Bestemmingsplan - Gemeente Emmen

emmen.nl

Bestemmingsplan - Gemeente Emmen

Zwartemeer


Inhoudsopgave

bestemmingsplan Zwartemeer

Toelichting 5

Hoofdstuk 1 Inleiding 5

1.1 Aanleiding tot nieuw bestemmingsplan 5

1.2 Ligging plangebied 5

1.3 Huidige planologische regelingen 6

1.4 Opzet bestemmingsplan 7

1.5 Overzicht verricht onderzoek 7

Hoofdstuk 2 Beleid 8

2.1 Inleiding 8

2.2 Gemeentelijk beleid 8

2.3 Regionaal beleid 11

2.4 Provinciaal beleid 12

2.5 Rijksbeleid 14

2.6 Conclusie 15

Hoofdstuk 3 Onderzoeken 16

3.1 Archeologie en monumenten 16

3.2 Ecologie 17

3.3 Fysieke veiligheid 20

3.4 Milieu 23

3.5 Watertoets 27

Hoofdstuk 4 Stedenbouwkundige structuur 37

4.1 Ontstaansgeschiedenis 37

4.2 Stedenbouwkundige hoofdstructuur 41

4.3 Verkeersstructuur 46

4.4 Groenstructuur 48

4.5 Bevolkingsstructuur 53

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten van het bestemmingsplan 55

5.1 Algemeen 55

5.2 Inventarisatie 55

5.3 Plantoelichting, verbeelding en regels 55

5.4 Toelichting op de bestemmingen 56

5.5 Handhaving 65

Hoofdstuk 6 Maatschappelijke betrokkenheid 66

6.1 Opstartbijeenkomst 66

6.2 Overleg ex. artikel 3.1 Bro en zienswijzen 66

6.3 Zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan 66

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid 67

Bijlagen bij de toelichting 69

Bijlage 1 Nota van beantwoording 71

Bijlage 2 Huidige planologische regelingen 79

Bijlage 3 Archeologie 83

Bijlage 4 Groenstructuur Zwartemeer 157

Bijlage 5 Akoestisch onderzoek Zwartemeer 161

Bijlage 6 Tankenlijst 185

Bijlage 7 Secundair bluswater 189

Bijlage 8 Raadsvoorstel en raadsbesluit 193

2 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Regels 201

Hoofdstuk 1 Inleidende regels 202

Artikel 1 Begrippen 202

Artikel 2 Wijze van meten 209

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels 210

Artikel 3 Agrarisch 210

Artikel 4 Bedrijf - Milieucategorie 2 213

Artikel 5 Bedrijf - Nutsvoorzieningen 217

Artikel 6 Bedrijf- Verkooppunt motorbrandstoffen 218

Artikel 7 Bedrijventerrein 221

Artikel 8 Cultuur en ontspanning - Kinderboerderij 225

Artikel 9 Gemengd 226

Artikel 10 Groen 229

Artikel 11 Horeca - 1 231

Artikel 12 Horeca - 3 234

Artikel 13 Maatschappelijk 237

Artikel 14 Maatschappelijk - Begraafplaats 239

Artikel 15 Maatschappelijk - Onderwijs 241

Artikel 16 Maatschappelijk - Religie 243

Artikel 17 Sport 246

Artikel 18 Tuin 248

Artikel 19 Verkeer 249

Artikel 20 Verkeer - Verblijfsgebied 250

Artikel 21 Water 252

Artikel 22 Wonen - Aaneengebouwd 253

Artikel 23 Wonen - Twee aaneen 257

Artikel 24 Wonen - Vrijstaand 261

Hoofdstuk 3 Algemene bepalingen 265

Artikel 25 anti-dubbeltelregel 265

Artikel 26 algemene bouwregels 266

Artikel 27 algemene gebruiksregels 267

Artikel 28 algemene aanduidingsregels 268

Artikel 29 algemene afwijkingsregels 270

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels 271

Artikel 30 Overgangsrecht 271

Artikel 31 Slotregel 272

Bijlagen bij de regels 273

Bijlage 1 Staat van Inrichtingen 275

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 3


estemmingsplan Zwartemeer

4 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

bestemmingsplan Zwartemeer

1.1 Aanleiding tot nieuw bestemmingsplan

Vanwege de wettelijke plicht om bestemmingsplannen iedere 10 jaar te herzien, is voor de kern

Zwartemeer een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan heeft in de eerste plaats als

doel de bestaande situatie planologisch opnieuw vast te leggen.

Ten tweede moet het bestemmingsplan de bestaande situatie voorzien van een adequaat en actueel

ruimtelijk en juridisch kader. Hierbij is gelet op de wensen en bebouwingseisen van deze tijd.

Een derde doelstelling van het bestemmingsplan is dat het plan helder, eenduidig interpreteerbaar,

handhaafbaar en toetsbaar moet zijn. Doordat nieuwe bestemmingsplannen helderder en eenduidiger

worden opgesteld, sluiten zij aan bij één van de doelstellingen van deregulering die het college zich

heeft gesteld.

1.2 Ligging plangebied

De plangrens wordt grotendeels bepaald door de plangrenzen van de huidige bestemmingsplannen en

door natuurlijke elementen in combinatie met de overgang tussen de kern / wijk en het buitengebied.

Het bestemmingsplangebied Zwartemeer ligt aan de Duitse grens en is het meest oostelijke dorp van de

gemeente Emmen in de zuid-oosthoek van Drenthe. Het wordt globaal begrensd door het dorp

Klazienaveen in het westen, de A-37 in het noorden, Duitsland in het oosten en het natuurreservaat

Bargerveen in het zuiden.

Figuur 1-1: Ligging plangebied

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 5


Figuur 1-2: Indicatieve ligging plangebied

bestemmingsplan Zwartemeer

1.3 Huidige planologische regelingen

Het voorliggende bestemmingsplan vervangt bestemmingsplannen geheel:

95.047, Zwartemeer Centrum (HOP), vastgesteld 10-09-1998, goedgekeurd 17-11-1998;

99.100, Zwartemeer Centrum 1e gedeeltelijke wijziging, vastgesteld 13-07-1999, goedgekeurd

01-01-2002;

01.061, Zwartemeer Centrum 2e gedeeltelijke wijziging, vastgesteld 03-07-2001, goedgekeurd

01-01-2002;

87.017, Zwartemeer Kamerlingswijk/Nieuwewijk, vastgesteld 31-01-1991, goedgekeurd 10-06-1991;

07.044, Zwartemeer Zuidwest IV, vastgesteld 26-06-2008, goedgekeurd 18-09-2008;

en bestemmingsplannen gedeeltelijk:

86.202, Klazienaveen Linten Kloostermanswijk/Langestraat, vastgesteld 27-06-1991, goedgekeurd

15-10-1991;

84.250, Buitengebied Emmen, vastgesteld 16-07-1987, goedgekeurd 01-03-1988.

Daarnaast zijn diverse bouwinitiatieven met een buitenplanse (ex art. 19 WRO) en binnenplanse (ex art.

15 WRO) vrijstellingprocedures mogelijk gemaakt. Bij het van kracht worden van het bestemmingsplan

zullen de in het bovenstaande schema genoemde bestemmingsplannen (alsmede de aanvullende

bebouwingsvoorschriften), voor zover zij vallen binnen het plangebied, hun rechtskracht verliezen en door

dit bestemmingsplan Zwartemeer worden vervangen.

Een overzicht met daarop een indicatie van de ligging van de oude bestemmingsplannen is als PDF

bestand achter hoofdstuk 7 toegevoegd als bijlage.

6 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


1.4 Opzet bestemmingsplan

bestemmingsplan Zwartemeer

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Op de

bestemmingsverbeelding worden de percelen in het gebied aangegeven met bestemming dan wel een

aanduiding. In de regels worden de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het plangebied geregeld. Tot

slot wordt in de plantoelichting een verantwoording gegeven van de in het plan gemaakte keuzes.

1.5 Overzicht verricht onderzoek

Ter voorbereiding van het bestemmingsplan is een archeologisch historisch onderzoek verricht:

archeologisch historisch onderzoek, De Steekproef, 2005-6/3, betreffende de veengebieden. De

conclusies uit dit onderzoek zijn verwerkt in de toelichting. In dit bestemmingsplan zijn echter geen

ontwikkelingen aan de orde waarvoor uitgebreid onderzoek aan de orde is, daarom kan worden volstaan

met het in beeld brengen van de huidige omgevingssituatie. In hoofdstuk 3 wordt daarom ingegaan op

deze omgevingsaspecten.

Verder is er ten behoeve van het wegverkeerslawaai een akoestisch onderzoek verricht door

Ingenieursbureau Spreen (rapport 20100343) voor de volgende wegen: Zuidervaart OZ, Eemslandweg,

Verlengde Van Echtenskanaal NZ, Klemstrook en Kamerlingswijk WZ/Hogeweg. De verkeersgegrvens

m.b.t. de A37 zijn aangeleverd door Rijkswaterstaat.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 7


Hoofdstuk 2 Beleid

2.1 Inleiding

bestemmingsplan Zwartemeer

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de hoofdlijnen van het beleid op landelijk, regionaal, provinciaal en

gemeentelijk niveau. De algemene beleidskaders van de verschillende beleidsvelden komen hier stuk

voor stuk aan de orde, evenals de doorvertaling naar het plangebied, voor zover deze te maken valt.

2.2 Gemeentelijk beleid

2.2.1 Ruimtelijk/economisch beleid

Structuurvisie gemeente Emmen 2020, Veelzijdigheid troef

De structuurvisie Emmen 2020, Veelzijdigheid Troef, vastgesteld op 24 september 2009 is opgesteld als

ruimtelijke vertaling van de ambities gesteld in de Strategienota Emmen 2020, vastgesteld door de raad

in september 2001.

De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Emmen weer.

Tevens dient de structuurvisie om bedrijven, instellingen en andere overheden uit te nodigen tot en te

stimuleren om passende, gewenste activiteiten en investeringen te doen die aansluiten op de

weergegeven ambities en ruimtelijke mogelijkheden. In de structuurvisie wordt de ruimtelijke structuur

van 2020 geschetst aan de hand van een aantal thema's, te weten landschap, duurzaamheid, verkeer,

werken, wonen, voorzieningen en veiligheid. Voor ieder thema is een hoofdkoers bepaald deze zijn als

volgt:

Thema Koers

Landschap Versterken van het landschap door in te zetten op bebossing van de Hondsrug,

het vrijwaren van de steilrand, het koesteren van de openheid, de herkenbaarheid

van de kanalenstructuur te vergroten, de beekdalen te herstellen en het gebruik

van de essen te vergroten.

Duurzaamheid Het benoemen van het uitgebreide kanalenstelsel en de beekdalen voor de

berging van water. Specifiek betreft het hier de Buma Marchienawijk/

Sleenerstroom en het Schoonebeekerdiep. Het herstel van de beekdalen

combineert de verbetering van de waterkwaliteit met noodberging, alsmede

versterking van het landschap. Een tweetal gebieden is benoemd als mogelijk

zoekgebied. De term 'mogelijk zoekgebied' betekent dat deze relatief onbebouwde

gebieden een mogelijke toekomstige geschiktheid kennen voor de berging van

water. Deze geschiktheid dient behouden te blijven, maar is alleen nodig indien

scenario's met een verdergaande klimaatverandering hiertoe aanleiding geven.

Verkeer Voor de externe bereikbaarheid wordt ingezet op verdubbeling van de N34

(Emmen-Zuid tot Emmen-centrum) en de N862 en optimalisering van het spoor

naar Zwolle en Twente.

Interne bereikbaarheid: opwaarderen van de Rondweg door de stroomfunctie te

verbeteren en onderzoek doen naar de verbeteropties van de Hondsrugweg.

8 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Werken Naast de geplande uitbreidingen tot 2015 zijn geen nieuwe uitbreiding van

bedrijventerreinen. Voor woon-werkcombinaties is behalve op de Meerdijk op

termijn ruimte langs de as naar Nieuw Amsterdam, op Pollux IV en in

Emmer-Compascuum (mits passend

binnen de milieucontouren). Voor kantoren en zorg ('cure') wordt aangesloten op

bestaande plannen en locaties. Ingezet wordt op een verknoping van nieuwe en

aanwezige leisurevoorzieningen. Voor wat betreft glastuinbouw vindt inzet plaats

op herstructurering van

oudere delen. Omstreeks 2012 wordt de ruimtevraag naar glastuinbouw opnieuw

in beeld gebracht. Daarbij past ook bezinning op mogelijk andere functies in het

Rundedal. Tenslotte de koers voor de landbouw: schaalvergroting in

landbouwgebieden (zone 1 en 2 uit het POP) mogelijk maken in aansluiting op

het landschap. Daar waar de landbouw in de knel komt wordt ingezet op

alternatieven.

Wonen Vanuit de structuurvisie vindt aansluiting plaats op het bestaande

bouwprogramma (zie ook woonplan). Voor fase 2 en 3 van de Delftlanden vindt

een verbijzondering plaats en wordt gericht op meer landelijke en dorpse

woonmilieus. Naast een kwaliteitsimpuls van de bestaande woningen wordt

ingezet op wervende woonmilieus, te weten: water/lintwonen tussen Barger- en

Emmer Compascuum, boswonen op de Hondsrug en erfwonen in het zuidelijk

deel van de gemeente.

Voorzieningen Inzet op versterking van de centrumfunctie van Emmen en behoud bestaande

ruimtelijke structuur niet-commerciële voorzieningen. Bij natuurlijke

wijzigingsmomenten inzetten op versterking van de kwaliteit en efficiënte

bundeling.

Veiligheid Scheiding van risicovolle en kwetsbare activiteiten. Voor risicovolle activiteiten is

ruimte op bedrijventerreinen Bargermeer, de Vierslagen en A37.

Ruimtelijke waardenkaart

In het kader van het Uitvoeringsprogramma Structuurvisie is een Ruimtelijke Waardenkaart ontwikkeld.

De Ruimtelijke Waardenkaart schetst de volgende gewenste ontwikkelingen die van belang zijn voor de

groenstructuur van de kern Zwartmeer:

Kanalen ontwikkelen tot voorkanten. Tot dragers waaraan nieuwe ontwikkelingen trots en zelfbewust

kunnen plaatsvinden;

De achterkanten van dorpen en linten als 'voorkanten van het landschap';

Het 'veenlopen' als Drentse tegenhanger van het 'wadlopen'.

Beleidsnotitie "Bouwen in de Linten"

Op 7 juli 2005 heeft de gemeenteraad de beleidsnotitie "Bouwen in de Linten" vastgesteld. De

beleidsnotitie geeft het onderzoek weer naar de ruimtelijke kaders en criteria die bij de beoordeling van

verzoeken tot incidentele woningbouw in de linten moeten worden gehanteerd. In de beleidsnotitie is een

balans gezocht tussen het incidenteel toevoegen van woningen enerzijds en het behoud van de waarde

en karakteristiek van het landschap anderzijds.

Het doel van de beleidsnotitie "Bouwen in de Linten" is het verkrijgen van een helder ruimtelijk kader

voor het toetsen van nieuwe aanvragen voor het bouwen van woningen binnen lintbebouwingen in de

gemeente Emmen.

In de beleidsnotitie zijn ruimtelijke criteria verwoord. Bij de ruimtelijke ontwikkeling van de linten dient

een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het belang van de kernen, en anderzijds het belang

van het landschap. De ruimtelijke criteria zijn ook vertaald in kaarten.

In de eerste plaats is bepaald wat de begrenzingen van de kernen zijn en wat de linten binnen en buiten

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 9


de kernen zijn.

bestemmingsplan Zwartemeer

Als vervolgstap is voor de linten buiten de kernen bepaald welke delen onlosmakelijk met het landschap

zijn verbonden en welke delen met de kern zijn verbonden. De linten kunnen worden onderverdeeld in

"landschapsgerelateerde linten" en in "dorpsgerelateerde linten".

In de beleidsnota is aandacht besteed aan de relatie tussen de beleidsnotitie "Bouwen in de Linten" en

de actualisering van de bestemmingsplannen. De resultaten van de beleidsnotitie "Bouwen in de linten"

dienen te worden overgenomen in de te actualiseren bestemmingsplannen, met dien verstande, dat in

de te actualiseren bestemmingsplannen de resultaten van de beleidsnota niet automatisch één op één

worden overgenomen. Voordat de uitkomsten van de notitie worden meegenomen in de te actualiseren

bestemmingsplannen moet worden gekeken of de huidige situatie aanleiding geeft voor het aanpassen

van de uitkomsten van de notitie bouwen in de linten.

De huidige situatie is niet veranderd ten opzichte van de situatie tijdens het opstellen van de

beleidsnotitie "Bouwen in de Linten". Er is dus geen reden om af te wijken van het gestelde in de

beleidsnotitie "Bouwen in de Linten".

2.2.2 Verkeersbeleid

Gemeentelijk Verkeer en Vervoersplan (GVVP)

Het huidige Gemeentelijk Verkeer en Vervoersplan (GVVP) is vastgesteld in 2000. In het

uitvoeringsprogramma van Structuurvisie Veelzijdigheid Troef, structuurvisie gemeente Emmen (2020),

wordt het voornemen uitgesproken om het GVVP uit 2000 te herzien en af te stemmen op het

Provinciaal Verkeer en Vervoersplan uit 2007. Tevens is de gemeente bezig met het opstellen van nieuw

parkeerbeleid. Vooralsnog is het huidige GVVP van kracht.

De gemeente Emmen ondersteunt, net als bijna alle andere wegbeheerders van Nederland, de

uitgangspunten van Duurzaam Veilig. Dit is bekrachtigd door een landelijk convenant te ondertekenen.

Duurzaam Veilig is een systeembenadering met als doel een optimale afstemming te bereiken tussen

de functie van de weg, de vormgeving en het gebruik ervan door de weggebruiker. Hiermee wordt beoogd

onbedoeld gebruik van de weg, conflicten met hoge snelheids- en richtingsverschillen, en ook onzeker

gedrag te voorkomen.

2.2.3 Recreatiebeleid

In juni 2007 is de kadernota Kampeerbeleid gemeente Emmen vastgesteld. Deze kadernota geeft aan

hoe de gemeente Emmen aan zijn eigen kampeerbeleid invulling geeft na intrekking van de Wet op de

Openluchtrecreatie (WOR). De kadernota vormt de basis voor het formuleren van voorwaarden en regels

binnen relevante bestemmingsplannen en de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

Als uitwerking op de kadernota Kampeerbeleid heeft de gemeente Emmen het facetbestemmingsplan

"Kleinschalig kamperen gemeente Emmen" opgesteld. In dit facetbestemmingsplan zijn bepalingen

opgenomen ten gunste van kleinschalig kamperen. In dit bestemmingsplan is geen camping gevestigd

waar kleinschalig wordt gekampeerd.

2.2.4 Woonbeleid

In het in 2002 vastgestelde "Woonplan Emmen 2020" is het woonbeleid voor de gemeente Emmen

vastgelegd. Dit beleidsplan is de uitwerking van de "Strategienota Emmen 2020", waarin in grote lijnen

de ambities van de gemeente Emmen zijn vastgelegd onder andere voor wat betreft het thema "Wonen".

Het Woonplan bevat een totaalprogramma uitbreiding, inbreiding en herstructurering, dat is opgesteld op

basis van een gemeentebrede kwantitatieve en kwalitatieve behoefteberekening en is uitgewerkt tot op

het niveau van de afzonderlijke kernen en grote wijken binnen de gemeente. Het Woonplan is recentelijk

op onderdelen geactualiseerd en eind mei 2007 samen met de nota 'Zorgeloos Wonen, wonen met zorg

en welzijn in Emmen' door de Raad vastgesteld.

Het gemeentelijk woonbeleid wordt in 2010 herzien. de ontwikkelingen op de woningmarkt en de

verwachte toekomstige bevolkingsontwikkeling (krimp en vergrijzing) maken dat bijstelling van het beleid

nodig is. Er komt een groter accent te liggen op behoud en versterking van de kwaliteit van bestaande

wijken en dorpen (inbreiding en herstructurering).

10 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


2.2.5 Welstandsbeleid

bestemmingsplan Zwartemeer

Bouwwerken moeten voldoen aan "redelijke eisen van welstand". Een zogenaamde

Welstandscommissie beoordeeld bouwplannen aan de vooraf vastgestelde welstandcriteria opgenomen

in de Welstandsnota. Donderdag 16 december 2010 heeft de gemeenteraad de Welstandsnota

vastgesteld. In deze nota wordt vooraf bepaald wat de redelijke eisen van welstand zijn. Dit betekent dat

gekeken wordt of een bouwplan qua uitstraling wel past bij de omgeving.

Het bestemmingsplan en de welstandsnota zorgen samen voor het behoud van de ruimtelijke kwaliteit.

Het bestemmingsplan geeft aan wat, hoeveel, in welke vorm en waar er gebouwd mag worden. Het

welstandsbeleid geeft aan hoe het gebouw er uit mag komen te zien. Dit wil zeggen dat het

welstandsbeleid moet voorkomen dat er gebouwen gebouwd worden die afbreuk doen aan de omgeving.

Het nieuwe welstandsbeleid heeft zo min mogelijk regels. Voor de meeste gebieden geldt de

zogenaamde basis welstand. Alleen voor gevels die te zien zijn vanaf de openbare weg of het openbaar

gebied is een welstandstoets nodig. Voor winkelcentra, het centrum van Emmen, monumenten,

bijzondere gebouwen en locaties geldt uitgebreide welstand. Dit wil zeggen dat alle zijden van het

gebouw moeten voldoen aan de welstandseisen.

2.3 Regionaal beleid

2.3.1 Agenda voor de Veenkoloniën

Op verzoek van de minister van LNV onderzocht de commissie Structuurversterking Veenkoloniën

(commissie-Hoekstra) in 2001 de problemen in de Veenkoloniën. Dat waren er drie: eenzijdigheid,

afhankelijkheid en een negatief imago.

Als antwoord op het advies van de Commissie Hoekstra heeft de regio De Agenda voor de Veenkoloniën

opgesteld. Deze is in april 2002 verschenen.

Negen Drentse (waaronder Emmen) en Groningse gemeenten, twee waterschappen en twee provincies

werken samen in de stuurgroep Agenda voor de Veenkoloniën.

In april 2008 presenteerde de Agenda voor de Veenkoloniën haar programma voor de komende vier jaar.

Dit programma bouwt voort op het basisdocument van 2002. Het nieuwe Gebiedsprogramma van de

Agenda voor de Veenkoloniën biedt ondernemers, overheden, onderwijsinstellingen, onderzoekcentra en

de omgeving (5 O's) een kans meer kwaliteit te geven aan de sociaaleconomische structuur van de

Veenkoloniën. Het nieuwe Gebiedsprogramma, heeft als belangrijkste doel: Wonen, werken, recreëren

en innoveren in een kansrijke en unieke open ruimte. Daarnaast ligt er de uitdaging in te spelen op de

veranderingen in de landbouw en die kwaliteiten die wel degelijk in grote mate aanwezig zijn in de

Veenkoloniën als het waardevolle cultuurlandschap, de sociale vitaliteit en rust, ruimte en openheid.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 11


estemmingsplan Zwartemeer

Figuur 2-1: Gebied Agenda voor de Veenkoloniën

2.4 Provinciaal beleid

2.4.1 Omgevingsvisie Drenthe

Tijdens de vergadering van Provinciale Staten op 2 juni 2010 is het nieuwe omgevingsbeleid voor de

komende tien jaar vastgesteld. Het omgevingsbeleid is hét strategische kader voor de

ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe tot 2020. De Omgevingsvisie Drenthe is een integraal

document waarin de voor de provincie vier wettelijke planvormen zijn samengenomen:

1. de provinciale structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening;

2. het provinciaal milieubeleidsplan op grond van de Wet milieubeheer;

3. het regionaal waterplan op grond van de waterwetgeving;

4. het provinciaal verkeers- en vervoersplan op grond van de Planwet Verkeer en Vervoer.

De Omgevingsvisie beschrijft de ruimtelijk- economische ontwikkeling van Drenthe voor de periode tot

2020. De Omgevingsvisie heeft voor de provincie een interne binding. Dit betekent dat de provincie bij

de uitoefening van haar taken aan de Omgevingsvisie gebonden is. Daarnaast zijn er zaken uitgelicht

die van provinciaal belang worden geacht. Deze zijn:

1. het behouden en waar mogelijk ontwikkelen van de kernkwaliteiten rust, ruimte, natuur, landschap,

oorspronkelijkheid, veiligheid, naoberschap, menselijke maat, kleinschaligheid (Drentse schaal);

12 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

2. het behouden en versterken van de biodiversiteit door het realiseren van de Ecologische

hoofdstructuur (EHS);

3. het beschermen van de kwaliteit van lucht, water en bodem en het verbeteren van de

verkeersveiligheid, waterveiligheid en externe veiligheid;

4. het streven naar voldoende, gevarieerde, aantrekkelijke en vitale vestigingsmogelijkheden op

regionale bedrijventerreinen en andere stedelijke werklocaties en het bieden van voldoende

ontwikkelingsmogelijkheden in het landelijk gebied voor landbouw, recreatie en toerisme en

bedrijvigheid;

5. het ontwikkelen van een adequate strategie voor krimpgebieden, met aandacht voor wonen,

leefbaarheid, bereikbaarheid en arbeid;

6. het maken van bovenlokale afspraken over aantrekkelijke, gevarieerde en leefbare woonmilieus die

voorzien in de woonvraag;

7. het streven naar steden met een onderscheidende identiteit, gebaseerd op historische of

gebiedskenmerken waardoor de stedelijke centra gedifferentieerde blijven;

8. het ontwikkelen en behouden van robuuste stedelijke netwerken, waardoor de steden

samenhangen, samenwerken en complementair zijn;

9. de kwaliteit en kwantiteit van (grond)water;

10. het benutten van de mogelijkheden voor duurzame energieopwekking en -distributie en tevens het

besparen van energie, het zorgvuldige gebruik van de ondergrond voor de energiewinning, de opslag

van CO2, groen gas en aardgas en de energie-infrastructuur;

11. het creëren van voorwaarden voor een duurzame ontwikkeling van de mobiliteit in samenhang met

het creëren van betrouwbaarheid van (inter)regionale netwerken voor auto, openbaar vervoer, fiets en

goederen door de lucht en over weg, spoor en water evenals de verknoping met de (inter)nationale

netwerken;

12. de Ecologische Hoofdstructuur, de verschillende Drentse landschapstypen en de diversiteit in

landschapstypen;

13. het verbinden van stad en land door het verweven van de gebruiksfuncties, landbouw, natuur en

water in het landelijk gebied en het benutten van de kernkwaliteiten voor de plattelandseconomie;

14. sport- en cultuurparticipatie en de infrastructuur die hiervoor nodig is;

Voor al deze zaken geldt dat de provincie van mening is dat het ruimtelijke belang het gemeentelijk

niveau overstijgt en de provincie hier haar verantwoordelijk voor heeft. De provincie zal dan ook een

standpunt innemen over het gemeentelijke ruimtelijke plan indien een van de genoemde onderwerpen in

het ruimtelijke plan voorkomt.

Provinciale Ecologische Hoofdstructuur

Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) heeft als doel

om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Door verbindingen tussen natuurgebieden te

maken, kunnen planten en dieren zich gemakkelijker verspreiden over meer gebieden. Hierdoor zijn

deze gebieden beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden. In grotere natuurgebieden kunnen

bovendien meer soorten planten en dieren leven. De EHS bestaat uit:

bestaande natuurgebieden, reservaten, natuurontwikkelingsgebieden en zogenaamde robuuste

verbindingen;

landbouwgebieden met mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer (beheergebieden);

grotere wateren (zoals de kustzone van de Noordzee, het IJsselmeer en de Waddenzee).

De EHS wordt in principe afgestemd op planologische ontwikkelingen. Dit betekent echter wel dat

ruimtelijke ingrepen in de EHS met een negatief effect op de EHS in principe niet zijn toegestaan.

Onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken.

Het gebied rondom Zwartemeer is in die zin ecologisch waardevol omdat het een gebied is met wijken

dat waarden heeft voor ganzen, zwanen en steltlopers. Een gedeelte van het gebied tussen de Hoge

Weg en De Panden onderdeel is geworden van de PEHS. Bovendien is de Runde als onderdeel van de

PEHS aangemerkt.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 13


Figuur 2-2: PEHS Zwartemeer en omgeving

bestemmingsplan Zwartemeer

Volgens de basiskaart voor de Cultuur Historische Waardenkaart (CHW) van de provincie Drenthe zijn

de Verlengde Hoogeveensche Vaart, de Kamerlingswijk, Verlengde Oosterdiep, het stukje Hoofdwijk III,

de Verlengde Dorpshuiswijk en de Verlengde Meerwijk en alle daarop uitkomende wijken

cultuurhistorisch waardevolle topografische lijnelementen. Datzelfde geldt voor de bomenrijen langs de

Verlengde Hoogeveensche Vaart, Kamerlingswijk WZ, de Barriereweg en de bomenrij aan de oostelijke

kanaalzijde van de Verlengde Oosterdiep. De houtwal aan de oostkant van het sportterrein is eveneens

cultuur historisch waardevol. Datzelfde geldt voor het bos behorend bij het sportlandgoed.

2.5 Rijksbeleid

2.5.1 Ruimtelijk beleid

Voor het plangebied Zwartemeer geldt dat het ruimtelijke rijksbeleid geen directe invloed heeft op de

inrichting van het plangebied. De Nota Ruimte, met als titel "Ruimte voor ontwikkeling" is een

strategische nota van het Rijk, waarin de uitgangspunten voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland

zijn vastgelegd. In deze Nota gaat het om inrichtingsvraagstukken die spelen tussen nu en 2020, met

een doorkijk naar 2030. In de nota worden de hoofdlijnen van beleid aangegeven, waarbij de ruimtelijke

hoofdstructuur van Nederland (RHS) een belangrijke rol zal spelen. De nota heeft vier algemene doelen:

versterken van de economie (oplossen van ruimtelijke knelpunten), krachtige steden en een vitaal

platteland (bevordering leefbaarheid en economische vitaliteit in stad en land), waarborging van

waardevolle groengebieden (behouden en versterken natuurlijke, landschappelijke en culturele waarden)

en veiligheid (voorkoming van rampen).

14 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

De Nota Ruimte gaat uit van een heldere verdeling van verantwoordelijkheden tussen rijk en decentrale

overheden. Het nieuwe beleid sluit hiermee aan bij de uitgangspunten van het ruimtelijk beleid, die onder

meer tot uiting komen in het decentrale planningsstelsel, met een centrale rol voor de gemeentelijke

bestemmingsplannen. In het nieuwe beleid focust het Rijk zich meer dan voorheen op gebieden en

netwerken die van nationaal belang zijn. De afzonderlijke nota's (zoals bijv. Nota Mobiliteit, De Agenda

Vitaal Platteland) op de desbetreffende onderdelen van ruimtelijk beleid zijn samengevoegd tot één Nota

Ruimte. De kern Emmer-Compascuum valt hier niet onder.

In het nieuwe AMvB Ruimte stelt het kabinet kaders voor de ontwikkeling van het ruimtelijke gebied in

Nederland. In de realisatieparagraaf geeft het kabinet aan welke nationale ruimtelijke belangen het wil

verwezenlijken. Daarbij wordt onder meer ingezet op zuinig ruimtegebruik, de bescherming van

kwetsbare gebieden (nationale landschappen en Ecologische Hoofdstructuur) en voor bescherming van

het land tegen overstromingen en wateroverlast. In de realisatieparagraaf benoemt het kabinet ruim 30

nationale ruimtelijke belangen en de instrumenten om die uit te voeren. Daarvan komt een aantal in de

algemene maatregel van bestuur, de AMvB Ruimte.

De realisatieparagraaf krijgt de status van structuurvisie. Hij wordt toegevoegd aan de Nota Ruimte en

overige planologische kernbeslissingen (PKB's).

2.6 Conclusie

Het rijksbeleid werkt nauwelijks rechtstreeks door in het plangebied. Hierdoor is het bestemmingsplan

in directe zin niet in strijd met het rijksbeleid.

Het rijksbeleid werkt indirect door via het provinciaal beleid. Het provinciaal beleid vormt op zijn beurt

weer de input voor het gemeentelijk beleid. Voor het voorliggende bestemmingsplan kan geconcludeerd

worden dat dit passend is in het provinciale beleid.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 15


Hoofdstuk 3 Onderzoeken

3.1 Archeologie en monumenten

3.1.1 Archeologie

bestemmingsplan Zwartemeer

Per 1 september 2007 is de Monumentenwet 1988 gewijzigd ter uitvoering van het verdrag van Malta.

Het verdrag vraagt om bescherming van het archeologisch bodemarchief tegen bodemverstoringen als

gevolg van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De Monumentenwet verplicht gemeenten om bij het

opstellen van nieuwe planologische regelingen rekening te houden met de te verwachten en de

aanwezige archeologische waarden. Behoud van die waarden is het uitgangspunt.

Archeologiebeleid

Inmiddels heeft de provincie Drenthe nieuw aanvullend archeologiebeleid opgesteld. Op grond van

inhoudelijke overwegingen en expert judgement hanteert de provincie Drenthe een

vrijstellingsmogelijkheid van 500 m². Daarbij dienen de volgende uitgangspunten te worden gehanteerd:

het gaat om het totaal aan te verstoren bodemoppervlak binnen een plangebied of bouwblok van een

samenhangend project dat niet opgedeeld kan worden in deeluitwerkingen;

de vrijstelling geldt voor gebieden met een lage (alleen beekdalen), middelhoge en hoge

archeologische verwachtingswaarde, zoals aangegeven op de IKAW, tenzij binnen een afstand van

50 meter een AMK-terrein aanwezig is;

de vrijstelling geldt niet voor bekende vindplaatsen die op de AMK van Drenthe staat aangegeven;

uitzondering hierop zijn de historische kernen die op de AMK staan aangegeven als 'terrein van

hoge archeologische waarde'. Voor deze terreinen is een vrijstelling van 70 m² mogelijk.

Archeologisch onderzoek is niet vereist als het gaat om herbouw met dezelfde maatvoering als het

oorspronkelijke bouwwerk, dat wil zeggen dat de funderingen dezelfde horizontale en verticale

afmetingen hebben of wanneer werkzaamheden vergunningvrij kunnen worden uitgevoerd. Indien de

provinciale ontheffingsbevoegdheid niet van toepassing is op de voorgenomen bodemverstoring moet

door de veroorzaker een inventariserend archeologisch veldonderzoek wordt uitgevoerd. Dit onderzoek

kan aangeven of het gebied vrij van archeologie is of dat er waarden zijn waar rekening mee dient

worden gehouden. Totdat de Gemeente Emmen zelf onderbouwd archeologiebeleid heeft vastgesteld, is

het provinciaal beleid van toepassing en verwoord in de regels.

3.1.1.1 Archeologische monumenten

Binnen het plangebied liggen geen (beschermde) archeologisch monumenten. Ook ligt 50 meter buiten

het plangebied geen archeologisch monument.

3.1.1.2 Archeologische verwachtingswaarde

In het kader van het actualiseren van bestemmingsplannen heeft de gemeente Emmen het onderzoek-

en adviesbureau "de Steekproef" gevraagd om een archeologisch bureauonderzoek uit te voeren. Naar

aanleiding van dit onderzoek is op basis van het huidige en historische landgebruik en de bekende

archeologische waarden een gespecificeerde IKAW voor het plangebied opgesteld. Op deze

gespecificeerde IKAW is het plangebied aangewezen als een gebied met een lage en voor een klein

gedeelte een middelhoge trefkans.

3.1.2 Monumenten

3.1.2.1 Rijksmonumenten

Op grond van de Monumentenwet 1988 kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)

objecten aanwijzen als beschermd rijksmonument. In het plangebied zijn objecten aangewezen als

beschermd rijksmonument.

Eemslandweg 133 (overheidsgebouw);

Hogeweg 50 (kerk);

Kamerlingswijk WZ 136 (kerkelijke dienstwoning).

16 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


3.1.2.2 Provinciale monumenten

bestemmingsplan Zwartemeer

Maart 2009 is de provinciale monumentenlijst Drenthe gepubliceerd. Op deze provinciale

monumentenlijst staan geen objecten die in het plangebied liggen.

3.1.2.3 Gemeentelijk monumenten

lijst voorkomende objecten aangewezen als gemeentelijk monument. Op deze monumentenlijst staan

drie objecten die in het plangebied liggen.

Eemslandweg 26 (villaboerderij);

Eemslandweg 43 (winkelwoning);

Verlengde Van Echtenskanaal NZ 33 (gereformeerde zaalkerk).

3.2 Ecologie

Normstelling en beleid

Gebiedsbescherming

Ten aanzien van de gebiedsbescherming is met name de op 1 oktober 2005 in werking getreden

Natuurbeschermingswet van belang. In deze wet is de bescherming van natuurgebieden die zijn

aangewezen onder de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen geregeld (de zogenaamde Natura

2000-gebieden). Daarnaast kunnen op grond van de Natuurbeschermingswet gebieden van nationaal

belang worden aangewezen: Beschermde Natuurmonumenten. Ten aanzien van activiteiten in de

omgeving van deze gebieden, dient te worden beoordeeld of deze activiteiten "significant negatieve

effecten" kunnen veroorzaken.

Ecologische Hoofdstructuur

Naast gebieden die zijn aangewezen op grond van de Natuurbeschermingswet dient rekening te worden

gehouden met het provinciaal beleid ten aanzien van gebieden die zijn gelegen binnen de Ecologische

Hoofdstructuur (EHS). De EHS heeft als doel natuurgebieden te vergroten en te verbinden. Voor

ontwikkelingen binnen de EHS geldt het "nee-tenzij principe", hetgeen betekent dat ontwikkelingen

geen afbreuk mogen doen aan de natuurlijke kenmerken van het gebied. Indien vernietiging of verstoring

van de EHS plaats vindt, dient ten allen tijde compensatie plaats te vinden.

Soortenbescherming

De Flora- en faunawet is in werking getreden op 1 april 2002. Op grond van de wet geldt een algemeen

verbod op het verwijderen van beschermde plantensoorten en het beschadigen of verstoren van

voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten. Artikel 75 van de wet

voorziet in een aantal gevallen in een mogelijkheid tot ontheffing. Deze gevallen zijn verder uitgewerkt in

het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantsoorten.

Beschermd gebied Bargerveen

De zuidzijde van Zwartemeer grenst aan het Milieubeschermingsgebied Bargerveen. Dit gebied is tevens

aangewezen als Natuur-, Stilte- en Habitat/Vogelrichtlijngebied. Dit betekent dat planontwikkelingen en

-uitwerkingen nader getoetst dienen te worden aan Europese- en nationale wetgeving. Het Bargerveen

maakt onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), het plangebied zelf valt buiten deze

begrenzing.

Het Bargerveen is een binnen Nederland uniek restant hoogveen. In het gebied komt een groot aantal

zeldzame soorten voor, die kenmerkend zijn voor hoogveen. De aanwezigheid van de bijzondere milieus

en van open water, gecombineerd met de openheid van het landschap en de rust in het gebied, maken

het gebied van internationaal belang voor onder meer vogels. De bijzondere beschermingsstatus en de

aanwezigheid van bijzondere plant- en diersoorten hebben de volgende consequenties:

Het resterende hoogveen is erg gevoelig voor verdroging. In het gebied worden en zijn diverse

maatregelen getroffen om verdere verdroging te voorkomen. Maar ook activiteiten buiten het gebied

kunnen effecten hebben op de waterstand in het Bargerveen. In overleg met het waterschap en de

terreinbeherende organisatie zal de reikwijdte van ingrepen in het hydrologische systeem in en

rondom het Bargerveen bepaald en op kaart ingetekend moeten worden. De reikwijdte is de afstand

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 17


estemmingsplan Zwartemeer

tot waar een bepaalde ingreep in het hydrologische systeem invloed heeft op het Bargerveen. Deze

afstand wordt bepaald door hydrologische parameters als de weerstand van (eventueel aanwezige)

slecht doorlatende lagen in de bodem en het doorlatend vermogen van het watervoerend pakket.

Om de stilte in het gebied te bewaren heeft de provincie een geluidscontour rond het gebied

aangegeven. Activiteiten die de waarden van de contour overschrijden, zijn verboden.

Om het Bargerveen donker te kunnen houden, moeten activiteiten die lichtverstoring in het gebied

kunnen veroorzaken, hierop onderzocht worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om het aanbrengen van

straatverlichting of de verlichting van sportvelden.

Activiteiten die de overige abiotische omstandigheden negatief beïnvloeden, zijn niet toegestaan.

Het gaat dan bijvoorbeeld om vervuiling en vermesting.

Een deel van de vogels foerageert in de omgeving van het Bargerveen. Om deze vliegbewegingen

niet te belemmeren wordt het oprichten van hoge windmolens niet toegestaan.

Voor het Bargerveen zal een beheerplan door de provincie worden opgesteld. In dit beheerplan wordt

vastgelegd welke bestaande activiteiten zonder vergunning zijn toegestaan en welke activiteiten niet.

Aanwezige beschermde soorten Bargerveen

De bebouwde kom vormt voor diverse soorten planten en dieren een geschikt leefgebied. Hieronder zijn

veel soorten die door de Flora- en faunawet beschermd worden. Voor een deel van deze soorten geldt

een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Deze soorten zijn in een wetswijziging (AmvB) op de Flora-

en faunawet geplaatst in tabel 1. Voor de soorten die in deze AmvB in tabel 2 en 3 zijn genoemd, geldt

geen ontheffing bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Tabel I. Soorten waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd

Roofvogels Uilen Overige soorten

Boomvalk Kerkuil* Gierzwaluw*

Buizerd* Oehoe Grote gele kwikstaart

Havik Ransuil* Huismus*

Slechtvalk* Steenuil* Ooievaar*

Sperwer Roek*

Wespendief

Zwarte wouw

* Soorten die mogelijk kunnen broeden binnen de bebouwde kom

Tabel II. Soorten waarvan de nesten niet jaarrond zijn beschermd, inventarisatie wel gewenst

Spechten Overige soorten

Groene specht* Blauwe reiger*

Grote bonte specht* Bonte vliegenvanger*

Kleine bonte specht* Boomklever*

Zwarte specht Boomkruiper*

Draaihals Ekster*

Uilen Gekraagde roodstaart*

Bosuil* Glanskop*

Ruigpootuil Grauwe vliegenvanger*

Roofvogels Hop*

18 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Torenvalk* Ijsvogel*

Zeearend Kleine vliegenvanger*

Eenden Koolmees*

Brilduiker* Kortsnavelboomkruiper

Eidereend Pimpelmees*

Zwaluwen Raaf

Boerenzwaluw* Spreeuw*

Huiszwaluw* Tapuit

Oeverzwaluw Zwarte kraai*

Zwarte mees

Zwarte roodstaart*

* Soorten die mogelijk kunnen broeden binnen de bebouwde kom

Bij ruimtelijke ingrepen moet vooraf onderzocht worden of de ingreep negatieve gevolgen heeft voor

soorten uit tabel 2 of 3. In Zwartemeer gaat het dan om vleermuizen, vogels, steenmarter, poelkikker,

levendbarende hagedis, veldspitsmuis en adder. Hierover het volgende:

In de bebouwde kom van Zwartemeer kunnen vleermuizen een verblijfplaats hebben. Diverse soorten

hebben een kraam-, zomer- en/of winterverblijfplaats in huizen of andere gebouwen. Andere soorten

hebben verblijfplaatsen in bomen;

Een groot aantal vogels broedt binnen de bebouwde kom. Zij hebben nesten in tuinen,

groenvoorzieningen en gebouwen. Veel van deze soorten zijn weinig storingsgevoelig en bouwen elk

jaar een nieuw nest. Enkele soorten, waaronder bijvoorbeeld de kerkuil, maken jaarrond gebruik van

hetzelfde nest;

De steenmarter komt steeds meer voor in de bebouwde kom. Deze bouwt nesten in huizen en

schuurtjes. Zijn verblijfplaats bevindt zich vooral in huizen, leegstaande gebouwen en

rommelhoekjes;

In (de directe omgeving van) Zwartemeer zijn waarnemingen gedaan van rugstreeppad. Dit is een

pioniersoort. Braakliggende terreintjes in het dorp kunnen (tijdelijk) geschikte leef- en zelfs

voortplantingsgebieden vormen;

Aanwezige waterelementen (sloten, poeltjes) kunnen (tijdelijke) voortplantings- of verblijfplaatsen van

heikikker en poelkikker vormen;

In de directe omgeving van Zwartemeer komen adders voor. Adders zijn zeer plaatstrouw en

migreren weinig. Het lijkt daarmee onwaarschijnlijk dat de soort in het dorp voorkomt;

De levendbarende hagedis is waargenomen in de nabije omgeving van Zwartemeer. Deze soort leeft

bij voorkeur op enigszins vochtige heide of heide met vennen en in structuurrijke weg- en

spoorbermen en ruigten. Omdat geschikte biotopen voor de levendbarende hagedis zeer

waarschijnlijk ontbreken in het dorp Zwartemeer, is het aannemelijk dat de soort hier niet voorkomt;

Veldspitsmuizen kunnen in Zwartmeer met name aangetroffen worden langs bermen, in tuinen, bij

composthopen en in struikgewas.

De aanwezigheid van bovengenoemde soorten betekent dat bij alle ruimtelijke ontwikkelingen

onderzocht moet worden of de ingreep een negatief gevolg heeft voor één van deze soorten. Het gaat

daarbij vooral om:

het slopen of verbouwen van een woning of gebouw;

het kappen van bomen met holtes of vogelnesten;

het dempen van natte landschapselementen;

het bouwrijp maken en bebouwen van braakliggende grond;

het verwijderen van groenvoorzieningen.

Ten aanzien van de omgang met de steenmarter heeft de gemeente een beheerplan opgesteld. De

initiatiefnemer van een ingreep is verantwoordelijk voor het onderzoek naar de aanwezigheid van

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 19


eschermde soorten.

3.3 Fysieke veiligheid

bestemmingsplan Zwartemeer

Bij het begrip (externe) veiligheid kan men denken aan de bescherming tegen risico's die men loopt in

de nabijheid van inrichtingen, leidingen en wegen waar incidenten kunnen voorkomen waarbij gevaarlijke

stoffen betrokken zijn of andere gevaarlijke situaties kunnen ontstaan (bijv. knappen van

hoogspanningsdraden).

Normstelling en beleid

Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI)

Op risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Bij het

beoordelen van plannen dient bekeken te worden of voor de burgers het minimum beschermingsniveau

gehandhaafd wordt/blijft (plaatsgebonden risico). Voor de risicocontour van het plaatsgebonden risico

(PR) geldt, dat in een straal van 10¯ 6 per jaar geen kwetsbare (grenswaarde) en beperkt kwetsbare

(richtwaarde) objecten gebouwd mogen worden.

Daarnaast dient de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers expliciet te worden afgewogen en

verantwoord (groepsrisico). Voor het groepsrisico (GR) geldt dat onderbouwing van het risico dient

plaats te vinden als:

het groepsrisico ten opzichte van de voorgaande berekening verhoogd is;

het groepsrisico boven de gestelde oriëntatiewaarde uitkomt.

Bij deze verantwoording is het van belang dat de afdeling DPR van de Brandweer betrokken wordt bij de

afweging van risico's en onderbouwing.

Voor het vaststellen van het besluit dient het bestuur van de Regionale Brandweer Drenthe in de

gelegenheid gesteld te worden advies uit te brengen over het groepsrisico en de mogelijkheden tot

voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.

Vanuit de brandweer is richting gegeven aan het beoogde veiligheidsniveau van (de gebouwen in)

Zwartemeer. Hierbij is getoetst aan bestaande regelgeving en normen voor (externe) veiligheid,

bereikbaarheid, bluswatervoorziening, repressieve dekking en alarmsystemen welke onderdeel zijn van

de veiligheidsketen.

3.3.1 Beleidsuitgangspunten veiligheid Emmen

Voor de ontwerpstructuurvisie "Structuurvisie gemeente Emmen 2020, veelzijdigheid troef" zijn

beleidsuitgangspunten op veiligheidsgebied geformuleerd.

Emmen wenst een gemeente te zijn waarin een ieder veilig woont. Hier tegenover staat dat Emmen

industriestad van het Noorden is en in de toekomst een gemeente wil blijven waarin economie,

bedrijvigheid en werkgelegenheid hoog in het vaandel staan. De gemeente wil dus ruimte bieden voor

zowel wonen als werken. Door voor een Gebiedsgerichte Benadering te kiezen kan een acceptabele

invulling worden gegeven aan beide ambities. Door binnen de gemeente een indeling te maken naar

gebieden waar bepaalde (risicovolle) activiteiten juist wel of niet wenselijk zijn schept Emmen ruimte

voor zowel wonen (veilig wonen) als voor werken (ruimte voor industrie) zonder dat deze elkaar

belemmeren. Bij het ruimtelijk ordenen van risico's hanteert de gemeente Emmen de volgende

algemene uitgangspunten:

1. De industrieterreinen Bargermeer, A37 en Vierslagen zijn vanuit de ambitie Ruimte voor industrie de

voorkeurslocatie (zoekgebieden) voor vestiging van nieuwe risicovolle inrichtingen. Buiten de

zoekgebieden op de industrieterreinen Bargermeer, A37 en De Vierslagen mag geen nieuwvestiging

BEVI inrichtingen plaatsvinden. Met uitzondering van LPG-tankstations deze vormen een

uitzondering in die zin dat hiervoor per locatie een beoordeling zal worden gemaakt in het kader van

de daarvoor te voeren planologische procedure conform het BEVI;

2. Bestaande BEVI-inrichtingen op de industrieterreinen Bargermeer, A37 en De Vierslagen blijven

gehandhaafd en gerespecteerd, waarbij wijziging van bedrijfsvoering buiten de zoekgebieden niet

mag leiden tot verhoging van het plaatsgebonden risico.

3. Buiten deze industrieterreinen staat de ambitie Veilig Wonen voorop. Hier heeft wonen de prioriteit

20 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

boven (risicovolle) bedrijvigheid. Nieuwe ontwikkelingen in de vorm van (beperkt) kwetsbare objecten

worden nadrukkelijk getoetst aan het aspect fysieke veiligheid. De vestiging van niet

BEVI-inrichtingen (beperkt kwetsbare inrichtingen) vindt in principe buiten locatie 1 en 2 en buiten

de PR=10 -6 contouren plaats (uitzonderingen kunnen worden gevormd door branchegerelateerde

inrichtingen). Realisatie van nieuwe kwetsbare objecten binnen de zoekgebieden is niet toegestaan

en realisatie van nieuwe kwetsbare objecten op de industrieterreinen buiten de zoekgebieden is

beperkt mogelijk.

Figuur 3-1: Zoekgebied BEVI-inrichtingen:

De rode contour is het zoekgebied voor te vestigen BEVI- inrichtingen. De PR=10 -6 contour dient

daarbij binnen de eigen inrichtingsgrens te blijven én dient binnen de PR=10 -6 contour van het

zoekgebied te blijven. Indien PR=10 -6 contour niet binnen de eigen inrichtingsgrens te houden is mag

hier op de locaties 1 en 2 (op industrieterrein Bargermeer) onder voorwaarden van worden afgeweken,

mits rekening gehouden wordt met de beperking die dit oplevert voor de gevestigde niet-BEVI

inrichtingen.

3.3.2 Fysieke veiligheidssituatie

Parallel aan de Kamerlingswijk OZ voert een hogedruk-aardgastransportleiding van noord naar zuid. De

minimaal aan te houden veiligheidsafstanden t.o.v. deze leiding, 18 inch en 67 bar, is 60 meter. Van

deze gastransportleiding is het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) berekend. Het

plaatsgebonden risico is kleiner dan 10¯ 6 per jaar en er is daarom geen contour zichtbaar.

Voor de leiding is het groepsrisico berekend voor die kilometer die het hoogste groepsrisico oplevert

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 21


estemmingsplan Zwartemeer

(worst-casesegment). Voor de berekening is gebruik gemaakt van de daadwerkelijke parametering over

het geselecteerde, één kilometer lange segment. Om het worst-casesegment van een leiding te geven

is per stationering de overschrijdingsfactor van het groepsrisico weergegeven. Deze is berekend door

rondom elk punt op de leiding een segment van een kilometer te kiezen, dat gecentreerd ligt ten

opzichte van dit punt. Voor deze kilometer leiding is een FN-curve berekend en van deze FN-curve de

overschrijdingsfactor. De overschrijdingsfactor is de maximale verhouding tussen de FN-curve en de

oriëntatiewaarde. Daarmee is de overschrijdingsfactor een maat die aangeeft in hoeverre de

oriëntatiewaarde wordt genaderd of overschreden. Een overschrijdingsfactor kleiner dan één geeft aan

dat de FN-curve onder de oriëntatiewaarde blijft. Bij een waarde van één zal de FN-curve de

oriëntatiewaarde raken. Bij een waarde groter dan één wordt de oriëntatiewaarde overschreden. Deze

overschrijdingsfactor is vervolgens tegen de stationing uitgezet in een grafiek. In deze grafiek is tevens

af te lezen waar het middelpunt van het worst-case één kilometer segment ligt. Van het

worst-casesegment is de FN-curve weergegeven. Hiermee wordt inzichtelijk gemaakt wat het

groepsrisico is.

Resultaten GR-berekening A-582-KR--032 t/m 036 (gelegen in Zwartemeer)

Van de A-582-KR-032 t/m 036 kan geen FN-curve worden getoond omdat het berekende maximale

aantal slachtoffers voor iedere kilometer van de leiding kleiner is dan 10. Om deze reden kan eveneens

geen worst-casesegment getoond worden.

3.3.3 Route gevaarlijke stoffen

Ten aanzien van weg, spoor en water zijn geen risico's bekend die het plangebied nadelig kunnen

beïnvloeden. Binnen de gemeente Emmen is een route gevaarlijke stoffen vastgesteld die niet van

invloed is op dit plangebied. Spoor- en vaarwegen zijn niet aanwezig in het plangebied en derhalve niet

van toepassing.

3.3.4 Bereikbaarheid

Qua bereikbaarheid is het noodzakelijk dat een object van twee kanten bereikbaar dient te zijn.

Afwijkingen hierop zijn mogelijk, mits aan bepaalde voorwaarden zoals in de Handreiking toetsing

Ruimtelijke Ontwikkelings- en bestemmingsplannen van de Brandweer Emmen wordt voldaan.

De bereikbaarheid van de Barriereweg/Tuindorp/Krommewijk via het Verlengde Van Echtenskanaal NZ is

slecht te noemen. In overleg met de brandweer dienen er eventueel passende maatregelen genomen te

worden.

Verder voldoet het gebied goed aan de uitgangspunten van bereikbaarheid.

3.3.5 Repressieve dekking

Op 18 maart 2008 heeft het college het basisbrandweerzorg niveau vastgesteld. Besloten is dat een

eerste brandweereenheid in 80% van de gevallen binnen 15 minuten na alarmering op het

hulpverleningsadres aanwezig dient te zijn. In de uitwerking van het collegebesluit is tevens aangegeven

dat indien bij toekomstige situaties de landelijk geldende normtijden worden overschreden er in overleg

met de brandweer besproken dient te worden welke compenserende maatregelen getroffen dienen te

worden. Gezien de ligging van het plangebied is de verwachting dat binnen 15 minuten het eerste

uitrukvoertuig ter plaatse zal zijn. Echter, voor een deel van Zwartemeer is dit niet het geval en tevens

wijkt dit af van de landelijke normtijden.

Vanwege deze overschrijding en afwijking heeft de brandweer in alle woningen een gratis rookmelder

aangeboden en heeft er in 2009 / 2010 een communicatietraject gelopen waarin de bewoners hierop

gewezen zijn en wat men er wat betreft eigen verantwoordelijkheid aan kan bijdragen om de situatie te

verbeteren.

Bij nieuwe ontwikkelingen zal een initiatiefnemer met de brandweer contact op dienen te nemen om met

betrekking tot dit onderwerp van gedachten te wisselen.

22 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

3.3.6 Gegevens voor de nadere inrichting van het plangebied en nieuwe ontwikkelingen

3.3.6.1 Algemeen

Zodra plannen ontwikkeld worden dient de brandweer in een vroeg stadium bij de plannen betrokken te

worden om op basis van het beoogde veiligheidsniveau een advies te kunnen uitbrengen. De

"Handreiking toetsing Ruimtelijke Ontwikkelings- en bestemmingsplannen, eisen m.b.t. veiligheid"

opgesteld door brandweer Emmen is hierbij een hulpmiddel dat bij het toetsen van nieuwe ruimtelijke

plannen gehanteerd dient te worden.

3.3.6.2 Bluswatervoorzining en WAS systeem

Voor de inrichting van het gebied zijn de volgende zaken van belang:

1. Bluswatervoorziening dient in principe zo geregeld te worden dat binnen 40 meter van de toegang

van een object een toereikende openbare bluswatervoorziening met in principe een capaciteit van 60

m³/h aanwezig is. Primaire bluswatervoorzieningen dienen in overleg met de brandweer bepaald te

worden.

2. Op grond van de Wet op de Veiligheidregio is de Hulpverleningsdienst Drenthe, in geval van

calamiteit, verantwoordelijk voor het waarschuwen en alarmeren van de bevolking door middel van

het Waarschuwings- en alarmeringssysteem. Als gevolg van deze taak zijn binnen de gemeente

sirenes geplaatst op een zodanige wijze dat een optimale dekking gerealiseerd is binnen de

gemeente. Er kan gesteld worden dat het plangebied deels buiten de dekking van het WAS-stelsel

gelegen is.

3. Het is belangrijk dat in geval van calamiteiten hulpverleningsdienst direct ter plaatse kunnen komen

en zonder beperkingen hulp kunnen verlenen. Om die reden dienen alle objecten in het plangebied

via twee onafhankelijke wegen bereikbaar te zijn voor de hulpverleningsdiensten. Het gebied voldoet

aan deze vereisten. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen twee normale toeritten of een secundaire

route gebruikt te kunnen worden gebruikt. Wanneer hieraan wordt voldaan, voldoet het gebied goed

aan de uitgangspunten van bereikbaarheid.

3.4 Milieu

3.4.1 Vormvrije m.e.r.

In voorliggend bestemmingsplan Zwartemeer komen geen activiteit(en) voor die voorkomen op de D-lijst

van het Besluit m.e.r. Vanwege de afwezigheid van die activiteit(en) hoeft geen vormvrije m.e.r.

-beoordeling plaats te vinden.

3.4.2 Bedrijven en milieuzonering

Onder andere vanuit milieuhygiënisch oogpunt vergt bedrijvigheid een goede afstemming met andere, in

de omgeving aanwezige functies. Voor het bepalen welke categorieën bedrijfsactiviteiten toelaatbaar zijn

is in het kader van dit bestemmingsplan gebruik gemaakt van de VNG-uitgave "Bedrijven en

milieuzonering" (2009).

3.4.2.1 Bedrijventerrein Zwartemeer

Het bedrijventerrein in is een bestaand kleinschalig bedrijventerrein met een omvang van circa 2,8

hectare. Het bedrijventerrein biedt vooral plaats aan lokale bedrijven. Naast bedrijven is tevens een

aantal bedrijfswoningen op het bedrijventerrein aanwezig. Het bedrijventerrein is door de ligging tegen

het woongebied met name geschikt voor bedrijven in de lichte milieucategorieën 1 en 2, eventueel met

een bedrijfswoning. Het huidige karakter en zijn ligging maakt het bedrijventerrein ongeschikt voor zware

industrie. In de huidige situatie is op het bedrijventerrein één categorie 3.1 bedrijfsactiviteit aanwezig,

namelijk op het perceel Kamerlingswijk OZ 8, zijnde een goederenwegvervoersbedrijf. Dit bedrijf wordt

specifiek bestemd.

3.4.2.2 Verspreid liggende bedrijven (niet agrarisch)

Naast de bedrijven gelegen op het bedrijventerrein ligt een aantal bedrijven tussen de woonbebouwing

verspreidt.

