Armoede beter begrijpen - Antwerpen.be

antwerpen.be

Armoede beter begrijpen - Antwerpen.be

Armoede beter begrijpen

door Lize Van Dijck, OASeS

Over-leven:

armoede in Antwerpen

2010826_Brochure.indd 1 8/09/2010 10:55:16


2010826_Brochure.indd 2 8/09/2010 10:55:16


Armoede beter begrijpen

door Lize Van Dijck, OASeS

2010826_Brochure.indd 3 8/09/2010 10:55:16


Wie ‘armoede’ hoort, denkt meteen aan geldgebrek. Maar dat is niet het enige

wat iemand arm maakt. Armoede speelt op verschillende terreinen. Wie arm

is, leeft vaker in een minder goede woning, heeft dikwijls geen hoger diploma,

heeft meer kans op gezondheidsproblemen, op minder sociale contacten

enzovoort.

Armoede is ook voor het geheel van de samenleving een negatief gegeven.

Onderzoek toont dat waar de kloof tussen arm en rijk groter wordt, ook de

middenklasse in het nauw komt. Bij ons is die kloof minder groot dan

bijvoorbeeld in de Verenigde Staten of het Verenigd Koninkrijk. Maar ze wordt

ook bij ons groter en groter.

De crisis speelt daar natuurlijk een rol in: veel mensen verliezen hun baan en de

laaggeschoolden zijn daar als eersten de dupe van. Meer huishoudens, ook van

tweeverdieners, moeten het nu zonder wedde of zonder inkomen stellen, zodat

de schuldproblematiek almaar uitdeint. Mensen moeten leningen aangaan om

hun koelkast of wasmachine te vervangen of kunnen hun hypotheekleningen

niet meer afbetalen.

Het is evident: armoede moet hoog op de politieke agenda staan. 2010 is het

Europese Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. Hopelijk

steken alle beleidsniveaus een tandje bij om het thema recht te doen.

2

2010826_Brochure.indd 4 8/09/2010 10:55:16


1. Het armoedefenomeen

Een definitie van armoede zou kunnen luiden als volgt: ‘Armoede is een

complex kluwen dat mensen van de algemeen aanvaarde leefpatronen uitsluit;

deze kloof kunnen die mensen niet op eigen kracht overbruggen.’

Je kunt deze definitie vanuit vier dimensies bekijken.

De eerste is de tijdsdimensie: armen brengen niet noodzakelijk hun hele leven

in armoede door; je kunt in en uit de armoede stromen. De tweede dimensie is

de hoogte, waarmee de omvang van de armoede bedoeld is: hoeveel mensen

leven in armoede en in sociale uitsluiting? De derde dimensie is de breedte, die

aangeeft op hoeveel verschillende terreinen de armoede tot gevolg heeft dat

er uitsluiting, deprivatie en ongelijkheid optreedt. Het kan daarbij gaan over

inkomen, arbeid, gezondheid, huisvesting, onderwijs, cultuur... Die verschillende

terreinen zijn met elkaar verweven. Zo heeft onderwijs een invloed op

tewerkstelling, en tewerkstelling op zijn beurt op inkomen, en inkomen dan

weer op gezondheid. De diepte is de vierde dimensie. Hoe diep is de armoedekloof?

Welk bedrag is er nodig om ze te vullen? Centraal staat hier dat mensen

in armoede deze kloof niet (enkel) op eigen kracht kunnen overbruggen, zoals

de definitie al aangeeft. Er is hulp nodig: van de samenleving, van de overheid,

van de welzijnssector, van het middenveld.

De definitie heeft het over ‘de algemeen aanvaarde leefpatronen’. Armoede is

dus een relatief concept. Dat wil zeggen dat je de situatie waarin armen

verkeren moet vergelijken met de levensstandaard die in de samenleving als

norm geldt. Je moet de situatie van armen in België vergelijken met de situatie

van de middenklasse hier, en niet met de situatie van armen in Afrika.

Zes benaderingen

Niet iedereen is het eens over deze definitie. Globaal kunnen we zes

benaderingen, zes percepties van armoede onderscheiden, aan de hand van

twee criteria: op welk niveau de oorzaak wordt gezocht en of die oorzaak al dan

niet ‘eigen schuld’ (intern of extern) is.

3

2010826_Brochure.indd 5 8/09/2010 10:55:16


In een schema gegoten:

Intern (‘Schuld’) Extern (‘Ongeval’)

Microniveau Individueel schuldmodel Individueel ongevalmodel

Mesoniveau Institutioneel schuldmodel

Institutioneel ongevalmodel

Macroniveau Maatschappelijk schuldmodel

Maatschappelijk ongevalmodel

De eerste benadering, het individuele schuldmodel, legt de oorzaak van

armoede bij de arme zelf. ‘Hij had maar een fatsoenlijke opleiding moeten

volgen, dan had hij nu wel werk gehad.’ Of: ‘Als zij niet al haar geld zou

besteden aan alcohol, dan zou ze niet moeten aankloppen bij het OCMW.’

