Untitled

resources21.kb.nl

Untitled

George de Sévooy

STER EN

BLAZOEN

Ingenaaid I -.95

Gebonden f 1.45

Het is niet gewaagd te voorspellen

dat De Sévooy een groote toekomst

voor zich heelt: er is in deze poëzie

een gloed en een levenskracht, waar­

over degenen die het werk van vele

jongere dichters kennen, alle reden

hebben zich te verheugen. Het is

de definitieve breuk met het hope­

loos kwijnende en al te smal erva­

rene; het is een aanzwellend geluid,

dat de laatste tientallen jaren in de

lyriek helaas een uitzondering bleef.

DE A M S T E R D A M S C H E

K E U R K A M E R

AMSTERDAM

K 392


STER EN BLAZOEN


George de Sévooy

STER EN

BLAZOEN

Ingenaaid i -.95

Gebonden I 1.45

Het is niet gewaagd te voorspellen

dat De Sévooy een groote toekomst

voor zich heeft: er is in deze poëzie

een gloed en een levenskracht, waar­

over degenen die het werk van vele

jongere dichters kennen, alle reden

hebben zich te verheugen. Het is

de definitieve breuk met het hope­

loos kwijnende en al te smal erva­

rene; het is een aanzwellend geluid,

dat de laatste tientallen jaren in de

lyriek helaas een uitzondering bleef.

DE AMSTERDAMSCH E

KEURKAMER

AMSTERDAM

K 392


Ster en blazoen

door

GEORGE DE SÉVOOY

Bandontwerp van

Herman Berends

UITGEVERSMAATSCHAPPIJ

DE AMSTERDAMSCHE KEURKAMER

AMSTERDAM


INHOUD

Andante Religioso

Herinnering 7

Stervende Loer 8

Gebed op het land 9

Wolgalied 10

Wachtend 12

Dagboog

Viking .4

Vooraf 15

De dichter en het vuur 16

Aanroep 17

Notturno 18

Lied in de avond 19

De danser 20

Aan een meisje

in de herfst 21

Aan de halven 22

De dichter in de herfst ... 23

Ploegers aan zee 24

Zelfportret 25

Jonge moeder 26

Herfst 27

Ons lied 28

De klokken 29

Eens 30

Vrouwen in de herfst ... 31

Herfst in Holland 32

Allerzielen 33

Liederen der thuisvaart I 35

Glorie der liefde

II 36

III 37

n IV 38

. V 39

VI 40

Meilied 42

Verzoening 44

Betovering 45

De morgen zal niet komen 46

Lied van nacht en

dageraad 47

Het laatste lied 49

Afscheid 50

Vraag 51

Chanson d amour 52

Verwante lier

Herfstdag 55

Herfst 56

Uit een jeugd 37

Gij moogt niet wachten 58

Het vertrek van

den verloren zoon 59

Vriendenafscheid 61

Spreuk 62

Het gedicht 63

Zwitsers boerengebed ... 64


ANDANTE RELIGIOSO

Aan de nagedachtenis

van een

eenvoudige Vrouw


HERINNERING

Zó ben ik opgegroeid:

Temidden van de bomen en de planten,

Stil naar bet Iicbt ontbloeid,

Met de witte wolken als mijn zwijgende verwanten

In vrede, door geen mens gesnoeid.

En diep in mij bet blarenlied der populieren,

Die de oude veerweg zoomden.

Weer zie 'k bet zacbt beweeg der wieren

In de sloot, waarover zilvren nevel doomde...

En nu nog, wen d'avond zicb ontvouwt

Als bet eeuwenoud brevier,

Waarin de mensen lezen

Wat bet oog niet scbouwt.

Dan kan bet één moment mij wezen

Als waar' dit bart een stilgevallene rivier

En weet niet meer waarom bet rouwt.

En dan gloeit op een zekerbeid, waarin ik weet:

Waarbeen 'k nog zwerven zal en wat ik deed;

Van dit al word ik niet meer beroofd,

Het blijft diep in mij leven, vóórtbestaan,

Ook straks als God de lampen beeft gedoofd

En dit bart niet meer zal slaan.

7


STERVENDE BOER

Gedempte stappen klinken af en aan

Van Ken, die Kern verzorgen deze laatste stonde,

Roerloos staat de zoon bij vaders sponde,

Doch hij is reeds Keel ver hiervandaan

En stuwt in droom 't kouter door de ruide voren

AcKter de paarden, dampend van Ket zweet,

En doet nog éénmaal wat Kij immer deed:

Hij zaait voor t laatst en maait Ket koren;

VogelscKaren ziet Kij wieken over de gerede

Akkers, waarboven zirK egaal de Kemel spant;

Nog éénmaal schrijdt hij door zijn wijde land,

Glijdt dan langzaam weg uit dit onwerklijk Heden,

Wijl God hem zachtkens voert bij Zijne Hand.

