WETENSCHAP EN WAARDERING - Groniek

groniek.eldoc.ub.rug.nl

WETENSCHAP EN WAARDERING - Groniek

Supplement

Civi/ization in Eng/and (1857-1861) werkte, gaf hij de historicus de opdracht de

wetmatigheden in het historisch proces op te sporen. Maar reeds in 1867 uitte

hij zijn twijfel omtrent de realiseerbaarheid van dit eerzuchtige programma, al

wilde hij het nog niet helemaal afschrijven. Tien jaar later was hij al veel

sceptischer ge\mrden: wellicht werd het historisch proces (net als de natuur)

door orde en regelmaat gekenmerkt, maar dat wilde nog niet zeggen dat de

historicus ooit zou kunnen morzien en morspellen. In zijn afscheidsrede - in

1894 - bracht hij de hele zaak nog slechts kort ter sprake: tijdens zijn vierendertigjarige

professoraat was er op dit punt geen enkele moruitgang geboekt.?

De historicus kon dus - in tegenstelling tot de beoefenaar van de natuurwetenschappen

- geen wetmatigheden formuleren. Maar wat hij wél kon, was

het in de natuurwetenschappen gangbare empirisme OYememen. Fruin benadrukte

herhaaldelijk dat de geschiedenis de ervaringswetenschap bij uitstek was:

de geschiedenis en de wijsbegeerte (in Fruins ogen een louter speculatieve

discipline) verhielden zich als water en vuur. 8 Natuurlijk, ook hij wist dat "de

mathematische weg, die van stap tot stap met zekerheid op de waarheid

uitloopt, mor den historicus gesloten is", maar hij vertrouwde erop dat gedurige

oefening in de historisch-filologische methode en het kritisch en creatief

ondervragen van het bronnenmateriaal de historische waarschijnlijkheid haast

het karakter van een natuurwetenschappelijke zekerheid zouden geven. 9 Dit

vertrouwen groeide naarmate hij ouder werd. Het deed hem langzamerhand

vergeten wat hij in zijn inaugurele rede nog had beklemtoond, namelijk dat een

volledig objectieve weergave van het verleden een onmogelijkheid is. In zijn

afscheidsrede verdedigde hij een realisme waarin mor de in 1860 onvermijdelijk

geachte subjectiviteit geen plaats meer was. In diezelfde afscheidsrede bekende

hij echter ook dat hij mor dit geloof een prijs had betaald: zijn verlangen enkel

het volstrekt zekere te publiceren, had hem ervan weerhouden de door ZOYelen

gevraagde synthese van de Nederlandse geschiedenis te schrijven. Wat hij had

gegeven, was 'slechts' stukwerk geweest. 10

Was dit geloof dan zinloos geweest? Had dit liberaal-positivisme dan niets

meer opgeleverd dan een op zich natuurlijk imposante reeks detailstudies?

Latere critici hebben wel eens die indruk gewekt.H Zij hadden ongelijk:

7 Vgl. Idem, 'Wetenschappelijke wereldgeschiedenis', 257-259; Idem, 'De beteekenis en de

waarde der geschiedenis', v.o. IX, 342-343; Idem, 'De nieuwe historiographie', V.O. IX,

410-418; Idem, 'Over de plaats, die de geschiedenis in den kring der wetenschappen

inneemt', V.O. IX, 358-362 en Idem, 'Afscheidsrede bij het neerleggen van het hoogleraarsambt

aan de Rijks-Universiteit te Leiden', V.O. IX, 390-391.

8 Fruin gebruikte de term 'positivisme' trouwens ook in deze betekenis: het 'positivisme'

verbood niet op de ervaring gebaseerde bespiegelingen; vgl. onder meer Correspondenlie

van Robert Fruin 1845-1899, HJ. Smit en WJ. Wieringa ed. (Werken uitgegeven door het

Historisch Genootschap, 4e reeks, 4 (Groningen/Djakana 1957) nr. 37).

9 R Fruin, 'Over de plaats', 372-373.

10 Idem, 'De onpanijdigheid', 283-287 en Idem, 'Afscheidsrede', 396-398 en 405-406.

11 Onder meer F.e. Gerretson, 'Fruin intime', in: Idem, Verzamelde Werken VI (Baarn

1976) 432.

71


ToUebeek

Fruins lofzang op een op de natuurwetenschappelijke methode gebaseerde

geschiedbeoefening impliceerde immers ook een afwijzing van een in de netten

van de politiek en van de theologie gevangen historiografie. Dit ideaal van een

gedepolitiseerde en geseculariseerde geschiedenis was een blijvende ver\\Qrvenheid.

Dat het ontstaan van dit emancipatie-ideaal werd begeleid door een

professionaliseringsproces dat resulteerde in de mogelijkheid de geschiedenis als

een zelfstandige, universitaire wetenschap te beoefenen, toonde de kracht van

dit ideaal. t2

Het ideaal bleek bovendien ook te kunnen inspireren. Dat had uiteraard te

maken met het feit dat het maatschappelijke prestige van de natuurwetenschappen

bleef groeien. "De triomf van de natuurwetenschap werd gevierd in het

baksteen van de nieuwe laboratoria", werd enkele jaren geleden opgemerkt.B

De historici wilden in deze triomf delen. Fruin had hen daarbij de weg gewezen;

zijn voorbeeld werd door velen gemlgd. De meest gezaghebbende onder

hen was PJ. Blok, sinds 1884 hoogleraar algemene en vaderlandse geschiedenis

te Groningen. In 1894 mlgde hij Fruin te Leiden op. Vanaf dat jaar trok hij ook

regelmatig naar Het 1..00 om er de jonge Wilhelmina in de vaderlandse geschiedenis

in te wijden.

