,16758.&-½ 2%6¥8*, 1”92'

manuals.stiga.com

,16758.&-½ 2%6¥8*, 1”92'

NL GEBRUIKSAANWIJZING

PL ,16758.&-½ 2%6¥8*,

CS 1”92'

8214-2227-01

JB 55


NL

1 SYMBOLEN, ZIE FIG. 1

Op de grondfrees vindt u de volgende symbolen. Deze herinneren

u eraan dat u voorzichtig en oplettend met de grondfrees

moet omgaan. Als een symbool ontbreekt, beschadigd

raakt of onleesbaar wordt, moet u dit onmiddellijk vervangen.

De symbolen hebben de volgende betekenis:

1. Waarschuwing! Lees de gebruiksaanwijzing.

2. Waarschuwing voor roterende bladen.

3. Achteruitversnelling.

4. Koppelingshandgreep. Handgreep naar buiten, linker fig.

= ontkoppeld. Handgreep ingedrukt, rechter fig. = bedrijfsstand.

5. Gasmechanisme, a=snel, b=langzaam en c=stop.

6. Lees de gebruiksaanwijzing en koppel de bougiekabel los

voordat u met de werkzaamheden begint. Draag veiligheidshandschoenen.

2 VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

2.1 ALGEMEEN

• Lees dit instructieboek zorgvuldig door voordat u de

grondfrees gebruikt.

• Gebruik de grondfrees alleen voor grondbewerking.

• Laat kinderen niet in aanraking met de grondfrees komen.

• Kinderen of personen die de gebruiksaanwijzing niet

hebben gelezen, mogen de grondfrees niet gebruiken.

• De grondfrees is conform geldende normen vervaardigd

en mag niet worden veranderd of omgebouwd.

• Zorg ervoor dat alle symbolen op de grondfrees onbeschadigd

zijn.

• De gebruiker is verantwoordelijk voor letsel toegebracht

aan derden.

WAARSCHUWING met betrekking tot de benzine.

Benzine is een zeer brandgevaarlijke stof:

• Bewaar de benzine in daarvoor bestemde reservoirs.

• Tank altijd buitenshuis en schakel de motor daarbij uit.

• Rook niet tijdens het tanken.

• Houd geen open vuur of andere warmtebronnen in de

buurt van de benzine.

• Start de motor niet als u benzine heeft gemorst. Verplaats

de machine en laat de benzine verdampen voordat u de

machine start.

• Draai de tankdop er na het tanken goed op.

• Zet de gasregelaar in de stand "Stop" en sluit de benzinekraan

als u de machine heeft uitgeschakeld.

NEDERLANDS

• Schakel de motor uit voordat u de machine vervoert. Til

de machine nooit alleen op. Til de machine met twee personen

op, één bij het stuur en één bij de rotoras. Draag

veiligheidshandschoenen en houd de machine bij het optillen

rechtop.

• Als de machine op een aanhangwagen of laadvloer wordt

geladen, moet u de grondfrees met behulp van het wiel

via een oprit omhoogrijden.

2.2 VOORBEREIDING

• Voordat u met de werkzaamheden begint, moet u vreemde

voorwerpen zoals stenen, glas, kabels, metalen voorwerpen

en andere losse voorwerpen verwijderen.

• Speelgoed, slangen en andere voorwerpen kunnen beschadigd

raken.

• Controleer of de grondfrees in goede staat is voordat u

deze gebruikt.

• Controleer of alle schroeven en moeren zijn vastgedraaid.

2.3 RIJDEN

• Rijd altijd met lage snelheid bij werkzaamheden in een

steenachtige grond.

• Wijzig de toerentalinstelling van de motor niet. De motor

mag geen overtoeren maken.

• Het werkgebied moet tijdens de werkzaamheden goed

verlicht zijn.

• Gebruik de grondfrees niet als andere personen, met

name kinderen, in de buurt zijn.

• Gebruik de grondfrees niet zonder spatlap of beschermkap.

• Gebruik de grondfrees niet als u ziek bent, medicijnen

heeft ingenomen of onder invloed bent van substanties

die het reactievermogen verminderen.

• Gebruik de grondfrees niet op terreinen met hellingen

groter dan 20°.

• De gebruiker moet alle risico's op het te bewerken terrein

evalueren en maatregelen nemen om ongevallen te

voorkomen. Dit geldt vooral op hellende, gladde of losse

terreinen.

