Persoon. jkheden - Groniek

groniek.eldoc.ub.rug.nl

Persoon. jkheden - Groniek

De Ridder

het door de Franstalige Vlamingen - ofwel franskiljons - gedomineerde

Antwerpse stadsbestuur een consequente repressieve politiek. Uit angst

voor ongeregeldheden werden alle Vlaamsgezinde bijeenkomsten zonder

meer verboden. Zelfs toespraken van populaire flamingantische politici als

de socialistische voorman Camille Huysmans ontliepen dit lot niet. Toen

het liberale stadsbestuur ook de Vlaamse feestdag - de herdenking van de

bijna mythische Guldensporenslag van 11 juli 1302, waarbij de Vlamingen

wonnen van de Fransen - verbood, kwam het burgemeester Jan de Vos en

zijn schepenen op felle protesten van de andere partijen te staan. Er werd

zelfs gewaarschuwd dat een dergelijke beslissing alleen maar tot onheil kon

leiden, maar deze profetie was niet aan het college besteed. Ondertussen was

in een aantal kranten verschenen dat ook het merendeel van de ministers

niet begreep waarom DeVos de 11 juli-feesten wilde verbieden, hetgeen de

positie en het gezag van de burgemeester niet ten goede kwam. Krampachtig

hield deze echter voet bij stuk, met alle gevolgen van dien. 2

Een grote menigte had zich op de ochtend van 11 juli 1920 verzameld

in Borgerhout, toen nog een randgemeente van Antwerpen, waar geen

verbod gold. De mensen waren enthousiaster en strijdvaardiger dan ooit

en volgens een van de getuigen was het volk niet te houden. 3 Ondanks het

verbod en aangemoedigd door de berichten in de kranten die tegen de beslissing

van het stadsbestuur pleitten, ging de tocht toch naar het centrum

van Antwerpen met als ultieme bestemming de Grote Markt - niet alleen

het historische centrum van de stad, maar ook de plek waar het besluit was

genomen om de Vlamingen hun feestdag te ontnemen. Zo vastbesloten als

de betogers waren om het gezag hun ongenoegen te laten blijken, zo onwrikbaar

was hetstadsbestuur in zijn streven deze schending van de verordening

te bestrijden. Op bevel van schepen en notoir franskiljon Strauss voerde

de politie een charge uit op de inmiddels op de Grote Markt aangekomen

menigte. Met getrokken sabel liepen de agenten op de betogers in en deelden

rake klappen uit. Ze slaagden erin de groep te verdrijven richting de

nabijgelegen Eiermarkt. Daar ontstond een gevecht tussen de politie en de

betogers om de Vlaamse vlag van de Vlaamsche Meisjes Studiekring. De

meisjes verdedigden de vlag met hand en tand, maar dreigden het symbool

2 J. van Neervoord, Ter nagedachlenis van wijlen Herman van den Reeck (Antwerpen

z.j.) 4-5.

3 Joos Florquin, 'Michel Seuphor' in: Joos Florquin, Ten huize van ...vierde reeks

(Leuven 1968) 162.

572


Supplement

toch te verliezen. Een aantal mensen schoot hen te hulp. De politie opende

het vuur en in het tumult werd Herman van den Reeck geraakt.

Van den Reeck werd naar het ziekenhuis vervoerd alwaar hij naarverluidt

nog langdurig werd verhoord door de politie en een dag later overleed hij

daar aan zijn verwondingen. 4 Er werd algemeen met grote verontwaardiging

op de dood van de jonge student gereageerd. Een reactie die wij ons

inmiddels - na jaren van witte ofwel stille marsen - goed kunnen voorstellen,

maar die anno 1920 meer was dan de verontwaardiging over het

geweld op zich. Deze moord leek met opzet gepleegd. Er was moedwillig

een strijdende flamingant doodgeschoten tijdens een ten onrechte verboden

feestdag van hetVlaamse volk. Het waren ingrediënten voor een spontane

volkswoede, die in alle lagen van de bevolking werd gevoeld en waaraan

veelvuldig uiting werd gegeven. Vanuit de meest onverwachte hoeken bereikte

de familie van de betreurde steunbetuigingen en in een enkel geval

zelfs gevoelige informatie:

Aan de dood en mishandelingen van uw zoon is de groote schuldige Draye,

Leopold, het is een Waal door den grooten invloed van een Duitscher is hij

adj [unct] com[issaris]. Ik neem innig deel in uw droefheid over de moord

op uw zoon.

