gebouwen - Historisch Centrum Overijssel

historischcentrumoverijssel.nl

gebouwen - Historisch Centrum Overijssel

Afb. 1. Huidige aanblik van het oude stadhuis mel de voorgevel van /82/ aan de

Sassenstraat en de zijgevel aan het Grote Kerkplein. FaLOA. J. van der Wal (Rijksdienst

voor de Monumentenzorg).

94


Het oude stadhuis van Zwolle

door ir. G. Berends

1. Inleiding

Het stadhuis, het bestuurlijke centrum van Zwolle, bevindt zich al zeker

zes en een halve eeuw in het hartje van de stad, in de directe nabijheid van

de Grote of St.-Michaëlskerk. Sinds 1975, toen een vergrotings- en verbouwingsplan

werd gerealiseerd, bestaat het uit drie gedeelten (zie fig. Id):

a. het oude stadhuis, op de hoek van de Sassenstraat en het Grote Kerkplein,

dat gerestaureerd werd door de architect Ir. P. B. OtTringa te Groningen,

b. een groot nieuw bouwlichaam, ontworpen door de architect J. J. Konijnenburg

te Parijs, dat zich over 78 meter uitstrekt langs de Goudsteeg,

over de Lombardstraat is heen gebouwd en kortere gevels heeft aan de

Sassenstraat, het Grote Kerkplein en de Lombardstraat, en

c. de voormalige Weme of pastorie van de St.-Michaëlskerk, als zodanig

gebouwd in de jaren 1490-'97, na de Reformatie in gebruik als Bank van

Lening (of Lombard), sedert 1925 als onderdeel van het politiebureau en

voor zijn huidige functie gerestaureerd door de afdeling Monumentenzorg

van de Gemeentelijke dienst voor Openbare Werken.

In deze bijdrage gaat het om het eerste van deze drie gedeelten, het oude

stadhuis, dat aan de Sassenstraat voorzien is van een neoklassicistische

voorgevel. Achter deze gevel (afb. I), die blijkens een stichtingssteen uit

1821 dateert, gaan drie middeleeuwse bouwlichamen van verschillende ouderdom

schuil; van West naar Oost zijn dit het eigenlijke Raadhuis (waarin

de befaamde Schepenzaal), het Meentehuis en het zg. Mosterthuis. Daarnaast

willen wij ook aandacht schenken aan die gedeelten van het middeleeuwse

stadhuiscomplex, die in de 1ge eeuw zijn gesloopt: het Wijnhuis, de

95


Afb. 2. Sassenstraat mel v.l.n.r. de gevels van het Mosterthuis. het Meentehuis. het

Raadhuis en het Wijnhuis. Rechts het zuiderzijkoor en een. gedeelte van het hoofdkoor

van de Grole of St=Michaëlskerk. Tekening, toegeschreven aan C. Pronk

(/691-1759).

96


Raadstoren en de Latijnse School (zie fig. lb, 2 en afb. 2)'.

Met de bouw van het eigenlijke Raadhuis werd in 1447 begonnen. Tegelijkertijd

verrees westelijk daarnaast (vlak bij de Grote kerk dus) het Wijnhuis

en zuidelijk dáárnaast (aan het Grote Kerkplein) de Raadstoren. Het

Raad- en het Wijnhuis werden aan de Sassenstraat van één natuurstenen

voorgevel voorzien, die bekend is door een 18e-eeuwse penseeltekening, die

toegeschreven wordt aan Cornelis Pronk (afb. 2).

Het Meentehuis is een voormalig woonhuis, dat in 1448 verbouwd werd

om te gaan dienen als vergaderruimte van de Meenslieden. Ook het Mosterthuis

is een voormalig woonhuis; het werd in 1459 door de familie Mostert

aan het stadsbestuur overgedragen.

De Latijnse School werd in 1445-'46 gebouwd aan het Grote Kerkplein

op de hoek van de Lombardstraat. Slechts enkele jaren later werd de

Raadstoren er vlak naast opgetrokken.

Het Wijnhuis en de Raadstoren werden in de 1ge eeuw in twee etappes

afgebroken (in 1841144 en 1867). Bij de tweede afbraakcampagne verdween

ook de Latijnse School. Op de plaats van deze drie gebouwen verrees toen

een nieuw schoolgebouw (fig. Ic), dat op zijn beurt in 1936 werd gesloopt.

De passage tussen het Wijnhuis en het zuidelijke zijkoor van de Grote

Kerk was erg smal. Dit zijkoor is minder diep dan het hoofdkoor en het

noordelijke zijkoor van de kerk. De plaatselijke situatie maakte het de

kerkbouwers kennelijk onmogelijk alle drie koren even diep te maken. Met

de bouw van de huidige kerk is men waarschijnlijk omstreeks 1370 begonnen-,

ter vervanging van een oudere en kleinere kerk. Een onderzoek boven

de gewelven van de huidige kerk leerde, dat de koorpartij ouder is dan het

schip en dat deze direct zijn huidige omvang kreeg. Toen in 1447 werd begonnen

met de bouw van het Raadhuis en het Wijnhuis zal de koorpartij

van de kerk dus zeker wel voltooid zijn geweest. Aangezien (zoals we hieronder

zullen zien) op de plaats van het Wijnhuis al in 1330 een stadhuis

wordt vermeld, komen we tot de slotsom, dat de passage zo smal is geworden

door de bouw van het zijkoor, en niet door de bouw van het Wijnhuis

in dejaren 1447-'49.

In 1973 begonnen de werkzaamheden voor de restauratie van het oude

stadhuis en voor de bouw van het nieuwe gedeelte. Afgebroken werden onder

meer de vijf naastgelegen huizen aan de Sassenstraat (tot aan de Goudsteeg),

waarvan de meeste al bij het stadhuis waren ingelijfd. De middeleeuwse

kelders van deze huizen waren tevoren opgemeten en in tekening

gebracht door de Gemeentelijke dienst voor Openbare Werken (afdeling

Monumentenzorg). Inwendig leken deze huizen weinig opmerkelijks te bevatten;

de balklagen waren merendeels aan het oog onttrokken. Bij de sloop

bleek echter dat er nog verscheidene eiken moer- en kinderbalklagen waren,

deels nog voorzien van gotische sleutelstukken. In het middelste van deze

vijf huizen kwam een fraai eiken paneel in renaissance-vormen te voorschijn",

Ook de smalle aanbouw tegen de achterzijde van het Meentehuis

werd gesloopt.

97


98

KERKHOF

Ca 1LfljO

o 20M

'===±==J

ça 1520

o 20M

'====±===l


Fig. I a-d. Situatie van het stadhuis in de loop der tijden, schaal 1:2000. Het Noorden

boven. (De omcirkelde cijfers op de verschil/ende plattegronden duiden dezelfde

gebouwen of percelen aan).

