Fiscale zaken - Fiscus.fgov.be

fiscus.fgov.be

Fiscale zaken - Fiscus.fgov.be

HOOFDSTUK I

FISCALE ZAKEN

De Adjunct-administrateur-generaal (AAG) neemt de algemene directie van de Administratie van

Fiscale Zaken (AFZ) op zich.

De AFZ is belast met de voorafgaandelijke studie, de voorbereiding van de wetgeving en de

internationale betrekkingen inzake alle belastingen (met uitzondering echter van de douanerechten)

en de fiscale procedure. Naast het opstellen van wetteksten en koninklijke besluiten is de AFZ ook

belast met het opstellen van een eerste commentaar van voormelde teksten alsmede met de

commentaar op de internationale overeenkomsten.

In dit verband hierna de in 2003 uitgevoerde werkzaamheden voor wat betreft de werking van de

AFZ.

1. INTERNATIONALE BETREKKINGEN WAT BETREFT DE DIRECTE EN INDIRECTE

BELASTINGEN

1.1. Directe belastingen

De activiteiten van de AFZ op het vlak van de internationale betrekkingen spelen zich af op twee

niveaus: bilateraal en multilateraal.

1.1.1. Bilateraal niveau

1.1.1.1. Overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting 1

Voortaan zal de FOD Financiën de overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting in principe

vanaf hun ondertekening bekendmaken.

Aanvullende overeenkomst met Duitsland

Inwerkingtreding

De aanvullende Overeenkomst van 5 november 2002 bij de Belgisch-Duitse Overeenkomst tot het

vermijden van dubbele belasting van 1967 is in werking getreden op 28 december 2003 en is van

toepassing vanaf het belastbaar tijdperk 2004 (aanslagjaar 2005).

Vanaf 1 januari 2004 zijn de grensarbeiders dus belastbaar in de Staat waar ze hun beroepsactiviteit

uitoefenen en niet langer in de Woonstaat, zoals daarvoor het geval was. Dit nieuwe belastingstelsel

voor grensarbeiders stemt overeen met het stelsel dat werd aangenomen in het kader van de

Belgisch-Nederlandse betrekkingen.

1

Meer details kan u terugvinden op de site http://fiscus.fgov.be/interfafznl/international/intern000.htm of op de

site www.fisconet.fgov.be.


Het begrotingsverlies dat voor België ontstaat door het afzien van het heffingsrecht ten opzichte van

de Belgische grensarbeiders zal, gedurende een overgangsperiode, worden “gecompenseerd” door het

betalen van een financiële compensatie door Duitsland aan België.

De Aanvullende overeenkomst maakt het tevens mogelijk de gemeentelijke opcentiemen te innen die

door de Belgische gemeenten en de Brusselse agglomeratie worden geheven van bepaalde

beroepsinkomsten die in Duitsland belastbaar zijn en in België vrijgesteld zijn van de

personenbelasting.

Om een dubbele heffing van gemeentebelasting te vermijden zal Duitsland aan de inwoners van België

die onderworpen zijn aan de gemeentelijke opcentiemen in België en aan de inkomstenbelasting in

Duitsland een vermindering van 8 % op de Duitse inkomstenbelasting toestaan.

Verstrekken van informatie

Ten behoeve van de Belgische grensarbeiders die in Duitsland werken werden twee

informatiebrochures opgesteld. “Wohnen in Belgien, arbeiten in Deutschland”, uitgegeven door het

Ministerie van Financiën van het Land Noordrijn-Westfalen, verschaft informatie over het Duitse

belastingrecht en sociaal recht en kan worden gedownload van de website van dat Ministerie. De

brochure “Wonen in België, werken in Duitsland”, uitgegeven door de Belgische belastingadministratie,

behandelt eveneens vragen betreffende grensoverschrijdende werkzaamheden maar gaat verder in op

de fiscale toestand van de grensarbeiders in België.

Informatie kan ook worden ingewonnen bij de callcenters “TEAM IBB” te Heerlen (Nederland) (gratis

groen telefoonnummer: 0800/90.220) en “BELINTAX” te Brussel (E-mail: belintax@minfin.fed.be).

Beide callcenters verstrekken tevens inlichtingen over de nieuwe Belgisch-Nederlandse Overeenkomst

van 5 juni 2001.

Bij de inwerkingtreding van de Aanvullende overeenkomst in december 2003 heeft de Belgische

administratie iedere in Duitsland werkende Belgische grensarbeider persoonlijk ingelicht over de

wijziging van het belastingstelsel en over de informatiebronnen die door de administratie te zijner

beschikking werden gesteld (callcenter, informatiebrochures, enz.).

Nederland

In het kader van de concrete toepassing vanaf 1 januari 2003 van het nieuwe belastingverdrag van

5 juni 2001 tussen België en Nederland heeft de AFZ zeer actief meegewerkt aan diverse initiatieven.

Zo werden onder meer in samenwerking met de AOIF, de Nederlandse fiscus en het Bureau voor

Belgische Zaken in 2003 de volgende twee uitgebreide brochures uitgewerkt en ter beschikking van de

belanghebbenden gesteld: “Wonen in Nederland - Werken in België” en “Wonen in België - Werken in

Nederland”. Beide brochures geven algemene antwoorden op de meeste voorkomende vragen op het

gebied van de fiscaliteit (en van de sociale zekerheid) van werknemers van beide landen die

grensoverschrijdende arbeid verrichten.

Daarnaast heeft de administratie meegewerkt aan de actualisering (ingevolge de toepassing van het

nieuwe belastingverdrag) van de Regeling van 25 september 1997 tussen de bevoegde autoriteiten

van België en Nederland inzake de uitwisseling van fiscale inlichtingen.

Tenslotte werd samen met de Nederlandse belastingadministratie een ontwerp van administratieve

regeling uitgewerkt tot vastlegging van de uitvoeringsmodaliteiten van de macro-economische

verrekening die een redelijke verdeling tussen beide landen beoogt van de in België en Nederland

geheven belastingen over inkomsten uit grensoverschrijdende niet-zelfstandige arbeid.

Frankrijk

Op vraag van België werden onderhandelingen aangevat met het oog op een herziening van de Frans-

Belgische Overeenkomst van 10 maart 1964.


België wenst in de eerste plaats het bijzonder stelsel af te schaffen dat van toepassing is op de

grensarbeiders en wil de grensarbeiders dus belastbaar stellen in de Staat waar ze werken volgens de

regel die van toepassing is op alle werknemers uit de particuliere sector en in navolging van wat is

gebeurd in de nieuwe overeenkomsten met Duitsland en Nederland. België wil de Belgische

gemeenten ook in staat stellen om gemeentelijke opcentiemen te heffen van de inkomsten van hun

inwoners die belastbaar zijn in Frankrijk zodat die inwoners net als de andere burgers bijdragen tot de

financiering van de gemeente. Vertegenwoordigers van de AFZ en van de Franse

belastingadministratie zijn tussen maart en december 2003 vier maal samengekomen. Die

bijeenkomsten hebben evenwel nog niet geleid tot een definitieve versie van een ontwerp voor een

nieuwe overeenkomst. Om tot een oplossing te komen voor de nog hangende kwesties zullen de Heer

Minister van Financiën REYNDERS en zijn Franse ambtgenoot elkaar in de loop van 2004 ontmoeten.