• Start de motor voorzichtig volgens de instructies in deze

handleiding. Zorg dat lichaamsdelen niet in contact met

de rotors komen.

• Start de motor nooit in een afgesloten ruimte. De koolmonoxide

in de uitlaatgassen van de motor is giftig en

kan de dood tot gevolg hebben.

• Draag nauwsluitende kleding en stevige schoenen die de

voeten helemaal bedekken.

• Bij het rijden op hellingen mag de tank slechts voor de

helft gevuld zijn. Anders kan er benzine uit lekken.

• Schakel de motor in de volgende gevallen uit:

• Als u de machine onbewaakt achterlaat.

• Voordat u gaat tanken.


• Zorg altijd voor een goed steunpunt voor de voeten, speciaal

op hellingen.

• Controleer of niemand zich voor of naast de machine

bevindt als u de bladen start. Houd het stuur stevig vast.

De machine komt omhoog als u de rotors start. Wees

vooral voorzichtig bij het achteruitrijden.

• Houd tijdens de werkzaamheden altijd een veilige afstand

tot de rotors aan. Door het stuur op de beoogde

manier vast te houden, voldoet u aan deze veilige afstand.

• Bij werkzaamheden op hellingen moet iedereen op een

afstand van 20 m van de machine blijven. De gebruiker

moet het stuur voortdurend met beide handen stevig

vasthouden.

• Let bij werkzaamheden in een steenachtige of harde

grond nog beter op. De machine is dan namelijk onstabieler.

• Raak de motor tijdens of na het rijden nooit aan. Kans op

brandwonden!

2.4 NA HET RIJDEN

• Laat de motor afkoelen voordat u de machine opslaat.

Kans op brand!

• Verwijder vuil en vreemde materialen voordat u de machine

opslaat. Houd het gebied rondom de benzinetank

en de geluidsdemper schoon van bladeren, olie, benzine

of andere vreemde materialen. Kans op brand!

• Als u de benzinetank wilt legen, doe dat dan buitenshuis

en als de motor koud is. Kans op brand!

• Bewaar de machine op een droge plaats. Sla de machine

niet met brandstof in de tank op in ruimtes waar vuur,

vonken of sterke warmtebronnen voorkomen.

2.5 ONDERHOUD

• Voer regelmatig onderhoud uit. Zorg ervoor dat alle

schroeven en moeren altijd vastgedraaid zijn.

• Gebruik altijd goede, originele reserveonderdelen. U mag

reserveonderdelen niet repareren. Bij gebreken moet u ze

vervangen. Inferieure reserveonderdelen kunnen letsel

veroorzaken. Als de geluidsdemper beschadigd raakt,

moet u deze vervangen.

• In de volgende gevallen moet u eerst de motor

uitschakelen en vervolgens de bougiekabel loskoppelen:

Als de rotors moeten worden afgesteld.

Als de machine moet worden gereinigd of gerepareerd.

Bij de controle na een botsing met vaste, harde

voorwerpen. Voer de noodzakelijke reparaties uit

voordat u met de werkzaamheden doorgaat.

Als de machine abnormaal begint te trillen. Voer de

noodzakelijke reparaties uit voordat u met de

werkzaamheden doorgaat.

• Draag veiligheidshandschoenen bij werkzaamheden aan

de rotors.

NEDERLANDS NL

3 LEVERING

De grondfrees wordt in een doos geleverd. Het stuur en de

zijschotels zijn gedemonteerd. Alle kabels zijn gemonteerd

en afgesteld.

WAARSCHUWING! Bij levering zit er geen olie

in de motor.

4 BESCHRIJVING, ZIE FIG. 2

De grondfrees wordt door een viertaktmotor aangedreven en

bestaat uit de volgende onderdelen:

1. Koppelingsregelaar, bladen activeren

2. Versnellingsregelaar, vooruit/achteruit

3. Afstelling van het stuur

4. Luchtfilter

5. Handmatige start

6. Spatlap

7. Remspoor

8. Gegevensplaatje

9. Zijwieltje

10. Gasregelaar11. Brandstoftank

12. Bijvullen van olie

13. Aftappen van olie

14. Steunwiel

15. Rotors, 4 stuks, de buitenste rotors kunnen worden gedemonteerd.

De werkbreedte wordt dan 340 mm.