Fig. 1a. Reconstructie van de toestand omstreeks 1440.

la Raadhuis

lb Wijnhuis

2 Kerstanshuis, in gebruik bij het Wijnhuis

3 Kremer Arentshuis, in gebruik als stadstimmerhuis

4 Huis van de stadssecretaris Johannes Tiel, in 1444 door de stad aangekocht

5 Huis van Dirck Mostert

6 Schuur van Johannes Tiel, in 1445 door de stad aangekocht

7 Latijnse School

8 Weme ofpastorie van de St.-Michaëlskerk

11 St.-Michaëlskerk

Fig. lb. Reconstructie van de toestand omstreeks 1520.

1 Raadstoren, gebouwd 1448-'50, gesloopt 1844 en 1867

2 Wijnhuis, gebouwd 1448-'49, gesloopt 1841 en 1867

3 Raadhuis (waarin de Schepenzaal), gebouwd 1447-'49

4 Meentehuis, in 1448 daartoe verbouwd

5 Mosterthuis, sedert 1459 sledelijk bezit

6 Achtervleugel. vermoedelijk ca 1448 gebouwd

7 Latijnse School, gebouwd 1445-'46, gesloopt 1867

8 Weme of pastorie van de St.-Michaëlskerk, gebouwd in dejaren 1490-'97

9 Huis, sedert 1514 in bezit van de Broeders van het gemene leven; in gebruik bij

het zg. Arme Fraterhuis

10 Scholierenhuis van het Arme Fraterhuis. gebouwd ca 1516

11 St.-Michaëlskerk

Fig. Ic. De toestand in 1867.

lOpenbare school J, gebouwd 1867, later bekend als de Brouwerschool. gesloopt

1936

3, 4, 5 Stadhuis, in 1821 van een nieuwe voorgevel voorzien

6 Achtervleugel van het stadhuis, waarin de secretariskamer. Gesloopt 1973

7 Politiebureau, in 1925 verplaatst naar een nieuw gebouwaan de overzijde van de

straat

8 Lombard of Bank van Lening, sedert 1925 onderdeel van het Politiebureau

9 Kerk van de Gerei gem. onder het Kruis; in 1869 School met den Bijbel. Later

Wijnbeekschool; gesloopt 1973

10 Voormalig Scholierenhuis in 1872 verbouwd tot Openbare tussenschool

11 Grote of St=Michaëlskerk

Fig. 1d. De huidige toestand.

1 Het nieuwe gedeelte van het stadhuis, gebouwd 1974-'76

3, 4, 5 Het oude gedeelte van het stadhuis, gerestaureerd 1974-'76

8 Voormalige Weme, sedert de restauratie (/974-'75) onderdeel van het stadhuis

10 Voormalige school, in 1973 aan de achterzijde ingekort. Onlangs verbouwd/ gerestaureerd

tot Gem. Kredietbank/Woningbureau

Il Grote of St.-Michaëlskerk

99


De restauratie van het oude stadhuis bood de gelegenheid een bouwhistorisch

onderzoek te verrichten, waarvan de belangrijkste resultaten, na een

behandeling van de historische gegevens, hieronder beschreven worden.

De nieuwbouw van het stadhuis had twee ingrepen in het oude gebouw

tot gevolg: in het achterstuk van het Mosterthuis kwam een nieuw trappenhuis,

terwijl het achterstuk van het Meentehuis (voor zover dit dieper was

dan het Mosterthuis) werd gesloopt (met uitzondering van de kelder); ook

hier kwam een nieuwe trappartij.

2. De voorgeschiedenis tot 1447

Uit oude akterr' kan worden opgemaakt, dat het Raadhuis en het Wijnhuis

in 1447-'49 verrezen zijn op de plaats van drie oudere panden die, gelet

op de directe nabijheid van de koorpartij van de kerk, gezamenlijk dezelfde

gevelbreedte aan de Sassenstraat moeten hebben gehad. In die akten

worden die oudere huizen meestal met hun belendingen vermeld, zodat hun

ruimtelijke opvolging kan worden vastgesteld (zie fig. Ia).

Op de hoek, bij het koor van de kerk, stond het oude stadhuis, dat al in

1330 vermeld wordt als 'domus dicte civitatis'. In 1398 wordt dit huis 'onse

wijnkelre' genoemd en in 1441 'der Stat wijnhuys'. Het 'Raethuys' wordt in

1444 genoemd aan het 'KerckhofT' (het huidige Grote Kerkplein); blijkbaar

stonden toen Wijnhuis en Raadhuis naast elkaar op het hoekperceel.

Hiernaast aan de Sassenstraat stond in 1330 het huis van Cristantius, dat

in of voor 1392 in stedelijk bezit kwam. In 1398 schreven Schepenen en

Raad, dat zij met dit huis 'onse stad wijnkelre vermeret hebben'; in een ongedateerd

stuk uit ongeveer dezelfde tijd is dan ook sprake van 'Kerstans

huys dat nu die c1eyne wijnkelre is'.

Het derde huis behoorde in 1330 aan een zekere Schyring en later in dezelfde

eeuwaan Kremer Arend (alias Arent Kremer Arendeszoen), wiens

naam nog tot ver in de ISe eeuwaan dit huis verbonden zou blijven, hoewel

het pand reeds in of vóór 1374 eigendom was geworden van Kerstken

Engebertszoon en diens vrouw Alijd. In 1419 verkochten Maes Heorixsoen,

diens vrouw Wobbe en zoon Gherbert dit huis aan de stad. In 1444 blijkt

het als stadstimmerhuis ('der stat tymmer') dienst te doen.

Het vierde huis behoorde in 1374 en 1392 aan Seyne Wolbertszoen, in

1419 aan Grete Rolofsdochter van Ittersim en in 1444 aan de stadssecretaris

Johannes Tiel en zijn vrouw Zwenelt, die het toen aan de stad verkochten.

Het volgende jaar woonde Johannes Tiel er nog, maar in 1448 werd

het verbouwd en sedertdien fungeerde het als 'Meentehuys'.

Het vijfde huis behoorde in 1444 en '45 aan Dirck Mostert en diens

vrouw Lutgart; in 1459 kwam het in het bezit van de stad.

Het huis van Kerstan (fig. Ia or 2) grensde (in 1441) aan de achterzijde

aan de Latijnse School (fig. Ia or 7), terwijl het buurhuis (fig. Ia or 3) in

1419 aan die zijde aan een straat grensde, bij de wedeme (fig. Ia or 8).

