29.08.2013 Views

1987 JAARBOEK - Historisch Centrum Overijssel

1987 JAARBOEK - Historisch Centrum Overijssel

1987 JAARBOEK - Historisch Centrum Overijssel

SHOW MORE
SHOW LESS

Create successful ePaper yourself

Turn your PDF publications into a flip-book with our unique Google optimized e-Paper software.

ZWOLS<br />

HISTORISCH<br />

<strong>JAARBOEK</strong><br />

<strong>1987</strong>


ZWOLS<br />

HISTORISCH<br />

<strong>JAARBOEK</strong><br />

<strong>1987</strong><br />

ZWOLSE HISTORISCHE VERENIGING


CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, DEN HAAG<br />

Zwols<br />

Zwols historisch jaarboek/Zwolse <strong>Historisch</strong>e Vereniging<br />

-1984-....-Zwolle: Zwolse <strong>Historisch</strong>e Vereniging<br />

Verschijnt jaarlijks<br />

Jaarboek <strong>1987</strong>/[red. J.H. Drentje...et al.; ill. J.P. de Koning], -ill.<br />

Met lit. opg.<br />

ISBN 90-71099-08-3<br />

SISO over 938.1 UDC 949.2*8000 (058)<br />

Trefw.: Zwolle; geschiedenis; jaarboeken.<br />

COLOFON:<br />

Redactie: J.H. Drentje, W.A. Huijsmans, N. Lettinck (eindredacteur), P.C. Lindhoud,<br />

I. Wormgoor, H. Wullink, A v.d. Wurff<br />

Omslagontwerp: Han Prins<br />

Op de omslag een gestileerde versie van een veertiende-eeuws zegel van Zwolle<br />

Druk: Offsetdrukkerij Hoekman bv, Genemuiden<br />

Copyright © <strong>1987</strong> Zwols <strong>Historisch</strong>e Vereniging<br />

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door<br />

middel van druk, fotokopie, microfilm of op ander wijze dan ook, zonder voorafgaande<br />

schriftelijke toestemming van de uitgever.


Inhoudsopgave<br />

N. Lettinck Woord vooraf<br />

I. Wormgoor Het Bethlehemklooster in Zwolle. De stichting en de<br />

verhouding tot het Bethlehemklooster bij Doetinchem 7<br />

R.Th.M. van Dijk Opbloei en neergang van het kapittel van Windesheim 31<br />

Han Brouwer Leescultuur in Zwolle: boekaanschaf en boekgebruik<br />

(1777-1854). Schets van een onderzoeksproject 47<br />

G. van Hooff De ijzergieterij en machinefabriek van de fa. GJ.<br />

Wispelwey & Co. te Zwolle in de eerste halve eeuw<br />

van haar bestaan 74<br />

B.H. Edel en Een brug tekort. Plannen voor de aanleg van een vaste<br />

A.C. Ooms brug over de IJssel nabij het Katerveer (1850-1860) 85<br />

Atte Jongstra Geen eenvoudige timmerman. Over Multatuli's vermoeide<br />

laatste dagen en zijn bittere dood 103


Woord vooraf<br />

De redactie heeft het genoegen u hierbij het vierde jaarboek van de Zwolse <strong>Historisch</strong>e<br />

Vereniging aan te bieden. Uit de rijk geschakeerde inhoud blijkt dat de beoefening<br />

van lokale geschiedenis in Zwolle een vruchtbaar terrein is dat nog lang niet<br />

afgegraven is. In het eerste artikel stelt mevr. I. Wormgoor een grondig onderzoek<br />

in naar de precieze relatie tussen het Zwolse en het Doetinchemse Bethlehemklooster.<br />

Uit haar studie blijkt ondermeer dat de organisatiestructuur en de levenswijze<br />

van beide vrome gemeenschappen sterk uiteen liepen. De geschiedenis van<br />

het Zwolse Bethlehemklooster wordt gevolgd tot 1430, aangezien het in dat jaar<br />

opgenomen werd in het kapittel van Windesheim. Aansluitend hierop behandelt<br />

R.Th.M. van Dijk de opbloei en de neergang van het kapittel van Windesheim, een<br />

fraai overzichtsartikel dat een bewerking is van de lezing die hij vorig jaar voor de<br />

Zwolse <strong>Historisch</strong>e Vereniging heeft gehouden. Beide artikelen passen goed in het<br />

kader van de vieringen rond het thema '600 jaar Windesheim'.<br />

Het derde artikel kan beschouwd worden als een bijdrage tot de intellectuele<br />

geschiedenis van Zwolle. Aan de hand van origineel bronnenmateriaal geeft Han<br />

Brouwer ons een eerste indruk van wie eind achttiende/begin negentiende eeuw<br />

welke boeken kochten en lazen. Deze bijdrage is de vrucht van een omvangrijk<br />

onderzoeksproject waarover wij u in het Zwols <strong>Historisch</strong> Tijdschrift op de<br />

hoogte zullen houden.<br />

In de twee volgende studies worden onderwerpen uit de industriële geschiedenis<br />

van Zwolle belicht. G. van Hooff beschrijft de bloeiperiode van de ijzergieterij en<br />

machinefabriek van de firma Wispelwey, een naam die bij diverse Zwollenaren nog<br />

een bekende klank zal hebben. Halverwege de vorige eeuw werden er diverse plannen<br />

gesmeed om in de buurt van het Katerveer een vaste brug over de IJssel aan te<br />

leggen. B.H. Edel en A.C. Ooms gaan uitvoerig in op de toen gehouden discussies.<br />

Hieruit blijkt dat de tijd - en vooral de Zwolse bestuurders - nog niet rijp waren<br />

voor een dergelijke technische constructie. Vandaar de titel: een brug tekort.<br />

Atte Jongstra herdenkt in het laatste artikel de honderd jaar geleden overleden Multatuli.<br />

Hij besteedt ruim aandacht aan de wisselende waardering die deze literator in<br />

Zwolle ten deel is gevallen. Zijn polemische betoogtrant stimuleert wellicht tot<br />

verdere discussie.<br />

namens de redactie,<br />

N. Lettinck (eindredacteur Jaarboek)


1. Tekening van het Bethlehemklooster te Zwolle (1587) door]. Stellingwerf.


Het Bethlehemklooster in Zwolle<br />

De stichting en de verhouding tot het Bethlehemklooster<br />

bij Doetinchem<br />

I. Wormgoor<br />

1. Inleiding<br />

In de middeleeuwen speelden de kloosters een grote rol. Maar, wanneer er sprake is<br />

van middeleeuwen moet bedacht worden dat het daarbij niet om een statische<br />

periode gaat. Gedurende deze periode van ongeveer duizend jaar vonden veel veranderingen<br />

plaats. Ook het kloosterleven was aan veranderingen onderhevig. De<br />

kloosterorden die in de loop der eeuwen ontstonden verschilden van elkaar. Elke<br />

orde was in een bepaalde tijd ontstaan en moest antwoord geven op de problemen<br />

van die tijd. En hoewel het principe van het kloosterleven - een leven in afzondering<br />

leiden in dienst van God - bleef bestaan, kon de uitwerking ervan sterk verschillen.<br />

Zo konden er verschillen bestaan in theologische visies, godsdienstige<br />

beleving, organisatie, strengheid van de orde, het benadrukken van studie, zielzorg<br />

en prediking en in de verhouding tot de overheid.<br />

Van de kloosters die in Zwolle hebben bestaan is het grootste deel ontstaan onder<br />

invloed van de Moderne Devotie (ca. 1380-1450). Slechts twee kloosters zijn van<br />

oudere datum: het Bethlehemklooster en het Oldeconvent. Van dit laatste<br />

klooster, een vrouwenconvent, is erg weinig bekend. Het was gelegen in de<br />

Praubstraat en bestond in elk geval in 1361. Over het Bethlehemklooster is aanzienlijk<br />

meer bekend. Dit mannenklooster werd in 1309 gesticht en strekte zich uit<br />

over het gebied van de Wolweverstraat, de Schoutenstraat, de Sassenstraat en het<br />

Bethlehemse kerkplein. De huidige Bethlehemkerk en het Refter hebben deel uitgemaakt<br />

van het kloostercomplex.<br />

In dit artikel wordt beschreven hoe het Bethlehemklooster gesticht is en welke factoren<br />

daarbij een rol speelden. Vervolgens wordt gekeken naar het Bethlehemklooster<br />

bij Doetinchem, het moederklooster van het Zwolse huis. Daarbij wordt<br />

speciaal aandacht besteed aan de onderlinge verhoudingen tussen beide kloosters.<br />

De vraag is namelijk of in de Zwolse dochterstichting dezelfde mentaliteit en organisatie<br />

bestond als in het Doetinchemse moederhuis. Dat zou verwacht kunnen<br />

worden, omdat er broeders uit Doetinchem naar Zwolle gestuurd werden en<br />

omdat de proost van Doetinchem de prior in Zwolle benoemde en er het recht van<br />

visitatie en correctie had. Kortom, de proost had een tamelijk grote invloed op het<br />

Zwolse klooster. Aan de andere kant is het zo dat het klooster bij Doetinchem veel<br />

eerder gesticht is. Het dateert uit het einde van de twaalfde eeuw, terwijl het Zwolse<br />

huis pas aan het begin van de veertiende eeuw gesticht is. Het zou dus ook kunnen


zijn dat elk van beide kloosters als een vertegenwoordiger van een aparte traditie te<br />

beschouwen is. Dan zou Doetinchem dus een vertegenwoordiger van een oudere<br />

traditie zijn dan Zwolle.<br />

Hoewel het Zwolse Bethlehemklooster tot 1580 bestaan heeft, wordt het hier niet<br />

verder dan tot 1430 beschreven. In dat jaar sloot het zich namelijk aan bij het kapittel<br />

van Windehseim. Tegelijk daarmee werd de afhankelijkheidsrelatie met Doetinchem<br />

verbroken.<br />

Tenslotte moet erop gewezen worden dat het Zwolse klooster ook wel aangeduid<br />

wordt met de naam Belhem, en het klooster bij Doetinchem met de naam Bielheim.<br />

Dit zijn de namen zoals die in de diverse plaatselijke stukken voorkomen.<br />

2. De stichting van Belhem<br />

Het oudst bekende klooster in Zwolle is het Bethlehemklooster. Het werd gesticht<br />

door Bernardus van Vollenhove, deken van het Lebuinuskapittel in Deventer. Op<br />

12 november 1307 kreeg hij van Guydo van Avesnes, de bisschop van Utrecht, toestemming<br />

om op zijn eigen erf in de stad Zwolle een kapel te stichten en een college<br />

van reguliere kanunniken op te richten. De rechten van de moederkerk mochten<br />

daarbij niet aangetast worden. Tegelijk gaf de bisschop toestemming om de kapel te<br />

laten wijden, zodra uit de middelen van de kapel twee of meer kanunniken onderhouden<br />

konden worden; dan zou er ook een kerkelijke begraafplaats mogen<br />

komen 1 . De toestemming van de bisschop werd op 10 augustus 1308 zowel door<br />

het kapittel van de kerk van Deventer, als door Henricus, proost en aartsdiaken van<br />

de kerk van Deventer, bekrachtigd 2 . De kapel bestond in elk geval een maand later.<br />

Op 12 september verklaarde bisschop Guydo namelijk dat hij allen die na biecht en<br />

berouw de predikaties bijwoonden van zijn kapelaan heer Bernardus of van de<br />

priesters van de door hem gestichte kapel in Zwolle, een aflaat van 40 dagen<br />

verleende 3 .<br />

Wanneer de kapel gewijd is, is niet precies bekend. Dit moet voor of tegelijk met de<br />

bovengenoemde aflaat gebeurd zijn. Het is immers niet aannemelijk dat een aflaat<br />

verleend wordt voor het bijwonen van preken in een ongewijde kapel. Dit betekent<br />

dan ook, gezien de voorwaarden die de bisschop in 1307 gesteld had, dat de<br />

kapel al in september 1308 voldoende middelen had om twee of meer kanunniken<br />

te onderhouden. En afgaand op de bewoordingen van die aflaat, lijkt het erop dat er<br />

toen al naast Bernardus tenminste één priester aan de kapel verbonden was.<br />

Ruim een half jaar later, op 8 mei 1309, maakte Bernardus zijn testament op. Hij<br />

droeg toen zijn huis en bouwwerk (structuram) waar hij woonde in Zwolle met alle<br />

omliggende grond, een huis en goederen in Herkelo, goederen in Middelwijk, die<br />

hij van zijn broer Hermannus had gekocht en enkele andere goederen, evenals boeken,<br />

ornamenten, miskelken en huisraad in het huis te Zwolle aanwezig, 200 pond<br />

in geld en al zijn vee, over aan de kerk van Bethlehem. Hij bepaalde dat zijn huis<br />

voor de eredienst gebruikt moest worden en hij onderwierp die plaats met alles wat<br />

erbij hoorde aan de kerk van Bethlehem bij Doetinchem. Daarbij stelde hij als voorwaarde<br />

dat de proost en het convent altijd tenminste vier broeders in het huis te<br />

Zwolle zouden houden die daar zouden verblijven en de kerkelijke diensten ver-


ichten. Ook mochten de genoemde goederen niet naar de kerk van Bethlehem<br />

overgebracht worden en zou de prior van Zwolle met toestemming van hetzelfde<br />

convent door de proost benoemd worden. Tenslotte kreeg de proost het recht van<br />

visitatie en correctie in Zwolle.<br />

Bij het opmaken van deze schenkingsoorkonde was de officiaal van de Utrechtse<br />

curie aanwezig, evenals schepenen van de stad Zwolle en de proost met twee kanunniken<br />

uit Doetinchem. De drie laatstgenoemden accepteerden de schenking en de<br />

gestelde voorwaarden namens hun convent 4 . In het algemeen wordt deze schenkingsakte<br />

beschouwd als de stichtingsakte van het Bethlehemconvent in Zwolle.<br />

Het klooster kreeg bij zijn stichting dezelfde naam als het moederklooster in Doetinchem:<br />

Bethlehem. Guydo, de bisschop van Utrecht bekrachtigde de schenking<br />

van Bernardus op 13 januari 1311 5 . In dezelfde oorkonde bevestigde hij de plaats<br />

met de personen en goederen in zijn bescherming. Verder bepaalde hij dat de prior<br />

en de broeders, en ook broeders en zusters van hun orde, of andere mensen die dat<br />

wilden, in die plaats begraven mochten worden, behoudens de rechten van de moederkerk<br />

aan wie het kanonieke deel van de begrafenisgelden toekwam. Tenslotte<br />

bevestigde hij nogmaals dat de plaats eeuwig onder de kerk van Bethlehem bij Doetinchem<br />

zou staan.<br />

Kort daarop nam paus Clemens V, op verzoek van de prior en het convent te<br />

Zwolle, de personen, plaats en goederen van het convent in bescherming 6 . In een<br />

andere bul bevestigde hij, eveneens op verzoek van prior en convent, de schenking<br />

van Bernardus van Vollenhove 7 . Het volgende jaar, dus in 1312 verleende de paus<br />

op hun smeekbede, aan de prior en het convent het voorrecht dat de roerende en<br />

onroerende goederen van geprofeste kanunniken niet buiten het klooster mochten<br />

Het initiatief tot de stichting van een klooster in Zwolle ging - althans volgens<br />

Gerardus Coccius, een zestiende eeuwse bewoner van het Zwolse Belhem en tevens<br />

kroniekschrijver - uit van Bernardus van van Vollenhove en de proost van het Bethlehemklooster<br />

bij Doetinchem. Coccius verhaalt hoe beide heren spraken over<br />

bepaalde problemen. (Van welke aard deze problemen waren is niet bekend omdat<br />

een gedeelte van de kroniek ontbreekt.) Volgens de proost waren er twee dingen<br />

nodig om de zaak tot een gelukkig einde te brengen, namelijk geestelijken die God<br />

zouden dienen en de middelen om die geestelijken te onderhouden. Bernardus antwoordde<br />

daarop dat het de taak van de proost was om Zwolle van deugdelijke broeders<br />

te voorzien en dat hijzelf zou zorgen voor voldoende middelen. Daarna<br />

beloofde hij direct zijn huis en al zijn goederen aan de proost en convent van Bethlehem<br />

te zullen schenken. Tegelijk beloofde hij zelf in het klooster te zullen treden 9 .<br />

Voor zover bekend, was het stadsbestuur van Zwolle dus niet bij de stichting<br />

betrokken.<br />

Het vervolg van Coccius' verhaal is niet helemaal in overeenstemming te brengen<br />

met de bronnen. Eerst vermeldt hn dat de deken ( = Bernardus) het klooster en de<br />

kerk aan de proost en het convent bij Doetinchem onderwierp en dat de prior werd<br />

bevestigd. Vervolgens schrijft hij dat Bernardus op aandrang van de proost, toe-


UCnüho "toon i.ic^, pfitt if?t> f«&


stemming vraagt en krijgt van de bisschop, de aartsdiaken, de proost en het kapittel<br />

van Deventer en dat Bernardus een bode naar Rome zendt. Deze bode kwam echter<br />

pas na de dood van Bernardus terug met de verlangde privileges 10 . De lichamelijke<br />

krachten van Bernardus waren intussen afgenomen en nadat proost Fredericus uit<br />

Doetincherri was geroepen, ontving Bernardus van hem zijn kloostergewaad. Ook<br />

legde Bernardus de kloostergeloften af, waarmee hij zijn tevoren gedane beloften<br />

vervulde 11 . Na de dood van Bernardus zond de proost vier broeders naar Zwolle.<br />

Dit verhaal van Coccius is dus niet helemaal volledig. Eerst kreeg Bernardus<br />

immers toestemming van de bisschop om een kapel en een college van kanunniken<br />

te stichten. Deze toestemming werd bevestigd door het kapittel en door de proost<br />

en aartsdiaken van Deventer. De kapel bestond al tijdens het leven van Bernardus,<br />

terwijl het college van kanunniken pas goed van de grond kon komen door de stichting<br />

die Bernardus kort voor zijn dood deed; Bernardus stierf voordat hij de vier<br />

broeders uit Doetinchem had kunnen verwelkomen.<br />

3. Bernardus van Vollenhove: de stichter van Belhem<br />

Het Bethlehemklooster is dus gesticht door Bernardus van Vollenhove. Deze Bernardus<br />

was volgens van Hattum afkomstig uit een aanzienlijk geslacht van de stad<br />

Zwolle 12 . De naam 'van Vollenhove' levert echter problemen op: hij komt,<br />

behalve bij Bernardus, niet voor in het Zwolse gemeentearchief. Nader onderzoek<br />

leert echter dat Bernardus stamde uit de riddermatige familie Rading (Radinc,<br />

Reding) van Vollenhove 13 . De oudst bekende stamvader van dit geslacht was ridder<br />

Raedinck van Vollenhove, die in 1212 in zijn eigen huis te Zwolle overleed. Van<br />

hem wordt gezegd: 'hij was een seer ryck ende aensienlick man: hy hat op syn schilt<br />

een solveren starre op lazuur. Syn broeder Florens tooch ter xvaert in 't jaer 1188<br />

met aght gewapende cneghte. Hy wert ghedoot in 't stormen van acron in<br />

palestyne sonder oir na te laten in 't jaar 1191' 14 . Zijn twee zonen Walther en Pelgrom<br />

woonden eveneens in Zwolle. Walther trad in 1230 onder de naam Wolterus<br />

Reding ridder, op als getuige toen bisschop Willebrand stadsrechten verleende aan<br />

Zwolle. Ook Walthers zoon Herman verbleef in Zwolle. Met de zonen van Herman,<br />

Bernardus en Hermannus zijn we weer terecht gekomen bij de stichter van<br />

het Bethlehemklooster en diens broer.<br />

Beide broers hadden, zoals gebruikelijk, een verschillende carriëre gevolgd: Bernardus<br />

was opgeklommen tot deken van het Lebuinuskapittel te Deventer, terwijl<br />

Hermannus slotvoogd te Vollenhove was. De bisschop van Utrecht had hem de<br />

bewaking van het kasteel opgedragen en 'als de Fries 't slot beleghert hebbe in 't jaer<br />

1306 heeft hij lanck en dapperlyck voor bisschop Guy daertoe als syn lant en goet<br />

verpant en verkoft.' Als dank sloeg de bisschop Hermannus tot ridder en hij<br />

beloofde hem zijn schulden te betalen. Bisschop Guydo kwam deze belofte echter<br />

niet na en Hermannus stierf daardoor als een arm man 15 . Mogelijk zijn de goederen<br />

te Middelwijk die in de stichtingsoorkonde genoemd worden, door Hermannus<br />

verkocht naar aanleiding van deze belegering. Bernardus bezat overigens ook het<br />

allodiale goed 'de Hof van Vollenhove' te Zwolle, waar zijn (voor)ouders gewoond<br />

hadden. Hier stichtte hij het Bethlehemklooster 16 .<br />

11


Over de verdere levensloop en carrière van Bernardus is weinig bekend. Hij werd<br />

deken van het Lebuinuskapittel te Deventer na het overlijden van Stephanus de<br />

Baek in 1304 17 , en hij stierf op 17 mei 1309 vlak nadat hij op zijn ziekbed door de<br />

proost van Doetinchem was ingekleed. Hij werd met de hoogste eer begraven in de<br />

kapel op de plaats van het hoogaltaar 18 . Voor zijn dood deed Bernardus nog afstand<br />

van zijn dekanaat. Mogelijk zoals van Hattum meldt in 1306 of 1307 om daarna op<br />

de Hof van Vollenhove te gaan wonen 19 , maar waarschijnlijk later, nadat hij de<br />

kapel in Zwolle gesticht had. In de verschillende oorkonden immers waarin Bernardus<br />

toestemming verkrijgt van de bisschop, van het kapittel en van de proost en<br />

aarstdiaken van Deventer om een kapel te stichten, wordt hij telkens deken van<br />

Deventer genoemd. Het laatst komt deze benaming voor in de oorkonde van 12<br />

september 1308. In de schenkingsoorkonde van 8 mei 1309, waarin Bernardus zijn<br />

goederen aan de proost en het klooster bij Doetinchem toevertrouwt, wordt hij<br />

daarentegen kanunnik van de kerk van Deventer genoemd. Hij moet dus tussen 12<br />

september 1308 en 8 mei 1309 officieel afstand hebben gedaan van zijn dekanaat.<br />

Hoelang Bernardus aan het kapittel verbonden is geweest, is niet bekend. Aangezien<br />

de deken door het kapittel uit de kanunniken werd gekozen, moet hij enige tijd<br />

kanunnik zijn geweest. Zijn aanstelling is echter niet terug te vinden.<br />

fiimt «rpuljhi niJV pcrttwtmlc tdutü «rt*<br />

,«* «tmritntigm oWatul tnroT w*ula<br />

3. Namen van Windesheimer broeders met datum van inkleding, MS 70, H 74,fol. 23 v -24 r ,<br />

Koninklijke Bibliotheek Den Haag.<br />

4. Het klooster Bielheim bij Doetinchem<br />

Het klooster Bielheim bij Doetinchem behoort tot de oudste kloosters van de<br />

noordelijke Nederlanden 20 . Het eerste bericht hierover dateert van 1162. Toen<br />

nodigde de kluizenaar Gijselbrecht, die nabij Varsseveld zijn kluis had, samen met<br />

12


een zekere Bartold van Zanten 'magister Franco' uit om naar die streken te komen.<br />

Spoedig nadat Franco was aangekomen verzocht Henric van Nassau, graaf van<br />

Gelre en Zutphen, hem om binnen zijn grondgebied te blijven. Om deze woorden<br />

kracht bij te zetten, wendde de graaf zijn invloed aan om Franco land te verstrekken.<br />

Door zijn bemiddeling stelden de markegenoten een stuk land ter beschikking.<br />

Nadat ook de pastoor van Doetinchem toestemming had gegeven begon men<br />

met de bouw van een houten kapel. De stichting van deze kapel, die zou uitgroeien<br />

tot een rijk en bekend klooster, wordt omstreeks het jaar 1180 gesteld.<br />

Al snel kwamen er mensen rond de kapel wonen. Waarschijnlijk waren hieronder<br />

enkelen die voordien als kluizenaar geleefd hadden. Anderen begunstigden de<br />

kapel door schenkingen, zowel van roerende- als van onroerende goederen. Toen<br />

de houten kapel korte tijd later door brand verwoest werd, kon hij snel door een<br />

stenen kapel vervangen worden. In 1200 werd de nieuwe kapel gewijd; waarschijnlijk<br />

kreeg hij toen de naam Bethlehem.<br />

Ter gelegenheid van de wijding verleende Albertus, bisschop van Lijfland het<br />

klooster immuniteit en bevestigde hij het in zijn bezittingen 21 . Er blijkt dan dat het<br />

klooster al aanzienlijke bezittingen had in de wijde omgeving. In de navolgende<br />

jaren breidden de bezittingen zich gestaag uit, onder andere door bemiddeling van<br />

Richardis van Nassau, de schoondochter van graaf Henric en van haar zoon graaf<br />

Gerhard. Zo had het klooster landerijen, tienden en aandelen in bossen en landerijen<br />

in bezit; daarnaast bezat het verschillende kerken en het patronaat van andere<br />

kerken in de omgeving.<br />

Zoals wel vaker voorkwam met groepen geestelijken die waren voortgekomen uit<br />

de kluizenaarstraditie, namen de bewoners van Bielheim na enige tijd de regel van<br />

Augustinus aan; vanaf 1231 worden ze reguliere kanunniken van Augustinus<br />

genoemd. Omdat de Augustijner orde geen generaal kapittel in het bisdom Utrecht<br />

had, keurde bisschop Willebrand in 1233 goed dat het klooster zich onder de visitatie<br />

van het Cisterciënserklooster Camp stelde. Blijkbaar beviel deze regeling niet,<br />

want de kanunniken maakten gebruik van het zwakke bewind van bisschop Jan<br />

van Nassau door zich aan te sluiten bij de Duitse orde. De bisschop zelf had hen<br />

daartoe toestemming gegeven, maar hij had verzuimd te onderzoeken of het<br />

klooster al tot een bepaalde orde behoorde. Pas na ongeveer zes jaar (in 1280)<br />

bemerkte hij zijn vergissing. Hij gaf toen de dekens van Emmerik en Zutphen<br />

opdracht naar Bielheim te gaan om de oude toestand te herstellen. Dit bezoek bleef<br />

echter zonder resultaat. Pas in juli 1282, na het uitspreken van de excommunicatie<br />

over de ongehoorzame kanunniken en de bepaling dat alleen gehoorzame kanunniken<br />

mochten delen in de kloosterinkomsten, keerden de kloosterlingen terug tot<br />

hun oude orde.<br />

Hoe weinig het gezag van de bisschop telde, zowel voor het klooster als voor de<br />

graaf van Gelre en voor de stad Doetinchem, blijkt wel uit het volgende. Al vanaf<br />

1280 probeerde de bisschop Bielheim weer aan zich te onderwerpen. Vanaf hetzelfde<br />

jaar echter, maakte graaf Reinald van Gelre aanspraak op het hertogdom<br />

Limburg. De oorlog die daardoor ontstond had directe gevolgen voor Bielheim<br />

omdat de stad Doetinchem steun nodig had. In februari 1282 hernieuwde de stad<br />

13


daarom het burgerrecht van Bielheim. Ook werd het klooster vrijgesteld van<br />

enkele verplichtingen. Bielheim zou op zijn beurt de stad versterken door een<br />

poort te bouwen en, wanneer dat nodig was, de stad helpen met voertuigen. Ook<br />

graaf Reinald wilde zich verzekeren van de steun van het klooster en daarom ontsloeg<br />

hij het van alle rechten en gewoonten die het tijdens zijn vader had gehad.<br />

Kortom, zowel Doetinchem als graaf Reinald steunden Bielheim, hoewel ze wisten<br />

dat ze daarmee ingingen tegen de pogingen van de bisschop Bielheim weer in het<br />

gareel te laten lopen.<br />

De reden dat de kloosterlingen zich wilden aansluiten bij de Duitse orde heeft ongetwijfeld<br />

te maken met de grotere vrijheden van die orde. Zij was onstaan als een<br />

soort broederschap voor de verzorging van zieken en pelgrims in Jeruzalem aan het<br />

einde van de twaalfde eeuw. Langzamerhand veranderde zij echter in een militaire<br />

ridderorde. De leden waren leken-monniken, dat wil zeggen dat zij geen geestelijken<br />

waren maar wel de geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid aflegden.<br />

Zij waren niet onderworpen aan het gezag van de bisschop en volgden minder<br />

strenge regels dan de reguliere kanunniken.<br />

Met de terugkeer van Bielheim tot de orde van de reguliere kanunniken was nog<br />

lang geen einde gekomen aan de onrust in en rond het klooster. Ook in de periode<br />

dat het Zwolse Belhem onderworpen was aan zijn gezag, was er verschillende<br />

malen sprake van onrust en onenigheid. Zo blijkt uit een oorkonde van 1332 dat<br />

enige tijd daarvoor zowel de proost als de prior uit het klooster waren verdreven.<br />

De reden hiervoor is niet bekend. Waarschijnlijk heeft het iets te maken met het<br />

optreden van een van de kanunniken, Gijsbrecht, bij de begrafenis van heer Henric<br />

van Wisch. In dezelfde oorkonde staat immers dat deze Gijsbrecht daar niet bij<br />

wilde helpen 22 . Dezelfde Gijsbrecht werd later aangesteld als proost van Bielheim.<br />

Tijdens zijn bewind ontstonden nieuwe moeilijkheden, ditmaal over het beheer en<br />

de verdeling van de kloostergoederen. Voor de oplossing van de problemen werd<br />

hulp van buiten ingeroepen. Er kwam een commissie bestaande uit aanzienlijke<br />

wereldlijke en geestelijke heren en twee kanunniken van Bielheim. Na ongeveer<br />

vijfjaar onderzoek, deden de heren in 1337 uitspraak. Zij bepaalden onder andere<br />

dat de brieven en privileges van Bielheim in een kist bewaard moesten worden. De<br />

proost, de prior en de koster kregen elk een sleutel. Verder moest de proost aan elke<br />

heer 'van der kamere' (mogelijk degenen die buiten het convent woonden) jaarlijks<br />

zes pond betalen en aan ieder die binnen het convent woonde twee pond.<br />

Voor bisschop Jan van Arkel voldeed deze uitspraak echter niet. In 1344 gaf hij<br />

Bielheim nieuwe voorschriften hoewel dit klooster al onder de regel van Augustinus<br />

viel. Hij deed dat opdat het klooster 'in de goddelijke cultus van gehoorzaamheid<br />

zou bloeien, door de glans van eerbaarheid zou schitteren, door de grondbeginselen<br />

van regels zou uitblinken en niet zou verminderen in zijn vooruitgang<br />

door het vermogen aan aardse goederen' 23 . Met deze nieuwe voorschriften wilde<br />

de bisschop de bestaande regels niet afschaffen, maar juist bevestigen. Hij benadrukte<br />

dat de kanunniken gehoorzaam moesten zijn aan de proost en de prior. De<br />

proost moest een pitanciemeester aanstellen en deze moest het geld van het lezen<br />

van de zielemissen verdelen onder de geestelijken die de dienst hadden verricht.<br />

14


Niemand mocht buiten het ommuurde kloosterterrein komen, tenzij de proost of<br />

prior daarvoor toestemming had gegeven. Alle broeders behoorden op tijd in het<br />

koor aanwezig te zijn voor de kerkdiensten. Zij moesten in de kerk en in de<br />

kloostergangen stilte in acht nemen. Cantoren en lectoren zouden volgens oude<br />

gewoonte op een bord bekend gemaakt worden. Degenen die zo vermeld waren<br />

moesten hun diensten uitvoeren. Tevens werden er bepalingen opgesteld over het<br />

drinken van wijn en werd het spelen met dobbelstenen om geld verboden.<br />

Uit het feit dat de bisschop deze statuten gaf zonder dat Bielheim daarom gevraagd<br />

had, kan geconcludeerd worden dat de broeders de bestaande regels nogal eens<br />

overtreden zullen hebben. De nieuwe statuten zijn eigenlijk ook helemaal geen verandering;<br />

de bisschop benadrukt alleen dat de statuten gehandhaafd moeten worden.<br />

Daarbij komt dat ook in de voorschriften van de bisschop enkele bepalingen<br />

voorkomen die strijdig zijn met de gelofte van persoonlijke armoede.<br />

Ook later nog bleven de pitancien de aandacht van de kloosterlingen vragen. In<br />

1368 bepaalden ze dat de pitancien in het vervolg niet meer in natura uitbetaald<br />

zouden worden, maar in geld. Degenen die niet bij de vigiliën en zielemissen aanwezig<br />

waren geweest, verbeurden daarmee hun recht op dit presentiegeld.<br />

Enige tijd later bleek er weer grote onenigheid te bestaan. In een brief van 1396<br />

schrijft bisschop Frederik van Blankenheim dat het de plicht van kloosterlingen is<br />

om als broeders samen te leven en dat het klooster een hel, en de bewoners duivelen<br />

waren indien er de geest van liefde ontbrak. De oorzaak van deze twist is niet geheel<br />

zeker, maar omdat de bisschop in zijn brief voorschriften geeft over de kleding, is<br />

het logisch daarin de aanleiding van de onenigheid te zoeken. Waarschijnlijk wilde<br />

een deel van de kloosterlingen zich niet houden aan de voorgeschreven eenvoudige<br />

kloosterdracht. De bisschop verbood namelijk uitdrukkelijk het dragen van een<br />

tabbaard. Die kleding hoorde volgens hem bij de krijgslieden. Hij schreef de<br />

kloosterlingen een wit linnen opperkleed voor met daarover een pij van zwart<br />

laken.<br />

Aan de onenigheden binnen het klooster was hiermee nog steeds geen einde gekomen.<br />

In 1402 verklaarden zes broedes dat zij zich alleen aan de statuten die door bisschop<br />

Jan van Arkel (in 1344) waren gegeven, wilden houden. Ook beschuldigden<br />

zij de proost ervan dat hij hen onrecht had aangedaan. Weer moest bisschop Frederik<br />

van Blankenheim ingrijpen. Hij stelde twee geestelijken uit Deventer aan om de<br />

toestand in Bielheim te onderzoeken. Daarna, in november 1402 verklaarde hij dat<br />

de kloosterlingen niets als hun persoonlijk eigendom konden beschouwen. Verder<br />

bepaalde hij dat jaarlijks twee kloosterlingen aangesteld moesten worden voor het<br />

beheer van de pitancien en enkele andere inkomsten. Ook schreef hij voor hoeveel<br />

aan de armen gegeven moest worden en hoeveel aan wijn uitgegeven mocht worden.<br />

Uit de opsomming van alle grote conflicten binnen het klooster Bielheim blijkt dat<br />

de theorie van het kloosterleven regelmatig in strijd was met de praktijk in Bielheim.<br />

Zes maal in 120 jaar (in 1282,1332, 1344,1368, 1396 en 1402) waren er grote<br />

problemen waarbij de discipline een rol speelde. Bielheim was dus zeer zeker geen<br />

voorbeeldig klooster. Integendeel. Het kan beschouwd worden als een van die<br />

15


Chunoiru Kegu/wr t/e /a Conyreaaiionde Vuu/esetn enJF/aru/re' • "T<br />

4. Kannunik van Windesheim, uit: P. C. du Molinet, Figures des differents habits des chanoines<br />

reguliers, etc. (Paris, 1666) 77.<br />

16


Chevct/i&r de /'ordre Teutoriigu&<br />

5. Ridder van de Duitse orde, uit: Helyot, dl. III, 142.<br />

17


kloosters waardoor het kloosterleven in de veertiende eeuw bij sommigen een<br />

slechte naam had 24 . Toch moest het Zwolse klooster Belhem zich onderwerpen<br />

aan het toezicht van Bielheim. Waartoe dat aanleiding gaf wordt in de volgende<br />

paragrafen beschreven. Daarbij moet bedacht worden dat in Belhem nooit het<br />

soort problemen heeft gespeeld als de bovenbeschreven in Bielheim.<br />

5. Belhem versus Bielheim: benoeming van prior en proost<br />

Bernardus van Vollenhove had de banden tussen de beide Bethlehem-kloosters<br />

tamelijk strak aangehaald. Al snel begon het Zwolse klooster dat als knellend te<br />

ervaren. In 1323 bleek er namelijk onenigheid te bestaan tussen de beide kloosters.<br />

De elect-bisschop Johannes van Diest moest uitspraak doen. Hij bepaalde dat de<br />

proost van Doetinchem een prior in Zwolle kon aanstellen en afzetten, behoudens<br />

toestemming van het convent te Zwolle en bevestiging door de bisschop. Ook had<br />

de proost het recht van visitatie, onderzoek en correctie. Daarentegen konden de<br />

prior en het convent beslissen over het opnemen van nieuwe kanunniken 25 .<br />

De proost en het convent van Doetinchem waren het met deze uitspraak niet eens.<br />

Zij gingen daarom in beroep bij de paus. Deze Qohannes XXII) gelastte de abt van<br />

St. Jacobus te Luik, de aartsdeken van Vienne en de thesaurier van het kapittel ten<br />

Dom te Luik uitspraak te doen in het geschil 26 . Hun uitspraak liet bijna twee en<br />

een half jaar op zich wachten. In april 1326 vernietigde de abt de uitspraak van de<br />

elect-bisschop. Nu blijkt ook duidelijk waar het conflict om ging. De abt bepaalde<br />

namelijk op basis van een verklaring van de stichtingsbrief door Gerardus Mol,<br />

procurator van de prior en de broeders te Zwolle, dat de proost en het convent bij<br />

Doetinchem niet alleen de macht hadden een prior te benoemen en af te zetten,<br />

maar ook om broeders en kanunniken in dat huis uit te zoeken en te benoemen. Hij<br />

verklaarde daarom de benoeming van Henricus de Arden tot prior en het aannemen<br />

van de priester Gerardus de Enghemunde als broeder en kanunnik ongeldig,<br />

omdat proost en convent bij Doetinchem niet geraadpleegd waren 27 .<br />

De onenigheden hadden dus betrekking op het eigenmachtig optreden van het<br />

Zwolse klooster inzake de benoeming van hun prior en het accepteren van een<br />

broeder. Zij waren daarbij voorbij gegaan aan de bepaling in de stichtingsoorkonde<br />

dat de prior van Zwolle met toestemming van hetzelfde convent, door de proost<br />

van de kerk van Bethlehem benoemd zou worden 28 . Nu was de eertse prior, Henricus<br />

Stochem al in 1320 overleden 29 . Het conflict moet dan kort daarop zijn ontstaan<br />

en pas zes jaar later zijn opgelost. Henricus de Arden moest zijn prioraat opgeven.<br />

Hij werd opgevolgd door Gerardus Engerinck en na diens dood door Johannes<br />

de Rore. Toen deze in 1330 stierf werd hij opgevolgd door: Henricus de Arden!<br />

Blijkbaar kon hij deze keer wel genade vinden in de ogen van de proost van Bielheim.<br />

Wat er met Gerardus de Enghermunde is gebeurd, is onbekend. In elk geval<br />

komt hij niet voor in het necrologium van Belhem.<br />

Nadat duidelijkheid was geschapen rond de benoeming van prioren en kanunniken<br />

in Zwolle, moesten de bevoegdheden rond de benoeming van een proost nog vastgelegd<br />

worden. Volgens een brief uit 1332 was de gewoonte ontstaan dat de Zwolse<br />

broeders opgeroepen werden door een Generaal Kapittel, wanneer een nieuwe<br />

18


proost gekozen moest worden 30 . Bi) de verkiezing van Johannes Colve tot proost<br />

in 1366 was dat echter niet gebeurd. De Zwolse broeders weigerden daarom hem<br />

gehoorzaamheid te beloven, toen hij na zijn benoeming een bezoek aan Zwolle<br />

bracht. De partijen konden het onderling niet eens worden. Zij besloten daarom<br />

iemand naar Utrecht te sturen om rechtskundig advies te krijgen. Petrus de Lewenborch,<br />

deken van St. Marie te Utrecht bepaalde daarop in 1367 dat het Zwolse<br />

klooster opgeroepen moest worden voor de verkiezing van een proost. Daarna<br />

moesten zij die proost gehoorzamen. Deze regeling werd door beide partijen<br />

gehandhaafd tot 1391 31 .<br />

6. Belhem versus Bielheim: de weg naar Windesheim<br />

In 1391 werd Johannes de Wael tot prior van het Zwolse Bethlehemklooster<br />

benoemd. Hij bleef tot aan zijn dood in 1433 aan het hoofd van dit klooster staan.<br />

Tijdens zijn lange prioraat vond de laatste botsing met het moederklooster bij Doetinchem<br />

plaats. Uiteindelijk sloot Belhem zich in 1430 bij de congregatie van Windesheim<br />

aan, terwijl Bielheim daar niet toe overging.<br />

De wens zich aan te sluiten bij de congregatie van Windesheim bestond al ver voor<br />

1430. Waarschijnlijk speelde Johannes de Wael daarbij een belangrijke rol. In 1387,<br />

toen hij nog pastor van de kerk van Zwolle was, was hij aanwezig bij de eerste steenlegging<br />

van het klooster te Windesheim 32 . Daarna moet hij in contact zijn blijven<br />

staan met dat klooster. Immers, toen paus Bonifatius IX in 1396 de vereniging van<br />

de eerste vier kloosters van het kapittel van Windesheim goedkeurde, gaf hij tegelijkertijd<br />

toestemming aan het Zwolse Belhem om zich bij deze kloosters aan te sluiten.<br />

