29.08.2013 Views

De oostelijke buurman van het Oversticht - Historisch Centrum ...

De oostelijke buurman van het Oversticht - Historisch Centrum ...

De oostelijke buurman van het Oversticht - Historisch Centrum ...

SHOW MORE
SHOW LESS

You also want an ePaper? Increase the reach of your titles

YUMPU automatically turns print PDFs into web optimized ePapers that Google loves.

DE OOSTELIJKE BUURMAN VAN HET<br />

OVERSTICHT<br />

DOOR<br />

Prof. Mr. C. W. VAN DER POT<br />

Wanneer men op een kaart <strong>van</strong> Nederland ziet, hoe Duitsland<br />

tussen Drenthe en Twenthe over een bre~d front in ons<br />

gebied vooruitspringt, dringt zich onwillekeurig de vraag op,<br />

wat daar<strong>van</strong> de oorzaak is. Zoals bekend is, werd onze staat<br />

gevormd uit de gewesten, waar Karel V de landsheerlijkheid<br />

had verkregen, die tegen zijn zoon Philips II waren opgestaan<br />

en waar vervolgens in 1588 de Staten de souvereiniteit heb-·<br />

ben aanvaard. Tot die gewesten behoorden<strong>het</strong> Sticht en <strong>het</strong><br />

<strong>Oversticht</strong>, toen reeds gemeenlijk als Overijssel aangeduid.<br />

Over beide had de Utrechtse bisschop <strong>het</strong> wereldlijk gezag<br />

bezeten, maar hij was genoodzaakt geworden <strong>het</strong> in 1528 eerst<br />

over <strong>het</strong> <strong>Oversticht</strong> en kort daarna ook over <strong>het</strong> Nedersticht<br />

af te staan aan Karel V, die streefde naar een afronding naar<br />

<strong>het</strong> noorden <strong>van</strong> zijn huisrnacht binnen <strong>het</strong> grote rijk. waar<strong>van</strong><br />

hij de keizerskroon droeg. Had <strong>het</strong> <strong>Oversticht</strong> zich verder<br />

naar <strong>het</strong> oosten uitgestrekt, doordat de bisschop de wereldlijke<br />

macht, die hij, vooral in de Ile eeuw, bij gedeelten verworven<br />

had, nog verder in die richting had kunnen uitbreiden,<br />

dan zou ook de Habsburgse staat en dan zou bijgevolg ook ons<br />

tegenwoordige Koninkrijk zoveel groter zijn geworden.<br />

Dat dit niet gebeurd is en dat daardoor de bovenbedeelde<br />

inham is ontstaan, is te opvallender, omdat dit gebied, later<br />

bekend als de Nedergraafschap <strong>van</strong> Bentheim, wel behoorde<br />

tot de Utrechtse diocese en de bisschoppen een tijd lang er<br />

naar gestreefd blijken te hebben om hun wereldlijk gebied,<br />

VORG, Verslagen en mededeelingen 69 (1954)


96<br />

waar mogelijk, tot de grenzen <strong>van</strong> hun geestelijk gebied uit te<br />

strekken. In een oorkonde <strong>van</strong> 13271) is sprake <strong>van</strong> de ;,ecclesia<br />

parochialis in Ulzen, Traiectensis diocesis", in oorkonden<br />

<strong>van</strong> 1410 en 1411 2) noemt bisschop Frederik <strong>van</strong> Blankenheim<br />

de "parochialis ecclesia de Velthusen nostre dioceseos".<br />

Het genoemde Ulsen wordt in een oorkonde <strong>van</strong> 1131 gezegd<br />

in Twenthe te liggen en dit moet dan <strong>het</strong> gebied zijn, dat ruim<br />

drie eeuwen vroeger, in oorkonden <strong>van</strong> 797 en 799 3), als de<br />

gouw Northtuianti of Norht Tueanti voorkomt ter aanduiding<br />

<strong>van</strong> de ligging <strong>van</strong> hoeven in Mander en Hesingen. Er<br />

is wel eens geopperd, dat de Vecht de oorspronkelijke diocesegrens<br />

zou geweest zijn 4), maar dit lijkt mij niet zeer waarschijnlijk;<br />

Velthusen ligt reeds aan de overzijde <strong>van</strong> de Vecht<br />

en ook bij de vorming <strong>van</strong> de nieuwe bisdommen in 1559 heeft<br />

men blijkbaar de bedoeling gehad <strong>het</strong> gehele gebied ten westen<br />

<strong>van</strong> een lijn, die de z.o. punt <strong>van</strong> Drenthe met de n.o. punt<br />

<strong>van</strong> Twenthe verbindt, tot <strong>het</strong> bisdom <strong>De</strong>venter, deel <strong>van</strong> <strong>het</strong><br />

vroegere bisdom Utrecht, te brengen 5).<br />

<strong>De</strong> Utrechtse bisschop heeft in <strong>het</strong> bewuste gebied aanzienlijke<br />

bezittingen gekregen, die later aan de provincie Overijssel<br />

behoorden, zoals wij nog nader zien zullen, maar, hoezeer<br />

allodiaal bezit ook veelal tot <strong>het</strong> ontstaan <strong>van</strong> landsheerlijkheid<br />

heeft bijgedragen, hier is dat niet geschied en de ver-<br />

1) Codex diplomatum achter J. H. Jungius, Historiae antiquissimae<br />

comitatus B,enthem~ensis libri tres, 1773, blz. 133.<br />

2) T.a.p., blz. 315 en 317.<br />

3) OO?'konàenboek<strong>van</strong> <strong>het</strong> Sticht, nos. 51 en 52.<br />

. 4) W. A. F. Bannier, <strong>De</strong> lanâçreneen. <strong>van</strong> Nederland I, 1900,blz. 119<br />

v., 132.<br />

5) Vgl. de kaart dezer kerkelijke indeling in de Geschiedk. atlas <strong>van</strong><br />

Nederland en de drie kaarten in M. Dierickx, <strong>De</strong> oprichting der<br />

nieuwe bisdommen in de Nederlasuien. onâer Filips II 1559-1570, 1950.<br />

Dat de parochies in dit gebied, blijkens dein 1886/7 door onze Vereniging<br />

uitgegeven Acta visitationis dioecesis Da'l)ent?'~ensis ab<br />

Aegidio de Monte factae 1571,door dezen <strong>De</strong>ventersen bisschop niet zijn<br />

gevisiteerd, zal wel een gevolg zijn geweest <strong>van</strong> <strong>het</strong> feit, dat in 1544<br />

de Augsburgse confessie in <strong>het</strong> graafschap Bentheim was ingevoerd.<br />

