Het document downloaden - (pdf 39.38 MB) - GDF Suez

gdfsuez.com

Het document downloaden - (pdf 39.38 MB) - GDF Suez

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

in 1819 begint gDF SUeZ met zijn eerste activiteiten in België: de distributie van gas aan

particulieren. Daarna volgt de exploitatie van tramnetten en spoorwegen in europa en in de

wereld. De confrontatie en nadien de combinatie van elektriciteit en gas is een echte rode draad

in de geschiedenis van de groep en is dat vandaag nog steeds. in de loop van zijn meer dan

150 jaar lange aanwezigheid in België heeft gDF SUeZ steeds bijgedragen tot de economische

en sociale ontwikkelingen van het land. geen andere private onderneming heeft zo veel

geïnvesteerd als gDF SUeZ. De groep heeft altijd voldaan aan de verwachtingen van zijn

klanten en heeft zich voortdurend aangepast aan een soms grondig veranderende omgeving.

De unieke positie van de groep in België is het resultaat van het professionalisme van zijn

medewerkers en het vertrouwen van zijn klanten, de visie van zijn leiders en van een permanente

dialoog met de overheden. Dit buitengewone verhaal willen we graag met u delen.

Meer dan 150 jaar actief in energie in België

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België


Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

Alle ondernemingen die in dit boek vermeld worden, hebben deel uitgemaakt of maken nog steeds

deel uit van de Groep GDF SUEZ.


inhoud

P 6 P 12 P 16

IN DEN BEGINNE

PAARDEN-

ELEKTRICITEIT

WAS eR gAS …

EN STooMTRAMS BECONCURREERT gAS HET CONCEssIEsTELsEL

(1818-1914) (1870-1914) (1880-1914) (1818-1914)

P 24

P 42 P 48

P 30

ELEKTRICITEIT

HET sCHRIKBEELD VAN

DE NATIONALIsATIE

EN de Wegen

DE ENERGIEREVOLUTIEs

VAn AARdolie,

KeRneneRgie P 62

ALs ‘CoRe BuSineSS’ nAAR diVeRSiFiCATie en AARdgAS GENERATIE GDF sUEZ

(1914-1940) (1945-1985) (1945-1985) (1986-2011)


1IN DEN BEGINNE

6

WAS eR gAS …

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

(1818-1914)

Aanleg van een gasleiding

in Antwerpen rond 1895.


Levering van gas is de oudste nutsdienst die

de GDF sUEZ Groep vandaag nog in België

verleent. In het kielzog van de eerste industriële

revolutie, begin 19de eeuw, maakte het lichtgas

zijn opwachting. Tijdens de 18de eeuw was men

erachter gekomen dat er bij de ontgassing van steenkool

in een luchtdichte omgeving een vluchtig en

brandbaar ‘lichtgas’ vrijkwam. Bij de verbranding

ervan kwam voldoende licht vrij voor verlichtingsdoeleinden.

De eerste gasfabriek werd in 1813 in

Londen gebouwd. Op het Europese vasteland was

Brussel de eerste stad met openbare gasverlichting.

In 1819 werden de eerste lantaarns door de

‘Compagnie Meeus’ geplaatst op het Muntplein en

langsheen de Nieuwstraat. Omwille van technische

redenen bleef de distributie bij particulieren beperkt

tot het gelijkvloers en de tussenverdiepingen – het

waren vooral winkeliers en caféhouders die de eerste

abonnementen afsloten.

Ook in andere agglomeraties doken de eerste

gasfabrieken op. In 1825 vatte de Engelse groep

Imperial Continental Gas Association (ICGA) interesse

op voor de Belgische gasmarkt en nam zij een

bestaande fabriek in Gent over. In 1838 verwierf zij

ook een deelneming in de Brusselse maatschappij

Meeus. De concessie die laatstgenoemde bezat,

verstreek in 1839 en na vijf jaar onderhandelingen

werd er een overeenkomst bereikt tussen de stad en

de ICGA waarbij laatstgenoemde maatschappij de

toestemming werd verleend om haar activiteiten

Meer dan 150 jaar actief in energie

8 in België IN DEN BEGINNE WAS ER GAS … (1818-1914)

Plan voor de installatie van een ovenbatterij in

de gasfabriek van Leuven (1913).

De gasfabriek van Brussel, in 1818 langs de Zenne

gebouwd, was de eerste op het Europese continent.

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

9


Meer dan 150 jaar actief in energie

10 in België IN DEN BEGINNE WAS ER GAS … (1818-1914)

Arbeiders in een gasfabriek

(ledigen van cokesoven, omstreeks 1910).

tot de Brusselse randgemeenten uit te breiden. Op

die manier verwierf de Britse groep verlichtingsconcessies

voor de gemeenten Etterbeek, Vorst,

Elsene, Koekelberg, sint-Jans-Molenbeek, sint-

Gillis en Ukkel. Doordat deze uitbreiding zo snel

verliep, was de maatschappij verplicht om een

nieuwe fabriek in Vorst te bouwen.

Andere ondernemers plantten gasfabrieken

neer in Fontaine-l’Évêque in 1834, in Leuven,

Doornik, Luik en Charleroi in 1835, in Namen

in 1839 … Tegen 1850 beschikte elke middelgrote

stad over een eigen gasfabriek. De netten

strekten zich toen al uit over het grondgebied van

verschillende gemeenten. Om te blijven ontwikkelen,

had de gasindustrie nood aan steeds meer

kapitaal. Deze evolutie droeg bij tot de opkomst

van nieuwe gasgroepen die, naar het voorbeeld

van de ICGA, over een stevige financiële onderbouw

beschikten. De ‘Compagnie Générale Belge

pour l’Éclairage et le Chauffage par le Gaz’, afgekort

tot ‘Le Gaz Belge’, was één van die groepen.

Opgericht in 1863, kan zij worden beschouwd

als een onderneming van de tweede generatie

in de gasindustrie. Ze vormde één economische

entiteit die een vijftiental fabrieken beheerde in

België, Frankrijk, Italië en Duitsland, waardoor

aanzienlijke schaalbesparingen konden worden

gerealiseerd. In België exploiteerde ze gasfabrieken

in de regio van Charleroi, Doornik en Leuven.

In 1885 telde België 85 gasfabrieken die 115 gemeenten

bevoorraadden en ongeveer 2 miljoen

inwoners van gas voorzagen. De exploitaties van de

ICGA en Le Gaz Belge namen daarbij een prominente

plaats in, zoals ook andere ondernemingen

die later door GDF sUEZ werden overgenomen,

zoals de Desclée groep. In het laatste kwart van de

19de eeuw palmde het gas ook de hogere verdiepingen

in, wat het aantal abonnees exponentieel

deed toenemen.

In 1905 werd een nieuwe onderneming

boven de doopvont gehouden: de ‘Centrale Gaz

et Électricité’ die een zekere vorm van (financiële

en technische) concentratie in de gassector

nastreefde door bestaande fabrieken onderling te

koppelen. Door in te spelen op de verschillen in

debietcurve van deze fabrieken zou de bouw van

een koppelnet de mogelijkheid bieden om hun

totale productiecapaciteit uniformer te benutten

en om terzelfder tijd en tegen een lagere prijs over

een reservecapaciteit te beschikken die voor het

hele net toereikend zou zijn.

In een tweede fase zou de onderlinge koppeling

de bouw van grotere productie-eenheden, de

sluiting van minder rendabele eenheden en de

uitbreiding van de distributiezones in de hand

werken. Om die onderlinge koppeling tot stand

te kunnen brengen, moest de ‘Centrale Gaz et

Électricité’ echter beschikken over concessies die

dicht genoeg bij elkaar lagen. Vandaar dat de

onderneming overal samenwerkingsverbanden

aanging met groepen die in de onmiddellijke nabijheid

van haar eigen exploitatiezones opereerden. In

1907 legde ze contacten met Le Gaz Belge die haar

verschillende concessies van de hand deed. Het

zou het begin van een vruchtbare samen werking

blijken. Le Gaz Belge pompte vers kapitaal in de

‘Centrale Gaz et Électricité’ en zou al snel haar

belangrijkste aandeelhouder worden.

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

11


12

2PAARDEN-

EN STooMTRAMS

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

(1870-1914)

Het Beursplein in Brussel, rond 1884: de Groep exploiteert in die periode

verschillende paardentramlijnen in de hoofdstad.


Meer dan 150 jaar actief in energie

14 in België PAARDEN- EN STOOMTRAMS (1870-1914)

Wagons en reizigers van een lijn van het net

‘Tramways Verviétois’ rond 1900.

Ssommige ondernemingen die vandaag deel

uitmaken van de GDF sUEZ Groep waren

oorspronkelijk gespecialiseerd in tramnetten en

buurtspoorwegen. Deze stedelijke of interstedelijke

transportmiddelen kenden in de jaren 1870 een

stormachtige ontwikkeling. De ‘société Générale

de Tramways’, opgericht in Brussel in 1874, en

vervolgens de ‘Compagnie Générale des Chemins

de Fer Économiques’, opgericht in 1880, behoorden

tot de eerste Europese groepen die zich op de bouw

en exploitatie van tramnetten en buurtspoorwegen

toelegden. In België exploiteerden ze netten in

Brussel, Antwerpen en Verviers …

De term ‘tramway’ sloeg destijds zowel op

stedelijke spoorwegen als op buurtspoorwegen. In

de steden reden er paardgetrokken rijstellen op rails

rond. Het was “een hele verbetering vergeleken bij de

huurrijtuigen, een surrogaat voor de omnibus en de

paardenkoets: de tramway heeft zijn bestaansreden

als snelle verbinding tussen twee levendige stadswijken

of tussen een dichtbevolkte uithoek en het centrum

van een agglomeratie.” Aan de andere kant waren

er ook zogenaamde ‘plattelandstrams’, een ietwat

poëtische benaming voor smalspoorverbindingen

tussen gebieden die met de gewone spoorwegen

met normale spoorbreedte niet bereikbaar waren.

sommige van die verbindingen volgden de openbare

weg, andere sneden dwars door de velden

heen. Op deze buurtlijnen reden rijtuigen die door

kleine stoomlocomotieven werden voortgetrokken.

Deze lijnen fungeerden als aftakkingen van het

‘zware’ spoorwegnet.

De cavalerie van de stedelijke tramnetten

was duur in onderhoud. Voor elk tweespan

moest de exploitant van een tramnet 10 paarden

achter de hand houden, vanwege het gemiddelde

uithoudingsvermogen van een paard (ongeveer

30 km per dag) en de noodzaak om over

reservepaarden voor zieke dieren te beschikken.

