29.08.2013 Views

Een ooggetuige van belang? - Historisch Centrum Overijssel

Een ooggetuige van belang? - Historisch Centrum Overijssel

Een ooggetuige van belang? - Historisch Centrum Overijssel

SHOW MORE
SHOW LESS

Create successful ePaper yourself

Turn your PDF publications into a flip-book with our unique Google optimized e-Paper software.

<strong>Een</strong> <strong>ooggetuige</strong> <strong>van</strong> <strong>belang</strong>?<br />

Isaac Claeszoon Swanenburg en zijn weergave <strong>van</strong> de Leidse<br />

saaiproduktie<br />

1 Inleiding<br />

Frank <strong>van</strong> DeUk<br />

Afbeeldingen die een relatief compleet overzicht geven <strong>van</strong> het technisch<br />

procedé <strong>van</strong> pre-industriële textielproduktie zijn zeldzaam. Nog zeldzamer<br />

is het, wanneer de afbeeldingen qua detail, datering en documentatie<br />

dermate specifiek zijn, dat ze als bron misschien wel gelijkwaardig<br />

zijn aan het schriftelijke materiaal dat bewaard bleef.!<br />

De Leidse saainijverheid rond 1600 lijkt er in dit opzicht zeer gunstig uit<br />

te springen. Behalve schriftelijke bronnen die het mogelijk maken de<br />

ontwikkeling <strong>van</strong> deze tak <strong>van</strong> wolverwerking vrijwel <strong>van</strong>af het ontstaan<br />

te volgen, bestaan er maar liefst twee reeksen afbeeldingen die wellicht<br />

inzicht bieden in de gehanteerde technieken. Tussen 1594 en 1612 werden<br />

in het atelier <strong>van</strong> de Leidse schilder Isaac Claeszoon (<strong>van</strong>) Swanenburg<br />

(1537-1614) zeven schilderijen vervaardigd. Vijf er<strong>van</strong> hadden de<br />

technische kant <strong>van</strong> de saaiproduktie tot onderwerp. <strong>Een</strong> <strong>van</strong> deze vijf<br />

ging verloren. De overige vier bevinden zich samen met de twee andere<br />

panelen uit de serie (beide allegorieën) in het Stedelijk Museum De Lakenhal<br />

in Leiden. 2<br />

De tweede reeks bestaat uit een serie <strong>van</strong> elf gewassen pentekeningen <strong>van</strong><br />

de hand <strong>van</strong> dezelfde Swanenburg. Ook hierbij zijn twee allegorieën.<br />

Eén <strong>van</strong> de elf bevat alleen tekst. De overige acht tekeningen bieden een<br />

weergave <strong>van</strong> deelprocessen <strong>van</strong> de saaiproduktie. 3<br />

De saainijverheid in Leiden is, wat de schriftelijke bronnen aangaat, in<br />

een vroeg stadium onderwerp <strong>van</strong> studie geweest. De figuur <strong>van</strong> Nicolaas<br />

Posthumus, een <strong>van</strong> de eerste hoogleraren economische geschiedenis,<br />

domineert hier - als op alle terreinen <strong>van</strong> de Leidse pre-industriële<br />

textielhistorie - nog altijd. Zowel in zijn bronnenuitgave, als in zijn monografie<br />

komen de saaien uitgebreid aan bod. 4 Posthumus had evenwel<br />

nauwelijks oog voor afbeeldingen. In de ruim twaalfhonderd pagina's<br />

die hij besteedde aan de beschrijving en analyse <strong>van</strong> de textielnijverheid<br />

sinds het Leids Ontzet (1574), worden de zeven bovengenoemde schilderijen<br />

in nauwelijks meer dan twee zinnen beschreven - en met in iedere<br />

VAN DEIJK EEN OOGGETU1GE VAN BELANG? 7


zin een onjuistheid. 5 Anderen dan Posthumus hebben iets meer, maar<br />

niet erg diepgaande aandacht voor de schilderijen opgebracht. Deze oppervlakkige<br />

observaties zijn veelal gepaard gegaan met onkunde wat betreft<br />

de schriftelijke bronnen. Het resultaat is een serie aperte onzinnigheden.<br />

6 De tekeningen zijn, ook wanneer men met het bestaan er<strong>van</strong> op<br />

de hoogte was, vrijwel genegeerd. 7<br />

Dit artikel beoogt de schilderijen en tekeningen te bezien tegen de achtergrond<br />

<strong>van</strong> hun ontstaan, en waar mogelijk op nauwkeurigheid te toetsen<br />

aan schriftelijke bronnen. Alleen zo wordt duidelijk op welke manier<br />

de afbeeldingen op hun beurt als bron kunnen dienen.<br />

2 Swanenburg en zijn opdrachten 8<br />

Isaac Claeszoon Swanenburg, ook bekend als Meester Isaac Nicolai,<br />

werd in Leiden geboren op 19 augustus 1537 als lid <strong>van</strong> een geslacht dat<br />

in het Leidse stadsbestuur een vooraanstaande positie innam. 9 Over zijn<br />

vroegste levensjaren is niets bekend. Het eerstbekende gegeven <strong>van</strong> <strong>belang</strong><br />

is, dat de kunstenaar Carel <strong>van</strong> Mander Swanenburg noemt als een<br />

leerling <strong>van</strong> Frans Floris de Vriendt. lo Frans Floris (geboren te Antwerpen<br />

in ca. 1520 en in diezelfde stad overleden in 1570) was in zijn tijd<br />

een <strong>van</strong> de meest vooraanstaande schilders <strong>van</strong> de Nederlanden. Ergens<br />

tussen 1541 en 1547 bezocht hij Italië. Na zijn terugkeer in Antwerpen<br />

steeg zijn faam snel. In de jaren '50 <strong>van</strong> de zestiende eeuw begon hij,<br />

waarschijnlijk als eerste Noordeuropese schilder, naar Italiaans voorbeeld<br />

te werken met een atelier waarbinnen de. gezellen een wezenlijke<br />

bijdrage leverden aan de werken die er vervaardigd werden. Op deze<br />

manier hoefde de meesterschilder zich niet met de complete afwerking<br />

<strong>van</strong> alle schilderstukken bezig te houden en kon een hogere produktie<br />

worden bereikt. 11<br />

Exact wanneer Swanenburg in Antwerpen werkte is onzeker. Vaststaat<br />

dat hij kort na het midden <strong>van</strong> de jaren 1560 in Leiden moet zij n teruggekeerd,<br />

zodat het zelfportret uit 1568 in zijn geboortestad moet zijn ontstaan.<br />

12 Na zijn terugkeer in Leiden was Swanenburg er de toonaangevende<br />

schilder. Hij vervaardigde er onder meer portretten, een aantal<br />

schilderijen ter decoratie <strong>van</strong> de Vierschaar en werd binnen en buiten<br />

Leiden aangetrokken voor het ontwerpen <strong>van</strong> een aantal glas-inloodramen.<br />

Daarbij zou Swanenburg, in navolging <strong>van</strong> zijn leermeester<br />

Frans Floris, de gezellen in zijn atelier (onder wie drie <strong>van</strong> zijn zoons)<br />

betrokken hebben bij de uitvoering <strong>van</strong> bestellingen. 13<br />

In de politieke constellatie <strong>van</strong> Leiden nam Swanenburg tegelijkertijd<br />

een plaats in die, gezien zijn regentenafkomst, in de lijn der verwachtin-<br />

8 THB 33(1993)


gen lag. Tussen 1576 en 1614 was hij lid <strong>van</strong> de vroedschap en <strong>van</strong> deze<br />

38 jaar was hij er dertien jaar schepen en vijf burgemeester. 14 Zijn huwelijk,<br />

op 17 januari 1569, met MaritgeJoosten past volledig in dit patroon.<br />

Ze was immers de dochter <strong>van</strong> een Leidse veertigraad, Joost Willemsz<br />

Porsman, een man die na 1572 in de stad de ambten <strong>van</strong> burgemeester<br />

en thesauriër bekleedde. Overigens bracht dit huwelijk Swanenburg ook<br />

in directe aanraking met de textielnijverheid. Joost Porsman was drapenier<br />

<strong>van</strong> beroep. 15<br />

Swanenburgs in politiek en artistiek opzicht meest actieve periode viel<br />

samen met de explosieve groei <strong>van</strong> de textiel produktie in Leiden. Deze<br />

groei stond in direct verband met de buitenlandse immigratie. De registratie<br />

<strong>van</strong> zich in Leiden vestigende poorters biedt dienaangaande een<br />

indicatie. 16 Over de periode <strong>van</strong> 1575 tot 1615 varieerde het Vlaamse<br />

aandeel in deze immigratie <strong>van</strong> 34 tot bijna 74%. Tussen 1580 en 1600<br />

lag dit aandeel voortdurend boven de 60%.17 Van de Vlaamse immigranten<br />

was grosso modo 70 procent werkzaam in de textiel. I8 Drie<br />

kwart <strong>van</strong> hen was gespecialiseerd in de produktie <strong>van</strong> saaien. 19 Samengevat<br />

betekent dit, dat bijna een derde <strong>van</strong> de totale aanwas aan Leidse<br />

poorters uit de Vlaamse saainijverheid afkomstig was. Geen andere categorie<br />

nam getalsmatig een meer vooraanstaande positie in.<br />

Het <strong>belang</strong> <strong>van</strong> dit gegeven kan moeilijk overschat worden. Immers, pas<br />

na het Ontzet <strong>van</strong> 1574 was in Leiden voor het eerst sprake <strong>van</strong> produktie<br />

<strong>van</strong> saaien 20 Tien jaar nadien bedroeg de jaarproduktie aan saaien<br />

meer dan 23.000 stuks. In 1601 werd voor het eerst de 40.000 gepasseerd,<br />

om tot 1635 tussen ruwweg de 40.000 en 50.000 stuks te schommelen. 21<br />

De saainijverheid nam daarmee binnen de Leidse textiel een onbetwiste<br />

koppositie in.<br />

Het stadsbestuur <strong>van</strong> Leiden speelde een zeer actieve rol bij het tot stand<br />

komen <strong>van</strong> deze bloei. Na het Ontzet bevond de stad zich in economisch<br />

opzicht in een deplorabele toestand. Om hierin verandering te brengen,<br />

werd de vestiging <strong>van</strong> buitenstaanders <strong>van</strong> harte aangemoedigd. Al in<br />

1577 kwamen tientallen Vlamingen naar Leiden, waarmee de produktie<br />

<strong>van</strong> saaien en baaien een wezenlijke impuls ontving. Doorslaggevend<br />

voor de ontwikkeling der saainijverheid was vooral de komst <strong>van</strong> een forse<br />

groep vluchtelingen uit het op 31 juli 1582 gebrandschatte Hondschoote.<br />

22 Hen werden gunstige vestigingsvoorwaarden geboden. Op<br />

verzoek <strong>van</strong> de Hondschootenaren werd nog in 1582 door het stadsbestuur<br />

een aparte saai-keur uitgevaardigd. Andere maatregelen volgden.<br />

Binnen een halfjaar werd een keuringshal voor saaien gevestigd. In korte<br />

tijd werden faciliteiten verschaft voor het spoelen, verven, vollen, conrooien<br />

en opspannen. Ook de produktie <strong>van</strong> noodzakelijk gereedschap<br />

werd <strong>van</strong> stadswege ondersteund. 23<br />

VAN DElJK EEN OOGGETUIGE VAN BELANG' 9


In de jaren tussen 1582 en 1613 werden de keuren voor de saainijverheid<br />

acht maal in hun geheel vernieuwd, terwijl het stadsbestuur ook nog tussentijdse<br />

aanpassingen <strong>van</strong> gedeelten uitvaardigde 24 De grote hoeveelheid<br />

veranderingen geeft aan hoezeer de jonge saainijverheid in beweging<br />

was. Swanenburg moet hier, als schepen en burgemeester, met zijn<br />

neus bovenop gezeten hebben. Vooral het feit dat iedere schepen per zittingsjaar<br />

drie maanden lang de functie <strong>van</strong> superintendent <strong>van</strong> de saainering<br />

vervulde is in dit opzicht <strong>van</strong> <strong>belang</strong>. 25 Binnen het stadsbestuur<br />

was dan ook een aanzienlijke expertise aanwezig. Van een enkele keur<br />

staat vast dat het Swanenburgs directe collega's en zijn verwanten waren<br />

die zich met de opstelling er<strong>van</strong> bezighielden. 26<br />

Hoezeer Swanenburg deel uitmaakte <strong>van</strong> een hecht netwerk, geknoopt<br />

uit politieke, schilderkunstige en familiaire draden, blijkt goed uit zijn<br />

relatie tot Claes Willemz. <strong>van</strong> Warmont (1540-1612). Ongeveer een generatiegenoot<br />

<strong>van</strong> Swanenburg, was Van Warmont net als de schilder afkomstig<br />

uit een Leids regentengeslacht. Van beroep was Van Warmont<br />

textielverver, waarmee hij in de voetsporen <strong>van</strong> zijn vader trad. Net als<br />

Swanenburg was Van Warmont lid <strong>van</strong> de vroedschap, schepen en burgemeester.<br />

27 De beide laatste ambten bekleedde hij gelijk met Swanenburg.<br />

28 Deze op zijn beurt schilderde portretten <strong>van</strong> Van Warmont en<br />

diens tweede echtgenote Anna <strong>van</strong> Heussen (1583), <strong>van</strong> dier moeder<br />

Adriana Vrancken Paets (1593) en <strong>van</strong> hun beider dochtertje Catharina<br />

(1596)29 Bovendien waren Van Warmont en Swanenburg familie <strong>van</strong> elkaar.<br />

Swanenburgs moeder was een zuster <strong>van</strong> de vader <strong>van</strong> Van Warmont.<br />

30 In 1571 huwde een zuster <strong>van</strong> Swanenburgs vrouw met 'oude'<br />

Adriaen <strong>van</strong> Warmont, een broer <strong>van</strong> Claes. 31<br />

Toen de gouverneurs <strong>van</strong> de Saaihal in 1594 toestemming <strong>van</strong> het stadsbestuur<br />

verkregen voor het doen vervaardigen <strong>van</strong> een of meer schilderstukken<br />

ter verfraaiing <strong>van</strong> de gouverneurskamer, was Swanenburg<br />

binnen Leiden dus de meest vooraanstaande kunstenaar, behoorde hij<br />

tot de groep die verlening <strong>van</strong> de kunstopdracht mogelijk maakte en was<br />

hij tenminste globaal op de hoogte met het reilen en zeilen <strong>van</strong> de saainering.<br />

Uiteindelijk zou hij, gespreid over een periode <strong>van</strong> bijna 20 jaar zeven<br />

panelen leveren. Tussen 1594 en 1596 ontstonden op die manier drie<br />

<strong>van</strong> de vier aan het produktieproces gewijde stukken (afb. 6, 9, 13). Tussen<br />

1596 en 1601 kwamen er twee allegorieën bij (afb 1, 3). In 1607 en<br />

1612 werden twee losse stukken <strong>van</strong> textiel-technische inhoud toegevoegd.<br />

Slechts een <strong>van</strong> beiden bleef bewaard (afb. 5).32<br />

Voordat <strong>van</strong> de vervaardiging <strong>van</strong> deze laatste schilderstukken sprake<br />

was, kreeg Swanenburg in of kort voor 1602 de opdracht voor het ontwerpen<br />

<strong>van</strong> een serie <strong>van</strong> elf gebrandschilderde glazen over de saainijverheid.<br />