Nadat de graaf weer Katholiek was geworden, is in 1671 <strong>het</strong> gehele<br />

graafschap in spiritualibus onder Munster gekomen.<br />

VORG, Verslagen en mededeelingen 69 (1954)


97<br />

klaring zal wel gezocht moeten worden in de betrekkelijk<br />

vroegtijdige vorming <strong>van</strong> een andere landsheerlijkheid even<br />

over onze tegenwoordige oostgrens. Wij komen hier op een<br />

terrein, waar vaste historische gegevens ontbreken. Van <strong>het</strong><br />

grootste deel <strong>van</strong> <strong>het</strong> <strong>Oversticht</strong> weten wij niet, hoe en wanneer<br />

de bisschop <strong>het</strong> verkreeg, en evenmin weten wij met zekerheid,<br />

door welke oorzaak hij een bepaald gebied, dat voorbestemd<br />

scheen om ook een deel <strong>van</strong> zijn wereldlijk territoir<br />

te worden, niet verkreeg, maar er valt hier m.i. wel een gissing<br />

te maken, wanneer wij uitgaan <strong>van</strong> de eerste persoon, die zonder<br />

twijfel de landsheerlijkheid in Bentheim bezeten heeft, en<br />

dan trachten na te gaan, hoe deze daaraan gekomen zal zijn.<br />

Die eerste was een vrouw, Gertrudis, in tweede huwelijk<br />

verbonden met Otto graaf <strong>van</strong> Rheineck en ter onderscheiding<br />

<strong>van</strong> haar gelijknamige moeder wel aangeduid als Gertrudis,<br />

comitissa Palatina.<br />

Oudere schrijvers over Bentheim vermelden vóórhaar nog<br />

verschillende graven, waar<strong>van</strong> de oudste dan zijn zou Ricfridus,<br />

kleinzoon <strong>van</strong> keizer Arnulf. Voor de meesten steunen zij.<br />

daarbij op <strong>het</strong> Turnierbuch <strong>van</strong> Georgius Rüxnerus, een beschrijving<br />

<strong>van</strong> tournooien, die een zekere vermaardheid schijnt<br />

te hebben gehad, althans in de 16e eeuw verschillende edities<br />

beleefde, maar Jungius heeft zich reeds veel moeite gegeven<br />

om de volkomen onzekerheid aan te tonen, dat deze graven<br />

ooit hebhen bestaan. Het gehele liber II <strong>van</strong> zijn hoogst verdienstelijkwerk<br />

heeft als ondertitel: "exhibens V comites dubios<br />

et incertos" en ten slotte heeft hij zo genoeg <strong>van</strong> deze<br />

phantasieën, dat hij aan <strong>het</strong> einde, blz. 134, als hij zegt, dat<br />

hij nu in <strong>het</strong> volgende zich met Gertrudis gaat bezig houden,<br />

daaraan toevoegt: "in quo nulla amplius res nobis erit cum<br />

Rüxnero, quem hic non inviti dimittimus".<br />

Een rol speelt voor dezen eersten tijd ook nog <strong>het</strong> bekende<br />

charter <strong>van</strong> bisschop Adelbold <strong>van</strong> Utrecht (1021), waarin<br />

onder de zeven grote leenmannen <strong>van</strong> <strong>het</strong> Sticht ook de graaf<br />

<strong>van</strong> Bentheim wordt genoemd, intussen niet voor Bentheim<br />

VORG, Verslagen en mededeelingen 69 (1954)


98<br />

zelf, maar voor <strong>het</strong> Utrechtse burggraafschap, dat later inderdaad<br />

aan graven <strong>van</strong> Bentheim heeft behoord. Reeds in de 17e<br />

eeuw bestond twijfel over de echtheid <strong>van</strong> deze oorkonde op<br />

gronden, die Jungius ten dele verwerpt. <strong>De</strong> oudere schrijvers<br />

riamen hier een graaf Otto aan en deze telt mee bij de nummering<br />

<strong>van</strong> de Otto's, want de man <strong>van</strong> Gertrudis heet Otto II.<br />

, Hoe kon nu deze Gertrudis Bentheim aan haar man brengen?<br />

In de Ile eeuw vinden we in een groot deel <strong>van</strong> <strong>het</strong> noor-<br />

den en noordoosten <strong>van</strong> ons land de grafelijkheid in <strong>het</strong> bezit<br />

<strong>van</strong> graven <strong>van</strong> Brunswijk, sedert 1068 ook markgraven <strong>van</strong><br />

Meissen. <strong>De</strong> laatste uit dit geslacht der z.g. Brunonen was<br />

Egbert II, die herhaaldelijk oorlog voerde met keizer Hendrik<br />

IV, met <strong>het</strong> gevolg dat verschillende <strong>van</strong> zijn graafschappen<br />

hem eens of meermalen ontnomen en dan geschonken werden<br />

aan den Utrechtsen bisschop. Zo in 1086, niet voor <strong>het</strong> eerst,<br />

Oostergo, Westergo en Islego. Na een verzoening krijgt Eq-.<br />

bert Oostergo en Westergo terug, maar in 1089 worden ze<br />

weer aan de Utrechtse kerk gegeven. Het volgende jaar wordt<br />

Egbert, terwijl hij tegen den keizer optrekt, gedood. Hij is kinderloos,<br />

maar heeft als erfgenaam een zuster, die gehuwd is'<br />

met Hendrik den Vette (Henricus Pinguis ), uit <strong>het</strong> geslacht<br />

der hertogen <strong>van</strong> Beieren, die graaf is <strong>van</strong> Nordheim. <strong>De</strong>ze<br />

weet nu de belening te verkrijgen met een deel <strong>van</strong> de vroegere<br />

graafschappen <strong>van</strong> zijn zwager. Hij komt in Friesland, stuit<br />

daar op tegenstand, die ook door den bisschop wordt ondersteund,<br />

en wordt in 1101 vermoord, terwijl zijn echtgenote Gertrudis<br />

ternauwernood ontkwam 6). Van dit echtpaar nu is<br />

Gertrudis, comitissa Palatina, een dochter.<br />

Een aanvaardbare veronderstelling lijkt mij nu, dat deze<br />

Gertrudis, vermoedelijk niet de landsheerlijkheid, maar dan<br />

toch aanzienlijke goederen in deze streek geërfd heeft <strong>van</strong><br />

haar moeder, wier geslacht hier rijk gegoed was. <strong>De</strong> vererving<br />

langs de vrouwelijke lijn doet veronderstellen, dat <strong>het</strong> allodia<br />