Ook Blok flirtte wel eens met de gedachte dat het de taak van de historicus

was sociale wetten te achterhalen. Waarom, zo vroeg hij zich zowel in zijn

Groningse als in zijn Leidse oratie af, zou de historicus niet kunnen wat de

bioloog wél kon? Immers:

Gelijk de mieren, de beveni, de bijen in hun samenleven, het zij dan bewust of onbewust,

handelen naar zekere in het oog vallende regelen, wier geheim men niet wanhoopt te

ontdekken, zo handelt ook de mensch in zijn samenleven naar 'in het algemeen blijkbaar

vaste regelen of wetten, die heerschen bij den wilden neger zoo goed als bij den

beschaafden Europeaan, bij den ouden Egyptenaar zoo goed als bij den modemen

Japanner. 14

Maar ook bij Blok knaagde al snel de twijfel omtrent de haalbaarheid van

dergelijk nomothetisch onderzoek. In september 1892 opende hij het academiejaar

met een toespraak OYer De grenzen der geschiedkundige wetenschap. Daarin

zei hij onder meer: "Zulke wetten, gesteld, dat zij voor den natuuronderzoeker

inderdaad zoo vaststaan als men beweert, nu ontbreken den historicus of zijn

12 Dit professionaliseringsproces zette zich in het laatste kwart van de negentiende eeuw

overigens ook in andere disciplines door, zij het op een telkens eigen manier. Vgl.

bijvoorbeeld W.E. Krul, 'De klassieke studiën in de negentiende eeuw', De Negentiende

Eeuw 13 (1989) 69-84.

13 IC. van Berkel, 'Stadsbeeld, wereldbeeld en natuurwetenschap in Groningen rond 1900' in:

GA. van Gemert e.a. ed., "Om niet QQII onwetendheid Ol barbarij te bezwijken". Groningse

geleerden 1614-1989 (Hilversum 1989) 151.

14 PJ. Blok, Het doel van de beoefening der geschiedenis ('s-Gravenhage 1884) 18-19 en

Idem, De geschiedenis als sociale wetenschap (Groningen 1894) 18-19 (waaruit het citaat).

Voor een uitgebreid overzicht van Bloks ideeën: J. Tollebeek, De toga van Fruin, 69-104.

72


Supplement

zoo vaag, dat zij hem weinig helpen [...]".15 Deze twijfel betekende echter niet

dat Blok het natuurwetenschappelijke model helemaal afschreef. In het spoor

van zijn leermeester Fruin accentueerde hij de noodzaak de geschiedenis een

empirisch fundament te geven. Het ideaal bleef een aan de natuurwetenschappelijke

zekerheid grenzende historische waarschijnlijkheid. Optimistisch voegde

Blok eraan toe dat de historische wetenschap op dit punt mortdurend terrein

'Mln.

Culturele, mentale en politieke l'erschuivingen

Toch werd het liberaal-positivistische paradigma in deze zelfde jaren - de jaren

van het fin-de-siècle - ondergraven. Het onbehagen ten aanzien van een

natuurwetenschappelijk geïnspireerde geschiedbeoefening toonde zich het

sterkst in de openlijke kritiek die Fruins denkbeelden op het einde van diens

academische loopbaan en kort na diens dood in 1899 ontmoetten. Niet dat deze

denkbeelden tevoren onweersproken waren gebleven: reeds in 1860 was Fruin

verweten door zijn onpartijdigheidsleer een politiek quiëtisme te rechtvaardigen.

16 In de jaren 1890 nam de kritiek echter andere vormen aan. Zij hield

verband met een aantal culturele, mentale en politieke verschuivingen. 17

De eerste kritiek was afkomstig van Albert Verwey. In een in het 1Weemaandelijksch

Tijdschrift verschenen bespreking van Fruins afscheidsrede zette

hij zich gedecideerd af tegen het pleidooi mor een strenge wetenschappelijkheid

waarmee de Leidse hoogleraar zijn loopbaan had besloten. Fruin had deze

kritiek kunnen verwachten. De Tachtigers hadden zich - althans in hun beschouwend

proza - aanvankelijk zelf wel bij de positivistische traditie aangesloten,

maar al snel was het besef gegroeid dat de esthetiek van de emotie die zij

huldigden, haaks op de analyserende, 'verfeitelijkende' visie van de wetenschap

stond. Verwey's kritiek op Fruin toonde hoe groot de minachting jegens de

wetenschap in deze kring was ge'Mlrden. In een van schoonheidsdrift geZ\\Qllen

taal betoogde Verwey dat het verleden naar waarheid te 'reconstrueren nooit het

werk van de historicus k6n zijn: doordat hij zich enkel aan de feiten hield, kon

hij immers slechts een schijn van waarheid omtrent (de uitwendige gebeurtenissen

van) de geschiedenis bereiken. De werkelijke waarheid berustte bij de

15 Leiden, Universiteitsbibliotheek, Dousa, BPL 2986/7.

16 c.R. [W.C.D. Olivier), 'De onpartijdigheid van den geschiedschrijver, De Nederlandsche

Specuuor 45 (1860) 354-358. Vgl. J.H. von Santen, 'Een verstokt thorbeckiaan. Mr.