Binnen het plangebied zijn vier bedrijven aanwezig met de milieucategorie 3.1 en één bedrijf in de

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 23


categorie 4.1, te weten:

bestemmingsplan Zwartemeer

Eemslandweg 39/39a, t.b.v. een kunstverwerkingsfabriek zonder fenolharsen (categorie 4.1);

Eemslandweg 41, t.b.v. een smederij/lasinrichting/bankwerkerij (categorie 3.1);

Eemslandweg 45, t.b.v. een goederenvervoersbedrijf (categorie 3.1);

Eemslandweg 70/70a, t.b.v. een metaaloppervlaktebehandelbedrijf/lakspuiten/moffelen (categorie

3.1);

Het perceel ten oosten van de Hogeweg 11 t.b.v. een sloopbedrijf (categorie 3.1).

Met de categorie 3.1 en 4.1 bedrijven wordt specifiek omgegaan. De in het plangebied voorkomende

categorie 3.1 en 4.1 bedrijven zijn in de bestaande situatie aanvaardbaar. Echter een uitwisselbaarheid

naar andere categorie 3 en 4 bedrijven moet ten gunste van de leefomgeving worden voorkomen. Dit

betekent dat bij verplaatsing/beëindiging van het betreffende bedrijf alleen eenzelfde of een bedrijf uit een

lagere categorie (categorie 1 en 2) op deze locatie gevestigd mag worden. Op deze manier wordt

gezorgd dat de leefbaarheid van de woonwijk ook in de toekomst behouden blijft.

3.4.3 Bodem

Normstelling en beleid

De aanwezigheid van bodemverontreiniging kan gevolgen hebben voor het gebruik van de locatie. Niet

alleen kan dit betekenen dat op het perceel gebruiksbeperkingen liggen. Ook kan het zo zijn dat de

bodemverontreiniging de bestemming van de locatie in de weg staat. Het nemen van

saneringsmaatregelen of het verwijderen van de bodemverontreiniging kan deze belemmering weer

opheffen.

In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing. In de wet is geregeld dat

indien ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen, er sprake is van

een saneringsgeval. Bij bodemverontreinigingen groter dan 25 m³ en grondwaterverontreinigingen groter

dan 100 m³ is er sprake van een urgent saneringsgeval. Bij verontreinigingen kleiner dan deze omvang

kan het bevoegd gezag zelf een afweging maken. Daarbij dient zij uiteraard de gevoeligheid van het

toekomstig functiegebruik te betrekken.

Toetsing en uitgangspunten bestemmingsplan

In het plangebied worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt waarvoor een verkennend

bodemonderzoek noodzakelijk wordt geacht. Op het moment dat er ontwikkelingen plaatsvinden in het

plangebied, waarbij de bodem wordt geroerd, zal bodemonderzoek moeten aantonen of de locatie

geschikt is voor de functie.

Uit de bodemkaart van de provincie Drenthe blijkt dat er op een aantal locaties bodemonderzoek is

uitgevoerd.

Uitgevoerde bodemonderzoeken

De Banken locatie A t.w.v. De Banken

De Doorlaat De Doorlaat/Kamerlingswijk

De Hoven 13 t/m 23, 1-15

De Huizen 17, 19, 29-53, 29/31, 49 en 53, 5-15

De Klinken 8

De Plaatsen sectie M nr. 1711 (ged)

Eemslandweg 55, 72, tussen 21 en 22, nabij nr. 140 kad. I 14927, 95, 125, 103, 35, 100a

Kamerlingswijk WZ 66, nabij 78, berm, 101, 45

Kamerlingswijk OZ 52, nabij 78, 3, 78, 42

Klemstrook 35-51 v.m. 9

Krommewijk 1, 1b

24 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Meerwijk NZ 12

Mollemastraat 2-12, 18

bestemmingsplan Zwartemeer

Nieuweweg 23, naast nr. 78 (79), naast 16 (14), 1

Stichtingstraat 8

Stormstraat kavel 15 (gesaneerde locatie)

Tuindorp 33

Zuidervaart WZ 5 (gesaneerde locatie), 7

Zuidervaart OZ naast 14, 11

Tabel I Uitgevoerde bodemonderzoeken

Verdachte locaties

Barriereweg I, II, III, 20

De Huizen 20

De Panden ZM I, ZM III

Eemslandweg I, II, III, 20, 126, 47-47d, 70-70a, 88, 112, 116, 26, 48, 71, 83, 79, 16

De Huizen 29/31 (asbest gesaneerd, maar blijft een verdachte locatie)

Eemslandweg 39 locatie gesaneerd, restverontreiniging achtergebleven bij Eemslandweg 40

Meerwijk NZ I, II

Mollemastraat 5, 14

Stichtingstraat Stichtingstraat

Tuindorp 35, 26

Zuidervaart WZ Zuidervaart WZ

Zuidervaart OZ Zuidervaart OZ, 5, 6

Hogeweg 12

Nieuweweg ZM I, ZM II

Meerwijk NZ I, II

Kamerlingswijk OZ V, VII, IX, VI, III, X, 16, 83, XII, I, VIII, XI

Kamerlingswijk WZ 63, 38, 82, 130, 136, Kamerlingswijk WZ

Tabel II Verdachte locaties

Verontreinigde locaties

Eemslandweg 58 GW: Pb

Eemslandweg 45 Grond + GW: minerale olie

Eemslandweg 101 BG + OG + GW: Cu

Eemslandweg 28 GW: xylenen, benzeen, minerale olie

Eemslandweg 63 GW: benzeen, ethylbenzeen, xylenen

Krommewijk 1b GW: Cr, Cu

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 25


GW = Grondwater

OG = ondergrond (0.5- +/- 1.0 m-mv)

BG = bovengrond (0-0.5 m-mv)

Tabel III Verontreinigde locaties

bestemmingsplan Zwartemeer

Nadere informatie over de bovenstaande locaties en de tanklijst die als bijlage is toegevoegd, kan

worden verkregen bij de gemeente Emmen, zowel bij de afdeling Toezicht, team gebruik als bij de

Afdeling Vergunningen, team gebruik.

De aanwezigheid van de bodemverontreiniging kan gevolgen hebben voor het gebruik van de locatie. Niet

alleen kan dit betekenen dat op het perceel gebruiksbeperkingen liggen, ook kan het zo zijn dat de

bodemverontreiniging de bestemming van de locaties in de weg staat. Het nemen van

saneringsmaatregelen zoals bijvoorbeeld het verwijderen van de bodemverontreiniging kan deze

belemmering dan weer opheffen. Gelet op de diversiteit aan bodemverontreiniging, en de mogelijke

functies van een perceel, is het niet mogelijk een complete lijst met locaties en beperkingen bij dit

bestemmingsplan te voegen. Van geval tot geval dient de situatie te worden beoordeeld. Bij locaties

waarvan de bodemkwaliteitsgegevens niet meer actueel zijn (onderzoek dat ouder is dan 5 jaar) of niet

bekend zijn, zal bij nieuwbouw en/of verbouwplannen door middel van een verkennend bodemonderzoek

(conform NEN 5740) de actuele bodemkwaliteit (opnieuw) moeten worden vastgesteld. Aan de hand van

het voorgenomen gebruik wordt getoetst of maatregelen noodzakelijk zijn.

3.4.4 Geluid

Normstelling en beleid

Het college van burgemeester en wethouders wordt door de Wet geluidhinder (Wgh) verplicht om bij de

voorbereiding van een besluit tot ontheffing of het opstellen van een bestemmingsplan dat voorziet in de

realisering van woningen of andere geluidsgevoelige bebouwing ten aanzien van wegverkeerslawaai de

voorkeursgrenswaarde van 48 dB (Lden) in acht te nemen.

In de Wet Geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een (geluids)zone heeft (art. 74 Wgh), met

uitzondering van de wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor

een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur. Wegen met een (geluids)zone zijn dus wegen met een

maximumsnelheid van 50 km/u en hoger. Binnen deze zone, de mogelijke invloedssfeer van de weg,

mag de geluidsbelasting aan woningen en andere geluidsgevoelige objecten, die door die weg

veroorzaakt wordt, de in de Wgh vastgelegde voorkeursgrenswaarden van 48 dB (Lden) niet te boven

gaan.

Toetsing en uitgangspunten bestemmingsplan

In het plangebied bevindt zich een viertal zoneplichtige wegen, te weten: Zuidervaart OZ, Eemslandweg,

Kamerlingswijk WZ/OZ, Klemstrook en het verlengde Van Echtenskanaal. Buiten het plangebied bevindt

zich de A37. Op de verbeelding is voor deze wegen een aanduiding 'Geluidzone-weg' opgenomen. De

overige wegen in het plangebied zijn erftoegangswegen waar een maximaal toegestane snelheid van 30

km/u geldt. Deze wegen zijn niet zoneplichtig. Alhoewel het voorliggend bestemmingsplan geen nieuwe

geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk maakt, is akoestisch onderzoek uitgevoerd voor

bovengenoemde zoneplichtige wegen. Aangezien dit bestemmingsplan een actualisatieplan is en hierin

geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, hoeven er geen hogere waarden te worden

aangevraagd.

3.4.5 Lucht

Normstelling en beleid

Op 15 november 2007 is het toetsingskader voor luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer in werking

getreden. De wet is enerzijds bedoelt om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken,

als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden

te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling.

26 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Volgens de nieuwe regeling vormt luchtkwaliteit in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van

een ruimtelijk project als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

een project draagt 'niet in betekende mate' (NIMB) bij aan de luchtverontreiniging;

een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen

een regionaal programma van maatregelen.

Toetsing en uitgangspunten bestemmingsplan

Met het voorliggend bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Zodoende

is het besluit niet in betekende mate op het bestemmingsplan van toepassing, waardoor toetsing aan de

grenswaarden achterwege kan blijven.

Overigens geldt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ook in de toekomst geen

belemmering voor ontwikkelingen vormt. Uit een onderzoek van de provincie Drenthe naar de

luchtkwaliteit in de huidige situatie blijkt dat in Drenthe geen overschrijdingen van de wettelijke

grenswaarden bestaan. Daarnaast vertonen de concentraties luchtverontreinigende stoffen al jaren een

dalende trend als gevolg van de schonere technologie.

3.5 Watertoets

3.5.1 Inleiding tot de waterparagraaf

In de waterparagraaf wordt beschreven hoe het huidige waterhuishoudkundig systeem van Zwartemeer is

ingericht, welke fysieke omstandigheden voor het gebied gelden (bodemopbouw, grondgebruik,

maaiveldhoogte, grondwatersituatie, rioolstelsel etc.) en of speciale functies voor het plangebied gelden.

In de beschrijving wordt ook ingegaan op de zogenaamde stedelijke wateropgave. De waterparagraaf is

een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan of besluit en beschrijft de uitwerking hiervan op het

watersysteem en geeft aan welke eisen het watersysteem aan het besluit of plan oplegt. De

waterparagraaf is de plek waar, naast een beschrijving van de waterhuishoudkundige consequenties van

het plan of besluit, het wateradvies en de gemaakte afwegingen expliciet en toetsbaar een plaats

krijgen. De waterparagraaf sluit daarom af met richtlijnen ten behoeve van de nadere inrichting/ nieuwe

ontwikkelingen in het plangebied.

3.5.2 Beleidskader

Het waterbeheer in Nederland is op verschillend niveau georganiseerd. Het rijk formuleert het landelijk

beleid op het gebied van het waterbeheer en maakt afspraken met andere Europese landen over

grensoverschrijdende thema's. Het landelijk beleid is verwoord in de Vierde nota op de

waterhuishouding en de Nota waterbeleid in de 21 ste eeuw. Eind 2009 is de Vierde Nota op de

waterhuishouding opgevolgd door het Nationaal Waterplan. Belangrijk beleidsuitgangspunt is het

gegeven dat er meer ruimte voor water moet zijn, met als gedachteleidraad de drietrapsstrategie

vasthouden, bergen en afvoeren. Met de overige overheden zijn vervolgens afspraken gemaakt welke

maatregelen genomen moeten worden om het watersysteem in de periode tot 2015 te verbeteren en op

orde te houden. Deze maatregelen zijn samengevat in het Nationaal Bestuursakkoord Water.

Genoemde maatregelen hebben betrekking op het aanpakken van de gevolgen van bodemdaling,

klimaatverandering en zeespiegelstijging. Op lokaal bestuurlijk niveau zijn vervolgens deze afspraken

verder uitgewerkt in de Regionale en Lokale bestuursakkoorden water.

De Waterwet is in 2009 in werking getreden. Deze wet stelt integraal waterbeheer op basis van

watersysteembenadering centraal en schept een kader voor de modernisering van het Nederlandse

waterbeheer. De Waterwet sluit goed aan op de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, waardoor de relatie

met het ruimtelijke omgevingsbeleid wordt versterkt. Door de nieuwe wetgeving kan niet alleen

makkelijker worden ingespeeld op Europese waterrichtlijnen, zoals de Europese Kaderrichtlijn Water,

maar ook op projecten waar de waterfuncties ook vanuit andere beleidsvelden worden beïnvloed. Denk

hierbij bijvoorbeeld aan natuurbeheer en ruimtelijke ordening. Aanwijzing van Natura 2000 gebieden en

het realiseren van de ecologische hoofdstructuur geven belangrijke randvoorwaarden voor de

waterfuncties.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 27


estemmingsplan Zwartemeer

De nieuwe Waterwet kent formeel slechts twee waterbeheerders voor het oppervlaktewater: Het Rijk

voor de rijkswateren en de waterschappen voor de overige wateren. De gemeente is geen

waterbeheerder, maar heeft wel waterstaatkundige taken: de hemel- en grondwaterzorgplicht. Deze

zorgplichten zijn sinds januari 2008 vastgelegd via de Wet gemeentelijke watertaken in de Wet op de

waterhuishouding.

De waterschappen hebben, naast hun beheertaak, een belangrijke rol in het beoordelen van

waterhuishoudkundige initiatieven die door gemeenten en/of projectontwikkelaars worden genomen. Via

de zogenaamde Watertoetsprocedure beoordelen zij de initiatieven op hun waterhuishoudkundige

consequenties en verwoorden dit in het wateradvies. De waterschappen hebben specifieke kennis over

hun beheergebied en stemmen hun beleid af op de deze gebiedseigenschappen. Via de eerder

genoemde Nationale- , Regionale- en Lokale gebiedsakkoorden wordt het voorgestelde

waterschapsbeleid met de overige belanghebbenden in het gebied bestuurlijk geborgd.

Als gemeente zullen we ervoor zorgen dat het watersysteem tijdig op orde is, duurzaam is ingericht,

voldoet aan de landelijke normen voor het voorkomen van wateroverlast, bijdraagt aan het bereiken van

grond- en oppervlaktewaterpeilen in relatie tot de functies van die wateren en gebieden, we gaan

verdroging tegen en houden rekening met de eisen vanuit de KRW. In de volgende paragrafen wordt dit

voor Zwartemeer uitgewerkt.

Uitgangspunt bij dit actualisatieplan is het bestaande watersysteem met de hierbij horende peilen,

stroomrichtingen en de ruimte die water nodig heeft. Verontreiniging van oppervlaktewater dient

voorkomen te worden.

3.5.3 Ligging plangebied

Zwartemeer ligt in het zuidoosten van de gemeente Emmen, ten zuiden van Barger- Compascuum en

ten oosten van Klazienaveen. De plangrens van het bestemmingsplan wordt zoveel mogelijk bepaald

door natuurlijke elementen, in combinatie met de overgang tussen het dorp en het buitengebied.

28 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Figuur 3-2: Bestemmingsplanbegrenzing (indicatief)

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 29


3.5.4 Grondgebruik

bestemmingsplan Zwartemeer

Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit bebouwd, stedelijk gebied. Aan de noordwestzijde van het dorp

ligt het nieuwe recreatie- en sportpark Zwartemeer, in het zuidwesten van het plangebied ligt het

sportveldencomplex. Om het dorp liggen akkerbouw gebieden en versnipperde veeteelt gebieden. De

woonkern van Zwartemeer is ontstaan als lintbebouwing langs de Kamerlingswijk en Verlengde

Hoogeveensevaart. Na de oorlog zijn enkele woonwijken in het tussenliggende gebied en ten noorden

van de Verlengde Hoogeveensevaart aangelegd. Aan de oostzijde van het plangebied kruist de herstelde

loop van de Runde het plangebied. De Runde is een oude veenloop, die ontspringt in het ten zuiden van

Zwartemeer gelegen hoogveenreservaat Bargerveen (Natura 2000-gebied).

3.5.5 Bodemopbouw

De bodemopbouw in het dorp bestaat voornamelijk uit Veen- en moerige gronden (iVp en iWp, veen- en

moerige gronden met een veenkoloniaal dek).De bodemopbouw in het zuidoosten bestaat uit Hoogveen

(code Vo, Vlietveengronden). Exacte gegevens over de bodemopbouw in het plangebied zijn niet

bekend, omdat deze niet zijn gekarteerd op de bodemkaart van Nederland. De onderstaande figuur laat

de bodemopbouw zien rond Zwartemeer.

Figuur 3-3: Bodeminformatie rond Zwartemeer (bron: website provincie Drenthe)

3.5.6 Hoogteligging

De onderstaande figuur geeft een beeld van de hoogteligging van het plangebied. Binnen het plangebied

varieert de maaiveldhoogte gemiddeld tussen ca. NAP + 16,00 en NAP 17,50 m. De laagste

maaiveldhoogten komen in het noordwesten van het plangebied voor (recreatie- en sportpark

Zwartemeer).

30 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Figuur 3-4: Hoogtekaart Zwartemeer (bron: AHN Nederland)

3.5.7 Grondwater

In de onderstaande figuur is de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) in het gebied aangegeven.

Het blijkt dat in het plangebied de grondwaterstanden sterk variëren. In het plangebied zullen de

grondwaterstanden rond de 80 - 100 cm beneden maaiveld liggen (voor zover bekend want in het

bebouwde gebied zijn de gegevens niet gekarteerd). In westelijke deel van het gebied (Rundedal) komen

als gemiddeld hoogste grondwaterstanden waarden tussen de 21 - 40 cm voor.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 31


estemmingsplan Zwartemeer

Figuur 3-5: Overzicht Gemiddeld hoogste Grondwaterstand (GHG) rond Zwartemeer (bron:

website provincie Drenthe)

De onderstaande figuur laat de kwel- en infiltratiesituatie zien. Duidelijk blijkt dat Zwartemeer in een

kwelgebied ligt. Ten westen van Zwartemeer bevindt zich een overgangsgebied.

32 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Figuur 3-6: Overzicht voorkomen kwel en infiltratie (bron: website provincie Drenthe)

3.5.8 Waterhuishouding

Het bestemmingsplan ligt in het stroomgebied Rijn-Oost (Kader richtlijn Water). Ten noorden van de

Verlengde Hoogeveensevaart ligt het binnen het beheersgebied van het waterschap Hunze en Aa's. Het

overige plangebied valt binnen de beheersgebied van het waterschap Velt en Vecht. Binnen het

bestemmingsplan liggen verschillen in grondgebruik, variërend van de stedelijke kern Zwartemeer, de

akkerbouwgebieden en de versnipperde veeteelt gebieden. Alle bestemmingen hebben daarin een eigen

behoefte ten aanzien van het waterbeheer.

Het gebied is ontstaan als lintbebouwing langs de Kamerlingswijk, Verlengde Hoogeveensevaart en later

de Zuidervaart. Vanuit deze kanalen is in droge perioden wateraanvoer mogelijk. Afwatering geschiedt

via de verlengde Hoogeveensevaart en het uitgebreide (cultuurhistorisch belangrijke) wijken en

kanalenstelsel.

In de loop der jaren is het maaiveld rond deze kanalen gedaald (veenontginning, inklinking). Daarom

kunnen grote delen van het gebied niet onder vrij verval afwateren op de verlengde Hoogeveensevaart en

is een gemaal noodzakelijk. Het zuidelijk deel van het gebied en de Kamerlingswijk wateren af via naar

het poldergemaal aan de Boertienstraat. Dit gemaal pompt het water op naar de Verlengde

Hoogeveensevaart. Het ten noorden van de Verlengde Hoogeveense vaart gelegen deel van Zwartemeer

watert af naar het noorden via het polderwatersysteem. Vanuit de Hoogeveense- en Zuidervaart kan

water worden ingelaten ten behoeve van het landbouwgebied.

Het streefpeil in de Verlengde Hoogeveensevaart is NAP + 15,80 m. Het peil in het omliggende

poldergebied ligt gemiddeld op NAP + 15,20 m (winterpeil). Het zomerpeil ligt ongeveer op NAP + 15,50

m.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 33


estemmingsplan Zwartemeer

Het Bargerveen is aangewezen als Natura 2000 gebied. In het kader van de landinrichting Emmen-Zuid

zijn er afspraken gemaakt over bufferzones van het Bargerveen. Via een uitgebreid gebiedsproces zijn

de noodzakelijke maatregelen voor het GGOR Bargerveen vastgesteld. Door (toekomstige)

inrichtingsmaatregelen kunnen de streefpeilen in de bufferzones veranderen. Daardoor kan drooglegging

onvoldoende zijn. Het uitgangspunt is dat de streefpeilen buiten de bufferzones niet gewijzigd zullen

worden.

In de onderstaande figuur is een kaart met de waterhuishoudkundige situatie in het beheersgebied van

Velt en Vecht opgenomen.

Figuur 3-7: Situatie waterhuishouding rond Zwartemeer (bron: Velt en Vecht)

34 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


3.5.8.1 Stedelijke wateropgave

bestemmingsplan Zwartemeer

In het kader van het verkennend onderzoek naar de stedelijke wateropgave is voor Zwartemeer,

Klazienaveen en Barger Oosterveen de conclusie dat de wateropgaaf ca. 35.000 m 3 is. Deze

wateropgaaf is bedoeld om de verwachtte extra neerslag door veranderende klimatologische

omstandigheden te kunnen bergen in het eigen watersysteem van het gebied. Hierdoor wordt extra

belasting van het hoofdafvoersysteem voorkomen (vasthouden-bergen-afvoeren). De wateropgaaf is

berekend voor de situatie met een overschrijdingsfrequentie van 1 keer per 100 jaar, waarbij rekening is

gehouden met 10 % extra neerslag, om de gevolgen van klimaatverandering in beeld te brengen. In het

kader van het Lokaal Bestuursakkoord Waterbeheer zijn afspraken gemaakt, om zowel de huidige als

de toekomstige waterbergingsbehoefte gezamenlijk uit te werken.

3.5.9 Riolering

Naast het inzamelen en afvoeren van afvalwater heeft het rioolstelsel een belangrijke functie in de

afwatering van de verharde oppervlakken in het plangebied. In een gemengd rioolstelsel worden

afvalwater en regenwater 'gemengd' en vervolgens gezamenlijk afgevoerd naar de rioolwaterzuivering.

Tijdens perioden met meer neerslag kan het voorkomen dat de rioolberging geheel gevuld raakt en zal

rioolwater via de riooloverstorten naar het oppervlaktewater stromen. Een gescheiden rioolstelsel houdt

afvalwater en regenwater gescheiden. Afvalwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuivering, regenwater

wordt rechtstreeks op het oppervlaktewater geloosd.

Het rioolstelsel in de kern Zwartemeer bestaat uit een hoofdbemalingsgebied (district 09) waarop de

drukrioleringen Kamerlingsewijk o.z., Zuidervaart o.z. en Dorpshuiswijk zijn aangesloten. Verder loost

op het stelsel het vacuümsysteem verl. Oosterdiep z.o.z.. OP het hoofdbemalingsgebied injecteert het

stelsel van Barger-Compascuum.

Het hoofdbemalingsgebied (district 09) is uitgevoerd als een gemengd stelsel. Het hoofdrioolgemaal

heeft een capaciteit van 215 m³.h -1 en verpompt het afvalwater naar de rioolwaterzuivering. Het gemaal is

gesitueerd aan de Meerwijk en verpompt het afvalwater naar het hoofdrioolgemaal van Klazienaveen.

Het hoofdgebied beschikt over 10 overstorten, welke lozen op resp. Verl. Hoogeveense Vaart (4 stuks),

Kamerlingswijk (4 stuks), Hoofdwijk III (1 stuks) en de Dorpshuiswijk (1 stuks). Een deel van het stelsel

is uitgevoerd als een gescheiden stelsel, waarbij het DWA onder vrij verval afvoert op het gemengd

stelsel. Het RWA-stelsel heeft drie lozingspunten welke lozen op de Dorpshuiswijk.

In het kader van de maatregelen om de vuiluitworp vanuit het rioolstelsel op het oppervlaktewater terug

te brengen, is afgesproken dat in Zwartemeer 7,87 ha verharding afgekoppeld wordt van het gemengde

stelsel. Met het uitvoeren van deze maatregel is gestart en een groot deel van de opgave is inmiddels

afgekoppeld. Tijdens reguliere rioolvervangingen en wijkrenovaties zal deze lijn worden doorgezet.

3.5.10 (Grond-)Waterkwantiteit en -kwaliteit

Voor Zwartemeer is het belangrijk dat binnen het plangebied de grondwaterstanden niet wezenlijk

wijzigen. Verhoging van de grondwaterstand kan leiden tot grondwateroverlast in het bebouwde gebied.

In het grootste deel van de kern komen veengronden voor. Verlaging van de grondwaterstand in deze

gebieden leidt tot oxidatie en inklinken van het veen.

In de kern van het plangebied is de woonfunctie maatgevend. Voor deze functie is de drooglegging van

groot belang. Minimaal is het nodig dat tussen de 1,00 m en 1,40 m drooglegging aanwezig is (de

drooglegging is de afstand tussen het bouwpeil en het oppervlaktewaterpeil). Bij deze drooglegging kan

een goede grondwaterstand voor de woonfunctie in het woongebied worden bereikt. Op dit moment

voldoet Zwartemeer aan dit criterium, met de opmerking dat de aanwezige drooglegging rond het

minimum ligt. Dit komt veel voor in veengebieden, maar maakt het gebied wel kwetsbaar voor overlast.

Effecten van veranderingen in de streefpeilen van de watergangen in en rond het plangebied moeten

daarom zorgvuldig worden onderzocht en beschreven. Uitgangspunt is dat de streefpeilen buiten de

bufferzones niet gewijzigd zullen worden.

Het moet voorkomen worden dat er tijdens perioden van neerslag overlast, schade of gevaar ontstaat.

Bij nieuwe ontwikkelingen zal dan ook goed moeten worden nagedacht over hoe er moet worden

omgegaan met afvoer en berging van regenwater. Afgewogen moet worden of het verstandig is het

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 35


estemmingsplan Zwartemeer

regenwater in het eigen gebied te bergen of dat het juist beter is het water af te voeren naar een andere

locatie. Afhankelijk van de locatie binnen het plangebied of functie van het gebied kan de keuze anders

uitvallen. Verder is het van belang om bij de afweging te laten meewegen of het gaat om maatregelen

die nodig zijn om water dat vrijkomt tijdens een kortdurende hevige hoosbui te verwerken, of dat het gaat

om maatregelen om water dat vrijkomt tijdens een langdurige natte periode te verwerken. Zowel binnen

als buiten het gebied is het mogelijk regenwater te bergen.

Als gekozen wordt om (een deel van) het regenwater tijdelijk in het gebied te bergen dan moet dit op

zo'n manier worden gedaan dat hiervoor een robuuste, goed te onderhouden voorziening wordt

aangelegd, die past binnen de gebruiksfunctie van het gebied en deel uit maakt van het bestaande

waterhuishoudkundige systeem. Voorkomen moet worden dat overgegaan wordt tot de aanleg van

solitaire vijvers, zeer diepe watergangen of waterpartijen met een kwetsbaar, instabiel ecosysteem.

Raakt de bergingsvoorziening vol, dan moet een zodanige escape worden aangelegd dat vervolgens het

water snel en doelmatig kan worden afgevoerd naar een locatie waar het geen overlast veroorzaakt. In

Zwartemeer is het geen optie om te kiezen voor infiltratie van regenwater, gezien de grondwatersituatie

en kwel. Vasthouden, bergen en afvoeren zijn voor het plangebied goed te realiseren, waarbij de beste

opties voor bergingsvoorzieningen aan de rand van het dorp voorkomen.

3.5.11 Richtlijnen voor de nadere inrichting/ nieuwe ontwikkelingen

Water is belangrijk voor het welzijn van mens en dier. In bebouwd gebied vormt het tevens een belangrijk

ordenend en esthetisch element. Om aan dit doel te voldoen is het belangrijk dat het water van goede

kwaliteit is en voldoende zuurstof bevat. Voor het plangebied betekent dit dat bij nieuwe ontwikkelingen

er op moet worden gelet dat:

alleen water wordt aangelegd op plaatsen waar dit op natuurlijke wijze kan;

water verbonden is met de rest van het watersysteem;

er voldoende oeverbegroeiing is;

afstromend regenwater schoon is en blijft;

lozingen vanuit de riolering worden voorkomen.

De diepte van de grondwaterstand in het plangebied maakt het mogelijk dat zonder zeer diepe

ontgravingen watervoerende sloten en vijvers kunnen worden gerealiseerd. Bij nieuwe ontwikkelingen kan

er daarom toe worden overgegaan om waterberging aan te leggen om afstromend regenwater te bergen.

Water kan worden vastgehouden in het gebied zelf door het aanleggen van bergingsvijvers of berging

buiten het gebied aan te leggen. Dit water kan ter plaatse van de ontwikkeling worden aangelegd of

elders in het peilgebied, waar het bestaande waterstructuren kan vergroten.

Regenwater heeft van nature een goede kwaliteit. Door allerlei oorzaken kan het verontreinigd worden en

hiermee bodem en oppervlaktewater belasten. Het is daarom van belang om er in eerste instantie voor

te waken dat regenwater verder wordt verontreinigd. Dat kan worden bereikt door de oppervlaktes waarop

regenwater valt schoon te houden (bijv. wegen en parkeerterreinen) door geen bestrijdingsmiddelen te

gebruiken en rekening te houden met het gebruik van strooizout of het gebruik van uitlogende

materialen.

Bij nieuwe ontwikkelingen moet zoveel mogelijk worden voorkomen dat regenwater wordt gemengd met

andere waterstromen. Denk bijvoorbeeld aan het mengen met huishoudelijk afvalwater in het gemengde

rioolstelsel. Bij nieuwe ontwikkelingen moet daarom worden onderzocht of het regenwater kan worden

afgekoppeld van het gemengde riool en gescheiden kan worden afgevoerd.

Het wijken- en kanalenstelsel is van grote cultuurhistorische waarde en moet daarom worden

beschermd. Het is daarom belangrijk dat deze structuren op de plankaart worden bestemd als water.

36 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Hoofdstuk 4 Stedenbouwkundige structuur

4.1 Ontstaansgeschiedenis

Het gebied kent een rijke geschiedenis. Het landschap deed als ondoordringbaar element dienst als

natuurlijke verdedigingslinie. De specifieke landschappelijke kenmerken van het gebied zijn ontstaan ten

tijde van de ontginning van het veen. De winning van het zwarte goud in het gebied wat tot die tijd onder

andere bekend stond als 'een groote moerassige heyde' begon circa 400 jaar geleden.

De kanalen, de bebouwingslinten en de grote openheid zijn de landschappelijke gevolgen van dit proces.

Na de ontginning van het veen werden de gronden in gebruik genomen als landbouwgrond. De laatste

decennia verandert het landschap. Nieuwe infrastructuur, dorpsuitbreidingen en recreatiegebieden

veranderen het landschap in snel tempo.

Figuur 4-1: Topografische ontwikkeling tussen 1860 en 1980

In het verleden bepaalden de natuurlijke gradiënten (bodem, reliëf en waterhuishouding) de wijze van

mate van bewoning. Meestal ontstonden de dorpen op de grens van de hoger gelegen droge gronden

naar de nattere gronden.

Zwartemeer

Uit de kaart van 1850 blijkt dat ter plaatse van het huidige Zwartemeer een meer aanwezig was met de

naam Zwarte-Meer. Het spreekt vanzelf, dat het voormalige Zwarte-Meer alles te maken heeft met het

huidige dorp Zwartemeer.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 37


estemmingsplan Zwartemeer

Figuur 4-2: Historische ontwikkelingen (rond 1850)

In het drassige veengebied , rond het grote meer, lagen allerlei poelen en plassen, die geheel

dichtgegroeid waren met planten en mossen. Rond dit meer ontstond de eerste bewoning, op veilige

afstand van de oever. Deze eerste bewoners waren afkomstig uit Duitsland. Het meer had rond 1860

een oppervlakte van meer dan 110 hectare en loosde het overtollige water onder andere in de Runde.

Het dorp Zwartemeer ontstond in eerste instantie als landbouwnederzetting. Vanaf 1860, het Verlengde

van Echtenskanaal was nog niet tot Zwartemeer doorgetrokken, vestigden boeren zich in het

zuidoostelijke deel van de gemeente Emmen om boekweit te telen.

Aan de oevers van het Zwarte-Meer werd in 1873 een pastoorsboerderij gebouwd. Deze boerderij had de

naam 'Modo Udum, Modo Sudum', oftewel 'Nu eens droog en Dan weer nat'. Bij Koninklijk Besluit van

12 juli 1880 werd aan de Drentse Kanaalmaatschappij toestemming verleend tot het verder graven van

de Hoogeveense vaart tot aan de Rijksgrens. In 1881 werden de rechten doorverkocht aan Van Holthe

tot Echten, zo ontstond de naam 'Verlengde van Echtenskanaal'. In 1894 werd de grens bereikt.

Pas toen het Verlengde van Echtenskanaal tot aan de grens werd doorgetrokken kwam Zwartemeer

onder invloed van de veenontgravingen en kreeg het dorp het karakter en de functie van een veenkolonie.

Om het hele gebied van het huidige Zwartemeer te kunnen ontginnen werden hoofd- en dwarswijken

aangelegd volgens het zogenaamde 'blokpatroon'.

38 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Figuur 4-3: Verdere historische ontwikkelingen

bestemmingsplan Zwartemeer

Vanaf ongeveer 1900 werd vanaf de Verlengde van Echtenskanaal in noordelijke richting begonnen met

het uitgraven van het Verlengde Oosterdiep. Nog voor de aanleg van het kanaal werd er een kerk

gebouwd op het kruispunt van het oorspronkelijke tracé met de Kamerlingswijk. Het tracé van het

Verlengde van Echtenskanaal lag oorspronkelijk zuidelijk van de huidige ligging. Aangezien dit tracé een

uitloper van de Hondsrug bij Klazienaveen kruiste, werd er besloten een nieuw tracé meer naar het

noorden te kiezen. De kerk ligt daardoor enigszins buiten het dorp.

De Kamerlingswijk was een hoofdwijk met daarop aansluitend dwarswijken als de Meerwijk en de

Dorpshuiswijk. Haaks op deze wijken werden op regelmatige afstand, variërend van 180 tot 200 meter,

zijwijkjes gegraven.

In 1928 heeft de gemeente Emmen het besluit genomen om in het belang van de krotopruiming over te

gaan tot de bouw van vijftig eenvoudige arbeiderswoningen. Een groot deel hiervan is in Zwartemeer

gebouwd, onder meer aan de Meerwijk, de Hogeweg, de Kamerlingswijk en aan de noordzijde van het

Verlengde van Echtenskanaal. Na voltooiing van dit project in 1931 duurde het tot 1936 voordat er weer

een aantal woningen werden gebouwd. In dat jaar zijn er 35 woningen gebouwd van het type

'bloembakwoningen' in 'Tuindorp'. Deze woningen genoemd naar de ingebouwde bloembak aan de

rechtervoorkant van elk huis, waren deels vrijstaand en deels twee onder een kap.

In 1941 werden de huizen aan de 'Stichtingstraat' en in 'de Huizen' opgeleverd. De zogenaamde

Dominohuizen aan de 'Mollemastraat' en het begin van de 'Huizen' zijn in de periode tussen 1948 en

1950 gebouwd. In dezelfde tijd zijn de huizen aan de 'Stormstraat' en nog een aantal woningen aan de

'Huizen', de 'Dwarsstraat' en de 'Stichtingstraat' gebouwd. De twee onder een kap woningen in de

'Hoven' zijn tussen 1952 en 1954 gereed gekomen evenals de eerste bejaardenhuizen aan de

'Stichtingsstraat'.

De bejaardenhuizen aan de 'Hemen' dateren uit circa 1960. De huizen aan de zogenaamde 'Lange

Hoven' zijn in 1962 gebouwd. Het oude sportcomplex aan de 'Dorpshuiswijk' is vanaf 1965 volgebouwd

met 64 huizen. Een volledig nieuw bestemmingsplan kwam in 1967 aan de orde, maar pas in 1972

werden de eerste huizen daarvan opgeleverd.

Tot het jaar 1981 werden er alleen maar sociale huurwoningen gebouwd. In dat zelfde jaar werden 20

premie koopwoningen opgeleverd aan de 'Banken'. In 1986 kwam aan de 'Zwaai' nog een aantal van

deze huizen gereed.

4.1.1 Ondergrond

Niet te missen is de aftekening van de Hondsrug op de hoogtekaart, uitstrekkend vanuit hartje

Groningen (linksboven) tot voorbij Emmen.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 39


Figuur 4-4: Hoogtekaartbeeld

4.1.2 Netwerken infrastructuur

bestemmingsplan Zwartemeer

De A37 vormt voor het gebied de toegang tot de rest van Nederland. Voor de toegang tot de rest van

Europa zorgt juist de Duitse infrastructuur voor een snelle verbinding, namelijk door middel van de A31.

De wegenstructuur tekent zich af als een waaier vanuit de stad Groningen met aan de randen de

belangrijkste verbindingen en in het midden de Veenkoloniën.

Figuur 4-5: Netwerk hoofdinfrastructuur

40 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


4.1.3 Occupatie verstedelijking

bestemmingsplan Zwartemeer

In de Grote Veenkoloniën (Groningen, Drenthe, Niedersachsen) wonen zo'n kleine half miljoen mensen.

De van oudsher bewoonde Hondsrug is te herkennen als een vestigingscentrum met haaks daarop

Veenkoloniale lintbebouwing (Drents deel). Het Stadskanaal markeert de grens en de bebouwing

versnippert, met nog steeds duidelijk herkenbare lintbebouwing. In Duitsland is er eveneens

lintbebouwing, maar komen de grotere nederzetting aan de Ems sterker naar voren. Op de Nieuwe

Kaart van Nederland concentreren de 'rode' ontwikkelingen zich vooral in de kernen rond Groningen en

Emmen.

Figuur 4-6: Huidige verstedelijking (Zwartemeer en Klazienaveen zijn omcirkeld)

4.2 Stedenbouwkundige hoofdstructuur

Stedenbouwkundig is Zwartemeer te typeren als deels een kanaaldorp (enkellint) van de Veenkoloniën.

De hoofdlijn van de stedenbouwkundige structuur wordt gekenmerkt door de lijnen van de Verlengde van

Echtenskanaal met de daarop dwars gelegen Kamerlingswijk en Zuidervaart. Langs deze

waterverbindingen liggen de hoofdontsluitingswegen van Zwartemeer.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 41


Figuur 4-7: Hoofdstructuur

4.2.1 Ruimtelijke kwaliteit

bestemmingsplan Zwartemeer

Ruimtelijke kwaliteit wordt ervaren indien binnen een samenhang van elementen een rijkdom aan

indrukken kan worden opgedaan. Kernbegrippen daarbij zijn structuur, identiteit, belevingswaarde.

Zwartemeer kent woonbuurten uit verschillende tijdperken. Hoewel de buurten qua beeldvorming en

opzet verschillend zijn, onder ander door de tijd wanneer zij zijn ontstaan, hebben ze één ding gemeen,

namelijk het feit dat er aan elke buurt een stedenbouwkundig plan ten grondslag ligt. Niets is per toeval

ontstaan maar is het een invulling van een stedenbouwkundige visie, dit geldt voor het stratenpatroon,

de landschappelijke elementen en ook voor de bebouwingstypologie en architectonische kwaliteit en

verschijningsvorm van gebouwen. Basiskwaliteiten en gemeenschappelijke (architectonische)

kenmerken kunnen worden geobserveerd die bepalend zijn voor de beleving en identiteit van de

woonomgeving.

Karakteristiek voor Zwartemeer zijn de volgende stedenbouwkundige elementen:

rechthoekig kavelpatroon;

openheid, overzicht;

kanalen;

beplante linten;

compactheid van het dorp;

groene ruimtes in het dorp;

herkenbaarheid van historische linten.

42 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Figuur 4-8: Huidige structuur Zwartemeer

4.2.2 Lintbebouwing

Opbouw

bestemmingsplan Zwartemeer

Lintbebouwing is een bebouwde omgeving aan beide zijden van een straat/kanaal met een typisch

lineaire structuur. De bebouwingslinten kenmerken zich door de aanwezige diversiteit aan bebouwing.

De linten volgen de structuren van de oorspronkelijke veenontginning.

De kern wordt gekarakteriseerd door de structuur van de lintbebouwing. Het gevelbeeld van het

bebouwingslint wordt vooral gekenmerkt door een grote mate aan variatie in positionering, bouwvolume

en -hoogte, kapvorm, vormgeving, kleur en materiaalgebruik.

Het dorp is ontstaan doordat het is geconcentreerd rond de lintbebouwing. In het dorp is de

lintbebouwingsstructuur nog terug te vinden. Grenzend aan het buitengebied ligt de lintbebouwing als

eenheid in het landschap, in contrast met het achterliggende danwel voorliggende gebied.

Foto's: Impressies lintbebouwing Zwartemeer

Nadere analyse per deelgebied

Bebouwing vertoont onregelmatig beeld in het centrum ten aanzien van hoogte, (kap)vorm en

rooilijn;

Historische bebouwing minimaal aanwezig;

Nokrichting haaks en evenwijdig op de weg;

Historische bebouwing minimaal aanwezig;

Aan de randen diepe kavels met overgang naar het landelijk gebied met relatief veel bijgebouwen;

hoofdgebouwen grotendeels in ongelede hoofdvorm;

Meerdere functies aan het lint in het 'centrum';

De structurerende route is het veenkoloniale profiel met het kanaal, de parallelwegen aan beide

zijden van het kanaal;

Het Van Echtenskanaal wordt ten westen van de Zuidervaart aan weerszijden begeleid door

laanbeplanting. De structuurlijnen aan de Zuidervaart en de Kamerlingswijk worden ook begeleid

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 43


door beplanting;

Het kanaal is het oriëntatiepunt;

De "wissels" functioneren als knooppunt;

Karakteristiek materiaal en kleurgebruik.

Knelpunten

bestemmingsplan Zwartemeer

Door verbouw/nieuwbouw kan door vormgeving of situering van de bebouwing de identiteit alsmede het

straat- en bebouwingsbeeld worden aangetast.

Conclusie

Extra aandacht dient uit te gaan bij de bouw/verbouw naar hoogte-breedte verhoudingen, positionering,

transparantie naar het achterliggende gebied, detaillering, kleur en materiaalgebruik. Bij voorkeur met

gebruikmaking van het reeds aanwezige scala van min of meer traditionele materialen en kleuren.

Belangrijk is een goede situering van aan- en bijgebouwen bij woningen met twee naar de weg gekeerde

gevels. Bestaande nokrichtingen dienen te worden gehandhaafd.

4.2.3 Woonbuurten (dorpsuitbreidingen)

Opbouw

Deze buurt bestaat grotendeels uit projectmatig gebouwde woningen bestaande uit één en twee

bouwlagen met zadeldak. De bebouwing is gevarieerd; strokenbouw, twee onder 1 kap en vrijstaand

waarbij elk type bebouwing zijn eigen identiteit heeft.

Nadere analyse per deelgebied

Architectonische eenheden met gemeenschappelijke kenmerken (kapvorm, materialen, kleur,

bouwhoogte etc);

Duidelijk herkenbare rooilijnen waarin de bebouwing is geplaatst;

Duidelijk ritme van bouwblokken, maar toch de herkenbaarheid van de individuele woning;

Bebouwing heeft relatie met en invloed op het openbaar gebied;

Verschil in identiteit tussen dorpsuitbreidingen onderling;

Variatie aan type bebouwing (strokenbouw, twee onder 1 kap en vrijstaand);

Standaard bouwvorm (identiteit) is nog intact;

Diverse woningen met twee naar de weg/openbare ruimte gekeerde gevels;

Op sommige locaties is er nog een restant van een wijk danwel een gedempte wijk zichtbaar;

Aan de randen van de dorpsuitbreidingen zijn doorzichten naar het landelijk gebied;

Karakteristiek materiaal en kleurgebruik: gevels metselwerk (rood), pannen gebakken/beton

(rood/zwart);

De oudere dorpsuitbreidingen hebben een hogere belevingsrijkdom aangezien deze ruimer van opzet

zijn en meer gemeenschappelijke kenmerken hebben (kapvorm, materiaal, kleur);

Tussen de bebouwing is door de afwijkende architectuur en verkaveling geen ruimtelijke

samenhang. De diverse dorpsuitbreidingen worden middels groenstroken en voetpaden ruimtelijk en

functioneel met elkaar verbonden bouwhoogte.

Knelpunten

Hoofdgebouwen

Door verbouw/nieuwbouw kan door vormgeving of situering van de bebouwing de identiteit alsmede het

44 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

straat- en bebouwingsbeeld worden aangetast. De bestaande bebouwing kenmerkt zich door

architectonische eenheden (woonblokken, rijtjeswoningen, dubbele woningen, vrijstaande woningen) met

gemeenschappelijke kenmerken (kapvorm, materiaal en kleur, bouwhoogte). Bij vervangende nieuwbouw

is hier van afgeweken waardoor er een onsamenhangende situatie is ontstaan met een aangetast straat-

en bebouwingsbeeld (foto 1). Projectmatig heeft er ook planmatige uitbreiding plaatsgevonden waarbij

rekening is gehouden met de identiteit van de bestaande bebouwing, bijvoorbeeld ten aanzien van de

mate van detaillering (foto 2)

Foto's: Knelpunt hoofdgebouwen (foto's 1 en 2)

Aan-, uit- en bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde

Op enkele locaties in de oudere dorpsuitbreidingen zijn projectmatig aanbouwen voor de naar de weg

gekeerde gevel gebouwd. Aangezien deze gevels nog niet zijn aangetast door andere uit-/bijgebouwen

heeft deze bebouwing nog steeds zijn eigen gave identiteit (zie foto 3). In de nieuwere

dorpsuitbreidingen (foto 4 en 5)zijn er aan-, uit- en bijgebouwen alsmede bouwwerken geen gebouw

zijnde gekeerd richting een naar de weg gekeerde gevel. Het geheel hiervan veroorzaakt een rommelig

en onsamenhangend straatbeeld.

Foto's: Knelpunt aan- en bijgebouwen (foto's 3, 4 en 5)

Conclusie

Per architectonische eenheid (woonblokken, rijtjeswoningen, dubbele woningen en vrijstaande woningen

moet bij vervanging of uitbreiding aandacht worden geschonken aan het gevelbeeld naar het openbaar

gebied en moet er rekening worden gehouden met de gemeenschappelijke kenmerken ten aanzien van

kapvorm, bouwhoogte alsmede materiaal en kleur. Belangrijk is een goede situering van aan- en

bijgebouwen bij woningen met twee naar de weg gekeerde gevels.

4.2.4 Werkgebieden (bedrijven)

Werkgebieden kunnen belangrijk zijn voor de economische versterking van een kern. De toonbaarheid

(uitstraling) van werkgebieden en of gebouwen is belangrijk als vestigingsfactor voor

bedrijven/ondernemers.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 45


Opbouw

bestemmingsplan Zwartemeer

Het bedrijventerrein is kleinschalig van omvang en kenmerkt zich door kleinschalige bedrijfsgebouwen

met bedrijfswoningen alsmede met een enkele grootschalige loods. Het terrein is bereikbaar via de

Eemslandweg alsmede via de Kamerlingswijk WZ.

Nadere analyse per deelgebied

Gebrek aan uitstraling, sobere bedrijfsgebouwen/loodsen en schuren;

Scheiding tussen privaat (bedrijfskavels) en openbaar (openbare weg) is onduidelijk;

Doorgaand verkeer is niet mogelijk, geen structurerende route;

Bedrijfswoningen hebben niet de uitstraling dat het een onderdeel van een bedrijf is;

Harde overgang tussen bedrijventerrein en het landelijk gebied;

Slechte herkenbaarheid van het gebied;

Lage belevingswaarde;

Rommelige indruk.

Knelpunten

Door de ligging grenzend aan het buitengebied is er een harde overgang met het buitengebied alsmede

met het lint aan de Kamerlingswijk ontstaan.

Conclusie

De samenhang tussen de bebouwing onderling alsmede de samenhang met het landelijk gebied is niet

aanwezig. De overgang tussen het landelijk gebied en het bedrijventerrein is erg hard. Dit door de vorm

van de bebouwing alsmede door het kleurgebruik. de bedrijfswoningen hebben niet het uiterlijk van een

bedrijfspand

4.3 Verkeersstructuur

4.3.1 Inleiding

In deze paragraaf worden de verkeerskundige en infrastructurele aspecten uit het plangebied bekeken.

Hierbij wordt eerst de huidige situatie van het plangebied beschreven. Vervolgens wordt ingegaan op de

toekomstige ontwikkelingen in het plangebied die met betrekking tot deze sector van belang zijn. Dit

hoofdstuk wordt afgesloten met de wensbeelden voor verkeer en infrastructuur.

Bij deze analyse is gebruik gemaakt van gegevens uit:

PVVP (Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan) 2007-2020;

Verkeersmodel gemeente Emmen 2005;

Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan, Bereikbaar en duurzaam veilig 2000. Dit plan kent een

doorlooptijd tot 2004. Op dit moment is er nog geen nieuw verkeersbeleid vastgesteld. Het GVVP

blijft voorlopig van kracht.

4.3.2 Huidige situatie

Wegen

De gemeente Emmen ondersteunt net als bijna alle andere wegbeheerders van Nederland, de

uitgangspunten van Duurzaam Veilig. Dit is bekrachtigd door een landelijk convenant te ondertekenen.

De wegen in de gemeente Emmen zijn gecategoriseerd conform Duurzaam Veilig met als doel een

optimale afstemming te bereiken tussen de functie van de weg, de vormgeving en het gebruik ervan door

de weggebruiker. Hiermee wordt beoogd onbedoeld gebruik van de weg, conflicten met hoge snelheids-

en richtingsverschillen, alsmede onzeker gedrag te voorkomen. De wegen zijn verdeeld in drie

categorieën, stroomwegen, gebiedsontsluitingsweg en erftoegangswegen.

Het plangebied wordt in het noorden ontsloten via de rijksweg A37 (Emmen-Duitsland). Deze weg heeft

een stroomfunctie en kent een maximum snelheid van 120 km/uur. Via de Zuidervaart Oostzijde

(provinciale weg N379, gebiedsontsluitende weg met een maximumsnelheid van 80 km/uur) kunnen de

toe- en afritten van de A37 worden bereikt. Deze afstand is circa één kilometer, zodat de ontsluiting van

het plangebied voor het gemotoriseerde verkeer goed is te noemen. Het plangebied ligt direct ten zuiden

van de Eemslandweg welke over gaat in het Verlengde Van Echtenskanaal Noordzijde. Deze

46 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

gebiedsontsluitingsweg loopt van Klazienaveen richting Duitsland. Binnende kom heeft deze weg een

maximum snelheid van 50 km/uur, daarbuiten 80 km/uur). De omliggende dorpen Klazienaveen en

Barger Compascuum hebben een directe, goede verbinding voor het gemotoriseerde verkeer. De

doorstroming op voorgenoemde wegen is goed.

Zowel in noord-zuidrichting als in oost-westrichting is het plangebied ook intern goed ontsloten. Het

plangebied heeft vanaf de Eemslandweg aan de noordkant en de Kamerlingswijk Westzijde aan de

westkant een aantal toegangswegen tot het gebied. In het gebied zelf bevinden op gelijkmatige afstand

van elkaar de wegen voor het interne verkeer. Deze wegen zijn gecategoriseerd als erftoegangswegen

heb hebben over het algemeen hetzelfde wegbeeld met een maximumsnelheid van 30 km/uur, er is

geen hiërarchie in de wegenstructuur. De intensiteit op deze wegen is relatief laag. De meeste wegen in

het plangebied hebben een recht tracé, met name de verbindingswegen tussen de dorpen en rijksweg.

Fietsverkeer

De afstanden binnen Zwartemeer zijn klein en goed per fiets af te leggen. Langs de Eemslandweg en de

Zuidervaart OZ liggen vrijliggende fietspaden. Op alle overige wegen maken (brom)fietsers gebruik van de

weg of parallelwegen. De fietspaden en parallelwegen hebben voor de fietsers een verkeerstechnische

functie in combinatie met een toeristische functie.

Openbaar vervoer

Binnen het plangebied halteren twee buslijnen die deel uitmaken van het streekvervoer in het gebied

rond Emmen. Het plangebied wordt hierdoor verbonden met de kernen Barger Compascuum,

Klazienaveen, Nieuw Dordrecht en Emmen. In Emmen kan worden overgestapt op de trein en andere

(regionale) buslijnen. De buslijnen volgen de doorgaande route via de Eemslandweg/ Verlengde van

Echtenskanaal Noordzijde. Eén buslijn volgt een kleine lus in het plangebied.

Parkeernorm

Bij toekomstige (nieuwbouw)ontwikkelingen worden vigerende parkeernormen conform de landelijke

richtlijnen van het CROW gehanteerd.

Verkeersintensiteiten

De gemeente Emmen houdt regelmatig verkeerstellingen. In 2007 en 2008 zijn in Zwartemeer de

volgende tellingen gehouden:

Eemslandweg ten oosten van Kamerlingswijk 1.300 mvt/etm

Kamerlingswijk WZ 1.600 mvt/etm

Eemslandweg ten westen van Zuidervaart 4.600 mvt/etm

Zuidervaart OZ 5.350 mvt/etm

Verkeersveiligheid

Om een uitspraak over de verkeersveiligheid in Zwartemeer te kunnen doen zijn de ongevallengegevens

tussen 2003 en 2007 geraadpleegd. In de genoemde periode zijn er binnen het plangebied in totaal 65

ongevallen geregistreerd.

Jaar Ongevallen

2003 17

2004 17

2005 7

2006 10

2007 14

Totaal 65

Bij deze ongevallen zijn 14 slachtofferongevallen waaronder 2 dodelijke ongevallen in 2005. De overige

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 47


estemmingsplan Zwartemeer

ongevallen hebben uitsluitend materiële schade. De belangrijkste knelpunten zijn Eemslandweg en

Verlengde van Echtenskanaal Noordzijde.

Toekomstige Ontwikkelingen

In de toekomst zullen er geen veranderingen in de wegenhierarchie binnen Zwartemeer plaatsvinden. Op

vrijwel alle wegen binnen Zwartemeer zal een dertig kilometer regime gelden met uitzondering van de

ontsluitingswegen.

Naar verwachting zal het aantal autoverplaatsingen licht toenemen met name vanwege de autonome

verkeersgroei (toename autobezit en autogebruik). Daarnaast zal door woningbouw het verkeer licht

toenemen.

Vanwege de bezuinigingen in het openbaar vervoer staan steeds meer buslijnen onder druk. Vanuit

sociaal oogpunt is het wenselijk dat Zwartemeer ook in de toekomst de busverbinding met Emmen

behoudt.

Wensbeeld/Aanbevelingen

Behoud van de huidige infrastructuur en waar mogelijk en wenselijk een verbetering;

De bereikbaarheid van het plangebied dient gewaarborgd te blijven;

Ook de bereikbaarheid per openbaar vervoer dient gewaarborgd te blijven.

4.4 Groenstructuur

De bijlage Groenstructuur Zwartemeer bevat een schematisch overzicht van de huidige groenstructuur

van Zwartemeer.

4.4.1 Huidige groenstructuur

Hoofdgroenstructuur

De hoofdgroenstructuur is gesitueerd langs de Verlengde Hoogveensche Vaart, met de daaraan parallel

lopende wegen Eemslandweg en Verlengde Van Echtenskanaal NZ, langs de Kamerlingswijk WZ, langs

het Verlengde Oosterdiep, met de daaraan parallel lopende Zuidervaart OZ en WZ en de Hoofdwijk III en

de daaraan parallel lopende Barriereweg.

De Verlengde Hoogeveensche Vaart wordt aan de noordzijde ter hoogte van de bebouwing begeleid door

een rij lindes en aan de zuidzijde door een rij eiken in gras. Richting Klazienaveen staat tussen de

lindes her en der opslag van o.a. berk. De rij lindes gaat na het bebouwingslintje richting Klazienaveen

over in eik c.q. opslag van eik en es.

Foto's: Links: Verlengde Hoogeveensche Vaart: noordzijde met lindes, aan zuidzijde eik.

Rechts: beeld in de richting van Klazienaveen.

De bebouwingszijde van de, aan de noordzijde van het kanaal parallel lopende, Verlengde Van

Echtenskanaal NZ kent verschillende groenstructuren namelijk gedeeltelijk wel een gedeeltelijk geen

bomen. Zo staan in het gedeelte t-splitsing Verlengde Oosterdiep - Barriereweg plantvakken met lindes

tussen de parkeerhavens, terwijl bij de bebouwing aan de westkant van de t-splitsing geen beplanting

staat.

48 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Foto's: Het gedeeltelijk wel en niet met bomen beplante Verlengde Van Echtenskanaal NZ

De bebouwingszijde van de, aan de zuidzijde van het kanaal paralel lopende, Eemslandweg staat in het

traject Klazienaveen - centrum een enigszins gefragmenteerde rij eiken in hagen c.q. sierstruiken (o.a.

rozen). Bij het centrum gaat deze rij eiken over in een rij van veldesdoorn in hagen c.q. onderbeplanting.

Na de kruising met de Kamerlingswijk gaat de rij veldesdoorn wederom over in een rij eiken in een

grasberm.

Het beeld van de Kamerlingswijk is eveneens monumentaal maar minder besloten omdat hier alleen een

bomenrij van eik aan de bebouwingszijde aan de westkant van de wijk staat. Aan de oostzijde van de

wijk wordt het beeld bepaald door het privégroen rondom de verspreid staande bebouwing in een verder

open grootschalig landschap. Vanaf de Kamerlingswijk WZ is goed zicht op dit landschap.

Foto's: Links: impressie Kamerlingswijk. Rechts: impressie Barriereweg

De Barriereweg wordt begeleid door een monumentale rij lindes aan beide zijden van de weg. Deze weg

ontsluit het noordoostelijk gelegen buurtje Tuindorp. Het monumentale karakter is te verklaren uit het feit

dat de Hoofdwijk III met de daaraan parallel lopende Barriereweg historisch een hoofdwijk was in het

veen van Barger Compascuum. In de periode 1965 - 1975 is deze wijk doorsneden door de snelweg N37

en is de Barriereweg een doodlopende weg geworden. Omdat de monumentale laan een historisch

waardevolle veenkoloniale groenstructuur is, wordt zij gerekend tot de hoofdstructuur.

Tenslotte is langs de oostkant van het Verlengde Oosterdiep een rij eiken aangeplant. Omdat langs het

kanaal veel opslag staat, is het zicht op het kanaal vanaf de weg vrijwel verdwenen. Langs de

bebouwingszijde staat een gefragmenteerde eikenrij. De westkant van het Verlengde Oosterdiep is

onbeplant, zowel langs het kanaal als langs de bebouwingkant van de weg. Hierdoor oogt het lintje vrij

kaal.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 49


Impressie Verlengde Oosterdiep

Groenaccenten

bestemmingsplan Zwartemeer

De twee dammen in de Hoogeveensche Vaart die op de T-splitsingen met het Verlengde Oosterdiep en

de Kamerlingswijk zijn aangelegd, zijn ingericht met een kunstwerk en een boomgroep van lindes in

gras. Daarnaast is bij de T-splitsing Hoogeveensche Vaart - Verlengde Oosterdiep naast de

Protestantse kerk een overdekte 'picknickplaats' aangelegd. Deze is omzoomd met hagen en

sierbeplanting.