Bovendien waren de onderhoudskosten onderhevig

aan onvoorspelbare schommelingen: de

gezondheid van de dieren (vaak aangetast door

epidemieën), de prijs van het voer (afhankelijk

van weer en oogst) … Vanaf de jaren 1880 zocht

men dan ook naarstig naar een zuiniger procedé

voor de aandrijving van trams. Men probeerde

het met ammoniakgas, carbonzuur, perslucht,

samengeperste stoom en kabeltractie. Er werd zelfs

geprobeerd om de elastische kracht van springveren

te gebruiken, naar het voorbeeld van speelgoed dat

op die manier werd voortbewogen!

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

15


16

3ELEKTRICITEIT

BECONCURREERT gAS

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

(1880-1914)

De commerciële dienst van een gasbedrijf stelt een hele reeks

gereedschappen voor die op gas werken (rond 1910).


Voor de eerste praktische toepassing van elektriciteit

voor openbare verlichting moeten we in België terug

naar 1880, toen het Rogierplein in Brussel uitgerust

werd met Jaspar booglampen (van Belgische makelij)

die gevoed werden door een kleine centrale met een

8 pk gasmotor en 3 Gramme generatoren. Andere

gelijkaardige projecten volgden in de jaren 1880.

Maar ze bleven beperkt tot de verlichting van een

hotel, een schouwburg, een plein of zelfs particuliere

woningblokken. In 1890 was Ninove de eerste

Belgische stad die de concessie voor de productie

en distributie van elektriciteit over het hele grondgebied

van de gemeente aan een privéonderneming

toekende. Dit voorbeeld werd snel gevolgd door de

grootste agglomeraties van het land. In de jaren

1894-1895 begonnen Luik, Gent en Brussel met de

systematische elektrificatie van hun grondgebied,

hetzij in regie, hetzij door concessies aan privéondernemingen

te verlenen. Vanaf 1900 geraakte

de elektrificatie van België in een nieuwe stroomversnelling.

Waar voorheen enkel de grotere steden van

elektriciteit waren voorzien, was het aantal geëlektrificeerde

gemeenten tegen 1908 tot 174 opgelopen.

Elektriciteit als krachtbron trok al snel de

aandacht van ondernemingen die tramnetten

uitbaatten: het bleek immers een veel zuinigere

aandrijvingsmethode te zijn. Niet veel later maakten

groepen hun opwachting die in de elektrificatie van

stedelijke tramnetten waren gespecialiseerd, waaronder

de Compagnie Mutuelle de Tramways en de

société Générale Belge d’Entreprises Électriques

(sGBEE), beide in 1895 in Brussel opgericht.

Beide ondernemingen waren vooral in het

buitenland actief, maar ook in België realiseerden

Elektrische trekker langs het kanaal

Brussel-Charleroi.

Meer dan 150 jaar actief in energie

18 in België ELEKTRICITEIT BECONCURREERT GAS (1880-1914)

In 1898 liet ingenieur Léon Gérard een elektriciteitscentrale bouwen in Oostkerk, ten zuiden van Halle,

voor de voeding van een elektriciteitsnet voor het slepen van binnenschepen op het kanaal Brussel-Charleroi.

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

19


ze verschillende projecten zoals de elektrificatie van

het Antwerpse tramnet. In 1899 kreeg de Mutuelle

het groene licht van verschillende concessiehouders

van Antwerpse tramlijnen om al hun netten samen

te voegen alvorens ze met elektrische aandrijving

uit te rusten. Om de fusie van de bestaande

ondernemingen tot één enkele maatschappij te

vereenvoudigen, bedong de Mutuelle een eenmaking

van de verschillende concessievoorwaarden

van de tramlijnen. De Compagnie Générale des

Tramways d’Anvers, waarin de Mutuelle een grote

deelneming bezat, exploiteerde vanaf dat ogenblik

het op één na grootste stedelijk vervoersbedrijf

van het land.

Meer dan 150 jaar actief in energie

20 in België ELEKTRICITEIT BECONCURREERT GAS (1880-1914)

Glasraam, in 1901 vervaardigd door Clémentine Foos voor

de hoofdzetel van de Compagnie Mutuelle de Tramways in de

Broekstraat te Brussel. Het stelt de ‘eendracht van drie krachten’

voor ‘in dienst van de tramnetten’. De drie krachten zijn stoom,

dierlijke trekkracht en elektriciteit.

Dit betekende echter niet dat de Mutuelle

en de sGBEE uitsluitend geëlektrificeerde tramlijnen

exploiteerden. Een glasraam dat destijds

de hoofdzetel van de Compagnie Mutuelle de

Tramways sierde, beeldde een allegorie uit van

de ‘drie krachten in dienst van de tram’: stoom,

dierlijke trekkracht en elektriciteit. Het was de

context die bepaalde welke energievorm werd

gebruikt. De stoomtrams reden niet in stedelijke

gebieden om redenen van veiligheid en netheid.

Voor langere verbindingen met plattelandsbestemmingen

(buurttrams) was elektriciteit overigens

minder rendabel dan stoom. De kleine stadsnetten

van paardentrams, ten slotte, bleven rendabel.

Voorts beperkten de Mutuelle de Tramways

en de sGBEE hun activiteiten niet tot elektrische

tractie: ook de openbare en particuliere verlichting

hadden hun belangstelling opgewekt. Voor deze

‘elektriciteitsholdings’, waarvan GDF sUEZ de

huidige erfgenaam is, zou een samengaan van beide

concessietypes (trams en verlichting) toelaten om

een hoger rendement uit hun centrales te halen. De

tramnetten zouden overdag instaan voor een verzekerd

basisverbruik, terwijl de openbare verlichting

’s avonds de fakkel zou overnemen. De sGBEE en

de Mutuelle de Tramways waren dan ook betrokken

bij de elektrificatie van talloze agglomeraties over de

hele wereld, van Odessa tot Bangkok, van Bilbao

tot Rosario, van Caïro tot Izmir …

Beide groepen lieten zich echter ook in België

opmerken. In 1901 richtte de sGBEE Intercom

op, een onderneming die zich vanaf het begin

toelegde op de productie en groothandelsverkoop

Vergelijkende reclame

rond 1913. Het gebruik

van elektriciteit als

drijfkracht was bij

het begin van de

20ste eeuw de grootste

afzetmarkt voor

elektriciteitsbedrijven.

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

21


Getekende reclameafbeelding rond 1925

door karikaturist Jacques Ochs voor

de Compagnie d’Electricité de Seraing

et Extensions. Elektrische verlichting

triomfeert over haar concurrenten: de

kaars, olie en petroleum.

van elektriciteit. De centrale van Oostkerk

(ge bouwd in 1898-1899 en in 1901 door Intercom

overgenomen) was de eerste centrale van waaruit

driefasenwisselstroom in België werd verdeeld. Het

was ook de eerste centrale die de ambitie koesterde

om elektriciteit over de grenzen van gemeenten of

agglomeraties heen te verdelen.

De opkomst van de elektrische verlichting

zorgde uiteraard voor ongerustheid bij de gasmaatschappijen.

Om de concurrentie van de nieuwe

verlichtingstechniek het hoofd te bieden, gingen

ze koortsachtig op zoek naar betere verlichtingsprocedés

op gas. De uitvinding van verschillende

types van gloeibranders in de jaren 1890 zorgde

voor een merkbare verbetering van de lichtsterkte

van gasbranders die bovendien minder verbruikten.

Hierdoor wist het gas zich nog een twintigtal jaar

als verlichtingsmiddel te handhaven, ondanks de

steeds fellere concurrentie van elektriciteit.

Maar ook de ondernemingen die de gas -

fabrieken exploiteerden, begonnen zich vrij snel

voor elektriciteit te interesseren. In 1883 besloot

de Compagnie Générale pour l’Éclairage et le

Chauffage par le Gaz om “bij de eerstvolgende

vernieuwing van onze contracten daar een clausule

in op te nemen, die de maatschappij prioriteit geeft

bij het invoeren van nieuwe soorten van verlichting

waarvan de gemeenten gebruik zouden willen maken.”

Een tiental jaar later, toen elektriciteit een hoge

Meer dan 150 jaar actief in energie

22 in België ELEKTRICITEIT BECONCURREERT GAS (1880-1914)

Locomobiel (mobiele stoommachine) met

een elektriciteitsgenerator, rond 1910.

industriële vlucht had genomen, verkreeg Le Gaz

Belge haar eerste gemeentelijke concessies voor

elektriciteit. Door deze nieuwe vorm van energie

te omhelzen, kon deze gasgroep – en ook andere,

zoals de Imperial Continental Gas Association –

zich op de verlichtingsmarkt handhaven.

Ook op het vlak van drijfkracht woedde er een

felle concurrentiestrijd tussen gas en elektriciteit.

In 1905 stelden elektriciteitstoepassingen in de

industrie bitter weinig voor. Hun verspreiding in

de mijnbouw en staalindustrie kende vervolgens

een stormachtige ontwikkeling. In tien jaar tijd

onttroonde de elektrische motor de stoommachine

in talloze toepassingen, zoals voor steenkoolwinning,

de voeding van pompen, blaasmachines,

brekers, rolbruggen enz. Ook de gasmotor ondervond

stevige concurrentie van de elektrische motor,

al bleef gas de voorkeur behouden voor de verwarming

van glasovens, bijvoorbeeld. Ook vandaag

nog blijven industriële elektriciteitstoepassingen

kwantitatief de grootste afzetmarkt voor de elektriciteit

die Electrabel produceert.

Voor het gas waren koken en warm water de

belangrijkste afzetmarkten vanaf 1920 – pas later

zouden de gasmaatschappijen zich voor de verwarming

van woningen beginnen te interesseren. In

het interbellum was de concurrentieslag tussen gas

en elektriciteit omzeggens gestreden, aangezien

beide energievormen hun afzetmarkten hadden

gevonden. De groepen waaruit GDF sUEZ is

voortgekomen, controleerden overigens ondernemingen

die zowel in de distributie van gas als

van elektriciteit actief waren. En ook vandaag

biedt GDF sUEZ haar klanten zowel gas- als

elektriciteits oplossingen aan.

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

23


24

4HET CONCEssIEsTELsEL

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

Bouw van het elektriciteitsdistributienet

in Sint-Niklaas, rond 1910.

(1818-1914)


Trams, gas, elektriciteit … de groepen waaruit

GDF sUEZ is ontstaan, hebben tal van openbare

nutsbedrijven geëxploiteerd waarvan de groei in

de 19de eeuw gelijkliep met de uitbreiding van

de steden.

Heel wat gemeenten kozen ervoor om deze

openbare diensten in concessie te geven aan

privéondernemingen, veeleer dan ze zelf te verzekeren.

De concessieovereenkomsten die tussen

beide partijen werden afgesloten, legden hun respectieve

rechten en verplichtingen vast, waaronder de

tarieven die de concessiehouders zouden hanteren.