W.C.D. Olivier (1820-1885)' in: E. Jonker en M. van Rossem ed., Geschiedenis en

Cultuur. Achttien opstellen ('s-Oravenhage 1990) 89-90.

17 Vgl. L Dorsman, 'Periodisering als integrale benadering: Nederlandse historici in het

Fin-de-Siècle', Theoretische Geschiedenis 16 (1989) 277-2%.

73


Tollebeek

dichter, die door zijn intuïtie en fantasie het morbije leven in een groot en

eenwudig beeld kon vatten. 18

Van een dergelijke kunsthoogmoed getuigden nog slechts weinigen in de

tweede helft van de jaren 1890. Omstreeks 1894 was de Beweging van Tachtig

immers vastgelopen in creatieve onmacht, hyperindividualisme en niet langer wl

te houden onmaatschappelijkheid. De wending in de geestelijke cultuur die op

het failliet van De Nieuwe Gids wIgde, kreeg nog datzelfde jaar wrm in De

Kroniek van P.L. Tak. 19 Met een hartstocht die in niets moest onderdoen mor

de bezieling van de Tachtigers braken estheet-socialisten en mystiek geïnspireerde

kunstenaars met de oude 'l'an pour l'an'-opvatting: in een sfeer van

toenadering tussen kunst en samenleving won Wagners idee van het 'Gesamtkunstwerk'

veld, werden multidisciplinaire kunstgenootschappen opgericht, en

werd de schoonheid gedemocratiseerd. 2O Symbolisten als Antoon Derkinderen

voelden zich "middelaar tussen individu en gemeenschap".21 Maar niet enkel

het individualisme van Tachtig werd verlaten ook het artisticisme kreeg tegenwind.

De 'negentigers' deelden de minachtig jegens de wetenschap van de

Tachtigers niet; zij doortrokken de cultuur opnieuw met rationaliteit. Toch

hadden Verwey en de zijnen niet mor niets geschreven: op de absolute Verbeelding

wlgde niet de absolute Rede, maar wel een Rede die de Verbeelding

als het ware wilde incorporeren.

Hoezeer de kritiek van de Tachtigers op de 'dorre' wetenschap ook nog in

de jaren 1890 doorwerkte, bleek uit de artikelenreeks a'.'er Fruin die W.G.C.

Byvanck, directeur van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag, in 1899 in De

Gids publiceerde. Verwey's kritiek uit 1894 kreeg in deze artikelenreeks een

Nietzscheaanse kleur. Nietzsche was al lang geen onbekende meer in Nederland.

Alphons Diepenbrock en Herman Gorter hadden de tweede Unzeitgemässe

Betrachtung - Vom Nutzen und Nachtheil der Historie fUr das Leben

(1874) - reeds omstreeks 1884 gelezen en waren daarbij diep onder de indruk

geraakt van Nietzsches vitalistische aanval op een 'Belehrung ohne Belebung'.

Byvanck, bewonderaar zonder reserves van Nietzsche, liet in 1899 het wUe

pond vallen op de verschraling die hij in Fruins werk meende te ontdekken. De

geest van de Leidse hoogleraar, zo constateerde hij opgewonden, had zich

18 A. Verwey, 'De afscheidsrede van prof. Fruin' in: Idem, Proza VIn (Amsterdam 1923)

142-151. Over het aanvankelijke positivisme van de Tachtigers: E. Endt, Het Festijn van

Tachtig. "De vervulling van heel groote dingen scheen nabij" (Amsterdam 1990) 27-28.

19 Vgl. W. Thys, De Kroniek van PLo Tak. Brandpunt van Nederlandse cultuur in de jaren

negentig van de vorige eeuw (Amsterdam/Antwerpen 1956).

20 Vgl. onder meer T. van Kalmthout, 'Tempels aan de muzen gewij4, Multidisciplinaire

kunstkringen in Nederland tussen 1880 en 1914', De Negentiende Eeuw 14 (1990) 95-110

en M. Adang, '"Eens zal de dag, opgaand, vinden arbeid en schoonheid vereend". Over

socialisme en kunstopvoeding in Nederland aan het begin van de twintigste eeuw' in:

M.G. Westen ed., "Met den tooverstaf van ware kunst". Cuhuurspreiding en cultuuroverdracht

in historisch perspectief (Leiden 1990) 71-104.

21 B. Polak, Het fin-de-siècle in de Nederlandse schilderkunst. De symbolistische beweging

1890-1900 ('s-Gravenhage 1955) 87.

74

'1

I


Supplemenl

fundament. 38 Het prestige van de Duitse geschiedbeoefening was groot, ook

in Nederland 39 , en de Methodenstrijd trok er als in zovele andere landen de

aandacht. Blok, die zich (althans aanvankelijk) met Lamprecht verwant voelde,

reageerde wrevelig op het werk van de neo-idealisten en schoof het snel

terzijde. 4O Bussemaker daarentegen vond er veel van zijn gading in (al had hij

ook kritiek). De neo-idealisten gaven hem de bevestiging van de juistheid van

zijn eigen denkbeelden orer de relativiteit van de geschiedbeoefening.

Een historische esthetiek

De neo-idealistische f1losofie vormde dus in zekere zin het sluitstuk van

Bussemakers beschouwingen orer de aard van de geschiedenis. Voor zijn

opvolger te Groningen diende zij eerder als vertrekpunt. Huizinga was acht jaar

jonger dan Bussemaker. In zijn in de eerste helft van de jaren 1890 vallende

studententijd was hij aanvankelijk een 'vurig adept' van de Tachtigers geweest.