8


GEBED OP HET LAND

Heer, maak mij tot uw stille zwarte aarde

en jaag uw kouter door mij Keen,

dat uitgeworpen word' de ruwe steen

die onvrucKt wekt in uwe gaarde,

en Iaat mij zijn één mateloze Keide,

waar ik in paars te bloeien sta voor u alleen,

of Iaat mij eenzaam als gras in grote weide,

dat uw adem Kuivert door mijn Ieên.

De akker van mijn Kart lijkt jaren dood,

docK wilt Gij eenmaal deze kilKeid grijpen,

dan zal Ket koren op mijn akker rijpen

en kunt Gij mij maken tot uw brood.

9


10

WOLGALIED

De boer: Hier liggen de landen.

Wij willen maaien,

maar kunnen niet,

Wij willen zaaien

en ziet:

De dorpen laaien

in rode trand,

en over de graven

suizelt de herfstwind,

Spaar onze enige have

De ziel van een kind.

Moe zijn mijn handen.


God: Wanneer uw landen

dood zijn

en uw ziel is zwart,

dan werken Mijn Handen

en stroomt Mijn Hart

om te Kelen uw pijn

docK de sterkendste wijn

brengt soms smart.

Zit

niet verslagen.

Tel niet uw dagen

Gedenk

alleen dit,

dat Ik bet u meldde:

Op Mijn wenk

staan eens uw velden

voor t oogsten wit.

11


12

WACHTEND

Ik hoor Ket laatste lied

Van deze blauwe nacKt

ZicK suizend nestien in Ket riet

Gelijk een verre klacKt.

Ik weet: nu moet ik afscKeid nemen

En ga voor 't laatst naar binnen.

Ik zal niet wenen.

Gods wens zal ik vernemen

Van de witte maan, die glanst over de tinnen

Borden en de late chrysanthemen.

Een schaduwband tast langs de muur

En dooft de kaarsen op de kandelaar.

Ik ben klaar.

Dit is bet uur.

Ik boor bet laatste lied

Van deze blauwe nacht

Zich suizend nestien in het riet

En wacht.


DAGBOOG


VIKING

Aan den kunstschilder Herman Berends

Gebeeldhouwd, als de boeg van zijn galjoen,

dat lijk een gonzend zwaard de zeeën snijdt,

voert bij maan en sterren in zijn trots blazoen;

dit hart is aarde, hemel, vuur en water toegewijd.

Rond om hem zijn de eeuwige getijden,

die wieken van dat God de aarde schiep,

en soms in een ver land, het lang verbeide,

verliest hij zich in 't lijf dat om zijn passie riep.

Zo koerst hij naar de lijn der horizonnen,

die zijn endloos hunkren wakker riep

naar Gods geheim dat achter alle dingen staat,

En toen zijn bloed op 't slagveld lag geronnen,

was het alsof een glimlach om zijn lippen liep:

de glorie van zijn val als minnaar en soldaat.


VOORAF

Denk dat gij eens vergaat

met al uw angsten en uw liefde,

en wié die eerste golden

en wie de laatste ook geriefde.

Als gij voordien niet wist dat Hij het was,

Die uw bloed verstolde'

en op Zijn tijd vereeuwgen zou,

dan waart gij als een klankloos glas

en hadt gij het ontstemd gevoel

dat dit uw zin was en uw enig doel:

te zinken als een molme prauw

naar bodemloze plas.

15


16

DE DICHTER EN HET VUUR

Ik heb mijn woorden gewijd

aan het levende vuur

van de strijd...

Dat ze reiken over de tijd

tot der eeuwigheid

endeloos uur,

waar God Zijn handen breidt

om ons, ons woord en ons vuur.


AANROEP

Mens! als gij ooit

uit dit bebloede puin,

Ieefkracbtig nog, herrijst,

gevoel u niet berooid,

doch wend uw schreden tot bet duin

dat u de eeuwge zee bewijst

met glinsterruisend schuim.

Was af het halve en het veilige,

dat u steeds aarzelen doet.

Drink dan de wijn:

zeer eenzaam en zeer diep.

Behoud haar kracht öf haar venijn,

en, óók als nog een laatste huivren u doorliep,

stel vast van tweeën één te zullen zijn:

Zondaar öf Heilige!

17


18

NOTTURNO

Bruine herten springen

rond de avondhron

waar waatren zingen

van dat de dag begon,

En nymphen jong en wit

dansen door de weiden

waar hoge olmen zeiden:

Aanzie: een wonder dit!

Hun lichte kleden wuiven

in zefier lijk hun lied,

heur blonde baren kruiven

als winde-ritslend riet.

Zij gaan in lange rijen

door de avondminaret

en waar bun voeten glijen

wordt goudglans afgezet.

Plots om een witte bron

bruine herten springen

en jonge waatren zingen

dat weer een dag begon.


LIED IN DE AVOND

Vanavond zal de wind mijn lied beroeren

als ééns mijn band jouw ruisend kleed

en stuwen tot een stil vervoeren

bet bart dat dit berinneren beleed.

De dagen werden oud, de tijd verging

met tonen-zoeken op een oud klavier

en ieder uur werd tot een wijkende rivier

en mondde in bet grote jaar berinnering.