Ook bij het individuele ongevalmodel wordt de oorzaak bij de arme gelegd,

maar volgens deze benadering kan de betreffende persoon er zelf niets aan

doen. Een uitspraak die in deze benadering past: ‘Na zijn scheiding is hij nooit

meer de oude geworden, hij is op de dool geraakt en nu leeft hij op straat.’ Of

nog: ‘Sinds ze haar werk verloren heeft, kan ze de huur niet meer betalen.’

De derde en vierde benadering leggen de oorzaak van armoede bij de

instituties, de instellingen. Het institutioneel schuldmodel zal bijvoorbeeld

zeggen dat het OCMW niet goed functioneert en dat mensen daarom in

armoede belanden. De werking van het OCMW als instituut wordt daarbij dus

bekritiseerd.

Het institutionele ongevalmodel zal aangeven dat het probleem van het OCMW

niet aan z’n werking te wijten is, maar eerder aan z’n imago bijvoorbeeld.

‘Omdat het OCMW het imago heeft van een instelling voor sukkelaars, is de

drempel om naar het OCMW te gaan voor veel mensen te hoog.’

Er zijn ook twee benaderingen mogelijk op macroniveau, op het niveau van

de samenleving. Enerzijds is er het maatschappelijk schuldmodel: ‘Armoede

bestaat omdat de samenleving in wezen (structureel) zo in elkaar zit.’ Anderzijds

is er het maatschappelijk ongevalmodel, dat de oorzaken van armoede bij

(conjuncturele) processen in de maatschappij legt. De crisis is in die benadering

een verklaring voor armoede.

4

2010826_Brochure.indd 6 8/09/2010 10:55:17


Inkomens en schulden

Het is evident: het inkomen is een belangrijke graadmeter van armoede en

ongelijkheid. De armoederisicogrens is dan ook gelieerd aan het inkomen: ze is

vastgelegd op 60 procent van het mediaan (of middelste) ‘equivalent inkomen’.

Dat equivalent inkomen is het volledige netto-inkomen, inclusief kinderbijslag,

alimentatie, sociale tegemoetkomingen enzovoort, gedeeld door een bepaald

coëfficiënt naargelang de gezinssamenstelling. In 2007 lag de armoederisicogrens

voor een alleenstaande in België op 878 euro inkomen per maand. Met

een lager inkomen is sprake van een verhoogd armoederisico. In 2007 had in

België ongeveer 15 procent van de bevolking een inkomen onder deze

armoedegrens.

Vooral de ouderen lopen een hoger risico in armoede te leven, net als de

alleenstaanden, met of zonder kinderen. Van de werkende bevolking leeft

4 procent onder de armoedegrens, van de werkloze bevolking meer dan

20 procent (België, 2006).

Meer en meer mensen hebben schulden en die schulden worden groter. Dat

ligt deels aan de druk van de consumptiemaatschappij. Iedereen lijdt onder

die druk, ook de armen. ‘Je bent wat je koopt’, is het motto, voor schoenen en

handtassen, auto’s, gsm’s en iPods. Alsof je zonder het bezit van bepaalde

consumptiegoederen en merken geen volwaardig lid van de samenleving zou

zijn.

Mensen in armoede hebben niet altijd de financiële middelen om deze dure

goederen aan te kopen. Kopen op krediet lijkt dan een oplossing, alvast op

korte termijn. Lokkende en bedrieglijke koopformules maken de verleiding nog

groter. Zo belanden arme mensen in een spiraal van schulden. Wanneer de

schuldeiser dan juridische stappen onderneemt, moet de schuldenaar bovenop

zijn schulden ook nog de gerechtskosten betalen. Als dan nog eens beslag

wordt gelegd op zijn bezittingen, is het einde helemaal zoek.

Voor veel mensen lijkt hun financiële situatie zo uitzichtloos dat ze brieven

die lijken op betalingsformulieren of deurwaardersexploten, ongeopend in de

prullenmand gooien waarop dan weer een sneeuwbaleffect van bijkomende

interesten en administratieve kosten volgt.

Het aantal dossiers bij de diensten schuldbemiddeling stijgt. Heel wat diensten

kunnen het werk niet meer aan. Er ontstaan lange wachtlijsten.

5

2010826_Brochure.indd 7 8/09/2010 10:55:17


2. Armoede en onderwijs

Het Vlaamse onderwijssysteem wordt geprezen om zijn goede kwaliteit. De

keerzijde van die medaille is dat de sociale ongelijkheid in het onderwijs bijna

nergens zo groot is als bij ons. De sterke leerlingen komen uit de ‘betere’

klassen en presteren bij de besten van Europa, de zwakke leerlingen komen uit

de ‘lagere’ klassen en zijn bij de zwakste broertjes in Europa. Toch blijft

onderwijs een van de belangrijkste hefbomen om uit armoede te geraken:

met een diploma kan je er gemakkelijker uit ontsnappen.