16. Kap

17. Bescherming voor geluidsdemper

18. Uitlaat

19. Handgreep Het gegevensplaatje (8) bevat de onderstaande

informatie. Zie fig. 3. A Nominaal vermogen B

Gewicht in kg C Serienummer D Productiejaar E Type F

Fabrikant G CE-merk H Max. motortoerental

5 MONTAGE

5.1 STUUR, ZIE FIG. 4

Monteer het stuur (1) volgens de figuur met de schroef (2),

de volgringen (3), de moer (4), de schroef (5), de volgringen

(6) en de moer (7). Kies het juiste gat voor de schroef (5) om

het stuur (1) in een comfortabele houding te zetten.

5.2 SPATLAP, ZIE FIG. 2

Monteer de spatlappen (6) aan beide zijden met de

bijgeleverde schroeven en moeren.


NL

5.3 STEUNWIEL, ZIE FIG. 5

Monteer het steunwiel volgens de figuur. Haal de moer (5)

niet te hard aan. Dan kan de wielarm niet omhoog worden

geklapt.

5.4 OLIE BIJVULLEN, ZIE FIG. 2

Verwijder de plug (12) en vul 0,7 l olie SAE 10W40 bij.

Draai de plug vervolgens vast.

5.5 ROTORS EN ZIJWIELTJES, ZIE FIG. 6

Schuif de eerste rotor (1) op de aandrijfas (2) en borg met de

borgpin (3). Steek vervolgens de tweede rotor (4) in de eerste

en borg met de borgpin (3). Max. 3 rotors kunnen op deze

manier aan beide zijden worden gemonteerd. Monteer tenslotte

het zijwieltje op dezelfde manier.

WAARSCHUWING! Controleer of de borgpinnen

vergrendeld zijn, d.w.z. of de veren rondom de as

zijn vergrendeld.

6 RIJDEN

Zie ook hoofdstuk 2.3.

WAARSCHUWING! Controleer het oliepeil van

de motor. Zie hoofdstuk 8.4.

6.1 BRANDSTOF BIJVULLEN, ZIE FIG. 7

Zie de veiligheidsvoorschriften in hoofdstuk 2.1. Vul 2,8 l

loodvrije benzine bij en draai de tankdop vast.

NB! Let erop dat normale loodvrije benzine een vers product

is. Koop niet meer benzine dan u in 30 dagen verbruikt. U

kunt ook acrylaatbenzine gebruiken. Deze benzine is beter

voor het milieu.

6.2 START

Zie de veiligheidsvoorschriften in hoofdstuk 2.3. Het starten

van een koude motor gaat als volgt:

1. Open de brandstofkraan. Zie fig. 8.

2. Zet de chokeregelaar in de chokestand. Zie fig. 11b.

3. Zet de gasregelaar op stationair. Zie fig. 10.

4. Knijp de starthandgreep in, eerst licht totdat de haken

vastgrijpen en vervolgens krachtig totdat de motor start.

Zie (5) in fig. 2. NB! Laat het startkoord niet los als de

motor is gestart, maar laat uw hand langzaam mee teruggaan!

5. Zet de gasregelaar in de tussenstand.

6. Zet de choke in de stand "Run". Zie fig. 9. Start een

warme motor op dezelfde manier als hierboven, maar sla

de punten 2 en 6 over.

NEDERLANDS

6.3 VOORUIT RIJDEN, ZIE FIG. 2.

Als u de linker handgreep, de versnellingsregelaar (2), heeft

ingedrukt, heeft u de versnelling vooruit gekozen. De grondfrees

gaat vooruit als u de koppelingshandgreep (1) inknijpt.

Rijd op de volgende manier vooruit:

1. Zet de gasregelaar (10) in de gewenste stand.

2. Knijp de koppelingshandgreep (1) in. De grondfrees

houdt op met vooruit bewegen als u de koppelingshandgreep

(1) loslaat.

6.4 ACHTERUIT RIJDEN, ZIE FIG. 2

WAARSCHUWING! U mag de versnellingshandgreep (2)

alleen inknijpen als u de koppelingshandgreep (1) niet heeft

ingeknepen.

Rijd op de volgende manier achteruit:

1. Zet de gasregelaar (10) in de gewenste stand.

2. Knijp de versnellingshandgreep (2) in.

3. Knijp de koppelingshandgreep (1) in. De grondfrees stopt

met achteruit bewegen als u de beide handgrepen loslaat.

