29.08.2013 Views

gebouwen - Historisch Centrum Overijssel

gebouwen - Historisch Centrum Overijssel

gebouwen - Historisch Centrum Overijssel

SHOW MORE
SHOW LESS

Create successful ePaper yourself

Turn your PDF publications into a flip-book with our unique Google optimized e-Paper software.

Afb. 1. Huidige aanblik van het oude stadhuis mel de voorgevel van /82/ aan de<br />

Sassenstraat en de zijgevel aan het Grote Kerkplein. FaLOA. J. van der Wal (Rijksdienst<br />

voor de Monumentenzorg).<br />

94


Het oude stadhuis van Zwolle<br />

door ir. G. Berends<br />

1. Inleiding<br />

Het stadhuis, het bestuurlijke centrum van Zwolle, bevindt zich al zeker<br />

zes en een halve eeuw in het hartje van de stad, in de directe nabijheid van<br />

de Grote of St.-Michaëlskerk. Sinds 1975, toen een vergrotings- en verbouwingsplan<br />

werd gerealiseerd, bestaat het uit drie gedeelten (zie fig. Id):<br />

a. het oude stadhuis, op de hoek van de Sassenstraat en het Grote Kerkplein,<br />

dat gerestaureerd werd door de architect Ir. P. B. OtTringa te Groningen,<br />

b. een groot nieuw bouwlichaam, ontworpen door de architect J. J. Konijnenburg<br />

te Parijs, dat zich over 78 meter uitstrekt langs de Goudsteeg,<br />

over de Lombardstraat is heen gebouwd en kortere gevels heeft aan de<br />

Sassenstraat, het Grote Kerkplein en de Lombardstraat, en<br />

c. de voormalige Weme of pastorie van de St.-Michaëlskerk, als zodanig<br />

gebouwd in de jaren 1490-'97, na de Reformatie in gebruik als Bank van<br />

Lening (of Lombard), sedert 1925 als onderdeel van het politiebureau en<br />

voor zijn huidige functie gerestaureerd door de afdeling Monumentenzorg<br />

van de Gemeentelijke dienst voor Openbare Werken.<br />

In deze bijdrage gaat het om het eerste van deze drie gedeelten, het oude<br />

stadhuis, dat aan de Sassenstraat voorzien is van een neoklassicistische<br />

voorgevel. Achter deze gevel (afb. I), die blijkens een stichtingssteen uit<br />

1821 dateert, gaan drie middeleeuwse bouwlichamen van verschillende ouderdom<br />

schuil; van West naar Oost zijn dit het eigenlijke Raadhuis (waarin<br />

de befaamde Schepenzaal), het Meentehuis en het zg. Mosterthuis. Daarnaast<br />

willen wij ook aandacht schenken aan die gedeelten van het middeleeuwse<br />

stadhuiscomplex, die in de 1ge eeuw zijn gesloopt: het Wijnhuis, de<br />

95


Afb. 2. Sassenstraat mel v.l.n.r. de gevels van het Mosterthuis. het Meentehuis. het<br />

Raadhuis en het Wijnhuis. Rechts het zuiderzijkoor en een. gedeelte van het hoofdkoor<br />

van de Grole of St=Michaëlskerk. Tekening, toegeschreven aan C. Pronk<br />

(/691-1759).<br />

96


Raadstoren en de Latijnse School (zie fig. lb, 2 en afb. 2)'.<br />

Met de bouw van het eigenlijke Raadhuis werd in 1447 begonnen. Tegelijkertijd<br />

verrees westelijk daarnaast (vlak bij de Grote kerk dus) het Wijnhuis<br />

en zuidelijk dáárnaast (aan het Grote Kerkplein) de Raadstoren. Het<br />

Raad- en het Wijnhuis werden aan de Sassenstraat van één natuurstenen<br />

voorgevel voorzien, die bekend is door een 18e-eeuwse penseeltekening, die<br />

toegeschreven wordt aan Cornelis Pronk (afb. 2).<br />

Het Meentehuis is een voormalig woonhuis, dat in 1448 verbouwd werd<br />

om te gaan dienen als vergaderruimte van de Meenslieden. Ook het Mosterthuis<br />

is een voormalig woonhuis; het werd in 1459 door de familie Mostert<br />

aan het stadsbestuur overgedragen.<br />

De Latijnse School werd in 1445-'46 gebouwd aan het Grote Kerkplein<br />

op de hoek van de Lombardstraat. Slechts enkele jaren later werd de<br />

Raadstoren er vlak naast opgetrokken.<br />

Het Wijnhuis en de Raadstoren werden in de 1ge eeuw in twee etappes<br />

afgebroken (in 1841144 en 1867). Bij de tweede afbraakcampagne verdween<br />

ook de Latijnse School. Op de plaats van deze drie <strong>gebouwen</strong> verrees toen<br />

een nieuw schoolgebouw (fig. Ic), dat op zijn beurt in 1936 werd gesloopt.<br />

De passage tussen het Wijnhuis en het zuidelijke zijkoor van de Grote<br />

Kerk was erg smal. Dit zijkoor is minder diep dan het hoofdkoor en het<br />

noordelijke zijkoor van de kerk. De plaatselijke situatie maakte het de<br />

kerkbouwers kennelijk onmogelijk alle drie koren even diep te maken. Met<br />

de bouw van de huidige kerk is men waarschijnlijk omstreeks 1370 begonnen-,<br />

ter vervanging van een oudere en kleinere kerk. Een onderzoek boven<br />

de gewelven van de huidige kerk leerde, dat de koorpartij ouder is dan het<br />

schip en dat deze direct zijn huidige omvang kreeg. Toen in 1447 werd begonnen<br />

met de bouw van het Raadhuis en het Wijnhuis zal de koorpartij<br />

van de kerk dus zeker wel voltooid zijn geweest. Aangezien (zoals we hieronder<br />

zullen zien) op de plaats van het Wijnhuis al in 1330 een stadhuis<br />

wordt vermeld, komen we tot de slotsom, dat de passage zo smal is geworden<br />

door de bouw van het zijkoor, en niet door de bouw van het Wijnhuis<br />

in dejaren 1447-'49.<br />

In 1973 begonnen de werkzaamheden voor de restauratie van het oude<br />

stadhuis en voor de bouw van het nieuwe gedeelte. Afgebroken werden onder<br />

meer de vijf naastgelegen huizen aan de Sassenstraat (tot aan de Goudsteeg),<br />

waarvan de meeste al bij het stadhuis waren ingelijfd. De middeleeuwse<br />

kelders van deze huizen waren tevoren opgemeten en in tekening<br />

gebracht door de Gemeentelijke dienst voor Openbare Werken (afdeling<br />

Monumentenzorg). Inwendig leken deze huizen weinig opmerkelijks te bevatten;<br />

de balklagen waren merendeels aan het oog onttrokken. Bij de sloop<br />

bleek echter dat er nog verscheidene eiken moer- en kinderbalklagen waren,<br />

deels nog voorzien van gotische sleutelstukken. In het middelste van deze<br />

vijf huizen kwam een fraai eiken paneel in renaissance-vormen te voorschijn",<br />