6) Zoals <strong>het</strong> drama verhaald wordt door den Annalista Saxo, vindt<br />

men <strong>het</strong> geciteerd bij Jungius, Histol'iae, blz. 138 v,<br />

VORG, Verslagen en mededeelingen 69 (1954)


99<br />

waren. Prof. Niermeiier acht <strong>het</strong> waarschijnlijk. dat Gertrudis<br />

Bentheim bezat als aandeel uit de erfgoederen <strong>van</strong> haar Nordheimse<br />

voorouders, 7) en ook dit is denkbaar; <strong>het</strong> onderscheid<br />

lijkt mij niet <strong>van</strong> groot belang. Wel <strong>van</strong> belang is <strong>het</strong> volgende.<br />

Toen de nalatenschap <strong>van</strong> Gertrudis, de moeder - in een<br />

oorkonde <strong>van</strong> 1134 8), waarin zij beiden genoemd worden, heet<br />

zij ter onderscheiding <strong>van</strong> haar dochter Gertrudis Marchionissa<br />

- na haar dood in 1117 zal gedeeld zijn; zullen daarbij zijn<br />

opgekomen haar zoon Otto, als deze toen nog leefde (bekend<br />

is alleen, dat hij jong en kinderloos stierf), en behalve Gertrudis,<br />

comitissa Palatina, haar andere dochter Rïchenza. de<br />

vrouw <strong>van</strong> Lotharius <strong>van</strong> Saksen, die <strong>van</strong> 1125 tot 1137 Duits<br />

koning was 9). In dezen kan Gertrudis een machtigen bescher-<br />

mer hebben gehad; dat zij op goeden voet met hem leefde, mag<br />

wellicht afgeleid worden uit <strong>het</strong> feit, dat zij blijkens de reeds<br />

genoemde oorkonde <strong>van</strong> 1134 een deel <strong>van</strong> haar erfdeel teqen<br />

andere goederen met hem ruilde 10). Aan haar zwager zal <strong>het</strong><br />

dan te danken zijn geweest, dat de aanzienlijke bezittingen<br />

toen <strong>het</strong> centrum <strong>van</strong> een landsheerlijkheid zijn geworden.<br />

Een en ander lijkt mij aannemelijker dan wat [unqius, a.w. blz.<br />

151, schijnt aan te nemen, n.l. dat Gertrudis <strong>het</strong> graafschap<br />

Bentheim <strong>van</strong> haar zwager als bruidschat kreeg bij haar huwelijk<br />

met Otto <strong>van</strong> Rheineck. Maar hoe dit zij, in den tijd <strong>van</strong><br />

de Salische keizers, als de expansie-neigingen <strong>van</strong> de Utrechtse<br />

bisschoppen <strong>het</strong> meeste succes hebben, moeten deze hier<br />

halt maken voor de bezittingen <strong>van</strong> een machtig geslacht<br />

en als die Salische keizers opgevolgd worden door Lotharius<br />

7) J. F. Niermeijer Jr., Over <strong>het</strong> staatsgezag in Midden-F?'iesland,<br />

vom'namelijk in de ne eeltW, Bijdr. Ned. Gesch. en Oudheidk. VII, 8,<br />

o blz. 27. In dit artikel wordt een verklaring gegeven <strong>van</strong> de belening<br />

in 1107 <strong>van</strong> Hendrik graaf <strong>van</strong> Zutfen met Oostergo en Westergo,<br />

welke verklaring<br />

den afgeleid.<br />

mede uit de ingelaste genealogische tabel kan wor-<br />

8) Jungius, Ooâescdiplomatwln, blz. 9.<br />

9) In 1133 werd hij tot keizer gekroond.<br />

10) Zie daarover<br />

blz. 141.<br />

ook <strong>het</strong> stukje rijmkroniek bij Jungius, Histo?'oiae,<br />

VORG, Verslagen en mededeelingen 69 (1954)


...<br />

.....<br />

.....<br />

0.....<br />

E-


101<br />

<strong>van</strong> Saksen, kan hier onder diens schoonzuster en zwager uit<br />

die bezittingen een nieuwe landsheerlijkheid opkomen, die<br />

voortaan voor verdere expansie <strong>van</strong> den Utrechtsen bisschop<br />

veilig is, ook alomdat de politiek der keizers in dit opzicht verandert.<br />

Otto II zelf schijnt gewoonlijk op zijn goederen aan den Rijn<br />

te hebben vertoefd en reeds vóór zijn dood <strong>het</strong> bestuur <strong>van</strong><br />

<strong>het</strong> graafschap Bentheim aan zijn zoon Otto III te hebben<br />

overgelaten. Dit is de Otto, comes Palatinus Reni, qui Benthem<br />

possidebat (blijkbaar dus toen nog geen graaf was), <strong>van</strong><br />

wien wij in de Narracio lezen 11), dat hij ten tijde <strong>van</strong> bisschop<br />

Herbert met ministerialen <strong>van</strong> de Utrechtse kerk nabij<br />

Homersem, op een plaats genaamd Walstad in een zwaren<br />

strijd gewikkeld 12), overwonnen, ge<strong>van</strong>gen genomen en naar<br />

Utrecht gevoerd is, waarop hij zich met de kerk op dezen voet<br />

heeft verstaan, dat hij <strong>het</strong> kasteel en zijn eigendommen aan St.<br />

Maarten heeft opqedraqen en in leen terugont<strong>van</strong>gen met uitzondering<br />

<strong>van</strong> een deel <strong>van</strong> <strong>het</strong> kasteel. dat de bisschop zich<br />

heeft voorbehouden om er te kunnen resideren. Uit Beka weten<br />

wij, dat Otto zijn bevrijding te danken had aan Dirk VI.<br />

graaf <strong>van</strong> Holland, die met zijn zuster Sophia gehuwd was.<br />

Hij heeft zich toen willen wreken, maar is weer gevahgen<br />

genomen en in de ge<strong>van</strong>genis vermoord 13), wellicht nog vóór<br />

den dood <strong>van</strong> zijnvader.<br />

Zijn erfqenaam was de genoemde zuster en met haar zoon<br />

Otto IV komt dan in Bentheim <strong>het</strong> Hollandse huis aan <strong>het</strong> bewind.<br />

