Samenvatting Bedrijfseconomie voor de manager

home.kpn.nl

Samenvatting Bedrijfseconomie voor de manager

Samenvatting Bedrijfseconomie voor de manager

Hoofdstuk 1: Rol van bedrijfseconomie voor de een manager

1.2 Doel van een organisatie

Ontwikkeling Het algemene organisatiedoel, ofwel de bestaansgrond van organisaties heeft zich de

afgelopen jaren voor de meeste organisaties ontwikkeld van winstmaximalisatie naar het

maximaliseren van welvaart of soms zelfs geluk.

MVO Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.

3P’s People, Planet, Profit.

People 1: Klanten en hun tevredenheid, klantentrouw, imagoverlies.

2: Medewerkers en hun tevredenheid, betere arbeidsomstandigheden, geen kinderarbeid.

Planet Alle aspecten rond duurzaamheid en milieu zoals CO²-uitstoot, energieverbruik,

afvalquota.

Profit ‘Oude’ doelstelling van het maximaliseren van het rendement of resultaat.

1.2.1 Effectief en efficiënt

Efficiënt Doelmatig, de dingen goed doen, geen onnodige verspilling.

Effectief Doel ook bereiken, de goede dingen doen, het moet gewenst effect bereiken.

1.2.2 Value Chain

Value Chain Waardeketen, afdelingen die bij het primaire proces zijn betrokken:

1: Research & Development (Onderzoek en Ontwikkeling)

2: Design (Vormgeving van product en productieproces)

3: Productie (Inkoop grondstoffen, personeelswerving, produceren en assembleren)

4: Marketing (Promotieactiviteiten en verkopen producten)

5: Distributie (leveren producten aan afnemers)

6: Klantenservice (After Sales)

Ondersteunende diensten Niet in de value chain. Facilitaire dienstverlening, personeelszaken, juridische zaken,

administratie, control, etc.

1.3 Besluitvormingsproces

Besluitvormingsproces 1: Identificeer probleem en de onzekerheden

2: Verzamel Informatie

3: Maak toekomstscenario’s

4: Beslis

5: Implementeer, evalueer en leer


Demingcirkel (!) PDCA-cyclus of Plan-Do-Check-Act-cyclus, wordt continue doorlopen

1: Plan, doelen voor proces definiëren, afspreken

2: Do, proces uitvoeren, resultaten meten, doen

3: Check, gemeten resultaten vergelijken met doelen, evalueren

4: Act, indien nodig acties uitzetten om resultaten te verbeteren, ingrijpen

Risicomanagement (!) Risk management, manier om gevolgen van beslissingen te beheersen.

1: Risico-inventarisatie (welk soort risico’s?)

2: Risicoanalyse (wat is de kans, wat zijn de gevolgen of impact?)

3: Kwantitatieve beoordeling risico’s (wat is de waarde van elk risico?)

4: Optieanalyse (wat zijn de beheersingsstrategieën? Vermijden, verminderen,

overdragen/verzekeren, accepteren)

1.4 Betekenis van de bedrijfseconomie

Stakeholders De belanghebbenden bij de organisatie, zoals eigenaren, aandeelhouders, personeel,

klanten, banken, leveranciers

Deelgebieden bedrijfseconomie (!) 1: Bedrijfsadministratie

2: Financial accounting

3: Management accounting

4: Finance

1.4.1 Bedrijfsadministratie

Bedrijfsadministratie (financiële gegevens) registreren, administrateur, boekhouden

1.4.2 Financial Accounting

Financial Accounting Aandeelhouders, bank, leveranciers, klanten, overheid, organisaties willen (financiële)

informatie van de organisatie, externe verslaggeving, externe betrokkenen informeren,

registeraccountant, door externe in verband met betrouwbaarheid, getrouw beeld

werkelijkheid, jaarverslag

1.4.3 Management Accounting

Management Accounting interne verslaggeving, management adviseren

1.4.4 Finance

Finance financiering, aantrekken en beheersen vermogen, bepalen vermogensbehoefte

Credit Management Aantrekken van korte leningen

Cash Management Zorgen voor voldoende liquide middelen

Investeringsselectie Doorrekenen van de financiële aspecten van een mogelijke nieuwe investering

Treasury Credit Management, Cash Management en Investeringsselectie samen


1.4.5 Financiële Functionarissen

Administrateur Registreert van nu gebeurt

Registeraccountant Controleert wat in het verleden is gedaan

Controller Adviseert over te nemen toekomstige beslissingen

Chief Financial Officer CFO, financieel directeur, verschil met controller: Onderhoudt meer externe contacten,

contacten met aandeelhouders, treasury taken en contacten met de Belastingdienst.

Investor Relations Contacten met aandeelhouders


Hoofdstuk 2: Werking van drie financiële overzichten

2.1 Indeling van organisaties

3 indelingen organisaties 1: Typologiemodel van Starreveld

2: Profit- versus Non-profit0organisaties

3: Rechtsvormen

Typologiemodel van Starreveld 1: Handelsorganisaties (goederenbeweging, geen omzettingsproces)

2: Productieorganisaties (vooral technisch omzettingsproces)

3: Land- en mijnbouworganisaties (specifieke goederenbeweging en omzetting)

4: Dienstverleningsorganisaties

1. Zekere mate goederenbeweging (restaurants veilingen,

transportbedrijven)

2. Met beschikbaarstelling van ruimte (hotels, zwembaden,

personenvervoer)

3. Met verkopen van uren (advocatenkantoren, adviesbureaus,

schoonmaakorganisaties)

5: Financiële dienstverleningsorganisaties (banken, verzekeringsmaatschappijen)

Profit- vs. non-profitorganisaties Wel- of geen winstoogmerk als primaire doel, geen winst naar eigenaren of

aandeelhouders maar gebruik te verwezenlijking maatschappelijk doel

2.2.3 Rechtsvormen

Rechtsvorm Bepaald o.a. de aansprakelijkheid, soort en hoogte belastingen, zeggenschap binnen

organisatie en kapitaalinbreng.

Rechtsvormen 1: Eenmanszaak

2: BV (besloten vennootschap)

3: NV (naamloze vennootschap)

Non-profit rechtsvormen 1: Vereniging

2: Stichting

2.3 Externe en interne stakeholders

2.3.1 Externe Stakeholders

Financial accounting Ook: Externe verslaggeving aan externe stakeholders

1: Afleggen verantwoording door leiding organisatie (management, directie, raad van

bestuur) aan eigenaren van onderneming over het gevoerde beleid.

2: Verstrekken informatie aan derden voor neme van beslissingen

Over al dan niet voortzetten van de relatie met de organisatie

5 kenmerken externe verslaggeving 1: Informatie bedoeld om terug te kijken (verantwoorden)

2: Moet betrouwbaar zijn (juistheid en volledigheid)

3: Periodieke verstrekking

4: Globale informatie

5: Veelal conform wet- en regelgeving

Denk aan: Jaarverslag, jaarrekening, overige gegevens, kasstroomoverzicht


Jaarverslag Directie- of bestuursverslag met mededelingen over financiële toestand op balansdatum,

gang van zaken over afgelopen jaar, bijzondere gebeurtenissen na einde boekjaar en

verwachtingen komend jaar (investeren, personeel, overnames)

Jaarrekening Bestaat uit balans, resultatenrekening en toelichtingen erop. Geeft informatie over

vermogenspositie, resultaten en activiteiten van organisatie. Balans in samenstelling en

aanwending vermogen. Resultatenrekening in verandering en omvang eigen vermogen.

Overige gegevens Accountantsverklaring, resultaatbestemming, zeggenschap, etc.

Kasstroomoverzicht Niet verplicht. Verschaft inzicht in verandering van de liquide middelen.

2.3.2 Rol van een accountant

Typen accountantsverklaringen (!) 1: Unqualified opinion (goedgekeurde (accountants)verklaring)

2: Qualified opinion (verklaring met beperking)

3: Disclaimer of opinion (verklaring van oordeelonthouding)

4: Adverse opinion (afkeurende verklaring)

2.3.3 Belastingdienst

Omzetbelasting Over de omzet, Bruto Toegevoegde Waarde (BTW)

Inkomstenbelasting Over inkomen medewerkers

Vennootschapsbelasting Over het resultaat bij BV of NV

2.3.4 Interne stakeholders

Management accounting Interne verslaggeving aan interne stakeholders, doel is ondersteunen van management bij

nemen beslissingen.

‘[…] een continu verbeterproces voor plannen, ontwerpen, toetsen en toepassen van

zowel niet-financiële als financiële informatiesystemen, dat toegevoegde waarde creëert.

Geeft richting aan managementactiviteiten, motiveert het gedrag en ondersteund en

levert de culturele normen en waarden nodig voor strategische, tactische en operationele

doelstellingen van organisatie te bereiken.’

5 kenmerken interne verslaggeving 1: Informatie bedoeld om vooruit te kijken

2: Moet betrouwbaar zijn (tijdigheid)

3: Wordt continu en ad hoc verstrekt

4: Gedetailleerde informatie

5: Veelal op basis van relevante gegevens

Bedrijfsadministratie Administratie, boekhouding, financiële en niet-financiële informatie. ERP(Enterprise

Resource Planning) Software.

GIGO Garbage In Garbage Out

Voorcalculatie Vooraf, verwachting, begroting. Centraal bij management accounting.

Balans wordt voorgecalculeerde balans

Resultatenrekening wordt resultatenbegroting

Liquiditeitenoverzicht wordt liquiditeitenbegroting

Nacalculatie Achteraf, werkelijkheid. Centraal bij financial accounting.


2.4 Balans

Balans Verschaft inzicht in de grootte, samenstelling en de aanwending van het vermogen,

uitgedrukt in geld. Financieel overzicht dat weergeeft wat een organisatie bezit en op

welke wijze dit is gefinancierd. De mate van liquiditeit bepaald volgorde per categorie, dus

kas onderaan en eindproducten bovenaan bijvoorbeeld. Momentopname. Eindbalans

(31/12) en beginbalans (01/01)

Balansmodel

Debetzijde = Creditzijde

Activa = Passiva

Bezittingen = Schulden

Bezittingen = eigen vermogen + vreemd vermogen

Eigen vermogen = bezittingen – vreemd vermogen

1/1 31/12 1/1 31/12

Vaste activa € - € - Eigen vermogen € - € -

Langlopende

verplichtingen

€ - € -

Vlottende € - € - Kortlopende € - € -

activa

verplichtingen

Totaal € - € - Totaal € - € -

2.1.1 Bezittingen

Debetzijde Linkerkant, bezittingen, activa. Hier staat vermeld waaraan het beschikbare vermogen is

besteed. Het is een overzicht van aanwending van het beschikbare vermogen. Laat zien

welke bezittingen de organisatie heeft verworven. (gebouwen, inventaris, voorraden, etc.)

en welk deel van vermogen aanwezig is maar nog niet geïnvesteerd is als kasgeld. Twee

categorieën: Vaste en Vlottende Activa

Vaste Activa Bezittingen die meer dan één productieproces meegaan.