Kloos, Gorter en Van Deyssel hadden hem geïmponeerd, niet alleen door hun

artistieke prestaties, maar ook door hun anti-conformistische levensstijl. Hun

verzet 'tegen de maatschappij van de 'bourgeois' - met haar matheid, haar

moralisme en haar abstracte en kwantificerende denken - hadden hem een

bevrijding uit een verstikkend bestaan toegeschenen. 41

Maar de betorering werd al snel verbroken. De esthetiek van Tachtig bleek

licht te kunnen vervallen in conventie en retoriek; de door Kloos gepredikte

'cu/te du mo;' dreigde elke band tussen kunst en samenleving te verbreken; de

kritiek op de wetenschap leek te zijn vastgelopen in een onhoudbaar dogma.

Als zovelen die de "behoefte aan meer stijl en stelligheid" voelden, richtte

Huizinga zich vanaf 1894 op De Kroniek. 42 'lUssen 1898 en 1900 publiceerde

38 Hierover bestaat uiteraard een zeer uitgebreide literatuur. Hier zij slechts verwezen naar

G.G. Iggers, DeUlSCM Geschichlswissenschaft (2e druk, München lm)j M. Viikari, Die

Krise der 'hislorisliscMn' Geschichlsschreibung und die Geschichlsmethodologie Keul

lAmprechls (Helsinlci 1977) en Th. Bodammer, Philosophie der GeisksWissenschaften

(FreiburgJMünchen 1987).

39 De gevolgen van de overwegend Duitse oriëntatie van de Nederlandse historische wereld

worden aangeduid in P. den Boer, 'Miracle français et retard néerlandais: quelques jalons

pour une historiographie comparée' in: L'HislOire et ses Méthodes. Acles du Colloque

Franco-Néerlandois de novembre 1980 à Amsterdam (Rijsel 1981) 89-108.

40 Vgl. onder meer PJ. Blok, De geschiedenis als sociale wetenschap 17-18 en Idem,

'Geschiedenis', 6-8.

41 J. Kamerbeek jr., 'Huizinga en de Beweging van tachtig', TvG 67 (1954) 145-164. Vgl.

W.R Krul, Historicus tegen de lijd. Opstellen uver leven en werk van J. Huizinga (Gronin­

gen 1990) 72-79.

42 J. Huizinga, 'Leven en werken van Jan Veth' in: Idem, Verzamelde Werken [V:w.] VI

(Haarlem 1950) 372-373. Vgl. W. Thys, De Kroniek van P.L. Tak 193-203 en Idem,

'Huizinga en de beweging van negentig' in: W.RH. Koops, RH. Kossmann en G. van der

Plaat ed., Johan Huizinga, 1872-1972. Papers delivered 10 tM Johan Huizinga Conference

Groningen, 11-15 December 1972 (Den Haag 1973) 29-52.

81


Johan Huizinga.

82


Supplement

hij - behalve een sonnet (Le vieux coq) - vier artikelen in het tijdschrift. Zij

handelden alle over Indologische onderwerpen. In één ervan, Iets CNer de

waardeering der Indische letterkunde (1898), typeerde hij zelf de wending van

Tachtig naar "negentig": "[...] de onstuimige lyrici, die het landschap ontdekten

maar den weg niet wisten, laten zich thans migzaam leiden door de rustige

wetenschappelijken, die den toestand maar half vertrouwen, nu die bende, die

de kunst de wereld intrapte als een football tegen hun maag, per slot van

rekening van hén nog wel iets leeren willen...43 Deze "terug-neiging van onwetenschappelijke

kunst tot kunstlievende wetenschap" omkaderde niet alleen zijn

afkeer van wat hij later - in een brief aan zijn vriend André Jolles - bestempelde

als het "'mystisch-realistisch-filozofico-artistiek' Van Deyssel-jargon" van de

literaten 44 , maar ook zijn geschiedtheoretische inzichten.

Deze inzichten formuleerde Huizinga voor het eerst in zijn Groningse oratie

van november 1905. 45 Hij ving haar aan met een bespreking van het positivisme

in de geschiedenis. Dit positivisme, zo zei hij, was een eis des tijds: de

"tijdgeest" dwong de historicus van zijn vak een exacte wetenschap te maken. De

tijdgeest bleek echter een anachronisme te zijn, want hij stelde achterhaalde

eisen. Immers, in deze zelfde rede deelde Huizinga zijn toehoorders mee: "Het

mag als bewezen gelden, dat het principe van hen die zich de jongeren noemen,

het positivisme in de geschiedmrsching, [...] door en door verouderd is. De

eisch, dat de historische wetenschap zich zou onderwerpen aan de methode der

natuurwetenschappen kan als definitief verworpen worden beschouwd...46

''Door en door verouderd", "definitief verworpen": het was krachtdadige taal. Zij

verborg de onzekerheden die Huizinga bij de voorbereiding van zijn intreerede

had gemeld. Die onzekerheden hielden verband met het dilemma dat hem ook

al in de jaren 1890 had beziggehouden: hoe viel het geloof in de wetenschap

waarvan bijvoorbeeld zijn vader, hoogleraar in de fysiologie en farmacologie, zo

vaak en zo krachtig getuigenis had afgelegd, en waarvan ook hij geen afstand

wilde doen, te verzoenen met het uit zijn lectuur van onder meer Huysmans

gegroeide besef dat het historisch weten geen zuiver wetenschappelijke aangelegenheid