Ook de smalle aanbouw tegen de achterzijde van het Meentehuis<br />

werd gesloopt.<br />

97


98<br />

KERKHOF<br />

Ca 1LfljO<br />

o 20M<br />

'===±==J<br />

ça 1520<br />

o 20M<br />

'====±===l


Fig. I a-d. Situatie van het stadhuis in de loop der tijden, schaal 1:2000. Het Noorden<br />

boven. (De omcirkelde cijfers op de verschil/ende plattegronden duiden dezelfde<br />

<strong>gebouwen</strong> of percelen aan).<br />

Fig. 1a. Reconstructie van de toestand omstreeks 1440.<br />

la Raadhuis<br />

lb Wijnhuis<br />

2 Kerstanshuis, in gebruik bij het Wijnhuis<br />

3 Kremer Arentshuis, in gebruik als stadstimmerhuis<br />

4 Huis van de stadssecretaris Johannes Tiel, in 1444 door de stad aangekocht<br />

5 Huis van Dirck Mostert<br />

6 Schuur van Johannes Tiel, in 1445 door de stad aangekocht<br />

7 Latijnse School<br />

8 Weme ofpastorie van de St.-Michaëlskerk<br />

11 St.-Michaëlskerk<br />

Fig. lb. Reconstructie van de toestand omstreeks 1520.<br />

1 Raadstoren, gebouwd 1448-'50, gesloopt 1844 en 1867<br />

2 Wijnhuis, gebouwd 1448-'49, gesloopt 1841 en 1867<br />

3 Raadhuis (waarin de Schepenzaal), gebouwd 1447-'49<br />

4 Meentehuis, in 1448 daartoe verbouwd<br />

5 Mosterthuis, sedert 1459 sledelijk bezit<br />

6 Achtervleugel. vermoedelijk ca 1448 gebouwd<br />

7 Latijnse School, gebouwd 1445-'46, gesloopt 1867<br />

8 Weme of pastorie van de St.-Michaëlskerk, gebouwd in dejaren 1490-'97<br />

9 Huis, sedert 1514 in bezit van de Broeders van het gemene leven; in gebruik bij<br />

het zg. Arme Fraterhuis<br />

10 Scholierenhuis van het Arme Fraterhuis. gebouwd ca 1516<br />

11 St.-Michaëlskerk<br />

Fig. Ic. De toestand in 1867.<br />

lOpenbare school J, gebouwd 1867, later bekend als de Brouwerschool. gesloopt<br />

1936<br />

3, 4, 5 Stadhuis, in 1821 van een nieuwe voorgevel voorzien<br />

6 Achtervleugel van het stadhuis, waarin de secretariskamer. Gesloopt 1973<br />

7 Politiebureau, in 1925 verplaatst naar een nieuw gebouwaan de overzijde van de<br />

straat<br />

8 Lombard of Bank van Lening, sedert 1925 onderdeel van het Politiebureau<br />

9 Kerk van de Gerei gem. onder het Kruis; in 1869 School met den Bijbel. Later<br />

Wijnbeekschool; gesloopt 1973<br />

10 Voormalig Scholierenhuis in 1872 verbouwd tot Openbare tussenschool<br />

11 Grote of St=Michaëlskerk<br />

Fig. 1d. De huidige toestand.<br />

1 Het nieuwe gedeelte van het stadhuis, gebouwd 1974-'76<br />

3, 4, 5 Het oude gedeelte van het stadhuis, gerestaureerd 1974-'76<br />

8 Voormalige Weme, sedert de restauratie (/974-'75) onderdeel van het stadhuis<br />

10 Voormalige school, in 1973 aan de achterzijde ingekort. Onlangs verbouwd/ gerestaureerd<br />

tot Gem. Kredietbank/Woningbureau<br />

Il Grote of St.-Michaëlskerk<br />

99


De restauratie van het oude stadhuis bood de gelegenheid een bouwhistorisch<br />

onderzoek te verrichten, waarvan de belangrijkste resultaten, na een<br />

behandeling van de historische gegevens, hieronder beschreven worden.<br />

De nieuwbouw van het stadhuis had twee ingrepen in het oude gebouw<br />

tot gevolg: in het achterstuk van het Mosterthuis kwam een nieuw trappenhuis,<br />

terwijl het achterstuk van het Meentehuis (voor zover dit dieper was<br />

dan het Mosterthuis) werd gesloopt (met uitzondering van de kelder); ook<br />

hier kwam een nieuwe trappartij.<br />

2. De voorgeschiedenis tot 1447<br />

Uit oude akterr' kan worden opgemaakt, dat het Raadhuis en het Wijnhuis<br />

in 1447-'49 verrezen zijn op de plaats van drie oudere panden die, gelet<br />

op de directe nabijheid van de koorpartij van de kerk, gezamenlijk dezelfde<br />

gevelbreedte aan de Sassenstraat moeten hebben gehad. In die akten<br />

worden die oudere huizen meestal met hun belendingen vermeld, zodat hun<br />

ruimtelijke opvolging kan worden vastgesteld (zie fig. Ia).<br />

Op de hoek, bij het koor van de kerk, stond het oude stadhuis, dat al in<br />

1330 vermeld wordt als 'domus dicte civitatis'. In 1398 wordt dit huis 'onse<br />

wijnkelre' genoemd en in 1441 'der Stat wijnhuys'. Het 'Raethuys' wordt in<br />

1444 genoemd aan het 'KerckhofT' (het huidige Grote Kerkplein); blijkbaar<br />

stonden toen Wijnhuis en Raadhuis naast elkaar op het hoekperceel.<br />

Hiernaast aan de Sassenstraat stond in 1330 het huis van Cristantius, dat<br />

in of voor 1392 in stedelijk bezit kwam. In 1398 schreven Schepenen en<br />

Raad, dat zij met dit huis 'onse stad wijnkelre vermeret hebben'; in een ongedateerd<br />

stuk uit ongeveer dezelfde tijd is dan ook sprake van 'Kerstans<br />

huys dat nu die c1eyne wijnkelre is'.<br />

Het derde huis behoorde in 1330 aan een zekere Schyring en later in dezelfde<br />

eeuwaan Kremer Arend (alias Arent Kremer Arendeszoen), wiens<br />

naam nog tot ver in de ISe eeuwaan dit huis verbonden zou blijven, hoewel<br />

het pand reeds in of vóór 1374 eigendom was geworden van Kerstken<br />

Engebertszoon en diens vrouw Alijd. In 1419 verkochten Maes Heorixsoen,<br />

diens vrouw Wobbe en zoon Gherbert dit huis aan de stad. In 1444 blijkt<br />

het als stadstimmerhuis ('der stat tymmer') dienst te doen.<br />

Het vierde huis behoorde in 1374 en 1392 aan Seyne Wolbertszoen, in<br />

1419 aan Grete Rolofsdochter van Ittersim en in 1444 aan de stadssecretaris<br />

Johannes Tiel en zijn vrouw Zwenelt, die het toen aan de stad verkochten.<br />

Het volgende jaar woonde Johannes Tiel er nog, maar in 1448 werd<br />

het verbouwd en sedertdien fungeerde het als 'Meentehuys'.<br />

Het vijfde huis behoorde in 1444 en '45 aan Dirck Mostert en diens<br />

vrouw Lutgart; in 1459 kwam het in het bezit van de stad.<br />

Het huis van Kerstan (fig. Ia or 2) grensde (in 1441) aan de achterzijde<br />

aan de Latijnse School (fig. Ia or 7), terwijl het buurhuis (fig. Ia or 3) in<br />

