Untitled

resources21.kb.nl

Untitled

Uit de Keuken

van de

Prijs 25 cent

O.Z.O.'Commissie

Tweede druk

Overdrukken uit het Weekblad „De Misthoorn"


^Ooozwootc/

£if dgn 2 en

dru£.

Het is verheugend, dat zoo spoedig na het verschijnen

van deze brochure een tweede druk noodzakelijk was.

Daaruit blijkt immers, hoezeer het wel en wee van het

bedrijfsleven ons volk ter harte gaat.

Wij willen op deze plaats een misverstand rechtzetten.

De brochure is niet meer dan een inleiding tot en een

gids bij het volledige materiaal, dat wij over de O.Z.O.-

Commissie verzamelden.

De ontwikkeling der dingen in en rond de O.Z.O.-Com-

missie zal beslissen omtrent onze verdere publicaties.


Wij gaan ordenen!

Wanneer wij dezen titel kiezen voor hetgeen wij voornemens zijn

te schrijven over de commissie tot organisatie van ons bedrijfsleven,

dan is het geenszins, omdat wij de min- of meer officieele toevoeging

van den naam Woltersom, waarmede deze commissie gewoonlijk wordt

aangeduid, misplaatst zouden achten. Integendeel! De commissie

draagt niet ten onrechte den naam van haren Voorzitter, een naam,

die tevens voor een goed verstaander een begrip vormt.

Wie echter is een goed verstaander? Zij zijn niet dik gezaaid. Dat

hebben onze lotgevallen van vóór den den lOen Mei ons kunnen leeren,

evenals de gang der zaken sedert dien!

Het is op grond van deze overweging, dat de aanduiding dier commissie

met den naam van haren Voorzitter, voor zoovelen een onbekende

klank, ons niet geheel behagen kan. Men had meer in overeenstemming

met de werkelijkheid bedoelde commissie eigenlijk moeten

noemen naar de bankinstelling, waarvan de Voorzitter de leidende

figuur is, dus de toevoeging „Rotterdamsche Bank-Vereeniging" of

kortweg „Robaver" eraan moeten schenken. Doch ook hiertegen

is wel eenig bezwaar. Het zou niet kiesch zijn. Er zijn er nog te

velen, die zich het bestaan van dit financieel instituut op al te

pijnlijke wijze herinneren uit de jaren, die achter ons liggen, die

hunne ervaringen met de hoogst „bekwame" leiders van deze onderneming

ternauwernood of nimmer te boven zijn gekomen en wien

het gekraak nog al te sterk in de ooren klinkt.

Ook deze aanduiding zou dus niet bevredigen. Wel zij erkend, dat

geen naam toepasselijker zou wezen, al wordt dit nog niet zoo

ingezien.

Neen, kiesch ware deze aanduiding dus zeker niet, noch tactvol.

Immers, de toenmalige débacle zou dit schip op het strand van ons

bedrijfsleven voor velen nog steeds maken tot een baken in zee.

Men zou dan met volle zeilen stevenen uit de richting van

de plaats, die ons thans door gelijke of soortgelijke „captains" als

veilige ankerplaats wordt aangeprezen. Het pleit dus voor een wijs

beleid, dat deze naam bescheidenlrjk wordt verzwegen.

Maar hoe dan wel? Er is slechts één naam, die getrouwelijk

vermag aan te duiden, wat ons bedrijfsleven van deze plutocratencommissie

te wachten staat. Dat is de naam, die geestdrift weet op

te wekken in de harten van allen, die zweren bij de tijden van

voorheen.

Wat zou dus beter kunnen dienen dan de eeretitel: O.Z.O.? Dat

is het vertrouwde begrip voor allen, wier leuze is: „Wij willen

blijven, wat wij zijn", en die dus niets begrijpen van de revolutie, die

hen hardhandig uit hun verdooving heeft gewekt en daarom

korzelig heeft gemaakt en soms zelfs tot een ondoordacht verzet

3


heeft opgewekt. Zij gorden zich goedsmoeds weer aan om zich

opnieuw te laten spannen voor het karretje van de reactie der

befaamde „captains of industry", der profiteurs van joodschen en

verjoodschten huize, der aanbidders van het Gouden Kalf, der politieke

mastklimmers — de al dan niet gezalfde knevelaars van ons

misleide Volk.

Natuurlijk is zoo'n enkele leuze van te blijven wat men was,

hetgeen trouwens al te sterk naar reactie riekt, niet meer voldoende.

Er is iets veranderd in Europa, zelfs in Nederland; hoe ondenkbaar

dat eigenlijk schijnt. Zoo ziet men hier een vreemde bezetting,

waarom wij niet eens hebben gevraagd. Men leest zoo van alles,

wat wij gaarne openlijk af zouden keuren als wij dat durfden en

leest van benoemingen op zelfs heel belangrijke posten van lieden,

die oorspronkelijk meer als gek dan als gevaarlijk werden aangezien,

maar thans meer als gevaarlijk dan als gek worden gevreesd.

Waar moet dat heen?

Neen, met de leuze: „Wij willen blijven, wat wij zijn" komt men

er niet. Nog wat slagwoorden en wat phrasen zijn onontbeerlijk.

Om te beginnen staat vast, dat er zelfs in Nederland iets veranderd

is. Wij gaan dus mee doen, hetgeen beteekent, dat, naar ons

zoo herhaaldelijk en duidelijk is gezegd, onze aanpassing aan den

nieuwen tijd dient te stoelen op nationaal-socialistische beginselen.

Dat is kwaad, want dat is Duitseh. En wat Duitsch is, is niet Nederlandsch.

En wat zich thans echt Nederlandsch pleegt te noemen

is óf Joodsch óf Jodenvriend of vrijmetselaar, maar dan gewoonlijk

van alles wat en natuurlijk als Christenplutocraat, humanist en

democraat van het soort, dat zich opmerkelijk heeft doen kennen bij

de bestrijding van het zegevierend nationaal-socialisme.

Het is wel hard, maar met het oude is het gedaan! Daaraan helpt

niets. Zelfs Churchil heeft het gezegd. Niet door de Engelsche radio,

want daarnaar mag men niet luisteren. In het eigen, destijds zoo

geliefde partijblad heeft het gestaan, hoewel datzelfde blad ook niet

meer zoo echt betrouwbaar is als voorheen. Welnu, het is nu eenmaal

zoo. Wij doen dus mee. Hoe eerder hoe beter! En dan natuurlijk op

echt Nederlandsche wijze! Dan kunnen die N.S.B.-ers en die anderen

eens leeren hoe het moet!! Wij kiezen dus weer zee in de onbetrouwbare

schuitjes van de jodenkliek en hun plutocratische arische

trawanten. Voor de gezelligheid nemen wij wat vrijmetselaars mede

en een aantal der vooraanstaande Rotarians. Zoo achter de hand

zal ons streven zeker den zegen erlangen van onze allerchristelijkste

vrienden en beschermers.

Alvorens echter in zee gestoken zal mogen worden, behalve dan

voor een proefvaartje langs den wal, zal het noodig zijn de joodsche

en verjoodschte ondernemers van dit geval in een volgens artikel

eens nader te bezien. Intusschen wappert de echt Nederlandsche

wimpel al fier van den top!

4


Roba ver-vrienden

In ons eerste hoofdstuk hebben wij erop gewezen, dat de commissie

tot organisatie van ons bedrijfsleven feitelijk als de „O.Z.O.'-commissie

behoorde te worden aangeduid. Het is te verwachten dat,

zoodra wij dit nader verklaard zullen hebben, deze benaming gretig

aanvaard zal worden, zij het met uitzondering van de leden der

commissie zelve en hunne satellieten en trawanten.

Wij hebben in bedoeld artikel naar voren gebracht, dat de aanduiding

„Robaver" wellicht nauwkeuriger zou zijn, doch op grond

van de gedragingen van dat vooraanstaande finantiëele instituut

nog al bedenkeelijk zou wezen. Trouwens, de begrippen O.Z.O. en

Robaver zijn in wezen gelijk, al komt bij O.Z.O. allereerst de gedachte

op aan politieke manipulaties van nieuwen wijn in oude

en onwelriekende vaten, terwijl bij Robaver nptuurlijk iets te

uitbundig het Gouden Kalf wordt bejubeld. Deze beide begrippen

stoelen op de leuze van te willen blijven, wat wij zijn.

Dat wij Nederlanders zijn en dit niet verloochenen willen, behoeft

niemand ons te zeggen. Wij weten ook, dat geen macht ter wereld

ons onzen aard ontnemen kan. Dat wij door grootsehe daden maar

ook door de fouten van ons voorgeslacht en van ons zelf zijn

gevormd, beseffen wij. Maar door charlatans en volksvreemde

elementen, die ons vergiftigden met hun valsche leuzen en infame

zeden, willen wij niet gezegd worden te moeten blijven, wat wij zijn.

Wij willen niet blijven, hetgeen zij van ons maakten. Wat waren

wij sedert tal van jaren anders dan elkaar bestrijdende individuen?

Wat waren wij anders dan een prooi van joodsche en verjoodschte

plutokraten, van volksmisleiders en politieke tinnegieters, zooals die

in elk volk naar boven drijven als de volksziel voldoende is vergiftigd

en het volk tot machteloosheid is gedoemd?

Deze enkele inleidende woorden mogen den al dan niet joodsehen

lieden duidelijk maken, dat wij van hen en hun raadgevingen niet

meer zijn gediend, dat wij hen en hun streken kennen en hen minachten,

dat wij hen bestrijden terwille van ons goede volk en dat

wij dien strijd eerst zullen staken als hun verderfelijke invloeden

vernietigd zijn. Zij kunnen veinzen den nieuwen tijd te verstaan en

dus mede te willen werken aan de verheffing tot een gezonde en

levenskrachtige volksche eenheid van de door hen zelf vernederde

en terneergeslagen bevolkingsgroepen; zij kunnen hun grijns van

hebzucht plooien tot een kouden glimlach van barmhartigheid, maar

het stempel van dien hebzucht blijft gedrukt op hun daden. Zij zijn

en blijven toch dezelfden, ook al vertoonen zij zich thans als makke

schapen!

Er zijn onder hen, die door praalzucht en domheid geleid, mede

hebben willen pronken en zich dus lieten verlagen tot werktuig

5


in de hand hunner verdervers. Zij kunnen nog tot inkeer komen,

hetgeen hun is gegund. Wij kennen hen, zooals wij hun misleiders

kennen!

Dit alles klinkt heel aannemelijk, maar het ontheft ons niet van

de verplichting thans tot de feiten te komen.

Het leek ons goed, duidelijk te doen blijken, wat de bedoelde

lieden van ons te verwachten hebben.

Welnu, nemen wij dus de Robaver! Men meent, dat de naam reeds

voldoende zegt! Men vergist zich! De naam alleen zegt niet half

genoeg! Het is niet, dat deze Robaver anders zou zijn dan vele

gelijksoortige bedrijven, zij wordt uitsluitend hier genoemd op grond

van haar machtspositie in de O.Z.O.-commissie.

