i/e/roo/iiging limburg in

resources21.kb.nl

i/e/roo/iiging limburg in

i/e/roo/iiging

limburg in


„Indien men Nederland ziet als een hoek

van West-Europa, waarvan de eigen aard

bepaald wordt doordat het 't sni|punt is

der groote Westersche culturen, dan is

Zuid-Limburg, tusschen twee werelden

in, een zeer zuiver vertegenwoordiger van

den Nederlandschen aard."

Comité „Henric van Veldeken", 1931.


TER INLEIDING

©'e/^imburgsche week, georganiseerd door de Letterkun­

dige Afdeeling van den Haagschen Kunstkring, heeft ten

doel een beeld te geven van een te weinig bekend deel van

ons cultuurleven, zooals zich dat volgens zijn eigen aard,

maar in de kern tevens de beste eigenschappen van onzen

Nederlandschen geest weerspiegelend, in den loop der

eeuwen heeft ontwikkeld. Den Nederlander en hier dan

wel speciaal den Hollander te kunnen aantoonen, hoe wij

in het werk van de Limburgsche dichters en prozaschrijvers

niet alleen ons land, maar ook onszelf met al de verschei­

denheid van ons zielsbestaan kunnen terugvinden; hoe door

hun kunst de beste eigenschappen van onzen geest ge­

wekt worden, lijkt ons in dezen tijd van uitnemend belang.

Indien wij daarin mogen slagen, dan is dit te danken aan

de gulle medewerking, die wij van verschillende instanties

en personen in Limburg, van de Nationale Bibliotheek, de

R.K. Openbare Leeszaal en de firma Van Stockum alhier

hebben ondervonden. Sommige auteurs konden tengevolge

van den internationalen toestand aan onze roepstem geen

gehoor geven; wij zijn er de anderen, die ons met den

raad hunner ervaring en met de daad uit hun bibliotheken

van dienst waren, des te erkentelijker om! Vooral de gulle

medewerking van Mathias Kemp. die ons als tusschenper-

soon tusschen Limburg en Holland en als vertegenwoor­

diger van het Limburgsche litteraire leven onschatbare

diensten heeft bewezen, stemt ons tot bijzondere dank­

baarheid.

2


Vele anderen zouden wij moeten vermelden — wij volstaan

met deze enkelen: de medewerkenden aan de matinee;

Bas van Pelt, die belangeloos zijn lokaliteiten te onzer beschikking

stelde voor de tentoonstelling; Paul Kromjong,

Limburgsch schilder en lid van den Kring, dien wij aanstonds

bereid vonden een omslag voor onze gids te maken;

de schilders-Kringleden, die werken in Limburg ontstaan

of op Limburg geïnspireerd ter opluistering van de tentoonstelling

beschikbaar hebben gesteld; Mejuffrouw Gorter,

alhier, die een Limburgsch aquarel door Willem van

Konijnenburg voor hetzelfde doel in bruikleen afstond;

Mevrouw S. Erens—Bouvy te Houthem, hulpvaardig beheerderesse

van het werk van wijlen haar echtgenoot Frans

Erens; Chiem van Houweninge, die voor de bloemversiering

op de tentoonstelling zorg draagt.

Ten slotte een woord van dank aan mijn medewerker Jan

van Kasteel, secretaris van de Letterkundige Afdeeling,

die met groot enthousiasme en nauwgezetten ijver een belangrijk

deel van de werkzaamheden voor deze Limburgsche

week verricht heeft.

Wij hopen, dat de letterkundige matinee zoowel als de

tentoonstelling en deze gids. die beide geenszins aanspraak

op volledigheid maken doch veeleer tot nieuwe gegevens

en aanvullingen willen stimuleeren, in ruimen kring

belangstelling zullen vinden. Mogen zij er toe bijdragen,

dat wij ons bezinnen op de eenheid onzer nationale cultuur.

November 1941. F. P. HLIYGENS

3


LIMBURG IN DE

NEDERLANDSCHE LETTEREN

Limburg, in ruimsten zin genomen (de Limburgsche Maaslanden,

zullen we maar zeggen), is een zeer oud cultuurgebied.

Hier ontstonden de eerste groote praehistorische

nederzetting (Stein) en de eerste groote stad der Nederlanden

(Tongeren); hier begon de kerstening van ons

Vaderland, vier eeuwen vóór St. Willebrord zijn missiearbeid

aanving. Reeds onder de Merovingers was Maastricht

zoowel cultuurcentrum als residentie. Onder de

Karolingers werden in de onmiddellijke nabijheid der stad

besluiten van wereldhistorische beteekenis genomen.

Het ontluiken der kunsten in onze lage landen heeft men

óók hier te zoeken. Het Evangeliarium van Maeseyck met

zijn interessante miniaturen, werk uit de streek zelf, mag

men tot de achtste eeuw rekenen en als het oudst bekende

monument van beeldende kunst in de Nederlanden beschouwen

— de bouwkunst met de crypte der St. Servaas

(6e eeuw) uitzonderend. Met Henric van Veldeken uit

het land van Loon. doch die te Maastricht leefde, begint

omstreeks 1170 onze litteratuur. Omstreeks dien tijd bloeit

in deze Maaslanden een schilderkunst van Westeuropeesche

vermaardheid, door Wolfram von Eschenbach op

één lijn gesteld met de Keulsche School. De Maastrichtsche

miniaturisten vormen een aparte groep, en met de gebroeders

Jan en Hubert van Eyck, uit deze streek, begint een

nieuwe periode in de kunsthistorie.

Heeft ons Zuiden, vooral Maastricht, als cultuurcen-

4


trum een dieper verleden dan Vlaanderen en Holland, het

is later niet tot ontwikkeling kunnen komen. Het lag te

excentrisch, meer behoorende tot wat we nu buitenlandsche

cultuurgebieden noemen. Het was een rand- en grens­

gewest, uiterst verbrokkeld.

Op litterair gebied zien we wel eenigen bloei in de 19e

eeuw. De krachten concentreeren zich evenwel niet op het

scheppen van Nederlandsche letteren alleen. Belangrijke

talenten als Weustenraad en Van Hasselt schrijven voor­

namelijk in 't Fransch. Anderen, als G. D. L. Franquinet,

geven hun beste werk in streektaal. Bij de Vlamingen zien

we Dautzenberg en Ecrevisse zich aansluiten.

Tegen het einde der vorige eeuw begint Limburg zich ook

in het Noorden te doen gelden met Emile Seipgens, Frans

Erens, ook met den dezer dagen op 85-jarigen leeftijd

overleden nestor der Limburgsche litteratoren, Lamberts

Hurrelbrinck. Met Marie Koenen, H. H. J. Maas, Felix

Rutten e.a. vangt de nieuwe tijd aan; we behoeven nu ver­

der geen namen te citeeren.

Zoo rijk als de bloei op schilderkunstig gebied is die der

letteren zeker niet. Wonderlijk genoeg: ook de muziek

blijft achter. Toch verdient het Limburgsche litteraire werk

meer belangstelling dan het nu geniet. Het bevat gedachten

en gevoelens, het geeft lijnen en kleuren, die anders zijn

dan hetgeen „Holland" biedt.

