen vastgesteld

en in een aantal leerzittingen getest. Op grond van de resultaten

daarvan worden de doeltreffenheid van een meer definitief

aanbiedingsprogramma bestudeerd in een tweede experiment. Met name

gaat bet daarbij om verschillende leerstijlen en -strategieen op

bet spoor te komen, die door verschillende aanbiedingswijzen in bet

beoogde leersysteem worden weerspiegeld. Daarnaast dient bet

leersysteem ook op langere termijn een zo exact mogelijke voorstelling

te hebben van bet momentane kennisniveau van de leerling om

bet leerprogramma te optimaliseren.

looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen/

instanties:

projectleiders:

additionele middelen:

1 januari 1982 1 januari 1986

drs. H.A.A. Otten

IPO van de THE, Vakgroep Pedagogie,

Puberteitspsychologie en Algemene

Didactiek (van de Onderafdeling

Wij sbegeerte en Maatschappijwetenschappen

van de THE), Vakgroep Onderwijspsychologie

(van de Subfaculteit

Psychologie van de KHT)

prof.dr. L.F.W. de Klerk (KHT)

prof.dr. H. Bouma (THE-IPO)

1984/1985 f 1.000,--


13

13. Het leren van psycho-motorische vaardigheden in het lager technisch

onderwijs

projectomschrijving:

Naar aanleiding van de resultaten in een voorstudie is (onder meer)

een hoofdonderzoek gestart naar het leren van practische vaardigheden

in het lager technisch onderwijs.

In een drietal experimenten zal worden nagegaan in welke mate

verschillende instructies leerlingen in staat stellen een adequate

werkwijze of strategie te ontwikkelen voor het uitvoeren van

practische opdrachten. In het eerste onderzoek wordt bestudeerd

welke procesaspecten worden beinvloed door de mate waarin de

werkwijze door de instructie wordt vastgelegd. In een tweede

onderzoek wordt geprobeerd deze procesaspecten in te delen in

groepen aan de hand waarvan de strategieen van leerlingen kunnen

worden getypeerd. Tot slot zal in laatste onderzoek worden nagegaan

hoe deze strategieen worden beinvloed door de wijze en de momenten

waarop leerlingen zich voor of tijdens de uitvoering van de opdrachten

orienteren. Aan de hand van de resultaten van het hoofdonderzoek

zal een bijdrage kunnen worden geleverd aan de wijze waarop

het uitvoeren van practische opdrachten het best kan worden geleerd.

looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen:

projectleiders:

additionele middelen:

14. Regeltechniek en keuzegedrag

1 januari 1983 1 januari 1987

dra. A. van Eck-Schouten (0,5)

drs. M.A.M. Deijkers (0,5)

Vakgroep Pedagogie, Puberteitspsychologie

en Algemene Didactiek

(Onderafdeling der Wijsbegeerte en

Maatschappijwetenschappen - THE) en

de Vakgroep Onderwijspsychologie

(Subfaculteit der Psychologie - KHT)

prof.mr. L.F.W. de Klerk (KHT)

prof.dr. M. Groen (THE)

1984/1985 I 12.000,--

projectomschrijving:

Dit onderzoeksproject is een voortzetting van het project Regeltechniek

en keuzegedrag waarin de Vakgroep Functieleer en Technopsychologie

van de KHT en de Vakgroep Systeem en Regeltechniek

van de THE samenwerken. Dit project heeft twee belangrijke thema's

voor onderzoek opgeleverd, waarop de aandacht zich in de voortzetting

zal concentreren. Deze thema's worden hieronder aangeduid als

optimaal keuzegedrag en stochastische processen in een keuzesituatie.

De doelstelling van het vervolgproject is de ontwikkeling aan

de theorievorming omtrent deze twee onderzoeksthema's. Psychologen

en ethologen hebben veel belangstelling voor de problematiek van de

optimale verdeling van gedrag met name als verschillende gedragingen

tot verschillende opbrengsten leiden. Het is duidelijk dat

de systeem- en regeltechniek een waardelvolle bijdrage kan leveren

aan de studie van deze problematiek. De belangstelling van experimenteel-psychologen

voor stochastische processen in het gedrag en

de omgeving van organismen is eveneens toegenomen. Tot op heden

zijn de beweringen over de eigenschappen van deze psychologische

processen echter nog uiterst speculatief. De systeem- en regeltechniek

beschikt over methoden met behulp waarvan deze processen kunnen

worden bestudeerd.


looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen:

projectleiders:

additionele middelen:

14

1 maart 1981 1 september 1985

drs. H.H. Boelens

Vakgroep Functieleer en Technopsychologie

(Subfaculteit der Psychologie

- KHT) en de Vakgroep Systeemen

Regeltechniek (Afdeling der Natuurkunde

- THE)

dr. P.F.M. Kop (KHT)

dr. A.C. Nagel (THE)

1984/1985 nihil

15. Toepassing van de theorie der stochastische lineair-kwadratische

differentiespelen op een econometrisch model van de E.G.

projectomschrijving:

Men kan een beleidsmodel voor een conomische entiteit, zoals dat

gewoonlijk wordt geformuleerd, op twee manieren verfijnen en generaliseren:

1. door meerdere beslissers te beschouwen;

2. door onzekerheid in te voeren, waarmee onnauwkeurig waargenomen

en gedeeltelijk bekende processen en onzekeren toekomstverwachtingen

worden gemodelleerd.

Het eerste punt heeft speltheoretische aspecten, het tweede aspect

kan worden behandeld met behulp van de stochastische systeemtheorie.