6.5 STOPPEN, ZIE FIG. 11

Stop de grondfrees op de volgende manier: 1 Zet de gasregelaar

in de stopstand. Zie fig. 11a. 2 Zet de chokeregelaar in

de chokestand. Zie fig. 11b. 3 Sluit de benzinekraan. Zie fig.

11c.

6.6 RIJTIPS

De rotors drijven de machine vooruit. U regelt de snelheid

van de rotors met de gasregelaar.

WAARSCHUWING! Houd uw handen en voeten

niet in de buurt van de rotors.

Pas voor de gewenste werkbreedte het aantal rotors aan beide

zijden aan. Zie hoofdstuk 5.5.

Als de machine met behulp van het remspoor wordt afgeremd,

graven de rotors zich in de grond. De werkdiepte wordt

bepaald door hoeveel remsporen tijdens het rijden in de

grond worden gedrukt. De juiste werkdiepte is van belang

voor hoe licht de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd.

De optimale werkdiepte is afhankelijk van de grondsituatie.

Ga rijden en test het uit.

Rijd de machine nooit in natte grond. Er ontstaan dan kluiten

die moeilijk kapot te krijgen zijn. Bij harde en droge grond

moet u nog een keer rijden, loodrecht op de eerste keer.

WAARSCHUWING! U mag een nieuwe machine

nooit overbelasten. Rijd de eerste 5 uur voorzichtig.

7 OPSLAG

Bewaar de grondfrees op een droge plaats.

Zie ook hoofdstuk 2.4.

Nadat u de benzine heeft afgetapt, start u de motor en laat

deze lopen totdat alle benzine op is.


8 ONDERHOUD

WAARSCHUWING! Laat reparaties door de

wederverkoper uitvoeren. Anders vervalt de garantie.

WAARSCHUWING! Koppel de bougieaansluiting

los voordat reparaties of onderhoud worden uitgevoerd.

8.1 PERIODIEK ONDERHOUD

8.1.1 Voor elke rit

• Controleer het oliepeil in de motor. Vul indien nodig bij.

• Controleer op olielekkage.

• Controleer of alle schroeven zijn vastgedraaid.

8.1.2 Na elke rit

• Maak de grondfrees schoon.

• Controleer op olielekkage.

8.1.3 Na 20 bedrijfsuren

• Controleer, reinig of vervang het luchtfilter.

• Controleer of alle schroeven en moeren zijn vastgedraaid.

8.1.4 Elk jaar Ververs de olie in de motor.

8.2 BENZINE AFTAPPEN

Zie hoofdstuk 2.4.

8.3 LUCHTFILTER, ZIE FIG. 12

Reinig/vervang het luchtfilter regelmatig. Voor het demonteren

van het luchtfilter moet u de schroef (A) verwijderen.

WAARSCHUWING! Gebruik bij het reinigen

geen brandgevaarlijke vloeistoffen.

Reinig het luchtfilter met een zachte borstel.

8.4 VERVERSEN, OLIE CONTROLEREN, ZIE FIG. 2

Ververs de motorolie één keer per jaar. Ververs de olie op de

volgende manier:

1. Laat de motor warmlopen. WAARSCHUWING! De motorolie

is warm. Kans op brandwonden!

2. Breng de machine schuin naar voren en demonteer de

plug (13).

Tap de olie af in een geschikt vat. Monteer de plug als de

olie is afgetapt.

3. Zet de machine horizontaal.

4. Verwijder de plug (12) en vul 0,7 l olie SAE 10W40 bij.

Draai de plug vervolgens vast.

5. Als de machine horizontaal staat, moet het oliepeil op

hetzelfde niveau als de onderkant van het gat voor de

plug (12) liggen.

NEDERLANDS NL

8.5 SCHOONMAKEN

Zie hoofdstuk 2.4. Borstel eerst al het losse vuil weg. Behandel

de grondfrees vervolgens met een vochtige doek. Spoel

het onderstel met water af.

8.6 DRIJFRIEM VERVANGEN, ZIE FIG. 13

1. Demonteer de kap (16) in fig. 2.

2. Breng het spanwiel (2) omhoog en wring de riem eraf.

3. Wring de riem van de beide riemschijven af. Demonteer

de beugel (A) boven de kleine riemschijf niet.

4. Monteer de nieuwe riem in de omgekeerde volgorde.

5. Stel de koppelingskabel af. Zie hieronder.

6. Monteer de kap.

8.7 KOPPELINGSKABEL AFSTELLEN

1. Demonteer de kap (16) in fig. 2.

2. Stel de koppelingskabel af met behulp van de strekhuls

(A) in fig. 14.

