Versie Hyp*Obs, 2009

janson.lea40

Versie Hyp*Obs, 2009

Dossier en werkbladen bij

lessenserie ‘Betoog schrijven’

Versie Hyp*Obs, 2009

Naam: …………………………………………….

Klas: ……………………………………………

School: Montessori Lyceum Amsterdam


Inhoudsopgave

Introductie: Een lessenserie ‘Betoog schrijven’

Werkblad 1: Instaptoets ‘commerciële loterijen en goede doelen’

Werkblad 2: Wat is dat precies, een Goed Doel?

Werkblad 3: Definitie van goede doelen

Werkblad 4: Wat is jouw mening?

Hoe-sta-ik-ervoor na les 1?

Werkblad 5: Een manier ‘verkopen’ om geld in te zamelen voor een goed doel

Werkblad 6: Aanwijzingen voor de presentatoren

Werkblad 7: Aanwijzingen voor de juryleden

Werkblad 8: Instaptoets ‘betoog’

Hoe-sta-ik-ervoor na les 2?

Werkblad 9: Het observeren van het schrijven van een kort betoog

Werkblad 10: Het observeren van commentaar geven op de hyperteksten

Werkblad 11: Het globaal lezen van de documentatie, het kiezen van een standpunt, het

intensief lezen van een bron en het zoeken van een argument

Hoe-sta-ik-ervoor na les 3?

Werkblad 12: Het observeren van het maken van een argumentatiestructuur bij een

standpunt

Werkblad 13: Het observeren van adviezen bedenken voor het maken van een

argumentatiestructuur

Werkblad 14: Het observeren van aandacht trekken van het publiek

Werkblad 15: Het observeren van het schrijven van een inleiding (eerste versie) en

werktitel bedenken

Hoe-sta-ik-ervoor na les 4?

Werkblad 16: Het observeren van het schrijven van een betoog

Hoe-sta-ik-ervoor na les 5?

Pag. 1

Pag. 3

Pag. 5

Pag. 9

Pag. 11

Pag. 13

Pag. 15

Pag. 19

Pag. 21

Pag. 23

Pag. 25

Pag. 27

Pag. 39

Pag. 45

Pag. 49

Pag. 51

Pag. 59

Pag. 67

Pag. 75

Pag. 79

Pag. 81

Pag. 103


Introductie: Een lessenserie ‘Betoog schrijven’

Samen met docenten Nederlands van verschillende scholen hebben we een lessenserie ‘Betoog

schrijven’ gemaakt waaraan jullie de komende lessen gaan werken. Deze lessenserie maakt deel

uit van een onderzoek naar schrijfvaardigheid waar Martine Braaksma vanaf 2005 tot en met

2010 aan werkt. Dit is de laatste afname op school.

Je leert in deze lessen een betoog (een overtuigende tekst) te schrijven over het onderwerp goede

doelen en commerciële loterijen. Je gaat dit op een ‘speciale manier’ doen: je maakt niet alle

schrijfopdrachten zelf, maar in plaats daarvan bekijk je filmfragmenten met daarop leerlingen die

aan het schrijven zijn. Daar maak je opdrachten over: je leert dus door andere leerlingen te

observeren.

Daar beginnen we niet meteen mee. Eerst ga je samen met klasgenoten het onderwerp verkennen

en oefenen met argumenteren. Pas daarna observeer je hoe andere leerlingen een betoog over

goede doelen schrijven. Na afloop van de lessenserie krijg je een eindtoets, je gaat dan net als in

de voortoets individueel een betoog over een ander onderwerp zelf schrijven. Straks lees je meer

over wat er in de lessen gebeurt.

Bij de lessenserie horen werkbladen, daarop staan alle opdrachten die gemaakt moeten worden

tijdens de lessen. Tijdens de lessen hoor je wanneer welk werkblad aan de beurt is. Let op:

sommige werkbladen bestaan uit meer pagina’s (soms ook de achterkant).

Aan het einde van iedere les, lever je je dossier met werkbladen weer in. Wij kijken of alle

werkbladen gemaakt zijn en hoe dat gedaan is. Hiervoor gebruiken we een leerlingvolgsysteem.

In de tabel op de achterkant van deze pagina staat wat er in grote lijnen in de lessenserie gedaan

wordt en welk materiaal daarbij hoort.

We wensen je veel plezier met de lessen!

Amsterdam, januari 2009

Else Pistoor (docent) en Martine Braaksma (onderzoeker)

Instituut voor de Lerarenopleiding

Universiteit van Amsterdam

1


Inhoud lessenserie ‘Betoog schrijven’

Onderdeel Materiaal

1. Voorkennis oproepen

Bedenken wat je al weet over en vindt van goede doelen en

(commerciële) loterijen, nadenken over criteria voor goede

doelen en een definitie van goede doelen schrijven.

2. Overtuigen

Een manier ‘verkopen’ voor het inzamelen van geld voor een

goed doel.

Kijken wat je al weet van argumentatie.

3. Argumentatie en inhoud van je betoog

Het observeren van leerlingen die een kort betoog afmaken en

commentaar geven en krijgen op dat betoog.

Het lezen van documentatie over de kwestie en een standpunt

kiezen.

4. Presentatie van je betoog

Het observeren van leerlingen die argumentatie bedenken

voor hun standpunt met behulp van de documentatie.

Het observeren van leerlingen die oefenen met argumentatie

aanbieden en aandacht trekken van publiek

Het observeren van leerlingen die een eerste versie van de

inleiding van hun betoog schrijven.

5. Betoog schrijven

Het observeren van leerlingen die een betoog over goede

doelen en commerciële loterijen schrijven

2

Werkblad 1

Werkblad 2

Werkblad 3

Werkblad 4

Werkblad 5

Werkblad 6

Werkblad 7

Werkblad 8

Werkblad 9

Werkblad 10

Werkblad 11

Documentatiemap en

jaarverslag Postcode

Loterij 2006

Werkblad 12

Werkblad 13

Werkblad 14

Werkblad 15

Werkblad 16

Al je eerder gemaakte

werkbladen,

documentatiemap en

jaarverslag Postcode

Loterij 2006


Werkblad 1: Instaptoets ‘commerciële loterijen en goede doelen’

Zie apart uitgedeelde instaptoets (10 min). Individueel

3


Werkblad 2: Wat is dat precies, een Goed Doel?

Lees deze instructie goed voor je aan het werk gaat!

Opdracht 2a (10 min). Individueel

Stel je de volgende situatie voor: Je mag 500 euro besteden aan vijf goede doelen, maar je

hoeft niet ieder doel hetzelfde te geven. Wel moet ieder van de vijf minstens 50 euro krijgen.

Als je geen vijf goede doelen had, moet je er een bij kiezen. Als je er meer had, moet je er een

of meer laten vallen tot je er vijf hebt. Schrijf in trefwoorden op het kaartje waarom je dit doel

erbij neemt of laat vallen.

Schrijf op de achterkant van de kaartjes van de vijf goede doelen waaraan je geld aan wilt

geven hoeveel geld je aan dat doel wilt besteden en geef met een of meer trefwoorden aan

waarom dit doel meer of minder krijgt dan andere goede doelen. Als je ze allemaal hetzelfde

geeft, schrijf dan op waarom je deze keuze hebt gemaakt.

Schrijf voor jezelf op aan welk van de tien goede doelen je nooit iets zou geven en waarom

niet.

Opdracht 2b (15 min). Groepswerk

Voor het groepswerk hebben jullie 15 minuten de tijd. Dan gaat de wekker.

1. Eerst leest iedereen voor aan welk doel hij het meeste geld heeft gegeven en waarom.

Begin met dit goede doel en vul de informatie in op het formulier op pagina 7. Iedereen

schrijft in trefwoorden op welk doel dit is, waarom dat een belangrijk doel is en hoe groot

het bedrag is. In een vakje staan dus alle leerlingen die dat doel gekozen hebben. Dus per

vakje, één goed doel. Ga dan verder met het doel dat op de tweede plaats staat, enzovoort.

Denk erom: geen discussies, maar noteren. Bijvoorbeeld:

Het Goede Doel

1 wnf (Else)

wnf (Martine)

wnf (Tamar)

Ik geef aan dit doel omdat Het bedrag is

dieren belangrijk

bang voor uitsterven

goede acties als dier in nood

5

100 euro

150 euro

75 euro

2 Ga door tot je er drie hebt. Als de wekker eerder gaat, houd je op. Zorg er wel voor dat

iedereen aan de beurt is geweest.

3. Maak met elkaar onderstaande lijst af. Als je het oneens bent, geldt het principe van de

meeste stemmen. Trefwoord(en) voor motivatie.


Wij zouden beslist niets geven aan:

1.

2.

3.

Als jullie nog tijd over hebben, bespreek dan op basis waarvan jullie je beslissingen hebben

genomen. Schrijf hieronder op over welke overwegingen jullie het eens zijn. Dat noemen we

de criteria die jullie gebruikt hebben bij jullie keuze om wel of niet iets aan een goed doel te

geven.

Gemeenschappelijke criteria

1.

2.

3.

6


Onze Goede Doelen

Het Goede Doel

1

2

3.

Ik geef aan dit doel omdat Het bedrag is

7


Werkblad 3: Definitie van goede doelen

Opdracht 3 (5 min). Individueel

Het is de bedoeling dat je op basis van wat je in deze eerste les met elkaar hebt besproken,

jouw definitie (omschrijving) geeft van goede doelen. Je mag hierbij de informatie van

werkblad 2 gebruiken. Je maakt deze opdracht alleen. Je hebt hiervoor 5 minuten de tijd.

Definitie (omschrijving)

Een goed doel is een goed doel als….

9


Werkblad 4: Wat is jouw mening?

Opdracht 4a (5 min). Individueel

Hieronder lees je acht uitspraken over goede doelen, loterijen en de combinatie van die twee.

Geef bij iedere uitspraak aan of je het ermee bent of niet. Omcirkel je keuze. Je moet kiezen.

1. Zonder de Postcode Loterij zouden de goede doelen veel minder geld krijgen.

Eens/oneens

2. Het gaat de deelnemers van de loterijen meer om de grote geldprijzen dan om de goede

doelen.

Eens/oneens

3. De werving van de Postcode Loterij is erg agressief en voor sommige mensen misleidend.

Eens/oneens

4. De ambassadeurs van de Postcode Loterij, zoals Caroline Tensen, Beau van Erven Dorens

en anderen doen goed werk.

Eens/oneens

5. Er is niets op tegen dat Boudewijn Poelmann en de anderen met wie hij samen de Postcode

Loterij bedacht heeft, jaarlijks een deel van de opbrengst ontvangen waardoor zij allen

miljonair zijn geworden.

Eens/oneens

6. Het zou beter zijn als iedere Nederlander jaarlijks een vast bedrag voor goede doelen aan de

staat zou geven.

Eens/oneens

7. De winaars worden ten onrechte gebruikt om reclame te maken voor de Postcode Loterij en

de Sponsor Bingo Loterij.

Eens/oneens

8.De Lotto is te verkiezen boven de Postcode Loterij.

Eens/oneens

11


Opdracht 4b (10 min). In tweetallen

Vergelijk je antwoorden nu met je buurvrouw of buurman. Als je het oneens bent met elkaar,

bedenk dan beiden een argument om de ander te overtuigen. Schrijf deze argumenten (in

trefwoorden) hieronder op bij het nummer van de uitspraak.