In de 19de eeuw werden deze tarieven voor eens

en altijd vastgelegd. De opkomst van de openbare

diensten werd voor de Eerste Wereldoorlog bespoedigd

door de stabiliteit van de munteenheden die

in goud converteerbaar waren. De rentabiliteit

van exploitaties was bijgevolg voorspelbaar en de

winstmarges bleven interessant. Keerzijde van de

medaille: hoewel de overeenkomsten voor een

relatief lange termijn (van 30 tot 100 jaar!) waren

afgesloten, zouden de overheden heel wat concessies

nog vóór hun vervaldatum herzien.

De concessieovereenkomsten tussen concessiehouders

en gemeenten gingen uiteraard niet alleen

over tarieven. Ze bepaalden ook de reikwijdte

van de verplichtingen van de concessiehouder.

Meer dan 150 jaar actief in energie

26 in België HET CONCEssIEsTELsEL (1818-1914)

‘Frietkot’ in Antwerpen rond 1930.

Bijzonder detail: het werkte op ‘stadsgas’.

Arbeider van de buitendienst van een elektriciteits- of

gasbedrijf van de provincie Antwerpen, rond 1911.

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

27


Dit houten speelgoed (uit ongeveer 1910) toont een tramstel dat in Brussel door

de ‘Chemins de Fer économiques’ werd gebruikt.

In principe werd deze geacht om zich aan de vraag

aan te passen (‘leveringsplicht’). Ook werd hij

verondersteld om zijn diensten aan de volledige

bevolking van het concessiegebied aan te bieden

(‘universele dienstverlening’). Het sprak echter

vanzelf dat de concessiehouder niet onmiddellijk

in een volledige behoeftedekking kon voorzien. De

eerste overeenkomsten tussen steden en gasmaatschappijen

preciseerden de straten die bij voorrang

moesten worden bevoorraad en hoeveel gaslantaarns

er dienden te worden geplaatst.

Over het algemeen gingen concessieovereenkomsten

voor nutsdiensten in België van bij het

begin gepaard met een monopolierecht voor de

concessiehouder. Maar er waren uitzonderingen.

In Brussel werden de tramlijnen in de 19de eeuw

door verschillende maatschappijen uitgebaat.

Eén van die maatschappijen, de Chemins de Fer

Meer dan 150 jaar actief in energie

28 in België HET CONCEssIEsTELsEL (1818-1914)

Économiques, exploiteerde een net waarop uitsluitend

bruin geschilderde stellen rondreden (wat hen

overigens de bijnaam ‘chocoladetrams’ opleverde).

De Chemins de Fer Économiques was een rechtstreekse

concurrent van de ‘Tramways Bruxellois’ die

de lijnen van de ‘Économiques’ in 1925 uiteindelijk

zou overnemen. Vrijwel overal ontstonden er gaandeweg

afspraken tussen openbare dienstverleners. De

overeenkomsten die tussen ‘concurrerende’ ondernemingen

werden afgesloten, legden vaak maximale

uitbreidingsgebieden vast voor de netten van elke

partij. De economische leefbaarheid van exploitaties

was immers afhankelijk van hun omvang en een

genadeloze tarievenoorlog zou die in het gedrang

brengen. Met de voortschrijdende elektrificatie van

de netten verdween ook de concurrentie in het tramwezen:

het was immers verstandiger om samen te

investeren in de dure infrastructuur die voor deze

technologische omschakeling vereist was.

Huishoudelijk reglement van de onderneming Centrales

électriques des Flandres et du Brabant, april 1914.

De vakgebieden van de Groep vóór 1914 hingen

altijd samen met de exploitatie van netten – gas,

trams, elektriciteit. Aanvankelijk waren deze netten

nog klein, maar hun omvang nam toe naargelang

ook de steden groter werden en nieuwe technologieën

hun intrede deden: verbeterde lekdichtheid

van buizen, hogere gasdruk, beter presterende generatoren

en hogere netspanning in het geval van

elektriciteit …

De groepen die aan de oorsprong van

GDF sUEZ lagen, beschikten bovendien over

technische diensten die hen toelieten om de

exploitaties waarin ze deelnemingen bezaten, op

een efficiënte wijze te beheren. Deze technische

diensten zouden uitgroeien tot heuse studiebureaus

die de technologische evoluties nauwlettend

opvolgden, adviserend optraden wanneer er zich

nieuwe kansen aandienden en de nodige engineeringswerken

centraliseerden voor de uitbreiding

van verschillende dochterondernemingen van de

Groep. Zoals een bestuurder in 1924 liet opmerken:

“De voordelen van deze combinatie zijn talrijk: het

toezicht op vergelijkbare diensten van verschillende

vennootschappen door hetzelfde personeel verhoogt

hun rendement, wat tot een besparing op de werkingskosten

leidt; aangezien het personeel gespecialiseerd is

en de kans krijgt om dezelfde problemen in verschillende

netten te bestuderen, kan elk van die netten

putten uit de ervaring die globaal is opgedaan.”

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

29


30

5ELEKTRICITEIT

ALs ‘CoRe BuSineSS’

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

(1914-1940)

Dit onderstation van het gasbedrijf van Sint-Joost, gebouwd in 1921, was het eerste geautomatiseerde ter wereld

en kon op afstand worden bediend met behulp van kwikdampgelijkrichters.


Vervoer van een hoogspanningstransformator

naar Sint-Niklaas in 1928.

Na de Eerste Wereldoorlog kwam zowat heel de

wereld in de greep van een nationalistische koorts.

De groepen Electrobel en Traction et Électricité,

sinds hun oprichting in 1895 gespecialiseerd in

de elektrificatie van tramnetten en verlichting,

verlegden hun klemtoon geleidelijk aan naar hun

thuismarkt en de kolonie Congo.

Onmiddellijk na de oorlog zou een nieuw

fenomeen, de inflatie, het financieel evenwicht van

de tram-, elektriciteits- en gasconcessies in gevaar

brengen. De concessiehouders werden geconfronteerd

met nieuwe en onvoorziene kosten: de lonen

en grondstofprijzen rezen de pan uit. Ze vroegen en

verkregen een verhoging van de tarieven die voor

de oorlog contractueel waren vastgelegd. Maar die

eisen zouden tot blijvende spanningen leiden tussen

openbare mandatarissen en concessiehoudende

Meer dan 150 jaar actief in energie

32 in België ELEKTRICITEIT ALs ‘CORE BUSINESS’ (1914-1940)

Lantaarnaansteker in Lier tijdens het interbellum.

Openbare verlichting met gas zou op sommige

plaatsen tot in de jaren 1950 blijven bestaan.

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

33


ondernemingen. sommige Belgische gemeenten

besloten om bepaalde diensten van openbaar

nut voortaan in regie te verzekeren. En andere

gemeenten wilden hun positie ten aanzien van

hun concessiehoudende ondernemingen versterken

door de oprichting van intercommunale bedrijven

voor elektriciteit of gas. Zo ontstonden de eerste

gemengde bedrijven in de energiesector.

Vanaf de jaren 1920 namen de elektriciteitsactiviteiten

de bovenhand op het tramwezen en de

gassector: in deze sector namen de investeringen

en ook het verbruik immers het snelst toe. De

betrekkelijke teloorgang van het tramwezen had

verschillende oorzaken: de hoge arbeidsintensiviteit

in een periode van forse loonstijgingen, een

toenemende concurrentie van auto’s en bussen (de

groepen waaruit GDF sUEZ is ontstaan, trachtten

deze concurrentie tegen te gaan door zelf busverbindingen

aan te bieden) en de strengere eisen van

de gemeentebesturen op het vlak van tarieven. De

gasactiviteiten, van hun kant, kenden een vrij traag

groeitempo maar bleven zeer rendabel. Om technische

redenen was het aanbod weinig elastisch, maar

de installaties waren krachtiger dan ooit tevoren.

Kortom, elektriciteit had de wind in de zeilen. In

de jaren 1918-1940 hadden Traction et Électricité en

Electrobel een zeer groot aandeel in de voortschrijdende

elektrificatie van het land. Tussen 1923 en

1928 werden bijna 600 nieuwe Belgische gemeenten

door de producenten-verdelers op het elektriciteitsnet

aangesloten. In 1927 telden de geëlektrificeerde

gemeenten 7,2 miljoen inwoners (of 92% van de

toenmalige bevolking). De netten bereikten een

regionale omvang. De groepen maakten onderling

De stookketels van de elektriciteitscentrale

van Mechelen vóór de Tweede Wereldoorlog.

Meer dan 150 jaar actief in energie

34 in België ELEKTRICITEIT ALs ‘CORE BUSINESS’ (1914-1940)

afspraken over hun uitbreidingsgebieden, richtten

gezamenlijke dochterondernemingen op om grote

investeringen zoals centrales beter te kunnen

dragen en koppelden hun netten aan elkaar om de

bevoorradings zekerheid te vergroten.

Om verspillingen te vermijden, kwamen de

elektriciteitsmaatschappijen overeen om de elektrificatie

van het land zo rationeel mogelijk uit

te voeren. Als pleitbezorgers van een gecentraliseerde

productie gingen ze over tot de bouw van

centrales met steeds krachtigere eenheden die

niet alleen zuiniger maar ook minder vervuilend

werkten. Vóór 1914 haalden de krachtigste turbogeneratoren

een vermogen van 5 MW en was de

productie uiterst versnipperd. Onmiddellijk na

De machinezaal van de centrale Monceau-sur-

Sambre, geëxploiteerd door Intercom (opgesteld

vermogen van 47 MW omstreeks 1930).

de oorlog werd een eerste rationalisering doorgevoerd

met de buitengebruikstelling van de oudste

eenheden. Eind jaren 1920 werd een essentiële

stap gezet met de bouw van de ‘supercentrale’

van schelle, aan de samenvloeiing van de Rupel

en de schelde. In onverdeeldheid gefinancierd

en uitgebaat door de ondernemingen Intercom

en de Elektriciteitsmaatschappij der schelde (het

toekomstige Ebes), was deze centrale aanvankelijk

ontworpen voor een opgesteld vermogen van 500

en zelfs 600 MW. Destijds was men ervan overtuigd

dat de bouw van twee of drie van dergelijke

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

35


supercentrales zou volstaan om het volledige

elektriciteitsverbruik van het land te dekken!

In 1930 had de centrale van schelle een opgesteld

vermogen van 90 MW, en in 1934 werd er

een nieuwe turbogenerator met een vermogen van

60 MW en een snelheid van 3 000 omwentelingen/

minuut bijgebouwd. Daarmee was schelle op dat

ogenblik de grootste bipolaire eenheid ter wereld

met een dergelijke draaisnelheid.

De oprichting van de maatschappij Interbrabant

in 1928 was een ander voorbeeld van de concentratiebeweging

in de elektriciteitsproductie. In 1927

waren er niet minder dan zeven centrales in de

Brusselse regio, met een totaal vermogen van ongeveer

400 MW: die van de regieën van Brussel,

Luchtfoto van de ‘supercentrale’ in Schelle,

de krachtigste elektriciteitscentrale van

Europa bij haar inbedrijfstelling in 1930.