MATHIAS KEMP

5


PROGRAMMA

VOOR DE B IJ EENKOMST OP

ZATERDAG 15 NOVEMBER 1941 OM

HALF DRIE IN HET GEBOUW VAN

DEN HAAGSCHEN KUNSTKRING

GEWIJD AAN

LIMBURG IN DE

NEDERLANDSCHE LETTEREN

1. OPENING F. P. Huygens

2. LIMBURG IN DE

NEDERLANDSCHE LETTEREN . Mathta» Kemp

Eerste deel: de Oude Tijd.

3. VOORDRACHT Jan van der Linden

6

a. Henric van Veldeken: Sint Servaas

naar Maastricht geroepen (Servaas

I 952-983).

Tekst: pag. 8.

b. Pieter Ecrevisse: de Broodjeskoning.

(Uit: de Bokkenrijders.)

c. Jan Michiel Dautzenberg: Een groote

Dichter word ik nimmer.

Tekst: pag. 9.

d. Emile Seipgens: de blauwe Domino's.

(Fragment uit den bundel:

Langs Maas en Geul.)

PAUZE


4. LIMBURG IN DE

NEDERLANDSCHE LETTEREN . Mathias Kemp

Tweede deel: De Nieuwe Tijd.

5. VOORDRACHT Maria Marlcuo

a. Frans Erens: Winteravond.

(Fragment uit „Vervlogen Jaren".)

fa. Marie Koenen: Limburgs Meinacht.

(Fragment uit „Wat was en werd".)

c. Felix Rutten: De Nachtegaal.

(Uit: Goede Vrijdag.)

Tekst: pag. 11.

d. Jac Schreurs: Viaticum (fragment).

Tekst: pag. 12.

c. Hilarion Thans: het Lied der Berusting.

Tekst: pag. 13.

f. Pierre Kemp: Slapen-gaan (paars)

en Slapen-gaan (wit).

Tekst: pag. 14.

g. Mathias Kemp: Kroniek.

(Uit: Doortocht.)

Tekst: pay. 15.

6. NAWOORD Mathias Kemp

7. SLUITING F. P. Huygens


HENRIG VAN VELDEKEN:

Sint Servaas naar Maastricht geroepen

n J- u , ' , fServaas 1, 952- 983)

Uoen die ongherechte 1

),

Die waren des viants knechte

Des waren woerden in eyn 2) ,

Der enghel Sinte Servaes erscheyn.

Hij gheboet den heilighen manne.

Dat hi voer van danne,

All daer hij noch is, te Triecht,

In eynen dall scoen ende liecht,

Effen ende wael ghedaen,

Daer twee water tsamen gaen,

Eyn groot ende eyn cleyne,

Claer, schoen ende reyne:

Dats die Jeker ende die Mase.

Beide te korne ende te grase

Es die stadt wale gheleghen,

Ende te schepen in voele weghen;

In visschen ende in ghewilden,

Ende in goeden ghevylden

Der bester coren eerden,

Die ye mochte ghewerden.

Des steyt die stat te maten ' 1

)

Aen eynre ghemeynre straten

Van Inghelant in Ongheren


JAN MICHIEL DAUTZENBERG:

Een groote dichter word ik nimmer

Een groote dichter word ik nimmer,

'k Gevoele dit maar al te wel;

Want zing ik, 't geldt mijn dorpjen immer.

En 't een of 't andre beuzelspel.

Ginds zie ik gras en biezen groenen

Langs 't vlietjen slechts in 't dorp gekend,

Daar loop ik in mijn kinderschoenen,

En 't dorpjen schijnt me zonder end.

Ik hoef daar naar geen lied te zoeken.

Daar klinken liedren overal.

De vreugde lacht uit alle hoeken,

De vreugde woelt op berg en dal.

Er ligt geen plekjen op Gods aarde,

Dat mij zoo lief, zoo jeugdig is,

Dat mij zoo veel genoegen baarde.

En zoo geringe droefenis.

En daarom zal geen lied mij lukken.

Wanneer ik niet die plaats bezing,

Waar ik als kind mocht bloemen plukken,

In 't midden van mijn vriendenkring.

De madelieven en violen,

De visschen in den zilvervliet,

En 't blonde meisjen uit den molen,

Die werden vaak door mij bespied.

Zoo zoet als 't meisjen was geen suiker.

Als zij tot mij haar stem verhief,

Als zij me dankte voor een ruiker,

En zeide: „Vriend, ik heb u lief"!

9


Ik lach om 't lot en al zijn grillen

Thans nog, als ik aan d'engel denk;

}a, k voel dan nog mijn harte trillen,

Wat euvel ook mijn lichaam krenk'.

k Vergeet dan zelfs mijn grijze haren.

En d'afstand van mijn blijde jeugd.

Het bloed rolt frisscher door mijn aêren.

Als dit en dat mij weder heugt.

Een groote zanger word ik nimmer,

'k Gevoele dat maar al te wel;

Want zing ik, 't geldt mijn dorpjen immer.

En 't een of andre beuzelspel.

10


FELIX RUTTEN:

De Nachtegaal

De Nachtegaal zingt in een rozenbosch

Van scherpen doren:

De knoppen bloeien op zijn zingen los

Of zij het hooren.

Of zij dit dauwen voelen van gezangen

Op hunne bladen:

Hel rozenhout is met een rooden hang

Van bloei beladen.

Hoe drupt het lied aldoor in rood gedrop

Van gulden noten:

Hoe schieten immer jongren, blijden knop

De ranke loten

Tot rooden bloesem uit, bij 't zoet gevloei

Dier wondre wijzen:

Het is een wonderroode en paarse bloei,

In mijn gepeizen,

Van bloem en zang. — het roode leven van

Die rozelaren,

Dat, als geen andre stronken, schatten kan

Van rozen garen,

En geven overvloed van wonderbaar

Gestreelde weelde,

De rozenoverdonsde doren, waar

Die vogel kweelde.

Eenzame, zangenrijke nachtegaal.

Die van den morgen

Zingt tot den morgen eenzaam uw verhaal,

En stil verborgen,

Doornenomstrikte, rozenoverstroomd

Geheimvol zanger

Hoe lokt uw lied dat al weerstreven loomt:

Ik kan niet langer.

11


JAC SCHREURS:

Viaticum (fragment)

De maannacht blonk in een gevelruit.

Een jongen blies in een herdersfluit

En klaar aan de stilte sloeg, tel om tel,

Het glazen geluid van de altaarschel.

„Adeste fideles". zong krank en dof

Een stem door de blanke bloemenhof.

Een wingerd dorde aan de witte muur.

Een schaapje blaatte in de donkere schuur.

Een deur kwam open. een deur ging dicht.

En het woonhuis stond vol zonnelicht.

Maar daar lag een man en die ging dood,

Naast een jongen, die hem de oogen sloot...

Maria spreidde een altaardwaal.

En las uit een oud, geel rituaal

Met een stem, als glas zoo rein.

Het schoone, smeekende kerklatijn.

Toen nam zij de Hostie in hare hand.

En gaf ze den man op zijn ledikant;

Toen sloot hij zijn oogen, toen sloot hij zijn mond.

Toen sloot hij voor eeuwig zijn oogen en mond...

Een lange weg en een smaller pad:

Een beekje ruischte, een molenrad;

Het maanlicht doofde in een gevelruit,

Een jongen blies in een herdersfluit.