De ongelijkheid van kansen begint vanaf de wieg. Al in de eerste levensjaren

ligt de sociaal-emotionele ontwikkeling van kansarme kinderen lager. Die

kinderen zijn ook meer ziek en meer gevoelig voor ongevallen. Ze beschikken

thuis over minder ruimte en rust, wat dan weer tot stress leidt. Bij allochtone

kinderen komt daar nog een extra achterstand bij, onder andere in taal-

ontwikkeling. Kinderen komen dus niet gelijk aan de start van het kleuteronderwijs.

Ook de instap in het kleuteronderwijs is een factor van ongelijkheid. Kleuters

van laaggeschoolde moeders, van inactieve vaders, uit eenoudergezinnen en

anderstalige gezinnen stappen later in. Van de tweeënhalf- en driejarigen gaat

zo’n 16 procent nog niet naar de kleuterschool. Pas op de leeftijd van vier jaar

gaan bijna alle kleuters naar school (Vlaanderen, 2008-2009).

In het lager onderwijs zet die ongelijkheid zich verder. Liefst 11 procent van de

leerlingen uit het eerste leerjaar heeft al minstens één jaar achterstand opgelopen.

Voor de leerlingen uit het zesde leerjaar is dat al 13 procent. Meer dan

drie op tien allochtone leerlingen in het eerste leerjaar heeft een achterstand

opgelopen. In het zesde leerjaar stijgt dat cijfer tot vier op tien (Vlaanderen,

2008-2009).

Dat ‘watervalsysteem’ van almaar meer leerlingen met achterstand zet zich in

het secundair onderwijs voort. Van de leerlingen in het vijfde jaar heeft in het

ASO 17 procent een achterstand opgelopen, in het TSO 44 procent en in het

BSO 62 procent. En de allochtone leerlingen? Drie op vier van hen heeft in het

vijfde jaar minstens één jaar achterstand en vier op tien zelfs minstens twee

jaar (Vlaanderen, 2008-2009). Terloops nog dit: onderzoek toont dat de kans om

door te stromen naar het hoger onderwijs verdubbelt voor allochtonen die

minstens één autochtone vriend hadden in het lager middelbaar. Wellicht

6

2010826_Brochure.indd 8 8/09/2010 10:55:17


vormt die autochtone vriend een brug naar de ‘blanke wereld’ die de school

toch nog altijd is. Een groot aantal jongeren verlaat de schoolbanken

vroegtijdig, zonder diploma. Deze jongeren, voornamelijk jongens, zijn vaak

schoolmoe omdat ze een problematische schoolloopbaan achter de rug

hebben: ze zijn blijven zitten, zijn slachtoffer van het watervalsysteem.

Kinderen uit armere milieus die niet meekunnen, belanden veel sneller dan

andere kinderen in het buitengewoon of beroepsonderwijs, al horen ze er

dikwijls niet thuis. Ze zouden algemeen vormend onderwijs intellectueel wel

aankunnen maar ze herkennen zich gewoon niet in de leerstof.

Toen ik 12 was, wilde ik verpleegster worden. Wat zeiden ze op school

tegen mij? ‘Kindje, daar zijt gij te lomp voor.’ Ik ging naar mijn moeder:

‘Gij gaat naar de koksschool, voor verpleegster zijt ge te lomp.’ Ik ben er

nu 39 en ik wil het nog altijd: verpleegster worden.

En het hoger onderwijs? De deelname aan het hoger onderwijs van jongeren

uit ‘lagere’ sociale klassen is gestegen maar die van de kinderen uit ‘betere’

sociale klassen ook. Zodoende verkleinde de kloof amper. Die ongelijke deelname

is problematisch, aangezien de kans op het vinden van werk samenhangt

met het opleidingsniveau. Hoe hoger de scholingsgraad, hoe kleiner de kans op

werkloosheid.

De Franse socioloog Bourdieu ontwikkelt in dat verband zijn ‘reproductiethese’:

het onderwijs helpt de maatschappelijke ongelijkheid in stand houden. Het

onderwijs bevestigt namelijk de cultuur van de dominante klassen. Die

leggen hun cultuur en waarden op via het onderwijs. De hogere sociale klassen

worden zo uiteraard bevoordeeld omdat de cultuur waarin ze zijn opgegroeid

overeenstemt met de op school geboden cultuur. Bourdieu spreekt hier van

‘symbolisch geweld’.

Het leven van een arm kind thuis verschilt erg van wat op school ter sprake

komt. De voorbeelden bij de leerstof, de onderwerpen voor een opstel, het zijn

vaak dingen waar kinderen met een arme thuis zich minder goed in herkennen.