Wanneer we aannemen dat het economisch handelen beschreven kan

worden met behulp van een lineair model, en dat de beslissers een

kwadratisch kostencriterium kiezen, onstaat aldus 'een stochastisch

lineair-kwadratisch differentiespel', waarmee een dee! van de titel

van het project verklaard is. In het bijzonder zal deze theorie

worden toegepast op een econometrisch model voor zes landen van de

E.G., zoals dat aan de KHT is ontwikkeld ('Het Interplay model').

Meer concreet houdt het project dan het volgende in:

1. rubricering van die gevallen waarin een stochastisch lineairkwadratisch

differentiespel oplosbaar is en bestudering van deze

spelen in het algemeen.

2. ontwerpen van algoritmen voor die gevallen die vanuit economisch

standpunt relevant zijn.

3. nagaan wat het effect en de zin is van de uitbreiding van een

deterministisch economisch model (met een beslisser) naar een

stochastisch model met meerdere beslissers.

looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen:

projectleiders:

additionele middelen:

16 maart 1981 16 maart 1985

ir. M.D. Merbis

Vakgroep Kansrekening, Statistiek en

Operationsresearch (Onderafdeling der

Wiskunde en Informatica - THE) en de

Vakgroep Algemene en Bedrijfseconometrie

(Subfaculteit der Econometrie -

KHT)

dr. J.E.J. Plasmans (KHT)

prof.dr. J. Wessels (THE)

1984/1985 I 2.000,--


15

16. De rol van taal en cultuur in internationale tecbniscb-commerciele

onderbandelingen

projectomscbrijving:

Veel ingenieurs bouden zicb in bet bedrijfsleven bezig met internationaal

tecbniscb-commercieel onderbandelen. Studenten van de

KHT bereiden zicb onder meer voor op een functie in de sfeer van

de internationale betrekkingen. Dit is van wezenlijk belang voor

de Nederlandse export. Ervaringen wijzen uit dat er vaak communicatie-stoornissen

vanwege verscbil in taal en cultuur van de onderbandelingspartners

(b.v. Nederlands, Frans, Arabiscb, Japans, Cbinees)

optreden.

Een wetenschappelijke tbeorie ter verklaring van onderhandelingsgedrag

in taalkundig en cultureel perspectief ontbreekt nog. Aan de

KHT en de THE zijn unieke kansen aanwezig om vanuit een multidisciplinaire

benadering - taalkundig, economiscb- psycbologiscb en

bedrijfskundig - een aanzet te geven tot zulk een tbeorie, middels

veldonderzoek naar tecbniscb-commerciele onderhandelingssituaties

van Nederlandse ingenieurs in het Frans.

Resultaten van het project zullen bijdragen tot een serieuze invulling

van communicatiestromen in een vrije studierichting (W&MW,

THE), de opleiding Communicatiedeskundige in een 1e en 2e fase

Letteren (KHT) en tot een postacademische cursus in internationaal

onderbandelen voor Nederlandse ingenieurs aan de THE.

looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen:

projectleiders:

additionele middelen:

1 mei 1983 - 1 mei 1987

dra. J.M.A. Stalpers

Vakgroep Toegepaste Taalkunde

(Onderafdeling der Wij sbegeerte

en Maatschappijwetenschappen) en

de Vakgroep Bedrijfseconomie

(Afdeling der Bedrijfskunde, heiden

van de THE en de Vakgroep Economische

Psychologie (Subfaculteit

der Psychologie - KHT) en de Werkverbanden

Tekstwetenschap en Taal

vaardigheid (heiden van de Subfaculteit

Letteren - KHT)

dr. J.M. Ulijn (THE)

prof.dr. K. Eblich (Wuppertal)

drs. A.J.A. Meijers (KHT)

1984/1985 I 11.500,--

(onder voorbehoud)

17. Managerspercepties en selectiecriteria voor managementfuncties

projectomschrijving:

In het project worden een aantal psychologische aspecten van

management nader geanalyseerd. Dit betreft: a. de percepties van de

manager van de eigen functie-inboud, toekomstige functie-inhoud,

functie-inboud van de directe superieur en carrieremogelijkheden;

b. inventarisatie en vergelijking van selectiecriteria, waaronder

de gebezigde toetsingsprocedures; c. toepassing van de onder a en b

genoemde onderzoekingen. De doelstellingen van het onderzoek zijn:

1. theorievormend, 2. ter aanwending van de resultaten in het veld

en 3. ter aanwending in bet onderwijs.


16

looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen:

projectleiders:

additionele middelen:

18. Halfautomatische tekstanalyse

16 maart 1983 1 juli 1985

drs. E.H.M. Meijs

Vakgroep Arbeids- en Organisatie

psychologie (Subfaculteit der

Psychologie KHT) en de Vak

groep Organisatiepsychologie

(Afdeling der Bedrijfskunde

THE)

prof.dr. F.J.P. van Dooren (KHT)

prof.dr. P.M. Bagchus (THE)

1984/1985 I 5.000,--

projectomschrijving:

Het project Halfautomatische tekstanalyse (afgekort HATA) beoogt

een bijdrage te leveren aan het automatisch coderen. Onder coderen

wordt hier verstaan: woorden in teksten voorzien van labels in

cijfercode. Binnen het project is een volledig geautomatiseerde

tekstanalyse niet mogelijk; vandaar de term 'halfautomatisch' in de

project-titel. De gecodeerde teksten dienen toegankelijk te zijn

voor onderzoeksvragen op diverse terreinen uit verschillende

subdisciplines van de toegepaste taalkunde en tekstwetenschap. Het

codeersysteem zelf moet zo flexibel zijn dat het ook van toepassing

kan zijn bij specifieke detailvragen of nieuwe onderzoeksvragen op

diverse terreinen.