Als je het in alles met elkaar eens bent, kies dan een paar uitspraken en bedenk daarbij een

argument voor en een argument tegen.

Uitspraak

1

2

3

4

5

6

7

8

Argumenten voor Argumenten tegen

12


Hoe-sta-ik-ervoor na les 1? (Individueel)

In les 1 zijn verschillende onderdelen aan de orde geweest. Je gaat nu terugkijken en invullen

wat je allemaal gedaan hebt en hoe goed je het kan.

Wat heb je gedaan en hoe ging dat?

Hieronder staan onderdelen die in les 1 aan de orde zijn geweest. Vul achter elk onderdeel in

of het je gedaan hebt (ja/nee) en hoe goed je het kan. Gebruik om aan te geven hoe goed je dat

onderdeel kan een getal tussen 0 en 100. Het getal 0 staat voor Ik kan dit helemaal niet. Het

getal 100 staat voor Ik kan dit perfect.

Kruis achter elk onderdeel eerst ja of nee aan en vul daarna een getal tussen 0 en 100 in

0 = Ik kan dit helemaal niet

100 = Ik kan dit perfect

Onderdeel

1. Weten hoe het zit met goede doelen en commerciële

loterijen

2. Uitkiezen aan welke goede doelen ik geld zou geven. 0 ja

0 nee

3. Uitkiezen aan welke goede doelen ik beslist geen geld

zou geven.

4. Kenmerken (criteria) noemen van goede doelen

waaraan je geld zou geven.

5. Een definitie opstellen van een goed doel.

6. Een mening geven over (commerciële) loterijen en

goede doelen

13

Gedaan? Hoe goed kan je het?

0-100

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee


Werkblad 5: Een manier ‘verkopen’ om geld in te zamelen voor een goed doel

Opdracht 5a.

Stel je voor:

Jullie school doet mee aan een gezamenlijke actie van Amsterdamse scholen. Het

is de bedoeling dat in Congo een school wordt opgericht voor leerlingen uit

vluchtelingenkampen waar ze les krijgen en een beroep leren. Daarvoor is

minimaal 3.000 euro per school nodig. Voor de inzameling is één week

beschikbaar. Twee leerlingen (Sanne en Bas) doen een voorstel voor de aanpak

om die 3000 euro op jullie school bij elkaar te krijgen. Ze kunnen het niet eens

worden over de manier waarop ze het geld bij elkaar willen krijgen.

Sanne denkt dat ze het beste een praatje in alle klassen kunnen houden om

leerlingen te overtuigen dat het goede doel hun bijdrage waard is.

Sanne zegt: ‘Dat is de beste manier: iedereen kan wel een paar euro missen,

zeker als je een bijbaantje hebt. We gaan de klassen rond om alles uit te leggen

en het goede doel te promoten en we hangen posters op om mensen enthousiast

te maken. We gaan ook naar de medewerkerskamer. In de aula komt een grote

ton te staan waarin ze enveloppen met het geld kunnen stoppen. Het is de

bedoeling dat iedereen op school geeft aan de school in Congo. Dan hebben we

het zo voor elkaar. Want iedereen begrijpt dat kinderen uit vluchtelingenkampen

ook naar school moeten’.

Bas wil een loterij organiseren om geld in te zamelen. Hij denkt dat mensen

eerder bereid zullen zijn aan een goed doel te geven als ze zelf kans hebben op

een prijs. Hij stelt voor om 3000 loten te drukken. Bas zegt: ‘We krijgen veel

meer bij elkaar als we een loterij organiseren met prijzen die leerlingen kunnen

winnen. Een deel van de opbrengst van de loten is dan voor mooie prijzen.

Bijvoorbeeld als we loten van 1,50 euro maken dan is 1 euro voor ons goede doel

en 50 eurocent voor de prijzen. Dat zijn natuurlijk geen echte geldprijzen, maar

bioscoopbonnen, dvd-bonnen en als hoofdprijs een laptop.’

Sanne en Bas praten er een hele tijd over, maar ze worden het niet met elkaar

eens. De vraag is dus: haal je geld op voor de school in Congo door een

inzamelingsactie of door een loterij?

De schoolleiding besluit dat het het beste is als de school hier per klas over

stemt. Daarvoor heeft ze een werkvorm bedacht waarin de leerlingen elkaar

proberen te overtuigen van de beste inzamelingsvorm.

15


We gaan nu ook zoiets doen. We verdelen de klas in zes groepen: drie groepen zijn voor geld

ophalen (‘ton in de aula’) en drie groepen zijn voor de loterij. Deze indeling staat los van wat

je zelf vindt, je moet ook standpunten kunnen verdedigen waar je niet achter staat (‘advocaat

van de duivel’).

We trekken lootjes om de groepen in te delen. Straks moeten twee groepen (‘geld ophalen’ en

‘loterij’) met een korte posterpresentatie een jury overtuigen dat hun voorstel het beste is. Let

op: je hoort pas vlak voor de presentatie welke twee groepen dat zijn.

Jullie krijgen 30 minuten voor de voorbereiding, daarvan hebben jullie 20 minuten de tijd om

argumenten te bedenken. Als dat niet goed lukt, kan de groep na 10 minuten een (extra)

argument vragen aan de docent. Vervolgens krijgen jullie 10 minuten om een poster te maken

en de presentatie voor te bereiden.

Hieronder staat een stappenplan waarin je precies ziet hoe het allemaal in zijn werk gaat.

Opdracht 5b: Argumentatie bedenken voor de beste inzamelingsvorm (20 min). Groepswerk

Onderdeel 1.

Bedenk vier of vijf argumenten waarmee je de jury kunt overtuigen van jullie standpunt (zie

lootje). Schrijf ze in trefwoorden in de tabel op. De kolom onderschikkende argumenten vul je

pas bij onderdeel 2 in.

Ons standpunt is (kruis aan):

0 We zamelen geld in voor het goede doel (oprichting school in Congo) door geld op te

halen (‘ton in de aula’).

0 We zamelen geld in voor het goede doel (oprichting school in Congo) door een loterij

te organiseren.

Argument

1.

2.

Onderschikkend argument

16


3.

4.

5.

Onderdeel 2.

Kies nu de drie sterkste argumenten en omcirkel die. Bedenk daarna onderschikkende

argumenten voor deze drie argumenten. Met onderschikkende argumenten bedoelen we

argumenten die de (hoofd)argumenten ondersteunen. Let op dat het onderschikkende

argument geen nieuw argument is: het onderbouwt een argument.

Opdracht 5c: Een poster maken (10 min). Groepswerk

Jullie gaan een poster maken waarmee twee groepsleden (de presentatoren) straks de jury

gaan overtuigen van jullie standpunt.

Wat staat op de poster?

• Jullie standpunt (We zamelen geld in voor het goede doel (oprichting school in

Congo) door of geld op te halen (‘ton in de aula’) of door een loterij te organiseren.

• Jullie drie argumenten

• Jullie onderschikkende argumenten

• De namen van de groepsleden, onderstreep de namen van de twee presentatoren

Op een apart kaartje schrijven jullie een slotzin waarmee je de jury over de drempel trekt. Die

zin leest de presentator voor als slot van de presentatie (hij mag de zin ook uit het hoofd

doen).

Let op: schrijf groot en duidelijk op jullie poster. Iedereen moet het kunnen lezen. Als je

verschillende kleuren gebruikt, wees dan consequent. Lever de poster in bij de docent.

17


Werkblad 6: Aanwijzingen voor de presentatoren

Opdracht 6.

1. Jullie presentatie duurt maximaal twee minuten. Als de kookwekker gaat, mag je je zin

afmaken.

2. Bedenk een taakverdeling. Mogelijkheden:

(a) leerling 1 presenteert, leerling 2 wijst het aan op de poster.

(b) Leerling 1 geeft het standpunt, leerling 2 geeft de argumentatie, leerling 1 rondt af.

(c)….

3. Voordat je begint met presenteren, hang je je poster op.

4. Let erop dat je zowel de klas als de jury toespreekt.

5. Draai je niet om naar de poster en ga ook niet voor de poster staan zodat niemand hem kan

lezen. De poster is een hulpmiddel, het gaat erom dat jullie de jury en het publiek

overtuigen.

19


Werkblad 7: Aanwijzingen voor de juryleden

Opdracht 7.

De jury bestaat uit vijf leerlingen die komen uit de groepen die niet presenteren. De docent

wijst de juryvoorzitter aan.

Voor en tijdens de presentaties

1. Iedere presentatie duurt maximaal twee minuten. Als de kookwekker gaat, mag de

presentator zijn zin afmaken.

2. Verdeel de taken, twee juryleden letten op de argumentatie en twee letten op de

presentatie. De voorzitter bewaakt de tijd, zorgt ervoor dat alles goed gaat en deelt de

uitslag mee.

3. Tijdens de presentatie zet je als jurylid trefwoorden in het onderstaande schema. Als je op

de argumentatie gaat letten, vul je die kolommen in, als je op de presentatie gaat letten,

vul je die kolommen in.

Groep

1

2

Argumentatie Presentatie

Sterke punten Zwakke punten Sterke punten Zwakke punten

21


Tijdens het juryoverleg (4 minuten)

4. Ieder jurylid bepaalt voor zichzelf (in stilte!) welke groep de winnaar is en waarom.

Mijn winnaar is groep ….

Want….

De juryvoorzitter doet dit ook, maar leidt eerst de inventarisatie (stap 5) en vertelt welke

groep zijn voorkeur heeft aan het einde of als de stemmen staken.

5. De juryvoorzitter vraagt aan ieder jurylid welke groep hij/zij als winnaar heeft gekozen en

waarom. Geen discussie, alleen inventarisatie.

6. Als jullie het eens zijn, vat de juryvoorzitter de sterke punten samen. Als jullie het niet

eens zijn, kun je heel kort overleggen. Anders moet je stemmen; de juryvoorzitter heeft de

doorslaggevende stem.

Na het juryoverleg

7. De juryvoorzitter deelt ‘plechtig’ aan de hele klas de winnende groep mee en licht de

keuze met een paar zinnen toe. Hiervoor heeft hij twee minuten de tijd.

22


Werkblad 8: Instaptoets ‘betoog’

Opdracht 8 (10 min). Individueel

Je gaat nu een betoog samenstellen uit twaalf onderdelen. Die staan op de volgende pagina.

Het onderwerp is ‘Dronkenschap op schoolfeesten’.

Je krijgt ook een papier met daarop een invulschema uitgedeeld. Het is de bedoeling dat je

met de twaalf onderdelen een goed lopend betoog maakt in de rechterkolom van het schema.

Bij ieder argument hoort een onderschikkend argument.

De onderdelen zijn alfabetisch gerangschikt. Let op: een van de twaalf onderdelen is de titel.

De grijs-gearceerde onderdelen in het schema betekenen dat je daar in de tekst een regel wit

zou schrijven. In de linkerkolom zie je om welk tekstdeel het gaat.

Veel succes!

23


1. Daarnaast is voorkomen gemakkelijker dan genezen. Daarmee bedoel ik dat ongelukken of

andere slechte ervaringen niet leiden tot minder alcoholgebruik.

2. Dit zal zeker leiden tot gemopper en gebrom over bemoeizucht en onvoldoende vertrouwen in

de jeugd, maar dat soort opmerkingen zijn onlosmakelijk verbonden met opvoeden.

