Ga naar het artikel

isb.colo.ba.be

Ga naar het artikel

28

[ CONGRES IN WOORD ]

LOUIS DE PELSMAEKER: Na de

Limburgse putsch van Dany Punie,

minister Marino Keulen en Armand

Schreurs ben ik de eerste uit een

andere regio in Vlaanderen die het

woord krijgt.

Dames en heren, goede morgen, aan

de inhoud van dit congres te oordelen

staan we voor een belangrijk

congres. Ik las in een van de besluiten

van het ISB dat jullie ongerust

zijn. En dit is vaak een voedingsbodem

voor niet gelukkig zijn, en dat

moeten we voorkomen.

Ik wil jullie niet naar de mond praten

maar de sportfunctionarissen

hebben een zeer belangrijke functie

in de gemeente en het lijkt er eindelijk

op dat ook de politiek dat begint

in te zien. Gedurende 25 jaar werd

een professioneel kader ontwikkeld

van een niveau dat men ons in vele

landen zal benijden.

Geachte dames en heren, in het

komende uur zullen we debatteren

met zes politici die allen een grote

kennis hebben van de sport in

Vlaanderen.

LDP: Geachte heren politici. Door

het ISB werden elf onderwerpen of

aandachtspunten weerhouden die

Vlaams Tijdschrift voor Sportbeheer 2004 • nr. 181

REFERATEN

DAG 1 1

De rol van het

lokale sportbeleid

gemeentelijke sportdienst

van de

in het

Vlaamse sportlandschap

een evaluatie van het sportbeleid

en haar actoren in Vlaanderen

mogelijk moeten maken. We gaan

die topics één voor één aan jullie

voorleggen. Ik heb ook de toestemming

gekregen jullie bij de voornaam

aan te spreken. Dit is uiteindelijk

de sportwereld – en sport is

een spel, zoals Eric Wouters het al

zei, van heer en boer.

1. BALANS EN RESULTAAT

VAN 5 JAAR SPORTBELEID

LDP: Vijf jaar sportbeleid Jos

(Stassen), wat is het frappantste dat

je er van hebt onthouden?

JS: Het belangrijkste is ontegensprekelijk

het ontstaan van een

echte ministerpost die alles wat

met sport te maken had in

Vlaanderen onder zijn bevoegdheid

kreeg. Spijtig genoeg zijn er tot hier

toe iets te veel ministers van sport

geweest, om van een ononderbroken

en consequent sportbeleid te

kunnen spreken. Daarnaast is er is

ook een beter landschap gecreëerd

– met verschillende deelterreinen

voor de verschillende sportfederaties.

1

LDP: Bij deze eerste stelling gaan

we nog even de rij af. Straks zal dat

individueel gebeuren. Johan

(Sauwens), als dé eerste minister

van sport heb jij dat beleid kunnen

inzetten.

en de positie

DEBAT DEMOCRATISCHE POLITIEKE PARTIJEN

JSA: Ja dat was een boeiend

moment bij de regeringsvorming.

Staat U me even toe de ontstaansgeschiedenis

ervan te schetsen.

Bert Anciaux had toen de portefeuille

van cultuur, waaronder op dat

moment de sport resideerde.

Deelgebieden van de sport zoals

werkgelegenheid, gezondheid,

sportpromotie… zaten dan weer bij

andere ministers. In een kort

gesprek met onze toenmalige voorzitter

Patrick Van Krunkelsven heb

ik hem er van overtuigd dat sport

nood had aan een eigen ministermandaat.

Zodoende hebben we al

die versnipperde bevoegdheden

gebundeld in een ministerpost,

zodat er eindelijk sprake kon zijn

van een ‘echt’ sportbeleid. Dat door

omstandigheden evenwel halverwege

is blijven hangen…maar daarover

straks meer.

LDP: En jij bent dan op wagon num-


mer twee kunnen stappen Bart

(Caron)?

BC: Ja, toen Bert Anciaux het mandaat

heeft overgenomen, hebben

wij gedurende de periode van een

zwangerschap, even huisbewaarder

mogen zijn van dat sportbeleid. We

hebben in die korte periode geprobeerd

een nieuwe aanzet te geven

voor het lokaal sportbeleid. De tijd

was echter te kort om dat af te

maken. Voor de rest sluit ik mij aan

bij wat Jos daarnet zei, dat het een

goede zaak is geweest om voor de

verschillende federaties een beter

landschap te maken.

LDP: Sommige panelleden hier aanwezig

maken deel uit van de commissie

sport, Kris (Van Dijck)?

KVD: Ik denk dat we die vijf jaar

niet als alleenstaand mogen bekijken.

Ik wil de discussie hier opentrekken

en het niet partijpolitiek

spelen. Ik herinner me de periode

‘95-‘99 met Luc Martens, toen weliswaar

de portefeuille sport nog

niet bestond, maar er via het strategisch

plan voor de sport een

betekenisvolle aanzet is gegeven.

Sport is heden ten dage in elk geval

prominenter op de politieke agenda

aanwezig, alhoewel het vaak knokken

blijft om een consequent sportbeleid

op de rails te krijgen, ook

binnen de partijgrenzen. Politiek

Vlaanderen blijven overtuigen is

een werk van alledag.

LDP: André (Van Nieuwkerke)?

AVN: Ik denk inderdaad dat het

decreet op de sportfederaties zeer

belangrijk is omdat we zo de stap

hebben gezet van kwantiteit naar

kwaliteit. Ten tweede is de verfijning

van het medisch verantwoord

sporten een goeie zaak.

In die vijf jaar werden gradueel ook

de te verre versnippering van het

sportlandschap zachtjes aan ongedaan

gemaakt. Sommige zaken

moeten nu eenmaal gecentraliseerd

worden aangepakt.

Ten slotte denk ik dat met het

decreet op het onderwijsgebonden

sportgebeuren de schoolsport aan

belang zal winnen.

LDP: Daar gaan we straks nog op

terugkomen. Peter (Gijsbrechts), wat

is jou uit deze laatste vijf jaar bijgebleven?

PG: Ja, heel kort dan, want er zijn

natuurlijk al een aantal dingen

gezegd. Belangrijk is dat we vijf jaar

geleden zijn kunnen starten met

een echte minister van sport.

Daarnaast de realisatie van de al

genoemde decreten. Hoewel er al

het een en ander is gebeurd kan het

nog veel beter. Zoals het uit dit

debat trouwens ook zal blijken, de

discussie is er meestal één over

middelen.

De passus in het regeerakkoord over

het sportbeleid, is een passage die

heel veel mogelijk maakt, maar

waar er natuurlijk ook heel veel

middelen voor nodig zijn. Het is

belangrijk dat de middelen voor

sport toenemen. Een investering in

de sport, betekent later een goedkopere

gezondheidszorg.