Voor het bereiken van dit doe! moet niet aileen een flexibel codeer

systeem worden ontwikkeld, maar moet ook een methode worden ontwikkeld

voor disambigueren opdat onderscheid gemaakt kan worden tussen

'was' als zelf standig naamwoord en 'was' als koppelwerkwoord en

hulpwerkwoord van tijd. Ook zullen lemmatiseerprocedures nodig zijn

om bijvoorbeeld 'liep' correct te herleiden tot de basisvorm

'!open'. Op basis hiervan moeten programma's worden geschreven

waarmee woorden in een tekst worden gecodeerd volgens het te

ontwerpen codeersysteem. Zeer globaal geformuleerd is de werkwijze

als volgt: op grond van gegevens uit een basislij s t gecodeerde

woorden en een reeks suffix-regels en met behulp van context-frame

regels zullen zoveel mogelijk homoniemen worden gedisambigueerd en

nog niet gecodeerde woorden van hun code worden voorzien. Het

onderzoek is zo opgezet dat integratie mogelijk is met lopend

onderzoek elders in Nederland en in het buitenland. Tot slot Z1J

opgemerkt dat met het oog op de gebruikersvriendelijkheid het

systeem zodanig zal worden geimplementeerd op een microcomputer dat

het aantal interactieve sessies tot een minimum beperkt zal worden.

looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen:

projectleiders:

additionele middelen:

1 januari 1984 - 1 januari 1988

drs. A.F.M. van Opstal (6/10)

drs. G.O.Thoe Schwartzenberg (4/10)

Werkverband Tekstwetenschap

(Subfaculteit Letteren - KHT) en

de Vakgroep Toegepaste taalkunde

(Onderafdeling der Wijsbegeerte

en Maatschappijwetenschappen

THE)

dr. J. Renkema (KHT)

drs. P.C. uit den Boogaart (THE)

1985 I 4.100,--


17

19. Eurogrammatica: een pilot study mede met het oog op vaktaaltoepassingen

projectomschrijving:

Doel van het project is om aan de hand van een voorbeeld, de

relatieve zinsconstructie, aan te tonen dat de 1 eurogrammatica 1

wetenschappelijk mogelijk, technisch haalbaar en in Europees

cultureel verband wenselijk is. De eurogrammatica beoogt een

vergelijkende presentatie van de stucturele eigenschappen van de

belangrijkste talen van West-Europa, m. n. die uit de Romaanse en

Germaanse taalfamilies (Frans, Spaans, Italiaans, Nederlands,

Duits, Engels, Zweeds, Deens, Noors). Onderhavig project, dat

primair is bedoeld als 1 feasibility study 1 , sluit aan bij twee

andere voorstudies die gezamenlijk tot doel hebben het complete

project uitgewerkt en gefinancierd te krijgen.

Dit zijn enerzijds het project 'Sentrale Trekk i Nordisk Syntax 1

(Centrale kenmerken van de syntaxis van Skandinavische talen),

gefinancierd door de Skandinavische 2e geldstroom, en anderzijds

een aantal workshops over vergelijkende syntaxis van Germaanse en

Romaanse talen. Tevens wordt getracht de onderzoeksresultaten die

op dit gebied van de contrastieve toegepaste taalwetenschap, m.n.

de beschrijving van taalregisters, waaronder in het bijzonder de

technische-wetenschappelijke registers.

looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroep/

werkverband:

projectleiders:

additionele middelen:

1 augustus 1984 - 1 augustus 1986

drs. R.J.C. Smits

Werkverband Vergelijking van Grammaticamodellen

(Subfaculteit Letteren

KHT) en de Vakgroep Toegepaste

Taalkunde (Onderafdeling der Wijsbegeerte

en Maatschappijwetenschappen -

THE)

prof.dr. H.C. van Riemsdijk (KHT)

dr. J.M. Ulijn (THE)

1984/1985 f 2.100,--

20. Substitutie van productiefactoren uitgaande van technische productiefuncties

projectomschrijving:

In de economische literatuur is altijd een grote plaats ingeruimd

geweest voor substitutie tussen productiefactoren. De gebruikelijke

aanpak gaat uit van productie- of kostenfuncties, waarin enkele

economisch relevante productiefactoren als argumenten fungeren.

Deze functies worden d.m.v. schattingen uit datareeksen benaderd.

Er is een heel andere benadering mogelijk. In plaats van uit te

gaan van gegevens over hoeveelheden en prijzen van productiefactoren,

wordt de productie- (of kosten)functie benaderd op grond van

kennis uit de technische wetenschappen. Deze benaderingswijze is

oorspronkelijk van Chenery (1949, 1953). De betreffende functies

kunnen technische productiefuncties genoemd worden. Op de THE wordt

onderzoek gedaan naar energiebesparing in industriele processen

(Splinter en Willeboer, 1981, 1982). Energiebesparing kan als een

vorm van subsitutie gezien worden.