1419 aan die zijde aan een straat grensde, bij de wedeme (fig. Ia or 8).<br />

Hiermee is de omvang van de school, die aan het Grote Kerkplein gestaan<br />

moet hebben, bepaald. In 1445 en '46 werd de school door een groter ge-<br />

100


ouw vervangen. In 1445 betaalde de stad een vergoeding aan Johannes<br />

Tiel voor de afbraak van de 'stallinge' achter diens huis (fig. la nr 6) en de<br />

nieuwbouw op die plaats; kennelijk betrof dit de nieuwe Latijnse School.<br />

3. De bouw van het Raadhuis, het Wijnhuis en de Raadsloren in 1447-'50<br />

Nadat de Latijnse School goeddeels was voltooid, werd begonnen met de<br />

voorbereidingen voor de nieuwbouw van Raadhuis, Wijnhuis en Raadstoren.<br />

De stadsrekeningen (zowel de maand- als de jaarrekeningen) over 1447<br />

en volgende jaren geven daarover een inzicht, al wordt bij de meeste. posten<br />

niet vermeld welke objecten ze betreffen- .<br />

Alle bebouwing op de drie percelen op de hoek van het Grote Kerkplein<br />

en de Sassenstraat (het oude Raadhuis, het oude Wijnhuis, het Kerstanshuis<br />

en het Kremer Arentshuis dus) moet zijn afgebroken.<br />

Begonnen werd met het verwijderen van de dakpannen van de 'colecamer',<br />

het Kerstanshuis, het Wijnhuis en het Raadhuis. Ook wordt gesproken<br />

over het breken van steenwerk van de 'colecamer ende dat ander huys<br />

(het Kerstanshuis?) dair by boven der eerden'; waar deze colecamer gesitueerd<br />

was weten we niet. Vervolgens werden de twee gevels en de twee zijmuren<br />

van het Wijnhuis afgebroken. Over de sloop van het raadhuis en het<br />

Kremer Arentshuis wordt verder niet gesproken.<br />

In de tweede helft van mei 1447 werd de eerste steen van het nieuwe<br />

raadhuis geplaatst, waaronder een Arnoldus-gulden werd gelegd. Het werk<br />

werd voortvarend ter hand genomen. Twintig stuks Drakenvelder steen<br />

werden gekocht als voetstukken voor de 'pijlres' (= smalle muurdammen<br />

tussen de vensters?). Meester Johan van Campen maakte de bassen (= balkconsoles);<br />

glasvensters, luiken en traliën werden gemaakt; men kocht van<br />

Meester Herman van Colne een schouw van Drakenvelder steen en 70 voet<br />

van dezelfde steensoort om goten van te maken. In november was men zover<br />

gevorderd, dat een kast in de keuken gedragen kon worden en begonnen<br />

kon worden met het overwelven van de kelder onder de 'Raetkamer' (d.i.<br />

de Schepenzaal), het aanbrengen van de vloer daarop en het plaatsen van<br />

de schouw. Vervolgens maakte meester Claes timmerman vijf paar kruisvensters,<br />

werd koper gekocht voor drie (wind)vanen op het dak en leverde<br />

de timmerman 8ertelmeus drie deuren. Op 24 januari 1448 werd de Schepenzaal<br />

ingewijd".<br />

Vervolgens werd de fundering voor de Raadstoren gelegd en kwam ook<br />

de bouw van het Wijnhuis daarnaast op gang. Twintig kruisvensters met<br />

hun toebehoren waren al voor het Wijnhuis gekocht. Meester Berend werd<br />

betaald voor het houwen van 61 voet 'pijlres' voor Raad- en Wijnhuis beide;<br />

we veronderstellen dat dit de voorgevel aan de Sassenstraat betrof. Voor<br />

het Wijnhuis werd hout gezaagd, 102 ribben aangekocht, negen 'paer venster'<br />

(= luiken) gemaakt door meester Dire Fluggert en later nog eens vier<br />

'paer vensteren' door de stadstimmerman Bertelmeus.<br />

Ook het huis van Johannes Tiel werd onder handen genomen: de 'middel<br />

101


Fig. 2. Reconstructie van de plattegrond (in hoofdzaken) van het stadhuiscomplex in<br />

de middeleeuwen met de voorgevel (Sassenstraat) onder, schaal 1:500. Naar opmetingen<br />

van Openbare Werken Zwolle, architectenbureau il' P. B. Offringa te Groningen,<br />

opmeetschets van D. J. de Vries, de stadhuisplattegrond van 1844 (afb. 5) en<br />

het kadastrale minuutplan (ca 1830). Bij het ter perse gaan van deze bundel meldde<br />

de heer G. Oostingli mij zijn vondst tijdens de afbraak in april 1973 in de westgevel<br />

van de smalle vleugel achter het Meentehuis: een zandstenen kolom, onder van vierkante<br />

doorsnede, maar hogerop zeskantig met kleine holprofielen op de hoeken aan<br />

de binnenzijde. De vormen zijn gotisch; kennelijk is deze vleugeloorspronkelijk een<br />

open galerij geweest. De gevonden kolom, die bewaard was gebleven tussen twee<br />

jongere vensterkozijnen, is de tweede van de hier gereconstrueerde reeks van zes (geteld<br />

vanaf het Meentehuis).<br />

102<br />

~<br />

l<br />

II<br />

MOSTERT·<br />

HUIS<br />

f:<br />

ri<br />

~ \\<br />

f; ~<br />

"<br />

p;<br />

MEENTEHUIS<br />

"<br />

lAPJN5E SCHOOL<br />


ghevel' (= inwendige dwarsmuur?) werd afgebroken en een kamer werd uitgebroken.<br />

De werkzaamheden aan het Raadhuis betroffen vooral de afbouw: drie<br />

vrachten wagenschot werden aangevoerd, Celen de timmerman kwam uit<br />

Doesburg om de Schepenzaal te stofferen, 1500 dubbele plavuizen werden<br />

uit Utrecht aangevoerd en meester Berend maakte 'een vuersteen van pannen<br />

stucken'. Dit laatste betreft vermoedelijk de vloer of achterwand van de<br />

stookplaats in een schouw. Steven, timmerman van Campen, werkte aan<br />

het schepengestoelte, waaraan 62 panelen werden gelijmd. Er is ook sprake<br />

van een 'halff stoelte' , gemaakt door meester Dire Fluggert. Aan één van de<br />

gestoelten sneed Henrie Claess. 'drie wilde dier' en 21 'lover anden pynelen'.<br />

Diezelfde Henrie sneed ook 'lover' voor de balkconsoles, die door de<br />

schilder Tijenijs werden 'gestoffeerd'. Er kwamen ook andere zetels Csittens')<br />

in de Schepenzaal, blijkbaar in de vorm van kisten, omdat daarvoor<br />

zes sloten met daarbij horende overslagen Chengschele') en twaalf sleutels<br />

geleverd werden. Voor de schouw werden twee kandelabers geleverd, eveneens<br />

door meester Herman van Campen. Geerd de kistemaker maakte zeven<br />

'spynde' en de stadstimmerman Bertelmeus tien 'paer venster achter<br />

ant Raethuys' (dus luiken voor de vensters in de achtergevel). Meester Henric?<br />

sneed twaalf 'compasse' en ander snijwerk aan zes spinden en voor de<br />

'columpnen' aan het schepengestoelte. Misschien waren dit de zes spinden,<br />

die Johan van Lubeke voor het Raadhuis maakte en dezelfde zes, die meester<br />

Marten rood en blauw schilderde. Dezelfde meester Johan maakte ook<br />

een 'cunttoer' (kantoorkast), waarvoor vijf grote 'waghenschote' nodig waren.<br />