Daarachter mag geen enkele school zich verschuilen. Binnen de muren van de school mogen

geen dronken leerlingen rondlopen.

3. Drank maakt ook op school meer kapot dan u lief is

4. Een dergelijke verzuchting roept de vraag op: Moet de school maatregelen nemen tegen

dronkenschap op schoolfeesten?

5. Eén keer snel achter elkaar vijf of zes glaasjes achterover slaan, leidt al tot blijvende schade,

zo stelt de Amerikaanse neuroloog Scott Swartzwelder. (Kennislink.nl: coma zuipen neemt

toe, 26.11.2007).

6. En juist jongeren worden geconfronteerd met alcohol als sociale smaakmaker. In de soap

Onderweg naar Morgen drinken de spelers iedere vijf minuten een drankje, vooral op feestjes,

in cafés en thuis met vrienden. Ook investeren de alcoholproducenten veel geld in reclames,

die alcohol verbinden met gezelligheid. Een goed voorbeeld zijn de filmpjes van Bacardi

waarbij iedereen uit zijn dak gaat. (Website STAP).

7. Het lijkt me dat geen enkele school deze argumenten kan negeren: hersenbeschadiging, het

bagatelliseren van negatieve ervaringen met alcohol en het bieden van de mogelijkheid op

plezier zonder alcohol. De school kan dit probleem waarschijnlijk niet oplossen zonder de

jongeren, de ouders en de overheid. Maar zij kan er in ieder geval voor zorgen dat op

schoolfeesten, excursies en schoolreizen geen of slechts zeer beperkt alcohol wordt

geschonken of gedronken.

8. Integendeel, de meeste jongeren vinden het juist ‘cool’ wat er gebeurt. Zelfs ongelukken of

ziekenhuisopnames nemen zij op de koop toe, omdat het zo’n leuke avond was, waarop ze

veel hebben gelachen’. (Website van STAP, onderzoek uit 2007). Slechts een enkeling gaat

daarna minder drinken.

9. Juni 2008 was er een slotfeest op een school in Utrecht. Na een uur feesten en dansen, viel een

vijftienjarige leerling op de grond. De ouders moesten gebeld worden om hem op te komen

halen omdat de leerling te dronken was om nog zelfstandig naar huis te gaan. De lerares die de

ouders moest bellen, verzuchtte: ‘Dit is nu al de derde keer dit schooljaar’.

10. Mijn antwoord is: Ja, dat behoort tot de taak van de school.

11. Om te beginnen blijkt uit onderzoek dat alcohol erg schadelijk is voor de ontwikkeling van

jonge hersenen. (Website ‘Uw kind en alcohol.nl’).

12. Ten slotte is het belangrijk dat leerlingen op schoolfeesten ervaren dat ze op een schoolfeest

plezier kunnen hebben zonder te drinken of met slechts een enkel biertje. Onderzoek uit 2005

(website STAP) toont aan dat de houding ten opzichte van drank voor een groot deel bepaald

wordt op de 15- of 16-jarige leeftijd.

24


Hoe-sta-ik-ervoor na les 2? (Individueel)

In les 2 zijn verschillende onderdelen aan de orde geweest. Je vindt ze hieronder weer terug.

Wat heb je gedaan en hoe ging dat?

Hieronder staan onderdelen die in les 2 aan de orde zijn geweest. Vul achter elk onderdeel in

of het je gedaan hebt (ja/nee) en hoe goed je het kan. Gebruik om aan te geven hoe goed je dat

onderdeel kan een getal tussen 0 en 100. Het getal 0 staat voor Ik kan dit helemaal niet. Het

getal 100 staat voor Ik kan dit perfect.

Kruis achter elk onderdeel eerst ja of nee aan en vul daarna een getal tussen 0 en 100 in

0 = Ik kan dit helemaal niet

100 = Ik kan dit perfect

Onderdeel

1. Argumenten bedenken voor een manier om geld

op te halen voor een goed doel.

2. Onderschikkende argumenten bij de argumenten

bedenken voor een manier om geld op te halen

voor een goed doel.

3. Een poster maken met daarop onder andere het

standpunt en de argumentatie voor de gekozen

manier.

4. Een jury overtuigen met een poster dat onze

manier de beste is.

5. Als je presentator was: een publiekgericht

pleidooi houden voor jouw manier.

6. Als je jurylid was: een oordeel geven over een

presentatie van medeleerlingen.

7. Een betoog samenstellen uit twaalf gegeven

onderdelen.

25

Gedaan? Hoe goed kan je het?

0-100

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee


Werkblad 9: Het observeren van het schrijven van een kort betoog (Hyp*Obs)

Opdracht 9 (15 min). In tweetallen

Andere leerlingen krijgen nu de opdracht een kort betoog af te maken over de bestemming van

2000 euro aan een goed doel.

Jullie gaan niet zelf schrijven. Jullie gaan kijken naar de manier waarop twee andere

leerlingen vorig jaar de opdracht hebben uitgevoerd. Je maakt daar een paar vragen over. De

opdracht voor die leerlingen was (lees door, niet zelf maken):

Opdracht 9

Jullie gaan een kort betoog afmaken over de bestemming van 2000 euro aan een goed doel. In

dit betoog komen twee argumenten en een onderschikkend argument. Het publiek van het

betoog is een (leerling)jury die moet kiezen uit de voorstellen met bestemmingen. Lees

onderstaande aanwijzingen voordat je begint.

We hebben al een inleiding geschreven:

Klaverjassen met Dimitri en Wari * met Willemijn

Ik zou mijn buren graag beter willen kennen, daarom knik ik ze vriendelijk toe, als ik ze

tegenkom. Maar een praatje maken, komt er niet van. Dat komt onder andere doordat in mijn

buurt, de Oosterparkbuurt, mensen wonen uit veel verschillende culturen: Turken,

Marokkanen, Nederlanders, Surinamers, Russen, Polen en ga zo maar door. Helaas is er

weinig contact tussen deze bevolkingsgroepen. En het is ook erg moeilijk om een initiatief te

bedenken waarbij gesprekken ontstaan. Een buurtfeest bijvoorbeeld leidt niet tot doorbreking

van de groepjes. Dat zou ik liever anders zien en daarom pleit ik ervoor om de 2000 euro te

besteden aan een groot en gezellig Spelletjescentrum waar iedereen kan komen spelen.

Waarom een Spelletjescentrum?

* Wari: gezelschapsspel uit Ghana

(122 woorden)

Jullie schrijven dit betoog als een hypertekst.

Wat is een hypertekst?

Een hypertekst is een digitale tekst waarin stukjes tekst niet altijd achter elkaar staan maar met

elkaar verbonden zijn via ‘links’ (actieve verwijzingen). Voorbeelden van hyperteksten zijn

‘doorklikbare’ teksten op het internet zoals de website van Klokhuis en encyclopedieën op

CD ROM.

27


Hoe maak je een hypertekst in Word?

Maak een aparte map (directory) waar al je hypertekst-pagina’s inkomen en geef die map een

naam: ‘minibetoog_jullie namen’.

1. Open een lege pagina in Word en typ daarin de laatste woorden van de inleiding:

“Waarom een spelletjescentrum”. Die pagina is dus de inleiding. Sla deze pagina op in

de map ‘minibetoog_jullie namen’ en noem hem ‘startpagina’.

2. Je gaat nu een hyperlink maken. Selecteer de woorden ‘Waarom een

Spelletjescentrum?’ en ga met de muis naar ‘invoegen’ en dan naar ‘hyperlink’.

3. Kies in het veld ‘koppelen aan’ voor ‘nieuw document maken’. Zorg ervoor dat in het

veld ‘tijdstip voor bewerken’ ‘Nu bewerken’ is aangevinkt.

4. Geef het document een naam (argumentatie) en kies de map ‘minibetoog_jullie

namen’ om je document in op te slaan. Zoek de juiste directory onder de knop

‘wijzigen’. Sla je document dus in dezelfde map op als waarin je ‘startpagina’ staat!

Bedenk nu twee argumenten en een onderschikkend argument voor dit goede doel (het

Spelletjescentrum). Die argumenten en het onderschikkende argument bedenken jullie dus

zelf.

5. Bedenk nu of je meteen je twee argumenten met het onderschikkende argument wilt

geven in deze nieuwe hypertekstpagina die ‘argumentatie’ heet. Of dat je per argument

of onderschikkend argument een nieuwe pagina wilt maken. Je kunt allerlei keuzes

maken voor de weg die je wilt volgen.

Welke weg je ook kiest, in een of meerdere pagina’s beargumenteer je je standpunt. Daarbij

kun je gebruik maken van nieuwe pagina’s om aanvullende informatie te geven.

Hyperlinks naar nieuwe pagina’s maak je zoals hierboven beschreven is (stap 3 tot en met 5).

Ook schrijf je het slot van de tekst. Hierin herhaal je je standpunt in andere woorden en je

eindigt met een zin waarmee je de lezer over de streep trekt.

Voor het slot maak je een nieuwe pagina met behulp van stap 3 tot en met 5. Kies zelf vanuit

welk tekstgedeelte je de link naar het slot wilt maken.

Let op:

1. Als je een link wilt maken naar een bestaande pagina, dan kies je bij stap 4 in het veld

‘koppelen aan’ voor ‘bestaand document of webpagina’. Bijvoorbeeld als je links

terug naar de inleiding wilt maken.

2. Je kunt met CTRL + KLIK (muisklik) testen of de links werken.

3. Sla de documenten uit je hypertekst allemaal in dezelfde map (directory) op! Anders

kunnen de links niet geopend worden.

Zorg ervoor dat je een volledige tekst schrijft in hypertekstvorm: inleiding, argumentatie en

slot. Maar in tegenstelling tot een ‘gewone’ tekst schrijf je niet ‘achter elkaar door’! Je laat de

lezer zelf zijn weg kiezen.

Als je al schrijvend bedenkt dat je ergens een link naar extra informatie zou willen maken,

dan maak je vast de link en zet je op de lege pagina “informatie zoeken over…”.

28


Jullie gaan dus niet zelf deze opdracht uitvoeren, maar jullie observeren steeds twee

leerlingen die samen opdracht 9 gemaakt hebben.

Jullie krijgen vier kijkopdrachten die steeds over iets anders gaan.

29


Kijkopdracht 1: Mogelijkheden van hyperteksten schrijven

Jullie zien nu op een filmpje hoe Linda en Bart bezig zijn met opdracht 9 (het schrijven van

een hypertekst). Ze hebben de opdracht en de technische instructie doorgelezen, gekeken hoe

het technisch in zijn werk gaat, en een nieuwe pagina gemaakt. Bart gaat nu terug naar de

inhoud van het betoog (het bedenken van twee argumenten en een onderschikkend argument).

Hoe kun je dat aanpakken in een hypertekst?

Kijk goed hoe Bart en Linda dit aanpakken en tot welke keuze zij komen. Na het observeren

vragen we jullie of jullie dit de beste keuzen vinden en moeten jullie je antwoord toelichten.

Open het fragment van Bart en Linda (Bart_Linda_Hyp_9 uit de map ) en bekijk dat.

Als je het nodig vindt, kun het fragment nog eens bekijken.

Hieronder kun je aantekeningen maken als je aan het observeren bent. Vul in hoe vaak je het

fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Bart en Linda ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Bart stelt een vraag.

a. Welke vraag stelt Bart? Schrijf de vraag helemaal op:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

b. Waar kiest Linda voor?