De glazen waren bedoeld om door de saainering aan stadssecre-<br />

10 THB 33(1993)


Afb. 1. 1. C. Swanenburg, Stedemaagd met Oude en Nieuwe Nering (olieverf op paneel, Stedelijk<br />

museum 'de Lakenhal ', Leiden).<br />

taris Jan <strong>van</strong> Hout te schenken, uit dank voor zijn bemoeienis met de<br />

vestiging en bloei <strong>van</strong> deze nieuwe nering. 33 De glazen zijn, voor zover<br />

bekend, niet bewaard gebleven, de ontwerptekeningen echter wel. Zij<br />

vormen de tweede reeks afbeeldingen waarover dit artikel handelt (afb.<br />

2,4, 7,8, 10, 11, 12, 14-16) .<br />

.3 De afbeeldingen en hun documentaire waarde<br />

Swanenburg, die meer glasontwerpen vervaardigde 34 , greep in de reeks<br />

voor Jan <strong>van</strong> Hout terug op de schilderijen die hij eerder voor de gouverneurskamer<br />

<strong>van</strong> de saaihal maakte. Tussen de gewassen pentekeningen<br />

en de schilderijen zijn dan ook aanzienlijke overeenkomsten te constateren.<br />

Het grootst is de overeenkomst in het geval <strong>van</strong> de allegorieën, die<br />

<strong>van</strong> beide reeksen deel uitmaken. De verschillen in de compositie zijn gering<br />

en lijken vooral bepaald door het verschil in verhouding <strong>van</strong> breedte<br />

en hoogte. De schilderijen bieden, met hun grotere formaat, meer ruimte<br />

voor detail.<br />

In 'De oude en de nieuwe nering' (afb. 1 sen 2 t)35 staat de Leidse Stedemaagd<br />

centraal. Aan haar rechterhand is als een oude vrouw de oude<br />

nering afgebeeld, met in haar hand een vrijwel doorgelopen zandloper,<br />

symbool <strong>van</strong> vergankelijkheid. Achter haar is het profiel <strong>van</strong> Leiden te<br />

zien, met verwijzingen naar het Spaanse beleg <strong>van</strong> 1574 - de postduiven<br />

die tijdens de belegering contact met de buitenwereld mogelijk maakten<br />

en de, op het schilderij wat moeilijk te onderscheiden, ruggelings afge-<br />

VAN DEIJK EEN OOGGETUIGE VAN BELANG? 11


Afb. 2. I. C. Swanenburg, Stedemaagd met Oude en Nieuwe Nering (tekening, Gemeentearchief<br />

Leiden).<br />

beelde Spaanse soldaten. <strong>Een</strong> der putti naast de oude nering draagt de<br />

Hermes-hoed, symbool <strong>van</strong> de god <strong>van</strong> de handel. Zijn geldbeurs is echter<br />

leeg. De nieuwe nering, links <strong>van</strong> de stedemaagd, is een jeugdige<br />

vrouw, die wordt binnengeleid door de Tijd. Zijn dodelijke wapen, de<br />

zeis, is hem door een der putti afhandig gemaakt. Achter hem geeft de<br />

rechterhand Gods de zegen. Op het schilderij biedt de linkerhand een<br />

hoorn des overvloeds. In het kader <strong>van</strong> dit artikel zijn hooguit enkele details<br />

<strong>van</strong> <strong>belang</strong>. Naast de oude nering liggen enkele attributen op de<br />

vloer. Het betreft - en Swanenburg is hier dus in technisch opzicht correct<br />

- instrumenten uit de oude draperie: een distelkaarde, gebruikt<br />

voor het ruwen <strong>van</strong> het laken en de onderdelen <strong>van</strong> een spinrokken, gebruikt<br />

bij voorbewerking <strong>van</strong> de vezels bij het spinnen met de spintol. 36<br />

Opmerkelijk is het textiellood aan de lap lakense stof, met de tekst "Leyden<br />

verwe". <strong>Historisch</strong> gezien begaat Swanenburg hier een onjuistheid:<br />

een dergelijk lood was gebruikelijk binnen de nieuwe draperie (onder andere<br />

de baai-nering) <strong>van</strong> zijn tijd. De schilder moet zich hier<strong>van</strong> bewust<br />

zijn geweest, aangezien hijzelf textielloden ontwierpY<br />

12 THB 33(1993)


Afb. 3. I. C. Swanenburg, Verlenen <strong>van</strong> de keuren aan de Neringhe (olieverf op paneel, Stedelijk<br />

museum 'de Lakenhal', Leiden).<br />

De tweede allegorie wordt gewoonlijk aangeduid als 'De stad geeft de nering<br />

de keuren' (afb 3 sen 4 t). Opnieuw zijn de Stedemaagd en de nieuwe<br />

"Neringhe" te zien. De eerste overhandigt een boek aan de tweede.<br />

Tussen hen beiden bevindt zich een putto met Hermes-hoed. Ditmaal is<br />

zijn buidel goed gevuld. Vijf putti achter de nieuwe nering dragen een<br />

hoorn des overvloeds en, althans op het schilderij, textiel attributen. Het<br />

betreft (<strong>van</strong> links naar rechts) een rokken behorend bij een spinnewiel<br />

en een zogeheten lont (gekamde wol, tot spinnen gereed); een houten<br />

wolkam met een enkele rij metalen tanden; een smijtspoel voor een<br />

handweefgetouw, een schapescheerders en een bot. 38 Op de achtergrond<br />

is een gefingeerde stadhuisgevel te zien. Op het bordes staan leden <strong>van</strong><br />

het stadsbestuur. Wat op de tekening vage figuren blijven, zijn op het<br />

schilderij personen met individuele trekken. Afgebeeld is het aflezen <strong>van</strong><br />

de nieuwe keuren door de stadssecretaris, Jan <strong>van</strong> Hout, de figuur met<br />

het boek. Het aflezen was het moment <strong>van</strong> inwerkingtreding <strong>van</strong> de<br />

nieuwe regels, enigszins vergelijkbaar met publikatie in de Staatscourant<br />

<strong>van</strong> huidige wetgeving. Ten minste twee <strong>van</strong> de personen naast hem zijn<br />

aan de hand <strong>van</strong> andere - eerder genoemde - portretten te identificeren.<br />

Het zijn Swanenburg, uiterst rechts, en Van Warmont, tweede <strong>van</strong><br />

VAN DEIJK EEN OOGGETUIGE VAN BELANG' 13


Afb. 4. 1. C. Swanenburg, Verlenen <strong>van</strong> de keuren aan de Neringhe (tekening, Gemeentearchief<br />

Leiden).<br />

links. De allegorie vormt daarmee een treffende bevestiging <strong>van</strong> Swanenburgs<br />

positie, zoals die eerder werd geschetst.<br />

De overeenkomsten tussen de 'technische' schilderijen en tekeningen<br />

zijn anders <strong>van</strong> aard en minder compleet dan in het geval <strong>van</strong> de allegorieën.<br />

Het komt er in grote lijnen op neer dat Swanenburg voor een aantal<br />

technische tekeningen onderdelen <strong>van</strong> de geschilderde composities<br />

tot zelfstandige onderwerpen heeft omgewerkt. Terwijl enkele <strong>van</strong> de panelen<br />

meer dan vijf technische deelhandelingen tegelijk tonen, bevat<br />

geen <strong>van</strong> de tekeningen er meer dan drie. 39<br />

<strong>Een</strong> <strong>belang</strong>rijk verschil tussen beide reeksen afbeeldingen doet zich<br />

daarnaast voor in de achtergrond waartegen de schilder de technische<br />

handelingen laat plaatsvinden. In de tekeningen betreft het betrekkelijk<br />

neutrale interieurs en straatgezichten, die niet herkenbaar Leids zijn. In<br />

de schilderijen zijn twee <strong>van</strong> de vier stadsgezichten herkend als concrete<br />

plekken in Leiden, respectievelijk de Oosterlingenplaats (tegenwoordig<br />

Garenmarkt) en de hoek SteenschuuriVliet (tegenwoordig Rapenburg/Vliet).<br />

Beide locaties bevonden zich op een steenworp afstand <strong>van</strong><br />

14 THB 33(1993)


Afb. 5. I. C. Swanenburg, Wassen <strong>van</strong> de vachten en sorteren <strong>van</strong> de wol (olieverf op paneel,<br />

Stedelijk museum 'de Lakenhal', Leiden).<br />

de saaihal waar de schilderijen hingen. De twee andere plekken zijn<br />

vooralsnog niet benoemd, maar het is aantrekkelijk om te veronderstellen<br />

dat het ook hier de directe omgeving <strong>van</strong> de saaihal betreft. Overigens<br />

kent de realiteit <strong>van</strong> Swanenburgs decor haar grenzen, zoals blijkt<br />

uit het verre heuvelland schap op een <strong>van</strong> de panelen (afb. 13 s).<br />

Hoe dan ook, ogenschijnlijk bieden Swanenburgs reeksen een rijkdom<br />

aan technische details. Om deze mogelijke rijkdom op waarde te schatten,<br />

volgt hier een bespreking <strong>van</strong> het procedé der saaiproduktie aan de<br />

hand <strong>van</strong> afbeeldingen en schriftelijke bronnen. De volgorde <strong>van</strong> het<br />

ontstaan der afbeeldingen raakt daarmee noodzakelijkerwijs op de achtergrond.<br />

Dat blijkt al meteen bij de bespreking <strong>van</strong> het vroegste stadium,<br />

de aanvoer <strong>van</strong> de wol, het wassen <strong>van</strong> de huiden en het sorteren<br />

<strong>van</strong> de wol - handelingen die alleen zijn terug te vinden op het meest<br />

recente <strong>van</strong> de schilderijen (afb. 5s).<br />

Op de achtergrond is te zien hoe wolbalen gehanteerd en per stukwagen<br />

vervoerd worden. De om<strong>van</strong>g der balen verschilde - althans later in de<br />

zeventiende eeuw - aanzienlijk, maar de afgebeelde proporties zijn niet<br />

irreëel. 4o Meer op de voorgrond is de aanvoer <strong>van</strong> wol per schip weergegeven,<br />

voor bulkgoederen destijds de gebruikelijke transportwijze. 41<br />

Centraal in het schilderij staat het wassen der huiden. <strong>Een</strong> groot deel <strong>van</strong><br />

de wol die in de Leidse saainijverheid werd gebruikt was plootwol, dat<br />

VAN DEIJK EEN OOGGETUIGE VAN BELANG' 15


Afb. 6. 1. C. Swanenburg, Het ploten en kammen (olieverf op paneel, Stedelijk museum 'de<br />

Lakenhal', Leiden).<br />

wil zeggen wol die niet <strong>van</strong> het levende schaap was geschoren, maar met<br />

huid en al werd aangeleverd. Swanenburgs weergave is in dit opzicht dus<br />

correct. De plootwol was deels <strong>van</strong> Nederlandse herkomst, maar werd<br />

ook uit het buitenland (Pommeren, Schotland) aangevoerd. 42 Het vellenwassen<br />

vond plaats op toegewezen plaatsen in de Leidse grachten. 43<br />

Overigens werd ook buitenlandse scheerwol verwerkt. Rechtsboven in<br />

het schilderij vindt het sorteren <strong>van</strong> scheerwol plaats, waarbij de diverse<br />

kwaliteiten wol die iedere vacht bevat worden gescheiden. 44<br />

Opvallend is de prominente aanwezigheid op huiden en balen <strong>van</strong> diverse<br />

huismerken. Deze merken vormden een essentieel onderdeel <strong>van</strong> de<br />

stedelijke controle. Iedereen die binnen Leiden in de saainijverheid<br />

werkte, was verplicht iedere tweejaar zijn merk bij de waranderers (controleurs)<br />

te laten registreren. Deze bepaling is al terug te vinden in de<br />

oudst bewaard gebleven saaikeur <strong>van</strong> 1585 en maakte ook deel uit <strong>van</strong><br />

latere keuren. 45 Terecht is opgemerkt dat de afgebeelde merken een sleutel<br />

kunnen vormen tot de identiteit <strong>van</strong> de afgebeelde personen 46 Van de<br />

merken registratie zijn evenwel slechts fragmenten bewaard gebleven en<br />

die zijn niet dusdanig, dat enige identificatie mogelijk isY<br />

<strong>Een</strong> stap verder in het produktieproces komen we bij het ploten <strong>van</strong> de<br />

vachten, ofwel het scheiden <strong>van</strong> wol en huiden. Schriftelijke bronnen<br />

bieden over de techniek <strong>van</strong> het ploten geen uitsluitsel. Swanenburgs<br />

weergave in olieverf (afb. 6s, rechts vooraan) toont grote overeenkomst<br />

met de latere tekening (afb. 7t). De verschillen zijn evenwel interessan-<br />

16 THB 33(1993)


Afb. 7. I. C. Swanenburg, H et ploten (tekening, Gemeentearchief Leiden).<br />

ter. De huiden op de tekening zijn compleet met kopvel en poten, die op<br />

het schilderij niet. Er is ook een verschil in werkwijze. De beide ploters<br />

op de tekening en een <strong>van</strong> de twee op het schilderij trekken de wol met<br />

de hand los.48 De vierde (afb. 6s) gebruikt echter een schapescheerdersschaar.<br />

Daarbij lijkt het erop dat Swanenburg op het schilderij geprobeerd<br />

heeft, de verwerking <strong>van</strong> verschillende wol soorten te tonen: de<br />

structuur <strong>van</strong> de handmatig geplote vacht is beduidend ruiger dan die<br />

welke met de schaar wordt bewerkt. Dit structuurverschil wijst erop dat<br />

de eerste huid wol <strong>van</strong> langere vezels bevat dan de tweede. Helaas ontbreekt,<br />

zoals gezegd, mogelijkheid tot toetsing <strong>van</strong> deze veronderstel­<br />

Iing. 49<br />

Van de volgende bewerkingen, het vlaken <strong>van</strong> de losse wol , het wassen<br />

er<strong>van</strong> en het smouten staat ons slechts een afbeelding ter beschikking<br />

(afb. 6s, respectievelijk rechtsboven, linksmidden en middenboven).<br />

Vlaken is het boven een grove zeef met stokken bewerken <strong>van</strong> de wol, om<br />

er grof vuil en te korte vezels uit te verwijderen. De vroegste vermelding<br />

<strong>van</strong> wolvlakers dateert uit 1633, op welk moment ze binnen de kamwolverwerking<br />

een gevestigde beroepsgroep vormen. 50 Teksten die (zeer be-<br />

VAN DEIJK EEN OOGGETUIGE VAN BELANG' 17


Afb. 8. J. C. Swanenburg, Het kammen (tekening, Gemeentearchief Leiden).<br />

knopt) ingaan op de activiteit <strong>van</strong> het vlaken zijn <strong>van</strong> nog later datum.<br />

Ze zijn in ieder geval niet strijdig met Swanenburgs weergave.<br />

Het wolwassen gebeurt bij Swanenburg in de gracht (afb. 6s, links bij<br />

de brug) en ook hier wordt de wol met een vlaak bewerkt. Schriftelijke<br />

bronnen noemen het wassen <strong>van</strong> wol, waartoe zeep werd gebruikt, maar<br />

geven, althans voor deze periode, geen details. 51<br />

Om de wolvezels na het wassen de soepelheid te geven die voor het navolgende<br />

kammen noodzakelijk is, volgde het smouten, dat wil zeggen het<br />

vet maken (afb. 6s, middenboven). De vroegste keuren die hierop expliciet<br />

ingaan schrijven het gebruik <strong>van</strong> olie of boter voor. De boter werd<br />

voor gebruik gesmolten. 52<br />

Het kammen (afb. 6s middenvoor en 8t) had vooral tot doel de lange wolvezels<br />