De prior en het convent van Zwolle hadden hem dat gevraagd, omdat het Doetinchemse<br />

moederklooster zich al gedurende vele jaren niet aan de regels hield. De<br />

broeders leefden daar heel anders dan de Zwolse broeders. Het had daardoor ook de<br />

kloosterdiscipline in het Zwolse convent in gevaar gebracht. Prior en convent hadden<br />

erop gewezen dat in Zwolle de regels en de observantie hersteld waren 33 . Zij<br />

wilden zich daarom niet langer onderwerpen aan de visitatie en correctie van hun<br />

moederklooster. In plaats daarvan wilden zij zich graag onderwerpen aan dezelfde<br />

regels als de kloosters van Windesheim, Eemstein, Mariënborn bij Arnhem en<br />

Nieuwlicht bij Hoorn 34 .<br />

De proost van Doetinchem was het geenszins met deze nieuwe koers van Belhem<br />

eens. Hij riep de hulp in van de hertog van Gelre, Willem I. Evenals zijn voorgangers<br />

had deze het klooster altijd begunstigd. De hertog diende een verzoek in bij de<br />

paus en de paus herriep daarop in 1397 zijn bul van het voorgaande jaar, althans<br />

voor zover deze betrekking had op het Zwolse klooster Belhem. Hij deed dat<br />

omdat de bul strijdig was met de bepaling dat het Zwolse klooster onderworpen<br />

was aan het klooster bij Doetinchem 35 .<br />

Het lijkt erop dat de hertog hoog van de toren heeft geblazen want tegelijk droeg de<br />

paus aan de proost van St. Maarten te Emmerik in het bisdom Utrecht en aan de<br />

dekens van B. Marie ad Gradus in Keulen en St. Maarten in Munster op, als executeurs<br />

van de bovengenoemde bul op te treden en het interdict op het Zwolse<br />

klooster te leggen 36 . Op 31 juli legde Johannes Wylde, de proost van St. Maarten te<br />

19


Emmerik, inderdaad het Zwolse klooster het interdict op 37 . Vier dagen later, dus<br />

op 4 augustus 1397, was er een bijeenkomst van de prior en tien kanunniken samen<br />

met een notaris en getuigen in de kapittelzaal te Zwolle. Johannes Wylde<br />

bevestigde dat een interdict was opgelegd en dat het herroepen zou worden indien<br />

het klooster zich weer onder het gezag van Bielheim zou stellen. De prior en alle<br />

kanunniken, behalve Theodoricus de Zilvolden, wilde zich hierover beraden.<br />

Theodoricus verklaarde als enige zich aan de voorgelezen akte te willen houden. De<br />

overigen verlangden een kopie van de akte 38 . Het overleg tussen prior en kanunniken<br />

resulteerde in een beroep bij de paus. Conradus de Slyngland ging als syndicus<br />

en procureur van prior en convent in beroep tegen de notariële akte van 4<br />

augustus 39 . Of Conradus de Slyngland ooit bij de paus is aangekomen, is niet<br />

bekend. Noch van hem, noch van de paus kwam enige inmenging in deze zaak.<br />

Zeker is alleen dat dit beroep op de paus de zaak vertraagde. De proost van Doetinchem<br />

vroeg namelijk aan Johannes Wylde de bepalingen van de paus ten uitvoer te<br />

brengen, maar hij kreeg nul op rekest. Johannes Wylde wilde op nadere lastgeving<br />

van de paus wachten, hoewel bisschop Frederik van Utrecht en hertog Willem I<br />

van Gelre op spoed hadden aangedrongen 40 . Een andere door de paus aangestelde<br />

executeur, Sweder, deken van St. Maarten te Munster, vond het niet nodig een<br />

nadere uitspraak van de paus af te wachten. Op verzoek van Albertus de Righa, procureur<br />

van Bielheim, droeg hij de prior en negen kanunniken (dezelfden als boven,<br />

behalve Theodoricus de Zilvolden) op voor hem te verschijnen 41 . De prior en<br />

kanunniken weigerden aan dit verzoek te voldoen en daarom werd het notariële<br />

instrument/officieel aan hen voorgelezen. Daarna verzochten de heren om een<br />

afschriff<<br />

Uiteindelijk moest het Zwolse klooster toch het onderspit delven. De prior ging<br />

met arie broeders voor overleg naar Doetinchem. De overige zes Zwolse broeders<br />

hadden verklaard zich te zullen neerleggen bij datgene wat besloten zou worden.<br />

Op 25 september viel het doek: prior en convent van Zwolle bleven onder toezicht<br />

staan van het klooster bij Doetinchem. De bul van paus Bonifatius IX van 29 mei<br />

139&, waar alles mee begonnen was, werd herroepen. Johannes de Wael overhandigde<br />

deze bul officieel aan proost Theodoricus van Doetinchem 43 .<br />

Prior Johannes de Wael bleef echter niet bij de pakken neerzitten. Via een omweg<br />

van meer dan dertig jaar wist hij uiteindelijk toch zijn doel te bereiken. Ongetwijfeld<br />

had hij regelmatig contact met vertegenwoordigers van de Moderne Devotie in<br />

Zwolle. Zo kleedde hij in 1398 de eerste vier broeders van het Agnietenconvent<br />

in 44 . Dit klooster werd al een jaar later opgenomen in het kapittel van Windesheim.<br />

Ook toen bleef Johannes de Wael er goede contacten mee onderhouden. Zo<br />

was hij bijvoorbeeld in 1412, samen met de prior van Windesheim aanwezig bij de<br />

wijding van de kloosterkerk op de Agnietenberg 45 . Later was hij één van de getuigen<br />

bij een schenking van de Zwolse burger Goswinus Tyacen 46 .<br />

De nauwe banden tussen Johannes en de Moderne Devotie blijken tevens uit het<br />

feit dat Johannes de Wael samen met prior Johannes Vos van Heusden van Windesheim<br />

en rector Henricus de Ahuys van het fraterhuis te Munster naar het concilie<br />

20


van Constanz (1414-1418) reisde. Ze gingen daarheen om de broeders en zusters<br />

van het gemene leven te verdedigen tegen de aanvallen van de dominicaan Mattheus<br />

Grabow. Vooral de redevoering die Johannes de Wael hield, maakte grote indruk<br />

op de aanwezige kardinalen 47 .<br />

Intussen was hij ook actief betrokken bij de hervorming van twee kloosters die zich<br />

later, tegelijk met Belhem zelf, zouden aansluiten bij het kapittel van Windesheim.<br />

Het ging om het Mariaconvent bij Neuss in het bisdom Keulen en het St. Meynulphusklooster<br />

te Böddeken in het bisdom Paderborn. Het klooster bij Neuss was<br />

evenals Belhem een klooster van reguliere kanunniken. Het was ontstaan in 1181.<br />

Aan het eind van de veertiende eeuw verkeerde het echter in een desolate toestand:<br />

er waren nog maar weinig bewoners en de gebouwen waren vervallen 48 . Toen zag<br />

de proost, Petrus, in 1400 in zijn slaap de heilige maagd Maria. Zij beloofde hem te<br />

zullen helpen indien hij zich wilde verbeteren. Kort daarop verscheen Maria aan<br />

Everhardus van Eze, de pastoor van Almelo. Zij droeg hem op de proost van het<br />

klooster bij Neuss te helpen bij de hervorming van dat klooster. Everhardus schreef<br />

daarop een brief aan de proost en vertrok daarna zelf naar Neuss. Met instemming<br />

van de proost overlegde hij met Fredericus van Zarwerden, de aartsbisschop van<br />

Keulen, of hervorming door het klooster van Windesheim mogelijk was. Fredericus<br />

steunde dit voorstel, maar toen Everhardus met de proost in Windesheim was<br />

aangekomen, bleek dat men daar de hervorming niet op zich durfde te nemen. Het<br />

klooster bij Neuss had namelijk grote schulden en omdat het kapittel van Windesheim<br />

nog niet zo lang bestond, durfde men die last niet te aanvaarden. Everhardus<br />

en de proost gingen vervolgens naar het klooster Belhem in Zwolle. Mogelijk<br />

deden ze dat op aanraden van Johannes Vos van Heusden, de prior van Windesheim.<br />

Hij had immers regelmatig contact met Belhem en kon weten dat Belhem<br />

over betere financiële middelen beschikte om Neuss te helpen. Bovendien moet in<br />

Belhem een vergelijkbaar geestelijk klimaat geheerst hebben als in Windesheim,<br />

gezien de bovengenoemde wens tot aansluiting en de bestaande goede contacten.<br />

In elk geval was Johannes de Wael direct bereid te helpen. Nadat de broeders ook<br />

hadden ingestemd met het plan, vertrok een aantal broeders met hun bagage uit<br />

Zwolle naar Neuss om daar de hervorming door te voeren. Een van de veranderingen<br />

die zij invoerden betrof de kleding. De broeders van Neuss kregen een andere<br />

tunica superior (een lang kleed, gedragen over de tunica inferior, een soort<br />

borstrok). Het nieuwe model was wit en had geen plooien; het oude model was<br />

zwart en geplooid. Hun pij kreeg hetzelfde model als in Windesheim gedragen<br />

werd. Alleen de kap (cappa) behield het model van de seculiere kanunniken. Pas na<br />

de aansluiting bij het kapittel van Windesheim, veranderde ook deze 49 . In financieel<br />

opzicht veranderde de situatie eveneens. Spoedig kwam het klooster bij Neuss<br />

weer tot bloei, zodat het zelf ook hervormingen kon doorvoeren in andere<br />

kloosters. Het werd zelfs na enige tijd het hoofdklooster van het kapittel van<br />

Neuss.<br />

Enkele jaren na de hervorming van het Mariaklooster bij Neuss, verzocht Wilhelmus<br />

de Monte, bisschop van Paderborn aan Johannes de Wael om bij de kerk en het<br />

klooster te Böddeken de regels van het klooster te Zwolle in te voeren 50 . Johannes<br />

21


aanvaardde deze opdracht en ging daarbij voortvarend te werk. Omdat er van de<br />

oorspronkelijke bewoonsters, seculiere kanonikessen, nog maar weinig over<br />

waren, en dezen bovendien in een slechte geestelijke- en financiële toestand verkeerden,<br />

verving hij hen door reguliere kanunniken. Daartoe zond hij enkele broeders<br />

uit het Zwolse klooster naar Böddeken, onder anderen de tweelingbroers<br />

Daniel en Johannes Danielis, die na elkaar tot prior werden aangesteld 51 .<br />

In dezelfde periode waren er nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de onderlinge<br />

organisatie op gang gekomen. In 1407 had het klooster bij Neuss zich verbonden<br />

met het Mariaconvent te Gaesdonck bij Goch. In 1412 sloten de kloosters St.<br />

Catharina bij Nijmegen, Belhem te Zwolle en St. Meynulphus te Böddeken zich bij<br />

deze vereniging aan. Hoe de verhouding tussen deze vijf kloosters was, is niet helemaal<br />

duidelijk. Het lijkt erop dat Belhem en Böddeken een enigszins afwijkende<br />

postitie innamen. Immers in 1412 kregen de kloosters van Neuss, Gaesdonck en<br />

Nijmegen toestemming van aartsbisschop Frederik van Keulen om zich te verenigen<br />

onder het gezag van Neuss. Samen met de prior en broeders van reguliere<br />

kanunniken te Zwolle en Böddeken mochten ze jaarlijks een generaal kapittel houden,<br />

waarbij de proost van Neuss de hoogste gezagdrager (superiorprelatus) zou zijn.<br />

Tijdens het generaal kapittel mochten diffinitoren gekozen worden, die samen met<br />

de proost van Neuss de volledige bevoegdheid kregen besluiten te nemen. De overige<br />

prelaten moesten hun besluiten onvoorwaardelijk gehoorzamen. Ook<br />

moesten er visitatoren aangesteld worden die alle kloosters zouden bezoeken.<br />

Zowel de diffinitoren als de visitatoren konden optreden uit naam van de aartsbisschop.<br />

Een jaar later bekrachtigde paus Johannes XXII op verzoek van de proosten<br />

van Neuss, Gaesdonck en Nijmegen deze privileges 52 .<br />

Mogelijk is de uitzonderingspositie van Belhem te verklaren uit zijn ondergeschiktheid<br />

aan Bielheim. In feite wordt door deze akte het gezag van Bielheim ondermijnd.<br />

Oorspronkelijk had Bielheim immers het recht van correctie en visitatie<br />

van het Zwolse klooster; na 1412 moest Belhem de visitatoren en diffinitoren van<br />

het kapittel gehoorzamen.<br />

De kloostervereniging van Neuss kreeg in 1422 een hechtere organisatie. Frederik<br />

van Blankenheim, de bisschop van Utrecht gaf toen aan het generaal kapittel van<br />

reguliere kanunniken bij Neuss en in Zwolle, de volledige macht tot visitatie,<br />

onderzoek, correctie, hervorming en het benoemen van prelaten. Hij deed dat naar<br />

aanleiding van een verzoek van het klooster Bielheim bij Doetinchem en het regulierenklooster<br />

in Utrecht 53 . Dit laatste klooster was evenals Belhem onderworpen<br />

aan het Doetinchemse Bielheim. Kort daarop, op 1 januari 1423 sloten Bielheim en<br />

het klooster te Utrecht zich aan bij het kapittel van Neuss. Zij onderwierpen zich<br />

aan de diffinitoren van dat kapittel op voorwaarde dat niemand van hen op enigerlei<br />

wijze door het kapittel beperkt zou worden 54 . Veel enthousiasme voor de aansluiting<br />

konden de beide conventen dus niet opbrengen. Blijkbaar hechtten zij toch<br />

meer aan hun oude rechten en gewoonten dan aan een kloosterleven zoals het<br />

kapittel van Neuss nastreefde. Een paar maanden later, tijdens een bijeenkomst van<br />

het generaal kapittel van Neuss, maakten de beide kloosters nogmaals hetzelfde<br />

voorbehoud. Vertegenwoordigers van de kloosters van Neuss, Zwolle, Gaes-<br />

22


donck, Nijmegen, Böddeken, Reimerswaal en Aken, sloten zich op 21 april 1423<br />

tot een generaal kapittel aaneen en onderwierpen zich aan een aantal verplichtingen.<br />

Ook Doetinchem en Utrecht sloten zich bij het kapittel aan, mits hun<br />

gewoonten, statuten en rechten niet beperkt zouden worden. Het generaal kapittel<br />

keurde dit voorbehoud goed 55 .<br />

Hiermee waren de problemen echter nog niet voorbij. Al snel begonnen de<br />

kloosters van Doetinchem en Utrecht terug te krabbelen. Nog in hetzelfde jaar<br />

wendden zij zich tot de paus. Zij verzochten hem de bul van bisschop Fredericus<br />

van 9 oktober 1422, waarin hij het kapittel onder andere de volledige macht tot visitatie<br />

had gegeven, te herroepen. In de bul was namelijk de bepaling opgenomen dat<br />

zij ongeldig verklaard kon worden, wanneer de gestelde regels overlast zouden<br />

bezorgen aan de betrokken personen. Paus Martinus V droeg daarop Albertus<br />

Rente, de proost van St. Andreas te Keulen op de zaak te onderzoeken en de bul zo<br />

nodig te herroepen 56 . Een half jaar later verklaarde Albertus Rente inderdaad dat<br />

de betreffende bul geen waarde meer had 57 .<br />

Ondanks dit intermezzo was Bielheim in 1426 weer vertegenwoordigd toen paus<br />

Martinus V de vereniging bekrachtigde van de kloosters van Neuss, Doetinchem,<br />

Aken en Böddeken en hen statuten en voorrechten gaf 58 . Waarschijnlijk is in de<br />

tussenliggende tijd druk onderhandeld over de positie van Bielheim en Belhem. In<br />

de pauselijke bul staat Bielheim namelijk dit keer als tweede vermeld, direct na het<br />

klooster van Neuss. De naam van het Zwolse Belhem komt helemaal niet voor.<br />

Het moest zich dus, evenals de kloosters van Gaesdonck, Nijmegen, Reimerswaal<br />

en Utrecht laten vertegenwoordigen door de andere vier. Dit betekent dat de positie<br />

van Bielheim binnen het kapittel versterkt was ten koste van Belhem, dat voorheen<br />

altijd de tweede plaats had ingenomen.<br />

Ook deze situatie bleef niet lang bestaan. Al snel volgden besprekingen met het<br />

kapittel van Windesheim over de mogelijkheden van een fusie. Volgens Johannes<br />

Busch vonden de besprekingen plaats omdat het kapittel van Neuss zich bij Windesheim<br />

wilde aansluiten, wegens de goede reputatie die dat kapittel had<br />

opgebouwd 59 . Het kapittel van Windesheim was na zijn ontstaan in 1395 sterk in<br />

omvang toegenomen. Het bestond uit een kleine dertig kloosters. Het kapittel van<br />

Neuss was veel minder snel gegroeid. Alleen het klooster te Ewich in Westfalen en<br />

de vrouwenkloosters van Dordrecht, Bonn en Nijmegen waren toegetreden, zodat<br />

het kapittel uit dertien kloosters bestond 60 . Een aantal hiervan had al eerder contact<br />

met Windesheim gehad. Zo had Belhem zich in 1396 bij het kapittel willen aansluiten<br />

evenals het klooster bij Neuss in 1400. Verder had het Mariaconvent te<br />

Gaesdonck toestemming gekregen om zich bij het kapittel van Windesheim aan te<br />

sluiten voordat het zich definitief bij het kapittel van Neuss aansloot.<br />

Toch duurden de besprekingen nog verscheidene jaren. Voor zover bekend, begon<br />

het officiële overleg op de kapittelvergadering van Windesheim in 1427. Toen werd<br />

het kapittel van Neuss opgenomen op voorwaarde dat de proosten hun titel zouden<br />

veranderen in die van prior. Verder moest de bezegelde instemming van de<br />

broeders en zusters overlegd worden, moesten de huizen van Utrecht en Zwolle<br />

losgemaakt woden van Bielheim, moest het kapittel alle privileges die strijdig<br />

23


waren met die van Windesheim opgeven en moest het zich aanpassen aan de satuten<br />

en kleding van Windesheim.<br />

Een regeling van deze problemen werd lange tijd tegengehouden. De proost en<br />

prior van Neuss en Windesheim deden daarom mede namens de aan hen onderworpen<br />

conventen, een beroep op de paus 61 . Zij stelden dat hun kapittels dezelfde<br />

gelofte (professio) kenden, maar verschillende kleding droegen en een andere titel<br />

gebruikten voor hun kapittelhoofd. Desondanks wilden zij zich graag verenigen.<br />

Paus Martinus V stelde naar aanleiding van dit verzoek op 22 oktober 1428 een<br />

commissie in, bestaande uit de proosten van St. Andreas en van B. Maria ad gradus<br />

te Keulen en de proost van St. Maarten te Emmerik. Deze heren kregen de opdracht<br />

de toestand te onderzoeken en een regeling te treffen die vereniging mogelijk<br />

maakte 62 . Twee leden van de commissie, Albertus Rente en Christianus van Erpel<br />

uit Keulen, gingen de onderhandelingen aan met Wilhelmus Vornken, de prior van<br />

Windesheim en met de prioren van Zwolle, Utrecht en Nijmegen. Na lang overleg<br />

besloten zij dat de regeling van 1427 van kracht zou blijven en dat de prior van<br />

Neuss de tweede plaats in het kapittel zou krijgen. Het kapittel van 1429 aanvaardde<br />

deze regeling 63 .<br />

De definitieve aansluiting vond plaats tijdens het kapittel van 1430. Op 4 mei van dat<br />

jaar maakte men een akte op, waarin het kapittel van Windesheim verklaarde het<br />

kapittel van Neuss toe te laten tot zijn vereniging. Voorwaarden waren dat de statuten<br />

en privileges van Windesheim overal zouden gelden, dat niemand privileges<br />

mocht verwerven die strijdig waren met de Windesheimse privileges en dat de verschillende<br />

kloosters zouden instemmen met de overgang en zich ook zouden onderwerpen<br />

aan het generaal kapittel, behalve wat betreft de koorboeken en de ordinaria;<br />

daarvoor zou een regeling getroffen worden. Verder zouden de huizen van Zwolle<br />

en Utrecht los zijn van Bielheim, zou de titel van proost omgezet worden in die van<br />

prior en zou het model van de regenkappen (cappa pluvialis) veranderd worden zoals<br />

afgesproken was 64 . De proost van Neuss veranderde ten overstaan van het algemeen<br />

kapittel en met onmiddellijke ingang zijn titel in die van prior. De proost van Bielheim<br />

bij Doetinchem verklaarde daarentegen dat hij de kleding en zijn titel niet<br />

direct kon veranderen zonder aanzienlijke schade voor zijn convent. Hij zou daarover<br />

nog overleg voeren. Wanneer binnen vijf jaar geen overeenstemming bereikt<br />

was, zouden de andere kloosters geen betrekkingen meer met Bielheim onderhouden.<br />

Tenslotte werd aan de leden van de bovengenoemde pauselijke commissie<br />

gevraagd, of zij de overeenkomst uit naam van de paus wilden bevestigen en of zij de<br />

verdere gang van zaken rond het klooster Bielheim wilden bemiddelen 65 .<br />

Met de bezegeling van dit stuk was voor het Zwolse Belhem het doel bereikt. Het<br />

klooster was niet meer onderworpen aan het toezicht van zijn moederklooster.<br />

Het was definitief aangesloten bij het bloeiende en invloedrijke kapittel van Windesheim<br />

en nam daar een belangrijke plaats in. Bielheim was daarentegen waarschijnlijk<br />

minder gelukkig met de gang van zaken. Het klooster heeft zich, ondanks<br />

verschillende pogingen daartoe, nooit aangesloten bij het kapittel van Windesheim.<br />

Bovendien was het zijn zeggenschap over de kloosters in Zwolle en Utrecht<br />

kwijtgeraakt.<br />

24


6. Foto van de Bethlehemskerk te Zwolle (begin 20e eeuw).<br />

7. Conclusies<br />

Het klooster Belhem in Zwolle is gesticht op initiatief van twee belangrijke geestelijken,<br />

die elkaar uit hoofde van hun functie waarschijnlijk regelmatig ontmoeten.<br />

De ene, Bernardus van Vollenhove, was deken van het Lebuinuskapittel te Deventer<br />

en bezat in Zwolle een geschikte ruimte om een kapel met klooster te bouwen.<br />

De andere, Fredericus, proost van een rijk een belangrijk klooster bij Doetinchem,<br />

was bereid kanunniken naar Zwolle te sturen. Door deze, min of meer toevallige<br />

omstandigheden, werden het Zwolse en Doetinchemse Bethlehemklooster met<br />

elkaar verbonden.<br />

Het feit dat beide kloosters niet op basis van geestelijke- of materiële overeenkomsten<br />

samenwerkten wreekte zich spoedig. Al snel ontstonden er conflicten<br />

over belangrijke zaken zoals de benoeming van de respectievelijke kloosterhoofden.<br />

Onenigheid over de benoeming van een prior en het aannemen van kanunniken<br />

in Zwolle leidde ertoe dat Bielheim een beroep op de paus deed. Het uiteindelijk<br />

resultaat was dat de benoeming van de Zwolse prior ongeldig werd verklaard.<br />

Al met al duurde dit conflict zes jaar en waarschijnlijk waren de onderlinge verhoudingen<br />

in die periode niet optimaal. Bovendien had de affaire tien jaar later nog een<br />

vervolg, toen de afgezette prior Henricus de Arden alsnog tot prior werd benoemd.<br />

Later, in de jaren 1366-1367, werd overeenstemming bereikt over de benoeming<br />

van de proost in Doetinchem. Nadat de Zwolse broeders geweigerd hadden de<br />

nieuwe proost te gehoorzamen, was hulp van derden nodig. De kloosters konden<br />

blijkbaar in onderling overleg geen overeenstemming bereiken. Het laatste en langdurigste<br />

conflict leidde er uiteindelijk toe dat elk van beide kloosters zijn eigen weg<br />

koos.<br />

Eigenlijk zijn al deze conflicten terug te voeren op de verschillende visies van Bel-<br />

25


hem en Bielheim op de kloosterorganisatie en het kloosterleven. Want hoewel de<br />

onenigheden over de benoemingen van prior en proost op het eerste gezicht een<br />

zuivere machtstrijd lijken, hebben ze een diepere achtergrond. Zoals boven vermeld,<br />

was Bielheim onderworpen aan de visitatie van een Cisterciënserklooster.<br />

Dat betekent dat Bielheim onderworpen was aan een autocratische organisatiestructuur.<br />

Het eiste op zijn beurt ook van zijn dochterklooster een absolute<br />

gehoorzaamheid. Belhem wilde dat echter niet accepteren. Het voelde meer voor<br />

een systeem waar overleg en representatie mogelijk waren, zoals dat ook bij andere<br />

nieuwe kloosterorden ingang had gevonden en zoals dat even later ook bij het<br />

kapittel van Windesheim te vinden was.<br />

Bij de problemen rond de overgang van Belhem naar de kapittel van Windesheim<br />

speelde iets dergelijks. Belhem meldde direct (in 1395 of 1396) aan de paus dat het<br />

klooster Bielheim was afgeweken van de oorspronkelijke regels. Lange tijd had<br />

Bielheim daardoor het Zwolse klooster in gevaar gebracht. Nu de Zwolse broeders<br />

weer teruggekeerd waren tot de discipline en de observantie van de kloosterregel<br />

wilden zij ontslagen worden van het toezicht van Bielheim. In plaats daarvan wilde<br />

het klooster zich onderwerpen aan dezelfde regels als de kloosters in Windesheim,<br />

Eemstein, Hoorn en Arnhem. Met andere woorden, het ging Belhem niet om<br />

zelfstandigheid, maar om aansluiting bij de kloostervereniging van de Moderne<br />

Devotie.<br />

De invloed van de Moderne Devotie was in Zwolle aan het eind van de veertiende<br />

eeuw erg groot. In feite stonden toen zelfs alle Zwolse kloosters onder invloed van<br />

die religieuze hernieuwingsbeweging. Belhem zelf noemde zich hervormd en het<br />

Oldeconvent was in 1396 en 1397 van nieuwe regels voorzien door de stadspastoor<br />

Regnerus van Drynen en Hendricus van Gouda, een leerling van Geert Grote en<br />

inwoner van het Zwolse Fraterhuis. De overige kloosters in de stad waren direct al<br />

gesticht door Moderne Devoten. (Pas in 1465 werd het kloostermonopolie van de<br />

Moderne Devoten doorbroken door de bouw van een Dominicanerklooster.)<br />

Daarbij komt dat op strategische posities aanhangers van de Moderne Devotie<br />

zaten: zowel de stadspastoor Regnerus van Drynen als de rector van de stadsschool<br />

Johannes Cele, bevorderden de uitingen van de Moderne Devotie. Onder deze<br />

omstandigheden is het niet verwonderlijk dat Belhem zijn pogingen om los te<br />

raken van Bielheim doorzette. Het moet zijn moederklooster beschouwd hebben<br />

als een vertegenwoordiger van de oude kloostertraditie, die in verval was geraakt en<br />

hervormd moest worden.<br />

Noten<br />

1. Rijks Archief Gelderland (RAG), Archief Bethlehem (AB) 133. De meeste hier<br />

genoemde stukken zijn gepubliceerd door G.J. ter Kuile, ed. Oorkondenboek van <strong>Overijssel</strong>^<br />

dln; Zwolle, 1963-1968) voor de periode tot 1350 en door F.C. Berkenvelder, ed.<br />

Zwolse regesten (3 dln; Zwolle, 1980-1986) voor de periode 1350-1450. inMonasticon Windeshemense,<br />

hrsg. von W. Kohl. E. Persoons und A.G. Weiier, Teil 3; Niederlande, bearbeitet<br />

von A.G. Weiier und N. Geirnaert (Brussel, 1980) is een overzicht van de literatuur<br />

en het bronnenmateriaal betreffende het Zwolse Bethlehem opgenomen.<br />

26


2. idem, 136 en 137.<br />

3. idem, cartularium fol. 18.<br />

4. idem, 139. Het hoofd van het klooster bij Doetinchem had de titel van proost. Het hoofd<br />

van het Zwolse klooster was een prior; dit is een lagere rang dan die van proost.<br />

5. idem, 141.<br />

6. Gemeente Archief Zwolle, Cartularium Bethlehem fol. 3.<br />

7. idem, fol. 2v.<br />

8. idem, fol. 3v.<br />

9. Gerardus Coccius, kroniek. Uitgegeven door de Vereeniging tot beoefening van <strong>Overijssel</strong>sen<br />

Regt en Geschiedenis Deventer, 1860) 23.<br />

10. idem, 28.<br />

11. idem, 31.<br />

12. B.J. van Hattum, Geschiedenissen van de stad Zwolle (5 dln; fotografische herdruk;<br />

Zwolle, 1975) V, 161.<br />

13. M.W.R. van Vollenhoven, Het geslacht Van Vollenhoven (si, 1917) 16.<br />

14. F.A. Ebbinge Wubben, 'Het aloude <strong>Overijssel</strong>sche geslacht van Vollenhoven', in: <strong>Overijssel</strong>sche<br />

Almanak, (1843) 80.<br />

15. idem, 82.<br />

16. Gerardus Coccius, 33.<br />

17. G. Dumbar, Het kerkelyk en wereltlyk Deventer (2 dln; Deventer 1732) I, 336.<br />

18. Gerardus Coccius, 29.<br />

19. Van Hattum, V, 161.<br />

20. Deze paragraaf is voornamelijk gebaseerd op LA. Nijhoff, 'Het klooster Bethlehem of<br />

Bielheim bij Doetinchem', in: Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde,<br />

IX (1854) 1-53 en W.L. Bouwmeester, Het klooster Bethlehem bij Doetinchem (Doetinchem,<br />

1903).<br />

21. Bouwmeester, 19.<br />

22. idem, 86-87.<br />

23. idem, 100.<br />

24. Met name Geert Grote ageerde tegen allerlei misbruiken in kloosters en bij seculiere<br />

geestelijken.<br />

25. RAG, AB 154.<br />

26. idem, 149.<br />

27. RAG, AB 154. Ter Kuile en het Monasticon Windeshemense noemen de namen Henricus<br />

de Lare en Gerardus de Anghermunde (Ter Kuile, III, 800; Monasticon Windeshemense,<br />

III, 542). Coccius noemt Henricus de Arden en Gerardus de Engherinck (Gerardus<br />

Coccius, bijlage C).<br />

28. RAG, AB 139.<br />

29. W. van Spilbeeck, 'Necrologium van het klooster Bethlehem te Zwolle', in: Verslagen en<br />

Mededeelingen van de Vereeniging tot beoefening van <strong>Overijssel</strong>sch Regt en Geschiedenis,<br />

XIV (1885) 4.<br />

30. Gerardus Coccius, 17.<br />

31. idem, 17-18.<br />

32. Monasticon Windeshemense, III, 544.<br />

33. Over deze kloosterhervorming is weinig bekend. Waarschijnlijk is het klooster in 1391<br />

ingericht naar het voorbeeld van Windesheim. Coccius noemt een hervorming die in dat<br />

jaar moet hebben plaatsgevonden en hij zinspeelt op veranderingen in dat jaar (Gerardus<br />

Coccius, 8,12 en 18). Ook in het Magnum Chronicon Belgicum is sprake van een hervor-<br />

27


ming. Deze zou kort voor 1400 hebben plaatsgehad (Magnum Chronicon Belgicum. Ioh.<br />

Pistorius, ed. Rerum Germanicarum veteres scriptores (Frankfort, 1706)).<br />

34. RAG, AB 331.<br />

35. idem, 336.<br />

36. idem, 337.<br />

37. idem, 339.<br />

38. idem, 340.<br />

39. idem, 341.<br />

40. idem, 342.<br />

41. idem, 343.<br />

42. idem, 344.<br />

43. idem, 345 en 346.<br />

44. Des AugustinerpropstesIohannesBusch Chronicon Windeshemense undLiber de reformatione<br />

monasteriorum. K. Grube, ed. (Halle, 1886) 348 en Thomae Hemerken a Kempis.<br />

Opera Omnia. M.J. Pohl, ed. (7 dln; Freiburg, 1921) VII, 357.<br />

45. Thomae Hemerken, 379.<br />

46. idem, 294.<br />

47. Iohannes Busch, 173 en 356.<br />

48. Magnum Chronicon, 347-350.<br />

49. Uit het feit dat de kanunniken van Neuss hetzelfde model pij kregen als in Windesheim,<br />

kan geconcludeerd worden dat de kanunniken in Zwolle ook datzelfde model droegen.<br />

De kleding speelde ook een belangrijke rol bij de vereniging van de kapittels van Neuss en<br />

Windesheim.<br />

50. Thomae Hemerken, 503-504.<br />

51. Iohannes Busch, AW.<br />

52. RAG, AB 391.<br />

53. RAG, AB 4241, 9 oktober 1422. Al eerder, in 1415 en 1417, waren regelingen getroffen<br />

over de organisatie van het kapittel, respectievelijk door Theodoricus, aartsbisschop van<br />

Keulen en door Wilhelmus de Monte, electbisschop van Paderborn. Wat deze regelingen<br />

inhouden is onbekend. De oorkonde van 21 april 1422 noemt ze alleen, zonder op de<br />

inhoud in te gaan (RAG, AB 432).<br />

54. idem, 429.<br />

55. z


ze geregeld, de tweede maal aanvaard en de dere maal vastgesteld.<br />

64. Iohannes Busch, 366.<br />

65. RAG, Portefeuille Sloet, zonder nummer, 4 mei 1430.<br />

29


7. Ned. Hervormde kerk te Windesheim. Fotografie (1977): J.P. de Koning.<br />

30


Opbloei en neergang<br />

van het kapittel van Windesheim<br />

R.Th.M. van Dijk<br />

1. Moderne Devotie - een religieuze vernieuwingsbeweging<br />

Na Deventer is Zwolle in de laatste decennia van de veertiende eeuw het toneel van<br />

een opvallende religieuze vernieuwingsbeweging, die wij kennen als de Moderne<br />

Devotie. Tegenover de als devotio antiqua opgevatte christelijke levensstijl der middeleeuwse<br />

kloosters komt in het herfsttij der middeleeuwen de devotio moderna in<br />

zwang: de eigentijdse levensstijl van christenen die zich vanuit ontwakend burgerschap<br />

verantwoordelijk voelen voor de genezing van een in hoofd en leden verziekte<br />

Kerk. Inderdaad een verziekte Kerk, die door machtbeluste pausen vanuit<br />

Avignon werd bestuurd, door een uitgebreide handel in kerkelijke ambten werd<br />

ondermijnd en door de verkilde theologie te schraal werd gevoed. De gelovige<br />

keerde de Kerk echter niet de rug toe. Buiten de Kerk was immers niets. Een eventueel<br />

uittreden betekende zoveel als geestelijke en maatschappelijke zelfdoding.<br />

Veel gelovigen keerden zich in zichzelf om aan het eigen doopsel de kracht te ontlenen<br />

tot persoonlijke navolging van Jezus Christus in alle aspekten van diens menszijn.<br />

Deze spiritualiteit, gekenmerkt door een intense belangstelling voor Jezus<br />

Christus als mens, was al in de twaalfde eeuw ontstaan in de school van Sint-<br />

Bernardus van Clairvaux. In de dertiende eeuw was zij door de armoedebeweging<br />

en met name Franciscus van Assisi en zijn volgelingen onder brede lagen van de<br />

bevolking van Europa verbreid. In de veertiende eeuw waren het vooral de kartuizers<br />

die door hun leven en geschriften waakten over dit vitale geestelijk erfgoed.<br />

Waarschijnlijk vormden zij de bakermat van de Moderne Devotie. In die zin kan de<br />

Deventerse schepenzoon Geert Grote nauwelijks de grondlegger en vader van de<br />

Moderne Devotie genoemd worden. Eerder is hij te kenschetsen als de identificatiefiguur<br />

voor onze streken van wat in heel West-Europa voelbaar was: de roep om<br />

genezing van de Kerk van binnenuit, door in 'innicheit ende stillicheit' zich ernstig<br />

toe te leggen op het wezen van het christelijk leven, de navolging van Christus 1 .<br />

Zoals iedere religieuze vernieuwingsbeweging in de Kerk neemt ook de Moderne<br />

Devotie het ideaal van de christelijke oergemeente van Jeruzalem weer op. In de<br />

Handelingen der apostelen wordt dit ideaal tweemaal kort aangeduid, ofwel uit<br />

heimwee naar een toen al verloren oorspronkelijk ideaal van broederschap en<br />

zusterschap onder de ene Vader, ofwel vanuit de overtuiging dat dit ideaal steeds<br />

opnieuw te realiseren is 2 . In iedere religieuze vernieuwing vallen de vier kenmerken<br />

van het christelijk ideaal van het gemene/gemeenschappelijke leven te herkennen:<br />

31


1. het lezen samen van de Heilige Schrift en het broederlijk of zusterlijk gesprek tot<br />

opbouw van de persoon en de gemeenschap;<br />

2. het breken van het brood in eenvoudige huisvieringen;<br />

3. het gezamenlijk bidden en zingen van psalmen en liederen;<br />

4. de daadkrachtige solidariteit van de individuele mens met de gemeenschap en<br />

van de gemeenschap met iedere individuele mens in stoffelijk en geestelijk<br />

opzicht.<br />

Ook in de beweging der Moderne Devotie zijn deze vier kenmerken aanwijsbaar.<br />

De bijbellezing en het broederlijk of zusterlijk gesprek heeft in de zogenaamde collatie<br />

een nieuwe eigentijdse vorm gevonden. De collatie - het broederlijk bijbelgesprek<br />

- was zelfs zo kenmerkend dat de broeders van het gemene leven hier en<br />

daar, bijvoorbeeld in Gouda, 'collatiebroeders' werden genoemd 3 . De broodbreking<br />

of eucharistie vierden zij aanvankelijk dagelijks op de plaats waar zij als gelovige<br />

leken thuishoorden: in de parochiekerk - later, toen de clericalisering van de<br />

devote gemeenschappen zich doorzette, in huiskapellen. Het bijbels bidden en zingen<br />

van psalmen en liederen ontwikkelde zich bij de moderne devoten tot het semiliturgisch<br />

getijdenboek, dat van het officiële liturgisch getijdengebed'te onderscheiden<br />

is en de voorloper van het latere kerkboek genoemd kan worden. De stoffelijke<br />

en geestelijke solidariteit van de oerchristenen uitte zich bij de broeders en zusters<br />

van het gemene leven in een vrijwillig aanvaarde gehoorzaamheid aan elkaar, in<br />

gemeenschap van goederen en in de ongehuwde levenstaat. In eenvoud en ootmoed,<br />

in soberheid en inkeer wilden de broeders en zusters van het gemene leven<br />

samen leven van het werk van hun handen, elkaar en de Heer in 'volhertelike bliscap'<br />

dienend, zich ernstig en gewetensvol wijdend aan de navolging van Christus.<br />

In de voltrekking van dit propositum of levensdoel waren zij eerder een herleving<br />

van het oerchristelijk gemeenschapsleven dan een voorproefje op de latere Hervorming<br />

die met Maarten Luther, overigens een leerling van de broeders, een aanvang<br />

nam en zou leiden tot een breuk met de tot dan toe ongedeelde Latijnse Kerk.<br />

2. Broeders en zusters van het gemene leven<br />

Aan het eind van de veertiende eeuw was Zwolle, evenals trouwens de gehele IJsselstreek,<br />

sterk onder de invloed van de Moderne Devotie geraakt. Op tal van plaatsen<br />

waren Geert Grote en in zijn voetspoor Jan Brinckerinck en Florens Radewijns<br />

opgetreden. Veel mensen waren in de ban van Grote's boeteprediking geraakt.<br />

Leken maakten opnieuw ernst met hun levensstaat als gehuwden, als ouders van<br />

kinderen, als gewetensvolle burgers van hun stad. Priesters keerden terug tot de<br />

kerkelijke verplichting van het celibaat. Kloosterlingen herstelden het gemeenschapsleven<br />

door hun privé-bezit op te geven. Veel geestelijken zagen af van de<br />

heersende handel in kerkelijke ambten. Er bleven echter genoeg mensen over die in<br />

de Moderne Devotie een bedreiging zagen: de priesters die weigerden het samenleven<br />

met hun huishoudsters op te geven, de kloosterlingen die van hun privé-bezit<br />

geen afstand wensten te doen, de geestelijken die zich bleven verrijken met simonistische<br />

praktijken zoals de handel in prebenden. Zij waren het die in Grote's moedige<br />

synodepreek van 1383 tegen de ontuchtige clerus de aanleiding vonden om de<br />

32


strijdbare diaken door middel van een bisschoppelijk preekverbod het zwijgen op<br />

te leggen. Maar toen was de kiem van de Moderne Devotie reeds gelegd. In zijn<br />

eigen huis aan de Bagijnstraat in Deventer had Geert Grote sinds 1379 een gemeenschap<br />

van devote vrouwen gevormd, de eerste groep van zusters van het gemene<br />

leven. In diezelfde periode had hij Florens Radewijns naar Deventer gehaald om in<br />

het vicariehuis van het Sint-Paulusaltaar in de Sint-Lebuïnuskerk een soortgelijke<br />

gemeenschap van devote mannen te vormen, de eerste groep van broeders van het<br />

gemene leven 4 . Florens Radewijns zou na de dood van Geert Grote op 20 augustus<br />

1384 weliswaar de leiding van de broederschap en haar ontwikkeling op zich<br />

nemen, maar nog in zijn laatste levensjaar was het Grote zelf die in Zwolle het huis<br />

kocht waarin Johan van Ommen en zijn moeder Reghelande de eerste Zwolse<br />

devotengemeenschap stichtten 5 . Uit deze gemeenschap zou in 1398 het klooster<br />

van de Agnietenberg bij Zwolle ontstaan, dat in de jaren 1400-1402 in het Kapittel<br />

van Windesheim zou worden opgenomen 6 .<br />

Het Kapittel van Windesheim - met dit begrip vatten wij die vormgeving van de<br />

Moderne Devotie samen, die het duidelijkst aan deze binnenkerkelijke religieuze<br />

vernieuwing gestalte heeft gegeven, de grootste vitaliteit heeft ontwikkeld en de<br />

kloosterkaart van Noordwest-Europa het sterkst heeft beïnvloed. Onder 'Kapittel'<br />

verstaan wij een zelfstandig verband van twee of meer kloosters binnen een<br />

bestaande kerkelijk erkende orde. Het schijnt dat Geert Grote nog tijdens zijn<br />

leven de vorming van eigen kloosters in devote kringen ter sprake heeft gebracht.<br />

In 1382 had hij trouwens zelf meegewerkt aan de stichting van een nieuw klooster<br />

te Eemstein bij Dordrecht 7 . De jonge gemeenschap ontving haar eerste onderricht<br />

van Godfried van Wevel, novicenmeester van het klooster Groenendaal in het<br />

Zoniënbosch onder Brussel, waar Jan van Ruusbroec, de beroemde mysticus,<br />

geleefd had 8 . Grote heeft bij de prior van het klooster eens een goed woordje<br />

gedaan voor Berthold ten Hove, maar tot een intrede van deze Sallander is het -<br />

althans in Eemstein - niet gekomen.<br />

3. Stichting van een eigen klooster<br />

Kort na de dood van Geert Grote in 1384 ontstond in het Heer Florenshuis het idee<br />

om vanuit de eigen broederschap een klooster van devoten te stichten. Daartoe<br />

hebben verschillende factoren meegespeeld. In de eerste plaats was de jonge broederschap<br />

kwetsbaar voor het kerkelijk gezag dat ongaarne de vorming van vrije<br />

gemeenschappen buiten een bestaande orde en zonder een erkende ordesregel zag.<br />