Weg met den VOS JL] Straus [sic] en onze aanvoerders [...V

De anonieme tipgever had veel moeite gedaan zo onherkenbaar mogelijk te

schrijven. Haast zonder spaties en in onmogelijke kapitalen had hij gehoor

gegeven aan de kennelijke noodzaak om te laten blijken dat er ook bij de

Antwerpse politie nog mensen waren met het hart op de goede plek. Het

geeft aan dat de liberale gezagsdragers stilaan een serieus gezagsprobleem

hadden gekregen. Tegelijkertijd is deze curieuze boodschap van 'relen

agent opziener van de politie met Vlaamsch Bloed' exemplarisch voor de

enorme impact die de dood vanVan den Reeck had. De anonieme tipgever

is immers een wetsdienaar die zonder pardon zijn meerdere 'verraadt' en

bovendien zijn hoogste bazen aan de schandpaal nagelt. Het is een van

de vele voorbeelden van impulsieve reacties die op de gebeurtenissen van

deze elfde juli volgden.

In de dagen na de gebeurtenis waren er grote demonstraties en bijeen-

4 Neervoord, Ter nagedachtenis van wijlen Herman van den Reeck, 15.

5 Anoniem kaartje aan de ouders van Herman van den Reeek, 13 juli 1920. Kopie in

AMVC-Letterenhuis, Antwerpen, B 4679.

573


574

De Ridder

komsten, soms over de grenzen van de politieke partijen heen, soms in

besloten kring. Nagenoeg alle Vlamingen lieten hun onvrede blijken. De

voor het overgrote gedeelte van de mensen volslagen onbekende Herman

van den Reeck werd een symbool- en meer nog: een martelaar - van de

Vlaamse Beweging. Dit'onschuldige'- een strategisch synoniem voor 'toevallig'

- slachtoffer van de Belgische (franskiljonse) repressieve politiek

gold als pars pro toto voor de toestand in Vlaanderen. In gefolkloriseerde

vorm is hij dat in wezen tot op de dag van vandaag gebleven, dankzij de

bloemenhulde die hem jaarlijks op 11 juli te beurt valt. Dit eerbetoon is

het afgelopen jaar weliswaar door het huidige (socialistische) stadsbestuur

afgeschaft, maar is door de Vlaamsgezinde en contraire oppositiepartijen

in ere gehouden. Dat naast mensen met een lange en degelijke politieke

carrière als Lode Craeybeckx en Camille Huysmans, ofde godfather van de

Vlaamse literatuur Hendrik Conscience ook het grafvan Herman van den

Reeck wordt aangedaan op de Vlaamse feestdag mag opmerkelijk worden

genoemd. De geëerde doden zijn namelijk stuk voor stuk mannen die iets

hebben betekend in de geschiedenis van de Vlaamse Beweging, terwijl de

voornaamste verdienste van Herman van den Reeck toch zijn overlijden

lijkt te zijn. Een krans bij het grafvan Van den Reeck is zoiets als een krans

op het graf van de onbekende soldaat, althans zo lijkt het tegenwoordig.

Direct na zijn overlijden was dat enigszins anders. Voor een kleine groep


Supplement

van radicale flamingantische jongeren was Van den Reeck geen onbekende

en de man in de straat leerde hem in krantenartikelen en in de vele in

memoriam-gedichten die in die dagen verschenen, kennen als een zuivere

idealist. Maar werd daar de mythe niet geboren? Want het is maar de vraag

ofer zo'n enorme volksoploop zou hebben plaatsgevonden als de mensen

hadden geweten waar Van den Reeck precies voor stond.