<strong>van</strong> de kamwol evenwijdig te krijgen. Pas dan is de grondstof gereed<br />

om te spinnen. De in Leiden gehanteerde kammen werden aan<strong>van</strong>kelijk<br />

uit de Zuidelijke Nederlanden geïmporteerd, maar in dejaren negentig<br />

<strong>van</strong> de zestiende eeuw veranderde dat onder invloed <strong>van</strong> de oorlogsomstandigheden.<br />

53 Aangaande de constructie <strong>van</strong> de wolkammen<br />

18 THB 33(1993)


ieden de schriftelijke bronnen slechts inzicht in de gebruikte materialen<br />

en halffabrikaten: de "hoef ten [heften 1 dewelcke moeten zijn boucken<br />

[beuken 1 ende comen uyt Walslandt [Wallonië]", "schaepshoornen, die<br />

men coopt in Engelandt" en "oudt yser ... ".54 Uit het feit dat sprake is <strong>van</strong><br />

"cleyne cammen" mag worden afgeleid dat verschillende formaten gehanteerd<br />

werden. Bij Swanenburg is hier<strong>van</strong> niets te merken. Wel heeft<br />

hij in de achtergrond <strong>van</strong> een <strong>van</strong> de tekeningen (afb. 11t, rechtsboven)<br />

een kammakerswerkplaats getekend, evenwel zonder veel detail. 55<br />

Voor verdere toetsing <strong>van</strong> de juistheid <strong>van</strong> Swanenburgs werk staan ons<br />

vrijwel alleen bewaard gebleven kammen <strong>van</strong> later datum ter beschikking.<br />

In veel opzichten verschillen ze niet wezenlijk <strong>van</strong> de door Swanenburg<br />

afgebeelde kammen, met een steel <strong>van</strong> ruwweg 25 centimeter,<br />

waaraan een brede kop bevestigd is. Bij sommige latere kammen - maar<br />

gezien het bovenvermelde vermoedelijk ook rond 1600 - is hoorn gebruikt<br />

als buitenmateriaal voor de kop, waarin de tanden werden bevestigd.<br />

De lange metalen tanden staan in een enkele rij onder een scherpe<br />

hoek ten opzichte <strong>van</strong> de steel, terwijl ze met de punten naar elkaar toenijgen.<br />

Eén <strong>belang</strong>rijk verschil is er wel. De latere kammen hebben<br />

meerdere - veelal vier - rijen tanden, een aantal dat toenam met een<br />

oplopende fijnheid <strong>van</strong> de te kammen wol. 56 Of een dergelijk onderscheid<br />

in de vroeg-moderne tijd ook werd gemaakt, blijft onduidelijkY<br />

<strong>Een</strong> vermoedelijk mid-zestiende-eeuwse afbeelding waarop de Heilige<br />

Blasius met wolkammen wordt gemutileerd, toont eveneens kammen<br />

met één rij tanden. 5s<br />

Het kammen moet een betrekkelijk gecompliceerde handeling zijn geweest.<br />

Schriftelijk materiaal bewijst, dat de kammen voor gebruik werden<br />

verhit. Op die manier werden de vette wolvezels, bij afgifte <strong>van</strong> de<br />

warmte, soepel en makkelijker te kammen. 59 Dit is in overeenstemming<br />

met Swanenburgs weergaven. Op beide afbeeldingen zijn vuurtesten te<br />

zien met een wolkam, waar<strong>van</strong> de tanden in een speciaal daartoe aangebrachte<br />

opening zijn gestoken. Of de vuurtesten <strong>van</strong> aardewerk of metaal<br />

zijn valt moeilijk uit te maken. Binnen en buiten Nederland is op<br />

een later tijdstip het gebruik <strong>van</strong> vergelijkbare verhittingsinstrumenten<br />

aantoonbaar. 60<br />

Wat betreft het kammen zelf is het niet eenvoudig om tot verantwoorde<br />

conclusies te komen in de vraag, of Swanenburgs weergave klopt. Technische<br />

beschrijvingen door tijdgenoten zijn niet voorhanden. <strong>Een</strong> vergelijking<br />

met latere beschrijvingen leidt tot de voorzichtige conclusie dat<br />

Swanenburgs afbeelding juist kan zijn, of in ieder geval geen flagrante<br />

onjuistheden bevat. Voor het eerste deel <strong>van</strong> de handeling worden twee<br />

kammen gehanteerd. Het kammen begint met het aanbrengen <strong>van</strong> een<br />

hoeveelheid wol vezels op de tanden <strong>van</strong> een <strong>van</strong> de kammen. Door de<br />

VAN DEIJK EEN OOGGETUIGE VAN BELANG> 19


Afb. 9. I. C. Swanenburg, Spinnen, scheren <strong>van</strong> de ketting en weven (olieverf op paneel, Stedelijk<br />

museum 'de Lakenhal', Leiden).<br />

tweede kam met de tanden haaks op de tanden <strong>van</strong> de eerste kam te bewegen<br />

en daarbij wat wolvezels mee te trekken, worden deze vezels parallel<br />

getrokken. Bij herhaling <strong>van</strong> deze beweging komen steeds meer vezels<br />

op de tanden <strong>van</strong> de tweede kam terecht. Door de tweede kam langs<br />

de eerste te bewegen, maar nu tegen de richting <strong>van</strong> de tanden <strong>van</strong> de<br />

eerste kam in, kan de wol weer worden overgebracht op de eerste kam.<br />

AI doende komen de vezels evenwijdig aan elkaar te liggen. Deze hele<br />

handeling kan herhaald worden tot alle vezels uitgekamd zijn. 61 Het lijkt<br />

erop dat Swanenburg zowel op het schilderij (afb. 6s, de man achter de<br />

vuurtest) als op de tekening (afb. 8t, de zittende figuur rechts) het begin<br />

<strong>van</strong> deze fase heeft weergegeven. Beide personen brengen naar het<br />

schijnt ongekamde wol op een der kammen aan.<br />

Ook de beide andere figuren die zichtbaar met kammen bezig zijn - de<br />

staande figuur naast de vuurtest (afb. 6s) en die aan het venster (afb. 8t)<br />

vertonen overeenkomst in houding en bezigheid. Zij hanteren slechts<br />

één kam, die met de tanden naar voren aan een schuinstaande plank bevestigd<br />

is. Met twee handen trekken zij de evenwijdige wolvezels <strong>van</strong> de<br />

kam tot langgerekte massa's, die voor het eerst vaag doen denken aan de<br />

draad die er uiteindelijk <strong>van</strong> gesponnen wordt. 62 In beide afbeeldingen<br />

hangt de gekamde wol over hekken, stellages of touwen. Hoe de uitgekamde<br />

vezel daarna tot zo lang mogelijke smalle massa's (lonten) werd<br />

gekamd, is door Swanenburg buiten beschouwing gelaten. 63 Dat een<br />

20 THB 33(1993)


Afb. 10. 1. C. Swanenburg, Het spinnen (tekening, Gemeentearchief Leiden).<br />

dergelijke handeling wel verricht werd, mag worden afgeleid uit de tot<br />

grote bollen opgewonden lont, die vooral te onderscheiden zijn op de tekening<br />

<strong>van</strong> het spinnen (afb. lOt, vergelijk echter met afb. 9s, de staande<br />

vrouw links).<br />

4 Spinnen<br />

Overigens greep Swanenburg ook voor zijn tekening <strong>van</strong> het spinnen 64<br />

weer terug op zijn eerdere werk in olieverf. In beide gevallen worden een<br />

klein en een groot spinnewiel getoond. Over de vraag welk spinnewiel<br />

voor wat voor soort vezel en wat voor soort garen gebruikt werd, is veel<br />

geschreven. Spinnen, het tot draden ineendraaien <strong>van</strong> plantaardige of<br />

dierlijke vezels, gebeurde aan<strong>van</strong>kelijk met de handspil. In wezen was de<br />

handspil niet meer dan een stok met aan één eind een gewicht je. Door<br />

de vezels aan de handspil te bevestigen en deze, al vrij hangend, om zijn<br />

lengteas te doen tollen en tegelijk geleidelijk vezels toe te voeren, werd<br />

VAN DEIJK EEN OOGGETUIGE VAN BELANG? 21


draaiing ('twist') in de vezels aangebracht. Door tijdens het ineendraaien<br />

de vezels in de lengterichting voorzichtig uit elkaar te trekken, ontstaat<br />

een dunne gelijkmatige draad. De gesponnen draad wen;l. om de<br />

handspil gewonden en de handeling kon vervolgens herhaald worden.<br />

Het eenvoudigste type spinnewiel - het rechter <strong>van</strong> de twee in het werk<br />

<strong>van</strong> Swanenburg - functioneert volgens hetzelfde principe. Verschil is,<br />

dat de handmatige draaiing <strong>van</strong> de spil niet direct plaatsvindt, maar indirect,<br />

via een aandrijfwiel. De spil hangt niet vrij in verticale positie,<br />

maar bevindt zich horizontaal in een stel lagers. Via een snaar wordt de<br />

draaiing <strong>van</strong> het grotere aandrijfwiel overgebracht op de spil.<br />

Nadat een draadeind aan de houten spil is aangehecht, ziet de handeling<br />

<strong>van</strong> het spinnen er als volgt uit. De spinner zet met de rechterhand<br />

het aandrijfwiel in beweging. Via de snaar wordt ook de spil in beweging<br />

gezet, maar met een veel hoger aantal toeren. Met de linkerhand<br />

wordt de draad (overgaand in te spinnen vezels) onder een scherpe<br />

hoek ten opzichte <strong>van</strong> de spil gehouden. De draad windt zich eerst enkele<br />

slagen om de spil, tot de punt <strong>van</strong> de spil (de 'spiltop') wordt bereikt.<br />

Zodra dat gebeurt, loopt de draad <strong>van</strong> de spil af. Vanaf dit moment<br />

wordt iedere omwenteling <strong>van</strong> de spil omgezet in een draaiing<br />

<strong>van</strong> de wolvezels. De spinner moet de vezelbundel <strong>van</strong>af de spil met<br />

de linkerhand strak houden, in de lengterichting uitrekken, en bovendien<br />

zorgen voor een gelijkmatige toevoer <strong>van</strong> nieuwe vezels. Alleen<br />

dan ontstaat gelijkmatig garen.<br />

De hoeveelheid garen die zo in een keer gesponnen kan worden, beperkt<br />

zich tot de maximale afstand <strong>van</strong> de linkerhand tot de spil. Wanneer de<br />

te spinnen vezelbundel tot deze lengte is uitgerekt, wordt het aandrijfwiel<br />

nog enkele slagen gedraaid, zodat het garen voldoende draaiing<br />

(twist) krijgt. Vervolgens wordt het aandrijfwiel enkele slagen in tegengestelde<br />

richting gedraaid om de draad <strong>van</strong> de spiltop los te wikkelen.<br />

Zodra dit is gebeurd, wordt het wiel weer in de aan<strong>van</strong>kelijke richting<br />

gedraaid. Door hem evenwijdig aan het spinnewiel te houden (en dus<br />

haaks op de spil), wordt de gesponnen draad om de basis <strong>van</strong> de spil gewonden.<br />

Daarna begint de handeling opnieuw. 65<br />

Vroege voorbeelden (12de of 13de eeuw) <strong>van</strong> dit type spinnewiel hadden<br />

een klein aandrijfwiel. Er werd alleen kortvezelige wol op gesponnen. Al<br />

snel werd in de middeleeuwse lakennijverheid onderscheid gemaakt tussen<br />

kettinggaren, gesponnen met de handspil, en inslaggaren, gesponnen<br />

met het spinnewiel. Alleen met de handspil kon de spinner of<br />

spinster beide handen gebruiken voor het uitrekken <strong>van</strong> de vezel, waardoor<br />

een gladder en gelijkmatiger (ketting)garen ontstond. 66 Binnen de<br />

Oude Draperie in Leiden werd een verbod op het gebruik <strong>van</strong> "het wiel"<br />

voor het vervaardigen <strong>van</strong> kettinggaren nog in 1527 uitgevaardigd. 67<br />

22 THB 33(1993)


Afb. 11. 1. C. Swanenburg, Het opbomen (tekening, Gemeentearchief Leiden).<br />

AI ver voor die tijd deden zich wijzigingen voor in de constructie <strong>van</strong> het<br />

bovengenoemde type spinnewiel. De <strong>belang</strong>rijkste was wel de toepassing<br />

<strong>van</strong> een groter aandrijfwiel. Dit had een aantal gevolgen. Staand in<br />

plaats <strong>van</strong> zittend spinnen werd onvermijdelijk. De afstand tussen de spil<br />

en de spinner werd hierdoor groter. Tegelijk zorgde het grotere aandrijfwiel<br />

(vergelijk een hogere fietsversnelling) voor een hoger aantal toeren<br />

<strong>van</strong> de spil. Deze combinatie leidde ertoe dat per keer een grotere hoeveelheid<br />

garen gesponnen kon worden. <strong>Een</strong> doorslaggevend verschil was<br />

evenwel, dat een groot aandrijfwiel <strong>van</strong>wege de eigen massa een aantal<br />

toeren blijft doordraaien wanneer de spinner het loslaat. Het voordeel<br />

<strong>van</strong> de handspil voor het spinnen <strong>van</strong> kettinggaren verviel daarmee,<br />

want ook met het zogeheten "Grote Wiel" had de spinner nu beide handen<br />

vrij voor het rekken en egaliseren <strong>van</strong> de vezels. 68<br />

Bezien we Swanenburgs afbeeldingen <strong>van</strong> het Grote Wiel (afb. 9s en lOt)<br />

nauwkeurig, dan blijken die in alle opzichten overtuigend. De tekening<br />

biedt de meeste details. Drie poten ondersteunen de tafel waarop rechts<br />

het aandrijfwiel met de voor die tijd gebruikelijke brede velg is gemon-<br />

VAN DEIJK EEN OOGGETUIGE VAN BELANG? 23


teerd. Het gedeelte met de spil is onvolledig zichtbaar. De aandrijving<br />

bevindt zich achter de gestalte <strong>van</strong> de spinster, maar een deel <strong>van</strong> de ophanging<br />

is wel herkenbaar: een <strong>van</strong> twee gedraaid houten spijlen, waaraan<br />

- wellicht ook in hout - de spil is gelagerd. Van de spil is alleen de<br />

basis te zien, waar het gesponnen garen opgewikkeld wordt. De spiltop,<br />

waar<strong>van</strong> ongesponnen lont omlaaghangt, verdwijnt achter de linkerhand<br />