In de tweede plaats groeide in de broederschap van Deventer het verlangen naar een<br />

hogere vorm van religieus leven. In de derde plaats waren de meeste bestaande<br />

kloosters dermate vervallen dat daarin het ideaal van de Moderne Devotie moeilijk<br />

kon gedijen. Dit alles vormde voor Florens Radewijns en de zijnen voldoende<br />

reden om de stichting van een eigen klooster binnen een bestaande orde na te streven.<br />

De orde van reguliere kanunniken van Sint-Augustinus kwam het meest in<br />

aanmerking. De regel van Augustinus sloot het best aan bij het ideaal van de christelijke<br />

oergemeente en de ordesdiscipline was minder streng dan die van bijvoorbeeld<br />

de door Grote en de devoten zo hooggeachte kartuizerorde. Ook Jan van Ruus-<br />

33


„Sl«r üw Huls" — Nijmegen cd. Namaak verboden<br />

THOMAS A KEMPIS<br />

t 1471<br />

ST. AGNIETENBERG BIJ ZWOLLE<br />

8. Afbeelding van Thomas a Kempis (begin 20e eeuw).<br />

34


oec en de zijnen hadden enkele decennia eerder hun kluis omgevormd tot een<br />

proosdij onder de regel van Augustinus en het nieuwe klooster Eemstein had voor<br />

dezelfde beproefde regel gekozen.<br />

Het lag dus voor de hand dat de zes broeders van het Heer Florenshuis die de eerste<br />

communiteit van reguliere kanunniken zouden vormen in Eemstein in de leer gingen.<br />

Als leken en seculiere priesters kenden zij het kloosterleven en zijn gebruiken<br />

immers niet van binnenuit. Deze eerste groep werd gevormd door de priesters<br />

Hendrik Clingebile en Werner Keynkamp, de diakens Jan van Kempen (de oudere<br />

broer van de beroemde Thomas) en Hendrik Wilde, en de leken Hendrik Wilsen<br />

uit Kampen en Berthold ten Hove uit Zwolle. Laatstgenoemde was dezelfde die in<br />

Eemstein had willen intreden op een recommandatie van Geert Grote zelf. Nu was<br />

hij degene die uit zijn erfgoed het stuk grond onder Windesheim aan de Deventerse<br />

broederschap schonk om er het klooster te bouwen. Terwijl Berthold ten Hove<br />

zich met de zijnen in Eemstein voorbereidde op het toekomstig kloosterleven, beijverden<br />

Florens Radewijns en zijn broeders zich met de bouw van het klooster, óp<br />

het land van Berthold ten Hove, zoals prior Willem Vornken in zijn relaas van de<br />

stichting zou schrijven, niet ten noorden daarvan, zoals archeologen hier ter stede<br />

ten onrechte beweren. Windesheims geschiedschrijver J.G.R. Acquoy is weliswaar<br />

onduidelijk over de juiste ligging van het klooster, maar hij heeft zijn bron, het<br />

Chronicon Windeshemense van de Zwollenaar Jan Busch, dan ook parafraserend<br />

gebruikt. In zijn verhaal ontbreekt de relevante mededeling van Busch dat het<br />

klooster op de zuidzijde van de heuvel te Windesheim is gebouwd 9 .<br />

Het nieuwe klooster werd op 17 oktober 1387 door de Utrechtse wijbisschop<br />

Hubertus Schenck ingewijd. Het jaar <strong>1987</strong> werd voor Windesheim en de stad<br />

Zwolle, waartoe dit kerkdorp tegenwoordig rechtshalve behoort, dan ook het jaar<br />

van het zesde eeuwfeest, al is het volstrekt zeker dat de burgerlijke gemeenschap<br />

van Windesheim veel ouder is dan de kloostergemeenschap die er zich in 1387<br />

vestigde.<br />

4. Ontstaan van het Kapittel van Windesheim<br />

De stichting van een eigen klooster te Windesheim bleek voor de beweging van de<br />

Moderne Devotie een goede zaak. Binnen vijf jaar ondernam Windesheim twee<br />

dochterstichtingen, Mariënborn te Arnhem en Nieuwlicht te Hoorn. Hoezeer het<br />

stichten van eigen kloosters voor devoten ook voor de broeders van Deventer een<br />

belang was, blijkt uit het feit dat zij door Windesheim nauwkeurig bij de voorbereiding,<br />

vorming en bevolking van de nieuwe kloosters betrokken werden. Toch<br />

bewoog het kloosterleven zich zozeer op een ander niveau dan het leven in het<br />

Heer Florenshuis, dat Windesheim en zijn dochterstichtingen spoedig gingen zoeken<br />

naar een eigen verband. Reeds vanaf het begin werd daarin het klooster<br />

Eemstein betrokken, dat in de vorming van Windesheims stichtingsgroep zo'n<br />

belangrijke rol had gespeeld. In 1395 kwam de nieuwe colligatie tot stand. Voortaan<br />

zou het klooster te Windesheim het domus superior van het Kapittel van Windesheim<br />

zijn, terwijl de prior conventus van Windesheim ambtshalve prior spuperior<br />

van het gelijknamige Kapittel zou zijn. Als kerkrechtelijke grondslag werd een wet-<br />

35


geving vervaardigd, waarvoor de Windesheimers vooral aan de kartuizers en de victorijnen<br />

schatplichtig waren 10 .<br />

In de Windesheimse kloosterwetgeving, de Constitutiones Capituli Windeshemensis,<br />

wordt grote nadruk gelegd op het belang van uiterlijke uniformiteit. Deze<br />

moest de innerlijke eenheid van hart en ziel immers naar buiten toe uitdragen en<br />

naar binnen toe schragen en ondersteunen. Bij het incorporeren van nieuwe huizen<br />

ging het Kapittel van Windesheim dan ook uiterst zorgvuldig te werk. Zo'n huis<br />

moest aan vele voorwaarden voldoen voordat tot inlijving in het Kapittel kon worden<br />

overgegaan. De economische basis moest zo degelijk zijn, dat het onderhoud<br />

van een prior en acht broeders met het nodige personeel gegarandeerd was. Het<br />

nieuwe klooster moest op een eerbare plaats buiten bestaande woonkernen worden<br />

gebouwd. Er moesten voldoende gebouwen zijn, of minstens deugdelijke plannen<br />

daarvoor. De vorming van kandidaten en de personele opbouw van de gemeenschap<br />

dienden voldoende verzekerd te zijn. Namens het Kapittel moesten enkele<br />

daartoe aangewezen prioren het incorporatieproces nauwgezet begeleiden. Als een<br />

nieuw klooster tot de Windesheimse kloostervereniging werd toegelaten, duurde<br />

het nog minstens twee jaar voordat de aansluiting definitief kon worden<br />

verklaard 11 .<br />

Voor de instandhouding van zijn organisatie - en daarmee van het oorspronkelijke<br />

charisma, de kern van het religieus ideaal - beschikte het Kapittel van Windesheim<br />

over twee belangrijke instrumenten:<br />

1. het generaal kapittel, de jaarlijkse vergadering van de prioren der aangesloten<br />

kloosters, die in de tweede week na Pasen te Windesheim plaats vond. Het generaal<br />

kapittel was het hoogste gezagsorgaan. Het model van de besluitvorming<br />

hadden de Windesheimers aan de kartuizers ontleend. Het besluitvormend college,<br />

de diffinitoren, had zelfs de macht om prioren desgewenst te handhaven of<br />

te ontslaan, ook de prior van Windesheim zelf. De genomen besluiten golden<br />

voor heel de kloostervereniging en vormden van jaar tot jaar de noodzakelijke<br />

aanvulling en bijgestelde interpretatie van de constituties.<br />

2. de visitatie, het jaarlijks bezoek aan elk der aangesloten kloosters door twee prioren<br />

van andere kloosters. De visitatoren hadden tot taak de plaatselijke situatie<br />

van een communiteit in geestelijk en stoffelijk opzicht uiterst nauwgezet te<br />

onderzoeken. De maatregelen die zij namen moesten in een protocol worden<br />

opgenomen, dat ter beschikking werd gesteld aan de diffinitoren van het eerstvolgend<br />

generaal kapittel. Een afschrift daarvan bleef in het gevisiteerde<br />

klooster. Het moest van tijd tot tijd door de eigen communiteit gelezen worden<br />

en aan de visitatoren van het volgend jaar bij de aanvang van de visitatie overhandigd<br />

worden. Ook het visitatiesysteem was ontleend aan orden, die er al enkele<br />

eeuwen goede ervaringen mee hadden, zoals de kartuizers en de cisterciënzers 12 .<br />

De feitelijke opgang en uitbloei van het Kapittel van Windesheim kan beschreven<br />

worden aan de hand van het leven van Jan Busch, de Zwollenaar wiens naam reeds<br />

genoemd werd in verband met de ligging van het klooster 13 . Voor D. Brinkerink,<br />

die een belangrijke verzameling levensbeschrijvingen van devote zusters uitgaf, is<br />

Jan Busch de grootste kloosterorganisator, ordeshervormer en kloostergeschied-<br />

36


schrijver die Windesheim ooit heeft opgeleverd 14 . Voor E. Barnikol is hij daarentegen<br />

geen grote reformator, geen grote energieke religieuze persoonlijkheid die het<br />

waagt de ontaarde en ontchnstelijkte wereld tot bekering te brengen, maar een<br />

fanatieke en geborneerde zeloot, die met ijzeren tucht de lakse kloosterwereld wil<br />

restaureren en tot kerkelijke gehoorzaamheid wil dwingen 15 . Voor zijn medebroedes<br />

was broeder Joannes een goed onderlegd man, van onbesproken gedrag, attent<br />

in de dagelijkse omgang, schrijver van enkele openhartige geschriften waarvan de<br />

lezing voor de broeders en voor anderen die wegen tot heil zoeken als nuttig wordt<br />

aangemerkt 16 .<br />

Al deze verschillen van mening maken Joannes Busch tot een man van ongewoon<br />

belang en tot voorbeeld en exponent van de laatmiddeleeuwse hervormingsbeweging<br />

in het algemeen en van de Windesheimse rol daarin in het bijzonder. Zijn<br />

plaats binnen de beweging der Devotio moderna kan als volgt gemarkeerd worden:<br />

1. Jan Busch werd in 1399 of 1400 uit het huwelijk van Deric Busch en Margaretha<br />

Gruter geboren. Zijn grootvader van moeders zijde, Alferdus Gruter, behoorde<br />

tot de aanzienlijke families van Zwolle die de Moderne Devotie steunden. Hij<br />

was persoonlijk bevriend met Geert Grote en had de vader van de Moderne<br />

Devotie tijdens diens preekreizen van te gast. Jan Busch vertelt zelf dat zijn moeder<br />

aan de hand van Geert Grote naar het huis van Jan Cele wandelde, de<br />

beroemde rector van de even beroemde Zwolse stadsschool, die eveneens tot de<br />

aanhang van de nieuwe religieuze beweging behoorde.<br />

2. Jan Busch ging vanaf 1407 school bij Jan Cele en onderging in het onderwijs de<br />

diepgaande invloed van de Moderne Devotie. Dit onderwijs was veel meer<br />

gericht op de vorming van de jonge mens tot een volwassen christen dan op<br />

onderricht in de toenmalige vakken. De leergang was in acht klassen verdeeld,<br />

die door overgangsexamens waren gescheiden. In de hoogste klassen gaven<br />

Parijse magistri les; in de laagste waren het de betere leerlingen van de hoogste<br />

twee klassen die de jongsten tegen een geldelijke beloning, door meester Cele<br />

persoonlijk uitgekeerd, onderwijs gaven. In een tijd waarin het schoolonderwijs<br />

nog massaal en massief was, ontwikkelde zich in Zwolle een uniek onderwijsproject<br />

waarin de persoonlijkheidsvorming centraal stond. Dit moderne onderwijs<br />

werd - even modern - aangevuld door de persoonlijke opvang van de schoolgaande<br />

stadsjeugd door de broeders van het gemene leven.<br />

3. Ook Jan Busch verkeerde bij de broeders, zo niet om hulp bij zijn huiswerk - hij<br />

was een uitstekende leerling die onder Cele in de laagste klassen les mocht geven<br />

-, dan toch om de geestelijke invloed te ondergaan die van de gastvrije broederhuizen<br />

en convicten uitstraalde. Van tijd tot tijd werd Busch naar Windesheim<br />

gestuurd ter nadere kennismaking. Het Sint-Gregoriushuis van de broeders van<br />

het gemene leven stond toen onder de voortreffelijke leiding van Dirc van Herxen,<br />

wiens grafsteen in Windesheim bewaard is gebleven.<br />

4. Jan Busch trad in 1417 te Windesheim in het klooster. Toen hij 62 jaar later als<br />

prior van het Windesheimse klooster Sint-Bartholomaeus in Sulta te Hildesheim<br />

stierf, had hij een kloosterleven achter de rug, dat lang genoeg was geweest om de<br />

gehele tweede tot vierde generatie der Windesheimse kloosterbeweging nog te<br />

37


hebben meegemaakt en meegevormd. Als de voornaamste geschiedschrijver van<br />

het klooster te Windesheim en van het gelijknamig Kapittel en als verslaggever<br />

van zijn eigen hervormingswerk in Duitse kloosters was hij als geen ander op de<br />

hoogte van de ontwikkeling van het Kapittel.<br />

5. Het Kapittel van Windesheim als hervormingsbeweging<br />

Men doet de Windesheimse kloosterbeweging het meest recht, wanneer men haar<br />

typeert als hervormingsbeweging. Met hervorming bedoelen wij niet de beweging<br />

die Maarten Luther een eeuw later ontketende en die spoedig op een kerkscheuring<br />

uitliep. Met 'hervorming' bedoelen wij hier twee andere verschijnselen:<br />

1. hervorming als innerlijke ommekeer van de mens en zijn gemeenschap in<br />

klooster- of gezinsverband. In deze zin spreekt en schrijft Geert Grote van reformare,<br />

hervormen. In deze zin bedoelde ook Jan Busch de sfeer die hij in Windesheim<br />

aantrof. Hij noemt het stamklooster van de beweging bene reformatum,<br />

goed hervormd, dat is: goed gevormd in de geest van de Moderne Devotie.<br />

2. hervorming als uiterlijke reorganisatie van vervallen kloostergemeenschappen.<br />

Daarbij gaat het niet langer om een innerlijke beweging: van de mens en zijn<br />

gemeenschap die van binnen uit het leven herinrichten in de geest van moderne<br />

Devotie. Er wordt een omgekeerde beweging zichtbaar: een uiterlijke structuur<br />

wordt op een bestaande gemeenschap gelegd met het doel deze naar binnen toe te<br />

hervormen. Precies dit bedoelden de kerkelijke hervormingsconcilies van Bazel<br />

en Konstanz die in de eeuw vóór de grote Hervorming van Luther en Calvijn het<br />

getij zochten te keren. Het is Jan Busch' persoonlijke tragiek geweest dat hij zijn<br />

hervormingswerk weliswaar begon als devoot, maar afsloot als zeloot. In het<br />

begin ging het om innerlijkheid als draagvlak voor uiterlijke structuren; aan het<br />

eind waren het vooral de uiterlijke structuren, vaak zonder dat er veel innerlijkheid<br />

aan ten grondslag lag.<br />

Voordat Jan Busch betrokken werd bij de ontwikkling van het Kapittel van Windesheim,<br />

was de nieuwe kloostervereniging reeds aanmerkelijk gegroeid 17 . Het<br />

verband dat door Windesheim, Mariënborn, Nieuwlicht en Eemstein was<br />

gevormd, was omstreeks het geboortejaar van Busch reeds uitgebreid met de<br />

kloosters Sint-Jan de Evangelist te Amsterdam, de Agnietenberg bij Zwolle en<br />

Marienwald in Frenswegen bij Nordhorn. Toen Jan Busch zijn eerste schreden<br />

zette naar de school van meester Cele, stonden de kloosters Engelendaal te Leiderdorp,<br />

Sint-Elisabeth te Rugge bij Den Briel, Maria-Visitatie te Haarlem, Sint-<br />

Salvator in Thabor bij Sneek en Sint-Pieterswiel te Zaltbommel op het punt tot het<br />

Windesheims kloosterverband toe te treden. Enkele jaren voordat Busch zelf in<br />

Windesheim intrad, was zelfs een compleet Kapittel in dat van Windesheim geïncorporeerd.<br />

Dat was in 1413 geweest, toen op aandringen van Petrus d'Ailly, bisschop<br />

van Kamerijk, zeven Brabantse kloosters, die met elkaar reeds het Kapittel<br />

van Groenendaal vormden, tegelijk in het Kapittel van Windesheim werden opgenomen.<br />

Dat waren behalve Groenendaal - dat wij reeds noemden in verband met<br />

Jan van Ruusbroec en het klooster Eemstein - Rooklooster, Zevenborren, Korsendonk,<br />

Bethlehem te Leuven, Grobbendonk en het vrouwenklooster Barbarendaal<br />

38


te Tienen. Met deze incorporatie werd de Windesheimse kloosterbeweging verrijkt<br />

met heel de rijke mystieke traditie van Jan van Ruusbroec en zijn Zuidnederlandse<br />

school, een welkom tegenwicht tegen de meer ascetische traditie van Geert<br />

Grote en de Noord-Nederlandse Moderne Devotie. Nog éénmaal zou een kapittel<br />

tot het Windesheims kloosterverband toetreden. Dat was in de jaren 1428-1430,<br />

toen het Kapittel van Neuss, waartoe intussen dertien mannen- en vrouwenkloosters<br />

behoorden, bijna in zijn geheel in dat van Windesheim werd ingelijfd.<br />

Voor het overige breidde het Kapittel van Windesheim zich op andere wijzen uit,<br />

zoals door stichting, herbevolking van bestaande, doch verlaten kloosters, omvorming<br />

van een zuster- of broederhuis tot een klooster, overgang van tertianen naar<br />

regulieren of van tertiarissen naar regularissen, hervorming van bestaande, maar<br />

vervallen kloostergemeenschappen. Met al deze vormen van ontwikkeling van het<br />

Kapittel heeft Jan Busch op de een of andere manier te maken gehad. Wij zullen<br />

deze ontwikkling schetsen aan de hand van het leven van onze Zwollenaar 18 .<br />

6. Verschillende vormen van expansie<br />

Het Kapittel van Windesheim breidde zich in de eerste plaats uit door het stichten<br />

van nieuwe kloosters. Op deze wijze traden 26 leden tot de Windesheimse kloostervereniging<br />

toe. In 1424 werd op het generaal kapittel te Windesheim een beroep<br />

gedaan om een klooster te stichten in Bödingen. Aanvankelijk werd de opdracht<br />

hiertoe toevertrouwd aan Manenwald te Frenswegen. Prior Hendrik Loeder ging<br />

er zelf op af. Maar het ging blijkbaar niet vanzelf en kostte de prior zoveel ergernis<br />

dat hi) naar eigen zeggen wel in de Rijn had willen verdrinken. Toen een nieuwe<br />

communiteit van vier man was gevormd, ging het beter. Jan Busch maakte er deel<br />

van uit. Hij bleef er ruim vier jaar en werd in die periode tot priester gewijd. In diezelfde<br />

periode nam het nieuwe klooster negen novicen aan. Het groeide uit tot een<br />

belangrijk klooster dat in de verdere ontwikkeling van het Kapittel, met name bij<br />

de Windesheimse hervomringsprogramma's, een rol van betekenis heeft gespeeld.<br />

Het Kapittel van Windesheim breidde zich in de tweede plaats uit door herbevolking<br />

van oudere, nog bestaande, maar verlaten kloosters. Op deze wijze groeide de<br />

kloostervereniging met veertien nieuwe leden. Zo werd Jan Busch in het begin van<br />

1429, nog maar net enkele maanden terug uit Bödingen, naar het klooster Sint-<br />

Martinus in Ludingakerke gezonden. Daar woonden tot kort voor die tijd enkele<br />

tientallen broeders die zich van een kloosterlijk leven zo goed als niets aantrokken.<br />

De meesten hadden een vrouw, sommigen zelfs een non, hun kinderen speelden<br />

vrolijk in de pandhof en ravotten in de kloostergangen. Met een naburig cisterciënzerklooster,<br />

al evenzeer een weinig verheffend bolwerk van kloosterlijk leven, hadden<br />

de broeders een wapenovereenkomst, waardoor zij deze hele streek van Friesland<br />

beheersten. De bisschop van Utrecht liet een onderzoek instellen en kwam tot<br />

de slotsom dat de broeders van Ludingakerke in genen dele religieuzen waren, noch<br />

ooit geweest waren. Zij kregen te horen dat zij er niet thuis hoorden en naar het<br />

gewone leven diende terug te keren. De broeders gehoorzaamden, waarschijnlijk<br />

voor het eerst in hun leven. De prior van Windesheim kreeg het verzoek het<br />

klooster te hervormen, hetgeen betekent dat hi) een kleine communiteit samen-<br />

39


stelde die met het kloosterleven ter plaatse een nieuw begin zou maken. Een jaar<br />

later werd Jan Busch aan de zeskoppige stichtingsgroep toegevoegd.<br />

Vervolgens breidde het Kapittel van Windesheim zich uit doordat huizen van broeders<br />

of zusters van het gemene leven overgingen tot de regel van Augustinus en het<br />

kapittel om toelating tot het kloosterverband vroegen. Langs deze weg traden tien<br />

nieuwe leden tot de Windesheimse observantie toe. Toen hij nog in Ludingakerke<br />

verbleef, kreeg Jan Busch van Windesheim opdracht zich naar Beverwijk te begeven.<br />

Daar woonde een groep broeders van het gemene leven, die graag de kloosterlijke<br />

staat zou aanvaarden. Namens Windesheim werden Godfried van Tiel en Jan<br />

Busch erheen gezonden om de omvorming te bewerkstellingen. In 1430 kon het<br />

nieuwe klooster onder de naam Onze-Lieve-Vrouw in Sion in het Kapittel van<br />

Windesheim worden ingelijfd. Niet alle bewoners waren overigens even gelukkig.<br />

Want tijdens een visitatie, vanwege het generaal kapittel spoedig daarop in het<br />

nieuwe klooster gehouden, toonden de gebroeders Neudo en Hendrik zich<br />

weerspannig tegen bepalingen van de visitatoren. Neudo trad uit woede uit en verviel<br />

tot allerlei ondeugden; zijn broer Hendrik pleegde later, tijdens een kerkerstraf,<br />

zelfmoord. Men kan slechts gissen dat Jan Busch met beide broeders heel<br />

wat te stellen zal hebben gehad.<br />

Een vierde mogelijkheid was dat een huis van tertianen of tertiarissen overging tot<br />

de regel van Augustinus en om toelating tot het Windesheims Kapittel verzocht. In<br />

de geschiedenis van deze kloostervereniging is dat waarschijnlijk niet meer dan vier<br />

keer gebeurd. Tertianen en tertiarissen waren mannen en vrouwen die de zogenaamde<br />

derde regel van Franciscus van Assisi volgden. Zij woonden onder één dak,<br />

vormden als het ware kloosters van ofwel mannen ofwel vrouwen, zonder dat zij in<br />

de volle zin van het woord kloosterling waren, zoals de Windesheimers dat<br />

waren 19 . Heel wat moderne devoten vormden dergelijke gemeenschappen. Er<br />

waren ook huizen van broeders of zusters van het gemene leven die voor overgang<br />

van de derde regel van Franciscus kozen. Naar het voorbeeld van Windesheim<br />

vormden de tertianen en tertiarissen een zelfstandige vereniging, het Kapittel van<br />

Utrecht dat in 1399 tot stand kwam en in de vijftiende eeuw een tachtigtal huizen<br />

omvatte. In 1418 ontstond binnen het Kapittel van Utrecht een streven om tot de<br />

regel van Augustinus over te gaan. De zeven mannen- en zeven vrouwenkloosters<br />

die deze weg gingen vormden in en na 1418 het Kapittel van Holland, ook wel<br />

Kapittel van Sion geheten. Het ligt voor de hand dat dit Kapittel op Windesheimse<br />

leest geschoeid werd 20 .<br />

In zijn Beverwijkse periode maakte ook Jan Busch kennis met de tertiarissen. Hij<br />

was zozeer Windesheimer in hart en nieren dat hij het niet kon laten de zusters aan<br />

te raden tot de orde van Augustinus over te gaan. De stedelijke magistratuur verzette<br />

zich er tegen. Busch was er de man niet naar zich door gezagsdragers te laten<br />

ringeloren en regelde met de Utrechtse hulpbisschop de overgang van de derdeordelingen<br />

naar de orde van Sint-Augustinus. Deze vond in de vroege ochtend<br />

plaats, nog voordat de stedelijke autoriteiten zich de slaap uit de ogen hadden<br />

gewist. De gedragslijn van Jan Busch viel overigens bij het generaal kapittel niet in<br />

goede aarde, want in 1431 nam het generaal kapittel het volgende besluit: het is per-<br />

40


sonen die aan het generaal kapittel onderworpen zijn voortaan verboden nonnenkloosters<br />

aan te zetten tot inlijving bij het Kapittel 21 .<br />

Het Kapittel van Windesheim was trouwens toch al niet zo gecharmeerd van de<br />

vele verzoeken om toelating tot het kloosterverband, die van allerlei nonnenkloosters<br />

uitgingen. De meeste Windesheimse mannenkloosters hadden geen al te<br />

grote bezetting en ieder vrouwenklooster vereiste voor de bediening der sacramenten<br />

en de dagelijkse zielzorg minstens een rector en een helper, socius geheten. In<br />

1436 verkregen de Windesheimers op eigen verzoek van paus Eugenius IV het verbod<br />

om nog vrouwenkloosters tot het Kapittel toe te laten 22 . Ofschoon enkele aanvragen<br />

nog werden ingewilligd, heeft het Kapittel van Windesheim nooit méér dan<br />

dertien vrouwenkloosters omvat. Andere vrouwenkloosters zochten hun toevlucht<br />

bij verwante kloosterverbariden, zoals het Kapittel van Sion dat zeven vrouwenkloosters<br />

telde. Weer andere kloosters van regularissen sloten samen een verband,<br />

zoals dat in 1455 in het prinsbisdom Luik gebeurde met het toen opgerichte<br />

Kapittel van Venlo, dat zeker tien vrouwenkloosters omvat heeft 23 . Maar de<br />

meeste vrouwenkloosters bleven buiten elk verband en waren voor de zielzorg aangewezen<br />

op een naburig Windesheims klooster, zonder dat het Kapittel zelf er een<br />

aanvaarde verantwoordelijkheid voor had 24 .<br />

Jan Busch heeft ook een tijdlang de functie van rector vervuld, en wel in het<br />

klooster Brunnepe bij Kampen, in 1431. Zijn beweeglijke natuur hield het er niet<br />

lang uit. 'Veel meer dan mijn brevier bidden en de mis lezen kan ik hier niet doen',<br />

klaagde hij. Op zijn verzoek werd hij na drie jaar weer naar Windesheim gehaald<br />

om er het kostersambt op zich te nemen. Hij was er bovendien in de jaren 1436<br />

betrokken bij de ingrijpende verbouwingen die het woongedeelte van het kloostercomplex<br />

toen onderging 25 .<br />

Een vijfde wijze waarop het Kapittel van Windesheim zich uitbreidde was de hervorming<br />

van bestaande kloostergemeenschappen. Deze vroegen zelf om hervorming<br />

in Windesheimse zin of werden er door kerkelijke of burgerlijke autoriteiten<br />

toe gedwongen. Liefst 29 kloosters werden op deze wijze lid van het Kapittel van<br />

Windesheim. In Duitsland waren tientallen van dergelijke mannen- en vrouwenkloosters<br />

die aan hervorming toe waren. Het begon met Wittenberg dat zelf om<br />

Windesheimse steun bij zijn hervormingsprogramma verzocht. De hervorming<br />

had al in 1423 plaats gevonden en toen in 1437 Godfried van Tiel tot prior werd<br />

benoemd, nam deze zijn vroegere kameraad Jan Busch als supprior mee. Van toen<br />

af werd Wittenberg de uitvalshaven voor allerlei Windesheimse hervomringsacties.<br />

Vanaf 1440 fungeerde Busch als prior van achtereenvolgens Sulta in Hildesheim,<br />

Neuwerk in Halle en tenslotte tot zijn dood in 1479 opnieuw in Sulta. In<br />

totaal gaat het om veertig levensjaren die Jan Busch in dienst van de kloosterhervorming<br />

stelde. Op het eind van zijn leven had hij ongeveer dertig kloosters met meer<br />

of minder gevolg hervormd, terwijl hij vele andere kloosters heeft bezocht, gevisiteerd<br />

en tot hervorming opgewekt.<br />

In lang niet alle gevallen verliep het hervormingsproces vlekkeloos. Zo was het<br />

vrouwenklooster te Derneburg vervallen tot een inrichting voor Hildesheimse<br />

dames, die wel een kloosterkleed hadden en iets aan koorgebed deden, maar verder<br />

41


9. Liederen van Thomas a Kempis<br />

42


hun eigen gang gingen. Jan Busch bracht de zusters tot het aanvaarden van een<br />

gemeenschappelijk leven en tot het opgeven van hun privaat bezit. Het praten tijdens<br />

de maaltijden werd verboden, het strafkapittel werd opnieuw ingevoerd en de<br />

ceremoniën voor het koorgebed werden weer opgepoetst. Busch had het echter te<br />

druk met andere visitaties en hervormingen en kon niet elk moment in Derneburg<br />

zijn om de zusters op hun observantie te controleren. Toen hij het vermoeden<br />

kreeg dat de zusters er geheime voorraden proviand op na hielden, verschafte hij<br />

zich toegang tot de kelder. Hij maakt echter de fout alleen de kelder in te gaan, want<br />

hij was de trap nog niet afgedaald of de zusters sloten de kelderluiken en gingen<br />

erop staan om Busch de terugtocht te verhinderen. Hij werd na enige tijd bevrijd<br />

door de broeder die hem op zijn tochten vergezelde. Naar hij zelf schreef had Busch<br />

uit het voorval de lering getrokken dat hij geen kelder meer zou betreden zonder<br />

twee of drie zusters te hebben laten voorgaan. Overigens bleef de verhouding van<br />

Derneburg met Jan Busch slecht, zelfs zo dat de zusters de bisschop verzochten hen<br />

van hun lastige visitator te bevrijden. De bisschop benoemde een nieuwe priorin en<br />

toen deze nog geen gunstige resultaten kon boeken, liet hij op een nacht de zusters<br />

in nachtgewaad op wagens naar andere kloosters afvoeren.<br />

Ook Jan Busch paste nachtelijke overrompeling en deportatie met rollend materieel<br />

toe, als weerspannige conventen op geen andere manier tot hervorming te<br />

brengen waren. Dat deed hij bijvoorbeeld in 1469 in het cisterciënzerinnenklooster<br />

te Wienhausen. Toen reformatie geen enkel gevolg had, haalde hij de zeventigjarige<br />

abdis onverhoeds uit haar klooster en begeleidde haar stevig aan de arm naar de<br />

gereedstaande wagen. Op deze wijze haalde hij nog vijf andere zusters weg. Toen<br />

hij daarna de geïntimideerde communiteit voor de intussen voldongen feiten<br />

plaaste, bleek de achterblijvende rest voldoende hervormingsgezind. De overige<br />

voorgeplaatste wagens konden zonder lading terugkeren. De mare van Busch'<br />

doortastende wijze van handelen greep zo ver om zich heen dat in andere kloosters,<br />

zoals Barsinghausen en Marienwerder, Busch het woord 'deportatie' maar in de<br />

mond hoefde te nemen om zich van voldoende medewerking te verzekeren. Overigens<br />

kon hij ook met grote mildheid optreden. De cisterciënzerinnen van Halle<br />

waren daadwerkelijk zo arm dat zij op hun familieleden waren aangewezen. Jan<br />

Busch organiseerde een collecte in de stad en zond wagens naar het klooster, deze<br />

keer niet om weerspannige zusters af te voeren maar om ingezamelde goederen af te<br />

leveren. Toch zal het duidelijk zijn dat in die fase van Busch' leven de hervormingsarbeid<br />

al lang niet meer geïnspireerd werd door het ideaal van de Moderne Devotie,<br />

maar door de pauselijke en conciliaire hervormingspolitiek eerder gedicteerd<br />

dan gemotiveerd werd. Zo bleef de eigenlijke hervorming, die van het hart van de<br />

op Christus gerichte mens, achter bij de hervorming in structuren en gewoonten.<br />

Ondanks de 'devotio moderna' heeft de Windesheimse kloosterbeweging de verzieking<br />

van de Kerk niet voldoende kunnen keren. Die taak was weggelegd voor<br />

Maarten Luther en ander reformatoren. In de confrontatie met deze groten van de<br />

Kerk heeft het Kapittel van Windesheim geen rol van betekenis meer kunnen<br />

spelen.<br />

43


7. Afbraak en neergang, opheffing en herleving<br />

Met de dood van Jan Busch in 1479 is ook de expansiekracht van het Kapittel van<br />

Windesheim zo goed als uitgeput. Enkele kloosters sluiten zich nog wel aan, maar<br />

hun hervorming voltrekt zich eerder onder de druk van de kerkelijke autoriteiten<br />

dan onder inspiratie van de Moderne Devotie. Het Windesheims Kapittel ging de<br />

eeuw van de Reformatie in met 86 mannen- en 13 vrouwenkloosters die tot het gremium<br />

capituli behoorden. Dit contingent is het meest duidelijke en vooraanstaande<br />

deel van de honderden kloosters en huizen die op een of andere manier vanuit de<br />

Moderne Devotie gesticht waren en gevoed werden. Voordat de zestiende eeuw<br />

voorbij was, had de Windesheimse kloosterbeweging gevoelige slagen te incasseren<br />

gehad. Onder invloed van de Hervorming van Luther en Calvijn en de daarmee<br />

samenhangende godsdienstsoorlogen, zich toespitsend op de vrijheidsstrijd van de<br />

Verenigde Provinciën tegen de Spaanse monarchie, verdwenen tal van kloosters.<br />

Nergens ging een Windesheimse Communiteit in haar geheel tot de Reformatie<br />

over. Maar de meeste werden eenvoudig uit hun klooster verdreven en op alimentatie<br />

gesteld, terwijl hun kloosters werden verwoest, geplunderd en afgebroken. Het<br />

Kapittel van Windesheim heeft in het midden van de zestiende eeuw nog wel geprobeerd<br />

het verval tegen te gaan. In 1553 werden de constituties vernieuwd in de geest<br />

van het hervormingsconcilie van Trente 26 . En in 1559 werden de overgebleven<br />

kloosters opnieuw geordend in zeven provincies 27 . Het totale Kapittel omvatte op<br />

dat moment nog 80 (van de 86) mannenkloosters en alle 13 vrouwenkloosters.<br />

Maar veel heeft deze reorganisatie niet uitgehaald. Voordat de zeventiende eeuw<br />

aanbrak, waren er 54 kloosters ten onder gegaan, waarvan zeven vrouwenkloosters.<br />

In de zeventiende en achttiende eeuw bleef het Kapittel, toen Congregatie van Windesheim<br />

geheten, gewoon voortbestaan in de resterende kloosters, 43 in getal. Van<br />

expansie of vitaliteit was geen sprake meer. Alleen het klooster Sint-Maartensdal te<br />

Leuven was een goed centrum van wetenschap en vorming, zowel voor de leden<br />

van de Windesheimse Congregatie als voor niet-leden. In deze eeuwen verloor de<br />

Congregatie slechts zes kloosters.<br />

De gebeurtenissen rond de Franse Revolutie hadden tot gevolg dat een eind werd<br />

gemaakt met alles dat in Europa nog herinnerde aan het Ancien Régime. Daartoe<br />

behoorden ook de kloosters, vaak bolwerken van macht en bezit waarover de ontwakende<br />

burgers geen zeggenschap hadden. De anti-kerkelijke decreten van de<br />

Oostenrijkse keizer Jozef II en de daarop volgende Franse Revolutie betekenden<br />

het einde voor de laatste 37 Windesheimse kloosters die er tussen 1776 en 1811 nog<br />

over waren. Het laatste klooster dat werd opgeheven was Marienwald te Frenswegen<br />

bij Nordhorn, waaruit in 1811 de laatste koorbroeder vertrok. Kort tevoren<br />

was het klooster Gaesdonck geseculariseerd, waar de laatste geschiedschrijver van<br />

Windesheim, Arnoldus Beckers, in zijn kroniek verzuchtte: nog twee kloosters<br />

resten ons van wat eens onze bloeiende congregatie was 28 .<br />

<strong>Historisch</strong> is hiermee het verhaal van de opbloei en neergang van het Kapittel van<br />

Windesheim verteld. <strong>Historisch</strong>, niet spiritueel. Zoals ieder goed levensideaal is<br />

ook dat van de Moderne Devotie steeds opnieuw op te nemen en tot ontwikkeling<br />

44


te brengen. Dit ideaal is blijven voortleven in enkele resterende vrouwenkloosters<br />

die zich in 1971 hebben aaneengesloten tot de vrouwelijke Congregatie van Windesheim.<br />

In Nederland is hiervan de enige representant het klooster Soeterbeeck te<br />

Deursen bij Ravenstein 29 . En in 1961 heeft de Orde der reguliere kanunniken van<br />

Sint-Augustinus twee uitgestorven congregaties in één verband opnieuw opgericht.<br />

Zij bestaat thans in de vorm van de Congregatie van Windesheim-Sint-<br />

Victor, met een Duits-Oostenrijkse en een Franse tak, waarvan laatstgenoemde de<br />

meest bloeiende is. Maar de recente geschiedenis is een ander verhaal. Het zou het<br />

best geplaatst kunnen worden onder de intrigerende vraag: wat zou de spiritualiteit<br />

van de Moderne Devotie nu kunnen betekenen voor de talrijke mensen, in het bijzonderjongeren,<br />

die temidden van zoveel frustrerend doemdenken vaak wanhopig<br />

zoeken naar zingeving en zinduiding van het leven? De Moderne Devotie reikt ons<br />

vanuit het verleden een schat aan geestelijke en mystieke literatuur aan, waarvan de<br />

lezing mensen kan helpen zelf een weg te vinden in een wereld die ten onrechte lijdt<br />

aan overbewapening en milieuvernietiging, aan bezuiniging en werkloosheid, aan<br />

vijanddenken en normverlies. Het zou niet eens buiten de grenzen van de Zwolse<br />

<strong>Historisch</strong>e Vereniging vallen deze literatuur eens te doen belichten vanuit onze<br />

moderne vraagstelling.<br />

Noten<br />

1. Voor nadere oriëntatie in de uitgebreide recente en oudere literatuur over de Moderne<br />

Devotie kan men het best raadplegen: R.R. Post, The Modern Devotion. Confrontation<br />

with Reformation and Humanism. Studies in medieval and Reformation Thought III<br />

(Leiden, 1968); Geert Grote & Moderne Devotie. Voordrachten gehouden tijdens het Geert<br />

Grote congres, Nijmegen 27-29 september 1984, uitgegeven onder redactie van J. Andnessen,<br />

P. Bange en A.G. Weiier. Middeleeuwse Studies I. Publicatie van het <strong>Centrum</strong> voor<br />

Middeleeuwse Studies, Katholieke Universiteit Nijmegen (Nijmegen, 1985); Moderne<br />

Devotie. Figuren en facetten. Tentoonstelling ter herdenking van het sterfjaar van Geert<br />

Grote 1384-1984. Catalogus (Nijmegen, 1984); C.C. de Bruin, E. Persoons en A.G. Wei-<br />

Ier, Geert Grote en de Moderne Devotie (Zutphen, 1984).<br />

2. Hand. 4, 42-47 en 4, 32-35.<br />

3. Monasticon Batavum, M. Schoengen, ed. Verhandelingen der Nederlandsche Akademie<br />

van Wetenschappen, afd. Letterkunde, nieuwe reeks XLV (3 dln. met supplement door<br />

D. de Kok; Amsterdam, 1941-1942) II, 72.<br />

4. G. Epiney-Burgard, Gérard Grote (1340-1384) et les débuts de la Devotion moderne. Veröffentlichungen<br />

des Instituts für europaische Geschichte Mainz LIV (Wiesbaden, 1970)<br />

142-247.<br />

5. C. van der Wansem, Het ontstaan en de geschiedenis der Broederschap van het Gemene<br />

Leven tot 1400. Publicaties op het gebied der geschiedenis en der philologie, 4e reeks, dl.<br />

XII (Leuven, 1958)50-74.<br />

6. Monasticon Windeshemense, W. Kohl, E. Persoons en A.G. Weiier, ed. Archief- en Bibliotheekwezen<br />

in België, extranummer 16, 1-4 (4 dln; Brussel, 1976-1984) III, 14-49.<br />

7. A.w., 183-202.<br />

8. A.w., I, 46-66.<br />

9. J.G.R. Acquoy, Het klooster te Windesheim en zijn invloed (3 dln; Utrecht, 1875-1880) I,<br />

45


66. Zie voor deze problematiek ook de bijdrage van R. van Beek en H. Clevis, 'Een<br />

klooster gezocht' en mijn bijdrage 'De ligging van het klooster te Windesheim', in: Windesheim.<br />

Studies over een Sallands dorp bij de IJssel (Kampen, <strong>1987</strong>).<br />

10. Acquoy, a.w., II, 1-176.<br />

11. R.Th.M. van Dijk, De constituties der Windesheimse vrouwenkloosters vóór 1559. Bijdrage<br />

tot de institutionele geschiedenis van het Kapittel van Windesheim. Middeleeuwse Studies<br />

III, 1-2. Publicatie van het <strong>Centrum</strong> voor Middeleeuwse Studies, Katholieke Universiteit<br />