Vanavond is mijn lied een boot

r-i met stille sterren in de zeilen,

de maanvlag in de mast

die uitvoer vóór bet avondrood,

docb in de morgen terug zal ijlen:

de ruimen vnj en onbe last.

19


DE DANSER

Aan Harald Kreuzberg

Roerloos stond bij in de stilte:

bet bart vertraagde aan dit stiller suizen

dat zicb verdicbtte en beangstte als de kilte

die langs de wanden gaat van lang verlaten buizen.

Dan ging bij, nauw woordloos, langs de randen

van bet zwijgen, maar zijn witte banden

vingen aan te spreken: van bet onverwelkbaar Iicbt

dat bloeit in overzijdse landen,

bóóg en wit, in feilloos evenwicbt;

zij tastten bet, maar vonden niet

en tastten weer en wéér

en zocbten naar bet wijkende verschiet...

Zo keer op keer,

doch vonden niet...

...en eindelijk kwam het lied:

toen hij weer in de stilte stond,

— nu ging zij als een lauwe adem rond i

liep er de glimlach om zijn mond

van één die luistert naar een ver verhaal

en in zijn handen, die hij stil gevouwen vond

lag alle licht als in een blanke schaal >—i

Harald Kreuzberg danste zijn Cboraal.

20


AAN EEN MEISJE IN DE HERFST

Ga nu niet

naar tuiten:

langs riet

en tomen

zijn jagers gekomen

met lokkende luiten.

Keer in,

zie de zin

van deze dood:

treek het brood

van het rood

maar schoon tegin .

Aanzie je gezicht,

— vaal en stijf —<

dat niets verraadt,

maar gedenk onze daad:

Je meisjeslijf

rijpt naar het Licht.

21


AAN DE HALVEN

Ga derwaarts waar de zwijnen ronken,

zich wentelend in hun verheerlijkt slijkl

Ga langs de huizen! rook gij hoe zij stonken?

en gij hebt niets gedaan aan dit ontbonden lijk?

Gij hebt in een alcóóf om een publieke vrouw gestreden,

gij kende uw geluk, zovaak als gij dit deed.

Gij hebt in een alcóóf om een publieke vrouw gestreden,

waar was het hart dat trots die rode lust beleed?

Ga derwaarts waar de zwijnen ronkenT

Waar is de tijd, dat alle wijn, ten diepst gedronken,

bet hart deed opstaan tot Gods lof?

Gij kent het vuur niet noch de vonken,

Is het een wonder dan dat uwe schepen zonken? >—i

Mens, ga heen en schaam u in het stof!

22


DE DICHTER IN DE HERFST

Dit is Ket einde dat steeds aanvang was:

de rode dood die aan Ket Hart vergaat,

sluipt staag als scKaduw langs Ket vensterglas;

wat wij beKoeven in de laatste zegenstaat

om te geraken tot Ket nieuw begin

der dagen, die Ket lied onwankelbaar verwacht

en uit wier uren stroomt het diepst gewin

lijk honingdroppels uit een bloemenschacht.

Hart, keer in totdat de Engel komt,

die straks de bloesemkaars ontsteken zal,

doen dit seizoen Zijn troosting u vertalen

in een voldragen woord dat niét verstomt

al vult veel dorrend loof dit ongemeten dal

en stolt in sneeuw het bloed der nachtegalen.

23


PLOEGERS AAN ZEE

(Naar een schilderij van Eduard Bischoff)

Grel de maan over het grauwe land,

dat schemert van verholgen kracht,

zichzelf vervullend aan de mateloze macht

van golven, dondrend op het strand.

De zware hengsten jagen

door de aarde diepe, barse banen.

Schuim en zeezand vlokkend in de manen,

de bek gesperd voor bet verstikkend vlagen

dat neerstormt uit de diep-geblaakte lucht.

De bitse boeven klauwen in de grond,

en hij, snel stappend, met gekorven mond

daarachter, door der meeuwen witte vlucht.

Zo gaan zij telkens tot de heuvelrand,

waar verre, lichte zwaarden aan de kimmen staan:

Mens en dieren in één harde, grootse baan.

Onder hun machtig willen bééft bet land.

24


ZELFPORTRET

Altijd ben ik bet stil en zwijgzaam kind gebleven

dat 't vonkspoor volgt der sterren door de nacbt,

gelijk een vrouwenoog de draad bij 't weven

en, vordrend, tot baar wordend leven lacht.

Met maan en wind en sterren ben ik diepst verwant

omdat zij nimmer zullen laten van mijn lied,

dat zending is en vrijgeleide uit bun mateloos gebied,

opdat de ziel ontwaakt die op tè poovre klip gestrand.

Zo ben ik stil, een kind, docb zwaar en diep geladen

met bet magiscb woord dat door de eeuwen suist

en zonder zicb één oogwenk te beraden

stort op al wat lauw is en de zeëen wil verraden

voor de poelen en de sloot, die nimmer bruist —

dan valt bet stil: een vaan die in de nachtwind ruist.

25


JONGE MOEDER

Toen alles stil viel na die wrede nacht

beving haar morgens mild aroom

als 't diepst voleinden van een droom,

waarop zij iedre lente had gewacht.