<strong>van</strong> de spinster.<br />

Er is reden om aan te nemen dat het Grote Wiel in Leiden pas laat in<br />

de zestiende eeuw werd geïntroduceerd. In 1588 werd een verzoek bij het<br />

stadsbestuur ingediend om binnen de saainijverheid "tspinnen mitte<br />

grote wieie" te verbieden. De bestuurderen <strong>van</strong> Leiden vonden het, na<br />

raadpleging <strong>van</strong> de gouverneurs der saainering, "niet gerade daer <strong>van</strong><br />

eenige veranderinge te maecken in dese gelegentheyt des tyts, mer dat<br />

t selve behoirt te blyven zoot J egenwoordich es".69 De formulering verraadt<br />

dat het Grote Wiel op dat moment een betrekkelijk novum was.<br />

Het gebruik <strong>van</strong> het kleinere type wiel dat door Swanenburg is getekend<br />

en geschilderd (afb 9s en lOt, links), wordt in schriftelijk materiaal aangaande<br />

de saai produktie niet genoemd, maar valt aannemelijk te maken.<br />

Centraal gegeven is het feit dat in de saainering, net als eerder in<br />

de lakennijverheid, onderscheid werd gemaakt tussen inslag- en kettinggaren.<br />

Aan kettinggaren werden hogere eisen gesteld. Het spinnen <strong>van</strong><br />

kettinggaren was daardoor een specialisme apart en aan het eind <strong>van</strong> de<br />

jaren tachtig <strong>van</strong> de zestiende eeuw deed zich zelfs een tekort voor aan<br />

ervaren kettingspinners. 70<br />

Kettinggaren moest sterker zijn, omdat het in het weefgetouw onder<br />

trekspanning kwam te staan. <strong>Een</strong> hogere treksterkte werd bereikt door<br />

de vezels meer draaiing (twist) te geven. Dit had alleen zin, wanneer het<br />

garen ook zeer gelijkmatig gesponnen was. Met het oog op weefgemak<br />

- een geringe wrijving tussen kettinggaren en weefspoel - diende het<br />

kettinggaren gladder te zijn. Glad en sterk garen verkrijgt men door voor<br />

het kettinggaren langere vezels te gebruiken. 71 Inderdaad werd in de<br />

saaikeuren onderscheid gemaakt tussen "ketenwolle" en "inslachwolle".72<br />

Bovengenoemd kwaliteitsverschil tussen ketting- en inslaggaren moet<br />

worden bezien in het licht <strong>van</strong> de introduktie <strong>van</strong> het handgedreven vleugelspinnewiel.<br />

Het vleugelspinnewiel werkt fundamenteel anders dan<br />

het Grote Wiel. Nog steeds wordt, via een aandrijfwiel en snaar, een spil<br />

in rotatie gebracht, maar deze spil is anders geconstrueerd. Door de punt<br />

loopt een opening naar de zijkant. De wolvezels worden door dit 'tunneltje'<br />

geleid. Zodra de spil om de as draait, wordt <strong>van</strong>af het punt aan<br />

de zijkant waar de draad de spil verlaat, twist in de vezels aangebracht.<br />

Tegelijk wordt met dezelfde snelheid het vi eu gel mechanisme aangedre-<br />

24 THB 33(1993)


ven. De vleugel is een U-vormig onderdeel waar<strong>van</strong> de uiteinden om een<br />

garenklos wentelen. De uiteinden fungeren als draadgeleider. Vanaf de<br />

zijopening <strong>van</strong> de spil wordt de draad via de vleugel naar de klos geleid.<br />

Ook de klos draait om zijn as en in dezelfde richting als spil en vleugel,<br />

maar sneller, zodat de draad om de klos gewonden wordt. 73<br />

Het vleugelspinnewiel veranderde het spinnen en opwinden <strong>van</strong> een hele<br />

reeks handelingen in één continue bezigheid. Dat betekende een verhoging<br />

<strong>van</strong> de produktie. Maar het gebruik <strong>van</strong> het vleugelspinnewiel had<br />

zijn beperkingen. Omdat via h et met de hand te draaien aandrijfwiel<br />

twee mechanismen in beweging worden gezet, kost het aandrijven meer<br />

kracht. Het is daardoor niet mogelijk om, zoals bij het Grote Wiel, het<br />

aandrijfwiel vaart te geven, los te laten en beide handen te gebruiken<br />

voor het uitrekken en egaliseren <strong>van</strong> de wolvezels, iets dat juist voor de<br />

produktie <strong>van</strong> goed kettinggaren essentieel was.<br />

Er bestaan relatief veel afbeeldingen <strong>van</strong> het handgedreven vleugelspinnewiel,<br />

die in verband staan met Leiden. De oudste dateert <strong>van</strong> 1513 en<br />

werd vervaardigd door Lucas <strong>van</strong> Leyden.74 Andere stammen uit het<br />

tweede kwart <strong>van</strong> de zeventiende eeuw. 75 Swanenburgs afbeeldingen<br />

zouden hier heel wel tussen passen. Ook het feit dat in zijn weergave <strong>van</strong><br />

het kleine wiel niet de zeer lange kamlont, maar iets kortvezeliger wol<br />

wordt gesponnen, is in overeenstemming met het bovenstaand betoog.<br />

Helaas biedt noch de tekening, noch het schilderij echt uitsluitsel. In beide<br />

gevallen wordt de plek waar het vleugelmechanisme zich zou bevinden<br />

afgeschermd door de arm <strong>van</strong> de spinster. 76<br />

5 Weven<br />

Om de draad <strong>van</strong> het produktieproces weer op te pakken: na het spinnen<br />

volgden de voorbereidingen tot het weven. Het kettinggaren moest, nadat<br />

het <strong>van</strong> de spil <strong>van</strong> het grote Wiel was verwijderd, eerst op klossen<br />

worden gewonden. Het haspelen <strong>van</strong> garen is door Swanenburg twee<br />

maal afgebeeld (afb. 9s, de zittende vrouw rechts en 12t, de zittende man<br />

rechts) en was op meer momenten in de saaiproduktie nodig - bijvoorbeeld<br />

ook om het inslaggaren om de kleine klosjes <strong>van</strong> de weefspoelen<br />

te winden. De techniek zoals Swanenburg die afbeeldde werd nog eeuwen<br />

later gehanteerd en zowel zogeheten kronen (de konische spakenconstructie<br />

waar de streng garen omheen zit) als de haspelwielen waarmee<br />

het garen op klossen werd gewonden, zijn in Nederlandse musea te<br />

vinden. 77<br />

<strong>Een</strong>maal op klossen gewonden werd de lengte <strong>van</strong> het kettinggaren afgemeten<br />

met behulp <strong>van</strong> klossen rek en scheerraam, 78 een activiteit die<br />

VAN DEIJK EEN OOGGETUIGE VAN BELANG? 25


Afb. 12. 1. C. Swanenburg, Het weven en haspelen (tekening, Gemeentearchief Leiden).<br />

Swanenburg alleen in olieverf vastlegde (afb. 9s, het klossenrek achter de<br />

beide spinsters, de kettingscheerder bij het scheerraam, staand achter de<br />

haspelaarster). Dit scheren <strong>van</strong> de ketting was nauwkeurig gereguleerd.<br />

De gebruikte scheerramen werden <strong>van</strong> stadswege gekeurd en moesten<br />

"op vier ellen juyst <strong>van</strong> deene penne ofte tap totten anderen" meten.<br />

Goedgekeurde scheerramen ontvingen een brandmerk <strong>van</strong> Leidse sleutels.<br />

De lengte <strong>van</strong> de ketting varieerde, afhankelijk <strong>van</strong> de soort saai, <strong>van</strong><br />

363/4 tot 40 3/4 Antwerpse el. De breedte <strong>van</strong> de schering varieerde <strong>van</strong><br />

1400 tot 2300 kettingdraden, een hoeveelheid die onmogelijk in een keer<br />

tegelijk gemeten kon worden. Het kettingscheren gebeurde daarom in<br />

verschillende "gangen". Ook hier waren de voorschriften zeer strict. Per<br />

gang werden twintig draden geschoren, evenwel "uytbrekende voor de<br />

lijsten", ofwel de zelfkant, waarvoor vier tot zes gewone of getwijnde draden<br />

extra werden meegenomen. Maximaal betrof het dus 26 draden per<br />

keer. Daarbij werd steeds een dubbele kettinglengte afgemeten. Het aantal<br />

gangen per ketting varieerde <strong>van</strong> 35 tot 5 7. 79<br />

Wanneer we Swanenburgs weergave in het licht <strong>van</strong> deze wetenschap be-<br />

26 THB 33 (1993)


zien, dan blijkt die in een opzicht onjuist. Het scheerraam is, gezien de<br />

verhouding tot de kettingscheerder, veel te klein. Het zou in ieder geval<br />

in de breedte twee maal zo groot moeten zijn om <strong>van</strong> pen tot pen vier<br />

el te meten. Vergelijkingen met scheerramen <strong>van</strong> elders en uit een andere<br />

periode zijn heikel, maar suggereren, dat ook de hoogte bij Swanenburg<br />

ruwweg gehalveerd is. BO Het brandmerk is op de afbeelding niet waarneembaar.<br />

Het klossenrek is <strong>van</strong> 'een model dat ook in later tijden wel<br />

gehanteerd werd. BI <strong>Een</strong> bevestiging <strong>van</strong> Swanenburgs nauwkeurigheid<br />

is weer, dat het 26 klossen bevat - precies het maximum dat in gebruik<br />

was. In schriftelijke bronnen is het gebruik <strong>van</strong> een bot (in de linkerhand<br />

<strong>van</strong> de kettingscheerder) ongedocumenteerd, maar een vergelijkbaar<br />

gebruik <strong>van</strong> beenderen heeft zich in sommige streken lang gehandhaafd.<br />

B2 Doel was waarschijnlijk het vermijden <strong>van</strong> de voortdurende<br />

schuring in de hand <strong>van</strong> het dunne, scherpe garen.<br />

Was de ketting eenmaal geschoren, dan volgde het opbomen, waarbij de<br />

schering over de vereiste breedte om een balk, de boom, werd gewonden.<br />

De draden werden daartoe door het weefriet gehaald, een fijne, inderdaad<br />

<strong>van</strong> riet vervaardigde kam. De rieten werden streng gecontroleerd<br />

en moesten net als het scheerraam gebrandmerkt zijn. Op paneel is het<br />

opbomen door Swanenburg op de achtergrond geschoven (afb. 9s, de<br />

drie mannen voorin het stadsgezicht), maar in de glasontwerpen is het<br />

een onderwerp op zich (afb. 1lt). Te zien is hoe de boom, voorzien <strong>van</strong><br />

grepen die het draaien vergemakkelijken, rust op een schraagachtige<br />

constructie. De ver uitstekende steunen bieden weerstand aan de trekkracht<br />

<strong>van</strong> de man rechts. Verderop in dit artikel kan een enigszins vergelijkbaar<br />

instrument, afgebeeld in de ververij (afb. 15t) geïdentificeerd<br />

worden als een 'conrooibank'. Parallel hieraan valt het opboominstrument<br />

onder voorbehoud als 'scheerbank' te benoemen. B3<br />

Na het opbomen kon de ketting met riet en al in het weefgetouw worden<br />

geplaatst. Bij Swanenburgworden voor het weven tweeschachtsgetouwen<br />

gebruikt. Schriftelijke bronnen bieden slechts indirect - opnieuw geldt<br />

een voorbehoud - een bevestiging <strong>van</strong> dit gegeven. Weliswaar was in 1602<br />

al sprake <strong>van</strong> "gekeperde saaien" - stoffen dus waarvoor een getouw met<br />

meer dan twee schachten moet zijn uitgerust - maar deze stoffen vielen<br />

onder een andere dan de saainering. B4 In textieltechnisch opzicht valt op<br />

Swanenburgs voorstelling <strong>van</strong> de getouwen weinig aan te merken.<br />

6 Overige bewerkingen<br />

Van het vollen staan ons weer twee voorstellingen ter beschikking (afb.<br />

13s, links en 14t). Voordat het goed naar de vollers mocht, waren de dra-<br />

VAN DEIJK EEN OOGGETUIGE VAN BELANG? 27


Afb. 13. 1. C. Swanenburg, Het vollen en verven (olieverf op paneel, Stedelijk museum 'de<br />

Lakenhal', Leiden).<br />

piers verplicht om de geweven stukken "rou uyten touwen comende"<br />

naar de saaihal te brengen, waar de lengte door een onder ede staande<br />

meter werd gecontroleerd. Bij goedkeuring werd één exemplaar <strong>van</strong> het<br />

ventlood aan het stuk bevestigd. Op het schilderij heeft Swanenburg dit<br />

correct weergegeven (afb. 13, aan het goed op de voorgrond).85 Bij de<br />

saaivollers werd het goed vooral ontvet - de wol bevatte nog minstens<br />

een deel <strong>van</strong> de olie en boter die voorafgaand aan het spinnen was aangebracht.<br />

De saaikeuren schreven voor dat alleen witte of zwarte zeep gebruikt<br />

mocht worden. De saaien waren op het moment <strong>van</strong> vollen nog<br />

ongeverfd en de witte kleur <strong>van</strong> het goed op het schilderij is hiermee in<br />

overeenstemming. Het gebruik <strong>van</strong> hulpmiddelen als stampers - laat<br />

staan <strong>van</strong> volmolens - was in de saainijverheid verboden. Het werk was<br />

strikt voorbehouden aan voetvollers, die de ingezeepte stukken blootsvoets<br />

in water betrappelden. 86 De vollers deden hun werk naakt en werkten<br />

om aanstoot te vermijden vaak 's nachts, maar verplicht was dit<br />

niet. 87 Na het vollen werden de stukken uitgespoeld in de gracht, zoals<br />

Swanenburg ook toont. 88 Zijn voorstelling <strong>van</strong> het vollen klopt dus volledig<br />

met wat er verder over de saai vollerij bekend is.<br />

Afhankelijk <strong>van</strong> soort en kwaliteit gingen de stukken <strong>van</strong> de voller naar<br />

de verver of, wanneer ze ongeverfd bleven, naar de conrooier. 89 In detail<br />

waren de verfvoorschriften <strong>van</strong> de late zestiende en vroege zeventiende<br />

eeuw nogal aan verandering onderhevig. Veel aandacht ging uit<br />

28 THB 33(1993)


Afb. 14. I. C. Swanenburg, H et vollen (tekening, Gemeentearchief L eiden).<br />

naar het blauwverven. Zowel voor het zwartverven, als voor heel veel<br />

kleuren werd een degelijke blauwing als basis noodzakelijk geacht. Het<br />

blauwverven gebeurde daarom op staal, dat wil zeggen, de kwaliteit<br />

<strong>van</strong> de verving werd in de saaihal aan de hand <strong>van</strong> stalen goed- of afgekeurd.<br />

Het zwartverven was voor de stukken <strong>van</strong> hoge kwaliteit een<br />

combinatie <strong>van</strong> blauw- en roodverven. Voor de mindere kwaliteit werd<br />

het zogenaamde "bleckzwarten" toegepast, een verving met gebruik<br />

<strong>van</strong> elzeschors en ijzervijlsel. Ook in dat geval werden de stukken eerst<br />

geblauwd. 90<br />

Voor een goed begrip <strong>van</strong> het verven zoals Swanenburg dat voorstelt, is<br />

vooral het technische verschil tussen rood- en geelverven enerzijds en<br />

blauwverven anderzijds <strong>van</strong> <strong>belang</strong>. In de schilderijenreeks heeft Swanenburg<br />

het roodverven afgebeeld (afb. 13s, linksboven). Bij het roodverven<br />

werden de stukken eerst gebeitst in een zure vloeistof. Doel hier<strong>van</strong><br />

was de wolvezels toegankelijker te maken voor de verfstof. Na het<br />

beitsen volgde het daadwerkelijke verven, bij temperaturen die welis-<br />

VAN DEIJK EEN OOGGETUIGE VAN BELANG' 29


Afb. 15. 1. C. Swanenburg, Blauwververij annex conrooierU (tekening, Gemeentearchief<br />