Nijmegen (2dln; Nijmegen, 1986) 63-65.<br />

12. Van Dijk, a.w., 49-63 en 297-308.<br />

13. S. van der Woude, Johannes Busch. Windesheimer kloosterreformator en kroniekschrijver<br />

(Edam, 1947).<br />

14. D. Brinkerink, 'J. Busch' in: Nieuw Nederlandsch Bibliographisch Woordenboek, VI (1924)<br />

235.<br />

15. E. Barnikol, Studiën zur Geschichteder Brüder vomgemeinsamen Leben (Tübingen, 1917)<br />

83.<br />

16. Petri Trudonensis Catalogus scriptorum Windeshemensium, W. Lourdaux en E. Persoons,<br />

ed. Publicaties op het gebied van de geschiedenis en de filologie, 5e reeks, dl. 3 (Leuven,<br />

1968)83.<br />

17. Zie voor hierna te noemen Windesheimse kloosters steeds het in noot 6 vermelde standaardwerk.<br />

18. De gebruikte gegevens zijn ontleend aan het in noot 13 vermelde werk. Zie voor aanvulling<br />

en ten dele andere interpretatie echter ook G. Rehm, Die Schwestem vom gemeinsamen<br />

Leben im nordwestlichen Deutschland. Untersuchungen zur Geschichte der Devotio<br />

moderna unddes weiblichen Religiosentums. Berhner <strong>Historisch</strong>e Studiën XI, Ordensstudien<br />

V (Berlijn, 1985).<br />

19. D. van Heel, 'De Tertiarissen van het Utrechtsche Kapittel', in: Archiefvoor de Geschiedenis<br />

van het Aartsbisdom Utrecht, LXIII (1939) 1-383.<br />

20. E. Ypma, Het Generaal Kapittel van Sion. Zijn oorsprong, ontwikkeling en inrichting (Nijmegen;<br />

Utrecht, 1949); B.A. Vermaseren, Het klooster 'Sancta Maria in Sion'tussen Delft<br />

en Rijswijk, 1433-1574. Een vrucht van de Moderne Devotie. Serie-uitgave van het genootschap<br />

Delfia Batavorum VII (Pijnacker, 1981); Van Dijk, a.w., 539-591.<br />

21. Acta Capituli Windeshemensis. Acta van de kapittelvergadenngen der Congregatie van<br />

Windesheim, S. van der Woude, ed. Kerkhistorische Studiën behorende bij het Nederlandsch<br />

Archief voor Kerkgeschiedenis VI ('s-Gravenhage, 1953) 24. Afgekort als ACW.<br />

22.ACW,7,\-J>2.<br />

23. Het klooster Soeterbeeck te Deursen 1732-1982, R.Th.M. van Dijk, red., Bijdragen tot de<br />

geschiedenis van het Zuiden van Nederland LUI (Tilburg, 1982) 1-113; Van Dijk, a.w.,<br />

591-648.<br />

24. Van Dijk, a.w., 649-706.<br />

25. Zie mijn bijdrage 'De ligging van het klooster te Windesheim'. vgl. noot 9.<br />

26. Van Dijk, a.w., 35-42.<br />

27. ACW, 167-171.<br />

28. Moderne Devotie. Figuren en facetten. Tentoonstelling ter herdenking van het sterfjaar van<br />

Geert Grote 1384-1984 (Nijmegen, 1984) 247.<br />

29. Vgl. noot 23.<br />

46


Leescultuur in Zwolle:<br />

boekaanschaf en boekgebruik (1777-1854)<br />

Schets van een onderzoeksproject*<br />

Han Brouwer<br />

1. Inleiding<br />

Het is tegenwoordig bijna een gemeenplaats om te zeggen dat het thema 'boek en<br />

lezers' in de mode is. Vanuit verschillende wetenschappelijke disciplines is onderzoek<br />

rond dit thema in volle gang. De boeken die als vrucht van dit al onderzoek<br />

holderdebolder van de persen rollen, dragen titels waarvan de ene nog aanlokkelijker<br />

klinkt dan de andere: 'Het woord aan de lezer', Pratiques de la lecture', 'Buch<br />

und Leser', 'Books and their Readers', enzovoort 1 . Vanwaar deze belangstelling en<br />

hoe kan dit thema onderzocht worden?<br />

Een eerste benadering van dit thema is het receptie-onderzoek in de literatuurwetenschap<br />

en literatuurgeschiedenis. Na eerdere discussies over vorm of vent, de<br />

dood van de auteur, het historiseren of esthetiseren van literaire teksten, krijgt nu<br />

ook de lezer een plaats in het literatuur-onderzoek toebedeeld. Centraal in dit type<br />

onderzoek staat de vraag hoe bepaalde teksten door lezers in verschillende tijden en<br />

op verschillende plaatsen geïnterpreteerd en gewaardeerd worden. Dit voert tot de<br />

jacht op receptiedocumenten die, zeker als het om wat verder in het verleden gelegen<br />

periodes gaat, bepaald niet overvloedig aanwezig zijn 2 .<br />

De sociale of socio-culturele geschiedenis biedt een tweede benadering van dit<br />

thema. In deze benadering staan centraal de vragen: wie kan lezen, wie bezit welke<br />

boeken en welke veranderingen zijn hierin te constateren? Alle geschreven teksten<br />

in de onderzochte periodes mogen zich in dit type onderzoek in de belangstelling<br />

van onderzoekers verheugen.<br />

Het probleem van deze benadering vormt het streven van onderzoekers uit het<br />

boekenbezit van een individu of groep een bepaalde 'mentaliteit' af te lezen. Er<br />

wordt dan al snel van uit gegaan dat deze 'mentaliteit' zich weerspiegelt in het boekenbezit<br />

dat met behulp van globale bibliografische categorieën geordend is 3 .<br />

De laatste paar jaar hebben zich op dit terrein van de socio-culturele geschiedenis<br />

een aantal verschuivingen en veranderingen voorgedaan. Na het in kaart brengen<br />

van de sociale verdeling van het boekenbezit in bepaalde steden of regio's en in<br />

bepaalde periodes, krijgt nu de vraag naar de vormen van gebruik van boeken meer<br />

aandacht 4 . Dit hangt samen met de interne ontwikkeling van het onderzoek en<br />

met de verschuiving van een sociologische naar een meer omvattende en dynamische<br />

benadering van 'cultuur'. Ook binnen deze benadering is daarom nu de jacht<br />

47


op receptie- en egodocumenten geopend. Culturele objecten - zoals boeken - krijgen<br />

hun betekenissen en functies binnen het veld van sociale en culturele processen,<br />

volgens deze recente benadering 5 .<br />

Binnen de twee genoemde benaderingen van het thema 'boek en lezers' is tot nu toe<br />

overwegend aandacht besteed aan de inhoudelijke receptie en waardering van<br />

teksten en aan het 'hoe' van het lezen. Met dit laatste wordt bedoeld of individueel<br />

of collectief, met de ogen of met de oren, intensief of extensief, binnenshuis of buitenshuis<br />

gelezen wordt 6 . Minder aandacht echter krijgt de vraag wat lezers en<br />

kopers uit verschillende sociale groepen van boeken verwachten, wat ze met boeken<br />

doen en binnen welke culturele en sociale stragieën boeken functioneren.<br />

Het onderzoek dat hier geschetst wordt, heeft tot onderwerp boekenaanschaf en<br />

boekgebruik in Zwolle in de periode 1777-1854. Centraal hierbij staan twee vragen,<br />

namelijk de vraag wie welke boeken koopt en de vraag naar de vormen van het<br />

gebruik van deze boeken. In dit onderzoek wordt van een aantal vooronderstellingen<br />

uitgegaan. In aansluiting op de socio-culturele benadering wordt aangenomen<br />

dat boekaanschaf zijn ruimere betekenis eerst krijgt binnen de contexten van het<br />

gebruik. Vervolgens wordt verondersteld dat dit gebruik meer is dan alleen lezen<br />

en dat het betrekking heeft op heel het corpus van geschreven teksten. Tenslotte<br />

wordt aangenomen dat deze vormen van gebruik worden gereguleerd door een<br />

aantal factoren en processen van middellange termijn. Met deze factoren en processen<br />

zijn onder meer bedoeld:<br />

a. de ontwikkeling en verdeling van leescapaciteiten, die gerelateerd kunnen worden<br />

aan de verschillende onderwijsniveaus.<br />

b. de genootschapscultuur met haar verschillende varianten, waaronder leesgezelschappen.<br />

Deze genootschappen worden vanaf het midden van de achttiende<br />

eeuw in de Republiek opgericht. Het boek komt hier in dienst van culturele vorming,<br />

sociabiliteit en maatschappelijke verandering te staan. De zogenoemde<br />

'nieuwe lezers' spelen in dit kader een belangrijke rol. Deze lezers hebben hun<br />

vorming overwegend buiten de traditionele opleidingen opgedaan en doen zich<br />

te goed aan de wassende stroom van Nederlandstalige publikaties 7 .<br />

c. de normatieve context: opvattingen over nut en nadeel van het boek voor het<br />

leven, zoals deze worden verwoord door verschillende personen en instanties.<br />

d. de maatschappelijk modernisering: staatsvorming en opmars van de bureaucratie;<br />

professionalisering van oude beroepen en opkomst van nieuwe beroepen. In<br />

hoeverre is lezen en boekbezit een vereiste voor het behoud of verwerven van<br />

een oud of een nieuw beroep?<br />

e. de groepscultuur: er wordt vanuit gegaan dat de verschillende sociabiliteitscircuits<br />

- familie en buurt, school en hogeschool, kerkgemeente en parochie, ambt<br />

en beroep, genootschap, sociëteit en club - en de ontwikkeling daarvan, ook verschillende<br />

verwachtigen ten aanzien van boeken en verschillende vormen van<br />

boekgebruik met zich mee brengen. Lezen en boekgebruik kunnen dus niet als<br />

een louter individueel gebeuren worden opgevat.<br />

Met het in kaart brengen van deze processen en socio-culturele verbanden waarbinnen<br />

gebruikers van boeken zich bewegen, zal de vraag naar de culturele strategieën<br />

48


eantwoord worden: wat verwachten kopers uit verschillende groepen van boeken<br />

en wat doen ze met boeken? Om enkele voorbeelden te noemen, is het boek<br />

bron van waarheid en heil of een bron van professioneel nut? Is het een teken van<br />

sociale distinctie of een instrument van vorming, een bron van informatie en politieke<br />

meningsvorming? Of is het een bron van vermaak en verstrooiing? Het<br />

onderzoek wil nog een stap verder gaan en het gebruik, het kopen en lezen van boeken<br />

in verband brengen met verschillende sociale strategieën: autodidaxie, vorming<br />

en sociale mobiliteit, socio-professionele ontwikkeling, autoreproductie van<br />

bepaalde groepen.<br />

Voor het onderzoek naar boekenbezit is veel gebruik gemaakt van boedelinventarissen,<br />

een rijke bron waaraan echter ook enige problemen kleven. Die betreffen<br />

met name hun onvolledigheid. Goedkopere werkjes, wanneer deze de koper of<br />

bezitter al overleven, worden vaak ongespecificeerd als 'enige boeken van weinig<br />

waarde' vermeld 8 . Ook is de herkomst van het opgesomde boekenbezit een probleem.<br />

Het kan immers verworven zijn door aankoop, door schenking, erfenis of<br />

onderpand. Dat bepaalde boeken in boedelinventarissen niet voorkomen, wil nog<br />

niet zeggen dat zij niet gekocht worden.<br />

Het type bron dat in het onderhavige onderzoek gebruikt wordt, is de klanten- of<br />

debiteurenboeken van een boekhandel. Tot nu toe is van dit type bronnenmateriaal<br />

nauwelijks gebruik gemaakt en lijkt het buiten Nederland nauwelijks bekend<br />

te zijn 9 . Deze klantenboeken zijn rekeningen-courant waarin staat opgetekend<br />

wat personen en organisaties op bepaalde data kopen aan boeken, periodieken,<br />

papierwerk en andere artikelen. In Nederland zijn deze klantenboeken hoofdzakelijk<br />

vanaf de negentiende eeuw bewaard gebleven 10 .<br />

Wanneer klanten en gekochte titels met behulp van respectievelijk sociale en<br />

bibliografische categorieën geordend zijn, kan met deze klantenboeken de vraag<br />

beantwoord worden: wie koopt wat? Daarmee kan het boekenkopend publiek of<br />

een deel daarvan in een bepaalde plaats een periode in kaart worden gebracht. In<br />

vergelijking met boedelinventarissen heeft deze bron als voordeel dat er zekerheid<br />

bestaat dat een persoon een boek daadwerkelijk gekocht heeft, althans dat het op de<br />

rekening van de betreffende persoon is bijgeschreven. Om vervolgens de stap van<br />

boekaanschaf naar boekgebruik te kunnen maken, wordt verondersteld dat boeken<br />

niet altijd en zeker niet voor iedereen goedkoop zijn. Boekaanschaf wordt<br />

opgevat als een economische investering in 'cultuur'. Een investering die gebaseerd<br />

is op een afweging tussen meer of minder schaarse middelen en na te streven doelen.<br />

Kortom, koopgedrag wordt als een sociale variabele opgevat, die afhankelijk is van<br />

verwachtigen en gebruiksvormen. Het gaat erom deze vormen van gebruik te traceren<br />

door de kopers te plaatsen binnen hun verschillende socio-culturele contexten.<br />

2. Zwolle en het boek<br />

Op 20 april 1838 maakt W.E.J. Tjeenk Willink in een circulaire bekend dat hij de<br />

boekhandel van H. Doyer Az. overneemt en een algemene boekwinkel voor eigen<br />

rekening opent. Vermoedelijk begint hij tegelijkertijd een uitgeverij en drukkerij,<br />

49


7-z<br />

74<br />

27 -• '<br />

/4<br />

/3<br />

?2<br />

;)"/•'<br />

7 £&&/.*&*"•'— w^«a.*.frl~ — /<br />

C/7 §r*i<br />

L<br />

i:v<br />

J fint f tuf ft. ^ 4*^< V<br />

f<br />

~ - •• n<<br />

10. Grootboek uitgeverij Tijl (1777-1785) 285, rekening van juffrouw de weduwe Brouwer,<br />

G.A.D. Zwolle.<br />

50<br />

n<br />

• !


hoewel dit niet in de circulaire wordt vermeld. Na de fusie in 1968 van de uitgeverij<br />

Tjeenk Willink met de firma Kluwer te Deventer wordt het hele bedrijfsarchief<br />

overgedragen aan de gemeentelijke archiefdienst van Zwolle. Dit bevat onder<br />

andere twee series debiteurenboeken van boekhandel en uitgeverij. De klantenboeken<br />

van de boekhandel lopen van 1838 tot 1901, in welk jaar de boekwinkel wordt<br />

verkocht aan H.H. Kok, een voormalig employé van de firma 11 . In totaal gaat het<br />

om 26 delen, die twee a drie jaar per deel beslaan en waarvan de omvang snel toeneemt<br />

van 500 naar 1000 pagina's per deel. Het gaat om ruwweg een pagina per<br />

klant.<br />

Er zijn uiteraard meer boekhandelaren in Zwolle in de te bestuderen periode.<br />

Nader onderzoek hiernaar levert het volgende op. Martinus Tijl, geboren te Groningen<br />

in 1738, vestigt zich in 1767 te Zwolle als boekhandelaar. In 1776 opent hij<br />

op verzoek van het stadsbestuur een boekdrukkerij. Vanaf 1790 brengt hij samen<br />

met zoon Hendrik, die ook een eigen boekwinkel heeft, een gewestelijk weekblad<br />

uit. Bij de tot op heden bestaande firma Tijl bevinden zich vijftien grootboeken uit<br />

de periode 1777-1826. Van 1777 tot 1792 bevatten deze grootboeken gegevens over<br />

leveranties aan particulieren en boekhandelaren in en buiten Zwolle, vanaf 1792<br />

worden deze leveranties in afzonderlijke grootboeken genoteerd.<br />

Een andere boekhandelaar is J.M. W. Waanders. Hij neemt in september 1836 het<br />

bedrijf van J.W. Robijns over en opent een katholieke boekwinkel, drukkerij en<br />

boekbinderij. Bij deze nog steeds bestaande firma is een grootboek van leveranties<br />

aan particulieren over de jaren 1848-1854 bewaard gebleven 13 .<br />

Behalve de genoemde firma's zijn er nog meer boekhandels in Zwolle in de periode<br />

1777-1854. In het Tijl grootboek over de jaren 1777-1785 staan leveringen opgetekend<br />

aan zes plaatselijke confraters: F. Clement - afkomstig uit Harderwijk-, zijn<br />

zoon Simon Clement, H. Hoogop, J. Brouwer, C.F.J. Hoffman en J.C. Royaards.<br />

Het patentregister van 1806 noemt vijf boekdrukkers/boekverkopers, twee boekbinders/boekverkopers<br />

en een boekverkoper 14 . Een door het Franse bestuur in<br />

1812-1813 opgestelde staat van allen die werkzaam zijn in het boekenbedrijf noemt<br />

nog hogere aantallen: vijftien boekbinders (de facto zijn de meesten van hen ook<br />

drukkers en/of boekhandelaars), zeven boekverkopers en drie houders van een<br />

leesbibliotheek 15 . Het is de vraag of deze oplopende aantallen toe te schrijven zijn<br />

aan een vollediger registratie, aan een expanderende boekenmarkt of aan een verandering<br />

van het boekbedrijf door de afschaffing van de gilden in 1795. Veel van de<br />

genoemde personen zijn relatief jong en afkomstig van buiten Zwolle. Het is blijkbaar<br />

een aanlokkelijke bedrijfstak in deze jaren.<br />

Voor het midden van vorige eeuw zijn geen patentregisters bewaard gebleven. In de<br />

jaren 1842-1845 levert Tjeenk Willink aan elfen in de periode 1854-1856 aan zeventien<br />

Zwolse boekhandelaren.<br />

Van al deze Zwolse boekhandelaren is alleen van de firma's Tjeenk Willink, Tijl en<br />

Waanders materiaal bewaard gebleven. Het onderzoek kan daarom niet meer dan<br />

een partieel beeld van het boekenkopend publiek in de betreffende periode opleveren.<br />

Klantenboeken als bron voor historisch onderzoek gebruiken, brengt een aantal<br />

51


11. Portret van Jan terPelkwijk (1769-1835). Kocht ooit bij Tijl een flesje elixer voor 15 stuivers.<br />

P.O.M. Zwolle<br />

vragen en problemen met zich mee. Hoe kan bijvoorbeeld het belang en de plaats<br />

van een boekhandel en zijn klanten in de lokale samenleving bepaald worden?<br />

Door het koperspubliek te relateren aan de sociale samenstelling van de Zwolse<br />

bevolking kan de over- of ondervertegenwoordiging van bepaalde groepen onder<br />

het klantenbestand bepaald worden. Onder het koperspubliek bij Tjeenk Willink<br />

zijn de plaatselijke notabelen in hoge mate vertegenwoordigd. De sociale ondergrens<br />

van dit publiek lijkt in de eerste decennia van het bestaan van de firma bepaald<br />

te worden door winkeliers en ambachtslieden. Bij de firma Tijl zijn de notabelen<br />

52


aanvankelijk wat minder massaal aanwezig - tien van de zestien magistraatsleden in<br />

1781 - en vertegenwoordigen de klanten een breed sociaal spectrum. Onder deze<br />

klanten bevinden zich in de periode 1777-1791 vijf docenten van de Latijnse school,<br />

drie Franse meesters en elf schoolmeesters. Vanaf 1800 ongeveer lijkt de boekhandel<br />

van Tijl in toenemende mate een regionale functie te vervullen. Dit kan samenhangen<br />

met een groeiende concurrentie binnen de stad. De leden van de Maatschappij<br />

tot Nut van 't Algemeen uit 1799 en de leden van de Grote Sociëteit uit 1802<br />

komen in de klantenboeken van Tijl over de jaren 1792-1806 en 1789-1811 slechts<br />

in kleine aantallen voor. Bij de personen die in deze boeken wel voorkomen kan<br />

herhaaldelijk de vraag gesteld worden of dit alles is wat zij kopen. De enige aankoop<br />

die bijvoorbeeld voor dr. J. ter Pelkwijk bij Tijl wordt geboekt, is op 10 juli een<br />

flesje elixer voor vijftien stuivers 16 .<br />

Dit voorbeeld roept twee vragen op. Kopen alle klanten alles op rekening? Aangenomen<br />

kan worden dat dit het geval is. Immers, ook klanten die slechts een aankoop<br />

doen en direct betalen, staan geboekt. Daarnaast rijst de vraag bij hoeveel<br />

boekhandelaars men tegelijkertijd klant is. Enkele bewaarde kasboeken en de<br />

opsomming van schulden in een aantal boedelinventarissen geven aan dat een aantal<br />

personen bij meerdere boekhandelaars klant is 17 . Voor bepaalde personen met<br />

relaties in andere steden, door bijvoorbeeld studie of lidmaatschap van een genootschap,<br />

is het niet onmogelijk dat zij ook daar boeken kopen of laten kopen. Vergelijking<br />

van gegevens uit boedelinventarissen en debiteurenboeken en vergelijking<br />

van de elkaar overlappende klantenboeken van de firma's Tjeenk Willink en<br />

Waanders kan deze kwestie wellicht verhelderen 18 .<br />

Een ander punt betreft het gebruik van de rekening-courant. Onder de individuele<br />

kopers komen vooral de namen van mannen, gezinshoofden, voor. Maakt alleen<br />

degene op wiens naam de rekening staat hiervan gebruik? Of laat bijvoorbeeld<br />

mevrouw haar aankopen noteren op rekening van meneer?<br />

Een laatste probleem betreffende deze bron is het fenomeen van de handel in<br />

natura: boeken in ruil voor goederen of diensten. Vooral in de oudste grootboeken<br />

van Tijl komt het herhaaldelijk voor, dat een rekening-courant over een jaar wordt<br />

afgesloten met: 'voldaan met tegenreking'. In het bijzonder geldt dit voor winkeliers<br />

en ambachtslieden, maar ook wel voor beter gesitueerde personen. Zo voldoet<br />

gemeensman en lakenkoopman N. Dumpel zijn rekening bij Tijl over de jaren<br />

1779 en 1780 ten bedrage van ƒ 20,45 op 19 januari 1781 met een 'tegenreking'. De<br />

vraag is echter in hoeverre dit gebruik een beperking met zich mee brengt van de<br />

omvang van het klantenbestand en met name van de klanten uit de middenstand.<br />

Immers, Martinus Tijl kan toch niet bij alle Zwole bakkers, schoenmakers en loodgieters<br />

klant zijn?<br />

Boekaanschaf is uiteraard niet de enige toegang tot het boek. Naast school en kerk,<br />

moet vooral gedacht worden aan leesgezelschappen en bibliotheken op commerciële<br />

en ideële basis 19 .<br />

Materiaal dat directe informatie over gebruik van boeken verschaft is nog nauwelijks<br />

gevonden. Persoonlijke en familiearchieven geven daarover - met uitzondering<br />

van enige bewaarde kasboeken - voorlopig geen informatie.<br />

53


•• J<br />

.'.' fs.-t ,i.. -. .*!•- i.»;<br />

12. Debiteuren Particulieren, uitgeverij Tjeenk Willink Zwolle (1838-1839) 30, rekening van A.<br />

Wispelweij, 'de IJzerkooper', G.A. Zwolle.<br />

54<br />

yr<br />

es


3. Het onderzoek<br />

Worden de klantenboeken van de firma's Tijl, Tjeenk Willink en Waanders in<br />

chronologische volgorde geplaatst, dan resulteert een reeks die vrij uniek voor<br />

Nederland en omringende landen genoemd mag worden. Gekozen is derhalve<br />

voor Zwolle, met boekaanschaf en boekgebruik als centraal thema. Omdat dit type<br />

onderzoek zeer arbeidsintensief is, is er voor gekozen uit deze serie twee kortere<br />

periodes te bestuderen en deze vervolgens onderling te vergelijken. Het onderzoek<br />

wordt verder beperkt tot de inwoners van Zwolle en ZwoUerkerspel. Gekozen is<br />

voor de volgende periodes:<br />

a. 1777-1791. Voor deze periode worden de twee oudste grootboeken van Tijl<br />

gebruikt, die respectievelijk de jaren 1777-1785 en 1782-1791 bestrijken en<br />

waarin ongeveer 600 verschillende Zwolse klanten vermeld staan. In deze jaren<br />

heeft Zwolle ongeveer 12.000 inwoners. Omdat het hier om de oudste grootboeken<br />

gaat die bewaard zijn in Nederland, ligt de keuze van deze periode voor de<br />

hand.<br />

b. 1846-1854. Zwolle is inmiddels tot hoofdstad van de provincie <strong>Overijssel</strong> geworden<br />

en de bevolking is toegenomen tot bijna 18.000 inwoners. Voor deze periode<br />

worden drie debiteurenboeken van Tjeenk Willink gebruikt, waarin ruwweg<br />

1000 verschillende Zwolse klanten geboekt staan. Deze reeks wordt aangevuld<br />

met het klantenboek van Waanders over de jaren 1848-1854. Dit boek bevat de<br />

namen van 125 klanten, waaronder 78 uit Zwolle. Van deze 78 komen er veertien<br />

evenens voor in het debiteurenboek van Tjeenk Willink over de jaren 1849-1851.<br />

Het is op grond van een vergelijking van de twee periodes niet zonder meer mogelijk<br />

een uitbreiding of veranderde samenstelling van het kopend publiek te signaleren.<br />

Niettemin maken de twee periodes wel een vergelijking mogelijk tussen het<br />

koopgedrag in Zwolle van met name de stedelijke bovenlaag en van de elites voor<br />

en na de Bataafse omwenteling. Met het in kaart brengen van het koopgedrag kan<br />

daarnaast ook enig licht worden geworpen op een aantal problemen van cultuurhistorische<br />

aard: de rol van het Latijnse boek, de verspreiding van geschriften die als<br />

'verlicht' te boek staan, de vermeende verfransing van de elite - een belangrijk<br />

thema in de spectatoriale geschriften-, de rol van plaatselijke en regionale auteurs en<br />

het boekgebruik in het schoolwezen.<br />

Materiaal dat directe informatie kan verschaffen over gebruik van boeken is echter<br />

schaars. Vormen van boekgebruik moeten daarom overwegend langs indirecte weg<br />

gereconstrueerd worden door de boekaanschaf in verband te brengen met socioculturele<br />

kenmerken van de kopers zoals opleiding, beroep, confessie, lidmaatschap<br />

van culturele organisaties.<br />

Het onderzoek, dat in dit artikel alleen geschetst wordt, verloopt via drie sporen:<br />

a. het biografische of prosopografische onderzoek. Identifictie en beschrijving van<br />

de kopers uit de klantenboeken met behulp van een aantal kenmerken. Plaats en<br />

jaar van geboorte en overlijden, sexe, sociale afkomt, opleidingsniveau, beroep<br />

of functie, inkomen en vermogen, confessie, burgerlijke staat, aanwezigheid van<br />

kinderen en huispersoneel (in verband met aankopen voor hen) 20 , lidmaatschap<br />

van culturele organisatis. Dit laatste is een wat problematisch punt, omdat het<br />

55


genootschapswezen in Zwolle in vergelijking met bijvoorbeeld het naburige<br />

Zutphen met name voor 1800 wat minder ontwikkeld is 21 .<br />

b. het bibliografische onderzoek. De gekochte titels worden veelal summier genoteerd<br />

en voor 1800 vaak fonetisch gespeld. Een voorbeeld hiervan: op 7 juli 1791<br />

koopt ds. J.W. van Slijpe 'één Jongstons Memorie' voor twaalf stuivers. Welk<br />

geschrift van welke auteur kan hier bedoeld zijn? Waarschijnlijk gaat het om het<br />

door Abraham Johnson, pseudoniem van John Hill, geschreven 'Memorie waar<br />

in bewezen word dat een vrouw zonder toedoen eens mans zwanger worden en<br />

kinderen baren kan'. Dit is in 1778 bij H.H. van Drecht in Den Haag verschenen.<br />

De tweede druk van dit werkje verschijnt een jaar later. De oorspronkelijk<br />

Engelse versie is in 1750 te Londen gepubliceerd 22 . Dit deel van het onderzoek<br />

zal dan ook bestaan uit identificatie en volledige beschrijving van de gekochte<br />

titels (met auteur, jaar en plaats van uitgave, officiële prijs). Daarna worden de<br />

titels geordend en geclassificeerd aan de hand van globale bibliografische categorieën.<br />

c. in het derde deel van het onderzoek zullen de gegevens over kopers en gekochte<br />

titels worden verwerkt met behulp van een computer, waardoor correlaties tussen<br />

de twee reeksen gegevens opgespoord kunnen worden.<br />

4. Boekaanschaf van enkele kopers<br />

Welke mogelijkheden, maar ook welke beperkingen aan het geschetste onderzoek<br />

zijn verbonden, kan duidelijk worden gemaakt door het koopgedrag van een aantal<br />

klanten uit verschillende sociale lagen in de periode 1777-1791 te analyseren.<br />

De geneesheer en de burgemeester<br />

De eerste van deze klanten is Jan Hendrik Stolte, geboren op 19 mei 1737 te<br />

Heemse als zoon van een dominee. Hij studeert te Groningen, begint met theologie<br />

en zwaait vervolgens over naar geneeskunde. Op 18 juni 1766 promoveert hij tot<br />

medisch doctor. Daarna vestigt hij zich als geneesheer te Zwolle 23 . In 1767 verkrijgt<br />

hij het kleine en in 1771 het grote burgerschap. Daardoor kon hij lid van de<br />

gezworen gemeente worden. In april van dat jaar trouwt hij te Groningen met Barbara<br />

Wichers. Zij overlijdt drie jaar later. In 1781 hertrouwt de doctor met Francoise<br />

Herbertina Spiering in de Grote Kerk te Zwolle.<br />

Stolte past te Zwolle in 1769 als eerste de inenting tegen pokken toe. Op 9 april<br />

wordt hem dat verboden door schepenen en raden. In andere steden wordt deze<br />

methode eveneens verboden. Op 2 september kondigt hij een nieuwe inenting aan,<br />

ditmaal buiten de stad. Veel kinderen worden door hem in de jaren 1788 en 1789<br />

ingeënt.<br />

Ook op andere fronten is de arts actief. Op 5 december 1776 wordt hij gewoon lid<br />

van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen en<br />

vanaf 1778 is hij lid van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. Dit zijn<br />

twee van de vier grote geleerde genootschappen die in de tweede helft van de achttiende<br />

eeuw in de Republiek worden opgericht. Vanaf 1778 is Stolte enige jaren<br />

secretaris van het Zwolse departement van de Oeconomische Tak 24 . In de jaren '80<br />

56


is hij actief in de partriottenbe.weging in Zwolle die, in vergelijking met het naburige<br />

Deventer, wat laat op gang komt, maar door de steun van de gilden een brede<br />

aanhang weet te verwerven 25 . Hij brengt het tot kapitein van het Zwolse vrijkorps.<br />

Op 25 januari 1787, wanneer de fluwelen patriottische revolutie in Zwolle haar<br />

beslag krijgt, worden negen nieuwe magistraatsleden gekozen. Stolte is een van de<br />

zes 'homines novi' onder de nieuwgekozenen. Deze nieuwkomers zijn vertegenwoordigers<br />

van de gegoede burgerij die weliswaar in de meente zitting hebben,<br />

maar altijd buiten het stadsbestuur zijn gehouden 26 . Met de restauratie van Oranje<br />

in oktober van hetzelfde jaar verliest Stolte zijn zetel. In januari 1795 wordt hij<br />

opnieuw gekozen in de magistraat, maar deze keer is zijn zittingsperiode van nog<br />

kortere duur. Op 23 februari van dat jaar wordt hij 's avonds om elf uur begraven in<br />

de Grote Kerk.<br />

J.H. Stolte kan gezien worden als een vertegenwoordiger van de opkomende<br />

gegoede middengroepen in <strong>Overijssel</strong> in de achttiende eeuw, die de suprematie van<br />

adel en patriciaat - op het vlak van de vermogens - gaan doorbreken 27 . Ook is uit<br />

deze groepen het toenemende aantal academici uit <strong>Overijssel</strong> in de achttiende eeuw<br />

afkomstig. Zij opteren, anders dan in West-Nederland waar het aantal studenten<br />

daalt, voor de studie van de klassieke, academische disciplines 28 .<br />

Wat koopt een nieuwlichter als Stolte? Gedurende de jaren 1777 tot en met 1780<br />

besteedt hij ƒ 119,60 aan boeken en periodieken bij Tijl. Daarnaast besteedt hij<br />

regelmatig geld aan schrijfbehoeften en bindwerk. Het aandeel van periodieken is<br />

zeer klein: 30 stuivers in 1780 voor het lezen gedurende drie kwart jaar van het<br />

'<strong>Overijssel</strong>sch Bekendmakingsblad'. Geen algemeen literaire of politieke tijdschriften,<br />

die men bij zoveel van zijn stadgenoten tegenkomt. Leest hij deze periodieken<br />

niet of leest hij ze bij een leesgezelgschap 29 ?<br />

Vanaf 1781 is het bijna afgelopen met zijn boekaankopen bij Tijl. In dat jaar en de<br />

volgende twee jaren koopt hij alleen nog de delen twee, drie en vier van J.C. Lavaters<br />

'Physiognomie', waarvan hij in 1780 deel een heeft gekocht. In 1786, wanneer<br />

veel klanten allerhande politieke geschriften bij Tijl kopen, wordt voor de doctor<br />

alleen 'één Missive van de Staten van <strong>Overijssel</strong>' voor twee stuivers geboekt. Koopt<br />

hij geen boeken meer? Dit lijkt onwaarschijnlijk. Is hij van boekhandel veranderd?<br />

Dit lijkt waarschijnlijker, maar waarom is onbekend. Uit de 'staat en inventaris van<br />

den gemeene boedel' die na zijn dood is opgemaakt, blijkt dat zijn boeken, preparaten,<br />

mineralen en naturalia te Utrecht zijn verkocht en ƒ 600,- hebben opgebracht.<br />

Verder wordt een partij ongespecificeerde boeken en landkaarten voor ƒ 150,- vermeld.<br />

Op de boedel rusten nog enkele schulden. Onder andere, een rekening van<br />

A.J. Hoogop van ƒ 143,- en een rekening van S. Clement van ƒ 333,25 30 . Of de<br />

eerstgenoemde de boekverkoper Hoogop is, is niet duidelijk. De hoogte van de<br />

rekening van Simon Clement, die vast niet alleen uit druk- en papierwerk zal hebben<br />

bestaan, maakt het waarschijnlijk dat Stolte niet alleen bij Tijl boeken koopt.<br />

De vraag is echter waarom hij deze rekening zo hoog heeft laten oplopen.<br />

Zijn boekaankopen kunnen ingedeeld worden in een aantal categorieën. Aan theologische<br />

en stichtelijke lectuur besteedt hij ƒ 14,35 voor acht titels: enige delen van<br />

de nieuwe vertaling van het Oude Testament door J.D. Michaëlis, enige bijbelcom-<br />

57


mentaren en polemische geschriften. De categorie leerboeken en naslagwerken<br />

(totaal: ƒ 47,50) is wat topzwaar door de aanwezigheid van N. Chomels 'Huishoudelijk<br />

Woordenboek', zeven delen voor 45 gulden 31 . Daarnaast bevat deze categorie<br />

twee titels, een 'Vossius' en een 'Logica' van Watts, die voor een zoon op de<br />

Latijnse school bestemd lijken.<br />

De categorie geschiedenis (totaal:/12,50) bevat twee vertaalde meerdelige werken<br />

van de Schotse predikant-historicus W. Robertson, 'Geschiedenis van Schotland'<br />

en 'Geschiedenis van Amerika'. Robertson is in de Republiek dè inspirator van het<br />

buiten de academische geschiedschrijving zo populaire genre van de wijsgerige<br />

geschiedschrijving, waarin de geschiedenis wordt verheven tot het epos van de<br />

vooruitgang 32 .<br />

Twee vertaalde werken van Bourrit en Anderson bevolken de rubriek geografie en<br />

reisbeschrijvingen. Hoofdmoot van de categorie natuurwetenschappen (vijf titels<br />

voor ƒ 27,80) is de 'Katechismus der Natuur' van J.F. Martinet. Gepubliceerd in de<br />

jaren 1777-1779 beleeft dit werk herdruk op herdruk. Martinet vertegenwoordigt<br />

de populaire variant van de fysico-theologie in Nederland. Deze stroming is gebaseerd<br />

op de combinatie van moderne, empirische natuurwetenschap en een blijmoedig,<br />

optimistisch Godsbeeld. Uit het grote boek der natuur leert men, dat God<br />

goedwijs is en dat wij in de beste van alle mogelijk werelden leven 33 . Op 3 november<br />

1778 koopt Stolte deel een en twee. Reeds twee dagen later koopt hij deel drie,<br />

samen met de door J. de Vries bezorgde, maar anomien gepubliceerde, 'Aanmerkingen'<br />

34 . Deel vier wordt op 28 juni van het volgende jaar geboekt. Verder bevat<br />

deze categorie een 'Catechismus der Lugt' en Lavaters 'Over de Physiognomie' 35 .<br />

De categorie geneeskunde, de professionele werken, is niet buitengewoon vertegenwoordigd<br />

(f 10,10 voor vijf titels) en lijkt overwegend te bestaan uit meer inleidende<br />

en populariserende werkjes. Zo schaft de geneesheer drie exemplaren van de<br />

'Inleiding in de vroedkunde' door H.J.N. Crantz aan en ook twee exemplaren van<br />

het als handboekje bedoelde 'Schets der gehele verloskunde' door A. van de Laar.<br />

Deze werkjes zijn waarschijnlijk bedoeld voor onderwijs aan vroedmeesters en<br />

vroedvrouwen. Stolte beoefent ook zelf de verloskunde 36 . Deze aankopen zullen<br />

samenhangen met professionele ontwikkelingen in de medische sector in de loop<br />

van de achttiende eeuw waarin de verloskunde een centrale rol speelt 37 .<br />

De rubriek politieke geschriften bevat vijf titels van enige stuivers. Deze titels zijn<br />

veelal wel bekend, bijvoorbeeld de 'Brieven onder de drostendiensten' en de 'Antwoorden'<br />

daarop. Aan de hand van de klantenboeken valt nu aan te tonen dat ze<br />

gekocht worden en wie de kopers zijn.<br />

Opvallend afwezig in dit geheel zijn klassieke en moderne literatuur en onvertaalde<br />

buitenlandse auteurs. Geen interesse? Het oude humanistische cultuurindeaal<br />

vindt toch in de grote genootschappen, waarvan hij lid is, krachtige pleitbezorgers?<br />

Of heeft de geneesheer zich reeds in voorgaande jaren van dit type werken voorzien<br />

of koopt hij deze bij confrater Clement? Vermoedelijk raakt moderne literatuur -<br />

romans - vooral via leesgezelschappen bekend 38 .<br />

De tweede koper is mr. Arend-Jan van Muiden. Hij kan als een vertegenwoordiger<br />

van de gevestigde stedelijke elitie worden beschouwd. Veertien van de zestien<br />

58


magistraatsleden in 1781 gaan getooid met de titel van meester in de rechten. De<br />

academische titel en met name die in de rechten is een teken van sociale distincitie<br />

van de politieke elite geworden.<br />

Geboren in 1734 als zoon van dr. Arent van Muiden, 'practizijn in de regten' en<br />

ontvanger van Salland, is mr. Arent-Jan eerst genchtsschrnver en vanaf 1760 lid van<br />

de magistraat. Wat koopt deze burgemeester? Impliceerde een academische titel<br />

ook het cultiveren van het klassieke erfgoed?<br />

Over de jaren 1777 tot en met 1782 besteedt hij ƒ 125,75 aan boeken en periodieken.<br />

Op 10 september 1782 wordt de laatste aankoop geboekt. Op 28 october van dat<br />

jaar overlijdt hij. Zijn weduwe zet de rekening blijkbaar niet voort. Tijdschriften<br />

vormen een jaarlijks terugkerend onderdeel van zijn uitgaven. Vanaf 1778 leest hij<br />

de 'Vaderlandsche Letter-Oefeningen'. Tegen dit vooruitstrevende periodiek, dat<br />

vanaf 1761 door de doopsgezinde broers Loosjes wordt uitgegeven, brengt P. Hofstede,<br />

de kampioen van de orthodoxie, zijn 'Nederlandsche Bibltiotheek' in stelling.<br />

Vanaf 1779 leest de burgemeester eveneens de 'Boekzaal der geleerde Waereld',<br />

die steeds meer een kerkelijk tijdschrift is geworden, en de 'Staats-Secretaris'.<br />

Het grootste deel van de uitgaven (f 51,75) besteedt de burgemeester aan vertaalde<br />

historische werken van een moderne, verlichte signatuur: 'Algemeene wereldlijke<br />

geschiedenis' in tien delen van Millot, 'Historie van England' in acht delen van<br />

David Hume, 'De Incas' van Marmontel, maar liefst drie werken van Robertson en<br />

ten slotte ook nog twee Nederlandse auteurs, deel een van Martinets 'Historie der<br />

Waereld' en de 'Verklaring van de Unie van Utrecht' door P. Paulus. Is deze grote<br />

belangstelling voor historische lectuur een persoonlijke eigenaardigheid? De uitzondering<br />

van enkele jaren op een leven lang boeken kopen? Een boedelinventaris<br />

is niet aanwezig. Ook enkele leden van de elite in Hoorn en Leiden geven blijk van<br />

een grote historische belangstelling, maar in hun geval betreft het veelal de klassieke<br />

werken over de Opstand 39 .<br />

Aan politieke geschriften wordt dertien gulden besteed. Ook de burgemeester<br />

koopt de 'Brieven over de drostendiensten' en verder worden onder andere het<br />

geruchtmakende schotschrift van R.M. van Goens over het 'Waar Sistema van de<br />

Stad van Amsterdam' en abbé Raynals 'Révolution de PAmérique' geboekt. De<br />

burgemeester besteedt aan de rubrieken theologie, geografie en natuurwetenschap<br />

elk rond de negen gulden. Onder de theologische geschriften vallen leerreden van<br />

J.C. Lavater, J.T.W. Jerusalem en Isaac du Puy. De laatste is Waals predikant te<br />

Zwolle en houdt de grafrede bij het overlijden van Joan Derk van der Cappellen,<br />

'de wekker van de Nederlandse natie'. Evenals de geneesheer koopt de burgemeester<br />