Natuurlijk herinnert men zich de Robaver uit den wereldoorlog

van '14—'18, haar snellen groei, haar stichtingen, haar ontelbare

emissies, haar eindelooze manipulaties en haar even snelle ineenstorting,

die tot een nationale ramp dreigde te leiden, zoodat de

steun van derden noodzakelijk bleek om het zieltogende lichaam

weer op de been te helpen. Dit alles is niet zoo belangrijk, al strekt

het allerminst tot aanbeveling voor een zoo vooruitstrevend en toonaangevend

finantlel instituut. Van meer belang is het drijven —

reeds toen waar te nemen — van het internationale joodsche en

verjoodschte kapitaal, der geldzuchtige plutocraten en hun internationale

vriendenschaar, der zoogenaamde democraten en wat daartoe

behoort.

Men kent dit streven, dat erop gericht was om het Centrum van

orde en welvaart, van gezag en macht, van deugd en eergevoel, van

werklust en energie, de opkomende macht van het jonge Duitsche

Rijk te vernietigen. Aan dit streven verleende ook toen reeds ons

land zijn hulptroepen, op soortgelijke wijze als in de laatste jaren

werd en ook nu nog wordt gedaan.

Het was in die oorlogsdagen, dat in Nederland door het argelooze

Duitschland een Zentrale Ein- und Verkaufsstelle werd opgericht.

Tot de uitvoerders of medewerkers aan het genoemde orgaan werd

prompt een tweetal joden benoemd, te weten Maurits Gompertz

en Cohen van Straten. Men vrage maar eens aan de Robaver, hoe

die benoemingen tot stand zijn gekomen.

Dit enkele voorval slechts als voorbeeld, hoe men Duitsche

belangen reeds vroeger pleegde te dienen, d.w.z. hoe Duitschland

steeds goed was om er geld aan te verdienen en dan bij voorkeur

door de vijanden van het Rijk. Dat er niet veel veranderd is in dit

opzicht zullen de feiten opnieuw bewijzen, voor zoover de bewijzen

niet reeds afdoende geleverd zijn.

Nu zal men tegenwerpen, dat dit alles zich heeft afgespeeld in

tijden, die ver achter ons liggen. Nü ziet men, dat het Groot-Duitsche

Rijk van Adolf Hitier een ongekende macht ontwikkelt; erkend moet

worden, dat er wat veranderd is in Europa. Dat is ook den sluwen

plutokraten en hun aanhang niet ontgaan. Zij begrijpen, dat hun

duister spel in samenwerking met de Joden gevaarlijk dreigt te

6


worden; dat naar een nieuwe rol moet worden omgezien, zonder

natuurlijk de Joden en verjoodschte kringen thans reeds van zich

af te stooten. Men kan nooit weten! Als echte Nederlanders willen

wij wel medewerken aan de nieuwe orde, zoolang er wat te halen

valt. Als zij nu maar zeker wisten, dat die Engelschen en hun nationale

vriendenen werkelijk zijn uitgepraat, dan zouden zij zelfs hun

Joodsche vriendenschaar wel willen laten vallen. Thans leven zij in

een onzekerheid, die naar hun meening reeds veel te lang duurt.

Natuurlijk kunnen wij heden niet bewijzen wat eerst morgen zal

geschieden, maar wat wij weten en bewijzen kunnen is het volgende.

De Joden zijn naar ras en leer, waar zij ook neergestreken zijn,

de vijanden van het Germaansche volksontwaken. Wij weten het,

wij kennen hen, de bewijzen leverden zij in hun geschriften en

uitspraken van hoogmoed en zelfoverschatting. Wij mijden hen om

hun ras, hun levenswijze, hun gedragingen en hun zeden. In

een gezonde samenleving is voor hen geen plaats. Maar erger dan

de Joden zijn de niet-joodsche jodenknechten, zijn zij, die hun God,

hun Vaderland en hun Volk verloochenen terwille van het geld; zijn

zij, die zich van joden bedienen in hun streven naar geld en aanzien

ten koste van het eigen volk, van het nationale welzijn. Deze zoogenaamde

Christenen treft een schuld, die erger is dan de normale

zonde van een minderwaardig ras, want deze Volksgenooten zijn de

verraders van het eigen Volk.

Wij kunnen in dit verband wijzen op den onbekwamen en huichelachtigen

Colijn, die zich bediende van den Joodschen zwendelaar

Mannheimer om zijn schijn van macht en aanzien te bestendigen en

te vergrooten en in zijn ijdelen waan den nijveren boer en den

ploeterenden middenstander uitleverde aan het Joodsche margarinekapitaal.

Wij zouden op vele soortgelijke gevallen kunnen wijzen. Nü evenwel

zullen wij ons beperken tot de Robaver, waarover wij in het volgend

hoofdstuk meer zuilen zeggen.

7


Echt-Nederlandsche Captains!

Tot de meest weerzinwekkende zwendelaars, die hier zijn neergestreken

(en dat wil heel wat zeggen) behoort een zekere Vladimir

Krésin. Wij willen hem nu eens scherper belichten dan tot dusver

in de Misthoorn reeds geschiedde. In het bijzonder zullen zijn interessante

relaties tot voor kort met onze zoo „echt Nederlandsche

captains ol industry" onderhouden, ons kunnen leeren, hoe hier het

„pecunia non olet" of te wel „geld stinkt niet", door onze grijpgrage

plutocraten in eere wordt gehouden.

Welnu, onze Vladimir Mark Krésin aanschouwde als Jodenknaapje

op 25 Juni 1900 te Chirventi in Rusland het levenslicht. Zooals meer

van deze lieden zwierf hij al spoedig door Europa, werkte hier en

daar als havenarbeider, maar ook als „journalist" en kwam in 1933

naar ons land — in de dagen onzer Christelijke en Positief-Christelijke

Ministeries het gastvrij oord voor het internationale schuim.

Zeer bescheiden schafte hij zich een titel aan en noemde zich hier

Dr. V. Krésin. Door tusschenkomst van zijn vrienden, o.m. van den

Letlandschen deserteur Elkan en van Mote Salomon Veinbergs uit

Talsos (Letland), die hier ook al parisiteerden, kreeg hij contact

met de Nederlandsche joden en hun arische vrienden uit de parasitaire

kringen, die wij in den loop der jaren hebben leeren kennen. Het

zijn deze vrienden, die de opkomende Nationaal-Socialistische

Beweging in Nederland met alle mogelijke middelen bestreden, haar

leidende figuren verdacht maakten en haar leden en aanhangers

onbarmhartig terroriseerden, omdat naar zij meenden, deze beweging,

haar leider en haar leden zoo on-Nederlandsch waren, hun

taal dikwijls zoo onfatsoenlijk was en zij dingen zeiden, waarover

men in beschaafde kringen liever zwijgt. Zulke menschen zouden

het gewone volk in opstand kunnen brengen!

Allereerst probeerde Krésin in zijn levensonderhoud te voorzien

door de oprichting van een persbureau onder den wijdschen naam

„Nederl. Economisch Finantiëel Pers Agentschap". Al heel snel werd

dit een mislukking. In het minst niet afgeschrikt, richtte hij spoedig

daarna met Salomon van Zwanenberg de N.V. Internationaal Handels

Consortium op (14 Mei 1933). In 1939 was het ook met deze

creatie weer gedaan. Intusschen had hij in de persoon van

Zwanenberg al zoo'n echten O.Z.O.-Nederlander in den kring zijner

relaties weten te brengen. Als directeur dezer onderneming was de

Dr.-Journalist Krésin zelf opgetreden, met S. van Zwanenberg als

commissaris, benevens enkele arische „vooraanstaande Nederlanders".

Intusschen vervolgt Krésin doelbewust zijn weg. Immers was reeds

op 16 April 1931 de „N.V. Hollandsche Maatschappij voor den handel

met Palestina" opgericht, later genaamd „Internationaal Handels-

8


consortium voor het Nabije Oosten". Als directeur dezer onderneming

Irad ditmaal Marcus Kressin naar voren, vader van onzen reeds

bekenden doctor. Dat Papa in de officiëele acten een eenigszins

anderen naam draagt dan de zoon, vormde .voor onzen echt Neder-

Jandschen Minister geen enkel beletsel om vlotweg zijn „verklaring

van geen bezwaar" te verleenen.

Van de reeds genoemde naamlooze vennootschappen zijn de

?tatuten als bijvoegsel tot de Nederl. Staatscourant resp. d.d. 14 Mei

1934 No. 91 — 16 April 1935 No. 75 en 4 Februari 1937 No. 23

verschenen.

Tot commissarissen in de laatstgenoemde vennootschap werden

o.m. benoemd de zoon Dr. Krésin, Salomon van Zwanenberg en

Ir. Aron Cats.

Van dezen laatsten Cats valt te vermelden, dat hij in het bedoelde

bijvoegsel tot de Ned. Staatscourant No. 75 wordt genoemd: „Ir. Aron

Uats, directeur van na te melden vennootschap, wonende te Leeuwarden

in zijn hoedanigheid van eenig directeur der naamlooze

vennootschap: N.V. „Lijempf", Leeuwarder Ijs- en Melkproductenfabrieken,

gevestigd te Leeuwarden en als zoodanig die vennootschap

overeenkomstig art. 10 harer statuten tot na te melden handeling

wettig vertegenwoordigende". Bovendien is deze medewerker van

Krésin directeur van de N.V. Hollandsch-Indische Mij. voor Case'mebereiding

„Himca", Amsterdam, in welke onderneming de Jood L. de

Winter mededirecteur was. Als tweede directeur in „De Lijempf" is

sedertdien benoemd D. G. S. Landweer te Haren, tevens directeur van

de N.V. Carton- en Papierfabr. v/h W. A. Scholten, Groningen en

van de N.V. Veenderij- en Turfstrooiselfabriek „Klazienaveen" v/h

W. A. Scholten, Groningen.

Wanneer wij nu verder opmerken, dat als commissaris in de

„Lijempf" staan vermeld de Heeren E. A. H. Scholten en J. B.

Scholten, dan ziet men de nauwe onderlinge samenwerking en kan

men de Davidsster verklaren als merk op producten van de Scholien's

fabrieken. Op zichzelf is het al een ongehoord feit, dat onder

deze omstandigheden een Aron Cats, medewerker aan de zwendelzaken

van een Krésin als Jood gehandhaafd blijft in een belangrijk

agrarisch bedrijf als de „Lijempf". Het getuigt van een zeldzame

geesteshouding ook nu nog een aardappelmeelproduct in den handel

te brengen met de Joodsche Davidster.

Keeren wiï tot Krésin terug. Tot de genoemde Palestina Mij. treedt

Maart 1937 toe als commissaris Eduard Nijgh, Directeur van Phs. van

Ommeren's Scheepvaart Bedrijf te Rotterdam, die in November 1937

met Zwanenberg en Cats weer als commissaris is afgetreden.

Toen intusschen bekend werd, dat de Dr. Krésin en papa Kressin

beiden omstreeks April 1940 de heenen naar Amerika hadden genomen,

heeft men het nuttig geoordeeld deze voor de volksgemeenschap

zoo uitermate nuttige onderneming in het Handelsregister te

laten schrappen.

9


Men ziet, de heeren troffen hunne maatregelen nog ternauwernood;

immers enkele dagen later waren de Duitschers reeds in ons

land. Zn' hebben dus wel zeer trouw als „echte Nederlanders" tot het

laatste oogenblik zij aan zij met hun Joodsche vrienden den strijd

gestreden.