Een lichtje ging door het winterland;

De maan zonk achter den heuvelrand.

En door de nanacht klonk ver en hel.

Het glazen geluid van de altaarschel...

12

(Het gedicht „Viaticum", oorspronkelijk verschenen in „Roeping", >s

m zijn geheel o.a. opgenomen in de bloemlezing „Nieuwe Geluiden".)


HILARION THANS:

Het Lied der Berusting

Niet waar, we zullen het dragen.

Mijn ziel, in trouw geduld, —

En zonder wondrend vragen:

Waarom nu alle onze dagen

Kwamen in rouw gehuld.

Niet waar, we zullen ze plukken.

Als Wauw-gezwollen ooft, - -

Met héél teer vingerdrukken —

Alle die ongelukken,

Gehangen boven mijn hoofd!

Al moeten ons bloeme-tuinen

Voor eeuwig vertreden zijn.

Al kon er geen zon meer schuinen

Door bruin van looverkruinen —

We zullen tevreden zijn.

Zoolang het Hem behagen zal.

Dat winter ons bevlagen zal.

Geen zomermorgen dagen zal

Uit dood-gedreven nacht,

Niet waar, we zullen het dragen.

Mijn ziel, zonder ééne klacht,

En dóór de grijze dagen

Enkel héél nederig vragen

Dat trouw geduld, in rouw gehuld.

Vergoede voorhene schuld!

13


PIERRE KEMP:

Slapen-gaan (paars)

Een groot zacht land komt op mij af.

Er trippelen nog wat stille voeten.

Er zijn geen bedden en er is geen graf,

het is een waaieren en niet een moeten.

Maar eer ik die voeten heb opengedaan,

ben ik achter een paarsen sluier slapen gegaan.

Slapen-gaan (wit)

Er speelt nog een witte gedachte

tusschen de bladeren en de maan.

Ik lig nog op iemand te wachten

om samen een droom aan te gaan.

In droomen staan dingen geschreven

en andere dingen gedrukt,

die in het eenvoudige leven

mij nooit zijn gelukt.

14


MATHIAS KEMP:

IK BEN DIE BEN

Kroniek

Een moeder geeft haar doode kindje zijn steenen

Een droomer verzint het rad; [speelgoed mede.

aan de Nijl ontluikt een stad.

Volken verwelken en bloeien; ze kennen rust noch vrede.

Er sneuvelde een krijger der Scythen die van bloemen

Al hooger torenen donkere keizers; [en kinderen hield,

al feller moorden flitsende ijzers.

Profeten zeegnen en vloeken, van Cherub of demon bezield.

IIET LICHT SCHEEN IN DE DUISTERNIS

Heiligen branden als fakkels; hun vleesch voedt panters

Achter der Hunnen stinkenden vloed [en leeuwen,

wisselen Karol en Haroen een groet;

Dante laat uit den Tartaros zijn Gothische duivelen

[schreeuwen.

Maar van Eijck schildert — liefdewonder! — de aanbid-

Tusschen doornige meteoren [ding van het Lam!

heksen en inquisitoren;

Napoleon onder gesternten van schorpioen en ram.

(Ik leef) In 't hart van de tijden, het midden van de

Europa vernietigt zijn jeugd; [dingen?

voort bloeien liefde en deugd.

De jonge moeders hopen nog, droomen en lachen en zingen.

IJscontinenten schuren over vergruizelend dal.

Een moordenaar zoent zijn liefje;

en een ziener stoeit met een diefje...

De aard botst op steenen nevels, verdampt in het heelal.

IK BEN DIE BEN

15


16

VOOR INLICHTINGEN

BETREFFENDE DEN

HAAGSCHEN KUNST­

KRING WENDE MEN

ZICH TOT HET SECRE-

TAR1AAT: LANGE

HOUTSTRAAT 7,

TELEFOON No. 110247


HENRIC VAN VELDEKEN IVeld tc Maastricht


EERSTE BLADZUDE VAN HET

11 WDSCHRUT DER SINT-SER-

VAAS-LEGENDE TE LEIDEN.

Cliché: H. |. Dieben


LIMBURG IN DE

GIDS

VOOR DE TENTOONSTELLING

NEDERLANDSCHE LETTEREN

SYSTEEM VAN DEZE GIDS:

de auteurs worden in chronologische

volgorde vermeld met nummers,

die ook bij hun afdeeltngen op

de tentoonstelling vermeld staan.

15-23 NOVEMBER 1941

BIJ BAS VAN PELT (MY HOME}

LANGE HOUTSTRAAT 15 B

Geopend : Werkdagen 10—5 uur

Zondagen 1—5 uur

17


1. HENRIC VAN VELDEKEN (± 1175)

Geboren vóór 1150; gestorven na 1190.

Deze Limburger, afkomstig van Veldeken (ongeveer een

uur gaans van het tegenwoordige Hasselt gelegen) was

waarschijnlijk een edelman, en zeer ontwikkeld: hij kende

Latijn en was thuis in de Fransche en Duitsche letteren

van zijn tijd. Van zijn levensloop staat vast, dat hij in be­

trekking heeft gestaan tot het Sint-Servaasklooster te

Maastricht en dat hij later aan het hof der vorsten van

Thüringen heeft vertoefd. Hij heeft belangrijken invloed

gehad op de Duitsche ridderpoëzie; Wolfram von Eschen-

bach e.a. eerden hem als meester.

Henric van Veldeken is de auteur van:

de Sint-Servaaslcgcnde. in het Middelnederlandse!) geschreven naar

een Latijnsch heiligenleven: onderwerp: het Leven en de Vereering

van den Heiligen Servatius, Bisschop van Maastricht f 384.

Handschrift uit de 15e eeuw (thans in de Bibliotheek der Rijksuniversiteit

te Leiden) in 1858 uitgegeven door Prof. J. H. Bormans van

Luik.

Bewerking van het eerste boek (Leven) in Nieuwnederlandsche verzen

door Marie Koenen (1912); vrije vertaling in proza door Jan Stormen

(= Jef Notermans; 1930).

de Eneïde (naar den'Franschen „Roman d'Enéas"), alleen in Duitsche

handschriften bekend.

ongeveer dertig Minneliederen (onder Franschen invloed), alleen in

Duitsche handschriften bekend.

In Nieuwnederlandsche verzen overgebracht door André Schillings

(1927).

Recente studie over Henric van Veldeken met opgaven van bronnen

en materiaal: L. J. Rogier, Henric van Veldeken, Maastricht 1931.

Afbeeldingen: in het Stuttgarter en in het Heidelbergsche of Manessische

handschrift, o.a. gereproduceerd in kleuren in ,,die Minnesanger",

Inselbuch no. 450.

Beeld te Maastricht (onthuld 1931).

2. PIETER ECREVISSE (1804 — 79)

Geboren 3 Juni 1804 te Obbicht; overleden te Eecloo

(Vlaanderen) 16 December 1879.