Hong-Kong

Er werden eveneens onderhandelingen aangevat met de Speciale Administratieve Regio Hong-Kong

van de Volksrepubliek China. Die onderhandelingen hebben geleid tot het afsluiten van een bilaterale

overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting die ondertekend werd op 1 december 2003.

Sinds 1 juli 1997 maakt Hong-Kong wezenlijk deel uit van de Volksrepubliek China waarvan het een

“Speciale Administratieve Regio” is geworden. Desondanks zijn de Overeenkomst van 18 april 1985

tussen België en China tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan

van belasting inzake belastingen naar het inkomen en het aanvullend Protocol van 27 november 1996

niet van toepassing op Hong-Kong. Aangezien er in Hong-Kong tal van Belgische ondernemingen

actief zijn was het aangewezen om de dubbele belasting te vermijden die tussen deze dynamische

regio en België bestond. De ondertekende Overeenkomst volgt in grote mate de bepalingen van het

OESO-modelverdrag inzake belastingen.

Taiwan

Er werden onderhandelingen aangevat met het oog op het afsluiten van een bilateraal akkoord tot het

vermijden van dubbele belasting dat van toepassing is op de inwoners van Taiwan en België. Die

onderhandelingen konden in 2003 nog niet afgerond worden. Het akkoord dat momenteel

onderhandeld wordt zal worden afgesloten tussen de “Taipei Representative Office” en de “Belgian

Trade Association” in Taipei. Zodra dat akkoord afgesloten is zal het worden bekrachtigd door een wet

die aan het Parlement zal worden voorgelegd.

Marokko

In 2003 werd ook een aanvang genomen met de heronderhandeling van de Overeenkomst tot het

vermijden van dubbele belasting tussen België en Marokko van 4 mei 1972. Die onderhandelingen

zullen in 2004 voortgezet worden.

Libië

Vertegenwoordigers van de AFZ hebben in 2003 te Tripoli de onderhandelingen verder gezet die met

het oog op het sluiten van een dubbelbelastingverdrag met Libië in 2002 werden aangevangen. Deze

tweede gespreksronde kon evenwel nog niet met de parafering van een ontwerpverdrag worden

afgerond.

1.1.1.2. Commissie grensarbeiders

De Belgische Commissie grensarbeiders die in 2001 werd opgericht op initiatief van de Minister van

Financiën, de heer D. REYNDERS, en van zijn Collega van Sociale Zaken, de heer

F. VANDENBROUCKE, kreeg als voornaamste opdracht te adviseren omtrent de mogelijke knelpunten

waarmee Belgische grensarbeiders die in Nederland werken geconfronteerd kunnen worden, met een

bijzondere aandacht voor de eventuele negatieve gevolgen die voor de betrokkenen konden

voortvloeien uit de overgang van de bestaande Belgisch-Nederlandse Overeenkomst tot het vermijden

van dubbele belasting van 19 oktober 1970 naar het nieuwe dubbelbelastingverdrag van 5 juni 2001.


Op verzoek van de FOD Sociale Zekerheid werd het aanvankelijk mandaat van de Commissie

grensarbeiders uitgebreid tot de problemen waarmee de Belgische grensarbeiders die werken in

Frankrijk, Duitsland en Luxemburg, te maken kunnen krijgen op het vlak van fiscaliteit en sociale

zekerheid. De Commissie heeft in april 2003 haar werkzaamheden in verband met het verruimde

mandaat hervat.

Er werd beslist om enerzijds de fiscale problemen en anderzijds de sociale problemen afzonderlijk te

behandelen. Er werden dan ook twee subgroepen opgericht. In elke subgroep worden

achtereenvolgens de problemen behandeld van de grensarbeiders die in Duitsland, Luxemburg of

Frankrijk werken.

Vermits de evolutie in de dossiers van de verdragen met de drie voormelde landen sterk uiteenloopt

(de Aanvullende overeenkomst met Duitsland is op 28 december 2003 in werking getreden terwijl de

onderhandelingen met Frankrijk nog bezig zijn) werd tevens beslist om per verdrag een afzonderlijk

verslag op te stellen.

De subgroep “fiscaliteit” heeft haar werkzaamheden omtrent de Belgisch-Duitse betrekkingen

afgerond. Het rapport dat na afloop van die werkzaamheden werd gepubliceerd bevat een aantal

aanbevelingen en vaststellingen, meer bepaald in verband met:

de negatieve gevolgen van de Aanvullende overeenkomst voor het inkomen van sommige

categorieën grensarbeiders;

de belasting van niet-inwoners en meer bepaald het barema III van de BV;

het verstrekken van informatie;

de heffing van gemeentelijke opcentiemen op de wettelijke Duitse pensioenen;

de bijzonderheden van de belasting van niet-inwoners in Duitsland en in België.

1.1.1.3. Administratieve bijstand

Op 17 maart 2003 werd te Kiev een administratieve regeling ondertekend tussen de bevoegde

autoriteiten van België en Oekraïne. Die regeling vindt haar juridische grondslag in artikel 26 van de

Belgisch-Oekraïense Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting van 20 mei 1996 en heeft

als doel de administratieve samenwerking tussen de twee landen op het vlak van de

inkomstenbelastingen te versterken. De regeling omvat bepalingen inzake de uitwisseling van

inlichtingen (automatisch, spontaan en op verzoek) en inzake gelijktijdige belastingcontroles.

Soortgelijke regelingen werden afgesloten met Frankrijk, Nederland en Italië.

1.1.2. Multilateraal niveau

1.1.2.1 OESO

OESO-model van belastingverdrag

Werkgroep nr. 1 van het Comité van Fiscale Zaken die belast is met de studie van de problemen rond

het voorkomen van dubbele belasting heeft zijn werkzaamheden aangevangen of voortgezet al naar

het geval inzake:

technische kwesties in verband met grensoverschrijdende pensioenen en stock-options van

werknemers;

vraagstukken inzake de toepassing van het Model van belastingverdrag met betrekking tot

internationaal verkeer;

het begrip vaste inrichting;

de plaats van de werkelijke leiding;

inkomsten uit het verstrekken van diensten;

de contacten met de niet-lidstaten.


Voor het overige wordt de aandacht nog gevestigd op het feit dat de bijwerking van het OESO-model

van belastingverdrag die de voormelde werkgroep nr. 1 in 2002 had afgerond op 28 januari 2003 door

de Raad van de OESO werd goedgekeurd en gepubliceerd.

Nadelige fiscale maatregelen

Het Forum van de OESO inzake nadelige fiscale praktijken heeft in 2003 zijn werkzaamheden

voortgezet.

In het verslag van juni 2000 (“Naar een globale fiscale samenwerking – Vooruitgang bij de

identificatie en uitschakeling van nadelige fiscale praktijk”) werden een aantal voorkeursstelsels van

de Lidstaten als potentieel nadelig geïdentificeerd. Op basis van de criteria in het rapport van 1998 2

en van de door het Forum uitgewerkte toepassingsnota’s hebben de Lidstaten deze voorkeursstelsels

in 2003 verder geëvalueerd. Het resultaat van deze werkzaamheden werd opgenomen in een

voortgangsrapport dat onder voorbehoud van goedkeuring door het Comité van Fiscale Zaken (CFZ)

en de Raad normaliter in 2004 zal worden gepubliceerd. Het rapport omvat een overzichtstabel van de

potentieel nadelige stelsels waarbij elk stelsel wordt gekwalificeerd als zijnde “afgeschaft”,

“geamendeerd om de potentieel nadelige kenmerken weg te werken”, “niet schadelijk” of “schadelijk”.