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

30


…………………………………………………………………………………………………

2. Er zijn dus twee mogelijkheden. Welke? Schrijf op:

1…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………..

2…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

Wat vinden jullie de beste keuze en waarom?

De beste keuze is …………………………………………..

omdat…………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………..

…………………………………………………………………………………………………..

………………………………………………………………………………………………….

31


Kijkopdracht 2: Argumenten bedenken

Jullie zien nu op een filmpje hoe Eva en Victor de hypertekst aan het schrijven zijn (opdracht

9). Ze zijn bezig met het bedenken van argumenten.

Kijk goed hoe Eva en Victor hiermee bezig zijn en welke argumenten ze voorstellen. Na het

observeren vragen we jullie welk voorstel jullie het beste lijkt en moeten jullie je antwoord

toelichten.

Open het fragment van Eva en Victor (Eva_Victor_Arg_9 uit de map ) en bekijk dat.

Als je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Eva en Victor ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Eva en Victor verschillen van mening over het opnemen van een argument.

a. Welk argument stelt Victor voor?

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

b. Welk bezwaar heeft Eva daartegen?

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

32


2. Wie heeft gelijk? Omcirkel Eva of Victor en licht toe.

Eva / Victor heeft gelijk, omdat…..

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………..

…………………………………………………………………………………………………..

………………………………………………………………………………………………….

33


Kijkopdracht 3: Werken aan het slot

Jullie gaan nu twee filmpjes bekijken waarin leerlingen aan het slot werken. Eerst zie je Eva

en Victor en daarna Floor en Roemer.

Kijk goed hoe deze twee duo’s hiermee bezig zijn. Na het observeren moeten jullie de aanpak

van beide tweetallen vergelijken en moeten jullie je antwoord toelichten.

Open eerst het fragment van Eva en Victor (Eva_Victor_Slot_9 uit de map ) en bekijk

dat. Als je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Daarna openen jullie het fragment van Floor en Roemer (Floor_Roemer_Slot_9 uit de map

) en bekijk dat. Als je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Eva en Victor ( …. keer bekeken):

Floor en Roemer (…. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Wie doen het beter? (Kruis jullie antwoord aan)

0 Eva en Victor

0 Floor en Roemer

34


2. Licht jullie antwoord toe. Jullie mogen hierbij kiezen uit a) of b). Vul de namen in:

a) ……… en ………… doen het beter omdat:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

b) …… en ………… doen het minder goed omdat:

………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

35


Kijkopdracht 4: Werken aan de uitsmijter (de slotzin)

Jullie gaan nu twee filmpjes bekijken waarin leerlingen aan de uitsmijter (slotzin) werken.

Eerst zien jullie Lotte en Tim en dan Eva en Victor.

Kijk goed hoe deze twee duo’s hiermee bezig zijn. Na het observeren moeten jullie de aanpak

van beide tweetallen vergelijken en moeten jullie je antwoord toelichten.

Open eerst het fragment van Lotte en Tim (Lotte_Tim_Uitsmijter_9 uit de map ) en

bekijk dat. Als je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Daarna openen jullie het fragment van Eva en Victor (Eva_Victor_Uitsmijter_9 uit de map

) en bekijk dat. Als je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Lotte en Tim ( …. keer bekeken):

Eva en Victor ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Wie doen het beter? (Kruis jullie antwoord aan)

0 Lotte en Tim

0 Eva en Victor

2. Licht jullie antwoord toe. Jullie mogen hierbij kiezen uit a) of b). Vul de namen in:

a) ………. en ………… doen het beter omdat:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

36


…………………………………………………………………………………………………

b) ……… en ………… doen het minder goed omdat:

………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

3. Floor en Roemer zijn ook bezig geweest met het schrijven van de uitsmijter. Bekijk het

fragment van Floor en Roemer (Floor_Roemer_Uitsmijter_9 uit de map ). Als je het

nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

AANTEKENINGEN

Floor en Roemer ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren van Floor en Roemer de onderstaande opdrachten.

1. Je hebt nu in totaal drie tweetallen aan het werk gezien met de uitsmijter. Welk tweetal

deed het het best en welk tweetal deed het het minst goed?

Kruis aan:

a. Het beste tweetal was: 0 Tim en Lotte

0 Eva en Victor

0 Floor en Roemer

Omdat:

………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

37


…………………………………………………………………………………………………

b. Het minst goed deden het: 0 Tim en Lotte

0 Eva en Victor

0 Floor en Roemer

Omdat:

………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

38


Werkblad 10: Het observeren van commentaar geven op de hyperteksten (hyp*obs)

Opdracht 10 (15 min). In tweetallen

Net als bij werkblad 9 gaan jullie andere leerlingen observeren die aan het werk zijn. Die

leerlingen geven samen commentaar op teksten die geschreven zijn door andere leerlingen.

Jullie krijgen vier kijkopdrachten die steeds over iets anders gaan.

39


Kijkopdracht 1: Commentaar op de argumentatie (1)

Eva en Victor geven commentaar op de hypertekst van Bart en Linda (werkblad 9). Ze

gebruiken een commentaarformulier en een van de eerste vragen daarop is: ‘Wat ons opvalt is

….’.

Jullie zien in het fragment wat ze over deze vraag zeggen. Op de volgende pagina staat het

tekstdeel dat geschreven is door Bart en Linda en waarover Eva en Victor praten.

Open het fragment van Eva en Victor (Eva_Victor_Commentaar Arg_10 uit de map )

en bekijk dat in samenhang met het tekstdeel.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Eva en Victor ( …. keer bekeken):

Tekstdeel (argumentatie) van Bart en Linda

1. Om van jongs af aan kinderen te leren met elkaar om te gaan, zodat op latere leeftijd de

etnische scheidingsmuur tussen bevolkingsgroepen weg zal vallen.

2. Om zo de mensen in ieder geval de kans te geven elkaar te leren kennen, ook al hebben ze

dan een hele andere cultuur en geloofsovertuiging.

- Mensen blijven binnen hun eigen groep, waar hun cultuur word aangehouden en hun geloof

hetzelfde is. Door deze mensen met elkaar te laten kennismaken ontstaat er een betere

verhouding tussen culturen die anders misschien wel nooit met elkaar zouden omgaan.

Beantwoord na het observeren de volgende vraag (omcirkel jullie keuze) en licht toe.

1. Hebben Eva en Victor gelijk of ongelijk?

Eva en Victor hebben gelijk / ongelijk omdat ……….

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………..

40


Kijkopdracht 2: Commentaar op de argumentatie (2)

Bart en Linda geven commentaar op de hypertekst van Eva en Victor (werkblad 9). Ze

gebruiken het commentaarformulier met vragen over de argumentatie.

Jullie zien in het fragment wat ze hierover zeggen. Hieronder staat het tekstdeel dat

geschreven is door Eva en Victor en waarover Bart en Linda praten.

Open het fragment van Bart en Linda (Bart_Linda_Commentaar Arg_10 uit de map )

en bekijk dat in samenhang met het tekstdeel.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Bart en Linda ( …. keer bekeken):

Tekstdeel (argumentatie) van Eva en Victor

Argument 1

Het is goed voor de sociale contacten.

• Het spelletjes centrum lost ook nog de overlast in de buurt op doordat alle

hangjongeren naar dat centrum komen en gaan spelen.

Argument 2

Beantwoord na het observeren de onderstaande vraag (omcirkel jullie keuze) en licht toe.

1. Hebben Bart en Linda gelijk of ongelijk?

Bart en Linda hebben gelijk / ongelijk omdat ……….

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………..

41


Kijkopdracht 3: Commentaar op het slot (1)

Eva en Victor geven commentaar op het slot van Bart en Linda. Ze moeten de kwaliteit

beoordelen met -, +/- en +.

Jullie zien in het fragment wat ze hierover zeggen. Hieronder staat het tekstdeel dat

geschreven is door Bart en Linda en waarover Eva en Victor praten.

Open het fragment van Eva en Victor (Eva_Victor_Commentaar Slot_10 uit de map )

en bekijk dat in samenhang met het tekstdeel.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Eva en Victor ( …. keer bekeken):

Tekstdeel van Bart en Linda (slot)

Een groot en gezellig Spelletjescentrum bevorderd het contact tussen bevolkingsgroepen

waardoor deze mensen beter samen kunnen leven.

Beantwoord na het observeren de onderstaande vraag (omcirkel jullie keuze) en licht toe.

1. Hebben Eva en Victor gelijk of ongelijk?

Eva en Victor hebben gelijk / ongelijk omdat ……….

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………..

42


Kijkopdracht 4: Commentaar op het slot (2)

Bart en Linda geven commentaar op het slot van Eva en Victor. Ze gebruiken ook het deel

van het commentaarformulier waarin een oordeel gegeven moet worden over de kwaliteit met

-, +/- en +.

Jullie zien in het fragment wat ze hierover zeggen. Hieronder staat het tekstdeel dat

geschreven is door Eva en Victor en waarover Bart en Linda praten.

Open het fragment van Bart en Linda (Bart_Linda Commentaar Slot_10 uit de map )

en bekijk dat in samenhang met het tekstdeel.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Bart en Linda ( …. keer bekeken):

Tekstdeel van Eva en Victor (slot)

Het slot

Het spelletjes centrum zal de buurt goed doen want hierdoor krijg ik meer sociale contacten

met de buurt en leer ik nog leuke spelletjes kennen. Dus geef de €2000 aan het

spelletjescentrum: Want wie vind spelen nou niet leuk.

Beantwoord na het observeren de onderstaande vraag (omcirkel jullie keuze) en licht toe.

1. Hebben Bart en Linda gelijk of ongelijk?

Bart en Linda hebben gelijk / ongelijk omdat ……….

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………..

43


Werkblad 11: Het globaal lezen van de documentatie, het kiezen van een standpunt, het

intensief lezen van een bron en het zoeken van een argument

Opdracht 11a (10 min). Individueel

De kwestie waarover je in deze lessenserie een betoog gaat schrijven is:

Moeten goede doelen losgekoppeld worden van commerciële loterijen?

Lees voor je je standpunt bepaalt, de documentatie globaal. Bepaal op basis daarvan je

standpunt. Natuurlijk mag je aantekeningen maken in de documentatie.

Mijn standpunt is:

Goede doelen moeten …..

Opdracht 11b (10 min). Individueel

Lees nu bron 1 en een andere bron intensief en beantwoord de richtvraag die bij deze bron

hoort. Als je tijd over hebt, lees dan nog een bron en maak de richtvragen die daarbij horen.

Richtvragen bij de documentatie

Bron 1 - Loterijen in Nederland

[Geen richtvragen]

Bron 2 – Informatie uit het jaarverslag 2006 van de Nationale Postcode Loterij

Richtvraag

A. Hoeveel geld besteedt de Postcode Loterij aan wervingskosten?

B. Wat vind je van de manier van werven van de Postcode Loterij? Je mag naast de tekst ook

eigen ervaringen gebruiken.

Bron 3 – Goed geld zonder grenzen

45


Richtvraag

Wat is de kritiek op de Postcode Loterij en hoe reageren de bedenkers en de toezichthouders

daarop?

