BTW-handleiding - Fiscus.fgov.be

fiscus.fgov.be

BTW-handleiding - Fiscus.fgov.be

WETGEVING.

(1 februari 2012)

INHOUD 1

I N H O U D S T A F E L

A. Wetten.

Koninklijke besluiten tot wijziging van het Wetboek van de belasting

over de toegevoegde waarde.

B. Koninklijke besluiten.

C. Ministeriële besluiten.

INLEIDING.

I. Beknopte historiek.

1. Met het zegel gelijkgestelde taksen. Nadelen van een cumulatief

stelsel.

2. De gemeenschappelijke markt en de btw.

II. Algemeen werkingsmechanisme van de Belgische btw.

3. De belastingplichtige, de belastbare stof en de vrijstellingen.

4. Rol van de btw-belastingplichtige.

5. De periodieke aangifte en de betaling van de btw.

III. Algemene beschouwingen die uit het btw-mechanisme volgen.

6. De btw is een eenmalige verbruiksbelasting die door middel van

gefractioneerde betalingen wordt voldaan.

7. De btw is neutraal.

8. De btw is doorzichtig.

9. De btw is geen kostprijselement.

10. De btw is geen belasting op de brutowinst.

11. Weerslag van de btw-tarieven op de uiteindelijke belastingdruk. Het

zogenaamde inhaaleffect.

12. Weerslag van de vrijstellingen inzake btw.


(1 februari 2012)

INHOUD 2

HOOFDSTUK I. - INVOERING VAN DE BELASTING.

13. Territoriale werkingssfeer van de btw. Begripsomschrijvingen

(Wetboek, art. 1).

13/2. Leveringen van goederen en diensten die in België worden verricht

(Wetboek, art. 2).

14. Invoer in België (Wetboek, art. 3).

14/2. Intracommunautaire verwervingen in België (Wetboek, art. 3bis).

HOOFDSTUK II. - LEVERINGEN VAN GOEDEREN.

Eerste afdeling. - Algemene voorwaarden van opeisbaarheid.

15. Opsomming.

I. Levering van goederen.

15/2. Definitie.

A. Begrip "goederen".

16. Goederen als bedoeld in de btw-wet.

17. Roerende goederen uit hun aard.

18. Onroerende goederen door bestemming.

18/2. Uit hun aard onroerende goederen.

19. Nieuwe of gebruikte goederen.

20. Bepaalde zakelijke rechten op onroerende goederen.

20/2. Warmte, koude, elektriciteit en gas.


B. Levering.

(1 februari 2012)

INHOUD 3

21. Begrip "levering".

22. Bestaan van een contract.

23. Contract tot overdracht van eigendom.

24. Contract tot aanwijzing.

25. Terbeschikkingstelling van het goed.

25/2. Onderscheid tussen levering van goederen en diensten.

II. Plaats van de levering.

26. Levering in België.

A. Algemene regel.

B. Afwijkende ficties.

C. Afwijking bij invoer.

D. De verkopen op afstand.

E. Wettelijk vermoeden.

III. Tijdstip van de levering.

27. Algemeen.

A. Algemene regel : de terbeschikkingstelling.

B. Afwijkingen. - Onweerlegbare wettelijke vermoedens.

C. Bijzondere regels.

D. Wettelijk vermoeden (juris tantum).

E. Ontstentenis van levering.

IV. Kettingverkopen.

28. Plaats en tijdstip van de levering.

V. Belastingplichtige die handelt in de uitoefening van zijn economische

activiteit.

29. Verwijzing naar het begrip belastingplichtige.

30. Uitoefening van de economische activiteit.


(1 februari 2012)

INHOUD 4

VI. Belastbaar feit en tijdstip van opeisbaarheid van de belasting.

31. A. Beginsel.

B. Subsidiaire oorzaken van opeisbaarheid.

C. Uitzondering.

D. Belang van het tijdstip waarop de fiscale schuld ontstaat en

opeisbaar wordt.

Afdeling 2. - Uitzonderingen op de algemene regels van opeisbaarheid.

I. Overdrachten die geen leveringen zijn.

32. Overdrachten van een algemeenheid van goederen of van een

bedrijfsafdeling.

II. Uitbreiding van het begrip levering.

33. Overdracht ingevolge een vordering door de overheid of ingevolge

een wet, een decreet, een ordonnantie, een besluit of een

administratieve verordening.

34. Maakloonwerk.

35. Verbruiklening.

36. Tussenkomst van een commissionair.

III. Gelijkstelling van sommige materiële feiten met een levering onder

bezwarende titel.

37. Algemeen.

38. Onttrekking van roerende goederen.

39. Het verstrekken van een goed om niet.

40. Ingebruikneming van een goed als bedrijfsmiddel.

41. Ingebruikneming van een zelf vervaardigd roerend goed anders dan

als een bedrijfsmiddel.

42. Het onder zich hebben van een goed bij stopzetting van de

economische activiteit.

43. Onttrekking voor eigen behoeften door een beroepsoprichter.


HOOFDSTUK III. - DIENSTEN.

44. Voorwaarden.

Eerste afdeling. - Algemeen.

(1 februari 2012)

INHOUD 5

45. Definitie.

45/2. Niet limitatieve opsomming.

45/3. Dienst verricht onder bezwarende titel.

45/4. Andere gevallen.

45/5. Onderscheid tussen levering van goederen en dienstverrichting.

Afdeling 2. - Commentaar op de diensten opgesomd in artikel 18.

46. Materieel of intellectueel werk.

47. Terbeschikkingstelling van personeel.

48. De lastgeving.

49. Het genot van een ander dan in artikel 9, tweede lid, van het Wetboek

bedoeld goed.

50. Overdracht van een cliënteel en verlenen van rechten op een cliënteel;

verbintenis een beroepswerkzaamheid niet uit te oefenen.

51. Overdracht van of verlenen van rechten op een verkoop- of inkoopmonopolie

of op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen.

52. Overdracht van en verlenen van licenties inzake een octrooi, een

fabrieks- of een handelsmerk, een auteursrecht, een industrietekening,

een industriemodel of andere soortgelijke rechten.

53. Terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen.

54. Opslaan van goederen.

55. Logies en camping.

56. Verschaffen van spijzen en dranken in restaurants en cafés en, meer

algemeen, in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse.

57. Toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur,

sport of vermaak; toekenning van het recht gebruik te maken van een

dergelijke inrichting.


(1 februari 2012)

INHOUD 6

58. Verhuur van brandkasten (opgeheven).

59. Bankverrichtingen en financiële diensten.

60. Radiodistributie, teledistributie, telecommunicatie.

60/2. De toekenning van het recht van toegang tot verkeerswegen en tot de

erbij behorende kunstwerken, alsmede de toekenning van het recht

gebruik ervan te maken.

60/3. Langs elektronische weg verrichte diensten.

Afdeling 3. - De onroerende verhuur.

61/1/1. Algemeenheden.

61/1/2. Kenmerken van de onroerende verhuur.

61/2. Financieringshuur van onroerende goederen.

61/3. Verhuur die tegelijk betrekking heeft op onroerende goederen en op

roerende goederen.

61/4. Onroerende verhuur met zogenoemde bijkomende handelingen.

61/5. Bijzondere problemen in verband met onroerende verhuur.

Afdeling 4. - Gelijkgestelde handelingen.

62. Diensten die worden verricht buiten enige contractuele band.

62/2. Gebruik van goederen behorend tot het bedrijf.

63. Uitvoering van werk in onroerende staat.

63/2. Toepassing van artikel 19bis van het Wetboek.

Afdeling 5. - Overige gevallen.

64. Commissionair inzake diensten.

65. Handelingen bedoeld in artikel 18, § 1, van het Wetboek en verricht

bij de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een

bedrijfsafdeling.


Afdeling 6. - Plaats van de dienst.

(1 februari 2012)

INHOUD 7

66. Criteria.

67. Algemene regel.

67/2. Het begrip belastingplichtige.

67/3. Aanknopingsregels.

68. Afwijkende plaatsbepalingsregels.

69. Gemeenschappelijke afwijkende regels (B2B en B2C).

69/2. Afwijkende regels specifiek voor de B2C-relaties.

69/3. Mogelijkheid tot afwijking.

70. Goederenvervoersdiensten en de met goederenvervoer samenhangende

diensten.

71. Makelaars of lasthebbers en de plaats van de dienst.

71/2. De commissionairs en de plaats van de dienst.

Afdeling 7. - Belastbaar feit en tijdstip van opeisbaarheid van de belasting.

72. Belastbaar feit.

72/2. Doorlopende diensten.

73. Oorzaken en tijdstippen van opeisbaarheid.

73/2. Uitzonderingen.

HOOFDSTUK IV. - DE BELASTINGPLICHTIGE.

74. Rol van de belastingplichtige.

Eerste afdeling. - Definitie van de belastingplichtige.

75. Kenmerken.

76. Definitie van de belastingplichtige.


(1 februari 2012)

INHOUD 8

77. Hoedanigheid van de persoon.

78. Aard van de werkzaamheid.

79. Geregelde werkzaamheid.

80. Zelfstandige werkzaamheid.

81. Met of zonder winstoogmerk.

82. Hoofdzakelijk of aanvullend.

82/2. Vennoten waarvan de in het Wetboek bedoelde handelingen zich

beperken tot de inbreng in vennootschap van bedrijvigheid.

83. Begin en einde van de belastingplicht.

Afdeling 2. - Gevolgen van de belastingplicht.

84. Voornaamste gevolg.

85. Recht van de belastingplichtige.

86. Verplichtingen van de belastingplichtige.

Afdeling 3. - Bijzondere gevallen.

I. Vrijgestelde belastingplichtigen.

87. Personen die leveringen of diensten verrichten die ingevolge artikel 44

van het Wetboek van de btw zijn vrijgesteld. Opheffing van artikel 5

van het Wetboek.

II. Overheidslichamen.

88. Beginsel.

88/2. Uitzonderingen.

88/3. Retributie en belasting.

88/4. Intercommunales.

88/5. Autonome gemeente- en provinciebedrijven.

88/6. Intergemeentelijke samenwerkingsverbanden.

89. (Opgeheven).


(1 februari 2012)

INHOUD 9

III. Toevallige belastingplichtigen. (Wetboek art. 8, 8bis en 44, § 3, 8°).

90. Toevallige leveringen van nieuwe gebouwen of van zakelijke rechten

op die gebouwen.

90/2. Betalings- en ontvangstverrichtingen.

90/3. De personen die toevallig een nieuw vervoermiddel intracommunautair

leveren.

IV. Andere bijzondere gevallen inzake belastingplicht.

91. De permanente belangengemeenschappen, kostendelende verenigingen,

economische samenwerkingsverbanden.

92. Organisatoren van culturele of sportieve samenkomsten en van

vermakelijkheden.

93. Zelfstandige journalisten en dagbladcorrespondenten.

93/2. Makelaars bij het plaatsen van advertenties.

94. Bezorgers van kranten en andere publicaties.

95. Ophalers van afvalstoffen, schippers, depothouders van wasserijen,

uitzendkrachten, agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen.

96. Syndici van gebouwen.

97. Schade-experts.

97/2. Prestaties van gerechtelijke deskundigen en van tolken en vertalers die

met een gerechtelijke opdracht zijn belast.

98. Wisselagenten en wisselagentcorrespondenten.

98/2. Kunstschilders, beeldhouwers, graveerders en keramiekbewerkers.

99. Auteurs en componisten.

100. Solvabiliteitsonderzoekers.

Afdeling 4. - Toepassingen.

101. Exporteurs.

102. Internationale vervoerders. Andere dienstverrichters.

103. Landbouwondernemers.

104. Ambachtslui.

105. Beoefenaars van vrije beroepen.


(1 februari 2012)

INHOUD 10

105/2. Bedrijfsrevisoren en curatoren.

106. Zaakbezorgers, syndici en organisatoren van kunsttentoonstellingen.

106/2. De verzekeraars.

107. Stille handelsvennootschappen, tijdelijke handelsvennootschappen,

maatschappen en feitelijke verenigingen.

108. Commissionairs.

109. Gemengde belastingplichtige of belastingplichtige met gedeeltelijk

recht op aftrek.

109/2. Gedeeltelijke belastingplichtige.

110. Niet in België gevestigde belastingplichtigen.

111. Niet-belastingplichtige.

Afdeling 5. - De btw-eenheid.

111/2. Begrip.

111/3. Voorwaarden met betrekking tot de leden van een btw-eenheid.

111/4. Toepassingsvoorwaarden.

111/5. Verplichte toetreding van een belastingplichtige.

111/6. Gevolgen.

Hoofdstuk V. - MAATSTAF VAN HEFFING VOOR HANDELINGEN

IN BELGIE VERRICHT.

112. Beginselen.

112/2. Bijzondere situaties

Eerste afdeling. - De tegenprestatie bestaat alleen uit een geldsom.

113. Regel.

114. Prijs.

115. Lasten.

115/2. Subsidies die rechtstreeks met de prijs verband houden.

115/3. Belastingen, rechten en heffingen.


(1 februari 2012)

INHOUD 11

116. Prijs inclusief btw.

117. Omrekening van een in euro uitgedrukte prijs naar Belgische frank en

omgekeerd.

117/2. Omrekening van een in een vreemde munt uitgedrukte prijs.

118. Vordering door of namens de overheid.

119. Kosten van vervoer.

120. Kosten van verzekering en commissie.

121. Sommen die niet tot de maatstaf van heffing behoren.

122. Voorschotten.

123. Gezamenlijk aanbod van producten of diensten.

124. Toekenning van een ristorno op het einde van het jaar.

125. Kosten voor gewone en gebruikelijke verpakkingsmiddelen.

Afdeling 2. - De tegenprestatie bestaat niet of niet uitsluitend uit een geldsom.

126. Principe.

127. Wederzijdse leveringen of diensten.

128. Tegenprestatie die niet of niet uitsluitend bestaat uit geld, goederen of

diensten.

129. Normale waarde.

Afdeling 3. - Handelingen zonder tegenprestatie.

130. Principe.

131. Handelingen die betrekking hebben op goederen.

131/2. Handelingen die betrekking hebben op diensten.

Afdeling 4. - Minimummaatstaf van heffing.

132. De afnemer van de levering van goederen of de dienstverrichting is

verbonden met leverancier van goederen of de dienstverrichter.

133. Vervoermiddelen.

134. Gebouwen.

135. Werk in onroerende staat.


Afdeling 5. - Reisbureaus.

(1 februari 2012)

INHOUD 12

135/2. Regeling van toepassing tot 31 december 1999.

135/3. Nieuwe regeling van kracht sinds 1 januari 2000.

135/4. Forfaitaire maatstaf van heffing.

Afdeling 6. - Bijzondere bepalingen.

136. Relatie van lastgever tot commissionair (Wetboek, art. 29, § 1).

137. Tabaksfabrikaten (Wetboek, art. 58, § 1, en KB nr. 13).

137/2. Accijnsproducten, andere dan tabaksfabrikaten (Wetboek, art. 58,

§ 1bis en KB nr. 51).

138. Tweedehandse goederen (Wetboek, art. 58, § 4).

139. Afronding (KB nr. 8).

HOOFDSTUK VI. - TARIEVEN.

140. Wetgeving. - Principes.

140/2. Uitvoeringsmaatregelen.

141. Goederen en diensten onderworpen aan het tarief van 6 % (tabel A).

Eerste afdeling. - Automobielen voor personenvervoer voor invaliden.

Afdeling II. - Onderdelen, uitrustingsstukken en toebehoren van voertuigen

voor invaliden.

142. Goederen en diensten onderworpen aan het tarief van 12 % (tabel B).

143. (Opgeheven).

144/1. Goederen en diensten onderworpen aan het normaal tarief. (21 %).

144/2. Onroerende handelingen.


(1 februari 2012)

INHOUD 13

145. Regeling inzake gehelen die uit verschillende voorwerpen zijn

samengesteld.

146. Draagwijdte van artikel 38, § 4, van het Wetboek.

147. Reinigen, onderhouden en herstellen.

148. Onderhouds- en herstellingswerk dat gepaard gaat met de levering van

benodigdheden en onderdelen.

148/2. Diensten die bijkomstig deel uitmaken van een complexe overeenkomst.

148/3. Kosten van vervoer, verzekering, commissie en van gewone en

gebruikelijke verpakkingen die betrekking hebben op goederen die

belastbaar zijn tegen verschillende tarieven.

148/4. Recuperatiestoffen en -producten. Speciale regeling.

HOOFDSTUK VII. - ONROERENDE GOEDEREN.

Eerste afdeling. - Belastbare vervreemdingen.

149. Algemene voorwaarden van opeisbaarheid van de btw.

150. Vrijstelling van registratierecht.

I. Aard van het goed.

151. Uitsluiting van de grond.

152. Nieuwe gebouwen.

152/2. Verbouwde oude gebouwen.

152/3. Zakelijke rechten op nieuwe gebouwen.

II. Hoedanigheid van de persoon die een nieuw gebouw of een gedeelte van een

nieuw gebouw en het bijhorend terrein vervreemdt of een zakelijk recht met

betrekking tot een nieuw gebouw of een gedeelte van een nieuw gebouw en

het bijhorend terrein vestigt, overdraagt of wederoverdraagt.

153. Hoedanigheid van belastingplichtige.

154. Categorieën van belastingplichtigen.


(1 februari 2012)

INHOUD 14

A. Personen wiens geregelde economische activiteit erin bestaat de goederen

beoogd door artikel 1, § 9, 1°, van het Wetboek, die zij hebben opgericht of

laten oprichten of met voldoening van de btw hebben verkregen, binnen de

gestelde termijn, onder bezwarende titel te vervreemden of ze met een

zakelijk recht bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2° van het Wetboek te

bezwaren of het met voldoening van de btw te hunnen bate gevestigde of aan

hen overgedragen bedoelde zakelijk recht binnen dezelfde termijn over te

dragen of weder over te dragen.

155. Bepaling.

156. Wettelijk vermoeden.

157. Gewestelijke huisvestingsmaatschappijen en door hen erkende

maatschappijen voor sociale huisvesting. Overheidslichamen.

B. Belastingplichtigen waarvan de economische activiteit niet bestaat in de

geregelde verkoop van gebouwen of gedeelten van gebouwen met voldoening

van de btw, maar die toevallig een gebouw of een gedeelte van een gebouw en

het bijhorend terrein dat zij hebben opgericht, hebben laten oprichten of met

voldoening van de btw hebben verkregen, onder bezwarende titel; met

toepassing van die belasting, binnen de gestelde termijn overdragen of met

een zakelijk recht bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2° van het Wetboek

bezwaren of die het met toepassing van de btw te hunnen bate gevestigde of

aan hen overgedragen bedoelde zakelijk recht binnen dezelfde termijn, onder

bezwarende titel overdragen of wederoverdragen.

158. Bepaling.

159. Toevallige belastbare handeling.

159/2. Optie voor de onderwerping van de betreffende handeling aan de btw

(Wetboek, art. 44, § 3, 1°, a), derde streepje of b), derde streepje).

160. Vorm en tijdstip van de optie (KB nr. 14).

161. Betaling van de over de toevallige handeling opeisbare btw.

162. Levering onder bezwarende titel met betrekking tot een gebouw of

gedeelte van een gebouw en het bijbehorend terrein, zonder optie.


(1 februari 2012)

INHOUD 15

C. Personen die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit,

een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het bijhorend terrein dat zij

hebben opgericht, laten oprichten of met voldoening van de btw hebben

verkregen, binnen de gestelde termijn, onder bezwarende titel, met

toepassing van die belasting overdragen of met een zakelijk recht bedoeld in

artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek bezwaren of het met toepassing van

de btw te hunnen bate gevestigde of aan hen overgedragen zakelijk recht

binnen dezelfde termijn onder bezwarende titel met toepassing van die

belasting overdragen of wederoverdragen.

163. Bepaling.

164. Optie voor de hoedanigheid van belastingplichtige (Wetboek, art. 8 en

44, § 3, 1°, a, tweede streepje of b, tweede streepje).

164/2. Tijdstip waarop de hoedanigheid van belastingplichtige ontstaat.

164/3. Verwijzing.

III. Aard van het contract.

165. Algemene voorwaarden van opeisbaarheid van de btw.

166. Contract.

167. Contract onder bezwarende titel.

168. Beoogde contracten.

169. Onteigening.

IV. Tijdstip van de vervreemding met betrekking tot een gebouw of een gedeelte

van een gebouw en het bijhorend terrein.

170. Regel.

170/2. Verbouwde oude gebouwen.

170/3. Bijzonder geval : inbezitneming van een appartement of een villa als

kijkwoning.

171. Begin van de periode.

172. Einde van de periode.

173. Bewijs van het tijdstip van de vervreemding.


Afdeling 2. - Maatstaf van heffing.

I. Algemeen.

(1 februari 2012)

INHOUD 16

174. Prijs die bestaat uit een geldsom.

175. Prijs die niet of niet uitsluitend bestaat uit een geldsom.

176. Uitsluiting.

177. Minimummaatstaf.

178. Onteigening.

II. Bijzondere gevallen.

178/2. Vervreemding van een gebouw met uitgestelde eigendomsoverdracht.

178/3. Vervreemding van een gebouw op lijfrente.

178/4. Zakelijke rechten op gebouwen, andere dan het eigendomsrecht.

Afdeling 3. - Tijdstip van opeisbaarheid van de btw.

179. Levering.

180. Betaling van de prijs.

181. Facturering van de prijs.

182. (Opgeheven).

183. Verstrijken van de btw-termijn.

184. Stelsel van toepassing op de andere belastingplichtigen dan deze

bedoeld in artikel 12, § 2, van het Wetboek.

Afdeling 4. - Aftrek van voorbelasting.

185. Belang van de aftrek.

186. Omvang van de aftrek. Uitsluiting van de grond die geen bijhorend

terrein is.

187. Tijdstip van de aftrek.


Afdeling 5. - Leveringen aan zichzelf.

(1 februari 2012)

INHOUD 17

A. Personen wiens geregelde economische activiteit erin bestaat de gebouwen of

gedeelten van gebouwen die zij hebben opgericht of laten oprichten of met

voldoening van de btw hebben verkregen, binnen de gestelde termijn, onder

bezwarende titel te vervreemden of ze met een zakelijk recht in artikel 9,

tweede lid, 2° van het Wetboek te bezwaren of het met voldoening van de btw

te hunnen bate gevestigde of aan hen overgedragen bedoelde zakelijk recht

binnen dezelfde termijn onder bezwarende titel over te dragen of weder over

te dragen (beroepsoprichters, z. nr. 155).

188. Met belastbare leveringen gelijkgestelde handelingen.

B. Belastingplichtigen waarvan de economische activiteit niet bestaat in de

geregelde verkoop van goederen beoogd door artikel 1, § 9, 1°, van het

Wetboek met voldoening van btw, maar die toevallig een gebouw of een

gedeelte van een gebouw en het bijhorend terrein dat zij hebben opgericht,

laten oprichten of met voldoening van de btw hebben verkregen, binnen de

gestelde termijn, onder bezwarende titel, met toepassing van die belasting

overdragen of met een zakelijk recht bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2° van

het Wetboek bezwaren of die het met toepassing van de btw te hunnen bate

gevestigde of aan hen overgedragen bedoelde zakelijk recht binnen dezelfde

termijn onder bezwarende titel overdragen of wederoverdragen (z. nr. 158).

189. Met belastbare leveringen gelijkgestelde handelingen.

C. Personen die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit,

een gebouw of gedeelte van een gebouw en het bijbehorend terrein dat zij

hebben opgericht, laten oprichten of met voldoening van de btw hebben

verkregen, binnen de gestelde termijn, onder bezwarende titel, met

toepassing van die belasting overdragen of met een zakelijk recht bedoeld in

artikel 9, tweede lid, 2° van het Wetboek bezwaren of die het met toepassing

van de btw te hunnen bate gevestigde of aan hen overgedragen bedoelde

zakelijk recht binnen dezelfde termijn onder bezwarende titel met toepassing

van die belasting overdragen of wederoverdragen (z. nr. 163).

190. Geen levering aan zichzelf.


D. Maatstaf van heffing.

191-192. Principe.

HOOFDSTUK VIII. - INVOER.

(1 februari 2012)

INHOUD 18

Eerste afdeling. - Algemene bepalingen.

I. Belastbare handelingen.

193. De invoer van goederen is aan de belasting onderworpen.

193/2. Algemene voorwaarden van verschuldigdheid.

A. Invoer van goederen.

193/3. Begrip "invoer".

193/4. Begrip "goederen".

B. Plaats van invoer.

193/5. Criteria.

193/6. Beginsel.

193/7. Uitzonderingen.

II. Voorwaarden waaronder de goederen op het grondgebied van het Rijk

mogen worden gebracht.

194. Binnenbrengen van niet-communautaire goederen.

195. Binnenbrengen van communautaire goederen.

196. Aangifte van de goederen.

197. Bestemming van de in België ingevoerde goederen.


(1 februari 2012)

INHOUD 19

III. Wisselwerking tussen de douanereglementering en de btw-wetgeving.

197/2. Algemeen.

197/3. Douanebestemmingen en -regelingen.

Afdeling 2. - Invoer met voldoening van de btw.

I. Berekening van de belasting.

198. Belastbaar feit.

198/2. Tarief van de belasting.

199. In aanmerking te nemen tijdstip voor het bepalen van het btw-tarief.

200. Maatstaf van heffing van de btw.

A. Douanewaarde.

201. Algemene regel.

201/2. Definitie van de douanewaarde.

201/3. Bepalen van de douanewaarde.

B. In de maatstaf van heffing te begrijpen kosten.

202. Bij de douanewaarde te voegen kosten.

203. Rechten, heffingen en andere belastingen.

204. Bijkomende kosten.

204/2. Commissielonen.

204/3. Kosten inzake douaneformaliteiten.

204/4. Kosten van verpakking.

204/5. Kosten van vervoer, van met vervoer gepaard gaande handelingen en

van verzekering.

C. Uitzondering.

204/6. Inverbruikstelling van goederen die zich bevinden onder één van de

regelingen bedoeld in artikel 23, §§ 4 en 5, van het Wetboek.


(1 februari 2012)

INHOUD 20

204/7. Wederinvoer voor goederen die tijdelijk zijn uitgevoerd om buiten de

Gemeenschap te worden hersteld, bewerkt, aangepast of verwerkt.

D. Opmerkingen.

205. Sommen die niet tot de maatstaf van heffing behoren.

206. Gegevens van de maatstaf van heffing uitgedrukt in vreemde munten.

207. (Opgeheven).

208. Herziening van de heffing.

209 tot 212/2. (Opgeheven).

213. Afronding.

II. Voldoening van de belasting.

A. Tijdstip van betaling.

214. Principe.

B. Persoon op wiens naam de btw moet worden voldaan.

215. Geadresseerde.

1. De goederen worden hier te lande niet door of voor rekening van de

leverancier geïnstalleerd of gemonteerd.

216. Verkrijger of overnemer.

217. Eigenaar.

218. Verkoper of vorige verkoper.

218/2. De maakloonwerker, de huurder of de ontlener handelend in het kader

van de regeling van passieve veredeling inzake btw (z. nr. 258).

219. Persoon aan wie de goederen op zicht, op proef of in consignatie

worden gezonden.

220. Persoon aan wie een goed wordt toegestuurd dat moet worden

bewerkt, verwerkt of hersteld vooraleer het wordt wederuitgevoerd.

220/2. (Opgeheven).


(1 februari 2012)

INHOUD 21

2. De goederen worden hier te lande door of voor rekening van de

leverancier geïnstalleerd of gemonteerd.

220/3. Leverancier.

220/4. Verkoper of vorige verkoper.

3. Algemene opmerkingen.

221. Zending van de goederen naar een commissionair of naar iemand die

met een commissionair is gelijkgesteld door artikel 13 van het

Wetboek.

222. Invoer van een gehuurd goed.

222/2. Invoer door een lid van een btw-eenheid.

223. Zending van een goed naar een depothouder.

C. Personen die aansprakelijk zijn voor de voldoening van de belasting.

224. Wettelijke bepalingen.

D. Modaliteiten van de betaling.

225. Over te leggen stukken tot staving van de voldoening van de belasting.

226. Wijze van betaling.

III. Verlegging van de heffing.

227. Begrip.

228. Personen die de verlegging van de betaling kunnen toepassen.

229. Voorwaarden en formaliteiten.

230. Invoerdocumenten.

231 t/m 249/2. (Opgeheven).


(1 februari 2012)

INHOUD 22

Afdeling 3. - Invoer van goederen zonder betaling van de belasting.

I. Voorafgaande opmerkingen.

250. Binnenkomst in België van goederen geplaatst onder één van de

regelingen bedoeld in artikel 23, §§ 4 en 5, van het Wetboek.

251 tot 254/4. (Opgeheven).

254/5. Leveringen en verwervingen van goederen alsmede het verrichten van

diensten aan goederen die zich bevinden onder één van de regelingen

bedoeld in artikel 23, §§ 4 en 5, van het Wetboek.

II. Vrijstellingen.

255. Algemeen.

III. Vrijstellingen bedoeld in artikel 40, §§ 1 en 4, van het Wetboek.

255/2. Vrijstelling bij invoer van goederen waarvan de levering in het

binnenland is vrijgesteld.

256. Definitieve invoer met vrijstelling van btw.

256/2. Vrijstelling bij invoer van een goed gevolgd door een intracommunautaire

levering van dat goed.

257. Wederinvoer van goederen in de staat waarin ze werden uitgevoerd.

258. Wederinvoer van goederen die tijdelijk zijn uitgevoerd om buiten de

Gemeenschap te worden hersteld, bewerkt, aangepast of verwerkt

(passieve veredeling).

258/2. Invoer van gas, elektriciteit, koude en warmte.

IV. Bijzondere gevallen.

259. Tabaksfabrikaten.

260. Vis, schaal-, schelp- en weekdieren.

261. Recuperatiestoffen en -producten.

262. Dagbladen en periodieke publicaties.


Afdeling 4. - Overgangsbepalingen.

262/2. Opsomming.

(1 februari 2012)

INHOUD 23

I. Overgangsbepalingen m.b.t. de afschaffing van de fiscale grenzen tussen de

Lidstaten van de Gemeenschap op 1 januari 1993.

262/3. Algemeen.

262/4. Verlenging van de geldigheidsduur van de btw-bepalingen die van

kracht waren vóór 1 januari 1993.

262/5. Invoer van goederen.

262/6. Niet-belastbare invoeren.

II. Overgangsbepalingen m.b.t. de uitbreiding van de Gemeenschap na 1 januari

1993.

262/7. Algemeen.

262/8. Bestendiging van de geldigheidsduur van de btw-bepalingen die van

kracht waren vóór de datum van toetreding van de nieuwe Lidstaten.

262/9. Invoer van goederen.

262/10. Niet-belastbare invoeren.

III. Overgangsbepalingen m.b.t. goederen die vóór 1 januari 1996 onder een

andere regeling van entrepot dan douane-entrepot werden geplaatst.

262/11. Algemeen.

262/12. Verlenging van de geldigheidsduur van de btw-bepalingen die van

kracht waren vóór 1 januari 1996.

262/13. (Opgeheven).


(1 februari 2012)

INHOUD 24

HOOFDSTUK IX. - VRIJSTELLING VOOR HANDELINGEN MET

BETREKKING TOT UITVOER BUITEN DE

GEMEENSCHAP.

263. Inleiding.

Eerste afdeling. - Uitvoer.

264. Vrijstellingen om reden van uitvoer (Wetboek, art. 39 en 42, § 3, 10°).

VRIJSTELLINGEN IN DE FASE VAN DE UITVOER ZELF.

I. Vrijstellingen bij uitvoer uit de Gemeenschap.

264/2. Voorafgaande opmerkingen.

265. Uitvoer door of voor rekening van de verkoper of van de niet in

België gevestigde koper.

266. Uitvoer door de niet in België gevestigde koper of voor zijn rekening.

Uitsluiting van de vrijstelling.

267. Uitvoer door of voor rekening van de dienstverrichter of de niet in

België gevestigde ontvanger van de dienst.

268. Bewijs van de uitvoer in bepaalde bijzondere situaties.

269 - 271. (Opgeheven).

272. Levering "Franco-buitengrens van de Gemeenschap".

273. Gezamenlijke uitvoer.

274. (Opgeheven).

275. Postzendingen en postcolli.

276. Uitvoer van goederen door een belastingplichtige die onderworpen is

aan de forfaitaire regeling.

277. Tabaksfabrikaten.

278. Uitvoer van goederen door een belastingplichtige die onderworpen is

aan de regeling voor kleine ondernemingen.

278/2. Uitvoer van goederen door een belastingplichtige die onderworpen is

aan de bijzondere landbouwregeling.


(1 februari 2012)

INHOUD 25

278/3. Uitvoer van goederen die bedoeld zijn in artikel 58, § 4 van het

Wetboek.

278/4. Leveringen van goederen door taksvrije verkooppunten gelegen in een

Belgische internationale luchthaven.

278/5. Vrijstelling bedoeld in artikel 44bis, § 1, van het Wetboek.

278/6. Leveringen van gas via het distributiesysteem en van elektriciteit.

278/7. Btw-eenheid.

279. Uitvoer door een reiziger, met woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats

buiten de Gemeenschap, van goederen die voor hem geen

handels- of beroepskarakter hebben, die hij in België in bezit neemt en

die hij in zijn persoonlijke bagage buiten de Gemeenschap uitvoert

(Wetboek, art. 39, § 1, 4°).

II. Vrijstelling van btw wegens plaatsing en verblijf van goederen onder

bepaalde regelingen voorzien in de communautaire douanewetgeving.

280. Vervoer of verzending van goederen naar een plaats waar een regeling

geldt als bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het

Wetboek.

281. (Opgeheven).

282. Overdracht van goederen die zich onder één van de in nr. 280, A

bedoelde regelingen bevinden.

283. Diensten met betrekking tot goederen die worden geplaatst onder of

die zich bevinden onder één van de in nr. 280, A bedoelde regelingen.

284. (Opgeheven).

III. Opschorting van de betaling van de btw.

285. Principe.

286. (Opgeheven).

287. Toepassingsvoorwaarden.

VRIJSTELLING IN DE FASE DIE DE UITVOER VOORAFGAAT.

288-289. (Opgeheven).


(1 februari 2012)

INHOUD 26

IV. Vrijstelling ingesteld bij artikel 42, § 3, eerste lid, 10°, van het Wetboek.

290. Principe en omvang van de vrijstelling.

291. Vrijstelling verleend ingevolge een vergunning.

292. Vrijstelling verleend bij wijze van teruggaaf.

293 - 294. (Opgeheven).

Afdeling 2. - Diensten betreffende het internationaal verkeer.

295. Beginselen.

296. Personenvervoer.

297. Diensten betreffende het internationaal verkeer van goederen

(Wetboek, art. 41, § 1, 1 e lid, 2° tot 6°).

298/1. Diensten met betrekking tot de invoer van goederen in België of in

een andere lidstaat (artikel 41, § 1, 1 e lid, 2° van het Wetboek).

298/2. Diensten die rechtstreeks verband houden met de uitvoer van

goederen buiten de Gemeenschap vanuit België of vanuit een andere

lidstaat (Wetboek, art. 41, § 1, 1 e lid, 3°).

298/3. Diensten met betrekking tot goederen die …

298/4. Diensten die rechtstreeks verband houden met handelingen die

vrijgesteld zijn bij toepassing van artikel 39, § 2, 1°, van het Wetboek

(artikel 41, § 1, 1 e lid, 5° van het Wetboek).

298/5. Het intracommunautair vervoer van goederen naar of vanaf de

eilanden die de autonome regio’s van de Azoren en van Madeira

vormen, alsmede de daarmee samenhangende handelingen (Wetboek,

art. 41, § 1, 1 e lid, 6°).

299. Diensten verricht door makelaars en lasthebbers.

300. Bewijs van de vrijstelling van artikel 41 van het Wetboek.

Afdeling 3. - Zee- en binnenschepen.

301. Wettelijke bepalingen.

302. Vrijgestelde handelingen.


Afdeling 4. - Vliegtuigen.

(1 februari 2012)

INHOUD 27

303. Wettelijke bepalingen.

304. Vrijgestelde handelingen.

Afdeling 5. - Vreemde diplomatieke vertegenwoordigingen en consulaire

posten.

305. Diplomatieke vertegenwoordigingen en consulaire posten.

Afdeling 6. - Internationale organisaties.

- Krijgsmachten toegetreden tot het Noord-Atlantisch

Verdrag.

- Militaire begraafplaatsen

- Noord-Atlantische Vergadering.

306. Wettelijke bepalingen.

I. Officieel gebruik.

307. Organisaties bedoeld in artikel 42, § 3, eerste lid, 3°, 4° en 8°, van het

Wetboek.

307/2. Krijgsmachten bedoeld in artikel 42, § 3, eerste lid, 5°, van het

Wetboek.

307/2/2. Krijgsmachten bedoeld in artikel 42, § 3, eerste lid, 6°, van het

Wetboek.

307/3. Militaire Begraafplaatsen, bedoeld in artikel 42, § 3, eerste lid, 7°, van

het Wetboek.

307/4. Parlementaire vergadering bij de N.A.T.O. (vroegere benaming:

Noord-Atlantische Vergadering), bedoeld in artikel 42, § 3, eerste lid,

8°, van het Wetboek.

307/5. Begrip "Officieel gebruik".

307/6. Draagwijdte van de vrijstelling (officieel gebruik).


II. Persoonlijk gebruik.

(1 februari 2012)

INHOUD 28

307/7. Ambtenaren met diplomatiek statuut.

307/8. Andere ambtenaren en leden.

Afdeling 7. - Monetair goud. Instellingen met activiteiten van menslievende,

liefdadige of opvoedkundige aard.

308. Monetair goud.

309. Instellingen met activiteiten van menslievende, liefdadige of

opvoedkundige aard.

Afdeling 8. - Parels en edelstenen.

310. Vrijgestelde handelingen.

310/2. Doel van de vrijstelling.

310/3. Bedoelde goederen.

310/4. Bedoelde diensten.

310/5. Rechthebbenden op de vrijstelling.

310/6. (Opgeheven).

HOOFDSTUK IXbis. - DE INTRACOMMUNAUTAIRE HANDELINGEN.

Eerste afdeling. - Algemene bepalingen.

310/7. Algemeen.

310/8. Vergelijking tussen de oude en de nieuwe regeling.

310/9. Terminologie.


(1 februari 2012)

INHOUD 29

Afdeling 2. - De intracommunautaire levering van goederen.

Eerste onderafdeling. - Algemene bepalingen.

310/10. Definitie.

310/11. Voorbeelden.

Onderafdeling 2. - Vrijstelling van bepaalde intracommunautaire leveringen.

310/11/2. Aan de belasting onderworpen intracommunautaire leveringen.

310/11/3. Soorten intracommunautaire leveringen.

310/11/4. Vereiste hoedanigheid van de verkoper.

310/12. Vrijstelling bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Wetboek.

310/13. Vrijstelling bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 2°, van het Wetboek.

310/14. Vrijstelling bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 3°, van het Wetboek.

310/15. Vrijstelling bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Wetboek.

Onderafdeling 3. - Plaats, tijdstip, belastbaar feit, opeisbaarheid.

310/16. Algemeen.

310/17. Plaats.

310/18. Tijdstip.

310/19. Belastbaar feit en opeisbaarheid van de belasting.

310/20. Herhaling.

310/21. Besluit.

Afdeling 3. - De intracommunautaire verwerving van goederen.

Eerste onderafdeling. - Een nieuw belastbaar feit : de intracommunautaire

verwerving van goederen.

310/22. Hoofdregel.

310/23. Uitbreiding.


(1 februari 2012)

INHOUD 30

Onderafdeling 2. - De belasting van de intracommunautaire verwerving in België

310/24. Algemeen.

310/25. Hoedanigheid van de afnemer.

310/26. Hoedanigheid van de verkoper.

310/27. Aard van de goederen.

310/27/2. Bijzondere regeling van de belastingheffing over de winstmarge voor

gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen

en antiquiteiten.

Onderafdeling 3. - Vrijgestelde intracommunautaire verwervingen van goederen.

310/28. Intracommunautaire verwervingen van goederen waarvan de levering

in het binnenland of de invoer is vrijgesteld.

310/28/2. Intracommunautaire verwervingen van goederen vrijgesteld door

artikel 42, § 3, 1° tot 9°, van het Wetboek.

310/29. Intracommunautaire verwervingen van goederen die recht geven op

een volledige teruggaaf van de btw.

310/30. Samenvattende tabel.

Onderafdeling 4. - Plaats, tijdstip, belastbaar feit, opeisbaarheid, maatstaf van

heffing en tarief.

310/31. Plaats.

310/32. Tijdstip.

310/33. Belastbaar feit.

310/34. Opeisbaarheid.

310/35. Overzicht.

310/36. Maatstaf van heffing.

310/37. Tarief.


(1 februari 2012)

INHOUD 31

Afdeling 4. - Verrichtingen al dan niet gelijkgesteld met intracommunautaire

leveringen/verwervingen van goederen onder bezwarende titel.

Eerste onderafdeling. - Overbrenging en bestemming die gelijkgesteld wordt met

een intracommunautaire verwerving onder bezwarende

titel.

310/38. Terminologie.

310/39. Beschrijving en doelstellingen van het stelsel.

310/40. Soevereiniteit.

310/41. Samenstellende elementen van de overbrenging en de bestemming van

goederen gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder

bezwarende titel.

310/42. Toepasselijk stelsel.

310/43. Plaats, tijdstip, belastbaar feit, opeisbaarheid van de belasting.

310/44. Maatstaf van heffing en tarief.

Onderafdeling 2. - Niet-overbrenging en een niet met een intracommunautaire

verwerving onder bezwarende titel gelijkgestelde bestemming.

310/45. Handelingen die geen overbrenging van goederen zijn in België.

310/46. Bestemming van goederen die niet gelijkgesteld wordt met een

intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel in België.

310/47. Draagwijdte van artikel 12bis, tweede lid, 1° tot 8°, van het Wetboek.

310/48. Stelsel dat van toepassing is op bestemmingen van goederen die niet

gelijkgesteld worden met een intracommunautaire verwerving onder

bezwarende titel.

Onderafdeling 3. - Bijzondere handelingen.

310/49. Intracommunautaire handelingen bestaande uit een overbrenging en

een bestemming van goederen die gelijkgesteld wordt met een

intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel gevolgd door

een levering in de lidstaat van aankomst.


(1 februari 2012)

INHOUD 32

310/49/2. Overbrengingen van materialen door een in een andere lidstaat dan

België gevestigde aannemer, in het kader van een werk in onroerende

staat in België waarbij de materialen worden ingelijfd in het

bouwwerk.

Onderafdeling 4. - Omvorming van een niet-overbrenging naar een overbrenging.

310/50. Principe.

310/51. Toepassingen.

Afdeling 5. - Het intracommunautair driehoeksverkeer.

Eerste onderafdeling. - Inleiding.

310/52. Begrip "driehoeksverkeer".

310/53. Overzicht.

Onderafdeling 2. - Het intracommunautair driehoeksverkeer

310/54. Niet-vereenvoudigd intracommunautair driehoeksverkeer.

310/55. Vereenvoudigd intracommunautair driehoeksverkeer.

Onderafdeling 3. - Het "onecht" intracommunautair driehoeksverkeer.

310/56. Inleiding.

310/57. Driehoeksverkeer tussen twee Lidstaten.

310/58. Het "tussenliggende" land is geen Lidstaat van de Europese

Gemeenschap.


(1 februari 2012)

INHOUD 33

Onderafdeling 4. – Kettingverkopen tussen vier lidstaten.

Afdeling 6. - Stelsel van overbrengingen en niet-overbrengingen in het kader

van een materieel werk of een expertise met betrekking tot een

ander goed dan een onroerend goed uit zijn aard.

A. Algemene regels.

310/59. Beginselen.

310/59/2. Toleranties.

310/59/3. Voorbeelden.

B. Vereenvoudigingen.

310/60. Voortzetting van de vereenvoudigingsmaatregelen.

310/61. Leverancier en dienstverrichter gevestigd in dezelfde Lidstaat.

310/61/2. Leverancier en dienstverrichter gevestigd in verschillende Lidstaten.

310/61/3. Opeenvolgende dienstverrichters gevestigd in dezelfde Lidstaat.

310/61/4. Hoofdaannemer en onderaannemer gevestigd in dezelfde Lidstaat.

310/61/5. Opeenvolgende dienstverrichters gevestigd in verschillende Lidstaten.

310/61/6. Hoofdaannemer en onderaannemer gevestigd in verschillende Lidstaten.

Afdeling 7. - Bijzondere regeling inzake nieuwe vervoermiddelen.

310/62. Inleiding.

I. Algemene begrippen.

310/63. Begrip vervoermiddelen.

310/64. Begrip nieuw vervoermiddel. Onderscheid tussen nieuwe vervoermiddelen

en vervoermiddelen die niet nieuw zijn.

310/65. Weerlegbaar wettelijk vermoeden.


(1 februari 2012)

INHOUD 34

II. Intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel.

A. Belastbaarheid van de intracommunautaire verwerving onder bezwarende

titel van een nieuw vervoermiddel.

310/66. Principe.

310/67. Uitzonderingen.

B. Intracommunautaire verwervingen van nieuwe vervoermiddelen die belastbaar

zijn ingevolge de bijzondere regeling inzake nieuwe vervoermiddelen.

310/68. Afwijkingen van de regels inzake de belastbaarheid van de intracommunautaire

verwerving van gewone goederen.

C. Bijzonderheden op het vlak van intracommunautaire verwervingen van

nieuwe vervoermiddelen die belastbaar zijn ingevolge de bijzondere regeling

inzake nieuwe vervoermiddelen.

310/68/2. …

D. Na te leven verplichtingen bij de intracommunautaire verwerving van een al

dan niet nieuw vervoermiddel.

310/69. Wetsbepaling.

310/70. Wijze van aangifte van de intracommunautaire verwerving van een

nieuw vervoermiddel en van de voldoening van de ter zake opeisbare

btw.

310/71. Bijzondere btw-aangifte inzake de intracommunautaire verwerving

van nieuwe vervoermiddelen (aangifte nr. 446).

310/72. Aanbieding op een douanekantoor bij de intracommunautaire

verwerving van een al dan niet nieuw vervoermiddel.


(1 februari 2012)

INHOUD 35

III. Intracommunautaire levering van een nieuw vervoermiddel.

310/73. Algemeen.

A. Intracommunautaire levering van een nieuw vervoermiddel door de

toevallige belastingplichtige beoogd in artikel 8bis, § 1 van het Wetboek.

310/74. Hoedanigheid van "toevallige" belastingplichtige.

310/75. Beperking van het recht op aftrek van de toevallige belastingplichtige.

310/76. Ontstaan van het recht op aftrek. Voorwaarden voor de uitoefening

van dit recht.

310/77. Wijze van uitoefening van het recht op aftrek.

310/78. Aangifte van de intracommunautaire levering.

B. Intracommunautaire levering van een nieuw vervoermiddel door een

belastingplichtige die geen toevallige belastingplichtige is als bedoeld in

artikel 8bis, § 1, van het Wetboek en die evenmin gehouden is tot het indienen

van de gewone btw-maand- of kwartaalaangifte.

310/79. Beoogde belastingplichtigen.

310/80. Aangifte van de intracommunautaire levering en recht op aftrek.

C. Intracommunautaire levering van een nieuw vervoermiddel door een

belastingplichtige gehouden tot het indienen van de gewone btw-maand- of

kwartaalaangifte.

310/81. Aangifte en kennisgeving van de intracommunautaire levering.

310/82. Recht op aftrek.

D. Vrijstellingen met betrekking tot de intracommunautaire levering van een

nieuw vervoermiddel.

310/83. Algemeen.


(1 februari 2012)

INHOUD 36

310/84. Vrijstellingen die zowel gelden voor de intracommunautaire

leveringen van gewone goederen als voor de intracommunautaire

leveringen van nieuwe vervoermiddelen.

310/85. Vrijstelling eigen aan de bijzondere regeling inzake nieuwe vervoermiddelen.

310/86. Grondvoorwaarden van de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 2°

van het Wetboek.

310/87. Bijzondere verplichtingen met betrekking tot de vrijgestelde intracommunautaire

levering van bepaalde landvoertuigen.

Afdeling 8. - Het stelsel van de btw-eenheid.

A. Algemene regels.

310/88. Principes.

B. Interne handelingen tussen leden.

310/89. Tussen leden onderling in België verrichte intracommunautaire

leveringen.

310/89/2. Door een Belgisch lid verrichte overbrenging van goederen naar een

andere lidstaat.

310/89/3. Intracommunautaire verwerving in België in het kader van een tussen

leden van een btw-eenheid in een andere lidstaat verrichte levering.

310/89/4. Bestemming gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving in

het kader van een door een lid van de btw-eenheid verrichte

overbrenging van een andere lidstaat naar België.

C. Externe handelingen.

310/89/5. Algemeenheden.

310/89/6. Leden van een btw-eenheid wiens volledige activiteit vrijgesteld is op

grond van artikel 44 van het Btw-Wetboek.

310/89/7. Driehoeksverkeer.

310/89/8. Kettingverkopen tussen twee leden van een btw-eenheid en een in een

andere lidstaat gevestigde belastingplichtige.


(1 februari 2012)

INHOUD 37

HOOFDSTUK IXter. - HET BTW-ENTREPOT.

Eerste afdeling. - Algemene bepalingen.

310/90. Inleiding.

310/91. Wettelijke en reglementaire bepalingen.

Afdeling 2. - Het btw-entrepot.

310/92. Begrip "btw-entrepot".

310/93. Als btw-entrepot erkende plaatsen.

Afdeling 3. - Goederen toegelaten tot de regeling btw-entrepot.

310/94. Beperkende criteria.

310/95. Criterium inzake herkomst.

310/96. Criterium inzake bestemming.

310/97. (Opgeheven).

Afdeling 4. - Vrijgestelde handelingen.

310/98. Opsomming.

310/99. Handelingen tot plaatsing van goederen onder de regeling btwentrepot.

310/100. Leveringen van goederen onder de regeling btw-entrepot.

310/101. Diensten verricht onder de regeling btw-entrepot.

Afdeling 5. - Vergunning.

310/102. Principe.


310/103. Bijzondere vergunning.

310/104. Algemene vergunning.

(1 februari 2012)

INHOUD 38

Afdeling 6. - Werking van de regeling.

310/105. Algemeen.

310/106. Voorlopige vrijstelling.

310/107. Gevallen waarin de voorlopige vrijstelling definitief wordt.

310/108. Gevallen waarin moet worden teruggekomen op de voorlopige

vrijstelling.

310/109. Aanzuivering van de regeling.

310/110. Schuldenaars van de belasting.

310/111. Bijzonderheden van de regeling btw-entrepot ten aanzien van

accijnsproducten en van goederen die bestemd zijn voor de productie

en de verwerking van accijnsproducten.

HOOFDSTUK X. - EIGENLIJKE VRIJSTELLINGEN.

311. De in artikel 44 bedoelde personen zijn belastingplichtigen.

312. Recht op aftrek.

313. Optiemogelijkheid.

Eerste afdeling. - Diensten die vrijgesteld zijn wegens de hoedanigheid van

degene die ze verricht.

314. Prestaties van advocaten (Wetboek, art. 44, § 1).

315. Prestaties van artsen, tandartsen en andere zorgverleners op het gebied

van de gezondheidszorg (Wetboek, art. 44, § 1, 2°).


(1 februari 2012)

INHOUD 39

Afdeling 2. - Handelingen die vrijgesteld zijn wegens sociale of culturele

redenen.

316. Prestaties van inrichtingen voor gezondheidsverzorging.

317. (Opgeheven).

318. Vervoer van zieken of gewonden met speciaal daartoe uitgeruste

vervoermiddelen.

318/2. Prestaties van sommige zelfstandige groeperingen van personen.

318/3. Bepaalde leveringen.

319. Diensten met betrekking tot maatschappelijk werk en sociale

zekerheid.

320. Diensten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke

opvoeding.

321. Onderwijs.

322. Instellingen voor sportonderricht.

322/2. Autorijscholen.

322/3. Vliegonderricht.

323. Diensten betreffende onderwijskeuze en gezinsvoorlichting.

324. Verhuur van boeken en tijdschriften, van muziekpartituren, grammofoonplaten,

magneetbanden, diapositieven en van andere dergelijke

voorwerpen van culturele aard.

325. Diensten van bibliotheken en leeszalen.

326. Exploitatie van musea, monumenten, natuurmonumenten, plantentuinen

en dierentuinen.

327. Diensten van voordrachtgevers, artiesten en beroepssportbeoefenaars.

328. Organisatie van diverse voorstellingen.

328/2. Bepaalde terbeschikkingstellingen van personeel.

328/3. Bepaalde diensten verricht door instellingen die geen winstoogmerk

hebben.

328/4. Bepaalde leveringen van goederen en diensten verricht in samenhang

met werkzaamheden die ter verkrijging van financiële steun voor

vrijgestelde instellingen zijn georganiseerd.

328/5. Leveringen van goederen en dienstverrichtingen door belastingplichtigen

zonder recht op aftrek.


(1 februari 2012)

INHOUD 40

Afdeling 3. - Andere vrijgestelde handelingen.

329. De levering en de verhuur van uit hun aard onroerende goederen.

329/2. Contracten voor uitgave.

330. Handelingen van verzekering en herverzekering en van makelaars en

lasthebbers bij verzekeringen.

330/2. Kredietverrichtingen, bemiddeling bij en beheer van kredieten.

330/3. Zekerheids- en garantieverbintenissen bij een beheer van kredietverrichtingen.

330/4. Bepaalde bank- en financiële verrichtingen.

331. Betalings- en ontvangstverrichtingen.

332. Handelingen betreffende deviezen, bankbiljetten en munten die wettig

betaalmiddel zijn.

332/2. Handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, inzake effecten.

332/3. Handelingen verricht door instellingen voor collectieve belegging.

332/4. Postzegels, fiscale zegels en andere soortgelijke zegels.

332/5/1. Weddenschappen, loterijen en andere kans- en geldspelen.

332/5/2. Diensten verricht door openbare postdiensten.

Afdeling 4. - Bijzondere regeling voor beleggingsgoud (Btw-Wetboek, artikel

44bis).

332/6. Inleiding.

332/7. Beginselen van de bijzondere regeling voor beleggingsgoud (artikel

44bis van het Btw-Wetboek).

HOOFDSTUK XI. - AFTREK VAN VOORBELASTlNG.

Eerste afdeling. - Algemene beginselen.

333. Aftrek van voorbelasting, hoofdkenmerk van de btw.

334. Alleen belastingplichtigen, niet vrijgesteld door artikel 44, hebben

recht op aftrek van voorbelasting.


(1 februari 2012)

INHOUD 41

334/2. Regeling voor sommige verzekerings- of financiële verrichtingen.

334/3. Toestand van de in het buitenland gevestigde belastingplichtige ten

aanzien van het recht op aftrek.

334/4. Bijzondere regeling voor beleggingsgoud.

Afdeling 2. - Omvang van het recht op aftrek van voorbelasting.

I. Algemene draagwijdte van het recht op aftrek.

335. Teksten.

336. Beoordelingscriterium: de vermoedelijke bestemming van de ontvangen

goederen en diensten.

336/2. Verkrijging van de hoedanigheid van belastingplichtige na aanschaf

van een goed.

337. Uitsluiting van de aftrek van de belasting die geheven werd van de

goederen en diensten die voor privé-gebruik of, meer algemeen, voor

andere doeleinden dan die van de economische activiteit zijn bestemd.

338. Verwerping van de aftrek of onttrekking.

338/2. Bijzonder geval met betrekking tot nieuwe vervoermiddelen die

intracommunautair geleverd worden.

339. Bijzonder geval met betrekking tot autovoertuigen bestemd voor het

vervoer van personen en/of goederen over de weg. Aftrekplafond van

50 pct. (z. aanschr. 73/1972).

339/2. Voertuigen beoogd door artikel 45, § 2, die ter beschikking worden

gesteld van een personeelslid of van een bestuurder of vennoot –

samenhang tussen artikel 45, § 2 en andere bepalingen van het

Wetboek.

340. Aftrekbare belasting.

341. Toestand van de volledige belastingplichtige met betrekking tot de

aftrek van voorbelasting.

342. Toestand van de belastingplichtige met gedeeltelijk recht op aftrek

(gemengde belastingplichtige) met betrekking tot de aftrek van

voorbelasting.

II. Uitsluiting van het recht op aftrek voor de btw geheven van sommige

beroepsuitgaven.

343. Algemeen.


(1 februari 2012)

INHOUD 42

344. Tabaksfabrikaten (Wetboek, art. 45, § 3, 1°).

345. Geestrijke dranken (Wetboek, art. 45, § 3, 2°).

346. Kosten van logies en kosten van spijzen en dranken om ter plaatse te

worden verbruikt (Wetboek, art. 45, § 3, 3°).

347. Kosten van onthaal (Wetboek, art. 45, § 3, 4°).

347/2. Kosten gedaan door reisbureaus die handelen volgens het vermoeden

vervat in artikel 20, § 2, van het Wetboek (Wetboek, art. 45, § 4).

III. Biezondere problemen met betrekking tot de omvang van het recht op aftrek

van voorbelasting.

348. Kosteloze uitdeling van monsters.

349. Premies in natura die ter gelegenheid van een promotieverkoop, bij

aankoop van goederen worden gegeven.

350. Geschenken van geringe waarde.

351. Kosten gedaan voor het personeel. Sociale voordelen die aan

personeelsleden worden toegekend. Voordelen van alle aard.

352. Reis- en verblijfkosten.

353. Kosten van vervoer per spoor, tram en autobus.

Afdeling 3. - Uitoefenen van het recht op aftrek.

354. Algemeen.

I. Ontstaan van het recht op aftrek van voorbelasting.

355. Onmiddellijke aftrek.

356. Levering van goederen, verlenen van diensten.

357. Leveringen aan zichzelf.

358. Invoer.

359. Intracommunautaire verwervingen en daarmee gelijkgestelde handelingen.

II. Voorwaarden om het recht op aftrek uit te oefenen.

360. Algemeenheden.


(1 februari 2012)

INHOUD 43

361. Leveren van goederen en verlenen van diensten (KB nr. 3, art. 3, § 1,

1°, en KB nr. 31, art. 7).

362. Gemeenschappelijk vervoer van personen (spoor, tram, autobus).

363. Bedrijfsmiddelen verkregen door de echtgenoot.

364. Openbare verkoping van de goederen van een gefailleerde.

365. Leveringen en diensten aan zichzelf voor de behoeften van de

onderneming (KB nr. 3, art. 3, § 1, 2°).

366. Invoer met voldoening van de belasting bij de aangifte ten verbruik

(KB nr. 3, art. 3, § 1, 3°).

367. Invoer onder het stelsel van de verlegging van de heffing naar het

binnenland (KB nr. 3, art. 3, § 1, 4°).

368. Intracommunautaire verwerving van goederen (KB nr. 3, art. 3, § 1,

5°) .

369. Met een intracommunautaire verwerving van goederen gelijkgestelde

handeling (KB nr. 3, art. 3, § 1, 6°).

370. Belasting voldaan door de medecontractant (KB nr. 3, art. 3, § 1, 7°).

III. Uitoefening van het recht op aftrek van voorbelasting.

371. De aftrek geschiedt onmiddellijk en globaal.

372. Voorbeelden.

373. Vertraging bij het vervullen van de voorwaarden voor de uitoefening

van het recht op aftrek van voorbelasting.

374. Het recht op aftrek werd niet onmiddellijk uitgeoefend.

375. Overdracht van een algemeenheid van goederen of van een

bedrijfsafdeling. Fusie. Uitoefening van het recht op aftrek door de

overnemer.

376. Verval van het recht op aftrek.

Afdeling 4. - Herziening van de aftrek.

377. Inleiding.


(1 februari 2012)

INHOUD 44

Eerste onderafdeling. - Herziening van de aftrek van de andere belasting dan die

geheven van bedrijfsmiddelen.

I. Omstandigheden waarin en tijdstip waarop de herziening gebeurt.

378. Oorspronkelijke aftrek te groot of te klein (KB nr. 3, art. 5, 1°).

379. Voorlopige vaststelling in geval van gedeeltelijke aftrek (privébestemming

naast gebruik voor de doeleinden van de economische

activiteit met recht op aftrek). Herziening.

380. Omstandigheid bedoeld in artikel 79, tweede lid, van het Wetboek

(KB nr. 3, art. 5, 2°).

381. Wijzigingen in de gegevens van de berekening van de oorspronkelijk

afgetrokken belasting (KB nr. 3, art. 5, 3°).