<strong>De</strong> oudste zoon <strong>van</strong> Sophia en Dirk VI volgde op- in<br />

Holland als Floris III (1157-1190) en een derde zoon, Boudewijn,<br />

werd bisschep <strong>van</strong> Utrecht (1178-1196). <strong>De</strong>ze heeft<br />

11) Quedam Nœrracio de Groninghe, de Th11ente,etc., ed. Pijnacker<br />

Hordijk, blz. 3.<br />

12) Het gevecht wordt ook vermeld door Brumanus, bij Dumbar,<br />

Analecta, II, blz. 71 v. en daar aldus gelocaliseerd: "ad Heemscham pagum,<br />

non pro cul Vidro flumine, sive, ut in quibusdam monumentis<br />

reperio, Otmershemum Tuentiae urbem".<br />

13) Jungius, a.w., blz. 170 v.<br />

VORG, Verslagen en mededeelingen 69 (1954)


102<br />

"uit liefde voor zijn broeder" aan Otto debisschoppelijke<br />

rechten op Bentheim weer afgestaan, zoals de schrijver <strong>van</strong> de<br />

Narracio, die vermoedelijk een geestelijke was, niet zonder spijt"<br />

vaststelt. Blijkbaar door <strong>het</strong>zelfde gevoel gedreven heeft hij<br />

aan zijn Bentheimsen broeder <strong>het</strong> burggraafschap <strong>van</strong> Utrecht<br />

in leen gegeven, <strong>het</strong>welk de graven <strong>van</strong> Bentheim tot 1307<br />

behouden hebben, toen ze <strong>het</strong> afstonden aan <strong>het</strong> geslacht<br />

Utengooi, waaruit <strong>het</strong> door erfopvolging later aan de Brederode's<br />

is gekomen 14). Het was een ambt, waaraan rechterlijke<br />

inkomsten verbonden waren en dat nog in de eerste helft <strong>van</strong><br />

de 12e eeuw door ministerialen <strong>van</strong> den bisschop werd vervuld.<br />

Toen <strong>het</strong> in handen <strong>van</strong> aanzienlijke geslachten was gekomen,<br />

werd <strong>het</strong> natuurlijk door een plaatsver<strong>van</strong>ger waargenomen.<br />

Nadat Otto IV zich bij herhaling bij zijn bisschoppelijken<br />

broeder beklaagd had over den overlast, welken zijn bij Coevorden<br />

gelegen goederen ondervonden <strong>van</strong> "illi de Covordia". de<br />

afstammelingen <strong>van</strong> den broeder <strong>van</strong> bisschop Herbert, aan<br />

wien deze de jurisdictie in Drenthe met <strong>het</strong> burggraafschap<br />

in leen had gegeven, ontzegde bisschop Boudewijn hun hunne<br />

lenen, waarna volgde, dat hij <strong>het</strong> kasteel belegerde en tot overgave<br />

bracht. Het wordt dan met de bedoelde jurisdictie eerst<br />

aan een Hollandsen ridder Ghiselbertus Postekin toevertrouwd<br />

en na enige jaren aan den graaf <strong>van</strong> Bentheim "qUi semper ad<br />

istum dominium aspiravit" 15). <strong>De</strong>ze - handhaaft dan negen<br />

jaar <strong>het</strong> gezag <strong>van</strong> den bisschop, maar Rudolf en Volkert <strong>van</strong><br />

Coevorden zetten in <strong>het</strong> geheim hun bloedverwanten <strong>van</strong><br />

Peize en de zoons <strong>van</strong> den prefect <strong>van</strong> Groning,en en ook de<br />

stad Groningen tegen den bisschop en vooral tegen den graaf<br />

<strong>van</strong> Bentheim op. Er ontstaat een geschilover de St. Walburgskerk<br />

in Groningen en over de voogdij over den toen minderjarigen<br />

erfgenaam <strong>van</strong> de praefeetuur en in den daaruit ontstanen<br />

strijd wordt de graaf <strong>van</strong> Bentheim bij Rolde verslagen<br />

14) Pijnacker Hor-dijk, <strong>De</strong> castellani <strong>van</strong> Utrecht, Bijdr. Vad. Gesch.<br />

en Oudheidk. IV, 2, blz. 11.<br />

15) Nœrraoio, blz. 11.<br />

VORG, Verslagen en mededeelingen 69 (1954)


103<br />

en <strong>het</strong> dorp Coevorden verbrand. <strong>De</strong> bisschop komt met een<br />

groot leger opzetten. ont<strong>van</strong>gt gijzelaars. maar Volkert neemt<br />

<strong>het</strong> kasteel <strong>van</strong> Coevorden in. waar de gravin en haar gezin<br />

zijn ge<strong>van</strong>genen worden. Zij moeten nu weer door den bisschop<br />

door uitwisseling tegen zijn gijzelaars worden bevrijd<br />

en als hij opnieuw tegen Coevorden optrekt. wordt <strong>het</strong> weer<br />

een fiasco. Dit alles wordt in de Narracio verhaald. Het is <strong>het</strong><br />

voorspel <strong>van</strong> den nog veel uitvoeriger verhaalden strijd om Coevorden.<br />

die ruim een kwarteeuw later in den slag bij Ane en<br />

<strong>het</strong> sneuvelen <strong>van</strong> bisschop Otto II zijn dramatisch hooqtepunt<br />

zou vinden.<br />

Waarschijnlijk is dezelfde Otto IV. die nog in 1207 in leven<br />

is. de Bentheimse graaf. die Willem I bijstaat in zijn strijd<br />

tegen Lodewijk <strong>van</strong> Loon en door bisschop Dirk <strong>van</strong> der Are<br />

bij Mijdrecht verslagen wordt 16): Uit alles blijkt. dat de Bentheimse<br />

graven herhaaldelijk bij de gebeurtenissen op onzen bodem<br />

betrokken waren, waartoe de ontstane bloedverwantschap<br />

met de Hollandse graven uiteraard <strong>het</strong> hare bijdroeg.<br />

Terwijl in Holland <strong>het</strong> Hollandse huis in 1299 in de mannelijke<br />

lijn uitstierf. bleef <strong>het</strong> in Bentheim regeren tot den dood<br />