Elsene en sint-Gillis, die van de société Bruxelloise

d’Électricité (groep Empain), van de Compagnie

Continentale du Gaz in Drogenbos (ICGA), van

Électricité du Brabant in Oostkerk en, ten slotte,

van de Compagnie Auxiliaire d’Électricité in

Hoeilaart. Vandaar het idee om gezamenlijk een

nieuw organisme op te richten, met productie als

enig oogmerk. De twee krachtigste centrales, meer

bepaald die van schaarbeek en Drogenbos, werden

verder uitgebouwd, terwijl de overige centrales

behouden bleven voor het opvangen van verbruikspieken.

De organisatie van Interbrabant – zo werd

Meer dan 150 jaar actief in energie

36 in België ELEKTRICITEIT ALs ‘CORE BUSINESS’ (1914-1940)

Nieuwe machinezaal van de centrale Langerbrugge

in de jaren 1930.

de nieuwe productiemaatschappij gedoopt – had

coöperatieve trekjes: de maatschappij verkocht de

door haar geproduceerde elektriciteit uitsluitend

aan verdelers, en aan het einde van elk boekjaar

keerde ze een deel van de winst aan haar klanten

uit, naar rato van hun verbruik.

Wat de onderlinge koppeling van centrales

en hoogspanningslijnen betreft, werden de eerste

50 kV-lijnen in België in 1921 geïnstalleerd. Eind

1927 werden de 120/150 kV-verbindingen uitgetekend

om de centrale van schelle met de Brusselse

en Antwerpse regio te verbinden. En al in 1930 lag

een Europees koppelnet van 400 kV ter studie! Met

de bouw van een hoogspanningsnet wilde men de

kans op een onderbreking van de stroomvoorziening

verkleinen en een intensieve benutting van de meest

rendabele productie-eenheden (tijdens de daluren)

in de hand werken. Het hoogspanningsnet droeg

ook bij tot de systematische elektrificatie van het

land, want de gemeenten die zich op het traject van

hoogspanningslijnen bevonden, hadden daarmee de

faciliteiten om een lokaal net uit te bouwen.

De elektriciteitsmaatschappijen bekommerden

zich ook toen al om rationeel energiegebruik. Ze

begonnen met de verbranding van cokesgas in

hun centrales, een voordien onbenut restproduct

van de hoogovens. Ze maakten optimaal gebruik

van het schaarse waterkrachtpotentieel van het

land. Ook vermeldenswaard is een originele en

voorbeeldige samenwerking tussen industrie en

energieproducenten die in 1936 tot stand kwam:

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

37


Turbines en arbeiders in Drogenbos in 1929.

dat jaar werd Intervapeur verviétoise opgericht,

een dochteronderneming van Intercom, om stoom

te leveren aan de textielbedrijven in de regio van

Verviers die goedkoper was dan wanneer ze elk op

zich in hun stoomproductie moesten voorzien. De

industriëlen in de regio konden daardoor hun individuele

verwarmingscentrales sluiten, wat het land

volgens berekeningen een besparing van ongeveer

40 000 ton steenkool per jaar opleverde.

In de distributie werden de jaren 1930 gekenmerkt

door de oprichting van de eerste gemengde

intercommunales, samenwerkingsverbanden tussen

gemeenten die het beheer van de elektriciteits- of

gasdistributie aan een privéonderneming toevertrouwden.

De winsten uit de exploitatie van het

distributienet werden gedeeld tussen de privéonderneming

en de aangesloten gemeenten die

geen industriële risico’s hoefden te nemen.

Ook in de gassector vond er een zekere

ratio nalisering plaats. In de distributie zette de

‘Centrale Gaz et Électricité’, de grootste vooroorlogse

gasmaatschappij, de concentratiebeweging

voort die ze al vóór 1914 had ingezet. In 1925 bracht

de Compagnie Générale de Gaz pour la France et

l’Étranger (CGGFE) haar Belgische gasfabrieken in

bij de Centrale Gaz et Électricité. In 1930 fuseerde

laatstgenoemde met twee andere ondernemingen

(waaronder de Compagnie du Gaz de saint-Josse-ten-

Noode) en nam zij de naam Compagnie Générale

de Gaz et d’Électricité aan, afgekort tot Gazelec.

Uit deze fusie ontstond een reus, want Gazelec

Meer dan 150 jaar actief in energie

38 in België ELEKTRICITEIT ALs ‘CORE BUSINESS’ (1914-1940)

Installatie van het 70 kV-net van de onderneming

Centrale Electrique de l’Entre-Sambre-et-Meuse,

rond 1930. Let op de acrobaten hoog in de mast …

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

39


was concessiehouder voor de gasbevoorrading van

131 Belgische gemeenten (1 300 000 inwoners).

Ook in het gastransport onder hoge druk werden

grootschalige projecten op stapel gezet. Traction et

Électricité (de gewezen Compagnie Mutuelle de

Tramways), Gazelec (waarin Gaz Belge een grote

deelneming bezat), Electrogaz (dochteronderneming

van de ICGA) en verschillende Henegouwse

koolmijnen richtten in 1929 een gemeenschappelijke

dochteronderneming op, Distrigas, voor de

afvang, het transport en de distributie van het gas

van verschillende cokesfabrieken in de Brusselse

regio en Henegouwen. Deze cokesfabrieken produceerden

massale hoeveelheden gas bij de destillatie

van steenkool waarvoor tot dan toe geen nuttige

toepassing bestond. Deze gecentraliseerde productie

ging tussen 1930 en 1932 gepaard met de bouw van

een net voor langeafstandstransport dat de cokesfabrieken

met de grote verbruikscentra verbond:

Antwerpen, Brussel, Charleroi. De bouw van deze

leidingen met grote diameter (143 km in 1932,

473 km in 1955) deed vele gemeenten langsheen

het traject besluiten om op gas over te schakelen.

Een groot aantal kleine, en weinig rendabele, gasfabrieken

werd daarop gesloten.

Vooraleer in het net te worden gevoed, moest

het gas worden gezuiverd. Tijdens dat proces

werden verschillende nevenproducten gerecupereerd:

ammoniakwater (dat bij de productie van

soda wordt gebruikt), teer (dat voor wegbedekking

wordt gebruikt, maar ook in tal van andere

producten zoals verf, vernis, kleurstoffen, explosieven,

plastic, farmaceutische producten) en

benzol (brandstoffen, explosieven, kleurstoffen).

Dit verklaart een zekere diversificatie van gasmaatschappijen

in de chemische nijverheid.

De bloeiende ontwikkeling van de industriële

activiteiten van de groepen waaruit GDF sUEZ

is ontstaan, had ook een gunstige weerslag op hun

studiebureaus die vooral in het buitenland zeer actief

waren. In de jaren 1920 en 1930 voerden ze voor het

eerst engineeringswerken voor derden uit, vooral voor

overheden. Denk maar aan de grootschalige werken

op het vlak van drinkwaterbedeling die Traction et

Électricité in de jaren 1930 uitvoerden. De elektriciteitsholdings

boden ook hun diensten aan voor de

elektrificatie van de spoorwegen die de Belgische

staat in regie uitbaatte. Om zich met deze techniek

vertrouwd te maken, realiseerde Electrobel in 1931

een experimentele lijn tussen Brussel en Tervuren.

Een ploeg gaswerklieden

in Aalst, 1921.

Plaatsing van de hoofdleiding

van het eerste net van Distrigas

tussen Henegouwen en de regio

Antwerpen (1931).

DE TWEEDE

WeReldooRlog

De hele oorlog lang kon de elektriciteitssector, die op een

stevige organisatie en op de solidariteit van zijn leden kon

rekenen, in de vitale diensten van het land van elektriciteit

voorzien. In tegenstelling tot de buurlanden – Frankrijk,

Nederland en zelfs Duitsland – werd de elektriciteit voor

huishoudelijk verbruik niet gerantsoeneerd. sterker nog: door

de schaarste aan steenkool kende het elektriciteitsverbruik

van de gezinnen een aanzienlijke stijging. Maar laten we

Robert Van Cauwenberghe, voorzitter van de groep Traction

et Électricité, de balans opmaken van vier jaar passief verzet

en burgerlijke ongehoorzaamheid aan de bezetter: “De elektrische

energie die tijdens de oorlog nodig was voor diensten en

industrieën die onder Duitse controle waren geplaatst, werd

doorgaans geweigerd; aangezien ze zomaar door de bezetter

werd opgeëist, werd ze niet gefactureerd. De energie die naar

Duitsland werd uitgevoerd, vertegenwoordigde slechts een fractie

van wat de bezetter had gehoopt te krijgen [...] en het dubbele

werd vanuit het Reich in België ingevoerd [...]. Er werd geen

enkele prioriteit gegeven aan de diensten en industrieën die

de bezetter het meest nodig had. Er werd geen enkele controle

[door de elektriciteitsondernemingen] uitgeoefend op industrieën

waarvan de bezetter de stillegging had bevolen.”

Ook de standvastige houding van de elektriciteitsondernemingen

tegenover de deportatie van hun personeel en het zeer

beperkte succes dat de Duitsers oogstten met hun opeising

van koper, dienen te worden vermeld. Bovendien weigerden

de elektriciteitsondernemingen, ondanks het aandringen van

de bezetter, om grote nationale koppelnetten te bouwen,

hoewel de principiële beslissing daartoe al in mei 1940 was

genomen. Ze probeerden tevens de uitbreiding of herstelling

van hun installaties zoveel mogelijk te vermijden, en als het

er toch moest van komen, dan “zonder overhaasting”.

Meer dan 150 jaar actief in energie

Meer dan 150 jaar actief in energie

40 in België ELEKTRICITEIT ALs ‘CORE BUSINESS’ (1914-1940) in België 41


42

6HET sCHRIKBEELD

VAN DE NATIONALIsATIE

EN de Wegen

nAAR diVeRSiFiCATie

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

Plaatsing van de eerste tweepotige mast van het Atomium in

juni 1957; la Construction Soudée s.a., een dochteronderneming

van Fabricom, berekende de stabiliteit van het Atomium en

de technische karakteristieken van de meeste bestanddelen.

(1945-1985)


In 1945 was het concessiestelsel in de openbare diensten

in vele politieke middens volledig in diskrediet

geraakt. Het werd er beschouwd als de uiting van

een oubollig kapitalisme en een bedreiging voor het

gezag van de overheid, de enige die borg stond voor

het openbaar nut. Voor velen drong er zich slechts één

oplossing op: collectivisering. In dit verband dient

opgemerkt dat de energiesector in verschillende landen

na de oorlog werd genationaliseerd. In België eiste

extreem links eveneens de nationalisering van de

elektriciteitsondernemingen. Die laatste verbonden

zich uiteindelijk ertoe om een eenheidstarief in te

voeren en hun winsten te beperken door zich onder

het toezicht te plaatsen van een specifiek organisme,

Meer dan 150 jaar actief in energie HET sCHRIKBEELD VAN DE NATIONALIsATIE EN

44 in België DE WEGEN NAAR DIVERSIFICATIE (1945-1985)

Meteropneming in de jaren 1960.