'Eergisteren avond waren er hier overal protestvergaderingen tegen het

geval Van den Reeck,' schreefMaurits De Meyer kort na het overlijden van

Herman van den Reeck aan zijn vriend, de dichter Wies Moens, die op

dat moment in de gevangenis verbleef wegens zijn onvaderlandslievende

houding tijdens de Eerste Wereldoorlog - het zogenaamde 'activisme'.

'[Ijk ben in den hof van het socialistisch syndicaat gaan luisteren naar

Karniel Huysmans. Hij heeft aan het volk gezegd dat burgemeester de Vos

zus en zoo was, dat hij minister Jaspar dit en dat, dat met de eerst volgende

verkiezingen alles moest veranderen..... Dat waren wijsheden van den dag

die hij het volk leerde. Ik stond midden het volk dat meende te moeten in

vervoering zijn. Ik heb met ontbloot hoofd tusschen het volk gestaan als

de internationale gezongen werd.'6

Deze passage is een van de weinige verslagen van de sfeer in Antwerpen

in de eerste dagen na de fatale elfde juli die geen politiek doel diende. De

Meyer, overtuigd katholiek, kon als relatieve buitenstaander de bijeenkomst

van de Antwerpse socialisten met enige distantie bekijken. Hij kwam tot de

conclusie dat de socialistische voorman Huysmans dit menselijke drama

maar al te graag gebruikte voor zijn strijd tegen de heerschappij van de

Liberale Partij, terwijl, volgens De Meyer, op dergelijke momenten het

respect voor het leven centraal zou moeten staan: 'Tegen macht van wet

en wapens zoekt men verweer in de even brutale macht van het getal,' was

zijn bittere besluit. In dagen van bijna collectieve geestdrift was dit een

opmerkelijke houding van een - zo blijkt verder in de brief- melancholieke

jongeling, maar in zijn angst voor de grote massa snijdt De Meyer een zeer

belangrijk punt aan. Terwijl in de straten van Antwerpen een eensgezinde

Vlaamsgezinde) sfeer hing, konden de politici inderdaad niet wachten

m het 'geval' Van den Reeck te gelde te maken voor hun partijpolitieke

strijd. Het falen van het liberale stadsbestuur was immers niet Huysmans'

enige doel. Door zijn verhaal op te hangen aan de recente gebeurtenissen

incorporeerde hij Van den Reeck impliciet in zijn ideologische stroming.

6 Maurits De Meyer aan Wies Moens, z.j., Archief Wies Moen , Brugge.

575


De Ridder

Tijdens de toespraak die hij namens de Belgische Werklieden Partij hield

bij het grafvan de betreurde student, deed hij dit zelfs bijna expliciet. Ook

daar voer hij uit tegen de liberalen en sprak hij voorts de wens uit om 'de

Vl. intellektueele kracht met de Vl. arbeidersklasse te verbroederen'. 'Het

was 't ideaal van Herman van den Reeck: voegde hij daaraan toe.?

Opmerkelijk genoeg legde er nog een andere partij een claim op de

nagedachtenis van Herman van den Reeck. Namens Het Vlaamsche Front

- de partij die na de Eerste Wereldoorlog uit de Vlaamsgezinde Frontbeweging

was ontstaan en genoegzaam onder de naam Frontpartij bekendstond

- sprak Herman van Puyrnbrouck een barokke lijkrede uit waarin zinsneden

voorkwamen als: 'Herman van den Reeck; God heeft u uitverkoren!';