18

Het voorgestelde project is gericbt op de substitutie uitgaande van

tecbniscbe productiefuncties. Door Van den Heuvel (1984) is reeds

een vooronderzoek op dit gebied verricbt. In bet verslag biervan

wordt aangetoond dat bet bovengenoemde op de THE uitgevoerde ,

onderzoek een veelbelovend startpunt is. In dit rapport wordt ook

een aanzet gegeven tot een meer algemene tbeorie, waarin in bet

verleden verricbte studies (vanaf Cbenery, 1949) ingepast kunnen

worden. Het rapport bevat verder een verkenning van onderzoeksmogelijkbeden

en een onderzoeksprogramma. Dit programma omvat zowel

een tbeoretiscbe uitwerking van bet model als een toepassing op

verscbillende processen.

looptijd:

aan te stellen:

deelnemend(e) vakgroepen:

instituut

projectleiders:

additionele middelen:

4 jaren

1 wetenscbappelijk onderzoeker

{dr. P. van den Heuvel)

Vakgroep Algemene leer en Gescbiedenis

van de economie (Faculteit der

Economiscbe Wetenscbappen KHT) ,

Economiscbe Instituut Tilburg - KHT,

en de Vakgroep Tecbnische Productiesystemen

(Afdeling der Bedrijfskunde

- THE)

prof.dr. T. van der Klundert (KHT)

ir. M. Splinter (THE)

1985 I 1.500,--

21. Rantsoenering en niet-lineaire budgetbeperkingen bij arbeidsaanbod

en consumentengedrag

projectomscbrijving:

Het doel van bet project is om, empirisch en operationeel, een

integratie tot stand te brengen tussen micro- en macrobenaderingen

in de economie. De overweging daarbij is dat micro-economiscbe

modellen van bet gedrag van economiscbe agenten (zoals

buisboudens en bedrijven) tbeoretiscb beter gefundeerd en empirisch

veel gedetailleerder en nauwkeuriger zijn dan corresponderende

relaties in macromodellen. Het essentiele voordeel van

macromodellen ligt in de bescbouwing van een economie als een

systeem, waarin de onderlinge beinvloeding van (geagregeerde)

variabelen op consistente wijze wordt bescbreven. De integratie_

van micro- en macrobenadering mag worden verwacbt te leiden tot

de combinatie van de voordelen van beide benaderingen: een nauwkeuriger

en meer tbeoretiscb gefundeerde bescbrijving van economiscb

gedrag en een consistente bebandeling van de terugkoppelingsmecbanismen

die de diverse onderdelen van een economiscb

systeem met elkaar verbinden.

De intregratie. van micro- en macrobenadering wordt binnen bet SOproject

vooralsnog toegepast op een onderdeel van bet economiscb

systeem, n .1. de gezinsbuishoudens, omdat de aanvragers in bet

bij zonder ervaring bebben met modellering van deze sector, omdat

er verwante projecten !open die zicb met de strikt micro-economiscbe

modellering van bet gedrag van gezinsbuishoudens bezig

bouden en omdat adequate data bescbikbaar zijn.


looptijd:

aan te stellen:

deelnemende vakgroepen:

projectleiders:

additionele middelen:

19

4 jaren

1 wetenschappelijk medewerker

Vakgroep Algemene en bedrijfseconometrie

(Subfaculteit Econometric

- KHT) en de Vakgroep Economie (Onderafdeling

der Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen

THE)

prof.dr. A. Kapteyn (KHT)

prof.dr. P.H.M. Ruys (THE)

1985 f 2.200,--

22. De machinenijverheid in Nederland tot 1914 (vooronderzoek)

projectomschrijving:

De rol van de machinenijverheid in het industrialisatieproces in

Nederland is een nog weinig bestreken onderzoeksterrein. Pas in de

meer recente geschiedschrijving komt dit vraagstuk expliciet ter

sprake. Daarbij komt een groot aantal niet beantwoorde probleemstellingen

op: Wat wordt precies onder de machinenijverheid verstaan?

Wat was precies haar omvang tot 1914? Welke machinefabrieken

hebben er bestaan? Welke producten maakten zij? Wat is de bijdrage

van de machinenijverheid (ondanks haar beperkte omvang) in kwalitatief

opzicht geweest? Heeft de beperkte omvang van de machinenijverheid

de mechanisatie in Nederland geremd? etc. Dit projectvoorstel

is in eerste instantie bedoeld als een vooronderzoek. Gezien

de geringe hoeveelheid beschikbare gegevens in de literatuur over

de machinenijverheid is een definitief onderzoeksvoorstel nog niet

mogelijk. Het vooronderzoek houdt in:

1. Het afronden van een inventarisatie van en een bibliografie over

de machinefabrieken in Nederland tot 1914.

2. Het mede-formuleren (op basis van 1) van een voorstel voor een

promotieonderzoek betreffende 'de machinenijverheid en de

industrialisatie in Nederland tot 1914'.

3. Het schrijven van een overzichtsartikel over de machinenijverheid

in Nederland tot 1914 t.b.v. het Jaarboek van de Geschiedenis

van Bedrijf en Techniek.

looptijd:

aan te stellen:

deelnemende vakgroepen:

projectleiders:

additionele middelen:

1 jaar

1 wetenschappelijk medewerker

Vakgroep Economische Geschiedenis

(Faculteit der Economische Wetenschappen

KHT) en de Vakgroep

Sociologie (Onderafdeling der Wijsbegeerte

en Maatschappijwetenschappen

- THE)

prof.dr. K.F.E. Veraghtert (KHT)

dr.ir. H.W. Lintsen (THE)

1985 f 1.300,--


20

C. Overige ondersteunde projecten

Evenals in voorgaande plannen wordt dit hoofdstuk besloten met een

overzicht van de overige gezamenlijke projecten, die bekostigd worden

door de hogescholen, het Samenwerkingsorgaan KHT-THE of door

derden. Het handelt hierbij om veelal kortlopende (voor-)studies,

projecten tussen diensten, projecten in opdracht van derden en andere

projecten die een aanzet tot samenwerking kunnen zijn.

De hiervoor benodigde middelen zijn variabel, doch beslaan steeds

tenminste een volledig manjaar, zo nodig en mogelijk te completeren

met beschikbare aanvullende personele middelen, en de noodzakelijke

overige lasten.