was? Hoe moest hij met andere woorden zijn streven naar een "kunstlievende

wetenschap" gestalte geven, nu hem werd gevraagd de weg die hij als

historicus wilde mlgen, te verantwoorden?47

Huizinga riep hiervoor de hulp in van Gerard Heymans, sinds 1890 Gronings

hoogleraar in de wijsbegeerte en de psychologie en een man van grote

43 J. Huizinga, 'Iets over de waardeering der Indische letterkunde' in: v.w. 1(1948) 144.

44 Idem, Briefwisseling I 1894-1924, L. Hanssen, W.R Krul en A. van der Lcm ed. (z.p.

1989), nr. 57. Of Van Oeyssel zelf meer waardering voor Huizinga had, valt te betwijfelen:

vgl. L. van Deyssel, De scheldkritieken, H.G.M. Prick ed. (Amsterdam 1979) 354-357.

45 J. Huizinga, 'Het aesthetische bestanddeel van geschiedkundige voorstellingen' in: V. W.

vn (1950) 3-28. Over Huizinga's geschiedtheoretische inzichten: J. TolJebeek, De toga

van Fruin, 197-257.

46 J. Huizinga, 'Het aesthetische bestanddeel', 4 en 5.

47 Vgl. W.E. Krul, Historicus tegen de tijd, 90-91, 98-99 en 211.

83


TolJebeek

reputatie. Die raadde hem aan de Duitse neo-idealisten ter hand te nemen.

Hun \\erk was wor Huizinga een openbaring. 48 Het bevatte immers de theoretische

legitimatie van de "vindicatie van de geestes- of cultuur\\etenschappen

uit den ban van het natuur\\etenschappelijk denken" die hij wor zijn oratie

nodig had. In deze oratie parafraseerde hij dan ook de neo-idealistische

argumenten wor het eigen, niet-natuur\\etenschappelijke karakter van de

geschiedenis: in tegenstelling tot de natuur\\etenschappen, gericht op het

algemene, het \\etmatige en het eenduidige, kenmerkt de geschiedenis zich door

een individualiserende benadering, door \\eerbarstigheid tegen elke systematiek

en door de openheid van de worstellingen waarin zij mrm krijgt. Kortom, zij is

de bij uitstek inexacte \\etenschap, waarin wor aan het natuur\\etenschappelijke

denken ontleende concepten als 'emlutie' en 'causaliteit' geen plaats is. 49

Het was echter niet dit neo-idealistisch geïnspireerde verzet tegen het

positivisme in de geschiedenis dat Huizinga's Groningse rede interessant of

origineel maakte. 5O Veel belang\\ekkender was de historische esthetiek die

erin \\erd onhmrpen. Het uitgangspunt van deze esthetiek mrmde de aloude

vraag: is de geschiedenis een \\etenschap of een kunst? De positivisten •

Huizinga dacht daarbij aan bijworbeeld Lamprecht - hadden haar als een

zuiver \\etenschappelijke discipline opgevat. Anderen hadden een compromis

gezocht: op het niveau van de geschiedmrsing was zij een \\etenschap, op dat

van de geschiedschrijving speelde het artistieke de hoofdrol. Huizinga opteerde

mor een derde oplossing: er bestond inderdaad een verwantschap tussen de

kunst en de geschiedenis, maar deze verwantschap lag niet alleen en zelfs niet

in de eerste plaats in het feit dat zowel het artistieke als het historiografische

eindprodukt in een 'schone mrm' diende te \-rorden gegoten. Zij hield veeleer

verband met de centrale positie van de verbeelding in beide. Huizinga wilde met

deze stelling zeker niet in het metspoor van Ver\\eY treden. Wat hij bedoelde

was dit: de taak van de historicus bestaat er niet in het verleden in zijn \\erk af

te beelden (als ging het om een fotograferen), \\el het te verbeelden. Hij moest

het hem ter beschikking staande materiaal ordenen en intërpreteren, schikken

en herschikken om zo te komen tot een begrijpelijk beeld van de worbije

\\erkelijkheid. De term 'beeld' was uiteraard niet toevallig gekozen. Huizinga

benadrukte dat de historicus - in tegenstelling tot zijn collega's uit de natuur\\etenschappen

- niet naar abstractie, maar naar aanschou\\elijkheid diende te

streven.

48 Huizinga raadde zijn studenten op zijn beurt de lectuur van de neo-idealisten aan:

Leiden, Universiteitsbibliotheek, Dousa, Archief Huizinga, 117 (env. 'het universeel karakter).

Niet zonder succes: vgl. ThJ.G. Locher, "Geschiedenis van ver en tuJbij". Onuitgesproken

afscheidsrede, door en voor zijn vrienden uitgegeven (Leiden lm) 7 (niet te

verwarren met het in noot 37 genoemde werk). Over Heymans: onder meer PJ. van

Strien, 'Gerard Heymans (1&57-1930). Grondlegger van de psychologie in Nederland' in:

GA. van Gemert e.a. ed., "Om niet aan onwetendheid en barbarij te bezwijken" 167-186.

49 J. Huizinga, 'Het aesthetische bestanddeel', 3-8. Vgl. onder meer Idem, 'De wetenschap

der geschiedenis' in: v.w. VII (1950) 118-119.