382. Onttrekking of ingebruikneming en herziening van de aftrek.

383. Verlies van ieder recht op aftrek (KB nr. 3, art. 5, 4°).

383/2. Ontstaan van een recht op aftrek ingevolge een wijziging van het

belastingregime (KB nr. 3, art. 21bis)

384. Goederen die uit het bedrijf zijn verdwenen.

II. Modaliteiten van de herziening.

385. Inschrijvingen te doen in de periodieke aangifte.

Onderafdeling 2. - Herziening van de aftrek van belasting geheven van bedrijfsmiddelen.

I. Begrip "bedrijfsmiddelen".

386. Bepaling van het begrip "bedrijfsmiddelen".

387. Het begrip "bedrijfsmiddelen".

388. Goederen die vlug tenietgaan.

389. Klein materieel, klein gereedschap en kantoorbehoeften.

390. Verpakkingsmiddelen.

391. Verhuurde bedrijfsmiddelen.


(1 februari 2012)

INHOUD 45

II. Begrip "belasting geheven van bedrijfsmiddelen".

392. Bepaling van het begrip "belasting geheven van bedrijfsmiddelen".

393. Handelingen die niet aan herziening zijn onderworpen.

394. Voorbeelden.

395. Materialen, onderdelen en reserve-onderdelen.

III. Gewone herziening van de oorspronkelijk verrichte aftrek van btw op

bedrijfsmiddelen (KB nr. 3, art. 8).

396. Gevallen.

IV. De vijf- of vijftienjarige herziening, eigen aan de bedrijfsmiddelen.

A. Algemeen.

397. Algemene draagwijdte van de vijf- of vijftienjarige herziening.

398. Uitgangspunt en duur van het herzieningstijdvak. Beginsel.

399. Uitzondering met betrekking tot het uitgangspunt van de herziening.

B. Gevallen waarin en tijdstip waarop de vijf- of vijftienjarige herziening voor

de bedrijfsmiddelen moet worden verricht. Berekening van die herziening.

400. Geheel of gedeeltelijk gebruik van een bedrijfsmiddel voor privé- of

andere dan beroepsdoeleinden.

401. Wijzigingen in de factoren die aan de berekening van de aftrek gedaan

voor bedrijfsmiddelen ten grondslag hebben gelegen.

402. Verkoop of onttrekking van een bedrijfsmiddel.

403. Bedrijfsmiddelen die ophouden in de onderneming te bestaan (KB

nr. 3, art. 10, 4°).

403/2. Herzieningen te verrichten in geval van een overdracht bij toepassing

van de artikelen 11 en 18, § 3, van het Wetboek - overdracht van een

algemeenheid van goederen of een bedrijfsafdeling (z. eveneens

bijlage XVII).


(1 februari 2012)

INHOUD 46

404. Verlies van hoedanigheid van belastingplichtige (KB nr. 3, art. 10,

5°).

404/2. Ontstaan van een recht op aftrek ingevolge een wijziging van het

belastingregime (KB nr. 3, art. 21bis).

C. Modaliteiten van de vijf- of vijftienjarige herziening.

405. Inschrijving in de periodieke aangifte.

406. Berekeningsblad dat bij de aangifte wordt gevoegd.

407. Tabel van de bedrijfsmiddelen.

408. Vorm van de tabel van bedrijfsmiddelen.

409. Bewaring van de tabel van bedrijfsmiddelen.

Afdeling 5. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de aftrek door een

gemengde belastingplichtige.

410. Algemeen.

I. Algemeen verhoudingsgetal.

411. Bepalen van het algemeen verhoudingsgetal.

412. Berekenings- en afrondingsmodaliteiten van het algemeen verhoudingsgetal.

413. Uitsluiting, voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal,

van sommige factoren.

414. (Opgeheven).

415. Voorlopig verhoudingsgetal en definitief verhoudingsgetal.

416. Herziening van de aftrek van andere belasting dan die geheven van

bedrijfsmiddelen.

417. Ontheffing van herziening. Verschil van minder dan 10 percent.

418. Herziening van de aftrek van belasting geheven van bedrijfsmiddelen.

419. Modaliteiten van de herziening.


(1 februari 2012)

INHOUD 47

II. De aftrek met inachtneming van het werkelijk gebruik van de goederen en

diensten.

420. Algemeen.

421. Werkingssfeer van de aftrek met inachtneming van het werkelijk

gebruik van de goederen en diensten.

422. Herziening van de aftrek van belasting die werd afgetrokken met

inachtneming van het werkelijk gebruik (KB nr. 3, art. 19 en 20).

423. (Opgeheven).

424. Modaliteiten van de herziening.

Afdeling 6. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de aftrek door een btweenheid.

424/2. Algemeen.

424/3. Voorafgaand onderzoek.

424/4. Aftrek volgens het algemeen verhoudingsgetal.

424/5. Aftrek volgens het werkelijk gebruik.

424/6. Herziening bij vorming en ontbinding van de btw-eenheid en bij

toetreding en uittreding van een lid.

HOOFDSTUK XII. - MAATREGELEN VOOR DE VOLDOENING

VAN DE BTW.

425. Inleiding.

Eerste afdeling. - Informatieve aangiften en keuzeverklaringen in te dienen

door de belastingplichten en de niet-belastingplichtige

rechtspersonen met betrekking tot hun activiteit; het btwidentificatienummer.

426. Aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit.

426/2. Andere informatieve aangiften.


(1 februari 2012)

INHOUD 48

426/3. Keuzeverklaring.

427. Btw-identificatienummer.

Afdeling 2. - De facturering.

428. Belang van de facturering binnen het btw-systeem.

I. Verplichting tot het uitreiken van een factuur of een als zodanig geldend

stuk.

429. Principe.

430. Tijdstip van uitreiking.

431. Facturering van de leveringen van goederen en de diensten verricht

voor natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik.

432. Uitzonderingen op de mogelijkheid om geen factuur uit te reiken.

432/2. Uitreiking van de factuur door de medecontractant (self-billing).

II. Andere stukken die moeten worden opgemaakt en, in voorkomend geval,

overhandigd aan de medecontractant.

433. Verplichting een stuk op te maken voor de met leveringen van

goederen of dienstverrichtingen gelijkgestelde handelingen en het

tijdstip waarop dit stuk moet worden opgemaakt.

433/2. Tijdstip waarop dit stuk moet worden opgemaakt.

433/3. Verplichting voor het lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4,

§ 2, van het Wetboek, een stuk op te maken dat de verschaffing van

goederen en diensten aan een ander lid van dezelfde btw-eenheid

vaststelt.

434. Op een belastingplichtige rustende verplichting een stuk op te maken

voor de leveringen van goederen en de diensten die hem werden

verstrekt door een niet-belastingplichtige of door een belastingplichtige

die niet gehouden is een factuur uit te reiken.

435. (Opgeheven).

436. Stuk op te maken door de belastingplichtigen en de niet-belastingplichtige

rechtspersonen die schuldenaar zijn van de belasting en

tijdstip waarop dit stuk moet worden opgemaakt.


437. Verbeterende stukken.

438. (Opgeheven).

(1 februari 2012)

INHOUD 49

III. Inhoud en vorm van de factuur en van de verschillende als zodanig geldende

stukken.

439. Vermeldingen welke de factuur dient te bevatten.

439/2. (Opgeheven).

439/3. In meerdere exemplaren uitgereikte factuur.

439/4. Intern stuk dat de verschaffing van goederen en diensten tussen leden

van dezelfde btw-eenheid vaststelt.

440. Stuk met betrekking tot de intracommunautaire overbrenging van

goederen (z. nr. 433, letter A).

440/2. Stuk met betrekking tot de met een andere dan een intracommunautaire

levering van goederen of met een dienstverrichting

gelijkgestelde handeling (z. nr. 433, letter B).

440/3. Vermeldingen die het stuk dient te bevatten, dat moet worden

opgemaakt door een lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4,

§ 2, ingevolge dienstprestaties die hem werden verstrekt door een van

zijn buiten België gelegen vestigingen.

440/4. Vermeldingen op het door de belastingplichtige op te maken stuk

ingevolge de aan hem verrichte leveringen van goederen of verstrekte

diensten waarvoor geen verplichting tot facturering bestaat.

440/5. Vermeldingen welke de door de medecontractant opgemaakte factuur

dient te bevatten (z. nr. 432/2).

440/6. Vermeldingen welke het door de belastingplichtigen en door de nietbelastingplichtige

rechtspersonen op te maken stuk dient te bevatten

wat betreft de handelingen waarvoor zij schuldenaar zijn van de btw

en waarvoor zij noch de factuur, noch het als zodanig geldend stuk

ontvangen hebben (z. nr. 436).

440/7. Vermeldingen welke de verbeterende stukken dienen te bevatten.

441. Vorm van de factuur.

441/2. Model van een factuur.

441/3. Elektronische facturering.

IV. Bijzondere gevallen.

442. Voorschotfactuur en eindfactuur.


(1 februari 2012)

INHOUD 50

443. Verzamelfactuur.

444. Openbare verkoop van roerende goederen van een gefailleerde

belastingplichtige.

445. (Opgeheven).

445/2. Verkoop op proef, zending op zicht of in consignatie.

445/3. Overdracht van een algemeenheid van goederen of van een

bedrijfsafdeling.

445/4. Door de aansprakelijke vertegenwoordiger van een niet in België

gevestigde belastingplichtige op te maken stuk.

445/5. Facturering van verkopen van brandstof waarvan de betaling gebeurt

door middel van de Bancontact- en Mister Cash-kaarten.

445/6. Verkoop in 't klein.

445/7. Belastingplichtige onderworpen aan een bijzondere regeling.

V. Andere aan belastingplichtigen en niet-belastingplichtigen opgelegde

verplichtingen met betrekking tot de uit te reiken, op te maken of te

ontvangen stukken.

446. Bewaring en mededeling.

447. Sancties.

Afdeling 3. - Uitreiking van een rekening of ontvangstbewijs.

447/2. Reglementering.

447/3. Documenten.

447/4. Uit te reiken documenten in de horecasector.

447/5. Uit te reiken documenten voor het wassen van automobielen.

Afdeling 4. - Btw-aangiften van de belastbare handelingen en betaling van de

verschuldigde belasting aan de Schatkist.

448. Principe.


(1 februari 2012)

INHOUD 51

Eerste onderafdeling. - Periodieke btw-aangiften (maand- en kwartaalaangiften).

449. Personen gehouden tot het indienen van periodieke aangiften.

450. Periode waarop de periodieke aangifte betrekking heeft.

450/2. Overgang van een regeling naar een andere.

451. Elektronische indiening van de periodieke aangifte.

451/2. Indiening van de periodieke aangifte op papier.

452. Aangiftetermijn.

453. Inhoud van de periodieke aangifte.

453/2. Verplichting tot voldoening van de belasting.

Onderafdeling 2. - Bijzondere btw-aangiften.

454. Personen gehouden tot het indienen van de bijzondere btw-aangifte.

454/2. Handelingen waarvoor de btw-belastingplichtigen die geen periodieke

btw-aangiften indienen schuldenaar zijn van de belasting of de

belasting moeten voldoen in de plaats van de leverancier van de

goederen of van de dienstverrichter.

454/3. Handelingen waarvoor de niet-belastingplichtige rechtspersonen

schuldenaar zijn van de belasting.

454/4. Tijdvak waarop de bijzondere btw-aangifte betrekking heeft.

454/5. Bijzondere aangifteformulieren.

454/6. Aangiftetermijn.

454/7. Inhoud van de bijzondere aangifte.

454/8. Verplichting tot betaling van de belasting.

Onderafdeling 3. - Andere aangiften en betalingswijzen.

454/9. Bijzondere btw-aangifte inzake de intracommunautaire verwervingen

van nieuwe vervoermiddelen.

454/10. De aangifte ten verbruik op het stuk van de accijns.


Afdeling 5. - De boekhouding.

(1 februari 2012)

INHOUD 52

455. Algemeen.

456. De btw-boekhouding van de belastingplichtigen, uitgezonderd degenen

bedoeld in de artikelen 44, 56, § 2 en 57 van het Wetboek.

457. Boek voor inkomende facturen.

458. Boek voor uitgaande facturen.

459. Dagboek van ontvangsten op papier.

459/2. Dagboek van ontvangsten en centralisatieboek gehouden door middel

van een geïnformatiseerd systeem.

460. Tabel van de bedrijfsmiddelen.

460/2. De klantenrekeningen.

461. Het register voor materiële werken of expertises met betrekking tot

andere goederen dan uit hun aard onroerende goederen.

461/2. Btw-register van de motorvoertuigen.

461/3. Register van niet-overbrengingen.

462. De boekhouding van de belastingplichtigen bedoeld in artikel 56, § 2

van het Wetboek (kleine ondernemingen onderworpen aan de

vrijstellingsregeling van belasting).

463. De boekhouding van de belastingplichtigen bedoeld in artikel 57 van

het Wetboek (bijzondere landbouwregeling).

464. De boekhouding van de niet-belastingplichtige rechtspersonen en de

belastingplichtigen die uitsluitend handelingen verrichten die

krachtens artikel 44 van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld

en waarvoor zij geen enkel recht op aftrek hebben.

465. Het register dat moet bijgehouden worden door de belastingplichtigen

onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting, de

belastingplichtigen onderworpen aan de bijzondere regeling van de

landbouwondernemingen, de belastingplichtigen die uitsluitend

handelingen verrichten die krachtens artikel 44 van het Wetboek van

de belasting zijn vrijgesteld en waarvoor zij geen recht op aftrek

hebben en de niet-belastingplichtige rechtspersonen.

Afdeling 6. - Opgave van de intracommunautaire handelingen.

466. Principe.


(1 februari 2012)

INHOUD 53

467. Personen gehouden tot het opstellen van de opgave van de intracommunautaire

handelingen.

468. In te schrijven afnemers.

468/2. Aan te geven handelingen.

469. Categorie I: De vrijgestelde intracommunautaire leveringen van goederen.

470. (Opgeheven).

471. (Opgeheven).

472. Categorie II: De leveringen van goederen verricht in de lidstaat van

aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen, in het

geval van driehoeksverkeer.

472/2. Categorie III: De dienst verricht voor een belastingplichtige van een

andere lidstaat waar deze belastingplichtige schuldenaar is van de

belasting en voor zover deze diensten niet zijn vrijgesteld van de

belasting in die lidstaat.

473. Inschrijvingen in de opgave van de intracommunautaire handelingen.

473/2. Periodiciteit van de opgave van de intracommunautaire handelingen.

474. Invullen en indienen van de opgave van de intracommunautaire

handelingen.

475. De opgave van intracommunautaire leveringen in te dienen door de

landbouwondernemers bedoeld in artikel 57 van het Wetboek.

Afdeling 7. - Jaarlijkse opgave van afnemers-belastingplichtigen (listing afnemers).

476. Principe.

477. Personen die de jaarlijkse opgave moeten opmaken.

478. In te schrijven afnemers.

479. Te vermelden handelingen.

480. Gegevens welke de opgave moet bevatten.

481. Vorm van de opgave en modaliteiten voor de indiening.

481/2. "Nihil"-opgave.

Afdeling 8. - De schuldenaar van de belasting.

Eerste onderafdeling. - Principes.

482. Schuldenaar van de belasting.


(1 februari 2012)

INHOUD 54

483. Handelingen verricht door een niet in België gevestigde belastingplichtige

die geen aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten

erkennen.

Onderafdeling 2. - Verlegging van de heffing van de belasting voor de in arti-

kel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde handelingen.

483/2. Principe.

483/3. Bedoelde belastingplichtigen.

483/4. Bedoelde handelingen.

483/5. Werk in onroerende staat.

483/6. Het bouwen, het verbouwen, het onderhouden, het afwerken, het

inrichten, het herstellen, het reinigen en het afbreken, geheel of ten

dele, van een uit zijn aard onroerend goed.

483/7. Handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen

op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het

onroerend uit zijn aard wordt.

483/8. Andere handelingen van levering en aanhechting aan een gebouw en

die bedoeld zijn in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1.

483/9. Centrale verwarming en airconditioning.

483/10. Sanitaire installatie.

483/11. Elektrische installatie.

483/12. Elektrische belinstallatie, brand- en alarmtoestellen, telefooninstallatie.

483/13. Kasten, gootstenen en dampkappen.

483/14. Luiken, rolluiken, rolgordijnen.

483/15. Wandbekledingen en vloerbedekkingen.

483/16. Het aanhechten, het plaatsen, het herstellen, het onderhouden en het

reinigen.

483/17. De terbeschikkingstelling van personeel.

483/18. De verplichtingen van de dienstverrichter of van de leverancier van de

goederen.

483/19. De verplichtingen van de medecontractant.

Onderafdeling 2/2.- Verlegging van de belasting voor wat betreft de in arti-

kel 20bis van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde

handelingen.

483/19/2. Principe.


(1 februari 2012)

INHOUD 55

483/19/3. In artikel 20bis, § 2, van het KB nr. 1 bedoelde handelingen.

483/19/4. Bedoelde belastingplichtigen.

483/19/5. De verplichtingen van de leverancier van het goud in het kader van de

verlegging van heffing.

Onderafdeling 2/3. - Verlegging van de belasting voor wat betreft de in

artikel 20ter van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde

handelingen.

483/19/6. Principe.

483/19/7. Facturering.

Onderafdeling 3. - Hoofdelijkheid tot voldoening van de belasting.

483/20. Principe.

483/21. Ontslag van hoofdelijkheid.

483/22. Hoofdelijkheid bedoeld in artikel 51ter van het Wetboek.

HOOFDSTUK XIII. - BIJZONDERE REGELINGEN.

484. Overzicht.

Eerste afdeling. - Forfaitaire grondslagen van aanslag voor de kleine ondernemingen.

485. Waarover gaat het ?

486. Algemeen.

487. Belastingplichtigen die aan de forfaitaire regeling worden onderworpen.

488. Soorten forfaits.

489. Optiemogelijkheid.


(1 februari 2012)

INHOUD 56

490. Verval van de forfaitaire regeling.

491. Procedure voor het vaststellen van de forfaitaire grondslagen van

aanslag.

492. Werking van de forfaitaire regeling.

493. Jaarlijkse inventaris.

494. Vrijgestelde handelingen of handelingen waarvoor geen forfait werd

vastgesteld.

495. Teruggaaf in geval van overgang naar de normale regeling.

495/2. Overgang naar de forfaitaire regeling.

495/2bis. Overgang naar de vrijstellingsregeling van belasting.

495/3. Overdracht van een handelsfonds door of aan een belastingplichtige

onderworpen aan de forfaitaire regeling.

496. Verplichtingen van aan de forfaitaire regeling onderworpen

belastingplichtigen.

497. Teruggaven.

Afdeling 2. - Vrijstellingsregeling van belasting.

498. Draagwijdte van de regeling.

499. Begrip "kleine onderneming".

500. Toegang tot de vrijstellingsregeling van belasting.

501. Optiemogelijkheden.

502. Verlies van de vrijstellingsregeling van belasting.

503. Berekeningswijze van het beperkt omzetcijfer.

504. Aftrek.

504/2. Teruggaaf.

505. Verplichtingen van de belastingplichtige onderworpen aan de

vrijstellingsregeling van belasting.

506. Intracommunautaire handelingen.

507. Wijziging van belastingregeling. Gevolgen.

508. (Opgeheven).

508/2. (Opgeheven).

Afdeling 3. - Bijzondere regeling voor landbouwondernemingen.

509. Algemene beschouwingen.


(1 februari 2012)

INHOUD 57

510. Het begrip landbouwondernemer.

511. Inkopen gedaan door landbouwondernemers.

512. Handelingen waarvoor de landbouwregeling geldt.

512/2. Intracommunautaire handelingen.

513. Handelingen die uit de landbouwregeling zijn gesloten.

514. Verplichtingen op het stuk van de facturering met betrekking tot de

handelingen die onder de landbouwregeling vallen.

515. Verplichtingen op het stuk van de aangifte met betrekking tot de

handelingen die aan de landbouwregeling zijn onderworpen.

516. De forfaitaire compensatie.- Recuperatie door de landbouwondernemer

van zijn voorbelasting.

517. Landbouwondernemers die uitgesloten zijn van de landbouwregeling

of er slechts gedeeltelijk aan zijn onderworpen.- Landbouwondernemers

die verschillende beroepswerkzaamheden uitoefenen.

518. Wijziging in de btw-regeling.

519. Teruggaaf of herziening bij wijziging in de belastingregeling.

519/2. Overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling

tussen landbouwondernemers die aan de bijzondere landbouwregeling

onderworpen zijn.

Afdeling 4. - Bijzondere regeling van de verkopen op afstand.

520. Draagwijdte van de regeling.

520/1. Toepassingsvoorwaarden voor de bijzondere regeling van de verkopen

op afstand.

520/2. Werking van de regeling verkopen op afstand.

520/3. Andere goederen dan accijnsproducten in de zin van artikel 1, § 6, 4°,

van het Wetboek.

520/4. Accijnsproducten in de zin van artikel 1, § 6, 4°, van het Wetboek

(energieproducten, alcohol en alcoholische dranken en tabaksfabrikaten,

met uitzondering van gas dat geleverd wordt via een op het

grondgebied van de Gemeenschap gesitueerd aardgassysteem of

eender welk op een dergelijk systeem aangesloten net).

520/5. Bijzonder geval bedoeld in artikel 15, § 6, van het Wetboek.

520/6. Verplichtingen van de leverancier inzake de verkopen op afstand.


(1 februari 2012)

INHOUD 58

Afdeling 5. - De bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge

voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor

verzamelingen en antiquiteiten.

520/7. Wettelijk kader.

520/8. Algemene draagwijdte.

520/9. Voorwaarden en modaliteiten van de toepassing van de bijzondere

regeling.

520/10. Werking.

520/11. Intracommunautaire handelingen.

520/12. Bijzondere bepalingen.

520/13. Diversen.

Afdeling 6. - Bijzondere regeling van toepassing op elektronische dienstprestaties.

521. Wettelijk kader en draagwijdte van de bijzondere regeling.

521/2. Kenmerken en toepassingsvoorwaarden van de bijzondere regeling.

521/3. Verplichtingen vanwege de dienstverrichter die gekozen heeft om zich

in België te laten identificeren.

HOOFDSTUK XIV. - TERUGGAAF VAN DE BELASTING.

Eerste afdeling. - Oorzaken van teruggaaf.

522. Beperkende opsomming van de oorzaken van teruggaaf.

I. Teruggaaf op grond van artikel 76 van het Wetboek.

523. Meer aftrekbare dan verschuldigde btw. Teruggaaf van het verschil.

Belastingkrediet in hoofde van belastingplichtigen gehouden tot het

indienen van een periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste

lid, 2° van het Wetboek (Wetboek, art. 76, § 1).


(1 februari 2012)

INHOUD 59

523/2. Belastingplichtigen met recht op aftrek maar niet gehouden tot het

indienen van een aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van

het Wetboek (Wetboek, art. 76, § 2).

II. Andere gevallen van teruggaaf.

A. Handelingen verricht in België.

524. Bedrag dat het wettelijk verschuldigde te boven gaat (Wetboek,

art. 77, § 1, 1°).

525. Prijsvermindering (Wetboek, art. 77, § 1, 2°).

526. Terugzending van verpakkingsmiddelen (Wetboek, art. 77, § 1, 3°).

527. Verbreking van de overeenkomst voor de levering of de uitvoering

van de dienst (Wetboek, art. 77, § 1, 4°).

528. Minnelijke of gerechtelijke vernietiging of ontbinding van een

overeenkomst (Wetboek, art. 77, § 1, 5°).

529. Terugzending van het goed binnen zes maanden (Wetboek, art. 77,

§ 1, 6°).

530. Geheel of gedeeltelijk verlies van de schuldvordering van de prijs

(Wetboek, art. 77, § 1, 7°).

531. Aankoop in België, intracommunautaire verwerving of invoer van een

auto door bepaalde categorieën van invaliden en gehandicapten

(Wetboek, art. 77, § 2).

531/2. Regeling voor sommige verzekerings- en financiële verrichtingen.

532. Tabaksfabrikaten.

B. Teruggaaf van de bij invoer betaalde belasting.

533. Oorzaken van teruggaaf.

1. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1bis, van het Wetboek.

533/2. Ten onrechte betaalde belasting.

533/3. Prijsvermindering.

533/4. Terugzending van verpakkingsmiddelen.

533/5. Minnelijke of gerechtelijke vernietiging of ontbinding van een

overeenkomst.


(1 februari 2012)

INHOUD 60

533/6. Wederuitvoer binnen zes maanden na de aangifte ten verbruik.

533/7. Goederen vernietigd alvorens het toezicht van de douane te hebben

verlaten.

533/8. Goederen geplaatst onder een regeling bedoeld in artikel 23, §§ 4 of 5,

van het Wetboek, na eerst ten verbruik te zijn aangegeven.

533/9. Goederen die niet mogen worden gebruikt voor het doel waartoe ze

werden ingevoerd.

534. Uitsluiting van het recht op teruggaaf.

2. Teruggaaf bedoeld in artikel 77bis van het Wetboek.

534/2. De niet-belastingplichtige rechtspersoon die de btw bij invoer heeft

voldaan en die een aan de belasting onderworpen intracommunautaire

verwerving verricht in de Lidstaat van bestemming van de goederen.

Afdeling 2. - Rechthebbende op de teruggaaf.

535. De aftrekbare btw bedraagt meer dan de verschuldigde.

535/2. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 2 van het Wetboek.

536. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1 van het Wetboek.

536/2. Teruggaaf bedoeld in de artikels 77, § 1bis en 77bis van het Wetboek.

537. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 2 van het Wetboek.

Afdeling 3. - Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat.

538. Belang.

539. (Opgeheven).

540. Toevallige belastingplichtige bedoeld in artikel 8 van het Wetboek.

541. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1 van het Wetboek.

541/2. Teruggaaf bedoeld in de artikels 77, § 1bis en 77bis van het Wetboek.

542/1. Ontstaan van de vordering tot teruggaaf ingeval van faillissement of

gerechtelijke reorganisatie.

542/2. (Opgeheven).

543. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 2 van het Wetboek.

544. Teruggaaf van bedragen betaald op verzoek van de administratie.


(1 februari 2012)

INHOUD 61

Afdeling 4. - Modaliteiten van de teruggaaf. Formaliteiten.

I. Teruggaaf aan belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen

die naargelang het geval gehouden zijn tot het indienen van een periodieke

aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° of in artikel 53ter, 1° van het

Wetboek.

545. Samenvoeging. Belastingplichtigen gehouden tot het indienen van een

aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van het Wetboek.

546. Wijze van teruggaaf. Toerekening.

547. Werkelijke teruggaaf.

547/2. De ordonnancering van het terug te geven excedent of de overbrenging

ervan naar de rekening-courant.

547/3. Bijzondere gevallen waarin het belastingkrediet niet wordt teruggegeven

(aanwending of inhouding), bedoeld in art. 8 1 , § 3, 8 2 en 8 3

van het koninklijk besluit nr. 4 en in art. 334 van de Programmawet

van 27.12.2004 (zoals gewijzigd bij art. 194 van de Programmawet

van 22 december 2008).

548. Formaliteiten.

549. Verbeterend stuk (KB nr. 4, § 1, 1°).

550. Teruggaafregister (KB nr. 4, art. 4, § 1, 2°).

551. Vermelding in de aangifte.

552. Gevolgen van de teruggaaf voor de medecontractant.

II. Teruggaaf aan andere personen.

553. Formaliteiten.

554. Wijze van teruggaaf.

III. Teruggaaf bedoeld in de artikelen 77, § 1bis en 77bis van het Wetboek.

554/2. De teruggaaf behoort tot de bevoegdheid van de Algemene administratie

der douane en accijnzen.

554/3. De teruggaaf behoort tot de bevoegdheid van de Algemene administratie

van de fiscaliteit.


(1 februari 2012)

INHOUD 62

HOOFDSTUK XV. - CONTROLEMAATREGELEN.

555. Opsomming.

Eerste afdeling. - Bewaring en voorlegging ter inzage van boeken en stukken

waarvan het Wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven

regelen het houden, het opmaken of het uitreiken voorschrijven;

verschaffen van inlichtingen en behouden van

boeken en stukken, alsmede van sommige kopieën.

I. Verplichting tot bewaring.

556. Algemene regels.

557. Bewaringstermijn.

557/2. Plaats en wijze van bewaren van facturen.

557/3. 1° Wijze bewaren dubbel uitgaande factuur.

557/4. 2° Wijze bewaren originele inkomende factuur.

558. Afwijking.

559. Bijzondere regel voor pas opgerichte gebouwen.

560. Sancties.

II. Verplichting tot voorlegging ter inzage.

561. Algemene regels.

562. (Opgeheven).

563. Doel van de voorlegging.

564. Plaats van de voorlegging ter inzage.

565. Bijzondere regel voor pas opgerichte gebouwen.

566. Termijn van voorlegging.

567. Sancties.

III. Verschaffen van inlichtingen.

568. Schriftelijke of mondelinge inlichtingen.


(1 februari 2012)

INHOUD 63

568/2. Inlichtingen die gevraagd kunnen worden.

568/3. Termijn voor het verschaffen van de gevraagde inlichtingen.

569. Sancties.

IV. Bijzondere regels inzake de verplichting tot het voorleggen ter inzage en het

verschaffen van inlichtingen.

569/2. Bijzondere machtiging.

569/3. Sancties.

V. Inhouden van boeken of stukken door de controleambtenaren.

570. Bevoegdheid van de controleambtenaren.

Afdeling 2. - Controle van het vervoer van goederen.

571. Draagwijdte.

572 tot 576. (Opgeheven).

577. Ambtenaren bevoegd om het goederenvervoer te controleren.

578 tot 579. (Opgeheven).

580. Sancties.

581. (Opgeheven).

Afdeling 3. - Bezoekrecht.

582. Toegang tot ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend.

582/2. Bedoelde ruimten.

582/3. Toegang tot andere plaatsen.

582/4. Modaliteiten van het bezoekrecht.

582/5. Beperkingen van het bezoekrecht.

582/6. Doel van het bezoekrecht.

583. Sancties.


(1 februari 2012)

INHOUD 64

Afdeling 4. - Ambtenaren belast met controle.

583/2. Bevoegdheden toegekend aan ambtenaren van andere administraties.

Afdeling 5. - Aangifte in te dienen door de eigenaar van een pas opgericht

gebouw.

584. Draagwijdte.

Afdeling 6. - Verwerving van automobielen.

585. (Opgeheven).

Afdeling 7. - Bijzondere regeling voor de voldoening van de btw ten aanzien

van vlees van slachtdieren.

586. Verwijzing.

Afdeling 8. - Aan alle belastingen gemene bepalingen.

586/2. Verplichting tot mededeling van inlichtingen door de bestuursdiensten

en openbare organismen aan de belastingbesturen van de

Staat.

586/3. Uitzonderingen.

586/4. Gebruik van inlichtingen met het oog op het opsporen van verschuldigde

belastingen.

586/5. Navorsingsrecht van de ambtenaren van een belastingbestuur van de

Staat.


(1 februari 2012)

INHOUD 65

HOOFDSTUK XVI. - BEWIJSMIDDELEN.

587. Opsomming.

Eerste afdeling. - De bewijsmiddelen van het gemeen recht en de processenverbaal

van de controleambtenaren.

588. Tekstontleding.

A. Bewijsmiddelen van het gemeen recht.

589. Voornaamste bewijsmiddelen.

B. Processen-verbaal van ambtenaren van de Federale Overheidsdienst

Financiën.

590. Definitie.

591. Bevoegde ambtenaren.

592. Nut van het proces-verbaal.

593. Bewijskracht van het proces-verbaal.

594. Onontbeerlijke vermeldingen van het proces-verbaal.

595. Tijdstip van opstelling van het proces-verbaal.

Afdeling 2. - Deskundige schatting.

596. Doel.

597. Goederen en diensten waarvoor de deskundige schatting kan worden

gevorderd.

598. Personen die de deskundige schatting kunnen vorderen.

599. Schattingsprocedure.


Afdeling 3. - Wettelijke vermoedens.

600. Nut.

601. Opsomming.

(1 februari 2012)

INHOUD 66

A. Wettelijke vermoedens m.b.t. leveringen van goederen.

602. Vermoedens die geen tegenbewijs toelaten (juris et de jure).

603. Vermoedens die gelden tot bewijs van het tegendeel (juris tantum).

B. Wettelijke vermoedens m.b.t. diensten.

603/2. Vermoedens die gelden tot bewijs van het tegendeel.

604. (Opgeheven).

C. Wettelijke vermoedens m.b.t. invoer.

605. Alleen vermoedens die gelden tot bewijs van het tegendeel.

D. Wettelijke vermoedens m.b.t. intracommunautaire verwervingen.

605/2. Vermoedens die gelden tot bewijs van het tegendeel.

605/3. Vermoedens die geen bewijs van het tegendeel toelaten.

E. Wettelijk vermoeden m.b.t. het oprichten van een gebouw.

606. Tekst.

607. Draagwijdte.

608. Na te komen verplichtingen.


Afdeling 4. - Ambtelijke aanslag.

(1 februari 2012)

INHOUD 67

609. Principe.

610. Aard van de ambtelijke aanslag.

611. Doel van de ambtelijke aanslag.

612. Toepassingsgebied van de ambtelijke aanslag.

613. Bereik van de ambtelijke aanslag.

614. Onvrijwillig karakter van de verzuimen bedoeld in artikel 66, eerste

lid, van het Wetboek.

615. Louter toevallig karakter van de overtredingen bedoeld in artikel 66,

tweede lid, van het Wetboek.

616. Personen lastens wie een ambtelijke aanslag kan worden opgelegd.

617. Gevallen waarin een ambtelijke aanslag mogelijk is.

618. Bedrag van de ambtelijke aanslag.

619. Door de belastingplichtige te leveren tegenbewijs.

619/2. Te volgen procedure bij een ambtelijke aanslag.

HOOFDSTUK XVII. - VERJARINGEN.

A. Oude regeling. – Vorderingen tot voldoening en vorderingen tot teruggaaf

van de btw die zijn ontstaan vóór 29 december 2008.

Eerste afdeling. - Verjaring van de vordering tot voldoening van de btw, van

de interesten en van de administratieve geldboeten, ontstaan

na 31 december 1998 en vóór 29 december 2008 (Wetboek,

art. 81 en 81bis - oud).

620. Aanvang van de verjaringstermijn.

621. Oud artikel 81bis van het Btw-Wetboek.

621/2. (Opgeheven).

621/3. Eindpunt van de verjaringstermijn.

621/4. Opmerking.


(1 februari 2012)

INHOUD 68

Afdeling 2. - Verjaring van de vordering tot teruggaaf van de btw, van de

interesten en van de administratieve geldboeten (Wetboek, art. 82

- oud).

622. Verjaringstermijn.

622/2. (Opgeheven).

622/3. Belangrijke verwijzing.

623. (Opgeheven).

624. (Opgeheven).

Afdeling 3. - Stuiting van de verjaring (Wetboek, art. 83).

625. (Opgeheven).

625bis. Belangrijke verwijzing.

B. Nieuwe regeling. - Vorderingen tot voldoening en vorderingen tot teruggaaf

van de btw, interesten en administratieve geldboeten die zijn ontstaan vanaf

29 december 2008.

Eerste afdeling. - Inleiding.

625/2. Wijzigingen ingevolge de Programmawet van 22 december 2008.

625/3. Vergelijking met verjaringstermijnen inzake inkomstenbelastingen.

Afdeling 2. - Verjaring van de vordering tot voldoening van de btw, van de

interesten en van de administratieve geldboeten.

625/4. Aanvangspunt van de verjaringstermijn.

625/5. Eindpunt van de verjaringstermijn.

625/6. Gevolgen van de indiening van de btw-aangifte.

625/7. Voorbeelden.


(1 februari 2012)

INHOUD 69

Afdeling 3. - Verjaring van de vordering tot teruggaaf van de btw, van de

interesten en van de administratieve geldboeten.

625/8. Aanvangspunt van de verjaringstermijn.

625/9. Eindpunt van de verjaringstermijn.

625/10. Voorbeelden.

625/11. Verwerping van de aanvraag.

625/12. Teruggaaf van btw, van interesten en van administratieve geldboeten

voldaan op verzoek van de administratie.

Afdeling 4. - Stuiting en schorsing van de verjaring.

625/13. Stuiting van de verjaring.

625/14. Schorsing van de verjaring.

HOOFDSTUK XVIII. - INVORDERING VAN DE BELASTING, INTE-

RESTEN, ADMINISTRATIEVE GELDBOETEN

EN KOSTEN.

Eerste afdeling. - Administratieve fase.

626-627. Overgeheveld naar Hfdst. XIX.

628. Kwijtschelding van nalatigheidsinteresten.

629. Overgeheveld naar Hfdst. XIX.

629/1. Betalingsfaciliteiten.

629/2. De bemiddelingsdienst.

629/3. Onbeperkt uitstel van de invordering van de btw.

Afdeling 2. - Vervolgingen (Wetboek, art. 85, § 1).

630. (Opgeheven).


(1 februari 2012)

INHOUD 70

631. Tekst.

632. Dwangbevel.

633. Vorm.

634. Visum, uitvoerbaarverklaring en betekening.

634/2. Gevolgen van de kennisgeving per aangetekende brief.

635. Uitvoerbare kracht van het dwangbevel.

636. Andere middelen van vervolging.

Afdeling 2bis. - Bewarend beslag (Wetboek, art. 89bis).

636bis. Doelstelling.

636ter. Inhoud.

Afdeling 3. - Uitvoerend beslag onder derden (Wetboek, art. 85bis).

636/2. Algemeen

636/3. Uitwerking.

636/3/2. Afgifte van de sommen die het voorwerp uitmaakten van het beslag

onder derden.

636/4. Gevallen waarin de vereenvoudigde procedure moet gevolgd worden

door een procedure ingeleid door een gerechtsdeurwaardersakte.

636/5. Verwijzing.

636/6. Beslag onder derden lastens de Staat of een instelling van openbaar

nut.

Afdeling 4. - Voorrecht en wettelijke hypotheek (Wetboek, art. 86, 87 en 88).

637. Tekst.

638. Gewaarborgde schuldvorderingen.

639. Voorrecht.

640. Wettelijke hypotheek.


(1 februari 2012)

INHOUD 71

Afdeling 5. - Verplichtingen van de belastingplichtigen of van derden met het

oog op het waarborgen van de inning van de btw.

640/2. Algemeen.

I. In België verleden akten houdende vervreemding of hypotheekstelling van

een voor hypotheek vatbaar goed.

A. Aan de notarissen en aan de belastingplichtigen opgelegde verplichting tot

informatie.

640/3. Inleiding.

640/4. Door de notaris te stellen vraag.

640/5. Aan de belastingplichtigen opgelegde verplichting.

640/6. Aan de notaris opgelegde verplichting tot informatie.

B. Middelen om de belangen van de Schatkist veilig te stellen.

640/7. Kennisgeving van de verschuldigde sommen door de btw-ontvanger.

640/8. Bijzonder geval : de sommen en waarden waarop beslag onder derden

in handen van de notaris werd gelegd zijn ontoereikend.

640/9. Wettelijke hypotheek met bijzondere rang.

C. Mogelijkheid tot in de plaatsstelling van de banken in de verplichtingen van

de notarissen.

640/10. Principe.

II. In het buitenland verleden akten.

640/11. Verbod voor de hypotheekbewaarder de hypothecaire formaliteiten te

vervullen.


(1 februari 2012)

INHOUD 72

III. Kredieten, leningen of voorschotten waarvoor een voordeel ingevolge de

wetgeving inzake economische expansie wordt verleend.

640/12. Draagwijdte van de wettelijke bepaling (Wetboek, art. 93duodecies).

640/13. (Opgeheven).

640/13/2. Verplichtingen van de belastingplichtigen.

640/14. Vorm en bestemming van het attest.

640/15. Gevolgen voor de overheid die het voordeel inzake economische

expansie toekent.

640/16. Gevolgen voor de kredietinstellingen.

IV. Overdracht van het handelsfonds (Wetboek, art. 93undeciesB).

640/17. Toepassingsgebied van de nieuwe wettelijke bepaling.

640/18. Systeem ingevoerd door de nieuwe wettelijke bepaling.

640/19. Verwijzing.

V. Openbare verkoping van roerende goederen (Wetboek, art. 93undeciesD).

640/20. Verplichtingen openbare en ministeriële ambtenaren (Wetboek,

art. 93undeciesD, eerste lid).

640/21. Tussenkomst ontvanger (Wetboek, art. 93undeciesD, tweede lid).

640/22. Aansprakelijkheid openbare of ministeriële ambtenaren.

Afdeling 6. - Moratoire interesten (Wetboek, art. 91).

641. Niet-voldoening van de belasting binnen de termijn die ter uitvoering

van de artikelen 52, 53, eerste lid, 4°, 53ter, 2° en 53octies van het

Wetboek is gesteld.

641/2. Niet-voldoening van de belasting binnen de termijn die ter uitvoering

van artikel 53nonies van het Wetboek is gesteld.

641/3. Niet-voldoening van de belasting binnen de termijn die ter uitvoering

van artikel 54 van het Wetboek is gesteld, voor de belastingplichtigen

bedoeld in artikel 8.

642. Ontoereikende maatstaf van heffing vastgesteld bij deskundige

schatting (Wetboek, art. 59, § 2).


(1 februari 2012)

INHOUD 73

643. Teruggaaf bij toepassing van artikel 76, § 1, eerste en derde lid, van

het Wetboek.

643/2. Teruggaaf krachtens de bepalingen van de achtste richtlijn aan de

belastingplichtigen gevestigd in andere Lidstaten van de EU.

644. Andere moratoire interesten.

644/2. Vrijstelling.

Afdeling 7. - De zakelijke waarborg (Wetboek, art. 88bis).

644/3. Doelstelling.

644/4. Toepassingsgebied.

644/5. Voorafgaande beslissing.

644/6. Verhaal van de belastingschuldenaar.

644/7. Geëiste waarborg.

Afdeling 8. - Bevel tot sluiting van vestiging (Wetboek, art. 88ter).

644/8. Inhoud.

644/9. Toepassingsgebied.

644/10. Beslissing van de Gewestelijk directeur.

Afdeling 9. - Onderzoeksbevoegdheden van de ambtenaren belast met de

invordering - bankonderzoeken (Wetboek, art. 62bis).

644/11. Inhoud.

Afdeling 10. - Provisionele storting of borgtocht.

A. Belastingen, boeten en interesten waarvan de oorzaak van eisbaarheid zich

voordoet vóór 1 januari 1999.


(1 februari 2012)

INHOUD 74

B. Belastingen, boeten en interesten waarvan de oorzaak van eisbaarheid is

ontstaan ten vroegste op 1 januari 1999.

Afdeling 11. - Consignatie.

A. Belastingen, boeten en interesten waarvan de oorzaak van eisbaarheid zich

voordoet vóór 1 januari 1999.

B. Belastingen, boeten en interesten waarvan de oorzaak van eisbaarheid is

ontstaan ten vroegste op 1 januari 1999.

Afdeling 12. - Hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders/zaakvoerders

(Wetboek, art. 93undeciesC).

653/4. Inhoud.

653/5. Het begrip bestuurder (zaakvoerder).

653/6. Het begrip fout.

653/7. Omvang van de aansprakelijkheid.

653/8. Voorafgaande verplichting.

HOOFDSTUK XIX. - HET GEDING.

645. Inleiding.

Eerste afdeling. - De administratieve procedure.

645/1. Tekst.

645/2. Administratieve beslissingen.

645/3. Kwijtschelding van administratieve boeten.

645/4. Kwijtschelding van nalatigheidsinteresten.


(1 februari 2012)

INHOUD 75

645/5. Dadingen.

645/6. De bemiddelingsdienst.

Afdeling 2. - De gerechtelijke fiscale procedure.

646/1. Algemeenheden.

I. Inleiding van de gedingen.

646/2. Algemene begrippen.

646/3. Bevoegdheid.

647. Termijn.

648. Vorm.

II. Verschijning van de partijen.

649. Verschijning van de belastingplichtige (eisende partij).

650. Verschijning van de FOD FINANCIËN (verweerder).

III. Gerechtskosten.

651. Algemeenheden.

652. Rechtsplegingsvergoeding.

IV. Consignatie.

653. Consignatie.


(1 februari 2012)

INHOUD 76

HOOFDSTUK XIXbis. - STRAFRECHTELIJKE SANCTIES.

Eerste afdeling. - Overzicht van de strafrechtelijke sancties.

654. Opsomming (Wetboek, art. 73 tot 74bis).

Afdeling 2. - Procedure in verband met de strafrechtelijke beteugeling van de

belastingontduiking.

655. Overzicht van de procedure.

655/2. De strafvordering (Wetboek, art. 74, § 1).

655/3. Rol van de fiscale ambtenaren. Verplichting om feiten ter kennis te

brengen aan het openbaar ministerie. Vereiste machtiging (Wetboek,

art. 74, § 2).

655/4. De vraag om advies van de procureur des Konings (Wetboek, art. 74,

§ 3).

655/5. Gelijktijdig bestaan van een geschil inzake belasting (Wetboek,

art. 74, § 4).

655/6. Verjaring van de strafvordering.

655/7. Berechtiging van de zaak. Het horen van fiscale ambtenaren als

getuigen (Wetboek, art. 74bis).

655/8. Maatregel met het oog op de invordering van aan de Staat

verschuldigde sommen.

HOOFDSTUK XX. - ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING TUSSEN

DE LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE (E.U.)

OP HET VLAK VAN DE BTW.

656. Juridische basis.


(1 februari 2012)

INHOUD 77

Eerste afdeling. - Uitwisseling van inlichtingen.

657. Bevoegde Autoriteiten.

658. Types van informatie-uitwisseling.

Afdeling 2. - Actieve samenwerking: aanwezigheid van ambtenaren op het

grondgebied van een andere lidstaat en gelijktijdige controles.

659. Inleiding.

660. Aanwezigheid van ambtenaren op het grondgebied van een andere

lidstaat.

661. Gelijktijdige controles: art. 29 en art. 30 van de Verordening.

Afdeling 3. - Voorwaarden voor de uitwisseling van inlichtingen

(Hoofdstuk XV van de Verordening (EU) Nr.904/2010).

662. Modaliteiten voor uitwisseling van inlichtingen.

662/2. (Opgeheven).

662/3. Vereisten betreffende de uitwisseling van inlichtingen.

662/4. Vertrouwelijk karakter van de inlichtingen (art. 55 van de

Verordening).

663. Overleg- & coördinatieprocedures.

663/2. Wederzijdse administratieve bijstand.

Afdeling 4. - Inzameling en gebruik van de inlichtingen door de Administratie

van de btw, registratie en domeinen

(zie Btw-Wetboek, art. 93terdecies).

664. Inzameling en doorzending van de te verstrekken inlichtingen.

665. Gebruik van de ontvangen inlichtingen.


(1 februari 2012)

INHOUD 78

Afdeling 5. - Verzoek tot administratieve notificatie.

666. Toepassing van de art. 25 en 27 van de Verordening.


(1 februari 2012)

I "WETGEVING"

WETGEVING

A. Wetten.

Koninklijke besluiten tot wijziging van het Wetboek van de belasting over

de toegevoegde waarde.

- Wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 17 juli 1969).

- Wet van 19 december 1969 tot verdaging tot 1 januari 1971 van de datum van

inwerkingtreding van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde, van 10 juli 1969 tot wijziging van het

Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen en van 10 juli 1969 tot wijziging

van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (Belgisch Staatsblad

van 20 december 1969).

- Wet van 23 december 1970 betreffende de progressieve belastingontheffing voor

uitvoer in het kader van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch

Staatsblad van 31 december 1970).

- Wet van 26 maart 1971 tot wijziging van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van

het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad

van 31 maart 1971).

- Wet van 27 mei 1971 tot bekrachtiging van het koninklijk besluit nr. 20 van

20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde

waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (Belgisch

Staatsblad van 20 oktober 1971).

- Wet van 22 juni 1972 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 7 juli 1972).

- Wet van 28 december 1973 betreffende de budgettaire voorstellen 1973-1974

(Belgisch Staatsblad van 29 december 1973).

- Wet van 23 december 1974 betreffende de budgettaire voorstellen 1974-1975

(Belgisch Staatsblad van 31 december 1974 en 3 januari 1975 - erratum).

- Wet van 5 januari 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1975-1976

(Belgisch Staatsblad van 6 januari 1976).


"INLEIDING" II

- Wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977

(Belgisch Staatsblad van 28 december 1976).

- Wet van 29 november 1977 tot wijziging van de artikelen 20, 29, 35, 41 en 45 van

de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 2 december 1977).

- Wet van 22 december 1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978

(Belgisch Staatsblad van 24 december 1977).

- Wet van 27 december 1977 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over

de toegevoegde waarde, het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen en

het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (Belgisch Staatsblad

van 30 december 1977 en 10 mei 1978 - erratum).

- Wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering (Belgisch Staatsblad van

17 augustus 1978) (bekrachtiging van de koninklijke besluiten van 29 december

1970, 25 maart 1971, 28 oktober 1971, 21 december 1971, 11 augustus 1972,

7 december 1972, 22 december 1973, 31 juli 1974, 26 september 1974, 29 oktober

1974, 21 november 1974, 20 januari 1975, 25 maart 1977, 10 oktober 1977,

30 november 1977, 27 december 1977 en 19 april 1978 tot wijziging van het

koninklijk besluit nr. 20).

- Financiewet van 29 november 1978 voor het begrotingsjaar 1979 en wet tot

vaststelling van de legersterkte (Belgisch Staatsblad van 14 december 1978).

- Wet van 24 december 1979 houdende dringende maatregelen van budgettair

beheer (Belgisch Staatsblad van 28 december 1979).

- Wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980

(Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1980).

- Wet van 24 december 1980 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over

de toegevoegde waarde en van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en

griffierechten (Belgisch Staatsblad van 31 december 1980).

- Wet van 24 december 1980 tot instelling van een bijzondere toelage voor de

bevordering van nieuwbouw en vernieuwbouw van woningen (Belgisch

Staatsblad van 31 december 1980).

- Herstelwet van 10 februari 1981 betreffende de strafrechtelijke beteugeling van de

belastingontduiking (Belgisch Staatsblad van 14 februari 1981).

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

III "WETGEVING"

- Programmawet 1981 van 2 juli 1981 (Belgisch Staatsblad van 8 juli 1981).

- Wet van 23 juli 1981 tot wijziging van indirecte belastingen (Belgisch Staatsblad

van 31 juli 1981).

- Koninklijk besluit nr. 8 van 15 februari 1982 tot wijziging van het Wetboek van

de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 20 februari

1982) (bekrachtigd bij de wet van 1 juli 1983 - Belgisch Staatsblad van 9 juli

1983).

- Koninklijk besluit nr. 9 van 15 februari 1982 tot wijziging van het Wetboek van

de belasting over de toegevoegde waarde en van het koninklijk besluit nr. 20 van

20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde

waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (Belgisch

Staatsblad van 20 februari 1982) (bekrachtigd bij de wet van 1 juli 1983 -

Belgisch Staatsblad van 9 juli 1983).

- Koninklijk besluit nr. 41 van 2 april 1982 tot wijziging van de fiscale wetgeving

inzake strafrechtelijke beteugeling van de belastingontduiking (Belgisch

Staatsblad van 7 april 1982) (bekrachtigd bij de wet van 1 juli 1983 - Belgisch

Staatsblad van 9 juli 1983).

- Wet van 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen (Belgisch

Staatsblad van 16 april 1983) (bekrachtiging van de koninklijke besluiten van 19

april 1978, 27 juni 1980, 26 september 1980 en 29 september 1980 tot wijziging

van het koninklijk besluit nr. 20, van het koninklijk besluit van 10 november 1980

tot invoering van een speciale taks op luxeproducten, van de koninklijke besluiten

van 19 juli 1981 en 29 juli 1981 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20,

van het koninklijk besluit van 11 augustus 1981 tot wijziging van het koninklijk

besluit van 10 november 1980 tot invoering van een speciale taks op luxeproducten

en tot wijziging van de Algemene Verordening op de met het zegel

gelijkgestelde taksen en van de koninklijke besluiten van 12 maart 1982,

29 september 1982 en 16 november 1982 tot wijziging van het koninklijk besluit

nr. 20).

- Wet van 1 juli 1983 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen in

uitvoering van artikel 2 van de wet van 2 februari 1982 tot toekenning van

bepaalde bijzondere machten aan de Koning (Belgisch Staatsblad van 9 juli 1983)

(bekrachtiging van het koninklijk besluit nr. 1 van 15 februari 1982 tot wijziging

van het koninklijk besluit nr. 20, van het koninklijk besluit nr. 8 van 15 februari

1982 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde,

van het koninklijk besluit nr. 9 van 15 februari tot wijziging van het Wetboek van


"INLEIDING" IV

(1 februari 2012)

de belasting over de toegevoegde waarde en het koninklijk besluit nr. 20 en van

het koninklijk besluit nr. 41 van 2 april 1982 tot wijziging van het Wetboek van

de belasting over de toegevoegde waarde).

- Wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen (Belgisch

Staatsblad van 30 december 1983).

- Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen (Belgisch Staatsblad van

29 december 1984).

- Wet van 4 juli 1986 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 1 augustus 1986).

- Wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen (Belgisch Staatsblad van

20 augustus 1986).

- Wet van 4 november 1986 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 5 december 1986).

- Programmawet van 30 december 1988 (Belgisch Staatsblad van 5 januari 1989)

(bekrachtiging van de koninklijke besluiten van 23 december 1983, 29 december

1983, 16 september 1985, 23 april 1986 en 18 juli 1986 tot wijziging van het

koninklijk besluit nr. 20).

- Wet van 12 juli 1989 houdende verscheidene maatregelen tot toepassing van de

Verordening (EEG) nr. 2137/85 van de Raad van 25 juli 1985 tot instelling van

Europese economische samenwerkingsverbanden (Belgisch Staatsblad van

22 augustus 1989).

- Wet van 17 juli 1989 betreffende de economische samenwerkingsverbanden

(Belgisch Staatsblad van 22 augustus 1989).

- Wet van 22 december 1989 houdende fiscale bepalingen (Belgisch Staatsblad van

29 december 1989).

- Wet van 16 februari 1990 tot wijziging van artikel 77, § 2, van het Wetboek van

de belasting over de toegevoegde waarde en van artikel 8 van het Wetboek der

met het zegel gelijkgestelde taksen (Belgisch Staatsblad van 4 april 1990).

- Wet van 20 juli 1990 houdende economische en fiscale bepalingen (Belgisch

Staatsblad van 1 augustus 1990).


(1 februari 2012)

V "WETGEVING"

- Wet van 28 december 1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale

bepalingen (Belgisch Staatsblad van 29 december 1990).

- Wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen (Belgisch

Staatsblad van 31 juli 1992) (bekrachtiging van de koninklijke besluiten van

20 december 1989 en 25 april 1990 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20,

van het koninklijk besluit van 17 maart 1992 tot wijziging van het koninklijk

besluit nr. 20 en het koninklijk besluit van 10 november 1980 tot invoering van

een speciale taks op luxeproducten, en van het koninklijk besluit van 28 maart

1992 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20).

- Wet van 28 december 1992 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over

de toegevoegde waarde en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en

griffierechten (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 1 ste editie).

- Wet van 28 december 1992 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen

(Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 3 de editie) (bekrachtiging van de

koninklijke besluiten van 29 juni 1992 en 30 september 1992 tot wijziging van het

koninklijk besluit nr. 20).

- Koninklijk besluit van 29 december 1992 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december

1992, 4 de editie, en 14 januari 1993 - erratum) (bekrachtigd bij de wet van 22 juli

1993 - Belgisch Staatsblad van 26 juli 1993).

- Wet van 25 mei 1993 tot wijziging van de belasting op de nieuwe en

tweedehandse vervoermiddelen (Belgisch Staatsblad van 28 mei 1993).

- Wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiële bepalingen (Belgisch

Staatsblad van 26 juli 1993) (bekrachtiging van het koninklijk besluit van

29 december 1992 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde en het koninklijk besluit van 29 december 1992 tot wijziging

van het koninklijk besluit nr. 20).

- Koninklijk besluit van 7 maart 1994 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 11 maart 1994)

(bekrachtigd bij de wet van 4 april 1995 - Belgisch Staatsblad van 23 mei 1995).

- Wet van 30 maart 1994 tot uitvoering van het globaal plan op het stuk van de

fiscaliteit (Belgisch Staatsblad van 31 maart 1994, 2 de editie) (bekrachtiging van

de koninklijke besluiten van 24 juni 1993 en 21 december 1993 tot wijziging van

het koninklijk besluit nr. 20).


"INLEIDING" VI

- Koninklijk besluit van 20 juni 1994 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 20 juli 1994)

(bekrachtigd bij de wet van 4 april 1995 - Belgisch Staatsblad van 23 mei 1995).

- Wet van 6 juli 1994 houdende fiscale bepalingen (Belgisch Staatsblad van 16 juli

1994).

- Koninklijk besluit van 23 december 1994 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 30 december

1994) (bekrachtigd bij de wet van 15 oktober 1998 - Belgisch Staatsblad van

24 november 1998).

- Wet van 4 april 1995 houdende fiscale en financiële bepalingen (Belgisch

Staatsblad van 23 mei 1995) (bekrachtiging van de koninklijke besluiten van

7 maart 1994 en 20 juni 1994 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over

de toegevoegde waarde).

- Koninklijk besluit van 7 augustus 1995 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 25 augustus 1995)

(bekrachtigd bij de wet van 15 oktober 1998 - Belgisch Staatsblad van

24 november 1998).

- Koninklijk besluit van 22 december 1995 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 30 december

1995) (bekrachtigd bij de wet van 15 oktober 1998 - Belgisch Staatsblad van

24 november 1998).

- Koninklijk besluit van 10 november 1996 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 14 december

1996) (bekrachtigd bij de wet van 15 oktober 1998 - Belgisch Staatsblad van

24 november 1998).

- Wet van 12 december 1996 tot wijziging van de wet van 4 december 1990 op de

financiële transacties en de financiële markten, artikel 2075 van het Burgerlijk

wetboek, artikel 2 van Titel VI, Boek I, van het Wetboek van Koophandel,

artikel 22 van de wet van 10 juni 1964 op het openbaar aantrekken van

spaargelden, artikel 44 van het Btw-Wetboek en artikel 265 van het Wetboek van

de Inkomstenbelastingen 1992 (Belgisch Staatsblad van 14 februari 1997).

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

VII "WETGEVING"

- Koninklijk besluit van 27 mei 1997 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde, met toepassing van de artikelen 2, § 1, en

3, § 1, 2° en 3°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de

budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische

en Monetaire Unie (Belgisch Staatsblad van 31 mei 1997) (bekrachtigd bij de

wet van 12 december 1997 - Belgisch Staatsblad van 18 december 1997).

- Faillissementswet van 8 augustus 1997 (Belgisch Staatsblad van 28 oktober

1997).

- Wet van 12 december 1997 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten

genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van

de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese

Economische en Monetaire Unie,en van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering

van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke

pensioenstelsels (Belgisch Staatsblad van 18 december 1997) (bekrachtiging van

het koninklijk besluit van 27 mei 1997 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde.

- Wet van 7 januari 1998 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 10 februari 1998).

- Wet van 15 oktober 1998 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 24 november 1998) (bekrachtiging

van de koninklijke besluiten van 23 december 1994, 7 augustus 1995,

22 december 1995 en 10 november 1996 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde, en van de koninklijke besluiten van

23 december 1994, 20 oktober 1995, 1 december 1995 en 27 september 1996 tot

wijziging van het koninklijk besluit nr. 20).

- Wet van 30 oktober 1998 betreffende de euro (Belgisch Staatsblad van

10 november 1998) (vaststelling datum van inwerkingtreding: koninklijk besluit

van 18 november 1998 - Belgisch Staatsblad van 28 november 1998).

- Wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen

(Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999).

- Wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken

(Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999).

- Koninklijk besluit van 8 oktober 1999 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 22 oktober 1999)

(bekrachtigd bij de programmawet van 5 augustus 2003 - Belgisch Staatsblad van

7 augustus 2003, 2 de editie).


"INLEIDING" VIII

- Koninklijk besluit van 28 december 1999 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december

1999, 3 de editie) (bekrachtigd bij de programmawet van 5 augustus 2003 -

Belgisch Staatsblad van 7 augustus 2003, 2 de editie).

- Koninklijk besluit van 28 december 1999 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december

1999, 3 de editie) (bekrachtigd bij de programmawet van 5 augustus 2003 -

Belgisch Staatsblad van 7 augustus 2003, 2 de editie).

- Koninklijk besluit van 30 december 1999 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december

1999, 3 de editie) (bekrachtigd bij de programmawet van 5 augustus 2003 -

Belgisch Staatsblad van 7 augustus 2003, 2 de editie).