18


Toen Pieter Ecrevisse drie jaar oud was, werden hem drie

vingers van de rechterhand verbrijzeld in de papierfabriek

van zijn vader; dit ongeluk bracht hem op den weg van

de studie. Hij kwam op de kostschool van den Pastoor te

Grevenbicht, en studeerde later wis-, natuur- en scheikunde

in Felix Meritis te Amsterdam en rechten te Leuven,

waar hij in 1833 promoveerde. Intusschen was hij reeds

werkzaam als leeraar en als zoodanig kwam hij ook te

Sittard, waar hij trouwde en lid van den Raad werd. In

1839 werd hij benoemd tot vrederechter te Eecloo, waar

hij ook zitting in den Raad kreeg (tot 1860). Met Conscience

e.a. behoorde hij in 1841 tot de oprichters van het

dagblad „Vlaamsch België". Van 1845 tot '48 had hij

zitting in den Provincialen Raad van Vlaanderen; hij was

de eerste, die daar Vlaamsch sprak.

Auteur van historisch-romantische verhalen, o.a.:

De Drossaert Clerckx. ï

De Bokkenrijders in het Land van Valkenberg } (1841—'43).

De Verwoesting van Maestricht

Egmont's Einde (1850).

Het Meilief van Geleen (1858).

De Nicht uit de Kempen (1864).

Een volledige uitgave zijner werken verscheen te Antwerpen in

1878—'80.

3. JAN MICHIEL DAUTZENBERG (1808- 69)

Geboren 6 December 1808 te Heerlen; overleden 4 Februari

1869 te Elsene (bij Brussel).

Dautzenberg werd onderwijzer in Heerlen en woonde later

bij Brussel, maar ook toen bleef zijn geboortestreek het

land zijner droomen. Hij was een dichter, wiens streven

zich vooral op den vorm richtte; zijn voorbeelden waren

de Grieksche en Latijnsche dichters, Von Platen (1796—

1835) en Rückert (1788—1866); hij pleitte voor den hexameter

in de Nederlandsche poëzie.

In 1850 verschenen zijn „Gedichten"; na zijn dood bundelde zijn

schoonzoon Frans de Cort zijn „Verspreide en nagelaten Gedichten"

(1869),

19


Arnold Sauwcn bezorgde een bloemlezing uit zijn gedichten met

levensbericht en inleiding. A. E. van Beughem gaf zijn levensbeschrijving.

4. MICHAËL SMIETS (1830—'85)

Geboren 28 Augustus 1830 te Maastricht; overleden 8

December 1885 te Valkenburg.

Studeerde aan het Koninklijke Athenaeum te Maastricht

en aan het Klein-Seminarie te Rolduc; werd in 1855 tot

priester gewijd en in hetzelfde jaar benoemd tot hoogleeraar

aan het Bisschoppelijk College te Roermond. Sedert

1847 publiceerde hij gedichten van romantischen aard, ook

in het Fransch, maar zijn groote liefde ging naar het Nederlandsch

uit; hij was een bewonderaar van Vondel en van

Bilderdijk, In 1871 werd zijn gedicht „Charlotte" te Leuven

met goud bekroond. De Cantilena ..Pius Nonus', door hem

in 1873 te Rome aan Paus Pius IX aangeboden, werd in

wel tien talen vertaald (in het Nederlandsch als „Piuslied"

door J. A. Alberdingk Thijm); de Paus verleende

den dichter eershalve den doctorstitel. In 1876 werd hij

pastoor te Valkenburg, waar hij zich vooral aan den priesterlijken

arbeid wijdde en op slechts 55-jarigen leeftijd

overleed.

Dichtwerken verzameld en met levensschets en portret uitgegeven door

zijn leerling A. H. M. Ruyten (1887).

5. MAJOOR PERELAER (1831 — 1901)

Geboren 4 Augustus 1831 te Maastricht; overleden 2

Januari 1901 te 's-Gravenhage.

Michel Théophile Hubert Pereber werd aanvankelijk te

Rolduc en te Rome voor geestelijke opgeleid, maar trad in

1854 in Nederlandsch-Indischen krijgsdienst. Hij werd in

1859 tweede-luitenant, onderscheidde zich op Borneo, was

van 1860 tot '64 civiel-gezaghebber van de Groote en de

Kleine Dajak, daarna adjudant van den bevelhebber van

20


Fort Willem I op Java. In 1870—73 ging hij als kapitein

met verlof naar Nederland. Na zijn terugkeer werd hij bij

den Generalen Staf geplaatst; in 1876 werd hij majoor. In

1879 als zoodanig gepensioneerd vestigde hij zich in Den

Haag.

Hij was lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde

te Leiden en van het Koninklijke Instituut voor

Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië.

Auteur van:

Ethnografischc Beschrijving der Dajaks (1870).

De Bonischc Expeditiën; Krijgsgebeurtenissen op Celebes in 1859—'60

(1872).

Borneo van Zuid naar Noord (Ethnographischc Roman. 1881; Engelsche

vertaling ,,Ran away from the Dutch", 1887).

Uit de Oude Doos. Sprokkelingen over Nederlandsch-Indië (1882).

Nederlandsch-Indië. deelen II—IV (Deel I door W. A. van Rees;

1880—'83).

Een kwart eeuw tusschen de Keerkringen (1884—85).

Baboe Dalima (Opiumroman, 1886).

Het Kamerlid van Berkenstein in Ned.-Indië (1888—'90).

Noordwest en Zuidoost, een orkaan in aantocht, en Kapitein Aart

(Twee schetsen uit N.I., 1892).

Brochures over Indische en andere zaken.

6. EMILE SEIPGENS (1837—'96)

Geboren 16 Augustus 1837 te Roermond; overleden 25

Juni 1896 te Leiden.

Emile Antoon Hubert Seipgens studeerde o.a. aan de Universiteit

te Göttingen en werd leeraar in het Duitsch. Hij

schreef novellen in den trant van Cremer (o.a. in de Gids),

een onvoltooid gebleven roman (Daniël), tooneelstukken,

en liedjes in dialect. Vooral in zijn oudere werk toonde

hij een anticlericale gezindheid.

Van hem verschenen o.a.:

De leste Schlaag of vrije verkiezingen in Limburg (comedie in het

Roermondsch; 1872).

21


Uit timburg (novellen en schetsen; 1881); afzonderlijk De Kapelaan

van Bardelo: 1898.

In en om het kleine Stadje (1887).

Langs Maas en Geul (1890).

Een Immortellenkrans (1898).

7. Mr. L. J. H. LAMBERTS HURRELBRINCK

(1856—1941)

Geboren 1 Juni 1856 te Passaroean (Java); overleden te

Maastricht 31 October 1941.

Louis Herman Jean Lamberts Hurrelbrinck kwam op vierjarigen

leeftijd naar Maastricht, bezocht daar het gymnasium

en studeerde vervolgens in de rechten te Leiden,

waar hij in 1880 promoveerde. Hij werd advocaat te Leiden

en in 1893 te Amsterdam. In 1909 keerde hij terug

naar Limburg, waar hij zich eerst te Valkenburg en vervolgens

te Maastricht vestigde.

In zijn Leidschen tijd begon Mr. Lamberts Hurrelbinck te

schrijven; hij was tien jaar tooneelverslaggever van het

Leidsch Dagblad, maar hij schreef toen ook reeds enkele

novellen. Later volgden vele verhalen, die vooral tot onderwerp

hadden land en volk van Limburg en de Limburgsche

volksstoffen als de Bokkenrijders. Hij schreef ook een drietal

blijspelen en bijdragen in de Gids, Nederland, Elsevier

en andere tijdschriften.

Hij was lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde

te Leiden. In 1910 presideerde hij het Taal- en

Letterkundig Congres te Maastricht.