Het is dan inmiddels mei 1449 geworden.<br />

In november 1448 wordt voor het eerst een nieuwe 'coelkamer' genoemd,<br />

waaruit toen aarde werd verwijderd, evenals uit de kelder van het nieuwe<br />

Wijnhuis. Waar deze kolenkamer zich bevond, blijkt niet. Het was geen<br />

onaanzienlijke ruimte, want hij werd bevloerd met zes zerken Csarck') en<br />

ervóór kwam een waterput. Meester Berend werd september/oktober 1449<br />

opgedragen een schouw Cschoersteen') voor deze kamer te maken<br />

Begin 1449 werd 309 voet Bentheimer steen gekocht voor de gevel van<br />

het Raadhuis, terwijl meester Berend werd opgedragen 42 voet 'pi leers' en<br />

nog 5 'peilers' te houwen. Wat later werd nog eens 136 voet steen gekocht<br />

voor de tinnen van Raadhuis en Wijnhuis beide. Aan Bertelmeus werd opgedragen<br />

zestien korbeeIstelIen Ccarbele mit horen stantvincken') te maken<br />

voor de verdieping van het Wijnhuis en twee korbeeIstelIen voor boven de<br />

kolenkamer. Eind mei werd de steiger voor het raadhuis afgebroken. De<br />

verdere werkzaamheden betroffen het afwerken en verfraaien, zoals het vergulden<br />

van twaalf 'vacke' (boogvullingen boven de vensters?) en twee<br />

(wind)vanen, het schilderen van schilden en het verven van de diefijzers.<br />

Johan Hermanssoen van Campen maakte voor het Raadhuis twee engelen<br />

en het stadswapen en meester Berend zorgde voor de bassen (= balkconsoles)<br />

in het Wijnhuis. De schilder meester Marten kreeg ook veel te doen: 17<br />

(wapen)schilden in het Wijnhuis, drie schilden van de schouw in het Raad-<br />

103


Fig. 3. Reconstructie van de plattegrond (begane grond) van het nog bestaande oude<br />

stadhuis in zijn middeleeuwse gedaante, met de voorgevel (Sassenstraat) onder,<br />

schaal 1:250. Met streepjes-lijnen is de kelderplattegrond getekend, waarin met stippellijnen<br />

de projectie van de gewelven is aangegeven. Naar opmetingen van architectenbureau<br />

ir P. B. Offringa te Groningen, eigen waarnemingen en vondst van G.<br />

Oostinga (vgl. fig. 2).<br />

104<br />

, ,<br />

I I<br />

:Cil<br />

, I<br />

I I<br />

I I<br />

I I<br />

I<br />

J<br />

!I<br />

:<br />

:~ ßI ß !3<br />

-, ,I<br />

:<br />

I<br />

I ,<br />

~,-:?<br />

~<br />

r<br />

I<br />

I<br />

r<br />

I<br />

I<br />

I<br />

L ______<br />

r--<br />

J __J<br />

ßl a is!<br />

I<br />

I<br />

I<br />

l--


huis, het beeld van Sint Miehiel en het schild daaronder, allerhande werk<br />

in de 'segelkamer' waaronder twee schilden in het gewelf en twee engelen<br />

boven de trap. Ook verfde hij de 'tralyen' voor de 'segelcamer en de coelcamer'.<br />

Deze twee kamers worden nog twee keer in één adem genoemd; misschien<br />

moeten we hierin de twee vertrekken voor de raadzaal zien. In<br />

januari 1450 schilderde meester Marten in de Raadkamer een tafereel met<br />

het devies 'AIteram partem audite'.<br />

Over de voortgang van het werk aan de Raadstoren is pas sprake in de<br />

rekeningen over 1450; in oktober van dat jaar was men bezig met het dekken<br />

van het dak. Ook hier had meester Marten veel te doen: het schilderen<br />

en vergulden van een wapenschild aan de voorzijde, het beschilderen van<br />

het gewelf, het schilderen van negen kapitelen en het vergulden van negen<br />

bloemen. Ook schilderde hij de 'Ieuve' (vermoedelijk een uitgebouwde erker)<br />

aan de toren, het gewelf daaronder en de luiken en deuren. De vloer<br />

van die erker werd gedrenkt met een mengsel van 'onghel' en 'herssen',<br />

waarschijnlijk om hem waterafstotend te maken. Het is dan inmiddels mei<br />

1451.<br />

Ook het Raadhuis ondergaat nog verfraaiingen. Er worden negentien zonnen<br />

en negentien manen gesneden voor op de balken in de Schepenzaal en<br />

zes van deze balken werden geschilderd. Voor kussens wordt Rijnse wol en<br />

14 ellen 'Iynnen doecx' gekocht. Boven de kolenkamer wordt gewerkt aan<br />

een 'schoersteen'. In de zegelkamer werd in 1454 een 'contour' geplaatst.<br />

Het Meentehuis werd in 1451 boven en beneden met klei en zand gevloerd,<br />

wat blijkbaar betrekking heeft op de begane grondvloer (boven het<br />

keldergewelf) en de keldervloer. In 1454 werd in dit huis een houten trap<br />

aangebracht.<br />

Aan de toren wordt ook in 1452 nog gewerkt: er worden dan ribben en<br />

wagenschot gezaagd, het bovenste gewelf wordt beschilderd en de stadstimmerman<br />

Bertelmeus wordt opgedragen een kamer in de toren te 'stofferen'.<br />

4. Het Raadhuis<br />

Bij het onderzoek tijdens de restauratie is gebleken, dat het eigenlijke<br />

Raadhuis (dat is dus het westelijke van de drie bouwlichamen, waaruit het<br />

huidige oude stadhuis bestaat) geen oudere elementen bevat, maar in zijn<br />

geheel nieuw gebouwd is in het midden van de ISe eeuw (fig. 3 en 4). Dit<br />

geldt dus ook voor de gemeenschappelijke zijmuur met het Meentehuis.<br />

Het enige dat van een ouder gebouw te voorschijn kwam, was een gedeelte<br />

van de fundering van waarschijnlijk een achtergevel; dit werd bij het archeologisch<br />

onderzoek in de kelder gevonden (zie de bijdrage van R. van<br />

Beek en V. T. van Vilsteren in deze bundel).<br />

Het Raadhuis wordt door een dwarsmuur gedeeld in twee ongelijke delen.<br />

Hoewel deze muur, voor zover na te gaan, niet in verband met de zijmuren<br />

is opgemetseld, behoort hij kennelijk toch tot het bouwplan. Het<br />

grote achtergedeelte omvat op de begane grond de Schepenzaal, in de<br />

maandrekeningen 'Raetkamer' genoemd. De ruimte daarboven was wellicht<br />

lOS


Fig. 4. Reconstructie van de langsdoorsnede van het Raadhuis (met de Schepenzaal)<br />

in zijn middeleeuwse gedaante, gezien naar het Westen; de voorgevel aan de Sassenstraat<br />

rechts, schaal 1:250. Naar opmetingen van architectenbureau ir P. B. Offringa<br />

te Groningen e.a.<br />

106


de schrijfkamer , die in de rekeningen over 1450 genoemd wordt; het laatst<br />

diende hij als archief. Vààr de Schepenzaal waren op de begane grond twee<br />

ruimten, vermoedelijk de in de rekeningen genoemde zegelkamer en kolenkamer.<br />