Maar hoe het zij, Krésin had intusschen nog meer bereikt. Door

middel van de pers, destijds door sommigen reeds niet geheel vrij

van joodsche invloeden genoemd, heeft hij propaganda weten te

maken voor den aanleg van een 500 km. langen spoorweg in Mexico.

Door zijn consortium wist hij nieuwe deelnemers tot zich te trekken,

die voorschot-contracten mochten teekenen voor den duur van 2 jaar

en maandelijks verplicht werden hun deel te betalen. Het is te

betreuren, dat van dezen spoorweg sedert dien niets meer is gehoord.

Nadat bij de genoemde firma's al reeds tevoren verschillende

ariërs op echt Nederlandsche wijze ontslagen waren en de heeren

Elkan en Veinbergs naar Mexico en Rood-Spanje vertrokken waren,

legde de firma zich toe op den export van Mexicaansche Carbanzasboonen

naar Rood-Spanje. Men ziet in welke richting de belangen

dezer „Nederlandsche" ondernemers gingen. De zaken liepen echter

slecht. Desniettemin werd Dr. Krésin tot Consul van Mexico in

Amsterdam benoemd, waardoor hij als statenlooze door onze Nederlandsche

Regeering in het bezit werd gesteld van een speciaal

„permit".

In den tusschentijd had de onvermoeibare Krésin nieuwe zaken

georganiseerd. In begin September 1935 stichtte hij de naamlooze

vennootschap:- N.V. Handelshuis te 's-Gravenhage, met als directeuren

Mote Salomon Veinbergs en Lazare Remze, geboren 15 Augustus

1888 te Wilna. Tot commissarissen werden benoemd o.m. Krésin

zelf en de heer H. A. A. van Nievelt. Ook van deze onderneming is het

bijvoegsel tot de Nederl. Staatscourant van Vrijdag 6 en Zaterdag

7 September 1935 No. 175 in ons bezit, in welke acte van oprichting

genoemde H. A. A. van Nievelt als commissaris wordt vermeld.

Een zelfs voor Nederlandsche begrippen verbijsterend resultaat

boekte onze Krésin kort daarop en wel door de oprichting van de

naamlooze vennootschap: Financiering- en Handelmaatschappij Nederland—Polen

N.V. te 's-Gravenhage. Het bijvoegsel tot de Nederl.

Staatscourant van 27 Januari 1936 No. 18, eerste en tweede pagina

vermeldt het feit, dat deze oprichting mogelijk bleek onder medewerking

van de navolgende personen:

1. Theodorus Hendrikus Bernsen, consul van Polen, wonende te Velp

(Gelderland);

2. Daniël George van Beuningen, koopman te Rotterdam (Rotterdamsche

Bankvereening);

3. Mr. Abraham van der Deure, advocaat, wonende te Bennekom

(o.m. Voorzitter der voormalige Nederl. Christel ij ke Radio

Vereen.!)

4. Gerard Daniël van Es Gips, directeur der N.V. Gips Houthandel,

wonende te Wasenaar;

10


5. Mr. Thomas Antonie Fruin, advocaat, wonende te Rotterdam,

(Rotterdamsche Bankvereeniging);

6. de naamlooze vennootschap: N.V. Internationaal Handels Consortium,

gevestigd te 's-Gravenhage; .

7. Mr. Karei Paul van der Mandele, bankdirecteur, wonende te Rotterdam,

(Rotterdamsche Bankvereeniging);

8. Mr. Herman Carel Hintzen, bankier, wonende te Rotterdam, bij

het geven der volmacht handelende in zijn hoedanigheid van

beheerend vennoot der vennootschap onder de firma R. Mees &

Zonen, gevestigd te Rotterdam en als zoodanig deze vennootschap

rechtsgeldig vertegenwoordigende;

9. Frans van Reigersberg Versluys, zonder beroep, wonende te

's-Gravenhage;

10. de naamlooze vennootschap: Rotterdamsche Bankvereeniging

N.V., gevestigd te Rotterdam;

11. de naamlooze vennootschap: Naamlooze Vennootschap Thomson's

Havenbedrijf, gevestigd te Rotterdam;

12. Jan Verschoor, wonende te 's-Gravenhage en Eduard Johan Andriessen,

wonende te Rotterdam, bij het geven der volmacht

handelende als directeur, respectievelijk procuratiehouder der

commanditaire vennootschap op aandeelen: Wambersie & Zoon

Commanditaire vennootschap op Aandeelen, gevestigd te R'dam.

Men ziet hier dus, hoe de „Haute Finance" en de „Upper Ten" van

het Nederlandsche bedrijfsleven, met de Rotterdamsehe Bankvereeniging

aan de spits, samenwerken met een statenloozen Jood van

allerongunstigste reputatie.

Wij kunnen daarbij nog mededeelen, dat ons destijds met stelligheid

is verzekerd, dat een zuster van Krésin hier te lande als betaalde

Sowjetspionne werkzaam was.

Wanneer wij nu onder meer de rol kennen van een aantal der

vooraanstaande New Yorksche bankiers bij de Russische Communistische

Revolutie dan weten wij tevens met welke middelen deze

internationale grootkapitalisten werken!

11


De poliep

Een waardevolle verrassing verschafte ons het Unieblaadje d.d.

3 Juli. Het was in onze spoorwegcoupé achtergelaten door een wat

jlddisch uitziend Unielld; blijkbaar te onzer bekeering.

Op bladzijde 12 troffen wij een beschouwing aan onder den titel

„Commissie Woltersom en N.V.V.". De drie eerste regels ervan luiden

woordelijk: „Reeds eerder hebben wij ln ons blad blijk gegeven van

ingenomenheid met de instelling der commissie Woltersom". Diep

onder den indruk van deze ontboezeming hebben wij de woorden aan

de vergetelheid willen ontrukken. Men ziet het. Het hooge woord is

er uit! De Unie zelf zegt het. Het zal haar dus zeker uit het hart

gegrepen zijn, dat wij de Commissie als de O.Z.O.-Commissie hebben

omgedoopt. Zij heben elkaar gevonden, al mogen zij wellicht in het

openbaar nog geen vaste verkeering hebben. Zij zijn nog zoo jong en

de tijden zijn toch al zoo raar. Maar een paar leuke snaken zijn het!

Dat opdrukje op de buitenzijde van het Unieblaadje: „Blijf trouw!

Win een nieuw lid", is echt diep gevoeld. De lieve Unie kan gerust

zijn. Haar O.Z.O.-Commissie blijft heusch trouw. Zij zal haar beproefde

beginselen stellig niet verloochenen. Maar wat te denken

van de wenk van een nieuw lid te winnen? Is dat ook voor de

O.Z.O.-Commissie bedoeld? In dat geval zijn er nog voldoende

„captains" in ons land, die willen blijven wat zij zijn en dus ook

trouw zullen blijken. Maar de rechte bedoeling zal wel voorloopig

een lief geheimpje tusschen beiden moeten blijven.

En nu terzake en met ernst. Wij hebben den lezer in het voorgaande

toegezegd nog het een en ander mede te deelen over de

Robaver. Wat kunnen wij beter doen dan allereerst te verwijzen naar

haar laatste jaarverslag? Wij treffen daarin aan een Raad van Commissarissen

van 19 leden met namen die klinken als evenvele gouden

klokken. Verder een „Commissie van advies voor de provincie" van

17 leden. Eveneens een zeer welluidend ensemble. Het aantal der

directeuren bedraagt slechts 4, nu de vroegere directeur Mr. van der

Mandele als Voorzitter naar den Raad der Commissarissen en tevens

als zoodanig naar de genoemde Commissie is verhuisd. Bij de onderdirecteuren

,thans 3, missen wij den Jood J. S. Rabbie; bij de secretarissen,

eveneens thans 3, ontbreekt Dr. J. Rothstein. Hoewel het

verslag bijzonder uitweidt over den heer van der Mandele, wordt over

Rabbie en Rothstein in alle talen gezwegen. Wanneer wij dus later

eens iets daarover zullen vertellen, dan herstellen wij daarmede een

klein verzuim, zooals dat in de opwinding dier dagen niet onverklaarbaar

was.

Vervolgens worden wij ingelicht over de bank te Rotterdam onder

directie van 3 leden en een 26 gewone en bijzondere procuratiehouders

.Het aantal bijkantoren bedraagt 5. Daarna komt de Bank

12


te Amsterdam aan de orde onder leiding van 2 directeuren en 36

procuratiehouders als boven met 4 bijkantoren. De Provinciale

Centrale beslaat 4 volle pagina's, leder van 2 kolommen, vermeldende

ruw geschat ruim 300 namen, der bewindvoerders als directeuren,

onderdirecteuren, algemeene en bijzondere procuratiehouders,

van een honderdtal kantoren, correspondentschappen en zitdagen in

de provincie. Men ziet: het is niet mis!

Het is natuurlijk ondoenlijk in het kader van de door ons gedachte

publicatie aan te toonen, hoe ver de landelijke, provinciale en

plaatselijke Invloeden van de bedoelde ruim 300 functionarissen met

hun zeer uitgebreide personeel zich uitstrekken. Volstaan moet dus

worden met de bovenstaande simpele mededeeling, al zij terloops

opgemerkt, dat een flink aantal dier namen weinig arisch klinkt.

Uit het bovenstaande blijkt overduidelijk tot welk een macht in

het geheele maatschappelijke leven van een land een bank groeien

kan, indien zij beschikt over een net van kantoren, bijkantoren, bijbanken,

agentschappen etc. etc. als boven aangeduid! Zij vormt een

staat in den staat!

Ongetwijfeld zouden wij den lezer tekort doen als wij het hierbij

lieten. Dat zullen wij dus niet doen. Bepalen wij ons echter voorloopig

tot de Commissarissen der „Commissie van advies voor de

Provincie" en de Directeuren, in totaal 35 Hoofdbestuurders. Evenwel

zou het ons te ver voeren, indien wij van r.llen de belangen, die zij

behartigen, gingen opsommen. Wij mogen den iezer niet al te zeer

vermoeien. Daarom beperken wij ons, althans ditmaal, tot slechts

enkelen hunner. In verband met het voor oogen gestelde doel kan

gevoegelijk daarmede worden volstaan. Het niet vermelde is van

gelijken aard en strekking.