De stookplaats van de centrale

Langerbrugge, omstreeks 1955.

het Controlecomité voor de Elektriciteit dat in 1955

werd opgericht en waarin vertegenwoordigers van

de vakbonden, de werkgevers en, iets later, de staat

zetelden. Dit akkoord stuwde de sector in de richting

van een geleidelijke concentratie, waarbij de kleinere

en minder rendabele ondernemingen één voor één

door de grotere marktspelers werden opgeslokt.

De eerste concentratiebewegingen manifesteerden

zich al onmiddellijk na de oprichting van het

Controlecomité. In 1956 kwam de onderneming Ebes

tot stand door fusie van de verschillende ondernemingen

die door Traction et Électricité werden gecontroleerd:

de Elektriciteitsmaatschappij der schelde, de

société d’Électricité de la Campine en de Elektrische

Centralen voor Vlaanderen en Brabant. Intercom, van

haar kant, nam in 1960-1961 de onderneming Gazelec

over, en voorts ook de dochterondernemingen van de

groep Empain die op de Belgische elektriciteits- en

gasmarkt actief waren. Intercom groeide daarmee uit

tot de grootste elektriciteitsonderneming van het land,

met een opgesteld productievermogen van meer dan

1 000 MW. samen met de overgenomen ondernemingen

verwierf Intercom ook nieuwe distributiezones,

naast de zones die haar dochterondernemingen tot dan

toe al exploiteerden in Henegouwen, de streek van Luik

en Oost-Vlaanderen. In 1961 ging men ervan uit dat de

productieactiviteiten op termijn in vier zones zouden

worden opgedeeld: een noordelijke zone, beheerd door

Ebes; een centrale zone, beheerd door Interbrabant;

een zuidwestelijke zone, beheerd door Intercom; en

een zuidoostelijke zone, nog in wording. Een andere

herschikkingsoperatie kreeg haar beslag tussen 1974

en 1976 en ging gepaard met de verdwijning van de

onderneming Interbrabant en de fusie van verschillende

ondernemingen tot Unerg.

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

45


De vrees voor een nakende nationalisering van

de Belgische gas- en elektriciteitssector zette ook

de elektriciteitsholdings aan om hun activiteiten te

diversifiëren in sectoren die niets te maken hadden

met openbare dienstverlening: aluminium, aardolie,

elektronica, diepvriesproducten, waterbehandeling.

Omwille van uiteenlopende redenen – gebrek aan

ervaring, concurrentie, meningsverschillen met

partners – bleven veel van die pogingen zonder resultaat.

Andere nieuwe vakgebieden werden evenwel

met succes betreden, zoals installaties en technisch

beheer. In 1946 werd daarvoor een nieuwe onderneming

opgericht: Fabricom. Zij centraliseerde een

Meer dan 150 jaar actief in energie HET sCHRIKBEELD VAN DE NATIONALIsATIE EN

46 in België DE WEGEN NAAR DIVERSIFICATIE (1945-1985)

aantal montage- en installatieactiviteiten (bedieningspanelen,

netten, stations en lijnen) die tot

dan toe intern werden uitgevoerd door Intercom

en haar dochterondernemingen. Ongetwijfeld om

deze activiteiten te laten ontsnappen aan een nationalisering

van de elektriciteitssector! Geleidelijk aan

ontwikkelde Fabricom nieuwe activiteiten (vooral

via de overname van bestaande ondernemingen)

en specialiseerde de onderneming zich onder meer

in instrumentatie, mechanica, industrial piping,

automatisering van industriële processen … Nog

later lanceerde Fabricom zich ook in robotisering

voor de automobielsector, de staalindustrie en de

Luchtfoto van de centrale Monceau rond 1960; de koeltoren

werd op de rechteroever van de Samber gebouwd. De

centrale Marchienne-au-Pont ligt verderop.

Het buigen van buizen in de werkplaatsen van

Fabricom in Haren, rond 1955. In die tijd

gebeurde het buigen nog ambachtelijk met kabels.

glasnijverheid. Door de jaren heen groeide Fabricom

uit tot de grootste onderneming op het vlak van

technische diensten, van installaties over onderhoud

tot adviesverlening.

Een ander vakgebied dat in de jaren 1945-1980

een grote ontwikkeling kende, was engineering, toen

één van de belangrijkste groeipolen van de groepen

Traction et Électricité en Electrobel. Hun studiebureaus

maakten bovendien een spectaculaire groei

door. Het studiebureau van Traction et Électricité

slorpte in 1970 dat van sofina op (250 medewerkers),

terwijl Electrobel in 1961 het studiebureau

van de groep Electrorail overnam, waardoor het

personeelsbestand van haar engineeringsdepartement

van 120 op 320 medewerkers werd gebracht.

Met zoveel mankracht achter de hand, konden

de studiebureaus hun horizon verruimen en hun

kennisgebied aanzienlijk diversifiëren, vooral na

1960. Zo bekwaamden ze zich in de geautomatiseerde

bediening van industriële installaties, de

bouw van industriële complexen en vooral dan staalfabrieken,

chemische en petrochemische installaties

(zoals het gigantische sidmar-project en de installaties

van Belgische dochterondernemingen van grote

multinationals zoals Esso, Caterpillar, Bayer …),

de installatie van pijpleidingen (een competentie

die met de komst van het aardgas samenhing), de

inrichting van vastgoedcomplexen (grote universiteiten

en hun ziekenhuizen, hoofdzetel van de

NAVO …), de bouw van infrastructuren zoals

autowegen en metro’s, de opvang en zuivering van

afvalwater enz.

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

47


48

7DE ENERGIEREVOLUTIEs

VAn AARdolie,

KeRneneRgie en

AARdgAS

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

De centrale Tihange 1, omstreeks 1974. De eerste

kerncentrale met groot vermogen die op Belgisch

grondgebied werd gebouwd, ontwikkelt 870 MW.

(1945-1985)


50

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

De tweede helft van de 20ste eeuw werd gekenmerkt

door verschillende energierevoluties. Tot

in de jaren 1950 werd in de Belgische elektriciteitscentrales

uitsluitend steenkool gestookt. Het

aandeel van aardolie in de elektriciteitsproductie

bedroeg in 1950 amper 0,2%, maar de sluiting

van de Belgische steenkoolmijnen verplichtte

de elektriciteitsproducenten om het gebruik van

deze brandstof af te bouwen. Bij de eerste oliecrisis

van 1973 draaide bijna de helft van het Belgische

productiepark op aardolie. De oliecrises van 1973

en 1979 zouden het energielandschap opnieuw

volledig hertekenen. Dankzij hun grondige beheersing

van kernenergie en van technieken voor

aardgastransport en -opslag, wisten de Belgische

elektriciteitsholdings die nu in de GDF sUEZ

Groep zijn opgenomen, deze ingrijpende veranderingen

het hoofd te bieden.

België heeft een toonaangevende rol gespeeld

in de geschiedenis van de kernenergie. Dit heeft

het land te danken aan bevoorrechte informatie die

het van de Amerikaanse overheid ontving. Deze

informatie-uitwisseling was één van de tegenprestaties

voor de levering van Congolees uranium aan

Binnenaanzicht van de centrale Tihange 3

in 1987.

de Verenigde staten. De Amerikanen gebruikten

dit uranium op grote schaal voor de uitbouw

van hun eerste kernarsenaal. In ruil daarvoor

verbonden ze zich ertoe om informatie over vreedzame

toepassingen van kernenergie met België te

delen. Informatie die slechts zeer langzaam aan het

publieke domein zou worden prijsgegeven.

Eén van de eerste initiatieven van de elektriciteitsondernemingen

was de oprichting, in 1954,

van het syndicaat voor studies van Kerncentrales

met als doel: de opleiding van specialisten in nucleaire

wetenschappen, de studie en de bouw van

reactoren en aangepaste bouwmaterialen en de

oprichting van ondernemingen voor de exploitatie

van kernreactoren. Het startkapitaal (16 miljoen

frank) werd onderschreven door de Generale

Maatschappij van België en enkele van haar

belangrijkste dochterondernemingen, waaronder

Traction et Électricité.

In 1955-1956 sloten de Belgische elektriciteitsondernemingen

zich aan bij een project voor de

bouw van een kerncentrale. Op dat ogenblik

(1956) bespraken de zes lidstaten van de EGKs

manieren om hun unie te verstevigen door de

oprichting van een gemeenschappelijke markt,

maar daarnaast werd er ook gesproken over

een Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

DE ENERGIEREVOLUTIEs

VAN AARDOLIE, KERNENERGIE EN AARDGAS (1945-1985)

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

51


52

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

DE ENERGIEREVOLUTIEs

VAN AARDOLIE, KERNENERGIE EN AARDGAS (1945-1985)

De controlezaal van de kerncentrale

Doel 3 in 1995.

De energietoekomst van het Europa van de Zes

kondigde zich destijds somber aan. De steenkoolmijnen

geraakten uitgeput. Om de snelgroeiende

energiebehoeften te dekken, moesten er steeds meer

fossiele brandstoffen worden ingevoerd. De kosten

van die invoer, de daaruit voortvloeiende afhankelijkheid

van het buitenland en de ermee gepaard

gaande uitvoer van deviezen, legde een hypotheek

op de economie van de Zes die elk jaar zwaarder

werd. De snelle ontwikkeling van een nucleaire

industrie leek dan ook een vitale noodzaak. Vandaar

het Euratom-project dat de bouw van krachtige

kerncentrales in Europa wilde stimuleren.

Tegen die achtergrond moet het idee worden

geplaatst om een kerncentrale te bouwen die de

Wereldtentoonstelling van Brussel van 1958 van

elektriciteit moest voorzien. Maar welk reactortype?

Om redenen van termijnen en betrouwbaarheid,

maar ook omdat de Belgische groepen bevoorrechte

relaties onderhielden met de Verenigde

staten, viel hun keuze op de drukwaterreactor

(Pressurized Water Reactor of PWR) die door

Westinghouse was ontwikkeld. In januari 1956

werd de reactor besteld. Een coöperatieve vennootschap,

Electronucleaire, werd op 17 april 1956

opgericht door 21 naamloze vennootschappen

(elektriciteitsondernemingen en constructeurs) met

als doel om de verschillende private ondernemingen

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

53


54

te verenigen die bereid waren om aan de studie en

realisatie van de nieuwe centrale mee te werken.