Bron 4 – Loket loterij is niet gesloten

Richtvraag

Hoe reageert de voorzitter van de Postcode Loterij (Poelmann) op de kritiek uit het artikel Een

gesloten loket uit de Volkskrant van 18 juni 2005?(Daarin werd gezegd dat het voor

nieuwkomers op de Goede-Doelen-markt moeilijk is om geld van de Postcode Loterij te

krijgen.) Noem minstens vier punten.

A

B

C

D

Bron 5 – Verbied de postcodeloterij!

Richtvraag

A. Wat is het belangrijkste argument van de schrijver tegen de Postcodeloterij?

46


B. In de laatste twee alinea’s van de tekst bespreekt de schrijver twee tegenargumenten van de

Postcodeloterij:

1 Het gaat om de Goede Doelen.

2 De mensen zijn zelf verantwoordelijk voor hun daden.

Leg bij ieder tegenargument uit waarom de schrijver het er niet mee eens is.

1

2

Bron 6 – Raarlems Dagklad

Richtvraag

A. Wat is de aanleiding voor het opzeggen van de BankGiroLoterij?

B. Wat is de reden voor het opzeggen van de BankGiroLoterij?

Opdracht 11c (10 min). Individueel

Je hebt nu een standpunt over de kwestie. Daarnaast heb je je al enigszins ingelezen in de

documentatie. Nu de argumenten nog. Schrijf hieronder in trefwoorden mogelijke

argumenten voor je standpunt:

1 …

2 …

3 …

4 …

47


Kies het belangrijkste argument uit en schrijf dat op in een of meer zinnen. Zet er tussen

haakjes achter uit welke bron dit argument afkomstig is. Beschrijf die bron nauwkeurig.

Bijvoorbeeld: ‘Skanfonds, Jaarverslag 2006 Nationale Postcode Loterij, pag. 11.’.

Als je een argument hebt gebruikt dat je zelf hebt bedacht, schrijf je je naam erachter.

Mijn belangrijkste argument is:

48


Hoe-sta-ik-ervoor na les 3? (Hyp*Obs) (Individueel)

In les 3 zijn verschillende onderdelen aan de orde geweest. Bij een aantal daarvan heb je

leerlingen geobserveerd.

Wat heb je gedaan of geobserveerd en hoe ging dat of hoe goed kan je het zelf?

Hieronder staan onderdelen die in les 3 aan de orde zijn geweest. Vul achter elk onderdeel in

of het je gedaan of geobserveerd hebt (ja/nee) en hoe goed je het zelf kan. Gebruik om aan te

geven hoe goed je dat onderdeel zelf kan een getal tussen 0 en 100. Het getal 0 staat voor Ik

kan dit (zelf) helemaal niet. Het getal 100 staat voor Ik kan dit (zelf) perfect.

Kruis achter elk onderdeel eerst ja of nee aan en vul daarna een getal tussen 0 en 100 in

0 = Ik kan dit (zelf) helemaal niet

100 = Ik kan dit (zelf) perfect

Onderdeel

1. Een kort betoog afmaken over het goede doel

‘een Spelletjescentrum’

2. Hyperlinks maken in een hypertekst in Word

49

Gedaan of

Geobserveerd?

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

3. Een hypertekst opslaan in Word. 0 ja

0 nee

4. Commentaar geven op een hypertekst

geschreven door leerlingen.

0 ja

0 nee

5. Documentatie globaal lezen 0 ja

0 nee

6. Een standpunt binnen de kwestie innemen 0 ja

0 nee

7. Een bron intensief lezen en een gerichte vraag

beantwoorden

0 ja

0 nee

8. Argumenten voor mijn standpunt bedenken 0 ja

0 nee

9. Het belangrijkste argument kiezen

0 ja

0 nee

Hoe goed kan je het

(zelf)? 0-100


Werkblad 12: Het observeren van het maken van een argumentatiestructuur bij een

standpunt (Hyp*Obs)

Opdracht 12 (25 min). Individueel

Andere leerlingen kregen de opdracht om een schema en een argumentatiestructuur te maken

van informatie uit het documentatiemateriaal. Jij gaat dat niet zelf doen, maar je observeert

net als in de vorige les leerlingen die met deze opdracht bezig zijn. De opdracht (in cursief)

luidde als volgt (lees door, niet zelf maken):

Opdracht 12a.

Pak je documentatiemateriaal, lees het door en schrijf argumenten en onderschikkende

argumenten voor je standpunt in trefwoorden op in onderstaande tabel. Noteer ook

interessante aanvullende informatie. Let op dat je ook het nummer van de bron invult, dan

kun je de informatie later gemakkelijk terugvinden. Je hebt hiervoor 20 minuten de tijd.

Mijn standpunt is…..

Bron

Argument Onderschikkend argument Extra

informatie

51


Bron

Opdracht 12b.

Argument Onderschikkend argument Extra

informatie

Kies minimaal drie argumenten die je straks in je overtuigende tekst wilt gebruiken en zet

deze met de onderschikkende argumenten in de argumentatiestructuur op de volgende pagina.

Werk met trefwoorden en vul zelf je standpunt neer. Je hebt hiervoor acht minuten de tijd.

52


Zet hier je argumentatiestructuur neer (werk met trefwoorden!):

Standpunt

Argument 1 Argument 2 Argument 3

Onderschikkend argument bij

argument 1

Onderschikkend argument bij

argument 2

Jij gaat nu dus niet zelf deze opdracht uitvoeren, maar je observeert twee leerlingen (Eva en

Floor) die ieder opdracht 12 gemaakt hebben. Je krijgt twee verschillende kijkopdrachten.

53

Onderschikkend argument bij

argument 3


Kijkopdracht 1: Argumentatie en extra informatie uit bronnen in een schema zetten

Je gaat nu observeren hoe Eva bezig is met opdracht 12a. Ze leest het documentatiemateriaal

door en schrijft argumenten en onderschikkende argumenten voor haar standpunt in

trefwoorden op in een tabel. Ze noteert ook interessante aanvullende informatie. Je ziet niet

alles wat Eva doet, we hebben een aantal stukjes geknipt en achter elkaar gezet.

Na het observeren moet je beschrijven hoe Eva te werk gaat als ze bezig is met het invullen

van het schema en moet je je mening daarover geven.

Open het fragment van Eva (Eva_Schema_12 uit de map ) en bekijk dat.

Als je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Eva ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Beschrijf hoe Eva te werk gaat als ze bezig is het schema in te vullen. Noem minimaal drie

punten.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

54


…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Geef je mening over deze aanpak. Wat vind je goed gaan en wat vind je minder goed gaan?

Goed gaat:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

Minder goed gaat:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

55


Kijkopdracht 2: De argumentatiestructuur invullen

Je gaat nu observeren hoe Floor bezig is met opdracht 12b. Ze moet minimaal drie

argumenten kiezen die ze straks in haar overtuigende tekst wil gebruiken en moet deze met de

onderschikkende argumenten in een argumentatiestructuur zetten. Je ziet weer niet alles wat

Floor doet, we hebben een aantal stukjes geknipt en achter elkaar gezet.

Na het observeren moet je beschrijven hoe Floor te werk gaat als ze bezig is met het invullen

van de argumentatiestructuur en moet je je mening daarover geven.

Open het fragment van Floor (Floor_Argumentatiestructuur_12 uit de map ) en bekijk

dat.

Als je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Floor ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Beschrijf hoe Floor te werk gaat als ze bezig is de argumentatiestructuur in te vullen.

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

56


…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Geef je mening over deze aanpak.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

57


Werkblad 13: Het observeren van adviezen bedenken voor het maken van een

argumentatiestructuur (Hyp*Obs)

Opdracht 13 (10 min). In tweetallen

Andere leerlingen kregen de opdracht om voor elkaar een argumentatiestructuur te maken en

daarna adviezen te bedenken voor het maken van een duidelijke argumentatiestructuur. Jullie

gaan dat niet zelf doen, maar jullie observeren leerlingen die met deze opdracht bezig zijn. De

opdracht luidde als volgt (lees door, niet zelf maken):

Opdracht 13a

Een van jullie zet de informatie van zijn/haar argumentatiestructuur van werkblad 12

(opdracht 12b) op de post it’s. Gebruik een aparte post-it voor het standpunt, een post-it voor

ieder argument, en post-it voor ieder onderschikkend argument, een post-it voor eventuele

extra informatie en een post-it voor een gebruikte bron.

Vervolgens ‘legt’ deze leerling zijn argumentatiestructuur voor de andere leerling neer en

licht inhoud (de keuze van de argumenten) en structuur (nevenschikking en onderschikking)

toe. De leerling plakt de post-its op een uitgedeeld A3-papier op en geeft een toelichting. Het

gaat ongeveer als volgt:

Mijn standpunt is ‘De identificatieplicht moet worden afgeschaft’. (Plakt post-it met

standpunt op het A3-papier.) Hiervoor heb ik drie argumenten. Het eerste is … , het tweede

is …. enzovoort (Plakt de argumenten naast elkaar op een horizontale rij op het papier) Bij

het tweede argument heb ik een onderschikkend argument …. (Plakt post-it met het

onderschikkende argument onder argument twee om de onderschikking aan te geven.

Door de argumentatie aan een ander uit te leggen en de structuur zichtbaar te maken, kun je

kijken of je structuur duidelijk is voor de lezer.

De tweede leerling stelt vragen, geeft commentaar en doet suggesties voor verbetering van de

structuur en van de inhoud van de argumenten. Het is de bedoeling dat jullie er allebei achter

komen waar je op moet letten als je argumentatie in je betoog gebruikt. Bijvoorbeeld:

• Kun je de argumentatie in een goede structuur onderbrengen? Is het voor de lezer

duidelijk wat de argumenten zijn en wat de onderschikkende argumenten zijn?

• Is dit een goed argument (inhoud) en hoe kun je het (beter) toelichten of ondersteunen?

Jullie kunnen de post-it’s verplaatsen, er aantekeningen op maken enzovoort.

Opdracht 13b

Adviezen maken

Stel nu samen één advies op voor het maken van een duidelijke argumentatiestructuur.

Schrijf allebei jullie gezamenlijke advies op werkblad 13 (hieronder).

Advies:

59


Jullie gaan nu dus niet zelf deze opdracht uitvoeren, maar jullie observeren steeds twee

leerlingen die samen opdracht 13 gemaakt hebben. Jullie krijgen 1 kijkopdracht met drie

fragmenten. Alledrie de fragmenten gaan over het maken van de adviezen (opdracht 13b).

60


Kijkopdracht 1: Het maken van adviezen voor een duidelijke argumentatiestructuur.

Fragment 1: Toon en Lotte

Jullie gaan eerst observeren hoe Toon en Lotte bezig zijn met opdracht 13b. Ze bedenken

adviezen voor het maken van een duidelijke argumentatiestructuur

Na het observeren moeten jullie opschrijven welke adviezen Toon en Lotte noemen en welk

advies jullie het beste vinden.

Open het fragment van Toon en Lotte (Toon en Lotte_Adviezen_13 uit de map ) en

bekijk dat. Als je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Toon en Lotte ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Schrijf op welke adviezen Toon en Lotte geven voor het maken van een duidelijke

argumentatiestructuur.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

61


2. Welk advies vinden jullie het beste en waarom?

Het beste advies vinden wij:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

Omdat:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

62


Fragment 2: Eva en Remco

Jullie gaan eerst observeren hoe Eva en Remco bezig zijn met opdracht 13b. Ze bedenken

adviezen voor het maken van een duidelijke argumentatiestructuur

Na het observeren moeten jullie opschrijven welke adviezen Eva en Remco noemen en welk

advies jullie het beste vinden.

