1 01 Het gevecht om het publieke domein - Bureau Beke

beke.nl

1 01 Het gevecht om het publieke domein - Bureau Beke

Boze agressie in het verkeer 103

Boze en niet-boze agressie

Vaak maakt men een onderscheid tussen affectieve en instrumentele

agressie, ook in de verkeerspsychologie (Shinar, 1998). Affectieve agressie

komt voort uit frustratie: boosheid over belemmeringen, schade, etcetera.

Instrumentele agressie zou voortkomen uit andere motieven. Men

heeft bijvoorbeeld haast en toetert een langzame auto opzij. Hierbij is

het benadelen van anderen niet het expliciete doel. Maar instrumentele

agressie kan wel degelijk affectief zijn. Men kan genieten van hard rijden

en daarbij schade aan anderen op de koop toe nemen, of men kan anderen

gevaarlijk bejegenen omdat men trots is hoe vaardig men zich door

het verkeer heen manoeuvreert. Het lijkt daarom beter om andere benamingen

te gebruiken. Bij wat men affectieve agressie noemt gaat het altijd

over boosheid. Laten we dit dan boze agressie noemen. ‘Niet-boos’

agressief gedrag kan van alles zijn (wild inhalen; haantje de voorste; enzovoorts).

Met deze omschrijving van boze agressie kan in ieder geval één categorie

worden bestudeerd binnen een theoretisch kader, namelijk het kader

van emotietheorieën. Voor de keuze van dat kader kunnen enkele goede

argumenten worden geleverd (Levelt, 1999; Levelt en Rappange, 2000). In

de verkeerspsychologie zijn lange tijd attitudetheorieën en stresstheorieën

dominant geweest. Attitudetheorieën zijn, zeker in hun oorsprong,

gericht op het verklaren van beredeneerd gedrag, niet geschikt

en bedoeld voor het verklaren van emoties en impulsieve gedragingen

(Goldenbeld e.a., 2000). Gemiddelde snelheidskeuzes zijn misschien gedeeltelijk

te verklaren op basis van attitudes ten opzichte van snelheid,

snelheidsovertredingen en snelheidsbekeuringen, maar het zijn emoties

die verklaren waarom men opeens in opwinding het gaspedaal indrukt,

of juist bovenop de rem staat. Stresstheorieën bieden meer aanknopingspunten.

Met name de stress-theorie van Lazarus is relevant. In zijn boek

Emotion & Adaptation (1991) heeft hij zijn theorie geïntegreerd in emotietheorieën

(zie ook: Lazarus, 1993).

Emotietheorieën zijn afgelopen vijftien jaar binnen de psychologie in

een enorme stroomversnelling gekomen. De verkeerspsychologie zou de

boot missen door dit veld niet te betreden. Irritatie en boosheid in het

verkeer zijn bij uitstek geschikt voor eerste oefeningen en toetsen. Maar

het ligt voor de hand ook andere emoties, en niet te vergeten stemmingen,

tot onderwerp van studie te maken.

Emoties en stemmingen zijn psychologisch interessanter dan attitudes:

ze zijn minder abstract dan attitude-constructen, neurologisch te

lokaliseren en fysiologisch observeerbaar (zweten, versnelde ademhaling,

hartkloppingen). De tientallen studies waarbij bestuurders met

electroden behangen werden, en waarin het woord ‘emotie’ niet voorkwam,

kunnen opeens met nieuwe ogen bekeken worden.

Met name de emotietheorie van Frijda is van belang. Volgens hem ontstaat

boosheid als men ervaart dat een belang geschaad wordt door ie-

More magazines by this user
Similar magazines