Enkele publicaties:

Limburgsche Novellen (1890).

Van Limburg s Bodem (1891).

Van Limburgs Grenzen (1892).

In Limburg en daarbuiten (1894).

De Bokkenrijders (1895).

Wanhoop en Misdaad (1896).

Uit de Limburgsche Ardennen (1898).

De Vrouw van den Bokkenrijder (1900).

22


De Broodjeskoning van Eckeidonck (1902).

De Heks van Heinsbroek (1905).

Madonna (roman uit Limburg; 1912).

Limburgiana (1914).

Vaderland (1917).

De Kinderen hunner Ouders (1920).

Bokken-Tinus (1935).

Misdadigerswereld 1

De eerste Mei } (z.j.).

Paria's J

8. Mr. FRANS ERENS (1857-1935)

Geboren 31 Juli 1857 te Schaesberg; overleden 5 December

1935 te Houthem-St. Gerlach.

Marie Joseph Francois Pierre Hubert Erens studeerde

rechten in Leiden, Bonn, Parijs en Amsterdam, waar hij in

1888 promoveerde. Hij werd griffier van het kantongerecht

te Veghel en later kantonrechter te Oostburg. In 1901

trok hij zich terug om zich uitsluitend aan de letteren te

wijden. Hij was redacteur van de Nieuwe Gids en in de

Nederlandsche letterkundige wereld een gezaghebbende

figuur.

Voornaamste publicaties:

Dansen en Rhythmen (1893).

Litteraire Wandelingen (1906); afzonderlijk Stille Steden: 1931

Gangen en Wegen (1912).

Vertelling en Mijmering (1922).

Toppen en Hoogten (1922).

Litteraire Overwegingen (1924); afzonderlijk Anna Catharina Emmerich:

1928.

Litteraire Meeningen (1927).

(Posthuum:) Vervlogen Jaren (1938; voorwoord Anton van Duinkerken).

(Posthuum:) Suggesties (verzameld, ingeleid en van een bibliografie

voorzien door Pierre van Valkenhoff; 1941).

Vertalingen van:

Aurelius Augustinus, Belijdenissen (1903).

Silvio Pellico, Mijne Gevangenissen (1906).

Thomas a Kempis, de Navolging van Christus (1907).

Johannes Ruusbroec. het Sieraad der Geestelijke Bruiloft (1917).

23


Biografische gegevens en bibliografie door Pierre van Valkeuhoff in

..Suggesties' en afzonderlijk in Publications de la Société historique

et archéologique dans le Limbourg 1939; zie ook „Vervlogen Jaren"

(met foto's).

9. HUIB UBAGHS (geb. 1860)

Geboren 17 Juli 1860 te Valkenburg: woonl te Valkenburg-

Houthem.

Jan Maria Huibert Ubaghs studeerde te Mechelen voor

organist, daarna aan het conservatorium te Antwerpen;

hij componeerde vele romances, liederen en koorwerken.

Tegelijk ontwikkelde zich zijn zin voor de letteren, in de

eerste plaats voor het tooneel. Zijn historisch-romantische

stukken, zooals ,.de Bokkenrijders". ,,de Zigeunermeid of

de Heks van Geulhem . „Geneveva, de Paltzgravin van

Trier" en „de Soldaat van Napoleon", werden met veel

succes opgevoerd in het Valkenburgsche openluchttheater,

in de schouwburgen van Brussel en Antwerpen, en elders.

Hij schreef ook een tweetal romans en is medewerker van

de Dialectencommissie der Koninklijke Academie van

Wetenschappen te Amsterdam.

Publicaties:

De Bokkenrijders in het Land van Valkenburg (roman en drama).

De phonetische Schrijfwijze van het Valkenburgsch Plat (brochure;

1937).

Biografie door Mathias Kemp met portret: de Nedermaas Juli 1940.

10. EMILE ERENS (geb. 1865)

Geboren 27 April 1865 te Schaesberg: woont te Heemstede.

Emile Marie Joseph Hubert Erens, jongere broeder van

Frans en zichzelf aanduidend als anjerkweeker, schrijft in

uiterst verzorgd proza bij voorkeur over figuren uit de

wereld van geloof en kerk.

24


Publicaties:

Korte Verhalen (1906).

De Heilige Pelgrim (= Benoit Joseph Labre: 1925).

Kevelaer (1931).

De Pastoor van Ars (= St. Jean Marie Baptiste Vianney; 1937).

Kluizenaressen (1941).

Vertalingen van:

Gottiried Keiler: Romeo en Julia van het Land (1911).

St. Catharina van Genua: Dialogen en Verhandeling over het Vagevuur

(1916).

Geestelijk Dagboek van Lucie Christine (1921).

Inleiding tot: Albert Kuyle, Een Jaar vol Heiligen (1936).

Bijdragen in Beiaard, de Gids, Twintigste Eeuw, e.e.

11. Dr. E. JASPAR (geb. 1872)

E. J. H. Jaspar promoveerde in 1896 tot doctor in de

rechten en is kantonrechter te Maastricht. Hij schreef verschillende

werken op het gebied van de Limburgsche geschiedenis,

o.a. ..Kint Geer eur eige Stad?" (over Maastricht,

in dialect), en een dichtbundel „Bonte Blomme"

(1921).

12. ALPH. LAUDY (geb. 1875)

Geboren 30 April 1875 te Pey (gemeente Echt); woont te

Amsterdam.

Alphons Leonard Arthur Laudy ging in de journalistiek

en werd hoofdredacteur van het dagblad „de Tijd". Algemeene

bekendheid verwierf hij vooral door zijn drama in

verzen „de Paradijsvloek", dat met veel succes werd opgevoerd;

het verscheen in de Katholiek, jrg. 1920.

In boekvorm verschenen van hem:

Zwervers, 1903.

Jan Rap 6 Co.. 1903.

25


13. H. H. J. MAAS (geb. 1877)

Geboren 24 Februari 1877 te Venray; woont te Eindhoven.

Herman Hubertus Joannes Maas was onderwijzer en

leeraar aan een opleidingsinrichting voor onderwijzers; is

thans op wachtgeld gesteld.

Behalve werken van overwegend litterairen aard, aanvankelijk

onder den schuilnaam Jan van Houtum verschenen,

schreef hij ook leerboeken; zijn bijdragen verschenen niet

alleen in de Nieuwe Gids en Nederland, maar ook in de

Nedermaas en de Wandelaar, in de Nieuwe School en de

Opleiding, benevens in verschillende dagbladen. Willem

Kloos wijdde eenige malen litteraire kronieken aan het

werk van Maas, dat echter ook om zijn sociale en paedagogische

zijden waardeering en afkeuring heeft gevonden.

Hij vertaalde een negental romans uit het Fransch en uit

het Engelsch.

Voornaamste publicaties:

(Jan van Houtum:) Schetsen van over de Peel (1901)

Verstooteling (roman; 1907).

Het Goud van de Peel (roman; 1909).

Landelijke Eenvoud (roman; 2e druk met toevoegsel: de Zedeloosheid

in de Tweede Kamer).

Om de School (roman uit den schoolstrijd; 1913)

Taalstudie, vier deelen (1926).

De Hoofdzonden van het Land (roman; 1930).