Martinets 'Katechismus' van de beste van alle mogelijke werelden.<br />

Ruim zeven gulden wordt besteed aan school- en leerboeken. Wellicht zijn deze<br />

bestemd voor zijn schoolgaande kinderen. Een meetkundeboek, een verkorte<br />

'Histoire de France' en een Frans leesboek, als de titel 'Elémens de lecture' tenminste<br />

als zodanig gerubriceerd mag worden. Eveneens worden drie kinderboeken<br />

aangeschaft 40 . Martinets 'Kleine katechismus der Natuur voor kinderen', als ook<br />

een boek van één van Martinets navolgers, de 'Leermeester der Natuur opgedragen<br />

aan de Vaderlandsche jeugd' en het door Betje Wolff vertaalde 'Aardrijkskunde<br />

59


voor kinderen' van J.G. Raff. Deze aankopen passen binnen de kinderliteratuur die<br />

omstreeks de jaren 1770-1780 haar intrede doet 41 . Deze kinderliteratuur is een<br />

uiting van de nieuwe aandacht voor het kind, de herwaardering van de kindfase en<br />

van het streven naar een actieve zedelijke vorming van het kind.<br />

De rubriek rechten is wat mager gevuld. Voor ƒ 2,85 worden aangeschaft deel een<br />

van de '<strong>Overijssel</strong>sche Gedenkstukken' van J.W. Racer, de bekende patriot en<br />

rechtshistoricus uit Oldenzaal en een verhandeling over het voorkomen en straffen<br />

der misdaden. De hervorming van het strafrecht is een druk bediscussieerd thema<br />

in de achttiende eeuw 42 .<br />

De rubriek letteren bevat bij de burgemeester meer titels dan bij de geneesheer. De<br />

klassieke auteurs zijn slechts vertegenwoorigd met twee delen Ovidius voor 30 stuivers.<br />

Wellicht betreft het een schooluitgave, die bestemd is voor zoon Arend, geboren<br />

in 1767, die waarschijnlijk naar de Latijnse school gaat. Later zal deze zoon een<br />

van de grote kopers bij Tijl worden 43 . Onder de rubriek moderne letteren vallen<br />

Betje Wolffs 'Beemster Winter- en Buitenleven', dat in 1779 verschijnt en verder<br />

een aantal Franse titels. Is dit een teken van het stijgend maatschappelijk aanzien<br />

van het Frans, de nieuwe taal van de elite? De burgemeester koopt 'Fables' van La<br />

Fontaine, vier delen Pascal, 'L'Eloge de Voltaire' 44 en een Franse vertaling van het<br />

tractaat over de opvoeding van J. Locke. Dit laatste geschrift speelt een belangrijke<br />

rol in de discussies over hervorming van opvoeding en onderwijs aan het einde van<br />

de achttiende eeuw 45 .<br />

Wat kopen de collega-burgemeesters, meer of min van het zelfde?<br />

De schoenmaker en de loodgieter<br />

Laten we nu eens afdalen langs de sociale ladder naar de kleine burgerij. Volgens de<br />

vierdeling van B.H. Slichter van Bath vormt deze in 1795 53,4% van de Zwolse<br />

bevolking 46 . Het koopgedrag van deze groep kan onderverdeeld worden in een<br />

aantal categorieën: stichtelijke lectuur (bijbel, catechismus, psalmboek), nuttige<br />

lectuur (almanak, leerboek, krant) en onderhoudende lectuur (een volksleesboek,<br />

liedbundel, een 'Aangenamde tijdkorter'). Professionele lectuur lijkt hier nauwelijk<br />

een rol te spelen. Binnen welke beweeglijke marges van geletterdheid, koopkracht,<br />

vrijetijdspatroon en beschikbare woonruimte beweegt zich in deze groep<br />

het boekgebruik?<br />

Meester schoenmaker Van den Berg koopt in 1780 een 'Psalmboek met 4 stemmen<br />

in gevlamde band en koker' voor twee gulden en vier stuivers. In 1781 wordt op 5<br />

januari een Zwolse schrijfalmanak en nogmaals een psalmboek genoteerd. In<br />

februari wordt een gezangenbundel van een nieuwe band en koker voorzien voor<br />

twaalf stuivers. In 1782 worden twee gezangenbundels geboekt. Waartoe en voor<br />

wie zijn al deze psalmen en gezangen bestemd? Gedwongen winkelnering of restanten<br />

van een zangcultuur? In 1783 koopt de schoenmaker op 8 januari de meermalen<br />

herdrukte 'Handleiding ten dienste van eerst beginnende leerlingen' door W.L.<br />

Krieger 47 . In maart 1784 wordt een bundel gezangen met notenschrift en in oktober<br />

worden een 'Kleine Marin', een Frans-Nederlands leerboekje en enige muziekboekjes<br />

genoteerd. In 1785 koopt hij de 'Weg der Zaligheid' door F.A.Clarisse.<br />

60


JëJi


lijkt ook uit het volgende voorbeeld. Loodgieter Winters koopt in 1777 een door<br />

Van der Capellen vertaald werk van R. Price 'Aanmerkingen over den aart der burgerlijke<br />

Vrijheid', een avonturenroman en verder leest hij twee boeken en twaalf<br />

nummers van de 'Staats-Secretaris'. In 1778 worden geboekt: een verklaring van<br />

Psalm 22, een 'Verzameling stukken V.D. Capellen', twee preken, de 'Brief over de<br />

drostendiensten' en een Engels kaartspel. Opnieuw leest hij twaalf nummers van de<br />

'Staats-Secretaris', de burgemeester leest het ook. De rekening wordt op 9 februari<br />

1779 voldaan met een tegenrekening 49 .<br />

De procureur en de dominee<br />

De vraag is of sociale groepen een homogeen cultureel gedrag vertonen. Nader<br />

onderzoek zal moeten leren hoe groot de rol van religieuze lectuur in de bestedingen<br />

van de kleine burgerij in de eerste en in de tweede periode is 50 . Ook bij sommige<br />

leden van de gegoede burgerij is dit aandeel groot in de jaren 1777-1791, bijvoorbeeld<br />

bij Salomon van Deventer, procureur, gemeensman en lid van de<br />

Zwolse burgercommissie. Hij lijkt zich verslingerd te hebben aan het veeldelige bijbelcommentaar<br />

van J. van Nuys Klinkenberg. Jaarlijks koopt hij er een deel van<br />

voor enkele guldens. In 1785 is hij beland bij deel tien. In dat jaar tekent hij op 18<br />

augustus ook in op de 'Prijsversen op den Baron' en koopt hij Kriegers 'Over het lijden<br />

van Jezus Christus. In 1787 wordt het seriewerk aangevuld met een reeks politieke<br />

pamfletten en brochures. In 1788 en 1789 koopt hij alleen enkele delen 'Klinkenberg'.<br />

Is dit alles wat de procureur koopt? Hij lijkt niet bepaald een vertegenwoordiger<br />

van de 'nieuwe lezers', de niet-academisch geschoolden die zich te goed<br />

doen aan Nederlandstalige publikaties.<br />

Dat bij de gereformeerde dominees, de authentieke uitleggers van het Woord, de<br />

theologische geschriften de boventoon voeren, zal niet zo verbazen. Wel dat zij,<br />

voor zo ver zij althans in de twee oudste Tijl grootboeken verschijnen, tamelijk<br />

bescheiden kopers lijken. Zij hebben wellicht nog andere aanvoerkanalen. De<br />

dominees geven de voorkeur aan de wat behoudende 'Boekzaal' en aan geschriften<br />

van hun orthodoxe, schrijvende collega's. Werken van hun collega Martinet uit het<br />

naburige Zutphen zijn bij hen nog niet aangetroffen 51 .<br />

Ds. Henricus Adama, zoon van een dominee, geboren te Pingjum in 1729, is van<br />

1751 tot 1753 conrector aan de Latijnse school te Franeker. Vanaf 1762 is hij predikant<br />

te Zwolle, alwaar hij in 1797 overlijdt. In 1784 publiceert hij samen met collega<br />

Krieger 'Gods ontzettend strafgericht', een biddagpredikatie 52 . Hij is een van<br />

de vijf predikanten die het rekest van september 1785 aan het stadsbestuur ondertekenen.<br />

In totaal plaatsen hieronder 1425 personen hun naam. In dit rekest worden<br />

een aantal radicale eisen met betrekking tot de democratisering van het stadsbestuur<br />

geformuleerd.<br />

Van 1777 tot 1791 leest hij jaarlijks zijn twaalf nummers van de 'Boekzaal' a een<br />

stuiver. Gedurende de jaren 1777 tot en met 1781 besteedt de dominee in totaal<br />

ƒ 30,35. Hiervan is ƒ 24,95 bestemd voor theologische geschriften met een sterk<br />

orthodoxe signatuur: werken van R. Alberthoma, P. Curtenius, W.L. Krieger.<br />

Allen auteus die vasthouden aan de Openbaring als enige bron van waarheid en<br />

62


wijsheid. Ook worden meerdere exemplaren van Hellenbroeks 'Vrageboek' genoteerd.<br />

Deze zijn wellicht bestemd voor catechisanten 53 . Wat na de bestedingen<br />

voor theologsiche lectuur overblijft, gaat naar een 'Atlas des Enfans' en de 'Overdenkingen<br />

bij het graf van mijne jonge vrienden' van J. van Loo. De dominees in de<br />

achttiende eeuw zijn wel eens beschreven als ambulante concordantiën en geïncarneerde<br />

bijbelse encyclopedieën. Voor ds. Adama lijkt dit, gezien zijn koopgedrag,<br />

niet erg op te gaan. Het is de vraag of dit voor zijn Zwolse collgega's ook niet<br />

opgaat.<br />

De onderwijzer, de Franse meester en de preceptor<br />

Het is interessant een blik te werpen op de onderwijssector en het koopgedrag van<br />

schoolmeesters en docenten nader te analyseren. Over de samenstelling en ontwikkeling<br />

van het onderwijs in Zwolle in de achttiende eeuw is niet veel bekend. Gegevens<br />

uit de Franse tijd kunnen daar echter wel enig licht op werpen. De enquête van<br />

het Staatsbewind van 1801 noemt voor de Nederduitsche scholen in Zwolle drie<br />

bezoldigde schoolmeesters voor de stadsschool, de armschool en de weesschool,<br />

terwijl tien onbezoldigde schoolmeesters worden geteld. Van de onbezoldigden<br />

heeft ieder tussen de 45 en 80 leerlingen. Voor het Franse onderwijs in 1801 is er<br />

sprake van twee bezoldigde leerkrachten - de stads Franse meester en de stadsmademoiselle<br />

- en vier niet bezoldigde meesters. De stads Franse meester onderwijst in de<br />

volgende vakken: godsdienst, Frans, geografie, historie, schrijf- en rekenkunst,<br />

extra Hoogduits, Engels, Italiaans en wiskunde. De stadsmademoiselle onderwijst<br />

59 leerlingen in godsdienst, Franse taal en handwerken. Vakkenpakket, rolpatroon<br />

en sekse zijn hier duidelijk aan elkaar gekoppeld. Aan de top van het plaatselijke<br />

onderwijssysteem staat de Latijnse school met vier bezoldigde leerkrachten en<br />

ongeveer 25 leerlingen per jaar. In de loop van de negentiende eeuw blijft de leerlingenpopulatie<br />

rond dit aantal schommelen 54 .<br />

Het lager onderwijs op nationaal niveau wordt door tweederde van de kinderen<br />

bezocht. De Latijnse en de Franse school, het vervolgonderwijs, worden daarentegen<br />

door respectievelijk één en vier procent van de betreffende leeftijdsgroepen<br />

bezocht. De Latijnse school is in de loop van de achttiende eeuw door latinisering<br />

en daling van het leerlingenaantal meer en meer tot een toeleverende instantie voor<br />

de academie geworden. De Franse school met haar moderne vakkenpakket krijgt<br />

in samenhang hiermee een grote rol in vorming en socialisatie van de elites 55 .<br />

Wat is het koopgedrag van hogere en lagere schoolmeesters, culturele bemiddelaars<br />

in verschillende gedaantes? Welke boeken schaffen zij aan? Het is bij hen niet altijd<br />

duidelijk welke aankopen bestemd zijn voor gebruik op school en welke voor persoonlijk<br />

gebruik dienen. Soms is de bestemming wel duidelijk. Bijvoorbeeld bij<br />

J. Santink, schoolmeester te Zwartsluis. Op 16 mei 1778 koopt hij van de volgende<br />

titels elk 25 exemplaren: een ABboek, Catechismus, Evangelium, Historie David,<br />

Klein Hellenbroek Vrageboek. Van het Klein Lampe Vrageboek schaft hij 12<br />

exemplaren aan. Samen met enig schrijfpapier bedraagt de rekening ƒ 11,75. Hoewel<br />

identificatie van deze titels niet eenvoudig is - om welk ABboek gaat het bijvoorbeeld?<br />

-, lijkt het lager onderwijs hier, in een tijd waarin druk geschreven<br />

63


wordt over hervorming van opvoeding en onderwijs, nog geheel in het teken te<br />

staan van alfabet, bijbel en catechismus en gericht te zijn op de vorming van goede<br />

en brave christenen 56 .<br />

Bij G. van Stein, stads Nederduitsche schoolmeester en afkomstig uit Purmerend, is<br />

het minder duidelijk welke aankopen dienen voor gebruik op school. Ook hij<br />

koopt regelmatig zijn portie schrijfboekjes en schoolboeken: ABboeken, 'Speldekonsten',<br />

'Trap der jeugd'. Maar hij koopt ook allerlei andere geschriften, zoals<br />

theologische en politieke traktaten, 'Over het Italiaansch Boekhouden' door Desaguliers<br />

en 'Over de verbetering der scholen door Krom enz' 57 . Vergelijking met de<br />

aankopen van andere collega's zal een antwoord moeten geven op de vraag welke<br />

boeken voor gebruik in het lager onderwijs en welk voor hun persoonlijke vorming<br />

dienen.<br />

Wat is het koopgedrag van hogere schoolmeesters? Komt in het koopgedrag van<br />

Franse meesters en docenten aan de Latijnse school een verschil in culturele oriëntatie<br />

- klassieke geletterdheid versus modernisme - tot uitdrukking? Preceptor<br />

Schallenberg, vanaf 1769 verbonden aan de Latijnse school in Zwolle, besteedt in<br />

1777 en 1778 in totaal ƒ 103,85 aan boeken. Iets meer dan de helft hiervan wordt<br />

besteed aan uiteenlopende theologische en stichtelijke geschriften. Ook hier<br />

nemen fysico-theologie, vier delen Martinet vergezeld van de 'Aanmerkingen' en<br />

vertaalde moderne geschiedschrijving een belangrijke plaats in. Anders dan de<br />

geneesheer en de burgemeester koopt de preceptor geen Robertson, maar de 'Wijsgerige<br />

en Staatkundige geschiedenis van de bezittingen en den koophandel der<br />

Europeanen in de beide Indien' van abbé Raynal. Dit werk is in 1770 anoniem en in<br />

het Frans te Amsterdam verschenen. Het geeft de anti-slavernij campagne in<br />

Europa een krachtige impuls. De Nederlandse vertaling verschijnt in de jaren 1775-<br />

1783 58 . De preceptor koopt de eerste zeven van de in totaal tien delen voor zeventien<br />

gulden en twaalf stuivers. Als leerboeken en naslagwerken worden een Duits-<br />

Nederlands woordenboek van Kramer en,een Nederlandse grammatica van K. Stijl<br />

geboekt. De rubrieken klassieke en moderne letteren bevatten slechts enkele titels.<br />

Twee klassieke werken, waaronder de 'Opera Omnia' van Horatius, een foliouitgave<br />

voor vijftien stuivers. Onder moderne letteren vallen een Frans essay over<br />

esthetica en een bestseller uit de achttiende eeuw, 'Les Avontures de Télémaque', In<br />

zijn koopgedrag is de preceptor niet bepaald een degelijke representant van het<br />

klassieke beschavingsconcept. De vraag is of zijn collega's aan de Latijnse school dit<br />

wel zijn. Deze school zal na 1800 een bolwerk worden van het plaatselijke Nut, de<br />

exponent van het verlichte beschavingsideaal 59 .<br />

Franse meester J.F. Kühl besteedt in vier jaar, 1779 tot en met 1782, aanzienlijk<br />

minder dan de preceptor, in totaal ƒ 34,70. Een belangrijk deel hiervan lijkt<br />

bestemd te zijn voor schoolboeken: F. Ostervalts 'Onderwijs in de geographie,<br />

Fransch en Duitsch', 'Schoole der Jeugd, Fransch en Duitsch', Marins 'Methode<br />

familière' en vier exemplaren van een 'Abrégé de toutes les sciences'. Wie koopt<br />

voor wie de schoolboeken op welke Franse school? Naast enige stichtelijke<br />

geschriften - een 'Vaderlandsche Catechismus', het voor kinderen bedoelde 'Elémens<br />

du Christianisme' door Superville-, vallen vooral pedagogische geschriften<br />

64


op. De Franse meester koopt tien delen uit het Duits vertaalde spectatoriale<br />

geschriften onder de titel 'Den Mensch' voor de prijs van ƒ 16,50, Betje Wolffs<br />

'Proeve over de Opvoeding' en een 'Elémens de politesse et de bienséance suivis<br />

d'un moral'. Het is mogelijk dat de aankoop van deze geschriften een uiting is van<br />

een persoonlijke belangstelling voor gedragsregels en eigentijdse pedagogische<br />

kwesties of dat deze geschriften een illustratie vormen van het belang van algemene<br />

vorming aan de Franse school.<br />

Ook preceptor De Mann, die jaarlijks de 'Boekzaal', de 'Nederlandsche Bibliotheek'<br />

en de 'Vaderlamische Letter-Oefeningen' leest en in 1785 en 1786 veel politieke<br />

geschriften koopt, besteedt geld aan dergelijke pedagogische werken. In 1784<br />

wordt een 'Almanak voor kapsels en kleding' in 'marakeine blauw' en in 1789 een<br />

'Almanak voor Jonge heren en dames' in schildpadband verguld voor hem<br />

geboekt. De materiële uitvoering van deze werkjes suggereert dat zij bestemd zullen<br />

zijn om te gebruiken en om te tonen. Maar binnen welke context? Dienen zij<br />

onderwijsdoelen of de zorg voor zichzelf en het werken aan de schijn? Nader<br />

onderzoek naar de individuele levenslopen van docenten, naar het koopgedrag van<br />

andere docenten, naar de typen Franse scholen waaraan de Franse meesters zijn<br />

verbonden en voor welke categorieën leerlingen deze zijn bestemd, zal hierover<br />

meer helderheid moeten verschaffen.<br />

De luitenant<br />

Omdat Zwolle in deze periode ook nog een garnizoenstad is, volgt tot slot het<br />

koopgedrag van een officier, namelijk luitenant Meursinge. Gedurende drie jaren -<br />

1784, 1785, 1786 - besteedt hij bij Tijl ƒ 47,75 aan boeken en tijdschriften. In 1786<br />

leest hij de 'Mercurius der Elizeesche Velden', twaalf nummers a zes stuivers 60 .<br />

Ruim een derde (f 16,75) geeft de luitenant uit aan een bont geheel van theologische<br />

en stichtelijke lectuur, waaronder twaalf Lijkzangen op ds. I. du Puy, de in 1785<br />

overleden Waalse predikant. De overige bestedingen zijn verdeeld over een aantal<br />

kleinere categorieën. De categorie politieke geschriften is met ƒ 7,20 hiervan de<br />

grootste en bevat onder andere de 'Grondwettige Herstelling' - het hervormingshandboek<br />

bij uitstek -, deel drie en vier van de '<strong>Overijssel</strong>sche Gedenkstukken' van<br />

Racer en negentien Lijkzangen, waarschijnlijk op de dood van Van der Gapellen, de<br />

'tribuun van de burgerij'. Zijn deze exemplaren bestemd voor verspreiding onder<br />

zijn manschappen? De luitenant heeft ook belangstelling voor letterkunde - fabels<br />

en mengelpoëzie - en geografie: James Boswells 'Berigt van Korsika', een Atlas der<br />

17 Provintiën en Krayenhofs 'Korte geographische beschrijving des aardkloots'.<br />

De rubrieken geschiedenis en natuurwetenschappen zijn weliswaar klein, maar<br />

bevatten enige opmerkelijke werkjes: het reeds in 1755 in vertaling verschenen<br />

'Regt gebruik der Historiën' van Bolingbroke en het 'Kort begrip van het<br />

zamenstel der natuur van Linnaus' dat in 1783 te Amsterdam verschijnt. Hij koopt<br />

dit laatste werkje op 28 juli 1784 voor 26 stuivers. De luitenant koopt dus overwegend<br />

moderne geschriften, met een belangrijk aandeel van stichtelijke lectuur. Hij<br />

kan daarom als een representatn van de 'nieuwe lezers' beschouwd worden.<br />

65


LIJST<br />

VAN<br />

I N D E<br />

ALGEMEENE BIBLIOTHEEK<br />

TB ZWOLLE V 0 0 ft H A IN D EN E<br />

BOEKEN.<br />

!*«€>€«*««<<br />

GESCHIEDENIS.<br />

JV. Goerée, Kerkelijke en Weereldlijke Historiën.<br />

Bossuet, Discours sur PHistoire Universelle, 4 deelelL<br />

J. von Muller, Algemeene Geschiedenis, door N.Gt<br />

van Kampen, 3 deelen.<br />

J. F. Martinet, Historie der Wereld, 9 deelen,<br />

• Flavius Josephus, Joodsche Geschie»<br />

denisseu, 9 deehn.<br />

A* H. L. Heeren, Handboek van de Geschiedenis def<br />

Oude Staten, door Dornsciffcn.<br />

Ideeën over de Staatkunde , vtrfceering<br />

en den handel van de Volken der Oudheid,<br />

door denzelfden, 5 deelen.<br />

___ Kleine <strong>Historisch</strong>e Schriften , 3 deelétJ<br />

• De gevolgen def Kruistogten<br />

14. Eerste pagina van de Lijst van in de Algemeene Bibliotheek te Zwolle voorhanden zijnde boeken<br />

(midden 19e eeuw), G.A.D. Zwolle.<br />

66<br />

Ls»


5. Conclusie<br />

Hoewel in het voorgaande slechts de aankopen van enkele kopers zijn toegelicht,<br />

vallen toch een aantal zaken op. Dat religieuze lectuur bij allen een meer of minder<br />

belangrijke rol speelt, zal niet verbazen. Ook in Middelburg is dat het geval 61 . Maar<br />

wat geeft de doorslag bij de verschillende personen: stichting, polemiek of onderzoek?<br />

Opvallend is de relatief grote plaats die de verlichte geschiedschrijving, inclusief<br />

reisbeschrijvingen, en de fysico-theologie a la Martinet bij burgemeeser, geneesheer<br />

en preceptor innemen. Is met deze kopers ook een sociale grens - elite en<br />

gegoede burgerij - aangegeven ten aanzien van de verspreiding van dit type geschriften?<br />

Dat school- en leerboeken hun plaats opeisen in een stad van een land waar<br />

onderwijs en geletterdheid in de achttiende eeuw op een relatief hoog peil staan, ligt<br />

eveneens voor de hand. Schoolboeken, maar ook kinderboeken, kunnen nog nauwer<br />

gerelateerd worden aan de gezinssamenstelling van de kopers en de bezochte<br />

onderwijstypen.<br />

Opvallend is de marginale rol van klassieke en moderne letteren en de geringe aanwezigheid<br />

van Franse titels. Dit laatste geldt niet voor de burgemeester en de Franse<br />

meester, die ook enkele Franse romannetjes koopt. Plaatselijke auteurs, met uitzondering<br />

van dominees, vallen eveneens op door hun afwezigheid. Nog geen R.<br />

Feith, wiens 'Julia' tocn m 1783 wordt uitgebracht 62 . Ook geen B.J. van Hattum<br />

van wie in 1776 bij S. Clement het vijfde deel van zijn 'Beschrijving der stadt<br />

Zwolle' verschijnt en dat in de 'Boekzaal' van februari 1776 wordt aangekondigd.<br />

Of kopen de Zwollenaren dit werk direct bij confrater Clement? In Hoorn bezit<br />

iedere regent in de achttiende eeuw wel een exemplaar van de 'Chronyk van<br />

Hoorn' van Velius.<br />

Het handje vol kopers dat hier boven de revue is gepasseerd, roept echter ook vele<br />

vragen op. Vragen die uitnodigen tot verder onderzoek. Wel maakt dit groepsportret<br />

duidelijk dat klantenboeken, weliswaar met enige mitsen en maren, een rijke<br />

bron zijn waarmee koopgedrag gedetailleerd kan worden onderzocht. Verder<br />

onderzoek, waarbij het koperspubliek gerelateerd moet worden aan de sociale<br />

samenstelling van de Zwolse bevolking, kan duidelijk maken in hoeverre verschillende<br />

sociale groepen een homogeen koopgedrag vertonen of in hoeverre<br />

scheidslijnen door de sociale groepen heen lopen. Bestudering van de tweede<br />

periode - de jaren 1846-1854 -, die in het voorgaande onbesproken is gebleven, zal<br />

veranderingen of continuïteit in het koopgedrag aan het licht kunnen brengen.<br />

Om het gebruik van boeken te achterhalen, zal vooral onderzoek moeten worden<br />

verricht naar de individuele levenslopen van de kopers en naar de invloed van de<br />

diverse schooltypen, genootschappen, professionaliseringsprocessen en confessionele<br />

scheidslijnen.<br />

Noten<br />

* Dit is de schets van een lopend promotie-onderzoek. Me: dank aan J.H. Drentje,<br />

W.Th.M. Frijhoff, W.A. Huijsmans, N. Lettinck, J.M. van de Velde en S.S. de Vries voor<br />

hun commentaar op de eerste versie van dit verhaal.<br />

67


1. W. van den Bergen J. Stouten ed., Het Woord aan de Lezer (Groningen <strong>1987</strong>); R. Chartier<br />

ed., Pratiques de la Lecture (Paris/Marseille 1985); H.G. Göpfert hrsg., Buch und Leser<br />

(Hamburg 1977); I. Rivers ed., Books and their Readers in Eighteenth-Century England<br />

(Leicester 1982).<br />

2. Exemplarisch voor het historisch receptie-onderzoek: J.J. Kloek, Over Werther geschreven...<br />

Nederlandse reacties op Goethes 'Werther' 1775-1800. Proeve van een historisch<br />

receptie-onderzoek (Utrecht 1985).<br />

3. Bijvoorbeeld: J. Quéniart, Culture et Société urbaines dans la France de l'Ouest au 18ème<br />

siècle (Lille 1977)583.<br />

4. Een resumé van het Franse onderzoek vindt men in: R. Chartier et D. Roche, 'Les pratiques<br />

urbaines de 1'imprimé, in: Histoire de l'Editionfrancaise, t.2 (Paris 1984) 403-429.<br />

5. Over deze ontwikkelingen: R. Chartier, 'Intellectual history or sociocultural history?<br />

The French trajectories', in: D. La Capra ed., Modern European Intellectual History: Reappraisals<br />

and New Perspectives (Ithaca-London 1982) 13-46.<br />

6. Bijvoorbeeld: R. Darnton, 'First Steps toward a History of Reading', in: Australian Journal<br />

of French Studies 13 (1986) 5-30; R. Chartier, 'Les Pratiques de 1'écrit', in: Histoire de la<br />

Vieprivée, t.3 (Paris 1986) 113-161.<br />

7. W.W. Mijnhardt, 'Het Nederlandse genootschap in de achttiende en vroege negentiende<br />

eeuw', in: De Negentiende Eeuw! (1983) 76-101; dez., 'Het Nut en de Genootschapsbeweging',<br />

in: W.W. Mijnhardt en A.J. Wichers red., Om het Algemeen volksgeluk. Twee eeuwen<br />

particulier initiatie)'(Edam 1984) 189-220.<br />

8. M. van Dijk, 'Spel- en Speelkultuur in de negentiende eeuw. Een onderzoek naar vrijetijdsrelicten<br />

in boedelinventarissen', in: Volkskundig Bulletin 9 (1983) 53-81 treft in 850<br />

de ca. 4500 door haar bestudeerde inventarissen vermeldingen aan van boeken, waarvan<br />

slechts in 117 inventarissen titels en/of auteurs identificeerbaar zijn. Sommige auteurs<br />

gaan er vanuit dat juist boeken die boedelinventarissen worden genoteerd, het minst<br />

worden gelezen.<br />

9. Voor Europa zijn bekend: H.J. Martin, Livres et Lecteurs a Grenoble. Les registres du<br />

libraire Nicolas 1645-1668 (Genève 1977).<br />

10. Het uit de achttiende eeuw daterende archief van de firma Luchtmans te Leiden is wat<br />

betreft de boekhandel slechts van beperkte betekenis door de sterke gerichtheid op het<br />

'betere boek' en de intellectuele elite. Aan de R.U. Utrecht loopt een onderzoeksproject<br />

naar de klantenboeken van de firma Van Benthem te Middelburg die beginnen in 1801.<br />

Voor de eerste resultaten van dit onderzoek: J.J. Kloek en W.W. Mijnhardt, 'Het<br />

Lezerspubliek als object van onderzoek. Boekaanschaf in Middelburg in het begin van de<br />

negentiende eeuw', in: De nieuwe taalgids 79 (1986) 14-32.<br />

11. Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle (GAZ), BA001, Archief van de N.V. Uitgeversmaatschappij<br />

W.E.J. Tjeenk Willink 1838-1968, inv.nrs. 488-538: Debiteurenboeken<br />

Particuleiren. De serie loopt na 1901 weliswaar door, met een onderbreking in de<br />

jaren 1916-1929, tot 1948, maar verandert dan van karakter. Van de firma H.H. Kok is<br />

een grootboek over de jaren 1902-1903 bewaard.<br />

12. Dat M. Tijl vanaf 1767 is gevestigd als boekhandelaar te Zwolle, ontleen ik aan: W.A.<br />

Elberts, <strong>Historisch</strong>e Wandelingen in en om Zwolle (Zwolle 1890, heruitg. 1973) 23-24. Het<br />

gedenkboek ter gelegenheid van het 175-jarig bestaan van de Erven J.J. Tijl in 1952 plaatst<br />

de geboorte van de firma in 1777: H. Alma, Tijls Curiosa (Zwolle 1952). Met dank aan de<br />

heer J. Dikkers en de heer M.J.P. van Santen voor het beschikbaar stellen van dit materiaal<br />

uit het Tijl-archief.<br />

13. Met dank aan de heer W.J.G.M. Waanders voor het gastvrije inzien van dit materiaal.<br />

68


14. GAZ, AAZ01, inv.nr. 04578: patentregister 1806.<br />

15. Rijksarchief in de Provincie <strong>Overijssel</strong>, Sous-Préfecture Zwolle 1811-1813, inv.nr. 4280:<br />

Imprimeries. Librairies. Cabinet de Lecture. Surveillance. Tout ce qui concerne cette<br />

partie de 1'administration.<br />

16. Tijl lijkt met name in de jaren 1804-1809 een rol gespeeld te hebben in het distributienetwerk<br />

van Van der Veen's Elixer Probatum, hoewel hij niet voorkomt onder de namen<br />

van de wederverkopers. Zie daarover: W. Frijhoff, 'Ondernemerschap en cultuurpatroon:<br />

Van der Veen's Elixer Probatum van wondermiddel tot maagbitter', in: Bewogen<br />

en Bewegen. De historicus in het spanningsveld van tussen economie en cultuur (Tilburg<br />

1986) 249-277.<br />

17. J. ter Pelkwijk laat volgens de boedelinventaris opgemaakt na zijn dood in 1834 een grote<br />

collectie boeken na, waarvan de waarde geschat wordt op ƒ 1.111,50. Op de boedel rusten<br />

nog schulden voor geleverde boeken door de boekhandelaars Van Stegeren, Zeehuisen,<br />

Doyer en Boelens ten bedrage van resp. ƒ 18,70, ƒ 41,-, ƒ 4,50 en ƒ 13,10 (GAZ, NA001,<br />

inv.nr. 861, akte nr. 5898). Met dank aan de heer W.A. Huijsmans die mij op deze akte<br />

attendeerde.<br />

18. Bijkomend probleem voor deze vergelijking is dat het Notarieel Archief in Zwolle pas in<br />

1811 begint. De vóór dat jaar opgemaakte en bewaarde boedelinventarissen zijn niet talrijk<br />

en summier van inhoud. Deze bevinden zich in het Rechterlijk Archief.<br />

19. Leesgezelschappen in Zwolle hebben geen eigen archief nagelaten. Wel komen ze voor in<br />

de klantenboeken van Tijl en Tjeenk Willink. Van meerdere commerciële lees- of winkelbibliotheken<br />

in Zwolle is alleen het bestaan bekend. Tijl heeft ook een 'cabinet de lecture',<br />

regelmatig worden in de klantenboeken uitgaven geboekt voor het lezen van boeken<br />

en tijdschriften. Van de Algemene Bibliotheek (1827-1920) en van Leesbibliotheek<br />

(1814-1913) van het plaatselijke Nut is wel enig materiaal bewaard gebleven, maar geen<br />

uitleenregisters. Van de zijde van neerlandici is recentelijk betoogd dat vooral de winkelbibliotheken<br />

het meest zuivere beeld van de lezer en zijn smaak in de negentiende eeuw<br />

verschaffen: B. Luger, 'Wie las wat in de negentiende eeuw? Een verkenning', in: De<br />

Negentiende Eeuw 6 (1982) 107-132.<br />

20. Prof. Matthias van Geuns schrijft in 1799 aan zoon Jacob, geneesheer te Groningen, over<br />

het Weekblad van het Nut: 'ik heb nu voor onze dienstboden begonnen met n. 105 om<br />

successief in de keuken te geven'. Maar dit lezen moet wel binnen sociaal nuttige grenzen<br />

blijven: 'dat aan 't lezen helpen van den gemeenen man, is wel goed om hen van de kroeg<br />

en straat te houden, maar het dient bepaald te worden tot weinige en regt nuttige boeken,<br />

anders maakt men neuswijzen, halfgeleerden en verzuimers van hun noodiger werk,<br />

(...)'. Geciteerd in: LH. van Eeghen, Meniste Vrijage (Haarlem 1969) 146.<br />

21. M.R. Hermans, Genootschapsleven in Zutphen 1778-1834', in: Bijdragen en Mededelingen<br />

Gelre 76 (1985) 56-87. Na de oprichting en het verbod in 1789, leidt het plaatselijke<br />

Nut tot 1799 een wat ondergronds bestaan. Pas na 1804 neemt het ledenaantal aanzienlijk<br />

toe: J.H. Drentje, 'Minnaars der Deugdbevordering'. De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen<br />

te Zwolle van 1789 tot 1814 (eindscriptie CLZ, Zwolle 1986). In 1802 worden de<br />

Grote Sociëteit en de loge 'Fides Mutua' opgericht.<br />

22. Over dit werkje: J.J. Darmon, Le Mythe de la Procréation a Vage baroque (Paris 1977)<br />

hoofdstuk 7: 'Peut-on procréer sans homme?'.<br />

23. Op de titelpagina van een geschriftje dat hij in 1777 bij S. Clement het licht doet zien,<br />

staat dat Solte ook stads medicinea doctor is. Ook als lid van het Zeeuwsch Genootschap<br />

der Wetenschappen staat hij als zodanig te boek. Stadsdoctor in deze jaren is R. van Sonsbeeck<br />

die de in 1772 overleden dr. R. Feith opvolgt.<br />

69


24. De Oeconomische Tak is een dochterinstelling van de Hollandsche Maatschappij van<br />

Wetenschappen te Haarlem en heeft als doelstelling het stimuleren van het economisch<br />

herstel van de Republiek. Binnen een jaar na haar oprichting in 1777 heeft de 'Tak' 55<br />

plaatselijke departementen en meer dan 3000 leden. Maar deze bloei is slechts van korte<br />

duur. Het Zwolse departement telt in 1778 19 en in 1780 30 leden. Stolte schrijft op 11<br />

april 1778 aan de secretaris van de Hollandsche Maatschappij naar aanleiding van een vergadering<br />

van het Zwolse departement: 'de zucht voor 't welzijn van ons lieve Vaderland,<br />

die bij de Nederlanders meer in slaap gesust, dan uitgedoofd schijnt, en door de aantrekkelijke<br />

kracht van goede voorbeelden ligt ontwaken kan, gloeide op onze aangezichten!'.<br />

In 1788 is het departement reeds ter ziele (Gemeente Archief Haarlem, Archief van de<br />

Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel te Haarlem 1777-1797, ingekomen<br />

brieven en ledenlijsten van de departement over de jaren 1777, 1778, 1779,. 1780,<br />

• 1788).<br />

25. M. van Heuven-Bruggeman, 'Een rekest in Zwolle in de nazomer van 1785', in: Verslagen<br />

en Mededelingen VORG91 (1976) 70-95.<br />

26. A.J.A. Bos, De Zwolse Magistraat 1747-1795. Een ondezoek naar een mogelijk oligarchiseringsproces<br />

in de tweede helft van de achttiende eeuw (ongep. scriptie Zwolle 1978).<br />

27. B.H. Slichter van Bath, Een samenleving onder spanning. Geschiedenis van het platteland<br />

in <strong>Overijssel</strong> (Assen 1957) 256 e.v.<br />

28. W. Frijhoff, 'Université et marché de 1'emploi dans la République des Provinces-Unies',<br />

in: D. Julia ed., Les Universités européennes du XVIe au XVlHe siècle (Paris 1986) 205-243,<br />

tableau 2.<br />

29. Uit het in noot 23 genoemde werkje kan opgemaakt worden dat Stolte de 'Vaderlandsche<br />

Letter-Oefeningen' wel leest. Maar waar?<br />

30. GAZ, RA001, inv.nr. 001175, p. 162-171: Staat en inventaris van den gemeene boedel van<br />

wijlen den oud-burgemeester Jan Hendrik Stolte.<br />

31. Het gaat om het: Algemeen Huishoudelijk-, Natuur-, Zedekundig- en Konst-Woordenhoek,<br />

vervattende veele middelen om zijn goed te vermeerderen, en zijne gezondheid te behouden<br />

door M. Noel Chomel. Tweede druk geheel verbetert, en meer als de helft vermeerdert<br />

door J.A. de Chalmot, Leyden en Leeuwarden 1778. Dit dure, meerdelige werk is<br />

bepaald in trek in Zwolle. Op de intekenlijst in deel een staan de namen van vijftien inwoners<br />

in Zwolle, waaronder de boekhandelaren S. Clement, C.F.J. Hoffmann en J.C.<br />

Royaards die resp. voor vijf, een en twee exemplaren intekenen. Stolte en Tijl bevinden<br />

zich niet onder de intekenaren.<br />

32. A.Th. van Deursen, 'Wijsgerige geschiedschrijving in Nederland' (1967), in: J.A.L. Lancée<br />

red., Mythe en Werkelijkheid (Utrecht 1979) 103-120. Maar ook op het niveau van de<br />

academische geschiedschrijving zijn openingen naar een verlichte geschiedenis van de<br />

mensheid; daarover: J. Roelevink, Gedicteerd verleden. Het Onderwijs in de Algemene<br />

Geschiedenis aan de Universiteit te Utrecht 1735-1839 (Amsterdam-Maarssen 1986) hoofdstuk<br />

VI en VII. De grote invloed van Robertson in de Republiek wordt veelal toegeschreven<br />

aan het feit dat hij naast de immanent causale verklaring in de geschiedschrijving vasthoudt<br />

aan het geloof in de werking van de Voorzienigheid.<br />

33. Over Martinet en de fysico-theologie: B. Paasman, ƒ. F. Martinet. Een Zutphens filosoof in<br />

de achttiende eeuw (Zutphen 1971); J. Bots, Tussen Descartes en Darwin. Geloof en natuurwetenschap<br />

in de achttiende eeuw in Nederland (Assen 1972) 67-81.<br />

34. J. de Vries, Natuurkundige en ophelderende aanmerkingen over den Katechismus der<br />

Natuur door den heer J.F. Martinet, 4 dln. (Amsterdam 1778-1779).<br />

35. J.C. Lavater (1741-1801) is predikant in Zürich en verdediger van het geopenbaarde gods-<br />

70


geloof. Vele van zijn werken zijn in het Nederlands vertaald. In zijn 'Physiognomische<br />

Fragmente zur Beförderung der Menschenkenntnis und Menschenliebe' (1775-1778)<br />

poogt hij de wisselwerking tussen het innerlijk en het uiterlijk, tussen houding, lichaamsbouw<br />

en karakter aan te tonen. Dit werk wordt weldra in meerdere talen vertaald en<br />

bewerkt. De Nederlandse vertaling verschijnt in de jaren 1780-1784. Op de naamlijst van<br />

intekenaren in deel een staan de namen van zes inwoners van Zwolle, waaronder de<br />

boekverkopers Clement, Hoogop en Tijl die voor resp. twee, een en acht exemplaren<br />

intekenen. In 1808 verschijnt een nieuwe Nederlandse vertaling. Over Lavater en de<br />

groeiende gevoeligheid voor de semiotiek van lichaam: Ph. Perrot, Le travaildes apparences,<br />

ou les transformations du corps féminin (Paris 1984), Ned. vert.: Werken aan de schijn<br />

(Nijmegen <strong>1987</strong>)94e.v., 180.<br />

36. Dit is geen gangbare beroepsbezigheid voor een geneesheer in die tijd. Volgens Jacob van<br />

Geuns practiseert in 1793 slechts één geneesheer in Groningen de verloskunde (LH. van<br />

Eeghen, a.w., p. 105).<br />

37. Daarover: W. Frijhoff, 'Non satis dignitatis... over de maatschappelijke status van<br />

geneeskundigen tijdens de Republiek', in: Tijdschrift voor Geschiedenis 96 (1983) 379-406.<br />

Over de ontwikkeling en samenstelling van de medische sector in Zwolle is niet veel<br />

bekend. In het patentregister van 1806 worden zes geneesheren, drie chirurgijns, zes apothekers<br />

en negen baardscheerders genoemd.<br />

38. In Middelburg is bijna een kwart van de uitgaven van leesgezelschappen bestemd voor<br />

romans en verhalenbundels. Van de particuliere bestedingen bedraagt dit slechts 5,8%<br />

(Kloek en Mijnhardt, a.w., p. 29-tabel 3).<br />

39. L. Kooymans, Onder Regenten. De elite in een hollandse stad, Hoorn 1700-1780 (Amsterdam<br />

1985) 199-200, tabel 38; M.R. Prak, Gezeten Burgers. De elite in een Hollandse stad,<br />