- Koninklijk besluit van 20 juli 2000 houdende uitvoering van de wet van 26 juni

2000 betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft

op aangelegenheden zoals bedoeld in artikel 78 van de Grondwet en die

ressorteert onder het Ministerie van Financiën (Belgisch Staatsblad van

30 augustus 2000, 1 ste editie) (bekrachtigd bij de wet van 20 juni 2002 - Belgisch

Staatsblad van 20 juli 2002, 2 de editie).

- Wet van 5 september 2001 tot wijziging van artikel 53octies van het Wetboek van

de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 13 oktober

2001).

- Wet van 10 december 2001 tot wijziging van verscheidene belastingwetboeken,

wat de voorziening in cassatie betreft en de vertegenwoordiging van de Staat voor

de hoven en rechtbanken (Belgisch Staatsblad van 22 december 2001, 1 ste editie).

- Wet van 7 maart 2002 tot wijziging van de artikelen 50, 51, 51bis, 53quater,

53quinquies, 53sexies, 55 en 61 van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 13 maart 2002, 3 de editie).

- Wet van 13 maart 2002 met het oog op het ter beschikking stellen van de federale

politie van ambtenaren van de fiscale administraties (Belgisch Staatsblad van

29 maart 2002, 1 ste editie).

- Wet van 20 juni 2002 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten van 20 juli

2000 houdende uitvoering van de wet van 26 juni 2000 betreffende de invoering

van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden als bedoeld

in artikel 78 van de Grondwet en tot wijziging van het koninklijk besluit van

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

IX "WETGEVING"

20 juli 2000 houdende uitvoering van de wet van 26 juni 2000 betreffende de

invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden

zoals bedoeld in artikel 78 van de Grondwet en die ressorteert onder het

Ministerie van financiën (Belgisch Staatsblad van 20 juli 2002, 2 de editie)

- Programmawet van 2 augustus 2002 (Belgisch Staatsblad van 29 augustus 2002,

2 de editie).

- Wet van 20 december 2002 houdende wijziging van de artikelen 53quater,

53quinquies, 53sexies en 55 van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december 2002, 3 de editie).

- Programmawet van 24 december 2002 (Belgisch Staatsblad van 31 december

2002, 1 ste editie).

- Koninklijk besluit van 31 maart 2003 houdende invoering van een elektronisch

systeem van notificaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën en

sommige ministeriële officieren, openbare ambtenaren en andere personen

(Belgisch Staatsblad van 23 april 2003) (bekrachtigd bij de programmawet van

22 december 2003 - Belgisch Staatsblad van 31 december 2003, 1 ste editie).

- Wet van 22 april 2003 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 13 mei 2003).

- Wet van 22 april 2003 tot wijziging van artikel 63bis van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 13 mei 2003).

- Programmawet van 5 augustus 2003 (Belgisch Staatsblad van 7 augustus 2003,

2 de editie) (bekrachtiging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1999, van de

koninklijke besluiten van 28 december 1999 en van het koninklijk besluit van

30 december 1999 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde en van de koninklijke besluiten van 25 maart 1998, 30 maart

1998, 5 oktober 1998, 26 april 1999, 30 december 1999, 18 januari 2000,

20 september 2000, 19 december 2002, 27 december 2002, 22 april 2003 en 7 juli

2003 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20).

- Programmawet van 22 december 2003 (Belgisch Staatsblad van 31 december

2003, 1 ste editie) (bekrachtiging van het koninklijk besluit van 31 maart 2003

houdende invoering van een elektronisch systeem van notificaties tussen de

Federale Overheidsdienst Financiën en sommige ministeriële officieren, openbare

ambtenaren en andere personen en van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot

wijziging van het koninklijk besluit nr. 20).


"INLEIDING" X

- Wet van 28 januari 2004 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 10 februari 2004, 2 de editie).

- Wet van 17 juni 2004 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 28 juni 2004, 2 de editie).

- Wet van 5 december 2004 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 22 december 2004, 1 ste editie).

- Programmawet van 27 december 2004 (Belgisch Staatsblad van 31 december

2004, 2 de editie).

- Wet van 7 april 2005 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 4 van

29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake de belasting over de

toegevoegde waarde, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde, de faillissementswet van 8 augustus 1997 en het Wetboek van de

inkomstenbelasting 1992, strekkende tot een rechtvaardiger fiscale behandeling

van de schuldeisers in het kader van een gerechtelijk akkoord of faillissement

(Belgisch Staatsblad van 20 april 2005, 2 de editie).

- Programmawet van 11 juli 2005 (Belgisch Staatsblad van 12 juli 2005, 2 de editie).

- Wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde en het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, teneinde

in te gaan tegen de organisatie van onvermogen in het kader van bedrieglijke

overdracht van een geheel van goederen (Belgisch Staatsblad van 9 september

2005).

- Programmawet van 27 december 2005 (Belgisch Staatsblad van 30 december

2005, 2 de editie).

- Wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen (Belgisch Staatsblad

van 30 december 2005, 2 de editie).

- Koninklijk besluit van 6 juli 2006 tot wijziging van het Wetboek van de belasting

over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 17 juli 2006) (bekrachtigd

bij de programmawet van 27 december 2006 - Belgisch Staatsblad van

28 december 2006, 3 de editie).

- Programmawet van 20 juli 2006 (Belgisch Staatsblad van 28 juli 2006, 2 de editie).

- Wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen (Belgisch Staatsblad van

28 juli 2006, 2 de editie).

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

XI "WETGEVING"

- Wet van 7 december 2006 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 22 december 2006, 2 de editie).

- Koninklijk besluit van 21 december 2006 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 5 januari 2007)

(bekrachtigd bij de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (I) -

Belgisch Staatsblad van 16 juni 2008, 2 de editie).

- Programmawet (I) van 27 december 2006 (Belgisch Staatsblad van 28 december

2006, 3 de editie) (bekrachtiging van het koninklijk besluit van 6 juli 2006 tot

wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en van

de koninklijke besluiten van 14 januari 2004, 24 augustus 2005 en 19 januari 2006

tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20).

- Wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) (Belgisch Staatsblad

van 28 december 2006, 3 de editie).

- Koninklijk besluit van 25 februari 2007 houdende de ontwikkeling van het

elektronisch systeem van notificaties tussen de Federale Overheidsdienst

Financiën en sommige ministeriële officieren, openbare ambtenaren en andere

personen (Belgisch Staatsblad van 28 februari 2007, 2 de editie).

- Wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III) (Belgisch Staatsblad van

14 maart 2007).

- Wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV) (Belgisch Staatsblad van

8 mei 2007, 3 de editie).

- Programmawet van 27 april 2007 (Belgisch Staatsblad van 8 mei 2007, 3 de editie

en 23 mei 2007 - erratum).

- Wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (I) (Belgisch Staatsblad van

16 juni 2008, 2 de editie) (bekrachtiging van het koninklijk besluit van

21 december 2006 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde).

- Wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I) (Belgisch Staatsblad van

7 augustus 2008).

- Koninklijk besluit van 12 oktober 2008 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 21 oktober 2008,

2 de editie) (bekrachtigd bij de wet van 22 december 2009 houdende fiscale en

diverse bepalingen - Belgisch Staatsblad van 31 december 2009, 2 de editie).


"INLEIDING" XII

- Programmawet van 22 december 2008 (Belgisch Staatsblad van 29 december

2008, 4 de editie).

- Economische Herstelwet van 27 maart 2009 (Belgisch Staatsblad van 7 april

2009, 1 ste editie) (bekrachtiging van het koninklijk besluit van 10 februari 2009 tot

wijziging van het koninklijk besluit nr. 20).

- Wet van 1 april 2009 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 22 april 2009, 2 de editie).

- Wet van 31 juli 2009 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 6 augustus 2009).

- Wet van 26 november 2009 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over

de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 4 december 2009 en 7 mei 2010,

1 ste editie - errata).

- Wet van 22 december 2009 houdende fiscale en diverse bepalingen (Belgisch

Staatsblad van 31 december 2009, 2 de editie) (bekrachtiging van het koninklijk

besluit van 12 oktober 2008 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over

de toegevoegde waarde).

- Programmawet van 23 december 2009 (Belgisch Staatsblad van 30 december

2009, 1 ste editie).

- Wet van 19 mei 2010 houdende fiscale en diverse bepalingen (Belgisch

Staatsblad van 28 mei 2010, 2 de editie) (bekrachtiging van het koninklijk besluit

van 9 december 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20).

- Wet van 29 december 2010 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over

de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december 2010, 4 de editie en

26 januari 2011 - addendum).

- Wet van 5 april 2011 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 21 april 2011).

- Wet van 14 april 2011 houdende diverse bepalingen (Belgisch Staatsblad van

6 mei 2011, 1 ste editie).

(1 februari 2012)

Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen (Belgisch Staatsblad

van 30 december 2011, 4 de editie).


B. Koninklijke besluiten.

(1 februari 2012)

XIII "WETGEVING"

- Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor

de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad

van 31 december 1992, 4 de editie), gewijzigd bij de koninklijke besluiten van

27 januari 1994 (Belgisch Staatsblad van 12 februari 1994), 30 maart 1994

(Belgisch Staatsblad van 31 maart 1994, 2 de editie), vernietigd bij het arrest van

de Raad van State nr. 57.133 van 20 december 1995 (Belgisch Staatsblad van

9 maart 1996), 22 november 1994 (Belgisch Staatsblad van 1 december 1994),

5 december 1994 (Belgisch Staatsblad van 9 december 1994), 23 december 1994

(Belgisch Staatsblad van 30 december 1994), 9 november 1995 (Belgisch

Staatsblad van 29 november 1995), 25 februari 1996 (Belgisch Staatsblad van

5 maart 1996), 26 november 1998 (Belgisch Staatsblad van 1 december 1998,

2 de editie), 16 december 1998 (Belgisch Staatsblad van 24 december 1998,

2 de editie), 30 december 1999 (Belgisch Staatsblad van 31 december 1999,

3 de editie), 20 juli 2000 (Belgisch Staatsblad van 30 augustus 2000, 1 ste editie),

21 juni 2001 (Belgisch Staatsblad van 28 juni 2001), 5 september 2001 (Belgisch

Staatsblad van 18 september 2001), 19 december 2001 (Belgisch Staatsblad van

29 december 2001, 2 de editie), 6 februari 2002 (Belgisch Staatsblad van

15 februari 2002), 2 april 2002 (Belgisch Staatsblad van 16 april 2002, 2 de editie),

26 juni 2002 (Belgisch Staatsblad van 2 juli 2002, 2 de editie), 15 juli 2003

(Belgisch Staatsblad van 8 augustus 2003), 16 februari 2004 (Belgisch Staatsblad

van 27 februari 2004, 3 de editie), 23 augustus 2004 (Belgisch Staatsblad van

31 augustus 2004, 1 ste editie), 31 januari 2007 (Belgisch Staatsblad van 7 februari

2007), 21 april 2007 (Belgisch Staatsblad van 4 mei 2007), 17 mei 2007 (Belgisch

Staatsblad van 31 mei 2007, 2 de editie en 4 juli 2007, 2 de editie - erratum), 6 april

2008 (Belgisch Staatsblad van 11 april 2008), 9 december 2009 (Belgisch

Staatsblad van 17 december 2009, 2 de editie en 7 mei 2010, 1 ste editie - erratum),

15 december 2009 (Belgisch Staatsblad van 21 december 2009, 1 ste editie), 18

december 2009 (Belgisch Staatsblad van 24 december 2009, 1 ste editie en 7 mei

2010, 1 ste editie - errata), 10 januari 2010 (Belgisch Staatsblad van 18 januari

2010, 1 ste editie en 7 mei 2010, 1 ste editie - erratum), 19 december 2010 (Belgisch

Staatsblad van 24 december 2010) en 23 maart 2011 (Belgisch Staatsblad van

28 maart 2011).

- Koninklijk besluit nr. 2 van 7 november 1969 met betrekking tot de vaststelling

van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de belasting over de toegevoegde

waarde (Belgisch Staatsblad van 14 november 1969), gewijzigd bij de koninklijke

besluiten van 14 maart 1973 (Belgisch Staatsblad van 20 maart 1973),

3 november 1975 (Belgisch Staatsblad van 11 november 1975), 15 december

1975 (Belgisch Staatsblad van 23 december 1975), 24 februari 1978 (Belgisch

Staatsblad van 2 maart 1978), 9 november 1982 (Belgisch Staatsblad van

20 november 1982), 30 december 1986 (Belgisch Staatsblad van 10 januari 1987),


"INLEIDING" XIV

(1 februari 2012)

19 april 1991 (Belgisch Staatsblad van 30 april 1991), 29 december 1992

(Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4 de editie), 22 november 1994

(Belgisch Staatsblad van 1 december 1994, 20 juli 2000 (Belgisch Staatsblad van

30 augustus 2000, 1 ste editie), 5 september 2001 (Belgisch Staatsblad van

18 september 2001), 20 februari 2004 (Belgisch Staatsblad van 27 februari 2004,

3 de editie), 23 augustus 2004 (Belgisch Staatsblad van 31 augustus 2004,

1 ste editie) en 10 juni 2006 (Belgisch Staatsblad van 23 juni 2006, 1 ste editie).

- Koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de

aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

(Belgisch Staatsblad van 12 december 1969), gewijzigd bij de koninklijke

besluiten van 7 november 1975 (Belgisch Staatsblad van 25 november 1975),

31 maart 1978 (Belgisch Staatsblad van 11 april 1978), 17 oktober 1980 (Belgisch

Staatsblad van 30 oktober 1980), 19 april 1991 (Belgisch Staatsblad van 30 april

1991), 29 december 1992 (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4 de editie),

22 november 1994 (Belgisch Staatsblad van 1 december 1994), 23 december 1994

(Belgisch Staatsblad van 30 december 1994), 25 februari 1996 (Belgisch

Staatsblad van 5 maart 1996), 19 november 1996 (Belgisch Staatsblad van

14 december 1996), 5 september 2001 (Belgisch Staatsblad van 18 september

2001), 2 april 2002 (Belgisch Staatsblad van 16 april 2002, 2 de editie), 16 juni

2003 (Belgisch Staatsblad van 27 juni 2003, 4 de editie) en 20 februari 2004

(Belgisch Staatsblad van 27 februari 2004, 3 de editie), de koninklijke besluiten

van 21 april 2007 (Belgisch Staatsblad van 4 mei 2007), de programmawet van

27 april 2007 (Belgisch Staatsblad van 8 mei 2007, 3 de editie en 23 mei 2007 -

erratum) en de koninklijke besluiten van 17 mei 2007 (Belgisch Staatsblad van

30 mei 2007, 2 de editie), 9 december 2009 (Belgisch Staatsblad van 17 december

2009, 2 de editie), 19 december 2010 (Belgisch Staatsblad van 24 december 2010)

en 9 januari 2012 (Belgisch Staatsblad van 23 januari 2012).

- Koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven

inzake belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

31 december 1969), gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 september 1970

(Belgisch Staatsblad van 29 september 1970), 7 februari 1972 (Belgisch

Staatsblad van 30 mei 1972), 31 maart 1978 (Belgisch Staatsblad van 11 april

1978), 17 oktober 1980 (Belgisch Staatsblad van 30 oktober 1980), 29 december

1983 (Belgisch Staatsblad van 30 december 1983), 15 mei 1984 (Belgisch

Staatsblad van 31 mei 1984), 30 december 1986 (Belgisch Staatsblad van

10 januari 1987), 19 april 1991 (Belgisch Staatsblad van 30 april 1991),

17 september 1992 (Belgisch Staatsblad van 24 september 1992), 29 december

1992 (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4 de editie), 14 april 1993

(Belgisch Staatsblad van 30 april 1993), 22 november 1994 (Belgisch Staatsblad

van 1 december 1994), 25 februari 1996 (Belgisch Staatsblad van 5 maart 1996),


(1 februari 2012)

XV "WETGEVING"

20 juli 2000 (Belgisch Staatsblad van 30 augustus 2000, 1 ste editie), 16 juni 2003

(Belgisch Staatsblad van 27 juni 2003, 4 de editie), 15 juli 2003 (Belgisch

Staatsblad van 8 augustus 2003), 20 februari 2004 (Belgisch Staatsblad van

27 februari 2004, 3 de editie) en 1 september 2004 (Belgisch Staatsblad van

10 september 2004, 2 de editie), de wet van 7 april 2005 (Belgisch Staatsblad van

20 april 2005, 2 de editie), de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit

van de ondernemingen (Belgisch Staatsblad van 9 februari 2009) en de

koninklijke besluiten van 10 februari 2009 (Belgisch Staatsblad van 13 februari

2009, 2 de editie), 14 april 2009 (Belgisch Staatsblad van 17 april 2009, 2 de editie),

9 december 2009 (Belgisch Staatsblad van 17 december 2009, 2 de editie),

22 maart 2010 (Belgisch Staatsblad van 30 maart 2010), 23 maart 2011 (Belgisch

Staatsblad van 28 maart 2011) en 5 augustus 2011 (Belgisch Staatsblad van

11 augustus 2011).

- Koninklijk besluit nr. 5 van 27 december 1977 met betrekking tot de diensten die

verband houden met een uit zijn aard onroerend goed, inzake belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december 1977), gewijzigd bij

de koninklijke besluiten van 29 december 1992 (Belgisch Staatsblad van

31 december 1992, 4 de editie) en 20 december 2007 (Belgisch Staatsblad van

11 januari 2008, 1 ste editie) en opgeheven bij het koninklijk besluit van

9 december 2009 (Belgisch Staatsblad van 17 december 2009, 2 de editie).

- Koninklijk besluit nr. 6 van 27 december 1977 met betrekking tot de vrijstellingen

ten aanzien van internationaal vervoer, zee- en binnenschepen en luchtvaartuigen,

op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

31 december 1977), gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 december 1992

(Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4 de editie).

- Koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer

van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

(Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4 de editie), gewijzigd bij de

koninklijke besluiten van 20 juni 1994 (Belgisch Staatsblad van 20 juli 1994),

25 februari 1996 (Belgisch Staatsblad van 5 maart 1996), 19 november 1996

(Belgisch Staatsblad van 14 december 1996), 20 juli 2000 (Belgisch Staatsblad

van 30 augustus 2000, 1 ste editie), 20 september 2000 (Belgisch Staatsblad van

28 september 2000, 2 de editie), 2 april 2002 (Belgisch Staatsblad van 16 april

2002, 2 de editie), 20 februari 2004 (Belgisch Staatsblad van 27 februari 2004,

3 de editie), 1 september 2004 (Belgisch Staatsblad van 10 september 2004,

2 de editie), 6 april 2008 (Belgisch Staatsblad van 11 april 2008), 3 juli 2008

(Belgisch Staatsblad van 11 juli 2008, 2 de editie), 10 december 2008 (Belgisch

Staatsblad van 19 december 2008, 2 de editie en 30 januari 2009, 2 de editie -

errata), 9 december 2009 (Belgisch Staatsblad van 17 december 2009, 2 de editie)

en 22 december 2010 (Belgisch Staatsblad van 31 december 2010, 4 de editie).


"INLEIDING" XVI

- Koninklijk besluit nr. 8 van 12 maart 1970 tot vaststelling van de wijze van

afronding van de verschuldigde, de aftrekbare of de voor teruggaaf vatbare

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 18 maart 1970),

gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 december 1992 (Belgisch Staatsblad

van 31 december 1992, 4 de editie), 22 november 1994 (Belgisch Staatsblad van

1 december 1994), 26 november 1998 (Belgisch Staatsblad van 1 december 1998,

2 de editie), 20 juli 2000 (Belgisch Staatsblad van 30 augustus 2000, 1 ste editie) en

20 februari 2004 (Belgisch Staatsblad van 27 februari 2004, 3 de editie).

- Koninklijk besluit nr. 9 van 12 maart 1970 met betrekking tot de ambtelijke

aanslag inzake belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

18 maart 1970), gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 mei 1971 (Belgisch

Staatsblad van 26 mei 1971) en 29 december 1992 (Belgisch Staatsblad van

31 december 1992, 4 de editie).

- Koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 met betrekking tot de

uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 5, derde lid,

en 25ter, § 1, derde lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de

voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde

(Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4 de editie), gewijzigd bij de

koninklijke besluiten van 2 april 2002 (Belgisch Staatsblad van 16 april 2002,

2 de editie), 28 mei 2004 (Belgisch Staatsblad van 1 juni 2004, 2 de editie) en

1 september 2004 (Belgisch Staatsblad van 10 september 2004, 2 de editie), de

programmawet van 27 april 2007 (Belgisch Staatsblad van 8 mei 2007, 3 de editie)

en de koninklijke besluiten van 14 april 2009 (Belgisch Staatsblad van 17 april

2009, 2 de editie) en 9 december 2009 (Belgisch Staatsblad van 17 december 2009,

2 de editie).

- Koninklijk besluit nr. 11 van 29 december 1992 met betrekking tot de toepassing

van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

31 december 1992, 4 de editie), gewijzigd bij de koninklijke besluiten van

20 november 2000 (Belgisch Staatsblad van 9 januari 2001) en 17 mei 2007

(Belgisch Staatsblad van 31 mei 2007, 2 de editie).

- Koninklijk besluit nr. 12 van 3 juni 1970 met betrekking tot het houden van een

maakloonregister voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde

waarde (Belgisch Staatsblad van 5 juni 1970), gewijzigd bij de koninklijke

besluiten van 3 november 1975 (Belgisch Staatsblad van 11 november 1975),

8 maart 1978 (Belgisch Staatsblad van 14 maart 1978), 9 november 1982

(Belgisch Staatsblad van 20 november 1982) en opgeheven bij het koninklijk

besluit van 29 december 1992 (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992,

4 de editie).

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

XVII "WETGEVING"

- Koninklijk besluit nr. 13 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling

voor tabaksfabrikaten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde

(Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4 de editie), gewijzigd bij de

koninklijke besluiten van 8 oktober 1999 (Belgisch Staatsblad van 22 oktober

1999) en 27 maart 2003 (Belgisch Staatsblad van 4 april 2003, 1 ste editie).

- Koninklijk besluit nr. 14 van 3 juni 1970 met betrekking tot de vervreemdingen

van gebouwen, de vestigingen van een zakelijk recht op een gebouw en de

overdrachten en wederoverdrachten van dergelijk recht overeenkomstig het

bepaalde in artikel 8 of in artikel 44, § 3, 1°, a, tweede streepje, of b, tweede

streepje, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch

Staatsblad van 5 juni 1970), gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 31 maart

1978 (Belgisch Staatsblad van 11 april 1978), 17 oktober 1980 (Belgisch

Staatsblad van 30 oktober 1980), 29 december 1992 (Belgisch Staatsblad van

31 december 1992, 4 de editie), 16 juni 2003 (Belgisch Staatsblad van 27 juni

2003, 4 de editie) en 19 december 2010 (Belgisch Staatsblad van 24 december

2010).

- Koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970 tot regeling van de schattingsprocedure

waarin artikel 59, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde voorziet (Belgisch Staatsblad van 5 juni 1970), gewijzigd bij de

koninklijke besluiten van 20 september 1974 (Belgisch Staatsblad van 4 oktober

1974), 31 maart 1978 (Belgisch Staatsblad van 11 april 1978), 14 april 1993

(Belgisch Staatsblad van 30 april 1993), 20 december 2007 (Belgisch Staatsblad

van 11 januari 2008, 1 ste editie) en 19 december 2010 (Belgisch Staatsblad van

24 december 2010).

- Koninklijk besluit nr. 16 van 3 juni 1970 met betrekking tot de toepassing van de

belasting over de toegevoegde waarde inzake de verkoop van vis, schaal-, schelp-

en weekdieren in de gemeentelijke vismijn (Belgisch Staatsblad van 5 juni 1970),

gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 31 maart 1978 (Belgisch Staatsblad van

11 april 1978) en 14 april 1993 (Belgisch Staatsblad van 30 april 1993).

- Koninklijk besluit nr. 17 van 20 december 1984 met betrekking tot de

vaststelling van een minimummaatstaf van heffing voor tweedehandse

personenauto's en tweedehandse auto's voor dubbel gebruik, op het stuk van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 3 januari 1985),

gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 april 1991 (Belgisch Staatsblad van

30 april 1991), 17 november 1992 (Belgisch Staatsblad van 27 november 1992),

29 december 1992 (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4 de editie) en

opgeheven bij het koninklijk besluit van 1 juni 1993 (Belgisch Staatsblad van

4 juni 1993).


"INLEIDING" XVIII

- Koninklijk besluit nr. 18 van 29 december 1992 met betrekking tot de

vrijstellingen ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten naar een plaats

buiten de Gemeenschap, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde

(Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4 de editie), gewijzigd bij de

koninklijke besluiten van 22 november 1994 (Belgisch Staatsblad van 1 december

1994), 25 februari 1996 (Belgisch Staatsblad van 5 maart 1996), 20 juli 2000

(Belgisch Staatsblad van 30 augustus 2000, 1 ste editie), 24 augustus 2005

(Belgisch Staatsblad van 9 september 2005 en 27 september 2005 - erratum) en

9 december 2009 (Belgisch Staatsblad van 17 december 2009, 2 de editie).

- Koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingsregeling

bepaald door artikel 56, § 2, van het Wetboek van de belasting

over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen (Belgisch

Staatsblad van 31 december 1992, 4 de editie), gewijzigd bij de koninklijke

besluiten van 20 juli 2000 (Belgisch Staatsblad van 30 augustus 2000, 1 ste editie),

20 februari 2004 (Belgisch Staatsblad van 27 februari 2004, 3 de editie) en

1 september 2004 (Belgisch Staatsblad van 10 september 2004, 2 de editie), de

programmawet van 27 april 2007 (Belgisch Staatsblad van 8 mei 2007, 3 de editie)

en het koninklijk besluit van 12 juni 2008 (Belgisch Staatsblad van 20 juni 2008,

3 de editie).

- Koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de

belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de

diensten bij die tarieven (Belgisch Staatsblad van 31 juli 1970) (bekrachtigd bij de

wet van 27 mei 1971 - Belgisch Staatsblad van 20 oktober 1971), gewijzigd bij de

koninklijke besluiten van 29 december 1970 (Belgisch Staatsblad van

31 december 1970), 25 maart 1971 (Belgisch Staatsblad van 31 maart 1971),

28 oktober 1971 (Belgisch Staatsblad van 30 oktober 1971), 21 december 1971

(Belgisch Staatsblad van 24 december 1971), 11 augustus 1972 (Belgisch

Staatsblad van 19 augustus 1972), 7 december 1972 (Belgisch Staatsblad van

16 december 1972), 22 december 1973 (Belgisch Staatsblad van 29 december

1973), 31 juli 1974 (Belgisch Staatsblad van 13 augustus 1974), 26 september

1974 (Belgisch Staatsblad van 28 september 1974), 29 oktober 1974 (Belgisch

Staatsblad van 31 oktober 1974), 21 november 1974 (Belgisch Staatsblad van

22 november 1974), 20 januari 1975 (Belgisch Staatsblad van 28 januari 1975),

25 maart 1977 (Belgisch Staatsblad van 26 maart 1977), 10 oktober 1977

(Belgisch Staatsblad van 20 oktober 1977), 30 november 1977 (Belgisch

Staatsblad van 2 december 1977), 27 december 1977 (Belgisch Staatsblad van

31 december 1977), 19 april 1978 (Belgisch Staatsblad van 25 april 1978),

(besluiten bekrachtigd bij de wet van 4 augustus 1978 - Belgisch Staatsblad van

17 augustus 1978), 19 juli 1978 ("KB tot wijziging van het fiscaal stelsel van

tabak", Belgisch Staatsblad van 28 juli 1978), 27 juni 1980 (Belgisch Staatsblad

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

XIX "WETGEVING"

van 1 juli 1980), 26 september 1980 (Belgisch Staatsblad van 30 september

1980), 29 september 1980 (Belgisch Staatsblad van 7 oktober 1980), 10 november

1980 (Belgisch Staatsblad van 25 november 1980), 19 juni 1981 (Belgisch

Staatsblad van 24 juni 1981), 29 juli 1981 (Belgisch Staatsblad van 1 augustus

1981) (besluiten bekrachtigd bij de wet van 11 april 1983 - Belgisch Staatsblad

van 16 april 1983), 15 februari 1982, nr. 1 (Belgisch Staatsblad van 20 februari

1982), 15 februari 1982, nr. 9 (Belgisch Staatsblad van 20 februari 1982)

(besluiten bekrachtigd bij de wet van 1 juli 1983 - Belgisch Staatsblad van 9 juli

1983), 12 maart 1982 (Belgisch Staatsblad van 27 maart 1982), 29 september

1982 (Belgisch Staatsblad van 1 oktober 1982), 16 november 1982 (Belgisch

Staatsblad van 20 november 1982) (besluiten bekrachtigd bij de wet van 11 april

1983 - Belgisch Staatsblad van 16 april 1983), 23 december 1983 (Belgisch

Staatsblad van 29 december 1983), 29 december 1983 (Belgisch Staatsblad van

30 december 1983), 16 september 1985 (Belgisch Staatsblad van 27 september

1985), 23 april 1986 (Belgisch Staatsblad van 29 april 1986), 18 juli 1986

(Belgisch Staatsblad van 24 juli 1986) (besluiten bekrachtigd bij de wet van

30 december 1988 - Belgisch Staatsblad van 5 januari 1989), 20 december 1989

(Belgisch Staatsblad van 30 december 1989), 25 april 1990 (Belgisch Staatsblad

van 28 april 1990), 17 maart 1992 (Belgisch Staatsblad van 19 maart 1992),

28 maart 1992 (Belgisch Staatsblad van 31 maart 1992, 2 de editie) (besluiten

bekrachtigd bij de wet van 28 juli 1992 - Belgisch Staatsblad van 31 juli 1992),

29 juni 1992 (Belgisch Staatsblad van 2 juli 1992), 30 september 1992 (Belgisch

Staatsblad van 16 oktober 1992) (besluiten bekrachtigd bij de wet van

28 december 1992 - Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 3 de editie),

29 december 1992 (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4 de editie) (besluit

bekrachtigd bij de wet van 22 juli 1993 - Belgisch Staatsblad van 26 juli 1993),

24 juni 1993 (Belgisch Staatsblad van 1 juli 1993), 21 december 1993 (Belgisch

Staatsblad van 29 december 1993) (besluiten bekrachtigd bij de wet van 30 maart

1994 - Belgisch Staatsblad van 31 maart 1994, 2 de editie), 23 december 1994

(Belgisch Staatsblad van 30 december 1994), 20 oktober 1995 (Belgisch

Staatsblad van 31 oktober 1995), 1 december 1995 (Belgisch Staatsblad van

16 december 1995) en 27 september 1996 (Belgisch Staatsblad van 1 oktober

1996, 2 de editie) (besluiten bekrachtigd bij de wet van 15 oktober 1998 - Belgisch

Staatsblad van 24 november 1998), de wet van 20 januari 1998 (Belgisch

Staatsblad van 5 februari 1998), de koninklijke besluiten van 25 maart 1998

(Belgisch Staatsblad van 2 april 1998, 11 april 1998 en 8 mei 1998 - errata),

30 maart 1998 (Belgisch Staatsblad van 2 april 1998 en 11 april 1998 - erratum),

5 oktober 1998 (Belgisch Staatsblad van 16 oktober 1998 en 11 december 1998 -

erratum) en 26 april 1999 (Belgisch Staatsblad van 30 april 1999, 1 ste editie)

(besluiten bekrachtigd bij de programmawet van 5 augustus 2003 - Belgisch

Staatsblad van 7 augustus 2003, 2 de editie), de wet houdende diverse fiscale

bepalingen van 4 mei 1999 (Belgisch Staatsblad van 12 juni 1999, 1 ste editie), de


"INLEIDING" XX

(1 februari 2012)

koninklijke besluiten van 30 december 1999 (Belgisch Staatsblad van

31 december 1999, 3 de editie), 18 januari 2000 (Belgisch Staatsblad van 29 januari

2000), 20 september 2000 (Belgisch Staatsblad van 28 september 2000, 2 de editie

en 26 oktober 2000 - erratum), 19 december 2002 (Belgisch Staatsblad van

28 december 2002, 2 de editie), 27 december 2002 (Belgisch Staatsblad van

30 april 2003, 4 de editie), 22 april 2003 (Belgisch Staatsblad van 29 april 2003),

7 juli 2003 (Belgisch Staatsblad van 22 juli 2003, 3 de editie) (besluiten

bekrachtigd bij de programmawet van 5 augustus 2003 - Belgisch Staatsblad van

7 augustus 2003, 2 de editie), 11 juli 2003 (Belgisch Staatsblad van 24 juli 2003)

(besluit bekrachtigd bij de programmawet van 22 december 2003 - Belgisch

Staatsblad van 31 december 2003, 1 ste editie), 14 januari 2004 (Belgisch

Staatsblad van 19 januari 2004, 2 de editie), 24 augustus 2005 (Belgisch Staatsblad

van 9 september 2005) en 19 januari 2006 (Belgisch Staatsblad van 1 februari

2006 - 3 de editie) (besluiten bekrachtigd bij de programmawet van 27 december

2006 - Belgisch Staatsblad van 28 december 2006, 3 de editie), de programmawet

van 27 december 2006 (Belgisch Staatsblad van 28 december 2006 - 3 de editie),

de programmawet van 27 april 2007 (Belgisch Staatsblad van 8 mei 2007 -

3 de editie), de koninklijke besluiten van 10 februari 2009 (Belgisch Staatsblad van

13 februari 2009, 2 de editie) (bekrachtigd bij de Economische Herstelwet van

27 maart 2009 - Belgisch Staatsblad van 7 april 2009, 1 ste editie), 9 december

2009 (Belgisch Staatsblad van 14 december 2009, 2 de editie) (bekrachtigd bij de

wet van 19 mei 2010 houdende fiscale en diverse bepalingen - Belgisch Staatsblad

van 28 mei 2010, 2 de editie), 2 juni 2010 (Belgisch Staatsblad van 7 juni

2010, 1 ste editie), 17 november 2010 (Belgisch Staatsblad van 22 november 2010

en 21 december 2010, 3 de editie - erratum) en 19 december 2010 (Belgisch

Staatsblad van 24 december 2010), de programmawet van 4 juli 2011 (Belgisch

Staatsblad van 19 juli 2011) en de wet van 28 december 2011 houdende diverse

bepalingen (Belgisch Staatsblad van 30 december 2011, 4 de editie).

- Koninklijk besluit nr. 21 van 20 juli 1970 met betrekking tot de overgangsmaatregelen

getroffen ter uitvoering van artikel 99 van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 15 augustus

1970), gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 december 1970 (Belgisch

Staatsblad van 31 december 1970) en 26 maart 1971 (Belgisch Staatsblad van

31 maart 1971) - vervallen.

- Koninklijk besluit nr. 22 van 15 september 1970 met betrekking tot de bijzondere

regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde

waarde (Belgisch Staatsblad van 19 september 1970), gewijzigd bij de koninklijke

besluiten van 18 mei 1971 (Belgisch Staatsblad van 26 mei 1971), 11 juni 1971

(Belgisch Staatsblad van 18 juni 1971), 23 juli 1974 (Belgisch Staatsblad van

26 juli 1974), 31 maart 1978 (Belgisch Staatsblad van 11 april 1978), 17 oktober


(1 februari 2012)

XXI "WETGEVING"

1980 (Belgisch Staatsblad van 30 oktober 1980), 20 december 1984 (Belgisch

Staatsblad van 3 januari 1985 en 22 januari 1985 - errata), 30 december 1986

(Belgisch Staatsblad van 10 januari 1987), 14 april 1993 (Belgisch Staatsblad van

30 april 1993), 13 juli 2001 (Belgisch Staatsblad van 11 augustus 2001, 1 ste editie)

en 9 december 2009 (Belgisch Staatsblad van 17 december 2009, 2 de editie).

- Koninklijk besluit nr. 23 van 9 december 2009 met betrekking tot de jaarlijkse

lijst van de btw-belastingplichtige afnemers (Belgisch Staatsblad van

17 december 2009, 2 de editie).

- Koninklijk besluit nr. 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening

van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

31 december 1992, 4 de editie), gewijzigd bij de koninklijke besluiten van

22 november 1994 (Belgisch Staatsblad van 1 december 1994), 4 april 1995

(Belgisch Staatsblad van 21 april 1995), 12 november 1998 (Belgisch Staatsblad

van 4 december 1998, 1 ste editie), 26 november 1998 (Belgisch Staatsblad van

1 december 1998, 2 de editie), 20 juli 2000 (Belgisch Staatsblad van 30 augustus

2000, 1 ste editie), 13 juli 2001 (Belgisch Staatsblad van 11 augustus 2001,

1 ste editie), 27 maart 2003 (Belgisch Staatsblad van 4 april 2003, 1 ste editie),

15 juli 2003 (Belgisch Staatsblad van 8 augustus 2003), 20 februari 2004

(Belgisch Staatsblad van 27 februari 2004, 3 de editie) en 3 juli 2008 (Belgisch

Staatsblad van 11 juli 2008, 2 de editie).

- Koninklijk besluit nr. 25 van 13 november 1970 met betrekking tot de overgangsbepalingen

die vanaf de inwerkingtreding van de belasting over de

toegevoegde waarde van toepassing zijn op de vergunningen, vrijstellingen en

andere bijzondere regelingen verleend inzake met het zegel gelijkgestelde taksen

(Belgisch Staatsblad van 25 november 1970), opgeheven bij het koninklijk besluit

van 31 maart 1978 (Belgisch Staatsblad van 11 april 1978).

- Koninklijk besluit nr. 26 van 2 december 1970 met betrekking tot het

onderwerpen van de openbare instellingen aan de belasting over de toegevoegde

waarde (Belgisch Staatsblad van 5 december 1970), gewijzigd bij de koninklijke

besluiten van 16 juni 1975 (Belgisch Staatsblad van 26 juni 1975), 4 mei 1976

(Belgisch Staatsblad van 13 mei 1976), 19 april 1978 (Belgisch Staatsblad van

25 april 1978), 29 januari 1982 (Belgisch Staatsblad van 6 februari 1982),

4 december 1989 (Belgisch Staatsblad van 19 december 1989), 19 augustus 1992

(Belgisch Staatsblad van 27 augustus 1992 en 3 september 1992 - erratum),

5 april 1995 (Belgisch Staatsblad van 15 april 1995), 25 oktober 1995 (Belgisch

Staatsblad van 1 december 1995), 20 september 2000 (Belgisch Staatsblad van

28 september 2000, 2 de editie) en opgeheven bij het koninklijk besluit van

20 december 2007 (Belgisch Staatsblad van 11 januari 2008, 1 ste editie).


"INLEIDING" XXII

- Koninklijk besluit nr. 27 van 26 juni 1973 met betrekking tot de regeling voor de

voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van vlees

van slachtdieren (Belgisch Staatsblad van 30 juni 1973), gewijzigd bij het

koninklijk besluit van 11 augustus 1981 (Belgisch Staatsblad van 12 augustus

1981).

- Koninklijk besluit nr. 28 van 23 december 1970 met betrekking tot de controle

van het vervoer over de weg voor de toepassing van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 30 december 1970), gewijzigd bij

de koninklijke besluiten van 11 augustus 1972 (Belgisch Staatsblad van

19 augustus 1972), 24 september 1973 (Belgisch Staatsblad van 27 september

1973), 31 maart 1978 (Belgisch Staatsblad van 11 april 1978), 17 oktober 1980

(Belgisch Staatsblad van 30 oktober 1980) en opgeheven bij het koninklijk besluit

van 14 april 1993 (Belgisch Staatsblad van 30 april 1993).

- Koninklijk besluit nr. 29 van 23 december 1970 met betrekking tot het

verstrekken van een provisie door de belastingplichtigen op het stuk van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 30 december

1970), opgeheven bij het koninklijk besluit van 4 maart 1971 (Belgisch Staatsblad

van 12 maart 1971).

- Koninklijk besluit nr. 30 van 29 december 1992 met betrekking tot de toepassing

van de belasting over de toegevoegde waarde op de onroerende financieringshuur

(Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4 de editie), gewijzigd bij het

koninklijk besluit van 10 januari 2005 (Belgisch Staatsblad van 27 januari 2005,

1 ste editie).

- Koninklijk besluit nr. 31 van 2 april 2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten

van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de

handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen (Belgisch

Staatsblad van 11 april 2002, 1 ste editie en 4 december 2003, 1 ste editie - erratum),

gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 februari 2004 (Belgisch Staatsblad

van 27 februari 2004, 3 de editie), 21 april 2007 (Belgisch Staatsblad van 4 mei

2007), 14 april 2009 (Belgisch Staatsblad van 17 april 2009, 2 de editie),

9 december 2009 (Belgisch Staatsblad van 17 december 2009, 2 de editie) en

22 maart 2010 (Belgisch Staatsblad van 30 maart 2010).

- Koninklijk besluit nr. 32 van 14 november 1972 met betrekking tot de betaling

van de belasting over de toegevoegde waarde voor de handelingen verricht tijdens

het laatste aangiftetijdvak van het kalenderjaar (Belgisch Staatsblad van

22 november 1972), gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 augustus 1974

(Belgisch Staatsblad van 4 oktober 1974) en opgeheven bij het koninklijk besluit

nr 1 van 29 december 1992 (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992,

4 de editie).

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

XXIII "WETGEVING"

- Koninklijk besluit nr. 33 van 7 januari 1974 tot vaststelling van de afgifte- en

betalingsmodaliteiten van de schuldbrieven gecreëerd ter uitvoering van artikel

99, § 5, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde

(Belgisch Staatsblad van 11 januari 1974) - vervallen.

- Koninklijk besluit nr. 34 van 30 december 1976 met betrekking tot de aftrek van

de belasting over de toegevoegde waarde geheven op bedrijfsmiddelen tijdens de

periode van 1 oktober 1976 tot 31 december 1977 (Belgisch Staatsblad van

31 december 1976) - vervallen.

- Koninklijk besluit nr. 35 van 28 december 1999 tot invoering van een forfaitaire

maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde op de

winstmarge van reisbureaus (Belgisch Staatsblad van 31 december 1999,

3 de editie).

- Koninklijk besluit nr. 36 van 29 december 1977 met betrekking tot de aftrek van

de belasting over de toegevoegde waarde geheven op bedrijfsmiddelen tijdens het

jaar 1978 (Belgisch Staatsblad van 31 december 1977) - vervallen.

- Koninklijk besluit nr. 37 van 6 december 1978 met betrekking tot de aftrek van de

belasting over de toegevoegde waarde geheven op bedrijfsmiddelen tijdens het

jaar 1979 (Belgisch Staatsblad van 19 december 1978) - vervallen.

- Koninklijk besluit nr. 38 van 7 januari 1980 met betrekking tot de aftrek van de

belasting over de toegevoegde waarde geheven op bedrijfsmiddelen tijdens de

periode van 1 januari 1980 tot 30 juni 1980 (Belgisch Staatsblad van 10 januari

1980), gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 september 1980 (Belgisch

Staatsblad van 9 september 1980) - vervallen.

- Koninklijk besluit nr. 39 van 17 oktober 1980 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten

van artikel 93duodecies van het Wetboek van de belasting over

de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 30 oktober 1980), gewijzigd bij

het koninklijk besluit van 17 mei 2007 (Belgisch Staatsblad van 31 mei 2007,

2 de editie).

- Koninklijk besluit van 10 november 1980 tot invoering van een speciale taks op

luxeproducten (Belgisch Staatsblad van 25 november 1980), gewijzigd bij het

koninklijk besluit van 11 augustus 1981 (Belgisch Staatsblad van 12 augustus

1981) (koninklijke besluiten bekrachtigd bij de wet van 11 april 1983 - Belgisch

Staatsblad van 16 april 1983) en opgeheven bij het koninklijk besluit van

17 maart 1992 (Belgisch Staatsblad van 19 maart 1992) (bekrachtigd bij de wet

van 28 juli 1992 - Belgisch Staatsblad van 31 juli 1992).


"INLEIDING" XXIV

- Koninklijk besluit nr. 40 van 30 december 1980 met betrekking tot de vervreemding

van gebouwen door beroepsoprichters overeenkomstig het bepaalde in

artikel 9, § 3, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 9 januari 1981) - vervallen.

- Koninklijk besluit van 30 december 1980 met betrekking tot de toepassing van de

wet van 24 december 1980 tot instelling van een bijzondere toelage voor de

bevordering van nieuwbouw en vernieuwbouw van woningen (Belgisch

Staatsblad van 9 januari 1981).

- Koninklijk besluit van 29 juli 1981 tot vaststelling van de datum van

inwerkingtreding van de artikelen 64 en 65 van de Programmawet 1981 van 2 juli

1981 (Belgisch Staatsblad van 20 augustus 1981).

- Koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van

de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 7 februari 1987), gewijzigd bij de

koninklijke besluiten van 6 juli 1989 (Belgisch Staatsblad van 14 juli 1989),

19 april 1991 (Belgisch Staatsblad van 30 april 1991), 21 oktober 1993 (Belgisch

Staatsblad van 28 oktober 1993), 30 maart 1994 (Belgisch Staatsblad van

31 maart 1994, 2 de editie), vernietigd bij het arrest van de Raad van State nr.

57.134 van 20 december 1995 (Belgisch Staatsblad van 9 maart 1996), 25 februari

1996 (Belgisch Staatsblad van 5 maart 1996), 26 november 1998 (Belgisch

Staatsblad van 1 december 1998, 2 de editie), 20 juli 2000 (Belgisch Staatsblad van

30 augustus 2000, 1 ste editie), 13 juli 2001 (Belgisch Staatsblad van 11 augustus

2001, 1 ste editie) en 21 december 2006 (Belgisch Staatsblad van 29 december

2006, 6 de editie).

- Koninklijk besluit nr. 42 van 29 december 1992 tot vaststelling van de toe te

passen wisselkoers indien gegevens voor het bepalen van de maatstaf van heffing

van de belasting over de toegevoegde waarde voor handelingen andere dan de

invoeren van goederen, zijn uitgedrukt in een vreemde munteenheid (Belgisch

Staatsblad van 31 december 1992, 4 de editie), gewijzigd bij de koninklijke

besluiten van 26 november 1998 (Belgisch Staatsblad van 1 december 1998,

2 de editie) en 15 juli 2003 (Belgisch Staatsblad van 8 augustus 2003).

- Koninklijk besluit nr. 43 van 5 juli 1991 met betrekking tot de vrijstelling op het

stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de door

zelfstandige groeperingen van personen aan hun leden verleende diensten

(Belgisch Staatsblad van 6 augustus 1991), gewijzigd bij het koninklijk besluit

van 29 december 1992 (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4 de editie).

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

XXV "WETGEVING"

- Koninklijk besluit nr. 44 van 21 oktober 1993 tot vaststelling van het bedrag van

de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 28 oktober 1993), gewijzigd bij de

koninklijke besluiten van 30 maart 1994 (Belgisch Staatsblad van 31 maart 1994,

2 de editie), vernietigd bij het arrest van de Raad van State nr. 57.134 van

20 december 1995 (Belgisch Staatsblad van 9 maart 1996), 1 september 1995

(Belgisch Staatsblad van 9 september 1995), 25 februari 1996 (Belgisch

Staatsblad van 5 maart 1996), 26 november 1998 (Belgisch Staatsblad van

1 december 1998, 2 de editie) en 20 juli 2000 (Belgisch Staatsblad van 30 augustus

2000, 1 ste editie).

- Koninklijk besluit nr. 45 van 14 april 1993 met betrekking tot de vrijstelling op

het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de kans- en

geldspelen (Belgisch Staatsblad van 30 april 1993).

- Koninklijk besluit nr. 46 van 29 december 1992 tot regeling van de aangifte van

de intracommunautaire verwerving van vervoermiddelen en van de betaling van

de ter zake verschuldigde btw (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992,

4 de editie), gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 november 1994 (Belgisch

Staatsblad van 1 december 1994), 11 maart 1999 (Belgisch Staatsblad van

23 maart 1999), 20 februari 2004 (Belgisch Staatsblad van 27 februari 2004,

3 de editie) en 24 augustus 2005 (Belgisch Staatsblad van 9 september 2005).

- Koninklijk besluit nr. 47 van 25 februari 1996 tot regeling van de controle van de

voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd ter zake

van de levering, intracommunautaire verwerving en invoer van vervoermiddelen,

in de zin van artikel 8bis, § 2, 1°, van het Wetboek (Belgisch Staatsblad van

5 maart 1996), gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 mei 2003 (Belgisch

Staatsblad van 12 mei 2003, 1 ste editie), 20 februari 2004 (Belgisch Staatsblad

van 27 februari 2004, 3 de editie), 1 september 2004 (Belgisch Staatsblad van

10 september 2004, 2 de editie) en 24 augustus 2005 (Belgisch Staatsblad van

9 september 2005), de programmawet van 27 april 2007 (Belgisch Staatsblad van

8 mei 2007, 3 de editie) en het koninklijk besluit van 23 maart 2011 (Belgisch

Staatsblad van 28 maart 2011).

- Koninklijk besluit nr. 48 van 29 december 1992 met betrekking tot de levering

van vervoermiddelen in de zin van artikel 8bis, § 2, 1°, van het Wetboek, verricht

binnen de voorwaarden van artikel 39bis van het Wetboek (Belgisch Staatsblad

van 31 december 1992, 4 de editie), gewijzigd bij de koninklijke besluiten van

22 november 1994 (Belgisch Staatsblad van 1 december 1994), 25 februari 1996

(Belgisch Staatsblad van 5 maart 1996), 16 juni 2003 (Belgisch Staatsblad van

27 juni 2003, 4 de editie), 20 februari 2004 (Belgisch Staatsblad van 27 februari


"INLEIDING" XXVI

(1 februari 2012)

2004, 3 de editie), 24 augustus 2005 (Belgisch Staatsblad van 9 september 2005) en

21 februari 2010 (Belgisch Staatsblad van 26 februari 2010, 2 de editie en 7 mei

2010, 1 ste editie - errata).

- Koninklijk besluit nr. 49 van 29 december 1992 met betrekking tot de

vrijstellingen ten aanzien van de leveringen van goederen door de taksvrije

verkooppunten, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde

(Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4 de editie), gewijzigd bij het

koninklijk besluit van 20 juni 1994 (Belgisch Staatsblad van 20 juli 1994) en

opgeheven bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1999 (Belgisch Staatsblad van

22 oktober 1999).

- Koninklijk besluit nr. 50 van 9 december 2009 met betrekking tot de btw-opgave

van de intracommunautaire handelingen (Belgisch Staatsblad van 17 december

2009, 2 de editie).

- Koninklijk besluit nr. 51 van 14 april 1993 met betrekking tot de vereenvoudigingsregeling

voor intracommunautaire verwervingen van accijnsproducten

op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

30 april 1993), gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 juni 2003 (Belgisch

Staatsblad van 27 juni 2003, 4 de editie).

- Koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen

betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee

gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire verwervingen

van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde

(Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4 de editie).

- Koninklijk besluit nr. 53 van 23 december 1994 met betrekking tot de bijzondere

regeling van belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen,

voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten (Belgisch Staatsblad

van 30 december 1994), gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 februari

2004 (Belgisch Staatsblad van 27 februari 2004, 3 de editie).

- Koninklijk besluit nr. 54 van 25 februari 1996 met betrekking tot de andere

regeling van entrepot dan douane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het

Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

5 maart 1996), gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 december 1998

(Belgisch Staatsblad van 29 december 1998, 2 de editie), 8 oktober 1999 (Belgisch

Staatsblad van 22 oktober 1999), 20 december 2001 (Belgisch Staatsblad van

10 januari 2002), 1 april 2003 (Belgisch Staatsblad van 15 april 2003, 1 ste editie),

2 juni 2005 (Belgisch Staatsblad van 10 juni 2005), 31 oktober 2005 (Belgisch


(1 februari 2012)

XXVII "WETGEVING"

Staatsblad van 21 november 2005), 9 december 2009 (Belgisch Staatsblad van

17 december 2009, 2 de editie) en 2 juni 2010 (Belgisch Staatsblad van 7 juni

2010, 1 ste editie).

- Koninklijk besluit nr. 55 van 9 maart 2007 met betrekking tot de regeling voor

belastingplichtigen die een btw-eenheid vormen (Belgisch Staatsblad van

15 maart 2007).

- Koninklijk besluit van 7 juni 2007 tot uitvoering van de artikelen 84quinquies tot

84decies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch

Staatsblad van 21 juni 2007).

- Koninklijk besluit nr. 56 van 9 december 2009 met betrekking tot de teruggave

inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in

een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggave (Belgisch Staatsblad van

17 december 2009, 2 de editie en 7 mei 2010, 1 ste editie - errata), gewijzigd bij het

koninklijk besluit van 8 december 2010 (Belgisch Staatsblad van 16 december

2010).

- Koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de

voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet

voldoen (Belgisch Staatsblad van 31 december 2009, 3 de editie en 26 januari 2010

- errata).

- Koninklijk besluit nr. 57 van 17 maart 2010 met betrekking tot de plaats van

diensten in functie van hun werkelijke gebruik of hun werkelijke exploitatie

inzake belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 25 maart

2010).

C. Ministeriële besluiten.

- Ministerieel besluit nr. 1 van 2 september 1980 met betrekking tot de aftrekregeling

voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

(Belgisch Staatsblad van 9 september 1980) gewijzigd bij de ministeriële

besluiten van 4 maart 1993 (Belgisch Staatsblad van 20 april 1993) en

18 december 2001 (Belgisch Staatsblad van 25 december 2001).

- Ministerieel besluit nr. 2 van 21 december 2010 met betrekking tot de teruggaven

inzake belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

28 december 2010, 2 de editie).


"INLEIDING" XXVIII

- Ministerieel besluit nr. 3 van 24 november 1970 met betrekking tot de

maandelijkse voorschotten te voldoen door de belastingplichtigen die gehouden

zijn tot het indienen van kwartaalaangiften voor de toepassing van de belasting

over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 28 november 1970),

gewijzigd bij het ministerieel besluit van 31 maart 1978 (Belgisch Staatsblad van

11 april 1978) en opgeheven bij het ministerieel besluit van 4 maart 1993

(Belgisch Staatsblad van 20 april 1993).

- Ministerieel besluit nr. 4 van 9 december 1970 tot vaststelling van het forfaitair

tarief van de belasting over de toegevoegde waarde toepasselijk op de invoer van

goederen in kleine zendingen of in de bagage van reizigers (Belgisch Staatsblad

van 23 december 1970), gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 22 september

1972 (Belgische Staatsblad van 27 september 1972), 16 augustus 1973 (Belgisch

Staatsblad van 24 augustus 1973), 5 mei 1977 (Belgisch Staatsblad van 13 mei

1977) en opgeheven bij het ministerieel besluit van 31 maart 1978 (Belgisch

Staatsblad van 11 april 1978).

- Ministerieel besluit nr. 5 van 9 december 1970 met betrekking tot het gebruik in

sommige douanekantoren van een zegelmachine voor de voldoening van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 23 december

1970), gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 2 januari 1973 (Belgisch

Staatsblad van 18 januari 1973), 9 juli 1974 (Belgisch Staatsblad van 20 juli

1974), 26 juli 1976 (Belgisch Staatsblad van 10 augustus 1976), 21 maart 1977

(Belgisch Staatsblad van 25 maart 1977), 31 maart 1978 (Belgisch Staatsblad van

11 april 1978), 25 mei 1979 (Belgisch Staatsblad van 1 juni 1979), 6 januari 1981

(Belgisch Staatsblad van 13 januari 1981) en opgeheven bij het ministerieel

besluit van 30 juni 1984 (Belgisch Staatsblad van 13 juli 1984).

- Ministerieel besluit nr. 6 van 4 maart 1993 waarbij uitstel wordt verleend voor de

voldoening van de ter zake van de invoer van goederen verschuldigde belasting

over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 20 april 1993).

- Ministerieel besluit nr. 7 van 27 januari 1971 met betrekking tot de voldoening

van de belasting over de toegevoegde waarde inzake invoer (Belgisch Staatsblad

van 5 februari 1971), opgeheven bij het ministerieel besluit van 31 maart 1978

(Belgisch Staatsblad van 11 april 1978).

- Ministerieel besluit nr. 8 van 12 april 1972 met betrekking tot de vrijstelling van

de belasting over de toegevoegde waarde in het internationale reizigersverkeer

(Belgisch Staatsblad van 25 april 1972), opgeheven bij het ministerieel besluit van

24 juni 1972 (Belgisch Staatsblad van 1 juli 1972).

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

XXIX "WETGEVING"

- Ministerieel besluit nr. 9 van 22 februari 1999 met betrekking tot de teruggaaf aan

de belastingplichtigen van het creditsaldo van de ter voldoening van de belasting

over de toegevoegde waarde geopende rekening-courant (Belgisch Staatsblad van

30 maart 1999), opgeheven bij het ministerieel besluit van 15 april 2009 (Belgisch

Staatsblad van 17 april 2009, 2 de editie).

- Ministerieel besluit nr. 10 van 27 oktober 1972 met betrekking tot de vaststelling

van de datum van inwerkingtreding van de teruggaafprocedure van de belasting

over de toegevoegde waarde, bedoeld in de artikelen 9 tot 11 van het ministerieel

besluit nr. 9 van 25 april 1972 (Belgisch Staatsblad van 31 oktober 1972) -

vervallen.

- Ministerieel besluit nr. 11 van 3 november 1972 met betrekking tot de controle op

de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de

facturen betreffende oprichting van gebouwen (Belgisch Staatsblad van

11 november 1972).

- Ministerieel besluit nr. 12 van 28 augustus 1973 met betrekking tot de

automatische weegtoestellen te gebruiken in de slachthuizen voor de toepassing

van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

30 augustus 1973), gewijzigd bij het ministerieel besluit van 30 november 1981

(Belgisch Staatsblad van 10 december 1981).

- Ministerieel besluit van 14 april 1977 betreffende de invoer en de uitvoer over de

Belgisch-Nederlandse grens (Belgisch Staatsblad van 21 mei 1977), opgeheven

bij het ministerieel besluit van 4 maart 1993 (Belgisch Staatsblad van 20 april

1993).

- Ministerieel besluit van 25 mei 1977 betreffende de invoer en de uitvoer over de

Belgisch-Luxemburgse grens (Belgisch Staatsblad van 16 juni 1977), opgeheven

bij het ministerieel besluit van 4 maart 1993 (Belgisch Staatsblad van 20 april

1993).

- Ministerieel besluit nr. 13 van 4 maart 1993 met betrekking tot de verplichtingen

waartoe een belastingplichtige of een lid van een btw-eenheid in de zin van

artikel 4, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde,

eigenaar van een voor hypotheek vatbaar goed of van een gedeelte ervan of

houder van een zakelijk recht op een dergelijk goed of op een gedeelte ervan

gehouden is (Belgisch Staatsblad van 20 april 1993), gewijzigd bij het

ministerieel besluit van 29 mei 2007 (Belgisch Staatsblad van 6 juni 2007).


"INLEIDING" XXX

- Ministerieel besluit nr. 14 van 17 oktober 1980 met betrekking tot de inschrijving

van de wettelijke hypotheek tot zekerheid van de voldoening van de belasting

over de toegevoegde waarde, van de interesten en van de kosten verschuldigd aan

de Schatkist (Belgisch Staatsblad van 30 oktober 1980).

- Ministerieel besluit nr. 15 van 17 oktober 1980 tot bepaling van de modellen van

de berichten bedoeld in de artikelen 93ter en 93quinquies van het Wetboek van

de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 30 oktober

1980), gewijzigd bij het ministerieel besluit van 14 januari 1991 (Belgisch

Staatsblad van 28 februari 1991) en opgeheven bij het ministerieel besluit van

18 december 2001 (Belgisch Staatsblad van 25 december 2001).

- Ministerieel besluit nr. 16 van 29 september 1982 houdende vaststelling van de

bijzondere modaliteiten waarvan de toepassing van het verminderde tarief van de

belasting over de toegevoegde waarde voor brandstoffen geleverd en gefactureerd,

tussen 1 oktober 1982 en 30 juni 1983, aan landbouwondernemers, afhankelijk

wordt gesteld (Belgisch Staatsblad van 1 oktober 1982) - vervallen.

- Ministerieel besluit nr. 17 van 9 februari 1984 tot regeling van de vrijstellingen bij

de invoer van goederen bedoeld in lijst I, A, gevoegd bij het koninklijk besluit nr.

7 van 27 december 1977 met betrekking tot de invoer van goederen voor de

toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

25 februari 1984), opgeheven bij het ministerieel besluit van 3 september 1984

(Belgisch Staatsblad van 15 september 1984).