Voor deze doeleinden wordt ook gebruikt het eventuele restant van

de totale jaarlijks beschikbare personele middelen. Dit overschot

ontstaat door de gevolgde inschalingspolitiek voor de aan te stellen

projectmedewerkers, door de omstandigheid dat er aan sommige

projecten ook deeltijds wordt gewerkt en door veelal onvermijdelijke

vacature-intervallen tussen aflopende en nieuwe projecten.

De in dit kader ondersteunde en deels nog in uitvoering zijnde projecten

zijn de volgende.

1. Slibverbranding met stortgas

projectomschrijving:

In deze voorstudie wordt onderzoek verricht naar de haalbaarheid

van technische en economische (on)mogelijkheden van de verbranding

van zuiveringsslib met behulp van stortgas. Twee lijnen zijn

daarbij te onderscheiden nl.:

1. In een onderzoek gericht op het verbrandingsaspect van slib met

stortgas zal aandacht worden geschonken aan ontwateringskosten

versus verbrandingskosten, afgaszuivering, warmteterugwinning,

asverwerking e.d.

2. In een ondezoek gericht op het stortgasaspect zal aandacht

moeten worden geschonken aan o.a. stortgaswinning, -samenstelling,

-debiet, andere mogelijke toepassingen voor stortgas en

methoden voor de in dat geval mogelijke toepassingen voor startgas

en methoden voor de in dat geval benodigde zuivering (bijv.

de toepassing van een biofilter).

Naast de twee lijnen (slibverbranding en stortgas) in het geplande

onderzoek kunnen ook twee optieken worden onderscheiden. ln de

haalbaarheidsstudie zullen technische alternatieven zowel op

technische merites alsook op bedrijfseconomische gronden worden

beschouwd. Beoogd wordt enerzijds technische alternatieven van een

'prijskaartje' te voorzien, waarmee bedoeld wordt voor relevante

alternatieven kosten-baten verhoudingen in kaart te brengen.

Anderzijds Z1Jn marktmogelijkheden en aspecten van marketingtechnische

aard onderwerp van studie.


looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen:

projectleiders:

additionele middelen:

21

1 juni 1984 1 december 1984

G. de Groot

M.A.W. Suijkerbuijk

Vakgroep Fysische Technologie

(Afdeling der Scheikundige Technologie

- THE) en de Vakgroep Marketing

en Marktonderzoek (Faculteit der

Economische Wetenschappen - KHT)

drs. H.P. Coenders (KHT)

ir. S.P.P. Ottengraf (THE)

dr.ir. A.H.M. Verkooijen (THE)

1984 f 19.000,--

2. Diepergaande analyse van de langzame potentialen en de er aan ten

grondslag liggende hersencelactiviteit 'multiple unit acitivity'

Voorstudie naar een diepergaande analyse van de langzame potentialen

en de er aan ten grondslag liggende hersencelactiviteit (zg.

multiple unit activity) in aansluiting op het onderzoek betreffende

het menselijke EEG.

looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen:

projectleider:

additionele middelen:

februari t/m september 1984

N. Chehade

Vakgroep Medische Elektrotechniek

(Afdeling der Elektrotechniek -

THE) en de Vakgroep Fysiologie en

Fysiologische Psychologie (Subfaculteit

der Psychologie - KHT)

prof.dr. C.H.M. Brunia

1984 f 2.500,--

3. Arbeidsduurverkorting en flexibilisering/differentiatie van arbeidspatronen

aan de KH-Tilburg en de TH-Eindhoven

projectomschrijving:

Arbeidsduurverkorting en flexibilisering/differentiatie van arbeidspatronen

vormen in het Nederlandse bedrijfsleven heel actuele

onderwerpen. Op tal van plaatsen wordt geexperimenteerd met nieuwe

regelingen. Op grond van de beleidsvoornemens die doorklinken in

uitspraken van de betrokken ministers is het te verwachten, dat ook

de overheid zelf op kortere of langere termijn niet zal ontkomen

aan enige vorm van arbeidsduurverkorting. Het is daarom wenselijk,

vooruitlopend op een beslissing op centraal niveau, nii al na te

gaan, welke doelstellingen, randvoorwaarden en uitgangspunten op

instellingsniveau door de KHT en de THE gehanteerd zullen worden,

welke mogelijkheden en beperkingen het arbeidsproces in de verschillende

delen van de organisatie met zich brengt, welke regelingen

hierop het beste aansluiten en welke organisatorische aanpassingen

deze vergen. Door middel van enkele casestudies zal op deze vragen

antwoord worden gezocht. Met de resultaten kan de besluitvorming op

instellingsniveau meer onderbouwd worden.


looptijd:

aangesteld:

deelnemende diensten/

vakgroepen

projectleiders:

additionele middelen:

4. Bedrijfsgeschiedenis

22

1 oktober 1984- 1 augustus·1985

drs.ing. M.H. van Eijk

ir. C.A.J.M. Aarts

Dienst Personele Zaken - KHT

Dienst Personele Zaken - THE

Vakgroep Organisatie (Faculteit der

Economische Wetenschappen - KHT) en

de Vakgroep Organisatiepsychologie

(Afdeling der Bedrijfskunde - THE)

drs. W. de Lange (KHT)

drs. P.M. Janssen (THE)

1984/1985 I 5.000,--

De vakgroep Sociologie van de THE heeft, in samenwerking met

ondermeer de vakgroep economische geschiedenis van de KHT, een

werkgroep 'Techniek, Wetenschap en Industrialisatie in Nederland'

(TWIN) geformeerd. In deze werkgroep met ca. 15 !eden loopt een

aantal onderzoekingen die betrekking hebben op bedrijven en bedrijfstakken.

