29.08.2013 Views

J.H. Halbertsma's Biografie van Deventer - Historisch Centrum ...

J.H. Halbertsma's Biografie van Deventer - Historisch Centrum ...

J.H. Halbertsma's Biografie van Deventer - Historisch Centrum ...

SHOW MORE
SHOW LESS

Create successful ePaper yourself

Turn your PDF publications into a flip-book with our unique Google optimized e-Paper software.

152


J.H. <strong>Halbertsma's</strong> <strong>Biografie</strong> <strong>van</strong><br />

<strong>Deventer</strong><br />

uitgegeven door drs. T.B. Hoekema<br />

Verantwoording<br />

In de colleetie Halbertsma op de Provinciale Bibliotheek te Leeuwarden<br />

berust onder nummer 330 waarschijnlijk het laatste geschrift dat Joost<br />

Hiddes Halbertsma (1789-1869) uit handen is gekomen en dat hij <strong>Biografie</strong><br />

<strong>van</strong> <strong>Deventer</strong> genoemd heeft. De inhoud bestaat uit een serie uitspraken<br />

over de kwalijke karaktertrekken <strong>van</strong> <strong>Deventer</strong> en zijn bewoners. Er is hier<br />

een verbitterde oude man aan het woord, die zichzelf nogal eens herhaalt.<br />

Halbertsma had in 1821 Bolsward - en daarmee Friesland - verlaten omdat<br />

zijn traktement als predikant hem daar te klein was. <strong>Deventer</strong> echter<br />

bezorgde hem niet genoeg toeloop en - eenmaal emeritus - was hem een<br />

eenzame oude dag beschoren. Maar als we de ondankbare broeders en<br />

zusters <strong>van</strong> de Doopsgezinde gemeente even buiten beschouwing laten,<br />

ook verder leek er niets goeds uit <strong>Deventer</strong> te kunnen komen. Leesstof<br />

voor zondagsscholen e.d. is deze <strong>Biografie</strong> niet. Erg voordelig komt<br />

<strong>Deventer</strong> er niet af. Dat geldt voor meer onderwerpen <strong>van</strong> <strong>Halbertsma's</strong><br />

oeuvre. Parijs was een stad <strong>van</strong> zakkenrollers, Friesland een kontrei <strong>van</strong><br />

vrijwillig slavendom.<br />

Het handschrift is weergegeven zoals het was. In de Aantekeningen zijn<br />

alleen die verschrijvingen gecorrigeerd die aanleiding zouden kunnen zijn<br />

tot misverstand. Ook is daarin gepoogd enkele personen uit het handschrift<br />

nader te identificeren, meestal met de zeer gewaardeerde hulp <strong>van</strong><br />

dr.A.C.F. Koch te <strong>Deventer</strong>. Doorhalingen zijn genoemd als ze voor het<br />

begrijpen <strong>van</strong> de tekst belangrijk waren. Het in halflinnen gebonden<br />

handschrift met het etiketje '330' op de rugzijde bevat vóór de <strong>Biografie</strong> 99<br />

en erna 183 ongenummerde blanco pagina's. Van de daartussen liggende<br />

bladen zijn 1 tIm 16 gepagineerd met een groen, de andere met een zwart<br />

potlood, waarschijnlijk door twee verschillende handen, en naar het mij<br />

voorkomt is die <strong>van</strong> Halbertsma daar niet onder. Beschreven maar<br />

ongepagineerde bladzijden heb ik een cursief nummer gegeven. Versorecto<br />

loop het handschrift als volgt, waarbij een enkele x een blanco<br />

ongenummerde pagina en een cijfer in romein + (x) een genummerde,<br />

maar verder geheel blanco gelaten pagina voorstelt: l-x, 2-x, 3-3, 4-4, 5-5,<br />

6-x, 7-7, 8-x, 9-x, lO-10, 11-x, 12-12, 13-13, 14-x, 15-16, 16-x, 17-x, 18-x, 19-x,<br />

20-x, 21-21, 22-x, 23-x, 24-24, 25-26,26-27,27-28,28-29, 29-30(x), 30-31(x),<br />

31-32(x), 32-33. De grens tussen twee pagina's is aangegeven met I.<br />

153


Het handschrift is in hoofdzaak met de pen geschreven, de pagina's 10 en<br />

21 en de woorden 'in 't gebeente zit' op pagina 20 met potlood. De buiten de<br />

lopende tekst vallende pagina's zijn in dit uitgaafje gescheiden gehouden<br />

<strong>van</strong> het 'verhaal'. Belangrijk voor de datering was een los sociëteitsbriefje<br />

tussen de pagina's 7 en 7. Het roept op tot een vergadering op 8-3-1868 en<br />

bevat aantekeningen die Halbertsma later in zijn handschrift verwerkte.<br />

Dat laatste zal dus omstreeks die datum zijn geschreven en uiteraard niet<br />

later dan 27-2-1869, <strong>Halbertsma's</strong> sterfdag.<br />

Deze <strong>Biografie</strong> <strong>van</strong> <strong>Deventer</strong> is reeds eerder (in 1961) door mij, met een<br />

commentaar in de Friese taal in eigen beheer in het lieht gegeven.<br />

1 <strong>Biografie</strong> <strong>van</strong> <strong>Deventer</strong><br />