- Ministerieel besluit nr. 18 van 30 juni 1984 met betrekking tot de opgave waarvan

gebruik wordt gemaakt bij invoer en bij uitvoer over de Belgisch-Luxemburgse

grens of de Belgisch-Nederlandse grens (Belgisch Staatsblad van 13 juli 1984),

gewijzigd bij het ministerieel besluit van 31 december 1987 (Belgisch Staatsblad

van 16 januari 1988) en opgeheven bij het ministerieel besluit van 4 maart 1993

(Belgisch Staatsblad van 20 april 1993).

- Ministerieel besluit nr. 19 van 10 januari 1987 met betrekking tot de maandelijkse

voorschotten te voldoen door de belastingplichtigen die gehouden zijn tot het

indienen van jaaraangiften voor de toepassing van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 13 januari 1987), opgeheven bij het

ministerieel besluit van 4 maart 1993 (Belgisch Staatsblad van 20 april 1993).

- Ministerieel besluit nr. 20 van 22 december 1995 tot vaststelling van de

bijzondere voorwaarden en modaliteiten voor de toepassing van het verlaagd

tarief van de belasting over de toegevoegde waarde van 12 pct. in de sector van de

sociale privé-woningen (Belgisch Staatsblad van 30 december 1995), gewijzigd

bij het ministerieel besluit van 8 februari 1996 (Belgisch Staatsblad van

15 februari 1996) - vervallen.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

XXXI "WETGEVING"

- Ministerieel besluit nr. 21 van 5 mei 1999 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten

van de rubrieken XXIIIbis en XXXV van tabel A van de bijlage bij

het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van

de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de

diensten bij die tarieven (Belgisch Staatsblad van 12 juni 1999), gewijzigd bij het

ministerieel besluit van 25 augustus 1999 (Belgisch Staatsblad van 28 augustus

1999) en opgeheven bij het koninklijk besluit van 20 september 2000 (Belgisch

Staatsblad van 28 september 2000, 2 de editie en 26 oktober 2000 - erratum).

- Ministerieel besluit van 18 december 2001 tot bepaling van het model der

berichten en kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 93ter en 93quinquies van

het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en de artikelen 433 en

435 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Belgisch Staatsblad van

25 december 2001), gewijzigd bij het ministerieel besluit van 14 mei 2003

(Belgisch Staatsblad van 20 mei 2003, 1 ste editie), opgeheven bij het ministerieel

besluit van 26 februari 2007 (Belgisch Staatsblad van 28 februari 2007, 2 de editie).

- Ministerieel besluit van 20 december 2001 met betrekking tot de diensten waar de

documenten bedoeld in de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2°, 53ter, 1°, 53quinquies

en 53sexies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde

moeten worden ingediend (Belgisch Staatsblad van 19 januari 2002), gewijzigd

bij de ministeriële besluiten van 23 juni 2008 (Belgisch Staatsblad van 2 juli

2008, 1 ste editie) en 14 december 2009 (Belgisch Staatsblad van 18 december

2009, 2 de editie).

- Ministerieel besluit van 14 mei 2003 met betrekking tot de aanduiding van de

dienst die belast wordt met het afleveren van de ontvangstmelding in het kader

van het systeem van elektronische notificaties tussen de Federale Overheidsdienst

Financiën en bepaalde ministeriële officiers, openbare ambtenaren en andere

personen (Belgisch Staatsblad van 20 mei 2003, 1 ste editie), opgeheven bij het

ministerieel besluit van 26 februari 2007 (Belgisch Staatsblad van 28 februari

2007, 2 de editie).

- Ministerieel besluit van 23 juni 2005 met betrekking tot de delegatie van de

bevoegde autoriteit inzake de administratieve samenwerking op het gebied van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 29 juli 2005,

2 de editie), gewijzigd bij het ministerieel besluit van 27 april 2010 (Belgisch

Staatsblad van 3 mei 2010, 2 de editie).

- Ministerieel besluit van 29 augustus 2006 tot aanduiding van de ambtenaar

bedoeld in artikel 62bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde en in artikel 318 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

(Belgisch Staatsblad van 5 september 2006, 1 ste editie).


"INLEIDING" XXXII

- Ministerieel besluit van 26 februari 2007 tot bepaling van het model der berichten

en kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 93ter en 93quinquies van het

Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en in de artikelen 433 en

435 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Belgisch Staatsblad van

28 februari 2007, 2 de editie), gewijzigd bij het ministerieel besluit van 29 mei

2007 (Belgisch Staatsblad van 6 juni 2007) en opgeheven bij het ministerieel

besluit van 28 oktober 2009 tot bepaling van het model der berichten en

kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 93ter en 93quinquies van het Wetboek

van de belasting over de toegevoegde waarde en in de artikelen 433 en 435 van

het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Belgisch Staatsblad van

13 november 2009).

- Ministerieel besluit van 26 februari 2007 met betrekking tot de aanduiding van de

dienst bevoegd voor het ontvangen van de berichten en het afleveren van de

ontvangstmeldingen in het kader van het systeem van elektronische notificaties

tussen de Federale Overheidsdienst Financiën en bepaalde ministeriële officiers,

openbare ambtenaren en andere personen (Belgisch Staatsblad van 28 februari

2007, 2 de editie).

- Ministerieel besluit van 27 juni 2007 tot aanwijzing van de gewestelijke directeurs

van de belasting over de toegevoegde waarde die in aanmerking komen om zitting

te hebben in de Beroepscommissie zoals bedoeld in artikel 84octies, § 2, van het

Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

9 juli 2007), opgeheven bij het ministerieel besluit van 9 oktober 2007 tot

vervanging van het ministerieel besluit van 27 juni 2007 tot aanwijzing van de

gewestelijke directeurs van de belasting over de toegevoegde waarde die in

aanmerking komen om zitting te hebben in de Beroepscommissie zoals bedoeld in

artikel 84octies, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde (Belgisch Staatsblad van 17 oktober 2007).

- Ministerieel besluit van 9 oktober 2007 tot vervanging van het ministerieel besluit

van 27 juni 2007 tot aanwijzing van de gewestelijke directeurs van de belasting

over de toegevoegde waarde die in aanmerking komen om zitting te hebben in de

Beroepscommissie zoals bedoeld in artikel 84octies, § 2, van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 17 oktober 2007),

opgeheven bij het ministerieel besluit van 28 november 2008 tot vervanging van

het ministerieel besluit van 9 oktober 2007 tot aanwijzing van de gewestelijke

directeurs van de belasting over de toegevoegde waarde die in aanmerking komen

om zitting te hebben in de Beroepscommissie zoals bedoeld in artikel 84octies,

§ 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch

Staatsblad van 3 april 2009).

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

XXXIII "WETGEVING"

- Ministerieel besluit van 28 november 2008 tot vervanging van het ministerieel

besluit van 9 oktober 2007 tot aanwijzing van de gewestelijke directeurs van de

belasting over de toegevoegde waarde die in aanmerking komen om zitting te

hebben in de Beroepscommissie zoals bedoeld in artikel 84octies, § 2, van het

Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

3 april 2009), opgeheven bij het ministerieel besluit van 4 juni 2009 tot

vervanging van het ministerieel besluit van 28 november 2008 tot aanwijzing van

de gewestelijke directeurs van de belasting over de toegevoegde waarde die in

aanmerking komen om zitting te hebben in de Beroepscommissie zoals bedoeld in

artikel 84octies, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde (Belgisch Staatsblad van 29 maart 2010, 1 ste editie).

- Ministerieel besluit van 4 juni 2009 tot vervanging van het ministerieel besluit van

28 november 2008 tot aanwijzing van de gewestelijke directeurs van de belasting

over de toegevoegde waarde die in aanmerking komen om zitting te hebben in de

Beroepscommissie zoals bedoeld in artikel 84octies, § 2, van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 29 maart 2010,

1 ste editie), opgeheven bij het ministerieel besluit van 18 augustus 2009 tot

vervanging van het ministerieel besluit van 4 juni 2009 tot aanwijzing van de

gewestelijke directeurs van de belasting over de toegevoegde waarde die in

aanmerking komen om zitting te hebben in de Beroepscommissie zoals bedoeld in

artikel 84octies, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde (Belgisch Staatsblad van 29 maart 2010, 1 ste editie).

- Ministerieel besluit van 18 augustus 2009 tot vervanging van het ministerieel

besluit van 4 juni 2009 tot aanwijzing van de gewestelijke directeurs van de

belasting over de toegevoegde waarde die in aanmerking komen om zitting te

hebben in de Beroepscommissie zoals bedoeld in artikel 84octies, § 2, van het

Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

29 maart 2010, 1 ste editie), opgeheven bij het ministerieel besluit van 25 maart

2011 tot vervanging van het ministerieel besluit van 18 augustus 2009 tot

aanwijzing van de gewestelijke directeurs van de belasting over de toegevoegde

waarde die in aanmerking komen om zitting te hebben in de Beroepscommissie

zoals bedoeld in artikel 84octies, § 2, van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 27 mei 2011, 3 de editie).

- Ministerieel besluit van 28 oktober 2009 tot bepaling van het model der berichten

en kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 93ter en 93quinquies van het

Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en in de artikelen 433 en

435 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Belgisch Staatsblad van

13 november 2009).


"INLEIDING" XXXIV

- Ministerieel besluit van 25 maart 2011 tot vervanging van het ministerieel besluit

van 18 augustus 2009 tot aanwijzing van de gewestelijke directeurs van de

belasting over de toegevoegde waarde die in aanmerking komen om zitting te

hebben in de Beroepscommissie zoals bedoeld in artikel 84octies, § 2, van het

Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

27 mei 2011, 3 de editie), opgeheven bij het ministerieel besluit van 25 oktober

2011 tot vervanging van het ministerieel besluit van 25 maart 2011 tot aanwijzing

van de gewestelijke directeurs van de belasting over de toegevoegde waarde die in

aanmerking komen om zitting te hebben in de Beroepscommissie zoals bedoeld in

artikel 84octies, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde (Belgisch Staatsblad van 19 januari 2012, 2 de editie).

- Ministerieel besluit van 25 oktober 2011 tot vervanging van het ministerieel

besluit van 25 maart 2011 tot aanwijzing van de gewestelijke directeurs van de

belasting over de toegevoegde waarde die in aanmerking komen om zitting te

hebben in de Beroepscommissie zoals bedoeld in artikel 84octies, § 2, van het

Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

19 januari 2012, 2 de editie).

(1 februari 2012)


I. Beknopte historiek

(1 februari 2012)

XXXV "INLEIDING"

INLEIDING

1. Met het zegel gelijkgestelde taksen. Nadelen van een cumulatief stelsel.

De met het zegel gelijkgestelde taksen werden afzonderlijk en cumulatief geheven bij

ieder van de rechtshandelingen waaruit een productie- en distributieketen bestond. Zij

maakten deel uit van de kostprijs van de goederen en de diensten, zodat in de eindprijs

daarvan het totaal van de opeengestapelde taksen - de belastingdruk - sterk schommelde

naargelang de doorlopen keten uit meer of minder rechtshandelingen was samengesteld.

Dergelijk cumulatief stelsel was niet neutraal want het beïnvloedde op kunstmatige

wijze de economische kringlopen. Om tot zo min mogelijk taksheffingen te komen

werden immers de kringlopen ingekort door integratie en uitschakeling van tussenhandelaars,

ten nadele van specialisatie en rationalisatie.

Het cumulatief stelsel was ook niet doorzichtig omdat niet precies kon worden berekend

hoeveel de gecumuleerde belastingdruk, schommelend naar gelang van de lengte van de

keten, in iedere schakel van die keten bedroeg. Voor het internationale handelsverkeer,

dat uit een fiscaal oogpunt wordt beheerst door het beginsel dat de belasting toekomt

aan het land van het verbruik, "bestemmingsbeginsel", vloeiden daaruit de navolgende

twee ernstige gevolgen voort.

Bij de invoer moesten de goederen niet enkel worden onderworpen aan de heffing van

de overdrachttaks die voor de transactie zelf gold, maar bovendien aan een compenserende

heffing gelijk aan de onderstelde belastingdruk op soortgelijke binnenlandse

goederen in de onderscheiden fasen van hun productie.

Bij de uitvoer konden de goederen slechts worden ontlast door middel van forfaitaire

teruggaven die, berekend op grond van gemiddelden, ondersteld werden de

belastingdruk te vertegenwoordigen die op die goederen rustte in de fase van hun

uitvoer.

Zowel in het ene als in het andere geval waren de toegepaste gemiddelde tarieven

ontoereikend of overdreven en konden ze tot protectionistische doeleinden dienen.


"INLEIDING" XXXVI

2. De gemeenschappelijke markt en de btw.

De voornaamste doelstelling van het Verdrag van Rome was de instelling, in het kader

van een economische unie, van een gemeenschappelijke markt waarin een gezonde

mededinging bestaat en waarvan de kenmerken analoog zijn aan die van een

binnenlandse markt.

Om die doelstelling te verwezenlijken op het stuk van de indirecte belastingen heeft de

Raad van Ministers van de Europese Gemeenschappen, inzonderheid op grond van de

artikelen 99 en 100 van het Verdrag, richtlijnen vastgesteld betreffende de harmonisatie

van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelastingen, waarvan de belangrijkste

dateren van 11 april 1967 (eerste richtlijn nr. 67/227/EEG van de Raad betreffende de

harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (P.B. nr. 71 van

14 april 1967, blz. 1301-1303) en tweede richtlijn nr. 67/228/EEG van de Raad

betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting -

Structuur en wijze van toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over

de toegevoegde waarde (P.B. nr. 71 van 14 april 1967, blz. 1303-1312).

Deze richtlijnen, die essentieel tot doel hebben de neutraliteit bij de mededinging te

verwezenlijken door de invoering van een neutraal en doorzichtig omzetbelastingstelsel,

en die verbindend zijn voor de lidstaten ten aanzien van de regelen die ze vaststellen:

- verbieden de toepassing van cumulatieve belastingstelsels en de daarmee gepaard

gaande compenserende heffingen bij de invoer en forfaitaire teruggaven bij de

uitvoer;

- vervangen de cumulatieve stelsels door een gemeenschappelijk stelsel van

belasting over de toegevoegde waarde;

- bepalen de voornaamste toepassingsmodaliteiten van dat stelsel maar laten

voorlopig aan de lidstaten een grote autonomie, onder meer bij de vaststelling van

tarieven en vrijstellingen.

Het is ter uitvoering van die richtlijnen dat op 1 januari 1971 de btw in België werd

ingevoerd door de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting

over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 17 juli 1969, blz. 7046 e.v.).

Terwijl de derde, vierde en vijfde richtlijn er uitsluitend toe strekten de datum van

inwerkingtreding van de twee richtlijnen van 11 april 1967 uit te stellen, maakt de zesde

richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie

van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel

van de belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (P.B. nr. L 145 van

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

XXXVII "INLEIDING"

13 juni 1977, blz. 1-40 en btw-revue nr. 30, blz. 263 e.v.) het mogelijk een nieuwe

belangrijke stap te zetten in de zin van de harmonisatie van de wetgevingen van de

lidstaten inzake omzetbelasting en derhalve in de zin van de gemeenschappelijke markt.

Met de zesde richtlijn wordt evenwel ook nog een tweede doel nagestreefd, en dit is niet

minder belangrijk het vastleggen van een uniforme grondslag die het mogelijk maakt de

eigen middelen van de Gemeenschappen te heffen voortkomende uit de belasting over

de toegevoegde waarde. Een besluit van de Raad, van 21 april 1970, betreffende de

vervanging van de financiële bijdragen van de lidstaten door eigen middelen van de

Gemeenschappen, heeft immers bepaald dat die eigen middelen onder meer de

ontvangsten uit de belasting over de toegevoegde waarde zullen omvatten, verkregen

door de toepassing van een gemeenschappelijk percentage op een grondslag welke op

uniforme wijze volgens communautaire voorschriften wordt vastgesteld.

Om die reden bevat deze zesde richtlijn, dit in tegenstelling tot wat het geval was met de

twee richtlijnen van 11 april 1967, een gedetailleerde reglementering op het stuk van de

basisbegrippen en van de basismechanismen van de belasting over de toegevoegde

waarde.

Deze zesde richtlijn werd een eerste keer in de Belgische wetgeving omgezet door de

wet van 27 december 1977 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde. (Belgisch Staatsblad van 30 december 1977, blz. 15582 e.v. en

btw-revue nr. 33, blz. 16 e.v.). Die wet is op 1 januari 1978 in werking getreden.

De zesde richtlijn werd een eerste keer gewijzigd door de tiende richtlijn nr. 84/

386/EEG van de Raad van 31 juli 1984 betreffende de harmonisatie van de

wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, tot wijziging van richtlijn 77/388/EEG

- Toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde op de verhuur van roerende

lichamelijke zaken (P.B. nr. L 208 van 3 augustus 1984, blz. 58). Deze richtlijn is in

werking getreden op l juli 1985 en wijzigt de zesde richtlijn wat de plaats van de

diensten betreft die strekken tot de verhuur van een lichamelijk roerend goed ander dan

een vervoermiddel. Deze richtlijn is in de Belgische wetgeving omgezet door artikel 46

van de wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen (Belgisch Staatsblad

van 29 december 1984, blz. 16192 e.v. en btw-revue nr. 68, blz. 277 e.v.).

De achtste richtlijn nr. 79/1072/EEG van de Raad van 6 december 1979, betreffende

de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Regeling

voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het

binnenland gevestigde belastingplichtigen (P.B. nr. L 331 van 27 december 1979,

blz. 11-19 en btw-revue nr. 44, blz. 122 e.v.), die in werking is getreden op 1 januari

1981, omschrijft de communautaire regels voor de teruggaaf van voorbelasting aan niet

in het binnenland, maar binnen één van de andere landen van de EEG gevestigde


"INLEIDING" XXXVIII

belastingplichtigen (z. aanschrijving nr. 6 van 10 maart 1981, btw-revue nr. 49, blz. 426

e.v.) terwijl de dertiende richtlijn nr. 86/560/EEG van de Raad van 17 november

1986 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake

omzetbelasting - Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde

waarde aan niet op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen

(P.B. nr. L 326 van 21 november 1986, blz. 40-41 en btw-revue nr. 75, blz. 95 e.v.), die

in werking is getreden op 1 januari 1988, de communautaire regels omschrijft voor de

teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet op het grondgebied van

de EEG gevestigde belastingplichtigen (z. aanschrijving nr. 4 van 24 februari 1988,

btw-revue nr. 81, blz. 215 e.v.).

Op 18 juli 1989 heeft de Raad de achttiende richtlijn nr. 89/465/EEG betreffende de

harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting aangenomen (P.B.

nr. L 226 van 3 augustus 1989, blz. 21-22 en btw-revue nr. 87, blz. 374 e.v.). Door deze

richtlijn worden een aantal afwijkingen bedoeld in artikel 28, lid 3, van de zesde

richtlijn 77/388/EEG ingetrokken. Deze richtlijn is in de Belgische wetgeving omgezet

door de wet van 20 juli 1990 houdende economische en fiscale bepalingen (Belgisch

Staatsblad van 1 augustus 1990, blz. 15082 e.v. en btw-revue nr. 91, blz. 291 e.v.). De

beschikkingen ter zake zijn opgenomen in artikel 10 van deze wet, dat uitwerking heeft

met ingang van 1 januari 1990.

De totstandkoming van de interne markt zoals gedefinieerd in artikel 8A van het

Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, vereist dat de

controles voor fiscale doeleinden aan de binnengrenzen voor elke handeling tussen de

lidstaten worden afgeschaft met ingang van 1 januari 1993.

De belastingheffing bij invoer en de ontheffing van belasting bij uitvoer mogen

bijgevolg alleen nog plaatsvinden bij handelingen met gebieden die zijn uitgesloten van

de werkingssfeer van de gemeenschappelijke regeling inzake de belasting over de

toegevoegde waarde.

Aan de voorwaarden voor de realisatie van de definitieve regeling - met belastingheffing

in de lidstaat van oorsprong - was op 31 december 1992 nog niet volledig

voldaan. Daarom werd met ingang van 1 januari 1993 een overgangsregeling ingesteld

waarbij de intracommunautaire handelingen die worden verricht door belastingplichtigen

- andere dan vrijgestelde belastingplichtigen - in principe moeten worden

belast in de lidstaat van bestemming op basis van de tarieven en voorwaarden van die

lidstaat.

Deze overgangsregeling werd opgenomen in de richtlijn nr. 91/680/EEG van de Raad

van 16 december 1991 tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van belasting

over de toegevoegde waarde en tot wijziging, met het oog op de afschaffing van de

fiscale grenzen, van richtlijn 77/388/EEG (P.B. nr. L 376 van 31 december 1991, blz. 1-

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

XXXIX "INLEIDING"

19 en btw-revue nr. 99, blz. 211 e.v.). De omzetting in de Belgische wetgeving

gebeurde door de wet van 28 december 1992 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde en het Wetboek van de registratie-, hypotheek-

en griffierechten (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, eerste editie, blz. 27577

e.v. en btw-revue nr. 103, blz. 293 e.v.).

De harmonisering van de tarieven maakt het voorwerp uit van de richtlijn nr. 92/

77/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 tot aanvulling van het gemeenschappelijk

stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging van richtlijn 77/

388/EEG (onderlinge aanpassing van de btw-tarieven) (P.B. nr. L 316 van 31 oktober

1992, blz. 1-4 en btw-revue nr. 102, blz. 134 e.v.). Hierin werd onder meer

overeengekomen dat de lidstaten met ingang van 1 januari 1993 een normaal tarief

toepassen dat tot en met 31 december 1996 niet lager mag zijn dan 15 pct. Daarnaast

kunnen de lidstaten één of twee verlaagde tarieven hanteren die niet lager mogen zijn

dan 5 pct. Deze richtlijn werd omgezet in de Belgische wetgeving door het koninklijk

besluit van 29 december 1992 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli

1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot

indeling van de goederen en diensten bij die tarieven (Belgisch Staatsblad van

31 december 1992, vierde editie, blz. 28198 e.v.).

De richtlijn nr. 92/111/EEG van de Raad van 14 december 1992 tot wijziging van

richtlijn 77/388/EEG en tot invoering van vereenvoudigingsmaatregelen op het gebied

van de belasting over de toegevoegde waarde voerde, zoals de titel reeds vermeldt, een

aantal vereenvoudigingen in om de toepassing van de overgangsregeling te

vergemakkelijken (o.a. inzake driehoeksverkeer). Om die reden werd ze de "eerste

bezemrichtlijn" genoemd (P.B. nr. L 384 van 30 december 1992, blz. 47-57 en btwrevue

nr. 102, blz. 143 e.v.). Deze richtlijn werd omgezet in de Belgische wetgeving

door het koninklijk besluit van 29 december 1992 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992,

vierde editie, blz. 27959 e.v. en btw-revue nr. 103, blz. 510 e.v.).

Op 14 februari 1994 heeft de richtlijn nr. 94/4/EG van de Raad (P.B. nr. L 60 van

3 maart 1994, blz. 14-15) de zesde richtlijn 77/388/EEG gewijzigd waardoor de grenzen

voor de belastingvrije aankopen tijdens intracommunautaire reizen werden verhoogd

met ingang van 1 april 1994. De omzetting van deze richtlijn in de Belgische wetgeving

gebeurde door het koninklijk besluit van 20 juni 1994 tot wijziging van het koninklijk

besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de

toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde en van het koninklijk besluit

nr. 49 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de

leveringen van goederen door de taksvrije verkooppunten, op het stuk van de belasting

over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 20 juli 1994, blz. 19011 e.v. en

btw-revue nr. 110, blz. 799 e.v.).


"INLEIDING" XL

De richtlijn nr. 94/5/EG van de Raad van 14 februari 1994 tot aanvulling van het

gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging

van richtlijn 77/388/EEG - Bijzondere regeling voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen,

voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten - voerde het stelsel van de

margeregeling in voor de hierboven opgesomde goederen (P.B. nr. L 60 van 3 maart

1994, blz. 16-24 en btw-revue nr. 109, blz. 508 e.v.) Deze richtlijn werd omgezet in de

Belgische wetgeving door het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot wijziging

van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, het koninklijk besluit

nr. 53 van 23 december 1994 met betrekking tot de bijzondere regeling van belastingheffing

over de winstmarge voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen

voor verzamelingen en antiquiteiten, het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot

wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de

tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen

en de diensten bij die tarieven en het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot

wijziging van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de

regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde en het

koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor

de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

30 december 1994, blz. 32464 e.v. en btw-revue nr. 112, blz. 9 e.v.). Deze besluiten zijn

in België in werking getreden op 1 januari 1995.

Met de toetreding van Finland, Oostenrijk en Zweden tot de Europese Unie is de zesde

richtlijn opnieuw gewijzigd door de richtlijn nr. 94/76/EG van de Raad van

22 december 1994 tot wijziging van richtlijn 77/388/EEG door de invoering van

overgangsmaatregelen op btw-gebied, in verband met de uitbreiding van de Europese

Unie op 1 januari 1995 (P.B. nr. L 365 van 31 december 1994, blz. 53-55). Deze

richtlijn werd omgezet in de Belgische wetgeving door het koninklijk besluit van

7 augustus 1995 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1995, met uitzondering van de

wijziging aan artikel 70, § 4, eerste lid, van het Btw-Wetboek die in werking treedt op

1 september 1995 (Belgisch Staatsblad van 25 augustus 1995, blz. 24285 e.v. en btwrevue

nr. 115, blz. 719 e.v.).

De richtlijn nr. 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995 tot wijziging van richtlijn 77/

388/EEG en tot invoering van nieuwe vereenvoudigingsmaatregelen op het gebied van

de belasting over de toegevoegde waarde - werkingssfeer en praktische regeling voor de

toepassing van bepaalde vrijstellingen, is de tweede bezemrichtlijn. Ze voert opnieuw

een aantal vereenvoudigingen in om de toepassing van de overgangsregeling te

vergemakkelijken (o.a. regeling btw-entrepot, nationaal vervoer samenhangend met een

intracommunautair goederenvervoer en maakloonwerk) (P.B. nr. L 102 van 5 mei 1995,

blz. 18-24 en btw-revue nr. 116, blz. 872 e.v.). Deze richtlijn werd omgezet in de

Belgische wetgeving door het koninklijk besluit van 22 december 1995 tot wijziging

van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

30 december 1995, blz. 35095 e.v. en btw-revue nr. 118, blz. 1137 e.v.).

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

XLI "INLEIDING"

De richtlijn nr. 96/42/EG van de Raad van 25 juni 1996 tot wijziging van richtlijn 77/

388/EEG betreffende het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de

toegevoegde waarde, heeft het de lidstaten mogelijk gemaakt een verlaagd tarief toe te

passen op leveringen van landbouwproducten van de sectoren bloementeelt en tuinbouw

alsmede van voor verbranding bestemd hout (P.B. nr. L 170 van 9 juli 1996, blz. 34 en

btw-revue nr. 122, blz. 487 e.v.). Deze richtlijn werd omgezet in de Belgische

wetgeving door het koninklijk besluit van 27 september 1996 tot wijziging van het

koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de

belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij

die tarieven (Belgisch Staatsblad van 1 oktober 1996, tweede editie, blz. 25374 en btwrevue

nr. 123, blz. 733 e.v.).

De richtlijn nr. 96/95/EG van de Raad van 20 december 1996 tot wijziging, wat de

hoogte van het normale btw-tarief betreft, van richtlijn 77/388/EEG betreffende het

gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde (P.B. nr. L 338

van 28 december 1996, blz. 89-90 en btw-revue nr. 127, blz. 259 e.v.) heeft de periode

gedurende dewelke het normale tarief niet lager mag zijn dan 15 pct. tot 31 december

1998 verlengd (de periode waarin de hierboven genoemde richtlijn nr. 92/77/EEG van

19 oktober 1992 voorzag, verstreek op 31 december 1996).

De Raad heeft daarenboven door een beschikking van 17 maart 1997, nr. 97/200/EEG

(P.B. nr. L 86 van 28 maart 1997, blz. 5-6 en btw-revue nr. 128, blz. 385 e.v.) België

gemachtigd een maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 9 van de zesde richtlijn

77/388/EEG wat de telecommunicatiediensten betreft. Alle andere lidstaten verkregen

eveneens een dergelijke machtiging. Deze beschikking werd omgezet in de Belgische

wetgeving door het koninklijk besluit van 27 mei 1997 tot wijziging van het Wetboek

van de belasting over de toegevoegde waarde, met toepassing van de artikelen 2, § 1, en

3, § 1, 2° en 3°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire

voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie

(Belgisch Staatsblad van 31 mei 1997, blz. 14460 e.v. en btw-revue nr. 129, blz. 549

e.v.).

De richtlijn nr. 98/80/EG van de Raad van 12 oktober 1998 tot aanvulling van het

gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging

van richtlijn 77/388/EEG - bijzondere regeling voor beleggingsgoud (P.B. nr. L 281 van

17 oktober 1998, blz. 31-34 en btw-revue nr. 140, blz. 3 e.v.) heeft een bijzonder

vrijstellingsstelsel ingevoerd voor transacties inzake beleggingsgoud, samen met een

specifiek en beperkt recht op aftrek van de voorbelasting. (De mogelijkheid om voor het

normale stelsel te opteren werd evenwel onder bepaalde voorwaarden opgenomen).

Deze richtlijn werd omgezet in de Belgische wetgeving door het koninklijk besluit van

30 december 1999 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde, het koninklijk besluit van 30 december 1999 tot wijziging van het koninklijk

besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening


"INLEIDING" XLII

van de belasting over de toegevoegde waarde en het koninklijk besluit van 30 december

1999 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van

de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de

goederen en diensten bij die tarieven. (Belgisch Staatsblad van 31 december 1999,

derde editie, blz. 50518 e.v.).

De richtlijn nr. 1999/49/EG van de Raad van 25 mei 1999 tot wijziging wat het

normale tarief betreft, van richtlijn 77/388/EEG betreffende het gemeenschappelijk

stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde (P.B. nr. L 139 van 2 juni 1999,

blz. 27-28 en btw-revue nr. 146, blz. 185 e.v.) heeft de periode, gedurende dewelke het

normale tarief niet lager mag zijn dan 15 pct. tot 31 december 2000 verlengd (de

periode was oorspronkelijk voorzien tot 31 december 1996 door de richtlijn nr. 92/

77/EEG van 19 oktober 1992 en werd reeds tot 31 december 1998 verlengd door de

richtlijn nr. 96/95/EG van 20 december 1996).

De richtlijn nr. 1999/59/EG van de Raad van 17 juni 1999 tot wijziging van de

richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de regeling inzake de belasting over de

toegevoegde waarde die van toepassing is op telecommunicatiediensten (P.B. nr. L 162

van 26 juni 1999, blz. 63-64 en btw-revue nr. 146, blz. 189 e.v.) heeft de afwijkende

maatregelen veralgemeend die werden ingevoerd door de beschikking nr. 97/200/EG

van 17 maart 1997 inzake de plaats van de dienstverrichting van telecommunicatiediensten

(zie hiervoor).

De definitie van telecommunicatiediensten wordt er gepreciseerd en deze dienstverrichtingen

worden toegevoegd aan artikel 9, lid 2, onder e), van de richtlijn 77/

388/EEG, waardoor de diensten aan de belasting onderworpen worden op de plaats van

de ontvanger. Aan artikel 9 werd bovendien een lid 4 toegevoegd, die het mogelijk

maakt om de telecommunicatiediensten, die worden verstrekt door een belastingplichtige

dienstverstrekker die buiten de Gemeenschap is gevestigd, aan nietbelastingplichtigen

die in de Gemeenschap zijn gevestigd, in het binnenland aan de

belasting te onderwerpen, als deze diensten daadwerkelijk in het binnenland worden

gebruikt en geëxploiteerd. Deze richtlijn werd omgezet in de Belgische wetgeving door

het koninklijk besluit van 28 december 1999 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december 1999,

derde editie, blz. 50503 e.v. en btw-revue nr. 151, blz. 395 e.v.).

In de richtlijn nr. 1999/85/EG van de Raad van 22 oktober 1999 tot wijziging van de

richtlijn 77/388/EEG wat de mogelijkheid betreft om bij wijze van experiment op

arbeidsintensieve diensten een verlaagd btw-tarief toe te passen (P.B. nr. L 277 van

28 oktober 1999, blz. 34-36 en btw-revue nr. 146, blz. 194 e.v.) wordt de lidstaten de

mogelijkheid gegeven om, gedurende een periode van maximaal drie jaar, een verlaagd

btw-tarief toe te passen op twee van de dienstencategorieën die opgenomen zijn in

bijlage K van de zesde btw-richtlijn.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

XLIII "INLEIDING"

Het doel van deze maatregel is de tewerkstelling aan te zwengelen door middel van een

verlaging van de van btw-tarieven van toepassing op arbeidsintensieve diensten.

Bijlage K voorziet in vijf dienstencategorieën:

- herstelling van fietsen, van schoeisel en lederwaren en van kleding en

huishoudlinnen;

- renovatie en herstel van particuliere woningen (met uitzondering van materialen

die een beduidend deel vertegenwoordigen van de waarde van de verstrekte

diensten);

- glazenwassen en schoonmaken van particuliere woningen;

- thuiszorg;

- kappersdiensten.

België heeft geopteerd voor de twee hiernavolgende categorieën:

- herstelling van fietsen, van schoeisel en lederwaren en van kleding en huishoudlinnen;

- renovatie en herstel van particuliere woningen ouder dan vijf jaar, met

uitzondering van materialen die een beduidend deel vertegenwoordigen van de

waarde van de verstrekte diensten.

Bij beschikking nr. 2000/185/EG van 28 februari 2000, heeft de Raad België

gemachtigd om, bij wijze van experiment, van 1 januari 2000 tot 31 december 2002, een

verlaagd btw-tarief toe te passen op deze twee dienstencategorieën (P.B. nr. L 59 van

4 maart 2000, blz. 10-11).

De lidstaten die, bij wijze van experiment, gemachtigd werden een dergelijk verlaagd

btw-tarief toe te passen, dienen vóór 1 oktober 2002 een uitvoerig verslag op te stellen

inzake de evaluatie van de doeltreffendheid van de maatregel, met name uit het oogpunt

van de schepping van werkgelegenheid.

Deze richtlijn en deze beschikking werden omgezet in de Belgische wetgeving door het

koninklijk besluit van 18 januari 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van

20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde

waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (Belgisch

Staatsblad van 29 januari 2000, blz. 3024 e.v. en btw-revue nr. 151, blz. 423 e.v.).

Geconfronteerd met het fundamentele probleem van de onderlinge verschillen tussen de

betrokken lidstaten op het vlak van de fiscale verplichtingen (het al dan niet laten

erkennen van een fiscaal vertegenwoordiger, het eventueel storten van een borg…) en

met het feit dat er geen eenvormige toepassing is wat de hoedanigheid betreft van de tot

de voldoening van de btw gehouden persoon, hebben de communautaire instanties de


"INLEIDING" XLIV

richtlijn nr. 2000/65/EG van de Raad van 17 oktober 2000 aangenomen tot wijziging

van richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de bepaling van degene die tot voldoening

van de belasting over de toegevoegde waarde gehouden is (P.B. nr. L 269 van

21 oktober 2000, blz. 44-46 en btw-revue nr. 148, blz. 403 e.v.). Deze richtlijn bepaalt

dat vanaf 1 januari 2002 de aanstelling van een fiscaal vertegenwoordiger niet meer

geëist kan worden van Europese handelaars die belastbare handelingen stellen in een

andere lidstaat dan waar ze gevestigd zijn.

Deze richtlijn is de eerste belangrijke vereenvoudiging die gerealiseerd werd in het

kader van het SLIM-initiatief (Simpler Legislation for the Internal Market: eenvoudiger

regelgeving voor de interne markt). Deze richtlijn werd omgezet in de Belgische

wetgeving door de wet van 7 maart 2002 tot wijziging van de artikelen 50, 51, 51bis,

53quater, 53quinquies, 53sexies, 55 en 61 van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 13 maart 2002, derde editie, blz. 10635

e.v.), het koninklijk besluit nr. 31 van 2 april 2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten

van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de

handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen (Belgisch

Staatsblad van 11 april 2002, eerste editie, blz. 14838 e.v.) en het koninklijk besluit van

2 april 2002 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 3, 7, 10, 23 en 50 met

betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

16 april 2002, tweede editie, blz. 15440 e.v.).

De wet van 20 december 2002 houdende wijziging van de artikelen 53quater,

53quinquies, 53sexies en 55 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december 2002, derde editie, blz. 58950) alsook het

koninklijk besluit van 1 september 2004 tot wijziging van de koninklijke besluiten

nrs. 4, 7, 10, 19, 47 en 50 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde

(in het bijzonder de wijzigingen aan de koninklijke besluiten nrs. 4 en 47) (Belgisch

Staatsblad van 10 september 2004, tweede editie, blz. 66505 e.v.) betreffen eveneens de

omzetting van de voornoemde richtlijn nr. 2000/65/EG.

De richtlijn nr. 2001/41/EG van de Raad van 19 januari 2001 tot wijziging, wat betreft

de geldigheidsduur van de minimumhoogte van het normale tarief, van de zesde

richtlijn 77/388/EEG betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de

toegevoegde waarde (P.B. nr. L 22 van 24 januari 2001, blz. 17 en btw-revue nr. 149,

blz. 18 e.v.) heeft de periode, gedurende dewelke het normale tarief niet lager mag zijn

dan 15 pct. tot 31 december 2005 verlengd (de periode was oorspronkelijk voorzien tot

31 december 1996 door de richtlijn nr. 92/77/EEG van 19 oktober 1992 en werd reeds

tot 31 december 1998 verlengd door de richtlijn nr. 96/95/EG van 20 december 1996 en

tot 31 december 2000 door de richtlijn nr. 1999/49/EG van 25 mei 1999).

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

XLV "INLEIDING"

Voor een goede werking van de interne markt werd ten behoeve van de btw op

communautair vlak de richtlijn nr. 2001/115/EG van de Raad van 20 december 2001

tot wijziging van richtlijn 77/388/EEG met het oog op de vereenvoudiging,

modernisering en harmonisering van de ter zake van de facturering geldende

voorwaarden op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde aangenomen

(P.B. nr. L 15 van 17 januari 2002, blz. 24-28) teneinde een geharmoniseerde lijst vast

te stellen van verplichte vermeldingen die een factuur moet bevatten, alsmede een aantal

gemeenschappelijke voorwaarden voor elektronische facturering, elektronische opslag

van de facturen, eigenhandige facturering en uitbesteding van de factureringswerkzaamheden.

Deze richtlijn werd omgezet in de Belgische wetgeving door de wet van

28 januari 2004 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde (Belgisch Staatsblad van 10 februari 2004, tweede editie, blz. 7663 e.v.), het

koninklijk besluit van 16 februari 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 1 van

29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting

over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 27 februari 2004, derde editie,

blz. 11397 e.v.) en het koninklijk besluit van 20 februari 2004 tot wijziging van de

koninklijke besluiten nrs. 2, 3, 4, 7, 8, 19, 23, 24, 31, 46, 47, 48, 50 en 53 met

betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

27 februari 2004, derde editie, blz. 11406 e.v.).

De bepalingen inzake btw die van toepassing waren op radio- en televisieomroepdiensten

en op diensten die langs elektronische weg worden verricht, overeenkomstig

artikel 9 van de zesde richtlijn nr. 77/388/EEG waren ontoereikend om die diensten

waarvan binnen de Gemeenschap gebruik wordt gemaakt, op passende wijze te belasten

en concurrentieverstoringen op dat gebied te voorkomen. Voor de goede werking van de

interne markt hebben de communautaire instanties de richtlijn nr. 2002/38/EG van de

Raad van 7 mei 2002 tot wijziging, voor een gedeelte tijdelijk, van richtlijn 77/388/EEG

met betrekking tot de regeling inzake de belasting over de toegevoegde waarde die van

toepassing is op bepaalde diensten die langs elektronische weg worden verricht alsook

op radio- en televisieomroepdiensten, aangenomen (P.B. nr. L 128 van 15 mei 2002,

blz. 41-44). Deze richtlijn werd omgezet in de Belgische wetgeving door de wet van

22 april 2003 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde (Belgisch Staatsblad van 13 mei 2003, blz. 25516 e.v.) en door het koninklijk

besluit van 15 juli 2003 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 4, 24 en 42

met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

8 augustus 2003, blz. 40527 e.v.).

De richtlijn nr. 1999/85/EG heeft de lidstaten de mogelijkheid gegeven om bij wijze van

experiment een verlaagd btw-tarief toe te passen op arbeidsintensieve diensten

gedurende een periode van maximaal drie jaar tussen 1 januari 2000 en 31 december

2002. De richtlijn nr. 2002/92/EG van de Raad van 3 december 2002 tot wijziging van

richtlijn 77/388/EEG (P.B. nr. L 331 van 7 december 2002, blz. 27) verlengt de termijn

tijdens welke de lidstaten kunnen worden gemachtigd een verlaagd btw-tarief toe te


"INLEIDING" XLVI

passen op arbeidsintensieve diensten. De beschikking nr. 2002/954/EG van de Raad van

3 december 2002 tot verlenging van de geldigheidsduur van beschikking nr. 2000/

185/EG (P.B. nr. L 331 van 7 december 2002, blz. 28) machtigt o.m. België om de

geldigheidsduur van dit experiment met een jaar te verlengen tot 31 december 2003. De

richtlijn nr. 2002/92/EG en de beschikking nr. 2002/ 954/EG werden omgezet in de

Belgische wetgeving door het koninklijk besluit van 19 december 2002 tot wijziging

van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de

belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij

die tarieven (Belgisch Staatsblad van 28 december 2002, tweede editie, blz. 58464 e.v.).

Als gevolg van de toetreding van de Tsjechische Republiek, Estland, Cyprus, Letland,

Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije tot de Europese Unie

werden, om de neutraliteit van het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de

toegevoegde waarde te waarborgen en dubbele heffing, niet-heffing van belasting of

concurrentieverstoring tussen de lidstaten te voorkomen, de in artikel 28septdecies

van de zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 opgenomen

overgangsmaatregelen gewijzigd overeenkomstig de lijst bedoeld in artikel 20 van de

Toetredingsakte - 9. Belastingen, punt 3, b) tot d) (P.B. nr. L 236 van 23 september

2003, blz. 557). Artikel 107bis, nieuw, van het Btw-Wetboek, ingevoegd bij de wet van

17 juni 2004 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde (Belgisch Staatsblad van 28 juni 2004, tweede editie, blz. 52509 e.v.) is de

omzetting in Belgisch recht van het voornoemd artikel 28septdecies met betrekking tot

de overgangsmaatregelen van toepassing inzake de invoer van goederen in het kader

van de uitbreiding van de Europese Unie.

De liberalisering van de gas- en elektriciteitssector heeft duidelijk gemaakt dat een

herziening van de op het gebied van de btw van toepassing zijnde regels nodig is. De

richtlijn nr. 2003/92/EG van de Raad van 7 oktober 2003 tot wijziging van

richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de regels inzake de plaats van levering van gas

en elektriciteit (P.B. nr. L 260 van 11 oktober 2003, blz. 8-9) heeft aldus de regels

gewijzigd inzake de plaats van levering van gas via het aardgasdistributiesysteem en

van elektriciteit en inzake de plaats van de diensten van de netbeheerders. Deze maatregelen

gaan gepaard met een verplichte verlegging van heffing. De richtlijn voorziet

ook in een vrijstelling bij invoer van de voormelde goederen. Deze richtlijn werd

omgezet in de Belgische wetgeving door de wet van 5 december 2004 tot wijziging van

het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

22 december 2004, eerste editie, blz. 85211 e.v.). Ingevolge de invoering van bijzondere

regels voor de levering en de invoer van gas via het aardgasdistributiesysteem dient

dergelijk gas te worden uitgesloten van de andere regeling van entrepot dan douaneentrepot.

Het koninklijk besluit van 2 juni 2005 wijzigt in die zin het koninklijk besluit

nr. 54 van 25 februari 1996 met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan

douane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 10 juni 2005, blz. 26722 e.v.).

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

XLVII "INLEIDING"

De richtlijn nr. 2004/15/EG van de Raad van 10 februari 2004 tot wijziging van

richtlijn 77/388/EEG (P.B. nr. L 52 van 21 februari 2004, blz. 61) verlengt de termijn

tijdens welke de lidstaten kunnen worden gemachtigd een verlaagd btw-tarief toe te

passen op arbeidsintensieve diensten. De beschikking nr. 2004/161/EG van de Raad

van 10 februari 2004 tot verlenging van de geldigheidsduur van beschikking nr. 2000/

185/EG (P.B. nr. L 52 van 21 februari 2004, blz. 62-63) machtigt o.m. België om de

geldigheidsduur van dit experiment met twee jaar te verlengen tot 31 december 2005.

De richtlijn nr. 2004/15/EG en de beschikking nr. 2004/161/EG werden omgezet in de

Belgische wetgeving door het koninklijk besluit van 14 januari 2004 tot wijziging van

het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de

belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij

die tarieven (Belgisch Staatsblad van 19 januari 2004, tweede editie, blz. 2642 e.v.).

Op 23 juli 2003 heeft de Europese Commissie een voorstel voor een richtlijn

goedgekeurd waarmee wordt gestreefd naar een volledige herziening van de verlaagde

btw-tarieven met het oog op de vereenvoudiging en rationalisering daarvan. Aangezien

de Raad van de Europese Unie niet in staat was tot een unaniem besluit te komen om dit

voorstel voor een richtlijn aan te nemen, werd teneinde rechtsonzekerheid vanaf

1 januari 2006 te voorkomen, op 6 december 2005 door de Ecofin Raad een informeel

politiek akkoord bereikt, waarbij de Lidstaten de mogelijkheid krijgen de regeling van

de arbeidsintensieve diensten voor onbepaalde tijd te verlengen. Het koninklijk besluit

van 19 januari 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot

vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling

van de goederen en de diensten bij die tarieven verlengt voor onbepaalde duur de

periode waarin de regeling met betrekking tot de arbeidsintensieve diensten kan worden

toegepast (Belgisch Staatsblad van 1 februari 2006, derde editie, blz. 5683 e.v.).

De verordening (EG) nr. 1777/2005 van de Raad van 17 oktober 2005 houdende

vaststelling van maatregelen ter uitvoering van richtlijn 77/388/EEG betreffende het

gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (P.B. nr. L 288

van 29 oktober 2005, blz. 1-9) is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks

toepasselijk in elke lidstaat. De tekst van de verordening is gevoegd als bijlage bij de

circulaire AFZ nr. 18 van 19 december 2005.

De richtlijn nr. 2005/92/EG van de Raad van 12 december 2005 tot wijziging van

richtlijn 77/388/EEG voor wat betreft de geldigheidsduur van de minimumhoogte van

het normale tarief (P.B. nr. L 345 van 28 december 2005, blz. 19-20) heeft de periode,

gedurende dewelke het normale tarief niet lager mag zijn dan 15 pct. tot 31 december

2010 verlengd (de periode was oorspronkelijk voorzien tot 31 december 1996 door de

richtlijn nr. 92/77/EEG van 19 oktober 1992 en werd reeds tot 31 december 1998

verlengd door de richtlijn nr. 96/95/EG van 20 december 1996, tot 31 december 2000

door de richtlijn nr. 1999/49/EG van 25 mei 1999 en tot 31 december 2005 door de

richtlijn nr. 2001/41/EG van 19 januari 2001).


"INLEIDING" XLVIII

Artikel 1, 2), van de richtlijn nr. 2006/18/EG van de Raad van 14 februari 2006 tot

wijziging van richtlijn 77/388/EEG wat de verlaagde btw-tarieven betreft (P.B. nr. L 51

van 22 februari 2006, blz. 12-13), wijzigt artikel 28, lid 6, van laatstgenoemde richtlijn

zodat de regeling met betrekking tot arbeidsintensieve diensten van toepassing blijft tot

31 december 2010. Deze richtlijn werd omgezet in de Belgische wetgeving door de

artikelen 53 en 54 van de programmawet van 27 december 2006 tot wijziging van

respectievelijk de artikelen 1bis, § 1 en 1ter van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli

1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot

indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (Belgisch Staatsblad van

28 december 2006, derde editie, blz. 75178 e.v.).

De richtlijn nr. 2006/58/EG van de Raad van 27 juni 2006 tot wijziging van

richtlijn 2002/38/EG wat betreft de toepassingsduur van de regeling inzake de belasting

over de toegevoegde waarde voor bepaalde diensten die langs elektronische weg

worden verricht alsook radio- en televisieomroepdiensten, heeft de toepassingsduur van

de voornoemde tijdelijke bijzondere regeling verlengd tot en met 31 december 2006

(P.B. nr. L 174 van 28 juni 2006, blz. 5-6). Deze richtlijn werd omgezet in de Belgische

wetgeving door het koninklijk besluit van 6 juli 2006 tot wijziging van het Wetboek van

de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 17 juli 2006,

blz. 35495).

De richtlijn nr. 2006/69/EG van de Raad van 24 juli 2006 tot wijziging van

richtlijn 77/388/EEG heeft bepaalde maatregelen ter vereenvoudiging van de btwheffing

en ter bestrijding van de belastingfraude en -ontwijking en tot intrekking van

bepaalde derogatiebeschikkingen uitgevaardigd (P.B. nr. L 221 van 12 augustus 2006,

blz. 9-14).

Ingevolge deze richtlijn hebben de artikelen 43, 44 en 46 van de programmawet van

27 december 2006 de artikelen 32 en 33 van het Btw-Wetboek vervangen en artikel 48,

§ 2 van dat Wetboek gewijzigd (Belgisch Staatsblad van 28 december 2006, derde

editie, blz. 75178 e.v.). Deze wijzigingen hebben betrekking op de maatstaf van heffing

inzake btw, de definitie van het begrip "normale waarde" en de toepassing van de regels

van de herziening van de aftrek op diensten die vergelijkbare kenmerken hebben als de

bedrijfsmiddelen.

De richtlijn nr. 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het

gemeenschappelijke stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde heeft de zesde

richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van

de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van

belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, ingetrokken en de

bepalingen ervan herschikt (P.B. nr. L 347 van 11 december 2006, blz. 1-118).

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

XLIX "INLEIDING"

Omzetting in Belgisch recht van bepalingen van de richtlijn 2006/112/EG

Ingevolge de intrekking van de zesde richtlijn wijzigen de artikelen 97, 98 en 99 van de

programmawet van 27 april 2007 (Belgisch Staatsblad van 8 mei 2007, derde editie,

blz. 25153 e.v.) respectievelijk artikel 15, § 5, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek,

artikel 7, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 met

betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15,

§ 5, derde lid en 25ter, § 1, derde lid, van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en

de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde en

artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 47 van 25 februari 1996 tot regeling van de

controle van de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd

ter zake van de levering, intracommunautaire verwerving en invoer van vervoermiddelen,

in de zin van artikel 8bis, § 2, 1°, van het Wetboek, teneinde de verwijzing

naar de zesde richtlijn te vervangen door de overeenstemmende bepaling in de richtlijn

nr. 2006/112/EG.

Als gevolg van de toetreding tot de Europese Unie van de Republiek Bulgarije en van

Roemenië zijn overgangsmaatregelen inzake invoer nodig om de neutraliteit van het

gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde te waarborgen

en dubbele heffing, niet-heffing van belasting of concurrentieverstoring tussen de

lidstaten te voorkomen. Deze overgangsmaatregelen zijn opgenomen in artikel 410 van

de richtlijn nr. 2006/112/EG (P.B. nr. L 347 van 11 december 2006, blz. 66). Artikel

107ter, nieuw, van het Btw-Wetboek, ingevoegd bij artikel 130 van de programmawet

van 27 april 2007 (Belgisch Staatsblad van 8 mei 2007, derde editie, blz. 25181 e.v.) is

de omzetting in Belgisch recht van voornoemd artikel 410.

Artikel 226, 11) van de richtlijn nr. 2006/112/EG (P.B. nr. L 347 van 11 december

2006, blz. 43) preciseert dat ingeval van een vrijstelling of wanneer de afnemer tot

voldoening van de belasting is gehouden, er op de factuur een verwijzing moet worden

aangebracht naar de betreffende bepaling in de richtlijn of naar de overeenkomstige

nationale bepaling of enige andere vermelding dat de levering is vrijgesteld of onder de

toepassing van de verleggingsregeling valt. Het koninklijk besluit van 6 april 2008 tot

wijziging van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de

regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch

Staatsblad van 11 april 2008, blz. 19490 e.v.) wijzigt de artikelen 5, § 1, 9°, 20, § 3 en

20bis, § 3, van dit besluit om ze strikt in overeenstemming te brengen met de voormelde

communautaire bepaling.

Artikel 2, lid 3, van de richtlijn nr. 2006/112/EG (P.B. nr. L 347 van 11 december

2006, blz. 10) geeft een nieuwe omschrijving van het begrip accijnsproducten voor de

toepassing van de btw. Deze bepaling werd omgezet in de Belgische wetgeving door de

wet van 1 april 2009 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 22 april 2009, tweede editie, blz. 32393).


"INLEIDING" L

Artikel 59bis van de richtlijn 2006/112/EG laat elke lidstaat toe maatregelen te nemen

om dubbele heffing of niet-heffing van de belasting alsmede verstoring van de

mededinging te voorkomen voor diensten waarvan de plaats wordt bepaald door de

artikelen 44, 45, 56 en 59 van deze richtlijn.

Deze bepaling die reeds was opgenomen in de zesde richtlijn nr. 77/388/EEG van de

Raad van 17 mei 1977, werd omgezet in Belgisch recht in artikel 21, § 4, van het Btw-

Wetboek. Zij laat in het bijzonder aan de Koning toe om de plaats van de diensten

bedoeld in artikel 21, §§ 2 of 3, 5°, die in België is gelegen, aan te merken als buiten de

Gemeenschap te zijn gelegen wanneer het werkelijke gebruik en de werkelijke

exploitatie van de dienst buiten de Gemeenschap geschieden.

Genomen in uitvoering van artikel 21, § 4, van het Btw-Wetboek voert het koninklijk

besluit nr. 57 van 17 maart 2010 met betrekking tot de plaats van diensten in functie van

hun werkelijke gebruik of hun werkelijke exploitatie inzake belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 25 maart 2010, blz. 18862 e.v.)

bijzondere uitvoeringsmaatregelen in die afwijken van de algemene regel van plaatsbepaling

van diensten wat betreft goederenvervoerdiensten voor de effectief buiten de

Gemeenschap afgelegde afstanden alsook voor diensten die met het goederenvervoer

samenhangen en materieel buiten de Gemeenschap worden verricht.

Het begrip "openbare postdiensten" zoals bedoeld in artikel 132, lid 1, sub a) van de

richtlijn 2006/112/EG (P.B. nr. L 347 van 11 december 2006, blz. 27) werd

verduidelijkt in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 april

2009 (C-357/07, TNT Post UK Ltd). Volgens het arrest moet dit begrip aldus worden

uitgelegd dat het betrekking heeft op – openbare dan wel particuliere – dienstverleners

die de verplichting op zich nemen, in een lidstaat de gehele universele postdienst, zoals

deze dienst is gedefinieerd in artikel 3 van richtlijn 97/67/EG van het Europees

Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels

voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de

verbetering van de kwaliteit van de dienst, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/39/EG van

het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002, of een deel daarvan, te

verzekeren. Met het oog op een correcte omzetting van voornoemd artikel 132 heeft de

wet van 5 april 2011 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 21 april 2011, blz. 24692 e.v.) artikel 44,

§ 3, 14° van het Btw-Wetboek vervangen.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

LI "INLEIDING"

Richtlijnen tot wijziging van de richtlijn nr. 2006/112/EG van de Raad van

28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de

toegevoegde waarde – omzetting in Belgisch recht

De richtlijn nr. 2006/138/EG van de Raad van 19 december 2006 tot wijziging van

richtlijn 2006/112/EG wat betreft de toepassingsduur van de regeling inzake de

belasting over de toegevoegde waarde voor bepaalde diensten die langs elektronische

weg worden verricht alsook radio- en televisieomroepdiensten, heeft de toepassingsduur

van de voornoemde tijdelijke bijzondere regeling verlengd tot en met 31 december 2008

(P.B. nr. L 384 van 29 december 2006, blz. 92-93). Deze richtlijn werd omgezet in de

Belgische wetgeving door het koninklijk besluit van 21 december 2006 tot wijziging

van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

5 januari 2007, blz. 227 e.v.).

Artikel 1, 1 tot 3 en 4 van de richtlijn nr. 2008/8/EG van de Raad van 12 februari 2008

tot wijziging van richtlijn 2006/112/EG wat betreft de plaats van een dienst (P.B.

nr. L 44 van 20 februari 2008, blz. 12), verlengt de toepassingsduur van de regeling die

op de diensten met betrekking tot radio- en televisieomroepdiensten en diensten die

langs elektronische weg worden verricht van toepassing is tot 31 december 2009 en de

toepassingsduur van de bijzondere regeling ingesteld voor niet in de Gemeenschap

gevestigde belastingplichtigen die elektronische diensten verrichten voor nietbelastingplichtigen

gevestigd in een lidstaat tot 31 december 2014. Deze bepalingen

werden omgezet in de Belgische wetgeving door het koninklijk besluit van 12 oktober

2008 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde

(Belgisch Staatsblad van 21 oktober 2008, tweede editie, blz. 56041).

De richtlijn nr. 2008/8/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot wijziging van

Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de plaats van een dienst (P.B. nr. L 44 van

20 februari 2008, blz. 11 e.v.) omvat een geheel van maatregelen die voornamelijk tot

doel hebben om de btw-wetgeving binnen de Gemeenschap te moderniseren en te

vereenvoudigen en tevens waarborgen te bieden voor de goede werking van de interne

markt en heeft hoofdzakelijk tot doel om de diensten op eenvormige wijze in de

lidstaten te belasten. De lidstaten moeten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke

maatregelen treffen om op 1 januari 2010 te voldoen aan de bepalingen van artikel 2

van deze richtlijn. Deze richtlijn werd omgezet in de Belgische wetgeving door de wet

van 26 november 2009 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 4 december 2009, blz. 75123 e.v.), het

koninklijk besluit van 9 december 2009 tot opheffing van het koninklijk besluit nr. 5

van 27 december 1977 met betrekking tot de diensten die verband houden met een uit

zijn aard onroerend goed, inzake belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch

Staatsblad van 17 december 2009, tweede editie, blz. 79437), het koninklijk besluit


"INLEIDING" LII

nr. 23 van 9 december 2009 met betrekking tot de jaarlijkse lijst van de btwbelastingplichtige

afnemers (Belgisch Staatsblad van 17 december 2009, tweede editie,

blz. 79438 e.v.), het koninklijk besluit van 9 december 2009 tot wijziging van de

koninklijke besluiten nrs. 1, 3, 4, 7, 10, 18, 22, 31 en 54 met betrekking tot de belasting

over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 17 december 2009, tweede editie,

blz. 79458 e.v.) en het ministerieel besluit van 14 december 2009 tot wijziging van het

ministerieel besluit van 20 december 2001 met betrekking tot de diensten waar de

documenten bedoeld in de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2°, 53ter, 1°, 53quinquies en

53sexies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde moeten worden

ingediend (Belgisch Staatsblad van 18 december 2009, tweede editie, blz. 79686 e.v.).

Artikel 3 van de richtlijn nr. 2008/8/EG (P.B. nr. L 44 van 20 februari 2008, blz. 17)

vervangt met ingang van 1 januari 2011 de artikelen 53 en 54 van richtlijn 2006/112/EG

en wijzigt de regel inzake de plaatsbepaling van diensten die bestaan in het verlenen van

toegang tot culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, educatieve,

vermakelijkheids- of soortgelijke evenementen, zoals beurzen en tentoonstellingen, en

met de toegangverlening samenhangende diensten. Artikel 7 van de wet van 29

december 2010 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december 2010, vierde editie, blz. 83667 e.v.) heeft

voornoemd artikel 3 van de richtlijn nr. 2008/8/EG in Belgisch recht omgezet.

De richtlijn nr. 2008/117/EG van de Raad van 16 december 2008 tot wijziging van

Richtlijn 2006/112/EG ter bestrijding van de belastingfraude in het intercommunautaire

verkeer (P.B. nr. L 14 van 20 januari 2009, blz. 7 e.v.) heeft tot doel de tekortkomingen

te bestrijden in het systeem voor uitwisseling van gegevens over leveringen van

goederen en diensten in de Gemeenschap. De lidstaten moeten de nodige wettelijke en

bestuursrechtelijke maatregelen treffen om op 1 januari 2010 te voldoen aan

voornoemde richtlijn. Deze richtlijn werd omgezet in de Belgische wetgeving door de

wet van 26 november 2009 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 4 december 2009, blz. 75123 e.v.), het

koninklijk besluit nr. 50 van 9 december 2009 met betrekking tot de btw-opgave van de

intracommunautaire handelingen (Belgisch Staatsblad van 17 december 2009, tweede

editie, blz. 79445 e.v.) en het ministerieel besluit van 14 december 2009 tot wijziging

van het ministerieel besluit van 20 december 2001 met betrekking tot de diensten waar

de documenten bedoeld in de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2°, 53ter, 1°, 53quinquies en

53sexies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde moeten worden

ingediend (Belgisch Staatsblad van 18 december 2009, tweede editie, blz. 79686 e.v.).