Leiden).<br />

waar hoog waren, maar onder het kookpunt lagen. Tot slot volgde eventueel<br />

het schouwen, dat de verving moest bestendigen en verhelderen. 91<br />

De roodverfketel zoals Swanenburg die afbeeldde, is inderdaad berekend<br />

op hoge temperaturen. In een licht toelopende ommetseling bevindt<br />

zich een roodkoperen binnenwerk. Aan de voorzijde is in het metselwerk<br />

een boogvormige opening, waarachter vuur zichtbaar is. De<br />

ruimte tussen metselwerk en ketel diende dus als kachel. In Leiden is deze<br />

constructie niet schriftelijk gedocumenteerd, maar ze was niet nieuw.<br />

In de late middeleeuwen werd ze ook gebruikt voor het blauwverven. 92<br />

In 1640 werd een licht gewijzigde versie (voorzien <strong>van</strong> schoorsteen) in relief<br />

gebeiteld, ter versiering <strong>van</strong> de Leidse lakenhaP3<br />

Swanenburgs tekening (afb. 15t) toont een blauwververij annex conrooierij.<br />

De ketel rechts vooraan en het door vijfmannen omringde werktuig<br />

erachter kunnen - zoals nog zal blijken - overtuigend geïdentificeerd<br />

worden als behorend bij het conrooien. De kuip links vooraan dient bij<br />

30 THB 33(1993)


het con rooien geen enkel doel. Kennis <strong>van</strong> de verf techniek maakt de<br />

vaststelling mogelijk dat het een blauwververskuip betreft.<br />

Het proces <strong>van</strong> het blauwverven verschilde wezenlijk <strong>van</strong> het roodverven.<br />

De grondstof die in de saaiblauwververij gebruikt werd, de wede 94 ,<br />

bevat de kleurstof indigotine. Door middel <strong>van</strong> gisting werd de indigotine<br />

omgezet in het oplosbare indigowit. De te verven textiel werd vervolgens<br />

in de oplossing gedompeld. Na enige tijd werd de stof blootgesteld<br />

aan de lucht, waarna het indigowit - in de wolvezels - weer tot indigotine<br />

oxideerde en de stof blauw kleurde. 95<br />

Al tijdens de middeleeuwen ging men ertoe over om het water waarin<br />

de verfingrediënten moesten gisten, te verhitten in een aparte ketel. <strong>Een</strong>maal<br />

op temperatuur werd het water overgeslagen in de verfkuip, waarna<br />

de verfstoffen werden toegevoegd. Om afkoeling <strong>van</strong> de kuip zo veel<br />

mogelijk te voorkomen, was hij deels verzonken. De praktijk zal hebben<br />

uitgewezen dat deze verandering een beter resultaat opleverde. 96 Tot in<br />

de zestiende eeuw kon er op deze manier tot drie dagen op een kuip geverfd<br />

worden. Na verloop <strong>van</strong> die tijd was de inhoud <strong>van</strong> de kuip afgekoeld<br />

en daardoor was de voor verving noodzakelijke gisting tot stilstand<br />

gekomen. Het bleek echter mogelijk om de levensduur <strong>van</strong> de weedkuip<br />

te verlengen door de inhoud er<strong>van</strong> opnieuw te verwarmen en zo de<br />

gisting weer op gang te brengen. Deze technische vernieuwing was in<br />

1592 in Leiden ingeburgerd. 97<br />

Zowel geverfde, als ongeverfde stukken werden geconrooid. 98 De handeling<br />

<strong>van</strong> het con rooien was in wezen niets anders dan het afkoken der<br />

stoffen. De stukken werden daartoe strak om stokken gerold en in een<br />

conrooiketel geplaatst. Doel was reiniging en het doen krimpen en straktrekken<br />

<strong>van</strong> het weefsel. Op de tekening <strong>van</strong> zijn hand (afb. 15t) laat Swanenburg<br />

het blauwverven en conrooien in één ruimte plaatsvinden. Inderdaad<br />

bestonden er gecombineerde ververs- en conrooi-werkplaatsen.<br />

<strong>Een</strong> inventarisatie <strong>van</strong> benodigde goederen uit 1583 toont dit aan. Het<br />

blijkt mogelijk een aantal voorwerpen in de tekening te identificeren. Zo<br />

is in de inventarisatie sprake <strong>van</strong> "een conrederbanc om te winden mit<br />

tgeen daertoe dient", een omschrijving die aansluit bij het instrument<br />

rechtsachter. Gezien de stokken die erin staan, is de ketel rechtsvoor een<br />

conrooiketel. Op het oog doet zich geen verschil voor met de constructie<br />

<strong>van</strong> de verfketels, die in de rood- en geelververij gebruikt werden. De<br />

omschrijving in de eerder genoemde inventarisatie is echter afwijkend.<br />

De ketel diende volgens dit document te worden voorzien <strong>van</strong> "een platten<br />

coperen boom, het coper <strong>van</strong> onder opwaerts gaende 2 voeten een<br />

half, daerenboven 211 voeten aen hou te, wijt vijf voeten, mit een decsel<br />

daertoe". Verder worden "Twee blaucuypen diep 6 voeten, boven vijf<br />

voeten wijt of daeromtrent, mit een decsel" opgevoerd. 99 De maten <strong>van</strong><br />

VAN DEIJK EEN OOGGETUIGE VAN BELANG> 31


Afb. 16. I. C. Swanenburg, Eindcontrole (tekening, Gemeentearchief Leiden).<br />

de voorwerpen zijn, zelfs in de wetenschap dat de blauwververskuip<br />

deels verzonken moet zijn geweest, reden om aan te nemen dat proportionering<br />

ook hier niet Swanenburgs forte was.<br />

Na het conrooien bleven de saaien nog een aantal uren "op stok". Vervolgens<br />

werden ze door de conrooiers gedroogd. 100 Opnieuw volgde controle<br />

op de kwaliteit. De waarschijnlijk zes waranderers die de controle uitvoerden<br />

konden het goed, bij geconstateerde gebreken in het vollen, de<br />

verving, of het conrooien, tot vier maal toe terugzenden voor verbetering.<br />

Bij de derde en vierde keer gold een oplopende boete. Was het goed<br />

ook de vijfde maal niet in orde, dan werd het versneden. Voor de warandize<br />

waren vaste dagen. Het ongeverfd goed werd op dinsdag en vrijdag<br />

gekeurd, het geverfde op woensdag en zaterdag. Alleen de controle op<br />

het blauwen was niet aan een dag gebonden. Afhankelijk <strong>van</strong> kwaliteit<br />

en soort werden aan ieder stuk maximaal vijf loden geslagen. 101<br />

Swanenburg nam de eindcontrole op in beide reeksen afbeeldingen (afb.<br />

13s, rechtsboven; afb. 16t links). De gang <strong>van</strong> zaken bij de eindcontrole<br />

32 THB 33(1993)


is in de keuren nauwkeurig beschreven. Het merk <strong>van</strong> de drapier ofwever<br />

werd tevoren onzichtbaar gemaakt door een knoop in het goed te leggen.<br />

"Ende zal niemant vermogen dezelve te ontknopen dan alleen de<br />

dopper, dewelcke tzelve ooc op zynen eedt niet en zal doen, voor ende<br />

aleer tvolle oordeel <strong>van</strong> de waranderers daerover gegeven ende gestreken<br />

is. Ende ten eynde de dopper mits der menichte niet en comen te dolen,<br />

en zullen mer twee saeyen of greynen teffens of op eene tijt ter tafeIe <strong>van</strong><br />

de warandyze mogen zijn, te weten een loopende ende een doppende."<br />

102<br />

Opnieuw blijkt Swanenburgs weergave overtuigend. Op de tekening bevinden<br />

zich zes personen rondom het te keuren stuk goed, hetgeen overeenstemt<br />

met het aantal waranderers na 1598. Op het schilderij is een<br />

zevende man zichtbaar, maar deze weergave dateert <strong>van</strong> voor 1598. De<br />

man die de looikamer binnengaat, zou de bovengenoemde klopper moeten<br />

zijn. Inderdaad bevinden zich in de looikamer niet meer dan twee<br />

stukken goed. Attributen voor het stempelen <strong>van</strong> de loden, zoals die door<br />

de zittende man links worden gehanteerd, bevinden zich in de collectie<br />

<strong>van</strong> het Stedelijk Museum De Lakenhal in Leiden. 103<br />

De laatste bewerkingen die de goedgekeurde stukken ondergingen waren<br />

het persen en het pakken. Het persen werd aan<strong>van</strong>kelijk door conrooiers<br />

gedaan, maar ontwikkelde zich geleidelijk tot een vak apart. In<br />

1585 lagen de saaien zes tot twaalf uur in de pers. 104 De stukken werden<br />

daartoe op vaste formaten gevouwen. Na het persen werden ze (nog<br />

steeds door de persers) aan drie kanten dichtgenaaid. 105 Geen <strong>van</strong> deze<br />

handelingen is in een afbeelding door Swanenburg bewaard gebleven.<br />

Het pakken daarentegen is terug te vinden op de achtergrond <strong>van</strong> een<br />

<strong>van</strong> de tekeningen (afb. 16t, rechts). Het mocht alleen gedaan worden<br />

door, of in bijzijn <strong>van</strong>, een pakker onder ede. Hij verzegelde de knoop<br />

<strong>van</strong> het paktouw met een speciaal zegel. 106 Swanenburgs weergave is te<br />

schetsmatig om iets over de betrouwbaarheid er<strong>van</strong> te kunnen zeggen.<br />

Centraal in de laatste tekening <strong>van</strong> de reeks staat de handel. 107 Naast het<br />

feit, dat Swanenburgs tekening over dit onderwerp niet veel informatie<br />

biedt, wordt het thema <strong>van</strong> de textieltechniek er mee verlaten.<br />

7 Conclusie<br />

Na het voorgaande is het geen probleem de vraag in de titel <strong>van</strong> dit artikel<br />

te beantwoorden. Weliswaar zijn er enkele aantoonbare onjuistheden<br />

in Swanenburgs reeksen over de saainijverheid, maar die vloeien eerder<br />

voort uit een - de tijd eigen - geringe gevoeligheid voor anachronismen<br />

(het foutieve textiellood in een der allegorieën), of uit 's kunstenaars<br />

VAN DEIJK EEN OOGGETUIGE VAN BELANG? 33


eigenaardigheden (de proporties <strong>van</strong> mens en gereedschap). Daartegenover<br />

staat een verbazingwekkende hoeveelheid kloppende details. In een<br />

niet gering aantal andere gevallen ontbreekt volledige bevestiging in<br />

schriftelijke of andere bronnen, maar sluiten Swanenburgs beelden aan<br />

bij wat wel bekend is. Dat enkele vragen toch onbeantwoord blijven, doet<br />

niets af aan de conclusie dat Swanenburg een betrouwbare <strong>ooggetuige</strong><br />

blijkt te zijn en dus een <strong>ooggetuige</strong> <strong>van</strong> <strong>belang</strong>.<br />

Noten<br />

Voorbeelden <strong>van</strong> reeksen gedetailleerde afbeeldingen <strong>van</strong> deelprocessen binnen een geo·<br />

grafisch te plaatsen en identificeerbare tak <strong>van</strong> nijverheid zijn: de illustraties in het verloren<br />

gegane Iepers keurboek (anoniem, rond 1320) met betrekking tot de lakennijverheid<br />

aldaar (zie Walter Endrei, L 'Évolution des techniques dufilage et du tissage (Parijs/Den Haag<br />

1968) afb. 30 en 31); een serie <strong>van</strong> vijf gevelstenen in de voorgevel <strong>van</strong> de Lakenhal in Lei·<br />

den (door Bartholomeus Drijffhout en Pieter Arijensen 't Hooft, 1640) over de lakenpro·<br />

duktie; 'De laken bereiding in 16 taferelen', olieverfschilderij op doek in het Centraal Mu·<br />

seum in Utrecht, inv.nr. 2292 (anoniem, rond 1760); een serie <strong>van</strong> vijf olieverfschilderijen<br />

over de katoendrukkerij <strong>van</strong> Jean Rodolphe Wetter in Orange, in het Musée d'Orange<br />

(anoniem, 1765); een serie in hout gesneden medaillons in 'het Rode Huis' in Monschau<br />

(anoniem, voor 1768) (zie: B. Kerkhoff-Hader, "Die Tuchmacherreliefs im Roten H aus<br />

in Monschau", in: RheinischesJahrbuchfür Volkskunde 27 (1987/88) 153·182). H et schilderij<br />

in het Centraal Museum toont overtuigend de noodzaak <strong>van</strong> onderzoek naar de achter·<br />

gronden <strong>van</strong> het ontstaan <strong>van</strong> dergelijke 'technische' afbeeldingen, alvo rens tot documentaire<br />

interpretatie over te gaan. Het schilderij bevat als onmiskenbaar Utrechts element<br />

een afbeelding <strong>van</strong> de domtoren en is (mijns inziens aan de vroege kant) gedateerd rond<br />

1760. De afbeelding <strong>van</strong> het verven (het tweede tafereel <strong>van</strong> links in de bovenste rij) gaat<br />

echter terug op een kopergravure uit een boekje met aan de Franse praktijk ontleende verversrecepten,<br />

Le teinturier parfait, waar<strong>van</strong> de eerste druk in 1708 in Leiden verscheen. Hoe<br />

weinig ter zake kundig de schilder was, blijkt uit het feit dat hij, in het omzetten <strong>van</strong> een<br />

zwart·wit afbeelding naar kleur, het blauwverven laat plaatsvinden in de roodverversketeJ<br />

(vg!. de sectie 'overige bewerkingen' <strong>van</strong> dit artikel). Met d e ontlening aan de prent ontvalt<br />

de basis aan de gedachte dat de taferelen op het doek een accuraat beeld geven <strong>van</strong> de lakenbereiding<br />

in Utrecht en op één specifiek moment. Voor voorbeelden <strong>van</strong> een dergelijke<br />

aanname, zie: K.G. Ponting, "Clothmaking in sixteen scenes from about 1760", in Textile<br />

history4 (1973) 109-115; Kerkhoff-Hader, "Die Tuchmacherreliefs", 169·179 en RudolfDek·<br />

ker, "Labour conflicts and working-class culture in early modern Holland" in International<br />

ReviewofSocial History35 (1990) 382 (met abusievelijk de datering 1570 in plaats <strong>van</strong> 1760).<br />

2 M. L. Wurfbain, Stedelijk Museum De Lakenhal. Catalogus <strong>van</strong> de schilderijen en tekeningen (Leiden<br />

1983), 323-326 (S 419 tOl en met S 424).<br />

3 Gemeentearchief Leiden, prentverzameling nr. 34700, 1-11.<br />

4 N. W. Posthum us, Bronnen tot de geschiedenis <strong>van</strong> de Leidsche Textielnijverheid II I -VI (G rote Serie<br />

<strong>van</strong> 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën 19, 22,39,40) Den Haag 1912, 1914, 1919, 1922,<br />

en De geschiedenis <strong>van</strong> de Leidsche lakenindustrie II (band 2 en 3) (Den Haag 1939) passim.<br />