Omnis bonus odor lucri est.<br />

Winkeliers gaan dagelyks om en spreken met hoeren, die hun de<br />

klandizie gunnen, als hun gelijken. Een hoerenhuis is een gewone affaire zo<br />

als snuif, tabak, zeep en koffi. Een hoerenbaas huurt hier stadslands, dat hij<br />

dagelijks met een tiental dames beärbeidt, die nachts hunne receptien<br />

houden. Dat gaat hier alles in eere en deugd, en de dames kunnen er gezond<br />

by blyven en oud worden. Loghemsche Beth werkt daags dat haar de hals<br />

kraakt; zy heeft handen zo wreed als raspen en nogthans ziet zy er<br />

2 welgedaan / en monter uit en springt in de bres, als de jongeren onder den<br />

druk der nacht bezwijken.<br />

Onder de lagere klassen is bedrog en afzettery eene recommandatie.<br />

Men poft wel in de kleine winkels aan oplichters, die altyd doorpoffen,<br />

maar niet aan ordelyke lieden, die anders nooit poffen.<br />

Het gemeen is diep onbeschaafd. Het kent geen ander genot dan een<br />

hondenbruiloft en zuipen en vreten. Voor beest op de vloer liggen is 't<br />

summum, wanneer zy een portie jenever Franco kunnen binnenkrijgen.<br />

3 Wanneer hetAmsterdammer gemeen een stuiver / over heeft gaat 't naar de<br />

comedie; maar aan zang of spektakel een cent uit te geven die ze verzuipen<br />

kunnen is hier een even grote dwaasheid als zonde.<br />

Het gemeen is overal ruwen dikwerf beestachtig. Maar hier struikelt<br />

men in de duisternis over een paar in conjunctie. De beschaafdste gaan<br />

tegen de graanoogst buiten de stad en gaan in het hoge graan aan den weg<br />

als het gedierte des velds liggen; die daar bang zyn voor verrassing gaan in<br />

het graan op en spreiden zich daar het bed, zonder te berekenen dat zij het<br />

graan verpletteren en het land ontsieren. Er is ook niemand, behalve de<br />

4 boer, die / daar wraak over roept.<br />

Het gegeven woord is hier niets. Ik zal dien dag uw goed klaar hebben, is<br />

maar een middel om tydelyk <strong>van</strong> u af te wezen.<br />

Trouwaan eene belofte is hier onbekend. Een ambachtman, die u niet op<br />

den beloofden tijd levert, lacht als Gy daar verstoord <strong>van</strong> zijt. Het<br />

toverwoord, dat alles in alles goedmaakt is, Men mut er zo wat umme hen<br />

doon!<br />

154


Wet en orde kennen ze hier niet. Het spreekwoord zegt, Heregeboden<br />

duren drie dagen. Het volk vergeet ze na enige dagen en de regering<br />

5 handhaaft ze niet. De straten / staan vol rytuigen; een policiereglement<br />

brengt ze op de markt en met een half jaar is de straat er weer vol <strong>van</strong> of er<br />

nooit een reglement bestaan had.<br />

Al de <strong>Deventer</strong>sehen hebben eens een pak slagen gehad omdat ze te<br />

vroeg kwamen, nu komen ze allen te laat uit vrees voor een nieuw pak<br />

ranzel. Uitgezonderd alleen, wanneer er brand is. Daar zyn ze by als de<br />

kippen; niet zo zeer om den brand te blusschen, als als wel om een vreet,<br />

zuip en danspartij by te wonen. De spuit namelyk die 't eerst by den brand<br />

6 is krygt een premie <strong>van</strong> 25 Glds welke de spuit- / gasten <strong>van</strong> dien spuit op<br />

zekeren avond verteren.<br />

Men kent de buurschappen der oude steden. De buren stonden elkander<br />

bij in noden en ziekten zonder betaling; maar die thans geen stuiver of<br />

dubbeltje losmaakt. blyft hulpeloos alleen liggen. En heeft de zieke nog<br />

een rok of jakje, daar de lomberd wat op geeft, dan zeggen ze, zy heeft nog<br />

wel een jak aan de rug, daar ze een pandje <strong>van</strong> kan maken. Als een brave en<br />

bekwame naaister, aan 't hoofd <strong>van</strong> een naaischool weeks 4 guldens<br />

verdient ziek wordt, gaat 't weekgeld niet door; zo lang zy ziek is neemt<br />

7 Mevrouw de ryke / directrice haar 1 gulden in de week af, en verdeelt die<br />

onder drie mindere naaisters, die dit gaarne aannemen. Het kaamt<br />

Mevrouw niet in de gedachte om 't zelve te geven, of aan de stad te vragen.<br />

De groten vallen op een halve cent dood, behalve als het de stadskas geldt<br />

voor de favoriten. Een kapper, die de Heeren het wild aanbracht, krygt<br />

bejaard zijn pension in een vet gasthuis. Durende een halve eeuw is de grote<br />