In 2002 heeft de OESO een lijst van niet-coöperatieve belastingparadijzen (7 rechtsgebieden)

gepubliceerd maar ze heeft haar inspanningen verder gezet om die rechtsgebieden ertoe te bewegen

de nodige verbintenissen aan te gaan in het kader van de strijd tegen nadelige schadelijke fiscale

praktijken. Nauru en Vanuatu hebben daar in 2003 positief op gereageerd. Dus zijn er eind 2003 nog

slechts 5 rechtsgebieden (Andorra, Liberia, Liechtenstein, de Marshalleilanden en Monaco) die zich er

nog niet toe verbonden hebben om de OESO-regels inzake transparantie en uitwisseling van

inlichtingen na te leven.

Daarenboven heeft de OESO verder onderhandeld met een aantal niet-lidstaten die tot medewerking

bereid waren en zich akkoord verklaarden met de OESO-regels inzake transparantie en uitwisseling

van inlichtingen. Een subgroep van Lidstaten en niet-lidstaten zal in 2004 verder onderhandelen met

het oog op de ontwikkeling en de toepassing van de nodige criteria en de te volgen spelregels.

Bankgeheim

In 2003 heeft de OESO het voortgangsrapport “Het vergemakkelijken van de toegang tot

bankinlichtingen voor fiscale doeleinden” gepubliceerd. Dit verslag biedt een overzicht van de

vooruitgang die door de Lidstaten werd geboekt bij het aanwenden van de maatregelen die werden

geformuleerd in het “Bankverslag 2000” en geeft aan op welke vlakken er nog vooruitgang kan

geboekt worden.

Onder de gunstige resultaten wordt in het voortgangsrapport in het bijzonder gewezen op het feit dat

het in geen enkele OESO-Lidstaat nog mogelijk is om anonieme rekeningen te openen. In alle

Lidstaten werden verplichtingen ingevoerd inzake de identificatie van de klanten en geen enkel land

eist nog dat er een nationaal fiscaal belang is om inlichtingen voor een verdragspartner te verkrijgen.

Op bepaalde zeer belangrijke terreinen werd echter weinig vooruitgang geboekt. De groep van 30

Lidstaten heeft nog geen overeenstemming bereikt over een gemeenschappelijke definitie van de

fiscale fraude en er is weinig verbetering merkbaar op het vlak van de toegang tot bankinlichtingen

voor burgerlijk fiscale doeleinden.

Uitwisseling van inlichtingen

Werkgroep nr. 8 heeft haar werkzaamheden omtrent de herziening van artikel 26 (uitwisseling van

inlichtingen) van het OESO-model van fiscale overeenkomst beëindigd. Naast een reeks

vormwijzigingen werden twee nieuwe bepalingen toegevoegd:

de verplichting voor een Staat om door een andere Staat opgevraagde inlichtingen op te zoeken

en te verstrekken, zelfs al heeft eerstgenoemde Staat die inlichtingen niet nodig voor het vestigen

van de eigen belasting (nieuwe § 4);

2 OESO, Harmful Tax Competition, An Emerging Global Issue, 1998, Parijs, 82 p.


de verplichting voor een Staat om inlichtingen te verstrekken die in het bezit zijn van banken en

andere financiële instellingen, zelfs indien de wetgeving of de bestuurlijke praktijk van die Staat

en/of van de verzoekende Staat niet toestaan om dat soort informatie te verkrijgen en uit te

wisselen (nieuwe § 5).

Gelet op zijn huidige wetgeving heeft België reeds laten weten zich het recht voor te behouden om die

nieuwe § 5 niet in zijn overeenkomsten op te nemen.

1.1.2.2 Europese Unie

Nadelige fiscale maatregelen (fiscaal pakket)

De in 1998 door de Europese Commissie opgerichte Werkgroep “Gedragscode” heeft als doel het

bevriezen en het afbouwen van alle nadelige fiscale maatregelen, d.w.z. maatregelen die een invloed

hebben of kunnen hebben op de lokalisatie van economische activiteiten binnen de Gemeenschap. In

de loop van het jaar 2003 heeft de Werkgroep de gewijzigde of vervangende maatregelen onderzocht

die werden voorgesteld door de Lidstaten en de afhankelijke of gebonden gebieden. De door België

voorgestelde aanpassingsmaatregelen met betrekking tot de 5 betrokken regelingen werden positief

geëvalueerd en de Belgische delegatie heeft verkregen dat de gevolgen van de regeling voor

coördinatiecentra verlengd worden tot na 2005, dit met het oog op de geleidelijke afschaffing van de

voordelen van die regeling vóór 31 december 2010. De nieuwe regeling voor coördinatiecentra die

voortvloeit uit de wet van 24 december 2002 heeft van de Werkgroep de vermelding “niet nadelig”

gekregen. De ECOFIN-Raad van 3 juni 2003 heeft de besluiten van de Werkgroep goedgekeurd en

heeft aan de Werkgroep gevraagd toe te zien op het status quo en op de toepassing van de

maatregelen tot afbouw.

Het “fiscaal pakket” dat bestaat uit de gedragscode, de richtlijn “spaarwezen” en de richtlijn “interestroyalty’s”

werd formeel goedgekeurd door de ECOFIN-Raad van 3 juni 2003. De richtlijn “spaarwezen”

werd gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie nr. L 107 van 26 juni 2003. De Lidstaten

zullen de bepalingen van de richtlijn met ingang van 1 januari 2005 moeten toepassen voor zover:

a) de Zwitserse Bondsstaat, het Vorstendom Liechtenstein, de Republiek San Marino, het

Vorstendom Monaco en het Vorstendom Andorra met ingang van diezelfde datum gelijkwaardige

maatregelen toepassen als die welke zijn voorzien door de richtlijn, conform de overeenkomsten

die deze landen zullen moeten afsluiten met de Europese Gemeenschap bij eenparige beslissing

van de Raad, en

b) alle overeenkomsten of andere mechanismen in werking zijn waarbij wordt voorzien dat alle

betrokken afhankelijke of gebonden gebieden (de Kanaaleilanden, het Eiland Man en de

afhankelijke of gebonden gebieden van de Caraïben) met ingang van diezelfde datum de

automatische uitwisseling van inlichtingen toepassen zoals die is voorzien door hoofdstuk II van

de richtlijn of dat ze gedurende de overgangsperiode die wordt vermeld in artikel 10 van de

richtlijn een bronheffing toepassen onder dezelfde voorwaarden als voorzien door de artikelen 11

en 12.