De richtlijn nr. 2009/47/EG van de Raad van 5 mei 2009 tot wijziging van Richtlijn

2006/112/EG wat verlaagde btw-tarieven betreft (P.B. nr. L 116 van 9 mei 2009, blz. 18

e.v.) heeft de bijlage III (verlaagde tarieven) van de richtlijn 2006/112/EG gewijzigd

waardoor lidstaten, overeenkomstig de artikelen 98 en 99 van deze richtlijn, een

verlaagd btw-tarief kunnen toepassen op restaurant- en cateringdiensten waarbij het

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

LIII "INLEIDING"

mogelijk is om de levering van dranken uit te sluiten. België heeft van deze

mogelijkheid gebruik gemaakt en onderwerpt vanaf 1 januari 2010 restaurant- en

cateringdiensten, met uitsluiting van het verschaffen van dranken, aan het verlaagd btwtarief

van 12 pct. Dit verlaagd tarief werd ingevoerd bij artikel 4 van het koninklijk

besluit van 9 december 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli

1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot

indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (Belgisch Staatsblad van

14 december 2009, tweede editie, blz. 78848 e.v.).

De richtlijn 2009/47/EG heeft bovendien de tijdelijke regeling voor de toepassing van

een verlaagd btw-tarief voor arbeidsintensieve diensten bedoeld in hoofdstuk 3 van titel

VIII van richtlijn 2006/112/EG geschrapt (P.B. nr. L 347 van 11 december 2006,

blz. 24-25). Deze diensten, die waren opgenomen in de - eveneens geschrapte - bijlage

IV bij voormelde richtlijn, werden evenwel opgenomen in de hiervoor vermelde bijlage

III, zodat de lidstaten op deze diensten het verlaagd btw-tarief kunnen toepassen op

grond van de artikelen 98 en 99 van richtlijn 2006/112/EG.

Krachtens de artikelen 1bis en 1ter van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot

vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling

van de goederen en de diensten bij die tarieven waren, in toepassing van de voornoemde

regeling voor arbeidsintensieve diensten, de handelingen met betrekking tot de

renovatie en herstel van particuliere woningen alsook de kleine hersteldiensten met

betrekking tot fietsen, schoeisel en lederwaren, kleding en huishoudlinnen tot en met

31 december 2010 onderworpen aan het verlaagd tarief van 6 pct. Om de continuïteit

van deze regeling te verzekeren heeft het koninklijk besluit van 17 november 2010 tot

wijziging van het voornoemd koninklijk besluit nr. 20 (Belgisch Staatsblad van

22 november 2010, blz. 72024 e.v.) de toepassing van het verlaagd tarief met betrekking

tot de in de artikelen 1bis en 1ter bedoelde diensten verlengd tot 30 juni 2011. De

programmawet van 4 juli 2011 (Belgisch Staatsblad van 19 juli 2011, blz. 42680 e.v.)

heeft met ingang van 1 juli 2011 de voornoemde artikelen 1bis en 1ter opgeheven en de

bovenbedoelde diensten definitief onderworpen aan het verlaagd tarief van 6 pct. Te

dien einde werden in tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 de rubrieken

"XXXVIII – Renovatie en herstel van privéwoningen" en "XXXIX – Kleine

hersteldiensten" ingevoegd.

De richtlijn nr. 2009/69/EG van de Raad van 25 juni 2009 tot wijziging van

Richtlijn 2006/112/EG wat betreft belastingfraude bij invoer (P.B. nr. L 175 van 4 juli

2009, blz. 12 e.v.) wijzigt artikel 143 van richtlijn 2006/112/EG met betrekking tot de

toepassing van de vrijstelling van btw verleend bij invoer van goederen die nadien

worden geleverd aan of overgebracht naar een belastingplichtige in een andere lidstaat.

Artikel 143, lid 2, nieuw, van voornoemde richtlijn legt een aantal minimumvoorwaarden

op voor de toepassing van deze vrijstelling. Deze richtlijn dient te worden

omgezet in de Belgische wetgeving op 1 januari 2011. De artikelen 9, 10 (gedeeltelijk)


"INLEIDING" LIV

en 11 (gedeeltelijk) van de wet van 29 december 2010 tot wijziging van het Wetboek

van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december

2010, vierde editie, blz. 83667 e.v.) alsook het koninklijk besluit van 22 december 2010

tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot

de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde

waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december 2010, vierde editie, blz. 83670 e.v.)

hebben voornoemde richtlijn nr. 2009/69/EG in Belgisch recht omgezet.

De richtlijn nr. 2009/162/EU van de Raad van 22 december 2009 tot wijziging van

enkele bepalingen van Richtlijn 2006/112/EG (P.B. nr. L 10 van 15 januari 2010, blz.

14 e.v.) heeft betrekking op de bijzondere regeling van toepassing op gas, elektriciteit,

warmte of koude, op de specifieke voorrechten en immuniteiten verleend aan de

Europese Gemeenschappen en op de regels inzake aftrek van voorbelasting ten aanzien

van onroerende goederen en roerende goederen met een duurzaam karakter bestemd

voor gemengd gebruik in het vermogen van de onderneming. Deze richtlijn dient te

worden omgezet in de Belgische wetgeving op 1 januari 2011. De artikelen 3, 4, 5, 6, 8,

10 (gedeeltelijk), 11 (gedeeltelijk) en 12 van de wet van 29 december 2010 tot wijziging

van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van

31 december 2010, vierde editie, blz. 83667 e.v.) hebben voornoemde richtlijn nr. 2009/

162/EU in Belgisch recht omgezet.

De richtlijn nr. 2010/23/EU van de Raad van 16 maart 2010 tot wijziging van Richtlijn

2006/112/EG wat betreft een facultatieve en tijdelijke toepassing van de verleggingsregeling

voor leveringen van bepaalde fraudegevoelige diensten (P.B. nr. L 72

van 20 maart 2010, blz. 1 e.v.), heeft in de richtlijn 2006/112/EG een artikel 199bis

ingevoegd dat de lidstaten de mogelijkheid biedt te bepalen dat de btw voldaan moet

worden door de belastingplichtige aan wie broeikasgasemissierechten worden

overgedragen. Rekening houdend met de omvang van de fraude in de overdrachten van

dergelijke rechten in België, werd, nadat het voorstel van onderhavige richtlijn door alle

lidstaten werd aangenomen, een verleggingsregeling ingesteld die het voorwerp

uitmaakt van artikel 20ter van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met

betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde

waarde (koninklijk besluit van 10 januari 2010, Belgisch Staatsblad van 18 januari

2010, eerste editie).

De richtlijn nr. 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010 tot wijziging van Richtlijn

2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de

toegevoegde waarde wat de factureringsregels betreft (P.B. nr. L 189 van 22 juli 2010,

blz. 1 e.v.) wil aan de ondernemingen de gelegenheid bieden ten volle gebruik te maken

van de mogelijkheden van elektronische facturering om op die manier de

administratieve kosten te verminderen en hun concurrentiepositie op de wereldmarkt te

verbeteren. Deze richtlijn moet in Belgisch recht worden omgezet met uitwerking op

1 januari 2013.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

LV "INLEIDING"

De richtlijn nr. 2010/88/EU van de Raad van 7 december 2010 tot wijziging van

Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de

toegevoegde waarde, wat betreft de geldigheidsduur van de minimumhoogte van het

normale tarief (P.B. nr. L 326 van 10 december 2010, blz. 1 e.v.) heeft de periode

gedurende dewelke het normale tarief niet lager mag zijn dan 15 pct. tot 31 december

2015 verlengd (de periode was oorspronkelijk voorzien tot 31 december 1996 door de

richtlijn nr. 92/77/EEG van 19 oktober 1992 en werd reeds tot 31 december 1998

verlengd door de richtlijn nr. 96/95/EG van 20 december 1996, tot 31 december 2000

door de richtlijn nr. 1999/49/EG van 25 mei 1999, tot 31 december 2005 door de

richtlijn nr. 2001/41/EG van 19 januari 2001 en tot 31 december 2010 door de richtlijn

nr. 2005/92/EG van 12 december 2005).

Andere richtlijnen van de Raad van de Europese Unie - omzetting in Belgisch

recht.

De richtlijn nr. 2007/74/EG van de Raad van 20 december 2007 betreffende de

vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde en accijnzen op goederen die

worden ingevoerd door reizigers komende uit derde landen (P.B. nr. L 346 van

29 december 2007, blz. 6 e.v.) bepaalt de voorwaarden waaronder de lidstaten vanaf

1 december 2008 vrijstelling van btw en accijnzen kunnen verlenen bij de definitieve

invoer van goederen die deel uitmaken van de bagage van de reizigers. Deze richtlijn

werd omgezet in de Belgische wetgeving door het koninklijk besluit van 10 december

2008 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met

betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 19 december 2008, tweede editie,

blz. 67235 e.v.).

De richtlijn nr. 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van de

nadere voorschriften voor de in Richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de

belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van

teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn (P.B. nr. L 44 van 20 februari 2008,

blz. 23 e.v.) beoogt een oplossing te bieden zowel voor de administratieve diensten van

de lidstaten als voor de ondernemingen ten aanzien van de problemen die worden

veroorzaakt door de toepassing van de richtlijn nr. 79/1072/EEG van de Raad van

6 december 1979 die wordt ingetrokken. De lidstaten moeten de nodige wettelijke en

bestuursrechtelijke maatregelen treffen om op 1 januari 2010 te voldoen aan deze

richtlijn. Deze richtlijn werd omgezet in de Belgische wetgeving door artikel 27 van de

wet van 26 november 2009 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 4 december 2009, blz. 75123 e.v.) en het

koninklijk besluit nr. 56 van 9 december 2009 met betrekking tot de teruggave inzake


"INLEIDING" LVI

belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere

lidstaat dan de lidstaat van teruggave (Belgisch Staatsblad van 17 december 2009,

tweede editie, blz. 79452 e.v.).

Artikel 15 van de voornoemde richtlijn 2008/9/EG (P.B. nr. L 44 van 20 februari

2008, blz. 26) bepaalt dat het teruggaafverzoek uiterlijk op 30 september van het

kalenderjaar volgend op het teruggaaftijdvak bij de lidstaat van vestiging moet worden

ingediend. Artikel 3, lid 2, van de dertiende richtlijn 86/560/EEG van de Raad van

17 november 1986 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake

omzetbelasting - Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde

waarde aan niet op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen,

preciseert anderzijds dat de teruggaaf niet mag worden verleend onder

gunstiger voorwaarden dan die welke voor belastingplichtigen uit de Gemeenschap

gelden. Derhalve dienen de teruggaafverzoeken van Belgische btw door buiten de

Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen eveneens uiterlijk op 30 september van het

kalenderjaar volgend op het teruggaaftijdvak te worden ingediend.

Dezelfde redenering geldt voor de teruggaafverzoeken ingediend door belastingplichtigen

die gebruik maken van de bijzondere regeling die van toepassing is op niet in

de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen die langs elektronische weg verrichte

diensten verstrekken aan niet-belastingplichtigen. Deze belastingplichtigen kunnen

eveneens aanspraak maken op teruggaaf overeenkomstig artikel 368 van de richtlijn

2006/112/EG, volgens de regels bepaald door de voormelde dertiende richtlijn 86/

560/EEG.

Het koninklijk besluit van 22 maart 2010 tot wijziging van de koninklijke besluiten

nrs. 4 en 31 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch

Staatsblad van 30 maart 2010, blz. 19438 e.v.) wijzigt de termijn waarbinnen de

hiervoor bedoelde teruggaafverzoeken moeten worden ingediend.

De door de voornoemde richtlijn 2008/9/EG ingestelde teruggaaf van de btw aan

belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat

gevestigd zijn gebeurt via een elektronische procedure. Naar aanleiding van een aantal

problemen die zich bij de invoering van deze procedure in verschillende lidstaten

hebben voorgedaan, zijn een aantal belastingplichtigen niet in staat geweest om hun

teruggaafverzoek voor de belastingen met betrekking tot het kalenderjaar 2009 in hun

lidstaat van vestiging in te dienen binnen de voorziene termijn (30 september 2010).

Dezelfde lidstaten zijn evenmin altijd in staat geweest om de teruggaafverzoeken voor

2009 te behandelen, die aan hen werden gericht door belastingplichtigen gevestigd in

België.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

LVII "INLEIDING"

Ten gevolge van deze vertragingen en om de rechten van de betrokken

belastingplichtigen veilig te stellen bij de uitoefening van hun recht op teruggaaf van de

belastingen, heeft de richtlijn nr. 2010/66/EU van de Raad van 14 oktober 2010

houdende wijziging van Richtlijn 2008/9/EG tot vaststelling van nadere voorschriften

voor de in Richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de

toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in

een andere lidstaat gevestigd zijn (P.B. nr. L 275 van 20 oktober 2010, blz. 1 e.v.) de

indieningstermijn voor de teruggaafverzoeken met betrekking tot het jaar 2009 tot

31 maart 2011 verlengd.

Het koninklijk besluit van 8 december 2010 tot wijziging van het koninklijk besluit

nr. 56 van 9 december 2009 met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de

toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de

lidstaat van teruggaaf (Belgisch Staatsblad van 16 december 2010, blz. 77609 e.v.)

heeft de indieningstermijn voor de bedoelde teruggaafverzoeken verlengd tot 31 maart

2011, zowel voor de verzoeken die in België worden ingediend, als lidstaat van

vestiging van de betrokken belastingplichtige, als voor de verzoeken ontvangen in

België, als lidstaat van teruggaaf.

De uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011

houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG

betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

(herschikking) (P.B. nr. L 77 van 23 maart 2011, blz. 1 e.v.) is verbindend in al haar

onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

De verordening (EG) nr. 1777/2005 van de Raad van 17 oktober 2005 houdende

vaststelling van maatregelen ter uitvoering van richtlijn 77/388/EEG betreffende het

gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde (zie hierboven)

diende op verscheidene punten ingrijpend te worden gewijzigd. Ter wille van de

duidelijkheid en de logica was het wenselijk de betrokken bepalingen te herschikken.

De verordening (EU) nr. 282/2011 treedt in werking op 12 april 2011 en is van

toepassing vanaf 1 juli 2011. De verordening (EG) nr. 1777/2005 werd ingetrokken op

1 juli 2011.

In de verordening (EU) nr. 282/2011 worden meer in het bijzonder de wijzigingen

opgenomen die voortvloeien uit de aanneming van richtlijn 2008/8/EG van de Raad van

12 februari 2008 tot wijziging van richtlijn 2006/112/EG wat betreft de plaats van een

dienst. Tevens bevat deze verordening specifieke bepalingen die een antwoord geven op

bepaalde vragen en moet zij voor die specifieke gevallen zorgen voor een eenvormige

aanpak in de gehele Unie.


"INLEIDING" LVIII

Deze verordening maakt het voorwerp uit van de circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27 juni

2011.

Daarnaast is er op Europees niveau in enkele maatregelen voorzien die de

administratieve samenwerking tussen de verschillende lidstaten regelen.

De administratieve samenwerking op het vlak van de btw is gebaseerd op twee

juridische instrumenten:

1) De verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende

de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de

belasting over de toegevoegde waarde (P.B. nr. L 268 van 12 oktober 2010, blz. 1 e.v.)

herschikt de oude verordening 1798/2003 (ingetrokken op 1 januari 2012) met als doel

om enerzijds de bestaande maatregelen te verbeteren en aan te vullen en anderzijds om

een meer geschikte rechtsgrond te creëren die de bevoegdheid van de belastingadministraties

van de lidstaten versterkt teneinde de btw-fraude te voorkomen en op te

sporen (meer in het bijzonder de zogenaamde "carrouselfraude").

Aldus voorzien de artikelen 33 tot en met 37 van de verordening nr. (EU) 904/2010 met

name in de oprichting ten behoeve van alle lidstaten van een gedecentraliseerd netwerk

zonder rechtspersoonlijkheid, Eurofisc genaamd, ter bevordering en vergemakkelijking

van multilaterale en gecentraliseerde samenwerking waardoor doelgericht en snel tot

bestrijding van specifieke soorten fraude kan worden opgetreden.

De verordening (EU) nr. 904/2010 is van toepassing met ingang van 1 januari 2012.

De artikelen 33 tot en met 37 (oprichting van het netwerk Eurofisc) zijn evenwel van

toepassing met ingang van 1 november 2010.

Het hoofdstuk V is van toepassing met ingang van 1 januari 2013. De artikelen 22 en 23

van dit hoofdstuk zijn evenwel van toepassing met ingang van 1 januari 2012.

De artikelen 38 tot en met 42 zijn van toepassing van 1 januari 2012 tot en met

31 december 2014.

De artikelen 43 tot en met 47 zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2013.

2) De uitvoeringsverordening (EU) nr. 79/2012 van de Commissie van 31 januari

2012 tot vaststelling van nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van

Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad betreffende de administratieve samenwerking

en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de

toegevoegde waarde (P.B. nr. L 29 van 1 februari 2012, blz. 13 e.v.). Deze verordening

herschikt de oude verordening (EG) nr. 1925/2004 die ingrijpend werd gewijzigd,

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

LIX "INLEIDING"

samen met de oude verordening (EG) nr. 1174/2009 van de Commissie van

30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van de artikelen 34bis

en 37 van Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad wat betreft de teruggaaf van

btw krachtens Richtlijn 2008/9/EG van de Raad.

De richtlijn nr. 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de

wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit

belastingen, rechten en andere maatregelen (P.B. nr. L 84 van 31 maart 2010, blz. 1

e.v.) breidt het toepassingsgebied van de wederzijdse invorderingsbijstand uit tot

schuldvorderingen welke voortvloeien uit belastingen en rechten die er tot dusver nog

niet onder vielen.

Deze richtlijn moet worden omgezet in de Belgische wetgeving op 1 januari 2012. Zij

trekt de bepalingen in van de richtlijn nr. 2008/55/EG.

Tenslotte zijn er ook nog de overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand in Beneluxverband

en ter zake geldt de Benelux Algemene Samenwerkingsovereenkomst en het

aanvullend Belastingprotocol van 29 april 1969 (z. aanschrijving nr. 21, van 15 februari

1972). Artikel 8 van het aanvullend Belastingprotocol werd gewijzigd bij het Protocol

ondertekend te Brussel op 17 april 2007. Deze wijziging is erop gericht de belastingadministraties

van de landen van de Benelux een gemeenschappelijk aan de huidige

fraudepraktijken aangepast instrument ter beschikking te stellen om de grensoverschrijdende

belastingfraude te bestrijden.

II. Algemeen werkingsmechanisme van de Belgische btw.

3. De belastingplichtige, de belastbare stof en de vrijstellingen.

In het Belgische btw-stelsel is aan de gewone belastingplichtige (m.a.w. de

belastingplichtige met een geheel of een gedeeltelijk recht op aftrek), ongeacht in welke

fase van de economische kringloop hij zich bevindt, de actieve rol van de belastinginner

toebedeeld.

Belastingplichtige is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld

en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend leveringen van

goederen of diensten verricht die in het Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke

plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend (Wetboek, art. 4, § 1).


"INLEIDING" LX

De Koning kan, in de gevallen en volgens de regels dat Hij bepaalt, de in België

gevestigde personen die juridisch gezien wel zelfstandig zijn, doch financieel,

economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, voor de toepassing van

dit Wetboek als één belastingplichtige aanmerken (Wetboek, art. 4, § 2 en het KB

nr. 55).

In tegenstelling tot wat gold vóór 1 januari 1993 moet eenieder die om het even waar

zelfstandig een economische activiteit verricht van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter,

met inbegrip van de winning van delfstoffen, landbouw en de uitoefening

van vrije of ermee gelijkgestelde beroepen voortaan worden beschouwd als

belastingplichtige.

Het begrip “economische activiteit” wordt afgebakend door objectieve criteria, die

uitsluitend de activiteit op zich beogen, onafhankelijk van het doel of het resultaat

ervan.

Alle activiteiten, zonder enig voorbehoud, van de producent, de handelaar of dienstverrichter

worden beoogd. Het gaat dus om alle handelingen binnen een economisch

systeem van ondernemingsgewijze productie en distributie, d.w.z. de onderneming

bekeken op zichzelf en in relatie met andere ondernemingen waarop zij een beroep doet

om haar doelstellingen te bereiken, alsmede het handelen van de ondernemingen op de

markt ten aanzien van zichzelf of van de andere marktdeelnemers.

De onderneming is elke eenheid van productie, distributie of dienstverrichting, die als

rechtssubject over voldoende economische zelfstandige activiteit beschikt.

Het begrip "belastingplichtige" staat in rechtstreeks verband met de belastbare stof. Is

immers slechts een belastingplichtige hij die - in de vereiste omstandigheden -

leveringen van goederen of diensten verricht die in de btw-wetgeving zijn omschreven

en die derhalve belastbaar zijn (ongeacht of die handelingen uiteindelijk effectief

worden belast of van de belasting worden vrijgesteld).

Omgekeerd staat de definitie van de belastbare stof in rechtstreeks verband met het

begrip belastingplichtige. De leveringen van goederen en de diensten die in de btwwetgeving

zijn omschreven zijn slechts aan de belasting onderworpen, en dus belastbaar,

indien ze worden verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige.

Het begrip "vrijstelling" houdt niet langer een begrenzing in van het begrip

belastingplichtige. De belastingplichtige die enkel handelingen stelt die zijn vrijgesteld

van de belasting op grond van artikel 44 van het Wetboek, blijft een belastingplichtige

en dit in tegenstelling tot de toestand vóór 1 januari 1993. Het vroegere artikel 5 van het

Wetboek dat de hoedanigheid van belastingplichtige ontnam is immers opgeheven bij

artikel 6 van de wet van 28 december 1992.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

LXI "INLEIDING"

Vanaf 1 januari 1993 ontneemt dus geen enkele vrijstellingsregeling de hoedanigheid

van belastingplichtige meer.

Men kan drie soorten vrijstellingen onderscheiden:

1° vrijstellingen om reden van intracommunautaire handel of uitvoer (Wetboek,

art. 39 tot 42);

2° vrijstellingen hoofdzakelijk gesteund op overwegingen van sociale en culturele

aard (Wetboek, art. 44);

3° vrijstelling inzake beleggingsgoud (Wetboek, art. 44bis).

In het algemeen mag men dus zeggen dat de belastingplichtige eenieder is die geregeld

en zelfstandig de volgende handelingen verricht:

1° leveringen van goederen en dienstverrichtingen omschreven in het Wetboek, die

effectief aan de belasting zijn onderworpen omdat ze hier te lande plaatsvinden;

2° leveringen van goederen en dienstverrichtingen omschreven in het Wetboek, maar

hoofdzakelijk om reden van uitvoer of levering in het intracommunautaire

handelsverkeer van de belasting vrijgesteld krachtens de artikelen 39 tot 42 van

het Wetboek;

3° leveringen van goederen en dienstverrichtingen omschreven in het Wetboek die

hier te lande plaatsvinden maar die van de belasting zijn vrijgesteld krachtens

artikel 44 en artikel 44bis van het Wetboek;

4° leveringen van goederen en dienstverrichtingen omschreven in het Wetboek, maar

niet aan de Belgische btw onderworpen omdat ze niet hier te lande plaatsvinden

(voor de plaats van levering van een goed, z. Wetboek art. 15; voor de plaats van

de dienst, z. Wetboek art. 21, art. 21bis en art 21ter).

De hoedanigheid van belastingplichtige wordt daarentegen niet toegekend aan eenieder

die enkel handelingen verricht die niet in het Wetboek zijn omschreven, gewoonlijk

"handelingen buiten de werkingssfeer" genoemd.

Daarnaast wordt eenieder die toevallig onder bezwarende titel een nieuw vervoermiddel

intracommunautair levert tevens als belastingplichtige aangemerkt (Wetboek, art. 8bis).

Bovendien kan eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische

activiteit, een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, heeft opgericht of heeft laten oprichten

of heeft verkregen met voldoening van de btw en dit goed en het bijhorend terrein onder


"INLEIDING" LXII

bezwarende titel vervreemdt of er een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid,

2° op vestigt, overdraagt of wederoverdraagt binnen de gestelde termijn, opteren voor

de belastingplicht ten aanzien van die vervreemding, vestiging, overdracht of

wederoverdracht (Wetboek, art. 8).

Ter aanvulling van dit overzicht dient nog te worden gewezen op artikel 6 van het

Wetboek dat de openbare lichamen aan de belastingplicht onttrekt voor zover ze niet

uitdrukkelijk als belastingplichtige zijn aangewezen. Die openbare lichamen kunnen

evenwel gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen in België aan de belasting

te onderwerpen wanneer ze een bepaalde drempel overschrijden of ervoor opteren

(Wetboek, art. 25ter).

De belastingplichtige die zowel handelingen verricht waarvoor recht op aftrek bestaat, als

handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, wordt eenvoudigheidshalve

"gemengde belastingplichtige" genoemd.

De persoon die zowel handelingen verricht onderworpen aan de btw, al dan niet

vrijgesteld, als handelingen buiten de werkingssfeer van de btw wordt "gedeeltelijke

belastingplichtige" genoemd.

4. Rol van de btw-belastingplichtige.

De belastingplichtige is tegenover de Schatkist tot voldoening gehouden van de btw

verschuldigd ter zake van de belaste leveringen van goederen en van de diensten die hij

hier te lande verricht. Hij berekent die btw, handeling per handeling, over een door de wet

bepaalde maatstaf van heffing (in beginsel de prijs van de handeling) en volgens het btwtarief

dat op het geleverde goed of de verstrekte dienst van toepassing is. Hij brengt de

aldus berekende btw afzonderlijk van de prijs aan zijn afnemer in rekening door middel

van een factuur die hij, in beginsel, verplicht is uit te reiken.

Wat evenwel de btw fundamenteel doet verschillen van een cumulatief stelsel is het

mechanisme van de aftrek en de wijze van betaling van de belasting aan de Staat.

Inderdaad, de belasting ter zake van de hier te lande door hem verrichte belaste leveringen

van goederen en diensten, waarvan de belastingplichtige tegenover de Schatkist

schuldenaar is geworden, wordt niet in haar geheel aan de Staat betaald. Door het

mechanisme van de globale aftrek kan de belastingplichtige immers vooraf de belasting

terugwinnen die hem door zijn leveranciers werd aangerekend of die hij bij de invoer

betaalde. Wat hij uiteindelijk stort aan de Staat is slechts een saldo dat het verschil

vertegenwoordigt tussen, enerzijds, het totaal bedrag van de belasting die tijdens een

bepaalde periode verschuldigd is geworden ter zake van de door hem verrichte belaste

handelingen en, anderzijds, het totaal bedrag van de belasting die tijdens dezelfde periode

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

LXIII "INLEIDING"

werd geheven van de beroepsuitgaven die hij voor de uitoefening van zijn werkzaamheid

als belastingplichtige met recht op aftrek heeft gedaan.

Aftrek wordt toegepast voor alle belastbare bestanddelen die de vorming van de prijs van

de goederen en diensten hebben beïnvloed (grondstoffen, afgewerkte producten en

halffabricaten, hulpstoffen, loonwerk, energie, investeringen, algemene onkosten, enz.)

maar hij is beperkt tot de uitgaven die betrekking hebben op de uitoefening van de

werkzaamheid die recht op aftrek geeft. De belastingplichtige mag dus, in beginsel, de

belasting aftrekken die werd geheven van de goederen en diensten die hij bestemt voor

het verrichten van:

belaste handelingen;

2° handelingen vrijgesteld van de belasting op grond van de artikelen 39 tot 42 van

het Wetboek;

3° handelingen in het buitenland waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in

het binnenland zouden plaatsvinden;

4° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° en 10°, telkens wanneer de medecontractant

buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen,

volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden,

rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden

uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;

5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen.

Het recht op aftrek behoort uitsluitend toe aan de belastingplichtige die handelingen

verricht waarvoor recht op aftrek bestaat. De niet-belastingplichtige (bv. een passieve

holdingsmaatschappij) of een belastingplichtige zonder recht op aftrek (bv. een

advocaat) kan de belasting niet recupereren die op zijn beroepsuitgaven rust.

De gemengde belastingplichtige kan slechts gedeeltelijk aftrekken wat, in beginsel, zal

geschieden door toepassing van de regel van het algemeen verhoudingsgetal (Wetboek,

art. 46, § 1) of door toepassing van de regel van het werkelijk gebruik wanneer hij dat

vraagt of de administratie het hem oplegt (Wetboek, art. 46, § 2).

5. De periodieke aangifte en de betaling van de btw.

In beginsel is de belastingplichtige gehouden tot de indiening van een aangifte die

betrekking heeft op een tijdvak van een maand. Onder welbepaalde voorwaarden echter

kan een belastingplichtige worden gemachtigd om slechts om de drie maanden een

aangifte in te dienen wanneer:


"INLEIDING" LXIV

a) de jaaromzet, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, voor de volledige

economische activiteit niet meer bedraagt dan 1.000.000 EUR;

b) de jaaromzet, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, niet meer bedraagt

dan 200.000 EUR voor het geheel van de leveringen van de navolgende goederen:

(1 februari 2012)

- minerale oliën bedoeld in artikel 3 van de wet van 22 oktober 1997

betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie;

- toestellen voor mobiele telefonie en computers alsmede hun randapparatuur,

toebehoren en onderdelen;

- landvoertuigen uitgerust met een motor onderworpen aan de reglementering

betreffende de inschrijving.

c) het jaarlijks totaalbedrag voor het geheel van de intracommunautaire leveringen

van goederen bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 1° en 4°, van het Wetboek en de

daarop volgende leveringen van goederen bedoeld in artikel 25quinquies, § 3,

derde lid, van het Wetboek niet meer bedraagt dan 400.000 EUR.

Deze aangifte moet, voor het tijdvak waarop zij betrekking heeft (maand of kwartaal),

in hoofdzaak volgende gegevens bevatten:

- het totaal bedrag van de belasting verschuldigd tijdens dat tijdvak;

- het totaal bedrag van de aftrekbare belasting.

Ingeval het verschil tussen die beide bedragen positief is (in het voordeel van de Staat)

wordt de belastingplichtige schuldenaar tegenover de Staat tot beloop van dat verschil.

Hij voldoet die schuld uiterlijk op het tijdstip bepaald voor de indiening der aangifte.

Ingeval het bedrag van de verschuldigde belasting kleiner is dan het bedrag van de

aftrekbare belasting bezit de belastingplichtige een belastingkrediet, d.w.z. dat hij over

een schuldvordering tegen de Staat beschikt. Dat belastingkrediet kan worden overgedragen

naar de volgende aangifte of worden teruggegeven, volgens het onderscheid

dat wordt gemaakt in artikel 76 van het Wetboek en artikel 8 1 van het KB nr. 4 van

29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de

toegevoegde waarde.


(1 februari 2012)

LXV "INLEIDING"

III. Algemene beschouwingen die uit het btw-mechanisme volgen.

6. De btw is een eenmalige verbruiksbelasting die door middel van gefractioneerde

betalingen wordt voldaan.

In de schakel waarin hij optreedt handelt iedere belastingplichtige uiteindelijk slechts

als inner en niet als drager van de belasting. De btw die hij aan zijn afnemers in

rekening brengt - en die berekend wordt over de totale prijs van de goederen die hij

levert of de diensten die hij verricht - vertegenwoordigt immers, enerzijds, de belasting

die hij zelf heeft betaald aan zijn leveranciers of bij de invoer en die hij door aftrek

terugwint, en, anderzijds, een overschot dat hij aan de Staat moet betalen.

In een economische kringloop waarvan alle schakels belast zijn, wordt de btw zodoende

door iedere belastingplichtige teruggewonnen, totdat het goed of de dienst in het finale

verbruik terechtkomt. De verbruiker, die niet kan aftrekken, draagt uiteindelijk een

belasting berekend over de hele prijs van het goed of van de dienst die hij verbruikt

volgens het tarief dat voor dat goed of voor die dienst geldt.

De gefractioneerde betalingen die op iedere schakel door de belastingplichtige worden

gedaan, zijn dus niets anders dan voorschotten die de Staat ontvangt op een belasting

die hem slechts voor het geheel zal toevallen als het goed of de dienst het finale

verbruik bereikt. In een btw-stelsel waarin alle schakels van de economische kringloop

belast zijn en waarin het aftrekmechanisme zonder enige beperking speelt, moet het

totaal van de gefractioneerde betalingen die in iedere schakel werden gedaan, globaal

overeenstemmen met het totaal van de belasting die op de finale schakel verschuldigd is

over de verbruikersprijs die voor het goed of de dienst is gesteld.

7. De btw is neutraal.

In een economische kringloop waarvan alle schakels belast zijn, treft de btw, dankzij het

aftrekmechanisme, de finale prijs van een goed of van een dienst steeds met dezelfde

druk, ongeacht het aantal handelingen die de levering aan de eindverbruiker zijn

voorafgegaan. De productie- en distributieketen kan dus naar zuiver economische

imperatieven worden opgebouwd, zonder dat de rendabiliteit ervan, zoals onder een

cumulatief stelsel, door procédés geïnspireerd door overwegingen van fiscale aard zou

worden vervalst.


"INLEIDING" LXVI

8. De btw is doorzichtig.

In een btw-stelsel is het bedrag van de voorbelasting geen onbekende meer zoals dat voorheen

wel het geval was. Iedere belastingplichtige kent precies de belasting die op zijn

beroepsuitgaven rust en die, in beginsel, slechts over een prijs "exclusief btw" wordt berekend.

Ten aanzien van het internationale handelsverkeer volgt daaruit:

- inzake invoer, en intracommunautaire verwervingen, dat de belastingplichtige de

prijs "exclusief btw" van een ingevoerde of een intracommunautair verworven

koopwaar kan vergelijken met de prijs "exclusief btw" van een binnenlandse

concurrerende koopwaar; dat de btw tegen hetzelfde btw-tarief kan worden

geheven over de prijs "exclusief btw" van een ingevoerde (of een intracommunautair

verworven) en van een binnenlandse koopwaar, zonder dat nog

toevlucht dient te worden gezocht in compenserende heffingen bij de invoer zoals

dat vroeger het geval was;

- inzake uitvoer, en intracommunautaire leveringen, dat de Belgische belastingplichtige

die vrijstelling geniet voor de producten die hij uitvoert of intracommunautair

levert, volkomen juist de belasting recupereert die de productie of

de distributie van zijn producten heeft getroffen; dat hij aldus buiten België kan

verkopen voor een prijs "exclusief btw" die geheel van btw is gezuiverd zonder

dat nog toevlucht dient te worden gezocht in forfaitaire teruggaven zoals dat

vroeger het geval was.

9. De btw is geen kostprijselement.

In de mate dat ze aftrekbaar is maakt de btw die aan een belastingplichtige is

gefactureerd geen deel uit van zijn kostprijs. Inderdaad, uit de belasting die hij aan zijn

afnemers in rekening brengt recupereert hij de btw die hij betaalt aan zijn leveranciers

(z. nr. 6).

10. De btw is geen belasting op de brutowinst.

Ofschoon de btw, belaste handeling per belaste handeling verschuldigd en berekend

wordt, dient ze slechts globaal en na aftrek aan de Staat te worden betaald door middel

van periodieke stortingen.

Dat systeem van globale aftrek "belasting van belasting" voorkomt elke boekhoudkundige

vaststelling van de brutowinst van een onderneming of van de waarde die door

de exploitatie wordt toegevoegd.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

LXVII "INLEIDING"

De btw is overigens geen belasting die, onrechtstreeks de brutowinst van een

onderneming treft. Iedere gefractioneerde betaling die een belastingplichtige doet is

uiteindelijk immers slechts een deel van de eenmalige verbruiksbelasting die op de

finale prijs van een goed of een dienst komt te rusten ingeval en voor zover dat goed of

die dienst de finale fase bereikt, en die dan volledig door de verbruiker wordt gedragen.

11. Weerslag van de btw-tarieven op de uiteindelijke belastingdruk. Het zogenaamde

inhaaleffect.

Het btw-tarief dat geldt voor een goed of een dienst in de eerste fase of in een tussenfase

van de productie- en distributieketen, oefent geen invloed uit op het uiteindelijke

belastingrendement indien dat btw-tarief niet wordt gehandhaafd tot in de finale

verbruiksfase. Uiteindelijk telt enkel het btw-tarief dat in die laatste fase wordt

toegepast op het goed of op de dienst die naar de verbruiker gaat.

Inderdaad, de toepassing van een verlaagd btw-tarief bij inkoop wordt in een systeem

van aftrek "belasting van belasting" automatisch teniet gedaan door de toepassing van

een verhoogd btw-tarief op de verkoop. Indien de belastingplichtige voor zijn inkoop

een kleinere belasting heeft gedragen vermindert het bedrag van de uit dien hoofde toe

te passen aftrek ook in die mate, en het saldo dat aan de Staat moet worden betaald voor

de verkoop wordt automatisch vergroot met het bedrag van die vermindering. Die

rechtzetting noemt men "inhaaleffect".

Een rechtzetting van dezelfde aard vindt plaats maar dan in tegengestelde zin, wanneer

het toegepaste btw-tarief bij aanvang groter is dan dat op het einde. In dat geval

vergroot het bedrag van de aftrek en verkleint automatisch het aan de Staat te betalen

saldo.

V o o r b e e l d

Reclame besteld door een fabrikant van margarine of door een melkerij is eenvormig belast met een btw

van 21 %. Maar in feite wordt die reclame getroffen door een btw van 12 % in de finale prijs van een

pakje margarine en door een btw van 6 % in de finale prijs van een fles melk.

Hier wordt de aandacht erop gevestigd dat ook de kosten van handelingen die vrijgesteld zijn van btw of

die niet in het Wetboek zijn omschreven (enerzijds, huurgelden voor onroerende goederen,

verzekeringspremies, erelonen van advocaten, enz. en anderzijds, personeelswaarden) onrechtstreeks

door de btw worden getroffen in de mate dat die kosten worden teruggevonden in de finale prijs van aan

btw onderworpen goederen en diensten. Dat geldt overigens ook voor de winsten die in iedere fase van de

kringloop worden verwezenlijkt, in de mate dat ze in de finale prijs zijn verrekend. Een en ander bewijst

nogmaals dat de btw uiteindelijk een eenmalige verbruiksbelasting is die zonder onderscheid al de

samenstellende elementen van de finale prijs treft, tegen het btw-tarief dat geldt voor het goed of de

dienst in de finale van het verbruik.


"INLEIDING" LXVIII

12. Weerslag van de vrijstellingen inzake btw.

Het is inzake btw van belang onderscheid te maken tussen:

- de vrijstellingen die meestal gegrond zijn op redenen van uitvoer of leveringen in

het intracommunautaire handelsverkeer (Wetboek, art. 39 tot 42) en die het recht

op aftrek van de voorbelasting onaangeroerd laten;

- de vrijstellingen die meestal gegrond zijn op redenen van sociale en culturele aard

(Wetboek, art 44) en die geen recht op aftrek van voorbelasting mogelijk maken;

- de vrijstelling inzake beleggingsgoud (Wetboek, art. 44bis).

De eerste soort vrijstellingen vormt dus geen beletsel voor het normale spel van de

aftrek en stelt inzonderheid de uitvoerder en de leverancier die intracommunautair levert

in staat de voorbelasting te recupereren en in het buitenland te verkopen tegen prijzen

die geheel belastingschoon zijn gemaakt.

De tweede soort vrijstellingen, die de aftrek onderbreken, kunnen aanleiding geven tot

een verzwaring van de belastingdruk. Die vrijstellingen zijn bovendien oorzaak van

verstoringen in de concurrentie. Het volgende voorbeeld zal een beter inzicht geven in

het ingewikkelde mechanisme van de vrijstellingen inzake btw.

Nemen we een belastingconsulent, btw-belastingplichtige, en een advocaat, bij de balie van Brussel,

vrijgestelde btw-belastingplichtige wegens de aard van zijn activiteit (Wetboek, art. 44, § 1, 1°), in

concurrentie voor een zelfde juridisch consult.

Eerste toestand. De belastingconsulent en de advocaat handelen met een belastingplichtige (b.v. een

industrieel of een handelaar, voor de behoeften van hun onderneming).

De belastingconsulent mag in zijn hoedanigheid van belastingplichtige de btw aftrekken die op zijn

uitgaven rust en vermindert alzo de prijs van zijn consult. Het zijn "belastingschone" erelonen die hij aan

zijn cliënt in rekening brengt, en de btw van 21 % die over het bedrag van die erelonen wordt berekend

mag door de cliënt worden afgetrokken waardoor ze geen bestanddeel van zijn kostprijs uitmaakt.

De advocaat die enkel vrijgestelde handelingen verricht kan geen aftrek toepassen van de btw die op zijn

uitgaven rust en brengt dus erelonen in rekening waarop de voorbelasting drukt. De omstandigheid dat

hij, gelet op de vrijstelling, geen btw aan die erelonen toevoegt blijft zonder invloed op de kostprijs van

de belastingplichtige cliënt die toch de btw had kunnen aftrekken indien deze aangerekend ware geweest.

In feite heeft in deze toestand de vrijstelling tot gevolg dat de btw blijft "hangen" (de Staat behoudt de

voorbelasting) en dat in de relatie tussen de advocaat en de cliënt het inhaaleffect niet speelt (z. nr. 11).

Hoe paradoxaal het ook moge lijken, de vrijstelling valt dus nadeliger uit dan het belasten van de

prestatie.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

LXIX "INLEIDING"

Tweede toestand. De belastingconsulent en de advocaat handelen met een niet-belastingplichtige (b.v.

een niet-belastingplichtige rechtspersoon of een particulier).

Benevens zijn ereloon "exclusief btw" moet de belastingconsulent een btw van 21 % in rekening brengen

aan zijn cliënt die, in de gegeven hypothese, geen recht op aftrek heeft. De advocaat daarentegen kan zich

beperken tot een ereloon waarop enkel de voorbelasting drukt. Zulke toestand doet een concurrentieverstoring

ontstaan.

De hier ontwikkelde beschouwingen ten aanzien van de door artikel 44 ingestelde

vrijstellingen, gelden ook ten aanzien van de handelingen "buiten de werkingssfeer" die

aan de belasting ontsnappen omdat ze niet uitdrukkelijk in het Wetboek zijn bedoeld.

De derde soort vrijstelling tenslotte, die van toepassing kan zijn in het kader van de

bijzondere regeling voor het beleggingsgoud, voorziet in een bijzonder en beperkt recht

op aftrek.


"INLEIDING" LXX

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

1 “HOOFDSTUK I: Invoering van de belasting”

HOOFDSTUK I

INVOERING VAN DE BELASTING

13. Territoriale werkingssfeer van de btw. Begripsomschrijvingen (Wetboek, art. 1)

"Onder de naam belasting over de toegevoegde waarde wordt een omzetbelasting

ingevoerd, die geheven wordt onder de voorwaarden en met inachtneming van de

regelen bepaald in dit Wetboek" (Wetboek, art. 1, § 1).

Door de afschaffing van de fiscale binnengrenzen is het nodig om in EG-verband,

maar ook nationaal, de territoriale werkingssfeer van de btw vanaf 1 januari 1993 af

te bakenen en enkele nieuwe gemeenschappelijke EG-begrippen te definiëren.

Zo wordt, voor de toepassing van het Btw-Wetboek, verstaan onder:

A. "Lidstaat" en "grondgebied van een Lidstaat": het binnenland zoals dat in

artikel 1, §§ 3, 4 en 5 van het Btw-Wetboek voor elke Lidstaat wordt

omschreven;

B. "Gemeenschap" en "grondgebied van de gemeenschap": het binnenland van de

Lidstaten;

C. "derdelands gebied" en "derde land": elk ander grondgebied dan het binnenland

van een Lidstaat (Wetboek, art. 1, § 2);

D. "binnenland": het gebied dat overeenkomt met de werkingssfeer van het

Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap zoals dit in artikel 299

voor elke Lidstaat is omschreven (Wetboek, art. 1, § 3).

Het binnenland omvat niet de volgende nationale grondgebieden (deze maken

evenmin deel uit van het douanegebied van de Europese Gemeenschap).

1° Bondsrepubliek Duitsland:

a) het eiland Helgoland;

b) het grondgebied van Büsingen;


“HOOFDSTUK I: Invoering van de belasting” 2

2° Koninkrijk Spanje:

(1 februari 2012)

a) Ceuta;

b) Melilla;

3° Italiaanse Republiek:

a) Livigno;

b) Campione d'Italia;

c) de nationale wateren van het meer van Lugano;

4° Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland: Gibraltar

Het binnenland omvat evenmin de volgende nationale grondgebieden (deze maken

deel uit van het douanegebied van de Europese Gemeenschap).

1° Koninkrijk Spanje: de Canarische Eilanden;

2° Franse Republiek: de overzeese departementen;

3° Helleense Republiek: de berg Athos;

4° Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland: de

Kanaaleilanden;

5° Republiek Finland: de Åland-eilanden (Wetboek art. 1, § 4)

Maakt wel deel uit van het nationale grondgebied van de volgende Lidstaten:;

1° Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland: het eiland

Man;

2° Franse Republiek: het Vorstendom Monaco;

3° De Republiek Cyprus: de zones Akrotiri en Dhekelia die onder de

soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen (Wetboek, art. 1, § 5)


(1 februari 2012)

3 “HOOFDSTUK I: Invoering van de belasting”

E. "intracommunautair goederenvervoer": vervoer van goederen waarvan de

plaats van vertrek en de plaats van aankomst op het grondgebied van twee

verschillende Lidstaten zijn gelegen;

F. "plaats van vertrek": de plaats waar het goederenvervoer daadwerkelijk begint;

G. "plaats van aankomst": de plaats waar het goederenvervoer daadwerkelijk

eindigt;

H. "accijnsproducten": energieproducten, alcohol en alcoholhoudende dranken en

tabaksfabrikaten, zoals omschreven in de vigerende communautaire

bepalingen, met uitzondering van gas dat via een op het grondgebied van de

Gemeenschap gesitueerd aardgassysteem of eender welk op een dergelijk

systeem aangesloten net (Wetboek, art. 1, § 6);

I. "reizen": de gehelen van samenhangende prestaties van vervoer, logies, spijs en

drank om ter plaatse te worden verbruikt, ontspanning of dergelijke, verblijven

tegen een vaste som welke inzonderheid logies omvatten, toeristische

rondreizen, alsook het uitvoeren van één of meerdere prestaties die deel uit

maken van die gehelen of die in dezelfde lijn ervan liggen;

J. "reisbureau": eenieder die, voor zover hij zijn activiteit als volgt uitoefent, in

eigen naam, reizen beoogd onder I, hiervoor, organiseert en verkoopt aan

reizigers, en die door die persoon worden verwezenlijkt door gebruik te maken

van met het oog hierop door anderen aan hem verstrekte goederen en diensten.

Als reisbureau wordt derhalve niet aangemerkt voor de toepassing van dit

Wetboek, eenieder die handelt als volgt:

1° hij die, in eigen naam, reizen beoogd onder I, hiervoor, organiseert en

verkoopt aan reizigers en die zelf rechtstreeks met eigen middelen de

uitvoering ervan verzekert;

2° hij die in de hoedanigheid van tussenpersoon bemiddelt in de verkoop

van reizen beoogd in het eerste lid, 1° (Wetboek, art. 1, § 7);

K. "beleggingsgoud":

1° goud, in de vorm van staven of plaatjes van een door de goudmarkten

aanvaard gewicht, met een zuiverheid van ten minste 995 duizendsten, al

dan niet belichaamd in certificaten.


“HOOFDSTUK I: Invoering van de belasting” 4

(1 februari 2012)

De kleine staven of plaatjes van ten hoogste één gram worden evenwel

niet aangemerkt als beleggingsgoud;

2° gouden munten die:

- een zuiverheid van ten minste 900 duizendsten hebben;

- na 1800 zijn geslagen;

- in het land van oorsprong als wettig betaalmiddel fungeren of

hebben gefungeerd;

en

- normaliter verkocht worden voor een prijs die de openmarktwaarde

van het in de munten vervatte goud niet meer dan 80 %

overschrijdt.

Dergelijke munten worden geacht niet verkocht te zijn wegens hun

numismatisch belang (Wetboek, art. 1, § 8).

L. "gebouw of een gedeelte van een gebouw": ieder bouwwerk dat vast met de

grond is verbonden;

M. “onder bijhorend terrein”: het terrein waarvoor de toelating werd verkregen om

er op te bouwen en dat door éénzelfde persoon wordt overgedragen tegelijk

met het gebouw waartoe het behoort (Wetboek, art. 1, § 9);

N. "misbruik": er is sprake van misbruik wanneer de verrichte handelingen

resulteren in het verkrijgen van een fiscaal voordeel waarvan de toekenning in

strijd is met de doelstelling beoogd in dit Wetboek en de ter uitvoering ervan

genomen besluiten en die handelingen in wezen het verkrijgen van dit voordeel

tot doel hebben (Wetboek, art. 1, § 10);

O. voor de toepassing van de artikelen 15, § 2, tweede lid, 3°, 21, § 3, 6° en 21bis,

§ 2, 8°, wordt beschouwd als:

1° "in de Gemeenschap verricht gedeelte van een passagiersvervoer": het

gedeelte van een vervoer dat, zonder tussenstop buiten de gemeenschap,

plaatsvindt tussen de plaats van vertrek en de plaats van aankomst van

het passagiersvervoer;

2° "plaats van vertrek van een passagiersvervoer": het eerste punt in de

Gemeenschap waar passagiers aan boord kunnen komen, eventueel na

een tussenstop buiten de Gemeenschap;


(1 februari 2012)

5 “HOOFDSTUK I: Invoering van de belasting”

3° "plaats van aankomst van een passagiersvervoer": het laatste punt in de

Gemeenschap waar passagiers die binnen de Gemeenschap aan boord

zijn gekomen van boord kunnen gaan, eventueel vóór een tussenstop

buiten de Gemeenschap.

Ingeval het een heen- en terugreis betreft, wordt de terugreis als een afzonderlijk

vervoer beschouwd (Wetboek, art. 1, § 11).

13/2. Leveringen van goederen en diensten die in België worden verricht (Wetboek,

art. 2).

Aan de belasting zijn onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden,de leveringen

van goederen en de diensten in de zin van het Wetboek, die door een als zodanig

handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht.

Dit artikel beoogt dus zowel de leveringen van goederen en de diensten verricht door

een belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit, als bepaalde

toevallige handelingen.

In de gevallen beoogd in artikel 8 van het Wetboek kunnen diegenen die deze

leveringen verrichten opteren voor de hoedanigheid van belastingplichtige, wat

daarentegen niet het geval is voor de leveringen bedoeld in artikel 8bis van het

Wetboek waar de hoedanigheid van belastingplichtige ambtshalve verkregen wordt.

De handelingen verricht door de curator van een gefailleerde belastingplichtige ter

uitvoering van de hem toevertrouwde opdracht, of door een derde onder toezicht van

de curator, worden geacht door de gefailleerde zelf te zijn verricht.

14. Invoer in België (Wetboek, art. 3).

Het invoeren van goederen al of niet door een belastingplichtige, is eveneens aan de

belasting onderworpen wanneer de invoer in België plaatsvindt.


“HOOFDSTUK I: Invoering van de belasting” 6

14/2. Intracommunautaire verwervingen in België (Wetboek, art. 3bis).

De in artikel 25bis van het Wetboek omschreven intracommunautaire verwervingen

van goederen zijn, wanneer zij in België geschieden, aan de belasting onderworpen,

voor zover ze onder bezwarende titel plaatsvinden onder de in artikel 25ter gestelde

voorwaarden.

(1 februari 2012)


15. Opsomming.

(1 februari 2012)

7 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

HOOFDSTUK II

LEVERINGEN VAN GOEDEREN

Eerste afdeling. - Algemene voorwaarden van opeisbaarheid.

Het verschuldigd worden van de btw over een levering van een goed veronderstelt

dat de volgende voorwaarden zijn vervuld:

1° de handeling moet een levering van een goed zijn als bedoeld in artikel 10 van

het Wetboek of met een levering van een goed gelijkgesteld zijn ingevolge

artikel 12 van het Wetboek;

2° indien het gaat om een handeling bedoeld in artikel 10, van het Wetboek moet

ze onder bezwarende titel worden verricht, met andere woorden, de verkrijger

moet een tegenprestatie leveren (Wetboek, art. 2).

Wanneer de handeling bedoeld is in artikel 12, van het Wetboek wordt ze door

het louter materiële feit bedoeld in dat artikel, als zodanig met een levering van

een goed onder bezwarende titel gelijkgesteld;

3° de levering moet in België plaatsvinden;

4° de levering moet worden verricht door een belastingplichtige die handelt in de

uitoefening van zijn economische activiteit die niet van de belasting is

vrijgesteld op grond van artikel 44 van het Wetboek.


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 8

I. Levering van goederen.

15/2. Definitie.

Overeenkomstig artikel 10, § 1, eerste lid, van het Wetboek wordt als levering van

een goed beschouwd de overdracht of de overgang van de macht om als een eigenaar

over een goed te beschikken.

De wetgever voegt in artikel 10, § 1, tweede lid, van het Wetboek aan deze algemene

definitie toe dat met levering onder meer het feit wordt bedoeld waarbij een goed ter

beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt gesteld ingevolge een contract

tot overdracht of aanwijzing. In feite is deze toevoeging exemplatief, in die zin dat de

algemene definitie ruimer is. Doch, zoals we verder zullen zien, dekt deze

aanvullende definitie veruit de meeste gevallen van belastbare levering van goederen,

vooral daar de overdracht van de beschikkingsmacht over een goed onder

bezwarende titel moet plaatsvinden, opdat de levering belastbaar zou zijn (Wetboek,

art. 2, eerste lid).

A. Begrip "goederen".

16. Goederen als bedoeld in de btw-wet (Wetboek, art. 9).

Artikel 9 van het Wetboek bepaalt wat voor de toepassing van de btw onder het

begrip goederen moet worden verstaan.

De bedoelde goederen zijn:

a. de lichamelijke goederen: de roerende en de onroerende goederen uit hun aard,

evenals de onroerende goederen door bestemming;

b. elektriciteit, gas, warmte en koude;

c. de andere zakelijke rechten dan het eigendomsrecht die aan de rechthebbende de

bevoegdheid verschaffen om een onroerend goed te gebruiken; het recht van

erfpacht dat door een onderneming die gespecialiseerd is in onroerende

financieringshuur wordt gevestigd of overgedragen in het kader van een

onroerende financieringshuur in de zin van artikel 44, § 3, 2°, b, van het Wetboek

is in ieder geval niet als een goed te beschouwen.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

9 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

Tenslotte worden in artikel 9, derde lid, van het Wetboek de effecten aan toonder

uitdrukkelijk als goed uitgesloten.

17. Roerende goederen uit hun aard.

Uit hun aard roerende goederen zijn goederen die van plaats kunnen veranderen,

hetzij omdat ze zich daarbij zelf bewegen, zoals de dieren, hetzij omdat ze door een

vreemde kracht in beweging worden gebracht, zoals de levenloze dingen (Burgerlijk

Wetboek, art. 528).

Uit hun aard roerende goederen zijn inzonderheid de lichamelijke roerende goederen.

Dit zijn goederen, andere dan onroerende goederen, die een werkelijke fysieke

verschijningsvorm hebben, b.v. schepen, meubelen, juwelen, kleding, water.

Als roerende goederen uit hun aard worden eveneens aangemerkt de roerende

goederen bij vervroeging. Dit zijn goederen die nog vastgehecht of verbonden zijn

met een onroerend goed, maar die door de partijen, op het tijdstip van hun

overeenkomst, reeds als afgescheiden van het onroerend goed worden beschouwd.

Dat is inzonderheid het geval voor gebouwen die moeten worden afgebroken,

oogsten die moeten worden afgemaaid en binnengehaald en fruit dat moet worden

geplukt, bomen die moeten worden geveld.

Hetzelfde geldt voor de producten die uit de grond worden gehaald (steenbakkersklei,

natuursteen, klei, kaoline, dolomiet, zand, enz.), wanneer de partijen de

overeenkomst, waarbij de eigenaar van de grond, tegen betaling van een vergoeding,

aan iemand het recht verleent uit dat stuk grond grondstoffen te halen, voorstellen als

een verkoop van op te graven producten. Wanneer daarentegen de handeling door de

partijen als een onroerende verhuur wordt voorgesteld, is ze vrijgesteld van de btw

op grond van artikel 44, § 3, 2°, van het Wetboek, zelfs wanneer de concessiehouder

het recht heeft de in concessie gegeven laag uit te putten (z. aanschr. 4/1973, nrs. 81

tot 83).

Nu reeds kan nochtans worden gesteld dat de eigendomsoverdracht van zulke

goederen zich slechts zal voordoen vanaf het ogenblik dat de goederen zullen

bestaan.

Onlichamelijke roerende goederen hebben, per definitie, geen fysieke verschijningsvorm,

zodat we ze niet met onze zintuigen kunnen waarnemen. We kennen ze

slechts door het verstand. Het bestaan ervan wordt echter veelal door een roerend

voorwerp veruiterlijkt, een zo geheten titel of geschrift. Zo bijvoorbeeld:


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 10

aandelen (deelneming in het kapitaal van een vennootschap) of obligaties (schuldvorderingen)

die worden veruiterlijkt door een titel, soms op naam (nominatief) maar

meestal aan toonder; handelspapieren (cheques, wissels); gangbare muntstukken; niet

afgestempelde postzegels die in België gangbaar zijn; ristornozegels; roerende

schuldvorderingen; intellectuele rechten (b.v. het recht van de kunstenaar op zijn

kunstwerk, van de uitvinder op zijn uitvinding); enz.

De onlichamelijke roerende goederen worden niet als "goederen" aangemerkt waarvan

de levering aan de btw is onderworpen. De handelingen onder bezwarende titel

met betrekking tot deze onlichamelijke roerende goederen worden nochtans voor de

toepassing van de btw als diensten beschouwd. Dat is namelijk zo voor de

overdracht van een cliënteel, een monopolie, een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk,

een auteursrecht, een industrietekening, een industriemodel, een plan of een

tekening die de veruiterlijking zijn van een intellectueel werk, het bewaren van

effecten aan toonder (z. hoofdstuk III).

Sommige van deze diensten zijn nochtans op grond van bepaalde punten van

artikel 44, § 3, van het Wetboek, van de btw vrijgesteld (z. hoofdstuk X).

18. Onroerende goederen door bestemming.

De volgende regeling geldt ten aanzien van de roerende goederen die op het stuk van

het burgerlijk recht, als onroerende goederen door bestemming worden beschouwd

(z. aanschr. 76/1970, nrs. 1 en 2).

a. De roerende voorwerpen die blijvend aan een onroerend goed zijn verbonden

(Burgerlijk Wetboek, art. 524, laatste lid, en art. 525) zijn goederen voor de

toepassing van de btw maar volgen de regeling van het onroerend goed

waarmee ze zijn verbonden, wanneer ze samen daarmee worden verkocht.

Zulke verkoop is dus een onroerende handeling die normaal genomen van de

btw is vrijgesteld (Wetboek, art. 44, § 3, 1°, a). Wanneer het onroerend goed

echter een nieuw gebouw is dat met toepassing van de btw wordt verkocht, is

de verkoop van deze roerende voorwerpen eveneens aan de btw onderworpen.

Ingeval van afzonderlijke verkoop (d.w.z. afgescheiden van het onroerend

goed) worden ze echter opnieuw roerende goederen uit hun aard en zijn dan, in

beginsel, met btw belastbaar, ongeacht overigens de fiscale regeling welke

geldt ten aanzien van het onroerende goed waarmee ze oorspronkelijk

verbonden waren.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

11 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

b. De roerende voorwerpen die voor de dienst en de exploitatie van een onroerend

goed worden gebruikt (Burgerlijk Wetboek, art. 522, eerste lid, en art. 524,

eerste en tweede lid), zijn "goederen" en volgen inzake btw dezelfde regeling

als uit hun aard roerende goederen, ongeacht of ze samen met het onroerend

goed dan wel afzonderlijk worden verkocht. De levering ervan is dus in

beginsel met btw belastbaar.

Zo is bijvoorbeeld de verkoop van een fabriek (grond en gebouwen) samen met

het materieel dat zich erin bevindt, in beginsel met de btw te belasten wat het

materieel betreft, terwijl het eigenlijke onroerend goed (de fabriek met de

grond) in beginsel met het registratierecht wordt belast.