<strong>van</strong> graaf Bernhard I in 1421. Dan vererft Bentheim op een<br />

kleinzoon <strong>van</strong> diens zuster Hadwig. die gehuwd was met Everwijn<br />

<strong>van</strong> Guterswijk (in <strong>het</strong> hertogdom Kleef. niet ver <strong>van</strong><br />

Wesel). <strong>De</strong>ze kleinzoon. eveneens Everwijn genaamd. had<br />

reeds vóór deze opvolging op de gebruikelijke wijze in Twenthe<br />

krijg gevoerd. Hij deed er nI. in 1417 onverhoeds een inval.<br />

waarbij vooralOotmarsum <strong>het</strong> ontgelden moest. Maar Utrecht<br />

had een krachtigen bisschop. Frederik <strong>van</strong> Blankenheim. die.<br />

gesteund door de drie steden <strong>van</strong> <strong>het</strong> <strong>Oversticht</strong>. met een leger<br />

kwam opzetten en Everwijn zes weken in zijn kasteel Dinkelrode<br />

te Neuenhaus belegerde. waarna deze zich overgaf. <strong>De</strong><br />

voorwaarden voor de overgave zijn ons bekend uit de stukken.<br />

afgedrukt bij Racer 17). Everwijn moest zich schuldig beken-<br />

16) Ibidem. blz. 24.<br />

17) J. W. Racer. Overijsselsche Geâenlcstulcken, II. blz. 203. 205.<br />

VORG, Verslagen en mededeelingen 69 (1954)


104<br />

nen tot een schadeloosstelling <strong>van</strong> 8000 overlandse Rijnse gul~<br />

dens of een gelijkwaardige som in andere geldstukken "nae<br />

beloep der wissel to <strong>De</strong>venter" en daarvoor in pand geven zijn<br />

"huijs dat men noempt dat Nijehuis met alle synre heerlicheit<br />

hoge ende leghe, mit den kerspel <strong>van</strong> Ulsen ende mitten biercijse<br />

aldair ende mit allen sinen recht ende toebehoeren". <strong>De</strong><br />

bisschop verklaarde <strong>van</strong> zijn kant, dat, als de lospenningen be-<br />

taald waren, hij binnen acht dagen "dat voirsz. Nijehuis mit<br />

allen sinen toebehoeren ruemen ende hem weder omme vrij<br />

overleveren (zal) in allen manieren als ons dat versat is, sonder<br />

argelist". <strong>De</strong> bisschop wordt dan in <strong>het</strong> stadje Neuenhaus<br />

door schepenen en burgeren gehuldigd en op <strong>het</strong> slot komt<br />

Wolter <strong>van</strong> Coevorden als zijn kastelein.<br />

Later, in 1427, als Everwijn reeds als graaf <strong>van</strong> Bentheim<br />

is opgevolgd, steunt hij bisschop Rudolf <strong>van</strong> Diepholt in een<br />

oorlog tegen den hertog <strong>van</strong> Gelre en dan wordt een nader<br />

beding gemaakt over de lossing <strong>van</strong> <strong>het</strong> pand. Als Everwijn<br />

of zijn erfgenamen daartoe zouden willen overgaan, mochten<br />

zij 4000 guldens korten op de som, waarvoor <strong>het</strong> pand verbonden<br />

was, onder voorwaarde dat zij <strong>het</strong> Nijenhuis ten<br />

eeuwigen dage ter leen zouden houden <strong>van</strong> <strong>het</strong> Sticht<br />

Utrecht 18).<br />

Niet lang daarna moet de lossing hebben plaats gehad, want<br />

in 1429 richtte graaf Everwijn aan den bisschop en de drie steden<br />

een brief over den tijd, waarbinnen hij, na daartoe vermaand<br />

te zijn, en de plaats, waar hij zijn belening met Nijehuis zou<br />

verzoeken ,19). <strong>De</strong> belening zelf is blijkbaar opgeschort in verband<br />

met <strong>het</strong> geschil over de bisschopsbenoeming, want blijkens<br />

een aantekening in <strong>het</strong> bisschoppelijk leenregisterhad zij<br />

eerst plaats op St. Valentijnsdag 1435 20). In volgende leenakten<br />

is steeds sprake <strong>van</strong> "<strong>het</strong> Nijehuis met zijn toebe-<br />

18) Jungius, a.w., blz. 343.<br />

19) Racer, a.w., II, blz. 58 V., 217.<br />

20) Ik dank de mededeling hier<strong>van</strong> aan Mr. A. Haga.<br />

VORG, Verslagen en mededeelingen 69 (1954)


105<br />

hoor" 21) •.door de graven <strong>van</strong> Bentheim in leen gehouden <strong>van</strong><br />

de landsheren <strong>van</strong> Overijssel. later <strong>van</strong> de provincie Overijssel.<br />

waarop de rechten <strong>van</strong> de landsheren toen waren overgegaan.<br />

Op grond <strong>van</strong> een en ander is later. met name door stadhouder<br />

Willem III. beweerd. dat de hele Nedergraafschap een<br />

leen <strong>van</strong> den bisschop was geworden. dat dus vervolgens op<br />

Overijssel was overgegaan ....-wij zullen aanstonds zien. welk<br />

belang hij hierbij had ....-. maar dat is niet juist. Jungius vermeldt<br />

nI. een brief <strong>van</strong> 1421. dus <strong>van</strong> spoedig na de verpan-<br />

ding. waarbij graaf Bernhard. "eijnen ghaerden. belegen vor<br />

den Nijenhues" verkoopt 22). zodat deze blijkbaar reeds buiten<br />

de pandschap viel. terwijl de latere leenheerlijkheid zich niet<br />

verder uitstrekte.<br />

<strong>De</strong> genoemde Everwijn heeft als Everwijn I <strong>van</strong> 1421 tot<br />

1454 over Bentheim geregeerd en is in 1433 ook nog drost <strong>van</strong><br />

Twenthe geworden 23). Zijn eerste vrouw was Mechteld <strong>van</strong><br />

Steinfurt. Zij bracht hem Steinfurt aan en bij Everwijn's dood<br />

. is zijn ene zoon in Bentheim en de andere in Steinfurt opge~<br />

volgd. Hun zonen, neven dus en beiden Everwijn ge<strong>het</strong>en.<br />

sloten in 1487 een erfverdrag. volgens <strong>het</strong>welk alleen marinelijke<br />

afstammelingen de graafschappen zouden bezitten en<br />

bij gebreke daar<strong>van</strong> in één der graafschappen. dit weder met<br />