In wezen berust de richtlijn op volgende elementen:

de uiteindelijke doelstelling van de richtlijn is een zo ruim mogelijke uitwisseling van inlichtingen

over inkomsten uit spaargelden betaald door een uitbetalende instantie van een Lidstaat aan een

spaarder natuurlijke persoon die inwoner is van een andere Lidstaat. Gedurende een

overgangsperiode, waarvan de duur afhankelijk is van het sluiten van akkoorden inzake de

uitwisseling van inlichtingen met voornoemde derde Staten, zullen België, Oostenrijk en

Luxemburg evenwel een bronheffing moeten toepassen die 15 % bedraagt tijdens de eerste drie

jaar van die overgangsperiode, 20 % tijdens de volgende drie jaar en 35 % tijdens de

daaropvolgende jaren;

tijdens de overgangsperiode zal de richtlijn niet de inkomsten omvatten uit verhandelbare effecten

die leenkapitaal vertegenwoordigen uitgegeven vóór 1 maart 2001 (de zogenaamde

“grootvaderclausule”). In dit verband moet worden vermeld dat er begin 2001 bijzondere regels

werden voorzien voor kredietlijnen die het voorwerp zijn van opeenvolgende uitgiften. Die regels

verschillen naargelang het gaat om kredietlijnen in omloop gebracht door de publieke sector of


door de privé-sector. De kredietlijnen die vóór 1 maart 2001 door de publieke sector in omloop

werden gebracht worden gedekt door de grootvaderclausule voor zover de laatste schijf van die

kredietlijn uitgegeven is vóór 1 maart 2002. Zodra nochtans een schijf van die kredietlijn vanaf

1 maart 2002 is uitgegeven valt de hele lijn binnen de werkingssfeer van de richtlijn hetgeen met

zich meebrengt dat de interest die betaald is voor de hele kredietlijn onderworpen is hetzij aan de

bronheffing hetzij aan de uitwisseling van inlichtingen. Kredietlijnen die vóór 1 maart 2001 door

de privé-sector in omloop werden gebracht worden gedekt door de grootvaderclausule maar enkel

voor de schijven die vóór 1 maart 2002 zijn uitgegeven. De schijven die vanaf 1 maart 2002 zijn

uitgegeven vallen binnen de werkingssfeer van de richtlijn.

De richtlijn “interest-royalty’s” werd eveneens gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie

nr. L 157 van 26 juni 2003. Ze werd omgezet naar Belgisch recht met het KB van 22 december 2003,

gepubliceerd in het B.S. van 31 december 2003.

Moeder-dochterrichtlijn

In de loop van het jaar 2003 werd de herziening van de richtlijn 90/435/EEG van 23 juli 1990

betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en

dochterondernemingen uit verschillende Lidstaten besproken. Die herziening heeft als voornaamste

doel het uitbreiden van de werkingssfeer van de richtlijn tot nieuwe vennootschapsvormen en het

verlagen van de participatiedrempel vanaf dewelke een vennootschap kan beschouwd worden als

moedermaatschappij en dochteronderneming.

Richtlijn wederzijdse bijstand

Richtlijn 77/799/EEG betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de

Lidstaten op het gebied van de directe en de indirecte belastingen werd besproken en aangepast.

Fusierichtlijn

Op het einde van 2003 werd door de Raad een aanvang genomen met de besprekingen aangaande

het voorstel tot wijziging van de Fusierichtlijn dat werd ingediend door de Commissie (cf. COM(2003)

613 def., nog niet gepubliceerd). Die Richtlijn heeft als doel grensoverschrijdende

bedrijfsreorganisaties (fusies, splitsingen, overdracht van activa en aandelenruil) op een uniforme

belastingneutrale manier te laten plaatsvinden, zowel ten aanzien van de betrokken vennootschappen

als ten aanzien van de aandeelhouders van deze vennootschappen.

Het wijzigingsvoorstel breidt het materieel toepassingsgebied van de huidige Richtlijn uit door opname

van de volgende transacties: de partiële splitsing, de omvorming van een vaste inrichting tot een

dochtervennootschap en de zetelverplaatsing van een Europese Vennootschap en van een Europese

Coöperatieve Vennootschap. Het voorstel beoogt tevens de werking van de huidige Richtlijn te

verbeteren onder meer door specifieke bepalingen in te lassen inzake transparante entiteiten en

inzake het vermijden van economische dubbele belasting met betrekking tot inbreng van activa en

aandelenruil. Tenslotte wil het voorstel ook de bijlage met ondernemingsvormen die onder de Richtlijn

vallen verder uitbreiden. De technische besprekingen hieromtrent zijn aan de gang.

Dossiers staatssteun - coördinatiecentra

“Vroegere regeling”

Met haar beslissing van 17 februari 2003 (Publicatieblad van de Europese Unie van 30 oktober 2003)

heeft de Commissie geoordeeld dat de belastingregeling die momenteel in België geldt voor de

coördinatiecentra die erkend zijn overeenkomstig KB nr. 187 een regeling van staatssteun is die

onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Met betrekking tot de centra die reeds vóór

31 december 2000 erkend waren heeft de Commissie evenwel geoordeeld dat de gevolgen van de

regeling mogen behouden worden tot de einddatum van de individuele erkenning die op de datum van

kennisgeving van de beslissing lopende was met als uiterste einddatum 31 december 2010.

Bij verordening van 26 juni 2003 van de Voorzitter van het Gerechtshof van Luxemburg mag de

erkenning van de centra die afloopt in de periode tussen 17 februari 2003 (datum van de beslissing

van de Commissie) en eind 2005 hernieuwd worden tot eind 2005 in afwachting van een beslissing ten

gronde.


Op grond van artikel 88, 2, 3°, van het EEG-Verdrag heeft de ECOFIN-Raad van 16 juli 2003

bovendien met eenparigheid van stemmen beslist dat de hernieuwing van de coördinatiecentra tot

einde 2005 geen staatssteun is, dit in tegenstelling tot de beslissing van 17 februari 2003 van de

Commissie.

“Nieuwe regeling”. Wet van 24 december 2002

Na onderzoek van de door België verstrekte inlichtingen heeft de Commissie op 23 april 2003

(Publicatieblad van 4 september 2003) een beslissing “in twee stappen” genomen.

In eerste instantie heeft de Commissie geoordeeld dat het verlenen van erkenningen en van

voorafgaande beslissingen aan de centra alsmede de forfaitaire vaststelling van het inkomen dat bij

toepassing van het “cost plus-systeem” (verhoogde kostenbasis) belastbaar is in de

vennootschapsbelasting in principe geen steunmaatregelen zijn.

In tweede instantie is de Commissie de mening toegedaan dat er twijfel bestaat omtrent de

verenigbaarheid met het Verdrag van de regeling die is voorzien voor de abnormale en goedgunstige

voordelen die de coördinatiecentra ontvangen, voor de vrijstelling van roerende voorheffing voor

dividenden, interest en royalty’s die door de coördinatiecentra worden uitgekeerd en voor de

vrijstelling van inbrengrecht. Zij heeft derhalve beslist om aangaande deze punten een formele

onderzoeksprocedure op te starten. De Belgische administratie zet haar besprekingen met de

Commissie verder met het oog op een aanpassing van de regeling aan de regels van de “staatssteun”.

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen moet zich in toenemende mate uitspreken

over de verenigbaarheid van de belastingwetgeving van de Lidstaten inzake directe belastingen met

het gemeenschapsrecht. Het Hof kan zich moeten uitspreken over het gemeenschapsrecht in

antwoord op prejudiciële vragen die door de nationale gerechtshoven van de Lidstaten gesteld worden

en kan door de Commissie en door de Lidstaten eveneens ingeschakeld worden in het kader van

inbreuk- en staatssteunprocedures.