Hiermee is de omvang van de school, die aan het Grote Kerkplein gestaan

moet hebben, bepaald. In 1445 en '46 werd de school door een groter ge-

100


ouw vervangen. In 1445 betaalde de stad een vergoeding aan Johannes

Tiel voor de afbraak van de 'stallinge' achter diens huis (fig. la nr 6) en de

nieuwbouw op die plaats; kennelijk betrof dit de nieuwe Latijnse School.

3. De bouw van het Raadhuis, het Wijnhuis en de Raadsloren in 1447-'50

Nadat de Latijnse School goeddeels was voltooid, werd begonnen met de

voorbereidingen voor de nieuwbouw van Raadhuis, Wijnhuis en Raadstoren.

De stadsrekeningen (zowel de maand- als de jaarrekeningen) over 1447

en volgende jaren geven daarover een inzicht, al wordt bij de meeste. posten

niet vermeld welke objecten ze betreffen- .

Alle bebouwing op de drie percelen op de hoek van het Grote Kerkplein

en de Sassenstraat (het oude Raadhuis, het oude Wijnhuis, het Kerstanshuis

en het Kremer Arentshuis dus) moet zijn afgebroken.

Begonnen werd met het verwijderen van de dakpannen van de 'colecamer',

het Kerstanshuis, het Wijnhuis en het Raadhuis. Ook wordt gesproken

over het breken van steenwerk van de 'colecamer ende dat ander huys

(het Kerstanshuis?) dair by boven der eerden'; waar deze colecamer gesitueerd

was weten we niet. Vervolgens werden de twee gevels en de twee zijmuren

van het Wijnhuis afgebroken. Over de sloop van het raadhuis en het

Kremer Arentshuis wordt verder niet gesproken.

In de tweede helft van mei 1447 werd de eerste steen van het nieuwe

raadhuis geplaatst, waaronder een Arnoldus-gulden werd gelegd. Het werk

werd voortvarend ter hand genomen. Twintig stuks Drakenvelder steen

werden gekocht als voetstukken voor de 'pijlres' (= smalle muurdammen

tussen de vensters?). Meester Johan van Campen maakte de bassen (= balkconsoles);

glasvensters, luiken en traliën werden gemaakt; men kocht van

Meester Herman van Colne een schouw van Drakenvelder steen en 70 voet

van dezelfde steensoort om goten van te maken. In november was men zover

gevorderd, dat een kast in de keuken gedragen kon worden en begonnen

kon worden met het overwelven van de kelder onder de 'Raetkamer' (d.i.

de Schepenzaal), het aanbrengen van de vloer daarop en het plaatsen van

de schouw. Vervolgens maakte meester Claes timmerman vijf paar kruisvensters,

werd koper gekocht voor drie (wind)vanen op het dak en leverde

de timmerman 8ertelmeus drie deuren. Op 24 januari 1448 werd de Schepenzaal

ingewijd".

Vervolgens werd de fundering voor de Raadstoren gelegd en kwam ook

de bouw van het Wijnhuis daarnaast op gang. Twintig kruisvensters met

hun toebehoren waren al voor het Wijnhuis gekocht. Meester Berend werd

betaald voor het houwen van 61 voet 'pijlres' voor Raad- en Wijnhuis beide;

we veronderstellen dat dit de voorgevel aan de Sassenstraat betrof. Voor

het Wijnhuis werd hout gezaagd, 102 ribben aangekocht, negen 'paer venster'

(= luiken) gemaakt door meester Dire Fluggert en later nog eens vier

'paer vensteren' door de stadstimmerman Bertelmeus.

Ook het huis van Johannes Tiel werd onder handen genomen: de 'middel

101


Fig. 2. Reconstructie van de plattegrond (in hoofdzaken) van het stadhuiscomplex in

de middeleeuwen met de voorgevel (Sassenstraat) onder, schaal 1:500. Naar opmetingen

van Openbare Werken Zwolle, architectenbureau il' P. B. Offringa te Groningen,

opmeetschets van D. J. de Vries, de stadhuisplattegrond van 1844 (afb. 5) en

het kadastrale minuutplan (ca 1830). Bij het ter perse gaan van deze bundel meldde

de heer G. Oostingli mij zijn vondst tijdens de afbraak in april 1973 in de westgevel

van de smalle vleugel achter het Meentehuis: een zandstenen kolom, onder van vierkante

doorsnede, maar hogerop zeskantig met kleine holprofielen op de hoeken aan

de binnenzijde. De vormen zijn gotisch; kennelijk is deze vleugeloorspronkelijk een

open galerij geweest. De gevonden kolom, die bewaard was gebleven tussen twee

jongere vensterkozijnen, is de tweede van de hier gereconstrueerde reeks van zes (geteld

vanaf het Meentehuis).

102

~

l

II

MOSTERT·

HUIS

f:

ri

~ \\

f; ~

"

p;

MEENTEHUIS

"

lAPJN5E SCHOOL


ghevel' (= inwendige dwarsmuur?) werd afgebroken en een kamer werd uitgebroken.

De werkzaamheden aan het Raadhuis betroffen vooral de afbouw: drie

vrachten wagenschot werden aangevoerd, Celen de timmerman kwam uit

Doesburg om de Schepenzaal te stofferen, 1500 dubbele plavuizen werden

uit Utrecht aangevoerd en meester Berend maakte 'een vuersteen van pannen

stucken'. Dit laatste betreft vermoedelijk de vloer of achterwand van de

stookplaats in een schouw. Steven, timmerman van Campen, werkte aan

het schepengestoelte, waaraan 62 panelen werden gelijmd. Er is ook sprake

van een 'halff stoelte' , gemaakt door meester Dire Fluggert. Aan één van de

gestoelten sneed Henrie Claess. 'drie wilde dier' en 21 'lover anden pynelen'.

Diezelfde Henrie sneed ook 'lover' voor de balkconsoles, die door de

schilder Tijenijs werden 'gestoffeerd'. Er kwamen ook andere zetels Csittens')

in de Schepenzaal, blijkbaar in de vorm van kisten, omdat daarvoor

zes sloten met daarbij horende overslagen Chengschele') en twaalf sleutels

geleverd werden. Voor de schouw werden twee kandelabers geleverd, eveneens

door meester Herman van Campen. Geerd de kistemaker maakte zeven

'spynde' en de stadstimmerman Bertelmeus tien 'paer venster achter

ant Raethuys' (dus luiken voor de vensters in de achtergevel). Meester Henric?

sneed twaalf 'compasse' en ander snijwerk aan zes spinden en voor de

'columpnen' aan het schepengestoelte. Misschien waren dit de zes spinden,

die Johan van Lubeke voor het Raadhuis maakte en dezelfde zes, die meester

Marten rood en blauw schilderde. Dezelfde meester Johan maakte ook

een 'cunttoer' (kantoorkast), waarvoor vijf grote 'waghenschote' nodig waren.