De zon speelt door heur donker haar

met schaaüw van lome blaren;

Gordijnen aadmen op en neer, waar

zomerwind door 't rozenraam komt varen.

Een zoete moeheid op haar ogen daalt

lijk vlinders op een lauwe gaarde,

en als zij zacht zijn kleine hoofd, het licht behaarde,

wat dichter tot haar broze lichaam haalt, t—i

een vreemde glans haar matte oog verklaarde,

wijl Gods glimlach door haar wezen straalt.

26


HERFST

Dit is Je Herfst met sterbestoken nachten,

waarin een diep geheim ontbloeit,

dieper dan welk woord en alle klachten:

het Leven tot zijn oerbron teruggevloeid.

De laatste bonte kleuren zijn geweken

voor deze vlam die alles in zijn vlamkring toomt;

de dagen worden als te zware deken,

waar men niet slaapt, doch rustelozer droomt

dit vreemd vizioen van goud en wazig-blauw,

dat in een nimbus om de dingen staat

en wenkt en naderbij komt, doch niet naadren Iaat,

gelijk de ogen van een jong bevruchte vrouw.

Sluit nu, o, sluit de lichte luiken

van uw doorzomerd hart.

Ga niet meer uit in uw verworden tuin.

Englen vullen u de aarden kruiken

met honing, stil en bruin.

Wees voor hun zwijgen niet beducht.

Hoor: alle bloed stroomt uit het Eeuwig Hart

reeds weer tot nieuwe vrucht.

27


ONS LIED

Ons lied zal sterk zijn als de zee,

die zich om 't geen zij lief heeft, sluit;

het kent geen riffen, wèl de stille reê,

waar ook de grootste hartstocht stuit.

Laat het zich als een arend heffen

hoven 't nest in deze grote tijd,

dat eens de komenden verbaasd beseffen:

gehouwen uit graniet van eeuwigheid.

Dat niet ons lied verdampe als een wolk,

zichzelf verliezend boven drasse landen,

maar blijv' en bouw' als sterke banden

aan de grote glorie van dit kleine Volk.

Het zal een dom zijn en een kathedraal,

waar wij verbazing-bevend zingen

van het geheimnis achter duizend dingen:

een vuren zang, een sidderend koraal.

Ons lied: een wachter in de morgenlucht,

een stampend ros dat naar de kouter snelt,

een stormmeeuw die de stormen meldt,

maar ook de broirnelispel daar de vrede welt,

Een vlam, een kreet, ~ een woord zonder gerucht,

een monument, dat, wen de dood ons velt,

de trotse neerval beeldt van fiere vlucht.

28


DE KLOKKEN

Gods klokken zingen een nieuw lied

bij ieder uur dat om de dagen windt;

de tonen tasten als de banden van een kind

naar 't bart, dat zijne vreugden niet verried.

Wij weten niet waar 't eindigt of begint,

docb elke dag is diep van deze klank,

die door de Kemel loopt als voorjaarswind

en 's avonds sluimert in de wingerdrank.

Keer in, mijn kind, en luister naar bun lied

als eertijds naar een oud verbaal,

dat slecbts wat weemoed acbterliet.

Gods klepel slaat de klanken naar 't verscbiet;

bet dicbterbart is van Zijn klok bet klinkende metaal

dat vol wil wezen van een eeuwig lied.

29


30

EENS

Eens in de nacht

schrikt gij op

en wacht

Uw bloed een kloppende stroom,

groeiend in kracht

als een ros in galop.

Uw hart, in steigrende droom,

hijgend van dracht,

jaagt naar de top,

waar ruisend de Engel lacht,

wind in de kruin van een boom.

In laatste kramp

glijdt gij loom

als een boot in wolhende damp,

varend naar verre...

Laat af van de lamp.

Ontsteek baar niet.

Slaap in op dit klokkelied —:

het uur der sterren.


VROUWEN IN DE HERFST

Zij schrijden wiegend door het avondland

alsof zij eeuwig gingen

temidden van dit aarzlend sterven,

waarin de aarde rust als in een milde hand

Is er dan nü misschien dit dieper zingen,

die melodie, waaruit zij leven werven?

De laatste rozen geuren

en stuwen alle sap en kleur ten leven;

stil ontsluiten zich de deuren

van het hart en zonder te weerstreven

wachten zij en blijven roerloos staan

om wéér hun angsten te beleven

aan deze geur van welken en vergaan.

31


HERFST IN HOLLAND

De droom is heen, de stormen zijn hier honing

van de zee, die voorwereldlijk aan de kusten slaat;

De hemel zwalpt alsof het land vergaat:

redt nu uw lijf, en haast u in uw woningl

De nacht staat bloedloos en zeer verre,

de wilde vlakte slaat het stervensuur van dieren;

Langs de nevels en bet wonde lijf van de rivieren

sluipt traag een stoet van grelle najaarssterren.

32


ALLERZIELEN

De doden

komen over de velden, de rode,

eenzaam, naakt, ongesnoerd.