Wat ons voor alles treffen zal, is hun schier onbeperkte arbeidskracht

Het is eenvoudig verbijsterend. Terwijl de doorsnee mensch

zich al heel belangrijk voelt als hij een stuk of drie, vier leidende

posities bekleedt en dan ook voor zijn omgeving gewoonlijk al ongenietbaar

wordt, is dit voor deze echt Nederlandsche captains slechts

een peuleschilletje. Onlangs hebben wij gelezen van een denkbeeld

het aantal commissariaten voor een ieder tot een maximum van

twee te bepalen. Wat een grenzelooze onnoozelheid! Dat gaat zoo

maar niet! Men herinnert zich den jarenlangen strijd der nationaalsocialisten

tegen den kanker van het systeem der cumulatie van

betaalde baantjes, pensioenen en wat daarbij behoort. Er is toen

zoo iets veranderd voor ambtenaren en politici. Maar ambtenaren en

politici zijn geen echt Nederlandsche „captains of industry". Dat is

nog een geheel ander slag. Neen, voor al te velen is het beginsel nog,

dat de grooten nooit groot genoeg en de kleinen nooit klein genoeg

kunnen zijn. Men kan de democratie en de vrijheid, ons heiligste

bezit, toch maar niet zoo prijsgeven aan die fantasten, die aan die

gewone menschen recht op arbeid, eerbied voor hun arbeid en de

vruchten van hun arbeid willen laten. Het aantrekkelijke is nog voor

te velen, het recht op arbeid aan den werker te ontnemen, laat ons

13


zeggen door bevordering der werkloosheid, de eerbied voor den arbeid

te schande te maken door hongerloonen, de vruchten van den arbeid

den gewonen arbeiders langs kapitalistisch parlementairen weg te

ontrooven.

Waar blijft men anders met het onvolprezen beginsel van het

denkend deel der Natie: „Ieder voor zich en God voor ons allen?"

Neen, nog al te velen willen blijven wat zij waren, d.w.z. zij eischen

voor zich op: het recht van te laten werken en de vruchten van het

werk van anderen zichzelf toe te eigenen. Hoe zou men trouwens

anders te eigen nutte een behoorlijk kapitaal kunnen verwerven en

hoe zou men zich zonder dat kapitaal behoorlijk verder door het

leven kunnen slaan? Men moet toch leven!

Maar hoe die plutocraten ook mogen denken, de nieuwe tijd stelt

nieuwe eischen! Met het oude is het afgedaan. Het nationale welzijn,

de toekomst van ons Volk en onze plaats in het nieuwe Europa, dat

alles staat op het spel. Aan dezen opbouw zullen de besten onder

de besten al hun ijver en energie moeten schenken. Dat is niet het

werk voor in schijn bekeerde plutocraten!

14


Meneer Woltersom zelf

Wenden wij ons tot de organisatie-commissie. Of men die nu O.Z.O.

noemt, of Robaver of naar den Voorzitter doet niet ter zake. Geen

kleinzieligheid. De Commissie is er en de Voorzitter is er ook. Zooals

bekend behoort hij tot de hoofddirectie van de Robaver. Dat is al wat,

nu wij de Robaver zoo'n beetje hebben leeren kennen. Dat directeurschap

schijnt overigens maar een onbeteekenend baantje in verhouding

tot de rest.

Wij hebben eens hier en daar nagekeken op welke wijze deze voorzitter

der Commissie zijn onuitputtelijke werkkracht, zijn rijp en diep

inzicht en groote ervaring reeds eerder ten dienste van onze Volksgemeenschap

heeft gesteld. Welnu, na eenig onderzoek, waarvan wij

geenszins willen beweren dat het volledig is, troffen wij dezen directeur

der Robaver aan in een vooraanstaande bestuursfunctie bij de

volgende ondernemingen:

N. V. Nationale Bankvereeniging in liq.

N.V. Spaarbank van de Nationale Bankvereeniging, Utrecht,

N.V. Sumatra Oliepalmen Maatschappij, Rotterdam,

Nationale Bank N.V., den Haag,

N.V. Nederl. Glasfabriek „Leerdam", Leerdam,

N.V. „De Hoop", Eerste Hollandsche Draad-, Ornament- en Brutglasfabriek,

Leerdam,

N.V. Philips' Gloeilampenfabrieken, den Haag,

N.V. Algemeen Administratie en Trustkantoor, Rotterdam,

Rotterdamsche Bankvereeniging,

N.V. Koninklijke Luchtvaart Mij. voor Nederland en Koloniën,

den Haag,

N.V. Algemeene Hypotheekbank, Amsterdam,

N.V. Vereenigde Glasfabrieken (United Glasworks), Schiedam,

Administratiekantoor van het Algemeen Administratie- en Trustkantoor,

Rotterdam,

N.V. Nationaal Bezit van Aandeelen van de Vereenigde Glasfabrieken,

Schiedam,

N.V. Vereen. Groningsche Scheepsbouwwerven, Groningen,

N.V. Kon. Ned.-Ind. Luchtvaart Mij., Amsterdam,

Kon. Ned. Hoogovens en Staalfabrieken N.V., IJmuiden,

N.V. Nederl. Maatschappij der „Nillmij. van 1859", den Haag,

Lochemsche Bankvereeniging N.V., Rotterdam,

Dordtsche Bank N.V., Dordrecht,

Deposito- en Administratiebank N.V., Rotterdam.

Men ziet het. Er zal zich in de verschillende geledingen van ons

Nederlandsche bedrijfsleven geen vraagstuk voordoen of de Voorzitter

zal het natuurlijk wel weten. En wat hij onverhoopt niet mocht

weten of wat hij door eigen verbindingen niet direct bereiken kan,

15


zal dan weer mogelijk blijken door tusschenkomst van een of meer

zijner Commissarissen van de Bank of via zijn „Commissie van

Advies voor de Provincie" of zijn ontelbare bijbanken, bijkantoren en

de rest, of via de bovengenoemde ondernemingen.

Dit alles is heel fraai. Het wijst op een doortastendheid, op een

perfecte organisatie, op een voorbeeldige ordening voor en met do

vriendjes en zal als een model van een poliepachtig, plutocratisch

middel tot knechting van een volk stellig kunnen dienen. Het vertegenwoordigt

in den scherpsten vorm het verleden.

Dit nu óm te werken met de lieden, die grootendeels afkomstig zijn

uit de geliëerde, om niet te zeggen onderhoorige bedrijven, tot een

nationaal-soclallstische ordening van het bedrijfsleven zal een kunststuk

beteekenen, waarbij de kunststukken van den onbaatzuchtlgen

varkensspecialist Verschuur, van den genialen Mannheimer, van den

fantasierijken Krésin en van den allerchristelijksten Colljn met zijn

olie- en margarinevlekken slechts kinderspel beteekenen.

Dit alles was anti-nationaal en anti-sociaal, in verband waarmede

Mr. J. Linthorst Homan als een der commissarissen van de Robaver

vermeld mag worden. Men kent toch diens Unie, die beweert nationaal

en socialistisch te zijn, zonder het nationaal-socialisme te willen

aanvaarden, en evenzeer beweert tegen het bolsjewisme te wezen,

zonder het te willen bestrijden!

Het eerste vereischte voor de leiding van een volksbeweging, als de

Unie zou kunnen zijn, is, dat zij radicaal en positief is. Nu dobbert

zij en praat maar wat in het honderd. De eene tegenstelling na de

andere. De oude tijd is voorbij, men wil dus naar het nieuwe. Maai'

het nieuwe is slechts aanvaardbaar, mits het oude gehandhaafd

blijft. Het nationale staat zij voor, mits de a-nationale, zelfs de antinationale

volksmisleiders en uitbuiters mee kunnen doen. Men zal

zich wenden naar het Oosten met knipoogjes naar het Westen. Men

heult met vriend en vijand. Wat de plutocraat is op het gebied van

de volkshuishouding past zij toe op politiek gebied. De „captains"

van deze politiek zijn niet anders dan de „captains" van den geldzak,

Dit nu is de karakterloosheid, die kenmerkend is voor de Unie.

Voor ons Volk zijn er slechts twee mogelijkheden! O f onze wedergeboorte

als een volwaardige volksgemeenschap in de Europeesche

samenleving naar volksche, nationaal-socialistische beginselen o i

onze ondergang en onze ontbinding, wanneer de vooroorlogsche

captains niet overboord worden gezet.

Tegenover de O.Z.O.-commissie of een O.Z.O.-Unie staat het Nederlandsche

belang.

Onze strijd, dien wij zegevierend zullen voeren, is dus de strijd vóór

de Nederlandsche Volksgemeenschap tegen de verderfelijke O.Z.O,

belangen.

Een middenweg bestaat er niet!

16


Nog een paar Captains

In de voorgaande beschouwingen hebben wij den lezer gewezen

op eenige bijzonderheden van de Robaver en haar invloed op ons

bedrijfsleven door middel van haar net van schier ontelbare banken,

bijbanken, kantoren, agentschappen etc. over ons geheele land. Wij

hebben in diepe bewondering woorden van hulde gebracht aan de

onuitputtelijke werkkracht van den heer Woltersom, die blijkbaar

als directeur van dit financieelee instituut wat afleiding zoekt om

zijn vrijen tijd te vullen in een twintigtal ondernemingen, waarin hij

een vooraanstaande functie bekleedt. Wij hebben er tevens op gewezen,

dat de beperkte ruimte dezer publicatie ons niet toestaat den

tientallen commissarissen gelijke eer te bewijzen, om niet te spreken

over de paar honderd provinciale goden.

Inderdaad is het ondoenlijk alle functies, ambten en betrekkingen

op te sommen, waarin deze captains van het oude regime de belangen

van ons in stukken gereten en uitgebuite volk sedert vele jaren

hebben gediend. Wij hebben ook reeds opgemerkt, hoe hun barmhartigheid

en daadwerkelijke steun zich zelfs uitstrekten tot lieden,

wien de bodem in vele landen wat te heet geworden was en die dus

door onze captains weer in het zadel werden gezet, totdat zij in

sommige gevallen zoowel met zadel en paard als met het noodige

voer en reisgeld naar elders verdwenen. Neen, neen, bekrompen zijn

de heeren zeker niet!

In hetzelfde artikel verwezen wij naar het laatste jaarverslag van

de Robaver. Hierin vinden wij woorden van bijzondere waardeering,

gewijd aan den heer Van der Mandele, thans o.m. Commissaris der

Bank. Mogen wij dan achter blijven? Dit ware een tekort aan

eerbied. Wij hebben ons dus de moeite getroost eens na te gaan, op

welke wijze deze nijvere heer ons Volk wist te dienen. Bij ons onderzoek

treffen wij hem aan in de een of andere leidende functie in de

navolgende ondernemingen:

L. Smit & Co's Sleepdienst N.V., Rotterdam;

Lever's Zeep Mij., N.V., Rotterdam;

Mij. voor Zuid-Afrikaansche Waarden N.V., Rotterdam;

Van Nievelt, Goudriaan & Co's Stoomvaart Mij. N.V., Rotterdam;

N.V. Vereenigde Hollandsche Sigarenfabrieken, Den Haag;

N.V. Handelmaatschappij R. S. Stokvis & Zonen, Rotterdam;

Holland-Amerika Lijn N.V., Rotterdam;

Rotterdamsche Bankvereeniging N.V., Rotterdam;

Furness' Scheepvaart- en Agentuurmij. N.V., Rotterdam;

N.V. Rotterdamsche Scheepshypotheekbank, Rotterdam;

N.V. Vereenigde Groningsche Scheepsbouwwerven, Den Haag;

N.V. Vereenigde Indische Cultuurondernemingen, Rotterdam;

P. de Gruyter & Zoon, N.V., Den Bosch;

17


N.V. Tabaksproducten Mij., Den Haag;

N.V. „De Beurs van Koophandel", Mij. tot Exploitatie van het

Beursgebouw, Rotterdam;

N.V. Emballagefabrieken en Houthandel, Rotterdam ;

Hollandsche Aannemingsmaatschappij N.V., Den Haag;

Rotterdamsche Beleggingsconsortium, Rotterdam.