1: Materiële vaste activa (gebouw, machine)

2: Immateriële vaste activa (octrooien, licenties, goodwill)

3: Financiële vaste activa (deelneming, belang andere organisatie)

Balansposten vaste activa - Gebouwen (Bedrijfspand(en))

- Machines (alleen bij productieorganisaties)

- Inventaris (bijv. Winkelinrichting, interieur restaurant)

Vlottende Activa - Voorraden (Spullen die de organisatie verkoopt of ingekochte grondstoffen en de

geproduceerde eindproducten)

- Debiteuren (Op rekening verkochte producten, klanten van wie je nog geld krijgt,

vorderingen)

Kas en banktegoeden (Kasgeld en bedrag in de plus op de bank, heet liquide als het plus is,

meestal sta je rood, dan zijn liquide middelen kas- en banktegoeden minus rekeningcourantkrediet)

Waarde van de voorraad Aantal x Gemiddelde Inkoopprijs

Waarde geproduceerde eindproducten Fabricagekostprijs


2.4.2 Schulden

Creditzijde Rechterkant, schulden, passiva. Hier staat hoe de activa zijn gefinancierd. Laat zien welke

vermogensbronnen de organisatie tot beschikking heeft. 3 categorieën: Eigen Vermogen,

Langlopende Verplichtingen, Kortlopende Verplichtingen.

Eigen Vermogen Vermogen ingebracht door eigenaren. Permanent ter beschikking, hoeft niet terugbetaald.

Ondernemend/risicodragend. Mate van zeggenschap.

Langlopende Verplichtingen Langlopend Vreemd Vermogen, verplichtingen aan derden waarvan terugbetaalplicht

langer dan 1 jaar is. Vaak bank of familie met vooraf gemaakte afspraken. Minder of niet

risicodragend. Weinig of geen zeggenschap verstrekker.

Kortlopende Verplichtingen Kortlopend Vreemd vermogen, verplichtingen aan derden waarvan de terugbetaalplicht

korten dan 1 jaar duurt.

Balansposten Passiva - Eigen vermogen

- Geplaatst aandelenkapitaal (bij NV of BV, aandelen in ruil voor ingebracht vermogen.

Maatschappelijk kapitaal is welk maximum er in de statuten staan. Gewaardeerd tegen

nominale waarde, zoals in statuten afgesproken.

- Agioreserve (Indien aandeelhouders meer of minder hebben betaald dan nominale

waarde)

- Ingehouden winst of winstreserve (toename eigen vermogen als gevolg van positief

resultaat)

- Langlopende verplichtingen

- Voorzieningen (Voorziene verplichtingen zoals groot onderhoud)

- Hypothecaire Lening

- Banklening of onderhandse lening

- Obligatielening (lening met goot aantal vreemd vermogenverstrekkers)

- Kortlopende verplichtingen

- Crediteuren (Op rekening gekochte zaken)

- Rekening-courantkrediet (rood staan)

- Te betalen bedragen (vennootschapsbelasting, dividend, interest)

4 functies balans 1: Vermogensbepaling (waarderen bezittingen leidt tot saldo zijnde eigenvermogen)

2: Resultaatbepaling (vergelijken eigen vermogen begin en eind

periode bepaald resultaat, toename eigen vermogen)

3: Inzicht in grootte, samenstelling en aanwending van

Het vermogen(aantrekken vermogen en keuze vermogensvormen)

4: Inzicht in liquiditeit en solvabiliteit organisatie

2.4.3 Start van een Organisatie

Beginbalans In ondernemingsplan startende onderneming. Bestaat uit 2 overzichten:

1: Investeringsbegroting

2: Financieringsplan

Investeringsbegroting Overzicht met alle spullen, activa, die een (startende) onderneming wil aanschaffen.

Gegroepeerd naar balanspost en vervolgens naar balanscategorie. Zonder BTW. BTW

moet wel gewoon betaald, dus is een vordering op de Belastingdienst die wél

voorgefinancierd moet worden!


Financieringsplan Overzicht van hoe alle spullen op de investeringsbegroting betaald moeten worden.

Ondernemingsplan 1: Onderneming (missie, visie, doelen, strategie, persoonlijkheid)

2: Markt (SWOT)

3: Promotie

4: Organisatie

5: Financiën (Investeringsbegroting, financieringsplan, voorcalculatorische balans,

meerjarenresultatenbegroting, meerjarenliquiditeitsbegroting)

2.5 Resultatenrekening

Resultatenrekening (!) Winst- en verliesrekening, exploitatierekening.

Vermeldt de opbrengsten en de kosten over een bepaalde periode en schaft daarmee

inzicht in de verandering en omvang van het eigen vermogen ofwel het resultaat over die

periode/dat boekjaar, het bedrag dat onderaan de streep overblijft.

Positief: Winst

Negatief: Verlies


Stroomgrootheid, dus bepaalde periode, geen momentopnamen zoals balans.

Biedt inzicht in de oorzaken van veranderingen van het eigen vermogen als gevolg van

uitvoeren bedrijfsactiviteiten, dus niet aandelenemissie.

Is specificatie van mutatie van het eigen vermogen.

Periode kan zijn uur, week, maand, jaar, etc., etc.

EBIT minus interestkosten = EBT minus belastingen = EAT

Primaire indelingen resultatenrekening:

Opbrengsten

Kosten ⁻⁄-

Opbrengsten


Toelichting Bij de drie soorten (handels-, productie- en non-profitorganisatie is de staart telkens gelijk,

vanaf bedrijfsresultaat of EBIT (Earnings Before Interest and Taxes).

Handelsorganisatie Van de opbrengsten, waaronder omzet, gaat eerst af: Inkoopwaarde van die omzet, dan

afschrijvingskosten en overige bedrijfskosten

Productieorganisatie Van de opbrengsten, waaronder omzet gaat eerst af: Kostprijs verkopen, dan

fabricagekosten en periodekosten

Non-profitorganisatie Van de opbrengsten, waaronder budget gaat eerst af: personeelskosten,

afschrijvingskosten en overige bedrijfskosten

Interestkosten Vergoeding voor de vreemd vermogenverstrekkers.

Belasting Hier bijvoorbeeld vennootschapsbelasting

EBIT Earnings Before Interest and Taxes

EBT Earnings Before Taxes

EAT Earnings After Taxes, bedrag beschikbaar voor aandeelhouders of eigenaren. Inhouden,

uitkeren of een combi.

Dividenduitkering Uitkering EAT aan eigenaren als natuurlijk persoon

Inhouden EAT Feitelijk nieuwe investering in organisatie, groei eigen vermogen via balanspost

Ingehouden Winst of Winstreserve

Matching Principe Kosten en opbrengsten zoveel mogelijk toewijzen aan daadwerkelijke periode waarop ze

betrekking hebben.

Fiscaal vs. Bedrijfseconomisch Twee soorten resultatenrekening: fiscale - en bedrijfseconomische resultatenrekening.

2.6 Kasstroomoverzicht

Kasstroom- of liquiditeitenoverzicht (!) Vermeldt de geldontvangsten en gelduitgaven over een bepaalde periode en verschaft

daarmee inzicht in de verandering in de omvang van de liquide middelen, de voorraad

geld. Brengt in beeld van wie en aan wie geld ontvangen en uitgegeven wordt en op welk

tijdstip, wanneer dat gebeurt. Twee manieren: Directe methode en indirecte methode


2.6.1 Direct kasstroomoverzicht (liquiditeitenoverzicht)

Liquiditeitenoverzicht Liquiditeitenbegroting. Cash is King. Winst maken is belangrijk, maar daadwerkelijk het

geld ontvangen ook!

Liquide middelen Kasgeld + Banktegoeden minus rekening-courantkrediet

Opbrengsten Resultaat na verkoop, hoeft geen geldontvangst te zijn, zoals omzet op rekening of

verwachte subsidies.

Kosten Hoeven geen uitgaven te zijn, afschrijvingskosten, nog te betalen bedragen

Geldontvangsten Hoeven geen opbrengsten te zijn, bijvoorbeeld BTW, leningen, geld door uitgeven

aandelen

Gelduitgaven Hoeven geen kosten te zijn, bijvoorbeeld betaalde BTW aan leveranciers, aflossingen aan

vreemd vermogen verstrekkers of vooruitbetalingen

2.7 Verband tussen drie financiële overzichten (!)


Twee posten De verbindende factor tussen Balans, Resultatenrekening en Liquiditeitenoverzicht zijn:

1: Eigen Vermogen (specifiek: winstreserve of ingehouden winst, dus het resultaat,

resultatenrekening-balans)

2: Liquide Middelen (saldo liquiditeitenoverzicht-balans)

Resultaat Toename of afname van het eigen vermogen als gevolg van normale bedrijfsvoering

Mutatie liquide middelen Toename of afname van de hoeveelheid geld

Goederenstroom Loopt van links naar rechts

Geldstroom Loopt van rechts naar links

Verkoopmomenten 1: Overeenstemming met klant (debiteurenpost neemt toe, eigen vermogen in vorm

omzet neemt toe, vordering op klant)

2: Goederen afgeven (Voorraden en eigen vermogen nemen af met kosten geleverde.

Resultaat verkoop gerealiseerd: omzet – kosten van die omzet)

3: Geld ontvangen (Post debiteuren neem af, liquide middelen neemt toe, vaak aflossing

rekening-courantkrediet)

Inkoopmomenten 1: Overeenstemming leveranciers (crediteurenpost neemt toe, bezit neemt toe in vorm

virtuele voorraad, schuld bij leverancier)

2: Goederen ontvangen (Echte voorraden nemen toe)

3: Geld uitgeven (Crediteurenpost neemt af, toename rekening-courantkrediet, geen

schuld bij leverancier meer maar bij bank)

2.7.1 Voorbeelden wijzigingen balansposten

Vaste activa Toe: Aanschaf nieuwe spullen langer dan 1 productieproces.

Af: via afschrijvingen

Vlottende activa Toe: Voorraad bij inkopen of productie.

Af: Voorraad bij verkopen met inkoopwaarde gerealiseerde omzet

Toe: Debiteuren bij verkoop op rekening

Af: Debiteuren geven geld

Kas- en Banktegoeden: Geld ontvangen en uitgeven

Eigen vermogen Toe: Nieuwe aandelen uitgifte, positief resultaat niet uitkeren.

Af: Resultaten zijn negatief

Langlopende verplichtingen Toe: Voorzieningen, reorganisatie

Af: Als dit geld wordt uitgegeven

Toe: Lening

Af: Aflossing

Kortlopende verplichtingen Toe: Crediteuren bij inkoop

Af: Betaling aan crediteuren

Toe: Rekening-courant gelduitgave

Af: Rekening-courant aflossing

Toe: Te betalen bedragen als je kosten maakt maar nog niet betaald

Af: Bij betaling


Hoofdstuk 3: Beoordeling van een investeringsvoorstel

Investering Het aanschaffen van vaste activa (productiemiddelen die meer dan 1 productieproces

meegaan). Deze worden geactiveerd op linkerzijde balans en hierover gaat organisatie

afschrijven. Soms kan uitbreiding vlottende activa zoals extra voorraad of toename

debiteurenpost ook als investering gezien worden, maar in dit boek: vaste activa

1: Kostenverlagende investering

2: Omzetverhogende investering

3 principes investering 1: Isoleer de investering van de reguliere bedrijfsvoering

2: Denk in geldstromen

3: Scheidt investeringsbeslissing van financieringsbeslissing (denk in primaire geldstromen)

3.1.1 Isoleer de investering van de reguliere bedrijfsvoering van de organisatie

Ceteris Paribus Houd de overige omstandigheden constant. Beoordeel een investeringsvoorstel alsof alle

andere omstandigheden niet veranderen, investering is op zich staand iets. Dit is uiteraard

theoretische benadering.