Hoog in de luchten

siddert het najaar

dat node de aarde heroert

met asemend zuchten.

De aarde is klaar:

de doden komen,

stormend en lome:

zij, die helden waren

in een geblutst kuras;

zij die weefden hun garen

uit het glanzende vlas;

zij die de aarde bebouwden

met koren, bloemen en gras;

zij, die hun handen vouwden

en smeekten om 't woord dat genas.

Zij allen komen, de doden,

over de velden, de rode,

en door de verbleekte gaarden,

die in de geur hunner zoden

een voetspoor bewaarden.

33


34

Zij naderen:

stampend, schuifelend, neerwaarts genegen

door de slapende dorpen,

over asgrauwe wegen

in het licht der gehavende sterren

en hevig en dringend, dan zacht en zeer verre

kloppen zij aan de ramen.

Hun knekelgang is een klagen,

hun stem een eindeloos vragen:

Kent gij ons nog,

herinnert gij u onze namen

of zijn zij vergaan

in het zog

van de tijd?

Breid uw armen wijd,

neem ons aan!

En de klokken zingen,

zij zingen en dwingen

hun brons tot een lied

aan de doden die gingen:

Wij vergeten u niet,

doch uw naam is vergaan

aan de overtijdelijke dingen:

het vuur, de aarde, sterren en maan.

Keer tot dit hoger zingen,

draag in uw oren ons lied:

„Gij leeft in Mijn Naam".


LIEDEREN DER THUISVAART

I

Heer, wij zijn te trots geweest misschien,

Wij bouwden trappen naar de eeuwigheid

Zonder de zin te kennen van uw woord: Ik dien...

Zo staan wij in de afgrond van de tijd

En willen klimmen naar het Licht,

Dat wij als afglans van uw luister denken

Te bestaan zo zonder grenzen en gewicht,

En dat verzekerd is door uwer ogen wenken.

Wij hebben U verraden en verkocht,

Geen ogenblik berouw getoond,

Maar steeds ons eigen werk gewrocht

Zonder te zien naar Uw gelaat, — gehoond

Van ieder die Uw rijk te zien vermocht,

Berooid als Judas, die vergeefs zijn harte zocht.

35


II

Doch die zich d'eniguitverkoornen waanden

Van Uw oneindig grote Naam,

Zij wierpen U het meest met vuil en blaam.

Als zij voor eigen baat een uitweg baanden

In bouw van herken tot Uw eer.

Zij maakten zich de as, waarom Gij draaide,

En als Uw adem door de kosmos waaide

Verhardden zij en kenden die niet meer.

Zij staken kaarsen aan, hun hart kende geen vlam.

Zij doodden reeds bij de geboort' het Kind

En blind verstieten zij het bloedend Lam /—

En steeds was het Uw licht dat tot ons kwam

En dat zich iedre dag om alle dingen windt,

De hand van U, die onze handen nam.

3b


III

Doch wij, wij gingen eigenzinnig door

Met bouw van buizen en machines

En schaamtloos ging de stilte van Uw woon teloor

In hamerslag en 't loeien van turbines.

Die ons gaven wat wij nodig dachten

Om ons leugenleven het gemak te schenken,

Dat onze laksheid vriendlijk tegenlachte

En onze geest als doodsgif zou doordrenken.

Wij leefden niet, maar waren lang reeds dood,

Toen wij de valse woorden geloofden.

Die zeiden: Zie, dit leven is ons broodl

Maar nu, nu staan wij midden in de nood.

Ons enig wachten is op wat nog nimmer doofde:

De eeuwge glorie van Uw morgenrood.

37


IV

En Gij gaat Gij U nu versteken

Achter de praal van Uwe naam?

Zult Gij ons laten kloppen aan het raam

En onze laatste moed verbreken,

Nü, dat iedere seconde tot een uur uitgroeit,

Waarin wij wachtend aan uw poorten staan?

Of is het thans voorgoed met ons gedaan

En ieder nieuw begin reeds door U afgesnoeid?

Maar neen, Gij zijt geen God der wrake.

Doch in Uw hand ligt wit de liefd'

Als Iotosbloem in meest ontbloeide staat.

Wij wachten, en Gij zult eenmaal genaken

Lijk een schip dat verre zeeën kliefd'

En geen breukling drijven Iaat.

38


V

Heer, maak ons dan arm en méér berooid

Dan wij al die lange tijden waren.

Toen ons bart van eigen zatbeid was gedooid

En onze ogen blind voor bet onzienlijk-klare.

Want Uwe armoe is bet Iicbtste spranken

Van rijkdom, die geen einders weet,

Gelijk men van een wijnstok, na de snoei der ranken,

De last van vruchten niet meer meet.

Schenk ons de Arbeid in haar rosse gloed

En doe ons onze handen kerven

Aan de ruigheid van de oogst,

Want als tot berstens-toe gespannen onze nerven

En jagend klopt ons hete bloed,

Stijgt in de tijd Uw vlam bet hoogst.