Men ziet het. De woorden van lof uit het verslag der Robaver zijn

alleszins verdiend. Welk een belangstelling, welk een ijver, welk een

offervaardigheid! Het is overweldigend!

Nu wil het toeval, dat wij bij het bladeren in onze gegevens nog al

veelvuldig den naam ontmoetten van een verderen commissaris der

Robaver. Het was Mr. Fruin, dien wij reeds uit de Krésin-creatie

Nederland—Polen kennen. Dezen keer vonden wij hem vermeld bij

de onderstaande bedrijven:

„Nederland—Polen", Den Haag;

N.V. Wilton's Machinefabriek en Scheepswerf, Rotterdam;

Rotterdamsch Beleggingsconsortium, Rotterdam;

American Petroleum Company, Rotterdam;

Dok- en Werfmij. „Wilton-Feljenoord", Rotterdam;

Mij. voor Scheeps- en Werktuigbouw „Feijenoord", Rotterdam;

Lever's Zeep Mij. N.V.; Rotterdam;

N.V. Rotterdamsche Scheepshypotheekbank, Rotterdam;

Heineken's Brouwerij Mij. N.V., Amsterdam;

N.V. de Vereenigde Chemische Fabrieken, Utrecht;

N.V. Amsterdamsche Superfosfaatfabriek, Utrecht;

P .de Gruyter & Zoon N.V., den Bosch.

Op deze wijze zouden wij uit onze gegevens kunnen blijven putten.

Wij hebben ook een onderzoek ingesteld naar eenige tientallen niet

ónzer, maar hunner belangrijkste Nederlandsche ondernemingen,

hetgeen dus wil zeggen, ondernemingen waarin de spaarpenningen

van ontelbaar velen onzer volksgenooten zoo echt solide zijn ondergebracht

en de lakens door zeer weinige captains zoo echt degelijk

worden uitgedeeld. Het is zeer merkwaardig, hoevele der beheerders

stammen uit de kringen der Robaver en hoevele der betreffende

ondernemingen wij direct of indirect weer in de „Commissie tot

organisatie van het bedrijfsleven" vertegenwoordigd zien. Het sterkst

treedt dit aan den dag bij de door de Commissie aanbevolen of naar

voren gebrachte adviseurs in handel en industrie of de leiders van de

vele vak- en ondervakgroepen etc. Wanneer wij dan weer de banden

zien tusschen tal van deze heeren, hun organen, hun Jodenvrienden

en de Unie met haar onvolksche tendenzen, haar Joodsche en verjoodschte

ledenschaar en daarbij de innerlijke afkeer gedachtig

blijven van iedere radicale en doortastende hervorming in de Unie,

dan treedt de innige geestverwantschap tusschen de Unie en de

genoemde organen wel duidelijk in het licht. De O.Z.O.-gedachtensfeer

van de betrokkenen is daarmede onomstootelijk vastgesteld.

18


Handlangers van het internationale

Jodendom

Men zal zich herinneren, hoe in het jaarverslag der Robaver het

plotseling verdwijnen van den onderdirecteur J. S. Rabbie met geen

enkel woord werd toegelicht.

Wij willen op deze plaats dit verzuim der bank herstellen. Welnu,

naar onze informatie behoorde deze Rabbie tot de organisatie der

B'nai B'rith. Teneinde de Bank te toonen, welk een waardevol medewerker

zij en ons bedrijfsleven in dezen Rabbie hebben verloren,

geven wij hierbij eenige bijzonderheden omtrent het wezen dezer

allergevaarlijkste Joodsche wereldorganisatie. Wij ontleenen de

bewijzen van het volksondermijnende streven der organisatie aan het

werk „Vrijmetselarij" van W. Schwier, uitgegeven bij „Westland" te

Amsterdam. In dit werk lezen wij o.a.:

„Over zijn doeleinden zegt de B'nai B'rith zelf:

Wij hebben ons ten doel gesteld, de Israëlieten zoodanig te

verbinden, dat de ontwikkeling der hoogste belangen van

het Jodendom, zoo spoedig mogelijk en overal, verwezenlijkt

kan worden.

„De zetel der machtige Joodsche centrale is te New York.

Onmiddellijk onder de Centrale in New York stond de

Hilleel-Loge in Amsterdam."

Hoezeer deze machtige joodsche Orde achter de schermen het

wereldgebeuren beïnvloed heeft, moge het volgende bewijzen.

Leden van de B'nai B'rith waren:

Bela Khun: de bloedzuiger van Hongarije;

Itzig Tumultey: sekretaris van Wilson.

Philipp Sassoon: sekretaris van Lloyd George.

George Mandel: sekretaris en raadsman van Clemenceau.

Bernhard Baruch: directeur van de Amerikaansche oorlogsindustrie

van 1916—1918; financieel adviseur van Wilson, Hoover

en Roosevelt.

Samuel Gompers: voorzitter van het Amerikaansch Vakverbond.

Crémieux: Frans Minister van Oorlog en stichter van de „Alliance

israélite universelle".

Alle vrijmetselaarsloges ter wereld staan niet alleen onder

invloed maar ook onder toezicht van de B'nai B'rith, die als

leden alleen Joden opneemt, wier beide ouders voljoden

waren.

In het land der Konstitutie-Grootloge-(Amerika) heeft het Jodendom

in de laatste 20 jaren bijzonder opvallend stelling na stelling

19


veroverd, zoodat heden alle belangrijke Instellingen van steden,

staten en bondsregeeringen in handen van Joden of Vrijmetselaars

zijn. Van dit groote aantal willen wij er slechts enkelen noemen:

Roosevelt: lid van de Shriner-Hooggraadloge; eerelid van

de Architekten-Loge 519, waarvan ook zijn drie zoons lid zijn;

Baruch: Minister van Financiën en economisch adviseur

van den president; lid van de B'nai B'rith;

Lehmann: Gouverneur van New-York; lid van de B'nai B'rith.

La Guardia: Jood: Burgemeester van New-York;

Felix Frankfurter: in 1939 tot lid van het Hoogste Gerechtshof

benoemd, lid van de B'nai B'rith;

Henry Morgenthau: Minister van Financiën; lid van B'nai B'rith.

Norman Meyer en Felix Kohn: B'nai B'rith broeders, sekretarissen

van den Minister van Binnenlandsche Zaken: Harald Ickes

Pittmann: de Senator, die het sterkst antl-Duitsch is; lid van

de B'nai B'rith.

Cordell Huil: Minister van Buitenlandsche Zaken (getrouwd met

een Jodin) vrijmetselaar.

Samuel Dickstein: Commissaris van de Vereenigde Staten voor

de rijksgebouwen en den woningbouw; Jood.

In de ledenlijst der Loge „HÜleel" zijn de volgende beroepen te

vinden:

Groothandel en banken .. 1 4

Advocaten en notarissen 1 0

Artsen 20

Rabbijnen en leiders joodsche godsdienstige instellingen 9

Particulieren g

Directeuren van groote bedrijven en openbare diensten 26

Beambten j

Hoogleeraren 3

Fabrikanten 1 4

Kooplieden

Vrije beroepen 1 2

Kunstenaars j

Totaal

Reeds deze indeeling naar de beroepen toont aan, dat de officieele

Joden-Orde slechts leden heeft, die, toonaangevende posities in het

economische-, politieke- en joodsche leven bekleeden. Want juist

beroepen als directeur, arts, notaris, fabrikant e.d. waarborgen

immers een voortdurende invloedsmogelijkheid; d.w.z. de mogelijkheid

tot uitoefening van een zeker overwicht op de aan hen toevertrouwden.

Opdat echter de ontbindende Joodssche leuzen ook volkomen

in overeenstemming met de misdadige aanwijzingen der

israëlietische zedewetten blijven, zijn ook de opperrabbijnen sterk in

de Orde vertegenwoordigd.

20


Als verder aantoonbaar arbeidsterrein kan nog aangevoerd worden,

naast de volkomen beheersching van enkele takken van industrie en

van het geestelijk leven, de beslissende invloed op neutrale weldadigheidsvereenigingen,

op het kunstleven, op stichtingen, verzekeringen,

berichtendienst en verdere levensgebieden der volken.

Beschouwt men, na inzage van de ledenlijst der B'nai B'rith de

namen der leden van verschillende comité's en vereenigingen, die

sedert 1933 tegen de volksche gedachte opgericht zijn, dan blijkt het,

dat ook hier de „Zonen des Verbonds" in het spel waren. In alle

variaties, doch in principe altijd weer op leden van de B'nai B'rith

terugkeerende, zijn deze Duitsch-vijandige en tot oorlog ophitsende

vereenigingen volgens een vast plan in het leven geroepen.

Het werk van Comités en vereenigingen als b.v.:

het Comité van Waakzaamheid,

de Internationale Vereeniging tot Koloniseering,

het Comité tegen Rassen- en Jodenwetten,

het Comité voor Bijzondere Joodsche Belangen,

de Commissie tot Steun aan Oorlogsslachtoffers,

het Genootschap Kuituur tegen den Geest van Gewelddadigheid,

de Hulp aan Spanje,

de Leeskring Hedendaagsche Kuituur,

de Bond van Kunstenaars,

D.O.O.D. (Duitsche Olympiade onder Diktatuur),

de Nederlandsche Jongeren- Perscommissie,

het Comité voor uit Duitschland uitgeweken Nederl. Joden,

de Nederlandsche Sympathiebetuiging aan Dr. Benesj,

het Bruinboek van de Hitlerterreur,

het Gemeenschappelijk Front van gansch het Intellectueele

Nederland tegen de Hitlerterreur,

het Algemeen Comité voor Jeugdactie tot hulp van Joodsche

Vluchtelingen,

het Algemeen Joodsche Vluchtelingen Comité,

het Jewish Central Information Office,

het Joodsche Emigranten Comité,

het Comité voor Bijzondere Duitsch-Joodsche Belangen,

de Nederlandsche Centrale Vereeniging van Noodlijdende Joden

in het Buitenland,

het Comité voor Steun aan in Nederland verblijvende, buitenlandsche

Joden,

en vele andere, zoogenaamd door het „Nederlandsche" volk opgerichte

comité's en vereenigingen, hebben er veel toe bijgedragen om

een volksmeening te creëeren, die tegen de normale, natuurlijke

betrekkingen met het Nieuwe Duitschland was. Naar oud, beproefd

recept werd steeds over „Hollandsche meeningen" gesproken, doch

daarmede „joodsche belangen" bedoeld!"

En nu, Robaver en heeren der O. Z. O. - commissie, waarom

hebt gij in Uw jaarverslag angstvallig over Uw medewerker

21


Rabbie gezwegen, terwijl gij wèl in datzelfde verslag de

namen vermeldt van eenige ondergeschikten in de Provincie,

die in vergelijk tot dien Rabbie slechts onnoozele broekemannetjes

zijn?

Zal men niet aannemen, dat gij het verdwijnen van dezen man

met opzet hebt verzwegen, omdat gij nauwkeurig hebt geweten wat

voor vleesch gij met hem in de kuip hebt gehad? Werd de grond

U met dezen man wat al te heet na de komst van de Duitschers?