3.1.2 Denk in geldstromen

Vrije kasstroom Cash flow. Dit is dus niet de winst of het resultaat. Investeren is veel geld uitgeven in

verwachting dit ooit weer terug te verdienen met toekomstige ontvangsten van geld.

Tijdvoorkeur voor geld speelt grote rol hierbij. liquiditeitenoverzicht staat dus centraal bij

beoordelen investeringsvoorstellen.

3.1.3 Scheid de investeringsbeslissing van de financieringsbeslissing

Denk in primaire geldstromen Reden is de balans. Investering beïnvloedt alleen de debetzijde, de financiering ervan

alleen de creditzijde. Een investering maakt deel uit van primair proces en moet daar met

primaire geldstromen terugverdiend worden. De financiering ofwel secundaire geldstroom

staat daar in eerste instantie los van. Statement: Elke investering kan gefinancierd worden

anders is het geen goede investering. Het blijft een

5 stappen beoordeling investeringsvoorstel:

1: Vertaal investeringsvoorstel naar geld

2: Kies 1 of meer beoordelingsmethoden

3: Weeg risicoaspect investeringsvoorstel

4: Inventariseer niet-financiële aspecten

5: Beoordeel uitkomst en beslis

3.2 Stap 1: vertaal het investeringsvoorstel naar geld

Twee vragen 1: Wat is de initiële investering? (hoeveel geld gaan we vandaag uitgeven?)

2: Welke geldbedragen denkt de organisatie in de toekomst te ontvangen als gevolg van

de investering die vandaag gedaan wordt? (= toename vrije kasstroom of cash flow) In

boek jaarlijks gelijk, behalve einde looptijd extra in verband met afstoten.


Tijdvoorkeur geld Geld verandert in waarde door de jaren heen.

CW Contante Waarde. Deel het toekomstige bedrag door (1+i)ⁿ.

Daarbij staat i voor het interestpercentage, ofwel het vereist rendement, i geeft de

omvang van de gewenste vergoeding van de geldontvanger aan. Dit omdat hij het geld pas

in de toekomst krijgt en daardoor risico loopt. De n staat voor het aantal perioden dat het

geldbedrag in de toekomst ligt.

Hoe hoger vereist rendement, hoe lager de contante waarde na zelfde looptijd.

Voorbeeld contante waarde U krijgt 100,- over 2 jaar.

U wilt 5% rendement.

Wat is die 100,- dan waard vandaag?

100,-/(1+0,05)²=90,70

Dus u wilt net zo lief vandaag 90,70 als 100 over 2 jaar.

Over 5 jaar? CW = €100 / (1,05)⁵ = €78,35

U krijgt 100,- over 2 jaar.

U wilt 20% rendement.

Wat is die 100,- dan waard vandaag?

100,-/(1+0,20)²=69,44

Dus u wilt net zo lief vandaag 90,70 als 100 over 2 jaar.

Over 5 jaar? CW = €100 / (1,05)⁵ = €40,18

Uitkomst stap 1 Tijdbalk met alle relevante gelduitgaven en geldontvangsten, de volgende 3:

1: Initiële investering

2: Jaarlijkse toename vrije kasstroom

3: Toename vrije kasstroom aan het einde looptijd

3.2.1 Bepaling initiële investering

4 componenten 1: Aanschaf

2: Afname of toename netto werkkapitaal

3: Opportunity costs

4: Sunk costs

Aanschaf Daadwerkelijke aanschafprijs en de daarbij behorende uitgaven. Bijvoorbeeld extra

uitgaven in de vorm van aansluiting, verbouwing, installatie, extra voorraad, meer

debiteuren, meer crediteuren. Of juist minder voorraad dus lager netto werkkapitaal

NWK Netto Werkkapitaal (debiteuren, voorraad en crediteuren)


Opportunity costs Gelduitgaven die zouden plaatsvinden als organisatie niet zou investeren.

of

Geldontvangsten die organisatie misloopt als de investering wel doorgaat.

of

Gelduitgaven die niet gedaan hoeven worden bij investering.

Sunk Costs (!) Gelduitgaven di in ieder geval plaatsvinden.

3.2.2 Bepaling jaarlijkse toename vrije kasstroom

Cash flow Vrije kasstroom

Saldo van toe- of afname geldontvangsten – saldo toe- of afname van gelduitgaven als

gevolg investering.

Stel hiervoor liquiditeitenoverzicht op.

Voorbeeld Cash Flow Jaarlijkse cash flow is 100 (geldontvangst van 230, gelduitgave 130)

Als gevolg investering blijft ontvangst 230 maar uitgave daalt naar 110.

Jaarlijkse cash flow neemt dus met 20 toe.

3.2.3 Bepaling toename vrije kasstroom aan het einde van de looptijd

2 redenen 1: Afstoten investering kan leiden tot extra geldstroom (winst is extra belasting, verlies is

belasting terug)

2: (des)investering netto werkkapitaal (Is tegenovergesteld aan (des)investering aan begin

looptijd. Dus als op t=o geïnvesteerd is, krijg je dat bedrag op t=n weer terug)


Je kunt dus een tijdbalk maken met t=0, t=n en alle tussenliggende jaren ofwel

- Initiële investering met aanschaf, (des)investering netto werkkapitaal, opportunity costs

en sunk costs

- Jaarlijkse toename vrije kasstroom

- Toename vrije kasstroom einde looptijd met verkoop van investering en vrijval van de

(des)investering in het netto werkkapitaal

3.3 Stap 2: kies 1 of meer methoden om te beoordelen

3 methoden 1: BTP (Boekhoudkundige Terugverdienperiode)

2: NCW (Netto Contante Waarde)

3: IR (Interne Rentabiliteit)

3.3.1 Boekhoudkundige terugverdienperiode (!)

BTP De boekhoudkundige terugverdienperiode is de periode waarin de investering wordt

terugverdiend, hoe snelle hoe beter want is goed voor de liquiditeit en beperkt risico.

Voordelen Eenvoudig en communicatie.

Nadelen Geen tijdvoorkeur voor geld.

Zegt alleen iets over tijdsduur, niet over welke waarde investering oplevert.


3.3.2 Netto Contante Waarde (NCW) (!)

NCW Netto Contante Waarde

Hierbij worden alle toekomstige toenames van de vrije kasstromen contant gemaakt naar

t=o tegen een bepaald percentage i.

Dit percentage i wordt ook wel vereist rendement genoemd.

Al deze bedragen plus t=o worden bij elkaar opgeteld en dat is de NCW.

De NCW is dus een in geld uitgedrukte meerwaarde van het investeringsvoorstel

Formule NCW Toename Cashflow jr 1 + Toename CF jr 2 + Toename CF jr n

NCW=-initiële investering+--------------------------------------------------------------------------------

( 1 + i ) ¡1 ( 1 + i ) ¡² ( 1 + i ) ¡ⁿ

Andere schrijfwijze NCW = -105 + 45/1,25^1 + 45/1,25^1 + 45/1,25^1

3.3.3 Interne Rentabiliteit (IR)

Als de uitkomst grote dan 0 is, is het rendabel, want de verstrekker heeft zijn rendement

dan terug.

IR Interne rentabiliteit

Heeft zelfde uitgangspunten als NCW, maar de uitkomst is een percentage, het werkelijk

te verwachten rendement op de investering. De uitkomst is dus altijd 0, maar het vereist

rendement, i, verandert, in deze formule ir, interne rentabiliteit.

Je hoeft deze formule niet te kunnen uitvoeren, begrijp het principe dat: De IR is het percentage

waarbij de NCW 0 is. Is de NWC > ) is het rendement ook hoger dan vereist.

Formule NCW Toename Cashflow jr 1 + Toename CF jr 2 + Toename CF jr n

NCW=-initiële investering+--------------------------------------------------------------------------------

( 1 + ir ) ¡1 ( 1 + ir ) ¡² ( 1 + ir ) ¡ⁿ

Tip Gebruik de NCW en de BTP als second opinion, de IR is te moeilijk…

3.4 Stap 3: Weeg het risicoaspect van een investeringsvoorstel mee

Bepaling vereist rendement Dus: Tegen welk percentage worden de toekomstige bedragen contant gemaakt? Komt

neer op laten meewegen van het risico in de investeringsbeslissing.

CAPM Capital Asset Pricing Model zegt er zijn twee componenten

1: Risicovrij rendement

2: Risico-opslag (vergoeding voor onzekerheid investeringsvoorstel)

Uitgangspunten risicoaspect - Vereist rendement investeringsvoorstel = risicovrij rendement + risico-opslag

- Risicovrij rendement is vrij eenvoudig te bepalen

- Risico-opslag als vergoeding voor onzekerheid van individueel investeringsvoorstel is zeer

moeilijk te bepalen

- Elk investeringsvoorstel heeft zijn eigen risico-opslag en dus zijn eigen vereist rendement

- Hoe hoger onzekerheid of risico van investeringsvoorstel, hoe hoger het vereist

rendement

- Andere manier om risico mee te wegen in beoordeling investeringsvoorstel is

scenarioanalyse

Rendement staatsobligatie Goeie indicatie van veilige zone risicovrij rendement (tussen 2% en 5%)

Risico-opslag Moeilijk tot niet te bepalen. CAPM heeft poging gedaan, maar meer voor aandelenwereld


Scenarioanalyse Verschillende scenario’s voor investeringsvoorstel uitwerken. Bijvoorbeeld, worst, best

and average.

3.5 Stap 4: Inventariseer de niet-financiële aspecten die de beslissing beïnvloeden

Niet-financiële Aspecten Kwaliteit, imago, arbeidsomstandigheden, handig hulpmiddel: 3P’s.

3.6 Stap 5: Beoordeel uitkomst en beslis

SMART Specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden

MVO Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen


Hoofdstuk 4: Keuze van een vermogensvorm

2 vragen financial manager 1: What real asset should the firm invest in?

2: How should the cash for the investment be raised?

Vorig hoofdstuk, de investeringsbeslissing. Dit hoofdstuk vraag 2, de

financieringsbeslissing. Houd deze twee beslissingen strikt gescheiden. Reden: Investering

beïnvloed linkerzijde balans, financiering de rechterzijde. Ofwel links kapitaalstructuur,

rechts vermogensstructuur.

4.2 Financieren met eigen vermogen

4.2.1 Intern Financieren

Eigen vermogen Vermogen ingebracht door eigenaren, permanent ter beschikking, hoeft niet terugbetaald.