5 Posthumus, Lakenindustrie 11, 134. Het betreft geen doeken maar panelen. Slechts een <strong>van</strong><br />

beide allegorieën heeft de tegenstelling tussen oude en nieuwe draperie tot onderwerp. <strong>Een</strong><br />

<strong>van</strong> de 'technische' schilderijen komt elders in Posthumus' monografie nog ter sprake (zie<br />

noot 76).<br />

6 E. Pelinck, Stedelijk Museum 'de Lakenhal '. Beschrijvende catalogus <strong>van</strong> de schilderij·en en tekeningen<br />

(z.p. [Leiden] 1949) 273-279 is een uitzondering. Zeer beknopt, bevat Pelincks beschrij-<br />

34 THB 33(1993)


ving nauwelijks onjuistheden (echter: vg1. noot 38); K .G. Ponting, "Sculptures and Paintings<br />

ofTextile Processes at Leiden", in T extile H istory 5 (1 974) 128-151. Voor de onjuistheden<br />

in dit artikel m .b.t. de schilderijen, zie de noten 46, 60, 62, 78, 88. Vergelijk ook noot<br />

7; Wurfbain, Stedelijk Museum De L akenhal, 323-325, maakt geen onderscheid tussen lakenen<br />

saainijve rheid. Hij laat het verven <strong>van</strong> de stoffen plaatsvinden in de gracht; Linda A.<br />

Stone-Ferrier, Images of T extile. The weave of Seventeenth-Century Dutch Art and Society (Ann Arbor<br />

(M) 1984) 3-13, voor onjuistheden m.b.t. de schilderijen, vgl. de noten 38, 46, 73, 78.<br />

Voor de tekeningen : noot 7, 33. O ok de ve rschafte achtergrondinformatie is vaak niet co rrect.<br />

D e saaihal we rd niet, zoals Stone-Fe rrier (p. 12) beweert, speciaal voor de saainijve rheid<br />

gebouwd , maar was een voo rmalige kerk (vgl. Georges H emmers, Vijf eeuwen kerk aan<br />

degracht (Leiden 1979) 17 en volgende.) D e saai nering was aan het begin <strong>van</strong> de 17de eeuw<br />

niet (p. 22) de eni ge nering met een eigen hal. Er bestonden aparte hallen voor de fu stein -,<br />

ras-, en baaineringen (vgl. Pos thumus, L akenindustrie Il, 470, noot 3). H aar opmerking dat<br />

de overdracht <strong>van</strong> technische informatie mondeling plaatsvond (p. 20) is, gezien het grote<br />

aantal in druk bewaard gebleven keuren, slechts ten dele juist.<br />

Ponting, "Sculptures and paintings" , 141-150 omvat als bijlage een vertaling <strong>van</strong> de beschrij<br />

ving <strong>van</strong> de schilderij en zoals opgenomen in Pelinck, Stedelijk Museum 'de L akenhal ',<br />

273-279. D e tekeningen wo rden hierin genoemd zonder dat Ponting iets m et dit gegeven<br />

doet. Ook uit andere details (bijvoorbeeld Pelincks correcte beschrijving <strong>van</strong> de kam in<br />

de kampot, vgl. noot 60 <strong>van</strong> dit artikel) kan worden afgeleid dat de ve rtaalde bijlage na<br />

voltooiing <strong>van</strong> het artikel aan de tekst werd toegevoegd . Stone- Ferrier, Images of T extile 2,<br />

6, beschouwt de tekeningen - ondanks haar wetenschap <strong>van</strong> het doel <strong>van</strong> de serie - abusievelij<br />

k als voorst ud ies en concentreert zich op de schilderijen.<br />

8 G raag wil drs. R . E. O. Ekkart, directeur <strong>van</strong> het Rijksbureau voo r Kunsthistori sche Documentatie<br />

te D en H aag, hartelijk danken voor zijn bereidheid tot toetsing aan en aanvulling<br />

uit de kennis die hij, in de voorbereiding <strong>van</strong> zijn te verschijnen monografi e over Swanenburg,<br />

heeft vergaard.<br />

9 R . E.o. Ekkart, " Leidse schilders, tekenaars en graveurs uit de tweede helft <strong>van</strong> de 16de<br />

en het begin <strong>van</strong> de 17de eeuw", in J aarboekje voor de geschiedenis en oudheidkunde <strong>van</strong> L eiden<br />

en omstreken 66 (1974) 172, 17 3 en " Famili ekroniek <strong>van</strong> H eemskerck en Swanenburg (I)",<br />

in J aarboek <strong>van</strong> het Centraal B ureau voor Genealogie en het Iconografisch Bureau 31 (1979) 46.<br />

10 C. <strong>van</strong> M ander, H et leven der D oorluchtighe Nederlandtsche en H ooghduytsche Schilders, (H aarlem<br />

1604 (eerste d ruk), Amsterdam 1617) 161v. Vgl. G.J H oogewerff, De Noord-Nederlandsche<br />

Schilderkunst IV (Den H aag 1941-1942), 615, 616.<br />

11 Carl <strong>van</strong> de Velde, Frans Floris (1 519/ 1520-1570). L even en werken (Ve rhandelingen <strong>van</strong> de<br />

Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten, Klasse der<br />

Schone Kunsten nr. 30) (Brussel 1975) 25,29,30, 32,33,99-105.<br />

12 Ekkart, " Leidse schilders", 173. H et zelfportret bevindt zich in De Lakenhal, o nder nummer<br />

S 1738. Zie: Wurfbain, Stedelijk Museum de L akenhal, 327.<br />

13 Ekkart, "Leidse schilders", 175-176.<br />

14 Schepen was hij <strong>van</strong> 1586 tot 1596 en in dej aren 1598-99, 1601-1602, 1604-1605. H et burgemeestersambt<br />

bekleedde hij in 1596 -1597, 1599-1600, 1602-1603 en 1605-1607 (Zie: GA<br />

Leiden, bibliotheek voor Leiden en om geving, Lijst <strong>van</strong> magistraten, n r. 15077).<br />

15 A. <strong>van</strong> der M arel, "Dedel" in: De Nederlandsche L eeuw 80 (1963) 207 -208. Van de Velde,<br />

Frans Floris , 111 , noemt een portret va n "Maria j oostd. D edel, getrout met Isaack C laasz.<br />

<strong>van</strong> Swaanenburgh", dat in 1850 werd toegeschreven aan Frans Pourbus de Oude. De tege<br />

nwoordige ve rblijfplaats is onbekend.<br />

16 Over de representativiteit <strong>van</strong> de poorterboeken voor de totale im migratie: Posthumus,<br />

Lakenindustrie Il, 44-46.<br />

17 Posthumus, L akenindustrie Il, 65, ongenummerde gra fi ek. De ve rgelijking m et ander cijfermateriaal<br />

<strong>van</strong> Posthumus wordt bemoeilijkt door zijn anachroni sti sche geogra fi sche uitsplitsing<br />

naar België en Frankrijk (Tabel 8, p.48-59).<br />

18 Posthumus, L akenindustrie 11 , 92-93 (tabel 22) geeft de a bsolute cijfers per beroepsgroep,<br />

die een basis verschaffen voor het berekenen <strong>van</strong> percentages. De exacte percentages voor<br />

Vlaanderen zij n <strong>van</strong>wege Posthumus' hantering <strong>van</strong> de categorie " Frankrijk" (waaronder<br />

VAN DEIJK EEN OOGGET U IGE VAN BELANG? 35


kroon-Vlaanderen) niet te berekenen, maar de gecombineerde cijfers <strong>van</strong> "Belgisch<br />

Vlaanderen" en "Frankrijk" geven een indicatie. Over de periode 1574-1620 bedragen de<br />

percentages respectievelijk 69 en 71 %. Over deze jaren varieert het 5-jaarlijkse percentage<br />

voor Vlaanderen <strong>van</strong> 54 tot 76 %, voor Frankrijk <strong>van</strong> 57 tot 85%. In beide gevallen doet<br />

de laagste waarde zich voor na 1610.<br />

19 Dit getal op basis <strong>van</strong> Posthumus, Lakenindustrie II, lOl (ongenummerde tabel). <strong>Een</strong> selectiecriterium<br />

voor de "elf<strong>belang</strong>rijke buitenlandsche gemeenten" geeft Posthumus niet. In<br />

ieder geval koos hij niet de (qua aantal immigranten) <strong>belang</strong>rijkste gemeenten; Antwerpen<br />

negeert hij (vgl. Lakenindustrie I1 , 51-59, tabel 8). Van de 90 Antwerpse immigranten over<br />

de periode waren er evenwel slechts 21 werkzaam in de textiel (Lakeninduslrie I1 , 90, tabel<br />

21). Zelfs wanneer zij allen buiten de saainijverheid werkten, blijft het aandeel <strong>van</strong> de saainijverheid<br />

binnen de V laamse textielimmigrati e 71 %.<br />

20 Posthumus, Lakenindustrie 1I , 8-9.<br />

21 Posthumus, Lakenindustrie I1 , 129 (tabel 25), 930, (tabel 110). Alleen in 1625 bleef het aantal<br />

op 36.990 steken.<br />

22 Posthumus, Lakenindustrie I1 , 12-14,41-42. Het Westvlaamse Hondschoote was in de voorgaande<br />

decennia het centrum <strong>van</strong> de saai produktie geweest. De oorlogshandelingen - met<br />

de brandschatti ng <strong>van</strong> 31 juli 1582 als dieptepunt - maakten hieraan een einde (zie: E.<br />

Coornaert, Un centre industriel d'aulrifois. La draperie-Sayetterie d'Hondschoole (XI Ve-XVIIle siècles)<br />

(Parijs 1930) 42-43, 493-494).<br />

23 Posthumus, Bronnen lIl, 101-105 (stukken nr. 85, 86 (ook noot 2), 87, 89, 92, alle uit dejaren<br />

1582-1583), 107 (stuk nr. 97 uit 1585) en 718-719 (stuk nr. 365 uit 1597).<br />

24 Posthumus, Lakenindustrie I1, 108-109.<br />

25 Posthumus, Bronnen lIl, 110-111 (stuk nr. 100 uit 1585); 186-187 (stuk nr. 165 uit 1591); 224-<br />

225 (stuk nr. 181 uit 1594).<br />

26 Posthumus, Bronnen lIl, 221 (stuk nr. 171 uit 1592). In dit stuk <strong>van</strong> 6 april 1592 worden<br />

de schepenen Pieter Adriaanszoon <strong>van</strong> der Werff, Claes Willemszoon <strong>van</strong> Warmont en<br />

Cornelis Willemsz benoemd tot leden <strong>van</strong> een commissie voor het opstellen <strong>van</strong> keuren<br />

ten behoeve <strong>van</strong> de greinnijverheid, die tot 1635 onder de saainering viel. Van der Werff<br />

was (in ieder geval een aantal jaren later) eigenaar <strong>van</strong> een kalandermolen, die binnen de<br />

saainering voor het kalanderen (mechanisch rol-persen) <strong>van</strong> greinen werd gebruikt (Bron ­<br />

nen lIl, 290-291 (stuk nr. 212 uit 1601 ). C laes Willemszoon <strong>van</strong> Warmont was een <strong>van</strong> degenen<br />

die enkele maanden later, op 2 juli 1592, de opdracht kreeg een voorlopi ge keur voor<br />

het toestaan <strong>van</strong> het gebruik <strong>van</strong> indi go in de blauwve rverij op te stellen (Bronnen IIl, 36-37<br />

(stuk nr. 38), i.h.b. noot 2). Cornelis Willemsz was een broer <strong>van</strong> Swanenburgs schoonvader<br />

(zie: Van der Marel, "Dedel", 207).<br />

27 Z ie voo r zijn betrokkenheid bij het opstellen <strong>van</strong> keuren , noot 26. Over <strong>van</strong> Warmont:<br />

R . E.O Ekkart, "Sleutelfiguren", in Jaarboekje voor de geschiedenis <strong>van</strong> Leiden en omslreken 66<br />

(1974) 212; B. Prins, "Genealogie <strong>van</strong> DE STAM WARMONDT <strong>van</strong> outs oirspronckelij ck<br />

uyt hetsel ffd e geslacht als Brederoode Teijlinge en meer andere voorname Hollandtsche<br />

geslachten, blyckende alsnoch uyttet waepen en meer andere kenteeckenen", in Genealogische<br />

Bijdragen Leiden en Omgeving 8 (1993) 42.<br />

28 GA Leiden, Bibliotheek voor Leiden en omgeving, Lijst <strong>van</strong> magistraten, nr. 15077. Hun<br />

ambtsperioden als burgemeester of schepen vielen samen in dejaren 1587-1590, 1591-1595,<br />

1596-1597, 1598-1599, 1601-1602 en 1604-1605.<br />

29 Wurfbain, Sledelijk Museum De Lakenhal, 326-327 (S 528, Claes <strong>van</strong> Warmont; S 529 Anna<br />

<strong>van</strong> Heussen); Leiden, Stedelijk Museum De Lakenhal, S 4873 (Adriana Vrancken Paets);<br />

R. E.O. Ekkart, Catalogus <strong>van</strong> de schilderij'en in het R ijksmuseum Meermanno- Weslreenianum (Den<br />

Haag 1987) 44-45 (no. 20) (Catharina <strong>van</strong> Warmont).<br />

30 Ekkart, "Genealogie <strong>van</strong> Swanenburg", in Jaarboek <strong>van</strong> Centraal Bureau voor Genealogie 33<br />

(1979) 69.<br />

31 Van de Marel, "Dedel", 207-208, 211-212. Blijkens Posthumus, Bronnen III, 106-107 (stuk<br />

nr. 96 uit 1584) huurden de gouverneurs <strong>van</strong> de saaihal ten behoeve <strong>van</strong> de nering een ververij<br />

<strong>van</strong> 'oude' Adriaen <strong>van</strong> Warmont - d.w.z. Adriaen se nior.<br />

32 Deze informatie werd mij verschaft door dhr. R . E.O. Ekkart, die dit heeft afge leid uit de<br />

36 THB 33 (1993)


originele rekeningen.<br />

33 Van de elf ontwe rpen bevat eréén ee n opdracht aan J an va n Hout: "Ter Eeren Godts Ende<br />

Ghed achtenis D er vlyt ende naersticheyt, by J an <strong>van</strong> Hou t bethoont, ni et alleen tot vorderinge<br />

en onderhout <strong>van</strong> de oude, maer oock int ontfangen planten en queecken der ge meene<br />

draperijen tsame maeckende de H ooftneringe dese r Stadt Leyden, zijn de es glasen<br />

veynsteren, alhier by de voorsz neeri ngen doen stellen, In den l a re naer der gheboorte ons<br />

Heeren en Saelichmaeckers Iesu C hristu, 1602" (GA Leiden , Prentverzameli ng 34700-<br />

11). In 1607 bevonden de glazen zich niet in de nalatenschap <strong>van</strong> J an <strong>van</strong> Hout (Zie: GA<br />

Leiden, bibliotheek voor Leiden en om geving, boedelinventa ri s J an <strong>van</strong> Hout, nr.<br />

7000/5), dit in tegenstelling tot de bewering <strong>van</strong> Stone-Ferrier, I mages of textile 234, noot<br />

2. H aar suggestie d at de glazen gezien hun onderwerp nooit voor Van H outs woonhuis<br />

bedoeld kunnen zijn, mist iedere argumentatie. Na het ove rlijden <strong>van</strong> zijn echtgenoot verruilde<br />