Herensocieteit gehouden door eene familie die in opspraak en schandaal<br />

leefde, met een vader aan het hoofd, die als grammaticus steeds fouten /<br />

8 beging tegen de geslachten.<br />

Ons lieven heer heeft rare kostjongens. Zy gaan met dezelfde statigheid<br />

en bedaardheid [naar] een tempel als de kerk, en zyn ze daar dan roken ze<br />

hun pyp en cigaar tot aan 't ogenblik dat zy lostrekken. En is er afgevuurd<br />

grypen zij dadelyk de pyp weer op zuigen en zuigen wat zy kunnen; is de pyp<br />

nog aan, dat is een grote triomf. Door deze bedaarde, zelfs stijve houding is<br />

het oordeel <strong>van</strong> buiten af over hen misleid, en geen vreemdeling zoekt<br />

debauche achter zo veel statigheid. Zij vertonen zelfs iets naïefs, primitifs<br />

9 en provenciaals, hoe zal ik 't noemen, waar- / zij hunne manoeuvres<br />

verbergen; maar in de bureaux <strong>van</strong> sHage zijn zij ontdekt en gaat hun de lof<br />

na, dat zij de grootste intriguanten zyn <strong>van</strong> Nederland. Daardoor is het<br />

zommigen gelukt om zonder degelyke bekwaamheid tot de hoogste<br />

waardigheden op te klimmen.<br />

Zy hebben een hoog denkbeeld <strong>van</strong> zich zelven en hunne stad. Hebben<br />

zij die verlaten dan vinden zy zich niet gelukkig, als onder 't gehoor <strong>van</strong>'t<br />

<strong>Deventer</strong>-Hollandsch dialect der stad. Te Leiden hadden de Dev. studenten<br />

een <strong>Deventer</strong> tafel. De academie, die voor andere provincialen een school<br />

10 <strong>van</strong> opvoeding is, /waarin zij menschenkennis opdoen door zich aan allerlei<br />

155


karakters te wrijven, laat hen terugkeren zo als zij er gekomen zijn.<br />

Zy vinden zich niet pleisierig dan by <strong>Deventer</strong>schen. Een inwoner <strong>van</strong><br />

buiten met andere begrippen dan zij gaat na een verblijf <strong>van</strong> 40 jaar er uit<br />

gelijk hij er in kwam, als vreemdeling. Als hy er eers inkoornt haalt men hem<br />

overal met voorkomenheid in, die spoedig yskoud wordt, en hy maakt niet<br />

een enkelen vriend. Ware verdiensten <strong>van</strong> karakter, talent of kennis doen<br />

niets af, als er niet eene smerige beleefdheid bijkoornt. Zy menen dat<br />

11 vriendschap niets dan een holle / vorm is en de liefde een hondenbruiloft.<br />

Het is vreemd hoe een volk zo tuk op winst alle gevoel mist voor zedelijke<br />

schoonheid. Dit kaamt vooral uit in hunne ondankbaarheid. Een man die<br />

door kennis of kunst de eer der stad is en de stad durende een<br />

menschenleven gesticht of onderwezen heeft, by het nederleggen <strong>van</strong> zyn<br />

post in vergetelheid nederzinkt of hij nooit bestaan had. Men spreekt wel<br />

<strong>van</strong> zyne verdiensten, maar niemand bezoekt hem of geeft hem een bewijs<br />

<strong>van</strong> achting. Het gemeen denkt dat de eerste weldaad hun recht geeft op de<br />

twede. Als Gy gevraagd niet geeft herinneren zy u de giften in spys of<br />

12 kleding die gy hun vroeger gedaan hebt. Geeft Gij / nog niet, zij betalen u<br />

met laster en gaan u voorbij of zij u nooit gekend hadden.<br />

Hunne staatkundige leus is een onbeschaamde logen. Zy zyn liberalen;<br />

d.i. mannen die anderen geven wat zij zelven vragen; mannen der vryheid,<br />

die alle misbruik <strong>van</strong> gezag over hunne minderen verfoeyen; mannen die<br />

elk het constituele recht waarborgen om binnen de grenzen der wet hun<br />

oordeelover de daden <strong>van</strong> collegies en personen vry uit te spreken. En zij<br />

behandelen een professor als een stadsvuilniskarman; durft hy hune daden<br />

beoordelen en zwygt hy op hunne bestraffing niet, als de staaf te<br />

13 Constantinopel, zy zetten hem af en jagen hem met vrouwen / kinderen aan<br />

den dijk. Een tekenrneester, die altyd zyn plicht in stads dienst deed, krygt<br />

verschil met de directie hy zwygt niet dadelyk en men zet hem af. Liberaal<br />

in tirannieke afzettingen en bekrompen, nietig en gierig in 't doen <strong>van</strong> recht<br />

en billijkheid.<br />

De mindere klassen zijn hier even nieuwsgierig als op een dorp inTwente.<br />

By een trouwpartij met 3 of 4 koetsen is een groot deel der inwoners voor 't<br />

stadshuis vergaderd. Als het hoopje schuttery uit of in de stad trekt, is er<br />

telkens ene menigte op de been, of er nooit een soldaat gezien was. Grof en<br />

onbeschoft <strong>van</strong> aard vieren zy hunne nieuwsgierigheid door voor uwe<br />