De kelder onder de Schepenzaal wordt overwelfd door zware dwarse gordelbogen,<br />

waartussen segmentboogvormige tongewelfjes geslagen zijn. Een<br />

viertal uitgespaarde inkassingen naast de dwarsmuur en de naastliggende<br />

gordelboog doen vermoeden, dat aanvankelijk een wat andere indeling gepland<br />

was. De thans gedichte keldertoegang vanuit de achterkelder van het<br />

Meentehuis is oorspronkelijk, evenals waarschijnlijk de achteruitgang naar<br />

buiten.<br />

Onder de zegel- en de kolenkamer bevinden zich twee apart overwelfde<br />

kelderruimten, gescheiden door een gordelboog. De kleinste (oostelijke)<br />

ruimte wordt overwelfd door een segmentboogvormig tongewelf, de grootste<br />

ruimte door een kruisgewelf. Van hier is een gedichte doorgang naar de kelder<br />

van het voormalige Wijnhuis; ook is hier waarschijnlijk een toegang<br />

vanaf de straat geweest, die later werd gewijzigd in een venster en tenslotte<br />

is gedieht, Wat de betekenis is van de muurverzwaring aan de straatzijde in<br />

de hoek, is niet duidelijk; een restant van vroegere bebouwing? De doorgang<br />

naar de kelder van het Meentehuis is oorspronkelijk, zij het later verbreed.<br />

De oorspronkelijke toegang van de Schepenzaal bevond zich aan de zijde<br />

van het Meentehuis in de hoek bij de dwarsmuur; bij de ontpleistering van<br />

de muren kwam deze in dichtgemetselde toestand aan het lieht, Naar de zegelkamer<br />

was een lagere en smallere doorgang, waarvan één dagkant in de<br />

hoek naast de huidige doorgang te voorschijn kwam. De wanden van de<br />

Schepenzaal waren oorspronkelijk met wagenschot bekleed; hiertoe waren<br />

horizontale ribben in de muren ingemetseld. Een enkele hiervan bleek nog<br />

in de muur te zitten, de overige waren vervangen door metselwerk. Zoals<br />

bekend, is de houten wandbekleding in 1658 verwijderd. Van de zes wandkasten<br />

(spinden) zijn er nog vier met hun fraaie met 'compassen' versierde<br />

deurtjes aanwezig, twee aan weerszijden van de schouwen twee in de tegenoverliggende<br />

muur. In deze laatste muur zijn de twee verdwenen kasten in<br />

dichtgemetselde toestand teruggevonden. De zoldering van moer- en kinderbalken<br />

op consoles ('bassen') is nog gaaf aanwezig, inclusief de 19 zonnen<br />

en 19 manen op de onder- en zijkanten van de balken.<br />

De vloer boven de zegel- en kolenkamer, die oorspronkelijk op gelijke<br />

hoogte lag met de vloer bov~n de Schepenzaal, heeft men ca 1.80 m laten<br />

zakken, om op dezelfde hoogte te komen als de verdiepingsvloer van het<br />

Meentehuis. Waarschijnlijk is dit gebeurd bij de bouw van de huidige voorgevel<br />

van het stadhuis, in 1821. Boven de huidige vloer is tegen het oostelijke<br />

gedeelte van de dwarsmuur de moet te voorschijn gekomen van een<br />

spitsbogig gewelf. Omdat we uit de rekeningen weten, dat de zegelkamer<br />

overwelfd was, menen we de zegelkamer hier te mogen situeren. Wat meer<br />

westelijk kwam in dezelfde muur een rookkanaal tevoorschijn, behorend bij<br />

107


Afb. 3. Achtergevel van het Meentehuis in april 1973, na de sloop van de aanbouw,<br />

waarvan de vorm en het keldergewelf nog duidelijk zichtbaar zijn. Verder zijn te zien:<br />

de verticale naad tussen de achtergevel en de zijmuur rechts, het rookkanaal met het<br />

daardoorheen gebroken deurkozijn en de boog van een gedichte doorgang. Bij de<br />

entpleistering en de sloop van de gevel kwam naast het hoge verdiepingsvenster een<br />

gedieht bijna even hoog bakstenen venster (met gebogen kalf) tevoorschijn.<br />

108


een schouw op de begane grond. Hier kan dus de kolenkamer geweest zijn,<br />

waarvoor meester Berend volgens de rekeningen van 1449 een schoorsteen<br />

maakte.<br />

De 18e-eeuwse tekening van de gotische voorgevel van Raad- en Wijnhuis<br />

(atb. 2) laat zien, dat de zegelkamer in de voorgevel geen toegang had.<br />

De naam en de overwelving van deze ruimte doen ook niet vermoeden, dat<br />

hij een portaalfunctie voor de Schepenzaal had. Ook de kolenkamer had<br />

geen toegang, behalve misschien in de meest westelijke raamtravee, waar op<br />

de tekening juist een ruiter passeert. Toch zalook hier geen toegang zijn geweest,<br />

omdat de schouween waardige doorgang naar de Schepenzaal onmogelijk<br />

maakte. We moeten dus aannemen, dat het Raadhuis niet direct<br />

vanaf de Sassenstraat toegankelijk was, maar alleen via het Meentehuis betreden<br />

kon worden.<br />

Of er een doorgang geweest is van de kolenkamer naar het Wijnhuis kon<br />

niet vastgesteld worden. Onmogelijk is het niet, omdat zowel op de verdieping<br />

als in de kelder, wèl een dergelijke doorgang geweest blijkt te zijn.<br />

Evenals de Schepenzaal heeft de zaal daarboven twee toegangen gehad,<br />

op dezelfde plaatsen gelegen. Of de doorgang naar de verdieping van het<br />

Meentehuis oorspronkelijk was, konden we echter niet vaststellen. De zaal<br />

wordt overdekt door vijf vakken moer- en kinderbalken, ondersteund door<br />

muurstijlen, korbeels en sleutelstukken met peerkraalprofiel. In de westmuur<br />

zijn in het middelste vak overblijfselen gevonden van een schouw;<br />

ook in het midden van de noordwand is echter blijkbaar een schouw geweest.<br />

In de oostmuur zit in elk vak een segmentboognis, behalve in het<br />

vak van de toegangsdeur.<br />

Aan de straat was op de verdieping blijkbaar één ruimte, zonder stookplaats<br />

en met doorgangen van het Wijnhuis naar de zaal boven de Schepenzaal<br />

en naar het Meentehuis. In dit vertrek is één moerbalk met korbeeIstellen<br />

geweest; in de oostmuur is boven de naderhand verlaagde zoldering<br />

het spoor van de muurstijl teruggevonden. Inderdaad noemen de rekeningen<br />

over 1449 twee korbeeistelIen voor boven de kolenkamer.<br />

De eiken kap is voor een groot deel nog aanwezig. De kapspanten zijn<br />

opgebouwd uit twee jukken op elkaar. Van het achterste strijkspant is het<br />

bovenste juk verdwenen toen de geveltop vervangen werd door een dakschild.<br />

Aan de straatzijde zijn twee spanten verdwenen, waarschijnlijk bij<br />

de verbouwing van 1821.· Blijkens oude atbeeldingen is hier altijd een dakschild<br />

geweest. "<br />

5. Het Meentehuis<br />

Zoals we zagen bleef het huis van Johannes Tiel, voortaan het Meentehuis,<br />

bij de nieuwbouw van 1447-'49 gehandhaafd, maar werd het wel verbouwd.<br />

De zijmuur aan de zijde van het Raadhuis werd echter geheel vernieuwd;<br />

bij doorgebroken doorgangen daarin bleek deze uit homogeen metselwerk<br />

te bestaan. De balklagen van het Meentehuis moeten tijdens die<br />

vernieuwing gestempeld zijn geweest. Ook de kelder was oorspronkelijk<br />

109


Afb. 4. Achterste gedeelte van de rechter zijmuur van het Meentehuis. september<br />