<strong>het</strong> andere zou worden verenigd.<br />

Everwijn II (1473....-1530) die in 1513 ook nog drost <strong>van</strong><br />

Coevorden is geworden. was een rijk man en ook een wijs man.<br />

In 1516 kocht hij <strong>het</strong> landgoed Sinqraven- en hij bezat boven-<br />

.. dien een aantal andere erven in Twenthe. Na zijn dood komt<br />

21) Racer. a.w .• II. blz. 60. schijnt te menen. dat <strong>het</strong> "toebehoor" sloeg<br />

op <strong>het</strong> kerspel Ulsen. Uit de twee door hem aangehaalde oorkonden<br />

<strong>van</strong> 1404 (J'ungtus, Codex diplomatum nos. 143 en 145) en een derde<br />

<strong>van</strong> 1370 (a.w, no. 98) kan hoogstens worden afgeleid. dat enkele<br />

rechten aldaar onder <strong>het</strong> kasteel Nijehuis vielen.<br />

22) Codex diplomatum, no. 165.<br />

23) Racer. a.w. II. blz. 61. Men bedenke. dat. toen nog geen Nederlandse<br />

staat was gevormd. de Bentheimse graven niet meer "vreemdelingen"<br />

waren dan bijv. de hertogen <strong>van</strong> Gelre. Zulk een drostambt<br />

werd vergeven <strong>van</strong>wege de inkomsten en waargenomen door<br />

een Verwalter.<br />

VORG, Verslagen en mededeelingen 69 (1954)


106<br />

met Arnold I. die met zijn dochter Maria gèhuwd was, de<br />

Steinfurtse linie ook in Bentheim aan de regering. Hij is <strong>het</strong>, die<br />

in 1544 de Lutherse religie invoerde, maar zijn kleinzoon<br />

Arnold II stelde daar in 1587 de gereformeerde religie voor in de<br />

plaats. Onder <strong>het</strong> bewind <strong>van</strong> diens zoon Arnold Joost (1606.-<br />

1643) valt <strong>het</strong> grootste deel <strong>van</strong> den dertigjarigen oorlog. Er<br />

werden toen bij herhaling zware oorlogsschattingen op <strong>het</strong> land<br />

gelegd, ter betaling waar<strong>van</strong> de graaf zich in schulden moest<br />

steken.<br />

Zijn zoon en opvolger Ernst Wilhelm (1643.-1693), bij<br />

wien wij iets langer moeten stil staan, had er uiteraard groot<br />

belang bij, dat <strong>het</strong> land een zo groot mogelijk deel <strong>van</strong> deze<br />

schulden in den vorm <strong>van</strong> belastingen zou opbrengen, en hij<br />

trachtte daartoe meer invloed te krijgen in de landsstenden.<br />

die bestonden uit zes adellijke borgmannen, vertegenwoordigers<br />

<strong>van</strong> de twee kloosters Wietmerschen en Frenswegen, de burgemeesters<br />

<strong>van</strong> de drie steden Neuenhaus, Nordhorn en Schüttorf<br />

(die te zamen maar één stem uitbrachten) en twee afqevaardigden<br />

<strong>van</strong> de provincie Overijssel <strong>van</strong>wege de domeinen<br />

dier provincie. Dit waren de in de Nedergraafschap gelegen<br />

oude bezittingen <strong>van</strong> den bisschop <strong>van</strong> Utrecht, ressorterende<br />

onder den hof te Ootmarsum, die beschouwd zijn als in 1528<br />

met de overdracht <strong>van</strong> de wereldlijke heerschappij over Overijssel<br />

aan Karel V mede overgedragen te zijn en, sinds de overneming<br />

<strong>van</strong> de souvereiniteit door de Staten, als domein <strong>van</strong> de provincie,<br />

waarbij dan nog gekomen waren de bezittingen <strong>van</strong> de<br />

aan de provincie vervallen kloosters Albergen en Sibculo. Voor<br />

zover <strong>het</strong> vroeger landsheerlijke bezittingen geweest waren,<br />

werden zij met de in Twenthe zelf gelegen domeinen <strong>van</strong> de provincie<br />

beheerd door den landrentmeester <strong>van</strong> Twenthe, die met<br />

een vertegenwoordiger <strong>van</strong> de drie grote steden Overijssel vertegenwoordigde<br />

in den Bentheimsen landdag; de landrentmeester,<br />

een ambt destijds bekleed door Gerhard Sloet, vormde zelfs<br />

met één <strong>van</strong> de borgmannen <strong>het</strong> uitvoerend comité <strong>van</strong> den landdag<br />

onder den naam Landesdeputierten.<br />

VORG, Verslagen en mededeelingen 69 (1954)


107<br />

Waar nu, zoals wij zagen. de graaf <strong>van</strong> Bentheim aanzienlijke<br />

bezittingen in Twenthe had. heeft Ernst Wilhelm ernstige<br />

pogingen in <strong>het</strong> werk gesteld om met de provincie te komen tot<br />

een uitgebreiden ruil <strong>van</strong> goederen. Hij had daartoe in de eerste<br />

plaats de medewerking nodig <strong>van</strong> Sleet en deze heeft voor<br />

zijn steun bedongen. dat hij zelf voor een niet al te hoge som<br />

<strong>het</strong> landgoed Singraven zou kunnen kopen.<br />

Men vindt deze geschiedenis zeer uitvoerig behandeld in <strong>het</strong><br />

prachtige werk over Singraven <strong>van</strong> prof. dr. Karl Döhmann<br />

en W. H. Dingeldein. Het slot is geweest. dat er <strong>van</strong> dezen ruil<br />

niets is gekomen. maar dat Sloet in den Bentheimsen landdag<br />

bevorderd heeft. dat <strong>het</strong> graafschap 100.000 rijksd. <strong>van</strong> de<br />

schuld overnam. Daarop is Singraven toch in 1651 aan hem<br />

overgedragen. maar zulks heeft tot uiterst langdurige processen<br />

geleid. aan de beschrijving waar<strong>van</strong> <strong>het</strong> gehele tweede<br />

deel <strong>van</strong> <strong>het</strong> genoemde werk is gewijd.<br />

In 1677 hebben de Staten <strong>van</strong> Overijssel ten aanzien <strong>van</strong><br />

hun Bentheimse rechten een belangrijk besluit genomen. Het<br />

Regeringsreglement voor de provincie <strong>van</strong> 1675 had hen zeer<br />

afhankelijk gemaakt <strong>van</strong> den stadhouder. <strong>De</strong>ze kreeg ten aanzien<br />