14 vensters te blyven staan en in de kamer op / te kijken. In de schoftijden<br />

staan slungels <strong>van</strong> kerels bij troepjes op de einden en hoeken <strong>van</strong> straten en<br />

kruiswegen, om naauwlettend op te nemen wie er doorgaat. Zomtijds staan<br />

zij zo geschaard, dat zij den voorbijganger een weinig kunnen ophouden,<br />

om hem des te duidelyker op te nemen.<br />

Het volk is eindeloos nieuwsgierig. Het moet overal bij wezen. Vooral<br />

waar pret is. De vraag is nooit, Past 't my? Hebben ze geen geld, zij maken<br />

een pandje en halen 't geld voor kermis, Paasch, of pinxsterpret uit de<br />

Lomberd. Zij zyn liefhebbers <strong>van</strong> visch die daar zeer duur is, en zommigen<br />

brengen een jak by Jan Maat, om naar de vischmarkt te kunnen gaan.<br />

156


15 Er is hier een nyvere en verstandige klasse onder de mindere klasse, die<br />

het soliedste deel der stedelingen uitmaakt. Dat zijn de geringere burgers in<br />

't opkomen. Zij zijn matig, noest, bescheiden, nederig in kleding, en<br />

houden zich verre <strong>van</strong> de vertoning en zwaai der overigen, die zij met een<br />

glimlach aanzien. By zommigen is zo weinig opschik <strong>van</strong> huisraad, dat een<br />

oud paard er gene schade zou kunnen aanrichten; evenwel gaan zy voor een<br />

20 of 30000 niet opstaan. Terwyl die <strong>van</strong> Zwol en Zutfen bij zulke verkopen<br />

voorschot opnemen, wachten zy tot den bepaalden dag <strong>van</strong> betaling. Deze<br />

menschen zijn bescheiden en handelbaar zo lang de oude eenvoudige<br />

16 vormen / blijven, doch zodra heeft de voorspoed de vrouwen dochter niet<br />

verleid om 't oude pak uit te schudden en dat der mode aan te trekken,<br />

verandert met den vorm ook de inhoud. Zij worden vornehm thuig, opschik<br />

lievend, aanmatigend, eigenwys en liberaal. De oude moffenatuur hunner<br />

Saxische voorvaders kaamt weder boven; nederig en gedwee in de laagte;<br />

hard, eigenwys en verdrukkend in de hoogte. Maar dit neemt niet weg, dat<br />

zij goede kooplieden blijven; bedrijfzaam, ondernemend, voorzichtig en<br />

boven al de naburige steden bekend voor soliede betalers.<br />

Wat kunst en wetenschap belangt horen zy wel de klok luiden, maar<br />

16 weten niet waar eigenlyk de klepel hangt. Zy weten en / en zyn overtuigd,<br />

dat wetenschap en kunst tot ene goede opvoeding behoren en wie 't kan<br />

betalen schroomt er ook geen geld voor; het heeft echter op de veredeling<br />

<strong>van</strong> hunne maatschappelyke gevoelens of hunnen kunstsmaak weinig of<br />

genen invloed; Zy kunnen zich baden in de wateren der wetenschap, maar<br />

die zullen niet op hun hechten; de droppelen zullen er onverenigd afrollen<br />

even als een eend die in den vijver zyne vêren net. Geen stad misschien in<br />

Nederland waar in de laatste halve eeuw zo veel en algemeen getekend is,<br />

zowel rechtlynig als anders. Maar elk nieuw gebouw dat naar de regels<br />

ontworpen is, getuigt dat zy de geleerd architectuur niet hebben begrepen /<br />

17 en de Edel Achtbare regering laat de bomen der stad nog snoeyen op het<br />

systema der suikerbroden. De Stadswaag, een pronkstuk <strong>van</strong> Architectuur<br />

in dien stijl, hebben ze bedorven. Tot die orde behoort het gebruik <strong>van</strong><br />

grotere zandstenen en rode klinkers, die zodanig tegen elkander afsteken,<br />

dat zy een geregeld en vrolyk effekt maken. Men heeft er de witkwast<br />

overheengestroken, en dat effekt vernietigd; <strong>van</strong> eene vrolyke net geklede<br />

boerin hebben ze een geest gemaakt.<br />

Van de muziek, waarop zy razend zijn, geldt 't zelfde. Om de ltaliaansche<br />

zang of muziek, om de grootsche composities der grote meesters <strong>van</strong><br />

vroegeren tijd geven zij niet veel. Zy hebben altijd een persoon wiens<br />

18 oordeelover / over kunst of oratorie hun orakel is, en zo aanbidden zij dan<br />