LDP: Mag ik vragen of er consensus

is rond de tafel dat we mogen stellen

dat er bij de volgende regeringsvorming

in geen enkel van jullie

politieke partijen de noodzaak aan

een minister van sport ontbreekt. Is

dit een absolute verworvenheid voor

de sport in Vlaanderen?

Panel: Absoluut…

LDP: Mooi, we zijn al een stap verder.

En zo willen we elk topic unaniem

laten bekrachten, zodat we

jullie er volgend jaar kunnen op

afrekenen.

2. BALANS EN RESULTAAT

VAN 5 JAAR VLAAMS

BELEID OP HET VLAK VAN

DE GEMEENTELIJKE SPORT

“Een vernieuwd sportbeleid moet

maximale kansen op slagen krijgen

door alle betrokken actoren daartoe

de nodige financiële ruimte te

geven. In het licht van de slechte

fysieke conditie van de jeugd moe-

[ CONGRES IN WOORD ]

ten specifieke maatregelen worden

genomen om de participatie van de

jeugd te bevorderen. De middelen

van de Vlaamse Gemeenschap

moeten daarom prioritair worden

besteed aan de jeugd. Ze moeten

dus terechtkomen bij de clubs, via

de erkende gemeentelijke sportdiensten,

aangezien zij een centrale

rol spelen in het voeren van een

jeugdsportbeleid. De gemeenten

krijgen een scharnierfunctie. Ze zullen

de volle verantwoordelijkheid

dragen om het lokale sportgebeuren

te coördineren in samenwerking

met de sportclubs, de scholen en de

schoolsportfederatie.”

LDP: Bovenstaande passus uit de

regeringsverklaring van 1999, waarin

de scharnierfunctie van de

gemeentelijke sportdiensten wordt

erkend is voor het ISB zeer belangrijk.

Ik wil even bij jouw beginnen Johan.

Is dat sportbeleid gerealiseerd, kan

je je daar in terugvinden?

JS: Dat is gedeeltelijk gerealiseerd.

Buiten het feit dat er een ministerpost

voor sport is, dienen ook enkele

kabinetsleden zich uitsluitend

met sport bezig te houden. Dit was

anders dan vroeger waar sommigen

er sport even moesten “bijnemen”.

Dit betekent dat er op het topniveau

constant voor meer middelen

is gevochten. En de eerste jaren in

de legislatuur, toen er ook nog meer

geld was, moet ik toegeven, was er

een budgettaire toename van 18

tot 20% ieder jaar en dit voor de

federaties, het medisch verantwoord

sporten, maar ook voor het

lokale niveau. Ik denk hierbij bv. aan

het contract jeugdsport waar

momenteel zo’n tweehonderd

gemeenten aan deel nemen. Ik denk

tevens aan een kleiner project als

dat van de zaalwachters, waar er

toch werk werd gecreëerd en de

gemeenten de mogelijkheid gaf om

zaalwachters in dienst te nemen.

Maar één van de grote euvels is dat

op een bepaald moment minister

Bert Anciaux en vooral later Guy

Van Hengel, de subsidiestroom

publiekelijk in twijfel zijn gaan trek-

Vlaams Tijdschrift voor Sportbeheer 2004 • nr. 181

29


30

[ CONGRES IN WOORD ]

ken. En dit was een principiële

kernvraag waar men nooit is uitgeraakt

en waardoor het decreet op

de gemeentelijke sportdiensten is

blijven hangen. Ik herinner mij de

beleidsbrief van minister Anciaux,

gepubliceerd eind 2001 en die zei

dat in 2002 het decreet – dat intussen

al goedgekeurd was door de

regering – dat jaar nog zou worden

ingediend. En dan zijn er twijfels

gerezen. En het decreet ligt er nog

en ik denk niet dat het er snel van

zal komen om het door het parlement

te loodsen.

LDP: Bart, jij hoort een belletje rinkelen,

hè.

BC: Toch wel een paar puntjes op

de i zetten. Er is inderdaad een

voorbereidend traject geweest voor

een nieuw decreet op de lokale

sportdiensten, maar dat is maar één

element. Ik zou het toch eerst even

over de financiële kwestie willen

hebben.

Het is zo dat bij de middelenverschaffing

in de Vlaamse Regering

tussen 1999 en 2002 sommige

beleidsterreinen met 50 % zijn

vooruitgegaan. Deze tendens is veel

minder fors geweest bij het sportbeleid.

De middelen voor het uitvoeren

van dat decreet waren

medio 2002 conjunctuurmatig dan

ook niet meer voorhanden.

In deze legislatuur heeft men het

“kerntakendebat” gevoerd. Het is

een discussie die ging over de

bevoegdheden tussen lokale besturen,

dat voor vele domeinen heeft

gespeeld maar niet voor het lokaal

sportbeleid. Of in mindere mate

althans en daar ben het ik eens met

Johan….

LDP: Je krijgt al applaus uit de zaal

Bart, het is wel iemand die een gratis

koffie krijgt…

BC: …dat de collega’s van de VLD

het debat rond het decreet voor een

stukje hebben aangewend om te

zeggen dat de sportmiddelen niet

meer separaat moesten toegekend

worden, maar aan het

Gemeentefonds dienden toege-

Vlaams Tijdschrift voor Sportbeheer 2004 • nr. 181

voegd en dat heeft inderdaad het

debat versluierd. Maar dat is niet de

kern waarom de middelen niet

gestegen zijn.

LDP: Men verwijst naar jullie Peter?

PG: Ja, die verwijzing viel te verwachten

maar ik denk dat die niet

terecht is. Ik meen te weten dat

Bart Caron op een vorig ISB-congres,

als kabinetschef van Bert

Anciaux, kwam spreken over dat

bewuste decreet. En dat, tot verrassing

van éénieder, gesteld werd dat

het nog wat ging uitgesteld worden.

En iedereen dacht dat het

decreet ging verfijnd worden. Het

ging – en iedereen hield al zijn hart

vast – getoetst worden aan de

praktijk binnen de cultuursector.

Daar hadden we allemaal bang van

en ik heb toen minister Anciaux een

paar keer ondervraagd in de commissie

sport, en er kwam altijd het

goede nieuws van: we zijn er mee

bezig en we gaan het beter maken.

Natuurlijk waren wij zeer benieuwd

naar de afloop ervan, maar jammer

genoeg er is dan geen schot meer

in de zaak gekomen. Om dat afstel

nu te gaan verantwoorden door een

gebrek aan middelen of onze partij

daarvoor verantwoordelijk stellen,

doet weinig ter zake.

JS: Ik denk dat we correct moeten

zijn in het voorstellen van het verhaal.

Dit decreet, dat eigenlijk klaar

lag, is slachtoffer geworden van

twee tendensen. Eén: het werd te

laat ingediend. Als je de geschiedenis

van deze legislatuur maakt blijkt

dat de decreten die eerst klaar

waren ontzettend veel geld hebben

gekregen en die te laat waren hebben

niks of weinig gekregen.

Twee: het decreet is naar de achtergrond

verdwenen bij de ministerwissels.