Foto's: Kunstwerken en boomgroepen in gras op de dammen

Nevengroenstructuren

De nevenstructuur betreft de verschillende groenstructuren in de buurten van het dorp.

Een belangrijke nevenstructuur is het groen rondom de voorzieningen (winkels, scholen, kerk en

sporthal) in het centrum van het dorp en toegangswegen richting deze voorzieningen. Het betreft hier

vooral boomweides van o.a. lindes, esdoorns en moeraseik. Daarnaast zijn er singels tussen de

50 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

scholen en de sporthal aangeplant. De Klemstrook, de straat waar de winkels zijn gesitueerd, is

onbeplant.

Foto's: Links: groenstructuur bij voorzieningen. Rechts: boomweides langs route richting

voorzieningen

Een tweede nevenstructuur betreft groenstructuren langs de langzaam verkeersroutes in en langs het

dorp.

In het dorp betreft het de noord - zuid gerichte groenstructuur met voet/fietspad tussen de bebouwing

daterend uit de jaren '50 - '60 en de bebouwing uit de jaren '80 en later. Deze noord - zuid gerichte

groenzone is aangelegd op de plaats waar voorheen een wijk heeft gelegen. Deze groenstructuur

bestaat uit boomgroepen in gras en een speelweide tussen de achterkanten van beide, van karakter

verschillende, buurten. De groenstrook is vanuit beide buurten toegankelijk gemaakt door middel van

oost - west gerichte groenstrookjes met paden.

Langs de westkant van het dorp, vanaf het sportterrein tot aan de noordelijk gelegen dierenweide

'Beatrixhoeve' wordt het fiets/voetpad begeleid door een rij eiken in gras. Vanaf het pad is uitzicht op

het landschap. Het pad ligt op de plaats waar voorheen een wijk heeft gelegen.

Foto's: Links: Langzaam verkeersroute tussen 2 buurten. Rechts: langzaam verkeersroute

westzijde dorp

Langs een gedeelte van de Dorpshuiswijk is een voetpad aangelegd en wel langs het gedeelte van de

Runde tot aan de dierenweide. Vanaf het pad is uitzicht op het landschap en de Runde. Het voetpad

wordt begeleid door een rij essen. In het dorp is aansluiting op de groenstructuur rondom de

voorzieningen. Hier is tevens een oost - west gericht voetpad aangelegd dat tussen boomgroepen in

gras doorloopt tot de westkant RK kerk. Bij de dierenweide is een aansluiting op de voornoemde

langzaam verkeersroute richting sportterrein. Ten noordwesten van de RK kerk tot aan De Huizen is

eveneens een oost - west gerichte langzaam verkeersroute aangelegd. Ook hier wordt het pad begeleid

door bomen in gras.

Een derde nevenstructuur betreft de, noord - zuid gerichte, weg De Huizen. Deze weg volgt een

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 51


estemmingsplan Zwartemeer

veenkoloniaal kavelpatroon en is de verbindingsweg tussen het zuidelijke gedeelte van het dorp en het

centrum. De groenstructuur langs deze weg volgt echter niet deze lijnvormige structuur. Zo staat langs

het zuidelijke gedeelte van de weg een enigszins gefragmenteerde rij lindes, kent het middengedeelte

alleen privégroen en wordt het noordelijke traject gedeeltelijk begeleid door een rij berken.

Foto's: Links: De Huizen: zuidelijk deel beplant met lindes.Rechts: De Huizen middengedeelte

onbeplant

Een vierde nevenstructuur betreft groenstrookjes met bomenrijen (vooral moeraseik en in mindere mate

berk) in gras op de koppen van de bebouwing. Deze groenstrookjes zijn zowel in de oudere als nieuwere

buurtjes aangeplant.

Ook kent het dorp een zestal groene 'hofjes'. De drie 'hofjes' gelegen aan De Hoven zijn allen ingericht

met drie meidoorns in gras. De andere drie hofjes zijn gelegen aan de Dorstersstraat aan de westkant

van het dorp. Deze zijn ingericht met verschillende boomsoorten en sierheesters in gras. Vanaf deze

hofjes is zicht op het landschap.

Foto's: Links: zicht op landschap vanuit hofje Dorstersstraat. Rechts: hofje aan De Hoven

Ten slotte is de begraafplaats aan de noordzijde van het dorp omzoomd door singels c.q.

bos(plantsoen).

Recreatief groen

Het dorp heeft een sport c.q. recreatieterrein dat omzoomd is door singels, een groot speelveld

omzoomd door singels en rijen moeraseiken en een ijsbaan met aan de oostkant een singel. Verder zijn

er vier speelveldjes aangelegd en is er de dierenweide 'Beatrixhoeve' met een speelplek. In het gras van

de speelveldjes staan bomen en de speelveldjes worden al dan niet gedeeltelijk omzoomd met

sierheesters.

Aan de noordzijde van het dorp is recentelijk een 'sportlandgoed' aangelegd met o.a. een recreatieplas

en golfbaan. De Runde loopt eveneens door dit gebied. De Runde is onderdeel van de PEHS.

52 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

4.4.2 Nota van Uitgangspunten hoofdgroenstructuur

Een uitgangspunt ten aanzien van de hoofdgroenstructuur is dat het een doorgaande structuur is. Ten

tweede dienen boomgroottes te worden gekoppeld aan de belangrijkheid van de structuur. In het geval

van een hoofdstructuur houdt dit het gebruik van bomen van de 1e grootte in en dan bij voorkeur het

gebruik van cultuurhistorisch materiaal zoals de eik en linde.

De bomenrij(en) langs de Verlengde Hoogeveensche Vaart en de Kamerlingswijk zijn beeldbepalend,

cultuurhistorisch waardevol en zorgen voor een monumentaal karakter dat behouden dient te worden.

Toekomstig beheer dient er op gericht te zijn om deze structuurlijnen helder te houden en niet te laten

vervagen door opslag.

Langs de bebouwingszijde van de Eemslandweg/Verl. Hoogeveensche Vaart zijn ter hoogte van het

centrum veldesdoorns aangeplant. Aangezien dit geen boomsoort van de 1e grootte is ontbeert de

hoofdstructuur ter hoogte van het centrum de, voor de veenkoloniën, karakteristieke monumentaliteit.

Het verdient de voorkeur om (bij uitval) de veldesdoorns te vervangen door eik of linde.

De bebouwingszijde van de Verlengde Echtenskanaal NZ/Verl. Hoogeveensche Vaart kent verschillende

boomstructuren (gedeeltelijk wel en gedeeltelijk geen bomen). Het verdient de voorkeur om de structuur

ten oosten van de t-splitsing met het Verlengde Oosterdiep, namelijk lindes in de plantvakken tussen de

parkeerhavens, te continueren voorv het gehele bebouwingslint.

Hoewel de monumentale rij lindes langs beide zijden van de Barriereweg op dorpsniveau niet

beeldbepalend is, zijn zij cultuurhistorisch waardevol en dienen te worden behouden.

De bomenrij van eiken langs de oostzijde van het Verlengde Oosterdiep kent geen doorgaande structuur

en wordt sterk vervaagd door de aanwezige opslag. Bovendien is de westzijde van het kanaal met

aanpalende weg onbeplant. Hierdoor ontbeert het Verlengde Oosterdiep de voor de veenkoloniën zo

karakteristieke monumentaliteit. In lijn met de Nota herinrichting verdient de aanplant bomenrijen de

voorkeur. Evenals bij de Verlengde Hoogeveensche Vaart dient toekomstig beheer er op gericht te zijn

om deze structuurlijnen helder te houden en niet te laten vervagen door opslag.

De groenstructuur langs De Huizen, een straat die een historische noord - zuid gerichte kavelstructuur

volgt, ondersteund deze historische lijn niet. Deze kavellijn worden versterkt door een eenduidige

groenstructuurlijn aan te pkanten. Dit kan door het bestaande rijtje lindes te continueren, door over het

gehele traject een boomsoort van de 3e of 2e grootte kiezen (bijvoorbeeld veldesdoorn) of door te kiezen

voor alleen een grasberm.

4.5 Bevolkingsstructuur

De hoofdkern Zwartemeer telde per 01-01-2008 3.127 inwoners.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 53


estemmingsplan Zwartemeer

Figuur 4-9: Verhouding bevolkingsgroei en aantal woningen

Zwartemeer heeft al sinds begin jaren negentig te maken met een afnemend inwoneraantal en deze

tendens heeft zich de afgelopen 10 jaar doorgezet. De bevolkingsomvang van Zwartemeer nam eind

negentiger vrij sterk af om vervolgens in de jaren 2000 en 2001 weer toe te nemen. Sinds 2002 neemt

het aantal inwoners weer geleidelijk aan af. Over de afgelopen 10 jaar bezien nam de bevolkingsomvang

af met 67 inwoners, wat neerkomt op een gemiddelde jaarlijkse krimp van 0,2%. De omvang van de

woningvoorraad in Zwartemeer fluctueerde de afgelopen 10 door herstructureringsactiviteiten en nam

uiteindelijk per saldo met 2 woningen toe (81 nieuwbouw / 79 sloop).

Zwartemeer heeft een relatief jonge bevolking. De leeftijdsklassen 0 tot 55 jarigen zijn, met uitzondering

van de 10 tot 15 jarigen, in vergelijking tot het gemeentelijk gemiddelde, maar ook ten opzichte van

andere hoofdkernen, sterker vertegenwoordigd. De groep 60+-ers is daarentegen duidelijk minder sterk

vertegenwoordigd. In de hogere leeftijdsklassen heeft een dergelijk beeld doorgaans te maken met

vertrek naar kernen met meer woonzorg-aanbod, zoals in Klazienaveen.

Zwartemeer, bevolking en woningvoorraad per 1998 - 2008

ABS 1998 2003 2008

Bevolking 3.127 3.111 3.060

Woningvoorraad 1.189 1.181 1.191

Gemiddelde woningbezetting 2,63 2,63 2,57

Tabel 4-10: Bevolking en woningvoorraad Zwartemeer

54 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten van het bestemmingsplan

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan Zwartemeer is in overwegende mate een beheersplan. Het doel van dit

beheersplan is het actualiseren van het geldende planologische regime. Uitgangspunt hierbij is dat de

bestaande situatie wordt vastgelegd. Tevens dient het nieuwe bestemmingsplan rechtszeker, eenvoudig

te begrijpen, goed toepasbaar en handhaafbaar te zijn voor de gebruiker.

Met de indeling van het bestemmingsplan zoals de naamgeving van de bestemmingen, opbouw van de

regels (voorheen de voorschriften) en de weergave van op de verbeelding (voorheen plankaart) wordt

aangesloten op de "Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008" van het ministerie van VROM.

Het bestemmingsplan voldoet tevens aan de vereisten van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

(Wabo).

Het conserverende karakter van het bestemmingsplan brengt met zich mee dat nieuwe ontwikkelingen

niet in het plan worden meegenomen, tenzij deze concreet voorzienbaar zijn en benodigde onderzoeken

al zijn uitgevoerd.

Door de actualisatie komen zeven bestemmingsplannen deels of geheel te vervallen.

5.2 Inventarisatie

De inventarisatie van het plangebied heeft op verschillende manieren plaatsgevonden. Begonnen is met

het bekijken en vergelijken van de vigerende bestemmingsplannen met de meest recente topografische

ondergrond en luchtfoto. Hierbij is gelet op veranderingen van de topografische ondergrond en luchtfoto

ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan.

Daarna is het gebied ter plekke geïnventariseerd en opmerkelijke en sterk afwijkende zaken zijn

vervolgens nader onderzocht. Op basis van al deze gegevens zijn bestemmingen toegekend en zijn de

verbeelding en de planregels opgesteld.

5.3 Plantoelichting, verbeelding en regels

Het bestemmingsplan bestaat uit de plantoelichting, regels en verbeelding. De regels en de verbeelding

vormen het juridisch bindende gedeelte van een bestemmingsplan. De regels en verbeelding zijn aan

elkaar gerelateerd. Dit betekent dat de verbeelding en de regels altijd in samenhang moeten worden

gebruikt. De plantoelichting is bedoeld om de verbeelding en de regels te verduidelijken en om

gemaakte keuzen te verantwoorden aan de hand van ruimtelijk beleid.

Voor de verbeelding wordt als ondergrond de basiskaart Emmen (BKE) gehanteerd. Deze basiskaart

bestaat uit de Grootschalige Basiskaart van Nederland (GBKN) met gemeentelijke aanvullingen in de

vorm van extra meetgegevens. Met het oog op de volledigheid en nauwkeurigheid van de aanwezige

bebouwing wordt de meest recente versie van de BKE gehanteerd. Hiervoor wordt maandelijks de BKE

automatisch herzien. Echter, de ondergrond zal nooit een volledige weergave van de werkelijkheid zijn.

De op de plankaart aangegeven bebouwing moet dan ook als illustratief worden beschouwd. De BKE

wordt naast de extra meetgegevens aangevuld met kadastrale gegevens van de Digitale Kadastrale

Kaart.

Alle gronden die binnen het plangebied vallen hebben een bestemming en / of aanduiding gekregen op

de verbeelding. Deze bestemmingen en aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien in de

regels hieraan een betekenis wordt gegeven. De begrenzingen van de bestemmingen volgen zoveel

mogelijk geografische, topografische en/of kadastrale grenzen. Daar waar dat niet mogelijk bleek, is

gekozen voor een meer praktische benadering. De schaal van de verbeelding kan met behulp van de

computer door de gebruiker naar keuze worden ingesteld.

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en

bebouwing, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van

aanwezige en/of op te richten bebouwing.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 55


estemmingsplan Zwartemeer

Bij het opstellen van de regels is geprobeerd om de regels zo beperkt mogelijk te houden, door alleen te

regelen wat nodig is. Dit heeft alsnog geleid tot een tot een bestemmingsplanregeling met 31 artikelen.

5.4 Toelichting op de bestemmingen

De regels zijn een juridische vertaling van het planologisch/ ruimtelijk beleid van de gemeente, provincie

en het rijk. De regels zijn een juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden

en bebouwing, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van

aanwezige en/of op te richten bebouwing. Bij het opstellen van de regels is geprobeerd om de regels zo

beperkt mogelijk te houden door alleen te regelen wat nodig is. Voor elke bestemming is afzonderlijk

een bestemmingsregel opgenomen. Dit heeft alsnog geleid tot een tot een bestemmingsplanregeling

met 25 artikelen.

Gebruiksregels

Per bestemming is aangegeven voor welk gebruik de gronden zijn bedoeld. Indien daar aanleiding voor

bestaat, wordt via de specifieke gebruiksregels expliciet aangegeven waarvoor de gronden niet zijn

bedoeld.

Bouwregels

In een groot aantal bestemmingen zijn bouwregels opgenomen, waarbij de bouwmogelijkheden mee

worden gereguleerd. Hoofdgebouwen moeten altijd worden gebouwd binnen een daarvoor aangeduid

bouwvlak. Uitgangspunt voor de bebouwing is de bestaande voorgevel, die is vastgelegd door middel van

de aanduiding 'gevellijn'. Dit betekend dat indien er vervangende bebouwing wordt geprojecteerd, deze in

de gevellijn moet worden teruggebouwd. Daarnaast is op de verbeelding per bestemmingsvlak de

maximale bouw- en / of goothoogte aangegeven. Waar het wenselijk is om het huidige bebouwingsbeeld

in stand te houden zijn tevens aanduidingen opgenomen ten aanzien van bijgebouwen of de kapvorm van

daken.

Flexibiliteit

Af en toe kan het nodig zijn dat afwijking van de gestelde regels gewenst is. Deze

flexibiliteitsbepalingen bieden de mogelijkheid om op specifieke situaties in te kunnen spelen. De

uitvoering van de flexibiliteitsregelingen ligt bij het college van burgemeester en wethouders. In het

bestemmingsplan zijn de volgende flexibiliteitsregelingen opgenomen:

afwijkingen met omgevingsvergunning van de bouwregels;

afwijkingen met omgevingsvergunning van de gebruiksregels;

nadere eisen;

wijzigingsbevoegdheden artikel 3.6 Wro.

De afwijkingen van de bouw- of gebruiksregels maken afwijkingen van geringe aard mogelijk, waarbij de

aan de grond toegekende bestemming gehandhaafd dient te blijven. Door het inwerkingtreden van de

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden verschillende vergunningen en besluiten,

zoals de milieuvergunning, de bouwvergunning, afwijking van het bestemmingsplan en de kapvergunning

gebundeld in een integrale omgevingsvergunning. Toestemming van burgemeester en wethouders voor

een afwijking van de bouw- of gebruiksregels kan zodoende worden verkregen door het aanvragen van

een omgevingsvergunning.

Met de nadere eisen kunnen ondergeschikte zaken aan gebouwen worden aangepast. Het gaat hierbij

om zaken zoals het aanpassen van de vorm of de situering van een bouwwerk of de inrichting van een

terrein. Met 'nadere eisen' kunnen geen ingrijpende veranderingen plaatsvinden in de bestemmingen.

Bij toepassing van een afwijking en / of nadere eisen wordt het beoordelingskader gehanteerd zoals in

de onderstaande tabel is weergegeven. Deze lijst geeft de afwegingscriteria aan die meegewogen

moeten worden bij de afweging of een omgevingsvergunning wordt verleend en/ of het toepassen van de

nadere eisen. Op deze wijze kunnen interpretatieproblemen worden vermeden en wordt aan gebruikers

van de in het plangebied gelegen gronden zoveel mogelijk rechtszekerheid geboden. Het

bestemmingsplan biedt mogelijkheden voor de afwijken en de nadere eisen, de uitvoering van deze

56 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

flexibiliteitsbepalingen zal plaatsvinden via de omgevingsvergunning.

Bij toepassing van een ontheffing en/ of nadere eis mag geen onevenredige afbreuk worden

gedaan aan de volgende criteria:

1 de woonsituatie:

Ten aanzien van de woonsituatie dient rekening gehouden te worden met het in stand houden en/ of

garanderen van een goede woonsituatie, er dient rekening gehouden te worden met:

1 verkeersaantrekkende werking en de parkeerbehoefte;

2 overlast door lawaai, stank en/of trillingen;

3 de lichttoetreding/bezonning ten opzichte van (bebouwing op) aangrenzende gronden;

het uitzicht;

4 de aanwezigheid van voldoende privacy.

2 het straat- en bebouwingsbeeld:

In het belang van een verantwoorde, evenwichtige en samenhangende stedenbouwkundige en

architectonische inpassing dient aandacht gegeven te worden aan:

1 een goede verhouding tussen bouwmassa's en open ruimte, (landschappelijke inpassing);

2 de verhouding tussen de hoogte breedte van gebouwen;

3 gevelbeelden;

4 de samenhang van de bouwvorm met nabij gelegen bebouwing;

5 de hoogtedifferentiatie;

6 de situering van gebouwen op het perceel;

7 de geleding van de gebouwen indien de oppervlakte meer dan 1000 m² bedraagt.

3 de culthuurhistorie

1 cultuurhistorische waarden en archeologische waarden;

4 de verkeersveiligheid

Ten waarborging van verkeersveiligheid dient rekening gehouden te worden met:

1 verkeersaantrekkende werking, toename van de verkeersintensiteit en de parkeerbehoefte;

2 overlast door lawaai, stank en/of trillingen;

3 benodigde uitzichthoeken van wegen;

4 de aansluiting van in- en uitritten op de openbare weg;

5 de gevolgen voor het zicht op de openbare weg en of fiets- en voetpaden;

6 de aanwezigheid van voldoende laad- en losruimte.

5 de (sociale) veiligheid

Ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die onoverzichtelijk, onherkenbaar en

niet-sociaal controleerbaar is dient rekening gehouden te worden:

1 de mogelijkheden voor de verbetering van toezicht op en de overzichtelijkheid en toegankelijkheid

van een sociaal onveilige plek;

2 de mate waarin de toezicht op en de overzichtelijkheid en toegankelijkheid van een openbare ruimte

wordt ingeperkt.

6 brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding

Ten aanzien van de brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding dient rekening gehouden te

worden met de volgende aspecten:

1 aanwezigheid van kwetsbare objecten;

2 de aanwezigheid en routering van vluchtwegen;

3 de bereikbaarheid van de bouwwerken;

4 de beschikbaarheid en bereikbaarheid van adequate blusmiddelen.

7 de milieusituatie:

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 57


estemmingsplan Zwartemeer

Ter waarborging en ter voorkoming van een milieukundig ongewenste situatie als gevolg van een

ruimtelijke ingreep dient rekening gehouden te worden met:

1 de mate van hinder voor de omliggende functies;

2 de gevolgen voor de externe veiligheid;

3 de gevolgen van de aanwezigheid van gevoelige functies voor de hinderlijke functies;

4 de gevolgen voor flora en fauna in relatie met de omgeving;

5 de gevolgen voor de bodemkwaliteit;

6 de gevolgen voor de (grond)waterkwaliteit;

7 de situering van gebouwen ten opzichte van het water.

8 gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen

Ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende

gronden en de zich daarop bevindende bouwwerken is het niet toegestaan op enig terrein zodanig te

bouwen, dat daardoor op een aangrenzend terrein, waarvan de toestand op dat moment overeenkomt

met het plan, een situatie zou ontstaan die niet meer overeenkomt met het plan of waardoor een reeds

bestaande afwijking van het plan zou worden vergroot.

Beoordelingscriteria afwijkingen

De bevoegdheid ex. artikel 3.6 Wro om het bestemmingsplan te wijzigen ligt eveneens bij burgemeester

en wethouders. De wijzigingsbevoegdheid maakt een wijziging van een bestemming in een andere

bestemming mogelijk. Voor de wijzigingsbevoegdheid geldt dat deze niet kan worden uitgevoerd, voordat

onderzoek is uitgevoerd. Dit biedt de mogelijkheid om nader onderzoek zoveel mogelijk op de concrete

situatie af te stemmen.

Staat van Inrichtingen

In diverse bestemmingsregels van dit bestemmingsplan wordt verwezen naar een een staat van

inrichtingen. De toegestane vormen van bedrijvigheid in het plangebied zijn ontleend aan de 'Bedrijven en

milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten, 2009. Op basis van deze lijst is voor een

specifieke Staat van inrichtingen opgesteld. Aan deze lijst is een onderscheid tussen kwetsbare en

beperkt kwetsbare objecten toegevoegd en als bijlage bij de regels opgenomen. Reden voor toevoeging

van dit onderscheid is de bescherming van de aanwezigen in objecten. Daarnaast is het van belang dat

bij de bouwplantoetsing geen verkeerde afweging wordt gemaakt in het kader van de kwetsbaarheid. De

keuze voor kwetsbaar of beperkt kwetsbaar kan namelijk gevolgen hebben voor saneringsopgaven,

weigeren van vergunningsaanvragen en negatief adviseren op ruimtelijke plannen. Op het moment dat

een kwetsbaar object aanwezig is, kan een risicovol bedrijf niet meer in dezelfde omgeving worden

toegelaten of uitgebreid. Wordt een kwetsbaar object binnen een risicocontour van een bestaand bedrijf

gebouwd, dan kan er een situatie ontstaan waarbij sanering noodzakelijk is. Dit laatste kan dan ook

leiden tot planschade.

Het is belangrijk dat de afweging niet constant hoeft plaats te vinden (ad hoc), maar dat er vooraf

duidelijkheid wordt gegeven of een activiteit/ object kwetsbaar is of beperkt kwetsbaar. Deze

problematiek rond de afweging speelt zich landelijk af, maar hiervoor is tot nu toe nog geen duidelijk

toetsingskader ontwikkeld. Wij hebben daarom zelf een toetsingskader ontwikkeld en aan de staat van

inrichtingen toegevoegd.

Bescherming van waarden door middel van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van

een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Om bepaalde natuurlijke, landschappelijke en/ of cultuurhistorische waarden te beschermen is bij de

bestemming 'Agrarisch-Grondgebonden' (artikel 3) een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een

werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen.

Door het opnemen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk

zijnde, of van werkzaamheden in de bestemming kan de uitvoering van bepaalde activiteiten - die niet

altijd en overal in strijd met de onderkende waarden behoeven te zijn - aan bepaalde voorwaarden

gebonden worden. Het stelsel van Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen

bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden biedt het college de mogelijkheid om de toelaatbaarheid van

58 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

bepaalde activiteiten en gebruiksvormen per geval na te gaan en eventueel aan de uitvoering bepaalde

eisen te stellen. Het moet daarbij gaan om activiteiten die op basis van de doeleindenomschrijving van

het betreffende artikel mogelijk zijn, maar waarvoor een nadere afweging omtrent de toelaatbaarheid is

gewenst. Met een Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van

werkzaamheden kunnen dus geen extra gebruiksmogelijkheden aan een bestemming worden

toegevoegd. Voor de gebruiksmogelijkheden blijft de doeleindenomschrijving het kader. Normale

onderhoudswerkzaamheden kunnen zonder vergunning uitgevoerd worden. Daarom is bij alle

omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

aangegeven dat normale onderhoudswerkzaamheden niet onder de vergunningsplicht vallen. In de

praktijk kan het lastig zijn om te bepalen of een bepaalde activiteit als "normaal onderhoud" kan worden

aangemerkt. In ieder geval zal het bij "normale onderhouds- c.q. exploitatiewerkzaamheden" moeten

gaan om werkzaamheden die ter plaatse regelmatig terugkeren, teneinde tot een goed beheer van de

gronden te komen. Incidentele ingrepen zoals bijvoorbeeld de cultuurtechnische situatie kunnen niet

onder normale onderhoudswerkzaamheden begrepen worden. Ook werkzaamheden die een

onherstelbare aantasting betekenen van de aan een gebied toegekende waarde zullen niet als "normaal"

beschouwd kunnen worden.

De planregels van dit bestemmingsplan zijn opgedeeld in vier hoofdstukken:

Hoofdstuk 1. Inleidende regels (artikel 1 en 2);

Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels (artikel 3 t/m 24);

Hoofdstuk 3. Algemene regels (artikel 25 t/m 29);

Hoofdstuk 4. Overgangs - en slotregels (artikel 30 en 31).

De inhoud van de verschillende artikelen wordt als volgt toegelicht:

5.4.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels

In hoofdstuk 1 worden diverse begrippen welke in de planregels worden gehanteerd nader verklaard. Dit

om interpretatieproblemen zoveel mogelijk te voorkomen. Daarnaast wordt

aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten.

Artikel 1: Begrippen

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die in de regels worden gehanteerd. De

begripsbepalingen in artikel 1 zijn noodzakelijk bij de interpretatie van de regels. Bij de toetsing aan het

bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende

betekenis. Voor zover geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale

spraakgebruik.

Behalve de eerste twee begrippen zijn deze omschrijvingen alfabetisch gerangschikt. Zij zijn zoveel

mogelijk gebaseerd op vaste jurisprudentie. In de loop der tijd hebben de meeste begrippen zich

ontwikkeld tot een standaard, waarvan ook in dit bestemmingsplan gebruik is gemaakt.

Artikel 2: Wijze van meten

De bepalingen over de wijze van meten zijn in artikel 2 opgenomen. Dit artikel geeft aan hoe de hoogte-

en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

5.4.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3: Agrarisch

De voor 'Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijven.

Binnen deze bestemming zijn geen bouwvlakken opgenomen zodat het niet mogelijk is te bouwen.

Artikelen Bedrijf

De bestemming 'Bedrijf' is toegekend aan de zelfstandige bedrijven in het plangebied. Als gevolg van de

verschillen in mate van hinder die de bedrijven veroorzaken, valt de bestemming 'Bedrijf' in dit

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 59


estemmingsplan Zwartemeer

bestemmingsplan uiteen in 3 bestemmingen. Deze zijn:

Artikel 4: Bedrijf Milieucategorie 2;

Artikel 5: Bedrijf-Verkooppunt motorbrandstoffen;

Artikel 6: Bedrijf-Nutsvoorzieningen.

De bestemming 'Bedrijf - Milieucategorie 2' is toegekend aan de zelfstandige bedrijven in het plangebied

die qua hinder vallen onder de milieucategorie 1 en 2.

De in het plangebied voorkomende bedrijven zijn overeenkomstig het huidige gebruik en

bouwmogelijkheden in dit bestemmingsplan opgenomen.

Uitgangspunt voor het bestemmingsplan is dat in woongebieden in principe alleen milieucategorie 1 en 2

bedrijven (de zogeheten lichte vormen) gevestigd kunnen worden. De toegestane vormen van

bedrijvigheid in zijn ontleend aan de 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse

Gemeenten, 2009. Op basis van deze lijst is voor Zwartemeer een specifieke Staat van inrichtingen

opgesteld en als bijlage bij de regels opgenomen.

Voor alle bedrijvenbestemmingen geldt dat de bebouwing dient te worden opgericht binnen de op de

verbeelding aangegeven bouwvlakken.

Wonen mag alleen plaatsvinden in de reeds bestaande bedrijfswoningen en niet in bedrijfsruimten. De

bedrijfswoning zover deze aanwezig is wordt op de verbeelding met een aanduiding 'bw' weergegeven.

In de bestemming Bedrijf zijn afwijkingen met omgevingsvergunning van de bouwregels opgenomen om

het bestemmingsplan flexibeler te maken. Naast algemene afwijkingen (o.a. Daarnaast zijn ten aanzien

van het gebruik ontheffingsmogelijkheden opgenomen om bedrijven toe te staan die niet in de lijst zijn

opgenomen of bedrijven uit een anders categorie dan opgenomen in de lijst als het bedrijf minder hinder

of gelijkwaardige hinder veroorzaakt dan in de bedrijvenlijst verondersteld.

De artikelen 4 en 5 kennen een wijzigingsbevoegdheid. De wijzigingsbevoegdheid heeft betrekking op

het wijzigen van het gebruik van de (bedrijfs)bebouwing voor een woonfunctie of voor een sociale,

culturele, medische, maatschappelijke en educatieve functie, waaronder expositieruimten.

Artikel 4: Bedrijf-Milieucategorie 2

De voor 'Bedrijf-Milieucategorie 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsdoeleinden uit de

milieucategorieën 1 en 2 zoals genoemd in de Staat van inrichtingen welke is opgenomen in de bijlage

bij de regels. De toegestane vormen van bedrijvigheid zijn ontleend aan de 'Bedrijven en milieuzonering'

van de Vereniging Nederlandse Gemeenten, 2009 (groene boekje). Op basis van deze lijst is voor

Zwartemeer een specifieke Staat van inrichtingen opgesteld en als bijlage bij de regels opgenomen.

Voor een vijftal bedrijven is een specifieke vorm van bedrijf opgenomen in verband met hun afwijkende

milieucategorie. Op deze adressen mogen uitsluitend de huidige vormen van bedrijvigheid bestaan. Bij

eventuele bedrijfsbeëindiging mag hetzelfde soort bedrijf opnieuw worden gevestigd of een bedrijf uit

milieucategorie 1 en 2 die worden genoemd in de Staat van inrichtingen die als bijlage is gevoegd bij

onderhavig bestemmingsplan. Deze bedrijven zijn:

Eemslandweg 41 t.b.v. een smederij/lasinrichting/bankwerkerij (milieucategorie 3.1);

Eemslandweg 45 t.b.v. een goederenwegvervoersbedrijf;

Eemslandweg 70/70a t.b.v. een metaaloppervlaktebehandelbedrijf: lakspuiten en moffelen

(milieucategorie 3.1);

Perceel ten oosten van Hogeweg 11 t.b.v. een sloopbedrijf (milieucategorie 3.1);

Eemslandweg 39/39a t.b.v. een kunststofverwerkingsfabriek zonder fenolharsen (milieucategorie

4.1).

Artikel 5 : Bedrijf - Nutsvoorzieningen

De voor 'Bedrijf-Nutsvoorzieningen' aangewezen gronden zijn bestemd voor nutsvoorzieningen en de

daarbij behorende gebouwen met een maximum bouwhoogte van 4 meter. Het betreft onder andere

transformatorhuisjes en gasdruk-regelstations.

Artikel 6 : Bedrijf-Verkooppunt motorbrandstoffen

60 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Op het adres Eemslandweg 28 is een verkooppunt motorbrandstoffen gevestigd zonder LPG. Naast de

verkoop van motorbrandstoffen, zonder LPG, is binnen deze bestemming uitsluitend detailhandel in

bijbehorende accessoires en benodigdheden voor motorvoertuigen en weggebonden artikelen

toegestaan. Gebouwen mogen binnen deze bestemming niet worden opgericht. Wel is het mogelijk om

een luifel (een ander bouwwerk) binnen het bouwvlak op te richten.

Artikel 7: Bedrijventerrein

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bedoeld voor bedrijven in de milieucategorie 1 en 2.

Voor het goederenwegvervoersbedrijf op het perceel Kamerlingswijk OZ 8 (milieucategorie 3.1) is een

specifieke vorm van bedrijf opgenomen in verband met de afwijkende milieucategorie. De toegestane

vorm van bedrijvigheid zijn ontleend aan het "Groene boekje" Bedrijven en Milieuzonering (2009). Op

basis van deze lijst is voor het bedrijventerrein een specifieke Staat van inrichtingen opgesteld en als

bijlage bij de regels opgenomen. Het is mogelijk om binnen deze bestemming te wonen indien de

gronden op de kaart zijn aangeduid met een "bw".

Gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak worden gebouwd en

geluidzoneringsplichtige inrichtingen zijn ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh), risicovolle inrichtingen en

vuurwerkbedrijven uitgesloten.

Artikel 8: Cultuur en ontspanning, Kinderboerderij

De voor 'Cultuur en ontspanning, Kinderboerderij' aangewezen gronden zijn bestemd voor een

kinderboerderij met dierweide.

Gebouwen dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden, met als voorwaarde dat niet meer wordt

gebouwd dan in de regels is aangegeven.

Artikel 9: Gemengd

De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van dienstverlening,

detailhandel, kantoor, maatschappelijke voorzieningen en wonen. Gebouwen mogen uitsluitend binnen

het bouwvlak worden opgericht.

Artikel 10: Groen

Structuurbepalend groen, waaronder de openbare groenstroken tussen zijtuinen van woningen en de

openbare weg en de grotere groenstroken, zijn bestemd als "Groen'. Binnen de bestemming mogen

geen bouwwerken worden opgericht. Binnen deze bestemming is tevens het aanleggen/verleggen van

voetpaden/fietspaden mogelijk. Ook het buurtgroen en speelveldjes vallen onder de bestemming 'Groen'.

Artikel 11: Horeca-1

De horeca-inrichtingen in het plangebied zijn in verband met de bijzondere functie en mogelijke hinder

afzonderlijk geregeld, in de zin van een eigen horecabestemming met specifieke klasse- aanduiding. De

zwaarte van de klasse- aanduiding heeft met name te maken met de dag-, avond- of nachtelijke

openingstijden en, in het verlengde hiervan, de verkrijgbaarheid van (sterk) alcoholische dranken. In de

begripsomschrijvingen (artikel 1) is van de verschillende horecabedrijven een nadere omschrijving

opgenomen.

De voor 'Horeca-1' aangewezen gronden zijn bestemd voor een horeca-inrichting in de categorie 1. Het

betreft horecabedrijven die voornamelijk gericht zijn op het verstrekken van etenswaren. Gebouwen

dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden. Binnen deze bestemming is het mogelijk om te

wonen ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning '(bw).

Artikel 12: Horeca-3

De voor 'Horeca-3' aangewezen gronden zijn bestemd voor een horeca-inrichting in de categorie 1, 2 en

3. Het betreft (eet)cafés en vergelijkbare horeca-inrichtingen. Gebouwen dienen binnen het bouwvlak

gerealiseerd tw worden.

Artikel 13: Maatschappelijk

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen en

ondergeschikte bouwwerken, parkeervoorzieningen, sport- en speelgelegenheden en dergelijke.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 61


Artikel 14: Maatschappelijk - Begraafplaats

bestemmingsplan Zwartemeer

Binnen het plangebied zijn twee begraafplaatsen aanwezig. De begraafplaatsen zijn gelegen achter de

woningen aan het Verlengde van Echtenskanaal NZ nrs. 49 - 57 en aan de Hogeweg naast de kerk. De

voor 'Maatschappelijk- Begraafplaats' aangewezen gronden zijn bestemd voor een begraafplaats / graven

en een onderhoudsgebouw. Andere bouwwerken, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen,

toegangswegen, nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen mogen binnen deze

bestemming eveneens opgericht worden.

Artikel 15: Maatschappelijk - Onderwijs

De gronden aangewezen voor "Maatschappelijk, onderwijs" zijn bedoeld voor scholen ten behoeve van

het basisonderwijs, voortgezet onderwijs, peuterspeelzaal, kinderdagopvang en buitenschoolse opvang.

Artikel 16: Maatschappelijk - Religie

De kerken aan het Verlengde van Echtenskanaal 33, de Mollemastraat 5, De Hoven 8 en de Hogeweg

50 zijn onder de bestemming 'Maatschappelijk-Religie' gebracht. Binnen de bestemming is het mogelijk

om te wonen ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' (bw).

Artikel 17: Sport

Binnen de bestemming Sport zijn alle sportaccommodaties en sportvelden binnen het plangebied

ondergebracht.

Bebouwing mag alleen binnen de aangegeven bouwvlakken plaatsvinden. Het is mogelijk om de gronden

die bestemd zijn voor sport te gebruiken voor evenementen zoals een kermis, of jaarlijks wederkerende

activiteiten. Voor de sportbestemmingen geldt dat ten dienste van de bestemming een horeca - 1 functie

aanwezig mag zijn. Bij een dergelijke Horeca - 1 functie moet gedacht worden aan een sportkantine.

Een zelfstandige Horeca - 1 functie is niet toegestaan.

Artikel 18: Tuin

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen. Door de tuinen specifiek te bestemmen

wordt voorkomen dat het straatbeeld wordt aangetast door ongewenste bebouwing voor de voorgevel.

Artikel 19: Verkeer

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen en straten voor hoofdzakelijk het

doorgaande verkeer. Binnen deze bestemmingen zijn ook, voor zover aanwezig, de bermen, bermsloten

en bermbeplanting opgenomen. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden opgericht.

Wel is het mogelijk dat andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden opgericht.

Artikel 20: Verkeer - Verblijfsgebied

De voor Verkeer - Verblijfsgebied aangewezen gronden zijn bestemd voor woonstraten,

parkeervoorzieningen en wegen ten behoeve van de ontsluiting van de aanliggende erven en percelen.

Behoudens garageboxen mogen binnen deze bestemming geen gebouwen worden opgericht. Deze

functies zijn echter wel specifiek met een aanduiding op de verbeelding aangebracht.

De bestemmingen bieden de mogelijkheid om waterhuishoudkundige voorzieningen te treffen voor het

afvoeren van water of het extra bergen van water.

Artikel 21: Water

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor de in het plangebied voorkomende

(hoofd)watergangen en waterpartijen.

Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden opgericht. Wel is het mogelijk om andere

bouwwerken zoals bruggen, dammen en of duikers aan te leggen, echter deze mogen de

waterhuishouding niet belemmeren.

Artikel 22 t/m 24 Woonbestemmingen

In het bestemmingsplan is een onderscheid gemaakt tussen drie verschillende woningtypes. Het betreft

aaneengebouwde woningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen.

62 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Bestemmingsomschrijving en gebruiksregels

bestemmingsplan Zwartemeer

Binnen de drie woonbestemmingen wordt de mogelijkheid geboden voor de (her)bouw van woningen en

de realisatie van daarbij behorende voorzieningen. Dit laatste is tevens bedoeld om ondergeschikte, aan

de woonfunctie grenzende voorzieningen (bijvoorbeeld groenvoorzieningen of toegangswegen) waarvan

de feitelijke begrenzing niet exact blijkt samen te vallen met de bestemmingsgrens onder de

woonbestemming te brengen.

Bouwregels

Voor alle woonvormen geldt dat het hoofdgebouw binnen het bouwvlak gerealiseerd moet worden. Voor

wat betreft de bouw- en goothoogte wordt uitgegaan van de bestaande maatvoering, tenzij anders is

aangeduid op de verbeelding. Hetzelfde geldt voor de dakhelling. Daarnaast geldt dat het hoofdgebouw

op de gevellijn moet worden gebouwd. Tussen de woningtypes bestaat wel enig onderscheid in de

uitbreidingsruimte (zie hieronder). Een ander verschil betreft de maximale oppervlakte aan- en

bijgebouwen die op een perceel mogen worden gebouwd.

Afwijkingen

Naast afwijkingen voor wat betreft het bouwen op- of achter de gevellijn en maatvoeringen van

bijgebouwen zijn tevens ontheffingen opgenomen voor het realiseren van 30 m² extra bebouwing voor de

realisatie van WMO voorzieningen.

Binnen de woonbestemmingen zijn tevens aan-huis-gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten

toegestaan. Voor de precieze inhoud van deze definitie en de voorwaarden moet gekeken worden in de

beleidsnotitie aan-huis- gebonden beroepen van de gemeente Emmen. Hierin staan diverse

randvoorwaarden die hiervoor van toepassing zijn. Onder andere het maximaal te gebruiken

vloeroppervlak en de voorwaarde dat de woonfunctie in ruimtelijk en visuele zin primair moet blijven.

Artikel 22: Wonen - Aaneengebouwd

Bij 'Wonen - Aaneengebouwd' gaat het om grondgebonden aaneengesloten woningen, waarbij meer dan

twee woningen onder één kap zijn geplaatst (rijwoningen). Bij dit type woningen wordt het bouwvlak

direct om de bestaande hoofdgebouwen gelegd. Op die manier kunnen geen uitbreidingen worden

gerealiseerd die een negatieve invloed kunnen uitoefenen op naastgelegen percelen.

Ten aanzien van de aan- en bijgebouwen geldt dat de oppervlakte maximaal 35 m² mag bedragen.

Daarnaast is bepaald dat het zij- en achtererf voor maximaal 50% mag worden bebouwd. Beide regels

voorkomen dat het erf wordt volgebouwd en een rommelig beeld ontstaat. In de meeste gevallen zal de

beperking van de oppervlakte maatgevend zijn.

Ook de maximale maatvoering (bouw- en goothoogte) van aan- en bijgebouwen is vastgelegd in de

regels. Er bestaat een uitzondering op deze algemene regels waarbij voor de bijgebouwen de aanduiding

'bijgebouwen' (bg) is gebruikt. Bij deze bijgebouwen is de maatvoering van de bestaande bijgebouwen

het uitgangspunt.

Artikel 23: Wonen - Twee aaneen

Bij 'Wonen - Twee aaneen' gaat het om grondgebonden woningen die een kap delen met een andere

woning. Ook bij dit type woningen wordt het bouwvlak direct om de bestaande hoofdgebouwen gelegd.

Ten aanzien van de aan- en bijgebouwen geldt dat de oppervlakte maximaal 50 m² mag bedragen. Ook

hier geldt het maximale bebouwingspercentage van 50%.

Artikel 24: Wonen - Vrijstaand

Bij 'Wonen-Vrijstaand' gaat het om grondgebonden vrijstaande woningen. Het aantal grondgebonden

vrijstaande woningen binnen het plangebied mag niet vermeerderd worden, zodoende mag er maar één

woning per bouwvlak worden gebouwd. Op de verbeelding zijn met een aanduiding op de volgende

locaties nog bouwmogelijkheden voor het bouwen van één vrijstaande woning per bouwperceel, dit

betreft: Eemslandweg tussen de nrs. 112 en 114, Kamerlingswijk WZ tussen de nrs. 84 en 86 en de

Nieuweweg tussen de nrs. 80 en 83.

Ten aanzien van de aan- en bijgebouwen geldt dat de oppervlakte maximaal 75 m² mag bedragen bij een

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 63


estemmingsplan Zwartemeer

perceelgrootte van minder dan 1000 m². Bij een perceelgrootte van 1000 m² of meer mag de oppervlakte

aan aan- en bijgebouwen maximaal 100 m² bedragen. Ook hier geldt het maximale (totale)

bebouwingspercentage van 50%.

5.4.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit

praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijke paragraaf onder te brengen.

Artikel 25: Anti-dubbeltelregel

Met dit artikel wordt voorkomen dat meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt. Dit is

bijvoorbeeld mogelijk als (onderdelen van) bouwpercelen van eigenaars in maatvoering verschillen en

wisselen. Door verwerving van een extra (bouw)perceel of een gedeelte daarvan, kunnen de gronden niet

meegenomen worden met de berekening van de bouwmogelijkheden van het nieuwe perceel als de

nieuw verworven gronden reeds meegenomen zijn bij de berekening van een eerdere

omgevingsvergunning. Het is dus niet toegestaan gronden twee keer in te zetten om een

omgevingsvergunning te verkrijgen.

Artikel 26: Algemene bouwregels

In artikel 26 zijn regels opgenomen voor het bouwen van ondergeschikte bouwonderdelen. De genoemde

onderdelen mogen de in de regels bepaalde maximale bouwhoogte overschrijden met de in artikel 26

genoemde maten. Hiervoor is bewust gekozen omdat dit duidelijkheid en enige vrijheid aan ontwerpers

biedt.

Artikel 27: Algemene gebruiksregels

Bij de formulering van de gebruiksbepalingen is een algemene formulering aangehouden. Deze gaat uit

van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming.

Dit maakt het noodzakelijk dat de bestemmingsomschrijving voldoende duidelijk is.

Artikel 28: Algemene aanduidingsregels

Aan de hiervoor genoemde basisbestemmingen is de aanduiding Geluidzone-weg toegevoegd in verband

met het milieubeleid in de gemeente Emmen. De Geluidzone-weg in het bestemmingsplan is afkomstig

van de A-37, Zuidervaart OZ, Eemslandweg, Verlengde van Echtenskanaal, Klemstrook en

Kamerlingswijk WZ. Deze wegen zijn druk bereden wegen binnen het plangebied. De aanduiding

Geluidzone-weg heeft de bedoeling te voorkomen dat er in geluidgevoelige gebouwen ruimten worden

gerealiseerd binnen de geluidzone van een weg, als daardoor een te hoge geluidbelasting optreedt.

Indien om een of andere reden een weg niet meer zoneplichtig is, kan deze aanduiding van de

verbeelding worden verwijderd middels een hiertoe opgenomen wijzigingsbevoegdheid.In het

bestemmingsplan wordt in beginsel geen uitbreidingen van geluidgevoelige bestemmingen in de

geluidzones mogelijk gemaakt. Voor eventuele realisatie van nieuwe geluidgevoelige bebouwing of

uitbreidingen van bestaande geluidgevoelige bebouwing zal vooraf eerst bekeken moeten worden of

realisatie of uitbreiding mogelijk is binnen de gestelde geluidwaarden dan wel of het mogelijk is om een

hogere grenswaarde geluid vast te stellen. Bij de bepaling van de zones voor het wegverkeerslawaai is

aangesloten bij het akoestisch onderzoek dat ten behoeve van het bestemmingsplan is uitgevoerd

(bijlage 3).

Artikel 29: Algemene afwijkingsregels

De afwijkingsregels zijn regels waardoor aan de bestemmingsbepalingen de nodige extra flexibiliteit

wordt meegegeven. De afwijkingen mogen alleen gebruikt worden indien niet op grond van een andere

bepaling in deze regels afwijking kan worden verleend. Dit betekent dat niet twee keer afwijking kan

worden verleend van eenzelfde bepalingen of dat bepalingen die extra bouwmogelijkheden geven niet

cumulatief gebruikt mogen worden.

5.4.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 zijn twee artikelen opgenomen, het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en

bebouwing en de slotregel waarin de citeertitel van het bestemmingsplan wordt aangehaald.

64 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Artikel 30: Overgangsrecht

bestemmingsplan Zwartemeer

In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van legaal bestaand gebruik en legale bestaande

bouwwerken opgenomen die afwijken van de (nieuwe) bestemming. Het overgangsrecht beschermt de

gevestigde belangen of rechten bij een nieuwe, van de bestaande situatie afwijkende regeling. Dit

betekent dat bestaand gebruik en bestaande bouwwerken welke in strijd zijn met het nieuwe

bestemmingsplan, maar reeds aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden,

mag worden voortgezet, met als doel het uiteindelijk beëindigen van de afwijkende situatie. Voorheen

illegale bebouwing en illegaal gebruik worden met het overgangsrecht niet gelegaliseerd.

Artikel 31: Slotregel

In de Slotregel van het bestemmingsplan wordt aangegeven op welke wijze de regels van het

bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. In dit geval kunnen de regels van het bestemmingsplan

aangehaald worden als "Regels van het bestemmingsplan "Zwartemeer".

5.5 Handhaving

De verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van het bestemmingsplan ligt bij de gemeente. De

basis voor een werkend handhavingsbeleid wordt gevormd door een grondige inventarisatie van de

feitelijke situatie (grondgebruik en bebouwing) van het plangebied tijdens de voorbereiding van het

bestemmingsplan en een goede registratie van verleende vergunningen en ontheffingen.

Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan heeft een nauwgezette inventarisatie plaats gevonden van

de feitelijke situatie. De bestaande ruimtelijke situatie is in dit bestemmingsplan opnieuw vastgelegd.

Daarnaast heeft bestaand beleid zijn doorwerking in de regels gekregen. Hierdoor is het juridisch kader

van het bestemmingsplan eigentijdser, beter toepasbaar en goed naleefbaar geworden.

Van de gemeente mag verwacht worden dat opgetreden wordt als de planregels van het

bestemmingsplan niet worden nageleefd. Bestemmingsplannen zijn immers bindend voor overheid en

burger ter bescherming van een goede ruimtelijke kwaliteit en een veilige leefomgeving.

De gemeente Emmen heeft handhavingsbeleid ontwikkeld, waarin wordt aangegeven hoe de handhaving

van het bestemmingsplan opgepakt wordt.

Met het handhavingsbeleid wordt aangesloten op het programma van de landelijke Stuurgroep

Handhaven op Niveau met betrekking tot het programmatisch handhaven. Dit betekent dat niet tegen

alle illegale situaties wordt opgetreden maar tegen zaken met een uitstralend effect. Hierbij wordt

gebruik gemaakt van een prioriteitenlijst vastgesteld door het college, dat de mate van prioriteit tot

handhavend optreden aangeeft.

Ongeacht de wijze waarop handhaving van het bestemmingsplan vorm krijgt geldt voor de gemeente

geldt als eerste handhavingprioriteit de aanpak van calamiteiten met een levensbedreigend karakter,

waarbij men moet denken aan instortings- en brandgevaar en asbestvervuiling.

De opzet van het programmatisch aanpakken is dat niet alle illegale situaties worden opgepakt, maar

wel een werkbaar aantal zaken, dat een uitstralend effect zal hebben. Daarbij wordt gebruik gemaakt

van een prioriteitenlijst dat de mate van prioriteit tot handhavend optreden aangeeft. Nieuw vastgestelde

bestemmingsplannen lenen zich bij uitstek voor een projectmatige aanpak.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 65


estemmingsplan Zwartemeer

Hoofdstuk 6 Maatschappelijke betrokkenheid

6.1 Opstartbijeenkomst

Voor een goed verloop van de communicatie tussen de bewoners van het dorp Zwartemeer over het

actualiseren van de vigerende bestemmingsplannen is contact gezocht met het bestuur van de erkende

overleg partner. Tijdens een vergadering van de erkende overleg partner is het doel van het actualiseren

uitgelegd en het voorlopige concept -bestemmingsplan, voornamelijk de verbeelding, gepresenteerd.

Naar aanleiding van dit overleg is het concept-ontwerp aangepast.

6.2 Overleg ex. artikel 3.1 Bro en zienswijzen

Het college heeft het bestemmingsplan naam vrijgegeven voor overleg artikel 3.1.1 Bro en het houden

van een inloopbijeenkomst.

6.2.1 Inloopbijeenkomst

Op 6 januari 2011 is een inloopbijeenkomst in de Meerstal te Zwartemeer gehouden. Tijdens deze

middag konden geïnteresseerden kennisnemen van het bestemmingsplan en eventueel op het plan

reageren. Er zijn geen reacties binnen gekomen.

6.2.2 Overleg

Het voorontwerp bestemmingsplan is voor overleg verzonden naar verschillende overlegpartners. De

reacties van deze overlegpartners hebben op enkele punten aanleiding gegeven tot het aanpassen van

het bestemmingsplan. In de Nota van Beantwoording behorende bij dit bestemmingsplan zijn de

ingekomen overlegreactie en de beantwoording hierop opgenomen.

6.3 Zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan

Tegen het bestemmingsplan zijn geen zienswijzen ingediend.

66 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. Afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke

ordening verplicht de gemeente tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan,

tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd.

De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder

een bouwplan wordt verstaan, is opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Uit dit artikel blijkt dat onder een bouwplan o.a. wordt verstaan: de bouw van een woning of de

uitbreiding van een gebouw van 1000 m2 of meer.

Het voorliggende bestemmingsplan "Zwartemeer" betreft een actualisatie van diverse oude

bestemmingsplannen. Uitgangspunt is dat bestaande bouwrechten door de gemeente worden

gerespecteerd. In het bestemmingsplan zijn geen nieuwe bouwmogelijkheden opgenomen. Aan het

bestemmingplan zijn behoudens het opstellen van het bestemmingsplan dan ook geen kosten

verbonden. De kosten van het maken van het voorliggend bestemmingsplan worden in dit geval in z'n

geheel gedekt uit het door de gemeenteraad beschikbaar gestelde gelden voor het actualisering van

bestemmingsplannen. Kostenverhaal in dit geval dus anderszins verzekerd. Er hoeft dan ook geen

exploitatieplan te worden vastgesteld.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 67


estemmingsplan Zwartemeer

68 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Bijlagen bij de toelichting

bestemmingsplan Zwartemeer

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 69


estemmingsplan Zwartemeer

70 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Bijlage 1 Nota van beantwoording

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 71


estemmingsplan Zwartemeer

72 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Nota van beantwoording

behorende bij ontwerp

BESTEMMINGSPLAN

Zwartemeer

Kaartnummer: NL.IMRO.0114.2009069-0501

Vastgesteld d.d.:

1


Inhoudsopgave

1. Overleg ex. artikel 3.1.1 Bro

a. Provincie Drenthe, Commissie Afstemming Ruimtelijke Plannen;

b. VROM Inspectie, Directie Uitvoering Regionale afdeling Noord;

c. Waterschap Velt en Vecht;

d. Waterschap Hunze en Aa’s’;

e. Nederlandse Aardolie Maatschappij;

f. Tennet;

g. Brandweer Emmen.

2. Inloopbijeenkomst

2


1. Overleg ex. artikel 3.1.1 Bro.

In het kader van het artikel 3.1.1. Bro overleg is het bestemmingsplan “Zwartemeer” naar de wettelijk

verplichte en andere door de gemeente erkende overlegpartners verzonden.

In het kader van het overleg hebben wij 7 reacties terug ontvangen van de volgende overlegpartners:

1. Provincie Drenthe, Commissie

Afstemming Ruimtelijke Plannen

(CARP)

2. VROM- Inspectie, Directie Uitvoering

Regionale afdeling Noord

Postbus 122,

9400 AC Assen

Postbus 30020,

9700 RM

Groningen

3. Waterschap Velt en Vecht Postbus 330, 7740

AH Coevorden

4. Waterschap Hunze en Aa’s Postbus 195, 9640

AD Veendam

5. Nederlandse Aardolie Maatschappij Postbus 28000,

B.V.

9400 HH Assen

6. Tennet TSO B.V. Postbus 428,

6800 AK Arnhem

7. Brandweer Emmen Postbus 1076,

7801 BB Emmen

dr. P.J. van Eijk

Mr. R.J.M. van den

Bogert

L. Lasker

J. Kooistra

E. Alberts

C. de Jong

R.E. Kleine

1. Provincie Drenthe, Commissie Afstemming Ruimtelijke Plannen

A1 In de reactie van Gedeputeerde Staten wordt aangegeven dat op basis van de Omgevingsvisie

Drenthe is gebleken dat er geen provinciaal belang in het plan is opgenomen.

B1 Wij nemen de reactie van Gedeputeerde Staten ter kennisgeving aan.

2. VROM inspectie, Directie Uitvoering Regionale afdeling Noord

A1 De VROM-Inspectie geeft aan dat het voorontwerpbestemmingsplan Zwartemeer geen aanleiding

geeft tot het maken van opmerkingen, gelet op de nationale belangen in de RNRB.

B1 Wij nemen de reactie van de rijksdiensten ter kennisgeving aan.

3. Waterschap Velt en Vecht

A1 De kern Zwartemeer valt voor een deel in de randzone Bargerveen.

Het Bargerveen is aangewezen als Natura 2000 gebied. In kader van de landinrichting Emmen-

Zuid zijn er afspraken gemaakt over bufferzones van het Bargerveen. Via een uitgebreid

gebiedsproces zijn de noodzakelijke maatregelen voor het GGOR Bargerveen vastgesteld. Door

(toekomstige) inrichtingsmaatregelen kunnen de streefpeilen in de bufferzones veranderen.

Daardoor kan de drooglegging onvoldoende zijn. Het uitgangspunt is dat de streefpeilen buiten de

bufferzones niet gewijzigd zullen worden.

B1 De tekst in de waterparagraaf zal hierop worden aangepast.

A2 Paragraaf 1.10, 2 e alinea staat zin ‘Effecten van veranderingen in de streefpeilen van de

watergangen etc.’. Uitgangspunt is dat streefpeilen niet worden gewijzigd.

B2 Dit uitgangspunt zal aan de tekst worden toegevoegd.

A3 Paragraaf 1.10 3 e alinea staat de zin ‘Afgewogen moet worden of het verstandig is het regenwater

in het eigen gebied te bergen of etc.’ Zowel binnen als buiten het gebied is het mogelijk

regenwater te bergen.

B3 De tekst van de waterparagraaf zal hierop worden aangepast.

3


A4 Paragraaf 1.10 laatste alinea staat de zin ‘In Zwartemeer is het geen optie om te kiezen voor

infiltratie van regenwater gezien de grondwatersituatie’. Dit geldt niet alleen voor de

grondwatersituatie maar ook voor kwel.

B4 De tekst van de waterparagraaf zal hierop worden aangepast.

A5 Paragraaf 1.11, 2 e alinea staat de zin ‘Bij nieuwe ontwikkelingen kan er daarom toe worden

overgegaan om water aan te leggen om afstromend regenwater te bergen’. Bij nieuwe

ontwikkeling water bergen in bergingsvijvers of berging buiten het gebied aanleggen.

B5 De tekst van de waterparagraaf zal hierop worden aangepast.

4. Waterschap Hunze en Aa’s

A1 Een beschrijving van peilen, stroomrichtingen en het belang van behoud aan ruimte voor water

komt in de paragraaf niet aan de orde. Daarbij dient aandacht te worden geschonken aan het

voorkomen van verontreiniging van het oppervlaktewater.

B1 De tekst van de waterparagraaf zal hierop worden aangepast.

A2 De hoofdwatergangen en schouwsloten binnen de plangrenzen dienen met de bestemming

“Water” op de plankaart te worden aangegeven. Daarnaast liggen diverse watergangen juist

buiten de plangrens, maar wel binnen de keurzonering van 5 meter vanaf de insteek watergang.

B2 De verbeelding en de regels van de bestemming “Water” zullen hierop worden aangepast.

A3 Achter de woningen langs de Limietwijk bevinden zich schouwsloten. Mogelijke demping van deze

schouwsloten levert natte tuinen op.

B3 De betreffende schouwsloten zullen als “Water” worden bestemd op de verbeelding.

A4 Op verbeelding 4 is langs de Limietwijk geen bestemming “Groen” weergegeven. Op verbeelding

3, langs de Zuidervaart, is dit wel weergegeven.

B4 De verbeelding 4 zal hierop worden aangepast, conform verbeelding 3.

5. Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

A1 De NAM geeft in hun reactie aan dat de NAM geen op- en of aanmerkingen op het concept –

ontwerpbestemmingsplan heeft.

B1 De opmerking wordt derhalve ter kennisgeving aangenomen.