ook de smaak, waarover men 't thans onder de muzikanten is eens<br />

geworden. Nieuwe namen, hoewel barbaarsche oorschrabbers, moeten<br />

hier 't veld ruimen voor Beethoven, Weber en Mozart of Rossini.<br />

Als er een nieuw talent op de preekstoel kaamt zijn zij byzonder met hem<br />

opgetild. Men verdringt zich in de kerken; spoedig zakt men af en op het<br />

laatst, terwyl de menigte hem medogenloos laat blaffen, blyven er toch<br />

157


enigen over, die om beurten uit erbarming onder zijn gehoor komen.<br />

Hebben de domenijs gedaan, noch oude vriende, noch de jeugd, die hy<br />

19 onderwezen of aangenomen heeft, die ooit weder naar hem om- / ziet. Hy<br />

heeft gepriikt en gecathechiseerd, de gemeente heeft hem prompt op den<br />

tijd zijn daghuur uitgeteld; en daarmede zijn zij <strong>van</strong> elkander af, even als<br />

een kruyenier <strong>van</strong> zyn winkelknecht, en de juffrouw <strong>van</strong> haar<br />

schoonmaakster.<br />

Hardnekkig houden zij vast aan hunne begrippen, bekrompene inzichten<br />

en gebreken. Het kleinstädtische beheert de inwoners op alles wat zy<br />

denken, doen en uitvoeren, en zo elders is 't hier waar. als Gij er lang blyft,<br />

L' on s'embête dans les petites villes. De bekrompenheid zou in een stad, waar<br />

zo vele vreemdelingen komen, en zich om de goedkoopte nederzetten,<br />

20 waar altyd wisselende Garni- /soenen gelegerd zyn, zou zeg ik eene<br />

onmogelijkheid zijn, zonder die hardnekkige betweterij, die dit geslacht<br />

kenmerkt.in 't gebeente zit.<br />

In de geringe standen <strong>van</strong> ambachtslieden, schoenmakers, kleermakers<br />

en naaisters kaamt die eigenwysheid schitterend uit. Hebt Gij een kind met<br />

zere ogen, en Gij bestelt de klep <strong>van</strong>'t hoedje over de ogen heen, niet doen;<br />

het strydt tegen haar begrip <strong>van</strong> de mode. Wilt Gy de linker schoen wat<br />

langer hebben dan de rechter, niet doen; zij moeten beiden gelijk zijn. Zegt<br />

Gy, Ik moet een hoed hebben naar myn hoofd; schoenen naar myne voeten,<br />

21 niet naar uw hoofd; zy noemen U eigengereld /; hoofd 't helpt niet.<br />

De <strong>Deventer</strong>sehen doen zich nog al aardig voor, zelfs vriendelyk, vooral<br />

wanneer zij een cent aan u kunnen verdienen. Dit maakt, dat men den<br />

mensch naar zijn uitwendig beoordelende, hem nog al voor redelyk goed<br />

houdt. Maar om 't hart mangelt een aangeboren gebrek; dat is 't gevoel, het<br />

beginsel <strong>van</strong> edele denkbeelden, beginsels en voornemens. Op dat gevoel<br />

beproeft de rechtschapen mensch de gehalte der woorden, en daden <strong>van</strong><br />

zynen natuurgenoot; dat gevoel is ook het orgaan, waarmede men de op-<br />

22 opmerkingen wegens zedelyke / en stoffelyke schoonheid beide ontfangt,<br />

beseft, begrijpt; het is de grondslag <strong>van</strong> al die tedere gevoelens en plichten,<br />

die buiten de burgerlijke wetten omlopen.<br />

Nu die grondslag ontbreekt ten enenmale by den <strong>Deventer</strong>sman; bij de<br />

marke, de stam waaruit hij gesproten is. En daarmede valt ook de<br />

dankbaarheid, die geen plicht, maar een teder gevoelen is. Ook het gevoel<br />

<strong>van</strong> vriendschap en verkleefdheid. De bewondering <strong>van</strong> edele<br />

zelfopoffering, onverbreekbare trouw, onkreukbare eerlijkheid. Maar de<br />

grove en gekrenkte trots, als men hunnen dommen wil wederstreeft, steeks<br />

23 met dornrnekrachts / geweld het hoofd, en terwijl zij den vlag <strong>van</strong>'t<br />

liberalisme hoog laten waaien en schreeuwen <strong>van</strong> vrijheid, dryven zy den<br />

vrymoedigen man met vrouwen kinderen naakt aan den dijk.<br />

Daarom kennen zy als de boeren <strong>van</strong> Twente gene andere vriendschap<br />

dan bloedverwantschap. Bloedverwanten houden zondags een rondje met<br />

elkander. Die niet in de familie getrouwd zijn komen er niet in. Dit is een<br />

yzeren wet der oude gewoonte, waaraan zy zich, al vervelen zy zich<br />

dodelyk, nooit onttrekken.<br />

158


24 Een <strong>Deventer</strong>sman <strong>van</strong> buiten bekeken lykt nog wel een aardig<br />

fatsoenlijk mensch. Maar Gy moet niet diep in hem tasten. Op den bodem<br />

ontbreken die zedelyke elementen, waaruit kieschheid, fijn gevoel,<br />

dankbaarheid, fierheid, hoge en edele zin moeten opkomen<br />

De dankbaarheid is hier onbekend. Zy duurt niet langer dan de stroom<br />

der weldaden vloeit. Houdt die op kennen zy den weldoener niet meer.<br />

Met onverschillige ogen zien zij een grote jongen een kleinen; slaan dat is<br />

hier dagelijks straatwerk. Twintig groten zijn hier met alle macht bezig, om<br />