In schoolboeken is sprake van gezinnen waarin de vader werkt, beide ouders

een auto hebben en de kinderen elke week zakgeld krijgen.

7

2010826_Brochure.indd 9 8/09/2010 10:55:17


Mijn leerlingen van het eerste middelbaar hebben naar ‘Open en bloot’

gekeken, waar het ging over sm-seks. Ik vind het toch niet het juiste

signaal dat moeders toelaten dat hun kinderen daarnaar kijken.

De Engelse onderzoeker Bernstein bestudeerde dat ‘symbolisch geweld’ voor

wat de taal betreft. Kinderen uit de ‘lagere’ klassen beheersen vanuit hun

milieu vooral een praktische taal, terwijl de school eerder met abstracte

begrippen leert omgaan. Die kennen kinderen uit de ‘hogere’ klassen wel al

van thuis.

Er spelen ook allerlei concrete factoren mee bij het watervalsysteem, in de

eerste plaats in de thuissituatie: in het gezin of in de instelling. Bij problemen

thuis, kunnen leerlingen zich niet concentreren. Dan dwalen hun gedachten

in de les gemakkelijk af naar het thuisfront met z’n spanningen, z’n stress, z’n

hoogoplopende ruzies. Een kind dat met echtscheiding, drank- of drug-

verslaving en uithuiszetting te maken krijgt, zal de school minder belangrijk

gaan vinden en bijvoorbeeld beginnen spijbelen. Omgekeerd zorgt de school

ook wel voor afleiding bij al die problemen. Kinderen uit kansarme gezinnen

wonen minder comfortabel, met weinig eigen ruimte, bijvoorbeeld om

huiswerk te maken. Armere gezinnen verhuizen ook meer. Kinderen uit

kansarme gezinnen moeten ook meer helpen in het huishouden:

Er zijn er inderdaad die thuiskomen en moeten wassen en strijken en

luiers verversen, dat zal wel.

Aan het onderwijs hangt ook een prijskaartje vast, al is het onderwijs wettelijk

gratis. Een boekentas, sportschoenen, schooluitstappen, tombola’s enzovoort...

Ouders hebben het gevoel dat scholen niet begrijpen dat zij dat financieel niet

aankunnen.

Is het te verwonderen dat de relatie tussen arme ouders en leerkrachten niet

altijd soepel verloopt? Aan de ene kant voelen ouders zich niet begrepen door

de leerkrachten en anderzijds klagen de leerkrachten over een gebrek aan betrokkenheid

van de ouders.

Het stoort me nog niet zo erg dat ze niet naar elke ouderavond willen

komen en dat ze niet op alles reageren. Maar dat bij het eerste rapport in

een eerste jaar van het secundair onderwijs, tien à vijftien rapporten niet

worden afgehaald... dat vind ik schrijnend.

8

2010826_Brochure.indd 10 8/09/2010 10:55:17


3. Armoede en arbeid

De zoektocht naar werk verloopt voor de meeste arme mensen niet van een

leien dakje. Het aantal hinderpalen is groot. Werkgevers vragen diploma’s,

vaardigheden en houdingen die mensen in armoede dikwijls niet hebben. Maar

in onze samenleving tel je pas mee als je werkt. Dan heb je een inkomen maar

ook maatschappelijke erkenning, sociale contacten, persoonlijke voldoening en

uitzicht op een betere toekomst. Niet-werkenden zoals werklozen, inactieven

en gepensioneerden lopen dan ook een groter risico op armoede.

De crisis jaagt de werkloosheidsgraad nog naar omhoog. In 2009 steeg het

aantal werklozen met 12 procent naar 536.212. Vooral de laaggeschoolden

worden getroffen. In Vlaanderen is de helft van de werkzoekenden laag-

geschoold. Binnen de groep van de langdurig werklozen is dat zelfs 60

procent. Ook jongeren onder 25 worden opmerkelijk hard getroffen. Zij hopen

(terug) opgepikt te worden bij een heropleving van de economie. Samenwerking

tussen OCMW, VDAB en middenveld moet hier een stimulerende rol

spelen.

Iemands kansen op de arbeidsmarkt zijn ook gelieerd aan zijn herkomst.

Allochtonen van de tweede generatie met een hoger diploma vinden dan wel

een job, maar ze moeten zich vaker tevredenstellen met een baan onder hun

niveau. De meerderheid van hen heeft minstens één keer in zijn of haar leven

discriminatie en uitsluiting ervaren.

De jobkansen nemen na verloop van tijd ook af omdat de kennis en de vaardigheden

die werkgevers verlangen, achterblijven. De zeer langdurige werkloosheid,

dat is langer dan vijf jaar, blijft stijgen.