3. De koppelingskabel is correct afgesteld als de veer (B) in

fig. 15 zich ca. 1 cm strekt als u de handgreep indrukt.

4. Borg de strekhuls en monteer de kap na het afstellen.

8.8 VERSNELLINGSKABEL AFSTELLEN

1. Stel de versnellingskabel af met behulp van de strekhuls

(C) in fig. 16.

2. De versnellingskabel is correct afgesteld als de speling in

het buitenste deel van de handgreep ca. 5 mm is. Zie fig.

17.

NB! Strek de versnellingskabel niet teveel. De levensduur

kan hierdoor afnemen.

3. Borg de strekhuls na het afstellen.

8.9 STORINGZOEKEN

8.9.1 Storing: Moeilijk starten.

Oorzaak: De brandstof is te oud.

Maatregel: Draineer de tank en vul deze met nieuwe benzine.

Oorzaak: Defecte bougie.

Maatregel: Vervang de bougie.

8.9.2 Storing: De motor loopt onregelmatig

Oorzaak: Vuil in de brandstof.

Maatregel: Reinig de benzinetank en de carburateur.

Oorzaak: Defecte bougie.

Maatregel: Vervang de bougie.

8.9.3 Storing: De motor is zwak, loopt niet op volgas.

Oorzaak: Verstopt luchtfilter.

Maatregel: Reinig of vervang het luchtfilter.


NL

8.9.4 Storing: Slipt bij aandrijving vooruit

Oorzaak: De riem is te slap.

Maatregel: Stel de riem af.

8.9.5 Storing: Slipt bij aandrijving achteruit.

Oorzaak: De versnellingsregelaar is verkeerd afgesteld.

Maatregel: Stel de versnellingsregelaar af.

8.9.6 Storing: Stopt tijdens bedrijf.

Oorzaak: De brandstof is op.

Maatregel: Vul benzine bij.

9 TECHNISCHE GEGEVENS

Gewicht: 46 kg

Motortype: 4-takt, Briggs & Stratton

Bougie: Champion QC12YC of daarmee

overeenkomend.

Vermogen: 4 kW (5,5 hp)

Toerental, motor: 3400 rpm

Geluidsdrukniveau: 77 dB(A)

Trillingsniveau: 2,9 m/s 2

Transmissie: Riemoverbrenging met versnellingsbak

Brandstoftank,

inhoud: 2,8 liter

Brandstof: 95 octaan, loodvrije benzine

Stuurstang: In hoogte verstelbaar.

Bladdiameter: 320 mm

Werkbreedte: 590 mm (840 mm bij 6 rotors en

340 mm bij 2 rotors)

Rotatie van de

bladen vooruit: 135 rpm

Rotatie van de

bladen achteruit: 58 rpm

NEDERLANDS

10 CE-CERTIFICAAT

Ets PUBERT SA Z.I. de Pierre-Brune, 85110 CHANTON-

NAY, Frankrijk garandeert dat de grondfrees JB 55 voldoet

aan de belangrijkste gezondheids- en veiligheidseisen in de

richtlijnen 89/392 CEE en 98/37/CE. Om te garanderen dat

de veiligheids- en gezondheidseisen, voorgeschreven in de

EEC-Richtlijn, correct worden toegepast, zijn de volgende

normen en/of technische specificaties geraadpleegd: EN

292-1, EN 292-2, EN 25349 (1993) en NFU 02-025.

Chantonnay, 01-01-1999.

M. Jean-Pierre PUBERT

Voorzitter en directeur


Fig. 1

Fig. 2

Fig. 3.

1 2 3 4

1 2

3

4

5

6

7 8

10

9 15

11

12

13

14

12

13

Fig. 4.

5a

5b

5c

11 2 6

15

6

1

3

16

6

7

9

10

2

19


Fig. 5.

Fig. 6.

Fig. 7.

Fig. 11a.

3

4

1 2

Fig. 8.

Fig. 9.

Fig. 10.

RUN CHOKE

RUN CHOKE

Fig. 11b. Fig. 11c.


Fig. 12.

A

Fig. 13.

A

A

Fig. 15.

Fig. 16.

Fig. 14. Fig. 17.

1

C

+1 cm

5 mm

More magazines by this user
Similar magazines