Wel morele schuld. Is risicodragend of ondernemend.

Financieren met eigen vermogen 1: Intern

2: Extern

Intern Financieren Gaat om winstreserve of ingehouden winst.

Winstreserve neemt toe als aandeelhouders de EAT (resultaat na belasting) besluiten niet

uit te keren maar terug te geven aan de organisatie. Let op, om activa daadwerkelijk te

betalen heb je wel liquide middelen nodig, dat is ingehouden winst niet per definitie.

4.2.2 Extern Financieren (!)

Extern financieren Aantrekken van vermogen bij derden. Ingebracht privévermogen,

aandelenvermogen/aandelenkapitaal

Aandelenvermogen 1: Maatschappelijk aandelenvermogen

2: Geplaatst aandelenvermogen

3: Gestort aandelenvermogen

Maatschappelijk aandelenvermogen In statuten vastgelegde maximale hoeveelheid aandelen voor NV of BV

Geplaatst aandelenvermogen Deel van maatschappelijk aandelenvermogen dat daadwerkelijk geplaatst is in ruil voor

geld of vermogen, staan als aandelenvermogen op balans.

Gestort aandelenvermogen Deel van geplaatst aandelenvermogen wat daadwerkelijk door aandeelhouders is

overgemaakt

Nominale waarde aandelen Bedrag wat op aandelenbewijs of in statuten staat. Maatschappelijk, geplaatst en gestort

aandelenvermogen staat tegen deze waarde op balans. Elk verschil staat in de post

agioreserve

Intrinsieke- of boekwaarde Theoretische waarde of boekwaarde op basis van eigen vermogen van de organisatie.

Wordt mede bepaald door waardering van de bezittingen en schulden, gaat vaak via

balans, vandaar ook wel boekwaarde van het aandeel genoemd.

Intrinsieke waarde per aandeel = bezittingen – schulden (dus intrinsieke waarde onderneming) : aantal geplaatste

aandelen.

Voorbeeldberekening intrinsieke waarde aandeel en nominale waarde aandeel


Rentabiliteitswaarde Of Theoretische marktwaarde. Is op basis van toekomstige resultaten. Dit wordt berekend

door alle toekomstige resultaten na belasting contant te maken. Net als bij

investeringsvoorstellen, niemand weet toekomstige resultaten zeker, ook vereist

rendement waartegen contant gemaakt moet is onzeker.

Neem het jaarlijkse verwachte resultaat, neem het vereist rendement, deel het resultaat

door het rendement. Dis is de contante waarde van de toekomstige resultaten, de

rentabiliteitswaarde van de organisatie. Deel dit door aantal geplaatste aandelen en je

hebt de rentabiliteitswaarde per aandeel.

Beurswaarde Of Feitelijke Marktwaarde is de koers van het aandeel van de NV.

Aandelenemissies Verkopen van aandelen om het aandelenvermogen te vergroten

Twee manieren plaatsen 1: Onderhandse plaatsing bij bestaande aandeelhouders, particuliere beleggers of

participatiemaatschappijen (venture capital of durfkapitaal)

2: Openbare aandelenemissie. Emissieprijs is niet gelijk aan nominale waarde aandeel,

verschil staat onder agioreserve

Vrije emissie Voor iedereen toegankelijk. Aantal aandelen neemt toe, dus beurswaarde per aandeel

daalt. Ook zeggen schaap bestaande aandeelhouders kan dalen.


Voorkeuremissie Claimemissie. Bestaande aandeelhouders krijgen voorrang bij kopen nieuwe aandelen, dit

heet claim en is gekoppeld aan bestaand aandeel net als dividend. Meestal zijn meerdere

claims nodig om een aandeel te kopen. Claims hebben waarde en kunnen ook verkocht

worden

Beurswaarde na emissie Emissieprijs + aantal claims x claimwaarde

Vergroten geplaatst aandelenvermogen

- Herkapitalisatie (Bonusaandelen uitdelen ten laste agioreserve, gratis voor bestaande

aandeelhouders.

- Aandelensplitsing

- Stockdividend (dividenduitkering in aandelen in plaats van contant geld

4.2.3 Vergoeding voor het beschikbaar stellen van eigen vermogen (!)

EAT Earnings After Taxes is het bedrag wat beschikbaar is voor inhouding, uitkering of

combinatie. Inhouden is nieuwe investering in organisatie, groei vermogen via balanspost

ingehouden winst of winstreserve, kan je bewust of onbewust activa mee financieren.

Dividenduitkering Cash Dividend is als natuurlijk persoon geld krijgen uit EAT. Kan ook als stock dividend.

Meestal na afloop boekjaar als slotdividend. Of tussentijds als interim-dividend.

4.2.4 Reserves en voorzieningen

Ingehouden winst Winstreserve. Is aparte balanspost.

Agioreserve Als emissieprijs hoger is dan vastgestelde nominale waarde dan op deze aparte

balanspost.

Herwaarderingsreserve Aanpassing van waarde van activa omdat marktwaarde sterk afwijkt van de boekwaarde.

Reserves Reserves zijn dus onderdeel van eigen vermogen en gezien als extra zekerheid of garantie

ter dekking bedrijfsrisico’s, want verhouding eigen vermogen en vreemd vermogen ligt

gunstiger naarmate reserves toenemen. Verkleint kans op faillissement en vergroot

solvabiliteit.

Voorzieningen Zijn langlopende verplichtingen, zoals groot onderhoud.

Reserve is eigen vermogen, voorziening is langlopende verplichting. Reserve bepaal je na

resultaat bepaald is, voorziening gaat ten laste van resultaat en drukt deze. Reserve is vrij

te besteden, voorziening is verplichting.


4.3 Financieren met langlopend vreemd vermogen

Langlopend vreemd vermogen Zorgt voor langlopende verplichtingen, dus terugbetalingsplicht over 1 jaar of langer. Vaak

banken of familie. Afspraken over termijnen en vergoeding. Onafhankelijk hoogte

resultaat en weinig tot geen zeggenschap.

4.3.1 Vormen vreemd vermogen

Banklening Of onderhands lening

Hypothecaire lening Onderpand

Obligatielening Lening verdeeld over graat aantal schuldbekentenissen. Zijn vrij verhandelbaar met vaste

rente, couponrente

Converteerbare obligatielening Geldgever heeft recht om te ruilen tegen aandelen

4.3.2 Vergoeding voor beschikbaarstelling

Hoogte interestvergoeding Afhankelijk van 4 factoren

1: Marktrente (Euribortarieven)

2: Risico voor geldgever

3: Rangorde van geldgever

4: Verhandelbaarheid schuld

4.4 Financieren met kortlopend vreemd vermogen

Rekening-courantkrediet Samen met kas- en banktegoeden de liquide middelen.

Leverancierskrediet Crediteuren, schuld aan passivakant. Termijn bepaald vaak de korting. Wat is gunstiger?

4.5 Vermogensbehoefte verminderen

Outsourcen Uitbesten van activiteiten

Leasen Bedrijfspanden, machines, apparatuur, auto’s

- Operational lease (opzegbaar, geen koopoptie, auto)

- Financial lease (onopzegbaar, koopoptie, specialistische machine)

Efficiënt beheer netto werkkapitaal Verlagen vermogensbehoefte kan ook door beter beheer van debiteuren, voorraden en

crediteuren


Debiteurenbeheer Zo snel mogelijk geld ontvangen van klanten. Denk wel aan klanttevredenheid

(Incassobureau, gerechtsdeurwaarder, dagvaarding, vordering verkopen)

Factoring (!) Vordering verkopen

Voorraadbeheer Minder voorraad, snellere doorstroom. Logistiek en bedrijfsprocessen

Crediteurenbeleid Kostenoverweging rekening-courantkrediet en leverancierskrediet, korting of laat

betalen?


Hoofdstuk 5: Beoordeling van de financiële gezondheid van een organisatie

Kengetal Financieel Ratio. Hulpmiddel om financiële gezondheid van een organisatie te beoordelen.

Getallen om verhouding tussen financieel-economische grootheden weergeven, met doel

een bepaald aspect van het financieel-economisch gedrag en de financiële prestatie van

de onderneming te beschrijven.

2 soorten:

1: Rendementskengetallen

2: Risicokengetallen

Risicokengetalen Vooral liquiditeitsratio’s.

Rendementskengetallen 1: Winstgevendheidsratio’s (rentabiliteit, verhouding remdement en geïnvesteerd

vermogen)

2: Financiële hefboomratio’s (solvabiliteit, voldoen schulden in geval van nood)

3: Activiteitenratio’s (Efficiëntie beheer netto werkkapitaal, debiteuren, crediteuren,

voorraad)

4: Operationele hefboomratio’s (Indicatie verhouding tussen vaste en variable kosten en

daarmee zegt het wat over beïnvloedbaarheid bedrijfsresultaat en risico dat organisatie

loopt)

5.2 Do’s en Dont’s van het gebruik van kengetallen

Kengetallen Hulpmiddelen, geen doel op zich, geeft slechts indicatie, momentopname.

Vergelijk met minimaal 3 waarnemingen uit verleden.

Vergelijk met andere organisaties zet e.e.a. in perspectief

Het is blik naar verleden, geen garantie voor de toekomst

Vergelijk meerdere soorten kengetallen

Vergeet de kwalitatieve informatie niet en uw mening ook niet.

Window Dressing Creatief omgaan met getallen om beter voor de dag te komen, onethisch

5.3 Rentabiliteit van een organisatie

Rendabel Winstgevend. Rendement hoog genoeg.

4 stappen 1: Welk resultaat wordt gebruikt of bedoeld?

2: Ontwikkelt de organisatie zich?

3: Is het bedrijfsresultaat de moeite waard?

4: Is de verhouding tussen resultaat en investering van vermogensverschaffers voldoende

Stap 1 Welk resultaat wordt gebruikt of bedoeld?

De keuze is vooral afhankelijk van de bril van de beoordelaar. Eigenaar kijkt naar EAT, dat

is het bedrag waar hij recht op heeft. Organisatie zelf kijkt naar EBIT.

Zie hier de 5 begrippen uit staart resultatenrekening uit paragraaf 2.5

Bedrijfsresultaat EBIT (Earnings Before Interest and Tax)

Interestkosten i-kn (interest kosten)

Resultaat voor belasting EBT (Earnings Before Tax)

Vennootschapsbelasting T (Taks)

Resultaat na belasting EAT (Earnings After Tax)


Stap 2 Ontwikkelt de organisatie zich?

Zit er en stijgende lijn in of een dalende?

Stap 3 Is het bedrijfsresultaat de moeite waard?

Zet het resultaat af tegen de omzet. Het eerste kengetal, de BWM (Bruto Winstmarge) is

daar een indicatie voor

BWM Bruto Winstmarge

BWM = Bedrijfsresultaat / Omzet

BWM = EBIT / Omzet

Stijgende lijn is goed, zou uiteindelijk grote dan 0 moeten zijn. (10% tot 15%)

Als de EBIT een grotere toename heeft dan de omzet stijgt de BWM, dit omdat de kosten

minder snel toenemen dan de omzet. (toename omzet)

Als de omzet meer daalt dan de EBIT (afname kosten).