Het is dan inmiddels mei 1449 geworden.

In november 1448 wordt voor het eerst een nieuwe 'coelkamer' genoemd,

waaruit toen aarde werd verwijderd, evenals uit de kelder van het nieuwe

Wijnhuis. Waar deze kolenkamer zich bevond, blijkt niet. Het was geen

onaanzienlijke ruimte, want hij werd bevloerd met zes zerken Csarck') en

ervóór kwam een waterput. Meester Berend werd september/oktober 1449

opgedragen een schouw Cschoersteen') voor deze kamer te maken

Begin 1449 werd 309 voet Bentheimer steen gekocht voor de gevel van

het Raadhuis, terwijl meester Berend werd opgedragen 42 voet 'pi leers' en

nog 5 'peilers' te houwen. Wat later werd nog eens 136 voet steen gekocht

voor de tinnen van Raadhuis en Wijnhuis beide. Aan Bertelmeus werd opgedragen

zestien korbeeIstelIen Ccarbele mit horen stantvincken') te maken

voor de verdieping van het Wijnhuis en twee korbeeIstelIen voor boven de

kolenkamer. Eind mei werd de steiger voor het raadhuis afgebroken. De

verdere werkzaamheden betroffen het afwerken en verfraaien, zoals het vergulden

van twaalf 'vacke' (boogvullingen boven de vensters?) en twee

(wind)vanen, het schilderen van schilden en het verven van de diefijzers.

Johan Hermanssoen van Campen maakte voor het Raadhuis twee engelen

en het stadswapen en meester Berend zorgde voor de bassen (= balkconsoles)

in het Wijnhuis. De schilder meester Marten kreeg ook veel te doen: 17

(wapen)schilden in het Wijnhuis, drie schilden van de schouw in het Raad-

103


Fig. 3. Reconstructie van de plattegrond (begane grond) van het nog bestaande oude

stadhuis in zijn middeleeuwse gedaante, met de voorgevel (Sassenstraat) onder,

schaal 1:250. Met streepjes-lijnen is de kelderplattegrond getekend, waarin met stippellijnen

de projectie van de gewelven is aangegeven. Naar opmetingen van architectenbureau

ir P. B. Offringa te Groningen, eigen waarnemingen en vondst van G.

Oostinga (vgl. fig. 2).

104

, ,

I I

:Cil

, I

I I

I I

I I

I

J

!I

:

:~ ßI ß !3

-, ,I

:

I

I ,

~,-:?

~

r

I

I

r

I

I

I

L ______

r--

J __J

ßl a is!

I

I

I

l--


huis, het beeld van Sint Miehiel en het schild daaronder, allerhande werk

in de 'segelkamer' waaronder twee schilden in het gewelf en twee engelen

boven de trap. Ook verfde hij de 'tralyen' voor de 'segelcamer en de coelcamer'.

Deze twee kamers worden nog twee keer in één adem genoemd; misschien

moeten we hierin de twee vertrekken voor de raadzaal zien. In

januari 1450 schilderde meester Marten in de Raadkamer een tafereel met

het devies 'AIteram partem audite'.

Over de voortgang van het werk aan de Raadstoren is pas sprake in de

rekeningen over 1450; in oktober van dat jaar was men bezig met het dekken

van het dak. Ook hier had meester Marten veel te doen: het schilderen

en vergulden van een wapenschild aan de voorzijde, het beschilderen van

het gewelf, het schilderen van negen kapitelen en het vergulden van negen

bloemen. Ook schilderde hij de 'Ieuve' (vermoedelijk een uitgebouwde erker)

aan de toren, het gewelf daaronder en de luiken en deuren. De vloer

van die erker werd gedrenkt met een mengsel van 'onghel' en 'herssen',

waarschijnlijk om hem waterafstotend te maken. Het is dan inmiddels mei

1451.

Ook het Raadhuis ondergaat nog verfraaiingen. Er worden negentien zonnen

en negentien manen gesneden voor op de balken in de Schepenzaal en

zes van deze balken werden geschilderd. Voor kussens wordt Rijnse wol en

14 ellen 'Iynnen doecx' gekocht. Boven de kolenkamer wordt gewerkt aan

een 'schoersteen'. In de zegelkamer werd in 1454 een 'contour' geplaatst.

Het Meentehuis werd in 1451 boven en beneden met klei en zand gevloerd,

wat blijkbaar betrekking heeft op de begane grondvloer (boven het

keldergewelf) en de keldervloer. In 1454 werd in dit huis een houten trap

aangebracht.

Aan de toren wordt ook in 1452 nog gewerkt: er worden dan ribben en

wagenschot gezaagd, het bovenste gewelf wordt beschilderd en de stadstimmerman

Bertelmeus wordt opgedragen een kamer in de toren te 'stofferen'.

4. Het Raadhuis

Bij het onderzoek tijdens de restauratie is gebleken, dat het eigenlijke

Raadhuis (dat is dus het westelijke van de drie bouwlichamen, waaruit het

huidige oude stadhuis bestaat) geen oudere elementen bevat, maar in zijn

geheel nieuw gebouwd is in het midden van de ISe eeuw (fig. 3 en 4). Dit

geldt dus ook voor de gemeenschappelijke zijmuur met het Meentehuis.

Het enige dat van een ouder gebouw te voorschijn kwam, was een gedeelte

van de fundering van waarschijnlijk een achtergevel; dit werd bij het archeologisch

onderzoek in de kelder gevonden (zie de bijdrage van R. van

Beek en V. T. van Vilsteren in deze bundel).

Het Raadhuis wordt door een dwarsmuur gedeeld in twee ongelijke delen.

Hoewel deze muur, voor zover na te gaan, niet in verband met de zijmuren

is opgemetseld, behoort hij kennelijk toch tot het bouwplan. Het

grote achtergedeelte omvat op de begane grond de Schepenzaal, in de

maandrekeningen 'Raetkamer' genoemd. De ruimte daarboven was wellicht

lOS


Fig. 4. Reconstructie van de langsdoorsnede van het Raadhuis (met de Schepenzaal)

in zijn middeleeuwse gedaante, gezien naar het Westen; de voorgevel aan de Sassenstraat

rechts, schaal 1:250. Naar opmetingen van architectenbureau ir P. B. Offringa

te Groningen e.a.

106


de schrijfkamer , die in de rekeningen over 1450 genoemd wordt; het laatst

diende hij als archief. Vààr de Schepenzaal waren op de begane grond twee

ruimten, vermoedelijk de in de rekeningen genoemde zegelkamer en kolenkamer.