Waren we een half jaar

vroeger met het decreet klaar

geweest hadden we dit debat niet

gehad.

LDP: We gaan eerst naar de meerderheid

gaan. Kris, jij mag straks aan

het woord. André jij bent consequent

geweest?

AVN: We moeten inderdaad toegeven

dat er financieel geen middelen

meer waren om dat decreet ten

volle in te vullen. Want dat betekent

inderdaad ook, dat er in de

erkenning van gemeentelijke sportdiensten

moet geïnvesteerd worden.

En ik denk dat de minister van

sport, gezien de budgettaire situatie,

en het feit dat hij toch nog een

beleid moest voeren, terecht gekozen

heeft voor het investeren in

infrastructuur. Dat is dan de politiek

geweest vanaf het mandaat van

Guy Van Hengel. Wat baat het of

wat is het nut van een decreet dat

niet kan worden ingevuld? Dus

zoals gezegd apprecieer ik de keuze

die gezien de omstandigheden

gemaakt is.

1

KVD: Ik denk toch dat we moeten

oppassen met de stelling van “wie

eerst komt, eerst maalt”. We hebben

datzelfde debat ook meegemaakt

bij de financiering van de cultuursector.

Los van het financiële plaatje, wanneer

wij spreken over het sportbeleid

en onmiddellijk de sportdiensten

daaraan koppelen wil ik toch

ook een lans breken voor zij die hier

waarschijnlijk niet aanwezig zijn,

nml. de 125 gemeenten waar er

nog geen erkende sportdienst is. En

als we een verhaal maken waarbij

we opdrachten geven aan de sportdiensten

dan moeten we zorgen dat

we ook een strategie ontwikkelen

waarbij we die andere gemeenten

eveneens naar erkenning leiden.

Het gaat niet alleen over geld, het

gaat ook over de inhoud.

LDP: Het zijn er 138 waar nog geen

erkende sportdienst is. Johan het

laatste woord voor dit topic is voor

jou.

JSa: Ik wil reageren op de opmerking

dat een tekort aan middelen

de uitvoering van het decreet

onmogelijk heeft gemaakt. Ik lees in

de krant dat minister Johan

Vandelanotte € 1,8 miljoen over

heeft om 250 000 jongeren aan een

sportuitrusting te helpen.

Die middelen, lottogelden – die


Vlaams zouden moeten besteed

worden – had men moeten aanwenden

om de helft van de

gemeenten die nog altijd geen

erkende sportdienst hebben stapsgewijs

er één te bezorgen. Bart

Caron heeft gelijk: het was voor de

huidige meerderheid geen prioriteit.

PG: Ik zou toch heel even willen

reageren….

LDP: Heel even dan want we

moeten wel de elf stellingen kunnen

overlopen.

PG: We moeten door ik weet het

maar dit is toch wel een belangrijk

onderwerp. Eén: ik dacht dat het

€ 3,8 miljoen was en we zijn daar

als VLD ook absoluut niet tevreden

mee, met dat geld bijvoorbeeld

konden wij alle sportclubs in

Vlaanderen een gediplomeerde trainer

aanbieden. Het is geen al te

beste investering van die middelen.

Twee: binnen het bestaande decreet

- en daar - mee wil ik niet zeggen

dat er geen behoefte is aan een

nieuwe wettekst – was en is het

toch mogelijk om een erkende

sportdienst op te starten. Er zijn

genoeg voorbeelden van.

LDP: Zijn de financiële consequenties

voor de betrokken gemeenten

niet wat zwaar?

PG: Ook als gemeentebestuur moet

je keuzes maken. In mijn eigen

gemeente hebben we twee jaar

geleden een sportdienst opgestart

en de ervaring indachtig vind ik dat

een gemeentebestuur zich niet

moet verstoppen achter het argument

als zou met het decreet de

oprichting van een erkende sportdienst

moeilijk realiseerbaar zijn. Er

zijn middelen en er zijn mogelijkheden

genoeg. Het gaat om de keuze

van het gemeentebestuur.

LDP: En voor wie wil, is er een weg

dat bedoel je?….

JSa: Men moet de procedures vereenvoudigen

en meer middelen ter

beschikking stellen. En dan gaan

automatisch tientallen gemeentes

instappen.

PG: Daar ben ik mee akkoord….

JSa: De administratieve rompslomp

is verschrikkelijk….

PG: Maar de veronderstelling dat

een aantal gemeenten daardoor

geen sportdienst opstarten is niet

correct.

LDP: Ik heb daarstraks met een

schepen van sport gesproken die

bijna met de ijzers het college heeft

moeten overtuigen dat de functie

van sportfunctionaris door een

licentiaat LO dient te worden

bekleed. Het is toch wel de mentaliteit

die we moeten omkeren.

3. PLAATS EN FUNCTIE

VAN DE SPORTDIENST EN

DE SPORTFUNCTIONARIS

BINNEN DE GEMEENTE.

LDP: André, begrijp je de ongerustheid

van de sportfunctionaris in

dienst van de lokale sportdienst?

AVN: Ik bedrijp de ongerustheid.

We hebben alle aandacht gehad

voor alle andere segmenten binnen

het sportgebeuren: de federaties, de

clubs en de scholen. Voor het

gemeentelijk sportbeleid en sportgebeuren

hebben we te weinig

incentives gegeven. De ondersteuning

naar de sportdiensten moet

verder gezet worden en er moet

vanuit de overheid worden gesteld

dat iedere gemeente moet werken

met een sportbeleidsplan, een centraal

idee in het memorandum

sport dat deze organisatie samen

met het VVSG heeft opgesteld.

LDP: Zeer goed. Heren staat u even

toe dat we de vierde stelling hieraan

linken.

4. EEN SPORTBELEIDS-

NOTA? DE GEMEENTE EN

HAAR SPORTDIENST ALS

CENTRALE ACTOR?

LDP: Kan men de ongerustheid van

[ CONGRES IN WOORD ]

de sportfunctionaris weg nemen

door de gemeente een sportbeleidsplan

op te leggen? Kris?

KVD: Ik ben altijd wat huiverachtig

als het over verplichtingen gaat.

Wat ik wel heb vastgesteld in mijn

mandaat binnen de gemeente is dat

de verplichtingen binnen het jeugdwerk

wel voor de nodige dynamiek

gezorgd hebben. In die optiek is een

verplichting altijd wel een goede

stok achter de deur.

Men mag evenwel van dat plan -

dat tijd en moeite gaat kosten -

geen administratief document

maken.

LDP: Kan iedereen akkoord gaan

met wat Kris zegt? Maak een plan

en voer het ook uit, laat het geen

dode letter blijven?

AVN: Ik denk dat het voor de lokale

beleidsmakers de opdracht is om

dat op de agenda te plaatsen. Het is

anders altijd vechten. Ik merk dat

ook in Brugge. Als er moet bespaard

worden, is het altijd de sport die

een beetje moet wachten. Als er

zoiets is als een sportbeleidsplan

zijn de gemeenteraadsleden verplicht

om hierover na te denken.