Leiden 1700-1780 (Amsterdam 1985) 222-223, bijlage 11. De meeste boedelinventarissen<br />

die de beide onderzoekers bestudeerden, dateren weliswaar eerdere tijdstippen in de<br />

achttiende eeuw. Martinets 'Historie der Waereld', 9 dln., Amsterdam 1780-1788, heeft<br />

dezelfde religieuze inspiratie en intentie als zijn 'Katechismus'. Uit de Bijbel, de Natuur<br />

en de Geschiedenis leert men Gods woord, werken en daden kennen.<br />

40. De burgemeester trouwt op 8 juli met de dochter van de schout van Hardenberg. Zij hebben<br />

acht kinderen. Vier van hen sterven een vroege kinderdood. Het demografisch<br />

ancien régime lijkt hier nog niet ten einde. In Hoorn gaan bijna alle regentenzoons naar<br />

de Latijnse school en ruim twee derde van hen gaat vervolgens rechten studeren. En de<br />

dochters?<br />

41. W. GobbersJean-JacquesRousseau in Holland. Een onderzoek naarde invloed van de mens<br />

en het werk (ca. 1760-ca. 1810)(Gent 1963)325.<br />

42. Waarschijnlijk betreft het de door het genootschap Floreant Liberales Artes bekroonde<br />

verhandeling van de Amsterdamse advocaat mr. Henricus Calkoen 'Over het voorkomen<br />

en straffen der misdaaden'. Over deze verhandeling: H. Franke, 'Misdaad en straf<br />

sinds 1780. De progressieve opvattingen van Henricus Calkon', in: NRCHandelsblad 18<br />

januari 1986, Zaterdags Bijvoegsel, p. 5.<br />

43. Ovidius vormt een vast onderdeel van het onderwijs aan de Latijnse scholen in de zeventiende<br />

en achttiende eeuw. Anderzijds mag verwacht worden dat het bezoeken van de<br />

Latijnse school een wat regelmatig uitgavenpatroon voor school- en studieboeken met<br />

zich mee brengt.<br />

44. Vermoedelijk gaat het om de aankoop van: 'L'Eloge de Voltaire, lu a PAcadémie royale<br />

de Berlin par Frédéric II roi de Prusse', Berlin 1778. De burgemeester koopt het op 6<br />

januari 1779 voor acht stuivers.<br />

71


45. W. Gobbers, a.w., p. 341.<br />

46. De rest van de bevolking in 1795 is verdeeld over, de bovenlaag: 2,7%, de hogere middenklasse:<br />

5,5% en de volksklasse: 38,4% (Slicher van Bath, a.w., p. 185). De laatste groep<br />

lijkt afwezig in de twee oudste Tijl grootboeken.<br />

47. W.L. Krieger, geboren in 1748 te Amsterdam, is van november 1781 tot september 1784<br />

predikant te Zwolle en vervolgens te Nijmegen, Utrecht en Den Haag. In 1814 wordt hij<br />

benoemd tot hofprediker. In 1822 overlijdt hij te Den Haag. In 1787 wordt van hem te<br />

Utrecht uitgegeven: 'Plechtige Dankstond, wegens de verlossing van Utrecht gehouden<br />

19 september 1787 met eene Leerrede, hiertoe betrekkelijk'.<br />

48. Hierover: N.C.F, van Sas red., Voor Vaderland en Vrijheid. De Revolutie van de Patriotten<br />

(Amsterdam <strong>1987</strong>) 97-130. Het schoenmakers- en looiersgilde is één van de ondertekenaren<br />

van het grote patriottische reekst van september 1785.<br />

49. Ook in 1781 en 1782 leest de loodgieter de 'Staats-Secretaris'. Daarna blijkt hij overleden<br />

te zijn. In 1783,1784 en 1785 wordt de rekening voortgezet onder de naam 'Juffrouw de<br />

wed. Winters'. Ook zij leest dit periodiek voor twaalf stuivers per jaar. Neemt zij de<br />

smaak van meneer over? Wie leest voor 1783 dit periodiek: hij of zij, op zijn naam, of alle<br />

twee? Het gaat vermoedelijk om: 'Nieuwe Europische Staats-Secretaris vervattende al<br />

het merkwaardige staats- als ander nieuws in Europa en elders van maand tot maand<br />

voorgevallen'.<br />

50. Volgens buitenlands onderzoek wordt het boekenbezit van de kleine burgerij in een aantal<br />

West-Franse steden in de achttiende eeuw, voorzover deze groep althans boeken bezit<br />

en dit in de boedelinventarissen wordt geregistreerd, gedomineerd door devote geschriften<br />

(Quéniart, a.w., p. 748-782).<br />

51. Er zijn vele dominees in de achttiende eeuw die Martinet vast wel kopen en lezen. J. van<br />

Loo, predikant te Ootmarsum schrijft daarover op 31 oktober 1777 in zijn 'Dagboek'<br />

(Amsterdam 1814, p. 14): 'Na het eten, gelezen in MARTINET'S Katechismus der<br />

natuur', pas ontvangen. - Hoe duidelijk - hoe klaar - hoe vatbaar! - Ik wil het geheel lezen<br />

en mij eigen maken-'. De dominee is ook een bewonderaar van Robertson en Lavater.<br />

52. Martinet deelt op grond van zijn 'oogmerkentheologie' de straf-op-de-zonde idee ten<br />

aanzien van bijvoorbeeld overstromingen niet: 'de wijze God' heeft ze 'toegelaaten...<br />

ter bereidinge van die onuitputtelyke Turfgronden, die men zo veele Eeuwen reeds<br />

gebaggerd en noch niet verbrand heeft' (geciteerd in: J. Bots, a.w., p. 72).<br />

53. Het gaat om het door A. Hellenbroek (1658-1731), één van de meest vermaarde strengvoetiaansche<br />

predikanten, geschreven: 'Voorbeeld der Godlijke Waarheden voor eenvoudigen,<br />

die zig bereiden ot de belydenisse des Geloofs'. Dit werkje verschijnt in 1706<br />

voor de prijs van drie stuivers. In 1803 beleeft het de 46e druk. Van dit werkje bestaan verschillende<br />

bewerkingen, die bekend zijn onder de titel 'Groot' en 'Klein Hellenbroek'.<br />

Voor de meeste boeken in de achttiende eeuw is een derde druk het maximaal haalbare,<br />

met een gemiddelde oplage van ongeveer 1000 exemplaren.<br />

54. Algemeen Rijksarchief, archief Staatsbewind, inv.nr. 523: Staten van Nederduitsche,<br />

Fransche en Latijnse scholen in de Bataafsche Republiek.<br />

55. W. Frijhoff, 'Van onderwijs naar opvoedend onderwijs. Ontwikkelingslijnen van<br />

opvoeding en onderwijs in Noord-Nederland in de achttiende eeuw', in: Onderwijs en<br />

Opvoeding in de achttiende eeuw (Amsterdam-Maarssen 1983) 3-39.<br />

56. Over het onderwijs in Utrechtse steden: E.P. de Booy, Kweekhoven der Wijsheid. Basis- en<br />

vervolgonderwijs in de steden van de provincie Utrecht van 1580 tot het begin der 19e eeuw<br />

(Zutphen 1980) 41 e.v. De hervorming van het onderwijs komt ook ter sprake in het<br />

'Blaadje zonder Titel voor burger en boer in <strong>Overijssel</strong>'. Dit 'Blaadje' wordt bij Tijl door<br />

72


meerdere personen gelezen, bijvoorbeeld door schoolmeester G. van Stein, preceptor De<br />

Mann en apotheker Westenberg.<br />

57. Vermoedelijk gaat het om de aankoop van: H.J. Krom, K. van der Palm en D.C. van<br />

Voorst, Verhandelingen over de verbeteringe der openbaare, vooral der Nederduitsche schooien,<br />

ter meerdere beschavinge van onze Natie, Middelburg 1781. De meester koopt het<br />

boek op 27 maart 1782. Het gaat om de bekroonde antwoorden op de prijsvraag over hervorming<br />

van het onderwijs die in 1779 door de Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen<br />

is uitgeschreven. De veranderingen die Krom en Van der Palm voorstellen, onder<br />

andere de invoering van het klassikaal onderwijs, krijgen in de onderwijswetten van de<br />

Franse tijd hun beslag.<br />

58. Op de intekenlijst in deel een van 1775 staat als enige inwoner van Zwolle genoteerd: M.<br />

Tijl, boekverkoper te Zwolle, vier exemplaren. Heeft hij deze exemplaren ook verkocht?<br />

Volgens A.C. Kors beleeft dit werk in de achttiende eeuw 40 edities. Hoewel de<br />

afkeer van de slavernij zich in vrij brede kring openbaart, is de anti-slavernij beweging,<br />

anders dan in Engeland en Frankrijk, in Nederland vrij zwak. Hierover: G.J. Schutte,<br />

'Zedelijke Verplichting en gezonde staatkunde. Denken en doen rondom de slavernij in<br />

Nederland en koloniën, eind 18e eeuw', in: Documentatieblad Werkgroep 18e eeuw, nr.<br />

41-42 (febr. 1979)101-115.<br />

59. J.H Drentje, a.w. Dit kan ook samenhangen met een zekere synthese tussen het klassieke<br />

en verlichte beschavingsconcept die zich na 1800 binnen het Nut lijkt af te tekenen:<br />

W.W. Mijnhardt, 'Het Nut', p. 212-214.<br />

60. Het gaat om het maandelijkse periodiek: 'De Mercunus der Elizeesche Velden, of Staatsberigten<br />

uit het Rijk der Dooden, om te dienen tot opheldering der Vaderlandsche<br />

hedendaagsche historie in deze laatste tijden'. Vermoedelijk zijn er niet meer dan enkele<br />

nummers van verschenen.<br />

61. In Middelburg is in de jaren 1801-1815 de categorie theologische en stichtelijke lectuur de<br />

grootste categorie met 17,8% van het totaal der bestedingen. In het Lutherse Spiers vormen<br />

de religieze titels in de periodes 1744-1750 en 1780-1786 resp. 84% en 80% van het<br />

nagelaten boekenbezit: E. Francois, 'Livre, confession et société urbaine en Allemagne<br />

au XVIIIe s.: 1'exemple de Spire', in: Revue d'Histoire Moderne et Contermporaine 29<br />

(1982)353-375.<br />

62. Op 16 april 1783 kopen burgemeeser mr. David Thomassen a Thuessink, één van de<br />

grootste kopers bij Tijl in deze periode, en ds. Isaac du Puy een exemplaar van de 'Julia'.<br />

Ritmeester Heukel koopt acht dagen later een exemplaar.<br />

73


De ijzergieterij en machinefabriek<br />

van de fa. GJ. Wispelwey & Co. te Zwolle<br />

in de eerste halve eeuw van haar bestaan<br />

G. van Hooff<br />

1. Inleiding<br />

De industrialisatie in Nederland kent een eigen, van de omringende West-europese<br />

landen afwijkende, ontwikkeling. Deze eigen Nederlandse richting bij de mechanisering<br />

van landbouw, diensten- en goederenproduktie is nog steeds een voorwerp<br />

van onderzoek en discussie. Het beeld van de oudere geschiedschrijving van een<br />

achterlijke industriële nijverheid rond het midden van de vorige eeuw is inmiddels<br />

wat genuanceerd. Niet in alle bedrijfstakken heerst er passiviteit. En, gezien de<br />

Nederlandse verhoudingen, is het voor veel bedrijven dan vaak niet (economisch)<br />

interessant om tot mechanisatie over te gaan. Een voorbeeld van een bedrijfstak die<br />

in het midden van de vorige eeuw in Nederland een belangrijke groei kent is de<br />

ijzergieterij. Omstreeks 1850 telt ons land een dertigtal ijzergieterijen en dit aantal<br />

is op het eind van de jaren '50 toegenomen tot circa vijftig. Naast de oude ijzerhut-<br />

15. Foto van de fabriek van de fa. G.J. Wispelwey te Zwolle, G.A.D. Zwolle.<br />

74


ZWOLLE<br />

IJZERGIETERU<br />

EN<br />

MACHINEFABRIEK<br />

,De Nijverheid"<br />

GEVESTIGD 1851.<br />

16. Modellenboek van de fa. C.J. Wispelwey, G.A.D. Zwolle.<br />

75


ten in de Achterhoek en omgeving zijn omstreeks 1860 in de meeste grotere plaatsen<br />

van ons land ijzergieterijen te vinden. In alle provinciehoofdplaatsen is dan een<br />

ijzergieterij, sommige plaatsen hebben er zelfs meer dan een. In een periode van<br />

vijftien a twintig jaar vindt zodoende een omvangrijke verspreiding van de giettechnologie<br />

in ons land plaats. De snelle uitbreiding van het gietbedrijf in het midden<br />

van de vorige eeuw is nog niet uitgebreid bestudeerd 1 .Zo is er nog weinig<br />

bekend over de herkomst van de oprichters en hun kennis, de inrichting van de<br />

produktie en het produktieassortiment. Deze vragen zullen vermoedelijk voor een<br />

deel onbeantwoord blijven, bij gebrek aan archiefmateriaal.<br />

Een aantal van de ijzergieterijen dat omstreeks 1850 is opgericht is al vrij spoedig<br />

weer opgedoekt en van de bedrijven die de twintigste eeuw hebben gehaald is veelal<br />

geen of weinig archiefmateriaal bewaard gebleven. Dit laatste geldt ook voor het<br />

bedrijf waarover dit artikel handelt, de fa. G.J. Wispelwey & Co. te Zwolle. Dit<br />

bedrijf heeft bestaan van 1851 tot 1979. Het gemeentearchief van Zwolle heeft van<br />

de firma Wispelwey slechts een paar foto's, een vijftal tekeningen, een enkele produktencatalogus<br />

en een register van werknemers in haar bezit. Dat is al het documentaire<br />

materiaal uit bijna 130 jaren bedrijfsgeschiedenis dat in de openbare<br />

bewaarplaatsen aanwezig is.<br />

Het zal duidelijk zijn dat aan de hand van een zo beperkt bedrijfsarchief de geschiedenis<br />

van de fa. Wispelwey & Co. maar zeer onvolledig gereconstrueerd kan worden.<br />

Het volgende verhaal is voornamelijk gebaseerd op secundair materiaal, aangevuld<br />

met vermeldingen in algemene literatuur en in tentoonstellingcatalogi 2 .<br />

2. Oprichting<br />

Zwolle ligt aan de rand van het gebied waar in Nederland vanaf het begin van de<br />

achttiende eeuw in Nederland ijzerhutten zijn opgericht. De aanwezigheid van<br />

zowel ijzerertshoudende grond als bossen voor de houtskool en water voor de aandrijving<br />

van de blaasbalgen leidt tot de vestiging van hoogovens in deze streek.<br />

Deze ijzergieterijen smelten erts. Het hieruit verkregen hoogovenijzer wordt verder<br />

verwerkt en in zandvormen tot huishoudelijke en andere gebruiksvoorwerpen<br />

gegoten. In Deventer is sinds 1756 een dergelijke ijzergieterij gevestigd. In Zwolle<br />

wordt in 1842 door de firma Schaepman & Helmich een ijzergieterij met een hoogovenbedrijf,<br />

een van de laatste in Nederland, opgericht. De nieuwe ijzergieterijen<br />

uit het midden van de eeuw zijn alle slechts ingericht voor de tweede gieting. Dat<br />

wil zeggen, zij verwerken geen erts maar gietijzer uit hoogovens, waaraan schroot<br />

is toegevoegd. Gietijzeren voorwerpen zijn in die tijd erg populair. Het materiaal is<br />

redelijk duurzaam en laat zich tot allerlei vormen verwerken. Het vindt toepassing<br />

bij zowel de vervaardiging van huishoudelijke- en siervoorwerpen (denk bijvoorbeeld<br />

aan de gietijzeren tuinbanken in de tuin langs het Provinciaal Museum), als<br />

ook voor bouwartikelen en machineonderdelen.<br />

In 1851 wordt in Zwolle door de fa. G.J. Wispelwey & Co. een modern gietbedrijf<br />

gesticht onder de naam 'De Nijverheid'. De naamgever van het bedrijf, Gerrit Jacobus<br />

Wispelwey, is lid van een oude Zwolse familie. Geboren in 1813 te Zwolle is hij<br />

76


als ijzerhandelaar/koopman vermoedelijk met gietijzer niet onbekend 3 .Zijn partner<br />

is - een vennootschapsakte ontbreekt - de smid Johannes Grieven 4 .Het partnerschap<br />

tussen Wispelwey en Grieven betreft waarschijnlijk alleen een samenwerking<br />

op technisch gebied. De bedrijfsbezittingen staan op naam van G.J. Wispelwey<br />

en Co., waarbij het vermoeden bestaat dat de vennootschapsnaam al dateert<br />

van voor de oprichting van de ijzergieterij. Wellicht dat Wispelwey's echtgenote<br />

partner in zaken is.<br />

Voor de start van de ijzergieterij lenen Wispelwey en zijn vrouw ƒ 10.000 van de<br />

Zwolse rechtenstudent Albert van Naamen van Eemnes, enkele jaren later gevolgd<br />

door een tweede hypothecaire lening van ƒ 7.500 bij de N.V. de Credietvereniging<br />

te Amsterdam 5 .<br />

Grieven, in 1811 te Silvolde geboren, vestigt zich omstreeks 1845 vanuit Zutphen<br />

in Zwolle, waar hij een smederij begint 6 . Zijn smidsbedrijf is uitgebreider en<br />

omvangrijker dan de gemiddelde smederij in die dagen. Zo levert Grieven in 1847<br />

een stoomketel aan de Zwolse firma Parker & Cie voor het verwarmen van de<br />

kookketels van loog, gebruikt bij de zeepfabricage 7 . Grieven is ook betrokken bij<br />

de oprichting van de gasverlichtingsfabriek te Zwolle, waarvoor hij met zijn partner<br />

H.G. Breyink in 1845 toestemming krijgt 8 . Hij moet de technische man van<br />

het bedrijf zijn geweest. Het is niet duidelijk of Grieven ook het gietersvak kent.<br />

Wellicht dat hij deze kennis heeft opgedaan bij Schaepman & Helmich. Het is echter<br />

meer waarschijnlijk dat voor de dagelijkse leiding een vakkundig meesterknecht<br />

van elders is aangetrokken. Wie de eerste bedrijfsleider is geweest, is niet met zeker-<br />

17. Interieur van de ijzergieterij van de fa. C.J. Wispelwey omstreeks 1900, G.A.D. Zwolle.<br />

77


heid te zeggen. Omstreeks 1850 vestigt zich vanuit Keppel, een plaats in de Achterhoek<br />

met een belangrijke ijzergieterij, Johan Heinrich Engelmann. Deze Engelmann,<br />

geboren te Isselburg, ook al een plaats met een ijzergieterij, staat in het bevolkingsregister<br />

vermeld als leider van een ijzergieterij, mogelijk dus die van Wispelwey<br />

9 .<br />

3. Start, uitbreiding en splitsing<br />

De gemeente staat begin 1851 een stuk grond aan de Vrieschen Wal af aan de firma<br />

en op 20 juni vindt de eerste gieting plaats. De start is wat 'ongelukkig'. Bij de<br />

beproeving van de stoommachine op 20 juni wordt de smidsknecht Gradus Pompe<br />

gewond 10 . Volgens de 'eigen' bedrijfshistorie telt de firma bij het begin zeven werklieden.<br />

De giethal met een oven en de kleine bankwerkerij daarbij beslaan in totaal<br />

341 m 2 . Het feit dat bij de oprichting meteen een stoommachine is geïnstalleerd<br />

wijst erop dat de zaken modern worden aangepakt.<br />

In 1853 vindt een aanzienlijke uitbreiding plaats. Er komt een oven bij, waardoor<br />

het bedrijf nu ook grotere en zwaardere stukken kan gieten 11 . Eind 1853 zijn er dan<br />

ook 42 personen werkzaam, waarvan de daglonen uiteenlopen van ƒ 0.40 tot<br />

ƒ2.20 12 . De gemeenteverslagen van de volgende jaren geven weinig of geen nieuws<br />

over het bedrijf.<br />

Pas het gemeenteverslag over 1866 bevat weer een opgave van het aantal werklieden,<br />

op dat moment veertien personen 13 .De achteruitgang van de werkgelegenheid<br />

ten opzichte van 1853 is opvallend. Daarbij moet echter aangetekend worden<br />

dat veel ijzergieterijen in de jaren '60 in de problemen komen en moeten inkrimpen<br />

of sluiten.<br />

Twee jaar later, in 1868, wordt de zaak gesplitst. Het bedrijf komt nu geheel in handen<br />

van de familie Wispelwey. Een enigszins verrassende ontwikkeling in het licht<br />

van het feit dat de zoon van Grieven, Johannes Joseph, enkele jaren daarvoor een<br />

tijdlang in Isselburg - een plaats even over de grens in Duitsland met een belangrijke<br />

ijzergieterij en machinefabriek - is geweest, vermoedelijk om daar het gietersvak te<br />

leren 14 . In plaats van Grieven wordt de oudste zoon van Wispelwey, Abraham<br />

(geboren in 1843) in de zaak opgenomen. Of en zo ja waar Abraham een technische<br />

opleiding heeft genoten is onbekend. In het bevolkingsregister staat hij in 1861,17<br />

jaar oud, naar Amsterdam uitgeschreven, maar hoelang hij weg geweest is staat niet<br />

vermeld 15 . Wellicht dat hij in Amsterdam op montage is geweest voor het bedrijf,<br />

waarover later meer. Vader en zoon Grieven beginnen onder de fa. J. Grieven &<br />

Zoon een ijzersmederij aan de Diezerpoortenplas. Over dit bedrijf is mij verder<br />

niets meer bekend behalve dan dat het in 1878 nog bestaat 16 .<br />

4. Het bedrijf onder de Wispelwey's<br />

In 1872 overlijdt Abraham Wispelwey. Hij wordt opgevolgd door zijn broer Gerrit<br />

Jacobus Wispelwey jr. (geboren in 1850). Ook Gerrit Jacobus heeft een tijdlang<br />

in Amsterdam vertoefd. In de periode voor zijn entree in het bedrijf is hij anderhalf<br />

jaar in Barmen 17 .Bij het 25-jarig bestaansfeest, in 1876, zou het bedrijf meer dan<br />

honderd werklieden tellen 18 . In 1881 ondergaat de fabriek een kleine uitbreiding.<br />

78


18. Kwitantie (1872) uit het archief van de fa. GJ. Wispelwey, G.A.D. Zwolle.<br />

De firma krijgt een stuk gemeentegrond in erfpacht. In de jaren '60 worden er<br />

nieuwe activiteiten onderhanden genomen en komt het tot een verdere groei. In<br />

1893 neemt de firma een vijzeldok in gebruik voor de reparatie van schepen, waar<br />

schroeven en assen vervangen en hersteld kunnen worden 19 . Daarnaast wordt de<br />

constuctiewerkplaats fors vergroot. Het aantal personeelsleden neemt toe, van<br />

ruim honderd omstreeks 1890 tot ongeveer 150 rondom de eeuwwisseling 20 .<br />

Het totale perceelsoppervlak van het bedrijf bedraagt in 1900 1971 m 2 , bijna zes<br />

keer zo veel als bij de oprichting. Na de dood van de oprichter GJ. Wispelwey sr.,<br />

in 1886, staat GJ. Wispelwey jr. alleen aan de leiding van het bedrijf. Pas na 1900<br />

zullen zijn zoons hem bijstaan. Het is onwaarschijnlijk dat Wispelwey jr. zonder<br />

technische assistentie heeft gewerkt, maar wij beschikken niet over namen van<br />

bedrijfsingenieurs van voor 1892. In dat jaar treedt de uit Amsterdam afkomstige<br />

werktuigkundige Wilhelm Albert Hes in dienst. Hij blijft tien jaar bij Wispelwey<br />

werken 21 .<br />

5. De produkten<br />

De enige bewaard gebleven catalogus van het bedrijf dateert uit het begin van deze<br />

eeuw en bevat alleen een overzicht van het gietwerk van dat moment. Een overzicht<br />

van de machinerieën en het constuctiewerk ontbreekt. Aan de hand van<br />

onder andere de inzendingen van Wispelwey op diverse nijverheidstentoonstelhngen<br />

is toch een beperkt overzicht van de ontwikkeling van deze znde van het<br />

produktiepakket te geven.<br />

De oorspronkelijke produktie van het bedrijf betreft gietijzeren bouwartikelen.<br />

79


19. Tekening van het fabrieksterrein van de fa. G.J. Wispelwey(1913), G.A.D. Zwolle.<br />

Dit vermoedelijk omdat Wispelwey sr., als koopman/handelaar in deze branche<br />

bekend was. Gietwerk zal een belangrijk onderdeel van het bedrijf blijven en<br />

bouwmaterialen vormen in de genoemde bedrijfscatalogus nog steeds een belangrijk<br />

produkt. In 1869 neemt Wispelwey & Co. deel aan de 'internationale tentoonstelling<br />

van voorwerpen voor de huishouding en het bedrijf van den handwerksman'<br />

met enige haard/fornuisplaten, drie privaattrechters, twee dakwatergoten<br />

en een dakraamlicht. Voor de inzending ontvangt het bedrijf een zilveren<br />

medaille vanwege de combinatie van een redelijk gewicht (arbeiderswoningen konden<br />

blijkbaar niet teveel verdragen) met een redelijke prijs 22 . Voor een ander<br />

publiek zal de gietijzeren trap bedoeld zijn, waarmee de firma in 1860 exposeert 23 .<br />

Ook straatmeubilair, waaronder lantarenpalen, horen tot het produktiepakket.<br />

Zo staan op de wal rond het oude Amersfoort nog lantarens met het opschrift G.J.<br />

Wispelwey & Co.. Het gietbedrijf van Wispelwey & Co. staat omstreeks 1860 op<br />

een hoog peil, getuige het feit dat zij een van de weinige ijzergieterijen in Nederland<br />

is die gietijzeren buizen voor stoomleidingen levert 24 . Deze buizen dienen aan<br />

hoge eisen te voldoen, in verband met de stoomdruk en de temperatuurswisselingen.<br />

Ook roosterijzers voor onder stoomketels staan in die tijd op het program-<br />

ma 25<br />

Op het eind van de negentiende eeuw bedraagt de jaarlijkse gietijzerproduktie van<br />

Wispelwey circa twee miljoen kilo 26 .<br />

Spoedig na de oprichting neemt het bedrijf ook de constructie van bruggen ter<br />

hand. Vanaf het midden van de eeuw wordt ijzer steeds meer gebruikt als constructiemateriaal<br />

voor bruggen. Houten bruggen worden vervangen door ijzeren en<br />

door de uitbreiding van de steden en de groei van de infrastructuur (spoorwegen,<br />

kanalen en wegen) neemt de behoefte aan bruggen toe. Zowel smeed- als gietijzer<br />

80


leent zich uitstekend daarvoor, terwijl gietijzer bovendien nog de mogelijkheden<br />

biedt tot ornamenteel werk, wat voor met name stadsbruggen niet onbelangrijk is.<br />

In 1855 meldt de Provinciale <strong>Overijssel</strong>sche Courant de leverantie van een tweede<br />

ijzeren draaibrug (circa 70.000 kilo zwaar) aan de gemeente Groningen 27 . Eind<br />

negentiende eeuw heeft het bedrijf 190 bruggen afgeleverd 28 . Daaronder is de Halvemaansbrug<br />

te Amsterdam, een dubbele basculebrug bij de Kloveniersburgwal te<br />

Amsterdam, een opdracht uit 1862 van bijna ƒ30.000 29 . Ook in Zwolle zelf levert<br />

Wispelwey enkele bruggen. Zo is Wispelwey in 1875 de goedkoopste inschrijver<br />

bij de aanbesteding voor de brug over de gracht bij de Nieuwe Haven 30 . In 1877<br />

levert zij de Kerkbrug. Deze laatste leverantie wordt echter geen financieel succes<br />

voor Wispelwey. Wegens de veel te late oplevering wordt de derde betalingstermijn<br />

door de gemeente niet uitgekeerd 31 . Tot het constructieprogramma van Wispelwey<br />

behoren verder ook fabriekskappen. Wanneer het bedrijf precies hiermee<br />

begonnen is staat nergens vermeld.<br />

Zoals ook andere ijzergieterijen breidt Wispelwey haar produktieprogramma uit<br />

door naast losse gietijzeren artikelen ook de constructie van eenvoudige machinerieën,<br />

samengesteld uit voornamelijk gietijzeren onderdelen, ter hand te nemen. In<br />

1857 exposeert het een hakselmachine en een steendrukpers 32 . In een centrum van<br />

grafische nijverheid als Zwolle (met Deventer en Kampen) is blijkbaar behoefte aan<br />

een dergelijk produkt. Op de tentoonstelling van provinciale nijverheid te Zwolle<br />

in 1860 laat Wispelwey & Co. drie machines van gietijzer zien. Een punchmachine,<br />

een scheepslier en een ijzeren hooipers 33 . Een punchmachine is een machine om<br />

gaten te knippen, gebruikt in de plaatwerken). Scheepsheren vormen ook nog<br />

rond de eeuwwisseling een onderdeel van het produktieprogramma. De ijzeren<br />

hooipers wordt uitvoerig beschreven in het blad 'De Volksvlijt 34 .'Zij is vermoedelijk<br />

ontwikkeld in samenwerking met het Zwolse bedrijf G.J. Parker & Co., die de<br />

pers ook op zijn stand tentoonstelt.<br />

De pers is bedoeld als vervanging van de waterpersen die in die tijd in belangrijke<br />

hooigebieden als het Kampereiland en de Langstraat in gebruik zijn. De voordelen<br />

ten opzichte van de waterpers zijn de grotere produktie, de geringere aanschafprijs<br />

(toch nog altijd f 450,-) en eenvoudigere bediening. Er is tevens een versie in de<br />

vorm van een tabakspers, bestemd voor Oost-Indië. Met hooipersen is de fa. G.J.<br />

Wispelwey & Co. ook aanwezig op de landbouwtentoonstelling te Londen, in<br />

1862 35 .<br />

In de jaren '60 ontwikkelt Wispelwey nog een enkel andere machine in het bovengenoemde<br />

genre. Zo staat zij op de Tentoonstelling van Nationale Nijverheid te<br />

Amsterdam met een werktuig voor het buigen van rails op spoorwegen 36 .<br />

Eind negentiende eeuw start men met de fabricage van voorwerpen voor de inrichting<br />

van gasfabrieken. Zo is het bedrijf in 1890 op de Tentoonstelling tot Bevordering<br />

van Veiligheid en Gezondheid in Fabrieken en Werkplaatsen te Amsterdam<br />

aanwezig met een veiligheidstoestel om te hoge druk op gastoestellen te voorkomen.<br />

Een ontwerp van C.W. Snellebrand, directeur der gasfabriek te Meppel 37 .<br />

Wispelwey adverteert vanaf 1890 regelmatig in het vakblad van de gasbranche,<br />

'Het Gas', met retorten, mains, condensors, exhausters en gashouders. In 1892<br />

81


levert zij bijvoorbeeld een gashouder aan de gemeente Assen 38 . Circa 1895 wordt<br />

het produktieprogramma voor de gasfabricage nog uitgebreid met inrichtingen<br />

voor het vervaardigen van zwavelzure ammoniakzout, een van de mogelijke bijproducten<br />

van het gasbedrijf. Wispelwey stuurt daarover een brochure rond, die in<br />

'Het Gas' tot kritische opmerkingen leidt 39 . Rond 1890 start het bedrijf ook met de<br />

fabricage van stoomketels. Over dit produkt heb ik geen nadere gegevens kunnen<br />

vinden.<br />

6. Conclusie<br />

Het bovengeschetste beeld van de firma Wispelwey is, bij gebrek aan bronnenmateriaal,<br />

slechts zeer verbrokkeld. Niettemin valt uit het bovenstaande met enige<br />

moeite een enkele lijn te reconstrueren. Begonnen voornamelijk als ijzergieterij<br />

breidt het bedrijf al gauw het produktieprogramma uit, eerst tot constructiewerk<br />

en al spoedig tot eenvoudige machinerieën. In de jaren '60, wanneer veel ijzergieterijen<br />

een terugval kennen, ontkomt Wispelwey ook niet aan de crisis. Door haar<br />

kwalitatief goede gietwerk tegen concurrerende prijzen èn door haar produktieprogramma<br />

breed te houden en steeds nieuwe terreinen te zoeken gaat het bedrijf<br />

redelijk voorspoedig de twintigste eeuw in.<br />

20. Foto van de hoofdingang van de fa. G.J. Wispelwey, G.A.D. Zwolle<br />

82


Noten<br />

1. Het standaardwerk op dit gebied is nog altijd: J.C. Westermann, Geschiedenis van de<br />

Ijzer- en Staalgieterij in Nederland (Utrecht, 1948).<br />

2. Over de firma Wispelwey zijn enkele artikelen gepubliceerd, waaruit voor dit artikel<br />

gebruik is gemaakt: 'Een gouden Feest' in: De Industrie 7 (1901) no. 36 (7 september), 489-<br />

491 'Zwolsche Ijzergieterij en Machinefabriek firma G.J. Wispelwey & Co.' m:Zwolle<br />

als Industriestad in 1914 (Amsterdam, 1984), 16. Meindert Stokroos, 'De ijzergieterij van<br />

Wispelwey te Zwolle in: Gietijzer in Nederland (Amsterdam, 1984), 16.<br />

3. Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle (GAZ), bevolkingsregister 1850-'60, deel 3, fol. 16.<br />

4. Noch in de Staatscourant van 1850, noch in die van 1851 is een vennootschapsakte vermeld.<br />

5. GAZ, Notarieel Archief, Notaris W.S. van der Gronden, akte 3 mei 1851, no. 2087 en<br />

idem, akte 25 november 1857, no. 3948.<br />

6. GAZ, bevolkingsregister 1860-1940, G 119.<br />

7. Rijksarchief in <strong>Overijssel</strong> (RAO), archief Provinciaal Bestuur, inv.no. 224.<br />

8. J. Mac Lean Geschiedenis der Gasverlichting in Nederland (Zutphen, 1977), 47.<br />

9. GAZ, bevolkingsregister 1860-1940, E 78.<br />

10. Provinciale <strong>Overijssel</strong>sche Courant, 24 juni 1851.<br />

11. GAZ, gemeeteverslag 1852.<br />

12. idem 1853.<br />

13. idem 1866.<br />

14. zie noot 6.<br />

15. GAZ, bevolkingsregister 1860-1940, W 241 a.<br />

16. Adresboek der Stad Zwolle 1878, 61. In het adresboek van 1890 is nog de smederij, magazijn<br />

van kachels enz. van de Wed. J.J. Grieven opgenomen.<br />

17. zie noot 15.<br />

18. Provinciale <strong>Overijssel</strong>sche Courant, 22 juni 1876.<br />

19. GAZ, gemeenteverslag 1893, 127.<br />

20. Volgens de Enquête Srtuve-Bekaar (1888/89) telt het bedrijf dan 98 volwassenen 11 minderjarige<br />

mannelijke werklieden.<br />

21. GAZ, bevolkingsregister 1860-1940, H 198 bc. Zie ook Provinciale <strong>Overijssel</strong>sche Courant,<br />

29 juni 1901.<br />

22. Zie over deze tentoonstelling en de inzending van Wispelwey: Algemeene Catalogus der<br />

internationale Tentoonstelling van voorwerpen voor de huishouding en het bedrijf van den<br />

handwerksman (Amsterdam, 1869), 9 (no. 79); Staatscourant 1879, no. 239 en Bouwkundige<br />

Bijdragen 20 (1873), 203.<br />

23. Catalogus van voorwerpen op de tentoonstelling van Provinciale Nijverheid 13-26augustus<br />

7560(Zwolle, z.j.), no. 894.<br />

24. RAO, archief Stork, inv.no. 1 (copieboek 1859-1860), 39 en 42.<br />

25. Catalogus Tentoonstelling van Nationale Nijverheid te Amsterdam (Amsterdam, 1866),<br />

no. 452.<br />

26. C.F. Stork 'De Nederlandsche Machinenijverheid' in: Gedenkboek van het Koninklijk<br />

Instituut van Ingenieurs 1847-1897 ('s-Gravenhage, 1897), 217.<br />

27. Provinciale <strong>Overijssel</strong>sche Courant, 15 juni 1855.<br />

28. Stork, 216.<br />

29. Bouwkundige Bijdragen 22 (1875), 89-106.<br />

30. GAZ, Notulen Gemeenteraad 1875, 54.<br />

31. idem 1878, 12-13.<br />

83


32. Catalogus der voorwerpen voor de Tentoonstelling van Provinciale Nijverheid te Deventer<br />

(1857), 34.<br />

33. Catalogus Zwolle 1860, nos. 891-893.<br />

34. De Volksvlijt 1862, 300-301.<br />

35. idem 1863, 79.<br />

36. Catalogus Amsterdam 1866, no. 623.<br />

37. Tentoonstelling tot bevordering van veiligheid en gezondheid in fabrieken en werkplaatsen<br />

(Amsterdam, 1890), 14.<br />

38. De Ingenieur 7 (1892), bijblad 9 juli.<br />

39. Het Gas 16 (1895),86,161-163,201 en 269.<br />

84


Een brug tekort<br />

Plannen voor de aanleg van een vaste brug over de IJssel nabij het<br />

Katerveer (1850-1860)<br />

B.H. Edel en A.C. Ooms<br />

1. Inleiding<br />

Een brug over de IJssel bij Zwolle is voor de tegenwoordige weggebruiker een<br />

begrip. Zwolle heeft zelfs twee van deze bruggen: in 1929 kwam de 'Oude IJsselbrug'<br />

gereed, in 1970, tijdens de aanleg van de E35, de 'Nieuwe'. De aanleg van die<br />

eerste brug, in 1906 ontworpen door de civiel-ingenieur C.M. Frylinck, was laat.<br />

Vooral wanneer men kijkt naar andere IJsselsteden: Kampen kreeg in 1448 een<br />

vaste brug, Deventer in 1483'. Dat Zwolle aan het einde van de middeleeuwen geen<br />

brug kreeg, zal ongetwijfeld samenhangen met de (geografische) ligging. In tegenstelling<br />

tot de beide eerder genoemde steden, lag Zwolle niet eens aan de IJssel. Sterker<br />

nog: de oever van de rivier aan de <strong>Overijssel</strong>se kant behoorde niet eens tot de<br />

gemeente Zwolle.<br />

Om toch de oversteek van wegverkeer over de IJssel te garanderen, exploiteerde de<br />

stad, in ieder geval vanaf 1545, een veerdienst. Dit veer bestond reeds in de<br />

middeleeuwen 2 . De huidige straatnaam Veerallee herinnert nog aan de tijd dat deze<br />

straat de aanvoerroute naar het veer was. Uiteraard bracht een veer nogal wat problemen<br />

met zich mee: (soms lange) wachttijden, de afhankelijkheid van weersinvloeden<br />

(bij ijsgang werd er bijvoorbeeld niet gevaren!).<br />

Toen in de loop van de negentiende eeuw in Nederland de eerste tekenen van<br />

industrialisatie zichtbaar werden, moest ook de infrastructuur (wegen, kanalen,<br />

rivieren etc.) aangepast worden. Omgekeerd gold dat infrastructuurverbetering,<br />

waardoor gebieden 'opengelegd' werden, industriële ontwikkeling kon bevorderen.<br />

De toenmalige 'koning-koopman' Willem I (1814-1840) heeft in dit opzicht een<br />

belangrijke stimulerende rol gespeeld. De ietwat geïsoleerd gelegen provinciehoofdstad<br />

Zwolle, die in 1850 zo'n 18.000 inwoners telde, profiteerde nauwelijks<br />

van de toch al late en langzame industriële ontwikkeling. Tot ver in de negentiende<br />

eeuw bleven kleinbedrijf en ambacht overheersen. Pas de vestiging van de Centrale<br />

Werkplaats van de Staatsspoorwegen in Zwolle, in 1870, bracht meer leven in de<br />

brouwerij.<br />

Gezegd mag worden dat het Zwolse gemeentebestuur nauwelijks een stimulerende<br />

rol heeft gespeeld in het bevorderen van industriële activiteiten. Gedreven door<br />

liberale denkbeelden, hielden de gemeentebestuurders zich verre van inmenging in<br />

het sociaal-economische leven. Veel werd overgelaten aan het particuliere initia-<br />

85


tief. De Zwolse overheid was in de regel pas bereid geld te investeren wanneer een<br />

project bewezen had winstgevend te zijn. Illustratief in dit kader is de gasfabriek,<br />

die in 1848 door een particulier werd opgezet en zeven jaar later door de gemeente<br />

werd overgenomen 3 . Andere zaken die in deze tijd door particulier initiatief tot<br />

stand kwamen, zijn bijvoorbeeld de schouwburg Odeon in 1840 4 , de Zwolsche<br />

Stoomboot-Maatschappij in 1840 5 en in 1848 het Rooms-Katholiek Ziekenhuis.<br />

Wel werd aan het begin van de negentiende eeuw gewerkt aan verbetering van de<br />

infrastructuur. In 1819 kwam de Willemsvaart gereed, die Zwolle eindelijk de lang<br />

begeerde verbinding met de IJssel gaf. En enige jaren later kwam, mede door de<br />

inspanningen van de provinciale gouverneur J.H. graaf van Rechteren Appeltern<br />

(een vurig inspirator van economische verandering en vernieuwing) de belangrijke<br />

verharde weg van Zwolle via Almelo naar Hengelo tot stand.<br />

Ook ontstonden er plannen voor de aanleg van een brug over de IJssel in de nabijheid<br />

van Zwolle, eveneens een particulier initiatief. De '<strong>Overijssel</strong>sche Vereeniging<br />

tot Ontwikkeling van Provinciale Welvaart' 6 schreef op 9 januari 1852 een prijsvraag<br />

uit voor het ontwerpen van een brug. De beste inzending zou worden<br />

beloond met een prijs van zevenhonderd gulden. Inzendingen kwamen er, commissies<br />

gingen hard aan het werk en een prijs werd uitbetaald; een vaste oeververbinding<br />

over de IJssel kreeg Zwolle evenwel niet.<br />

In het Prentenkabinet van het Provinciaal <strong>Overijssel</strong>s Museum bevindt zich een<br />

aantal originele tekeningen van ontwerpen. Het Rijksarchief van <strong>Overijssel</strong> heeft<br />

een archief van de <strong>Overijssel</strong>sche Vereeniging tot Ontwikkeling van Provinciale<br />