25 een enkel man / aan den dijk te jagen.<br />

Hun dom en onverzettelyk vasthouden aan eigene begrippen is eigenlyk<br />

gemis <strong>van</strong> humaniteit, die aan anderen oordeel en onpartydig onderzoek<br />

wijdt.<br />

Hun trots op 't <strong>Deventer</strong> en <strong>Deventer</strong>s burgerschap is de barrière tegen<br />

vooruitgang. Zij trotseren, wie sy groten noemen en uit dat beginsel zyn zy<br />

liberalen, zonder de ware betekenis <strong>van</strong> dat woord te kennen. Noch in<br />

wetenschap noch in rang of geboorte kennen zy een meerdere; dien te<br />

26 erkennen zou zijn hunne minderheid / te erkennen.<br />

Zij laten zich liefst door menschen bedienen, die zy als lappen<br />

behandelen kunnen. Hier zyn dikwerf factotums der heren, die typen <strong>van</strong><br />

alle liederlykheid zijn en in het gemeenste achterom met ene vuile of<br />

dronkene vrouw op 't hok liggen. Bij concerten, schiet-gezelschappen,<br />

schutteryen, bedieningen bij partijen, zijn dit de oppassers.<br />

Toen Petrus Camper de karakterlijn op hun gelaat had getrokken,<br />

logeerde hy op de Latmer en aldaar door den ouden Beziers gevraagd, wat<br />

die lijn hem zeide antwoorde hij, stupied en ononverzettelyk.<br />

26 Tucht onder de kinderen is hier onbekend. Als een kind de baas speelt,<br />

zyne kleren vuilt maakt; vloekt, rookt, en men de moeder zegt, Dat kan zo<br />

niet. Dan zegt zy, Hy wil zo! De wil <strong>van</strong> de quajonge is haar hoogste wet.<br />

Dankbaarheid is hier onbekend. Grote giften ziet de arme aan als 't werk<br />

<strong>van</strong> een schatryke, die 't niet scheelt wat een ding kost, en hij schrijft zijn<br />

weldoener het dubbeid <strong>van</strong> zyne overige klanten op rekening.<br />

Zy verfoeien de dankbaarheid omdat zy't ondragelyk vinden te erkennen<br />

27 dat zy min- / der zyn als hy, omdat zij hem iets schuldig zijn.<br />

27 Verkleefdheid aan 't oude grenst hier aan zucht tot nieuwigheid. Zy<br />

blyven by 't oude uit betweteryen azen op 't nieuwe uit trots. Hun haat<br />

tegen de aristocratie en de militairen baart hun liberalisme; hunne<br />

verdrukking der minderheid is 't kind hunner gekrenkte trots, die geen<br />

tegenpraat <strong>van</strong> minderen duldt.<br />

28 Onder de republiek was <strong>Deventer</strong> een onafhankelyke en ryke koopstad<br />

met zyn eigene rechten en costumes <strong>van</strong> souverein, en sloeg na zyne grootte<br />

vrywat figuur. De burgers heeft met de stad de oude macht verloren, maar<br />

de trots behouden.<br />

28 De Dev. zyn zeer gehecht aan <strong>Deventer</strong>. De reden is dat zy nergens hunne<br />

onhebbelykheid en betwetery kunnen quyt raken dan in <strong>Deventer</strong>.<br />

Aan hunne eigenzinnigheid en betweterij, zyn zy de naam <strong>van</strong><br />

159


stokvisschen schuldig. Zo stijf als een stokvisch Vroeger dreven zy groten<br />

handel in stokvisschen.<br />

Zij tonen hun moffebloed door hunne minachting <strong>van</strong> de rechten der<br />

mindere menschen. Zij tellen het lijden hunner geringe natuurgenoten zeer<br />

weinig. Zy geven zelden iets zonder er een verwijt of belediging bij te<br />

voegen.<br />

29 <strong>Deventer</strong> was voormaals een republiek; <strong>van</strong> de gewone republikeinsehe<br />

fierheid hebben niets overgehouden dan eene soort <strong>van</strong> ontaarding in<br />

stugge hoogmoed en betweterij.<br />

29 Zij zijn zo vol <strong>van</strong> hunne meerderheid, dat op u de plicht rust om hen te<br />

bezoeken, maar niet op hen om u te bezoeken. Gy leeft hier 40 jaar;<br />

niemand heeft iets tegen u; maar niemand bezoekt u. Gij leeft dan in een<br />

bevolkte woestijn.<br />

De Dev. bediende, ja, de waschvrouw heeft u beledigd; zy blyft weg en<br />

kaamt niet meer op de gewone dagen terug. Zij meent, dat Gy haar terug<br />

moet roepen, en doet Gy 't niet, dan vind zy een leugen om u met<br />

verdrukking te bekladden.<br />

30 De kooplieden en kruyeniers <strong>van</strong> D. zijn zeer beraden in de keuze <strong>van</strong><br />

professoren. Zy gingen in diepen rouw toen Prof. Mees vertrok, omdat hy<br />

ryk was en een groot huisgezin had, die dus klandizie in de winkels bracht.<br />