1974. Zichtbaar zijn drie hoge balkgaten van de oorspronkelijke verdiepingsvloer<br />

(waarvan de twee linkse gedeeltelijk gedieht). Boven het rechter balkgat het spoor van<br />

de verdwenen muurstijl onder de nog aanwezige moerbalk met sleutelstuk van. de<br />

(zolder)balklaag.<br />

\\0


overdekt door een houten balklaag. In de linker zijmuur werden de balkgaten<br />

daarvan teruggevonden, 23 à 32 x ca. 32 cm groot, op onderlinge afstanden<br />

van 85 tot 93 cm. Mogelijk werden deze balken ondersteund door<br />

een onderslagbalk in het midden, waarop een gat in de voorgevel zou kunnen<br />

wijzen. In de nieuwe rechter zijmuur bleken de balkgaten te ontbreken;<br />

bij de verbouwingswerkzaamheden van 1448 moet deze balklaag dus vervangen<br />

zijn door de kelderoverwelving. De dwarsmuur in de kelder, waarin<br />

een rook(?)kanaal werd aangetroffen, kan echter ouder zijn. Merkwaardig<br />

is, dat ook voorbij de achtergevel nog enkele van deze balkgaten in de linker<br />

zijmuur aanwezig bleken te zijn; blijkbaar is het vroegere huis aan de<br />

achterzijde groter geweest, vermoedelijk door de aanwezigheid van een aanbouw.<br />

De kelderoverwelving bestaat uit tongewelven met zijdelingse insteekgewelven,<br />

in het voorstuk overlangs en opgaand van muurpenanten, in<br />

het achterstuk overdwars.<br />

De huidige verdiepingsbalklaag dateert van later tijd, misschien de 17e<br />

eeuw. Van de oude balklaag werden in de rechter zijmuur de balkgaten teruggevonden<br />

(afb. 4). In het achtergedeelte lag die oude vloer ca. 50 cm boven<br />

de huidige; de balkgaten zijn 30-46 1 2 cm breed en 86 cm hoog en liggen<br />

op onderlinge afstanden van 120 à 130 cm. In het voorste gedeelte lag<br />

die vloer op het huidige niveau en waren de balken ongeveer even zwaar<br />

maar lagen zij gemiddeld ongeveer 10 cm dichter bij elkaar. De dwarsmuur<br />

van de kelder heeft blijkbaar doorgelopen tot deze vloer; op die plaats zitten<br />

twee balkgaten dichter bij elkaar, die gediend kunnen hebben voor<br />

strijkbalken langs die muur. De overgang van het lage naar het hogere niveau<br />

lag merkwaardigerwijs één balk meer naar voren.<br />

Er is hier dus sprake van een enkelvoudige balklaag van sterk rechthoekige<br />

balken, ook al zal elk balkgat gediend hebben voor een balk met een<br />

console eronder. Deze rechthoekige doorsnede kan erop wijzen, dat de balken<br />

van dennehout waren. Een dergelijke balklaag kan bezwaarlijk jonger<br />

zijn dan 14e-eeuws en ook de balklaag boven de kelder kan zo oud zijn.<br />

We hebben hier dus te maken met één van Zwolle's oudste huizen, wellicht<br />

spoedig na de stadsbrand van 1324 gebouwd.<br />

De balklaag boven de verdieping bestaat uit moer- en kinderbalken op<br />

korbeeistelIen en was (tot 1973) zeven balkvakken lang. De middelste twee<br />

moerbalken en alle muurstijlen en korbeels waren echter verdwenen, maar<br />

zijn bij de restauratie weer aangebracht, behalve in het ingekorte achterste<br />

gedeelte. De ondiepe inkassingen voor de muurstijlen zijn teruggevonden<br />

(afb. 4); in één ervan werd de afgehakte draagsteen (basaltlava) gevonden,<br />

waarop de muurstijl stond. De dwarsmuur heeft niet in de verdieping doorgelopen,<br />

aangezien in beide zijwanden juist op die plaats inkassingen voor<br />

de muurstijlen bleken te zitten", Ook hier is een niveauverschil tussen het<br />

voor- en het achtergedeelte: de voorste moerbalken liggen ongeveer 20 cm<br />

hoger dan de achterste. De overgang bevond zich bij een van de twee verdwenen<br />

moerbalken.<br />

III


Hoe verhoudt deze balklaag zich nu tot de 'twee (verdwenen) enkelvoudi-<br />

ge balklagen daaronder? De sleutelstukken onder de strijkbalk (zonder<br />

muurstijl en korbeel) en onder de eerste moerbalk hebben profielen die heel<br />

goed in de ISe eeuw zouden passen, maar de sleutelstukken onder de twee-<br />

de, vijfde en zesde moerbalk hebben een profiel dat elders in de stad al in<br />

de tweede helft (of laatste kwart) van de 14e eeuw voorkomt", Van het baksteenformaat<br />

van de linker zijmuur op de verdieping (±22 th x II x 5 th<br />

cm) zijn tot dusver geen oudere voorbeelden bekend dan uit het midden<br />

van de 14e eeuw. We veronderstellen dan ook, dat de enkelvoudige balklagen<br />

behoren bij een huis uit het tweede kwart van de 14e eeuw, dat een ho-<br />

ger opgaande inwendige dwarsmuur had. Bij een verbouwing, die. aan het<br />

eind van die eeuw plaats gevonden kan hebben, zal deze dwarsmuur tot op<br />

de verdiepingsvloer zijn gesloopt, werden de zijmuren verhoogd en de (zol-<br />

der)balklaag met zijn korbeeistelIen aangebracht, inclusief een nieuwe kap.<br />

Bij de bouw van de huidige voorgevel (1821) is de zolder verbouwd tot<br />

een tweede verdieping. In beide zijmuren zijn sporen gevonden van de ge-<br />

wezen iets ingemetselde spantbenen en van segmentboognissen in de borst-<br />

weringen daartussen.<br />

Waar de trappen zich hebben bevonden is niet bekend; alleen in de ach-<br />

terkelder zit een gedieht trapgat in het gewelf, ongeveer midden tegen de<br />

dwarsmuur.<br />

De achtergevel (afb. 3; gesloopt in 1974) was koud gemetseld tegen de<br />

linker zijmuur en gedeeltelijk in verband gemetseld met de rechter zijmuur.<br />