18/2. Uit hun aard onroerende goederen.

Uit hun aard onroerende goederen zijn goederen die niet verplaatsbaar zijn, zoals de

grond of planten, gebouwen, constructies en werken die aan de grond vastzitten

(Burgerlijk Wetboek, art. 518 e.v.).

Uit hun aard onroerende goederen worden ook lichamelijk onroerende goederen

genoemd. Het gaat dus vnl. om de grond (bovengrond en ondergrond), gebouwen en

planten die aan de grond vastzitten, wanneer ze erbij ingelijfd zijn. In artikel 9 van

het Wetboek worden dus onder meer bouwgronden, landbouwgronden, weiden,

huizen en industriële gebouwen, die bij de grond zijn ingelijfd, bedoeld.

De bestanddelen van een gebouw, constructie of werk, d.w.z. alle onderdelen en

apparaten die er een geheel mee uitmaken en wel zo dat, wanneer ze ontbreken, de

gebouwen, constructies of werken in hun aard zelf zouden worden gewijzigd doordat

zij niet volledig meer zouden zijn, zijn eveneens onroerend uit hun aard (bv. de

dakbedekking, de trappen, de deuren, vensterramen, liften, ... van een gebouw). Deze

bestanddelen kunnen evenwel niet afzonderlijk van het gebouw worden vervreemd.

De voorwerpen die - zonder hun eigen individualiteit te verliezen - een louter

toebehoren zijn van een gebouw, een constructie of werk, die dus bij gebreke

daarvan volledig zijn (bv. machines), hebben daarentegen het karakter niet van

onroerende goederen uit hun aard, zelfs wanneer zij materieel vastgehecht zijn aan

het betrokken bouwwerk (die toebehoren blijven roerende goederen tenzij zij aan de

voorwaarden voldoen die vereist zijn voor de onroerendmaking door bestemming).

Tegenover de lichamelijke onroerende goederen staan de onlichamelijke onroerende

goederen, dit zijn:


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 12

- de onroerende zakelijke rechten, uitgezonderd de eigendom: bepaalde van deze

rechten worden voor de toepassing van de btw als goederen beschouwd;

- de onroerende schuldvorderingen: worden niet als goederen bedoeld in

artikel 9 van het Wetboek beschouwd;

- de onroerende rechtsvorderingen: worden evenmin als goederen bedoeld in

artikel 9 van het Wetboek beschouwd.

De levering van uit hun aard onroerende goederen (gebouwen, grond ...) is bijgevolg

een handeling die beoogd wordt door het Wetboek.

Artikel 44, § 3, 1°, a, van het Wetboek stelt evenwel op een algemene wijze de

levering van deze goederen van de btw vrij. Het betreft een vrijstelling met

uitsluiting van het recht op aftrek van de voorbelasting.

Ingevolge dezelfde bepaling wordt de levering van een gebouw, een gedeelte van een

gebouw en van het bijhorend terrein beoogd door artikel 1, § 9, van het Wetboek,

echter van deze vrijstelling uitgesloten, op voorwaarde dat de levering wordt verricht

uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste

ingebruikneming of de eerste inbezitneming van het goed bedoeld in artikel 1, § 9,

1°, van het Wetboek, door:

- hetzij een in artikel 12, § 2, van het Wetboek beoogde belastingplichtige die

voornoemd goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, van het Wetboek heeft opgericht

of heeft laten oprichten of met voldoening van de btw heeft verkregen;

- hetzij elke andere belastingplichtige (d.w.z. een belastingplichtige voor een

andere economische activiteit dan diegene hiervoor genoemd) wanneer hij op

de in het koninklijk besluit nr. 14, van 3 juni 1970, bepaalde wijze kennis heeft

gegeven van zijn bedoeling voornoemd goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, van

het Wetboek dat hij heeft opgericht of heeft laten oprichten of met voldoening

van de btw heeft verkregen, te vervreemden met voldoening van de btw;

- hetzij een in artikel 8, § 1 beoogde toevallige belastingplichtige.

De levering van gebouwen, gedeelten van gebouwen en van het bijhorend terrein

onder de in het vorige lid bepaalde omstandigheden is bijgevolg in de regel met btw

te belasten. Onder gebouw wordt hier verstaan elk bouwwerk dat vast met de grond

is verbonden (Wetboek art. 1, § 9, nr. 152).

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

13 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

Onder een gedeelte van een gebouw wordt verstaan elk gedeelte van een gebouw dat

geheel of gedeeltelijk onderworpen is aan het regime van gedwongen medeeigendom,

meerbepaald de appartementen (Wetboek, art. 1, § 9, 1°, z. nr. 152).

Voor het begrip bijhorend terrein wordt verwezen naar het (de) kadastra(a)l(e)

perce(e)l(en) voor het (de) welk(e) een toelating werd verkregen om er op te bouwen,

bijvoorbeeld met het oog op een bouwvergunning of verkaveling (Wetboek, art. 1,

§ 9, 2°, z. nr. 151).

Tevens wordt opgemerkt dat in bepaalde gevallen verbouwde oude gebouwen voor

de toepassing van de btw als nieuwe gebouwen kunnen worden aangemerkt

(z. nr. 152/2; beslissingen E.T. 19.497 van 20 februari en 29 april 1976, BTW-

REVUE nr. 28, blz. 29, nr. 595).

De datum van het contract van vervreemding van het gebouw, m.a.w. de vraag of de

levering van het gebouw heeft plaatsgevonden op een ogenblik dat het betreffende

gebouw nog nieuw was, kan krachtens artikel 44, § 3, 1°, in fine, van het Wetboek

alleen worden aangetoond door bewijsmiddelen die tegen derden kunnen worden

ingeroepen (b.v. notariële akte of een onderhandse akte die vaste datum heeft

verkregen b.v. doordat ze geregistreerd werd of door het overlijden van een van de

ondertekenaars). De administratie stelt zich nochtans toleranter op t.a.v. het bewijs

van de datum van de vervreemding. Het bewijs mag ook blijken uit bestanddelen

buiten de van de partijen zelf uitgaande akten en bescheiden.

19. Nieuwe of gebruikte goederen.

Het begrip "goed" dekt zowel de reeds gebruikte als de nieuwe roerende goederen.

Artikel 58, § 4, van het Wetboek heeft evenwel een bijzondere regeling van

belastingheffing over de winstmarge ingevoerd voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen,

voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten (z. nrs. 520/7 tot 520/13).

20. Bepaalde zakelijke rechten op onroerende goederen.

Sinds 1 januari 1993 worden de andere zakelijke rechten dan het eigendomsrecht die

aan de rechthebbende de bevoegdheid verschaffen om een onroerend goed te

gebruiken als lichamelijke goederen (en dus als goederen voor de toepassing van de

btw) beschouwd.


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 14

Het recht van erfpacht dat door een onderneming die is gespecialiseerd in onroerende

financieringshuur wordt gevestigd of overgedragen in het kader van onroerende

financieringshuur in de zin van artikel 44, § 3, 2°, b, van het Wetboek wordt

evenwel uitgesloten (Wetboek art. 9, tweede lid, 2°).

Zakelijke rechten die om als goed te worden beschouwd voor de toepassing van de

btw alleen op onroerende goederen betrekking hebben, zijn subjectieve rechten die

rechtstreeks op een zaak slaan, zonder toedoen van een persoon. De rechtstreekse

zeggenschap over de zaak geldt erga omnes. De titularis van het recht kan er afstand

van doen door een eenzijdige wilsuiting.

Voor de toepassing van de btw worden de zakelijke rechten slechts als goederen

beschouwd voor zover ze aan de rechthebbende de bevoegdheid verschaffen om een

onroerend goed te gebruiken. Het gaat om een economisch gebruiksrecht. Het

vruchtgebruik, het recht van opstal, het recht van erfpacht, het recht van gebruik, het

recht van bewoning en de erfdienstbaarheden zijn hier bedoeld. De zakelijke

bijkomende rechten (b.v. voorrechten en hypotheek) vallen niet onder de "btwgoederen",

daar ze geen gebruiksrecht op een onroerend goed verlenen. Het

eigendomsrecht op een onroerend goed wordt tekstueel uitgesloten uit de zakelijke

rechten die in de btw-sfeer komen, omdat het eigendomsrecht samenvalt met het te

gebruiken onroerend goed zelf, en dus reeds onder de algemene bepaling van

goederen (de lichamelijke goederen) is vervat.

Het als lichamelijke goederen beschouwen van bepaalde zakelijke rechten heeft tot

doel handelingen die uit economisch oogpunt gelijkwaardig zijn aan de levering van

een lichamelijk onroerend goed omwille van de fiscale neutraliteit aan de btw te

onderwerpen.

De in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek bedoelde zakelijke rechten zijn,

zoals gezegd, het vruchtgebruik, het recht van erfpacht, het recht van gebruik, het

recht van bewoning en het recht op opstal. Erfdienstbaarheden kunnen, in het kader

van een economisch gebruik eveneens als een in genoemd artikel 9, tweede lid, 2°,

bedoeld goed worden beschouwd.

Het vruchtgebruik is het recht om van een zaak waarvan een ander de eigendom

heeft, het genot te hebben, zoals de eigenaar zelf, maar onder verplichting om de

zaak zelf in stand te houden (B.W., art. 578). Het is een zakelijk recht dat aan zijn

titularis (de vruchtgebruiker) toelaat andermans goed te gebruiken en ervan te

genieten. Het vruchtgebruik dat aan een natuurlijke persoon wordt toegestaan kan in

geen enkele onderstelling langer duren dan het leven van de vruchtgebruiker.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

15 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

Vruchtgebruik dat is gevestigd ten bate van een rechtspersoon kan hoogstens dertig

jaar duren (B.W., art. 619). Het vruchtgebruik kan betrekking hebben op roerende of

onroerende goederen. Het is nochtans slechts het vruchtgebruik op een onroerend

goed dat in voorkomend geval het voorwerp van een levering kan uitmaken.

Het recht van opstal is een zakelijk recht dat er voor de titularis (of opstaller) in

bestaat gebouwen, beplantingen of werken op andermans grond te hebben (Wet van

10 januari 1824 op het recht van opstal, art. 1). Het recht van opstal kan niet worden

gevestigd voor langer dan vijftig jaar, maar het kan worden hernieuwd. Het recht kan

worden toegepast zowel op reeds bestaande gebouwen, beplantingen en werken, als

op nog op te trekken gebouwen of nog uit te voeren beplantingen of werken.

Het recht van erfpacht is een zakelijk recht dat er voor de titularis (of erfpachter) in

bestaat het volle genot te hebben van een onroerend goed (grond en gebouwen) dat

aan iemand anders toebehoort, op last om aan de eigenaar, als erkenning van zijn

eigendom, een jaarlijkse vergoeding (pacht of cijns genoemd), hetzij in geld, hetzij in

natura te betalen (Wet van 10 januari 1824, art. 1, al. 1). Het recht van erfpacht mag

voor niet langer dan negenennegentig jaar worden gevestigd en ook voor niet minder

dan zevenentwintig jaar (voormelde wet, art. 2).

Het recht van erfpacht dat wordt gevestigd of overgedragen in het kader van een

belastbare onroerende financieringshuur wordt evenwel uitdrukkelijk als goed voor

de toepassing van de btw uitgesloten. Het recht van erfpacht wordt hier als het ware

gedenatureerd, omdat het recht van erfpacht dat bij onroerende financieringshuur

wordt verleend het voorwerp van een dienst uitmaakt en de verrichting dus ook als

zodanig zal worden belast (voor zover aan de voorwaarden van niet-vrijstelling is

voldaan: z. art. 44, § 3, 2°, b, van het Wetboek) en niet als levering. Dubbele

belastingheffing moet in ieder geval worden uitgesloten.

Het recht van gebruik is een zakelijk en tijdelijk recht, op grond waarvan de titularis

zich persoonlijk van andermans goed mag bedienen en er de vruchten van innen

binnen de perken van zijn behoeften en die van zijn gezin. Het is een levenslang en,

in principe, onoverdraagbaar recht (Burgerlijk Wetboek, art. 625 en 631).

Het recht van bewoning is een zakelijk en tijdelijk recht, op grond waarvan de

titularis ervan het huis van een andere persoon mag bewonen, in de mate dat het

noodzakelijk is voor hem en voor zijn gezin (Burgerlijk Wetboek, art. 625, 632 en

633). Het recht van bewoning is niets anders dan een recht van gebruik toegepast op

een huis. Vandaar dan ook dat het aan dezelfde regels als dit laatste is onderworpen.

In tegenstelling tot het recht van gebruik echter verschaft het recht van bewoning

geen enkel recht op de vruchten (de titularis van het recht van bewoning mag het huis

waarop zijn recht slaat bijgevolg niet verhuren).


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 16

Hoewel het recht van gebruik en het recht van bewoning door de gebruiker of

bewoner in principe niet kunnen worden overgedragen, worden ze door de eigenaar

ab initio gevestigd ten gunste van de gebruiker of bewoner. Bijgevolg zijn deze

rechten lichamelijke goederen en kan hun vestiging het voorwerp uitmaken van een

met btw belastbare levering wanneer ze op een nieuw gebouw betrekking hebben.

De erfdienstbaarheid is een zakelijk recht dat op een erf wordt gelegd tot nut van een

erf dat aan een andere eigenaar toebehoort (Burgerlijk Wetboek, art. 637). Om aan de

btw te worden onderworpen is het evenwel noodzakelijk dat het erf dat met een

erfdienstbaarheid is bezwaard (lijdend erf) een nieuw gebouw is in de zin van het

Wetboek.

De levering van zakelijke rechten die als goederen voor de toepassing van de btw

worden beschouwd is bijgevolg een handeling die beoogd wordt door het btw-

Wetboek.

Er mag nochtans niet uit het oog worden verloren dat artikel 44, § 3, 1°, b, van het

Wetboek de levering van deze zakelijke rechten op een algemene wijze van de btw

vrijstelt. Het betreft een vrijstelling met uitsluiting van het recht op aftrek van de

voorbelasting.

Ingevolge dezelfde bepaling wordt de levering (in civielrechtelijke termen: de

vestiging, overdracht, wederoverdracht) van de bedoelde zakelijke rechten op

gebouwen of gedeelten van gebouwen (en het bijhorend terrein) echter van deze

vrijstelling uitgesloten op voorwaarde dat ze wordt verricht uiterlijk op 31 december

van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste

inbezitneming van de door artikel 1, § 9, 1°, van het Wetboek beoogde goederen,

door:

- hetzij een in artikel 12, § 2, van het Wetboek beoogde belastingplichtige die

binnen de voornoemde termijn één van de bedoelde zakelijke rechten vestigt

op een goed beoogd door artikel 1, § 9, 1°, van het Wetboek, dat hij heeft

opgericht, heeft laten oprichten of met voldoening van de btw heeft verkregen

of die binnen dezelfde termijn, een dergelijk zakelijk recht dat te zijnen bate

werd gevestigd of aan hem werd overgedragen met voldoening van de btw,

overdraagt of wederoverdraagt;

- hetzij elke andere belastingplichtige (d.w.z. een belastingplichtige voor een

andere economische activiteit dan hiervoor genoemd), wanneer hij op de in het

koninklijk besluit nr. 14, van 3 juni 1970, bepaalde wijze kennis heeft gegeven

van zijn bedoeling binnen voornoemde termijn één van de bedoelde zakelijke

rechten op een goed beoogd door artikel 1, § 9, 1°, van het Wetboek, dat hij

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

17 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

heeft opgericht, heeft laten oprichten of met voldoening van de btw heeft

verkregen, te vestigen of binnen die termijn één van die zakelijke rechten dat te

zijnen bate werd gevestigd of hem werd overgedragen met voldoening van de

btw, over te dragen of weder over te dragen;

- hetzij een door artikel 8, §§ 2 of 3, beoogde toevallige belastingplichtige.

De vestiging, de overdracht en de wederoverdracht van zakelijke rechten op een

gebouw, onder de in het vorige lid bepaalde omstandigheden is bijgevolg in de regel

met btw belastbaar.

Het is bijgevolg slechts een zakelijk recht (vruchtgebruik, recht van opstal, recht van

erfpacht en in voorkomend geval de erfdienstbaarheid) op een "nieuw gebouw" of

“gedeelte van een nieuw gebouw” (en het bijhorend terrein) dat het voorwerp kan

uitmaken van een met btw belaste levering die niet is vrijgesteld op grond van

artikel 44, § 3, 1°, b, van het Wetboek. Er wordt, wat het recht van opstal betreft, op

gewezen dat het recht kan worden gevestigd op een grond waarop zich al dan niet

reeds gebouwen bevinden.

Wanneer het recht van opstal wordt gevestigd op een grond waarop zich reeds

gebouwen bevinden waarover dit recht zich eveneens uitstrekt, kan worden

gesproken van een recht van opstal op gebouwen, dat als een btw-goed moet worden

beschouwd. In het geval deze gebouwen nog nieuw zijn zal dit recht met btw

belastbaar kunnen zijn, daaronder begrepen het recht op het overeenstemmende

gedeelte van het bijhorend terrein bij het nieuw gebouw (z. nr. 151 voor het begrip

bijhorend terrein).

Wanneer het recht van opstal daarentegen wordt gevestigd op een grond waarop zich

geen gebouwen bevinden, wordt dit zakelijk recht eveneens beschouwd als een goed

bedoeld in het Wetboek en kan dit, in de regel, het voorwerp zijn van een levering,

die evenwel steeds vrijgesteld is van de btw op grond van artikel 44, § 3, 1°, b, van

het Wetboek. Zelfs wanneer door de opsteller naderhand gebouwen worden

opgericht is er geen sprake van een recht van opstal met betrekking tot gebouwen.

Het opgerichte gebouw is dan een lichamelijk goed bedoeld in artikel 9, eerste lid,

van het Wetboek. De eigendomsoverdracht van dit gebouw (en van het zakelijk recht

dat overeenstemt met het bijhorend terrein) volgt de regels die gelden voor de uit hun

aard onroerende goederen.

Tenslotte wordt nog opgemerkt dat het vruchtgebruik op een roerend goed voor de

toepassing van de btw niet als goed wordt beschouwd en dus niet het voorwerp kan

uitmaken van een levering van goederen maar wel van een dienst. Vóór 1 januari

1993 was de situatie omgekeerd (z. Wetboek, art. 10, oud).


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 18

20/2. Warmte, koude, elektriciteit en gas.

Elektriciteit, gas, warmte en koude worden op grond van artikel 9, tweede lid, 1°,

van het Wetboek tevens als lichamelijke goederen en dus als goederen voor de

toepassing van de btw beschouwd.

Deze zaken zullen dus het voorwerp van een levering van goederen kunnen uitmaken

en zullen als zodanig aan de btw kunnen worden onderworpen (en niet als diensten).

Ook de levering van soortelijke zaken (b.v. stoom) zal als de levering van een goed

worden aangemerkt.

B. Levering.

21. Begrip "levering" (Wetboek, art. 10, § 1).

Als levering van een goed wordt beschouwd de overdracht of de overgang van de

macht om als een eigenaar over een goed te beschikken (Wetboek, art. 10, § 1, eerste

lid).

Deze definitie is volledig gebaseerd op de overeenstemmende bepaling van de zesde

btw-Richtlijn (art. 5.1). Het is dan ook niet meer dan logisch dat haar verklaring

gezocht wordt in het communautaire recht, te meer daar sinds de invoering van de

Europese Gemeenschap zonder fiscale binnengrenzen en de voortschrijdende

harmonisatie van de wetgevingen inzake omzetbelasting binnen de Gemeenschap

een grote nood bestaat aan eenvormige uitleg van essentiële begrippen, zoals de

levering voor de toepassing van de btw.

Uit de in artikel 10, § 1, eerste lid, van het Wetboek gebruikte bewoordingen blijkt

dat het begrip "levering van een goed" niet verwijst naar de eigendomsoverdracht in

de door het nationale recht voorziene vormen, maar elke overdrachtshandeling van

een lichamelijke zaak door een partij insluit, die de andere partij in staat stelt

daadwerkelijk daarover te beschikken als ware zij eigenaar van die zaak. Er

moet worden opgemerkt dat het daarbij niet noodzakelijk gaat om civielrechtelijke

eigendomsoverdracht.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

19 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

Ook indien geen juridische eigendom van een zaak wordt overgedragen kan sprake

zijn van levering (z. arrest van het Hof van Justitie van 8 februari 1990, zaak C -

320/88). Waar het op aankomt is niet dat juridisch civielrechtelijke eigendom wordt

overgedragen, maar wel dat er een overdracht is van het recht om juridisch over het

goed te beschikken (juridische beschikkingsbevoegdheid). Dit brengt de mogelijkheid

mee om het goed te exploiteren, te transformeren, te hypothekeren, het risico

van waardeveranderingen van het goed te dragen en het recht om het goed te

vervreemden.

Bovendien moet worden benadrukt dat niet alleen de juridische eigendomsoverdracht

(in tegenstelling tot de juridische beschikkingsbevoegdheid) van

subsidiaire aard is, maar dat ook de materiële feitelijke leveringshandeling niet van

wezenlijk belang is opdat op het vlak van de btw van een levering zou sprake zijn.

Zo is bijvoorbeeld in een zogenaamde kettingverkoop tussen A en B enerzijds en B

en C anderzijds, waarbij de goederen rechtstreeks van A naar C worden gevoerd

sprake van levering tussen zowel A en B als B en C, niettegenstaande de goederen

nooit materieel aan B worden geleverd.

Zo is bijvoorbeeld ook het feit dat de goederen in het magazijn van een derde worden

opgeslagen en niet rechtstreeks en materieel aan de koper worden geleverd van geen

belang voor de kwalificatie als levering in de zin van het btw-Wetboek van de

transactie tussen koper en verkoper.

Ook wanneer bepaalde certificaten worden overgedragen die de eigendom van

lichamelijke goederen vertegenwoordigen zal levering plaatsvinden, niettegenstaande

er eventueel geen materiële levering van de goederen geschiedt of deze pas later

geschiedt (tegen afgifte van het certificaat).

Uit dit alles blijkt dat de overdracht van de juridische beschikkingsbevoegdheid de

grondslag vormt van de levering en niet de materiële leveringshandeling (z. ook

arresten van het Hof van Justitie van 8 maart 1988, zaak nr. 165/86 en van 26 juni

1990, zaak nr. 185/89). De bevoegdheid van een belastingplichtige om als een

eigenaar over een zaak te beschikken is trouwens niet noodzakelijkerwijze gekoppeld

aan het fysieke bezit van die zaak. Bij dit alles mag evenwel niet uit het oog worden

verloren dat de overdracht van deze beschikkingsbevoegdheid in veel gevallen zal

gepaard gaan met de materiële levering (de afgifte) van het goed, doch dit laatste is

geen absolute vereiste. Op welk moment nu de overdracht of de overgang van de

feitelijke beschikkingsmacht als eigenaar geschiedt hangt af van de omstandigheden

van het concrete geval, af te leiden uit de gemaakte afspraken (contract) en de feiten.


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 20

De feitelijke macht om als een eigenaar over een goed te beschikken kan op

verschillende wijzen worden bekomen. De algemene definitie van levering stelt hier

geen bepaalde wijze voorop. De levering moet niet noodzakelijk uit een contract

voortvloeien. Theoretisch gezien zou de levering ook het gevolg kunnen zijn van

andere afgeleide wijzen van verwerving van de juridische beschikkingsbevoegdheid

(vgl. B.W., art. 711) zoals een erfopvolging, een testament, schenking of een vonnis

(b.v. een vonnis van toewijzing na beslag).

Toch is een belangrijke voorwaarde opdat een levering van goederen in de btw-sfeer

zou terechtkomen dat de levering onder bezwarende titel plaatsvindt hetgeen een

rechtstreekse tegenprestatie veronderstelt. Aangezien dit in de genoemde gevallen

niet aan de orde is, worden deze gevallen buiten het bestek van de levering gelaten.

Het is overigens mogelijk dat de gevallen van niet-contractuele overdracht van de

beschikkingsmacht als eigenaar onder het begrip levering vallen op een andere

basis dan krachtens de algemene definitie. Dit is b.v. het geval voor de eigendomsoverdracht

van een goed tegen betaling ingevolge een vordering door of namens de

overheid krachtens de wet (b.v. onteigening).

Naast de afgeleide wijzen van verwerving (er wordt een bestaand recht overgedragen)

zijn er ook de oorspronkelijke wijzen van eigendomsverwerving (er wordt

een eigendomsrecht in het leven geroepen) (vgl. B.W., art. 712), zoals daar zijn de

toe-eigening, de vondst, de natrekking, de verkrijgende verjaring of het bezit te

goeder trouw van lichamelijk roerende zaken. Omdat men bij de oorspronkelijke

verkrijging van de beschikkingsbevoegdheid zijn recht niet verkrijgt van iemand, is

er geen rechtsvoorganger. In tegenstelling tot de afgeleide verkrijging waar men het

recht van zijn rechtsvoorganger verkrijgt, kan hier volgens de algemene definitie van

levering geen sprake zijn van enige levering in de zin van het Wetboek. Overigens

geldt ook hier weer het argument dat er geen rechtstreekse tegenprestatie bestaat

voor de levering.

Kortom aan de grondslag van een aan de btw onderworpen levering ligt in de zin van

de algemene definitie een contract of overeenkomst.

Zoals reeds gesteld is niet de civielrechtelijke (juridische) eigendomsoverdracht van

wezenlijk belang voor het begrip levering, doch wel de juridische beschikkingsbevoegdheid.

Anderzijds zal in de meeste situaties van levering waarbij deze beschikkingsbevoegdheid

over een goed overgaat, ook juridische eigendomsoverdracht overgedragen

worden. A fortiori is er dan levering; dit is het geval bij verkoop, ruil, inbreng

in vennootschap, verdeling ... .

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

21 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

Bovendien werd gesteld dat levering voor de toepassing van de algemene definitie

eigenlijk een contractuele grondslag heeft.

Vanuit bovengenoemde dubbele realiteit moet dan ook de niet-limitatieve, subsidiaire

definitie als bedoeld in artikel 10, § 1, tweede lid, van het Wetboek, worden

gezien. Er wordt namelijk bepaald dat met levering onder meer het feit wordt

bedoeld waarbij een goed ter beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt

gesteld ingevolge een contract tot overdracht of aanwijzing.

De levering volgens laatstbedoelde omschrijving veronderstelt het samengaan van 3

essentiële elementen:

a) het bestaan van een contract;

b) een contract tot overdracht of aanwijzing van;

c) de eigendom van een goed (in de civielrechtelijke betekenis).

22. Bestaan van een contract.

Een contract is een wilsovereenstemming tussen twee of meer personen (de partijen)

om rechtsgevolgen te doen ontstaan. Zo bijvoorbeeld: verkoop, ruil, verhuur,

verdeling, schenking, lastgeving.

Opdat de btw opeisbaar zou zijn, is het niet voldoende dat een goed wordt

overgedragen; die overdracht moet ten gevolge van een overeenkomst geschieden.

Omdat ze niet het gevolg zijn van een nieuwe wilsuitdrukking, maar voortvloeien uit

een gebrek of een beding van de oorspronkelijke overeenkomst, is de btw derhalve

niet verschuldigd ter zake van de navolgende gebeurtenissen:

a) de terugzending van een goed naar de verkoper omdat de verkoop werd

vernietigd of ontbonden wegens niet-betaling van de prijs;

b) de terugzending van koopwaren die niet door de koper zijn aanvaard (de

aanvaarding van koopwaren moet niet noodzakelijk op het tijdstip van de

levering geschieden; het handelsgebruik laat aan de koper een bepaalde tijd om

na te gaan of de koopwaren wel overeenstemmen met die welke hij heeft

besteld);


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 22

c) de terugzending van verpakkingsmiddelen overeenkomstig de voorwaarden

van een verkoopcontract dat op verpakte goederen betrekking had;

d) de gratis levering van een goed door een belastingplichtige ter uitvoering van

een waarborgverplichting waartoe hij is gehouden zonder dat evenwel de aftrek

in het gedrang wordt gebracht van de btw die geheven werd van het aan deze

belastingplichtige geleverde goed dat hij gebruikt om zijn waarborgverplichtingen

te kunnen nakomen (Beslissing E.T. 12.129 van 13 oktober 1972, BTW-

REVUE nr. 10, blz. 64, nr. 343, en beslissing E.T. 16.252 van 21 november

1973, BTW-REVUE nr. 15, blz. 193, nr. 439).

Verkrijging ingevolge erfenis is niet belastbaar.

De overdracht van goederen die, overeenkomstig de bij de verkoop bedongen

subrogatie, plaatsheeft tussen de verkoper, in wiens voordeel de verkoop werd

ontbonden, en een financieringsmaatschappij die in de rechten van de verkoper is

gesubrogeerd, is daarentegen een contractuele overdracht (z. aanschr. 20/1975). Dit

geldt eveneens voor de overdracht die, overeenkomstig zulke subrogatie, plaatsheeft

tussen de verkoper of een financieringsmaatschappij en de in de rechten van de

verkoper gesubrogeerde verzekeraar, indien de koper onvermogend wordt (z.

aanschr. 144/1971, gewijzigd bij aanschr. 21/1975, nr. 7 ter).

23. Contract tot overdracht van eigendom.

Een contract draagt de eigendom van een btw-goed (kan ook een door het btw-

Wetboek bedoeld zakelijk recht op een onroerend goed zijn) over wanneer het ertoe

strekt de eigendom (waaronder ook de blote eigendom van een lichamelijk goed

wordt verstaan) van een goed van de ene persoon op een andere te doen overgaan.

Om belastbaar te zijn met btw moet het contract tot overdracht uiteraard betrekking

hebben op goederen die in het Wetboek zijn omschreven. Er wordt evenwel

opgemerkt dat de zending van goederen door een hoofdhuis aan filialen nooit aan

btw is onderworpen omdat er wegens het ontbreken van een contractuele band geen

eigendomsoverdracht kan plaatsvinden (z. echter ook hoofdstuk IXbis, afdeling 4,

inzake intracommunautaire handelingen).

(1 februari 2012)


De voornaamste contracten tot overdracht zijn:

A. Verkoop.

(1 februari 2012)

23 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

De verkoop is een overeenkomst waarbij een persoon zich verbindt de eigendom van

een zaak (ook blote eigendom of bepaalde zakelijke rechten) over te dragen aan een

andere persoon die zich verbindt de ervoor bepaalde prijs in geld te betalen. Wanneer

de tegenprestatie bestaat in een ander goed of in een werk, dan gaat het niet om een

verkoop maar wel om een ruil of om een contract dat niet door het Burgerlijk

Wetboek is omschreven (onbenoemd contract).

Een verkoop kan betrekking hebben op een roerend voorwerp dat nog moet worden

vervaardigd; dit is het geval wanneer de fabrikant terzelfder tijd het werk en de

materialen levert (b.v. een maatkostuum vervaardigd met een weefsel van de

kleermaker). Wanneer een persoon materialen laat bewerken waarvan hij eigenaar is,

moet de overeenkomst niet als een verkoop worden beschouwd, maar als een

"maakloonwerk" dat op het vlak van de btw vanaf 1 januari 1996 opnieuw als een

dienst moet worden aangemerkt (z. Wetboek, artikel 18, § 1, tweede lid, 2°). Het

maakloonwerk werd gedurende de periode vanaf 1 januari 1993 tot 31 december

1995 voor de toepassing van de btw immers als een levering aangemerkt

(z. Wetboek, art. 10, § 2, 2°, oud).

De levering van in het Wetboek bedoelde goederen die ter uitvoering van een

verkoop geschieden zijn aan de btw onderworpen ongeacht de vorm van de verkoop.

De voornaamste verkoopvormen zijn:

- de verkoop uit de hand;

- de openbare verkoop;

- de contante verkoop;

- de kredietverkoop, waarbij de koper betaalt bij het verstrijken van een in de

overeenkomst vastgestelde termijn;

- de verkoop op afbetaling, waarbij de koper betaalt door middel van periodieke

stortingen die over een bepaalde termijn worden gespreid en de eigendomsoverdracht

van het goed wordt uitgesteld tot de voldoening van de laatste

vergoeding. Zulke verkoop moet inzake btw als een gewone verkoop worden

behandeld;


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 24

- de huurkoop, dit is in feite een vorm van de verkoop op afbetaling. Huurkoop

moet inzake btw eveneens als een gewone verkoop worden behandeld.

Deze laatste twee vormen van verkoop houden in feite vanaf het tijdstip dat ze

worden gesloten automatisch de latere overdracht van de eigendom in zonder dat de

partijen of één van hen dienaangaande nog hun wil moeten uitdrukken. Ze zijn

derhalve belastbaar op het tijdstip van de levering van het goed, zonder dat de

daadwerkelijke eigendomsoverdracht moet worden afgewacht.

Opgemerkt wordt dat de "verkoop op afbetaling" en de "huurkoop" niet mogen

worden verward met de "verhuur met optie tot aankoop". In zulk contract moet de

huurder immers door het lichten van een optie de wil uitdrukken om het gehuurde

goed als eigenaar te verkrijgen. Op het stuk van de btw wordt zulke overeenkomst

aangemerkt als een gewone verhuur, d.i. een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, tweede

lid, 4°, van het Wetboek en dit zolang de aankoopoptie niet is gelicht. Op het tijdstip

van het lichten van de optie komt de verkoop in de plaats van de verhuur en vindt

tevens, bij toepassing van artikel 16, § 2, van het Wetboek, de levering plaats.

B. Verkoop onder ontbindende voorwaarde.

Het gaat hier om een verkoop die vanaf het totstandkomen ervan volmaakt is, doch

die zal kunnen worden ontbonden wanneer zich een bepaalde gebeurtenis zal

voordoen die bij het sluiten van het contract toekomstig en onzeker is en die door de

partijen uitdrukkelijk in dat contract is bepaald of er stilzwijgend in begrepen is (1) .

Op het stuk van de btw gelden de regels die bij een gewone verkoop van toepassing

zijn.

C. Verkoop onder opschortende voorwaarde.

In tegenstelling met de verkoop onder ontbindende voorwaarde zal in dit geval de

verkoop slechts uitwerking hebben ingeval een toekomstige en onzekere gebeurtenis

zich voordoet, m.a.w. zolang die gebeurtenis zich niet heeft voorgedaan heeft

het contract geen uitwerking en bestaat de verkoop dus niet. Er kan dus tot zolang

geen overdracht van de juridische beschikkingsbevoegdheid plaatsvinden.

De handelspraktijk kent twee types van verkoop onder opschortende voorwaarde, nl.

de verkoop op proef en de consignatiezending.

(1) In wederkerige contracten is de ontbindende voorwaarde altijd stilzwijgend begrepen voor het geval één van beide

partijen haar verbintenis niet nakomt (Burgerlijk Wetboek, art. 1184, eerste lid).

(1 februari 2012)


Verkoop op proef.

(1 februari 2012)

25 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

De verkoop is slechts definitief als de proef, waaraan de koper de goederen vooraf

wil onderwerpen, hem bevredigt, d.w.z. na aanvaarding van de koopwaar door de

koper. Het is trouwens op dat ogenblik dat de levering plaatsvindt.

V o o r b e e l d

Fabrikant A verkoopt aan brouwerij B een machine die per dag 1.000 flessen kan spoelen. B koopt op

proef onder de voorwaarde dat dit aantal wordt bereikt. De verkoop is maar volmaakt wanneer de

proef voldoening schenkt en de machine wordt aanvaard.

Opgemerkt wordt dat de verkoop op proef niet mag worden verward met de zending op zicht, die

enkel een aanbod is om te verkopen en geen verkoop onder opschortende voorwaarde. De levering

vindt plaats op het tijdstip waarop degene die de goederen op zicht ontvangen heeft, verklaart de

goederen te willen kopen.

Consignatiezending.

Dit is een overeenkomst waarbij een fabrikant of een handelaar (de consignatiegever)

aan een andere handelaar (de consignataris) koopwaren overhandigt met het

oog op de verkoop en die deze laatste slechts definitief zal kopen ingeval en voor

zover hij zelf een koper voor die koopwaren zal hebben gevonden. De consignataris

wordt eigenaar van de goederen op het tijdstip waarop hij inderdaad een koper vindt

en ten aanzien van de in consignatie gegeven goederen vindt meteen ook op dat

tijdstip de levering plaats (Wetboek, art. 16, § 2, tweede lid).

De consignataris mag evenwel niet worden verward met de commissionair of met de

gewone depothouder. Deze laatste ontvangt enkel koopwaren in depot; hij is

doorgaans niet belast met de verkoop ervan en als hij dat doet handelt hij niet voor

eigen rekening maar in naam en voor rekening van de depotgever.

Gevolgen op het stuk van de btw.

De aandacht wordt erop gevestigd dat geen btw verschuldigd is op het tijdstip

waarop de goederen op proef of in consignatie worden gezonden. Die btw wordt pas

verschuldigd respectievelijk bij de aanvaarding van de koopwaar door de koper of bij

het vinden van een koper door de consignataris.

Wanneer de verkoop niet doorgaat en de goederen aan de eigenaar teruggezonden

worden is uiteraard geen btw verschuldigd geworden.


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 26

Ten aanzien van de toepassing van artikel 8, § 1, en van artikel 44, § 3, 1°, van het

Wetboek, wordt geen rekening gehouden met een overdracht onder opschortende

voorwaarde die niet vervuld wordt binnen de in deze artikelen gestelde termijn. In

het geval dat de voorwaarde wordt verwezenlijkt na 31 december van het tweede jaar

volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van

een gebouw, kan de vervreemding van dat gebouw niet meer geschieden met

toepassing van de btw.

D. Zending van goederen door een verkoper aan zijn commissionair of

door een inkoopcommissionair aan zijn lastgever.

Dit geval brengt in rechte, geen overdracht teweeg tussen lastgever en

commissionair. De eigendom van het goed wordt rechtstreeks van de leverancier

naar de koper overgedragen. Voor de toepassing van de btw wordt de commissionair

echter aangemerkt als persoonlijk koper en verkoper van het goed dat door zijn

tussenkomst wordt gekocht of verkocht (z. nr. 108).

E. Ruil.

De ruil is een contract waarbij de partijen elkaar wederkerig een zaak voor een

andere zaak geven, m.a.w. het is een contract dat twee wederzijdse overdrachten van

goederen behelst.

Het kan voorkomen dat de geruilde goederen niet gelijkwaardig zijn; in dat geval

voorziet het contract in de betaling van een som (opleg) om de gelijkheid te

herstellen. Die betaling wijzigt echter de aard van het contract niet.

Voor de toepassing van de btw wordt de ruil als een dubbele verkoop beschouwd,

waarbij iedere overdracht in België belastbaar is met btw wanneer het gaat om een in

het Wetboek bedoeld goed en de overdrager een belastingplichtige is die als zodanig

handelt.

F. Inbreng in vennootschap.

De persoon of de personen die tot oprichting van een vennootschap overgaat of

overgaan, brengt of brengen doorgaans goederen of geldsommen samen die het

aanvangskapitaal van de vennootschap uitmaken. Inbreng van goederen is een

contract tot overdracht van goederen aan de vennootschap. De inbreng die betrekking

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

27 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

heeft op goederen omschreven in het Wetboek is in de regel aan de btw onderworpen

behoudens mogelijke toepassing van artikel 11 van het Wetboek (inbreng in een

vennootschapbelastingplichtige van een algemeenheid van goederen of van een

bedrijfsafdeling).

G. Andere belastbare overdrachten.

In beginsel is iedere overdracht van goederen die ingevolge een contract geschiedt

belastbaar, dus ook als het contract waaruit de overdracht volgt niet rechtstreeks die

overdracht tot voorwerp heeft.

Hier worden onder meer bepaald:

- de inbetalinggeving, d.w.z. de overdracht van een uit zijn aard roerend goed

door een schuldenaar aan zijn schuldeiser als betaling van zijn schuld;

- de overlating aan een verzekeringsmaatschappij (roerende goederen die

gestolen werden of verloren gingen en waarvoor de maatschappij het verlies

heeft gedekt, maar die naderhand teruggevonden en aan de maatschappij overgelaten

worden);

- de overlating aan een maakloonwerker van afvallen of van goederen die door

een fout bij de bewerking beschadigd werden.

Er wordt aan herinnerd dat de overdracht die het gevolg is van een hierboven

bedoeld contract slechts aan de btw onderworpen is indien de levering onder

bezwarende titel en in België wordt verricht door een belastingplichtige die als

zodanig handelt (Wetboek, art. 2, eerste lid).

Er is een levering onder bezwarende titel wanneer de overdracht van een goed

gebeurt tegen een door de verkrijger of overnemer uit te voeren rechtstreekse

tegenprestatie. Die tegenprestatie kan bestaan in het betalen van een geldsom, in de

overdracht van een ander goed, of nog in het verrichten van een dienst. Dit is het

geval bij de hierboven besproken contracten.

V o o r b e e l d e n

a) Het contract van verkoop: de verkoper draagt een goed over en de koper betaalt een geldsom

om dat goed te verkrijgen.

b) De ruil: de partijen geven aan elkaar een goed in de plaats van een ander goed.


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 28

c) Een onbenoemd contract: een goed wordt geleverd met als tegenprestatie het verrichten van

een dienst door de verkrijger van het goed.

Daartegenover staat het contract onder kosteloze titel of het contract om niet, waarbij

één der partijen aan de ander een voordeel verschaft, zonder ook maar enige

tegenprestatie te ontvangen (b.v. een schenking). Zulke contracten zijn uiteraard niet

aan de btw onderworpen. Dergelijke handelingen kunnen evenwel met een levering

onder bezwarende titel worden gelijkgesteld (z. Wetboek, art. 12; z. nr. 37 en volg.).

Belangrijke opmerkingen.

1. Een belastbaar contract wordt niet noodzakelijk belast.

Een overdracht van goederen wordt in feite slechts belast wanneer de

voorwaarden waarvan sprake in artikel 2, § 1, van het Wetboek, samen zijn

vervuld (z. nr. 15) en bedoelde handeling niet vrijgesteld is van de btw op

grond van de artikelen 39 tot 42 van het Wetboek.

Bovendien wordt de aandacht erop gevestigd dat bepaalde leveringen van

goederen ingevolge artikel 44 van het Wetboek uitdrukkelijk van de btw zijn

vrijgesteld (z. hoofdstuk X), terwijl ze toch de hoedanigheid van belastingplichtige

maar dan zonder recht op aftrek, voor degene die ze verricht

teweegbrengen, indien ze worden verricht in het kader van een economische

activiteit in de zin van artikel 4 van het Wetboek.

2. Tevens worden sommige overdrachten van goederen belast, alhoewel ze niet

contractueel zijn (z. nr. 33 en volg.).

24. Contract tot aanwijzing.

Wanneer goederen aan verschillende personen in onverdeeldheid toebehoren heeft

er tussen hen, ingeval ze overgaan tot verdeling van die goederen of tot overdracht

die met verdeling gelijkstaat, een uitwisseling of een afstand van onverdeelde delen

plaats.

Zulke contracten noemt men contracten tot aanwijzing omdat, inzake burgerlijk

recht, iedere onverdeelde eigenaar geacht wordt altijd en alleen eigenaar te zijn

geweest van het goed dat hem bij de verdeling is toebedeeld, en nooit enig recht te

hebben gehad op de goederen die aan de andere mede-eigenaars zijn toebedeeld.

Dergelijke handelingen zijn gelijk te stellen met een ruil of een verkoop van

onverdeelde delen.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

29 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

V o o r b e e l d

A en B, beiden groothandelaar in fruit hebben in onverdeeldheid, ieder voor de helft, een voorraad

appelen en peren verkregen.

a) Bij wijze van verdeling worden aan A alle peren en aan B alle appelen toegekend. De

handeling kan worden ontleed in een ruil van het onverdeelde deel (de helft) dat A bezat in de

appelen tegen het onverdeelde deel (de helft) dat B bezat in de peren. Ieder van de twee

overdrachten (telkens van een helft) is afzonderlijk belastbaar.

b) Bij wijze van overdracht gelijkstaand met verdeling draagt A zijn onverdeeld deel (de helft) in

de appelen en de peren aan B over. Die overdracht is belastbaar met btw.

25. Terbeschikkingstelling van het goed.

Opdat er levering zou zijn, vereist artikel 10, § 1, tweede lid, van het Wetboek de

terbeschikkingstelling van een goed aan de verkrijger of de overnemer. De

terbeschikkingstelling van de eigendom (hetzij de civielrechtelijke eigendomsoverdracht,

hetzij de juridische beschikkingsbevoegdheid; z. nr. 21) wordt hier

bedoeld, hetgeen bvb. bij verkoop of ruil in principe reeds vanaf het sluiten van het

contract plaatsvindt. Zolang de terbeschikkingstelling van de juridische macht niet is

geschied, is er geen levering.

Zo wordt de levering uitgesteld in volgende gevallen:

- wanneer de koop bvb. een zaak tot voorwerp heeft die enkel door haar soort is

bepaald (waren, enz.) en die nog niet geïndividualiseerd is, wordt de

eigendomsoverdracht, evenwel uitgesteld tot op het ogenblik van de

individualisering;

- wanneer de koop alternatief is wat zijn voorwerp betreft, wordt de eigendomsoverdracht

uitgesteld tot op het ogenblik van de keuze;

- wanneer de koop een toekomstige zaak tot voorwerp heeft, is de eigendomsoverdracht

uitgesteld tot op het ogenblik van het ontstaan der zaak.

Het vaststellen van het tijdstip waarop de goederen ter beschikking worden gesteld,

is van belang omdat dit tijdstip bepalend kan zijn voor het vaststellen van het tijdstip

van de levering en dus van het belastbaar feit.


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 30

25/2. Onderscheid tussen levering van goederen en diensten.

Omwille van de moeilijkheden die zich soms voordoen om bepaalde handelingen te

kwalificeren als een levering van een goed of als een dienst, wanneer die handelingen

tegelijkertijd het leveren van een goed en de installatie of montage ervan op

een roerend goed met zich brengen, moeten de volgende regels in acht worden

genomen:

- wanneer de waarde van de ter gelegenheid van de handeling geleverde en

geplaatste goederen lager is dan 50 pct. van de totale prijs die verschuldigd is

door de koper of de ontvanger, dient de handeling voor het geheel te worden

aangemerkt als een dienst;

- in de andere gevallen wordt de handeling in haar geheel beschouwd als een

levering van goederen.

(Beslissing E.T. 95.109 van 10 mei 1999 BTW-REVUE nr. 145, p. 139, nr. 1075).

De hierboven omschreven regels kunnen inzonderheid worden toegepast voor alle

handelingen die bestaan in de levering met plaatsing van een goed in een vervoermiddel

(banden, radio, motor, alarm, LPG-installatie, enz...) hetzij in, hetzij buiten

het kader van een onderhouds- of herstellingswerk.

II. Plaats van de levering.

26. Levering in België.

De levering van een goed is slechts belastbaar met btw indien ze in België

plaatsvindt (Wetboek, art. 2).

Krachtens artikel 15, § 1, van het Wetboek vindt de levering plaats in België

wanneer de plaats waar de levering geacht wordt plaats te vinden zich in België

bevindt.

A. Algemene regel.

Overeenkomstig artikel 15, § 2, eerste lid, van het Wetboek wordt als plaats van een

levering van goederen aangemerkt de plaats waar het goed ter beschikking van de

verkrijger of de overnemer wordt gesteld.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

31 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

Als algemene regel wordt als plaats van de levering aangemerkt, de plaats waar de

verkrijger of de overnemer als eigenaar over het goed kan beschikken, wel te

verstaan wordt hier zowel de eigendom in de juridische zin van het woord als de

"economische eigendom" bedoeld.

De noties "juridische eigendom" en "economische eigendom" vloeien essentieel

voort uit het reeds in het nr. 21, hiervóór, vermelde arrest van het Hof van Justitie

van 8 februari 1990, zaak C-320/88, waarin dit Hof zich onder meer diende uit te

spreken over het feit of zich al dan niet een levering had voorgedaan in de zin van

artikel 5, eerste lid, van de zesde btw-Richtlijn (thans artikel 14, lid 1 van richtlijn

2006/112/EG). Bij de beoordeling van de draagwijdte van deze begrippen mag echter

niet uit het oog worden verloren dat het onderscheid tussen de "juridische eigendom"

en "economische eigendom" dat door sommige rechtscolleges in andere Lidstaten

wordt gemaakt, vooralsnog niet in de Belgische rechtspraak en rechtsleer kan worden

teruggevonden. Er weze nog opgemerkt dat de "economische eigendom" zou

ontstaan in hoofde van de verkrijger of overnemer, wanneer blijkt dat het eigendomsrecht

van de cedent dusdanig is uitgehold dat het wordt herleid tot een zuiver

juridisch houderschap.

Er is dus ter zake niet vereist dat er een materiële en effectieve levering plaatsvindt,

een terbeschikkingstelling in de juridische zin is voldoende. Zo zal er bijvoorbeeld,

in het geval van een verkoop, levering van de goederen zijn bij de uitvoering door de

verkoper van zijn leveringsverplichting. In de praktijk komt de uitvoering van deze

leveringsverplichting doorgaans overeen met de werkelijke overgave van de

goederen (B.W., art. 1606), hetgeen vanzelfsprekend niet uitsluit dat de terbeschikkingstelling

wordt bewerkstelligd door de loutere eigendomsoverdracht van de

goederen in geval de materiële overgave overbodig is of niet mogelijk op het tijdstip

van de overeenkomst. Bovendien kan de levering eveneens geschieden door loutere

afgifte van een titel, of nog, door de afgifte van de sleutels indien het om een

levering van een gebouw gaat.

V o o r b e e l d e n

Eerste geval: Verkoop op 30 juni door fabrikant A, te Luik, aan handelaar B, te Antwerpen, van

koopwaren die reeds in het bezit zijn van B bij wie A ze had opgeslagen op 1 juni.

De levering vindt plaats te Antwerpen krachtens de algemene regel bedoeld in artikel 15, § 2, eerste

lid, van het Wetboek (z. hiervóór) (verg. nr. 27, C, 1°).

Tweede geval: Verkoop door fabrikant A, te Luik, aan handelaar B, te Antwerpen, van koopwaren die

zich bevinden in de magazijnen van A, te Luik. Er wordt overeengekomen dat de koopwaren

opgeslagen zullen blijven in het magazijn van A tot op het ogenblik dat B ze zal hebben doorverkocht

(B heeft b.v. plaatsgebrek in zijn eigen magazijn).


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 32

De levering vindt plaats te Luik waar de verkochte goederen ter beschikking gesteld worden van B,

hoewel de verkoper ze behoudt in de hoedanigheid van bewaarnemer. De plaats van de levering is

inderdaad de plaats waar het goed juridisch ter beschikking van B wordt gesteld, d.w.z. de plaats

waar de verkoper zijn leveringsverplichting nakomt, zelfs indien de verkoper A belast wordt met het

opslaan van de goederen in zijn magazijn (verg. nr. 27, C, 2°).

Bijzondere toepassing: de verkopen onder opschortende voorwaarde.

Als verkopen onder opschortende voorwaarde zijn aan te merken: de verkoop op

proef en de consignatiezending.

Bedoelde verkopen vertonen die bijzonderheid dat op het tijdstip waarop de koper of

de consignataris eigenaar wordt van de goederen, deze laatste normaal reeds in het

bezit is van het verkochte goed.

Voor dit soort verkopen dient derhalve de algemene regel inzake het bepalen van de

plaats van de levering bedoeld in artikel 15, § 2, eerste lid, van het Wetboek te

worden toegepast. Het is wel te verstaan dat het goed slechts kan beschouwd worden

als zijnde ter beschikking gesteld van de koper of de consignataris als gevolg van een

levering van goederen, op het tijdstip dat deze levering plaatsvindt, d.w.z. wanneer

de overdracht van de macht om als eigenaar over het goed te beschikken plaatsvindt,

hetgeen in het gestelde geval overeenstemt met het tijdstip waarop de koper of

consignataris effectief eigenaar wordt van het goed.

Voor het overige is het van belang er op te wijzen dat de normale regels inzake de

bepaling van de plaats gelden ten aanzien van de levering in de relatie tussen de

consignataris en zijn koper.

Alhoewel de zending op zicht geen verkoop onder opschortende voorwaarde is, geldt

ten aanzien van het bepalen van de plaats van de levering, dezelfde redenering als

hiervoor.

(1 februari 2012)

V o o r b e e l d

Een consignatiegever A, gevestigd te Namen, verstuurt op 10 mei goederen in consignatie naar B,

gevestigd te Antwerpen.

B vindt op 12 mei een koper C, gevestigd te Hasselt en vervoert zelf de goederen naar C op 13 mei.

In de relatie tussen A en B vindt de levering plaats te Antwerpen op grond van artikel 15, § 2, eerste

lid, van het Wetboek.

In de relatie tussen B en C vindt de levering eveneens plaats te Antwerpen maar dan wel op grond van

artikel 15, § 2, tweede lid, 1°, van het Wetboek (verg. nr. 27, C, 3°).


B. Afwijkende ficties.

(1 februari 2012)

33 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

Artikel 15, § 2, tweede lid, en §§ 3 tot 6, van het Wetboek stellen verschillende

wettelijke ficties in waarbij wordt afgeweken van het hierboven uiteengezette

principe.

1° Plaats waar het vervoer van het goed aanvangt.

De levering wordt geacht plaats te vinden op de plaats waar het vervoer of de

verzending naar de verkrijger aanvangt wanneer het goed door de leverancier, door

de verkrijger of door een derde wordt verzonden of vervoerd naar de plaats waar de

verkrijger gevestigd is of naar eender welke andere plaats die hij als bestemming

opgeeft (Wetboek, artikel 15, § 2, tweede lid, 1°) (verg. nrs. 27, A en 27, B, 1°).

Wanneer deze voorwaarden vervuld zijn, is die bepaling van toepassing zelfs

wanneer de partijen een verkoop "franco thuis" overeengekomen zijn en, meer

algemeen, ongeacht de contractuele bepalingen met betrekking tot de plaats van de

levering.

Deze afwijking is niet van toepassing in gevallen van verkoop op afstand waar de

plaats van de levering verlegd wordt naar de plaats van aankomst van de goederen

(z. nr. 520).

V o o r b e e l d e n

Verkoop door fabrikant A, te Luik, aan handelaar B, te Antwerpen, van koopwaren die zich bevinden

in de magazijnen van A te Luik.

a) Eerste onderstelling: De verkoop wordt gesloten "franco thuis" d.w.z. dat de overeengekomen

prijs o.m. de verplichting inhoudt voor A om de koopwaren van

bij hem te Luik naar B te Antwerpen te vervoeren. Voor de toepassing van de belasting vindt de

levering plaats te Luik, op de plaats waar het vervoer naar Antwerpen aanvangt (verg.nr. 27,

B, 1°, a).

b) Tweede onderstelling: De verkoop wordt gesloten onder beding dat de terbeschikkingstelling

van de goederen in de magazijnen van A te Luik zal plaatsvinden. B gaat met zijn eigen

vrachtwagen de goederen te Luik afhalen. Om aan B te leveren moet A de koopwaren dus niet

vervoeren. De levering vindt plaats te Luik op de plaats waar het door de verkrijger verrichte

vervoer aanvangt (verg. nr. 27, A, a).

c) Derde onderstelling: In plaats van zelf de goederen te gaan halen (z. tweede onderstelling),

geeft B opdracht aan vervoerder V om voor zijn rekening de goederen op te halen in de

magazijnen van A te Luik en ze te Antwerpen af te leveren. Ook in dit geval heeft de levering

plaats te Luik (vervoer verricht door een derde) (verg. nr. 27, A, b).


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 34

2° Plaats waar de installatie of de montage wordt verricht.

Wanneer het goed door of voor rekening van de leverancier wordt geïnstalleerd of

gemonteerd, wordt als plaats van de levering, in afwijking van punt 1°, hierboven,

aangemerkt de plaats waar de installatie of de montage wordt verricht (Wetboek,

art. 15, § 2, tweede lid, 2°) (verg. nr. 27, B, 2°).

(1 februari 2012)

V o o r b e e l d

Een handelaar te Bergen verkoopt een machine aan een onderneming te Brugge. De machine die is

opgeslagen te Bergen moet te Brugge worden gemonteerd door of voor rekening van de leverancier.

De levering vindt plaats te Brugge, waar de montage verricht wordt (verg. nr. 27, B, 2°).

Wanneer meer bepaald de handeling wordt aangemerkt als een levering en het

roerend goed waarop het andere goed werd gemonteerd of geïnstalleerd na de

installatie of montage wordt verzonden of vervoerd naar de inrichting van de

verkrijger, wordt de levering geacht plaats te vinden daar waar de verzending of het

vervoer aanvangt, overeenkomstig artikel 15, § 2, tweede lid, 1° van voornoemd

Wetboek. (Beslissing nr. 95.109 van 10 mei 1999, BTW-REVUE nr. 145, p. 139,

nr. 1075).

3° Plaats van vertrek van vervoer van passagiers.

Overeenkomstig artikel 15, § 2, tweede lid, 3°, van het Wetboek wordt als plaats van

de levering aangemerkt de plaats van vertrek van het vervoer van passagiers,

wanneer de levering van goederen plaatsvindt aan boord van een schip, vliegtuig of

trein en tijdens het gedeelte van een binnen de Gemeenschap verricht passagiersvervoer.

Artikel 1, § 11, van het Wetboek preciseert dat voor de toepassing van dit 3° wordt

beschouwd als:

- "gedeelte van een binnen de Gemeenschap verricht passagiersvervoer": het

gedeelte van een vervoer dat, zonder tussenstop buiten de Gemeenschap,

plaatsvindt tussen de plaats van vertrek en de plaats van aankomst van het

vervoer van passagiers;

- "plaats van vertrek van een vervoer van passagiers": het eerste punt in de

Gemeenschap waar passagiers aan boord kunnen komen, eventueel na een

tussenstop buiten de Gemeenschap;


(1 februari 2012)

35 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

- "plaats van aankomst van een vervoer van passagiers": het laatste punt in de

Gemeenschap waar passagiers die binnen de Gemeenschap aan boord zijn

gekomen van boord kunnen gaan, eventueel vóór een tussenstop buiten de

Gemeenschap.

Ingeval het een heen- en terugreis betreft, wordt de terugreis als een afzonderlijk

vervoer beschouwd.

Artikel 15, § 2, tweede lid, 3°, van het Wetboek regelt de plaats van de leveringen

aan boord tijdens het "gedeelte van een binnen de Gemeenschap verricht

passagiersvervoer per schip, vliegtuig of trein"; de plaats van de levering wordt

bepaald door te verwijzen naar "de plaats van vertrek van een vervoer van

passagiers" en "de plaats van aankomst van een vervoer van passagiers"; beide

begrippen worden in het artikel zelf gedefinieerd.

In dit verband wordt opgemerkt dat onder "tussenstop" moet worden verstaan de

plaats waar passagiers de mogelijkheid hebben aan boord te komen of van boord te

gaan en niet een eenvoudige tussenstop om technische redenen.

Wanneer aan de gestelde voorwaarden van de bovengenoemde bepaling is voldaan,

wordt als plaats van de levering aangemerkt de plaats van vertrek van het vervoer

van passagiers in de zin van die bepaling.

V o o r b e e l d

Leveringen van goederen aan boord tijdens een vervoer van passagiers per vliegtuig van New-York

naar Istanbul, met tussenstops te Brussel, Parijs, Frankfurt, Genève, Rome en Athene.

Twee gedeelten van het vervoer vinden plaats binnen de Gemeenschap in de zin van bovengenoemde

bepaling: Brussel-Frankfurt en Rome-Athene.

In de zin van die bepaling is Brussel inderdaad een plaats van vertrek, terwijl Frankfurt een plaats

van aankomst is, zoals ook Rome een plaats van vertrek en Athene een plaats van aankomst is.

Aangezien voor het gedeelte van het vervoer verricht binnen de Gemeenschap, de plaats van de

levering geacht wordt plaats van vertrek, in de zin van die bepaling te zijn:

- worden de leveringen aan boord tijdens het vervoer Brussel-Parijs en Parijs-Frankfurt (aan te

merken als één intracommunautair passagiersvervoer) geacht plaats te vinden in België;

- worden de leveringen aan boord tijdens het vervoer Rome-Athene geacht plaats te vinden in

Italië.

Bij deze gelegenheid past het de aandacht te vestigen op artikel 39ter van het Wetboek en het

koninklijk besluit nr. 49, van 29 december 1992, met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van

de leveringen van goederen door de taksvrije verkooppunten, op het stuk van de belasting over de

toegevoegde waarde.


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 36

4° Levering van gas via een op het grondgebied van de Gemeenschap

gesitueerd aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net,

levering van elektriciteit of levering van warmte- of koude via warmte- of

koudenetten.

