1 01 Het gevecht om het publieke domein - Bureau Beke

beke.nl

1 01 Het gevecht om het publieke domein - Bureau Beke

Justitiële verkenningen, jrg. 27, nr. 1, 2001 74

oefend. Hoezeer men ook de antwoorden op dergelijke vragen gerechtvaardigd

kan beschouwen als een maat voor gezagsacceptatie, even

evident lijkt het ons dat een afname in de mate waarin dergelijke stellingen

worden onderschreven niet automatisch het beeld oproept van een

society in decay. Eerder geven zij een indicatie dat wij groeien naar een

samenleving waarin mensen met elkaar omgaan op een volwassen manier,

waarin wederzijdse kritiek mogelijk is en besluitvorming niet blindelings

wordt gevolgd. Evenmin leidt een grotere mate van antiautoritarisme

(gebaseerd op de oude F-schaal van Adorno) tot de

conclusie dat Nederlanders niet meer bereid zouden zijn zich te onderschikken

aan welke autoriteit dan ook. Wie die schaal van Adorno kent

zal eerder verbaasd zijn dat de opgaande lijn van het antiautoritarisme

niet veel steiler loopt.

De vraag inzake de politie gaat om het percentage respondenten dat

het al dan niet eens is met de stelling dat de politie haar taak uitstekend

vervult. Het gaat hier dus om het oordeel over de taakuitvoering van het

apparaat en niet zozeer om gezagsaspecten pur sang. En dan is een kritische

houding van de bevolking ten opzichte van de politie niet zo

vreemd. Want dat de politie de problemen waarvoor zij wordt gesteld

niet oplost, lijkt een evidentie waarover weinig verschil van mening hoeft

te bestaan. Het gaat ons hier nu niet om de vraag hoe dat komt. Daarvoor

is dat vraagstuk te complex; er komen steeds meer taken die niet alleen

steeds ingewikkelder worden, maar aan de uitvoering waarvan ook

steeds duidelijker eisen worden gesteld waardoor een – eventueel – gebrek

aan functioneren ook steeds duidelijker op de voorgrond treedt.

Hier gaat het om het vraagstuk naar gezag en politie in een bredere context,

waarbij ook andere factoren dan de taakuitvoering een rol spelen.

Uit de antwoorden op dit soort vragen wordt duidelijk dat als men gezag

definieert als ‘blindelings gehoorzamen’ of een ‘naïef vertrouwen in

bovengestelde machten’, er sprake is van een substantiële afname van

het gezag. Maar zou men gezag definiëren in meer eigentijdse termen,

waarin toekenning ervan afhankelijk is van het serieus worden genomen

in een besluitvormingsproces, het serieus nemen van elkaars meningen

en in discussie de bereidheid te tonen elkaar wederzijds te overtuigen

een centrale rol spelen, dan is het zeer de vraag of ook dan sprake zou

zijn geweest van een afname van gezag. Waar het vooral op lijkt, is dat

automatische acceptatie van institutioneel gezag is afgenomen. Gezag

wordt niet meer automatisch toegekend ‘omdat het van een instantie

komt’. Wat de onderzoeken laten zien is dat de mens kritischer is gaan

oordelen, geen genoegen meer neemt met gezagstoekenning als was het

een soort onontkoombaar, door de natuur gegeven verschijnsel. Of dat

ernstig is, moet iedereen voor zichzelf uitmaken, maar wel is duidelijk

dat de discussie ernstig wordt verengd als hieruit de conclusie zou worden

getrokken dat het ‘dus’ slecht gaat met het gezag.

Met dit alles wil niet gezegd zijn dat er geen sprake is van een serieus

probleem. Integendeel. Het valt niet te ontkennen dat de maatschappe-

More magazines by this user
Similar magazines