Onze Schoolopvoeding (critische studie; 1932).

De Hamerslag (roman; 1934).

Een Hoekje Stad (1936).

Menschen van het Gehucht.

14. Dr. H. H, KNIPPENBERG (geb. 1879)

Geboren 12 September 1879 te Maastricht; woont te Helmond.

Dr. Hermanus Hubertus Knippenberg is directeur van het

Sint Carolus-Borromeüscollege (Hoogere Burgerschool en

Handelsdagschool) te Helmond en sedert 1921 docent

26


voor Nederlandsche letterkunde aan de R.K. Leergangen

te Tilburg.

Zijn werk omvat zoowel eigen litteraire uiting als letterkundige

studie. Bijdragen van zijn hand verschenen o.a. in

Van Onzen Tijd, Tijdschrift voor Taal en Letteren en

Studiën over letterkunde en folklore, in de Nedermaas

over Limburgsche plaatsnamen; hij droeg bij tot de serie

„Letterkundigen uit Limburg" in het Bijblad voor Taal en

Letteren 1915—'19.

Voornaamste publicaties:

Bloemlezing uit P. C. Hooft en Constantijn Huygens (1913).

Reyer Anslo. zijn Leven en letterkundig Werk (1913).

Melters van Dennenhof, een verhaal van het land (1922)

Sint Ursula en hare Gezellinnen (1922).

Studie over en Bloemlezing uit het werk van Joannes Staloaert van

der Wielen (1924).

Het „Wien Nêerlandsch Bloed" en zijn Dichter (1936).

Bibliografie in Lijst van Geschriften van Leden der Katholieke Wetenschappelijke

Vereeniging 1922 blz. 139—149 en in Supplement 1931

blz. 179—183.

15. MARIE KOENEN (geb. 1879)

Geboren 19 Januari 1879 te 's-Hertogenbosch; woont te

Nijmegen.

Hoewel geen geboren Limburgsche, is deze schrijfster,

doordat zij jarenlang in Limburg woonde en werkte, deze

provincie wel zeer na gekomen, In haar omvangrijke oeuvre

is veel te vinden van wat in de ziel van Limburg leeft, en

juist ook zij heeft veel gedaan om hiervoor elders begrip

te wekken.

Voornaamste werken:

Hendrik van Veldeke's Sint-Servatiusleqende (boek I) bewerkt (19121

Witte Burcht (1912).

Het Hofke (1913).

Sproken en Legenden (1916).

De Moeder (1917).

27


De wilde Jager (1918).

De Andere (1919).

Parcival (1920).

Limburgsche Verhalen (1922).

Het Koninkje (1921—'24).

Bretonsche Legenden (1927).

Wat was en werd, verhalen uit Limburgs legende en historie (1928)

Stormenland (1929).

Het nieuwe Begin (1934).

Egmondverhalen (1937).

De Korrel in de Voor (1941).

Poëzie:

De Wegen (1916).

Verzen (1923).

16. FELIX RUTTEN (geb. 1882)

Geboren 13 Juli 1882 te Sittard; woont in het buitenland.

Felix Jan Joseph Hubert Rutten doorliep het gymnasium te

Sittard en Rolduc en studeerde vervolgens in de letteren

te Leuven, Luik en Utrecht; hij promoveerde te Luik. Hij

was werkzaam als journalist en reisde veel. Hij publiceerde

verzen, tooneel en proza; als tooneelschrijver had hij

eenigen tijd groot succes.

Voornaamste werken:

Verzen;

Eerste Verzen (1904).

Avondrood (1913).

Goede Vrijdag (1914).

Sonnetten (1921).

De Verzonken Tuin (1923).

Tooneel:

Hagar (1917).

Eva's Droom (1917).

Beatrijs (1918).

Jessonda (1920).

Onder den Rook der Mijn (1914).

Limburgsche Sagen (1917).

Levenswijding (1917).

Spanje (1924).

Brugge (1925).

Polen, een herboren Land (1931).

Joegoslavië (1937).

28


Tocht naar Morgenland (1938).

Alexander Manzoni (1940).

Confiteor (1940).

Hymnenvertaling in het Goede-Week-Boek (1921).

17. HILARION THANS (geb. 1884)

Geboren in 1884 te Maastricht; woont te Rekem in Belgisch

Limburg.

Hilarion Antonius Thans behoort tot de orde der Minderbroeders;

in 1909 ontving hij de priesterwijding. Tijdens

den oorlog van 1914—'18 nam hij als vrijwilliger dienst in

het Belgische leger. Hij is leeraar en woont in het klooster

te Rekem of Rekheim. Van hem verschenen, vooral in

België, een groot aantal publicaties: gedichten, proza, ook

spelen.

Enkele publicaties:

Gedichten:

Omheinde Hoven (1913).

Verloren Stroom (1920).

Proza:

Mijn oorlog.

Franciscanisme (1933).

Door oud en nieuw Italië (1938).

18. PIERRE KEMP (geb. 1886)

Geboren 1 December 1886 te Maastricht; woont aldaar.

Pierre Kemp, administratief mijnbeambte, is de auteur van

een groot aantal gedichten, verschenen in het Getij, Dietsche

Warande, Roeping, Gemeenschap en Criterium; in

Roeping verscheen ook „Vastenavond" (1929).

In boekvorm publiceerde hij:

Het wondere Lied (1914).

De Bruid der Onbekende Zee (1916).

29


Zuster Beatrijs (1920).

Limburgs Sagenboek (1925).

Het Paradijs der Kinderen (1926).

De verdwenen Vallei (1926).

Carmina Matrimonialia (1928).

Stabieien en Passanten (1934).

Fugitieven en Constanten (1938).

Transitieven en Immobielen (1940).

19. ANDRÉ SCH1LLINGS (geb. 1888)

Geboren 26 September 1888 te Maastricht; woont te Sonnant

d'Uriage bij Grenoble.

André Jean Marie Hubert Schillings bezocht de lagere

school te Weert en maakte zijn gymnasiale studies aan

het Bisschoppelijke College aldaar en aan het Canisius-

College te Nijmegen. Vervolgens studeerde hij aan de

Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam, waar hij in 1917

promoveerde tot doctor in de Nederlandsche letteren. Hij

werd leeraar te Amersfoort, Eindhoven en Alkmaar, vervolgens

directeur van het Rotterdamsch Leeskabinet, vertrok

in 1921 naar Nederlandsch-Indië en was daar leeraar

te Semarang en te Bandoeng, werd tijdens verlof in Zwitserland

in 1928 benoemd tot directeur van het Studentenhuis

te Batavia, keerde in 1933 uit Indië terug en vestigde

zich toen in Frankrijk.

Publicaties:

Vondel en de Regeerders van Amsterdam (proefschrift; 1917)

Uit Vondels leven en werk (1918).

Langs de Wegen der Beproeving (1919).

De Versmade (1921).

Jetze's eindelijke Verlossing (1923).

Jelleke (1926).

Feiten en gebeurtenissen uit de Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde

(1926).

Het verliefde Gild (1928).

Het Vluchtelingske (vervolg op Jelleke; 1929)

Guido Gezelle (1930).

Jeanne d'Arc (1932).

Verbeelders van Ideaal en Werkelijkheid (1937).

30


20. MATHIAS KEMP (geb. 1890)

Geboren 31 December 1890 te Maastricht; woont aldaar.