Er zijn allerlei theorieën over waarom bepaalde groepen moeilijk aan werk

geraken. De eerste theorie is de ‘job search theory’. Die gaat ervan uit dat het

voor mensen in armoede niet duidelijk is waar er vacatures zijn en via welke

kanalen ze moeten solliciteren. Het ontbreekt hen volgens deze theorie aan

informatie over de arbeidsmarkt. Sociale relaties kunnen dat informatietekort

opvangen. Voor VDAB en OCMW is hier werk aan de winkel.

De ‘statistische discriminatietheorie’ zegt dat werkgevers een denkbeeldige,

stereotiepe ranking hebben van de productieve werknemer. Helemaal vooraan

in de rij staat de blanke, hoogopgeleide man, helemaal achteraan de laag-

9

2010826_Brochure.indd 11 8/09/2010 10:55:17


geschoolde, allochtone vrouw. De persoon vooraan in de rij is bij krap arbeidsaanbod

bereid een ‘lagere’ betrekking aan te nemen en snoept zo de vacante

betrekkingen af van de mensen die achteraan in de rij staan. Voor hen zijn er

bijgevolg geen vacante betrekkingen meer.

Een veel gehoorde theorie is die van de werkloosheidsval, die focust op het

idee dat mensen niet meer willen gaan werken omdat de voordelen ervan niet

opwegen tegen de nadelen. De achterliggende verklaring daarvan is dat er

onvoldoende financiële stimulansen zijn om te gaan werken.

Een voorbeeld van de werkloosheidsval: Maria, een alleenstaande moeder met

jonge kinderen, leeft van een werkloosheidsvergoeding. Zij kan eigenlijk

nauwelijks gaan werken. De extra uitgaven voor kinderopvang, vervoer en

kledij zijn voor haar wellicht groter dan haar extra inkomsten als ze gaat

werken.

Langdurige werkloosheid leidt in de meerderheid van de gevallen tot inkomensarmoede.

Hoe langer men moet toekomen met een laag inkomen, hoe meer de

financiële reserves uitgeput geraken. Dan duiken geldproblemen op wanneer

bepaalde zaken moeten vervangen worden of bepaalde uitgaven niet kunnen

uitgesteld.

Van de werkende bevolking is ‘maar’ 4 procent arm (België, 2006). Anderzijds:

een vijfde van de Belgische armen tussen 18 en 65 jaar heeft een baan, als

zelfstandige of als werknemer, voltijds of deeltijds, met een vast of met een tijdelijk

contract (België 2006). Daarbij dient opgemerkt dat bijna tweederde van

de arme mensen niet te ‘activeren’ is: omdat ze al werken, invalide of ziek zijn,

of nog schoolplichtig of in opleiding. En dan zijn er de mensen die niet kunnen

gaan werken omdat ze aan mantelzorg doen, of met ernstige psychische problemen

kampen. ‘Activering’ is dus geen toverwoord voor het armoedebeleid.

Een job hebben verkleint de kansen op armoede maar volstaat niet om aan

armoede te ontsnappen. Zo zijn er de problemen van de laagbetaalde jobs, het

niet vinden van een vaste of voltijdse job en het moeten rondkomen met maar

één inkomen, die maken dat onder de werkende bevolking mensen onder de

armoedegrens belanden. Bij wie tijdelijk werkt, vinden we heel wat laaggeschoolden

terug. In het leven van deze mensen worden periodes van laag

inkomen afgewisseld met periodes van uitkeringen, Zo leiden precaire arbeidscontracten

naar precaire levensomstandigheden.

10

2010826_Brochure.indd 12 8/09/2010 10:55:17


4. Armoede en huisvesting

Drie op vier van de Vlaamse huishoudens woont in zijn eigen woning. Maar

voor de lagere inkomensklassen was een goede en betaalbare woning vinden

de voorbije decennia een vaak onmogelijke opdracht. Omdat de lagere

inkomensklassen niet terechtkunnen op de private koopmarkt, moeten ze hun

heil zoeken in de sociale huurmarkt.

Vlaanderen heeft weinig sociale woningen. De vraag ernaar overstijgt het aanbod

dan ook ruimschoots. Midden 2007 stonden ongeveer 75.000 gezinnen in

Vlaanderen op een wachtlijst. Veel meer gezinnen komen in aanmerking voor

een sociale woning maar omdat de wachtlijsten zo lang zijn (meer dan twee

jaar) zien ze ervan af. De maatschappelijk werkers van de OCMW’s bevestigen

dat ze problemen hebben om mensen ervan te overtuigen zich in te schrijven.

Wachtlijsten? Daar kan je drie jaar op staan. Hopeloos. En dan willen mensen

zich niet inschrijven. Ik zeg altijd dat ze dat moeten doen, je weet maar nooit.