Wat is eigenlijk het onderscheid tusschen U en de Joodsche geldmagnaten,

die van Wallstreet uit den misdadigen strijd tegen het

Germaansche volksontwaken hebben voorbereid en nu ten koste van

millioenen levens al een paar jaar voeren? Gij kent hen en hun

methoden toch? Moeten wij U als leiders van een machtig geldconcern

met vele geliëerde bedrijven voor zóó onnoozel houden, dat

gij van die joodsche machtswellust niets hebt begrepen? Zou het

niet nuttig kunnen zijn, langzamerhand wat meer aandacht te gaan

schenken aan den strijd van Hitier, die het beste bloed ter wereld

heeft ingezet om dat gangsterdom te vernietigen? Begint het er

thans ook voor U naar uit te zien, dat deze Hitier het wel eens kon

winnen, en dat het dan van belang kan zijn Uw draai te nemen?

Gelooft ons, heeren plutocraten en captains-van-het-Geld, de wolf

in schaapshuid heeft zich nog nimmer afdoende kunnen camoufleeren.

Zijn aard komt toch steeds weer boven!

22


Hoe men het Nederlandsche bedrijfsleven wil

doen „ordenen" door Rotarians, Vrijmetselaars,

Jodenvrienden en cumulanten

In het voorafgaande hebben wij den lezer een weinig ingelicht

over het wezen van de moderne groote bankinstellingen, haar joodschen

en verjoodschten geest, haar machtspositie en haar doelstellingen.

Wij hebben gezien hoe zoo'n bankinstelling met haar ontelbare

gelieerde en onderhoorige bedrijven uitgroeit tot een macht,

die den staat kan beheerschen en zich vermag te richten tegen de

belangen van den staat en daarmede tegen het welzijn van het

Volk. Wij hebben het een ongeëvenaard kunststuk genoemd, indien

een dergelijk instituut zich zou willen voordoen, alsof het bereid en

in staat zou zijn de door list en kunstgrepen opgebouwde machtspositie

te benutten ten bate van de rechtmatige en rechtvaardige

belangen van een volk, zooals de nationaal-socialistische volksgemeenschap

dit gebiedend vereischt. Dit ware zelfvernietiging! Het

doet ons denken aan de geschiedenis van den man, die na een leven

van ontucht, woeker en plundering tenslotte gegrepen werd. Het

schavot voor oogen ziende, voerde hij te zijner verdediging aan een

actief voorstander te zijn van een vereeniging voor rein leven en

barmhartigheid. Hij had het steeds als zijn taak beschouwd een

afschrikwekkend voorbeeld te zijn voor anderen. Desniettemin werd

hij opgehangen!

Welnu, indien de vereenigde plutocraten met hun joodsche streken,

hun politiek van uitbuiting der arbeidende massa's ten bate van

enkelen en hun streven naar vernietiging van alle volksche waarden

iets dergelijks zouden willen beweren, dan zouden wij als rechters

niet schromen hen eveneens onschadelijk te maken. Ook bij bekeerde

plutocraten gaat de natuur boven de leer, zelfs nu het zegevierend

nationaal-socialisme als 'n zwaard van Damocles boven hun hoofden

hangt.

Dit zijn beschouwingen, waarmede de lezer wel zal instemmen.

Onze taak is echter in het bijzonder de O.Z.O.-commissie nader te

belichten, waartoe wij thans overgaan.

Den directeur der Robaver, tevens voorzitter der Commissie hebben

wij al zoo'n beetje leeren kennen. Over hem mogen wij dus voorloopig

verder zwijgen. Naast hem zien wij, behalve den secretaris, een

zestal leden der commissie.

Om te beginnen merken wij op den Heer Honig, een der directeuren

van Heineken's Brouwerij, IN WELKE ONDERNEMING DE HEER

FRUIN VAN DE ROBAVER COMMISSARIS IS. Daarnaast zien wij

den Rotarian Twijnstra, IN WIENS ONDERNEMING, DE TWIJN-

STRA'S OLIEFABRIEKEN, DE HEER VAN DER MANDELE VAN DE

ROBAVER COMMISSARIS IS. Vervolgens ontmoeten wij den heer De

23


Monchy, directeur van de Holland-Amerika Lijn. ALS COMMISSARIS

VAN DEZE LIJN TREFFEN WIJ DE HEEREN VAN DER MAN­

DELE, VAN BEUNINGEN EN A. GIPS AAN, DIE TOEVALLIG WEER

ALLE DRIE COMMISSARISSEN DER ROBAVER ZIJN. De helft der

leden benevens de voorzitter der commissie komen dus uit de belangensfeer

van de Robaver.

Wat treft dat alles toch gezellig! Zij kennen elkaar en zij weten

zoo ongeveer wat zij aan elkaar hebben! Dat is heel interessant. Maar

nog interessanter is het te weten, wat het Nederlandsche Volk, onze

komende nationaal-socialistische volksgemeenschap aan hèn heeft.

Want dat is tenslotte de hoofdzaak en daar gaat het om!

Uit hun daden leer men de mensehen kennen. Nu zal men opmerken,

da men o\eze heeren reeds afdoende heeft leeren kennen.

Zulks ware echter een lichtzinnig standpunt. Uit het verleden

kennen wij de heeren, maar wat ons bezighoudt is de vraag, of zij

ons in de nabije toekomst de ordening van ons bedrijfsleven zullen

brengen, zooals onze inschakeling in de Germaansche nationaalsocialistische

samenleving dit onafwendbaar voorschrijft.

Het is in verband hiermede, dat wij met zoo gretige belangstelling

hebben kennis genomen van een lijst van „Adviseurs in de Industrie"

en „Adviseurs in den Groothandel", welke adviseurs, naar werd

gezegd, de O.Z.O.-commissie in haar omvangrijke taak zouden bijstaan.

De vrijmoedigheid van plutocraten, captains of industry en

geestverwante lieden reeds min of meer kennende, waren wij op veei

voorbereid. Wat een belangrijk aantal der vermelde adviseurs

betreft moeten wij erkennen, dat de perken der betamelijkheid toch

nog verder zijn overschreden dan wij hadden verwacht.

Wij hebben kennis genomen van de waanzinnige geruchten, welke

uit het lood geslagen O.Z.O.-menschen als hoogste waarheid klakkeloos

aanvaarden en ijlings verder roddelen. Wij kennen de wartaa'.

de kinderlijkheden en kindsche dwaasheden waarmede deze O.Z.O.kringen

zichzelf een houding willen suggereeren en wij betreuren

het feit, dat ons Volk zulks in werkelijk bedenkelijke mate blijft

dulden. Dit alles wordt echter overtroffen door hetgeen de bedoelde

lijst ons biedt. Hoe is het nu, zijn onze zinnen verbijsterd of de

hunne?

Hoe ter wereld is ten behoeve eener noodzakelijke ordening op

nationaal-socialistischen grondslag de aanbeveling mogelijk van

adviseurs uit het kamp van hen, die tot de felste bestrijders van het

nationaal-socialisme behoorden: van Rotarians, ja zelfs van vrijmetselaars?!

Is hier de stichting van een joodsch of verjoodscht, maconnick en

plutocratisch nationaal-socialisme in voorbereiding? Is daarmede

bedoeld het zgn. soeialisme-naar-eeht-Nederlandschen-aard' Is de

O.Z.O.-kanker zóó diep ingevreten, dat zelfs vooraanstaande intellectueelen

met iets dergelijks voor den dag komen? Of gaat hun vertrouwen

in eigen machtspositie zoo ver, dat zij het waagden dit te

24


doen? Zijn zij wellicht door hun successen in de voor altijd atgesloten

peeriode van het volksvijandige parasietendpm dermate verblind,

dat zij zich ook thans nog onmisbaar achten, terwijl ze moeten hopen als

„vergeten burgers temidden van hun volk v

hier nog te mogen leven?

Hoe het ook zij, de lijst van aanbevolen adviseurs levert het bewijs

hoe men in zekere kringen het nationaal-socialisme in Nederland

denkt te kunnen brengen. Een voorloopig onderzoek omtrent deze

adviseurs leidde tot merkwaardige verrassingen. Achtereenvolgens

vonden wij vermeld:

Voor de metaalindustrie een ingenieur, die in 1931 toetrad tot de

Rotarians; voor de papierindustrie een professor, eveneens Rotarian;

voor de kracht- en lichtbedrijven een ingenieur, evenzoo Rotarian;

voor de bouwindustrie een VRIJMETSELAAR VAN HOOGEN GRAAD;

voor de confectie-industrie een VRIJMETSELAAR VAN HOOGEN

GRAAD, tevens penningmeester van zijn loge.

Daarenboven zien wij voor de leder- en lederverwerkende industrieën

een lid der O.Z.O.-commissie, die blijkbaar zichzelf als adviseur

heeft aanbevolen! Onder de adviseurs in den groothandel vonden wij

o.a. EEN ZWAGER VAN WIJLEN DAVIDJE WIJNKOOP. Al moge

deze zwager volmaakt onschuldig zijn aan het huwelijk van zijn

waarde zuster, erg plezierig klinkt de aanbeveling toch niet.

Onder de resteerende namen treffen wij lieden aan, van wie wij

bereid zijn alles te verwachten, behalve een nationaal-socialistische

overtuiging.

Natuurlijk kan ten opzichte van de geheele lijst niet in bijzonderheden

getreden worden. Nog sterker geldt dit voor al 't fraais hetwelk

sindsdien als voorzitter van bepaalde vakgroepen naar voren werd

gebracht. Dit zou boekdeelen kunen vullen. Wij beperken ons dus

voorloopig tot de bedoelde lijst en doen daaruit, na het reeds vermelde,

slechts één enkelen greep, hetgeen niet wil zeggen, dat wij den

overigen onze belangstelling zullen onthouden.

Zoo zien wij vermeld: Ir. M. H. Damme, directeur der N.V. Werkspoor

te Amsterdam. Men zou haast kunnen zeggen: een uitzonderlijk

interessant geval, mede in verband met den directeur der P.T.T.

Wij hebben zoo eens nageplozen, waarmede deze belangwekkende

figuur, de ingenieur-Rotarian M. H. Damme zich onledig hield. Wij

wenschen hier stellig niet onze opvattingen te herhalen omtrent

cumulatie en alles wat daarbij hoort. Wij bepalen ons derhalve tot

slechts enkele bijzonderheden. Welnu, de eentonigheid zijns levens

tracht genoemde heer te bestrijden door het zoeken naar verstrooiing

in de onderstaande functies. Laat ons hopen, dat zijn moeite niet

geheel onbeloond gebleven is. Overigens meenen wij hem in de

toekomst nog wel eenige andere afleiding te kunnen beloven.

De heer Ir. M. H. Damme dan is o.a.:

commissaris van de N.V. Arnhemsche waterleiding Mij., Arnhem;

lid van den Raad van Beheer van de N.V. Bouwvereeniging

Elink-wijk, Amsterdam;

25


commissaris van de N.V. Heemaf, Hengelo;

commissaris van de N.V. Staalfabrieken v. h. J. M. de Muinck

Keizer, Utrecht;

directeur van de Werkspoor N.V., Amsterdam;

commissaris van de Kon. Ned. Hoogovens en Staalfabrieken N.V.