6. Tennet TSO B.V.

A1 Tennet TSO B.V. geeft aan dat hun vennootschap in het gebied dat is aangegeven op de

plankaart van het ontwerpbestemmingsplan Zwartemeer noch ondergrondse

hoogspanningskabels, noch bovengrondse hoogspanningslijnen heeft.

B1 De opmerking wordt derhalve ter kennisgeving aangenomen.

7. Brandweer Emmen

A1 Er mist een paragraaf over “Bluswatervoorziening”. gezien de nieuwe ontwikkelingen m.b.t. de

primaire bluswatervoorziening dient in overleg met de brandweer deze bepaald te worden.

B1 De paragraaf “Bluswatervoorziening’ zal worden toegevoegd.

A2 Met betrekking tot de repressieve dekking doet de brandweer het volgende tekstvoorstel: Op 18

maart 2008 heeft het college het basisbrandweerzorg niveau vastgesteld. Besloten is dat een

eerste brandweereenheid in 80% van de gevallen binnen 15 minuten na alarmering op het

hulpverleningsadres aanwezig dient te zijn. In de uitwerking van het collegebesluit is tevens

aangegeven dat indien bij toekomstige situaties de landelijk geldende normtijden worden

overschreden er in overleg met de brandweer besproken dient te worden welke compenserende

maatregelen getroffen dienen te worden. Gezien de ligging van het plangebied is de verwachting

dat binnen 15 minuten het eerste uitrukvoertuig ter plaatse zal zijn. Echter, voor een deel van

Zwartemeer is dit niet het geval en tevens wijkt dit af van de landelijke normtijden.

4


Vanwege deze overschrijding en afwijking heeft de brandweer in alle woningen een gratis

rookmelder aangeboden en heeft er in 2009 / 2010 een communicatietraject gelopen waarin de

bewoners hierop gewezen zijn en wat men er wat betreft eigen verantwoordelijkheid aan kan

bijdragen om de situatie te verbeteren.

Bij nieuwe ontwikkelingen zal een initiatiefnemer met de brandweer contact op dienen te nemen

om met betrekking tot dit onderwerp van gedachten te wisselen.

B2 De tekst zal conform hierop worden aangepast.

A3 Verzocht wordt § 3.3.6 op te nemen met als titel “WAS-systeem”. De tekst zoals in § 3.3.5 derde

alinea is beschreven kan in de nieuwe paragraaf worden vermeld.

B3 De tekst zal hierop worden aangepast.

A4 Per 1 oktober 2010 is niet meer op grond van de Brandweerwet de regionale brandweer

verantwoordelijk voor het systeem, maar is op grond van de wet op de Veiligheidregio de

HulpVerleningsdienst Drenthe hiervoor verantwoordelijk.

B4 De tekst zal hierop worden aangepast.

2. Inloopbijeenkomst

Op 6 januari 2011 is voor het bestemmingsplan “Zwartemeer” een inloopbijeenkomst in De Meerstal,

De Blokken 41, 7894 CH Zwartemeer gehouden. Tijdens deze bijeenkomst konden de bewoners van

Zwartemeer kennisnemen van het bestemmingsplan “Zwartemeer” en eventueel op het plan

reageren. Diverse geïnteresseerden hebben het bestemmingsplan bekeken. Er zijn twee

inloopreacties gegeven.

Samengevatte weergave reacties en beantwoording

1. Bestemming kleinschalig kamperen ontbreekt in het plan

De aanduiding kleinschalig kamperen zal worden aangebracht op de verbeelding en in de regels en

gekoppeld aan het perceel Kamerlingswijk WZ 123.

2. Tuin westzijde van het perceel Het Slag 10 heeft de bestemming Groen.

De bestemming van de tuin aan de westzijde van het perceel Het Slag 10 wordt gewijzigd van de

bestemming ‘Groen’ in de bestemming ‘Tuin’.

5


estemmingsplan Zwartemeer

Bijlage 2 Huidige planologische regelingen

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 79


estemmingsplan Zwartemeer

80 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


04.063

07.044

99.100

95.047

01.061

ZWARTEMEER

53.170


Bijlage 3 Archeologie

bestemmingsplan Zwartemeer

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 83


estemmingsplan Zwartemeer

84 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Archeologische Waarden in

de Gemeente Emmen

Een Archeologisch en Historisch

Bureauonderzoek

Steekproefrapport 2005-6/3


Archeologische Waarden in

de Gemeente Emmen

Een Archeologisch en Historisch

Bureauonderzoek

Uitgevoerd in opdracht van

de Gemeente Emmen

januari 2006

Steekproefrapport 2005-6/3

ISSN 1871-269X

tekst door

drs. Geurt Collenteur,

drs. Inger Woltinge

en dr. Johan Jelsma

De Steekproef, Archeologisch

Onderzoeks- en Adviesbureau

in samenwerking met

Blijham & Collenteur, Noordhorn

Hogeweg 3

9801 TG Zuidhorn

telefoon 050 - 5779784

fax 050 - 5779786

internet www.desteekproef.nl

e-mail info@desteekproef.nl


Inhoud

Onderzoekskader 1

Werkwijze 1

I Deelgebied I: het oosten van de gemeente Emmen 4

1 Inleiding 4

1.1 Archeologie 4

1.2 Historie 4

1.2.1 Tot 1850 4

1.2.2 1850 – 1945 9

1.3 Veenontginningen 12

2 De noordoostelijke zandgronden 14

2.1 Bodem en verwachtingskaart 14

2.2 Vondsten en bewoningsgeschiedenis 14

2.3 Eerdere onderzoeken 15

2.4 Historisch onderzoek 15

2.5 Conclusies en advies 17

3 Ontgonnen veengebied 18

3.1 Bodem en verwachtingskaart 18

3.2 Weerdinge, Weerdingerveen en Weerdingermond 18

3.3 Nieuw-Weerdinge en Emmer-Erfscheidenveen 19

3.3.1 Historisch onderzoek Emmer-Erfscheidenv een 19

3.4 Emmercompascuum 20

3.5 Nieuw-Dordrecht, Oranjedorp en Klazieneveen 20

3.5.1 Eerder onderzoek 21

3.5.2 Historisch onderzoek 21

3.6 Barger-Compascuum, Zwartemeer en Foxel 22

3.6.1 Eerder onderzoek 23

3.6.2 Historisch onderzoek 23

3.7 Conclusies en advies 23

4 Onontgonnen veengebied 24

4.1 Conclusies en advies 24

5 Veenvondsten 25

6 Conclusies en advies Deelgebied I 27

i


II Deelgebied II: de zuidelijke veengebieden 28

7 Inleiding 28

7.1 Archeologie 28

8 Het dal van het Schoonebeker Diep 28

8.1 Bodem en verwachtingskaart archeologie 28

8.2 Vondsten en bewoningsgeschiedenis 29

8.3 Historisch onderzoek 29

8.3.1 Landschappelijke en ecologische effecten an de v

aardoliewinning 30

8.3.2 Stedenbouwkundige ontwikkelingen 31

8.3.3 Landbouwkundige ontwikkelingen 31

8.4 Conclusies en advies 33

9 Nieuw-Schoonebeek 33

9.1 Bodem en verwachtingskaart archeologie 33

9.2 Vondsten en bewoningsgeschiedenis 34

9.3 Historisch onderzoek 34

9.4 Conclusies en advies 34

10 Zandpol en Nieuw-Amsterdam 35

10.1 Bodem en verwachtingskaart archeologie 35

10.2 Vondsten en bewoningsgeschiedenis 35

10.3 Historisch onderzoek 35

10.3.1 Nieuw-Amsterdam 35

10.4 Conclusies en advies 36

11 Conclusies en advies Deelgebied II 37

III Deelgebied III: de bebouwing van en rond Emmen 39

12 Inleiding 39

12.1 Archeologie 39

12.2 Historie 39

13 Ten noorden van Emmen: Weerdinge en het Valther

bosch 39

13.1 Bodem en verwachtingskaart archeologie 39

13.2 Vondsten en bewoningsgeschiedenis 40

13.3 Historisch onderzoek 41

13.4 Conclusies en advies 42

ii


14 De bebouwing van Emmen en de Emmerdennen 43

14.1 Bodem en verwachtingskaart archeologie 43

14.2 Vondsten en bewoningsgeschiedenis 43

14.3 Eerder onderzoek 44

14.4 Historisch onderzoek 45

14.4.1 Het Noordeind 45

14.4.2 Emmermeer 46

14.4.3 Angelslo 46

14.4.4 Emmerhout 47

14.5 Conclusies en advies 47

15 Ten noordoosten van Emmen: Emmerschans 48

15.1 Vondsten en bewoningsgeschiedenis 48

15.2 Historisch onderzoek 48

15.3 Conclusies en advies 49

16 Ten oosten van Emmen: Barger-Oosterveld 49

16.1 Vondsten en bewoningsgeschiedenis 49

16.2 Conclusies en advies 49

17 Ten (zuid)westen van Emmen: Westenesch en Emmer esch 50

17.1 Bodem en verwachtingskaart archeologie 50

17.2 Vondsten en bewoningsgeschiedenis 50

17.3 Historisch onderzoek 51

17.4 Conclusies en advies 51

18 Het westen van de gemeente Emmen 51

18.1 Bodem en verwachtingskaart archeologie 51

18.2 Vondsten en bewoningsgeschiedenis 51

18.3 Historisch onderzoek 52

18.3.1 Wilhelmsoord 52

18.4 Eerder onderzoek 52

18.5 Conclusies en advies 52

19 Erica 53

19.1 Vondsten en bewoningsgeschiedenis 53

19.2 Historisch onderzoek 53

19.3 Conclusies en advies 53

iii


20 Noordbarge en Zuidbarge 54

20.1 Vondsten en bewoningsgeschiedenis 54

20.2 Eerder onderzoek 54

20.3 Historisch onderzoek 54

20.3.1 Noord- en Zuidbarge 54

20.3.2 Den Oever 55

20.4 Conclusies en advies 56

21 Conclusies en advies Deelgebied III 59

22 Bodemingrepen en archeolgisch onderzoek 60

22.1 Bodemverstorende ingrepen 60

22.2 Archeologisch (veld)onderzoek 60

22.3 Stappen archeologisch onderzoek bij

bestemmingsplanwijzigingen 61

Literatuur 62

Bijlagen 66

Tabel 2 Archeologische vondsten en terreinen Deelge bied I 66

Tabel 3 Archeologische vondsten en terreinen Deelge bied II 68

Tabel 4 Archeologische terreinen Deelgebied IIII 69

Tabel 5 Archeologische vondsten Deelgebied IIII 70

Trefkansenkaart archeologische waarden los bijgevoe gd

iv


Onderzoekskader

Werkwijze

Voor de Gemeente Emmen is een bureauonderzoek evoerd uitg naar de

archeologische verwachtingswaarden binnen de gemeen te. De aanleiding voor

en het doel van het bureauonderzoek is de vraag van de gemeente om een

gespecificeerde archeologische verwachtingskaart or vo het gehele grondgebied

van de gemeente Emmen. Omdat in de gemeente sterk erschillende v

bodemtypen voorkomen (en bodemtypen een eerste ctiecriterium sele vormen

voor de bepaling van de archeologische waarde van en gebied), e is er voor

gekozen de gemeente onder te verdelen in drie deelg ebieden (zie Kaart I), die

waar nodig in kleinere subgebieden zijn ingedeeld. De drie deelgebieden zijn

achtereenvolgens:

I het veengebied in de oostelijke helft van de gem eente Emmen, met inbegrip

van het kleine gebied met zand- en beekdalgr onden in het

uiterste noordoosten.

II het veengebied in het zuidwesten van de gemeent e Emmen, waarvan de

noordelijke grens ruwweg ter hoogte van Nieuw-Amste rdam en Erica

loopt.

III de stad Emmen en de omliggende zandgronden.

Voor het bureauonderzoek werd een aantal bronnen eraadpleegd. g Als uitgangspunt

voor het archeologisch onderzoek is gebru ik gemaakt van de

archeologische database van Nederland, ARCHIS. gegevensbestand Dit

wordt

beheerd door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek

(ROB) en bestaat onder andere uit de Indicatieve art Kavoor

Archeologische

Waarden (IKAW), het Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch

Archief (CAA). Aan de hand van ARCHIS unnen k alle vondsten

en monumenten in een gebied opgezocht worden (mits de archeologische

vondsten door de vinders gemeld zijn) en kan eventu eel eerder onderzoek in

het gebied in beeld worden gebracht. Van alle meldi ngen in ARCHIS werd

een tabel gemaakt om een analyse van de gegevens gelijk mote

maken. Relevante

literatuurverwijzingen zijn nagezocht en verw erkt. Verder werden

rapporten van bekende eerdere onderzoeken door arch eologische bedrijven en

instanties geraadpleegd. Alle geraadpleegde literat uur, kaarten en andere bronnen

staan vermeld in de literatuurlijst.

Voor heel Nederland is een archeologische verwach tingskaart aanwezig

in de vorm van de IKAW. Deze is voornamelijk gebase erd op de bodemkaart

en daarom vaak te globaal. In dit bureauonderzoek s per i deelgebied een gedetailleerdere

waardenkaart gemaakt en bepaald of r voo locaties binnen de

deelgebieden vastgehouden kan worden aan de IKAW-ve rwachting of dat

daarvan afgeweken moet worden. Omdat de bodemsoort wel degelijk een belangrijk

selectiecriterium is voor de verwachte arc heologische waarde van een

1


gebied, is voor alle locaties begonnen met een hrijving besc van de voorkomende

bodemtypen. Daarna zijn de bekende archeologi sche gegevens

beschreven. Vervolgens komt de historie aan bod.

Het historisch onderzoek is gebaseerd op een uitge breide literatuurstudie

in combinatie met een groot aantal verschillend e atlassen en historische

(bodem)kaarten om de ondergrond en het voormalige rondgebruik g van de

gemeente in kaart te brengen. De bevindingen op is bas van literatuur, kaarten

en atlassen vormen, voor zo ver met enige zekerheid een locatie kon worden

vastgesteld, de basis voor beschrijving van het torisch his grondgebruik en de

mogelijke effecten op het bodemarchief. De ruimteli jke historische elementen

die indicatief zijn voor het bodemgebruik vóór de 9e 1 eeuw zijn samengebracht

op Kaart I.

De drie genoemde deelgebieden zullen apart worden besproken. Aan

het eind van elk deelgebied wordt een synthese gema akt van alle beschikbare

informatie. Aan de hand van deze conclusie wordt r pe deelgebied een advies

voor eventueel (archeologisch) vervolgonderzoek even. geg

Dit onderzoek is uitgevoerd door De Steekproef samenwerking in

met Historisch

Onderzoeksbureau Blijham & Collenteur uit Noordhorn, in opdracht

van de gemeente Emmen, vertegenwoordigd door dhr. . Derksen B en

mw. M. Snijders. De Steekproef heeft het archeolog ische deel van het onderzoek

uitgevoerd, terwijl drs. G. Collenteur van Bli jham & Collenteur het

historische (archieven)onderzoek voor zijn rekening heeft genomen. Er is gekozen

voor een samenvoeging van beide onderzoeken ot téén

verwachtingsmodel voor archeologische en historisch e waarden. De synthese

zorgt voor een bruikbaarder document, omdat de comb inatie van gegevens

meerwaarde heeft en omdat de grens tussen archeolog ie en historie in veel gevallen

lastig aan te geven is.

Voor het onderhavige rapport is geen gebruik gemaak t van het Actuele Hoogtebestand

Nederland (AHN), omdat deze kaart niet or dode

gemeente

beschikbaar kon worden gesteld. De ontgrondingsverg unningen per perceel

zijn ook niet geraadpleegd. Dit rapport is dan ook niet bedoeld als eindstation

maar als uitgangspunt voor het maken van beleid met betrekking op de archeologie.

Het eindproduct bestaat uit een aanpaste archeologi sche verwachtingskaart

voor de gemeente Emmen met daaraan gekoppelde adviezen voor

archeologisch vervolgonderzoek. Een te volgen stapp enplan voor het inpassen

van archeologisch onderzoek in bestemmingsplanontwi kkelingen is na de

conclusies opgenomen, evenals een verklaring van verschillende de soorten

voorgesteld archeologisch onderzoek. Dit rapport et dodienst

als achtergrondinformatie

bij de verwachtingskaart. De kaart is s al losse bijlage bij het rapport

gevoegd.

2


Kaart I. Ruimtelijke historische elementen in de gemeente Emmen.De kaart is noordgericht.

3


I Deelgebied I: het oosten van de gemeente Emmen

1 Inleiding

1.1 Archeologie

De oostelijke helft van de gemeente Emmen bestaat oornamelijk v uit een

grotendeels ontgonnen veengebied. In het noordooste n bevindt zich een uitloper

van een dekzandvlakte en een beekdalbodem. het Inzuiden,

ter hoogte

van Weiteveen, is het veen niet ontgonnen.

De verwerkte gegevens van ARCHIS en andere (histor ische) bronnen

worden per subdeelgebied per dichtstbijzijnde plaat snaam vermeld

(zie Kaart II).

1.2 Historie

Zuidoost Drenthe was rond 1850 het enige grote aane engesloten hoogveengebied

in Noord-Nederland waar nog niet op grote scha al turf werd gestoken.

De vraag naar turf groeide echter nog steeds terwij l de voorraden veen elders

afnamen. Vanaf dat moment werd de turfwinning in ZO Drenthe systematisch

en grootschalig aangepakt, zodat in nog geen honderd jaar tijd het meeste

veen hier verdween. Deze ontwikkelingen geven aan at tot d 1850 in dit gebied

relatief weinig veranderingen opgetreden zijn. De einige w veranderingen die

plaatsvonden, hadden voornamelijk betrekking op de zandgronden. Er zijn

twee tijdvakken te onderscheiden: tot 1850 en 1850- 1945. Beide worden hieronder

afzonderlijk beschreven.

1.2.1 Tot 1850

Het veengebied bij Emmen maakte deel uit van het tgestrekte ui Bourtangermoor,

dat met 50000 hectare tot de grootste veengeb ieden van West-Europa

behoorde. Het veengebied zelf was niet of nauwelijk s bewoond, de hoger gelegen

zandgebieden met esdorpen als Emmen, Noord- Zuidbarge, en Weerdinge,

Angelslo, Westenesch en Den Oever wel. Permanente ewoning b kwam ook

voor aan de rand van het veen in randveenontginning en zoals Schoonebeek en

Roswinkel.

Aan de westkant werd het veen begrensd door de le stei rand van de

Hondsrug. Deze hoger gelegen delen maken deel an uit vhet

zandgebied. Op

de zandgronden ontstonden uitgestrekte bosgebieden, waar nu niets van is terug

te vinden. De huidige bossen zijn overwegend de in 20e eeuw aangeplant

en met hun uitheemse naaldbomen anders van karakter dan de oorspronkelijke

bossen.

De Hunzelaagte, een smeltwaterdal uit het Saalien de voorlaatste ( ijstijd,

zie dateringstabel in het achterkaft), gaf de mogelijkheid tot het ontstaan

van een groot moerasgebied: het Bourtangermoor. dens Tij het Weichselien (de

laatste ijstijd) ontstond hier een slecht afwateren d gebied met lage dekzandruggen.

In de gemeente Emmen zijn twee van deze subrug gen van de Hondsrug te

4


vinden; op de oostelijke rug liggen Weerdinge, Emme rschans, en Nieuw-

Dordrecht; op de westelijke rug Emmen, Westenesch, Noord- en Zuid-Barge

en Erika. Ten zuiden van Emmen splitsen de ruggen ich zen

duiken onder het

veenpakket (Gerding, 1995: p.244/245) maar zijn n te zuiden van de

Hoogenveense vaart nog herkenbaar. Tussen Nieuw-Dor drecht en Barger-

Compascuüm belemmerde een dekzandrug lange tijd afwatering de (Gerding,

1995: p.246); De kwaliteit van de turf ten noorden van deze dekzandrug was

dientengevolge beter dan ten zuiden ervan.

In het natte milieu kon het veen zich vormen. Aanva nkelijk als veenmoeras,

waar een dennenbos op groeide, later kreeg het echte hoogveen de

overhand. Hoogveen bestaat voor 80-90 % uit water n is edaardoor

onbegaanbaar.

(Geschiedenis van Emmen, 1989: p.24) In het ebied g lagen veenbulten

van 10 tot 15 meter hoog, van elkaar gescheiden r doo slenken, die water afvoerden

naar veenbeekjes en meerstallen. Op hun rt beu leidden die het water

verder naar het Schoonebekerdiep en de Runde.

5


Kaart II. Archeologische vondsten in Deelgebied I. De kaart is noordgericht.

6


Figuur 1. Fragment kaart Pynacker (1634)

Hoewel dit gebied op oude kaarten regelmatig wordt aangeduid als woeste

grond, onland en als ‘desertum’ (zie Figuur 1), was het veen voor de plaatselijke

economie wel degelijk van belang. Sommige delen leenden zich in droge

perioden voor beweiding, als hooiland of als gronde n voor de boekweitcultuur.

Ook werd van oudsher op een aantal plaatsen jzeroer i gewonnen.

Vanwege deze belangen raakte het veengebied opgedee ld onder de marken van

op het zand gelegen esdorpen. Figuur 2 geeft de ieden geb van de verschillende

marken. Overigens maakten dorpen op de westoever n va de Eems ook gebruik

van het gebied.

Tot in de Middeleeuwen hield het veen zijn natuurli jke staat. In de late

Middeleeuwen leidde de toenemende bevolking tot het ontginnen van woeste

grond vanuit bestaande nederzettingen. Ook werden r nieuwe, e zogenaamde

dochternederzettingen gesticht, zoals Westenesch Angelslo. en Ook ontstonden

randveenontginningen als Schoonebeek, Roswinkel , Dalerveen. Op de

overgang van hoog naar laag waren voldoende zandrug complexen, die droog

genoeg waren om zich te kunnen vestigen. Het hoogve en werd tot bouwland

getransformeerd, de broekbossen langs de beekdalen gerooid en in groenland

omgezet. Hier ontstond een gemengd bedrijf waar e all onderdelen elkaar nodig

hadden en het recht van opstrek de verkaveling bepaalde (Geschiedenis

van Emmen, 1989: pp.53-55).

7


Figuur 2. Verdeling veengebied naar marke situatie tot rond 1850). Uit: Visscher, 1940.

8


Vanaf de 17e eeuw komt de veenboekweitcultuur op t me kolonies als

Zwartemeer en Barger-Compascuum.Voor de boekweitver bouw en de schapenbeweiding

was een goede grondbewerking en afwate ring nodig, waardoor

het veen flink kon inklinken. Door het veenbranden, gebruikelijk bij de

boekweitcultuur, verdween bovendien de bovenste nlaag. vee Al met al was

het veenpakket door menselijk handelen met ongeveer de helft afgenomen

(Geschiedenis van Emmen, 1989: p. 28). Rond 1850 s slechts wa 11,5% van

Emmens grondoppervlak in cultuur gebracht, waarvan maar een derde bouwland.

Overigens was ook al sprake van enige infrastructur ele ontwikkelingen. Rond

1593 liet Verdugo een weg aanleggen van Coevorden aar nNoord-Barge

– ’t

Hoge Loo (Visscher,1940: p.62). En op de kaart van Pynacker uit 1634 staan

een aantal veenwegen getekend die oost-west over t veen he liepen; sommige

van die veenwegen kenden een schans ter verdediging (Emmerschans, Schans

te Hole of Den Hool) (Visscher, 1940: p.84). De Lei - of Heerendijk vormde

tot bij Emmer-Compascuüm een min of meer noordzuid lopende infrastructuur

om daarna af te buigen naar het westen (zie art KaIII).

1.2.2 1850-1945

Begin 19e eeuw waren plannen gemaakt om de venen ontsluiten, te maar pas

in 1857 werd een begin gemaakt met het graven van e Verlengde d Hoogeveense

Vaart. Drie jaar later werd het eerste veen dit uit gebied verkocht. Vanuit de

Verlengde Hoogeveense Vaart werd een zijkanaal Amsterdamsche het

Veld

ingegraven: het Oranjekanaal. De turfproductie kwam overigens pas na 1870

echt op gang. Na 50 jaar vervening kwam in 1920 aan deze bloeiperiode een

einde; door de steenkool was voor de turf geen afze tmarkt meer te vinden.

9


Kaart III Historisch ruimtelijke elementen in Deelgebied I. De kaart is noordgericht.

10


Figuur 3. Tram- en spoorwegennet (voorstel 1903). Uit: RA Assen, verzameling

kaarten, nr. 123

Naast de natte infrastructuur noodzakelijk voor de afwatering en het transport

van turf, kwamen in deze periode ook de nodige ande re voorzieningen, zoals

een tram- en treinwegennet tot stand (zie Figuur . Het 3) vervoer van goederen

bleef over water gaan. Er is nog maar weinig terug te vinden van deze infrastructuur.

Alle tramspoorlijnen zijn afgebroken, ne t als de spoorlijn van

Emmen naar Ter Apel. Ook is het fijn vertakte stels el van kanalen en wijken

deels gedempt, alleen de hoofdkanalen bleven behoud en.

11


1.3 Veenontginningen

Het veen was oorspronkelijk gezamenlijk bezit van e dboeren

in de esdorpen

en randveenontginningen. De marken verkochten het een v aan maatschappijen

of particulieren. De verschillende veengebieden zijn in Tabel 1 van noord

naar zuid aangegeven.

Vanuit het noorden was de vervening kleinschaliger, geleidelijker en ging met

minder grote investeringen gepaard dan die vanuit et hwesten.

Hier domineerden

veenschappen, samenwerkingsverbanden van aatselijke pl boeren die

eigenaren waren van stukken veengrond, de vervening (Gerding, 1995: 246,

248). De kanalen vanuit het noorden werden langzame rhand verlengd, in hetzelfde

tempo als de verveningen. Het veen bij Weerd inge werd vanuit het

Stadskanaal ontsloten. Dit kanaal liep ver het veen in als Hoofdkanaal A of

Weerdingerkanaal. Het zelfde gebeurde bij Emmer-Com pascuüm, het Emmer-

Erfscheidenveen en later het Smeulveen. De Groninge rs beheersten hier de

vervening en vormden ook het afzetgebied (Geschiede nis van Emmen, 1989:

p. 110).

Het veen in Zuidoost Drenthe werd vanuit het westen en later noordwesten

door de grote kapitaalkrachtige maatschappij en aan snee gebracht.

Deze werkten planmatig en pakten grote gebieden één in keer aan. Het begon

met de ontsluiting door middel van grotere kanalen (Hoogeveense Vaart,

Oranjekanaal) en pas toen die infrastructuur klaar was, kwam de productie

goed op gang. De verlenging van de Hoogeveense t Vaar bereikte rond 1860 de

westelijke Bargervenen. Het stelsel werd naar het osten o en zuiden uitgebreid

(Gerding, 1995: p.247). De aanleg vanaf Erica naar de Duitse grens volgde pas

vanaf 1880; in 1889 werd verbinding gemaakt met het Oranjekanaal, in 1893

werd de Duitse grens bereikt en in 1898 werd aanges loten op het Duitse kanalenstelsel.

Mogelijk hoopte men daarmee de afwateri ng van de zuid oostelijke

veenontginningen te vergemakkelijken door aan te uiten sl op het Duitse Süd-

Nord-Kanaal. De topografische kaart uit 1902 sugger eert echter dat deze aansluiting

moeizaam tot kwam. Vanaf 1906, toen het holtenskanaal Sc een

verbinding legde tussen Hoogeveensche Vaart en Stadskanaal, het had de aansluiting

op het Duitse kanalen stelsel waarschijnli jk slechts zeer lokale

betekenis. De afwatering in noordelijke richting ep li sindsdien over Nederlandse

bodem. Een vierde ontsluiting kwam vanuit Co evorden (Dedemsvaart

en Vecht): in 1884 bereikte het Stieltjeskanaal Verlengde de Hoogeveense

Vaart (Gerding, 1995: p.248).

12


Tabel 1. Overzicht veengebieden in de gemeente Emmen en hun ontginning.

Gebied opp. Vervening vanaf

in ha

vorm verkaveling bijzonderheden

Nieuw-Weerdinge 1400 ca. 1880 strookvormig (NO) deels oudere randveenontginning,

50% kleine verveners

Roswinkeler-veen 1300 na 1906 strookvormig (NW) oorspr. kleine randveenontginnig;

turfwinning tot na 1950

Emmer-Compascuum 750 1880 strookvormig (OW) percelen 10 ha. en meer; pakket

van 2-3 meter goede tot

Barger-Compascuum 1700 1890/1900 oorspr. blokvormig

(vnl. OW)

Emmer-Erfscheidenveen 1650 1898 blokvormig

13

beste kwaliteit baggerturf

Vervening vanuit noorden en

zuiden; afwatering aanv. via

Hoogeveense vaart

Smeulveen 1000 ca. 1900 in 18 e eeuw in gebruik voor

boekweitteelt; boekweitteelt na

1875 basis Nieuw-Dordrecht

en Vastenow

Barger-Oosterveen 3750 1893 blokvormig Klazienaveen ontstaan in door

(OW/NW) Scholten verveend deel

Amsterdamscheveld 2250 1862 strookvormig rond 1910 groot gedeelte nog

ongebruikt, vervening allen in

westelijk deel

Barger-Westerveen 2900 1860/1861 blokvormig als eerste aan snee gebracht

Oosterveen 500 ca. 1880 strookvormig

(ZW/NO)

Barger-Erfscheidenveen 800 ca. 1870 idem

Schoonebeker venen 3000 randveenontginningen

uit Middeleeuwen;

beperkte vervening

opstrekkende

verkaveling

deels randveenontginning uit

eerdere periode

Weiteveen vestiging eerste

helft 20 ste eeuw van arbeiders

in venen

Bron: Gerding, 1995, pp. 248-255; RA Assen, kaarten nrs. 120, 122, 155, 176, 191,

192, 195, 201 en 349.

De grootschalige verveningen na het midden van de 9e 1eeuw

maakten gebruik

van technieken die de kans op verstoringen de in bovenste zandlaag

groot maken. Daarmee is de kans dat archeologische waarden zijn aangetast

ook groot. Het verveende gebied werd na afloop zo eel v mogelijk geëgaliseerd,

soms door opvulling met van elders aangevoerde gron d, soms door de zandlaag

ter plaatse te verspreiden. Daarna werd de enlaag bov nog gemengd met de

bewaarde, bovenste laag van het oorspronkelijke n.

vee


2 De noordoostelijke zandgronden

2.1 Bodem en verwachtingskaart archeologie

De grens van het veenkoloniale gebied in het noordo osten van de gemeente

Emmen loopt ten zuiden en westen van het dorp Roswi nkel en ten oosten van

de dorpskern van Nieuw-Weerdinge (zie Kaart I). Ten noorden en oosten van

deze grens bevindt zich een dekzandvlakte van eolis ch (door de wind) afgezette

dekzanden. Plaatselijk ligt zich binnen 80 cm der on het maaiveld een 10 tot

40 cm dikke laag veen (classificatie Fysisch Geogra fische Kaart van Drenthe

1:50000 (Nijland, G., R.J. de Lange en J.C. Smitten berg, 1982) Nv1(o) en

Nv2o). Volgens de Geomorfologische Kaart van Nederl and 1:50000 (Stichting

voor Bodemkartering, 1978) is de dekzandvlakte ten dele verspoeld en in het

westen vervlakt door veen en/of overstromingsmateri aal (classificaties respectievelijk

2M9 en 2M14). Het dal van de Runde is het in zuiden van dit gebied

geëgaliseerd.

In het dekzand komt een aantal verschillende bodem typen voor. Het

betreft veldpodzolen, gooreerdgronden en beekeerdgr onden met leemarm en

zwak lemig fijn zand (classificaties Bodemkaart van Nederland 1:50000 (Stichting

voor Bodemkartering, 1975) respectievelijk Hn2 1, pZn21 en pZg23).

Direct ten zuiden van Roswinkel en direct ten ooste n van Nieuw-Weerdinge

komen moerige podzolgronden en moerige eerdgronden met zanddek en

moerige tussenlaag voor (classificaties respectieve lijk zWp en zWz). De

grondwatertrappen in het gebied variëren van V tot VI, gemiddelde hoogste

grondwaterstand respectievelijk minder dan 40 cm tussen en 40 en 80 cm beneden

het maaiveld en gemiddelde laagste grondwater stand meer dan 120 cm

beneden het maaiveld.

Het gebied heeft een grotendeels middelhoge tot ge hotrefkans

op archeologische

waarden op de IKAW.

2.2 Vondsten en bewoningsgeschiedenis

In het CMA en CAA van de ROB zijn uit het gebied ee n archeologisch monument

en dertien vondstmeldingen bekend (zie Tabel 2, als bijlage

opgenomen). Het monument betreft de dorpskern van oswinkel, R waarvan de

begindatering in de Late Middeleeuwen ligt (1050 t 1500 to nC). De dorpskern

staat vermeld als terrein van hoge archeologische aarde w (CMA 14483). Ten

noordoosten van de dorpskern van Roswinkel is bij e daanleg

van een weg een

waarschijnlijk Middeleeuwse waterput aangetroffen et mdaarin

fragmenten

aardewerk, glas, tegels en ijzer (CAA 46219). Aan e Duitse d grens, ongeveer

twee kilometer ten noordoosten van Roswinkel zijn nkele e scherven Vroeg-

Middeleeuws kogelpotaardewerk gevonden met een ring datevan

725 tot 900

nC (CAA 238120 en 238228). Alle scherven zijn aan et hoppervlak

gevonden.

Ongeveer een kilometer ten oosten van Roswinkel een is oppervlaktevondst

bekend van 16 vuurstenen artefacten uit het Paleoli thicum tot Mesolithicum.

14


Er zijn zes werktuigen en tien afslagen (halffabrik aten voor vuurstenen werktuigen)

gevonden (CAA 239886).

Ten oosten van Nieuw-Weerdinge zijn binnen een gebi ed met een straal van

ongeveer drie kilometer acht meldingen bekend van rcheologische a vondsten.

Het gaat in zeven gevallen om vondsten van vuursten en artefacten uit het Mesolithicum

(8800 tot 4900 vC). Twee van deze vondst en hebben mogelijk een

vroegere datering in het Paleolithicum, of een late re in het Neolithicum (5300

tot 2000 vC). Deze oppervlaktevondsten zijn gedaan tijdens veldkarteringen

door RAAP (Molema, 1999) en bevinden zich grotendee ls in verstoorde contexten

(CAA 239885 en 39311 tot en met 39316). De ndere a melding betreft de

vondst van een stenen hamerbijl van het type Munten dam. De bijl dateert uit

de late bronstijd tot de middenijzertijd (1100 tot 250 vC) en is aan het oppervlak

gevonden (CAA 32). In het uiterste noordoosten van de gemeente, bij

Ter Apel, is een vuurstenen klingfragment gevonden dat dateert uit het Paleolithicum

tot de ijzertijd (CAA 47828).

2.3 Eerdere onderzoeken

Uit de beschikbare rapporten van eerdere onderzoeke n, blijkt dat de bodem

van de in die studies onderzochte terreinen (groten deels) vermengd of verstoord

is (Hopman & Fijma, 2004: pp. 11-12; Jelsma & Tulp, 2003: p. 2;

Molema, 1999: pp. 6-10) Het gaat echter in alle allen gev om locaties dichtbij

bebouwing of wegen. Bovendien betreft het kleine pervlakken. op De resultaten

van deze onderzoeken zijn niet per definitie ldig ge voor de omliggende

gebieden.

2.4 Historisch onderzoek

Roswinkel (de naam verwijst mogelijk naar een ‘hoek ’ voor het weiden van

paarden), van oorsprong een boerendorp (Geïllustree rde plaatsbeschrijving

gemeente Emmen, 1923: p.94), vertoont meer overeen komsten met Westerwolde

(waar het geologisch ook toe behoort) dan met de Drentse esdorpen.

Wel komt er een es voor (Bieleman, 1987: pp.15/16). Roswinkel was vooral

vanuit het noorden via de oevers van de Ruiten A reikbaar be (Visscher, 1940:

p. 84). Het dorp had daardoor meer binding met Gron ingen dan met Emmen.

Roswinkel, oorspronkelijk een bovenveen-kolonië waa r het veen geheel verdwenen

is, vertoont veel gelijkenis met veenranddor pen.

Rondom Roswinkel komen en kwamen een aantal histori sch belangrijke

ruimtelijke elementen voor (zie Kaart III):

- de Roswinkelschen dijk van Emmen naar Roswinkel, kend be van de tocht

van Willem Lodewijk in 1593 (Geïllustreerde plaatsb eschrijving, 1923:

p.96);

- de ‘oudste spoorweg van Nederland’: terzijde van e veenweg d van Weerdinge

naar Roswinkel twee ondiepe greppels die in e winter d bevroren,

zodat wagens hier konden rijden (Geïllustreerde atsbeschrijving, pla

1923:

p.97);

15


- De Lei- of Heerendijk, lopende van Boertange, over Ter Apel en Maten

naar Roswinkel; diende oorspronkelijk als waterkeri ng, als gevolg van de

kanalisatie in de 20e eeuw overbodig geworden (Geïl lustreerde plaatsbeschrijving,

1923: p.101);

- De Roswinkeler schans, waar weinig over bekend Rond is. 1900 was de

schans nog herkenbaar aanwezig, nu is alleen het rrein teop

de kaart terug

te vinden.

De groenlanden langs de Mussel A waren eeuwenlang e belangrijkste d gronden

in dit veengebied voor Drentse en Groninger boe ren; ook de groenlanden

langs de Runde speelden een grote rol de plaatselij ke landbouw. Hetzelfde

gold voor de van oudsher in gebruik zijnde gronden langs het Valtherdiepje bij

Weerdinge. Vanaf de 17

e eeuw werd rond Roswinkel veel boekweit verbouwd

en waren Roswinkeler keuters actief in de Weerdinge r Marke.

Hoewel al vroeg plannen bestonden om het veen bij eerdinge W en

Nieuw Weerdinge te ontginnen, werd het gebied uitei ndelijk vanaf de Groningse

kant ontgonnen door middel van een mond (kan aal) vanaf het

Stadskanaal. Dit kanaal werd als hoofdas doorgetrok ken de venen in, kanalen

en wijken hier haaks op legden het gebied verder en. op

Was de oorspronkelijke (rand)vervening kleinschalig van aard, de latere projectmatige

vervening in het gebied tussen Roswinkel en Weerdinge leidde tot

ingrijpende wijzigingen in de oorspronkelijke verka veling. De aanleg van een

fijnmazig stelsel van afwateringskanalen, bij voork eur gegraven tot 40 tot 50

centimeter in de onderliggende zandlaag, de egalisa tie en vermenging met de

oorspronkelijke bovenlaag na de vervening, maken kans de groot dat de huidige

bovenlaag tot een diepte van ongeveer 50 centi meter is omgewoeld. Voor

de niet-verveende gebieden is die kans veel kleiner , aangezien hier vooral

landbouwactiviteiten hebben plaats gevonden.

16


2.5 Conclusies en advies

Het zandgebied ten noorden van Roswinkel en ten ten oos van Nieuw-

Weerdinge heeft in het verleden een aantal archeolo gische vondsten opgeleverd.

De meeste meldingen betreffen vuursteen artef acten uit het

Paleolithicum tot aan het Neolithicum. Het grootstedeel

van de vuurstenen is

afkomstig uit het Mesolithicum. Er zijn geen duidel ijke aanwijzingen voor

grootschalige grondverplaatsingen in het gebied, t me uitzondering van de bebouwde

delen en wegtracés. De aanwezigheid van r wate in de vorm van de

rivier de Runde zorgt er voor dat de (hoger gelegen ) relatief droge zandgronden

in dit gebied aantrekkelijk zullen zijn geweest voor prehistorische

bewoning.

Intacte archeologische grondsporen en andere arche ologische resten

kunnen in het gebied niet uitgesloten worden; de nwezigheid aa van archeologische

sporen is op hogere delen van het (micro)rel iëf, vooral langs water zelfs

zeer waarschijnlijk. De middelhoge tot hoge trefkan s op archeologische waarden

op de IKAW moet voor dit gebied gehandhaafd wor den. De grens van het

gebied met een (middel)hoge trefkans moet echter rder ve naar het zuiden en

westen komen te liggen, zodat het gebied tussen winkel Ros en Nieuw-

Weerdinge er geheel binnen valt. In dit gebied dien t Inventariserend archeologisch

Veldonderzoek (IVO) inclusief gebruik van de AHN binnen de

bureaustudie te worden uitgevoerd alvorens eventuel e bodemingrepen worden

toegestaan.

17


3 Ontgonnen veengebied

3.1 Bodem en verwachtingskaart

Het grootste oppervlak van Deelgebied I wordt uitge maakt door het grotendeels

ontgonnen veengebied in het oosten van de eente gem Emmen. Het

gebied staat op de Fysisch Geografische Kaart van renthe D aangegeven als een

(gedeeltelijk) afgeveende veenvlakte (classificatie s Ov3 en Ov4). Plaatselijk zijn

stukken in vervening aanwezig (Oc1). Deze staan de op Geomorfologische

Kaart als veenrestruggen (classificatie 4L21). De verige o delen maken deel uit

van deels relatief hooggelegen en deels relatief aggelegen la veenkoloniale ontginningsvlakten

(2M45 en 2M44).

In het gebied komt een aantal verschillende bodems voor, die als gezamenlijke

karakteristiek hebben dat ze kenmerkend jn zivoor

nattere gebieden.

Het betreft moerige podzol- en eerdgronden met veen koloniaal dek en moerige

tussenlaag (classificaties bodemkaart respectiev elijk iWp en iWz),

veengronden met veenkoloniaal dek en zand binnen 0 12 cm beneden het

maaiveld met of zonder humuspodzol (respectievelijk iVp en iVz), zeggeveen,

veenmosveen en veen in ontginning (respectievelijk iVc, aVs en Avo). De

grondwatertrappen in het gebied variëren van nat II, (Igemiddelde

hoogste

grondwaterstand minder dan 40 cm en gemiddelde ste laaggrondwaterstand

tussen 80 en 120 cm onder het maaiveld) naar tameli jk droog (V, gemiddelde

hoogste grondwaterstand minder dan 40 cm en gemidde lde laagste grondwaterstand

meer dan 120 cm onder het maaiveld). Het ebied g heeft grotendeels

een lage trefkans op de IKAW. De delen met middelho ge verwachting vallen

samen met de volgens de bodemkaart drogere gebieden .

3.2 Weerdinge, Weerdingerveen en Weerdingermond

De vondsten die in ARCHIS gemeld zijn uit de omgevi ng van Weerdinge zijn

alle afkomstig uit ‘natte contexten’, met andere wo orden, ze zijn allemaal in of

op het veen gevonden. Een beschrijving van de gesch iedenis van veenvondsten

is opgenomen in Hoofdstuk 5. Nabij Weerdinge zijn wee t vindplaatsen van

Neolithisch aardewerk bekend. In een geval werd het aardewerk samen met

gewei- en houtfragmenten gevonden (CAA 36097), in et handere

betrof het

een enkel fragment bekeraardewerk (CAA 36101). Ten noorden van Weerdinge

is een fragment van een boomstamkano gevonden AA (C214973).

Het

fragment is niet gedateerd.

In het Weerdingerveen, ten noordoosten van Weerdin ge, zijn bij de

veenontginningen in 1904 twee veenlijken gevonden an veen

man en een

vrouw. De lichamen leken niet in een graf te zijn elegd, g maar in een zeer nat

deel van het veen te zijn gedeponeerd (Van Zeist, 956: 1 pp. 201-203). De veenlijken

zijn gedateerd in de late ijzertijd tot de roeg-Romeinse V

tijd, 250 vC tot

70 nC (CAA 239879). Niet ver van de vondstlocatie an vde

veenlijken zijn bij

de ontginningen fragmenten van een houten wiel aang etroffen. De fragmenten

hebben een datering in de ijzertijd tot de Midden-R omeinse tijd, 800 vC tot

18


270 nC (CAA 239878). Ten oosten van Weerdinge, op en eperceel

bij Weerdingermond,

zijn kralen van barnsteen en git gevond en, evenals fragmenten

aardewerk en vuursteen en een hamerbijl. De daterin g van deze vondsten ligt

in het Neolithicum tot de vroege ijzertijd, 5300 to t 600 vC (CAA 36102).

3.3 Nieuw-Weerdinge en Emmer-Erfscheidenveen

Ten zuiden van Nieuw-Weerdinge, in een gebied met en estraal

van ongeveer

2,5 kilometer, zijn zes meldingen bekend van vondst en van vuurstenen artefacten.

Het gaat voornamelijk om stukken met een tering da in het

Mesolithicum (CAA 56053, 56057, 56059, 56064 en 66). 560Een

vondstmelding

heeft een datering van het Mesolithicum tot n aahet

Neolithicum,

vanwege de aanwezigheid van een fragment aardewerk bij de vuursteenafslag

(de introductie van aardewerk valt samen met de rgang ove van het Mesolithicum

naar het Neolithicum) (CAA 56061). De vondsten zijn gedaan tijdens

veldkarteringen langs het traject van de N391, de eg wvan

Emmen naar Ter

Apel. Het betreft zowel afslagen als (fragmenten an) v werktuigen en enkele

stukken zijn verbrand (Molema, 1999).

In de buurt van de plaats Emmer-Erfscheidenveen een is aantal tracés

van veenwegen ontdekt (CAA 16998, 238456, 238457, 02229). 3 Delen van deze

veenwegen horen tot dezelfde weg. Er zijn twee racés t bekend: een meer

dan drie kilometer lange weg van gevlochten takken en een iets noordelijker

gelegen smaller (voet)pad van houten planken (Caspa rie, 1986). Nabij het

vermoedelijke tracé is bij het afgraven van veen 1938 in een veenlijk aangetroffen

(CAA 302122). Het veenlijk was gekleed in een antel m van pels en droeg

wollen onderkleding. Bij het lijk werden takken en aangepunte stokken gevonden.

Ook dit veenlijk lijkt niet begraven te zij n in een grafkuil, maar is op

een zeer natte plek in het veen neergelegd en waars chijnlijk met de stokken op

zijn plaats gehouden. Op grond van stuifmeelonderzo ek is de ouderdom van

het veenlijk gesteld op ongeveer 3000 jaar. Daarmee dateert het in de middentot

late bronstijd (Van Zeist, 1956: pp. 199-200).

3.3.1 Historisch onderzoek Emmer-Erfscheidenveen

Emmer-Erfscheidenveen (Emmererf) was een zelfstandi g dorp, ontstaan door

de turfwinning in het veengebied. In het Emmererfsc heidenveen waren rond

1940 nog een aantal veenputten terug te vinden ar – da werd van oudsher onregelmatig

veen afgegraven ten behoeve van eigen uik gebr (Visscher, 1940:

p.102). Aan de Eemszijde kwamen ook randafgravingen voor met als doel eigen

en plaatselijke voorziening in brandstof. Deson danks zijn randafgravingen

nooit van grote betekenis geweest; koloniën langs e rand d bleven boeren nederzettingen

en kregen de vorm van een wegdorp. latere, De grootschaliger

vervening, met wijken, zijwijken, doorlopende kanal en, betekende hier

evenals elders een ingreep tot op het zand.

Historisch kaartmateriaal laat zien dat door het bied ge van Emmer-

Erfscheidenveen naast de Heerendijk een aantal -west oost georiënteerde veen-

19


wegen hebben gelopen. Sommige veenwegen leidden r vindplaatsen naa van ijzeroer,

anderen – evenals de dijk – vormden een binding ver tussen de

Hondsrug en het stroomdal van de Runde om aan de dere an kant van de

groenlanden verder te gaan in de richting van de swinkeler Ro Schans of naar

Zwartenberg (zie Kaart III).

Ook tussen Weerdinge en Roswinkel was sprake van n dergelijke ee verbinding

(zie hiervoor onder Roswinkel). Noch in dit geval, noch in het geval van

Emmer-Erfscheidenveen is het tracé van de verbindin gen terug te vinden in de

huidige verkaveling. Veel meer dan een globale aand uiding is dus moeilijk te

geven.

3.4 Emmercompascuüm

Het Emmercompascuüm was oorspronkelijk een gemeensc happelijk weidegebied.

In het westelijke deel van Emmercompascuüm rmde vo het stroomdal

van de Runde een klein gebied met groenlanden, er verd naar het zuiden lagen

de hooilanden waar zowel boeren uit Roswinkel als it uEmmen

en Barge gebruik

van maakten. Deze hooilanden lagen overigens grotendeels in het

Barger-Compascuüm. In het Emmer-Compascuüm lag een veenweg, die de

hooilanden verbond met Roswinkel; het vervolg van e dLei-

of Heerendijk en

een veenweg naar Zwartenberg (zie Kaart III). Kaart materiaal uit de 19 e eeuw

laat zien dat langs de Runde enige min of meer perm anente bewoning bestond.

Deze locaties vallen nu in het bebouwde gebied van Emmer-Compascuüm

(Grote Historische Atlas van Nederland, 1990: diver se kaarten).

De N.V. “Het Emmer-Compascuüm” kocht in 1874 het Emer-

Compascuüm van de markegenoten van Emmen en Westene sch. De ontginning

vond vanaf ongeveer 1880 plaats via een kanaal vanuit Ter Apel. In dit

gebied ontstond een uitgebreid stelsel van kanalen en wijken. Kenmerkend is

het dubbel kanaalsysteem met wijken, zijwijken en oorlopende d kanalen. Ook

hier ging de vervening tot op het zand, waarop boer derijen en woningen

kwamen te staan; uiteraard met dezelfde gevolgen s bij al de overige verveningen.

3.5 Nieuw-Dordrecht, Oranjedorp en Klazienaveen

In de omgeving van Nieuw-Dordrecht, ten noordoosten van het dorp, heeft

een veenweg gelopen. De veenweg staat in ARCHIS meld ver als een terrein

van zeer hoge archeologische waarde en is een ermd beschmonument.

De datering

van het monument is Laat-Neolithicum B, 2450 tot 2000 vC (CMA

496). De veenweg liep ongeveer een kilometer ten ordoosten no van het huidige

Nieuw-Dordrecht min of meer van het westen naar het oosten.

In het CAA komen vier meldingen voor van verschill ende opgravingen

langs de veenweg (CAA 17003, 238119, 238458 en 27). 3022 Tijdens de opgravingen

werden, naast de veenweg of veenbrug zelf dere an voorwerpen uit het

veen gehaald. Voor aanvang van een opgraving in 5 195 langs de Herenstreek te

Nieuw-Dordrecht werden op de locatie van de veenbru g drie stukken van een

20


massief eikenhouten wagenwiel gevonden. Bij het uimen opr van de planken

van de veenbrug werd direct onder het wegniveau een houten bijlsteel aangetroffen.

Het betreft een steel van een dissel (Van Zeist, 1957: pp. 12-15).

De totale oorspronkelijke lengte van de veenweg onzeker, is evenals de uiteindelijke

bestemming ervan. De weg was in ieder geval ongeveer een kilometer

lang (Casparie, 1982: p. 126-154). De reden van aanleg de van de weg blijft onzeker,

het huidig bekende traject eindigt in het stijds de meest natte deel van

het Bourtanger Moor en de weg vertoont nauwelijks poren s van gebruik. Mogelijk

gaat het hier om een onvoltooide (en niet bruikte) ge weg (Casparie et

al., 2004).

In de omgeving van Nieuw-Dordrecht zijn verder los se vondsten uit de

steentijd bekend. Het betreft voornamelijk vuursten en artefacten uit het Paleolithicum

tot Neolithicum (CAA 47342, 302119, 30212 0 en 302124).

Daarnaast zijn onder andere een Neolithische doorbo orde hamerbijl (CAA

447) en Laat-Mesolithische tot Midden-Neolithische Geröllkeule bekend

(CAA 302221). Ook in de buurt van Nieuw-Dordrecht, binnen de huidige bebouwde

kom van Klazienaveen is een hamerbijl van t he type Muntendam

gevonden. De bijl dateert uit de bronstijd tot midd enijzertijd en is een oppervlaktevondst

(CAA 84).

3.5.1 Eerder onderzoek

Een kleinschalig onderzoek op een bouwkavel aan Vastenow de te Nieuw-

Dordrecht heeft een deels verstoord en deels intact bodemprofiel opgeleverd.

Het plangebied bevindt zich op een zandopduiking het in veen. In het zand

heeft zich een podzolbodem gevormd (Bakker, 2004).

Een onderzoek binnen de bebouwde kom van Klazienav een, vertoont

hetzelfde beeld. Hoewel een deel van het terrein n ee verstoord bodemprofiel

heeft, is de podzolbodem in de zandkopjes onder het veen plaatselijk intact

(Essink, 2003).

Ten westen van Zwartemeer is een archeologische ck qui scan uitgevoerd

door RAAP. In een gebied van tien hectare n zij tien gutsboringen

verricht. In een deel van het onderzoeksgebied en is epodzolbodem

aangetroffen

(Ridderbos, 2004). Het aantal boringen is echte r te klein om uitspraken te

doen over de kwaliteit van de bodem of de kans op rcheologische a waarden in

het onderzoeksgebied.

3.5.2 Historisch onderzoek

Nieuw Dordrecht

Nieuw Dordrecht ligt op een zandheuvel in het veen en ontstond rond 1845

als landbouwdorp. Vooral boekweitteelt heeft hier laatsgevonden. p

Later

volgde uitbreiding van het dorp als gevolg van voor namelijk particuliere,

kleinschalige vervening (Geïllustreerde plaatsbesch rijving, 1923 p.75). Het

dorp is daardoor meer richting het veen geschoven iets – dat ook geldt voor

21


andere dorpen in het veen die hun ontstaan danken an aeerdere

landbouw activiteiten.

De aanwezige leem is gebruikt voor de stenenfabrica ge, wat kan betekenen dat

de leemlaag tot op een diepte van één à anderhalve meter is afgegraven, dan

wel omgewoeld. Ook heeft hier vervening plaats gevo nden. De mate waarin

dat heeft geleid tot herverkaveling van het gebied is goed te zien in het geval

van Vastenow: tegenwoordig een rechte straat, maar ooit bochtig, zoals het

feit dat sommige huizen ver van de straat staan, at la zien.

Op grond van kaartmateriaal kan worden geconcludeer d dat langs Nieuw-

Dordrecht naar het zuidoosten een verbindingsweg t me de zuidelijke hooilanden

(zie ook Emmer-Compascuüm) en de omgeving van et Hebelermeer h in

Duitsland heeft gelopen. Dezelfde bronnen geven aan dat ten (noord)oosten

eveneens een veenweg liep (kaart III). De veenweg s, zoals i hierboven beschreven,

ook archeologisch aangetoond.

Oranjedorp

Oranjedorp is ontstaan bij het graven van het Oranj ekanaal (1853-1858). Klazienaveen

(voorheen Smeulveen) dateert van rond 0, 189toen

de

verveningactiviteit hier een aanvang nam. Meer dan in de noordelijke gebieden

was sprake van grootschalige en deels machinale vening, ver iets dat in de praktijk

betekende dat grotere hoeveelheden turf in één keer verwerkt werden.

De omgeving van Klazienaveen-Noord kende overigens vóór die tijd al

enige, al of niet permanente, bewoning. Ongeveer er hi lag de noordwestelijke

grens van de hooilanden, waar mogelijk enige boekwe itteelt plaats heeft gevonden.

Ook in dit gebied zouden veenwegen hebben elopen, g in zuiden de

bovengenoemde verbinding met het Hebelermeer en Klazienaveen-Noord

bij

een veenweg tussen de Hondsrug en de hooilanden.

3.6 Barger-Compascuum, Zwartemeer en Foxel

In en rond het Rundeveen, in de omgeving van Barger -Compascuum en Foxel,

zijn verschillende vondsten van archeologische voor werpen bekend. Het betreft

veelal losse vondsten van stenen (hamer)bijle n en zogenaamde Flint- en

Fels-Reckeckbeile (CAA 302114, 302115, 302116, 302224, 302231, 30223 2 en

47059). De overige vondsten bestaan onder andere t een ui compleet aardewerken

schaaltje van de Trechterbekercultuur (TRB, 350 0 tot 2700 vC) (CAA

302223), twee vuurstenen dolken uit het Laat-Neolit hicum tot de middenbronstijd,

waarvan een gevonden samen met een houte n paal (CAA 302123 en

302225) en een leren buidel met Romeinse zilveren unten m (CAA 238462). De

buidel bevatte 312 denarii uit regeringsperioden van verschillende keizers. e D

oudste munt dateerde uit 54 nC, de jongste uit 192 nC (Glasbergen, 1956: pp.

213-214; Zadoks-Josephus Jitta, 1956). Dergelijke osse l vondsten in het veen

worden beschouwd als offers of ‘votiefgaven’ (zie oofdstuk H 5).

22


3.6.1 Eerder onderzoek

Uit de beschikbare rapportages van eerder uitgevoer de onderzoeken in het

Rundedal tussen Barger-Compascuum en Zwartemeer pervlakte (op onderzoeksgebied

ongeveer 300 hectare) blijkt dat een oot grdeel

van de terreinen

daar verstoord is (Fijma & Van Beek, 2003). De vers toring zal voornamelijk

het gevolg zijn van de veenontginningen in het gebi ed. Bij verder onderzoek is

echter gebleken dat een deel van de onder het )veen (rest aanwezige zandkoppen

en -ruggen in het gebied nog intact is.

3.6.2 Historisch onderzoek

e

Aan Duitse zijde ontstonden aan het eind van de 18 eeuw de eerste bovenveendorpen.

Aan Nederlandse zijde kwamen de eerste bewoners rond het

midden van de 19 e eeuw naar dit gemeenschappelijke weide gebied Noord van

en Zuid Barge. Vervening vond hier vanaf circa 1890 plaats (Gerding, 1995:

p.250).

In 1840 vestigden zich de eerste mensen bij het rtemeer, Zwa dat is leeggelopen

bij het graven van het Van Echtenskanaal 885-1890) (1 (Geïllustreerde

wandelgids, 1914: p.45). Oorspronkelijk lag de dorp skern aan de zuidkant van

het meer, waar nu het natuurreservaat Bargerveen gt. li Veel is er over dit gebied

in historisch opzicht niet bekend; ook kaartma teriaal ontbreekt vrijwel

geheel.

3.7 Conclusies en advies

Vrijwel alle archeologische vondsten in het oosteli jke veengebied in de gemeente

Emmen zijn aan het licht gekomen bij de verv ening. Een groot deel

van de veenvondsten is geassocieerd met de ligging van veenwegen.

De locatie van dergelijke archeologische waarden s moeilijk i te voorspellen.

Archeologisch waardevolle locaties in de eengebieden v zijn met

inventariserende veldonderzoeken niet of nauwelijks op te sporen. Op de iets

hoger gelegen voormalige hooilanden (zie Kaart zijn III) intacte archeologische

grondsporen niet uit te sluiten. Deze gebieden moet en een middelhoge trefkans

krijgen op de IKAW. Voor de overige delen van het gebied, de natte

veengronden, kan de lage trefkans gehandhaafd worde n. Archeologisch veldonderzoek

is hier alleen zinvol als na het uitvoere n van bureauonderzoek

vermoed wordt dat de bodem intact is. Hiervoor dien t in ieder geval gebruik

gemaakt te worden van de AHN en de ontgrondingskaar ten.

23


4 Onontgonnen veengebied

Uit het grotendeels onontgonnen veengebied zijn min der vondsten bekend

dan uit de veenontginningsgebieden. Dat is logisch, gezien het feit dat de

meeste uit het veen bekende vondsten bij het verven en zijn gedaan. De meeste

vondsten uit dit gebied zijn vuurstenen artefacten (CAA 302144, 302145 en

33787), waaronder een fragment van een Trechterbeke rbijl (CAA 46128).

In 1984 en 1985 is ten oosten van Nieuw-Schoonebee k, ten zuiden van

natuurreservaat Bargerveen, een Mesolithische vindp laats (CAA 33788, 238282

en 302146) opgegraven. Bij de opgraving zijn bijna 7700 vuurstenen artefacten

te voorschijn gekomen. De datering van de vindplaat s, die zich op een zandopduiking

in het veen bevindt, ligt tussen 6645 4885 en vC (Beuker, 1989).