PG: Heel kort wou ik daaraan toevoegen

dat het mij een goede zaak

lijkt als de ondersteuning door de

overheid is gebaseerd op een sportbeleidsplan.

Ervaring leert wel dat

we moeten opletten met een

zoveelste beleidsplan. Essentieel is

dat het plan werkbaar en meetbaar

moet zijn. Bijgestuurd in de helft

van de legislatuur, besproken en tot

stand gekomen in de gemeente –

en de sportraad.

BC: Ik zou toch nog dit willen aanvullen.

Het lijkt me belangrijk om

de rol van de gemeenten in dat

sportbeleidsplan te precisiëren. Het

plan is een intrument om een doelstelling

te realiseren….

LDP: Bart, je moet altijd een instrument

hebben om muziek te kunnen

spelen…

Vlaams Tijdschrift voor Sportbeheer 2004 • nr. 181

31


32

[ CONGRES IN WOORD ]

BC: Inderdaad maar zonder muziek

ben je ook niets met een instrument.

De regisserende en coördinerende

rol van de gemeenten hierin

moeten we waarderen. Ook moeten

we de grenzen tussen gemeenten

en clubs, tussen recreatieve en

competitieve sporters, scherp trekken.

Het plan moet worden gedragen

door de beleidsmaker in de

gemeenteraad en het college….

LDP: En waarvan de lokale sportdienst

een van de ondersteunende

en uitvoerende peilers is….

BC: Uiteraard….

LDP: Johan en Jos, zou het bij de

sportfunctionarissen niet meer

geruststelling brengen als ze over

een erkend en door de gemeenteraad

gestemd sportbeleidsplan kunnen

beschikken?

JSa: Ik wil toch vanuit mijn jarenlange

politieke ervaring even waarschuwen.

In de volgende legislatuur

gaat men waarschijnlijk een nieuw

decreet op de sportdiensten schrijven

waarbij de verplichting van een

sportbeleidsplan een conditio sine

qua non gaat zijn. En dit tegen bv.

2006 of 2008 en zo zijn we weeral

een paar jaar verder.

Ik wil u confronteren met enkele

cijfers die onder meer komen uit de

Staten-Generaal. Het aantal leden

van sportclubs is op vijf jaar tijd

gedaald met 11 %, het aantal clubs

met 1066, 50 % van de clubs zijn

intens op zoek naar vrijwilligers om

hun werk te komen verlichten. Ik

denk dat de volgende regering moet

beseffen dat ze het lokale sportbeleid

positief moet stimuleren, dat er

duidelijke lijnen moeten uitgezet

worden. Ook dient ze aandacht te

hebben voor het statuut van de

vrijwilliger en moet ze de remmende

factor van de vzw-wetgeving

minderen. Wij moeten dringend aan

de gemeenten positieve impulsen

geven. De meeste gemeenten

weten trouwens vrij goed wat er in

zo’n sportbeleidsplan dient te worden

neergelegd.

Daarnaast zal het BLOSO de clubs

Vlaams Tijdschrift voor Sportbeheer 2004 • nr. 181

en gemeenten anders tegemoet

moeten treden. Gedaan met de

bureaucratische regelneverij. De

gemeentelijke autonomie dient te

worden gerespecteerd. Voldoende

middelen voorzien, incentives geven

en de opvolging van het sportbeleidsplan

evalueren. Een globaal

vijfjarenplan voor de sport in

Vlaanderen opstellen waarop de

gemeenten met hun eigen beleidsplan

kunnen inspelen.

LDP: Ja, Jos?

JS: Ik vind het idee voor een sportbeleidsplan

goed, maar dit impliceert

een groter engagement voor

meer middelen anders gaan we de

onvrede alleen maar vergroten. Als

je de historiek van de beleidsplannen

in de jeugd – en cultuursector

evalueert kan je alleen maar vaststellen

dat hun succes steevast

gepaard ging met grotere financiële

inspanningen vanwege de overheid.

Anders gaan we weer een document

maken dat opnieuw eisen

oplegt aan de gemeenten maar

waar er geen of te kleine financiële

compensatie is voorzien.

LDP: Heren ik zou gezien de tijdsnood

willen overgaan naar het volgende

onderwerp….

AVN: Ik zou nog even willen reageren

op het voorgaande….

LDP: Zeer kort André..

AVN: Zo’n sportbeleidsplan kan

zeer nuttig zijn om de inplanting

van nieuwe sportinfrastructuur te

plannen.

LDP: Een sportbeleidsplan is dus een

nuttig wapen voor de sportfunctionaris

en de gemeentelijke sportdienst

om de effectiviteit van gedane

beloften te consolideren en de

continuïteit van het sportbeleid te

verzekeren.

AVN: Absoluut.

LDP: Een bedenking bij de cijfers die

uit de Staten-Generaal naar voor

zijn gekomen en die Johan daarnet

nog heeft aangehaald. Het aantal

vrijwilligers daalt en vergrijst. De

verdwijning van meer en meer clubs

kan niet worden tegen gehouden

door alleen meer centen te geven.

Nieuwe en jongere vrijwilligers zijn

broodnodig. Hierbij zou ik aan de

heren politici willen vragen om toch

eens aan de minister van financiën

te zeggen dat er dringend behoefte

is aan een gunstiger fiscaal statuut

voor de vrijwilliger.

1

5. NIEUW DECREET

LOKAAL SPORTBELEID –

GEMEENTELIJKE SPORT-

DIENSTEN? VERHOGING

VAN DE BUDGETTEN?

STARTSUBSIDIES

KLEINE(RE) GEMEENTEN?

LDP: Volgend onderwerp zou ik via

jou willen belichten Peter. Ten eerste:

een verhoging van de budgetten

is ok. Maar ISB maakt zich zorgen

over de hardnekkige discrepantie

tussen de betoelaging voor de topsport

en de breedtesport. Ten tweede:

zijn jullie bereid om voor die 138

gemeenten zonder sportdienst een

extra inspanning te doen?

PG: Ja, zoals reeds gezegd is dit de

leidraad door het hele debat

natuurlijk. Een verhoging van de

middelen is inderdaad verworven.

Een verhoging van de budgetten

moet er absoluut komen. Als we dat

niet doen dan kunnen we dat nieuwe

decreet niet betalen. Het nieuwe

decreet moet uiteraard ook de

gemeenten die opstarten faciliteren,

maar daar mag het niet alleen

over gaan.

JS: Een discussie over cijfers is geen

discussie als er geen cijfers worden

genoemd. DE SERV heeft berekend

dat de volgende legislatuur

€ 4 130 000 000 aan beleidsmiddelen

duurder zal zijn. Iedere partij

zou moeten zeggen hoeveel ze

daarvan aan sport wil besteden.

AVN: Daarmee moet je beginnen.