Voor een gunstige ontwikkeling van de BWM zal de manager veelal willen zorgen voor een

hogere EBIT. Dit kan door met minder kosten, dezelfde omzet te maken of met dezelfde

kosten meer omzet te genereren. Eerste is meer op doelmatigheid (effectiviteit) en de

tweede op de doeltreffendheid (efficiëntie)

Stap 4 (!) Is de verhouding tussen het resultaat en de investering van de vermogensverschaffers

voldoende?

3 Kengetallen essentieel RTV, KVV, REV

RTV Rentabiliteit van het gemiddeld geïnvesteerd totaal vermogen

KVV Kostenvoet van het gemiddeld geïnvesteerd vreemd vermogen

REV Rentabiliteit van het gemiddeld geïnvesteerd eigen vermogen

5.3.1 Rentabiliteit van het gemiddeld geïnvesteerd totaal vermogen (RTV) (!)

RTV Rentabiliteit van het gemiddeld geïnvesteerd totaal vermogen

Het rendement dat de gehele organisatie behaalt, maakt niet uit hoe gefinancierd, dus

verhouding vreemd en eigen vermogen maakt niet uit. Het is het rendement van alle

vermogensverschaffers op basis van gezamenlijk geïnvesteerd vermogen.

Hoe hoger hoe beter, stijgende lijn welkom (7,5% tot 15%)

Beïnvloedbaar door hogere toename EBIT ten opzichte geïnvesteerd vermogen of lager

geïnvesteerd vermogen bij zelfde omzet.

Gemiddeld geïnvesteerd vermogen = (beginvermogen+eindvermogen)/2

RTV = bedrijfsresultaat / gemiddeld geïnvesteerd Totaal Vermogen

RTV = EBIT / gemiddeld TV

5.3.2 Kostenvoet van het gemiddeld geïnvesteerd vreemd vermogen (KVV)

KVV Kostenvoet van het gemiddeld geïnvesteerd vreemd vermogen

Rekent een soort gemiddeld rendement uit voor de verschaffer van vreemd vermogen.

Ofwel, welke vergoeding geeft de organisatie aan zijn vreemdvermogenverschaffers als

dank voor beschikbaar stellen van het vreemd vermogen? Meestal 5% tot 10%. Dalende

trend is positief.

KVV = interestkosten / gemiddeld geïnvesteerd Vreemd Vermogen

KVV = i-kn / gem VV


5.3.3 Rentabiliteit van het gemiddeld geïnvesteerd eigen vermogen (REV) (!)

REV Rentabiliteit van het gemiddeld geïnvesteerd eigen vermogen

Het is de vergoeding die verschaffers van eigen vermogen krijgen voor het beschikbaar

stellen van eigen vermogen. Dit blijkt uit het EAT uit de resultatenrekening, resultaat na

belasting. Door deze te delen door het gemiddeld geïnvesteerd vermogen, is de REV te

bepalen

REV = resultaat na belasting / gemiddeld geïnvesteerd eigen vermogen

REV = EAT / gem EV

Soms wordt de belasting buiten beschouwing gelaten, dan is het de EBT, of

REV = EBT / gem EV

5.3.4 Financieel Hefboomeffect (!)

REV Zie formulekaart

REV = RTV + VV / EV x ( RTV – KVV )

Is eigenlijk RTV + financieringsbijdrage

Oefenen, moeilijk

5.4 Solvabiliteit van een organisatie

Solvabel Een organisatie is solvabel als zij al haar schulden kan betalen.

Hoe weet je dat?

1: Hoeveel bedragen die schulden van de organisatie (tel totaal vreemd vermogen bij

elkaar op van de balans)

2: Hoe kan de organisatie deze schulden betalen?

Antwoord:

Door liquide middelen te gebruiken of door andere bezittingen te verkopen.

Probleem:

Vinden van kopers en bepalen marktwaarde bezittingen (dus niet boekwaarde).

Eigenlijk enkel in geval liquidatie (te laat dus)

5.4.1 Debt ratio en solvabiliteitsratio (!)

2 manieren 1: Debt ratio en solvibaliteitsratio

2: Interest coverage ratio (ICR)

Debt ratio en solvabiliteitsratio Gaat ervan uit de een organisatie met relatief weinig vreemd vermogen beter in staat zal

zijn dat vermogen in geval van nood terug te betalen. Dus de verhouding tussen vreemd

vermogen en eigen vermogen. Hoe lager hoe beter, afnemend is wenselijk. Hoe meer

eigen vermogen hoe beter, in verhouding.

Debt ratio Debt ratio = vreemd vermogen / totaal vermogen

Debt ratio = VV / TV

Solvabiliteitsratio Solvabiliteitsratio = eigen vermogen / totaal vermogen

Solvabiliteitsratio = EV / TV


5.4.2 Interest coverage ratio (ICR)

ICR Interest Coverage Ratio gaat ervan uit dat hoeveelheid vreemd vermogen op zich niet

uitmaakt, als de organisatie die schuld maar ruim kan opbrengen, het kengetal is interest

coverage ratio

Interest Coverage Ratio = bedrijfsresultaat / interestkosten

ICR = EBIT / i-kn

5.4 Liquiditeit van een organisatie (!)

Liquiditeit Een organisatie is liquide als zij op elk willekeurig moment aan haar kortlopende

verplichtingen kan voldoen. (dus niet alle schulden)

Hoe weet je dat?

1: wat zijn de kortlopende verplichtingen van de organisatie en zijn deze bekend?

Kortlopende verplichtingen zijn kortlopende schulden, zijn kort vreemd vermogen (KVV),

staan op de balans. Echter leasecontracten staan alleen in het jaarverslag als ‘niet uit de

balans blijkende verplichtingen’, maar in de praktijk telt alleen KVV mee.

2: Waarmee kan de organisatie haar kortlopende schulden terugbetalen?

Dat kan alleen door haar bezittingen om te zetten in geld, haar activa. Vaste activa vallen

af, duurt te lang. Vlottende activa blijven over, maar is moeilijk een koper te vinden die

goede prijs wil geven

Eigenlijk zijn alleen geschikt: Liquide middelen, de kas-, bank, en girotegoeden.

Dus ondanks hoge boekwaarde hoeft bijvoorbeeld een voorraad niet veel op te leveren.

Solvabiliteit is alleen in geval van nood, liquiditeit is op elk moment.

Twee kengetallen: CR en QR

5.5.1 Current Ratio (!)

CR Current Ratio = vlottende activa / kortlopende schulden

CR = VLA / KVV

Liefst groter dan 1. Toename van vlottende activa die procentueel groter is dan toename

kortlopende verplichtingen is gunstig.

5.5.2 Quick Ratio (!)

QR Quick Ratio = (vlottende activa – voorraden) / kortlopende schulden

QR = (VLA – VG) / KVV

QR gaat er van uit dat voorraden niet of nauwelijks in geld is om te zetten en daarom niet

meetelt, voorraad is dus niet liquide genoeg, maar hangt af van branche of organisatie in

welke mate.

Liefst groter dan 1. Als dat zo is kan organisatie haar kortlopend vreemd vermogen dus

aflossen met haar vlottende activa minus voorraden. Zorg ook hier, net als bij alle

kengetallen voor 3 meetmomenten.


5.5.3 Liquiditeitsbegroting

Solvabel/liquide De vraag of een organisatie solvabel is, is in geval faillissement

De vraag of een organisatie liquide is, is belangrijk anders kan je failliet gaan

Liquiditeit is kengetal om risico’s in kaart te brengen. CR, QR en NWK geven blik in

boekhoudkundig verleden. En liquiditeitsbegroting schat de toekomst in, dus het is een

overzicht met minimaal 3 meetmomenten van CR en QR om trend te ontdekken.

5.6 Efficiënt beheer van het netto werkkapitaal (!)

NWK Netto Werkkapitaal: Het verschil tussen de vlottende activa en de schulden.

Netto werkkapitaal = vlottende activa – kortlopende schulden

NWK = VLA – KVV

In praktijk is netto werkkapitaal opgebouwd uit: crediteuren, voorraad en debiteuren,

bijna elke organisatie heeft deze posten omdat geld en goederenstromen nooit synchroon

lopen, bijna elke organisatie moet eerst geld uitgeven voordat zij geld ontvangt. Financiële

feiten liggen vaak verspreid in de tijd

1: Inkoop en ontvangst van goederen van leverancier

2: Gelduitgave aan de leverancier

3: Verkoop en afgifte van goederen aan de klant

4: Geldontvangst van de klant

Dit betekend 4 perioden:

a) Periode verkoop aan klant tot geldontvangst van klant

b) Periode ontvangst goederen leverancier tot afgifte goederen aan klant

c) Periode inkoop bij leverancier tot gelduitgave aan leverancier

d) De periode die overblijft


5.6.1 a) Aantal debiteurendagen (!)

Dit is de tijd dat de organisatie nog geld krijgt van de klant. De goederen zijn geleverd,

maar het geld is nog niet ontvangen. Organisatie heeft vordering op de klant en klant is

debiteur.

Aantal debiteurendagen De werkelijke gemiddelde debiteurentermijn, geeft aan hoeveel dagen het gemiddeld

duurt voordat een organisatie geld ontvangt van haar debiteuren. Wordt bepaald met

behulp van de balans.

Aantal debiteurendagen = gemiddeld debiteurensaldo / verkopen op rekening x 365 dagen

Gemiddeld debiteurensaldo = (debiteurensaldo op beginbalans / debiteurensaldo op eindbalans) / 2

5.6.2 b) Aantal voorraaddagen

Verkopen op rekening wordt meestal bepaald aan de hand van de resultatenrekening.

Dit is de periode tussen ontvangst van goederen van een leverancier en de afgifte van

goederen aan de klant, de tijd dat de ingekochte spullen in het magazijn liggen.

Aantal voorraaddagen Geeft aan hoeveel dagen de ingekochte spullen gemiddeld in het magazijn liggen

Aantal voorraaddagen = gemiddeld voorraadsaldo / inkoopwaarde omzet x 365 dagen

Gemiddeld voorraadsaldo = (voorraadsaldo op beginbalans + voorraadsaldo op eindbalans) / 2

5.6.3 c) Aantal crediteurendagen

Inkoopwaarde van der omzet wordt meestal bepaald aan de hand van de

resultatenrekening

Dit is de periode tussen inkoop bij leverancier en gelduitgave aan de leverancier, dus de

tijd dat de organisatie geld moet geven aan de leverancier, de leverancier is crediteur.

Aantal crediteurendagen Werkelijke gemiddelde crediteurentermijn, geeft aan hoeveel dagen het gemiddeld duurt

voordat de organisatie haar crediteuren betaalt.