'Want onder de talrijke slachtoffers van een misdadig regiem, zijt gij wel

het edelste, het reinste' en 'Gij zijt gevallen voor uw ideaal. Nu zijt ge zelf

ideaal geworden.'8 Nergens echter verduidelijkt Van Puyrnbrouck wat het

ideaal van Van den Reeck nu eigenlijk was en alhoewel Huysmans in zijn

one-liner de essentie redelijk wist te treffen, liet ook hij niet het achterste

van zijn tong zien. De redenen hiervoor zijn zeer eenvoudig. Van den Reeck

was een welkome martelaar; zowel in de strijd van de socialisten tegen de

liberalen als in de strijd van de Vlaams-nationale Frontpartij tegen het Belgische

besteP In beide gevallen was er nood aan een zuivere, van elke smet

gevrijwaarde idealist. Alleen zo iemand kon brede volkslagen aanspreken én

- misschien wel belangrijker - zou niet gemakkelijk door kwaadwillende

tegenstrevers kunnen worden ontmaskerd. Het geval Van den Reeck was in

dat opzicht bijna perfect. Hij was een bewuste, strijdende Vlaming met een

groot rechtvaardigheidsgevoel en had met zijn negentien jaren bovendien

zijn jeugdige onschuld schijnbaar nog niet verloren. In de talrijke gedichten

die naar aanleiding van zijn dood verschenen waren woorden als 'kind',

'onschuld' en 'offer' dan ook niet van de lucht. 1O De vraag dringt zich nu

7 Geciteerd in Van Neervoord, Ter nagedachtenis van wijlen Herman Van den Reeck,

22.

8 Ibidem, 19-20.

9 Zie voor een uitgebreide analyse hierover: LucVandeweyer, 'Herman van den Reeck.

Pacifist in een gewelddadige beweging?', Wetenschappelijke tijdingen 55 (1996) 37­

66.

10 Zie hierover: Geert Buelens, Van Ostaijen tot heden, zijn invloed op de Vlaamse poëzie

(Nijmegen 2001) 131-142; en Marcel ]anssens,'Hetgeval Herman van den Reeck in

de Vlaam e expressionistische poëzie' in: Hulde-album Prof dr.].F. Vanderheyden,

(Langemark 1970) 151-166.

576


Een herdenking in de jaren dertig bij het praalgraf van Her­

man van den Reeck. Naast de bedroefde vader (links) staat de

Vlaams-nationalist August Bonns. Foto: AM VC·Letterenhuis,

Antwerpen.

Supplement

echter op wat de wapenfeiten

van Van den Reeck waren, op

basis waarvan hij een idealist

genoemd kon worden.

Van den Reeck was in

1901 geboren en beleefde

zijn jaren van bewustwording

tijdens de oorlog. Hij

bezocht het Antwerpse

atheneum waar een paar

jaar voordien de legendarische

generatie van Paul van

Ostaijen (geboren in 1896)