Open het fragment van Eva en Remco (Eva en Remco _Adviezen_13 uit de map ) en

bekijk dat. Als je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Eva en Remco ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Schrijf op welke adviezen Eva en Remco geven voor het maken van een duidelijke

argumentatiestructuur.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

63


2. Welk advies vinden jullie het beste en waarom?

Het beste advies vinden wij:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

Omdat:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

64


Fragment 3: Floor en Jitse

Jullie gaan eerst observeren hoe Floor en Jitse bezig zijn met opdracht 13b. Ze bedenken

adviezen voor het maken van een duidelijke argumentatiestructuur

Na het observeren moeten jullie opschrijven welke adviezen Floor en Jitse noemen en welk

advies jullie het beste vinden.

Open het fragment van Floor en Jitse (Floor en Jitse _Adviezen_13 uit de map ) en

bekijk dat. Als je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Floor en Jitse ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Schrijf op welke adviezen Floor en Jitse geven voor het maken van een duidelijke

argumentatiestructuur.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

65


2. Welk advies vinden jullie het beste en waarom?

Het beste advies vinden wij:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

Omdat:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

66


Werkblad 14: Het observeren van aandacht trekken van het publiek (Hyp*Obs)

Opdracht 14 (13 min). In tweetallen

Andere leerlingen kregen de opdracht om inleidingen van andere leerlingen te lezen en daar

vragen bij te beantwoorden. Jullie gaan dat niet zelf doen, maar jullie observeren leerlingen

die met deze opdracht bezig zijn. De opdracht luidde als volgt (lees door, niet zelf maken):

Lees onderstaande theorie individueel. Maak daarna in tweetallen de opdrachten.

Theorie

Met een pakkende inleiding maak je lezers nieuwsgierig naar je tekst. Dat kun je op

verschillende manieren doen. Bijvoorbeeld:

Na de kindermoord volgt het heksenproces

Op 10 september 2004 werd in een kofferbak het lijkje gevonden van de driejarige Savanna.

Ze was bezweken aan jarenlange mishandeling door haar moeder. Over de gezinsvoogden zei

een psychiater:’Zij lijken op de artsen uit de Middeleeuwen: ze zien wat er mis is, maar weten

niet wat ze eraan moeten doen.’ De psychiater kreeg veel bijval in de media en al snel was

iedereen het erover eens: de schuld lag bij de jeugdzorg.

Daarom begint deze week een soort heksenproces tegen iemand die niet schuldig is: de

gezinsvoogd van Savanna. […]

Naar: de Volkskrant, 24 oktober 2007

Wat doet de schrijver om de aandacht van het publiek te trekken?

1. De titel trekt sterk de aandacht.

2. Hij vat kort de feiten nog eens samen.

3. Hij geeft een citaat dat je aan het denken zet.

Er zijn talloze manieren om de aandacht van het publiek te trekken. We noemen er nog drie:

1. Door aan te sluiten bij de actualiteit:

Er is goed nieuws voor consumenten die pittig geprijsde biologische producten

kopen:’biologische’ voeding is echt gezonder dan gewone. Dit blijkt uit de resultaten van

wetenschappelijke onderzoek die in oktober 2007 zijn gepubliceerd in het tijdschrift Nature.

2. Door met een herkenbare situatie te beginnen:

Je trekt ze ieder dag aan. De een gaat voor trendy en duur, de ander voor stevige stappers en

een derde voor de koopjes.

3. Door een vraag aan de lezers te stellen:

‘Heb jij ook zo’n hekel aan leraren die het goed met je voor hebben?’

Naast een publiekgerichte opening, staat in de inleiding van je betoog ook de kwestie en je

standpunt. De argumenten behandel je pas in het middenstuk.

67


Opdracht 14

Lees onderstaande de twee inleidingen (geschreven door leerlingen) en beantwoord per

inleiding de volgende vragen:

1. Staan de kwestie en het standpunt in de inleiding?

2. Wat is de beste titel en waarom?

3. Wat zou je verder nog aan beide teksten willen verbeteren? (geef per tekst een of twee

punten)

Tekst 1

Commercie voor een goed doel

Een natuurramp, milieuproblemen, kinderen in armoede je ziet het allemaal voorbij komen op

de televisie. De meeste mensen worden hier ook nog eens aan herinnerd door de wekelijkse

foldertjes die in de brievenbus verschijnen. Tussen die foldertjes kun je meestal een logo van

een loterij terugvinden. Gek? Misschien, maar als je even iets langer nadenkt bij deze

combinatie kun je al gauw de ontelbare mogelijkheden zien. Stel je voor; een populaire loterij

waar miljoenen mensen aan meedoen, grote prijzen en je steunt er ook nog eens een goed doel

mee!

Tekst 2

Goede doelen moeten losgekoppeld worden van commerciële

loterijen.

De postcodeloterij is een bekende loterij van televisie, door verschillende

programma’s zoals: Postcode Loterij Miljoenenjacht, Postcode Loterij Een tegen 100,

Postcode Lingo.

In deze programma’s word geld opgehaald voor goede doelen, maar de vraag van

sommige mensen is: Moeten goede doelen losgekoppeld worden van commerciële

loterijen?

In dit artikel ga ik hier verder op in en vertel ik mijn mening + argumenten daarbij.

Mijn standpunt is: Goede doelen moeten losgekoppeld worden van commerciële

loterijen.

Waarom is het zo belangrijk dat dit punt aan de orde komt?

Wel, het is een heel actueel onderwerp en niet veel mensen zien de gevaren ervan

in.

Jullie gaan nu dus niet zelf deze opdracht uitvoeren, maar jullie observeren steeds twee

leerlingen die samen opdracht 14 gemaakt hebben. Jullie krijgen drie verschillende

kijkopdrachten.

68


Kijkopdracht 1: Staan de kwestie en het standpunt in de inleiding?

Jullie observeren nu hoe Bart en Linda, Eva en Remco, en Floor en Jitse bezig zijn met het

beantwoorden van vraag 1: Staan de kwestie en het standpunt in de inleiding? Na het

observeren moeten jullie de drie antwoorden kort samenvatten en moeten jullie aangeven

welk antwoord het beste is en waarom.

Open eerst het fragment van Bart en Linda (Bart en Linda_Standpunt_14 uit de map )

en bekijk dat.

Open dan het fragment van Eva en Remco (Eva en Remco_Standpunt_14 uit de map )

en bekijk dat.

Open ten slotte het fragment van Floor en Jitse (Floor en Jitse_Standpunt_14 uit de map ) en bekijk dat.

Als je het nodig vindt, kun je de fragmenten nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je de fragmenten van iedere leerling bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Bart en Linda ( …. keer bekeken):

Eva en Remco ( …. keer bekeken):

Floor en Jitse ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

69


1. Schrijf kort op welke antwoorden de leerlingen geven over de aanwezigheid van het

standpunt in de twee inleidingen.

Bart en Linda:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

Eva en Remco:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

Floor en Jitse:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Welk antwoord vinden jullie het beste en waarom?

0 Bart en Linda

0 Eva en Remco

0 Floor en Jitse

Licht jullie antwoord toe.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

70


Kijkopdracht 2: Wat is de beste titel en waarom?

Jullie observeren nu hoe Bart en Linda, Eva en Remco, en Floor en Jitse bezig zijn met het

beantwoorden van vraag 2: Wat is de beste titel en waarom? Na het observeren moeten jullie

de drie antwoorden kort samenvatten en moeten jullie aangeven welk antwoord het beste is en

waarom.

Open eerst het fragment van Bart en Linda (Bart en Linda_Titel_14 uit de map ) en

bekijk dat.

Open dan het fragment van Eva en Remco (Eva en Remco_Titel_14 uit de map ) en

bekijk dat.

Open ten slotte het fragment van Floor en Jitse (Floor en Jitse_Titel_14 uit de map )

en bekijk dat.

Als je het nodig vindt, kun je de fragmenten nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je de fragmenten van iedere leerling bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Bart en Linda ( …. keer bekeken):

Eva en Remco ( …. keer bekeken):

Floor en Jitse ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

71


1. Schrijf kort op welke titel de leerlingen de beste vinden en waarom ze dat vinden

Bart en Linda:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

Eva en Remco:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

Floor en Jitse:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Welk antwoord vinden jullie het beste en waarom?

0 Bart en Linda

0 Eva en Remco

0 Floor en Jitse

Licht jullie antwoord toe.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

72


Kijkopdracht 3: Hoe kunnen beide teksten verbeterd worden?

Jullie observeren nu hoe Bart en Linda, Eva en Remco, en Toon en Lotte bezig zijn met het

beantwoorden van vraag 3: Hoe kunnen beide teksten verbeterd worden? Na het observeren

moeten jullie de drie antwoorden kort samenvatten en moeten jullie de drie beste adviezen

opschrijven.

Open eerst het fragment van Bart en Linda (Bart en Linda_Advies_14 uit de map ) en

bekijk dat.

Open dan het fragment van Eva en Remco (Eva en Remco_ Advies _14 uit de map )

en bekijk dat.

Open ten slotte het fragment van Toon en Lotte (Toon en Lotte_ Advies _14 uit de map ) en bekijk dat.

Als je het nodig vindt, kun je de fragmenten nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je de fragmenten van iedere leerling bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Bart en Linda ( …. keer bekeken):

Eva en Remco ( …. keer bekeken):

Toon en Lotte ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

73


1. Schrijf kort op welke adviezen de leerlingen geven voor het verbeteren van beide teksten.

Bart en Linda:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

Eva en Remco:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

Toon en Lotte:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Schrijf nu de drie beste adviezen op.

1.…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

2.…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

3.…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

74


Werkblad 15: Het observeren van het schrijven van een inleiding (eerste versie) en

werktitel bedenken (Hyp*Obs)

Opdracht 15 (10 min). Individueel

Andere leerlingen kregen de opdracht de eerste versie van de inleiding voor hun betoog te

schrijven en een werktitel te bedenken. Je gaat dat niet zelf doen, maar je observeert

leerlingen die met deze opdracht bezig zijn. De opdracht luidde als volgt (lees door, niet zelf

maken):

Opdracht 15

Je hebt nu een standpunt binnen de kwestie bepaald en argumenten en onderschikkende

argumenten opgeschreven. Bovendien heb je interessante informatie over de kwestie

genoteerd.

Nu schrijf je op de computer de eerste versie van de inleiding van je betoog (ongeveer 100

woorden). Deze inleiding wordt dus de startpagina van je hypertekst. Besteed in de

inleiding aandacht aan drie zaken (dat hoeft niet in deze volgorde):

• Introduceer de kwestie

• Geef je standpunt

• Wek de belangstelling van de lezer

Bedenk ook een werktitel voor je betoog, schrijf die erboven.

Maak in ieder geval de link naar de argumenten (je mag zelf kiezen hoe) en als je wilt, kun je

ook in de inleiding een link naar extra informatie maken.

Zie ‘stappenplan hypertekst maken’ voor een technische instructie over hyperteksten maken.

Sla de inleiding duidelijk herkenbaar op als in een map die je noemt:

. Als je ook nog andere hypertekst-pagina’s hebt gemaakt, sla je die ook op in

dezelfde map!