De AFZ werkt mee aan het opstellen van memories van verdediging en van opmerkingen die in het

kader van deze zaken door de Belgische regering worden geformuleerd. In 2003 werden meer bepaald

opmerkingen voorgelegd in de zaak C-376/03 (D. tegen Hoofd van de eenheid

Particulieren/Ondernemingen/Buitenland). Deze zaak volgt op een prejudiciële vraag van een

Nederlands gerechtshof, met name of de voordelen die op grond van een dubbelbelastingverdrag aan

de inwoners van een Lidstaat worden toegekend automatisch moeten uitgebreid worden tot de

inwoners van al de andere Lidstaten. Een bevestigend antwoord op deze vraag zou de erkenning

impliceren binnen de Europese Unie van het principe van “de meest begunstigde natie” hetgeen de

Lidstaten ertoe zou verplichten om het voordeel van bepaalde bilateraal vastgelegde

begunstigingsclausules uit te breiden tot alle inwoners van de Europese Unie en zou tevens het

wederkerigheidsprincipe dat de grondslag vormt van elke bilaterale overeenkomst hypothekeren.

Met het oog op het opvolgen van de ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof van Justitie nemen

vertegenwoordigers van de AFZ ook deel aan vergaderingen met Lidstaten van de Europese Unie.

Dergelijke vergaderingen werden in 2003 georganiseerd in de maanden april en oktober.

Gemeenschappelijk Forum van de Europese Unie voor verrekenprijzen

In 2002 heeft de Commissie van de Europese Unie een Forum van de Europese Unie voor

verrekenprijzen opgericht op het vlak van de belastingregeling voor ondernemingen. Dat Forum is

samengesteld uit deskundigen uit de Lidstaten van de Europese Unie en uit de ondernemingssector en

beoogt met name de concrete toepassing van het “Arbitrageverdrag” van 23 juli 1990 te verbeteren

(het gaat om een instrument van de Gemeenschap dat tot doel heeft de dubbele economische

belasting te vermijden die voortvloeit uit de winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen).

In 2003 heeft de AFZ deelgenomen aan verscheidene vergaderingen van het Forum. De

werkzaamheden van het Forum hebben ertoe geleid dat in december 2003 een rapport kon opgesteld

worden met besluiten en aanbevelingen die zouden moeten leiden tot een verbeterde werking van het

“Arbitrageverdrag”.


1.1.2.3 UNO

De bijzondere Werkgroep van deskundigen inzake internationale samenwerking op fiscaal vlak is

bijeengekomen in december 2003 te Genève. Die Werkgroep waarvan België deel uitmaakt als

waarnemer heeft als voornaamste opdracht:

voorstellen uitbrengen voor internationale samenwerking in de strijd tegen de internationale

belastingontwijking en -ontduiking;

het typemodel van fiscale overeenkomst van de Verenigde Naties inzake dubbele belasting tussen

ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden verder uitwerken;

voorstellen uitwerken om de efficiëntie van de belastingadministraties te verbeteren;

onderzoeken met welke middelen de tegenstrijdigheden tussen de belastingwetgeving van

verschillende landen kunnen verminderd worden.

In december 2003 heeft de Werkgroep met name van gedachten gewisseld over de manier om de

ontwikkelingslanden en de landen die op weg zijn naar ontwikkeling nog meer te betrekken bij het

uitwerken van internationale fiscale regels. Het merendeel van de vertegenwoordigers van de

ontwikkelingslanden en van de landen die op weg zijn naar ontwikkeling is van mening dat de

bijzondere Werkgroep van deskundigen geen geschikt institutioneel kader voor internationale

samenwerking is. Zij vinden dat er binnen de UNO nood is aan een permanent institutioneel apparaat

bekleed met het vereiste statuut zodat de ontwikkelingslanden en de landen die op weg zijn naar

ontwikkeling een echte stem zouden hebben in het debat over het vaststellen van internationale

fiscale regels. De vertegenwoordigers van de ontwikkelde landen verdedigen daarentegen het

standpunt dat de internationale samenwerking moet worden verder gezet binnen het kader van de

bijzondere Werkgroep van deskundigen waarvan de werking zou moeten verbeterd worden. Die

Werkgroep bestaat uit 25 leden (10 uit ontwikkelde landen en 15 uit ontwikkelingslanden) en tal van

waarnemers uit verscheidene landen. De Werkgroep is dus een bijzonder soepel discussieforum dat de

meest cruciale problemen van de ontwikkelingslanden en de landen die op weg zijn naar ontwikkeling

op een doelmatige wijze kan aanpakken.

1.2. Indirecte belastingen

1.2.1. De juridische afdeling: Europese regelgeving - geschillen en prejudiciële vragen -

OESO

1.2.1.1. Europese Unie: instellingen, werkgroepen en regelgeving

a) Raad van de Europese Unie

Recht op aftrek

Reeds in 1998 werd door de Commissie een voorstel 3 ingediend tot harmonisering van de

beperkingen van het recht op aftrek en tot instelling van een systeem van grensoverschrijdend

recht op aftrek (ter vervanging van de bestaande regeling van teruggaaf van BTW op grond van de

8 ste BTW-richtlijn). De besprekingen van dit voorstel werden in 2002 weer opgenomen in de Raad

en ook in 2003 nog verder gezet onder het Griekse voorzitterschap. Deze besprekingen zijn

dermate geëvolueerd dat er nagenoeg een akkoord is over de technische aspecten van de tekst

maar er blijven nog steeds een aantal Lidstaten principieel gekant tegen de invoering van een

systeem van grensoverschrijdend recht op aftrek. Het bleek derhalve onmogelijk om in 2003

overeenstemming te bereiken tussen alle Lidstaten over dit voorstel, en de besprekingen zullen

wellicht ten vroegste worden hernomen in samenhang met de besprekingen over het

commissievoorstel inzake het éénloket-systeem.

3 COM(1998) 377 def


Reisbureaus

In het licht van een aantal problemen die onder andere voortvloeien uit wijzigingen in de manier

van zakendoen in de reissector, uit technologische ontwikkelingen, alsook uit uiteenlopende

benaderingen van de bestaande bijzondere BTW-regeling in de Lidstaten, heeft de Commissie een

voorstel 4 gedaan voor de modernisering, harmonisering en vereenvoudiging van de bijzondere

regeling inzake reisbureaus. Het voorstel werd net zoals in 2002 ook in 2003 herhaaldelijk

besproken in de Raad. De besprekingen zijn evenwel uiteindelijk vastgelopen op een klein aantal

technische punten zodat er nog geen overeenstemming kon worden bereikt. Vermits de

eerstvolgende drie voorzitterschappen geen interesse vertonen voor dit voorstel zal het

waarschijnlijk nog geruime tijd verder onbesproken blijven.

Verlaagde BTW-tarieven

Het experiment waarbij Lidstaten door de Raad voor een periode van 3 jaar werden gemachtigd

om voor twee of maximum drie vooraf vastgelegde categorieën arbeidsintensieve diensten een

verlaagd BTW-tarief toe te passen liep ten einde op 31 december 2002 maar werd – in afwachting

van een evaluatie van het experiment door de Commissie – met een jaar verlengd tot 31

december 2003. Het evaluatierapport van de Commissie dat een synthese maakt van de

evaluatierapporten van de Lidstaten die aan het experiment hadden deelgenomen werd

voorgesteld op 2 juni 2003. De Commissie besluit daarin dat geen enkele Lidstaat onomstotelijk

een positief effect heeft kunnen aantonen van de BTW-verlaging op tewerkstelling en terugdringen

van het zwartwerk in de geviseerde sectoren.