Welvaart. Notulenboeken van directievergaderingen, correspondentiemappen en<br />

een in opdracht van 'de Vereeniging' geschreven boekwerkje over de plannen voor<br />

de aanleg van een brug vormden ons belangrijkste bronnenmateriaal.<br />

In dit artikel willen wij een beschrijving geven van de plannen die er destijds<br />

geweest zijn en een antwoord trachten te geven op de vraag waarom de stad deze<br />

kans op de aanleg van een brug miste.<br />

2. De initiatiefnemer<br />

Zoals eerder vermeld, werd het initiatief tot het ontwikkelen van plannen voor de<br />

bouw van een brug over de IJssel genomen door de '<strong>Overijssel</strong>sche Vereeniging tot<br />

Ontwikkeling van Provinciale Welvaart'. Deze vereniging kwam voort uit het<br />

door mr. J.A. Sandberg, G. Luttenberg en D. van Schreven in 1838 opgerichte<br />

'Wetenschappelijk Genootschap te Zwolle'. Dit genootschap kreeg al na anderhalf<br />

jaar te maken met onderlinge verschillen van mening over de doelstellingen. De<br />

geschillen spitsten zich toe op de vraag of het genootschap meer moest doen dan<br />

alleen het organiseren van lezingen betreffende geschiedenis, aardrijkskunde,<br />

natuurkunde en vooral natuurlijke historie 7 .<br />

Op de ledenvergadering van 11 december 1840 werden mr. B.W.A.E. baron Sloet<br />

tot Oldhuis en mr. LA. van Royen in het bestuur (directie) gekozen en werd hen de<br />

opdracht gegeven voorstellen te formuleren om het voortbestaan van 'het Genootschap'<br />

te waarborgen. Op de ledenvergadering van 7 april 1841 stelde het bestuur


voor de naam van het genootschap te veranderen in '<strong>Overijssel</strong>sche Vereeniging tot<br />

Ontwikkelingvan Provinciale Welvaart'. Tevens kwamen zij met voorstellen om<br />

de vereniging bredere doelstellingen te geven. In artikel 3 van de 'Grondtrekken'<br />

staat vermeld: "Het doel der Vereeniging is, de bevordering der statistieke kennis<br />

van <strong>Overijssel</strong>, de verspreiding van Staat-Huishoudkundige beginselen, en alles wat<br />

voor de ontwikkelingvan Provinciale welvaart bevorderlijk kan zijn." Dat ook het<br />

karakter van het voormalige 'Genootschap' bewaard bleef, blijkt uit artikel 4: "Er<br />

zullen in de loop der wintermaanden verhandelingen gehouden worden, zoveel<br />

mogelijk over onderwerpen, welke de algemene welvaart betreffen, terwijl alleen<br />

godsdienstige onderwerpen uitgesloten worden" 8 . De voorstellen werden door de<br />

algemene ledenvergadering goedgekeurd en op 28 april 1841 werden de 'Grondtrekken<br />

van de <strong>Overijssel</strong>sche Vereeniging tot Ontwikkeling van Provinciale Welvaart<br />

geautoriseerd bij Zijne Majesteits besluit' 9 .<br />

In de eerste 30 jaar van haar bestaan maakte 'de Vereeniging' een bloeiperiode door.<br />

Het aantal leden lag in deze periode tussen de 200 en 250. Uit de ledenlijst van de<br />

vereniging, die een erg onoverzichtelijke indruk maakt, blijkt dat het merendeel<br />

van de leden woonachtig was in Zwolle 10 . Dat de directie graag zag dat meer personen<br />

uit de provincie zich aanmeldden, zou ondermeer kunnen blijken uit de vastgestelde<br />

contrubutiebedragen: 'De gewone leden, die in de Hoofdplaats der provincie<br />

woonachtig zijn, zullen een jaarlijke contributie van ƒ 5,-; en die buiten de<br />

Hoofdplaats der provincie wonen ƒ 2,50 betalen, verschuldigd over het gehele jaar,<br />

dat men ingeschreven is.' (artikel 9,'Grondtrekken') 11 .<br />

Om de doelstellingen van 'de Vereeniging' te verwezenlijken, werden diverse activiteiten<br />

ontplooid. Zo werden een museum en bibliotheek gesticht, die gevestigd<br />

werden in het Reventer bij de Bethlehemkerk te Zwolle. Tevens startte men speciale<br />

projecten, bijvoorbeeld die ter verbetering van het vaarwater van het Zwolse<br />

Diep. Men trachtte een stimulerende rol te spelen in de veredeling van gewassen en<br />

het kruisen van diverse pluimveerassen 12 .<br />

Ook gaf men enige malen een publikatie uit die tot doel had de statistische kennis<br />

van <strong>Overijssel</strong> te verbeteren. Alle activiteiten geschiedden onder het motto: 'Door<br />

wetenschappelijke kennis tot welvaart en door welvaart tot wetenschappelijke<br />

kennis' 13 .<br />

Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw ging het langzaam bergafwaarts met 'de<br />

Vereeniging'. Er trad na verloop van tijd een duidelijk verval op. Misschien dat een<br />

oorzaak hiervoor gezocht kan worden in het overlijden van mr. B.W.A.E. baron<br />

Sloet tot Oldhuis op 27 oktober 1884. Vanaf 11 december 1840, toen hij tot voorzitter<br />

werd gekozen, was hij altijd een stuwende kracht in de vereniging. In 1903<br />

besloot het bestuur de verzamelingen uit het museum over te brengen naar het<br />

nieuwe museum van de 'Vereeniging tot beoefening van <strong>Overijssel</strong>sch Regt en<br />

Geschiedenis' aan de Melkmarkt te Zwolle. Op de ledenvergadering van 30 november<br />

1906 werd besloten de '<strong>Overijssel</strong>sche Vereeniging tot Ontwikkeling der Provinciale<br />

Welvaart' te ontbinden. De goederen en waarden die nog in het bezit van<br />

de vereniging aanwezig waren, werden overgedragen aan de eerder genoemde 'Vereeniging<br />

tot beoefening van <strong>Overijssel</strong>sch Regt en Geschiedenis' 14 -<br />

87


3. De prijsvraag<br />

'De Vereeniging' besloot in 1852 een prijsvraag uit te schrijven voor het ontwerpen<br />

van 'eenen vasten brug over de rivier den IJssel aan of in de nabijheid van het Katerveer'.<br />

Al eerder, in de jaren veertig, waren er in het bestuur ideeën over de aanleg<br />

van een IJsselbrug bij Zwolle. Dit misschien naar aanleiding van een rede die door<br />

één van de bestuursleden, mr. LA. van Royen, uitgesproken werd op de vergadering<br />

van 7 april 1841. Deze rede werd wellicht gehouden ter gelegenheid van de<br />

'Eerste <strong>Overijssel</strong>sche Tentoonstelling van Nijverheid en Kunst in Zwolle in<br />

1840' 15 . In de lezing, die later onder de titel Het voortbrengend vermogen der Provincie<br />

<strong>Overijssel</strong> in drukvorm verscheen, wees mr. Van Royen op de gunstige ligging<br />

van de provincie: '...onze ligging tot deze allen [de andere provincies] geeft de<br />

gunstigste geschiktheid tot handelsverkeer ter land en te water' 16 .<br />

Vanaf ongeveer 1840 ging men zich in Nederland vrij intensief bezighouden met<br />

het aanleggen van een spoorwegennet; hierbij is zowel het particulier- als het staatsinitiatief<br />

belangrijk geweest (respectievelijk bijvoorbeeld Hollandsch-Spoor en<br />

Staatsspoor) 17 . Aangezien er serieuze plannen bestonden een spoorlijn aan te leggen<br />

tussen Amsterdam en (Noord-)Duitsland 18 , waarbij er mogelijk een spoorbrug<br />

gebouwd zou worden bij Hattem of Zwolle, leek het 'de Vereeniging verstandig<br />

eerst te wachten met het zelf ontwikkelen van plannen en het uitschrijven van een<br />

prijsvraag. Immers, een eventueel aan te leggen spoorbrug zou verbreed kunnen<br />

worden, waardoor ook 'gewoon verkeer' van de brug gebruik zou kunnen maken.<br />

Toen de aanleg van de spoorlijn niet geconcretiseerd werd, verscheen op 30 augustus<br />

1845 in het liberale blad <strong>Overijssel</strong> een scherp artikel, dat als volgt begon: 'Midden<br />

in een beschaafd land, door een der rijkste volkeren van Europa bewoond, dat<br />

trotsch is op zijne reusachtige dijken en waterwerken, heeft zich reeds eeuwen der<br />

barbaarsheid tot in 1845 getroost, om een beuzelachtig riviertje [de IJssel!] met een<br />

pont en schuit te passeren, en al het oponthoud en ongemak te ondervinden die van<br />

zulk een passage onafscheidelijk zijn' 19 . De toenmalige situatie wordt belachelijk<br />

gemaakt en er wordt in het vervolg van het artikel met kracht voor de aanleg van<br />

een vaste oeververbinding gepleit.<br />

De ongemakken bij het oversteken van de IJssel waren groot, vooral wanneer men<br />

rekening houdt met het feit dat 's winters, bij ijsgang, niet gevaren kon worden.<br />

Reizigers moesten in zo'n geval via de polder Mastenbroek naar Kampen, dat een<br />

stenen brug had, en vervolgens via Wezep naar Hattem. In die tijd een aanzienlijke<br />

afstand. De IJssel vormde 's winters een moeilijk te nemen barrière.<br />

Hoewel de directie van ' de Vereeniging', zoals gezegd, al in 1843 plannen had een<br />

prijsvraag uit te schrijven om in het bezit te komen van ontwerpen voor een IJsselbrug,<br />

ging men in het begin van de jaren vijftig echt actief aan het werk. Op de<br />

ledenvergadering van 21 februari 1851 werd "... op verzoek van de Directie deze<br />

door de Vergadering gemagtigd tot het doen der nodige uitgaven tot een bedrag van<br />

ƒ 50,- om te geraken tot de kennis van hetgeen nodig is voor het uitschrijven van<br />

eene prijsvraag tot het komen eener vaste brug over den IJssel aan of nabij het<br />

Kater-Veer' 20 ,<br />

Een maand later wordt op een ledenvergadering (21 maart 1851) 'door de Directie


m<<br />

21. Hoezeer men destijds beducht was voor ijsgang, blijkt uit deze afbeelding van de spoorbrug<br />

over de IJssel bij Westervoort (1856). Twaalf ijsbrekers, in de vorm van pijlpunten, moesten de<br />

brug beschermen.<br />

medegedeeld, dat ingevolge het besluit der vorige vergadering de opnemingen tot<br />

het uitschrijven eener prijsvraag (...) bereids gedaan zijn' 21 . Onder 'opnemingen'<br />

moet ons inziens verstaan worden het verzamelen van enige (technische) gegevens,<br />

zoals daar zijn: dwarsprofielen en afmetingen van de rivier, waterstanden, grondmonsters<br />

etc. en de definitieve bepaling van de plaats waar de brug gebouwd zou<br />

worden. Besloten werd dat de meest gunstige plek direct beneden het Katerveer lag,<br />

dus stroomafwaarts richting Kampen. Dit omdat jaarlijks 8 a 9000 schepen de Willemssluis<br />

passeerden die in de meeste gevallen Boven-IJssel als bestemming hadden.<br />

Door de brug hier te bouwen, zouden de schepen '... het minst in hunne vaart<br />

gehinderd worden' 22 .<br />

Op 12 mei 1851 stelde de secretaris van 'de Vereeniging', B.P.G. van Diggelen, de<br />

Commissaris des Konings in <strong>Overijssel</strong> op de hoogte van de voorgenomen plannen<br />

van de directie een prijsvraag uit te schrijven. In deze brief werd duidelijk gesteld<br />

dat er een vaste oeververbinding moest komen '... om van overtogt ten allen tijd<br />

verzekerd te worden'. De kosten van de brug werden beraamd op ongeveer 500.000<br />

gulden 23 . In september 1851 (de precieze datum is onbekend) werd ook de minister<br />

van binnenlandse zaken, de in Zwolle geboren J.R. Thorbecke, in kennis gesteld<br />

van de plannen en werd hem verzocht om te zijner tijd enkele deskundigen te<br />

benoemen die de ontwerpen zouden kunnen beoordelen 24 . De minister antwoordde<br />

op 30 september van datzelfde jaar dat hij aan het verzoek van de vereniging<br />

wilde voldoen. Wanneer de directie de ontwerpen tot haar beschikking had,<br />

zouden drie waterbouwkundigen benoemd worden. De minister merkte tevens op<br />

dat de kosten voor het bouwen van een brug beperkt gehouden moesten worden;<br />

bij een eventuele beslissing over het al dan niet doorgaan van de bouw zou het<br />

kostenaspect zeker in acht genomen worden 25 .<br />

89


Op 9 januari 1852 was het zover dat, na een ledenvergadering, de prijsvraag kon<br />

worden uitgeschreven. De prijs, die bestond uit 700 gulden, was tot stand gekomen<br />

na een vrijwillige inschrijving. Deze inschrijving had ƒ 630,- opgebracht. Uit de kas<br />

van de vereniging mocht dit bedrag aangevuld worden tot ƒ700,- 26 .<br />

De tekst van de prijsvraag luidde als volgt:<br />

'De <strong>Overijssel</strong>sche Vereeniging tot Ontwikkeling van Provinciale Welvaart<br />

looft eenen prijs uit van Zevenhonderd Gulden voor het best gekeurd wordende<br />

plan van eenen brug over de rivier den IJssel aan of in de nabijheid van het Katerveer.<br />

De keuze der materialen, waarvan de brug moet samengesteld worden verblijft<br />

geheel aan den ontwerper die overigens op het navolgende heeft acht te slaan.<br />

Tot het plan wordt vereischt eene nauwkeurige beschrijving, uitgewerkte<br />

begrooting en teekening, waarbij voornamelijk daarop behoort te worden gelet<br />

dat door het te ontwerpen middel ter verbinding der beide rivieroevers den<br />

afloop van het water, de ijsgang en scheepvaart zoo min mogelijk belemmering<br />

ondervinden, en dat het geschikt is tot den overtogt der voertuigen, zoo als die<br />

passeren langs 's Rijks groote wegen, terwijl aan dusdanig plan, dat aan die vereischten<br />

voldoet, en tevens uit geldelijk oogpunt de uitvoering het gemakkelijkst<br />

maakt, de voorkeur bij de bekrooning zal worden geschonken.<br />

De mededinging is opengesteld, zoowel voor buiten- als inlandsche deskundigen,<br />

doch de plans ter beantwoording zullen met eene leesbare en latijnsche letter<br />

door eene andere hand dan die des inzenders geschreven, in de Nederduitsche,<br />

Hoogduitsche of Fransche taal, vóór den eersten December 1852 vrachtvrij moeten<br />

worden toegezonden aan den Heer B.P.G. van Diggelen te Zwolle, en voorzien<br />

zijn van eene spreuk, benevens een verzegeld briefje met dezelfde spreuk tot<br />

• opschrift waarin de naam des inzenders vermeld wordt.<br />

De beoordeling der plans zal geschieden door drie deskundigen, met welker<br />

benoeming Zijne Excellentie de Heer Minister van Binnenlandsche Zaken, volgens<br />

Zijn Hoog Edel Gestreng vererend schrijven van 30 September jl. aan de<br />

directie van voornoemde Vereeniging, zich wel gelieft te belasten.<br />

De situatiekaart van den IJssel bij het Katerveer met dwarsprofielen der rivier<br />

daar ter plaatse, voor zoo verre daarvan nog beschikbare excemplaren strekken,<br />

en alle verdere inlichtingen zijn op franco aanvragen te bekomen bij den laatstonderteekende<br />

te Zwolle.' 27 .<br />

De prijsvraag werd ondertekend door de drie directeuren van de vereniging.<br />

4. De ontwerpen<br />

De potentiële ontwerpers kregen vanaf het uitschrijven van de prijsvraag op 9<br />

januari 1852 tot 1 december van datzelfde jaar de tijd hun ontwerpen in te zenden.<br />

In de tussenliggende periode ontving 'de Vereeniging' een aantal vragen. Op 8 april<br />

schreef een zekere W.C. Zemel Jr., architect uit Vlissingen, dat hij de benodigde<br />

gegevens voor het ontwerpen van een brug nooit ontvangen had 28 . Op 6 mei vroeg<br />

de bouwkundige A.G. de Geus uit Haarlem of het de bedoeling was dat schepen de<br />

brug kunnen passeren, zonder dat het voor hen noodzakelijk is de mast te strijken.<br />

90


Dit werd in positieve zin beantwoord.<br />

De secretaris ontving op 10 juli 1852 een wel heel vreemd schrijven. A. Riedenberg<br />

uit de stad Groningen stuurde een ontwerp dat grote gelijkenis vertoonde met een<br />

in die tijd gangbaar model brug voor een stadsgracht. In zijn begeleidende brief<br />

schreef Riedenberg dat hij niet beschikte over de eisen waaraan de brug moest voldoen<br />

en ook niet met de situatie ter plekke bekend was. Naar zijn mening zou zijn<br />

ontwerp, dat ook elders toegepast werd, na eventuele kleine aanpassingen, wellicht<br />

afgestemd op de situatie bij Zwolle, zeer bruikbaar zijn 29 . Of 'de Vereeniging' op<br />

dit schrijven nog gereageerd heeft, is ons niet bekend.<br />

Men dient zich in dit opzicht te realiseren dat in Nederland rond 1850 de technische<br />

kennis voor het bouwen van bruggen van de vereiste afmetingen bij Zwolle nauwelijks<br />

aanwezig was. Elders in Europa, met name in Frankrijk, Engeland en ook in<br />

Duitsland was wel de benodigde kennis van en ervaring in het bouwen van grote<br />

bruggen. Aan het einde van de achttiende eeuw werden hier voor het eerst bruggen<br />

gebouwd van gietijzer. Aan het tijdperk van de stenen en houten bruggen kwam<br />

hiermee een einde. Rond 1850 deed zich een nieuwe ontwikkeling voor. Het gietijzer<br />

werd vervangen door een elastischer materiaal, te weten weiijzer. Dit gaf de ontwerpers<br />

vele nieuwe mogelijkheden die vooral in Frankrijk vrij snel toegepast<br />

werden 30 .<br />

Toen de termijn voor het inzenden van ontwerpen voor de brug over de IJssel verstreken<br />

was, waren er vijf plannen in het bezit van de vereniging:<br />

1. Een plaatijzeren boogbrug, onder het motto 'Ontwikkeling', aan te leggen<br />

boven het Katerveer. Bij dit ontwerp was geen beweegbaar gedeelte gepland die<br />

de passage van schepen mogelijk moest maken.<br />

2. Een ontwerp met een spreuk van Montaigne 'Que sais-je?'. Aan te leggen op de<br />

door de directie voorgestelde plaats. De brug zou drie openingen moeten krijgen,<br />

met in de zij-openingen ijzeren bogen met spankettingen. In de middenopeningen<br />

was een dubbele ophaalbrug gepland.<br />

3. Het derde antwoord bevatte de spreuk:<br />

'Men neem de proef gewaagd,<br />

Die nimmer heeft beproefd,<br />

is nimmer ook geslaagd.'<br />

De ontwerper van dit voorstel wilde een houten traliebrug construeren over de<br />

volledige breedte van de rivier en uiterwaarden. In het midden van de brug<br />

moest een dubbele ophangbrug komen.<br />

4. Dit ontwerp, aan te leggen beneden het veer, droeg de spreuk 'Ce sont les arts<br />

qui font Ie charme de la vie'. De inzender pleitte voor een ijzeren hangbrug met<br />

één grote middenopeningen aan weerszijden twee kleinere zij-openingen. Aan<br />

de rechterkant was een houten draaibrug gedacht,waarbij de hoogte van de ijzeren<br />

bogen dusdanig was dat schepen met staande mast de doorvaart zouden kunnen<br />

passeren.<br />

5. Het laatste ontwerp bevatte het motto: 'Le travail est la seule source légitime de<br />

la considération, des honeurs et de la richesse'. De ontwerper stelde een hangbrug<br />

voor, waarbij de schepen door een zijkanaaltje geleid werden. Dit kanaaltje<br />

91


werd overspannen door een dubbele ophaalbrug. Y)e rivier en de uiterwaard<br />

werden elk in éénmaal overspannen, waardoor geen steunpunt in de rivierbedding<br />

of uiterwaard aangelegd hoefde te worden 31 .<br />

Ongetwijfeld zal de vereniging de minister van binhenlandse zaken in kennis<br />

gesteld hebben van het feit dat er ontwerpen binnengekomen waren. In het archief<br />

van de vereniging is hierover echter niets te vinden. In een brief van 18 februari<br />

1853 maakte Thorbecke aan de directie bekend dat hij een commissie bestaande uit<br />

drie ingenieurs van Waterstaat benoemd had, die de plannen zou gaan beoordelen.<br />

In de commissie hadden de volgende personen zitting: DJ. Storm Buysing, hoofdingenieur<br />

te Delft, J.G. van Gendt, hoofdingenieur te Amsterdam en H.I.J. Rose,<br />

ingenieur te Zutphen 32 .<br />

De ontwerpen werden gestuurd naar de secretaris, H.I.J. Rose, en al op 13 mei 1853<br />

maakte de commissie haar bevindingen bekend. De uitslag viel zeer negatief uit:<br />

'Op grond van de aangehaalde redenen zijn de beoordeelaars eenstemmig van<br />

gevoelen, dat aan geen der antwoorden de uitgeloofde prijs moet worden toegekend'<br />

33 .<br />

De kritiek van de commissie had zowel betrekking op de berekeningen van de<br />

sterkte der bruggen, de gekozen plaatsen, de materiaalkeuzen als de plaats waar de<br />

ophaalbruggen zouden moeten komen. In het Jaarverslag over 1853 van 'de Vereeniging'<br />

staat te lezen: 'Dit is geen bemoedigende uitslag, en wij hadden wel<br />

gewenscht, dat de commissie van deskundigen had kunnen goedvinden om hare<br />

lastgeving zoo ver uit te breiden om zelve een plan tot die brug bij haar advies te<br />

voegen. Zij heeft dit echter niet gedaan, en de hoop, die wij hadden, dat weldra de<br />

<strong>Overijssel</strong>sche mestwagen gelijk met de kapitalen eene vaste brug bij het Katerveer<br />

zouden passeren, en de bruine heuvelen der Veluwe, waarop wij van onzen IJsseloever<br />

blikken, weldra in groene bosschen en akkers veranderen zouden, is welligt<br />

van hare verwezenlijking wederom verwijderd. Zodra het Bestuur dezer Vereeniging<br />

aangevuld zal zijn, zal het de middelen onderzoeken om deze voor de landbouw<br />

en binnenlandsche gemeenschap zoonodige zaak levendig te houden en te<br />

bevorderen' 34 . Uit dit citaat blijkt dat het bestuur van de vereniging op dat<br />

moment incompleet was: Van Royen was benoemd tot Commissaris des Konings<br />

in Groningen en Van Diggelen trok zich terug vanwege andere drukke werkzaamheden.<br />

Begin 1854 werden de vacatures opgevuld door J. Zeehuizen Jr. (13 januari)<br />

en Mr. A. van Naamen van Eemnes (21 februari). Deze laatste werd secretaris 35 .<br />

Ook het nieuwe bestuur bleek van mening te zijn dat het maken van plannen voor<br />

de bouw van een brug doorgang moest vinden. In de notulen van de directievergadering<br />

van 28 februari staat te lezen: 'Omtrent de brug over den IJssel aan het Katerveer<br />

besluit men óf de prijsvraag opnieuw uit te schrijven óf om de vervaardiging<br />

van een ontwerp aan een bekwaam ingenieur op te dragen - hetgeen nader definitief<br />

zal vastgesteld worden' 36 . Uiteindelijk werd besloten om een deskundige te zoeken<br />

die bereid was de conclusies van de beoordelingscommissie nog eens door te lichten<br />

en daarvoor een verslag te schrijven. Dit lukte; er werd iemand gevonden'... die<br />

zich wel met het opmaken van zoodanig nader verslag wilde belasten, maar die<br />

ongenoemd wenscht te blijven, en eerst den 20 November brengt hij een rapport<br />

92


De anonieme verslaggever', die zichzelf 'een dilettant in het ingenieursvak' noemt,<br />

'...wenscht zijn arbeid (...) te zien aangemerkt als een proeve van eene rationele<br />

beoordelingswijze'.' Gebrek aan tijd had hem belet de zaak nauwkeuriger [te bekijken]<br />

of op het terrein te gaan' 38 .<br />

Hij adviseerde het bestuur der vereniging de ontwerpen 1, 4 en 5 ter beschikking<br />

van de ontwerpers te stellen en "... om hetzelfde te doen met de ontwerpen No. 2<br />

eener ijzeren boogbrug en No.3 eener houten traliebrug, met verzoek om voor<br />

zekeren vast te stellen termijn, die ontwerpen (...) te veranderen' 39 .<br />

De directie verenigde zich ten dele met de zienswijze van de rapporteur. Besloten<br />

werd inzending 2, de ijzeren boogbrug, te belonen. Bij ontwerp 3, de houten traliebrug,<br />

voorzag men te hoge onderhoudskosten. Bovendien zouden de extra steunpunten<br />

in het rivierbed de ijsgang kunnen belemmeren. Op de directievergadering<br />

van 8 januari 1855 werd besloten een advertentie te plaatsen in het blad De Stoompost,<br />

waarin werd opgenomen dat de inzenders hun ontwerpen terug konden krijgen.<br />

Tevens werd in deze advertentie bekend gemaakt dat de ontwerper van het<br />

plan 'Que sais-je?', indien hij bereid zou zijn, zijn voorstel volgens een aantal aanwijzingen<br />

te veranderen, een geldprijs van ƒ 350,- kon krijgen 40 .<br />

22. Portret van T.J. Stieltjes (1856-1894).<br />

93


5. 'Que sais-je?'<br />

De directie van de <strong>Overijssel</strong>sche Vereeniging tot Ontwikkeling van Provinciale<br />

Welvaart besloot dus om het plan 'Que sais-je?' nader uit te (laten) werken. Het<br />

motto betekent zoiets als 'Wat weet ik ervan?'. Het is een bekende uitspraak van de<br />

Franse filosoof en essayist Michel E. Montaigne (1533-1592). De ontwerper van de<br />

brug deed z'n spreuk in zekere zin eer aan, omdat zowel de door Thorbecke<br />

benoemde beoordelingscommissie, als de door 'de Vereeniging' aangestelde verslaggever<br />

nogal kritiek hadden. Toch rolde zijn ontwerp als beste uit de bus. Gezien<br />

echter de gebreken die 'Que sais-je?' vertoonde, was de directie bereid slechts ƒ 350,uit<br />

te betalen, de helft van het totaal uitgeloofde geldbedrag!<br />

Het ontwerp werd gestuurd naar de zaakgelastigde van de inzender, J.F. Thieme uit<br />

Arnhem. Aan de ontwerper de taak om het geheel aan te passen aan een aantal<br />

eisen, zoals het aanbrengen van de doorvaart aan de rechteroever van de rivier en<br />

het maken van nauwkeuriger tekeningen.<br />

Dan wordt het enige tijd stil rond de plannen voor de aanleg van een IJsselbrug. Op<br />

10 januari 1856 werd door de secretaris op een directievergadering meegedeeld dat<br />

hij nog geen verbeterd plan ontvangen had, hoewel Thieme beloofd had dat ze in<br />

het begin van de maand november van het vorige jaar gereed zouden zijn 41 . In het<br />

Jaarverslag over 1855 wordt dan ook gemeld: 'Wij hadden verwacht reeds geruimen<br />

tijd het verbeterd ontwerp te zullen ontvangen; - doch later is ons gemeld, dat de<br />

gevolgen der jongste overstroomingen den beschikbaren tijd van den onbekenden<br />

vervaardiger in het afgeloopen jaar geheel in beslag genomen hebben, zoodat wij de<br />

toezending nog te gemoet zien 42 .'<br />

Op 1 februari 1856, meer dan een jaar na de advertentie in De Stoompost, ontving de<br />

secretaris van 'de Vereeniging' eindelijk het gewijzigde plan. Het gewijzigde 'Que<br />

sais-je?' bevatte een brief, tekeningen en drie bijlagen (berekeningen, begroting en<br />

het 'Verslag der Commissie tot onderzoek of bouwen van (spoor-)bruggen over de<br />

Maas, de Waal, de Neder-Rijn en Lek 43 .<br />

De, nog steeds anonieme, ontwerper had veranderingen aangebracht zoals de<br />

beoordelingscommissie, de verslaggever en 'de Vereeniging' die graag zagen. In het<br />

begeleidend schrijven wordt opgemerkt dat de oorspronkelijke inzending in acht a<br />

tien dagen gemaakt was. Desondanks was de ontwerper van mening dat zijn plan<br />

goed was. Na een korte beschrijving van de aangebrachte veranderingen gegeven te<br />

hebben vervolgde hij: 'Ik meen echter verplicht te zijn tevens daarbij de opmerking<br />

te voegen, dat de brug, ten gevolge der door de commissie gemaakte aanmerkingen,<br />

soms noodeloos kostbaar is gemaakt, dan die behoefde te zijn.' Om dit te illustreren<br />

diende Bijlage 3: het verslag van de genoemde commissie die belast was met het<br />

onderzoek naar de aanleg van spoorbruggen over een aantal rivieren. Net als deze<br />

commissie, ging ook de voorkeur van de ontwerper van 'Que sais-je?' uit naar een<br />

vaste brug, met een zijkanaal voor schepen met staande mast. Dit zou enorme<br />

besparingen opleveren 44 .Tevens merkte de vervaardiger op dat bij het ontwerpen<br />

hem de zojuist gereedgekomen IJsselbrug bij Westervoort, nabij Arnhem, als voorbeeld<br />

diende. De totale kosten van de bouw van een brug bij Zwolle werden door<br />

de ontwerper geraamd op ƒ494.401,70 45 .<br />

94<br />

>


De vervaardiger van 'Que sais-je?' had hiermee aan de voorwaarden voor het uitbetalen<br />

van de ƒ 350,- voldaan. Normaliter zou dit bedrag nu uitgekeerd kunnen worden<br />

maar er deed zich een complicatie voor: de vervaardiger van het plan was nog<br />

steeds anoniem. Op de directievergadering van 19 maart 1856 deelde de secretaris<br />

mede 'Dat volgens missieve van den Heer J.F. Thieme, de vervaardiger van het ontwerp<br />

'Que sais-je?', weigert zich bekend te maken; doch zegt dat de schrijver 'een<br />

oud soldaat' is, bekend door zijne militaire werken' 46 .<br />

Het was in strijd met de bepalingen van de vereniging om een honorarium uit te reiken<br />

aan een onbekende. Vandaar dat men besloot om aan de leden permissie te vragen<br />

om de prijs wel uit te betalen. De ledenvergadering van 14 april gaf hiervoor<br />

toestemming. Tevens werd besloten 'om het ontwerp met de plannen (in klein formaat)<br />

te doen drukken en aan de leden benevens aan andere personen, die bij de<br />

zaak belang hebben, te doen verstrekken' 47 .<br />

Eén van de leden van 'de Vereeniging', de ingenieur T.J. Stieltjes, directeur der<br />

<strong>Overijssel</strong>sche Kanaal-Maatschappij, werd bereid gevonden om over de plannen<br />

een verslag te schrijven. Het concept van dit verslag kwam gereed in oktober 1856.<br />

De Zwolse drukker Tjeenk Willink zou het in een oplage van 400 stuks drukken<br />

voor de prijs van ƒ 65,-; twee exemplaren werden gedrukt op zwaar papier en ingenaaid<br />

in prachtband 48 . Wegens drukke werkzaamheden bleek Tjeenk Willink echter<br />

met in staat te zijn het Verslag op redelijke korte termijn te drukken. Pas op 19<br />

juni 1857 kon de secretaris meedelen 'Dat het Verslag v.d. IJsselbrug, gedrukt en<br />

rondgedeeld is aan de leden alsmede de Present-Exempl. zijn gezonden aan Z.M. de<br />

Koning, d. Min. v. Binnenl. Zaken en de Chef van de Waterstaat, d. Hoofdingenieur<br />

in Gelderland en <strong>Overijssel</strong>, de commiss. d. Konings en Gedep. Staten in<br />

<strong>Overijssel</strong> enz., de belanghebbende gemeentebesturen die door hunne Bijdragen,<br />

het uitschrijven der Prijsvraag mogelijk gemaakt hebben' 49 .<br />

Wat aan dit citaat opvalt, is het slordige notuleren. De meest vreemde afkortingen<br />

worden gebruikt, iets wat voorheen nauwelijks voorkwam. Specificaties van<br />

namen van personen en gemeentebesturen ontbreken. Wanneer men bovendien<br />

bedenkt dat de secretaris een en ander aan het einde van de vergadering meedeelde,<br />

punt 15 van de agenda, ontstaat toch enigszins het vermoeden dat het plan voor de<br />

aanleg van een IJsselbrug geen echt 'hot-item' meer was. Dit vermoeden wordt nog<br />

eens bevestigd door het blijkbaar onzorgvuldig handelen van de secretaris ten aanzien<br />

van het terugzenden van de niet beloonde ontwerpen.<br />

In mei 1856 bood de directie aan de vervaardiger van het ontwerp 'Le travail ..."<br />

excuses aan voor het zoekraken van zijn werk. Hoe deze zaak werd afgehandeld, is<br />

ons niet bekend. Wel weten we dat in het Prentenkabinet van het Provinciaal<br />

Ovenjsselsch Museum de tekeningen nog aanwezig zijn 50 ! Wat lastiger werd het<br />

toen ook de ontwerper van 'Ontwikkeling' begon te klagen over het feit dat hij zijn<br />

tekeningen niet teruggekregen had. Weliswaar deelde de secretaris van 'de Vereeniging'<br />

op 19 juni 1857 mee'... dat de stukken van het ontwerp 'Ontwikkeling' (...)<br />

aan de schrijver W.C. Zemel te Vlissingen aan hem toegezonden zijn' 51 . Maar twee<br />

jaar later werd opnieuw aan de bel getrokken. Zemel schreef op 12 en 19 juli als<br />

mede op 8 augustus 1859 brieven waarin hij de directie maande z'n tekeningen<br />

95


23. Foto Katerveer (omstreeks 1927), G.A.D. Zwolle.<br />

terug te sturen. Wanneer dit niet gebeuren zou, eiste hij een schadevergoeding 52 .<br />

Omdat nadien niets meer van deze zaak vernomen wordt, mag verondersteld worden<br />

dat hij tevreden gesteld werd.<br />

6. Het verdere verloop<br />

Ondanks de vele inspanningen van de <strong>Overijssel</strong>sche Vereeniging tot Ontwikkeling<br />

van Provinciale Welvaart kwam het uiteindelijk niet tot de bouw van een brug<br />

over de IJssel nabij het Katerveer. Uit ons archiefmateriaal is niet gebleken dat de<br />

bouw op één bepaalde, duidelijk aan te wijzen oorzaak of gebeurtenis is stukgelopen.<br />

Waarschijnlijk waren verschillende factoren debet aan het feit dat de plannen<br />

in een vroeg stadium strandden. Hieronder willen wij verschillende aspecten<br />

beschrijven die naar ons idee een rol in het verdere verloop hebben gespeeld en de<br />

plannen in negatieve zin beïnvloed hebben. De gekozen volgorde is willekeurig.<br />

De plannen zelf en 'een oud soldaat'<br />

Geconstateerd werd dat 'de Vereeniging' nogal wat moeite heeft moeten doen om<br />

een redelijk goed ontwerp te bemachtigen. De door minister Thorbecke benoemde<br />

beoordelingscommissie keurde alle vijf inzendingen af. Om niet met lege handen te<br />

zitten, werd door de directie iemand gezocht die bereid was de ontwerpen nogmaals<br />

te bekijken. Deze 'dilettant in het ingenieursvak', die anoniem wenste te blijven,<br />

vond geen van de ontwerpen echt goed. Twee ontwerpen, waaronder 'Que<br />

sais-je?' zouden, na enige veranderingen aangebracht te hebben, eventueel in aanmerking<br />

komen voor realisatie. Deze anonieme deskundige gaf zelf echter aan dat<br />

hij de plannen slechts vluchtig had kunnen bekijken. De directie besloot vervol<br />

96


gens verder in zee te gaan met de ontwerper van 'Que sais-je?'.<br />

Vreemd genoeg wenste ook deze ontwerper dat zijn naam onbekend bleef. Wel<br />

wilde hij kwijt dat hij degene was die eerder, onder het pseudoniem 'een oud soldaat',<br />

een aantal werken geschreven had op militair en waterstaatkundig terrein 53 .<br />

De identiteit van 'een oud soldaat' kwam in 1860 aan het licht; toen werd namelijk<br />

bekend dat T.J. Stieltjes zich van voornoemde pseudoniem bediende. Dezelfde<br />

Stieltjes die in 1856 het Verslag van de ontwerpen voor eene vaste brug over den IJssel<br />

bij het Katerveer schreef en tevens lid was van 'de Vereeniging'! Men bleek achteraf<br />

dus in eigen gelederen over iemand te beschikken die deskundig was op terrein het<br />

van de bruggebouw. Dat T.J. Stieltjes, directeur van de <strong>Overijssel</strong>sche Kanaal-<br />

Maatschappij, deskundig was, moge onder meer blijken uit het feit dat hij in 1866<br />

een professoraat in de wegen- en bruggebouw aan de Polytechnische School te<br />

Delft kreeg aangeboden. Dit aanbod weigerde hij echter 54 .<br />

Deze kennis werpt ons inziens meer vragen op dan dat er antwoorden gegeven worden.<br />

Was het bijvoorbeeld bij de directie van 'de Vereeniging, of bij één van de<br />

bestuursleden, niet bekend dat 'een oud soldaat' en Stieltjes één en dezelfde persoon<br />

waren? De secretaris, B.P.G. van Diggelen, evenals Stieltjes ingenieur, kende hem<br />

ongetwijfeld vanwege bijvoorbeeld beider bemoeienissen met het verbeteren van<br />

het Zwolse Diep. Overigens ook een initiatief van 'de Vereeniging'. Men kan zich<br />

tevens afvragen waarom Stieltjes zich niet bekend wilde maken als de ontwerper<br />

van 'Que sais-je?'. Toen het ontwerp, op verzoek van het bestuur, aangepast was,<br />

vermeldde de vervaardiger in z'n begeleidend schrijven dat naar zijn mening de veranderingen<br />

niet nodig waren. Hij verwees onder meer naar de ideeën die over bruggebouw<br />

bestonden bij een speciale staatscommissie. T.J. Stieltjes was overigens zelf<br />

vaak lid van commissies die de regering op militair of waterstaatkundig gebied<br />

moesten adviseren 55 ! Waarom dan die anonimiteit? Wilde Stieltjes voorkomen dat<br />

de prijsvraag een farce werd of was hij zelf niet volledig overtuigd van de degelijkheid<br />

van zijn plannen? Zoals vermeld was de know-how voor het ontwerpen van<br />

dergelijke grote bruggen rond 1850 in Nederland nauwelijks aanwezig. Een zegsman<br />

van Rijkswaterstaat, Directie Bruggen 56 , deelde ons mede dat vaak gebruik<br />

gemaakt werd van Duitse of Engelse ontwerpen. Ook zijn bruggen gewoon gekopieerd,<br />

soms zonder dat de berekeningen bekend waren!<br />

Ook gezichtsverlies binnen de vereniging zou een rol gespeeld kunnen hebben.<br />

Alle correspondentie tussen de secretaris van 'de Vereeniging' en T.J. Stieltjes verliep<br />

consequent via de zaakgelastigde van de anonieme ontwerpen: Stieltjes' uitgever<br />

J.F. Thieme te Arnhem.<br />

Bovenstaande roept twijfels op over de degelijkheid van het ontwerp 'Que sais-je?'<br />

en vooral ook over de manier waarop men te werk is gegaan. Hier komt nog bij dat<br />

een financieel plan, voor zover wij dat hebben kunnen nagaan, nooit gemaakt is.<br />

Dit was wel het geval bij bijvoorbeeld het opzetten van Odeon en de oprichting van<br />

de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij. Hiervan kon men vooraf aandelen kopen.<br />

Met het geld 'werden de projecten gerealiseerd. Tevens kan men zich afvragen of het<br />

plan misschien niet een 'stokpaardje' was van de secretaris B.P.G. van Diggelen.<br />

Toen hij de directie verliet, de enige ingenieur in dit gezelschap, verdween de<br />

97


24. Foto Katerveer en IJssel naar Gelderse kant (omstreeks 1920), foto: C.J.J. Schaepman, G.A.D.<br />

Zwolle.<br />

kwestie 'een brug over de IJssel' steeds meer naar het einde van de agenda. Ook<br />

kwam de zaak steeds minder frequent aan de orde. Uiteindelijk is in de notulenboeken<br />

helemaal niets meer terug te vinden over de plannen.<br />

De houding van de overheden<br />

Ook de houding van de overheden kan een belangrijke rol gespeeld hebben. Dat<br />

infrastructuurverbeteringen de industriële ontwikkeling zou kunnen bevorderen,<br />

was in de negentiende eeuw beslist niet onbekend. In een door de Franse econoom<br />

J. Dupuit in 1848 geschreven artikel werd aan de hand van het voorbeeld bruggebouw<br />

beschreven dat overheden verantwoordelijk zijn voor de aanleg van grote<br />

publieke werken 57 . De financiering van deze projecten is volgens Dupuit ook een<br />

taak van de overheid en moest worden betaald uit de algemene middelen. In geen<br />

geval moeten de (toekomstige) gebruikers tol betalen: dit zou immers als een rem<br />

fungeren op economische en industriële ontwikkelingen.<br />

Wij waren benieuwd of en zo ja in hoeverre de hierboven beschreven ideeën bij de<br />

verschillende overheden met betrekking tot de bouw van een brug over de IJssel<br />

terug te vinden zijn. De informatie die wij over de drie bestuurslagen hebben kunnen<br />

bemachtigen is echter zeer teleurstellend.<br />

Gezien de traditionele afwachtende houding van het Zwolse gemeentebestuur, met<br />

name daar waar het gaat om inmenging in sociaal-economische aangelegenheden,<br />

zou het niet verwonderlijk zijn dat men hier de boot wat afhield. Vreemd genoeg is<br />

over de plannen voor aanleg van een brug bij het Katerveer helemaal niets terug te<br />

vinden in de notulen van gemeenteraadsvergaderingen en vergaderingen van het<br />