50 Vgl. de opmerking in K. van Berkel, Renaissance der cultuurwetenschap (Leiden 1986) 96.

84


Supplement

Dit streven naar aanschouwelijkheid, dit haken naar een gezicht op vroeger

tijden, werd door Huizinga niet alleen in verband gebracht met de eindfase van

het historisch onderzoek. Reeds van bij de aanvang van het onderzoek kon de

"innerlijke aanleg" die het verleden tot een aanschouwelijke werkelijkheid

stempelde, in werking treden. De spreker duidde deze aanleg aan met de term

'esthetisch'. Daarmee wilde hij zeggen dat het niet om een artistieke aanleg

ging, maar om een aanleg die de studie van de geschiedenis een haast zintuigelijk

karakter gaf. De bedoelde aanleg kon immers tot een historische sensatie,

een bijna lichamelijk contact met het nochtans voorbije verleden, leiden. Het

optreden van een dergelijke historische sensatie was echter afhankelijk van de

vatbaarheid van de historicus én van zijn lezers voor de onmiddellijke historische

suggestie die van de resten van het verleden uitging.51

Of Huizinga aan het slot van zijn geschiedtheoretische ouverture nog door

veel toehoorders werd gewlgd, valt te betwijfelen. 52 Trouwens, ook zijn

vakgenoten haakten af wanneer hij - in later jaren - deze historische esthetiek te

berde bracht. Zij was eenwudig te persoonlijk en moest derhalve in te lyrische

bewoordingen \Wrden uiteengezet om echt gemeengoed te kunnen \Wrden. Van

Huizinga is wel eens gezegd dat hij een "voorbeeld zonder school" was 53 ; op

dit punt kon hij zelfs geen voorbeeld zijn. De praktische consequenties die hij

uit zijn historische esthetiek trok, waren echter heel wel te verstaan. De

vatbaarheid wor de historische suggestie eiste onder meer dat de historicus een

zekere losheid ten aanzien van het heden betoonde. Een dergelijke'stelling lokte

wél tegenspraak uit. Voor velen van Huizinga's generatiegenoten diende de

historicus immers juist midden in het wlle leven te staan. En het was precies

vanuit die gedachte dät ook zij in verzet kwamen tegen het liberaal-positivistische

paradigma.

Sarcasme en vitalisme

Eén van de krachtigste vertegenwoordigers van dit 'presentisme' was Kernkamp,

die - na het veto van Fruin in 1894 - in 1901 toch nog een professoraat kreeg

aangeboden. Van 1901 tot 1903 was hij hoogleraar aan de Gemeentelijke

51 J. Huizinga, 'Het aesthetische bestanddeel', 8-27. Een aantal van de hier gebruikte

termen (zoals 'historische sensatie' en 'historische suggestie') hanteerde Huizinga pas in

latere teksten, onder meer in Idem, 'Het historisch museum' (1920) in: v.Jv. Il (1948)

559-569. Vgl. RH. Kossmann, 'Postscript' in: W.RH. Koops, RH. Kossmann en G. van

der Plaat ed., Johan Huizinga, 223-234 en F.W.N. Hugenholtz, 'Huizinga's historische

sensatie als onderdeel van het interpretatieproces', Forum der Letteren 20 (1979) 204-210.

52 Vgl. Huizinga's eigen oordeel: J. Huizinga, 'Mijn weg lot de historie' in: v.Jv. I (1948) 36.

53 A. van der Lcm, 'Johan Huizinga (1872-1945). Voorbeeld zonder school' in: M. Smits ed.,

Illustere historici. Leven, werk en invloed van toonaangevende geschiedschrijvers (Nijmegen

1988) 104-130.

85


Tollebeek

Universiteit van Amsterdam; daarna trok hij naar Utrecht. S4 Meer dan enig

ander heeft Kernkamp zijn hoogleraarsambt gecombineerd met journalistiek

werk, vooral voor De (Groene) Amsterdammer en voor het maandblad Vrogen

des Tijds. Als journalist vertegen\\Q()rdigde hij de uiterste linkervleugel van het

liberalisme. Maar ook als historicus wilde hij zijn radicale denkbeelden niet

wegsteken. Dat bleek reeds in 1893, toen hij in een scherpe reactie op de

Utrechtse oratie van FJ.L. Krämer voor een geëngageerde historiografie pleitte.

Waarom, zo vroeg hij zich af, zou een historicus niet mogen leren "hoe vorstentyrannie

en priesterheerschappij het volk eeuwen en eeuwen lang geknecht

hebben gehouden, hoe duizenden zijn opgeofferd aan de grillen van één

individu, aan het belang van één bevoorrechte klasse?"s5 Historisch materialist

werd hij O\'erigens niet, maar hij trad de marxistische historici wel met open

vizier tegemoet. Bij de aanvang van zijn Amsterdamse professoraat sprak hij

trouwens de hoop uit dat ook zijn collega's zich wat minder ansrtvallig zouden

gedragen wanneer het historisch materialisme ter sprake kwam.

Angstvalligheid, dát was voor de vrijbuiter Kernkamp de grootste bedreiging

voor een gezonde historiografie. Hij bestreed haar met haar natuurlijke tegengif:

sarcasme. Over Ranke bijvoorbeeld luidde het: hij "pakt alles met glacé

handschoenen aan."s7 Maar die deftigheid herkende Kernkamp natuurlijk niet

alleen in het werk van Ranke. Ook in de vaderlandse historiografie tierde zij

welig: "Deftigheid is een inheemsche plant."ss Deftig was eigenlijk de hele

Nederlandse geschiedschrijving, deftig en bang. Bang om uit de band te

springen, bang om aanstoot te geven. En dat alles om de lieve vrede te bewaren!