De Belgische elektriciteitsondernemingen namen

voor 60% deel in het kapitaal. Drie maanden later

werd een nieuwe stap gezet met de oprichting van

het BEN (Bureau d’Études Nucléaires) dat de

human resources bundelde van de vier grootste

Belgische elektriciteitsholdings: sofina, Traction et

Électricité, Electrobel en Electrorail. De bedoeling

hiervan was om de technische onafhankelijkheid

te vrijwaren ten aanzien van constructeurs en leveranciers

van splijtstoffen.

Maar in juni 1956 werd het idee opgegeven om

een centrale op de site van de Wereldtentoonstelling

te bouwen. De keuze voor de PWR-technologie

werd echter niet ter discussie gesteld. De Belgische

industrie besloot om mee te werken aan de bouw

van een proefcentrale op een andere locatie (Mol,

in de Kempen). Die beslissing werd mee ingegeven

door de vrees voor een nationalisering van de kernindustrie

waarvan de pleitbezorgers niet nalieten

om erop te wijzen dat de overheid tot dan toe

de grootste geldschieter van de nieuwe energie

was geweest. Men stuurde vervolgens aan op een

partnerschap tussen privéondernemingen en de

overheid. Het studiecentrum voor Kernenergie

(sCK), een openbare instelling, nam de bouw van

de proefcentrale voor zijn rekening. Op die manier

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

Het personeel van Gazelec viert Sint-Barbara in

de gasfabriek van Turnhout of Mechelen in 1956.

behield de overheid toezicht op het project en kreeg

de privésector toegang tot financieringsmogelijkheden

die normaliter enkel voor overheidsprojecten

voorbehouden waren. De centrale werd gebouwd

in Mol en kreeg BR3 als roepnaam. In oktober

1962 werd zij voor het eerst aan het Belgische

elektriciteitsnet gekoppeld. Mol was daarmee de

allereerste PWR-centrale voor elektriciteitsproductie

in de Westerse wereld buiten de Vs!

BR3 was echter niet meer dan een proefcentrale.

De reactor ontwikkelde een netto opgesteld

vermogen van … 12 MW. Het was een proefproject

voor de latere bouw van kerncentrales met

groot vermogen. De verdere ontwikkeling van

kernenergie liep echter vertraging op omwille

van rentabiliteitsvragen. Na 1958 stapelden de

steenkoolvoorraden zich bij de Belgische mijnen

op en daalde de olieprijs. De nucleaire ontwikkelingsprogramma’s

werden op de lange baan

geschoven. Vanuit een zuiver industrieel standpunt

zou de exploitatie van een kerncentrale

jarenlang aanzienlijk minder opbrengen dan een

centrale op fossiele brandstoffen. Het nucleaire

programma van de Belgische elektriciteitsondernemingen

werd bijgestuurd. Het kwam er niet

langer op aan om de concurrentiekracht van de

DE ENERGIEREVOLUTIEs

VAN AARDOLIE, KERNENERGIE EN AARDGAS (1945-1985)

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

55


56

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

DE ENERGIEREVOLUTIEs

VAN AARDOLIE, KERNENERGIE EN AARDGAS (1945-1985)

Werkplaats van de distributiemaatschappijen

voor de ombouw van gasapparaten bij de

introductie van aardgas (Wasmuel, 1968).

industrie op korte termijn te redden door krachtige

centrales te bouwen, maar om de kennis te

verwerven die nodig was om de toekomst voor te

bereiden. In 1960, ten slotte, besloten de Belgische

elektriciteitsondernemingen om deel te nemen aan

de bouw van de Frans-Belgische PWR-centrale in

Chooz. In 1967 was de centrale operationeel. Met

een vermogen van 305 MW was ze op dat ogenblik

de krachtigste PWR-eenheid in Europa.

Een nieuwe stap werd gezet in 1968-1969, toen

de Belgische elektriciteitsholdings besloten om

twee kerncentrales met groot vermogen in België

te bouwen, één in Doel langs de schelde, en één

in Tihange langs de Maas. Hierdoor moest België

autonomer worden op het vlak van energievoorziening.

De bouw van de eerste eenheid in Tihange was

overigens een uitvloeisel van de akkoorden die in

1960 met EDF waren gesloten voor de bouw van de

kerncentrale in Chooz: er was overeengekomen dat

binnen een periode van drie of vier jaar een nieuwe

PWR-groep tegen gedeelde kosten zou worden

gebouwd, maar dit keer op Belgisch grondgebied.

Hoe belangrijk die beslissing was, zou blijken na

het uitbreken van de oliecrisis in 1973. Op dat ogenblik

waren de primaire energiebronnen van België zo

goed als uitgeput. Maar liefst 85% van het nationale

verbruik werd door ingevoerde energie gedekt. Maar

iets later, na de vrijwel gelijktijdige inbedrijfstelling

van de kerncentrales van Doel 1 en 2 en van

Tihange 1 in 1975, was kernenergie goed voor 21,2%

van het totale volume van de elektriciteitsproductie

in België. De Belgische elektriciteitsproducenten

hielden het overigens niet bij de inbedrijfstelling

van deze eerste drie eenheden om de fors gestegen

olieprijzen te counteren: ze versnelden het uitrustingsplan

voor kerncentrales. Nog in de zomer van

1974 besloten ze tot de bouw van vier eenheden

van elk 900 MW om de energiebehoeften van het

land tot in 1990 te dekken. In enkele jaren tijd werd

België uitgerust met een verhoudingsgewijs aanzienlijk

kernpark. Dit beleid zorgde ontegensprekelijk

voor een grotere energieonafhankelijkheid van het

land. Ook op technisch vlak zetten de Belgische elektriciteitsproducenten

een krachttoer neer. Met een

beschikbaarheidsgraad van bijna 90% lag deze 10%

hoger dan het wereldgemiddelde. Dit was vooral te

danken aan de nauwe samenwerking, al vanaf het

ontwerp van de centrales, tussen de exploitatiebedrijven

en de gespecialiseerde studiebureaus.

Verschillende ‘business units’ van de groepen

waaruit GDF sUEZ is ontstaan, haalden voordeel

van deze bloei van de kernenergie; elektriciteitsondernemingen,

uiteraard, maar ook studiebureaus

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

57


58

en installatiebedrijven. Voor Fabricom bracht de

bouw van de centrales grootschalige bekabelingswerken

en talloze installaties van elektrische

uitrustingen met zich mee. De onderneming

ontving ook grote orders voor de installatie van

hogedrukbuizen in de primaire, secundaire en

hulpkringen van de reactoren. Het werkvolume

van Fabricom voor deze centrales vertegenwoordigde

tienduizenden manuren ter plaatse.

Naast hun actieve rol bij de uitbouw van het

Belgische nucleaire park, lagen de Belgische energiegroepen

die vandaag in de GDF sUEZ Groep zijn

opgenomen, ook aan de basis van de introductie

van aardgas in België. Al in 1958 bespraken Gaz de

France en Distrigas, een dochteronderneming van

de Belgische elektriciteitsholdings, de mogelijkheid

om Algerijns gas naar België te transporteren.

Maar ook hier bleven deze visionaire projecten

voorlopig in de koelkast liggen, omwille van de

vreemde sprongen die de steenkoolprijzen bleven

maken.

De eerste kubieke meters aardgas die in België

in 1966 werden ingevoerd, waren overigens niet

afkomstig uit Algerije maar uit Nederland, meer

bepaald uit het gasveld van slochteren dat in

1959 was ontdekt. Het Belgische net van gaspijpleidingen

groeide tussen 1966 en 1970 van 1 200

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

De Methania meert aan in de

terminal van Zeebrugge in 1987.

naar 2 100 km. In 1971 werden de distributienetten

volledig op aardgas omgeschakeld.

Die operatie was voor Fabricom de aanleiding

om zich te bekwamen in de ombouw van apparaten

die nog op stadsgas werkten en bijgevolg aan

de chemische eigenschappen van aardgas moesten

worden aangepast. Om die grootschalige operatie

tot een goed einde te brengen, richtte Fabricom

een aparte onderneming op, Convergaz, die meer

dan één derde van de gastoestellen in België zou

ombouwen. Bij de klanten van Convergaz bevond

er zich een groot aantal industriële, commerciële

en ambachtelijke ondernemingen. Dit

bracht Fabricom op het idee om de verschillende

bestaande systemen voor industriële warmteproductie

uitvoerig te bestuderen, het begin van haar

diversificatie in de ‘warmte- en koudesector’.

Van 1966 tot 1976 zou het gasveld van

slochteren de enige bevoorradingsbron van

Distrigas blijven. Maar de oliecrisis noopte Distrigas

tot een verdere diversificatie van haar bevoorradingsbronnen

– men voelde aan dat aardgas

grotendeels de plaats van stookolie zou innemen

voor de verwarming van woningen. In 1973, toen

de eerste oliecrisis volop woedde, ondertekende

DE ENERGIEREVOLUTIEs

VAN AARDOLIE, KERNENERGIE EN AARDGAS (1945-1985)

Distrigas een 20-jarig contract voor de levering van

32 miljard kubieke meter gas uit het gasveld van

Ekofisk (Noordzee). De nodige gaspijpleidingen

werden met slaande trom aangelegd, en de eerste

aardgasleveringen uit Noorwegen vonden plaats in

juli 1976. Nog tijdens diezelfde oliecrisis werden

de onderhandelingen over de aankoopvoorwaarden

van Algerijns gas afgerond. Het contract tussen

beide partijen werd in 1975 ondertekend.

De massale aankoop van Algerijns aardgas

deed Distrigas beslissen om de gasterminal van

Zeebrugge te bouwen. Het studiewerk werd toevertrouwd

aan de studiebureaus van Traction et

Électricité en van Electrobel. De werken duurden

van 1976 tot 1985. De installaties werden gebouwd

op een kunstmatig schiereiland van 32 hectare dat

op de zee was teruggewonnen. Ze omvatten aanlegsteigers

voor LNG-tankers, opslagreservoirs en

een hervergassingslijn. Ook in de achterhaven van

Zeebrugge liet Distrigas opslagreservoirs bouwen

met een capaciteit van meer dan 100 000 m³ LNG.

Deze reservoirs werden gevuld vanuit een vloeibaarmakingsfabriek

die gasoverschotten tijdens

de zomer verwerkte. De eerste levering van

Algerijns gas vond plaats in 1982, via Frankrijk.

In Zeebrugge werd de eerste LNG-vracht in

1987 gelost. De terminal van Zeebrugge was een

vooraanstaand project en verschafte de groepen

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

59


60

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

DE ENERGIEREVOLUTIEs

VAN AARDOLIE, KERNENERGIE EN AARDGAS (1945-1985)

De spaarbekkens van de pompcentrale

Coo-Trois-Ponts, in 1971 in bedrijf gesteld.

Traction et Électricité en Electrobel een belangrijke

kennis in een volledig nieuw vakgebied.