Ten behoeve van de onderzoekers die met de bedrijfsgeschiedenis

bezig zijn, en ander geinteresseerde !eden van de

werkgroep, zal er een cursus 'Bedrijfsgeschiedenis' voor 1985

worden opgezet.

In deze cursus zullen gastdocenten uit Nederland en Belgie uitgenodigd

worden een aantal onderwerpen te behandelen. Daarbij wordt

onder andere gedacht aan:

- methoden (gebruik van bedrijfs- en andere archieven in het

algemeen, gebruik van de boekhouding als bronnenmateriaal,

e.d.);

- theoretische thema's (theorieen over het ondernemersgedrag;

historische typen van ondernemingen, theorieen over marktvormen

e.d.);

- case-studies (behandeling van een aantal recent afgesloten

bedrijfshistorische studies door de betreffende onderzoeker).

looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen/

werkgroep

projectleider:

additionele middelen:

1 september t/m december 1984

drs. W.H.P.M. van Hooff

Vakgroep Economische Geschiedenis

(Faculteit der Economische Wetenschappen

- KHT) en de Vakgroep

Sociologie van de Onderafdeling der

Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen

- THE) en de Werkgroep

'Techniek, Wetenschap en Industrialisatie

in Nederland'.

dr.ir. H.W. Lintsen (THE)

1984 I 250,--


23

5. Vrouwen en de gebouwde omgeving

Studium Generale van de TH-Eindhoven wil een vooronderzoek doen

voor een in mei 1985 te houden tentoonstelling 'Vrouwen en de

gebouwde omgeving'. Tevens is Studium Generale Tilburg voornemens

de tentoonstelling in haar programma op te nemen.

Ter voorbereiding is daartoe een gezamenlijke werkgroep ingesteld

die zich ten doe! heeft gesteld middels de tentoonstelling duidelij

k te maken welk aandeel vrouwen in de totstandkoming van de

gebouwde omgeving hebben, zowel kwalitatief als kwantitatief, en

wat de betekenis kan zijn van de inbreng van vrouwen wanneer zij

voor een meer evenredig dee! zullen participeren in de totstandkoming

van de gebouwde omgeving.

looptijd:

aangesteld:

deelnemende vakgroepen/

diensten:

projectleider:

additionele middelen:

1 september t/m december 1984.

ir. K. Overdijk (0,5)

ir. J. Loeffen (0,5)

Studium Generale (THE/KHT);

Vakgroep Stadsvernieuwing en Volkshuisvesting

(Afdeling Bouwkunde - THE)

en de Vakgroep Sociologie van de Ruimtelijke

Ordening en de Sektie 'Vrouwenstudies

(heiden van de Faculteit der Sociaal­

Culturele Wetenschappen- KHT).

ir. P. Weeder (THE)

I 500,--


25

5. Scbatten in MIMO-modellen

Looptijd 1 september 1979 - 1 augustus 1984, uitgevoerd door dr.

A.K. Hajdasinski.

Een maand eerder dan voorzien werd dit project afgerond. Een groat

aantal publicaties is reeds gedurende de looptijd van bet project

verscbenen, een aantal gescbriften staat nog te verscbijnen. Gedurende

dit project zijn voorts vele internationale contacten gerealiseerd

en mede als gevolg daarvan een belangrijk aantal voordracbten.

Het opmerkelijke bij dit project was ecbter vooral bet

groat aantal (20 stuks) participerende studenten met als vanzelfsprekend

resultaat een veelbeid van afstudeer- en stagerapporten

over aspecten van bet onderwerp van dit project.

De lopende Samenwerkingsprojecten KHT-THE verlopen blijkens bet oordeel

en uitgebracbte adviezen van de Vaste Commissie Beoordeling Samenwerkingsprojecten

KHT-THE overeenkomstig bet ingediende en goedgekeurde

onderzoekscbema. In de enkele gevallen dat biervan gemotiveerd wordt

afgeweken beeft de commissie aan de projectleiders en daarmee aan de

uitvoerenden aanwijzingen tot correctie of aanpassing gegeven.

Blijkens de jaarlijkse bijdragen aan de Wetenscbappelijke verslagen der

beide bogescbolgen bedroeg bet aantal wetenscbappelijke en overige

publicaties en activiteiten in 1983 50 plus 9 voordracbten met daarnaast

9 afstudeer- en stageverslagen.

Met betrekking tot de categorie ondersteunde projecten

opgemerkt dat deze steeds stipt binnen de bescbikbare

afgerond middels aanbieding van een eindrapport.

kan worden

tijd werden


27

Uit uitgevoerde berekeningen blijkt dat met bet totaal beschikbare bedrag

alle projecten nog een redelijke toewijzing kunnen verkrijgen. Wel

zullen in een aantal gevallen de deelnemende vakgroepen meer dan voorheen

financieel moeten bijspringen in de uitgevoerde Samenwerkingsprojecten.

Van KHT-zijde is hierbij melding te maken van een noviteit ten aanzien

van deze overige projectlasten. Deze worden namelijk niet meer zoals

voorheen per project beschikbaar gesteld doch in bet kader van bet

gehanteerde systeem van geclusterde niet geoormerkte budgettoewijzing

aan de faculteiten verdisconteerd; in deze systematiek wordt tevens een

soort overhead- en overall-toeslag voor ieder in de faculteit lopend

project aan die faculteit toegerekend. De facto is de KHT-bijdrage

overige lasten derhalve uitgebreid.