Een bekwaam literateur recommandeerden de curatoren, nam. Cousijn,<br />

ongehuwd en ongemiddeld; de curatoren zeiden dat ze alleen om aan 't<br />

reglement te voldoen er Ds Slotemaker byvoegden, die ongeschikt was. Wat<br />

doen wy met een kalen rot als cousijn? vroegen de edelachtbaren.<br />

Slotemaker heeft een groot huisgezin en geld. En Slotemaker wierd 't, om<br />

niets uit te voeren en een spot der jongens te zijn.<br />

31 De hofkes waren kleine kapellen <strong>van</strong> Venus, die 't wild voor de<br />

jongeheren aanfokten.<br />

Het is al aangemerkt, het fyne gevoel <strong>van</strong>'t schone en edele mangelt.<br />

Burgerlui vinden er geheel geen been in om er hoeren op na te houden; b. v.<br />

de vrouw <strong>van</strong> myn kachelpoetser Willems. Zedig gekleed, onvertogen in<br />

haar woord, had zy een dochter die by Ds Rein cathechiseerde en zeer<br />

orderlyk was.<br />

Eene Hoerewaard maakt de domenij een standje, die hem voorbygaat in<br />

eene collecte voor hulpbehoevende gemeenten.<br />

32 Gelijk op straat een grote jonge altijd bezig is om kleinen te plagen of te<br />

rossen, zo terrasseren 20 groten en raadsleden, een enkel man, op wien zij<br />

een pik hebben, zonder een woord te spreken.<br />

33 Preussen<br />

die Intelligenz staat.<br />

Faciunt intelligendo ut nihil intelligant.<br />

Buiten de lopende tekst:<br />

3 Het bolwerk noemen ze hier de regimentscanapé.<br />

By alle kermissen, openbare feesten <strong>van</strong> pinxter en paschen kan men aan<br />

160


die venusbedden het spoor der onschuldige jeugd herkennen.<br />

Er wordt ook wel met hagel op die vogels geschoten; zy komen dan thuis<br />

met een krentebrood <strong>van</strong> achteren.<br />

4 Zy zeggen ook wel, Ja, dat heeft myn knecht gedaan! Even of gy met den<br />

knecht, en niet met den baas had te maken.<br />

5 Het is als de moffestadjes aan de grenzen vol boeren, die er dagelijks<br />

inryden en uitryden, met hooi, stro, mest. Laden en pakken kunnen zy niet<br />

en 't verwandere u niet dat Gy de poort willende uitgaan, die versperd vindt<br />

met een omgevallen wagen vol hooi. Zomtijds ondersteunen een half dozyn<br />

mannen de zyde der vracht, die dreigt om te vallen. Anderen lopen er<br />

achter om wat gevallen is weder op te rapen.<br />

7 Zy brengen hunne fruiten en groenten, die zy over hebben, als<br />

moeseniers te markt. De fijne appels bewaren zij zorgvuldig tot aan de lente<br />

tegen den tijd der rotting, en laten ze dan als grote zeldzaamheden door<br />

appelwijven aan de huizen der welgegoede burgers verkopen.<br />

[Tussen p. 7 en p. 7 ligt een voor de datering <strong>van</strong> het handschrift<br />

belangrijke uitnodiging <strong>van</strong> de] Societeit de Hereeniging. [Het bevat een<br />

oproep voor de] Ballottage op Zondag 8 Maart 1868, ten half een ure in de<br />

binnen-societeit. [Deze zal gaan] over de Heeren: R.A. <strong>van</strong> Otterbeek<br />

Bastiaans [en] A.F. Geelink. [Halbertsma beschreef dit briefje met<br />

aantekingen die verwerkt zijn in de '<strong>Biografie</strong>'; op de voorkant schreef hij<br />

aan de linker kant:] De wetenschap wil niet op hun hechten. En de mode<br />

ook niet. [Rechts:] De kruyeniers, de olieslagers, de metselaars, oordelen<br />

hier over de hoogste wetenschap. [En op de achterkant:]<br />

Nieuwsgierig.<br />

kyken om in 't voortgaan.<br />

versperren den weg.<br />

gaan u dwars voorbij<br />

Betweterij.<br />

verkropte toom en woede.<br />

geven niets om de achting <strong>van</strong> buite<br />

Schyt conscientie 'als 't geld kost.<br />

Als ze klein zyn, zyn ze best.<br />

Hunne voorkomenheid als ze wat aan u verdienen kunnen. Van de<br />

hovelingen hebben zy niets, dan dat er niets verachtelyker voor hen is, dan<br />

de persoon voor wien zy geen belang hebben.<br />

10 soort zoekt soort.<br />

12 Als zij u uitjouwen en met drek werpen, kunt Gy hun veilig met den<br />

Raadsheer <strong>van</strong> Bern, die 't gemeen stenigde, zeggen, Ik heb u immers nooit<br />

welgedaan!<br />

161


Jongens, en ook metsjes uit den<br />

halfkrankzinnigen schimpwoorden<br />

krankzinnigen beschermt.<br />

fatsoenlijken stand roepen vooral<br />

na, zonder dat iemand die<br />

13 op de straat zijn zij lastig. Zy moeten vooruit en durven niet blyven staan.<br />