In het midden bevatte hij zowel op de begane grond als op de verdieping<br />

oorspronkelijke, maar later gedichte doorgangen naar de smalle aanbouw<br />

aan de achterzijde. Pal westelijk daarnaast zijn op de verdieping de restan-<br />

ten gevonden van een bakstenen kruis- of kloostervenster en oostelijk ervan<br />

moeten de stookplaatsen zijn geweest, getuige de nog aanwezige uitgemet-<br />

seide schoorsteen op zolderniveau. Aanwijzingen, dat er elders in het huis<br />

stookplaatsen zijn geweest, zijn niet gevonden.<br />

Gezien de zojuist genoemde doorgangen zal de smalle aanbouwaan de<br />

achterzijde van het Meentehuis vrijwel tegelijkertijd, dus ca. 1448 zijn op-<br />

getrokken, ondanks het feit, dat de rechter zijmuur koud tegen deachterge-<br />

vel van het Meentehuis opgemetseld bleek te zijn. Hij had een kelder, die<br />

door kruis-graatgewelven, opgaande van muurpenanten overdekt was. De<br />

balklagen waren echter jonger. De verdiepingsbalklaag was 17e-eeuws, een<br />

meest grenen moer- en kinderbalklaag op sleutelstukjes met een eenvoudig<br />

ojiefprofiel. De zoldervloer was een enkelvoudige grenen balklaag en de kap<br />

een eenvoudige sporenkap, Op zolder was een secundaire, later weer gedichte<br />

doorgang naar het Meentehuis. Deze bevatte een eiken deurkozijn<br />

(gezien de constructie van de deursponning niet jonger dan het midden van<br />

de 17e eeuw), die het reeds genoemde schoorsteenkanaal doorsneed. Bij de<br />

sloop van deze vleugel in 1973 kwam veel geprofileerde zand- en baksteen<br />

uit het puin te voorschijn].<br />

112


6. Het Mosterthuis<br />

Dit huis wordt genoemd naar zijn laatste particuliere eigenaar Dirk Mostert<br />

en diens verwanten, die het in 1459 aan de stad overdroegen. Het is<br />

een onderkelderd huis met twee verdiepingen en een kap zonder borstwering.<br />

De balklagen zijn enkelvoudig en waarschijnlijk niet ouder dan 18eeeuws.<br />

Op de verdieping bleek uit sporen in de zijmuren, dat de balklaag<br />

daarboven (die de zalderbalklaag geweest is) oorspronkelijk ongeveer een<br />

meter lager lag dan thans en bestond uit vijf vakken van moer- en kinderbalken,<br />

klaarblijkelijk zonder korbeeIstelIen. Misschien zijn de eiken balken<br />

met kinderbalk-kepen van de huidige zalderbalklaag hiervan afkomstig. Het<br />

huidige (bij de restauratie ingekorte) cassettenplafond, opgebouwd met stuc<br />

tussen houten balken, dateert waarschijnlijk uit het begin van de 1ge eeuw,<br />

vermoedelijk wegens de inrichting van deze ruimte tot raadzaal. In de linker<br />

zijmuur is in het vierde van de vijf moerbalk-vakken een rookkanaal<br />

gevonden.<br />

De kelder is oorspronkelijk overdekt geweest door een enkelvoudige houten<br />

balklaag, waarvan in de linker zijmuur, onder de huidige gewelfbogen,<br />

enkele balkgaten van 30-34 cm breedte en ongeveer 85 cm onderlinge afstanden<br />

werden teruggevonden. Het huidige, kennelijk nog (laat-)middeleeuwse<br />

gewelf van troggewelven op dwarse boogstellingen (van korfbogen<br />

op gemetselde kolommetjes in het midden) is dus secundair.<br />

Het huis zal, gezien de gewezen houten kelderoverzaldering, zijn oor"<br />

sprong hebben in de 14e eeuw; het keldergewelf en de opbouw dateren vermoedelijk<br />

uit de eerste helft van de ISe eeuw, maar door de vele latere wijzigingen<br />

is dat niet zeker te zeggen.<br />

7. Het Wijnhuis, de Raadstoren en de Latijnse School<br />

In de westmuur van de zaal boven de Schepenzaal zijn drie muurankers.<br />

aanwezig, die verbonden moeten zijn geweest met de muurstijlen op de verdieping<br />

van het niet meer bestaande Wijnhuis. Hieruit kan worden afgeleid,<br />

dat het Wijnhuis negen balkvakken heeft gehad tussen de voorgevel en de<br />

Raadstoren aan de achterzijde. Dat is in overeenstemming met de zestien<br />

korbeeIstelIen die in 1449 werden besteld. De bassen zullen hier, net als in<br />

het Raadhuis, op de begane grond onder de balken hebben gezeten.<br />

Oude afbeeldingen laten zien, dat het Wijnhuis in het midden van de<br />

voorgevel aan de Sassenstraat toegankelijk was. Toen omstreeks 1841 het<br />

voorste gedeelte werd afgebroken, vervielen precies drie van de negen balkvakken.<br />

De Raadstoren en de Latijnse school bestonden nog in 1844, maar toen<br />

werd het bovenstuk van de toren afgebroken en het dak van het Wijnhuis<br />

daarover doorgetrokken. In 1867 werden de school (sedert 1820 gedegradeerd<br />

tot militair magazijn), het torenrestant en het Wijnhuis (inmiddels tot<br />

Beurs ingericht) grotendeels gesloopt en vervangen door één nieuw schoolgebouw<br />

(fig. Ic). De gevel van deze nieuwe school aan de Lombardsteeg<br />

werd 3'Il à 4 meter teruggeplaatst ter verbreding van die straat, die voort-<br />

113


Afb. 5. Plattegrond van het stadhuiscomplex voor de verbouwing van 1844. Tekening<br />

in het Gemeentearchief, waarnaar de door Th. H. F. van Riemsdijk in 1876 gepubliceerde<br />

tekening is gemaakt (zie noot 4). Verklaring van de tellers:<br />

a Raadstoren<br />

b Wijnhuis (enkele jaren tevoren aan de zijde van de Sassenstraat ingekort)<br />

c Raadhuis (Schepenzaal)<br />

d Meentehuis<br />

e Mosterthuis<br />

g Secretaris-kamer<br />

h gevangenis<br />

i voormalige Latijnse School (sedert 1820 militair magazijn).<br />

114<br />

~ ',d.I , 1 U<br />

ê=====!'.Ucl<br />

i.<br />

.17ri II":9'n7ud,<br />

1NT/! ,I"".; Z"p"/sr/":· ....~hn:'h.¥Ù t>'//t!frbe.J'~/t"/I,,"<br />

..9',tft>HIf~"'.I1 ?.t?ord


aan Lombardstraat zou heten. In de Voorloopige Lijst (<strong>Overijssel</strong>; uitgegeven<br />

in 1923) worden echter op de binnenplaats behalve de achtergevel van<br />

het Raadhuis nog twee gepleisterde gevels met korfbogige vensternissen en<br />

geprofileerde waterlijsten genoemd, blijkbaar restanten van het Wijnhuis, de<br />