28

V Verdere aanzet voor een onderzoeksbeleid voor Samenwerkingsprojecten

KHT-THE

De gezamenlijke researchpool KHT-THE heeft zich in de loop der jaren

zowel qua omvang als qua inhoud een eigen plaats verworven binnen het

geheel van onderzoeksactiviteiten in de twee hogescholen. Die zelfstandige

positie wordt voorts mede veilig gesteld door de gegarandeerde

eigen financieringsbronnen voor deze pool via de jaarlijkse bijdragen

van het Ministerie en van de beide instellingen.

Het Samenwerkingsorgaan KHT-THE en de besturen van de hogescholen hebben

zich in 1984 nog eens nadrukkelijk uitgesproken voor het handhaven van

deze autonome positie van de pool. Daaraan is echter meteen toe te

voegen dat het vanzelfsprekend zo is dat alle in de beide huizen uitgevoerde

onderzoeksactiviteiten zo veel mogelijk op elkaar worden afgestemd,

ter versterking van het onderzoekspotentieel als geheel, ter

bereiking van een zo veel mogelijk complementair onderzoeksbeleid, en

ter vermijding van onnodige doublures of ongewenste overlappingen.

In dat verband hecht het Samenwerkingsorgaan KHT-THE eraan nogmaals, ook

in dit plan, aan te geven hoe het orgaan deze afstemming, op termijn,

beziet. Bet lijkt het orgaan daarbij een voorstelbare, acceptabele en

nastrevenswaardige ontwikkeling dat het reguliere onderzoek in de hogescholen

langs een drietal hoofdstromen wordt gefinancierd.

Dat zijn (1) de eigen instellingsfinancien voor intra-universitaire

onderzoeksactiviteiten, inclusief die voor voorwaardelijk gefinancierd

onderzoek; (2) de door de instellingen en het ministerie van Onderwijs

en Wetenschappen gevoteerde gelden voor interuniversitaire samenwerkingsprojecten

KHT-THE; (3) de financien in de tweede geldstroom.

Voorwaarde voor zo 'n opdeling is echter dat de instellingen zelf, het

Samenwerkingsorgaan KHT-THE en de tweede-geldstroom-financiers dan ieder

een volstrekt duidelijk en zo mogelijk op relevante punten afgesteld

onderzoeksbeleid hebben geformuleerd en verwoord in een plan, zodat van

een ingediend onderzoeksvoorstel of van een bepaald type onderzoek

meteen kan worden uitgemaakt in welke financieringsstroom het qua

onderzoeksobject het meeste thuishoort. Zo ver is het nog niet, zulke

integrale, heldere onderzoeksplannen zijn nog niet beschikbaar. Doel van

deze conceptie is het onderzoek ook daar te financieren waar het qua

inhoud en in ten tie het meest spoort met het onderzoeksbeleid, hetzij

intern, hetzij extern.

Op zulk een ontwikkeling kan dan eventueel op de meest geeigende wijze

worden aangesloten door het niet-reguliere onderzoek in de sfeer van de

contract research, in de derde geldstroom. Ook hierbij hebben de hogescholen

uitgesproken, en aan het Samenwerkingsorgaan KHT-THE daartoe een

verzoek gericht, te willen komen tot afstemming ter realisering van

primair gezamenlijke onderzoeksopdrachten voor derden en secundair tot

een zodanige allocatie van dit soort aanvragen dat die op de meest

geeigende wijze en plaats worden uitgevoerd. Deze op het externe geldcircuit

gerichte afstemming staat echter nog in de kinderschoenen.

Tot slot van dit hoofdstuk nog een enkele opmerking over de relatie

tussen Samenwerkingsprojecten KHT-THE en voorwaardelijk gefinancierd

onderzoek en de geopperde mogelijkheden tot verweving van die beide.

Zoals duidelijk moge zijn uit het voorgaande wordt door de hogescholen

gehecht aan het handhaven van een eigen plaats voor ieder soort onderzoek,

een beleidskeuze dus. Naast inhoudelijke argumenten voor deze

keuze, waarover straks meer, zijn hiervoor ook wel practische motieven

aan te voeren. Zo is de gegarandeerde duur van voorwaardelijk gefinancierd

onderzoek vijf jaar, terwijl dat voor projecten in de researchpool


29

vier jaar bedraagt. Ook de te garanderen minimumomvang van voorwaardelijk

gefinancierd onderzoek is niet van toepassing op Samenwerkingsprojecten

KHT-THE. En voorts is het zo dat het voorwaardelijk gefinancierd

onderzoek gehouden is tot een aparte externe beoordeling der

projectvoorstellen, welke allereerst nogal wat tijd vergt maar welke

bovendien landelijke gezichtspunten bij de beoordeling in het geding

brengt die minder relevant zijn voor deze KHT-THE-pool.

Ten aanzien van de inhoudelijke argumenten moge dienen dat de gezamenlijke

researchpool is opgezet ter bereiking van een substantiiHe en

zelfstandige aanjaagfunctie voor de samenwerking tussen de hogescholen

op de terreinen van onderwijs en onderzoek. Deze zelfstandige positie

wensen de hogescholen te behouden.

Het is op grond van alle bovengenoemde argumenten dat met betrekking tot

het onderzoek in de researchpool niet besloten is tot vervlechting met

dan wel inkadering in het voorwaardelijk gefinancierd onderzoek in de

beide hogescholen. Dat neemt niet weg dat er een relatienetwerk c.q.

afstemming tussen deze beide onderzoeksactiviteiten wordt voorgestaan,

zoals moge blijken uit onderstaande passage uit het Onderzoeksplan 1984.