IJmuiden;

commissaris van de Nederlandsche Bank N.V., Amsterdam;

commissaris van de N.V. Provinciaal en Gemeentelijk Stroomleveringsbedrijf,

Utrecht;

lid van den Raad van Bestuur van de K.L.M., Den Haag;

lid van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Amsterdam;

voorzitter van den Hoogeschoolraad te Delft;

lid van den Raad van Toezicht van het Provinciaal Stroomleveringsbedrijf

te Utrecht (PEGUS) ;

commisaris van de Ijzergieterij „De Industrie" te Vaassen;

lid van den Raad van Beheer der Jaarbeurs te Utrecht;

lid van het Bestuur der Maatschappij voor Jaarbeursgebouwen,

Utrecht;

commissaris van de Centrale Werkgevers Risicobank te A'dam;

bestuurslid van de Industrieele Club te Amsterdam;

lid van de Commissie van Advies van de Nederlandsche Bank,

te Amsterdam;

algemeen vice-voorzitter van de Vereeniging voor Metaalindustrieelen

te 's-Gravenhage;

bestuurslid van het Verbond van Nederlandsche Werkgevers te

's-Gravenhage.

De aandachtige lezer vraagt zich, na kennisname van bovenstaande

lijst, ongetwijfeld af: „Wie is deze Damme?" Wij hebben ons dezelfde

vraag gsteld en zijn na onderzoek tot de conclusie gekomen, dat er

véél van hem te zeggen is, doch weinig wat ons vermag te imponeeren.

Wij vermeldden reeds het lidmaatschap van de Rotaries

gedurende bijna 10 jaren. Daarnaast geeft de vermelde lijst het

bewijs van -'s mans zucht tot het verzamelen van winstgevende

baantjes, waardoor hij zich een der waardigste vertegenwoordigers

van het plutocratendom toont. Bovendien werd ons medegedeeld

door personen die den heer Damme van meer nabij kennen, dat zijn

beroepscapaciteiten stellig beneden het vereischte liggen. Hij zou

zijn betrekking door familie-relaties hebben verkregen en tracht nu

op zijn beurt familieleden winstgevende ambten te bezorgen, ten

koste van bekwame personen. Zoo verwekte de benoeming van zijn

zoon Marinus Hendrik, een man die met alle winden meewaait, tot

directeur van de Werkspoor in Utrecht destijds een zekere verbazing.

Damme's broer is de bekende rose directeur-generaal der P.T.T., die

deel uitmaakte van het 5-dagen kabinet Colijn, dat opviel door zijn

anti-Duitsche samenstelling. Wat wij aan Damme zélf hebben wordt

nu wel langzamerhand duidelijk door het feit, dat hij als „adviseur"

der O.Z.O.-commissie naar voren is gebracht!

26


Verdere onsmakelijkheden uit de

O.Z.O.-keuken

De lezer heeft thans kennis gemaakt met de Robaver, de O.Z.O.commissie

en haar adviseurs en de O.Z.O.-Unie, mèt haar joodsche

en verjoodschte, maconnieke en plutocratische, derhalve anti-nationaal-socialistische

doelstellingen. Natuurlijk bestaat er een onderling

verschil tusschen de drie groepeeringen en dus ook in haar

onderscheidene uitingen. Het is immers vanzelfsprekend, dat een

bankinstelling zich naar buiten anders gedraagt dan een samenraapsel

van opgeschrikte arische en niet-arische lieden, onder leiding

en toezicht van hun voormalige bonzen en bonsjes, die, nu de politieke

partijen tot machteloosheid werden gedoemd, elders hun schadelijk

bedrijf wenschen voort te zetten. Wèl geldt natuurlijk voor

allen, dat de INDRUK moet worden gewekt, alsof zij voor het toekomstig

welzijn van ons volk van eenig nut kunnen zijn. Daartoe

dienen dan weer, zooals steeds, wat phrasen en leuzen, die voor de

gelegenheid van den nieuwen tijd worden omgewerkt. Doch de doelstellingen

en het streven blijft toch als voorheen. En dat is juist wat

het Nederlandsche volk niet wenscht en niet gebruiken kan, ook al

wordt de verderfelijke en onwelriekende kost van vroeger in de

keuken met een nieuw sausje overgoten.

In alle bescheidenheid mogen wij opmerken, dat onze beschouwingen

levendige belangstelling hebben getrokken en niet in het minst

in de kringen der plutocraten en hun al dan niet-arische geestverwanten,

die zich zoo welgemoed opmaakten om het Nederlandsche

Volk opnieuw de das om te doen. In hun verwatenheid schijnen deze

lieden het leidersbeginsel dienstbaar te willen maken aan hun

streven naar een zoo mogelijk wettelijk gesanctioneerde en blijvende

kneveling van ons Volk. Hoe lang zal deze min of meer openlijke

sabotage nog kunnen duren? Naar onze meening in ieder geval geen

dag langer dan zij (in den ijdelen waan eener joodsche overwinning)

in de eigen onfeilbaarheid blijven gelooven. Zij beseffen ook thans

nog niet, dat zij gelijk met het internationale parasietendom weggevaagd

zullen worden, en dat deze dag, die onafwendbaar komt. niet

ver meer is. Dat zij het zijn, die de gezondmaking en de wederopstanding

van ons Volk in den weg staan is hun onverschillig. Dat

door hïin toedoen de uiteindelijke overwinning van Hitier, dat is de

bevrijding van Europa en het geluk der bevrijde Germaansche

volken wel wordt vertraagd, maar nimmer verijdeld kan worden,

beginnen zij wellicht te begrijpen, doch kan hen van hun nutteloos

streven niet weerhouden. Dat door hun houding van het edelste

bloed, dat der strijdende Germaansche legioenen, méér wordt geofferd

dan anders noodig ware, laat hén koud, omdat vóór en bóven

alles hun hebzucht staat. Dat zal zich op hen wreken.

27


Intusschen schenkt het ons voldoening, dat tijdens de publicatie

onzer artikelen over de O.Z.O.-commissie het meest halsstarrige blad

der plutocraten, het oer-liberale Handelsblad, ons in de stadseditie

van Dinsdagavond 29 Juli, pagina 2, in de rubriek „Boerderij en

Tuinderij" onder het opschrift „Ordening bedrijfsleven en Commissie-

Woltersom" een artikel brengt, hetwelk onze verwachtingen omtrent

het werk der bedoelde commissie in uitgelezen bewoordingen ten

volle onderschrijft.

Velen van onze lezers zullen wel mèt ons het gevoel van onpasselijkheid

kennen dat ons bevangt, wanneer het lot ons van tijd tot

tijd noodzaakt het Handelsblad te lezen. Een uitzondering op de

lectuur van dit blad maakte weliswaar al geruimen tijd hetgeen in

de agrarische rubriek werd gepubliceerd. In den regel verdienden deze

objectieve en deskundige beschouwingen groote waardeering, temeer

daar zij een loffelijke uitzondering vormden op hetgeen door de

overige partijbladen werd verkondigd en zelfs in de andere kolommen

van eigen blad op onsmakelijke wijze werd gepropageerd. De bovenbedoelde

publicatie vormde voor ons een zoodanige verrassing, dat

wij onze lezers daarvan niet onkundig willen laten. Overigens zou

het geenszins verwonderlijk zijn, wanneer op de een of andere wijze

het bewuste artikel weer zal worden geneutraliseerd. Men kent zoo

de methode! Hoe het zij, het artikel is verschenen en het verheugt

ons, dat „het vooraanstaande blad voor de betere kringen" het aangedurfd

heeft onomwonden onze opvattingen te bevestigen. Maar

oppassen blijft de boodschap; er schuilen wel eens meer adders onder

het verlokkende gras! In ieder geval zullen wij den ingeslagen weg

vervolgen, tot de kanker, die onze volkskracht reeds al te zeer heeft

aangetast, zal zijn uitgesneden.

Welnu, nogmaals brengen wij uit onzen rijken voorraad enkele

figuren naar voren. Ook déze heeren hebben recht op onze belangstelling,

want ook zij behooren tot de captains wier werkkracht en

offervaardigheid wij reeds leerden kennen.

Zoo zien wij als adviseur voor de voedings- en genotmiddelen Ir.

W. H. van Leeuwen. Als opvolger van zijn oom van moederszijde, Dr.

F. G. Waller, werd hij na een aantal jaren bij het bedrijf in verschillende

functies werkzaam te zijn geweest, in 1926 president-directeur

van de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek te Delft. Dat is al

heel wat, wanneer men zoo'n oom opvolgen kan, maar blijkbaar toch

niet genoeg, want wij zien den ingenieur Van Leeuwen verder als:

28

commissaris van BoII & Dunlop's Distilleerderij N.V., Schiedam;

commissaris van de N.V. Machinefabriek Gebr. Stork te Hengelo;

commissaris van de N.V. Branderij en Gistfabriek „Hollandia II"

Schiedam;

commissaris van de N.V. Werf „Conrad" te Haarlem;

commissaris van de N.V. Dist. v.h. S. Rijnbende & Zn. Schiedam;

commissaris van de N.V. Stork-Hijsch te Haarlem:

commissaris van de Silo-Mij. „De Maas" N.V., Rotterdam;


commissaris van de Nederlandsche Bank te Amsterdam;

commissaris van de N.V. Kon. Ned. Mij. tot Exploitatie van Petroleumbronnen

in Ned.-Indië, te 's-Gravenhage;

commissaris van de N.V. Ned. Scheepsbouw-Mij., Amsterdam;

lid van den Raad van Bestuur van de N.V. De Bataafsche Petroleummaatschappij

te 's-Gravenhage;

lid van den Raad van Beheer van de N.V. Gist- en Spiritusfabr.

„De Maas" N.V., Schiedam;

lid van de Nijverheidsraad;

onder-voorzitter van dezen raad;

lid van het bestuur van het Verbond van Nederl. Werkgevers;

voorzitter van dat Verbond;

vertegenwoordiger der industrieele belangen in de commissie bedoeld

in art. 27 van de Landbouwcrisiswet 1933;

lid van het bestuur en van het dagelijksch bestuur van de Nijverheidsorganisatie

T.N.O., te 's-Gravenhage;

vertegenwoordiger der industrieele belangen in het bestuur der

A.V.M. te 's-Gravenhage;

adviseur van de O.Z.O.-commissie.

Bovendien herinnert de lezer zich de onverkwikkelijke affaire inzake

een nieuw voeder-procédé. Het is een langdurige en onfrissche aangelegenheid

geweest, waarop wij weilicht nog eens terugkomen.

Intusschen kan men de groote belangstelling vaststellen, die Ir.

Van Leeuwen heeft voor talrijke bedrijven en ambten die met zijn

werkkring niets uitstaande hebben. Ook hier ziet men weer, dat hoe

grooter het bedrijf is, waaraan men leiding geeft, er des te meer tijd

overblijft voor wat afwisseling elders. Dat. Ir. Van Leeuwen in nat.soc.

kringen bekend staat als iemand die van de nieuwe orde niets

wil weten, zij terloops opgemerkt.