4.1 Conclusies en advies

Uit het onontgonnen veengebied in het zuidoosten n vade

gemeente Emmen

zijn weinig vondsten bekend. Er is wel een belangri jke Mesolithische vindplaats

bekend ten oosten van Nieuw-Schoonebeek. locatie De hiervan hangt

samen met een droger deel van het gebied. Voor rogere de d delen van het onontgonnen

veengebied, waaronder de hooilanden in t uiterste he zuiden van de

gemeente (op Kaart III groen aangegeven), geldt minste ten een middelhoge

trefkans op (intacte) archeologische waarden. Voor de overige veenvlakte in

het gebied kan de lage trefkans op de IKAW gehandha afd worden.

24


5 Veenvondsten

Vondsten uit ‘natte contexten’ als veen vormen een groep apart binnen de archeologie.

Veel van de veenvondsten zijn te voorsch ijn gekomen bij het

vervenen, zo ook in de gemeente Emmen. De meeste erboven hi genoemde

vondsten hebben niet alleen een archeologische oude rdom, maar zijn daarnaast

gevonden in een tijd waarin minder aandacht erd wbesteed

aan zaken als

exacte vondstlocatie, vondstomstandigheden en conte xt. Hun precieze herkomst

is dan ook vaak moeilijk te herleiden. Archeo logisch waardevolle resten

zijn mogelijk niet als zodanig herkend door vervene rs. Dateren van vondsten

uit venen kan problemen opleveren, ook weer omdat e dcontext

van veel

vondsten verloren is gegaan of niet bekend is (Van der Sanden, 1995, 1997 en

1998).

De meeste voorwerpen die in het veen aangetroffen zijn, worden gezien

als offers of zogenaamde votiefgaven. Offerpra ktijken vonden plaats om

goden om wat voor reden dan ook gunstig te stemmen en lijken een lange traditie

te hebben in de venen, gezien de uiteenlopend e dateringen van de

hierboven genoemde vondsten.

Diverse vondstcategorieën worden als offergaven schouwd. be Vaak betreft

het bijzondere en/of waardevolle zaken als me talen voorwerpen, versierd

aardewerk of fijn bewerkte vuurstenen werktuigen. egelmatig R zijn het ook

meer gebruiksvoorwerpen die mogelijk als symbolisch e votiefgaven geïnterpreteerd

moeten worden.

Een bijzondere vondstcategorie wordt gevormd door de veenlijken. In

het veen blijven organische materialen door de onve randerende waterstand en

de afsluiting van zuurstof zeer goed bewaard. Het s echter i niet duidelijk of de

veenlijken ook gezien moeten worden als offers, ze of tot dit lot veroordeeld

zijn, slachtoffer waren van een ongeval of dat het begraven in veen een normale

praktijk was in de steentijd (Van der Sanden, 98).

19

25


[ hier moet nog kaart Deelgebied I komen waarop archeologische vondsten en

historische reconstructies worden samengebracht – ie z file EmmenDeelI.pdf ]

Kaart IV. Archeologische en historische bevindingen in Deelgebied I.

26


6 Conclusies en advies Deelgebied I

Zoals vermeld zijn de meeste vondsten uit het ooste lijk deel van de gemeente

Emmen afkomstig van de veenontginningen. De locatie s van dergelijke ‘toevalstreffers’

is zeer moeilijk te voorspellen. Uit het voorbeeld van de rijke

Mesolithische vindplaats ten oosten van Nieuw-Schoo nebeek blijkt wel dat

hogere delen van het landschap interessant zijn eest gew voor prehistorische

bewoning. Dergelijke zandopduikingen zijn in het hu idige landschap niet altijd

met het blote oog waar te nemen. Een bestuderi ng van een gedetailleerde

hoogtekaart, met andere woorden, van de Actuele Hoo gtebestand van Nederland

(AHN), kan in dergelijke gevallen vaak uitkoms t bieden.

De gegevens uit beschikbare rapporten van eerder n het i gebied uitgevoerde

onderzoeken geven slechts informatie over eine kl delen van de

aanwezige terreinen. De onderzochte gebieden zijn en tdele

verstoord, maar

hebben ook intacte podzolprofielen onder het (rest) veen opgeleverd. Dergelijke

bodems zijn gevormd vóór dat het veen is gegroei d. De veengroei begon in

de bronstijd (2000 tot 800 vC). De met veen bedekte gepodzoleerde bodems

dateren dus uit de prehistorie, vóór de bronstijd.

In het algemeen kan gezegd worden dat archeologisc he onderzoeken in

het oostelijke veengebied van Emmen voorafgegaan enen di te worden door

een uitgebreid bureauonderzoek waarin het gebruik an vde

AHN cruciaal is.

Bevindingen kunnen met enkele verificatieboringen estaafd g worden. Terreinen

waarin zich geen zandopduikingen bevinden, hebb en een beduidend

kleinere trefkans op de aanwezigheid van onverstoor de archeologische grondsporen

dan terreinen waarin zich zandkoppen of -rug gen bevinden. De

aanwezigheid van depotvondsten of votiefgaven in rgelijke de terreinen is niet

uit te sluiten, maar dergelijke archeologische rest en zijn met inventariserend

booronderzoek niet op te sporen. Inventariserend ldonderzoek ve is van belang

om eventueel aanwezige intacte podzolbodems onder et veen h te traceren.

Het historisch onderzoek onderbouwt de uitkomsten an v het archeologische

bureau onderzoek. Kaart IV, waarop de belangrijkste historisch ruimtelijke en

archeologische bevindingen zijn samengebracht, toon t duidelijk de gebieden

waar de kans op nieuwe archeologische vondsten hoog is. Vooral in het noordelijk

deel vallen de cartografische gegevens goedd eels samen met de bekende

archeologische vondsten. Het gaat dan om gebieden aar wvan

oudsher agrarische

activiteiten plaats vonden of waar wegen door het veen de Hondsrug

verbonden met Roswinkel en het riviertje de Runde. Waarschijnlijk geldt dat

ook voor de omgeving van de Nieuwe weg bij Roswinke l waarvoor sterke

aanwijzingen bestaan dat die weg het tracé van oudere een veenweg tussen

Roswinkel en Emmen volgt.

27


II Deelgebied II: de zuidelijke veengebieden

7 Inleiding

7.1 Archeologie

Het zuidwesten van de gemeente Emmen bestaat voorna melijk uit ontgonnen

veen. In het zuiden en zuidwesten rond Schoonebeek bevinden zich natte

zandgronden en beekdalgronden van het Schoonebeker Diep.

De verwerkte gegevens van ARCHIS en andere (histor ische) bronnen

worden per subdeelgebied per dichtstbijzijnde plaat snaam vermeld.

8 Het dal van het Schoonebeker Diep

8.1 Bodem en verwachtingskaart archeologie

Het beekdal van het Schoonebeker Diep ligt om en n te zuiden van het dorp

Schoonebeek. Volgens de Fysisch Geografische Kaart van Drenthe 1:50000 bestaat

het beekdal uit een laagte van beekafzettinge n met microreliëf en

plaatselijk meer dan 40 cm veen of een 10 tot 40 dikke cm veenlaag binnen 80

cm onder het maaiveld (classificaties respectieveli jk FOl1 en Fl1o). In het

beekdal is een aantal zandkoppen aanwezig. Het eft betr dekzandafzettingslaagtes

of –welvingen zonder grondmorene (repectievelij k Nv1o en Nw1). In de

laagtes is binnen 80 cm onder het maaiveld een ot 10 40 t cm dik veenpakket

aanwezig.

Volgens de bodemkaart bestaat de bodem voornamelij k uit een beekeerdgrond

met leemlagen waaronder zich verspoelde eileem k bevindt. Deze

lagen beginnen op 40 tot 120 cm beneden het maaivel d en zijn tenminste 20

cm dik. (classificatie bodemkaart pZg23 t). De zandafzettingen zijn veldpodzolen

met leemarm en zwak lemig fijn zand (Hn21) en eels d moerige

eerdgronden met moerige bovengrond op zand en leeml agen (vWzt). Daarnaast

zijn in het gebied vlierveengronden aanwezig, ten dele met zand binnen

120 cm onder het maaiveld (classificaties respectie velijk Vc en Vz). De grondwatertrappen

in het gebied variëren van trap II en III (gemiddelde hoogste

grondwaterstand minder dan 40 cm en gemiddelde ste laaggrondwaterstand

respectievelijk tussen 50 en 80 en 80 en 120 cm eden ben het maaiveld) in de

beekbodems en moerige delen tot trappen V en VI de op dekzandkoppen (gemiddelde

hoogste grondwaterstand respectievelijk nder mi dan 40 cm en tussen

40 en 80 en gemiddelde laagste grondwaterstand meer dan 120 cm beneden het

maaiveld).

Het beekdal zelf heeft een lage trefkans op archeo logische waarden op

de IKAW. De dekzandafzettingen hebben een middelhog e trefkans.

28


8.2 Vondsten en bewoningsgeschiedenis

In het CMA en CAA van de ROB zijn uit het gebied twee archeologische

monumenten en twaalf vondstmeldingen bekend. De dor pskern van Schoonebeek,

Oud-Schoonebeek dateert uit de Late Middeleeu wen en is een terrein

van hoge archeologische waarde (monumentnr. 14523, CMA-nr 22F-003). Ten

zuiden van Schoonebeek is een terrein van archeolog ische betekenis aanwezig.

Het betreft de vindplaats van vuurstenen artefacten uit het Paleolithicum tot

Mesolithicum (monumentnr. 9122, CMA-nr. 22F-A02, wa arnemingsnr. 458,

CAA-nr. 22FN-5).

De vondstmeldingen zijn bijna uitsluitend oppervlak tevondsten, met

uitzondering van een bronzen kokerbijl uit de brons tijd, gevonden bij de

bouw van een jaknikker (waarnemingsnr. 460, CAA-nr. 22FN-7) en een depotvondst

uit 1894, gevonden bij het turfsteken. He t betreft een depot

bestaande uit zes bronzen voorwerpen uit de late onstijd, br te weten twee

messen, twee kokerbijlen, een lanspunt en een versi erd voorwerp (Bosch,

1980: pp.135-148). De voorwerpen dateren uit de e lat bronstijd (waarnemingsnr.

300240, CAA-22FN-52). Met uitzondering n vade

vondst van een

stuk ijzeroer (waarnemingsnr. 457, CAA-nr. 22FN-4) zijn alle oppervlaktevondsten

vuursteen artefacten. De meeste vondsten ateren d uit het

Mesolithicum (waarnemingsnr. 300268, CAA-nr. 22FN-4 3; waarnemingsnr.

300283, CAA-nr. 22FN-36; waarnemingsnr. 300290, CAA -nr. 22FN-44; waarnemingsnr.

300291, CAA-nr. 22FN-45 en waarnemingsnr . 300277, CAA-nr.

22FN-41). Twee vondsten hebben een datering van olithicum Mes tot Neolithicum

(waarnemingsnr. 300236, CAA-nr. 22FN-51 en 00273, 3 CAA-nr.

22FN-73). Een oppervlaktevondst van vuurstenen arte facten en zeven aardewerkfragmenten

dateert uit het Mesolithicum tot de ijzertijd (waarnemingsnr.

300295, CAA-nr. 22FN-49). Ten noordoosten van Schoo nebeek, ten zuiden

van Amsterdamscheveld, is bij vervening hertenmest gevonden. De datering

van de laag waarin de mest werd aangetroffen, is solithicum Me (waarnemingsnr.

33732, CAA-nr. 22FN-1). Tot slot werden n aahet

oppervlak vijf

Paleolithische vuurstenen werktuigen aangetroffen waarnemingsnr. (

300280,

CAA-nr. 22FN-38).

8.3 Historisch onderzoek

Schoonebeek is sinds 1884 een zelfstandige gemeente . Daarvoor viel het dorp

onder de gemeente Dalen. Na 1945 is er een groei n nieuwe va economische activiteiten,

waardoor het dorp nu een belangrijke ntrumfunctie ce vervult.

Schoonebeek komt voort uit het buurtschap Kerkeind. De weg van

Coevorden naar Nieuw Schoonebeek en de Duitse grens liep door dit buurtschap.

Het oorspronkelijke buurtschap groeide uit ot teen

lintdorp, met aan

de noordzijde van de weg voornamelijk boerderijen. Aan de zuidkant van de

weg, grenzend aan het beekdal van het Schoonebeeker diep stonden voornamelijk

woonhuizen, winkeltjes en kleine bedrijven. Debuurtschappen

Westerse

29


Bos, Oosterse Bos en Middendorp telden in 1947 same n met Schoonebeek 96

woonhuizen en 149 boerderijen (De Jong, 1986: p.148 )

’t Middendorp was als onderdeel van Schoonebeek van één de vier linten

die op de lage smalle zandruggen tussen het kdal beeen

het hoogveen

lagen. Hier gold een recht van opstrek, dat verkave ling bepaalde, dat nu nog is

terug te zien in het landschap.

Vanuit de hoger gelegen gronden werd het vee geweid langs het

Schoonebekerdiep. Vanwege de afstand werden daar allen stgebouwd,

zodat

het vee niet steeds terug naar de boerderij moest. Zo’n stal wordt een Bo genoemd

en is karakteristiek voor het stroomdal van et hSchoonebekerdiep.

Deze plaatsen zijn deels terug te vinden in het dschap lan (zie Figuur 4).

In het veen bij Schoonebeek vond landbouw plaats de in vorm van

randveenontginningen. Hierbij werd langs de randen van het veen grond bewerkt

tot akkerland, waar vooral rogge werd verbouwd. Dit leidde tot lange

smalle percelen. (De Jong 1986: p. 25/26). Ook werd er wel boekweit brandcultuur

toegepast.

8.3.1 Landschappelijk en ecologische effecten van e aardoliewinning

d

Bij de start van de oliewinning bestond Schoonebeek schematisch gezien uit

twee ruimtes en een lijn. De Hoofdstraat (Europaweg ) liep over de zandrug.

Ten zuiden hiervan lag het dal van het Schoonebeker diep, in het oosten, bij

Nieuw Schoonebeek vrij smal, in het westen wat bred er. Dit dal stond vroeger

regelmatig onder water, werd als weidegrond gebruik t, was boomloos en

open. Ten noorden van de weg, die als duidelijke heiding sc diende, lag een

grotendeels afgegraven hoogveenlandschap, met selend afwis grotere en kleinere

ruimten, gescheiden door bosjes die opgeschoten waren op veenresten.

In het westelijke deel werd zowel akkerbouw als vee teelt uitgeoefend,

in het oostelijke deel vooral akkerbouw. Daarnaast waren er nog vele stukken

woeste grond en vergraven en onvergraven hoogveen. In het noordoosten, bij

Weiteveen, lag nog een uitgestrekt hoogveencomplex. (nu natuurgebied) In de

periferie van de nederzettingen was het landschap leinschaliger, k door mensenhanden

vormgeven en dorps aantrekkelijk. Met de komst van de

boortorens van BPM/NAM, in onder meer het beekdal, veranderde dit.

Schoonebeek zag er eerder industrieel, dan landelij k uit, wat nog versterkt

werd door het lawaai. Boortorens stonden het in bee kdal van het Schoonebekerdiep

en in de dorpenreeks en van Westerse bos t de to Duitse grens (De

Jong, 1986: p. 151) Na een aantal jaren veranderde dit, omdat elke afgewerkte

boortoren vervangen werd door een stangenpomp (ja-k nikker). Hiermee kreeg

het landschap zijn karakteristieke aanzien. Verder verschenen er meetstations

met grote olieverzameltanks. Deze werden ruim van eplanting b voorzien, net

als de ruim driehonderd productielocaties, zodat in zeieder

geval ’s zomers

aan het zicht onttrokken waren.

30


De oliewinning bracht zoals gezegd geluidshinder t me zich mee, maar ook

bodem- en waterverontreiniging. Wat opgepompt werd was olie en zout water.

Beide kunnen het milieu belasten. In het verle den zijn deze stoffen zonder

twijfel in de omgeving terecht gekomen. Dieptepunt was de spuiter in 1976.

Het verontreinigde gebied, 6500 vierkante meter wer d toen grondig gereinigd.

8.3.2 Stedenbouwkundige ontwikkelingen

De oliewinning heeft dus een grote invloed op de imtelijke ru ontwikkeling

gehad. Maar ook in indirecte zin was er veel invloe d. De NAM legde veel Infrastructuur

aan. Er verschenen wegen en woningen oor vpersoneel.

Daarnaast

was er ook een invloed op het agrarisch bedrijf.

De door de NAM gestuurde uitbreiding van Schoonebee k vond aan de noordzijde

van de weg plaats. Er verrezen vrijstaande ngalows, bu ‘twee onder een

kap’ en rijtjeshuizen: tot dan toe nooit eerder in Schoonebeek gebouwde huizentypes.

De huizen werden omgeven door veel groen en kregen een

afwissellende rooilijn, om zo goed mogelijk in de estaande b situatie te passen.

De oorspronkelijke lintbebouwing werd losgelaten en er vormden zich langs

het lint concentraties van woningen, woonkernen. n Eeaantal

boerderijen

werd hierdoor van het land afgesneden. Deze boerder ijen verdwenen of kregen

een andere bestemming. Het woningenbouwprogramm a van de NAM

bestond uit 118 woningen en was in 1950 afgerond. r was E derhalve sprake

van een eenmalige beïnvloeding, die echter, vanwege keuze voor bebouwing

aan de noordzijde, wel de verdere ontwikkeling van Schoonebeek bepaalde.

Schoonebeek is nu door die ontwikkelingen een komdo rp geworden,

waarin het oorspronkelijke lint, nu Europaweg gehet en, overigens nog prominent

aanwezig is. Het dorp kent een winkelcentrumen

de bebouwing is

zowel in zuidelijke als noordelijke richting toegen omen.

8.3.3 Landbouwkundige ontwikkelingen

De NAM legde in een strook van vijf kilometer breed te, dwars door de gemeente

Schoonebeek, het totale productienetwerk . aan Wegen, pijpleidingen,

boor- en productielocaties en meetstations. De wege n, totaal 130 km, reikten

vaak tot ver in de landerijen, die daardoor beter ntsloten o werden. Dit maakte

het mogelijk de akkerbouw-, veeteeltgebieden en hoogveengronden de

beter

te bereiken. Een betere akkerbouw, beweiding en bem esting werd hierdoor

mogelijk. Werd er tot die tijd veelal rogge, haver, consumptie- en voeraardappelen

verbouwd, nu ontstond er een grotere marktger ichtheid.

Verschillende stukken hoogveen werden nog afgegrave n, waardoor er

nieuwe landbouwgrond bijkwam (De Jong, 1986: p. 149 ). Dit versneld in cultuur

brengen van de grond wordt als positief neven effect van de NAMactiviteiten

gezien. Belangrijkste positieve effect is echter de huurvergoeding

die boeren kregen voor het gebruik van hun land. t Di was een goede bron van

inkomsten, die men graag wilde behouden. Hierdoor as wer

een veel lagere

grondmobiliteit dan elders. Dit was er mede de oorz aak van dat er geen ruil-

31


verkaveling tot stand kwam, terwijl dat elders in Drenthe al lang het geval

was. Tweede oorzaak hiervan was de wirwar aan kabel s en leidingen in de

grond. Tenslotte was er nog veel onverveende grond die moeilijk tegen cultuurgrond

geruild kon worden.

Figuur 4. Oud-Schoonebeek vóór 1850. Duidelijk zijn de verkavelingen langs de oevers van

stroompjes te zien, evenals de opstrekkende randverveningen. Rechtsonder toont de blokverkaveling

de restanten van Boeën.

32


8.4 Conclusies en advies

De meeste vondsten in de omgeving van Schoonebeek ijn oppervlaktevond-

z

sten, of gedaan bij bouwwerkzaamheden. De dorpskern van Oud-

Schoonebeek is een archeologisch monument uit de te La Middeleeuwen. In de

directe omgeving van het dorp zijn sporen uit deze periode niet uit te sluiten,

aangezien de Middeleeuwse mens niet alleen in het orp dzal

hebben gewoond

en waarschijnlijk akkers en wegen in de omgeving eft heaangelegd.

Het veengebied

ten noorden en oosten van Schoonebeek heeft alleen veenvondsten en

dus toevalstreffers opgeleverd.

Beekdalen en oeverwallen zijn van oudsher interes sante bewoningslocaties

geweest sinds de prehistorie. Bewoningsspore n uit deze periode zijn in

het gebied ten zuiden van het dorp Schoonebeek ook dan niet uit te sluiten.

Dat blijkt uit de vondst van Paleolithische en Meso lithische vuurstenen artefacten

in dit gebied.

De goede bewoningsmogelijkheden van de oeverwalle n van het

Schoonebeker Diep en de eerdere vondst van prehisto rische artefacten in het

beekdal geven aanleiding voor het aanpassen van trefkans de op archeologische

sporen in het gebied. De oeverwallen en de daaraan grenzende hogere zandgronden

rondom Schoonebeek hebben tenminste een delhoge mid trefkans op

archeologische waarden. Voor de overige delen kan e lage d trefkans op de

IKAW gehandhaafd worden.

Voordat er bodemingrepen mogen worden toegestaan in het beekdal

en de zandgronden rond Schoonebeek, dient een Inven tariserend archeologisch

Veldonderzoek (IVO) te worden uitgevoerd om e dmate

van gaafheid

van het bodemprofiel te bepalen. De kans is groot at dde

bodem plaatselijk

ernstig verstoord is door de in het verleden uitgev oerde grondwerkzaamheden

van met name de NAM. Voor het bij het IVO horende bureauonderzoek

dient dan ook gebruik gemaakt te worden van de ontg rondingskaarten en de

AHN.

9 Nieuw-Schoonebeek

9.1 Bodem en verwachtingskaart archeologie

Rond Nieuw-Schoonebeek bestaat de bodem grotendeels uit veengronden. In

het noorden van het gebied komt een madeveengrond et mveenmosveen

voor

(classificatie bodemkaart aVs met grondwatertrap I: gemiddelde II hoogste

grondwaterstand minder dan 40 cm en gemiddelde ste laaggrondwaterstand

tussen 80 en 120 cm beneden het maaiveld). In het estelijk w deel van het gebied,

grenzend aan de zandgronden van Schoonebeek, liggen veengronden met

veenkoloniaal dek en zand met humuspodzol binnen 0 12 cm onder het maaiveld

(iVp), moerige podzolgronden met veenkoloniaal dek en moerige

tussenlaag (iWp) en madeveengronden met zeggeveen aVc). ( De Europaweg,

die van Schoonebeek naar Nieuw-Schoonebeek loopt, ligt op een zandrug. De

bodem bestaat hier uit een moerige podzolgrond met humushoudend zanddek

33


en moerige tussenlaag (zWp met grondwatertrap V: middelde ge hoogste

grondwaterstand minder dan 40 cm en gemiddelde ste laaggrondwaterstand

meer dan 120 cm onder het maaiveld). Ten zuiden van de weg, tegen de Duitse

grens, komen vlierveengronden voor met (riet)zeggev een of broekveen en met

zand zonder humuspodzol binnen 120 cm onder het maa iveld (classificaties

bodemkaart respectievelijk Vc en Vz).

Het gebied heeft een grotendeels lage trefkans archeologische op waarden

op de IKAW. Alleen de zandrug langs de Europawe g heeft een

middelhoge trefkans op de IKAW.

9.2 Vondsten en bewoningsgeschiedenis

De meeste vondsten in de omgeving van Nieuw-Schoone beek zijn afkomstig

van de zandrug waarop de Europaweg loopt. Direct n te westen van de bebouwing

van Nieuw-Schoonebeek zijn langs de weg veldverkenningen

uit

twee dicht bijeen liggende Mesolithische vuursteenv indplaatsen bekend (waarnemingsnr.

33789, CAA-nr. 23AN-2 en waarnemingsnr. 302148, CAA-nr.

23AN-10). Verder naar het westen langs de weg, hoogte ter van Koelveen, is

een Fels-Rechteckbeil gevonden. Het betreft een oppervlaktevondst met n ee datering

in het Neolithicum tot de bronstijd (waarnemingsnr. 33731, CAA-nr.

22FN-2). Ten noordoosten van Nieuw-Schoonebeek, ten zuiden van het Bargerveen

zijn twee vondstlocaties van vuurstenen efacten art bekend. Het gaat

ook hier om Mesolithische vondsten die bij veldverk enningen zijn aangetroffen

(waarnemingsnr. 302149, CAA-nr. 23AN-11 en waar nemingsnr. 302150,

CAA-nr. 23AN-11).

9.3 Historisch onderzoek

Het huidige Weiteveen heette vroeger Nieuw-Schooneb ekerveld. Weiteveen is

in 1954 onstaan door het samenvoegen van de twee dere, ou kleinere dorpen

Amsterdamscheveld en Schoonebekerveld. De naam ijst verwnaar

de boekweitcultuur.

9.4 Conclusies en advies

Voor de veengronden rond Nieuw-Schoonebeek geldt tzelfde he als voor de

oostelijke veengronden in de Gemeente Emmen. De dsten von afkomstig uit

het veen, gedaan bij het ontginnen of bouwwerkzaamh eden zijn toevalstreffers.

De uitzondering hierop wordt gevormd door de vondsten langs de

Europaweg. Deze weg volgt een dekzandrug die ideale bewoningslocaties

moet hebben geboden in de prehistorie. De locaties Mesolithische vuursteenvondsten

ten noordoosten van Nieuw-Schoonebeek, zuiden ten van het

Amsterdamsche Veld, vallen samen met de aanwezighei d van een gepodzoleerde

dekzandkop onder het veen in dit gebied. Bov endien liggen de locaties

van de Mesolithische artefacten zeer dicht bij de n Deelgebied i I genoemde opgegraven

nederzetting uit dezelfde tijd. Op dergeli jke locaties kan de

aanwezigheid van archeologische sporen uit deze andere en perioden dan ook

34


niet worden uitgesloten. Een gedegen bestudering n het va AHN op een schaal

die klein genoeg is, kan informatie geven over de anwezigheid a van dergelijke

koppen in het terrein.

Geadviseerd wordt in het gebied rond de Europaweg en het gebied ten

noorden van Middendorp (ten noordoosten van Nieuw-S choonebeek) tot aan

de Duitse grens voorafgaand aan bodemverstoringen nventariserende I archeologische

Veldonderzoeken (IVO’s) te laten uitvoeren door een daartoe

gecertificeerd archeologisch bedrijf. Voor het over ige veengebied kan met een

gedetailleerd bureauonderzoek worden volstaan. Voor de gebieden waarvoor

IVO’s geadviseerd worden geldt dat ze een middelhog e trefkans op archeologische

waarden hebben. Dat betekent een uitbreiding an vhet

gebied met een

middelhoge trefkans ten opzichte van de IKAW in het oosten van Deelgebied

II. Voor de rest van het Deelgebied kan de lage wachting ver gehandhaafd blijven.

10 Zandpol en Nieuw-Amsterdam

10.1 Bodem en verwachtingskaart archeologie

Nieuw-Amsterdam en Zandpol bevinden zich op een dek zandrug en –welving

zonder grondmorene en premorenaal zand binnen 120 m onder c het maaiveld

(classificatie Fysisch Geografische Kaart van Drent he Nr1 en Nw1). De bodem

op deze dekzandrug bestaat uit een veldpodzol et mleemarm

en zwak

lemig fijn zand (classificatie bodemkaart Hn21 met grondwatertrap VI/VII:

gemiddelde hoogste grondwaterstand respectievelijk tussen 40 en 80 en meer

dan 80 cm beneden het maaiveld en gemiddelde laagst e grondwaterstand meer

dan 120 cm beneden het maaiveld). De dekzandrug ft hee een hoge trefkans op

archeologische waarden op de IKAW. Het omliggende ebied g heeft een middelhoge

trefkans.

10.2 Vondsten en bewoningsgeschiedenis

Uit het gebied rond Zandpol en Nieuw-Amsterdam zijnslechts

twee meldingen

bekend in ARCHIS. Het betreft een olifantenkies met onbekende datering

in de buurt van Zandpol (waarnemingsnr. 300242, CAA -nr. 22FN-59) en een

oppervlaktevondst van een Fels-Ovalbeil uit het Midden- tot Laat-Neolithicum

bij Nieuw-Amsterdam (waarnemingsnr. 300237, CAA-nr. 22FN-55).

10.3 Historisch onderzoek

10.3.1 Nieuw Amsterdam

Met de aankoop van gronden door de Drentse Landontg inning Maatschappij

(DLM) in 1851 en de bouw van de eerste woningen 1852 in begint de

geschiedenis van Nieuw Amsterdam (www.home.planet/~ post9673/nieuwamsterdam).

Deze woningen werden gebouwd op het st mee geschikte deel van

het Amsterdamse Veld, de westkant, waar de veldgron den overgingen in de

35


veengronden. Op deze plaats begon ook de vervening (Gerding 1989: p. 141).

Omdat vervenen een zich verplaatsend bedrijf is, ren wade

bewuste woningen

aan de 4e weg voor 1870 alweer verdwenen. Definitie ve nederzettingen ontstaan

pas als het veen verdwenen is en de inrichtin g als landbouwgebied

begint. Het daadwerkelijk graven en afvoeren van en vestartte

in 1860 waarbij

ook de eerste permanente woningen gebouwd worden.

10.4 Conclusies en advies

Tussen Nieuw-Amsterdam en Zandpol ligt een hoge dek zandrug. Hoewel er

uit het gebied relatief weinig vondsten bekend zijn , is de verwachting dat op

en direct naast deze rug archeologische (bewonings) sporen uit de prehistorie te

verwachten zijn. Het gebied heeft een hoge (hoogste deel van de rug) tot middelhoge

(gebied direct om de zandrug heen) trefkans op archeologische

waarden op de IKAW. Deze trefkans kan gehandhaafd lijven. b Indien in dit

gebied grondwerkzaamheden gepland worden, dient st eer een IVO uitgevoerd

te worden.

36


11 Conclusies en advies Deelgebied II

Voor Deelgebied II gelden ten dele dezelfde algemen e conclusies als voor

Deelgebied I. In het veengebied zijn de locaties n archeologische va

sporen vaak

moeilijk te voorspellen, maar hogere delen van het landschap zijn interessant

geweest voor prehistorische bewoning.

De bestudering van een gedetailleerde AHN is cruci aal. Bevindingen

kunnen met enkele verificatieboringen gestaafd word en. Terreinen waarin

zich geen zandopduikingen bevinden, hebben een bedu idend kleinere trefkans

op de aanwezigheid van onverstoorde archeologische grondsporen dan terreinen

waarin zich zandkoppen of -ruggen bevinden. De aanwezigheid van

depotvondsten of votiefgaven in dergelijke terreine n is niet uit te sluiten, maar

dergelijke archeologische resten zijn met inventari serend booronderzoek niet

op te sporen. In deze gebieden is het uitvoeren van eventuele bodemingrepen

in het (rest)veen onder archeologische begeleiding wenselijk.

Voor de zandgronden rond Schoonebeek, het beekdal en de oevers van

het Schoonebeker Diep en het gebied met zandkoppen en –ruggen bij Nieuw-

Schoonebeek geldt dat de aanwezigheid van archeolog ische (bewonings)sporen

niet uit te sluiten en zelfs te verwachten is. In eze d gebieden moet voorafgaand

aan plannen tot bodemverstoring een IVO uitgevoerd worden.

Voor de overige gebieden kan worden volstaan met en egedetailleerd

bureauonderzoek.

Op Kaart V is te zien dat er historische activitei ten zijn geweest op veel

plaatsen waar ook al in de prehistorie activiteit as. w Deze gebieden zijn dus al

lang min of meer continu in gebruik. Daarnaast zijner

enkele oude

(veen)wegen aangetroffen. Door de vervening zijn meeste de oudere structuren

echter verdwenen. In het zuidwestelijk deel volgen de wegen oude tracés en is

de structuur van de hooilanden langs het Schoonebek erdiep terug te vinden.

Door de komst van de NAM is Schoonebeek getransform eerd tot een komdorp.

37


[hier nog invoegen totaalkaart EmmenDeelII – zie fi le EmmenDeelII.pdf]

Kaart V. Archelogische vondsten en ruimtelijk historische elementen Deelgebied II. De kaart is

noordgericht.

38


III Deelgebied III: de bebouwing van en rond Emmen

12 Inleiding

12.1 Archeologie

De bodem rond Emmen bestaat uit hoge zandgronden een op keileemrug: de

Hondsrug.

De verwerkte gegevens van ARCHIS en andere (histor ische) bronnen

worden per subdeelgebied per dichtstbijzijnde plaat snaam vermeld

(zie Kaart VI).

12.2 Historie

Het zandgebied van Emmen is vanaf het Neolithicum ewoond. b Emmen als

kern is van oorsprong een esdorp. Deze essen zijn ude oakkercomplexen,

die

met plaggen en potstalmest werden bemest. Vanaf Late de Middeleeuwen

werden de essen ook bemest met minerale plaggen zand. met Als gevolg van

deze eeuwenlange bemesting met zandhoudende plaggen mest kregen de essen

in de loop der tijd een steeds dikkere zwarte boven grond en daardoor ook een

steeds bollere ligging in het landschap (Spek, 2004 : p. 656).

Het is opvallend hoe de verschillende historische eriodes p in het landschap

van Emmen zichtbaar zijn. Er zijn elementen it ude

prehistorie

waaronder hunebedden en grafheuvels en uit de Midde leeuwen zien we oude

wegen. Uit de periode daarna dateren de wendakkerru ggen en de essen en van

de Nieuwe Tijd (na 1850) dateren de schaalvergrotin g en het Oranjekanaal.

(Emmen in het perspectief van de es: p. 40)

13 Ten noorden van Emmen: Weerdinge en het Valtherbosch

13.1 Bodem en verwachtingskaart

Emmen en de omliggende dorpen liggen hoger dan de verige o delen van de

gemeente. Emmen ligt op een van noord naar zuid ende lop heuvelrug, mogelijk

ontstaan door tektonische beweging en waarschijnlij k door landijs beïnvloed

(classificatie Geomorfologische Kaart van Nederland 1:50000 10B1). De

heuvelrug van Emmen maakt deel uit van een groter omplex c van hoge

zandruggen, alle mogelijk ontstaan door tektonische beweging en waarschijnlijk

beïnvloed landijs (4K1). Het grootste gedeelte van de bebouwing van Emmen en

de aanliggende dorpen ligt op een gedeelte van ug de dat r bedekt is met dekzand

(4K2). Ten zuidoosten van Emmen is de rug bedekt t me ten dele afgegraven

veen (4K3).

39


13.2 Vondsten en bewoningsgeschiedenis

In het ten noorden van de bebouwing van Emmen geleg en Valtherbosch

bevindt zich een groot aantal archeologisch waardev olle terreinen. Het betreft

grafheuvels en urnenvelden uit het Neolithicum tot de ijzertijd. In bijna alle

gevallen gaat het om een terrein met één grafheuvel (CMA-nrs. 8619, 8640,

8641, 8644, 8654, 8655, 8656, 9621, 9624, 9625, 6 en 9629692),

waarvan negen

exemplaren een beschermde status hebben (CMA_nrs. 99, 4504,

1618, 2066,

8652, 9627, 9693, 9694 en 9695).

Voor twee van de terreinen geldt dat er meerdere euvels h bij elkaar liggen,

te weten zeven en 29 heuvels (CMA-nrs. respectievel ijk 503 en 498). Beide

terreinen hebben een beschermde status. Op twee chermde bes terreinen is naast

grafheuvels een urnenveld aanwezig (CMA-nrs. 9622 n 9623). e Een beschermd

terrein betreft een urnenveld zonder grafheuvels MA-nr. (C 507). Binnen de

begrenzing van het Valtherbosch liggen vier hunebed den. Het betreft de

nummers D37A (CMA-nr. 501, CAA-nr. 239087), D38, D3 9, D39a en D40

(CMA-nr. 8653, CAA-nr. 16992).

Hunebedden zijn gebouwd door de Neolithische boere n van de

Trechterbeker (TRB) cultuur. Ze deden dienst als afkamer, gr maar ook als

markeringspunten in het landschap en zijn derhalve verspreid over de hogere

delen in het landschap. In het geval van Drenthe dat is met name de Hondsrug.

Hunebed D37A is in 1837 opgegraven en sindsdien eel gehvernield.

In 1925

werd nog een poging tot onderzoek gedaan door Van iffen, G maar de

grafkelder bleek dusdanig vergraven dat er geen ttegrond pla meer te

reconstrueren was. Ook D39A is geheel vernield (CAA -nr. 34872). Hunebed

D38 is nooit wetenschappelijk onderzocht. De dekheu vel van hunebed D39

bestaat uit twee fasen waarvan de eerste dateert t de uitijd

van de TRB en de

latere uit het Laat-Neolithicum (2850 tot 2000 vC) of de bronstijd (2000 tot 800

vC). D40 lijkt slechts in de vroege TRB-tijd in geb ruik te zijn geweest. D38,

D39 en D40 vormen een trio (Van Ginkel et al., 1999 : pp. 184-197).

In het CAA is een melding aanwezig van een verdwen en hunebed, D45b

(CAA-nr. 16924). De overige vondstmeldingen in het CAA betreffen

voornamelijk vondsten die gedaan zijn in en bij de grafheuvels en hunebedden.

In de meeste gevallen gaat het om vuurstenen artefa cten en

aardewerkfragmenten. Voor een specifieke beschrijvi ng van alle meldingen

wordt verwezen naar de Tabel behorend bij Deelgebie d III.

Ten noordwesten van Weerdinge, op de Kamperesch, ijn z

bewoningssporen aangetroffen uit de TRB- en Klokbek erperiode. Mogelijk

dateren enkele van de sporen uit het Mesolithicum CMA-nr. ( 9585). Nabij de

Kamperesch is een tweetal raatakkercomplexen, zogen aamde Celtic Fields ,

bekend (CMA-nrs. 9637 en 14317). Deze akkerbouwcomp lexen dateren uit de

ijzertijd tot de Romeinse tijd. Ten westen en ooste n van de dorpskern

Weerdinge zijn bewoningssporen aanwezig (CMA-nrs. 587 9 en 9586). De

sporen ten westen van het dorp dateren uit de ijzer tijd, de sporen aan de andere

kant, op de Russchenlanden, hebben een begindaterin g in de bronstijd en lopen

40


mogelijk door tot in de ijzertijd. Ook hier zijn raatakkercomplexen gevonden

(CAA-nrs. 1193, 1198 tot en met 1201 en 1204). Ten noordwesten van het dorp,

langs de weg naar de Kamperesch, is een aantal stenen vuur artefacten en

aardewerkfragmenten gevonden. De datering van de ndplaats vi is Mesolithicum

tot Midden-Neolithicum (CMA-nr. 14321). Ten zuidwes ten van de dorpskern

zijn bewoningssporen waargenomen uit het Neolithicu m tot de vroege

bronstijd (CMA-nr. 14393). De dorpskern van Weerdin ge zelf tenslotte,

daterend uit de Middeleeuwen, is een terrein van ge hoarcheologische

waarde

(CMA-nr. 14503).

Alle terreinen zijn opgenomen in de Tabel (in de ijlage) b behorend bij

Deelgebied III.

13.3 Historisch onderzoek

Weerdinge was in het begin van de 19e eeuw nog edig voll agrarisch. Rond

1800 woonden er 117 mensen. Alle 32 werkzame mensen waren boer, boerenzoon,

keuter of boerenknecht. De huizen waren gecon centreerd in de

dorpskern aan de rand van de essen dichtbij de nlanden groe langs het Weerdinger

Diep, waar het vee graasde, de zgn. broeklan den. Ten noordwesten van

de es lag het veld waar de schapen graasden. Ten orden no van het dorp lag het

Weerdinger Holt, dat als productiebos dienst deed. Dit is goed te zien op het

kaartje van Hottinger (Figuur 5). Hierdoor zijn de bossen geleidelijk verdwenen.

In de jaren 1930 zijn er echter weer nieuwe ssen bo aangeplant. Weerdinge

is een brinkdorp met essen te midden van houtwallen . Al voor 1900 ontwikkelde

Weerdinge zich, onder invloed van de vervenin gen, van een boerendorp

tot een dorp met veel middenstand. Na de verveninge n trokken veel mensen

weer weg en momenteel wonen er ongeveer 700 mensen.

41


Figuur 5. Fragment van de Hottingerkaart (1773-1794); van noord naar zuid de scherpe

scheiding van zand en veen. Op het zand de Weerdinger es (geel), in het veen de natte

broeklanden langs het begin van de Weerdingerdijk (groen).

13.4 Conclusies en advies

Het Valtherbosch (en de directe omgeving ervan) archeologisch is een zeer rijk

gebied. Er zijn binnen de grenzen van het Valtherbo sch vier hunebedden

bekend. Daarnaast is uit het gebied en rond Weerdin ge een groot aantal

vondsten gemeld. Sporen van bewoning komen voor af vantenminste

het

Neolithicum tot aan de ijzertijd, waarbij de laatst genoemde periode vooral

gekenmerkt wordt door de raatakkercomplexen of zoge naamde Celtic Fields .

Grote delen van het Valtherbosch en omgeving zijn enoemd b tot terreinen van

archeologische waarde en in veel gevallen betreft et beschermde h archeologische

monumenten. De hoge trefkans op archeologische waar den kan voor dit gebied

gehandhaafd worden.

Geadviseerd wordt om in dit deel van de gemeente men Em zo veel mogelijk

van bodemverstorende activiteiten af te zien. Indie n dergelijke werkzaamheden

toch gepland worden, dient op de planlocatie een arderend wa archeologisch

veldonderzoek te worden uitgevoerd, voorafgegaan or doeen

gedetailleerd

bureauonderzoek met raadpleging van de AHN en ontgr ondingskaarten,

specifiek voor de planlocatie.

42


14 De bebouwing van Emmen en de Emmerdennen

14.1 Bodem en verwachtingskaart

De in Emmen gelegen Emmerdennen en het ten westen an vde

stad gelegen

Noordbarger Bosch bestaan uit hoge en lage landduin en met bijbehorende

vlakten en laagten (12C2 en 4L8). In de Emmerdennen liggen enkele laagtes

zonder randwal (3N5). De bodem in en rond Emmen bes taat uit podzolen. De

heuvelrug waarop de stad ligt, bestaat uit een loop odzol, een kamppodzol en

een veldpodzol, alle met lemig fijn zand en plaatse lijk met keileem beginnend

op 40 tot 120 cm beneden het maaiveld en tenminste 20 cm dik (classificaties

bodemkaart respectievelijk cY23 x, cHd21 en Hn23x met grondwatertrappen V

tot en met VII: gemiddelde hoogste grondwaterstand respectievelijk minder dan

40, tussen 40 en 80 en meer dan 80 cm onder het iveld maaen

gemiddelde laagste

grondwaterstand meer dan 120 cm beneden het maaivel d). In de Emmerdennen

bestaat de bodem uit een gecombineerde vlak- en nvaaggrond dui met keileem

(Zn/Zd21x).

14.2 Vondsten en bewoningsgeschiedenis

In de Emmerdennen, in het noordoosten van de stad mmen, E ligt het restant

van hunebed D45 (CMA-nr. 514, CAA-nr. 16968). Ten osten o daarvan, in de

bebouwing van de wijk Emmerhout, liggen nog twee rnielde ve hunebedden

(CMA-nrs. 512 en 513). In alle drie gevallen betref t het terreinen van zeer hoge

archeologische waarde met een beschermde status. Emmerhout In zijn twee

grafheuvels aangetroffen uit het Neolithicum tot de ijzertijd (CAA-nrs. 302479

en 302478). Uit de midden- tot late bronstijd is n ee huisplattegrond van het type

Elp bekend (CAA-nr. 16966). In de Emmerdennen ligt daarnaast een tweetal

grafheuvels uit het Neolithicum tot de ijzertijd (CMA-nrs. 9697 en 9698). Ook

dit zijn beschermde terreinen met een zeer hoge heologische arc waarde. Direct

ten noorden van de Emmerdennen, in het Emmerbosch, bevindt zich ook een

beschermde grafheuvel met een zeer hoge archeologis che waarde, daterend uit

het Neolithicum tot de bronstijd (CMA-nr. 9685).

In de wijk Angelslo, ten zuiden van Emmerhout, zij n twee hunebedden

aanwezig: D46 en D47 (CAA-nrs. 16983 en 16984). de Bei liggen inmiddels

midden tussen de bebouwing en zijn gerestaureerd an (VGinkel

et al., 1999: p.

188). In de wijk Angelslo zijn daarnaast grafheuvel s aanwezig uit de bronstijd

(CAA-nrs. 16981, 16978, 16977 en 16972) en een veld grafuit

het Midden- tot

Laat-Neolithicum (CAA-nr. 16971). De overige vondst en betreffen

oppervlaktevondsten van met name vuurstenen artefac ten (zie Tabel bij

Deelgebied III in de bijlage).

In het zuiden van Emmen, in de wijk Emmermeer is n eegrafheuvel

gevonden

met daarin een boomkistgraf. Bij de begraving zijn aardewerk en stenen

aangetroffen. De datering ligt in de bronstijd. (CAA-nr. 302458). Daarnaast zijn

twee andere grafheuvels daterend uit het Neolithicu m tot de ijzertijd bekend uit

43


de wijk (CAA-nrs. 302477 en 302492). In de wijk De Weiert in het centrum is

een nederzettingsterrein met huisplattegronden en utkommen h opgegraven

(CAA-nrs. 47573 en 238113). De nederzetting heeft en ebegindatering

in het

Paleolithicum, maar er zijn ook sporen uit veel jon gere perioden aangetroffen.

Onder de bebouwing van het centrum van Emmen bevin den zich

terreinen van archeologische waarde. Het betreft woningssporen be

uit het

Paleolithicum tot de ijzertijd, waaronder grondspor en, haardkuilen, vuursteen

artefacten en aardewerkfragmenten (CMA-nrs. 9686, 687 9 en 9690). De

voornaamste vondstcategorie in de CAA-meldingen die is van de vuurstenen

artefacten, gevolgd door Neolithisch aardewerk. Daa rnaast zijn er

oppervlaktevondsten gedaan uit de Romeinse tijd Middeleeuwen. en

Langs de

Weerdingerstraat in het centrum van Emmen staat een kerk met bijbehorende

waterput met een begindatering in de Middeleeuwen. Voor een precieze

beschrijving van alle vondstmeldingen in dit gebied wordt verwezen naar de

Tabel van Deelgebied III.

14.3 Eerder onderzoek

In plangebied Klokkenslag nabij de Noordbarger es s door i ARC bv een

archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Op het terrein was een esdek

aanwezig. De vlakken zijn direct onder het esdek ngelegd. aa In de eerste

proefsleuf zijn twee paalgaten aangetroffen, in tweede de één. De bodem in de

tweede sleuf bleek grotendeels te zijn verstoord. n geen I van beide putten zijn

vondsten gedaan (De Wit & Tuinstra, 2003).

Ten zuidoosten van Emmen, tussen de wijk Angelslo en het voormalige

Bargermeer heeft ARC bv in een plangebied van ongev eer vijf hectare een IVO

verricht. Het onderzochte gebied heeft een grotende els intact podzolprofiel.

Tijdens het veldonderzoek is een vuurstenen afslag gevonden. Er is een

vervolgonderzoek door middel van proefsleuven geadv iseerd (De Roller, 2003).

Dat onderzoek is in 2005 uitgevoerd door ARC. Er jn zi zeven noordzuidgerichte

proefsleuven aangelegd. In de meeste an de v proefsleuven, met

uitzondering van sleueven 4 en 5, zijn sporen van enselijke m activiteiten

aangetroffen. De sporen dateren waarschijnlijk uit de late bronstijd en bestaan

onder andere uit een deel van een huisplattegrond n enkele e andere

(afval)kuilen. ARC adviseert het bodemarchief in tu site

bewaren en als dat niet

mogelijk is, om op het terrein een Definitief Archeologisch Onderzoek (DAO)

uit te laten voeren (Blom, 2005).

In het zuiden van Emmen is een aantal onderzoeken verricht voor de

woonwijk Delftlanden. In eerste instantie is een ldonderzoek ve uitgevoerd

waarbij attentiegebieden zijn aangewezen. Grote en del van het gebied bleken te

zijn vergraven (Bijl & De Wit, 2001). Daarop volgen d is in het noordelijke deel

van het plangebied een veldonderzoek door middel n va grondboringen en een

veldkartering verricht. De bodem in dit gebied is eels d intact. Aan het

oppervlak zijn enkele vuurstenen artefacten en een scherf aardewerk

aangetroffen. Daarnaast is een onderzoek gedaan r een naa mogelijke pingo-

44


uïne 1 in het plangebied. Het veengat bleek een pingo-ruï ne te zijn, maar

bevond zich niet in intacte staat (De Roller, 2003a en 2003b).

Aan de noordoostkant van Emmen, ten noorden van de woonwijk

Emmerhout is vier hectare grond onderzocht op arche ologische waarden door

ARC bv. De bodem bleek ter plaatse grotendeels vers toord en/of vergraven te

zijn. Er zijn geen archeologische indicatoren aange troffen (De Roller, 2003).

Ten westen van Emmen, aan Frieslandweg, nabij de mmeres, E is een tot

opgraving uitgebreid proefsleuvenonderzoek uitgevoe rd door ARC bv. In

eerste instantie is een booronderzoek verricht om e dmeest

kansrijke locaties

binnen het plangebied op te sporen. Vervolgens zijn zeven proefsleuven

aangelegd. Daar waar sporen werden gevonden, zijn e proefsleuven d uitgebreid.

Er zijn aan de Frieslandweg mogelijk drie, maar minste ten twee

huisplattegronden gevonden. Daarnaast werden vier utkommen, h een spieker

(opslaggebouwtje), vijf waterkuilen en een grote eveelheid ho greppels

aangetroffen. De sporen zijn geïnterpreteerd als komstig af van een kleine

boerennederzetting, daterend in de 2e tot 3e eeuw C (De n Wit, 2000). De kans

is groot dat er zich in de omgeving van het onderzo chte terrein nog meer

sporen in de bodem bevinden.

14.4 Historisch onderzoek

14.4.1 Het Noordeind

Het Noordeind is één van de oudste delen van Emmen, waarschijnlijk ontstaan

in de 7e eeuw. In de 2e tot en met de 6e eeuw woonde men hier aan de

rand van de huidige es. Tijdens de 7e tot en met 9e deeeuw

lag Het Noordeind

op de plek van het huidige Noorderplein. Hier in de buurt ligt ook de

uit de 9e eeuw daterende kerk. Rond 1900 bestond mmen E nog steeds alleen

maar uit het Noordeind. Hier stonden eeuwenoude boe rderijen. Geleidelijk

kwamen er winkeltjes en bedrijven tussen de boerder ijen. Van het oude

Noordeind is nu weinig over. Alleen aan de Langgraf weg bevinden zich nog

gerestaureerde boerderijen, een oude schuur en oude bomen. Het oude Noordeind

hield op te bestaan door de aanleg van de slandweg Frie en de Hondsrugweg.

De naam Haagjesweg verwijst overigens naar twallen hou ter omheining

van akkers de es. Het Noordeind zag er in de jaren vijftig uit zoals Westenesch

nu, met veel bomen en oude boerderijen. Bij het reken afb van het oude Noordeind

werden muren en een oude waterput gevonden. www.Historisch-

(

Emmen.nl)

In 1789 woonden er in Emmen 261 mensen in 63 woning en. Daarmee

was Emmen ongeveer even groot als Noordbarge. Slech ts 47% van de mensen

werkte toen in de landbouw. De boerderijen waren latief re klein. De am-

1 Een pingo-ruïne is het overblijfsel van een pingo, oftewel een ijskernheuvel. Door de

aanvoer van ondergronds water in periglaciale omstandigheden vormt zich een ijskern die

de bodengrond omhoog drukt. Wanneer het ijs smelt, zakt de bult in en vormt een meertje

met een hogere rand er om heen. In het meertje kan veenvorming plaatsvinden. De

ringwallen van pingoruïnes zijn ideale bewoningslocaties geweest in de steentijd.

45


achtslieden en –knechten vormen een groep van 33% van de beroepsbevolking.

Emmen was het centrum van het kerspel, met kerk, de de school, de

predikant, de schoolmeester en de schulte. Door regelmatige het samenkomen

in de kerk, was het ook een ontmoetingsplaats en rd weer

handel gedreven.

(Gerding, 1989: 52)

14.4.2 Emmermeer

Emmermeer is één van de oudste woonwijken van Emmen . Gelegen ten

noorden van de kern, moest deze wijk in de woningbe hoefte na de Tweede

Wereldoorlog voorzien. Voor het eerst werden hier lats f en rijtjeswoningen in

Emmen gebouwd. Naar het westen had de wijk een wijd s uitzicht over de es,

in het noorden en oosten lagen bossen. Al rond 1948 woonden er mensen in

de kleine concentraties Meerveld en Bargermeer. sen Tus1950

en 1960 groeide

wijk uit tot 10.000 inwoners.

Oorspronkelijk lag op de plek van de wijk tot 1857 een meer van ca. 40

hectare. Dit was gelegen tussen de Haddersstraat, alstraat, W Meerstraat en

Warmeerweg. Het meer was zo ondiep dat de boeren or vo het wassen van de

schapen uitweken naar het zandmeertje in de Emmerde nnen. De omvang van

het meer varieerde enorm met de hoeveelheid neersla g. Toen de aanleg van het

Oranjekanaal in1857 Emmen bereikte, liep het meer eeg. l Het gebied bleef

eerst drassig, later werden de laagste delen met nd za opgevuld. Hierdoor ontstonden

nieuwe landbouwgronden, de zogenaamde kampe n (zo komt

Nijkampen aan zijn naam). De meeste wegen in het bied ge ontstonden rond

1900. Het noordelijk deel van de Warmeerweg is echt er veel ouder en kwam

oorspronkelijk op het meer uit. De wijk heeft vanwege de lage ligging meermalen

wateroverlast gehad (www.Historisch-Emmen.nl) .

Al rond 1920 werden de eerste huurwoningen of zogeh eten gemeentewoningen

in Emmermeer gebouwd. Ze stonden langs Warmeerweg,

de

Nijkamperweg en de Valtherzandweg. Van een nieuwbou wwijk was echter

nog lang geen sprake. In 1948 begon men met de bouw van de witte Bruynzeelwoningen

aan de Harm Boomstraat en de Van der cheerstraat. S Dit was

het laagste deel van het voormalige Emmermeer, maar werd al in een vroeg

stadium met zand opgehoogd. In dit zand worden veel scherven gevonden,

vooral uit de 18e en 19e eeuw. Al vrij snel werd k oo Aireydorp aangelegd.

14.4.3 Angelslo

Angelslo was rond 1800 een kleine agrarische nederz etting met zeventien inwoners

op drie boerenerven. Op de kaart van 1811 aan st vijf huizen. Angelslo,

dat geen zelfstandig dorp was, had eigen akkerland, gelegen rond de boerderijen

(de Konijnenakkers). De Scheurakkers oostelijk iervan h werden niet

continu als akker gebruikt. Het vee van Angelslo aasde gr onder meer bij het

Bargermeer. Dit gebied liep ‘s winters onder water, maar werd ‘s zomers gebruikt

om plaggen te steken, hout te sprokkelen en vee te weiden. Ook werd

er wel aan boekweitverbouw gedaan. Het groen voor et hvee

lag langs de

46


Runde oostelijk van Zuidbarge. De hooilanden lagen zuidelijk van Zuidbarge

aan de rand van het Barger Westerveen: de Angelsche of Heerenslagen.

De zandrug waarop Angelslo ligt was 2 meter hoger an dde

omliggende

moerassen. Vondsten wijzen erop dat Angelso al tenm inste 5000 jaar bewoond

is. Het hunebed D46 aan de Fockingeslag ligt midden in de woonwijk. D47

aan de Haselackers.

Het gebied was al voor 1500 jachtgebied van de chop biss van Utrecht. Rond

1650 had de invloedrijke familie er bezittingen: n eelandgoed.

Er zullen toen

dus ook kleinere huisje/keuterijen geweest zijn. He t landgoed werd rond 1816

afgebroken, maar de resten moeten rond 1920 nog htbaar zic zijn geweest

(www.Historisch -Emmen.nl). De straatnaam Slotstee verwijst hier nog naar.

Nader onderzoek kan wellicht de juiste locatie aan het licht brengen.

De eerste bewoners van de wijk Angelslo waren vier gezinnen die in

1961 aan de Batingehof gingen wonen. De wijk groeid e snel en werd na voltooiing

gevolgd door de wijk Emmerhout.

14.4.4 Emmerhout

Emmerhout is een oude naam. De wijk ligt echter nie t precies op de plaats van

het vroegere Emmerhout. Het gebied van de wijk is el wal

lang bewoond. Bij

de bouw van de wijk zijn er plattegronden van boerd erijen uit de bronstijd gevonden

en er zijn grafheuvels verdwenen. Twee hierv an lagen bij het tweede

erfje, rechts aan de Laan van de Bork. Onder één n deze va heuvels vond men

een kindergrafje van 3500 jaar oud.

De eerst bekende bewoner dateert overigens pas van circa 1788.

Tussen 1925 en 1933 wordt er een klinkerweg aangele gd van Valthe via Weerdinge,

het oude Emmerhout over Emmerschans naar ger BarOosterveld.

Net

ten oosten van oude Emmerhout ontstond later het ongebied wo Emmerschans.

In de Tweede Wereldoorlog stond er de N.V. Turfveredelingsbedrijf

“Emmerhout”.

Al in 1951 waren er plannen voor de wijk Emmerhout. De bouw startte

pas na de voltooiing van Angelslo en in 1965 was de wijk volgebouwd. Er

verdween bij de aanleg 25 hectare van de Emmerdenne n, maar er bleef toch

nog een flink deel staan. Emmerhout moest compact ebouwd g worden rond

een winkelcentrum. Er moesten bovendien zo weinig ogelijk m auto’s tussen

de huizen rijden. Hiervoor werd iets nieuws bedacht : het woonerf. Emmerhout

werd zodoende een groene wijk met veel ruimte. Na voltooiing van de

wijk werd Bargeres op de es van Zuid- en Noordbarge gebouwd

(www.Historisch-Emmen.nl).

14.5 Conclusies en advies

Dat Emmen heeft een lange bewoningsgeschiedenis ft, hee blijkt uit de

archeologische vondsten en terreinen die bekend n zij uit het gebied. Er zijn

huisplattegronden, haardkuilen en grafheuvels uit e dprehistorie

bekend.

Binnen de bebouwde kom van Emmen en de Emmerdennen bevinden zich

tenminste vijf hunebedden, of de resten daarvan. arnaast Da zijn

47


ewoningssporen aangetroffen vanaf het Paleolithicu m tot aan de

Middeleeuwen. Uit de reeds in het gebied uitgevoerd e archeologische

onderzoeken blijkt dat de bodem, ondanks de vele uwwerkzaamheden bo

in het

gebied, ten dele nog intact is. Dat betekent dat cheologische ar grondsporen nog

gaaf kunnen zijn. De kans op dergelijke sporen in it gebied d is groot, gezien de

vele bewoningsmomenten in het verleden. Voor de beb ouwde kom van

Emmen, die geen classificatie heeft op de IKAW, dt gel een hoge trefkans op

archeologische waarden. De (middel)hoge trefkans or vo de Emmerdennen kan

gehandhaafd worden.

Geadviseerd wordt om in dit gebied zo min mogelijk bodemverstorende

ingrepen uit te voeren. Indien dergelijke werkzaamh eden wel gepland worden,

dient voor de betreffende locaties eerst een waarde rend archeologisch

veldonderzoek worden verricht, voorafgegaan door n eegedetailleerd

bureauonderzoek.

15 Ten noordoosten van Emmen: Emmerschans

15.1 Vondsten en bewoningsgeschiedenis

In de directe omgeving van Emmerschans zijn tien schermde be terreinen van

hoge archeologische waarde aanwezig. Het betreft alle in gevallen grafheuvels.