De kelder onder de Schepenzaal wordt overwelfd door zware dwarse gordelbogen,

waartussen segmentboogvormige tongewelfjes geslagen zijn. Een

viertal uitgespaarde inkassingen naast de dwarsmuur en de naastliggende

gordelboog doen vermoeden, dat aanvankelijk een wat andere indeling gepland

was. De thans gedichte keldertoegang vanuit de achterkelder van het

Meentehuis is oorspronkelijk, evenals waarschijnlijk de achteruitgang naar

buiten.

Onder de zegel- en de kolenkamer bevinden zich twee apart overwelfde

kelderruimten, gescheiden door een gordelboog. De kleinste (oostelijke)

ruimte wordt overwelfd door een segmentboogvormig tongewelf, de grootste

ruimte door een kruisgewelf. Van hier is een gedichte doorgang naar de kelder

van het voormalige Wijnhuis; ook is hier waarschijnlijk een toegang

vanaf de straat geweest, die later werd gewijzigd in een venster en tenslotte

is gedieht, Wat de betekenis is van de muurverzwaring aan de straatzijde in

de hoek, is niet duidelijk; een restant van vroegere bebouwing? De doorgang

naar de kelder van het Meentehuis is oorspronkelijk, zij het later verbreed.

De oorspronkelijke toegang van de Schepenzaal bevond zich aan de zijde

van het Meentehuis in de hoek bij de dwarsmuur; bij de ontpleistering van

de muren kwam deze in dichtgemetselde toestand aan het lieht, Naar de zegelkamer

was een lagere en smallere doorgang, waarvan één dagkant in de

hoek naast de huidige doorgang te voorschijn kwam. De wanden van de

Schepenzaal waren oorspronkelijk met wagenschot bekleed; hiertoe waren

horizontale ribben in de muren ingemetseld. Een enkele hiervan bleek nog

in de muur te zitten, de overige waren vervangen door metselwerk. Zoals

bekend, is de houten wandbekleding in 1658 verwijderd. Van de zes wandkasten

(spinden) zijn er nog vier met hun fraaie met 'compassen' versierde

deurtjes aanwezig, twee aan weerszijden van de schouwen twee in de tegenoverliggende

muur. In deze laatste muur zijn de twee verdwenen kasten in

dichtgemetselde toestand teruggevonden. De zoldering van moer- en kinderbalken

op consoles ('bassen') is nog gaaf aanwezig, inclusief de 19 zonnen

en 19 manen op de onder- en zijkanten van de balken.

De vloer boven de zegel- en kolenkamer, die oorspronkelijk op gelijke

hoogte lag met de vloer bov~n de Schepenzaal, heeft men ca 1.80 m laten

zakken, om op dezelfde hoogte te komen als de verdiepingsvloer van het

Meentehuis. Waarschijnlijk is dit gebeurd bij de bouw van de huidige voorgevel

van het stadhuis, in 1821. Boven de huidige vloer is tegen het oostelijke

gedeelte van de dwarsmuur de moet te voorschijn gekomen van een

spitsbogig gewelf. Omdat we uit de rekeningen weten, dat de zegelkamer

overwelfd was, menen we de zegelkamer hier te mogen situeren. Wat meer

westelijk kwam in dezelfde muur een rookkanaal tevoorschijn, behorend bij

107


Afb. 3. Achtergevel van het Meentehuis in april 1973, na de sloop van de aanbouw,

waarvan de vorm en het keldergewelf nog duidelijk zichtbaar zijn. Verder zijn te zien:

de verticale naad tussen de achtergevel en de zijmuur rechts, het rookkanaal met het

daardoorheen gebroken deurkozijn en de boog van een gedichte doorgang. Bij de

entpleistering en de sloop van de gevel kwam naast het hoge verdiepingsvenster een

gedieht bijna even hoog bakstenen venster (met gebogen kalf) tevoorschijn.

108


een schouw op de begane grond. Hier kan dus de kolenkamer geweest zijn,

waarvoor meester Berend volgens de rekeningen van 1449 een schoorsteen

maakte.

De 18e-eeuwse tekening van de gotische voorgevel van Raad- en Wijnhuis

(atb. 2) laat zien, dat de zegelkamer in de voorgevel geen toegang had.

De naam en de overwelving van deze ruimte doen ook niet vermoeden, dat

hij een portaalfunctie voor de Schepenzaal had. Ook de kolenkamer had

geen toegang, behalve misschien in de meest westelijke raamtravee, waar op

de tekening juist een ruiter passeert. Toch zalook hier geen toegang zijn geweest,

omdat de schouween waardige doorgang naar de Schepenzaal onmogelijk

maakte. We moeten dus aannemen, dat het Raadhuis niet direct

vanaf de Sassenstraat toegankelijk was, maar alleen via het Meentehuis betreden

kon worden.

Of er een doorgang geweest is van de kolenkamer naar het Wijnhuis kon

niet vastgesteld worden. Onmogelijk is het niet, omdat zowel op de verdieping

als in de kelder, wèl een dergelijke doorgang geweest blijkt te zijn.

Evenals de Schepenzaal heeft de zaal daarboven twee toegangen gehad,

op dezelfde plaatsen gelegen. Of de doorgang naar de verdieping van het

Meentehuis oorspronkelijk was, konden we echter niet vaststellen. De zaal

wordt overdekt door vijf vakken moer- en kinderbalken, ondersteund door

muurstijlen, korbeels en sleutelstukken met peerkraalprofiel. In de westmuur

zijn in het middelste vak overblijfselen gevonden van een schouw;

ook in het midden van de noordwand is echter blijkbaar een schouw geweest.

In de oostmuur zit in elk vak een segmentboognis, behalve in het

vak van de toegangsdeur.

Aan de straat was op de verdieping blijkbaar één ruimte, zonder stookplaats

en met doorgangen van het Wijnhuis naar de zaal boven de Schepenzaal

en naar het Meentehuis. In dit vertrek is één moerbalk met korbeeIstellen

geweest; in de oostmuur is boven de naderhand verlaagde zoldering

het spoor van de muurstijl teruggevonden. Inderdaad noemen de rekeningen

over 1449 twee korbeeistelIen voor boven de kolenkamer.

De eiken kap is voor een groot deel nog aanwezig. De kapspanten zijn

opgebouwd uit twee jukken op elkaar. Van het achterste strijkspant is het

bovenste juk verdwenen toen de geveltop vervangen werd door een dakschild.