In zijn Utrechtse oratie stelde Kernkamp deze matheid ten volle in het

licht: "Beginsel botst niet meer tegen beginsel. Het wapengekletter verstomt. In

de stilte der studeerkamers wordt het onderzoek van het verleden voortgezet,

maar de mededeeling van de resultaten wekt geen strijd, waarvan het gerucht

het gansche land vervult. Ten hoogste een geleerdentwist, waarbij veel inkt

stroomt, maar geen hartebloed."59 Hoe anders was het geweest omstreeks

1870, toen liberale, calvinistische en katholieke historici elkaar nog op leven en

dood hadden bestreden... Of nog een duidelijker voorbeeld: Busken Huet.

S4 Over Kernkamp: P.B.M. Blaas, Historicus tussen wetenschap en journalistiek: G. Jv. Kemkamp

(Historische beeldvorming en beeldbaarheid van het verleden) (Rotterdam 1983)

(ook in: CA. Admiraal e.a. ed., Historicus in het spanningsveld van theorie en praktijk.

Opstel/en aangeboden aan Dr. H. K/ompmaker (Leiderdorp 1985) 190-251) en L. Dorsman,

G.Jv. Kemkamp. Historicus en Democraat 1864-1943 (Groningen 1990). Voor de

geschiedtheoretische ideeën van Kernkamp (en de hierna ter sprake komende Colenbrander):

J. TolJebeek, De toga van Fruin, 129-195.

55 G.W. Kernkamp, 'De Wetenschap der Historie', De Amsterdammer 15 en 22 oktober

1893, nrs. 851-852 (het citaat in nummer 851).

S6 Idem, Over de materialistische opvatting van de geschiedenis (Amsterdam 1901), met name

op pagina 6.

57 Utrecht, Universiteitsmuseum, Archief Kernkamp, IVb2, p. S.

5S G.W. Kernkamp, 'Studentenzeden' in: Vragen des Tijds I (1912) 245.

59 Idem, 'Van Wagenaar tot Fruin' in: Idem, Van Menschen en Tijden I Studiën over

Geschiedschrijvers (Haarlem 1931) 21.

86


Tollebeek

vaderlandse geschiedenis. 64 Maar dit weerhield hem niet van kritiek op de

door zijn leermeester gegrondveste wetenschappelijke traditie. Net als Kernkamp

laakte hij bijmorbeeld het historische specialistendom. 6S En ook hij

betreurde de OYerdreven morzichtigheid van velen van zijn collega's. Aan die

kwaal leed de impulsieve en weinig diplomatieke Colenbrander zelf zeker niet.

Dat bleek reeds bij de aanvang van zijn loopbaan, toen hij nog adjunct-rijksarchivaris

in Den Haag was. In 1901 raakte hij slaags met Krämer om diens

uitgave van Het dagboek van Van Hardenbroek. Het conflict tussen beiden ging

veel verder dan een ruzie om editietechnische kwesties of een strijd tussen twee

instellingen (de Rijkscommissie mor Vaderlandse Geschiedenis in oprichting en

het oude Historisch Genootschap). Wat Colenbrander Krämer verweet - en

Krämer niet nam - was een gebrek aan scheppende kracht: hij had geen enkele

poging ondernomen de "schoonste steenen" uit het door hem uitgegeven

dagbOek in een inleiding "te kasten".66

De polemiek met Krämer openbaarde al iets van Colenbranders vitalistische

visie op de geschiedbeoefening. De volgende jaren zou deze visie zich steeds

scherper aftekenen. 67 Zij hield duidelijk verband met Colenbranders poging

de identiteit van het politieke liberalisme te versterken. Een dergelijke identiteitsversterking

drong zich op, nu de liberalen hun eenheid en aanhang steeds

kleiner zagen worden. Colenbrander vond deze eigenheid terug in wat hij

betitelde als "de middenstelling met het dubbele front." Door haar gerichtheid

op de "historische vormen der traditie" onderscheidde de liberale politiek zich

van zowel de door de sociaal-democraten als de door de anti-revolutionairen

64 Colenbrander heeft (net als Huizinga en Kemkamp) de laatste jaren veel aandacht gekregen:

vgl. GA.C. van der Lem, '"Onze grijze tempeltjes". De historische bijdragen in De

Gids onder het redacteurschap van Colenbrander en Huizinga', TvG 99 (1986) 430-452;

F.G. von der Dunk, 'De Prins weergekeerd onder professoren. De Colenbrander-affaire

van 1933', De Gids, 150 (1987) 536-554; P.B.M. Blaas, 'De patriottenbeweging als epiloog:

rond Colenbranders "Patriottentijd"' in: Th.S.M. van der Zee e.a. ed., 1787. De Nederlandse

revolutie? (Amsterdam 1988) 9-26; J. Tol1ebeek, 'Colenbranders verhaal: de tragiek

van een werker', Kkio 29 (1988) afl. I, 10-17 en de in de noten 66 en 67 genoemde

artikelen.

6S Vgl. de nauwelijks verhulde kritiek op Fruin zelf: H.Th. Colenbrander, 'Bij Fruin's

Verzamelde Geschriften', De Nederlmldsche SpectaJOr (1899), afl. 42, 336-337 en Idem,

'Robert Fruin' in: H.L. III (1920) 179.