Aantal crediteurendagen = gemiddeld crediteurensaldo / inkopen op rekening x 365 dagen

Gemiddeld crediteurensaldo = (crediteurensaldo op beginbalans = crediteurensaldo op eindbalans) / 2

Inkopen op rekening staan niet op balans en ook niet op resultatenrekening. Dus men

moet zoeken bij voorraad. Als je de beginsaldo voorraad en eindsaldo voorraad en

inkoopwaarde van de verkopen weet kan je de inkopen invullen.


5.6.4 Aantal NWK-dagen

Het saldo van de periode dat organisatie geld krijgt van klant, plus periode dat spullen op

voorraad liggen, minus de periode dat de organisatie nog geld moet betalen aan de

leverancier is dus het aantal dagen dat de organisatie moet financieren met netto

werkkapitaal, het aantal NWK-dagen.

Aantal NWK-dagen = aantal debiteurendagen = aantal voorraaddagen – aantal crediteurendagen

De meeste organisaties financieren dit met het rekening-courantkrediet. Omdat dit

relatief duur is, zijn ze er bij gebaar het aantal NWK-dagen laag, het liefst op 0 te houden.

Liever minder debiteurendagen dan crediteurendagen ofwel betaal leverancier niet voor

het geld van uw klant er is. Verder wil je producten kort op voorraad hebben.

Beïnvloeden NWK-dagen 1: Betaal leverancier zo laat mogelijk

2: Ontvang geld van klant zo snel mogelijk

3: Houdt spullen kort op voorraad

5.7 De overige informatie en het eindoordeel over de financiële gezondheid van een

organisatie

Nadat rentabiliteit, solvabiliteit, liquiditeit en beheer van het netto werkkapitaal

afzonderlijk zijn beoordeeld, moeten er nog 2 dingen gebeuren.

1: Is er nog meer informatie te vinden

2: In verband brengen van de 5 deelconclusies en verwoorden eindoordeel.

Verwoord eindoordeel voorzichtig, kengetallen zijn slechts indicatie, vermeldt

brongegeven en tijdvak.


Hoofdstuk 6: Indeling van kosten en break-evenanalyse

6.1 Inleiding

Kosten De geldswaarde van de opgeofferde productiemiddelen

Leidt tot verlaging winst.

Voor management belangrijk om hoogte en samenstelling kosten te weten, geeft inzicht in

efficiëntie van organisatie en is hulp bij allerlei beslissingen.

Er zijn verschillende kostenindelingen die als tools gebruikt kunnen worden: different

costs for different purposes

Gelduitgaven Het verlagen van liquide middelen, dus kas- of banksaldo.

Bijvoorbeeld investering pc voor 1000,-. Past banksaldo daalt, post computers stijgt.

Boekwaarde Computer van 1000,- neemt in waarde af. Stel 4 jaar levensduur en evenredige

waardedaling, dus 250,- per jaar afschrijvingskosten. Het zijn kosten, maar geen

gelduitgaven! Overig kan onroerend goed, een pand bijvoorbeeld, ook in waarde

toenemen.

Gelduitgaven die kosten zijn Denk aan salaris

Opbrengsten en geldontvangsten Kunnen op hetzelfde moment, maar vaak niet. Verkoop op rekening. Omzet wordt

geboekt op moment versturen rekening, maar geldontvangst komt later als debiteur

betaald.

6.2 Indeling naar kostensoorten

De 6 kostensoorten 1: Grond- en hulpstoffen

2: Arbeid

3: Duurzame productiemiddelen

4: Grond

5: Diensten van derden en belastingen

6: Vermogen

6.2.1 Kosten van Grond- en hulpstoffen

6.2.2 Kosten van Arbeid

Onder meer materiaal dat in eindproducten verwerkt zit. Bij dienstverlening gering, bij

autoindustrie bijvoorbeeld is relatieve belang, als percentage van de kosten aanzienlijk

Salarissen, sociale lasten, bijdrage werkgever pensioenpremie

6.2.3 Kosten van Duurzame productiemiddelen

Gebouwen, machines, inventaris, gaan langer dan 1 productieproces mee. Zitten

afschrijvingskosten op, maar ook complementaire kosten als verzekering, onderhoud,

reparatie, brandstof.


6.2.4 Kosten van Grond

Meestal niet relevant, bij olie- en gaswinning of agrarische sector kan deze nogal dalen in

waarde.

6.2.5 Kosten van Diensten van derden en belastingen

6.2.6 Kosten van Vermogen

6.3 Vaste en variabele kosten (!)

Uitbesteding van activiteiten, bijvoorbeeld verplichte controle jaarrekening door

accountant. Ook catering, interim-management, advies consultants, etc.

Belasting:

- Kostenverhogende belastingen: Over goederen en diensten, OZB, accijns, invoerrechten

- Winstbelastingen: dit is geen kostenpost.

- Kosten eigen vermogen: rendement dat eigenvermogenverstrekkers eisen, is eigenlijk in

winst, staat niet als kostenpost op resultatenrekening

- Interestkosten: Vergoeding over vreemd vermogen, het geleende geld of over goederen,

rentekosten

Als de bedrijfsdrukte (productie of verkoop) toeneemt en de kosten veranderen, dan zijn

het variabele kosten, blijven ze gelijk, dan zijn het vaste kosten, ook wel constante kosten

genoemd. Huur blijft bijvoorbeeld gelijk, benzinekosten nemen toe als meer gereden

moet naar klant.

Proportioneel variabele kosten Zijn voor elke prestatie-eenheid even hoog en veranderen dus recht evenredig met

bedrijfsdrukte, een liter benzine kost per liter evenveel bij afname 10 of 1000 liter.

6.3.1 Progressief en degressief variabele kosten

Als de kosten niet evenredig met de productie stijgen of dalen. Bijvoorbeeld als je met de

leverancier afspreekt dat hoe meer unit je van iets koopt, hoe lager de prijs per unit is. Of

je moet vanwege drukte steeds duurder personeel huren vanwege inhuur en krapte.


Progressief Toenemend

Degressief Afnemend

6.3.2 Discontinu variabele kosten

Discontinu Trapsgewijs, niet geleidelijk, sprongsgewijs. Bijvoorbeeld bij elke 1000 units moet een

extra stuk personeel ingehuurd worden.

6.3.3 Kostenbeïnvloeding

Onderscheid Vaste kosten zijn alleen te beïnvloeden als de bronnen ervan afgestoten worden, of

verdwijnen, of ontslagen. Variabel zijn veel sneller te beïnvloeden. Dus voor

managementbeslissingen is verschil van belang


6.3.4 Kostprijsberekening (!)

Kostprijsberekening = vaste kosten (of constante kosten) / normale bezetting + variabele kosten / werkelijke

bezetting

= C / N + V

6.3.5 Operationeel hefboomeffect

Operationeel hefboomeffect Als een organisatie veel vaste kosten heeft, is risico op verlies groter dan organisatie met

veel variabele kosten. Dit natuurlijk omdat bij dalende afzet de variabele kosten makkelijk

verlagen. Anderzijds stijgen de vaste kosten niet mee bij hogere afzet dus neemt de winst

dan meer dan evenredig toe. Dit heet het operationele hefboomeffect.

Operationeel hefboomeffect afzet x (prijs – variabele kosten) _

afzet x (prijs – variabele kosten) – vaste kosten

6.4 Break-evenanalyse (!)

Break-even Bij welke productie en verkoop de organisatie quitte speelt, dus als de opbrengsten gelijk

zijn aan de kosten

q break even afzet

p verkoopprijs

v variabele kosten per stuk

CK constante kosten

BEP Break-evenpunt

Opbrengsten = verkoopprijs x verkochte hoeveelheid (quantity)

= p x q

Kosten = variabele kosten per eenheid x verkochte hoeveelheid + vaste of constante kosten

= v x q + CK

Break-evenpunt (BEP) = p x q = v x q + CK

= q x (p – v) = CK

= q = CK / (p – v)

6.4.1 Contributiemarge (!)

Contributiemarge De verkoopprijs minus de variabele kosten

= p – v

Break-evenpoint is dus de verkochte hoeveelheid is gelijk aan de Constante kosten

gedeeld door de contributiemarge, ofwel q = CK / (p – v)


6.4.2 Veiligheidsmarge

Veiligheidsmarge Hoeveelheid die de werkelijke of verwachte omzet boven het break-evenpunt ligt, dus

hoeveel de omzet mag dalen tot organisatie verlies maakt.

6.4.3 Target break-evenpunt

Target break-evenpunt Een gekozen punt, maar dan boven nul, de hoeveel winst die een organisatie wil halen,

het target

Target break-evenpunt = CK + winst / (p – v)


6.4.4 Kostenstructuur

6.4.5 Meer dan één product

Naast indicatie risico verlies en de hoeveelheid verkopen voor gezonde winst, is de breakevenanalyse

ook belangrijk om veranderingen in de kostenstructuur te overzien.

Als huidige break-evenpunt te hoog is, kan je personeel bijvoorbeeld vervangen door

ZZP’ers, is lager risico voor organisatie, want vaste kosten dalen.

Je kunt alleen het juiste break-evenpoint bepalen voor meerdere producten als

1: De contributiemarge gelijk is (absoluut of relatief)

2: Meerdere producten in dezelfde verhouding verkocht worden

Constante contributiemarge Als handelaar steeds 25% marge zet, is contributiemarge 20%.

8,- inkoop, 10,- verkoop. 2,- van 10,- is 20%.

Constante verhouding Producten in vaste verhoudingen afzetten

Simulatieanalyses What-if analyses

Alternatieven doorrekenen Bepalen wat goedkoper zou zijn

6.5 Directe en indirecte kosten

Indirecte kosten Voor overhead genoemd, lastig toe te wijzen.

6.5.1 Toerekening en verdeelsleutels

6.5.2 Gemeenschappelijke kosten

6.5.3 Weging van indirecte kosten

Lastig, arbitrair. Bij slechts 1 product geen probleem, dan is alles directe kosten.

Niet verwarren met indirecte kosten. Indirect zit in de overhead. Gemeenschappelijk si als

er uit hetzelfde productieproces meerdere producten komen, zoals benzine van ruwe olie,

komt ook LPG uit voort

Waardeketen R&D – Design – Productie – Marketing – Distributie – Service

Indirecte kosten zijn als smeerolie voor de waardeketen

6.6 Kostenindelingen in de praktijk

Je hebt variabel en vast en direct en indirect. Elke combinatie is mogelijk. Er worden ook

nog indelingen aar periode- of productiekosten gehanteerd. Periode is naar periode op

resultatenrekening.


Hoofdstuk 7: Bepaling van een integrale kostprijs

Integrale kostrijs De kosten per kostendrager, meestal het eindproduct of het soort eindproduct

Zodra kostendrager bekend is kan men directe kosten bepalen, registreren en

toerekenen. Directe kosten zijn makkelijk toe te kennen want staan in causaal (oorzakelijk)

verband met kostendrager.

Indirecte kosten blijven over en zijn per definitie niet toewijsbaar aan kostendragers.

Hoe je die indirecte kosten dan aan de kostendrager toerekent hebben we 4 technieken

voor:

- Opslagmethode

- Productiecentramethode

- Activity-based costing

- Time-driven activity-based costing

Waarom integrale kostprijs? Waarom wil de organisatie dit weten van de producten (goederen en diensten)?