Ook Ir. C. Noome, de adviseur van kracht- en lichtbedrijven, is

zoo'n beetje van alle markten thuis. Als een der directeuren van de

N.V. Handelsvennootschap v/h Maintz & Co. beheert hij mede een

tiental der voornaamste electriciteitsbedrijven in Ned.-Indië, vertegenwoordigt

verder eenige thee-ondernemingen, exploiteert een

rubber-onderneming en is lid der directie van de N.I.R.O.M. Van

Noome is voorts bekend, dat hij sedert 1936 Rotarian is, terwijl hij

door ingewijden een fel tegenstander wordt genoemd van de nationaal-socialistische

ordening.

Betreffende Ir. J. J. van der Wal, de man van de bouwindustrie,

vernamen wij o.m. dat hij directeur is van de Bataafsche Aanneming

Mij. N.V. te Den Haag. Verder is hij bestuurslid van een aantal vereenigingen

en heeft zitting in talrijke commissies, te veel om op te

noemen. Zijn maatschappij heeft verschillende groote werken uitgevoerd.

Zij bouwden o.m. het kantoorgebouw der Bataafsche Petroleum

Maatschappij, het gebouw van de Nederlandsche Handelmaatschappij,

de Centrale Arbeidersverzekering Bank en de gebouwen van

De Joodsche Invalide. Wanneer de Joden een Ariër iets laten ver-

29


dienen, dan weet men wel hoe laat het is. Dat klopt ook hier, want

Van der Wal was vrijmetselaar en als zoodanig lid van de loge

„L'union Prédéric" te Den Haag, een der machtigste loges van het

land. De inlichtingen omtrent zijn persoon uit zijn naaste omgeving

zijn verder weinig vleiend. Kan het gezien het bovenstaande, bevreemden,

wanneer hij een fel tegenstander van het nationaalsocialisme

wordt genoemd?

Het lust ons niet den lezer verdere onsmakelijkheden uit de O.Z.O.keuken

op te disschen. Na al het voorafgaande zullen wij hem stellig

reeds voldoende hebben overtuigd. Wat ons rest is aan te toonen,

nu er van de O.Z.O.-lieden weinig hoopvols te verwachten is, hoe

de nieuwe orde dan wél gebracht moet worden.

üeen O.Z.O.-, maar volksche ordening

Met onze lezers hebben wij nu al geruimen tijd onze wekelijksche

rondwandeling gemaakt in en om de O.Z.O.-keuken en zoo hier en

daar een voorproefje genoten uit de potjes die er op het vuur zijn

gezet. Stellig is het niet onze schuld, dat het een aantal onzer lezers

zeer onbehagelijk is geworden, en wij kunnen ons verklaren, dat zij

hun ervaringen soms kenbaar maakten in termen, die zich hier niet

laten weergeven. Inderdaad, wanneer den volke een gezonde spijs in

het vooruitzicht wordt gesteld, zooals wij nu eindelijk meenden te

mogen verwachten, moet het een ieder bij het gadeslaan van zulke

koks en koksmaatjes wel zonderling te moede zijn. Is dat een keuken

van dezen tijd? Waar blijft het toezicht waarop wij toch onvoorwaardelijk

hebben vertrouwd? Hoe zit dat eigenlijk? Er loopen daar

nog koks rond, die wij maar al te goed van vroeger kennen, en die

er nog naar hunkeren het schootsvel der vrijmetselaars voor te

hangen, als dat maar geoorloofd was. De Davidsster prijkt nog op

verschillende der spijzen! Waant men zich niet in het een of ander

ghetto? Met verlof van den lezer: het stinkt er naar de Joodsche

margarine. Aan alles hangt een vette walm. Waar zijn wij toch verzeild?

Haast zouden wij er toe komen te meenen, dat het beter ware,

maar geheel bij het oude te blijven. Maar neen, bij het oude kan,

mag en zal het niet blijven. Daaromtrent bestaat geen twijfel. Van

het oude hebben wij meer dan ons lief was moeten slikken. Thans

moeten geheel nieuwe wegen worden ingeslagen. Van een tusschenweg

kan geen sprake zijn. Hoe zou men nu het nieuwe kunnen en

willen brengen door hen, die hun machtspositie op het oude hebben

opgebouwd in een jarenlangen strijd van meedoogenlooze hardheid?

Hoe zouden nu de oude captains of industry, de bouwmeesters van

hetgeen zoo juist is ineengestort, omdat het werd opgetrokken naar

ondeugdelijke beginselen, ons nü iets deugdelijks kunnen brengen?

Neen, mèt het oude hebben ook deze captains voor ons afgedaan!.

Zelfs indien de captains van voorheen zich binnenste-buiten zouden

30


keeren, dan zou het toch nog steeds bij het oude blijven, omdat hun

aard zich nooit verloochent.

Zij danken hun bezit, hun macht, hun invloed aan een systeem,

dat hun in staat stelde hun grijparmen uit te strekken naar alles wat

zij begeerden en iedereen te vernietigen, die hun onwelgevallig was.

Wij weten hoe in dat poliepachtige streven de kleine zelfstandige

ondernemer werd verstikt, de arbeider tot loonslaaf werd vernederd

en de landman van zijn rechtvaardige belooning werd beroofd of

zelfs ondanks zijn eindeloos ploeteren naar welgevallen van zijn eigen

erf werd weggejaagd. Dit alles om wille van de belangen en de macht

van een kleine kliek, verbonden aan de internationale volksuitbuiters

zooals die zetelen in de centra van het joodsche kapitaal, de plutocraten

en de parasitaire parlementariërs. Het zijn de lieden van dit

soort, die onder de leuzen van het liberalisme, de democratie en een

misbruikt Christendom de vruchten van het werk, dat zij niet verrichtten

aan de werkers ontroofden ,de voortbrengselen van het

ploeteren dier werkers naar de mestvaalt brachten als zij daarin een

voordeel zagen, naar believen onafhankelijke werkers tot afhankelijke

loonslaven maakten en de volkskracht ondermijnden, totdat het

volk, uiteengereten door hun stelsel van partijen, gesteund door hün

corrupte pers, tot volkomen weerloosheid was gedoemd.

Zoo heeft het bovenstaande ons doen begrijpen, dat het streven

der O.Z.O.-commissie slechts schadelijk zal kunnen werken, omdat

het niet gericht is naar de eeuwige en onveranderlijke wetten dei

scheppingsorde, zoodat ons volk op deze commissie zijn hoop niet

meer behoeft te vestigen. Alleen zij, die bewezen hebben de orde in

de Schepping te begrijpen, zullen in staat zijn in onze samenleving

de noodzakelijke orde te herstellen.

Dit alles vormt een felle aanklacht tegen degenen, die in hun

gouddorst en hun onverschilligheid jegens het zedelijk en stoffelijk

welzijn van ons volk, niet wilden zien, waartoe hun streven leiden

moest. Zij wilden niet inzien, dat dit alles niet straffeloos kon

voortduren, en dat het uiteindelijk leiden moest naar den chaos en

daarmede naar de vernietiging van alle volksche levenswaarden. Zij

wilden niet begrijpen welke machten uit de onderwereld der menschheid

daarop loerden en voor zoover zij het wel begrepen, spanden

zij met die onderwereld samen, omdat zij zelfs in die ellende nog

hün heil zagen. In hun eigenwaan en koude hebzucht hebben zij

niets begrepen van een macht, die van hooger orde is dan hün geldmacht.

Zij hebben niets verstaan van de onoverwinnelijke macht die

gelegen is in den wil tot leven van den eenvoudigen en stoeren

werker, die de eer van den arbeid kent, en dien zij in hun leven

wellicht hebben ontmoet, doch nimmer hebben willen eeren. Zij

hebben niets begrepen van de wetten die door een Voorzienigheid

in het leven der menschen en volken zijn gelegd. Neen, zij hebben

geleefd van manipulaties, conjuncturen en combinaties en geprofiteerd

van de wetten door hènzelf te eigen nutte uitgedacht!

31


Ook hebben zij niet gelooid in den Leider, die niet slechts de

wetten der Schepping eerder en beter heelt verstaan dan wie ook,

en die zijn volk in overeenstemming met die wetten heeft geleid,

zooals de geschiedenis geen tweede voorbeeld geeft. Evenmin hebben

zij iets begrepen van de liefde en trouw die dat Volk en zijn Leider

samenbinden, noch van de onoverwinnelijke macht die daaruit is

gegroeid.

Indien zij eenmaal tot dit besef zouden kunnen komen, dan zou dat

hun van meer waarde blijken dan de buit, die zij hebben weten te

verzamelen. Zij zouden dan tevens kunnen beseffen, dat hetgeen deze

Leider zijn volk heeft kunnen schenken alleen mogelijk was door

het onbeperkt vertrouwen dat het volk in hem stelde. En zij zouden

ook zien, dat dit vertrouwen niet werd opgelegd, doch werd verworven

in zijn jarenlangen, onafgebroken strijd voor de eer, de

vrijheid en het welzijn .van zijn volk. Zooals hij een onbegrensd vertrouwen

stelde in zijn volk, zelfs toen het de diepste vernederingen

onderging, en hij het door zijn voorbeeld wist te verheffen tot een

ongekende hoogte, zoo zal ook ons volk slechts kunnen luisteren

naar hen, die den arbeid van onze werkers zullen eeren, de rechten

van ons volk zullen eerbiedigen en het volk zullen leiden in den

geest en naar het voorbeeld van den groot-duitschen Führer. Het zal

onzen captains duidelijk zijn, dat het daartoe vereischte vertrouwen

in hen niet aanwezig is, en dat ons volk wel veel kan worden opgedrongen,

doch nimmer met blijvend resultaat.

Het moge dan tevens begrepen worden, dat alleen dat deel van ons

volk, dat ondanks knechting en vernedering zijn aard en bestemming

nooit verloochende, het Nederlandsche hoerendom, het fundament

kan vormen voor de nieuwe volksgemeenschap.

Het is ook dit deel van ons volk, dat nu weer voor de toekomst van

Europa zooveel jonge kerels afstaat in den strijd tegen 't bloeddorstig

ongedierte der Sovjets. Het zijn ook onze boerenzoons, die, vereend

met zoovele andere volksgenooten, straks op vreemden bodem het

werk ter hand gaan nemen om ons volk van het noodige voedsel

te voorzien. Het is dit boerenvolk, dat als behoeder van onze volksche

zeden en als levensbron van het geheele volk, de kern zal vormen,

waaruit onze volksche samenleving moet worden opgebouwd. Het

zijn deze harde en sobere werkers, die, hoewel vernederd en ontrecht,

nimmer hun hoereneer hebben prijsgegeven en thans het boerenrecht

weer op gaan eischen. Zij zullen dien strijd blijven voeren

totdat de zege is behaald. Niet vóórdat hoereneer en boerenrecht

volledig zijn hersteld, zal ons volk zich kunnen verheffen tot een

ware volkseenheid. Eerst dan zal ons volk in vrijheid zich kunnen

ontwikkelen en ontplooien. Dan zal het in de wereld de plaats heroveren,

die het naar aard en aanleg toekomt. Zóó zal onze samenleving

onwrikbaar^gftst-^ieinen te rusten op de peilers, die de zedelijke

en stoffelijke grondslagen vormen voor haar welzijn.

32


DRUKKERIJ DE VONDELS TA D

More magazines by this user
Similar magazines