Aan de straatzijde zijn twee spanten verdwenen, waarschijnlijk bij

de verbouwing van 1821.· Blijkens oude atbeeldingen is hier altijd een dakschild

geweest. "

5. Het Meentehuis

Zoals we zagen bleef het huis van Johannes Tiel, voortaan het Meentehuis,

bij de nieuwbouw van 1447-'49 gehandhaafd, maar werd het wel verbouwd.

De zijmuur aan de zijde van het Raadhuis werd echter geheel vernieuwd;

bij doorgebroken doorgangen daarin bleek deze uit homogeen metselwerk

te bestaan. De balklagen van het Meentehuis moeten tijdens die

vernieuwing gestempeld zijn geweest. Ook de kelder was oorspronkelijk

109


Afb. 4. Achterste gedeelte van de rechter zijmuur van het Meentehuis. september

1974. Zichtbaar zijn drie hoge balkgaten van de oorspronkelijke verdiepingsvloer

(waarvan de twee linkse gedeeltelijk gedieht). Boven het rechter balkgat het spoor van

de verdwenen muurstijl onder de nog aanwezige moerbalk met sleutelstuk van. de

(zolder)balklaag.

\\0


overdekt door een houten balklaag. In de linker zijmuur werden de balkgaten

daarvan teruggevonden, 23 à 32 x ca. 32 cm groot, op onderlinge afstanden

van 85 tot 93 cm. Mogelijk werden deze balken ondersteund door

een onderslagbalk in het midden, waarop een gat in de voorgevel zou kunnen

wijzen. In de nieuwe rechter zijmuur bleken de balkgaten te ontbreken;

bij de verbouwingswerkzaamheden van 1448 moet deze balklaag dus vervangen

zijn door de kelderoverwelving. De dwarsmuur in de kelder, waarin

een rook(?)kanaal werd aangetroffen, kan echter ouder zijn. Merkwaardig

is, dat ook voorbij de achtergevel nog enkele van deze balkgaten in de linker

zijmuur aanwezig bleken te zijn; blijkbaar is het vroegere huis aan de

achterzijde groter geweest, vermoedelijk door de aanwezigheid van een aanbouw.

De kelderoverwelving bestaat uit tongewelven met zijdelingse insteekgewelven,

in het voorstuk overlangs en opgaand van muurpenanten, in

het achterstuk overdwars.

De huidige verdiepingsbalklaag dateert van later tijd, misschien de 17e

eeuw. Van de oude balklaag werden in de rechter zijmuur de balkgaten teruggevonden

(afb. 4). In het achtergedeelte lag die oude vloer ca. 50 cm boven

de huidige; de balkgaten zijn 30-46 1 2 cm breed en 86 cm hoog en liggen

op onderlinge afstanden van 120 à 130 cm. In het voorste gedeelte lag

die vloer op het huidige niveau en waren de balken ongeveer even zwaar

maar lagen zij gemiddeld ongeveer 10 cm dichter bij elkaar. De dwarsmuur

van de kelder heeft blijkbaar doorgelopen tot deze vloer; op die plaats zitten

twee balkgaten dichter bij elkaar, die gediend kunnen hebben voor

strijkbalken langs die muur. De overgang van het lage naar het hogere niveau

lag merkwaardigerwijs één balk meer naar voren.

Er is hier dus sprake van een enkelvoudige balklaag van sterk rechthoekige

balken, ook al zal elk balkgat gediend hebben voor een balk met een

console eronder. Deze rechthoekige doorsnede kan erop wijzen, dat de balken

van dennehout waren. Een dergelijke balklaag kan bezwaarlijk jonger

zijn dan 14e-eeuws en ook de balklaag boven de kelder kan zo oud zijn.

We hebben hier dus te maken met één van Zwolle's oudste huizen, wellicht

spoedig na de stadsbrand van 1324 gebouwd.

De balklaag boven de verdieping bestaat uit moer- en kinderbalken op

korbeeistelIen en was (tot 1973) zeven balkvakken lang. De middelste twee

moerbalken en alle muurstijlen en korbeels waren echter verdwenen, maar

zijn bij de restauratie weer aangebracht, behalve in het ingekorte achterste

gedeelte. De ondiepe inkassingen voor de muurstijlen zijn teruggevonden

(afb. 4); in één ervan werd de afgehakte draagsteen (basaltlava) gevonden,

waarop de muurstijl stond. De dwarsmuur heeft niet in de verdieping doorgelopen,

aangezien in beide zijwanden juist op die plaats inkassingen voor

de muurstijlen bleken te zitten", Ook hier is een niveauverschil tussen het

voor- en het achtergedeelte: de voorste moerbalken liggen ongeveer 20 cm

hoger dan de achterste. De overgang bevond zich bij een van de twee verdwenen

moerbalken.

III


Hoe verhoudt deze balklaag zich nu tot de 'twee (verdwenen) enkelvoudi-

ge balklagen daaronder? De sleutelstukken onder de strijkbalk (zonder

muurstijl en korbeel) en onder de eerste moerbalk hebben profielen die heel

goed in de ISe eeuw zouden passen, maar de sleutelstukken onder de twee-

de, vijfde en zesde moerbalk hebben een profiel dat elders in de stad al in

de tweede helft (of laatste kwart) van de 14e eeuw voorkomt", Van het baksteenformaat

van de linker zijmuur op de verdieping (±22 th x II x 5 th

cm) zijn tot dusver geen oudere voorbeelden bekend dan uit het midden

van de 14e eeuw. We veronderstellen dan ook, dat de enkelvoudige balklagen

behoren bij een huis uit het tweede kwart van de 14e eeuw, dat een ho-

ger opgaande inwendige dwarsmuur had. Bij een verbouwing, die. aan het

eind van die eeuw plaats gevonden kan hebben, zal deze dwarsmuur tot op

de verdiepingsvloer zijn gesloopt, werden de zijmuren verhoogd en de (zol-

der)balklaag met zijn korbeeistelIen aangebracht, inclusief een nieuwe kap.

Bij de bouw van de huidige voorgevel (1821) is de zolder verbouwd tot

een tweede verdieping. In beide zijmuren zijn sporen gevonden van de ge-

wezen iets ingemetselde spantbenen en van segmentboognissen in de borst-

weringen daartussen.

Waar de trappen zich hebben bevonden is niet bekend; alleen in de ach-

terkelder zit een gedieht trapgat in het gewelf, ongeveer midden tegen de

dwarsmuur.

De achtergevel (afb. 3; gesloopt in 1974) was koud gemetseld tegen de

linker zijmuur en gedeeltelijk in verband gemetseld met de rechter zijmuur.