39


VI

Voer ons dichter bij de donlcre aarde,

Die ons voedt en U bet leven dankt

Dat t allenkant rondom ons sprankt

Lijk koele droppels in een morgengaarde.

Maak deze ogen ziend en deze harten mild,

Bewust dat Uw geheim het AI omspant:

Wanneer jong leven uit een moeder brandt

En waar de laatste passie ligt verstild.

En geef ons dan de kling, wij zullen strijden

Dit leven tot bet nieuw begin,

Waar alle kampers samen zijn.

Geen klippen zullen wij vermijden

En overwinnen zonder hunkring naar gewin.

Want aan het eind staat Gij en heelt de pijn.

40


GLORIE DER LIEFDE


42

MEILIED

Bruine bijen zoemden

over 't warme land,

bet veel bebloemde,

waar wij gingen

band in band

als verbeven zwervelingen

uit een zeer vreemd land.

'Ie Zal alle bloemen vinden

en ze vlecbten tot een krans

die 'k om je boofd wil winden

om te noden tot een dans.

Het Meikruid staat te geuren

in de smalle voor,

waarlangs de balmen beuren

bun aren tot één ruisend veldtresoor.

Mijn lief, zit neer

in deze kleurenwei;

Hier zijn de boterblommen weer:

Ik maak ze tot een sprei;

'k Zal spelen op de fluit,

de klanken binden

tot een bont festoen

en, gedragen door de zomerwinden,

gaan mijn liederen uit

van deze achternoen.


Wij danken onzen Heer

en deze donkre grond,

die ons dit feest bereidden,

die glorie gaven aan je rode mond

en diep in onze harten

na verwinning van de smarten

de verheten wil tot s t r ij d e n I

43


VERZOENING

De weelde en de pijn

verzoend te zijn

met alle dood en leven

heb jij, als koele roemer wijn,

waaraan nog droppels beven,

zonder aarzien mij gegeven,

toen rank en broos

de weelde van je schoot

zich voor mij opensloot

als blanke morgenroos.


BETOVERING

Heur Kaar in stromend

als Ket bloed der watermaagden,

dat kristallen klacKten klaagde

door nacKten,

waar geen morgen daagde.

Heur Kaar is stromend.

Haar mond is koel,

een dauwdrop aan mijn mond,

waar zicK dit lied Kervond

in 't stil gebied,

en woord om woord zicK wond.

Haar mond is koel.

Heur Karen en Kaar mond,

de rest van geen belang,

zij zijn de tonen grond

voor zang en tegenzang,

die tot de toppen steeg.

Zij baalde 't barte overboop en leeg

en tocb: beur baren en baar mond,

zij rusten aan mijn wang.

45


IC

DE MORGEN ZAL NIET KOMEN

De morgen zal niet komen

na ons blauw verglijden

op grondeloze stromen

zonder onderkomen

aan de kust der tijden.

Geef nog eenmaal mij je licbaam,

bet ten diepst gewijde —,

vraag nu geen naam,

lig blank en eenzaam

aan mijn zijde

en boor boe dood en leven

zicb scbeiden weer vaneen

als uit dezelfde bron twee stromen.

Vraag niet waarom, waarbeen:

wij bebben ons bet diepst gegeven,

En morgen zal niet komen.


LIED VAN NACHT EN DAGERAAD

Kom mee, mijn lief

en ga hier staan,

waar populieren suizen

in deze hoge laan

en zilvren wellen ruisen

in 't wit licht van de maan.

Kom mee, mijn lief

wij zullen zingen,

twee stemmen, één accoord,

die lijk vogels op hun zwingen

de adem aller dingen

zien varen door 't heelal

als een trillend gouden koord,

waarvan stemmen zonder tal

verkonden dat het ons behoort:

De witte morgen en de diepe nachten,

dat wij zoeken het geh eim

waarop mensen eeuwen wachten

zonder dat het óns zal zijn,

De bloemen en de bomen,

de jonge vruchten en het zaad,

dat naar het licht wil openstromen

zodra't ter aarde gaat,

47


48

Het stille wachten in de lome

dag, van gloeiend licht doorrood,

en dan, als stil geruis in dromen,

je zacht, mat-Iachend binnenkomen,

met de bloem van 't avondbrood.

Dit is een deel van t hemels leven,

dat God naar d 'aarde zondl

Zie, hoe de rozen rode beven

als bloed uit eeuwge wond,

dat door Gods adem aangedreven

zich tot heiken samenvond.

De dauw ligt in je donker haar

als perels op fluweel

en dageraad rijst hoorbaar

aan de kim, die met Iichtmeel

ligt bestoven tot een dankaltaar.

Kom mee, mijn lief

en ga bier staan,

waar populieren ruisen

in deze hoge laan.

Wij zullen zingen van het Licht

dat God naar hiertoe zond

om jou mijn kus te geven

op bet bunkrend beven

van je zachte mondl


HET LAATSTE LIED

Dit is het laatste lied van alle nachten:

Twee ogen die hun vlam verzachten

Alsof een nevel langs de maan heen schoof.

En de sterren, huivrend aan de hemelhoog,

Belichten dit vervuld verwachten.