Raadstoren en de Latijnse school'>.<br />

De school werd gesloopt in 1936. Toch was nadien nog een klein gedeelte<br />

van de noordoostelijke hoek van de oude Latijnse school aanwezig:<br />

muurwerk van minstens 75 cm dikte, dat in 1973 is gesloopt. Enkele jaren<br />

later hebben de Vrienden van de Stadskern aan het Grote Kerkplein een<br />

gedeelte van de funderingen van de toren en van de schoolontgraven. Deze<br />

funderingen, resp. 123 en 80 cm dik, waren koud tegen elkaar gemetseld",<br />

wat in overeenstemming is met de ongelijktijdige bouw, bekend uit de<br />

maandrekeningen van de stad Zwolle.<br />

8. Uitleiding<br />

Bij de restauratie van het oude stadhuis kwam op de begane grond in de<br />

wand tussen Meente- en Mosterthuis een zwaar geschonden natuurstenen<br />

arcade aan het lieht, bestaande uit drie korfbogen op twee halfkolommen<br />

en twee vrijstaande kolommen, in zware klassicistische vormen. Een van de<br />

kolommen was geheel verdwenen, maar de arcade is geheel gereconstrueerd.<br />

Zij lijkt te dateren uit de 17e eeuw; misschien is ze aangebracht<br />

bij de verbouwing van 1658, toen de betimmering uit de Schepenzaal verwijderd<br />

werd.<br />

Op de plattegrond van het Raadhuiscomplex van voor de verbouwing<br />

van 1844 (afb. 5) is de arcade al gedeeltelijk gedieht, maar zijn de kolommen<br />

nog te herkennen. Ook de oorspronkelijke toegang vanuit het Meentehuis<br />

tot de Schepenzaal was toen nog in gebruik. De huidige toegang dateert<br />

dus van 1844 (of daarna). Hetzelfde geldt voor de toegang tot de zegelkamer<br />

en de doorgangen vanuit de Schepenzaal naar de zegelkamer en de<br />

kolenkamer.<br />

Uit 1615 dateert de muurkast met de drie zwaarden in de Schepenzaal;<br />

in dat jaar vonden althans betalingen plaats voor het houtwerk en het ijzerwerk<br />

van 'die kaste daer die richtswaerden in hangen'!'.<br />

Zoals we al zagen dateert de voorgevel van het stadhuis uit 1821; inwendig<br />

moesten daarbij een aantal vloerniveaus aangepast worden. Zo vermoeden<br />

we, dat het cassettenplafond op de verdieping van het Mosterthuis van<br />

deze verbouwing dateert. De voorgevel is geheel symmetrisch, zodat het<br />

niet waarschijnlijk is, dat het toen nog bestaande Wijnhuis tegelijkertijd een<br />

nieuwe voorgevel kreeg. Dit behield blijkbaar zijn oorspronkelijke gotische<br />

voorgevel tot de sloop van ca 1841. Afbeeldingen van de gevels uit de periode<br />

1821-'41 zijn helaas niet bekend.<br />

In 1863 zou de voorgevel van 1821 vernieuwd zijn. Misschien werd bij<br />

die gelegenheid de architectuur van die gevel de hoek omgevoerd tot de in<br />

1841 teruggeplaatste voorgevel van het Wijnhuis (afb. 5). Ook nu nog kan<br />

115


men daaraan de plaats aflezen die de voorgevel van het Wijnhuis sinds<br />

1841 had.<br />

Over de verbouwingsgeschiedenis van het stadhuis in de jongste eeuwen<br />

zal archivalisch onderzoek nog veel kunnen leren.<br />

Noten<br />

l. Voor kostelijke afbeeldingen van de nog bestaande en van de verdwenen gedeelten<br />

van het middeleeuwse stadhuiscomplex (tekeningen, foto's, situatie- en reconstructietekeningen)<br />

zie R. van Beek, H. Prins en G. Oostingh, Zwolle van<br />

stuwwal tot stad (Zwolle 1976).<br />

2. E. H. ter Kuile, Noord- en Oost-Salland = De Nederlandse Monumenten van<br />

Geschiedenis en Kunst. deel IV derde stuk, Den Haag 1974, 93-103.<br />

3. Vriendelijke mededeling van ing. D. J. de Vries te Utrecht/Zwolle.<br />

4. Een oorkonde uit 1330 is te vinden in: G. J. ter Kuile,Oorkondenboek van <strong>Overijssel</strong><br />

IV (Zwolle 1967), . 86, nr. 948; akten uit 1374 en 1392 zijn onlangs geanalyseerd<br />

in: F. C. Berkenvelder, Zwolse regesten I (Zwolle 1980), nrs. 114 en 347;<br />

akten uit 1398, 1419, 1443, 1444, 1445 en 1459 worden geciteerd in: Th. H. F.<br />

van Riemsdijk, 'Het Zwolsche stadhuis', in: Bijdragen tal de Geschiedenis van<br />

<strong>Overijssel</strong> III (1876), p. 33-66 (aan welk artikelook diverse andere bijzonderheden<br />

zijn ontleend); op akten uit 1398, 1424, 1441 en 1445 en een ongedateerd<br />

laat-14e-eeuws stuk (resp. F. C. Berkenvelder, a.w., no. 524, G.A. Zwolle, chartercollectie<br />

374.02, 441.03 en 445.06 en inv. AAZOI-00246, 99) werd ik geattendeerd<br />

door drs Christine R. G. Hofstee en ing. D. J. de Vries.<br />

5. Drs Christine R. G. Hofstee was zo vriendelijk mij haar transcripties van deze<br />

rekeningen ter inzage te geven.<br />

6. Van Riernsdijk, a. w., 40. In de maandrekeningen wordt de inwijding niet vermeId.<br />

7. Niet meester Berend, zoals Van Riemsdijk abusievelijk vermeldt.<br />

8. Bij de restauratie is door het tot op de vloer uithakken van deze inkassingen ten<br />

onrechte de indruk gewekt, dat hier wèl een oorspronkelijke dwarsmuur is geweest.<br />

9. Zie de bijdrage van D. J. de Vries in deze bundel. Het laatstgenoemde profiel<br />

beeldt hij af in fig. 12 nr II, vgl. nrs 9, 10 en 14. Het profiel van het sleutelstuk<br />

onder de strijkbalk komt ook voor in het voormalige Vleeshuis (1469); het sleutelstukprofiel<br />

van de eerste moerbalk is het alom bekende peerkraalprofiel tussen<br />

twee hollen. Zie D. J. de Vries, De konstruktieve ontwikkeling van het stadswoonhuis<br />

te Zwolle van 1300-1700 (afstudeerprojekt H.T.S. Zwolle 1979) III, 8<br />

en 9.<br />

10. In het archief van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg te Zeist bevinden<br />

zich hiervan nog enkele opmeetschetsen uit 1904 van Adolph Mulder, Rijksarchitect<br />

voor de Monumenten. Daaruit blijkt, dat de verdiepingsvloer en de zoldervloer<br />

in het achterstuk van het Wijnhuis resp. ca. 60 en 75 cm lager lagen<br />

dan in het Raadhuis. Bij de voorgevel moeten die vloerniveaus echter gelijk zijn<br />

geweest, gezien de tekening van Pronk (afb. 00).<br />

II. Gemeentearchief Zwolle. Jaarrekening over 1615 (Inv. AAZO I nr. 01489), 63 en<br />

64. Vriendelijke mededeling van drs. Christine R. G. Hofstee.<br />

Reconstructieiekening vóór de veranderingen van 1821, door H. Prins. Vr.n.l. het Wijnhuis<br />

(A), het Raadhuis (B), het Meentehuis (C) en het Mosterthuis (D).<br />

117

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!