'Bij de genoemde afstemming kan gedacht worden aan het toekennen van een

beperkte functie van Samenwerkingsprojecten in het kader van de voorwaardelijke

financiering omdat deze projecten kunnen dienen ter illustratie

van een zekere wetenschappelijke erkenning, van een onderzoekstraditie

of van een onderzoeksprogramma. Tevens kunnen deze Samenwerkingsprojecten

in sommige gevallen onderdeel uitmaken van voorwaardelijk

gefinancierd onderzoek, waarbij zij door hun eigen, specifieke financiering

ruimte scheppen voor onderzoek langs andere invalshoeken. In andere

gevallen kunnen Samenwerkingsprojecten leiden tot het realiseren van

gezamenlijke al dan niet voorwaardelijk gefinancierde onderzoeksprogramma's.

Omgekeerd is aan te nemen dat de relaties van een projectaanvraag

met, voorwaardelijk gefinancierd, onderzoek bij de deelnemende

vakgroepen een rol gaan spelen bij de beoordeling van een project omdat

daarmee de plaatsbepaling in de totale onderzoeksactiviteiten der

betrokkenen wordt vergemakkelijkt'.

Uit het voorgaande moge duidelijk zijn geworden dat, ondanks de voorgestane

afstemming, de hogescholen het doe! van de gemeenschappelijke

researchpool vooralsnog onaangetast willen laten. Dat doe!, de uitbreiding

van deze universitaire samenwerking, is en blijft per slot de

primaire bestaansreden voor deze pool, voor de daaruit geentameerde

Samenwerkingsprojecten KHT-THE.

Bijlage: criteria + gezichtspunten.

PG/MK/1984-07-06.

(gewijzigd 1984-12-10).


30

Bijlage bij het Onderzoeksplan 1984

Beoordelingscriteria voor onderzoeks- en onderwijsprojecten

1. Criteria ten behoeve van onderzoeksprojecten 1 )

Onderzoeksprojecten worden tenminste beoordeeld met behulp van de

navolgende criteria:

is het project wetenschappelijk relevant, met andere woorden,

verschaft het nieuwe kennis of inzichten?

is de uitvoering binnen het kader van de samenwerking tussen

de hogescholen zinvol? Betekent het project duplicering van

werk, dat elders wordt gedaan, en zo ja, in welk opzicht is

het dan toch de moeite waard?

is het project uitvoerbaar en hoe staat het met de kans van

slagen? Is er voldoende kennis en ervaring bij de uitvoerende

aanwezig en beschikken zij over de noodzakelijke hulpmiddelen?

is het project relevant voor de beide hogescholen:

a. kan verwacht worden, dat de resultaten gebruikt zullen

worden bij ander onderzoek op de hogescholen?

b. kan het project een aanzet vormen respectievelijk bijdragen

aan een lokaal zwaartepunt al dan niet aansluitend

bij een landelijk beleid in dit opzicht?

c. is het onderzoek duidelijk van belang voor meer dan een

afdeling of faculteit?

gaat het project gepaard met de intensivering van het gebruik

van aanwezige, kostbare apparatuur of installaties?

biedt het project mogelijkheden voor stagiair(e)s en afstudeerders?

is het project in te passen in de onderzoeksprogramma's van de

betrokken afdelingen, faculteiten en vakgroepen?

2. Criteria ten behoeve van onderwijsprojecten

Onderwijsprojecten, waaronder te verstaan projecten waarin men

samenwerkt op het terrein van het onderwijs, worden tenminste beoordeeld

aan de hand van de volgende criteria:

is de uitvoering van het project binnen het kader van de

samenwerking tussen de hogescholen zinvol?

betekent het project een uitbreiding van de reeds aanwezige

onderwijsvoorzieningen?

1 ) Opgemerkt zij dat de Beoordelingscommissie de aanvragen hierbij

zoveel mogelijk mede beziet vanuit de gezichtspunten:

(a) spreiding der projecten over zo vee! mogelijk afdelingen en

faculteiten, (b) vooruitzichten op mogelijke permanente samenwerking

na de afloop van het project en (c) de relatie met het door de

hogescholen uitgevoerde voorwaardelijk gefinancierd onderzoek.


31

is bet project duidelijk van belang voor meer dan een afdeling

of faculteit?

levert bet project een bijdrage aan de verbreding van bet

spectrum van universitaire voorzieningen binnen de twee

hogescholen?

zijn er afdoende regelingen getroffen of te treffen ten

aanzien van bet project, betreffende de geldigheid en puntenwaarderingen/vrijstellingen

van afgelegde tentamens of

vervaardigde werkstukken betreffende bet studie- of examenprogramma

van studenten?

is bet project in te passen in de onderwijsprogramma's van de

betrokken afdelingen en faculteiten?

3. Criteria ten behoeve van bet Samenwerkingsorgaan KHT-THE

Het Samenwerkingsorgaan KHT-THE beoordeelt de voordrachten van de

beoordelingscommissie aan de hand van de volgende criteria:

is bet project van belang voor de samenwerking tussen de

hogescholen?

draagt bet project bij aan de realisering van de doelstellingen

van van bet Samenwerkingsorgaan KHT-THE, zoals deze

zijn neergelegd in de Raamovereenkomst tussen de hogescholen?

sluit bet project aan bij de ontwikkelde beleidsvisies van de

hoge scholen?

is ondersteuning van bet project vanuit bet gemeenschappelijke

fonds voor Samenwerkingsprojecten noodzakelijk voor de realisering

van bet project? Zijn er mogelijke alternatieve ondersteuningsmogelijkheden

binnen de hogescholen?

More magazines by this user
Similar magazines