Na 1966 nam het aantal huishoudelijke gasverbruikers

aanzienlijk toe. De gasondernemingen

voerden campagne na campagne en onderstreepten

bijvoorbeeld de voordelen van aardgas voor het

verwarmen van woningen. De distributieondernemingen

en Distrigas sloegen de handen in elkaar

om zoveel mogelijk gezinnen aan te sluiten. De

introductie van aardgas en de werken die daarmee

noodzakelijkerwijs gepaard gingen, boden distributieondernemingen

de mogelijkheid om gemeenten

te bedienen die tot dan toe van een lokaal net

verstoken waren gebleven. In 1976 was nog maar

26% van de gemeenten op het aardgasnet aangesloten,

maar ze vertegenwoordigden wel 69%

van de totale bevolking. In 1991 was 66% van de

gemeenten aangesloten, goed voor 87% van de

totale bevolking.

De ontwikkeling die Fabricom intussen

doormaakte in de ‘warmte- en koudesector’, kon

rechtstreeks worden teruggevoerd op de kennis die

de onderneming over verwarmingstechnieken had

opgedaan bij de massale ombouw van gasapparaten.

In 1970 verwierf zij een deelneming van 42,5%

in de Compagnie Générale de Chauffe Belgique,

een bedrijf dat in 1963 was opgericht door de

Compagnie Générale de Chauffe France en dat

zich had gespecialiseerd in het beheer en onderhoud

van verwarmingsinstallaties in grote gebouwen

en kantoren. Fabricom breidde haar actieterrein

daarna geleidelijk uit naar andere technieken zoals

ventilatie en airconditioning, koeling, loodgieterij

en sanitaire installaties, waterbehandeling,

stoomproductie, perslucht, energiebeheer … De

onderneming bood gespecialiseerde diensten aan

voor kantoorgebouwen, verplegings instellingen,

sportcentra, militaire basissen, hotels en luchthavens.

In de koudesector richtte Fabricom in 1971

een dochteronderneming op onder de benaming

Fabricom Air Conditioning. Haar eerste grote

contract had betrekking op de installatie van de

airconditioningsystemen in de WTC 1 & 2 torens

nabij het Brusselse Noordstation.

Ook als constructeur vaarde Fabricom wel bij

de toenemende populariteit van aardgas. Al vanaf

de jaren 1960 was de onderneming betrokken bij

de aanleg van gaspijpleidingen. Vervolgens realiseerde

de onderneming offshore boorplatformen.

Zo leverde Fabricom in 1983 acht modules voor de

gasterminal van KarstØ in Noorwegen, waarmee ze

haar reputatie vestigde als technisch expert in de

sector van aardolie- en gasgerelateerde diensten.

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

61


62

8GENERATIE gdF SueZ

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

(1986-2011)

STEG-centrale (stoom- en gasturbine) Zandvliet Power

op de site van BASF.


I

In 1986 bewerkstelligde de Generale Maatschappij

van België de fusie tussen de twee grootste groepen

in de elektriciteits- en gassector: Electrobel (dat

Intercom en Fabricom controleerde) en Tractionel

(dat Ebes beheerde). De onderneming die uit de fusie

voortkwam, zou als Tractebel door het leven gaan.

Twee jaar later, toen suez in het kapitaal van

de Generale Maatschappij stapte, werd de strategie

van Tractebel omgegooid. Haar directie besloot om

de activiteiten van de groep opnieuw op haar kernactiviteit,

energie, toe te spitsen.

In ongeveer twintig jaar tijd hadden alle

activiteitengebieden van de Groep diepgaande

wijzigingen ondergaan, zowel omwille van externe

factoren zoals de oprichting van een grote Europese

markt, als door de steeds nadrukkelijkere integratie

van de Belgische activiteiten van GDF sUEZ in

een Groep met wereldwijde ambities.

Meer dan 150 jaar actief in energie

64 in België GENERATIE GDF SUEZ (1986-2011)

Arbeiders van Fabricom brengen

een hoogspanningslijn aan (rond 1990).

Fabricom, bijvoorbeeld, behoort sinds 2005

tot de Belgische entiteit van GDF sUEZ Energy

services, de Europese marktleider in multitechnische

diensten. In België omvat deze entiteit ook

Axima Contracting en Axima Refrigeration (het

vroegere Fabricom Air Conditioning en Grencobel,

Belgisch marktleider in HVAC en koeltechnieken)

en Cofely services (de nieuwe naam die Axima

services in 2009 aannam).

Verschillende gewezen dochterondernemingen

van Fabricom zijn hun eigen weg gegaan. Zo

bijvoorbeeld Watco, een onderneming die in 1989

werd opgericht voor het beheer van huishoudelijk en

industrieel afval: inzameling, sortering, recyclage,

herbenutting en vernietiging door verbranding of

inkuiling. In de jaren 1990 had de groep haar activiteiten

uitgebreid naar stadsreiniging en industriële

reiniging, om in 2000 te worden overgenomen door

sita, die intussen bij sUEZ ENVIRONNEMENT

is ondergebracht, een dochteronderneming van

GDF sUEZ.

Een andere dochteronderneming van Fabricom,

de Compagnie Générale de Chauffe Belgique,

veranderde haar naam in 1992 in Axima. De onderneming

diversifieerde zich in beveiligingstechnieken

voor goederen en personen, branddetectie, elektromechanische

en elektronische uitrustingen enz.

Eind jaren 1990 profileerde Axima zich ook als

partner van grote ondernemingen op het vlak

van facility management. In 1994 werd zij een

belangrijke partner van de luchthaven van Brussel

Nationaal waar zij instaat voor het technisch gebouwenbeheer

en het beheer van luchthaventechnieken,

zoals bagagesorteersystemen, boarding gates,

bagage screening, loodssystemen voor vliegtuigen

enz. sindsdien heeft Axima haar kennis uitgevoerd

naar andere luchthavens in Europa, Canada, de

Verenigde staten en de Arabische Emiraten.

Het engineeringsdepartement, een andere business

unit van de Groep, kende een even bewogen

evolutie als de sector van de energiediensten. Na

de ramp in Tsjernobyl besloot de overheid om geen

vergunning af te leveren voor de bouw van een

achtste kernreactor. Met als gevolg dat het studiebureau

zijn ordervolume gevoelig zag krimpen. Dat

was één van de verklaringen voor de gedeelte lijke

reorganisatie van de engineeringsactiviteiten in 1989.

Voortaan zouden ze onder de vlag van ‘Tractebel

Engineering’ worden uitgevoerd. Dit departement,

één van de grootste Europese studiebureaus, werd

opgebouwd rond afzonderlijke en autonome profit

centers die in verschillende vakgebieden zijn gespecialiseerd:

energie, infrastructuren en bouw, industrie,

waterkrachtinstallaties, informatica-engineering

en algemene aannemingen. Deze product- en

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

65


marktgeoriënteerde structuur moest bijdragen

tot een betere kostenbeheersing en rentabiliteitsopvolging

van elk activiteitengebied. De markt

van algemene aannemingen werd toevertrouwd

aan Tractebel Engineering International. De engineering

op het vlak van gastechnologieën, chemie,

petrochemie en verwerkende industrie werd in 1989

ondergebracht in een nieuwe dochter onderneming,

Tractebel Industry. Een andere dochteronderneming,

Tractebel Development, zou zich toeleggen

op engineeringswerken in de sectoren infrastructuren

en bouw, weg-, spoor- en stadsvervoer,

waterbeheersing, ondergrondse werken en landbouwtechnieken.

Tractebel Engineering geniet

een ruime autonomie binnen de Groep en blijft

een onschatbaar instrument voor de ontwikkeling

van de operationele dochterondernemingen

dankzij haar vele vestigingen in het buitenland –

van Brazilië over India naar Polen, Algerije, Dubai

en Thailand. De onderneming ontwikkelt ook tal

van activiteiten voor rekening van derden: ze is

uitgegroeid tot een wereldwijde referentie op het

vlak van LNG-terminals, kernenergie, de reductie,

afvang en opslag van CO 2 , waterbouw, hernieuwbare

energie, duurzame ontwikkeling en ‘smart

sustainable infrastructures’.

Maar van alle activiteitengebieden van

GDF sUEZ in België heeft geen enkel zulke

Meer dan 150 jaar actief in energie

66 in België GENERATIE GDF SUEZ (1986-2011)

De afvalverbrandingsinstallatie van Schaarbeek, uitgebaat

door een dochteronderneming van Fabricom rond 1990.

ingrijpende veranderingen ondergaan als de

productie en verkoop van energie – elektriciteit

of gas. In 1989 werd deze activiteit nog uitge oefend

in het kader van een feitelijk quasi-monopolie,

geregle menteerd door de overheid. Die laatste greep

op verschillende manieren in: specifieke fiscale

maatregelen, goedkeuring van het uitrustingsplan,

bijsturing van het financieel evenwicht van

de exploitatie. De winsten van de sector werden op

gezag van het Controlecomité beperkt, aangezien

een deel ervan aan tariefdalingen moest worden

besteed. Overigens was de rol van de overheid in

de energiesector sinds 1945 een blijvend onderwerp

van politieke controverse. Er werd herhaaldelijk

aangedrongen op een actievere rol van de overheid

in de elektriciteitsproductie.

Vanaf 1989 kwam de positie van de Tractebel

groep in de elektriciteitssector echter onder druk te

staan als een gevolg van de voorspelbare evolutie

in de Europese regelgeving voor mededinging.

Nu de uitbouw van een gemeenschappelijke

Europese energiemarkt in het verschiet lag, groeide

ook de interesse van buitenlandse concurrenten

voor de Belgische elektriciteitsmarkt. Het was

overigens perfect denkbaar dat een raider op

de beurs voldoende aandelen van een Belgische

elektriciteitsonderneming aankocht om een blokkeringsminderheid

te verwerven.

Informatisering van het studiebureau

van Tractebel … amper 20 jaar geleden!

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

67


Meer dan 150 jaar actief in energie

68 in België GENERATIE GDF SUEZ (1986-2011)

Warmtekrachtkoppelingsinstallatie op aardgas die elektriciteit

en stoom levert aan de Balta fabriek in Tielt (1997).

Met dat toekomstbeeld voor ogen, konden de

Tractebel groep en haar elektriciteits- en gasdochters

gelukkig voldoende sterke troeven voorleggen:

een ruime ervaring met samenwerkingen tussen

privésector en overheid; een sterke aanwezigheid in

meer dan 100 landen dankzij haar engineeringsactiviteiten.

De aanzienlijke omvang van de groep

en haar financieel gezonde toestand wettigden

haar ambitie om een belangrijke medespeler te

worden in de toekomstige Europese evoluties.

De Groep trachtte haar positie in België te

versterken en terzelfder tijd in het buitenland

te groeien. In een eerste fase verhoogde zij haar

deelneming in de drie grootste elektriciteitsproducenten

Ebes, Intercom en Unerg tot 50% van het

kapitaal. Er werd vervolgens besloten om de drie

ondernemingen tot één nieuwe onderneming te

versmelten. Een operatie die in 1990 haar beslag

kreeg: Electrabel. De persmededeling die naar

aanleiding daarvan werd verspreid, stelde dat “de

omvang die de onderneming hiermee bereikt, haar

zal toelaten om haar activiteiten serener uit te oefenen

omwille van het ontradende effect dat haar beurskapitalisatie

op mogelijke raiders zal hebben.”