Een van de meldingen is een terrein met daarin nege n grafheuvels, daterend uit

de ijzertijd (CMA-nr. 510). De overige meldingen treffen be terreinen met een

enkele grafheuvel. In twee gevallen gaat het om vels heu uit het Neolithicum tot

de bronstijd (CMA-nrs. 9699 en 9700). De andere en zevbegravingen

dateren

alle uit de ijzertijd (CMA-nrs. 9702 tot en met 970 8). De vondstmeldingen in

het CAA betreffen in alle gevallen vuurstenen artef acten en houden verband

met de grafheuvels of zijn oppervlaktevondsten (zie Tabel bij Deelgebied III in

de bijlage).

De direct ten oosten van de rondweg van Emmen gele gen voormalige

Emmerschans, een verdedigingswerk uit de Nieuwe d, Tijis

een terrein van

hoge archeologische waarde (CMA-nr. 8658).

15.2 Historisch onderzoek

De Emmerschans bestaat uit een vierkante aarden omgeven wal door een brede

vrij diepe gracht. Aan de westzijde ligt een dam in de gracht. De schans zou

rond 1800 zijn aangelegd. Dit is merkwaardig omdat de meeste schansen in

Nederland uit de tachtigjarige oorlog dateren. Tijd ens de restauratie van de

Emmerschans in 1961 zouden resten van een oudere, leinere k schans zijn gevonden.

Hier is geen verder onderzoek naar verricht (www.Historisch-

Emmen.nl).

In de omgeving van de Emmerschans hebben, getuige rcheologische a

vondsten, al lang menselijke activiteiten plaatsgev onden. Rond 1900 stonden

er plaggenhutten waar veenarbeiders woonden. Dit rdt wogezien

als het echte

startpunt van Emmerschans als woongebied. Geleideli jk ontwikkelde Emmer-

48


schans zich verder met de vestiging van winkeliers en bedrijven. In de omgeving

is veel zand afgegraven, waardoor er nu grote waterpartijen zijn. Vanaf

1960 werden er nieuwe huizen gebouwd. Sinds de n jare 1970 is Emmerschans

officieel een wijk van Emmen, tot die tijd was het zelfstandig.

15.3 Conclusies en advies

Rondom Emmerschans zijn voornamelijk grafheuvels kend be uit de bronstijd

en de ijzertijd. Daarnaast is de Emmerschans zelf en eterrein

van hoge

archeologische waarde. Direct ten oosten van Emmers chans ligt het Emmer-

Erfscheidenveen, een veengebied waaruit weinig vond sten bekend zijn (zie

Deelgebied I).

16 Ten oosten van Emmen: Barger-Oosterveld

16.1 Vondsten en bewoningsgeschiedenis

Ten noordoosten van de bebouwing van Barger-Oosterv eld, in het

Bargeroosterveld hebben ten minste twee veenwegen elopen, g daterend uit de

middenbronstijd tot de ijzertijd (CMA-nrs. 497 en 657). 8 Beide zijn terreinen

met een zeer hoge archeologische waarde en een hermde besc status. In het CAA

zijn negen vondstmeldingen aanwezig die verband den hou met de veenwegen.

Het betreft houten hamers, een leren schoen, delen van houten wielen en van

de veenwegen zelf (CAA-nrs. 302108 tot en met 30211 3, 302117, 17000 en

16999).

Ten oosten van het dorp is een Celtic Field aanwezig (CMA-nr. 9056). Het

is een terrein van archeologische betekenis. Ten idoosten zu van de bebouwing

van Barger-Oosterveld is een grafheuvel aanwezig. e heuvel D dateert uit het

Neolithicum tot de ijzertijd en is een terrein van archeologische betekenis

(CMA-nr. 14398). Ten oosten van het dorp, in de nab ijheid van het Oosterbos,

is een tempeltje gevonden van houten palen. Om de alen p bevond zich een

krans van veldkeien. Het bouwwerk staat bekend als het Tempeltje van Barger-

Oosterveld (CAA-nr. 238465). Langs de weg Splitting , ten oosten van het dorp,

is een vindplaats van vuurstenen artefacten (CMA-nr . 14526). De vindplaats

heeft een hoge archeologische waarde. De overige ldingen me in het CAA

houden voornamelijk verband met de grafheuvel en t he Celtic Field (zie Tabel

bij Deelgebied III).

16.2 Conclusies en advies

De meeste vondsten rondom Barger-Oosterveld zijn komstig af uit het naburige

veen. Een groot deel van de veenvondsten is geassoc ieerd met de ligging van

veenwegen.

De locatie van dergelijke vondsten is moeilijk te voorspellen.

Archeologisch waardevolle locaties in de veengebied en zijn met

inventariserende veldonderzoeken zeer moeilijk op e sporen. t Op de hoger

49


gelegen zandgronden rondom het dorp bevinden zich poren s van

nederzettingen. De (middel)hoge trefkans op de IKAWkan

voor dit gebied

gehandhaafd worden. Bij geplande bodemingrepen en dienIVO’s

uitgevoerd te

worden.

17 Ten (zuid)westen van Emmen: Westenesch en Emmere sch

17.1 Bodem en verwachtingskaart

Ten westen en zuidwesten van Emmen ligt een zwak lvende go relatief

hooggelegen grondmorene, al dan niet met welvingen, bedekt met dekzand

(3L2a). In het uiterste noordwesten van de gemeente Emmen ligt het beekdal

van de Sleenerstroom. Het betreft een beekdalbodem, deels met en deels zonder

veen (classificaties respectievelijk 1R4 en 2R5). en Tzuiden

van Emmen, tussen

de dorpen Nieuw-Amsterdam en Erica, ligt een relati ef hooggelegen

veenkoloniale ontginningsvlakte (2M45). Ten zuiden en westen van Emmen

bestaat de bodem uit ten dele vergraven veld- en arpodzolen ha met plaatselijk

keileem binnen 40 tot 120 cm onder het maaiveld (Hn 21 en Hd21(x) met

grondwatertrappen VI en VII: gemiddelde hoogste gro ndwaterstand

respectievelijk tussen 40 en 80 en meer dan 80 cm eneden b het maaiveld en

gemiddelde laagste grondwaterstand meer dan 120 beneden cm het maaiveld).

17.2 Vondsten en bewoningsgeschiedenis

Ten westen van de bebouwing van Emmen en ten oosten van het Oranjekanaal

ligt een aantal essen. Op de Westenesch ligt hunebe d D44 (CMA-nr. 517, CAAnr.

16988). Het is een terrein van zeer hoge archeo logische waarde met een

beschermde status. Het monument is in 1961 onderzoc ht en gerestaureerd door

Van Giffen. Tegenwoordig is het monument verstoord. De deksteen staat apart

en vertoont een rij boorgaten (Van Ginkel et al., 999: 1 p. 187). Een tweede

vernield hunebed op de Westenesch bevindt zich ten westen van het

bovengenoemde exemplaar (CAA-nr. 302468). Op de tenesch Wes zijn ook

nederzettingssporen daterend uit de ijzertijd tot e dRomeinse

tijd aangetroffen

(CMA-nr. 9691). Op de ten noorden van de Westenesch gelegen Emmeresch is

ook een hunebed, nummer D41, aanwezig (CMA-nr. 9684 , CAA-nrs. 16993 en

40297). Het hunebed en aangrenzend gebied, waarin ich zeen

grafheuvel

bevindt, maken deel uit van een terrein van hoge cheologische ar waarde en

hebben een beschermde status.

Hunebed D43 ligt op de Schimmeresch, ten noorden an vde

Emmeresch.

Ook dit exemplaar heeft een beschermde status en gt in li een terrein met zeer

hoge archeologische waarde (CAA-nrs. 34918, 34919, 38193 en 34858). Ten

westen van D43 ligt hunebed D42 (CAA-nrs. 16987 435). en Dit hunebed is

nooit wetenschappelijk onderzocht (Van Ginkel et ., al1999:

p. 186). De in het

CAA vermelde vondsten uit dit gebied zijn voornamel ijk oppervlaktevondsten

van vuurstenen artefacten en bekeraardewerk. Vermel denswaardig is een graf

met crematieresten omringd door veldkeien (CAA-nr. 34853).

50


17.3 Historisch onderzoek

Westenesch had aan het begin van de 19e eeuw 125 woners in en 25 huizen.

93% van de inwoners werkte in de landbouw. De boere n hadden over het algemeen

grote bedrijven. Het akkerland van Westenesc h lag op de westflank

van de Emmeresch. Het vee graasde samen met dat Emmen van langs de Sleenerstroom.

De schaapskudde liep in het noorden, het in Emmerveld. Ten

westen van Westenesch loopt een oude verbindingsweg door het natte gebied,

de Emmer Madedijk (nu Slenerweg).

De Emmeresch is één van de oudste essen van Drenthe , waar landbouw werd

bedreven in de 6e eeuw vC. Toen lagen Celtic er Fields . De huidige Emmeresch

is als open akkercomplex ontstaan uit een voorloper met veel meer houtwallen

om kleinere percelen. Onder de huidige es zijn oudere nederzettingen

terug te vinden. De geschiedenis van deze es gaat erug tdaardoor

terug tot de

10e en 11e eeuw. (Emmen in het perspectief van s, de www.Historisch-

e

Emmen.nl)

17.4 Conclusies en advies

De essen in het westen van Emmen zijn rijk aan arch eologische sporen. De

vroegste sporen, in de vorm van hunebedden en vuurs tenen artefacten, dateren

uit het Neolithicum. Het gebied heeft een hoge tref kans op archeologische

waarden op de IKAW. Deze waardering kan gehandhaafd worden. Indien in dit

gebied bodemverstorende ingrepen gepland worden, ent dieen

waarderend

archeologisch veldonderzoek te worden uitgevoerd.

18 Het westen van de gemeente Emmen

18.1 Bodem en verwachtingskaart

In het Sleenerstroomdal komt madeveengrond voor met zand zonder

humuspodzol binnen 120 cm onder het maaiveld (aVz). Verder oostelijk van de

Sleenerstroom komt een moerige eerdgrond met moerig e bovengrond op zand

en met leemlagen voor (classificatie vWz t).

18.2 Vondsten en bewoningsgeschiedenis

In het uiterste westen van de gemeente Emmen, op Noordhagen de Rietlanden,

zijn drie vindplaatsen van vuurstenen artefacten kend. be Het betreft twee

vindplaatsen uit het Mesolithicum en een uit het leolithicum Pa (CAA-nrs.

34829, 34839 en 46165). In de buurt van de dorpen leen Sen

Noord-Sleen zijn

oppervlaktevondsten van vuurstenen artefacten gemel d (CAA-nrs.

respectievelijk 34847, 34850 en 34846 en 34837 4841). en 3 Hetzelfde geldt voor

de omgeving van Klijndijk. Ook hier is een aantal uursteenvondsten v

in

ARCHIS bekend

(CAA-nrs. 302265, 302273, 302274, 302304, 302348, 14955 2 en 302305). In het

westen, ten zuidwesten van de stad Emmen, bij Wille msoord, zijn ook

vuursteenvondsten gedaan. Deze dateren uit het olithicum Pale tot en met het

51


Neolithicum (CAA-nrs. 445, 302424, 302382 en 302337 ). Nog verder

zuidwestelijk, bij Erm en het Ermerveen en Nieuw-Amsterdam, is een aantal

oppervlaktevondsten gedaan (CAA-nrs. 30, 302434, 2391, 30 302330, 302381 en

302452).

Ten westen van het Noorbargerbos, op de Bargeres, zijn

vuursteenvindplaatsen bekend. Het betreft in alle evallen g

oppervlaktevondsten, daterend uit het Mesolithicum tot Neolithicum (CAAnrs.

302384, 302392, 302386 en 302389). In het dbargerbos Noor zelf zijn ook

artefacten van vuursteen aangetroffen (CAA-nrs. 51 348en

34848).

18.3 Historisch onderzoek

18.3.1 Wilhemsoord

Wilhelmsoord is een klein buurtschap tussen de woon wijk Bargeres en Nieuw

Amsterdam. Het is genoemd naar Wilhelm en Lutke Fri eling uit Noordbarge,

die hier de eerste huizen bouwden. Wilhelmsoord t lig op het zand, in 1889

woonden er 155 mensen, dertig jaar later 251 (www.H istorisch-Emmen.nl).

18.4 Eerder onderzoek

Op Bedrijvenpark De Tweeling, ten noordwesten van eenoord, V is een IVO

middels grondboringen uitgevoerd door RAAP. In het ongeveer 56 hectare

grote plangebied is nergens een intact bodemprofiel aangetroffen (Hekman,

2004).

18.5 Conclusies en advies

In het westen van de gemeente Emmen zijn voornameli jk oppervlaktevondsten

van vuurstenen artefacten bekend. De vondsten zijn geassocieerd met de hoger

gelegen delen van het gebied waaronder de oevers n de vaSleenerstroom.

Deze

hogere delen hebben een middelhoge trefkans op KAW. de I De lagere delen

hebben een lage trefkans. Er zijn geen redenen voor het aanpassen van deze

trefkansen. De aanwezigheid van onverstoorde archeo logische grondsporen is

niet uit te sluiten in het gebied.

Op de hoger gelegen delen van het gebied is daarom bij bodemverstorende

werkzaamheden het uitvoeren van IVO’s noodzakelijk om de mate van

gaafheid van de bodem ter plaatse vast te stellen.

52


19 Erica

19.1 Vondsten en bewoningsgeschiedenis

Ten noordoosten van het ten zuiden van Emmen gelege n dorp Erica ligt de

vindplaats van een aantal Neolithische vlakgraven et mTrechterbekeraardewerk

(CAA-nrs. 34938 en 38202). Ten zuidoosten van het orp d is een veenlijk

gevonden bij het vervenen (CAA-nr. 302222). In het bosje ten noordwesten van

Erica ligt een kringgrepurnenveld met sleutelgatgre ppels een grafheuvel (CAAnrs.

238455 en 34936). In de omgeving van Erica n zij verder

oppervlaktevondsten gedaan van met name vuursteenma teriaal (CAA-nrs.

302430, 302487, 33790, 302429, 302428 en 302411). aarnaast D is een aantal

stenen bijlen (CAA-nrs. 302412, 302147, 302414, 413 302en

444) en een bronzen

kokerbijl (CAA-nr. 34931) als losse vondst vermeld.

19.2 Historisch onderzoek

Erica dankt haar bestaan aan de verveningsactivitei ten. Tot ver in de 19e eeuw

was er aan de randen van het veen wat boekweitteelt , verder gebeurde er weinig.

Vanaf 1863 gingen de eerste mensen in Erica nen. wo Die eerste bewoners

waren Bentheimers, die via Slagharen in Erica terec ht kwamen.

In Erica heeft een schans gestaan. Vanwege de heid nabij van Noord- en

Zuidbarge, heette die de Bergerschans (Bargerschans ). De schans, gebouwd in

de 18e eeuw op bevel van Menno van Coehoorn, is een op aantal kaarten terug

te vinden. Hij lag vlak bij de weg van Emmen er ov Zuidbarge naar

Schoonebeek, op de meest zuidelijke uitloper van Hondsrug. de De locatie is

200-300 meter ten noorden van het huidige sportpark , waar een nieuwbouwwijk

ligt, ongeveer waar nu de straat “De Korrel” s i (www.Historisch-

Emmen.nl).

Er liep een stroompje (de Bargerbeek) vanuit de en venbij

het huidige Erica

naar het Schoonebekerdiep, waar het uitmondde ongev eer bij de huidige

grensovergang naar Emlichheim. Erica ligt op de lopers uit van de Hondsrug

en het is zeer waarschijnlijk dat het voetpad van arge B naar Schoonebeek, dat

volgens de geschiedschrijving aanwezig was en over liep een hoogte die men de

Hankenberg noemde, van Schoonebeek, langs het beekj e, over de Hankenberg

en via de zandopduikingen bij Erica, naar Zuid-Barg e liep. Dit pad zal zeker

gebruikt zal zijn door de schaapherders van de boer en uit beide plaatsen,

waarbij de beek dan als drinkplaats voor mens en er di diende. Het beekje is

nog gedeeltelijk in het terrein aanwezig. Als gevol g van een geschil tussen boeren

is er tussen de gemeentes Dalen en Emmen in 5 184 een scheidingssloot

gegraven.

19.3 Conclusies en advies

De aanwezigheid van verschillende grafvelden uit de prehistorie en van

vuurstenen artefacten in het gebied, geeft aan in dat dit gebied mogelijk sporen

van bewoning aanwezig kunnen zijn. De gebieden hebb en een (middel)hoge

53


trefkans op archeologische waarden op de IKAW. De ager l gelegen venige delen

hebben een lage trefkans. Hier zijn mogelijk depots of andere veenvondsten

aanwezig, maar die zijn nauwelijks op te sporen doo r middel van IVO’s. De

waarderingen op de IKAW kunnen gehandhaafd worden. Indien in de hoger

gelegen gebieden bodemverstorende ingrepen voorgeno men worden, dienen

IVO’s te worden uitgevoerd. Voor de lagere delen eft he de uitvoering van

IVO’s geen zin, omdat depot- of offervondsten met ergelijk d onderzoek

moeilijk op te sporen zijn.

20 Noordbarge en Zuidbarge

20.1 Vondsten en bewoningsgeschiedenis

In en rond de aan Emmen vastgegroeide dorpen Noorden Zuidbarge is een

aantal nederzettingsresten gevonden. Het betreft n ee nederzetting uit de

Romeinse tijd waar onder andere metalen beelden aardewerken en sculpturen

zijn aangetroffen (CAA-nr. 34914), de bronstijdnede rzetting Hoge Loo (CAAnr.

35098), een bij een bronstijd urnenveld gelegen Romeinse nederzetting

(CAA-nr. 40299), en twee locaties met nederzettings resten uit de bronstijd tot

en met de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen CAA-nr. ( 238118 en

238459). Direct ten westen van de Zuidbarger Esch s een i urnengrafveld

aanwezig (CAA-nr. 34928). De overige meldingen in et hCAA

betreffen

oppervlaktevondsten van voornamelijk vuurstenen efacten. art Voor precieze

beschrijvingen wordt verwezen naar de Tabel van Dee lgebied III.

20.2 Eerder onderzoek

Ten westen van het dorp Zuidbarge aan de Laadweg een is Inventariserend

archeologisch Veldonderzoek (IVO) uitgevoerd naar e darcheologische

waarden

in het gebied door ARC bv. Ondanks dat het gebied p ode

IKAW een hoge

trefkans op archeologische sporen had, bleek tijden s veldonderzoek de bodem

van het plangebied sterk verstoord. Er zijn geen ndsten vo gedaan (Buitenhuis,

2004).

20.3 Historisch onderzoek

20.3.1 Noord- en Zuidbarge

Noord- en Zuidbarge hadden rond 1800 een omvang van respectievelijk 46 en

33 huizen en 256 en 160 inwoners. In Zuidbarge werk te vrijwel iedereen in de

landbouw. Het grotere Noordbarge kende ook een aant al andere beroepen:

timmerman, kleermaker, wever en twee spinsters. was Er ook een winkelier.

Noord- en Zuidbarge maakten beide gebruik van de rger Ba es en het Noorden

Zuidbarger veld en de groenlanden langs de beide beken in het westen.

(Gerding, 1989: 51) Noord- en Zuidbarge vallen al euwen e onder het bestuur

van Emmen. Bij de aanleg van de Hondsrugweg in 1973 , die het Hoge Loo

doorsnijdt, zijn allerlei archeologische vondsten edaan g waaruit blijkt dat dit

54


gebied al 2500 jaar vrij intensief bewoond is. Noor dbarge kende in het begin

van de Middeleeuwen negen boerenhoeven, later waren dit er 25. Het was een

soort eiland te midden van woeste grond. Ten zuidwe sten van Zuidbarge ligt

de Turfdijk, die de scheiding vormde tussen het ono ntgonnen veengebied in

het zuiden en het stroomdal van de Delft.

20.3.2 Den Oever

Den Oever was een kleine nederzetting bij het Barge rmeer. Er was veel visvangst.

Het vet van de paling werd gebruikt als lam polie en het vel voor

vlegelriempjes. In Den Oever hebben nooit meer dan drie tot zes boerderijen

gestaan. In 1847 was er een grote brand, waarbij n aantal ee boerderijen afbrandde.

De nieuwbouw werd wel Nieuwe Oever genoemd (www.Historisch-

Emmen.nl). Bij den Oever bevond zich een eendenkooi (Topografische kaart

1850).

Figuur 6. Fragment van de Topografische kaart (1850), waarop het tracé van de Heeren-

of Leidijk staat aangegeven, evenals de verdwenen Barger Schans. Bovenin latere

intekeningen ten behoeve van de aanleg van het Oranjekanaal.

55


20.4 Conclusies en advies

De dorpen Noord- en Zuidbarge zijn min of meer aan Emmen vastgegroeid.

Het gebied is grotendeels bebouwd en heeft daarom een gwaardering

op de

IKAW. Uit het gebied is een groot aantal archeologi sche waarden bekend,

daterend uit de prehistorie tot aan de Middeleeuwen . Wij kennen het gebied een

hoge trefkans op archeologische waarden toe. Geadvi seerd wordt om in dit

gebied geen bodemverstorende ingrepen uit te voeren . Indien dergelijke

werkzaamheden wel gepland worden, dient voor de reffende bet locaties eerst

een waarderend archeologisch veldonderzoek worden erricht, v voorafgegaan

door een gedetailleerd bureauonderzoek waarbij de HN A en

ontgrondingskaarten geraadpleegd worden.

56


[hier nog invoegen kaart EmmenDeelIII – zie file Em menDeelIII.pdf]

Kaart VI. Archeologische vondsten en historische ruimtelijke elementen in Deelgebied III.

57


[Hier nog invoegen kaart met totale overzicht van a rcheologie en historie Emmen

– zie file EmmenTotaal.pdf. Misschien is mooi hier een aparte bijlage voor

te maken]

Kaart VII. Archeologische vondsten en historische ruimtelijke elementen in Emmen.

58


21 Conclusies en advies Deelgebied III

Deelgebied III (Kaart VI) bestaat voor een groot el deuit

de bebouwing van

Emmen en de omliggende, grotendeels aan Emmen vastg egroeide dorpen.

Emmen heeft een lange bewoningsgeschiedenis, evenal s een lange traditie in

archeologisch onderzoek. Er zijn archeologische von dsten en terreinen van archeologische

waarde in en rond Emmen bekend uit e all perioden van de

prehistorie tot aan de Nieuwe Tijd. De meeste vonds ten en terreinen zijn aan

het licht gekomen bij de aanleg van huizen, wegen n andere e infrastructuur.

De eventueel nog aanwezige archeologische waarden evinden b zich op deze

plaatsen onder de huidige bebouwing.

Het spreekt voor zich dat de beschermde archeologi sche monumenten

in het gebied niet aangetast mogen worden door bode mverstorende ingrepen.

Voor de overige, deels onbebouwde gebieden rond Emm en geldt op de IKAW

grotendeels een (middel)hoge trefkans op archeologi sche waarden. Deze trefkans

kan voor vrijwel het gehele Deelgebied III gesteld bij worden naar hoog.

Alleen in het uiterste westen van de gemeente Emmen kan de lage trefkans

van het stroomdal van de Sleenerstroom gehandhaafd worden. Voor de oeverwallen

geldt echter wel een middelhoge trefkans, omdat deze als gunstige

bewoningslocaties voor de prehistorische mens gelde n.

Voor Deelgebied III geldt vanuit archeologisch per spectief dat bodemverstorende

ingrepen in de kern van Emmen, de Emmer dennen en het

Valtherbosch sterk worden afgeraden. Voor de overig e delen geldt dat voorafgaand

aan bodemverstorende ingrepen een waarderend archeologisch

veldonderzoek moet worden uitgevoerd, voorafgegaan door een gedetailleerde

bureaustudie, specifiek voor de betreffende planloc atie.

Ondanks de erg lange bewoningstraditie is Emmen omgeving en pas

laat intensief bewoond. Op kaart VI is te zien dat mede hierdoor op veel plaatsen

de historische structuur terug is te vinden. De grotendeels bewaard

gebleven essen dragen bij aan het karakteristieke iterlijk u van Emmen. Uitzondering

hierop vormt het noordelijk deel van de s etussen

Noord- en

Zuidbarge, die bebouwd is. Veel van de huidige wege n volgen oude tracés.

Van het oorspronkelijke tracé van de Heerendijk vrijwel is niets terug te vinden

(zie Figuur 6). De Turfdijk en Emmer Madedijk Slenerweg) ( zijn

daarentegen grotendeels terug te vinden. In het ied gebis

een tweetal schansterreinen

aangetroffen.

59


22 Bodemingrepen en archeologisch onderzoek

22.1 Bodemverstorende ingrepen

Niet alle bodemverstorende ingrepen zijn ook ‘arche ologieverstorende’ ingrepen.

Of een bestemmingsplanwijziging gevaar oplever t voor de eventueel in

het plangebied aanwezige archeologische waarden vaak kan alleen met een

veldonderzoek worden vastgesteld. Voor alle locatie s met een middelhoge tot

hoge trefkans op archeologische waarden waar in bestemmingsplannen

de

graafwerkzaamheden voorkomen, is een archeologisch veldonderzoek noodzakelijk

om te bepalen wat de kans is dat de aanwez ige waarden door de

bodemverstorende ingrepen worden aangetast. Voor bieden ge met een lage

verwachting kan in een aantal gevallen worden volst aan met een archeologisch

bureauonderzoek. De beslissing of in een gebied een met lage verwachting ook

veldonderzoek moet plaatsvinden, ligt bij de provin ciaal archeoloog.

Niet alleen het bouwrijp maken van grond geldt als bodemverstorend,

ook het uitdiepen of opnieuw graven van sloten, het verbreden van wegen en

het planten van bomen kan het bodemarchief aantaste n. Bij de aanvraag van

een archeologisch onderzoek ten behoeve van een temmingsplanwijziging

bes

is het dan ook van belang om aan te geven wat de plande ge werkzaamheden

precies zijn en waar ze zullen plaatsvinden. Op die manier kan in het veld gericht

onderzoek worden uitgevoerd.

22.2 Archeologisch (veld)onderzoek

Er zijn verschillende soorten archeologisch onderzo ek. In dit rapport wordt

gesproken over bureauonderzoek en IVO, Inventariser end Veldonderzoek.

Daarnaast bestaat nog het Definitief Archeologisch Onderzoek (DAO), waarbij

en volledige opgraving wordt uitgevoerd. Een rgelijk de onderzoek komt

vrijwel altijd voort uit een IVO. Een IVO is een inventarisatie van (de kans

op) archeologische waarden in een gebied en kan euren geb middels grondboringen

of proefsleuven, voorafgegaan door een gedet ailleerd bureauonderzoek

naar de trefkans op archeologische waarden in het ebied. g Hiervoor dienen de

AHN en beschikbare ontgrondingskaarten te worden bruikt. ge Voor het

veldwerk geldt dat het aantal boringen per hectare of het aantal sleuven in een

plangebied afhankelijk is van het terrein en de von dstdichtheid. Bij het uitvoeren

van een IVO moet voldaan worden aan de geldende eisen van de

provinciaal archeoloog, dr. W.A.B. van der Sanden

2 Werkplek: Drents Plateau, telefoon 0592 - 305932

60

2 .


22.3 Stappenplan archeologisch onderzoek bij bestemm ingsplanwijzigingen

Er zijn, in navolging van de IKAW, drie mogelijke kwalificaties voor de trefkans

op archeologische waarden in een plangebied: eer zlaag

tot laag,

middelhoog en hoog. Bij de verschillende verwachtin gen horen ook verschillende

archeologische onderzoeken. In dit rapport rden wo de volgende

aanbevelingen gedaan bij de verschillende trefkanse n: bij een lage trefkans kan

doorgaans worden volstaan met een archeologisch eauonderzoek, bur eventueel

aangevuld met verificatieboringen. Gebieden met een middelhoge trefkans

op archeologische waarden dienen te worden onderzoc ht met inventariserende

archeologische veldonderzoeken (IVO’s) met grondbor ingen of proefsleuven.

Gebieden met een hoge trefkans dienen te worden erzocht ond met inventariserende

en/of waarderende archeologische veldonderz oeken.

Hieronder worden de stappen beschreven voor het nvragen aa en uitvoeren

van archeologisch onderzoek in een gebied arvoor wa een

bestemmingsplanwijziging wordt aangevraagd.

1. voorleggen voorstel bestemmingsplanwijziging aan provinciaal de archeoloog.

Er zijn twee mogelijke uitkomsten: wel of gee n archeologisch

onderzoek noodzakelijk.

2. Indien wel archeologisch onderzoek noodzakelijk welke is: vorm?

De aard van het vooronderzoek in een bepaald gebied moet worden voorgeschreven

door de provinciaal archeoloog. Er zijn doorgaans twee

mogelijkheden:

a. Archeologisch Bureauonderzoek

b. Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek (IVO) nclusief i bureauonderzoek

3. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek moet word en gedaan door

daartoe gecertificeerde archeologische bedrijven. oor V adressen, zie

www.sikb.nl

4. Aan de hand van de resultaten van archeologisch donderzoek vel moet de

waarde van eventueel aanwezige grondsporen worden ngeschat. i Op basis

van de waardering van eventuele sporen kan besloten worden welk selectieadvies

gegeven moet worden. Dit advies kan besta an uit

(1) het behouden van archeologische waarden,

(2) het opgraven van de archeologische waarden: Definitief een Archeologisch

Onderzoek (DAO),

(3) het archeologisch begeleiden van de graafwerkz aamheden en

(4) het afzien van archeologisch vervolgonderzoek.

61


Literatuur

Bergh, S. van den, 2004. Verdeeld land. De geschiedenis van de ruilverkaveli ng in Nederland

vanuit een lokaal perspectief, 1890-1985 . Groningen

Bakker, A.M., 2004. Plangebied Vastenow, gemeente Emmen; een inventaris erend archeologisch

onderzoek . RAAP-notitie 716

Beuker, J., 1989. Mesolithische bewoningssporen een op zandopduiking te Nieuw-

Schoonebeek. Met bijdragen van W.A. Casparie. Nieuwe In: Drentse Volksalmanak

1989, pp. 117-186.

Bieleman, J., 1987. Boeren op het Drentse zand, 1600-1910. Een nieuwe isie op vde

‘oude’

landbouw. Wageningen

Bijl, B. & M.J.M. de Wit, 2001. Een Aanvullende Archeologische Inventarisatie op de

Delftlanden te Emmen, gemeente Emmen . ARC-Rapporten, Groningen.

Blom, M.C., 2005. Nederzettingsresten uit de Bronstijd aan de Oude erdijk Mete

Emmen,

gemeente Emmen (Dr.). Een archeologisch inventarise rend veldonderzoek door middel

van proefsleuven . ARC-rapporten 2005-78, Groningen.

Bosch, A.E., 1980. Het bronsdepot van Schoonebeek, gem. Schoonebeek. In: Nieuwe

Drentse Volksalmanak 1980, pp. 135-148.

Buitenhuis, H., 2004. Een archeologisch inventariserend veldonderzoek O) door (IV

middel van bureauonderzoek en grondboringen aan Laadweg de bij Zuidbarge, gemeente

Emmen (Dr.) . ARC-Rapporten 2004-38, Groningen.

Casparie, W.A., 1982. The Neolithic wooden trackway XXI (Bou) in the raised bog at

Nieuw-Dordrecht (The Netherlands). In: P alaeo his toria 24, pp. 115-164.

Casparie, W.A., 1986. The two Iron Age wooden track ways XIV (Bou) and XV (Bou)

in the raised bog of Southeast Drenthe (The Netherl ands). In: P alaeohis toria 28, pp.

169-210.

Casparie, W.A., B. van Geel, A.E.M. Hanraets, E. nsma Ja & I.L.M. Stuijts, 2004. De

veenweg van Nieuw-Dordrecht - onvoltooid en niet bruikt. ge In: N ie uwe D rentse

V olk salman ak 2004, pp. 114-141.

Casparie, W.A., 1987. Bog trackways in the Netherla nds. In: Palaeohistoria29,

1987

p.35-65. Rotterdam

Essink, M., 2003. Een archeologische inventarisatie op het terrein n sportpark va ‘De Planeet’

te Klazienaveen, gemeente Emmen . (Dr.) ARC-rapporten 2003-29, Groningen

Fijma, P. & J.L. van Beek, 2003. Archeologisch onderzoek Rundedal Emmen . Grontmij

Advies & Techniek bv, Assen. Concept

Fijma, P. & J.L. van Beek, 2003. Archeologisch onderzoek Rundedal te Zwartemeer .

Grontmij Advies & Techniek bv, Assen. Concept

Gerding, M.A.W., Vier eeuwen turfwinning. De verveningen in Groninge n, Friesland,

Drenthe en Overijssel tussen 1550 en . 1950 (Wageningen 1995)

Gerding, M.A.W. (red.), 1989. Geschiedenis van Emmen en Zuidoost-Drenthe. Meppel/Amsterdam.

Ginkel, E. van, S. Jager & W.A.B. van der Sanden, 999. 1 Hunebedden. Monumenten van

een Steentijdcultuur . Uitgeverij Uniepers, Abcoude.

Glasbergen, W., 1956. De Romeinse muntschat van gercompascuum. Bar

In: Nieuwe

Drentse Volksalmanak 1956, pp. 211-214.

62


Hekman, J.J., 2004. Plangebied Emmen-Bedrijventerrein De Tweeling – eente GemEmmen,

Een inventariserend archeologisch onderzoek . RAAP-Notitie 680, Amsterdam.

Hopman, M. & P. Fijma, 2004. Archeologisch onderzoek Winkelseweg 14 te Roswinke l.

Grontmij Nederland bv, Assen

Jelsma, J. & C. Tulp. 2003. Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek de aan

Heerenlandweg bij Ter Apel, Gemeente Emmen. Zuidhorn, De Steekproef

Jong, H.J. de, Schoonebeek, olierijk in zuidoost Drenthe (Assen 1986)

Karel, E.H., De maakbare boer. Streekverbetering als instrument van het Nederlandse

landbouwbeleid . (Groningen 2005)

Knaap. D., Voor geld is altijd wel een plaats te vinden. rma De fi W.A. Scholten (1841-1892).

De eerste Nederlandse industriële multinational . (Groningen, 2004)

Mensingh, B.J., Toen alles nog anders was. Fragmenten uit de edenis geschi vanEmmen .

(Exloo, 2002)

Minderhoud, H.D., Schoonebeek de eeuwen door. Grepen uit de geschiede nis van dorpen en

buurtschappen . (Schoonebeek, 1980)

Minderhoud, H.D., Stap voor stap door Dalen en Schoonebeek . (De Krim, 1984)

Molema, J., 1999. N391 Emmen-Ter Apel. Een Aanvullende Archeologische Inventarisatie

(AAI-1). Amsterdam, RAAPrapport 1999-214/MW.

Rapport voor de ruilverkaveling Sleenerstroom Ministerie van landbouw en visserij

(Utrecht, 1965)

Nijland, G., R.J. de Lange en J.C. Smittenberg 1982 . Milieukartering Drenthe 1974-1978.

III Fysische Geografie . Bijlage II: Fysisch Geografische Kaart van Drenth e schaal

1:50000. Rapport Provinciale Planologische Dienst an vDrenthe.

Ridderbos, V.R., 2004. Plangebied sportlandgoed Zwartmeer, gemeente Emmen; een

inventariserend archeologisch onderzoek . RAAP-Notitie 639, Amsterdam.

Roller, G.J. de, 2003. Een Aanvullende Archeologische Inventarisatie Delftlanden van ‘ 2,

fase 1', te Emmen, gemeente Emmen . (Dr.) ARC-Rapporten 2002-49, Groningen.

Roller, G.J. de, 2003. Een Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek de locatie op Oude

Meerdijk, gemeente Emmen (Dr.) . ARC-Rapporten 2003-14, Groningen.

Roller, G.J. de, 2003. Een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) door middel van

boringen in een veengat in het uitbreidingsplan lftlanden’ ‘De te Emmen (Dr.) . ARC-

Rapporten 2003-40, Groningen.

Roller, G.J. de, 2003. Een archeologisch booronderzoek op de nieuwbouwloca tie De Veste te

Emmen (Dr.) . ARC-Rapporten 2002-152, Groningen. Sanden, W.A.B. van der, 1995.

Veenvondsten in Drenthe. In: N ieuwe D rentse V olks a lmanak 1995, pp. 79-83.

Sanden, W.A.B. van der, 1997. Veenvondsten in Drent he (2): over potten, herten en

wielen. In: N ieuwe D rentse V olks almanak 1997, pp. 117-121.

Sanden, W.A.B. van der, 1998. Veenvondsten in Drent he (3): van maalstenen, wolkluwens,

bronzen potten en veenlijken. In: N ie uwe D rentse V olks a lmana 1998, k pp.

103-106.

Spek, T., 2004. H et D rentse esdorpenlandsc hap: E en historisch-geogr afis che studie.

Stichting Matrijs, Utrecht.

Stichting voor Bodemkartering, 1975. B od emkaart van N ederland 1:500 00 . B lad 18 en 23

T e r A pel/N ieuw -S c hoonebeek. StiBoKa, Wageningen.

63


Stichting voor Bodemkartering, 1978. G eomorfologisc he K aart van N ederland 1:50000.

B lad 17 en 18 B eile n/R oswinkel . StiBoKa, Wageningen.

Visscher, Dr. J., 1940. Emmen en Zuidoost Drenthe . Utrecht.

Wit, M.J.M. de & S.J. Tuinstra, 2003. Een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) door

middel van proefsleuven op terrein Klokkenslag mmen te E (Dr.).

ARC-Rapporten 2003-49, Groningen.

Wit, M.J.M. de, 2000. Romeinse bewoning in het tracé van de verlegde slandweg Frie te

Emmen, provincie Drenthe . ARC-Publicaties 2000-29, Groningen.

Zadoks-Josephus Jitta, A.N., 1956. De Romeinse munt schat van Bargercompascuum. In:

N ieuwe D rentse V olks almanak 1956, pp. 214-217.

Zeist, W. van, 1956. Palynologisch onderzoek van kele en Drentse veenlijken. In: N ie uwe

D rentse V olks alm anak 1956, pp. 199-209.

Zeist, W. van, 1957. Twee Neolithische veenvondsten te Nieuw-Dordrecht. In: Nieuwe

Drentse Volksalmanak 1957, pp. 12-15.

Websites

www.home.planet/~post9673/nieuw-amsterdam

www.historischemmen.nl

Kaarten

De gebruikte kaarten zijn te vinden in het Rijksarc hief Drenthe, merendeels in

de verzameling genaamd Topografische Atlas. Het num mer is het inventarisnummer

van de kaart.

191, Noord- en Zuidbarge, 1 : 20.000, circa 1870.

122, Emmer Compascuüm, 1 : 50.000, circa 1880.

350, Weerdinger Erfscheidenveen, 1 : 50.000, 1880.

349, Emmer Erfscheidenveen, 1 : 10.000, circa 1880.

348, Noord- en Zuidbargervenen, 1 : 20.000, 1880.

123, Kaart van tram- en straatwegen in de gemeente Emmen, 1 : 50.000, 1903.

201, Weerdinge, 1 : 10.000, 1905.

195, Roswinkelerveen, 1 : 5.000, 1905.

155, Barger Erfscheidenveen, 1 : 5.000, 1908.

176, Emmer Compascuüm, 1 : 5.000, 1908.

330, Wandelkaart van Emmen en Omgeving, 1 : 10.000 1930.

341, Emmen met naaste omgeving, 1 : 7.500, 1935.

347, Kaart gemeente Emmen, 1 : 25.000, 1940.

120, kaart van de gemeente Emmen, 1 : 50.000, 1862.

192, Noord- en Zuidbarge, 1 : 20.000, 1867.

K344, Roswinkel, 1777.

K838, Roswinkel, circa 1 : 3750, 1792.

K839, Roswinkel, circa 1 : 8050, 1795.

K311, Roswinkel, 1755.

64


Overige werken

Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland 177 3-1794. (Groningen 2003)

Geschiedenis van Emmen en Zuidoost-Drenthe. (Emm en, 1989)

Grote historische atlas van Nederland, deel 2 Noor d Nederland 1851-1855.

(Groningen 1990)

Historische atlas Drenthe. Chromotopografische kaa rt des rijks 1 : 25.000.

(Den Ilp, 1990)

Historische bijdragen uit het Zuidenveld. (z.p., 1995)

Geïllustreerde plaatsbeschrijving Gemeente Emmen. (Emmen 1923, herdr.

1980)

Geïllustreerde wandelgids voor Emmen en omstreken. Met wandelkaart.

(Emmen, 1914)

Fotoatlas Drenthe (Den Ilp, z.j.)

Emmen in het perspectief van de es (Emmen 2005)

Wandelkaart van Emmen en omgeving . Samengesteld met medewerking van de

Vereeniging ter bevordering van het vreemdelingenve rkeer te Emmen. (Emmen,

1930)

65


estemmingsplan Zwartemeer

Bijlage 4 Groenstructuur Zwartemeer

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 157


estemmingsplan Zwartemeer

158 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Bijlage 5 Akoestisch onderzoek Zwartemeer

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 161


estemmingsplan Zwartemeer

162 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Opdrachtgever:

Gemeente Emmen

Afdeling FRO

Postbus 30.001

7800 RA Emmen

t: 0591 685555

f: 0591 685599

e: gemeente@emmen.nl

Contactpersoon : mevr. I. Weis

Uitgevoerd door:

Ingenieursbureau Spreen

Langakkers 28

9469 RA Schipborg

t: 050 4090290

f: 050 4090235

e: info@bureauspreen.nl

Contactpersoon : Ing. W. Spreen

Rapport: 20100343

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

bestemmingsplan “Zwartemeer” in de gemeente

Emmen

Datum: 26 oktober 2010


INHOUDSOPGAVE

1 INLEIDING .............................................................................................................................3

2 GEHANTEERDE UITGANGSPUNTEN...................................................................................3

2.1 Bouwmogelijkheden ...............................................................................................................3

2.2 Rekenmodel...........................................................................................................................3

2.3 Toegepaste aftrek conform art. 110g Wgh..............................................................................3

2.4 Verkeersgegevens .................................................................................................................4

3 GELUIDSBELASTING............................................................................................................4

4 RESUMÉ................................................................................................................................5

Figuren:

1. bestemmingsplan Zwartemeer

2. gehanteerde rijsnelheden

3. gehanteerde wegdektypes

4. wegen

5. geluidscontouren inclusief aftrek art. 110g Wgh

Bijlagen:

1. wegen

2


1 INLEIDING

De gemeente Emmen is voornemens het bestemmingsplan “Zwartemeer” te actualiseren. Naar

aanleiding van deze actualisatie is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd.

Het bestemmingsplan is conserverend van aard en er zijn binnen het bestemmingsplan geen

wijzigingsgebieden aangewezen. Daar er geen sprake is van ‘nieuwe situaties’ hoeft de

geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai niet te worden getoetst aan de Wet

geluidhinder.

De gemeente heeft aangegeven wel inzage te wensen in de geluidsbelasting ten gevolge van de

relevante wegen binnen het bestemmingsplan voor het jaar 10 jaar na vaststelling van het

bestemmingsplan (2020). Dit geldt tevens voor de 30 km/h wegen met een relatief hoge

verkeersintensiteit.

2 GEHANTEERDE UITGANGSPUNTEN

2.1 Bouwmogelijkheden

Dit onderzoek is gebaseerd op de door de gemeente Emmen aangegeven grenzen van het

bestemmingsplan (zie figuur 1). Zoals in de inleiding is aangegeven zijn er geen locaties aangewezen

met bouwmogelijkheden.

2.2 Rekenmodel

Voor het berekenen van de geluidsbelasting is gebruik gemaakt van het rekenprogramma Geomilieu

V1.62 van DGMR. De wegvakken zijn als harde bodemgebieden in het rekenmodel ingevoerd. Voor

de overige gebieden is een bodemfactor van 0,8 gehanteerd, hetgeen betekent dat 80% als zacht en

20% als akoestisch hard wordt verondersteld.

De geluidsbelasting is berekend op een hoogte van 5,0 meter boven maaiveld.

2.3 Toegepaste aftrek conform art. 110g Wgh

De geluidsbelasting ten gevolge van een weg wordt bepaald conform het Reken- en meetvoorschrift

geluidhinder 2006.

Bij het toetsen van de berekende geluidsbelasting mag conform artikel 110g van de Wet geluidhinder

een aftrek worden toegepast vanwege het in de toekomst stiller worden van het verkeer. De toe te

passen aftrek is weergegeven in artikel 3.6 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 en

bedraagt:

a. 2 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70

km/uur of meer bedraagt;

b. 5 dB voor de overige wegen;

c. 0 dB bij toepassing van artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2003 en bij toepassing van de

artikelen 111, tweede en derde lid, 111a, 112 en 113 van de Wet.

In dit onderzoek is conform bovenstaande voor de wegen met een wettelijke rijsnelheid van 70 km/h of

meer een aftrek van 2 dB gehanteerd. Voor de wegen met een wettelijke rijsnelheid van minder dan

70 km/h is een aftrek van 5 dB gehanteerd. Deze aftrek is in de berekeningen verdisconteerd in de

vorm van een groepsreductie.

3


2.4 Verkeersgegevens

De verkeersgegevens van de A37 zijn aangeleverd door Rijkswaterstaat. Deze gegevens zijn

weergegeven in tabel 2.1.

Tabel 2.1: gehanteerde verkeersgegevens A37 peiljaar 2020

wegvak Weekdag

intensiteit

mvt/etmaal

A37

Zwartemeer- Duitse grens 14.260

periode Uurintensiteit Voertuigverdeling

(%)

(%)

lv mv zv

dag 6,3 73,3 6,4 20,3

avond 3,4 65,6 3,7 30,7

nacht 1,4 59,0 5,8 35,2

De wettelijke rijsnelheid op de A37 bedraagt 120 km/h voor de lichte motorvoertuigen en 80 km/h voor

vrachtverkeer. In het rekenmodel is conform de systematiek van Rijkswaterstaat gerekend met een

rijsnelheid van 115 km/h voor de lichte motorvoertuigen en 90 km/h voor het vrachtverkeer.

De gemeente heeft de verkeersgegevens van de overige relevante wegen aangeleverd. Deze

gegevens zijn weergegeven in tabel 2.2.

Tabel 2.2: gehanteerde verkeersgegevens overige wegen peiljaar 2020

wegvak weekdag uurintensiteit (%) voertuig-

intensiteit

verdeling (%)

mvt/etmaal dag avond nacht lv mv zv

Zuidervaart OZ

Eemslandweg

6.050 6,4 3,3 1,3 91,8 4,1 4,1

Boertienstraat – Klemstrook

6.050 6,6 3,8 0,8 91,2 4,4 4,4

Klemstrook – Duitse grens

Verlengde Van Echtenskanaal NZ

1.936 6,6 3,8 0,8 91,2 4,4 4,4

Zuidervaart OZ – Kamerlingswijk WZ 3.146 6,6 3,8 0,8 91,2 4,4 4,4

Klemstrook 3.025 6,6 3,8 0,8 91,2 4,4 4,4

Kamerlingswijk WZ / Hogeweg 1.936 6,6 3,8 0,8 91,2 4,4 4,4

De wettelijke rijsnelheden en wegdektypes van de wegen zijn weergegeven in bijlage 1. In figuur 2 en

3 zijn deze tevens grafisch weergegeven.

3 GELUIDSBELASTING

Met het akoestisch rekenmodel zijn de geluidscontouren (poldercontouren) berekend.

De geluidscontouren inclusief aftrek artikel 110g van de Wet geluidhinder zijn voor het jaar 2020

weergegeven in figuur 5.

Daar er geen sprake is van ‘nieuwe situaties’ hoeven er geen hogere waarden te worden

aangevraagd.

4


4 RESUMÉ

De gemeente Emmen is voornemens het bestemmingsplan “Zwartemeer” te actualiseren. Naar

aanleiding van deze actualisatie is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd.

Het bestemmingsplan is conserverend van aard en er zijn binnen het bestemmingsplan geen

wijzigingsgebieden aangewezen. Daar er geen sprake is van ‘nieuwe situaties’ hoeft de

geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai niet te worden getoetst aan de Wet

geluidhinder.

De gemeente heeft aangegeven wel inzage te wensen in de geluidsbelasting ten gevolge van de

relevante wegen binnen het bestemmingsplan voor het jaar 10 jaar na vaststelling van het

bestemmingsplan (2020). Dit geldt tevens voor de 30 km/h wegen met een relatief hoge

verkeersintensiteit.

Met het akoestisch rekenmodel zijn de geluidscontouren (poldercontouren) berekend. In dit onderzoek

zijn de geluidscontouren inclusief aftrek artikel 110g van de Wet geluidhinder weergegeven voor het

jaar 2020.

Daar er geen sprake is van ‘nieuwe situaties’ hoeven er geen hogere waarden te worden

aangevraagd.

Ingenieursbureau Spreen

W. Spreen

5


FIGUREN


Ingenieursbureau Spreen Figuur 1

528000

527750

527500

527250

527000

526750

526500

526250

526000

525750

525500

525250

Grenzen bestemmingsplan

Grenzen bestemmingsplan

0 m 500 m

schaal = 1 : 12500

265750 266000 266250 266500 266750 267000 267250 267500 267750 268000

Wegverkeerslawaai - RMW-2006, [Zwartemeer - Grenzen bestemmingsplan] , Geomilieu V1.62


528100

528000

527900

527800

527700

527600

527500

527400

266600 266700 266800 266900 267000 267100 267200 267300 267400 267500 267600 267700 267800

Wegverkeerslawaai - RMW-2006, [Zwartemeer - Basismodel] , Geomilieu V1.62

Ho = 5,0 m

53

53

58

Bodemgebied

Hoogtelijn

Scherm

Weg

periode: Lden

groep: RW37

Inclusief groepsreducties

48 - 53 dB

53 - 58 dB

58 - 63 dB

63 - 99 dB

0 m 200 m

schaal = 1 : 5000

53

G eluidscontouren A37 (inclusief aftrek art. 110g W gh)

Ingenieursbureau Spreen Figuur 5 - 1/8


H o = 5,0 m

W e gve rke e rs la w a a i - R M W -2 0 0 6 , [Z w a rte m e e r - B a s is m o de l] , G e o m ilie u V 1 .6 2

2 6 6 1 0 0 2 6 6 2 0 0 2 6 6 3 0 0 2 6 6 4 0 0 2 6 6 5 0 0 2 6 6 6 0 0 2 6 6 7 0 0 2 6 6 8 0 0 2 6 6 9 0 0 2 6 7 0 0 0 2 6 7 1 0 0 2 6 7 2 0 0 2 6 7 3 0 0

5 2 7 3 0 0

5 2 7 4 0 0

5 2 7 5 0 0

5 8

5 3

5 2 7 6 0 0

G

6 3

5 2 7 7 0 0

5 8

e

5 3

5 2 7 8 0 0

s cha a l = 1 : 5 0 0 0

l

u

0 m 2 0 0 m

5 2 7 9 0 0

i

6 3 - 9 9 dB

d

5 8 - 6 3 dB

5 3 - 5 8 dB

5 2 8 0 0 0

4 8 - 5 3 dB

s

Inclus ie f gro e psre ductie s

pe rio de : L de n

gro e p: Z uide rva a rt O Z

c

5 2 8 1 0 0

B o de m ge bie d

H o o gte lijn

S che rm

W e g

o

I

n


528000

527900

527800

527700

527600

527500

527400

527300

527200

Ho = 5,0 m

53

63

58

53

58

63

53

58

63

53

53

58 58

265800 265900 266000 266100 266200 266300 266400 266500 266600 266700 266800 266900 267000

Wegverkeerslawaai - RMW-2006, [Zwartemeer - Basismodel] , Geomilieu V1.62

63

58

53

Bodemgebied

Hoogtelijn

Scherm

Weg

periode: Lden

groep: Eemslandweg

Inclusief groepsreducties

48 - 53 dB

53 - 58 dB

58 - 63 dB

63 - 99 dB

0 m 200 m

schaal = 1 : 5000

53

G eluidscontouren Eem slandw eg (inclusief aftrek art. 110g W gh)

Ingenieursbureau Spreen Figuur 5 - 3/8


528000

527900

527800

527700

527600

527500

527400

527300

527200

58

Ho = 5,0 m

58

53

58

53 53

58

266700 266800 266900 267000 267100 267200 267300 267400 267500 267600 267700 267800 267900

Wegverkeerslawaai - RMW-2006, [Zwartemeer - Basismodel] , Geomilieu V1.62

58

53

58

53

58

Bodemgebied

Hoogtelijn

Scherm

Weg

periode: Lden

groep: Eemslandweg

Inclusief groepsreducties

48 - 53 dB

53 - 58 dB

58 - 63 dB

63 - 99 dB

0 m 200 m

schaal = 1 : 5000

53

G eluidscontouren Eem slandw eg (inclusief aftrek art. 110g W gh)

Ingenieursbureau Spreen Figuur 5 - 4/8


528000

527900

527800

527700

527600

527500

527400

527300

527200

Ho = 5,0 m

53

58

53

53

58 58

Bodemgebied

Hoogtelijn

Scherm

Weg

periode: Lden

groep: Verlengde Van Echtenskanaal

Inclusief groepsreducties

266300 266400 266500 266600 266700 266800 266900 267000 267100 267200 267300 267400 267500

Wegverkeerslawaai - RMW-2006, [Zwartemeer - Basismodel] , Geomilieu V1.62

48 - 53 dB

53 - 58 dB

58 - 63 dB

63 - 99 dB

0 m 200 m

schaal = 1 : 5000

G eluidscontouren V erlengde van Echtenskanaal (inclusief aftrek art. 110g W gh)

Ingenieursbureau Spreen Figuur 5 - 5/8


527900

527800

527700

527600

527500

527400

527300

527200

527100

Ho = 5,0 m

53

266100 266200 266300 266400 266500 266600 266700 266800 266900 267000 267100 267200 267300

Wegverkeerslawaai - RMW-2006, [Zwartemeer - Basismodel] , Geomilieu V1.62

58

Bodemgebied

Hoogtelijn

Scherm

Weg

periode: Lden

groep: Klemstrook

Inclusief groepsreducties

48 - 53 dB

53 - 58 dB

58 - 63 dB

63 - 99 dB

0 m 200 m

schaal = 1 : 5000

G eluidscontouren Klem strook (inclusief aftrek art. 110g W gh)

Ingenieursbureau Spreen Figuur 5 - 6/8


Ingenieursbureau Spreen Figuur 5 - 7/8

527400

527300

527200

527100

527000

526900

526800

526700

526600

526500

526400

526300

58

58

58

58

53

53

58

53

53

Geluidscontouren Kamerlingswijk WZ (inclusief aftrek art. 110g Wgh)

58

266800 266900 267000 267100

Wegverkeerslawaai - RMW-2006, [Zwartemeer - Basismodel] , Geomilieu V1.62

267200 267300 267400 267500 267600

Ho = 5,0 m

53

Bodemgebied

Hoogtelijn

Scherm

Weg

periode: Lden

groep: Kamerlingswijk

Inclusief groepsreducties

48 - 53 dB

53 - 58 dB

58 - 63 dB

63 - 99 dB

0 m 200 m

schaal = 1 : 5000


Ingenieursbureau Spreen Figuur 5 - 8/8

526300

526200

526100

526000

525900

525800

525700

525600

525500

525400

525300

525200

Ho = 5,0 m

53

58

53

58

58

58

53

58

53

58

53

53

53

Geluidscontouren Kamerlingswijk WZ (inclusief aftrek art. 110g Wgh)

Bodemgebied

Hoogtelijn

266800 266900 267000 267100 267200 267300 267400 267500 267600

Wegverkeerslawaai - RMW-2006, [Zwartemeer - Basismodel] , Geomilieu V1.62

Scherm

Weg

periode: Lden

groep: Kamerlingswijk

Inclusief groepsreducties

48 - 53 dB

53 - 58 dB

58 - 63 dB

63 - 99 dB

0 m 200 m

schaal = 1 : 5000


BIJLAGEN


Ingenieursbureau Spreen

Model: Basismodel

Groep: (hoofdgroep)

Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2006

Bijlage 1 - 1/3

Naam Omschr. ISO H Hbron Wegdek V(LV)

01 RW37 Zwartemeer - Duitsland 0,00 0,75 1L ZOAB 115

02 RW37 Duitsland - Zwartemeer 0,00 0,75 1L ZOAB 115

03 Zuidervaart N379 O.Z. 0,00 0,75 referentiewegdek 80

04 Zuidervaart N379 O.Z. 0,00 0,75 referentiewegdek 50

05 Eemslandweg 0,00 0,75 referentiewegdek 50

06 Eemslandweg Klemstrook-Kamerlingswijk 0,00 0,75 elementenverharding in keperverband (30km/h) 30

07 Eemslandweg 0,00 0,75 referentiewegdek 50

08 Eemslandweg 0,00 0,75 referentiewegdek 80

09 Verlengde Van Echtenskanaal 0,00 0,75 referentiewegdek 50

10 Klemstrook 0,00 0,75 elementenverharding in keperverband (30km/h) 30

11 Kamerlingswijk 0,00 0,75 referentiewegdek 50

11 Kamerlingswijk 0,00 0,75 elementenverharding in keperverband 50

12 Kamerlingswijk 0,00 0,75 referentiewegdek 50

Geomilieu V1.62

2-11-2010 16:13:40


Ingenieursbureau Spreen

Model: Basismodel

Groep: (hoofdgroep)

Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2006

Bijlage 1 - 2/3

Naam V(MV) V(ZV) Totaal aantal %Int.(D) %Int.(A) %Int.(N) %LV(D) %LV(A) %LV(N) %MV(D) %MV(A) %MV(N) %ZV(D)

01 90 90 7130,00 6,30 3,40 1,40 73,40 6,40 20,30 65,60 3,70 30,70 59,00

02 90 90 7130,00 6,30 3,40 1,40 73,40 6,40 20,30 65,60 3,70 30,70 59,00

03 80 80 6050,00 6,40 3,30 1,30 92,80 92,80 92,80 4,10 4,10 4,10 4,10

04 50 50 6050,00 6,40 3,30 1,30 92,80 92,80 92,80 4,10 4,10 4,10 4,10

05 50 50 6050,00 6,60 3,80 0,80 91,20 91,20 91,20 4,40 4,40 4,40 4,40

06 30 30 1936,00 6,60 3,80 0,80 91,20 91,20 91,20 4,40 4,40 4,40 4,40

07 50 50 1936,00 6,60 3,80 0,80 91,20 91,20 91,20 4,40 4,40 4,40 4,40

08 80 80 1936,00 6,60 3,80 0,80 91,20 91,20 91,20 4,40 4,40 4,40 4,40

09 50 50 3146,00 6,60 3,80 0,80 91,20 91,20 91,20 4,40 4,40 4,40 4,40

10 30 30 3025,00 6,60 3,80 0,80 91,20 91,20 91,20 4,40 4,40 4,40 4,40

11 50 50 1936,00 6,60 3,80 0,80 91,20 91,20 91,20 4,40 4,40 4,40 4,40

11 50 50 1936,00 6,60 3,80 0,80 91,20 91,20 91,20 4,40 4,40 4,40 4,40

12 50 50 1936,00 6,60 3,80 0,80 91,20 91,20 91,20 4,40 4,40 4,40 4,40

Geomilieu V1.62

2-11-2010 16:13:40


Ingenieursbureau Spreen

Model: Basismodel

Groep: (hoofdgroep)

Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2006

Naam %ZV(A) %ZV(N)

01 5,80 35,20

02 5,80 35,20

03 4,10 4,10

04 4,10 4,10

05 4,40 4,40

06 4,40 4,40

07 4,40 4,40

08 4,40 4,40

09 4,40 4,40

10 4,40 4,40

11 4,40 4,40

11 4,40 4,40

12 4,40 4,40

Geomilieu V1.62

Bijlage 1 - 3/3

2-11-2010 16:13:40


Bijlage 6 Tankenlijst

bestemmingsplan Zwartemeer

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 185


estemmingsplan Zwartemeer

186 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


n k l i j s t Z w a r t e m e e r

a

N a a m A d r e s

m e r

u m m e r i e k

Y

a a t

d

8 O . L . S .

B l o k k e n 2 2

l o k k e n

2 2 6 6 6 5 3 , 1 6 5 2 7 2 4

o t d h u i s b r 1 0 . 0

8

. E m m e r C e n t r a a l W o n i n

H u i z e n 2 0

u i z e n

0 2 6 6 9 3 3 , 1 9 5 2 7 1 7

r e k h u i s b r 4 . 0

0 1

t

s l a n d w e g 2 6

s l a n d w e g

6 2 6 6 1 2 3 , 5 7 5 2 7 3 9

r e k d i e s e l 2 . 0 1 9 5 0

m

s l a n d w e g 2 6

s l a n d w e g

6 2 6 6 1 2 3 , 5 7 5 2 7 3 9

0 3

m

s l a n d w e g 2 6

s l a n d w e g

6 2 6 6 1 2 3 , 5 7 5 2 7 3 9

o t p d i e s e l 5 . 0 1 9 7 6

m

s l a n d w e g 2 8

s l a n d w e g

8 2 6 6 1 7 9 , 6 8 5 2 7 3 9

o t p l o o d v r 6 . 0 1 9 6 5

m

s l a n d w e g 2 8

s l a n d w e g

8 2 6 6 1 7 9 , 6 8 5 2 7 3 9

o t p l o o d v r 6 . 0 1 9 6 5

m

s l a n d w e g 2 8

s l a n d w e g

8 2 6 6 1 7 9 , 6 8 5 2 7 3 9

o t p s u p e r 6 . 0 1 9 6 5

m

s l a n d w e g 2 8

s l a n d w e g

8 2 6 6 1 7 9 , 6 8 5 2 7 3 9

o t p s u p e r 6 . 0 1 9 6 5

m

s l a n d w e g 2 8

s l a n d w e g

8 2 6 6 1 7 9 , 6 8 5 2 7 3 9

o t p d i e s e l 6 . 0 1 9 6 5

m

s l a n d w e g 2 8

s l a n d w e g

8 2 6 6 1 7 9 , 6 8 5 2 7 3 9

9 7 9 o g 5 5

m

s l a n d w e g 2 8

s l a n d w e g

8 2 6 6 1 7 9 , 6 8 5 2 7 3 9

9 8 5 o g 5 5

m

s l a n d w e g 2 8

s l a n d w e g

8 2 6 6 1 7 9 , 6 8 5 2 7 3 9

9 8 5 o g 5 5

m

s l a n d w e g 2 8

s l a n d w e g

8 2 6 6 1 7 9 , 6 8 5 2 7 3 9

9 8 5 o g 5 5

m

s l a n d w e g 2 8

s l a n d w e g

8 2 6 6 1 7 9 , 6 8 5 2 7 3 9

9 8 5 o g 5 5

m

s l a n d w e g 2 8

s l a n d w e g

8 2 6 6 1 7 9 , 6 8 5 2 7 3 9

5 5 1 1

m

s l a n d w e g 2 8

s l a n d w e g

8 2 6 6 1 7 9 , 6 8 5 2 7 3 9

9 8 4 o g 5 5

m

b b e r s J . B .

m s l a n d w e g 3 5

s l a n d w e g

5 2 6 6 3 1 0 , 7 5 5 2 7 3 9

A T h u i s b r 4 . 0

0 1

u

s l a n d w e g 4 5

s l a n d w e g

5 2 6 6 4 5 3 , 4 4 5 2 7 3 9

z t d i e s e l 6 . 0

0 1

m

s l a n d w e g 4 5

s l a n d w e g

5 2 6 6 4 5 3 , 4 4 5 2 7 3 9

m

s l a n d w e g 4 5

s l a n d w e g

5 2 6 6 4 5 3 , 4 4 5 2 7 3 9

m

s l a n d w e g 4 5

s l a n d w e g

5 2 6 6 4 5 3 , 4 4 5 2 7 3 9

m

s l a n d w e g 4 8

s l a n d w e g

8 2 6 6 5 3 9 , 3 5 5 2 7 3 8

z t l o o d v r 6 . 0

0 1

m

s l a n d w e g 6 3

s l a n d w e g

3 2 6 6 7 7 2 , 7 9 5 2 7 3

o t d s u p e r 6 . 0 1 9 7 6

m

s l a n d w e g 6 3

s l a n d w e g

3 2 6 6 7 7 2 , 7 9 5 2 7 3

o t d l o o d v r 4 . 0 1 9 7 6

m

s l a n d w e g 7 9

s l a n d w e g

9 o t k d i e s e l 3 . 0

0 1

m

s l a n d w e g 8 8

s l a n d w e g

8 2 6 7 1 2 9 , 3 8 5 2 7 3 5

o t p h u i s b r 6 . 0

0 1

m

b o E m m e n b . v .

m s l a n d w e g 1 0 1

s l a n d w e g

0 1 2 6 7 4 0 0 , 1 7 5 2 7 2

A T h u i s b r 1 . 0

0 1

u

b o E m m e n b . v .

m s l a n d w e g 1 0 1

s l a n d w e g

0 1 2 6 7 4 0 0 , 1 7 5 2 7 2

A T h u i s b r 2 0 . 0

0 2

u

s l a n d w e g 1 1 6

s l a n d w e g

1 6 2 6 7 5 6 2 , 8 5 5 2 7 3 3

0 1

m

s l a n d w e g 1 2 5

s l a n d w e g

2 5 2 6 7 6 9 5 , 1 7 5 2 7 3 2

o t d s u p e r 1 2 . 0

m

s l a n d w e g 1 2 5

s l a n d w e g

2 5 2 6 7 6 9 5 , 1 7 5 2 7 3 2

o t d l o o d v r 1 2 . 0

m

s l a n d w e g 1 2 5

s l a n d w e g

2 5 2 6 7 6 9 5 , 1 7 5 2 7 3 2

o t d l o o d v r 1 2 . 0

m

s l a n d w e g 1 2 5

s l a n d w e g

2 5 2 6 7 6 9 5 , 1 7 5 2 7 3 2

o t d d i e s e l 1 2 . 0

m

s l a n d w e g 1 2 5

s l a n d w e g

2 5 2 6 7 6 9 5 , 1 7 5 2 7 3 2

o t d

m

e l m a n n J . J . G .

m e r l i n g s w i j k O . Z . 1 6

e r l i n g s w i j k O Z

6 2 6 7 1 9 1 , 5 8 5 2 6 8 5

o t k h u i s b r ?