Overeenkomstig artikel 15, §2, tweede lid, 4°, van het Wetboek, wordt ingeval van

levering van gas via een op het grondgebied van de Gemeenschap gesitueerd

aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net, van levering van

elektriciteit of van levering van warmte of koude via warmte- of koudenetten als

plaats van de levering aangemerkt:

- de plaats waar de afnemer de zetel van zijn economische activiteit of een vaste

inrichting heeft gevestigd waarvoor de goederen worden geleverd, dan wel, bij

gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn

gebruikelijke verblijfplaats, wanneer deze afnemer een belastingplichtige is

wiens hoofdactiviteit op het gebied van de aankoop van gas, elektriciteit,

warmte of koude bestaat in het opnieuw verkopen van die goederen en wiens

eigen verbruik van die goederen verwaarloosbaar is;

- de plaats waar de afnemer het effectieve gebruik en verbruik van deze

goederen heeft wanneer het gaat om leveringen niet bedoeld hierboven. Indien

alle goederen of een deel ervan in werkelijkheid niet door deze afnemer

worden gebruikt, worden deze niet-verbruikte goederen geacht te zijn gebruikt

en verbruikt op de plaats waar hij de zetel van zijn economische activiteit of

een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de goederen worden geleverd.

Bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting wordt hij geacht de

goederen te hebben gebruikt en verbruikt in zijn woonplaats of gebruikelijke

verblijfplaats.

C. Afwijking bij invoer (Wetboek, art. 15, § 3).

Een andere afwijking van artikel 15, § 2, tweede lid, 1°, van het Wetboek wordt

ingesteld door artikel 15, § 3, van het Wetboek. Krachtens deze bepaling wordt de

plaats van de levering, door de persoon op wiens naam de ter zake van invoer

verschuldigde belasting regelmatig is voldaan, evenals de plaats van eventuele

daaropvolgende leveringen, geacht in de Lidstaat van invoer van de goederen te

liggen, wanneer de plaats van vertrek van de verzending of het vervoer in een

derdelands gebied ligt.

De draagwijdte van deze bepaling wordt nader toegelicht in hoofdstuk VIII - Invoer

(z. nrs. 216 tot 218).

(1 februari 2012)


D. De verkopen op afstand.

(1 februari 2012)

37 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

1. Verkopen op afstand vanuit een andere Lidstaat naar België (Wetboek,

art. 15, § 4).

In afwijking van artikel 15, § 2, tweede lid, 1° en § 3, van het Wetboek, wordt de

plaats van een levering van goederen geacht zich in België te bevinden wanneer ze

door of voor rekening van de leverancier naar België worden verzonden of vervoerd

vanuit een andere Lidstaat en indien de levering van de goederen wordt verricht voor

een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon op wie de

afwijking van artikel 25ter, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek toepasselijk is, of

voor enige andere niet-belastingplichtige en indien de goederen geen nieuwe

vervoermiddelen zijn in de zin van artikel 8bis, § 2, van dat Wetboek noch

gemonteerd of geïnstalleerd zijn door of voor rekening van de leverancier.

Ingeval echter de geleverde goederen andere zijn dan accijnsproducten, is het vorige

lid niet van toepassing op de leveringen van goederen:

1° verricht binnen de grenzen of ten belope van een totaal bedrag, exclusief

belasting over de toegevoegde waarde, dat in een kalenderjaar niet hoger mag

zijn dan 35.000 EUR.

2° mits het totale bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van de

in het voorafgaande kalenderjaar verrichte leveringen van andere goederen dan

accijnsproducten 35.000 EUR niet heeft overschreden.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing wanneer de leverancier er in de Lidstaat

waarvan hij deel uitmaakt voor gekozen heeft dat de plaats van de levering België is.

Dit stelsel wordt hierna meer uitgebreid toegelicht (z. nr. 520/3, I).

2. Verkopen op afstand vanuit België naar een andere Lidstaat (Wetboek,

art. 15, § 5).

In afwijking van artikel 15, § 2, tweede lid, 1°, en van § 3, van het Wetboek wordt

als plaats van een levering van goederen, die door of voor rekening van de

leverancier worden verzonden of vervoerd vanuit België naar een andere Lidstaat,

aangemerkt: de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van de aankomst

van de verzending of het vervoer naar de afnemer, wanneer de voorwaarden

onder 1° en 2° vervuld zijn:


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 38

1° de levering moet:

a) ofwel betrekking hebben op andere goederen dan de in artikel 8bis, § 2,

van het Wetboek bedoelde nieuwe vervoermiddelen, dan accijnsproducten

en dan goederen geïnstalleerd of gemonteerd door of voor

rekening van de leverancier en moet worden verricht voor een nietbelastingplichtige

rechtspersoon of voor een belastingplichtige die, in

deze Lidstaat, de bijzondere regeling voor landbouwondernemers geniet

of die enkel handelingen stelt waarvoor hij geen enkel recht op aftrek

heeft, op voorwaarde dat op het tijdstip van de levering deze personen

niet gekozen hebben om hun intracommunautaire verwer-vingen aan de

belasting te onderwerpen of, op dat tijdstip, het bedrag van hun

verwervingen in het lopende kalenderjaar de drempel niet overschrijdt

waaronder deze verwervingen niet aan de belasting onderworpen

worden in de Lidstaat waarvan deze personen deel uitmaken, of dat

bedrag in het vorige kalenderjaar deze drempel niet heeft overschreden;

b) ofwel betrekking hebben op andere goederen dan de in artikel 8bis, § 2,

van het Wetboek bedoelde nieuwe vervoermiddelen en dan goederen

geïnstalleerd of gemonteerd door of voor rekening van de leverancier en

verricht voor iedere andere niet-belastingplichtige;

2° het bedrag van de leveringen verricht door de leverancier naar deze Lidstaat

heeft in het vorige kalenderjaar de drempel overschreden of overschrijdt in het

lopende kalenderjaar, op het tijdstip van de levering, de drempel zoals deze

werd bepaald door deze Lidstaat bij toepassing van artikel 34, § 1, van

Richtlijn 2006/112/EG (voorheen artikel 28ter, B, 2, van de Zesde btw-

Richtlijn).

Deze voorwaarde inzake de drempel is niet van toepassing:

a) in de situatie bedoeld in 1°, b, voor de accijnsproducten;

b) wanneer de leverancier ervoor gekozen heeft dat de plaats van de door

hem verrichte leveringen zich bevindt in de Lidstaat van aankomst van de

verzending of het vervoer van de goederen.

Deze keuze geldt voor een periode van ten minste twee kalenderjaren. De

Koning bepaalt de regelen voor het uitoefenen van die keuze.

Dit stelsel wordt hierna meer uitgebreid toegelicht (z. nr. 520/3, II).

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

39 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

3. Verkopen op afstand vanuit een derdelands gebied (Wetboek, art. 15, § 6).

Wanneer, in de situaties bedoeld in artikel 15, §§ 4 en 5, van het Wetboek de aldus

geleverde goederen uit een derdelandsgebied worden verzonden of vervoerd en door

de leverancier worden ingevoerd in een andere Lidstaat dan die van aankomst van de

verzending of het vervoer naar de afnemer, worden zij geacht te zijn verzonden of

vervoerd vanuit de Lidstaat van invoer.

E. Wettelijk vermoeden (Wetboek, art. 15, § 7).

Overeenkomstig artikel 15, § 7, van het Wetboek wordt behoudens tegenbewijs de

levering van een roerend goed geacht in België plaats te vinden, wanneer op het

tijdstip van de levering, één der bij de levering betrokken partijen er een zetel van

economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd of, bij gebrek aan een

dergelijke zetel of vaste inrichting, een woonplaats of een gebruikelijke verblijfplaats.

Indien de btw niet wordt voldaan voor een levering van goederen terwijl de

hierboven vermelde voorwaarde vervuld is, dienen de partijen te bewijzen dat de

levering in het buitenland heeft plaatsgevonden of, indien ze hier te lande heeft

plaatsgevonden, dat ze van btw was vrijgesteld (b.v. wegens uitvoer).

Dat bewijs mag door alle middelen van het gemene recht geleverd worden b.v. door

documenten die uitwijzen dat de goederen van een derde land naar België (met

stukken die de invoer in België aantonen) of naar een andere bestemming buiten de

Gemeenschap werden vervoerd, of door vervoerdocumenten die uitwijzen dat de

goederen van België naar een derde land werden vervoerd in de omstandigheden

bepaald in artikel 39 van het Wetboek.

III. Tijdstip van de levering.

27. Algemeen.

Ingevolge de op 1 januari 1993 aangebrachte wijzigingen aan het btw-stelsel, worden

inzonderheid door de wijziging van artikel 16 van het Wetboek plaats en tijdstip van

levering bepaald door onderscheiden wettelijke bepalingen. Dit heeft tot gevolg dat

de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van de levering niet meer

noodzakelijk samenvalt met de plaats van de levering.


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 40

A. Algemene regel: de terbeschikkingstelling.

In beginsel vindt de levering van een goed plaats op het tijdstip waarop het goed ter

beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt gesteld, d.w.z. op het tijdstip

waarop naargelang de omstandigheden de economische (materiële) of de juridische

overgang of overdracht van de macht om als een eigenaar over een goed te

beschikken plaatsvindt (Wetboek, art. 16, § 1, eerste lid).

Bijzondere toepassing: het afhalen van de goederen door de koper.

Wanneer de koper het goed bij de verkoper afhaalt, vindt, bij toepassing van het

principe van artikel 16, § 1, eerste lid, van het Wetboek, de levering plaats op het

tijdstip waarop het goed ter beschikking van de verkrijger of overnemer wordt

gesteld. Het feit dat de koper het goed, na het in ontvangst te hebben genomen, zelf

vervoert of laat vervoeren door een derde (een vervoerder) met wie hij een

vervoercontract heeft gesloten, doet hieraan geen afbreuk (verg. nr. 26, B, 1°).

(1 februari 2012)

V o o r b e e l d e n

Verkoop door A, fabrikant te Luik, aan B, handelaar in Antwerpen, van goederen die zich in de

magazijnen van A te Luik bevinden.

a) De verkoop wordt gesloten onder beding dat de terbeschikkingstelling van de goederen in de

magazijnen van A te Luik zal plaatsvinden. B gaat met zijn eigen vrachtwagen de goederen te

Luik afhalen. Om aan B te leveren moet A de koopwaren dus niet vervoeren, waaruit volgt dat

de levering plaatsvindt te Luik op het tijdstip waarop de goederen ter beschikking van B

worden gesteld (verg. nr. 26, B, 1°, b).

b) In plaats van zelf de goederen te gaan halen (z. a) hiervóór), geeft B opdracht aan vervoerder

V om voor zijn rekening de goederen op te halen in de magazijnen van A te Luik en ze te

Antwerpen af te leveren. Ook in dit geval heeft de levering plaats op het tijdstip waarop de

goederen ter beschikking van B worden gesteld (verg. nr. 26, B, 1°, c).

B. Afwijkingen. - Onweerlegbare wettelijke vermoedens.

1° Vervoer van goederen door of voor rekening van de leverancier.

Wanneer de levering gepaard gaat met de verzending of het vervoer van het goed

door of voor rekening van de leverancier wordt, krachtens artikel 16, § 1, tweede lid,

van het Wetboek, de levering steeds geacht plaats te vinden op het tijdstip van de

aankomst van de verzending of van het vervoer naar de afnemer of de overnemer,

behalve wanneer het gaat om een goed dat door of voor rekening van de leverancier

wordt geïnstalleerd of gemonteerd (verg. nr. 26, B, 1°).


(1 februari 2012)

41 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

Het betreft hier het geval waarin de leverancier de verzending van de goederen naar

de koper op zich neemt. Het heeft geen belang of de leverancier dat vervoer verricht

met eigen vervoermiddelen of hiervoor een beroep doet op een derde (een

vervoerder) met wie hij een vervoercontract sluit.

Opgemerkt wordt dat deze regel een vermoeden juris et de jure inhoudt dat bijgevolg

geldt telkens wanneer het vervoer gebeurt door of voor rekening van de leverancier

en ongeacht de contractuele bepalingen die in voorkomend geval zijn bedongen

i.v.m. het tijdstip van de levering.

Het is belangrijk hierbij op te merken dat, rekening houdend met de hierboven

uiteengezette regels en met artikel 15, § 2, tweede lid, 1°, van het Wetboek, in

principe, de plaats en het tijdstip van de levering niet samenvallen wanneer het goed

door de leverancier of voor zijn rekening naar de verkrijger wordt verzonden of

vervoerd zonder dat het wordt geïnstalleerd of gemonteerd door of voor rekening van

de leverancier.

V o o r b e e l d e n

Verkoop door fabrikant A, te Luik, aan handelaar B, te Antwerpen, van koopwaren die zich bevinden

in de magazijnen van A te Luik.

a) Eerste onderstelling: De verkoop wordt gesloten "franco thuis" d.w.z. dat de overeengekomen

prijs o.m. de verplichting inhoudt voor A om de koopwaren van bij hem te Luik naar B te

Antwerpen te vervoeren. Voor de toepassing van de belasting vindt de levering plaats op het

tijdstip van de aankomst van het vervoer ter bestemming van B in Antwerpen (verg. nr. 26, B,

1°, a).

b) Tweede onderstelling: In plaats van zelf de goederen te vervoeren, geeft A opdracht aan

vervoerder C om deze goederen voor zijn rekening te vervoeren vanuit zijn opslagplaats te

Luik naar B te Antwerpen. In dit geval vindt de levering eveneens plaats op het tijdstip van de

aankomst van de goederen ter bestemming van B in Antwerpen.

2° Installatie of montage door of voor rekening van de leverancier.

De levering van een roerend goed dat door of voor rekening van de leverancier wordt

geïnstalleerd of gemonteerd, wordt in beginsel voor het geheel als een levering van

goederen aangemerkt. Die levering vindt plaats op het tijdstip waarop de installatie

of de montage wordt beëindigd (Wetboek, art. 16, § 1, tweede lid, in fine) (verg.

nr. 26, B, 2°).

Wanneer de levering enerzijds en de installatie of de montage door of rekening van

de leverancier anderzijds, geschieden ter uitvoering van twee onderscheiden

overeenkomsten, moet het volgende onderscheid worden gemaakt (verg. aanschr.

4/1979):


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 42

- indien de overeenkomst m.b.t. de installatie of de montage gesloten wordt

uiterlijk op het tijdstip waarop de levering plaatsvindt volgens het bepaalde in

artikel 16, § 1, eerste lid (terbeschikkingstelling) of tweede lid, in limine

(aankomst van het vervoer door de verkoper), dan worden levering en

installatie of montage voor het geheel als een levering aangemerkt en vindt de

levering plaats op het tijdstip waarop de installatie of de montage wordt

beëindigd;

- indien daarentegen de overeenkomst m.b.t. de installatie of de montage

gesloten wordt nadat er levering heeft plaatsgehad volgens de regels van

artikel 16, § 1, eerste lid, of tweede lid, in limine, dan wordt die overeenkomst

als onderscheiden van die m.b.t. de levering aangemerkt (het gaat dan

overigens om een dienst).

(1 februari 2012)

V o o r b e e l d

Een handelaar uit Bergen verkoopt een machine aan een onderneming in Brugge. De machine is

opgeslagen in Bergen en moet te Brugge door de leverancier of voor diens rekening worden

gemonteerd.

De levering vindt plaats op het tijdstip waarop de montage wordt beëindigd (verg. nr. 26, B, 2°).

3° Doorlopende leveringen.

Overeenkomstig artikel 16, § 1, derde lid, 1°, van het Wetboek wordt in geval van

doorlopende leveringen van goederen die aanleiding geven tot opeenvolgende

afrekeningen of betalingen, de levering geacht plaats te vinden bij het verstrijken van

elke periode waarop een afrekening of betaling betrekking heeft.

Bovengenoemde toestand zal zich inzonderheid voordoen bij leveringen van water,

gas en elektriciteit (z. aanschr. 65/1971).

4° Verstrijken van de btw-termijn bedoeld in artikel 44, § 3, 1° van het

Wetboek ten aanzien van goederen beoogd door artikel 1, § 9, 1°, van het

Wetboek, en eveneens de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten

van zakelijke rechten met betrekking tot zulke goederen in de zin van

artikel 9, tweede alinea, 2°, van het Wetboek.

Wanneer gebouwen (of gedeelten van gebouwen) evenals het bijhorend terrein, met

toepassing van de btw vervreemd, niet ter beschikking van de verkrijger of de

overnemer werden gesteld binnen de termijn bedoeld in artikel 44, § 3, 1°, van het

Wetboek, dan wordt de levering geacht plaats te vinden bij het verstrijken van die


(1 februari 2012)

43 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

termijn (Wetboek, art. 16, § 1, derde lid, 2°). Deze regel geldt zowel voor de

vervreemding die wordt gedaan door een belastingplichtige bedoeld in artikel 4, van

het Wetboek, als voor die welke door een in artikel 8, § 1, van het Wetboek bedoelde

belastingplichtige wordt gedaan (z. hoofdstuk VII).

C. Bijzondere regels.

1° De koper is reeds in het bezit van het verkochte goed.

Het kan voorkomen dat iemand een goed koopt dat reeds te zijner beschikking was.

Dat is het geval bij aanvaarding van de koopwaar door de koper bij een verkoop op

proef, bij zending op zicht wanneer de betrokkene verklaart de goederen te willen

kopen, of nog wanneer een huur omgezet wordt in een verkoop of wanneer een

depothouder de bij hem in depot zijnde goederen koopt.

In dat geval vindt de levering plaats op het tijdstip waarop het verkoopcontract

uitwerking heeft (Wetboek, art. 16, § 2, eerste lid) (verg. nr. 26, A, voorbeelden,

1 ste geval).

V o o r b e e l d

A heeft op 1 juni goederen in depot gegeven bij B. Op 30 juni wordt betreffende die goederen tussen A

en B een verkoopcontract gesloten. De levering vindt plaats op 30 juni.

2° De verkoper blijft in het bezit van het verkochte goed.

Omgekeerd kan het echter ook voorkomen dat de verkoper of de overdrager in het

bezit blijft van het verkochte goed, omdat overeengekomen werd dat de verkoper het

bezit van de goederen behoudt krachtens een andere titel dan die van eigenaar, b.v.

als huurder, als depothouder (bewaarnemer).

In dit geval wordt de levering eveneens geacht plaats te vinden op het tijdstip waarop

het contract uitwerking heeft (Wetboek, art. 16, § 2, eerste lid).

V o o r b e e l d

Verkoop op 30 juni door fabrikant A, te Luik, aan handelaar B, te Antwerpen, van koopwaren die zich

bevinden in de magazijnen van A, te Luik. Er wordt overeengekomen dat de koopwaren opgeslagen

zullen blijven in het magazijn van A tot op het ogenblik dat B ze zal hebben doorverkocht (B heeft b.v.

plaatsgebrek in zijn eigen magazijn).

De levering vindt plaats te Luik waar de verkochte goederen ter beschikking gesteld worden van B en

op het tijdstip waarop het contract uitwerking heeft, hetzij op 30 juni hoewel de verkoper de goederen

behoudt in de hoedanigheid van bewaarnemer. (verg. nr. 26, A, voorbeelden, 2 de geval).


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 44

3° Zending in consignatie.

Ten aanzien van in consignatie gegeven goederen vindt de levering aan de

consignataris plaats op het tijdstip waarop deze eigenaar wordt van de in consignatie

gezonden goederen. Wanneer de consignataris echter verkoopcommissionair is,

wordt de levering aan hem geacht plaats te vinden naarmate hij de door zijn toedoen

verkochte goederen levert, in de juridische betekenis van het begrip (Wetboek,

art. 16, § 2, tweede lid) (verg. nr. 26, A).

(1 februari 2012)

V o o r b e e l d e n

a) A zendt koopwaren in consignatie bij B op 1 juli. B verkoopt de koopwaren op 14 juli. Door het

feit zelf van een koper te hebben gevonden is B eigenaar van de goederen geworden. De

levering door A aan B wordt geacht op 14 juli plaats te vinden.

b) Zelfde onderstelling maar B is verkoopcommissionair van A en de op 14 juli verkochte

koopwaren worden door B aan de koper C ter beschikking gesteld op 20 juli. De levering door

A aan B wordt, zoals de levering door B aan C, geacht op 20 juli plaats te vinden.

c) Een consignatiegever A, gevestigd te Namen, verstuurt op 10 mei goederen in consignatie naar

B, gevestigd te Antwerpen.

B vindt op 12 mei een koper C, gevestigd te Hasselt en vervoert de goederen zelf naar C op

13 mei .

In de relatie tussen A en B, vindt de levering plaats op 12 mei, datum waarop B een koper heeft

gevonden en derhalve eigenaar van de goederen is geworden.

In de relatie tussen B en C vindt de levering plaats op 13 mei, datum van aankomst van het

vervoer ter bestemming van de koper C (Wetboek, art. 16, § 1, tweede lid) (verg. nr. 27, B, 1°).

D. Wettelijk vermoeden (juris tantum).

Overeenkomstig artikel 16, § 3, van het Wetboek wordt de levering van een goed,

behoudens tegenbewijs, geacht plaats te vinden op het tijdstip waarop het goed niet

meer aanwezig is in het magazijn, de werkplaats, het depot of enige andere inrichting

waarover de leverancier in België beschikt.

Dit vermoeden juris tantum (d.w.z. weerlegbaar vermoeden) ten laste van de hier te

lande gevestigde leveranciers vult het vermoeden aan bedoeld in artikel 64, § 1,

vooral voor wat de intracommunautaire leveringen betreft waarvoor geen voldoende

bewijzen voor de vrijstelling worden aangebracht.


E. Ontstentenis van levering.

(1 februari 2012)

45 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

Wanneer een goed dat is verkocht, om welke reden ook, niet wordt geleverd

(b.v. overlijden van de koper vóór de levering van het goed, vernietiging van de

goederen vóór de aankomst van het vervoer naar de koper) is in beginsel de btw niet

verschuldigd. Wanneer de verkoper echter de btw of een gedeelte ervan reeds aan de

koper heeft aangerekend, omdat zich vóór het tijdstip van de levering een andere

oorzaak van opeisbaarheid heeft voorgedaan (facturering of betaling), en aan de Staat

heeft doorgestort, kan die btw evenwel op grond van artikel 77, § 1, 4°, van het

Wetboek worden teruggegeven.

IV. Kettingverkopen.

28. Plaats en tijdstip van de levering.

De hier bedoelde kettingverkopen zijn die welke een opeenvolging van eigendomsoverdrachten

behelzen tussen de opeenvolgende verkopers en kopers en waarbij

alleen de laatste koper daadwerkelijk bezit neemt van de goederen. Hiermee worden

dan ook meerdere opeenvolgende leveringen van dezelfde goederen bedoeld waarbij

de goederen rechtstreeks van de eerste leverancier naar de laatste koper in de reeks

worden vervoerd of gezonden.

Voorts wordt er opgemerkt dat in de navolgende voorbeelden er steeds wordt vanuit

gegaan dat de juridische en materiële terbeschikkingstelling van het goed samengaan.

Overigens heeft ten aanzien van de levering van lichamelijk roerende goederen de

notie der juridische terbeschikkingstelling enkel enig praktisch nut in die gevallen

waarin zich geen enkele werkelijke materiële terbeschikkingstelling van de goederen

voordoet met het oog op de overdracht of overgang van de macht om als een

eigenaar over een goed te beschikken.

V o o r b e e l d

Gesteld dat A een goed verkoopt aan B op 10 januari 2010, en B dit goed wederverkoopt aan C op

11 januari 2010. Het vervoer dat rechtstreeks vanuit de opslagplaats van A naar C wordt verricht,

vangt aan op 12 januari 2010 en eindigt op 13 januari 2010. Er is geen enkele contractuele band

tussen A en C.

De twee vragen die dienen beantwoord luiden als volgt:

1° Waar vinden de leveringen van A aan B en van B aan C plaats ?


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 46

2° Op welk tijdstip vinden deze beide leveringen plaats ?

Een bijzonderheid aan voornoemde situatie is dat het vervoer van de goederen van A tot bij C slechts

kan plaatsgrijpen in één van de opeenvolgende contractuele relaties, hetzij, in deze tussen A en B,

hetzij, in deze tussen B en C.

Bijgevolg is één van beide leveringen (hetzij de levering van A aan B, hetzij de levering van B aan C)

een levering waarbij geen vervoer wordt verricht en die dus plaatsvindt daar waar de goederen

worden ter beschikking gesteld van de verkrijger of overnemer (Wetboek, art. 15, § 2, eerste lid; verg.

nr. 26, A). Deze zelfde levering vindt plaats op het tijdstip waarop de goederen ter beschikking

worden gesteld van de verkrijger of overnemer (Wetboek, art. 16, § 1, eerste lid; verg. nr. 27, A).

De andere levering is een levering met vervoer die in principe plaatsvindt op de plaats van de

aanvang van het vervoer of de verzending naar de verkrijger, wanneer het vervoer wordt verricht

door de leverancier, door de verkrijger of door een derde, naar de plaats waar de verkrijger

gevestigd is of naar eender welke andere plaats die hij als bestemming opgeeft (Wetboek, art. 15, § 2,

tweede lid, 1°; verg. nr. 26, B, 1°).

Een voorbeeld kan de draagwijdte van deze bepaling verduidelijken.

A -------------- verkoop ------------------------> B -------------- verkoop -------------------> C

---------------------------------vervoer------------------------------------------------------------>

In de contractuele band tussen A en B werd bedongen dat A (leverancier) de goederen zal vervoeren

niet naar B (zijn koper), maar naar een andere plaats die B als bestemming opgeeft, hetzij in

onderhavig geval bij C.

Deze levering vindt plaats op het tijdstip van de aankomst van het vervoer naar de afnemer of

verkrijger, aangezien het vervoer wordt verricht door de leverancier of voor diens rekening (Wetboek,

art. 16, § 1, tweede lid; verg. nr. 27, B, 1°).

Uit hetgeen voorafgaat blijkt duidelijk dat het bepalen van plaats en tijdstip van de leveringen van A

aan B en B aan C gebonden is aan het al dan niet bestaan van een vervoer in voornoemde relaties.

Bijgevolg is het onontbeerlijk vooreerst uit te maken in welke contractuele band het vervoer

plaatsvindt, alvorens de plaats en het tijdstip van deze leveringen te bepalen.

Mogelijke veronderstellingen.

In een kettingverkoop kunnen zich drie gevallen voordoen:

a) het vervoer wordt verricht door A of voor diens rekening;

b) het vervoer wordt verricht door B of voor diens rekening;

c) het vervoer wordt verricht door C of voor diens rekening.

We veronderstellen steeds dat het vervoer aanvangt bij A op 12 januari 2010 en dat het eindigt bij C

op 13 januari 2010.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

47 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

a) Eerste onderstelling: het vervoer wordt verricht door A of voor diens rekening.

In dit geval doet het vervoer zich voor in de relatie A-B aangezien B de enige is waarmee A een

overeenkomst heeft gesloten. Bijgevolg is de levering van B aan C een levering zonder vervoer.

Bij de levering van A aan B wordt het vervoer verricht door A (leverancier) of door een derde

handelend voor rekening van A. Bijgevolg vindt deze levering plaats, op de plaats waar het vervoer

aanvangt naar de verkrijger of naar eender welke plaats die deze als bestemming opgeeft, d.w.z. bij A

(Wetboek, art. 15, § 2, tweede lid, 1; verg. nr. 26, B, 1°). Zij vindt plaats op het tijdstip van de

aankomst van het vervoer naar de afnemer of overnemer, d.w.z. op 13 januari 2010 (Wetboek, art. 16,

§ 1, tweede lid; verg. nr. 27, B, 1°).

Bij de levering van B aan C wordt er geen vervoer verricht. Bijgevolg vindt deze levering plaats op de

plaats waar het goed ter beschikking van de verkrijger of overnemer wordt gesteld, d.w.z. bij C

(Wetboek, art. 15, § 2, eerste lid; verg. nr. 26, A). Deze levering vindt plaats op het tijdstip waarop het

goed ter beschikking van de verkrijger of overnemer wordt gesteld, hetzij op 13 januari 2010

(Wetboek, art. 16, § 1, eerste lid; verg. nr. 27, A).

b) Tweede onderstelling: het vervoer wordt verricht door B of voor diens rekening.

In dit geval zal men, aangezien B zowel verkrijger is ten opzichte van A als leverancier ten opzichte

van C, aan de hand van de gesloten overeenkomsten en verkoopsvoorwaarden moeten onderzoeken in

welke contractuele band het vervoer wordt verricht.

1) Indien volgens de gesloten overeenkomst het vervoer wordt verricht in de relatie A- B (hetgeen

inhoudt dat B handelt als verkrijger van A), dient de toestand tussen A, B en C als volgt te

worden beoordeeld.

Voor het bepalen van de plaats van de levering van A aan B, wordt verwezen naar hetgeen

gesteld werd in de eerste onderstelling gelet op het feit dat het vervoer wordt gedaan door B

(als verkrijger) of voor zijn rekening.

Wat het tijdstip van de levering betreft, is artikel 16, § 1, eerste lid, van het Wetboek van

toepassing, volgens hetwelk de levering plaatsvindt op het tijdstip dat de goederen ter

beschikking van de verkrijger worden gesteld, d.w.z. op 12 januari 2010 (verg. nr. 27, A).

Voor wat de levering van B aan C betreft, wordt verwezen naar hetgeen gesteld werd in de

eerste onderstelling.

2) Indien volgens de gesloten contracten het vervoer wordt verricht in de relatie B-C, wat inhoudt

dat B handelt als leverancier van C dient de toestand tussen A, B en C als volgt te worden

beoordeeld.

In de relatie A-B wordt er geen vervoer verricht. Deze levering vindt derhalve plaats daar

waar het goed ter beschikking van de verkrijger wordt gesteld, hetzij bij A (Wetboek, art. 15,

§ 2, eerste lid; verg. nr. 26, A). De levering vindt plaats op het tijdstip waarop het goed ter

beschikking van de verkrijger B, wordt gesteld, hetzij op 12 januari 2010 (Wetboek, art. 16,

§ 1, eerste lid; verg. nr. 27, A).


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 48

In de relatie B-C wordt een vervoer verricht. Voor deze levering wordt verwezen naar hetgeen

gesteld wordt in de derde onderstelling, wat de plaats van de levering betreft. Voor het tijdstip

van de levering is artikel 16, § 1, tweede lid, van het Wetboek van toepassing, volgens hetwelk

de levering plaatsvindt op het tijdstip van aankomst van het vervoer bij C.

c) Derde onderstelling: het vervoer wordt verricht door C of voor diens rekening.

In dit geval wordt het vervoer verricht in de relatie B-C, aangezien B de enige is waarmee C een

overeenkomst heeft gesloten.

Voor wat het bepalen van de plaats en het tijdstip van de levering van A aan B betreft, wordt

verwezen naar hetgeen gesteld werd in de tweede onderstelling, onder punt b, 2.

In de levering van B aan C wordt het vervoer verricht door C (verkrijger) of door een derde

handelend voor rekening van C. Deze levering vindt plaats daar waar het vervoer naar de verkrijger

of naar de plaats die hij als bestemming opgeeft aanvangt, hetzij bij A (Wetboek, art.15, § 2, tweede

lid, 1°; verg. nr. 26, B, 1°).

Deze levering vindt plaats op het tijdstip waarop het goed ter beschikking wordt gesteld van de

verkrijger of overnemer, hetzij op 12 januari 2010 (Wetboek, art. 16, § 1, eerste lid; verg. nr. 27, A).

V. Belastingplichtige die handelt in de uitoefening van zijn economische

activiteit.

29. Verwijzing naar het begrip belastingplichtige.

Een levering van goederen is in principe slechts belastbaar met btw indien ze hier te

lande door een als zodanig handelende belastingplichtige wordt verricht en ze niet

is vrijgesteld door de artikelen 39 tot 42 of 44 van het Wetboek. Het begrip

belastingplichtige wordt toegelicht in hoofdstuk IV hierna.

(1 februari 2012)

V o o r b e e l d

Een handelaar in elektrische scheerapparaten neemt een oud scheerapparaat over van een

particulier, bij de levering van een nieuw. De overname van het oude apparaat is niet belastbaar met

btw omdat de overdrager een niet-belastingplichtige is (particulier).

Maar de verkoop van het nieuwe apparaat is belastbaar met de btw omdat de handeling door een

belastingplichtige (handelaar) wordt verricht.


30. Uitoefening van de economische activiteit.

(1 februari 2012)

49 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

Om belastbaar te zijn moet de levering van goederen verricht worden door een

belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit, d.w.z.

de belastingplichtige moet als zodanig handelen in het kader van een geregelde

werkzaamheid waardoor hij de hoedanigheid van belastingplichtige bezit (z. nr. 79).

V o o r b e e l d e n

1. Een slager die belastingplichtige is wegens het geregeld verkopen van vlees, verkoopt de

meubelen van zijn slaapkamer aan een handelaar in tweedehandse meubelen. Die verkoop

blijft buiten de werkingssfeer van de btw omdat hij niet tot de uitoefening van de werkzaamheid

van belastingplichtige van de slager kan worden gerekend.

Buiten de uitoefening van hun werkzaamheid van belastingplichtige handelen eveneens de

vennootschap die een kunstwerk verkoopt, dat ze zonder bedoeling van wederverkoop maar als

belegging heeft gekocht (z. nr. 336), en de foorkramer die een foorwagen verkoopt, die door

hem uitsluitend als woonwagen werd gebruikt (Beslissing E.T. 15.286 van 4 juni 1973, BTW-

REVUE nr. 15, blz. 212, nr. 465).

2. Een boekhouder die btw-belastingplichtige is wegens zijn werkzaamheid van dienstverrichter,

verkoopt aan een particulier een boekhoudmachine, die hij gebruikt heeft voor zijn

werkzaamheid van boekhouder. De verkoop is onderworpen aan de btw omdat hij werd

verricht door een belastingplichtige die hierbij als zodanig handelt.

VI. Belastbaar feit en tijdstip van opeisbaarheid van de belasting.

31. A. Beginsel.

Voor de levering van goederen vindt, in beginsel, het belastbare feit plaats en wordt

de belasting opeisbaar op het tijdstip waarop de levering van het goed plaatsvindt

(Wetboek, art. 17, § 1, eerste lid). Om het tijdstip waarop het belastbare feit zich

voordoet te kennen, moet dus het tijdstip van de levering gekend zijn.

B. Subsidiaire oorzaken van opeisbaarheid.

Benevens bij de levering van een goed, dat het belastbare feit is, wordt de belasting

opeisbaar telkens wanneer zich, vóór de levering, één van de volgende feiten

voordoet:

1° de facturering van de prijs of een deel ervan;


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 50

2° het ontvangen van de prijs of een deel ervan.

In die twee gevallen is de btw slechts verschuldigd over het gefactureerde of betaalde

bedrag; bij de latere levering wordt de belasting opeisbaar over het saldo.

C. Uitzondering.

Krachtens artikel l7, § 3, van het Wetboek is, bij afwijking van de regels vervat in A

en B, de belasting opeisbaar naarmate van de incassering van de prijs, ongeacht of

deze incassering vóór of na de levering plaatsvindt, in de gevallen waarin de

belastingplichtige niet verplicht is een factuur uit te reiken en waarvoor hij geen

factuur heeft uitgereikt (zie nr. 431).

In geval van betaling per cheque betwist de administratie niet dat de belastingplichtige

die gebruik maakt van de ontheffing van de factureringsplicht, op het

tijdstip van de ontvangst van de cheque het bedrag ervan opneemt in het dagboek van

ontvangsten, zodat derhalve op dat tijdstip de btw opeisbaar wordt. Indien later blijkt

dat er geen effectieve inning van de cheque kan plaatsvinden, kan de

belastingplichtige teruggaaf krijgen van de belasting (Beslissingen E.T. 26.314 en

E.T. 30.861 van 3 december 1980, BTW-REVUE nr. 48, blz. 290-291, nr. 751).

D. Belang van het tijdstip waarop de fiscale schuld ontstaat en opeisbaar

wordt.

Het bepalen van het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt is zeer belangrijk,

niet enkel voor het vaststellen van het tijdvak waarop de belastbare handeling

betrekking heeft maar ook:

1° voor het vaststellen van de termijnen voor de facturering (K.B. nr. 1, art. 1,

§ 1);

2° voor het vaststellen van het tijdstip waarop het recht op aftrek ontstaat

(K.B. nr. 3, art. 2);

3° voor het vaststellen van het tijdstip waarop de belasting aan de Schatkist moet

worden betaald;

4° in geval van wijziging van stelsel of tarief, voor het vaststellen of de handeling

aan het nieuwe dan wel aan het vroegere stelsel of tarief is onderworpen.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

51 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

Afdeling 2. - Uitzonderingen op de algemene regels

van opeisbaarheid.

I. Overdrachten die geen leveringen zijn.

32. Overdrachten van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling

(Wetboek, art. 11).

A. Algemeenheden.

In beginsel zijn, bij overdracht van een algemeenheid van goederen, bijvoorbeeld een

handelszaak, of van een bedrijfsafdeling, de overgedragen bestanddelen die, afzonderlijk

genomen, binnen de werkingssfeer van de btw vallen, hetzij als goederen of

als diensten - voorraad goederen, materieel, verpakkingsmiddelen, cliënteel - volgens

de gewone regels aan de btw onderworpen. Artikel 11 van het Wetboek vormt

evenwel een belangrijke uitzondering op dit beginsel.

Deze problematiek wordt uitgebreid toegelicht in de circulaire E.T. 110.663

(A.O.I.F. nr. 46/2009) van 30 september 2009.

B. Draagwijdte van artikel 11 van het Wetboek.

Ingevolge artikel 11 van het Wetboek moet niet als een levering van goederen of een

dienstverrichting worden aangemerkt, de overdracht, onder bezwarende titel of om

niet, bij wege van inbreng of anderszins (bijvoorbeeld verkoop) van een

algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, wanneer de overnemer een

belastingplichtige is die de belasting geheel of gedeeltelijk in aftrek zou kunnen

brengen indien deze wegens de overdracht verschuldigd zou zijn. In dat geval wordt

de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten.

Artikel 11 heeft een dubbele uitwerking:

1) de overdracht van de algemeenheid van goederen of van de bedrijfsafdeling is

niet belastbaar met btw;


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 52

2) opdat de belasting niet zou blijven "hangen", wordt de overnemer geacht de

persoon van de overdrager voort te zetten van wie hij de rechten en de plichten

ten aanzien van de btw overneemt (met name ten aanzien van de herziening

van de aftrek). De overdrager blijft evenwel gehouden tot aangifte en betaling

van de belasting die vóór de overdracht opeisbaar is geworden en hij mag ook

de belasting aftrekken, volgens de normale regels, die werd geheven tot op dat

ogenblik.

De toepassing van artikel 11 van het Wetboek heeft onder andere voor gevolg dat de

overgedragen goederen in het patrimonium van de overnemer komen onder hetzelfde

stelsel van de btw als dat waaraan ze bij de overdrager waren onderworpen.

De overdracht om niet van een handelszaak is niet bedoeld bij artikel 2, eerste lid,

van het Wetboek, aangezien ze niet onder bezwarende titel plaatsvindt. Als zodanig

is zij dus niet aan de btw onderworpen, maar zij geeft in beginsel aanleiding tot de

onttrekking bedoeld in artikel 12, § 1, 2°, van het Wetboek of tot herziening van de

aftrek met betrekking tot de overgedragen goederen, overeenkomstig de artikelen 5,

4°, en 10, 5°, van het koninklijk besluit nr. 3 (z. nrs. 383 en 404). Aangezien

artikel 11 van het Wetboek echter zowel de overdracht onder bezwarende titel als

deze om niet bedoelt, dient geen onttrekking of herziening te worden verricht naar

aanleiding van deze overdracht, omdat de begiftigde geacht wordt de persoon van de

schenker voort te zetten.

C. Begrip gehele of gedeeltelijke algemeenheid van goederen en

toepassingsvoorwaarden van artikel 11 van het Wetboek.

Vroegere administratieve commentaren omschreven een algemeenheid van goederen

als het gehele patrimonium, zowel activa als passiva, van een opgeslorpte of

gefusioneerde vennootschap, of nog als de totaliteit van de elementen die het

handelsfonds van een natuurlijke persoon of van een vennootschap in vereffening

vormen. Tevens wordt een bedrijfsafdeling gedefinieerd als het geheel van de erin

geïnvesteerde goederen die op technisch en organisatorisch vlak een autonome

activiteit kunnen uitoefenen. Zij dient hoe dan ook op eigen kracht te kunnen werken.

Naast deze definities en zonder omstandig te willen zijn, kunnen we stellen dat het

standpunt van de Belgische administratie eveneens op volgende drie elementen

gebaseerd is:

- de begrippen algemeenheid van goederen en bedrijfsafdeling dienen te worden

onderzocht in hoofde van de overdrager (zie inzonderheid beslissing nr.

E.T. 18.638 van 16 oktober 1974);

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

53 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

- de overdracht van een gebouw waarin de overgedragen economische activiteit

wordt uitgeoefend of van de zakelijke rechten op dit gebouw die aan de

overdrager toebehoren, vormt een essentieel element om uit te maken of

artikel 11 al dan niet van toepassing is, uitgezonderd sommige bijzondere

omstandigheden (zie onder andere beslissing nr. E.T. 26.872 van 27 september

1978);

- wanneer het om natuurlijke personen gaat, toont de administratie zich

toleranter aangaande de elementen die noodzakelijk dienen deel uit te maken

van de overdracht opdat deze zou kunnen genieten van de toepassing van

artikel 11 (zie hieromtrent circulaire nr. 74 van 6 mei 1971, in fine, en

beslissing nr. E.T. 26.872 van 27 september 1978, in fine).

De begrippen totale of gedeeltelijke algemeenheid vormen autonome begrippen van

het gemeenschapsrecht en dienen aldus het voorwerp uit te maken van een identieke

interpretatie in alle lidstaten. Bijzonder belangrijk is het arrest van het Hof van

Justitie van de Europese Gemeenschappen van 27 november 2003 in de zaak C-

497/01, Zita Modes Sárl, dat het Administratieve standpunt opnieuw in vraag stelt.

Het Hof zegt er voor recht dat artikel 5, lid 8, van de Zesde btw-richtlijn [artikel 19,

eerste alinea van de richtlijn 2006/112/EG] zodanig dient geïnterpreteerd te worden

dat het niet-leveringsbeginsel van toepassing is op alle overdrachten van een

handelszaak of van autonome bedrijfsafdelingen, dit met inbegrip van lichamelijke

en desgevallend onlichamelijke elementen die gezamenlijk een bedrijf of bedrijfsafdeling

vormen die geschikt is om een economische activiteit autonoom verder te

zetten. De overnemer dient desalniettemin de bedoeling te hebben het handelsfonds

of de bedrijfsafdeling verder te zetten, en niet enkel de bedoeling om de betrokken

activiteit onmiddellijk te liquideren en desgevallend de voorraad te verkopen.

Aldus eist het Hof niet dat alle elementen van het bedrijf of van de bedrijfsafdeling

overgedragen worden. Volgens haar volstaat het dat een geheel van elementen of een

vereniging van elementen wordt overgedragen om het bijzonder stelsel van nietlevering

te kunnen toepassen. Deze elementen dienen de voortzetting van een

autonome economische activiteit toe te laten.

Zij legt eveneens het principe op volgens hetwelk men de situatie dient te beoordelen

in hoofde van de overnemer en niet in hoofde van de overdrager.

Uitgaande van deze definitie en van dit principe, blijkt dan ook dat artikel 11 van het

Wetboek van toepassing kunnen zijn wanneer de overdrager sommige activa van de

algemeenheid van goederen of van de bedrijfsafdeling naar aanleiding van de

overdracht behoudt, op voorwaarde dat het de overnemer niet verhindert om aan de


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 54

hand van de overgelaten elementen een autonome economische activiteit uit te

oefenen. Dientengevolge is het feit dat het gebouw waar de algemeenheid van

goederen of de bedrijfsafdeling werd geëxploiteerd of de rechten met betrekking tot

dit gebouw niet zouden worden overgedragen, niet noodzakelijk van aard dat de

toepassing van artikel 11 van het Wetboek wordt uitgesloten.

Zonder hiervan een formele voorwaarde te willen maken voor de toepassing van

artikel 11 van het Wetboek vormt de bedoeling van de overnemer om een autonome

economische activiteit verder te zetten daarenboven, in principe, een essentieel

element om de toepassing van deze bepaling toe te staan. Het is daarentegen niet

vereist dat de economische activiteit die door de overnemer zal worden voortgezet

identiek is aan deze van de overdrager. Het is tevens van weinig belang dat de

overnemer, vóór de overdracht, reeds dezelfde economische activiteit uitoefende als

die van de overdrager (zie punt 45 van voormeld arrest).

Bijgevolg mag de hoedanigheid van de belastingplichtige - natuurlijk persoon of

rechtspersoon - voortaan geen invloed meer hebben op de toepassing van artikel 11

van het Wetboek.

D. Gevolgen in hoofde van de overdrager.

In principe brengt de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een

bedrijfsafdeling, met inbegrip van gebouwen en andere investeringsgoederen, geen

herziening van de aftrek met zich mee in hoofde van de overdrager wanneer zij

gebeurt onder toepassing van artikel 11 van het Wetboek.

Daarentegen kan de overdrager in bepaalde situaties gehouden zijn een herziening

van de belasting aftrekken geheven van de verwerving, verbouwing of verbetering

van de onroerende goederen door te voeren. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn bij

een verkoop aan een derde met toepassing van het registratierecht, bij een onroerende

verhuur - zelfs aan de overnemer - vrijgesteld van btw, bij gebruik van het goed voor

privé-doeleinden en, meer algemeen, voor andere doeleinden dan die van zijn

economische activiteit onderworpen aan de btw.

E. Gevolgen in hoofde van de overnemer.

De fictie van artikel 11 van het Wetboek waardoor de overnemer geacht wordt de

persoon van de overdrager verder te zetten, heeft tot gevolg dat de overnemer zelf

een herziening van de aanvankelijk door de overdrager afgetrokken belasting moet

doorvoeren wanneer, op het ogenblik van of na het voortzetten van de overgedragen

activiteit, hij zich bevindt in een door artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 3 van

10 december 1969 opgesomde situatie met betrekking tot de aftrekregeling.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

55 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

Aangezien de herzieningsperiode aanvangt bij de overdrager dient deze de

overnemer bij de overdracht in kennis te stellen van alle elementen (facturen, tabel

van de geïnvesteerde goederen,…) met het oog op een eventuele herziening die deze

laatste zullen toelaten in voorkomend geval de aftrek te herzien.

F. Overdrachten tussen belastingplichtigen onderworpen aan een

verschillende taxatieregeling.

De aanschrijving nr. 18/1978 bepaalt de regels die van toepassing zijn op de

overdrachten van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling,

wanneer de overdrager en/of de overnemer onderworpen zijn aan de forfaitaire

regeling ingesteld door artikel 56, § 1, van het Wetboek.

G. Tijdstip van de handeling.

Aangezien de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een

bedrijfsafdeling, op grond van artikel 11 van het Wetboek, niet wordt aangemerkt als

de levering van een goed of een dienst in de zin van dat Wetboek, zijn wat de

bepaling van het tijdstip van de overdracht betreft de regels van het gemeen recht van

toepassing.

Bijgevolg vindt de overdracht, in principe, plaats zodra beide partijen het eens zijn

over de zaak en over de prijs. Het spreekt voor zich dat de partijen kunnen

overeenkomen dat de overdracht uitwerking heeft op een andere datum: dit zal

inzonderheid het geval zijn wanneer het een overdracht onder opschortende

voorwaarde betreft.

II. Uitbreiding van het begrip levering.

33. Overdracht ingevolge een vordering door de overheid of ingevolge een wet, een

decreet, een ordonnantie, een besluit of een administratieve verordening.

Overeenkomstig artikel 10, § 2 van het Wetboek wordt als levering ook beschouwd,

de eigendomsoverdracht van een goed:

a) ingevolge een vordering door of namens de overheid (burgerlijke of militaire);


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 56

b) meer algemeen, ingevolge een wet, een decreet, een ordonnantie, een besluit of

een administratieve verordening.

De overdracht van een goed onder die omstandigheden is dus aan de btw

onderworpen - als alle andere voorwaarden vervuld zijn - alhoewel er geen

contractuele band bestaat.

34. Maakloonwerk.

In tegenstelling tot de regeling die van toepassing was vóór 1 januari 1993 en

opnieuw van toepassing is geworden vanaf 1 januari 1996 (z. hierna) waarbij het

maakloonwerk als een dienst wordt beschouwd, werd, tijdens de periode vanaf

1 januari 1993 tot 31 december 1995, overeenkomstig artikel 10, § 2, 2°, oud van het

Wetboek als levering aangemerkt: de afgifte door de opdrachtnemer aan de

opdrachtgever van een roerend goed dat hij heeft vervaardigd of samengesteld met

behulp van materialen en voorwerpen die daartoe door de opdrachtgever aan de

opdrachtnemer zijn verstrekt, ongeacht of de opdrachtnemer al dan niet een deel van

de gebruikte materialen heeft verstrekt.

Het gaat om de materiële afgifte van een roerend goed dat het resultaat is van een

maakloonwerk door de maakloonwerker aan zijn opdrachtgever.

Maakloonwerk veronderstelt dat een roerend goed wordt vervaardigd of samengesteld

met behulp van materialen en voorwerpen daartoe door de opdrachtgever aan

de maakloonwerker verstrekt.

Het is van geen belang dat de maakloonwerker, in voorkomend geval, zelf een deel

van de gebruikte materialen aanbrengt bij het werk.

De loutere herstelling van roerende goederen kan bijgevolg zelfs voor de regeling

van toepassing tijdens de periode van 1 januari 1993 tot 31 december 1995, niet als

een levering worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor de verpakking of de

omvorming van roerende goederen, voor zover als gevolg van die handelingen geen

nieuwe producten ontstaan.

De bijzondere aandacht wordt erop gevestigd dat vanaf 1 januari 1996, het

maakloonwerk opnieuw als een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1° van

het Wetboek wordt aangemerkt.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

57 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

Op grond van die bepaling wordt immers als dienst aangemerkt ieder materieel of

intellectueel werk waaronder het maakloonwerk. Onder maakloonwerk wordt

verstaan het vervaardigen of samenstellen van een roerend goed door een

opdrachtnemer door middel van materialen en voorwerpen die daartoe door de

opdrachtgever aan de opdrachtnemer zijn verstrekt, ongeacht of de opdrachtnemer al

dan niet een deel van de gebruikte materialen heeft verstrekt;".

Voor commentaar inzake maakloonwerk wordt dan ook verwezen naar Hoofdstuk III

inzake diensten.

35. Verbruiklening.

De verbruiklening is een overeenkomst die essentieel goederen betreft die door het

eerste gebruik tenietgaan en waarvan de lener uit kracht van de lening zelf eigenaar

wordt. Degene die de goederen in lening ontvangt, moet dezelfde hoeveelheid

goederen van dezelfde hoedanigheid teruggeven. De verbruiklening heeft verbruikbare

of vervangbare zaken tot voorwerp.

Krachtens artikel 10, § 3, van het Wetboek wordt zowel de afgifte van een goed door

degene die de verbruiklening toestaat als de teruggave van een goed door degene die

de levering ontvangen heeft als aan de btw onderworpen leveringen aangemerkt. Dit

resultaat wordt bereikt doordat de wetgever deze afgifte en teruggave als een

levering onder bezwarende titel beschouwt.

36. Tussenkomst van een commissionair.

Artikel 13 van het Wetboek regelt de handelingen van een commissionair en

daarmee gelijkgestelde personen inzake leveringen. Dienaangaande wordt verwezen

naar het hoofdstuk over de belastingplicht.


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 58

III. Gelijkstelling van sommige materiële feiten met een levering onder

bezwarende titel.

37. Algemeen.

Overeenkomstig artikel 10 van het Wetboek is de levering van een goed de

overdracht of de overgang van de macht om als eigenaar over een goed te

beschikken.

In artikel 12 van het Wetboek worden daarenboven sommige materiële feiten

gelijkgesteld met leveringen onder bezwarende titel zodat, wanneer deze feiten zich

voordoen, de belasting opeisbaar wordt.

De goederen die in het bedrijf van de belastingplichtige aanwezig zijn, zijn

inderdaad, in principe, volledig of gedeeltelijk belastingschoon door toepassing van

het aftrekmechanisme. Om te voorkomen dat deze goederen het eindverbruik zouden

bereiken zonder heffing van de belasting - heffing die noodzakelijkerwijze moet

geschieden via de belastingplichtige die ertoe gehouden is de belasting te innen -,

moeten deze goederen bij wijze van rechtzetting aan de belasting worden

onderworpen.

38. Onttrekking van roerende goederen.

Is onderworpen aan de belasting op grond van artikel 12, § 1, eerste lid, 1°, van het

Wetboek, het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een roerend

goed voor zijn privé-doeleinden of voor de privé-doeleinden van zijn personeel en,

meer algemeen, voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit,

wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke

aftrek van de belasting is ontstaan.

Beoogd wordt het louter materiële feit dat erin bestaat het goed aan het bedrijf te

"onttrekken" of het te "nemen". Deze onttrekking kan alleen slaan op roerende

goederen (goederen in voorraad, materieel, machines, voertuigen, ...) en moet

worden verricht door een belastingplichtige die, bij het binnenbrengen van het goed

in zijn economische activiteit met toepassing van de btw (aankoop, invoer,

intracommunautaire verwerving), volledige of gedeeltelijke aftrek heeft uitgeoefend.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

59 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

Hieruit volgt dat artikel 12, § 1, eerste lid, 1°, van het Wetboek met een levering

onder bezwarende titel gelijkstelt, de onttrekking aan zijn bedrijf van een roerend

goed door een belastingplichtige:

a) voor zijn privé-doeleinden of voor de privé-doeleinden van zijn personeel;

b) en, meer algemeen, voor andere doeleinden dan die van zijn economische

activiteit,

wanneer (en dit is een grondvoorwaarde) voor dat goed (zo het werd

aangekocht, ingevoerd of intracommunautair verworven) of voor de

bestanddelen ervan (zo het zelf werd vervaardigd) recht op volledige of

gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan.

Aldus dient deze heffing, bij wijze van rechtzetting, slechts te gebeuren in geval van

volledige bestemming van het roerend goed voor welbepaalde doeleinden: de eigen

privé-doeleinden van de belastingplichtige of de privé-doeleinden van het personeel

en voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit. Het is derhalve

vereist dat het roerend goed het "economisch patrimonium van het bedrijf" verlaat.

V o o r b e e l d e n

In elk van de navolgende gevallen doet zich een materieel feit voor dat met een levering onder

bezwarende titel wordt gelijkgesteld en waardoor de belasting opeisbaar wordt.

1° Een belastingplichtige, meubelfabrikant, onttrekt aan zijn bedrijf een salontafel, die hij in de

woonkamer van zijn tweede verblijf plaatst. De materialen voor het vervaardigen van deze

tafel werden aangekocht met toepassing van de btw die uiteraard volledig werd afgetrokken.

2° Een belastingplichtige, handelaar in computerapparatuur, onttrekt uit zijn voor doorverkoop

bestemde voorraad een P.C. die hij aan één van zijn bedienden schenkt wegens 25 jaar dienst.

De P.C. werd geleverd door een firma gevestigd in Frankrijk en door voornoemde handelaar

in België intracommunautair verworven.

3° Een belastingplichtige, die niet onderworpen is aan de vrijstellingsregeling van artikel 56, § 2,

van het Wetboek en die voor zijn bijberoep van deur tot deur woordenboeken en naslagwerken

verkoopt, onttrekt een lexicon over erfelijkheidsleer dat hij aanwendt in het medisch

laboratorium waar hij als weddetrekkend onderzoeker werkt. Het boek werd hem met

toepassing van de btw geleverd door de uitgeverij waarvoor hij op zelfstandige wijze voormeld

bijberoep uitoefent.

4° Een verzekeringsmakelaar die eveneens de zelfstandige activiteit van fiscaal raadgever

uitoefent onttrekt de schrijfmachine met tekstverwerker, die hij met betaling van de btw had

aangekocht voor gebruik voor zijn beide activiteiten. Hij overhandigt deze machine aan zijn

secretaresse die zich via avondleergangen vervolmaakt in tekstverwerking.


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 60

5° Een belastingplichtige, handelaar in personenauto's voor verzamelaars, onttrekt voor

persoonlijk gebruik een personenauto die hij zelf heeft gemonteerd met een wrak gekocht bij

een verzekeringsmaatschappij met heffing van btw en met verscheidene onderdelen gekocht bij

particulieren. De door hem gemonteerde wagen was oorspronkelijk voor doorverkoop

bestemd.

6° Een beginnend aannemer van tuinwerken die een tweedehandse frees heeft aangeschaft van

een landbouwschool, onttrekt deze voor zijn privé-behoeften nadat hij evenwel de motor door

een andere met een hoger vermogen heeft vervangen. Hij heeft de frees na de vervanging van

de motor nog effectief gebruikt voor het verrichten van aannemingswerken.

7° Een kruidenier neemt koopwaren uit zijn winkel voor zijn privé-gebruik.

8° Een vennootschap biedt bij bepaalde gelegenheden aan sommige van haar personeelsleden een

geschenk aan dat zij zelf mogen kiezen uit de goederen waarin die vennootschap handel drijft

(Beslissing E.T. 32.306 van 22 oktober 1979, BTW-REVUE nr. 43, blz. 42, nr. 726; z. ook

nr. 351, 5°).

9° Een gemeentelijke elektriciteitsregie onttrekt elektriciteit voor de behoeften van de

gemeentelijke diensten, andere dan de regie zelf.

10° Een garagehouder onttrekt benodigdheden en onderdelen aan zijn voorraad, met het oog op

het herstellen van een autovoertuig dat hem toebehoort en dat hij uitsluitend voor privédoeleinden

gebruikt (Beslissing E.T. 20.953 van 19 januari 1976, BTW-REVUE nr. 25,

blz. 142-144, nr. 560).

39. Het verstrekken van een goed om niet.

Is onderworpen aan de belasting op grond van artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, van het

Wetboek, het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed

om het om niet te verstrekken, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht

op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan; de onttrekkingen

verricht voor het verstrekken van handelsmonsters (z. nr. 348) of handelsgeschenken

van geringe waarde worden evenwel niet bedoeld (z. nr. 350); deze waarde wordt

bepaald door of vanwege de Minister van Financiën.

Het betreft het materiële feit dat bestaat in het onttrekken van een goed - roerend of

onroerend - om het om niet over te dragen (b.v. schenking). Deze overdracht is

slechts belastbaar, zo hij wordt verricht door een belastingplichtige in wiens hoofde

een volledig of gedeeltelijk recht op aftrek is ontstaan met betrekking tot dit goed of

de bestanddelen ervan.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

61 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

Vanzelfsprekend dient deze heffing niet te gebeuren voor de onttrekking van een

goed dat zonder toepassing van de btw werd verkregen omdat het werd gekocht bij

een particulier of bij een belastingplichtige die uitsluitend handelingen verricht

waarvoor geen recht op aftrek bestaat (b.v. een ziekenhuis).

De hier bedoelde bepaling is zowel van toepassing voor de onttrekking van roerende

goederen (handelsgoederen, rollend materieel, meubilair, ...) als van onroerende

goederen ("nieuwe" gebouwen of gedeelten van “nieuwe” gebouwen, daaronder

begrepen het bijhorend terrein wanneer hiervoor recht op volledige of gedeeltelijke

aftrek is ontstaan; vruchtgebruik op een "nieuw" gebouw of een gedeelte van een

“nieuw” gebouw, daaronder begrepen het bijhorend terrein wanneer hiervoor recht

op volledige of gedeeltelijke aftrek is ontstaan en dat goed begrepen is in het

vruchtgebruik, ...).

De overdrachten om niet met betrekking tot gebouwen die zijn uitgesloten van de

vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 3, 1°, a en b, van het Wetboek, en die worden

verricht door een beroepsoprichter als bedoeld in artikel 12, § 2, van het Wetboek,

worden nader toegelicht in het hoofdstuk VII.

V o o r b e e l d e n

1° Een naamloze vennootschap onttrekt een personenauto, die op haar naam is ingeschreven en

die ze als bedrijfsmiddel gebruikt, om hem weg te schenken aan de beheerder-vice-voorzitter

wiens mandaat verstrijkt (Beslissing E.T. 9.250 van 10 april 1978, BTW-REVUE nr. 35,

blz. 423-424, nr. 648).

2° Een belastingplichtige onttrekt aan zijn voorraad goederen kledingstukken die gedemodeerd

zijn om ze in het kader van een hulpactie om niet te verstrekken aan een caritatieve instelling

(Beslissing E.T. 33.875 van 2 oktober 1979, BTW-REVUE nr. 42, blz. 636, nr. 718).