66 Idem, 'Het dagboek van Van Hardenbroek', De Gids 6S (1901), afl. 4, 136-150 (citaat op

pagina's 138-139); PJ.L. Krämer, 'Het uitgeven van historische handschriften' en

H.Th. Colenbrander, '"Het uitgeven van historische handschriften"', De Nederümdsche

SpectaJOr (1901) afl. 43, 340-342 en afl. 45, 357-359. Over Colenbrander als 'bronnenuitgever':

J.P. de Valk, '"Eene geschiedenis door bescheiden". De Gedenkstulcken van H.T. Colenbrander

nader beschouwd', Theoretische Gesclûedenis 17 (1990) 411-431. Over de ook

al door Kemkamp geranselde Krämer: W. Dorsman, 'PJ.L. Krämer: leraar, hoogleraar,

archivaris (1850-1928)', Nederümds Archievenblad 87 (1983) 219-225.

67 Vgl. J. Tollebeek, 'De legitimatie van een ongeschreven werk. Colenbranders staatkundige

geschiedenis van Nederland' en Idem, 'Een ongeschreven werk? Naschrift bij een

artikel over H.Th. Colenbrander', Theoretische Geschiedenis 14 (1987) 3-21 en 15 (1988)

264-266.

88


H. Th. Colenbrander.

89


Supplement

geschiedwetenschap nu nog slechts als een bedreiging voor het leven. De

historische belangstelling, zo meende hij, is ontaard in een historisme, in een

'historische ziekte', die niet alleen de macht van de middelmaat verstevigt, maar

ook van het leven vervreemdt en relativistisch maakt. Door een orermaat aan

historische kennis "\Wrdt de jonge mensch van zijne ankers geslagen; hij twijfelt

aan alle rede, aan ieder begrip. In eiken tijd was het anders; wat zou het er nog

op aan komen, wie en wat gij zijt? [...] practisch ongeloof is de zielehouding van

velen onzer. De besten beschansen zich in ironie, de groreren vervallen tot

cynisme." Slechts de kunst en de religie, beide georiënteerd op het eeuwige, het

onveranderlijke, kunnen redding brengen. 71

Nietzsche herdacht was uiteraard gebaseerd op een karikatuur van de

eigentijdse geschiedbeoefening. En van de eigentijdse historici, die waarlijk toch

niet allemaal op Carl Spitzwegs Bacherwurm leken. De rede maakte echter wel

duidelijk dat de omstreeks 1890 ingezette reactie tegen de positivistische

geschiedwetenschap op zelfdestructie kon uitdraaien.

Soeftreine vreugden

Zo ver wilde echter niemand gaan. Ook Colenbrander zelf verdedigde in 1925,

toen hij Bloks opvolger op de Leidse leerstoel vaderlandse geschiedenis werd,

een harmonieuzer standpunt. 72 Nietzsche werd in het interbellum grotendeels

aan de literatoren (als Marsman en Ter Braak) orergelaten. Tegelijkertijd kreeg

de kritiek op de door Fruin voorgestane geschiedbeoefening een nieuwe

oriëntatie. Jongere historici als HA. Enno van Gelder raakten in de ban van de

sociologische geschiedschrijving van een Werner Sombart en een Max Weber en

pleitten voor een vergelijkende methode om de geschiedwetenschap een minder

descriptief en meer verklarend karakter te geven. 73 Toen Enno van Gelder

Huizinga in 1919 om medewerking aan een nieuw op te richten tijdschrift voor

de 'nieuwe richting' vroeg en deze weigerde, verzuchtte hij: "Prof. Huizinga heb

ik geschreven, zijn antwoord was teleurstellend: ouderwets, met weinig idee

71 Idem, 'Nietzsehe herdacht' in: H.L. 11I (1920) 214-225 (citaat op pagina's 222-223). Vgl.

het recente gebruik van deze tekst in een reactie op Kossmanns ironie: K. van Berkel,

'"De ironische ziekte"', Groniek, themanummer Ernst en Ironie. Over ironie, geschiedenis,

politiek en kunst, 100 (1988) 128-130.

72 H.Th. Colenbrander, Eerherstel der staatkundige geschiedenis ('s-Gravenhage 1925).

73 HA. Enno van Gelder, 'Een tijdschrift der historiese wetenschappen', TvG 35 (1920) 1-12

en Idem, 'Geschiedenis als wetenschap of als methode' in: P.B.M. Blaas ed., Geschiedenis

als wetenschap. Een bundel oude en nieuwe essays (Den Haag 1979) 38-49. Vgl. Idem,

'HA. Enno van Gelder, een vernieuwend historicus. Enkele kanttekeningen' in: HA. Enno

van Gelder, De levensbeschouwing van Comelis Pieterszoon Hooft, burgemeester van

Amsterdam 1547-1626 (heruitgave, Utrecht 1982) ongepagineerd en E.H. Kossmann,

'HA. Enno van Gelder en de vergelijkende geschiedenis', in: Idem, Politieke theorie en

geschiedenis. Verspreide opstellen en voordrachten (Amsterdam 1987) 111-116.

91

.


Illustraties uit The War of the Worlds (editie 1906) door de Belgische kunstenaar Alvim­

Correa. Uit: H.O. Wells, The Time MachinejThe War ofthe Worlds (New York 1977).

96

More magazines by this user
Similar magazines