haar onderwijs had geno­

ten. Inmiddels waren deze

leerlingen al vertrokken en

was het tijdschrift waarin

zij hun revolutionaire (ook

in communistische zin) en

activistische ideeën hadden

uitgedragen, De Goedendag,

verdwenen. Kennelijk aangesproken

door deze jongeren

richtte Van den Reeck het

tijdschrift opnieuw op in

maart 1918 en sloot hij zich

ook ideologisch aan bij zijn voorgangers. Veel van de oud-medewerkers,

zoals Paul van Ostaijen, Gaston Burssens en Victor Brunclair, werden zelfs

opnieuw uitgenodigd bijdragen te leveren aan De Goedendag. Hoewel

Van den Reeck in grote lijnen de ideeën van zijn voorbeelden volgde, valt

op dat hij veel pragmatischer te werk ging. Voor Van Ostaijen stond het

bijvoorbeeld buiten kijf dat de jongere generatie haar idealen moest uitdragen

via de avant-garde kunst, in het geval van 'zot Polleken' zelf betrof

dit de expressionistische poëzie. Van den Reeck zocht het echter dichter

bij huis. Hij twijfelde zelfs openlijk aan de doelmatigheid van de poëzie

als instrument om 'het volk' warm te maken voor de flamingantische en

revolutionair-linkse ideeën waar ook hij voor gewonnen was. In een recensie

over de bundel Zelfvervloeking en verzen voor vrede van Geert Pijnenburg

577


De Ridder

vroeg hij zich, verhuld onder het anagram Drée van Neck, afofPijnenburg

zijn 'sosiale kunst met pasifistiese strekking' niet beter in proza zou hebben

gevat, want: '[eJne grote fout ligt echter onzes dunkens hierin dat het

niet genoeg tot het volk spreekt, tot de onderste lagen die beroerd moeten

worden. Daartoe is de vorm, de versvorm reed!' de eerste hinderpaal, want

onze menigte is niet in staat mooi ingekleede gedachten te slikken.' I I Als

het om het overdragen van een boodschap aan de 'onderste lagen' ging, was

de kans van slagen met proza veel groter, zo schrijft hij verder, '[tJe meer

omdat het hem niet zozeer om kunst te leveren schijnt te doen geweest te

zijn.'12 Even afgezien van het feit dat Van Ostaijen het met deze waardering

van Pijnenburgs bundel vanuit artistiek oogpunt hoogstwaarschijnlijk

roerend eens zou zijn geweest, verschilden zij van mening over het belang

van de kunst in hun politieke streven. Voor Van Ostaijen speelde de kunst

een voortrekkersrol, terwijl Van den Reeck een maximaal effect nastreefde,

ook als dat in het nadeel van de kunst uitviel. Hij bewandelde het liefst de

kortste weg. Zo aarzelde hij in het eerste nummer van de heropgerichte

Goedendag dan ook niet om zich direct tot de Raad van Vlaanderen - een

soort schaduwkabinet waarvan de leden zich in een zelf georganiseerde

volksraadpleging hadden laten verkiezen als zogenaamde 'gevolmachtigden'

- te wenden met de vraag het onderwijs onmiddellijk te vervlaamsen. 13

Ook na de Eerste Wereldoorlog zette Van den Reeck zijn 'activistische'strijd

voort. 14

Er verschenen nog twee nummers van De Goedendag

als opstapje naar een nieuw tijdschrift, dat het orgaan zou zijn van een

nieuwe brede jeugdbeweging en De Pionnier had moeten heten. Het is aan

een gebrek aan financiële middelen te wijten dat noch het nieuwe tijdschrift

noch het beoogde laatste nummer van De Goedendag ooit verscheen. De

plannen voor een nieuwe jeugdbeweging kregen wel vastere vorm. In

Antwerpen kon Van den Reeck rekenen op de steun van de leider van de

11 D.v.N. [Herman van den Reeck), 'Geert Pijnenburg: Zelfvervloeking en verzen voor

vrede', De Goedendag 24 (1918) 40.

12 Ibidem.

13 Dree van Neck [Herman van den Reeck), 'Wij eischen de vervlaamsching van het

middelbaar onderwijs! Totaal! Onmiddellijk!', De Goedendag 24 (maart 1918) 6.

14 Zie voor een uitvoerige inventari ering van het begrip activisme in een naoorlogse

context: Geert Buelens en Matthijs de Ridder, "Ot Is allemaal een boeltje." Over

activisme, frnntisme, zaktivisme, arrivisme, neo-activisme, Vlaamsch idealisme,

jusq'auboutisme, Nieuw-Aktivisme en post-activisme na de Grote Oorlog' in: Geert

Buelens, Matthijs de Ridder en Jan Stuyck, De trust der vaderlandsliefde. Literatuur

en Vlaamse Beweging 1890-1940 (Antwerpen 2004) ter perse.