In het morgengrauw der moede krachten

Is het alsof een Engel uit dit Eden vloog,

Ruisende wiekslag naar een niéuw verwachten.

Dit is het laatste lied van alle nachten.


AFSCHEID

Liefste, dit Kart wil naar de stille streken

van vóór de tijd en van voorbij de wind,

traag nog als Ket vriezen, scKuivend over najaarsbeken,

omdat bet steeds weer plekken zomer vindt,

maar bet gaat been, als scbaduw door een dal,

zeer zacbt, en voor de nacbt valt is bet thuis

bij lied en kaarslicht en bet flonkerend kristal,

ik weet, dan valt een loden stilte om je huis.

En toch: dit hart moet zich van binnenuit genezen,

opdat zich geen van de geslagen wonden wreke

en 't straks als klare stroom in uwe zee vervloeit:

het dichterhart is een geheim-voldragen wezen;

een lente zal bet stil, nauw merkbaar, weder openbreken

gelijk een boomschors waar de bars ontbloeit.

50


VRAAG

Waar is het hart dat mij tot in mijn hart verstaat?

dat dag en nacht een deel is van mijn wezen

en stil mijn ongeschreven woorden weet te lezen

en dóórleest als dit lijf gekeerd is tot het zaad?

Eén avond waren wij geheel en diep tezamen,

toen er een ruisen was in ons verheerlijkt bloed

als zomerregen zoet aan donkerrode bramen:

toen spraken hart en heup en het was goed.

En nu?... waar zijn de sprankeltonen van ons lied

dat als een Iichtgloor langs de kimmen ging

en nooit zich zelf noch anderen verried?

Moet ik de mantel nemen of ik dit land verliet? —

maar voor ik heenga, hartstem, zing, o, zing

aan haar verloren oor mijn pijnigend verdriet.

51


52

CHANSON D'AMOUR

Voor Huldi

Ik zal een lied zijn in je leven

dat je Levend mij gegeven

die avond als een dauwe roos,

toen vuren brandden

op de bergen van het hoogst begeren

en wij zochten onze handen

om niet te zullen deren

de ziel van dit geluk zo broos.

Ik zal een speler zijn te nacht

— o, wonder instrument —

een harpenaar die zacht

de vraag van rilde snaren kent;

wij zullen maatloos diep

in blauwe verten glijden

op der zachte vleuglen zijde

van ons gemeenzaam lied.

En 's morgens drinken wij het licht

dat om de tinnen kroezen stroelt,

er loopt een glans rond je gezicht

bij deze vreugde nooit voorvoeld.

De appels blozen in de tuin

en alle vogels klanken zingen

die lijk gouden englen springen

langs bemeltreden van arduin.


Dit is het stil geluk van twee

die zingend door de dagen gaan

en t'enden weten wij de reê,

waar englen aan de druivepersen staan

en met hun blanke handen winlcen.

Als eenmaal God ons uit het leven dreef,

zal misschien daar het lied opklinken

dat ik verwacht doch nimmer schreef.

53


VERWANTE LIER

(Vertalingen)


HERFSTDAG

Heer: t Is tijd. Groot was het zomertij,

Leg nu Uw schaduw op de zonnewijzer

en Iaat de winden op de vlakte vnj.

Beveel de laatste vruchten rijp te zijn,

geef hun nog twee wat zuidelijker dagen,

zet ze tot voleinding aan, en laat dragen

de laatste zoetheid in de zware wijn.

Wie nu geen huis heeft, houwt het zich niet meer,

Wie nu alleen is, zal het zeer lang blijven,

zal waken, lezen, lange brieven schrijven

en gaat in de lanen heen en weer

onrustig lopen, als de blaadren drijven.

(Rilke)

55


56

HERFST

De blaren vallen, vallen wijd en zijd,

Als kwam Herfst door 's Hemels tuinen waren

Zij vallen met ontkennende gebaren.

En in de nachten valt de zware aarde

Uit alle sterren in de eenzaamheid.

Wij allen vallen; ook deze hand zij valt.

En zie slechts andren aan: het is in allen.

En toch is er Een, Die al dit vallen

Oneindig zacht in Zijne handen houdt.

(Rilke)


UIT EEN JEUGD

De deemstring had de hamer in bezit genomen,

waarin de jongen zeer verborgen was.

Toen moeder binnenkwam zat bij te dromen;

er tinkeld' in de stille kast een glas.

Ze voelde hoe de kamer baar verried,

en kuste zacht haar jongen: Ben jij bier?...

Dan keken beiden bang naar het klavier,

want dikwerf 's avonds speelde zij een lied,

waarin de knaap zich zeldzaam diep verloor.

Hij zat heel stil. Zijn grote staren hing

aan bare hand, die van de ringen zwaar,

alsof ze moeizaam door een sneeuwstorm waarde,

over de blanke toetsen ging.

(Rilke)

57


GIJ MOOGT NIET WACHTEN.

Gij moogt niet wachten tot God voor U staat

en zegt: Ik ben.

Een God, die zijn eigen sterkte bekent

heeft geen zin.