Jij gaat dus niet zelf deze opdracht uitvoeren, maar je observeert steeds leerlingen die

individueel opdracht 15 gemaakt hebben. Je krijgt drie kijkopdrachten

75


Kijkopdracht 1: Kwestie introduceren

Kijk goed hoe Bart en Floor ieder de kwestie introduceren. Daarna vragen we je welke

leerling het beter of minder goed deed en je antwoord toe te lichten.

Open eerst het fragment van Bart (Bart_Kwestie_15 uit de map ) en bekijk dat. Als je

het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Open en bekijk daarna het fragment van Floor (Floor_Kwestie_15 uit de map ). Als je

het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je de fragmenten van Bart en Floor bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Bart ( …. keer bekeken):

Floor ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten. Omcirkel twee keer je keuze (‘Bart of

Floor’ en ‘beter of minder goed’) bij vraag 1:

1. Vergelijk de leerlingen:

Bart / Floor deed het beter / minder goed

2. Licht je antwoord toe

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………..

…………………………………………………………………………………………………..

………………………………………………………………………………………………….

76


Kijkopdracht 2: Nadenken over de (werk)titel

Kijk goed hoe Floor en Toon ieder bezig zijn met het bedenken van een werktitel. Je ziet het

niet op de fragmenten, maar ze werken op een verschillende ‘plaats’ in het schrijfproces aan

de titel: Floor schrijft eerst haar inleiding en wanneer ze daarmee klaar is, begint ze aan de

titel terwijl Toon vrijwel meteen begint met het bedenken en opschrijven van de titel.

Na het observeren vragen we je weer welke leerling het beter of minder goed deed en moet je

je antwoord toelichten.

Open eerst het fragment van Floor (Floor_Titel_15 uit de map ) en bekijk dat. Als je

het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Open en bekijk daarna het fragment van Toon (Toon_Titel_15 uit de map ). Als je het

nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul ook

weer in hoe vaak je de fragmenten van Floor en Toon bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Floor ( …. keer bekeken):

Toon ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten. Omcirkel twee keer je keuze (‘Floor of

Toon’ en ‘beter of minder goed’) bij vraag 1.

1. Vergelijk de leerlingen:

Floor / Toon deed het beter / minder goed

2. Licht je antwoord toe

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………..

77


Kijkopdracht 3: Maken (en controleren) van de hyperlink naar de argumenten

Kijk goed hoe Eva en Bart ieder de hyperlink naar de argumenten maken en controleren. Na

het observeren vragen we je weer welke leerling het beter of minder goed deed en moet je je

antwoord toelichten.

Open eerst het fragment van Eva (Eva_Hyperlink_15 uit de map ) en bekijk dat. Als je

het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Open en bekijk daarna het fragment van Bart (Bart_Hyperlink_15 uit de map ). Als je

het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul ook

weer in hoe vaak je de fragmenten van Eva en Bart bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Eva ( …. keer bekeken):

Bart ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten. Omcirkel twee keer je keuze (‘Eva of

Bart’ en ‘beter of minder goed’) bij vraag 1:

1. Vergelijk de leerlingen:

Eva / Bart deed het beter / minder goed

2. Licht je antwoord toe

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………..

………………………………………………………………………………………………….

78


Hoe-sta-ik-ervoor na les 4? (Hyp*Obs) (Individueel)

In les 4 zijn verschillende onderdelen aan de orde geweest. Je vindt ze hieronder weer terug.

Wat heb je geobserveerd en hoe goed kan je het zelf?

Hieronder staan onderdelen die in les 4 aan de orde zijn geweest. Vul achter elk onderdeel in

of je het geobserveerd hebt (ja/nee) en hoe goed je het zelf kan. Gebruik om aan te geven hoe

goed je dat onderdeel zelf kan een getal tussen 0 en 100. Het getal 0 staat voor Ik kan dit (zelf)

helemaal niet. Het getal 100 staat voor Ik kan dit (zelf) perfect.

Kruis achter elk onderdeel eerst ja of nee aan en vul daarna een getal tussen 0 en 100 in

0 = Ik kan dit (zelf) helemaal niet

100 = Ik kan dit (zelf) perfect

Onderdeel

1. Argumenten, onderschikkende argumenten

en extra informatie uit de documentatie

kiezen waarmee ik de lezer overtuig van het

standpunt

2. Argumenten en onderschikkende

argumenten in een argumentatiestructuur

zetten

3. De argumentatiestructuur aan een andere

leerling uitleggen en zichtbaar maken

4. In de inleiding voor een hypertekst-betoog

de belangstelling van de lezer wekken

5. In de inleiding voor een hypertekst-betoog

de kwestie introduceren

6. In een inleiding voor een hypertekst-betoog

het standpunt geven

7. Een werktitel bedenken voor een hypertekst

betoog

8. In de inleiding voor een hypertekst-betoog

hyperlinks maken naar extra informatie

79

Geobserveerd? Hoe goed kan je het

(zelf)? 0-100

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee


Werkblad 16: Het observeren van het schrijven van een betoog (Hyp*Obs)

Opdracht 16 (60 minuten). Individueel

Andere leerlingen kregen de opdracht hun betoog te schrijven over de kwestie ‘Moeten goede

doelen losgekoppeld worden van commerciële loterijen’. Je gaat dat niet zelf doen, maar je

observeert leerlingen die met deze opdracht bezig zijn. De opdracht luidde als volgt (lees

door, niet zelf maken):

Je hebt in de afgelopen lessen informatie verzameld, documentatie gelezen, gepraat en

nagedacht over het onderwerp Goede Doelen. Je hebt binnen de kwestie ‘Moeten goede

doelen losgekoppeld worden van commerciële loterijen?’een standpunt (voor of tegen)

bepaald.

Ook heb je een aantal zaken geleerd over argumentatie (hoofdargumenten, onderschikkende

argumenten), de aandacht van je lezers trekken, publiekgericht schrijven en het presenteren

van argumentatie.

In deze les komt ‘alles’ bij elkaar: je gaat een betoog schrijven. Een tekst waarmee je anderen

probeert te overtuigen van jouw standpunt binnen de kwestie. Om je standpunt te

onderbouwen, gebruik je argumenten en onderschikkende argumenten.

Je schrijft je betoog in hypertekst-vorm: dus niet als één pagina achter elkaar door, maar als

een ‘startpagina’ met links naar andere pagina’s met daarop weer tekst van het betoog. Je

hypertekst moet wel een complete, overtuigende tekst worden.

Je kunt de inleiding gebruiken waar je de vorige les aan begonnen bent. Daarnaast heb je de

beschikking over de documentatiemap, het jaarverslag 2006 van de Postcode Loterij en al je

eerder gemaakte en verzamelde materiaal uit je dossier (zoals je argumentatiestructuur op

werkblad 12).

Het publiek van je betoog is een groep leerlingen uit havo 4. Zorg ervoor:

1. dat je tekst publiekgericht is: dat je rekening houdt met je lezers

2. dat het een aantrekkelijke tekst is: een tekst die uitnodigt om te lezen (denk aan de titel)

3. dat je tekst duidelijk is: de lezer moet kunnen zien wat je standpunt is en wat je

argumenten en onderschikkende argumenten zijn

4. dat je goede (inhoudelijk sterke) argumenten gebruikt en dat je die toelicht. Je wilt met je

betoog immers je lezers van je standpunt overtuigen!

5. dat je geen tikfouten maakt en geen spelfouten.

6. Let op: het publiek heeft de documentatie niet gelezen!

Je hypertekst moet in totaal (alle pagina’s samen) ongeveer 500 woorden zijn

Let op: zorg er met hyperlinks voor dat de lezer op verschillende manieren door de tekst kan

gaan (dit heet ‘navigeren’ in de hypertekst-taal)

Let erop dat alle pagina’s van je hypertekst in dezelfde map komen te staan!

81


Checklist (de elf belangrijke vragen…)

1. Heeft je hypertekst een titel?

2. Staan kwestie en standpunt in de inleiding?

3. Trekt de inleiding de aandacht van de lezer?

4. Staan er in de inleiding links naar andere pagina’s?

5. Staan de argumenten en onderschikkende argumenten in je hypertekst? (Deze

mogen niet in de inleiding staan.)

6. Staan er hyperlinks naar de argumenten en naar het slot?

7. Worden er signaalwoorden gebruikt om het verband tussen alinea’s duidelijk te

maken?

8. Staat het standpunt (anders geformuleerd) in het slot?

9. Trekt de laatste zin de lezer over de streep?

10. Is de tekst duidelijk voor de lezer, aantrekkelijk geschreven, en zonder tik- en

spelfouten?

11. Werken de hyperlinks en zijn er voldoende navigatiemogelijkheden voor de

lezer?

Let op:

- Argumenten horen niet in de inleiding.

- In het slot kun je de argumentatie uit het middenstuk samenvatten, maar je geeft geen

nieuwe argumenten in het slot.

- Beschrijf de bronnen die je hebt gebruikt nauwkeurig.

Jij gaat nu dus niet zelf deze opdracht uitvoeren, maar je observeert steeds leerlingen die

opdracht 16 gemaakt hebben.

Je krijgt acht verschillende kijkopdrachten.

82


Kijkopdracht 1: Beginnen met de taak

Je gaat nu observeren hoe Bart, Eva, Floor en Toon ieder op hun eigen manier beginnen met

werkblad 16. De vier filmfragmenten starten als ze de opdracht hebben gelezen en beginnen

met de taak. Na het observeren moet je beschrijven op welke manier iedere leerling begint

met de taak en moet je aangeven welke manier jij de beste vindt.

Open eerst het fragment van Bart (Bart_Begin_16 uit de map ) en bekijk dat.

Open en bekijk daarna het fragment van Eva (Eva_Begin_16 uit de map ).

Open en bekijk daarna het fragment van Floor (Floor_Begin_16 uit de map ).

Open en bekijk daarna het fragment van Toon (Toon_Begin_16 uit de map ).

Als je het nodig vindt, kun je de fragmenten nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je de fragmenten van iedere leerling bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Bart ( …. keer bekeken):

Eva ( …. keer bekeken):

Floor ( …. keer bekeken):

Toon ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

83


1. Beschrijf op welke manier de geobserveerde leerlingen beginnen met de taak.

Bart:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

Eva:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

Floor:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

Toon:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Welke aanpak vind jij de beste? En welke aanpak de zwakste? Kruis aan:

De beste aanpak vind ik die van:

0 Bart

0 Eva

0 Floor

0 Toon

Licht je antwoord toe.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

De zwakste aanpak vind ik die van:

0 Bart

0 Eva

0 Floor

0 Toon

Licht je antwoord toe.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

84


Kijkopdracht 2: Gebruik van documentatiemateriaal

Je bekijkt nu vijf filmfragmenten waarop je ziet hoe leerlingen documentatiemateriaal

(bronnen) gebruiken.

Na het observeren moet je beschrijven welke strategie (aanpak) de leerling gebruikt (op welke

manier de leerling bezig is met het documentatiemateriaal) en moet je je mening daarover

geven.

Fragment 1: Floor

Open het fragment van Floor (Floor_Docu 1_16 uit de map ) en bekijk dat.

Als je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Floor ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Beschrijf de strategie (aanpak) die Floor gebruikt als ze bezig is met het

documentatiemateriaal.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Geef je mening over deze strategie (aanpak).

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

85


Fragment 2: Eva

Open het fragment van Eva (Eva_Docu 1_16 uit de map ) en bekijk dat.