<strong>van</strong> de gekozenen in de besturen der drie stemhebbende<br />

steden een recht<strong>van</strong> aggreatie en voor degenen. die hij niet<br />

mocht aggreëren kon hij andere bevoegde personen in de plaats<br />

stellen. Ook de benoeming <strong>van</strong> de zes leden <strong>van</strong> Gedeputeerde<br />

Staten kreeg hij praktisch in handen 24). Blijkbaar om hem<br />

gunstig te stemmen na de weinig krachtige houding. die de<br />

provincie in <strong>het</strong> rampjaar 1672 had aangenomen. hebben Rid~<br />

derschap en Steden toen aan hem en zijn mannelijke nakomelingschap<br />

behalve de in de graafschap Bentheim gelegen bezittingen.<br />

afkomstig <strong>van</strong> de kloosters Albergen. Sibculo en<br />

Windesheim. geschonken de leengerechtigheid en de goederen<br />

in de graafschap Bentheim. voor zover een en ander behoorde<br />

tot <strong>het</strong> provinciaal domein. Na <strong>het</strong> kinderloos overlijden <strong>van</strong><br />

24) Vlg. mijn artikelOns oudste provinci61'echt in R. M. Themis<br />

_1942. blz. 37 v.<br />

VORG, Verslagen en mededeelingen 69 (1954)


108<br />

Willem III verviel een en ander weer aan de provincie, maar<br />

na de verheffing <strong>van</strong> Willem IV kreeg deze eerst in 1747 de<br />

inkomsten dezer goederen en in 1751 den eigendom, erfelijk<br />

in de mannelijke en de vrouwelijke lijn 25).<br />

Graaf Ernst Wilhelm, die tot zijn 38ste jaar ongehuwd<br />

was gebleven, trouwde in 1661 met Geertruid <strong>van</strong> Zelst, dochter<br />

<strong>van</strong> een richter te Zelhem en zuster <strong>van</strong> den landrichter te<br />

Hummelo en Steenderen, blijkbaar dus een Gelderse. Hij kreeg<br />

over dit huwelijk berieden zijn stand moeilijkheid met zijn<br />

broeder Philips Koenraad, die Steinfurt had geërfd en zich al<br />

zeker had gewaand <strong>van</strong> de opvolger in Bentheim, en hij zocht<br />

deswege steun bij den bisschop <strong>van</strong> Munster, den ten onzent<br />

niet al te gunstig vermaarden Berend <strong>van</strong> Galen, die <strong>van</strong> den<br />

keizer wist gedaan te krijgen, dat Geertruid in 1666 in den rijksgravenstand<br />

werd verheven. <strong>De</strong> nauwe relatie met den bisschop<br />

had echter nog een ander gevolg: de graaf werd door meer<br />

dan enkel zachten aandrang overgehaald om den Rooms Katholieken<br />

godsdienst aan te nemen.<br />

Er volgt dan een romantische episode 26) •<br />

-Geertruid zond dadelijk haar vier oudste kinderen naar de<br />

Staten-Generaal. Er komen Munsterse soldaten voor <strong>het</strong> slot<br />

te Bentheim met een volmacht <strong>van</strong> den graaf. maar de gravin<br />

weigert ze toe te laten, voordat ze met haar man gesproken<br />

heeft. Dan komt de bisschop met een heel leger en, hoewel<br />

de gravin zich verdedigen wil. opent de hofmeester uit vrees<br />

de poort.<br />

<strong>De</strong> Protestantse hofbedienden werden nu door Katholieke<br />

ver<strong>van</strong>gen, de kerkeraad werd ontbonden. <strong>De</strong> gravin werd met<br />

een zuigeling naar Munster gevoerd en daar in <strong>het</strong> huis <strong>van</strong><br />

een burgemeester onder bewaking gesteld. Zij mocht haar man<br />

niet zien, tenzij ze eerst <strong>van</strong> de Staten-Generaal de teruggavç<br />

<strong>van</strong> haar kinderen had verlangd. Toen dit niet hielp, werd zij<br />

25) Bannier, a.w., blz. 137.<br />

26) Zij wordt uitvoerig verhaald door W. F. Viseh, Geschiedenis <strong>van</strong><br />

<strong>het</strong> gmafschap Bentheim, 1820, blz. 197 v.<br />

VORG, Verslagen en mededeelingen 69 (1954)


109<br />

bedreigd met plaatsing in een klooster. Eindelijk werd haar een<br />

brief met verzoek om de teruggave afgeperst, maar, vlak nadat<br />

haar brief was afgezonden, wist zij <strong>van</strong> de gelegenheid, dat<br />

de burgemeester met zijn gezin naar een bruiloft was, gebruik<br />

te maken om te ontvluchten en zij komt met de zuigeling veilig<br />

aan op Overijsselsen bodem. Zij vertoefde eerst op Twickel,<br />

ging daarna nain <strong>De</strong>n Haag, waar zij met onderscheiding werd<br />

ont<strong>van</strong>gen, maar zij slaagde er niet in tot een verzoening te komen<br />

met haar man. die volkomen een werktuig <strong>van</strong> den, bisschop<br />

was geworden. Op 8 Juni 1678 werd hun huwelijk door<br />

den bisschop onwettig verklaard en twee maanden later ging de<br />

graaf inderdaad een nieuw huwelijk aan. Geertruid pretesteerde<br />

hiertegen in allen vorm en liet dit protest te Bentheim door<br />

een trompetter <strong>van</strong> de Staten-Generaal insinueren. Zij stierf<br />

echter 29 Maart 1679~naar men zeide <strong>van</strong> verdriet 27) .<br />

<strong>De</strong> zoon <strong>van</strong> Philips Koenraad graaf <strong>van</strong> Stèinfurt, Arnold<br />

Maurits Wilhelm, werd door zijn oom tot opvolger benoemd<br />

en om den steun te hebben <strong>van</strong> den bisschop <strong>van</strong> Munster en<br />

den keizer nam hij reedsbij voorbaat <strong>het</strong> Katholieke geloof aan.<br />