Mathias Hubertus Kemp gaf reeds jong blijk van aanleg

voor muziek en schilderkunst. Hij was achtereenvolgens

plateelschilder, bibliothecaris, adjunct-secretaris van de

Kamer van Koophandel en journalist. Thans is hij publicist

en uitgever-boekhandelaar. Het maandblad de Nedermaas

staat onder zijn leiding.

Werken op litterair gebied:

Het wijnroode Uur (gedichten; 1916).

Naar den Uchtend (gedichten; 1917).

Zeven Boomen opgezet (proza; 1918).

De vreemde Vogel (gedichten; 1919).

Een verwarde Liefde (proza; 1921).

De zeven Broeders (gedicht, luxe uitgave; 1921).

Ravijnen (herdruk der eerste drie dichtbundels; 1922).

Stroomversnellingen (gedichten; 1924).

De groote Drijver (drama; 1927).

De bonte Storm (carnavalsroman; 1929).

Sterren, Musschen en Ratels (1929).

Vallende Vogels (roman; 1934).

Doortocht (gedichten: 1935).

Het kwellende Wonder (roman; 1936).

Van den Grenskant (novellen; 1937).

Seringen en Schroot (gedichten: 1939).

Op ander gebied:

De Geschiedenis van Limburg (1934).

Het Julianakanaal (1934).

De Limburgsche Mijnen in economisch en sociaal opzicht (1935).

Het Albertkanaal (1939).

Noodzakelijk Pro Memorie; de Limburgsche Maaslanden in de geschiedenis

der Nederlanden (1941).

Limburg 1839—1939 (1941).

21. A. DEFRESNE (geb. 1893)

Geboren 6 November 1893 te Maastricht; woont te Amsterdam.

Marie August André Antoine Defresne schreef verschei-

31


dene tooneelstukken, enkele studies, een drietal romans en

artikels in de Beweging, Groot Nederland e.e. Hij is

werkzaam als regisseur-dramaturg bij het Gemeentelijke

Theaterbedrijf te Amsterdam.

Publicaties:

Tooneel:

Koningen (Groot Nederland 1923).

De Woonschuit (Groot Nederland 1923; zelfstandig 1925).

De Uitvreter (Groot Nederland 1925).

Andere Leiders (1928).

De Opstandigen (met Jo van Ammers—Kuiler; 1929).

Moord-romance.

Lord-Lister-Legende.

Het onbewoonde Eiland (1941).

De rare Rechter (Groot Nederland).

Studies:

De Psychologie van den Vos Reynaerde (1922).

Het Expressionisme in de huidige Duitsche Tooneelschrijfkunst (Groot

Nederland 1925).

Romans:

Het Eethuis (1931).

Moord (1932).

De wonderlijke Familie (1937).

Bovendien werden eenige niet uitgegeven tooneelspelen en tooneelbewerkingen

van Defresne gespeeld, o.a. ,,de Woekeraarster'' (1924),

„Valsche Bankbiljetten" (1926). ,.Boeven en Burgers" (1928).

22. JAC SCHREURS (geb. 1893)

Geboren 9 Februari 1893 te Sittard; woont te Stein.

Jacques Schreurs werd voor geestelijke opgeleid. Als kapelaan

werkte hij onder de mijnwerkers; thans woont hij in

het Missiehuis te Stein. Hij behoort tot de belangrijkste

Nederlandsche dichters van zijn generatie; zijn werk getuigt

van vroomheid en van liefde voor de natuur. Niet

minder bekend is Pater Schreurs als auteur van religieuse

spelen. Hij publiceerde ook prozawerken en schreef artikelen

in diverse tijdschriften.

Voornaamste publicaties:

Voorjaar 1

Voor U alleen (gedichten; 1921—'24).

Bloeiende Wijnstok )

32


Omnis Terra (gemeenschapsspel: 1932).

De Hemelsche Twistappel (spel; 1933).

Offensief (leekenspel; 1933).

Nis en Nimbus (verzen van zaligen en heiligen; 1933).

Een Pelgrim op Aarde (= Norbert van Gennep; 1934).

Sterren en Dauw (1935).

De Hemelsche Speler.

De Man met de Rozenkrans (bij Ons Geestelijk Leven 1935).

Graankorreltje \ It 1 1 \

Het Koekoeksjong / P i -

Kleine Liederen van Dood en Leven (1938).

De Piëta (Maria-wagenspel; 1938).

De Bruid die hij niet verwachtte (roman: 1940).

Kroniek van een Parochie I (roman).

Het Lied van den Sluier (in Vrije Bladen 1940).

23. Mr. E. FRANQUINET (geb. 1896)

Geboren 6 Januari 1896 te Maastricht; woont te Roermond.

Edmond Marie Constant Bernard Franquinet koos na vol­

tooiing van zijn studie in de rechten aan de Gemeentelijke

Universiteit te Amsterdam de justitiëele loopbaan; hij is

thans rechter in de arrondissements-rechtbank te Roer­

mond. Maar de persoonlijkheid van Mr. Franquinet is veel­

zijdig: hij doet ook veel om de aandacht te vragen voor en

om de belangen te bevorderen van Limburg, en hij is een

bekend amateur-vlieger en luchtvaartenthousiast. Al deze

kanten vindt men weerspiegeld in zijn geschriften; de

aëronaut heet veelal P. R. O. Peller, evenals de luchtvaart­

specialist van den K.R.O. in 1932—'40.

Publicaties:

Uitgave met inleiding en omslagteekening van de ..Mastreechter

Veerskes" van G. D. L. Franquinet (1924).

Maskeraad (verhalen in dialect; 1927).

Vogels vliegen over Limburg (1930).

Gas, Granaten en Soldaten (oorlogsroman naar het Duitsch van Max

Biber; 1930).

Figuren uit de Geschiedenis der Maastrichtsche Dialectlitteratuur (bioen

bibliografieën van L. P. Delruelle, Th. Weustenraad. G. D. L.

Franquinet, L. Polis en A. Olterdissen; 1931).

Boerderij-typen in Limburg (1931).

33


Vluchten (luxe-uitg. 1933; goedk. ed. 1940).

(P. R. O. Peller:) Zonen van Icarus (1937).

Misdaad en straf (1938).

Brochures over ,,de Schoonheid van Limburg en haar Behoud" (met

A. van de Sandt), „Gulpen en Omgeving", „Zuidoost Zuid-Limburg",

„Vliegveld Zuid-Limburg".

Artikelen over Limburgs geschiedenis, kunst, folklore, landschapsschoon,

handel en industrie, en een groot aantal op luchtvaartgebied.

Bellettristische bijdragen in Amsterdamsche studentenalmanak. Onze

Eeuw, Kunst in Limburg, de Nedermaas, e.e.

(P. R. O. Peller:) Redactie van Tusschen Grasmat en Stratosfeer,

geïllustreerde Luchtvaartencyclopedie voor Iedereen (1936).

In voorbereiding:

(P. R. O. Peller): Jules Verne, fantast en profeet.

24. F. SCHLEIDEN (geb. 1896)

Geboren 7 Maart 1896; woont te Mheer.