578


Supplement

Jeugdcentrale die tijdens de oorlog was opgericht, Lode Craeybeckx, en

verder van onder andere Anna Mortelmans, Victor Brunclair en Firrnin

Mortier. In Mechelen werd er enthousiast meegedacht door de dichter en

romanschrijver Albert van Hoogenbemt. De opzet was zeer breed. Naast

de geestesgenoten probeerden de initiatiefnemers ook de katholieken te

betrekken bij de organi atie en werden er zelfs gesprekken gevoerd met

het Franstalige tijdschrift Lumière, dat hoewel Franstalig de activistische

uitgangspunten onderschreef. De verschillen met de katholieken bleken

fundamenteler en tot een samenwerking kwam het dan ook niet. De

groepen rond De Goedendag en Lumière besloten gezamenlijk een derde

jeugdcongres te organiseren - de eerste twee vonden in augustus en oktober

1918 plaats onder leiding van Craeybeckx - in september 1919, maar deze

onderneming draaide 'bij gebrek aan genoegzame propaganda' uit op een

organisatorisch en financieel fiasco. 15 Hetbetekende het einde van de grootse

plannen om de jeugd in al zijn verscheidenheid te verenigen. Herman van

den Reeck trok zich teleurgesteld terug: 'Maandag ga ik voortstuderen te

Brussel. Het sekretariaat is dus overgebracht naar de Lange Kongostr. 72

ter stede.' 16

Nu zijn droom de jeugd te verenigen in duigen was gevallen, richtte hij

zich op zijn studie medicijnen en zocht hij aansluiting bij andere politieke

bewegingen. Hij werd lid van de Brusselse Clartégroep, werd secretaris van

de Vlaamse afdeling van de Internationale Anti-Militaristische Vereeniging

en onderhield contacten met de Christian International Movement. 17

Besluit

Na zijn dood bereikte Herman van den Reeck wat hem tijdens zijn leven niet

was gelukt. Mensen van verschillende gezindten trokken massaal de straat

op en gaven een eensgezind signaal afaan de franskiljonse machthebbers.

Het zogenaamde on chuIdige slachtoffer dat op barbaarse manier was gedood

door een repressiefregime was een krachtig beeld dat door de gehele

Vlaamse Beweging werd omarmd. Met de werkelijkheid had dit beeld echter

niet veel te maken. Na het mislukken van het derde jeugdcongres waren de

15 Brief van Firmin Mortier aan Lode Craeybeck.x:, 27-08-1919, AMVC-Letterenhuis,

M 826.

16 Briefvan Herman van den Reeck aan Karel Resseler, 29-11-1919, Collectie Res e1er,

Antwerpen; binnenkort collectie AMVC-Letterenhuis Antwerpen.

17 Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging (Tielt 1998) 2569.

579


De Ridder

ideeën van Van den Reeck zelfs nog radicaler geworden. In een manifest

dat bij leven niet meer gepubliceerd kon worden en pas in 1966 door Geert

Pijnenburg in zijn geheel werd afgedrukt, pleit hij onomwonden voor de

revolutie tegen elke prijs:

'Een opstand, zelfs al mislukt die [...], heeft tenminste dit voordeel dat de

beweging wereldkundig wordt, en dat het nationaal gevoel van het volk

er wakker door gehouden wordt, wat wel door eenige slachtoffers mag

gekocht worden. [...] Laten we niet meer omzien naar de parlementaire

flaminganten. Die zijn tot geen daden in staat gebleken. [...] Slechts éen

weg staat dan nog open: revolutie.'18

Deze houding stond mijlenver van het onschuldige kind dat in juli 1920

werd begraven. Bovendien zet deze uitspraak de pogingen van de parlementaire

partijen om zijn nagedachtenis voor hun kamp te laten renderen

in een ironisch daglicht.

Door de jaren heen is er weinig veranderd. Nog steeds lijktVan den Reeck

vooral een merknaam die naar believen kan worden ingezet door wie haar

nodig denkt te hebben. In wezen kreeg de antiparlementaire revolutionaire

communist Van den Reeck al meteen na zijn dood een ondergeschikte rol

toebedeeld in zijn eigen nagedachtenis. Elk huldebetoon aan zijn adres is

op de eerste plaats een steunbetuiging aan een ideaal. Dat dat ideaal steeds

verder van zijn internationalistische overtuiging kwam te staan en later, toen

de hulde een officieel onderdeel van de Vlaamse feestdag werd, zelfs zijn

opstandige karakter verloor, moet Van den Reeck vanonder zijn praalgraf

met verbazing hebben gadegeslagen.

18 Herman van den Reeek, 'Een hartig woordje aan deVlaamse voorwachten: De Nieuwe

Dag, 7 juli 1966; ook gedeeltelijk in Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging

(Tielt 1998) 2569-2570.

580

More magazines by this user
Similar magazines