- Strategische doelen (prijsbepaling of ontwerp nieuwe producten)

- Operationele doelen (prestatiemeting, budgettering of voorraadwaardering)

3 belangrijkste doelen Bepaling verkoopprijs, budgettering of voorraadwaardering

Bepaling van de verkoopprijs Is meestal concurrentie- of afnemer georiënteerd

Market based Bij verkoopprijsbepaling rekening houden met prijs van concurrenten en met waarde die

consumenten hechten aan het product.

Perceived value Waarde die consument hechten aan een product.

Budgettering Voor planning en control belangrijk om kostprijs te weten

Planning Wat is te verwachten afzet, verkoopprijs, directe en indirecte kosten per eenheid product,

daarmee kan je resultaat schatten over periode. Hoe reageren kosten op veranderingen in

productie of verkoop, dit als gevolg van verhouding vaste en variabele kosten die

bijvoorbeeld degressief of progressief stijgen of dalen bij schommelingen van productie en

verkoop.

Control Bijvoorbeeld verschillenanalyses om tijdig bij te sturen. Verschil in budget en werkelijke

kosten.

Voorraadwaardering In Nederland wettelijk verplicht om balansposten voorraad gereed product en

onderhanden werk te waarderen tegen integrale kosten. Dus alle gemaakte kosten, dus

ook indirecte, toerekenen aan producten die geheel of hal gereed zijn. Anders geeft balans

geen volledig beeld van waarde van de voorraad als deel van de activa.

7.2 Kostprijsmethoden

4 methoden bepaling integrale kostprijs

- Opslagmethode

- Productiecentramethode

- Activity-based costing

- Time driven activity-based costing

7.3 Opslagmethode (!)

Opslagmethode Veronderstelt een verband tussen de directe kosten en de indirecte kosten

- Enkelvoudige opslagmethode

- Meervoudige opslagmethode


Enkelvoudige opslagmethode totale indirecte kosten gedeeld door een opslagbasis, de keuze voor opslagbasis is een

bedrijfseconomisch vraagstuk en bepaald voor een groot deel uiteindelijke kostprijs.

Keuze voor opslagbasis is het deel waar merendeel van indirecte kosten een causaal

verband mee heeft, dus dat de gekozen opslagbasis het merendeel van alle indirecte

kosten moet veroorzaken.

Meervoudige opslagmethode

Stappenplan opslagmethode 1: Verdeel indirecte kosten in categorieën (bij enkelvoudig niet nodig). De som moet gelijk

zijn aan totale indirecte kosten

2: Kies de opslagbasis die in grote mate de indirecte kosten veroorzaakt.

3: Bepaal het opslagtarief. Bij enkelvoudig het totaal indirecte kosten gedeeld door

opslagbasis. Bij meervoudig wordt elke categorie gedeeld door opslagbasis

4: Bepaal integrale kostprijs per product

- Directe kosten per eindproduct (bijna altijd aantal x tarief, vaak met onderscheid tussen

materiaalkosten zoals grondstoffen en personeelskosten)

- Opsla ter dekking van de indirecte kosten per eindproduct (Afhankelijk van de gekozen

opslagbasis wordt het aantal per eenheid eindproduct vermenigvuldigd met het in stap 3

bepaalde opslagtarief)

5: Bepaal het resultaat per eindproduct. Door aantallen eindproduct te vermenigvuldigen

met verkoopprijzen en kostprijzen is het mogelijk totale resultaat per soort eindproduct is

inzichtelijk te maken. Het bepalen van een andere kostprijs zal nooit leiden tot andere

totale kosten.


Samengevat Opslagmethode verdeelt indirecte kosten met behulp van een opslagbasis over de

kostendragers. Keuze van opslagbasis wordt bepaald door causaal verband tussen de

indirecte kosten en de opslagbasis.

7.4 Productiecentramethode

Productiecentramethode Of kostenplaatsmethode

Hoofdkostenplaats Elke afdeling is een kostenplaats. Operationele afdelingen met directe bijdrage aan

eindproducten zoals productie, assemblage en verkoop zijn hoofdkostenplaatsen. De

kosten van deze zijn indirect, immers met machine maak je waarschijnlijk meerdere

producten, dus de energie, afschrijving staat niet direct in verband met eindproducten.

Zelfstandige kostenplaatsen Ondersteunende afdelingen als HRM, administratie of magazijn heten zelfstandige

kostenplaatsen. Veronderstelling is dat deze geen verband houden met eindproducten,

maar wel als ondersteuning hoofdkostenplaatsen.

De kosten van deze zelfstandige kostenplaatsen worden toegekend aan

hoofdkostenplaatsen.

Hulpkostenplaatsen Soorten kosten die niet samenvallen met een bestaande afdeling maar zijn wel

substantieel, dus ondergebracht in gecreëerde hulpkostenplaats.

Stappenplan Productiecentramethode

1: Registreer de indirecte kosten per afdeling

2: Doorbelasten

3: Kies een soort opslagbasis of verdeelsleutel per operationele afdeling, kies opslagbasis

die in grote mate de indirecte kosten van de desbetreffende afdeling veroorzaakt

4: Bepaal doorbelastingstarief of verdeelsleutel per operationele afdeling

5: Bepaal integrale kostprijs per eindproduct

- directe kosten per eindproduct (aantal x tarief, met onderscheid tussen materiaalkosten

zoals grondstoffen en personeelskosten)

- opslag ter dekking van de indirecte kosten per eindproduct (afhankelijk van gekozen

opslagbasis wordt het aantal vermenigvuldigd met het in stap 3 bepaalde opslagtarief)

6 Bepaal het resultaat per eindproduct. Door aantallen te vermenigvuldigen met

verkoopprijzen en kostprijzen kan je resultaten per eindproduct inzichtelijk maken. De

som van resultaten per eindproduct moeten gelijk zijn aan resultaat van de organisatie,

bepalen andere kostprijs zal immers nooit rechtstreeks leiden tot andere totale kosten en

ook niet tot ander resultaat van de organisatie.


Productiecentramethode is nauwkeuriger dan opslagmethode. Komt door specificeren

van kosten naar afdeling en het nauwkeuriger intern doorbelasten op basis van onderlinge

regelingen. Heeft ten opzichte van ABC nog wel een grove verdeelsleutel en

trechtereffect.

ERP Enterprise Resource Planning, administratiesysteem.

Samengevat Productiecentramethode verdeelt de indirecte kosten eerst over (fictieve) afdelingen en

belast deze door op basis van onderlinge leveringen, tot enkele opslagen ter dekking van

de indirecte kosten te komen.

7.5 Activity Based Costing (ABC)

Stappenplan Activity Base Costing, ABC

1: Benoem de belangrijkste activiteiten,

2: Verdeel indirecte kosten over die activiteiten (cost pools, kosten activiteiten uit stap 1)

3: Kies opslagbasis per kostpool (wordt bij activity based costing een cost driver,

veroorzaker, zeg maar verdeelsleutel genoemd, kies de cost driver die in grote mate de

indirecte kosten veroorzaakt van de betreffende cost pool veroorzaakt)

4: Bepaal de opslagtarieven (voor elke cost pool worden bijbehorende kosten gedeeld

door de gekozen cost driver en er ontstaat een tarief per activiteit)

5: Bepaal de integrale kostprijs per eindproduct

- Directe kosten per eindproduct (aantal x tarief)

- Opslag ter dekking van indirecte kosten per eindproduct (aantal per eenheid eindproduct

vermenigvuldigd met het in stap 3 bepaalde opslagtarief)

6: Bepaal het resultaat per eindproduct (Door aantallen te vermenigvuldigen met

verkoopprijzen en kostprijzen kan je resultaten per eindproduct inzichtelijk maken. De

som van resultaten per eindproduct moeten gelijk zijn aan resultaat van de organisatie,

bepalen andere kostprijs zal immers nooit rechtstreeks leiden tot andere totale kosten en

ook niet tot ander resultaat van de organisatie.)

Voor en nadelen Heel nauwkeurig, beter kosteninzicht en meer stuurinformatie. Kan er analyses van de

winstbijdrage per klant mee doen, performancemetingen, kostenspecificaties en

dergelijke, kortom, goede kostenbeheersing mogelijk.

Het is nieuw, dus cultuuromslag, dus men gaat er bewust mee om, maar ook was de

kwaliteit van de kosteninformatie voorheen wat lager was, de opslagmethode, duidelijk

inferieur, óf de eenvoudige manier van de productiecentramethode.


Nadelen zitten in invoering en onderhoud. Definiëren van activiteiten en cost drivers is

lastig. In onderhoud mist men goede software waardoor het arbeidsintensief en kostbaar

onderhoud is.

Samengevat Activity-based costing verdeelt de indirecte kosten via activiteiten over de eindproducten

en dat levert in theorie een nauwkeurige kostprijs op, dus tot veel betere stuurinformatie.

Omdat invoering en onderhoud tijdrovend zijn is het wel duur. Productiecentramethode

kan hetzelfde leveren, maar dan moet het wel uitgebreid genoeg gedefinieerd zijn met

kostenhulpplaatsen en homogene kosten. Ten slotte is niet altijd voor elke cost pool een

goede cost driver te vinden en daardoor slechts een benadering van de werkelijkheid

inhoudt

7.6 Time-driven activity-based costing (TD-ABC)

Lijkt sprekend op activity-based costing, maar het gaat op basis van tijd als cost driver.

- Hoeveel tijd kost een bepaalde activiteit

- Hoeveel tijd is nodig om alle activiteiten uit te voeren ten behoeve van de kostendrager


Hoofdstuk 8: Besturing van een organisatie: Planning

Planningsproces Het proces dat loopt van het formuleren van beleidsdoelstellingen, via het voorspellen van

potentiële resultaten van alternatieve manieren om die doelstellingen te bereiken, tot het

kiezen van de beste manier waarop de organisatie daadwerkelijk die doelen gaat

nastreven. Is in de plan-fase van de plan-do-check-act-cyclus van Deming.

Controlproces - daadwerkelijke uitvoering van gekozen manier om doelstelling te bereiken

- meten en analyseren prestaties van die uitvoering, plus geven feedback hierover.

8.2 Doelstellingen

Missie globaal en vaag omschreven bestaansreden organisatie

Visie hoe bereik je de missie en wat is de basis voor doelstellingen

Doelen Strategische, tactische en operationele doelen

Missie tot operationeel Missie – Visie – Strategische doelen – Tactische doelen – Operationele doelen –

Operationele activiteiten en processen

8.3 Organisatiestructuur

Organisatie Samenwerkingsverband tussen meerdere personen dat erop gericht is, via bundeling van

kennis, vaardigheid en kracht, doelstellingen te verwezenlijken

Structuurelementen Taakspecialisatie - In hoeverre kunnen taken opgesplitst worden in deeltaken

Afdelingsvorming - Hoe kunnen taken worden gegroepeerd

Gezagslijn - Aan wie zijn groepen en individuen verantwoording schuldig

Span of Control - Aan hoeveel individuen kan manager effectief en efficiënt leiding geven

Centralisatie of Decentralisatie - Waar liggen de bevoegdheden om beslissing te nemen

Formalisering - Hoeveel regels en voorschriften sturen de medewerkers en managers

Afdelingsvorming Functionele indeling (personeelszaken, inkoop, productie), aard werkzaamheden

Marktindeling (naar type klant)

Productindeling (naar eindproducten)

Geografische indeling (regio’s)

8.3.5 Centralisatie en decentralisatie

Gecentraliseerd Als besluitvorming op één punt plaatsvindt

Gedecentraliseerd Naarmate de lagere echelons mogen meebeslissen neemt de gedecentraliseerde

structuur toe.