Anderzijds heeft de Commissie op 16 juli 2003 ook een voorstel 5 uitgebracht tot wijziging in het

algemeen van de communautaire regeling inzake verlaagde BTW-tarieven. Met dit voorstel wil de

Commissie komen tot een vereenvoudiging en rationalisering van de verlaagde BTW-tarieven

waarbij er voortaan één centraal referentiepunt zou komen (bijlage H bij de 6 de BTW-richtlijn) dat

het Lidstaten zou mogelijk maken om te bepalen of voor bepaalde goederen en diensten al dan

niet een verlaagd BTW-tarief mag worden toegepast (zo zouden bijvoorbeeld de momenteel door

een aantal Lidstaten toegepaste “nultarieven” en “parkingtarieven” enkel nog kunnen worden

toegepast voor de categorieën opgesomd in de bijlage H). Tevens houdt het voorstel een beperkte

uitbreiding in van de categorieën goederen en diensten die voor een verlaagd BTW-tarief in

aanmerking komen onder meer door een gedeeltelijke recuperatie van de categorieën

arbeidsintensieve diensten die voorwerp uitmaakten van het tijdelijk experiment.

Dit dossier, dat door de budgettaire impact ervan uitermate politiek gevoelig ligt in alle Lidstaten,

werd herhaaldelijk besproken op de verschillende niveaus in de Raad (Werkgroep fiscale

vraagstukken, Coreper, ECOFIN). De standpunten van de Lidstaten blijven vooralsnog evenwel ver

uit elkaar liggen. Bij gebrek aan overeenstemming over dit voorstel vóór de afloop van het

tijdelijke experiment inzake de arbeidsintensieve diensten (dat was verlengd tot 31 december

2003) werd in extremis dat experiment nogmaals verlengd ditmaal tot 31 december 2005.

Leveringen van gas en elektriciteit

In aansluiting bij de besprekingen die in 2002 in de Werkgroep nr. 1 van de Commissie werden

gevoerd werd op 5 december 2002 een voorstel uitgebracht tot wijziging van de regels inzake de

leveringen van gas en elektriciteit. Het voorstel 6 strekte ertoe om inzake BTW de gevolgen op te

vangen van de liberalisering van de markten van gas en elektriciteit en de daaraan gekoppelde

toepassingsproblemen inzake BTW gelet op de potentiële toename van het aantal

grensoverschrijdende transacties. Hiervoor wordt onder meer voorzien in een wijziging van de

plaats van de levering en van de schuldenaar van de BTW. Het voorstel van richtlijn werd nog in

2003 goedgekeurd 7 .

4 COM(2002) 64 def

5 COM(2003) 397 def

6 COM(2002) 688 def

7 Richtlijn 2003/92/EG van de Raad van 7 oktober 2003 tot wijziging van de richtlijn 77/388/EEG met betrekking

tot de regels inzake de plaats van de levering van gas en elektriciteit (P.B. EU L-260/8 van 11 oktober 2003)


Procedure voor het treffen van afwijkende maatregelen - Toekenning van uitvoeringsbevoegdheden

aan de Raad

Op 10 juni 2003 heeft de Commissie een hoofdzakelijk procedureel voorstel 8 gedaan met een

dubbele inslag. Enerzijds wordt de procedure waarbij Lidstaten kunnen worden gemachtigd tot het

treffen van afwijkende maatregelen van de 6 de BTW-richtlijn op een aantal punten technisch

verbeterd en verduidelijkt. Daarnaast wordt de Raad de bevoegdheid toegekend om zelf

maatregelen te treffen tot uitvoering van de bepalingen van de 6 de BTW-richtlijn (deze

maatregelen mogen enkel het toepassingsgebied van de bepalingen verduidelijken zonder ervan af

te wijken). Deze richtlijn werd eind 2003 goedgekeurd 9 .

Postdiensten

De Commissie heeft vastgesteld dat het feit dat de postdiensten in de meeste Lidstaten buiten de

werkingssfeer van de BTW vallen dan wel vrijgesteld zijn aanleiding geeft tot verstoring van de

mededinging tussen soortgelijke diensten die door openbare postbedrijven en particuliere

dienstverleners worden verstrekt. De Commissie heeft dienvolgens op 7 mei 2003 een voorstel 10

uitgebracht dat ertoe strekt deze mededingingsverstoring op te heffen door postdiensten

daadwerkelijk te belasten, weliswaar met de mogelijkheid voor de Lidstaten om een verlaagd tarief

toe te passen om prijsstijgingen voor particuliere consumenten te kunnen beperken. Bij de

besprekingen in de Raad is gebleken dat een aantal Lidstaten fundamentele bezwaren had tegen

een aantal aspecten van het voorstel, zodat tot op heden nog geen overeenstemming kon worden

bereikt. Er wordt niet verwacht dat dit dossier op korte termijn nog enige substantiële vooruitgang

zal kennen.

Nieuwe BTW-strategie

Op 28 oktober 2003 werd in de Raad een mededeling 11 van de Commissie besproken waarin een

balans wordt opgemaakt van de nieuwe BTW-strategie (die werd voorgesteld in 2000) en waarin

meteen ook een bijstelling wordt bekendgemaakt van de prioriteiten van deze strategie. De

Commissie geeft aan dat ze in het bijzonder zal streven naar een toegenomen BTW-heffing op de

plaats van verbruik, zonder dat zulks evenwel een buitensporige verzwaring van de administratieve

lasten voor de belastingplichtigen tot gevolg mag hebben. Voor diensten aan belastingplichtigen

zou dit laatste kunnen worden gerealiseerd door een meer algemene toepassing van de

verleggingsregeling (“reverse charge”) waarbij de afnemer zelf de BTW in zijn BTW-aangifte

voldoet. Voor diensten aan niet-belastingplichtigen wordt in dat verband gedacht aan de invoering

van een éénloket-systeem waarbij ondernemers die diensten verstrekken aan nietbelastingplichtigen

in meerdere Lidstaten zich voortaan nog slechts op één plaats voor BTWdoeleinden

zouden moeten laten identificeren om aldaar hun BTW-verplichtingen te vervullen. Voor

de bestrijding van de fraude legt de Commissie nog steeds de nadruk op de verbetering van de

administratieve samenwerking tussen de Lidstaten.

Een voorstel met een herziening van de plaats van de dienst tussen belastingplichtigen en een

uitbreiding van de verleggingsregeling wordt in het vooruitzicht gesteld voor het eerste semester

2004. Een voorstel inzake het éénloket-systeem wordt verwacht voor het tweede semester van

2004.

b) Europese Commissie

Herwerking van de 6 de BTW-richtlijn

De werkzaamheden in de Werkgroep nr. 1 met betrekking tot de herwerking van de 6 de BTWrichtlijn

werden opnieuw geïntensifieerd in de loop van 2003. Zij zullen uitmonden in een voorstel

van de Commissie in het eerste semester van 2004.