Maar ze denken dat het toch niet helpt. Ze zitten nu dikwijls al in zo’n

noodsituatie dat ze zich daar niet mee willen bezighouden.

De sociale woningen gaan dan ook niet allemaal naar de laagste inkomens-

categorieën. Heel wat sociale woningen worden toegekend aan huishoudens

uit de middenklasse. Door de schaarste op de sociale woningmarkt kunnen

de sociale huisvestingsmaatschappijen selectiever zijn bij de selectie van hun

huurders. Mensen in meervoudige uitsluitingssituaties – zoals schuldenlast en

uithuisplaatsing van kinderen – worden dan geweerd, omdat de huisvestingsmaatschappijen

geen woonbegeleiding (kunnen) verzorgen.

Gezinnen met een laag inkomen zijn dus verplicht een woning te zoeken op de

dure (en slinkende) private huurmarkt. Vaak gaat dan een groot deel van het

inkomen naar een woning waarvan de kwaliteit ondermaats is. Met weinig

geld op zak kan je bij het zoeken naar een woonst niet kieskeurig zijn. Zelfs

aparte slaapkamers voor ouders en kinderen blijkt niet altijd haalbaar te zijn.

De huurprijs dicteert wat mogelijk is. Een maatschappelijk werker getuigt:

Ik heb nu iemand die voor 750 euro huurt, al heeft hij maar een dop van 950

euro. Ja, jonge mensen zijn daar rapper het slachtoffer van. Maar niet alleen

mensen met leefloon hé, ook mensen die werken, zelfs met een gemiddeld

11

2010826_Brochure.indd 13 8/09/2010 10:55:17


inkomen. Prijzen van zevenhonderd, achthonderd, negenhonderd euro zijn

geen aardigheid meer.

Daarbij komt: de lage inkomencategorieën geven procentueel bijna dubbel

zoveel van hun totale inkomen uit aan allerlei woonkosten, zoals water,

verlichting en verwarming, dan gemiddeld.

Al is de kwaliteit van het woningbestand in Vlaanderen er de voorbije jaren

flink op vooruitgegaan, toch blijft nog een harde kern van slechte woningen

over. Veel van deze slechte woningen bevinden zich op de private huurmarkt en

zijn geconcentreerd in de steden. Ze worden voornamelijk bewoond door

gezinnen met lagere inkomens, alleenstaande jongeren en allochtonen.

Het bewonen van dergelijke slechte woonst heeft heel wat nefaste gevolgen.

Zo brengt een slecht geïsoleerde woning hoge energiekosten met zich mee. In

een enquête uit 2007 gaf één op de tien respondenten aan dat hij het financieel

moeilijk heeft om z’n woning te verwarmen. Betalingsachterstanden van

energiefacturen leiden voor sommigen uiteindelijk tot opzegging van hun

contract. Ze komen dan vaak terecht bij de netbeheerder en wanneer ze ook

daar hun facturen niet kunnen betalen, wordt een budgetmeter geïnstalleerd.

Een kwaliteitsarme woning kan ook gezondheidsproblemen veroorzaken. Vocht

en koude kunnen bewoners ziek maken. En een sombere, donkere leefruimte is

ook slecht voor de mentale gezondheid. Een gebrekkige natuurlijke lichtinval

bijvoorbeeld werkt depressies in de hand. Een slechte woning is ook niet

bevorderlijk voor het in stand houden van je sociale contacten: wie in een

slechte woning woont, heeft schroom om vrienden of familie uit te nodigen.

Slechte woningen liggen meestal ook nog eens in achtergestelde buurten,

dichtbij fabrieken of drukke invalswegen, zonder winkels of openbaar vervoer

in de buurt. De verhuurders van slechte woningen hebben vrij spel. Het blijft

dikwijls bij loze beloftes de woning te renoveren. En als er dan eindelijk toch

herstellingen gebeuren, is dat ‘oplapwerk’.

Er zijn ook armen die in een situatie van dak- en thuisloosheid belanden. Meer

en meer dak- en thuislozen moeten bij het OCMW aankloppen. Volgens de

OCMW’s komt dat o.a. omdat het aantal vorderingen tot uithuiszetting

gestegen is. Andere oorzaken zijn de hoge huurprijzen, de individualisering

12

2010826_Brochure.indd 14 8/09/2010 10:55:17


innen de samenleving, stukgelopen relaties en verslavingen en psychiatrische

problemen.

Volgens de OCMW’s is het profiel van de dak- en thuislozen de laatste jaren ook

veranderd: er zijn meer jongeren en meer mensen met psychische problemen

of met een verslavingsproblematiek. Ook de chronische dak- en thuislozen lijken

in aantal toe te nemen.

Dak- en thuislozen kampen met allerlei problemen: financiële, psychische,

relationele, op de arbeidsmarkt... Vaak gaat het om een cumulatie van tegenslagen.