Zy zien dus voortlopende ter zijde, dikwerf de kop geheel achterom, totdat<br />

zy u op 't Iyf lopen<br />

21 que parle le sentiment<br />

24 Er is hier een volkomen gebrek aan kiescheid. De wyze, waarop zich dit<br />

bij het gemeen verraadt is voorbeeldeloos. Over de wederzydsche<br />

echtbrekery treden man en vrouw daar in akkoord. De Vrouw verdient een<br />

gulden aan een liefhebber; zy geeft er 2 quartjes <strong>van</strong> aan haar man, die<br />

daarvoor een borrel in de kroeg drinkt, terwijl de vrouw zich amuseert met<br />

een ander. De man zegt, Als ik er nachts geen verlet <strong>van</strong> heb wil ik myn<br />

vrouw zo lang wellenen.<br />

Aantekeningen<br />

Bij p. 7: Hier zal Jan <strong>van</strong> Eede (geboren 1794 te <strong>Deventer</strong>)<br />

waarschijnJijk zijn bedoeld. Zijn werk werd later (nog in 1866)<br />

voortgezet door een <strong>van</strong> zijn grote schare nakomelingen.<br />

Bij p. 8: In plaats <strong>van</strong> 'een tempel' stond er eerst 'naar het mothuis'<br />

('naar' is per abuis doorgehaald); 'mot'betekent o.a. 'slechte<br />

vrouw', waarmee de betekenis <strong>van</strong> 'tempel' hier wel verklaard<br />

is.<br />

Bij p. 8-9: 'waar-' aan te vullen tot 'waar-/mee' of 'waar-/door'.<br />

Bij p. 12: Wordt hier en op de pagina's 24-25 en 32 gezinspeeld op het<br />

ontslag <strong>van</strong> prof. dr. Johannes <strong>van</strong> Vloten (1818-1883) op 2-7-<br />

1867? - 'staaf' zal een verschrijving zijn voor'slaaf'.<br />

Bij p. 18: Waarschijnlijk bedoelt Halbertsma het omgekeerde te zeggen,<br />

nJ. dat Beethoven etc. het veld moesten ruimen?<br />

Bij p. 21: Halbertsma vergat 'hoofd' door te strepen nadat hij op pagina 20<br />

had toegevoegd 'uw hoofd; zy noemen U eigengereid'.<br />

Bij p. 26: Dit buiten stond te Wilp gem. Voorst en werd na de verwoesting<br />

door brand herbouwd als psychiatrische inrichting. Is met<br />

Besiers de <strong>Deventer</strong> meester in de rechten A.G. Besier (1758-<br />

1829) bedoeld?<br />

Bij p. 30: Mr.G. Mees Az. (1802-1883) was <strong>van</strong> 1839-1847 professor in de<br />

taal, literatuur en geschiedenis <strong>van</strong> de Lage Landen. P.J. Cosijn<br />

was conrector aan het Winschoter gymnasium. C.G.<br />

Slotemaker had zes kinderen en was docent aan de <strong>Deventer</strong><br />

H.B.S. In 1865 werd hij praeceptor voor de moderne talen aan<br />

het Atheneum. In 1879 ging hij naar Arnhem. Niet Slotemaker<br />

162


maar dr.W.J.W. Jonckbloet (1817-1885) werd Mees' opvolger<br />

in 1847; in 1854 vertrok Jonckbloet naar de universiteit <strong>van</strong><br />

Groningen (zie J.C. <strong>van</strong> Slee, De Illustre School te <strong>Deventer</strong> 1630-<br />

1878, 's-Gravenhage 1916, p. 172-174).<br />

Bij p. 31: Bedoeld is wel de echtgenote <strong>van</strong> de meester-smid A.J.<br />

Wilhelm, wiens gezin tot de Lutherse gemeente behoorde. De<br />

Lutherse predikant Reinhard Reudier was op 16-3-1857 in<br />

<strong>Deventer</strong> gekomen, waar hij op 10-8-1858 overleed.<br />

Voor een reactie op <strong>Halbertsma's</strong> <strong>Biografie</strong> <strong>van</strong> <strong>Deventer</strong> (uitgave 1961) zij<br />

hier verwezen naar H.R. <strong>van</strong> Ommeren, Joost Halbertsma in <strong>Deventer</strong>, in:<br />

Joast Hiddes Halbertsma 1789-1869 brekker en bouwer (Fryske Akademy nr.<br />

342; Drachten 1969), p. 78-90.<br />

163

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!