Van Hout zijn woonhuis aan de Breestraat voor een bescheidener woning, zodat de<br />

glazen wellicht achterbleven. H et onomstotelijke bewijs dat de glazen werkelijk vervaardigd<br />

zij n, ontbreekt tot op heden.<br />

34 E. Pelinck, " H et Leidsche glas in de kerk te Valkenburg", in J aarboekje voor de geschiedenis<br />

en oudheidkunde <strong>van</strong> L eiden en omstreken 36 (1944) 201- 206; Ekkart, " Leidse schilders", 176-177.<br />

35 O m in de te kst niet voortdurend aan te hoeven geven, of sprake is <strong>van</strong> ve rwijzing naar een<br />

schilderij of tekening, gaan de afbeeldingsnummers ve rgezeld <strong>van</strong> de aanduiding s of t.<br />

36 <strong>Een</strong> en ander sluit aan bij: Pel inck, Stedelijk Museum 'de L akenhal ', 273-274.<br />

37 D e heer Ekkart deelt, zich baserend op Leidse stadsrekeninge n, mee, dat Swanenburg<br />

vooral in de jaren '80 <strong>van</strong> de zestiende eeuw baai-loden ontwierp. Voor een baai lood met<br />

de tekst " Leiden verwe" is afgebeeld op een gedrukte keur uit 1587. Posthumus, Bronnen<br />

lIl, 158-159 (stuk nr. 128 uit 1587) geeft de tekst, maar vermeldt niet dat de letters A tot<br />

en met K in de tekst verwij zen naar afbeeldingen op het ori gineel). Later komt de tekst<br />

" Leiden ve rwe" ook voor op saai-loden (vgl. Posthumus, Bronnen lIl, 241 (stuk nr. 181 uit<br />

1594)). Waarschijnlijk moet Swanen burgs anachroni sme worden bezien in het li cht <strong>van</strong><br />

het historisch besef <strong>van</strong> zijn tijd, waarbinnen "wa ar-achtigheid " vaak <strong>belang</strong>rijker was dan<br />

"waarheid" (vgl. F. <strong>van</strong> D eijk, " Elie Benoist. Historiographer and politician af ter the revocation<br />

of the edict of Nantes" in: Nederlands Archief voor K erkgeschiedenis 69 (1989) 55-56,<br />

59-60).<br />

38 Zie opnieu w: Pel inck, Stedelijk Museum 'de L akenhal ', 275-276. D e schaar werd door Pelinck<br />

geïdentificeerd als een droogscheerdersschaar, maar dat is niet correct. Zijn fout werd<br />

overge nomen door Stone-Fe rrier, Images of T extde, 8. Droogscheerdersscharen waren voorzien<br />

<strong>van</strong> rechthoeki ge bladen en waren <strong>van</strong> aanzienlijk groter formaat. De mij oudst bekende<br />

droogscheerdersschaar, uit 1705 , meet 119 cm (Regensburge r Stad tmuseum, Duitsland).<br />

<strong>Een</strong> Leidse droogschee rdersschaar bevind t zich in Sandvigsker Samlinger <strong>van</strong> het<br />

openluchtmuseum <strong>van</strong> M aihauge n, Noorwegen. H et betreft een exemplaar dat blijkens<br />

het smidsmerk werd vervaardigd in de werkplaats <strong>van</strong> Willem en M artinus <strong>van</strong> H asselt.<br />

(zie: F. K . Azzola, " Die Tuchschere als Werkzeug und als Zeichen der Tuchmacher bzw.<br />

der Tuchbereiter und Tuchscherer" in: Z eitschrift des Vereinsfür H essische Geschichte und L andeskunde<br />

96 (1991), 34-38, afb. 18 (Regen sburg) en 24 (Smidsm erk Leidse schaar). Deze<br />

twee broers wa ren in Leiden gezamenlijk actief tussen 1738 (G A Leiden, Secreta ri earchief<br />

1574-1813, Register <strong>van</strong> poorterinschrijvingen 1718-1 789, inv. nr. 1270, in schrijving <strong>van</strong><br />

Willem va n H asselt, d.d. 12 mei 1738) en 1769 (GA Leiden, Secreta ri earchi ef 1574-1813,<br />

register op de impost op het buitenbegraven, inv.nr. 2067, begrafenis <strong>van</strong> Martinus <strong>van</strong><br />

H asselt in Oegstgeest, d .d. 3 maart 1769). D e door hen ve rvaardigde schaar heeft een lengte<br />

<strong>van</strong> 1. 35 m. Binnen de saainijverheid was <strong>van</strong> droogscheren geen sprake.<br />

39 D e grotere scheiding <strong>van</strong> de deelhandelingen in de tekeningen ontkracht de interpretati e<br />

als zou het Swanenburg in eerste instantie gaan o m de weergave, door middel <strong>van</strong> het com ­<br />

bineren <strong>van</strong> handelingen di e in werkelijkheid qua tijd en plaats gescheiden plaatsvonden ,<br />

<strong>van</strong> een collectief arbeidsideaal (zie: B. Kerkhoff-H ader, "Vom H andwerk zur Industrie.<br />

Bildquellen zum 'Umbruch' in der Textilproduktion" in ll. Internationales H andwerkgeschichtliches<br />

Symposium (Veszprém 1982) 158-159). Het zijn de drie vroegste schilderijen die<br />

de hoogste concentratie aan deelhandelinge n bevatten. Deze concentratie kan dus voort-<br />

VAN DEIJK EEN OOGGETUI GE VAN BELANG' 37


vloeien uit het feit dat Swanenburg op het moment <strong>van</strong> ontstaan meende voor de weergave<br />

<strong>van</strong> het gehele productieproces niet meer dan drie panelen te hebben. De combinatie <strong>van</strong><br />

elementen die niet gelijktijdig zijn, is een conventie binnen de histori eschilderkunst der<br />

late zestiende eeuw. Dat ook tijdgenoten de schilderijen in eerste instantie zagen als weergave<br />

<strong>van</strong> het technisch procedé, blijkt bijvoorbeeld uit de formulering <strong>van</strong> het verzoek om<br />

toestemming voor bestelling <strong>van</strong> een der panelen uit 1607: "zij remonstranten [souden]<br />

wel <strong>van</strong> der Intentie zijn [ ... ] te laten schilderen noch sommige hantwercken <strong>van</strong> de zelve<br />

neerijnge die in de voorgaende Tafereelen niet en staen" (GA Leiden, Secretariearchief<br />

1I , Gerechtsdagboek F, nr. 50, f254v-255r).<br />

40 Posthumus, Bronnen lIl, 490-491 (stuk nr. 371, §6,7) noemt balen <strong>van</strong> 171,336,344,348<br />

en 704 pond. Deze gegevens stammen uit 1648 en betreffen Spaanse wol, een soort die in<br />

de saainijverheid niet werd gebruikt (vgl. noot 42).<br />

41 Vgl. Posthumus, Bronnen lIl, 30 (stuk nr. 34 uit 1590), betreffende een gelegenheid waarbij<br />

de vorst leidde tot een noodgedwongen keuze voor de ijsslede als alternatief voor het schip.<br />

42 Vgl. Posthumus, Bronnen lIl, 50-51 (stuk nr. 45, rond 1593). In dit stuk dringt het Leidse<br />

stadsbestuur aan op een verbod op de uitvoer <strong>van</strong> inlandse wol en de verhoging <strong>van</strong> het<br />

doorvoerrecht <strong>van</strong> Schotse en Pommerse wol. Het doorvoerrecht <strong>van</strong> de "Sivylse en Biscaise<br />

wolle" hoefde niet omhoog - "dese wolle [es] in Saineringe niet bequaem .. " Al in 1585<br />

werd het verboden, wol uit Leiden te exporteren die voor de produktie <strong>van</strong> saaien geschikt<br />

was (Posthumus, Bronnen lIl, 10 (stuk nr. 20)). Posthumus' opmerking dat de buitenlandse<br />

wol alleen als scheerwol werd gekocht (Lakenindustrie Il, 257) is onjuist - vgl. Posthumus,<br />

Bronnen lIl, 34 (stuk nr. 35 uit 1590), waar sprake is <strong>van</strong>" vellen ende wolle, uut Schotlant,<br />

Pomeren ende Engelant comende" [mijn cursivering]. Ook in H ondschoote werd vooral<br />

wol uit Schotland, Pommeren en Noord-Holl a nd verwe rkt en geen Spaanse wol (vgl.<br />

Coornaert, La draperie-sayetterie d'Hondschoote, 190).<br />

43 Posthumus, Bronnen IV, 537-538 (stuk nr. 401, uit 1612).<br />

44 H et sorteren kan pas plaatsvinden als de wol <strong>van</strong> de schaapshuid is losgemaakt. Omdat<br />

Swanenburg het ploten (het loshalen <strong>van</strong> de plootwol <strong>van</strong> de schaapshuiden) eerder op een<br />

ander paneel afbeeldde, kan het sorteren - een correcte afbeelding veronderstellend - hi er<br />

alleen <strong>van</strong> scheerwol sprake zijn. De <strong>van</strong> een schaap geschoren wol behoudt haar samenhang<br />

en wordt als geheel vacht genoemd. De geopende wolbaal achter de sorteerder bevat<br />

inderdaad op traditionele wij ze opgerolde vachten (vgl. Peter Teal, H and Woolcombing and<br />

Spinning (Poole 19 79) 36).<br />

45 Posthumus, Bronnen lIl, 114 (stuk nr. 100 uit 1585).<br />

46 Stone-Ferrier, Images of Textile, 6, stelt echter foutief dat hun identiteit bekend is. Overigens<br />

ontkracht deze ponering haar gedachte dat " His [Swanenburg's] depiction presented the<br />

worker as a conforming cog in a large wheel, rather than as an individuallaborer"(p. 29).<br />

Poming, "Sculptures and paintings", 139 spreekt ten onrechte <strong>van</strong> een "wolmerk". Zijn<br />

bewering, dat het merk op de schaapshuid in het midden <strong>van</strong> het schilderij overeenkomt<br />

met de merken op de wolbalen links, is onjuist.<br />

47 Bijvoorbeeld: GA Leiden, Archieven <strong>van</strong> de hallen, nr. 390, lijst <strong>van</strong> merken <strong>van</strong> saaidrapiers<br />

[eigenlijk: lij st <strong>van</strong> merken <strong>van</strong> meesterkammers], rond 1596. Posthumus, Bronnen<br />

I1I , 720 (stuk nr. 370) bevat de lijst, maar geeft de aanwezigheid der merken niet aan.<br />

48 InJK.S. Moes en B. de Vries, Stof uit het Leidse verleden, (Leiden 1991) 61, is de tekening<br />

dus ten onrechte voorzien <strong>van</strong> het onderschrift " H et scheren der vachten".<br />

49 Ponting, "Sculptures and Paintings", 139-140 weet het verschil in beide methodes ook niet<br />

te verklaren. Zijn veronderstelling, dat" Swanenburgh may only have intended co illustrate<br />

the shearing process normally done on the li ving sheep" mag, gezien de overvloedige<br />

bewijzen voor het gebruik <strong>van</strong> plootwol, naar het rijk der fabelen verwezen worden.<br />

50 Posthumus, Bronnen IV, 539 (stuk 403 uit 1633). Vergelijk ook met p. 34 (stuk nr. 38 uit<br />

1634) en p. 38 (stuk nr. 43 uit 1638). Al deze stukken betreffen een verbod voor wolkammers<br />

zelf te vlaken.<br />

51 Posthumus, Bronnen I1I, 141 (stuk nr. 106 uit 1586). Posthumus, Lakenindustrie 1I, 258,<br />

noemt een "wasbanc", maar dit op basis <strong>van</strong> een stuk uit 1643.<br />

52 Posthumus, Bronnen IV, 26-28 (stukken nr. 31, 32 en 34, uit 1633). [n een verkoop <strong>van</strong> kam-<br />

38 THB 33(1993)


wol en kammersgerei, is behalve <strong>van</strong> vaatjes boter, sprake <strong>van</strong> "1 ketel met gaerboter"<br />

(Posthumus, Bronnen IV, 540 (stuk nr. 401 uit 1643).<br />

53 Posthumus, Bro nnen lIl, 718 (stuk nr. 365 uit 1590, waarin sprake is <strong>van</strong> een Spaans u itvoerverbod<br />

met betrekking tot wolkammen).<br />

54 Posthumus, Bronnen lIl, 718 (stuk nr. 365 uit 1590). H et Waalse beukenhout werd in ovens<br />

gedroogd en trok daardoor niet m eer krom.<br />

55 Herkenbaar zijn de schoorsteen <strong>van</strong> de smidse en twee mannen, de een werkend aan een<br />

aambeeld, de ander kammen hante rend aan een werkbank.<br />

56 Wolkammen zijn te vinden in het Nederlands Textielmuseum in Tilburg, in het Museum<br />

Jannink in E nschede. In beide gevallen betreft het voorbeelden <strong>van</strong> zogeheten "vierreërs",<br />

dus met vier rijen tanden. H et Stedelijk Museum De Lakenhal te Leiden (voorwerpinventaris<br />

nr. 4048) beschikt over een paar m et drie rijen tanden. Voor het gebruik <strong>van</strong> hoorn<br />

en het nut <strong>van</strong> het verschillend aantal rijen tanden zie: Teal, Hand Wooleombing and spinning,<br />

15, resp. 16.<br />

57 G. de Poerck, La draperie médiévale en Plandre el en Arlozs. I. L a leehnique (Brugge 1951) 48,<br />

veronderstelt het bestaan in de veertiende eeuw <strong>van</strong> kammen met drie rij en tanden, m aar<br />

beargumenteert dit niet. Zijn gedocumenteerde voorbeelden <strong>van</strong> wolkammen met 20 of<br />

21 tanden (Ieperen, vóór 1363; Mechelen; Amsterdam, 1543) zouden heel wel enkelrijïg<br />

geweest kunnen zij n. De door de staande m an gehanteerde ka m op het schilderij <strong>van</strong> Swanenburg<br />

(afb. 6s) heeft tweeëntwintig tanden. In de achttie nde eeuw waren kammen met<br />

meerdere rijen tanden gebruikelijk (vg!.: Roland de la Platière, " peignage des laines" in<br />

Manufactures, A rls et M éliers (Parijs/Lu ik 1784-1 790) - onderdeel <strong>van</strong> de Eneyclopédie Mélhodique<br />

ou par ordre des malières - I, 267 e.v. en V I (voor de bijbeho rende afbeeldingen).<br />

58 Teal, H and Wooleombing and Spinning, 78.<br />

59 Posthumus, B ronnen lIl, 719 (stuk nr. 365 uit 1590) ("also de camhoutten grooter hette moeten<br />

verdragen") ; V, 118 (stuk 81 uit 1655).<br />

60 Ponting, "Sculptures a nd Paintings", 140 , meent ten onrechte dat de kammen op het schilderij<br />

" tegen de vuurtes t aanliggen". <strong>Een</strong> aardewerken vuurtest ter verhi tting <strong>van</strong> kammen<br />

zou voorkomen op een zeventiende-eeuwse gravure uit Luik (zie: De Poerck, L a draperie<br />

médiévale en Plandre et en Arloi,-, 301 (geen afbeelding). M useen in H essen. Ein H andbueh der öffent/iehe<br />

zugängliehen Museen und Sammlungen im L ande H essen (Kassei 1987) 273 bevat een foto<br />