Maar de' zonen <strong>van</strong> Ernst Wilhelm en Geertruid wilden hùn<br />

aanspraken doen gelden en hieruit ontwikkelde zich een lanqdurig<br />

geschil. waarbij de godsdienstige tegenstelling uiteraard<br />

een 'grote rol speelde. in 'verband waarmee ook de Rijks~<br />

dag er zichten slotte mee bemoeide. Op aandrang <strong>van</strong> de Protestantse<br />

rijksstenden werd door den keizer een commissie be':<br />

noemd, die in 1688 te Bielefeld bijeenkwam en <strong>het</strong> daarheen<br />

zocht te leiden. dat de zoons voor den afstand <strong>van</strong> hun rechten<br />

een schadeloosstelling zouden aanvaarden. Als zodanig werd<br />

eerst alleen geld en een kleine heerlijkheid. later <strong>het</strong> graafschap<br />

Steinfurt aangeboden. met handhaving <strong>van</strong> <strong>het</strong> erfverdrag <strong>van</strong><br />

1487. <strong>De</strong> zoons wilden nog enige voorwaarden toegevoegd<br />

zien en inmiddels overleed Ernst Wilhelm. waarop Arnold<br />

Maurits Wilhelm <strong>het</strong> graafschap Bentheim in bezit nam en <strong>van</strong><br />

27) Vgl. Bijdragen Nijhoff IV. 4, blz. 196 v.<br />

VORG, Verslagen en mededeelingen 69 (1954)


, 110<br />

den keizer de belening verkreeg met de Bovengraafschap en<br />

de heerlijkheid Emblicheim, terwijl Ernst, de oudste zoon <strong>van</strong><br />

Ernst Wilhelm en overste in Staatsen dienst, door Willem III.<br />

als leenheer <strong>van</strong> "Neuenhaus met zijn toebehoor", beleend<br />

werd met dit deel, waaronder men toen, zoals wij gezien hebben,<br />

de gehele Nedergraafschap wilde betrekken. August<br />

Maurits Wilhelm trachtte te vergeefs zich ook daar te doen<br />

huldigen 28). Ernst werd er met groot gejuich ingehaald, toen<br />

hij er verscheen, nadat door Willem III een kleine bezetting<br />

<strong>van</strong>uit Coevorden in <strong>het</strong> kasteel te Neuenhaus was gelegd.<br />

Maar Willem III moest <strong>van</strong>wege zijn Europese politiek den<br />

keizer ontzien. Aan hem is ten slotte in 1701 een scheidsrechterlijke<br />

uitspraak opgedragen en deze heeftzich in hoofdzaak ge~<br />

houden aan <strong>het</strong> z.g. Bielefeldse verdrag, waarboven de zoons<br />

nog tien jaar lang de rente <strong>van</strong> 80.000 rijksd. zouden krijgen en<br />

daarna <strong>het</strong> kapitaal. Tot aan de volledige uitvoering <strong>van</strong> <strong>het</strong> verdrag<br />

zou de Nedergraafschap door Nederlandse troepen bezet<br />

blijven, <strong>het</strong>geen tot 1715 heeft geduurd. Voor de ondertekening<br />

kwam August Maurits Wilhelm in <strong>De</strong>n Haag. Juist toen hij<br />

zijn naam had gezet, overviel hem een beroerte, die enige dagen<br />

later een einde aan zijn leven maakte.<br />

Over de rest <strong>van</strong> de Bentheimse geschiedenis moge in hoofdzaak<br />

naar <strong>het</strong> boek <strong>van</strong> Visch worden verwezen. <strong>De</strong> kleinzoon<br />

,<strong>van</strong> den laatstgenoemden graaf, Frederik Karel, die in 1731aan<br />

de regering kwam, verpandde <strong>het</strong> graafschap in 1752 aan<br />

George II, koning <strong>van</strong> Engeland en keurvorst <strong>van</strong> Hannover,<br />

voor de betaling <strong>van</strong> al zijn schulden. Hij ging in Parijs wonen<br />

en ontsloeg schriftelijk al zijn onderdanen <strong>van</strong> hun eed <strong>van</strong><br />

trouw, aan hem als landsheer gedaan 29) •<br />

Toen hij in den zevenjarigen oorlog in Fransen krijgsdienst<br />

was getreden, kwam hij in 1757aan <strong>het</strong> hoofd <strong>van</strong> een regiment<br />

in Bentheim terug en liet hij zich daar opnieuw huldigen, maar<br />

<strong>het</strong> volgende jaar bezetten de Hannoveranen <strong>het</strong> slot Bentheim<br />

28) Viseh, a.w., blz. 214.<br />

29) Het stuk bij Jungius, a.w., blz. 4 v.<br />

VORG, Verslagen en mededeelingen 69 (1954)


111<br />

en bij den vrede in 1763 bleef <strong>het</strong> graafschap in hun handen. In<br />

de jaren der Franse bezetting. waarin generaal <strong>van</strong> Damme<br />

een niet geheel geslaagde poging deed om <strong>het</strong> slot in de lucht te<br />

laten springen. overleed Frederik Karel kinderloos (1803) en<br />

ingevolge <strong>het</strong> oude verdrag <strong>van</strong> 1487. bevestigd bij <strong>het</strong> Bielefeldse<br />

vergelijk, ging daardoor <strong>het</strong> recht <strong>van</strong> opvolging over op<br />

den Protestantsen tak. Maar in November 1813 nam de Enqels-<br />

Hannoveraanse regering- weer bezit <strong>van</strong> <strong>het</strong> graafschap. <strong>De</strong><br />

graaf behoorde tot de talrijke vroeger regerende Duitse vorsten.<br />

die waren gemediatiseerd. <strong>het</strong>geen nog eens uitdrukkelijk werd<br />

uitgesproken in de Wener Congresakte. En als graaf Lodewijk<br />

er in 1817 terugkomt. dan is <strong>het</strong> niet als regerend vorst. doch als<br />

groot~grondeigenaar. Hij werd in <strong>het</strong>zelfde jaar met zijn familie<br />

in den rijksvorstenstand verheven.<br />

Zijn nakomelingen wonen sindsdien op <strong>het</strong> slot te Burqsteinfurt.<br />

VORG, Verslagen en mededeelingen 69 (1954)<br />

.1

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!