Gij moet weten, dat Gods adem door U gaat

vanaf 't begin.

en als 't hart u gloeit in de borst en niets verraadt,

werkt Hij erin.

(Rilke)

58


HET VERTREK VAN DEN VERLOREN ZOON

Nu weg te gaan van Keel 't verwarde spel

dat 't onze is en ons tocK niet beKoort,

dat, als de waatren uit een oude wel

ons trillend spiegelt en Ket beeld verstoort;

aan al 't geen dat zicK, als met doornen fel,

nog éénmaal aan ons vastKecKt, afscKeid wensen;

nu de dingen en de mensen,

waarin men reeds geen erg meer Kad

i— zo waren z'alledaags, zó was men gewend aan Ken —

plotseling bewust te zien: kalm en

verzoenlijk; op eenmaal te bemerken dat

onvoorwaardlijk allen 't leed zicK Kad voltrokken

waarvan de kindsKeid vol was tot de rand —:

En dan töcK Keen te gaan, Kand in Kand

voor 't laatst vaarwel: 'n geKeelde wond die

men opnieuw vaneenreet:

weg te gaan: waarKeen? naar 'n oord waarvan

men niets, niets weet,

ver naar een Kéél vreemd en warm land,

dat acKter alle uiterlijkKeid weer 't zelfde zijn zal

als op 't toneel coulissen: tuin of wand;

alles te verlaten: waarom? Uit drang, uit smacKten

naar iets nieuws, uit donker, diep verwacKten,

uit ontegrijpIijkKeid en onverstand:

59


Aan dit alles zich, vergeefs misschien, te geven,

't waardevolle stuk te laten vallen, om

alleen te sterven, wetend niet waarom

Is dat de aanvang van een heel niéuw leven??

(Rilke)

60


VRIENDENAFSCHEID

für Eugenio Zardetti

Ik steeg van 't paard en reikte hem de dronk

Ten afscheid over. Ik vraagde hem waarheen

En ook waarom hij wilde weggaan. Hij

Sprak, de stem omfloerst,: 't Ge luk

Was mij in deze wereld niet toegedaan, mijn vriendl

Waarheen ik ga? 'k Zal dwalen over bergen,

'k Zoek rust voor mijn vereenzaamd hart,

'k Zal nooit meer door de verten dolen,

Moe zijn mijn voeten, en moede is mijn ziel, >—

De aarde is dezelfde óveral,

En eeuwig, eeuwig zijn de witte wolken...

(H. Bethge)

61


62

SPREUK

Vul elke wens, die groot in u geboren,

Gehoorzaam lust, die vleuglend uit u stijgt.

Als ge talmt, dan zijt ge reeds verloren.

Sekonden slecbts, en wat u aanriep, zwijgt.

(G. Scbumann)


HET GEDICHT

Zwaar is het gedicht en vreemd. Een stuh

donker leven, nooit volvoerd.

Maar plotsling zijt ge diep ontroerd

en weet: dit is mijn leed en mijn geluk.

(G. Schumann)


64

ZWITSERS BOERENGEBED

Voor HuIrJi

God, gij hebt ons en onze hof gemaakt.

Gij schiep het wijde land dat wij bebouwen,

en Iaat de laatste sneeuw erop nu dauwen

opdat het leven nieuw in deze grond ontwaakt.

Schenk onze akkers weer uw kracht,

Zend hun Uw zon, Uw regen

want wij weten, dat slechts Uw milde zegen

immer uit ons zaaien d' oogst ons bracht.

En Iaat ons ook zeiven groeien sterk en stil

Opdat wij lijk onze velden vruchten dragen,

en Iaat de kinderen tot rust ons schragen

als dit moede lijf tot aarde worden wil.

(G. Friedrich)

K 352


Martien Beversluis

DE BALLADE VAN

HET DAGELIJKSCHE BROOD

( Met teekeningen van Frans Michel )

Ing. t -.95 Geb. f 1 45

Beversluis is een natuurtalent, een der

werkelijke zangers, die in de „intellec­

tualistische" poëzie van de laatste tien

jaar zeldzaam zijn. Hij dicht uit een

spontaan levensgevoel, dat bij hei volk

— opgevat in de ware beteekenis van zijn

Geuzenaard — zeker weerklank vindt.

George Kettmann Jr.

JONG GROEN OM DEN HELM

Ing. f - .95 Geb. i 1.45

Ook deze oorlogsgedichten, aangrij­

pender wellicht nog om de tragiek, waar­

uit ze zijn voortgekomen, bevestigen het

woord dat Kettmann eens dichtte „hem

is de waarheid hoogste poëzie".

George Kettmann Jr.

HET ERF AAN ZEE

Ing. t 1.30 Geb. f 1.85

George Kettmann Jr.

DE JONGE LEEUW

Tweede druk

Ing. 11.30 Geb. i 1.85

Steven Barends

VIVA LA MUERTE

Ing. I -.95 Geb. f 1.45

DE AMSTERDAMSCHE

KEURKAMER

AMSTERDAM

More magazines by this user
Similar magazines