Ik engageer mij erin om binnen de

partij consensus te behalen over


2% verhoging.

LDP: 2 %? Dat is het dubbele van

nu….

AVN: Ik leg de lat nogal hoog…..

maar als je de discussie daar niet

mee begint. En ik roep alle partijen

op om voor die sport te gaan. Dat je

niet alles gaat binnenhalen

akkoord. Maar nu zitten we aan 0,4

%. Cultuur zit aan 2,2%. Nu, we

mogen van de minister niet vergelijken.

Maar ik doe het toch en

sorry, de impact van sport is 200 %

groter dan cultuur…..

(Applaus uit de zaal)

BC: Als we een goede samenleving

willen creëren, gaan we in die kwaliteit

moeten investeren. Dat is

vooral in die zachte, tere sectoren

die sport en onderwijs zijn…. uw

collega en partijgenoot in het

Vlaamse parlement Danny

Vandenbossche zei me dat de SP.A

5 % wil budgetteren voor cultuur

en sport. In onze congresmotie

staat de optrekking van de subsidies

voor sport centraal. Als we dat allemaal

samen doen, moeten de

middelen voor sport sowiezo stijgen.

KVD: Ik wil daar nog één bemerking

aan toevoegen en dat is waarschijnlijk

het verschil tussen de NV-

A en de andere partijen hier aan

tafel, dat jullie nog altijd praten

over meer middelen binnen de

limieten zoals ze hic et nunc

bestaan, terwijl wij een nog meer

opwaartse vlucht voor de Vlaamse

middelen voorstaan.

JS: Laat ons de cijfers die genoemd

zijn hanteren om begrotingsgewijs

een toename in de uitgaven voor

sport te realiseren. Cijfers noemen

die daar ver boven liggen, klinkt

mooi op een sportcongres maar zijn

totaal niet realiseerbaar.

LDP: Johan?

JSa: Ik denk als we samen afspreken

dat we naar een verdubbeling

gaan voor sport op een redelijk termijn

dat, dat schitterend zou zijn

en daar zijn er middelen voor. We

moeten bv. de lottogelden goed

besteden, de gelden die via andere

bronnen kunnen worden aangeboord

optimaal gebruiken.

Ik wou nog aan minister Marino

Keulen vragen wat de bedoeling

kan zijn om zwaar in een sporthal

te Tongeren en Oostende te

investeren. Zijn we misschien terug

begonnen aan een nieuwe ronde

vriendjespolitiek? De CD-V pleit

voor de uitbreiding van de

bevoegdheid gezondheidszorg,

want sport is ook daar prominent

aanwezig. En ik herhaal het nog eens

dat we bij de onderhandelingen die

er straks gaan aankomen de sport

in Vlaanderen zeker niet in de kou

mogen laten staan.

6. ONDERSTEUNINGS-

STRUCTUUR LOKAAL

SPORTBELEID?

LDP: Jullie kennen het ISB, Bart en

Johan zijn hier bv. al spreker

geweest. Zien jullie in dit conglomeraat

van sportfunctionarissen de

mogelijkheid om ISB korter bij het

sportbeleid te betrekken?

KVD: Ik denk dat het ISB er steeds

in lukt om mensen te mobiliseren

vanuit die lokale betrokkenheid.

Waardoor ze aantoont dat ze een

belangrijke factor is. Wanneer de

stelling geponeerd wordt of zij daar

ook voor gesubsidieerd moeten

worden en dergelijke, heb ik daar

niet meteen een antwoord op. Maar

als je spreekt over organisaties die

representatief zijn voor een bepaalde

sector vind ik het ISB inderdaad

een belangrijke partner om mee in

dialoog te gaan.

LDP: Mogen we dat als conclusie

voor alle partijen hier aan tafel zeggen?

Peter?

PG: Ik wil daar gewoon nog even

aan toevoegen wat de minister

daarstraks gezegd heeft. Hij verwees

naar de Staten-Generaal en

naar wat er hier twee dagen

[ CONGRES IN WOORD ]

besproken gaat worden, en dat er

met de resultaten, de conclusies

daarvan zeker rekening wordt

gehouden.

LDP: Goed. Ik zou willen vragen om

even het licht aan te steken. Zijn er

vragen, suggesties, verwijten…uit de

zaal?

Armand Schreurs: Dames en heren

dit was een prachtig eerste deel van

het debat met zeven partijen. Met

de LDP het meest aan het

woord…de LDP wie is dat? LDP is

Louis De Pelsmaeker. De cijfers die

we hebben gehoord waren bijzonder

interessant. Spirit zei bij monde

van Bart Caron dat ze onder

Anciaux gedurende de tijd van een

zwangerschap ook sport hebben

gehad, maar het niet konden afmaken.

Wel dan moet ge spreken van

een misval…. De beker voor het eerste

deel van het debat geven wij

aan André Van Nieuwkerke die als

enige gezegd heeft: “ik sluit me aan

bij de wijze woorden van de poppen”.

Dat was zeer verstandig van u

om zoiets te zeggen.

Wij hoorden dan de heer Sauwens

met alarmerende cijfers over verdwenen

zwembaden en clubs.

Nooit van een fusie gehoord mijnheer

Sauwens? Hoe noemen ze dat

weer in de politiek? Juist, een kartel.

Over een kartel gesproken,

hopelijk gaan in het tweede deel

van het debat de juiste naast

mekaar zitten zodat we er wat

beter aan uit kunnen. En u mijnheer

Stassen, gaat zo ver mogelijk van

de socialisten zitten.

Dames en heren, we hebben nog

een aantal interessante bemerkingen

genoteerd. Er werden hier cijfers

genoemd waar we toch effen

moeten bij stilstaan. André Van

Nieuwkerke gaat voor twee procent

van de middelen. Hij legt de lat

hoog. Hij is misschien vroeger

hoogspringer geweest maar we

hebben het onthouden. Tegen mijnheer

Gijsbrechts kunnen we nog

zeggen dat hij Vivant had moeten

meebrengen. Die hebben weliswaar

geen zetel, maar ze betalen wel

twee voetbalploegen.

Vlaams Tijdschrift voor Sportbeheer 2004 • nr. 181

33


34

[ CONGRES IN WOORD ]

Goed wij gaan naar beneden, tot

straks!

LDP: Dank u wel Armand. Ik heb

precies drie minuten om iemand uit

de zaal aan het woord te laten.

Nadine Beirinckx

(Sportfunctionaris Sint-Truiden):

We vinden het natuurlijk fijn om te

horen dat er meer middelen voor de

sport ter beschikking gaan gesteld

worden, maar sport wordt in dit

debat mijn inziens iets te algemeen

gedefinieerd. Stel dat wij als sportdienst

die middelen krijgen, mogen

wij dan autonoom beslissen waar

ze naar toe moeten gaan? Betekent:

naar infrastructuur, sportpromotie

eventueel personeel. En ik noem dit

laatste bewust. Als we zien hoeveel

rompslomp er komt kijken bij een

actie als contract jeugdsport dan

kan u zich wel voorstellen dat bij

het administratief beheren en verwerken

van bijvoorbeeld uit te

keren subsidies, er één personeelslid

extra zal moeten komen.