Een maatschappelijk werker getuigt:

Een toenemend probleem is dat van mannen die zowat de weg kwijt geraken

na een echtscheiding, vaak gecombineerd met een financiële problematiek,

al dan niet zelf veroorzaakt. Ze gaan bijvoorbeeld niet meer werken omdat er

loonbeslag is en zij zich daar niet mee kunnen verzoenen. Die mannen geraken

dan op alle vlakken van de regen in de drop. En dan kan het dat mensen ook

hun woning verliezen.

Dak- en thuislozen kunnen bij allerlei opvanginitiatieven terecht: doorgangswoningen,

crisisopvang, nachtopvang, onthaaltehuizen... Maar niet elke

gemeente beschikt over opvanginitiatieven, dak- en thuislozen worden dus al

eens doorverwezen naar opvang in een andere gemeente.

Toch geraken de opvangplaatsen steeds snel ingevuld. Zo is er het probleem

van de doorstroom van doorgangswoningen naar een andere vorm van

huisvesting. Bijna alle gemeenten beschikken over doorgangswoningen maar

mensen verblijven langer dan toegestaan in de doorgangswoning omdat ze

geen alternatieven hebben. Zo geraken alle doorgangswoningen bezet. Zeker

voor specifieke doelgroepen zoals verslaafde dak- en thuislozen is het heel

moeilijk opvang te vinden.

13

2010826_Brochure.indd 15 8/09/2010 10:55:17


5. Armoede en gezondheid: arm maakt ziek en ziek maakt arm

Al van bij de geboorte lopen kinderen uit armere milieus een groter risico op

gezondheidsproblemen. Dat de gezondheid van de kinderen voor de ouders op

de eerste plaats komt, verhelpt daar niet aan. Ook hier speelt de ongelijkheid

vanaf het eerste begin: De kans om als laaggeschoolde moeder een baby te

verliezen is tweemaal zo groot als de kans om als hooggeschoolde moeder een

baby te verliezen. En moeders zonder beroep of arbeidsters kennen een hoger

risico hun baby te verliezen dan moeders met een bediendestatuut.

Armen leven minder lang, hebben meer gezondheidsproblemen en maken minder

gebruik van de gezondheidszorgen dan anderen. Armen leven in Europa tot

zes jaar minder lang dan mensen met een hoger inkomen en opleidingsniveau.

Dat verschil in levensverwachting wordt steeds groter. De oorzaken van die

ongelijkheid op het vlak van gezondheid situeren zich op verschillende

terreinen tegelijk.

Een eerste oorzaak is huisvesting: de ongezonde en kleine woningen, de slechte

hygiënische omstandigheden, de onzekerheid over stromend water of

elektriciteit, de gebrekkige sanitaire installaties...

De tewerkstelling is een tweede oorzakelijke factor. De impact van werkloosheid

of van laaggekwalificeerde jobs op de gezondheid is groot. Werkloosheid

en ‘hamburgerjobs’ verhogen de kans op de ontwikkeling van stress, depressies

enzovoort. Eén op vijf werklozen kampt met ernstige psychische problemen.

Een baan zou een uitweg kunnen bieden. Maar personen aan de onderkant van

de maatschappelijke ladder komen dan vooral in precaire jobs terecht: jobs die

weinig scholing of ervaring vragen maar waar de verdiensten, de werkomstandigheden

en de werkzekerheid heel laag liggen. En ook dat heeft een terugslag

op de gezondheid. Het lijkt wel een vicieuze cirkel.

Ook de levensstijl van mensen in armoede draagt bij tot gezondheids-

problemen. Armen kunnen zich een aangepaste levensstijl maar moeilijk

permitteren of eigen maken, want daarvoor heb je geld en een opleiding nodig.

We merken bijvoorbeeld dat laaggeschoolden vaker roken, een ongezonder

voedingspatroon hebben en minder bewegen dan hooggeschoolden. Hoog-

geschoolden op hun beurt drinken meer alcohol.

14

2010826_Brochure.indd 16 8/09/2010 10:55:17


Mensen in armoede doen ook amper aan preventieve zorg. Ze grijpen pas in als

er acute problemen rijzen. Zolang het lichaam ‘werkt’, ‘functioneert’, is men

tevreden, meer hoeft dat niet te zijn. En dan blijven controlebezoeken bij de

dokter uit.

Een vierde oorzakelijke factor is de ontoegankelijkheid van de zorg. Te

gemakkelijk wordt aangenomen dat de gezondheidszorg goed toegankelijk is

voor armere beroepsgroepen. Onderzoek wijst uit dat dit niet zo is. De

administratieve, financiële en socioculturele drempels van de voorzieningen

voor gezondheidszorg blijven voor armen moeilijk te nemen.