0 1

u

a a t s b o s b e h e e r

m e r l i n g s w i j k O . Z . 8 3

e r l i n g s w i j k O Z

3 o t k d i e s e l 6 . 0

0 1

t

b e r m w . S . H .

m e r l i n g s w i j k W . Z . 1 3 6

e r l i n g s w i j k W Z

3 6 2 6 7 0 3 7 , 6 3 5 2 5 2 9

o t k h u i s b r 8 . 0

0 1

a

e r l i n g s w i j k W . Z . 3 8

e r l i n g s w i j k W Z

8 2 6 7 1 0 4 , 6 6 5 2 6 8 2

z t h u i s b r ?

0 1

m

b k e s H . H .

m e r l i n g s w i j k W . Z . 8 2

e r l i n g s w i j k W Z

2 2 6 7 0 5 9 , 2 5 5 2 6 2 4

o t k h u i s b r 6 . 0 1 9 6 8

u

l e m a s t r a a t 1 4

m a s t r a a t

4 2 6 7 0 7 4 , 7 1 5 2 7 2 0

z t p e t r o l ?

0 1

l

r v o r m d e G e m e e n t e

l l e m a s t r a a t 5

m a s t r a a t 2 6 7 0 3 6 5 2 7 2 4

A T h u i s b r 5 . 0

0 1

e

d e r v a a r t O . Z . 5

e r v a a r t O Z

2 6 6 6 6 8 , 6 8 5 2 7 5 8

z t d i e s e l ?

0 1

i


e l i c h t i n g

0 0 g e v . m e t z a n d

o

6 0 g e v m z a n d

v e r w i j d e r d

2

h t i n g

o v e n g r o n d s

n i e t v o l d o e n d e g e s a n e e r

b

v . m e t z a n d

o n d e r g r o n d s

i n g a f d o e n d e g e s a n e e r d

e

3 v e r v . g r . a f g e v .

g e v u l d

m

9 6 ? A m v b h e r s t e l i n r i c h

v o l d o e t a a n d e e i s e n

9

m v b v o l d o e t n i e t a a n B o o t

m v b v a l t n i e t o n d e r B o o t

m v b v e r w i j d e r d

v b v a l t o n d e r B o o t

e r w . 1 9 9 0

m

v b

i s v e r w i j d e r d o n d e r t o e z i

0 0 g e v . m e t z a n d

m

v b l p g ; 1 9 9 0 a a n g e p a s

a n d

b i n g e b r u i k

i s b e h a n d e l d o n d e r t o e z

e h . g e v . m . z a n d ; v e r m o e d

e g g e l z e l f

m

0 g e v . m e t z a n d

i s b e h a n d e l d b i j A c t i e T a

i s b e h a n d e l d z o n d e r t o e

e r w w u b b e n 1 1 - 1 2 - 9 7

0

r w C o h e n

i s b e h a n d e l d v o o r e i g e n

e v . m e t z a n d

e

e r w w u b b e n 1 9 - 9 - 9 6

e r w w u b b e n 2 0 - 9 - 9 5

n o p d r a c h t S u b a t , 1 9 9 6

e r w w u b b e n 2 0 - 8 - 9 6

n d 1 - 6 - 9 3

i s v e r w i j d e r d o n d e r t o e z i

a

4 - 9 1 d o o r i s o t a n k

i s v e r w i j d e r d o n d e r t o e z i

n o p d r a c h t S u b a t , 1 9 9 6

-

4 - 9 1 d o o r i s o t a n k

i s v e r w i j d e r d o n d e r t o e z i

n o p d r a c h t S u b a t , 1 9 9 6

-

- 4 - 1 9 9 3 v e r w w u b b e n

i s v e r w i j d e r d , h o e e n w a

n o p d r a c h t S u b a t , 1 9 9 6

3

- 1 0 - 9 2

h u i d i g e t o e s t a n d o n b e k e

n o p d r a c h t S u b a t , 1 9 9 6

2

0 g e v . m e t z a n d

b u i t e n g e b r u i k

E E N T A N K A A N W E Z I G

0

0 0 0 g e v . m e t z a n d


Bijlage 7 Secundair bluswater

bestemmingsplan Zwartemeer

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 189


estemmingsplan Zwartemeer

190 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Bijlage 8 Raadsvoorstel en raadsbesluit

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 193


estemmingsplan Zwartemeer

194 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 199


estemmingsplan Zwartemeer

200 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Regels

bestemmingsplan Zwartemeer

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 201


estemmingsplan Zwartemeer

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

het bestemmingsplan Zwartemeer van de gemeente Emmen;

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels als vervat in het GML- bestand

NL.IMRO.0114.2009069-0701 met de bijbehorende regels en bijlage;

1.3 aan huisgebonden kleinschalige beroep- of bedrijfsactiviteiten:

het, met behoud van de woonfunctie, gebruik van een gedeelte van een woning of een daarbij behorend

bijgebouw voor het verrichten van werkzaamheden van dienstverlenende en/of ambachtelijke aard met

als doel daaruit hoofd- of neveninkomsten te betrekken of het zelfstandig en onder eigen naam

uitoefenen van een dienstverlenend beroep op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch,

lichaamsverzorgend, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied door een

daarvoor specifiek opgeleid persoon. De ruimtelijke uitwerking of uitstraling van het aan huisgebonden

bedrijf of beroep moet met de woonfunctie in overeenstemming zijn.

1.4 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels,

regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.5 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.6 achtererf:

gedeelte van het erf dat aan de achterzijde van het (hoofd)gebouw is gelegen;

1.7 achtererfscheiding

een van de weg afgekeerde zijde van een bouwperceel, met dien verstande, dat wanneer daarvoor

volgens het plan meerdere zijden in aanmerking kunnen komen. Het bevoegd gezag bepaalt welke zijde

als achtererfscheiding dient te worden aangemerkt;

1.8 achtergevel:

gevel aan de achterzijde van een (hoofd)gebouw;

1.9 agrarisch bedrijf:

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen

en/of het houden van dieren;

1.10 agrarisch bedrijf grondgebonden:

agrarische bedrijvigheid (bedrijfsvoering), zoals akkerbouw, veeteelt en vollegrond tuinbouw die

afhankelijk zijn van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend, uitgezonderd een

boomkwekerij;

1.11 agrarische gronden/ agrarisch grondgebruik:

gronden welke gebruikt worden voor het voortbrengen van producten door middel van het telen van

gewassen en/of het houden van dieren;

202 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


1.12 ander(e) bouwwerk(en):

een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

1.13 andere werk(en):

een werk, geen bouwwerk zijnde;

1.14 antennedrager:

bestemmingsplan Zwartemeer

antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne;

1.15 antenne-installatie:

installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een

techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;

1.16 archeologisch attentiegebied:

een gebied waar zich in en of de bodem met het oog op de bewoningsgeschiedenis

beschermingswaardige voorwerpen of sporen van vroegere samenlevingen kunnen bevinden;

1.17 bebouwing:

één of meer gebouwen en/ of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.18 bedrijf:

een onderneming of gedeelte van een onderneming, die een organisatorisch zelfstandige eenheid vormt

en is gericht op de productie of de afzet van goederen of de verlening van diensten, hieronder begrepen

ondernemingen of gedeelten van ondernemingen, die door of vanwege de overheid worden geleid;

1.19 bedrijfsgebouw:

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

1.20 bedrijfswoning:

een woning in of bij een bedrijfsgebouw of op een terrein, bedoeld voor (het huishouden van) personen,

wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is;

1.21 bedrijventerrein:

een gebied waar diverse bedrijven zich kunnen vestigen;

1.22 begane grond:

de bouwlaag of verdiepingsvloer van een gebouw ter hoogte van het peil;

1.23 beroeps- cq; bedrijfsvloeroppervlakte:

de totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een functie die wordt gebruikt voor een

aan-huis-gebonden beroep c;q; een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief

opslag- en administratieruimten en dergelijke;

1.24 bestaand:

bestaand ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan;

1.25 bestaande bebouwing:

bebouwing aanwezig op de eerste dag van de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan;

1.26 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 203


1.27 bestemmingsvlak:

bestemmingsplan Zwartemeer

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.28 bijgebouw:

een gebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het op het zelfde bouwperceel gelegen

hoofdgebouw, zoals een aan- of uitbouw en aangebouwd en/of vrijstaand bijgebouw;

1.29 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een

bouwwerk;

1.30 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.31 bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren

en of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van de

onderbouw en zolder: voor de onderscheidenlijke bouwlagen geldt de volgende maximale bouwhoogte:

1 bouwlaag, 5 meter;

2 bouwlagen, 8 meter;

3 bouwlagen, 12 meter;

4 bouwlagen 15 meter;

5 bouwlagen 18 meter;

6 bouwlagen 21 meter;

1.32 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende

bebouwing is toegelaten;

1.33 bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

1.34 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waarop ingevolge de regels bepaalde

gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.35 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij

indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.36 dagrecreatie:

een verblijf buiten de eigen woning langer dan 2 uur voor recreatieve doeleinden doorgebracht zonder

overnachting;

1.37 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

1.38 dakopbouw:

de bovenste bouwlaag van een hoofdgebouw waarbij de oppervlakte maximaal 20% van de

basisoppervlak van het hoofdgebouw bedraagt;

204 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


1.39 detailhandel:

bestemmingsplan Zwartemeer

het bedrijfsmatig te koop aanbieden of verhuren van goederen, waaronder begrepen de uitstalling ten

verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik,

verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.40 dienstverlenend beroep:

beroep waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke

diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's, en

naar omvang en de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering

van een garagebedrijf;

1.41 dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te

woord wordt gestaan en geholpen, waaronder belwinkel en internetcafé;

1.42 dierenpark (kinderboerderij):

een publiek park waar dieren worden gehouden, verzorgd en bezichtigd met een recreatieve- en/of

educatieve functie alsmede spelvoorzieningen aanwezig zijn;

1.43 dierenweide:

een weide/grasland waar dieren worden gehouden, al dan niet verzorgd en bezichtigd;

1.44 eerste bouwlaag

de bouwlaag die rechtstreeks ontsloten kan worden vanaf het aansluitend terrein;

1.45 eerste verdieping

tweede bouwlaag van een hoofdgebouw, een souterrain of kelder niet daaronder begrepen;

1.46 erf:

het binnen de (woon)bestemming gelegen gedeelte van het bouwperceel;

1.47 erker:

een (hoek- of rondvormig) uitgebouwd deel van een hoofdgebouw, waaronder ook een entreeportaal,

bouwkundig bestaand uit een "lichte" constructie met een overwegend transparante uitstraling, waarbij

het entreeportaal een meer besloten karakter mag hebben;

1.48 garagebox/autobox:

overdekte stalling voor een of meer auto's;

1.49 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden

omsloten ruimte vormt;

1.50 geluidswerende voorzieningen:

geluidsreducerende constructie/ bouwwerk in de vorm van voorzieningen zoals geluidsschermen,

geluidswallen of aan deze constructies gelijk te stellen bouwwerk/ constructie;

1.51 gemengde doeleinden:

een combinatie van minimaal twee gelijkwaardige functies, zoals in dit bestemmingsplan opgenomen

hoofdgroepen van bestemmingen;

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 205


1.52 geometrische plaatsbepaling:

bestemmingsplan Zwartemeer

locatie van een ruimtelijk object, vastgelegd in een ruimtelijk referentiesysteem;

1.53 gevel:

een bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht,

daaronder begrepen het dak;

1.54 gevellijn:

de fysieke, danwel doorgetrokken denkbeeldige lijn die, behoudens toegelaten afwijkingen, bij het

bouwen aan de wegzijde met het vooraanzicht vanaf de weg, niet mag worden overschreden;

1.55 groenvoorziening:

een (openbaar)gebied, dat is ingericht als berm, park, groenstrook, beplantingsstrook, grasveld,

plantsoen, sport- en speelveldjes en dergelijke, welke voor het gehele jaar of een groot deel van het jaar

voor het publiek algemeen toegankelijk moet zijn;

1.56 hoofdgebouw:

gebouw dat op een perceel door zijn constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming, als het

belangrijkste bouwwerk valt aan te merken;

1.57 horeca:

een bedrijf, inrichting waar bedrijfsmatig dranken en/ of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden

verstrekt en /of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt;

1.58 horeca-1:

een horecabedrijf gericht op het verstrekken van al dan niet voor consumptie ter plaatse bereide

etenswaren, met als nevenactiviteit het verstrekken van zwak- en niet alcoholische dranken zoals

cafetaria's, snackbars, lunchrooms, broodjeszaken en daarmee vergelijkbare horecabedrijven zoals een

sportkantine;

1.59 horeca-2:

een horecabedrijf gericht op het verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse met als

nevenactiviteit het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken zoals restaurants, bistro's,

grillrooms, en daarmee vergelijkbare horecabedrijven;

1.60 horeca-3:

een horecabedrijf gericht op het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken voor

consumptie ter plaatse, met eventueel daaraan ondergeschikt het verstrekken van etenswaren of

maaltijden voor gebruik ter plaatse, zoals (eet)cafés, met uitzondering van discotheken en nachtclubs;

1.61 horeca-4:

een horecabedrijf gericht op het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse, waarbij het doen

beluisteren van overwegend elektrisch versterkte muziek en het gelegenheid geven tot dansen een

wezenlijk onderdeel vormen, zoals discotheken, alsmede horecabedrijven gericht op het verstrekken van

dranken en kleine etenswaren voor gebruik ter plaatse;

1.62 horeca-5:

een horecabedrijf gericht op het verstrekken van logies met als nevenactiviteiten het verstrekken van

maaltijden of dranken voor gebruik ter plaatse, zoals hotels en pensions;

1.63 kampeermiddel:

a. een tent, een tentwagen, een camper, een caravan of een stacaravan;

b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gedeelte daarvan, dat geheel of ten dele is

206 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

1.64 kantoor:

beroeps- of bedrijfsmatige werkruimte(n) die door hun indeling en aard bestemd zijn om overwegend

gebruikt te worden voor het verrichten van administratieve werkzaamheden en dienstverlening

1.65 karakteristieke objecten:

objecten, welke wordt bepaald door de hoofdvorm en de bouwstijl, waarbij de relatie tussen hoofdvorm

(nokhoogte, goothoogte en dakvorm), voormalige functie en situering kenmerkend is voor de streek of

een tijdsperiode;

1.66 kas:

een gebouw, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander

licht-doorlatend materiaal, dienend tot het kweken van vruchten, bloemen of planten;

1.67 landschappelijke waarden:

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak

(geomorfologisch, hydrologisch, ecologisch, cultuurhistorisch en landschappelijk-esthetische);

1.68 luifel:

een andere bouwwerk, bevestigd aan een wand zonder in contact te komen met de grond, vaak boven

een raam of deur;

1.69 maatschappelijke voorzieningen:

voorzieningen voor het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en

openbare dienstverlening, waaronder: gezondheidszorg, zorg en welzijn, jeugd/ kinderopvang, onderwijs,

religie, uitvaart, bibliotheken, openbare dienstverlening, culturele voorzieningen, verenigingsleven,

gevangeniswezen, nutsvoorzieningen, voorzieningen voor sport en sportieve recreatie, alsook

ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;

1.70 medische voorzieningen:

voorzieningen voor medische hulpverlening en medische hulpmiddelen, zoals een huisartsenpost,

medische groepspraktijk, tandartsenpraktijk, fysiotherapie, apotheek, kruisgebouw, GGD,

dierenartsenpraktijk, geestelijke hulpverlening of hiermee gelijk te stellen gebied door een daarvoor

specifiek opgeleid persoon;

1.71 natuurlijke waarde:

de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige

en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang;

1.72 nutsvoorzieningen/ of nutsbedrijven en semi-openbare nutsvoorzieningen:

voorzieningen ten dienste van openbare en semi-openbare nut, zoals transformatorgebouwen,

telefooncentrales, alarmeringsystemen, riolering, rioolgemalen, waterzuivering, de levering van

elektriciteit, gas, water en warmte, voorzieningen voor de waterhuishouding en naar aard van

nutsvoorzieningen of daarmee gelijk te stellen overige voorzieningen;

1.73 overkapping:

een ander bouwwerk, dat een overdekte ruimte vormt met ten hoogste één wand (dak op pootjes);

1.74 perceelgrens:

de lijn, welke de scheiding vormt tussen twee bouwpercelen of tussen een bouwperceel en een

aangrenzend terrein;

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 207


1.75 serre:

bestemmingsplan Zwartemeer

een (hoek- of rondvormig) uitgebouwd deel van een hoofdgebouw, bouwkundig bestaand uit een lichte

constructie met een overwegend transparante uitstraling;

1.76 staat van bedrijfsactiviteiten

een lijst van bedrijven bevattende informatie over de bedrijven die zijn toegestaan binnen het plangebied;

De lijst is als bijlage bij de voorschriften opgenomen;

1.77 straat- en bebouwingsbeeld:

de waarde van een gebied in stedenbouwkundige zin, die wordt bepaald door de mate van samenhang in

aanwezige bebouwing, daarbij in het bijzonder gelet op een goede verhouding tussen bouwmassa en

open ruimte, een goede hoogte- en breedteverhouding tussen de bebouwing onderling en de samenhang

in bouwvorm en ligging tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is;

1.78 waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen ten dienste van de waterhuishouding waaronder wadi's, waterlopen, waterpartijen,

watergangen, dammen, sluizen, duikers, retentiebekkens, vijvers;

1.79 waterlopen:

een sloot, goot of greppel t.b.v. opvang en afvoer van gebiedseigen water en mede bedoeld als

verbinding tussen de voor water bestemde gronden;

1.80 woning aaneengebouwd (rijwoning):

een grondgebonden woning die met andere gelijkvormige huizen onder een kap of in een rij staat;

1.81 woning twee-aaneen:

een woning op slechts 1 zijde gesitueerd op de zijdelingse perceelsgrens waaronder ook begrepen

geschakelde woningen;

1.82 woning vrijstaand:

een grondgebonden woning waarbij het hoofdgebouw vrij staat van naast gelegen hoofdgebouwen;

1.83 woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

1.84 wooneenheid:

afzonderlijk bewoonbaar gedeelte van een voor wonen (mede) bestemd gebouw; e;

1.85 woonzorgcentrum:

een complex met een bouwwijze die is gericht op beschermd wonen, zorg en verpleging, waarbij

eventueel met complexgewijze overeengekomen zorg- en servicearrangementen, maar met een

consequente contractuele scheiding tussen wonen, zorg en service;

1.86 zijerf:

gedeelte van het erf dat aan de zijkant van het (hoofd)gebouw gelegen is;

1.87 zijerfscheiding:

een scheiding tussen twee bouwpercelen of tussen een bouwperceel en een daarop aansluitende

bestemming, met dien verstande dat wanneer daarvoor volgens het plan meerdere zijden in aanmerking

kunnen komen, het bevoegd gezag bepaalt welke zijde als zijerfscheiding dient te worden aangehouden;

208 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Artikel 2 Wijze van meten

bestemmingsplan Zwartemeer

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de afstand tot de zij- c.q. achtererfscheiding:

de kortste afstand gemeten tussen een bouwwerk en de zij- c.q. achtererfscheiding;

2.2 de bebouwing op de verbeelding:

de op de verbeelding aangegeven (kadastrale) bebouwing wordt als illustratief beschouwd;

2.3 de bebouwingspercentage:

een op de plankaart of in de voorschriften aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel

van het bouwvlak, dat ten hoogste mag worden bebouwd;

2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met

uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard

daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.5 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.6 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te

stellen constructiedeel.

2.7 de hoogte van een windturbine:

vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

2.8 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de

scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.9 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd

op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.10 het peil:

het peil overeenkomstig de bouwverordening, danwel indien geen peil overeenkomstig de

bouwverordening is vast te stellen, de hoogte van het afgewerkte bouwterrein, indien in of op het water

wordt gebouwd, dan het Normaal Amsterdams Peil of een ander plaatselijk waterpeil aan te houden;

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 209


estemmingsplan Zwartemeer

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. agrarische gronden;

b. recreatief medegebruik voor een ijsbaan voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid met

de aanduiding "ijsbaan";

c. kleinschalig kan]mperen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke aanduiding-kleinschalig kamperen

(sa-kk)';

met bijbehorende:

d. andere bouwwerken;

e. water;

f. toegangswegen, in- en uitritten;

g. groenvoorzieningen;

h. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

3.2 Bouwregels

3.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

op of in deze gronden mogen geen gebouwen en mestsilo's worden gebouwd.

3.2.2 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. de bouwhoogte van erf-en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het

gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevel van het hoofdgebouw,

mag maximaal 1 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf-en

terreinafscheidingen achter de gevellijn maximaal 2 meter mag bedragen;

b. de bouwhoogte van andere bouwwerken, mag maximaal 6 meter bedragen en maximaal 15m²

vloeroppervlak beslaan, met dien verstande dat de hoogte van lichtmasten maximaal 10 meter mag

bedragen.

3.3 Afwijken van de bouwregels

3.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

artikel 3.2.1 voor de oprichting van stallen en schuilgelegenheden ten behoeve van (klein)vee, met

dien verstande dat;

1. gebouwen uitsluitend mogen worden opgericht op percelen met een oppervlak van ten minste

5000 m²;

2. de bouwhoogte niet meer dan 3,5 meter mag bedragen;

3. de dakhelling niet minder dan 15 graden mag bedragen;

4. de oppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen.

210 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


3.3.2 Beperking

bestemmingsplan Zwartemeer

Het verlenen van de in artikel 3.3.1 genoemde omgevingsvergunningen is beperkt tot incidentele

gevallen, waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende

bestemmingen niet mag worden aangetast. In de afweging om een omgevingsvergunning te verlenen

worden in ieder geval de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de

verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid, brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de

milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen in acht genomen. Indien de

genoemde waarden en of belangen onevenredig worden geschaad wordt de omgevingsvergunning niet

verleend;

3.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming zoals bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt in ieder geval

gerekend:

a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatie;

b. het gebruik van de gronden voor de opslag van mest.

Ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken is verder het bepaalde in artikel 27 van

toepassing.

3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van

werkzaamheden

3.5.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning

vereist:

a. het ophogen, ontgronden, egaliseren, ontginnen en diepploegen;

b. het aanleggen van wegen, voet-, fiets- en ruiterpaden en dagrecreatieve voorzieningen zoals

picknickplaatsen en parkeervoorzieningen;

c. het kweken van bomen en fruitteelt, voor zover het een aaneengesloten oppervlakte van meer dan 1

hectare betreft;

d. het graven en dempen van wijken, sloten en waterlopen;

e. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen en het zoeken naar delfstoffen;

f. het aanleggen van houtopstanden en (lijnvormige) beplanting;

g. het beplanten en/of bebossen van gronden met houtopstanden, erfbeplanting uitgezonderd.

3.5.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in lid 3.5.1 is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die:

a. nodig zijn voor de aanleg van geluidswallen en geluidsschermen, resp. taluds voor fiets- en

voetpaden en de wijkontsluitingswegen;

b. normaal onderhoud en beheer betreffen, waaronder normaal spit- en ploegwerk, anders dan

diepploegen;

c. noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond;

d. al in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

e. mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende vergunning.

3.5.3 Voorwaarden

De omgevingsvergunning wordt niet verleend indien het werk of de werkzaamheid plaatsvindt met het

oog op het ontwikkelen of versterken van natuurwaarden in een nieuw natuurgebied en door de uitvoering

op directe of indirecte wijze aantoonbare afbreuk wordt of zou worden gedaan aan de agrarische

bedrijfsvoering op aangrenzende of nabijgelegen percelen, dan wel aantoonbare schade of nadeel aan

nabijgelegen agrarische bedrijven en/of de landbouwfunctie wordt of zou worden gedaan.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 211


3.5.4 Beperkingen

bestemmingsplan Zwartemeer

De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd wanneer de voorgenomen werken, of

werkzaamheden de waarden van een gebied zodanig zullen aantasten of de mogelijkheden tot herstel

daarvan zodanig zullen verkleinen, dat dit niet door het stellen van voorwaarden aan de vergunning kan

worden voorkomen.

212 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Artikel 4 Bedrijf - Milieucategorie 2

4.1 Bestemmingsomschrijving

bestemmingsplan Zwartemeer

De voor 'Bedrijf- Milieucategorie 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijven tot en met milieucategorie 2, zoals bedoeld in de bijgevoegde staat van inrichtingen,

bijlage 1, met uitzondering van risicovolle inrichtingen met een plaatsgebonden risicocontour van

10-6 / jaar, geluidzoneringsplichtige inrichtingen, zoals bedoeld in het Inrichting- en

vergunningenbesluit milieubeheer en vuurwerkbedrijven;

b. goederenwegvervoersbedrijf uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van

bedrijf-goederenwegvervoersbedrijf';

c. kunststofverwerkingsbedrijf zonder fenolharsen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke

vorm van bedrijf-kuststofverwerkingsbedrijf';

d. metaaloppervlakte behandelbedrijf lakspuiten en moffelen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding

'specifieke vorm van bedrijf-metaaloppervlakte behandelbedrijf lakspuiten en moffelen';

e. sloopbedrijf uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf-sloopbedrijf';

f. smederij/lasinrichting/bankwerkerij uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van

bedrijf-smederij/lasinrichting/bankwerkerij';

g. bedrijfsgebouwen;

h. een bedrijfswoning met bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';

en mede bestemd voor:

i. het tegengaan van een te hoge geluidbelasting op geluidgevoelige objecten, ter plaatse van de

gebiedsaanduiding 'geluidzone - weg';

met bijbehorende:

j. andere bouwwerken;

k. groenvoorzieningen;

l. kunstwerken en waterwerken;

m. toegangswegen, in- en uitritten;

n. parkeervoorzieningen;

o. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

4.2 Bouwregels

4.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. de voorgevel van een gebouw dient in de gevellijn te worden gebouwd;

c. per bouwvlak is het maximale bebouwingspercentage 60%, dan wel indien een hoger

bebouwingspercentage aanwezig is, het bestaande bebouwingspercentage;

d. de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelgrens dient minimaal 3 meter te bedragen en

indien de erfscheiding in een (schouw)sloot is gelegen dienen gebouwen op minimaal 5 meter

afstand vanaf de insteek van de sloot te worden opgericht, tenzij de bestaande afstand kleiner is, in

welk geval de bestaande afstand als minimum geldt;

e. de maximale bouw- en goothoogte bedragen de bestaande bouw- en goothoogte;

f. de dakhelling van een gebouw mag maximaal 60° bedragen, danwel de bestaande dakhelling indien

de dakhelling afwijkend is.

4.2.2 Bedrijfswoning

Voor het bouwen van een bedrijfswoning gelden de volgende bepalingen:

a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is één bedrijfswoning toegestaan;

b. de totale of gezamenlijke oppervlakte van een bedrijfswoning inclusief bijgebouwen mag maximaal

250 m² bedragen, waarbij de totale of gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen maximaal 75 m²

mag bedragen;

c. de voorgevel van een bedrijfswoning dient in de gevellijn te worden gebouwd;

d. de afstand van een bedrijfswoning tot de zijdelingse perceelgrens dient minimaal 3 meter te

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 213


estemmingsplan Zwartemeer

bedragen, tenzij de bestaande afstand kleiner is, in welk geval de bestaande afstand als minimum

geldt;

e. de maximale bouw- en goothoogte bedragen de bestaande bouw- en goothoogte;

f. de dakhelling van een bedrijfswoning dient minimaal 30° te bedragen danwel de bestaande

dakhelling indien de bestaande dakhelling afwijkend is.

4.2.3 Bijgebouwen bij de bedrijfswoning

Voor het bouwen van bijgebouwen bij de bedrijfswoning gelden de volgende bepalingen:

a. bijgebouwen dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw, waarbij het aantal m² dat gebouwd

wordt als bijgebouw niet meer mag bedragen dan 75 m²;

b. bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak op het zij- en achtererf worden opgericht;

c. bijgebouwen dienen minimaal 3 meter achter de voorgevel van de (bedrijfs)woning te worden

opgericht, danwel indien sprake is van een kleinere afstand, de reeds bestaande afstand;

d. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 meter bedragen, mits hierbij de goothoogte niet

hoger is dan de goothoogte van het hoofdgebouw;

e. de bouwhoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 meter bedragen, mits hierbij de bouwhoogte

niet hoger is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;

f. de bouwhoogte van bijgebouwen binnen 3 meter afstand van de perceelsgrens mag maximaal 3,5

meter bedragen;

g. bij twee naar de weg gekeerde zijgevels van een hoofdgebouw (hoeksituatie) dienen vrijstaande

bijgebouwen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel in of achter het

verlengde daarvan te worden gebouwd.

4.2.4 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. de bouwhoogte van overkappingen, zoals carports, mag maximaal 3 meter bedragen;

b. andere bouwwerken dienen minimaal 3 meter achter de gevellijn te worden opgericht;

c. de bouwhoogte van een ander bouwwerk mag maximaal 6 m bedragen en maximaal 15 m²

vloeroppervlak beslaan, met dien verstande dat de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 10 meter

mag bedragen;

d. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het

gedeelte van een zijerf dat loopt vanaf de openbare weg tot 1 m achter de gevellijn mag maximaal 2

meter bedragen;

e. luifels aan een gebouw mogen maximaal 1.5 meter uit steken.

4.3 Nadere eisen

4.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de

gebouwen, wat betreft:

a. de woonsituatie;

b. het straat- en bebouwingsbeeld;

c. cultuurhistorie;

d. verkeersveiligheid;

e. sociale veiligheid;

f. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;

g. milieusituatie;

h. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

4.4 Afwijken van de bouwregels

4.4.1 Bevoegdheid

Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

a. lid 4.2.1 onder a in die zin dat het hoofdgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd,

mits de oppervlakte aan bebouwing niet wordt vermeerderd;

b. lid 4.2.3 onder a in die zin dat maximaal 30 m² aan extra bijgebouwen mogen worden gebouwd voor

noodzakelijke voorzieningen in het licht van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO)

214 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

uitsluitend op grond van - en vertoon van een medische indicatie;

c. lid 4.2.3 onder a en toestaan dat uitsluitend voor carports maximaal 20 m² extra bebouwing mag

worden opgericht, mits niet meer dan 50% van het bouwperceel wordt bebouwd, welke vanaf 1meter

achter de voorgevel van de bedrijfswoning dient te worden opgericht;

d. lid 4.2.3 onder a en toestaan dat de totale gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen bij een

bedrijfswoning maximaal 100 m² mag bedragen, mits:

1. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen ten hoogste 100% van de oppervlakte van het

hoofdgebouw bedraagt;

2. niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bebouwd wordt;

3. het perceel groter is dan 1000 m².

e. lid 4.2.3 onder c en toestaan dat bijgebouwen vanaf de voorgevel van de bedrijfswoning mogen

worden opgericht;

f. lid 4.2.4 onder d en toestaan dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen langs de openbare

weg maximaal 1.5 meter mag bedragen.

4.4.2 Beperking

Het verlenen van de in lid 4.4.1 genoemde omgevingsvergunningen is beperkt tot incidentele gevallen,

waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet

mag worden aangetast. In de afweging om vergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie,

het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid,

brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in

andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig

worden geschaad wordt de vergunning niet verleend.

4.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming zoals bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt in ieder geval

gerekend:

a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven die niet zijn genoemd onder

de categorieën 1 en 2 in de Staat van inrichtingen;

b. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel,

c. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen bij een bedrijfswoning voor bewoning.

Ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken is verder het bepaalde in artikel 27 van

toepassing.

4.6 Afwijken van de gebruiksregels

4.6.1 Bevoegdheid

Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

a. artikel 4.1 onder a in die zin dat andere bedrijven die in aard en omvang gelijk zijn aan de

milieucategorie 2 bedrijven op de bijgevoegde staat van inrichtingen zich mogen vestigen binnen de

voor Bedrijf milieucategorie 2, bestemde gronden met uitzondering van detailhandelsbedrijven,

bedrijven met een risicocontour van 10-6 en geluidzoneringsplichtige inrichtingen, zoals bedoeld in

het Inrichting- en vergunningenbesluit milieubeheer mits:

1. het gaat om bedrijven die niet zijn genoemd in bijlage 1, maar die qua milieubelasting

gelijkwaardig zijn aan de milieucategorie 2 bedrijven die wel worden genoemd in bijlage 1 onder

een hogere categorie dan 2, maar in een individueel geval een lagere milieubelasting hebben;

2. het geen geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven

betreft;

b. artikel 4.5 onder b in die zin dat detailhandel van ter plaatse vervaardigde goederen, niet zijnde

levensmiddelen, kleding, schoeisel, en huishoudelijke artikelen mag plaatsvinden.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 215


4.6.2 Beperking

bestemmingsplan Zwartemeer

Het verlenen van de in lid 4.6.1 genoemde omgevingsvergunningen is beperkt tot incidentele gevallen,

waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet

mag worden aangetast. In de afweging om vergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie,

het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid,

brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in

andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig

worden geschaad wordt de vergunning niet verleend.

4.7 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouder zijn bevoegd op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het

plan te wijzigen voor:

a. de bestemming Bedrijf - milieucategorie 2 (B-M2) na bedrijfsbeëindiging te wijzigen in de

bestemming Wonen - Vrijstaand (W-V) (volgens de regels van artikel 24);

b. de wijziging dient het functioneren van omliggende bestemmingen niet aan te tasten. In de afweging

om conform artikel 3.6 Wro het bestemmingsplan te wijzigen dient in ieder geval de woonsituatie,

het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid,

brandveiligheid/externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden

in andere bestemmingen in acht genomen te worden. Indien de genoemde waarden of belangen

onevenredig worden geschaad kan de functiewijziging niet plaatsvinden.

216 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Artikel 5 Bedrijf - Nutsvoorzieningen

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - Nutsvoorzieningen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. nutsvoorzieningen;

met bijbehorende:

b. andere bouwwerken;

c. waterhuishoudkundige voorzieningen;

d. parkeervoorzieningen;

e. toegangswegen;

f. groenvoorzieningen;

g. erven.

5.2 Bouwregels

5.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. de bouwhoogte van een gebouw mag maximaal 4 meter bedragen.

5.2.2 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. de bouwhoogte van erf-en terreinafscheidingen mag maximaal 2 meter bedragen;

b. de bouwhoogte van andere bouwwerken mag maximaal 6 m bedragen en maximaal 15 m²

vloeroppervlak beslaan, met dien verstande dat de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 10 meter

mag bedragen.

5.3 Nadere eisen

5.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de

gebouwen, wat betreft:

a. de woonsituatie;

b. het straat- en bebouwingsbeeld;

c. cultuurhistorie;

d. verkeersveiligheid;

e. sociale veiligheid;

f. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;

g. milieusituatie;

h. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 217


estemmingsplan Zwartemeer

Artikel 6 Bedrijf- Verkooppunt motorbrandstoffen

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Bedrijf- Verkooppunt motorbrandstoffen aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. brandstofverkooppunt, LPG niet inbegrepen

b. benzineshop; verkooppunt gekoppeld aan brandstofverkooppunt en aan het brandstofverkooppunt

gerelateerde goederen;

c. autoverhuurbedrijf;

d. autowasgelegenheid;

e. een bedrijfswoning met bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding bedrijfswoning;

f. een luifel ter overkapping van de brandstoftankpunten ter plaatse van de aanduiding specifieke

bouwaanduiding-overkapping;

en mede bestemd voor:

g. het tegengaan van een te hoge geluidbelasting op geluidgevoelige objecten, ter plaatse van de

gebiedsaanduiding 'geluidzone - weg';

met de daarbij behorende:

h. andere bouwwerken;

i. toegangswegen in- en uitritten;

j. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

6.2 Bouwregels

6.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. het bouwvlak mag volledig bebouwd worden;

c. ter plaatse van de maatvoeringaanduiding bouwhoogte mag de bouwhoogte van het (hoofd)gebouw

niet meer bedragen dan is aangegeven, danwel de bestaande bouwhoogte indien geen of een

andere dan de bestaande bouwhoogte is aangegeven;

6.2.2 Bedrijfswoning

Voor het bouwen van een bedrijfswoning gelden de volgende bepalingen:

a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is één bedrijfswoning toegestaan;

b. de totale of gezamenlijke oppervlakte van een bedrijfswoning inclusief bijgebouwen mag maximaal

250 m² bedragen, waarbij de totale of gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen maximaal 75 m²

mag bedragen;

c. de voorgevel van een bedrijfswoning dient in de gevellijn te worden gebouwd;

d. de afstand van een bedrijfswoning tot de zijdelingse perceelgrens dient minimaal 3 meter te

bedragen en indien de erfscheiding in een (schouw)sloot is gelegen dienen gebouwen op minimaal 5

meter afstand vanaf de insteek van de sloot te worden opgericht , tenzij de bestaande afstand

kleiner is, in welk geval de bestaande afstand als minimum geldt;

e. de maximale bouw- en goothoogte bedragen de bestaande bouw- en goothoogte;

f. de dakhelling van een bedrijfswoning dient minimaal 30° te bedragen danwel de bestaande

dakhelling indien de bestaande dakhelling afwijkend is.

6.2.3 Bijgebouwen bij de bedrijfswoning

Voor het bouwen van bijgebouwen bij de bedrijfswoning gelden de volgende bepalingen:

a. bijgebouwen dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw;

b. anders dan gesteld in artikel 6.2.1 onder a mogen bijgebouwen bij de bedrijfswoning buiten het

bouwvlak ter plaatse van de aanduiding bedrijfswoning worden opgericht;

c. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen bij de bedrijfswoning mag maximaal 75 m² bedragen,

mits niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bebouwd wordt;

d. bijgebouwen dienen achter de bedrijfswoning te worden opgericht;

e. de bouwhoogte van een bijgebouw, mag maximaal 3 meter bedragen;

218 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

f. bij twee naar de weg gekeerde zijgevels van een hoofdgebouw (hoeksituatie) dienen vrijstaande

bijgebouwen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel in of achter het

verlengde daarvan te worden gebouwd.

6.2.4 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. andere bouwwerken dienen minimaal 3 meter achter de gevellijn te worden opgericht;

b. de bouwhoogte van een ander bouwwerk mag maximaal 3 meter bedragen, met dien verstande dat

lichtmasten en vlaggenmasten maximaal 5 meter mogen bedragen;

c. in afwijking van het bepaalde in 6.2.1 onder a, b en c mag ter plaatse van de specifieke

bouwaanduiding overkapping een overkapping voor de gevellijn worden opgericht met een maximum

bouwhoogte tot 6 meter;

d. in afwijking van het bepaalde in 6.2.4 onder a en b mag een erf- en terreinafscheiding voor de

gevellijn opgericht worden mits de bouwhoogte van de erf- en terreinafscheidingen gelegen langs

een openbare weg en/ of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan

de voorgevel van het (hoofd)gebouw, maximaal 1 meter bedraagt, met dien verstande dat de

bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de gevellijn maximaal 2 meter mag bedragen;

6.3 Nadere eisen

6.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de

gebouwen, wat betreft:

a. de woonsituatie;

b. het straat- en bebouwingsbeeld;

c. cultuurhistorie;

d. verkeersveiligheid;

e. sociale veiligheid;

f. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;

g. milieusituatie;

h. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

6.4 Afwijken van de bouwregels

6.4.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in:

a. lid 6.2.1 onder a in die zin dat het hoofdgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd,

mits de oppervlakte aan bebouwing niet wordt vermeerderd;

b. het bepaalde in lid 6.2.3 onder c in die zin dat maximaal 30 m² aan extra bijgebouwen mogen

worden gebouwd voor noodzakelijke voorzieningen in het licht van de Wet Maatschappelijke

Ondersteuning (WMO) uitsluitend op grond van - en vertoon van een medische indicatie;

c. lid 6.2.3 onder c en toestaan dat uitsluitend voor carports maximaal 20 m² extra bebouwing mag

worden opgericht, mits niet meer dan 50% van het bouwperceel wordt bebouwd, welke vanaf 1meter

achter de voorgevel van de bedrijfswoning dient te worden opgericht;

d. lid 6.2.3 onder c en toestaan dat de totale gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen bij een

bedrijfswoning maximaal 100 m² mag bedragen, mits:

1. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen ten hoogste 100% van de oppervlakte van het

hoofdgebouw bedraagt;

2. niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bebouwd wordt;

3. het perceel groter is dan 1000 m².

e. lid 6.2.3 onder d en toestaan dat bijgebouwen vanaf de voorgevel van de bedrijfswoning mogen

worden opgericht;

f. lid 6.2.4 onder d en toestaan dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen langs de openbare

weg maximaal 1.5 meter mag bedragen.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 219


6.4.2 Beperking

bestemmingsplan Zwartemeer

Het verlenen van de in artikel 6.4.1 genoemde omgevingsvergunningen is beperkt tot incidentele

gevallen, waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende

bestemmingen niet mag worden aangetast. In de afweging om af te wijken van het bestemmingsplan

worden in ieder geval de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de

verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid, brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de

milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen in acht genomen. Indien de

genoemde waarden en of belangen onevenredig worden geschaad wordt de omgevingsvergunning niet

verleend;

6.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

a. het verkopen van LPG;

b. het gebruik van niet geluidsgevoelige ruimtes als geluidsgevoelige ruimte;

6.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouder zijn bevoegd op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het

plan te wijzigen:

a. artikel 6.1 lid onder a, b, c en d, en toestaan dat een bedrijf milieucategorie 2 zoals op de

bijgevoegde staat van inrichtingen is weergegeven danwel een bedrijf welke in aard en omvang gelijk

is aan het bestemde bedrijf "Bedrijf- Verkooppunt motorbrandstoffen" op de zich mag vestigen

binnen de voor Bedrijf- Verkooppunt motorbrandstoffen bestemde gronden met uitzondering van

detailhandelsbedrijven, bedrijven met een risicocontour van 10-6 en geluidzoneringsplichtige

inrichtingen zoals bedoeld in het Inrichting- en vergunningenbesluit milieubeheer;

b. door de bestemming Bedrijf - milieucategorie 2 na bedrijfsbeëindiging wijzigen in de bestemming

Maatschappelijk;

c. De wijziging dient het functioneren van omliggende bestemmingen niet aan te tasten. In de afweging

om conform artikel 3.6 Wro het bestemmingsplan te wijzigen dient in ieder geval de woonsituatie,

het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid,

brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden

in andere bestemmingen in acht genomen te worden. Indien de genoemde waarden en of belangen

onevenredig worden geschaad kan de functiewijziging niet plaatsvinden.

220 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Artikel 7 Bedrijventerrein

7.1 Bestemmingsomschrijving

bestemmingsplan Zwartemeer

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2, zoals bedoeld in de bijgevoegde Staat van inrichtingen,

bijlage 1, met uitzondering van detailhandel en risicovolle inrichtingen met een plaatsgebonden

risicocontour van 10-6 / jaar, geluidzoneringsplichtige inrichtingen, zoals bedoeld in het Inrichting-

en vergunningenbesluit milieubeheer en vuurwerkbedrijven;

b. goederenwegvervoersbedrijf uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van

bedrijf-goederenwegvervoersbedrijf';

c. bedrijfsgebouwen;

d. bedrijfswoning met bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding bedrijfswoning;

e. in afwijking van het bepaalde in artikel 7.1 onder a is de uitsluiting van detailhandel niet van

toepassing op:

1. detailhandel van ter plaatse vervaardigde goederen, niet zijnde levensmiddelen, kleding, schoeisel

en huishoudelijke artikelen;

2. goederen in een onderneming, waarin een nijverheids en/of ambachtsbedrijf een wezenlijk

bestanddeel van de totale bedrijfsuitoefening in de onderneming uitmaakt en de detailhandel in die

goederen geschiedt zowel ter plaatse waar dat bedrijf wordt uitgeoefend als, gelet op de aard van

die goederen, in rechtstreeks verband met de uitoefening van het bedrijf;

3. detailhandel in ABC (Auto's, Boten, Caravans) en bijbehorende accessoires mits het

verkoopvloeroppervlak (netto) per vestiging niet meer bedraagt dan 1000 m2;

4. detailhandel in tenten, tentonderdelen en aanverwante artikelen mits het verkoopvloeroppervlak

(netto) per vestiging niet meer bedraagt dan 1000 m2;

5. detailhandel in landbouwwerktuigen, landbouwmachines, andere machinerieën en aanverwante

artikelen mits het verkoopvloeroppervalk (netto) per vestiging niet meer bedraagt dan 1000 m2;

6. detailhandel in brandbare en/of gevaarlijke stoffen mits het verkoopvloeroppervlak (netto) per

vestiging niet meer bedraagt dan 1000 m2;

7. detailhandel in grove bouwmaterialen mits het verkoopvloeroppervlak (netto) per vestiging niet meer

bedraagt dan 1000 m2;

en mede bestemd voor:

f. het tegengaan van een te hoge geluidbelasting op geluidgevoelige objecten, ter plaatse van de

gebiedsaanduiding 'geluidzone - weg';

met bijbehorende:

g. andere bouwwerken;

h. tuin, erven;

i. toegangswegen, in- en uitritten;

j. parkeervoorzieningen;

k. groenvoorzieningen;

l. kunstwerken en waterwerken;

m. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

7.2 Bouwregels

7.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. de voorgevel van een gebouw dient in de gevellijn te worden gebouwd;

c. de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelgrens dient minimaal 3 meter te bedragen en

indien de erfscheiding in een (schouw)sloot is gelegen dienen gebouwen op minimaal 5 meter

afstand vanaf de insteek van de sloot te worden opgericht , tenzij de bestaande afstand kleiner is, in

welk geval de bestaande afstand als minimum geldt;

d. de maximale bouw- en goothoogte bedragen de bestaande bouw- en goothoogte;

e. de dakhelling van een gebouw mag maximaal 60° bedragen, danwel de bestaande dakhelling indien

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 221


de dakhelling afwijkend is.

7.2.2 Bedrijfswoning

bestemmingsplan Zwartemeer

Voor het bouwen van een bedrijfswoning gelden de volgende bepalingen:

a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is één bedrijfswoning toegestaan;

b. het aantal bedrijfswoningen met de bestemming Bedrijventerrein ten tijde van de terinzagelegging

van het ontwerpbestemmingsplan mag niet worden vermeerderd, tenzij dit op de verbeelding met

een aanduiding anders is weergegeven;

c. de totale of gezamenlijke oppervlakte van een bedrijfswoning inclusief bijgebouwen mag maximaal

250 m² bedragen, waarbij de totale of gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen maximaal 75 m²

mag bedragen;

d. de voorgevel van een bedrijfswoning dient in de gevellijn te worden gebouwd;

e. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens dient minimaal 3 meter te bedragen en indien de

erfscheiding in een (schouw)sloot is gelegen dienen gebouwen op minimaal 5 meter afstand vanaf

de insteek van de sloot te worden opgericht , tenzij de bestaande afstand kleiner is, in welk geval

de bestaande afstand als minimum geldt;

f. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' (m) mag de goot- en bouwhoogte van

het (hoofd)gebouw niet meer bedragen dan is aangegeven, danwel de bestaande goot- en

bouwhoogte indien geen of een andere dan de bestaande goot- en bouwhoogte is aangegeven;

g. de maximale bouw- en goothoogte bedragen de bestaande bouw- en goothoogte;

h. de dakhelling van een bedrijfswoning dient minimaal 30° te bedragen danwel de bestaande

dakhelling indien de bestaande dakhelling afwijkend is.

7.2.3 Bijgebouwen bij de bedrijfswoning

Voor het bouwen van bijgebouwen bij de bedrijfswoning gelden de volgende bepalingen:

a. bijgebouwen dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw, waarbij het aantal m² dat gebouwd

wordt als bijgebouw niet meer mag bedragen dan 75 m²;

b. bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak op het zij- en achtererf worden opgericht;

c. bijgebouwen dienen minimaal 3 meter achter de voorgevel van de (bedrijfs)woning te worden

opgericht, danwel indien sprake is van een kleinere afstand, de reeds bestaande afstand;

d. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 meter bedragen, mits hierbij de goothoogte niet

hoger is dan de goothoogte van het bijgebouw;

e. de bouwhoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 meter bedragen, mits hierbij de bouwhoogte

niet hoger is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;

f. de bouwhoogte van bijgebouwen binnen 3 meter afstand van de perceelsgrens mag maximaal 3,5

meter bedragen;

g. bij twee naar de weg gekeerde zijgevels van een hoofdgebouw (hoeksituatie) dienen vrijstaande

bijgebouwen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel in of achter het

verlengde daarvan te worden gebouwd.

7.2.4 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. de bouwhoogte van overkappingen mag maximaal 3 meter bedragen;

b. andere bouwwerken dienen minimaal 3 meter achter de gevellijn te worden opgericht;

c. de bouwhoogte van een ander bouwwerk mag maximaal 6 meter bedragen en maximaal 15 m²

vloeroppervlak beslaan, met dien verstande dat de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 10 meter

mag bedragen;

d. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het

gedeelte van een zijerf dat loopt vanaf de openbare weg tot 1 meter achter de gevellijn mag

maximaal 2 meter bedragen;

e. luifels aan gebouwen mogen maximaal 1.5 meter uit steken.

7.3 Nadere eisen

7.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de

gebouwen, wat betreft:

222 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

a. de woonsituatie;

b. het straat- en bebouwingsbeeld;

c. cultuurhistorie;

d. verkeersveiligheid;

e. sociale veiligheid;

f. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;

g. milieusituatie;

h. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

7.4 Afwijken van de bouwregels

7.4.1 Bevoegdheid

Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

a. lid 7.2.1 onder a in die zin dat een gebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits de

oppervlakte aan bebouwing niet wordt vermeerderd;

b. lid 7.2.2 onder b in die zin dat een bedrijfswoning wordt gebouwd bij een bedrijf waar nog geen

bedrijfswoning aanwezig is en deze voldoet aan de bouwregels gesteld in artikel 7.2.2;

c. lid 7.2.3 onder a in die zin dat maximaal 30 m² aan extra bijgebouwen mogen worden gebouwd voor

noodzakelijke voorzieningen in het licht van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO)

uitsluitend op grond van en vertoon van een medische indicatie;

d. lid 7.2.3 onder a en toestaan dat uitsluitend carports maximaal 20 m² extra bebouwing mag worden

opgericht, mits niet meer dan 50% van het bouwperceel wordt bebouwd, welke vanaf 1 meter achter

de voorgevel van de bedrijfswoning dienen te worden opgericht;

e. lid 7.2.3 onder a en toestaan dat de totale gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen bij een

bedrijfswoning maximaal 100 m² mag bedragen, mits:

1. de gezamenlijke oppervlakte bijgebouwen ten hoogste 100% van de oppervlakte van het

hoofdgebouw bedraagt;

2. niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bebouwd wordt;

3. het perceel groter is dan 1000 m².

f. lid 7.2.1 onder d in die zin dat de bouwhoogte van een bedrijfsgebouw wordt verhoogd, dit met een

maximum van 12 meter;

g. lid 7.2.2 onder g in die zin dat de dakhelling van een bedrijfswoning minder dan 30° mag bedragen;

h. lid 7.2.3 in die zin dat bijgebouwen bij de bedrijfswoning direct vanaf de voorgevel van de

bedrijfswoning gerealiseerd mogen worden;

i. lid 7.2.4 onder b in die zin dat overkappingen direct vanaf de voorgevel van de woning gerealiseerd

worden;

j. lid 7.2.4 onder d en toestaan dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen langs de openbare

weg maximaal 1.5 meter mag bedragen.

7.4.2 Beperking

Het verlenen van de in lid 7.4.1 genoemde omgevingsvergunningen is beperkt tot incidentele gevallen,

waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet

mag worden aangetast. In de afweging om vergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie,

het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid,

brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in

andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig

worden geschaad wordt de vergunning niet verleend.

7.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming zoals bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt in ieder geval

gerekend:

a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven die niet zijn genoemd onder

de categorieën 1 en 2 in de Staat van inrichtingen;

b. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel;

c. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen bij een bedrijfswoning voor bewoning.

Ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken is verder het bepaalde in artikel 27 van

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 223


toepassing.

7.6 Afwijken van de gebruiksregels

7.6.1 Bevoegdheid

bestemmingsplan Zwartemeer

Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

a. artikel 7.5 onder a in die zin dat andere bedrijven die in aard en omvang gelijk zijn aan de

milieucategorie 2 bedrijven op de bijgevoegde staat van inrichtingen zich mogen vestigen binnen de

voor Bedrijf milieucategorie 2, bestemde gronden met uitzondering van detailhandelsbedrijven,

bedrijven met een risicocontour van 10-6 en geluidzoneringsplichtige inrichtingen, zoals bedoeld in

het Inrichting- en vergunningenbesluit milieubeheer mits:

1. het gaat om bedrijven die niet zijn genoemd in bijlage 1, maar die qua milieubelasting

gelijkwaardig zijn aan de milieucategorie 2 bedrijven die wel worden genoemd in bijlage 1 onder

een hogere categorie dan 2, maar in een individueel geval een lagere milieubelasting hebben;

2. het geen geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven

betreft;

b. artikel 7.5 onder b in die zin dat detailhandel van ter plaatse vervaardigde goederen, niet zijnde

levensmiddelen, kleding, schoeisel, en huishoudelijke artikelen mag plaatsvinden.

7.6.2 Beperking

Het verlenen van de in lid 7.6.1 genoemde omgevingsvergunningen is beperkt tot incidentele gevallen,

waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet

mag worden aangetast. In de afweging om vergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie,

het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid,

brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in

andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig

worden geschaad wordt de vergunning niet verleend.