Frans Joseph Aloys Schleiden bezocht de lagere school te

Bocholtz, het gymnasium te Weert en studeerde vervolgens

philosophie te Rolduc en theologie aan het Groot-Seminarie

te Roermond. Hij werd kapelaan te Vijlen (1920), Hoens-

broek (1925) en Heerlen—Molenberg (1936); sedert 1939

is hij pastoor te Mheer.

Publicaties in streektaal:

Der Brand va Bellent (historisch drama; 1927).

Hazegerf en Brommeleblaar (verhalen, met houtsneden van den

schrijver).

Verhalen: in Veldeke en Limburg aan Christus.

Onuitgegeven, maar vaak gespeeld:

De Koel i Lutterendal.

In Voorbereiding:

Pier va Hanne (novelle).

25. FONS TUINSTRA (geb. 1897)

Geboren 26 Juni 1897 te Maastricht; woont aldaar.

Alphonse Marie Hubert Tuinstra is leeraar in het Neder-

34


landsch aan de R.K. Hoogere Burgerschool en spraakleeraar

in zijn geboorteplaats. Hij ijvert voor de toepassing

van het Maastrichtsch als voertaal ook voor cultureele en

godsdienstige onderwerpen.

Publicaties:

De Ziel van Limburg (1932).

Sint-Servaaslegenden (1934).

Het Boek der Wonderen van Sint Servaas (1937).

Kerstliederen (1938).

Opstellen over het Maastrichtsch in Veldeke.

Gedichten in „Mastreechter Spraeok, doe zeute Taol", e.e.

Artikelen in Sint-Servaasmaandblad, Levende Talen, e.e.

26. JEF NOTERMANS

Over dezen auteur hebben wij door de tijdsomstandigheden

niet alle gewenschte gegevens kunnen verkrijgen.

Hij was of is werkzaam bij het onderwijs in Nederlandsch-

Indië. Zijn Leuvensche proefschrift en zijn studie over Henric

van Veldeken zijn in verband met „Limburg in de

Nederlandsche letteren" wel zeer belangwekkend; onder

het pseudoniem Jan Stormen gaf hij een vrije vertaling in

proza van Veldekens „Sint-Servaaslegende".

Voornaamste Publicaties:

Heynrijck van Veldeken, z'n tijd, leven en werk (1928).

St. Joris en de Draak (1928).

(Jan Stormen:) De wondere Legende van Sint Servaas (1930).

De roemruchtige Ursula en hare Maagden (1936).

Het Kerstspel van Bilsen (1936).

Kuituur en Literatuur in de Maasgouw vóór 1200, bijdrage tot de

geschiedenis der Oud-Nederlandsche letterkunde (proefschrift; 1938).

Vondel s Maeghden (1938).

Uit het Leven van St. Lambertus (1938).

Rondom een dapper Burgervader: Edgard de Caritat de Peruzzis (1939).

27. ALPHONS TIMMERMANS (geb. 1907)

Geboren 28 Maart 1907 te Kessel; woont te Weert.

Alphons Joseph August Marie Timmermans, thans hoofd

35


In voorbereiding:

Frans Erens, Dansen en Rhythmcn (inleiding en tekstverzorging).

Cd. Busken Huet, Elizabeth Wolff {inleiding en tekstverzorging).

31. PAUL HAIMON (geb. 1913)

Geboren 20 October 1913 te Ohé en Laak; woont te Valkenburg.

Leo Cornelis Willem Laugs schrijft onder den naam Paul

Haimon.

Publicaties:

Trophee (verzen; 1936).

Meifeest (weidespel; 1938).

(met Rob Franquinet:) Passieboek van Limburgsche Letterkundigen

(1938).

Hart in de Lente (verzen; 1939).

Sint-Odiliaspel (1939).

Kruisweg onzes Hecren (verzen en houtsneden van Lucas Cranach

d. O.; 1940).

Dierensproken (1940).

Jonkheid (roman; 1940).

Koning ben Ik (spel; 1941).

In voorbereiding:

Jefke (roman).

Lentestorm (roman).

Vertalingen van .Jonkheid" in het Duitsch en in het Zweedsch.

32. JOS VIEGEN (geb. 1915)

Geboren 13 Juni 1915 te Maastricht; woont aldaar.

Joseph Nicolas Gabriel Marie Antoine Viegen is doctorandus

in de sociale wetenschappen en bereidt zijn promotie

voor op een proefschrift over „Situering van de

Werkloosheid als maatschappelijke ziekte in de cultuurcrisis".

Hij schreef tot 1939 onder het pseudoniem Ilja

Destinow.

'8


Publicaties:

Renwagens (verzen; 1933).

Music hall (prozagedichten; 1935).

Karmijn (verzen; 1938).

Bijdragen in bloemlezingen en kranten.

In voorbereiding:

Mystiek Voorspel tot een Bruiloft (cyclus verzen, met inleiding van

P. H. Dubois).

Kunst en Genieenschap (studie).

Essay over Karei van de Woestijne.

(met P. H. Dubois:) Een roman in brieven.

33. ROB FRANQUINET (geb. 1915)

Geboren in 1915 te Amby; woont te Maastricht.

Robert Franquinet bracht zijn jeugd in Belgisch Limburg

door. Hij is kunstschilder, maar tevens een verdienstelijk

dichter en schrijver.

Publicaties:

Het vroege Uur (verzen: 1933).

Milde Aarde (verzen: 1935).

Van gulden Vlinders (verzen; 1936).

Gracilis (verzen; 1937).

In memoriam Maurice Ravel (gedicht; 1938).

Andrianoer en Fatima's Heimwee (1938).

(met Paul Haimon:) Passieboek van Limburgsche Letterkundigen

(1938).

Ghislaine la Bruyère en Ik (1939).

Gekapseisde Boot (1939).

Boven Puin en Asch (1941).

Bijdragen in binnen- en buitenlandsche tijdschriften.

39


INHOUD:

Motto 1

Ter Inleiding, door F. P. Huygens 2

Limburg in de Nederlandsche Letteren, door Mathias Kemp . . 4

Programma voor de Matinee 6

Teksten van voor te dragen stukken 8

Gids voor de Tentoonstelling 17

1. Henric van Veldeken 18

2. Pieter Ecrevisse 18

3. Jan Michiel Dautzenberg 19

4. Michae! Smiets 20

5. Majoor Perelaer 20

6. Emile Seipgens 21

7. Mr. L. H. J. Lamberts Hurrelbrinck 22

8. Mr. Frans Erens 23

9. Huib Ubaghs 24

10. Emile Erens 24

11. Dr. E. Jaspar 25

12. Alph. Laudy 25

13. H. H. J. Maas 26

14. Dr. H. H. Knippenberg 26

• 15. Marie Koenen 27

16. Fehx Rutten 28

17. Hilarion Thans 29

18. Pierre Kemp 29

19. André Schilhngs 30

20. Mathias Kemp . ^ 31

21. A. Defresne 31

22. Jac Schreurs 32

23. Mr. E. Franquinet 33

24. F. Schleiden 34

25. Fons Tuinstra 34

26. Jef Notermans 35

27. Alphons Timmermans 35

28. Jehan Kuypers 36

29. Loe Maas 37

30. Pierre van Valkenhof? 37

31. Paul Haimon .^f^v^A?**!^ . . . 38

32. Jos Viegen

1

3 8

v^T t O* *//^ • • •

33. Rob Franquinet . . .

More magazines by this user
Similar magazines