LDP: Dus de basis van je vraag is: als

je meer geld krijgt of je dat zelf kan

besteden? Ja, Bart?

BC: Ik denk dat we naar een andere

relatie tussen Vlaanderen en de

gemeenten moeten evolueren. Dat

heeft Johan trouwens ook al

gezegd. Dat we van een controlerende,

inspecterende opdracht naar

een partnership moeten gaan. Dat

binnen de gemeentelijk diensten

beleidskeuzes kunnen gemaakt

worden. Maar er moet wel in een

convenant of decreet worden afgesproken

wat en hoe? Maar verder

zou het niet moeten gaan. Voor het

opvolgen en evalueren is er de

gemeenteraad.

(Applaus uit de zaal)

7. ENVELOPPENFINANCIE-

RING? RESPONSABILISERING

VAN DE GEMEENTEN EN

ADMINISTRATIEVE VEREEN-

VOUDIGING?

LDP: Als dat sportbeleidsplan als

Vlaams Tijdschrift voor Sportbeheer 2004 • nr. 181

bestuurlijk document er komt, moet

de financiering ervan dan enveloppegewijs

of projectmatig gebeuren?

André?

AVN: Ik denk dat de ondersteuning

van de sportdienst en de lokale

sportwerking vanuit de Vlaamse

Gemeenschap dient te gebeuren.

Men mag de “plannenlast” niet te

groot maken. Maar er zijn wel een

aantal essentiële zaken. Waar moeten

de federaties zich bijvoorbeeld

mee bezig houden? Mijn inziens de

kwaliteit van de clubwerking

opkrikken. Wat is dan de taak van

de gemeente ten aanzien van de

club? Is dat subsidiëring? Zijn dat

de omgevingsfactoren verbeteren?

Zoals bv. infrastructuur.

Als we tussen de verschillende

actoren een aantal goed omlijnde

afspraken hebben, moet men er

geen bureaucratie van maken. Een

vijfjarenplan opstellen. Missies en

doelstellingen duidelijk omschrijven.

LDP: Dit is toch wel een belangrijk

iets. Ik stel voor dat we even de rij

afgaan. Peter?

PG: De beiden moeten kunnen. In

het nieuwe decreet moeten de

basisopdrachten worden vastgelegd

via enveloppenfinanciering. De

facultatieve initiatieven moeten

worden betaald via projectfinanciering.

En daarbij moeten de gemeenten

natuurlijk wel de nodige vrijheid

krijgen. Het is net in de ontwerpen

die ter tafel liggen dat dit

nog niet voldoende is uitgewerkt.

Het moet ook allemaal eenvoudiger

worden, de noodkreet die uit vele

gemeenten komt is terecht. De

autonomie van de gemeentelijke

sportdiensten moet in het nieuwe

decreet zeker worden ingeschreven.

LDP: Kan je je daar in terug vinden

Kris?

KVD: Ja, omdat ik denk dat je de

zaak ten aanzien van de federaties

fundamenteel anders moet bekijken.

Een federatie heeft twee grote

groepen van leden nl. de competi-

tieve (top)sporters en de recreanten.

Een gemeente en haar sportdienst

moeten autonoom kunnen

werken. In iedere gemeente zijn er

ook andere uitdagingen. Je kan

vaak twee gemeenten niet met

elkaar vergelijken. Als ik even iets

uit persoonlijk titel mag zeggen, ik

heb zes jaar als schepen de portefeuille

van sport onder mijn

bevoegdheid gehad – omdat niemand

hem wou hebben…

1

LDP: Toentertijd….

KVD: Toentertijd…en dat is al een

tijd geleden. Subsidies voor clubs

daar geloof ik niet in.

LDP: Dan had je geen topsporters in

je gemeente waarschijnlijk….

KVD: Ik kom uit Dessel. Tweede

nationale voetbal…Joël Smets,

Patrick Goots…noem maar op. Nee,

we hebben een heel sportieve

gemeente. En d’r is nooit één frank

subsidie naar clubs gegaan. Maar je

moet dan wel zorgen dat de

accommodatie er is, dat ze een deel

van de exploitatiekosten kan genereren.

LDP: Vanuit de gemeente bedoel je

dan? …

AVN: De optimalisering van de

omgevingsfactoren is inderdaad

minstens even belangrijk…

KVD: Daarom Louis, is het van het

grootste belang dat het centralistisch

Vlaanderen niet mag gaan

zeggen hoe je dat op lokaal niveau

regelt. Deze autonomie moet altijd

gevrijwaard blijven. De Vlaamse

overheid zou gewoon naast elke

euro die je als gemeente in sport

investeert er één moeten bijleggen.

LDP: Ik ga Bart nog even laten reageren

en dan gaan we over naar

onderwerp acht.

BC: Om de zes jaar moet er een

beleidsplan opgesteld worden dat

tot stand komt uit een samenspel

tussen de schepen van sport, de


sportraad en zijn clubs en andere

actoren zoals scholen. Het is niet

aan Vlaanderen of Brussel om die

op te leggen. We moeten afstand

nemen, respecteren en het debat

stimuleren. En de keuze die je als

gemeente maakt tussen de omgevingsfactoren

optimaliseren of bv.

subsidies geven, moet volledig de

jouwe kunnen zijn. Wij moeten de

voorwaarden scheppen en bv. in het

geval van topsport aanvullende

infrastructuur voorzien. Maar voor

de rest zes jaar verantwoordelijkheid

geven en de kans aan het

lokale beleid bieden om zich volledig

te ontwikkelen.

LDP: Financiering via enveloppes of

projectmatig?

BC: Voor zes jaar krijg je een

behoorlijk werkingsbudget. Daarvan

kan je eventueel een extra personeelslid

aannemen.

8. FINANCIËLE ONDER-

STEUNING VAN DE

SPORTCLUBS DOOR DE

VLAAMSE OVERHEID:

VIA GEMEENTE OF FEDE-

RATIE?

JSa: Wat het vorige punt nog

betreft, we moeten zorgen dat er

meer middelen zijn en de aanwending

daarvan dient gecontroleerd.

De gemeente heeft bij dit alles een

regisseursrol. Alleen begrijp ik niet

Peter waarom je het decreet niet zo

goed keuren, de administratieve

vereenvoudiging die je voorstelt is

daar al in opgenomen.

PG: Het decreet zoals het nu voorligt,

moet nog verfijnd worden. Het

gaat ook veel geld kosten, dat voornamelijk

zal stromen naar de nieuw

instappende gemeenten. Wij zijn

positief over dit decreet en onze

fractie net als de andere en het ISB,

schrijven daar ook hard aan.