Maar op de Europese markt waren er nog véél

grotere spelers actief. staatsondernemingen zoals

EDF of Enel nog buiten beschouwing gelaten,

moest er rekening worden gehouden met privéondernemingen

zoals het Duitse RWE of het

Britse National Power die samen 120 TWh produceerden,

zowel als met vier of vijf andere groepen

die qua omvang naast Electrabel konden postvatten:

Powergen, Veba, Iberdrola, Endesa … die

elk 50 tot 75 TWh per jaar produceerden. Het

beloofde een felle concurrentiestrijd te worden

tussen deze verschillende marktspelers die zich,

met de gemeenschappelijke markt van 1992 in

het vooruitzicht, van een zo gunstig mogelijke

startpositie wensten te verzekeren. Zo ook de

tandem Tractebel-Electrabel dat zijn positie

via een beleid van grensoverschrijdende allianties

wilde versterken. In 1993 werd met de

Nederlandse onderneming sEP een akkoord

gesloten dat voorzag in een optimaal gebruik

van de centrales van beide groepen, om op die

manier de noodzakelijke reserves en de bijbehorende

investeringen te kunnen afbouwen. In

1992 verwierf Electrabel een deelneming van

3,3% in het kapitaal van de spaanse producent

Iberdrola. En in 1990-1992 werden er contacten

aangeknoopt met Noorse elektriciteitsproducenten

die goedkope waterkrachtenergie konden

aanbieden: hier kon de complementariteit tussen

thermische energie en waterkracht worden

uitgespeeld.

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

69


Parallel met dat alliantiebeleid leerde de groep

begin jaren 1990 een spitstechnologie beheersen,

meer bepaald die van de stoom- en gasturbine.

De winning van aardgas in de Noordzee en de

komst van het Russisch gas zorgden ervoor dat

grote hoeveelheden aardgas tegen een betaalbare

prijs beschikbaar werden. Na het politieke moratorium

op het nucleaire programma was het niet

meer dan logisch dat de Belgische elektriciteitsproducenten

voor aardgas kozen – een brandstof

die weinig CO 2 uitstoot. De technologie van de

stoom- en gasturbine (sTEG) bracht nooit eerder

gehaalde exploitatierendementen (tot 56%) binnen

bereik. Aangezien Electrabel zowel op de gas- als

elektriciteitsmarkt actief was, kon de onderneming

deze convergentie tussen gas en elektriciteit

optimaal benutten. Electrabel werd een pionier

in de exploitatie van sTEG-centrales. De eerste

(460 MW) werd in 1993 in Drogenbos in bedrijf

gesteld. sindsdien groeide Electrabel uit tot één

van de wereldleiders in technologische toepassingen

op basis van gasturbines.

De opkomst van de stoom- en gasturbines had

een aanzienlijke commerciële impact. De technologie

maakte het immers mogelijk om met kleine

eenheden efficiënt elektriciteit te produceren. Dit

bezegelde het einde van een lang tijdperk waarin

enkel schaalvergrotingen een beter economisch

Meer dan 150 jaar actief in energie

70 in België GENERATIE GDF SUEZ (1986-2011)

De STEG-centrale Herdersbrug,

in aanbouw in 1997.

rendement en een hogere productiviteit mogelijk

maakten. Ook de financiële drempel voor

kandidaat-elektriciteitsproducenten werd hierdoor

aanzienlijk verlaagd. Het duurde dan ook

niet lang voordat energie-intensieve ondernemingen

zich voor het procedé interesseerden en

de bouw van eigen warmtekrachtkoppelingseenheden

in overweging namen.

De Europese ‘elektriciteitsrichtlijn’ van

19 december 1996 vormde het kader voor de

ontwikkeling van concurrentie binnen de sector.

De vrijmaking van bepaalde essentiële onderdelen

van het systeem doorbrak geleidelijk de

productiemonopolies en zorgde ervoor dat derden

toegang tot de netten kregen. In 1999 moest het

minimale vrijmakingspercentage van de markt

ongeveer 23% bedragen, of grosso modo het

verbruik van alle klanten die meer dan 40 GWh

per jaar afnamen. In België was de markt op dat

ogenblik al volledig vrijgemaakt voor grote industriële

klanten (met een verbruik van meer dan

100 GWh per jaar), wat ongeveer neerkwam op

30% van het totale verbruik. De deregulering van

de elektriciteits- en gasmarkten zou ook aanleiding

geven tot de opkomst van energietrading.

Het regelgevende landschap werd in 2003

een tweede keer ingrijpend gewijzigd door

een nieuwe elektriciteits- en gasrichtlijn. Door

deze nieuwe regelgeving moesten de markten

voor de niet-residentiële klanten uiterlijk in juli

2004 en voor de residentiële verbruikers uiterlijk

in juli 2007 zijn vrijgemaakt. De transport- en

distributie activiteiten moesten worden afgesplitst

van productie- en leveringsactiviteiten. En in elke

lidstaat moest er een nationale marktregulator

worden aangesteld.

Als gevestigd operator in België sloot Electrabel

verschillende akkoorden met de Belgische overheid

om de werking van de vrijgemaakte energiemarkt

in België te bevorderen. Zo stond de onderneming

een deel van haar productiecapaciteit af aan

andere elektriciteitsondernemingen (E.ON, sPE).

Electrabel trok zich ook volledig terug uit het kapitaal

van de ondernemingen die voor het beheer

van de hoogspanningslijnen en het gasnet voor

langeafstandstransport instonden (Elia en Fluxys).

Verder brengt ze haar aandeel in de distributienetbeheerders

aanzienlijk terug, nadat ze het

operationele beheer van de distributienetten in

Vlaanderen, Wallonië en Brussel heeft afgestaan

aan respectievelijk Eandis, Ores en BNO.

In 2010 had de komst van nieuwe spelers op

de markt van de elektriciteits- en gasverkoop het

marktaandeel van Electrabel in België tot ongeveer

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

71


65% teruggebracht. De synergie tussen gas en elektriciteit

vormt nog altijd een belangrijke pijler van

de strategie van GDF sUEZ in België.

Om een tegenwicht te vormen tegen de vrijmaking

van de Belgische markt en in de kopgroep

van Europese elektriciteitsondernemingen te

blijven, breidde Electrabel haar activiteiten buiten

de Belgische landsgrenzen uit. De onderneming

wilde daarmee anticiperen op de totstandkoming

van het zogenaamde ‘continentaal platform’, een

eengemaakte elektriciteitsmarkt die de Benelux,

Frankrijk en Duitsland omvat. Electrabel had

een belangrijk aandeel in de geleidelijke totstandkoming

van deze eengemaakte elektriciteitsmarkt,

onder meer door het bevorderen van uitwisselingen

en haar bijdrage tot de opening van de

Belgische elektriciteitsbeurs in 2006. Dit continentaal

platform moet de ondergrond vormen voor

de toekomstige groei van de onderneming en haar

projecten voor centrales in Nederland, Duitsland,

en ook in België.

In 2005 bedroeg de elektriciteitsverkoop van

Electrabel 145,4 TWh, waarvan 68,9% werd

gerealiseerd in de Benelux, 17,7% in de regio

Frankrijk-Italië-Iberisch schiereiland en 13,4% in

de regio Polen-Duitsland-Hongarije. Tegen 2009

mikte de onderneming op een verkoopscijfer van

Meer dan 150 jaar actief in energie

72 in België GENERATIE GDF SUEZ (1986-2011)

Nazicht van een alternator in

de centrale van Monceau in de jaren 1990.

ongeveer 200 TWh en hoopte zij een productiecapaciteit

van 35 000 MW te bereiken (tegenover

27 976 eind 2005).

Een van de hangende vraagstukken blijft voorlopig

de toekomst van de kernenergie in België.

Op 22 oktober 2009 hadden GDF sUEZ en de

Belgische overheid een akkoord ondertekend over

de verlenging van de levensduur van de drie oudste

kerncentrales met tien jaar: Doel 1, Doel 2 en

Tihange 1. De val van de regering verhinderde

dat het akkoord in wetteksten werd omgezet.

Intussen heeft Electrabel de modernisering van

haar productiepark onverminderd voortgezet

(sTEG-centrale Amercœur van 420 MW in 2008

en centrale Knippegroen van 305 MW in 2010) en

mag zij zich de grootste groene energieproducent

van België noemen met de bouw van een 100%

biomassa-eenheid van 180 MW in Rodenhuize

in 2011.

In de loop van zijn meer dan 150 jaar lange

aanwezigheid in België heeft GDF sUEZ steeds

bijgedragen tot de economische en sociale ontwikkelingen

van het land. De Groep heeft altijd

voldaan aan de verwachtingen van zijn klanten

en heeft zich voortdurend aangepast aan een soms

grondig veranderende omgeving.

Meer dan 150 jaar actief in energie

in België

73


De binnenpagina’s van dit boek zijn gedrukt

op 150 grams LumiSilk-papier van

fabrikant Stora Enso. Om de lage milieuimpact

van de papiervezels te garanderen,

gebruikt deze producent uitsluitend

grondstoffen uit duurzame bronnen die

zich in de nabijheid van de papierfabrieken

bevinden. Daarnaast heeft de Groep,

met het oog op het wereldwijde behoud

van bossen en biodiversiteit, beslist om

geen dubbele kaft te gebruiken en slechts

in één harde kaft te voorzien.

Voor het drukken werd ecologische inkt

gebruikt uit minerale en plantaardige

bestanddelen.

Deckers/Snoek, de Belgische drukker die

dit boek heeft geproduceerd, is een milieuvriendelijke

drukker. Hij leeft het milieucharter

van de Vlaamse regering na en is

houder van het Franse label Imprim’Vert.

Meer dan 150 jaar actief in energie in België

De archiefopzoekingen zijn uitgevoerd door René Brion en

Jean-Louis Moreau, medewerkers van het V.V.B.A. (Vereniging

voor de valorisatie van Bedrijfsarchieven).

Directeur van de publicatie: Valérie Bernis

Coördinatie van de publicatie: Guy Dellicour, Kristof scheldeman

Grafisch design en productie: Absolute Agency

GDF SUEZ (G06B02)

Simón Bolívarlaan 34 - 1000 Brussel - België

Tel.: 0032 2 510 79 26

Tot slot kreeg het boek de certificaten

FSC (Forest Stewardship Council) en

PEFC (Programme for the Endorsement of

Forest Certification Schemes) toegewezen

en beantwoordt het aan de kwaliteitsnorm

ISO 9001.

More magazines by this user
Similar magazines