<strong>van</strong> een vergelijkbare aardewerken vuurtest met wolkammen uit de negentiende eeuw. In<br />

1948 werd een vuurtest voor wolkammen, ditmaal <strong>van</strong> een vierkant model en <strong>van</strong> o ngedocumenteerde<br />

ouderdom, in de provincie Groningen aangetroffe n. M omenteel is <strong>van</strong> dit<br />

voorwerp slechts een potloodschets uit 1949 te achterhalen (Arnhem, Nederlands Openluchtmuseum,<br />

Centraal Documenta ti ecentrum, ongedateerde kladve rsie <strong>van</strong> een brief<br />

<strong>van</strong> NN aan een mevrouw Hoffmann m et potloodschets, gedateerd a pril 1949 onder UDC<br />

nr. 677.3 1). Voor een Brits voorbeeld, vg!. Teal, Hand W oolcombing and Spinning, 51.<br />

61 La Platière, " Peignage des laines" in M anufactures, A rls el M éliers 1, 267 e.v.; Teal, H and Woolcombing<br />

and Spinning, 62-65 (met foto-illustraties). Bij Teal wordt een <strong>van</strong> de kammen direct<br />

aan het begin <strong>van</strong> de handeling vastgezet op een soort werkbank, maar wezenlijk is da t<br />

niet.<br />

62 Vg!. Teal, Hand W oolcombing and Spinning, 66-68. Ponting, " Paintings and Sculptures", 140<br />

beziet de schilderijen dus met onvoldoende ken nis <strong>van</strong> het ka m proces.<br />

63 Vg!. Teal, H and Woolcombing and Spznning, 69-7 2.<br />

64 M oes en De Vries, Stof uit het L eidse verleden , 66, voorzien deze tekening <strong>van</strong> het bijschrift<br />

"H et haspelen <strong>van</strong> het garen was vrouwenwerk". Dit is in all e opzichten onjuist. Op de<br />

tekening wordt niet gehaspeld, terwijl in afb 12t, waar het weven en haspelen te zien is,<br />

deze laatste handeling wordt ve rricht door een man.<br />

65 P.]. M. <strong>van</strong> Gorp, Handspinnen. I. Van de prehislorie lol het vleuge/spinnewiel (Tilburg 1984) 96-<br />

97; P. Teal, Hand W oolcombing and Spinning 90-92.<br />

66 Van Gorp, H andspinnen. I. 82 ,84. End rei, L ' Éoolulion des lechniques dufilageet du lissage, 55, 56.<br />

67 Posthumus, Bronnen Il, 346 (stuk nr. 941 uit 1527).<br />

68 Endrei, L 'Évolulion des lechniques dufilage et du lissage, 56; Van Gorp, Handspinnen. l. , 88-92;<br />

Teal, H and Woolcombing and Spinning 9 1.<br />

VAN DElJK EEN OOGGETUIG E VAN BELANG? 39


69 Posthumus, Bronnen lIl, 162-163 (stuk nr. 135 uit 1588).<br />

70 Posthumus, Bronnen lIl, 163-169 (stukken nr. 137, 138 uit 1588), 175 (stuk nr. 141 uit 1588).<br />

In deze stukken is sprake <strong>van</strong> een <strong>belang</strong>enconOict tussen de kleine drapiers en de grotere,<br />

betreffende de garenmarkt. Op de garenmarkt werd hoofdzakelijk kettinggaren verhandeld.<br />

De eersten waren voo r hun kettinggaren afhankelijk <strong>van</strong> de garenmarkt, de tweeden<br />

omzeilden deze m arkt door de spinners direct als loonarbeiders voor zich te laten werken.<br />

Voorde spinners was dit aantrekkelijk, omdat zij zo geen geld hoefden te steken in de aankoop<br />

<strong>van</strong> wol. D e kleinere dra piers wilden een marktplicht ingesteld zien, om niet <strong>van</strong> goed<br />

kettinggaren verstoken te raken.<br />

71 Teal, Hand Woolcombing and Spinning, 98; Van Gorp, Handspinnen. I.<br />

72 Posthumus, B ronnen lIl, 195 (stuk nr. 195 uit 1591). Wellicht hangt het verschil in wolsoort<br />

zoals door Swanenburg afgebeeld bij het wolploten hiermee samen.<br />

73 Van Gorp, Handspinnen . 11. H et vleugelspinnewiel. l5de eeuw tot heden (Tilburg 1984) 43-48<br />

bevat een gedetailleerde beschrijving <strong>van</strong> verschillende varianten <strong>van</strong> het vleugelspinnewiel.<br />

Stone-Ferrier, Images of Textile, 8, meent ten onrechte dat het kleine wiel in afb. 9 is<br />

uitgerust met een pedaal.<br />

74 Van Gorp, Handspinnen. 11. 21, 22. Van Gorps aanname, dat het wiel in die tijd in Leiden<br />

werd gebruikt voor het spinnen <strong>van</strong> kettinggaren wordt gelogenstraft door de eerder vermeide<br />

keur, die dat juist verbood (zie noot 67).<br />

75 Bijvoorbeeld: Schwerin, Staatliches Museum, 'Pap etende vrouw' [ook wel bekend als<br />

' Rembrandts moeder']. ca. 1630, door Gerard Dou.<br />

76 Van Gorp, H andspinnen. 11,65 gaat in het geval <strong>van</strong> het schilderij echte r wel tot identificatie<br />

<strong>van</strong> het kleine wiel als vleugelspinnewiel over. Hij schrijft het paneel abusievelijk toe aan<br />

Swanenburgs zOOn Jacob. Posthumus, Lakenindustrie Il, 259 (noot 2) beween zonder argumentatie<br />

dat het Grote Wieljuist voor inslaggaren werd gebruikt en wijst op Swanenburgs<br />

weergave <strong>van</strong> dit type spinnewiel. Op de afbeelding <strong>van</strong> het kleinere wiel gaat hij niet in .<br />

77 Bijvoo rbeeld: Tilburg, Nederlands Textielmuseum; Enschede, Museum J annink; Geldrop,<br />

Weverijmuseum.<br />

78 Posthumus, Lakenindustrie [[ , 23 1 spreekt <strong>van</strong> "een scheerraam , ook wel 'scheermolen',<br />

'schee rrec', of 'scheerbank' geheten" een deels foutieve gelijkstelling. De scheermolen is<br />

een draaibare houten constructi e, waar het kettinggaren omheengewonden kan worden.<br />

Dit vereenvoudigt het kettingscheren aanzienlijk en is een technische innovatie. Het<br />

"scheerrec" is waarschijnlijk inderdaad een scheer raam (Vgl. Posthumus, Bronnen IV, 488,<br />

490 (stuk nr. 371 uit 1648) waar de termen uitwisselbaar lijken). Voor de scheerbank, zie<br />

verder in het artikel. Zowel Ponting, "Sculptures and Paintings", 145, als Stone-Ferrier,<br />

Images of Textile , 3, benoemen het scheerrek in afb. 9 ten onrechte als "warping mill "<br />

[scheermolen J.<br />

79 De voorschriften op dit gebied veranderden in de loop <strong>van</strong> de besproken periode. Ik baseer<br />

me hier op de keur <strong>van</strong> 1594, die gold toen Swanenburg de afbeelding <strong>van</strong> het kettingscheren<br />

vervaardigde (vgl. Posthumus, Bronnen lIl, 232 en (voor de gebruikte lengtemaat) 235<br />

(§45) (stuk nr. 181 uit 1594).<br />

80 Vergelijk bijvoorbeeld de middeleeuwse afbeelding in het Iepers keurboek (in: Endrei,<br />

L 'Évolution des techniques dufilageet du tissage, afb. 30). In Nederland zijn mij geen authentieke<br />

scheerrramen bekend. Twee scheerramen (reference numbers 50 .1 3 en DF 93.17, behorend<br />

tot de collecti e <strong>van</strong> het Welsh Folk Museum in Cardiff zijn rond de 2.30 m. hoog.<br />

81 Opnieuw zijn hier<strong>van</strong> twee voorbeelden in de coll ectie <strong>van</strong> het Welsh Folk Museum in Cardiff<br />

(reference numbers 50.13 en DF 76.11).<br />

82 Cardiff, Welsh Folk Museum, "weaver's rubbing bones", rond de laatste eeuwwisseling<br />

ve rzameld. Gegevens over herkomst zijn door omstandigheden gescheiden geraakt <strong>van</strong> de<br />

objekten.<br />

83 Posthumus, Bronnen V, 440 (stuk nr. 332 uit 1652).<br />

84 Posthumus, Bronnen lIl, 479, 481 (stuk nr. 271 uit 1602, betreffende de changeantnering).<br />

Onder verwijzing naar een 18de-eeuwse bron komt Posthumus, Lakenindustrie Il, 259, tot<br />

een andere conclusie: "Daar de saaien en een aantal tot d e saainering behoorende stoffen<br />

gekeperd waren, vond men aan het weefgetouw altijd m eer dan twee schachten. Bij de<br />

40 T HB 33(1993)


weefsels, diedrieschachten, vierschachten en vijfschachten heetten, wees de naam dit reeds<br />

aan." D e bron (Posthumus, Bronnen VI, 62 (stuk 32 uit 1703) wijst eerder op het tegendeel<br />

<strong>van</strong> wat Posthumus beweert. H et betreft een verzoek <strong>van</strong> drie saaidra piers, die stelden dat<br />

de Leidse saaien door de oorlog " tot a1sulken stant gebragt sijn, dat deselve niet anders<br />

als tot schade konden werden ve rkogt, waeromme de supplianten tot eeni g soulaes soo <strong>van</strong><br />

haer als haer werckvolck gefabriceert hebben zaayen even met deselve keper en breete als<br />

de zaayen <strong>van</strong> Luyck, welcke nooy t de halie subj ect sijn" [mijn cursivering]. De genoemde d ri e-,<br />

vier- en vijfschachten behoorden niet tot de saainering, maar tot de fu steinnering (vgl.<br />

Posthumus, B ronnen lIl, 455 (stuk nr. 260 uit 1602 (drie- en vierschachten)); B ronnen IV,<br />

220 (stuk nr. 204 uit 1621 (vijfschachten)). H et o nderscheiden <strong>van</strong> "gekeperd e saaien" lij kt<br />

ook zinloos, wanneer een keperbinding voor saaien de regel was.<br />

85 Posthumus, B ronnen lIl, 235 (verplichting tot m eting), 243 (beschrijving ve ntloden der d ive<br />

rse saaien) (stuk nr. 181 uil 1594). <strong>Een</strong> ventlood zoals Swanenburg dat schilderde, m et<br />

aan een zijde de gekruiste Leidse sleutels, was in gebruik voor heren saaien, smalle saaien<br />

en dubbellijsten.<br />

86 Het inslaggaren was bij het weven soms ontvet, vgl. Posthumus, B ronnen 111 , 195 (stuk nr.<br />

165 uit 1591) waar sprake is <strong>van</strong> "inslachwoll e, tzy vet ofte geschoten". De betekenis <strong>van</strong><br />

dit "schieten" blijkt weer uit de keur op het vo llen: "[De vollers] Zullen alle saeyen [ ... ]<br />

schieten mit goede zwarte gekeurde zeepe, [ ... ] de doubel witte [saaien] mit witte zeepe"<br />

(Posthumus, Bronnen lIl, 235 (stuk nr. 181 uit 1594). Deze keur verbied ook het gebruik<br />

<strong>van</strong> stampers en dergelijke. In 1590 werd bij de saainering een volmolen in gebruik ge nom<br />

en , m aar de keur <strong>van</strong> 1591 verbood het gebruik <strong>van</strong> hulpmiddelen opnieuw (Posthumus,<br />

Bronnen lIl, 183 (stuk nr. 158 uit 1590); 200 (stuk nr. 165 uit 1591).<br />

87 Posthumus, Bronnen lIl, 69 (stuk nr. 60 uit 1609). [n deze keur we rd het ve rboden zich tusse<br />

n de ochte nd- en avondklok naakt op straat te begeven, " tenzy behoorli cken ende eerlicken<br />

bedect ten minste mit een vastgebonden schorte rontsomme nederh angende <strong>van</strong> bove<br />

n den heupen tot den knyen loe"<br />

88 Po nting, "Scul ptures and Painting", 141 m eent dat de man rechtsvoo r op het schilderij " is<br />

doing the scouring and possibly some fullin g [sic] ." De vollers links negeert hij. In dit schil ­<br />

derij m ist hij het d roogscheren ("shearing"), een behandeling die in Leiden nooit deel u itmaakt<br />

e va n de saai nijve rheid. Vgl. Coornaert, L a draperie-sayetterie d'H ondschoote, 211 , over<br />

het gel eid el ij k ve rdwijnen <strong>van</strong> het droogscheren in de Hondschooter saainijverheid .<br />

89 Posthumus, Bronnen 111 , 236 (stuk nr. 181 uit 1594).<br />

90 Posthumus, Bronnen lIl, 240, 241 (stuk nr. 181 uit 1594); De Nie, De ontwikkeling der Noordnederlandsche<br />

textielververij <strong>van</strong> de veertiende tot de achttiende eeuw (Leiden 1937), 197-200.<br />

91 De Nie, De ontwikkeling der Noordnederlandsclze textielververij, 159-163, 171-176.<br />

92 G. F. Warner,j. P. G ilson (ed.) Catalogueof W estern Manuscripts in the old R oyal and K ing 's Collections<br />

(z.p [Londen] 1921) 176, noemt een Vlaams miniatuur, waarop ee n dergelijke ve rve<br />

rij is afgebeeld.<br />

93 H et Vlaamse miniatuur is afgebeeld in M oes en De Vries, Stof uit het L eidse verleden, 54 .<br />

Voor de Leidse gevelsteen: zie noot 1. D e Nie, D e ontwikkeling der Noordnederlandsche textielververij,<br />

115, 116, beweert dus ten onrechte dat deze constructie tussen 1615 en 1625 werd uitgevonden<br />

.<br />

94 In 1592 werd het gebruik <strong>van</strong> indigo (waar<strong>van</strong> de we rkzame verfstof, net als bij wede, indigotine<br />

is) in combinatie m et wede toegestaan (Posthumus, Bronnen lIl, 35-36 (stuk nr. 38<br />

uit 1592), maar twee jaar later was het gebruik er<strong>van</strong> in de saainijve rheid alweer verboden<br />

(Posthumus, B ronnen lIl, 240 (stuk nr. 181 uit 1594).<br />

95 D e N ie, De ontwikkeling der Noordnederlandsche textielververij, 72-74.<br />

96 D e oorzaak is gelegen in het feit dat de toevoeging <strong>van</strong> zuurstof het gistingproces rem t.<br />

Directe bl ootstelling <strong>van</strong> de ve rfketel aan vuur levert een sterke vloeistofcircula ti e op en<br />

dus, via het oppervlak, m ee r contact met de lucht (zie: De Nie, D e ontwikkeling der Noordnederlandsche<br />

textielververij, 83-84; De Poerck, La teclm ique médiévale en Plandre et en Artois J,<br />

161 -162).<br />

97 De Nie, De ontwikkeling der Noordnederlandsche textielververij, 11 5, signaleert met recht dat in<br />

de keur va n 1592 die het gebruik <strong>van</strong> indigo in combinatie met wede toestond, onderscheid<br />

VAN DElJK EEN OOGGET U IG E VA N BELANG? 41

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!