LDP: Johan, nog even herhalen: de

financiering gebeurt die best via de

gemeente of via de federatie?

JSa: Beide. Momenteel is de door-

stroming van de federaties naar de

clubs onvoldoende. De gemeente

moet haar autonomie bewaren en

de keuzes zoals ze daarstraks al

werden opgesomd zelf maken.

LDP: Kan jij je daarin vinden Jos?

JS: De Vlaamse Regering moet zich

niet bezighouden met het subsidiëren

van clubs. Dat is een onmogelijke

opdracht die enorm veel rompslomp

met zich meebrengt. Als er in

de volgend legislatuur voor het

lokaal sportbeleid meer middelen

vrijkomen moeten de gemeenten

zelf beslissen wat ze gaan doen.

Dat sportbeleidsplan moet uitmonden

in een soort convenant, een

contract. Maar wat daar in staat, is

zaak van de gemeenten zelf.

LDP: Goed, Jos maar voor we nog

even naar Bart gaan, een antwoord

op de vraag: gaan de subsidies via

de gemeente of via de federatie?

JS: Ik denk niet dat we nu aan de

opdrachten van de federaties moeten

tornen. Anderzijds berust de

beslissing tot subsidiëring van een

sportclub zoals hier reeds werd

gezegd, bij de gemeente zelf.

BC: Het is de verantwoordelijkheid

van de gemeente. Als we het over

kerntaken hebben moeten de lokale

clubs lokaal worden ondersteund.

JS: Maar dat is toch die lokale

autonomie? Ik zou wel eens een

gemeenteraad willen zien die

begrotingsgewijs ineens alle financiële

steun aan de clubs afschaft.

LDP: Ik zou dit punt willen afsluiten

met wat een burgemeester me

daarstraks zei. Wilt ge tegen de zaal

zeggen dat ge als burgemeester grijze

haren krijgt wanneer één van de

topclubs in de gemeente naar eerste

nationale gaat.

BC: We denken op de eerste plaats

toch over breedtesport.

PG: Toch nog heel even kort. De

financiering verloopt altijd via de

[ CONGRES IN WOORD ]

beiden. We hebben decreten voor

de twee actoren. Elk gaat vanuit

zijn eigen taken en eigenheden die

clubs ondersteunen. Vandaar dat je

op die vraag niet met A of B kan

antwoorden.

LDP: Peter, ik ga even bij jou blijven

voor de volgende stelling. Om de

reden dat uw partijgenoot minister

Marino Keulen zich achter de conclusies

van de Staten-Generaal

heeft geschaard.

9. DE ROL VAN DE

GEMEENTELIJKE SPORT-

PROMOTIE?

LDP: Ik lees even een alinea voor uit

de conclusies van die Staten-

Generaal: “De gemeente voert haar

sportpromotionele opdracht uit in

nauw overleg met de sportraad en in

synergie met de sportclubs. Op de

eerste plaats dient de gemeentelijke

sportdienst zich te richten op de

jongere doelgroepen teneinde deze

te bekoren om aan sport te doen.

Hierbij dient de gemeentelijke sportdienst

het bestaande sportaanbod

aan te vullen. Pas in laatste instantie

zal de gemeentelijke sportdienst

zelf initiatieven en evenementen

organiseren om niet actieve bewoners

tot lifetime sportbeoefening

aan te sporen.”

PG: Ik probeer het even op een rijtje

te zetten. Ik denk inderdaad dat

de gemeentelijke sportpromotie een

basisopdracht van de gemeente is

en moet blijven. De gemeente moet

de sportbeoefening promoten. De

clubs zijn daarbij het belangrijkste

aanspreekpunt aangezien de informatie

van hen komt. Een gemeente

moet een kader scheppen met de

middelen die ze krijgt en met de

eigen middelen waarbinnen sport

kan plaatsvinden. De gemeente

moet niet de ambitie hebben om

alles zelf te gaan organiseren.

Daarvoor zij er de clubs. Binnen het

al genoemde kader is de sportfunctionaris

de regisseur en niet de

organisator.

LDP: André?

Vlaams Tijdschrift voor Sportbeheer 2004 • nr. 181

35


36

[ CONGRES IN WOORD ]

AVN: In kan me daar volledig in

vinden. Maar ik denk toch ook dat

de gemeente af en toe zelf eens een

initiatief neemt. Een sportdag bijvoorbeeld,

waar zo veel mogelijk

inwoners bij betrokken worden.

PG: Onze gemeente organiseert ook

wel een aantal beperkte activiteiten.

Ik bedoel het daarjuist gezegde

natuurlijk structureel. Het is niet

aan een gemeente om bv. een zaalvoetbalcompetitie

te organiseren.

LDP: Kris?

KVD: Ik kom terug op wat ik daarstraks

gezegd heb. Je kan daar

moeilijk eenduidig een uitspraak

over doen aangezien de gemeenten

onderling sterk kunnen verschillen.

Een voorbeeldje uit mijn gemeente.

Vier jaar geleden kreeg ik de vraag

van een groep mensen die met een

BMX-competitie wilden beginnen.

Wij hebben hen de kans gegeven en

een terrein ter beschikking gesteld.

Zij hebben zelf een BMX-parcours

aangelegd. Vandaag hebben zij een

club met 120 leden en kampioenen

in verschillende leeftijdscategorieën.

Om maar te zeggen dat het ons

als gemeente niks heeft gekost.

PG: Dat is zoals al gezegd het kader

scheppen…

KVD: …zeker maar het is niet zo

evident hoor, in het genoemde

geval was bv. de oppositie tegen

het ter beschikking stellen van dat

terrein.

BC: Het is overduidelijk dat de

sportdienst een belangrijke rol heeft

in het promoten en ondersteunen

van sportactiviteiten binnen de

gemeente, los van de organisator. In

bepaalde gevallen mag ze zelf initiator

zijn om onbekendere sporten

onder de aandacht te brengen. Of

bij het stimuleren en begeleiden

van de recreanten en de specifieke

doelgroepen.

JS: De gemeente moet niet in concurrentie

gaan met zijn eigen clubs

dat lijkt me nogal logisch.

Vlaams Tijdschrift voor Sportbeheer 2004 • nr. 181

LDP: Maar we zijn het er toch over

eens dat een sportfunctionaris meer

is dan een ambtenaar die zich alleen

bezighoudt met het invullen van de

gebruiksroosters van het zwembad

of de sporthal?

Panel: Absoluut

10. NIEUWE SPORTINFRA-

STRUCTUUR EN RENOVA-

TIE VAN BESTAANDE

INFRASTRUCTUUR?

SPORTINFRASTRUCTUUR-

FONDS? DECRETALE

VERPLICHTING TOT HET

OPENSTELLEN VAN

SCHOOLINFRASTRUCTUUR?

LDP: Johan, jouw mening graag.