In het midden bevatte hij zowel op de begane grond als op de verdieping

oorspronkelijke, maar later gedichte doorgangen naar de smalle aanbouw

aan de achterzijde. Pal westelijk daarnaast zijn op de verdieping de restan-

ten gevonden van een bakstenen kruis- of kloostervenster en oostelijk ervan

moeten de stookplaatsen zijn geweest, getuige de nog aanwezige uitgemet-

seide schoorsteen op zolderniveau. Aanwijzingen, dat er elders in het huis

stookplaatsen zijn geweest, zijn niet gevonden.

Gezien de zojuist genoemde doorgangen zal de smalle aanbouwaan de

achterzijde van het Meentehuis vrijwel tegelijkertijd, dus ca. 1448 zijn op-

getrokken, ondanks het feit, dat de rechter zijmuur koud tegen deachterge-

vel van het Meentehuis opgemetseld bleek te zijn. Hij had een kelder, die

door kruis-graatgewelven, opgaande van muurpenanten overdekt was. De

balklagen waren echter jonger. De verdiepingsbalklaag was 17e-eeuws, een

meest grenen moer- en kinderbalklaag op sleutelstukjes met een eenvoudig

ojiefprofiel. De zoldervloer was een enkelvoudige grenen balklaag en de kap

een eenvoudige sporenkap, Op zolder was een secundaire, later weer gedichte

doorgang naar het Meentehuis. Deze bevatte een eiken deurkozijn

(gezien de constructie van de deursponning niet jonger dan het midden van

de 17e eeuw), die het reeds genoemde schoorsteenkanaal doorsneed. Bij de

sloop van deze vleugel in 1973 kwam veel geprofileerde zand- en baksteen

uit het puin te voorschijn].

112


6. Het Mosterthuis

Dit huis wordt genoemd naar zijn laatste particuliere eigenaar Dirk Mostert

en diens verwanten, die het in 1459 aan de stad overdroegen. Het is

een onderkelderd huis met twee verdiepingen en een kap zonder borstwering.

De balklagen zijn enkelvoudig en waarschijnlijk niet ouder dan 18eeeuws.

Op de verdieping bleek uit sporen in de zijmuren, dat de balklaag

daarboven (die de zalderbalklaag geweest is) oorspronkelijk ongeveer een

meter lager lag dan thans en bestond uit vijf vakken van moer- en kinderbalken,

klaarblijkelijk zonder korbeeIstelIen. Misschien zijn de eiken balken

met kinderbalk-kepen van de huidige zalderbalklaag hiervan afkomstig. Het

huidige (bij de restauratie ingekorte) cassettenplafond, opgebouwd met stuc

tussen houten balken, dateert waarschijnlijk uit het begin van de 1ge eeuw,

vermoedelijk wegens de inrichting van deze ruimte tot raadzaal. In de linker

zijmuur is in het vierde van de vijf moerbalk-vakken een rookkanaal

gevonden.

De kelder is oorspronkelijk overdekt geweest door een enkelvoudige houten

balklaag, waarvan in de linker zijmuur, onder de huidige gewelfbogen,

enkele balkgaten van 30-34 cm breedte en ongeveer 85 cm onderlinge afstanden

werden teruggevonden. Het huidige, kennelijk nog (laat-)middeleeuwse

gewelf van troggewelven op dwarse boogstellingen (van korfbogen

op gemetselde kolommetjes in het midden) is dus secundair.

Het huis zal, gezien de gewezen houten kelderoverzaldering, zijn oor"

sprong hebben in de 14e eeuw; het keldergewelf en de opbouw dateren vermoedelijk

uit de eerste helft van de ISe eeuw, maar door de vele latere wijzigingen

is dat niet zeker te zeggen.

7. Het Wijnhuis, de Raadstoren en de Latijnse School

In de westmuur van de zaal boven de Schepenzaal zijn drie muurankers.

aanwezig, die verbonden moeten zijn geweest met de muurstijlen op de verdieping

van het niet meer bestaande Wijnhuis. Hieruit kan worden afgeleid,

dat het Wijnhuis negen balkvakken heeft gehad tussen de voorgevel en de

Raadstoren aan de achterzijde. Dat is in overeenstemming met de zestien

korbeeIstelIen die in 1449 werden besteld. De bassen zullen hier, net als in

het Raadhuis, op de begane grond onder de balken hebben gezeten.

Oude afbeeldingen laten zien, dat het Wijnhuis in het midden van de

voorgevel aan de Sassenstraat toegankelijk was. Toen omstreeks 1841 het

voorste gedeelte werd afgebroken, vervielen precies drie van de negen balkvakken.

De Raadstoren en de Latijnse school bestonden nog in 1844, maar toen

werd het bovenstuk van de toren afgebroken en het dak van het Wijnhuis

daarover doorgetrokken. In 1867 werden de school (sedert 1820 gedegradeerd

tot militair magazijn), het torenrestant en het Wijnhuis (inmiddels tot

Beurs ingericht) grotendeels gesloopt en vervangen door één nieuw schoolgebouw

(fig. Ic). De gevel van deze nieuwe school aan de Lombardsteeg

werd 3'Il à 4 meter teruggeplaatst ter verbreding van die straat, die voort-

113


Afb. 5. Plattegrond van het stadhuiscomplex voor de verbouwing van 1844. Tekening

in het Gemeentearchief, waarnaar de door Th. H. F. van Riemsdijk in 1876 gepubliceerde

tekening is gemaakt (zie noot 4). Verklaring van de tellers:

a Raadstoren

b Wijnhuis (enkele jaren tevoren aan de zijde van de Sassenstraat ingekort)

c Raadhuis (Schepenzaal)

d Meentehuis

e Mosterthuis

g Secretaris-kamer

h gevangenis

i voormalige Latijnse School (sedert 1820 militair magazijn).

114

~ ',d.I , 1 U

ê=====!'.Ucl

i.

.17ri II":9'n7ud,

1NT/! ,I"".; Z"p"/sr/":· ....~hn:'h.¥Ù t>'//t!frbe.J'~/t"/I,,"

..9',tft>HIf~"'.I1 ?.t?ord


aan Lombardstraat zou heten. In de Voorloopige Lijst (Overijssel; uitgegeven

in 1923) worden echter op de binnenplaats behalve de achtergevel van

het Raadhuis nog twee gepleisterde gevels met korfbogige vensternissen en

geprofileerde waterlijsten genoemd, blijkbaar restanten van het Wijnhuis, de

Raadstoren en de Latijnse school'>.

De school werd gesloopt in 1936. Toch was nadien nog een klein gedeelte

van de noordoostelijke hoek van de oude Latijnse school aanwezig:

muurwerk van minstens 75 cm dikte, dat in 1973 is gesloopt. Enkele jaren

later hebben de Vrienden van de Stadskern aan het Grote Kerkplein een

gedeelte van de funderingen van de toren en van de schoolontgraven. Deze

funderingen, resp. 123 en 80 cm dik, waren koud tegen elkaar gemetseld",

wat in overeenstemming is met de ongelijktijdige bouw, bekend uit de

maandrekeningen van de stad Zwolle.