Uitzondering.

De onttrekking van een goed om het met commerciële doeleinden om niet te

verstrekken is niet aan de btw onderworpen wanneer ze betrekking heeft op een

handelsmonster of een handelsgeschenk van geringe waarde, zoals deze wordt

bepaald door of vanwege de Minister van Financiën (z. nrs. 348 en 350).

Bijzondere gevallen.

- Onttrekking van goederen gebruikt bij een werk in onroerende staat.

Het komt voor dat een belastingplichtige zelf vervaardigde of ingekochte

materialen, die dank zij het aftrekmechanisme belastingschoon zijn, gebruikt


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 62

om voor zijn privé-doeleinden, de privé-doeleinden van zijn personeel en, meer

algemeen, om niet of voor andere dan beroepsdoeleinden een werk in

onroerende staat te verrichten.

In beginsel wordt de uitvoering van zulk werk met het verrichten van een

belastbare handeling gelijkgesteld (Wetboek, art. 19, § 2, 2°), hetgeen de

heffing van de belasting m.b.t. de onttrekking van de materialen uitsluit. De

maatstaf van heffing voor deze handeling is, overeenkomstig artikel 33, 2°, van

het Wetboek, het bedrag der door de belastingplichtige gedane uitgaven.

(1 februari 2012)

V o o r b e e l d

Een metselaar onttrekt uit zijn voorraad alle nodige materialen voor de oprichting van een

woning met twee van zijn werklieden voor zijn dochter. Artikel 19, § 2, 2°, van het Wetboek is

van toepassing op het metselwerk met uitzondering van het werk van de belastingplichtige en

de btw is opeisbaar over de door de metselaar gedane uitgaven, nl. de aankoopprijs van het

materiaal en het werk van zijn arbeiders.

Wanneer daarentegen een belastingplichtige een roerend goed aan zijn bedrijf

onttrekt om er een werk in onroerende staat mee te verrichten waarvoor het

artikel 19, § 2, van het Wetboek niet van toepassing is, zal de belastingplichtige

moeten overgaan tot de onttrekking van dit roerend goed op grond van

artikel 12, § 1, 1°, van het Wetboek. De maatstaf van heffing voor deze

handeling is de aankoopprijs van het goed of, indien er geen aankoopprijs is, de

kostprijs berekend op het tijdstip van de onttrekking van het goed (Wetboek,

art. 33, 1°).

V o o r b e e l d

Een groothandelaar (fysisch persoon) in elektrisch materieel gebruikt materieel uit zijn

voorraad voor de elektrische installatie van zijn privé-woning, die hij zelf heeft aangebracht.

Het onttrokken materieel moet worden belast over de aankoopprijs op het tijdstip van de

onttrekking.

- Onttrekking van personenwagens en wagens voor dubbel gebruik door

constructeurs en handelaars in die voertuigen.

Er wordt verwezen naar de aanschrijving nr. 9/1985 waarvan echter de

bepalingen met betrekking tot de inschrijvingstaks geheven van nieuwe

voertuigen opgeheven zijn vanaf 4 februari 1988 en deze met betrekking tot de

minimummaatstaf van heffing volledig opgeheven zijn vanaf 1 juni 1993.


40. Ingebruikneming van een goed als bedrijfsmiddel.

(1 februari 2012)

63 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

Is onderworpen aan de belasting op grond van artikel 12, § 1, eerste lid, 3°, van het

Wetboek, de ingebruikneming door een belastingplichtige, als bedrijfsmiddel, van

een goed, dat hij anders dan als bedrijfsmiddel in zijn bedrijf heeft binnengebracht

wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke

aftrek van de belasting is ontstaan.

Het binnenbrengen van het goed in het bedrijf door de belastingplichtige kan op

verschillende wijzen gebeuren:

- hetzij dat hij het - roerend of onroerend - goed, anders dan als bedrijfsmiddel,

heeft opgericht, heeft laten oprichten, heeft vervaardigd, heeft laten

vervaardigen, heeft verkregen of heeft ingevoerd;

- hetzij dat een onroerend goed, anders dan als bedrijfsmiddel, in het bedrijf

werd binnengebracht met toepassing van de belasting door de vestiging,

overdracht of wederoverdracht van de zakelijke rechten in de zin van artikel 9,

tweede lid, 2°, van het Wetboek, die slaan op voornoemd onroerend goed.

Hogergenoemde bepaling strekt ertoe de ingebruikneming van een goed als

bedrijfsmiddel te belasten, wanneer dat goed in het bedrijf van de belastingplichtige

bestemd was voor het eindverbruik (m.a.w. voor een belastbare uitgaande handeling)

en voor de belastingplichtige t.a.v. dat goed of de bestanddelen ervan een volledig of

gedeeltelijk recht op aftrek is ontstaan. Deze bepaling is eveneens van toepassing op

de ingebruikneming als bedrijfsmiddel van een onroerend goed waarvoor de

zakelijke rechten met toepassing van de belasting ten bate van de belastingplichtige

werden gevestigd, overgedragen of wederovergedragen, indien in hoofde van de

belastingplichtige ten aanzien van deze vestiging, overdracht of wederoverdracht een

volledig of gedeeltelijk recht op aftrek is ontstaan.

Deze ingebruikneming die belastbaar is beoogt zowel de roerende goederen als de

onroerende goederen bedoeld in artikel 9 van het Wetboek (b.v. "nieuwe" gebouwen,

meubilair, machines), alsook de zakelijke rechten (b.v. vruchtgebruik) met

betrekking tot genoemde onroerende goederen.

De heffing van de belasting wegens genoemde ingebruikneming als bedrijfsmiddel

is noodzakelijk om op het stuk van de aftrek van btw en van de herzieningen de

gelijkheid te verzekeren tussen een belastingplichtige die een roerend of onroerend

goed rechtstreeks als bedrijfsmiddel aankoopt en een andere die een dergelijk goed


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 64

oorspronkelijk heeft aangekocht met het oog op wederverkoop, of die, met behulp

van materialen of onderdelen, die hij heeft gekocht, een goed opricht of vervaardigt,

en hij de bij inkoop betaalde btw heeft afgetrokken terwijl hij dat goed als

bedrijfsmiddel gaat gebruiken.

De wegens de ingebruikneming opeisbare btw is uiteraard in dezelfde mate

aftrekbaar als dat bij een rechtstreekse aankoop of invoer van het bedrijfsmiddel het

geval zou zijn geweest.

(1 februari 2012)

V o o r b e e l d e n

1) Een fabrikant van kantoormeubilair onttrekt een voor doorverkoop bestemde opbergkast en

gebruikt deze voor het opbergen van zijn boekhouding. Alle grondstoffen worden hem geleverd

door btw-belastingplichtigen.

2) Een belastingplichtige beroepsoprichter neemt een gebouw, dat voor doorverkoop bestemd

was, in gebruik voor het huisvesten van zijn administratie. Betrokken beroepsoprichter heeft

het gebouw laten oprichten door diverse aannemers van bouwwerken.

3) Een belastingplichtige beroepsoprichter verhuurt een door hem opgericht en nog niet verkocht

appartement.

De ingebruikneming moet ten slotte slaan op een goed dat als bedrijfsmiddel wordt

aangemerkt overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 3 en artikel 1 van

het ministerieel besluit nr. 1.

Voor een nadere uiteenzetting aangaande het begrip "bedrijfsmiddel" wordt voorts

verwezen naar het hoofdstuk i.v.m. de aftrek, en meer in het bijzonder, naar de

materie inzake herziening van de aftrek (z. nrs. 386 tot 395). Wel wordt erop

gewezen dat voor de toepassing van artikel 12, § 1, van het Wetboek, het klein

materieel, het klein gereedschap en de kantoorbehoeften, waarvan de prijs of, bij

ontstentenis van een prijs, de normale waarde, per in de handel gebruikelijke

eenheid, lager is dan 250,00 EUR, alsook de verpakkingsmiddelen zelfs indien deze

opnieuw kunnen worden gebruikt, niet als bedrijfsmiddelen worden aangemerkt

(BS nr. 1 van 2 september 1980).

Ten slotte wordt erop gewezen dat als ingebruikneming van een bedrijfsmiddel in de

zin van artikel 12, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek moet worden beschouwd, de

ingebruikneming van een goed dat wordt aangewend in het kader van een

economische activiteit, hetzij als werkinstrument of exploitatiemiddel in het bedrijf

van de belastingplichtige, hetzij om het in huur te geven of, meer algemeen, het

genot ervan over te dragen of rechten op dat genot te verlenen met het oog op het

verwerven van beroepsinkomsten (z. koninklijk besluit nr. 3, art. 6).


(1 februari 2012)

65 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

De onttrekking van een roerend goed of onroerend goed om het tijdelijk om niet ter

beschikking te stellen van personen vreemd aan de economische activiteit van de

belastingplichtige, wordt daarentegen niet beoogd door artikel 12, § 1, eerste lid, 3°,

van het Wetboek (zie evenwel artikel 19, § 1, van het Wetboek).

Bijzondere gevallen.

- Wanneer iemand een volledig gemonteerde machine koopt en zelf moet instaan

voor het vervoer ervan (verkoop "af fabriek" of "af magazijn"), dan mag uit de

omstandigheid dat die machine, met het oog op dit vervoer, wordt

gedemonteerd door het eigen personeel van de koper of door een derde die

voor diens rekening handelt, niet worden afgeleid dat de overeenkomst

betrekking heeft op een verkoop van onderdelen. Artikel 12, § 1, eerste lid, 3°,

van het Btw-Wetboek is dan ook niet toepasselijk op de demontage, het

vervoer en de montage die worden verricht door het eigen personeel van de

koper of door een derde die voor diens rekening handelt (Beslissing E.T.

20.880 van 30 juni 1977, BTW-REVUE nr. 32, blz. 492-493, nr. 627).

- Wat de onttrekkingen van personenwagens en wagens voor dubbel gebruik

door constructeurs en handelaars in die voertuigen betreft, wordt er verwezen

naar de aanschrijving nr. 9/1985. Er wordt bij deze gelegenheid op gewezen dat

de bepalingen met betrekking tot de inschrijvingstaks geheven van nieuwe

voertuigen opgeheven zijn vanaf 4 februari 1988 en deze met betrekking tot de

minimummaatstaf van heffing volledig opgeheven zijn vanaf 1 juni 1993.

Klein materieel, klein gereedschap en kantoorbehoeften.

Gelet op het ministerieel besluit nr. 1 van 2 september 1980 (z. nrs. 389 en 390),

moeten de door die bepaling beoogde goederen niet het voorwerp uitmaken van de in

artikel 12, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde onttrekking.

41. Ingebruikneming van een zelf vervaardigd roerend goed anders dan als een

bedrijfsmiddel.

Is onderworpen aan de belasting op grond van artikel 12, § 1, eerste lid, 4°, van het

Wetboek, de ingebruikneming door een belastingplichtige, anders dan als bedrijfsmiddel,

van een door hem vervaardigd roerend goed, voor het verrichten van

handelingen waarvoor geen volledige aanspraak op aftrek van de belasting bestaat,

wanneer voor de bestanddelen van dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek

van belasting is ontstaan.


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 66

Deze ingebruikneming is onderworpen aan de belasting op voorwaarde dat ze slaat

op een roerend goed dat de belastingplichtige zelf heeft vervaardigd en dat hij anders

dan als een bedrijfsmiddel, aanwendt voor het stellen van handelingen waarvoor

geen volledige aanspraak op aftrek bestaat, wanneer voor de bestanddelen gebruikt

bij de vervaardiging van het goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek is

ontstaan.

Deze bepaling heeft tot doel een gelijke behandeling te waarborgen tussen goederen

die voor de behoeften van de onderneming worden gekocht en waarvoor volledige

aftrek niet mogelijk is, en goederen die de belastingplichtige voor zelfde doeleinden

vervaardigt.

(1 februari 2012)

V o o r b e e l d

Een fabrikant van dekens gebruikt hiervan een aantal voor de exploitatie door hem van een

bejaardentehuis dat is vrijgesteld van de belasting krachtens artikel 44 van het Wetboek.

42. Het onder zich hebben van een goed bij stopzetting van de economische

activiteit.

Is onderworpen aan de belasting op grond van artikel 12, § 1, eerste lid, 5°, van het

Wetboek, het onder zich hebben van een goed door een belastingplichtige of zijn

rechthebbenden ingeval hij de uitoefening van zijn economische activiteit beëindigt,

wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke

aftrek van de belasting is ontstaan; deze bepaling is niet van toepassing wanneer de

rechthebbenden de activiteit van belastingplichtige onder de voorwaarden van

artikel 11 van het Wetboek verderzetten.

Het onder zich hebben van een goed is slechts belastbaar wanneer het - roerend of

onroerend - goed door de belastingplichtige of zijn rechthebbenden in bezit wordt

gehouden bij de definitieve stopzetting van zijn economische activiteit, voor zover

voor dat goed of de bestanddelen ervan een recht op volledige of gedeeltelijke aftrek

is ontstaan. De belasting dient in geen geval te worden geheven wanneer de

rechthebbenden goederen onder zich houden met het oog op een overdracht als

bedoeld in artikel 11 van het Wetboek.

Op grond van deze bepaling kan derhalve het in bezit houden van goederen, zelfs

wanneer deze niet in aanmerking komen voor een gebruik voor privé-doeleinden, aan

de belasting worden onderworpen bij definitieve stopzetting van de activiteit van de

belastingplichtige.


(1 februari 2012)

67 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

Er hoeft in dit opzicht geen rekening te worden gehouden met enige herzieningstermijn.

Deze bepaling maakt zodoende een vlugge effectieve stopzetting van de

economische activiteit van de belastingplichtige mogelijk, zonder de eventuele

tegeldemaking van alle goederen die bij de stopzetting in het bedrijf voorhanden zijn,

te moeten afwachten.

V o o r b e e l d e n

1° Een belastingplichtige aannemer van metselwerken stelt een einde aan zijn activiteit. Hij houdt

een vrachtwagen in zijn bezit en slaagt er niet in deze nog te verkopen. Dit behouden van een

goed is belastbaar bij toepassing van artikel 12, § 1, eerste lid, 5°, van het Wetboek, over de

aankoopprijs die voor dergelijk goed bij aankoop zou moeten worden betaald op het tijdstip

van de stopzetting van activiteit of, bij gebreke daaraan, over de kostprijs.

2° Een belastingplichtige beroepsoprichter zet zijn activiteit stop en behoudt een "nieuw" gebouw

(m.a.w. een gebouw waarvoor men zich nog steeds binnen de termijn bevindt om te

vervreemden met toepassing van de btw). Dit onder zich hebben van een goed op het tijdstip

van stopzetting is belastbaar.

3° Een belastingplichtige wijnhandelaar stelt een einde aan zijn activiteit en behoudt een

opslagplaats die hij niet meer met toepassing van de btw kan vervreemden (de termijn voor

vervreemding met toepassing van de btw is verstreken). Dit onder zich hebben van het goed is

op zich niet aan de belasting onderworpen. In dat geval is ofwel de tienjarige (of vijftienjarige)

herziening van toepassing op de belasting geheven van de oprichting of verwerving van de

opslagplaats, ofwel, de vijfjarige herziening op de belasting geheven van de verbeterings- of

omvormingswerken met betrekking tot deze opslagplaats. Eens de herzieningsperiode (5, 10 of

15 jaar) verstreken, dient geen enkele heffing meer te worden doorgevoerd ten aanzien van het

behouden van het goed.

Indien deze belastingplichtige zijn activiteit stopzet en de opslagplaats nog behoudt terwijl de

termijn voor de vervreemding met voldoening van de btw nog loopt, kan hij opteren om het

goed aan de belasting te onderwerpen. Opteert hij niet, dan dient hij de herziening van de

aftrek te verrichten.

Voorts wordt erop gewezen dat artikel 12, § 1, eerste lid, 5°, van het Wetboek slechts

geldt bij de beëindiging van de economische activiteit waarbij geen onderscheid

moet gemaakt worden naargelang het gaat om een economische activiteit met of

zonder recht op aftrek. Voor de toepassing van onderhavige bepaling dient het begrip

"economische activiteit" immers te worden beschouwd in de zin van artikel 4 van het

Wetboek, hetgeen dan ook tot gevolg heeft dat een loon- of weddetrekkende voor de

heffing van de btw niet handelt in het kader van een economische activiteit.

V o o r b e e l d e n

1° Een boekhouder behaalt het diploma van licentiaat in de rechten en laat zich als advocaat

inschrijven bij een Belgische balie. Betrokkene zet zijn activiteit als boekhouder volledig stop.


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 68

De btw geheven van de aankoop van een computer, die betrokkene als boekhouder heeft

aangekocht en als advocaat terzake zal blijven gebruiken moet worden herzien voor zover

uiteraard de vijfjarige herzieningstermijn nog niet is verstreken.

2° Een boekhouder zet zijn zelfstandige activiteit volledig stop en treedt als wedde-trekkende

boekhouder in dienst van een bedrijf dat eerstgenoemde toelaat groten-deels thuis te werken.

Daarvoor gebruikt de boekhouder zijn computer die hij oorspronkelijk als zelfstandige

boekhouder heeft aangekocht.

Bij de stopzetting van de activiteit als zelfstandig boekhouder dient de betreffende computer het

voorwerp uit te maken van de in bovengenoemd artikel 12, § 1, eerste lid, 5°, bedoelde

onttrekking.

43. Onttrekking voor eigen behoeften door een beroepsoprichter.

Is onderworpen aan de belasting op grond van artikel 12, § 2, eerste lid, van het

Wetboek, de onttrekking voor eigen behoeften door een beroepsoprichter van een

goed beoogd door artikel 1, § 9, 1°, van het Wetboek, dat hij heeft opgericht, laten

oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen.

Krachtens de algemene regel, die globaal wordt vervat in de artikelen 4 en 12, § 2,

van het Wetboek, is als belastingplichtige aan te merken de persoon wiens geregelde

werkzaamheid bestaat in het oprichten, laten oprichten of verkrijgen met voldoening

van de belasting van gebouwen om ze geheel of gedeeltelijk te vervreemden vóór,

tijdens of na hun oprichting, doch uiterlijk op de 31 ste december van het tweede jaar

volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming ervan.

Hieruit volgt dat zo een gebouw bij het verstrijken van voornoemde termijn niet werd

vervreemd, de belastingplichtige beroepsoprichter geacht wordt dit gebouw op dat

tijdstip te onttrekken, voor zover het gebouw niet het voorwerp heeft uitgemaakt van

de onttrekking bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek. Deze

onttrekking die hij op dat tijdstip geacht wordt te verrichten, wordt met een levering

onder bezwarende titel gelijkgesteld, die de belasting opeisbaar maakt.

Is eveneens onderworpen aan de belasting op grond van artikel 12, § 2, tweede lid,

van het Wetboek, de onttrekking van een zakelijk recht in de zin van artikel 9,

tweede lid, 2° van het Wetboek, voor eigen behoeften door een belastingplichtige

beroepsoprichter, in wiens voordeel dit recht met voldoening van de belasting werd

overgedragen. Deze onttrekking vindt evenwel slechts plaats voor zover voornoemd

zakelijk recht niet uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar

van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van het gebouw waarop

dat recht betrekking heeft werd overgedragen of wederovergedragen.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

69 “HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen”

Indien de belastingplichtige beroepsoprichter derhalve het zakelijk recht

(vruchtgebruik, erfpacht, recht van opstal), dat ten zijnen bate werd gevestigd of aan

hem werd overgedragen met voldoening van de belasting, niet heeft overgedragen of

wederovergedragen binnen de hiervoor genoemde termijn, wordt hij geacht de niet

overgedragen of wederovergedragen rechten te onttrekken voor eigen behoeften,

wanneer het gebouw waarop het zakelijk recht slaat op dat tijdstip nog niet het

voorwerp heeft uitgemaakt van een ingebruikneming als bedoeld in artikel 12, § 1,

eerste lid, 3°, van het Wetboek. Deze onttrekking, die geacht wordt te zijn verricht op

datum van het verstrijken van bovengenoemde termijn, wordt gelijkgesteld met een

levering onder bezwarende titel en is belastbaar in hoofde van de belastingplichtige

beroepsoprichter.

De belastingplichtige beoogd in voorgaande alinea’s wordt eveneens geacht het

bijhorend terrein of het zakelijk recht op het bijhorend terrein te onttrekken voor

eigen behoeften wanneer voor dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van

de belasting is ontstaan. De onttrekking die hij geacht wordt te verrichten op datum

van het verstrijken van bovengenoemde termijn wordt gelijkgesteld met een levering

onder bezwarende titel.

Deze bepalingen worden verder toegelicht in het hoofdstuk VII.


“HOOFDSTUK II: Leveringen van goederen” 70

(1 februari 2012)


44. Voorwaarden.

(1 februari 2012)

71 “HOOFDSTUK III: Diensten”

HOOFDSTUK III

DIENSTEN

Opdat de btw verschuldigd zou zijn over een dienst moet aan drie voorwaarden zijn

voldaan:

1° de handeling moet een dienst zijn als bedoeld in artikel 18 van het Wetboek, of

daarmee gelijkgesteld zijn door artikel 19 van het Wetboek (z. nrs. 45 tot 63);

2° de dienst moet plaatshebben in België (z. nrs. 66 tot 71/2);

3° de dienst moet onder bezwarende titel worden verricht door een als zodanig

handelende belastingplichtige die geen in artikel 44 van het Wetboek bedoelde

vrijstelling geniet (z. nrs. 29 en 30).

45. Definitie.

Eerste afdeling - Algemeen.

Voor de toepassing van de btw wordt, krachtens de bepalingen van artikel 18, § 1,

eerste lid, van het Wetboek, als een dienst aangemerkt, elke handeling die geen

levering van een goed is in de zin van dit Wetboek.

Als voorbeeld kan onder meer vermeld worden:

- het verlenen van het recht door de Koninklijke Belgische Voetbalbond aan

radio- en televisiestations om voetbalwedstrijden uit te zenden;

- de transfers van voetbalspelers (Parl. vr. nr. 335 van de Heer Diegenant van

29 maart 1993 - BTW-REVUE nr. 105, blz. 827, nr. 19);


“HOOFDSTUK III: Diensten” 72

- het verlenen van het recht door een landbouwer aan een varkensmestbedrijf om

bedrijfsmest op zijn gronden te storten (Besl. nr. E.T. 89.594 van 6 mei 1977 -

BTW-REVUE nr. 129, blz. 605, nr. 1034);

- de tijdelijke overdracht van een melkquotum. Daarentegen volgt uit een arrest

van het Hof van Justitie van de Europese Unie (H.v.J., 29 februari 1996, zaak

C-215/94, Jürgen Mohr t. Finanzamt Bad Segeberg) dat de vergoeding die voor

de definitieve beëindiging van de melkproductie toegekend wordt door de

overheid in uitvoering van de Europese verordening niet de prijs van een

dienstprestatie is, zodat zij niet aan de btw onderworpen is.

Rekening houdend ondermeer met de gelijkenissen die bestaan tussen het

toekennen van die vergoeding en het toekennen van een vergoeding bij de

definitieve overdracht van quota in het kader van de procedure van

herverdeling door bemiddeling van het quotumfonds of in het kader van een

definitieve overdracht gepaard met de overdracht of de verhuur van de

gronden, aanvaardt de Administratie dat de vergoedingen toegekend in het

kader van bovengenoemde procedures eveneens aan de btw ontsnappen (Besl.

nr. E.T. 87.178 van 9 januari 1998 - BTW-REVUE nr. 133 blz. 7, nr. 1043).

45/2. Niet limitatieve opsomming.

Wordt meer bepaald als een dienstverrichting beschouwd, de uitvoering van een

contract (dit wil zeggen een overeenkomst tussen twee partijen met de bedoeling

rechtsgevolgen teweeg te brengen), dat één of meerdere handelingen tot voorwerp

heeft die worden opgesomd in artikel 18, § 1, tweede lid, van het Wetboek en die

hierna worden besproken. Het spreekt vanzelf dat het hier, gelet op de algemene

bepaling van artikel 18, § 1, eerste lid, van het Wetboek geen limitatieve opsomming

betreft.

De omstandigheid dat de overeenkomst die tussen de partijen tot stand is gekomen

ongeoorloofd is, doet geen afbreuk aan het feit dat, voor de toepassing van het

Wetboek, deze handeling een contractueel karakter heeft. De fiscale administratie is

immers geen rechter ten aanzien van de nietigheid van overeenkomsten en bovendien

moet zij ervoor zorgen dat de btw wordt geheven van elke economische werkzaamheid

die in een contractuele vorm tot uiting komt. Dit is bijvoorbeeld het geval

voor de overeenkomst waarbij tegen betaling van een provisie (commissieloon) een

architect zich tegenover een leverancier van bouwmaterialen of een aannemer van

bouwwerken verbindt, deze laatste bij de opdrachtgever aan te bevelen (Besl. nr. E.T.

16.585 van 27 december 1973 - BTW-REVUE nr. 16, blz. 269, nr. 470).

(1 februari 2012)


45/3. Dienst verricht onder bezwarende titel.

(1 februari 2012)

73 “HOOFDSTUK III: Diensten”

Opdat de dienst een belastbare handeling zou uitmaken, moet deze dienst worden

verricht ter uitvoering van een contract onder bezwarende titel, dat wil zeggen dat de

dienstverrichter een tegenprestatie moet ontvangen in ruil voor de dienst die hij

verricht. De aard van de tegenprestatie heeft overigens geen belang. Normaal

ontvangt de dienstverrichter een geldsom in ruil voor de dienst die hij verricht. Maar

hij kan ook een andere dienst of zelfs een goed, zoals deelbewijzen in een

vennootschap, in ruil verkrijgen.

V o o r b e e l d

De overeenkomst waarbij een aannemer of bouwpromotor zich tegenover de eigenaar van een woning

verbindt om bepaalde prestaties te verrichten zoals het aanleggen van de tuin, het binnenhuisschilderwerk

en het behangen van die woning, als tegenprestatie waarvan de eigenaar van deze

woning aan de aannemer of de bouwpromotor het recht toekent om die woning aan kandidaat-kopers

van dergelijke woningen te tonen, is een overeenkomst die wederzijdse diensten inhoudt die

respectievelijk bedoeld zijn in 1° en 6° van artikel 18, § 1, tweede lid, van het Wetboek (z. nrs. 46 en

51).

Daar in dergelijke gevallen de eigenaar van de woning in de regel niet handelt in het kader van een

economische activiteit waarvoor hij belastingplichtige is, is de belasting niet opeisbaar wegens de

door hem verstrekte diensten.

De belasting is daarentegen wel opeisbaar wegens de diensten die de aannemer of de bouwpromotor

verleent (Besl. nr. E.T. 25.052 van 28 april 1977 - BTW-REVUE nr. 32, blz. 491, nr. 626).

45/4. Andere gevallen.

Op grond van artikel 18, § 2, eerste lid, van het Wetboek wordt eveneens als een

dienst beschouwd, de uitvoering van een in artikel 18, § 1, van het Wetboek bedoelde

handeling ingevolge een vordering door of namens de overheid en, meer algemeen,

ingevolge een wet, een decreet, een ordonnantie, een besluit of een administratieve

verordening (z. nr. 62).

Wordt eveneens als een dienst beschouwd, voor het geheel, de uitvoering door een

reisbureau in de zin van artikel 1, § 7, eerste lid, 2°, van het Wetboek, van prestaties

die deel uitmaken van of horen bij een reis beoogd in artikel 1, § 7, eerste lid, 1° van

het Wetboek, en welke dit reisbureau aan de reiziger levert (Wetboek, art. 19, § 2,

tweede lid).


“HOOFDSTUK III: Diensten” 74

Er mag bovendien niet uit het oog worden verloren dat sommige handelingen,

krachtens artikel 19 van het Wetboek, met diensten worden gelijkgesteld (z. nrs. 62/2

en 63).

45/5. Onderscheid tussen levering van goederen en dienstverrichting.

Alhoewel de levering van goederen en de dienstverrichting beide belastbare

handelingen zijn, kan het onderscheid van belang zijn, inzonderheid ten aanzien van

de plaats van de handeling en het toepasselijke tarief.

De uitvoering van een contract dat de levering met plaatsing van machines en

industriële toestellen, die roerend blijven of ten hoogste onroerend door bestemming

worden, tot voorwerp heeft, wordt in de regel aangemerkt als een in artikel 10 van

het Wetboek bedoelde levering van goederen.

Wanneer deze machines en toestellen daarentegen onroerend uit hun aard worden,

hetzij wegens hun vasthechting aan de grond of aan het gebouw, hetzij wegens de

omvang of het gewicht ervan, heeft het contract een dienstverrichting als bedoeld in

artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Wetboek, tot voorwerp.

Er dient tevens te worden benadrukt dat de overgang van de macht om als een

eigenaar over een goed te beschikken, slechts bedoeld is in artikel 10 van het

Wetboek wanneer deze overgang betrekking heeft op een goed in de zin van artikel 9

van het Wetboek. Wanneer een dergelijke overgang bijvoorbeeld een onlichamelijk

goed tot voorwerp heeft, maakt deze overgang geen levering uit als bedoeld in

artikel 10 van het Wetboek maar wel een dienstverrichting in de zin van artikel 18,

§ 1, eerste lid.

Wat de afgifte betreft, door de opdrachtnemer aan de opdrachtgever van een roerend

goed dat hij heeft vervaardigd of samengesteld met materialen en voorwerpen die

daartoe door de opdrachtgever aan de opdrachtnemer zijn verstrekt (maakloonwerk),

wordt eraan herinnerd dat deze handeling tot 31 december 1995 overeenkomstig het

tot dat tijdstip toepasselijke artikel 10, § 2, 2°, van het Wetboek als een levering van

goederen en niet als een dienstverrichting moest worden beschouwd, ongeacht of de

opdrachtnemer al dan niet een deel van de gebruikte materialen heeft verstrekt

(z. nr. 34).

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

75 “HOOFDSTUK III: Diensten”

Door de opheffing van artikel 10, § 2, 2°, van het Wetboek door artikel 2 van het

koninklijk besluit van 22 december 1995 tot wijziging van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde (BS 30.12.95) wordt de in het vorige lid

bedoelde handeling vanaf 1 januari 1996 opnieuw als een dienst bedoeld in

artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Wetboek aangemerkt.

Afdeling 2. - Commentaar op de diensten

opgesomd in artikel 18.

46. Materieel of intellectueel werk (Wetboek, art. 18, § 1, tweede lid, 1°).

Iedere handeling die een werk tot voorwerp heeft is een dienst in de zin van

artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Wetboek. Daarbij is het zonder belang welke

de aard is van het contract ter uitvoering waarvan het werk wordt uitgevoerd. Het

werk dat verricht wordt ter uitvoering van een aannemingscontract is evengoed

bedoeld als de prestatie die haar oorsprong vindt in een vennootschapscontract of in

een vervoercontract.

Bedoeld worden onder meer:

- het herstellen of het reinigen van gebruikte roerende voorwerpen en, meer

algemeen, ieder aan een roerend goed verricht werk;

- werk in onroerende staat;

- intellectuele werkzaamheden zoals beheer, organisatie, studie, controle, expertise,

schatting, ontleding, inontvangstneming, daaronder begrepen de prestaties

van personen die het vrij beroep uitoefenen van architect, ingenieur, scheikundige,

octrooienraadgever, landmeterschatter van onroerende goederen, enz.;

- werkzaamheden van reclame door het plaatsen van advertenties in dagbladen,

tijdschriften, enz., door het projecteren van films of door enig ander procédé;

- vervoer van goederen of personen; slepen, laden, lossen, stouwen, verstouwen,

behandelen, opbergen en bewaken van roerende goederen;


“HOOFDSTUK III: Diensten” 76

- de prestaties die deel uitmaken van de organisatie van een begrafenis, zoals het

afleggen van het lijk, het balsemen, het vervoer van het lijk, het ter aarde

bestellen en naargelang het geval, de versiering van het dodenhuis ten huize

van de overledene of de terbeschikkingstelling van een dergelijke ruimte in een

funerarium;

- in een aantal gevallen, de diensten verricht door de exploitant van een geluidsopnamestudio

(Besl. nr. E.T. 94.670 van 25 februari 2004);

- de prestaties van makelaars; de persoon aan wie op geregelde manier

koopopties op onroerende goederen worden verleend, die hij in de regel niet

zelf licht, handelt in werkelijkheid als makelaar bij de verkoop van onroerende

goederen (Besl. nr. E.T. 23.051 van 5 juli 1976 - BTW-REVUE nr. 27, blz. 331,

nr. 586);

- de prestaties van zaakbezorgers, ongeacht of zij natuurlijke personen dan wel

rechtspersonen zijn, burgerlijke of commerciële handelingen verrichten,

optreden als aannemers of als lasthebbers (z. wat lasthebbers betreft nr. 48

hierna); aldus zijn onder meer bedoeld de prestaties van privé-detectives, van

bureaus voor commerciële voorlichting, van adviesbureaus, van expertise-,

uitzend- of vertaalbureaus, van raadgevers inzake organisatie, "publicrelations"

of reclame, van reclame- of persbureaus, van genealogen, van

octrooibureaus, van bureaus die artiesten aanwerven, van personen belast met

het beheer van onroerende goederen, van verhuur- en verkoopkantoren van

onroerende goederen, van kantoren die schuldvorderingen van hun klanten

beheren en ze voor hun rekening innen;

- de diensten van persoonsverzorging (diensten van kappers, manicuren,

pedicuren, enz.);

- de prestaties van optometristen;

- het opruimen of het weghalen van vuilnis, afval, puin, enz., of het afbreken van

een gebouw, voor rekening van iemand die aan de aannemer de eigendom

afstaat van de opgeruimde of weggehaalde stoffen of van de afbraakmaterialen

(z. aanschr. 3/1972);

- diensten verricht door exploitanten van stortplaatsen met het oog op het

behandelen van afvalstoffen (Besl. nr. E.T. 42.305 van 14 februari 1986 -

BTW-REVUE nr. 71, blz. 155, nr. 856);

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

77 “HOOFDSTUK III: Diensten”

- de prestaties met betrekking tot de organisatie van periodieke markten voor

tweedehandse voertuigen (Besl. nr. E.T. 73.144 van 31 maart 1992 - BTW-

REVUE nr. 106, blz. 1061, nr. 971);

- de overeenkomst waarbij iemand, tegen betaling van een vergoeding, aan een

ander het uitsluitend recht verleent reclameaffiches aan te brengen op een

bepaald goed dat zo roerend dan wel onroerend uit zijn aard is is een dienst

inzake reclame (z. H.J.E.U. 17 november 1993, zaak C-68/92 Commissie/

Franse Republiek; zaak C-69/92 Commissie/Groothertogdom Luxemburg; zaak

C-73/92 Commissie/Koninkrijk Spanje);

- de prestaties van vertalers en tolken (z. evenwel, wat de tolken betreft, de

uitzonderingen voorzien in nr. 317, 1°);

- de regels van toepassing zijn ten aanzien van de handeling die bestaat in het

stallen en verzorgen van paarden worden verduidelijkt in de besl. nr. E.T.

100.722 van 22 oktober 2001 waarvan de tekst hierna volgt (deze beslissing

vervangt al de vorige die in dit verband werden genomen, in het bijzonder de

beslissing nr. E.T. 74.815 van 23 februari 1993 (BTW-REVUE, nr. 106,

blz. 1062-1063, nr. 972) en is mutatis mutandis eveneens van toepassing ten

aanzien van andere dieren).

"De persoon die tegen betaling paarden van derden stalt in boxen die hij

daarvoor ter beschikking stelt, verbindt zich gewoonlijk ook tot het verzorgen

van die paarden. Die handeling wordt voor het geheel aangemerkt als een

dienst in de zin van artikel 18, § 1, eerste lid en tweede lid, 1° (in dit geval een

materieel werk) van het Wetboek. Dit is zelfs zo wanneer de exploitant van de

boxen, hetzij schriftelijk, hetzij mondeling, twee overeenkomsten sluit waarvan

de ene betrekking heeft op de terbeschikkingstelling van boxen en de andere op

de verzorging van paarden. Gelet op hun samenhang vormen beide

overeenkomsten immers één geheel dat een globale dienstverrichting in de zin

van voornoemde bepaling tot voorwerp heeft en dat, meer bepaald wegens het

onafscheidelijk karakter van zijn elementen, niet kan worden vrijgesteld door

artikel 44, § 3, 2° van voormeld Wetboek.

Wanneer daarentegen een eigenaar van paarden overeenkomsten sluit met twee

verschillende dienstverrichters, waarbij de ene instaat voor het stallen en de

andere voor de verzorging, volgt elke handeling zijn eigen regeling, ongeacht

of er al dan niet een band is tussen de dienstverrichters (b.v. enerzijds een

rechtspersoon en anderzijds de bestuurder van die rechtspersoon, als

natuurlijke persoon). In dat geval is de verzorging van de paarden bedoeld in

voornoemd artikel 18, § 1, eerste lid en tweede lid, 1° terwijl het stallen van de


“HOOFDSTUK III: Diensten” 78

dieren bedoeld is in artikel 18, § 1, eerste lid van het Wetboek. Die

handelingen zijn allebei onderworpen aan de btw volgens de gewone regels. De

vrijstelling van artikel 44, § 3, 2°, van het Wetboek, die zoals alle andere

vrijstellingen strikt moet worden toegepast, is niet van toepassing t.a.v. de

terbeschikkingstelling van de boxen gelet op de omstandigheden waarin het

stallen van de paarden gewoonlijk gebeurt.

Inderdaad:

- de exploitant van de boxen, die in feite verantwoordelijk is voor zijn

installaties, doet meer dan een gewone verhuurder aangezien hij minstens

de boxen bewaakt, toezicht houdt op de dieren en moet tussenkomen als

er problemen zijn met de installaties of met de dieren waarvan de

eigenaar er niet is;

- de afnemer van de dienst heeft minder rechten dan bij een huurcontract

aangezien hij niet op ieder tijdstip, zowel 's nachts als overdag, rechtstreeks

- d.w.z. zonder tussenkomst van de exploitant van de boxen -

noch exclusief toegang heeft tot de paardenboxen."

47. Terbeschikkingstelling van personeel (Wetboek, art. 18, § 1, tweede lid, 2°).

Wanneer iemand zijn werklieden of bedienden ter beschikking stelt van iemand

anders om onder diens gezag, leiding of toezicht werkzaamheden uit te voeren, is die

terbeschikkingstelling een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 2°, van het

Wetboek.

48. De lastgeving (Wetboek, art. 18, § 1, tweede lid, 3°).

Enkel de contractuele lastgeving is in artikel 18, § 1, tweede lid, 3°, van het Wetboek

bedoeld. Overigens hoeft geen onderscheid te worden gemaakt naargelang de lasthebber

tussenkomst verleent bij een belastbare dan wel een vrijgestelde handeling.

Zo wordt in artikel 18, § 1, tweede lid, 3°, de verbintenis beoogd die een agentschap

voor paardenwedrennen aangaat jegens de organisator van totalisatorweddenschappen

(parimutuel) om tegen vergoeding de inzetten voor weddenschappen op

Belgische paardenwedrennen in te zamelen (z. aanschr. 15/1974), alsook de

tussenkomst van verdelers en onderverdelers die loterijbiljetten verkopen in naam en

voor rekening van de Nationale Loterij (z. aanschr. 9/1997).

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

79 “HOOFDSTUK III: Diensten”

49. Het genot van een ander dan in artikel 9, tweede lid, van het Wetboek bedoeld

goed (Wetboek, art. 18, § 1, tweede lid, 4°).

Overeenkomstig artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het Wetboek wordt als een dienst

beschouwd, de uitvoering van ieder contract waarbij de ene partij aan de andere het

genot verleent van een ander dan een in artikel 9, tweede lid, van het Wetboek

bedoeld goed of met andere woorden van lichamelijke goederen, zowel roerende als

onroerende.

Wat de roerende goederen betreft, kan het zowel gaan om een persoonlijk recht van

genot als om zakelijke rechten andere dan het eigendomsrecht (bijvoorbeeld

vruchtgebruik).

Wat daarentegen de onroerende goederen betreft, kan het gelet op artikel 9, tweede

lid, van het Wetboek, slechts gaan om een persoonlijk recht van genot aangezien de

zakelijke rechten die aan hun rechthebbende een recht van gebruik op onroerende

goederen verlenen, normalerwijze als leveringen van goederen worden aangemerkt.

Ter zake wordt opgemerkt dat de onroerende goederen door bestemming voor de

toepassing van de btw als lichamelijke roerende goederen worden aangemerkt.

De bedoelde contracten zijn meer in het bijzonder de verhuur, de onderverhuur, de

handelshuur, de overdracht van handelshuur, de bruiklening, het verlenen van een

vruchtgebruik op een roerend goed en de leasing of financieringshuur. Er dient echter

te worden opgemerkt dat het begrip "onroerende verhuur" moet worden geïnterpreteerd

in het licht van de arresten van het Europees Hof van Justitie (z. nr. 61/1/2).

De onroerende financieringshuur maakt het voorwerp uit van een bijzondere regeling

(z. artikel 44, § 3, 2°, b, en artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek evenals

nr. 61/2, hierna).

Als dienstverrichting, bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het Wetboek

wordt inzonderheid aangemerkt, de uitvoering van:

1° de overeenkomst waarbij de exploitant van een manege, tegen betaling van een

vergoeding, paarden beschikbaar stelt (Besl. nr. T. 6.228 van 8 juni 1971 -

BTW-REVUE nr. 4, blz. 470, nr. 130);

2° de overeenkomst waarbij de eigenaar van paarden, pony's of ezels, tegen

betaling van een vergoeding, deze ter beschikking stelt voor rondritten op het

strand (Besl. nr. E.T. 11.927 van 3 augustus 1972 - BTW-REVUE nr. 10,

blz. 69, nr. 347);


“HOOFDSTUK III: Diensten” 80

3° de overeenkomst waarbij iemand die het recht verkregen heeft op het strand

tenten te verhuren, deze tenten, tegen betaling van een vergoeding, ter

beschikking stelt van vakantiegangers (Besl. nr. T. 6.506 van 4 augustus 1971 -

BTW-REVUE nr. 4, blz. 470, nr. 131);

4° de overeenkomst waarbij iemand een binnenhuistelefooninstallatie verhuurt

(Besl. nr. E.T. 15.522 van 7 januari 1974 - BTW-REVUE nr. 16, blz. 268,

nr. 469);

5° de overeenkomst waarbij een "disk-jockey" een geluidsinstallatie verhuurt,

zonder dat hij zelf optreedt of deelneemt aan de uitvoering van de muziek

(Besl. nr. E.T. 17.124 van 25 januari 1974 - BTW-REVUE nr. 16, blz. 273,

nr. 476).

Er wordt opgemerkt dat:

- de uitvoering van een bruikleningscontract, eveneens bedoeld in artikel 18,

meestal niet aan de belasting wordt onderworpen, aangezien zulk contract

normaliter ten kosteloze titel wordt gesloten (vgl. artikel 2, eerste lid, van het

Wetboek). In dit opzicht wordt echter als verhuur en niet als bruikleen

aangemerkt, de overeenkomst waarbij een brouwerij een tapinstallatie, tafels en

stoelen, ter beschikking stelt van een caféhouder, zonder dat ze van deze laatste

een vergoeding in geld eist, maar hem verschillende verplichtingen oplegt,

waaronder inzonderheid de verplichting zich uitsluitend in dranken te

bevoorraden bij de brouwerij (z. ook nr. 51, A, b, hierna);

- van de belasting zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, van het

Wetboek: de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun

aard onroerende goederen met uitzondering van de handelingen die limitatief

worden opgesomd in voornoemd artikel 44, § 3, 2°, van het Wetboek (bij deze

uitzonderingen behoort meer in het bijzonder de onroerende financieringshuur).

De regeling die van toepassing is op de verhuur die tegelijk betrekking

heeft op onroerende goederen uit hun aard en op lichamelijk roerende goederen

of onroerende goederen door bestemming wordt toegelicht in nr. 61/3.

De verhuur van een voertuig met bestuurder of de verhuur van een kraan met

terbeschikkingstelling van de kraanman, valt binnen de werkingssfeer van artikel 18,

§ 1, tweede lid, 1°, van het Wetboek.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

81 “HOOFDSTUK III: Diensten”

50. Overdracht van een cliënteel en verlenen van rechten op een cliënteel;

verbintenis een beroepswerkzaamheid niet uit te oefenen (Wetboek, art. 18, § 1,

tweede lid, 5°).

Artikel 18, § 1, tweede lid, 5°, bedoelt de handeling die uitsluitend betrekking heeft

op de overdracht van een cliënteel of op het verlenen van rechten op een cliënteel

zonder dat daarbij enig ander bestanddeel van de handelszaak wordt overgedragen.

Die handeling kan voortvloeien uit een verkoop, een verhuur of zelfs een inbreng in

vennootschap.

Wanneer de handeling betrekking heeft op een handelszaak valt ze in de

werkingssfeer van artikel 18, § 1, tweede lid, 5°, voor het gedeelte van de prijs dat

betrekking heeft op de overdracht van of het verlenen van rechten op een cliënteel.

De andere bestanddelen volgen hun eigen regeling. Hier mag echter niet uit het oog

worden verloren dat ingevolge artikel 18, § 3, van het Wetboek, niet als diensten

kunnen worden beschouwd, de in artikel 18, § 1, bedoelde handelingen die bij de

overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, bij wege

van inbreng in een vennootschap of anderszins, onder de voorwaarden van artikel 11

worden verricht (z. nr. 65).

De verbintenis een beroepswerkzaamheid niet uit te oefenen is eveneens een in

artikel 18, § 1, tweede lid, 5°, bedoelde handeling.

51. Overdracht van of verlenen van rechten op een verkoop- of inkoopmonopolie of

op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen (Wetboek, art. 18, § 1,

tweede lid, 6°).

A. Verkoop- of inkoopmonopolie.

a) Algemeen.

Beoogd is onder meer de overeenkomst waarbij een fabrikant aan een

handelaar het exclusieve recht van verkoop van een bepaald product binnen

een bepaald gebied verleent.

Wanneer echter de exclusiviteit wordt verleend door een leverancier aan een

koper in het kader van een verkoopovereenkomst, dient ze te worden aangemerkt

als een modaliteit van de tot stand gekomen verkoop. De aanvullende


“HOOFDSTUK III: Diensten” 82

sommen die de leverancier vordert voor de exclusiviteit die hij verleent maken

dan een bestanddeel uit van de prijs der in exclusiviteit verkochte goederen en

zijn belastbaar met de btw tegen het tarief dat voor die goederen geldt.

b) Brouwerijcontracten.

De regels die van toepassing zijn ten aanzien van de brouwerijcontracten

worden verduidelijkt in de beslissing nr. E.T. 96.988 van 22 november 2000

(BTW-REVUE, nr. 149, blz. 29-31, nr. 1091) waarvan de tekst hierna volgt.

Deze beslissing vervangt al de vorige die in dit verband werden genomen, in

het bijzonder de beslissing nr. E.T. 14.778 van 27 juli 1973 (BTW-REVUE,

nr. 15, blz. 192, nr. 437) en nr. E.T. 21.421 van 29 oktober 1975 (BTW-

REVUE, nr. 24, blz. 80, nr. 554) en gaat in op 1 januari 2001.

Tussen een brouwerij en de caféhouders worden vaak overeenkomsten gesloten

waarbij enerzijds de caféhouder zich verbindt zich uitsluitend bij de brouwerij

te bevoorraden (en eventueel de dranken te schenken volgens de

onderrichtingen van de brouwerij, in aangepaste glazen, enz.) en anderzijds de

brouwerij zich ertoe verbindt aan de caféhouder een dienst te verstrekken

(lening, terbeschikkingstelling van de café-uitrusting en/of -meubilair) of hem

goederen te leveren (meer bepaald café-uitrusting of -meubilair waarvan de

caféhouder na verloop van een bepaalde periode eigenaar wordt). Het betreft

een contract met wederzijdse prestaties. Aangezien de caféhouder en de

brouwerij belastingplichtigen zijn met recht op aftrek is de btw verschuldigd,

zowel over de dienst die door de brouwerij wordt verstrekt, tenzij deze

leveringen of diensten van de belasting zijn vrijgesteld ingevolge artikel 44 van

het Wetboek.

1° De verbintenis van de caféhouder om zich uitsluitend bij de brouwerij te

bevoorraden is een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van

voormeld wetboek. Deze handeling is in principe belastbaar met btw over de

normale waarde van de tegenprestatie van de brouwerij (artikel 32 van

voormeld wetboek). Om praktische redenen stemt de administratie er evenwel

mee in dat de over deze dienst verschuldigde btw niet wordt geheven wanneer

hij volledig aftrekbaar zou zijn in hoofde van de brouwerij.

Dit recht op aftrek door de brouwerij bestaat zowel wanneer de tegenprestatie

van de brouwerij bestaat in een terbeschikkingstelling of levering van caféuitrusting

als wanneer zij het toekennen van een lening tot voorwerp heeft. In

deze laatste onderstelling bevordert de verplichting van de caféhouder immers

de verkoop van dranken en houdt geen verband met de overeenkomstig

artikel 44, § 3, 5°, van voormeld wetboek vrijgestelde lening. De brouwerij die

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

83 “HOOFDSTUK III: Diensten”

leningen toestaat aan de caféhouders verricht evenwel zowel belastbare als

vrijgestelde handelingen, en is bijgevolg een belastingplichtige met gedeeltelijk

recht op aftrek. In dat geval is de caféhouder dan ook slechts ontslagen van de

verplichting de btw over zijn dienst aan te rekenen wanneer de brouwerij haar

recht op aftrek uitoefent volgens de regel van het werkelijk gebruik zoals

bedoeld in artikel 46, § 2, van voormeld Wetboek.

Aangezien de caféhouder normaal niet op de hoogte is van de wijze waarop de

brouwerij haar recht op aftrek uitoefent, zal de brouwerij hem hieromtrent

moeten inlichten. Het attest dat door de brouwerij dient te worden uitgereikt en

waarin zij verklaart dat zij de btw die normaal geheven zou zijn over de door

de caféhouder aangegane verbintenis volledig in aftrek zou kunnen brengen,

laat de caféhouder toe de betreffende btw niet aan te rekenen.

2. Anderzijds is de btw ook verschuldigd op de door de brouwerij als tegenprestatie

verstrekte leveringen of diensten, tenzij dat het verstrekken van een

lening betreft, daar deze handeling vrijgesteld is van de btw ingevolge artikel

44, § 3, 5°, van voormeld Wetboek. Overeenkomstig voormeld artikel 32

van het Wetboek is de maatstaf van heffing in principe gelijk aan de normale

waarde van de door de caféhouder verstrekte recht evenwel moeilijk te bepalen

is, zal als maatstaf van heffing de normale waarde van de door de brouwerij

gedane levering of verstrekte dienst worden genomen. In het geval dat de

tegenprestatie van de brouwerij bestaat in de terbeschikkingstelling of de

levering van café-uitrusting of -meubilair is de maatstaf van heffing de prijs die

de caféhouder zou moeten betalen indien de goederen hem door een derde

zouden zijn ter beschikking gesteld of geleverd.

Er wordt opgemerkt dat door de beslissing nr. E.T. 101.439 van 4 april 2005 de

beginselen hiervoor vermeld worden uitgebreid tot de overeenkomsten die

gesloten worden in andere sectoren dan die van de brouwerijen, op voorwaarde

dat deze onder dezelfde omstandigheden worden gesloten als voornoemde

"brouwerijcontracten" en mits aan alle voorwaarden van de hiervoor vermelde

beslissing wordt voldaan.

B. Overdracht van of verlenen van rechten op het recht een beroepswerkzaamheid

uit te oefenen.

De overeenkomst moet hoofdzakelijk betrekking hebben op de uitoefening van

een beroep en niet op het genot van het geheel of een gedeelte van een uit zijn

aard onroerend goed (z. ook nr. 61).


“HOOFDSTUK III: Diensten” 84

In principe dient men de toepassing van artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het

Wetboek te beperken tot de gevallen waarin een persoon een beroepswerkzaamheid

uitoefent in een handelscomplex of een ander complex dat door

een andere persoon wordt geëxploiteerd, ongeacht of het een warenhuis, een

winkelgalerij, een tentoonstelling, een hotel, een restaurant, een schouwburg,

een sportstadion... enz. betreft.

Tot de werkingssfeer van artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, behoren aldus:

1° de overeenkomst waarbij de exploitant van een hotel, van een restaurant

of van een toneelzaal, aan een ander persoon het recht verleent om de

vestiaire, de toiletten of een verkoopstand te exploiteren in de inrichting;

2° de overeenkomst waarbij de exploitant van een warenhuis aan een ander

persoon het recht verleent zijn eigen producten in het warenhuis tentoon

te stellen of te verkopen;

3° de overeenkomst waarbij de exploitant van een stadion aan andere

personen het recht verleent om in het stadion sommige producten te

verkopen (dranken, suikergoed, frieten, kranten, enz.);

4° de overeenkomst waarbij de exploitant van een spoorwegnet aan een

ander persoon het recht verleent om buffetten en restaurants in de stations

te exploiteren;

5° de overeenkomst waarbij de exploitant van een spoorwegnet aan een

ander persoon het recht verleent reclame te maken op het net;

6° de overeenkomst waarbij de organisator van een tentoonstelling aan een

ander persoon het recht verleent om binnen de ruimte van de tentoonstelling

een beroepswerkzaamheid uit te oefenen.

Opdat artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het Wetboek van toepassing kan zijn,

moet het overgedragen of verleende recht de uitoefening van een beroepswerkzaamheid

in de ruime betekenis van het woord tot voorwerp hebben. Aan

een firma het recht verlenen om voor haar eigen producten reclame te maken

valt bijvoorbeeld binnen de werkingssfeer van artikel 18, § 1, tweede lid, 6°,

van het Wetboek. Het is overigens niet noodzakelijk dat degene die zijn

werkzaamheid uitoefent dat doet om winst te maken. Zo is artikel 18, § 1,

tweede lid, 6°, van het Wetboek van toepassing op de overeenkomst waarbij de

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

85 “HOOFDSTUK III: Diensten”

organisator van een tentoonstelling aan een vereniging zonder winstoogmerk

het recht verleent in de tentoonstellingsruimte brochures te verkopen waarin

haar filosofisch ideaal wordt verdedigd.

In de relatie van een organisator van een handelsbeurs tot de inzenders is, ten

aanzien van de terbeschikkingstelling van een standplaats, de gesloten overeenkomst

niet bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het Wetboek, maar

wordt ze voor het geheel beschouwd, ofwel als een dienst bedoeld in artikel 18,

§ 1, tweede lid, 1° (geheel van diensten met betrekking tot de organisatie van

een handelsbeurs), ofwel als een onroerende verhuur (terbeschikkingstelling

van een standplaats), volgens het onderscheid gemaakt in de aanschrijving

nr. 15/1978 van 12 mei 1978, onder de nrs. I en II.

52. Overdracht van en verlenen van licenties inzake een octrooi, een fabrieks- of een

handelsmerk, een auteursrecht, een industrietekening, een industriemodel of

andere soortgelijke rechten (Wetboek, art. 18, § 1, tweede lid, 7°).

Intellectuele rechten zoals die welke voortvloeien uit een octrooi, een fabrieks- of

handelsmerk of een auteursrecht, zijn niet verbonden aan een persoon; ze kunnen het

voorwerp uitmaken van een overdracht van het genot of van het verlenen van rechten

op het genot.

Wanneer de handeling betrekking heeft op de eigendom zelf van het recht gaat het

om een overdracht. Wanneer de handeling slechts betrekking heeft op het genot

ervan dan gaat het om het verlenen van rechten. Zowel de overdrachten als het

verlenen van rechten zijn bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 7°.

De aard van de overeenkomst waarvan de overdracht of het verlenen van rechten het

gevolg is, heeft weinig belang. De inbreng in vennootschap van de eigendom of van

het genot van een octrooi valt in de werkingssfeer van artikel 18, § 1, tweede lid, 7°.

Volledigheidshalve wordt gewezen op de toepassing in voorkomend geval van

artikel 18, § 3, van het Wetboek indien de genoemde handeling binnen het

toepassingsgebied van artikel 11 van hetzelfde Wetboek plaatsvindt.

Er dient evenwel te worden opgemerkt dat, wanneer iemand ten behoeve van een

door hem te organiseren schouwspel een decor bestelt bij een zelfstandige decorontwerper

die tegelijk het decor ontwerpt en de materiële uitvoering ervan verzorgt,

die handeling volgens de bedoeling van de partijen normaal niet in hoofdzaak het

verlenen van auteursrechten tot onderwerp heeft, maar de levering van een

lichamelijk roerend goed zoals bedoeld in artikel 10 van het Wetboek (verg. besl.

nr. E.T. 11.050 van 20 maart 1973 - BTW-REVUE nr. 12, blz. 286, nr. 383).


“HOOFDSTUK III: Diensten” 86

Intellectuele rechten als bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 7°, van het Wetboek

zijn onder meer:

1° het recht dat voortspruit uit een uitvindingsoctrooi en dat door de wetgeving op

de octrooien wordt beschermd;

2° het onlichamelijk recht dat een uitvinder kan bezitten op een niet gebrevetteerd

fabricageprocédé;

3° de rechten die door de wetgeving op de fabrieks- en handelsmerken worden

erkend;

4° de rechten die door de wetgeving op de auteursrechten worden toegekend aan

iedere auteur van een letterkundig werk of van een kunstwerk;

5° het recht een portret van iemand in het openbaar tentoon te stellen;

6° het recht een handelsnaam te gebruiken;

7° het recht een uithangbord te gebruiken.

Als diensten bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 7°, van het Wetboek worden

aangemerkt:

- de overdracht of de concessie van het recht een toneel- of ander werk in het

publiek op te voeren (z. nr. 329/2). Dit is ook zo wanneer de overdrager of de

concessieverlener aan de concessiehouder materieel ter beschikking stelt dat

noodzakelijk is voor de opvoering (Besl. nr. E.T. 21.601 van 4 december

1975 - BTW-REVUE nr. 25, blz. 146, nr. 562);

- de uitvoering van zogenaamde prestaties van "lay-out". Aangezien de

zogenaamde prestaties van "lay-out" bestaan in het tot stand brengen van

originele tekeningen, bladschikkingen, versieringen en dergelijke meer voor

boek- en drukwerken, dient de uitvoering ervan te worden aangemerkt als de

overdracht van een auteursrecht of het verlenen van licenties op zulk een recht

(Besl. nr. E.T. 21.772 van 21 januari 1976 - BTW-REVUE nr. 25, blz. 146,

nr. 563);

- de overdracht of de concessie van een auteursrecht in het kader van een

contract voor uitgave.

(1 februari 2012)


(1 februari 2012)

87 “HOOFDSTUK III: Diensten”

Artikel 44, § 3, 3°, van het Wetboek, verleent echter een vrijstelling ten aanzien van

door de auteur of toondichter gesloten contracten voor uitgave van letterkundige

werken of kunstwerken (z. nr. 329/2).

53. Terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen (Wetboek, art. 18, § 1, tweede

lid, 8°).

A. Principe.

Krachtens artikel 18, § 1, tweede lid, 8°, van het Wetboek wordt de terbeschikkingstelling

van stalling voor rijtuigen als een dienst aangemerkt.

Het begrip "voertuig" moet worden uitgelegd als alle vervoermiddelen, met

inbegrip van boten (z. H.J.E.U., zaak C-428/02, Fondsen Marselisborg,

Lystbådehavn t. Skatteministeriet, 3 maart 2005).

Deze dienst is bovendien uitdrukkelijk uitgesloten van de vrijstelling m.b.t. de

verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende

goederen beoogd in artikel 44, § 3, 2°, a, eerste streepje van het Wetboek.

De terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen bepaald in artikel 18, § 1,

tweede lid, 8°, van het Wetboek, moet sinds de wijziging van die bepaling op 1

januari 1993 niet meer geschieden in het kader van een exploitatie van een

parking of garage, zodat de draagwijdte van bovengenoemde dienst veel ruimer

is geworden en zelfs de terbeschikkingstelling beoogt die plaatsvindt in het

kader van het beheer door een natuurlijk persoon van zijn onroerend

patrimonium.

Bovengenoemde wijzigingen vloeien voort uit de aanpassing op 1 januari 1993

van het Wetboek aan de Zesde Richtlijn van de Raad van 17 mei 1977

betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting

- gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde

waarde, zodat thans de draagwijdte van artikel 18, § 1, tweede lid, 8°, van het

Wetboek, volledig overeenstemt met de Europese rechtsleer ter zake. Onder die

omstandigheden ligt het dan ook voor de hand dat de Europese rechtspraak in