JSa: Volgens mij moeten we de

principes van het kerntakendebat

respecteren. Dat betekent dat de

gemeentelijk sportinfrastructuur

een autonomie is voor de gemeente

zelf. In het kader van de enveloppenfinanciering

moet het kunnen

dat bepaalde infrastructurele witvlekken

ingevuld worden met

Vlaamse middelen. Het up-to-date

houden van sportinfrastructuur is

zeer belangrijk en als men als overheid

dan wettelijk streng is, zet men

de meeste gemeenten voor ontzaglijke

investeringen. En dat men daar

dan rekening mee houdt bij het

berekenen van de criteria van het

gemeentefonds of sectorieel een

unieke berekening maakt. Eén van

mijn grote ontgoochelingen in deze

legislatuur is dat men er niet in

geslaagd is om de problematiek van

het naschools sporten aan te pakken.

Als men beseft dat de overheid

60 tot 70% van de schoolsportinfrastructuur

subsidieert, is het evident

dat die naschools voor de

gemeenschap wordt opengesteld.

Daarnaast rukt de bewegingsarmoede

steeds verder op en toch

slaagt deze legislatuur er niet in om

het aantal uren LO op te trekken.

(Applaus uit de zaal)

LDP: Dat applaus was vorig jaar wel

wat harder. Maar de problematiek is

dringend en krijgt blijkbaar politiek

geen prioriteit. Goed, ik ga ons nog

vijf minuten extra toebedelen want

we hebben de OS van 2016 nog op

het programma.

BC: Nog even aansluitend op wat

Johan zegt, volgende bedenking: we

moeten 1vrij radicaal keuzes gaan

maken in de volgende legislatuur. In

het programma van mijn partij

staat er zeer duidelijk in dat het

naschools sporten zo snel mogelijk

wordt gerealiseerd. Ik denk dat de

jeugd meer doen bewegen meer

moet zijn dan het aantal uren sport

optrekken. We moeten waarschijnlijk

naar een ander onderwijsconcept

waar het puur overdragen van

kennis niet strikt prioritair is. Meer

het Duitse model, waarbij in de

namiddag meer tijd wordt vrijgemaakt

voor onder andere sportactiviteiten.

KVD: Wat de schoolsportinfrastructuur

betreft: de meeste schooldirecties

argumenteren al jaren met

dezelfde middelen het toezicht en

de veiligheid in de avonduren. Maar

dat is volgens mij perfect oplosbaar.

Met het verplichten van de openstelling

van schoolinfrastructuur

heb ik trouwens ook geen enkele

probleem. Wat de verwaarlozing

van de lichamelijke opvoeding

betreft, de noodzaak aan beweging

moet ten allen tijde worden verdedigd.

LDP: Het is toch mooi dames en

heren, zo een mea culpa van de politiek….

KVD: Het is de politiek niet die in

de fout gaat het is het onderwijs

zelf.

AVN: Ik zetel ook in de commissie

onderwijs en het debat wordt vaak

hard gevoerd. Maar ik denk dat het

positief is dat we binnenkort in het

Vlaams Parlement ook een resolutie

zullen stemmen om werk te maken

van het beschikbaarstellen van

schoolsportinfrastructuur aan de

gemeenschap. Daarnaast is er een

stappenplan waarbij men de leer-


krachten LO gaat verplichten zich

twee uur met die schoolsport bezig

te houden.

PG: Dat er gepleit wordt voor meer

sport op school vindt bij alle aanwezigen

hier natuurlijk consensus.

Dat de driehoek tussen clubs, scholen

en sportdienst een winwin-situatie

oplevert voor alle betrokken

partijen, daar zijn we het ook over

eens. Het decretaal verplichten tot

openstelling van de schoolsportinfrastructuur

is natuurlijk zeer leuk

en tof om op dit congres te zeggen

maar niet zo eenvoudig. De verschillende

actoren zullen veel moeten

praten en samenwerken om een

realistische oplossing en regeling te

vinden.

JS: Ik stel alleen maar vast dat tijdens

het congres te Hasselt, vijf

jaar geleden, hetzelfde werd

gezegd, maar dat we er niet in

geslaagd zijn.

11. OLYMPISCHE SPELEN

2016 EN HET LOKAAL

SPORTBELEID?

LDP: Nog heel even kort dit onderwerp

aansnijden en ik zou van de

panelleden toch wat discipline willen

vragen. Liggen daar mogelijkheden

voor de lokale sportdiensten?

PG: Een regering die zich engageert

in de inrichting van Olympische

Spelen engageert zich ook in meer

middelen voor de sport.

AVN: Ik vraag me af of dat tijdstip

niet te vroeg komt. We moeten

eigenlijk nu al beginnen met infrastructuurplannen,

het begeleiden

van jongeren,….

KVD: Het inrichten van de OS betekent

niet alleen een meerwaarde

voor de sport. Ik wil wel voor een

mogelijk negatieve mentaliteitsverandering

ten aan zien van sport

waarschuwen als Vlaanderen er

niet in slaagt om de spelen naar

hier te halen.

BC: De vraag gaat over het effect

op het lokaal sportbeleid en daar

staan wij toch wel wat vreesachtig

tegenover. De inrichting van de

Spelen zal veel middelen wegtrekken.

En zal, vrezen wij, alleen voor

de topsport een meerwaarde scheppen.

JS: Ik vind het een leuk idee, maar

ook niet meer dan dat. Ik hecht veel

meer belang aan het feit dat we

gedurende twee of drie legislaturen

op rij een goed en coherent sportbeleid

kunnen voeren.

JSa: Wat de OS betreft de investering

wordt nu al op € 5 miljard

geraamd. Dat betekent een enorm

bedrag waar men nu al voor moet

gaan sparen. Er moet een koppeling

gebeuren met het lokaal sportbeleid

zoals in Australië.

LDP: Tijd om even te recapituleren.

Ik zou vijf hoofdpunten uit dit debat

willen onthouden. Eén: sommigen

spraken hier van een verdubbeling

van de middelen voor sport, hopelijk

komt het er eindelijk eens van. Twee:

de ministerportefeuille voor de sport

moet voor de panelleden absoluut

blijven. Drie: de sportfunctionaris

blijft een pijler in de sportpiramide.

Vier: hij moet kunnen doen waarvoor

hij is opgeleid, hij mag niet verworden

tot een papieren muis. Vijf:

de OS in 2016 kunnen een positief

effect hebben op het lokaal sportbeleid.

Geacht panel bedankt voor u

komst en smakelijk eten.

Debat gevoerd door de heren Jos

Stassen (Groen!), Kris Van Dijck

(NV-A), André Van Nieuwkerke

(SP.A), Johan Sauwens, (CD&V),

Bart Caron (Spirit) en Peter

Gijsbrechts (VLD). Moderator de

heer Louis De Pelsmaeker.

Trefwoord(en): ISB-congres, sportbeleid,

overheid, gemeente

[ CONGRES IN WOORD ]

Vlaams Tijdschrift voor Sportbeheer 2004 • nr. 181

37