8. Uitleiding

Bij de restauratie van het oude stadhuis kwam op de begane grond in de

wand tussen Meente- en Mosterthuis een zwaar geschonden natuurstenen

arcade aan het lieht, bestaande uit drie korfbogen op twee halfkolommen

en twee vrijstaande kolommen, in zware klassicistische vormen. Een van de

kolommen was geheel verdwenen, maar de arcade is geheel gereconstrueerd.

Zij lijkt te dateren uit de 17e eeuw; misschien is ze aangebracht

bij de verbouwing van 1658, toen de betimmering uit de Schepenzaal verwijderd

werd.

Op de plattegrond van het Raadhuiscomplex van voor de verbouwing

van 1844 (afb. 5) is de arcade al gedeeltelijk gedieht, maar zijn de kolommen

nog te herkennen. Ook de oorspronkelijke toegang vanuit het Meentehuis

tot de Schepenzaal was toen nog in gebruik. De huidige toegang dateert

dus van 1844 (of daarna). Hetzelfde geldt voor de toegang tot de zegelkamer

en de doorgangen vanuit de Schepenzaal naar de zegelkamer en de

kolenkamer.

Uit 1615 dateert de muurkast met de drie zwaarden in de Schepenzaal;

in dat jaar vonden althans betalingen plaats voor het houtwerk en het ijzerwerk

van 'die kaste daer die richtswaerden in hangen'!'.

Zoals we al zagen dateert de voorgevel van het stadhuis uit 1821; inwendig

moesten daarbij een aantal vloerniveaus aangepast worden. Zo vermoeden

we, dat het cassettenplafond op de verdieping van het Mosterthuis van

deze verbouwing dateert. De voorgevel is geheel symmetrisch, zodat het

niet waarschijnlijk is, dat het toen nog bestaande Wijnhuis tegelijkertijd een

nieuwe voorgevel kreeg. Dit behield blijkbaar zijn oorspronkelijke gotische

voorgevel tot de sloop van ca 1841. Afbeeldingen van de gevels uit de periode

1821-'41 zijn helaas niet bekend.

In 1863 zou de voorgevel van 1821 vernieuwd zijn. Misschien werd bij

die gelegenheid de architectuur van die gevel de hoek omgevoerd tot de in

1841 teruggeplaatste voorgevel van het Wijnhuis (afb. 5). Ook nu nog kan

115


men daaraan de plaats aflezen die de voorgevel van het Wijnhuis sinds

1841 had.

Over de verbouwingsgeschiedenis van het stadhuis in de jongste eeuwen

zal archivalisch onderzoek nog veel kunnen leren.

Noten

l. Voor kostelijke afbeeldingen van de nog bestaande en van de verdwenen gedeelten

van het middeleeuwse stadhuiscomplex (tekeningen, foto's, situatie- en reconstructietekeningen)

zie R. van Beek, H. Prins en G. Oostingh, Zwolle van

stuwwal tot stad (Zwolle 1976).

2. E. H. ter Kuile, Noord- en Oost-Salland = De Nederlandse Monumenten van

Geschiedenis en Kunst. deel IV derde stuk, Den Haag 1974, 93-103.

3. Vriendelijke mededeling van ing. D. J. de Vries te Utrecht/Zwolle.

4. Een oorkonde uit 1330 is te vinden in: G. J. ter Kuile,Oorkondenboek van Overijssel

IV (Zwolle 1967), . 86, nr. 948; akten uit 1374 en 1392 zijn onlangs geanalyseerd

in: F. C. Berkenvelder, Zwolse regesten I (Zwolle 1980), nrs. 114 en 347;

akten uit 1398, 1419, 1443, 1444, 1445 en 1459 worden geciteerd in: Th. H. F.

van Riemsdijk, 'Het Zwolsche stadhuis', in: Bijdragen tal de Geschiedenis van

Overijssel III (1876), p. 33-66 (aan welk artikelook diverse andere bijzonderheden

zijn ontleend); op akten uit 1398, 1424, 1441 en 1445 en een ongedateerd

laat-14e-eeuws stuk (resp. F. C. Berkenvelder, a.w., no. 524, G.A. Zwolle, chartercollectie

374.02, 441.03 en 445.06 en inv. AAZOI-00246, 99) werd ik geattendeerd

door drs Christine R. G. Hofstee en ing. D. J. de Vries.

5. Drs Christine R. G. Hofstee was zo vriendelijk mij haar transcripties van deze

rekeningen ter inzage te geven.

6. Van Riernsdijk, a. w., 40. In de maandrekeningen wordt de inwijding niet vermeId.

7. Niet meester Berend, zoals Van Riemsdijk abusievelijk vermeldt.

8. Bij de restauratie is door het tot op de vloer uithakken van deze inkassingen ten

onrechte de indruk gewekt, dat hier wèl een oorspronkelijke dwarsmuur is geweest.

9. Zie de bijdrage van D. J. de Vries in deze bundel. Het laatstgenoemde profiel

beeldt hij af in fig. 12 nr II, vgl. nrs 9, 10 en 14. Het profiel van het sleutelstuk

onder de strijkbalk komt ook voor in het voormalige Vleeshuis (1469); het sleutelstukprofiel

van de eerste moerbalk is het alom bekende peerkraalprofiel tussen

twee hollen. Zie D. J. de Vries, De konstruktieve ontwikkeling van het stadswoonhuis

te Zwolle van 1300-1700 (afstudeerprojekt H.T.S. Zwolle 1979) III, 8

en 9.

10. In het archief van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg te Zeist bevinden

zich hiervan nog enkele opmeetschetsen uit 1904 van Adolph Mulder, Rijksarchitect

voor de Monumenten. Daaruit blijkt, dat de verdiepingsvloer en de zoldervloer

in het achterstuk van het Wijnhuis resp. ca. 60 en 75 cm lager lagen

dan in het Raadhuis. Bij de voorgevel moeten die vloerniveaus echter gelijk zijn

geweest, gezien de tekening van Pronk (afb. 00).

II. Gemeentearchief Zwolle. Jaarrekening over 1615 (Inv. AAZO I nr. 01489), 63 en

64. Vriendelijke mededeling van drs. Christine R. G. Hofstee.

Reconstructieiekening vóór de veranderingen van 1821, door H. Prins. Vr.n.l. het Wijnhuis

(A), het Raadhuis (B), het Meentehuis (C) en het Mosterthuis (D).

117

More magazines by this user
Similar magazines