Als je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Eva ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Beschrijf de strategie (aanpak) die Eva gebruikt als ze bezig is met het

documentatiemateriaal.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Geef je mening over deze strategie (aanpak).

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

86


Fragment 3: Bart

Open het fragment van Bart (Bart_Docu_16 uit de map ) en bekijk dat.

Als je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Bart ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Beschrijf de strategie (aanpak) die Bart gebruikt als hij bezig is met het

documentatiemateriaal.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Geef je mening over deze strategie (aanpak).

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

87


Fragment 4: Floor (2)

Open het tweede fragment van Floor (Floor_Docu 2_16 uit de map ) en bekijk dat.

Als je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Floor ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Beschrijf de strategie (aanpak) die Floor gebruikt als ze bezig is met het

documentatiemateriaal.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Geef je mening over deze strategie (aanpak).

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

88


Fragment 5: Eva (2)

Open het tweede fragment van Eva (Eva_Docu 2_16 uit de map ) en bekijk dat.

Als je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Eva ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Beschrijf de strategie (aanpak) die Eva gebruikt als ze bezig is met het

documentatiemateriaal.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Geef je mening over deze strategie (aanpak).

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

89


Kijkopdracht 3: Bedenken en onderbouwen van argumentatie

Je bekijkt nu twee filmfragmenten waarop je ziet hoe Floor bezig is met het bedenken en

onderbouwen van argumentatie voor haar standpunt.

Na het observeren moet je beschrijven welke strategie (aanpak) Floor gebruikt als ze daarmee

bezig is en moet je je mening daarover geven.

Fragment 1: Floor (1)

Open het eerste fragment van Floor (Floor_Arg 1_16 uit de map ) en bekijk dat.

Als je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Floor ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Beschrijf de strategie (aanpak) die Floor gebruikt als ze bezig is met het bedenken van

argumenten.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Geef je mening over deze strategie.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

90


Floor fragment 2

Open het tweede fragment van Floor (Floor_Arg 2_16 uit de map ) en bekijk dat.

Als je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Floor ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Beschrijf de strategie (aanpak) die Floor gebruikt als ze bezig is met de argumentatie.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Geef je mening over deze strategie (aanpak).

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

91


Kijkopdracht 4: Schrijven voor de doelgroep (leerlingen uit havo 4)

Je bekijkt nu een filmfragment waarop je ziet hoe Bart bezig is met het schrijven voor de

doelgroep (leerlingen uit havo 4)

Na het observeren moet je beschrijven hoe Bart de doelgroep (de lezer) had willen aanspreken

en wat hij zich dan realiseert. Ook moet je Bart een advies geven.

Open het fragment van Bart (Bart_Doelgroep_16 uit de map ) en bekijk dat.

Als je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Bart ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Schrijf op hoe Bart de doelgroep (de lezer) had willen aanspreken.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Wat realiseert Bart zich opeens?

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

3. Geef Bart een advies hoe hij de doelgroep (de lezer) kan aanspreken.

.…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

92


Kijkopdracht 5: Structuur- en navigatiemogelijkheden van hyperteksten

Je bekijkt nu drie filmfragmenten waarop je ziet hoe Bart en Eva bezig zijn met de structuur-

en navigatiemogelijkheden (maken van hyperlinks) van hyperteksten.

Na het observeren moet je beschrijven welke strategie (aanpak) de leerling gebruikt (op welke

manier de leerling bezig is met structureren en het maken van hyperlinks) en moet je je

mening daarover of een advies geven.

Fragment 1: Bart

Je ziet in het eerste fragment van Bart hoe hij bezig is met het maken van een hyperlink naar

het slot. Open dit fragment (Bart_Hyp 1_16 uit de map ) en bekijk dat. Als je het

nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Bart ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Beschrijf het ‘probleem’ waar Bart tegenaan loopt als hij een hyperlink wil maken naar het

slot.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Geef een advies aan Bart hoe hij dit probleem kan oplossen.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

93


Fragment 2: Bart

Je ziet in het tweede fragment van Bart hoe hij bezig is met oplossen van het probleem uit

fragment 1. Open dit tweede fragment (Bart_Hyp 2_16 uit de map ) en bekijk dat. Als

je het nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Bart ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Beschrijf de oplossing van Bart voor het ‘probleem’ uit fragment 1.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2.Wat vind je van die oplossing? Licht je antwoord toe.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

94


Fragment 3: Eva

Ook Eva is bezig geweest met het maken van een hyperlink naar het slot in haar hypertekst.

Ze herleest het middenstuk van haar tekst om te kijken waar de link moet komen. Open dit

fragment van Eva (Eva_Hyp_16 uit de map ) en bekijk dat. Als je het nodig vindt,

kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Eva ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Beschrijf de aanpak van Eva voor de hyperlink naar het slot. Waarom kiest ze juist die zin

voor haar hyperlink?

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2.Wat vind je van die aanpak? Licht je antwoord toe.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

95


Kijkopdracht 6: Schrijfstrategieën (aanpak)

Je bekijkt nu twee korte filmfragmenten waarop je ziet hoe Eva en Floor op verschillende

manieren bezig zijn met het schrijven van hun tekst.

Na het observeren moet je beschrijven welke strategie (aanpak) de leerling gebruikt en moet

je je mening daarover geven.

Fragment 1: Eva

Open het fragment van Eva (Eva_Strategie_16 uit de map ) en bekijk dat. Als je het

nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Eva ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Beschrijf de strategie van Eva.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Wat vind je van deze strategie? Licht je antwoord toe.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

96


Fragment 2: Floor

Open het fragment van Floor (Floor_Strategie_16 uit de map ) en bekijk dat. Als je het

nodig vindt, kun je het fragment nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je het fragment bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Floor ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Beschrijf de strategie van Floor.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Wat vind je van deze strategie? Licht je antwoord toe.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

97


Kijkopdracht 7: Werken met de checklist

Je bekijkt nu drie filmfragmenten waarop je ziet hoe Floor, Toon en Eva bezig zijn met de

checklist die op hun werkblad staat. Ze bekijken alledrie hun inleiding op hetzelfde aspect

(geen argumentatie in de inleiding).

Na het observeren moet je de aanpak van de leerlingen beschrijven en moet je je mening

daarover geven.

Open eerst het fragment van Floor (Floor_Checklist_16 uit de map ) en bekijk dat.

Open en bekijk daarna het fragment van Toon (Toon_ Checklist_16 uit de map ).

Open en bekijk daarna het fragment van Eva (Eva_ Checklist_16 uit de map ).

Als je het nodig vindt, kun je de fragmenten nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je de fragmenten van iedere leerling bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Floor ( …. keer bekeken):

Toon ( …. keer bekeken):

Eva ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

1. Beschrijf op welke manier de geobserveerde leerlingen bezig zijn met het aspect ‘geen

argumentatie in de inleiding’:

Floor:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

98


…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

Toon:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

Eva:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Welke aanpak vind jij de beste? En welke aanpak de zwakste? Kruis aan:

De beste aanpak vind ik die van:

0 Floor

0 Toon

0 Eva

Licht je antwoord toe.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

De zwakste aanpak vind ik die van:

0 Floor

0 Toon

0 Eva

Licht je antwoord toe.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

99


Kijkopdracht 8: Eindigen met de taak

Je gaat nu observeren hoe Bart, Eva, Floor en Toon ieder op hun eigen manier eindigen met

de taak. Je ziet het laatste filmfragment van iedere leerling. Na het observeren moet je

beschrijven op welke manier iedere leerling begint met de taak en moet je aangeven welke

manier jij de beste vindt.

Open eerst het fragment van Bart (Bart_Einde_16 uit de map ) en bekijk dat.

Open en bekijk daarna het fragment van Eva (Eva_Einde_16 uit de map ).

Open en bekijk daarna het fragment van Floor (Floor_Einde_16 uit de map ).

Open en bekijk daarna het fragment van Toon (Toon_Einde_16 uit de map ).

Als je het nodig vindt, kun je de fragmenten nog eens bekijken.

Hieronder vind je ruimte voor het maken van aantekeningen tijdens het observeren. Vul in

hoe vaak je de fragmenten van iedere leerling bekeken hebt.

AANTEKENINGEN

Bart ( …. keer bekeken):

Eva ( …. keer bekeken):

Floor ( …. keer bekeken):

Toon ( …. keer bekeken):

Maak na het observeren de onderstaande opdrachten.

100


1. Beschrijf op welke manier de geobserveerde leerlingen eindigen met de taak.

Bart:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

Eva:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

Floor:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

Toon:

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

2. Welke aanpak vind jij de beste? En welke aanpak de zwakste? Kruis aan:

De beste aanpak vind ik die van:

0 Bart

0 Eva

0 Floor

0 Toon

Licht je antwoord toe.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

De zwakste aanpak vind ik die van:

0 Bart

0 Eva

0 Floor

0 Toon

Licht je antwoord toe.

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………….

101


102


Hoe-sta-ik-ervoor na les 5? (Hyp*Obs)

In les 5 heb je geobserveerd hoe andere leerlingen een betoog in hypertekst-vorm schreven. Je vindt

een aantal onderdelen die daarmee te maken hebben hieronder weer terug.

Wat heb je geobserveerd en hoe goed kan je het zelf?

Hieronder staan onderdelen die in les 5 aan de orde zijn geweest. Vul achter elk onderdeel in of je het

geobserveerd hebt (ja/nee) en hoe goed je het zelf kan. Gebruik om aan te geven hoe goed je dat

onderdeel zelf kan een getal tussen 0 en 100. Het getal 0 staat voor Ik kan dit (zelf) helemaal niet. Het

getal 100 staat voor Ik kan dit (zelf) perfect.

Kruis achter elk onderdeel eerst ja of nee aan en vul daarna een getal tussen 0 en 100 in

0 = Ik kan dit (zelf) helemaal niet

100 = Ik kan dit (zelf) perfect

Onderdeel

Geobserveerd? Hoe goed kan je het (zelf)?

0-100

1. Hyperlinks maken in een hypertekst in Word. 0 ja

0 nee

2. In een hypertekst de kwestie introduceren. 0 ja

0 nee

3. In een hypertekst de aandacht van het publiek trekken. 0 ja

4. In een hypertekst mijn standpunt binnen de kwestie

verwoorden.

5. In een hypertekst goede argumenten en onderschikkende

argumenten zetten waarmee de lezer overtuigd wordt.

6. In een hypertekst de argumenten en onderschikkende

argumenten in een goede structuur onderbrengen zodat het

voor de lezer duidelijk is wat de argumenten en wat de

onderschikkende argumenten zijn.

7. De juiste extra informatie kiezen om de tekst

aantrekkelijker en/of overtuigender te maken.

8. Bepalen welke woorden in een hypertekst een link moeten

zijn naar andere pagina’s.

9. Met mijn hypertekst de lezer overtuigen van het standpunt.

10. In het slot van een hypertekst het standpunt op een andere

manier verwoorden.

11. De lezer verschillende mogelijkheden aanbieden om een

hypertekst te lezen.

12. Op de juiste wijze bronnen gebruiken en ernaar verwijzen.

13. Een goede titel voor een hypertekst bedenken.

14. Een hypertekst goed verzorgen, zoals alinea-indeling,

juiste spelling en geen tikfouten.

103

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee

0 ja

0 nee


104

More magazines by this user
Similar magazines