8

COM(2003) 335 def

9

Richtlijn 2004/7/EEG van de Raad van 20 januari 2004 tot wijziging van richtlijn 77/38/EEG betreffende het

gemeenschappelijke stelsel over de BTW, wat de procedure voor het treffen van afwijkende maatregelen alsmede

de verlening van uitvoeringsbevoegdheden betreft (P.B. EU L-27/44 van 30 januari 2004)

10

COM(2003) 234 def

11

COM(2003) 614 def


Coherentie Douane-Fiscaliteit

De kleine technische werkgroep inzake de invoer van kleine zendingen heeft na intensieve

werkzaamheden in 2002 haar conclusies en aanbevelingen vorm gegeven in een eindrapport.

Om na te gaan of het BTW-probleem verbonden aan de invoer van kleine zendingen economisch

dermate belangrijk is dat het de voorgestelde aanpassingen op het vlak van wetgeving en

werkprocedures van douane en BTW zoals opgenomen in het eindrapport zou wettigen, werd in

het tweede semester van 2003 een uitgebreide steekproef gedaan in alle Lidstaten met het oog op

het vaststellen van de reële economische draagwijdte van het probleem. De verdere behandeling

van het dossier zal worden gedetermineerd door de resultaten van dit onderzoek die zullen worden

besproken in het tweede semester van 2004.

Leveringen van goederen

Er werd vastgesteld dat verschillende bijzondere regelingen inzake de leveringen van goederen

ofwel belangrijke administratieve lasten met zich mee brengen voor de ondernemers (bijv.

leveringen met montage en installatie) ofwel onvoldoende efficiënt kunnen worden gecontroleerd

(bijv. de regeling van “verkopen op afstand”). Met het oog op een mogelijk wetgevend initiatief

terzake werden besprekingen gevoerd over de mogelijkheden om deze problemen op te lossen.

Diensten tussen belastingplichtigen

In overeenstemming met de doelstellingen van de nieuwe BTW-strategie en in voorbereiding van

het voorstel van de Commissie terzake werden in de Werkgroep nr. 1 besprekingen gevoerd

tussen de Lidstaten en de Commissie over de hervorming van de plaats van de diensten verricht

tussen belastingplichtigen en een meer uitgebreide toepassing van de verleggingsregeling.

Eénloket-systeem

In overeenstemming met de doelstellingen van de nieuwe BTW-strategie en in voorbereiding van

het voorstel van de Commissie terzake werden in de Werkgroep nr. 1 besprekingen gevoerd

tussen de Lidstaten en de Commissie over de hervorming (vereenvoudiging) van de

administratieve verplichtingen voor de ondernemers die grensoverschrijdende diensten verlenen

aan particulieren (zie “nieuwe BTW-strategie” hiervoor).

BTW-comité

Vertegenwoordigers van de AFZ hebben in 2003 ook deelgenomen aan de besprekingen van het

BTW-comité, t.w. een consultatief orgaan waarin interpretatievraagstukken verbonden aan de

communautaire regelgeving inzake BTW worden besproken.

Vooruitzichten voor 2004

In 2004 zullen vertegenwoordigers van de AFZ deelnemen aan werkgroepen ter voorbereiding van

voorstellen van de Commissie in onder meer de volgende domeinen:

rationalisatie van de afwijkingen toegekend aan de Lidstaten op grond van artikel 27 van de

6 de BTW-richtlijn;

uitwerking van een regeling tot voorkoming van dubbele belastingheffing;

waardebonnen, met inbegrip van “multipurpose vouchers” (zoals bijvoorbeeld

telefoonkaarten).

1.2.1.2. OESO

De werkzaamheden inzake BTW met het oog op de concretisering van de zogenaamde “Ottawa

taxation framework conditions” voor elektronische handel die reeds in 1998 door de Ministeriële

conferentie te Ottawa werden goedgekeurd werden in 2003 grotendeels afgerond.


Eindrapporten inzake elektronische handel werden door het Comité van fiscale zaken goedgekeurd in

de volgende domeinen:

praktische uitwerking van het principe van de BTW-heffing op de plaats van verbruik;

mogelijkheden tot identificatie van het statuut en tot geografische lokalisatie van klanten;

administratieve vereenvoudiging.

Het rapport over systemen van geautomatiseerde belastinginning zal worden afgewerkt in 2004.

Het werkprogramma van de Werkgroep nr. 9 inzake verbruiksbelastingen voor de komende jaren legt

vooral de nadruk op het onderzoeken van de BTW-implicaties van grensoverschrijdende

dienstverrichtingen in het algemeen en dit met het oog op het vermijden van internationale situaties

van dubbele heffing en niet-heffing.

1.2.2. De economische afdeling: de eigen middelen inzake BTW

De werkgroep “Eigen middelen inzake BTW” waarvan de economische afdeling de coördinatie

verzekert blijft verder de jaarlijkse grondslag van de BTW in het stadium van het eindverbruik

vaststellen.

1.2.3. De internationale administratieve samenwerking

1.2.3.1. Europese Unie

a) Raad van de Europese Unie

Verordening (EG) nr.1798/2003 12 van de Raad van 7 oktober 2003 betreffende de administratieve

samenwerking op het gebied van de BTW en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 218/92

Het voorstel van verordening, dat het voorwerp heeft uitgemaakt van langdurige besprekingen

gedurende het jaar 2002 en begin 2003, werd uiteindelijk aangenomen op 7 oktober 2003.

Deze nieuwe verordening verzamelt in feite in één enkel juridisch instrument de bepalingen van de

oude verordening 218/92 (die is ingetrokken) met de BTW-bepalingen opgenomen in de Richtlijn

77/799/EEG. Zij moet door meer rechtstreekse contacten en een snellere en meer doorgedreven

informatie-uitwisseling een efficiëntere samenwerking mogelijk maken teneinde de BTW-fraude

doeltreffender te kunnen bestrijden.

Deze nieuwe reglementering werd van kracht op 1 januari 2004.

Fiscalis-programma 2003-2007

De Beschikking nr. 2235/2002/ EG 13 van het Europees Parlement en de Raad van 3 december

2002 tot vaststelling van een communautair programma ter verbetering van het functioneren van

de belastingstelsels in de interne markt (Fiscalis 2002-2007-programma) is op 1 januari 2003 in

werking getreden. Terwijl daarentegen het vorige Fiscalis-programma enkel de BTW en de

accijnzen betrof is het nieuwe programma eveneens van toepassing op de inkomstenbelastingen,

belastingen op het vermogen en de taksen op de verzekeringspremies.

12

Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad van 7 oktober 2003 gepubliceerd in het P.B. L 264, van 15 oktober

2003, blz. 1

13

Beschikking nr. 2235/2002/EG van het Europese Parlement en de Raad van 3 december 2002 gepubliceerd in

het P.B. L 341, van 17 december 2002, blz. 1


Uit de ervaring van het vorige Fiscalis-programma 1998-2002 is gebleken dat de seminaries, de

uitwisselingen en de multilaterale controles inderdaad de mogelijkheid bieden om de doelstellingen

van het programma te verwezenlijken, namelijk: een doeltreffende, effectieve en meer uitgebreide

samenwerking tussen de Lidstaten. Deze werkzaamheden worden derhalve verder gezet in het

programma 2003-2007 net zoals eveneens de verbetering van de communicatiesystemen en van

de systemen van informatie-uitwisseling.