224 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Artikel 8 Cultuur en ontspanning - Kinderboerderij

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Cultuur en Ontspanning - Kinderboerderij' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. kinderboerderij;

b. dierenweide;

met bijbehorende:

c. gebouwen;

d. andere bouwwerken;

e. groenvoorzieningen;

f. fiets- en voetpaden;

g. parkeervoorzieningen;

h. vijvers;

i. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

8.2 Bouwregels

8.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. maximaal 325 m² van het bouwvlak mag bebouwd worden;

c. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelgrenzen dient minimaal 10 m te bedragen,

danwel indien sprake is van een kleinere afstand, de reeds bestaande afstand,

d. de goothoogte van een gebouw mag maximaal 3 meter bedragen, danwel de bestaande goothoogte;

e. de bouwhoogte van een gebouw mag maximaal 5.5 meter bedragen, danwel de bestaande

bouwhoogte.

8.2.2 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. de bouwhoogte van erf-en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het

gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevel van het hoofdgebouw,

mag maximaal 1 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en

terreinafscheidingen achter de gevellijn maximaal 2 meter mag bedragen;

b. de bouwhoogte van andere bouwwerken mag maximaal 3 meter bedragen.

8.3 Nadere eisen

8.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de

gebouwen, wat betreft:

a. de woonsituatie;

b. het straat- en bebouwingsbeeld;

c. cultuurhistorie;

d. verkeersveiligheid;

e. sociale veiligheid;

f. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;

g. milieusituatie;

h. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 225


Artikel 9 Gemengd

9.1 Bestemmingsomschrijving

bestemmingsplan Zwartemeer

De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. detailhandel;

b. dienstverlening;

c. kantoor;

d. maatschappelijke doeleinden;

e. wonen;

en mede bestemd voor:

f. het tegengaan van een te hoge geluidbelasting op geluidgevoelige objecten, ter plaatse van de

gebiedsaanduiding 'geluidzone - weg';

met bijbehorende:

g. andere bouwwerken;

h. fiets- en voetpaden;

i. kunstwerken en waterwerken;

j. sport- en speelgelegenheden;

k. toegangswegen, in- en uitritten;

l. parkeervoorzieningen;

m. groenvoorzieningen;

n. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

9.2 Bouwregels

9.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de gevellijn te worden opgericht;

c. per bouwvlak is het maximale bebouwingspercentage 60%, dan wel indien een hoger

bebouwingspercentage aanwezig is, het bestaande bebouwingspercentage;

d. de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelgrens dient minimaal 3 meter te bedragen en

indien de erfscheiding in een (schouw)sloot is gelegen dienen gebouwen op minimaal 5 meter

afstand vanaf de insteek van de sloot te worden opgericht , tenzij de bestaande afstand kleiner is, in

welk geval de bestaande afstand als minimum geldt;

e. de maximale bouw- en goothoogte bedragen de bestaande bouw- en goothoogte;

f. de diepte van een hoofdgebouw mag vanaf de gevellijn maximaal de bestaande diepte bedragen.

9.2.2 (Bedrijfs)woning

Voor het bouwen van een (bedrijfs)woning gelden de volgende bepalingen:

a. het aantal (bedrijfs)woningen binnen de bestemming Gemengd ten tijde van de terinzagelegging van

het ontwerpbestemmingsplan mag niet worden vermeerderd;

b. de totale of gezamenlijke oppervlakte van een (bedrijfs)woning inclusief bijgebouwen mag maximaal

250 m² bedragen, waarbij de totale of gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen maximaal 75 m²

mag bedragen;

c. de voorgevel van een (bedrijfs)woning dient in de gevellijn te worden gebouwd;

d. de afstand van een (bedrijfs)woning tot de zijdelingse perceelgrens dient minimaal 3 meter te

bedragen en indien de erfscheiding in een (schouw)sloot is gelegen dienen gebouwen op minimaal 5

meter afstand vanaf de insteek van de sloot te worden opgericht , tenzij de bestaande afstand

kleiner is, in welk geval de bestaande afstand als minimum geldt;

e. de maximale bouw- en goothoogte bedragen de bestaande bouw- en goothoogte;

f. de dakhelling van een bedrijfswoning dient minimaal 30° te bedragen danwel de bestaande

dakhelling indien de bestaande dakhelling afwijkend is.

226 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


9.2.3 Bijgebouwen bij de (bedrijfs)woning

bestemmingsplan Zwartemeer

Voor het bouwen van bijgebouwen bij de bedrijfswoning gelden de volgende bepalingen:

a. bijgebouwen dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw, waarbij het aantal m² dat gebouwd

wordt als bijgebouw niet meer mag bedragen dan 75 m²;

b. bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak op het zij- en achtererf worden opgericht;

c. bijgebouwen dienen minimaal 3 meter achter de voorgevel van de (bedrijfs)woning te worden

opgericht, danwel indien sprake is van een kleinere afstand, de reeds bestaande afstand;

d. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 meter bedragen, mits hierbij de goothoogte niet

hoger is dan de goothoogte van het hoofdgebouw;

e. de bouwhoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 meter bedragen, mits hierbij de bouwhoogte

niet hoger is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;

f. de bouwhoogte van bijgebouwen binnen 3 meter afstand van de perceelsgrens mag maximaal 3,5

meter bedragen;

g. bij twee naar de weg gekeerde zijgevels van een hoofdgebouw (hoeksituatie) dienen vrijstaande

bijgebouwen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel in of achter het

verlengde daarvan te worden gebouwd.

9.2.4 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. de bouwhoogte van overkappingen mag maximaal 3 meter bedragen;

b. andere bouwwerken dienen minimaal 3 meter achter de gevellijn te worden opgericht;

c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het

gedeelte van een zijerf dat loopt vanaf de openbare weg tot 1 meter achter de gevellijn mag

maximaal 2 meter bedragen;

d. de bouwhoogte van andere bouwwerken, mag maximaal 6 meter bedragen en maximaal 15m²

vloeroppervlak beslaan, met dien verstande dat de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 10 meter

mag bedragen;

e. luifels aan gebouwen mogen maximaal 1.5 meter uitsteken.

9.3 Nadere eisen

9.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de

gebouwen, wat betreft:

a. de woonsituatie;

b. het straat- en bebouwingsbeeld;

c. cultuurhistorie;

d. verkeersveiligheid;

e. sociale veiligheid;

f. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;

g. milieusituatie;

h. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

9.4 Afwijken van de bouwregels

9.4.1 Bevoegdheid

Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

a. lid 9.2.1 onder a in die zin dat het hoofdgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd,

mits de oppervlakte aan bebouwing niet wordt vermeerderd;

b. het bepaalde in lid 9.2.3 onder a in die zin dat maximaal 30 m² aan extra bijgebouwen mogen

worden gebouwd voor noodzakelijke voorzieningen in het licht van de Wet Maatschappelijke

Ondersteuning (WMO) uitsluitend op grond van - en vertoon van een medische indicatie;

c. lid 9.2.3 onder a en toestaan dat uitsluitend voor carports maximaal 20 m² extra bebouwing mag

worden opgericht, mits niet meer dan 50% van het bouwperceel wordt bebouwd, welke vanaf 1meter

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 227


estemmingsplan Zwartemeer

achter de voorgevel van de bedrijfswoning dient te worden opgericht;

d. lid 9.2.3 onder a en toestaan dat de totale gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen bij een

bedrijfswoning maximaal 100 m² mag bedragen, mits:

1. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen ten hoogste 100% van de oppervlakte van het

hoofdgebouw bedraagt;

2. niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bebouwd wordt;

3. het perceel groter is dan 1000 m².

e. lid 9.2.3 onder c en toestaan dat bijgebouwen vanaf de voorgevel van de bedrijfswoning mogen

worden opgericht;

f. lid 9.2.4 onder c en toestaan dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen langs de openbare

weg maximaal 1.5 meter mag bedragen.

9.4.2 Beperking

Het verlenen van de in lid 9.4.1 onder a genoemde omgevingsvergunningen is beperkt tot incidentele

gevallen, waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende

bestemmingen niet mag worden aangetast. In de afweging om vergunning te verlenen worden in ieder

geval de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de

(sociale) veiligheid, brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de

gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of

belangen onevenredig worden geschaad wordt de vergunning niet verleend.

9.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming zoals bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt in ieder geval

gerekend:

a. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen bij een woning voor bewoning.

Ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken is verder het bepaalde in artikel 27 van

toepassing.

228 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Artikel 10 Groen

10.1 Bestemmingsomschrijving

bestemmingsplan Zwartemeer

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. groen(voorziening);

b. water;

en mede bestemd voor:

c. het tegengaan van een te hoge geluidbelasting op geluidgevoelige objecten, ter plaatse van de

gebiedsaanduiding 'geluidzone - weg';

met bijbehorende:

d. andere bouwwerken;

e. sport- en speelgelegenheden;

f. fiets- en voetpaden;

g. toegangswegen, in- en uitritten.

h. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

10.2 Bouwregels

10.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

10.2.2 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. de bouwhoogte van erf-en terreinafscheidingen mag maximaal 2 meter bedragen, met dien

verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs de openbare weg

maximaal 1 meter mag bedragen;

b. de bouwhoogte van andere bouwwerken mag maximaal 6 meter bedragen en maximaal 15m²

vloeroppervlak beslaan, met dien verstande dat de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 10 meter

mag bedragen.

10.3 Afwijken van de bouwregels

10.3.1 Bevoegdheid

Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

a. lid 10.2.2 onder a in die zin dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen langs de openbare

weg maximaal 1.5 meter mag meter bedragen.

10.3.2 Beperking

Het verlenen van de in lid 10.3.1 onder a genoemde omgevingsvergunning is beperkt tot incidentele

gevallen, waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende

bestemmingen niet mag worden aangetast. In de afweging om vergunning te verlenen worden in ieder

geval de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de

(sociale) veiligheid, brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de

gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of

belangen onevenredig worden geschaad wordt de vergunning niet verleend.

10.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming zoals bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt in ieder geval

gerekend:

a. het gebruik van gronden ten behoeve van parkeervoorzieningen.

Ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken is verder het bepaalde in artikel 27 van

toepassing.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 229


10.5 Afwijken van de gebruiksregels

10.5.1 Bevoegdheid

bestemmingsplan Zwartemeer

Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

a. artikel 10.4 onder a in die zin dat de gronden worden gebruikt ten behoeve van

parkeervoorzieningen.

10.5.2 Beperking

Het verlenen van de in lid 10.5.1 genoemde omgevingsvergunning is beperkt tot incidentele gevallen,

waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet

mag worden aangetast. In de afweging om vergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie,

het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid,

brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in

andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig

worden geschaad wordt de vergunning niet verleend.

230 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Artikel 11 Horeca - 1

11.1 Bestemmingsomschrijving

bestemmingsplan Zwartemeer

De voor 'Horeca-1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. een horeca-inrichting categorie 1;

b. een bedrijfswoning met bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';

met bijbehorende:

c. andere bouwwerken;

d. sport- en speelgelegenheden;

e. toegangswegen, in- en uitritten;

f. parkeervoorzieningen;

g. groenvoorzieningen;

h. kunstwerken en waterwerken;

i. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

11.2 Bouwregels

11.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de gevellijn te worden opgericht;

c. de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelgrens dient minimaal 3 meter te bedragen en

indien de erfscheiding in een (schouw)sloot is gelegen dienen gebouwen op minimaal 5 meter

afstand vanaf de insteek van de sloot te worden opgericht , danwel indien sprake is van een kleinere

afstand, de reeds bestaande afstand;

d. de maximale bouw- en goothoogte bedragen de bestaande bouw- en goothoogte;

e. de dakhelling van een gebouw mag maximaal 60° bedragen, danwel de bestaande dakhelling indien

de bestaande dakhelling afwijkend is.

11.2.2 Bedrijfswoning

Voor het bouwen van een bedrijfswoning gelden de volgende bepalingen:

a. bedrijfswoningen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. per bedrijf mag maximaal één bedrijfswoning worden opgericht;

c. een bedrijfswoning mag uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';

d. de totale of gezamenlijke oppervlakte van een bedrijfswoning inclusief bijgebouwen mag maximaal

250 m² bedragen, waarbij de totale of gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen maximaal 75 m²

mag bedragen;

e. de voorgevel van een bedrijfswoning dient in de gevellijn te worden gebouwd;

f. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens dient minimaal 3 meter te bedragen en indien de

erfscheiding in een (schouw)sloot is gelegen dienen gebouwen op minimaal 5 meter afstand vanaf

de insteek van de sloot te worden opgericht , tenzij de bestaande afstand kleiner is, in welk geval

de bestaande afstand als minimum geldt;

g. de maximale bouw- en goothoogte bedragen de bestaande bouw- en goothoogte;

h. de dakhelling van een bedrijfswoning dient minimaal 30° te bedragen, danwel de bestaande

dakhelling indien de bestaande dakhelling afwijkend is.

11.2.3 Bijgebouwen

Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. bijgebouwen dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw, waarbij het aantal m² dat gebouwd

wordt als bijgebouw niet meer mag bedragen dan 75 m²;

b. bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak op het zij- en achtererf worden opgericht;

c. bijgebouwen dienen minimaal 3 meter achter de voorgevel van de (bedrijfs)woning te worden

opgericht, danwel indien sprake is van een kleinere afstand, de reeds bestaande afstand;

d. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 meter bedragen, mits hierbij de goothoogte niet

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 231


estemmingsplan Zwartemeer

hoger is dan de goothoogte van het hoofdgebouw;

e. de bouwhoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 meter bedragen, mits hierbij de bouwhoogte

niet hoger is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;

f. de bouwhoogte van bijgebouwen binnen 3 meter afstand van de perceelsgrens mag maximaal 3,5

meter bedragen;

g. bij twee naar de weg gekeerde zijgevels van een hoofdgebouw (hoeksituatie) dienen vrijstaande

bijgebouwen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel in of achter het

verlengde daarvan te worden gebouwd.

11.2.4 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. overkappingen dienen minimaal 3 meter achter de gevellijn te worden opgericht;

b. de bouwhoogte van een overkapping mag maximaal 3 meter bedragen;

c. de bouwhoogte van erf-en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het

gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevel van het hoofdgebouw,

mag maximaal 1 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en

terreinafscheidingen achter de gevellijn maximaal 2 meter mag bedragen;

d. de bouwhoogte van andere bouwwerken, mag maximaal 6 meter bedragen en maximaal 15m²

vloeroppervlak beslaan, van lichtmasten maximaal 10 meter mag bedragen;

e. luifels aan gebouwen mogen maximaal 1.5 meter uitsteken.

11.3 Nadere eisen

11.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de

gebouwen, wat betreft:

a. de woonsituatie;

b. het straat- en bebouwingsbeeld;

c. cultuurhistorie;

d. verkeersveiligheid;

e. sociale veiligheid;

f. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;

g. milieusituatie;

h. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

11.4 Afwijken van de bouwregels

11.4.1 Bevoegdheid

Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

a. lid 11.2.1 onder a in die zin dat het hoofdgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd,

mits de oppervlakte aan bebouwing niet wordt vermeerderd;

b. het bepaalde in lid 11.2.3 onder a in die zin dat maximaal 30 m² aan extra bijgebouwen mogen

worden gebouwd voor noodzakelijke voorzieningen in het licht van de Wet Maatschappelijke

Ondersteuning (WMO) uitsluitend op grond van - en vertoon van een medische indicatie;

c. lid 11.2.3 onder a en toestaan dat uitsluitend voor carports maximaal 20 m² extra bebouwing mag

worden opgericht, mits niet meer dan 50% van het bouwperceel wordt bebouwd, welke vanaf 1meter

achter de voorgevel van de bedrijfswoning dient te worden opgericht;

d. lid 11.2.3 onder a en toestaan dat de totale gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen bij een

bedrijfswoning maximaal 100 m² mag bedragen, mits:

1. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen ten hoogste 100% van de oppervlakte van het

hoofdgebouw bedraagt;

2. niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bebouwd wordt;

3. het perceel groter is dan 1000 m².

e. lid 11.2.3 onder c en toestaan dat bijgebouwen vanaf de voorgevel van de bedrijfswoning mogen

worden opgericht;

f. lid 11.2.4 onder c en toestaan dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen langs de

openbare weg maximaal 1.5 meter mag bedragen.

232 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


11.4.2 Beperking

bestemmingsplan Zwartemeer

Het verlenen van de in lid 11.4.1 genoemde omgevingsvergunningen is beperkt tot incidentele gevallen,

waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet

mag worden aangetast. In de afweging om ontheffing te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie,

het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid,

brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in

andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig

worden geschaad wordt de ontheffing niet verleend.

11.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming zoals bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt in ieder geval

gerekend:

a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van horecabedrijven van andere categorieën

dan categorie 1;

b. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen bij een bedrijfswoning voor bewoning.

Ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken is verder het bepaalde in artikel 27 van

toepassing.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 233


Artikel 12 Horeca - 3

12.1 Bestemmingsomschrijving

bestemmingsplan Zwartemeer

De voor 'Horeca-3' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. een horeca-inrichting categorie 1 tot en met 3;

b. een bedrijfswoning met bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';

met bijbehorende:

c. andere bouwwerken;

d. sport- en speelgelegenheden;

e. toegangswegen in- en uitritten;

f. parkeervoorzieningen;

g. groenvoorzieningen;

h. kunstwerken en waterwerken;

i. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

12.2 Bouwregels

12.2.1 Gebouwen

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de gevellijn te worden opgericht;

c. de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelgrens dient minimaal 3 meter te bedragen en

indien de erfscheiding in een (schouw)sloot is gelegen dienen gebouwen op minimaal 5 meter

afstand vanaf de insteek van de sloot te worden opgericht , danwel indien sprake is van een kleinere

afstand, de reeds bestaande afstand;

d. de maximale bouw- en goothoogte bedragen de bestaande bouw- en goothoogte;

e. de dakhelling van een gebouw mag maximaal 60° bedragen, danwel de bestaande dakhelling indien

de bestaande dakhelling afwijkend is.

12.2.2 Bedrijfswoning

Voor het bouwen van een bedrijfswoning gelden de volgende bepalingen:

a. bedrijfswoningen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. per bedrijf mag maximaal één bedrijfswoning worden opgericht;

c. een bedrijfswoning mag uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';

d. de totale of gezamenlijke oppervlakte van een bedrijfswoning inclusief bijgebouwen mag maximaal

250 m² bedragen, waarbij de totale of gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen maximaal 75 m²

mag bedragen;

e. de voorgevel van een bedrijfswoning dient in de gevellijn te worden gebouwd;

f. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens dient minimaal 3 meter te bedragen en indien de

erfscheiding in een (schouw)sloot is gelegen dienen gebouwen op minimaal 5 meter afstand vanaf

de insteek van de sloot te worden opgericht , tenzij de bestaande afstand kleiner is, in welk geval

de bestaande afstand als minimum geldt;

g. de maximale bouw- en goothoogte bedragen de bestaande bouw- en goothoogte;

h. de dakhelling van een bedrijfswoning dient minimaal 30° te bedragen, danwel de bestaande

dakhelling indien de bestaande dakhelling afwijkend is.

12.2.3 Bijgebouwen

Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. bijgebouwen dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw, waarbij het aantal m² dat gebouwd

wordt als bijgebouw niet meer mag bedragen dan 75 m²;

b. bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak op het zij- en achtererf worden opgericht;

c. bijgebouwen dienen minimaal 3 meter achter de voorgevel van de (bedrijfs)woning te worden

opgericht, danwel indien sprake is van een kleinere afstand, de reeds bestaande afstand;

d. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 meter bedragen, mits hierbij de goothoogte niet

hoger is dan de goothoogte van het hoofdgebouw;

e. de bouwhoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 meter bedragen, mits hierbij de bouwhoogte

234 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

niet hoger is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;

f. de bouwhoogte van bijgebouwen binnen 3 meter afstand van de perceelsgrens mag maximaal 3,5

meter bedragen;

g. bij twee naar de weg gekeerde zijgevels van een hoofdgebouw (hoeksituatie) dienen vrijstaande

bijgebouwen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel in of achter het

verlengde daarvan te worden gebouwd.

12.2.4 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. overkappingen dienen minimaal 3 meter achter de gevellijn te worden opgericht;

b. de bouwhoogte van een overkapping mag maximaal 3 meter bedragen;

c. de bouwhoogte van erf-en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het

gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevel van het hoofdgebouw,

mag maximaal 1 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf-en

terreinafscheidingen achter de gevellijn maximaal 2 meter mag bedragen;

d. de bouwhoogte van andere bouwwerken, mag maximaal 6 meter bedragen en maximaal 15m²

vloeroppervlak beslaan, van lichtmasten maximaal 10 meter mag bedragen;

e. luifels aan gebouwen mogen maximaal 1.5 meter uitsteken.

12.3 Nadere eisen

12.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de

gebouwen, wat betreft:

a. de woonsituatie;

b. het straat- en bebouwingsbeeld;

c. cultuurhistorie;

d. verkeersveiligheid;

e. sociale veiligheid;

f. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;

g. milieusituatie;

h. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

12.4 Afwijken van de bouwregels

12.4.1 Bevoegdheid

Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

a. lid 12.2.1 onder a in die zin dat het hoofdgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd,

mits de oppervlakte aan bebouwing niet wordt vermeerderd;

b. het bepaalde in lid 12.2.3 onder a in die zin dat maximaal 30 m² aan extra bijgebouwen mogen

worden gebouwd voor noodzakelijke voorzieningen in het licht van de Wet Maatschappelijke

Ondersteuning (WMO) uitsluitend op grond van - en vertoon van een medische indicatie;

c. lid 12.2.3 onder a en toestaan dat uitsluitend voor carports maximaal 20 m² extra bebouwing mag

worden opgericht, mits niet meer dan 50% van het bouwperceel wordt bebouwd, welke vanaf 1meter

achter de voorgevel van de bedrijfswoning dient te worden opgericht;

d. lid 12.2.3 onder a en toestaan dat de totale gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen bij een

bedrijfswoning maximaal 100 m² mag bedragen, mits:

1. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen ten hoogste 100% van de oppervlakte van het

hoofdgebouw bedraagt;

2. niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bebouwd wordt;

3. het perceel groter is dan 1000 m².

e. lid 12.2.3 onder c en toestaan dat bijgebouwen vanaf de voorgevel van de bedrijfswoning mogen

worden opgericht;

f. lid 12.2.4 onder c en toestaan dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen langs de

openbare weg maximaal 1.5 meter mag bedragen.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 235


12.4.2 Beperking

bestemmingsplan Zwartemeer

Het verlenen van de in lid 12.4.1 genoemde omgevingsvergunningen is beperkt tot incidentele gevallen,

waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet

mag worden aangetast. In de afweging om vergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie,

het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid,

brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in

andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig

worden geschaad wordt de vergunning niet verleend.

12.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming zoals bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt in ieder geval

gerekend:

a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van horecabedrijven van andere categorieën

dan categorie 1 tot en met 3;

b. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen bij een bedrijfswoning voor bewoning.

Ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken is verder het bepaalde in artikel 27 van

toepassing.

236 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Artikel 13 Maatschappelijk

13.1 Bestemmingsomschrijving

bestemmingsplan Zwartemeer

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. maatschappelijke voorzieningen;

met bijbehorende:

b. andere bouwwerken;

c. horeca-1 ten dienste van de bestemming;

d. sport- en speelgelegenheden;

e. toegangswegen, in- en uitritten;

f. parkeervoorzieningen;

g. groenvoorzieningen;

h. kunstwerken en waterwerken;

i. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

13.2 Bouwregels

13.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de gevellijn te worden opgericht;

c. de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelgrens dient minimaal 3 meter te bedragen en

indien de erfscheiding in een (schouw)sloot is gelegen dienen gebouwen op minimaal 5 meter

afstand vanaf de insteek van de sloot te worden opgericht , danwel indien sprake is van een kleinere

afstand, de reeds bestaande afstand;

d. de maximale bouw- en goothoogte bedragen de bestaande bouw- en goothoogte;

e. de dakhelling van een gebouw mag maximaal 60° bedragen, danwel de bestaande dakhelling indien

de bestaande dakhelling afwijkend is.

13.2.2 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. de bouwhoogte van een overkapping mag maximaal 3 meter bedragen;

b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het

gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevel van het hoofdgebouw,

mag maximaal 1 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf-en

terreinafscheidingen achter de gevellijn maximaal 2 meter mag bedragen;

c. de bouwhoogte van andere bouwwerken, mag maximaal 6 meter bedragen en maximaal 15m²

vloeroppervlak beslaan, van lichtmasten maximaal 10 meter mag bedragen;

d. luifels aan gebouwen mogen maximaal 1.5 meter uitsteken.

13.3 Nadere eisen

13.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de

gebouwen, wat betreft:

a. de woonsituatie;

b. het straat- en bebouwingsbeeld;

c. cultuurhistorie;

d. verkeersveiligheid;

e. sociale veiligheid;

f. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;

g. milieusituatie;

h. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 237


13.4 Afwijken van de bouwregels

13.4.1 Bevoegdheid

bestemmingsplan Zwartemeer

Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

a. artikel 13.2.1 onder a en toestaan dat gebouwen buiten het bouwvlak gerealiseerd mogen worden

met een maximum vloeroppervlak van 50 m² en een maximale bouwhoogte van 3 meter;

b. lid 13.2.1 onder b in die zin dat de voorgevel van het hoofdgebouw tot maximaal 5 meter achter de

gevellijn mag worden opgericht;

c. lid 13.2.2 onder b in die zin dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen langs de openbare

weg maximaal 1.5 meter mag meter bedragen.

13.4.2 Beperking

Het verlenen van de in lid 13.4.1 genoemde omgevingsvergunningen is beperkt tot incidentele gevallen,

waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet

mag worden aangetast. In de afweging om vergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie,

het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid,

brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in

andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig

worden geschaad wordt de vergunning niet verleend.

13.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming zoals bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt in ieder geval

gerekend:

a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel en horeca, tenzij het

detailhandel en horeca betreft die ten dienste staat van en ondergeschikt is aan de in artikel 13.1

genoemde doeleinden.

Ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken is verder het bepaalde in artikel 27 van

toepassing.

238 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Artikel 14 Maatschappelijk - Begraafplaats

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Maatschappelijk - Begraafplaats' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. begraafplaats/ graven, urnenmuur;

b. onderhoudsruimten;

met bijbehorende:

c. andere bouwwerken;

d. toegangswegen, in- en uitritten;

e. parkeervoorzieningen;

f. groenvoorzieningen;

g. kunstwerken en waterwerken;

h. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

14.2 Bouwregels

14.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. het bouwvlak mag volledig bebouwd worden;

c. de bouw- en goothoogte bedragen de bestaande bouw- en goothoogte;

d. de dakhelling bedraagt de bestaande dakhelling.

14.2.2 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. de bouwhoogte van een overkapping mag maximaal 3 meter bedragen;

b. de bouwhoogte van erf-en terreinafscheidingen mag maximaal 1 meter bedragen;

c. de bouwhoogte van andere bouwwerken, mag maximaal 6 meter bedragen en maximaal 15m²

vloeroppervlak beslaan, van lichtmasten maximaal 10 meter mag bedragen.

14.3 Nadere eisen

14.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de

gebouwen, wat betreft:

a. de woonsituatie;

b. het straat- en bebouwingsbeeld;

c. cultuurhistorie;

d. verkeersveiligheid;

e. sociale veiligheid;

f. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;

g. milieusituatie;

h. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

14.4 Afwijken van de bouwregels

14.4.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

a. artikel 14.2.1 onder a en toestaan dat gebouwen buiten het bouwvlak gerealiseerd mogen worden

met een maximum vloeroppervlak van 50 meter² en een maximale bouwhoogte van 3 meter;

b. artikel 14.2.2 onder b en toestaan dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen langs de

openbare weg maximaal 1,5 meter mag bedragen.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 239


14.4.2 Beperking

bestemmingsplan Zwartemeer

Het verlenen van de in artikel 14.4.1 genoemde omgevingsvergunningen is beperkt tot incidentele

gevallen, waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende

bestemmingen niet mag worden aangetast. In de afweging om een omgevingsvergunning te verlenen

worden in ieder geval de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de

verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid, brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de

milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen in acht genomen. Indien de

genoemde waarden en of belangen onevenredig worden geschaad wordt de omgevingsvergunning niet

verleend;

14.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming zoals bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt in ieder geval

gerekend:

a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van horeca, tenzij het horeca betreft die ten

dienste staat van en ondergeschikt is aan de in artikel 14.1 genoemde doeleinden.

Ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken is verder het bepaalde in artikel 27 van

toepassing.

240 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

Artikel 15 Maatschappelijk - Onderwijs

15.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Maatschappelijk - Onderwijs' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. basisonderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs, peuterspeelzaal, kinderdagopvang,

buitenschoolse opvang, brede school;

met bijbehorende:

b. andere bouwwerken;

c. horeca-1 ten dienste van de bestemming;

d. sport- en speelgelegenheden;

e. toegangswegen, in- en uitritten;

f. parkeervoorzieningen;

g. groenvoorzieningen;

h. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

15.2 Bouwregels

15.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. indien een gevellijn is aangegeven dient de voorgevel van het gebouw in de gevellijn te worden

opgericht;

c. de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelgrens dient minimaal 3 meter te bedragen en

indien de erfscheiding in een (schouw)sloot is gelegen dienen gebouwen op minimaal 5 meter

afstand vanaf de insteek van de sloot te worden opgericht , tenzij de bestaande afstand kleiner is, in

welk geval de bestaande afstand als minimum geldt;

d. de maximale bouw- en goothoogte bedragen de bestaande bouw- en goothoogte;

e. de dakhelling bedraagt de bestaande dakhelling.

15.2.2 Fietsenstallingen

Voor het bouwen van fietsenstallingen gelden de volgende bepalingen:

a. de totale of gezamenlijke oppervlakte van fietsenstallingen mag maximaal 50m² te bedragen;

b. de bouwhoogte van een fietsenstalling mag maximaal 3 meter bedragen.

15.2.3 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. luifels aan het gebouw mogen maximaal 1.5 meter uit steken;

b. de bouwhoogte van een overkapping mag maximaal 3 meter bedragen;

c. de bouwhoogte van erf-en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het

gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevel van het hoofdgebouw,

mag maximaal 1 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf-en

terreinafscheidingen achter de gevellijn maximaal 2 meter mag bedragen;

d. de bouwhoogte van andere bouwwerken, mag maximaal 6 meter bedragen en maximaal 15m²

vloeroppervlak beslaan, van lichtmasten maximaal 10 meter mag bedragen.

15.3 Nadere eisen

15.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de

gebouwen, wat betreft:

a. de woonsituatie;

b. het straat- en bebouwingsbeeld;

c. cultuurhistorie;

d. verkeersveiligheid;

e. sociale veiligheid;

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 241


estemmingsplan Zwartemeer

f. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;

g. milieusituatie;

h. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

15.4 Afwijken van de bouwregels

15.4.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

a. artikel 14.2.1 onder a en toestaan dat gebouwen gerealiseerd mogen worden buiten het bouwvlak

met een maximum vloeroppervlak van 50 meter² en een maximale bouwhoogte van 3 meter;

b. artikel 14.2.2 onder c en toestaan dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen langs de

openbare weg maximaal 1,5 meter mag bedragen;

15.4.2 Beperking

Het verlenen van de in artikel 15.4.1 genoemde omgevingsvergunningen is beperkt tot incidentele

gevallen, waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende

bestemmingen niet mag worden aangetast. In de afweging om een omgevingsvergunning te verlenen

worden in ieder geval de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de

verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid, brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de

milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen in acht genomen. Indien de

genoemde waarden en of belangen onevenredig worden geschaad wordt de omgevingsvergunning niet

verleend;

15.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

a. het gebruik van de horeca - 1 functie ten dienste van deze bestemming als een zelfstandige horeca

inrichting.

242 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Artikel 16 Maatschappelijk - Religie

16.1 Bestemmingsomschrijving

bestemmingsplan Zwartemeer

De voor 'Maatschappelijk - Religie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. religieuze instellingen zoals kerken, moskeeën, gebedshuizen en andere in aard en omvang

vergelijkbare instellingen met bijbehorende voorzieningen;

b. een dienstwoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';

met bijbehorende:

c. andere bouwwerken;

d. horeca-1 ten dienste van de bestemming;

e. bijgebouwen;

f. fietsenstallingen;

g. groenvoorzieningen;

h. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen;

i. toegangswegen en parkeervoorzieningen.

16.2 Bouwregels

16.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de gevellijn te worden opgericht;

c. de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelgrens dient minimaal 3 meter te bedragen en

indien de erfscheiding in een (schouw)sloot is gelegen dienen gebouwen op minimaal 5 meter

afstand vanaf de insteek van de sloot te worden opgericht , tenzij de bestaande afstand kleiner is, in

welk geval de bestaande afstand als minimum geldt;

d. de maximale bouw- en goothoogte bedragen de bestaande bouw- en goothoogte;

e. de dakhelling van een gebouw dient minimaal 30° te bedragen, danwel de bestaande dakhelling

indien de bestaande dakhelling afwijkend is.

16.2.2 Bedrijfswoning

a. bedrijfswoningen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. er mag maximaal één bedrijfswoning worden opgericht;

c. een bedrijfswoning mag uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';

d. de totale of gezamenlijke oppervlakte van een bedrijfswoning inclusief bijgebouwen mag maximaal

250 m² bedragen, waarbij de totale of gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen maximaal 75 m²

mag bedragen;

e. de voorgevel van een bedrijfswoning dient in de gevellijn te worden gebouwd;

f. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens dient minimaal 3 meter te bedragen en indien de

erfscheiding in een (schouw)sloot is gelegen dienen gebouwen op minimaal 5 meter afstand vanaf

de insteek van de sloot te worden opgericht , tenzij de bestaande afstand kleiner is, in welk geval

de bestaande afstand als minimum geldt;

g. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' mag de goot- en bouwhoogte van

de bedrijfswoning niet meer bedragen dan is aangegeven, danwel de bestaande goot- en

bouwhoogte indien geen goot- en bouwhoogte is aangegeven;

h. de dakhelling van een bedrijfswoning dient minimaal 30° te bedragen, danwel de bestaande

dakhelling indien de bestaande dakhelling afwijkend is;

i. de dakhelling van een bedrijfswoning mag maximaal 60° bedragen, danwel de bestaande dakhelling

indien de bestaande dakhelling afwijkend is.

16.2.3 Bijgebouwen

Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. bijgebouwen dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw, waarbij het aantal m² dat gebouwd

wordt als bijgebouw niet meer mag bedragen dan 75 m²;

b. bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak op het zij- en achtererf worden opgericht;

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 243


estemmingsplan Zwartemeer

c. bijgebouwen dienen minimaal 3 meter achter de voorgevel van de (bedrijfs)woning te worden

opgericht, danwel indien sprake is van een kleinere afstand, de reeds bestaande afstand;

d. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 meter bedragen, mits hierbij de goothoogte niet

hoger is dan de goothoogte van het hoofdgebouw;

e. de bouwhoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 meter bedragen, mits hierbij de bouwhoogte

niet hoger is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;

f. de bouwhoogte van bijgebouwen binnen 3 meter afstand van de perceelsgrens mag maximaal 3,5

meter bedragen;

g. bij twee naar de weg gekeerde zijgevels van een hoofdgebouw (hoeksituatie) dienen vrijstaande

bijgebouwen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel in of achter het

verlengde daarvan te worden gebouwd.

16.2.4 Fietsenstallingen

a. de totale of gezamenlijke oppervlakte van fietsenstallingen mag maximaal 50m² te bedragen;

b. de bouwhoogte van een fietsenstalling mag maximaal 3 meter bedragen.

16.2.5 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. luifels aan het gebouw mogen maximaal 1.5 meter uit steken;

b. de bouwhoogte van overkapping mag maximaal 3 meter bedragen;

c. de bouwhoogte van erf-en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het

gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevel van het hoofdgebouw,

mag maximaal 1 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf-en

terreinafscheidingen achter de gevellijn maximaal 2 meter mag bedragen;

d. de bouwhoogte van andere bouwwerken, mag maximaal 6 meter bedragen en maximaal 15m²

vloeroppervlak beslaan, van lichtmasten maximaal 10 meter mag bedragen.

16.3 Nadere eisen

16.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de

gebouwen, wat betreft:

a. de woonsituatie;

b. het straat- en bebouwingsbeeld;

c. cultuurhistorie;

d. verkeersveiligheid;

e. sociale veiligheid;

f. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;

g. milieusituatie;

h. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

16.4 Afwijken van de bouwregels

16.4.1 Bevoegdheid

Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

a. artikel 16.2.1 onder a en toestaan dat gebouwen gerealiseerd mogen worden buiten het bouwvlak

met een maximum vloeroppervlak van 50 m² en een maximale bouwhoogte van 3 meter;

b. lid 16.2.3 onder a in die zin dat maximaal 30 m² aan extra bijgebouwen mogen worden gebouwd

voor noodzakelijke voorzieningen in het licht van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO)

uitsluitend op grond van en vertoon van een medische indicatie;

c. lid 16.2.3 onder a en toestaan dat uitsluitend voor carports maximaal 20 m² extra bebouwing mag

worden opgericht, mits niet meer dan 50% van het bouwperceel wordt bebouwd, welke vanaf 1meter

achter de voorgevel van de bedrijfswoning dient te worden opgericht;

d. lid 16.2.3 onder a en toestaan dat de totale gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen bij een

bedrijfswoning maximaal 100 m² mag bedragen, mits:

1. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen ten hoogste 100% van de oppervlakte van het

hoofdgebouw bedraagt;

244 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

2. niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bebouwd wordt;

3. het perceel groter is dan 1000 m².

e. lid 16.2.3 onder c en toestaan dat bijgebouwen vanaf de voorgevel van de bedrijfswoning mogen

worden opgericht;

f. lid 16.2.5 onder c en toestaan dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen langs de

openbare weg maximaal 1.5 meter mag bedragen.

16.4.2 Beperking

Het verlenen van de in lid 16.4.1 genoemde omgevingsvergunningen is beperkt tot incidentele gevallen,

waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet

mag worden aangetast. In de afweging om vergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie,

het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid,

brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in

andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig

worden geschaad wordt de vergunning niet verleend.

16.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming zoals bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt in ieder geval

gerekend:

a. het gebruik van de horeca - 1 functie ten dienste van deze bestemming als een zelfstandige horeca

inrichting.

b. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen bij een bedrijfswoning voor bewoning.

Ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken is verder het bepaalde in artikel 27 van

toepassing.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 245


Artikel 17 Sport

17.1 Bestemmingsomschrijving

bestemmingsplan Zwartemeer

De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. sport, sportvelden en sportterreinen;

b. clubgebouwen, materialenruimte en kleedruimten;

met bijbehorende:

c. andere bouwwerken;

d. horeca-1 (sportkantine) ten dienste van de bestemming;

e. speelgelegenheden;

f. toegangswegen in- en uitritten;

g. parkeervoorzieningen;

h. groenvoorzieningen;

i. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

17.2 Bouwregels

17.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. de maximale bouw- en goothoogte bedragen de bestaande bouw- en goothoogte.

17.2.2 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. de bouwhoogte van een overkapping mag maximaal 3 meter bedragen;

b. de bouwhoogte van een ander bouwwerk mag maximaal 3 meter bedragen, met dien verstande dat

lichtmasten maximaal 10 meter en vlaggenmasten maximaal 5 meter mogen bedragen;

c. de bouwhoogte van erf-en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het

gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevel van het hoofdgebouw,

mag maximaal 1 meter bedragen;

d. luifels aan een gebouw mogen maximaal 1.5 meter uit steken.

17.3 Nadere eisen

17.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de

gebouwen, wat betreft:

a. de woonsituatie;

b. het straat- en bebouwingsbeeld;

c. cultuurhistorie;

d. verkeersveiligheid;

e. sociale veiligheid;

f. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;

g. milieusituatie;

h. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

17.4 Afwijken van de bouwregels

17.4.1 Bevoegdheid

Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

a. lid 17.2.1 onder a en toestaan dat gebouwen gerealiseerd mogen worden buiten het bouwvlak met

een maximum vloeroppervlak van 50 m² en een maximale bouwhoogte van 3 meter;

b. lid 17.2.2 onder d in die zin dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen langs de openbare

weg maximaal 1,5 meter mag meter bedragen.

246 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


17.4.2 Beperking

bestemmingsplan Zwartemeer

Het verlenen van de in lid 17.4.1 genoemde omgevingsvergunningen is beperkt tot incidentele gevallen,

waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet

mag worden aangetast. In de afweging om vergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie,

het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid,

brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in

andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig

worden geschaad wordt de vergunning niet verleend.

17.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming zoals bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt in ieder geval

gerekend:

a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van horecabedrijven, anders dan een

sportkantine.

Ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken is verder het bepaalde in artikel 27 van

toepassing.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 247


Artikel 18 Tuin

18.1 Bestemmingsomschrijving

bestemmingsplan Zwartemeer

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. tuin;

en mede bestemd voor:

b. andere bouwwerken.

c. het tegengaan van een te hoge geluidbelasting op geluidgevoelige objecten, ter plaatse van de

gebiedsaanduiding 'geluidzone - weg'.

18.2 Bouwregels

18.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden opgericht.

18.2.2 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. de bouwhoogte van andere bouwwerken mag maximaal 1 meter bedragen;

b. de bouwhoogte van erf-en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het

gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevel van het hoofdgebouw,

mag maximaal 1 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf-en

terreinafscheidingen achter de gevellijn maximaal 2 meter mag bedragen.

18.3 Afwijken van de bouwregels

18.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

a. lid 18.2.1 onder a en toestaan dat erkers, afdaken, balkons, entreeportalen en veranda’s mogen

worden gebouwd, waarbij

1. de overschrijding van de voorgevel maximaal 1 meter mag bedragen;

2. de bouwhoogte van erkers, afdaken, entreeportalen en veranda’s maximaal de bouwhoogte van

de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw mag bedragen;

3. de erker ten hoogste 1 meter vanuit de aangrenzende bouwgrens mag worden gebouwd;

4. de erker over maximaal 70% van de voorgevel mag worden gebouwd.

18.3.2 Beperking

Het verlenen van de in artikel 18.3.1 genoemde omgevingsvergunning is beperkt tot incidentele gevallen,

waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet

mag worden aangetast. In de afweging om omgevingsvergunning te verlenen worden in ieder geval de

woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale)

veiligheid, brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de

gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of

belangen onevenredig worden geschaad wordt de omgevingsvergunning niet verleend;

248 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Artikel 19 Verkeer

19.1 Bestemmingsomschrijving

bestemmingsplan Zwartemeer

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wegen, fietspaden, voetpaden en straten met hoofdzakelijk een functie voor het doorgaande verkeer;

b. informatiesystemen/signaleringsborden;

c. voorzieningen voor het openbaar vervoer;

d. bruggen, dammen, viaducten, geluidwerende voorzieningen;

e. parkeervoorzieningen;

en mede bestemd voor:

f. het tegengaan van een te hoge geluidbelasting op geluidgevoelige objecten, ter plaatse van de

gebiedsaanduiding 'geluidzone - weg';

met bijbehorende:

g. andere bouwwerken;

h. kunstwerken en waterwerken;

i. toegangswegen, in- en uitritten;

j. groenvoorzieningen;

k. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

19.2 Bouwregels

19.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

19.2.2 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken, gelden de volgende bepalingen:

a. de bouwhoogte van andere bouwwerken, mag maximaal 6 meter bedragen en maximaal 15m²

vloeroppervlak beslaan, met dien verstande dat de bouwhoogte van lichtmasten en

informatiesystemen/signaleringsborden maximaal 10 meter mag bedragen;

b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg mag maximaal 1

meter bedragen.

19.3 Afwijken van de bouwregels

19.3.1 Bevoegdheid

Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

a. lid 19.2.2 onder b in die zin dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen langs de openbare

weg maximaal 1.5 meter mag meter bedragen.

19.3.2 Beperking

Het verlenen van de in lid 19.3.1 genoemde omgevingsvergunning is beperkt tot incidentele gevallen,

waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet

mag worden aangetast. In de afweging om vergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie,

het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid,

brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in

andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig

worden geschaad wordt de vergunning niet verleend.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 249


Artikel 20 Verkeer - Verblijfsgebied

20.1 Bestemmingsomschrijving

bestemmingsplan Zwartemeer

De voor 'Verkeer- Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. woonstraten en wegen voor de ontsluiting van de aanliggende percelen;

b. erven en pleinen

c. garageboxen, ter plaatse van de aanduiding 'garage';

d. toegangswegen;

met bijbehorende:

e. andere bouwwerken;

f. kunstwerken en waterwerken;

g. sport- en speelgelegenheden;

h. fiets- en voetpaden;

i. parkeervoorzieningen;

j. groenvoorzieningen;

k. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

20.2 Bouwregels

20.2.1 Garageboxen

Voor het bouwen van garageboxen gelden de volgende bepalingen:

a. als gebouwen mogen uitsluitend garageboxen worden gebouwd;

b. garageboxen mogen uitsluitend worden gebouwd, ter plaatse van de aanduiding 'garage' (ga);

c. de bouwhoogte van een garagebox mag maximaal 3 meter bedragen;

d. garageboxen dienen plat afgedekt te worden.

20.2.2 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. de bouwhoogte van andere bouwwerken, mag maximaal 6 meter bedragen en maximaal 15m²

vloeroppervlak beslaan, met dien verstande dat de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 10 meter

mag bedragen.

b. de bouwhoogte van erf-en terreinafscheidingen gelegen langs de openbare weg mag maximaal 1

meter bedragen.

20.3 Nadere eisen

20.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de

gebouwen, wat betreft:

a. de woonsituatie;

b. het straat- en bebouwingsbeeld;

c. cultuurhistorie;

d. verkeersveiligheid;

e. sociale veiligheid;

f. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;

g. milieusituatie;

h. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

20.4 Afwijken van de bouwregels

20.4.1 Bevoegdheid

Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

a. lid 20.2.2 in die zin dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen langs de openbare weg

maximaal 1,5 meter mag meter bedragen.

250 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


20.4.2 Beperking

bestemmingsplan Zwartemeer

Het verlenen van de in artikel 20.4.1 onder a genoemde omgevingsvergunning is beperkt tot incidentele

gevallen, waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende

bestemmingen niet mag worden aangetast. In de afweging om vergunning te verlenen worden in ieder

geval de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de

(sociale) veiligheid, brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de

gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of

belangen onevenredig worden geschaad wordt de vergunning niet verleend.

20.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

a. het gebruik van de garageboxen ten behoeve van wonen.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 251


Artikel 21 Water

21.1 Bestemmingsomschrijving

bestemmingsplan Zwartemeer

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. water;

b. waterhuishoudkundige voorzieningen;

c. watersport en waterrecreatie, niet gemotoriseerd;

d. oevers en beplanting;

en mede bestemd voor:

e. het tegengaan van een te hoge geluidbelasting op geluidgevoelige objecten, ter plaatse van de

gebiedsaanduiding 'geluidzone - weg';

met de bijbehorende:

f. andere bouwwerken, waaronder bruggen, sluizen, dammen en/of duikers;

g. groenvoorzieningen;

h. kunstwerken en waterwerken;

i. nutsvoorzieningen.

21.2 Bouwregels

21.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

21.2.2 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. binnen een afstand van 5 meter ter weerszijden van de op de kaart aangegeven watergangen mogen

uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de waterhuishouding worden

gebouwd met een maximale hoogte van 3 meter;

b. de bouwhoogte van andere bouwwerken mag maximaal 8 meter bedragen;

c. voor nutsvoorzieningen geldt per op te richten bouwwerk een bouwhoogte van maximaal 3 meter en

een oppervlakte van maximaal 25 m²;

d. de bouwhoogte van lichtmasten mag maximaal 12 meter bedragen;

e. op of in deze gronden mogen andere bouwwerken worden opgericht, mits deze de waterhuishouding

niet belemmeren;

f. de bouwhoogte van andere bouwwerken en kunstwerken van artistieke aard mag maximaal 8 meter

bedragen en maximaal 30 m² vloeroppervlak beslaan.

21.3 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming zoals bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt in ieder geval

gerekend:

a. het gebruik van gronden en water als permanente ligplaats voor woonschepen zoals bedoeld in de

plaatselijke woonschepen verordening en de provinciale omgevingsverordening.

Ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken is verder het bepaalde in artikel 27 van

toepassing.

252 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Artikel 22 Wonen - Aaneengebouwd

22.1 Bestemmingsomschrijving

bestemmingsplan Zwartemeer

De voor 'Wonen - Aaneengebouwd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. aaneengebouwde woningen;

b. bijgebouwen;

c. tuin en erven;

met bijbehorende:

d. andere bouwwerken;

e. sport- en speelgelegenheden;

f. toegangswegen, in- en uitritten;

g. parkeervoorzieningen;

h. groenvoorzieningen;

i. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

22.2 Bouwregels

22.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. als hoofdgebouw mag uitsluitend een aaneengebouwde woning worden gebouwd;

b. het aantal hoofdgebouwen met de bestemming 'Wonen- Aaneengebouwd' ten tijde van de

terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan mag niet worden vermeerderd;

c. hoofdgebouwen dienen uitsluitend binnen het bouwvlak te worden gebouwd;

d. de afstand van een niet aangebouwde zijde van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens

dient minimaal 3 meter te bedragen en indien de erfscheiding in een (schouw)sloot is gelegen

dienen gebouwen op minimaal 5 meter afstand vanaf de insteek van de sloot te worden opgericht ,

tenzij de bestaande afstand kleiner is , tenzij de bestaande afstand kleiner is, in welk geval de

bestaande afstand als minimum geldt;

e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de gevellijn te worden opgericht, danwel op de bestaande

locatie indien de huidige voorgevel achter de gevellijn is opgericht ;

f. bijgebouwen mogen binnen en buiten het bouwvlak gebouwd worden;

g. het bouwvlak mag volledig bebouwd worden;

h. de goot- en bouwhoogte van een (hoofd)gebouw bedragen ten hoogste de bestaande goot- en

bouwhoogte tenzij het gronden betreft ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte

(m)', in welk geval de goot- en bouwhoogte van het (hoofd)gebouw niet meer bedragen dan is

aangegeven;

i. de dakhelling van een hoofdgebouw dient minimaal 30° en mag maximaal 60° te bedragen, danwel

de bestaande dakhelling indien de bestaande dakhelling afwijkend is.

22.2.2 Bijgebouwen

Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. bijgebouwen dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw, waarbij het aantal m² dat gebouwd

wordt als bijgebouw niet meer mag bedragen dan het hoofdgebouw;

b. de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen bij een hoofdgebouw mag maximaal 35m²

bedragen, mits niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bebouwd wordt;

c. bijgebouwen dienen minimaal 3 meter achter de gevellijn van het hoofdgebouw te worden opgericht,

danwel indien sprake is van een kleinere afstand, de reeds bestaande afstand;

d. aangebouwde bijgebouwen mogen maximaal 5 meter achter de oorspronkelijke achtergevel van het

hoofdgebouw worden gebouwd;

e. de bouw- en goothoogte van bijgebouwen welke vallen binnen de aanduiding "(bg)" dienen

gehandhaafd te blijven;

f. op gronden met de aanduiding "(-bg)" mogen geen bijgebouwen worden gerealiseerd;

g. de bouwhoogte van bijgebouwen binnen 3 meter afstand van de perceelsgrens mag maximaal 3,5

meter bedragen;

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 253


estemmingsplan Zwartemeer

h. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 meter bedragen, met dien verstande dat de

goothoogte van het bijgebouw niet meer mag bedragen dan de goothoogte van het hoofdgebouw;

i. de bouwhoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 meter bedragen, met dien verstande dat de

bouwhoogte van het bijgebouw niet meer mag bedragen dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;

j. bij twee naar de weg gekeerde zijgevels van een hoofdgebouw (hoeksituatie) dienen vrijstaande

bijgebouwen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel in of achter het

verlengde daarvan te worden gebouwd.

22.2.3 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. de gezamenlijke oppervlakte van de andere bouwwerken bij een hoofdgebouw mag maximaal 20m²

bedragen, mits niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bebouwd wordt;

b. andere bouwwerken dienen minimaal 3 meter achter de gevellijn te worden opgericht;

c. de bouwhoogte van een ander bouwwerk mag maximaal 3 meter bedragen;

d. de bouwhoogte van erf-en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het

gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevel van het hoofdgebouw,

mag maximaal 1 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf-en

terreinafscheidingen achter de gevellijn maximaal 2 meter mag bedragen.

22.3 Nadere eisen

22.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de

gebouwen, wat betreft:

a. de woonsituatie;

b. het straat- en bebouwingsbeeld;

c. cultuurhistorie;

d. verkeersveiligheid;

e. sociale veiligheid;

f. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;

g. milieusituatie;

h. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

22.4 Afwijken van de bouwregels

22.4.1 Bevoegdheid

Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

a. lid 22.2.1 onder c in die zin dat een hoofdgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd,

mits:

1. uitbreiding van het hoofdgebouw binnen het bouwvlak niet meer mogelijk is;

2. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijerfscheiding minimaal 3 meter bedraagt;

3. het een ondergeschikte uitbreiding van het hoofdgebouw betreft;

4. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke hoofdvorm van de bebouwing;

b. lid 22.2.1 onder e in die zin dat maximaal 50% van de gronden voor de voorgevel mag worden

bebouwd mits:

1. bij de eerste oplevering van het hoofdgebouw een bijgebouw voor de voorgevel gerealiseerd is;

2. de bebouwing ruimtelijk en stedenbouwkundig inpasbaar is in de omgeving, repeteerbaar en/ of

repeterend;

c. lid 22.2.1 onder h in die zin dat de maximale bouwhoogte van het hoofdgebouw 1 meter hoger mag

bedragen;

d. lid 22.2.1 onder h in die zin dat de maximale goothoogte van het hoofdgebouw 1 meter hoger mag

bedragen;

e. lid 22.2.2 onder a en b in die zin dat anders dan onder lid 22.2.2 onder a en b is genoemd een

bijgebouw (niet zijnde een vrijstaand bijgebouw) 1.5 keer groter mag zijn dan het hoofdgebouw

indien de oppervlakte van een hoofdgebouw kleiner of 50 m² bedraagt;

f. lid 22.2.2 onder b in die zin dat maximaal 30 m² aan extra gebouwen mogen worden opgericht voor

noodzakelijke voorzieningen in het licht van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO)

254 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


estemmingsplan Zwartemeer

uitsluitend op grond van - en vertoon van een medische indicatie;

g. lid 22.2.2 onder b en toestaan dat uitsluitend voor carports maximaal 20 m² extra bebouwing mag

worden opgericht, mits niet meer dan 50% van het bouwperceel wordt bebouwd, welke vanaf 1

meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw dienen te worden opgericht;

h. lid 22.2.2 onder b in die zin dat de totale gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen bij een

hoofdgebouw maximaal 50m² mag bedragen, mits;

1. de gezamenlijke oppervlakte bijgebouwen ten hoogste 100% van de oppervlakte van het

hoofdgebouw bedraagt;

2. niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bebouwd wordt;

i. lid 22.2.2 onder c in die zin dat bijgebouwen in de gevellijn worden gebouwd;

j. lid 22.2.3 onder a in die zin dat de totale gezamenlijke oppervlakte andere bouwwerken met 10m²

mag worden vergroot;

k. lid 22.2.3 onder d in die zin dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen langs de openbare

weg maximaal 1.5 meter mag meter bedragen.

22.4.2 Beperking

Het verlenen van de in lid 22.4.1 genoemde omgevingsvergunningen is beperkt tot incidentele gevallen,

waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet

mag worden aangetast. In de afweging om vergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie,

het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid,

brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in

andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig

worden geschaad wordt de vergunning niet verleend.

22.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming zoals bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt in ieder geval

gerekend:

a. het gebruik van een vrijstaand bijgebouw als woning;

b. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van aan-huis-gebonden kleinschalige

beroeps- en bedrijfsactiviteiten.

Ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken is verder het bepaalde in artikel 27 van

toepassing.

22.6 Afwijken van de gebruiksregels

22.6.1 Bevoegdheid

Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

a. artikel 22.5 onder b in die zin dat een deel van de woning voor de uitoefening van een aan huis

gebonden kleinschalige beroeps- of bedrijfsactiviteiten gebruikt mag worden, waarbij de volgende

bepalingen gelden:

1. de verblijfsruimten moeten blijven voldoen aan het Bouwbesluit en de bouwverordening;

2. de woonfunctie moet in overwegende mate gehandhaafd blijven en de gebruiksmogelijkheden

van de aangrenzende gronden mogen niet onevenredig worden aangetast;

3. de woonfunctie moet in ruimtelijke zin en visuele zin primair blijven;

4. de beroeps- of bedrijfsactiviteit wordt uitgeoefend door in ieder geval één van de bewoners van

de woning;

5. maximaal 40% van het te bebouwen vloeroppervlak mag gebruikt worden voor huisverbonden

activiteiten met een maximum van 50 m²;

6. detailhandel mag niet plaatsvinden behoudens een beperkte verkoop in het klein in direct

verband met het aan huis verbonden beroep/ en bedrijf;

7. er mogen geen reclameborden groter dan 0,5 m² bij of aan de woning worden geplaatst;

8. er geen onevenredige parkeerdruk voor de omgeving optreedt.

bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld) 255


22.6.2 Beperking

bestemmingsplan Zwartemeer

Het verlenen van de in lid 22.6.1 genoemde omgevingsvergunningen is beperkt tot incidentele gevallen,

waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet

mag worden aangetast. In de afweging om vergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie,

het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid,

brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in

andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig

worden geschaad wordt de vergunning niet verleend.

22.7 Wijzigingsbevoegdheid

22.7.1 Bevoegdheid

Burgermeester en Wethouders kunnen overeenkomstig artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het

bestemmingsplan wijzigen door:

a. het bouwen of uitbreiden van de woning met geluidsgevoelige ruimtes buiten het bouwvlak toe te

staan mits de geluidbelasting van de geluidgevoelige gebouwen en of ruimtes niet hoger is dan de

geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde;

22.7.2 Beperkingen

De wijziging dient het functioneren van omliggende bestemmingen niet aan te tasten. In de afweging om

conform artikel 3.6 het bestemmingsplan te wijzigen dient in ieder geval de woonsituatie, het straat- en

bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid, brandveiligheid/

externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in andere

bestemmingen in acht genomen te worden. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig

worden geschaad kan de functiewijziging niet plaatsvinden.

256 bestemmingsplan "Zwartemeer" (vastgesteld)


Artikel 23 Wonen - Twee aaneen

23.1 Bestemmingsomschrijving

bestemmingsplan Zwartemeer

De voor 'Wonen - Twee aaneen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. twee-onder- een kapwoningen ( twee aaneen);

b. bijgebouwen;

c. tuin en erven;

en mede bestemd voor:

d. het tegengaan van een te hoge geluidbelasting op geluidgevoelige objecten, ter plaatse van de

gebiedsaanduiding 'geluidzone - weg';

met bijbehorende:

e. andere bouwwerken;

f. sport- en speelgelegenheden;

g. toegangswegen, in- en uitritten;

h. parkeervoorzieningen;

i. groenvoorzieningen;

j. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

23.2 Bouwregels

23.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. als hoofdgebouw mag uitsluitend een twee-onder- een kapwoning worden gebouwd;

b. het aantal hoofdgebouwen met de bestemming 'Wonen- Twee aaneen' ten tijde van de

terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan mag niet worden vermeerderd;

c. hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;

d. de afstand van een niet aangebouwde zijde van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens

dient minimaal 3 meter te bedragen en indien de erfscheiding in een (schouw)sloot is gelegen

dienen gebouwen op minimaal 5 meter afstand vanaf de insteek van de sloot te worden opgericht ,

tenzij de bestaande afstand kleiner is, in welk geval de bestaande afstand als minimum geldt;

e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de gevellijn te worden opgericht, danwel op de bestaande

locatie indien de huidige voorgevel achter de gevellijn is opgericht ;

f. bijgebouwen mogen binnen en buiten het bouwvlak gebouwd worden;

g. het bou