Een van de administratieve obstakels is bijvoorbeeld het ‘in orde zijn’ bij het

ziekenfonds. Wie niet in orde is, heeft niet langer zekerheid van zijn recht

op medische bijstand. Bepaalde groepen zoals asielzoekers, zijn ook moeilijk

verzekerbaar omdat ze buiten de normen van de ziekenfondsen vallen. Ook een

hospitalisatieverzekering blijkt niet voor iedereen een evidentie te zijn. Bijna

zes op tien van wie inkomensarm is, heeft geen hospitalisatieverzekering.

En de socioculturele drempels? Heel wat mensen in armoede hebben weinig of

geen toegang tot informatie over gezondheid en gezonde levensstijl en gaan

zelf ook niet actief op zoek naar informatie daarover. Er is ook veel wantrouwen

tegenover de medische sector, onder andere omdat er een onbegrijpelijk taalgebruik

wordt gehanteerd.

De grote financiële kosten zorgen voor nog een andere drempel, die almaar

hoger wordt nu een groeiend deel van die zorg door de patiënt moet opgehoest

worden. 14 procent van de Belgen stelt gezondheidszorgen uit wegens te duur,

zo blijkt uit de nationale gezondheidsenquête van 2008. En 35 procent van de

gezinnen zegt het moeilijk te hebben om de bijdragen voor gezondheidszorg in

te passen in het huishoudbudget. Vier jaar eerder lag dat nog 6 procent lager.

Voor mensen in armoede rijzen de financiële problemen met andere woorden

de pan uit.

Hier verdient ook het geestelijk welzijn aandacht. Depressies zijn vaak gelinkt

aan uitzichtloze situaties. Sociale netwerken, die voor respect en emotionele

steun kunnen zorgen, bieden bescherming tegen een fatale crash. Zeker voor

vrouwen zijn sociale netwerken heel belangrijk om het geestelijk welzijn op

punt te houden.

15

2010826_Brochure.indd 17 8/09/2010 10:55:17


Al die oorzakelijke factoren hebben een cumulatief effect. Wanneer de

problemen zich opstapelen en de mensen geen uitwegen zien, krijgt de fysieke

en psychische gezondheid flinke deuken. Het uithoudingsvermogen van armen

is soms onvoorstelbaar groot maar toch blijven de gevolgen niet uit, en dan

proberen arme mensen zolang mogelijk op eigen houtje te overleven. Vrije tijd

of vakantie om nieuwe krachten op te doen is daarbij geen optie, ze zijn voor

deze groepen een onbereikbare ‘luxe’.

16

2010826_Brochure.indd 18 8/09/2010 10:55:17


Bronnen

Meer informatie over armoede en sociale uitsluiting vind je in de jaargangen

van het jaarboek ‘Armoede en sociale uitsluitingen’ en op de website van

OASeS (www.oases.be). Op deze site zijn alle publicaties van OASeS en heel wat

recent cijfermateriaal te vinden.

Vranken, J. Campaert, G., De Boyser, K. en Dierckx, D. (2007): Armoede en Sociale

uitsluiting. Jaarboek 2007. Acco Leuven/Voorburg, 352 p.

Vranken, J. Campaert, G., De Boyser, K., De Wilde, C. en Dierckx, D. (2008): Armoede

en Sociale uitsluiting. Jaarboek 2008. Acco Leuven/Voorburg, 424 p.

Vranken, J. Campaert, G., Dierckx, D. en Van Haarlem, A. (2009): Armoede en

Sociale uitsluiting. Jaarboek 2009. Acco Leuven/Den Haag, 385 p.

Dierckx, D. (2001): Moeder, waarvan leven wij? Over armoede in België. In

opdracht van de Cera Foundation, 40 p.

2010826_Brochure.indd 19 8/09/2010 10:55:17


Tekst bewerkt door Tom Naegels en Uitgeverij EPO.

In het kader van het project “Over-leven: armoede in Antwerpen” vinden in de

stad Antwerpen verschillende activiteiten plaats. Voor een volledig programma:

Atlas

Carnotstraat 110

2060 Antwerpen

tel. 03 338 70 11

atlas@stad.antwerpen.be

www.antwerpen.be/atlas

‘Over-leven: armoede in Antwerpen’ is tot stand gekomen in samenwerking met

de stad Antwerpen, OCMW Antwerpen en APGA.

Speciale dank aan: Centrum Kauwenberg, De Loodsen, Filet Divers, IVCA,

Oases-Onderzoekscentrum - Universiteit Antwerpen, PSC Open Huis, Recht-Op

vzw, Samenlevingsopbouw Antwerpen Stad, Welzijnszorg.

Wettelijk depot: D/2010/0306/224

V.U. Marc De Bens, Lange Gasthuisstraat 33, 2000 Antwerpen - Vormgeving: Atlas PW

2010826_Brochure.indd 20 8/09/2010 10:55:17

More magazines by this user
Similar magazines