Bovendien moeten de (fiscale en taalkundige) opleidingen worden verder gezet. Hiervoor werd een

coördinatiegroep inzake vorming opgericht.

Nieuwe activiteiten zoals studiebezoeken en het oprichten van tijdelijke projectgroepen werden

eveneens voorgesteld.

Bovendien moest eveneens rekening gehouden worden met de toetreding (op 1 mei 2004) van

10 nieuwe Lidstaten waarvoor eveneens specifieke opleidingsactiviteiten werden voorzien.

Er werd een nieuw Fiscalis-comité opgericht dat in principe twee maal per jaar zal samenkomen (in

juni en november).

b) Europese Commissie

SCAC (“Standing Committee on Administrative Cooperation”)

In 2003 vergaderde het SCAC-Comité op 25 maart, 25 juni en 1 december.

Nieuwe werkgroepen werden belast met het onderzoek van belangrijke problemen:

het uitwerken van nieuwe formulieren voor het uitwisselen van inlichtingen (SCAC FORM 2004)

die van toepassing zullen zijn vanaf 1 januari 2004 bij de inwerkingtreding van het nieuwe

reglement inzake de administratieve samenwerking en van nieuwe formulieren voor het

opstellen van jaarlijkse statistieken;

het opstellen van een lijst van categorieën van informatie die kunnen worden uitgewisseld

tussen de Lidstaten;

bovendien werd een tijdelijke projectgroep belast met het opstellen van een handboek voor

het gebruik van deze formulieren.

België heeft actief deelgenomen aan deze verschillende werkgroepen en werd onder andere belast

met het voorzitten van laatstgenoemde tijdelijke projectgroep.

Andere werkgroepen hebben hun werkzaamheden verder gezet:

onderzoek van de problematiek van de carrouselfraude en de “missing traders”;

een tijdelijke projectgroep werd belast met het opstellen van een specifiek formulier voor het

uitwisselen van informatie over fraudetendensen.

Ten slotte heeft het SCIT (“Sub-Committee Information Technology”) haar activiteiten inzake

informatica-ondersteuning voor de informatie-uitwisseling verder gezet

Fiscalis-Comité

In 2003 is dit nieuwe Comité reeds tweemaal samengekomen (op 4 en 5 februari en 4 november).

Het SCAC-Comité is in het bijzonder belast met de praktische uitvoering van de administratieve

samenwerking; het Fiscalis-Comité houdt zich anderzijds bezig met de aspecten van het algemene

beleid, in het bijzonder met de budgettaire en financiële aspecten van het Fiscalis-programma en

de goedkeuring van het jaarlijks actieplan.

Het “actieplan” neemt in feite de doelstellingen en gemeenschappelijke acties over die gedurende

een bepaalde periode moeten worden ondernomen. Het actieplan 2003-2004 heeft zodoende in

een bepaald aantal activiteiten voorzien: seminaries, uitwisseling, werkvergaderingen en

projectgroepen evenals “training-seminaries” voor de kandidaat-landen en dit inzake BTW,

accijnzen, directe belastingen en taksen op de verzekeringspremies.


Belgische ambtenaren hebben aldus deelgenomen aan en zelfs actief samengewerkt als spreker of

panelvoorzitter bij verschillende buitenlandse seminaries (o.a.: in Frankrijk inzake de accijnzen; in

Zweden inzake de BTW-facturatie; in Spanje inzake de wederzijdse bijstand aangaande de

invordering; in Griekenland inzake de administratieve samenwerking; in Frankrijk inzake de fraude

in de automobielsector; enz.). België heeft bovendien in Brussel, een “trainingsseminarie”

georganiseerd betreffende de bijzondere BTW-stelsels.

Uitwisselingen van ambtenaren tussen België en de andere Lidstaten hebben eveneens

plaatsgevonden.

1.2.3.2. OESO

Op het niveau van de OESO hebben de werkgroep TIES (“Tax Information Exchange System”) en de

subwerkgroepen (Task Team) hun in 2002 begonnen werkzaamheden verder gezet.

Het Task Team 2 (waaraan België actief deelneemt) heeft als doel een systeem van informatieuitwisseling

op te starten inzake fraudetendensen met betrekking tot verbruiksbelastingen. Deze

werkgroep heeft in het bijzonder de definities gepreciseerd van specifieke fraudesoorten die kunnen

voorkomen inzake verbruiksbelastingen en waarover informatie kan worden uitgewisseld. Deze

werkgroep heeft eveneens een modelformulier ontwikkeld voor deze geïnformatiseerde informatieuitwisseling.

Wegens het gevoelige karakter van deze inlichtingen kunnen deze slechts worden uitgewisseld via een

beveiligd elektronisch netwerk geïmplementeerd door de OESO. Een testperiode van dit beveiligde

netwerk werd begonnen eind 2003.

Het Task Team 4 houdt zich meer in het bijzonder bezig met de informatica-aspecten van de

informatie-uitwisseling.

De evolutie van de werkzaamheden van de werkgroepen TIES werd in december 2003 te Parijs

voorgesteld aan de OESO.

2. VOORBEREIDING VAN DE WETGEVING EN COORDINATIE VAN DE WETTELIJKE

EN REGLEMENTAIRE BEPALINGEN INZAKE FISCALITEIT

De tijdens de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2003 getroffen wettelijke en reglementaire

maatregelen op het vlak van de directe en indirecte belastingen waaraan de AFZ haar medewerking

heeft verleend zijn opgenomen in de tabellen nrs 74 t.e.m. 82.

3. FISCONET: DE ON-LINE FISCALE GEGEVENSBANK VAN DE FOD FINANCIEN

De fiscale gegevensbank Fisconet is operationeel sinds 4 maart 2002.

In de loop van 2003 is het aantal consultaties (“hits”) van Fisconet enorm toegenomen.

De stijging van het aantal internetconsultaties is niet enkel te wijten aan de toenemende

ergonomische en inhoudelijke kwaliteiten van Fisconet maar is ook een gevolg van de nog steeds

groeiende naambekendheid van de fiscale gegevensbank. Momenteel verwijzen niet minder dan 214

hyperlinks op het internet naar www.fisconet.fgov.be.

De toename van het aantal raadplegingen door de ambtenaren van de fiscale

uitvoeringsadministraties via het intranet is in niet geringe mate te wijten aan de aanzienlijke

uitbreiding van het pc-park. Ook het feit dat de digitale informatie veel sneller beschikbaar is dan de

“klassieke” gedrukte versie speelt hierin een belangrijke rol.


In 2003 werd tevens de “Task Force Directe belastingen” opgestart die zich vooral zal concentreren op

het luik rechtspraak (inlassing en becommentariëring van belangrijke fiscale arresten). Gelijkaardige

task forces met betrekking tot enerzijds BTW en anderzijds registratie- en successierechten zullen in

de loop van 2004 worden geactiveerd.

Ten slotte werd met privé-partner Wolters Kluwer België een bijkomend contract afgesloten met het

oog op een belangrijke inhoudelijke uitbreiding (ruim 40.000 pagina's) van de reeds zeer omvangrijke

gegevensbank. De eerste resultaten hiervan zullen in de loop van 2004 zichtbaar zijn.

Paul Neckebroeck

Adjunct-administrateur-generaal

Augustus 2004

More magazines by this user
Similar magazines