Voordelen:

- Oog specifieke omstandigheden

- Snellere besluitvorming

- Verhoogt motivatie

- Goede leerschool

- Zorgt voor focus

Nadelen:

- Suboptimale beslissingen


- Meer aandacht voor eigen afdeling van voor geheel

- Toename kosten informatievergaring

- Wiel wordt vaker uitgevonden

Verantwoordelijkheidscentra Cost Center: Manager mag in een periode een vooraf bepaald bedrag aan kosten opmaken

Revenu Center: Manager genereert vooraf bepaald bedrag aan opbrengsten

Profit Center: Manager is verantwoordelijk voor hoogte winst, bedrag of percentage

Investment Center: Manager heeft bevoegdheid te investeren, moet wel bepaald

rendement opleveren.

8.4 Do’s en Dont’s van budgetteren

Doelstellingen budgetteren - Kostenbeheersing (budget vooraf bepaald, bij meer nodig eerst langs management)

- Cash management (beheersing liquide middelen)

- Financiële voorspellingen (makkelijker prognoses te geven financiële resultaten)

- Slagkracht (Hoeft niet steeds toestemming te krijgen, maar vanuit budget)

- Coördinatie en communicatie (Afstemming activiteiten door masterbudget, management

moet op hoogte zijn)

- Prestatiebeoordeling (Budget is een kader voor te leveren prestaties)

Budgetary Slack Hoger budget dan noodzakelijk aanvragen

8.5 Verschillende budgetvormen en hun voor- en nadelen

8.5.1 Traditionele budgettering

Traditionele budgettering Neem budget van vorig jaar, kijkt of er veranderingen zijn zoals inflatie en stel nieuwe

budget vast. Dit budget kan vast, variabel of flexibel zijn.

Vast budget Bijvoorbeeld 3 FTE in team, inflatie van 1%, dus 100.000 naar 101.000

Variabel budget Bedrijfsdrukte bepaald budget bijvoorbeeld restaurant.

Flexibel budget Bijvoorbeeld transportauto’s, afschrijving is vast, diesel variabel aan de hand van drukte.

8.5.2 Incrementele budgettering

Incrementele budgettering Traditioneel budget vermeerderd met substantiële veranderingen

8.5.3 Activity-based budgeting

Activity-based budgeting ABB, geen kostensoorten zoals bij variabele budgettering, maar activiteiten, zoals instellen

machines, productie-uren, aantal inkooporders, etc.

Budgethouder krijgt dus geen verzoek om zak geld, maar krijgt verwachte activiteiten

door. Lijkt dus op activity-based costing. Is een duurdere methode.

8.5.4 Zero-based budgeting

Zero-based budgeting ZBB. Telkens net doen of budgethouder nog niks heeft en dan vaststellen wat nodig is om

klussen uit te voeren van scratch


8.5.5 Kaizenbudgettering

Kaizenbudgettering Continu verbeteren prestaties

8.6 Masterbudget

Controller Speelt rol bij tot stand komen van de begroting en budgetten, rol is beperkt tot

inventariseren, analyseren, adviseren en informeren. Toekennen budgetten is vaak taak

van topmanagement of organisatieonderdeel, aanvragen van budgethouders. De

controller verwerkt alles tot 1 masterbudget, met onderdelen als verkoopbudget met

daaronder de operationele budgetten (productie, materiaal, personeel, inkoop,

investering) en de financiële budgetten (voorgecalculeerde resultatenrekening,

liquiditeitsbegroting en voorgecalculeerde balans)


Hoofdstuk 9: Besturing van een organisatie: Control

Control Controleren of de uitvoering conform planning was, de check-face, het bijsturen ervan de

act-fase.

Bij planning is de werkwijze:

1: Bepaal de strategie

2: Vertaal strategie in tactische plannen voor middellange termijn

3: Stel concrete operationele plannen op voor de korte termijn

Als uitvoering afwijkt dan eerst bij sturen, dan tactische plannen aanpassen, dan strategie

aanpassen als uiterste.

Voor het bijsturen zijn controlmechanismen nodig. Control betekend beheersen (!), dus

niet controle (check).

3 typen control: Accounting Control, Behavior control en Personnel control

Accounting Control Het toepassen van bedrijfseconomische instrumenten zodat het management de

organisatie kan beheersen. Bijvoorbeeld kostprijsberekeningen en budgetten. Budgetten

worden dus gebruikt bij zowel planning als bij control. Maakt gebruik van financiële

maatstaven.

Behavior control Ook een formele vorm van beheersen. Maakt gebruik van standaardprocedures,

uitvoeringsvoorschriften en dergelijke om het gedrag van medewerkers te beheersen.

Personnel control Werving, selectie, training en opleiding en het bewaken van tradities en rituelen. Twee

vormen van personnel control:

- Self control, hier beoordeelt de medewerker zelf de uitvoering van het werk

- Peer group control, sociale vorm van beheersen

Cybernetisch besturingsmodel kubernètès is Grieks voor stuurman.

- Het doel van bijvoorbeeld een taak, proces of organisatie wordt vergeleken met het

werkelijk behaalde resultaat.

- Vervolgens wordt bepaald of er maatregelen nodig zijn om doel en realisatie dichter bij

elkaar te brengen

- Maatregelen worden genomen en proces begint opnieuw.

SMART Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden

Kritische succesfactoren (KSF) Factoren die bepalen of de organisatie haar doelstellingen haalt, zoals efficiëntie,

kwaliteit, innovatiekracht, flexibiliteit en waarde voor de aandeelhouders. Helaas zijn deze

niet meetbaar. Daarom worden ze meetbaar gemaakt door SMART geformuleerde

prestatie-indicatoren en performance-indicatoren te formuleren.

PI’s Voorbeelden performance-indicatoren:

- Doorlooptijden productieproces

- Bezettingsgraad machines

- Materiaalverbruik

- Kostprijs van de producten

Management by exception Maakt deel uit van check en act fase Deming. Als er verschillen zijn tussen budget en

werkelijkheid, dan ingrijpen.

9.2 Accounting Control

Kostenindeling Voor het beheersen van kosten is de volgende indeling mogelijk:

- Procesafhankelijke kosten (engineerd costs)

- Capaciteitsafhankelijke kosten (committed costs)

- Managementafhankelijke kosten (discretionary costs)


9.2.1 Procesafhankelijke kosten

Procesafhankelijke kosten Kosten die direct met het productie- en verkoopproces samenhangen. Beheersing door

budgetten, vaak variable of flexibel.

Afwijkingen:

- Prijsverschillen

- Efficiëntieverschilen (hoeveelheidsverschillen)

- Bezettingsverschillen

Verschil? Dan management by exception.

Hoeveelheidsverschil Dit verschil geeft het financiële effect aan van het feit dat men zuiniger of minder zuinig

met de productiefactoren is omgesprongen dan verwacht

Hoeveelheidsverschil (werkelijke hoeveelheid – standaard hoeveelheid) x standaardprijs

(wh – sh) x sp

Prijsverschil Dit verschil geeft aan welk bedrag de afwijking is tussen wat men voor een productiefactor

betaalde en wat het standaard bedrag is.

Prijsverschil (werkelijke prijs x standaard prijs) x werkelijke hoeveelheid

(wp - sp) x wh

Bezettingsverschil Ook weer een verschillenanalyse, maar dan op vaste kosten.

Bezettingsverschil (werkelijke bezetting – normale bezetting) x vaste kosten / normale bezetting

(werkelijke bezetting – normale bezetting) x C / N

4 oorzaken budgetafwijking (En hun oplossingsrichting)

1: Afwijkende uitvoering (scholing, instructie, werkoverleg, bonussen)

2: Verkeerde standaarden (deskundige hulp die betere standaarden neerzetten)

3: Meet- en registratiefouten (Betere administratieve organisatie en interne controle)

4: Toeval (niks doen)

9.2.2 Capaciteitsafhankelijke kosten

Capaciteitsafhankelijke kosten Dan zijn er in het verleden beslissingen genomen als gevolg waarvan de organisatie nog

steeds kosten heeft. Bijsturen niet meer mogelijk.

9.2.3 Managementafhankelijke kosten

Managementafhankelijke kosten Behoren niet tot het primaire proces. Goed bij te sturen. Vooral kosten van stafafdelingen,

overhead. Groeien als het goed gaat, krimpen niet als het slecht gaat.

Beheersing managementafhankelijke kosten:

- Activity-based budgeting

- Zero-based budgeting

- Management by objectives

- Overhead Value Analyses

Management by objectives Techniek die organisatiedoelstellingen steeds verder verfijnt, van strategisch, naar doelen

middellang, koster termijn en vervolgens vertaalslag naar afdelingsniveau en niveau

medewerker

- Doelen moeten wel smart geformuleerd

- Doelstellingen lager niveau moeten goede afgeleide zijn van centrale doelstellingen

Overhead Value Analyses Door McKinsey. Doel is reductie overheadkosten. OVA wordt toegepast op stafafdelingen


9.3 Benchmarking

Benchmarking Continu, systematisch proces bestaande uit meten, vergelijken, evalueren en begrijpen

van de producten, diensten, functies en bedrijfsprocessen van organisaties met als doel

het systematisch verbeteren van organisaties.

Balanced Scorecard Schetst integraal beeld van prestaties van de organisatie, is een

managementinformatiesysteem. Werkt nadrukkelijk met verbanden tussen bijvoorbeeld

het innovatieve vermogen van een organisatie, het financiële perspectief en het

klantperspectief


Hoofdstuk 10: Ondersteuning van besluitvorming

Besluitvorming Strategisch, tactisch en operationeel

Besluitvormingsproces 1: Identificeer probleem en de onzekerheden

2: Verzamel informatie

3: Maak toekomstscenario’s

4: Beslis

5: Implementeer evalueer een leer

Veel instrumenten Denk aan investeringsselectie, budgetteren en verschillenanalyses

10.4 Absorption costing en variable costing

Waardebepaling Twee belangrijke manieren om de waarde van de voorraad eindproducten vast te stellen:

- tegen integrale kostprijs

- tegen de variabele kosten

Redenen - Bepaalt de waarde van de voorraad gereed product

- Bepaalt de hoogte van de winst

Absorption costing Waardebepaling gereed product tegen de integrale (productie)kostprijs

Variable costing Waardebepaling gereed product tegen de variabele (productie)kosten

Formule integrale kostprijs = C / N + V / W

More magazines by this user
Similar magazines