98


College van Burgemeester en Wethouders. Het door Stieltjes geschreven Verslag is<br />

zelfs niet te vinden in het archief van ingekomen stukken van de gemeenteraad van<br />

1857.<br />

Ook in het archief van het Kabinet der Gouveneur/de Commissaris des Konings is<br />

niets te vinden over de plannen. Het hierboven genoemde verslag komt, evenals bij<br />

de gemeente, niet voor in de 'Ingekomen stukken en minuten'. Van deze kant zou<br />

men in principe toch respons mogen verwachten; de inspanningen van de voormalige<br />

gouverneur van <strong>Overijssel</strong>, J.H. graaf van Rechteren zullen destijds nog vers in<br />

het geheugen gelegen hebben.<br />

Tenslotte de rijksoverheid. Op 2 maart 1854 schreef de directie van 'de Vereeniging'<br />

een brief aan de minister van binnenlandse zaken, op dat moment de<br />

conservatief-liberaal F.A. van Hall, dat 'De daarstelling van eener vasten brug (...)<br />

geen provinciale, doch veeleer eene rijksaangelegenheid was, daar de IJssel de<br />

gemeenschap tusschen twee gedeelten van het Rijk afsnijdt' 58 .<br />

Nadat in 1857 in een directievergadering melding gemaakt werd van het verzenden<br />

van het 'Verslag' aan de minister, is hierover in het archief van 'de Vereeniging'<br />

geen correspondentie met hem meer te vinden.<br />

Omdat van geen van de drie overheden ook maar iets gehoord wordt over de plannen<br />

en er evenmin melding gemaakt wordt van ontvangst van het door Stieltjes<br />

geschreven verslag, zou het vermoeden kunnen rijzen dat de secretaris het boekwerkje<br />

nooit verstuurd heeft. Op de directievergadering van 19 juni 1857 kondigde<br />

hij wel aan dat dit gebeurd was.<br />

Tijdens speurwerk in de archieven van de verschillende overheden, alsmede tijdens<br />

het zoeken naar correspondentie tussen 'de Vereeniging' en de overheden in het<br />

archief van de vereniging zelf, kregen we dus volledig nul op het request.<br />

Andere middelen van vervoer<br />

Men dient zich bewust te zijn van het feit dat in het midden van de vorige eeuw het<br />

vervoer van personen en goederen totaal verschilde met wat wij nu gewend zijn. De<br />

scheepvaart en dan vooral de binnenvaart was van zeer groot belang, vooral daar<br />

waar het ging om het afleggen van grotere afstanden. Aan verbetering van de<br />

scheepvaart werd dan ook het een en ander gedaan. Men denke bijvoorbeeld aan<br />

het graven van het Lichtmiskanaal in 1835 waardoor Zwolle met de Dedemsvaart<br />

verbonden werd. In 1838 werd de 'Rhijn en IJssel Stoombootmaatschappij' opgericht.<br />

Deze maatschappij exploiteerde een lijn die over Zwolle tussen Amsterdam<br />

en Keulen liep 59 . In 1842 werd de lijndienst Zwolle-Amsterdam in dienst gesteld.<br />

Met een stoomschip, de 'Stad Zwolle', werd de dienst uitgevoerd.<br />

Het vervoer over de weg, dat van een eventueel aan te leggen brug over de IJssel<br />

gebruik zou moeten maken, speelde een ondergeschikte rol. Ter illustratie: pas in<br />

de jaren dertig van de vorige eeuw werd de tweede verharde provinciale weg van<br />

<strong>Overijssel</strong> aangelegd. Wel namen de spoorwegen een grote vlucht. In 1864 was de<br />

lijn Amersfoort-Zwolle, inclusief spoorbrug en station, gereed. Al in het Verslag<br />

van de toestand der Gemeente Zwolle van 1866 staat te lezen: 'Naarmate het spoorwegnet<br />

zich meer en meer uitbreidt, heeft het gaandeweg de openbare vervoermid-<br />

99


delen te land verdrongen, zodat zijn vervallen: de diligencediensten naar Utrecht,<br />

Kampen, Arnhem en Deventer en geen andere diligences meer rijden dan de dagelijksche<br />

diensten op de noordelijke provinciën en die op Hardenberg.' 60 '<br />

Ten aanzien van de spoorbaan is het belangrijk op te merken dat Zwolle in 1862<br />

weigerde deel te nemen aan de mogelijkheid een gecombineerde spoor-rijbrug over<br />

de IJssel aan te leggen 61 . Ook dit idee vond geen doorgang. Om over de gang van<br />

zaken rond deze plannen duidelijkheid te verkrijgen, is gericht archiefonderzoek<br />

noodzakelijk. Hier zou dan ook aan de orde kunnen komen of en in hoeverre de<br />

plannen van 1862 het alsnog realiseren van een vaste brug over de IJssel in negatieve<br />

zin beïnvloed hebben.<br />

Tot slot willen wij wijzen op het voorstel van de Kamer van Koophandel en Fabrieken<br />

in Zwolle in 1857 om de schipbrug van Westervoort te kopen. Hier was zoals<br />

vermeld een vaste brug aangelegd. De Zwolse gemeenteraad ketste de plannen af<br />

omdat een schipbrug voor de scheepvaart te veel belemmeringen opleverde.<br />

Bovendien kon ook een schipbrug in buitengewone omstandigheden, zoals ijsgang<br />

en hoge waterstanden, geen dienst doen 62 .<br />

De noodzaak<br />

Een laatste factor, zeker niet de minst belangrijke, die wij willen noemen is dat de<br />

noodzaak om bij Zwolle een brug te bouwen, waarschijnlijk niet erg groot geweest<br />

is. De stad had in de jaren vijftig een inwonertal van zo'n 20.000.<br />

Kleinbedrijf en ambachten vormden de economische basis, nationaal stuwende<br />

bedrijven ontbraken volledig. Zwolle vervulde, in ieder geval tot het einde van de<br />

negentiende eeuw, primair een regionaal verzorgende functie. Waarschijnlijk kon<br />

het veer de vervoersstroom over land tussen Zwolle en het zuiden gemakkelijk verwerken.<br />

De aanleg van een vaste brug, een idee van de notabelen die zitting hadden<br />

in de directie van de <strong>Overijssel</strong>sche Vereeniging tot Ontwikkeling van Provinciale<br />

Welvaart, zal waarschijnlijk destijds niet haalbaar zijn geweest.<br />

Wij hopen hiermee een voldoende antwoord gegeven te hebben op de vraag hoe het<br />

mogelijk was dat Zwolle de kans op een brug over de IJssel aan het begin van de<br />

tweede helft van de vorige eeuw miste. Maar ja: Que savons-nous?<br />

Noten<br />

1. D.P. Graswinkel, Katen en het Katerveer (Zwolle, 1930)3.<br />

2. Thom.J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle (2 delen; Zwolle, 1954-1961) 1,177.<br />

3. J. Hagedoorn, 'Verbroken Stilte', een schets van Zwolle in de 19e eeuw, in: Zwols <strong>Historisch</strong><br />

Jaarboek II (Zwolle, 1985) 20.<br />

4. Zie hiervoor H. Ley, Voor Zwoll' tot Nut en Sieraad. De totstandkoming van de schouwburg<br />

ODEONte Zwolle (1838-1840){Zwol\e, 1986).<br />

5. Zie hiervoor G.G.J. Rensen, 'De Zwolsche Stoomboot-Maatschappij, (1840-1891), in:<br />

Zwols <strong>Historisch</strong> Tijdschrift, 1985, nr2.<br />

6. In het vervolg soms te noemen 'de Vereeniging'.<br />

100


7. E.D. Eijken, Inleiding op het archief van de <strong>Overijssel</strong>sche Vereeniging tot ontwikkeling<br />

van Provinciale Welvaart (OVOPW), Rijksarchief in de provincie <strong>Overijssel</strong> 163<br />

(RAO).<br />

8. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 79.<br />

9. Ibidem.<br />

10. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 53.<br />

11. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 79.<br />

12. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 4.<br />

13. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 52a.<br />

14. E.D. Eijken, Inleiding.<br />

15. Zie hiervoor G.G.J. Rensen, 'Een vroege poging tot handel- en industriebevordering: De<br />

eerste <strong>Overijssel</strong>sche Tentoonstelling van Nijverheid en Kunst te Zwolle (1840), in:<br />

Zwols <strong>Historisch</strong> Tijdschrift, 1985, nr. 3.<br />

16. RAO, inv.nr. 86, Bibliotheek XC2, R78. Van Royen, Het voortbrengend vermogen der<br />

Provincie <strong>Overijssel</strong> (Zwolle, 1841).<br />

17. W.E. Krul, 'Het liberalisme als systeem' in: Winkler Prins Geschiedenis der Nederlanden<br />

3, P. van Moorsel, ed. (Amsterdam / Brussel, 1977) 99.<br />

18. <strong>Overijssel</strong>, nr. 46 (30-8-1854) 1, in: RAO, Kabinet CdK, inv.nr. 211.<br />

19. Ibidem.<br />

20. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 2.<br />

21. Ibidem.<br />

22. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 85.<br />

23. RAO, Kabinet der Gouverneur/Commissaris des Konings, inv.nr. 211.<br />

24. Ibidem. Een afschrift van de brief aan de minister bevindt zich in dit archief.<br />

25. Ibidem. Een afschrift van de brief van de minister aan 'de Vereeniging' bevindt zich in dit<br />

archief.<br />

26. RAO, Archief OVOPW, inv.nr.2.<br />

27. Deze tektst is overgenomen van de geschreven versie van de prijsvraag, aanwezig in het<br />

Prentenkabinet van het Provinciaal <strong>Overijssel</strong>s Museum, koker 27.<br />

28. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 17.<br />

29. Ibidem.<br />

30. H. de Jong, Overbruggen (Delft, 1983) 89 ev.<br />

31. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 85. T.J. Stieltjes, Verslag van de ontwerpen voor eene<br />

vaste brug over de IJssel nabij het Katerveer. Ingekomen op de daarvoor uitgeschreven Prijsvraag,<br />

benevens een nader ontwerp en verdere bescheiden 1852-1856 (Zwolle, 1856).<br />

32. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 18.<br />

33. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 85, 13.<br />

34. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 52a.<br />

35. Ibidem.<br />

36. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 4.<br />

37. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 85.<br />

38. Ibidem.<br />

39. Ibidem.<br />

40. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 4.<br />

41. Ibidem.<br />

42. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 52a.<br />

43. RAO, Aanwinst '83, afkomstig uit archief Vereeniging <strong>Overijssel</strong>sch Regt en Geschiedenis,<br />

ongenummerd. De tekeningen bevinden zich in het Prentenkabinet van het POM,<br />

koker 28.<br />

101


44. Uit het door T.J. Stieltjes geschreven Verslag, blijkt dat de schrijver van dit boekwerkje<br />

het met de ontwerper van 'Que sais-je?' eens was. De laatste zin van het boekwerkje luidt<br />

dan ook (verwijzend naar een door Stieltjes zelf gemaakte tekening) 'Opstand eener<br />

hangbrug, door den verslaggever in bedenking gegeven, met eene plattegrondteekening<br />

der hang- en doorlaatbrug en van het zijkanaal, dat tevens eene voorhaven vormt'.<br />

45. Ibidem, 43.<br />

46. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 4.<br />

47. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 2.<br />

48. Ibidem.<br />

49. Ibidem.<br />

50. POM, Prentenkabinet, koker 29.<br />

51. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 4.<br />

52. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 2.<br />

53. Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek 2 (Leiden, 1912) 1370-1376.<br />

54. Ibidem.<br />

55. Ibidem.<br />

56. Met dank aan de heer D.S. de Jager, hoofd afdeling bij Rijkswaterstaat, Directie Bruggen<br />

te Voorburg.<br />

57. J. Dupuit 'On the measurement of the Utility of Public Works' in: F. de Vries Reading in<br />

Welfare Economics (1973) Met dank aan A. Burgess, student economie te Groningen.<br />

58. RAO, Archief OVOPW, inv.nr. 49.<br />

59. J. Hagedoorn, 'Verbroken Stilte' 19.<br />

60. Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle (GAZ), Verslag van de toestand der Gemeente<br />

Zwolle 1866.<br />

61. GAZ, AAZ 02 / 04019, Stukken betreffende de bouw van een brug over de IJssel 1876-<br />

1881.<br />

62. GAZ, AAZ 02 / 00994a.<br />

102


Geen eenvoudige timmerman<br />

Over Multatuli's vermoeide laatste dagen en zijn bittere dood*<br />

Atte Jongstra<br />

Multatuli is honderd jaar dood en we praten nog over hem. We hebben dat in de<br />

Nieuwe Kerk in Amsterdam gedaan, in februari <strong>1987</strong>, onder toezicht van Minister<br />

Brinkman. Multatuli-kenner Piet Spigt legde toen nog eens uit waarom Multatuli<br />

was doodgegaan, en Jan Wolkers bleek plotseling een rasechte Multatuliaan, toen<br />

hij onder luid pilarengezang in die koude, holle kerk een rede uitsprak. Er werd een<br />

Multatuliaans muziekstuk ten gehore gebracht, Elgégïe Saidjab van de Nederlandse<br />

componist Richard Hol. De volgende dag klonk dit muziekstuk alweer. Ditmaal in<br />

Buurthuis de Havelaar, in de Amsterdamse Douwes Dekkerstraat, op de plechtige<br />

viering van de 167ste geboortedag van de schrijver.<br />

Honderd jaar geleden ging Multatuli dood en we praten nog over hem, maar we<br />

doen het wel anders dan vroeger. Vroeger was Multatuli inzet in de strijd voor een<br />

rechtvaardiger samenleving. Met de werken van Multatuli in de hand eisten socialisten,<br />

vrijdenkers en anarchisten een samenleving, waarin op zijn minst geen honger<br />

werd geleden. Ook diende Multatuli velen als voorganger in het streven naar<br />

koloniale hervormingen. Daarnaast was er de rustige, genuanceerde bewondering<br />

van zijn literaire talent. Deze laatste bewondering is er nog steeds. Multatuli als<br />

schrijver is nog springlevend; Multatuli als maatschappijhervormer, hier én in<br />

Indië, is dood.<br />

Veel mensen, ook tegenwoordig nog, denken als ze de naam Multatuli horen<br />

onmiddellijk aan Indië. Zelfs de woorden die uitgever/Multatuliaan Van Oorschot<br />

bij de onthulling van het Multatuli-standbeeld op de Amsterdamse Torensluis tot<br />

Hare Majesteit Koningin Beatrix richtte, waren alleen aan de Indië-politiek van<br />

vroegere koningen en regeringen gewijd. Multatuli als koloniaal hervormer? Hoe<br />

zit het daar mee?<br />

Het is een ingewikkelde zaak. Multatuli was weliswaar voor rechtvaardiger behandeling<br />

van de inlander en door de invloed van Max Havelaar zijn ook wel hervormingen<br />

ingevoerd. Ondertussen was Multatuli echter geen tegenstander van koloniale<br />

overheersing. De regering van een land, vond hij, moest je overlaten aan mensen<br />

die Recht en Waarheid nastreven. Zelfbeschikkingsrecht en democratie zou<br />

maar een rotzooi opleveren. In principe was dus het stelsel van Nederlandse overheersing<br />

in Indië niet persé slecht. Als je maar Recht nastreefde. Dat Recht moest<br />

worden gewaarborgd door één wijs en goed verlicht despoot, en Multatuli<br />

beschouwde zichzelf als de geschikte kandidaat voor zo'n despotendom. Multatuli's<br />

ontslag uit de Indische dienst is een gevolg van zijn opkomen tegen Onrecht.<br />

103


25. Portret van Multatuli (1820-1887).<br />

104


Bij zijn protesten tegen de misstanden vond hij geen gehoor bij zijn superieuren.<br />

Gouverneur Generaal Duymaer van Twist liet daarmee zien dat hij in ieder geval<br />

niet geschikt was voor zijn 'despotische' positie. Hij liet Onrecht toe.<br />

Daarop schreef Multatuli Max Havelaar, diep verongelijkt als hij was, in bijna één<br />

maand. Het boek is door velen opgevat als een pleidooi tegen de Nederlandse overheersing<br />

in Indië, maar eigenlijk was het niet meer dan een poging om Multatuli op<br />

de juiste plaats terecht te doen komen: op zijn minst op de stoel van de Gouverneur-<br />

Generaal van N.O. Indie. Vóór alles is Max Havelaar een literair briljante poging<br />

tot eerherstel en maatschappelijke verheffing van de ex-ambtenaar Eduard Douwes<br />

Dekker, alias Max Havelaar/Sjaalman/Multatuli, méér dan een anti-koloniaal<br />

geschrift.<br />

Trouwens, dat er over de manier waarop je Multatuli zou moeten herdenken misverstanden<br />

kunnen ontstaan, laat de geschiedenis van de Zwolse Multatuliverering<br />

duidelijk zien. De als ambassadeur door het land reizende penningmeester van het<br />

Multatuli-genootschap treft in de IJsselstad uiteenlopende meningen aan. Van al<br />

zijn bezoeken brengt hij verslag uit aan het bestuur. Over zijn bezoek in Zwolle -<br />

hij is tegenwoordig bij de oprichtingsvergadering van het comité aldaar - schrijft hij<br />

aan Götze dat de besprekingen 'nogal heftig' waren. De meningen liepen uiteen,<br />

men bleef lang op het eigen standpunt staan. Maar als uiteindelijk toch een compromis<br />

is bereikt, wordt zeer voortvarend te werk gegaan. Men is van plan voordrachten<br />

en opvoeringen van Multatuli's werken te organiseren '(...) om dan tenslotte,<br />

wanneer heel Zwolle en een gedeelte van <strong>Overijssel</strong> als het ware gedwongen is aan<br />

Multatuli te denken, een geldinzameling te houden.'<br />

Van het Zwolse Multatuli-comité maakt onder anderen deel uit de heer J.B. Meerkerk,<br />

de schrijver van een 'karakterstudie' over Multatuli die in 1900 is verschenen.<br />

Zijn boek heeft een zeer slechte naam in multatuliaanse kringen. Een ingezonden<br />

briefschrijver in de Provinciaal <strong>Overijssel</strong>sche Courant maakt zich dan ook heel<br />

boos dat uitgerekend een man als Meerkerk Multatuli moet huldigen, Multatuli's<br />

geest heeft hem die woede ingefluisterd, zegt hij: 'Hoewel ik geen adept ben van het<br />

spiritisme, en dus in het algemeen geen verstand heb van het zien en hooren van<br />

'geesten', heeft toch mijn geest in den laatsten tijd eenige onaangename woorden<br />

hooren mompelen over de voorgenomen herdenking van zijn geboortedag te<br />

Zwolle. Ik hoorde hem zeggen: 'Fancy! Men gaat mijn gedachtenis huldigen te<br />

Zwolle. Bij mijn leven heeft men mij armoe en geestelijke ellende laten lijden;<br />

thans, bijna 33 jaar na mijn dood gaat men commissies benoemen om mij te 'huldigen'!<br />

En nu geef ik U in tienen te raden, Fancy, wie deel uitmaakt van de commissie<br />

te Zwolle.... De heer J.B. Meerkerk, de schrijver van het voor mij onaangenaamste<br />

boek, dat over mijn leven is gepubliceerd (en dit zegt wat, Fancy, want er is veel<br />

onaangenaams over mij geschreven)!'<br />

Maar de geest van Multatuli en de ingezonden briefschrijver hoeven zich spoedig na<br />

deze uitleg van onvrede geen zorgen meer te maken over de deelname van Meerkerk:<br />

die moet zich wegens ziekte terugtrekken. Dat wil echter niet zeggen dat er<br />

nu in Zwolle ook niet meer gemopperd wordt.<br />

Het comité heeft vier Multatuli-avonden belegd. Op de bijeenkomst spreekt de<br />

105


PRIJSVRAAG.<br />

Het Bestuur ran het Zwolsen<br />

Mnltatuli-Comlté deelt in rerband<br />

met haar prysrraag mede, dat<br />

voor de drie beste inzendingen<br />

pryzen z{jn ultgelooid Tan f 50,<br />

f 30 en f 20.<br />

Den Heer JAN TOOBOP Is<br />

rerzocht de beoordeeling op zich<br />

ie nemen<br />

Inzendingen kunnen nog tot<br />

10 Bee. a.s. worden ingelererd,<br />

Voorst raat 33, Zwolle.<br />

De Voorzitter,<br />

Dr. A. C. H. BOISSEVAIN.<br />

De Secretaris,<br />

P. KEYSER.<br />

26. Aankondiging van het Zwolsch<br />

Multatuli-Comité in de Provinciaal<br />

<strong>Overijssel</strong>sche Courant betreffende de<br />

prijsvraag om een affiche te ontwerpen<br />

voor de uitvoering van de Vorstenschool<br />

(1920).<br />

theoloog-letterkundige dr. K.F. Proost. Zijn lezing wekt groot schandaal: hij is veel<br />

te kritisch. Hij heeft weliswaar van te voren aan comité-voorzitter Boissevain<br />

gevraagd of hij zijn 'eigen visie' op Multatuli mocht ontvouwen, maar dat is geen<br />

reden om een Multatuli-huldiging te misbruiken voor het spuien van kritiek. Plaatselijk<br />

secretaris Keyser - een van de Dageraadsleden in het bestuur - schrijft het verontwaardigd<br />

aan de spreker. Bovendien meldt hij de voorzitter, dat als het bestuur<br />

van Zwolle niet unaniem afstand neemt van de rede van Proost, de meeste leden<br />

ontslag zullen nemen.<br />

Voorzitter Boissevain blijkt echter een andere opvatting te hebben dan de dageradianen<br />

in zijn bestuur: 'Volgens mijn opvatting vormen wij een Comité ter herdenking<br />

van Multatuli en niet voor eenzijdige bewieroking.' Dat antwoord is reden<br />

genoeg voor vier leden het bestuur te verlaten. De nu ex-secretaris Keyser schrijft<br />

aan Boissevain dat de rede van Proost '(...) niet anders [is] geweest dan de met<br />

moeite bedwongen haat van den Zaalberg tegenover hem, die de huichelary en het<br />

bedrog van den Zaalberg heeft tentoongesteld.' Als Götze de secretaris van het landelijk<br />

herdenkingscomité (dit is natuurlijk de Ver.M.M.) van de troebelen in<br />

Zwolle verneemt, wordt hij verdrietig. Het ging anders zo goed. Drie dagen voor<br />

het conflict had hij nog aan Keyser geschreven: '(...) buiten Rotterdam slaat uw<br />

comité wel het schitterendste figuur.'<br />

Ondertussen wordt Vorstenschool te Zwolle met groot succes opgevoerd. 'Ik zit<br />

106


hier in mijn huiskamer met een grote lauwerkrans en twee bloemstukken (...)'<br />

schrijft Boissevain aan Götze. Maar zijn vreugde wordt overschaduwd door de<br />

ruzie: 'Het ging hier zoo aardig met ons comité. Maar nu lopen de heren (...) weg<br />

om een meningsverschil.' Nog steeds verklaart Boissevain zich solidair met Proost.<br />

Götze heeft ondertussen nogal bitter aan Keyser geschreven: 'Moet u nu ook nog<br />

Multatuli straffen en zijn vereerders en allen die samenwerken om M. te huldigen,<br />

door als deserteurs het terrein aan anderen over te laten?' Er wordt driftig heen en<br />

weer geschreven en op 3 januari 1920 meldt Boissevain dat de problemen zijn opgelost:<br />

iedereen is weer op zijn oude post teruggekeerd. Tot inkeer lijkt de voorzitter<br />

echter niet erg te zijn gekomen, getuige zijn laatste brief aan de landelijke secretaris:<br />

Tk heb de weggelopen leden van het Zwolse comité gepaaid met de verklaring dat<br />

ik de rede van dr. Proost als herdenkingsrede wel op haar plaats vind maar als huldigingsrede<br />

betreur. Kan het hoofdbestuur ze niet even her-benoemen, dan is het<br />

zaakje weer gezond.'<br />

Nu verloopt alles voorspoedig. Er staat al weer een voorstelling van Vorstenschool<br />

op het programma, een volksvoorstelling ditmaal. Ook met de grote geldinzameling<br />

is al een begin gemaakt: Zwolle herdenkt volop Multatuli.<br />

Het Zwolscli Multatuli-Comité<br />

houdt vier Multatuli-avonden<br />

in de bovenzaal van „de Harmonie"<br />

te Zwolle en wel op<br />

DONDERDAG 6 NOVEMBER 1919,<br />

DONDERDAG 11 DECEMBER 1919,<br />

DONDERDAG 5 FEBRUARI 1920,<br />

DINSDAG 2 MAART 1920.<br />

Aanvang 8 uyr precies.<br />

Plaatsbewijzen, toegang gevende tot<br />

deze 4 bijeenkomsten, verkrijgbaar<br />

Groeneslraat 5. Prijs f 0.60 of f 1.—.<br />

Medewerking zal worden verleend door:<br />

Dr. A. C. II. BOISSEVAIN,<br />

Dr. K. F. PROOST,<br />

Ds. G. HORRKUS DE HAAS, /<br />

Ds. N. J. PABON', —//;<br />

ME'. HENNY ZVVERUS V-«<br />

en anderen,<br />

27. A nnonce van het Zwolscb<br />

Multatuli-Comité in de Provinciaal<br />

Overijssekche Courant<br />

(1920).<br />

107


Als revolutionair koloniaal hervormer zal Multatuli niet de geschiedenis ingaan, al<br />

pleitte hij voor menselijke behandeling van de inlander. Als voortrekker van socialisten<br />

en anarchisten dient Multatuli in <strong>1987</strong> ook niet meer. Ook al werden we na<br />

viering in de Nieuwe Kerk in februari, in het café, nog besprongen door een Multatuliaan<br />

uit vrijdenkerskringen die ons op krachtige en onontkoombare wijze het<br />

evangelie van zijn meester verkondigde. Hij had zelfs boeken van Multatuli naar<br />

Noorwegen gestuurd, zei hij, en begon toen 'Komt allen mee naar Golgotha, daar is<br />

wat moois te zien!' in het Noors te declameren. Nee, Multatuli is in <strong>1987</strong>, honderd<br />

jaar na zijn dood, een literaire grootheid. Wat men tegenwoordig nog multatulianen<br />

noemt zijn letterkundige boeken-van-Multatuli-liefhebbers.<br />

En het is maar goed dat hij dood is, Douwes Dekker. Zou hij hebben geweten dat<br />

dat het geval zou zijn in <strong>1987</strong>, dan zou hij nog bitterder zijn gestorven dan hij al<br />

deed. Want Multatuli stierf bitter. Hij voelde zichzelf mislukt. Hoe kan dat nu, zult<br />

U zich afvragen. In zijn eigen tijd werd hij als een groot schrijver beschouwd. Hij<br />

werd toegejuicht als zijn toneelstukken werden opgevoerd. Als hij ergens een<br />

lezing hield zat de zaal vol. Men organiseerde inzamelingsacties, er waren<br />

Multatuli-sigaren, Multatuli-bonbons, noem maar op. Wil je nog meer schrijverssucces?<br />

Maar Multatuli wilde helemaal geen succes als schrijver. Neen, 'n kunstenaar ben ik<br />

niet. En geen dichter. En geen genie. Ik ben 'n eenvoudig mens dat recht zoekt. Al<br />

meteen na het uitkomen van Max Havelaar klaagt hij. Men prees de literaire kwaliteiten<br />

van zijn werk: hij zocht echter recht. Recht? Voor wie? Multatuli was een<br />

eenvoudig mens dat recht zoekt. Een eenvoudig mens?<br />

Multatuli zocht in eerste instantie recht voor zichzelf. Hij wilde eerherstel. Een<br />

hoge positie. Voor zichzelf. Een ministerspost of een positie als gouverneurgeneraal<br />

van Suriname of nog liever van Nederlands Oost Indië. En eigenlijk wilde<br />

hij keizer worden. Keizer van Nederland en Indië, een verlicht despoot die stond<br />

voor Recht en Waarheid. Schrijver zijn, dat was niet genoeg.<br />

Op een paar plaatsen in zijn werk zegt Multatuli dat hij liever timmert dan schrijft.<br />

Hij is liever timmerman, zegt hij daar. Zie je wel!, zult U nu zeggen: hij vond zichzelf<br />

echt een eenvoudig mens.... U hebt het mis. Multatuli is hier allerminst bescheiden:<br />

hij verwijst naar een van de bekendste timmerlieden in de geschiedenis van<br />

onze beschaving: Jezus Christus. Op heel veel manieren heeft Multatuli zich met<br />

Jezus vereenzelvigd. Alleen al in de keuze van zijn pseudoniem wordt naar Jezus'<br />

lijden verwezen. Net als Jezus, zo schrijft Multatuli ergens in de Ideeën, wordt ook<br />

hij niet begrepen. Ergens anders lezen we 'Evenals Jezus voel ik my te fyn om niet<br />

grof te zyn tegen de bedervers van m'n broeders'. Maar Multatuli gaat nog verder<br />

dan vergelijken: zijn lijden is nog erger dan dat van Jezus: 'Men verdraaide z'n handelingen<br />

niet. Men schold hem niet voor onzedig noch zedeloos, waar-ie blyk gaf<br />

van minachting voor de zeden van z'n tyd. Men smaalde z'n armoede niet. In één<br />

woord, de roeping van den hervormer in onze dagen [Multatuli dus] is moeielyker.<br />

De taak is zwaarder. De middelen geringer. De tegenstand krachtiger. De wapens<br />

waarmee 'n voorganger wordt bestreden zyn scherper..., ze zyn vergiftigd.' En die<br />

rol zag Multatuli voor zich weggelegd: hij wilde de Jezus Christus van de negen<br />

108


tiende eeuw zijn, maar dan geen nedrige Jezus, geen arme Jezus, maar een keizer die<br />

goed was als Jezus Christus, machtig als andere keizers, en net zo rijk.<br />

Het is er echter niet van gekomen. Max Havelaar heeft weliswaar meegewerkt aan<br />

een liberalisering van het beleid in Indië, maar het is vooral als literair meesterwerk<br />

beschouwd. Multatuli heeft geprobeerd kamerlid te worden, in Tiel en in Leeuwarden,<br />

maar beide keren kreeg hij niet meer dan tien stemmen. Hij heeft geprobeerd<br />

minister van Koloniën te worden, het is niet gelukt. Alleen als schrijver slaagde hij,<br />

en daar ging het hem nu net niet om. Toen hij zeker was dat hem nooit het gewenste<br />

eerherstel èn een eervol pensioen zou worden verleend van regeringswege, toen<br />

gooide hij zijn pen neer. Na 1877 publiceerde hij niets meer, hij schrijft de jaren die<br />

hem resten alleen nog brieven.<br />

Er is ook een andere lezing over het einde van Multatuli's schrijverschap. Anton<br />

Constandse en, naar bleek op de viering van de 167ste geboortedag, ook de voorzitter<br />

van het Multatuli-genootschap prof. dr. Hans van den Bergh, zijn van mening<br />

dat één man verantwoordelijk is voor Multatuli's stilzwijgen tijdens de laatste tien<br />

jaar van zijn leven. Die man is de theoloog-letterkundige Johannes van Vloten. Van<br />

Vloten was, zou je kunnen zeggen, een ketter in hart en nieren, een principieel man<br />

met een ongemeen geestige en scherpe pen; hij is naar zijn gevoel volstrekt ten<br />

onrechte vergeten. Van Vloten is een vooraanstaand representant van een grote<br />

groep gelovigen, die in de tweede helft van de negentiende eeuw van hun geloof<br />

afraken. In eerste instantie komt men tot het inzicht dat Jezus ook maar een<br />

gewoon mens is geweest, en dat al die wonderdoenerij apocrief is. En sommigen,<br />

waaronder Van Vloten, verliezen via het deïsme (God schiep de wereld en liet die<br />

als een perfect lopend uurwerk achter) hun geloof als blijkt dat die klok helemaal<br />

niet zo goed loopt: veel te veel mensen leven onder het bestaansminimum. Bij de<br />

toenemende industrialisatie worden de misstanden hier op aarde snel schrijnender,<br />

de mensen nemen niet langer genoegen met een onzekere vergoeding voor al dat<br />

leed in het hiernamaals. Velen komen dan ook tot het socialisme.<br />

Van Vloten wordt geen socialist, maar vrijdenker. Hij moet, overigens net als Multatuli,<br />

niets van godsdienst hebben. Maar beide heren verschillen in één belangrijk<br />

opzicht van mening. Multatuli heeft een sterke Jezus-verering, hij ziet in Jezus zichzelf,<br />

ziet zichzelf als een soort super-Jezus. Van Vloten begrijpt dat niet. Multatuli<br />

beweerde eerst in zijn gedicht uit 1859 'Gebed van den onwetende' dat er geen God<br />

was, en nu presenteert hij zichzelf als een soort zoon Gods! Waarom bleef Multatuli<br />

geen eenvoudig mens?<br />

Als reactie op een van de uitingen van 'Multatuli-vergoding', de brochure Een<br />

zaaier door C. Vosmaer, publiceert Van Vloten in 1874 Onkruid onder de tarwe.<br />

Deze brochure treft Multatuli hard. Hij is op dat moment echter al ervan overtuigd<br />

geraakt dat hij niets anders hoeft te verwachten dan dat hij als schrijver de geschiedenis<br />

in zal gaan. Nu net de enige kwalificatie die hij zelf het minst hoog achtte. Zijn<br />

'keizerlijke gevoelens' worden door Van Vloten afgedaan als 'zelfbegoochelende<br />

en zelfbehagelijke eigenmin'. En dat komt hard aan.<br />

Anton Constandse zei eens in een lezing dat 'het beter zou zijn geweest als Van Vlo-<br />

109


ten die brochure niet zou hebben geschreven'. Een dwaze opvatting als je het historisch<br />

bekijkt. Je stelt je onmiddelijk de vraag wat Multatuli zou hebben gedaan<br />

als..., en die is ook dwaas. Ik beweer, dat Multatuli ook zelf eindelijk had ingezien<br />

dat zijn aspiraties onrealistisch waren, dat van zijn hoop niets uit zou komen. Van<br />

Vloten bracht die haarscherp onder woorden, en Multatuli vielen de laatste schellen<br />

van de ogen. Het was uit.<br />

Men kan speculeren over Multatuli's gevoelens tijden die laatste, publikatieloze<br />

jaren. Multatuli-kenner Piet Spigt beweert dat Multatuli al veel eerder dan 1887<br />

dood had willen gaan. Hn heeft daar ook goede argumenten voor. Spigt citeert Multatuli's<br />

eigen woorden: 'verlangen naar de dood', 'als het leven een schaakparty<br />

was, zou ik opgeven', en "t wordt hoog tyd dat ik sterf'. De laatste uitspraak is zelfs<br />

van 1878, negen jaar voor Multatuli's eigen dood. Waarom pleegde hij geen zelfmoord?<br />

Spigt zegt dat hij dat in zekere zin ook doet. Hij heeft zich langzamerhand<br />

door de asthma laten slopen, en Spigt spreekt dan ook van pseudo-suïcide.<br />

Prachtige brieven heeft hij geschreven de laatste, zeg maar, tien jaar van zijn leven,<br />

dat wel. Een aantal kunt u in druk terugvinden, in de editie die de weduwe Mimi<br />

Douwes Dekker bij de Wereldbibliotheek het licht heeft doen zien in 1912. Ze<br />

komen allemaal in de editie terecht die de komende jaren zal worden afgerond. Ze<br />

laten zien hoe groot het literair talent van Multatuli is geweest, en tegelijkertijd hoe<br />

pover zijn politiek besef ook op dat moment nog is. We zien een man die zich<br />

onverzoenlijk opstelt naar zijn vijanden, maar ook naar zijn vrienden. Een inzameling<br />

die vrienden in 1882 voor hem op touw zetten gaat door zijn volstrekte onverzettelijkheid<br />

slechts op het nippertje goed, al vindt Multatuli het resultaat absoluut<br />

onvoldoende: 22.500 gulden. Dat is dus het bedrag dat evenredig is aan zijn maatschappelijk<br />

belang. De waarde die de Nederlandse samenleving aan Multatuli toekent<br />

bedraagt niet meer dan 22.500 gulden... Nu heeft Multatuli definitief het<br />

gevoel mislukt te zijn, en zijn asthma-buien wisselen elkaar met grotere regelmaat<br />

af. In zijn brieven vinden we meer en meer zinsneden als 'ik ben doodaf, van de<br />

asthma', of 'wat morphinepoeder heeft me wat rust gegeven.' En passage's als 'Ik<br />

ben moe', 'Moe van geredekavel, van scherpte, van vruchteloze inspanning, van<br />

ergernis, van teleurstelling.'<br />

Verbitterd sterft Multatuli dan uiteindelijk op 19 februari 1887. Hij had natuurlijk<br />

in zijn villa in Nieder Ingelheim wel genoegelijke tijden gekend, het was hem financieel<br />

nog zo slecht niet gagaan. Eigenlijk had het met zijn lijden in werkelijkheid<br />

nooit zo'n vaart gelopen. Wat geld betreft... Om het in Karel van het Reve's woorden<br />

te zeggen: 'Als hij een eenvoudig woninkje in de Jordaan gehuurd had en zelf<br />

zijn aardappels gekocht en geschild en gekookt, dan had hij van 800 gulden een paar<br />

jaar met vrouw en kinderen even ruim kunnen leven als wij in Betondorp.' Het lijden<br />

was iets dat Eduard Douwes Dekker met zijn pseudoniem in zijn leven heeft<br />

vastgelegd. Het was voor een deel fictie, dagdromerij. Eduard Douwes Dekkers lijdensfictie<br />

is voor hemzelf werkelijkheid geworden.<br />

Na 1860 zien we Multatuli en Douwes Dekker samensmelten, de traditionele scheiding<br />

tussen pseudoniem en werkelijk bestaande figuur verdwijnt. Hoe dit in de<br />

110


psychologie heet weet ik niet, maar voor een deel zal het wel 'waan' zijn, die lijdensobsessie<br />

van Douwes Dekker. En het was zeker geen 'eenvoudigheidswaan'. Ik wil<br />

hem hiermee niet afdoen, zoals verschillende psychiaters en psychologen zich eerder<br />

van hem als maatschappelijke vijand probeerden te ontdoen. Maar Multatuli's<br />

schrijven, zijn literatuur, is gestikt in die waan, in zijn verlangen een groot en machtig<br />

man te worden. En zulke verlangens, die moet je als schrijver nooit koesteren,<br />

daar houdt alles mee op.<br />

* Dit is de tekst van een voordracht gehouden op 10 maart <strong>1987</strong> bij de opening van de<br />

Muhatuli-tentoonstelling, georganiseerd door de Christelijke Lerarenopleiding Zwolle<br />

111


VERANTWOORDING DER ILLUSTRATIES<br />

1 reprografie: Provinciaal <strong>Overijssel</strong>sch Museum Zwolle<br />

2 reprografie: Katholieke Universiteit Nijmegen<br />

3-5 reprografie: Koninklijke Bibliotheek Den Haag<br />

6-20, 23, 24 reprografie: J.P. de Koning, Gemeentelijke fotodienst Zwolle<br />

21 Stichting Nederlands Spoorwegmuseum Utrecht<br />

22 T.J. Stieltjes, Oeuvres complkes de Thomas Jan Stieltjes (Wolters Noordhoff<br />

Groningen, 1914/1918) 2 dln.<br />

25-27 reprografie: Chr. Lerarenopleiding Zwolle/Zwolse <strong>Historisch</strong>e Vereniging<br />

DE AUTEURS<br />

Drs. Ingrid Wormgoor (1956) studeerde geschiedenis met als hoofdvak middeleeuwen aan<br />

de R.U. Groningen en is thans werkzaam als streekconservator bij de Culturele Raad<br />

<strong>Overijssel</strong> te Zwolle.<br />

Dr. R.Th.M. van Dijk (1935) is verbonden aan de 'Stichting Titus Brandsma Instituut' te<br />

Nijmegen. Hij is gespecialiseerd in de geschiedenis van de Nederlandse spiritualiteit en<br />

de Moderne Devotie.<br />

Drs. Han Brouwer (1954) studeerde geschiedenis aan de R.U. Leiden. Hij bereidt een<br />

promotie-onderzoek voor over boekaanschaf en boekgebruik te Zwolle (1777-1854).<br />

Drs. Giel van Hooff (1951) is verbonden aan de Technische Universiteit Eindhoven. Hij is<br />

bezig met een promotie-onderzoek naar de Nederlandse machinenijverheid 1850-1914.<br />

Bert Edel (1962) studeerde aardrijkskunde en geschiedenis aan de Christelijke Lerarenopleiding<br />

te Zwolle (CLZ) en is nu docent aan het Sint Maartenscollege te Haren (Gr.).<br />

Adri Ooms (1962) studeerde aardrijkskunde en geschiedenis aan de Christelijke Lerarenopleiding<br />

te Zwolle (CLZ). Hij studeert thans sociale geografie aan de R.U. Utrecht.<br />

Drs. Atte Jongstra (1956) is literatuur-journalist en redacteur van Boek en band, Typ/typografisch<br />

papier en Optima. Publiceerde o. 3.. De multatulianen. 125 jaar Multatuli-vereringen<br />

Multatuli-hulde (Amsterdam, 1985).<br />

ZWOLSE HISTORISCHE VERENIGING<br />

De Zwolse <strong>Historisch</strong>e Vereniging stelt zich ten doel uitbreiding en verspreiding van de kennis<br />

omtrent de geschiedenis van Zwolle te bevorderen. Zij publiceert daartoe drie maal per<br />

jaar een tijdschrift en een maal een jaarboek.<br />

Tevens organiseert zij lezingen en werkgroepen.<br />

Voor leden zijn hieraan geen kosten verbonden. Het lidmaatschap staat open voor iedereen<br />

die zich passief of actief voor het Zwolse verleden interesseert. De kontributie bedraagt minimaal/SS,-<br />

per jaar. Leden, jonger dan 12 of ouder dan 65 jaar betalen minimaal ƒ 25,-. Aanmelding<br />

kan geschieden bij de ledenadministratie: Brederostraat 76, 8023 AV Zwolle, telefoon<br />

038-53 96 25.<br />

112

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!